H E T
FEMINISME
nooit
Mquot;. S. R. STEINMETZ.
LEIDEN,
S. C. VAN DOESBÃRGH. 1899,
Van denzelfden Schrijver zijn verschenen:
âEthnologische Studiën zur Ersten Entwicklung der Strafequot;. Leiden, Van Doesburgh, 1894, 2 Dln.
âDe âFosteragequot; of Opvoeding bij vreemde Familiesquot;, Tijdschrift van het Aardrijkskundig Grenootschap, 1893.
âVooruitgang in Ethnologie en Folklore,quot; De Gids, 1893.
âEine neue Theorie zur Erkliirung der Grottesurtoilequot;, âGlobusquot;, 1894.
âSuicide among Primitive Peoplesquot;, The American Anthropologist, 1894.
âHet goed Recht van Ethnologic en Sociologie als Universiteitsvakkenquot;, Nyhoff, 1895.
âMoralischer Folklorequot;, Am Urquell, 1895.
âVerheffing en Bevrijding der Vrouwquot;, Los en Vast, 1895 en 1896.
âGodsdienst en Wetenschapquot;, Los en Vast, 1895.
âEndokannibalismusquot;, Mittheilungen der Anthropologischen Ge-sellschaft in Wien, 1896, ook apart.
âLa Méthode de la Sociologiequot;, Annales de l'Institut International de Sociologie, II, 1896.
âContinuitat oder Lohn und Strafe im Jenseits der Naturvülkerquot;, Archiv fiir Anthropologie, 1897.
âVerwaarloosde Wetenschappenquot;, Tijdspiegel, 1898.
âLes Sélections Indirectes ou CoroUairesquot;, Ann. d. l'Inst. Internat, de Sociologie IV, 1898.
âDie Organische Socialphilosophiequot;, Zeitschrift fiir Socialwissen-schaft, 1898.
âDas Verhaltniss zwischen Eltern und Kindern bei den Natur-völkernquot;, Z. f. Social wissenschaft, 1898.
âGli antichi Scongiuri giuridici contro i debitoriquot;, Eivista Italiana di Sociologia, 1898.
âL'Abolition de la Guerrequot;, réponse a une enquête de L'Humanité Nouvelle, 1899.
Haycraft: âDarwinisme en Maatschappelijke Vooruitgangquot;, vertaald onder toezicht en met ecne voorrede van Mr. Steinmetz, 's Gravenhage, Loman en Funke, 1897.
FEMINISME
DOOR
MH. S. R. STKINMETZ.
LEIDEN,
S. C. VAN DOESBÃRGH. 1899.
ucidkn: boekdrukkerij van l. van ni ft er ik iiz.
Het volgende is een overdruk van mijn opstel (âHet Feminisme in engeren zin een Sociaal gevaar'1) in âEvolutiequot; van het vorige jaar geplaatst, maar hier en daar aangevuld.
Het Naschrift tverd opgesteld naar aanleiding van de polemiek, tegen dat opstel in genoemd tijdschrift gevoerd.
S. R. Steinmetz.
Januari 1899,
.
.
Men heeft er zich over verwonderd, naar aanleiding van de waarschuwing, die ik op het Congres ter Bevordering der Openbare Zedelijkheid liet hoeren, hoe een man nog zóó conservatief kan zijn, dat hij niet meegaat met de feministen.
Wat noemt men conservatief? Ik noem alleen hem conservatief, die het bestaande wil handhaven, omdat hij er zich wèl in bevindt, omdat iedere verandering voor hem en zijn kring allicht gevaarlijk wordt, naar zijn inzicht. En ik noem bij uitbreiding ook nog conservatief, wie uit traditie of sleur de werkelijkheid niet wil zien, zooals zij is, wie nog meent, dat er maar heel weinig gebrek geleden wordt en dat haast ieder een bevredigend leven leidt. Deze egoïsten en denkluien noem ik conservatief.
Maar hen, die wijzer en wijder in kennis zijn dan de gewone kwakzalvers en panacee-uitroepers, noem ik niet conservatief.
6
Wie volkomen eerlijk het einddoel wil: het mooist leven van het grootst mogelijke getal tot in de verste toekomst, en tevens meent, dat men dit alleen nader komen kan door op alle factoren, op alle krachten die hierop invloed hebben, te letten, zoo een is waarlijk geen conservatief; integendeel hij alléén staat absoluut tegenover de tevredenen en de denkluien. Al de dwepers zijn conservatieven in spe; als hun illusie vervuld is, dan zijn zij tevreden en dan smalen zij op de illusie der anderen: de grootste vijand van een profeet is een andere profeet.
Mij dunkt, alleen dat algemeene einddoel moet men onwrikbaar, mag men hartstochtelijk willen; de wegen er heen moet men nuchter, kritisch, zoo streng mogelijk beoordeelen, want men gaat niet alleen en vallen is geen vaartversnelling.
Blind vervolgen van een lievelingsplan, meest niet meer dan de projectie van een eigen behoefte, is een zeer menschelijke fout, zeer vergefelijk, maar 't is geen ideaal, geen deugd, men moet 't niet opdringen.
Bij de bestrijding van een zoo vage, zoo slordig omschrevene leer als het feminisme, valt mij de uitspraak van een sociaal-demokratisch werkman in, die op naïven orakeltoon verklaarde: het socia-
7
lisme is alles wat volmaakt goed is en ook alleen dat; wanneer men dus aantoont dat dit of dat niet volmaakt goed is, welnu, dan behoort dat ook niet tot het socialisme! â Op deze manier wordt kritiek moeielijk. Precies zoo gaat 't meestal in een debat over feminisme; bespeurt de feijiinist dat dit of dat onhoudbaar is, dan verklaart 'hij j 't ook niet tot 't feminisme te behooren, al verdedigde(liij het daareven ook met alle kracht. Zoo'n debat is een vervelende guerilla.
Laten we dus eerst eens vaststellen, welke leer feminisme moet genoemd worden. Dat is niet gemakkelijk, want het leger van al degenen, die zich feministen noemen, bevat zeer heterogene elementen, die op den duur eikaars vijanden zullen worden. Voorloopig houdt hen de gemeenschappelijke vijand, de nieuwe geestdrift en de behoefte aan eikaars hulp bij het geringe getal van allen bijeen. Die vereeniging van allerlei strijdige leeren wordt hierdoor nog bevorderd, dat de meesten niet weten, wat zij willen. Hun gevoel is getroffen door eene of andere fout en eigenlijk willen zij alleen verbetering hiervan, maar daar zij hoegenaamd niet aan sociologisch denken gewoon zijn, bevroeden zij noch de voorwaarden, noch de gevolgen van de door hen begeerde maatregelen. Het kost niets geen moeite hen te doen gelooven, dat de direktste en
8
eclatantste maatregel tot het bereiken van hun doel ook de beste is, al zou die in waarheid en op den duur ook de denkbaar slechtste zijn. In hun eenzijdige drift om hun ééne doel te bereiken, aanvaarden zij met genoegen consequenties, die hun in den grond veel dierbaarder belangen bedreigen. Het is mij meer dan eens overkomen, dat eene persoon, in het begin van een debat maar eene kleinigheid in zede of wet veroordeelend, op het einde de meest radicale eischen deed, vaak zonder dat zelve in te zien. En omgekeerd heb ik bijgewoond dat eene, die verklaarde op het uiterste standpunt te staan, bleek van de eerste consequenties daarvan diep afkeerig te zijn.
Zoo kan het zeer wel gebeuren, dat wie het feminisme bestrijdt, heftig aangevallen wordt door personen, die eigenlijk minder hervormen willen dan hij. Alleen is het woord, dat een vage leus aanduidt, hun innig lief.
Laten we nu in al die fouten niet vervallen en precies aangeven wat we onder dien heel weinig zeggenden term verstaan.
En omdat die term nu eenmaal een leus is en leuzen een groote aantrekkingskracht feitelijk bezitten, lijkt me die bepaling van groot belang. Ik geloof dat de tegenstanders van de uiterste richting wel zullen doen hierop aan te dringen, want nu
9
genieten de uitersten den hun niet toekomenden steun der gematigden, en worden de gematigden veroordeeld, omdat zij door hun eigen schuld vereenzelvigd worden met de uitersten. Wij moeten dus voortdurend heldere, scherpe definitie van beginselen eischen.
Nu zou ik dien naam van feminisme, berucht en verheerlijkt, willen hechten aan de uiterste richting alleen, aan die welke principieel van de in deze maatschappij heerschende opvatting verschilt, en niet aan die richtingen, welke hoe vele en hoe groote verbeteringen ze ook verlangen, toch blijven in de lijn waarin onze maatschappij zich beweegt: niet de verlengde weg, maar alleen de afwijking heeft recht op een nieuwen naam. Deze overwoging wordt hierdoor gesteund, dat alleen zij, die bij meerdere zelfkennis zich zelve tot die uiterste richting zullen rekenen, op dien naam zullen aanspraak maken, want de anderen verwachten voor do fouten, die hun aandacht trekken, meer heil van de algemeene verbetering der maatschappij, zonder van die kritiek een nieuw beginsel te maken. Zoo allo kerkelijke partijen en de sociaal-demokraten, die zeggen, wanneer do maatschappij in onzen geest verbeterd is, dan is het lot der vrouw tevens volkomen goed geworden.
Ik zal nu trachten aan te geven de groep van
10
eischen en opvattingen, wier geheel naar mijne meening op de genoemde gronden met den naam van feminisme moet onderscheiden worden. Het kan niet uitblijven of vele zich noemende feministen zullen hierin niet hun lievolingsidee herkennen en dus mijn schets verontwaardigd afkeuren. Ik heb er ondervinding van. Dat komt, doordat hun enthousiaste oogen nog niet opengegaan zijn voor het feit, dat de groote groep der ontevredene, hervorming verlangende vrouwen allesbehalve eensgezind is en zich toch met een zelfden naam aanduidt. Ook dit artikel zal dit nog niet veranderen. De gematigde heeft een zekere bewondering voor den radikaal, die trouwer, eerlijker, overtuigder lijkt en wiens ideeën aan de massa genialer schijnen; die bewondering leidt er toe, dat allen graag den radikaalsten naam voeren.
Die eischen en opvattingen van het feminisme in engeren zin zijn de volgenden:
1) voor man en vrouw (getrouwd of niet) dezelfde (niet slechts evenvele) rechten en plichten, dezelfde positie en dezelfde taak in de maatschappij;
2) de getrouwde vrouw zij juridisch geheel onafhankelijk van haren man, en, volkomen logisch, wordt dus ook de voorwaarde hiertoe geëischt, nl.:
3) do oekonomische zelfstandigheid der getrouwde vrouw, das waar zij geen eigen fortuin heeft, mod
11
zij, hoewel getrouwd, tevens een maatschappelijk beroep vervullen;
4) is deze wenschelijkste oplossing onmogelijk, dan worde haar werk als huisvrouw en opvoedster der kinderen door haren man betaald als ander beroepswerk;
5) de huishouding, het huwelijk, het kinderen krijgen en opvoeden mogen niet langer de hoofdzaak zijn in het leven der getrouwde vrouw en vooral haar niet geheel vervullen '), zij leve direkt in en voor en van de maatschappij, evenals de man;
6) de ongetrouwde vrouw worde opgevoed en behandeld geheel gelijk oen man, zonder aanmerking van eventueel huwelijk of moederschap;
7) de moeder blijve hare sociale betrekking vervullen, voor de kinderen zorge eene dienstbode of ze sture ze naar de crèche en de school; niet iedere moeder is voor kinderopvoeding geschikt, en iedere onderwijzeres wel; een half uur per dag de moeder hebben is genoeg voor een kinderhart;
8) produktieve arbeid (in oekonomischcn zin), beroepsarbeid maken alleen tot een volgerechtigd mensch, zelfstandigheid en onafhankelijkheid wor-
1) Doctor Kiithe Schirmacher zegt uitdrukkelijk; in het leven der toekomstvrouw âwird die Liebe auch eine liolle spielen!quot; (de curs, is van my). ^
12
den als hooge, haast ieder offer waardige doeleinden beschouwd;
ü) het physiologisch verschil tusschen man en vrouw wordt natuurlijk niet ontkend, maar men is zeer afkeerig te erkennen, dat dit verschil gepaard gaat met en ten gevolge heeft zeer groote verschillen tusschen man en vrouw in zedelijke en verstandelijke aard en vermogens;
10) en vooral is men volslagen onwillig gevolgen hiervan op het sociale leven, de sociale positie en de algemeene taak van man en vrouw toe te laten, allerminst deze gevolgen in wetgeving of zede te sanctioneeren;
11) volkomen miskenning van het feit, dat in de voortdurende ontwikkeling, steeds aangepast aan de veranderde toestanden, van de differentiatie tusschen man en vrouw, juist het heil voor de maatschappij zoowel als voor de individuen ligt.
12) Zij ontkennen, dat het lichamelijk en geestelijk verschil tusschen man en vrouw de basis moet zijn voor alle arbeidsverdeelmj tusschen hen en voor de regeling van hunne verhouding in wet en zede.
Deze eischen en opvattingen vormen samen een logisch geheel; wie een gedeelte aanhangt, zal vroeg of laat tot de ontdekking komen, dat hein de rest ook sympathiek is, en wat meer zegt, ook objectief hangen zij eng zamen, ook in de werkelijkheid
13
zal de vervulling van een de/^r eischen tot die der andere moeten voeren en onvermijdelijk tot de genoemde opvattingen leiden, of men dat dan wil of niet, Of men wil of niet, hierop moet ik den nadruk leggen, het wordt te vaak vergeten: in de natuur, en ook in de maatschappij, brengt het eene onvermijdelijk hot andere mee, men kan niet dit accepteeren en aan dat ontsnappen: men kan niet de krenten uit het brood eten, de heele boterham of niets. Voor de in sociologisch denken ongeoefenden, voor de âik-wou-graag-geestenquot; is dit uiterst moeilijk te aanvaarden; maar alle geschiedenis en alle sociale wetenschap is er bewijs voor.
Wie nu een stuk niet wil, dat onbreekbaar aan een ander stuk verbonden is, die moet kiezen: of niets öf beide stukken! Dralen en aan den voorkant trekken in de hoop dat nu deze ééne keer de achterkant eens niet mee zal gaan, is kinder-bedrijf. Kies en resigneer, als een volwassen mensch!
Ik geloof, dat de i. e. z. feministen het opgesteld program wel als het hunne zullen erkennen en dat vele anderen er wel meer sympathie voor zullen voelen, dan zij erkennen willen.
Ik herhaal nu, dat het naar mijn inzicht praktisch zou wezen alleen de aanhangers van dit program feministen te noemen, daar zij alleen principieel afwijken van de heerschende opvatting over
14
de verhouding tusschen man en vrouw, terwijl de anderen tevreden zouden zijn met verbeteringen, doorvoering en ontwikkeling, steeds op de bazis van het verschil tusschen beide geslachten.
In alle gevallen versta ik hier en elders onder feminisme alleen het genoemde program, en ik vorklaar uitdrukkelijk alleen dit program en zijn aanhangers te bestrijden. Het blijkt duidelijk uit de polemiek door âEvolutiequot; tegen mij gevoerd '), dat de redactie het door mij opgestelde program vrij wel aanvaardt. Alleen: wat ik als een gevaar beschouw, is voor haar het ideaal.
Zonder hier op ieder punt van 't program in te gaan, zal ik nu trachten aan te toonen, dat zijn vervulling voor de toekomst van het volk, waar dat gebeurt, in hooge mate schadelijk en zelfs zeer gevaarlijk zou zijn, en dat het feministisch program dus afgekeurd, het feminisme veroordeeld moet worden.
Nu is het me al voorgekomen, dat iemand hierop antwoordt: maar dat kan me niets schelen, dat laat me geheel koud, of dat volk al ondergaat! â
1) Nummers van 14 en 30 Deeember 1898. Goedige freules moeten zich en anderen niet langer om den tuin leiden: he]L., feminisme juicht in de opheffing van het gezin, zie âEvolutiequot;, p. 158. Ook de dames M. Gr. Kramers en M. M. zijn het met de redactie eens.
15
Met uw verlof, als ieder volk, waar feminisme heerscht, ondergaat of verzwakt, zoolang dat blijft heerschen, dan kan het stelsel zich nooit uitbreiden, daar zijn drager telkens verdwijnt; uiterst gevolg zou dan desnoods zijn de achteruitgang van het geheele menschdom. En nu zal weer een fanatiek pessimist antwoorden: ook dat is me onverschillig! â Goed, maar dan verklaar ik, dat er voor eene zoo voelende persoon geen enkele maatstaf ter toetsing van een socialen maatregel of stelsel bestaat, dat eene zoodanige dus ook objectief niets goed of verkeerd kan noemen, en dat haar oordeel alleen zuiver subjectief, dus ons volkomen onverschillig moet wezen. Voortbestaan en bloei
van het volk, en bij uitbreiding, van de mensch-iieid moet en kan onze eenige maatstaf wezen.
En nu mijn bewijs!
Het heele feminisme in eng er en zin, volgens het genoemd program, culmineert' wel hierin, dat de vrouw, gehuwd of niet, zelfstandig beroepswerk moet verrichten.
Zal zoo'n beroep de beschaafde kloeke vrouw bevredigen, dan moet het niet tot de lagere rangen beperkt blijven, dan moet de vrouw evenver kunnen komen als de man, en om te concurreeren,
16
moet zij dus met volle kracht zich inspannen. Wanneer de begaafde jonge vrouw na groote en langdurige inspanning een bevredigenden werkkring heeft verkregen, dan is zij al wat ouder, kritischer, veeleischend, meer gedifferentieerd van karakter, zij zal dus niet licht een man naar haar smaak vinden; en daar haar leven reeds in vele opzichten bevredigend is, zal zij licht ongetrouwd blijven, of op zijn mooist zal zij veel kans hebben den uitverkorenen eerst laat te leeren kennen. Gewoon aan een goed eigen inkomen, moet zij, wanneer zij haar beroep wil opgeven, ook een man met een dubbel goed inkomen vinden, wat de kansen op een spoedigen vondst alweer kleiner maakt.
Conclusie: de begaafde beroepsvrouw zal licht niet of laat trouwen, en, eenmaal getrouwd, dus minder kinderen krijgen'). Versterkt wordt dit door de waarschijnlijkheid, dat zij niet door het moederschap geabsorbeerd zal willen worden; zij zal dus de concepties spatieeren etc.1). Natuurlijk zullen er uitzonderingen zijn, maar eene algemeene tendentie in deze richting onder de bedoelde vrou-
1
De intellectueeie Trouw vertoont die neiging nu reeds sterk, zooals ieder kan waarnemen. Het begeeren van een groot gezin is een sociaal verschynsel, in liet geheel geen aangeboren, onuitroeibaar instinct.
17
wen zal wel niemand ontkennen. Men denke er aan, dat de hooger strevende of meer eischende man in het algemeen reeds veel later trouwt, datzelfde moet voor de vrouw minstens ook gelden, en dit zal nog ernstiger gevolgen hebben.
Conclusie: later en minder huwelijken van de
begaafdere vrouwen,
De vrouw, die in het huwelijk haar beroep blijft vervullen, hetzij omdat zij het lief heeft, hetzij omdat zij het hooge inkomen begeert, zal onvermijdelijk eene neiging hebben om hot getal kinderen te beperken; zwangerschap en bevalling en eerste verpleging van het kind eischen altijd eenige kracht en ijver, meestal veel, vaak héél veel. Voor het beroep is dit lastig, schadelijk; de neiging moet ontstaan en zeer sterk worden om die nadoelen te beperken en zoo al een enkel, dan toch zoo weinig kinderen als maar mogelijk te krijgen. Strenge concurrentie, groote liefde voor het beroep, gevoelige constitutie zouden deze neiging vaak versterken '). Bus van de begaafdere vrouwen, die er in slagen een
1) Dr. (i. Jelgerama: âNaarmate de vrouw het werk van den man begint over te nemen, blijkt bet duidelijker, dat de organisatie der vrouw in menig opzieht tekort sehiet.quot; Vandaar veel neurasthenie onder onderwijzeressen, telegrafisten enz. âLeerboek der functioneele Neurosenquot;, 1 (1897), p. 34.
2
18
goed Inroep te vervullen, weinig kinderen! Men kan in Parijs, in Australië en in de Oostelijke Ver-eenigde Staten dit alles in praktijk zien.
In Nieuw Zuid-Wales zijn van 188bâ1892 veel meer vrouwelijke kostwinsters gekomen, vooral in de âprofessions libéralesquot;, en â zijn de huwelijken veel later geworden. De goed betaalde vrouw haast zich niet te trouwen, maar is dan ook minder vruchtbaar. In de Oostelijke Vereenigde Staten hetzelfde: een heir van advokatessen, â maar nog minder kinderen dan in Frankrijk!').
Waar het eenmaal zede is, dat de getrouwde vrouw een vak uitoefent, zullen alleen zij, die niet genoeg gezondheid, energie of verstand bezitten, dit nalaten; wie het niet zoo ver brengt, zal geminacht worden, en dus zal ieder zich inspannen, die eenigszins de capaciteiten heeft. Alleen de domuien, zwakken, slappen zullen zich dan exclusief aan het moederschap wijden. Zoo goed als nu de man wat meer verdient, omdat hij vrouw en kinderen moet onderhouden, zal hij dan minder verdienen,
1) âLe retard de l'age du mariage résulte lui-mêrae en grande partie du mouvemeut féministe si puissant dans ces pays.quot; I'. Leroy-Beaulieu, âLes Ncmvelles Sooiétés Anglo-Saxonnesquot; (1897): p. 188, 189, 221 â 223. Van 1887â1891 in Connecticut 22,5 geboorten jaarlijks op 1000 inwoners, in Frankrijk 2.5! Verg. Von Mayr, âStatistik und Gesellschaftslehrequot; II (1897), p. 177.
19
daar de vrouw eigen inkomen heeft; dit zal haar dwingen ook na haar huwelijk haar beroep te blijven vervullen.
Conclusie; weinig kinderen van de beste vrouwen, vele van de zwakke exemplaren, voorttee-len uit de minst wensciiku.ike individuen.
Algemeen gevolg van beroepsarbeid der getrouwde vrouw als regel: minder kinderen, en die meer uit de mindere, minder uit de betere vrouwen, dat js: snelle en grondige achteruitgang van het volk ').
Zoo'n volk wordt verdrongen door andere, niet feministische volken, die, zoodra zij het verderfelijk en leelijk stelsel toepassen, op hun beurt zullen ondergaan.
Wat spant men zich in om best, allerbest fokvee van heinde en ver te winnen en met alle zorg te behouden; welk een oplettendheid bij het teelen
1) Hoe grooten invloed op hot nageslacht het meer kinderen krijgen van den een, het minder kinderen krijgen van den ander heeft, blijkt uit deze cijfers: wanneer in eene familie gedurende 4 geslachten telkens 4 kinderen trouwen en ieder weer 4 kinderen groot brengen, zal het getal van haar nakomelingschap 256 bedragen, in eene familie van telkens 13 kinderen nog 81, in eene van telkens 2 kinderen slechts 16!
20
van rashonden! En voor het menschelijk nageslacht zou men hiermee in lijnrechten strijd handelen!
Voor het menschelijk nageslacht moet meer, niet minder zorg aangewend worden.
Voor wie eenigszins in staat is deze soort van argumenten te waardeeren'), meen ik nu reeds bewezen te hebben, dat de beroepsarbeid der getrouwde vrouw de ondergang van het volk zou beteekenen.
Het tweede gevaar zou dit zijn, reeds op het Congres door mij aangewezen: oplossing van het gezin.
Men kan de gevolgen van eene verandering nog niet waarnemen in de praktijk, zoolang die verandering nog niet algemeen is doorgedrongen, zoolang feitelijk nog de oude toestand en de oude opvatting heerschen. Daarom beteekent ook een beroep op een enkel gunstig voorbeeld van de nieuwe orde niets, eenvoudig niets. Wanneer een nieuwe gemeente onder vervolging ontstaat, gaan alleen de helden tot haar over, maar daarom zal zij, eenmaal erkend
1) Anders geve men zich de moeite ze eerst te leeren waardeeren, b. v. met hulp van Hay craft's âDarwinisme en Maatschappelijke vooruitgangquot; (1897).
21
en algemeen geworden, niet louter helden bevatten.
De oekonomisch zelfstandige vrouw zal ook juridisch zelfstandig willen en moeten zijn, onafhankelijk, ook van den vader harer kinderen. Het los worden van den band tusschen ouders en kinderen overal daar, waar de laatsten vroeg en zonder ouderlijke hulp in hun onderhoud kunnen voorzien, (wilden en fabrieksbevolking) wijst duidelijk op dit gevolg1).
Hef feminisme moet onvermijdelijk tot âvrije liefdequot; voeren, d. i. tot echtscheidingen zoo vaak men maar wil, zonder eenigen dam in wetgeving, gewoonte of publieke opinie.
Vrije liefde is niets dan de sexueele vorm van de vrijheid en zelfstandigheid der beroepsvrouw.
Het eene speelkindje, dat haar beroep haar desnoods nog toelaat, kan zij zelve wel onderhouden. Zij is dan waarlijk geheel vrij, en â bevrijdt ook den man.
Waartoe zou zij, de oekonomisch zelfstandige, hem langer binden? Met welk doel? De vrouw heeft dan den man niet langer noodig.
1
Zie eenigo interessante gevallen in J, Wolf, âDas Verhiilt-niss von Eltern und Kindern bei dem Landvolk in Dentsehlandquot;, Z. f. Social'vissensehaft, 1808, p. 715 en vofg. Verg. ook Marx, âDas Kapitalquot; I (1872), p. 4913.
22
Is het niet waar, dat vele feministen hierin juist het ideaal zien?
De met polygame neigingen haast in den regel behepte man herneemt die vrijheid gaarne. En dan staan we weer aan 't begin der geschiedenis, man en vrouw eikaars concurrenten, niet dan voorbijgaand verbonden, het zeer kleine gezin alleen steunend op de moeder (het gezin van den wilde was klein door overgroote kindersterfte, daar de moeder het te slecht kon onderhouden), de man hervattend de oude ongebondenheid, met hier en daar eene idylle.
Nu antwoordt men mij zeker: âmaar dat willen wij in het geheel niet!quot; ik geloof het gaarne, maar het doet er niets toe, wat u wilt of wenscht; het komt alleen aan op uwe daden en hun gevolgen. Uw wenschen beheerschen die gevolgen niet. Denkt er aan.
Naïeve zielen kunnen zich hier niet indenken. Zij maken er zich boos om; zij zeggen; wat! A is hinderlijk, mag ik A nu niet omgooien? â wanneer u A omgooit, vallen B, C, D, etc. etc., die er op steunen, ook! durft u dit aan? mogen wij u dit toestaan?
Maar moet dan de vrouw hare zelfstandigheid opofferen aan de maatschappij, aan de toekomst? â ja, aan de toekomst barer kinderen, die alleen verzekerd is in het gezin, bij de enge samenwerking
en de arbeidsverdeeling van man en vrouw, bij de wederzijdsche af hankelij kheid.
Het feministisch program: vrije liefde van de ouders, crèche en kostschool voor de kinderen, biedt geen waarborgen aan voor de gelukkige jeugd en de goede opvoeding van het nageslacht. En dit is wel de moeite waard.
De man brengt groote offers aan het gezin, waarom de vrouw niet? de man offert zijn zinlijkheid, zijn luiheid, zijn vrijheid, de vrouw hare zelfstandigheid, haar luimen, hare vrijheid. Wie offert meer?
Men begrijpe toch, wat feitelijk den man aan het gezin bindt, is de behoefte van vrouw en kinderen aan zijn arbeid en steun, niets anders. Verminder die behoefte, met hoe goede bedoelingen ook (die doen er niets toe!), en go maakt den man vrij, los van het gezin. De bevrijding van de vrouw zou zijn de losbandigheid van den man.
De band van het gezin is nergens losser, dan daar, waar de vrouw vrij wel alleen in het onder-houdsminimum van zich en een paar kinderen kan voorzien: dus in de periode der oerverzameling, en daar waar zij een lagen landbouw uitoefent en do man jaagt of handelstochten maakt, en ook weer in liet modern proletariaat.
Do winst van duizenden jaren kultuurarbeid is geweest: de verheffing van het gezin, de temming
24
van den man, de reserveering van de vrouw voor het gezin.
En nu wilt gij, feministen (i. e. z.), ons terug werpen, al dien arbeid opheffen, ter wille van uw egoïsme!
Weest dan volledig individualist, en leeft zelve zooals gij wilt, maar geeft niet voor de maatschappij te willen verbeteren, wier toekomst u feitelijk onverschillig is.
Het tweede gevaar van het feminisme is dus:
oplossing van het gezin, demoralisatie van den man, slechte opvoeding van het kind.
Men zal mij tegenwerpen; de nood dwingt, het feminisme is de eenige uitweg!
Ik ontken die dringende behoefte aan verbetering der wetten en vooral der toestanden waarlijk niet, maar wel ontken ik, dat het feminisme de eenige of de beste redding uit dien nood vormt.
Gij zegt; âin de behoeften der vrouwen moet voorzien en beter voorzien worden.quot; Zeker. âEn dus moet zij voor zich zelve zorgen.quot; Keen, de man moet voor haar zorgen, maar beter, werkelijk.
Ik dweep evenmin als gij met den bestaanden toestand, maar ik zoek de principieele verbetering-langs anderen weg.
Niet de dubbele taak op de schouders der vrouw;
25
kostvordienen èn nageslacht kweeken. Neen,'teene voor den man, 't andere voor de vrouw. De richting der beschavingsgeschiedenis wijst op steeds verhoogde zorg voor het kind, langere duur der verpleging door de ouders '). Steeds beter zien wij de waarde van een goed gewonnen, goed opgevoed en verpleegd nageslacht in: de vrouw zij nu voor die zware, heerlijke taak steeds meer gereserveerd !
Wij zijn op het punt de echte moeder hooger dan ooit te schatten, en nu zoudt gij onder de leuze van vooruitgang haar willen belasten met geheel ander werk, dat de mannen zelf kunnen doen. Kan het dwazer, onpraktischer?
Wij willen niet terug, maar vooruit! Eindelijk brengt de maatschappelijke evolutie ons tot do verlossing der vrouw van het mannenwerk, tot het inzicht, dat de vrouw en de moeder een eigen, hooge taak hebben te vervullen. En nu wilt gij ons terugwerpen tot de noodtoestanden van wilden en moderne proletariërs! Al de ellende, die âde vrouw in de fabriekquot; over haar gezin brengt, wilt
1) Verg. de mooie btudie van Sutherland: âOrigin and growth of the Moral Instinctquot; (1898) I, p. 20â-158; verg. ook mijn âDan Verhilltniss zwischen Eltern und Kindern bei den Natur-vólkern,quot; Z. f. Social wissenschaft 1898, p. G07 seq.
gij nu uver heel de maatschappij uitstorten, als weldaad, als ideaal!1).
âMaar, zegt gij: die vele jonge meisjes die niet zoo spoedig trouwen en de vele vrouwen die ongetrouwd blijven! ook ondanks uwe maatregelen zal hun getal zeer groot blijven, moeten zij dan niet werken?quot;
Die ongetrouwden zijn te verdeelen in vijf groepen.
1) De rijken. Voor hen is onbetaalde arbeid in overvloed, in philanthropie, maatschappij, kunst, wetenschap te vinden; het behoort tot de gewone moraal hun luiheid en genotzucht te overwinnen; dit is geen belangrijk vraagstuk; 't staat gelijk met het luieren der jonkers.
2) De in valleden van allerlei soort; het later trouwen heeft tot gelukkig gevolg, dat zij niet bij vergissing' tot een huwelijk komen; de lichtere invaliditeit openbaart zich meest na het twintigste jaar, hun ongeschiktheid voor huwelijk en voortplanting blijkt nu bij tijds, in 't algemeen een geluk voor het nageslacht en ook voor hen.
8) Do buitengewoon begaafden en de gewoon begaafden die oen afkeer van het huwelijk hebben, geen verlangen naar het moederschap.
1
Mâ¢0 J. E. Snhmahl wijst uitdrukkelijk op het reactionaire in het feminisme, zie âL'Avenir du Mariagequot;, in Nouvelle Revue 1896, p. 584, 589, 597.
â¢11
4) Do talrijke meisjes eu vrouwen, die, hoewel ongehuwd, toch onmisbaar zijn in hun eigen gezinnen, als verpleegsters van invaliede ouders, bij dood van de moeder haar vervangend bij de jongere zusjes en broertjes, steun van de moeder in groot gezin, etc.
5) Het groote getal van ongetrouwden, die in eigen kost moeten voorzien.
Eerst een enkel woord over do 4e soort. Do echte feministe wil van dien huisolijkon arbeid, als onbetaalde hulp, niets weten. Haar advies is hier: laat die vrouw oen beroep' vervullen en liever een gehuurde hulp voor het gezin betalen! Maar de meeste loonon laten dit niet toe, en is gehuurde hulp dan altijd de beste? Het past wel in het systeem: hot kind in de crèche en voor de oude moeder oeno verpleegster! Leve de vrijheid van den loonarbeid, dien de arbeiders slavernij noo-men! â Breken zulke oplossingen het gezin niet af?
Do feministe (i. o. z.) droomt alleen van vrijheid en zelfstandigheid, het gezin bestaat uit zelfopoffe-ring en solidariteit.
Wat nu onze groep betreft, do min of meer begaafde van hot huwelijk afkoerige â ik weet maar één voorschrift: men late hen volkomen vrij, maar moedige hen ook niet aan! Het is gevaarlijk, dat de massa der kloeke, verstandige vrouwen door
28
feministische praktijken laat zou trouwen en heel weinig kinderen krijgen, maar het is uitstekend, dat de voor het huwelijk ongeschikte vrouw niet trouwt en dus zelve helpt haar type te doen uitsterven. Men dwinge haar dus niet door bemoeilijking tot een huwelijk.
Maar vooral, men zorge dat het type zich niet uitbreidt, en dat het niet gelde als model, als ideaal. Straks over her eerste deel van deze taak.
De beroepsvrouw voele zich niet als het puikje van haar sexe, de moeder als een armzalig sloofje, te dom om postzegels te verkoopen. Ik weet wel, dat tot dusver hiervoor weinig gevaar bestaat, maar de geschiedenis heeft toch reeds voorbeelden; men denke slechts aan Athene's bloeitijd! Wanneer de beste, de begaafdste vrouwen tot het beroepswerk worden getrokken en verleid, dan zou langzamerhand, waar tevens de ongebonden zelfstandigheid als ideaal werd gesteld, het huismoederschap veracht worden, overgelaten aan de domme, energie-looze vrouwen. Dus: voortplanting uit de minst gewenschten, achteruitgang van het ras!
De vruchtbare huisvrouw, de toegewijde echt-genoote en moeder, levend voor haar gezin, blijve het ideale vrouwentype; niet de romantische jonkvrouw zooals tot dusverre, niet de beroepsdame, maar de moeder en echtgenoote!
29
Laten we nooit zoo banaal worden, dat we vaasjes of sonnetten maken, hooger achten dan het maken van een gelukkig, goed mensoh! Welk een ver-eeniging van mooie eigenschappen is er noodig om zoo'n mensch voort te brengen en op te voeden.
Het feminisme overschat het intellectueele werk in de maatschappij, en meet hoogst eenzijdig allen af met dien eenen maatstaf van het intellectueel vermogen. De feministen schijnen kennisdorst voor eene algemeene menschelijke eigenschap te houden, mij dunkt, de feiten bewijzen dat die dorst bij haast allen met één slokje bevredigd wordt; do rest moet ingegoten worden. Ik ben jaren lang repetitor van studenten geweest en ik heb jaren lang cursussen en clubs van werklieden geleid. De studenten en de werklui, de dames en de dienstmeisjes, de winkeliers en de heeren, die ik heb leeren kennen, hebben mij nooit doen vermoeden, dat kennis een genot was, behalve voor zeer weinigen. De massa bezield door kennisdorst! â dol paskwil. Man en vrouw gescheiden door verschil in kennis, â natuurlijk zal 't wel eens voorkomen, maar hoe weinig oog voor proporties moet zij hebben, die dit geval ook maar veelvuldig acht.
En dan: waar de wetenschappen en de technieken steeds meer gespecialiseerd worden, de strijd om het leven steeds intensiever wordt, daar zal de
30
kostwinnende man steeds meer zich moeten beperken tot enge beroepsstudie, de huisvrouw met haar veelzijdige]- en emotioneeler werk zich veel oor algemoeno ontwikkeling, diepe en fijne beschaving kunnen eigen maken. In de hoogste en in de laagste (mutat is mutandis) kringen vindt men al voorbeolden hiervan ').
Hoe nuttig do geniale vrouw ook wezen moge als arbeidster, nuttiger dan als geniale moedor kan zij nooit zijn!
En nu een woord over de laatste, talrijkste groep, de vrouwen die werken moeten, omdat niemand voor hen zorgt of omdat de opbrengst van hun arbeid onmisbaar is, dus de massa dor meisjes en vrouwen die nu ook werken voor hun kost. Wat kan en moet er in hun lot verbeterd worden? Dit: dat 't regel worde hou te betalen naar hun verdienste, niet minder omdat zij vrouwen zijn, maar natuurlijk ook dat men precies 'tzelfde van hen eische als van mannen.
Het ware wenschelijk, dat de meisjes alleen zulk werk verrichten, dat hun onbedorven en beschikbaar laat voor het huwelijk, dus gezond werk, dat niet te veel voorbereiding en niet te groote inspan-
1) Juffr. Van Tussenbroek's opmerking tegen I)r. Cox, dat volgens hare indrukken werkmansvrouwen vaak veel intelligeuter waren dan hun mannen, is, geloof ik, hiermee te verklaren.
31
ning eisclit. Of de wetgeving hier veel zal kunnen doen, lijkt mij voorloopig onzeker, misschien indi-rekt, door strenge voorbehoedmaatregelen bij schade] ij kc bedrijven, die het aannemen van vrouwenarbeid daarbij zouden belemmeren. Een zekere werking zal de onvermijdelijke neiging uitoefenen, voor de meisjes-opleiding niet zooveel geld uit te geven als voor die der jongens, immers de eersten kunnen toch ieder oogenblik trouwen, waardoor de opleidingskosten in hoofdzaak verspild zijn. Aan het ergerlijke feit is niets te doen, feministe; o dat ongelukkige huwelijk!
Een zeer goeden invloed zal ook in dit opzicht de loonsverhooging van vrouwenarbeid hebben. Nu worden de vrouwen door te lage belooning uit de hun meer congeniale beroepen vaak verjaagd, en in beroepen waar men liever mannen had, worden vaak vrouwen toegelaten, omdat men hen lager betalen kan '). Hooger, geheel aequivalente betaling van allen vrouwenarbeid zal de juiste verhoudingen bevorderen. Vrouwelijk trade-unionisme is dus, vooral ook in de hoogere beroepen, toe te juichen.
Ook het heroepswerk der ongetrouwde vrouw, die voor haar brood moet toerken, ook hare opleiding
1) Verg. Nitti, âLa Population ot le Système Socialquot; (1897), p. 202.
32
hiertoe, b lijve heheerscht door de eischen van het huwelijk!
Dit moeten wij verlangen, ook al koste het zware offers, omdat het gezonde leven van het gezin hiervan afhangt, en het gezonde gezin de voorwaarde is van individueel geluk en socialen bloei. Op dienzelfden grond, die alleen bevoegdheid geeft tot eenigen maatregel, mogen we dit ook verlangen.
Eigenlijk wordt hier alleen van eenige vrouwen van onze 3e soort een offer geöischt, nl. van de begaafden, die ook voor het huwelijk geschikt zijn. Wij verlangen, dat zij hun geheele begaafdheid aan hun gezin wijden, en niet uit hoe mooi ook gemaskeerd egoïsme minder kinderen aan de maatschappij geven, dan deze van hen juist begeert.
Waar wij dit verlangen, en in het algemeen het gezin verdedigen, en zijn linancieele lasten juist vooral op den man willen leggen, eischen wij toch waarlijk ook groote offers van den man.
Hoe kan zelfs eene feministe dit miskennen?
De toestand, dien wij begeeren, is zeker meer in strijd met de neigingen van den man, dan met die van de vrouw, zooals beide nu nog in het algemeen zijn. De dierlijke, nog zeer onvoldoende gesocialiseerde man zou wel weten te proflteeren van de vrije, voor eigen onderhoud zorgende vrouw: de armere klassen geven hier voorbeelden te veel van.
33
De taak der Inaatschappij zal zijn het huwelijk te bevorderen. Wat kan hiertoe meewerken?
Er is een natuurlijke factor, die langzamerhand op de beste wijze de huwelijken zal vermeerdoren, ui. het LÃtsterven van hen die sterke celibataire neigingen hebben: het onnatuurlijke elimineert zich-zelve1). De kinderen uit ouders, die gaarne vele kinderen kregen en ze met de meeste toewijding en vreugde opvoedden, zullen die dispositie eerder dan eene andere erven, er naar leven en op hunne beurt ze weer voortplanten en verbreiden. Dit is misschien de zekerste wijze, waarop het aantal goede huwelijken vermeerderd zal worden 3).
Wij zijn tegenwoordig ten onrechte genegen die âself-helpquot; der maatschappij te onderschatten, als reactie op de volslagen valsche voorstelling en de overschatting er van door het vroegere optimisme.
In allen gevalle is er geen reden om positieve, expresse maatregelen na te laten, waar we ze kunnen nemen.
Direkte wetgeving (ge- en verboden, premiön) zal hier waarschijnlijk weinig baten, maar des temeer
3
1
Ik veroorloof mij te verwijzen naar mijn opstel: âLa Selection indirectequot;, Annales de I'lnstitnt International de Sociologie IV (1898), p. 401 se(i.
34
mogen we van indirecte maatregelen verwachten.
Om er enkele te noemen: we mogen aannemen, dat de ophooping dor menschen in groote steden weldra hare grens bereikt zal hebben; de veel verbeterde verkeersmiddelen zullen velen in staat stellen de voordeelen van hot buitenleven met de genoegens van de stad te verbinden; deze verbetering zal weder tot vereenvoudiging van het leven leiden en tot hooger schatting van het huiselijk verkeer. Intensieve bestrijding van ontucht en van degradeorend sexueel verkeer, door de sociale en zedelijke verheffing van het volk, zullen de prostitutie tot hare natuurlijke grenzen terugbrengen en bij de geschikte elementen de neiging tot het huwelijk versterken. De beperking van het alcoholisme zal, zoo zij gelukt, wel in dezelfde richting werken.
De kennismaking der jongelui, het gezellig verkeer der bolde geslachten zijn ongetwijfeld van het grootste gewicht voor hot tot stand komen van goede huwelijken. Beide worden nu verwaarloosd, zij verkeeren in een overgangstoestand door de oplossing van de familie (in uitgebreidon zin) en van de buurtschap. Hieraan zal een einde komen dooide steeds betere organisatie van het vrije vereeni-gingsleven.
Aan die organisatie van den omgang en van de kennismaking dor jongelui van beide seksen wordt
35
nu nog te weinig gedacht. Het feminisme leidt ook eerder de aandacht er van af, dan er op. Toch is deze zaak in hooge mate de moeite waard. Vooral in de groote steden wordt het gemis sterk gevoeld, en wel in de hoogste mate bij de jongelui der hoogere bourgeoisie. Hoeveel verdriet wordt hierdoor veroorzaakt, hoevele levens blijven hierdoor leeg en vreugdeloos! Het is wonderlijk, dat nog zoo weinig gedaan wordt om in deze behoefte te voorzien. Als men eens minder plannen smeedde ter wereldverbetering, en liever in eigen kring een frisch initiatief nam!
De betere regeling van de huwelijkswetgeving en van de echtscheiding zal het huwelijk aantrekkelijker maken. Richtsnoer voor die verbetering moet zijn niet de emancipatie van de vrouw, tot dissolutie van het gezin voerend, maar de bescherming van beide partijen tegen misbruiken van de andere.
Ons hoofdwapen tot vermeerdering van het getal huwelijken zal echter voorloopig wel zijn de opvoeding. En intellectueel en moreel is de opvoeding tot nog toe veel te traditioneel, zij is nog niet tot een geschikt middel gemaakt ter bereiking van onze idealenzij droeg nog lang niet zooveel, als zij naar haren aard wel kan, tot verbetering van onze toestanden bij. Onze moraal is nog niet sociaal en onze opvoeding dus evenmin. Dat moet anders worden.
36
Do meisjes moeten grondig opgevoed worden, niet om een man te veroveren, dat gebeurt nog wel, maar om een gezin gelukkig te maken, en de jongensopvoeding moet hetzelfde doel hebben. Maar daar beide andere wezens zijn en dus eene verschillende, de andere aanvullende taak zullen hebben in het gezin, moet hun opvoeding ook niet dezelfde zijn. Coëducatie is dus af te keuren.
Ook de man moet voor het huwelijk opgevoed worden. Hij moet van jongs af op de waarde van de vrouw en van haar taak in de maatschappij gewezen worden; hij moet tot het inzicht komen, dat hij zijn vollen socialen plicht eerst vervullen kan als echtgenoot en vader. Niet het individueel eudamonisme der kerken, maar de sociale moraal moet de opvoeding beheerschen.
Ik geloof, dat wij op deze wijze heel wat bereiken kunnen, een andere waardeering van de vrouw, het huwelijk en het gezin, eene krachtige publieke opinie, die den Don Juan onvoorwaardelijk afkeurt, zonder zweem van stille bewondering, en die het vrijwillige celibaat als gebrek aan sociale plichtsvervulling beschouwt. Mij dunkt, deze omwenteling kan ten minste voor een goed deel door een praktische opvoeding verkregen worden. Wanneer al deze en liefst andere, nog te vinden, maatregelen eenigen tijd gewerkt hebben, zal, hoop ik en durf
87
ik verwachten, onze vijfde klasse van ongehuwde vrouwen sterk gereduceerd zijn en in hoofdzaak teruggebracht tot de vier anderen en tot een zeer groote, maar normale, gezonde rest van jonge, nog niet getrouwde meisjes. Voor hen geldt dan wat ik reeds zeide; laten zij alle werk doen, dat zij verrichten kunnen, betaald naar de verdienste van hun werk. Zij zullen dan als groep geen werk meer begeeren, dat hen voor het huwelijk bederft.
De feminist (i. e. z.) die mij tegenwerpt, dat het niet zoo gemakkelijk zal zijn om tot de door mij verlangde maatregelen en toestanden te komen, dien antwoord ik: uw plannen zullen nog veel meer moeite kosten. De mijne berusten op de feitelijke verhoudingen, op den natuurlijken aanleg der geslachten, en zij liggen in de lijn der evolutie; do uwe zijn in strijd met dit alles.
Ten slotte nog eene waarschuwing: let niet tè veel op de uitzonderingen; generaliseer ze vooral niet; do gewichtigste, de afschuwelijkste, de heerlijkste uitzondering â is nog geen regel. De woordvoerders van het feminisme zondigen sterk hiertegen: de uitzondering trekt hunne verbeelding en hun gemoed zoozeer, dat zij haar voor den regel houden, haar tot maatstaf nemen, misschien geschikte maatregelen tegen haar tot universeele maatregelen willen maken. Volgens hen zijn alle
88
huwelijken ongelukkig, beschikt iedere vrouw over driedubbele krachten, wil ieder individu zich uitleven ; de grond vergissing (man en vrouw zijn haast gelijk) is ook al een staaltje hiervan.
Ruim baan voor de (niet al to ongewenschte) uitzonderingen1), maar zij zijn de massa niet, en zij mogen de praktijk niet beheerschen. De praktijk, de wetgeving moet zeker rekening houden met de ijdeltuit, die het huishoudgeld verkwist en met den dronkaard die zijn vrouw en kinderen ranselt, â maar de algemeene regel moet niet van hen uitgaan. Geen maatschappelijke orde die alleen past voor giganten, genieën en schurken, zij zijn alle drie heel zeldzaam. Wat goed voor of tegen hen is, is het per se niet voor de massa; hun dieet kan geen algemeene leefregel worden.
De feministische dweepsters vervallen telkens in deze fout: kinine aan te preken als volksvoedsel.
Kort saamgevat zijn mijn vier hoofdbezwaren tegen het eigenlijke feminisme:
1) sterke neiging tot meer voortplanting uit intellectueel zwakke, minder uit sterke moeders;
1
Ook de man vrouwen moeten niet onderdrukt worden, maar de auto-eliminatie van het type is een zeer gelukkig verschijnsel, zeker de grootste weldaad van het feminisme.
89
2) oplossing van het gezin, door overbodig worden van zijn hulp voor de vrouw;
3) oplossing van het vraagstuk der ongetrouwde vrouwen zonder te letten op een moogiijk huwelijk;
4) minachting voor do eigenaardige begaafdheid der vrouw.
De tendens van liet echte feminisme (i. e. z.) is naar overschatting van productieven arbeid, geringschatting van wat tot nu toe geldt als de bijzondere vrouwentaak, overschatting van zelfstandigheid en intellect. Het loopt uit op materialistisch individualisme; het is eene overdrijving en eene verheerlijking van de fouten van het liberalisme en het manchesterisme.
Wanneer de vrouw steeds, meer dezelfde taak als de man moet gaan vervullen, dan zullen de onderscheiden tusschen beide seksen steeds meer verdwijnen. Eliminatie van het vrouwelijk type zou het gevolg zijn, dat zou beteekenen; verarming van het menschdom, vermindering van geluk voor man en vrouw beide.
Naar den gang van het menschdom tot dusverre te oordeelen, ligt de toekomst in geheel andere richting en wel naar steeds meer differentiatie tusschen man en vrouw, reserveering van de vrouw voor huwelijk en gezin, beter en regelmatiger vervulling van de plicht van echtgenoot en vader door den man.
40
De ware maatregelen tegen het feminisme zijn niet de negatieve: verbod, verhindering en uitsluiting, maar de positieve: verbetering van de wetgeving, bevordering van het huwelijk, versterking van het gezin, verhooging van den eerbied voor de bijzondere vrouwentaak en vrouwenaard ').
1) Eeu uitvoeriger behandeling van alle hier aangevoerde punten, van de noodige verbeteringen in de huwelijkswetgeving, van de meisjesopvoeding en van het vrouwenkiesrecht heb ik gegeven in mijn opstellen in âLos en Vastquot; 1895 en 189(i, getiteld: âVerheffing en Bevrijding der Vrouwquot;. Het zij mij vergund nog op de volgende litteratuur te wijzen, voor hen die er behoefte aan hebben. Mimc A. Lampérière, âLe Eóle social de la femmequot; (1898); F. Tönnies, âUeber die Grundthatsachen des socialen Lebensquot; (1897); Ellen Key, âMissbrauchte Frauenkraftquot; (1898, ook in het hollandsch vertaald); prof. Runge, âT)as Weib in seiner Greschlechtsindividualitiitquot; (1897); prof. A. Rauber, âKathehen Schirmacher's âHalbquot; und Eduard von Hartmann's â(janzquot; (1898).
NASCHRIF T.
Ik polemiseer niet met âEvolutiequot;; het monopolie van dien toon van polemiek laat ik bovendien graag aan de dames-redactrices.
Hier alleen eenige bewijzen voor mijne bewering in de noot van pag. 10, dat mijn ontwerp van feministisch program (boven p. (gt;â-8) in hoofdzaak door de redactie (de dames W. Drucker en Th. P. 13. Schook-Haver) en door M. M.') wordt aanvaard; geen punt wordt afgewezen.
Het aangehaalde is letterlijk geciteerd, het andere geresumeerd; E. beteekont geschreven door de redactie van âEvolutiequot;, M. door M. M.; do bladzijde is die van âEvolutiequot;. De cursiveering is van mij.
1) Dien aanvul tegen mij anoniem te doen lijkt my niet ridderlijk.
1. Het feminisme bevordert de oplossing
van het gezin. â âNiet den Feministen is het____
gegeven op te lossen het gezin, wat zij slechts kunnen doen is te wijzen op het feit dier oplossing, haar te leiden, te vergemakkelijken. De tijd van het individualistisch gezin.... is geweest. Handel en nijverheid, gerepresenteerd dooi' kantoor en werkplaats, hebben verlaten en verlaten nog dag op dag het celletje; de salon is zich gereed makende om op te stappen; en huis- en slaapkameks zullen wel volgen; dat alles is maar een kwestie van wat korter of wat langer.quot; (E. 158: dat is niet alleen het willen bevorderen van vrije liefde, maar van nog vrijer sexueel leven, van promiscniteit I vrouwen, verstaat! Is dat niet teruggang naar den vermeenden toestand vóór het matriarchaat? dat is involutie!).
âDen man-beschermer van vrouw en kind,quot; âden man-voorziener in de levensnooddruft dier hulpe-loozenquot; noemt M. M. een âarmzalig menschkari-katuurquot;!! (M. 164); op wederzijdsche afhankelijkheid van man en vrouw heeft M. âoneindig veel aan te merkenquot; (ibidem). Mijn wensch naar een solidair gezin, den man de kost verdienend, de vrouw hem gelukkig makend, trouwe en teedere moeder voor de kinderen, noemt zij âin-akelig kleinquot;, mij âhoogop en wijduitgeblazenquot;, zoo'n vrouw en moeder
48
âcm mlquot; (M. 161). (Mogen do moeders van 4 kinderen, moge nw eigen moeder 't u vergeven! mijn moeder zou ik nooit zoo hebben durven beleedigen, een nul! 4 kinderen grootgebracht en hun een gelukkige jeugd gegeven!).
âWie (de vereischte) zorg en toewijdiny aan het kind besteden, doet.... niet ter zake. De vleeschelijke afstamming legt niet daarbij het gewicht in de schaal, icel de ware moeder- of vaderzin, die onafhankelijk is van baren of verwekken. Het wordt bovendien tijd, dat het stelsel der afgesloten kringen, dat de rampzalige concurrentie tot in de gezinnen doorvoert en deze maakt tot centra van zelfzucht, plaats ruime aan de breedere, de hoogere levensopvatting, die in geestelijken zin elke volwassene een vader of moeder, elke jeugdige een hulpen leidingvindende doet zijn.quot; (M. 178). (Is dat nu uichen in de opheffing van het gezin of niet?).
II. Overschatting van kennis: âhet hoogst bereikbare voor den mensch (is): kennis, het genot van te kunnen genieten het schoone.quot; (E. 157); (bibliotheek en museum het paradijs voor alle men-schen! wat kont U ze).
III. Ook de g e trouw de vrouw moet volgens de feministen beroepsarbeid verrichten. âDe vrouw heeft geleverd productie ven arbeid binnenshuis, veranderde omstandigheden pousseeren
44
haar dien thans te leveren buitenshuis.quot; (E. 158).
âOf de moeder haar sociale betrekking blijve vervullen of niet, is een zuiver individueele kwestiequot; (M. 172) (d. i. een euphemisme voor: egoïste kwestie, alleen die moeder rakende, niet haren man, niet de maatschappij, niet de kinderen). Productieve arbeid voor de getrouwde vrouw zij het doel, tot de maatschappij zoo veranderd is, dat alle volwassenen zelfstandig en onafhankelijk zijn (M. 173) (d. i. tot allen losse atomen zijn geworden, zonder dien heel hechten band van het gezin, dus mijn vrouw en mijn kinderen mij niet nader dan de eerste de verste, â is dat de wereld op haar kop of niet?). De oekonomische zelfstandigheid verkrijge de getrouwde vrouw evenals de man, dus door betaling voor haren arbeid als vrouw. âDo invloed van haar getrouwd zijn is daaraan ondergeschikt.quot; (M. 172, vaag en onduidelijk wordt punt 4 van mijn programma, p. 7, hiermee als feministische eisch toegegeven; men stelle het zich toch duidelijk voor: de huisvrouw betaald door haren man!).
IV. Het afnemen der geboorten bij de be-r o op s o r o u w e n w o r dt niet teg eng esp r oke n. De sterfte zal gering zijn (in die groote weeshuizen der toekomst?). (M. 173; dus het omgekeerde van selectie! weinig kweeken uit de beste planten, al het onwaardige in 't leven houden: 't is menschlievend!).
V. De taak van man en vrouw in het gezin zij zooveel mogelijk gelijk, de vrouw ver-diene even goed de kont, de man verzorge evenals zij de kleine kinderen. Omdat de vrouw de kinderen baart, kan de man toch, even goed als zij de verdere, feitelijke zorg voor het kindje dragen (wasschen, luiers omdoen, kleertjes aandoen, etc.); M. vindt dit ârationeelquot;. (M. 172). De opvoeding lette alleen op het vormen van menschen, niet van mannen en vrouwen. (M. 172). (Heb ik te veel gezegd? het verschil in aanleg wordt met passie genegeerd, niets mag op dat verschil berusten. Ongelijk niet gelijk behandelen geldt overal als wijsheid, daar moet nu een einde aan komen; de pao-dagogen zien in, dat men ongelijke jongens niet een zelfde opvoeding moet geven, noch thuis noch op school, maar het verschil tusschen mannen en vrouwen moeten we negeeren, we mogen het niet zien. Hoogstens mogen we het a posteriori merken, als het te laat is). Voed man en vrouw gelijk op, in de uitkomst zal het verschil zich wel toonen, als het er is (M. 172, 173). (Dus: behandel twee planten, waarvan de geschiedenis en de (treurige) uitkomst van duizende jaren het verschil aan ieder getoond hebben, toch, per se, ondanks alles, precies gelijk, evenveel water en evenveel zon, al verdort de een en overwoekert de ander, dat zie je niet.
40
dat moog je niet zien; je moogt de ervaring van alle eeuwen niet gebruiken, Drucker en M. M. weten 't veel beter).
Ik constateer, dat de genoemde artikelen eigenlijk het door mij voorgestelde program der feministen in zijn geheel en in ieder onderdeel aanvaarden. Ik schilderde de feministen dus wel, zooals zij geschilderd willen zijn. Alleen: wat ik verafschuw als een sociaal gevaar, is hun ideaal.
Laten de anderen, de half- en kwart-feministen, nu partij kiezen. Een eerlijke partij heeft een duidelijk program en niet alleen â een naam!
Mij dunkt, de ware manier om tot een goed politiek en sociaal program te komen, bestaat niet in liet vormen van eene zeer persoonlijke illusie, maar hierin, dat men, na eene zoo wijd en zoo diep mogelijke studie van den gang van het mensch-dom gemaakt en na met alle bereikbare hulpmiddelen zich een zoo adequaat mogelijk beeld van de krachten, neigingen en tendenzen van de tegenwoordige menschheid te hebben gevormd, zich afvraagt, op welke wijze zoo vlug mogelijk, maar waarachtig en voor goed, 't verdriet verminderd en het geluk vermeerderd kan worden. Dan zal men er niet toe komen een ijzeren spoorwegbrug met grooter spanningen- dan ooit te voren te willen maken â uit planken, voor een goed deel rotte.
47
met hier en daar een stuk staal er tusschen, noch een Huinberflets uit biezen. Dan zal men niet 't eene oogenblik aan de mannen hun droef al gemeen e syphilis (dus prostitutie) en alcoholisme verwijten (E. 157) en dan weer van die zelfde mannen reine en edele vrije-liefdo verwachten. (M. 105).
Bestudeer eerst uw menschen-materiaal en maak dan uw toekomstplannen. Zoo ge met evolutie dweept, en flauw vermoedt, wat deze beteekent, wat ik niet geloof, bedenk dan, dat op ieder moment bereikt wordt, wat de gezamenlijke, bestaande krachten toelaten, dat een maatschappelijke toestand die zeer algemeen is en duizende van jaren duurt (gezin, verschil tusschen man en vrouw) geen nonsens kan wezen, en dat de sprong van /cm/y-n iet-vol maakte monogamie tot ideale promiscuïteit (want die begeert ge) al een heel groote en â rare zou wezen.
Het' specifiek vrouwelijke bestaat voor u alleen in het ter wereld brengen van kinderen, en dat is voor u eigenlijk â een kleinigheidje, een bijzaak ter loops verricht; gij ziet in de vrouw alleen den mensch (sprekend gelijkend op den tegenwoordigen man, immers met zijn taak en leven), en de rest in de vrouw is u antipathiek, en wilt ge verwijderen.
In dieperen zin zijt gij juist anti-feminist, want
48
het feminine is u hatelijk, en â waarschijnlijk vreemd ').
Voor mij is het specifiek vrouwelijke oneindig veel meer dan het kinderen krijgen, al is al dat mooie en liefelijke daarom heen (als aanleg ten minste) gegroepeerd en er onverbrekelijk aan verbonden. Dat vrouwelijke uit de wereld nemen, lijkt mij de grootste roof aan menschelijk geluk, het grootst gevaar voor de toekomst van het mensch-dom, die denkbaar zijn.
(Uj wilt het menschdom reduceeren tot niets dan losse menschen, ik hoop en verwacht dat het nog héél lang zal bevatten: mannen en vrouwen, mannelijker en vrouwelijker dan nu, met hun eigen kinderen vast vereenigd in gezinnen.
1) Mevr. Schook hoorde ik op eeue vergadering met manlijke kracht verklaren: âVrouwen zijn niet zacht!quot; â Hoort toch Elleu-quot;
01 â