WON
WONDEREN EN (JODDELIJKE GUNSTBEWIJZEN BIJ DE UITSTELLING VAN DEN H. ROK TE TRIER, IN HET JAAR 1891.
WONDEREN
EN
tlkitjke éwstkttnjp
UIJ
M iSÃElll m 1,1 i, HOK TE II1IER,
in het jaar 1891,
VAN
DK. M. F. KORUM,
VERTAALD DOOR
IF1, -A.. r)E2sr
Ten voordeele van de E. K. B. H. Kostwinners.
m
1 Wi
A M S T E H D A M.
ü. BORG. 1894.
VOORWOORD.
Sdcnnnentnni real* nbscouderv honum ctf, opera nuf cm Dei re r flare ef eonji/eri li()/wriJi''HM ext.
Uei neimun ran een lununj /lt;quot; bewaren is t/oet/, waar de (lader, (tod* te openharen en le prijzen is eer col.
ToiilAS 1^, 7.
Het hooft den I leer liehaa^d, fjcduriMicU' het ter vcrccrinj; stollcMi van don II. Kok ( to Trior) door voel morkwaar-dijïo genezingen Zijno almacht f'1 openbaren en daardoor het geloot' der vrome hedevaartgangers te heloonen.
Van verscheiden zjjden hen ik aangezocht geworden, deze bewjjzen der goddelijke genade openhaar te maken. Kvenwel meende ik niet dadelijk aan dien drang te moeten toegeven. Ik had ook herhaaldelijk geweigerd gedurende het ter vereering stellen van den II. Kok zelf herichten van vermoedelijke genezingen het licht te doen zien. liet heerlijke schouwspel, dat zich gednrende zes weken onafgehroken in de oude bisschopsstad ontvouwde, was reeds op zich zelf een moreel wonder, wel in staat om allen, die zien wilden, tot ernstig nadenken te stemmen. Met van vreugde kloppend hart zagen w ij de dagelijks aangroeiende scharen pelgrims naar de Domkerk snellen, om den goddelijken Heiland te huldigen en Hem voor Zjjne onuitsprekelijke liefde en barmhartigheid te danken. Noch nieuwsgierigheid,
2
noch genotzucht, noch geldelijk gewin had hen hierheen geroepen; alleen het geloof was de magneet, welke hen aantrok, die hen de bezwaren en moeilijkheden van een lange reis geduldig, zelfs met opgeruimdheid hielp dragen, â het geloof aan de (iodheid ran Christus, hef zalkjmakend (jeJoof aan de inemchirnrdiny am dm Zoon run dud.
Deze verheven geloofsuiting was een machtige troost voor ill de brave Christenen, die in een nieuwe verlevendiging des geloofs en des christelijken levens het voornaamste geneesmiddel zien voor de kwalen en gevaren van i onzen tijd. Zij bewees ook den pessimistisch ge-zindem dat de trouwe overgeving aan Jesus Christus en Zijne heilige leer nog niets heeft ingeboet van hare macht op den geest en het hart der menschen ; dat in weerwil van de steeds toenemende zucht naar zingenot en naar tijdelijke goederen de zielen nog altijd de kracht bezitten, den tooverboei van het aardsche te verbreken en naaf de eeuwige idealen van het Geloof te streven. Het inschrift, dat de pelgrim leest op de obelisk van den St. Pieter te Rome, blijft waar door alle tijden : â Christus vindt, Christus regnut, Christus iinperat !quot; â Christus overwint, Christus regeert, Christus heerscht!
Dit feit moest schitterend uitblinken, en derhalve behoorde alles vermeden wat aanleiding tot een andere beoordeeling had kunnen geven. Waren berichten van waargenomen genezingen gedurende den pelgrimstocht verschenen, dan zou men ons hebben beschuldigd, aan de blijkbaar verzwakkende beweging door zulke krachtige aantrekkingsmiddelen een stoot te willen geven.
H
FiCii andere, nog veel gewiclifigei* reden noojite ons bij de openbaarmaking van wonderdadige genezingen tot groote omziciitiglieid. Hoe licht toch konden op dit gebied vergissingen plaats hebben! Een voorbijgaande verbetering in den toestand van den zieke, welliehf het gevolg van oogenblikkeljjke overspanning, mag wel als eene genade worden beschouwd, maar zij rechtvaardigt nog geenszins het aannemen van een wonderdadige genezing; althans is zij als zoodanig niet te bewijzen, wanneer de oude kwaal weldra terugkeert. De juiste beoordeeling van zulke genezingen vordert in menig geval een nauwkeurig onderzoek van wetenschappelijk gevormde vakmannen, van geneesheeren en godgeleerden. Derhalve mogen naar het voorschrift der Kerk zulke genezingen eerst dan een wonder heeten, wanneer zij na streng, alzijdig onderzoek bevonden werden werkeljjk een wonder te zijn.
$edert het ter vereering stellen van den II. Kok zijn thans meer dan twee jaren voorbijgaan. Nadat wij tot grootere zekerheid over den toestand der genezenen ons nogmaals hebben doen inlichten, legden wij alle daarop betrekking hebbende stukken over aan eene commissie van geneesheeren en theologen. 1 Iet resultaat dier onderzoekingen en besprekingen, welke in den loop van den zomer plaats hadden, ineen ik aan mijn dioce-zanen zoomede aan allen, die aan ons heerlijk feest hebben deelgenomen, niet langer te mogen onthouden. Wij volgen daarbij slechts een oud kerkelijk gebruik, overeenkomstig quot;t welk de wonderen, deze bewijzen van goddelijke almacht en goedertierenheid, steeds
4
op^cU'ckcml en ter stichring van (!lt;⢠g('l()f)vilt;^(,ii voov-gelczeii wcnlcn. Zoo verhaalt tic 11. Augustimis vclc wonderbare genezingen, welke tijdens zijn leven te Hippo en in den omtrek door de godvruchtige vereering der reliquieën van den 17. Sreplianus plaats grepi'n. â .Wilde ik.quot; zegt de heilige, ^alleen dlt;.' wonderdadige genezingen, om van andere mirakelen re /.wjjgen, he-schrijven, welke in de stad Calamis en in de onze dooiden glorierijken bloedgetuige Stephanus werden bewerkt, ilan zou ik verscheiden boekdoelen moeten vullen. Nochtans konden niet alle worden opgeteekend, maar slechts dezulke, waarvan de akten openbaar zijn gemaakt, om den geloovigen te worden voorgelezen. Dat was onze bedoeling: daar wij namelijk in onze dagen wonderdadige gebeurtemssen waarnemen, welke overeenkomen met de wonderen van vroegere tijden, willen wij niet dat zij uit de herinnering des volks gewischt worden.quot;
Om den lezer een rustig, alzijdig onderzoek mogelijk te maken, laat ik, voor zoover doenlijk, de akten zeiven volgen en bepaal er mij toe, aan het slot van elk geval het oordeel der commissie toe te voegen.
In het eerste gedeelte van hef verslag wordt uitsluitend melding gemaakt van genezingen, welke dooide commissie als onbetwistbare wonderen zijn vastgesteld. In het tweede gedeelte worden die genezingen medegedeeld, welker wonderdadig karakter der commissie onbewezen of twjjfelachtig is voorgekomen, (iehoor gevend aan den raad van een hooggeplaatst geestelijke, lid van de Congregatie der iiiten, die mij tut het
.)
opcnhiiiir niiikcn ook vnn dczi' rwijfclMchfi^i' ^cnczini^cn driiifjend iiiinspnordr, duiii ik dc/c ^cvMlIcn slechts iian :ils irunsthcw ij/en, wcikr (ii'ii ^â¢('loovin'cil ten deel vielen, lief overlatend aan den lezer, op grond der vastgestelde feiten zich een eigen oordeel te vormen. Hetzelfde geldt van de gedeeltelijke of geheele bevrijding van nerveuze aandoeningen, welke de wetenschap met den algemeenen naam âhvsteriequot; kenschetst. Dergelijke gevallen, tenzij er organische wijzigingen mede verbonden waren, werden meestal door de commissie bij voorbaat afgewezen. \\ ijl echter veeljarig en uiterst smartelijk lijden dooi- de macht van liet gebed, door hef vertrouwen op de goddelijke hulp feitelijk werd weggenomen, behooreu ook soortgelijke genezingen tot de reeks der gunstbewijzen. Zij getuigen minstens van de kracht van het geloof en van het godsdienstig gevoel, welke, hetzij door een innerljiken schok, hetzij door het sterken van de wilskracht, plotseling een einde kunnen maken aan een lijden, waaraan de geneeskundige wetenschap jarenlang tevergeefs hare krachten beproefd heeft.
at de eigenlijke wonderdadige genezingen aangaat, meen ik. om alle verkeerde opvatting re voorkomen, te moeten opmerken, dat niemand in geweten verplicht is. aan het wonderdadig karakter ervan te gelooven. Igt;e algemeene Kerkvergadering van Trente heeft ten opzichte der wonderen beslikt: âdat geen nieuwe {wonderen) mogen worden aangenomen zonder voorafgegaan onderzoek en zonder de bevestiging des bisschops;'1 Deze moet. na er kennis van te hebben gekregen .den raad van theologen en van andere godvruchtige
6
mannen inwinnen (gt;11 dicnoviTPonkomstig hef besluit nemen, dat overeenstemt met de waarheid en de godvreezen dheid.quot; â Door dit voorschrift wil de Kerk de geloovigen beschermen tegen bedrog en dwaling, maar hun geenszins ten plicht stellen, de eventueel genomen beslissing als in geweten bindend te erkennen.
Bij het lezen van de door de genezenen zeiven opgemaakte verhalen worden wij meermalen diep getroffen door het kinderlijk sterke geloof en den ootmoedigen geest, die daaruit overal spreken. Wij herinnerden ons de woorden van den 11. Evangelist Lucas; âTerzelfde stonde verblijdde .lesus zich in den heiligen Geest en sprak: âIk loof 1', Vader van Hemel en Aarde, dat Gij dit den wijzen en machtigen verborgen gehouden en het den kleinen geopenbaard hebt. .Ia, \ ader, want aldus is het welgevallig geweest in l'we oogen.quot;
Moge dezelfde ootmoedige, geloovige zin bij het lezen van de wonderen Gods in onze harten gewekt worden. Ter eere en tot lof van den menschgeworden Zoon van God, Jesus Christus, in eeuwigheid geprezen, werden zij opgeteekend, opdat wjj allen, in onwankelbaar geloof ons inniger bij Hem aansluitend, de duurzame, onverzwakte kracht van Zijn goddelijken arm, de onuitputtelijke liefde van Zijn hart erkennen en in de gevaarvolle stormen der rijden alleen op Hem onze hoop vestigen. âIn geen ander is heil te vinden; want onder den Hemel is er geen andere naam aan de men-schen gegeven, waarin wij moeten zalig worden.
Trier, li» Maart 1S94.
DK sellKl.lVER.
INLEIDING.
Het wonder in algemeenen zin.
âOpdat ons geloof verstandig zij, heeft God met de inwendige genadehulp van den H. Geest uitwendige bewijzen voor Zijne openbaring verbonden. namelijk
goddelijke daden, allereerst wonderen..... welke Gods
almacht schitterend bewijzen en voor alle menschen de tastbare teekenen der goddelijke openbaring zijn.quot;
Met deze woorden heeft het Vaticaansch Concilie de christelijke opvatting van het wonder, van zjjn wezen en duel, blootgelegd, liet zijn zichfitare daden, welke ons (iods almacht en Zjjn rechtstreeksch ingrijpen in den g:in^ der natuurlijke gebeurtenissen doen zien : zij drukken op de openbaring van natuurlijke-of boven-natuurljjke leeringen den stempel van stellige, onbedrie-gelijke waarheid.
Wijl nu de wonderen uitwendige kenteekenen der goddelijke openbaring zjjn en aan geleerden en niet' geleerden het klaarste bewijs voor de goddelijkheid en de waarheid van den christeljjken godsdienst verschaffen, kan het niet bevreemden, dat zij van de zijde der aan
s
het geloftf vijandige wctonschap bcsfrcdcn. Ja. Iiij voorbaat als ónmogeljjk vci worpcn worden, inrnsselien eene wetenschap, die zich uitsluitend aan het vaststellen van onder het liereik der zinnen vallende feiten en verschijnselen wijdt. doch. zoodra zij uit de vaststaande feiten een streng logische conclusie moet trekken, haar ii/ixirmtnis en belijdt, om
slechts het aannemen van een persoonlijken, vrij regeerenden en besfierenden (iod re ontgaan, bewijst reeds daardoor haar gansche armzaligheid en onwetenschappelijkheid. Al verwerpt echter een ongeioovige wetenschap het wonder, wijl door het aanr inen daarvan liet vertrouwen op liet onveranderlijke van de natuurwetten en daarmede de noodzakelijke grondslag der empirische natuurwetenschap zou verloren gaan (Tvndall). of al sluit de aan het geloof v|jandige historische critiek klakkeloos het wonder uit. omdat alles wat is en geschiedt uit z|jn oorzaken volgens natuurlijke wetten voortkomt (Aon Sybel), de Christen wordt daardoor in zijn overtuiging van de mogelijkheid en het werkelijk bestaan dier wonderen niet geschokt.
Het Evangelie verhaalt niet slechts talrijke wonderen door den Heer gewrocht, maar liet zegt ook. dat Jesns Christus Zich op deze Zijne werken beriep, om geloof voor z|in getuigenissen te vorderen: â(ielooft gij niet dat Ik in den \ ader ben en dat de Vader is in Mij quot;r1 Zoo niet, geloof Mij dan om den wille van .Mijne werken? En andermaal: âIndien Ik geene werken onder u had verricht, die geen ander verricht heeft, dan zoudt nij geen zonden hebben.quot;
lt;)
De goddelijke Heiland lielooft zelfs uitdrukkelijk, dar de i^ave van wonderen re verrichren met Zjjnen dood niet zal ophouden, maar hij Zijne leerlingen zal voortduren: âVoorwaar, voorwaar. Ik zeg het u, wie in ^lij gelooft die zal ook de werken verrichten, welke Ik verricht, en hij zal nolt;r grootere werken doen dan deze.quot; En hij Zijn laatste samenzijn niet Zijn leerlingen na de Verrijzenis herhaalde Hij plechtig: âZij echter die gelooveu zullen deze wonderen verrichten: In Mijnen naam zullen zij duivelen uitdrijven, vreemde talen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zoo zij iets doodelijks mochten gedronken hehhen, zal het hun niet schaden; kranken zullen zij de handen opleggen en (lezen zullen gezond worden.quot; Hoe na zulke onduhhelzinnige verklaringen van Christus zekere lieden, die de II, Schrift als (iods Woord erkennen, de niogeljjkheid der wonderen na den dood van ('hristns en de Apostelen loochenen, is moeilijk te hegrjjpen.
Een geloovig Christen moet de mogelijkheid der wonderen toegeven, wil niet de geheele evangelische mededeeling een jjdele fahel schijnen. Dat wij de mogeljjkheid. het kenteeken en de bewijskracht van het wonder in t geen hierachter volgt in het kort uiteenzetten. geschiedt dus alleen, om aan te toonen dat de tegenwerpingen der tegenstanders van het Geloof onze vaste overtuiging niet vermogen te doen wankelen en zelfs door hef eenvoudige gezond verstand als uiterst zwak moeten verworpen worden.
10
Mogelijkheid der wonderen.
âWat is dan het wonder-' Hef wonder, in strengen zin opgevat, is een onder het hereik der zinnen vallend feit of werking, door (iod buiten de door Hem vastgestelde en in de natuur waargenomen orde voortgehraeht.quot; Aldus wordt het wonder door den H. Thomas van Aquine verklaard, l it de rij der wonderen verdwjjnen dus aanstonds alle verschijnselen, die, hoe grootsch ook, evenwel door de natuur der zaken kunnen worden teweeggebracht en in de bestaande natuurkrachten hunne oorzaak vinden. Wanneer echter eene zekere moderne richting elke van God uitgaande werking een wonder noemt, dan laat zij het eigenlijk begrip van het wonder varen, om des te zekerder en gemakkelijker de mogelijkheid dei-wonderen zeiven te kunnen loochenen. Niet elke werking, welke door God alleen kan worden voortgebracht en waarvoor een oneindige kracht noodig is, zooals bijv. het scheppen van de wereld, de eerste voortbrenging der levende organismen, noemen wij een wonder, maar slechts die buitengewone werkingen, welke de krachten der natuur te boven gaan en door God worden voortgebracht zonder dat de natuur der dingen op zich zelve eene dergelijke goddelijke werking ver-eischt. â Daarbij onderscheidt men oen tweevoudige klasse van wonderdadige werkingen ; vooreerst die. welke de natuurkrachten nooit of nimmer kunnen voort!»rengen. zooals het opwekken van dooden of een nieuw leven
11
geven aan domic Icdcinatcn. waarvan wij in liet Evangelie en in de Levens der Heiligen dikwijls lezen; rweedens dusdanige werkingen, welke de nafuurkraehfen wèl door zich zeiven zouden kunnen voortbrengen, maar niet op zulke wijze, itv. wanneer, zooals de heilige Thomas opmerkt, een zieke plotseling zijne volkomen gezondheid terugkrijgt buiten den gewonen loop der genezing om. gelijk die anders door de krachten der natuur of de kunst van den geneesheer had kunnen verkregen worden. Daar echter ieder schepsel aan de natuurwetten onderworpen is. gaat alleen van God het wonder uit. âSlechts Degene,quot; leert de H. Hilarius, âdie aan elke natuurkracht hare wet voorschrijft, is aan de wetten der natuur niet onderworpen.quot;1
Tot het begrip van liet wonder belmoren derhalve volgende kenmerkende momenten: het is eene onder het bereik der zinnen vallende buitengewone werking, nier uitgaande van de in de natuur aanwezige krachten, maar van (iod als de eenige oorzaak ervan. I it dit begrip van het wonder bljjkr terstond zijn mogelijkheid, en men zou mogen veronderstellen dat geen denkend mensch. die hef bestaan van (iod aanneemt, zich kan afvragen, of het wonder mogelijk is. Een wijsgeer van de vorige eeuw, .lean Jacfjiies Rousseau, voor een oogenblik luisterend naar het gezond verstand, laat zich aldus hierover uit: âKan (iod wonderen verrichten, m. a. w.: kan Hij inbreuk maken op de wetten, welke Hij zelf gegeven heeft'?1quot; Deze vraag, ernstig gesteld, zou goddeloos zijn. zoo zjj niet onzinnig ware. Hem. die dit zou willen loochenen, zou men te veel eer
12
aandoen met hem re snuffen ; her zou voldoende zijn hem op te sluiten. Maar welke mensoh ook heeft ooit getwijfeld, of God wonderen kan wrochten Waf
Rousseau onmogelijk aehtte. is. helaas, toeh geschied. T)e menseh kan ook de helderste waarheden loochenen, wanneer deze de vervulling der wensehen van zjjn hart in den weg staan. Yooroordeelon maken blind en. gelijk reeds Pascal opmerkte, .liet hart heeft gronden, die geen gronden zjjn.quot; Wat is klaarder dan de wiskunstige stelling 2 X 2 â 4 Kn toeh, zoo het aannemen van die stelling eenigen zedeiijken plicht ten gevolge had. zouden spoedig geleerden optreden, om re bewijzen; dat die stelling niet onbetwistbaar vaststaat, dat zeer licht zelfs bjj wiskunstig zekere conelusiën eeue dwaling kan voorkomen, (ifelukkigerwijze leggen marheinatisehe stellingen geen zedelijke verplichtingen op en kunnen zoodoende onbetwist blijven geleeraard worden.
Spinoza vindt in het wonder ..|)uren onzinquot;, en menigeen heeft het hem trouw nagebauwd. Maar welke onmogelijkheid dan kan in het lgt;egri|i van het wonder gelegen zjjn. daar de bestanddeelen van het hegrijt elkander geenszins weerspreken ? Zooals wij hiervoren opmerkten, steunt de mogelijkheid van het wonder op de waarheid, dat er een persoonlijke (iod bestaat, dat deze persoonlijke God de Schepper. Bestuurder en Regeerder der wereld is. Door de schepping van het heelal heeft Hij echter noch Zijne macht uitgeput, noch ook aan de ontwikkeling dier macht door de wetten, welke Iljj uitvaardigde, eeue grens gesteld. Dezelfde almachtige wil. die het heelal te voorschijn riep en door
18
ili' nntuurkrachtcn werkt, kiin ook zonder die krachten werkingen voortbrengen. Kvenmin is voorts van de zijde der natuur en van hare wetten een weerspreking van het wonder mogelijk. De tegenstanders van de wonderen beroepen zich wel altijd op de bestendigheid en de onveranderlijkheid der natuurwetten ; zij ontkennen de mogelijkheid van het wonder, wijl dit niet zonder verbreking van de wereldorde geschieden kan. Maar do wereldorde is geenszins een absolute, onvoorwaardelijk noodzakelijke, doch een voorwaardelijke. In de natuur zelve worden geringere krachten door hoogere in haren loop dagelijks gestoord of gewijzigd. De steen valt dooide wet der zwaartekracht o|) den grond ; slingert eehtffr een andere kracht hem in de hoogte, dan wordt daardoor nog niet de wet der zwaartekracht zelve, maar alleen hare werking voor dit enkele geval opgeheven. Een vergif zal natiiurljjk schadelijk inwerken op het inenscheljjk organisme, doch wordt een tegengif ingenomen, dan is de doodelijke werking van het gif te niet gedaan. \\ aaroni zouden nu de natuurwetten er zich tegen verzetten, dat üod zonder tegengif dezelfde werking voortbrengt 'i âWanneer gjj iets doodelijks drinkt.quot; zegt het Evangelie, âzal het u niet schaden.'quot; Xoch met betrekking tot God, noch met betrekking tot de natuur kan derhalve de onmogeljjkheid van het wonder bewezen worden, .luist in de onbegrensde macht van God, zoomede ook in de voorwaardelijkheid en afhankelijkheid der natuurkrachten vinden wij den diep-sten grond van deze mogelijkheid.
u
Het kenteeken van het wonder.
Indien nu het wonder mogelijk is. wanneer liet door God voor een bepaald doel wordt verricht, dan moet hot ook re herkennen zijn. ij hebben bierbij twee momenten re onderscheiden: 1quot;. de kennis van het feit, dat als wonder wordt aangeduid, en 2quot;. het wonderdadige karakter dezer gebeurtenis.
Het feit zelf wordt door de geloofwaardige verklaring der getuigen evenals als elke andere historische gebeurtenis bewezen. \V anneer zekere geschiedschrijvers op apologetisch gebied de bewijskracht der wonderen daardoor trachten te ontzenuwen, dat zij zulke feiten bij voorbaat verwerpien, ze naar het rijk der fabelen verwijzen of voor leugen en bedrog verklaren, dan maken zij het zich waarlijk toch al te gemakkelijk en ontkennen aanstonds elke mogelijkheid, om de historische waarheid met zekerheid te bepalen.
Treffend schrijft over zulke geschiedvorscbers (nirres in zijne mvstiek: âZoo is derhalve het feit in deze zaken door het strengste en grondigste getuigenbewijs, dat in menschelijke aangelegenheden gevorderd en met menscheljjke krachten gedaan kan worden, vastgesteld ; het niet te erkennen en het daardoor uitgemaakte als bedrog en misleiding te verwerpen, is de waarheid zelve loochenen en alle mogeljjkheid, om haar te bewaren. absoluut ontkennen. Loochen tegenover mij wat de getuigenis der besten en geloofwaardigste!! door alle eeuwen heen herhaaldelijk hebben vastgesteld, en ik
loochen U'gcnovcr u, vun lift ht-gin tot lu*t ('inde, de giinsehe woreldgesehiedenis, â die op geen heter, maar op een veel minder vertrouwbaar getuigenis berust, namelijk op den door allerlei belangen in het dwaalspoor geleiden hartstocht â ; ja, zelfs quot;t geen gij verklaart niet eigen oogen daarvan gezien te hebben, is mij niets waard: want wie goede trouw en geloofwaardigheid niet hij anderen eert, kan daarop ook voor zich zeiven geen aanspraak maken.quot;
Uij de vaststelling van de feitelijke gebeurtenissen geldt het voorvallen, die door iedereen, zoo bij over het gezonde gebruik van zijn zinnen beschikt, kunnen worden waargenomen. Noch wetenschappelijke vorming, noch gerijpt oordeel wordt daartoe gevorderd. De aan waterzucht Ijjdende Schater van 1 lerschwiesen, wiens plotselinge genezing hierachter verhaald wordt, was zoo gezwollen, dat hij zijn kleeren niet meer kon toeknoopen. Een uur later zijn de verschijnselen der waterzucht, is het gezwollene van het lichaam volkomen verdwenen, zoodat ieder, die den zieke vroeger gezien heeft, het moet waarnemen. Ziedaar een feit, dat met volstrekte zekerheid en op de gemakkelijkste wijze door ooggetuigen te constateeren is, een feit, dat men met geen voornaam schouderophalen of met spitsvondigheden kan wegcijferen. Bedenkt men verder dat de getuigen niet het minste belang hij verdraaiing van de waarheid hebben; dat zij braaf, godvreezend en waarheidlievend zijn, bereid om hun verklaringen met een eed te bevestigen ; dat de kerkelijke overheid bij het onderzoek van de wonderen nier de grootste gestrengheid en de
10
uifcrsfc voorzichtigheid te werk giiiit en de getuigen herhaaldeijjk aanmaant, hun verklaringen rijpelijk te overwegen, dan kan zelfs niet de minste twijfel aangaande die verklaringen worden geopperd.
Evenals do algemeen geldende grondstellingen van het historisch bewijs hjj het vaststellen van de feiten den maatstaf aangeven, moeten ook bij de quaestie van het wonderdadig karakter van het feit de algemeene grondstellingen der ervaring en der natuurwetcnsdiap worden in acht genomen. Volgens deze zijn wij in de meeste gevallen in staat, met volle zekerheid t!' beoordeelen, of e.ene feitelijk aanwezige werking uit eene natuurlijke oorzaak is voortgekomen of niet.
Zoo leert ons de ervaring, dat de natuurwetten onder zekere voorwaarden en gelijke omstandigheden met physische noodzakelijkheid hare werking moeten verrichten. Eene wonde bijv. bij een mensch van gezond gestel met normalen warmtegraad van het bloed en antiseptisch behandeld, geneest altijd binnen een bepaalden tijd. Sluit zich echter deze wonde plotseling, zonder aanwending van een natuurlijk middel. dan moeten wij met absolute zekerheid aannemen, dat de genezing niet een gevolg van de natuurwetten is.
De tegenwerping, dat eene onbekende natuurkracht aan het werk zou kunnen zijn geweest, is strijdig met bet gezond verstand. Ware er zulk eene natuurkracht, dan zou zij onder gelijke omstandigheden hare werking met physische noodzakelijkheid altijd moeten verrichten. Velen lijdend aan dezelfde lichamelijke gebreken en bezield door hetzelfde vurige verlangen, de genezing te
verkrijgen, raakten het Heilige Kleed aan, en toch werden slechts enkelen genezen. Werd do genezing door eeuige geheime, tot dusver onbekende natuurkracht liewerkt, dan blijft het bij het aannemen van hut bestendige dei- natuurwetten absoluut ondenkbaar, dat niet altijd onder gelijke omstandigheden eenzelfde werking verkregen wordt. Wij zijn derhalve gerechtigd, daaruit te besluiten, dat eene dergelijke natuurkracht niet bestaat, dat de waargenomen feitelijke werking niet uit een natuurlijke oorzaak is voortgekomen. Is hier echter geen natuurkracht in het spel, dan moet het gezond vorstand met onfeilbare zekerheid de gevolgtrekking maken, dat (nul rechtstreeks met Zijn almachtigen wil heeft ingegrepen en men met een wezenlijk wonder te doen heeft.
Men voere nier aan, dat niemand al de verborgen natuurkrachten kent, dat de wetenschap in haar rusteloos voortschrijden nog vele geheimen zal oplossen, welke thans onoplosbare vraagstukken voor ons zijn. Voor dat alles moge grond bestaan, het is niet noodig, alle krachten der natuur te kennen, om in een gegeven geval met zekerheid te besluiten, dat geen natuurkracht aan het werk is geweest, evenmin als het noodig is, alle stellingen der wiskunde te begrijpen, om te weten dat de hoeken van een driehoek nooit meer en nooit minder dan twee rechthoeken bedragen. Wanneer de gezichtszenuw dood is, zooals bij Helena Daniel, en plotseling nieuw leven krijgt, is het geenszins noodzakelijk, alle natuurkrachten te kennen om met zekerheid te verklaren, dat hier eeno hoogere macht heeft ingegrepen.
o
18
Oelijk wij hierboven opmerkten, zijn do natuurwetten bestendig. De natuur, aan zich zelve overgelaten, ontwikkelt hare kracht in ongestoorde harmonie en orde. Zou in hare werkingen een onberekenbare willekeur zich uiten, dan kon van het onderworpen zijn van de natuur aan wetten in het geheel geen sprake meer zijn. Zoo wij echter ook toegaven, dat er misschien natuurlijke middelen kunnen bestaan, die het verdwenen gezichtsvermogen herstellen, dan nog zouden wij bijv. in het aangevoerde geval van Helena Daniel hot wonder met absolute zekerheid volhouden, daar volstrekt geen middelen tot genezing van het blinde oog zijn aangewend.
Terecht merkt een schrijver op : âMen kan tal van gevallen bedenken, van welke wij niet weten, of zij aan deze of aan gene zijde van de natuurwet liggen, wijl wjj de grens tusschen het natuurlijke en het bovennatuurlijke niet wiskunstig kunnen bepalen. Wat volgt daaruit? Dikwijls genoeg ben ik niet in staat op een schilderij de juiste lijn aan te wjjzen, waar het rood ophoudt en het blauw begint, en toch vermag elk gezond oog in zeer veel gevallen de blauwe van de roode kleur te onderscheiden. Er zijn ook in de werkelijkheid zeer veel gevallen, waarin ik stellig weet, wat de natuurkrachten niet vermogen; doet zich zulk een geval voor, dat weet ik zeker, dat hier een wonder aanwezig is.quot; ')
Inzonderheid in onze dagen wijst men ter verklaring
') Tilliuaa J'esch: Die grossen Wcltriithsel, Philosophic der Natur.
19
van het wonder gaarne op zekere buitengewone physio-logische toestanden, zooals bij slaapwandelen, helderziendheid, magnetisme, zinsbegoochelingen. Sedert eenige jaren spelen ook het hypnotisme en de suggestie oen groote rol. Dat zijn altemaal versehjjnselen, zooals wij die, deels nog in verbazender mate, bij de toovenaars van het oude heidendom en nog heden ten dage vooral in Indië vinden. De feiten, welke ons worden voorgehouden en waarvan w ij de waarheid hier niet hebben te onderzoeken, bewijzen slechts, dat in dergelijke gevallen de grootste voorzichtigheid geraden is, maar zij kunnen den door ons geconstateerden wonderen niet in het minst afbreuk doen. Die wonderen hebben hoegenaamd geen gelijkenis met zekere experimenten, welke met veel vertoon op hysterische personen in gasthuizen genomen worden. Stoornis der zenuwen moge kunnen worden weggenomen, de hypnose, de suggestie maakt geen blind kind ziende, geneest geen lijder aan lupus en geen waterzuchtige. Bij de zieken, welke eene bedevaart maakten naar de heilige reliquie, heeft geen dressuur plaats gehad, zooals bij zekere hysterische tentoonstellingen ; er waren geen mediums in het spel en niemand trachtte op de verbeelding der lijders te werken. Al waren allen bezield door het levendig verlangen, de bevrijding van hun lijden te verkrijgen, hun vertrouwen was toch een voorwaardelijk vertrouwen. Zij wenschten namelijk slechts de gezondheid terug, zoo het de wil was van God en het tot heil strekte van hunne ziel. In het deemoedig'gevoel der menscheljjke zwakheid en zondigheid achtten zij zich eene zoo groote gunst onwaardig.
20
Bij bet wegncini'ii Viin ncrvcu/.L' roestenden, welke door organische veranderingen nier w iiiirneembaar zijn, ofschoon zij hevige aaniioudende pijn veroorzaken, zal het inderdaad dikwijls moeilijk wezen, een scherpe grens te trekken tusschen de werkingen van de natuurkrachten en het ingrijpen van een lioogere macht. Derhalve is het in zulke gevallen zaak. uiterst voorzichtig te zijn, en zoolang de mogelijkheid van een natuurlijke verklaring dor genezing bestaat, zal men ze niet als wonderen kunnen beschouwen.
Yoor het overige zij hier terloops aangestipt, dat de macht der verbeelding of van zicleschokken bij het wegnemen van zekere ziekelijke toestanden niet eerst door de nieuwere theorieën der suggestie en hypnose is bekend geworden, lienediotus XI \ verhaalt, dat in een geval van plotselinge genezing van smartelijk jicht-lijden door de voorspraak van den zaligen Johannes de Prado hij-zelf als jti'oinotoi' de bedenking heeft ingebracht, of deze genezing niet eer aan het sterke vertrouwen en het vurige verlangen naar gezondheid van de zijde des lijders dan aan de voorspraak van den zaligen Johannes was toe te schrijven. Dezelfde geleerde Paus maakt voorts gewag van de heoordeelingen van verscheiden geneeskundigen, die den invloed der verbeeldingskracht bij het wegnemen van ziekelijke toestanden onomwonden toegeven. Intusschen zal de verbeelding organische kwalen onmogelijk kunnen wegnemen.
In de door ons als wonderen aangeduide gevallen geldt het echter niet alleen de genezing van nerveuze toestanden. Waterzucht, lupus, verlamming der gezichts-
21
#
|
zenuw, volkomen blindheid van het oog bij een kind van anderhalf jaar kunnen door geen macht der verbeelding, hoe groot ook, genezen worden. Bij een klein kind valt daaraan ook geenszins te denken. Op natuurlijke wijze blijft de genezing van dit lijden een onoplosbaar raadsel. De feiten zijn evenwel, zooals uit het akten-materiaal blijkt, absoluut niet te loochenen; zij kunnen dus hun verklaring slechts vinden in een rechtstreeksch ingrijpen van God, en dit ingrijpen noemen wij terecht een wonder.
Bewijskracht der wonderen.
Xadat wij de mogelijkheid en het kenteeken van de wonderen hebben bewezen, zal het wel niet noodig zijn, nog veel over de bewijskracht daaraan toe te voegen. Deze bewijskraciit is voor geleerden en on-geleerdeu helder en khmr. * gt;nze tegenstanders zelfs geven dir toe. De hardnekkige loochening van het wonder is alleen te verklaren door de vrees voor de noodzakelijke conclusiën. welke uir het feit van het wonder moeten getrokken worden, liet wonder bewijst, dat de wereld niet door een blind noodlot wordt geregeerd, maar door een persoonlijken God, die in Zijne almacht, wjjsheid en goedheid in den loop der natuur ingrijpt, wanneer en zooals het Hen: behaagt, wijl de
geheele natuur aan lioni onderworpen is. â âGrod doet van tijd tot tijd wonderen,quot;quot; leert de H. Thomas, âter openbaring van Zijn almacht; want op geen voortreffelijker wijze kan bewezen worden, dat de gansohe natuur onderworpen is aan den gopdelijken Wil dan wanneer de Heer somwijlen buiten den loop der natuur werkingen voortbrengt. Er blijkt uit, dat de regeling der dingen van Hem uitgaat, niet krachtens de noodzakelijkheid der natuur, maar krachtens het vrije besluit van Zijn wil. Dat Ood in de natuur werkingen teweegbrengt, om zich aan den inenschelijken geest te openbaren, mag ons niet een weinig afdoend bewijs toeschjjnen. Alle stoffelijke wezens zijn namelijk aan de geestelijke natuur om zoo te zeggen als aan hun einddoel ondergeschikt gemaakt; het doel van de geestelijke natuur bestaat echter in de kennis van God. Hef kan ons derhalve niet verwonderen, dar veranderingen in de stoffelijke wezens voorkomen als middel om de geestelijke natuur tot de kennis van God te brengen.'quot;
Er ligt wellicht voor den wetenschappeljjken hoogmoed van menigen natuurvorscher iets verpletterends in het feit, dat in onze verlichte negentiende eeuw zooveel wonderen geschieden; doch van den anderen kant zijn juist deze wonderen onomstooteljjke bewijzen van Gods liefde en barmhartigbeid. De eenzijdige studie der natuurwetenschappen is voor menigeen een verleiding geworden tot het ongeloof; bij het nasporen van de wetten der natuur hebben zij den hoogsten Wetgever buiten aanmerking gelaten. Het wonder plaatst hen vóór een raadsel, dat door de naturalistische
wereldbeschouwing niet kan worden opgelost; het noopt hen tot nadenken en voert hen ten slotte tot de kennis van God terug.
Vergezelt het wonder de openbaring van eene godsdienstleer, dan legt het getuigenis af van de waarheid dezer leer, daar God onmogelijk kan gedoogen, dat het menschdom door wonderen in dwaling gebracht wordt. De genezingen, welke ter gelegenheid van bedevaarten, hij vereeringen van rel.iquieën plaats hebben, bewijzen evenzoo, dat deze gebruiken en die betuigingen van hulde voor den Christen heilzaam en Gode welgevallig zijn.
Misschien vraagt men, waarom onder het groote getal zieken betrekkelijk zoo weinigen genezing vonden. Deze vraag drong zich reeds aan den H. Augustinus op bjj de verklaring van de genezing van den acht-en-dertig-jarige bij de beek Bethsaïda. Er lag daar een menigte zieken van allerlei soort: lammen, blinden, uitgeteerden, en wachtte op genezing; maar Jesus genas slechts dien éénen zieke. âZoovelen lagen daar,quot; zegt de heilige Kerkleeraar. âen slechts één werd genezen, ofschoon Hij (de Heiland) allen door een enkel woord de gezondheid kon teruggeven..... Bijaldien wij dit met het bekrompen, liet begrensde menschelijke verstand overwegen, dan vertoont zich noch Zjjne macht noch Zijne liefde in een bjjzonder licht..... Hoe moeten wij ons derhalve die genezing anders verklaren dan hierdoor, dat Zjjne macht en Zijne liefde bij Zijne werken meer het eeuwige leven der zielen dan de tijdelijke genezing van het lichaam beoogen.quot; Wie kent de raadsbesluiten
24
Gods? Het wonder is bet geheel bijzondere werk dei-goddelijke almacbt en van onbegrensde vrijheid. In zekere tijden komt liet dikwijls voor, in andere zeldzamer.
15ij het eerste optreden van hef Christendom, in het leven der verkondigers van het Geloof onder de hei-densche volken gebeurden opmerkelijk veel wonderen; ze waren noodzakelijk, om de goddelijke zending der Apostelen te bevestigen, om op de leer der na hen komende geloofsverkondigers het zegel der onfeilbare waarheid te drukken.
.Bij de grondvesting der Kerk,quot; schrijft de II. Gre-gorius de Groote, «waren deze teekenen noodzakelijk. Het geloof der eerste Christenen moest door wonderen versterkt en ontwikkeld worden. \\ anneer wij jonge boomen planten, dan begieten wij ze evenzeer, totdat zij in den bodem vast wortel hebben geschoten. Zoodra dit geschied is, houden wij met het begieten op.quot; Om die reden zjjn daar waar het Christendom bereids is ingevoerd de wonderen niet zoo talrijk meer. Het gedurende zooveel eeuwen bestaan van de Kerk van Christus, in weerwil van bloedige vervolgingen, ondanks den hardnekkigen weerstand der menschelijke hartstochten, waartegen Zij overal optrad, is op zich zelf reeds in de oogen van een onbevooroordeeld denkend mensch hot grootste zedelijke wonder. ()p de vraag, waarom dan de wonderen van het Kvangelie heden ten dage niet meer zoo veelvuldig voorkomen, antwoordt bereids de II. Augustinus: âWie nog een wonder verlangt en niet gelooven wil, hoewel de gansche wereld gelooft, die is zelf het zeldzaamste wonder.quot;
Voor liet ronigvnllcn in liet ongeloof' te midden van het licht der christelijke openbaring geldt wat de Heiland in de Parabel verhaalt van den rijken vrek. Deze smeekte, dat men iemand uit de andere wereld naar de aarde zou zenden, om zijn broeders voor de plaats van zijn kwellingen te waarschuwen. rZoo een uit den dood opgewekte tot hen kwam, zouden zij,quot;quot; meende hij, âboete doen.quot; Hem werd echter geantwoord; âZij hebben Mozes en de profeten; zoo zij niet naar dezen luisteren, zouden zij ook niet geiooven indien er een uit den dood opstond.quot;
God verricht ook niet wonderen ter bevrediging van de menschelijke nieuwsgierigheid. Koning Merodes, die van den Heiland een wonder verwachtte, werd niet eens een woord waardig gekeurd. âHet is God beproeven,quot; zegt de 11. Augustinus, âwanneer men teekenen en wonderen verlangt, niet tot ons heil. doch ter bevrediging van onze nieuwsgierigheid.quot;quot;
Intusschen geschiedden en geschieden nog wonderen te allen tijde. âJesus Christus is Dezelfde, â gisteren, heden en in alle eeuwigheid.quot;' Het geloof aan Zijne godheid, aan do door Hein gestichte Kerk, is de eeuwige wen,- ten heil. Dat juist is het oogmerk, quot;t welk de Heiland heeft, wanneer Hij heden ten dage nog wonderen verricht. Daarom roepen de zieken Hem rechtstreeks of zjjdelings aan, wanneer zij om bevrijding van hun lijden smeeken. Worden niet allen genezen, allen ontvangen toch den troost en vóór alles de genade, om hun beproeving geduldig en onderworpen te blijven dragen, wat dikwijls een veel grooter zedelijk wonder is dan de lichamelijke genezing.
20
In de verhalen der genezenen vinden wij overal een diepen ootmoed, een onwankelbaar vertrouwen op God, een kinderlijke onderwerping aan Zijn heiligen wil. Den ootmoedigen echter schenkt de Heer Zijne genade. Yoor het overige moet ik hier nog hij voegen, dat veel der mij berichte genezingen niet aan het onderzoek der commissie konden onderworpen worden en derhalve in ons Verslag niet werden opgenomen, bloot uit gebrek aan getuigenissen van geneeskundigen. Eenigen hadden aan een attest van den arts omtrent hun gezondheidstoestand niet gedacht, wijl hun ziekte algemeen bekend was, en bjj anderen wilde de geneesheer zich daartoe niet laten vinden.
Ik ben velen geneesheeren dank verschuldigd, inliet bijzonder den uitstekenden vakkundigen, dit', ofschoon hun tijd door beroepsbezigheden werd in beslag genomen, met beminnelijke bereidwilligheid aan de werkzaamheden der commissie hebben deelgenomen, en wier nauwgezet oordeel bij de besprekingen van een mogelijk natuurlijk verloop der genezing voor de beslissing der theologen den doorslag moest geven.
Wat nu de door de geneesheeren afgelegde verklaringen vóór en na de genezing betreft, zal men het begrijpelijk achten, dat deze met de meeste omzichtigheid zjjn opgesteld. Onwillekeurig denkt men bjj menige verklaring aan de woorden van dr. Boissarie: âDeze rapporten zjjn eenig in hun soort. Volstrekt niets zeggend, kunnen zij degenen, die ze opstelden, op geeuerlei wijze conipromitteeren.'1 - Wjj verlangden van hen geenszins een oordeel over het wonderbare karakter
'27
der genezing zelve - ilat hndden zij met recht kunnen weigeren, â maar wij meenden dat de beoordeeling van de ziektetoestanden tot hunne bevoegdheid behoorde en zij derhalve over den toestand vóór en na de ziekte zonder eenige bedenking zich zouden uitspreken.
De zooeven genoemde dr. Boissarie doet in zijn geschrift omtrent zijn vroegere houding ten opzichte van zulke gevallen een vrjjmoedige bekentenis, welke mij de hierboven aangeduide bedenkingen betreffende het verkrijgen van geneeskundige attesten volkomen ophelderde. Ik laat hier zijne woorden volgen: âIn de
laatste maanden van het jaar 1S71..... kwam eene
Moeder-overste tot mij met het verzoek, om over de genezing van een barmhartige Zuster een geneeskundig attest op te maken. De Zuster was op een bedeAraart plotseling en wel onder de meest buitengewone omstandigheden genezen geworden. Zij vertoonde zich vóór mij met alle kenteekenen eener volkomen gezondheid. Toch scheen mij het verlangen der overste zonderling toe; ik vermocht nauwelijks mijne verbazing en verlegenheid te verbergen en kon niet besluiten mijn naam onder een dergelijk document te plaatsen. Ik kende immers deze jonge Zuster .... maandenlang had ik haar behandeld, maai' al mijn pogen, al mijne zorgvuldigheid had niets gebaat.... Vanwaar deze plotselinge gunstige wendingy... O, ik was volstrekt niet nieuwsgierig. Ik wilde het niet weten; van het oogenblik af dat het ziekteproces van zjjn gewonen loop afwijkt, hebben wij geneeskundigen met de patiënten niets meer te doen. \\ at zouden overigens mijn vrienden, mijn collegaas
2lt;S
zeggen, zoo ze mijn naani onder een dergelijk attest lazen !
âIk zag reeds hun spotlach.....ik kon toch niet een
weg inslaan, waardoor ik op het gebied des geestes den eersten stap op de helling ging zetten. ()p de herinnering aan de leer aan de Universiteit opgedaan, op mijne overleveringen, op mijn verleden, - op alles ware een smet geworpen; ik zou een verloren man zijn geweest.
â âEerwaarde Moeder-overste,quot; gnf ik eindelijk ten antwoord, âik kan u het verlangde attest onmogeljjk ter hand stellen. . . De overste drong aan, maar vergeefseh, mijn besluit stond onherroepelijk vast. Toen de Zusters zich hadden verwijderd, viel mij een groote steen van het hart, ik was aan een hoogst ernstig gevaar ontkomen.
âHad ik mijn naam onder liet attest ter bevestiging van een wonder gezet, dan zou dit in druk in de katholieke bladen zijn verschenen : daardoor zouden mijn positie en mijn naam als geneeskundige gevaar hebben geloopen; met eigen hand zou ik mijn levensgeluk hebben verstoord.
âIk borg derhalve met zelfvoldoening de stukken
weg, om ze nimmermeer aan te zien.....Het geval
was intusschen van het hoogste belang.....Maar neen,
ik wilde niets weten, en buitendien had ik er allerminst lust in, mij door zulk een zaak te compromitteeren.
âMet dat al was ik geen ongeloovige. God beware mij daarvoor! Wellicht was mij iets aangewaaid van den geest der moderne wetenschap? Ik weet het niet. Ik bevond mij in die stemming van geest, waarin wij allen de hoogescholen verlaten, met elkander verbonden
'29
door (icn hand van hof gemoonst'happcljjk belang, nog geheel onder den indruk der ontvangen leer.quot;
Indien zulke overwegingen en vooroordoelen zelfs iti geloovige kringen worden gevonden, hoezeer moet ik dan God den Heer danken, dat nog zooveel geneeskundigen moedig en onversaagd voor hun wetensehappe-lijke overruiging o])koinen. Zij handelen als dr. (quot;hrestien, professor aan de geneeskundige hoogesehool van Mont-pellier, die uitvoerig de wonderdadige genezing van een zijner zieken verhaalt en /.iju rapport besluit niet de woorden: âWaarom zou ik geen attest afgeven van deze wonderdadige genezing ? Waarom niet de spotternijen van zekere zoogenaamd sterke, maar eigenlijk zwakke geesten trotseeren ? â Fais ce cpw dois adrienne (ji/c poiirrd. (Men doe zijn jilicht en hekommere zich verder om niets),quot;quot;
Aan dit woord, waaiinede de professor zijne handeling reehtvaardigt, voegen wij de volgende inscriptie toe van een oude Straatsburgsche munt; âTime recht, schnw Xicinanrlquot; ( Doe wel en zie niet om). Daarmede willen wij onze inleiding besluiten.
Het wonder is een werk van de goddelijke almacht. De lieer verricht het te Zijner eer, te onzer leering, inzonderheid ook ter belooning van het innige geloof, van het vaste vertrouwen van den zieke. Voor zulk een daad van God moet dus een kenteeken bestaan. Gedeelteljjk passen op de wonderdadige genezingen, welke in onzen tijd geschieden, de woorden, welke de 11. Augustinus over de wonderen schrijft: âDe wonderen van Onzen Heer Jesus Christus zijn goddelijke werken,
80
en zij manen den menscheljjken geest aan, God uit Zijne zichtbare dingen te kennen. Daar Hij geen Wezen is, dat men met de oogen zien kan, en de wonderen, door welke Hij het heelal regeert en de gansche Schepping bestiert, door hun dagelijksch terugkeeren aan waarde verloren hebben, want wie komt er nog toe, op de wonderdadige en verbazende werking van God in eiken zaadkorrel te lettend heeft Hij zich volgens de raadsbesluiten van Zijne barmhartigheid eenige daden voorbehouden, welke Hij te gelegener tijd buiten de orde en den gewonen loop der natuur verricht, opdat niet grootere, maar wel meer ongewone werken de verwondering der menschen zouden wekken, nadat het dagelijksche zijn waarde voor hen verloren had.... Wat onder het bereik der zinnen gebracht wordt, moet den geest verheffen, wat door de oogen wordt waargenomen, moet het verstand bezighouden, opdat wij den onzichtbaren God door de zichtbare dingen zouden bewonderen, en tot het Geloof gebracht en door het Geloof gelouterd er naar streven Dengene op onzichtbare wijze te aanschouwen, dien wij uit de zichtbare dingen als onzichtbaar erkend hebben.quot;
AKTEN.
Aanvrage aan de zeereerw. dekonen betreffende de vermoedelijk geschiede wonderdadige genezingen.
Bisdom Trier. rr . 0, 10A.
^ . , Tner, 24 Xov. 1S91.
Confidentieel.
Waarde lieer Deken,
in den loop der laatste jaren heb ik bereids een reeks van berichten ontvangen over genezingen, welke men aan de vereering van den H. Rok toeschrijft. Ik hoorde echter nog van verscheiden dergelijke gevallen, waarover mij geen nadere opgaven werden verstrekt. Derhalve verzoek ik L ZeerEerw. beleefd, de eerw. heeren geeste-Ijjken van uw dekenaat te verzoeken, mij van de te hunner kennis gekomen wonderdadige genezingen een nauwkeurig verslag te zenden. Ik doe u hierbij opmerken, dat het niet slechts de gevallen geldt, waarin zieken den H. Rok zeiven hebben aangeraakt, maar ook zulke genezingen, welke door de bloote vereering van den H. Rok (bedevaart naar Trier, godvruchtige oefeningen
82
enz.), of door gebruik van een aan do lioiligo rcliquif aangestreken voorwerp hebben plaats gehad.
Het is van belang, in deze verslagen de volgende punten juist op te geven ;
1°. Xaam en ouderdom der genezenen, zoomede den dag waarop zjj de heilige reliquie aangeraakt of alleen vereerd hebben ;
2quot;. Of zjj een geneeskundig attest hebben ingezonden ;
H0. Of de genezing plotseling of slechts geleideijjk is geschied;
4quot;. Of kort vóór of na de aanraking van den 11. Rok (of de vereering daarvan of het aanraken van aan den H. Rok aangestreken voorwerpen) nog natuurlijke geneesmiddelen zijn aangewend ;
5°. Of bij uitwendig zichtbaar lijden de toestand vóór en na de genezing door geloofwaardige getuigen kan worden geconstateerd. Hij personen, die geen geneeskundig attest vóór of na hun genezing hebben kunnen krijgen, of die zonder aanraking van den II. Rok zijn genezen geworden, is het noodig, dat de getuigen volgens protocol gehoord worden en hun uitdrukkelijk wordt gevraagd, of zij bereid zijn, hun verklaringen met een eed te bevestigen :
6°. Een geneeskundig attest over den tegenwoordigen toestand der genezenen moet. zoo mogelijk, aan de stukken worden toegevoegd. Daar de geneesheeren dikwijls weigeren, zulk een attest af te gevent, dient dezen onder het oog te worden gebracht, dat van hen geen oordeel over de wonderdadige genezingen zeiven wordt gevraagd, maar enkel en alleen een getuigenis
33
over den tegenwoordigen toestand van den genezenö.
Deze verslagen moeten mij tegen het einde van Januari worden toegezonden.
De bisschop van Trier, f M. Felix.
Aan de (/ezamenlijke zeereerw.
heer en dekenen
rail hef diocees Trier.
Aanvrnge betreffende hot verdere verloop der opgegeven genezingen.
Trier, 1 Maart 1893.
ZeerEerw. Heer,
Het heeft Ood den Heer behaas-d, het ter vereerin0-
- 7
stellen van den II. Rok in het jaar 1891 ook op zichtbare wijze door genezing van menigen zieke te verheerlijken. Voornemens zijnde, ter eere van God en tot meerdere glorie van Zijne heilige Kerk deze gunstbewijzen aan de wereld bekend te maken, zon ik gaarne in eenige gevallen nog nauwkeuriger opgaven ontvangen. Ik veroorloof mij derhalve u te verzoeken, Zeereerw. lieer, uw parochiaan X., die volgens de verslagen in mijn bezit mede tot de gelukkig genezenen behoort, te verzoeken, over de volgende niet doorgestreepte vragen mij, liefst zoo spoedig mogeljjk, nadere mededeelingen te doen, of zoo goed te zijn, zich zeiven deze moeite te geven ;
3
34
1°. Is de gezondheidstoestand sedert de bij het ter vereering stellen van den H. Rok verkregen gezondheid dezelfde gebleven, m. a. w. heeft zich de vroegere kwaal niet weder vertoond?
2U. Is na de door vereering van den H. Rok verkregen genezing nog een geneeskrachtig middel voor de genezing van de ziekte in quaestie aangewend geworden, en zoo ja, welk ?
3°. Men zende, zoo mogelijk, een geneeskundig attest over den tegenwoordigen toestand van den genezene in.
4°. Den genezenen zeiven of' hun naastbestaanden wordt verzocht, om over de wijze en het verloop dei-genezing een eenvoudig, aan de waarheid getrouw, verslag, liefst eigenhandig geschreven, in te zenden.
Bij voorbaat mijn besten dank betuigende voor uwe vriendelijke bemiddeling, blijf ik in de liefde van Christus
Uw Zeereerw's. dw. dr., (get.) M. Felix, bisschop van Trier.
A. Wonderbare genezingen.
1. Hclciiii Daniel, van Recht, district Malmedy.
(i. Affest van het ptirochlual bestuur.
Het kind Helena Daniel, bijna 14 jaren oud, van Recht, district Malmedy, 't welk ik twee jaren geleden tot de eerste H. Communie lieb toegelaten, heeft zich in de school, de kerk en teliuis steeds braaf, vroom en gehoorzaam onder een zorgzame moederhand getoond. Wegens eene oogziekte, waaraan het meisje lijdt, verlangt het evenals ook hare moeder in geloovige stemming, door den H. Rok te worden aangeraakt, tot welk doel ik het kind Z. I). H. den bisschop van Trier hiermede aanbeveel.
Van Uwe Doorl. Hoogw. de onderdanigste dienaar in Christus, Dechéne, Past., Deünitor.
Recht, district Malmedy, 24 Sept. 1^91.
h. Geneeskundig attest.
Helena Daniel, te Recht, lijdt sedert verscheiden jaren aan verlamming der rechter gezichtszenuw en ten £re-
O O O
volge daarvan aan volkomen verlies van liet gezichtsvormogen van het aangedane oog.
Dat de tot nu toe aangewende middelen hoegenaamd geen verbetering van het ernstige lijden hebben bewerkt, getuigt hiermede op hem gedaan verzoek Malmedy, 20 Sept. 1891. dr. Xouprez.
36
c. 1. Bericht aan den Bisschop.
Recht, distr. Malmedy, (! Oct. 1891.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Een kind, Helena Daniel geheeten en alhier woonachtig, is den 1quot; Oct., 's avonds tusschen 9 en 10 uur, door den H. Rok van Onzen Heer Jesus Christus, dank zij de goedgunstige bemiddeling van Uwe Doorl. Hoogw., aangeraakt geworden. liet meisje was aan het rechteroog volkomen blind, volgens getuigenis van den haar bchandelenden geneesheer dr. Nouprez van Malmedy, en kan nu uitstekend zien. Ten einde zeer voorzichtig te werk te gaan, verzoek ik Uwe Doorl. Hoogw. om een afschrift van het attest van genoemden arts. Xn verdere onderzoekingen zal ik Uwe Doorl. Hoogw. het resultaat allerbereidwilligst en allernauwkeurigst mededeelen.
Van Uwe Doorl. Hoogw. de ootmoedigste dienaar in Christus, Deciiêxe, Past.
d. 2. Bericht aan den Bisschop.
Recht, district Malmedy, 19 Oct. 1lt;S91.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
De ondergeteekende veroorlooft zich aan het oordeel van Uwe Doorl. Hoogw. de volgende documenten aangaande de genezen Helena Daniel, alhier, met de daarna volgende opmerkingen allergehoorzaamst te onderwerpen.
87
1°. Kopie van het schrijven van dr. Nouprez te Malmedy na onderzoek van het door den H. Rok aangeraakte kind (een attest van denzelfden geneesheer van 26 Sept. is in het bezit van Uwe Doorl. Hoogw.).
2°. Afschrift van een attest van den onderwijzer Klee en van den localen schoolopziener.
3n. Kopie van het schrijven van kapelar.n Reger over het met het kind gebeurde in den l)om.
4°. Getuigenis van hot parochiaal bestuur met zegel en onderteekening over het karakter van het kind en het wonderdadige verloop van haar ziekte.
5quot;. Kopie van een schrijven van vrouw Sarlet, de kostvrouw van het kind (tijdens haar verblijf te Malmedy). De betrokken personen kunnen over het geschrevene ook gehoord worden.
Wat den onderwijzer en diens attest betreft, â ik ben met den onderwijzer en het kind in de school gegaan, heb de kleine op alle mogelijke wijzen beproefd en het resultaat was: Op voor ons onverklaarbare en niet natuurljjke wijze heeft het kind het gezicht teruggekregen. Het karakter van het meisje is kinderlijk, schier onnoozel, oprecht, gehoorzaam, braaf, en daarbij is het bescheiden en bedaard. Die rustige bedaardheid behield het ook, toen ik het bij liet onderzoek zeide: âZoo je huichelt, dan zal God je straffen en kan Hij je voor je gansche leven blind maken en vervolgens in de Hel nederwerpen.quot; Maar hot gaf hierop kalm ten antwoord: âDe lieve Heiland heeft mij immers ziende gemaakt.quot;
Evenzoo moet ik verklaren, dat ik hoegenaamd geen
38
bedrog kou vinden en de vaste overtuiging ben toegedaan: âGod heeft gewerkt en het is wonderdadig iu onze oogen.quot; Zonder in de ondoorgrondelijke raadsbesluiten van God te willen ingrijpen, geloof ik toch juist te oordeelen.
Van Uwe Doorl. Hoogw. de onderdanigste dienaar,
Deciiêne, Past.
e. Attest van den Geneesheer.
Afschrift van het schriftelijk attest, dat de heer dr. Xouprez van Malmedy, specialiteit in de oogheelkunde, op grond van zijn onderzoek, ingesteld bij de door de aanraking van den H. Rok te Trier genezen Helena Daniel, te Recht, heeft afgegeven.
Malmedy, 8 Oct. 1891.
Geachte Heer Pastoor,
Ik heb de eer UZeer-eerw. op uw geacht schrijven van den 3quot; jl. beleefdeljjk het volgende te antwoorden: Toen Helena Daniel op den 2quot; Juni van dit jaar voor het eerst bij mij gebracht werd, kon zij met het rechteroog de bewegingen van mijne hand niet meer onderscheiden; met hot linkeroog kon zij nog met moeite drukletters van gemiddelde grootte lezen. Uitwendig was aan de oogen der patiënte niets bijzonders te zien; beide oogappels waren vrij sterk verwijd, glanzend en geheel helder. Uit het onderzoek met den oogspiegel bleek, dat in het rechteroog het netvlies atrophische veranderingen (uitbreiding der gezichts-
rW
zenuw) had ondergaan, een overblijfsel van een geheelde ontsteking. De pathologische veranderingen van de gezichtszenuw en van de uitbreiding daarvan waren van dien aard, dat ik een herstel van het gezichtsvermogen van dit oog niet meer verwachtte. Ik deelde dit den vader mede en zei hem te gelijker tijd, dat ik bereid was het kind onder mijne behandeling te nemen, om het linkeroog, welks gezichtsvermogen reeds was afgenomen en welks netvlies sterk met bloed was be-loopen, wat een begin is van ontsteking, voor het lot van het rechteroog, zoo mogelijk, te behoeden.
Allengs viel ook werkelijk een verbetering waar te nemen van het linkeroog, waarop ik voortaan al mijne opmerkzaamheid vestigde, daar ik het andere reddeloos verloren achtte. Nadat het kind eenigen tijd onder mijne behandeling was geweest, ging het naar huis en sedert heb ik het slechts met lange tusschenruimten teruggezien.
Toen den vorigen Zaterdag (den 3quot; jl.) de kleine van Trier terugkeerde, waar /ij op grond van een door mij opgesteld attest tot de aanraking van den H. Rok was toegelaten, verklaarde mij de haar vergezellende vader met van vreugde stralend gelaat, dat het kind uit het vroeger blinde rechteroog weer kon zien, waarop ik tot mijne niet geringe verbazing inderdaad constateerde, dat zij met dit oog zelfs het fijnste diamantschrift kon lezen.
Bij het den volgenden dag herhaalde onderzoek las de kleine evenals den vorigen met het rechteroog de kleinste drukletters. Voor het zien op een afstand werd
40
een gezichtsscherpte van hetzelfde oog geconstateerd ongeveer gelijk aan de halve normale. Het is wel mogelijk en zelfs waarschijnlijk dat vóór het ziek worden van het oog de gezichtskracht voor het zien in de verte reeds beperkt was. Bij herhaaldelijke en nauwkeurige opname van het gezichtsveld van het rechteroog, d. i. bij de vaststelling van het veld, 't welk het oog bij het staren op één punt buiten dit punt nog meê omvatte, bleek het gezichtsveld geheel normaal te zijn, welke omstandigheid voor het bewuste geval hoogst merkwaardig is. Want ofschoon het zelfs bij aanwezige atrophische veranderingen menigmaal voorkomt, dat nog een zekere graad van het gezichtsvermogen behouden wordt, waarbij men aanneemt, dat de eigenlijke zenuwvezels van de voorafgegane ontsteking vrij zijn gebleven, blijft toch altijd in zulke betrekkelijk gunstige gevallen eene beperking van het gezichtsveld achter.
Wat in dit geval buitendien nog bijzonder moet treffen, is het volkomen herstel van het gezichtsvermogen dichtbij.
Ziedaar in korte bewoordingen de ziektegeschiedenis van Helena Daniel. Deze opgaven zullen u, geachte heer pastoor, naar ik vertrouw, voldoende zijn, om u over het in elk geval merkwaardig ziekteverloop een eigen oordeel te kunnen vormen.
Met de meeste hoogachting.
Uw d\v. dr., Dr. Noupkez.
41
Æ. Getuiymis van hef parochiaal bestuur over de genezen Helena Daniel.
Zooevcn, toen ik in een door mij geschreven werk: âDe H. Lambertus en zijn tijd,quot; de genezing van blindgeborenen aan liet graf van genoemden heiligen martelaar wilde gaan verhalen, ontving ik de bljjde tijding, dat eveneens een kind van deze gemeente, Helena Daniel, door de aanraking van den heiligen ongenaaiden Rok van Onzen Heer en Heiland aan het blind geworden rechteroog en aan het andere, door eenzelfde lot bedreigd, weder ziende geworden is.
Geboren den 9quot; Februari, gedoopt den 10n Februari 1878, dus in haar 14quot; jaar; wettige ouders Christiaan Daniel en Helena Kohn; peter en meter waren Jacob Daniel en Magdalcna Kohn (Doopregister). Geteekend Künstler, pastoor. Tot de eerste H. Communie toegelaten 27 April 1890 door Willi. Dechêne, pastoor, en gevormd 30 Juli 1890 door Z. D. Hoogwaardigheid den wijbisschop dr. Fischer.
Het arme en eenvoudige, slechts middelmatig begaafde meisje onderscheidde zich door bijzondere onschuld en groote goedhartigheid, welke zelfs niet verminderde, toen hare speelkameraadjes haar plaagden en een blinden ezel noemden. Eenigszins achteruitgezet, legde zij zich, zonder daartoe door haar ouders te worden aangespoord, des te meer toe op de godsvrucht en het gebed. Reeds had het kind een jaar lang aan de oogen geleden voordat zij er iets van zei aan haar ouders en onderwijzers, die, meenende dat zij onachtzaam was, haar
42
dikwijls berispten. Zoodra men echter kennis droeg van haar ooglijden, werd zij verscheiden weken onder de behandeling gesteld van een specialiteit in de oogheelkunde, dr. Nouproz te Malmedy. Tot groote smart der ouders verklaarde deze, na alle geneeskundige middelen te hebben aangewend, dat in het rechteroog niet het geringste licht moer was, terwijl het linkeroog ten gevolge daarvan mede was aangedaan. Toon nu de tijd voor het openlijk ter vereering stellen van den H. Rok was genaderd, zond de geneesheer zelf zijne patiënte naar Trier, tevens een attest afgevend, dat hij ondank» alle aangewende middelen het rechteroog niet had kunnen genezen. Nadat de kleine blinde zich door het ontvangen van de HH. Sacramenten en door godvruchtige oefeningen ijverig had voorbereid, begon zij vol vertrouwen op God de bedevaart naar het heiligdom. Door de hulp van een priester tot de aanraking van den H. Rok des Heeren toegelaten, bad zij ongeveer in deze bewoordingen: âO, gekruisigde Heiland, die in dit hoogheilige gewaad zooveel zweet en bloed ook voor mij hebt vergoten, die zoovelen tijdens Uwe omwandeling op aarde en in deze dagen door het aanraken van den zoom van dit Kleed hebt geholpen. Gij kunt ook mij helpen, zoo Gij wilt. Help mij. Heer Jesus, wees mij genadig, vergeef mij mijne zonden.quot;
Terstond voelde het kind iets in het rechteroor (want zjj was ook allengs bijna geheel doof geworden, terwijl de geheele rechterzijde stram en half verlamd was), alsof een gezwel zich opende, en terstond kon zij weder goed hooren; als een ijskoude rilling voer over haar
48
rechterzijde en een koude tocht stroomde door het rechter oog. De steenen treden, waarover de TL Kok ter vereering was neergelegd, afdalend, voegde zij dadelijk haar vader, die haar vergezelde, toe: âVader, ik kan zien.quot; Dit zeggende wees zij met den vinger naar de brandende lichten in de kerk, zag ook andere voorwerpen met het vroeger blinde oo^ en las met hem in het donker onder den koepel tamelijk vlug een klein gedrukt latijnsch geschrift, dat bovengenoemde priester (deze is de eerw. kapelaan Johann Bernard Roger, te Bedburdyk, in het dekenaat en district Grovenbroich, diocees Keulen) haar voorlegde, haar linkeroog gesloten houdend.
Dit gebeurde den ln Oct. 1891, 's avonds tusschen 9 en 10 uur, in den Dom te Trier. Na haar terugkeer werd het kind ingevolge het verlangen van den pastoor van Recht terstond voor een nader onderzoek ter beschikking gesteld van den vroeger genoemden geneesheer, die zich in tegenwoordigheid van hot meisje, van haar vader en andoren (de pastoor van Malmedy en vrouw Sarlet, bij welke laatste het tijdens haar verblijf te Malmedy in den kost was geweest) aldus uitliet: âKind. uw geloof heeft u geholpen en de geneeskundige middelen daarenboven(! ?) De H. Rok heeft u het rechteroog teruggegeven en het linker de kunst.quot;(! ?)
Onschuld, innig geloof en vast vertrouwen werken wonderen uit en roepen genaden van den Hemel af. âAlles wat gij den Vader in Mijnen Naam zult vragen, geloof slechts en Hij zal het u geven.quot;
In cujus Jidem.
|
Recht (district Malmedy), 19 Oct. 1891. |
Güil. Dechéxe, Parochus et definitor. |
u
Verklaringen orer de genezen Helena Daniel.
Hot meisje Helena Daniel, alhier, heeft tot het begin van den laatsten zomer de school dezer gemeente bezocht. Reeds vóór ongeveer twee jaren werd bij het kind bijziendheid waargenomen. Sedert werd het voortdurend erger met haar oogen, zoodat deu1 eindelijk zoo zwak waren, dat hot kind van haar plaats in de school het schrift op het schoolbord niet meer lezen kon. Nadat het kind oen bedevaart heeft gemaakt naar den H. Rok, heb ik hare oogen in de school op de proef gesteld en bevonden, dat het volgens geneeskundig attest verloren oog met eenige inspanning bijna evengoed kon lezen als vroeger beide oogen te zamen het konden. Aldus getuigt
De onderwijzer Klee.
Recht, 20 October 1891.
Ik ondergeteekende verklaar hiermede, dat ik het kind Helena Daniel, alhier, op last van den geneesheer dr. Nouprez van Malmedy, wegens zijn ernstige oogziekte en wijl het schier niet meer zien kon en niet meer in staat was te lezen, in het begin van Juni van dit jaar uit de volksschool alhier heb moeten wegzenden.
De locale schoolopziener Dechéne.
Recht (district Malmedy), 20 October 1891.
Johann Bernard Reger, priester en kapelaan te Bed-burdyk, was aanwezig, toen Helena Daniel, Donderdag-
45
avond 1 October 1891, tusschen 9 en 10 uur, de gunst verkreeg, den H. Rok te Trier aan te raken en met het tot dusver zieke oog in den Dom zelfs nog een in het latijn gedrukt geschrift heeft kunnen lezen.
IIeoer, kapelaan.
Trier, 1 October 1891.
De ondergeteekende getuigt hiermede, dat Lena Daniel van Recht hier bij ons is geweest en aan het rechteroog geheel blind was, en dat de heer dokter Xouprez de hoop opgaf, dat oog weder ziende te maken.
Vrouw Sa u let.
Malmedy, 18 October 1891.
h. Verklarin;/ ran den pastoor.
Ik ondergeteekende verklaar en deel op verzoek van Z. D. II. den bisschop van Trier door dezen allerondcr-danigst mede, dat ik de schier geheel blinde en op den 1quot; Oct. door de aanraking van den H. Rok genezen Helena Daniel, alhier, dusver op de proef gesteld en scherp gadegeslagen heb; dat ik haar tot nu toe ziende heb bevonden en in staat om tamelijk vlug groot en klein duitsch en latijnsch schrift te lezen; dat ik haar op haar geweten af meermalen heb gevraagd, of zij van toen af gezonde oogen heeft behouden en dat zij dit steeds bevestigd en verklaard heeft, met beide oogen zeer goed in de verte en van nabij te kunnen zien ; eindelijk
46
dat het kind sedert hare reis naar Trier geen geneeskundige hulp meer voor hare oogen heeft gebruikt, noch het gebruiken daarvan noodig had.
Dechéne, pastoor.
Recht, 10 Maart, 1893.
i. Verklnriny der ouders.
Wij ondergeteekende ouders van Helena Daniel, alhier, verklaren Z. D. IT. den bisschop van Trier onder eede, dat deze onze dochter sedert den 1quot; October 1891, toen zij door do aanraking van den H. Rok te Trier aan liet schier geheel blinde oog gezond is geworden, tot nu toe aan beide oogen gezond is gebleven, en dat van de vroegere kwaal zich niets meer heeft vertoond, weshalve wij niet noodig hadden de hulp van een geneesheer in te roepen.
Christian Daniel; Helena Daniel geb. Koun. Recht, 8 Maart 1893.
A'. Ihijtporf der Coittmissie.
Op grond der getuigschriften in ons bezit, achten de zaakkundigen en met hen de commissie deze genezing langs natuurlijken weg uitgesloten.
47
2. Johaun Hoffmann van Tholey.
a. Attest run den pastoor.
Tholey (dekenaat Ottweiler), 24 Aug. 1891.
Uwe Doorluclitigo Hoogwaardiglieid
waag ik het eerbiedig te verzoeken, den ziekehjken inijiiwei-ker Joh. Hoffmann, aliiier, goedgunstig te willen toestaan, don II. Hok persoonljjk te mogen aanraken.
De man, voor wien deze bede tot Uwe Doorl. Hoogw. wordt gericht, is geboren den 4quot; April 1851, den 24quot; April 1870 in het huwelijk getreden en na den dood van zijn vrouw voor de tweede maal gehuwd den 27quot; Aug. 1881. De vijf kinderen uit den eersten echt zijn na korten tijd gestorven, uitgezonderd één jongen. De zes kinderen uit den tweeden echt zijn nog allen in leven. Gelijk bijgevoegd attest van den hier woonachtigen geneesheer verklaart, ijjdt de man aan lupus. lu 18iSl vertoonde zich daarvan het eerste spoor; de kwaal heeft zich evenwel sedert al verder en verder uitgebreid, zoodat thans de beide lippen nagegenoog zijn weggevreten en ver van elkander staan ; de neus, de beide wangen en de beide oogen zijn mede ernstig aangetast; de benedenste oogleden zijn geheel benedenwaarts getrokken.
De nieuwste geneesmiddelen van prof. Koch zijn in het ziekenhuis der mijnwerkers te Xeunkirchen verscheiden weken lang hij den man aangewend, maar zonder het geringste gunstige gevolg.
Als katholiek is de man zeer braaf en kerksch ; als
huisvader is hij vlijtig en spaarzaam; al mijn parochianen hebben medelijden met hem.
Mocht Uwe Doorl. Hoogw. de smeeking van den braven man goedgunstig verhooren, dan zou dit in aller harten groote vreugde en innige dankbaarheid wekken.
De katholieke pastoor Querbach, deken.
d. Attent ran dm Geneesheer.
Den ziekelijken mijnwerker Johann Hoffmann, te Tholey, verklaar ik hiermede op zijn verzoek, dat hij aan lupus der lippen en benedengedeelten der beide wangen, zoomede aan eene hierdoor veroorzaakte naai buiten keering van de benedenste oogleden lijdt.
Dr. Bockelmann, prakt, geneesheer.
Tholey, 2é Aug. 1891.
c. Verslag van den pastoor over de yenezinj.
Aan het Hoogeerw. Bisschoppelijk Vicariaat-Generaal heb ik de eer inliggend getuigschrift over den mijnwerker Johann Hoffmann ter goedgunstige kennisneming eerbiedig voor te leggen. Joh. Hoffmann leed sedert eenige jaren aan lupus in het aangezicht; oogen, neus, lippen en beide wangen waren ernstig aangetast en weggevreten. Eene behandeling van drie maanden te Neunkirchen met de geneesmiddelen van prof. Koch
heeft niets gebaat.
Den 3quot; Sept., 's avonds te 9 ure, raakte hij den H. Rok aan. Veertien dagen lang bespeurde do man
49
geen verandering; alstoen begon de genezing langzaam, en thans is het gezicht geheel van lupus-uitslag genezen ; alleen het vel heeft nog niet de gewone gezonde huidkleur, maar ziet eruit als de huid van een genezen plek, donkerrood en glanzend. De man schrijft de thans reeds vijf weken aanhoudende genezing toe aan den goeden God, de geneesheer, die inliggend attest heeft geschreven, aan een inwendig proces in het bloed: bloedzuivering, derhalve aan een natuurlijke oorzaak.
Querbach, deken.
d. Attest ran dm Geneesheer.
Den ziekelijken mijnwerker Joh. Hoffman verklaar ik op zijn verzoek, dat de vóór twee maanden op zijn gezicht waargenomen door lupus teweeggebrachte korsten thans verdwenen zijn.
Dr. Bockelmaxn, prakt, geneesheer.
Tholey, 7 Nov. 1891.
e. Verslay van den Pastoor.
Tholey, 2 December 1891. Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Aan mijn bericht over de genezing van den mijnwerker Johann Hoffmann, alhier, van lupus, veroorloof ik mij alleronderdanigst het volgende toe te voegen.
Johann Hoffmann, mijnwerker te Tholey, is geboren
4
50
den 4quot; April 1851; zijn vader was wegwachter. Hij huwde don 24quot; April 1875 Maria Gillen en na haren dood (quot;i* 17 Februari 1881) Elisabeth Besse, op 27 x\.u-gustus 1881. Tot dan toe was hij steeds gezond en van krachtig gestel. In Augustus 1881 vertoonde zich het eerst een klein kuiltje in het gezicht, dat zich allengs over den neus, de lippen en do wangen uitbreidde, zoodat ook de oogleden met geweld naar boneden getrokken en onthaard werden. In do Kerstweek van 1890 ging hij naar het ziekenhuis der mijnwerkers te Xounkirchen, district Ottweiler, waar drie maanden lang inspuitingen geschiedden mot Koch's geneesmiddelen. X;i vijf maanden liet men hem vertrekken, wijl uitwendig niet het geringste succos was waar to nemen.
Toen 't bekend werd, dat do Heilige Hok tor vereering zou worden gestold, deed hij hot voorstel, om naar Trior een bedevaart te maken en daar, zoo mogelijk, den H. Hok aan te raken. Ik zond voor hem een geneeskundig attest in van dr. Bockolmaun, den arts dor mijnwerkers van Tholey, on den 3quot; Sept. van dit jaar, 's avonds te 9 uur, had hij hot voorrecht, met assistentie van Z. D. H. don wijbisschop, den H. Rok aan to raken.
Maar noch oogenblikkelijk, noch veertien dagen later bespeurde hij ook maar het geringste teokon van genezing. In do week vóór don 2/quot; Sopt. vatte hij een zware koude, die zicli tot longontsteking zette, maar hem niet noodzaakte hot hod te houden. Do arts dr. Bockolmaun schroef een voor do ziekte dienstig geneesmiddel voor. Het recept kon ik niet meer krijgen om
51
het af te schrijven, wijl alle recepten voor mijnwerkers naar Saarbrücken moeten worden opgezonden. Medicijnen voor lupus heeft Koffinann van einde Augustus tot 3 October niet ingenomen.
Van 8 October af voelde Hoffmann, dat do korsten van zijn gezicht loslieten en een nieuwe gezonde huid zich over de geheele plek vormde. Den 15quot; Oct. was de geheele plek: wangen, lippen, neus, volkomen gezond en is dat tot dusver gebleven. De man kan koude lucht en koud water op de plek verdragen, zonder andere gewaarwording dan die welke ieder gezond mensch heeft.
De geneesheer, dr. Bockelmann, constateerde den tegenwoordigeu toestand door een getuigschrift, 't welk ik bereids heb ingezonden. Hij is weliswaar do meening toegedaan, dat de longontsteking door verandering in het bloed de genezing bewerkt heeft, maar Hoffmann zelf houdt zich vast overtuigd, zijne genezing te danken te hebben niet aan den aardschen geneesheer en niet aan aardsche medicijnen, maar aan de aanraking van den H. Rok en aan het vertrouwen, waarmede hij een stukje laken, dat hij aan den H. Kok heeft laten aanstrijken, niet alleen eiken nacht, maar ook over dag meermalen op zijn gezicht legde.
De katholieke pastoor Querhach, deken.
Tholey, 7 Maart 1893.
Aan Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid heb ik do eer O]) het schrijven van 1 Maart, aangaande de genezing
52
van Johann Hoffmann, alhier, te antwoorden, dat de genezing van den man van lupus niet alleen tot nu toe heeft voortgeduurd, zonder terugkeer van eenig verschijnsel der kwaal, maar dat zij steeds meer volkomen wordt. De man is sedert üeceinber 1891 geen uur ziek geweest en kan bij alle weersgesteldheid eiken arbeid verrichten.
Querbach, pastoor en deken.
/'. lidjijKirt der Commissie.
De zaakkundigen verklaarden dat er tegen lupus geen met zekerheid werkend geneesmiddel bestaat. Treedt door andere ziekten voor een tijd beterschap in, dan komt de kwaal toch spoedig weder te voorschijn. Het uitblijven van de ziekte sinds twee jaren is op deze wijze niet te verklaren. Overigens zijn sedert het leggen van aan den H. Kok aangestreken voorwerpen op het gelaat geen geneesmiddelen gebruikt geworden. Desniettemin wenschten de doctoren (der commissie) den genezene zeiven te zien en werd besloten hem in hun eerstvolgende zitting te doen verschijnen.
In de tweede zitting van 16 Maart 1893 werd do vroegere lupushjder Johann Hoffmann van Tholey door de geneesheeren der commissie onderzocht. Zijn gezicht toonde nog de duidelijkste sporen (litteekens) der vroegere ziekte, maar de ziekte was geheel geweken, de huid was glad en gezond. Een natuurlijke verklaring der genezing schijnt uitgesloten.
3. Zuster Ursula van do Franciscanessen
van Waldbreitbach, in Neuwied.
a. Geneeakunflki attest.
Zuster lTrsula der Franciscanessen uit Xeuwied heeft vóór vier jaren door een val op den rechter elleboog een ernstige verrekking en verscheuringen van zenuwen en spieren opgeloopen. Ten gevolge daarvan is niet slechts een stijfheid van het betrokken gewricht, welke zijn bruikbaarheid zeer beperkt, maar ook eene verlamming der beide laatste vingers van de rechterhand overgebleven, zoodat de geheele arm schier totaal onbruikbaar geworden is.
Dr. X. X-.1)
Trier, 27 Aug. 1891.
h. I 'erxhitj rati dr (Hcnezenc.
Ondergeteekende heeft do oer aan Uwe Doorl. Hoogwaardigheid allergeboorzaamst volgend verslag in te zenden.
Vóór vier jaren bon ik op een stoel geklommen, om eenig werk te verrichten, en bon toon daarmede omgeslagen. Zoo ik uit een dorde verdieping van hot huis ware gevallen, zou ik mij misschien niet zooveel pijn gedaan bobben als nu. Van don aanvang af kon ik don rechterarm niet moer in de hoogte heffen. Den
') Op uitdmkkcüjk verlangen van don geueoslicer werd vau de opcubaarmakiuir vau zijn naam afgezien.
54
anderen dag eerst bevond do geneesheer tlr. Hahn, dat de pees van den elleboog gescheiden was; do pees was duidelijk zichtbaar. Onder de huid bewoog zij zich als iets levends. Ik heb gezien hoe zij zich eindelijk tusschen de pink en den ringvinger verloor. Daarop had ik geruimen tijd dag en nacht pijnen van don meest verschillenden aard. Dr. ilahn verklaarde, dat, zoo alle moeite werd aangewend, hoogstens bereikt kon worden dat ik de rochtorhand aan den mond bracht. Dit gelukte ook werkelijk. Meer dan honderdmaal electriseerdo ik mij zelve. Do doktor in quaostio, wien ik grooton dank verschuldigd ben, is naar Amerika afgereisd. 15jj zijn vertrek ried hij mij, eone electrisoormachinc aan te schaffen, waarvan hij mij den naam opschreef. Alleen deze mocht ik gebruiken en bovendien moest ik mijn arm dikwijls in hot water stoken on hom wrijven, anders werd de arm stijf. Do elleboog was ook verrokt. Met vergunning van mijn overheden hob ik do machine gekregen en voor hot aangewezen dooloinde gebruikt. Meermalen heb ik hot eloctriseoren, baden en wrijven achterwege gelaten, ton oindo to zien of do arm zonder deze behandeling toch bleef gelijk hij was. llij word echter veel stijver en zoor zuchtig. Slechts mot groote moeite word or hot water weder uit verdreven. In hot vorige jaar was ik bij toeval bij prof. Trondlenburg te Bonn. Ik toonde hom mijn arm, niet mot do bedoeling, om mij te helpen, want ik wist dat hij dit niet kon, maar in do vorondorstolling dat ik misschien mot hot eloctrisooron cn baden zou kunnen ophouden, llij zei me, dat daarvan geen sprake mocht zijn, en dat ik ook
00
den arm moest wrijven, zoo ik niet wilde dat hij stijf en onbruikbaar werd.
Toen ik hoorde dat de II. Kok ter vercering zou worden gesteld, ontvlamde in mij de begeerte, het innige, vurige verlangen: O, zoo ik daar eens naar toe mocht gaan! Alleen de goede God kan bewerken dat ik niet meer met mijn arm heb te sukkelen. Dat doffe, onaangename gevoel moge Hij mij laten behouden. Hij verleene mij slechts dat ik den arm gemakkelijker te Zijner eer kan gebruiken, zoo dit niet in strijd is met Zijn heiligen wil. Ik had het vurigste verlangen gekoesterd, om den II. Kok aan te raken, maar ik was niet in het bezit van het daarvoor gevorderde geneeskundig attest. Om dit te krijgen begaf ik mij tot doctor X. X. , dien ik te Ruwer, waar ik vroeger als ziekenverpleegster dienst deed, had leeren kennen. Deze onderzocht mijn arm nauwkeurig, verklaarde de kwaal voor ongeneeslijk en wilde mij derhalve het verlangde attest gaarne verschaffen. Terwijl hij het attest schreef zei hij: âNiemand kan u helpen, zelfs niet de II. Kok,quot; waarop ik antwoordde: âIk vertrouw ten volle dat de goede God kan helpen als ilij wil.quot; Ten slotte voegde hij mij toe, dat hij het dan in alle dagbladen zou laten zetten; zoo me dat (de aanraking van den II. Kok) hielp, moest ik maar bij hem komen.
liet groote voorrecht, den 11. Kok aan te raken, viel mij Vrijdag-morgen 28 Augustus, na vijven, ten deel. Ik was nog nooit zoo diep ontroerd geweest. Buiten den Dom gekomen bad ik niet anders dan: âLieve Heiland, verleen mij toch, zoo het niet strijdig
5()
is met Uwen allerheiligstcn wil, dat ik niet meer behoef mij met mij zelve bezig to houden. Laat mij het doffe onaangename gevoel als een gunstbewijs.quot; Ik begaf mij tot de overste van onze Zusters Franciscanessen te St. Paulin en wilde deze mijne vreugde mede-deelen. Bovendien greep mij een innerlijke siddering aan, ik begon te schreien en sprak: âO Zuster, wat gebeurt er toch in mijn arm; er is iets in aan het werken. Zonder dat ik het wilde, moest ik mijn arm uitstrekken. Werkelijk gevoelde ik meer kracht en sterkte daarin. Den derden dag. Zondag-morgen, toen ik weder naar Xeuwied was teruggekeerd, meende ik onder de H. Mis vóór de Consecratie den H. Rok vóór mij te zien. Do tranen rolden onwillekeurig uit mijn oogen, en in mijn arm voelde ik hetzelfde zooals ik dat de eerste maal uitdrukte. De heer pastoor llademacher, mijn biechtvader, heb ik het terstond na de H. ^lis in vertrouwen meegedeeld, wijl ik een on-weerstaanbaren drang gevoelde, het iemand te zeggen. Van 28 Aug. af tot nu toe heb ik niet het geringste geneesmiddel voor mijn arm noodig gehad, noch aangewend. Alleen droeg ik het aan den 11. Kok aangestreken stukje linnen op mijn arm. Don zieken arm kan ik voor eiken arbeid gebruiken, en ik kan er evengoed allo bewegingen mede maken als met den gezonden. Slechts het doffe gevoel is mij bijgebleven. Evenwel kan ik alles flink aanvatten. Voor mij bestaat niet de minste twijfel, dat de goede God mijne bede heeft verhoord en dat llij mij voortdurend met Zijn almachtige hulp hetzelfde verleenen zal. Daarom alleen
57
heb ik gebeden, niet om volkomen genezing. Ik beschouw het als een groote gunst, dat ik het doffe, onaangename gevoel als herinneringsteeken behouden heb en het mij ton nutte kan maken. Het bovenstaande heb ik slechts in heilige gehoorzaamheid neergeschreven, tot grooterc eer, liefde en verheerlijking van God.
Van Uwe Doorl. Hoogw. do gehoorzaamste dienares. Zuster Ursula.
c. Geneeshmdiy attent.
Aan Zuster Ursula van Xcuwied verklaar ik na heden ingesteld onderzoek, dat de toestand van haar vóór ongeveer twee maanden door mij onderzochten rechterarm â van welk onderzoek door mij attest werd afgegeven - gebleken is volkomen verdwenen te zijn en de arm als geheel gezond te beschouwen is.
Dr. X. X.
Trier, 24 October 1891.
'/. Bericht der Genezene.
Xeuwied, (gt; Maart 1893.
Doorluchtige 1 loogwaardigheid,
Hiermede veroorloof ik mij in zake de vraag aangaande mijn vroeger verlamden rechterarm allcrgehoor-zaamst te antwoorden, dat de arm ook heden ten dasre steeds gezond, krachtig en sterk gebleven is. Moet ik oprecht en overeenkomstig de waarheid getuigen,
dan kan ik niet anders zeggen dan dat de geneesheer bij zijn laatste onderzoek zich aldus uitdrukte : âgij liobt geen natuurlijke, maar een geweldige, oen machtigei kracht.quot; Die, kracht heb ik tot nu voortdurend behouden, en steeds loeft in mij hot bewustzijn, dat het slechts een geschenk is van God. Dit laatste spoorde mij onwillekeurig aan, om zoolang ik leven zal en mijne krachten het vermogen dagelijks daarvoor te danken.
Yan Uwe Doorl. Hoogw.
de gehoorzaamste dienares.
Zuster Ursula.
e. Rappoi't der Coiiniiiwic.
De zaakkundigen kunnen deze plotselinge genezing van een oogenschijnlijk ongeneeslijke kwaal op natuurlijke wijze niet verklaren.
4. Magdalena Wcilmaditer van Modcr-Koutz,
in Lotharingen.
n. Geneed,â¢undifi attent.
Op grond van een heden plaats gehad hebbend lichamelijk onderzoek van Madeleine einaehter, 34 jaren oud, uit Xieder-Kontz, getuig ik hiermede, dat bij haar de gezamenlijke gewrichten der bovenste en
59
benedenste ledematen, zoomede de wervelkolom schier geheel onbewegelijk (anglykotisch) zijn ten gevolge van chronisch gewrichts-rhcumatisme, waarvoor ik zelf reeds vóór bijna 8 jaren geruimen tijd de patiënte zonder succes behandeld heb. Wegens genoemd lijden is liet der patiënte volstrekt onmogelijk, zich ook maar in het geringste door staan en loepen van hare beenen te bedienen. Evenzoo is de beweegkracht der armen en handen slechts nog uiterst gering en bijna nul. De verklaring der zieke, dat zij sinds vijf' jaren het bed niet meer verlaten heeft, is derhalve volkomen gegrond.
l)r. BuivG, kantonaal arts. Xieder-Kontz, 21 Sept. 1891.
1). Protocol, opyeiuaald op den dar/ der r/enezing.
Heden, 29 Sept. 1891, verscheen bij mij Magdalena Weinachter van Xicder-Kontz, bjj Sicrck, welke het volgende mededeelde, om er protocol van op te maken.
Sinds acht jaren heeft de jicht mijne handen en voeten zoozeer verlamd, dat ik in de eerste drie jaren naar de kerk gedragen werd en in de laatste vijfjaren niet meer van het bed kwam. Op mijn voeten kon ik niet meer staan. Het linkerbeen was geheel stijf, als afgestorven, en het rechter kon ik slechts met groote moeite een weinig bewegen. Beide handen waren eveneens verlamd: het was mij onmogelijk liet heilig kruis-teeken te maken, vork noch lepel kon ik aan den mond brengen en men moest mij dus te eten geven als aan een kind. Alles deed mij pijn, men kon zelfs mijn
60
handen niet .aanraken, zonder mij lievige pijn te veroorzaken. Mijn rug was één wonde: eiken dag moest men mij verschoonen en de doeken, tlie men erop legde, waren van bloed doortrokken; ook de armen waren gewond van het steunen bij het opstaan. Sedert cenige maanden had ik een groot vertrouwen in den II. Kok gekregen. Men bracht mij naar Irjer, en ik was zoo zwak, dat men mij den dood nabij gelooide en mij het TL Oliesel toediende. Ik drong er echter op aan naar den Dom te worden gedragen, en toon ik den H. Kok aanraakte, voelde ik mij genezen. Ik gevoel mij na dien tijd veel beter. To middernacht kon ik het linkerbeen, dat vroeger stijf was, bewegen, en ook mijne handen kon ik heden morgen een weinig bewegen. Heden morgen te 8 uren, toen mijne twee vriendinnen (Margaretha Minnerathen Maria eikel) bij mij kwamen, zei ik tot haar: âLicht mij op.quot; Zij deden het, en ik kon op mijn voeten staan, de handen opheffen en het heilig kruisteoken maken. In gevolge mijn vurig verlangen, den 11. Rok nogmaals aan te raken, droeg men mij omstreeks 11 uur voor de tweede maai naar den Dom. Toen ik voorbij den IF. Rok werd gedragen (ik heb hem niet meer aangeraakt) hief ik mij op van het bed, waarop ik lag, stond op mijn voeten en liep alleen tot op de trap, waar men mij, wijl het gedrang te groot was, weder naar beneden droeg. Rij het middagmaal kon ik zonder hulp lepel, vork en glas vasthouden, het vleesch zelf snijden en aan den mond brengen.
De rug doet mij geen pijn meer, de wonden hebben sedert gisteren-avond niet meer gebloed en ik heb
(51
geen nieuwe versehooning noodig gehad. Dit alles is volkomen waar; ik kan het bezweren voor God.
M. AVeixacuter. ')
Als getuigen zjjn bereid, dit alles onder eede te bevestigen
â }â teeken der moeder, Madeleine Weixachter
geb. Mansioy. Margaretua miyxeratii. Maria Weikel.
De zieke was nog zeer zwak, maar kon gaan. Haar toestand bij de aankomst te Trier is beschreven in ingesloten brief' (n0. 1) van Zuster Stephanie, overste van het klooster.
Dezelfde overste deed mij besluiten, na het opmaken van het protocol met de zieke, dezer rug te onderzoeken. In bijgaanden brief (uquot;. 2) is het resultaat van dit onderzoek opgeteekend.
â f M. Felix.
In den herfst van 1892 kwam Magdalena Weinachter weder bij mij; zij loopt nog altijd zeer langzaam, maar zooals zij mij verklaarde was zij volkomen gezond en kon zelfs zonder moeite met de vroeger verlamde hand een emmer water dragen.
Xquot;. 1. Verslag van Zuster Stejihan ie, overste van het klooster.
Trier, 29 Sept. 1891.
Zeereerw. Heer,
Deze zieke werd gisteren-avond in het klooster ge-
') Si mis acht jaren liad de zieke haren naam uiet meer kunnen sclirijven.
62
bracht met het verzoek, dat de Zusters haar zouden bijstaan, wijl zij onder weg zoo ziek was geworden en zij absoluut den H. Rok wilde zien en aanraken; zij zou dan weer gezond worden. Zij werd echter zoo naar, was koud en bewusteloos en haar pols was zoo dikwijls weg, dat de heer pastoor, die bij haar was, vroeg, of' er niet een priester was, om haar liet H. Oliesel toe te dienen. Ik riep den heer onder-rector van tafel en slechts niet moeite kon hij de heilige olie op hare verwrongen handen aanbrengen. Xa eenigen tijd keerde zij tot het bewustzijn terug en haar eerste woorden waren: âWanneer gaan wij naar den II. Rok?quot; Met groote moeite werd zjj door acht personen naar den Dom gedragen, een stervende gelijk. Toen de hoogwaardige heer wijbisschop haar in aanraking bracht, sprak zij luide: âHeer, zoo Gij wilt, kunt Gij mij helpen! Men bracht haar vervolgens in het Moederhuis, waar men terstond zeide, dat zij den nacht niet halen zou. Zij gevoelde zich echter beter en zei dat te middernacht hare beenen zich hadden uitgerekt; zij gaat met moeite, kan liet heilig kruisteeken maken en eet alleen, wat zij in vijf jaren niet meer had kunnen doen.
Zij liet zich naar het klooster terugbrengen, om zich te vertoonen en te bedanken.
Zuster Stephanie.
2. Trier, 30 Sept. 1891.
Zeereerw. Heer,
De genezene heeft aan de ellebogen en op den rug plekken, die doorgelegen waren en bloedden; nu echter
63
zijn do wonden weer droog en vormen zich bloedkorsten. Do huid is nog gevoelig, maar volstrekt niet meer open. Een jeugdig geneesheer, neef van Zustor Waltrudis, was juist hier en ik verzocht hem, de zieke te gaan zien. Hij was ook van meening dat hier niets moer to verrichten viel. Do heer pastoor verzocht mij mêe to gaan naar don Dom, wat ik slechts heb gedaan wjjl het, voor het geval de zieke daar stierf, mijns inziens gewonscht was, dat eene Zuster aanwezig was, omdat de monschon bang zijn om een lijk aan te raken.
Zuster Stephanie.
lt;1. Inliclitinyen van den Pastoor.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
In antwoord op het hooggeacht schrijven van Uwe Doorl. Hoogw. neem ik de vrijheid, U. 1). H. mede te doelen dat mijn parochiaan Magdalona Weinachter niet alleen niet weder is ingestort, maar dat haar toestand van toen af beter geworden is.
Ook heeft zij na hare wonderdadige genezing niet het geringste geneesmiddel meer gebruikt.
Van Uwe Doorl. Hoog. do onderdanigste en gehoorzaamste dienaar,
J. Raubee, pastoor van Xieder-Kuntz.
Xioder-Kontz, 13 Maart 1893.
64
e. Ver slay van di-n eerw. heer kajieldcin 1'onnet y ran Si er cl.')
De Kenozing van Magdalena einachter van bieder-
o O O
Kontz (district Sierck) vóór den II. Rok van Trier (28â29 Sept. 1891).2)
I.
Sedert eenigen tijd wordt in de gebeelo streek, maar in het bijzonder in de parochie Xieder-Kontz, verbazing en blijde opgewektheid waargenomen: een arme zieke uit die plaats is door aanraking van den H. Rok genezen geworden.
Magdalena Weinachter heet de bevoorrechte persoon: Zij is thans 34 jaren oud. Acht jaren geleden werd zij ziek. Haar toestand verergerde weldra van dag tot dag, zoodat zij niet dan met de grootste moeite gaan kon. Spoedig echter werd zij zóó zwak, dat zij slechts door vreemde handen gesteund, ja, om zoo te zeggen gedragen de parochiekerk kon bezoeken. Doch ook dozen troost moest do arme lijderes eindelijk missen: de
') Wij outleeueu dit bcrielit., dat ecu aanschouwelijk beeld geeff. van de sjebeurtcuis zooals zij zich heelt toegedr.'.geu, aan den Siercker Azzeiger, bijblad van N0. 42, van 17 Oct. 1S91.
â¢-) Wanneer ik in het verbaal van deze merkwaardige genezing mij van het woord «wonderquot; eu âwonderdadigquot; bedien, waaraan de Kerk een meer bijzondere beteekenis hecht, en de omstandigheden blootleg, welke ecu rechtsfrceksch ingrijpen door God schijnen te bewijzen, bedoel ik daarmede volstrekt niet, eigenmaohtig ei het bovennatuurlijk karakter van vast, te stellen, of aan mijne woorden eene andere dan zuiver gesehiedkuudige beteekenis te willen geven (opmerking van don lieer kapelaan zeiven).
65
verlamming en do zwakte namen steeds toe, het linkerbeen en de rechterarm werden geheel stijf' en de rechterzijde werd door eenzelfde lot bedreigd. Mag-dalena kon niet meer overeind staan en moest bestendig het bed houden.
Welk een verschrikkelijke tegenstelling met den gewonen loop van zaken! In den leeftijd, waarin de menscheljjke krachten gewoonlijk haar hoogste ontwikkeling krijgen, zag de arme Magdalena hare levenskrachten meer en meer afnemen. Vroeger gezond en krachtig, geleek zij thans op een levenloos wezen, zonder beweging; men moest haar als een klein kind verzorgen, daar zij dikwijls zich niet eens sterk genoeg gevoelde, om met eigen hand het heilige kruisteeken te maken, veel minder om voedsel aan haren mond te brengen.
Van alle beweging beroofd, luidden de beenen zich gekromd en opgetrokken. De geringste aanraking van haar zieke ledematen veroorzaakte haar lievige smarten, en als men haar van het bed opnam, gilde zij het vaak uit van pijn. Ten gevolge van het langdurige liggen hadden zich op den rug twee diepe; wonden gevormd, die voortdurend etterden. Op menige plek liet de huid los, zoodat het ontvelde vleesch te voorschijn kwam. De verlamming scheen ongeneeslijk te zijn. Toch gaf de zieke de hoop niet op. âWanneer de nood op zijn hoogst is, is God nabij.quot;' Aan eene genezing door menscheljjke hulp was bijna niet te denken: zij wendde zich tot God en uit de diepte van haar ellende riep zij tot den Geneesheer der geneesheeren : âKomt tot nnj,quot; heeft Hij immers eenmaal gezegd, âkomt
5
(i()
gij allen die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken.quot; De lammen heeft Hij gaande en de zieken weder gezond gemaakt; waarom zal Zijne almachtigc Hand thans niet meer kunnen wat Zij vroeger deed!
â13idt,quot; zegt Jesus, âbidt zonder ophouden.... gij moet altijd bidden en nooit ophouden. Klopt en u zal worden opengedaan.quot; En de arme bad op haar lijdenssponde altijd voort, zonder ophouden; zij wilde aankloppen, totdat de deur der goddelijke barmhartigheid zich opende. Haar vertrouwen op God was zóó sterk, dat zij met zekerheid op hare genezing hoopte; zij werd zelfs wrevelig, wanneer men haar van sterven sprak. Ja, naarmate dit zieke, gebrekkige, uitgeputte lichaam steeds zwakker werd, werd in hare ziel, die naar alle waarschijnlijkheid weldra deze wereld zou verlaten, de hoop op genezing voortdurend sterker. Xiet dat onze zieke ongeduldig zou zijn geweest, o neen! zij klaagde niet, zij morde niet; want Godweet immers het best, wat goed en nuttig voor ons is. Hij had haar met een kruis beladen; dat kruis wilde zij dragen, het dragen met onderwerping en geduld, Hem volgend en de oogen altijd gericht op Hem, den goddelijken, onschuldigen Lijder, die eens een veel zwaarder kruis gedragen had.
Wanneer zij Hem smeekte, dat Hij Zich over haar zou ontfermen en haar slechts zooveel gezondheid zou teruggeven, dat zij een poosje kon opstaan en kleinen huiselijken arbeid kon verrichten, dan voegde zij altijd daaraan toe: âHeer, Uw Wil geschiede! Met zooals ik, maar zooals Gij het wilt.quot;
67
11.
Eenige maanden geleden hoorde ook onze zieke spreken van het voornemen om den H. liok ter vereering te stellen. â âIk moet naar Trier,quot; zei zij terstond, âdaar zal ik mijn gezondheid terugkrijgen.quot; Dit was van nu af haar eenige gedachte, haar vurigst verlangen. Zij bad innig tot God, om hare ouders en broeders en zusters te verlichten en ook in hen een straal van hoop op genezing te ontsteken. De familie was niet zonder hoop, maar ook niet zonder vrees. Een dergelijke reis te ondernomen, om een onzekere genezing te zoeken, was dat niet te veel gewaagd? Ofschoon van den eenen kant allen, door het Geloof geleerd, wel wisten dat bij God niets onmogelijk is, was er toch van den anderen kant van een reis in zulk een toestand veel te duchten. Zeker, er staat geschreven: âStelt uw vertrouwen op don Allerhoogste,quot; maar er staat ook geschreven: âGij zult God den lieer niet verzoeken.quot; Pijnlijke radeloosheid. Zware strijd tusschen een theologische deugd, het Geloof, en een kardinale deugd, de voorzichtigheid. Xu eens helde men naar de eene, dan weer naar de andere meening over. Eindelijk overwon het Geloof en tot de reis naar Trier werd besloten. De zieke hield nog eene novene, waaraan verscheiden parochianen deelnamen, welke te dien einde s avonds in de kerk en later vóór het Missiekruis kwamen bidden. O, zoo toch allen de kracht en het nut van het gemeenschappelijk gebed begrepen! _
y
68
BWaar twee of drie in Mijnen Naam vergaderd zijn,quot; zegt Jesus, âdaar ben Ik in hun midden.quot;
De zieke zuiverde en versterkte nog hare ziel door het ontvangen van de II. Sacramenten, en aldus voorbereid verliet zij Xieder-Kontz in den namiddag van den 28quot; September. Zoowel haar moeder als de weleerw. heer Rauber, haar zoo geliefde biechtvader, en eenige vriendinnen, die haar op eene voor dit doel vervaardigde draagbaar droegen, vergezelden haar. Linnen en pluksel werd meegenomen, om de etterende wonden der zieke te verzorgen. Toen men haar op de draagbaar legde, zuchtte zij: âIk voel dat mijn wonden loopen.quot; En de ongelukkige sloot de oogen en gaf schier geen toeken van leven meer. Slechts bij de Moezel fluisterde zij met bijna niet hoorbare stem: âBidt! bidt!quot; De veerman, die haar over de Moezel zette, dacht: âMorgen zal ik haar zeker weer als lijk moeten overzetten.quot;
In het station wachtte men op de aankomst van den trein. Het spoorwegpersoneel en een menigte menschen, die op het perron heen en weer liepen, waren vol medelijden.
âIs zij al lang zoo ellendig en lijdend ?quot; vroeg een van hen.
âAl meer dan vijf jaren is zij verlamd, ten gevolge van jicht en kan zij volstrekt niet meer staan.quot;
âEn hoopt die genezing bij den H. Rok te vinden ?quot; â Hoofdschuddend ging de vrager heen.
âAls die genezen terugkomt,quot; zeiden velen, ook andersgezinden, âdan zullen ook wij gelooven.quot;
âWelk een dwaasheid,quot; liet een hooggeplaatst per-
65)
sonage volgen, âeen stervende naar Trier te vervoeren! Is Jat niet onzinnig?quot;
Deze en dergelijke opmerkingen verminderden in-tusschen niet do deelneming voor de zieke. Al had men ook niet het geloof van den hoofdman, men bezat ten minste de liefde van den Samaritaan en gaf zich alle moeite, om de zieke met alle mogelijke zorgvuldigheid op haar draagbaar in den wagen te brengen. De trein vertrok. Eenigen hoopten, maar de meestön spraken het uit: âDie zien wij niet levend meer; als lijk komt ze terug.quot;
111.
Te Trier aangekomen werd de zieke in het klooster (naast den Dom) gebracht. De reis en het gedurig heen en weer dragon hadden haar dermate uitgeput, dat de weleerw. rector het noodzakelijk achtte, haar terstond, zonder verwijl, het H. Oliesel toe te dienen. Elk oogen-blik vreesde men haar den geest te zullen zien geven, want zij geleek meer een doode dan een levende. Zooals ze later verhaalde, zag en wist zij niets van alles wat om haar heen gebeurde. De aan het II. Oliesel voorafgaande gebeden werden achterwege gelaten, om tor-stond met de werkelijke handeling, met de zalving, te beginnen. Tegen alle verwachting echter stierf de zieke niet, zoodat men trachtte voor haar den laatsten troost, het aanraken van den 11. Rok, te verkrijgen.
Weg ons haar nabijzijnden dood maakte de overheid een uitzondering voor haar: de zieltogende werd terstond
70
in den Dom toegelaten, 't Was tegen 8 uur 's avonds. Zoodra zjj den H. Rok in het oog kreeg, voelde zij van het hoofd tot de knieën als een fel brandend vuur in haar binnenste. Zij zag niets anders dan lichten en het kwam haar voor, verhaalde zij, dat haar hoofd zou barsten. Uit de diepte van haar hart riep zjj, met luide, merg en been doordringende stem: âHeer, die gij liefhebt, zie, zij is krank! Jesus, Davids Zoon, ontferm U mijner! Zoo ik slechts den zoom van Uw Kleed aanraak, zal ik gezond worden!quot; Alle harten waren door medelijden bewogen en in aller oogen blonken tranen. Z. D. H. de wijbisschop Feiten nam de lamme hand in do zjjne en sprak: âHeb moed! arme zieke, en vertrouw op God. Denk ook aan do Moeder dei-Smarten en bid ter eere van hare Zeven Smarten gedurende acht dagen eiken dag zevenmaal het Onze Vader en zevenmaal het Wees Gegroet.quot;
Do zieke raakte het Kleed aan. Xiets buitengewoons viel daarbij voor, ten minste uitwendig, want het inwendige vuur brandde steeds feller in haar binnenste en veroorzaakte haar groote smarten. â âArme zieke,quot; zei diep ontroerd de hoogw. wijbisschop, âraak het Kleed nog éénmaal aan, maar met liet volste vertrouwen.quot; Het geschiedde en de zieke werd weggedragen.
âHoe gevoelt gij u ?quot; vroeg haar bezorgde biechtvader, toon zij do iiooge trap werd afgedragen.
âIk geloof dat ik wat beter ben,quot; luidde het zwakke antwoord.
Den nacht bracht zij door bij de Zusters in de St. Borromaeus-stichting, maar ze kon van pijn en
opgewondenheid niet slapen. Xa middernacht hoorde zij iets krakends in haar beenen, een geluid alsof men een stuk hout over de knie breekt, en op hetzelfde oogenblik bewoog zich en strekte zich het linkerbeen, dat sinds vijf jaren geheel stijf, krom en misvormd was.
âIk kan mijn been bewegen,quot; riep zij de vrouw, die in dezelfde kamer sliep, blijde toe. Deze zag het en was daarover niet weinig verbaasd.
âZoodra de dag aanbreekt,quot; zei de zieke, âmoet gjj mij nog eens naar den Dom dragen, ik moet nog ééns den H. Rok zien.quot;
's Morgens kwamen de vier vriendinnen, die haar vergezeld hadden, bij haar. â âWaar blijft gij toch zoo lang?quot; riep zij de binnentredende vrouwen toe. âHeft mij omhoog, ik kan immers gaan 1quot;
Men hief haar op en steunend op haar vriendinnen kon zij eenige schreden in de kamer doen.
âEn nu,quot; hernam de zieke, ânu dadelijk weer naar den Dom! Den II. Rok moet ik zieu, koste wat het wil.quot;
âHoe is het met de wonden? Doen ze nog pijn?quot;â-âXeen !quot; antwoordde zij, âik voel niets meer; illt; weet niet, of ze genezen zijn, of niet.quot;
Een ieder was vol spanning omtrent quot;t geen de dag brengen zou.
Er moest lang gewacht worden vóór den Dom. Tegen 12 uur kwam ik toevallig op het Domplein. Menschen van Kont/, die mij zagen, riepen mij toe, dat ik mij naar de zieke zou bedoven. Deze zajj; ik toen voor de
O O
eerste maal, en van alles wat geschied was wist ik ook nog niets. Zij lag onbewegelijk en met gesloten oogen
72
als op een doodsbaar; zij geleek een standbeeld, een beeld der Smarte, des Geloofs en dos Gebeds. Allo voorbjjgaanden bleven staan en hadden medelijden met haar. âHot gaat wat beter met haar en zjj wil den H. Kok nog eens zien,quot; zei men mij. Ik verheugde mij zeer over deze verbetering, doch hoe meer ik de arme zieke beschouwde, des te meer twijfelde ik, of ilie verbetering niet een gevolg was van de opwinding, welke de koorts zoo dikwijls teweegbrengt. De menigte vóór den Dom was zoo dicht, dat ik niet geloofde met de zieke er doorheen te kunnen komen. Ik trachtte haar tot geduld te vermanen en zei, dat de draagsters te 3 uren op het plein vóór het bisschoppelijk paleis moesten zijn, daar ik hoopte voor dat uur een toegangskaart voor de zieke to kunnen krjjgen. Toen ik op het bepaalde uur vóór het bisschoppelijk paleis verscheen, vond ik daar eenige lieden van Kontz - met de leege draagbaar. âAVaar is de zieke?quot; vroeg ik snel. âZij is genezen! Zjj is bij den hoogwaardigen bisschop! Zjj is bijna alleen de tra]) opgeloopen! âO God! o wonder! o vreugde! o Maria van Bijstand !quot; - dat waren de uitroepen, die tusschen do antwoorden door gehoord werden.
Wat was er dan toch tusschen twaalven en drieën gebeurd ? Do zieke, wie de tijd te lang viel, had met steeds grooteren aandrang den wensch te kennen gegeven, om den 11. Kok te zien. -.ion moest eindelijk wel haar wil doen. Xa veel moeite en gesmeek kon zjj eindeljjk worden toegelaten. Toen men haar de hooge marmeren trap opdroeg, zie, daar hief zij den arm op en vouwde de handen, wat zij sedert jaren niet meer
78
had gedaan, en met al do kracht van hare stem en van haar geloof riep zij uit: âJesus, Davids Zoon, ontferm U mijner !quot; â âRoep toch niet zoo luide en heb slechts een groot vertrouwen,quot; voegde de haar vergezellende priester haar toe. Vóór den H. Rok â \verd de baar neergezet. Hetzelfde vuur, dat daags te voren van het hoofd tot do knieën haar lichaam doorgloeide, stroomde nu van de knieën steeds dieper tot aan de voeten. Zij voelde geen spoor meer van pijn, als had de innerlijke ziektestof op hooger bevel hot gemartelde lichaam verlaten. Zij wierp de dekens van zich af, stond op en snelde weg. âIk kan immers gaan!quot; riep zij in de vaste overtuiging, dat thans hare pijnen voorgoed verdwenen waren. âO God, ik kan gaan! Ik dank U, ik dank U! Gij hebt mij meer gegeven dan ik gevraagd heb!quot;
Alle aanwezigen waren vol verbazing en diep ontroerd vroeg de eene den andere: âWie is ze ? Van waar komt ze:'quot; Twee geestelijken hielden de plotseling genezene staande, uit vrees, dat zij ineen zou zakken.â âLaat mij los,quot; riep zij afwerend, âik kan alleen gaan !quot; Zjj vroegen nu naar haren naam en hare woonplaats en dwongen haar, zicli op de baar neder te leggen. Bij de deur stond zjj echter nogmaals op en liep langs de enthousiastische menigte. âIs zij genezen? Is dat de doode van gisteren ?quot; hoorde men overal roepen. Velen zelfs poogden prentjes en rozenkransen aan de klwederen der wonderdadig genezene aan te strijken.
Des namiddags begaf men zich tot aan het plein vóór het bisschoppelijk paleis, waar men op mij wilde wachten. De hoogw. bisschop evenwel, die van het wonder gehoord
74
had, liet de genezene bij zich komen. Hij ondervroeg haar aangaande haar loATen en hot gansche verloop van haar ziekte, en verheugde zich mede ton zeerste over do wonderdadige genezing. Hij liet een onderzoek op haar lichaam instellen door de ziekenzusters in het klooster; alle wonden waren genezen.
Met den trein van ö1/* uur werd de terugreis van Trier ondernomen: de draagbaar werd in den goederenwagen gezet, maar de genezene nam bij haar vriendinnen in don passagierswagen plaats.
1Y.
Tegen 8 uren 's avonds kwam iemand bij den pastoor van Xioder-Kontz, die van do genezing nog niets wist, om hem te zeggen, dat Magdalena juist over de Moezel word gezet en dat hij toch dadelijk naar haar toe moest gaan. De ontstelde pastoor snelde heen, in de veronderstelling dat zij stervende was en oen laatste absolutie verlangde. In de verte hoorde hij het blijde Are van Lourdes zingen. âDat zijn pelgrims, die van Trier terugkoeron,quot; dacht hij en ijlde, in gedachten verdiept, voort. Toen hij meer de rivier naderde, herkende hjj de stemmen en schopte weer lichter adem. Wat was hij verheugd en hoe dankte hij God uit de gansche volheid zijns harten, toen hij zijn parochiekind gezond wederzag!
Als in triomftocht ging hot nu, op verlangen der genezene, naar de kerk. De klokken verkondigden do blijde mare: alles stroomde naar het bedehuis en een
75
ieder kon de vroegere lamme tot in de eerste bank zien gaan. Men schreide, men dankte en bad. Er zjjn gewaarwordingen, welke zich niet laten beschrijven.
Den volgenden dag werd een plechtige Mis van dankzegging opgedragen. De door God zoo wonderdadig genezene liep voor aller oogen zonder eenige hulp om het altaar, ten einde te offeren, en vervolgens naar de Communiebank. Hoe innig, hoe vurig moet hare dankzegging zjjn geweest!
Het nieuws van deze wonderdadige genezing verspreidde zich bliksemsnel. Drommen nieuwsgierigen snelden naar Meder-Kontz, om de genezene zelve to zien en uit haren mond de bijzonderheden van hare genezing te vernemen. Verscheiden priesters, ook de aartspriester van Sierck, bezochten haar en loofden en dankten God. Eenige heeren van Diedenhofen, die eveneens van de wonderdadige gebeurtenis hadden gehoord, gingen een weddingschap aan. Men wilde zich terstond zekerheid verschaffen. Per rijwiel kwam een van hen te Xieder-Kontz, bracht een bezoek aan de genezene en zond terstond een telegram af, dat het verhaalde op waarheid berustte.
Dr. Weinberg van Sierck onderzocht de genezene: zij gaat nog een weinig mank en ook de vingers zjjn nog niet geheel recht, maar toch kan zij ze met gemak bewogen. De vroeger etterende wonden zjjn genezen, de huid is glad en zonder lidteeken. Waar de wonden zijn geweest, ziet men slechts blauwachtige vlekken ter grootte van een Thaler, â't Is blijkbaar een wonder,quot; verklaarde de geneesheer.
76
Hoe kan de menschelijke wetenschap verklaren, dat een door jicht verlamd mensch in éénen dag gezond wordt? Dat inzonderheid de wonden, welke jarenlang, ook nog den dag vóór de reis naar Trier, nu eens bloed dan weer etter hebben afgescheiden, plotseling en zonder menschelijke medewerking zich sluiten ? â Ik loop ongetwijfeld niet vooruit op het oordeel der bevoegde overheid, aan welke het alleen toekomt, over het bovennatuurlijk karakter van deze gebeurtenis te beslissen ; mijn eenig doel is geweest, de zoo treffende bijzonderheden van deze merkwaardige genezing ter algemeene stichting op te teekenen en ik hecht daaraan geen andere waarde dan die van een geschiedkundig getuigenis.
Een ieder kan zich zelf overtuigen:
1°. Dat do bewuste Magdalena Weinachter, van Jsieder-Kontz, zwaar ziek naar Trier is vertrokken;
2°. dat zij den volgenden dag genezen is teruggekomen;
3°. dat deze genezing tot op den huidigen dag duurzaam is gebleken.
Dat zijn feiten. Aan God echter dank, lof en heerlijkheid !!
Fokm ERY, kapelaan to Sierck.
/'. Rapport der Coimimsie.
Do zaakkundigen vinden de zoo plotselinge genezing in de hoogste mate opmerkelijk, wijl voor het aannemen van een zelf-suggestie in verband met de omstandigheden der genezing geen sprake schijnt te kunnen zijn.
77
Men verlangde evenwel nog aan dr. Burg de vraag te richten, of do gewrichten der zieke vroeger gezwollen en dikker waren.
De genezene zelve was uitgonoodigd om in de zitting van 30 Maart 1893 zich door de geneesheeren der commissie te laten onderzoeken, ei) was ook verschenen. Ziehier het resultaat van dit onderzoek.
âDe persoon ziet er gezond uit. Het hoofd is vrij bewegelijk, beide handen en de gezamenlijke middelste gewrichten der vingers zijn achterwaarts gebogen en de bovenste vingergewriehten, met uitzondering van dun duim, voorover. Alle gewrichten zijn matig bewegelijk â de spierkracht is zoo groot, dat zij een stoel kan optillen en, zooals zij zegt, een emmer water kan dragen. Evenzoo zijn aan beide voeten de teenen achterwaarts gebogen. Deze verschijnselen rechtigen ons tot de diagnose, dat hier eene Pachj mening it Is cervicalis hijpertrophica heeft bestaan en de oorzaak van den ziektetoestand is geweest.
De commissie is van meening, dat de genezing niet op natuurlijke wijze te verklaren is, wijl zij zoo snel, of liever plotseling, plaats had en er geen specifiek middel tegen deze zeer zeldzame ziekte bestaat.
78
5. Joseph Petri, rentmeester teErkeln, iu Westphalen.
a. Attest van den Pastoor.
Houder van dit attest, de hoor Petri, lijdt sedert jaren nu hier dan daar aan hevige krampen. Geneeskundige behandeling is tot dusver zonder gevolg gebleven. Hij hoopt door aanraking van den H. Rok genezing te vinden, weshalve ondergeteekende beloofd verzoekt, hem daartoe de gelegenheid te verschaffen.
Aan Petri wordt hiermede ambtelijk het getuigenis verstrekt, dat hij zich onder godsdienstig en zedelijk opzicht steeds voorbeeldig hoeft gedragen.
Peike, pastoor.
Erkeln (distriet Höxter, Westphalen) 21 Sept. 1891.
b. Geneeskundk) (Mest.
Den rentmeester Joseph Petri, 24 jaren oud, van Lichtonau, heb ik in liet jaar 1888 goruimen tijd als lijder aan St. Vitusdans behandeld, wat op zijn verlangen hiermede geconstateerd wordt.
Dr. Haggeney,
Sanitatsrath.
Paderborn, 24 Sopt. 1891.
c. Bericht van den Genezene.
Erkeln (district Höxter, Westphalen), 3 Febr. 1893. Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur!
De plicht dor dankbaarheid jegens God vordert, dat
ik Uwe üoorl. Hoogw. mededeel, welk groot geluk mij door de aanraking van het H. Kleed is ten deel gevallen. Vijf jaren lang leed ik aan vreeselijke zenuwkrampen, die volgons verklaring der geneesheeren door hunne kunst niet konden worden weggenomen. Op mijne beden, gesteund door bijgevoegde geneeskundige attesten, verkreeg ik de hooge gunst, tot de aanraking van den If. Rok te worden toegelaten. Van dat oogen-blik af is de kwaal volkomen verdwenen; niet den geringsten aanval heb ik meer gehad, waarvoor ik God mijn leven lang dankbaar zal blijven.
Joseph Petri, rentmeester.
Erkeln (distriet Höxter), 8 Maart 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur.
Tn antwoord op het geachte schrijven van 1 Maart van 1 we Doorl. Hoogw. bericht ik l . D. II. het volgende : ad I. Xa aanraking van den H. Hok heb ik van mijne vroegere kwaal, waaraan ik dikwjjls leed, niets meer geweten;
ad II. Ik heb naar aanleiding daarvan ook geen geneesmiddelen meer aangewend;
ad III. W eshalve ik ook voor deze kwaal geen geneesheer meer heb geraadpleegd.
Joseph Petri, rentmeester.
80
d. Bericht van dm Pastoor.
Erkeln (district Höxter), 8 Maart 1893.
Ondergotoekende verklaart hiermede op zjjn eer en geweten, dat hij den rentmeester Petri, alhier, meermalen gedurende de vreeselijke krampaanvallen, waaraan hij sedert jaren leed, bezocht en gadegeslagen heeft, sinds zijn bedevaart naar den ter vereering gestelden II. Rok in het jaar 1891 herhaaldelijk met hem verkeerde en derhalve met zekerheid getuigen kan, dat hij volkomen genezen is en niet de geringste aanval zich meer vertoond heeft.
Anton Feike, pastoor.
e. Rapport der Commissie.
De zaakkundigen meenden eene natuurlijke oorzaak dor bestendige genezing van het hevige lijden, voor 't welk geen bepaalde geneesmiddelen bestaan, niet te kunnen aannemen.
6. Yrouw Peter Stiuner geb. Wüst, van Bradbach.
a. Attest van den Pastoor.
Aan de zieke vrouw Peter Stinner geb. Wüst verklaar ik zeer gaarne, dat zij zich steeds braaf heeft gedragen, een goeden, christelijken levenswandel heeft geleid en dat zij derhalve in deze parochie zich in een eerzamen naam verheugt.
Bradbach, 3 Sept. 1891. p Schneider. (L. S.)
SI
b. Attest can den geneesheer.
Kirchen, 31 Aug. 1891. 1 rouw Peter Stinner van Bradbaeli getuig ik hiermede, dat zij sedert 41/3 jaar aan een ernstige onderbuiksziekte lijdende is.
Dr. Demmer, geneesheer.
c. Ver slay van den Pastoor.
Bradbach a/d Sieg, 5 Jan. 1892. Den zeereerw. heer Hölseher, deken en pastoor te Wetzlar.
ZeerEenv. Heer,
Ondergeteekende neemt de vrijheid u-zeereerw. over een merkwaardige genezing ter gelegenheid van do vereering en de aanraking van den H. Kok te Trier verslag uit te brengen. Eene hier woonachtige vrouw, Theresia Stinner geb. Wüst, geboren den 27quot; Xov. 1853, was sedert jaren zóó lijdend, dat zij als een schaduw rondliep en geheel buiten staat geraakte eenigen arbeid te verrichten. Voor zoover ik vernemen kon, hielden de geneesheeren do kwaal voor kanker van de uterus, en derhalve moest de vrouw op last der geneesheeren meermalen te Keulen in de aldaar gevestigde provinciale kraamvrouwen-inrichting vertoeven, waar zij onder lei-ding van dr. Frank herhaaldelijk werd geopereerd. Maar niets hielp, alle beterschap bleef uit; de vrouw werd integendeel voortdurend zwakker. Zoo was het tegen het einde van het vorige jaar (1891), toen de vrouw bij mij kwam en mij mededeelde dat zij weer
6
82
naar Keulen moost, om zich te laten opereeron; zij vreesde echter dat zij deze operatie niet meer zou kunnen doorstaan, wijl zij te zwak was, en vroeg hoe ik er over dacht: of zij zich naar Keulen zou begeven of haar srenezine: te Trier zou zoeken. Ik antwoordde haar
O O
dat, indien het zóó met de zaak gelegen was dat haar leven bij eene nogmaals herhaalde operatie gevaar liep, zij de operatie, die vermoedelijk even weinig zou uitwerken als de voorgaande, achterwege moest laten en vol vertrouwen op God naar Trier moest gaan. Ik gaf haar een getuigschrift betreffende haar goede naam en faam, en zij verschafte zich een geneeskundig attest van den haar behandelenden geneesheer dr. Demmer te Kirchen, welke stukken beide aan liet bisschoppelijk paleis door pastoor Schütz van Mudersbach werden bezorgd, üe vrouw nam deel aan de bedevaart op -1 Sept., maar gevoelde zich volgens hare verklaring zoo ellendig, dat zij bij hare aankomst te Trier uit het station meer gedragen dan gesteund moest worden. Den Gquot; Sept. 1891 werd zij 's morgens tot de aanraking toegelaten en reeds den eersten dag trad beterschap in, terwijl de volledige genezing geleidelijk binnen veertien dagen volgde. Ik heb de vrouw zelve de omstandigheden vóór en na haar genezing laten opschrijven, en dit document gaat hierbij. Do verklaringen der vrouw verdienen het volste geloof. Xog kort vóór de genezing heeft zij natuurlijke middelen gebruikt, en wel morphine-poeders en ook droppels tot het stillen van de bloedvloeiing; na de genezing echter niets meer van dat alles. De genezing is evenwel onder de omstandigheden, waarvan zij vergezeld ging, zoo
8;3
opmerkelijk en merkwaardig, dat ik slechts tot mij zeiven kon zeggen: âHier heeft God geholpen.quot; Dat de vrouw vóór de bedevaart zeer ellendig eu uiterst zwak was, dat zij echter na dien tijd voortdurend beter werd en er thans weder uitziet als een frissche jonge dochter, kan een ieder in deze gemeente getuigen. Als geneeskundig attest van den toestand der vrouw na de bedevaart heb ik ingesloten een getuigschrift van den arts, die haar heeft behandeld, dr. Deinmer te Kirchen. Ik was daarmede evenwel niet tevreden en liet derhalve de genezen vrouw jl. Zondag naar Keulen sporen. Aldaar is in de kraamvrouwen-inrichting door den directeur, dr. Frank, op grond van een met den oogspiegel ingesteld onderzoek de tegenwoordige toestand der vrouw vastgesteld, welk attest mede ingesloten is.
Pastoor Schneider.
Aan een dergelijk schrijven aan den eerw. heer domkapelaan Hullev, van !) Xov. 1891, ontleenen wij nog den volgenden volzin: âEn wat de hoofdzaak is, de krachten zijn derwijze toegenomen, dat zij haren gewonen huis- en veldarbeid weer verrichten kan; zij ziet er zoo frisch en gesond uit als een jong meisje; zoo is ze tot nu toe en zoo zal zij waarschijnlijk blijven.'quot;
d. Verhaal der Genezene.
Geloofd zij Jesus Christus! â Ik Theresia Stinner geb. Wüst doe hiermede kond, dat ik bijna vijf jaren zeer lijdend was. Mijne ziekte ontstond door de gevolgen van een ontijdig kraambed, ik werd zeer ziek, heb
84
vele dagen in hevige smarten moeten doorbrengen en zou er zeker ook niet door zijn gekomen, zoo niet de goede God mij geholpen had. Eenige weken later, toen ik nog erg zwak was van de eerste ziekte, weid ik opnieuw ziek en kreeg onderbuiksontsteking. Ik had andermaal zware pijnen te verduren en werd zóó zwak, dat niemand dacht dat ik het halen zou. Jk heb dan ook vijf maanden plat te bed moeten liggen voordat ik weder kon opstaan. Gedurende vier of vijf weken kon ik mij een poosje in de lucht begeven, om wat aan te sterken, maar ik werd niet beter; steeds keerde de ontsteking weer voor een korten tijd terug. Ik werd toen te Kirchen in het gasthuis opgenomen en heb daar acht weken lang bijna altijd moeten liggen, doch zonder beterschap te bespeuren; integendeel, mijn lijden verergerde met den dag. De geneesheer oordeelde het derhalve noodzakelijk, dat ik eene operatie onderging. Ik ging alsdan naar Keulen, in de kraamvrouwen-inrichting, werd geopereerd en moest weder negen weken voortdurend liggen, voordat men mij liet gaan en ik naar huls mocht terugkeeren. De beterschap bloei echter nog altijd uit, telkens stortte ik weder in. Ik werd zeer zwak en ellendig en had veel te lijden; ongerekend de talrijke kleine proeven, waaraan men mij onderwierp, werd ik meermalen geopereerd. Dr. Frank gaf zich zeer veel moeite, om mij beter te maken, maar de goede God heeft hot toon zeker nog niet gewild. Vóór 3V4 jaar werd ik de vierde maal geopereerd. Ik ben destijds weer bijna zeven weken moeten blijven liggen, voordat ik naar huis kou gaan. in den beginne
geloofde ik, dat ik nu beter zou worden, maar bet hield geen stand; andermaal werd ik zeer lijdend, en bij het vroegere lijden voegde zich nog een ander van zeer ernstigen aard; ik had namelijk dikwijls verscheiden dagen lang bloedvloeiingen en moest daarbij zooveel pijn uitstaan, dat ik niet geloofde nog langer aan de ziekte weerstand te kunnen bieden. De dagen, waarop ik geheel vrij was, waren te tellen, en al zwakker en zwakker wordend dacht ik dikwijls, dat het mij onmogelijk zou zijn, langer staande te blijven. Ook had ik na het eten hevige koorts; alles stond mij tegen. Slapen kon ik hijna. niet, alleen tegen den morgen sluimerde ik wat. Hoeveel ik geleden heb in die vijf jaren, is alleen den goeden God bekend. Alles kon ik niet meer zeggen, on ik geneerde mij ook om het te zeggen. In den laatsten tijd ontving ik van den dokter slechts droppeltjes om de bloedvloeiing te stillen, wanneer hot heel erg werd, en morphine-poeder om de pijn wat te verzachten. Jk was den laatsten tijd zóó lijdend en ellendig geworden, dat do geneesheer het noodzakelijk achtte, dat ik mij nogmaals aan een operatie zou onderwerpen, maar mijn man en de pastoor geloofden niet, dat ik die kon doorstaan, en ik zelve geloofde dat evenmin. Toen wjj nu hoorden, dat ook zieken de reis naar Trier konden medemaken, zei mijn man: âVeel liever laat ik je daarheen meegaan dan je nog aan een operatie te wagen. Zoo het Gods wil is dat je weder gezond wordt, dan zal Hij ook zeer zeker je nu helpen.quot; Ik ging dan naar den beer pastoor, om hem raad te vragen, hoe ik het aan moest leggen.
S(5
Ook hij zei, iliir ik in (iodsiiaam maar moest nicêgaan en mij goed moest, voorhereidon ; dan zou ik ook zeker wel tot de gelukkigen beliooren. Hoe l)lij ik was, dat ik mee mocht gaan, kon ik niemand zeggen; want ik had reeds van den beginne af het geloof en het vertrouwen, dat God mij zeker zou lielpen, zoo het Zijn heilige wil was. Ik begaf mij derhalve tot den dokter, om hem verlof te vragen. Aanvankelijk wilde hjj er niet van hooren, want ik was in den laatsten tijd hoogst ellendig geworden, en de kwaal was ook zeer verergerd. Doch ik bad en smeekte hem, om toe te geven, en hjj schreef eindeljjk een attest, maar verklaarde dat, zoo hot nog erger met mij werd, ik niet mee mocht gaan. Ik vatte echter moed en zei; ri)e goede God zal wel helpen.quot;
Toen wij quot;s morgens van hier wegreden, ben ik een uur te vroeg naar het station gegaan. Ik zei niemand, hoe ziek en ellendig ik mij gevoelde, uit vrees dat men zou terugkeeren. Onderweg naar Trier gevoelde ik mij herhaaldelijk heel slecht; maar steeds bad ik den goeden (rod opnieuw, dat Hij mij toch zou helpen ; ik wilde immers uit liefde voor Hem gaarne alles geduldig verdragen op de reis. Hij heeft het ook gedaan.
Reeds tweemaal was ik den II. Kok voorbijgegaan voordat het mij gelukte dien aan te raken. Den 6quot; September, des morgens te ö uren, werden wij vóór den II. Kok gebracht. Met welke gevoelens ik den Dom betrad, kim ik onmogelijk besehrijven. Ik besefte, hoe onwaardii!' ik een zoo irroote weldaad was. Doe dichter wij bij den If. Rok kwamen, des te meer ontroerde ik.
*1
terwijl ik dacht aan het groote lijden, dat Jesus in dit heilig Kleed had verduurd; want ook voor mij heeft II jj eenmaal zoovéél geleden. Xooit ook heb ik mijne onwaardigheid zoo diep erkend als destijds, toen de goede God mij een zoo groote, onverdiende genade schonk. Toen wij de marnieren treden beklommen, bad ik den goeden God steeds vuriger, dat Iljj mijne bede zou verhoeren, zoo dit Zijn heilige wil was. Evenals eens de vrouw (uit het Evangelie) gebeden had, dat zij slechts den zoom van Zijn Ivieed zou mogen aanraken. bad ook ik dat Hij mij weder gezond mocht quot;maken. De tranen, welke ik weenen moest over mijne zonden, kon ik niet weerhouden. Met het grootste vertrouwen wachtte ik op het oogenblik, dat ik aan de beurt zou komen; ik voelde mi j 's morgens zoo akelig, en toch had ik her geloof en het vaste vertrouwen, dat ik weder gezond zou worden.
Waf ik gevoelde, toen ik de aanraking deed, kan ik niet weergeven. Eerst ging het inij door de rechterhand, daarna door den arm en zoo verder door het gansche lichaam, ik werd onuitsprekelijk gelukkig, zooals ik nog nooit te voren was geweest, ik had het geluk nog eenigen tijd in de nabijheid van den 11. Kok te bidden en den goeden God te danken voor de groote genade, die mij ten deel was gevallen. Xooit zal ik dit zalig uur vergeten. \N aaraan had ik toch zulk een groote genade verdiend? Ik voelde al dadelijk beterschap, en ook ging het mij veel beter op de terugreis.
Toen ik den eersten morgen na de reis wilde opstaan, kon ik dat met geringe moeite. Ik voelde in het
88
geheel niet, dat ik een zoo verre reis had gemaakt. Ik was zoo gelukkig, dat ik mij gedrongen gevoelde om het aan iedereen te zeggen, die in mijn nabijheid kwam. Ook heb ik velen verzocht, dat zij toch met mij zouden danken voor de groote weldaad, die ik van den goeden God verkregen had. Sedert dien tijd slaap ik weder zeer goed en ben des morgens goed uitgerust; ook smaakt mij het eten weer best. De eerste dagen heb ik a-eel gebraakt, ik kon slechts weinig voedsel verdragen, maar binnen eenige dagen ging ook dat heel goed. quot;\\ at de hoofdkwaal betreft, daarvan heb ik thans niets meer te lijden. In de eerste veertien dagen geschiedde de beterschap geleidelijk; na dien tijd was alles weder als vroeger toen ik gezond was, en van de pijn ben ik heelemaal bevrijd. Ik kan nu weer allen huisarbeid verrichten; alleen het wasschen en dergelijk zwaar werk moet ik nog laten, zoo ver reiken mijn krachten nog niet. Ook dat zou echter wellicht al veel beter gaan, wanneer mijn omstandigheden gunstiger waren. Doch met Gods hulp zal het zeker ook daarmee spoedig' beter worden. De vreugde, die ik thans gevoel, dat ik weer werken kan, kan ik niet beschrijven.
Door de oneindig groote goedheid en barmhartigheid van God ben ik gezond geworden, en daarvoor zal ik Hem eeuwig dankbaar bljjven. â Geloofd zjj Jesus Christus !
Theresia Stinnek geb. Wüst.
Bradbach, 28 December 1891.
89
e. Geneeskundu/e utteMen.
Vrouw Peter Stinner van Bradbach verklaar ik op haar verlangen, dat haar gezondheidstoestand van het begin van September tot heden vrij goed en gelijkmatig gunstig is gebleven.
Dr. Demmer, arts.
Keulen, â gt; Januari 1892.
Ik ken vrouw Stinner reeds verscheiden jaren. Zij leed aan een chronische ontsteking van uterus en ovarium met den omtrek. De uterus werd uitgelepeld en het gezwel weggenomen. Desondanks bleef de vrouw steeds Ijjdend: vloeiingen en tal van hysterische ongemakken : oprisping, braken, duizeling en hoofdpijn, pijn in do stuit enz. Plet locale lijden was niet van kwaad-aardigen aard, maar het zenuwgestel was zoozeer geschokt, dat ik aan volkomen genezing nooit gedacht heb. Heden staat de vrouw weder vóór mij: Zij ziet er bloeiend uit, in plaats van bleek en ellendig, zooals vroeger. Al de subjectieve ongemakken zijn volgens haar verklaring geheel verdwenen, ook de vloeiingen hebben opgehouden.
Dr. Frank.
Æ. Mededeéling der Genezene.
Teruggezonden aan Z. D. H. Dr. Korum, bisschop van Trier, met de onderdanigste opmerking, dat vrouw Theresia Stinner geb. Wüst, alhier, op mijn verzoek heden bij mij gekomen is.
i)()
Zij vorkluart ail 1 ; âMijn gozondhoidstocstand is sodert do Lij het vcrcoring sti-llon van den li. Hok vorkregen quot;â¢cnezing voortdurend lietor geworden, en mijn vroegere kwaal heeft zich niet weder vertoond.
,tliere81a Stisner gcb. quot;WfiST.quot; bi Jitleiii.
De pastoor: Sciixeider.
ij. Ii'iipjuui der ('(trrnnisxip.
De zaakknndigen beschouwen deze genezing als niet op natuurlijke wijze verklaarbaar ; inzonderheid is geen grond aan te geven voor het plotseling ophouden van de bloedvloeiing.
7 Peter Kul van Biivdenbatii.
ii. (imecsl'iimliii attcM róór de (/cnezin;/.
Horhausen. 14 Sept. 1891.
Peter Kul, geboren '21 Februari 1890, zoon van den mijnwerker Joh. Kul, van Biirdenbach, is een lichamelijk zwak ontwikkeld kind, dat door herhaalde ziekten zeer verzwakt is. Het doorstond iu Maart van dit jaar een hersenontsteking en lijdt sedert aan de gevolgen van deze ziekte, bestaande in volkomen blindheid van het linkeroog, groote gezichtszwakte van het rechteroog en verlamming (parese) van den rechterarm. Geneeskundige behandeling heeft tot dusver geen gevolg gehad, en op eenige beterschap van beteekenis is bijna geen vooruitzicht.
Dr. AVkbek. arts.
91
/y. Schrijrcn run pusfaor llaidit/.
1 loi'hrtuson (dekciiiiat Kirclicn). 2(i Jan. 1802.
Doorluchti^c iroogwaardijfhoid.
Monsoigncui',
Ik hch di' oer I 'wo Donrl. lloogw. alloroixlcrdanigst volsjcmlc nicdcilccling doen : ! Vtcr Hid, zoon dor echtelieden .lull. Kid en Maria Anna, geb. Kamp. woon-ac'litiir re Hnrdenbaeli, parochie Horhausen, district Alrenkirehen. gelmren '21 Februari 1890, was in verloop van rijd volslagen blind geworden en had bovendien een lammen arm. 1 )e geraadpleegde geneesheeren waren van oordeel dar her kind ten gevolge van krampen blind geworden was. De vader ging hot eerst met her kind naar een oogarts te Xenwied, namelijk dr. Aron. en vervolgens naar dr. \\ eber, van welken laatste een attest zich bij de akten zal bevinden. Deze beiden verklaarden, dar het kind blind was; er was aan den toestand niers re doen; men moesr lier kind krachtig voeden, mogelijkerwijze zou alsdan eene verandering intreden. Eene verandering bleet' evenwel uir, en de vader, die al zijn vertrouwen op de ludp van God luid gesteld, vertoonde een geneeskundig attest, opdat zijn kind het voorrecht ten deel zon vallen, den 11. Rok re mogen aanraken. De vader verklaart nu dat zijn kind, zoodra het den II. Kok had aangeraakt, een gil liet hooren. Vóór den Dom had hij den kleine iers te eten gegeven, en liet kind heeft dir met zijn vroeger zieken arm aan den mond gebracht, waartoe het te voren nooit in staar was geweest. In zijn logement teruggekeerd, had
92
hij voor bet kind een kleinigheid om te eten op de tafel gelegd; het had dit gezien, ernaar gegrepen en het opgegeten. Zijn kind is volkomen genezen en heeft na de bedevaart hoegenaamd geen medicijnen meer ingenomen.
De ouders zijn vertrouwbare lieden en hebben geen reden om de waarheid te verzwijgen.
Met allen eerbied blijf ik van
Uwe Doorl. Hoogw. de allergehoorzaamste dienaar, Baulig, pastoor.
c. Gefnigeni.s- der ouders.
Hiermede moet ik verklaren, dat mijn zoon Peter Eul, van Bürdenbach, van de twaalfde maand af geheel blind en aan den rechter arm verlamd was. Ik heb toen besloten, het kind mede naar Trier te nemen, om het den H. Rok te laten aanraken. Op de reis daarheen heb ik den goeden God gebeden, dat Hij het kind óf zijn gezondheid óf den Hemel zou schenken. Toen ik nu bij den H. Rok kwam en de hoogw. bisschop het lamme handje met den H. Rok in aanraking brachten gebeden over het kind uitsprak, stiet het een luiden gil uit; ik dacht toen in mijn binnenste dat de goede God het kind had geholpen, en dat was ook waar. Toen ik nu vóór den Dom was gekomen, heb ik het kind iets te eten gegeven in het handje, dat lam was, en het heeft met het handje gegeten. En hield ik den kleine iets vóór de oogen, dan zag hij het voorwerp. Van
1)3
dion tijd af heeft het kind zijne gezondheid terug. Ik kan dit met oprecht gemoed openlijk getuigen en er een eed op doen, daar het op waarheid berust.
Ik ben de vader en noem mij
Mijnwerker Johaxn Eiti,, te Bürdenbach bij Horhausen.
d. Gmeeshmdicj attest na de genezing.
Horhausen, 25 Maart 1893.
Peter Eui, zoon van den mijnwerker Johann Eul, den 21 Februari te Bürdenbach geboren, werd heden door mij, op verzoek, ten opzichte van zijn oogen geneeskundig onderzocht. De knaap, die aan bloedarmoede lijdt en slecht ontwikkeld is, heeft gezonde oogen. Hij richt beide oogen en ook elk oog afzonderlijk heel goed en grijpt met beide armen naar hem voorgehouden voorwerpen terstond vlug en zeker. De iris reageert op licht snel en normaal; er is aan beide oogen en wat daartoe behoort niets zieks waar te nemen, ongerekend de matbleeke tint, welke een gevolg is der algemeene bloedarmoede van den knaap.
Dr. med. Weber, arts.
e. Rapport der Commissie.
Op grond van de aanwezige geneeskundige getuigenissen gelooven de zaakkundigen, dat do genezing van het kind Eul zich niet op natuurlijke wijze laat verklaren.
volgendon dao; door verocring van de lieiligc; Keliquie genezing voor haar ziek kind te vinden. Het kind was zeer zwak en lijdend. De vergunning, dat liet kind den II. Kok mocht aanraken, werd spoedig verkregen. Den volgenden morgen te S uren had ik eeredienst in den Dom, en daar de vrouw gaarne zoo spoedig mogelijk naar Berlijn wilde terugkeeren, stelde ik haar voor, zich op dat uur naar den Dom te begeven; ik zou haar dan de behulpzame hand bieden om haar doel te bereiken. De vrouw was op het gestelde uur in den Dom aanwezig. Ik voerde haar naar een stil plekje, opdat ze daar wat zou kunnen hidden en begaf mij vervolgens op mijn post. ^'a een poosje verschenen moeder en kind bovenaan de trap vóór de Keliquie. Ik liet haar daar eenige minuten bidden, bracht toen do hand van het kind in aanraking met het H. Gewaad en liet haar voorts nederknielen om God te danken. Later vond ik het tweetal weder in het St. Helena-gestieht, waar het kind het best maakte, met graagte at en mij zei, dat het gezond was geworden. Ik schonk aan die woorden geen verdere aandacht en ik ben verheugd te vernemen, dat inderdaad genezing is ingetreden. Trier, 11 Maart 1893. Beckeu.
(I. \'eriil(((j ran den rader or er de (jenezing.
Berlijn, 4 Februari 1S93.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
ilonseigneur.
Bezield met den innigsten dank jegens God, die in
96
Zijne barmhartigheid aan ons onwaardigen Zijne genade heeft getoond, zend ik Uwe Doorl. Hoogw. over de wonderdadige genezing van mijn zoon Hans volgend verslag:
1. Mijn zoon Johannes Wecker is geboren te Berlijn den 12quot; Aug. 1887. Hij was dus bjj zijn genezing te Trier 4 jaren oud en hij heeft den H. Eok op Zaterdag 3 Oct. 1891, 's morgens te 9 uren, aangeraakt.
2. Een attest van het lid der gezondheidscommissie dr. Koellen, alhier, over den naar menschelijke berekening ongeneeslijken toestand van mijn zoon â darm-tuberculose â heeft mijne vrouw overhandigd aan den weleervv. heer rector Becker in het Helena-gesticht, waar mijne vrouw en mijn zoon vriendelijke opname vonden, en door diens goedgunstige bemiddeling heeft zij de vergunning tot het aanraken van den H. Rok verkregen. Dezelfde eerw. heer heeft ook bij de aanraking geassisteerd. Dit moment heeft mijne vrouw diep geschokt en zal onvergetelijk voor haar blijven. Reeds het betreden van den Dom en het zien van den H. Rok vervulde mijne vrouw met heiligen schroom.
3. Daar oen uiterlijk teeken van de ziekte niet aanwezig was, kon ook eene plotselinge genezing bij de aanraking niet worden waargenomen; dat zulk een genezing echter heeft plaats gehad, bewijst de veranderde toestand van den kleinen patiënt. De reeds eenige maanden aanhoudende lichte koorts en het sedert weken durende gemis van eetlust waren verdwenen en de kinderlijke opgewektheid en vroolijkheid was teruggekeerd. De eerste woorden van mijn zoontje in het station der Friedrichstrasse alhier waren: âPapa, ik ben nu gezond.quot;
97
Wat nijjii hart bij dit' woorden gevoelde, kan ik niet beschrijven. Mjjn kind was aan den dood ontrukt. Den al machtigen, barmhartigen en goedertieren God zij lof, eer, prijs en dank!
4. Xoeh kort vóór noch kort na de aanraking van den II. Kok zijn natuurlijke geneesmiddelen aangewend.
5. Getuigen waren mijne ouders, die ook onder eede kunnen verklaren, dat sedert de aanraking van den 11. liok eene genezing is ingetreden.
(J. Ik veroorloof mij een geneeskundig attest over don tegenwoordigen toestand van mijn zoon hierbij in te zenden met de opmerking, dat zoowel de Sanitiifxrath dr. Koellen als onze huisdokter dr. Schultze spoedig na den terugkeer uit Trier mijn zoon I lans voor genezen verklaarden, en dat laatstgenoemde l)ij liet wegen van zijn lichaam binnen circa 14 dagen na het gebeurde werd bevonden ongeveer '2 kilo zwaarder te zijn geworden. Al zou nu ook bij het gebruik maken van twee weegschalen ten opzichte der juistheid eenig verschil kunnen worden aangenomen, in elk geval is een verblijdende toename in gewicht en daarmede een zeer gunstige gezondheidstoestand te eonstateeren.
Ik wil hier nog bij vernielden, dat, nadat onze buis-dokter dr. Schultze liet groote gevaar voor het jeugdige leven bad ingezien, in consult met don Sdnifiïfxrafh dr. Koellen nogmaals een grondig onderzoek in mijne woning plaats bad, en dat beide geneesheeren verklaarden, dat mijn zoon aan darmtuberculose leed. De gevaarlijke, ja, doodelijke ziekte is sedert de aanraking van den H. Kok door Gods genade en barmhartighèid
7
98
verdwenen. Mijn zoon Huns ontwikkelt zich tot onze groote vreugde op volkomen normale wijze.
Met de onderdanige bode, met ons den Almachtige te prijzen en Hem te danken, teekent met groote vereering en hoogacliting, doch, helaas betreurend de vertraging van dit verslag, welke door allerlei onvoorziene omstandigheden werd veroorzaakt,
Van Uwe Doorl. Hoogw.
de onderdanigste dienaar, II. Wkcker, koordirecteur der St. Hedwigskerk.
Berlijn W, achter de Katholieke Kerk Xo. 5 11.
e. GmeeskundUj attvat na de yenezinj.
Hans Wecker, geboren 12 Aug. 1887, is heden door mij geneeskundig onderzocht, en ik verklaar hem voor volkomen gezond. Inzonderheid zijn geenerlei verschijnselen waar te nemen, die eene ziekte van het onderlijf aanduiden.
Dr. Schultze, prakt. arts.
Berlijn, 28 Januari 189lgt;.
Æ. Brief ran den Vader.
Berlijn, 21 April 18913.
ZeerEerw. Heer,
Hiermede zend ik TJZeereerw. in zake de wonderdadige genezing van mijn zoon Johannes het verlangde
99
attest van dr. Schultze en verzoek de lange vertraging beleefdelijk te willen verontschuldigen. Die vertraging was, tot mijn groot leedwezen, een gevolg van de ber-lijnsche toestanden en van allerlei omstandighedeu.
Xadat de Sunitütsrath dr. Koellen en dr. Schultze samen de zaak hadden besproken, heeft onze huisdokter dr. Schultze er zich mede belast, het attest op te stellen, dat ik hiermede eindelijk de eer heb toe te zenden.
Met de meeste hoogachting,
U ZeerEerw's dienstwillige, Wecker.
(j. Tweede geneeskundhj attest mi de genezing.
De door mij geneeskundig behandelde Johannes Wecker, zoon van den organist Wecker te Berlijn, leed gedurende verscheiden maanden van het jaar l!S91 aan darmtuberculose (Tubes tncsaraim). De daarbij waargenomen verschijnselen waren de volgende: algemeen, maandenlang aanhoudend verval van krachten, bleeke gelaatstint, vermagering, voortdurende koorts, gebrek aan eetlust en buikpijnen. liet onderlijf was in zijn geheel erg gevoelig voor drukking, eenigszins gezwollen, doch er was geen duidelijk waarneembare tumor aanwezig. Verschijnselen van Typhlitis, Peritonitis of eenige andere onderlijfsziekte bestonden met zekerheid niet. Ook de longen waren niet aangedaan. Bepaalde diar-rheeën ontbraken. De patiënt heeft meermalen aan klieren geleden.
10(1
Als bijzonder gewichtig inoment dient in het licht gesteld, dat enkele maanden vóórdat Johannes A\. ziek werd eene ongeveer achtjarige zuster van hem aan dezelfde ziekte, I'd hes uiemralru, gestorven is.
Or. Scui'LTZE, prakt. arts.
Berlijn, 20 April ISiliJ.
h. h'apjioi'f der CoiiNnIssir.
Op grond der duidelijke geneeskundige attesten over den ziektetoestand van den knaap vóór en na do aanraking van den if. Rok, zoomede wegens het gevaarlijke karakter der ziekte, zijn de zaakkundigen van oordeel, dat deze genezing niet op natuurlijke wijze te verklaren is.
Desniettemin verlangden zij uit voorzichtigheid nog nadere inlichting omtrent den aard der ziekte. Die inlichting werd verschaft door bovenstaand geneeskundig attest van 20 April 1893. De commissie deed ingevolge daarvan in haar zesde zitting de volgende einduitspraak: Ofschoon men er nog over in twijfel kan verkeeren, of de darmziekte darmtuberculose was, schijnt toch de volkomen en merkwaardig snelle genezing van het hevige lijden op natuurlijke wijze niet verklaarbaar.
101
!). Zustor Stephanie van Trier.
a. I 'crxiuj ilcr (imezenc.
Doorluchtige Hoogwnnrdigiu'id,
Monseigneur,
Op verlangen van I'we Doorl. lloogw. veroorloof ik mij volgende inedodeeling:
In het afgeloopen jaar 1892 vormde zich bij mij in de linker okselholte een knobbelachtig, pijnlijk gezwel, dat steeds grooter en grooter werd. Als barmhartige Zuster, meer dan 40 jaren in de orde, wist ik zeer goed, wat hier gedaan moest worden, en dat een door den geneesheer voorgeschreven zalfje niets baten zou. Ik vernam dan ook dadelijk van de Zuster, die den geneesheer vergezelde, dat deze nog in twijfel was, of hij de operatie in het klooster of in ons Moederhuis zou verrichten.
Daar ik ten gevolge van vroeger zenuwlijden mij nog altijd zwak gevoelde en ook kort te voren nog eene longontsteking had doorstaan, was ik dubbel angstig voor deze pijnlijke operatie en vroeg ik mij af, of het niet heter ware aan die kankerziekte te sterven dan mij aan eene operatie te onderwerpen, welke ik op mijn 60-jarigen leeftijd toch of niet of slechts korten tijd overleven zou.
De plotselinge genezing van een lamme1) ten tijde van het ter vereering stellen van den II. Hok, door de
') Uo Zustor was jtcgcuwoordig geweest bij de plotselinge ge-iiezins: van Mairilalena Weinacliter.
102
aanraking daarvan â van welke genezing ik getuige was en waarvan mij een levendige herinnering was bijgebleven â bracht mij op de gedachte, dat ook ik misschien op deze wijze zou kunnen worden geholpen. Ik legde derhalve een doek, waarop eene afbeelding van den H. Rok was gedrukt en die daaraan was aangestreken, op de zieke plek, den lieven Heiland smeekend, mij van de kwaal te bevrijden, zoo dit overeenstemde met Zijn heiligen wil.
Het gezwel verdween binnen weinige dagen en tot op den huldigen dag, 25 Sept. 1893, is er geen spoor van overgebleven.
Deze mijne verklaring ben ik te allen tijde bereid onder eede te bevestigen.
Met de meeste hoogachting,
Yan Uwe Doorl. Hoogw.
de gehoorzaamste dienares, ⢠Zuster 31. Stepiiaxie Popp. Trier, 26 September 1893.
h. Geneesknndin affest ar er den ziekfefoesfand róór cv nu de r/eneziny.
De overste van het bisschoppelijk klooster te Trier, Zuster Stephanie, consulteerde mij in Aug. 1892 wegens een irezwel boven de linker borstklier, ik constateerde een hard gezwel ter grootte van een ei, bewegelijk, niet zeeï gevoelig, noch met de huid, noch met de spieren vergroeid, en beschouwde het als iets, dat op zich zelf stond en slechts door operatie kon worden
108
verwijderd. Daar ik en de patiënt niet aanstonds tot de operatie wilden overgaan, schreef ik haar inwrijving met Jodkali-zalf voor. Xa vier dagen was de toestand onveranderd. Ik deelde haar toen mede, dat eene operatie wel noodzakelijk zou zijn. Zonder ontboden te zijn, onderzocht ik haar nogmaals na veertien dagen. Zij vertelde mij vooruit dat het gezwel verdwenen was. Bij het onderzoek vond ik geen gezwel en zelfs geen spoor meer daarvan. De zaak was mij onverklaarbaar. Xa eenige maanden deelde de Zuster mij mede, dat zij de voorgeschreven zalf in het geheel niet had gebruikt, maar oen aan den H. Rok aangestreken beeltenis op de zieke plek gelegd en een novene gehouden had. Daarop was het gezwel verdwenen. Bij het ingestelde onderzoek vond ik ook nu geen spoor meer van een gezwel.
Dr. H. Staub, Sanitiitsmth.
Trier, 7 Juni 1893.
c. Rapport der Commissie.
Op grond van do in haar bezit zijnde attesten hield de commissie de genezing der bovenbeschreven ziekte, zonder geneeskundige of operatieve inwerking, op natuurlijke wijze uitgesloten.
KM
W- Genezing van Joseph Wendling.
a. Certificaat.
Ik ondergetoeken do Henry Halbedol, doctor in do medicijnen, vorklaar dat hot kind Joseph Wendling dor parochie Geniiir is aangetast geweest door beeneter van den rnggograat, met dammit voortspimitondo fabscesscn on bnltvonning. llij word verpleegd in do heelkundige kliniek van Straatsburg.
Dr. It. Hai.bedel.
Bergheini. 14 Sept. 1891.
h. Vei'sldji orcr de ziekte oi hare (/ciiczhiij.
Joseph Wendling, zoon van Willi. Wendling en Maria Spiegel, geboren to Gomar, in don Elzas, den 2quot; ilaart INS/, was tot zijn vierde levensjaar frisch on gezond. Zijn lichaamsbouw was tot dit tijdstip volkomen normaal. In zijn vierde jaar ontwikkelde zich plotseling ann de lendenen en de stuifwervols van hot kind oen beenachtig uitwas, dat weldra do grootte van hot hoofd van een vierjarig kind had bereikt. De krachten van hot kind namen zichtbaar af; slechts bultig en mot tot aan de knieën gebogen hoofd kon de knaap zich met moeite eenigo schreden voortsleepen. Deze treurige toestand verergerde gedurende eon gansch jaar van dag tot dag.
Te bekwamer tijd werd geneeskundige hulp ingeroepen , namelijk die van den lieer dr. Staub van Rappoltsweiler, zoomede viermaal die van een specialiteit der ziekenkliniek van het burgergasthuis van Straatsburg,
105
in den Elzas. Overal werd het arme kind afgewezen met do opmerking: het ruggemerg is aan hot uittoren, tegen deze kwaal is niets te doen; do knaap gaat oen wissen dood te gomoet. Er verliepen maanden en er werden geen geneeskundige middelen meer aangewend. Men meende dat weldra het doodvonnis der geneos-heeren aan den knaap zou worden voltrokken.
Zondag na het feest van Maria Hemelvaart in 1891 sprak de eerw. kapelaan onder de II. Mis over de geschiedenis van den II. Rok, die toen te Trier ter voreering dor goloovigen was gesteld. De ouders van het kind vatten vertrouwen op, on in don loop der week namen zij het besluit om met hun zoontje een bedevaart naar Trior te doen. Xuuwelijks was dit plan gemaakt, of terstond werd oenige beterschap in den toestand van den zieken knaap waargenomen. Hot boven-vormeldo uitwas nam in omvang af; de knaap, die reeds sinds maanden niet rechtop had kunnen staan, richtte zich van zelf op en begon weder in normalen stand te loopcn. Don 17quot; September 1891 kon hij met zijn vader den pelgrimstocht naar Trior ondernemen en had hij het geluk den 11. Rok aan te raken.
Op hot oogenblik dat deze regels worden geschreven ziet do knaap er nog eenigszins Ijjdend uit, en heeft het uitwas nog slechts oen onbeduidend spoor achtergelaten. Het kind heeft volstrekt geen pjjn; het eet en drinkt met de meeste graagte. Gelijk ieder gezond kind bezoekt Joseph geregeld de school, hij loopt en speelt vroolijk met zijn kameraden, zonder ook slechts do geringste buitengewone vermoeienis waar te nemen.
106
De ouders van het kind, zoomede de plaatselijke geestelijken van Gemar, bevestigen door hun ondertee-kening de volkomen juistheid van bovenvermelde feiten.
Gemar, 18 Februari 1892.
(L. S.)
Guillaumk Wendung. Schmitt, pastoor.
Marie Spiegel. Cu. Willem, kapelaan.
c. Bericht van den pasfoor betreffende de constant gebleven ejenezhuj.
Gemar, 17 Maart 189;}.
Doorluchtige Iloogwaardigheid.
Ik heb de eer u te bevestigen, dat de gezondheidstoestand van den zesjarigen knaap Joseph Wendling, mijn paroehiekind, sedert zijn genezing bij het ter \ oreer ing stellen van den H. Kok dezelfde gebleven is. Alle vroegere kwalen, welke den kleine tot een misvormd wezen maakten, blijven weg. Hij gaat goed rechtop, zonder de geringste pijn. Sinds zijn teiugkeei van Trier is voor den knaap geen geneeskundig middel aangewend. Wat Uwe Doorl. lloogw. een vroeger uitwas noemt,1) is slechts een afwijking van den laatsten i ugge-graatswervel; liet is kraakbeenachtig geworden en nog zichtbaar, zoo groot als een halve noot, maar het doet
geen pijn en belemmert niet de beweging der ledematen.
De lichaamsbouw van den knaap duidt zwakte dei
') Ik luul namelijk naar de irrouttc on ili; Rostcldlicid van dit uitwas acvniasrd.
107
ledematen en bloedarmoede aan. Er ontbreekt hem niets dan een krachtige voeding.
, A'an Uwe Doorl. Hoogw. de onderd. d\v. dienaar,
J. Gr. Schmitt, pastoor te Gemar.
r. Certificaat.
Ik ondergeteekende Henry Halbede!, doctor in de medicijnen van dit faculteit van Parijs en van de keizerlijke universiteit van Straatsburg, verklaar dat het kind Wendliug, 6 jaren oud, woonachtig te Gemar, in dén Opper-Elzas, tusschen zijn 2' en 3'' levensjaar is aangetast geworden door een begin van beeneter van den ruggegraat. Ik had toen een voorloopige geneeswijze gevolgd, maar wijl de ouders hun kind herhaaldelijk naar de heelkundige kliniek van Straatsburg hebben gebracht, weet ik niet, welke behandeling hij heeft moeten ondergaan. Ik herinner mij hem gezien te hebben met een gipsverband.
Vroeger als ware het op handen en voeten loopend, gaat de kleine Wendling thans rechtop, slechts licht hot lichaam op hot bekken vooroverbuigend. Evenwel is hij spoedig vermoeid, vooral wanneer men wil dat hij een geheel rechte houding aanneemt, welke beweging hij echter blijkbaar zonder groote moeite maakt.
Als sporen van zijn ziekte heeft iuj een pijnloos uitwas overgehouden in de heupstreek. Op de plekken, waar zich vroeger abscessen vertoonden, zijn geen sporen van ettering meer. De ouders zijn van een
KIS
klierachtig gestel. Thans kan men den kleinen Wend-ling als nagenoeg genezen beschouwen.
Dr. Halbedel.
Aldus opgemaakt te Hergheim 10 April
e. itapport der Comminnie.
De vakkundigen verklaren, dat in zulke gevallen bij kinderen spontane genezingen meer voorkomen; de snelle genezing echter, in aansluiting bij de gelofte, is van geneeskundig standpunt niet te verklaren.
11. Jakob Holzapfel van Caldcnluuisoii, parochie Hohonbudberg.
u. (ietniyeni* ran den Puxfoor.
De ondergetcekende pastoor getuigt hiermede dat do jonkman Jakob Holzapfel, woonachtig in de parochie Hohonbudberg, aartsdiocees Keulen, en sedert vele jaren verlamd, katholiek en zeer godsdienstig is. Derhalve verzoekt genoemde vol vertrouwen om het voorrecht den H. Kok van onzen Verlosser te Trier te mogen aanraken.
Met allen eerbied,
De pastoor Lauffs.
Hohenbudberg, HO Sept. 1891.
(L. S.)
109
li. Affi'.sf nm dm (imecshcer.
Do 32-jarigo Jakob Holzapfel, woonachtig toOalden-hauson, district ^lörs, werd door mij het eerst vóór ongeveer zes jaren behandeld wegens verlamming van het lichaam aan de eene zijde; sinds omstreeks twee jaren is het bepaalde kenteeken dor chronische rugge-mergsontsteking aanwezig.
Dr. Geruardy, arts.
Uerdingen, 80 Sept. 1891.
c. Bericht orer de Genezintj.
nohenbudberg, dekenaat Crefeld, 12 Oct. 1891.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Uwe Door!. Hoogw. veroorlove mij als bijlage het protocol over de op den 2quot; dezer plaats geliad hebbende wonderdadige genezing van mijn parochiaan, den jonkman Jakob lïolzapfel, beleefdelijk toe te zenden, met de verzekering dat de geloofwaardigheid der beide onderteekenaars van het protocol niet aan den geringsten twijfel onderhevig is. De wonderdadige genezing van Jakob lïolzapfel heeft onder de Katholieken alhier een blijde stemming teweeggebracht en zelfs op de Protestanten, die in deze gemeente meer dan 2000 zielen tellen, grooten indruk gemankt.
Yan Uwe Doorl. Hoogw. de gehoorzaamste dienaar, Lauffs, pastoor.
no
ii. Protocol over het perloop der (jmezimj, opgemaakt te Hohenbudhery den 12quot; Oct. 1S91.
De ondergeteekendeu getuigen geheel overeeiikomstig de waarheid het volgende:
Jakob Holzapfel, geboren te Traar den 28quot; Dec. 1858 en reeds 26 jaren woonachtig in de gemeente Hohenbud-berg, is sinds elf' jaren geheel verlamd en in de laatste vijfjaren niet meer in staat geweest, zonder kruk of stok een enkelen stap te doen, wat behalve wij de geheele gemeente getuigen kan. Op zijn dringend verzoek hebben wij Jakob Holzapfel naar Trier, waarheen een onweerstaanbaar verlangen hem trok, vergezeld, en wel op Vrijdag den 2quot; Oct. jl. Op den avond van genoemden dag, tusschen 9 en 10 uren, hebben wij hem in den Dom te Trier gebracht en met veel moeite de trap opgesleept tot aan den zetel van den doorluchtigen lieer bisschop dr. Korum, die hem de hooge gunst toestond, het hoogheilig Gewaad van Onzen Heer en Heiland te mogen aanraken. Terstond nadat hem deze gunst was ten deel gevallen, heeft Jakob Holzapfel, zooals hij uitdrukkelijk verklaart, de verlamming uit zijn ledematen voelen verdwijnen, heeft hij voor onze oogen en voor die van alle in den Dom aanwezigen de krukken weggeworpen en is zonder hulp de trappen afgedaald en uit den Dom naar zijn logement gegaan. Den volgenden dag heeft hij zich zonder hulp naar den Dom begeven, om den H. Rok nogmaals te zien en te vereoren, heeft hij de andere kérken in Trier bezocht en is vervolgens met ons naar zijn woonplaats teruggekeerd, waar zijn verwanten, vrienden en buren over hot wonder, dat zij
Ill
aan hem verricht zagen, ton zeerste verbaasd waren. Ju den toestand, waarin Jakob Holzapfel terstond na do aanraking van liet hoogheilig Gewaad en tot aan zijn terugkeer in do gemeente zijner inwoning zich bevond, is hij tot den huidigen dag, 12 October, gebleven.
Joh. Luexex.
Aloys Sciimitz.
c. Tweede bericht ran den Pastoor.
Tlohonbudberg, 29 Maart 1S93.
Ik hob do eer Uwe Doorl. lloogw. op de betreffende mijn parochiaan Jakob Holzapfel gestelde vragen het volgende te antwoorden:
1. De gezondheidstoestand van Jakob Holzapfel is sedert do bij liet ter vereering stellen van den H. Rok verkregen genezing tot nu toe geheel dezelfde gebleven.
2. Jakob Holzapfel heeft na de door de aanraking van den H. Rok gevolgde genezing van zijn ruggemergs-lijden geen geneesmiddel meer gebruikt en heeft ook aan de aanwending daarvan geen behoefte moer gehad.
3. Jakob Holzapfel was vele jaren ten gevolge van zijn ruggemergslijden geheel onbekwaam oni ook slechts den geringsten arbeid te verrichten, en kon niet dan met do grootste moeite en met de hulp van een stok zich voortbewegen; in de laatste vijfjaren vóór zijn genezing had hij zelfs een kruk en een stok noodig, om zich eenigo schreden voort te sleepen. Slechts met behulp van een kruk en een stok en buitendien nog ondersteund door twee vrienden kon Jakob Holzapfel de treden in den Dom te Trier bestijgen, om den H. Rok te naderen. Na
112
de aanraking van den 11. Kok was liij reeds l)ij liet afdalen van liet Domkoor plotseling' in staar, zonder luilp der krukken en zonder ondersteuning der beide vrienden, te gaan en naar zijn logement âllotel zum Domequot; terug te keeren, waar zijn veranderde toestand algemeen groote verbazing wekte. Op den morgen na zijn terugkeer van Trier is Jakob ITolzapfel zonder eenige hulp naar mijne pastorie gekomen en heeft mij, schreiend van vreugde, kennis gegeven van de hem ten deel gevallen genade zijner wonderdadige genezing. Deze gansche gemeente is ten zeerste verheugd over het wonder, dat God Zich heeft gewaardigd aan een zijner leden, aan mijn parochiaan Jakob Holzapfel, te verrichten.
Ziehier mijn aan de waarheid getrouw bericht betreffende mijn parochiekind Jakob Holzapfel.
Van Uwe Doorl. lloogw. de gehoorzaamste dienaar, L.U'ffs, pastoor.
/'. Geneexkunillj affect nu de yenezimj.
Uerdingen, 30 Maart 1893.
Zeer geachte heer pastoor.
Ik verneem van Jakob Holzapfel dat gij van geneeskundige zijde over zijn tegenwoordigen lichamehjkeu toestand eenige regels van mij verlangt. Ik bezocht hem gisteren-morgen te 12 uren in zijne woning, vond hem in opgewekte stemming en welvarend. Hij vertelde mij, dat sedert zijn bezoek te Trier (1891) zijn toestand steeds dezelfde is. Dij do aanraking van den H. Rok voelde hij een schok door zijn lichaam, waarna hij zonder
118
krukken van den Dom met gemak, zonder eenige ondersteuning, naar zijn circa vi jf minuten verwijderd logement is geloopen ; thans gebruikt hij echter nog den stok uit voorzichtigheid. Ik heb hem gisteren zonder stok door zijne kamer zien loopon en heb toen toch nog iets opgemerkt van den vóór twee jaar zeer duidelijk aanwezigen zoo-genaamden hanentred bij het vooruitzetten van de beenen.
Ik was zeer verbaasd dat Jakob Holzapfel zich buiten mijne verwnchfing zoo uitstekend gehouden had. Toen hij van Trier terugkwam en ik van de wonderdadige genezing van den lijder hoorde, bezocht ik hem te ('aldenhauseu en inoest bekennen, dat bij hem een ongetwijfeld een buitengewone omkeer had plaats gehad.
Destijds dacht ik, dat de beterschap slechts korten tijd duren zou; maar thans moet ik erkennen, dat ik de verandering in het zenuwgestel van Holzapfel aan eene, naar ik geloof, niet op de wetenschap berustende oorzaak toeschrijf; ik houd de buitengewone, bestendige beterschap voor een wonderdadige.
Derhalve mag dit geval niet zonder verdere waarneming blijven. Mocht ik de gelegenheid hebben, den heer Holzapfel over ecnige jaren zoo Hink en gezond te vinden als nu, dan zal ik niet verzuimen, u daarvan bericht te zenden.
Met de meeste hoogachting, l'w dw.
Dr. Geuiiardy, arts.
//. l{lt;tj)porf der Coninilssic.
De zaakkundigen houden de plotselinge genezing voor niet mogelijk langs gewonen weg.
8
B. Gunstbewijzen.
I. Johaim Hchilfer van Hersclnviescn.
Hevschwiesen. 14- Jan. lSi)2.
Doorluchtige 1 [oogwaardigheid,
Monseigneur,
Uwe Doorl. iloogw. veroorlove don eerbiedigst onder-geteekende liiermede onderdanigst en gehoorzaamst de mededeeling te doen, dat Johann Schafer, landbouwer te Udenhausen, gemeente Herschwiesen, volgens zijn bewering op den 2quot; October 1891 bij de vereering van den II. Rok van Onzen Keer en Heiland Jesus Christus in don Dom te Trier van een zware ziekte is genezen geworden, en ik sluit vol eerbied hierbij do op deze gebeurtenis betrekking hebbende akten in, namelijk :
a. Verslag van den pastoor Eberhardy te Herschwiesen over den landbouwer Johann Schafer te Udenhausen, diens ziekte en genezing;
h. Xotities van Johann Schafer over de wijze, waarop zijne genezing is geschied;
c. Geneeskundig attest over den vroegeren en den tegenwoordigen toestand van den gonezene (in afschrift; het oorspronkelijke stuk is in handen van Joseph Schafer, te Xew-York) ;
d. Verklaringen van ooggetuigen, die den toestand van Schafer onmiddellijk vóór en na zijne bedevaart naar don II. Kok te Trior hebben waargenomen.
115
Deze getuigen zijn;
1. onderwijzer Etges, te Udenhausen;
2. landbouwer Johann Speth, te Udenhausen;
3. schoenmaker Anton Christ, te Udenhausen; â i. landbouwer Johann Hammes, te Udenhausen;
5. de kinderen van den genezene, Gertrud en Anna
Schilfer, te Udenhausen;
(!. de landbouwers Joseph Bersch en Peter Bersch, te Oppeniiausen.
Van Uwe Doorl. lloogw. de onderdanigste dienaar, P. Ebkriurdy, pastoor.
a. Verslay van den Pastoor.
Ilerschwiesen, 14 Jan. 1892. â¢
Johann Scluifer is geboren te Udenhausen, gemeente Ilerschwiesen (district St. Goar), den 27quot; Februari 1833, als echte zoon der landlieden Johann Schafer en .Margaretha Gipp. Een broeder van hem, Gerhard Schafer, was priester en is als pastoor van Illerich in 1884 gestorven.
Johann Schafer was in eersten echt gehuwd met Anna Maria Horter, cn uit dat huwelijk leven eene dochter, die met Anton Gipp te Oppeniiausen gehuwd is, on een zoon, die in het buitenland dient. In tweeden echt was Schafer gehuwd met Anna Guth, die in 1890 stierf; uit dit huwelijk leven de 17-jarige dochter Gertrud en de 15-jarige dochter Anna. Met de twee
ik;
laatstgenoemde kinderen leeft Sohiifer te rdenhausen en hij onderhoudt zich on zijn gezin van do opbrengst van eenige kleine akkers en van een maandeiijkscli pensioen van 27 Mark, dat de vader trekt als in den dienst afgekeurd militair.
Schilfer heeft een ernstig, zelfs ietwat somber en stroef karakter. Zijn godsdienstplichten vervult hij geregeld, zonder zich evenwel daarin van anderen te onderscheiden. Zijne twee bij hem inwonende dochters zijn goed opgevoed. Xaar zijn uitwendigen lichaamsbouw te oordeelen, is Schilfer tamelijk krachtig. Hij leed echter sedert 20 jaren aan asthma en borstziekte en zijn gelaatstint en algemeen uiterlijk waren die van een mensch, die aan de tering lijdt. In de laatste jaren scheen het met den gezondheidstoestand van Schilfer voortdurend achteruit te gaan. Nu en dan, vooral in den herfst, wanneer het mistig, en in den winter, wanneer het donker weer was, zag men Schilfer slechts zelden, wijl hij alsdan slechts met moeite ademen en zich lastig voortbewegen kon.
In Sept. 1890 maakte Schilfer het besluit, tot het ondergaan van de waterkuur naar Wörishofen te reizen, wat hem echter met het oog op zijn slechten gezondheidstoestand als een gevaarlijk waagstuk werd ontraden. Hij paste nu zelf volgens Kneipp's methode de waterkuur op zich toe. Terstond na elke aanwending kon hij wat gemakkelijker ademen; dit was de eenige verbetering van zijn toestand, welke hij met de waterkuur bereikte. Bij zijn vroeger lijden voegde zich zelfs nu nog waterzucht: voeten, lichaam, handen en gezicht
117
zwollen op. In de lente en den zomer van het vorige janr was het niet Schilfer dan ook recht ellendig gesteld. De waterzucht werd voortdurend erger. Xa een onderzoek van den patiënt door den arts dr. Yerflassen te Coblenz volgde het bescheid in l'denhausen algemeen bekend â, dat de geneesheer nog slechts eenigen tijd het aandringen van het water zou kunnen tegenhouden.
In den geschetsten treurigen toestand op het einde van Augustus biechtte en communiceerde Schafer in de kapel te Udenhausen.
Aan een reis van Schafer naar Trier, om den ter vereering gestelden II. Hok van den Zaligmaker te vereeren, dacht niemand, daar men dit bij den toestand van den lijder voor onuitvoerbaar moest houden. Ue verbazing te l'denhausen was derhalve niet gering, toen men den 1quot; October hoorde, dat Schafer den pelgrimstocht naar Trier ondernomen had, en nog grooter was die verbazing, toen twee dagen later de tijding van huis tot huis ging, dat Schafer genezen van Trier was teruggekeerd. Men zag zjjn veranderd uiterlijk en hoe do man, vóór weinige dagen nog ellendig en gebogen, steunend op een stok, slechts in de nabijheid van zijn woning zich met moeite voortsleepend, thans flink en vlug zich bewoog. Velen, die dit zagen, waren van meening, dat de tocht per spoor deze gunstige werking had uitgeoefend; anderen geloofden slechts aan een voorbijgaande beterschap, zooals dat meermalen bij asthma, borstlijden en waterzucht voortkomt. Toen echter de man gezond bleef, twijfelde niemand in Udenhausen, of men had hier te doen met een van die gebeurte-
IIS
nissen, van welke men bij liet vroeger en tlinns ter vereering stellen van den H. Rok gehoord en gelezen had.
Schilfer deelde terstond eenigen van zijn vrienden zijn groot geluk mede en vertelde hun, hoe de genezing zich had toegedragen, doch bazuinde het gebeurde niet verder uit, en het ware hem liever geweest, dat de zaak zoo mogelijk onbekend had kunnen blijven, wijl hij meende dat er eenige verheffing van zich zeiven in lag, wijl hij toch vroeger nooit een vroom man was geweest. Men praatte hem dit echter uit het hoofd met erop te wijzen, dat, zoo God hem op wonderdadige wijze had geholpen, hij aan God de eer moest geven, zonder eenige andere overweging.
Schilfer logde nu den 23quot; Xov. van dit jaar ten overstaan van zijn zielzorger, pastoor Eberhardy te Herschwiesen, eene officieele verklaring over zijne genezing af. Diep ontroerd en onder het storten van vele tranen verhaalde lijj, dat hij bij de vereering van het II. Kleed van Onzen Heiland in den Dom te Trier op den 2quot; October van zijn ernstig lijden, dat hij als een straf voor zijne zonden had aangezien, door de over-groote barmhartigheid van God bevrijd en genezen geworden was, zonder dat hij er lichamelijk iets van had gevoeld, en dat hij dezen veranderden toestand terstond na het verlaten van den Dom had waargenomen.
Den volgenden dag, den 24quot; Xov., deelde Schafer den pastoor Eberhardy, die hem bij den heiligen en alwe-tenden God bezworen had, slechts de zuivere waarheid te zeggen, het verloop van zijn ziekte en genezing mede, om als verslag te dienen, en later overhandigde hij zijne
11!)
oigenliamlig gesclircvcn optcckcningcn van 10 Dcc., waarvan lt;lc inhoud niet het verslag van 24 Xov. klopte.
Op lt;le vraag, waarom hij zich niet de gevorderde attesten had verschaft, om do heilige Heliquie te mogen aanraken, antwoordde dc genezenc, dat hij zich dit niet waardig geacht had. Aan do uitnoodiging, om zich zoo spoedig mogelijk voor een nieuw onderzoek ter beschikking van dr. Yerflassen te stellen, gaf Schilfer gevolg op den 26quot; Xov. Dit onderzoek had tot resultaat de verklaring dat de zieke volkomen was hersteld.
Van do vele ooggetuigen zijn tot het afleggen van verklaringen slechts diegenen toegelaten, die den toestand van Schilfer onmiddellijk vóór en na zijn genezing gekend hebben. liet zijn de onderwijzer Etges, de land-houwers Spcth en Hammes, de schoenmaker Christ, do kinderen van den genezene, allen te l denhausen woonachtig, en de landbouwers Joseph Hersch en Peter Bersch van Oppenhausen, die in gezelschap van Schafer de bedevaart naar Trier gemaakt hebben. De gezamenlijke verklaringen staven, dat Schilfer den 1quot; Oct. van het vorige jaar in zeer lijdenden toestand rdenhausen verliet, naar den H. Kok te Trier eene bedevaart maakte en den 2quot; October genezen terugkeerde, al zijn ook kleine napijnen van zijn ziekte eerst geleidelijk verdwenen.
Volgens zijne verklaring heeft Schafer voor deze genezing in den hierboven aangegeven tijd geen natuurlijke middelen aangewend of op eenigerlci wijze uoodig gehad.
120
h. Affcxt ran ilrii (Intcrxhcrr.
Do landboiiwor Johann Schiifer, 58 jaren oud, van I denliauson bij Boppai'd, leed volgons zijne verklaringen sedert vele jaren aan asthmatischo aandoeningen en had, zooals bleek bij bet geneeskundig onderzoek door den ondergeteekende op den 29quot; Juni van het vorige jaar ingesteld, een hoogst ernstig hartgebrek, namelijk onvoldoende sluiting van de mitraal-lvlep der linker hartkamer; bovendien zeer ernstige ademhalingsbeleni-mering, fluiten en reutelen over beide longen. Deze stoornis in den bloedsomloop en de slechte compensatie van het hart hebben een nierziekte, chronische morbus Briyhtii, teweeggebracht, waardoor zich een ver uitgebreide algemeene waterzucht met vulling van de vrije buikholte met vloeistof, opzwelling der beenen, van de voeten opwaarts tot boven tie knieën, van de rechterhand en van de onderste oogleden ontwikkeld heeft. Daarbij was, gelijk niet anders te verwachten viel, de algemeene gezondheidstoestand zeer slecht: geen eetlust, veel dorst, ongeregelde stoelgang, de urine donker gekleurd, weinig in quantiteit, sterk eiwithoudend. De patiënt klaagde bovendien over duurzame moeilijke ademhaling en over hitte in de maag en de beenen tot aan de teenen toe. Ue harteklop was over do borst ver uitgestrekt, zichtbaar golvend en onregelmatig. Ook klaagde de patiënt over onaangename hartkloppingen.
De toestand van den zieke was bij de niet weg te nemen bron van zjjn lijden, het organisch hartgebrek, in het stadium toon hij op bovengenoemden 29quot; Juni bij mij verscheen, als volkomen hopeloos te beschouwen.
121
lieden, den 2(iquot; Xov., was nu de bewuste Schafer iindermaal bij mij en kon ik zijn volkomen horstel con-stateeren. Elk verschijnsel der hierboven besproken waterzucht was verdwenen, nergens meer eenige ziekelijke zwelling van het lichaam, de ademhaling geheel normaal en, wat het merkwaardigste is, do hartsgeluidon zoowel aan de spits van het hart als over do kleppen volkomen zuiver en normaal, zoodat van hot harts-gobrek, waaruit het vroegere waargenomen lijden was voortgesproten, geen spoor meer aanwezig was.
Vorenstaande getuigt overeenkomstig de waarheid door eigenhandige ondortoekoning
dr. Vkkfi.asskx, prakt. arts.
Coblenz, 20 Xov. 1S91.
c. Vrrsldij ran dm Genezene.
rdenhauson, 10 Doe. l!S91.
1 )oorluchtigo Jloogwaardighoid, Ik ondergeteokondo landbouwer Johann Schafer, 58 jaren oud, van l'denliausen, doe volgend relaas aan l \vo Doorl. Hoogw.;
Ik heb don veldtocht van 1S7() -71 modogemaakt en heb ton gevolge der krijgsvormooienisson oene longziekte, asthma, opgedaan. Ik wondde mij tot vele goueosheoren, maar zonder gunstig gevolg. Eindelijk kwam ik bij dokter Burkart, te Rippard, thans te Bonn gevestigd. Deze onderzocht mij nauwkeurig en zei me, dat ik geen Silhcryroschen meer aan den doktor moest uitgeven, wijl ik een ongeneeslijke ziekte had; geen
122
dokter kon mjj helpen. Hjj zon mij de middelen aan de hand doen. waarmee ik mij in den uitersten nood verzachting verschaffen kon. Dat gebeurde in het jaar 1875. Later werd ik onderzocht door twee militaire artsen, die eveneens mij voor arbeid totaal onbekwaam en ongeneeslijk verklaarden, waarop ik van 1 April 1885 een maandelijksch pensioen van 27 Mark ontving. Het vorige jaar in October kreeg ik een maagkwaal, een dikken, harden buik. Ik ging naar dokter Timme, te Coblenz, die mjj medicijnen en inwrijvingen voorschreef. Het is toen allengs daarmee beter geworden. In het begin van Mei voelde ik hitte in de beenen, de voeten zwollen op. Ik zocht mijn heil in de kneippsche waterkuur volgens voorschrift, dronk thee van bladen van den jeneverstruik en rozemarijnwijn. Bovendien gebruikte ik zeer veel dingen, die anderen lieden wellicht gebaat zouden hebben, maar de zwelling steeg voortdurend hooger; lijf, handen, alles zwol op. Den 29quot; Juni ging ik te Coblenz naar dr. Vertlassen, die mij onderzocht; hjj gaf mij medicijnen en zei: âDat zal wel weer te recht komen.quot; Over acht dagen moest ik hem schriftelijk het resultaat melden.
Ik zond hem mijn schoonzoon en deelde hem mede, dat het niet beter, maar veel slechter met mij ging; aan de hartkamer had ik een gezwel, als had ik daar een paar pond gewicht liggen. Bovendien had ik veel last van inwendige branderigheid, zoodat ik alle kwartieren water moest drinken. De dokter zei aan mijn schoonzoon, dat ik waterzucht had in den hoogsfen graad; hjj had dat zelf mij niet willen zeggen ; ik zou
123
nooit weer gezond worden; hij kon nog slechts enkele weken het aandringen van het water terughouden en gaf daarom nog voor enkele weken medicijnen. Daarop heb ik nog veel thee enz. ingenomen, maar alles was vergeefsch. Ik had reeds een lijklucht bij mij, en andere menschen zeggen mij thans, dat ik al oen lijkkleur heb gehad. In de laatste dagen van September hoorde ik, dat een 20-jarig meisje van Xortershausen, dat altijd op krukken had gegaan, te Trier gezond geworden was en hare krukken daar achtergelaten had. Dit gaf mij moed, ik gevoelde een brandend verlangen naar Trier en besloot, zonder er iemand een woord van te zeggen, nog dit laatste anker uit te werpen.
Den avond te voren gaf ik er kennis van aan den heer onderwijzer. Den 1quot; October, 's morgens te 7 uren, vertrok ik van I'denhausen. Te elf uren was ik te Brodenbach. Wie gezond is kan dezen afstand in één uur afleggen. Tc li1/» uur kwam de trein. In het station trof ik Joseph en Peter Bersch, beiden van Oppen-hausen, aan, die mij vroegen, of ik ook mee naar Trier reed, waarop ik ja antwoordde. Tan mijn ziekte wisten zij al lang en zjj bekeken mij met groote oogen. Wij zaten niet in denzeifden wagen, ik wilde alleen zijn en geen gesprek met hen voeren, daar andere gedachten mij bezig hielden. Te ii uren kwamen wij te Trier aan. Beiden vroegen mij, of ik terstond met hen meeging naar den Dom, naar don H. Kok. âXeen,quot; antwoordde ik hun, âik ga mij eerst wasschen, m. a. w. biechten.quot; Ik ging de Jesuïetenkerk binnen en heb daar aan een ordensgeestelijke mijne generale biecht gesproken van
124
mijne eerste II. Coinmunie af. Onder overvloedige bittere tranen van berouw begaf ik mjj te 7 uren naar den Dom en kwam te IIV2 uren den 11. Kok voorbij. Te voren deed ik de gelofte, dat, zoo God mij barmhartigheid schonk en mjj de gezondheid teruggaf, ik mijn gansche leven niet meer in mijn vroegere zondige gewoonten zou hervallen. Ik zou voorts in onze kapel een biechtstoel laten maken en een vaandel, waarop de 11. Rok was afgebeeld, als blijvende herinnering schenken, en verder zou ik nog elke maand drie Mark geven voor een goed doel, zoolang ik gezond bleef. Ik kwam uit den Dom, zooals ik hem was binnengegaan en behield mijn dikken buik. Kwart vóór twaalven was ik in mijn logement, dronk een kop koffie en ging naar bed; ik zat in bed tot 4 uur, toen ik mij aankleedde en naaide O. L. Vrouwekerk ging, waar ik te 5 uren communiceerde en vijf heilige Missen hoorde. Daarop ging ik weder in de processie naar den Dom, waar ik mijn gelofte hernieuwde en een offer nederlegde; tusschen 7 en 8 uren naderde ik weder den 11. Rok. Ik boos diep, tranen sprongen mij uit de oogen en ik zeide, toen ik den If. Rok aanschouwde, dat ik niet waardig was verhoord te worden. Diep ontroerd en met tranen in de oogen daalde ik de treden van liet hoogaltaar af, bleef eenige minuten staan, om mijne tranen te drogen, verliet den Dom, had een geweldigen honger en tastte naar mijn buik: hij was weg, verdwenen.
In drie maanden iiad ik mijn broek niet meer toe kunnen knoopen. Mijn buik was zoo gezwollen, dat ik een zwart schort over mijn broek iiad gebonden en
125
daarover een langen kiel droeg. Ik deed liet schort af, knoopte mijn broek toe en schreide van vreugde. Terstond begaf ik mij weer naar de O. L. Yrouwekerk en dankte God. Daarna ontbeet ik en ging naar het station; te ll'/s UU1, arriveerde de trein. Toen ik in den wagen zat, verschenen de broeders Bersch van Oppenhausen en wilden in denzelfden wagen plaats nemen. Ik zoi; âI)e wagen is vol, ziet datje in een anderen komt.quot; Te 3 uren te Brodenbach aangekomen, sprak Joseph Berscli tot me: âZoo, ben je daar weer ? Wij hadden gedacht, dat je Trier niet meer halen zondt.quot; â âO ja,quot; antwoordde ik, âkijk hier, ik heb mijnen buik te Trier gelaten,quot; en mjjn kiel oplichtend ging ik voort; âKijk, nu heb ik nog wel plaats voor jou erbjj in mijn broek.quot; En zij stonden verstomd. Ik zei aan Joseph Bersch, die te Udenhausen geboren is, dat hij naar mijn dochter te Oppenhausen moest gaan, om haar te zeggen, dat ik mijn buik te Trier had achtergelaten. Daarop gingen wij ieder zijns weegs. Te Brodenbach heb ik een Hesch wijn gedronken en wat gegeten en had mij op oen kar naar huis willen laten brengen, maar ik had de kar niet noodig, ik ging te voet den berg op, en toen de avond viel, nog voordat het licht aan was, was ik tehuis. In mijne woning gekomen, zei ik tot mijn kinderen (mijne vrouw is dood) : âGod zjj dank, kinderen, daar ben ik weer, kijk, en ik hob mijn buik te Trier gelaten.quot; Daarop liep mijn oudste dochter het huis uit en snelde naar haar peetoom Johann Speth en naar den onderwijzer, om hun do blijde boodschap te brengen. Ik had eer gedacht
126
te Trier dan te Herschwiesen begraven te worden. Don volgenden dag kwam ik bjj Speth en bij don onderwijzer. Speth schreide niet mij en zei: âJe bquot;1' ;Huk, groot geluk gehad.quot; â Do onderwijzer, die mij zag voordat ik naar Trier ging en toen mot mij gesproken had, stond eveneens ten zeerste verbaasd, bekeek mijn buik, ot' liever mijn geheolen persoon en zei: âSchilfer, je mag van geluk spreken.quot; Mijn handen bleven nog eenige dagen wat dik en het gezwollene der voeten hield nog een achttal dagen aan alvorens het geheel verdwenen was. Water ben ik niet kwijt geraakt. Sedert den 1quot; October gevoel ik mij weder een gezond mensch, zonder waterzucht en asthma, zoo gezond als ik sinds 20 jaren niet meer geweest was. -Mijn eetlust is goed, ik gevoel mij krachtiger, zoodat ik weer geploegd, mest, stroo en hout gereden on anderen dorgelijken arbeid verricht heb. De heer pastoor was boleedigd, dat ik hem niet onmiddellijk van het gebeurde had in kennis gesteld. 1°. Wilde ik do zaak vóór mij houden; 2°. er staat geschreven: âWie zich verheft, zal vernederd worden,quot; en ook staat er geschreven ; âHebt gij genade gevonden, zoo beroem u daarover niet, opdat zij u niet weder worde ontnomen3°. vreesde ik, dat mijn gezondheid wel eens geen stand kon houden en do oude kwaal kon terugkoeren, in welk geval ik oen dwaas figuur zou hebben gemaakt. Derhalve heb ik gewacht tot den 23quot; October, toen ik eerst mijne drie broeders in Amerika van 't gebeurde kennis gaf. Ziedaar do redenen, waarom ik de zaak niet openbaar wilde hebben.
127
Dat dit alles wat ik geschreven heb op de volle waarheid berust, betuig ik onderdanigst door mijne
ondorteekening
Jou.vxx ScililKEU.
(I. Verklarimjm ran Ooyycfulyen.
1.
Johann Seiiiifer is injj bekend als een aan asthma lijdend en waterzuchtig mensch. Het laatst zag ik zjjn toestand op den ;Wquot; Sept. 1891 in zijne woning. Het lichaam was dik opgezwollen, zoodat de broek van voren ver openstond. Ook gezicht, handen en voeten waren sterk gezwollen. Den anderen dag hoorde ik dat Schilfer als bedevaartganger naar Trier was vertrokken. Op den morgen van den 3quot; Oct. bezocht Schilfer mij in mijne woning. Zijn lichaam was geheel normaal, gezicht, handen en voeten waren nog een weinig gezwollen. ik was echter in de gelegenheid waar te nemen, dat ook deze zwellingen binnen eenige dagen geheel verdwenen waren. Omstreeks veertien dagen later zag ik hem met een draagvracht hout komen en nog veertien dagen later was ik er getuige van dat hij aan het ploegen was.
Joiianx Etoes, onderwijzer. Udenhausen, 24 Xov. 1891.
2.
Ik heb Johann Schilfer reeds ziek gekend toen hij
128
uit den veldtocht van 1870â71 terugkwam en ik had zeer veel omgang met hem, wijl ik nauw aan hem hen verwant en in zijne huurt woon. Johann Schafer is mijn peter en wij hehben elkander met raad en daad, in gezondheid en ziekte wederkeerig bijgestaan. Ilij stelde er mij van in kennis toen hij naar de doctoren ging, en zei me, dat de geneesheeren hom lijdend aan een ongeneeslijke longziekte (asthma) verklaard hadden. 11 ij paste de Kneipp's kuur op zich toe, waarhij ik hem hijstond, voor zoover hij de hulp van oen manspersoon behoefde. Doch alles tevergeefs, 't werd steeds erger. Hij kwam bij me en zei: âZie mijn handen en mijn voeten en mijn buikhjj had waterzucht in den hoogsten graad. Later kwam hij bij mij, gaf het verlangen te kennen, om een bedevaart naar den H. Rok te Trier te doen, en vroeg mij, of ik te Trier wel eens personen met kielen aan gezien had; hij moest ook een kiel aantrekken, omdat hij zijn broek ver open moest laten. Den 1quot; October reisde hij naar Trier. Den 2quot; October, 's avonds, kwam zijne dochter Gertrud hij mij en zei, dat haar vader al terug was, waarop ik antwoordde, dat ik den volgenden dag bij hem zou komen, daar hij, zooals ik dacht, dien avond wel rust noodig zou hebben. Den 3quot; October, des voormiddags, kwam hij bij me; reeds in de verte wees hij op zijn broek, die hem nu veel te wijd was, en blijde, met tranen in de oogen zei hij: âJohann, ik heb geluk gehad, kijk hier, mijn buik is wegzijn handen en voeten waren nog een beetje gezwollen.
In het diepst van mijn hart, tot schreiens toe, ge-
129
troffen over zijn groot geluk, trad ik op hem toe, reikte hem de hand en dankte God voor de yroote quot;'enade.
o o
Onder liet storten van tranen vertelde hij mij de bedevaart. Ik zag hem van toen af arbeid verrichten, dien ik hem in geen twintig jaren had zien doen. De dag waarop Schafer met mij over de bedevaart naar Trier sprak, was stellig en zeker de 30stc Sept. , op welken dag Schilfer verscheiden uren bij mij doorbracht en ik zjjn zeer treurigen toestand volkomen en nauwkeurig, gelijk boven is aangegeven, kon waarnemen.
Aldus getuigt overeenkomstig de waarheid
Joiiaxn Speth.
Udonhausen, S December 1891.
l'denhausen, 15 Dec. 1891.
Ik ondergeteekende schoenmakersbaas Anton (quot;lirist, te l 'denhausen, verklaar hiermede naar mijn beste weten en volgens geweten, dat ik Johann Schafer sinds lange jaren heb gekend als een ziekelijk man en hem gedurende dezen zomer meermalen door waterzucht aangetast heb gezien. Het laatst vóór zijne bedevaart naar Trier zag ik Johann Schafer op den 29quot; Sept., en Schafer was toen zoo opgezet van het water, dat hij naar mjjne meening niet lang meer kon leven. Schafer zei me, dat hij bang was, dat het water weldra aan zijn hart zou komen, want dan moest hij sterven. Hij besprak toen met mij eene gebeurlijke voogdijschap over zijn twee onmondige kinderen, daar ik aan de
9
130
moeder der kindereu verwant was, en deed mij eenige medcdeelingen over den stand van zijn vermogen. Over een bedevaart naar Trier hebben wij niet gesproken; wijl Schilfer er zoo slecht aan toe was, kwam de gedachte daaraan niet bij mij op.
Wij allen stonden verbaasd, toen wij hoorden, dat Schilfer naar Trier was vertrokken. Den 3quot; October werd in mijne woning verteld, dat Schiifor genezen was teruggekomen. Den 4quot; Oct. en later kon ik mij herhaaldelijk overtuigen, dat Schafer zijn opgezetten buik niet meer had en zijn uiterlijk en wijze van handelen die van een gezond mensch waren.
Aldus getuigt naar waarheid en als onder eede door door zijn handteekening
Anton Christ.
4.
Udenhausen, 15 Dec. 1891.
Ik heb Johann Schafer sedert '20 jaren gekend als een zieken en in hooge mate aan asthma lijdenden man. Den 29quot; Sept. van dit jaar zag en sprak ik Schafer in een toestand, dat ik dacht dat hij niet lang meer leven zou; dat hij wel de eerstvolgende zou zijn, die te Udenhausen sterven ging. Zijn lijf, gezicht en handen waren opgezwollen en zijn gelaatsuitdrukking was als die van een stervende. Wij bespraken en betreurden zijn droeven toestand. Yan eene bedevaart naar Trier werd niet gerept.
Daags na zijn terugkeer van Trier vernam ik dat
131
Schafer genezen was geworden. Den 4quot; Oct. was ik in do gelegenheid Schafer zelf te zien en met hem te spreken. J lij vertelde mij, hoe zijn genezing zich had toegedragen en toonde mij, dat zijn buik weer plat en geheel gewoon was. Slechts beneden aan de voeten, zei Schafer, had hij nog eenige dikte. Korten tijd daarna deelde Schafer mij mede, dat de zwelling van zijn voeten nu ook weg was. Hij had zich in geen 20 jaren zoo wel gevoeld als nu, voegde hij er nog aan toe. Sedert zie ik Schafer dikwijls Hink voortstappen en allerlei arbeid verrichten.
Aldus getuigt naar waarheid en als onder eede
Joi[axx Hammes, landbouwer te Udenhausen.
b.
Udenhausen, 15 Dec. 1891.
Vader zei ons op den avond vóór zijne reis naar Trier, dat hij een vurig verlangen had, om den 11. Rok tr zien. en een croot vertrouwen dat God hem genadis:
~ O o
zou zijn. Wij vreesden weliswaar, dat liij in zijn ernstigen toestand de reis niet goed zou kunnen doorstaan, doch waren ten slotte van meening, wijl hij een zoo groot vertrouwen en zoo vurig verlangen had, dat het toch wel gaan zou.
Toen hij terugkeerde, was hij zeer blijde en zei, dat hij bijna geheel gezond geworden was. Wij zagen dat zijn dik lijf verdwenen was en hij er ook verder goed aan toe was. Dienzelfden avond nog deelden wij onze
Vii2
grootc vreugde medo aan Spoth en aan den onderwijzer. Ook hebben wij denzelfden avond een dankgebed verricht, evenals wij op den dag dat vader te Trier was bij de 11. .Mis voor vader hadden gebeden. Sedert is vader gezond.
Aldus getuigen naar waarheid de kinderen van den genezene
(tKUTKUD SCHilFER.
Axxa Sciiüfeh.
(i.
I lerscliwiesen, 20 Dee. 1891.
Oj) onze bedevaart naar den 11. Kok te Trier op den 1quot; Oct. van dit jaar ontmoetten wij beide onder-getcekenden Joseph Jierscii en Peter Berscli van Oppen-hausen in het station Löf-Hrodenbach Johann Sciiafer van Udenhausen. Van diens ziekte wisten wij al lang. Hij was er dien dag ellendig aan toe. Hij was dik opgezet van het water, vooral zijn buik. In het station heeft hij nog moeten braken. Wij zeiden tot elkander, dat wij het niet gaarne wagen zouden, in zulk een toestand de reis tu ondernemen. Tc Trier verklaarde Schilfer, dat hij eerst biechten wilde, voordat hij den Dom binnenging. Wij zagen verder Schater te Trier niet meer dan een oogenblik in het station. De hccn-en terugreis maakten wij ook niet in denzelfden wagen met hem. Wij ontmoetten Schafer weder, toen wij op de terugreis, in den namiddag van den 2quot; October, het station Löf-Brodenbach verlieten. Hij deelde ons toen mede, dat hij te Trier van zijn dikken buik was
bevrijd geworden en /.icli heel wel gevoelde; alleen zijn voeten waren nog wat gezwollen. Wij overtuigden ons met eigen oogen dat hot werkelijk zoo was als Sehafbr zei. Aan zijn lijf was niets Injzonders meer te zien, zijn broek sloot er volkomen om heen en was hem zelfs te wijd. Zijn voeten echter waren nog gezwollen, en ook zijn handen waren nog oen weinig opgezet. Aan den mede-ondorgeteekende Joseph Berseh droeg Sohiifor do boodschap op, om deze gebeurtenis aan zijne te Opponhanson getrouwde dochter moe te doelen, wat ook geschied is.
Het bovenstaande getuigen naar waarheid en als onder code do ondorgotookenden
joseimi 1'ersck, landbouwer te Opponhanson. I'ktkr Hekscu, landbouwer te Opponhanson.
i'. Tircrdr riTshn/ nm den l'dshioi'.
Ilerschwiesen, H Maart 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
De allereerbiodigst ondergeteokende veroorlooft zich 1 we Doorl. Moogw. hiernevens op uwe hooggeachte aanvrage van 1quot; Maart jl. ondordanigst en gehoorzaamst mode te doelen, dat do gezondheidstoestand van Johann Schilfer van I'donhausen, vatbaarheid voor verkoudheden daargelaten, dezelfde gebleven is gelijk die bij de ver-eoring van don H. Rok geworden is, tot in April van hot vorige jaar. Alstoen deed Schilfer bij zijn arbeid in het boseh, terwijl het zeer nat was, een ernstige ver-
m
koudheid op. Hij sukkelde daarop aan huiveringen, hoesten en afmatting, en ook vertoonden zich geringe zwellingen van de voeten en van liet lijf. Van asthma echter of van een hartkwaal bespeurde hij niets. Geneeskundige hulp heeft hij niet ingeroepen. Eerst in den nazomer was de verkoudheid met den nasleep uitgewerkt. Sedert dien tijd en tot nu toe is de lichamelijke toestand van Schilfer weder dezelfde als in het eerste halfjaar na de genezing.
Xu evenals vroeger gelooft Schafer onschokbaar aan zijne wonderdadige genezing en hij schrijft dus aan eigen schuld die onderbreking van zijn gezondheid toe. De bloedarmoede, waaraan hij nog lijdt, acht hij oen gevolg der vroegere waterzucht, weshalve koude en natheid hem licht een verkoudheid op den hals doen halen en groote lichamelijke inspanningen hem spoedig vermoeien.
Bovenstaande verklaringen zijn in overeenstemming met de waarnemingen, die do ondergeteekendc van tijd tot tijd in do gelegenheid was bij Schafer te doen.
De opmerking van l'we Doorl. Hoogw. ten opzichte der pensioensomstandigheden, welke den man veel zorg baren, heb ik aan Schiifer meegedeeld. Hij is nu dienaangaande gerustgesteld. ') liet mij inmiddels in oriyinali
') Schiifcr maakte er zicli over bezorgd, dat, liij naar aanleiding van liet openbaar maken van zijne genezing zijn pensioen ais in den dienst afgekeurd soldaat zou verliezen. Om hem gerust te stellen, liet ik hein door den heer pastoor de verzekering geven, dat, zoo hij dit verlies lijden moest, ik het pensioen iu quaestie vergoeden zijn.
weder toegezonden geneeskundig attest, waarvan ik indertijd een afschrift inzond, heb ik de eer hierbij te voegen.
Van Uwe Doorl. Iloogw. de onderdanigste dienaar,
P. Ebbkuardy, pastoor.
Æ. Rapport der Com m issie.
De zaakkundigen vinden het plotseling verdwijnen van het water zonder zichtbare loozing en de oogenblikke-lijke genezing van de hartkwaal op natuurlijke wijze onverklaarbaar; zij wenschen intusschen den genezene nog te onderzoeken met betrekking tot de werking van het hart. Daar de genezene er tegen opziet, zich opnieuw geneeskundig te laten onderzoeken, heeft men daarvan afgezien.
Gelijk wij opmerkten, vreesde Schilfer het verlies van zijn pensioen. Meermalen werd hij door de menschen om zijn toestand bekeken en uitgevraagd, weshalve hij sprak van âvervolgingenquot;, waaraan hij zicli blootgesteld waande. Zijn toestand blijkt uit den volgenden brief, welken hij dd. 15 Maart 1893 aan zijn zielzorger schreef.
(j. Brief ran Scha/er.
Zeereerw. heer Pastoor,
Wegens de vele vervolgingen, waaraan ik sinds langen rijd blootsta, zooals u, zeereerw. hoer, bekend is, kan
136
ik niet naar Boppard 1) gaan. Mijn gomoccl is vol van kruisen, smarten en weilcrwaardigheclen van allerlei aard ; gij weet dat. Mijn zenuwen zijn aangetast. Van het proces heb ik afgezien, ik nam mijne toevlucht tot de Moeder Gods, en het was mij als zei zij tot mij; âTilik op dat kruisquot;, en diep beschaamd lieh ik het vaste besluit genomen, om voortaan, met Gods genade, niet meer zoo gauw heftig te worden, en wil ik alle krenkingen met geduld verdragen.
Tlieruit ziet gij, dat ik niet goed l»en, dat ik niet waardig ben onder lief getal der bevoorrechten te bc-hooren. Ik wil geene eer, ik verlang slechts naar rust. Ofschoon ik met mijn vroegere ziekte niet meer te tobben heb, en evenmin met het asthma, zij het dan ook door groote lichamelijke inspanning, gevoel ik mij sedert geruimen tijd niet gezond. De heer pastoor was immers twee jaren lang herhaaldelijk in de gelegenheid, zich persoonlijk van den staat van mijn lichaam te overtuigen, wat gij dan ook hebt gedaan. Mijn tegenwoordige ziekte is zenuwlijden en bloedarmoede. (Jenecsheeren neem ik niet, daar heb ik 20 jaren mee te doen gehad, en toch heeft geen enkele mij geholpen; ik heb een afkeer van hen. Ik ben gisteren te bed moeten blijven ; vandaag ben ik wat beter. Gij kunt naar Trier berichten wat u goeddunkt. Zoo ik mijn papieren terugkreeg, zou ik ook wellicht van mijn vjjanden geen last meer hebben. Jk heb het voornemen gemaakt, dagelijks voor
1
) verzoek vait de Commissie moost de iiociquot; pastoor deu geuezenen Schiifci- ertoe bewegen, zieh nogmaals betreffende ziju vroegere hartkwaal te Boppard te laten onderzoeken.
1H7
ii te bidden, ^feer te schrijven is niet noodig, daar u alles bekend is.
Met de meeste hoogachting,
JoUANN SCHÃFER.
Op eene vormreis sprak ik den 8quot; Juni 1893 te Kerschwicsen met den genezene. !lij verontschuldigde zijne weigering, om zich nogmaals aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen, op dezelfde gronden, welke hij in zijn brief had aangevoerd. Schilfer sprak zeer rustig en bedachtzaam, bevestigde andermaal de in zijn verslag verstrekte opgaven en verzocht eindelijk, dat men hem met verdere onderzoekingen niet meer zou lastig vallen, ik meende derhalve den ootmoedigen en eenigszins angstigen man te moeten geruststellen met de verzekering, dat wij van een hernieuwd geneeskundig onderzoek wilden afzien.
Den 29quot; Dec. ontving ik volgenden brief van den pastoor van 1 lerschwiesen :
//. Derde rershii/ nm den Pusfoor.
1 lerschwiesen, 21 Dec. 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
De eerbiedigst ondergeteekende neemt, in de veronderstelling dat het van eenig belang zou kunnen zijn, de vrijheid l'we Doorl. Hoogw. onderdanigst en gehoorzaamst mede te deelen, dat de bewuste Johann Schilfer van rdenhausen den 18quot; Dec. jl. overleden is.
138
De toestand van Schiifer was reeds ten tijde der II. Aronning, bij welke gelegenheid Uwe Doorl. Hoogw. den man gezien en gesproken heeft, niet meer zoo goed als te voren. Zoo bleef hot mot hem tot in het begin van September. Toen vertoonde zich do oude ziekte weer, met geheel dezelfde verschijnselen als destijds, voordat hjj ter vereering van den H. Rok naar Trier gereisd was. 't Was asthma en waterzucht. Schiifer stierf derhalve stellig en zeker aan dezelfde ziekte, van welke hij volgens zijne verklaring en die der getuigen op den 2quot; Octobei'1891 te Trier was genezen geworden.
Van Uwe Doorl. Hoogw. de onderdanigste dienaar,
Eberhardy, pastoor.
Op grond van hot geneeskundig attest en de verklaringen der getuigen had de commissie de plotselinge genezing van Schiifer op natuurlijke wijze niet kunnen verklaren. Zij wenschte echter, om volkomen zekerheid te verkrijgen, nogmaals een onderzoek van den genezene met betrekking tot de werking van zijn hart.
Om de aangegeven redenen bleef dit onderzoek achterwege, en derhalve werd deze genezing niet opgenomen onder de ontwijfelbare wonderen.
Al waren gedurende twee jaren alle verschijnselen der waterzucht verdwenen en al kon Schiifer den zwaarsten arbeid verrichten, mag evenwel nog betwijfeld worden, of de hartaandoening volkomen was weggenomen.
Het plotselinge en spoorlooze verdwijnen van de waterzucht schijnt desniettemin wetenschappelijk onver-
139
klaarbaar. Al zon men ook aannemen, dat het w.ator ten gevolge van oen plotselingen zieleschok door de geopende poriën kan afvloeien, toch is niet te begrijpen, hoe na zulk een proces zich nergens water bevindt; want de genezene verklaarde zelf, dat het op natuurlijke of gewone wijze niet verdwenen was. De buik, zooeven nog dik opgezet, is eensklaps volkomen normaal geworden. Wie verklaart ons, waar die spoorloos verdwenen zoo aanmerkelijke massa water gebleven is ?')
2. Emil Herb, van Pforzheim.
u. Bericht ran den Pasfoor.
Aan het hoogw. bisschoppelijk ordinariaat!
Wijl ook in onze gemeente een klaarblijkelijke genezing van een zieke door den TL. Rok van Onzen Heer werd uitgewerkt, noopt mij de dankbaarheid, het hoogwaardige ordinariaat daarvan kennis te geven. Ik voeg hierbij een door den broeder van den zieke geschreven en door diens moeder onderteekend verslag en veroorloof mij op te merken, dat de knaap tot op heden gezond is gebleven en geen instorting heeft pla.ats gehad. De knaap is misdienaar en 12 jaren oud. Hij leed vroeger lievige pijnen en kon geen voet bewegen. De geneesheer verklaarde, dat eene hartkwaal met de ziekte verbonden was en hij genezing niet mogelijk achtte.
') Vergelijk een dergelijk geval bij dr, Boissarie, Lourdcs eu zijn Geschiedenis, bladzijde ]03,
140
Men moest y.icli voorbereid houden op een noodlottigen afloop. Xadat door de oplegging van een (aan den ]l. Rok aangestreken) stuk lijnwaad de genezing bewerkt was, wist de geneesheer daarvoor geen verklaring te geven, doch wilde niet erkennen dat het een wonder was.
Op den dag dat hij met het lijnwaad in aanraking was geweest speelde de knaap weder met zjjn makkers, diende de Mis en bespeurde nier het minste meer van zijn vroegere pijnen.
Het wonder heeft in onze gemeente groot opzien gewekt; de goede Katholieken verheugden zich over dat buitengewoon gunstbewijs, de anderen zochten uitvluchten.
Van het hoogwaardig ordinariaat de dienstwilligste dienaar,
C. BRAXDiiriiEH, pastoor.
h. Vernhtg orcr hef rerlmp lt;ler yemzimj.
Hoogwaardig bisschoppelijk ordinariaat,
Hiermede zend ik aan het hoogw. bisschoppelijk ordinariaat de getuigenissen betreffende de genezing van den knaap Emil Herb, die den '2' October 1891 heeft plaats gehad en waarover ik vroeger bericht heb ingezonden.
De knaap is sedert genezen van gewrichtsrheumatisme. Van den 2quot; October 1S!)1 af werd geen geneeskundige hulp meer ingeroepen en geen geneesmiddel meer aangewend.
Zoowel de moeder als de knaap zijn vervuld van
141
dankbaarheid jegens den goeden God, die liun op zoo wonderdadige wijze Zijne Imlp getoond heeft.
\ an liet hoogw. bisschoppelijk ordinariaat de dienstwilligste dienaar,
C. Brahdhübek, pastoor.
Pforzheim, 24 Maart 1893.
Mijn zoou Eniil leed sedert 25 Aug. 1891 aan ge-wrichtsrlieuniatisnie. De geneeslieer, die hem behandelde, dr. Sacki, verklaarde den toestand van den knaap op 30quot; September voor hoogst bedenkelijk en wilde met een anderen geneesheer, dr. Muller, consult houden. Hij dien staat van zaken besloot ik aan mevrouw Carl Casper alhier, die toen een bedevaart naar Trier maakte, een stuk lijnwaad mede te geven, om dit aan den II. Rok te laten aanstrijken. Den 2quot; Oct., 's morgens te 8 uur, werd mij gezegd stuk lijnwaad door juffrouw Anna Casper gebracht. Ik legde den aangestreken doek op de pijnlijke plekken der beenen van den zieke en sprak: âXu zullen wij in den naam van God dit beproeven, wellicht helpt de goede God.quot;
Xa omstreeks een half uur riep mijn zoon mij aan zijn ziekbed en bewoog de te voren nog geheel stijve ledematen. Kort daarop sprong lijj uit het bed en liep als een gezonde rond. Den volgenden dag verklaarde dr. Sacki hem gezond en stond toe dat hij het bed verliet.
Aldus getuigt
Mevr. Mixa Herb, weduwe, wonende Sehlosskirchenstr. 4, Pforzheim.
142
c. Geneeskundig attest.
Emil Herb was van tien 25quot; Aug. 1891 tot 2 Oct. van hotzelfdc jaar wegens gewriolitsrlicumatisme ui heide knieën onder mijne behandeling. Daarbij ontwikkelde zich eene ontsteking der hartkleppen, welke tot onvoldoende werking der mitraal-kleppen leidde. Don 25quot; Sept. vond ik den knaap nog met hevige pijnen in beide kniegewrichten en geringe zwelling daarvan. \\ egens de groote pijnlijkheid was eenige beweging niet mogelijk. Den 2quot; Oct. trof ik den knaap geheel zónder pijn aan en in staat zijne kuiegewrichten gemakkelijk te bewegen.
De onvoldoende werking der mitraal-kleppen duurt nog onveranderd voort, een instorting heeft niet plaats gehad.
Dr. Sacki.
Pforzheim, 15 Maart 1893.
d. Verklarinyen run (jet ai (jen.
De ondergeteekende personen getuigen betreffende den knaap Emil Kerb het onderstaande;
Wij hebben herhaaldelijk den knaap Emil Herb gedurende zijne ziekte bezocht. Twee dagen vóór zijne genezing waren wij nog bij hem. De knaap leed volgens zeggen van den dokter aan gewrichtsrheuniatisme en aan hartziekte. Wij zagen, dat de knaap een sterk gezwollen knie had. Hij kon niet op zijn voeten staan en zelfs de lichtste aanraking van de knie veroorzaakte hem hevige pijnen.
Den 2quot; October 1891 riep ons de moeder van den
U3
knaap bij zicli in hare woning. Zij verhaalde, dat op den knaap een stuk lijnwaad was gelegd geworden, 't welk niet den H. Rok in aanraking was geweest. Wij vonden den knaap in de kamer. Hij liep rond en zei, dat hij geen pijn meer had. Tot nu toe houdt deze toestand aan en de knaap kan evenals de overige jongens van zijn leeftijd deelnemen aan alle spelen.
Mevr. Karoune Kistxer.
Jou.vxx Ernst Mitlsiiörster.
Pforzheim, 13 Maart 1893.
e. Rapport der Commissie.
De zaakkundigen gelooven, dat de genezing op natuurlijke wijze heeft kunnen geschieden, al moge ook de plotselinge genezing van de verlamming in verband met de vereering van den 11. Rok opmerkelijk schijnen.
3. Michael Florange, van Trier.
«. Geneeskundig attest.
Overeenkomstig de waarheid wordt getuigd, dat de wisselwachter Michael Florange alhier aan traumatische zenuwziekte en motorische stoornis der bewegingsorganen zoomede aan gezichtsverstoring van het linkeroog lijdt.
Med. dr. Aueruacu.
Trier, 16 Aug. 1891.
144
h. Verslaj nan den Gmezme.
Den 9quot; Januari van het vorige jaar had ik het ongeluk bij de uitoefening van mijn dienst als ladingmeester, te Trier a/M., te vallen. Ten gevolge van dien val werd ik geheel lam en tegelijkertijd verloor ik schier geheel het gezichtsvermogen van mijn linkeroog. Het eerst behandelde mij de spoorwegarts Auerbach, die zich tot verder onderzoek dr. Löwenstein toevoegde. Alsdan werd ik naar dr. Brandenburg verwezen. Ten gevolge der ziekte van mijne vrouw, welke aan bloedspuwingen leed, kwam ik in het Moederhuis. Mier werd ik liet eerst door dr. Itoller onderzocht en vervolgens door dr. Mittweg en dr. Meissner behandeld. Den 1.5quot; Aug. jl. werd ik uit het Moederhuis ontslagen, nijjn ziekte was iets verbeterd, doch mijn gezichtsvermogen was nog onveranderd gebleven. Het ooglid van het linkeroog was verlamd en het gezichtsvermogen verstoord. Op een afstand van vijf centimeter verloor zich alles in een grauwen nevel; ook moest het lid met de hand worden opgeheven; liet rechteroog was halt gesloten. Toen ik hoorde dat zieken tot de aanraking van den li. Rok werden toegelaten, nam ook ik het besluit, om dit voorrecht te verzoeken. Ik vroeg er den heer pastoor Kewenig om, tot wiens parochie ik behoorde, en deze verklaarde, dat ik te dien einde een geneeskundig attest moest overleggen, want alleen degenen, die daarvan voorzien waren, werden toegelaten. 1 k begaf mij terstond tot dr. Auerbach, die mij, nadat ik het Moederhuis had verlaten, weder met dr. Brandenburg behandeld had. Dr. Auerbach verschafte mij het verlangde attest. Deze
145
beide attesten overhandigde ik aan den zeereerw. pastoor Kewenig, doch zei de tevens, dat ik voor mijn persoon van het voorrecht afstand wilde doen, zoo slechts mijne vrouw werd toegelaten. Zijneerw. zeide daarop, dat hij de beide attesten aan den vicaris-generaal zou zenden en het daarop inkomende antwoord ons zou mededeelon. Zoodra de H. Kok ter vereering werd gesteld, begaf ik mij met onze parochiale geestelijkheid naar den Dom. Bij den aanblik van den H. Rok deed ik de gelofte hem twaalfmaal te aanschouwen, mijn geboden te verrichten, de H. Communie te ontvangen en eerst dan, indien het mij vergund werd, den 11. Kok aan te raken.
Den 1quot; Sept. werden ons door den zeereerw. pastoor Kewenig twee kaarten gebracht, die recht gaven tot do aanraking van het II. Gewaad. Daar ik de door mij gedane belofte nog niet vervuld had, verzocht ik Z. IJ. 11. Feiten om de vergunning, den 2quot; Sept. te worden toegelaten, waarin werd toegestemd. Te 10 uren 's avonds van den 1quot; Sept. had ik in zoover mijn gelofte vervuld dat ik iu de procession den II. Rok twaalfmaal had aanschouwd en mijne gebeden had verricht. Den '2quot; Sept. ging ik met mijne vrouw in de parochiekerk ter Communie en 's avonds van denzelfden dag te S'/c, uur naar den Dom, ter aanraking van den H. Kok. Xadat Z. I). H. de wijbisschop, wien ik de geloofsbelijdenis moest nabidden, mijne hand gegrepen en die in aanraking met het II. Kleed gebracht had, voelde ik een hevige pijn in mijn nog gesloten oog. Daarop knielde ik neder, en toen ik opstond en naar het II. Gewaad blikte, opende zich mijn ooglid, dat tot dan toe 7 maan-
10
146
den en 22 dagen gesloten was geweest; ook kon ik op eiken afstand alles zeer goed onderscheiden. Beide oogleden zijn van dat oogenblik af geopend en zooals gezegd kan ik alles goed onderscheiden. Dr. Auerbach, bij wien ik mij reeds den volgenden dag vertoonde, zei mij dat het een zenuwschok was geweest, en zoo ook verklaarde dr. Brandenburg. Ik echter kan niet aan een zenuwschok gelooven, maar geloof vastelijk, dat God mijn gebed verhoord en mij het licht mijner oogen teruggegeven heeft. Terwijl ik dit hier overeenkomstig de waarheid nederschrijf en ook te allen tijde bereid ben mijne hier gedane verklaringen te bezweren, teeken ik mij
Michel Flohakge, wisselwachter en assistent-ladingmeester
te Trier a/M.
c. Gmeeshindhj attest.
De vroegere wisselwachter Michael Florange werd heden door den ondergeteekende aan zijne oogen onderzocht en zijne beide oogen bezitten schier normale gezichtsscherpte. Uit het ophtahnoscopisch onderzoek bleek eveneens dat de toestand normaal was, zoodat genoemde Florange wel geschikt is voor koetsier van de paardentram.1)
Dr. Jacobs.
') Voor dat doel had Florauge het attest aangevraagd.
147
d. Tweede verslag van dm yenezene.
Trior, 12 Maart 1893.
Aan den Zecreenv. lieer Willems,
bisschoppelijk secretaris !
Ik kan u-zeereer\v. niets anders mededeelen dan ik u bereids zeide. Xadat ik den 2quot; Sept., 's avonds te 9 uren, liet licht mijner oogcn geheel terugkreeg, ging ik den volgenden dag naar dr. Brandenburg, die mij een bril voorschreef, welke ik echter slechts twee dagen heb gedragen, wijl ik zonder bril beter zag. Daarop werd ik naar Bonn gezonden. Hier werd ik geëlectri-seerd, juist als te Trier; de uitwerking was dezelfde: het werd niet beter en niet slechter. Het oordeel van het toen ingesteld onderzoek was, dat ik weder tot den dienst zou worden toegelaten. ^Ijjn tegenwoordige toestand is zoo goed als toen ik achttien jaren was; alleen mijne zenuwen zijn nog zwak. Tot heden heb ik geen antwoord van Bonn ontvangen. ^ Mocht het worden ontvangen, dan zal ik het terstond inzenden.
Hoogachtend, Michael Florange,
quot;VVeberbachstr. 3.
e. Rapport der Commissie.
Daar het wezen der âtraumatische zenuwziektequot; (met die benaming is hierboven de ziekte aangeduid) wetenschappelijk nog niet is opgehelderd, onthouden zich de zaakkundigen van een oordeel over dit geval.
') lloraugc had een geueeskuudig attest over ziju toestand verlangd.
148
4. Barbara Lichtmess van Waldweiler.
a. Getuigenis van dm pastoor.
Barbara Lichtmess van Waldweiler, parochie Schillingen, wenscht toegelaten te worden tot de aanraking van don H. Rok.
Te dien einde getuig ik hiermede, dat zij steeds haar godsdienstplichten vervuld heeft.
Ingesloten een geneeskundig attest.
C. Benz.
Schillingen, 15 Sept. 1891.
h. Verslag der Genezen e.
Ik was gezond en recht van lijf en leden en zonder gebreken (ik werd in 1836 geboren) en bleef ook gezond tot mijn zestiende levensjaar. Toen werd ik echter iu den bloei van mijn jaren plotseling zwaar bezocht, namelijk door de dauwworm en door het opengaan van mijn beide boenen aan de knieën; bovendien had ik nog zwaar te lijden van brakingen en eindelijk kwam nog het verschrikkelijkste van alle lijden, namelijk do jicht, waarvan ik niet meer bevrijd werd tot aan het ter vereering stellen van den H. Kok van Onzen Heer. Ik moest 12 jaren met een stok gaan, meestal met twee stokken. Mijn arbeid op hot veld, graven en graan snijden moest ik op de knieën verrichten. Vijf jaren lang was ik dermate verlamd, dat ik den grond niet meer met de handen kon aanraken. Mijn linkerbeen was zoo krachteloos, dat het korter en ook veel dunner is
149
dan het rechterbeen. Den 16quot; Sept., toen ik hot geluk had, den 11. Rok aan te raken, moest ik mij van Waldweiler naar het station laten rijden; zoo ver kon ik niet gaan. In acht jaren kon ik onze parochiekerk te Schillingen niet bezoeken, doch was door mijn biechtvader gedispenseerd, om mijne gebeden in de bijkerk te Waldweiler te verrichten. Daar ik nu echter dooide vergunning van mijn hoogw. hoer bisschop op grond dor getuigenis van mijn biechtvader en van een geneeskundig attest het geluk had, ter aanraking van het II. Kleed van Jesus Christus te worden toegelaten, werd ik van mijn jichtlijden plotseling, terstond na de aanraking, geheel bevrijd. Deze bevrijding van pijnen duurde echter slechts drie dagen. In den derden nacht voelde ik drie hevige steken in de ledematen; ik ging echter voort met bidden en plotseling verdwenen mijne pijnen weder, en Gode zij dank ben ik er tot nu geheel van bevrijd gebleven, zoodat ik zonder stok niet slechts naar de parochiekerk, maar ook van het eene dorp naar het andere kan gaan.
Dit kan ik met de gansche gemeente getuigen, met al mjjne broeders en zusters en verwanten, huisgenooten, en de geheele buurt kan het getuigen.
Met alle hoogachting teeken ik
Uwe dienstwillige Barbaka Lichtmess.
150
c. Geneeskundig attest.
Barbara Lichtmess, 55 jaren oud, ongehuwd, van Waldweiler bij Schillingen, lijdt sedert haar 16e jaar aan jicht1), vooral aan de gewrichten der onderste ledematen. Bij de patiënte is allereerst een waggelende gang waar te nemen. De rechterknie is door littcekens om het gewricht heen stijf, zoodat zo slechts weinig kan gebogen worden. Men ziet, dat haar het loopen zeer zwaar valt. Elke beweging der beenen veroorzaakt haar pijnen in de onderste ledematen over de geheele lengte. ]n hare kamer kan zij zonder stok met moeite op en neer gaan; wil zij evenwel wat verder loopen, dan heeft zij een stok tot steun noodig.
De litteekens om het gewricht zijn afkomstig van etteringen, die vroeger in de gewrichten bestaan hebben.
Aldus wordt overeenkomstig de waarheid getuigd.
Dr. Keksciit.
Trier, 16 Sept. 1891.
d. Geneeskundig attest.
Barbara Lichtmess, 57 jaren oud, van Waldweiler bij Schillingen (Hochwald), kwam heden bij mij en ik constateerde het volgende: Sedert haar 16quot; jaar had zij pijnlijke verdikkingen en veretteringen van verschillende gewrichten des lichaams (van alle vingergewrichten, van het rechter kniegewricht, van hot linkervoetgewricht
') Zou placht de patiënte het te uoomeu. De ziekte, waaraan zij vroeger geleden heeft, is ongetwijfeld eeu multiple gewriehts-verettoring geweest. Aanteckeuing van den arts.
151
enz.) te doorstaan. Tot den 16quot; Sopt. 1891, op welken dag ik de patiënte voor de eerste maal zag en onder-zocht, kon zij slechts met behulp van een stok in hare kamer langzaam op en neer gaan.
Thans kan zij zonder stok op gewone wijze en zonder moeite loopen. Doordien echter het linkerbeen ongeveer 3 centimeter korter is dan het rechter, is de gang dienoverkomstig hinkend. Pijnen heeft de patiënte nu niet meer. Aan de verschillende gewrichten kan men thans nog witte litteekens zien. Do gewrichten zijn alle tamelijk bewegelijk.
Aldus wordt overeenkomstig de waarheid getuigd. Trier, 10 Maart 1H!)3. Dr. Kersciit.
(\ Itapport der Coiinnissie.
De zaakkundigen vonden weliswaar de genezing der sedert 39 jaren verlamde persoon in liooge mate opmerkelijk, doch geloofden dat eene natuurlijke verklaring daarvan niet uitgesloten is.
Katharina Will van Donveiler (parochie iieltheim).
a. Attest ran- den jnixtoor.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
De gehoorzaamst ondergetoekende veroorlooft zich Uwe Doorl. IToogw. het onderdanigst verzoek te doen, te gedoogen dat een ziek kind in aanraking gebracht worde met den H. Rok.
Het kind in quacstie, Katharina Will, eone dochter van het echtpaar Philipp Will en Katharina Steffen, van Donveiler, een bijgemeente der parochie Belthein), is don 30quot; Juni haar vijfde jaar ingegaan, sedert twee jaren voortdurend lijdend en verkeert, naar mij toeschijnt, in gevaar spoedig blind te worden. De ouders, welke zeer braaf en godsdienstig zijn, hebben reeds verscheiden geneesheeren geraadpleegd, waarop echter geen merkbare verbetering is gevolgd. Daar nu onze eerste processie volgens de vastgestelde regeling den 4quot; Sept. naar Trier vertrekt en de ouders wenschen, bij die gelegenheid hun kind mede te nemen, veroorloof ik mij in hunnen naam de onderdanigste bede, of het zieke kind in den namiddag vau den 4quot; Sept. of op den ochtend van den 5quot; Sept. ter aanraking van den li. liok kan worden toegelaten.
Van Uwe Doorl. lloogw. de onderdanigste dienaar, 13. Rauls, pasteor.
b. Geneexkiuuliy af test.
Katharina Will, 4 jaren oud, van Dorweiler, zou volgens opgave der ouders reeds meer dan een jaar lijden aan haar tegenwoordige oogziekte.
Uit het onderzoek blijkt, dat het kind lijdt aan een ontsteking van het hoornvlies en van de oogleden, welke aan haar klierachtig gestel moet worden toegeschreven.
Dr. ï1ie01). Jores, prakt. arts.
Castellaun, 1!) Aug. 1891.
158
c. Verslag ran dm pastoor over de genezing.
Bcltlieim (dekenaat Simmorn), 15 Maart 1892.
Doorluchtige 1 loogwaardigheid,
Monseigneur,
Ik veroorloof mij Uwe Doorl. Hoogw. bij dezen een kleine vreugde te bereiden door inzending van eenige akten, welke op do genezing van een kind door de aanraking van den H. Rok betrekking hebben. Ik kon ze niet eerder zenden, wijl de arts liet kind nog eenigen tijd wilde gadeslaan, alvorens zijn oordeel uit te spreken.
Het bewuste kind is Katharina Will. Het werd ge-buren den 29quot; Juni 1S87 te Dorweiler, een bijgemeente der parochie Beltheim; haar ouders boeten Philipp Will en Katharina Stoffen en zijn brave en godsdienstige Katholieken. Hij onze eerste bedevaart naar Trier, don 4quot; Sept. 1891, hebben zij het zieke kind meegenomen, en op den avond van denzelfden dag werd het, na verkregen vergunning, met den 11. Hok in aanraking gebracht. De verbetering van den ziektetoestand schijnt spoedig zichtbaar te zijn ingetreden; want de ouders verzochten mij ter gelegenheid van onze tweede bedevaart, op den 27quot; Sept., te Trier eene Mis van dankzegging op te dragen, wat ik den 28quot; Sept. in de kerk van den II. Matthias, terwijl onze parochianen aanwezig waren en zongen, gedaan heb. Het kind is thans opgeruimd en schijnt van zijn vroeger lijden bevrijd te zijn, zooals inliggende brieven doen zien.
Van Uwe Doorl. Hoogw. de gehoorzaamste dienaar,
B. Hauls, pastoor.
154
d. Verklaringen ran yetuhjen.
Dorweiler, 9 Maart 1893.
Ik heb de oer aan Uwe Doorl. Jloogw. op de geachte aanvrage van den 1quot; dezer beleefd tor kennis te brengen:
Heden bezocht ik het kind Katharina Will in het ouderlijk buis, in tegenwoordigheid van de volgende getuigen:
1quot;. Johann Jakobs, burgemeester;
2quot;. Peter Weber, onderwijzer;
3n. Joseph Pies, grondeigenaar;
4°. Peter Wagner, grondeigenaar.
Er werd geconstateerd, dat genoemd kind, thans 5 jaren oud, een gezond en frisch kind is, opgewekt en vroohjk als andere kinderen.
Op grond der verzekering van de ouders werd vastgesteld, dat de verkregen gezondheid tot dusver dezelfde is gebleven en de vroegere kwaal zich niet meer heeft vertoond; ten slotte; kan geconstateerd, dat na de door het vereeren van don li. Rok gevolgde genezing noch een geneeskundig, noch eenig ander middel meer werd aangewend.
Bovenstaand protocol werd in het bijzijn van genoemde getuigen voorgelezen en door hen mede-onderteekend.
Van Uwe Doorl. Hoogw.
de gehoorzaamste dienaar, II. Comes, pastoor van lgt;eltheim. Jakobs. Weber. Pies. Wagnek.
155
e. Bericht der Onder*.
Ons jongste kind, Katliarina, is geboren den 29quot; Juni 1887. Xog geen twee jaren oud, kreeg het over het gelieele lichaam oen huiduitslag, die weldra ook op do oogen oversloeg en deze in die mate verzwakte, dat het arme kind geen licht meer verdragen kon. Vreeselijke maagpijnen folterden liet dag en nacht, en het werd zóó zwak, dat wij het overal heen moesten dragen. Wij zochten hulp bij verscheiden geneesheeren, die echter het kind niet konden helpen.
Nadat alle geneesmiddelen vergeefsch bleken, besloten wij, bij het ter vereering stellen van den H. Rok, het kind ter aanraking daarvan mede te nemen. Sedert dien tijd is het geheel hersteld. Het is gezond en kan met andere kinderen rondloopen. Sinds dien tijd is het ook geen enkelen dag ziek geweest. Wij danken den goeden God van ganscher harte, dat Hij ons kind wonderdadig genezen heeft.
Piiilipp Will.
Kathaiuna Will.
Dorweiler, 10 Maart 18!)2.
Æ. Geneeskimdilt;) affesf.
Den 19' Aug. 1891 onderzocht ik Katliarina Will van Dorweiler, onder de gemeente Castellaun. Toenmaals leed het kind aan eene klierachtige ontsteking der oogleden, zoomede aan een ziekte van het hoornvlies der oogen beiderzijds.
156
Het heden ingesteld onderzoek toont, dat de ziekte der oogleden geheel genezen is en dat de verschijnselen van ontsteking van het hoornvlies beiderzijds eveneens is verdwenen; alleen zijn er vlakken overgebleven. Van deze vlakken is de grootste ongeveer midden op het rechter hoornvlies zichtbaar, eene kleinere op het linker hoornvlies.
De verbetering van het vroeger zeer hardnekkig lijden dagteekent sedert den herfst van het vorige jaar; de genezing heb ik zelf sinds December kunnen waarnemen.
Dr. ïiikod. Jores, prakt. arts.
Castellaun, 7 Maart 1892.
(j. Rapport der Conunissie.
De zaakkundigen vinden de sedert de aanraking van den H. Rok zoo snel gevolgde genezing alleszins zeer opmerkelijk, doch gelooven dat een genezing door natuurlijke krachten niet absoluut is uitgesloten.
6. Vrouw Hiilin van Laubach.
a. Geneeskundiy affexf.
Vrouw Hahn, houtvesterin, 42 jaren oud, van Laubach, lijdt sedert jaren aan een ziekte van de uterus. Zware bloedverliezen, vergezeld van hevige pijnen, hebben den algémeenen toestand der vrouw zeer verzwakt.
Op het oogenblik klaagt de zieke vooral over hevige,
157
van tijd tot tjjd verschijnende pijnen in het onderlijf, vergezeld van atypische bloedingen.
Dr. Theod. Jokes, prakt. arts.
Castellaun, 19 Sept. 1891.
h. Versing run den Pastoor.
Lingerhahn (dekenaat Obergondershausen), 19 Jan. 1892.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Do gehoorzaamst ondergeteekende heeft do eer Uwe Doorl. Hoogw. ingesloten schrijven te zenden van vrouw Halm, houtvesterin, te Laubach, 't welk zij zelve heeft opgesteld. Do daarin gedane opgaven berusten op stipte waarheid.
Vrouw Hahn is mij sedert zes jaren goed bekend, wijl mij te haren huize gedurende mijn dikwijls voorkomend oponthoud te Laubach kost en verblijf allerbereidwilligst verleend wordt. Sedert verscheiden jaren sukkelde zij steeds meer en meer. Vaak moest zij eenige dagen achtereen onder de hevigste pijnen het bed houden. De haar behandelende geneesheer, de heer dr. Jores, van Castellaun, wiens attest ik indertijd ter gelegenheid van de bedevaart naar het heiligdom met het mijne aan Uwe Doorl. Hoogw. heb in handen gesteld, gaf ook na een verblijf van verscheiden maanden der zieke te Bonn geene hoop op haar genezing. Hij heeft mij dit onomwonden verklaard en zei dat de ziekte een kankerachtige vrouwenziekte was.
De zieke wilde aanvankelijk onze eerste bedevaart naar den H. Kok medemaken, doch was gedwongen.
158
daarvan at' te zien, wjjl haar lijden een te ernstig karakter had aangenomen. Zij nam deel aan de laatste bedevaart, ik moet Ijekemien dat het mij angstig was om het hart, wijl ik vreesde, dat zij de vermoeienissen der reis niet zou kunnen doorstaan, en de verantwoordelijkheid dan ook mij zou treffen, omdat ik de beden der zieke bij haar man, die langen tijd uit bezorgdheid zijn toestemming voor de reis niet wilde geven, voortdurend krachtig had ondersteund. Gode zij dank! alles ging boven verwachting goed. Do zieke vrouw moest natuurlijk bijna den ganschen afstand naar het station Garden en terug op een wagen gereden worden.
Xa den terugkeer van Trier ging het zichtbaar beter met haar; de hevige pijnen bleven uit, en sedert twee maanden hebben de vroegere bestendige, zeer kwalijk riekende etteringen geheel opgehouden. De door-en-door gelukkige vrouw heeft haar vroeger werkzaam leven hervat en is overtuigd, dat, zoo de tegenwoordige toestand voortduurt, de kwaal geheel genezen is.
Alle familieleden hadden de bedevaart ondernomen met de bedoeling, om de genezing der dierbare zieke te verkrijgen. Voor mij is het duidelijk: Alleen God heeft hier geholpen.
Ik getuig dit om recht te doen aan de waarheid en ter verheerlijking van Hem, die voor ons den II. Rok gedragen heeft.
Van Uwe Doorl. Hoogw. de onderdanigste dienaar, Jakob Paulus, pastoor en parochiaal bestuurder van Laubach.
159
c. Verslag run de Genezme.
Laubach, 13 Jan. 1892.
Geloofd /ij Jcsus Christus!
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Uwe Doorl. Hoogw. veroorlovo mij onder betuiging van eerbied met de grootste dankbaarheid jegens God te kennen geven, dat, sedert mij de groote genade ten deel viel, den 11. Rok Onzes Heeren Jesus Christus aan te raken, mijn veeljarige onderlijfskvvaal, vergezeld van de hevigste pijnen, genezen is. Ik was in het jaar 1889 twee maanden te Bonn in de kliniek en mijn lijden bleef ondanks alle geneeskundige behandeling, welke ik ook nog in de laatste jaren voortzette, hetzelfde.
Ik had weinig hoop, weder gezond te worden, wijl zelfs de geneesheeren eene beterschap of genezing eerst na jaren in het verschiet stelden.
Gaarne had ik U deze verklaring bereids vóór twee maanden gedaan, maar ik wilde wachten, om te zien of de beterschap aanhield. Heden echter kan ik beslist verklaren dat, indien mijn toestand zoo voortduurt, eene volkomen genezing te voorzien is.
Tevens verzoek ik Uwe Doorl. Hoogw. eerbiedig mijn hartelijken dank te aanvaarden voor de vriendelijke bemiddeling, dat mij deze groote genade is ten deel gevallen.
Met do meeste hoogachting en eerbiedsbetuiging
Vrouw houtvesterin Hanx, geb. Kerwek.
160
d. Verslay ran den. Pasfoor.
Laubach, li) Maart 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Ik heb de eer hiermede op de aanvrage van Uwe Doorl. Hoog. van 1° Maart dezes jaars de verlangde mededeeling te doen, allereerst door inzending van een attest van dr. Jores, van Castellaun. Do vraag nquot;. 1, zoomede de bijzondere vraag aangaande do etteringen worden in dit attest beantwoord. Betreffende de vraag nn. 2 verklaart mij de genezene, dat zij wel nog eenige weken na de genezing inspuitingen heeft gedaan, maar slechts ad cautelam, niet omdat het noodig was, wijl de pijnen en etteringen sedert de bedevaart ophielden.
De man der genezene, de heer houtvester Halm, verklaart mij dat hij van don beginne af, doch nu eerst voorgoed de overtuiging koestert, dat de genezing slechts op wonderdadige wijze is geschied.
Met innigen dank jegens God, die dit wonder niet zonder bijzondere bedoelingen juist in deze gemengd-godsdienstige streek heeft gewrocht, teeken ik Vau Uwe Doorl. Hoogw. de gehoorzaamste dienaar,
H. Loksciieid, pastoor.
e. Geneeskundig affetsf.
Vrouw Hiihn, houtvesterin te Laubach, kwam in het jaar 1889 onder mijne behandeling wegens chronische ontsteking van de uterus en annexen.
161
Vrouw Hahn werd door hevige pijnen geplaagd. Bovendien had zij sterke ettering in utero. Door een en ander namen de krachten der patiënte zeer af.
Op raad der geneesheeren ging vrouw Hahn naar de kliniek te Bonn, bleef daar twee maanden en kwam betrekkelijk veel beter terug.
Vier weken later vertoonden zich weder de verschijnselen van do oude kwaal, en kort daarna was de vroegere ellendige toestand teruggekeerd. Allo behandeling was vorgeefsch.
in Sept. 1891 begaf vrouw Hahn ter gelegenheid van het ter vereering stellen van den Jl. Rok zich naar Trier. Sedert dien tjjd zegt zjj gezond te zijn.
Er valt op fe merken, dat vrouw Halm de heenreis naar Trier wegens hevige pijnen nauwelijks maken kon, en in het geheel niet te voet kon gaan, wijl zij zich te ellendig gevoelde. Van Trier terugkomende, legde zij zonder bezwaar na een langen rit in den nacht een afstand af van circa een uur tot aan hare woning.
Een feit is het, dat vrouw Halm zich sinds dien tjjd volkomen wèl gevoelt en do pijnen en de ettering verdwenen zijn.
Het heden ingesteld onderzoek leidde tot de bevinding, dat vergeleken bij vroeger eene wezenlijke verbetering is ingetreden. De verschijnselen van ontsteking zijn verdwenen en de plaatselijke gesteldheid is goed. Pijnen zijn volstrekt niet moer aanwezig.
Niets verraadt nog een ziekte van de uterus en de omgeving daarvan. Dr. Tiieod. Jores.
Castellaun, 17 Maart 1893.
11
162
Æ. Rapport der Commissie.
De zaakkundigen vintien de genezing van het tweejarig lijden in rechtstreeksch verband met de aanraking van den H. Rok zeer merkwaardig, maar achten de werking van natuurlijke oorzaken niet voor absoluut uitgesloten.
7. Gertrude Gilles, van Polch.
u. (Tefuigenissen.
Polch, IS September 1891.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Ik verzoek eerbiedigst Uwe Doorl. Hoogw., op den morgen van den 21quot; dezer tot de aanraking van den H. Rok te worden toegelaten, om, zoo het met Gods wijze inzichten overeenstemt, van een veeljarig oog- en oorlijden bevrijd te worden.
De getuigenissen van den lieer pastoor dezer gemeente en van den arts dr. Trapet, van Coblenz, vroeger hier te Polch, die mij sinds jaren behandeld heeft, voeg ik gehoorzaamst hierbij.
Van Uwe Doorl. Hoogw. de gehoorzaamste dienares,
Gertrude Gilles.
Hiermede verklaar ik aan de ongehuwde Gertrude Gilles, dat zij sedert verscheiden jaren aan een chronische oog- en oorziekte lijdt. Met haar geheele familie onderscheidt zij zich door een reinen levenswandel en diepe godsvrucht.
Polch, 18 Sept. 1891. Th. Riegel, past.
168
b. Geneeskundiy attest.
Op grond van geneeskundige waarneming wordt getuigd, dut Gertrude Gilles, dochter van den grondeigenaar den heer Peter Gilles, te Polch, sedert verscheiden jaren aan eene intermitteerend (met tusschenpoozen) optredende scrophuleuze ontsteking der oogleden en van het oor Ijjdende is.
Dr. Trapet, prakt. arts.
Coblenz, 16 Sept. 1891.
r. Profocol orcr de genezing.
Heden, '22 Sept. 1R91, te 9 uren 's morgens, verscheen in gezelschap van den heer pastoor van Polch Gertrude Gilles, oud 83 jaren, van Polch, welke volgende verklaringen aflegde:
Sedert het jaar IHSO leed ik aan chronische oogontsteking, welke mij voortdurend pijn veroorzaakte, 's Morgens etterde het oog altijd, licht kon ik zonder lampokap niet verdragen, personen op eenigszins verren afstand niet onderscheiden (zoo bijv. niet den priester, die aan het altaar de II. Mis las), schreeuwende kleuren deden mijn oogen zeer. 's Avonds kon ik slechts met moeite lezen. Dr. Hermann, oogarts te Coblenz, zoomede twee andere geneesheeren hadden mij elf jaren lang behandeld, zonder eenige merkbare beterschap te bewerken. De eene, dr. Trapet, te Coblenz, zei mij, dat ik geen geneesmiddelen meer moest gebruiken, wijl zij mijn oogen steeds zwakker maakten.
Vóór eenige weken gaf ik onzen heer pastoor den
164
wensch te kennen, den H. Rok te Trier te mogen aanraken. Ik begon Dinsdag jl. een novene (den 15quot;) en kwam den 20quot; te Trier, 's Avonds raakte ik do heilige reliquie met groot, vertrouwen aan ;... ik voelde oogenblikkeljjk iets prikkelends in unjii oog. Het gaslicht, dat mij bij het binnentreden hinderde, kon ik verdragen, niettegenstaande ik nog een vol uur in den Dom vertoefde. Bij het ontwaken den volgenden morgen had ik geen spoor meer van ettering aan hot oog, noch gisteren, noch heden. Sedert duurt deze toestand steeds voort, zoodat ik de personen (op eenigen afstand) goed onderscheiden kan.
Dit alles ben ik bereid niet een eed te bekrachtigen.
Gertrude Gilles.
Bovenstaande opgaven, in zooverre deze mij betreffen en door mij waargenomen werden, kan ik eveneons als getuige onder eede bevestigen.
IllEGEL.
t M. Felix. B. v. T.
(1. Verdam min den Paxtoor.
Polch (dok. Münstermaifeld), 15 Maart 1S93.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Op verzoek van Gertrude Gilles veroorloof ik mij Uwe Doorl. Hoogw. op de aanvrage van 1 Maart het volgende gehoorzaamst te berichten:
Ad. 1. De toestand der oogen is tot nu toe dezelfde
165
gebleven, zooals die door de aanraking van den H. Rok is geworden en aan Uwe Doorl. Hoogw. bij het vernemen daarvan is blootgelegd. De ontsteking van de randen der oogleden is tot nog toe steeds merkbaar, maar het oog zelf is helder. De genezene kan het daglicht en elk kunstlicht verdragen, bij dit laatste arbeiden en ook vrouwelijke handwerken verrichten, waartoe zij verscheiden jaren niet meer in staat was geweest. De oogen zijn 's morgens bij het ontwaken niet meer door etter gesloten zooals vroeger, het tranen gedurende den dag is veel minder en niet zoo hinderlijk meer, het lezen, dat vroeger nu en dan onmogelijk was, doet geen pijn en vordert geen inspanning.
Ad. 2. Sinds de vereering van den H. Kok is voor de oogen geen geneesmiddel meer aangewend.
Vair Uwe Doorl. Hoogw. de gehoorzaamste dienaar, Rxeuei,, pastoor.
e. Bapport der Commissie.
De commissie erkent weliswaar het merkwaardige der genezing in verband met de vereering van den H. Rok, doch gelooft, dat deze genezing niet als een wonder moet worden vastgesteld.
166
8. Anna Maria Fink, van Naunheim.
a. Geneeskundig attest.
Anna Maria Fink, 20 jaren oud, van Naunheim, lijdt sedert hare kindsheid aan algemeene lichaamszwakte on bloedarmoede. Buitendien lijdt zij sedert 1891 aan een eczematischen huiduitslag in het gezicht.
Dr. Massen,
Münstermaifcld, 16 Sept. 1891. prakt. arts.
b. Verslai] rati- den Pastoor
over de na aanraking van den H. Rok ünzes Heeren gevolgde merkwaardige genezing van een meisje van Naunheim.
Anna Maria Pink, geboren 29 Mei 1871, een braaf, vroom meisje, was sedert haar achtste levensjaar Voortdurend ziek, zoodat zij van dien tijd af de school niet meer bezoeken kon. J)c eerste H. Communie ontving zij derhalve op haar ziekbed. In de eerste jaren dat ik als pastoor werkzaam was, 1887 en 1888, bracht ik haar maandelijks do H. Communie aan huis; in de volgende jaren gelukte het haar met buitengewone inspanning, de II. Sacramenten in do kerk te ontvangen.
Volgens verklaring van don haar bohandolenden arts bestond hare ziekte in oen hoogen graad van bloedarmoede on gebrekkige gesteldheid der hartkleppen. In het voorjaar van 1891 vertoonde zich oen nieuwe lichaamskwaal, een kankerachtige verzwering der huid op beide wangen. I)c huid liet los in zwarte schilfers
167
en onder dezen vormde zich een kwalijk riekende etter, die spoedig opdroogde en nieuwe loslatingen van schilfers veroorzaakte. De toch reeds geringe lichamelijke krachten namen te gelijker tijd zichtbaar af.
Bij de eerste bedevaart van onze parochie naar den H. Rok was het zieke meisje zoo krachteloos, dat zij de reis naar Trier niet kon medemaken. Voor de tweede, op 22 Sept., voor onze parochie vastgestelde bedevaart hield de zieke niet op mij met beden te bestormen, om haar toch het geluk te verschaffen, den H. Rok te mogen aanraken. Derhalve deed ik Uwe Doorl. Hoog. acht dagen vóór de tweede bedevaart oen desbetreffend verzoek toekomen, onder bijvoeging van een geneeskundig attest van den heer dr. Massen, van Jlünstermaifeld.
Op den ochtend van den 22quot; Sept. viel het zieke meisje het groote geluk ten deel, door Uwe Doorl. Hoogw. zelve tot de aanraking van het H. Kleinood te worden toegelaten. Terstond daarop nam de zieke een aanmerkelijke verlichting en aansterking waar, zoodat zij de met het oog op hare ziekte nog altijd zeer groote vermoeienissen der terugreis droeg met opmerkelijk gemak. Bij het verlaten van den trein te Hatzenpost sloot zij zich aan bij de door mij georganiseerde processie en legde den 2 uren langen weg van daar tot aan haar dorp zonder bjjzondere inspanning af, zoodat alle bedevaartgangers en ook ik onderweg de overtuiging kregen, dat der zieke te Trier wonderdadige hulp was wedervaren, te meer wijl op do heenreis naar Trier het meisje in een gesloten rijtuig naar het station Hatzenpost moest vervoerd worden en zij gedurende
168
den spoorwegrit naar Trier meermalen in onmacht viel.
De algemeene toestand van hot meisje werd na do bedevaart van dag tot dag beter; de kankerachtige huidafschilferingen hielden terstond op on er ontwikkelde zich snel een gezonde huid op boido vroeger zoo ernstig misvormde wangen. Togen hot midden van October was van het gezicht van hot meisje alle huidafschilfering volkomen verdwenen. Ook nu nog is niet hot minste spoor van kankerachtige afschilfering op haar gezicht te ontdokken.
Toen ik don 22quot; Oct. den heer dr. Massen van Münstormaifold bij gelegenheid van een mij gebracht bezoek van de opmerkelijke genezing van hot meisje in konnis stolde, vroeg hij mij haar in do pastorie te ontbieden. Zoodra hij zijn vroegere patiënte zag, was hij blijkbaar geheel verrast. Xadat het meisje zich had verwijderd, bekende hij mij gulweg, dat hij eene zoo snelle en volkomen genezing niet voor mogelijk gehouden had. Evenwel, liet hij volgen, zou hij, wijl nog bjjtijds zijn raad was ingewonnen, op een niet nader te bepalen tijd door de aanwending van krachtige geneesmiddelen allengs de genezing hebben kunnen bewerken.
Terstond vorzocht ik den met injj bovrienden hoor, mij oen ambtelijk attest over deze genezing te verstrekken. Daartoe wilde hij zich echter om mij onbekende redenen niet laten vinden. Hij machtigde mij intusschon, van deze zijne verklaring, welke ik zoo noodig met een eed kan bevestigen, op verlangen gebruik te maken.
In hot begin van Januari van dit jaar werd Anna Maria Fink opnieuw ziek. Daar ik van meening was.
169
dat de oude kwaal met nieuwe lievigheid was teruggekeerd, liet ik het achterwege, een bericht over de in den herfst geschiede genezing in te zenden. Later vernam ik van den geneesheer, die het meisje behandelde, dat de laatste ziekte hoegenaamd geen verband met de vorige hield, maar dat zij door de toenmaals hier sterk heerschende influenza was aangetast.
Sedert de in het begin van Februari ingetreden genezing verheugde het meisje zich voortdurend in een goede gezondheid, zoodat het allen niet zwaren arbeid zonder moeite kon verrichten. Zelfs aan de naaimachine hielp zij vlijtig hare voor andere menschen in deze branche arbeidende moeder. (Vóór hare te Trier verkregen genezing was zij nooit in staat ook maar een kwartier met de naald te werken).
Alle in bovenstaand bericht voorkomende opgaven zjjn het resultaat mijner eigen zorgvuldige waarnemingen, berustende op inlichtingen, welke ik vóór en na de genezing bij de ouders en de vriendinnen der zieke heb ingewonnen.
In fidem.
quot;Waldecker, pastoor.
Xaunheim (dek. Münsternmifeld), 18 Aug. 1892.
c. Tweede eer slag run den Pastoor.
Xaunheim, 10 Maart 1893. Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Betreffende het door de aanraking van den H. Rok
170
van een ernstig lupus-lijden ') volkomen genezen 22-jarig meisje Anna Maria Fink alhier, veroorloof ik mij, naar aanleiding van de mij onder dagteekening van den 1quot; dezer gedane aanvrage, met den diepsten eerbied aan Uwe Doorl. Iloogw. volgend verslag onderdanigst te doen toekomen.
Het bewuste meisje is, gelijk ik reeds vroeger de eer had te berichten, wonderdadig genezen van haar door geneeskundig attest geconstateerd lupus-lijden, dat allengs tot aan de op 22 Sept. 1891 geschiede aanraking van den H. Rok, de gezichtshuid op beide wangen geheel had verwoest.
Ongeveer twee of drie weken na de aanraking van het H. Kleinood was elk spoor van deze verwoestende ziekte geheel en al verdwenen. Een verdere aanwending van geneesmiddelen was na de door den TI. Rok bewerkte genezing niet meer noodig, daar deze ziekte zich tot heden niet weder heeft vertoond.
De bewuste Anna Maria Fink, welke in Augustus van het vorige jaar door mijne bemiddeling als dienstmaagd in het klooster der Zusters van den H. Carolus Borro-maeus te Keulen (Johnstrasse) werd opgenomen, moest op last van den huisdokter, den heer Sanifafsrafh dr. König, vóór ongeveer veertien dagen van daar naar haar geboorteplaats worden teruggezonden, wijl zij, zooals ik van hare moeder vernam, in niet ernstige mato aan dauwwurm leed. Op hot gezicht van het meisje, op het voorhoofd en om de oogcn vertoont zich eene met die
*
') De geneesheer spreekt sleclits van een eczematisclien liuiduitslag.
171
ziekte in verband staande droge uitslag, die op de vroegere aan beide wangen waargenomen lupus-verscbijn-selen niet in het minst geleek en volgens verklaring van den geneesheer, die haar thans behandelt, dan ook binnen korten tijd geheel verwijderd zal zijn.
In weerwil van dit Ijjden aan dauwwurm is het meisje, dat van haar achtste jaar af tot aan de bedevaart naar Trier bestendig ziek en meestal bedlegerig was, thans nog altijd betrekkelijk gezond en in staat te arbeiden.
Met den diopsten eerbied teekent zich
Van Uwe Doorl. Hoogw. de gehoorzaamste dienaar, Waldecker, pastoor.
tl. Rapport der Commissie.
Do zaakkundigen vinden de genezing van den uitslag weliswaar opmerkelijk, maar zij is langs natuurlijken weg niet uitgesloten.
9. Joluum Baptist Steinbach, van Schillingen.
a. Attest van den pastoor.
Schillingen (dek. Hermeskeil), 19 Oct. 1891.
Aan het hoogeerw. bisschoppeljjk vicariaat-generaal te Trier heeft de gehoorzaamst ondergeteekende de eer do mededeeiing te doen, dat Johann Baptist Steinbach, die den 16quot; Sept. 1891 het geluk had, den H. Rok
172
te mogen aanraken, sinds dien tijd van zijn ziekte geheel hersteld schijnt.
Gezegde Steinbach, thans 12 jaren oud, leed aan een ernstige borstkwaal en had ten gevolge daarvan bij de geringste beweging hevige pijnen; sedert de aanraking van den H. Kok verklaart hij volkomen gezond te zijn, zoodat hij nu loepen, springen, klauteren en verre afstanden afleggen kan, zonder de minste pijn te gevoelen.
Yan het hoogeenv. bisschoppelijk vicariaat-generaal de gehoorzaamste dienaar, C. Bexz, pastoor.
b. Geneeskundiy attest.
Baptist Steinbach, van Schillingen, lijdt aan een gebrek der hartkleppen. Zooals liet geval daar ligt, is hij ongeneeslijk. Alleen kan na geruimen tijd bij geschikte behandeling verkregen worden, dat voor den patiënt zijne kwaal minder voelbaar is.
IJr. Dosing.
Hermeskeil, 3 Aug. 1891.
c. Bericht van den Pastoor.
Schillingen (dok. Hermeskeil), 27 Jan. 1892.
De gehoorzaamst ondergeteekende, verwijzende naar zijn \Toeger bericht van 19 October 1891, heeft de eer het hoogeerw. bisschoppelijk vicariaat-generaal in zake het gebeurde een uitvoerig bericht met beantwoording van de hem gedane vragen en de blootlegging van de
178
toedracht der zaak van den gcnezene zeiven te overhandigen.
Van hot hoogeerw. bisschoppelijk vicariaat-generaal de gehoorzaamste dienaar, C. Behz, pastoor.
(1. Bericht van den Genezene.
Omstandigheden van mijne genezing bij het ter vereering stellen van den H. Rok. Ik was ziek van 22 Febr. 1891 tot 1G Sopt. 1891. Mijne ziekte bestond in veel pijnen in lendenen en borst. Ik bezocht vijfmalen den arts Gottschalk te Ilermeskeil, zonder dat ik verlichting voelde. Later bezocht ik nog driemaal den arts Dosing te Ilermeskeil, almede zonder gevolg. Deze constateerde dat het een ernstige hartskwaal was. In de pijp, welke van het hart naar de long loopt, was een opening, welke schier ongeneeslijk was. Ik kon geen trap bestijgen, veel minder een berg beklimmen. Xadat ik echter den 16quot; Sept. den H. Rok had aangeraakt, gevoelde ik mij volkomen gezond.
Joh. Baptist Steixbach, geboren den 31quot; Januari 1879.
Schillingen, 30 Dec. 1891.
e. Tireede herklit ran den Pas/oor.
Schillingen (dek. Ilermeskeil), 10 Maart 1893. Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
De gehoorzaamst ondergeteekende, pastoor Carl Benz
174
te Schillingen, heeft de eer Uwe Doorl. Hoogwaardigheid op de zeer geachte aanvrage in dato 1 Maart 1893, met betrekking tot den door de aanraking van den H. Rok genezene uit de parochie Schillingen, gehoorzaamst het volgende te antwoorden:
Johann Baptist Steinbach van Schillingen was sedert de aanraking van den H. Rok tot nu toe steeds gezond, zonder dat sedert dien tijd nog eenig geneesmiddel werd aangewend. De bewuste scholier ziet er thans zeer krachtig uit en wil, nadat hij met Paschen do school van lager onderwijs zal hebben verlaten, het smidshandwerk leeren.
In deze zaak volgt hierbij een attest van den districtsarts den heer dr. Dosing van Hermeskeil over Stein-bach's herstel van zijne ziekte.
Van Uwe Doorl. Hoogw. de gehoorzaamste dienaar, C. Benz, pastoor.
Æ. Geneeskundig attest na de genezing.
Aan Johann Baptist Steinbach wordt hiermede getuigd, dat hij thans van zijne ziekte hersteld is.
De districtsarts dr. Dosing. Hermeskeil, 7 Maart 1893.
g. Rapport der Commissie.
De genezing in het onderhavige geval schijnt langs natuurlijken weg niet geheel uitgesloten, wijl zulke
175
hartkwalen bij jongelieden snel kunnen genezen. Evenwel is de hier overeenkomstig berichten ingetreden plotselinge genezing alleszins hoogst merkwaardig.
10. Kaspar Speich, van Liuzhauseu bij Linz.
a. Attest can den pastoor.
Linz, 13 Sept. 1891.
Kaspar Speich, 48 jaren oud, van Linzhausen, heeft ten gevolge van een ongeval een verlamming der rechterhand opgedaan, zoodat hij die slechts met veel moeite gedeeltelijk voor den arbeid gebruiken kan. Daar hij reeds sinds tien maanden aan deze kwaal lijdt en geen geneeskundige hulp hem genezing kon verschaffen, heeft hij zijn vertrouwen op de aanraking van den H. Rok gesteld, ten einde volkomen herstel te verkrijgen. Derhalve kan ik het dringend verzoek van dezen braven spoorwegbeambte niet anders dan krachtig steunen.
(L. S.) Dr. Thanisch, pastoor.
I). Attest van den Geneesheer.
De wisselwachter Kaspar Speich, te Linz, lijdt ten gevolge van een ongeval aan een lichte verlamming (parese) der rechterhand, hoofdzakelijk in de streek
der nervus ulnar is.
Dr. Sciierer, arts.
Linz, 13 Sept. 1891.
176
â c. Protocol over het verloop der (jeneziny.
Voor don ondorgeteekonden pastoor van Linz vcr-schecn lieden de wisselwachter Speich, van Linzhausen, 48 jaren oud, en legde de volgende verklaring af;
Ik had ten gevolge van een val bij de uitoefening van mijn dienst het ongeluk, den rechterarm zóó te verstuiken, dat hij geheel buiten het schouderblad stak. Xadat de arm weder genezen was, bleef voortdurend eene verlamming in den geheelen arm achter, zoodat ik de rechterhand volstrekt niet sluiten en ook den arm zeiven slechts met behulp van de andere hand voor den arbeid gebruiken kon. Dit ongeval overkwam mij in de maand December 1890. Gedurende acht weken was ik ongeschikt voor den dienst, en den overigen tijd kon ik slechts gedeeltelijk mot veel moeite mijnen dienst verrichten. Het eerst behandelde mij dr. Wirth te Höhrgranzhausen, later dr. Vosschulte, te Linz, en het laatste dr. Scherer, te Linz. Laatstgenoemde heeft mij drie maanden lang geëlectriseerd, maar zonder succes. Eindelijk nam ik mijne toevlucht tot den H. Kok te Trier en bad God om de genezing van mijn lamme hand. Den 29quot; Sept., 's morgens tusschen 5 en 6 uur, had ik het geluk, den II. Kok te mogen aanraken; terstond werd mijn arm geschokt door een geheimzinnige kracht, alsof mij een sterk man krachtig aangreep, en op hetzelfde oogenblik dat ik den H. Kok losliet kon ik mijn lamme hand sluiten en ook den rechterarm even goed gebruiken als den gezonden. Yan dien tijd af kan ik mijne hand heel goed gebruiken en bespeur ik niets meer wat mij bij den arbeid hindert. Derhalve geef ik
177
gaarne aan God de oei', dat Hij mij te Trier op merkwaardige wjjzo bjj don 11. Kok hoeft genezen.
Do/e mijne verklaringen ben ik gaarne bereid niet een eed te bezweren, voor hot geval dat dit van mij mocht worden verlangd.
Kaspar Speich, telegr. wisselwacbter.
(L. S.) Dr. Tii.vxiscn. pastoor.
Linz, 11 October 1891.
lt;1. Vcfhaal run den Genczene.
Linzhauson bij Linz, iW Jan. 1892.
Aan de waarheid getrouw vi'rslng over het ongeval, de hehandoling en de genezing van den rechterarm van den telographist-wisselwachter Kaspar Speich, re Linzhauson.
In don vorigon winter kreeg ik door eon ongeval een schouderbreuk. Het eerst word ik behandeld door dr. \\ irth, van Höhr, die mijn schouder zotte en mij wat gaf om in te wrijven, wat ovenwol niets hielp. Hij mijn verplaatsing naar Hönningen werd ik naar dr. Yoss-schulte te Linz verwezen, die don arm behandelde mot electriseeron, almede zonder gunstig gevolg; mijn hand was en bleef gedeeltolijk stijf. Later ging ik naar dr. Schorer, te Linz, die hot electriseeron voortzette, maar met niot meer succes.
Xu stolde ik in overeenstemming met dr. Sclierer mijn vast vertrouwen op den II. Rok te Trior, waar ik tot de aanraking daarvan op don 29quot; Sopt. 1891 werd toegelaten. Lij de aanraking nam ik een eigenaardig gevoel in den arm waar, en van dat oogenblik
12
178
af werden de arm en de stijve hand gezond. Van dien tijd af zijn geen geneesmiddelen meer aangewend en is, Gode zij dank, de hand tot nu toe frisch en gezond. Ook gevoel ik geen napijn meer daarin bij veranderlijk weder.
De echtheid der onderteekening waarborgen
Kaspar Speich. Nikolaus Wahl. Wilh. Schoof.
Hiermede wordt getuigd dat do verklaringen van Kaspar Speich het volste geloof verdienen. Hij heeft indertijd een geneeskundig attest ingezonden; hij word plotseling genezen op het oogenblik dat hij het H. Kleed aanraakte. Xog den avond van den dag, waarop hij 's morgens te Trier was genezen geworden, kwam hij stralend van vreugde bij mij en toonde mij zijn volkomen gezonde hand. Ook zei hij mij bij deze gelegenheid, dat hij zooeven bij den arts was geweest, om dezen zijn gezonde hand te laten zien. De arts zei toen, dat het merkwaardig was, dat hij de hand weder gebruiken kon, maar er moest worden afgewacht, of de kwaal niet zou terugkeeren. Thans echter weigert de arts den genezene een attest af te geven.
Desverlangd ben ik bereid een gansche reeks van personen onder protocol te hooren, die allen gaarne bereid zijn, voor de wonderdadige genezing van deze hand getuigenis af te leggen.
(L. S.) Dr. Thaniscu, pastoor.
Linz, 3 Februari 1892.
lid
e. Bericht van den Pastoor.
Linz, 22 Maart 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Gelet op de circulaire van 1 Maart 1893, veroorloof ik mij. Uwe Doorl. Hoogw. over don tegenwoordigen toestand van den ter gelegenheid van het ter vereering stellen van den 11. Rok genezen parochiaan Kaspar Speich, volgende mededeeling onderdanigst te doen geworden:
Kaspar Speich is sedert zijn terugkeer van Trier volkomen gezond gebleven, de vroegere verlamming van de rechterhand is niet teruggekomen. Xa zijn plotselinge genezing te Trier heeft hij geen geneesmiddel meer gebruikt. Sedert dien tijd heeft hij zijn vollen dienst als telegraphist-wisselwachter bestendig verricht en tot nu toe geen uur in zijn dienst verzuimd, ofschoon hij om de acht dagen een gansche week nachtdienst heeft. Hij kan zijn arm voor eiken arbeid gebruiken en wordt zelfs bij verandering van weer geen pijn daarin gewaar. De hier gevestigde artsen verklaren zijn arm voor volkomen genezen, doch weigeren een attest af te geven. Met dankbaar hart jegens God, die mijn parochiaan op wonderdadige wijze geholpen heeft, tot meerdere eer van God aan Uwe Doorl. lloogw. dit feit mede-deelende, teeken ik met alle hoogachting
Dr. Thanisch, pastoor.
180
/'. I'apport der Commissie.
Do genezing sctnjnt in dit geval langs natuurlijken weg niet uitgesloten, daar de opgewondenheid zulke lichte verlammingen kan wegnemen.
11. Dauicl Mahony van Westminster, Mills Court nquot;. 11.
u. Verslag ran dai. Genezene.
Ongeveer vijf jaren leed ik aan hevige pijnen en stramheid, welke haar oorzaak vonden in rheumatisme in den rug tusschen de heupen, zoodat ik niet zonder moeite van mijn stoel kon opstaan en daarbij moest steunen op eenig voorwerp in de nabijheid. Ik kon niet anders loepen dan voorovergebogen en met pijnlijke inspanning. Verscheiden aangewende geneesmiddelen hadden weinig of niets gebaat.
Zondag 11 Oct. 1891 hoorde ik eene preek over de genezingen door prentjes, die aan den 11. Rok waren aangestreken. Den volgenden dag verschafte ik er mij een en Dinsdag 13 Oct. legde ik het op mijn rug ter plaatse waar ik pijn had, en hield het daar ongeveer vijf minuten, terwijl ik inmiddels ter eere van Hem, die voor ons geleden heeft en gestorven is, drie Onze Vaders en drie Weesgegroeten bad.
Toen ik het prentje van mijn rug verwijderde, waren de pijn en de stijfheid verdwenen, en mijn rug was zoo goed en buigzaam als ooit te voren. Sedert dien tjjd heb ik niet de geringste pijn meer gevoeld en kan
181
ik mijno ledeniaton beter en vrijer gebruiken dan mjj dit gedurende de laatste vijf jaren mogelijk is geweest. 2 blaart 1892. Daniel Mauoxy.
/). GenccslitmUij af hst ran dm heer dr. Hantford, dixhürfmrfs (resident Medical offices) der parochie ran Westminster.
Ik getuig liierinede, dat de heer Daniel Mahony, Mill's Yard n0. 11, Scruttons ground, Westminster, verscheiden jaren aan rheumatisclie pijnen in den rug tussehen de heupen geleden heeft, en dat deze pijnen (in den rug tussehen de heupen) sedert den 13quot; Oct. 1891 volkomen verdwenen zijn, zoodat hij in staat is, te loopen en zieh vri j en zonder pijn of ongemak overal heen bewegen kan.
2 Maart 1892. Th. Bamford.
c. Verfidi)Ki ran een brief ran pater I'rocfor S. ./.
( Deze is met de zielzorg in de Westminster-parochie te Londen belast).
12 Earl St. SW.
19 Maart 1893.
Geachte pater Clarke P. ('!
Pater Martin heeft mjj verzocht, uwe vraag om inlichtingen betreffende de genezing van Mahony te beantwoorden:
1quot;. De genezing is duurzaam, de kwaal (Ininhdyo) is hoegenaamd niet teruggekeerd. Hij (Mahony) zegt, dat
182
hij zich zoo vrij kan bowegen cn ccn zoo rechte houding kan aannemen als hij dat vóór 30 jaren kon.
2». Hij schrijft de genezing aan het aangestreken prentje toe en is vervuld van dankbaarheid. Pc meesten van zijn buren zijn Protestanten; eenigen maakten indertijd (af fhetime) de opmerking, hoeveel beter hij was en hoeveel gemakkelijker hij zich bewoog. De Katholieken, die hem kennen, bijv. eenige barmhartige Zusters, beschouwen de genezing als een gunst, welke door middel van het prentje verleend is. Hij heeft aan eene dier Zusters het prentje geschonken, uit vrees â gelijk hij zegt -â dat het na zijn dood in handen mocht vallen van iemand, die er do waarde niet van weet te schatten.
De uwe in Chrisfo,
â¢xt i i. t '^. Proctor, S. J.
Voor de vertaling: '
L. v. ITammkrstkix, S. J.
d. liapport der Commissie.
Daar het hierboven beschreven lijden van nerveuzen aard was, is genezing langs natuurlijken weg niet uitgesloten.
12. Anna Reding, van Berdorf-Luxemburg.
a. Getuigenis ran den Pasfoor.
Ondergeteekende, pastoor van Berdorf, diocees Luxemburg, getuigt hiermede, dat Anna Maria Augusta Reding, van Diekirch, zeven jaren oud, van hare vroegste kinder-
188
jaren af woonachtig bij hare grootmoeder, gedurende verscheiden jaren zeer lijdend was, niet gaan of staan kon en op de armen gedragen moest worden. Thans is er wel beterschap in dien toestand gekomen, maar toch is zij nog zeer lijdend en is haar ruggegraat gekromd.
Aldus getuigt overeenkomstig de waarheid
De pastoor van Berdorf, J. Bies.
li. Aft est rem den Arts.
Ondergeteekende dr. Ernst Graf, prakt, arts te Echternach, getuigt hiermede, dat Anna Maria Augusta Reding, zeven jaren oud, dochter van August Reding, zich sedert zes jaren onder zijne behandeling bevindt. Zij lijdt aan een tuberculeus proces der wervelkolom, die in de lendestreek in etter met daarop volgende verweeking van het beenstelsel overging en een tamelijk ernstige verkromming achterliet met hare secundaire invloeden op gang en houding.
Dr. Graf, arts te Echternach.
Echternach, 31 Aug. 1891.
c. Verhaal ran de yeneziny.
Anna Reding, dochter van August Reding en Marie Gierten, van Diekirch, 7 jaren oud, sinds vijf jaren bij haar grootouders te Berdorf, heeft bij het ter vereering stellen van den H. Rok te Trier wonderdadige hulp gevonden.
Dit kind, een aardig, gezond meisje, werd, nadat het
184
reeds eonigen tjjd alleen lialt;l geloopon. jilorseling in ilen nacht aangegrepen door koorts. De ontboden geneesheer kon niets niet zekerheid omtrent den toestand zeggen. Ook werkten de door hem voorgeschreven medicijnen slechts weinig uit. Spoedig klaagde de kleine over hevige pijnen in den rug, en werkelijk was een been losgeraakt en stak naar buiten Driemaal werd het arme kind wekenlang in een gipsverband gelegd, maar zonder s'evülu'.
o o
eldra voelde zjj ook pijnen in het linkerbeen en werd waargenomen, dat dit steeds meer opzwol. Alle aangewende middelen, om de kwaal weg te nemen, waren vergeefsch. Toen de kleine nu dag noch nacht rust vond, verzocht de familie den dokter, toch eens in het gezwollen been te snijden, en zie, er kwam een massa etter voor den dag. Nog verscheiden malen opende zich de wonde, liet kind leed verschrikkelijk, en toen in haar vijfde jaar de grootvader haar eenmaal troostte door te zeggen, dat zij nu wel gauw gezond zou zijn en met de andere kinderen zou kunnen spelen, antwoordde de kleine lijderes; âIk wil niet gezond worden, ik wil nog graag wat lijden, om bij de engeltjes in den Hemel te komen.quot;
Xadat alle menschelijke hulp vruchteloos was gebleven, deed de familie de gelofte, om zoo mogelijk met de kleine zieke naar (de stad) Luxemburg, naar het beeld van O. L. \ rouw een bedevaart maken. Van het beeld van de I roosteres der Bedrukten wilde de zieke niet meer scheiden voordat zij genezen was. De Moeder Gods beloonde haar vertrouwen in zooverre
185
dat de vrccsclijko pijnen dikwijls achterwege bleven en het kind ook weder op den vlakken grond kon loopen. Een tweede bedevaart werd ondernomen en het kind werd met den dag sterker, maar tot groot leedwezen der familie word opgemerkt, dat het een bult kreeg en bovendien mank ging. Reeds dacht men eraan, voor haar een kruk te laten maken, toen het bekend werd dat de 1L Rok ter vereering werd gesteld. Men droeg de kleine naar Trier en terwijl zij den 9quot; Sept. tot de aanraking van den H. Rok werd toegelaten, begon zij eensklaps hevig te snikken. Later naar de reden daarvan gevraagd, verhaalde hot kind dat een heilige huivering door hare leden gevaren was. Ook zei ze, dat zij niet het hart gebeden had : âMijn lieve Jesus, 1 we II. Moeder heeft mij reeds veel geholpen, help Gij mij nu ook.quot; En de lieve Jesus heeft geholpen.
Het kind bezoekt sedert dien tijd geregeld de school, springt trappen op en af en van haar been is niets meer te bespeuren, liet been in den rug steekt nog eenigszins uit, maar schijnt ook allengs te verdwijnen. Het kind voelt hoegenaamd geen pijnen meer.
Eere, lof en dank aan onzen Heer Jesus Christus en aan Zijne 11. Moeder Maria!
d. Bericht ran den Pastoor.
Berdorf, 13 April 1893.
Doorluchtis-e ! looirwaardm-heid,
O o O 7
Monseigneur,
In antwoord op de gestelde vragen met betrekking
186
tot een van mijn parochianen, die bij de aanraking van den H. Jiok genezing heeft gevonden, heb ik de eer het volgende te melden:
De gezondheidstoestand van Anna Keding, van T)ic-kirch, sinds vele jaren woonachtig bij hare grootmoeder, is sedert de verkregen gezondheid bij de aanraking van den II. Kok bestendig goed gebleven.
Ad. 2. Ook heeft zij geen geneesmiddelen meer gebruikt.
Ad. 5. De buitachtige uitwas is bijna geheel verdwenen. Er is slechts zóó weinig daarvan overgebleven, dat men het op de kleederen niet waarneemt, en zij kan rechtop gaan en springen als elk ander kind.
Ik voeg hierbij het attest van dr. Graf van Echter-nach, waarop ik lang heb moeten wachten en die verkeerdelijk de hom zoo merkwaardig voorkomende genezing doet dagteekenen van het vorige jaar, terwijl hij toch het jaar 1891, dat van het ter vereering stellen van den H. Rok, bedoelt, zooals hij mij mondeling verklaard heeft.
Yan Uwe Doorl. Hoogwaardigheid met alle hoogachting en liefde de zeer dienstwillige dienaar, J. Bies, pastoor van Berdorf (Luxemburg).
c. Geneeskundig attest na de (jenezmj.
Ondergeteekende dr. Ernst Graf, arts te Echternach, getuigt hiermede dat Anna Maria Augusta Reding,
') Dit abuis is iu ccu vorigeu brief gerectificeerd.
187
9 jaren oud, geboortig van Diekirch, zich sedert liaar derde jaar onder mijne behandeling bevindt. Hare ziekte is als eeno osteo ini/eUfis der wervelkolom te beschouwen, en met name ontwikkelde zich liet proces ter hoogte van den tienden wervel. Zij was, evenals dit meestal bij deze ziekte het geval is, zeer verzwakt en zag er uiterst lijdend uit. Drie jaren geleden opende zich het gezwel aan de binnenzijde van het dijbeen, zoodat is aan te nemen, dat het in zijn verloop den musculus pKOds gevolgd is. Sedert ging het steeds in beterschap vooruit, maar zoo geleidelijk en zoo langzaam, zoowel wat gang en houding als wat de mismaaktheid der kleine betreft, dat men in een tijdsruimte van drie maanden tcnauwernood van eenige beterschap kon spreken, totdat plotseling, nadat zij in het vorige jaar van Trier was teruggekeerd, de verschijnselen op zoo merkwaardige wijze en in zoo korten tijd zich verbeterden en verdwenen, dat ik, een twijfelaar in zulke zaken, niet verwachten kon, dat het klinische verloop ooit zoo snel en zoo gunstig had kunnen zijn. Behalve een onbeduidende kromming van den ruggegraat is thans onbelemmerde bewegelijkheid en zeer gunstige prognose aanwezig.
Echternach, 12 April 1893. Dr. Graf.
Æ. Rapport der Commissie.
Bij de onzekerheid van het ziektebeeld kan over den aard van deze genezing geen vertrouwbaar oordeel worden uitgesproken.
188
13. Joliaim May, van Weiier, 1)ij Bingerbrück. ^
(i. I r('i'sl(i(j ran den Paxtoor.
Wei Ier l)ij liingcrbvilck, 20 Jan. 1892.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Ingevolge de circulaire dd. 24 Xov. jl. van l we Doorl. Hoogw. aan de zeereerw. dekenen van het diocees betreffende zulke genezingen van gebreken, die in verband staan niet de vereering van den 11. Kok, heeft de gehoorzaamst ondergeteekende de eer l we Doorl. Hoogw. volgend geval te vermelden:
Den echtelieden Joseph May, spoorwerker, en Katha-rina, gel). Kreuz, uit deze parocliii?, word 27 Juli 1Slt;S7 een zoontje geboren, Johanu geheeten, wiens voeten geheel binnenwaarts waren omgebogen, zoodat liet kind in rechte houding op de enkels rustend en met binnenwaarts gebogen voeten den grond aanraakte. Op aanraden van een geneesheer werd nog in hetzelfde jaar, tegen het midden van September, in de kliniek te 1'onn
') Bij gemis van ecu gciieeskuudi^ attest kou dit geval niet aan liet- oordcol der commissie worden onderworpen. W ij meenden intnsschen liet, toch onder de gunstbewijzen te moeten vermelden. Uit de volkomen vertrouwbare verklaringen van den pastoor, van de ouders en de gehoorde getuigen blijkt namelijk, dat ecne plotselinge, zeer merkwaardige verandering in den gang van het kind werd waargenomen terstond na het begin der novene en het gebruik der banden, welke aan den II. Rok aangestreken waren. Wat ecne operatie niet vermocht uit te werken, werd bereikt door middelen, welke langs natuurlijken weg dit gevolg niet konden hebben.
189
oji het knaapje eene operatie verricht en werd hem een gipsverhand aangelegd, dat ongeveer vijfmaal werd vernieuwd. Deze operatie had het gevolg, dat de voetjes van het kind met de zolen op den grond kwamen te staan, maar nog altijd bleven zij binnenwaarts gekeerd. ITet kind leerde loopen en de voeten gingen daarbij over elkander heen. Vóór ongeveer twee jaren verrichtte dr. Dötsch van Bingerbrück nogmaals eene operatie, waarbij hij de voeten met banden in rechte richting poogde te brengen. Die voor het kind zeer pijnlijke operatie bleef zonder eenig resultaat. Want nadat de banden en de blikken schoenen, die daarover waren aangelegd, verwijderd werden, hernamen de voeten dadelijk hunne binnenwaartsche richting.
Bij het ter vereering stellen van den IL Rok in dat jaar liet de moeder, een bedaarde en brave vrouw, door eene zuster, die bij ue processie was, welke van hier naar Trier vertrok, bandon aan den H. Rok aanstrijken, omwond daarmede de voeten van het kind en begon te gelijker tijd eene novene ter eere van den II. Joseph. Deze godvruchtige oefening was nog niet geëindigd, toen de knaap met rechte, naar voren gekeerde voeten begon te loopen. Zijn gang is alleszins nog zwaar, en somtijds komen ook de voeten bij het loopen in de binnenwaartsche richting, maar op een teeken of een waarschuwing steekt het kind de voeten weder recht uit, zonder eenige pijn, wat hem vroeger niet mogelijk was. Dit is de toedracht van het gebeurde met het kind Johann May, alhier, zooals de echtelieden May het ondergetoekende hebben meegedeeld.
190
Ondergcteekende heeft den heer dr. Dötsch te Bin-gerbrüek verzocht, door een attest den toestand van het kind van vroeger en van thans te constateeren; dit verzoek wees hij echter af met de opmerking, dat de genezing nog niet volkomen was.
b. Verklaringen ran Getuiyen.
Juffrouw Elisabeth Rörig, nicht van pastoor G. Rörig zaliger nagedachtenis, heeft het kind vroeger dikwijls op straat gezien en heeft opgemerkt, dat de voeten van liet kind bij het loopen over elkander binnenwaarts gekeerd zich bewogen. Sedert den herfst zag zij het kind met naar voren gekeerde voeten loopen. De beenen schijnen nog eenigszins krom te zijn. Deze verklaring kan ik, zoo noodig, met een eed bevestigen.
Elisabeth Röiiig.
Weiier, 21 Januari 1892.
De kuiper Joseph Willig, alhier, wonende in do onmiddellijke nabijheid der echtelieden May, heeft het kind Johann van diens eerste kinderjaren af gadegeslagen en gezien, dat de voeten van den kleine geheel naar binnen gekeerd waren en hot bij het loopen den eenen voet over den anderen bewoog. ïïet heeft hem verbaasd dat in den laatsten tjjd de knaap beter loopt; de voeten zijn niet meer zoo sterk naar binnen gekeerd, het kind loopt gemakkelijker. Hij heeft dikwijls gehoord, dat de moeder den knaap, wanneer hij uitging, heeft toegeroepen
191
om recht to loopeii, on dat hot kind dan terstond do voeten recht vooruitstak. Jlij kan overigens getuigen dat hot kind thans gaat zooals het dit vroeger onmogelijk kon.
Joseph Willig.
Weiier, 21 Januari 1892.
De ondergeteokende kan ook zijnerzijds over het kind Johann May getuigen, daar hij reeds dadelijk na liet aanvaarden van de zielezorg in deze parochie het knaapje leerde kennen, omdat hij de destijds zieke grootmoeder dikwijls bezocht. Wat de ouders en de hier bijgebrachte getuigen zeggen, kan do ondergeteekende als waar en juist bekrachtigen. Tot zijn blijde verrassing kwam hot kind in het begin van October met andere kinderen in de pastorie, om een prentje te ontvangen, en hij ging toen met bijna geheel vooruit gerichte voeten, wat hem te voren niet mogelijk was. De gang vau het kind is evenwel nog wat lastig. Een wezenlijke beterschap valt niet te ontkennen, ofschoon de genezing nog niet volkomen is.
Kerk, pastoor.
quot;Weiier, 21 Januari 1892.
c. Tweede bericht ran dm Pasfoor.
Weiier bij Bingerbriick, 11 Maart 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Gevolg gevend aan de uitnoodiging van Uwe Doorl.
192
Hoogw. (ld. 1° Maart in zake de door de vereering van den H. Rok verkregen genezing van den knaap Johann May, alhier, heeft do ondergeteekende de oer do aangegeven punten als volgt te beantwoorden:
lü. T)e toestand van den knaap is sedert het ter vereering stellen van den II. Rok dezelfde gebleven, gelijk die in het verslag van 20 Jan. 1892 is blootgelegd; er heeft zich evenmin oen verergering als eon volkomen beterschap vertoond.
2°. Geneesmiddelen zijn sedert dien tijd niet aangewend. 3°. Een geneeskundig attest zal, ovenals vroeger, wel niet te krijgen zijn.
4°. De knaap loopt met recht vooruitgestoken voeten, wat hem vroeger niet mogelijk was, maar toch zijn de voeten nog niet geheel normaal; zij y.ijn steeds een weinig gebogen.
Allergehoorzaamst en met den meesten eerbied toekent
Pk. Kkkx, pastoor.
14. Barbara Grcvenig, van Welschbillig.
a. G etui ij en is ran den Pastoor.
Welschbillig, 17 Sopt. 1891.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Uwe Doorl. Hoogw. wordt hiermede door eene zieke mijner parochie, Barbara Grovenig, ondordanigst verzocht, haar tot de aanraking van den H. Rok goedgunstigst toe te laten. Aan het voor de zieke ingesloten
O O
193
geneeskundig attest voeg ik toe, dat de âgedeeltelijkequot; verlamming, van welke de districtsarts Margraf spreekt, van do lodematon slechts het gebruik der rechterhand heeft vrijgelaten; dat zij, doofstom cn niet in staat te loopen, in den Dom en de trappen op van den Dom zou moeten gedragen worden.
Van Uwe Doorl. Hoogw.
de onderdanigste dienaar, J. Kirsch, pastoor.
h. Geneeskundig attest.
Dat de 24-jarige Barbara Grevenig, van Welschbillig, sedert 4 jaren aan hysterische krampen lijdt en ton gevolge van dit zenuwlijden gedeeltelijk verlamd is, wordt hier plichtmatig getuigd.
Dr. Margraf, districtsarts.
Bitburg, 12 Sept. 1891.
c. Protocol over de jenezinj.
Heden, 24 Sept. 1891, verscheen bij mij Barbara Grevenig, van Welschbillig, die het volgende verklaarde :
Ten gevolge van mijne ziekte had ik spraak en gehoor sedert 11 Oct. 1888 verloren. Ik kreeg plotseling een hevigen schrik; van dat oogenbiik af kon ik niet meer spreken, noch hooren.
Xadat ik eene novene ter eere van O. L. Vrouw had gehouden, werd ik in den Dom gedragen. Bij het aanraken van den H. Rok dacht ik: âHeer, indien Gij
13
194
wilt, kunt Gij m|j gezond maken.quot; Ik was plotseling geheel verlicht en voelde dat ik spreken kon; ook hoorde ik terstond het zingen en bidden van de pelgrims. ilijn rechterarm, die gedeeltelijk verlamd was, kan ik nu ook bewegen.
Dit alles kan ik, Mkolaus Grevenig, vader der zieke, met een eed bekrachtigen, in zoover het mij betreft.
Nicoiaus Grevenig.
De zieke lag in een mand; de voeten zijn lam. Die kwaal werd tot nu toe niet weggenomen.
f M. Felix.
d. Bericht van dm Pastoor.
Barbara Grevenig, van Welschbillig, koestert hot verlangen, andermaal tot de aanraking van den II. Kok te worden toegelaten. Spraak en gehoor heeft zij teruggekregen en ook is in hare vroeger lamme ledematen weder zooveel leven gekomen, dat zij alle vertrouwen heeft, geheel genezen te worden.
J. Kirsch, pastoor.
Welschbillig, 29 Sept. 1891.
g. Verslag der Genezene.
Tot mijn 218tu levensjaar heb ik geen ernstige ziekte gehad. In den herfst van het jaar 1887 kreeg ik, ten quot;â¢evolge van een verkoudheid en een schrik, eene nu
o o
reeds vier jaren durende ziekte. Deze werd allengs erger en van 14 Februari 1888 af werden voortdurend
195
medicijnen aangewend, maar steeds tevergeefs, en van toon af vertoonden zich krampen. Ten gevolge van dit zenuwlijden waren verscheiden ledematen lam, en van 11 Oct. van hetzelfde jaar af waren spraak en gehoor geheel weg. Van tijd tot tijd was ik gezwollen van het water. Door het gebruik van geneesmiddelen kwam er water uit alle ledematen, waarna Je zwelling ophield. Maar dat was altijd slechts van korten duur. Gedurende deze ziekte werd ik tweemaal voorzien van do laatste II1I. Sacramenten. In dien toestand, overgegeven aan den wil Gods, zonder spraak en gehoor, met verlamde ledematen, verkeerde ik roods drie jaren, en het bod kon ik in het geheel niet verlaten. Toen nu de genaden-rijke tjjd van het ter vereering stollen van den II. Rok was aangebroken, word dat mij door mijn ouders en broeders en zustors verteld eu ik koesterde hot verlangen, erheen te gaan. Maai1 ter aanraking van het H. Kleed moest men oen attest van den arts en van den biechtvader hebben. Dat attest wilde de arts mij volstrekt niet geven, omdat ik veel te zwak was en niot meer naar Trier kon getransporteerd worden. Want gedurende deze lange ziekte kon ik geen versterkende
') Dit vertellen bestond hierin, dat //ineu haar op een lei, welke de zieke altijd op haar bed had, de bewuste mededeelingeu deed. Die lei deed oveneens dienst bij het spreken van hare biecht, totdat ook de beide vingers der reelitcrliand, de duim eu de wijsvinger, die tot dan toe niet lam waren, verlamd werden. Ik moest eveuzoo van de lei gebruik maken, om haar eenigen troost te verstrekken eu de penitentie op te leggen.quot; (Brief van deu heer pastoor Kirsch van Welsohbillig van 23 April 1S94).
196
middelen gebruiken. Evenwel liet ik mij niet van mijn plan brengen ; ik had het vaste besluit genomen, tot liet H. Kleed te gaan, al moest ik onderweg ook sterven. Op herhaald verzoek gaf mij de arts toch eindelijk het verlangde attest, en beide getuigschriften werden aan Zijne Doorl. Hoogwaardigheid den bisschop gezonden. Door onzen heer pastoor werden wij voor Donderdag, den 24quot; Sept., 's morgens te 5 uren besteld. Thans was de vurig verbeide dag gekomen, waartoe ik mij lang had voorbereid door verscheiden novenen ter eere van O. L. Vrouw en het Allerheiligste Hart van Jesus, biechten en Communiën, met do bede, dat de goede God mij de gezondheid mocht schenken, bijaldien het strekte tot mijn zieleheil: âHeer, zoo Gij wilt, kunt Gij mij genezen.quot; â Den 24quot; Sept., 's morgens in alle vroegte, kwart over tweeën, aanvaardden wij in onzen met ossen bespannen wagen de moeilijke en toch zoo blijde reis naar Trier, naar het II. Kleed.
Reeds te 6 uren waren wij op het plein vóór het bisschoppelijk paleis en wij kregen terstond een toelatingskaart. In een ziekenmand der barmhartige Zusters te Trier werd ik tot vóór het H. Kleed gedragen. Z. Doorl. Iloogw. was niet meer aanw ezig. Op hetzelfde oogenblik, dat ik het H. Kleed aanraakte, werd hot mij zoo licht en klaar voor de oogen.... hoe, kan ik niemand zeggen -â; ik hoorde eensklaps het zingen en bidden van de pelgrims en wist zelf niet dat ik ook kon spreken, totdat ik dadelijk bij het afdalen van de trap tot mijn vader zei: âVader, laat ons nog wat bidden.quot; Dit was het eerste, wat ik in bijna drie jaren hoorde
197
en spreken kon. Gehoor en spraak waren volkomen teruggekeerd, en ook zag ik later, dat de drie vingers der rechterhand, reeds drie jaren lam, geopend waren. Welk een bovenmatige vreugde voor ons allen! \Vij begaven ons naar de St. Laurentiuskerk, om den goeden God voor deze groote weldaad te danken. Later gaf Z. D. H. de bisschop zelf mij weder een toelatingskaart voor denzelfden avond. Xa de aanraking van den H. Hok kon ik de beenen en den linkerarm, die meer dan drie jaren verlamd waren en krom getrokken waren, bewegen. Van dezelfde stonde af waren de anders veelvuldig voorkomende pijnen verdwenen, en van dag tot dag ging het beter mot alle ledematen. Den 29quot; Sept. reden wij opnieuw naar Trier, naar het H. Kleed. W egens de groote menigte zieken, welke reeds hun toegangskaarten hadden, moesten wij wachten tot den volgenden morgen, en ik kreeg weder een kaart, om tot de aanraking van het H. Kleed te worden toegelaten. Reeds sinds een maand kan ik dagelijks 5 a G uren het bed verlaten en in de kamer rondloopen. Sinds den 13quot; Sept., elf dagen vóór de aanraking van het II. Kleed, en daarna werden geen geneesmiddelen meer aangewend. Ik voel mij thans zeer gezond, alleen ontbreken nog de noodige krachten. De linkerhand is nog een weinig lam. Ook dat echter zal met Gods hulp spoedig beter worden.
Barbara Grevenig.
W'elschbillig, 9 Jan. 1892.
o '
198
Æ. Tweede vevslwj van den Fustoor.
Welschbillig, 11 Jan. 1892.
Verslag van de genezing van Barbara Grevenig, van Welschbillig, bij de aanraking van den li. Rok op 24 September 1891.
Barbara Grevenig, 24 jaren oud, is -üer jaren ziek geweest. Den 24quot; Sept., 's morgens en 's avonds, en vervolgens nog eens op den 24quot; Sept., werd zij toegelaten tot de aanraking van den H. Kok.
Haar dokter, ilargraf, van Bitburg, heeft slechts met tegenzin een attest opgesteld en het verlof voor de reis naar Trier gegeven, wijl zij te zwak was en de vermoeienissen der reis niet zou kunnen doorstaan. In zijn attest heeft hij gezegd, dat de zieke âten gevolge van hysterie gedeeltelijk verlamdquot; was. Bij deze âgedeeltelijke verlammingquot; had ik reeds indertijd in het verzoek om eene toelatingskaart voor de zieke aan-geteekend, dat de zieke van alle ledematen niet meer dan twee of drie vingers der rechterhand en dan nog zeer moeilijk bewegen kon, en dat zij bovendien de spraak en het gehoor totaal verloren had.
Daar ik de volkomen hulpeloosheid der zieke, de armoede der familie, hare braafheid en het groote vertrouwen der zieke kende, verwachtte ik, dat zij een bijzondere gunst zou worden waardig gekeurd, welke meening ik meermalen tegenover mijn confraters vóór den 24quot; September heb geuit.
Do zieke kroeg plotseling bij haar eerste aanraking van den H. Rok spraak en gehoor terug, gelijk zij in haar verslag zoo eenvoudig en aangrijpend verhaalt.
199
Zij heeft sedert het volkomen gebruik van de spraak en het gehoor gekregen. Bij hare aanraking op den avond van denzelfdcn dag voelde zij leven en beweging in hare ledematen, maar stond niet op. Zonder eenig geneesmiddel behalve liet gebed en het vertrouwen, is de zieke sedert dien dag bij de armzalige verpleging, welke hare moeder haar geven kan, tot nu toe zoo ver vooruit gekomen, dat zij dagelijks 5 a 6 uren opstaan en zich in hare kamer bewegen kan.
Het laatste geneesmiddel had de zieke acht dagen vóór den 24quot; Sept. gekregen, doch zij had er maar heel weinig van gebruikt.
De verklaringen van Barbara Grevenig verdienen allo geloof en kunnen door zeer veel getuigen met een eed worden bevestigd.
Ik en mijn geloovig volk zien in de genezing van Barbara Grevenig eon bijzonder gunstbewijs van God, zelfs al is de ziekte hysterie geweest.
Met alle hoogachting,
.1, Kiksch, pastoor.
Aan den zeereerw. heer deken M. Meiers, te Ehrang.
(j. Derde bericht van den Pastoor.
Welschbillig, 16 Maart 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Ik heb de eer Uwe Doorl. Hoogw. op het mij onder datum van 1° Maart dezes jaars gedane verzoek in
200
verband met den gezondheidstoestand van Barbara Grovenig, van Welschbillig, welke den 24quot; Sept. 1891 ter gelegenheid van de aanraking van H. Rok in den Dom te Trier genezen werd, het volgende te berichten: 1°. De gezondheidstoestand van Barbara Grevenig is sedert dien tijd voortdurend beter geworden, en wel zóó, dat zij in den geheelen laatsten winter, uitgezonderd gedurende de zeer koude weken, geregeld de godsdienstoefeningen heeft kunnen bijwonen. De verlamming van haar ledematen, welke zich over alle uitwendige organen van het lichaam, met inbegrip van tong en oor, had uitgebreid, is tot de linkerhand beperkt geworden en gebleven, hoewel ook hierin leven en beweging eeniger-mate is teruggekeerd. Een terugkeer van de oude kwaal heeft niet plaats gehad.
2°. Barbara Grevenig heeft sedert hare aanraking van den H. Kok, gelijk reeds vroeger, nadat het ter vereering stellen van den H. Rok was bekend gemaakt, geen geneeskundige hulp ingeroepen en geenerlei geneesmiddel gebruikt.
Van Uwe Doorl. Hoogw. de gehoorzaamste dienaar, J. Kirsch, pastoor.
h. Rapport der Commissie.
Daar volgens de opvatting der zaakkundigen hot lijden van Barbara Grevenig hysterisch was, onthoudt zich de commissie ervan een oordeel over dit geval uit te spreken.
201
15. Apollonia Francisca Allendorf, van Wicker bij Flörsheim, diocees Limburg.
a. Getrdgenis van den Faatoor.
Wicker bij Flörsheim (diocees Limburg), 20 Sept. 1891.
De ongehuwde Apollonia Allendorf, alhier woonachtig, een kind van brave, christelijke ouders, 42 jaren, is sinds een lange reeks van jaren door ziekten bezocht, niet name in de laatste jaren door een smartelijke onderbuiksziekte, welke haar aan hot bed kluisterde. Ook het licht van haar oogen, van hare jeugd af zwak, is zoozeer afgenomen, dat een volkomen verlies van haar gezicht te vreezen is. De godvruchtige zieke, die, zoolang zij kon, dagelijks do H. Mis bijwoonde, en zeer ijverig de HH. Sacramenten ontving, heeft steeds haar lijden met geduld en overgeving aan Gods II. Wil gedragen, met volhardende onderwerping en vertrouwen om eenige beterschap smeekend. Sedert liet ter vereering stellen van den 11. Rok te Trier had zij een vurig verlangen, dien te mogen zien en vereeren, en zij koestert een kinderlijk vertrouwen, dat zij, tot de aanraking ervan toegelaten, van den goddelijken Heiland de afgesmeekte hulp zou verkrijgen.
De reis naar Trier is voor haar wel zeer bezwaarlijk, maar zij wil gaarne ook dit offer aan God brengen. Buitendien dringt haar tot deze opofferende reis de omstandigheid dat zij door haar lijden steeds vreemde hulp behoeft, als ongehuwde zich aan de handen der
202
gcneesheeren moet overgeven en door dat alles haar vermogen nagenoeg is uitgeput.
De zieke is voornemens, eerstdaags in het gezelschap van twee zusters naar Trier te reizen, en ik neem de vrijheid in haren naam de ootmoedigste bede te doen, haar tot de aanraking van den H. Rok goedgunstig te willen toelaten. Pastoor Orth, deken.
b. Geneeskundig attest.
Hochheim, 19 Sept. 1891.
De ongehuwde 42-jarige Francisea Allendorf te Wicker lijdt aan eene achterwaartsche buiging van de baarmoeder (retroflectio uteri), die in den laatsten tijd wel iets beter is geworden, doch neiging tot terugvallen toont. Sinds jaren heeft zij herhaaldelijk aan ontstekingen der onder-hjfsorganen geleden, welke hare krachten zeer deden afnemen en herhaaldelijk zenuwtoestanden van sonsitie-ven en motorischen aard hebben teweeggebracht, welke naar mijne opvatting als hysterische moeten gekarakteriseerd worden.
De haar behandelende arts dr. Jantiics.
c. Verslag van den Pastoor or er de fjenezing.
Wicker (bij Flörsheim a/d Main), 18 Xov. 1892. Wonderbare genezing der jongedochter Francisca Apollonia Allendorf van Wicker (diocees Limburg).
ik neem de vrijheid aan het hoogw bisschoppelijk ordinariaat het volgende mee te deelen;
203
Aan de jongedochtor Apollonia Allendorf, alhier, die verscheiden jaren door een smartelijk onderbuikslijden was bezocht, ten gevolge waarvan zij den meesten tijd te bed moest doorbrengen en slechts zeer zelden met de uiterste krachtsinspanning ter kerk kon gaan, of liever: geleid worden, doch daar niet knielen, alleen zitten kon, heb ik in September van het vorige jaar een attest verstrekt, waarin aan het hoogw. bisschoppelijk ordinariaat het verzoek werd gericht, deze zieke tot de aanraking van den H. Rok te willen toelaten. Een geneeskundig attest was daarbij gevoegd.
De zieke verkeerde bij hare afreis naar Trier in een zoo ellendigen toestand, dat ik vreesde, dat zij haar doel niet bereiken zou. Te Trier aangekomen, werd zij spoedig te bod gebracht. Den volgenden dag, 25 Sept., 's morgens te 6 uur, werd zij door bloedverwanten met veel moeite naar den Dom gebracht en tot de aanraking van den H. Rok toegelaten. Haar vast geloof en haar onschokbaar vertrouwen bleven niet onbeloond. Na een vurig gebed en de aanraking van den H. Rok kon de te voren met moeite geleide alleen en zonder pijn de trap van het priesterkoor afdalen en de kerk verlaten. Xog dienzelfden ochtend was zij in staat met haar familieleden vrij en gemakkelijk zich door de stad te bewegen en alle kerken te bezoeken, om den Heer in een innig gebed haren dank te betuigen.
Evenals dat te Trier het geval was geweest, wekte zij, hier teruggekeerd, door haar vrij en pijnloos loopen en haar opgeruimd gelaat de verbazing van allen, die haar zagen en haar vroegeren ellendigen toestand kenden.
204
Ik ben met de genezene, haar bloedverwanten en alle waarachtig geloovigen derhalve de vaste overtuiging toegedaan, dat zij haar snelle en wonderbare genezing dankt aan de genade van den Heiland, die haar vast geloof beloonde.
Ook de arts was verbaasd en verklaarde na een meermalen ingesteld onderzoek, dat er iets in haar toestand verbeterd en iets anders daaruit verdwenen was, doch gaf tevens zijne vrees te kennen, dat de vroegere toestand zou terugkeeren. Dat is echter niet geschied, want de genezene verheugt zich van den 25quot; Sept. van het vorige jaar tot op den huldigen dag in haar volkomen genezing, zonder ook slechts eenmaal geneeskundige hulp te hebben ingeroepen, en verricht weder arbeid, dien zij sinds vele jaren niet verrichten kon, met gemak, waardoor zij mede aller bewondering wekt.
Ik zou gaarne over dit geval reeds vroeger een verslag hebben ingezonden, maar wilde liever in het belang der goede zaak nog geruimen tijd toezien en hoopte tevens eindelijk een geneeskundig attest te verkrijgen. Dit laatste, 't welk hierbij gaat, werd mij gisteren overhandigd.
Okth, deken.
d. Attest van den yeneesheer na de ijenezing.
Juffrouw Francisca Allendorf te W icker leed sinds jaren aan een onderbuikslijden (reflectio uteri) met hvsterie en een hoogst ernstig zenuwlijden (neurasthenie), ten gevolge waarzij zij meestal bedlegerig was en zich
205
niet in staat gevoelde uit te gaan en te arbeiden. Sedert liet begin van October 1891 gevoelt zij zich krachtiger, is in staat groote afstanden af te leggen en verricht haren huiselijken arbeid evenals ecne gezonde. Het op 9 October 1891 ingestelde onderzoek bracht geen anatomische verandering aan hot licht; de reflectio uteri bestond evenals vroeger. De physiologische gesteldheid was echter veranderd.
Op verzoek getuigt dit
dr. Jantiius, arts.
c. Bericht der Genczme.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
In antwoord op het schrijven van Uwe Doorl. Hoogw. van 1 Maart jl. veroorloof ik mij hiermede de eerbie-digste mededeeling, dat de gezondheidstoestand van mijn parochiaan Apollonia Francisca Allendorf, gelijk bijgaande eigen verklaring van haar getuigt, sedert de door haar bij den ter vereering gestelden II. Rok verkregen gezondheid, dezelfde is gebleven, de vroegere kwaal zich niet meer heeft vertoond en dat ook geen verdere geneesmiddelen zijn aangewend geworden.
Van Uwe Doorl. Hoogw. de onderdanigste dienaar, Okth, pastoor.
Wicker, 12 Maart 1893.
206
Wicker, 12 Maart 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Met betrekking tot de vragen, welke Uwe Doorl. Hoogwaardigheid aan onzen zeer-eerw. lieer deken richtte, kan ik Uwe Doorl. Hoogw. tot mijn groote vreugde berichten dat, sedert ik het geluk had den H. Rok aan te raken, zich niets meer van mijn vroeger lijden heeft vertoond; dat ik, sedert ik de gunst genoot, den H. Rok aan te raken, ik noch een geneesheer heb gebruikt noch eenig geneesmiddel heb aangewend, zonder welke ik vroeger in liet geheel niet bestaan kon.
Na naast God aan Uwe Doorl. Hoogw. voor het tor vereering stellen van den H. Rok, waardoor ik van mijn zwaar, treurig lijden werd bevrijd, mijn diepgevoel-den dank te hebben gebracht, teekent in allen ootmoed Uwe onderdanigste dienares, Apoli.oxia Francisca Alleudorf.
Æ. Rapport der Commissie.
De geneesheeren der Commissie beschouwen de plotselinge en duurzame genezing van het zenuwlijden en van de daarmede verbonden verlammingsverschijnselen wel als hoogst merkwaardig, doch wagen het niet, ze op natuurlijke wijze uitgesloten te achten, wijl het lijden van een hysterischen aard schijnt te zijn.
Eva Maasseu, van Haaien bij Aken.
a. GetuigscJmff ran den Pastoor.
De gehuwde vrouw Eva Maassen, mij als parochiaan persoonlijk lang bekend, kan als brave vrouw en goede Katholieke ten zeerste worden aanbevolen.
Jos. Lörper, pastoor. Ilaarcn bij Aken, 31 Aug. 1891.
h. Geneeskundig attest.
Haaren, 1 Sept. 1891.
Hiermede wordt geconstateerd, dat vrouw Paul Maassen, 36 jaren oud, van Haaren, lijdt aan een zenuwaandoening â krampen van epileptischen aard â , welke sinds aclit jaren elke maand meermalen terugkeeren.
Dr. IIeuter.
c. Bericht over de ziekte en de genezing.
Haaren bij Aken, 22 Sept. 1892. Aan het geachte vicariaat-generaal te Trier,
in handen van Z. D. H. den bisschop Korum.
Ondergeteekende neemt de vrijheid, het geachte vicariaat-generaal te Trier hiermede bekend te maken de wonderbare genezing van mijne lieve vrouw, welke den 6quot; Sept. 1891, 's avonds tusschen 9 en 10 uur, door aanraking van den H. Rok van onzen goddelij ken Heiland heeft plaats gehad.
If..
208
Mijne lieve vrouw leed, zooals getuigen, ik-zelf en mijn grootste kinderen kunnen verklaren, aan vallende ziekte. De kwaal vertoonde zicli eens of tweemaal eiken dag. Was mijn vrouw echter opgewonden, maakte zij zich driftig of overspande zij zich bij den arbeid, in de zaak of in het huisgezin, dan waren de aanvallen veelvuldiger. Toen ik met mijne vrouw den 6quot; Sept., 's avonds tusschen 9 en 10 uur, met hot katholieke âburger-casinoquot; van Haaren in den Dom te Trier kwam en mijne lieve vrouw door den 11. Rok w as aangeraakt, had ik terstond het vertrouwen, dat de wonderdadige genezing had plaats gehad. Haar gezicht was buitengewoon bleek. Zij sidderde krampachtig en zonk in onmacht op haar knieën op den grond. Ik on oen vriend, Jos. Lannitz, van Linden, die ons in de onmiddellijke nabijheid bevonden, namen haar op en droegen haar de steenen trap af, zetten haar achteraan in de kerk op eon stoel, totdat wij ons tegen tien uur of kwartier over tienen naar buiten begaven, om ons logement op te zoeken. Dit is de ware toedracht der zaak. Ik vraag vergeving, dat ik niet vroeger deze mededoeling heb gedaan, daar ik wilde afwachten of de genezing voortduurde, welke ik met hot volste geloof en de innigste overtuiging op den 6quot; Sopt. als verkregen beschouw de.
Ik verzoek thans, met mij den goeden God van ganscher harte te danken voor het groote geluk en de genade, welke de Allerhoogste mijn lieve vrouw ten deel liet worden.
Aan Z. D. H. den bisschop dr. Korum!
Xaast den goeden God dank ik Ijwe Doorl. Hoogw.,
209
zoomede het hoogeerw. domkapittel en alle geestelijke heeren, die ertoe hebben medegewerkt, dat het H. Kleed van Onzen Heer en Heiland ter vereerina: is sresteld
O O
geworden. Moge nog verder den Katholieken de gunst te beurt vallen, deze heilige Reliquie, het heilige Kleed Onzes Heeren, te kunnen vereeren.
Van Uwe Doorl. Hoogw. de onderdanigste dienaar, Paul Maassek.
Scheidsman te Haaren bij Aken, Hauptstr. 96.
d. Bericht van den den Pasfoor.
Haaren bij Aken, 28 Oct. 1892. ZeerEerw. heer Confrater!
In antwoord op uw schrijven van 26 dezer betreffende de vrouw van den hier woonachtigen scheidsman Paul Maassen deel ik u het volgende mede:
1°. Juffrouw Paul Maassen, geboren Eva Maria Huberta Keiler, oud 87 jaren, werd den 6quot; Sept., 's avonds tussciien 9 en 10 uur, op grond van een geneeskundig attest en van een door mij afgegeven parochiaal getuigschrift, door Z. D. H. den bisschop met het H. Kleed aangeraakt.
2°. De heer Maassen zei mij, dat hij de toedracht in zijn brief van 22 Sept. jl. heeft geschetst. Ik kan dit derhalve laten blijven. Daarna volgde de genezing plotseling. De heer Maassen zei mij heden, dat hij van den aanvang af het vertrouwen had gekoesterd, dat zijne vrouw genezen was.
3°. Noch kort vóór noch kort na de aanraking zijn
U
210
natuurlijke geneesmiddelen aangewend. De vrouw heeft overigens na haar genezing den geneesheer voor deze ziekte niet meer noodig gehad on hem slechts éénmaal geraadpleegd wegens rheumatisme in den hals. Vóór de genezing had de vrouw dikwijls epileptische toevallen tengevolge van vermoeienis, schrik of ontstemdheid. Dit kan worden geconstateerd niet slechts door de familie Maassen, maar ook door andere geloofwaardige getuigen.
4quot;. Wat Maassen en zijn vrouw betreft, dezer verklaringen zijn volkomen geloofwaardig. A oor den eerste spreekt ook de omstandigheid, dat hij tot scheidsman gekozen is en dat ambt reeds sinds jaren bekleedt. Paul Maassen en zijne vrouw zijn bereid, op verlangen van Z. D. H. den bisschop hun verklaringen met een eed te bevestigen.
Ingesloten een geneeskundig attest over den tegen-woordigen toestand van juffrouw Maassen.
Mot de meeste achting,
Jos. Löiiper, pastoor.
e. Geneeslcnndiy attest.
Haaren, 11 Oct. 1892.
Op verlangen van den heer pastoor Lörper stel ik over âde tegenwoordige bevinding en den toestand van juffrouw P. Maassen van Haaren dit bericht op. Doel ervan is, den tegenwoordigen toestand met don vroegeren te vergelijken en eene ingetreden beterschap te constateeren. Juffrouw Maassen heeft vroeger geleden aan krampen van epileptischen aard, welke sinds een jaar niet meer werden waargenomen.
211
])e duurzame genezing van dergelijke nu en dan voorkomende stoornissen in de werking der zenuwen kan door een lichamelijk onderzoek niet worden aangetoond. Daarentegen kan ik getuigen, dat juffrouw Maassen dikwijls, in het laatste jaar echter niet, onder mijne behandeling geweest is. Dr. Reuter.
Æ. Tweede herichf van den Pastoor.
Haaren bij Aken, 9 Maart 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Op de aanvrage van Uwe Doorl. Hoogw. van 1° Maart jl. aangaande den tegeuwoordigen gezondheidstoestand van juffrouw Paul Maassen, neemt de onderdanigst onder-geteekende de vrijheid hot volgende te antwoorden:
Op bovengenoemden datum heeft do ondergeteekende een onderhoud gehad met Paul Maassen en zijne vrouw. Dienovereenkomstig staat vast, dat de gezondheidstoestand sedert de door den ter vereering gestelden Rok verkregen gezondheid steeds dezelfde is gebleven, en dat de vroegere kwaal, de epileptische toevallen, tot den huidigen dag zich niet weder heeft vertoond. Ook heeft juffrouw Maassen na de door de vereering van den H. Rok gevolgde genezing geen geneesmiddel voor de genezing van haar vroeger lijden gebruikt, wijl zij zich steeds bewust was van haar volkomen herstel. De referent getuigt, dat juffrouw Maassen er frisch en gezond uitziet en haar gelaat hoegenaamd niet de eigenaardige uitdrukking heeft, welke van deze ziekte dikwijls het gevolg is.
212
Met den wensch, dat de bekendmaking van deze genezing ter eere Gods strekke en tot versterking van hot christelijk vertrouwen moge bijdragen (en dat de groote werken Gods U, Doorl. Hoogw., rijke vergoeding en troost mogen schenken voor de moeilijkheden van uwe waardigheid en uwe werkzaamheid), teekent
Van Uwe Doorl. Hoogw. de onderdanigste dienaar, Jos. Lörpek, pastoor.
(j. Rapport der Commissie.
De ⢠zaakkundigen erkennen, dat de genezing in verband met de bedevaart naar Trier hoogst opmerkelijk is, daar er tegen dergelijke ziekten schier geen afdoende geneesmiddelen bestaan. Wijl echter niet voldoende is geconstateerd, of het lijden van hysterischen of van epileptischen oorsprong was, wagen zij het niet, eene genezing langs natuurlijken weg uit te sluiten.
17. Elisabeth Feiten, van Waldbredimus (Luxemburg).
n. Getuigschrift nan den Pastoor.
Waldbredimus, (i Sept. 1891. Aan het hoogw. bisschoppelijk vicariaat-generaal, te Trier.
Eene persoon van mijne parochie, 22 jaren oud, die sedert vijf jaren ziek is en, ofschoon door verscheiden artsen behandeld, niet genezen kon worden, verzoekt
213
hiermede nederigst om de gunst, aanstaanden Zondag den H. Kok te mogen aanraken.
Ingesloten liet geneeskundig attest.
Met den diepsten eerbied,
Uw onderdanigste, E. Sciilesser, pastoor.
h. Geneeskundig attest.
Ondergeteekende getuigt hiermede, dat Elisabeth Feiten van Waldbredimus (Luxemburg) aan hysterische brakingen lijdt en tot nu toe langs geneeskundigen weg niet geheel genezen kon worden.
Ur. Grechen.
Luxemburg, 4 September 1891.
c. Bericht ran den Pastoor.
Aan het hoogw. bisschoppelijk ordinariaat te Trier.
Op verlangen van de in dezen brief genoemde persoon mijner parochie, verklaar ik hiermede, dat zij sedert de aanraking van den TL Rok volkomen genezen is. Over haren toestand werd indertijd een attest van dr. Grechen van Luxemburg ingezonden.
Hoogachtend,
Van het hoogw. bisschoppelijk ordinariaat -de dienstw. dienaar,
R. Schlesser, pastoor.
Waldbredimus (Luxemburg), 3 Oct. 1892.
214
d. Geneeskundig nftcst na de genezing. Op verlangen van het bisschoppelijk ordinariaat te Trier getuig ik ondergeteekende, Victor Weber, arts te Rcmich, beden aan Elisabetli Feiten van quot;Waldbrc-dimus hiermede het volgende :
Vroeger (vóór Sopt. 1891) heeft zij in ernstige mate aan hysterie geleden, welker voornaamste en lastigste verschijnsel was een voortdurend braken. Alle gebruikte vaste en vloeibare spijzen braakte zij, vooral in den laatsten tijd, geregeld en terstond na de nuttiging weder uit. Tegen deze ziekte (hysterie met voortdurende brakingen) werd zij door mij en ook door andere artsen geruimen tijd op verschillende wijzen behandeld, en ik kan zeggen: met zeer gering en ook niet blijvend resultaat.
Sedert September 1891 heeft het braken plotseling opgehouden en is naar mijn beste weten, voor zoover ik van geloofwaardige personen, die het kunnen weten, vernomen heb, geen enkele maal teruggekeerd.
Wat den tegenwoordigen gezondheidstoestand van Elisabeth Feiten aangaat, kan ik getuigen, dat eene zekere uit hvsterie voortkomende zenuwachtige prikkelbaarheid steeds aanwezig is, maar het braken heeft opgehouden; dat andere verschijnselen, krampen of verlamming, of eenige andere ziekelijke toestand der periphere zenuworganen niet bestaan; dat longen, hart, lever en spijsverteringsorganen normaal werken en Elisabeth in het algemeen een toonbeeld van bloeiende gezondheid is. Ik schat haar lichamelijk gewicht op 130 pond.
Remich, 27 Maart 1893. Dr. Vikt. Weber.
215
e. Verslag der yenezene.
Waldbredimus, 27 Maart 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Ik lieli do eer, op uw geacht schrijven van 1 Maart jl., dat onze heer pastoor mij heeft medegedeeld, het vólgende te antwoorden:
In het jaar 1889, in Mei, werd bij mij het braken, waaraan ik reeds langen tijd vroeger met tusschenpoozen geleden had, plotseling veel erger. Ik moest geneeskundige hulp inroepen, want ik kon spijs noch drank meer inhouden, had geen eetlust meer, voelde hevige pijnen in het onderlijf, drukkingen op de borst, hevigen blocdaandrang naar het hoofd, en mijn handen en voeten waren altijd koud. Toen ik nu ook de medicijnen uitbraakte, moest ik op last van den dokter in het gasthuis te Luxemburg worden opgenomen. Daar was ik gedurende tien dagen onder de behandeling van den dokter, waarna voor korten tijd eenige beterschap intrad. In den herfst werd het weer erger; ik kreeg nu zenuwkrampen, zoodat ik het bed moest houden, liet braken keerde terug en voortdurend moest ik medicijnen innemen. In 1890 kreeg ik weder zenuwkrampen en moest andermaal vijf dagen in het gasthuis te Luxemburg blijven. Daarna gevoelde ik mij veel beter, zoodat ik wat kon arbeiden; maar ik moest voortgaan met medicijnen te gebruiken en voelde mij steeds zwakker. Dit hield korten tijd aan. Opnieuw vertoonden zicli de brakingen, zenuwachtige beklemmingen bij het adem-
216
halen cn groote zwakte, die weder twaalf weken duurde. Zoo was en bleef mijn smartelijke toestand tot 1891. In Februari begon een hevig en bestendig oprispen, dat zeventien weken aanhield, mij ten slotte aan het bed kluisterde cn mij veel grooter pijnen veroorzaakte dan het braken. Van nu af verdween voor mij alle hoop; het braken werd heviger cn de pijnen namen steeds toe, zoodat ik geen geneesmiddelen meer aanwendde, daar niets meer hielp. Ik onderging thans echter voortdurend de waterkuur, totdat de H. Rok ter vcreering werd gesteld. Door de waterkuur kreeg ik wat meer eetlust. Maar mijn lijden en het braken verminderden niets en steeds voelde ik mij zwakker. Dit hield aan tot het oogenblik dat ik den H. Rok aanraakte. W at was mijn hart van vreugde vervuld, toen ik. Doorluchtige Hoogwaardigheid, de tijding ont-ving, dat ik tot de aanraking van het H. Gewaad zou worden toegelaten! Met vast vertrouwen, gesterkt door het meermalen ontvangen van de HU. Sacramenten, begaf ik mij in gezelschap van mijne zuster op reis. Te Trier duurde het braken voort; 's nachts werd ik zeer onwel, totdat ik Maandag-morgen, den 14quot; Sept. 1891, ter aanraking van den H. Rok werd toegelaten. Onder tranen en met een vast vertrouwen naderde ik het H. Kleed en onder do aanraking van het H. Gewaad voelde ik eene zoo groote blijdschap des harten en doordrong eensklaps mijn leden een zoo natuurlijke warmte als ik nooit te voren gevoeld had. Wij verrichtten onze dankzegging bij het H. Kleed, en van dat oogenblik af gevoelde ik zelfs geen neiging tot braken meer,
217
terwijl ook de andere kwalen zijn verdwenen. Acht weken daarna voelde ik mij zoo sterk, dat ik reeds onder vreemde menschen ging arbeiden, wat ik thans nóg doe. Tan het oogenblik (der aanraking) af had ik goeden eetlust; ik voelde dat ik steeds krachtiger werd, en tot nu toe heb ik geen geneesmiddelen aangewend.
Met de meeste hoogachting blijf ik
Van Uwe Doorl. Hoogw. de onderdanigste dienares, Elisabeth Felten.
Æ. Rapport der Commissie.
Daar het lijden van hysterischen aard was, onthoudt zich de commissie van een oordeel over deze genezing.
18. Stephanie Fleig, van Trennenbronn (Baden).
a. Bericht ran den Pastoor.
Eerbiedigst bericht van Joseph Gremmelspacher, pastoor van het katholieke Trennenbronn, aangaande de plotselinge genezing van een zieke persoon te Trier.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Uwe Doorl. Hoogw. wordt in aansluiting een bericht over de plotselinge genezing van een zieke persoon door do aanraking van den H. Rok, met een geneeskundig attest, eerbiedigst toegezonden.
Met den diepsten eerbied,
Jos. Gremmelspacher, pastoor.
Kath. Trennenbronn, 30 Jsov. 1891.
218
De jongedochter Stephanie Fleig, van Trennenbronn, diocees Freiburg (Baden), 22 jaren oud, kon 32 weken lang het bed niet verlaten. Haar zenuwgestel was dermate geschokt, dat dagelijks driemaal hevige stuiptrekking en verwringing der ledematen met urenlange1 bewusteloosheid en totale gevoelloosheid voorkwamen. Alle geneesmiddelen werkten niets uit.
De zieke had een vurig verlangen, den H. Eok te Trier te vereeren; zelfs in bewusteloozen toestand sprak zjj er zeer duidelijk over en zeide, dat zij daar zeker de gezondheid zou terugkrijgen. Door geen bedenkingen ten opzichte van reisbezwaren liet zij zich van haar voornemen afbrengen. Op haar dringend bidden en smeeken stond haar vader eindelijk toe, dat zij den 14quot; Sept. een pelgrimstocht mocht medemaken. Een ziekenzuster en eene andere persoon werden haar tot steun en hulpbieding moegegeven (ook ondergeteekende nam deel aan den pelgrimstocht). De krampaanvallen herhaalden zich in den trein. Dinsdag-avond, den 15quot; Sept., van 9 tot 10 uur, was de bepaalde tijd dat zij den H. Rok mocht aanraken. In de Domkerk gekomen, kreeg zjj den bedoelden aanval en bleef bewusteloos tot over elven. Toen de aanval voorbij was, werd zij door hare twee geleidsters de trap opgesleept; bij het H. Kleed gekomen, greep zij dit krampachtig vast en kreeg toen haar volle bewustzijn terug.
Bij het heengaan wilde zij de geleidsters ter zijde schuiven en zonder eenigen steun de trap afdalen. Over twaalven kwamen zij in haar logement; zij kou goed slapen, â wat te voren nooit het geval was. â-
219
's Morgens ging zij in alle vroegte naar de kerk en bezocht in den loop van den dag nog verscheiden andere kerken; 's avonds hoorde zij de preek aan, op de terugreis had zij geen steun meer noodig en sedert is niet meer het geringste spoor van eenige kwaal waar te nemen. De krachten nemen van dag tot dag aanmerkelijk toe, en tot op het huidige oogenblik is zij frisch en gezond.
Geloofd zij Jesus Christus, die door Zijn H. Kleed geholpen hoeft.
De arts, die de zieke behandelde, dr. Stemmer, te Lauterbach, van wien een attest hierbij is gevoegd, zegt dat men de genezing eene wonderdadige mag noemen. Dat het bovenstaande overeenkomstig do waarheid is, ondertcekent ter eere Gods en tot verheerlijking van onzen goddelijken Verlosser.
Het aartsbisschoppelijk pastoraat, Jos. Gremmelspacher, pastoor.
h. Geneeskundig attest.
De jongedochter Stephanie Fleig, van Trennenbronn, leed geruimen tijd aan hysterische krampen, van welke zij bevrijd werd door aanraking van den H. Hok te Trier.
Dr. Stemmer, arts.
Lauterbach, 29 Xov. 1890.
220
c. Tweede herklit van den Pastoor.
Kath. Trennenbronn, 18 Maart 1893. Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Op het geacht schrijven van Uwe Doorl. Hoogw. van 1 Maart jl. kan de eerbiedigst ondergeteekende do heugelijke medodeeling doen, dat de gezondheidstoestand van Stephanie Flcig alhier, die bij het ter vereering stellen van den H. Rok de plotselinge genezing van haar zwaar lijden verkregen heeft, dezelfde is gebleven, zoodâ¬at de gelukkige thans zich verheugen mag in betere gezondheid dan vóór haar ernstig lijden.
Voordat ik dit schreef, heb ik de persoon in de pastorie ontboden, om mjj over haren gezondheidstoestand nauwkeurig te laten onderrichten.
âZoo ik slechts Zjjn Kleed aanraak, word ik gezond,quot; heeft de zieke gedacht en zoo ook gesproken (dikwijls zelfs in bewusteloozen toestand). Daarnaar heeft zjj vurig verlangd, onder vele moeilijkheden heeft zij haren wensch vervuld gezien en haar doel bereikt hebbende, heeft zij het troostvolle, meest tastbare antwoord ontvangen. âNaar de mate dat gij zult geloofd hebben, zal u geschieden.quot; â Geloofd zjj Jesus Christus, die de H. Kerk gesticht en in Haar de kostbaarste schatten neergelegd heeft.
Met alle hoogachting en eerbied steeds van Uwe Doorl. Hoogw. de gehoorzame dienaar, Jos. Gremmelspachek, pastoor.
221
(I. Rapport der Commissie,
Wijl het hierboven beschreven lijden van hysterischen aard is, valt over het karakter der genezing niets zekers te constateeren.
19. Hektorine Hogenbill, van üeckingen (Lotharingen).
a. Protocol orer de genezing.
Juffrouw Hektorine Hogenbill, van Ãeckingen, bij Diedenhofen, kwam heden bij mij en legde in tegenwoordigheid van hare nicht, Margaretha Wahlen, geb. Zimmer, van Conzerbrück, volgende verklaring af:
Ik ben thans 25 jaren oud en lijd sinds acht jaren aan een inwendig gezwel. Al dien tijd lag ik schier voortdurend te bed en ik kon slechts met moeite gaan. Hot kostte mij groote inspanning, eenig voedsel te gebruiken, en schier eiken dag moest ik na het eten braken. De geneesheer behandelde mij sedert acht jaren zonder succes. Sinds zes weken had ik het vaste vertrouwen, dat de goede God mij zou genezen, zoo ik den H. Rok mocht aanraken. Xadat ik mijn getuigschriften te Trier had ingezonden, kwam ik daar op den 21quot; Aug. aan en ik raakte den H. Rok aan op den 22quot; Aug. 's morgens tusschen 5â6 uur. Op dezen pelgrimstocht had ik mij voorbereid door eene novene. Driemaal raakte ik den H. Rok aan, en de derde maal voelde ik een pijn, die van het hoofd tot aan de voeten liep. Xa deze smartelijke gewaarwording voelde ik mij volkomen genezen en tot nu toe ben ik noch
222
onwel geweest, noch heb ik eenige vermoeidheid waargenomen. Ik ben van beroep strijkster; sedert acht jaren kon ik niet meer strijken, maar in de laatste dagen heb ik bij mijne nicht twee uren lang gestreken, zonder eenige vermoeidheid te voelen.
Al deze verklaringen kan ik onder eede bevestigen, (get.) Hektorixe Hogenbill.
De vroegere ziekte van mijn nicht, zoomede hare plotselinge genezing, ben ik bereid met een eed te bekrachtigen.
(get.) Margaretha Waiilen, geb. Zimmer.
Opgemaakt te Trier den 29quot; Aug. 1891.
(get.) -j~ M. Felix, bisschop van Trier.
h. Geneeskundig attest.
Ik ondergeteekende Ed. de Xonancourt, doctor in de medicijnen, getuig, dat juffrouw Hektorine Hogenbill sedert verscheiden jaren lijdend is aan een ongeneeslijke onderbuikskwaal.
16 Aug. 1891. Dr. Ed. de Noxancourt.
c. Verslag van dm Pastoor.
Ueckingen, 30 Aug. 1891. Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Ik betreur levendig, dat ik van mijne parochie afwezig was, toen juffrouw Hogenbill besloot, Uwe Doorl.
223
Hoogw. om de gunst te verzoeken, het H. Gewaad van den Verlosser te mogen aanraken. Anders had ik het mij als eene eer en als een plicht aangerekend, deze brave jongedoehter, welke nu sinds bijna acht jaren de wreedste smarten met engelengeduld verduurd heeft, in uwe welwillendheid aan te bevelen. Thans heeft zij het loon ontvangen voor hare deugd, daar de Heer Zich gewaardigde, haar van al haar lijden te genezen op hetzelfde oogenblik dat hare hand den zoom van den H. Rok aanraakte.
Uwe Doorl. Hoogw. verlangt, naar het schijnt, alle bijzonderheden betreffende de veeljarige ziekte en het lijden van mijn parochiaan te vernemen. Aanstaanden Donderdag, den 3n Sept., zal ik, ter vereering van den IT. Rok, naar Trier komen. Zoo Uwe Doorl. Hoogw. verdere inlichtingen van mij wenscht, zal ik mij bij mijne aankomst te Trier te uwer beschikking stellen. Voor alsnu kan ik overeenkomstig de verklaringen der geneesheeren, welke de zieke behandelden. Uwe Doorl. Hoogw. verzekeren:
1°. dat zij gedurende vele jaren aan een groot inwendig gezwel heeft geleden;
2°. dat dit gezwel herhaaldelijk van zelf is opengegaan en dat er veel etter uit vloeide;
3Ã. dat naar luid van de verklaring der geneesheeren deze ottering licht een bloedvergiftiging en dien ton gevolge den dood had kunnen veroorzaken;
4°. dat er geen menschehjk heilmiddel voor de zieke bestond.
Desniettemin heeft zij nagenoeg acht jaren geleden
224
en zweefde zij dikwijls tusschen leven en dood. Ik heb haar drie- of viermaal het H. Oliesel toegediend, en zij heeft het steeds met de meeste overgeving aan Gods H. wil ontvangen.
Thans is alles verdwenen, gezwel en pijnen. De goede Heiland heeft de braafheid der zieke en van hare moeder willen beloonen. Hij zij daarvoor duizendmaal geprezen!
Ontvang, Doorluchtige Hoogwaardigheid, de verzekering van mijn grootste vereering, waarmede ik blijf Uw gehoorzaamste dienaar.
Perkin, pastoor van Ueckingen (Lotharingen).
d. Geneeskundig attest na de yeneziny.
Juffrouw Hektorine Hogenbill, 29 jaren oud, wonende te Ueckingen, die reeds sinds lang met nerveus lijden (hysterie) was behept, werd vóór drie jaren door hevige onderbuikspijnen in de linkerzijde aangegrepen. Deze pijnen werden veroorzaakt door eene ontsteking van het ovarium. Waarschijnlijk had zich onder den invloed der ontsteking van het ovarium een gezwel aan de uterus gevormd; want sedert had vloeiing plaats van eene etterachtige stof.
Toen juffrouw Hogenbill naar Trier afreisde, viel haar het loopen nog zeer moeilijk en was haar linkerzijde bij drukking nog pijnlijk, hoewel de pijnen overigens achterwege waren gebleven en zij niet meer bestendig te bed behoefde te liggen. Yan Trier teruggekeerd, kwam juffrouw Hogebill den 29quot; Aug. bij mij. Ik constateerde, dat zij bij drukking geen pijn meer gevoelde,
225
en dat zij zonder moeite en vermoeienis gaan kon. Tot heden beeft do genezing stand gehouden.
Dr. Ed. de Nonahcourt. Dicdenhofen, 9 October 1891.
e. Bericht der Genezene.
Dooi-luclitige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Mijn lijden in de linkerzijde kreeg ik ten gevolge van overspanning. Sedert vertoonde zich een gezwel; dit gezwel en de daarmeê verbonden pijnen namen van dag tot dag toe. Den 5quot; Xov. 1888 heb ik dr. de Xonancourt geraadpleegd. Deze verordende, dat ik terstond een breukband moest dragen, in de meening dat ik een breuk had. Zoodra ik den breukband had aangelegd, werden de pijnen nog heviger. Twee dagen later kwam de dokter. In tegenwoordigheid van mijn moeder nam hij den breukband w eg en verklaarde terstond, dat het een chronisch gezwel van het ovarium was; er vloeide eenige etterachtige stof' uit. Dikwijls voelde ik bij die ettervloeiing zeer hevige pijnen. Een maand en zes weken vóór mijne reis naar Trier vertoonde zich boven aan de heup der zieke zijde een donkerblauwe plek. Gedurende de ziekte moest ik steeds op den rug liggen. Den eersten nacht na de aanraking van den H. Rok lag ik voortdurend op de linkerzijde, de zieke zijde, zonder de minste pijn gewaar te worden. Sinds dien dag is het gezwel verdwenen; de ettervloeiing begon weder, maar zonder pijn, tien dagen lang. De
15
226
vloeistof was een mengsel van etter en bloed. Sedert dien tijd is alles weder in orde. Ik arbeid nu bestendig, zonder de geringste inoeiljjkheid daarbij te ondervinden. Gode zij daarvoor dank gebracht!
Mijn leven lang blijf ik uw dankbaar kind
Hektorine IIooexbiix.
f. Verklaring run de moed er der (jenezene.
Aan Z. D. H. den bisschop.
Ik kan u zeggen, dat ik de vlek op het boen heb gezien; zij was zwart en blauw en de etter, die eruit vloeide, was met bloed vermengd. Ik kan u zeggen dat zij een te zwaar voorwerp had getild, en dat daarna do pijnen steeds zijn toegenomen.
Wed. Hogekbill.
(/. Tweede bericht van den Pastoor.
Gisteren ontving ik het schrijven, waarmede Uwe Doorl. Hoogw. mij vereerd heeft in verband met de genezing van mijn parochiaan juffrouw Hogenbill, â eene genezing, welke door de bloote aanraking van den H. Hok Onzes Heeren bewerkt werd. Ik haast mij, Doorl. Hoogw., om te antwoorden op de beide gestelde vragen, welke ik meen begrepen te hebben, hoewel ik de duitsche taal niet machtig ben.
Juffrouw Hogenbill is volkomen genezen gebleven van de ziekte, waaraan zij sedert jaren geleden heeft. Sinds hare plotselinge, onder de oogen van Uwe Doorl.
227
Hoogw. gebeurde genezing hoeft zij niet -de minste pijn meer gevoeld. Derhalve heeft zjj tot geen arts haar toevlucht meer genomen, noch eenig geneesmiddel aangewend. Ik kan hierbij voegen, dat ik de zoo buitengewone genezing van mijn parochiaan steeds als een belooning van haar vroomheid beschouwd heb.
Ontvang, Doorl. Hoogw., de verzekering van mijn diepsten eerbied, waarmede ik de eer heb te zijn
Van Uwe Doorl. Hoogw. de gehoorzaamste dienaar, Perrin, pastoor van Ueckingen.
h. Derde herklit van den Pas!oor.
Ueckingen, 20 Maart 1893.
Doorl. Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Tot mijn groot leedwezen is het mij onmogeljjk, u oen nieuw attest van den geneesheer te zenden. En toch, Doorl. Hoogw., heeft dezelfde arts mij meermalen verklaard, dat de ziekte ongeneeslijk en binnenkort de dood te verwachten was. Twee- of driemaal verzekerde hij mij, dat de zieke den anderen dag niet meer halen zou, dat men onder godsdienstig opzicht alle voorzorgsmaatregelen moest nemen. Ka de genezing verklaarde hij mij, dat do kwaal geheel verdwenen was.
Intusschen herinner ik mij, dat de heer dr. de Xonan-court mij herhaaldelijk verklaarde, dat naast de bewuste kwaal nog een nerveus lijden bestond; maar nooit stelde hij het gezwel op rekening van hysterie. De oorsprong
228
van dezo kwaal (de hysterie) was deze; juffrouw Ho-g^enbill is in hare jeugd getuige geweest van vorschoiden krampaanvallen bij haar vader; ten gevolge van den daarbij doorstanen schrik was haar zenuwgestel geschokt. Ik herinner mij nog goed, de moeder te hebben geraden, de kleine niet meer bij haar vader te brengen. De geneesheer had, naar het schijnt, eenzelfde waarschuwing gedaan, met de opmerking dat het kind door nabootsing krampaanvallen zou kunnen krijgen. Maar dat alles heeft niets te maken met het gezwel, dat jarenlang bestond, zonder dat de geneesmiddelen de geringste verlichting verschaften.
Ik kan mij de genezing van juffrouw Hogenbill gemakkelijk verklaren, Monseigneur. Gedurende de vele jaren van hare ziekte heeft zij niet opgehouden dag en nacht zich aan de H. Maagd Maria aan te bevelen. Hare brave moeder heeft al vóór jaren ten koste van de grootste offers een bedevaart naar Lourdes gemaakt, en nog in het vorige jaar heeft zij zich tot dankzegging daarheen begeven. Zij had de gelofte gedaan, een tweede maal een bedevaart te ondernemen, wanneer haar dochter de gezondheid herkreeg. Te Lourdes heeft zij zes dagen en zes nachten aan den voet der grot of in de basiliek doorgebracht. Te Ueckingen woont zij eiken dag de
H. Mis bij, en hare dochter evenzoo.....
1'err ix, pastoor van Ueckingen.
Æ. Rapport der Commissie.
De zaakkundigen hechten een bijzonder gewicht aan
229
dc etterende ovaritis en wenschten daarover iets naders te vernemen. Daar echter geen verdere geneeskundige attesten te krijgen waren, verklaren zij, dat de attesten, welke in hun bezit zijn, geen Voldoenden grondslag vormen om een definitief oordeel over dit merkwaardig geval uit te spreken.
20. Frauciska Papeulioff, van Heisingen (district Essen).
(t. Attest van den Pastoor.
Dat mijn parochiaan Franciska Papenhoff, dochter van brave ouders en reeds sinds vele jaren blijkens ingesloten geneeskundig attest door ziekte aangetast, zich door een zedelijk reinen levenswandel heeft onderscheiden, getuig ik hiermede, en ik beveel haar dringend aan voor de aanraking van de heilige Reliquieën van Christus.
A. Bkuns, pastoor.
Heisingen, aartsdiocees Keulen, 31 Aug. 1891.
h. Geneeskundig attest.
Franciska Papenhoff van Heisingen is sedert Januari 188(5 onder mijne behandeling. Genoemde Papenhoff lijdt in hooge mate aan bloedarmoede, aan stoornissen in de organen van spijsvertering en bloedsomloop. Daarbij vertoonen zich dikwijls pijnen in do stuit. De doofheid en de zwakte in de armen en boenen is van
230
dien aard, dat zieh tegenwoordig verschijnselen van verlamming vertoonen.
Dr. Ferniiolz.
Rellinghausen, 2 Sept. 1891.
c. Bericht van den Pastoor.
Aan den hoogeerw. vicaris-generaal,
den hoogeerw. domcapitularis dr. Kleinheidt,
te Keulen.
Heisingen, 14 Sept. 1891.
Hoogeerw. heer vicaris-generaal,
Daar ik mag aannemen dat gij in alle gebeurtenissen van deze parochie het levendigste belang stelt, verzuim ik niet, u van een wonderbaar voorval, dat ter gelegenheid van do bedevaart naar Trier is geschied, mededeeling te doen.
De dochter van den hier woonachtigen onderwijzer Papenhoff, die sinds jaren ziek is en zoo weinig over hare ledematen beschikte, dat zij slechts met de hulp van anderen zich moeilijk kon voortbewegen of op een handwagen moest worden gereden, is van Trier volkomen genezen teruggekeerd, tot verbazing en verwondering der gansche parochie. Het geval is zoo duidelijk, dat ik de gedachte aan een tastbaar wonder niet verzetten kan. Als zoodanig wordt het ook in de gansche parochie beschouwd, en zeer velen van deze plaats, die aan ziekten lijden, maken thans aanstalten, om naar Trier te reizen en eenzelfde genade deelachtig
231
te worden. Aan Z. D. H. den aartsbisschop heb ik dit wonderbaar feit ook schriftelijk meegedeeld. Met hoogachting en liefde,
Uw dienstwillige
A. Bruns, pastoor.
d. Tweede bericht run den Pastoor.
Heisingen (district Essen), 3 Febr. 1892.
Zeer geachte Heer,
Op uw geacht schrijven van den 24quot; der vorige maand kan ik u tot mijne vreugde mededeelen, dat de gezondheidstoestand van Franciska Papenhoff, welke gij te Trier hebt leeren kennen, voortdurend zeer gunstig is. Ik heb ook overeenkomstig uw verlangen, respectievelijk den wensch van Z. D. H. den bisschop, mij de verschillende, haren vroegeren en tegenwoordigen toestand blootleggende bewijsstukken laten ter hand stellen en laat ze u hierbij tot verdere gebruikmaking geworden. Dat Franciska Papenhoff na haar wonderbare genezing nog lichamelijke gebreken behield, acht ik van niet groote beteekenis. Ook na haar genezing is zij een sterveling gebleven, zooals wij allen zijn; van hare voornaamste kwaal is zij volkomen genezen, en daarin zie ik het wonder. Evenmin schijnt het mij van veel gewicht toe, dat zij eerst te Coblonz, op de terugreis, zich van hare genezing bewust is geworden; daaruit zie ik zeer duidelijk, dat hare genezing niet het gevolg van een buitengewone opwinding is geweest, welke zij bij do aanraking van de H. Eeliquiccn kon gehad
232
hebben, maar onvermoed en onmerkbaar is ingetreden.
Ingesloten ontvangt gij, behalve genoemde stukken, ook het vertrouwelijke schrijven van Z. D. Hoogw. terug. Bovenstaande mededeelingen mogen als officiëele berichten gebruikt worden.
Met de meeste hoogachting.,
A. Bruns, pastoor.
e. Bericht van ooggetuigen.
Bedburg, 31 Jan. 1892.
Den 9quot; Sept. reisde ik met mijn beide zusters, van welke de jongste, Franciska, sedert hot jaar 1886 niet meer alleen zich in de open lucht kon bewegen, naar Trier. Daar werd deze op den morgen van den 10quot; tot de aanraking van den H. Rok toegelaten. Toen wij nu op de terugreis, welke den 11quot; Sept. 's morgens te T1/^ uren van Trier uit werd ondernomen, omstreeks 11 uur ons te Coblenz op hot perron begaven, om den trein naar Keulen af te wachten, liet mijne jongste zuster, welke tot nu toe door mijne oudste zuster en mij geleid had moeten worden, achtereenvolgens ons beiden los en liep zonder eenigen steun het perron op en neer. Sedert heeft zij eiken dag kleine wandelingen gemaakt, zonder zich nog van de hulp van anderen te moeten bedienen. Den 24quot; December 1891 heeft mijne zuster Franciska, door mij begeleid, een afstand van ongeveer een uur zonder eenigen steun en zonder te rusten afgelegd, zooals iemand die volkomen gezond is.
Joseph Papenhoff,
leeraar aan liet gymnasium.
23,3
Æ. Verhaal van Fmnciska Pupmhoff te Hemnyen ajd Koer over hare ziekte en hare genezing door de aanraking van den H. Rok te Trier. In Januari van hot jaar 1886 begon ik in hevige mate te lijden aan bleekzucht, welke na eenige maanden in een onderhjfsziekte ontaardde. De kwaal was vooral merkbaar in eene buitengewone lichamelijke zwakte. In de vijfde maand van mijn ziekte was het mij reeds niet meer mogelijk, zonder steun mij in de vrije lucht te bewegen. Daarbij kwamen dikwijls pijnen in het onderlijf, welke somwijlen hevige krampen werden. Deze toestand is met meerdere of mindere hevigheid tijdons den ganschon -duur mijner ziekte zoo gebleven. In de vier eerste jaren kon ik in den zomer meermalen daags 10 of 15 minuten lang in de open lucht loopen, doch moest daarbij steeds gesteund worden. In het jaar 1890 werd mij het gaan aanmerkelijk moeilijker en lastiger, en in den zomer van 1891 was het mij zelfs zoor dikwijls onmogelijk. Behalve deze kwaal of wellicht ten gevolge daarvan, vertoonde zich in de laatste jaren een aanmorkohjko cn steeds toenemende verergering van eene uit mijn vroege kinderjaren behouden zenuwzwakte. Ik had hevige pijnen in handen en voeten te verduren, en bij het tasten werd het gevoel steeds doffer.
Tijdens den geheelen duur van mijne ziekte was ik onder de geneeskundige behandeling van den heer dr. Fernholz te Rellinghausen. Op diens verlangen heb ik in don zomer lcS90 twee andere goneeslieeren, ondor welke eene specialiteit voor vrouwenziekten, om raad gevraagd, welke beidon, evenals dr. Fernholz, onder-
234
buikslijden constateerden, waarna ik weder onder behandeling van laatstgenoemde kwam.
Den 9quot; Sept. 1891 nu reisde ik met mijne zuster en mijn broeder naar Trier, waar ik op den morgen van den 10quot; tot de aanraking van den H. Rok werd toegelaten. Dien dag, en ook op den morgen van den volgenden, den dag der terugreis, heb ik, zoo lang ik nog te Trier vertoefde, geen wezenlijke beterschap in mijn toestand kunnen waarnemen. Toen wij echter te Coblenz den trein verlieten, voelde ik mij plotseling zoo krachtig in den rug, dat ik eerst de hulp van mijn zuster en daarna die van mijn broeder, die mij tot dusver geleid hadden, kon afwijzen en zonder moeite of pijn eenige minuten heen en weer kon loopen. Sedert heb ik dagelijks een proef genomen met het loopen, en met goed gevolg. Want geen enkele maal heb ik daarbij nog de hulp van anderen noodig gehad; veeleer kon ik deze wandelingen dagelijks verlengen. In de eerste drie weken na de aanraking van den H. Rok veroorzaakte mij lang loopen eenige pijn in don rug, later bleven die pijnen geheel weg. Vijf weken na mijne bedevaart heb ik al l3/4 uur onafgebroken geloopen met den gewonen wandelpas en bovendien bergop bergaf. Deze beterschap is ook later bestendig blijven voortduren, zoodat ik nu reeds drie maanden lang zoo goed gaan kan, alsof het daaraan nooit bij mij had gehaperd. Ook voor bet overige is mijn lichamelijke toestand bevredigend. Sedert mijne bedevaart naar Trier heb ik tot nu geen onderbuikspijnen meer gevoeld. Voorts zijn ook de pijnen in de voeten verdwenen: daarentegen
235
heb ik ze in de handen behouden, en buitendien zijn mijne armen nog weinig krachtiger geworden.
Na de aanraking van den H. Rok heb ik hoegenaamd geen geneesmiddelen meer gebruikt; in de laatste twee maanden vóór de bedevaart was een dageljjks inwrijven van het lichaam met spiritus het eenige middel, dat ik destijds nog heb aangewend.
Pranciska. Papenhoff.
Heisingen, 29 Jan. 1892.
(j. Geneeskundig attest na de (jeneziny.
Franciska Papenhoff, van Heisingen, is heden door mij onderzocht. Genoemde juffrouw Papenhoff lijdt aan bloedarmoede en stoornissen in de spijsvertering. A'er-dere ziekelijkheden, met name van de edele organen, zijn niet te ontdekken.
Dr. Feiinholz.
Rellinghausen, 30 Januari 1892.
h. Rapport der Commissie.
Wijl het lijden van hysterischen aard was, laat zich over dit karakter der genezing niets met zekerheid vaststellen.
236
21. Zuster Edmunda, Mariënhans, Waldbreitbacli.
a. Getuigenis van dm Hector.
Mariënhaus bij Waldbreitbach, 12 Jan. 1892.
ZeerEenv. Heer,
Ik zend u de sinds lang gewenschte berichten over de verrassende en plotselinge beterschap, respectieveljjk genezing, welke eene geprofeste Zuster van ons klooster. Zuster Edmunda, heeft verkregen, door de met het volste vertrouwen verrichte vereering van liet H. Kleed gedurende het ter vereering stellen daarvan in het vorige jaar. De Zuster is van oprechte en echt godsdienstige gezindheid, bedaard in hare wijze van denken en vrij van alle sentimenteele inbeelding.
C. Proust, rector.
h. Verhaal der genezene.
Sedert vier jaren was ik ziek. Door een zware vracht de trap op te dragen had ik een inwendige kwaal be-loopen, zoodat ik dikwijls geruimen tjjd in het geheel niet loopen kon en het bed moest houden. Sedert Kerstmis van het vorige jaar tot den 8quot; Sept. moest ik voortdurend te bed blijven liggen. Als ik eens een, hoogstens twee uren opbleef, kon ik zeker zijn, dat het weer erger werd. Ik had dikwijls aanvallen van kramp en kon noch overeind zitten noch zonder stok loopen. Wanneer ik mij over de gang naar de kapel wilde begeven, dan viel mij dat zoo lastig, dat ik mij met de eene hand aan den muur moest vasthouden en
287
met de andere op den stok moest steunen. Den brevier kon ik dikwijls in het geheel niet en bijna altijd slechts ten deele bidden, en dan kostte het mij de grootste inspanning. Allo geneesmiddelen bleven zonder het geringste gevolg; meestal werd het er nog erger door. Eenige geneesheeren verklaarden, dat mijne kwaal ongeneeslijk was, weshalve wij ook in de laatste jaren geen geneesmiddelen meer aanwendden. Zoo was het tot den 8quot; Sept., toon de goede eerw. moeder mij een lap linnen bracht, die aan het H. Kleed was aangestreken, en zoide, dat wij gezamenlijk in de ziekenkamer drie novenen zouden houden ter eere van het Lijden van Christus. Ik legde het linnen ter plaatse. Terstond voelde ik een groote hitte door mijn lichaam gaan van de plek uit, waarop ik het linnen had gelegd; ik wérd zoo naar, dat ik vreesde weder krampen te zullen krijgen. Allengs echter gevoelde ik mij weer beter. Het had wellicht tien mihuten geduurd, toen kon ik de Vespers bidden. Ik was zoo zonderling te moede, ik weet niet hoe ; het scheen me toe, dat ik kon opstaan. Het was me zoo geheel anders dan te voren en toch vertrouwde ik het niet; ik wilde' tot 4 uur blijven liggen, om geen opzien te wekken. Zoo lang hield ik het echter niet in bod uit; ik stond op en wilde loopen. Aanvankelijk ging het nog niet zoo goed als ik gedacht had. Eindelijk was het 4 uur en zei ik tot de Zusters: âIk gevoel mij beter, ik word genezen.quot; Zonder stok liep ik in de kamer rond en vervolgens over de gang. Toen wij de godsdienstoefening begonnen, kon ik al wat knielen. Alsdan begaf ik mij naar de kapel. Ik
238
voelde mij zoo goed, dat ik zonder de geringste inspanning de Metten en de Laudes kon bidden, en ook 's avonds den gemeenschappelijken rozenkrans. Ik bleef op tot TVs uur. Uen volgenden morgen woonde ik de H. Mis bij, en vervolgens de meditatie. De eerste drie dagen moest ik dagelijks nog twee uren rusten. Daarna evenwel kon ik den ganschen dag opblijven, 't Ging steeds beter met mij, zij het ook langzaam, en thans kan ik 's morgens met de anderen opstaan en alle gemeenschappelijke oefeningen medemaken en arbeiden evenals vroeger. In waarheid kan ik zeggen: Ik ben genezen, ofschoon ik nog niet heel sterk ben. Toen ik hoorde, dat de H. Rok werd getoond, zei ik terstond, .dat, zoo de Zusters er naar toe mochten gaan, ik de eerw. moeder zou verzoeken, mij ook er heen te begeven ; want dan werd ik zeker gezond. Ik zou echter de verre reis in dezen toestand niet hebben kunnen ondernemen.
Lof, dank en aanbidding zij den lieven Heiland, die door Zijn heilig Kleed mij een zoo groote genade heeft bewezen.
Zuster M. Edmunda Deinet.
Mariënhaus bij Waldbreitbach, 15 Dee. 1891.
c. Geneeskundig eitfesf.
Ziektegeschiedenis van Zuster Edmunda te Mariënhaus bij Waldbreitbach.
In den herfst van 1885 voelde Zuster Edmunda, toen zij een zware vracht brood de trap opdroeg, plot-
239
seling een pijnlijke drukking in de linkerzijde van het onderlijf en was te geljjker tijd erg naar en ziek.
X;i ongeveer een week, gedurende welke zij zich uiterst zwak gevoelde, kreeg zij een aanval van verstijvende kramp. In de volgende vier maanden herhaalden zich die krampen, nu en dan van lichte stuiptrekkingen vergezeld, twee- of driemaal in de week en duurden gewoonlijk circa 10 minuten. Het onderlijf was daarbij opgezet en bij drukking in de streek van het linker ovarium zeer gevoelig.
Van de vijfde maand af kwam er beterschap in den toestand. Do Zuster was inmiddels op in het oog vallende wjjze veel zwaarder geworden; zonder gordel kon zij niet gaan. Zulk een gordel moest zij in de eerstvolgende jaren voortdurend dragen.
In den zomer van 1887 kwam Zuster Edmunda als ziekenzuster in het gasthuis te Asbach. Hier werd zij na het dragen van een emmer water weder ziek onder dezelfde verschijnselen. Ongeveer veertien dagen later vertoonden zich ook do krampen weder en in veel heviger mate dan te voren. Het bewustzijn bleef gedurende de aanvallen onbeneveld, maar spreken en slikken was onmogelijk. Het ziektebeeld was naar mijne meening in het algemeen dat van een ernstige hysterie. Allengs voegde zich nog bij het samenstel van verschijnselen een aanmerkelijke afneming van de reflex-prikkelbaarheid.
Yan het begin van het jaar 1889 af trad een belangrijke beterschap in, de krampen bleven weg en de patiënt kon weder den ganschen dag buiten het bed doorbrengen en een weinig gaan. In Juni van dit jaar
240
werd zij tot het ondergaan van een kuur naar Xe non a hr gezonden. Na eenige baden deden zich evenwel de krampen weder voor, zoodat van do kuur moest worden afgezien. De patiënt werd toen te Neuenahr en in aansluiting daarbij te Neuwied geëlectriseerd, waarschijnlijk op grond der mindere reflex-prikkelbaarheid. De zieke ging evenwel steeds achteruit en kwam in den herfst van 1889 in hoogst treurigen toestand weder te Mariënhaus aan. Zij kon nauwelijks met behulp van een stok een weinig loopen.
Tegen Kerstmis 1889 keerden ook de krampen terug, en de patiënt moest plat te bed blijven. Allengs evenwel kon zij weder gedurende den dag eenige uren buiten hot bed doorbrengen.
In het jaar 1890 en tot de in 1891 ingetreden volkomen beterschap vertoonden zich de gezamenlijke ziekteverschijnselen voortdurend in den meest beslisten vorm.
Dr. Freudexhammer, prakt. arts.
Waldbreitbach, 4 April 1893.
d. Geneeskundig attest na de (jeneziny.
Op verlangen van den eerw. rector C. Probst te Mariënhaus bij Waldbreitbach, onderzocht ik heden Zuster Franciska Edmunda, tot vaststelling van haar gezondheidstoestand.
Zuster Edmunda, geb. Anna Maria Deinet, 40 jaren oud, van Oberspay, bij Coblenz, is van kleine gestalte, normale ontwikkeling en goed doorvoed. Hare stem is opmerkelijk zwak. Voor het overige zijn geen ziekten
'241
der organen of storingen in de verrichtingen daarvan aanwezig. Eetlust en spijsvertering, slaap en gevoel van kracht zijn goed. Reeds sinds een jaar is Zuster Edmunda werkzaam in het krankzinnigengesticht het Antonimhaus, en wat de orde van den dag of den kost betreft, maakt zij op de andere Zusters geen uitzondering. Als geneesheer van het gesticht zag ik de Zuster bij mijn bezoeken zeer dikwijls en heb ik mij op deze wijze kunnen overtuigen, dat de Zuster, welke ik vroeger verscheiden jaren slechts als een ernstige zieke gekend had, zicli thans in een duurzame gezondheid verheugt. Ik kan derhalve naar mijn beste weten en volgens geweten getuigen, dat Zuster Edmunda tegenwoordig gezond is en dat zij in het afgeloopen jaar voortdurend gezond is geweest.
Ten slotte doe ik nog opmerken, dat eene kuur of eenige artsenij in de laatste jaren niet meer door Zuster Edmunda is aangewend.
Dr. Ereudenhammer, prakt. arts. Waldbreitbach, lü Maart 1893.
e. Rapport der Commissie.
Daar het lijden van hysterischen aard was, onthouden zich de zaakkundigen van een oordeel over het karakter der genezing.
16
242
22. Margaretha Schwartz, van Berdorf (Luxemburg).
a. Attest van den pastoor.
Ondorgoteekeude, pastoor van Berdorf, dioccos Luxom-. burg, getuigt hiermede, dat Margaretha Schwartz, van Berdorf, dochter van Peter Schwartz en Angela Wen gier, 17 jaren oud, sinds ongeveer drie maanden lijdt aan de maag, en alle tot dusver aangewende geneesmiddelen de van voortdurend uitbraken van al het genuttigde vergezelde ziekte niet konden wegnemen.
Aldus getuigt overeenkomstig de waarheid,
J. Bies, pastoor te Berdorf.
Berdorf, 2 Sept. 1891.
h. Geneeskundig attest.
De ondergeteekende arts, dr. Drüssel, heeft het meisje Margaretha Schwartz, dochter van Poter Schwartz, te Berdorf, wegens gestadig braken, voortkomend uit hysterie, behandeld, en alle tharapeutische maatregelen zijn zonder gevolg gebleken.
Dr. Dküssel.
Echternach, 1 Sept. 1891.
c. Bericht over de ziekte en de geneziwj daarvan.
Eer, lof, prijs en duizendvoudigen dank aan Onzen Heer en Heiland, die aan Zijn H. Gewaad, dat in de Domkapel te Trier wordt bewaard, waarlijk wonderdadige kracht heeft gegeven.
243
Dit hoeft Margaretha Schwartz, dochter van Peter Schwarz en Angola Wenglor, een meisje van 17 jaren, geboortig van Eerdorf, in het groothertogdom Luxemburg, bij het laatste ter vereering stellen van den H. Rok in 1891 in haar persoon ondervonden.
Gezegd meisje leed sinds drie jaren aan een eigenaardige ziekte, hysterie door do geneesheeren genaamd. Verscheiden artsen werden geraadpleegd, maar geen enkele bracht der lijdende verzachting in haar maag en lenden-lijden. Ook kon geen enkele van hen het hardnekkige braken doen ophouden, waaraan het meisje onafgebroken leed, en wel zoo dat zij telkens na gegeten te hebben dagelijks dikwijls tienmaal en meer braken moest. Voedsel kon zij niet inhouden. Inzonderheid gedurende de twee laatste jaren nam de maag geen vleesch- noch meelspijzen aan. De ouders waren troosteloos, hun kind zoo te zien lijden, te meer wijl hun door de geneesheeren was gezegd, dat zij voortaan maar geen menscheljjke hulp moesten inroepen, want redding was niet mogelijk.
Den 9quot; Sept. kwam het meisje met de pelgrims van Eerdorf te Trier en werd op den morgen van 10 Sept. tot de aanraking van den H. Rok toegelaten. Op den vorigen dag, dus den 8quot; Sept., had het meisje vol vertrouwen de HH. Sacramenten ontvangen en, o wonder, reeds dien dag bleef na het middagmaal het braken weg.
Te Trier werd zij toegelaten tot do aanraking van den H. Rok en sedert is het braken tot heden, den 27quot; Juli 1892, nog geen enkele maal teruggekeerd. Het meisje kan alle spijzen zonder onderscheid ver-
244
dragen. Elkon dag nemen hare krachten toe. Zjj ziet er gezond on bloeiend uit, terwijl zij vóór don pelgrimstocht zienderoog vermagerde.
Derhalve nog eens lof' en dank aan onzen almachtigen en genadigen God, die ook nu nog, evenals eertijds, toon Hij op aarde rondwandelde, die kranken geneest, welke met vertrouwen tot Hem komen.
Het bovenstaande, zoomede ook het andere bijgevoegde bericht1), is overeenkomstig de waarheid opgesteld door de hier wonende schoolzuster Arthemise Michels.
Aan beide berichten voeg ik nog de opmerking toe, dat ik voor beide kinderen een geneeskundig attest had ingezonden, dat de kinderen noch kort vóór noch kort na de genezing natuurlijke middelen gebruikt hebben en dat haar verklaringen volkomen geloof verdienen. Ook kan haar toestand vóór en na de genezing door tal van geloofwaardige getuigen worden vastgesteld.
.1. Bies, pastoor.
Berdorf, 5 Sopt. 1892.
d. Rapport der Commissie.
Wijl de kwaal van hysterischon aard was, onthoudt zich de commissie van een oordeel over het karakter der genezing.
') Over Auna Reding, wier genezing onder No. 12 werd behandeld.
245
23. .Susanna Strupp, van Wawcrn.
a. Geneeskundiy attest.
Juffrouw Susanna Strupp, van Wawern, 37 jaren oud, lijdt sinds vele jaren aan een onderbuikskwaal, hoeft een hartgobrek on is in ernstige mate hysterisch.
Aldus getuigt op haar verlangon overeenkomstig de waarheid, met het doel om do vergunning voor haar te vragen, den II. Rok te mogen aanraken,
Dr. Thanisch.
Trier, 18 Sept. 1891.
b. Protocol over de geneziny.
Heden, Ki Sopt. 1891, verschoen bij mij Susanna Strupp, 37 jaren oud, woonachtig te Wawern, welke hot volgende ten protocol mededeelde:
âIk ben sinds 21 jaren ziek, ten gevolge van oen hartkwaal. Vóór drie jaren was ik gedurende driejaren onder goneeskundigo behandeling in het Moedorhuis ; na. mijn terugkeer naar huis kon ik slechts moeilijk mot een stok in onzen tuin loopen. Een paar dngen later vertoonde zicli het oude lijden weder, en ik was sedert altijd bedlegerig. Ik kon niet trappen klimmen en ging slechts in mijn kamer van het eene bed naar het andere. Ik leed zeer hevige pijnen, zoodat men inspuitingen met morphine moest doen. Ecu kop bouillon of melk was mjjn eenig voedsel. In dien tijd heb ik zeven of acht maal de Sacramenten dor stervenden ontvangen.
246
âJl. Vrijdag, den 11quot; dezer, bracht men mij op een wagen naar het Moederhuis. Reeds een paar jaren geleden had ik de hoop, dat ik, den tijd belevende dat de 11. Rok ter vereering werd gesteld, do gezondheid terug zou krijgen. Door een novene bereidde ik mij voor tot de bedevaart naar Trier. Gisteren, den 15quot;, had ik op mijn bed de H. Communie ontvangen. Heden droeg men mij op den wagen en werd ik naar den Dom gereden. Eene barmhartige Zuster en mijne zuster Catharina droegen, geholpen door een man, mij op een stoel in den Dom en de trap van het koor op. Ik dacht nu dat ik, evenals de zieke vrouw in het Evangelie, met hetzelfde vertrouwen het H. Kleed wilde aanraken. Xadat ik het had aangeraakt, liet ik mij weder op den stoel vallen en werd ik bewusteloos. Ik liet mijn hoofd op den schouder van mijne zuster rusten. Plotseling werd het mij in al mijn leden lichter en voelde ik dat ik alleen kon gaan. Ik daalde dan ook alleen de trap af en knielde zonder pijn op de bidbank vóór het hoofdaltaar neder (knielen was mij sinds vele jaren volstrekt niet mogelijk geweest). Ik vroeg mijn zuster, of ik nogmaals het H. Kleed mocht zien, ging alleen de trap op en vertoefde staande vóór den H. Rok. Xadat de bisschop mij had gezegd, dat ik beneden moest blijven knielen totdat hij kwam, ging ik weder naar beneden en bleef vóór het altaar tot het einde der H. Mis knielen.
âDe hoogw. bisschop ontbood mij te 8 uur in zijn woning. Ik ging nu zonder eenigo moeite te voet naar het Moederhuis en weder terug naar het bisschopsplein.
247
Ik voelde nog een weinig beklemdheid aan liet hart. Mijn linkerarm, die mij steeds pijn had gedaan, kon ik nu zonder pijn opheffen en bewegen. Den band, dien ik van de voetzool tot boven de knie voortdurend droeg, had ik in het Moederhuis afgelegd. Den lijfgordel, welken ik steeds moest dragen, wanneer ik opstond, had ik sinds eenige dagen, wijl ik altijd te bed lag, eveneens afgedaan en zonder gordel ben ik heden hier gekomen. Ik voel mij thans krachtig en gezond. Dat alles kan ik met een eed bevestigen.
âSusanna Stkuppquot;.
Ik ben evenzoo bereid als getuige dit alles, in zoover het mij betreft en ik het kon waarnemen, met een eed te bekrachtigen.
Katiiarina Strupp.
M. Felix, bisschop van Trier.
c. Bericht van den Pastoor.
Canzcm, 6 Oct. 1891.
Doorluchtige 1 loogwaarheid.
Monseigneur,
Ik neem de vrijheid aan Uwe Doorl. Hoogw. gehoorzaamst een kort bericht tc zenden over den ge-zondheidstoestand van Susanna Strupp, van Wawern, die don 16quot; Sopt. dezes jaars tot de aanraking van den H. Rok in de domkerk te Trier werd toejrelaton.
Susanna Strupp, 37 jaren oud, jongedochter en lid van den derden regel van Franciscus, welke tot dusver een zeer stichtend leven leidde en dikwijls tot de
248
H. Sacramenten naderde, was nu reeds 21 jaren bedenkelijk en, zooals de geneesheeren geloofden en zeiden, ongeneeslijk ziek. Inzonderheid was elk oogenblik een hartverlamming te vreezen. Op grond van mijn eigen waarnemingen gedurende een vol jaar, waarin ik de zieke vaak bezocht cn haar meermalen do 11. Communie als laatste teerspijs toediende, zoomede op grond der verklaringen van de zieke zelve, constateer ik thans het volgende:
Genoemde Susanna Strupp was, zooals do arts dr. Thanisch te Trier, die sinds vele jaren, waarvan drie te Trier zelf, de zieke behandelde, haar verklaarde, van het hoofd tot de voetzolen ziek. In het bijzonder was de geheele linkerzijde lijdend. In het hoofd, d. i. onder den schedel, voelde zij steeds een pijnlijk suizen, vergezeld van koud zweet en zij moest voortdurend het hoofd omhuld houden. Het tandvleesch was een en al ziek, om de tandwortels vormde zich etter, 21 tanden werden haar getrokken onder de hevigste pijnen, zoodat eenige malen bij schier ondragelijke pijn het bloed door de huid van den rug drong en het hemd rood verfde. Die tandpijn was een niet onbeteekenend deel der ziekte.
Vooral waren ook hart en onderlijf ziek, met name de maag. Het hart was volgens verklaring van den geneesheer âveel te grootquot;, de zijde in de hartstreek gezwollen en opgezet. Daarbij had zij voortdurend een stekende pijn in het hart, zoodat de zieke den linkerarm nauwelijks bewegen en volstrekt niet opheffen kon, en evenmin was het -haar mogelijk op de linkerzijde te liggen. De pijn deelde zich ook aan den linkerarm en het linkerbeen mede.
249
Het onderlijf, met name de maag, was zeer ziek. Behalve tarwebrood, melk en morphine-druppels, zoomede cognac, kon de zieke sedert drie jaren niets gebruiken. En dan nog had zij herhaaldelijk en dikwijls ondragelijke pijnen in do maag en het onderlijf en had zij gezwellen van buiten en, gelijk de afgescheiden etter bewees, ook inwendig. Bovendien leed zij aan volkomen gemis van eetlust, en bij dat alles voegde zich nog een zeer moeilijke ademhaling, blijkbaar een gevolg van het hartlijden. Derhalve was rustig te bed liggen noodzakelijk. De zieke kon slechts enkele schreden op haar slaapkamer doen, wanneer zij nu on dan het bed verliet; van trappen klimmen kon geen sprake zijn. In den loop van het gansche jaar heb ik haar twee- of driemaal bij mijn ziekenbezoek zittend, in half liggende houding, buiten het bed gezien. Nog in Aug. van dit jaar was zij zóó zwak, dat ik haar het bidden geheel verbood en na het door haar te kennen gegeven verlangen, om ter vereering van den H. Rok naar Trier te reizen, haar de uitvoering van dit plan zeer beslist ontried, met de opmerking, dat zij niet zonder levensgevaar de reis kon ondernemen en God niet beproeven mocht.
Maar de zieke, die, zooals zjj zegt, reeds sinds jaren naar het ter vereering stellen van den li. Rok verlangde en daarvan hare genezing verwachtte, kreeg nog meer moed en nog meer vertrouwen, hield eene novene, liet eene H. Mis lezen, gebruikte vol vertrouwen voorwerpen, welke bereids aan den 11. Hok waren aangestreken, ja, die ik zelfs persoonlijk voor haar aanstreek, om haar te eer te bewegen, de gedachte aan eene reis naar Trier te laten
250
varen. Zij begon met dagelijks eenige uren op te staan en liet zich vervolgens op een zeer warmen dag uit het slaapvertrek in een gesloten wagen dragen, reed naar het Moederhuis der barmhartige Zusters te Trier, rustte daar verscheiden dagen uit, werd toen op den voor haar bepaalden tijd, op den 16quot; Sept. jl., in een eveneens gesloten rijtuig tot vóór de Domkerk gebracht en alsdan in een zetel naar den H. Rok gedragen. Zij raakte het H. Kleed, het met de hand vasthoudend, in het volste vertrouwen, aan, en bad in haar hart: âJesus, Zoon Gods, ontferm U over mij, gelijk CHj U over de vrouw in het Evangelie ontfermd hebt.quot; Zij viel daarna, van het H. Kleed verwijderd, in een lichte onmacht, op haren zetel achterover zinkend, kwam plotseling weder bij, voelde eene kracht gaan door haar gansche lichaam, en sprak, terwijl zij zich ophief: âMag ik nog eens meegaan,quot; waarop zij zonder steun en alleen do trap afsnelde en do andere weder opging naar den H. Rok. Vervolgens snelde zij met vluggen tred de Domkerk uit, zond den op haar wachtenden koetsier weg, ging te voet naar liet Moederhuis, van daar na een paar uren naar het bisschopsplein, keerde alsdan weder naar het Moederhuis terug, steeds te voet, en voelde xjcli van dat oogenblik af genezen, nadat de boven beschreven gezondheidstoestand tot den morgen van den 16quot; Sept., tot de aanraking van den H. Rok, had voortgeduurd.
Wel is nog eenige zwakte en zijn ook nog hartkloppingen overgebleven, en ook zijn 's avonds de voeten een weinig gezwollen, wat na een 21-jarige
251
ziekte, gedurende welke zoo weinig voedsel werd gebruikt, niet verbazen kan en 't geen bepaald ten gevolge van goeden eetlust spoedig verdwenen zal zijn. Want van den dag barer genezing af, d. w. z. van den morgen van den 16quot; Sept., nadat de zieke do Domkerk had verlaten, kan zij alle spijzen gebruiken, ook vleesch-spijzen, groente, zuurkool, salade, brood; zij kan ook wijn verdragen, spreekt en gaat als een gezond mensch, zonder beklemming van do ademhalingswerktuigen. Alleen bij het trappenklimmen, wat zij overigens met gemak doet, is zij een weinig benauwd op de borst. Zij had ook terstond op den 16quot; Sept. naar huis kunnen komen, zoo niet do arts haar bevolen had, nog twee weken ter verdere waarneming te Trier te blijven. Jongstleden Zondag nu, den 3quot; Oct., kwam zij por spoor hier te Canzem aan, ging toon zonder bezwaar van hier naar Wawern te voet, woonde Zondag, zoomede gisteren en heden de II. ^lis bij, loopt in het dorp rond, om haar verbaasde verwanten en bekenden te bezoeken, voelt ook in het hoofd en in de tanden geen pijnen meer, kan gemakkelijk en geruimen tijd knielen, terwijl zij tot den lüquot; Sept. in 't geheel niet de knieën kon buigen, â- en een ieder hier gelooft, dat eene wonderdadige genezing is geschied, vooral omdat vroeger de genees-heeren, ten einde raad, verklaard hebben, âdat er niets meer aan was to doen.quot;
Ten slotte voeg ik als bewijs van het hier algemeen verspreide geloof aan de ongeneeslijkheid der ziekte van Susanna Strupp aan liet bovenstaande nog het volgende toe: de joden, die te Wawern vele en wel-
252
hebbende families tellen, spotten toen zjj hoorden, op welke wijze de zieke te Trier genezing zocht, en zeiden : âZoo deze gezond wordt, dan gelooven ook wij aan den H. Kok.quot; â Thans zwijgen zij en nemen den schijn aan, alsof zij van de geheele zaak nooit iets gehoord hebben.
Tan Uwe Doorl. Hoogw. de onderdanigs te dienaar, Hei muck Blameuser, pastoor te Canzein, waarnemend pastoor van Wawern.
h. Tweede verslag van dm Pastoor.
Canzem (dekenaat Saarburg), 8 Maart IH'JiJ.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Ik heb de eer Uwe Doorl. Hoogw. naar aanleiding van het geachte hier gisteren ontvangen schrijven van den 1quot; dezer, betreffende een geval van lichamelijke genezing ten gevolge der vereering van den 11. liok, gehoorzaamst de in dit schrijven gestelde vragen als volgt te bewoorden;
Ad. 1. De gezondheidstoestand van Susanna Strupp van Wawern is sedert de bij den ter vereering gestelden H. Kok verkregen gezondheid niet slechts dezelfde gebleven, maar is van dag tot dag steeds beter geworden, zoodat zij thans volkomen gezond kan worden verklaard, niet de onder vraag 5 gemaakte beperking.
De vroegere kwaal is niet meer teruggekeerd. De genezene, wuike ik heden nauwkeurig ondervroeg, ziet
or gezond en krachtig; nit. J)e maag, waarin naar haar beweren de hoofdkwaal zetelde, is tegenwoordig, gelijk zij verklaart, âzeer goedquot;. Zij kan elke spijs verdragen eu voelt zelfs, dat zij, zoo zij zich niet mot do onvoldoende voeding der minder gegoede landlieden moest behelpen, nog veel krachtiger zijn zou. Het gaan kost haar geen moeite meer; zonder vermoeienis te ondervinden kan zij urenlang loopen.
De tandpijnen zjjn geheel en al verdwenen. Zij verpleegt zieken, neemt dikwijls zelfstandig de huishouding waar, verzorgt het vee, arbeidt in den tuin enz.
Ad. 5. Ook de genezing van het hartlijden heeft niet slechts vorderingen gemaakt, maar is om zoo te zoggen thans volkomen. De genezene kan in de kerk knielen en geknield hidden evenals de andere sroloovigen. Ook
c o o
bij het gaan wordt zij niets meer van hartlijden gewaar; alleen bjj het beklimmen van steile bergen heeft zij nog lichte hartkloppingen, doch zonder pijn, wat vroeger niet het geval was. Dit kan intusschen alleen een gevolg zijn van een voor haar groote persoon te zwakke voeding. â Eindelijk blijven het zwellen van de hartstreek en in verband daarmede het zwellen van den linkerarm en do vergezellende pijnen geheel en al weg, zoodat derhalve, ongerekend de lichte, doch pijnlooze hartkloppingen bij liet beklimmen atiii de bergen, eene volkomen genezing van Susanna Strupp tegenwoordig aanwezig is en hiermede geconstateerd wordt.
Van Uwe Doorl. Iloogw. de gehoorzaamste, Heinricii Blameuser, pastoor,
waarnemend pastoor van Waworn.
254
e. Rapport der Commissie.
Baar hot hartlijden op zich zelf niet is weggenomen, en de overige ziekteverschijnselen van hysterischen aard waren, onthouden zich de zaakkundigen van een oordeel over het karakter der genezing.
24. Margaretha Riewer, van Strolm.
«. Getuigenis van den Pastoor.
Strohn, 11 Sept. 1891.
De gehoorzaamst ondergetoekende waagt het tot Uwe Doorl. Hoogw. voor een parochiaan de bede te richten, haar te vergunnen, den 28quot; dezer het H. Gewaad van Onzen Heer en Heiland aan te raken.
Terwijl ik het door den heer dr. Schramm, te Daun, die do bewuste Margaretha Riewer als arts behandelde, afgegeven attest hierbij voeg, kan ik mijnerzijds van haar getuigen, dat zij een goed godsdienstig, kerkelijk leven leidt.
Van Uwe Doorl. Hoogw. i de onderdanigste dienaar,
Grambitsch, pastoor.
h. Geneeskundig attest.
Margaretha Riewer, 39 jaren oud, van Strohn (district Daun), was, sedert acht jaren lijdende aan hardnekkig braken, dat het leven der patiënte zeer ernstig bedreigde. Xa een langdurig ziekbed vertoonde zich eene verlam-
255
ming van beide beenen, welke de zieke voortdurend aan hare kamer gekluisterd hield.
De verlamming is door gebrek aan wilskracht teweeggebracht en als van hysterischen aard te beschouwen.
Het bovenstaande getuig ik op grond van eigen waarneming, naar mijn beste weten en overeenkomstig de waarheid.
Daun, fi Sept. 1891. Dr. Schramm.
(â¢. Protocol over de Genezing.
Tleclen, 29 September 1891, verscheen bij mij Mar-garetha 1 viewer, 89 jaren oud, van Strohn, die het volgende mededeelde, om er protocol van op te maken :
Sedert Aug. 1883 waren beide beenen van de knie af ten gevolge eener ziekte (maagverzwering) zoozeer verlamd, dat men mij uit het bed moest dragen en ik slechts op den vloer kruipen kon. In de drie eerste jaren der ziekte was ik steeds bedlegerig. Later kon ik nu en dan op een stoel zitten. Dikwijls kreeg ik nog maagkramp. Ik had een bijzondere godsvrucht voor O. L. Vr. van Altijddurenden Bijstand, die mij ingaf, een bedevaart naar Trier te doen, en den 17quot; Aug. liet ik te harer eer eene 11. Mis lezen. Men droeg my toen naar de kerk, om de H. Communie te ontvangen. Ik hield tweemaal een novene, om de hulp van O. L. Vr. van Altijddurenden Bijstand in te roepen. Zondag, na de vroegmis (ik werd in de acht jaren twee of driemaal op eeu stoel in de kerk gedragen), bracht men mij op een wagen naar Uerzig en reed ik van
256
daar naar Trier. Maandag-avond werd ik in den Dom gedragen. Zoodra ik mij vóór het H. Gewaad bevond, voelde ik een pijn, die van het hoofd tot de voeten ging. Ik zeide toen tot Joseph Ernst, die mijne voeten had vastgehouden: âZet mij neder, ik kan immers loopen.quot; In hetzelfde oogenblik viel ik op de knieën, wendde mij tot den 11. Rok en bad luide van vreugde. De heer bisschop trad op mij toe en zeide, dat ik mij kalm moest houden en den volgenden dag in zijne woning moest komen. Men droeg mij weder naar buiten op den wagen; ik kon daarop echter staan. Van den wagen ging ik te voet het huis binnen en begaf mij alleen naar mijn kamer. Heden stond ik zonder hulp op. Vele menschen kwamen bij mij, en ik kan vrij gaan en staan in mijn kamer. Ik voelde mij weliswaar nog zwak, maar toch ben ik van de paardentram naar het bisschopsplein geloopen.
Dit alles ben ik bereid als overeenkomstig de waarheid voor Ood te bezweren.
Margaketiia Riewek.
Bovenstaande verklaringen zijn wij als getuigen bereid mot onzen eed te bekrachtigen.
Nikolaus Riewek, broeder der zieke.
Joseph Ernst, buurman.
Margaretha Sartoris, zwagerin van Nikolaus Riewer.
-j- M. Felix, bisschop van Trier.
257
d. Bericht ran den Pastoor.
Sfrohn, (gt; Maai-t 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
De onderdanigst ondergeteekende hoeft de eer en haast zich Uwe Doorl. Hoogw. op uw hooggeacht schrijven over de bij de vereering van den H. Rok op den 28quot; Sept. 1891 genezen Margaretha Riewer van Sti'ohn het volgende te berichten;
Xadat zich Margaretha Riewer na haar genezinsr nos:
O O O O
twee dagen in het huis van Michael Greber, meubelmaker te Löwenbrücken (Trier) en één dag te Wittlich bij een van haar zusters heeft opgehouden, keerde zij van daar, 's avonds te 7 uren, gezond en wel met den postwagen naar hier terug. Zij was den volgenden dag in de H. Mis en legde dienzelfden dag zooveel bezoeken in de enkele huizen van het dorp af, dat ik haar verzocht zich wat te ontzien. Zijliep alsof haar daartoe nooit de kracht had ontbroken, was derhalve volkomen genezen. Den 18quot; Oct. 1891 ging zij naar het 21/2 kilometer verwijderde Gillenfeld, woonde daar in de kerk eene vergadering bij der leden van den derden regel van St. Franciscus en keerde frisch en gezond van daar terug. Bij de van 1 tot 8 Xov. 1891 te Gillenfeld gehouden processie was zij daar zelfs dagelijks en hoorde een of twee preeken aan.
In weerwil van den regen ging zij naar de sluitingsplechtigheid op den 8quot; te Gillenfeld, waar zij geruimen tijd op het kerkhof toefde en met meer andere personen na het feest in don derden regel werd opgenomen.
17
258
Deze inspanning was te groot; den 9quot; werd zij ziek en constateerde de ontboden arts longontsteking, Reeds geloofde zij, dat zij met Gods hulp de ziekte, evenals in de jaren 1873 en 1877, gelukkig te boven was gekomen, toen zij op Kerstmis weder de kerk bezocht, maar die verwachting is ijdel gebleken. Den 7quot; Jan. 1892 stortte zij opnieuw, en nu in heviger mate, in, en maar al te spoedig constateerde de geneesheer longtering, waardoor zij tot omstreeks de helft van Maart hare kamer en van toen af tot 1 ilei het bed moest houden.
De eerste Mei was de dag van haar sterven, vol overgeving aan Gods heiligen wil. Dikwijls voegde zij mij bij mijn bezoeken toe; âThans heb ik het gebruik van mijn beenen, maar mijn borst en mijn beklemde ademhaling beletten mij te gaan.quot;
De ziekte, waarvoor zij by de vereering van den H. Rok baat gezocht en gevonden heeft, is tot aan haren dood weggebleven.
Van Uwe Doorl. ïïoogw. de gehoorzaamste en onderdanigste dienaar, Grambusch, pastoor.
e. Rapport der Commissie.
Daar de ziekte van hysterischen aard was, onthoudt zich de commissie van een oordeel over het karakter der genezing.
259
25. Elisabeth Schmitz, van Loo^h, parochie Niodorehe.
a. Geneeskundig attest.
Elisabeth Schmitz, van Loogh, circa 28 jaren oud, lijdt sinds geruimen tijd aan hysterie in de hoogste mate, ten gevolge waarvan verschijnselen van verlamming, meest in de beenen, treurigheid, zwaarmoedigheid, dikwijls schreien en jammeren, verbonden met ziekelijke voorstellingen, welke aan waanzin grenzen, en algemeene zwakte worden waargenomen. De tot nu toe daartegen aangewende middelen zijn zonder resultaat gebleven, en waarschijnlijk zal menschelijke hulp geen duurzame verbetering in den treurigen ziektetoestand brengen. Aldus getuig ik op grond van geneeskundige behandeling.
Prüm, 22 Xov. 1891. Sanitatsrath dr. König.
h. Bericht van den Pastoor.
Niederehe, 14 Jan. 1892. Aan het hoogeerw. bisschoppelijk vicariaat-generaal.
Elisabeth Schmitz, dochter van een landbouwer te Loogh, ressorteerend tot do parochie Xiederehe, 29 jaren oud, was reeds eenige jaren eenigszins ziekelijk, maar van den 4n Dec. 1890 tot den 25quot; Sept. 1891 voortdurend ziek. Zij leed dikwijls zoo ernstig aan krampen, dat twee of drie personen haar moesten vasthouden, en dat zij dikwijls van het bed op den vloer van haar kamer viel. De geneesheeren, welke haar behandeld hebben, verklaarden de kwaal, waaraan zij leed, voor ongeneeslijk, inzonderheid dr. König van Prüm.
'260
Den 25quot; Sept. van hot vorige jaar werd zij naar Trier gebracht, om den H. Rok te verccren en aan te raken. Van het station moest zij op een wagen naar de stad Trier worden gebracht en in den nacht van 25 op 26 Sept. op een rolstoel in den Dom en op oen anderen stoel de trap op naar den II. Rok gedragen worden. Zij was de laatste zieke, welke in dien nacht bij don H. Rok werd gebracht on de II. Reliqulo mocht aanraken. Terstond na de aanraking voelde zij verlichting in het hoofd, maar zij kon nog niet loopen en werd door haar verwanten naar haar logement in de stad gebracht. Den 26quot; Sopt. kon zij reeds tamelijk goed gaan en reed zij weder naar huis. Toen zij hier op den morgen van den 27quot; Sept. trachtte op te staan, ging dit best; zij kon evengoed gaan als een gezond mensch. Deze toestand heeft tot heden voortgeduurd, en sedert heeft zij van de eigenlijke kwaal, waaraan zij had geleden, niets meer gemerkt. Zij gaat van toen af weder geregeld naar de parochiekerk, dus een half uur ver, zonder moeite, en legde zelfs eenige weken geleden een afstand van een groot uur af. Elisabeth Schnütz was steeds een zeer eerbare jongedochtor, die hare godsdienstplichten altijd met ijver vervuld en wereldlijke genietingen geheel en al gemeden heeft.
Ik wilde niet vroeger mededeeling doen van dit geval, daar ik hot boter vond te wachten, om mij van de duurzaamheid dor genezing volkomen te overtuigen.
In gehoorzaamheid en do volste onderwerping, quot;W. Prikgs, rustend pastoor,
destijds te Niederehe.
261
c. Tweede bericht ran dm Pasfoor.
Xiedcrehe, 20 Maart 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
De opdracht van Uwe Doorl. Hoogw. van den 1quot; dezer, betreffende do genezing der jongcdochter Elisabeth Schmitz van het tot deze parochie ressortee-rende Loogh, gehoorzaamst nakomend, zend ik hierbij een door de genezene eigenhandig geschreven bericht over de toedracht en het verloop van hare genezing door de vereering van den H. Rok. De twee voorgelegde vragen kan ik op de volgende wijze overeenkomstig de waarheid beantwoorden.
1°. De gezondheidstoestand is sedert de bij den ter vereering gestelden H. Rok verkregen gezondheid dezelfde gebleven; de genezene voelt zelfs hoegenaamd niets meer van de vroegere kwaal.
2°. Xa de door vereering van den 11. Rok verkregen gezondheid is geen geneesmiddel voor de genezing van het bewuste lijden aangewend geworden.
De eerbiedigst en gehoorzaamst ondergeteekende W. Pk inc. s, rustend pastoor,
destijds te Xiederehe.
d. Verslag der Genezene.
Door Gods beschikkingen was ik van mijn 26st,; tot mijn 29stc jaar niet een ongeneeslijke ziekte behept. Zij begon met algemeene zenuwzwakte en oprispingen.
262
Alle geneeskundige hulp, welke ik aanwendde, bleef zonder gevolg. In het laatste jaar ontwikkelde zich de ziekte derwijze, dat zij mij op het ziekbed wierp; er ontstonden krampen, zwakte in alle ledematen, ziekelijke verbeelding. Na ongeveer vier maanden kon ik het bed verlaten, maar mijne beenen waren zóó verlamd, dat ik mij slechts met moeite kon voortsleepen, en mot den dag ging ik meer achteruit, zoodat ik op het einde van Aug. niet meer van den eenen stoel naar den anderen kon loopen. Ik had reeds drie geneesheeren gehad, maar hulp was niet te verwachten.
Daar nu in het jaar 1891 door de beschikking Gods het H. Gewaad van onzen Heer Jesus Christus ter vereering der geloovigen gesteld werd, vestigde ik al mijne hoop op God. Den 25quot; Sept. reed ik naar Trier. Ik werd naar het station Hillesheim gereden, 's Avonds werd ik op een rolstoel naar den Dom gebracht. Op een stoel werd ik verder de trap op tot vóór don H. Rok gedragen. Te ll1/» uur had ik de groote genade, het Kleed van Jesus aan te raken. Heeds in denzelfden nacht bespeurde ik beterschap en kon weder goed slapen, wat mij sinds geruimen tijd niet meer mogelijk was geweest. Den 26quot; tehuis teruggekeerd, moest ik weliswaar nog door twee personen gesteund van den wagen gedragen worden, doch ik voelde dat ik weder kracht in de beenen kreeg. Ik zat ongeveer tien minuten op een stoel; toen stond ik op en kon loopen, maar ik liep nog eenigszins kreupel. Den volgenden morgen opstaande, kon ik gaan zooals vroeger, en de beterschap maakt steeds sneller vorderingen, zoodat ik thans gezond
263
en wel ben en van toen af niets meer heb gemerkt en alle spoor van deze ziekte verdwenen is.
Ik getuig en beken luide voor de gansche wereld, dat ik gezond geworden ben door de aanraking van den H. Rok van Jesus Christus. Don lieer zij eer en dank in alle eeuwigheid!
Elisabeth Schmitz.
e. Rapport der Commissie.
De zaakkundigen verklaren do snelle en duurzame genezing in aansluiting bij de aanraking van den H. Rok voor zeer merkwaardig, doch met het oog op het hysterisch karakter der ziekte wagon zij het niet, deze genezing langs natuurlijken weg uit te sluiten.
2G. Angela Weis, van Ittel.
«. Getuijenis van den Pastoor.
Ittel, 29 Sept. 1891.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Ondergeteekende neemt de vrijheid Uwe Doorl. Hoogw. ingesloten geneeskundig attest der zieke Angela Weis, uit mijne parochie, over te zonden, met het beleefd verzoek, haar ter aanraking van den H. Rok onzes Hoeren Jesus Christus toe to laten. Zij heeft niet slechts altijd een echt christelijk, deugdzaam leven geleid, maar ook gedurende zeven jaren haar lijden met voorbeeldig
264
geduld en volle overgeving gedragen en in het dikwijls ontvangen van de H. Sacramenten troost en kracht gezocht. Met den diepsten eerbied blijf ik van
Uwe üoorl. Hoogw.
de gehoorzaamste dienaar, J. Roiir, pastoor.
h. Geneeskundig attest.
Over de jonge dochter Angela quot;Weis, 35 jaren oud, woonachtig te Ittel (landdistrict Trier), getuig ik op verzoek overeenkomstig de waarheid, dat zij bereids zeven jaren ten gevolge van een chronische ruggemergsziekte aan algemeene krampen lijdt, die zich deels op de borst, d. i. de long en het hart, zetten en een zeer ernstig asthma veroorzaken, deels ook de maag en het onderlijf aangrijpen en voortdurend galbraken ten gevolge hebben. Ten gevolge van dezen ziekelijken toestand is genoemde persoon sinds schier zeven jaren volkomen onbekwaam tot arbeiden, â daargelaten nog, dat zij den 17quot; Dec. 1875 den rechterarm ten gevolge van een ongeluk bij de dorschmachine verloren heeft.
Bitburg, 27 Dec. 1891. Dr. Nels,
Gelt. Sanitatsmth.
c. Verslag der Gcnezene.
Op verlangen van mijn geestelijke overheden wil ik beschrijven, hoe het door de aanraking van den II. Rok met mij beter is gegaan. Sinds 1888 was ik bestendig
door hartlijden en hartkrampen aan hei; bed gekluisterd. Deze vertoonden zich nu eens in liet hart, dan weder in het hoofd, een anderen keer aan de long, in de maag of in het onderlijf, en deden mij in alle ledematen van mijn gansche lichaam hevige pijnen verduren. Dikwijls lag ik urenlang in deze krampen en moest ik luidkeels gillen, zoodat niet slechts mijn verwanten, maar ook de geheele buurt het hooren kon. Zoo waren de laatste tien maanden vóór het ter vereering stellen van den H. Rok voorbijgegaan, zonder dat ik een uur van den dag kon opstaan; want de krampen deden zich dagelijks meermalen voor. Geneesmiddelen heb ik in het laatste jaar slechts tweemaal aangewend, daar deze toch nooit iets gebaat hebben.
Zoodra de li. Rok ter vereering werd gesteld, voelde ik in mij de begeerte naar de genade, al was 't ook slechts om hem te zien; ik heb ook meer dan eens daarover gesproken met den heer pastoor, die mij in mijn verlangen sterkte. Ik verzocht hem eene II. Mis voor mij te lezen, ter intentie dat de goede God mij van de krampen mocht bevrijden, totdat ik den H. Rok had gezien. Daags daarna vertoonden de krampen zich in zoo hevige mate, dat ik dacht te moeten sterven en mij op den dood voorbereidde. Xa de H. Mis werd ik voorzien van de II. Sacramenten der stervenden. Mijne bede werd verhoord. Van dezen dag af, ongeveer vier dagen vóór mijne reis naar den H. Rok, verlieten ze mij; maar ik was zeer zwak en kon nauwelijks in bed overeind zitten, veel minder opstaan en loopen. De geneesheer, die mij het ingezonden attest ter hand stelde»
266
hield het voor zeer bedenkelijk, mij onder zulke omstandigheden naar Trier te laten rijden. Desniettemin reed ik den 30quot; Sept. met don wagen, waarop men een noodbed had gereed gemaakt, naar Trier. Bij den Dom aangekomen, werd ik op een draagstoel door twee personen gedragen, ter aanraking van den H. Rok. Ik was toen zoo diep ontroerd, dat ik het verlangde gebed wel hoorde, maar niet kon nazeggen. Ik voelde, hoe de hoogw. heer bisschop mij bij de hand nam en deze met den H. Rok in aanraking bracht. Op dat oogenblik liep een heete schok door al mijn leden. Sadat ik mijn dankgebed had verricht, voelde ik mij zóó sterk, dat ik niet meer gedragen behoefde te worden, maar door den Dom naar de andere H. Reliquieën kon gaan en daarbij slechts den steun van mijne zuster noodig had. Ik kon nog meer dan een uur lang zoo loopen. Op de terugreis kon ik zonder moeite in den wagen overeind blijven zitten. Van toen af had ik een weldadigen slaap. Ik kan tot dusver nog steeds naar de kerk gaan, om er mijn godsdienstplichten te vervullen. Van krampen, ruggemergslijden en braken bleef ik tot heden nog bevrijd.
Akgela Weis, oud 35 jaren.
N.B. Daar Angela AVeis ten gevolge van een ongeluk aan de dorschmachine vóór ongeveer 16 jaren den rechterarm verloren heeft, heeft zij bovenstaande mede-deelingen eerst mot de linkerhand door middel van een potlood neergeschreven en ze toon door hare zuster laten overschrijven.
J. Rouk.
267
Ittel, 23 April 1893.
Doorluchtige Hoogw.,
Monseigneur,
Ik heb de eer Uwe Doorl. Hoogw. hiermede het bijgevoegde geneeskundig attest der door de vereering van den H. Kok genezen Angela Weis, van Ittel, gehoorzaamst toe te zenden.
Met den diepsten eerbied blijft ondergeteekende Van Uwe Doorl. Hoogw. de gehoorzaamste dienaar, J. Rohk.
d. Geneeskundig attest na de genezing.
Op bijzonder verlangen van de jongedochter Angela Weis, thans 37 jaren oud, wonende te Ittel (landdis-trict Trier), getuig ik hiermede, overeenkomstig de waarheid, dat zij den 17quot; Dcc. 1875 bij een paarde-dorschmacliine zich zoo ongelukkig verwondde, dat haar de rechterbovenarm moest worden afgezet. De sedert gestorven districts-heelmeester Margraf en ik hebben destijds de operatie verricht. Later was het jonge meisje steeds vrij gezond en vol moed, â totdat zij in do jaren 1884, 1885 en 1886 door jicht en rheumatisme in de stuit, de armen en beenen dermate werd bezocht, dat zij letterlijk krom getrokken werd en slechts gebukt loopen kon. Het jaar 1887 was dragelijk voor haar.
In het jaar 1888, terstond na St. Petrus en Paulus, op welken dag zij nog de II. Mis bezocht, werd zij
268
door hevige krampen aangetast. Ik zag haar toen voor de eerste maal op den 15quot; Juli 1888 en vond haar in een erbarmelijken, troosteloozcn toestand; ten gevolge van een ruggemergsaandoening vertoonden zich de hevigste krampen afwisselend in tonischen en klonischen vorm in schier alle ledematen. Het gansche lichaam werd geschokt en geschud, en dikwijls ward opisthotonus waargenomen.1) Alle inwendige en uitwendige middelen brachten schier geen verlichting aan, â laat staan genezing. Deze treurige toestand duurde jaren lang; de vreesehjke krampen met schuddingen van het gansche lichaam duurden soms 12âli uren, voordat ze ophielden. Daarna bleef zij eenige dagen er tamelijk vrij van, doch niet geheel; de natuur scheen der vreeselijk gemartelde persoon slechts kleine rustpausen te gunnen. Bij de krampachtige aanvallen braakte zij alle voedsel en zeer dikwijls slechts slijm en gal uit met een geweld, alsof de maag zich letterlijk omkeerde; daarbij steunde, kermde en schreeuwde zij luide van pijn.
in dezen toestand heb ik de jeugdige persoon vijfmaal gedurende do jaren 1888, 1889 en 1890 op de meest verschillende tijden gezien. In 1891 had ik geen gelegenheid, haar te zien, doch hoorde van haar verwanten en van andere lieden, dat haar toestand nog dezelfde van vroeger was.
Den 1quot; October reisde zij onder bezwarende omstandigheden naar Trier, om den H. Rok aan te raken, en
') Kramp der rugspicrcu, waardoor het hoofd naar acliteiou getrokken eu gehoudeu wordt.
269
yan toen af zou zij van al hot hierboven geschetste zware lijden bevrijd zijn geworden, wat ook door de dorpsbewoners bevestigd werd.
Den 28quot; April 1892 zag ik haar weder (voor de eerste maal na haar reis naar den H. Hok) en vond haar vroolijk en gezond, vrij van alle krampen en van andere onpasselijkheden. Van den 1quot; October 1891 af moet zij trouwens niet meer zijn ingestort. Alleen beeft zij in Juli of Aug. 1892 een lichten, slechts enkele minuten durenden aanval, ten gevolge van een doorstanen schrik, gehad, doch later geen spoor meer daarvan.
Op Vrijdag, den 14quot; dezer, op Zondag don 16quot; en het laatst heden, den 17quot;, zag ik haar en sloeg ik haar geruimen tijd gade hier in mijne woning te Bitburg, en ik kan de verzekering geven, dat van haar vroeger lijden ââ de vreeselijke krampen en andere akelige toevallen â geen spoor is overgebleven, en dat het beste vooruitzicht bestaat, dat deze toestand duurzaam zal zijn.
Dr. Nels, i/c/t. Sanifiitsrath.
Bitburg, 17 April 1893.
c. Rapport der Commissie.
Daar do ziekte naar allen schijn van hysterischen aard was, onthouden zich de geneesheoren van een oordeel over dit geval.
270
27. Angela Eorsch, van Cahren (parochie
Litdorf-Rehlingen).
a. Getuigenis van den Pastoor.
Angela Rörsch, geboren 22 Juni 1863, van Cahren (parochie Litdorf-Rehlingen), heeft zich steeds goed gedragen onder zedelijk opzicht en heeft van haar kinderjaren af een vromen zin getoond door een stipt bezoeken van de godsdienstoefeningen, door vlijtig bezoek van het zondagsche onderwijs in de christelijke leer en door het dikwijls ontvangen van de H. Sacramenten. Zij verdient het voorrecht, den H. Rok te mogen aanraken, ten einde genezing van hare ziekte te verkrijgen.
(L. S.) Fr. Weisenaiil, pastoor.
Litdorf-Rehlingen, 12 Aug. 1891.
b. Geneeskundig attest.
Juffrouw Angela Rörsch, 27 jaren oud, lijdt sedert ongeveer drie jaar aan algeheele aphorie (stemverlies), waarvoor zij geen bepaalde oorzaak weet aan te geven. . Den 27quot; April dezes jaars kwam zij onder mijne behandeling, en ik diagnostiseerde eene, naar het mij voorkwam en het nog voorkomt, hysterische stembandverlamming. Een electrische behandeling gedurende verscheiden weken leidde tot eene onbetwistbare, zij het ook niet wezenlijke verbetering. Alsdan onttrok de patiënte zich aan mijne behandeling en stelde zich er heden, na een onderbreking van ongeveer vijf weken,
271
weder onder. Ik bevond heden, dat de indertijd verkregen vooruitgang inmiddels, ten gevolge van hot niet voorzetten van de behandeling, weder is te niet gedaan, en voor zoover het verlorene nog hersteld zal kunnen worden, zal er geruime tijd mede heengaan voordat dit geschied is.
Trier, 29 Juli 1891. Dr. Löwenstein.
c. Protocol or er het verloop der cjcnezing.
lieden, 14 Sopt. 1891, verscheen bij mij, in gezelschap van den heer pastoor Weisenahl, Angela iiörsch, 27 jaren oud, van Cahren (parochie Rehlingen-Litdorf), welke hot volgende mededeelde, om er protocol van op te maken. Vóór drie jaren en vier maanden had ik de spraak verloren. Ik kon slechts zeer zacht fluisteren, zoodat mijn woorden alleen in de naaste omgeving en dan nog moeilijk verstaanbaar waren. Toen men van den H. Rok sprak, rees bij mij aanstonds de gedachte dat ik gezond zou worden, zoo ik hem mocht aanraken. Ik ben zevenmaal bij den H. Rok geweest, in de hoop dat ik, een aangestreken voorwerp op mijn hals leggend, gezond zou worden. Toen ik do eerste maal een aangestreken doek op mijn hals legde, voelde ik plotseling daarin eenig trekken, dat echter verdween, zonder dat ik de spraak terugkreeg. Heden nu, toen ik in de Domkerk kwam en tot de aanraking van den H. Rok werd toegelaten, beving mij plotseling eene siddering, en ik kreeg de gedachte, dat dit werkelijk de H. Rok was, waarin onze Heer en Heiland geleden
272
had voor onze zonden, terwijl ik op hetzelfde oogenhlik een vreeselijke pijn in mijn hals voelde. Ik trok den ring van mijn vinger en liet dien aan den H. Kok aanstrijken, hield hem vervolgens circa vijf minuten in den mond, en binnen een kwartier waren de pijnen verdwenen. Ik voelde in mijn hals een harden knobbel, die zich samentrok. Ik sloeg vervolgens den aangestreken doek om mijn hals, en in een half uur was alles weg. Ik lag te bed en had een heelen rozenkrans gebeden. Xa eenigen tijd ging ik naar beneden, maar ik kon nog niet spreken. Daarna begaf ik mij weer naar boven, verwekte een akte van berouw, en andermaal naar beneden gaande, kon ik goeden dag zeggen en zonder moeite spreken.
Y. G. U.
Angela Rörsch.
Dit alles kan ik als getuige, in zooverre hot mij betreft, bevestigen. Inzonderheid, dat ik de zieke sedert verscheiden jaren niet meer heb hooren spreken zooals zij het thans kan.
Pr. AVeisenaiil, pastoor.
Ik herinner mij goed, dat heden morgen de zieke bij het aanraken van den H. Rok zoozeer beefde, dat ik haar voor een zenuwhjdster hield. Angela verklaart mij, dat zij nog nooit zoo gebeefd heeft. Door het verhaal in het boek over den H. Rok, waarin eene genezing door middel van een aangestreken ring wordt vermeld, kwam de zieke op de gedachte, dat dit ook haar zou kunnen helpen. Vóór eenige weken was de zieke met eene
273
dame bjj mij, en ik constateerde dat zij nauwelijks hoorbaar kon fluisteren.
f M. Felix, Eiss. v. Trier.
d. Geneeskundig attest.
Op verlangen en na plaats gehad hebbend lichamelijk onderzoek, getuigt ondergeteekende, dat juffrouw Angela liörsch, van Cahren, thans gezond is. Yan een hals-ziekte of een longlijden, waaraan zij vóór ') circa drie jaren zou geleden hebben, was bij het onderzoek niets te ontdekken.
I)r. Drühe, prakt. arts.
Perl, 28 December 1891.
e. Bericht ran den Pastoor.
Mannebach (dekenaat Saarburg), 25 Jan. 1892, Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Ik veroorloof mij onderdanigst Uwe Doorl. Hoogw. verslag uit te brengen over de genezing van Angela Rörsch, van Cahren (Rehlingen-Litdorf), door aanraking van den H. Rok. Angela Rörsch, geboren den 21quot; Juni 1863, heeft de H. Reliquie op den morgen van den 11quot; Sept. aangeraakt. Een door dr. Löwenstein, van Trier, verstrekt geneeskundig attest heeft zij vroeger ingezonden. Hare genezing geschiedde op den dag der
!) Zie volgcud bericht betrefi'eiide de geneziug.
18
274
aanraking, niet oogenblikkelijk, maar ongeveer vier uren later. Gedurende de drie jaren harer ziekte heeft Angela Rörsch zich door verscheiden geneesheeren laten behandelen. Tot Juli 1891 heeft zij geneesmiddelen gebruikt, doch tot Sept. 1891 was zij onder geneeskundige behandeling, in welken tijd de geneesheer haar geen medicijnen meer voorschreef. De verklaringen der ge-nezene verdienen het volste geloof, en de toestand der genezene vóór en na de genezing kan door geloofwaardige getuigen worden geconstateerd. Overeenkomstig instructie zend ik inliggend de schriftelijke notities van de genezene Angela Rörsch over het verloop van haar genezing, zoomede een geneeskundig attest aangaande den tegen-woordigen toestand. In bijgevoegd geneeskundig attest is de tijd der ziekte onjuist opgegeven. Angela Rörsch was niet vóór drie jaren, maar gedurende drie jaren vóór de aanraking van den H. Rok lijdend aan een halskwaal, zooals trouwens ook blijkt uit het ingezonden geneeskundig attest van dr. Löwenstein. Tot heden toe is de stem van Angela Rörsch krachtig, en zij gevoelt zich ook voor het overige lichamelijk zeer wel.
Yan Uwe Doorl. Hoogw.
de gehoorzaamste dienaar, Jakob Stockemer, pastoor.
Æ. Verslag der Genezene.
In het jaar 1888, den 3n Mei, werd ik heesch, gelijk het meermalen in het menschelijk leven bij verkoudheden het geval is. Bij mij echter was het geen ver-
275
koudheid. Ik dacht dan ook, dat de heeschheid na eenige dagen weer zou afnemen. Doch juist het tegendeel was het geval. Mijne heeschheid werd voortdurend erger, zoodat ik geneeskundige hulp moest inroepen, 't Kan nauwelijks acht dagen hebben geduurd toen ik mij naar een- geneesheer begaf. Drie jaren en vier maanden was ik onder dokters handen. Een enkele maal evenwel werd ik eenige beterschap gewaar. Ik had nu mijne stem bijna geheel verloren. JSiet dan met de grootste moeite kon ik slechts zacht fluisteren. En nog voortdurend ging het mij slechter, daar ik geen spjjzen meer kon nuttigen. Eindelijk ging het gerucht rond, dat de H. Eok ter vereering werd gesteld. Terstond rees in mij do gedachte : Zoo ik dien (den H. Rok) mocht aanraken, dan zou ik gezond zijn. Den eersten dag dat de H. Rok werd vereerd, reed ik naar Trier, om mijn verlangen te bevredigen. Dienzelfden dag had ik het geluk hem te zien en streek ik een doek aan, in het vaste geloof dat het helpen zou. Ik bond den aangestreken doek om den hals en voelde eenige trekkingen. Daardoor werd mijn vertrouwen nog vaster. Zevenmaal ben ik den H. Rok voorbijgegaan zonder genezing te vinden. De achtste maal, op den 14quot; September, werd ik genezen. Toen ik op den morgen van den 14quot; in de Domkerk kwam en het geluk had, den H. Rok aan te raken, werd op hetzelfde oogenblik mijn gansche lichaam door eene hevige siddering aangegrepen. Ik dacht toen: âDat is de Rok van mjjnen Heer en Heiland Jesus Christus, die voor ons geleden heeft voor onze zonden.quot; Bij die gedachte aan Jesus voelde ik
276
een vreeselijke pjjn in don hals. Ik was er slecht aan toe. Vroeger had ik in een boek gelezen van een ring. Ik kocht een ring, in do hoop dat hot mij zou kunnen helpen. Z. Doorl. Hoogw. de. bisschop streek voor mij don ring aan en de dame, die bij mij was, stak hem mij in don mond. Binnen oen kwartier waren de pijnen verdwenen; maar ik kon nog niet spreken.
Toen ik vóór don Dom kwam, trok zich alles om mijn hals samen tot een knobbel. Ik begaf mij nu naar mijne woonkamer. De dame dood mij terstond een aangestreken dook om don hals, en in een half uur was alles weg en voelde ik weer leven. Men bracht mij te bod. Half sluimerend bad ik een geheelen rozenkrans en verwekte weder een akte van berouw over mijne zonden. Met oen opgeruimd hart ging ik nu naar beneden en de kamer binnen, en ik kon zonder moeite âgoeden dagquot; zeggen. Ik kon mijn ooron niet golooven, dat ik dat was (die daar sprak). Ik meende, dat een ander achter mij liet mij had toegeroepen. Ik herhaaidu mijnen groet, ik kon weder sproken. Mijno stom was echter nog zwak, maar in den loop van don dag ging het steeds beter. Ik bon nu volkomen gezond. Binnen vier uren heb ik do spraak teruggekregen. Mijne stem is thans veel krachtiger dan vroeger. Don eersten dag was zij nog heel zwak. Daags daarna ging het al beter, en op don morgen van den derdon dag was de stom even krachtig als vroeger; tot nu toe spreek ik zonder moeite, veel gemakkelijker dan ooit te voren het geval was,
Angela Körscii.
277
(j. Laatste herklit can den Pastoor.
Rehlingen-Litdorf, 15 Maart 1893.
Doorluchtige Hoogwaardigheid,
Monseigneur,
Ik deel Uwe Doorl. Hoogw. gehoorzaamst mede, dat mijn parochiaan Angela Rörsch, van Cahren, tot het huidige oogenblik van hare door verccring van den H. Rok genezen kwaal is bevrijd gebleven. Hare stem is namelijk sedert dien tijd steeds zoo vol en krachtig als vóór hare ziekte. Ook heeft volgens hare verklaring haar gezondheidstoestand in het algemeen sinds de genezing zicli voortdurend verbeterd. Xa haar genezing heeft zij geen geneesmiddel meer gebruikt, noch voor haar stem, noch voor iets anders.
Van Uwe Doorl. Hoogw.
de gehoorzaamste dienaar, J. Stockemek, pastoor.
h. Rapport der Commissie.
Daar het Ijjden waarschijnlijk van hysterischen aard was, onthoudt zich de Commissie van een oordeel over het karakter der genezing.
SLOTWOORD.
In de vorenstaande berichten hebben wij het ons tot een strengen plicht gesteld, slechts de feiten te laten spreken. Wij wilden hoegenaamd geen invloed uitoefenen op het oordeel van den lezer en hebben derhalve elke opmerking achterwege gelaten. Wie onbevangen, zonder vooraf opgevatte meening onderzoeken wil, zal zich niet aan de macht der feiten kunnen onttrekken. Het geldt hier niet voorbijgaande gewaarwordingen, geen plotselinge opwindingen, die oogenblikkclijk bij den lijder het bewustzijn van zijn pijnen wegnemen, doch hem spoedig weder de treurige werkelijkheid met de gansche zwaarte der teleurgestelde verwachtingen doen gevoelen. Xe en, de genezingen zijn niet te loochenen.
Wij zien personen van eiken leeftijd, van eiken stand en van elk geslacht genezing vinden. Ziekten van allerlei aard, inwendige en uitwendige, worden weggenomen. Het verdwenen gezichtsvermogen keert terug, lupus wordt genezen, een kind van l1/» jaar krijgt het licht der oogen en het gebruik van zijn ledematen weder; zwaar, aanhoudend lijden, aan welks genezing de kunst jaren lang tevergeefs hare krachten heeft beproefd, verdwijnt bij de aanraking van het H. Gewaad of door bloote oplegging van voorwerpen, die aan den IT. Kok waren aangestreken. Deze wonderdadige veranderingen geschieden deels plotseling, deels eerst na cenigen tijd, zonder aanwending van geneesmiddelen.
279
De wetenschap erkent, dat deze feiten op natuurlijke wijze niet te verklaren zijn, althans niet de op de eerste plaats aangehaalde gevallen. Wat de op de tweede plaats besproken gevallen betreft, zal menige lezer wellicht onwillekeurig zeggen, dat zij in zijn oog nauwelijks minder wonderdadig zijn, al hebben de zaakkundigen uit gebrek aan ontwijfelbare getuigenissen of wegens het bijzonder karakter der ziekte liet niet gewaagd ze als tastbare wonderen te beschouwen. Het zou eene dwaling wezen, zoo men in het bijzonder de ziekten van hysterischen aard en haar genezing slechts aan de verbeelding of suggestie wilde toeschrijven, gelijk dit menigmaal ten onrechte gescliicdt. Wie de aangehaalde berichten van hysterische ziekten gelezen hoeft, zal gewis zicli overtuigd houden, dat er bij de genezen personen geen verbeelding in het spel is geweest. Xeen, het waren ernstige ziekten van nerveuzen aard, zooals veeljarige verlamming, niet weg te nemen brakingen, verlies van de spraak enz. welke met alle geneeskundige bemoeiingen spotten.
^ ie zou bij het lezen der berichten niet herinnerd worden aan het verhaal van het Evangelie, waarin de zieken zich om den Verlosser verdrongen, in de hoop,
') 1 credit, merkt een vakman, dr. Alt, op: ^Vóór alles moeten wij geueeslieercu liet volkomen hierover met ons zeiven eens zijn, dat liet niet een lielaclielijke carieatuur van ecu ingebeelde ziekte, maar werkelijk eeu ernstig lijden geldt, 't welk door zaakkundige beliaudeling werkelijk verbeterd, ja dikwijls geheel genezen kan worden.' Voordracht gehouden in het geneeskundig genootschap Ie Halle uver //Behandeling der hysterie.quot; Miinch. medizin. Wochemchrifl n, 'J. 181)2,
280
minstens den zoom van Zijn Kleed aan te raken en daardoor genezing te vinden ? Zoovelen hoorden wij bij de aanraking van de Reliquie met het vertrouwen der vrouw, die aan bloedvloeiing leed, zeggen: âZoo ik slechts Zijn Kleed aanraak, zal ik gezond wordenquot;, en zij werden verhoord. Het geloof in Christus, in Zijne eeuwige goddelijke kracht heeft hen geholpen. Ja, waarlijk: âDe hand Gods is niet verkort, zoodat Zij niet zou kunnen helpen.quot;
Het wonder, zeiden wij, is het eigen werk van God. In onbeperkte vrijheid wrocht Hij het, wanneer, waaien op de wijze zooals het Hem behaagt. Overal echter kunnen wij eene aan de goddelijke wijsheid en liefde beantwoordende bedoeling waarnemen. De Heer leert ons de hooge waarde van den kinderlijken ootmoed en van het onschokbaar vertrouwen op Zijne vaderlijke goedheid; Hij openbaart Zijne almacht, maar inzonderheid wil Hij het geloof der menschen weder opwekken en verlevendigen. De wonderen zijn als een liefdevolle vermaning gericht tot de arme verdwaalden, die, door de grootsche veroveringen der wetenschap verblind, het geloof van hun kindsheid als een bakersprookje prijsgaven en in de eenzame woestenij van bet ongeloof hart en geest lieten hongeren en dorsten. Hopen wij, dat deze vermaning door velen worde behartigd: âDat is geschied door den Heer, en het is wonderdadig in onze oogen.quot; Juist tegen het einde der negentiende eeuw in ons vaderland, dat terecht op zijn denkers en geleerden roemt, doch waar velen hunne blikken van (|e eeuwige idealen des Geloofs hebben afgewend, wilde
281
do Heer deze wonderen wrochten. Zullen zij niet een machtig sursim corda zijn, dat de harten van den drukkenden last van het aardsche bevrijdt en weder hemelwaarts leidt ?
\ oor ons, Katholieken, zjjn deze wonderen en gunstbewijzen eene nieuwe bevestiging des geloofs. Wij mogen ons verheugen, dat de Keer door deze openbaringen van Zijne almacht in het bijzonder de vereering der Eeliquieen goedgekeurd en bevestigd heeft. Zijn deze daden van God niet een onloochenbaar teeken, dat de wonderkracht in de Katholieke Kerk niet verdwenen is, dat de geest van Christus in Haar voortleeft en de belofte van den Heiland ook in onze dagen nog in vervulling gaat? Tot meerdere eer van God, tot glorie van den menschgeworden Zoon Gods, onzen Heer en Heiland Jesus Christus, tot troost der geloovigen, tot leering van allen, die van goeden wil zijn, werden deze akten verzameld en openbaar gemaakt. Mogen zij voor vele zielen tot werktuig der genade worden! Met een van dankbaarheid vervuld hart sluit ik met de woorden van Mozes, den groeten dienaar Gods: âLaat ons den Heer lofzingen, want glorievol heeft Hij ons Zijne grootheid geopenbaard,quot; en verheugd stemmen wij in met het dankgebed der geredden in de Apoca-lipsis : âGroot en wonderbaar zijn Uwe Werken, o Heer, almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zjjn Uwe wegen, o Koning der eeuwigheid. Wie zou U niet vreezen, o Heer, en wie Uwen Xaam niet prijzen ;J Gij alleen immers zijt heilig; alle volkeren zullen komen en U aanbidden.quot;
NASCHRIFT.
Over het hoogst merkwaardige boek, dat Mgr. dr. Korum, bisschop van Trior, over de wonderen en gunstbewijzen, in 1891 door de vereering van den H. Rok verkregen, na grondig onderzoek van de feiten, in het licht heeft gegeven, laat zich de hoogleeraar A. Schill te Freiburg aldus uit:
âYan den kant der tegenstanders heeft, zooals trouwens te verwachten was, de dagelijksche pers slechts spot en hoon over gehad. Opmerkelijk was het, zei zij, dat âde wonderen, evenals de spookverschijningen, van den nacht houdenquot;; want de aanrakingen zijn geschied tusschen 's avonds 8 en 's morgens 5 uur. Was dit feit in hot algemeen juist, dan zou ieder verstandig mensch toch de reden daarvan bevroeden: die zieken, die meestal gedragen moesten worden, mochten de talrijke processiën, welke in den loop van den dag plaats hadden, niet verstoren; daarom koos men de ochtend- en avonduren voor hen. Overigens is de beschuldiging in hare algemeenheid onjuist, want van de elf wonderdadig genezenen hebben Xos. 3, 6 en 8 den H. Rok 's morgens na 5 uur en des voormiddags aangeraakt ; terwijl bij anderen het uur niet is opgegeven. Kan men zich echter op de onzekerheid der nacht beroepen, wanneer de feiten in den helder verlichten Dom en onder de oogen van vele getuigen geschiedden en, wat de hoofdzaak is, de toestanden der bevoor-
283
rechten door geneeskundige attesten vóór en na de aanraking van den H. Rok zijn vastgesteld? Of duidt wellicht dat beroep op den nacht aan, dat men niets tegen de wonderen kan inbrengen wat het daglicht kan velen ? De rationalistische wetenschap zal wel met de psycholochische opwinding voor den dag komen en trachten deze bij enkele genezingen als vaststaande te doen doorgaan. Wat zou echter de grootste opwinding der blinde baten, wier gezichtsvermogen verdwenen is (n0. 1) ? Wat wil men daarmee aanvangen bij een l1/3-jarig kind (nn. 7), en wat zou zij eindelijk vermogen bij lupus, beeneter en organische stoornissen (nos. 2, 3, 8, 10). Mogen intusschen de twijfelaars doen wat zij niet laten kunnen. Er moeten nu eenmaal lieden zijn, die niet gelooven, ook al zou er een uit de dooden opstaan. (Luc. 16, 31). Voor alle anderen, voor de kinderen der Kerk in het bijzonder, zijn âde wonderen van Trierquot; eene openbaring van de heerlijkheid Gods en een nieuwe bevestiging Zijner Kerk voor de gansche wereld, en daarover verheugen wij ons oprecht. Dat Z. D. 11. de bisschop van Trier in het belang van het grondigste onderzoek ons twee jaren op de openbaarmaking heeft laten wachten, verdient te meer aller dank.quot;
DE VERTALER.
INHOUD.
Biz.
Voorwoord..........................1
Inleiding. Het wonder in algenieenen zin . . . 7
Mogelijkheid der wonderen........10
Het kenteeken van het wonder......14
Bewijskracht der wonderen.........21
Akten...............31
A. Wonderbare genezingen........35
B. Gunstbewijzen...........111
Slotwoord.............278
Naschrift..............282
Amstelodami, H. J H. Eusciieblatt,
21 Jlbvembris 1894. Libr. Cms.
|
Biz. | |
|
1 | |
|
⢠7 | |
|
. 10 | |
|
. 14 | |
|
. 21 | |
|
. 31 | |
|
. 35 | |
|
. Ill | |
|
. 278 | |
|
. 282 | |
|
LATT, |
I |
|
hr. Cms. |
lt; f [ ! |
.