^ - v v:-
⢠i'r ^ c V*- â ' ^
r ' gt;r£-' : -cK J-^v ^ r^-Vx â¢..⢠^ â â 4quot;*
^â .; .V i * gt; \ ^J\ t' 'V- ⢠«
^ ^ 4 s i T\ 'â / ' / V u u . .. J 1 -lt;5 ^ V^vgt;, V . s
$ .1 â¢, * gt; - ^ - .4 W â ^ iV\ ^
y : ^^fvwgt;- lï . 7 - * 4 ⢠\; . \ ^ ^ v gt;4, , ;
r-^r ks-~*s y ', ' . . ⢠}sf \
,/ Æ â¢'â v #\ * - ./gt;*. ⢠4-. j' ,*â¢â¢ â *' ' ^*8t â - #â¦â â sM
y''gt; -.V v \ ^ c gt;i
.. quot;â¢'â â quot;â â ⢠v - 2*.-f â¢' ⢠/ . lt;- .* r ? P i ^ â¢
v', , -V â¢.., - ^ ï' . r ?'â¢
V ^
/ t.
;' â¢. 'W-a
fv^'- v., 'â¢â¢
ht '-'tr yfyi' 'v^ .#;^quot;
ir,. 'gt;t, â ' '««:â - *
. â - ^ ^ - t' ' ï
â¢Â». 'â gt;1 . '
lt;i. .⢠gt; ' ? ,t ^ »
â¢''â ^ » c
W
!' . â ^ * * â r v igt; £T r
1-, 'V â
t lt; ,
^ ^
:U- ^ ^ gt; I . Z ' ^
â¢quot;: 4' / ^ \
y ^
â -ÃTl
â¢quot; ' ' fsf *' v, rjê
â â¢: â¢. ? » t '. jn-.
^ ^ /. '⢠^ :
f » ^ lt;. r . -i f i . ^ â »*â¢
â¢Â» ^ é quot; â¢â¢ / ^ .. , :'J -* â ,A
i' A â¢â¢, 'â * ^ V. if . A.tr
;â ââ ^v»quot;* X / f - gt; â¢: /
1 . '⢠V-,- «.⢠, gt;â gt; . ^ - â¢
.gt;..£â¢
.'â * 'lt;:' lt;
i /â ''
... - . ;-.vv . â¢â¢ ⦠:yTr;: : â .gt;: ^p., ..-T-T»- '-quot;V . gt; ' « â¢-â¢â¢â¢.. â¢â¢â¢ 'â -
4
Bibliotheek van de fakulteit der Diergeneeskunde
Collekfic: C. S. Th. van Gink
GEÃLLUSTREERD HANDBOEK
DEI!
riAJIMVEETRRLT.
'/ / /./ 5?/,
// / gt;/ /./AS-
I)t\
GEÃLLUSTREERD HANDBOEK
DEK
PLUIMVEETEELT
DOOIt
A. C. E. BALDAMUS.
NAAR DEN DERDEN DRUK VOOR NEDERLAND BEWERKT
DÃÃll
J. H. BEEKMAN HZN.
Hkdacteur van âAvicultuuaquot;.
MET 235 AFBEELDINGEN.
EERSTE DEEL: DE HOENDERYOGELS.
.HET 102 llOUÃdKAVÃRES NAAK TEIilvliSIXUHN VAN JliAX lil.XüAKÃZ F. A.
ZUTPI1EN. SCHILLEMANS amp; VAN BELKÃM
Gedrukt bij ö. ,J. TI1IEME te Arnhem.
Biblio'.heek c!cr RijksuniversU.It -cc Afd. Diergeneeskunde
T N L EI T) IN G.
âOnder den landbouwenden stand heersclit nog bijna algemeen de meening, dat de pluimveeteelt en daarbij denkt men in de eerste plaats aan de hoenderteelt -â meer kost dan zij oplevert, of dat de winst daarop in elk geval zoo onbeduidend is, dat bet niet de moeite waard is er tijd en zorg aan te besteden.
Deze meoning is misscbien nog een overbljjfsel van de oude leer, volgens welke do veeteelt over 't geheel beschouwd word als een ânoodzakelijk kwaadquot;, als iets, waar de landbouwer nu eenmaal niet buiten kan.
lu do laatste jaren echter beeft de minder gunstige toestand van den landbouw in geheel Europa de overtuiging veld doen winnen, dat de veeteelt wel degelijk een winstgevend bedrjjf is, ja, in de toekomst het hoofdbedrijf van den Europeeschen landbouwer zal zijn.
Tegenover den steeds stijgenden aanvoer van granen uit de buiten-Europeesche landen en de daarmee gepaard gaande daling der prijzen van do Europeesche granen, in die mate, dat de graanbouw niet of ter nauwer nood do productiekosten kan dekken, staat toch een steeds grooter wordende vraag naar diorljjke producten, welke snmenbangt niet de ontwikkeling der landen van West- en Midden-Europa tot njjverheids- en handelsstaten. Do landbouwende stand zal in geheel Europa noodzakelijk met deze verschijnselen rekening moeten houden en naar middelen moeten omzien om zich in do veranderde omstandigheden staande te houden, en daartoe moeten aan sedert Langen tijd verwaarloosde takken van het landbouwbedrijf, zooals de teelt van klein-vee, die noodige aandacht en zorg worden gewijd, welke onvermjjdeljjk zjjn om ze winstgevend te maken.
Vragen wij ons nu af, of aan de, in dit boek te behandelen pluimveeteelt die noodige zorg wordt gewijd, dan moeten we niet alleen met een krachtig âneen!quot; antwoorden, doch ook ronduit verklaren, dat â enkele uitzonderingen daargelaten - ⢠de pluimveeteelt in ons Vaderland nergens gedreven
INLEIDING.
wordt als tot het bedrijf van den landbouw, maar alleen tot het huishoudelijk bedrijf behoorende; zelfs op de grootste boerderijen houdt men in den regel niet meer pluimvee dan noodig is, om de huishouding van de noodige eieren te voorzien en zich bij gelegenheid eens aan een malsch gebraad te vergasten; slechts het meerdere â zoo dat aanwezig is â wordt ter markt gebracht.quot;
Geldt het vorenstaande, aan de Inleiding van de Duitsche âBaldamusquot; ontleende, alleen Duitschland, of is het ook van toepassing op ons eigen land ?
quot;Wij zouden het laatste gedeelte dier vraag zoo gaarne met âneenquot; beantwoorden, doch vreezen, dan al te zeer aan de waarheid te kort te doen, want â ook in Nederland is de pluimveeteelt niet, wat ze wel kon wezen, ook bij ons laat de pluimveestapel, zoowel qualitatief als quantitatief, veel te wenschen over.
Aangaande het laatste kunnen eenige cijfers, ontleend aan de, op last van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid opgemaakte Land-bouwverslagen, zeker voldoende inlichting geven.
Op 1 Dec. 4883 bestond de pluimveestapel van Nederland uit:
VI
|
In de provinciën. |
Iloondoru. |
Kalkoonon. |
Eenden. |
Ganzen. |
Zwanen. |
|
Groningen..... |
195820 |
1096 |
37352 |
2905 |
389 |
|
Friesland...... |
135314 |
329 |
49693 |
2654 |
93 |
|
Drente...... |
138945 |
122 |
5047 |
729 |
14 |
|
Ovenjsel...... |
249066 |
361 |
35797 |
7355 |
109 |
|
Gelderland..... |
474695 |
4653 |
26937 |
2715 |
123 |
|
Utrecht...... |
118285 |
1037 |
21970 |
1173 |
69 |
|
Noord-Holland .... |
170269 |
831 |
87648 |
8357 |
1793 |
|
Zuid-Holland .... |
276266 |
2348 |
46055 |
2482 |
841 |
|
Zeeland...... |
216454 |
2929 |
17092 |
1961 |
65 |
|
Noord-Brabant .... |
318124 |
1067 |
9790 |
480 |
45 |
|
Limburg...... |
246524 |
1057 |
11010 |
1210 |
51 |
|
Totaal in Nederland. |
2539762 |
15830 |
348391 |
32021 |
3592 |
INLKIDIN'Ci.
|
Op i December 1893 waren die gotallun als volgt: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vergelijken wij beide totalen met elkander, dan zien we, dat. liet aantal hoenders in 10 jaren tijds is toegenomen met ruim een half millioen; do toename der eenden en ganzen beteekent niets, 't aantal kalkoenen, ganzen en zwanen is zelfs verminderd. Dat de pluimveeteelt zich in die 10 jaren aanzienlijk uitgebreid heeft, kan dus niet gezegd worden,
Zien we nu het Landbouwverslag over 18!)i en '95 in; daarin vinden we voor de totalen:
Hoenders. Kalkoenen. Eenden. Ganzen. Zwanen, in 1894: 3233940 12143 379078 33858 3852; in 1895; 3407373 12188 393195 33747 2793.
Het aantal hoenders is dus langzaam stijgende, alsmede dat der eenden; veel heeft die wijziging evenwel nog niet te beteekenen en de kalkoenen en zwanen schijnen hunne hoogte reeds gehad te hebben.
Een andere tabel van hot genoemde Landbouwverslag leert ons, dat in 't jaar 1893 dat pluimvee in 804 gemeenten diende voor eigen gebruik; in 108 gemeenten was het voor den handel bestemd, terwijl hot in 199 gemeenten diende voor eigen gebruik en voor den handel beide.
In 1885 waren deze getallen respectievelijk 735, 192 en 304. Die handel bepaalde zich hoofdzakelijk tot het binnenland en 't waren natuurlijk vooral de groote steden, die het meeste trokken. Met het buitenland werd handel gedreven door 111 gemeenten, van welke 64 met
VII
INI,HIDING.
Ook bedenko men, dat liet pluimvee den monsch tot op een vrjj hoogen breedtegraad is gevolgd en dat liet zeker wel niemand zal invallen, voor eeno rationeele, voordeel aanbrengende fokkerij dieren aan te schaffen, die bepaald slechts in een warmer klimaat willen tieren.
't Is dan ook volstrekt niet noodig, onze landhoenders uit te roeien en door vreemde te vervangen; doch wel is het noodig, die landhoenders, welke voor het meerendeel door de weinige zorgen, die er in zoo langen tijd aan werden besteed, geheel ontaard en verbasterd zijn, weer uit hun staat van verval op te heffen en te verbeteren.
En aan de mogelijkheid daarvan behoeft, als men daartoe geschikte vreemde rassen te hulp roept, niet te worden getwijfeld.
âIn bijna alle beschaafde landen van Europa ontstond de aandrang tot verheffing van de pluimveeteelt voor een 50 tal jaren bij het verschijnen van du Cochin-China-hoenders. De aanblik van die reuzen vestigde â zeer begrijpelijk â bij velen de meening, dat de invoering daarvan ter vervanging van de kleine landhoenders groote winsten zou afwerpen. De ervaring-leerde echter weldra, dat deze hoenders voor het landhuishoudeljjk bedrijf van luttele waarde waren, daar wel liet benoodigde voederquantum doch niet de eierproductie geëvenredigd was aan hunne groottequot;. Toch schrikten deze weinig gunstige resultaten de proefnemers niet nl te zeer af; de aandacht was nu eenmaal op vreemde hoenderrassen gevestigd en â ten minste voor de pluimvee-..sportquot; was een uitgebreider arbeidsveld geopend.
In onze nabuurlanden verrezen hier en daar vereenigingen van personen, die âYerheffing en bevordering der pluimveeteeltquot; in hun vaandel schreven. Ons land kwam in dezen wel wat achteraan, doch niet erg tot zijn nadeel, want, al meenden die Vereenigingen in den beginne ook, dat het eenc kleine moeite zou zijn, door invoering van buitenlandsche rassen de vadcr-landsche pluimveeteelt tot eeno gewenschte hoogte te brengen, de ervaring leerde hun anders.
Doch, hoe vele teleurstellingen ook het deel werden van de voorvechters op dit gebied, zij gaven den moed niet op; eenmaal overtuigd, dat verbetering noodig en mogelijk was, ontzagen zij zich kosten noch moeite en gingen voort met voor de zaak propaganda te maken.
Ook ons land telde zulke voorvechters, door wier bemiddeling de Xedcrliindsrhe Vcreeniging âAvicidluraquot; ontstond, welke sedert de oprichting in 1880 zeer veel heeft bijgedragen tot verbetering van de pluimveeteelt ten onzent. Eenige Jaren daarna verrees de Vereeniging âOrnithophiliaquot; en volgden de Twentsche en de Geldersche âPluimvee-clubsquot;, terwijl ook verschillende Afdeelingen der Maatschappij van Landbouw zich voor de zaak interesseeren.
X
INLEIDING.
We zouden aan de waarheid te kort doen, als we niet erkenden, dat die Vereenigingen door liet organiseeren van tentoonstellingen en liet vaststellen van Standaards voor verscliillende hoenderrassen, â dat de liefhebbers en fokkers door het invoeren en fokken van vreemde rassen niet ontzaggelijk medegewerkt hebben tot bevestiging van het feit, dat onze landhoenders, zoowel wat de eier- als wat de vleeschproductie aangaat, bij tal van vreemde rassen ten achter staan en verbeterd moeten en kunnen worden; âzeker echter zon hun invloed op de verbetering der landhuishoudelijke pluimveeteelt grooter zijn geweest, als niet âspeculatie, zucht tot afwisseling en het fokken op de veerquot; hinderend in den weg waren getreden. Vooral het laatste prikkelde de liefhebbers oin de typische raskenmerken en uitwendige hoedanigheden nog typischer en zuiverder te fokken, waardoor in de meeste gevallen de aanwezige nuttige eigenschappen van die rassen ten deele verloren gingenquot;.
âHet valt niet te ontkennen, en tal van âPluimvee-clubsquot; geven dan ook toe, dat de teelt van rasdieren hierbij beter gevaren is dan die van het gevogelte, welks waarde bestaat in zijne economische eigenschappen, en dat de verheffing der landhuishoudeliike pluimveeteelt langs dien weg niet is bereikt. Vele landbouwers zelfs, die zich tot het nemen van proeven met de zoozeer geprezen vreemde rassen lieten overhalen, zijn zeer te leur gesteld en daardoor wantrouwend geworden tegenover elke nieuwigheid of verandering in de oude wijze van pluimvee-houdenquot;.
âIn meer dan ééne Vereeniging ontstonden langzamerhand twee partijen: aan den cenen kant de voorstanders der rasdieren-teelt, aan den anderen kant die van het fokken van nuthoenders, van verbetering der landhuishoudelijke pluimveeteeltquot;.
Jn enkele Duitsche Staten o.a. Baden en Beieren, hebben de Beaeerina'en,
o O quot;
die de Vereenigingen steunden door het uitloven van Staatsmedailles, ook ingezien, dat het gewenschte doel niet werd bereikt en werd daarom een andere weg ingeslagen; i» werden prijsvragen uitgeschreven om zoodoende in het bezit te komen van degelijke handleidingen voor de landhuishoudelijke pluimveeteelt, die in grootcn getale onder de landelijke bevolking werden verspreid; 2quot; werd jaarljjks eene geldsom beschikbaar gesteld voor het aanfokken en verbreiden van zulke rassen, variëteiten en kruisingsproducten, welke met het oog op klimaat, bodem enz. van verschillende landstreken in 't bijzonder voor de landelijke bevolking zijn aan te bevelen.quot;
In Pruisen werd eene som van 300000 Mark op de staatsbegrooting gebracht voor het oprichten van cursussen over de pluimveeteelt.
âMede door den invloed der vakbladen kwam hier en daar eene volkomen scheiding tot stand tusschen de fokkers van rasdieren en hen, die
XI
INLEIDING.
de verbetering van de land hoenders en de landhuislioudelijke pluimveeteelt beoogen. De eersten vereenigden zich tot afzonderlijke Clubs voor het fokken van bepaalde rassen en zoo ontstonden de Wyandotte-, de Leghorn-, de Kraaier clubs enz. üe oorspronkeljjke Vereenigingen konden zich nu vrijer bewegen; zij zochten uit de verschillende rassen die uit, welke als nuthoen de meeste waarde hebben en richtten fokstations op, waar de landbouwer voor matige prijzen broedeieren en kuikens kan bekomen ter verbetering van zijn eigen pluimvee. Beide soorten bevorderaars der pluimveeteelt, de ras- en de nuthoenfokkers kunnen op deze wijze vreedzaam naast elkander bestaan en nuttig werkzaam zijll.,â
Het wil ons voorkomen, dat ook in ons land door de Vereenigingen wel wat meer gedaan kon worden ter bevordering en verheffing der landhuishoudelijke pluimveeteelt en we hopen, dat onze arbeid ook daaraan bevorderlijk moge zijn.
XII
DE HOENDERVOGELS.
\. IIKT HITSHOEN.
MkH.STK Hocil'liSTL'K.
Teminolog'ic van do In- ou uitwciullgc deeleii va» liet hoen, nomenclatiiiir,
klassillcatic.
De konnis van de inwendige doelen van een diei' is voor den dierenfokker vooral hierom van belang, omdat deze liem de mogelijkheid verschaft, in zeer vele gevallen door sectie de oorzaken van ziekten te leeren kennen, welke nitwendig moeilijk of in 't geheel niet zijn waar te nemen.
Ofschoon liier van een volledige anatomisch-physiologische uiteenzetting geen sprake kan zijn. kan toch de aan den lieroemden Engelsdien ontleed-kumlige en [ihysioloog prof. K. Owen ontleende en in hg. I weergegevene afljcelding van de voornaamste inwendige deden van een jong hoen zeker van nut zjjn voor hen. die de ligging en het voorkomen daarvan ten minste in algemeene trekken wenschen te kennen: vooral wanneer met de beschouwing daarvan het onderzoek op een cadaver gepaard gaat. Hun, die zich in dat onderzoek en in het ontleden practiscli willen oefenen, zij hier opgemerkt, dat het lijk volkomen koud en liet bloed gestold moet zijn, vóór men her onderzoek begint, omdat anders de kleur der weefsels niet kan worden waargenomen, welke in vele gevallen van het grootste gewicht is voor de bepaling der ziekte. Ook moet, als het onderzoek zich over een betrekkeljjk groot deel van het cadaver uitstrekt, dit eerst van de veeren ontdaan worden.
De in tig. I voorgestelde doelen zijn de volgende:
Benedensnavel.
I). Het keelholtevlies, zijwaarts van do tong.
Het tongbeen (os hyoides) en de onderkaak.
'i. Speekselklier, welke door verscheidene kleine openingen in de keel uitmondt.
â . Idem, uitmondende door het mondholtevlies ter zijde van de tong.
/'. Een klein, tot het tongbeen behoorend kraakbeen.
bai.damus, Pluimvootoolt. 1
;/. Hot bovenste gedeelte van de spijsbuis {fauces).
h. De spjjsbuis (ocsophaijus) boven den krop.
i. De open gelegde krop.
k. Bovenste opening van den krop.
I. Onderste opening van den krop.
Benedendeel van de spijsbuis.
De maag.
Eerste kronkeling van den lü-vingerigen darm. Tweede idem.
De overige darmen.
Basis van de lover, welke uitgesneden is om de 0 openingen van de leveraderen (vena cava licjiatica en vena ^oHwon) ziciitbaar te doen worden.
De galblaas.
De milt.
Do beide zaadballen.
Aanhechting van liet liartzakje ( jii'ricordiiirn) met de openingen der uit en naar het (uitgesneden) hart loopende bloedvaten. De bovenste holaderen {venae came superiores). De beide halsslagaderen en sleutelbeenaderen. De luchtpijp (trachea).
:. De hangspieren van de luchtpijptakken.
Yoor de uitwendige deelen zijn, vooral bij de Engelsche fokkers en liefhebbers, langzamerhand zekere kunsttermen (technical (cruis) in gebruik gekomen, wier kennis voor de beschrijving en beoordeeling der verschillende rassen nuttig en noodig is.
Wij beginnen met de benoeming der afzonderlijke lichaamsdeelen van den haan, zooals die in fig. '2 zijn aangewezen.
Men verdeelt het lichaam der vogels gewoonlijk in kop, hals, romp en ledematen.
Aan den kop onderscheidt men: liet voorhoofd', den bovenkop3, den schedel1, het achterhoofd4 en de wangen0, die met het voorhoofd te zamen het gezicht vormen. De streek rondom de oogen noemt men orbitaal- of oogstreek, den bevederden of naakten streep boven de oogen de wenkbrauwen; tussehen de oogen en den bovensnavelwortel
3
bovenrug15, den benedenrug of zadelquot;' en eindigt in de stuitquot;. De zjjdeelen van den romp noemt men de flanken; de onderdee-len bestaan uit borst20 â van den benedenhalswortel tot aan het einde van het borstbeen â het onderlijf of de buik10, en het achterlijf (de aars)18.
De op de lange halsveeren gelijkende vederen van den benedenrug heeten zadelveeren of zadelbehang2', de bovenste staartveeren stuitveeren of boven-staartdekveeren28, van welke de twee bovenste en grootste sikkelvormig gebogen zijn en daarom sikkelveeren2worden genoemd; de eigenlijke
(j. Hot bovenste gedeelte van do spijsbuis (fmiccts).
h. Do spijsbuis (oesophwjus) boven don krop.
i. Do open gelegde krop.
k. Bovenste opening van den krop.
/. Onderste opening van den krop. m. Benedendoe! van do spijsbuis.
n. 1 )e maag.
Eerste kronkeling van don 1'2-vingerigen darm. Tweede idem.
De overige darmen.
Basis van do lever, welke uitgesneden is om do (i openingen van do loveraderen (cena cava Uepatica on vcna povtarum) zichtbaar to doen worden.
s. Do galblaas.
t. De milt.
». De beide zaadballen.
c. Aanhechting van het hartzak je (iicricardium) met do openingen der uit en naar het (uitgesneden) hart loopendo bloedvaten.
it'. Do bovenste holaderen (yenar cavae superiores), x. I )o beide halsslagaderen en sloutolbeonaderen. ij. De luchtpijp (trachea).
Do hangspieren van de luchtpijptakken.
Yoor de uitwendige doelen zijn, vooral hjj de Eugelsclie fokkers en liefhebbers, langzamerhand zekere kunsttormon (technical terms) in gebruik wier kennis voor de beschrijving en vorschillonde rassen nuttig en
Wij beginnen met do benoeming der afzonderlijke lichaamsdeelon van den haan, zooals die in tig. '2 zijn aangewozon.
Men verdeelt het lichaam dor vogels gewoonlijk in kop, hals, romp en ledematen.
Aan don kop onderscheidt men: het voorhoofd', den boven kop2, den schedel3, hot achterhoofd4 en de wangen0, die mot het voorhoofd to /amen het gezicht vormen. Do streek rondom de oogen noemt men orbitaal- of oogstreek, den bevedorden of naakten streep hoven de oogon do wenkbrauwen; tussehen do
oogen en den bovensnavolwortel
3
vindt men dc teugels. Do snavel bestaat uit boven- on ondersnavel (kaak); hot bovenste gocloelto van don bovensnavel heet rug, het deel tusschen de vorken of inplantingen van den ondersnavel de kin'. Het oog, dat bij de vogels buitengewoon groot is, heeft in het midden de steeds zwarte pupil
stani'fcveuren hectoii ook stuurvcdoren30; zij worden beneden g-edeekeljjk dooi' de ondei'staartdekvederen bedekt.
De voorste ledematen of' vleugels bestaan uit bovenami, benedenarm en hand. De dekvecren van den bovenarm beeten SL-liouderdekveeren2 2 en rondom den elleboog vleugelboog- of elleboogvederen.
De lange veeren aan den benedenarm noemt men kleine slagpennen of slagpennen van de tweede orde24, die van de hand en de vingers groote slagpennen of slagpennen van de eerste orde23, die van den duim den uuimvlengel20. De groote dekveeren der eigenlijke slagpennen heeten groote vlengeldekveeren2 3 en vormen dikwijls een zoogenaamdeu spiegel.
Aan de aciiterste ledematen of boenen onderscheidt men den bovenschcn-kel, die meestal niet zichtbaar is, omdat lijj tegen den romp opgetrokken en met veeren bedekt is; bjj is door de knie31 met den onderschenkel 1 (ook dij) verhouden. De liiel33 verbindt den ondersehenkel niet het loopbeen34 â verkeerdelijk wel scheenbeen genoenul â dat uit den, met den middelvoet vergroeiden voetwortel (tarsus) bestaat. De teenen, gewoonlijk vier in getal - bij sommige rassen echter vijf' â onderscheiden zich in :t oogvallend door het aantal hunner geledingen: dc achterteen of duim30 heeft twee, de binnenteen 3 0 drie, do middelteen3 8 ââ de laagste â- vier, de buitensten3' vjjf' leden, het nagellid medogerekend.
Bestaat er een vijfde teen, zooals bijv. bjj de Dorkings, dan staat deze, evenals de kegelvormige, een weinig naar boven gekromde hoornen spoor der hanen, meestal boven den duim, aan den achterkant van het loopbeen. Ook de duim is een weinig hooger geplaatst dan do overige drie teenen.
Bij de hen ontbreken meestal de lange hals-, zadel- en sikkelveeren, alsmede de sporen.
IJehalve deze algemeone, hebben nog een aantal hjjzondere kunsttermen bij de pluimveekenners het burgerrecht verkregen, welke kunsttermen hun ontstaan te danken hebben aan de liefhebberij en voornamelijk bjj de beschrijving en beoordeeling der verschillende rassen gebezigd worden. Daar eene nauwkeurige kennis der rassen ook voor landhuishoudelijke doeleinden onvermijdelijk is, geven we ook hier de voornaamste dezer uitdrukkingen, voor zoover zij de hoenders betreffen, terwijl wij die, welke op duiven en watervogels betrekking hebben, in deel II zullen noemen.
De Engelschen en Noord-Amerikanen bezitten sedert lang zoogenaamde Sluiidard-hoohK, waarin de afzonderlijke rassen â over 't geheel zeer methodisch â kort en nauwkeurig beschreven zijn. Van elk ras wordt eerst het karakteristieke van den haan en do hen gegeven en dan eene beschrjjving van de verschillende kleurslagen of' variëteiten; âSchedule for Jiuhjiiiijquot; (maatstaf' voor de beoordeeling) is de technische uitdrukking voor
(leze norinaalbesclinjjviiig'. Dan volgen de âScale* of pointsquot;, welke lt;le waarde of den rang van het te beoordeelen dier, vergeleken met de beschrjjving van het in de Schedule for Judging vastgesteld ideaal, door cijfers (punten) moeten aangeven. Voor liet ideaal noemt men gewoonlijk 100 punten (,,Slaiilt;larlt;l of Pcrfeclionquot;), en nn krijgt men de punten voor het te beoordeelen dier, door van deze 100 punten af te trekken de in punten uitgedrukte waarde der fouten en gebreken {Dafcxts lo be deducted) of door eenvoudig de punten voor de goede eigenschappen samen te tellen. Moe grooter bij de eerste wijze van handelen dat verschil en bjj de tweede wijze die som is, hoe dichter het beoordeelde dier bij het ideaal komt. Ken derde wjjze van handelen is, de punten der fouten en gebreken samen te tellen; hoe grooter deze som is, hoe minder natuurlijk do waarde van het dier.
We beginnen met den kam.
Deze is enkelvoudicj, en staat dan rechtop of hangt slap, zoodat hij niet den bovenrand een gedeelte van den kop bedekt, als de bovenrand slechts ééne rjj punten of tanden vertoont. Hjj is fijn van âtextuurquot; (weefsel), wanneer hjj geheel zonder uitwassen is. De hoor)il,arn is een enkelvoudige of dubbele kam, in den vorm van een hoorn, soms van kleine zijdelingsche uitspruitsels of hoorntjes voorzien. De dKhhrle kam bestaat uit twee, de rnrtcytham, zoo genoemd, omdat hij door een Amerikaanseh schrijver met den bloei van do erwt werd vergeleken, uit drie aan de basis vergroeide, kleine kamlappen. van welke de middelste de grootste is. De dubbele kam heet kroon-, schelp- of bekerkani, wanneer de beide zijwaarts gebogen kaïn-lappen aan den voorkant open en aan den achterkant geheel of gedeelteljjk vergroeid zjjn.
De rozeUam bestaat uit een groot aantal vergroeide kamlappen, die boven een van vele punten voorzien vlak vormen.
Aangaande de kin- of keellellen en de oorlellen of oorschelpen valt niets anders meer mede te deelen, dan dat beide minder in vorm dan in grootte en kleur verschillen, en de eerstgenoemde meestal helder of donkerrood â niet zoo dikwijls geel- of zwartachtig violetrood â zijn. evenals de kam. terwijl de oorlellen rood. wit, blauwachtig, blauw en geel-wit voorkomen.
De vederbos of Iniif, die of den geheelen bovenkop beslaat (volle kuif) of slechts de helft daarvan (halve kuif of helmkuif), komt in vedervorm hoofdzakelijk met de hals- of zadelveeren der beide geslachten overeen: lancetvormig bij de hanen, kort en afgerond bjj de hennen ; bij de hanen vallen de kuifveeren of van het midden van den kop naar alle zijden, of alleen naar rechts en links (halve kuif), of alleen naar achteren of naar voren (helm); bij de hennen staan ze dichter, als schubben achter elkander.
O
Ook de baardveeren deelen minder of meer in deze verschillende yedor-vorming bij beido geslachten. Do bakkebaard neemt de geheele voorhelft van het gezicht in, do kinbaard alleen de kin en de bovenste keelstreek. Soms zijn ook do kinlellen met kleine baard veertjes begroeid; in dat geval zijn de kinlellen gewoonlijk veel kleiner dan anders.
Ue lange, smalle, lancetvormige hals- en nekveeren, ook kraagveeren genoemd, komen overeen met de zadolveeren van den haan; de bon heeft
O quot;
aan don hals meestal gewone of weinig afwjjkende, kortere en breedere, zelden lancetvormig toegespitste voeren, terwijl do voeren van den onderrug, vooral wanneer die sterk ontwikkeld zijn, zooals bij do Cochins, kussen, echter ook wel eveneons zadolveeren worden genoemd. Do bovenste twee staartdokveeren van don haan heeten sikkels, eerste of cjroote sikkelveeren; het tweede en derde paar kleine sikkelveeren; do volgende, ook gebogeno maar kortere voeren, heeten slaartdekeeercn, ]-)e staart beet eeklulODistaavl. wanneer hij loodrecht staat of, beter gezegd, wanneer hij een scherpen hoek mot; den benedenrug vormt en den rechtop gedragen hals bijna raakt.
Do zachte bovedoring van don ondorschenkol, die vooral bij de Aziatische rassen sterk ontwikkeld is, heet dons; do stijvo naar aebteron gerichte vee-ren aan het hielgewrieht gierh-akken tig. â¢!; hot met veoren bezette loopboen
noemt men gelaarsd of bevederd, hot onbevederde (jesehabd of naakt.
Wat den lichaamsbouw van hot pluimvee aangaat, deze is symmetrisch, wanneer alle lichaamsdeelon, vooral de tegen elkander overstaando of parige, geljjkinatig en tevens normaal gevormd zijn. De romp in 't bijzonder iioot âsymmetrisch gebouwdquot;, wanneer hij naar achteren slechts weinig dunner wordt, dus moor den cylinder- dan den kegelvorm nabij komt. Juist in die be-
teekenis wordt deze technische uitdrukking hoofdzakelijk gebruikt.
Dikwijls daarmede verwisseld, maar toch in beteekenis daarvan verschillend is stijl, waaronder men zekere eigenaardigheden verstaat, zoowel van den bouw of don vorm van do afzonderlijke lichaamsdeelon als van hot geheele voorkomen (luihilus) en de houding.
Do stijl wordt âschoor', wanneer die eigenaardigheden van een ras of variëteit als norm aangenomen en tegen andere normen overgosteld worden. Zoo spreekt men in Engeland bijv. van een Londonsche en Birminghamsche
7
school onz. De benamingon stijl en school worden echter dikwijls verward, daar liet onderscheid tusschen beiden zelfs in Engeland niet altijd duidelijk wordt gevat.
liet veelvuldig en in verschillende beteekenissen gebruikte woord conditie kan men juist daarom niet door een passend woord vertalen; het wordt gebruikt om de gezondheid en lichameljjke gesteldheid en vooral den toestand van het gcvederte aan te duiden.
Wat de kleur en de teekening van het gevederte aangaat, deze worden over 't geheel door vrij duidelijk sprekende benamingen aangegeven als: gestippeld, gezoomd, gevlekt, koekoekveer, pntrijsveer, gepeld enz., welke zoo noodig bij do beschrijving der rassen omschreven zullen worden.
Geheel witte dieren met roode oogen (iris) noemt men o/^mo's; het spraakgebruik bedient zich echter ook van het woord albinisme voor witte kleur-slagen, doch in dit geval is, om alle misverstand te voorkomen, leucisme verkieslijker, daar ook de woorden melanisme, erylhrisme, cldorisme enz. gebezigd worden om verandering van de eene of andere kleur in zwart, rood, groen enz. aan te geven.
Ondet'kleur heet de kleur van het donsachtig gedeelte van de veeren.
Met den naam ras duidt men alle, in erfelijk gewordene plastische (d. w. z. op den vorm betrekking hebbende) kenmerken van elkander verschillende variëteiten der verschillende wilde stamsoorten aan. Zoo zijn bijv. al onze huisboenders rassen en geen soorten van de wilde hoendersoorten, ofschoon de rasverschillen dikwijls grooter en meer in 't oog vallend zijn dan veel soortverschillen â het begrip soort (species) in de tot dusver geldige practische beteekenis genomen. Met slagen of variëteiten bedoelt men algemeen de onderafdeelingen van een ras, in betrekking tot hunne erfelijke kleurken-merken.
Voor het Engelsche strain, dat in 't Duitsch veelal door Zucht wordt vertaald, gebruiken wjj meestal stam en bedoelen dan daarmee een ras, dat door jarenlange, zorgvuldig in dezelfde richting voortgezette kweeking een min of meer individueel karakter heeft aangenomen.
Met fakst am bedoelt men een haan en \ of meer daarbij behoorende hennen, gewoonlijk kort aangeduid door 1â1, 1â2. 1âI! enz., voor 1 haan en 1, 2, 3, enz. hennen.
Kruisingen duidt men door hot teeken X aan, het mannelijke dier vooraan ; dus Cochin X Leghorn = kruising van een Cochinhaan met een Leghornhen.
Kortheidshalve was het misschien wenschelijk ook hier de bekende tee-kens J en 5 voor het mannelijke en het vrouwelijk dier te bezigen.
Wat de nomenclatuur der verschillende hoenderrassen en variëteiten aan-
8
gaiit, wij volgen liiei- de meest gangbare, zonder een wetenschappelijken maatstaf tot grondslag te nemen; van belang is het zeker, dat wij ons aan den regel houden; geen nieuwe namen, wanneer zulks niet noodig is om verwarring en misverstand te voorkomen.
Voor do klassificatie ontbreekt eveneens elke wetenschappelijke maatstaf, en de omstandigheid, dat de meeste, zoo niet alle rassen door kruising ontstonden en door nieuwe kruisingen, inteelt en andere liefhehberjjen of landhuishoudelijke belangen voortdurend veranderen en dikwijls van tot dusver als karakteristiek beschouwde kenmerken beroofd worden, schrikt ons af van een poging tot het verkrijgen van een steekhoudendt', wetenschappelijk bevredigende klassificatie. Voor practische doeleinden is zo eigenlijk ook overbodig en is liet voldoende de verschillende rassen slechts zoo te rangschikken, dat men ze zoo gemakkelijk mogelijk kan overzien.
Hoeveel er misschien ook tegen te zeggen is, komt ons eene rangschikking naar de nationaliteit nog als de beste voor, ofschoon we ons niet altijd slaafs daaraan konden binden; practiscbo overwegingen hebben ons er ook toe geleid, vast te houden aan de door Wright voorgestane verdeeling in drie groote afdeelingen.
De reden voor deze indeeling is do inrichting van bijna alle Engelsche tentoonstellingen van eenige beteekenis; naast de klassen voor erkende normaalrassen -ââStandard breedsquot; â ook eene klasse voor de eene of andere nieuwe of verschillende variëteit.
Vele van de nu onder de klasse-hoenders opgenomen rassen werden eerst als ânnclassed varietiesquot;, als tot geene klasse behoorende beschouwd, bijv. de Brahma's; en vele, vooral nieuwe kleurslagen van de groote rassen, moeten zich nog lieden met die betiteling tevreden stollen, vooral dezulke die, ofschoon ze zeer karakteristieke kenmerken hebben, zich niet onder de rassen laten rangschikken. De derde afdeeling eindelijk vormen de dwergvormen, de Bantams, krielen en vechtkrielen.
En zoo verkrijgt men dan een verdeeling der verschillende rassen in H rubrieken;
f. Klasse-hoenders of edele rassen.
II. Xiet geklassificcerde hoenders en li l. Bantams en kriel hoenders.
De op âkunstmatigequot; kenmerken gebaseerde ondcrafdeelingen zijn eveneens van geringe waarde en eigenlijk alleen bestemd om de verschillende groepen korter te karakteriseeren.
Tweedk Hoofdstuk .
Klassen cu variëteiten der Iiuislioenders.
Eerste rubriek. Klasse-hoenders.
A. ONGEKUIFDE KASSEN.
1. Aziatische rassen.
a. Met bevederde poefen. Shangbaes, Cliina's.
I. Cochinchina-ras. (Cochins).
Dit ras is voor 50 jaren liet eerst in Europa ingevoerd en wel door een stam, die in IS't.'! in bezit kwam van Koningin Victoria van Engeland. L. Wright houdt ze met recht voor verschillende van do eerst in 1847 door Engelsche fokkers ingevoerde Chineesehe stammen, welke ten minste de wezenlijke kenmerken van onze hedendaagsche variëteiten droegen en als stamouders daarvan beschouwd kunnen worden. ])o het eerst hier en daar ingevoerde eigenlijke Cochins onderscheidden zich door hun geheele voorkomen, door de wijze waarop zij den kop en den staart droegen, door de dichte en harde bevedering, bijna zonder dons, en vooral door hunne naakte pooten van het later ingevoerde Cochinras, met hetwelk zij bijna niets anders dan de grootte en de gele pooten gemeen hadden.
Het laatste werd uit China en meestal uitsluitend uit de haven van Shanghai ingevoerd. Gustav Radde meldt in zijn âReizen in 't Zuiden van Oost-Siberiëquot;, dat hij in de Ciiineesche volkplantingen bij Aigoen een tamelijk hoogbeenig, tegen de winterkou gehard hoenderras vond met de stem der Cochinchina's, doch niet zoo groot van gestalte, 't Is jammer, dat hij over voetbevedering e. a. niets mededeelt.
Zelfs het oudere Cochinras schijnt niet overal in China â nog minder echter in Cochin â⢠verbreid te zijn. aangezien naar mondelinge mededeelingen van den bekenden Kederlandschen natuurvorscher Oustaaf Schlegel deze Cochins ten behoeve van kruisingen enz. te Amoy en misschien ook wel ergens anders uit Shanghai ingevoerd werden.
in den strijd oin den naam â in Engeland en X.-Amerikaâ behaalde de eenmaal populair geworden naam Cochinchina's ten slotte de overwinning: wij hebben echter den langen tijd door de Amerikaansche fokkers vastgehouden groepnaam âShanghai'squot; weder aangenomen voor alle groote rassen en variëteiten niet bevederde pooten en deelen het vermoeden van Wright e. a.. dat de eerste variëteit, die zich zoo ongehoord snel over geheel Europa verbreidde en de âVader der hoenderliefhebberijquot; geworden is, werkelijk uit Cochin-China geïmporteerd werd, daar zij vele kenmerken met het
10
Maleische ras gemeen had on misschien door kruising van dit ras met do Shanghai-variëteit ontstaan is. Deze laatste is editor in Ciiina bepaald reeds voor lang in oen vorm gekweekt, die den modernen vorm zeer nabij komt, wat onwoderlegbaar bewezen wordt door do standvastigheid van haar miniatuur-vorm, do Cochin- of Pekingkrielen.
Naar de Engelsche âSchedule for Judgingquot; stelt men aan goede, prijswaardige Cochins de volgende oischen:
De haan moet een kleinen, goed gevormden /.-ophebben; een wat korten, aan de basis stevigen, gebogen, snavel; een enkelvoudigen, rechten, aan de bovenzijde fraai gebogen, geheel stijven, symmetrisch getanden kam van fijn weefsel en zonder eenig uitwas. In Amerika fokt men ook Cochins mot een erwtenkam. De hinlellen moeten lang en dun zijn en goed naar beneden hangen; de oorlellen zoo ontwikkeld, dat zij geheel of nagenoeg zoo ver naar beneden hangen als de kinlellen. Do tamelijk korte en een weinig naar voren gedragen hals is dicht met sierveeren bezet en een weinig gebogen, zoodat de halsveeren sierlijk over de schouders vallen. De romp moet groot en diep zijn, de rvg tamelijk kort maar breed, het zadel zeer breed en groot, naar den staart toe langzaam oploopend en met dezen een âharmonischequot; lijn vormend. De vleugels zijn klein en goed aan het lichaam gesloten, de groote slagpennen geheel onder de kleine verborgen. De horst is breed en vol en in vergelijking met de Brahma's wat hoog, maar zoo diep mogelijk afhangend. De djjen zijn met zwaar en dicht dons bedekt, dat zich kogelvormig voordoet; de hielen geheel en fraai met zachte, gebogen voeren bezet, zoo mogelijk zonder stijve kielen, â gierhakken; deze worden alleen dan gedoogd, als de voetbevedering bijzonder zwaar is. â Het loopbeen is kort en dik, staat ver zijwaarts en is aan de buitenzijde van de hiel tot den buiteusten en middelsten teen dicht bevederd; de leenen zijn groot, recht en sierlijk gespreid. De staartveeren zijn klein, zacht, met zoo min mogelijk harde kielen en worden laag of bijna vlak gedragen. (irootle ongeveer 65 Centim.; gewicht van 4.5 tot ongev. (i kilogr. bij volwassene en van 3.0 tot 5 kilogr. bij jonge hanen. Gestalte massief en die]); lioiiding vol waardigheid, oen weinig naar voren gestrekt, bet achterste deel boog gedragen.
De hen moet een zeer kleinen, verstand en zachtaardigheid uitdrukkenden kop hebben; snavel als bij den haan; kam, kin- en oorlellen als bjj den baan, maar zoo klein mogelijk. De kam moet gelijkmatig getand zijn. De zoo kort mogelijke hal» wordt sierlijk naar voren gedragen en is dicht met halsveeren bezet. De romp is groot en meer vierkant dan bij den haan, terwijl de schouders nicer uitkomen; de stuit is zeer breed, vol en bol, begint zoo ver mogelijk naar voren reeds op te loopen en bedekt den staart bijna geheel
II
du vleugels als bij den liaan, doch naar verhouding kleiner en de punten bijna geheel in de rijke rompbevedering verborgen. De horsi is vol en het borstbeen zoo laag mogelijk. Do poolen als bij den haan. De staart is zeer klein, wordt bijna horizontaal gedragen en is bijna geheel in de stuitveeren verborgen. Gestalte: samengedrongen, massief en vierkant. Houding: naar voren gericht, het achterdeel hoog gedragon. Kleio-slagen: verscheidene nuan-ceeringen van leder- en kaneelkleurige (Buff en Cinnamon), patrijs- of' hazdhoenldeurige, (Partridge or Grouse), witte, zwarte en koekoekkleurige. De gele Cochins -ââ citroengele (Leinon-buff), zilvergele (Silver-buff) of kancel-kleurige (Cinnamon Cochins) â hebben bij beide geslachten een fraai gelen bek; de kam, het gezicht, de oor- en kinlellen prachtig rood, het gezicht met zoo weinig mogelijk kleine, spitse veertjes hezet. De kleur der oogen (iris) moet zooveel mogeljjk met die van het gevederte overeenkomen; evenwel worden roode oogen gedoogd. (Deze zijn zeer zeldzaam, doch verdienen als een toeken van ecu krachtige constitutie zelfs de voorkeur, terwijl de door menigeen bewonderde witte of parelkleurige oogen zeer tot blind-worden
geneigd zijn). Het loopbeen moet heldergeel zjjn met een zweem van rood tusschen de schilden of schubben. De kleur van de hanen is op de borst en de onderdee-len een schakeering van citroen-, zilver- of kaneel-geel en geheel zonder vlek-teekening; kop, halsveeren, rug, schouders, slagpennen cn zadelveeren hebben een diepere, meer donkere, met die schakeering goed har-monieerende kleur, n.l. citroen-, goud-, oranje- of kaneelgeel; de slagpennen moeten volkomen foutvrij in de kleur zijn en er vooral niet uitzien, alsof ze bestoven of met meel bestrooid waren. De staartveeren hebben een nog donkerder kleur, maar zijn zonder zwart, dat alleen bij de donkere, âButt's en Cinnamonsquot;, en zonder wit, dat alleen bij de witte Cochins mag voorkomen. De hennen moeten overal dezelfde kleur hebben zonder teekening, de halsveeren de daarmee harnionieerende donkerder tint.
doch zonder zwarte stippen of' wolkteekcniiig; de laatste is vooral verwerpelijk. De staart zij zoo mogelijk geheel zonder zwarte voeren. Do geslachten moeten hij elkander passen en wel zoo, dat de lieliaamskleur van de lien overeenkomt met de kleur van borst en onderdeelen van den haan.
Bij de patrijskleurige Cochins is de bek geel of hoorn kleurig, de naakte deelen van den kop zijn prachtig rood, het loopheen is geel van eene donkere schakeering. De haan heeft fraaie helderroode of oranjeroode halsveeren met breede, zwarte strepen in het midden van elke veer. De rug-, schouderen vleugelhoogveeren zjjn prachtig rood, sterker en donkerder geschakeerd dan de halsveeren; de vleugeldekveercn, hebben een metaal-groen zwarten glans en vormen oen breeden, scherp begrensden dwarsband (spiegel) ovci' de vleugels. De slagpennen der tweede orde zijn fraai roodbruin aan de buitenvlag, welke alleen bij gesloten vleugels zichtbaar is, zwart aan de punt en aan de binnenvlag; de slagpennen der eerste orde zijn zeer donker roodbruin aan de buitenvlag, zwartachtig aan de binnenvlag. De zadelvee-ren zijn fraai rood of oranjerood, of van dezelfde nuance als de halsveeren of een weinigje lichter. Borst, onderdeelen en dijen, en de bevedering van het loopbeen zijn zoo diep en schitterend zwart mogelijk, evenals de staart, aan welken wit niet juist diskwalificatie meebrengt maar toch af te keuren is.
Bij de hennen moeten de halsveeren helder-, zuiver-of oranjegoudkleurig zijn mot breede, zwarte middenstrepen aan iedere veer, welke feekening zich tot op de veeren van den bovenkop moet uitstrekken. Het overige gevederte benevens liet loopbeen is op eene bruine grond kleur van een goed uitkomende, fraai donkerbruine of zwarte halvemaanvormige teekening voorzien, welke zich volkomen en geljjkvormig tot aan de keel toe uitstrekt.
De witte Cochins hebben een fraai gelen bek, parelkleurige of lichtroudc oogen en prachtig gele pooten. Het geheele gevederte moet zuiver en volkomen wit zijn zonder strookleurigen of roodachtigen weerschijn. Bij den haan helt de kleur der bovendeden gaarne tot het stroogele over, wat zooveel mogelijk vermeden moet worden.
De zwarte Cochins hebben een gelen, hoornkleurigen of geel en zwarten bek, licht- of' donkerroode of bijna zwarte oogen, vuilgele pooten en fraai zwart, zeer glimmend gevederte, dat geheel zonder roodachtige of goudgele veeren moet zijn. De kam wil gaarne wat ruw zijn, wat te vermijden is.
Bij de koekoekveeriije Cochins eindelijk is de bek fraai lichtgeel (hoorn-kleurig is geen fout), de oogen zijn licht rood, de pooten prachtig geel. Het geheele gevederte is op een blauwachtig grijzen grond van donker blauwgrijze dwarsbanden voorzien (pencilled). De halsveeren van den haan moeten zoo mogelijk zonder gele of roodachtige tint zijn, en de staart zonder zwarte of witte veeren.
Meestal als bij toeval komen er nu en clan gele (Joeliins voor met zijdeachtig' gevederte, {/jdc-Cochins, Silky Coehins of'Enui-fowls), welker eigen-aardige kenmerken tot op heden slechts zelden erfelijk bleken te zijn.
De indrijs-i. 'oehins zijn onder alle kleurslagen het moeilijkst te fokken, sedert de stnndaardklenr der borst van den haan een zuiver en diep zwart is. De keuze der fokhanen en hennen hangt af' van de vraag, of' men jonge hanen of hennen wil fokken; het spreekt dus van zelf', dat men heide afgezonderd moet houden.
Voereii vim oen itatrijsklcuri^c Cocliinlieii voor liet fokken van .jonse lianen :
li
Om jonge hanen te fokken moot de haan als volgt gekleurd en geteekencl zijn: Horst, beenbevedering en donsveeren aan en om do dijen zwart; lials-
k. Lange Hlngpcn der 2(lo orde. h. Korte nlngpon der 2do orde. c. Midden van do «tuit. d. Midden van den rug. e. Vlougoldekveer. f. Midden dor borst. y. Getoekondo lialöveer. h. Solide halsveor.
voeren koolzwart langs do dunne, roomkleurige schachtstreek, met fraai dieproode, breede zoomen, die aan den achterhals echter ook oranjerood
15
mogen zijn. De zadelveereu evenzoo, doch deze behooren niet zoo donker te zijn. J)e hennen, die met zulk een hium zuilen paren, moeten eene zeer diepe, fraai koffiebruine grondkleur hebben; de halsveeren moeten fraai roodachtig oranjekleurig zijn met zwarte schachtstrepen, zooals in fig. 5 (pag. 13) te zien is. Het karakteristieke van de teekening der voeren is, dat deze wel zeer smal en klein, maar dicht en bijna zwart van kleur is en de grondkleur nagenoeg bedekt, zoodat de geheele kleur vrij donker wordt. De lange slagpennen van do tweede orde zjju bijna zwart; de kleur der stuitveeren is dikwjjls niet van zwart te onderscheiden; dan echter moeten ze een koffiebruinen of bijna goudbruinen zoom hebben; is dit niet liet geval, dan zal er zich bij de jonge hoenders te weinig glans op de kleuren vertoonen. Eerst na één- of tweejarige paring zal men correcte hanen in ^root aantal verkrijgen, wat men in den beginne niet verwachten mag. Vooral waclite men zich voor wit in de staarten der hanen, daar dit. als het eenmaal aanwezig is, zeer moeilijk weder weg is te fokken.
Voor het fokken van jonge hennen is weder een geheel andere type van kleur en teekening noodig.
De baan moet meer roodachtig oranjekleurige dan roode halsveeren hebben, natuurlijk met zwarte, breede schachtstrepen; enkele bruine vlekken aan de donsveeren en zelfs aan de horstveeren zijn zonder invloed, Hoofdzaak is de hen. Zooals fig, ü (pag, 14) aanduidt, moeten vooral de horstveeren zeer dicht en nauwkeurig met verscheidene volkomen halvemaantjes geteekend zijn. De overige vceren moeten een dergelijke teekening hebben, doch wat grooter en breeder en sterker gekleurd; de schacht van de veer moet zoo goed mogelijk onzichtbaar zijn. De halsveeren kunnen verschillend geteekend zijn; bjj tentoonstellingsexemplaren moet het binnenste gedeelte der vederen natuurlijk éénkleurig zijn â- h; voor het fokken is eene teekening als bij ;/ zelfs voordeelig en van zoo getcekende hennen zjju eenige van de beste jonge hennen gevallen. De kleur van den zoom moet echter in beide gevallen een diepe, fraaie goudkleur zijn en de donkere teekening moet zich zoo mogelijk tot aan den hovenkop uitstrekken. De grondkleur van het overige gevederte moet helderbruin zijn met een zweem van de lederkleur, doch geheel zonder gele tint, welke steeds af te keuren is.
Wie echter geen twee afzonderlijke afdeelingen hebben kan of wil, kan beide geslachten ook in ééne afdeeling fokken, doch dat kost eenige jaren tijd. Men begint dan met sterk en éénkleurig donker, bijna zwart geteekende jonge hennen uit te zoeken, welker grondkleur echter tameljjk lichtbruin moet zijn, en paart deze met hanen van den hanenfokstam, welker halsveeren van een gemiddelde kleur der omzooming, maar zoo dicht mogelijk gestreept zijn en geen wit aan de schachten hebben. Verder kiest men tot stamparen
â Hi
iilleeu dezulke met sclierp geteekonde kleine staartdekveereu en sierlijke Iien-nou met donkere ko]) en borst. Bij eene zorgvuldige keuze kan op deze wijze eindelijk een stam verkregen worden, die een groot aantal goede hennen en jonge tentoonstellingshanen levert, onder welke laatsten de meesten zeer diep oranjeroode, van voren bijna fraai roode halsveeren zullen hebben,
Mr. Hewitt waarschuwt in het bijzonder voor hennen, die lichte schachten hebben, daar die zelden goede hanen met duidelijk gestreepte hals- en zatlelveeren en zuiver zwarte borst- en donsveeren geven. Deze hennen zijn gewoonlijk âfoxy-headedquot;, voskoppiij, d. w. z. dat de bovenkop en dikwijls ook de bovenste borstveeren meestal slecht of' in het geheel niet geteekend zijn, maar een vosroode grondkleur hebben; zij geven steeds hanen met voskleurige veeren aan borst en pooten â â de ergste van alle fouten bjj deze kleurvariëteit â en hennen, die de moeder waardig en aan deze gelijk zijn.
Ook 311'. E. Tudman houdt het kweeken op de veer over 't geheel, vooral echter bij de patrijsveerige ('ocliins, voor eeue âzeer moeilijke onderneming, die jarenlange ervaring en groote zorg vereisclit. Hij betreurt het, dat Engelsche jury-leden de veeren bij de grootte ten achter gesteld hebben, daar toch juist kleur en teekening hier de hoofdzaak zijn. Bij de invoering van nieuw bloed is eene nauwkeurige kennis van den fokstam en van diens stamboom noodig, wanneer men zijn eigen stam niet geheel en al wil ruïneerenquot;.
Aangaande het fokken van de overige kleurvariëteiten is weinig meer te zeggen, dim 'tgeen wjj reeds over het samenvoegen der geslachten opgemerkt hebben. In 't algemeen kun er echter nog bijgevoegd worden, dat men het best van 'i-jarige hennen en éénjarige hanen fokt, wanneer men niet in de eerste plaats de grootte op het oog heeft; in dat geval kieze men 'i-jarige hanen.
Voor alle Cochins boude men de hooggele kleur der pooten echter als een belangrijk raskenmerk vast. Al schijnt men bij de zwarte variëteit ook eene donkere schakeering van het geel te moeten gedoogen: blauwe, grijze of zelfs zwarte pooten zijn zekere bewijzen van onzuiver bloed en daarom beslist af te keuren. Om de dikwijls voorkomende ontsiering van het fraaie, zwarte gevederte door gele of roodachtige veeren, waardoor vele lokkers van het fokken van deze variëteit afgeschrikt worden, met duurzaam gevolg-te voorkomen, zijn misschien kruisingen van goede zwarte Cochins met witte aan te bevelen â beide kleuren gaan, zooals bekend is, licht in elkander over â of men moet zooveel kuikens fokken, dat het mogelijk is daaruit fokstammen zonder fouten te kiezen.
Hetzelfde geldt ook van de koehoekvecrige Cochins (ook Prim Albert-
47
hoenders genoemd); gele pooten en eeno gelijkmatige gegolfde teekening, zonder oenige andere kleur in het geheele gevederte, zijn een streng ver-eischte.
Vooi' de beoordeeling der vorseliillende Cocliinklassen is vóór alles noodig, dat men de kentncrliendc eigenschappen der Cochins goed in het oog houdt. De zuiverste kleur en teekening kunnen nooit opwegen tegen opvallende fouten in vorm en houding, en vooral niet tegen gebrek aan die vierkante, massive liehaamsontwikkoling en den lijnen, inderdaad âaristoeratisobenquot; kop, die steeds het kenmerk is van werkelijk Ie klasse Cochins.
Op oen breed, opstijgend zadel bjj den haan en een vol achterlijf hij de hen is evenzeer te letten, daar zij gewoonljjk met fraaie dons- en beenbe-vedering en andere karakteristieke kenmerken gepaard gaan. Hetzelfde geldt ook van de schitterend roode, zeer dunne en fijne oorlellen, die eveneens een kenmerk van goede vogels zjjn. Overigens moet men niet uit het oog verliezen, dat de oorspronkelijke kleurvariëteiten â lederkleurige, gele, patrjjskleurige en andere nuances âde zwarte en witte, alsmede de gemengd zwart en witte, zoowel in grootte en volume als in correcte vorming, bijv. van den haan, aanmerkelijk overtreffen. De âgeringere puntenquot; zjjn moei-Ijjker uit te maken en vereischen een ervaren beoordeelaar, die bovendien â en dit kan wel niet anders â ook met de heerschende mode, bijv. in de kleuren, rekening beeft te houden.
Ook moet men niet uit het oog verliezen, dat men bij de beoordeeling der verschillende nuances van de oorspronkelijke kleuren, welke wij hier nog met de gebruikeljjke namen zullen laten volgen, en de later gefokte witte, zwarte en koekoekveerige in zooverre onderscheid moet maken, dat men bjj de eersten meer op den geheelen bouw en de zwaarte, bij de laatsten minder op de zwaarte maar meer op de kleur dient te letten. De oorspronkelijke kleuren benevens de daarvan afgeleide zijn:
1. deel, lederyeel â licht en flonker â â Ihitf â Fauve â Flavus.
'J. Kanarie- en cilroenr/ed â Lemon â Jauue - Badius.
;i. (loudyeel, licht kanaelkleiiriij â Light Cinnamon â Silaceus.
â¢i. Diep rooihjoudkl., donker kaneeikleuriij âDark Cinnamon â Roux â Rufus.
5. Palrijsklmrig â Partridge â Couleur de perdrix â Color perdicis.
De overigen:
(i. /wart â Black â Noir â Niger.
7. 1 Vit â White â Blanc â Albus of Candidus.
8. Koekoekveerige âCuckoos â Prince Alberts â Coucous â Nisorius.
De Cochins behooren tot die hoenderrassen, welke, uit een economisch
oogpunt beschouwd, slechts voorwaardehjjk zjjn aan te bevelen: misschien
Baldamüs, Pluimvcotcolt. 2
IX
alleen voor lien, die slechts over weinig ruimte voor limine boenders te beschikken hebben, daar zij het in do kleinste ruimte voor lief' iiemen en, wanneer zjj ruim van groenvoer en slechts matig van ander voer worden voorzien, gezond blijven en goede \vinterloggers zijn. Hunne grootte, gehardheid en neiging tot broeden maken ze aanbevelenswaardig voor vroegbroe-den, terwijl men ze altoos enkele eieren meer kan onderleggen, dan de kleinere rassen. Het vleesch is, wel is waar, grover en het borstvleesch weinig ontwikkeld, doch de zeer groote bovenschenkels â en dit geldt ook van de Brahma's â zijn werkelijk overheerlijk en hoven het schenkel-vleesch van de andere rassen te verkiezen; natuurlijk van jonge dieren, die ook voor de markt geschikt zijn.
De Cochins zijn broeders van den eersten rang en goede moeders. Daar zij de kuikens ocliter vrij vroeg verlaten, zjjn ze voor teere rassen minder geschikt. Jonge Cochins leggen dikwijls '14 dagen na het broeden reeds weer op nieuw en willen, wanneer zjj 1'i a 20 eieren gelegd hebben, weder broeden. Gemiddeld geleiden zjj hunne kiekens niet langer dan 4 a (i weken, doch openbaren overigens voor hen een aangeboren teederheid; de broed-lustige hennen nemen dikwijls vreemde kiekens, die men 's nachts onder haar legt, aan en zelfs de hanen geleiden deze dikwijls met moederlijke zorgvuldigheid.
Hunne grootte en gehardheid maken hen tot in zekeren graad geschikt voor kruisingen; evenwel dienen zulke proeven met kennis van zaken genomen te worden. Als men Cochin-lmnen bij gewone hennen bracht, zou men grove, leeljjke, hoogbeenige kuikens verkrijgen, die geen mensch zou willen aanzien. Er zijn echter IJ goede kruisingen, bij welke steeds de hen met een vreemden haan gepaard moet worden.
De eerste kruising is die met den massiven, gedrongen Dorkinghaan. Hierdoor verkrijgt men zeer groote, vrjj harde, vroegrijpe en uitnumtende tafelhoenders, welke niettegenstaande hun plomp voorkomen en sporen van veereu aan de pooten ook op de groote markten wel aan den man willen.
De tweede is die met een Crève-Coeurhaan, waaruit werkelijk prachtige tafelvogels ontstaan met tamelijk fijne beenderen, aanzienlijke zwaarte en snellen groei. Bovendien zijn deze bijna even hard als die der Dorking-kruising.
De derde, met een Hondanbaan, geeft de beste legstcrs onder de kruisingsproducten; zij hebben evenwel, wat het gevederte betreft, meestal een zeer ordinair voorkomen. De romp is niet zoo groot en het borstvleesch niet zoo overvloedig als bij do beide hiervoor genoemde, doch zjj zjjn vroeg rjjp en de kuikens zijn harder dan die van alle andere boenders.
Om de Cochins in een beperkte ruimte gezond en vruchtbaar te houden.
li)
moet men zo veel groonvoer geven, omdat anders de spijsvertering weldni gestoord en het gevederte daardoor ruw wordt.
Ook mag men ze niet te veel voeren, omdat zij een bijzondere neiging' tot vetworden hebben, welke onvruchtbaarheid, ziekte en zelfs den dood ten gevolge kan hebben. Maïs deugt dus niet voor hen, ofschoon enkele individuen zich daarbij bij uitzondering zeer goed bevinden.
Om groote Cochins te fokken, moet men alleen 2jarige ouders nemen; jongere en oudere leveren niet zulke goede nakomelingen.
De kuikens zijn gemakkelijk op te kweeken, groeien lijj een zorgvuldige voedering zeer snel en worden bijna zonder uitzondering groote dieren.
2. liet Brahma- of Brahmapoclra-ras.
Over de afstamming en invoering van dit, liet Cochin-ras zoo na staande ras der groote Aziatische hoenders, is sedert het voor een 50 tal jaren bekend werd, een levendige strijd gevoerd tusschen Amerikaansche en En-gelsche vakmannen. Yolgens Wright zijn de eerste echte stammen van dit voortreffelijk ras met een schip uit de stad Luckipoor, aan den mond der Brahma-l'ootra, in Sept. 1846 te New-York aangekomen, het eerste broedsel in Mei 18.47 uitgekomen, de eerste exemplaren onder den naam âGrey Chittagongsquot; iu 1850 te Boston geëxposeerd, daar door een Commissie als van de zoogenaamde Chittagongs verschillend verklaard en met den naam âlirahma-Pootraquot; bestempeld. Later is evenwel die vermeende invoer uit Indië bewezen onjuist te zijn en kwam men tot de overtuiging, dat de Brahma's in Amerika uit een kruising van Cochins en Maleiers ontstaan zijn, waarvoor de karakteristieke drierjjige kam â pea-comb â erwtekam â der Brahma's wel pleit, daar deze kamvorming bij de kruisingsproducten van Cochins met Maleiers vrij dikwijls is waar te nemen.
Wright gaat nog verder, door den drierjjigen kam als een karakteristiek kenmerk van een oud, zonder twijfel zorgvuldig gefokt hoenderras te beschouwen, flat zich bjj de Chineezen tot Cocliins en in Oost-Inclio tot Maleiers gevormd heeft; zoodat volgens deze hypothese de Brahma's als dat oude ras kunnen worden beschouwd.
Het Brahma-ras, dat zoowel als sportdier als uit een economisch oogpunt beschouwd uitmunt, heeft de volgende kenmerken:
llaiiK: de kop is over 't algemeen zeer kort, klein, smal, goed aangezet en niet hoekig; de blt;;k is kort, gebogen en krachtig aan de basis; de kam is drienjig ââ van welke de middelste rij iets hooger dan de beide zjjijjen, volkomen recht en sierlijk getand is â alle laag en klein, âvast op den kopquot; en naar achteren in een punt uitloopend. Be kinldlen zijn matig lang, dun
'2 O
en goed afgerond; do oorlellen groot cn tot onder do kinlollen vallend. De hah is goed geproportioneerd en sierlijk gebogen, als bij een edel paard, en zeer dicht met lange over schouders en rug golvende halsveeren bezet. De romp is groot en diep, maar stevig en gedrongen van bouw; de rwj is breed en kort; het zadel, zeer breed en groot van omvang, moet bepaald naar den staart toe langzamerhand omhoog loopen, zoodat het met dezen quot;â een hoek vormt. De vleugels zijn grooter dan lijj de Cochins, maar toch klein en hoog gedragen, de kleine slagpennen netjes onder de groote gedragen. De horst is vol, goed gerond en zoowel naar voren als naar beneden goed gewelfd. De dijen zijn stevig en goed van donzige veeren voorzien; de hakken geheel met zachte, gekroesde veeren bedekt; als de pooten sterk bevederd zijn. worden stijve veeren (gierhakken) ook toegelaten. Het loop-been is geel, een weinig doch niet al te kort, dik, ver naar buiten geplaatst en aan de buitenzijde sterk bevederd. Deze bevedering begint duidelijk merkbaar aan de hiel en eindigt aan den buiten- en den middenteen; de teenen zijn lang en dik en goed gespreid. Do staart is grooter dan bij de Cochins, maar toch klein en wordt wat meer rechtop gedragen; liet bovenste vederpaar is naar buiten gebogen, zooals dat bij het korhoen het geval is; de sikkelveeren zijn kort en maar weinig naar beneden gebogen, de kleinere sikkel- en stuitveeren zjju zeer talrijk, zoodat ze bjjna de zjjden van den staart bedekken. Hoiiijte van 70â73 centim.; ijewieht van â6,8 kilogr., bij de jonge hanen 3,(3â-5 kilogram. Ahjemcen voorkomen: zeer symmetrisch en gedrongen; hou ding edel en gebiedend, met zeer boog gedragen kop.
De hen: A'o/» zeer klein; tengevolge van een klein beenuitsteeksel boven de oogen, dat echter niet te sterk mag uitkomen, ziet de hen er eigenaardig sluw en verstandig uit; kop en bek korter dan bij den haan; ham zoo klein mogelijk; een groote, slappe kam is ten zeerste af te keuren; oorleUex goed ontwikkeld; hint ellen sierlijk gerond, fijn en zonder vouwen; hals kort, Hink en glad bevederd. De ro»?/) is over 't algemeen gedrongen doch sierlijk; de rag breed, vlak en kort; het zadel breed en uitgebreid, niet bol zooals bij de Cochins, maar naar den staart toe oploopend; vleugels van matige grootte, de uiteinden door de zadelveeren bedekt; horst vol en diep, goed vooruitstekend; pooten als bij den haan, maar zoo kort mogelijk. De staart is tamelijk kort, zoodat lijj niet ver over de uiterste stuitveeren heen reikt, bjjna rechtop gedragen. Grootte; zeer aanzienlijk; gewicht :Uiâ5,0 kilogr. bij oude, '2,7â4 kilogr. bij jonge exemplaren. Voorkooien, over 't algemeen massief en vierkant, maar sierlijk en gedrongen. Houding: deftig en vol waardigheid, met opgerichten hals cn kop.
Men fokt voornamelijk twee variëteiten: lichle (light) en donkere (dark) Brahma's.
21
Daai- ilit rns uit een economisch oogpunt beschouwd zoo belangrijk is, zullen we beide variëteiten uitvoerig beschrijven.
De lichte Brahmas hebben een fraai gelen bek, met of zonder donkere strepen op den bovenneb. Kam, gezicht, oor- en kinlellen zijn prachtig rood en zoo glad mogeljjk. De iris is parelkleurig of rood. 't laatste het liefst; 't loopbeen oranjegeel.
lïij den haax is de kop zilverwit; de halsveeren zijn wit met diep zwarte
strepen (schachtstropen), de zadelveeren eveneens wit en zoo mogelijk met zwarte strepen; staart en stuitveeren schitterend groenzwartmet uif-zondering van de beide groote sikkelveeren. welke wit gezoomd kunnen zijn. Het weelderig gevederte is zuiver wit met grijs dons er onder, hetwelk zichtbaar wordt, als de vogel ruw in de veeren zit â of deze overeind staan; de kleine slagpennen zjjn wit iiim den buiten- en zwart aan den binnenrand, de groote zwart; de bevedering van't loopbeen is wit, min of meer met zwart vermengd.
De hen heeft een zilver-
witten kop, witte halsveeren met sterk schitterende, diep zwarte strepen, een zwarten staart, welks dekveeren wit gezoomd moeten zijn. Het overige gevederte is zuiver wit met grijs dons, als bij den haan. Slagpennen en voetbevedering eveneens als bij den haan.
De donkere Brahma's hebben een gelen bek met donkere, hoornkleurige of zwarte strepen. Oogen, kam, oor- en kinlellen zjjn even als bij de lichte Brahma's.
Do hacoi heeft een zilverwitten kop, dito hals- en zadelveeren, sterk en scherp gestreept met diep zwarte schachtstrepen. Rug- en schouderveeren zijn zilverwit, de veeren tusscben do schouders vormen een zwarten drie-boek met witte zoomen; do vleugelboog is zilverwit, de dekveeren schitterend zwart met groenen weerschijn; de kleine slagpennen zijn bij gesloten vleugels van buiten wit, de binnenzijde is zwart; de groote slagpennen zjjn
'2'2
zwart mot eon smallon, witten zoom aan do buitenzijde. J3o borst, oudor-deelon on dijen zijn diep on schitterend zwart. Hot dons is zwart, ook de staart, do laatste met een lovondig groenen woorschijn; 't loopboen is oranjegeel.
De kop on do halsvoeron van do hen zijn zilverwit en geteokond als bij den haan; deze toekoning mag zich wol over don kop uitstrekken. De staart is grauwzwart. Hot overige govedorto heeftop een zilvergrjjzen grond regelmatige, spits halvemaanvormige, donker- of' zwartgrijze peltoekeniug; do borst moet vooral correct goteekond zijn en naar de kool toe geen strepen vertoonon; een bruinachtige grondkleur is bij oude hennen niet onvoorwaardelijk af te keuren, bij do jonge echter wel. 't Loopbeen is diepgeel, mot of zonder donkeren weerschijn. Fig. lt;S, wijst de normaaltee-koning der voeren van een 20 maanden oude, grijze her aan.
Vóór wij hot fokken der lichte Brahma's besproken, moeten we nog oen blik werpen op hot Amorikaansche type van dit, in do Voreenigde Staten algemeen verbreid ras, omdat allo kruisingen hiermede voor bepaalde doeleinden van grooto waarde zijn.
De Amorikaansche Brahma's zijn in den regel hoogor op de pooten en in den rug dan de Engolsche en dus niet zoo compact; vorder hebben zij meestal een te langen kop, wat hunne sierlijkheid zoor schaadt. Ook in kleur verschillen zij oenigszius; de Amorikaansche variëteit hooft wit, dat er precies uitziet als vcrsch gemolken melk, terwijl men hot wit aan deze zijde van don Atlantischon Oceaan liever parelkleurig, blauwachtig ziet, meer met afgeroomde melk overeenkomend, wolk wit bij do hanen niet zoo helder is en licht in de niet graag geziene strooklour over wil gaan. Eindelijk fokt men de Brahma's in Amerika ook aanzienlijk grooter en zwaarder: hanen tot 18 Eng. pd. en hennen van 12â13 pond zijn er niet ongewoon. (1 Eng. pd. = 0.45 kilogr.)
Wat de figuur aangaat, ligt het meest volmaakte model misschien in het midden van beide uitersten. Vooral in Engeland hooft do modezucht om zoo mogelijk kortbeenigo hanen te verkrijgen, aan do grootte beslist nadoel gedaan ; doch, do lang gerekte, hoog op do pooten staande Amorikaansche Brahma's willen ons toch ook niet bevallen.
Het boste model levert oeno paring van fijne, langhjvige Amorikaansche hennen van 10 a 12 pd. met een breedgerugden, broed en hooggezadolden en zoor kortboonigen haan van oeno goede parelkleur. Ook do omgekeerde kruising kan goede resultaten opleveren, doch de eerste is de ver-kiosljjksto.
Hot hoofdbezwaar bij het fokken van lichte Brahma's is de juiste en voldoend zwarte teekening dor halsvoeron, zonder bijmenging van valsche
klcurcii. Do moeste pluimveerassen hebben eene neiging om steeds licliter van kleur te worden; wanneer men evenwel, om zulks tegen te werken, hanen met dicht gestreepte hals- en zadelveeren met donker]mlzige hennen paart, dan zullen jonge hennen, die op den rug en andere plaatsen gevlekt
zijn, en hanen, met zwarte vlekken in de vleugels, het dons enz. de bijna niet uit te blijven resultaten zijn.
Het beste plan, tenminste in het begin, zal wel het volgende zjjn: Om jonge hanen te fokken, pare men een haan, met smal maar duidelijk gestreepte halsveeren, zeer lichte zadelveeren en bjjna witte voetbevedoring, met hennen, welke zoo donker gestreepte halsveeren hebben, dat zij voor
ceno tentoonstelling niet (lengen, of met zoo donkere of geheel zwarte zoomen daaraan, als bij « in tig. !).
ilet deze paring zal men halsveeren met correcte teekening als bij b verkrijgen, en, wat de kleur aangaat, voor 't meerendeel voor tentoonstellingen geschikte jonge hennen, alsmede een vrij groot aantal goede lianen, ofschoon niet duidelijk genoeg geteekend om voor volmaakt door te gaan.
()m correcte hanen te fokken moet men hanen met flink gestreepte halsveeren en correct gestreepte zadelveeren paren met hennen, welke op den rug geheel niet en op do halsveeren zeer licht en onduidelijk geteekend
zijn. Van de jonge hanen uit zulk eeno paring zal niet licht één in kleur foutief zijn ; de hennon echter zullen meest een gevlekten rug hebben. Hierbij is evenwel ook nog te letten op de donsveeren en de donzige baardjes der veeren, die van zeer licht parelgrijs tot diep donkergrijs kunnen variëeren; ofschoon die kleur niet altijd overeenkomt met die der contourveeren, is het toch niet geraden vogels van donkere donskleur met elkander te paren.
Hij inaehtneniing van deze regels zal men er binnen weinige jaren in slagen, van eenzelfden stam goede karakteristieke hennen en hanen te fokken; de eerste gewoonljjk met wit zadel, waarin slechts nauwelijks merkbare sporen van zwart voorkomen. Paart men dan verder altijd goed geteekende, maar in de kleur van het dons verschillende â lichte en donkere â vogels, dan zal deze gewaardeerde eigenschap wel behouden blijven.
Van kruising van donkere Brahma's met witte Cochins gewagen wij alleen om er voor te waarschuwen. Al verkrijgt men ook eerst eenige goede, zelfs zeer goede lichte Brahma's, dan zullen zich toch weldra â reeds in het tweede en derde geslacht â de misselijke gevolgen van terugslag vertoonen : enkele kam, donkere en bruinroode vlekken, lichte halsveeren enz.
De lichte Brahma's moeten een goed beschaduwd grasveld tot loopplaats hebben, om de hanen te bewaren voor het geel worden van het witte geve-
(lerte on om ceno bijzondero vooi'bei'oitling vooi' do tuiitoonstcllingcuââ¢mot uitzondering' van het wassclion van kop en pooten â- onnoodig to maken. Wegens hun hard govederte behouden zjj, zelfs in rookerige steden, hnnne witte kleur nog beter dan witte Cochins.
Wat het fokken van donkere lirahma's op kleur en teekening aangaat, zoo is de hoofdzaak, dat deze bij de jonge hennen gelijkmatig over het geheele lichaam verbreid zjju en er zich niet hier en daar lichtgrijze of bruine plekken vertoonen; verder, dat de borst tot aan de keel toe zoo dicht gestreept is, dat zjj bijna zoo donker is als de zijden en de rug. De halsveoren moeten, hoe overigens ook de kleur moge zijn, zilverwit zijn en sterk en diep zwart gestreept, terwijl do beenbevedering geheel zoo getee-kend moet zijn als het lichaam.
De grootste moeilijkheid om dit doel te bereiken, ligt in do keus van een passenden haan; want de verschillen in kleur en teekening, die bij de hennen zoo sterk in 't oog springen, zjjn bij den haan, zelfs door het gooe-fendste oog, maar ten deele op te merken. Daarbij komt nog, dat er zich ten gevolge van het vele kruisen in deze variëteit dikwijls terugslag openbaart, die met elke berekening spot.
De volgende algemeeno grondstellingen beloven evenwel steeds goede resultaten;
Om zilver-of blauwgrijze hennen te verkrijgen, moet de haan zoo mogelijk niet het geringste bruin aan zich hebben, zelfs niet in de banden op do vleugels;
purperglans op de staartveeren is eveneens niet goed; de vleugelbandon moeten bepaald groen,
de staartveeren groenachtig zwart zjjn. De hals- en zadelveeren moeten éónkleurig en zeer dui-dehjk gestreept, het bovenste deel van den rug zoo zwart mogehjjk zjjn. Van een beslissenden invloed is echter de kleur van het onderste gedeelte. Mr. F. Wragg legt er in âPractical Poultry keeperquot; zeer den nadruk op, dat borst, djjen en dons zuiver zwart moeten zijn. Wright is echter overtuigd, dat het volgen van deze regelen, vooral wat het zwarte dons aangaat, het aanzijn heeft gegeven aan vele zilvergrijze jonge hennen met witten kop en bleeke borst. Hij hoeft opgemerkt, dat hanen met licht
20
gekleurd dons altoos beter geteekende jongen leverden dan dezulken, die zuiver zwarte donsveeren hadden, aangenomen dat alleen de randen wit of licht zijn. Hetzelfde geldt van het geheele govedorte; wanneer de schacht en het centrum der veeren die]) zwart zijn, mogen rand en punt wit gezoomd zijn. De hoofdzaak is, dat de borst, onverschillig of die éénkleurig zwart of gepeld is, donkerder of ten minste even donker moet zijn als de djjen en dat de borst van de met zulke banen te paren hennen donker en zuiver geteekend is. Wel is waar, kan een volkomen raszuivere haan ook'fraai getee-kende jonge hennen verwekken bjj hennen met een gestreepte borst, doch dat is uitzondering, geen regel.
Wat de in Amerika zeer gewilde donkere Brahma-hennen met regelmatig geteekende en bovendien â aan het eind â grijswit gezoomde veeren betreft (Fig. 10), dezulke vindt men af en toe in eiken stam en deze zijn gemakkelijk verder te fokken. Wright geeft â en o. i. met recht â de
voorkeur aan eene overal gelijkmatig geteekende en gekleurde veer.
Om zeer dicht en donker gepeld gevederte te verkrijgen, moet men een haan kiezen, wiens hals- en zadelveeren aan de basis van de vlag en langs de schacht vooral diep zwart zijn (Fig. 11); terwijl de schacht zelfbepaald wit moet zijn: dit is een regel voor hot kweeken op elke kleur, vooral echter voor die van onze donkere Brahma's, omdat de jongen anders bijna altijd nog duidelijker gestreept uitvallen. Nu is er zeker nauwelijks één haan. die hee-lemaal zonder lichte schachtstrepen is, doch men moet er toch voor zorgen, dat deze zich tot oen minimum bepalen.
Waar de zadelveeren in de stuit veeren overgaan, moeten do zwarte strepen zeer breed zijn, scherp afsteken en een schitterenden weerschijn hebben. Het dons moet in het midden der voeren hetzelfde schitterende zwart hebben met smalle witte zoomen. De borstveeren kunnen of zwart zijn óf schitterend zwart met kleine ronde witte vlekjes, ongeveer ter grootte van een peperkorrel, regelmatig over het zwart verspreid. Voor liet fokken van lianen is echter een zuiver zwarte borst benevens het hiervoor aangegeven dons meer aan te bevelen.
In 't bijzonder dient men ook acht te geven op den bovenrug, daar, waar
Pig. 11.
die door de lialsveercn bedekt is. quot;NYanneer zjjne veeren te donker zjjn en in een éénkleurig zwart overgaan, mag men zulk een haan alleen met lielitgekleurde hennen paren. Heeft men echter alleen over donkere hennon te beschikken, dan moeten de boven-rugveeren van den haan aan het eind wit gezoomd zjjn, om, als aan alle andere voorwaarden voldaan is, zeer fraai geteekende jonge hennen te verkrijgen.
De vleugels kunnen een weinig geteekend zijn, maar het bruin daarvan mag niet den metaalglans van koperbrons vertoonen. Dit mag alleen aanwezig zijn langs den bovenrand der vleugelbanden en aan de punten van de kleine slagpennen, doch ook niet zoo sterk, dat hot al te gemakkeljjk iu 't oog valt. De weersclijjn der staart- en vlengelveeren moet of blauwachtig groen of purperkleurig en de borst van den haan even donker of nog iets donkerder zjjn dan het dons aan de schenkels; éénkleurig zwart voor het fokken van hanen, en op de boven aangegeven of dergelijke wijze geteekend voor het fokken van hennen.
Om de, vroeger meer dan thans gewilde bruine kleur te verkrijgen, kiest men een haan met eenige bruine veeren in de vleugels en wiens borst en schenkels vrjjwat, doch zeer scherp en duidelijk wit gevlekt kan zijn, in geval de hennen eene donker gepelde borst hebben. J)o halsveerstrepen zjjn hij de bruine variëteit gewoonljjk iets smaller, de staartvccron vertoonen een donker groenen of purperen weersclijjn. De bruine Brahma's zjjn, meent men, uit kruisingen, bjjv. met Dorkings ontstaan, doch door een doelmatige keuze der fokdieren kan men ze in weinige jaren ook uit zuiver grjjze ]5rahmastanimen fokken.
Voor het kruisen van verschillende kleuren van Brahma's geldt in't algemeen liet volgende :
1. Een donkere' Brahma-luutn met hruina of zilvergrijze U ;nnen gepaard, maakt alleen de pelteekening donkerder.
'2. Een bruine haan met donkere of Helde hennen geeft aan de jonge hennen, bjj overigens zeer goede resultaten, bruine plekken en verspreid roode veeren; met zilvenjrijze hennen een zahnroodo borst.
lianen van licld zilvenjrijze staimnen verwekken liij anders dan zeer donker ijeldeurde hennen over 't geheel zeer weinig goede hennen, soms echter wel zeer fraaie, zuiver gekleurde hanen.
i. lianen van werkeljjk goede donker blauwgrijze stammen leveren met bijna alle andere kleuren goede nakomelingen
Van de kruisingen met andere rassen zjjn vooral die met Cochins en grijze Dorkings dikwijls beproefd.
De Cochinkruisiugen â â gewoonlijk met patrjjskleurige Cochins â bedoelden meest eene donkerder borst bij de jonge hennen of verbetering van de
28
door verkeerd fokken verloren gegime stuit- en donsveeren. De âCoeiiinborst,quot; de uitdrukking van liet gelaat, voornamelijk echter do aanwezigheid van roode veeren in het dons en geel aan do halsveeren, zijn bij jonge hanen een bewijs van onzuiver bloed, en evenzoo rood in de schouderstreek bij jonge hennen; niet echter rood of bruin aan de borst van deze, daar, zooals we gezien hebben, ook de zuiverste Brahma's nu en dan die kleur op de borst vertoonen.
Do kruisingen met Dorkings werden en worden niet verschillende bedoelingen ondernomen. Afgezien van de economische, bijv. snelleren groei, verbetering van het vleesch enz., had men vooral de verbetering der borstteekening op het oog, welke teekening voor den Brahma-fokker altijd een moeilijk punt is. Er zijn evenwel ook fokkers, die het bestaan van deze kruising ontkennen, ofschoon de, eerst bij latere geslachten voor den dag komende 5tie teen daarvan een onomstootelijk bewijs is, AVitte pooten zijn echter geen bewijs voor deze kruising, wel echter de koene, trotsehe gelaatsuitdrukking. Waardelooze kuikens kunnen bij de scheiding van hanen en hennen-âtegen de iO'1' of 1 'i'te week â vrij gemakkelijk afgezonderd worden. De jonge hanen der Brahma's hebben juist op dien leeftijd veel meer van de bonding der ouden dan wanneer zjj '(â a 5 maanden oud zjjn, op welken leeftijd zjj alles behalve mooi zijn te noemen: dan ontwikkelt het beenderengestel zich eerst recht goed. Heeft zich dit echter eerst âgezetquot; en een weinig gevuld, en zijn de veeren, vooral die van den staart, welke eerst wat achterlijk bleef, goed ontwikkeld, dan groeit vaak juist de magerste en leeljjkste der jonge hanen op tot een âprachtigen reusquot; â misschien den besten van allen.
De kuikens der lichte liralnna's vertoonen dikwijls vrij wat zwart, waar dit niet behoort te zjjn, n.1. op den rug der hennen en aan de scbenkel-veeren der lianen, meestal in den vorm van vlekken. Daar deze echter in de G'io of 7de maand door den rui meestal verdwijnen, behoeft men zulke kuikens niet te slachten, wanneer deze fouten niet al te sterk op den voorgrond treden.
Jonge bennen van de donkere variëteit niet nagenoeg witte borst vertoonen bij den eersten rui dikwijls een fraaie pelteekening, doch men is hiervan zekerder, wanneer reeds vóór dien tijd sporen van de teekening aanwezig zijn. Sterk gestreepte en zulke, die groote witte of bruine vlekken hebben, moet men maar dadelijk van de hand doen; en evenzoo de haantjes met bjjna witte borst of met groote en misvormde kammen. Die, welke bruin in de vleugels hebben, behoeft men daarom alleen niet te verwjjderen, daar dit bij den eersten rui dikwijls verdwijnt.
Aan dn huishoudelijke beteekenis der Brahma's kan niet licht te veel waarde worden toegekend. Hunne groote populariteit bewijst, dat men de
2'J
velo vüoi'ti'cffolijke oigenscliappon van dit fraaie t'ii groote ras moei'en nieoi' erkend heeft. Hunne groote vruclitbaarheid, hunne geharde, robuste constitutie en hunne merkwaardige geschiktheid tot aanpassing onder de meest verschillende onistnndigheden en levensvoorwaarden zjju dan ook onaangevochten.
Hunne vruehtbaariieid is vrij groot en vooral als winterleggera zijn ze te waardeeren, en niettegenstaande de broedlust, die ook dit ras eigen is. zijn er toch hoenders, die 150 eieren per jaar leggen. De broedlust i.s echter zeer individueel en niet zoo sterk een kenmerk van het ras als bjj de Cochins. Dat door het kweeken âop de veerquot; bij de donkere Brahma's de cierpro-dnctie geleden heeft, is zeker. Wat dat ras echter prestoeren kan, moge blijken uit de. door Mr. John Evans in Iveynsham hij Bristol aangaande de vruchtbaarheid ingestelde onderzoekingen. Deze verkreeg toch in 12 maanden van :gt; hennen (i'J!) eieren, tcrwjjl iedere hen ook nog broedde. Jongen van deze exemplaren begonnen op den leeftijd van 5 maanden en !) of 10 dagen te leggen; koud of warm, droog of vochtig weder had daarop geen invloed; alleen gedurende den rui hielden zjj op met leggen. Hun voer was zeer eenvoudig en zonder eenig prikkelend middel.
De jongen zjju, wanneer zij van rjjpe ouders stammen, zeer hard en hebben weinig behoefte aan bijzondere zorg. Zjj groeien en gedijen zoowel op groote grasvelden als in eene zeer beperkte ruimte en zijn even tam en gemakkelijk to behandelen als de Cochins, ofschoon ze wat levendiger zijn.
De Brahma's zijn over 't algemeen zeer goede vleesch- of tafelhoenders en overtreffen daarin zeer de zoo nauw aan hen verwante Cochins. Ook hebben hunne kruisingen veel meer waarde, ja, men mag gerust zeggen, dat in de meeste tegenwoordige zware tafelhoenders kruising met Brahma's meer of minder merkbaar is.
.Met een llurkinyhaaii gekruiste Jlrahma-henneii leveren flink marktge-vogelte, gewoonlijk met witte pooten en zoo groot als men ze maar wensehen kan; de nnkomclingen van een Brahma-haan en Dorking-hennen zijn echter lang zoo groot, hard en vruchtbaar niet en hebben ook niet zulk uitmuntend vleesch.
Cri'vc-coeHi'-haan X Bmhma-hoi levert wel niet zulke groote vogels als de Dorking-kruising. doch hun vleesch is witter en nog sappiger. Bijna gelijke resultaten geeft de La-FU'cheludoi. De Ihmdun-lutan geeft kleinere hoenders dan de beide genoemde, doch deze zijn zeer vroeg volwassen, uitmuntende legsters en hebben vleesch van de eerste kwaliteit.
Kruisingen met een Minorca-haan geven hoenders met eene koene, trotsehe houding, die bijna of geheel zwart zjju en slechts aan de halsveeren gele zoomen hebben. Als legkip zijn ze bijna onovertreff'elijk, zij geven uitmuntend vleesch en y.ijn als eierproducenten en voor eigen kuikenfokkerij de beste
30
lioendei'soorf, die in den rook en damp der steden kan worden gehouden. Do eieren smaken bovendien lekkerder dan die der Minorca's en worden gelegd op een tijd, dat deze niet leggen.
Do schrijver zelf heeft Yorscheidene van de genoemde kruisingen beproefd en doet vooral uitkomen, dat twee daarvan, Crève-coeiir X Brahma en Witte Minorca X Witte Brahma, niet alleen uitmuntend en groote eieren legden, doch ook op den duur opmerkelijk vruchtbaar bleven. Zoo legden twee vierjarige zwarte bastaarden van de eerstgenoemde kruising reeds in Februari
dagen achter elkander, den dag echter niet; drie driejarigen van de 2110 kruising begonnen nog vroeger, doch legden slechts 2 dagen achter elkander; de eieren der eerste wogen niet zwaarder dan 71 gram, die der laatste van 70 tot 80 gram. Uitdrukkelijk zjj hier nog vermeld, dat IJ. niet over een warm hok bad te beschikken.
De Brahma's zjjii meer dan andere rassen voor twee misvormingen vatbaar. De eerste bestaat hierin, dat de beide buitenteenen gaarne door een soort van zwemvlies' met elkander vergroeien willen. Jn de meeste gevallen kan men de daaruit ontstaande misvorming der teenen voorkomen, door de ver-bindhigshuid tnsseben des teenen door te snijden, wanneer de kuikens N maanden oud zijn, welke operatie slechts een oogenhlikkehjke pijn veroorzaakt. De tweede is een gezwel aan de punt van het borstbeen, misschien veroorzaakt doordat de kuikens te vroeg van zitstokken gebruik maken. Dit gezwel ziet er eerst uit als oen klein, met een waterachtige vloeistof gevuld zakje, die soms iu eeno kaasachtige massa overgaat; deze moet verwijderd worden, doch ook de waterachtige vloeistof. Men trekt te dien einde twee dikke wollen draden door het zakje, laat ze ongeveer 14 dagen daarin zitten, doch trekt ze eiken dag een weinig been en weer, terwijl men tevens verhindert, dat de patienten op stokken kunnen rusten.
Ook moet er om gedacht worden, dat de Brahma's eene sterke neiging tut vet-worden hebben, waarom men hun, ten minste den leggende dieren, alleen 's winters maïs mag voeren en ook dan nog in zeer beperkte hoeveelheid.
ü. iMinjnhans,
Dit groote en fraaie ras, dat in 't jaar 'lcS72 in Engeland en van daar in Noord-Amerika, Frankrijk, Duitschland enz. geïmporteerd werd, is klaarblijkelijk met de Cochins nog nauwer verwant dan de Brahma's, ja, men kan het heden als volkomen bewezen beschouwen, dat wij in de Langslians de stamouders der Cochins voor ons hebben.
Men neemt algemeen aan, dat de Langshans uit noordelijk China stammen ;
31
de in oas werelddeel geïmporteerde kwamen ten minste alle uit die streek. Voor die afstamming spreekt misschien ook de vroeger (op pag. 9) aangehaalde opmerking van Eadde. Aigoen ligt aan den Amoer. onder 50'N. Br. en 128quot; O. L. De naam Langshan bestaat zeker uit Lan (of Lang) eu shan (shan = gebergte) en komt in die betcekenis (bijv. Ala-shan, In-siiau enz.), ook in Z. O. Chineesch Mongolië dikwijls voor. Iets naders is omtrent de ligging en den aard der plaats van afkomst tot nog toe niet bekend.
Geen ander ras ââ de Orpingtons misschien uitgezonderd â is bij zijn verschjjnen aan zoo vele aanvallen en zooveel laster blootgesteld geweest als
het Langshan-hoen. De tegenstanders verklaarden liet rond uit voor een zeur foutive zwarte Cochin en ontzeiden het daarom eene plaats in de rij der ras- en klassehoenders, welke plaats het zich echter toch, en niet het minst door zijne groote economische waarde, verworven heeft. Tegenwoordig is het een der meest geschatte rassen en misschien een nieuw voorbeeld hiervoor, dat de voordeelige eigenschappen van een oorspronkelijk ras door het fokken van kleurvariëteiten enz. aanmerkelijk verminderd kunnen worden; want
do verfijnde tak â de Cochins â staat bij de Langshans zoowel in weerstandsvermogen nis in legkracht en vleescliproductie vrij wat ten achter.
JJe eerste Langshans ontving de Engelsche majoor Croad, en van Engeland werden zo naar Amerika en over 't vaste land van Europa verbreid. Nanr een bericht in do Schleswig-Holst. Matter für Geflügelzucht (1879) werden er in Amerika enorme prijzen voor gevraagd; bijv. voor een toom broed-eieren /'00.-â, voor een haan en 'J hennen /'192.â; de Jardin d'Accli-matation te l'arijs liet zicli in 1887 voor zoo'n drietal nog fr. 135 betalen en in Engeland zullen de prijzen niet veel lager zijn geweest.
In de eerste plaats werden de Langshans door hunne ontdekkers geroemd als uitmuntende winterleggers en als zeer gelinrd tegen de koude. De dieren liepen des daags in de sneeuw rond en vertoefden 's nachts in de woningen hunner eigenaren. Eeide hoog te waardeeren eigenschappen hebben zij volgens tal van getuigenissen ook in Amerika en Europa behouden. Ja, nog meer: zij werden ook zeer productief genoemd, zouden op den leeftijd van 5 maanden reeds beginnen te leggen en daarmede, daar zij weinig broedlust toonen, !) maanden lang bijna geregeld volhouden; verder zouden zij een licht beendercngestel hebben, gemakkelijk te mesten zijn en niet zulk droog vleesch hebben als de andere groote Aziatische rassen. Daar zij eerst laat ruien, cene erfenis van hun noordelijk gelegen vaderland, zouden zij voor een vochtig klimaat niet zijn aan te bevelen, doch, na eenige geslachten zou de ruitijd vallen in den tijd, waarop in de warmere streken de meeste hoenders ruien.
Voor dc oorspronkelijkheid der Langshans, welke door de tegenpartij ook als een kruisingsproduct van zwarte Cochins met Spaansche boenders werden beschouwd, pleit zeker wel de grootte hunner eieren; deze zijn, met een gewicht van (iOâ70 gram, in verhouding tot liet lichaam der dieren klein te noemen â evenals die der Cochins en Brahma's. Verder komen zij ook in kleur en teekening opvallend overeen met de eieren, die door pas ingevoerde Cochins gelegd wérden; ze komen voor in bleek tot donker okergeel, licht chamois tot rosekleurig, zelfs fijn bruin gestippeld op een gelen grond; deze laatste het meest in het voorjaar en bij jonge hennen. De kleur en de teekening zullen echter zeker, evenals dit bij die der Brahma's en Cochins is gebeurd, in verloop van tijd verloren gaan, langzamerhand meer wit worden en eindelijk geheel in wit overgaan.
De donkere en gevlekte eieren der Cochingroep hebben misschien nog eene andere beteekenis. De eigenlijke wilde hoendersoorten kenmerken zich ook door éénkleurige, min of meer roodachtig roomwitte, geelachtig witte en nagenoeg witte eieren.
Van alle bekende soorten legt alleen het Lafayette- of Stanley-hoen
gevlekte, roodachtig bruin gestippelde eieren; deze soort lieeft tot nog toe met allo proeven tot domestiseering gespot en is hoogst waarschijnlijk tot liet eiland Ceylon beperkt.
Overweegt men verder, dat het langzamerhand wit worden der bruine en gutookondü eieren van gedomestiseerde hoenders een wel bewezen en licht verklaarbaar feit is, dat echter het omgekeerde nog nooit is voorgekomen. dan ligt het vermoeden voor de hand, dat de Cochin- of' liever de China-groep, niet van een der vier bekende wilde hoendersoorten kan afstammen, daar aan eene afstamming van het tot Ceylon beperkte Lafayette-hoen, alleen reeds wegens diens nauw begrensde verspreiding, niest te denken kan vallen. I5jj sommigen heerscht de meening, dat dit groote ras met de zwaar bevederde pooten, dat over geheel China verspreid is. de nakomeling is van een nog levend of reeds uitgestorven wild hoenderras.
Men heeft de Langshans voor een kruisingsproduct van zwarte Cochins ⢠'ii Spaansche boenders gehouden. Prof. Heller spreekt deze veronderstelling tegen en voorzeker geheel terecht. Eigenlijk beslist alleen reeds de intense kleur der eieren, die bij die veronderstelling ten eenenmale onverklaarbaar is en er eerder op wijst, dat de Langshans na verwant zijn aan een wild hoenderras. Eerder nog zjju de Langshans te beschouwen al» bet betrekkelijk oudste der gedomestiseerde Chineesche rassen, ook wegens de bij hen bet meest ontwikkelde sikkelveeren. Wij badden de Langshans daarom eigenlijk aan de spits van de Aziatische Shanghai-rassen met bevederde pooten moeten stellen en zouden zulks ook gedaan hebben, als andere overwegingen ons daarvan voorloopig niet hadden weerhouden. De Cochins en Hrahma's zjju misschien wel als door de Chineezen van hen verkregene kruisingsproducten te beschouwen. Misschien brengen verdere ontdekkingen in dc groote en nog zoo weinig bekende Gobi-woestijn, in Tibet enz. licht in de afstammingsgeschiedenis der interessante groote hoenderrassen.
Wel echter houdt onze meermalen aangehaalde zegsman eene kruising van Langshans met Spaansche hoenders voor geschikt om de gevoeligheid dezer laatste te verminderen.
In Engeland werden de Langshans veel met zwarte Cochins gekruist en die kruisingsproducten voor zuivere Langshans verkocht, een feit, dat, in verbinding met de talrijke, over 't geheel gunstige aanprijzingen van het nieuwe ras, groote voorzichtigheid bij den aankoop leert.
Prof. Dr. Willi. Seelig te Kiel, de zeer verdienstelijke fokker en kenner van pluimvee iu 't algemeen en van de Langshans in 't bijzonder, die dit ras liet cent in Duitsehland gefokt en zorgvuldig waargenomen heeft, schreef daarover bet volgende:
âIn dc eerste plaats moet ik constateeren, dat de dieren getoond hebben Baidamus, l'luimvootcelt. â¢)
buitengewoon hard to zijn. i)e liun aangewezene ruimte war. voor de iit Juni geboren kuikensâ(! haantjes en 10 hennetjes, die ik iu 't vorige jaar van een Engelschen fokker gekregen had â wat te klein. ^Niettegenstaande liet voortdurend slechte herfstweder, waardoor de grond, ook in het hok, doornat werd, en niettegenstaande ik enkele maanden afwezig was (de heer S. is lid van don Pruisischen Landdag), gedurende welken tjjd de jonge dieren niet al te zorgvuldig verpleegd werden, is er toch niet alleen geen enkele van de 16 gestorven, doch allen hebben zich normaal ontwikkeld en zijn volkomen gezond gebleven. De hennen liepen vrjj in den tuin rond. terwijl de hanen in de genoemde ruimte opgesloten waren.quot;
.In den loop van den herfst en den winter heb ik 3 der jonge hanen geslacht en opgegeten, om ook in dit opzicht over het nieuwe ras te kunnen oordeelen. De eerste, i maanden oud en gewoon weg gevoerd, woog 13 kilogram en gaf een heerlijk lekker gebraad; het vleesch was sneeuwwit, sappig, fijn van vezel en zoo malsch, dat men het met de vork kon doorsnijden, in 't kort, zoo goed, als men dat van de beste Fransche poulardes kan verwachten. De beide andere hanen werden tegen Kerstmis verorberd en bewezen, dat het niet voordeelig is, de dieren ouder dan 5 a 6 maanden te laten worden.quot;
âOpmerkelijk is bij dit toch zoo groote ras het fijne beenderengestel. waardoor het zich van de Cochins en Brahma's onderscheidt. Het borstbeen, maar vooral de dijbeenen zijn nauwelijks dikker dan die van een groeten Leghornhaan.quot;
,,De hennen begonnen in Februari te leggen. De eieren gelijken geheel en al op die der Cochins, zijn roodachtig geel en ook van dezelfde grootte. Hun gewicht varieert tusschen 54 en üo gram (misschien dat ze later wel wat zwaarder worden). Eene der hennen legt geregeld bleeke roomwitte eieren en deze heeft Prof. Heller toevallig alleen gezien en in de Dresdener Platter beschreven. Ik heb ook eenige Cochin- en Maleier-hennen, van wier eieren de Langshaneieren alleen verschillen, doordat ze een meer gladde schaal hebben.quot;
âOok de broedlust is ongeveer even groot als bij de Cochins; de meeste mijner hennen hebben reeds broedlust getoond; twee er van heb ik laten broeden en deze geleiden nu (liü Mei) hare kuikens. In deze hoedanigheid vertoonen zij zich zoo goed, dat ik voortaan alleen Langshans voor het broeden wil gebruiken. Zij zijn zeer bedaard en geduldig, zitten vast, (4 kloeken hebben van 5'i eieren 46 levende kuikens uitgebroed) en gaan zeer zorgvuldig met de jongen om.quot;
âHun fijn beenderengestel is in dit opzicht ook van wezenlijk nut, omdat zij de eieren of de jongen, niet zoo gemakkelijk stuk drukken of bezeeren,
zooals bjj de Cochins en Brahma's dikwijls voorkomt. Aangenaam is ook hjj hun kalm temperament hnnne vertrouwelijkheid jegens menschen, en eveneens, dat zij minder krabben dan vele andere rassen.quot;
âAlles te zamen genomen, geloof ik, dat de Langahans uit een economisch oogpunt beschouwd een zeer nuttig ras zijn. Hunne eierproductie is ten minste even zoo groot als die der Cochins, die zij echter als vleeschhoen-ders aanmerkelijk overtreffen. Daarbij komen vorder hiimie gehardheid, huil weerstandsvermogen en hunne goede eigenschappen als broedsters en moeders.quot;
âWat het uiterlijk aangaat, komt de afbeelding, die prof. Heller reeds liet vorige jaar in de Sleesw. Jlolst. Gefl. Zeitung naar Amerikaansche exemplaren gegeven heeft, volkomen met mjjne verschillende dieren overeen. De afwijkende houding, de ontwikkelde staart, langere vleugels â de dieren kunnen ook een weinig vliegen â onderscheiden dit ras voldoende van do Cochins, 't Is daarom ronduit gezegd belachelijk, wanneer IF. Marten te Lehrte, die, uit een economisch oogpunt beschouwd, tegen de Langshan-partjj is ingenomen, de Langshans als een kruisingsproduct of als verbasterde Cochins wil bestempelen.quot;
Ter verduidelijking van het nu volgende zij hier nog opgemerkt, dat prof. Seelig behalve de uit Engeland geïmporteerde Langshans nog een haan uit de Jardin dAcclimatation bezat, alsmede 4â2 oorspronkelijke, door kapt. Mensing uit do binnenlanden van Japan meegebrachte Langshans en dat hij die nauwkeurig met elkander heeft vergeleken.
âOok de Parijzer haan komt met den Japanschen en do Engelsche in alle hoofdzaken volkomen overeen, zoodat noch prof. Heller noch ik den geringsten twijfel koesteren, of alle drie exemplaren behooren beslist tot hetzelfde ras. Ook is prof. II. met mjj overtuigd, dat zij voldoende onderscheidingskenmerken bezitten om als een eigen ras beschouwd te worden. De belangrijkste dezer kenmerken zijn ook bepaald constant. In enkele opzichten echter vertoonen er zich afwjjkingen, welke bewijzen, dat/ij tot een nog niet door de handen van den fokker gegaan, zeer verspreid landras behooren.quot;
âIk kan evenwel, met mijne ervaringen, niet meegaan met hetgeen de al te ijverige lofredenaars der Langshans in Frankrijk en Amerika overdo standvastigheid der kleuren zeggen. Waar is het, dat het zwart zeer diep en fraai is; zelfs bij jonge dieren heeft dat reeds den metaalglans en bij oude dieren schittert bet geheele gevederte dn groen en paars, evenals bij de raaf. Niet waar echter is de bewering, dat er bij de zwarte Langshans niet enkele witte oi' bruine voeren voorkomen. De rechtstreeks uit Japan geïmporteerde waren, wel is waar, zuiver zwart en wonder fraai van gevederte : maar bij nauwkeurig onderzoek vind ik toch aan den eenigen mij nog overgebleven haan, dat hij toch hier en daar aan de boenen een wit
30
veertje heeft. rgt;ij enkele der Engelscho exemplaren vertoonden er zich sommige witte veertjes in de vleugels en aan de beenen, terwijl de meeste hanen na den rui enkele halsveeren met een witaclitigen rand verkregen. De Panjzer haan iieef't witte veeren aan de pooten en had die misschien ook in den staart, welke met opzet geplukt scheen te zijn. Ook do beve-dering van het loopbeen verschilt; bjj sommige is die zeer zwaar, bij andere zwak, deels met gierhakken, deels er zonder.quot;
,,Nog merkwaardiger is de aanwezigheid van een zeer duidelijken vijfden teen bij à van do uit Engeland ingevoerde dieren, ofschoon dit geene zoo groote zeldzaamheid is. als men wel zou denken, daar Darwin in zijn âOharakteristiek der Langshan-rassenquot; zegt, dat een 5do teen niet zelden voorkomt.quot; Prof. S. heeft dit seizoen opzettelijk met deze, klaarblijkelijk van zeer verschillend bloed afstammende dieren gefokt en heeft het plan binnen kort naar de grondregelen der teeltkeuze te werk te gaan. .Daarna vervolgt hij:
âIk ben toevallig in de gelegenheid een houvast voor de vermoedelijke herkomst van dit ras te verkrijgen. De naam Langshan toch is een aardrijkskundig raadsel en waarschijnlijk alleen aangenomen om de plaats vmii herkomst geheim te houden. Kapitein Mensing II heeft het drietal, dat hij. den vorigen herfst met zijn oorlogschip van het Oost-Aziatisch station terug-keerende, medebracht, in het binnenland van Japan, in de omstreken van Yokohama, verkregen en hechtte bijzonder veel waarde aan de ook daar zeldzame hoenders, die, zooals reeds opgemerkt is, Langshans bleken te zijn. Zij zjjn eene reis van 4 maanden door de tropen gelukkig te boven gekomen en hebben voortdurend gelegd.....In Maart van dit jaar vernam ik.
dat de haan en eene der hennen gestorven waren en slechts één haan overbleef, dien ik bekwam. Prof. Heller heeft bjj de skeletvorming der dieren een buitengewoon fijn beenderengestel geconstateerd.quot;
Tot zoover Prof. Seelig. Aan zjjn wensch om âde Pallas'sche rassen, welke 15s. in Mossingers Geflügelzüchter enz. beschreven heeft, nog eens na te zienquot; heeft deze voldaan en vond eveneens, dat met de Gullinacesprocemi' variëteit / â van den groeten natuurvorscher, die volgens hem op de Maleiers doelden, ook wel de Langshans bedoeld kunnen worden, zekerder echter nog die, welke, zooals op pag. ü is vermeld, door Radde in Aigoen werden gezien.
De hiervoor gaande beschouwingen van de beide Kieler geleerden zjjn in den loop der jaren in gunstigen zin bevestigd en het oordeel over dit ras laat zich hierin samenvatten, dat de Langshans eigenlijk geen sjiorldiercii zijn ofschoon de sport zich er ook mot goed gevolg op toegelegd heeft eene blauwe, witte (baron Villa Secca) en reebruine variëteit te fokken; wij zjjn van meening, dat de aanverwante Cochins den liefhebber-fokkers
37
in dat opziclit ol'h dankbaardor arbeidsveld vcrsclmfFcn. ilct liangshan-hoi'ii is daarentegen een zeer aanbevelenswaardig1 nulltoen en als zoodanig ook reeds vrij algemeen verbreid wegens zijne geliardheid, zjjno eierproductie, zijne eigenschappen als broedster en moeder, zijn bedaard teinporament, en eindelijk wegens zijn onberispelijk, malscli, sappig en wit vleescli bij aanzienlijke licliaamsgrootte.
De tegenwoordige stamJaard van dit ras is als volgt:
Overeenkomst met de Coebins, maar levendiger, slanker van bouw, booger op do pooten, en met beter aansluitend gevederte. (Irwichl van den haan 'i'.jâ5, van de hen 3] kilogram. Kop klein, fijn van bouw, van boven gewelfd, hoog gedragen. Snavel donker hoornkleurig, stevig, liebt gebogen. k'iim enkelvoudig, rechtop, gelijkmatig getand, fijn van weefsel en zonder zjjspranken; bij den baan middelgroot en diep gezaagd, hij de hen klein en sierlijk; (jezicht groot, glad en hoogrood; oorjen vnn licht tot (lonkerbrnin, groot, flink geopend en levendig; oorlellen middelgroot, ongeveer A centim. lang, glad en hoogrood; kinlellen breed, fij'n en goed gerond, tamelijk ver naar beneden hangende, iets langer dan bij de Cochins; hah gestrekt en langer dan bjj de Cochins, aan de schouders breed, sierlijk gebogen en hoog gedragen; bjj den haan vol schitterende sierveeren; ro)gt;ip groot, breed en diep, met breede schouders, doch niet lomp; 't achterlijf goed ontwikkeld, maar zonder die kussenvormige bevedering der Cochins; horsl vol en diep afhangend, 't borstbeen zeer lang met veel wit vleescli; naj niet lang, zeer breed in de schouders en naar den staart toe nauwelijks merkbaar oploopend, zonder gezwollen zadelkussen, doch hij den haan rijkeljjk van zadelveeren voorzien; vleucjels groot en een weinig Ins. doch niet hangend gedragen; Maarl middellang, waaiervormig en vol, hoog gedragen; liij den haan met vele zijveeren en '2 groote, over de andere veeren heenreikende sikkelveeren; heenen langer dan bij de Cochins, ver van elkander, dijen kort maar sterk en vleezig, tot en om de hielen vol en zacht bevederd, maar geen stulpen; loopbeen tameljjk langen fijn van beenderen, donker leikleurig, aan de buitenzijde dun bevederd of naakt, â dit laatste is 'f verkiesljjkst bij de nuthoenders â de 4 teenen lang en goed gespreid, leizwart, bjj den wortel door een rozerood bindvlies met elkander verbonden, witte voetzool en witte nagels; bjj die, welke bevederde pooten hebben, is alleen de buitenteen aan den buitenkant bevederd; yevederlc dicht, hard en goed gesloten, de onderdeelen Hink van dons voorzien en de hals- en zadelveeren van den haan vol en lang; kleur zwart met een groenachtigen metaalglans zonder blauwachtigen of roodachtigen weerschijn. J)e hiervoor genoemde :i andere kleuren komen nog maar zelden voor.
Hier zouden we nu de Orpingtons kunnen laten volgen, omdat deze aan
38
de Langshans ton duolu huu ontstaan danken en ook een duidelijk Langshan-type hebben. Om echter getrouw te blijven aan de eenmaal aangenomen nationale indeeling, zullen we de Orpingtons onder de Engelsche rassen opnemen.
4. Hel Lhassa-hoen.
Dit, over 't geheel nog weinig bekend hoen is, naar men meent, afkomstig uit do omstreken van de Chineesche stad Lliassa (Tibet) en in 1892 voor het eerst in Frankrijk ingevoerd. Naar de schildering, die de Pranschen er van geven, moet dit ras alle kenmerken en eigenschappen van een nuthoen van den eersten rang in zich vereenigen; want men roemt zijne vroegrijpheid als onvergelijkelijk, zijn weerstandsvermogen als onverwoestbaar, terwijl zijne legkraclit enorm en zijn vleesch van uitstekende fijnheid moet zijn; in grootte zou liet de Brahma's nog overtreffen.
liet Lhassa-hoen heeft, altijd volgens den Franschen berichtgever, op den leeftijd van 4 maanden zijne volle ontwikkeling bereikt, de volwassen haan weegt dan 'iâ8, de hen 5â6,5 kilogram; daarbij legt het âonveranderlijkquot; 220 eieren (witte) in het jaar van 80 gram gewicht.
De kleur der Lliassa's is zwart en wit, gelijkmatig verdeeld; do haan heeft een hoogen, roelitopstaanden en good getandon kam, groote oogen, roode met wit als bestoven oorschelpen, middelgroote roode kinlollen, stevig loopboon van eon rose-achtigo kleur en tot op de teonen reikende bovcdoring. De hen staat niet zoo hoog op de pooten als do haan en heeft een groot en zwaar achterlijf; overigens geljjkt zij in alle opzichten op don liaan.
Wat do hoedanighcid van het vleesch aangaat, dit moet eene vergelijking met dat van het Lo Mans- en La Brosse-hoen zeer goed kunnen doorstaan.
b. Gladboenige rassen.
5. De Maleiers,
Tomnimck meent, dat onze Maleischo hoenders afstammen van eone wilde soort, die hij om hare grootte âGallus (jijanhrusquot; noemde. Deze geografische nevonsoort van U. ferrtigineus Gm. kan evenwel bezwaarlijk op den naam soort aanspraak maken; wil men er echter een specifieke waarde aan toekennon, dan zal zeker de naam G. Bankiva Temm. do beste zijn.
Illjllli vindt groote overeenkomst tusschon de Maloische en de Burmesische ârassenquot; van het âroestkleurige wilde hoon;quot; alleen is bij don Maleischon vorm do kleur van don haan dieper en rooder en zijn de oorlellen, kam en kinlellen karmijn- ot' hoogrood. Onze Maleiers zoowol als de in Maleisoh
3!)
Intlië godomcsHscordo lK'I)b('ii ook Ijijna alle wezenlijke kenmerken van dit stamras en 't schijnt daarom wel tamelijk zeker, dat zij ook van dit ras afstammen.
Het is moer dan waarschijnlijk, dat de eerste naar Europa gebrachte hoenders tot dit, iti Azië reeds voor langen tijd gedomestiseerd ras behoord en in onze Maleiers voel van hun eigenaardig karakter bewaard hebben.
De naar verhouding hreede en lange kop van den haan verkrijgt door de valkachtig vooruitstekende vvenkbrauwbeenderen evenals door den, aan de basis stevigen, haakvormig gekromden, gelen of' geelachtig bruinen snavel een stoute uitdrukking, als die van een roofvogel. Het gezicht, dat bijna geheel vederloos is â evenals de keel bij de meeste exemplaren â is groot en rood van kleur. De zeer eigenaardige kam bestaat uit een kleine roodachtige, in het midden ingedeukte, ineengedrongen roode massa in don vorm van een halven eikel, vóór aan den snavel rondachtig en naar achteren smaller wordende. Tiet oor/ is groot, parelkleurig of matgeel en heeft een wilde, boosaardige uitdrukking; de oorlellen zijn klein, levendig rood en sluiten dicht aan den kop: de kinlellen zijn zeer kort en geplooid, de keel en een deel van den voorhals naakt en rood.
De hals is zeer lang en wordt bijna loodrecht gedragen, bij schijnt door de korte en harde nekbevedering nog langer en magerder dan bij is. De romp is breed in de schouders en loopt naar den staart kegelvormig toe. De schouders worden zoo hoog gedragen, dat de licht gewelfde
rnii' tot aan den staart toe schuin afloopt, terwijl T. , ... ,
n 1 Kig, 13. Ideale lijn van do
deze laatste eveneens schuin naar beneden loopt. houding dor Maleiers. Fig. DB geeft de ideale Ijjn van deze houding.
De borst is stevig en vleezig en heeft een vooruitstekend, aan de punt naakt borstbeen; de vleugels zijn sterk en beenig, staan met de bocht van den romp af, doch worden overigens goed aangesloten gedragen; de stnarl is middellang, goed gesloten, bij den haan schuin naar beneden gedragen en mot slechts enkele zeer smalle, licht gebogen sikkelveeren; de hen draagt den staart even over waterpas en niet uitgespreid. De heuiti'.n zijn hoog, de dijen lang en gespierd, flink uitkomend en licht bevederd, de hielen naar binnen gericht en naakt; het loopheen is zeer lang en stevig, bij den haan van een sterke, zoo mogelijk naar beneden gerichte spoor voorzien; de leenon zijn lang en recht, met sterke nagels, de achter-teen moet goed op den bodem rusten; loopbeen en teenen zijn oranjekleurig en onbevederd.
â iO
Het (jevedevlc is hard, koi't on motaal^lanzig «li goed gesloten, do wierveeren zjjn kort en gering in aantal. Hoogte tot 7(5 ceutiin. Gewield 4 - 4^ kilogr. hjj den haan en kilogr. hjj de hen. De meest voorkoinenilc variëteiten zijn:
1. Donkerbruine. Hij den liaan zijn kop, hals en zadelveeruu donker-hrnin, naar de punten toe rood; de rug, vleugelboog en sehonders zijn veel donkerder, bijna zwart met een blauw- ot'groenachtigen weerschijn; de spiegels (vleugelbanden) en staart zjjn zwart met groenen weerschijn; de slagpennen zwart met bruinen zoom; de borst en de benedendeelen diepzwart. De hen is zoo donker mogelijk: kop en halsveeren zijn zwart, het overige gevederte is zoo donkerbruin mogelijk en zwart gezoomd en schittert oj) de bovendeelen in prachtig groen.
'2. Liehlhruine. De haan overeenkoniencle met het zwarte of bruinroode Engelsche vechthoen, de hen tarwe- of kaneelkleurig; de halsveeren leder-kleurig, zwart gestreept; de rug licht patnjsklenrig; de borst leder- of tarwekleurig; staart zwart met lederbruin.
'â ]. /trarle. Goljjkmatig diep en glanzend zwart.
ï. Wille. Geheel zuiver wit; zij worden ook Xappleons- of' Parijzev hoenders genoemd.
5. Koehoekveeruje. Donkergrijs gegolfd op een licht grjjzen grond.
(!. Roodbonte. 15ij den haan zijn hals, zadelveeren, rug, vleugelboog en kleine slagpennen rood; al het overige is wit, doch op de vleugelbanden vertoont zich nog een zweempje van rood. De hen is wit, met kastanjeroode vlekken als gemarmerd.
7. l'orccleinkteurije. Het gevederte is driekleurig âroodbruin, zwart en wit â onregelmatig gevlekt; hals- en zadelveeren van den haan zijn goud-geelrood, do staart is zwartgroen, de slagpennen zjjn grootendeels A\it. het rood en zwart heeft een prachtigen motaalglans.
Ofschoon de Maleiers tot de goede vloeschhoenders gerekend kunnen worden, kunnen zjj toch geen eigenlijke nuthoenders hceten, daar zij niet vele en slechts kleine eieren leggen en zeer vechtlustig zijn; voor kruising hebben ze echter hier en daar goede diensten gedaan. Een Maleier-haan met een Dorking-hen levert een uitmuntend tafelhoen, eu jonge hanen van tot 4,5 kilogr. gewicht leveren een Hink en smakelijk gebraad op. Kruisingen niet Spaansche hoenders gaven een zwarte, prachtig glanzende, groote en zeer harde variëteit, welke buitengewoon groote en zeer smakelijke eieren in grooten getale legde; men meende, dat ze constant zoude blijven en noemde ze Columbia-hoenders, doch de proeven bleven tot nog toe zonder gevolg. Als sporthoen nemen de Maleiers echter een voorname plaats in.
41
met het verdwijnen van deze werden zij voorwerpen voor de eigenlijke 'pluimveesport, het fokken op de veer, en wel in de eerste plaats in Engeland, waarom wij bij de behandeling der verschillende rassen dan ook
beginnen met;
A. De Kngelschc. vechlhocndcvs.
Hiervan komen twee typen in aanmerking, n.1. de âoudmodische,quot; welke voor de hanengevechten gefokt werden, en de voor tentoonstellingen gefokte âmodernequot; Engelsche vechthoenders.
De oudmodische Eng. vechthoenders komen in vorm meer met het land-hoen dan met het Maleier-boen overeen; het zijn fiinke dieren met opgerichte houding en een deftig, stout voorkomen. Ze zjjn middelgroot, niet te hoog en hebben een gewicht van 2.^ kilogram. De kop is middellang en smal; de mavel matig lang, sterk aan de basis en licht gebogen; de kam enkel-
4'2
voudig, rechtopstaand eu gelijkmatig getand, bij den liaan tamelijk groot; in don regel wordt de kam gecoupeerd. Het r/ezicht is groot, rood en geheel zonder veertjes; het noy puilt een weinig uit, is lichtrood van kleur en heeft een levondigen, stouten blik; de oorlellen zijn rood, klein, fijn en sluiten goed tegen den kop, ook de kinlelleii zijn zoo, doch deze worden insgeljjks meestal gecoupeerd. De hals is tamelijk lang, rond en naar den romp toe zeer forsch, de sierveeren zijn lang, rond en dicht en bedekken de schouders; de romp is middellang en gespierd, aan de zijden goed afgerond en in de schouders breed, naar den staart toe wordt hij dunner en smaller; het onderlijf is smal en ingetrokken; de horst is breed, vol en weinig gewelfd; de riuj middellang en breed tusschen de schouders, de zadelveeren van den haan zijn lang en afhangend. J)e vleuyels zijn lang en sterk, goed afgerond en worden vast aansluitend gedragen, de punten zijn door de sierveeren bedekt. De lange, volle staart is uitgespreid en wordt bijna rechtop gedragen, de staartveeren zjjn breed en van sterke schachten voorzien, de talrijke sikkelveeren zijn breed en fraai gebogen. De ponten zjjn middelhoog en stevig, de dijen kort eu dik. het loopbeen tamelijk lang, naakt en van gladde schubben voorzien, de teenen zijn stevig en goed gespreid, de achterteen rust goed op den grond, de nagels zjjn lang en wit. Het gevederle is vol, maar goed gesloten, vooral op den rug. De variëteiten komen met die der moderne vechthoenders overeen, welke laatste meestal met den naam Engel-sche vechthoenders bedoeld worden.
Deze laatste onderscheiden zich van de eerstgenoemde door den duidelijk uitkomenden Maleier-vorm, door de gerekte, slanke houding en het uitdagend voorkomen. Zij zjjn grooter dan de oudmodische, doch niet zoo groot als de Maleiers en wegen van 'J.jâ2] kilogr., de hennen 1]â2| kilogr., de hanen met een hennenstaart brengen het echter tot :i a kilogram. De kop is lang en dun eu loopt spits toe; de lange, sterke snavel is wigvormig, vrjj spits en licht gebogen, zijne kleur varieert naar de kleur van het gevederte. De kleine, enkelvoudige, dunne Aam staat rechtop en is gelijkmatig gezaagd ; ook deze wordt gecoupeerd. Het gezicht is glad, fijn van huid, licht- of donkerrood van kleur en heeft door de lengte van den kop een mager voorkomen. Het groote, levendige, niet somber maar toch ernstig en vermetel blikkende oog heeft een roode of donkerbruine iris; de licht-of donkerroode oorschelpen zjjn klein en fijn evenals de kinlellen, die meestal gecoupeerd worden, de keel is naakt en rood. Do lange hals, die naar verhouding dun doch sterk is, wordt rechtop en licht gebogen gedragen, de sierveeren zjjn kort, goed aansluitend en reiken nauwelijks tot aan den bovenrug. De vrij korte en gedrongen doch niet hoekige romp is vast en vleezig, breed in de schouders en met smal achterlijf; de horst is breed en sterk maar niet diep
en gewelfd; de vuij kort, vlak, vrjjwat afloopend en naar het zadel toe smaller wordende, de zadelveeren zijn dun en kort. IJe sterke vleugels zjjn matig lang, afgerond en worden hoog opgetrokken gedragen, do vlougel-boog steekt een weinig voor de borst uit, de punten zjjn door de zadelveeren bedekt. J)e nlaart is middellang, dicht gesloten cn heeft smalle veeren, hij wordt bijna horizontaal doch niet naar beneden gericht gedragen; de haan heeft slechts weinige smalle en licht gebogen sikkelveeren, welke bjj de âhcn-luilsquot;, de hennenveerige, geheel ontbreken. Do poolen zijn lang, ver naar voren geplaatst en hebben geen naar binnen gerichte hielen; de lange dijen zjjn dik en vleezig, het loopbeen is slank, glad en fijn geschubd, bjj den haan van een lange, scherpe, naar boven gerichte spoor voorzien, welke ook bij fijne hennen wordt aangetroffen; de lange teenen moeten goed vlak uitgespreid zjjn, ook do achterteon; de nagels zjjn lang, rechten sterk; de kleur van het loopbeen varieert naar de kleur van het gevederte, dat kort, hard en goed aansluitend moet zijn.
Variëteiten:
I. Roede met zwarte horst, (Hlack-breasted Jteds), ook goudhalzige genoemd, de oudste der verschillende variëteiten. De snavel is geel of hoorn-kleurig, het gezicht en de oorschelpen zjjn schitterend rood, de oogen rood, de pooten grijsgroen, of ook wel geel. 7eekening van den haan: kop, hals en zadelveeren oranjerood; rug en schouderdekveercn violetrood; spiegels staalblauw; groote slagpennen zwart mot roodbruin gezoomde buitenvlag; kleine slagpennen met roodbruine buitenvlag, zwarte punt en zwarte binnenvlag (deze laatste is bij gesloten vleugels niet zichtbaar); borst, onderljjf, dijen en staart zjjn diepzwart met groenen of purperen weerschijn. Teekeniny der hennen: halsveercn goudgeel met zwarte strepen; borst roodachtig (zalmkleurig), djjen en achterlijf aschgrauw, al het overige gevederte patrjjskleurig bruin. Er worden ook tarweklenrige hennen gefokt, welke Icderkleurige, zwart gestreepte halsvecren hebben, Icderkleurige of roodachtige borst cn voorhals, geelgroenen of zwak patrjjskleurigen rug cn zwarten staart.
-. lloode met bruine borst, (Broicn-reds, hruin-roodej. Snavel donker, bjjna zwart; gezicht benevens de andere naakte doelen purperkleurig tot purperkleurig zwart, oogen zwartbruin, loopbeen en teenen donker oljjfgroen of zwartachtig bronskleurig. Teekenimj van den haan: Kop en halsveercn goudbrons met zwarte strepen; zadelveeren licht goudgeel, donker gestreept; rug en schouders donker oranjekleurig; borstveeren zwart of zwartbruin met goudbruine zoom cn zwakke goudbruine schachtstreep, al het overige zwart. Teekenimj can de hen: olijfgrocnachtig zwart, alleen dc hals-en borstveeren met oen goudklourigcn zoom, do laatste ook met dergelijke schachtstreep.
â¢'3. Gele eendiAeiujdvje (Duckwing) of zilverhalzüje. Gezicht en oorschelpen
sclmi'lakoni'ood, oogen lichtrood, ])00ten gTjjsgTOcn of grijsgeel. Govcderte van thm haun: halsvoeren stroogccl, zadclvceren iots doiikerdcr, koporgocl; rug1 kiistanjcklrurig, glanzend; schouderdekvceren oranjo-goul, «piegol schitturend blauwzwart; grooto slagpennen zwart met witgezoonide buitenvlag; kleine slagpennen aan de buitenvlag wit, binnenvlag en punt zwart, waardoor do gesloten vleugel wit lijkt met een zwarten bovenrand; borst, buik, dijen en staart diepzwart, de sikkelveeren met eene fraaien bronsglans. Tevkc-nunj van de hen: als de goudiinlzige, de grondkleur is echter zilvergrijs in plaats van patrijskleurig. Kop grijs, halsveeren zilvergrijs mot zwarte stn-pen ; rug, zadel, vleugels en zjjden zilvergrjjs met tijm', donkcu'grjjze golfteekoiiing1
en witachtige schacht-strepen ; de voorhals en borst met vaal grijsgele vederzoomen en schacht-strepen op een helder zalmkleurige, hetonder-Ijjf dito dito op een ascli-grauwe grondkleur; staart donkergrauw of zwart.
't. /ili'er(jrijze cend-vleiKjelirji'. Teekening als de vorige, mani' in plaats van de stniogele kleur zilverwit; pooten donkergroen. liaan: kop, bals-en zadelsier-veeren, rug- en scliou-
der dek voeren zuiver zilverwit; spiegels schitterend staalblauw ; kleine slagpennen als bij de vorige; borst diep blauwzwart; buik, dijen en staart diep zwart. Hoi: kop- en halsveeren zilverwit met een breede zwarte middenstivep; borstveeren zwartgroen of zwart met grijswitten zoom en sehaehtstreep: staart donkergrauw of zwart; 't overige gevederte zwart met een zwakken grjjzen of witachtigen zoom en sehaehtstreep.
5. Roodjevleklc j I led pile1. Gezicht, lellen en kam hoogrood; oog sehit-terend rood; snavel geel; pooten geel, licht groengrijs of wit. Gevederte van den haan: schedel oranjerood; halssierveeren idem, aan de basis licht witgestreept ; rug, schouders en vleugelboog diep bloedrood; zadelsierverren oranjerood; spiegel en groote slagpennen wit; kleine slagpeiineu aan de buitenvlag wat bruinrood, binnenvlag en punt wit; borst, dijen, onderlijf en
45
staartwit, //en; kop en halsveeron wit inut gouden zoom; borstveeren zalmkleurig, liet midden iets licliter van nuance, 't overige gevedcrte roomwit; een weinig rood op de schoudersâde zoogenaamde roos â is geen fout.
(i. De Witte, vedithoenders vertoonen zicli op een flink grasveld zeer fraai; in kleine rennen worden ze ecliter spoedig leelijk. ofschoon ze hunne houding bewaren. Zij gaan door voor zwakkelijk en niet dapper op de kampplaats. Zeker tengevolge daarvan ziet men maar weinig groote, prachtige exemplaren en nog minder zulke, die gesloten en hard gevederte hebben, zooals vedithoenders hehooreu te hehben. Tot nu toe werd er weinig aan het fokken van deze variëteit gedaan.
Men pare een goeden rooden haan, wiens gevederte zoo kort en hard mogelijk is. met een witte hen; de beste witte hanen van deze kruising â de roode kuikens behooren in de keuken â pare men dan met de beste witte hennen, die men heeft, en de witte hennetjes niet zuiver witte hanen. Op deze wijze kan men goede witte exemplaren verkrijgen;
't is echter mogelijk, dat men met andere paringen even goede of betere resultaten ver-krijgt.
Eene beschrijving der witte variëteit is niet noodig. Alleen dient opgemerkt, te worden, dat een zweempje van geel in den romp geen diskwalificatie meebrengt, dat de oogen rood, de pooten geel of wit moeten zjjn en dat de kleur van den snavel daarmee in overeenstemming moet zijn. Bjj de hen zijn oogen, kam en kinlellen koraalrood.
7. De zwarte Vedithoenders zijn minder in aanzien en worden alleen voor zekere doeleinden gebezigd, ofschoon zjj vroeger in Engeland voor de kampplaats gefokt werden, waarop zjj ecliter minder goed voldeden als de andere variëteiten.
Hunne kleur is zeer schitterend zwart met een metaalachtig groenen en purperen weerschjjn over het geheele gevederte; het gezicht is koraalrood, de pooten zijn donker olijfgroen of zwart. Bij de hen moet de staart insge-
i(i
lijks zuiver cn scliittci-end, de kam ou de kiidellcn levendig koraalrood zijn.
Mi'. Douglas in van meening, dat eene kruising met doiikeir. bruinroode hennen de zwarte in figuur en hardheid van gevederte moet verbeteren; natuurljjk moeten de bruinroode kuikens verwijderd worden. De proef' is te wagen, want o. i. zijn de groote vechthoenders zeer fraaie dieren.
Xog minder gewild zijn S. de (jevleltu â Spangled â en !). de hoekoek-veengc. â Cuckoo or Dominique Game.
Hij de eerstgenoemde zjjn bijna alle veeren rood en wit gevlekt, de staart echter zwart en wit. De hennen komen wel wat met Houdan-hennen overeen, wat kleur en teekening aangaat, doelt hebben niet de neiging om zoo gelijkmatig gevlekt te worden.
De koekoekveerige zijn zeer zeldzaam en weinig in aanzien. Do grond-kleur is vuil blauwgrijs met een lichtere afteekening; de hnlsveeren zijn een weinig donkerder dan het overige gevederte.
En toch zou deze, anders wel gewilde kleur ook hier wel verbeterd kunnen worden, bijv. door kruising met de kortvederige, gemberkleurig-bruinroode exemplaren. Als men dezulke uitkiest, die wat blauwachtig van kleur zijn, zal de vederteekening minder gevaar loopen dan bij andere kruisingen.
Behalve deze algemeen verspreide variëteiten, maakt Douglas nog melding van enkele lokale variëteiten van minder beteekenis, als bijv.:
10. De geelkoperkleurige zwarte, waarvan beide geslachten geijjk van kleur en teekening zijn, en die meestal gefokt worden van vuil zwarte exemplaren met een zweem van blauw.
11. De Fuvness-vechthoenders; rookblauw, met bijna zwarte sikkelveeren en kopergele vleugels; hennen blauw met zwarte strepen, hals- en staart-veeren zwartachtig; en meer andere.
Eéne â naar het schijnt lokale â Engelsehe soort (Pig. lquot;) moeten we hier echter nog beschrijven, n.1. de in Cornwallis en .Devonshire zeer gewilde, sedert lang gefokte en vroeger voor de kampplaats afgerichte
12. VeclUhoenders mei een hennenstaart of hennenveerige vechthoenders â llenmj (jame wier meest opvallend hoofdkenmerk bestaat in een sikkel-looze hennenstaart bjj den haan.
Over den oorsprong van deze eigenaardige variëteit kan weinig anders gezegd worden, dan dat zij in genoemde streken reeds sedert lang gefokt werd en misschien van een enkelen, toevallig zonder sikkelveeren gebleven haan afstamt, wat, zooals bekend is, ook met de Sebright-Bantams van John Sebright het geval is, wiens eerste haan misschien door kruising met de hennenveerige vechthoenders ontstaan is. Jn hun vaderland worden zij ten minste met bijzondere zorgvuldigheid en zonder eenige inmenging van
47
andere vechthoender-varicteiteu gefokt, wat de afwijking van de standaardvariëteiten - wat kleur en voorkomen aangaat â duidelijk bewijst.
De hennenveerige vechthoeuders zjjn grooter en forscher â zjj kunnen tot
kilogr. zwaar worden â en gelijken veel meer op de oude werkelijke vechters dan op de moderne vechtlioenders.
Uit een economisch oogpunt besdiouwd is het Vechthoenderras van geringe, waarde. .ü(! hennen leggen,
over 't geheel genomen, een gemiddeld aantal eieren,
wanneer zij eene opene ruimte hebben, doch de eieren zijn vrij klein. Zjj zjjn uitstekende moeders en de beste en moedigste beschermsters van hare kuikens, want âzij verjagen eiken vijand, van liet paard tot de rat.quot; Men heeft waargenomen, dat zjj ratten,
kraaien, ja, zelfs een havik doodden.
Evenwel weegt het voordcel van hunne bescherming niet op tegen het nadeel,
dat zjj door hunne vechtlust dikwijls genoeg onder de overige hoenders aanrichten, vooral onder de jonge kuikens van andere moeders. Bovendien toonen ook broedhennen van andere rassen denzelfden moed, dezelfde dapperheid. Er zjjn vele gevallen, dat hanen en hennen van onze landrassen vol moed den strjjd tegen vee! grootere en sterkere werkelijke of ingebeelde vjjanden aanbonden en meestal overwinnaars bleven. Zoo wierp zich o. a. eens een gewone huishaan op een Wouw, (Milviis milvus, (M. regalis), die het plan had een zjjner kinderen te pakken, en takelde den bedwelmden roover zoo toe â het ging zoo vlug, dat men niet onderscheiden kon, of het met den snavel of met de spoor gebeurde â dat lijj bloedend en met gebroken vleugel bleef liggen cn gevangen werd. Jlier zij nog opgemerkt, dat vele Engelsche fokkers den vechthoeuders slechts 11 eieren onder leggen en dat het onder do oude hanenvechters (âCock-fightersquot;) regel is, eiken haan niet meer dan l! of 't hennen te geven, daar meerdere hennen nadeelig geacht worden voor het doel.
Zoo was de behandeling der hanen voor de met grooten hartstocht gehou-
48
don lunieiigcvecliten, welke vroeger in Engeland bijna algemoon waren en waarbij soms groote sommen verwed worden, zooals nog beden bij de Oost-Mongoolscbe en Maleiscbe volkeren het geval is. De voor die wedstrijden bestemde banen werden met groote zorg gefokt en verpleegd, en nadat zjj door een bijzondere en schrale voeding, alsmede door onschadelijk gemaakte vechtoefeningen waren voorbereid, werden hun, als zij I) a 10 maanden oud waren, de kam en de kinlellen mot pen scherp mes of eene schaar afgesneden. Dit coupceren der hanen geschiedde alleen met het oog op de gevechten, doch werd later mode. Voor het begin van het gevecht werden do hals- en zadelveeren nog kort afgesneden, terwijl ook de sikkel-, staart- en vleugelveeren werden gekort. Do sporen werden tot op een halven duim lengte afgezaagd en aan de stompen werden scherpe zilveren of stalen sporen bevestigd. Er waren to dien tijde beroemde sporen-fabrikanten, welke den vorm dezer kunstmatige sporen âwiskundig berekenden.quot; alsmede bijzondere âVechtboekeiiquot; {âPitsquot;), welke de regelen voor de kampplaats bevatten en onder welke het oude âRoycd pil at Wcslminstcvquot; beroemd was. Tegenwoordig zjjn de hanengevechten in Engeland bij de Wet verboden, maar toch worden er nog wel in het geheim gehouden en Wlrrigt meent, dat men verbaasd zou staan, als men vernam, tot welke menschenklasse deze houders van vechthanen {âConkersquot;) behooren.
ïn Engeland gaan de Vechthoenders voor zeer fijne tafelhoenders door en het moet erkend worden, dat zjj zicli als vleeschhoenders kenmerken door hun krachtig ontwikkeld spierstelsel. Wij zelf kunnen echter hierover geen oordeel vellen.
Eén veclithoenderras, dat van do Engelsche rassen afwijkt en moer met do Maleiers overeenkomt, met loodgrijze pooten en dikkeren kop. komt onder verschillende namen voor.
H. Bdgische Vechthoenders â Belgian game fowls â â Poules de Comhul du Nord â La Race de Bruges â Normannenhoen.
Dit hoen schijnt reeds langen tijd in België te huis te behooren, waar hot voor publieke hanengevechten gebezigd werd. Het logt, volgons Lenz, bij eenvoudige burgerkost, minder dan do landhoenders.
De voornaamste variëteiten zijn:
1. Bruine, '2. Roode, 3. Blauwgrijze, 4. Zwarte, 5. Witte, 0. Koekoek-neerige, welke laatste in Frankrijk speciaal Combattant» de Bruges genoemd worden, en 7. Roodgevlekte.
Daar dit ras geen aanspraak op landhuishoudelijke waarde kan maken en ook als sporthoen door do Engelsche vechthoenders verre overtroffen en
4!)
gaandeweg verdrongen wordt, bepalen wij ons tot de volgende algemeene beschrijving.
Het type is dat der Maleiers, hooggerekt, beenig, hoekig en sterk, (1(! haan wat lomp doch uitdagend. (Irootle, als de Maleiers, doch zwaarder; do haan van :!.]â5, de hen van 2]â4 kilogram. De kop is groot, langen breed van schedel, naar den snavel spits toeloopend, met zware wenk-brauwbeenderen. Snavel donker hoornkleurig, lang, zeer sterk en een weinig gebogen; Kam donker blauwrood, laag, vlak en gezwollen bjj den haan, meestal drierijig aan de basis en gecoupeerd; Gezicht groot, rood of grijs-rood. Gogen groot, geelbruin, met een wild en valkachtig voorkomen. Oorlellen klein, langwerpig, aansluitend, donker blauwrood. Kinlellen verschrompeld, kin en keel met een roode, geplooide huid bedekt, welke gedeeltelijk met witte veertjes is bezet. Ilah lang en krachtig, rechtop gedragen, met weinig sierveeren, die echter bij den haan tot over den rug reiken; kop- en nekveeren zeer smal en borstelig. Ildinp groot en zeer beenig, breed in de schouders, naar achteren smaller. Borst breed, hoog, sterk en gevleesd, met volkomen recht borstbeen. Itiuj vlak, lang en afvallend, zadelsierveeren bij den haan in gering aantal en smal. Vleugels groot, sterk, hoog opgetrokken en aansluitend gedragen. Staart lang, smal. gesloten of slechts weinig gespreid; bjj den haan met smalle, vrij vlak gedragen sikkelveeren, bij de hen schuin naar boven gedragen. 1'ooten lang, stevig en zonder naar binnen gebogen hakken; djjen sterk en vleezig, schraal bevederd; loopbeen bjj den haan met een sterke, lange spoor, donker loodgrijs; de i lange en breede teenen onbevederd, (levederte hard, kort, vast aansluitend, met dat der Maleiers overeenkomend.
C. Indische Vechthoenders â Indian Game fowls â C.omhaltants
den hides.
Deze groep vormt een der meest interessante, omdat daaronder â naar onze meening, die we echter gaarne voor een betere geven de overgang van het Maleisch type tot de Yokohama's en verder tot het Phoenix-lioen te vinden is. In hot Aseelhoen leeren wij het eigenljjke Indisch Vechthoen kennen, dat alleen met het oog op de hanengevechten gefokt wordt, zonder de kleur in aanmerking te nemen, en dat in hoofdzaak Maleisch bloed verraadt. Het Indische of Gornwctll-Indische vechthoen vertoont eveneens hoofdzakelijk Maleisch bloed, doch is reeds sedert lang op de kleur gefokt en komt daardoor het Engelsche vechthoen naderbij. De Sntnalra-Vechthoenders nemen reeds de van den Maleier- tot den landhoendervorm overgaand»! Vechthoengestalte aan, waarbij de rijk ontwikkelde staart op de
Bai.damus, PluiiuTootcelt. A
50
wijze als l)jj do fazanten gedragen wordt, welke draagwijze bij de Yokohama's tot haar volle reclit komt.
(L. Het Aseel-hoen
is het alleen voor de gevechten gefokte sportlioen, voornamelijk der Iiidischi' radja's, welke aan deze sjiort ongeloofelijke sommen offeren. De naam «sec/ heteekent volgens Mr. Edw. Brown, docent a h /lending Cnllcge te Birkshire, zuiver jefokl, echt, edel, en moet dus aanduiden, dat dit hoen bijzonder uitmunt in hetgeen voor het bovengenoemde doel verlangd wordt. En dit zou inderdaad in zoo hooge mate het geval zijn, dat de nog pus 8 weken oude kuikens met ware bloeddorst met elkander vechten en men de hanen vóór ze geslachtelijk rijp zijn moet afzonderen, omdat zij elkander zonder genade vermoorden.
liet hoog gerekte lichaam, 'twelk op dat der Maleiers gelijkt, is minder lioekig en meer gedrongen dan bij de Maleiers en ook kleiner en fijner van beenderen; 't gewicht bedraagt 2]â2^ kilogr. De hop is kort, dik. hoekig en vlak, rechthoekig aan den voorhals aangezet, met eene kleine inbuiging in den nek, op de wijze als bjj de Maleiers; snavel geel, kort en opvallend dik; ham bjj den haan drierjjig â erwtenkam â in het midden ongeveer 2 centim. hoog, bij de ben slechts even merkbaar; gezicht groot, bleekrood en met witachtige, haarachtige veertjes bezet; oogen bleekgeel of witachtig, goedig van uitdrukking; oorlellen klein, langrond, aansluitend, rood; kinlellen buitengewoon klein, bleekrood, ontbreken bij de hen geheel en al. Do hals is beenig cm lang, maar korter dan bjj de Maleiers, rechtop gedragen en weinig gebogen, met dikken nek en weinig sierveeren. Romp vrij kort en cylindervormig, aan de schouders breed, 't achterlijf ingetrokken, buitengewoon vast van vlecsch ; hor*! breed maar vlak; rug kort en afvallend met weinige sierveeren; vleugel* kort, afgerond, hoog gedragen, waardoor de schouders breed en sterk uitkomen; staart smal, bjj den haan met naar verhouding korte sikkelvecren, hangend gedragen; pooten niet zoo hoog als bij de Maleiers met sterke en schraal bevederde dijen, de hakken naar binnen gericht, loopbeen geel en naakt, bij den haan met korte, dikke sporen, de vier teenen kort, krachtig en met witte nagels. Het stevige, harde en glanzige gevederte sluit vast aan het lichaam cn is aan den boven- en achterkop kort en zonder vlag I); hals- en zadelveeren zijn middellang en smal, slag- en staartveeren met breede, stijve vlaggen.
1) Volgens Mr. Montrossor moot do (iiinno nok mot zjjdoaclitigo veoren bodokt zijn, dio do haan ânaar achtoron worpon kun uls eono jonKo daino baro lokken.quot; (!)
Dc variëteiten zijn: 1. Porcelein- of driekleurige, in roodbruin, zwart en wit gevlekt; 2. Zwart en Wit gevlekte; li. Hoodbruine, ongeveer als de bruine Maloiers; 4. Amandelkleurige of roede met amandelklourige â geelachtig roodo â hennen; 5. Zwarte; (i. Witte; 7. Grijze.
Ij. Het Indische Yeclitboen â Indian Game,
ook fazantbruin Corn\\ralli8cli V^echtboen â C.omish (iavie â geiioenid naar de streek, waar zo het eerst werd ingevoerd. Deze veehtiioenders kwamen spoedig in de gunst der liefhebber-fokkers en zien er tegenwoordig uit als volgt: het Maloische type, hoog gerekt met afvallanden rug en laag gedragen staart, vooruitstekende borst en vooruitstekende vleugelboog; houding gebiedend, moedig en levendig; grootte ongeveer die der Maleiers en grooter dan het Aseelhoen, de baan âi,], de hen 2^â3 kilogr. zwaar. Kap vrij lang en dik, breed van schedel, niet zoo gerokt als bjj het Eng. veohthoen en niet zoo dik als bjj de Maleiers, ook heeft het niet zulke fbrsche wenkbrauwbeenderen; xnavel krachtig en goed gebogen, stevig aangezet, hoornkleurig of geel met hoornkleurige strepen; /ram klein, dik en stevig opgezet, drienjig; gezicht glad, fijn van huid en levendig rood; oog geel met helderen stouten blik; oorlellen zeer klein, vlak aansluitend, levendig rood; liinlelleii nauwelijks merkbaar; heel rood, maar niet geheel naakt, doch met enkele haarachtige veertjes bezet. Hals goed middellang, wat korter dan bjj de Maleiers en weinig gebogen, sierveeren glad en kort, zoodat ze de basis van den hals maar even bedekken; roinp sterk en gedrongen, zeer breed aan de schouders, naar achteren smaller, vast van vleesch; borst breed en goed gerond, diep en vooruitstekend; rag breed, vooral aan de schouders, vlak doch niet bol, naar den staart toe afvallend; weinige zadelveeren. I Icxgals kort, dicht aangesloten en met hoog godragen boog en goed gewelfd, de uiteinden onder do sierveeren verborgen; staart middellang, smal en goed gesloten, hard en glanzend, met eenige smalle en korte sikkel- en zjjveeren, naar beneden gedragen; bjj de hen ook laag gedragen, doch iets hooger dan bij den baan. Poolen zeer sterk met stevige ronde dijen, korter dan bjj de Maleiers, ook staan de hielen minder naar binnen gekeerd; loopbeen middellang en goed geschubd, met lange, sterke, rechte, goed gespreide teenen, waarvan de achterste laag is aangezet en goed op den grond rust; loopbecn en teenen zjjn geel of oranjekleurig, hoe donkerder des te beter. Het gevederte is kort en schraal en moet zoo hard en nauw aansluitend mogehjjk zjjn, de kleuren donker en glanzend. Bij den haan zjjn de hals- en nekveeren schitterend groenzwart met bruin-roode schachtstrepen; rug. zadel en zadelveeren levendig en schitterend groenzwart, vermengd met bruinrood, het eerste heeft sterk de overhand ;
vleugels kastanjebruin met metaalglanzigon, zwartgroenen spiegel; staart-, horst-, huik- en djjveeren schitterend groenzwart. Hen: grondkieur diep rood- ot' kastanjebruin, de afzonderlijke voeren met een fraaien middeibree-don zoom in metaalglanzig zwartgroen. Het gevederte moet ais van gedreven metaal schijnen te zijn.
Behalve om zijne, door diepto en glans van het gevederte in 't oog vallende fraaiheid roemt men liet Ind. vechthoen als een tamelijk goed leg- en tafelhoen, welks vleesch den smaak van wildbraad heeft. Mr. Brown daarentegen zegt: âBet Ind. vechthoen van zuiver ras is beenig en heeft geel vleesch; liet bereikt eeno aanzienlijke grootte en hanen van 10 a 11 Eng. ponden zjju volstrekt niet zeldzaam.quot; Hij beveelt dit hoen daarom meer tot kruising aan, bijv. met Dorkings, als men een goed tafelhoen wil verkrijgen.
c. Meersporigu (Melsbaehsche) Ind. Vechthoenders.
Dit eveneens prachtig gekleurd ras is een product van Duitsche kweeking, aangezien de oorspronkelijke Indische stam, welke voor ongeveer (iü jaren in Krefeld werd ingevoerd, uit slechts één haan bestond, van welken de eigenaar, do heer Melsbach Sr,, met behulp van inlandsche hennen na eene 5 jaren voortgezette kweeking eindelijk op dien haan gelijkende nakomelingen verkreeg. Tot behoud van het ras hebben zich later de heer Melsbach Jr. en de handelsraad Du Boi van Brunswijk verdienstelijk gemaakt.
Deze hoenders hebben den Vechthoenvorm, zijn slank en edel gebouwd, niet zoo hoog opgericht en hoekig als do onder b genoemde; de hennen zijn sierlijk en vlug en van middelbare grootte. De kop is klein en gerekt, de snavel middellang en sterk; de kleine, oorspronkelijk enkele kam is dour vermenging mot Maleisch bloed drienjig (erwtenkam) geworden. liet gezicht is glad en rood; het oog flink open zonder sterk uitkomende wenkbrauwbeenderen; de rug tamelijk breed, ook meer gerond en niet zoo afloopend als bij de Maleiers; de vleugels zijn kort, breed en hoog opgetrokken ; do staart is iets voller en wordt ook iets hooger gedragen dan bij de onder h genoemde; de pooten zijn middelhoog en krachtig, de hielen nauwelijks zichtbaar naar binnen gericht, het loopbeen is geel en bij den haan van 5 sporen voorzien, die jaarlijks grooter worden en later evenals een gewei afgestooten en weder vernieuwd worden; ook de hen heeft 1 of 2 sporen. Bet kort, dicht gesloten gevederte heeft de kleur van de goudhal-zige Eng, vechthoenders, doch is bij den baan wat donkerder en meer als goud glanzend; de halsveeren zijn hooggeel, schouders en rug donkerrood, de vleugeldekveoren hebben een blauw schitterenden metaalglans, de groote slagpennen zijn zwart met een roodbruinen zoom aan de buitenvlag, de
kleine slagpennen zijn aan de buiten vlag roodbruin, aan de binnen vlag zwart met een blauwe, als metaal glanzende vlok aan liet einde der voeren, zoodat, bij gesloten vleugels, de slagponnen bruin sclijjnen, door een blauwen band omgeven; do staart is groenzwart, de borst zwart.
Ofschoon dit ras vlijtig legt en do smaak van eieron on vleescli beide geroemd wordt, behoort hot toch in de eerste plaats, zoo niot uitsluitend, tot de sporthoenders gerekend te worden.
d. Sumatra-Vochtliooiidors â Sumatra Game.
Do zwarte Sumalra-ltoenders, vorkeerdelijk ook zwarte Yokohama's genoemd, onder welken naam zij voor een dozijn jaren in Duitschland geïmporteerd werden, kregen wij uit Xoord-Amorika, waarhoen ze voor 4U jaren reeds van Sumatra worden ingevoerd. Zjj hobben liet type van de Indische
vechthoenders. eene opgerichte houding on lichte, elogante bowegingen; de kleine, gerekte kop draagt een onvtenkam, de oogen zijn donker en vurig, de snavel is krachtig, aan de punt gebogen en hoornkleurig; de kinlellen zijn maar zwak ontwikkeld, hot donkerroode gezicht is met kleine zwarte veertjes bezet. De niet afvallende rug is kort en vrij breed: de rijk ontwikkelde staart wordt gedragen op do wijze als door de fazanten. Het gevederte is diepzwart met groenen metaalglans. Het loopboen is groenachtig geel, bij den haan tiink gespoord, dikwijls zelfs met 2 of ;5 sporen.
Dit ras, dat bij zijne verschijning in Duitschland mot geestdrift werd
54
begroot, is hooi spoedig in liet vergeetboek geraakt, wat toch te betreuren is, daar liet ongetwijfeld tot do fraaiste sport- en sierhoenders behoort; voor de buishouding is hare waarde echter tamelijk onbeduidend.
7. Ilcl Yokohamu-rüs. Yo-Ko-llama.
Dit eigenaardig fraaie ras, dat in Japan als veehthoen wordt gebruikt, herinnert in menig opzicht aan de Maleiers, voornamelijk aan dat slag Maleische veciithoenders, die in Cbina gekweekt worden, n.l. âAyam Jalak,quot; waaraan ze zeker het naast zijn verwant. Dit fraaie ras, dat het eerst in de Janlin cVaccliDialation te Parijs gefokt werd, waarheen het in'I SC4 door den zendeling Mr. Girard uit Yokohama gezonden werd, heeft zich, ofschoon het voor de huishouding juist geen aanbevelenswaardige eigenschappen bezit, snel over Europa verbreid, doch is ook bijna even snel weder verdwenen, wat werkelijk jammer is om zjjne hoedanigheden als sierlijke, slanke parkvogel. Dit geldt ten minste van de zuiver witte variëteit, wier schitterend geve-derte prachtig afsteekt tegen het groene gras, en die, wat dat betreft, wedijveren kan met âde fraaiste parkvogels, die men zich kan denken, de atlaswitte Dorkings.quot; De als pluimveefokker hoogst verdienstelijke A. l'rosdie te Dresden beeft dit ras liet eerst in Duitschland ingevoerd; zijne pogingen om origineele stannnen in te voeren leden echter tot twee maal toe schipbreuk, daar de dieren beide keeren op de lange reis bezweken.
De Yokohama's hebben eene gemiddelde grootte, een gewicht van '2 a IJ kilogram. een gerekte, elegante gestalte, welke alleen in rust aan die der Maleiers of Veciithoenders herinnert; het lichaam wordt echter meer horizontaal gedragen. De kop is lang, vlak en smal en heeft geene uitstekende wenk-branwbeenderen; do middellange sterke snavel is licht gebogen en geel. De kam, welke aan die der Maleiers herinnert, is laag, breed en vlak en van weinig beteekenis; bezit het dier bloed van het l'hoenix-lioen, dan is de kam dikker en meer gekroesd. liet roode gezicht is naakt, doch eenigs-zins geplooid; het oog groot en levendig, roodgeel of parelkleurig; de oorschelpen zijn klein en rood, de kinlellen verschrompeld als de kam, de keel naakt, rood en geplooid. De lange, slanke hals gaat met een lichte buiging in den kop over, wordt rechtop doch, als het dier snel loopt, nagenoeg horizontaal naar voren gestrekt gedragen; het halsbehang is vol. doch niet zwaar. De romp is slank en gestrekt, meer cylindervormig dan hoekig, het achterlijf voller dan hij de Maleiers; de volle borst wordt een weinig naar voren gedragen, doch het borstbeen steekt niet vooruit. De rug is horizontaal of slechts weinig afvallend, het zadelbehang van den haan lang en vol; de vleugels zijn middellang, worden goed aangesloten gedragen
O ij
on zijn ten deolc onder liet boliang verborgen. De ongewoon lange staart van den liaan is zeer weelderig ontwikkeld in den vorm van een fazanten-staart; lijj bestaat uit zaelite, van dunne schachten voorziene, tot-1 M, lange sikkelveeren met talrijke kortere, trapsgewijs gerangschikte kiel- en zijveoren; hjj wordt altoos horizontaal gedragen, de lange veeren zjjn echter licht gebogen en raken met liunne uiteinden den bodem; de staart van de hen moet ook zoo lang en vol mogelijk zijn en horizontaal of slechts weinig afloopend gedragen worden. Do pooten zjjn lang, de hielen niet naar binnen gericht, de dijen lang en dik en goed aansluitend bevederd; het loopbeen is bij den liaan Hink gespoord en ovenals de tcenen geel en glad. Het gevedorte is zachter, langer onvoller dan bij de Maloiors on Vechthoenders. De kleurvariëtoiten zijn:
I. Ãe rood gezadelde: rug-, schouders- en vleugeldekveeren bruinrood, borst en buik rood en wit gesprenkeld, 't overige gevedorte wit. Jlen: kop, hals, slagpennen en staart wit, 't overige gevedorte zalmrood â- chamois â met witte sprenkels. 'J. /nicer tuide.
De gevoeligheid en teerheid van dit ras en tengevolge daarvan do geringe resultaten der kwooking hebben de algemeene verbreiding dor Yokohama's steeds in den weg gestaan. Om ze goharder te maken en ook om nog andere variëteiten te verkrijgen, heeft men ze wel met Maloiors gekruist, doch zonder bevredigende resultaten. Nieuwe kruising met hot aanverwante 1'hoonix-hoon moeten hetero resultaten opgeleverd hebben, doch nauwkeurige opgaven dienaangaande ontbreken tot nog toe.
Als vermoedelijke afstammelingen van do Maloiers noemen we hier nog de Braziliaansciw hoenders, ook Slruishoenders genoemd.
Zjj worden als goede legsters en boste broedsters geroomd en moeten in broedlust âalle andere soortenquot; overtreffen; twee eigenschappen, die anders niet licht samen gaan. De niet zeer groote eieren zijn geel. Jammer genoeg, hebben deze dieren het gebrek, dat zij elkander, doch vooral don haan, de voeren uittrokken, wat dubbel onaangenaam is, aangezien zjj reeds niet to rijk bevederd zjjn.
Zij hebben groote overeenkomst met do Maloiors, zoowel in don vorm als in de vechtlustige uitdrukking van kop en gezicht; zij zijn echter wat slanker gebouwd en ook wel wat hooger op do pooten; de snavel on de lange gladde pooten zijn geel, het gevedorte van den haan hoeft meestal âlevendig schitterende kleuren,quot; dat van do ben is roodbruin.
Over een bij den heer Yülschau te Hamburg gebracht paar schreef Dr. Heller: âDe haan zag er net uit als oen bonte Maleier, ook wat vorm
5G
van den kam betreft. De dijen waren kaal geplukt en geheel met hloeil beloopen. De hennen pasten niet bjj den haan; zij geleken meer op een weinig kortbeenige Italiaansche hennen, doch hadden in plaats van een overhangenden kam een langwerpig vleeschklompje op den kop. Misschien waren ze wel een kruisingsproduct.quot;
Den naam Struishoenders hebben zij gekregen naar de overeenkomst, die de haan in staart- en lichaamsvorm vertoont met den struisvogel; zij zijn echter sedert dien tijd zoo goed als geheel verdwenen.
8. liet Phoenix (Feniks]-hoen.
Dit ras is eerst in 1878 ingevoerd. Het voornaamste en 't meest opzienbarende kenmerk is de ongewoon lange staart van den liaan, wiens staart-dekveeren bij enkele exemplaren wel Meter lang worden. liet vaderland van dit ras is Japan, en het vermoeden ligt voor de hand, dat het uit liet Yokohama-ras is voortgekomen, door dit laatste alleen op de lengte en eigenaardige structuur der staartveeren te fokken, met weglating van alle andere raskenmerken. Hiervoor pleit de omstandigheid, dat de Japanneezen weinig of geen waarde hechten aan kleur en teekening van hot gevederte noch aan den liehaanisvorm, waarom het Phoenix-hoen in zjjn vaderland dan ook voor het meerendeel het landhoentype heeft aangenomen, terwijl sommige exemplaren nog zeer duidelijk Yokohama- of Maleierbloed verraden.
De lieer E. D. Wichmann te Hamburg was de eerste, die twee paar Phoenix-lioenders uit Osaka invoerde; deze vier dieren waren echter van verschillend type en verschillende kleur, zoodat zij niet konden voldoen aan de eischen, die de sportdierenfokker aan een constant doorgefokt ras stelt. De heeren Wichmann Jr. en eveneens de heer du Roi van Brunswijk legden er zich op toe, het Phoenix-hoen een vast, bepaald type te geven en her gehikte hun door kruising met Vechthoenders en Yokohama's twee vaste vormen van het Phoenix-ras te verkrijgen, nl. den landhoen- en den Yoko-liania-vorm. waarvan de eerste tegenwoordig als de echte beschouwd moet worden.
Volgens Dürigens âKenmerken der Hoenderrassenquot; is de algemeene verschijning die van een sierlijk, ongewoon lang gestaart landhoen van een slanken, krachtigen bouw, opgerichte houding en levendige, bevallige bewegingen, die wegens den horizontaal gedragen staart aan de fazanten herinnert.
Grootte middelmatig, de haan is ongeveer 50 centim. hoog en 2â'2j kilogr. zwaar, de hen 4,]â1 'j kilogr. De kop is middelgroot, gerekt en vrij smal, de snavel middellang, sterk, licht gebogen en blauwgrijs of hoorn-
57
kleurig. Do kam is onkel, rechtopstaand, glad en fijn, heldor rood, bij den haan middelhoog, fraai en regelmatig getand; bij de hen klein, 'tGezicht is groot, fijn en glad, rood en vederloos; het oog groot, oranjerood en opgeruimd van blik; de oorschelpen zijn langwerpig rond en wit, van klein tot middelgroot; de kinlellen niet te lang, afgerond en hoogrood. Do hals is middellang, sierlijk gebogen, breed aan de schouders en wordt rechtop gedragen; het volle behang is bij den haan zeer rijk en bestaat uit lange, smalle, tot op het midden van den rug vallende veeren. De romp is krachtig maar slank en wordt naar achteren steeds smaller; de borst is breed en Hink gewelfd, de rug vlak en lang en vrij breed in den zadel, welks zeer weelderige en lange sierveeren van 'Jâ4 millimeter breed zijn; de kortste
ervan reiken tot het hielgewriclit. terwijl de langste over een lengte van }, a 1 Meter over den grond slepen. Op de stuit vindt men eigenljjk verlengde donsveeren; ook bij de hen zijn deze sterk ontwikkeld en vormen daar als 't ware een kussen. De middelgroote vleugels worden hoog en aangesloten gedragen en gedeeltelijk door het zadelkussen bedekt. De staart is bij beide geslachten zeer lang, die der hen smal en horizontaal, aan 't. eind echter een weinig naar beneden, gedragen; do staart van den haan bestaat uit twaalf smalle, zeer verlengde en ook reeds sikkelvormig gebogen draagveeren en aan beide zijden nog ongeveer twaalf zeer lange doch slechts 15 a 20 millhn. breede, dikwjjls gedraaide zij- en sikkelveeren, welke op den grond slepen en bij meerjarige hanen 1] a 3 M. lengte bereiken.
5«
Langore staarten zijn echter geene zeldzaamheid ; do lieer N. D. Wichmnnn Jr. exposeerde in 18l»(i te Hamburg een 4-jarigen haan met een staart van 3,21 M. en een 5-jarigen niet een staart van 3,68 M. lengte. L)e pooten zijn middellang, de dijen sterk en goed aangesloten bevederd, het loopbeen is blauwgrijs ot' donkergroen, naakt en van 4 teenen voorzien. Het lichaam is aansluitend bevederd; de hals-, zadel- en staartveeren zijn echter, zooals hiervoor reeds gezegd is, zeer weelderig ontwikkeld. In kleur komen zij met het Eng. vechthoen overeen, doch zij zijn niet zoo glanzig, en wel met de goud- en zilverhalzige (hennen patrijs- en liazelhoenkleurig), koekoekveerige met zilveren behang en witte.
Dat het Phoenix-lioen alleen als sport- en sierhoen beschouwd moet worden, is met één oogopslag merkbaar, daar de staart van den liaan de zorgvuldigste behandeling vereischt, als hij in al zijne schoonheid zal prijken. In Japan houdt men de hanen in liooge kooien en laat ze slechts twee koeren per dag zich een weinig vertreden, gedurende welken tijd men den staart om een rolletje papier gewikkeld houdt.
11. Engelsche rasaen.
9. Dorkings,
Ook van dit speciaal Engelsch ras geldt, wat bij de meeste andere is op te nierken: het is door de zucht der fokkers om zekere eigenschappen ten koste zelfs van andere te ontwikkelen, zoodanig gewijzigd, dat de welbekende voorouders nauwelijks niet de tegenwoordige naamgenooten zijn te vergelijken.
De vroegere éénvormig grijs gevlekte of werkelijk grijze Dorkings waren kleiner, de romp was iets korter en gedrongener, de hennen waren zeer aardig grijs gestippeld. Ook de witte met roze kam waren wel bekend. De Dorkingvariëteiten waren in 1857 volgens Mr. John Douglas prijswaardig, ais de haan het gewicht van 4,3, de hen dat van 3,3 kilogr. bereikte. Een normale kleur naar het begrip van den tegenwoordigen tijd bestond er toen niet.
De hiervoor genoemde fokker was toen de baanbreker der verdere volmaking van het vroegere slag door de resultaten, welke hij wist te verkrijgen van kruisingen van een uit Indiö gekomen donkergnjzen, normalen, van een enkelvoudigen kam voorzienen haan met zuivere Dorkinghennen. Die haan was in Indië uit de eene of andere kruising met de echte Dorkings ontstaan en woog 5,9 kilogram. Op de kruisingmethode van den heer Douglas, die volgens WniGiiT een âware les in het kruisenquot; is, zullen we later in de fokleer terugkomen.
59
Aan het hedendaagsche prijswaardige Dorkingras stelt men de volgende eisclien:
De vorm is die van een groot, zeer breed en diep gebouwd, vierkant landhoen, doch maakt wegens de deftige, rechte houding eerder den indruk van bedaardheid en waardigheid dan van plompheid. De grootte is aanzienlijk: de haan weegt van i a 5, de hen van 3j a i,] kilogram; bij de witte is liet gewicht j a I kilogr. minder. De kop moet betrekkelijk klein en niet zwaar van beenderen zjjn, do snavel middellang, dik en grauw vleesch-kleurig: de gekleurde variëteiten hebben een enkelen kam, de witte een rozekam; de enkele kam moet bjj den liaan groot â doch niet zoo hoog als bjj de Minorca's â regelmatig getand en aan de basis zeer vleezig zijn en rechtop staan, zonder te ver naar achteren uit te steken; bjj de hen is lijj kleiner en mag naar ééne zijde overvallen. ])e rozekam der witte Dorkings moet aan het voorhoofd breed zijn, zooals bjj de Hamburgers, naar achteren in een spitse, opwaarts gebogen punt uitloopen en gelijkmatige, in één vlak liggende tanden hebben. Het gezicht is rood, fijn van huid en naakt, de iris rood of oranjekleurig, de oorschelpen zijn rood en matig groot, tot over het eerste derde deel van de kinlellen reikend, welke bii den haan laag afhangen als bij de Italianen of LaHèche's-breed en goed afgerond, bij de hen kort zijn. De middellange en dikke hals lijkt door zijn rijk behang maar kort en gaat langzaam in den romp over, welke diep en vierkant, maar fijn van beenderen en buitengewoon vleezig is.
De borst is breed, zeer diep en naar voren gewelfd, met lang en volkomen recht borstbeen;
de rug lang, vlak en breed; zadel breed, naar den staart toe schuin atloopend, bjj den liaan met fraai behang. De vleugels zjjn groot cn breed en worden vast tegen 't lichaam gedragen. De staart van den haan is groot, breed, van lange, breede sik-kelveeren voorzien en wordt bijna loodrecht gedragen; bjj de hen is lijj meer gesloten en niet zoo hoog. De pooten zijn kort maar stevig, de dijen kort en dik en door de volle rompbevedering nauwelijks zichtbaar; het loopbeen is naakt, licht vleeschkleurig of witachtig, bij den haan van een
(iÃ
naar binnen gerichte spoor voorzien; 't aantal teenen is 5, de â quot;! voorste zijn groot en evenals de onderste achterteen goed gespreid, de bovenste (S1'0) achterteen moet naar boven gericht en aan den wortel duidelijk van den ondersten gescheiden zijn. liet- gevederte is dicht en vol, doch goed aansluitend. Van de l kleurvaricteiten is de oudste en sterkste:
1. De donkere of grauive. Teekening van den haan: kop bijna wit, veeren van het bovenste gedeelte van het halshehang zwart met witten zoom en zuiver zwarte punt; die van het onderste gedeelte hebben een smallen, reeds kJ a 3 millim. voor de punt eindigenden rand, zoodat het onderste gedeelte van liet halshehang, tegen de schouders, zwart schijnt; het zadelbehang komt hiermee overeen; rug, schouders en vleugelboog zijn peper- en zoutkleurig; de vleugeldekveeren zwart met groenen glans; de slagpennen wit, aan den binnenkant zwart; borst, onderlijf, dijen en staart zijn zwart, de laatste niet groenen weerschijn, //en; Kop- en halsveeren zwart of zwart (donker) gestreept op een lichteren grond; borst roodachtig bruin, elke veer aan de punt van een scherpe, halvemaanvormige, zwarte teekening voorzien, die echter op het midden van de borst zwakker is dan ar.n de zijden; de veeren der overige lichaamsdeelen zijn donker bruingrauw met bruinachtig witte schachten; de vleugelveeren bruinachtig grauw met e'.'ii fijne, donkere dwarsteekening in het midden en een breeden zwarten rand; de groote staartveeren zijn zwartgrauw, naar den buitenkant toe lichter; de zijveeren van den staart een weinig gestippeld.
igt;. Lichte of zilvergrijze, iets kleiner dan do vorige. Haan: Kop zilverwit, hals- en zadelbehang zilverwit met een sterkere of zwakkere streep-teekening; rug, schouders en vleugelboog zuiver zilverwit; spiegels zwart met een groenen of paarsen glans; groote slagpennen zwart, aan de punt van de buitenvlag wit; kleine slagpennen met witte buiten- en zwarte bin-nenvlag en zwarte vlek aan de punt; de uiteinden der vleugels lijken bjj gesloten vleugels zuiver wit met een zwarten rand; borst, onderlijf en staart diepzwart, de sikkelveeren met een groenen glans; djjveeren gewoonlijk zwart, met kleine witte punten. Hen: nek- en halsveeren zilverwit, in het midden met een fijne, zwarte, overlangsche streep; borst roodachtig taan-kleurig (zalmrood), iets lichter dan bij de donkergrauwe, ieder veertje met een lichteren valen zoom en lichtere schachtstrcep; 't achtergedeelte asch-grauw; rug, zadel en vleugels zilvergrijs met fijne donkergrijze dwarsteekening; staartveeren in het midden zwartgrauw, naar den buitenkant toe lichter.
3. Koekoekveerige, evenals het Dominique-hocn; deze zijn zeldzaam.
4. Witte, met rozekam.
De Dorkings behooren met de Brahma's en de Pransche vleeschhoender-
6i
de beste. Als de kuikens niet te vroeg uitgebroed
De witte Dorkings zijn iets kleiner clan de gekleurde en moeten beter leggen. Ook zijn de kuikens hiervan niet moeilijker groot te krijgen; zij behoeven alleen droog en warm gehouden te worden. Van alle sierhoenders zjjn zjj de grootste tafelhoenders, leggen in den wintertijd langer dan de andere Dorkings en wel allerheerlijkste, groote vleeschroodachtige eieren.
De Koekoek-Dorkings staan, wat de grootte betreft, tusschen do witte en gekleurde in; zij zijn hard, goede legsters en uit een Iniishoudelijk oogpunt liet meest aan te bevelen.
Van de voornaamste kruisingen hebben we reeds onder de Cochins en Brahma's melding gemankt. Behalve de daargenoemde komen kruisingen met Vechthoenders in Engeland het meest voor, doch zijn niet aan te bevelen, daar de hierdoor verloren goede eigenschappen niet door hetere vervangen worden. De eenige nog aanbevelenswaardige kruising is die met den Hoiulan-liaan. liet gevederte is, wel is waar, niet fraai en zeer veranderlijk, maar de kuikens zijn zeer hard, bijna altijd vruchtbaar en overtreffen in vroegrijpheid nog de Dorkings, terwijl het vleesch van uitstekende kwaliteit is.
Aangaande de ter volmaking van het ras door Mr. Douglas â waarvan hiervóór reeds melding is gemaakt â gebezigde fokmethode kunnen we mededeelen, dat hij den uit Jndië geïmporteerden, vierteenigen, doch overigens normalen Dorkinghaan zeven van zijne anderbalf-jarige Dorkinghennen gaf. De nakomelingschap viel boven verwachting gunstig uit. Do kuikens droegen bepaald den stempel van het Dorking-type en bij slechts zeer weinige kuikens ontbrak de 5^« teen. Toen ze 7 maanden oud waron, wogen sommige hennen 4 ^, en hanen 5| kilogram en op I lt;S maanden wogen verscheidene hennen 5 kilogr. en meer; de hanen wogen toen (i,| kilogr. en 1 haan van jaar zelfs 7j kilogr.; dit is ook het grootste gewicht, dat Douglas met zijne Dorkings bereikte.
Het volgende jaar gaf hij aan één van deze hanen 17 van zijne oude hennen en aan den geïmporteerden haan 7 van diens eigene dochters. Van do eersten verkreeg hij zijne jonge hennen, die zich kenmerkten door eene groote gelijkmatigheid van kleur, en zeer donkere hanen; beide geslachten hadden een veel sterkere constitutie. Van deze broedsels kwamen er vele kuikens in andere handen, verbreidden het nieuwe bloed, en van dien tijd af (1858) zag men steeds meer en zwaardere donkere Dorkings op de tentoonstellingen.
In het derde jaar verloor Douglas den geïmporteerden haan en moest nu zonder dezen verder fokken, wat hem ook geen moeilijkheden opleverde; grootere gelijkmatigheid van kleur, een sterkere constitutie, een langere romp, breedere schouders, een langere borst â en hooger oploopend borst-
been, waaraan zicli meer vleescli kan zetten â en eene meer duurzame gezondheid zijn tot op den huidigen dag de gelukkige gevolgen van dit fokken, en de Dorkings blijven even goed in de kleur als Brahma's en Cochins.
Dat de moderne Dorkings veel harder zjjn dan de vroegere blijkt wel hieruit, dat do vroegere jonge Dorkings nauwelijks verdragen konden, dat zjj t2 keer per jaar naar eene tentoonstelling werden gezonden, terwijl de tegenwoordige, evenals bijna alle andere rassen, van de eene tentoonstelling naar do andere gezonden worden, â en ongeveer 1| kilo meer vleesch opleveren.
De -ilverjrijze Dorkings zjjn door een zorgvuldige teeltkeus ontstaan uit fraai lichtgrijze hennen, die toevallig van oude donkere en lichtere of mid-delldeurige hennen zjjn gevallen en vormen nu oen bepaald en constant ras van groote schoonheid. Ofschoon zij, misschien omdat men niet over zulk massief fokmateriaal kon beschikken als bij het kweeken der donkere Dorkings, minder massief van bouw zijn dan de donkere variëteiten, hebben de zilvergrijze evenwel ook een gedrongen gestalte, waarbij het natuurlijk minder aankomt op zwaarte en grootte dan op kleur en teekening.
De paring der zilvergrijze vereiscbt groote zorgvuldigheid en kennis van den stamboom van beide geslachten. Hij alle sub-variëteiten is maar de vraag, in welken graad zij van zuiver bloed zijn; daarom loopt men ook steeds gevaar in sommige opzichten terugslag te verkrijgen op de gemeenschappelijke voorouders van meer dan één stam. Nooit koope men op goed geluk zilvergrijze Dorkings voor de fokkerij, maar altijd van oen stam, die reeds sedert lang zorgvuldig gefokt werd. En dan kieze men zoo mogelijk een baan met zuiver zilverkleurigen hals en zuiver zwarte borst en pare dien mot hennen van de middenkleur; niet te licht, daar anders vele der jonge hanen een miskleurige borst krijgen. In elk geval echter onderzoeke men zeer nauwkeurig do zuiverheid der stammen van de te paren dieren, zoowel van do hennen als van don haan.
Wat de kleurnuances der hennen aangaat, zijn vooral de licht zilvorgrjjze zeer fraaie dieren. Hot is do zachte donkergrijze toekoning, welke den lichtgrijzen grond bedekt, die aan het govederte die fraaie zilverkleur geeft. Bovendien moet do witte schaclit bjj olko veer duidelijk zichtbaar zijn. Het gevederte wordt naar den staart too gewoonlijk een klein weinigje donkerder; (de staart zelf is donker, de binnenveeren nagenoeg zwart). Jammer echter, dat deze fraaie, lichte zilvergrijze hennen niet geschikt zjjn om veel hanen met zuiver zwarte borst voort te brengen ; de meeste zijn in de liezen en aan de dijen wit gevlekt en dikwijls in een zoor merkbaren graad.
De proefnemingen van ervaren en bekwame vechthoenderfokkers, om
04
dezo liclitc zilvergrijze hennen niet zilver-duckwinglianen te paren, liebben deze fraaie variëteit bjjna vernietigd; maar een merkwaardig feit schijnt door de volharding van deze fokkers te zijn bewezen, n.l. dat de eenige mogelijke kleur der hennen om zuiver zilvergrijze hanen te verkrijgen de zacht donkergrijze is.
Witte DorUinyn. lijjna alle Engelsche fokkers van deze variëteit â'âde fraaiste, die men zich in een groen hoenderpark denken kan â de eigenlijke aristocratie onder de hoenders â als geschapen voor de liefhebberij van eene damequot; roemen haar als om strijd. âZij hebben het zuiverste Ãorkingbloed, omdat zjj lang de eeuige variëteit waren, die onveranderd den 5'loquot; teen, den Uorkingteen, voortbracht. Zij overtreffen in symmetrie alle andere variëteiten, vereenigen met de grootte der Dorkings veel van de gratie en trotsche vormen der Hamburgers enz.quot; zegt Wright. âHunne elegante houding, de glans en zuiverheid van hun sneeuwwit gevederte, liet koraalrood (van de naakte deelen van den kop), hunne bijzondere vertrouwelijkheid en tamheid en een zeker onbeschrijfelijk iets in de manier, waarop zij bekende personen naderen, stempelen ze tot aristocratenquot; zegt Miss Fairhurst. âEn daarbij â zoo vervolgt zij â¢â-zijn deze witte Dorkings de grootste van alle tafelhoenders; de eieren van 1| a 2-jarige dieren zijn zwaar en bijzonder smakeljjk; zij zijn betere legsters, vooral betere winter-legsters, dan de andere variëteiten en kunnen zeker even groot gekweekt worden als deze.quot;
Grunstige proefnemingen heeft men dienaangaande reeds (in Linton-park) gedaan, door zware donkere Dorkinghanen mot witte Dorkinghennen te kruisen. Men verkreeg hierdoor eerst Koekoek-Dorkings, die men weder met witte kruiste, waaruit verscheidene witte kuikens ontstonden. Verder leverde de zaak geen moeilijkheden op. De reden, waarom men donkere hanen kiest, is â zooals reeds is opgemerkt â⢠deze, dat van alle kleurveranderingen de overgang van zwart tot wit het gemakkelijkst wordt verkregen. Zoo verandert bijv. bjj de uit zwartroode X witte vechthoenders ontstane gevlekte dieren het zwart in wit, terwijl het rood onveranderd blijft.
Door kruisingen met witte Vechthoenders heeft men de witte Dorkings wel meer gehard gemaakt, doch natuurlijk opgekweekte en voor verweeke-lijking bewaarde zuivere Dorkings zijn uit zich zelf reeds harder dan de gekleurde Dorkingvariëteiten, en de Vechthoenders hebben eigenlijk ook geen enkele eigenschap, die hen geschikt maakt voor kruising met Dorkings.
Om de geneigdheid tot het geel- of vuil stroogeel worden van het gevederte van de hanen zooveel mogelijk te beperken, moet men, evenals bij de witte Cochins, alleen fokken met dieren van het zuiverste en fraaiste wit; doch tevens in den zomer ook zorgen voor voldoende schaduw, omdat de
05
zon nadeelig op de witto kleur werkt. Daar er werkelijk zuiver witte hanen zijn, bestaat do mogolijkhoid om â met geduld en zorg â een volkomen standaard van deze prachtige variëteit te verkrijgen.
Wat nu het fokken van koekoekveerige Dorkings aangaat, hierbij dient vooreerst opgemerkt te worden, dat de grondkleur van deze variëteit afwisselt tusschen een bijna witte en een blauwachtig grijze kleur en do teekenin»' tusschen blauw-grijs en nagenoeg zwart. Daar zij, wat de grootte betreft, tusschen de witte en do gekleurde in staan, zoor hard zijn en goed leggen, zijn zij van alle Dorkings het meest voor de huishouding aan te bevelen.
Bij het kweeken voor tentoonstellingen dient men er bijzonder voor to zorgen, dat er geen roodachtige of gele veeren aan hals en zadel voorkomen. Kleur en teekening moeten over het geheele lichaam zuiver en gelijkmatig zijn; ook mag er geen wit in den staart zijn.
10. Schotsche koekoekveer. â Scotch Greys.
Deze hoenders kunnen met hetzelfde recht tot de Engelsche rassen en tot de klasse-hoenders gerekend worden als de Hamburgers, de Leghorns enz,, die eveneens uit landhoenders ontstaan zijn. Bovendien wettigt hunne betrekking tot do Dorkings en het Doininiquo-hoen hot vermoeden, dat de Scotch Greys â die op een zeer Imogen ouderdom schijnen te kunnen bogen â een werkelijk aandeel hebben aan de verbetering der Dorkings. Ei.w. Baowx toch geeft toe, dat de Scotch Greys door hun geheele voorkomen voor âgroote, hooger op de pooten staandequot; koekoekveerige Dorkings zouden kunnen worden gehouden, met dit onderscheid, dat zjj niet zoo vierkant van lichaamsbouw zijn. Voor eene verbastering van Dorkings kan men ze niet houden, daar zjj âreeds sedert lang bekend zijn en zuiver gefokt wordenquot; en er geen reden is voor het vermoeden, dat zij een âin den laatsten tijd gefabriceerdequot; verbasterde soort zijn.quot;
De beschrijving van Mr. Brown luidt: âHet voorkomen en do houdiiiff der Scotch Greys komen niet geheel met die der Dorkings overeen: ze zijn meer rechtop van gestalte en hebben iets â al is bot ook in zeer geringe mate â van de houding der Aziatische rassen. Kcnjarige hanen wegen a 4 kilo, de hennen meestal kilo minder. De grondkleur van het ge-vederte is een prachtvol blauwgrijs met sierlijke, zwarte (met metaalglans), kleine vlekjes op elke veer. De teekening moet bij hanen en hennen volkomen gelijk zijn, van het kleinste veertje in het gezicht tot den staart. De sikkel veeren zjjn dikwijls zwart en wit gesprenkeld. De enkelvoudige kam staat bij den haan rechtop en is groot en breed; bij de hen valt hij een weinig naar ééne zijde over; de kinlellen zijn behoorlijk lang en, ovenals Hai.damus, Pluimveeteelt. 5
hot goziclit on do oorlellen, scliittoreud scharlakenrood. Dit ras is vooral don landbouwer aan to bovelon, wijl do hennen goed leggen â lange, witte eieren â en geen broedlust hebben; ook als tafelvogels zijn zij zeer goed. Op do Dorkings hebben zij dit voor, dat zjj veel harder zijn en daarom gedijen onder omstandigheden, welke voor de Dorkings nadeelig zijn.'
Naar de meer nauwkeurige Duitsche beschrijving is hunne figuur die van oen stevig landhoen als bij do Dorkings, doch meer rechtop van houding en lovendiger on stouter van voorkomen. Zij hebben eene moer dan middelmatige grootte en een gewicht van â¢! u i kilogram. De kop moet sierlijk, lang en fijn zijn, de schedel smal, do snavel lang, stevig en licht gebogen, witachtig of aan de bovenneb van een zwartachtige streep voorzien; de onkolvoudigo kam is middelgroot â ongeveer nis bij de Langshans -â fijn van weefsel, gelijkmatig getand, zonder zijspranken; bij den haan staat hij rechtop en reikt goed over het achterhoofd; die van de lien staat ook rechtop of valt een weinig naar éóne zijde over. Het oog is groot, open en vurig, het gezicht groot, naakt en donkerrood; do oorschelpen zijn middelgroot, fijn van huid en helderrood, de kinlellen middellang, dun, van onderen goed afgerond en hoogrood. De meer lange dan korte hals, die naar den kop tou sierlijk in dikte afneemt, wordt rechtop gedragen, is fraai gebogen en bij den haan zeer rijkelijk van sierveeren voorzien, die tot op do schouders en den rug hangen; do middellange, gedrongen romp is goed gevleesd en gaat bij de hen in een vol, rond en een weinig verbreed achterlijf over; de borst is breed, diep en vol en goed naar voren gewelfd, de rug tamelijk lang en vlak, het zadel breed, bjj den haan met rijk behang; de middcl-groote vleugels worden hoog en goed aangesloten gedragen, de vleugelboog en de punten verdwijnen onder het hals- en zadelbehang; de staart is fraai, groot en breed en wordt sterk omhoog gericht gedragen (geen eekhoorn-staart), bij den haan met golvende sikkel- en trapsgewijs aÃoopende zijvee-ren. De pooten zijn lang, de dijen stevig en goed aansluitend bevederd, bjj beide geslachten gestrekt en goed uitkomend, bij den haan ver van elkander geplaatst; het loopbeen is stevig en lang en even als de vier gespreide, stevige teenen, naakt, witachtig of licht met zwart gevlekt, doch niet roetkleurig.
Het gevederte is vol en gesloten, de kleur blauwachtig wit als grond-kleur, aan hals, zadelveeren en staart ook wel licht grijs; de kleur der teekening zwart met een metaalachtigen glans. Het geheelo gevederte moet in deze beide kleuren over dwars gegolfd zijn, d. w. z. elke veer moet regelmatig geteekend zjjn met verscheidene, even breede, blauwachtige en zwarte bandjes, wier grootte en omtrek evenredig moeten zijn aan grootte en vorm der voeren en die bjj do hen breeder verlangd worden dan bij den liaan. Bonte voeren zijn eene fout.
lil
Aan de hiervoor door Brown genoemde goede huislioudelijke eigenschappen kunnen we nog deze toevoegen, dat de Scotch Greys een gehard, niet veeloischend en goed leggend ras kunnen worden genoemd, en daar zij een vleozig lichaam hebben en zich gemakkelijk laten mesten â-gemest wegen ze i d 4| kilogr. â⢠verdienen ze ook als tafelhoen alle aanbeveling.
41a. 7)e Hamburgers.
Van de variëteiten, die door de Engelschen onder den naam van ]fambur-gers zijn vereenigd, schijnen er twee â de âSpangledquot; en de âBlack varietiesquot; â van zeer ouden Engelschen oorsprong te zijn; de âPencilledquot; (gepelde) zjjn voor jaren uit Holland geïmporteerd. Al deze kleurvariëteiten komen echter in hare hoofdkenmerken zoo met elkander overeen, dat men wel geneigd is, aan een gemeenschappehjken, ouderen stamvader te denken. 01' deze echter in de vrije rijksstad Hamburg gezocht moet worden, is evenwel een andere vraag. De hoenderkenners van het vaste land hebben intusschen de Engelsche benaming aangenomen en, daar de afkomst van dit fraaie, algemeen geziene en nuttige ras moeilijk te bepalen is, is bet voor de éénheid wenschelijk, dat do naam Hamburgers algemeen wordt overgenomen.
Vooreerst moeten we opmerken, dat het bij de beoordeeling der Hamburgers hoofdzakelijk op 4 zaken aankomt: de teekening, de kam, de oorschelpen en de symmetrie, en dat men zich zoowel op tentoonstellingen als bij den aankoop heeft te wachten voor kunstenaars, die deze en nog andere zaken door penseel, ontleedmes, lijm en andere kunstmiddelen weten te verbeteren.
De Hamburgers moeten in 't algemeen de volgende kenmerken hebben:
De haan heeft een sierljjken, levendig en verstandig uitzienden, maar matig langen doch gestrekten kop; ook de blauwgrijze snavel is vrij kort en smal; de kam is een rozekam, breed en vol op het voorhoofd, naar achteren steeds smaller wordend en in een lange, een weinig opgerichte punt uitloopend, de bovenvlakte voorzien van vele, regelmatig naast elkander liggende wratachtige tanden (full of âworkquot; or points) en stevig op den kop bevestigd; bij de hen is die kleiner en smaller. De oorschelpen zijn vlak en zoo mogelijk cirkelrond en zuiver wit; de kinlellen dun, middellang, sierlijk gerond en levendig rood van kleur. Hals middellang, zeer gebogen, sierlijk naar achteren gedragen en vol lange, over de schouders golvende veeren. De romp is over 't geheel slank, licht en symmetrisch van bouw (niet als bij de Vechthoenders naar achteren smaller wordend), de borst rond en goed naar voren gewelfd; de sierlijke en matig lange bovenrug schijnt door de daarover hangende halsveeren korter dan hij is; zadel breed en rijk bevederd;
08
vlcug'olsi lang en goed aan 't lijf sluitend. Dijen kort on slank en goed gesloten bevederd; loopbeen vrij kort, dun en sierlijk; teenen zeer slank en bevallig gespreid, beide onbevederd en blauwgrijs. De staart is prachtig en zeer groot, inet lange en breede sikkelveeren en vol sicrveeren; de sikkel-voeren zjjn sterk gebogen en boog, docb worden niet boven den rug gedragen; hij de hen zijn ze smaller en samengevouwen. Hunne grootte is gering; de grootste wegen gemiddeld 2^ kilogr. en 't zou niet onvoordeelig wezen, als men grootore en zwaardere exemplaren kon fokken, zonder aan de gestelde kenmerkende eischen afbreuk te doen. Algemeen voorkomen: bevallig en levendig, fier doch niet trotsch zooals bij den Spaanschen haan.
Do âPencilledquot; of gepelde variëteiten zijn niet zoo zwaar en groot en
slanker gebouwd dan de âSpanjledquot;, (goud- en zilverlaken) en de zwarte Hamburgers.
Al het hiervoor gezegde geldt ook voor do hennen, in zoover zulks met het geslacht is overeen te brengen.
De hoofdvariëteiten zijn: do zilver- en ijoudlakemche, de zilver- en (joud-pellen, de zwarte en de witte Hamburgers.
De zilverlakenscho (Silver spangled H.) Fig. 22, hebben bij beide geslach-
(gt;9
ton ccn hoornIslpurigon snavel, schitterend rooden kam, gezicht en kinlellen, zuiver witte oorschelpen, donker liazelnootbruine oogen en donker loodgrijze pooten.
De haan heeft zilverwitte (zonder geel) halsveeren, die aan den wortel zwart gespikkeld zijn; rug-, schouder- en vleugelboogveeren wit niet lange en smalle vlekken; vleugeldekveeren wit niet flinke, ronde zwarte vlekken aan de punt, welke twee dwarsbanden over de vleugels vormen; kleine slagpennen wit met zwarte vlekken aan de punt, welke trapsgewijze oploo-pen (âsteppingquot;); de groote slagpennen zijn evenzoo gevlekt; zadelveeren wit, aan de punt zwart gevlekt. Borst, onderdeelen on dijen wit, elke veer
Fig. 23.
voorzien van een fraai ronde zwarte vlek aan de punt; hoe grooter deze vlek, hoe liever, het liefst zoo groot, dat men bet wit daartusschen nauwelijks kan zien. De staartveeren zijn wit aan de buiten- grijsachtig aan de binnenzijde en hebben ronde vlekken aan liet uiteinde; de sikkelveeren - -groote en kleine â zijn zuiver wit met een groote, duidelijk uitkomende zwarte vlok aan het uiteinde.
De he)) (Pig. 23 en 24) heeft zilverwitte halsveeren, die aan de punt zwart gevlekt zijn, welke vlek naar den wortel toe breeder en ronder wordt.
70
Rug, schouder, zadel, staartdekveoren, horst, ouderdeeleu en dijen y.jjn wit, doch elke veer uitloopend in ecu breede, ronde zwarte vlek en zoo. dat men het wit daartusschen boven nog kan zien. De vleugeldekvceren eindigen in zeer groote zwarte vlekken, die twee regelmatige dwarsbanden vormen
halvemaanvormige vlekken eindigend, welke aan don rand van den gesloten vleugel trapsgewijs oploopen; de groote slagpennen zijn wit met een zwarte punt. De teekening moet over liet geheele lichaam zoo gelijkmatig mogelijk zjjn eu hennen van een zelfden toom moeten niet alleen daarin, maar ook in kamvorming enz., aan elkander gelijk zijn.
De goudlukenscha Hamburgers moeten â do hen zoowel als de haan â een hoorn-
kleurigen snavel, schitterend roode kam, gezicht en kinlellen, zuiver witte oorlellen, roode oogen en donker loodgrijze pooten hebben. De haan moet een fraaie, roodachtig goudbruine grond-kleur bezitten met de
volgende
teekening;
hals- en zadelveeren scherp en duidelijk zwart gestreept; rug-, schouder- en vleugelboogveeren met zwarte vlekken aan de punt; vleugeldekveeren met flinke ronde vlekken aan het eind, welke twee dwarsbanden vormen; de groote en kleine slag-
71
pennen evenzoo geteekoncl, Jiorst, onderdeden on dijon met flinke, t'mai rondo vlekken. Staart groenzwart. De hen moet dezelfde grondkleur hebben, doch komt in teekening overeen mot den zilver), lien, met uitzondering van den zwarten staart en de /waïtgeslrcciile â niet gevlekte â halsveeren. Met deze uitzondering is de teekening in beido geslachten dezelfde.
lljj de Hamb. zilrer- en (lotidpcllim is slechts de grondkleur verschillend,
de teekening echter volkomen dezelfde; bjj de eerstgenoemde is de grondkleur zilverwit en wit, bjj de laatstgenoemde roodachtig goudbruin bij den haan en fraai goud- of oranjekleurig bjj de hen. Do snavel is licht hoorn-kleurig; kam, gezicht en kinlellen zjjn schitterend scharlakenrood, do oorschelpen zuiver wit, do oogen helder rood, de pooten donker loodgrijs. Do
72
haan heeft zuiver zilverwitte kop-, lials-, rug-, zadel-, schouder- en vleugel-boogveereu. Do vleugeldekveeren zjjn zuiver wit aan de benedenvlag, en aan de bovenvlag met zwarte dwarsstrepen of' dwarsbandjes, die aan de punt in een onvolkomen band eindigen.
De kleine slagpennen zjjn aan de benedenvlag wit, met uitzondering van een zwarte strook dicht bij de kiel, en aan de andere vlag zwart op een weinig grijs of' wit aan den rand na; de groote slagpennen zijn wit aan do buiten- en zwart aan de binnenvlag. Borst, benedendeelen en dijen zijn wit met uitzondering van eenige zwarte vlekken aan den achterkant der dijen. De staart is zwart, de groote en kleine sikkelveeren zijn fraai schitterend groenzwart en omgeven door een smallen, zuiver witten zoom.
Hen: luilsvoeren zilverwit; het overige gevederte met uitzondering van do staartveeren ook zilverwit, doch elke veer met zooveel mogelijk zwarte
dwarsbandjes, welke even breed zijn als het daartus-schen liggend wit. De kleine slagpennen moeten eigenlijk evenzoo geteekend zijn, doch dit heeft men tot dusver nog niet kunnen bereiken , en wit aan de buitenvlag met eenige onbepaalde teekening is de regel. De staartveeren moeten weer volmaakt geteekend wezen en zijn zulks dikwijls ook. De geheelo teekening moet zoodanig zjjn, dat zij als het ware lijnen vormt, die om den vogel getrokken zijn, zooals men dat vooral bij jonge dieren na den rui ziet. (Fig. 20, 27).
De Hamb. Zilverpellen â in Yorkshire Zilverfazanten genoemd â zjjn, langen tijd vóór het opkomen der tentoonstellingen, in Lancashire reeds, wat de vederteekening aangaat, op een voor dien tijd bewonderenswaardige volkomenheid gefokt. Deze zorgvuldige kweeking op de veer door de vroegere fokkers van Lancashire en Yorkshire heeft, naar Wright's meening, de hennenveerige ilooney's voortgebracht (Fig. 28), die op de eerste tentoonstellingen alle prijzen verwierven. Weldra echter (op de tentoonstelling te Birmingham) verklaarde de jury, dat het met deze hennenveerige hanen niet in den haak was en bovendien waren ze onvruchtbaar, wat evenwel
alloen van vele lianen gezegd kan worden. Kortom, zij verdwenen van lt;le tentoonstellingen en werden sedert nog alleen door eenige ijverige liefhebbers gehouden om er mee te fokken.
De zwarte Hamburgers moeten een zwarten of donker hoornkleurigen snavel hebben, fraaie diep roode kam, gezicht en kinlellen, schitterend witte
oorlellen, lichtroode oogcn en diep loodgrijze, bijna zwarte pooten. Het gevederte moet zwart zijn met oen donkeren, schitterend metaalachtig groenen, soms ook blauwachtig purperen glans; hoe meer glans en groen, des te beter. Ook zijn er voor kort witte Hamburgers gefokt, welke op de interna-
7 i
tionnlo tentoonstelling te Washington werden geëxposeerd; zij waren zuiver wit en hadden vleeschkleurige pooten.
Dit fraaiste van alle hoenderrassen eischt een vrijen uitloop, opgesloten kwijnen ze en verliezen ze hunne goede eigenschappen. Heeft men echter slechts een matig groot hok, doch eene groote grasplaats te hunner beschikking. dan zijn zij het productiefste van alle rassen.
Zij eten weinig, doorkruisen echter reeds in den vroegen morgen de weide om wormen te zoeken en zijn buitengewoon beste legkippen; onder gunstige omstandigheden logt een hen per jaar '200 a '220 eieren. Wegens hunne groote vruchtbaarheid zijn zij dan ook slechte broedsters, en alleen, als ze
eenige jaren oud zjjn, als zoodanig te gebruiken; enkele uitzonderingen komen evenwel ook voor. Bovendien zjjn zij een hard en gezond ras, zoeken grootendeels zelf hun voeder en vergoeden ruimschoots de voor hen aangewende moeite. Voor landbouwers zijn ze daarom zeer aan te bevelen.
De kuikens zjjn met eenige zorg gemakkelijk groot te brengen. Men houdt ze het best in een bodemloos kuikenhok van oen paar voet in 't vierkant, met schuin dak, aan den voorkant van eene schuif en van tralies
li}
voorzien, tusschoii welke laatste door zjj in en uit, kunnen gaan; eiken (liig verzette men dit hok een weinig om liet telkens weder op frisch gras to brengen. Het beste is, zo, evenals alle kuikens, van de andere hoenders verwijderd een afzonderlijk grasveld te geven en zo gedurende de eerste a lt;i woken elke a 3 uur te voeren (daarna niet meer zoo vai^^on wel telkens zooveel als zij lusten. Een kruimelig weekvoor van havermeel met .j hjno tarwezemels, waarbij, als zij ouder worden, telkens meer tarwe gevoegd wordt, moet eerst hun hoofdvoer zijn, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Als ze goed verzorgd en in hunne ontwikkeling niet gestoord worden, zijn do kuikens vroeg rijp; de Pellen leggen dikwijs reeds, als ze 5 maanden oud zijn, de goud- en zilverlakensehe over 't geheel niet zoo vroeg.
Ten slotte zij hier nog melding gemaakt van eenige variëteiten, die colitcr nog niet tot de normale behoorcn.
Men kent in Engeland (jezoomde zilverpellen, witgezoornde zwarte Hamburgers (?), lederklem'ige en witgezoornde lederkleurige, zuiver ivitte en koe-koekveerige; deze laatste is zeker het meest waard te worden gefokt. In Duitschland spreekt men van Alltag- en Todtleger, van Lak en felder, Cam pi-iter en andere variëteiten, alle verschillende benamingen voor Pelhoenders.
Opgemerkt dient nog te worden, dat de zuiverste stammen Hamburgers soms nakomelingen opleveren met enkelen kam, voornamelijk, wanneer de ouders do kleinste en beste rozekammen hebben. Of men daarin terugslag tot het type der eerste voorouders van dit ras hoeft te zien, is de vraag, doch zeker is het een bewijs van kruising.
Voor kruisingen is dit ras slecht aan te bevelen, daar de vroeger verkregen resultaten zeer twijfelachtig zjjn geweest.
11b. De Roodkapje* â Redcaps,
Van deze hoenders, die als een lokaal- of' onderras van de Hamburgers beschouwd moeten worden, werd reeds in oude geschriften over pluimvee melding gemaakt als van landhuishoudelijke hoenders van den eersten rang. Zij zijn hard en vruchtbaar, grooter en zwaarder dan de overige Hamburgers â de haan weegt tot 3| kilogr. hebben uitmuntend vleesch en leggen een aanzienlijk aantal groote eieren. Zjj gelijken op de goudlakensche Hamburgers, doch hebben een opvallend sterk ontwikkelden rozekam. die zoo groot is, dat hij dikwijls ter zijden afhangt; van daar hun naam Roodkapjes.
Mr. Brown zegt er van, dat zij in Engeland alleen in Yorkshire en Derbyshire gefokt worden en reeds gefokt werden, vóór de goudl. Hamb. in hunne volkomenheid bestonden. In schoonheid kunnen zjj zeker niet
7()
mot de goudl. wedjjveren, doch zij zjjn veel grooter, zeer hard, beste win-torlegsters, leggen zware eieren, leveren een uitmuntend gebraad en gedijen uitstekend, ook in bergachtige streken.
Daar deze hoenders in den laatsten tijd ook in sportkringen weder de aandacht trekken, is er eene aanleiding te meer tot eene nadere beschrijving.
In vorm komen ze met de Hamburgers overeen, zijn even rechtop en fier van houding, doch meer welgedaan en bedaarder. Zooals reeds is gezegd, zjjn zij grooter en forscher â oude hanen wegen om de 3,], jonge 3, hennen van â3j kilogram. De kop is lang en breed, de snavel matig lang, krachtig, een weinig gebogen en hoornkleurig; de rozekam is bij den haan bovenmatig groot, aan de bovenzijde geheel met punten bezet zonder hoogten en laagten, stevig op den kop geplaatst, niet naar voren of in het gezicht, in elk geval niet over de oogen hangend, J3 centim. lang en boven !) centim. breed; bij de hen is die kleiner, doch overigens evenzoo als bjj den haan. liet gezicht is groot, glad en rood, het oog rood, vol en levendig, oorschelpen middelgroot en levendig rood, bij de hen vrij klein, kinlellen lang â bij de hen middelgroot â goed gerond en hoogrood van kleur. Do matig lange, sterke hals wordt rechtop met een lichte bocht gedragen en is bij den haan ruim van over de schouders golvende sierveeren voorzien. Do romp is gestrekt, maar vol en rond; de borst breed en eveneens vol en rond; de rug matig lang, breed en recht, met rijk en langzadelbehang; de breede vleugels hebben een matige lengte en sluiten goed tegen het lichaam; do staart is groot en vol, bij den haan met lange, fraai gebogen sikkelveeren, bij de hen lager gedragen. Do pooten zijn middellang en hebben krachtige, vleezige, aansluitend bevederde dijen; het loopbeen is middellang en dik, bij den haan goed gespoord en evenals de vier teenen onbevederd en leikleurig. Het volle gevederte sluit glad en effen aan het lichaam. De haan heeft roode, zwart gestreepte nek-, hals- en zadelveeren en een zwarte borst; rug- en vleugeldekveeren zijn rood met zwarte vlekken, de groote en kleine slagpennen rood met groote zwarte eindvlekken ; do staart is zwart. Hen: nek- en halsveeren als bij den haan; borst, buik, rug en vleugels donker roodachtig bruin, elke veer van een halvemaanvormige, glimmend zwarte eind vlek voorzien; deze teekening is zoo regelmatig als mogelijk; slagpennen en staart als bjj den haan.
1'2. Orpingtons,
Terwijl de meeste nieuwe hoenderrassen ons door de Amerikanen werden geleverd, is het Orpington-hoen eene Engelsche schepping. De schepper er van, Mr. W. Cook in Orpington (Kent) heeft â- eene gunstige tegenstelling
77
met do praktijk der Amerikanen â de liefhebbers en fokkers nauwkeurig medegedeeld, op welke wijze bij dit nieuwe ras tot stand bracht. Hjj kruiste een fraaien Minorca-haan met zwarte Plytn.-Rock-hennen, zocht uit de kuikens do fraaiste hennen en paarde deze weder met een gladbeenigen Langshan-haan. Uit deze laatste kruisingsproducten zocht hij 4 fraaie stammen, die hij rationeel verder fokte, un na verloop van 5 jaren kou hij het nieuwe ras als constant beschouwen.
De uit deze vereeniging van drie ten deele uitstekende nuthoenderrassen ontstane Orpingtons worden uit eon economisch oogpunt beschouwd zeer geroemd, zoowol om het bijzonder smakelijke, witte vleesch als om het groote aantal vrjj groote, geelachtig gekleurde eieren, dat zij ook in den
herfst en den winter geven; ook moeten ze uitstekende broedsters en moeders zijn en niet vaak broedsch worden.
De heer llud. Frank te Oberrad bevestigt, dat verscheidene, van den heer Cook gekochte stammen, niettegenstaande zij een koud bok hadden, vroeger begonnen te leggen dan andere rassen en ook met korte tusscben-poozen steeds daarmee voortgingen.
Overigens ging het met de Orpingtons als vroeger met de Langshans; de âkennersquot; wilden ze niet erkennen en verklaarden ze voor onvolkomen Cochins of Langshans en, terwijl er in Engeland op de Dairy en Crystal-Palace-Shows dadelijk klassen voor de Orpingtons werden ingeruimd en er
78
zelt's con Orpington-club word opgericht, hebben zo zich elders nog slechts oen bescheiden plaatsje kunnen veroveren.
In don laatsten tijd werd de waarde van dit ras op nieuw bevestigd door Edw. Brown, vroeger uitgever der Fanciers Gazette, welke in zjju boek âPleasurable Poultry-keepingquot; zegt: âAan hunne waarde voor practischo doeleinden kan geen twijfel bestaan. Zij hebben do goede eigenschappon der Langshans als leg- en als tafelhoen, groeien buitengewoon snol en bereiken oen aanzienlijk gewicht; jonge hanen van G maanden wegon 9â1(1 pond (Engclsch, = i a kilogr. ongeveer) en het vleesch is uitmuntend van kwaliteit en smaak. Als winterlegstors nemen zij een der eerste plaatsen inquot;.
Do door do Orpington-club vastgestelde standaard luidt;
liaan: gevederto zuiver zwart met groenen weerschijn; kop klein on sierlijk en hoog gedragen; kam middelgroot, rechtopstaand, gelijkmatig getand en zonder zijspranken. (Er wordt ook eene rozekammigc variëteit gekweekt). Gezicht on oorschelpen rood; snavel donker hoornkleurig of zwart, zoor sterk on fraai gebogen; oog vol, schitterend en intelligent. Pooton middellang en zeer stevig; loopbeen donker, onbevederd, 4 teenon met witte nagels; de huid onder de zool en tusschon do toonen licht van kleur, doch niet geelachtig; borst breed, diep en vol, goed naar voren gewelfd, met lang en sterk borstbeen; rug kort met brecdo schouders, bevallig vol in het zadel, dat langzaam oploopt; staart vol en sierlijk naaiden rug toe gedragen. Gedrongen van figuur, circa 9 pond zwaar; huid wit, zeer dun en fijn van weefsel; vleesch wit en stevig.
Hen: kam als bij don haan, bij do enkelkammige naar óéne zijde overhangend ; staart middelgroot en fraai naar achteren gedragen; zadelkusson klein maar goed ontwikkeld; figuur symmetrisch en gedrongen; gewicht ongev. 7 pond; al hot overige als bjj den haan.
III. Amerikaansche rassen,
13. Het Dominique-hoen.
liet Dominique-hoen is misschien het oudste goed gekarakteriseerde hoenderras, dat in Amerika als oorspronkelijk en van groote waarde wordt geacht, ofschoon hot uit vroegere kruisingen van koekoek-Dorkings of Scotch Greys met Cochins voortgekomen en later constant geworden is. âZij komen over 't geheel overeen met rozekammigc koekoek-Dorkings mot '( teenon of nog meer met de Scotch Greys, doch hebben zeer fraaie gele pooton, welke de Amerikanen in al hunne hoenders schijnen te bewonderenquot;.
79
Naar den Amerikaanschen Standaard verkrijgt men de volgende âzeer vagequot; beschrijving:
Kam roosvormig, groot, helder rood, ongeveer als die der Hamburgers. Kinlellen rood, goed gerond en middellang. Snavel en pooten geel. Oor
schelpen rood. 't Grevederte op een lichtblamven grond overal met donker leiblauw geteekend, zoodat daardoor banden van verschillende breedte worden gevormd.
Wright geeft een nauwkeuriger maatstaf voor de beoordeeling:
Haan (Fig. 30): Kop over 't geheel plat en fijn en niet dik; snavel
80
middelgroot; kam roosvonnig, aan het voorhoofd breed, achter in eeue lange punt uitloopend, welke een weinig opwaarts is gebogen; hij moet van boven vlak zijn en vol punten en stevig en recht op den kop staan; kinlellen middellang, fijn en sierlijk gerond; oorschelpen middelgroot en hangend;
gezicht zoo fijn mogelijk van weefsel; hals middellang, rijk van sierveeren voorzien, die ver over de schouders golven; romp over 't geheel plomp en gezet; rug breed; vleugels middelgroot en sierlijk gedragen; borst zeer vol
81
on naar voren gewelfd. Boven- en bfflcdenschenkel vrij kort; loopbeon zeer slank, zonder voeren, ook de hielen; teenen reclit en goed geproportioneerd. Staart groot met fraai golvende sikkelveeren, een weinig iioog doch niet boven den rug gedragen. De middelgroote zijn .'{ a .'1,0 kilogr. zwaar. Figuur over 't geheel bevallig en gedrongen; houding levendig en stout doch niet onaangenaam.
De hen is in alles den haan gelijk, met uitzondering van het verschil, dat aan het geslacht is verbonden; zij weegt gemiddeld 3,2 kilogr.
Kleur: Bij beide geslachten is de snavel geel; kam, gezicht, our- en kinlellen prachtig rood. De oogen rood of geel. Booten schitterend geel. Gevedorte: blauwachtig grijzen grond met donker blauwgrijze, naar het zwart overhellende dwarsbanden op elke veer. Eene middenkleur, die liet effect van het wat donkere blauwgrijs verhoogt, heeft de voorkeur. Zwarte, witte of roode veeren mogen niet voorkomen.
Naur Wright's oordeel moeten de Dominique-hoenders eene der nuttigste rassen zijn; uitstekende legsters, beter dan de koekoek-Dorkings en de Scotli Greys, zeer bard, met voortreffeljjk vleesch, snellen groei en spoedige en gemakkelijke bevedering. Hun niet onaardig voorkomen maakt hen zeer geschikt voor plaatsen, waar eigenlijk siergevogelte niet op zijne plaats is. Hunne gele pooten maken hen voor de markt minder gewild, doch dit zal wel spoedig anders worden, daar het vooroordeel tegen lichte pooten meer en meer verdwijnt.
l i. Zwarte Java-hoenders â Black .lava.
De reeds voor langen tijd in Amerika gefokte zwarte Java-hoenders zijn, merkwaardig genoeg, later in Europa bekend geworden dan de Plymouth-Bocks, welke toch een product van .lava-hoenders en Dominiques heeten te zijn. Volgens Mr. Brown kwamen de Java-hoenders eerst in 18S3 in Engeland en hij is van oordeel, dat, al hadden ze ook nergens anders toe gediend dan om de Plym-Bocks te scheppen, zij daardoor alleen reeds ten volle aanspraak op onze waardeering hebben. Een oorspronkelijk Ame-rikaanscb ras zijn de Java-hoenders niet; vermoedelijk hebben zij Aziatisch, on -â naar het uiterlijk te oordeelen â wel Cochinbloed in hunne aderen.
Zij gelijken in hun voorkomen op de Blym.-Rocks, doch schijnen niet zoo forsch te zijn als deze, omdat hun gevederte dichter aansluit. Dat geve-derte is zwart met een metaalglans; snavel en loopbeen zijn zwart. Het oog is bruin en zacht van uitdrukking; de kam enkelvoudig, gelijkmatig getand en fraai rood evenals de oor- en kinlellen. De staart beeft lange, fraai gebogen sikkelveeren. De borst is diep en vol, de romp lang, breed
Bauujius. Pluimveotcelt.
S2
en diep. De dijen zijn stevig en met zacht dons bedekt, 't loopbeen is naakt en zwart met gele voetzolen; de zwarte kleur van het ioopbeen wordt bij oudere dieren grijsgroen.
1 [et gewicht van den haan is ongeveer 10 Eng. pond, dat der hennen K pond.
Bovendien is er ook nog een gevlekte variëteit der Java-hoenders, do Mottled-Java's, welke zich van de zwarte alleen onderscheiden door hun âzwart met wit vermengdquot; gevederte.
De Java-hoenders moeten een goed tafelhoen en in Amerika op de markt zeer gezocht zjjn; over hunne waarde als leghoen zegt Mr. Brown echter niets.
i 5. Plymouth-Rocks.
Dit Amerikaansch halfbloedras, dat voor meer dan 50 jaren door kruising van Dominiques met zwarte Java-hoenders, volgens anderen met Cochins, is ontstaan, heeft sedert zijne invoering in Engeland ('187'2) een waren triomftocht door geheel Europa gehouden; 't was liet eerste Amerikaansch ras, dat werkelijk succes had, en ook nu nog is het, niet alleen in de sportkringen zeer gezien, doch heeft het ook talrijke vrienden onder de fokkers van nuthoenders.
De moderne Plym.-Rocks hebben volgens II. S. Eamsdell niets gemeen met de dieren, die voor ongeveer 40 jaren door Dr. Bennet onder denzelt-den naam werden ingevoerd, doch weldra weder verdwenen. A olgens prof. Dr. Heller geeft eene kruising van koekoek-Cochins en koekoek-Italianen onberispelijke Plym.-Rocks, met alle goede eigenschappen der geïmporteerde. Voor het doorfokken kieze men echter steeds de boste dieren met onbevederde pooten.
De Plym.-Rocks zijn groot en zwaar, doch hebben desniettemin malsch en sappig vleesch; zij leggen uitstekend, broeden tamelijk goed, zijn daarbij zeer hard, groeien snel, zoeken veel en vroeger dan de Brahma's, waarmee zij in alle economische eigenschappen overeenkomen. Voor liefhebbers van groote en fraaie hoenders met onbevederde pooten zjjn ze wegens hunne grootte en kleur zeer aan te bevelen.
De Plym.-Rocks hebben het Cochin-type, doch zijn meer gestrekt en opgericht, sierlijk, fier en imponeerend van houding; zij hebben de grootte der Brahma's en de haan weegt â¢)j a 4], de hen kilogr. De kop
is middelgroot en wordt hoog gedragen; de snavel is kort en dik, licht gebogen en hooggeel: de kam enkelvoudig, middelgroot, rechtopstaand, gelijkmatig en niet diep getand, fraai rood van kleur; het tamelijk groote gezicht is glad en scharlakenrood, het oog groot en levendig, bruinrood of hazelnootbruin; de oorlellen zijn middelgroot, langrond, hangend en rood;
8.1
de kinlellen middellang, goed afgerond, dun en rood; bij de hen klein. De middellange hals wordt rechtop en sierljjk gebogen gedragen en is ruim met sierveeren getooid. De romp is gestrekt, breed en stevig, doch niet zoo gedrongen en plomp als bij de Cochins; het achterdeel is breed en vol en donzig bevederd. De breede, volle en ronde borst wordt niet laag gedragen. De rug is breed en vrij kort; het zadel, dat naar den staart toe langzamerhand oploopt, is zeer breed, lang en rjjk bevederd, doch zonder donzige kussens. De breede, middellange vleugels worden hoog en goed aansluitend gedragen en zijn aan do schouders onder de borst- en aan de uiteinden onder de zadel veeren verborgen. De staart is vrij kort, doch langer en smaller dan bij de Cochins; hjj wordt bijna loodrecht gedragen en heeft bij den haan breede, korte sikkel veeren. De beenen hebben stevige, vol en zacht bevederde dijen,
doch zonder kussens, en zijn tamelijk hoog; do hielen mogen geen spoor van gierhakken hebben;
't loopbeen is lang, sterk van been en evenals de 4 wijd uitgespreide tee-nen hooggeel en zonder eenig spoor van veertjes.
Het gevederte komt in kleur en teekening overeen met do koekoekveerige Cochins, doch is niet zoo vol, zacht en los, maar hard. goed aansluitend eu vertoont alleen aan het achterlijf die donzige kussenvormen. Elke veer moet op een aschgrauwen grond verscheidene, 3 of 4 zwartgrijze dwars-bandjes hebben, zoodat het gevederte de bekende koekoekteekening vertoont.
Men fokt ook zwarte en witte Plym.-Rocks.
Daar deze hoenders een massief en vleezig lichaam hebben, hun vleesch malsch en sappig is en zij ook een aanzienlijk aantal zware eieren â van ongeveer 7ü gram leggen, zijn zij nis, landhuishoudelijk hoenâwat zij in Amerika inderdaad zijn â aan te bevelen; doch wegens hunne indrukmakende verschijning niet minder als sporthoen.
84
Opgemerkt dient nog te worden, dat de hanen gaarne wat lichter uitvallen dan de hennen.
ld. W'i/andottes.
Ue Wyandottes, een der nieuwste uit Amerika ingevoerde rassen, zijn in korten tijd algemeen zeer in aanzien gekomen, zoowel wegens hunne schoonheid als wegens hunne zeer uitmuntende eigenschappen voor de land-huishouding. Zij hehooren niet tot de zwaarste maar tot de zware rassen, daar de hanen a 4, de hennen 2^ a 3 kilogr. wegen. De helder gele eieren zijn ongcv. 00 gram zwaar. De Wyandottes zijn uitstekende legsters, dikwijls leggen ze 5 of (j dagen achtereen. Ook zijn het goede winterlegsters en broeden niet zooveel en zoo vroeg als de Brahma's en Cochins; zij hroeden echter uitstekend en zijn teedere en voorzichtige moeders. Ze hebben bewezen zeer hard te zijn; de jongen zijn gemakkelijk groot te brengen en komen vlug in de veeren. Hun vleesch is zeer fijn en sappig.
Volgens Amerikaansche berichten is het ras ontstaan door kruising van een Sebright-Bantam-haan met eene Cochin-hen eenerzijds, en anderzijds van een Zilverl. Hamb.-haan met eene donkere Brahma-hen; de producten dezer beide kruisingen paarde men met elkander, tot de nakomelingschap constant werd.
De opneming in den Atnerikaanschen Standaard volgde in 188:i; het volgende jaar werd het ras in Engeland geïmporteerd en daarna over het vaste land verbreid, liet eerst verschenen de Zilver-Wyandottes â welke het meest overeenkomen met Zilver-Bantams â daarna de Goud- Wyandottes en de witte, terwijl er in den laatsten tijd ook zwarte, gele en blauwe worden gefokt.
Beschrijving; do quot;Wyandottes hebben den vorm van de Brahma's docli hebben gladde pooten; ook in bouw, houding en voorkomen komen zij met de Brahma's overeen. In grootte staan ze bij deze ten achter, doch oude hanen hehooren niet beneden 3jt, jonge 3^, oude hennen minstens 3, jonge niet beneden 2^ kilogr. te wegen. De kop is kort en breed on heeft geen vooruitspringende wenkbrauwbeenderen, de snavel is kort en stevig, geel van kleur met hoornkleurige strepen. De kam is een lage, vlakke rozekam vol puntjes, van voren hoekig en zeer breed, naar achteren in een punt uitloopend, welke niet zoo lang is als bij de Hamburgers en of recht naar achteroft moet steken óf een weinig naar beneden gericht moet zijn. Het bruine oog is groot en levendig van uitdrukking; het gezicht glad, glimmend rood; de oorschelpen zijn levendig rood, langrond en hangen ver naar beneden ; de eveneens fraai roede kinlellen zijn middellang, goed afgerond, dun en zeer fijn van weefsel.
De hals is eerder lang dan kort en wordt rechtop en fraai gebogen
gedragen; bij den haan is hij ruim van sierveoren voorzien; do romp is groot, breed en diep, massief, grof en sterk, en liet achterlijf schijnt, tengevolge van de sterke, donzige bevedering. zeer breed en vol; de borst is diep, vol en gewelfd; de rug breed, kort en vlak en loopt naar achteren toe maar heel weinig op: de haan heeft lang en vol zadelhehang. De goed aangesloten gedragen vleugels zijn middelgroot en de punten er van onder de zadelveeren verborgen. De staart is middellang, heeft eeu aantal breede veeren en wordt schuin omboog gedragen; die van den haan is van vele halflange sikkelveeren en zijveeren voorzien; bij de hen is hij waaiervormig samengevouwen. De pooten zijn stevig maar fijn van beenderen en van
middelmatige lengte, de dijen zijn vol bevederd en komen daardoor goed uit; het loopbeen benevens de -i goed gespreide teenen zijn naakt en glimmend geel. Het gevederte is vol maar goed aansluitend, harder en dichter dan bij do Brahma's; het dons eveneens vol, vooral aan het achterlijf.
De Nederlandsche Wyandotte-club stelt de volgende eischen aan de
1. Zilverlakensche quot;VVyandottes;
âHaan. Kam; rozekam, laag en vlak, van voren vierkant met afgeronde hoeken, naar het midden breeder en van daar taps uitloopend in een niet lange punt, die of rechtuit staat of de bocht van den nek volgt, vol bewerkt met kleine, gelijkmatige puntjes.
Kop: kort en breed, met roode wangen en sierlijk gebogen, boornkleuri-gen, geel gestreepten snavel.
Oor- en kinlellen: goed ontwikkeld, hel rood en fijn van weefsel.
Hals: kort, sierlijk gebogen, rijk van sierveeren voorzien, die zilvergrijs, zwart gestreept moeten zijn.
Borst: breed, vol en rond, meer dan Inj bijna allo andere rassen; grond-kleur grauw-wit, bezet met witte, breed zwart gezoomde vlekken van af de keel tot de dijen.
Rug: breed eu kort, zilvergrijs, zonder gele of bruine veeren.
Vleugels: middelgroot, vast en bevallig tegen liet lijf, groote slagpennen van buiten wit, van binnen zwart, de kleine slagpennen wit met zwarte strepen in liet midden, die twee duidelijk voorkomende zwarte randen dwars over de vleugels vormen.
Dons: bet achterdeel vol leikleurig grauw, zacht dons.
Beenen: stevig maar fijn van gebeente, middellang met 4 rechte, goed uitgespreide teenen en oranjegeel.
Staart: goed ontwikkeld, middelgroot, zwart niet groenen weerschijn. De staan moet Hink opgedragen worden.
Gewicht: volwassen jonge hanen ongeveer :i kilogram.
Ihm. Kam: als van den haan, doch zeer klein en sierlijk.
Kop: idem. Oor- en kinlellen: idem.
Hals: kort, goed met sierveeren bezet en als bjj den haan zilvergrijs, zwart gestreept.
Borst: breed, vol en rond. goed met witte, breed zwart gezoomde vlokken bezet.
Rug: kort, breed bij de schouders en als de borst gevlekt.
Vleugels: middelgroot, sierlijk en vast tegen het lijf en gevlekt als borst en rug.
Dons: als bij don baan, maar nog sterker voorkomend.
Beenen: als bij den haan.
Staart: goed uitgespreid, groen-zwart.
Gewicht: ongeveer kilogram.
Bij de beoordeeling af te trekken op 1UÃ punten voor:
Leelijke kam...........10 punten.
Wit of' geel in de oorlellen......6 ,,
Onvoldoende sierveeren........6 ,,
Slechte teekening van borst en lijf. ... 12 ,,
idem van den rug.....0 â
idem van het dons.....5 â
Leelijke staart...........4 â
Licht gele of gevlekte schenkels.....6 ,,
Onvoldoende borst.........20 â
87
Onvoldoende grootte.........10 punten.
,, voorkomen.......15 ,,
2. ISij de goudlakensche gelden in het algemeen dezelfde eischen als bij de zilverlakensche, met dit verseliil, dat i)ij deze de grondkleur bruin-geel is met groen-zwarte zoomen.
Ook bij de beoordeeling geldt dezelfde waarde der punten bij de verschillende onderdeelen.
:j. De ic'ilte moeten zuiver sneeuw-wit zijn zonder zwarte, gele of bruine veeren.
Onverschoonbare fouten: andere dan rozekam; zichtbaar gevlekte ondergrond der veeren; bevederde schenkels; geheel witte of gele oorlellen; scheeve staart of andere lichamelijke misvormdheid.quot;
i. Gele U'. ])e raskenmerken zijn op de kleur na dezelfde als bij de zilver- en goudl. \V. Kleur: haan diep geel over het geheele lichaam (van ei- tot oranjegeel); rug, hals en zadelveeren glanzig; staart diepgeel tot bronskleurig. Hen over 't geheele lichaam tot en met den staart diepgeel. Hoe gelijkmatiger de kleur is, hoeveel te beter.
5. Zwarte 11'. Raskenmerken dezelfde; kleur bij haan en hen beiden diep zwart met groenen weerschijn.
Onverschoonbare fouten: veeren aan loopbeen en teenen; blijvend wit of geel in de oorschelpen, als het meer dan een dorde deel der oppervlakte inneemt; andere dan rozekam, te groote of over zij vallende kam; scheeve staart en eekhoornstaart; slecht gevormde snavel; gekromde rug; andere dan gele pooten (bij oude dieren een weinig bleekgeel); anders â dan bij de verschillende variëteiten â gekleurde veeren.
De in het scheppen van nieuwe rassen en variëteiten onvermoeide Amerikanen hebben in den laatsten tijd weder een nieuwe variëteit in het aanzijn geroepen, die den naam Columhia-Wyandotles draagt; in kleur komen deze geheel met de lichte Brahma's overeen.
Hoe men aan deze variëteit gekomen is, is niet bekend, doch zij schijnt reeds goed doorgefokt te zijn, daar de door Kahi. Hutu in Niedcrrad gefokte kuikens over 't geheel correct zijn uitgevallen en zich uitmuntend ontwikkeld hebben.
17. Wille Wonder hoenders â While Wonders.
Aangaande dit allernieuwste Amerikaansche, eerst voor vier jaren in Europa bekend geworden ras hebben we nog weinig ervaring opgedaan, zoodat we ons moeten bepalen tot hetgeen genoemde heer K. Huth over dit ras mededeelt:
âZooals de naam aanduidt, mogen we, wat de waarde van dit ras aan-
gnat, lioogc eischen stullen en â liet kan ook werkelijk do strengste beoor-deeling doorstaan, zonder daarbij te kort te komen.
De â'White Wondersquot; zijn buitengewoon groote, in 't oog vallende hoenders, die reeds door het verblindend wit van hun gevederte een sympathieken indruk maken. De hanen wegen volwassen 9 a 11 en de hennen 7 a 9 pond. Zij zijn goed gesloten van lichaamsbouw, doch niet zoo vol als de Cochins en Brahma's; de borst is breed en diep. De betrekkelijk kleine kop is versierd met een vlakken, matig grooten rozekam.
Dit nieuwe ras werd het eerst gefokt door Mr. William French te New-Ilaven, die zijne eerste ârein-cultuurproevenquot; reeds in 'tjaar 1885 begon.
Hij had geluk met zijn nieuw ras, want hij meldt, dat zijn White quot;Wonders dadelijk met voorkomendheid werden ontvangen, waardoor het ras zich in korten tijd algemeen verbreidde.
Over zijn eerste succes in Europa schrijft lijj aan een Engelschen fokker: ,,Mjjn export heeft op de, 21- 25 Juni 1893 te ivopen-hage gehouden tentoon-stelling den eersten prijs met diploma behaald. In Amerika behaalde ik
de eerste premiën en den zilveren beker op de tentoonstellingen te Brenlmm (Texas) en op de groote Staats-tentoonstelling te Rhode-Island; in 189:5 werden .'i'2 van mjjne fokstammen met 1ste en prijzen bekroond. Er waren toon tusschen de vijf' en zesduizend nommers pluimgedierte geëxposeerd, dus de grootste tentoonstelling, die ooit in de Vereenigde-Staten heeft plaats gehad.quot;
Verder voegt hij er bij; âIk heb in mijn veeljarige praotijk de meest verschillende kweekproeven genomen, doch heb mij eindelijk van alle onthouden, toen ik met de White Wonders als ras voor den dag kon komen; zij zijn het resultaat van een 1 O-jarigen ingespannen arbeid. Ik durf gerust zeggen, dat zij Amerika's boste kweekproduct zijn en ook algemeen als zoodanig erkend worden.quot;
8!)
Hunne nuttige eigenschappen stempelen hen tot huishoudhoenders van den eersten rang en, wat hunne gehardheid aangaat, overtreffen zij nog de in korten tjjd algemeen in trek gekomen Java-hoenders (mottled), die wegens hun bijzondere teekening in het oog van den liefhebber-fokker misschien den voorrang genieten.
Daar de White Wonders echter grooter zijn dan de Java-lioenders en wegens hun zuiver wit gevederte een zeer fijne, uitlokkende huid hebben, zjjn ze in 't bijzonder als mesthoenders aan te bevelen en als zoodanig zijn zc dan ook voortdurend gezocht. Hunne legkracht is verbazend groot en de kuikens ontwikkelen zich zeer vlug.
He heer Hum zegt verder: âde White Wonders zijn een zeer imposante verschijning; ze zjjn Hink groot en vooral de haan, die hoog op de pooten is, wekte bij den eersten aanblik mijne verbazing op. Hoewel de dieren bevederde pooten hebben, herinneren zij toch niet aan Cochins of Brahma's: zij zijn geheel anders van figuur. Pooten en snavel zijn zuiver geel en de oorschelpen bloedrood. Bonte voeren zjjn tot nog toe bij mjj niet voorgekomen; hot gevederte was ook bij de dit jaar gefokte jonge hoendersâ-meer dan honderd -â steeds zuiver wit.
\V at mijne, op eigen waarneming berustende ervaring iu hot fokken van White Wonders aangaat, heb ik alle reden om tevreden te zijn. J)e steeds in groot aantal gelegde eieren bleken in den regel bevrucht te zijn en kwamen meestal goed uit; ook over de ontwikkeling der kuikens kan men zeer tevreden zijn, wat ook andere fokkers, die broedeieren van mjj ontvingen, eveneens getuigden. Een fokker uit Holstein meldde mjj zelfs uit-muntende resultaten van laat-broed, wat des te opmerkelijker is, daar de winter in Holstein altijd eenige weken vroeger invalt dan in Midden-Duitschland en meestal met regenachtig weder gepaard gaat.
Over 't geheel mag men de White Wonders, nu zij bijna 4 jaren in Europa gefokt zijn, een zeer fraai en nuttig ras noemen, dat genist op ééne lijn gesteld kan worden met de vroeger ingevoerde en uitmuntend bevonden Amerika.'insche rassen.
Ju is de vraag naar broedeieren en kuikens zeer aanzienlijk geweest.quot;
1V. }KddeUa ndsche-Zeerussen.
Onder deze benaming rangschikken wjj alle hoenderrassen en variëteiten, welke, in hunne hoofdkenmerken overeenstemmend, het type van de algemeen bekende Spaansche rassen vormen. Zij zijn zeker zonder uitzondering afkomstig uit do kustlanden der Middellandsche Zee, waar zij misschien door de Romeinen heengevoerd werden en zich van daar over een groot
90
doel van Midden-Europa, Engeland en Noorwegen verbreid hebben. Inderdaad hebben vele variëteiten van de noordkust van Afrika af door italië, de Middellandsche-Zeeeilanden, Spanje, Frankrijk, België, Nederland tot zelfs Engeland en verscheidene streken van Duitschland â meer of minder Spaansch bloed in de aderen en deelen zjj eveneens in do lioofdeigcnsehap-pen van het oorspronkelijke ras als: groote productie van zware eieren, weinig broedlust, een groote, rechtopstaande â bij de hennen naar één zijde overhangende â kam, meer dan middelmatige grootte, een levendig temperament en ââ wat men het minst zou verwachten â een groot aanpassingsvermogen met betrekking tot het klimaat; alle bewijzen, dat wij hier met een reeds voor lang ontstanen vorm te doen hebben. Het is niet onwaarschijnlijk, dat zij afstammen van de âravenzwartequot; Gricksche hoenders, waarvan Pausanias en Plinius melding maken.
Hiertoe behooren daarom dan ook tal van de meest populaire, de meest gewilde en, uit een economisch oogpunt beschouwd, de meest belangrijke rassen en variëteiten.
18. Het Spaansche ran.
De kenmerken van normale, prijswaardige Spaansche hoenders zijn de volgende:
De baan lieeft een langen, breeden en tamelijk hoogen, doch âaristocra-tischenquot; kop: de schedel is in alle afmetingen groot, vooral hoog in de wangen; de snavel is middellang en sterk; de kam zeer groot, enkelvoudig, volkomen recht en rechtopstaand, stevig aan de basis, ver naar achteren reikend, van boven sierlijk gebogen en met symmetrisch gevormde en verdoelde tanden; de kinlellen zijn zeer lang en dun en fijn van weefsel; het gezicht is groot, naakt en van âfijne kwaliteitquot;; do oorlellen zijn zeer lang en hangend, doch zonder vouwen en rimpels, beneden breed en afgerond. De hals is lang, wordt hoog opgericht of sierlijk naar achteren gedragen en is ruim van sierveeren voorzien. De romp is gestrekt, aan de schouders breed, naar achteren wat smaller; do bovenrug breed, tamelijk rond en naar achteren toe schuin afloopend. De vleugels zjjn lang en goed ontwikkeld, maar worden goed tegen 't lijf gedragen. Do borst is rond en flink naar voren tredend. Schenkel en loopbeen zijn lang en slank, de eerste goed aansluitend bevederd; do teenen lang en dun. Staartveeren groot en uitgespreid, de sikkelveeren zeer gebogen en hoog gedragen, doch niet als eekhoornstaart. Gewicht 3, soms .'3,5 kilogr., gemiddelde grootte van don haan 55 a 00 centimeter. Voorkomen meer slank dan dun. Houding rechtop en trotsch, kop en hals zeer bewegelijk.
04
Do hen geljjkt in elk opzicht op den haan, behalve dat de kam aan den wortel rechtop staat en dan zijwaarts valt, zoodat de ééne helft van het gezicht er geheel of bijna geheel door bedekt wordt.
De hoofdvariëteiten van dit ras zijn: do Spuansche Witwangen (zwarte en witte), de Minorca's (zwarte en witte), de Andalusiérs en de Ankona's. Anders gekleurde en geteekende zijn, als bastaarden, van gcene beteekenis. Behalve de kleur spelen ook de grootte, het voorkomen en de aard van liet gezicht een hoofdrol bij de beoordeeling van deze kleurvariëteiten.
Do eigenlijke Spaansche variëteit, de Spaansche Witwangen, hebben over quot;t geheel zuiver zwart gevedorte met een zoo sterk mogelijk groenen glans, vooral bjj den haan, wiens halsveeren dikwijls een purperglans vertoonen. Het zuivere of melkwit van het gladde, ongeplooide en wratlooze gezicht
strekt zich boogvormig uit over de oogen, omgeeft het oor, dat er als een zwarte vlek bij afsteekt, vereenigt zich met het prachtige wit der oorschelpen en strekt zich nog uit tot den binnenkant van het bovenste deel der kinlellen, dwars over de kin. Deze en de kam zijn schitterend rood. De snavel is donker hoornkleurig; loopbeen en teeneu zijn loodkleurig blauw of bijna zwart.
De Witte Sp. Witwangen gelijken volkomen op de zwarte, doch hun gevederte is zuiver wit, zonder vlek of eenige teekening; snavel en pooten
9'2
zijn gewoonlijk donker of grauw vleeschklourig. Fraai kan deze variëteit echter niet lieeten, omdat de wangen dezelfde kleur hebben als bet ge-vederte.
De zwarte Minorca's of roodwangige Spaansche hoenders komen geheel met de vorige overeen, doelt hebben karmozijnroode wangen, terwijl de oorscliolpen wit blijven. Zij worden soms ook Tscherkessen genoemd.
De witte Minorca's. Deze hebben een vlekkeloos wit gevedertc, zonder bijmenging van geel of rood. Oorschelpen, snavel, loopbeen en teenen zjjn eveneens wit, de eerste zonder eenigevlek; kam en kinlellen zijn schitterend rood. de wangen hel scharlakenrood.
Ter completeering en ook, omdat de tegenwoordige Minorca's o. i. veel minder met Sp. quot;VVitwangen overeenkomen dan hierboven is aangegeven, volgt hier do standaard der Nederl. Legh.-Minorca-club.
S t a n d a a r d v o o r Minorca's.
Haan. Snavel lang en sterk, donker hoornkleurig.
Kop lang en breed, om den kam goed stevig en rechtop te kunnen dragen.
Kam enkel, broed; zuiver rechtop, met flinke basis op het hoofd, recht van voren, niet uitstekend boven de punt van den bek, vrij van elke kronkel of indruk, alsof er een duim in gezet ware; boogvormig over den nek uitloopend, doch de nokveeren niet rakend; vrjj ruw in bouw, vrjj van zjjspranten, de insnijdingen gelijkmatig, bijna even diep als de basis hoog is, 5 a 7 punten, met breede basis, koraalrood van kleur.
Kinlellen lang en afgerond aan de einden, koraalrood.
Gezicht koraalrood, fijn van kwaliteit, zoo weinig veertjes en haartjes als maar eenigszins mogelijk is. Yooral geen wit of bleek in het gezicht.
Oorlellen matig groot, amandelvormig, zacht, vlak, dicht tegen het hoofd. Spierwit.
Oogen donker, vol uitdrukking, schitterend.
^Nek lang, sierlijk gebogen, met lange hals-sierveeren.
Lichaam breed in de schouders, voor 't overige stevig gebouwd.
Rug breed, lang en plat.
Borst vol en rond.
Dijen matig lang en sterk.
Beenen en voeten van gemiddelde lengte, zwart of donker leikleurig.
ïeenen vier aan iederen voet, recht, goed afzonderlijk.
Staart vol; lange sikkelveeren, sierlijk gebogen eu goed naar achteren gedragen.
Afmeting groot.
!):j
Houding recht 011 sierlijk.
Veereu dicht aan het lichaam gesloten, glinsterend zwart.
Vleugels matig lang, goed tegen hut lichaam sluitend, vrij van lichte veeren. Hen. Snavel Hink lang en sterk, donker hoornkleur.
Kop lang en breed.
Kam enkel, flink ontwikkeld, regelmatig en diep getand, 5 a 7 tanden; op zulk eone wijze boogvormig over het gezicht hangend, dat zo niet hot gezicht belemmert, licht ruw van bouw, vrij van zijspranten, koraalrood van kleur.
Kinlellen lang en afgerond aan het eind, koraalrood.
Gezicht zoo vrij mogelijk van haar en veeren, fijn van bouw, koraalrood van kleur, wit absoluut af te keuren.
Oorlellen gemiddeld groot, amandelvormig, zacht, vlak en dicht tegen het hoofd, iets meer gerond dan bij den haan. Zuiver wit van kleur.
Gogen donker, vol uitdrukking, schitterend.
Xok lang, fraai gebogen.
Lichaam breed in de schouders, voor 't overige stevig gebouwd. Eug breed, lang en plat.
Vleugels matig lang, goed tegen het lichaam sluitend, vrij van lichte veeren.
Horst vol en rond.
Dijen matig lang en sterk.
Heenen en voeten matig lang, zwart of donker leikleurig.
Teenen vier aan eiken voet, recht, goed van elkander gescheiden.
Staart vol, dicht, sierlijk cn goed naar achteren gedragen.
Afmeting groot.
Houding recht en sierlijk.
Veeren dicht aan het lichaam gesloten en glinsterend zwart.
\Vitte Minorca's.
Snavel wit; ooyen rood; heenen vleeschkleurig; veeren glinsterend wit; kam, (jezidü en kinlellen als bij do zwarte soort.
|
Waarde van fouten hij du keuring. | ||||||||||||
|
9i
Sleclite conditie..............punten.
Te lichte beenen, oogen of snavel........^ v.
Verwrongen borstbeen............^ »
Onverschoonbare fouten; se hoeve of eekhoornstaart; anders dan enkelvoudige kam; anders dan zwarte of witte veeren bij de verschillende soorten; anders dan 4 teeuen aan eiken voet; anders dan leikleurige of zwarte beenen bij de zwarte of vleesehkleurige bjj de witte soort; veeren aan de de beenen; wit in het gezicht.quot;
De Andalusicrs gelijken in allo opzichten op de zwarte Minorca's, doch
hun gevederte is blauwachtig grijs, van bleek duive-blauw tot donker lei blauw varieerend. Een zoom van een donkere of zelfs zwarte kleur nau elke veer is preferent, evenals zwarte of donker purperkleurige, sterk glimmende hals- en zadelveeren. De haan weegt 3,2 de hen '2,3 a 2,7 kilogram.
Ook de Ankona's gelijken, met uitzondering van de kleur in alles op de zwarte Minorca's.
Zij hebben n.1. de Koekoek- of Dominique-kleur: elke veer heeft op een grijzen of blauwgnjzen grond donkere, blauwgrijze dwarsbanden. Rood. geel of wit mag in de kleur en teekening niet voorkomen.
Wat de huishoudelijke eigenschappen der Spaansche rassen betreft, zij zijn in de eerste plaats goede zelfs uitmuntende legkippen en geven glanzig witte eieren.
De Sp. Wit wangen geven, hoewel zij door het kweeken op de veer in dit opzicht aanmerkelijk geleden hebben, toch nog gemiddeld 130 eieren per jaar.
De Minorca's leggen gemiddeld 200 en de Andalusiërs hebben er zelfs 220 per jaar gelegd. De smaak der laatste wordt algemeen geroemd; fijnproevers houden echter die der Sp. Witw. voor niet zoo lekker als die der Brahma's en Cochins.
95
Eon tweodo voordeel is, dat zjj, in een beperkte ren opgesloten, nog gedijen en losloopend zeer groot worden.
Ook hun vleeseli is. hoewel wat droog, zeer smakelijk. Als men flinke dieren wil hebben, moet men de ouden in het begin van Januari paren C7i de kuikens niet vóór midden April laten uitbroeden. De jongen groeien snol en worden, vrij loopend groot gebracht, zeer hard, Zij leggen reeds op den leeftijd van (J, ja zelfs van 5 maanden, en, als zo warm en droog worden gehouden, gaan ze hiermee het geheele jaar door, behalve in den ruitijd. Gedurende den rui verschrompelen de kammen der hanen on hennen in erge mate, doch herstellen zich later ook weder. Daar deze rassen zelden zoor vet zijn, ruien ze in den regel in korten tijd af.
Evenals alle goede legrassen zijn de Sp. hoenders slechte broedsters en boschormers der kuikens, waarom men, al mochten ze ook eens willen broeden, ze liever daarvan terughoudt.
Do moeste kruisingen geven uitmuntende legkippen: do beste zijn misschien wol Spaansche haan X Brahma-hen, welke evenals mot Cochin-hennen ook goede broodstors geven. Kruisingen mot Houdans geven dikwijls buitengewone legkippen, doch ook zulke, welke ton minste eens per jaar broeden. Hot Columbia-hoen (zio pag. 40) is echter het boste kruisingsproduct.
Wat do Sp. hoenders bij don eersten oogopslag hot moest van andere onder-scheidt, is hun aangeboren voorname houding en voorkomen; do liaan heeft zelfs in manieren iets voornaams on hoogs, dat men bij geen haan van oen ander ras aantreft, zelfs niet bij het Vechthoon, dat zooveel moed on strijdlust verraadt.
Deze karakteristieke eigenschap behoort o. i. bij hot kweeken van dit edele ras dan ook in de oersto plaats in het oog te worden gehouden, en in do tweede plaats bij do Witwangen het witte gezicht, de buitengewoon grootc witte oorlellen on hot prachtig zwarte, gevedorto en bij de andere variëteiten do overige standaardeischon.
De fokhaan moot dus vóór alles onberispelijk van vorm en voorkomen zjjn; beide ochtcr worden in hunno harmonie werkelijk benadeeld door oen eekhoornstaart, welke er in 't geheel niet bij past, waarom wo het dan ook gebrek aan smaak noemen, wanneer men zulk oen rechtopstaanden, den hals rakendon staart als eone origineele schoonheid roemt.
Met zulk oen trotschen haan pare men zoo mogelijk oven trotsch uitziende hennen zonder gebroken.
Wat verder de bijzondere hoedanigheden van de fokstammen der verschillende variëteiten betreft, zoo komen bij de Sp. Witwangen gezicht en oorlellen natuurlijk in do eerste plaats in aanmerking. Deze moeten zoo groot mogelijk zijn en zonder vouwen en zwarte baartjes of veertjes, fijn van weefsel en daarbij zuiver, zacht melkwit.
90
Het liefst neme men, met liet oog op de jongen, een haan, wiens gezicht klein en glad is, en hennen met een groot, rimpelig gezicht, ofschoon het omgekeerde soms ook goede resultaten geeft.
De dieren met een dik, rimpelig, zoogenaamd âbloemkool-gezicht,quot; waardoor de oogen gehinderd en benadeeld worden, zijn het oorspronkelijk Kmjélsche type; hot Hollandsche is zachter en gladder, maar kleiner van gezicht.
Dat men overigens geen dieren voor do fokkerij moet gebruiken, welke maar het geringste spoor van rood of te veel haar in gezicht en oorlellen hebben, spreekt wel van zelf. Als er zich bij de kuikens ook maar het geringste van deze fout openbaart, dan moeten deze, hoe volmaakt ze overigens ook mogen zijn. niet voor de fokkerij gebruikt worden. De witte oorlellen ontwikkelen zich bij de kuikens soms zeer laat en â wel merkwaardig â bij do beste dikwijls het laatst, terwijl zulke, die dadelijk veel wit in het gezicht hebben, zelden eerste-klasse dieren worden.
Het tweede punt betreft den kam. Deze wordt in den laatsten tijd veel te groot gekweekt, zoodat de haan dien niet rechtop kan dragen en men hem door allerlei kunstmiddeltjes als carton, ijzerdraad, naalden enz. in de goede houding tracht te brengen. Afgescheiden van het onnatuurlijke dezer dikwijls wreede middelen, is zulk een groote kam ook niet eens fraai te noemen. Men fokke daarom liever niet met zulke zwaar gekroonde hanen, doch kieze liever fokhanen met een fraai gevormden, middelgrooten en stevigen, niet overhangenden kam.
Met betrekking tot de kleur valt op te merken, dat de door den ouderdom min of meer wit geworden Sp. hoenders evengoed zwarte nakomelingen geven als die, welke zwart zijn gebleven. Sommige worden zelfs geheel wit of ook wit geboren; van deze zijn door voortkweeking de witte Sp. Witwangen ontstaan.
Onaangenamer is het maar al te vaak voorkomend rood of roodachtig goudgeel, vooral in de halsveeren der hanen. De neiging daartoe is hjj alle zwarte hoenderrassen aanwezig en in hoogere mate natuurlijk bij de eerst sedert kort bestaande zwarte variëteiten, bijv. der Cochins; juist zulke, die uitmunten door diepte en glans van de kleur, zijn het meest aan deze misvorming onderhevig. Tan zulke exemplaren mag men natuurlijk niet verder fokken. Als men echter met opzet en uitsluitend met zulke dieren doorfokte, zou men waarschijnlijk een roode variëteit kunnen voortbrengen.
Ofschoon de Sp. Witwangen, wanneer men ze in de open lucht houdt â in Engeland laat men ze op hoornen overnachten â niet zoo heel weekelijk zijn, zorge men toch, als men prima-dieren wenscht te fokken, niet vóór
!)7
mid don-April kuikens te hebben; de vroeger uitgobroedo verkommeren meestal door de guurheid van het weder.
Aan eon jongen haan geeft men 8, aan een 2 a 3-jarigen gewoonlijk niet meer dan 4 hennen; na het derde jaar kan men zich voor vroeg-broeden niet zeker op bot bevruchten der eieren verlaten.
Bjj de beoordeeling der Wp, Witwangen dient men wol nauwkeurig toe te zien, of er ook bedrog wordt gepleegd als: het verven van het gezicht en de oorlellen, het besnijden en doorboren der kammen om die rechtop te houden, het uitdiepen der tanden enz. Het uittrekken van haren in het gezicht, en het wasschen zijn echter geoorloofde middelen om de dieren op de tentoonstellingen een fraaier aanzien te geven.
De roodwangige Sp. hoenders - Minorca's of ïscherkessen â verdienen, alleen reeds omdat zij meer landhuishoudelijke waarde hebben dan de Sp. Witwangen, meer attentie, dan er, ten minste op tentoonsteliingon, aan wordt geschonken. Zij bezitten allo goede eigenschappen der Sp. Witw. en daarboven nog hun eigene: zij zijn harder, grooter, gedrongener en vleeziger, leggen meer en smakelijker eieren. Al deze eigenschappen kunnen door eene gepaste teeltkeuze zeker nog vergroot worden. Daarbij komt, dat zjj in beperkte ruimten goed gedijen.
Over witte Witwangen en Minorca's is weinig meer te zeggen dan dat do laatste, omdat hun rood gezicht bij het witte gevederte aangenaam afsteekt, bevalligor voor het oog zijn dan de eerste. Voor kruising van beide variëteiten dient men zich te wachten, wijl daardoor in den regel rood en wit gemeleerde wangen en oorlellen ontstaan, het karakteristieke van beide variëteiten dus verdwijnt en de dieren van hun schoon verliezen zonder een enkel voordeel daarvoor in de plaats te krijgen.
Ook de Andalusiërs, eigenlijk ook niets anders dan een klcurvariëteit der Sp. Witw., evengoed als de Koekoekveerige (de Ancona's) of, wat ook zeer waarschjjnhjk is, een kruisingsproduct van zwarte en witte Minorca's, staan hooger als nut- dan als sierhoenders, ofschoon zij ook menige sierlijke eigenaardigheid bezitten, n.l. verschillende lichtere en donkere nuanceeringen van blauw en leigrauw. Over 't geheel hebben zij langere lialssierveeren, die bij de hanen van liet leigrauwe slag fraai blauw en wat donkerder zijn dan bij do hennen.
Een even fraaie als zeldzame variëteit zijn de gevlekte Andalusiërs (Pile Andalusians), welker grondkleur een zacht zilverwit is met een waas van lichtblauw overtrokken.
De kuikens der Andalusiërs zijn bijzonder vroeg rijp; 5 a (i weken oude hanen richten zich reeds trotsch omhoog en kraaien, dat het een aard heeft; daarbij zijn ze zeer vechtlustig zonder echter boosaardig te zjjn.
Baldamus. Pluimveeteelt. 7
98
In klour verschillen zo eerst buitengewoon veel, zoodat liet erg moeieljjlc is een volkomen geljjkkleurigen stam te krijgen. Een zorgvuldig doorfokken kan hierin echter verbetering brengen, terwijl ook een meer nauwkeurige omschrijving van den kleurstandaard daartoe kan bijdragen, lot op lieden heeft men daarin te veel speelruimte gelaten â van licht duivenblauw tot diej) leiblauw voor de grondkleur en van eene nauwelijks merkbare tot eene purperkleurige, donkerblauwe of zwarte omzooming der voeren.
De koekoekveerige Ancona's zijn eveneens zeldzaam en waarschijnlijk een kruisingsproduct van den laatsten tijd, misschien wel, naar hunne meestal kortere pooten te oordeelen, met dieren van oen ander ras. Zij gelden niet alleen algemeen voor goede landbnishoudelijke hoenders, doch vinden, wanneer ze zuiver van kleuren en regelmatig van teekening zijn, ook op tentoonstellingen vele bewonderaars. Overigens is Baldamus van meening, dat; de, onder de prachtige namen Minorca's, Ancona's en Andalusiërs bekende hoenders niet anders zijn dan kleurslagen der Sp. Witwangen. Zoo vindt hij als eenig onderscheid tussehen deze en Minorca's de kleur van de wangen en de oorlellen, welke met de kleur van liet gevederte de hoofdkenmerken van deze variëteiten vormt. Daarbij komt nog, dat bijna alle variëteiten zeer slecht broeden; een bewijs, zegt hij, dat zij van kruisingen van jongeren datum stammen.
De Bergsche Kruaiers.
J )e/.e hoenders kenmerken zich door eene zeer opvallende eigenaardigheid in de stem van den haan. Diens kraaien is inderdaad niet gemakkeljjk te beschrijven, men moet het hoeren. Dat dit langgerekt gekraai ,,in verschillende toonaarden overgaat, soms zelfs door trillers versierd wordt en nog melankoliek daarbij klinkt,quot; is in elk geval een ver van muzikale beschrijven ervan. Onze virtuoos in liet kraaien heeft dit met de onbevederde, tweevoetige virtuozen in den zang gemeen, dat hij door te vroeg of te veel te zingen âzijne stem bederft,quot; zoodat hij ten laatste heel gewoon kraait. De liefhebberij voor deze kraaiersbazen heeft zich zelfs uitgebreid over de grenzen van hun klein vaderland, het voormalige hertogdom Berg in West-falen, want de Bergsche kraaiers âzijn wegens hun muzikaal talent overal gezocht en worden met hooge prijzen betaald.quot;
De Bergsche kraaiers werden ook wel âKrilher über den Bergquot; genoemd. In plaats van hunnen naam rechtstreeks van de streek van herkomst af te leiden, maakte men liever een omweg âover een bergquot;; âhij kraait zoo hard,quot; zeide men, âdat hij over â aan den anderen kant van â den berg gehoord kau worden.quot; Of, volgens anderen: âhij kraait zoo lang, als hij tijd
99
noodig heeft om over eon berg- van deji oenen kant naar tien anderen te komen.quot;
'Je Vereeniging van liergsclie-Kriiaier-fokkers geeft de volgende punten voor voorkomen en iichaamsbouiv:
Lichaam zeer lang gestrekt, rug schuin afloopend . . . . punten.
Horst vol en breed..............1,S â
Houding- van voren opgericht...........18 ,,
Hals niet oen lichte bocht naar voren schuin omhoog gericht,
zoodat rug en hals eene schuin loopende bijna rechte lijn vormen, ti â
Staart schuin opwaarts naar achteren gericht......ü â
Pooten lang, hoog op de pooten..........ü â
Loopbeen stevig............. .4 ,,
Teenen lang en goed gespreid..........4 â
Kleur van loopbeen en teenen leiblauw.......4 ,,
Nagels sterk en hoornkleurig...........2 â
Kop lang.................8 â
Achterhoofd breed..............(! â
Snavel lang en gebogen.............4 â
ld. hoornkleur...............2 â
Kam niet meer dan middelhoog, eerder kleiner, slechts op de voorste helft van den schedel vast zittend en verder in een halve maan de buiging van den nek volgend, diep en niet te grof getand, fijn van weefsel; bij den haan rechtop staand, liij de
hen voor de bovenhelft naar één zijde overhangend . . . .18 ,,
Kinlellen middellang, fraai gerond, fijn van weefsel ... 6 â
Gezicht zuiver rood en glad...........quot;2 â
Oorschelpen zuiver wit, tamelijk groot, ovaal en glad. . . ü â
Oogen groot en levendig, bruinrood.........4 â
Vleugels groot en vast tegen 't lijf.........4 ,,
Gevederte dicht en vast aansluitend........6 ,,
Staart vol en lang..............4 ,,
Als de liaan weelderige sierveeren heeft, die van den hals naar beide zijden hangen, en de staart rijk aan sikkel-veeren is, geeft dit alles .'i punten extra.
Grondkleur zwart met groenen glans........4 ,,
Schouder- en bovenrugveeren met een goudbruine vlek in liet midden van elke veer, met een breede, zwarte zoom er om;
hoe meer die vlekken bedekt worden, hoe beter.....4 ,,
Stuitveeren en staart zwart............4 ,,
Borst zwart, gevlekt is geen fout.........'2 â
100
Hals en /adelveercn bij den haan goudgeel, zadel goudrood,
schouders bruinrood; bij de hen kop en hals zwart .... 0 punten.
Onderlijf zwart................2 quot;
Slagpennen, buitenkant roodbruin met fijnen zwarten rand,
binnenkant zwart; wit in de slagpennen is een grove schoon-
heidsfout..................^ quot;
Yleugeldekveeren bruin niet breede, zwarte omzooming, welke
de regelmatige zwarte dwarsbanden vormt......â ^ quot;
'200 punten.
Hanen, welke het lang gerekte gekraai niet hebben, behooren voor eene bekroning niet in aanmerking te komen.
Als goede, huishoudelijke eigenschappen worden genoemd: groote vleezig-lieid, vooral aan de borst; gewicht van den haan 3 a 3.], van de hen 2 a 3 kilogram; legkracht, de hennen loggen bot geheele jaar door; weinig of geen broedschheid; gehardheid; snelle groei der kuikens, waar echter tegenover staat, dat deze maar langzaam in do voeren komen.
Da SchloUerkammen,
nauwkeuriger zwarte lienjsche Scltl. genoemd, gelijken bijna volmaakt op de Minorca's; het onderscheid bestaat slechts in een meer gedrongen lichaamsbouw, kleine liaar-veertjes in hot gezicht en de vereischte ontwikkeling van den kam, die hij de hen âschlottert,quot; d. i. sla]) naar ééne zijde overhangt. De kam moet van het roode gezicht gescheiden worden door een uit zwarte haar-veertjes bestaande wenkbrauwstreep; hij den haan moet hij stevig op voorhoofd en schedel staan, en het vorder naar achteren reikende losse gedeelte moet van onderen sierlijk gerond zijn. Hij moet den Spaan-schen kam zoo mogelijk nog in grootte overtreffen, maar toch rechtop staan.
Uit een huishoudkundig oogpunt beschouwd staan de Schlotterkammen boven de Kraaiers, daar de kuikens gemakkelijker zjjn groot te brengen, de hennen zware eieren â a 05 gram â leggen en in even groot aantal als do Leghorns; ook hebben zij nog meer vleeseh en laten zich lichter
mesten.
Er bestaat ook een Koekoekkleurige variëteit, die de Bergsche koekoek wordt genoemd; deze wordt echter zeer zelden aangetroffen, maar verdient wel, dat de Duitsche fokkers er meer werk van maken. Een zwart en wit getoept lokaalslag, het Ilollhduser hoen, is sterk in het afnemen.
Het Ramelsloher Hoen
draagt zijn naam naar het oude kerkdorp Kamclsloh, -^ mijl van llarbuig; het is een groot, op do witte Minorca's gelijkend landhoen, dat in twee
-101
kloui'slagon â wit cn geel â voorkomt. I let iw ijverig' in hot zoelcon imar voeder, buitengewoon hard en een uitstekende winterlegster. De eieren komeji in grootte die der Leghorns nabjj; het vleesch is wit en sappig, de jongen zijn gemakkelijk groot te brengen.
Het Ramelsloher hoen heeft als nuthoen dus groote waarde, doch het behoort ook tot de sporthoenders. Volgens Diirigens tabel zjjn de rastypen als volgt:
Voorkomen en liouding: stevig landhoenvorm, rechtop, deftig, op de wijze
als de Spaansche hoenders, maar dieper van borst; grootte: meer dan middelmatig, liaan 50 centim. hoog en '2.1 a kilogr. zwaar, de hen tot 3 kilogram; kop groot, sterk en gestrekt; snavel lang cn krachtig, een weinig gebogen, blauwgrijs; kam enkelvoudig, breed opgezet, geljjkmatig getand, bij den liaan rechtop en goed middelhoog, bij de hen klein en liggend ot' staand; gezicht groot, zonder rimpels, rood, met enkele borstelige veertjes; oogen groot, roodbruin, levendig; oorschelpen tamelijk groot, langrond â ongeveer 4 centim. lang en tot '2 centim, breed â glad, blauwachtig of blauw roodachtig; kinlellen lang â ongev. 7 centim. â ondergoed afgerond, hoogrood; hals tamelijk lang, krachtig, rechtop en licht gebogen gedragen en bij den liaan goed van sierveeren voorzien; romp gestrekt, cilindervormig, vol en vleezig, volstrekt niet dun of sjiits, bij do hen met een vol achterlijf; borst breed, diep en vol; rug lang cn breed, aan de zijden fraai afgerond met vol zadel; vleugels groot, Hink ontwikkeld en goed aangesloten
102
gedragen; staart groot, breed en vol, niet /00 rechtop gedragen als bij de Spaansclie hoenders, bij den haan met fraai gebogen breede sikkelveeren; pooten tamelijk lang; dijen stevig, aansluitend bevederd; loopbeen bjj den haan goed gespoord en even als de vier lange, goed uitgespreide teenen stevig, naakt, blauw of leigrauw; gevederte vol, maar goed aansluitend. Kleuvslcujen: a. Zuiver wit, een gele weerschijn op de siervecren wordt echter gedoogd, b. (led, zuiver geel als gele Cocbins, bij de hanen worden witte of witachtige staartveeren gedoogd, doch geen zwartbruine staart- en slagponnen. Eigenschappon: een voortreffelijk vleesch- en mesthoen, ook vlijtig in het leggen, legt en broedt ook in den winter.
Over het fokken van Ramelsloher kuikens â vooral's winters tot dekking van het te kort aan Hamburger kuikens â de zoogenaamde âkamerkuiken-fokkenjquot; zal in een volgend hoofdstuk uitvoerig worden gesproken.
19. llaliaansclu: hoenders. ââ Leghorns.
Hiermee bedoelen we niet do in de laatste kwart eeuw in zoo groot aantal uit Lombardjjë naar andere landen ingevoerde en steeds slechter wordende Italiaansche landhoenders, doch die, welke onder den naam van Leghorns uit Amerika waar men ze uit liet Italiaansche landhoen gefokt keeft â tot ons zjjn overgekomen.
Men mag met eonige zekerheid aannemen, ilat het hedendaagsche Italiaansche hoen in rechte lijn afstamt van de âheilige hoendersquot; van liet oude Rome en niet wezenlijk verschilt van de âhuishoendersquot; der Grieken en Romeinen, niettegenstaande die heilige hoenders jarenlang door opperen onderhoendorpriesters, den koster incluis, vereerd en zorgvuldig verpleegd werden. Het schijnt zelfs, dat de lievelingsvariëteit der oude Romeinen â roodachtig gevederte met zwarte vleugels en staart - tot op den huidigen dag in Opper-Italië bewaard is gebleven en reeds toen in de pluimveekweekenjen wegens hare vruchtbaarheid zuiver gefokt werd 011 dat daaraan, boven de uit Klein-Azië en Medië ingevoerde Vechthoenders, de voorkeur werd gegeven. Volgens Pliinus werd deze variëteit met gele poolen en snavel niet voor de offeranden gebezigd, misschien juist omdat zij goede legkippen waren. Deze vroeg, lang en vljjtig leggende, doch meestal slecht broedende Ital. variëteit werd in 1835 in Amerika ingevoerd en later van daaruit naar Engeland overgebracht onder den naam Leghorns, na echter in Amerika eerst verbeterd, veredeld te zijn.
Men kan echter niet geheel Opper-Italië als stamland van het uit Italië geëxporteerde, echte en goede ras beschouwen. Ook daar zijn, evenals overal, enkele districten, landstreken en buurten, waar men zich met bijzondere
ion
voorliefde en goed gevolg op de hoender- en do pluimveeteelt iti 't algemeen toelegt, terwijl die in andere streken verwaarloosd wordt. Beroemd zijn reeds sedert langen tijd de omstreken van Ticenza en Verona wegens hun gemest pluimveeââ Pollustri en Polluslre, jonge hanen en jonge hennen â een sprekend bewijs, dat deze Ital. hoenders ook als slachtgevogelte niet te versmaden zijn.
Do echte Leghorns beliooren, wanneer zo maar eenigszins zorgvuldig behandeld en gekweekt worden, ontegenzeggelijk tot de beste legkippen, daar zij niet alleen vele, maar ook zware en sinakolijke eieren leggen. Er zijn voorbeelden genoeg van, dat good verzorgde Leghorns van 170 tot 1'JO, zelfs tot -'UO eieren legden, terwijl men van zoovele landhoonders menigmaal slechts de helft of twee derde deel van die hoeveelheden verkreeg. Neemt men verder in aanmerking, dat de eieren der Leghorns ook gemiddeld bijna 1 \ maal zoo zwaar wogen als die van do landhoenders, dan springt de voortreffelijkheid der eerste en de geringe waarde der laatste duidelijk in het oog.
Dat de Leghorns over 't algemeen weinig broedlust toonen, is geen schaduwzijde van dit ras, daar zjj des te moor eieren leggen en er genoog broedlustige rassen zijn. Evenwel schijnen zij in bun vaderland niet zoo afkeerig van het broeden te zijn, tenzij daar nog een ander landhoen voor het broeden gebruikt wordt. Waar komt anders do massa Ital. slachtgevogelte van daan, als de hoenders daar niet broeden?
Onder de Leghorns hier treft men er ook wel aan, die broodsch worden, vooral als ze wat oud worden, en 't is zeer wol mogelijk, dat zij bij verdere acclimatiseering ook hier broedlustig d. w. z. weder broedlustig worden.
Deze groote verdiensten zijn hot dan ook alleen, die een zoo buitengewoon grooten invoer van Leghorns mogelijk en dozo tot de meest verbreide en populairste hoenders maakten. Evenwel werden en worden er door sommige makelaars en opkoopers, die wat ruim van geweten zijn. ook een massa waardelooze dieren, uitschot, in den handel gebracht, waarom ons bij den aankoop groote voorzichtigheid geraden is en wij daarbij de voorwaarde dienen te stellen, dat de verlangde dieren alle kenmerken van het echte ras hebben.
Deze kenmerken zijn;
Een stevig gebouwd lichaam van gemiddelde grootte, grooter dan land-hoenders doch kleiner dan de Spaansche rassen; slank van bouw en rechtop van houding, zeer levendig en opgewekt.
Gewicht van den haan 2 a 3, van de hen 1] u kilogr. Kop lang, breed van schedel met tamelijk langen, sterken snavel, die over 't geheel geel is, doch bij donkere variëteiten aan do bovenhelft ook hoornkleurig
'104
gestreept mag zijn. De enkelvoudige, schitterend roode kam moet Lij den haan zoo groot en hoog mogelijk zjjn, rechtop staan, een stevige basis hebben, boven fraai gebogen zijn, met diepe en regelmatige tanden, aan den achterkant afgerond en vrij van uitwassen; bij de hen is hij dunner en kleiner en valt over ééne zijde van het gezicht.
In den laatsten tijd werden er ook ro:el;ammi(je Logliorns gefokt, wat we als een voordeel beschouwen, daar de groote kammen in den winter maar al te licht bevriezen, waardoor de dieren misvormd worden. Het roode gezicht moet fijn van huid en zonder vouwen en veeren zijn; liet oog-rood, groot en levendig. Do langwerpig ronde oorlellen moeten goed ontwikkeld zijn en dun, vast tegen 't hoofd, zonder vouwen; do kleur ervan is wit met een zweem van geel, maar zonder roode vlekken. Ue goed geronde, dunne en fraairoode kinlellen hangen bij den haan ver naar beneden; bij de hen zjjn ze korter. De ruim middellange hals wordt rechtop en licht gebogen gedragen en is Hink met sierveeren getooid; de slank doch sterk gebouwde en in de schouders breede romp wordt naar achteren too dunner; de borst is vol en rond, steekt fiink vooruit, doch wordt hoog gedragen; de rug is aan de zijden afgerond, loopt schuin af naar den staart en heeft in het zadel vole sierveeren; de vleugels zjjn lang en broed en goed aan 't lichaam gesloten; de staart is groot en breed, bij den haan van vele, lange en golvende sikkelveeren voorzien en wordt hoog, doch niet naar voren gericht gedragen. De pooten zijn iets korter dan die der Spaansche hoenders en do slanke dijen aangesloten bevederd. Loopbeen en teenen onbevederd en zoo zuiver geel mogelijk, bij do zwarte variëteit meestal met een zweem van groen, grauw of zwart. Het gevederte is vol, maar glad.
Bij de pairijs-Leijhorns komt de haan in kleur veel met de Blackred vochthoendors overeen: kop-, hals- en zadelveeren zijn fraai oranjerood mot zwarte strepen â welke ook mogen ontbreken â en scharlakenroode punten; schouder-, vleugelboog- en rugveeren diep scharlakenrood of bruin; vleugel-dekveeren metaalachtig glimmend groenzwart, waardoor een breede dwars-band over do vleugels ontstaat; groote slagpennen zwart, aan 't ondereind kastanjebruin gezoomd; kleine slagpennen aan do buitenvlag â die alleen bij gesloten vleugels zichtbaar is â diep kastanjebruin, aan de binnenvlag en punt zwart; borst, onderlijf en dijen zwart, zonder bruine vlokjes; staart diep zwart met groenen glans. Ucu: halsveeren goudgeel met breede zwarte strepen; borst zalmkleurig rood; onderlijf en dijen bruinachtig aschgrauw; staart zwart met bruine teekening; rug en vleugels patrijskleurig, d. w. z. bruin met dichte, zwarte streepjes en vlokjes, doch zonder zwart. Bij do Wille moet do kleur van hot gehoole gevederte zuiver wit zijn â zonder
105
stroogoel in do sicrveeren van den haan, â bij de Zivrirtc zuiver zwart met groenen -weerscliijn. Voor de teekeniiig der Koehoelwecvicje zie men het Doniinique-hoen; voor de Blauwe do Anda-lusiërs; voor de Llele de gele Cochins en voor de Houdtnihleii-ricjc de Hondans.
Verder zijn er nog Roocljevlelite (Pile) en EendvleiKjel/y«(Diick-wing), welker teekeniiig met die der gelijknamige Eng.
Vechthoenders moet overeenkomen.
Aangezien de Leghorns buiten kijf uitstekende leghoenders zijn, is het aan te bevelen, zo mot Fransche hanen te kruisen om zoo een tussehensoort te verkrijgen, die ook als vleeschlioen grootere waarde heeft.
Stan d aard voor L e g h o r 11 s.
(Van de Nederlandsche Leghorn-jMinorca-Club).
liaan. Kop groot en breed genoeg om daarop een groeten kam te kunnen dragen.
Snavel lang en gebogen, geel, (bij de bruine en pilo ook hoornkleurig).
Kam fijn van weefsel, groot, enkel, zuiver recht en reehtopstaand, regelmatig diep en breed getand, Hink achter den kop uitstekend en zonder zijspranken. Koraalrood.
Kinlellen lang, dun en fijn. Koraalrood.
Gezicht fijn, zonder plooien of rimpels. Rood.
Oorlellen goed ontwikkeld, dun, vast en glad tegen den kop, wit of licht crème.
Oogen levendig rood.
Nek lang, goed bezet met sierveeren en rechtop gedragen.
Lichaam breed in de schouders en naar den staart eenigszins taps toeloopend.
106
Rug min of meer rond.
Vleugels groot, vast tegen het lijf'.
Borst vol, rond en vooruit gedragen.
Dijen lang en stevig'.
Beenen en voeten glad en zonder spoor van veereu, met dunne, goed uitstaande teenen. Geel.
Staart vol, lange sikkelveeren, sierlijk gebogen en goed naar achteren gedragen.
Afmeting middelgroot.
Houding vlug en levendig.
Veercn dicht aan hot lichaam gesloten.
Hen. Kop lang en breed.
Snavel lang en gebogen, geel.
Kam enkel, flink ontwikkeld, regelmatig eu diep getand, op zulk een wijze boogvormig over liet gezicht hangend, dat ze niet het gezicht belemmert, licht ruw van bouw, vrij van zjjspranton; koraalrood van kleur. Kinlellen lang, afgerond aan liet eind, rood.
Gezicht fijn, zonder plooien of rimpels, rood.
Oorlellen goed ontwikkeld, dun, vast en glad tegen den kop, wit of licht crème.
Oogen levendig.
Nek vrij lang en fraai gebogen.
Lichaam breed in do schouders en goed vol.
Rug min of meer rond.
Vleugels groot, vast tegen het lijf.
Borst vol en rond.
Dijen matig lang en sterk.
Beenen en voeten matig lang, glad en zonder spoor van voeren, met dunne, goed uitstaande teenen, geel.
Staart vol, dicht, sierlijk en goed naar achteren gedragen.
Afmeting middelgroot.
Houding vlug en levendig.
Veeren dicht aan het lichaam gesloten.
Kleurslnjen: wit, patrijs, koekoek, zwart, BufF, Pile, Duckwing en Mottled.
Patrijs Lejhorn.
Haan. Kop- en halsveeren donker oranje, zwart gestreept.
Gezicht en lollen karmozijnrood.
Rug-, schouder- en vleugclvedcren donkerrood of bruin.
107
Vleugolscliildcn staalblauw.
Ondorvoderen iialf bruin aan dc buitenzijde, half zwart aan do binnenzijde.
Zadel diep oranjerood met eenige of geene zwarte strepen.
Uorst en onderveeren zwart, zonder eenige vlekken.
Staart zwart mot groenen weerschijn.
Staartdekveeren zwart.
Hen. Nekveeren goudgeel met zwart.
IJorst zalmkleur, in kastanjebruin overgaande.
Kleur van liet geheel bruin, zeer dicht met zwart geteekend.
Vleugels grijsbruin.
Staart zwart met bruin.
l'ile Lejhorn.
Huiin. Kop en nok kastanjebruin.
Rug diep kastanjebruin.
Vleugels steenrood met wit flauw gestreept, kastanje.
Onderveeren buitenkant kastanje, binnenkant roomkleur.
Zadel kastanjebruin.
Borst, bals en ondergedeelte roomkleur.
Staart roomkleur, zonder zwart.
Hen. Nek licht kastanje met wit in liet midden der voeren.
Horst diep kastanje, lichter naar achter.
Rug roomkleurig licht gestreept met kastanje.
Staart wit.
Duckwing Leghorn.
Hek en nagels geel of hoornkieur.
Beenen mooi geel, niet roodachtig.
Kam, gezicht en lellen rood.
Oorschelpen wit of roomkleurig.
Oogen rood of oranje.
Dit geldt voor alle soorten, zoowel haan als hon.
Haan, Goud Duckwing.
Nekveorcn licht gooi of strookleur, wat donkerder aan de kinlellen, met zoo weinig mogelijk zwarte strepen (zonder zwarte strepen is volmaakt). Rug donker goudkleurig.
Zadel en zadelveeren donker goudkleurig, loopende tot in licht goudkleurig.
Schouderbedekking en vleugelveeren goudkleurig.
Vleugoldekvoeren metaalblauw of violetblauw, zeer scherp afgeteekend.
108
Ondcrvecren der vleugels: Imitenslag wit met zwarte punten, binnenslag zwart, zoodat wanneer de vleugel gesloten is, niets dan wit te zien is.
Borst en onderdeelen diep zwart niet groenen glans.
Staart idem, wat langer dan bij de andere kleurslagen, doch niet te lang.
Hen, Goud Duckwincj.
Kop- en nekveeren zilverwit, elke veer scherp met zwart of donker grijs gestreept.
Borst en onderlijf donker zalmrood; aan den strot donker in lichter overgaand, naar achteren in aschgrauw eindigend.
Rug, vleugels, zijden en zadel helder staalgrijs, zonder bruin of rood, fijn afgezet met donker grijs of zwart.
Staart dezelfde kleur, maar donkerder.
liaan, Zilver Dackwing.
Kop- en nekveeren zilverwit, zoo min mogelijk zwart gestreept, zonder zwart nog beter.
Rug, zadel en zadelveercn, schouders en vleugels zilverwit.
Vleugeldekveeren metaalblauw.
Onderveercn der vleugels wit enz. als bij de gouden.
Borst, onderdeden en staart zwart met groenen glans.
//e». Zilver Duckwing.
In alles gelijk aan de gouden hen, alleen de horst lichter rood en het staalgrijs ook lichter.
IlnIf of' Gele Leghorn.
Haan. Vederen varieerende van donker citroenkleur tot oranje, de laatste wordt geprefereerd, do kleur zoo gelijk mogelijk; op den rug, zadel en vleugels eenigszins donkerder is toegestaan.
Staart rijk geel (zonder wit of zwart), zooveel mogelijk met de kleur van hot lichaam overeenkomende.
Hen. Dezelfde kleur als de haan, maar zadel en nekveeren niet donkerder dan do borst. De staart als de borst, vooral niet lichter of wit uitloopcnd.
Koekoek Leghorn.
Kleur geheel zuiver koekoek, zijnde staalgrijs, elke veer donkerder afge-teekend, wit ook in vleugels en staart erg af te keuren.
Zwarte Leghorn.
Geheel zwart met groenen glans, wit ook in vleugels en staart erg af te keuren, zoo ook anders dan zuiver gele beenen.
100
Motlled Leijhorn.
Als do zwarte, doch onregelmatig' wit gevlekt; do vlokken niet te veel in elkander loopend, b.v. of er eenige sneeuwvlokkon op liggen; geen witte voeren in vleugels of staart.
|
Waarde van fouten hij de keurimi. | |||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||
zjj-spranten aan den kam; anders dan enkelvoudige kam; kam verdraaid of omvallend bij den haan, staande bij do lion; geheel roode oorlellen; witte veeren in bruin en gekleurde voeren in witte; anders dan 4 teenen aan eiken voet; veeren op do boenen; anders dan gele boenen en snavel, bjj do zwarten mogen ze iets in 't zwarte loopen. Bjj overjarige dieren mogen snavel en boenen iets verbleekt zijn.
Wij moeten liior nog met een enkel woord gewagen van liet zoogenaamde ÃMmollu-hoen â een âverlegenheidsquot;-naam, zoo niet ergerâ; men verlangde natuurlijk van do uit Italië ingevoerde landhoenders als âraskenmerkenquot; ten minste gele of geelachtige pooten en snavel, al ontbraken do andere kenmerken ook maar al te vaak. Nu hebben zwarte Leghorns van zuiver ras zeer zelden zuiver gele pooten en snavel en bij de Ital. landhoenders treft men die natuurlijk nog minder aan. Om nu echter ook het groote aantal zwarte hoenders doch met donkere pooten aan den man te brengen, kwam een snuggere bol op het denkbeeld, deze dieren tot een apart ras te stempelen met den naam Lamotta-hoenders en â ten tijde van de âItalianen-koortsquot; vond hij ook geloof.
Tegenwoordig kent men echter geen Lamotta-hoenders meer.
/;. GEKUIFDE RASSEN.
V. Fransch-Delgische rastien.
Wij voegen deze rassen, die door hunne schedelvorming â bjj andere verschillen â deels den overgang vormen tot de eigenlijke kuifhoenders.
HO
dools zülvon daartoe bchooren, bij elkander, vooral om hunne groote waarde als mesthoenders. Deze rassen, variëteiten en kruisingsproducten liei)ben alle in meerdere of mindere mate sappig vleescli, worden gemakkelijk en spoedig vet, kruisen gemakkelijk, zijn zeer vruchtbaar en vertoonen ten gevolge daarvan ook weinig of geen neiging tot broeden. Hun vrij teer gestel staat hunne verspreiding wel eenigszins in den weg, doch voortgezette proeven met de invoering er van hebben toch bewezen, dat hun aanpassingsvermogen grooter is dan men eerst wel meende. De âlangbeenigequot; rassen zjjn ook sterker dan de âkortbeenigequot;.
Wright verkondigt de wel wat gewaagde meening, dat de Fransche hoofdrassen, ook de Crève-coeurs en La Flèches, kruisingsproducten zijn van Padua's met inlandsche hoenders, ja, dat het Crève-coeurhoen eigenlijk een zuivere, groote, zwarte Padua is met grooten kam.
Die kruisingen zouden dan toch zeer langen tijd geleden moeten hebben plaats gehad, daar het ontstaan zoowel als het verdwijnen van den schedelknobbel veel tijd gevorderd moet hebben.
Overigens merken reeds Pallas e. a. op, dat kuif en baard plotseling of, zooals men het noemt, toevallig bij land hoenders voorkomen en dan natuurlijk ook zonder schedelknobbel vorder ontwikkeld kunnen worden.
De buitengewone eier- en vleeschproductie van Frankrijk is voornamelijk te danken aan de hier nader te bespreken rassen en de menigvuldige daaruit ontstane kruisingsproducten, en het is vooral de kleine grondbezitter in Frankrijk, die zich met het fokken en mesten van hoenders bezig houdt en daarin geheel of in hoofdzaak zijn bestaan vindt; met fokkerijen in het groot houdt men zich betrekkelijk weinig op. Daar deze hoenders zich zoo gemakkelijk laten mesten, is het kapoenen reeds voor lang op den achtergrond geschoven.
Naar de mededeelingen van A. llumpf bemoeit men zich in de streken, naar welke de rassen hunnen naam dragen, zeer weinig met het fokken van raszuivere dieren. In Crève-Coeur, La-Flèche en Houdan âbekommert men zich niet om het ras;quot; men kweekt voor de markt, kruist met Cochins, Brahma's, Breda's en Dorkings om zware dieren te bekomen en levert meer bastaards dan zuiver bloed. In La-Flèche, waar llumpf zijne verwondering te kennen gaf over de betreurenswaardige verbastering van dat ras, antwoordde hem een oude vrouw: âMijnheer, wij verkoopen het vleesch gemakkelijker dan de veeren!quot;
Dat men zich toelegt op het kweeken van dieren, die als tafelgevogelte de meeste waarde hebben, is zeer natuurlijk. Alle landhoenders leenen zich daartoe niet. Het âRace communequot; bijv., het kleine Zuid-Fransche land-hoen, voornamelijk in Provence en Les Landes, heeft noch als log- of vleesch-
Hi
hoen noch als siorhocn waarde. Het legt tamelijk goed, doch wordt hoofdzakelijk voor het broeden gebezigd, terwijl in het noorden, vooral in Bretagne, de Courles-pattes, die evenwel goede legkippen zijn en vroeg broeden, daarvoor dienst doen. l)e Courtes-pattes hebben zeer korte pooten, zoodat hun achterlijf den bodem raakt; ze zijn zwart en wit gevlekt, hebben een kleinen in 2 punten uitloopenden dubbelen kam en een naar achteren gerichte vederbos en een tamelijk grooten, van lange sikkelveeren voor-zienen staart.
Al de bierbedoelde rassen schijnen uit kruising van andere Fransche en Belgische variëteiten met Maleiers te zijn ontstaan. De hoogbeenige rassen La-Flèche, Breda enz. wijzen nog wel op die eerste kruisingen, üe overige, meer laagbeenige rassen zijn waarschijnlijk langzamerhand door verdere kruising daarvan misschien ook van Spaansche hoenders â en âPolandsquot;, Hollanders enz. zijn ontstaan.
Langbeenige rassen.
Met kleine kuit' en zonder baard.
'20. Hel Bredascha hoen. (Kraaikop).
Dit Belgische ras, bij ons onder den naam van Kraaikoppen bekend, onderscheidt zich door een totaal ontbreken van den kam, in de plaats waarvan het een kleine zadelvormige verhevenheid op het voorhoofd heeft, die met een dunne doch stevige roede huid overtrokken is.
Ofschoon niet zoo groot en zwaar als de Houdans, komen de kraai kopieën daarmee in aard en eigenschappen toch zeer overeen, liet zijn goede legkippen, onverbeterlijke broedsters, '
goede en gemakkelijk te mesten vleesch-producenten en bijzonder gehard tegen weer en wind. Dat is zoo nagenoeg alles, wat er van te zeggen valt.
âTentoonstellingsdieren eerste klassequot; _
zijn ze met, en wat het nut aangaat,
moeten zij hij vele andere en nieuwere rassen ten achteren staan.
Ofschoon de Bredaschc kapoenen altijd den naam hebben gehad werkelijk een delicatesse te zijn, zijn zij langzamerhand door de Brusselsche poulardes verdrongen.
-112
Hoewel in Imu gclieele voorkomen op de âHollandersquot; gelijkende slank van bouw, doch breed van schouders, volle en breede borst, middellange, goed bevederde doch niet naar achteren gedragen liais â komen do kraai-koppen toch ook met het La-Flèche-hoen overeen, terwijl de eigenaardige bouw van den kop en do kleine naar achteren gerichte kuif hun een bijzonder en vreemd aanzien geven. De lange hangende kinlellen en het gezicht zijn rood, de hangende oorlellen wit of rood (wit ziet men ze't liefst). Het loopbeen is aan de buiten- en binnenzijde met veeren bezet, donker leiblauw of zwart en van gierhakken voorzien. De tamelijk kleine, gebogen snavel is donker hoornkleurig. Gevederte éénkleurig en niet zeer glimmend zwart.
Andere kleurslagen zijn: lüitte, blauwgrijze-â-van zwarte en witte gefokt â koekoekveerigeâ¢, deze laatste -ook Geldersch hoen geheeten â is vooral in Engeland zeer gezien, terwijl overigens de Breda's in Noord-Amerika zeer verspreid zijn en dikwijls voor kruising worden gebruikt. 1)
21. Het La Firchc-hocn.
Bijna alle Pransche rassen dragen don naam van de plaats of streek, waar ze het eerst of voornamelijk gefokt werden; zoo is het bovengenoemde hoen genoemd naar het dorp La Flèche in het dept. van de Sarthe, in welks omstreken dit grooto, hoog op do pooten staand hoen. Fig. 40, het eerst en algemeen, doch tegenwoordig nauweljjks raszuiver werd gefokt. In Le Mans, waar dit ras het meest algemeen is, heet het âPoule, cormdlequot; naar den horenvormigen kam.
Do La Flèches zjjn volgens Cayot reeds sedert lang bekend en hun roem dateert reeds van vóór 5 a 000 jaren. Door hun slank lichaam en het dicht aansluitend gevederte schijnen deze hoenders kleiner dan ze zijn. Do haan is de grootste van idle Franscho hanen; beide geslachten zjjn krachtig van vormen en van goede constitutie, weinig aan ziekten onderhevig, accli-matiseeren overal (in Frankrijk!) gemakkelijk en behouden hunne goede eigenschappen, als men maar tijdig voor bloedverversching zorgt. Wright schrijft de liooge, wat schraal uitziende gestalte aan het overwicht van Spaansch bloed toe, terwjjl volgens hem do rudimentaire kuif op kruising met Hollanders of Padua's duidt. Die laatste verwantschap is toe te geven.
1) Baldamua noomt don kraaikop oon Belgisch ras, docli hot zal mot ovonvool roolit oen Kederlandsch ras kiimioii hooton. Do naam Hredasch-hoen [iloit or /.oor voor en in do provinciën N.-Brabant on Ooldorland was het stoods iiot moest verbreid.
Mon had van dit ras nog do volgondo ondorrasson; Sclvnlpneuzen, Ihu'lneuzeti on Toornsche.
413
te sneller. In zijn vaderland is dit ras zeer stork van gestel en be/it een groot weerstandsvermogen, eigenschappen, welke het ook elders behoudt, doch in Engeland ten deele schijnen te ontbreken; misschien wel tengevolge van een fokrichting, die niet overeenkomstig den oorspronkelijkon aard van het ras is.
In hun Fransch vaderland (de streek van La Floclie) worden deze lioeu-ders meestal met koren gevoerd; zij zijn zeer vraatzuchtig en zouden te vet worden, als hun het voeder niet toegemeten werd. Zoolang zij echter nog niet volwassen zijn, krijgen zij gemalen gerste- of roggemeel; latei-worden zij, wat het voeren aangaat, niet zorgvuldiger behandeld dan de andere rassen. (Griiyot). De hutni moot oen langen, broeden, een weinig lomp en wild uitzienden kop hebben, een grooten en stevigen, zwarten of loi-kleurigen snavel, met de eigenaardige neusgaten van de âPolandsquot;; do kam
bai.damus, 1'luimveotoelt. 8
114
bestaat uit twee nagenoeg loodrecht staande kegelvormige horentjes, welke aan den top een weinig naar voren of ter zijde gebogen zijn; achter den kam zit een klein vederbosje. Do kinlellen zijn lang, goed afhangend en evenals het gladde gezicht fraai rood; de oorlellen, langrond, schitterend wit en zonder rimpels, reiken tot op de helft der kinlellen. De hals moet lang en zwaar bevederd zijn en rechtop maar niet naar achteren worden gedragen. De romp is lang, rond en stevig en lijkt door het vast aansluitend gevederte eenigszins mager. De rug is breed, tamelijk lang, vlak, naaiden staart schuin afloopend en met weinige zadelveeren. De vleugels zijn flink ontwikkeld en worden vlak tegen het Ijjf gedragen. De borst is vol en steekt zeer vooruit. Gevederte overal stevig aansluitend. Dijen en loop-been lang en stevig, hot laatste volkomen vederloos; teenen stevig en recht. Staart matig groot, noch loodrecht noch te laag gedragen, de sikkelveeren zijn breed en glanzig. Grootte aanzienlijk; de dieren zien er evenwel niet zoo zwaar uit als ze werkelijk zijn; de volwassen haan weegt 3,5 ii 4,5 kilogr. Gestalte: hoog op de pooten en gestrekt, in vereeniging met do stoute, uitdagende houding aan een middending tusschen Maleiers en Spaan-schc hoenders herinnerend.
Bij de hen, die overigens alles met den haan gemeen heeft, zijn kam, oor- en kinlellen kleiner, terwijl voorkomen en iiouding meer mot die der Spaansche hennen overeenkomen. Gewicht tot 3,5 kilogram.
liet gevederte is bij hanen en hennen schitterend zwart met groenen en purperen weerschjjn; do pooten zijn tamelijk donker lei- of loodkleurig; do iris is hel- of geelrood.
Reeds sedert geruimen tijd verschijnen er ook witte exemplaren op tentoonstellingen ou op de markt. Zij stammen, even als de witte Crcve-coeurs, van zwarte ouders, óf rechtstreeks of van wit gevlekt uitgevallen exemplaren en zijn door inteelt reeds vrij constant geworden. Als nuthoenders zijn deze witte variëteiten voorloopig echter nog niet aan te bevelen.
Deze witte variëteiten, die het menigvuldigst uit de zwarte kleur ontstaan, kan men geen Albino's noemen, zooals dikwijls gebeurt. De wetenschap noemt dit verschijnsel âLeucismequot;, terwijl onder âAlbinismequot; verstaan wordt de bekende, ziekelijke, ook bij menschen voorkomende, witte kleuring van haar en veeren, welke steeds met rondo, oogen gepaard gaat.
In Engeland, zoowel als op het vaste land van Europa, heeft men in navolging van de meeste Fransche schrijvers drie verschillende rassen van edele Fransche hoenders aangenomen en de overige talrijke kruisingsproducten variëteiten genoemd. Dat deze drie rassen hun vroeger in Frankrijk gefixeerd karakter behouden hebben, is meer een verdienste van Engelsche, Duitsche en Belg.-Hollandsche dan van Fransche fokkers; want in Frankrijk,
115
en bepaaldelijk in Normandiö, kweekte men ze, zoo niet uitsluitend dan toch in hoofdzaak voor economische doeleinden, waarvoor zo voortdurend onder elkander en ook met andere rassen werden gekruist, zoodat âzuiver bloedquot; zeer zelden in hunne geboorteplaatsen gevonden wordt en zeker reeds geheel zou zijn verloren gegaan, als niet liet Bestuur der Jar din d'accli mutation te Parijs te rechter tijd maatregelen daartegen had genomen.
Het schijnt, dat ook andere volken dan do Engelschon er zich op toeleggen om do kleine kuif bij de La Flèches geheel te doen verdwijnen, wat niet zoo erg te betreuren is, daar de eigenlijke kam â de horentjes â daardoor blijkbaar moet winnen, vooral als men er zich op toelegt, dien geheel zonder wratten te fokken.
Bij hot fokken van La Flèches voor tentoonstellingen heeft men er vooral op te letten, dat haan en hennen beide zuiver witte, glimmende oorlellen hebben, dat het gevederte bepaald diep zwart is met groenen glans en de kam zuiver en glad; 't spreekt wol van zelf, dat, vooral bij de keuze van den haan, een goede lichaamsbouw en gezonde constitutie niet vergeten mogen worden. Ook is bet van belang, dat de haan als kuiken niet aan beenzwakte (rachitis) heeft geleden. Deze kwaal trachte men verder te voorkomen, door slechts volkomen volwassen dieren voor hot fokken te gebruiken en de kuikens steeds van voedzaam voor te voorzien, waaraan beenderenmeel, Parrish's chemisch voer of diens âSymp of Phosphatvsquot; wordt toegevoegd. Wright raadt het geregeld gebruik van dit laatste in het drinkwater aan, âdaar bjj alle gebreken in de constitutie, waaraan de kuikens onderhevig zijn, duidelijke kenteekenen van gebrek aan phosphor in het bloed aanwezig zijnquot;.
Wjj kunnen Wright natuurlijk moeilijk tegenspreken, doch meenen to mogen opmerken, dat een middel, 't welk volgens de âAmerican Journal of Pharmacijquot; uit niet minder dan 14 verschillende ingrediënten bestaat, wel wat heel âAmerikaanschquot; lijkt.
Witte La Flèches, die evenmin als de hlanwe nog geheel constant zijn, zullen zeker tot de fraaiste - en lekkerste â vogels behooren, wanneer men niet eenzijdig, alleen voor tentoonstellingen, maar tegelijk ook voor de tafel fokt. Hoofdkenmerken zullen dan moeten zjjn: zuiver wit en glanzig, dicht aansluitend gevederte, roode â geen witte â oorschelpen en een hooge, sierlijke gestalte.
Aangaande de mogelijkheid van het ontstaan der La Flèches uit Spaan-sclie hoenders en Hollanders, deelt de heer IIquot;. Dietz te Frankfort mee, dat daar reeds omstreeks het jaar 1 lt;S'!0 de Bredasche hoenders onder den naam Hollanders bekend en verbreid waren. Bij de latere invoering der Spaansche hoenders kruiste men deze met de Breda's, uit welke kruising hoenders ontstonden, die zeer duidelijk het La Flèche-type vertoonden.
146
Tiet Le Mans-hoen. Poule du Mam.
Dat we dit hoon, ofschoon zonder kuif, hier noemen, heeft zijn reden hierin, dut liet ontegenzeggelijk een Fransch ras en, naar alle daarover gedane mededeelingen te oordeelen, niets anders is dan een La Flèche met rozekam. Eene nadere beschrijving is onnoodig, omdat die onder de La Flèches reeds is gegeven.
De Le Mans komen alleen in 't zwart voor en hebben dezelfde eigenschappen als do La Flèches.
Bijna evenzoo is het gesteld met
liet Bresse-lwen. Porde de In Br esse,
dat tusschen de La Flèches en de Spaansche hoenders in staat, eveneens ongekuifd is, doch in Frankrijk als ras wordt erkend; het levert, zooals bekend is, de fijnste poulardes.
Het Bresse-hoen heeft een krachtigen lichaamsbouw, rechte houding en eene middelmatige grootte, niet geheel zoo groot als de La Flèches; de haan weegt van 5 tot 7, de hen van 4 tot 6 pond. Do kop is matig groot; do snavel krachtig en tamelijk lang, een weinig gebogen en grijs; de kam enkel, zeer groot en hoog, rechtop staand en diep getand; het gezicht rood en onbevederd; het oog rood en levendig; de oorschelpen wit en zeer groot, langrond; de kinlellen rood en lang. De tamelijk lange, stevige hals wordt rechtop gedragen; de sterke romp heeft een breeden rug en goed bevederd zadel, breede borst en vast tegen 't lijf gedragen vleugels. De staart is goed ontwikkeld, van fraaie sikkelveeren voorzien en wordt ongeveer zoo gedragen als bij de Spaansche hoenders. De pooten zijn slank, wat korter dan bij de Sp. hoenders, loopbeen en teenen naakt en grauw. Bjj de hen is de kam kleiner en hangt naar ééne zijde over; oor- en kinlellen zjjn korter en ronder, liet gevederte is hard, glad aansluitend en glimmend zwart. Ook zjjn er reeds witte Brosse-hoenders gefokt alsmede zwart en wit gevlekte, welke laatste variëteit bij Espanet misschien de ineening heeft doen ontstaan, dat het Bresse-hoen uit eene kruising van lloudans en Crève-coeurs is voortgekomen.
Het Bresse-hoen wordt, behalve om zijn uitstekend vleesch, ook geroemd als legkip; de eieren zijn ongeveer 00 gram zwaar.
Kortbeenige rassen.
Met halfvolle kuif en vollen baard.
De kuiven bij haan en hen bestaan uit verschillend gevormde veeren; die van den haan is naar achteren gericht.
117
T
'22. Crève-coeurs.
Dit, uit een huishoudelijk oogpunt bescliouwd, voornaamste Fransche ras is tevens dat, 't welk het vroegst naar Engeland, Duitschland enz. overgeplant werd en in menig opzicht interessant is. De Engclsclie fokkers schijnen omtrent den duur van de goede eigenschappen van dit veelgeprezen ras niet geheel eenstemmig te zijn. Edw. Brown toch zegt: âHet Crève-coeur-hoen is zeer gevoelig voor koude en nevel.quot; In Duitschland is men er echter volkomen mee tevreden.
Het draagt ook don naam van de plaats van herkomst, het dorp Crèvc-coeur, dept. de l'Oise, en is het voornaamste hoen in Normandië. 't Is het zwaarste en gedrongenste der Fransche rassen en geeft het fijnste, sappigste,
lekkerste en meest kort vezelige vlecsch,
vooral wanneer het aan het spit wordt gebraden. Ook de productiviteit wordt in Frankrijk ten zeerste geroemd. De Crève-coeurs leggen zware en smakelijke eieren, het geheele jaar door, âbehalve in 't heetst van den zomer en bij vriezend weder.quot; Zij groeien zeer snel en worden even spoedig vet, zoodat zij de vroegste poulardes voor de markt leveren.
Daar ze harder zijn dan do andere Fransche rassen, verdragen zij hitte en koude en gedijen zoowel opgesloten als in volkomen vrijheid. Aanhoudende en 1 natte koude is hun echter even onaan- Fig. 41. Koi) van eon Crève-coeur-haon. genaam en nadeelig als alle hoenders.
De haan van zuiver bloed is in zijn vaderland kort en sterk van lichaamsbouw, staat fier op zijne korte, dikke pooten en heeft sterke, vleezige dijen; de kam is tweehoornig, de kinlellen zijn zeer lang. De kop is voorzien van eene kuif, wang- en kinbaard (favoris et cravate).
De zeer vleezige, ronde kon staat eveneons laag op de pooten, heeft kortere horens en kortere kinlellen, maar door haar groote, ronde, uit afgeronde veeren bestaande kuif een naar verhouding veel grooteren kop. De fijne en dichte veeren van onder- en achterlijf geven die lichaams-deelen een breed en vol aanzien, wat voor een toeken van vruchtbaarheid geldt.
'i
-118
Do sterke, vleezige ledematen, die betrekkelijk slechts dunne beenderen hebben, en de dikke, volle, niet vleesch of vet bedekte lichaamsvorm ver-toonen wel eenige overeenkomst niet het rundveeras van Durham, wanneer men eene vergelijking wil maken tusschen pluim- en rundvee. De geheele bouw geeft aan den haan een ernstig, aan de hen een waardig, bedaard voorkomen en een afgemeten gang; de totaalindruk is, dat het dieren zijn van een sterke constitutie.
De kop van den haan is groot en deftig en draagt een middellangen, sterken, donkergrauwen of zwarten snavel; de kam bestaat uit twee op denzelfden grond ontsprongen horens, welke naar boven spits toe- en uiteen loopen, in de gedaante van een V- Deze horens zijn dikker en langer dan die der La Flèches, maar niet zoo hoog als de kuif; ook moeten zij glad en zonder uitwassen zijn. In Frankrijk let men hier minder op en treft men zo dikwijls vertakt aan als een gewei. De op den schedelknobbel zittende kuif is groot en vol en bestaat uit lange, smalle veeren, die hoofdzakelijk naar achteren doch ook naar de zijden vallen. De kinlellen zijn vrij lang en goed afgerond, de oorschelpen klein en onder de kuif- en baardveeren verborgen, witachtig van kleur; de baard moet vol en dicht zijn en wangen
en keel geheel bedekken. Ook bet roode gezicht wordt door den baard bedekt. De middellange hals wordt rechtop gedragen en is flink van golvende sierveeren voorzien ; de romp is massief op de wijze als bij de Cochins, gedrongen van bouw en vol ontwikkeld; de vleugels zijn matig lang en worden vast tegen 't lijf gedragen; de borst is breed, diep en flink naar voren gewelfd, de rug vlak en zeer breed, ook in het zadel, en loopt naar den staart toe oen weinig af. De pooten zijn kort en stevig, de sterke dijen komen maar even van onder de buikveeren te voorschijn; het loopbeen is zoo kort mogelijk en naakt, grauwzwart, de teenen lang en recht. De staart is zeer
11})
groot, wordt hoog gedragen en heoft breede, golvende sikkclvceren. Gewiclit 3,5 a -i kilogram.
])e hen lijkt in haar voorkomen veel op de âPolandsquot;, overigens komt zij met den haan overeen, behalve dat zjj een kleineren kam, een gesloten kuif en een korten staart heeft, alsmede een bjjzonder sterk ontwikkeld achterlijf. Gewicht 3 a 3.5 kilogram.
De normale kleur der Crève-coeurs is diep, glimmend zwart, ook van de kuif; hals- en zadelveeren, schouderdekveeren en sikkelveeren met purperblauwen en groenachtigen weerschijn. De snavel is hoornbruin tot zwart, do pooten donker leikleurig of zwart, kam en kinlellen prachtig rood, iris rood (dit laatste i.s niet volstrekt noodzakelijk, doch rood duidt de sterkste constitutie aan).
Behalve de gewone zwarte zijn er ook nog blairwjrijze, op de wijze als de Andalusiërs, en zilvergrijze Crève-coeurs, en zeer fraaie wille, welke oorspronkelijk, als eene speling der natuur, van zwarte gevallen zijn, doch met zeer gunstig gevolg verder zijn gefokt.
Uij het fokken van Crève-coeurs dient men de huishoudelijke eigenschappen in de eerste plaats op het oog te hebben â want een âornamentaalquot; hoen is de Crève-coeur evenmin als de Houdan en moet dat ten koste van zijne goede eigenschappen ook niet worden. Deze moeten dan ook bij eene beoordeeling van beide rassen den doorslag geven. Daaruit volgt echter volstrekt niet, dat de ,,fancy-pointsquot; geheel moeten worden verwaarloosd; wij waarschuwen alleen maar voor ontaarding door het eenzijdig fokken op de veer, enz., dat in Engeland zeker eene der reden, misschien wel de hoofdreden is, waarom daar de acclimatiseering tot op heden ten deele mislukte.
Bij de paring der 3 variëteiten is in de eerste plaats op grootte, een goed figuur en een levendige maar toch waardige houding van den haan te letten, en verder op sterke, niet te kleine hennen. Verdere eigenschappen van een goeden fokstam zijn: dicht, stevig maar los gevederte, een volle, dichte, ronde kuif, goed ontwikkelde baarden (de knevelbaard alleen bij de hennen) en een goede, zoo glad mogelijk, iiooge kam, vooral bij den haan. De zwarte Crèves moeten overal diep zwart gevederte hebben met een sterken metaalblauwen en groenen glans; gele halsveeren, die zelfs bij fijne geïmporteerde hanen voorkomen, zijn gemakkelijker te verwijderen dan witte voeren in de kuif, welke zich meestal in het tweede jaar vertoonen.
Bij de witte variëteit mogen desnoods de zadelveeren een zweem van glimmend stroogeel hebben, liet overige gevederte moet echter glimmend zuiver wit zijn, Hanen en hennen met anders gekleurde veeren moet men niet dan bij nood voor de fokkerij gebruiken, omdat zelfs hunne zuiver witte nakomelingen die fout door terugslag kunnen verergeren.
420
Do grijze of blauwe Crèves variëeren tusschen fraai blauwachtig lichtgrijs, niet en zonder vederzooni, en donker zuiver aschgrauw (cendré). Bij den liaan zijn do vleugeldekveeren en do zadolveoron wat donkerder dan het overige gevoderte, doch mogen geen andore kleur â wit, zwart, rood enz. â vertoonen. In allen gevalle mag men met zulke hanen niet fokken, als men do fout ten minste niet wil vergrooten en vereeuwigen, dus de stam voor altijd bedorven.
Kruisingen mot Brahma's, Cochins en Dorkings leveren uitmuntende vleosclihoonders op, ook wel mot Maleiers. Door kruising van Brahma's met Crève-coeurs hooft do heer Dr. O. Finch een constanten vorm vor-krogen, die lnj âSolocta-hoondersquot; noemde on die onder de Duitsche hoenders zullen worden besproken. Iets voel beters dan de zuivere stam krijgt men er echter anders niet door, en de voornaamste Fransche autoriteiten pleiten in don laatsten tijd dan ook nadrukkoljjk voor hot fokken van zuivere rasdieren in de drie hoofdklassen, daar deze in do laatste jaren wel gevaar liepen hunne oude raskenmerken to verliezen.
Want ook in Frankrijk, en vooral iu Normandic, werden do Crève-coeurs nog voortdurend gekruist met andere Fransche rassen, voornainolijk mot La Flèches en Houdans, waarvan zij zoivon een kruisingsproduct schijnen te zijn, zoodat liet zuivere bloed van liet normaalras zelfs in de omstreken van Crève-coour steeds zeldzamer werd. Hot grootste gedeelte dor hoenders in Korinandiö, Picardië enz., waren reeds voor lang âvariëteiten mot zeker verschil in kam, kuif en kleurquot;. Zij zijn daarom â misschien alleen mot uitzondering van do reeds âtypischquot; geworden La Brosse en Le Mans-hoenders â van weinig belang.
23. Di: Houdans,
Dit ras, zoo genoemd naar het dorp Houdan in het dept. Seine en Oise, is een waardige mededinger der Crève-coeurs on misschien hot stamras van de goede Fransche rassen en variëteiten. Zij bezitten allo goede, hooggeroemde eigenschappen dor Crève-coeurs en ton deele zelfs in oen hoogore mate, daar zij beter en vroeger leggen, nog spoediger groeien en opgesloten zeer goed gedijen 1). Zij laten zich zoor gemakkelijk mosten ou hun vleesch laat niets te wonschen over; het wordt hier en daar zelfs hooger geschat dan dat der Crève-coeurs. Hierbij komt nog, dat vroegbroed uitmuntende winterloggors geeft en do kuikens gemakkelijk groot zijn te brengen.
De moderne Houdans onderschoidon zich in menig opzicht van de vroegere
1) Opgosloton worden zo echter licht vooronplukkors, wnnrtoo allo Fransche rassen eonigo neiging vertoonon.
421
Fransche. Bij doze heeft de liaan een meer gcronden romp, do kop is voorzien van een half-kuif alsmede van bakke- en kinbaard; de staart voeren zijn korter en steviger niet uitzondering van do beide lange sikkelveeren; hjj staat hooger op de pooten dan do Crève-coours en heeft 5 toonen.
De hen heeft een rond, vleezig liehaam â bijna even zoo groot als dat van don haan ââ kin- en bakkebaard en dikwijls een grootero kuif;
kam en kinlellen zijn echter kleiner en soms zelfs rudimentair.
Do moderne teelt hooft van de Uoudans,
evenals van vele andere rassen, iets go-heel anders gemaakt.
Bij den haun moet de kop groot, sterk en gewelfd zijn en vurig on levendig van uitdrukking; snavel middelgroot en sterk; kam groot, uit '2 doelen bestaande, als de bladen van een opengeslagen boek met oen ristje koraalvormige uitwassen in het midden; kinlellen tamelijk kort cn sierlijk gerond; oorschelpen wat klein en onder den baard verborgen; kuif groot en vol, een weinig achteren zijwaarts vallend; kin- en bakkebaard vol en dicht; lials middellang, fraai gebogen, rechtop gedragen en goed van siorvceren voorzien. Romp vol en massief, cylindervormig gestrekt; rug zeer breed en slechts weinig naar achteren afloopend, mot oveneons breed en flink van voeren voorzien zadel; vleugels goed ontwikkeld, matig aangesloten gedragen; borst zeer breed en diep, vol en naar voren gewelfd. Dijen en loopbeen kort en ver uit elkander staand, het laatste volkomen naakt on tamelijk stevig; teenen goed ontwikkeld en recht; de achterste, vijfde teen is duidelijk van den ondersten achterteen en van de spoor gescheiden en wat meer naar boven gericht dan bij de Dorkings. Staart groot en vol, met breede, golvende sikkelveeren en een weinig rechtop gedragen. Volwassen exemplaren wegen van 3,6 tot 4 kilogram. Gestalte kort en dik, diep; houding rechtop; aard
122
levendig, zoo wat liet midden houdend tussclicn do Dorkings on do Padua's.
Do hen gelijkt op don haan, maar kam en kinlellon zijn kleiner, do kuif rond on dicht; gemiddeld gewicht 2,7 tot .1 kilogram. Alles, wat men van do kleur dor Houdans verlangt, is, dat die zwart en wit gevlokt is, dat er geen voeren van een andere kleur onder loopen â stroogele siorvoeron worden hij den haan echter gedoogd, maar worden toch niet gaarne gezien â en eindelijk, dat beide kleuren zoo gelijkmatig mogelijk verdeeld zijn. Bij den haan is de kleur gewoonlijk iets donkerder dan bij de hen en de staart zoo mogelijk zwart. Snavel hoornkleurig; kam en kinlellen fraai rood; oogen helrood, doch dit is niet noodzakelijk. Pooten wit of rood-aclnig wit, loodkleurig of zwart gevlokt. Gedurende eenige jaren kon men de hanen niet donker genoeg krijgen; doch naar onze meening verliezen de donkere, slechts weinig wit gevlekte Houdans, veel van hun oorspronkeljjk karakter en hun vriendelijken indruk. Men is er dan ook weder van teruggekomen en geeft weer de voorkeur aan een gelijkmatige verdeeling van wit en zwart; alleen jonge hanen kunnen donkerder zijn, omdat elke rui gewoonlijk wat meer wit meebrengt.
Bij de beoordeeling en de teelt komen de nuttige eigenschappen dan ook in do eerste plaats in aanmerking. Wat de kleur aangaat, valt op te merken, dat men donkere hanen (mot veel zwart) met lichte hennen (met veel wit), moet paren om goede hanen en hennen van dezelfde ouders te verkrijgen. Mr. R. D. Wood is van de tegenovergestelde meening; ook zegt hij: âdat do kuiven van de hennen komenquot;, waarom hij liever hennen met een volle kuif kiest dan dito hanen; hierin verschillen we echter van meening met Mr. W.
Verder zjjn do hanen zeer krachtig, waarom men ze wel eenige hennen meer kan geven dan aan die der meeste andere rassen, zonder dat men behoeft te vreezen, dat de eieren niet bevrucht worden \).
Do kuikens verraden, daar zij zich snel ontwikkelen, ook zeer vroeg hun geslacht door den kam, die bjj do hanen zeer spoedig merkbaar is en zich bij do hennen dikwijls pas voor het ruien vertoont. Ook wordt het onderscheid in den vorm der kuifveeren alsmede de vorm van de kuif zelf spoedig merkbaar. De Houdans zijn evenwel, evenals bijna alle kuif hoenders, zeer tot veeren-eten geneigd, wat zij spoedig, vooral met de kuiven dei-jonge hanen, beproeven. Mede om dit te voorkomen moot men de vroegrijpe hanen zoo tjjdig mogelijk van de hennen scheiden. Te lichte kuikens behoeft men, als ze maar van een donkeren stam zijn gevallen, niet te verwijderen, daar zij later donker genoeg worden; zeer donkere zullen in
1) Dit is van do Cruvo-coourB on La Flèclics echter niet minder wuar.
123
latere jaren goed gekleurde dieren worden en dan zoowel voor tentoonstellingen als voor de teelt geschikt zijn.
liet vorenstaande geldt ook van liet Wanzcnauer-hooi, zoo genoemd naar liet stadje Wanzenau in den Beneden-Elzas, hetwelk niets anders is dan een plaatselijk slag van Houdans en bijna in 't geheel niet van de Eransehe lloudans te onderscheiden is; het heeft echter dit voordeel, dat het harder en sterker en daarom in andere streken misschien ook productiever is.
VI. Eigenlijke kuifhoenders. â â âPolundsquot;.
Onder dezen naam vatten we alle van groote kuiven voorziene rassen en variëteiten samen, welke, al zijn die kuiven ook niet alle op dezelfde wijze gevormd, op den schedel een knobbelvonnige verhevenheid hebben, die de kuif tot basis dient. In den laatsten tijd hebben de Engelschen, in plaats van den reeds algemeen bekenden naam âPolands,quot; ook den naam âPolish Fowlsquot; ingevoerd, doch tot deze rekenen zij alleen de IIoll. quot;Witkuiven en de Padua's (Wright 3!)liâ400), niet echter ,.alle mogelijke kuifhoenders.quot;
Ofschoon deze, niet bij alle gekuifde vogels voorkomende schedelvorming van voorbijgaanden aard is â bij van kleine kuiven voorziene dieren schijnt ze niet voor te komen â en waarschijnlijk door kweeking is ontstaan, in elk geval door kruising en zorgvuldig doorfokken evenals de kuif verdwijnt, geeft zjj menig âontwikkelings-theoreticusquot; toch misschien aanleiding tot de scherpzinnigste hypothesen. Voor ons is zij echter alleen een kenmerk van de eigenlijke kuifhoenders 1).
De groote tot over de oogen hangende kuif hindert deze hoenders dikwijls in het zien en dit gebrek aan vrij uitzicht is blijkbaar de oorzaak van hunne evenzeer geprezen als gelaakte eigenschappen: vertrouwelijkheid, flegmatieken bedaarden aard en daardoor groote mestbaarheid; doch hun ontbreekt ook moed en de fierheid der meeste andere rassen, welke men toch bij de hanen zoo gaarne ziet. Zij leggen naar verhouding weinig eieren, broeden slechter en worden spoediger onvruchtbaar dan de ongekuifdo hoenders; de kuikens komen niet zoo gemakkelijk uit, zijn zwakker en weekehjker en eischen beter voer. Daarbij komt, dat voornamelijk de hanen, de ver over den snavel hangende kuifveeren in open drinkbakken nat
1) Dat dio Hchedelknobbel door kruiaintf on doorfokking verdwijnen kun, Koven wc too, doch dut hij âvan voorbijgaandon aard isquot; in dien zin, dat hij by toenomenden oudordom dor dioron of bij do tooit in oigon ras ook verdwijnen zou, meeneu we to mogen botwijfolon.
Ch. Cornovin, prof. aan de vooartHonynchool to Lyon, zegt in zijn âTraite do zootoohnio Bpocialo,quot; dat do volkomen ontwikkelde knobbel voorkomt bij do hoenders, die alleen eon kuif hebben, dat die lagor is, als or b\j do kuif ook nog een kam aanwezig is, eu gelieol ontbreekt bij dieren, die alleen eon kam bobben.
124
maken, wat niot alleen de kuif onoogelijk maakt, docli ook ongesteldheden aan kop en oogen medebrengt, alsmede de bijna allen kuifhoenders aanklevende onhebbelijkheid om do kuifveeren nit te trekken en die op te eten.
De dikwijls gehoorde klacht over hunne geringe productiviteit is echter meer van Duit-schen oorsprong; in Holland, Engeland en Frankrijk telt men enkele der gekuifde rassen onder de beste eierleggers.
Toch blijven de kuifhoenders eene aangename verschjj-Fig. n. Schodcl van hot i'adua-hoon. nintr in den hoenderhof en rechtvaardigen do liefhebberij, die men aan deze cn gene zijde van den Atlantischen Oceaan voor deze dieren heeft.
Aangaande de hoenders mot een volle kuif is nog op te merken, dat de kuifveeren bij den haan en de hen verschillend gevormd zijn en overeenkomen met de halsveeren van beide geslachten. De kuif van den haan bestaat uit lange, smalle, niet zeer regelmatig ingeplante voeren, precies zoo al» zijne halsveeren, doch iets korter en smaller en naar alle zijden uit elkander vallend. Bij de hen daarentegen staan de korte, afgeronde, schub-achtige voeren dichter en regelmatiger en de kuif verkrijgt dientengevolge een voller, meer gesloten voorkomen.
De kam is des te kleiner, naar mate de kuif grooter is; voor 't overige verschilt hij in vorming en komt als raskenmerk nauwelijks in aanmerking.
Wij doelen de kuifhoenders â zonder evenwel bijzondere waarde aan deze indeeling te hechten â in naar den vorm der kuiven, met inachtneming van den baard en de voetbevedering.
u. Kuifhoenders
met volle, ronde kuif; kinlellen, zonder baard; naakte pooten; verschrompelden kam.
24. Hollandsche Witkuiven.
Al houdt men ook niet met Pallas, Wright e. a., dit ras voor het schoonste van allen, dan is het toch ongetwijfeld een der fraaiste en om zijn zachten en vertrouwlijken aard ook een der aangenaamste. Jammer, dat de Holl. Witkuiven over 't geheel wat wcekehjk zijn; een vochtige, ondoordringbare bodem, waarop het regenwater staan lil ij ft, maakt ze licht ongesteld en moeielijk te genezen; een droge, zandige of kalkachtige bodem is voor hen de beste. Doch ook dan nog vereischen zij voldoende
125
beschutting tegen regen en natki zoowel als tegen koude. In gunstige omstandigheden zjjii het uitmuntende legkippen en worden in vruchtbaarheid schaars door andere rassen overtroffen. Daar zjj slecht broeden, leggen zjj meestal onafgebroken door, waardoor zij dikwijls zoo verzwakken, dat zjj zelden weder te genezen zijn. De niet meer dan middelgroote eieren zjjn zuiver wit van kleur en zeer smakelijk. Ook hun vleesch is goed, hoewel niet tot vet worden geneigd. Een goede haan weegt 2.5, eene hen 2 kilogram.
De haan moet een levendig, koket uitzienden kop hebben met zwnren schedelknobbel en een matig langen, goed geproportioneerden snavel; kam niet aanwezig of nauwelijks merkbaar, op zjjn hoogst worden 2 kleine punten gedoogd; kinlelien lang, dun en goed afhangend; oorlellen klein, glad en langrond. De kuif is rond, groot en zoo vol mogelijk, straalsgewijze uitgespreid, van voren rechtop, van achteren afhangend; de kuifveeren komen bjj beide geslachten met de halsveeren overeen; hals matig lang eu zeer rechtop gedragen, statig gebogen en vol sier voeren. Romp over 't geheel sierlijk en niet zwaar, wat breed in do schouders en smal in liet zadel, dat niet zeer rijk bevederd is. Vleugels goed geproportioneerd en sierljjk gedragen. Borst rond, vol en zeer naar voren gedragen. Djjen kort, loopbeen tamelijk kort, slank en volkomen glad; teeneu middellang en dun. Staart groot en sterk bevederd, bijna doch niet geheel loodrecht gedragen (geen eekhoornstaart). Middelgroot, gemiddeld gewicht '2.5 kilogram, (ie-stalte tameljjk klein, maar gedrongen en sierlijk. Houding zeer trotsch en pronkerig.
De hen heeft een zeer dichte en volle, stevige; kuif, de staart wordt een weinig waaiervormig uitgespreid gedragen. Zij is van minder dan gemiddelde grootte en weegt gemiddeld 2 kilogram. Gestalte zeer sierlijk; houding koket en nieuwsgierig.
De hoofdkleur der I loll. Witkuiven is zwart met witte kuif. Deze laatste, welke geheel zuiver wit moet zijn, mag op zijn hoogst eenige zwarte veertjes aan het voorhoofd hebben. Het gevederte moet diep en schitterend zwart zijn; de snavel hoornkleurig of zwart, de pooten donker leikleurig, bijna zwart; gezicht, kinlelien en oogen rood, oorlellen wit.
Andere variëteiten, als blauwgrijze â- van de kleur der Andalusiërs â witte, koekoekveerige en chamois, zijn zeldzaam en komen gedeeltelijk ook met een baard voor, in welk geval zjj tot de Padua's gerekend moeten worden. Op het fokken van zuiver ivitlc exemplaren met zwarte kuif zjjn reeds hooge prijzen gesteld; voorjaren moeten ze in Engeland bestaan hebben en de grootste en hardste van alle variëteiten geweest zijn. Latere proeven om ze op nieuw te kweeken, zijn echter mislukt; daar er van do zwarte witkuiven echter soms witte kuikens vallen, is het mogelijk, dat het
120
toch gelukken zal, deze zoo gewenschte variëteit weder te voorschijn te roepen. 1)
De Witkuiven zjjn als nuthoen alleen wegens hunne groote eierproductie aan te bevelen; doch de hier bovengenoemde bezwaren, en vooral hunne weekelijkheid, maken, dat ze toch eigenlijk meer als sportdieren moeten worden aanbevolen.
Tot de Holl. Witkuiven zou men ook nog vele van een volle ronde kuif voorziene, gladbeenige landhoenders kunnen rekenen, die reeds voor lang overal in Europa en Azië bekend zijn en misschien als de stamouders der te0vn woordiquot;'o Witkuiven â evenals de van een baard voorziene land boenders
ö O
als die der Padua's en Uilebaarden â zijn te beschouwen.
b. Kuifhoenders
met volle, ronde kuif, vollen baard zonder kinlellen; kam van geen betee-kenis, nauwelijks zichtbaar; onbevederde pooten.
25. Padua's, Common Polish Fowls.
De Padua's onderscheiden zich van de Holl. Witkuiven eigenlijk alleen door de aanwezigheid van een kin- en bakkebaard, de totale afwezigheid van kinlellen en nog geringere overblijfselen van den kam, die overigens,
wanneer bij toch te zichtbaar is, door lieden, die het niet zoo nauw nemen, dikwijls kunstmatig verkleind wordt.
De Padua's zijn grooter, sterker, en harder dan de Holl. Witkuiven, gedijen even zoo goed in een beperkte als in een groote ruimte â als ze namenljjk tegen koude en vocht beschut zijn â zijn goede eier- en vleeschproducenten, doch slechte broedsters; 't zijn ontegenzeggelijk fraaie sierhoenders en als zoodanig dan ook de lievelingen der dames.
Als nuthoenders zijn ze echter moeiljjk aan te bevelen; het grootbrengen der kuikenseischtgroote
. zorff en gaat â al is het ook in mindere mate
Fitf. 45. I'iulun. 0 0
als bij de Witkuiven â met veel moeite gepaard.
De stamouders van onze Padua'sââ de Polverara-hoendersâdaarentegen hebben een groot weerstandsvermogen en groote waarde als nuthoenders.
1) Al» do berichten waar zyn, is dit vraagstuk inmiddels opgelost door den hoor J. li. Bruskay te Weenon.
127
Deze eclde Padua's ââ Polver,ara is een vlekje in de onmiddellijke nabijheid van Padua (Italië) â worden daar reeds gedurende ongeveer 5(JU jaren gefokt, en voor 7 a 8 jaren gelukte hut L)r. ü. Finch te Delinenhorst, een kleinen stam van deze hoenders rechtstreeks van Polverara machtig te worden. Naar alles, wat hij hiervan meldde, is dat oude ras zeer productief'
en verdraagt hot klimaat van N. Duitschland (omstreken van Bremen) zeer goed. Natuurlijk dragen deze hoenders niet het Padua-type, zooals dat tegenwoordig gefokt wordt; ook komen zij alleen in de oorspronkelijke zwarte kleur voor en zijn misschien juist daardoor zoo kloek, ongevoelig en vruchtbaar.
De eieren der Padua's zijn middelgroot en min of meer zuiverwit. Het algemeen karakteristieke komt met dat van de ïïoll. Witkuiven overeen.
128
Het gewicht is bij den haan '2,11 A 2,8 kilogr., l)ij de hen 2 kilogt. Wat do Meurslagen aangaat, liet volgende:
In Engeland, â ook in Holland, België en Duitschland â zijn vooral drie kleursliigeu zeer gezien en op de tentoonstellingen ruimschoots ver-tegenwoord igd.
1. Dn /ilverlakensche, âSilverspangled Polishquot;. Haan en hen beide
moeten licht roode oogen hebben, een lood- of blamvgrijzen snavel, lood gezicht en loodgrijze pooten. De haan is gekleurd als volgt: kuifveeren aan den wortel zwart, in het midden wit, aan de punt zwart gevlekt; baardveeren geheel of bijna geheel zwart; halsvecren wit met een zwarte overlangsche vlek aan de punt. llug-, schouder- eu elleboogveeren wit.
12f)
evenals de hals- en zadelveeren docli breeder zwart gevlekt. Vleugeldek-veeren wit met een zwarten zoom, die aan de punt het breedst is en twee symmetrische dwarsbanden over de vleugels vormen. Kleine slagpennen wit met een smallen â aan de punt iets breederen â zoom; groote slagpennen als de kleine, zadelveeren aan de basis schitterend zwart, verder wit en met zwarte vlekken aan 't eind; borstveeren evenals benedenhals-, buik- en djjveeren wit, met flinke, halvemaanvormige punten, die dikwijls in zoomen overgaan en duidelijk maar niet zwart moeten zjjn. Staartveeren wit of grijs met zwarte vlekken aan de punt,
de sikkelveeren evenzoo;
staartdekveeren min of meer grijs in het midden, met breeden, zwarten, groen schitterenden zoom. (Fig. 4()).
De hen heeft in het eerste jaar zwarte, fijn wit gezoomde knifveeren,
die later wit met zwart gezoomd worden. I )c halsveeren zjjn wit met zwart gezoomde punt: de borstveeren evenals bij den haan. Het overige gevederte is wit met zwarte omzooming, ook de kleine slagpennen; aan de punt der veeren zijn de zoomen iets breeder. Fig. 47.
2. Goudlakensche Padua's, Fig. 48, âGolden-spangled Polish.quot; Beiden, haan en hen, komen in teekening met de Zilverlakensche overeen, doch de grondkleur is goudgeel of oranje of, beter nog, goud-okerkleurig; de kleur der teekening is eveneens zwart.
3. Chamoiit-Padua's of Victoria /'.; grondkleur een fraai ledergeel, geel of chamois â roodgeel is het meest gezien â; teekening als bij de vorigen, doch wit en gewoonlijk meer gevlekt dan gezoomd.
Behalve deze 3 iioofdvariëteiten zjjn er ook nog geheel witte, geheel zwarte, blanmgryze, koelioehvcprirjc, hermine* of iiorerleinidfurkjn Padua's; al komen deze kleurslagen ook niet veelvuldig voor, zoo ziet men ze toch vaker bij Padua's dan bij Witkuiven.
Baldamijs, Plulnivoeteelt. 9
130
Eon wat forschei' slag' van dit ras, met oen smallere, naar voren gerichte, tamelijk dichte kuif', welke liij de hen wat breeder is, heeft men in de
26. Brabanters.
Zjj komen over 't geheel met de Padua's overeen, ook in hunne huis-houdelijko eigenschappen - goede legkippen maar twijfelachtige hroedsters â en hebben dit voorrecht, dat hunne kuif niet zoo hinderlijk en daardoor in eene betere conditie te houden is, dan dit gewoonlijk bjj van een volle kuif voorziene hoenders het geval is.
De eigenaardige kuifvorming geeft hun â en vooral den haan â een koene, trotsche uitdrukking, welke ook uit hunne geheele houding spreekt. De kuifvorming der Brabanters is zoo eigenaardig, dat men deze hoenders even goed als vele andere een afzonderlijk rus zou kunnen noemen. Streng genomen zoude hun beter naast de La Flèches eene plaats toekomen.
Van de kleurslagen zijn er 2 of 3 bij voorkeur gezien: de Zilveiiakensclie, Goudlakensche en Chamois. De vlekken moeten zoo rond mogelijk zijn en regelmatig gevormd en verdeeld, de staartveeren met zwarte vlekken aan 't eind, de slagpennen eveneens, zoodat de vleugels zwarte banden verkrijgen.
Met weinige, wat aangaande het paren en fokken van deze zoo na aan elkaar verwante rassen valt op te merken, vatten we samen in het volgende. Daar de kuif de voornaamste eigenaardigheid dezer hoenders is, moet men natuurlijk alleen zulke dieren met elkander paren, welke de grootste en beste kuiven hebben. Miskleurige of korte kuiven, hoe goed de dieren overigens ook mogen zjjn, deugen niet voor eene tentoonstelling. Ook dient er wel op gelet te worden, dat de fokstam op zijn hoogst slechts geringe sporen van een kam vertoont en vooral dient men zich te hoeden voor het weder verschijnen van den weggefokten tweehoornigen kam. Voor de Padua's geldt als bijzondere regel, dat een fokstam, die benevens een goede, ronde kuif ook een grooten, vollen baard heeft, deze ook op zjjnc nakomelingen overdraagt.
De van een baard voorziene Padua's werden eerst in den laatsten tijd uit Holland, liet eerst door den heer John Daily, in Engeland ingevoerd; vroeger zouden ze echter ook in Holland zonder baard gefokt zijn. De bewering van den beroemden Engelschen pluimveehandelaar schijnt de opgave van J. L. Frisch te weerspreken, die onder den naam âEngelsche hoendersquot; Gallus anglicanus â een hoen afbeeldt, dat moeilijk anders dan voor een Zilverlaken Padua kan worden aangezien en door Pallas inderdaad ook als zoodanig beschouwd is (liet eenige werkelijke rashoen, waarvan Frisch melding maakt). Nu past echter de afbeelding van den
haan â Tabel l'i!) â slecht bij de bon â Tab. 1 ;iO â en evenmin de korte beschrijving. â âOnvermengde Engelsche hoenders zijn veel grooter van lichaam, hebben lange, dikke, echt blauwgrijze pooten, zjjn meestal hel grijs of' zilverkleurig (de afbeelding van de ben vertoont zeer nauwkeurige zwarte vlekken over het geheele lichaam, met inbegrip van kuif en haard; zadel- en staartveeren alsmede de kleine slagpennen zijn eveneens fraai, zwart gezoomd!) en op den kop van een dikken, breeden vederbos
voorzien. De banen.....zijn veel booger op de pooten en de kam gelijkt
op een kroon; (de afbeelding vertoont een in twee horens uitloopenden dubbelen kam, een kleinen doch normaal gevormden vederbos, rood gezicht en kleine kinlellen, wit met geel gezoomd gevederte, dat op den bovenrug bruinachtig schijnt, bruine, witgezoomde zadelveeren en hel grijze, zeer bepaald wit gezoomde sikkelveeren en blauwgrijze pooten). Hun geluid is
(liep en sterk, /ij leggen.....met verscheiden tusschenpoozen zeer groote
veeren.quot; Het paar past dus bepaald niet bijeen; wjj houden den haan voor een onzuiver witten afstammeling van de eene of andere kruising met witte Padua's, terwijl de ben beslist een zilverlaken Padua is en bewijst, dat vóór het midden der vorige eeuw ook in Engeland een groot slag Padua's bestond. Door Pallas (Zoogr. russo-asiatica II, pag. 88 en !gt;()) is overigens bewezen, dat om ongeveer dien zelfden tijd de goud- en zilverlaken-variëteiten in Rusland verbreid waren.
Wat het gevederte aangaat, zijn voor den fokstam donker geteekende exemplaren te kiezen, daar de Padua's de neiging hebben, iets lichter te broeden. De teekening moot zeer groot zijn en diep, doch scherp en zuiver begrensd, en daar men in den laatsten tijd breede zoomen â zie tig. 48 op pag. PiQ verkiest boven de eigenlijke gevlekte teekening en die als de eenige correcte wijze van teekening beschouwt, moet men bij de paring ook wel met deze mode rekening houden, als men op tentoonstellingen niet te kort wil schieten. Twee afzonderlijke fokstammen te houden is niet noodig, daar men van een paring van goede ouders ook goede banen en hennen krijgt, vooral wanneer de haan jong (éénjarig) is en de hennen '2 a .'i jaar oud, gezond en krachtig zijn.
De beste tijd voor de teelt is de maand April; de kuikens, die in deze maand uitkomen, gedijen op een drogen bodem bij eenige zorg zonder veel bezwaar. Ook blijft dan de kuif niet in ontwikkeling ten achter bij het overige gevederte, wat anders dikwijls het geval wil zijn. De grootte van do toekomstige kuif is reeds bij de kuikens zichtbaar, daar de kleine donzige kuiven bij deze roods aanmerkelijk in grootte uitoonloopen. Ook de baard is reeds in hun eerste jeugd merkbaar. Hij de goudlakensche is die vuil zwart en bruin, bij de zilverlakensche vuil groen. Do teekening ver-
132
krijgt eerst bij den tweeden rui haar eigenlijk karakter; in liet eerste vederkleed vlooit die ineen en is vlekkig.
De Chamois zijn, niettegenstaande zij maar teer uitzien, zeer hard te noemen en zonder twijfel een kruisingsproduct van goudlaken en witte Padua's; zij kunnen door paring van een goeden goudlaken haan met goede, zuiver witte hennen gemakkelijk gekweekt worden; â het zwart der teeke-ning verandert volgens do bekende verkleuringswet in wit en dit maakt de grondkleur van den donkeren haan lichter. Heeft men de gewenschte kleur verkregen, dan is het even gemakkelijk door een verdere teeltkeuze zoowel de grondkleur te wijzigen, als de witte teekening â vlekken of zoomen â zoo scherp, zuiver en regelmatig mogelijk te modelleeren.
De witte Padua's zjjn waarschijnlijk de grootste variëteit van alle en zeer fraai, wanneer de kleur zuiver wit is, doch zoo worden ze, helaas, slechts nog zelden gezien. Tegenover de meening van Wright, die de witte P. van zilverlakensche laat afstammen, stellen wij als de onze, dat ze ton minste ouder zijn dan deze, die toch bepaald een meer zorgvuldige kweeking ver-eischten. Baron Yilla-Secca verklaart overigens de witte Padua's voor âde beste legsters.quot;
Tegenover de groote untie Padua's staan de zeer kleine zivarte, welke eigenljjk nauwelijks onze aandacht waard zijn.
Hetzelfde is van de koekoekveerige te zeggen. Die teekening, hoe ook bij menig ander ras gezien en geprezen, staat de Padua's niet zoo goed. Wie ze echter, om een complete collectie van dit ras te krijgen, gaarne zou willen hebben, kan ze op de aangegeven wijze gemakkelijk kweeken.
De hlauwc, of grijze Padua's komen in kleurschakeering volkomen met de Andalusicrs overeen en zjjn, volgens Wright, een kruisingsproduct van zwarte en witte Holl. Witkuiven, daar hunne nakomelingen, die zelden goed in de kleur uitvallen, of die kleuren of de koekoekteekening dragen, of wel grijs zijn; menig grijze of blauwe heeft ook de witte volle kuif der Holl. Witkuiven.
Vroeger waren er in Engeland, en misschien ook elders, 2j7««r/)e/-Padua's, die in de teekening zeer sterk op de zilverpel-Hamburgers geleken en een volle kuif en baard hadden, 't Zou wel do moeite waard zijn, dit zeer fraaie slag weder uit de dooden op te wekken, misschien door kruising van een sterk geteekenden zilverpel-Hamb.-haan met een witte Padua-hen. Bij de paring der Hollanders komt het er voornamelijk op aan, dat de haan cone zoo vol mogelijk, kogelvormige kuif heeft, waarvan op zjjn hoogst enkele dor voorste voeren zwart zijn; do hen behoeft in dit opzicht niet onberispelijk te zijn. Geheel volkomen en totaal witte kuiven komen zelden of nooit voor; zij worden dit alleen door het uittrekken der donkere veeren.
133
die natuurlijk toch weder te voorschijn komen. Bij geen enkel ander ras wordt zeker zooveel gepoetst en âverbeterdquot; als bij de Holl. Witkuiven en er behoort een scherp oog en veel practische kennis toe om deze bedriegerijen bij aankoop of' op tentoonstellingen te ontdekken.
De kuikens gaan algemeen door voor zeer weekelijk en moeilijk groot te brengen en dat is tot op een leeftijd van 5 a 6 weken ook werkelijk zoo. Zoo nog gezond, vermageren ze plotseling, laten de vleugels hangen en sterven. Dat is hun proeftijd; hebben zij dien gelukkig doorgemaakt, dan worden ze even Sterk als andere kuikens. Een toegift van gestremde melk, gekneusd hennepzaad en maden of wormen van rottend vleesch, die men ter zuivering eerst eenige dagen in zemelen bewaart, bjj het gewone voer, brengt ze meestal door deze gevaarlijke periode. Wil men ze in de hand nemen en pakt men ze daarom van achteren plotseling beet, dan sterven ze dikwijls in de hand van angst en schrik, waarom het aan te bevelen is ze eerst vriendelijk toe te sproken, vóór men ze in de hand neemt, en overigens allo onverwacht geraas zooveel mogelijk te vermijden.
f. Met bevederde pooten en teenen.
i27. Turksdic of Sullanhoeiuiers.
Deze zeer fraaie hoenders werden voor ongeveer 35 jaren direct uit Konstantinopel in Engeland geïmporteerd, waar zij den naam Sultan hoenders dragen. Zjj gelijken veel op de witte Padua's, maar hebben een rijkeren vedertooi, kortere en tot op de teenen goed bevederde pooten met flinke âgierhakkenquot; en 5 teenen.
Zij zijn levendig en opgewekt van aard maar teer van gestel en niet gemakkelijk groot te brengen. Zij leggen goed â de eieren zijn groot en wit â broeden slecht, zijn niet zeer vraatzuchtig en zijn even als alle rassen met bevederde pooten, die niet krabben, juist geschikt voor grasperken, die men lang groen wil houden.
De echte Sultans zijn iets kleiner dan do Padua's, hebben zuiver wit gevederte met een volle, dichte en sierlijk hangende kuif, grooto kin- en bakkebaard, een vollen, golvenden staart â kortom, zijn rijker versierd dan alle andere hoenders. De kam bestaat slechts uit '2 kleine punten; de kin-lellen zijn zeer klein; 't gezicht en de oorlellen door den dichten baard bedekt. De matig lange, rijkelijk met lange voeren versierde hals wordt zeer rechtop en gebogen gedragen. De romp is gedrongen en diep, de borst diep en naar voren gewelfd. De haan weegt -i,lt;S a '2,3, de hen om de 1,8 kilogram.
134
In liuiinc houding liorinncrcn zij aan do IIoll. Witkuivon, doch zijn lager op do pooton.
Dozo prachtige hoenders schijnen echter in Engeland nog vrij zeldzaam te zijn en het is, niettegenstaande alle moeite, nog maar eenmaal gelukt, door directen invoer versch bloed te bekomen. Vele der voor Sultans uitgegeven hoenders zijn eenvoudig kruisingsproducten van AVitto Padua's of Holl. Witkuiven.
Uit kruisingen met hooger Vip de pooten staande rassen stammen naar
alle waarschijnlijkheid ook de tegenwoordig bijna go-heel verdwenen
Ptarmigans â tenzij men ze als verbasterde nakomelingen van vroeger ingevoerde Sultans wil beschouwen â- die zich alleen door de merkwaardig lange pooten van do
Sultans onderscheiden. Die lange pooten geven de dieren natuurlijk een geheel ander aanzien, eene geheel andere houding. Zij waren wat kleiner van lichaam dan de Sultans, even zuiver wit als deze, voorzien van kuif, baard, gevederde pooten en gierhakken en van zeer zwakke constitutie, misschien de oorzaak van hun langzaam verdwijnen.
Bij het fokken van Sultans heeft men er vooral voor te zorgen, dat beide ouders een volle kuif hebben, die in dubbele heteekenis het hoofdsieraad van dit fraaie ras is. Ook moet men op de been- en voetbevedering letten, alsmede op den vijfden teen. IJeide kenmerken zijn in den laatsten tjjd wel wat onzeker geworden, misschien ten gevolge van kruising met witte Padua's of Holl. Witkuiven. Zelfs de in fig. 49 afgebeelde bekroonde exemplaren bebben een te zwakke voetbevedering en geen vijfden teen.
De sporen van den haan hebben een merkwaardige neiging tot lang en
135
krom worden, zoo zolfs, dat bij oudo (lieren de spoor soms geheel gebogen is en met zjjno })Uiit liet loopbeen raakt. Men knipt ze met een scherpe schaar eenvoudig af.
Behalve do origineele kleur â zuiver wit â kent men ook züverkleuriije en zwarte Turksche hoenders, welke vooral in Frankrijk en België onder den naam l'oides du serail (Serail-hoenders) of l'otilcs Snllancs gekweekt worden.
Of deze door Weueh genoemde zilvergrijze en zwarte Sultanlioendcrs echter zuiver van ras of kruisingsproducten zijn, wagen we niet te beslissen; wij maken er slechts op gezag van dien kenner melding van.
C. BAARDHOENDERS.
Zonder kuif, doch met zwaren baard.
'28. Uïlehaarden.
Dit sierlijke, slanke ras met den vreemd uitzienden kop is blijkbaar met de kleinere kuif hoenders verwant. Wat de grootte aangaat, ongeveer het midden houdend tusschen de Hamburgers en Holl. Witkuiven, hebben zij ook in houding en beweging iets van het elegante van eerstgenoemde en bereiken zij de vruchtbaarheid van het andere hoenderras.
De Uilebaarden moeten reeds voor meer dan 100 jaren in Ruhla in liet Thuringerwoud zuiver gekweekt zijn en zich van daar noordeljjk tot in don llarz en zuidelijk tot Frankenland en misschien nog verder verbreid hebben. In den loop der tijden waren ze echter door kruising dermate verbasterd, dat in Ruhla zelf in het jaar 1N80 nog slechts een '20 tal raszuivere stammen aanwezig waren, wat ten gevolge had, dat de Verecniging van pluimveefokkers aldaar liet voor dit verwaarloosde ras opnam en in 1881 eene beschrijving ervan gaf in de Dresdener âBlatter fiir Gefliigelzuchtquot;. Hiernaar en naar Durlgens âKenzeichen der Hühnerrassenquot; krijgen we de volgende beschrijving:
De kop van den haan is betrekkelijk klein en rond, niet heldere, vurige oogen en roodbruine iris; de snavel is kort, aan den wortel dik, zacht gebogen en licht of donker hoornkleurig, met kleine, spleetvormige neusgaten; de oorlellen zijn klein, roodachtig wit en geheel door den baard bedekt; de kam moet niet groot zjjn, enkelvoudig, rechtopstaand, regelmatig doch niet diep getand; de kinlellen zijn zeer klein en nauwelijks zichtbaar; de baard is een volle, over de wangen en onder de kin doorloopende ringbaard en komt eorst in het tweede jaar tot zijn volkomen ontwikkeling. De korte, gedrongen hals is eeu weinig gebogen en van achteren zeer sterk
I3fi
bevederd, üe borst is rond en vol, weinig naar voren gewelfd, doch met hals en buik een fraai gebogen lijn vormend, terwijl de korte en ecnigszins breede rug zich eveneens boogvormig met het zadel vereenigt. 13e middel-groote vleugels worden vast tegen het lijf gesloten gedragen; het zadel is rijk met sierveeren getooid, de staart is groot en breed, heeft fraai gebogen sikkelveercn en wordt bijna loodrecht gedragen, Pooten middelhoog met
korte, stevige dijen, onbevederd, leiblauw loopbeen en vier matig gespreide, middellange, dunne en eveneens leiblauwe teenen; de sporen zijn dik en scherp.
De hm is (behalve het geslachtelijk onderscheid) aan den haan gelijk, doch kleiner en bevalliger en heeft een kleineren kam en baard.
Het govederte is rijk, dicht en goed gesloten, 't Aantal kleurslagen is groot, n.1. zwarte, zilver- en goudlaken, Chamois, koekoekveerige, gele, witte blauwgrijze en gepelde. Bjj de zwarte, do zilver- en goudlakensche is de baard zwart, bjj de andere variëteiten komt die met het gevederte overeen.
Ook treft men moorkoppen aan â¢â gevlekte niet zwarten kop en staart.
De Uilebaarden munten uit door hardheid, zijn gemakkelijk groot te brengen, zoeken ijverig naar voeder en leggen bij een vrijen uitloop rijkelijk eieren, die 50 a 60 gram wegen.
Dr. Lenz heeft uit goudlaken Uilebaard-hennen en goud-Bantams een basterdras gefokt, dat hij goud-Bantamiden noemt; in kleur en gestalte ko-
137
men zij met lt;lc Bantams overeen, doch hebben overigens de eigenschappen dor Uilebaarden; zij zijn deels niet, deels zonder baard.
]Je Hollandsche Uilebaard komt geheel niet den hier beschreven Thurin-ger (Bausbackchen) overeen, doch heeft oen zeer kleinen uit twee horenvor-mige punten bestaanden kam.
VII. Naaklhalshocnders.
i*(J. liet Zcuenburjsche Naaklhalshoen.
Volgens baron Vii.la-Secca zijn do Naaktiialzon liet eerst door het echtpaar VoiN'SziiiiEMi.iiv (waarnaar ze in Hongarije ook wol genoemd worden), doorLouisii van IloiiENfiKiioâOniieuka e. a. bekend geworden, die ze in Zevenbergen en Hongarije aantroffen, zonder een spoor van hunne eerste verschijning aldaar te kunnen vinden, üt' de naam âTürkenhulinquot; op hunne afkomst uit Euro-peesch of Aziatisch Turkije duidt, is twijfelachtig, omdat daar tot nog toe niet het minste bewijs is te vinden en de volksmond gaarne het opvallend vreemde âTurkschquot; noemt.
Hierin komen alle berichten echter overeen, dat de Naaktiialzon zeer vleezig zijn, zich gemakkelijk laten mesten en beste legkippen zijn; ook worden zij geroemd als goede broodsters en moeders. Voegen we hier nog bij, dat zij buitengewoon hard en volstrekt niet kieschkeurig zijn, dan moeten we bekennen, dat dit ras alle voordeelcn in zich vereenigt, welke uit een economisch oogpunt beschouwd verlangd kunnen worden. Evenwel â broed-lust en veel eieren gaan moeilijk samen! Doch, de overige eigenschappen zijn reeds voldoende om dit ras tot zeer te waardeeren nuthoenders te maken.
Waren ze maar niet zoo afschuweljjk leelijk, die aan de naakthalzige gieren herinnerende hoenders!
Wat de Naakthalshoonders op het eerste gezicht van alle andere hoenders onderscheidt en ook bij andere niet voorkomt, is het totale gemis van voeren aan den hals en een deel van den kop; alleen de schedel is goed bevederd, of moet dat ten minste zijn. Of de naaktheid der onderste doelen âvooral bij den haanquot; ook als een raskenmerk is te beschouwen, zullen we laten voor 't geen het is; 't is in elk geval geen voordeel, op welks bereiking men zich behoeft toe te leggen.
Bouw en houding van liet lichaam leveren ook oen goed raskenmerk. De stevige en daarbij gestrekte ledematen â hals en pooten â- doen wel aan de Maleiers denken, doch zijn in verhouding tot den romp toch forscher en de pooten zelfs plomper en korter. Toch verschilt de houding ook nog zeer van die der Maleiers: ze is bijna waterpas en herinnert in rust en beweging beide aan de gieren (Gen. Gyps, Vnltiir Neophron) der Oude-
138
Wereld; zelfs do bevedering der dijen â gierhakken, indien die aanwezig zijn â vergroot nog do overeenkomst.
Hij beide geslachten is de kop middelgroot en langwerpig; de snavel tamelijk kort, sterk en geel van kleur; de kam is of een getande schelpkani of enkel, scherp getand en middelhoog; het gezicht naakt en bloedrood; de oogen levendig; de oorlellen in geringe mate ontwikkeld. Du totaaluitdrukking van den kop verraadt een moedigen, doch niet wilden, zelfs eerder zachten aard. De bevedering van den kop begint ter weerszijden van den kam cn reikt aeliter dozen tot aan het achterboofdsgat; zij schijnt wegens de naaktheid der overige doelen van den kop cn wegens de losheid dor
voeren kuifvormig, zonder eehter een werkelijke kuif te vormen. De kin-lellen zjjn naar verhouding klein te noemen, rond en evenals de lange gespierde hals bloedrood. Het naakte gedeelte strekt zich uit tot aan den halswortel, doch wordt hij de hanen onderbroken door een soort van veeronkrans in het midden van de kopstreek, welke krans echter soms ook bij de hen voorkomt en meestal het naakte gedeelte begrenst. De romp is compact, ja plomp, en deze plompheid lijkt door de naaktheid van den hals grooter dan zjj werkelijk is; de borst bijv. is wel vol maar niet bovenmatig vleezig. De vleugels zijn middelgroot.
De korte, tamelijk breede staart is ook bij de hanen âhennenveerigquot; cn wordt niet zeer hoog gedragen; de dijen hebben vrij lange âgierhakkenquot;; het loopbeen is stevig en dik en lijkt daardoor korter dan het is, naakt of
139
zwak bevederd en helder geel evenals de snavel, üe teenen zijn stevig-en daarbij tamelijk lang. Do hennen onderscheiden zich van do hanen alleen door de gewone geslachtsverschillen.
De Naakthalzon komen meestal als licht- en donker kovUoehvearicj voor, doch wille, zwarle, bmite, gcelhruinc, food vale enz. éénklenrig en gevlekte zijn niet zeldzaam. Als do koekoektoekening werkelijk de oorspronkelijke is, dan heeft Wcber gelijk, wanneer hjj als standaardkleuren koekoekveer, zilverpd on wil aanbeveelt.
Over de waarde als nuthoen zijn, zooals reeds is opgemerkt, allen hot eens: jonge hennen zonden zelfs bij de strengste koude beginnen te leggen en Mevr. van Szeremley schat hot gemiddeld aantal eieren; âpor jaar en per kip op lGO a t200, meteen gewicht van 00 a 70 gram,quot; wat, de broodlust en moederliefde in aanmerking genomen, zoor voel is. Zij geleiden de kuikens beter dan ieder andor(?) hoen, zijn merkwaardig gehard, do kuikens groeien zonder bijzondere voorzorgen vroohjk op en stollen zich mot weinig tevreden, hoewel de meeningen over het voedorkwantum uiteen loopen. Toch zal baron Villa Socca in zijn recht zijn, wanneer lnj liet âgroote, sterke, goed gebouwde hoen als oene zeer te waardeoren aanwinst voor de pluimvooteeltquot; aanbeveelt.
Kruisingen met andere naverwante rassen schjjnon nog geen bevredigende resultaten te hebben opgeleverd.
Niettegenstaande de vele geloofwaardige berichten aangaande do uitstekende huishoudelijke eigenschappen van dit ras, gelooven we toch -â en juist wegens zijne origineele kenmerken â niet aan oene belangrijke verbreiding ervan, 't Is zeker niet ieders smaak, deze â eerlijk gesproken -- als hoenders zeer leolijke schepselen op zijn erf te zien rondloopen; zoolang er nog hoenders zijn met meer âappetijtelijkequot; witte halzen, zullen ze als tafelhoenders ook niet erg in den smaak vallen en de sport kan ook niet beweren, dat er met het kweeken van dit ras iets ideaals te bereiken valt. Dat de liefhebber hot om de rariteit dan verder fokke, opdat hot â wijl liet toch werkelijk interessant is behouden blijve!
Tweede rubriek. Niet geklassificeerde rassen en variëteiten.
Ofschoon deze rubriek eigenlijk oen geheel willekeurige is, meenden wij haar toch maar te moeten behouden om er die rassen en variëteiten ouder op te nemen, die minder karakteristieke eigenschappon bezitten en daarom nog tot de niet-klassehoenders worden geteld, ofschoon ze gedeeltelijk op alle tentoonstellingen worden aangetroffen. Enkele komen maar zelden voor, hoewel men er onder aantreft, die uitstekende eigenschappen bezitten.
140
4. Dwerghoenders. Dumpies. Courles-palles, Krüper.
Dit ras, dat ook Babies, (lo-l(iilt;jlis enz. wordt genoemd, was vroeger in Schotland zeer gezien, doeh seliijnt tegenwoordig snel uit tc sterven 1). Het eigenaardige ervan bestaat in de buitengewone kortheid van liet loop-been, dat dikwijls niet meer dan 38 millimeter is, terwijl ze een groot lichaam hebben van het type der Minorca's. Zij hebben een fraaien, enkelen, rechtopstaanden kam, een vrij grooten staart met goede sikkelveeren. De kleuren zijn zwart, wit, honl en koekoekveerig (als de Scotch Greys). Het gewicht van de hen bedraagt ongeveer '2,7 kilogram.
Hot zijn voordeelige, harde dieren en uitmuntende tafelhoenders, 't Zou jammer zijn, als zij werkelijk uitstierven, daar hunne korte pooten bij een groot lichaam en hunne sterke constitutie zeer te waardeeren zijn, ook voor kruising met meer langbeenige rassen.
Zeer nauw aan de Dumpies verwant, of misschien identiscli daar mede, zijn de Pransche Courtos-pattos en de Duitsche Dashoonders of Krüper. Alle deze hebben de korte, vederlooze pooten, den middelgrooton of kleinen romp, den grooten, van fraaie sikkelveeren voorzienen staart en den moeilijken, loggen gang met elkander gemeen.
De Schotselie Dumpies komen alleen nog koekoekveerig voor, de Franscho Courtes-pattes meestal in zwart; in Duitschland en vooral in Westfalen zijn de Krüper voornamelijk bij de geringere lieden nog zeer gezien, omdat zij op den akker en in den tuin geen schade aanrichten door te krabben, integendeel zeer nuttig zijn door het opzoeken en verdelgen van ongedierte. De Westfaalsche of Bergsche variëteit kan als kortbeenige zwarte âSchlotterkamquot; worden beschouwd. Daar het Dwerghoen in alle landhoen-kleuren voorkomt, wordt het ook als âsportdierquot; gefokt in zwart, wit. zwart en wit, zilver- en goudhalzig, alsmede patrijs- en koekoekveerig en blauw.
Als legkip en als tafelhoen hebben zij een goeden naam en zijn daarom aller aandacht waard.
2. Belgische of Mcchelsche Koekoek. â Coucou de Malines.
Deze variëteit, hoogstwaarschijnlijk een afstammeling van het Breda-hoen, dat door vermenging met Aziatisch bloed grooteren lichaamsomvang heeft gekregen, heeft werkelijk groote landhuishoudelijke betoekenis. Zij levert de beste, âBrusselschequot; poulardes en moet daarvoor fijn van vleesch ongoed
1) Edw. Brown maakt er in zijn âPleasurahle Poultry Keepingquot; (1894) ten minste in 't gühool geen melding meor van.
141
niostbaar zijn; ook heeft /ij den naam van zeer hard en vroeg rjjp te zijn, goed te leggen, ook in den winter, â eieren van 60 a (gt;5 gram gewicht â¢â⢠goede moeders en gemakkelijk op te kweeken.
In voorkomen en houding herinnert dit hoen aan de Plymouth-Rocks en is groot en zwaar; de haan weegt van 4 a 5, de hen van Ha 4 kilogram. De dikke en tamelijk lange kop wordt hoog gedragen, heeft een sterken, middellangen, een weinig gebogen, roodachtig witten snavel en een enkelen, recht-opstaanden, 4 a (i centim. hoogen kam,
welke breed en stevig op neus. voorhoofd en schedel staat, van achteren naar boven afgerond en regelmatig getand is; bij de hen natuurlijk kleiner dan bij den haan. Het oog heeft oen gele of roode iris en is groot en levendig van blik. Het gezicht is rood, fijn van weefsel en zoo mogel ijk geheel vederloos. De goed ontwikkelde, roode oorlellen zijn langwerpig rond, liggen vast tegen den kop en reiken tot ongeveer een derde der kinlellen, welke lang, breed en goed gerond, fraai van kleur en bij de hen korter zijn. De breede en betrekkelijk korte hals is sierlijk gebogen en bij den haan rijk-van sierveeren voorzien, die tot op de schouders neerhangen. De romp is groot, diep en breed, zeer vleezig en massief, maar zonder zoo poffig bevederd te zjjn als de bij Cochins; de breede, volle borst heeft een lang en recht borstbeen; de rug is tamelijk lang, maar zeer breed, vooral in de schouders; het zadel is breed on afgerond, loopt naar don staart toe niet op en heeft bij den haan fraaie sierveeren; de middellange vleugels worden vast tegen 't lijf gedragen, de matig lange staart loopt schuin op; bij den haan is deze ruim van kleine sikkelveeren voorzien; de groote sikkels zijn nauweljjks middellang. De pooten zijn vrij lang, als bij de Plym.-Rocks, de dijen een weinig ver naar de zijden geplaatst en goed uitkomend, zeer
142
vloozig, vol en zacht bevederd, doch zonder gierhakken; liet loopbeen is zeer dik, vleeschkleurig en slechts aan de buitenzijde zwak bevederd, welke bevedering zicb over den buitensten en soms ook over den middelsten teen uitbreidt. Het gevederte is vol en zacht, doch niet 'weelderig en los als bij de Cochins; alleen het achterlijf is sterk met dons bezet.
De orgineele kleur is koekoekveerig; elke veer met donker blauwgrijze dwars randjes ot' golfjes op een licht grijze of blauwachtig witte grondkleur.
Ook is er reeds een witte variëteit gefokt.
3. Russische hoenders. Russian Fowls.
Onder dezen geheimzinnigen naam komt in Schotland en Noord-Amerika in verschillende kleuren een gebaard, ongekuifd hoenderras voor, waarvan men ten minste weet, dat de Schotsche oorspronkelijk uit Bengalen ingevoerd werden. Deze kenmerkten zich door een vollen kinbaard en kleine bakkebaarden; zij waren lederkleuruj doch ook wit, zwarl en gevlekt, hadden een gemiddelde grootte â de haan woog ongeveer '2,7 kilogr. â en gingen door voor zeer hard, voor goede leggers en bescheidene eters. Misschien dat zo in Schotland nog gevonden worden; in Amerika, waar zij herhaaldelijk, voor de tweede maal in 1X50, ingevoerd werden, gaat een zwarte variëteit ervan voor eene zeldzaamheid door.
Volgens de beschrijving van Edw. Brown zijn de Amerikaansche âRussian Fowlsquot; zwart met een levendig groenen glans en een buitengewonen rijkdom aan halsveeren, ofschoon de hanen oorspronkelijk roode halsveeren hadden, die weggefokt schijnen te zijn. Zij hebben een dubbelen of een rozekam â de laatste heeft de voorkeur en een zwaren baard, die de kam gedeeltelijk bedekt(l); de baard wordt zoowel bij de hen als bij den haan aangetroffen. De geheele gestalte is rond en gedrongen doch niet leehjk. Ze hebben eene gemiddelde grootte en een gele huid. Naar alle berichten te oordeelen, moeten hot beste legkippen zijn en meermalen 200 eieren per jaar opgeleverd hebben, misschien ten gevolge van nieuwen invoer; de eieren zijn echter tamelijk klein. Zij zijn goede broedsters en moeders, de kuikens hard en vroeg rijp.
Misschien zijn deze hoenders identisch met de âRussische of Astrakan-hoendersquot;, welke door J)r. K. Löftier zeer onvolkomen beschreven zijn en zijn zij van dezelfde afstamming.
4. Het Bolstaart- of Klomphoen. Rumpless Fowl.
De Bolstaarthoenders vormen een constant en werkelijk interessant ras, daar hun niet alleen de staartveeren maar ook de staartwervels ontbreken;
443
zo zijn dus in don voiston zin van liet woord slaarlloos. In Engeland worden ze ook nog Rumpkins en Persian (locks genoemd en in Duitschland Kaul-, Ktihl-, KluU-, Khonjihiihner en Klïiler,
Verscheidene natunrvorscliers hebben dit ras als een bijzondere hoender-soort of ten minste als een ondersoort beschouwd, zeker meest in de veronderstelling, dat Aldrovancli's Gallus Persicus werkelijk een wilde soort zou zijn. Tkmminck, Ch. Luc. Bonaigt;aiiïe en andere ornithologen noemden ze Gallus ecaudatus en namen op Sonnini's bericht aan, dat do wilde soort in de wouden van Ceylon leeft en door de inboorlingen Wailikikilli = Boschhoen wordt genoemd, üe uitstekende ornitholoog E. L. Layard echter heeft dit hoen oj) Ceylon alleen in getemden staat aangetroffen, en hem mag men geloof schenken, daar een wilde soort, als die daar bestaan had, niet aan zijn scherpen blik ontsnapt zou zijn. Ook vertelde men hem daar, dat het getemd uit China was ingevoerd, wat de Ceylonsche naam Choki-kukullo = Cochinhoenders eveneens te kennen geeft, terwijl de naam Wailikikilli = Djungelhoen voor de hen van Gallus Sonnemii Temm. gebruikt wordt 4).
De Bolstaarthoenders zijn reeds sedert eeuwen in Europa bekend en waarschijnlijk uit China over Perzië ingevoerd. Ook is er niets tegen om aan te nemen, dat zij zich op verschillende punten der aarde gevormd hebben en langzamerhand constant zijn geworden. De ontbrekende staart-wortel, in verband met den insgelijks onthrekenden laatsten staart wervel, kon op den langen duur zeer goed zoo constant worden, dat deze eigenaardigheid zelfs bij kruisingen in de meeste gevallen behouden blijft. Daardoor wordt tevens het feit verklaard, dat de Bolstaarthoenders in sommige streken, en niet alleen van Amerika maar o. a. ook van Duitschland, talrijker zijn dan de overige land- of ook wel rashoenders; de liefhebberij voor deze âspeling der natuur,quot; zoowel als de bijzonder goede eigenschappen, welke men hun hier en daar toeschrijft, hebben verder het overige gedaan, trots de dikwijls voorkomende onvruchtbaarheid der eieren.
Alle verschillende Bolstaarthoenders hebben, zooals reeds is opgemerkt, dit met elkander gemeen, dat hun de laatste staartwervel ontbreekt, of dat één, twee, zelfs drie daarvan niet normaal ontwikkeld en dikwijls misvormd zijn. Daarom ontbreekt hun ook de staart. Behalve deze eigenaardigheden
1) Do door quot;Wright, png. 445, gogovon afboolding vim oon paar Bol»tiidrthooiulorH, wolko hIh Wallikikis voor oonigc jaren in don zoolog. tuin to J'arys wordon goë.xposoord, vertoont werkolyk zoovool eigonanrdign in bouw on toekoning, dut men bijna goncigd is aan oen aan/ionl\jk ranvorHchii to donkon. Wie ovouwol weet, wolko merkwaardige vorandoringon door do natuurlijke en toevallige zoowol al» door do opzettelijk goleido puring kunnon outntaan, zal ook in dozo werkelijk wild on oorripronkolijk uitziondo kloinplioendors niotH anders dan een bijzondere variëteit zieu.
^u
hebben zij eigenlijk niets karakteristieks meer; niet alleen komen zij in alle kleuren en teekeningen voor, ook hun kam varieert tusschen den enkelen en den rozekam; zij hebben halve of volle kuiven, baarden, gier-hakken, bevederde pooten: alles te zamen of niets daarvan; zij staan hoog of laag op de pooten on verschillen eindelijk ook in grootte en zelfs in houding; de haan weegt van i,8 tot 2,3, de hen van 1,4 tot 1,8 kilogram, doch â er zijn ook wel veel kleinere en lichtere. De haan heeft echte halsveeren, haan en hen beide echte zadelveeren, welke over het achterlijf hangen en de bevruchting bemoeilijken. Om deze hoenders zeker en in groot aantal te fokken, paart men een Bolstaart-haan met gewone hennen, in welk geval men ten minste geen eieren verliest en bijna evenzoo vele Bolstaarten als hoenders met staarten verkrijgt, welke laatste echter soms ook wel van zuivere stammen vallen. Op die wjjze kan men dus Bolstaarten âvan elk gewenscht karakterquot; kweeken en heeft men ze dan ook werkelijk reeds van Padua's, Bantams e. a. verkregen. De verervingskracht van het hoofdkenmerk schijnt echter bij deze kruisingsproducten verloren te gaan. In Duitschland zijn misschien ten gevolge van toevallige kruisingen â benevens grootere en kleinere â ook Bolstaart-krielen, die echter, omdat de eieren meest onbevrucht blijven, zeer zeldzaam zijn.
Beide zijn goede legkippen; de eieren zijn meestal kort ovaal of vrij rond en middelgroot. De hanen zijn zeer moedig en dapper. Daardoor is misschien het bijgeloof ontstaan, dat alleen de aanwezigheid van Bolstaarthanen voldoende is om do hennen en kuikens voor aanvallen van roofvogels te vrijwaren en het nog meer algemeen verbreide, dat geheel zwarte of geheel witte Bolstaarthoenders ratten en muizen uit huis en hof verdrijven. I loc sierlijk de; naar achteren vallende zadelveeren ook lijken, zoo hebben zij toch, behalve het reeds genoemde, ook nog deze schaduwzjjde, dat de dieren die veeren licht bevuilen, waardoor zij, als men die niet tijdig schoon maakt of â nog beter - kort afknipt, er leelijk uitzien, zelfs aan ongesteldheden bloot staan.
Onder den naam van Gondooks werden voor jaren Bolstaarthoenders in Birmingham geëxposeerd, die op Mr. Hewitt een onuitwischbaren indruk maakten. Dit waren kleine, glimmend zwarte hoenders met 5 teenen, zwarte pooten en gierhakken, gebaard als de Crève-Coeurs, gekuifd, zonder een spoor van een staart, rechtop van houding als de havik, in gang van allo andere Bolstaarten verschillend en van eene bijzondere levendigheid. Hunne onafgebroken bewegelijkheid en stralend gevederte maakte ze tot een der eigenaardigste hoender-variëteiten, die Mr. Tl. ooit zag.quot; Naar men zei, waren ze â ook witte â- uit Turkije ingevoerd, doch ook daar uitgestorven. De beschrijving zou op een Bolstaart-kriel variëteit van zwarte Turken passen.
â¢145
5. Krulveerhoenders, Frizzled Fowls.
Deze hoenders, ook âFrieslandhoenders, Priesen, Frisirte-, Kraushüliner, Frisés, Perser, Hurricane Fowlsquot; enz. genoemd, danken de meeste hunner vele namen aan hun eigenaardig gevederte. De veeren zijn n.1. van het lichaam af omgebogen, min of' meer gekruld, zoodat het geheele gevederte een ruw aanzien heeft; soms zelfs deelen do vleugel- en do staartveeren, welke zeer los van weefsel zijn, in deze eigenaardigheid. Gewoonlijk gaan daarmede een sierlijke rozekam en korte, donkere pooten gepaard. Krulveerhoenders komen in alle mogelijke hoenderkleuren en in alle landen voor en de neiging tot het ontstaan van verdraaide voeren, vooral halsveeren, is bij alle rassen, voornamelijk bij de Aziatische, zelfs bij ganzen op te merken. Zjj zijn dan ook van zeer verschillende grootte; van af die van het laudhoen tot den dwergvorm. De bevederde pooten en de groote overhangende kam der laatste wijst op een anderen oorsprong, waarschijnlijk van het eene of andere Bantamras.
Do Krulveerhoenders gaan over 't algemeen en zeker om zeer verklaarbare redenen en terecht â door voor zeer teer in hunne jeugd en weinig weerstandsvermogen bezittend: zo moeten vooral voor natte koude bewaard worden. Hunne beenderen zijn bjjzonder dun. Uit een economisch oogpunt beschouwd zijn zo niet aan te bevelen, ofschoon een lersch liefhebber, die ook hun uitwendig voorkomen âvery ornamentalquot; vindt, ze in alle opzichten prjjst. Volgens hem leggen ze vroeg en goed, zjjn ze goede broedsters en moeders en is bun wit vleesch zelfs dat van tweejarige hennen â malscher dan dat van alle andere rassen; ook noemt hij ze zeer hard. Daar hunne hoofdkenmerken gekrulde veeren en rozekam â ook na herhaalde kruising zeer constant blijken, zjjn de Krulveerhoenders overal verspreid: volgens Temminck over geheel Zuid-Azië en Oost-lndië â Java, Sumatra en do Philippijnen â volgens Layard e. a. veelvuldig op Ceylon, volgens Wright in West-Imliö en volgens kapt. Tollemache zeer algemeen op Mauritius, waar zo van do kust van Mozambique ingevoerd zouden zijn.
Ook in Zevenburgen zjjn twee, naar luin uiterlijk te oordeelen, werkelijk verBchiilende soorten of variëteiten van Krulveerhoenders, een groote en een kleine. De klcino, los en schraal bevederde, houdt men voor âhet eigenlijke, het echte krulveerhoen,quot; de groote, met voller en dichter, regelmatig gekruld en levendig glinsterend gevederte, voor oen fraai kruisingsproduct âtot welks ontstaan, naar den rozekam en de meestal geelachtige of werkelijk gele eieren te oordeelen, do Brahma's zeer waarschijnlijk medegewerkt hebben.quot;
âWat de cierproductie aangaat, hierin staat bot boven alle Zevenburgsche Baldamvs, Pluimveeteelt. 10
140
hoenders of wordt alleen door het Naakthalshocn geëvenaard: 150â100 eieren van 00 a 05 gram zjju de gewone Jaarlijksche opbrengst, niet zelden ook 180- '200. Daarbij broedt het driemaal per jaar, is een goede geleidster der kuikens, zeer vertrouwelijk en meestal zeer tam. Hun vleesch is onberispelijk; de kapoenen bereiken een gewicht van 2 a â¢! kilogr. Het is zeer hard, weinig vatbaar voor ongesteldheden, legt bij goede verzorging zelfs in strenge winters zeer goed, behoudt zijne vruchtbaarheid 5 a 0 jaren en langer (?) en verliest zelfs door ondoelmatige kruising niet licht zijne goede eigenschappen (?). Het gaat in Zevenburgen algemeen voor een der beste nuthoenders door, waaruit met weinig moeite en in korten tijd een hoen gevormd zou kunnen worden, dat èn liefhebbers èn economen zou bevre-digen.quot;
(i. Zijdehoenders, â Silky Fowls.
Volgens de bewering van den uitstekenden ornitholoog Blyth zijn de verschillende variëteiten van deze hoenders niet in Britsch O.-Indië inheemsch, zooals men algemeen aannam, maar zjjn zij daar ingevoerd uit China, Malakka of Singapore. Ofschoon reeds sedert eeuwen in Europa bekend, reeds door Aldrovandi beschreven, en Neuhof er in zjju âChineesch gezantschap 1(309quot; onder den naam wolhoenders melding van maakt, twijfelden latere onderzoekers en leeken aan het bestaan van zulke âongeloofelijkequot; schepselen, die, in plaats van met vederen âmet wol of met een soort kattehaarquot; bedekt zouden zijn.
Ongetwijfeld behooren de Zjjdehoenders tot het zonderlingste pluimvee. Niet alleen hun floret-zijdeachtig of haarachtig zacht gevederte, meer nog de donkere, diep paarse, bijna zwarte kleur van do huid. van den kam, van de oor- en kinlellen, van het beenvlies en de donkere kleur van het vleesch geven deze hoenders een, â misschien een enkel zwart eendenras uitgezonderd â- in de vogelen-wereld, ja, zelfs in die der gewervelde dieren zoo alleenstaand en zot) opvallend karakter, dat men bet Willughby, Ray e. a. moeilijk kwalijk kan nemen, dat zij de beschrijvingen daarvan voor onge-loofeljjk verklaarden.
De veeren der Zijdehoenders verschillen in bouw aanmerkelijk van de gewone dekveeren. De schacht is zeer zwak en week en niet elastisch; do baarden vormen geen stevige vlakke vlaggen, doch hangen slap en onregelmatig, daar ook zij niet veerkrachtig zijn en voor het meerendeel do haakjes missen, waarmee de baarden der gewone dekveeren zoo stevig aan elkander verbonden zijn. Do figuren 53â55 geven zulks duidelijk aan. Dealgomoene kenmerken van hot Japanscho Zijdehoen zijn de volgende;
147
De haan moet, niettegenstaande de donkere kleur der naakte deelen, een bevallige, levendige uitdrukking hebben;
kop en snavel moeten tamelijk klein zjjn,
de kam dubbel (rozekam) cn zoo sierlijk mogelijk; de kuif acliter den kam loopt gewoonlijk naar acbteren spits toe. De kin-lellen zjjn tamelijk lang, de oorlellen afhangend; de hals is matig lang, vol bevederd en wordt in vergelijking met andere rassen een weinig naar voren gedragen. De romp is over 't algemeen sierlijk en bevallig, de
148
rug breed en kort, het zadel eveneens breed en naar den staart toe oploo-pend. De vleugels zjjn tamelijk klein en worden laag gedragen, de borst is vol en do schouders zijn sierlijk gerond. De dijen zijn aan de zijden goed van dons voorzien, dat tot over de hielen hangt; het loopbeen is tamelijk kort en aan de buitenzijde bevederd; do 5 teenen zijn dun 1).
De staart is kort en van zachte veeren voorzien, wol met die der Cochins overeenkomende. Gewicht gemiddeld kilogr., wegens de losse bevede-ring schijnen ze echter zwaarder. Algemeen voorkomen: tamelijk kort en diep, naar voren gerichte houding.
Do hen komt over 't geheel met den haan overeen, doch de kuif moet dichter en ronder zijn. Gewicht: 1,2 tot 1,4 kilogram.
Er bestaat tot nog toe slechts ééne variëteit: de wille. Kam, gezicht en kinlellen zjjn bij haan en hen beiden purperblauw, de oorlellen blauw of grijsachtig-blauw. De oogen zijn gewoonlijk zeer donker nootbruin, soms echter ook rood. Loopbeen en teenen zijn grijsblauw. Het gevederte behoort zoo zuiver wit als mogelijk te zijn, zonder neiging tot stroogeel, ofschoon dit laatste zelden geheel ontbreekt.
Het witte Zijdehoen is als sierhoen bepaald aan te bevelen, doch, ten minste voor zekere doeleinden, ook als nuthoen. Zij beboeren wegens hunne vertrouwelijkheid, tamheid, levendigheid en gering vliegvermogen en omdat ze goede broedsters en moeders zjjn, bepaald tot de beste hoenderrassen voor het uitbroeden van teere rassen, alsmede van fazanten, patrijzen enz. Ook zijn ze zeer geschikt voor vroeg-broeden, daar zij in den regel slechts 10 a 14 â kleine, geelachtige âeieren leggen, voor ze beginnen te broeden en de slechts matig vroeg uitgekomen kuikens reeds in Januari van het volgende jaar beginnen te leggen, zoodat ze reeds tegen 't einde van Januari of 't begin van Februari gezet kunnen worden.
Bovendien zjjn zij aan te bevelen om hunne sierlijke verschijning in het witte gevederte, hun levendigen aard on omdat zij gemakkelijk en in een beperkte ruimte te houden zjjn; ook zjjn zij harder dan men wel zou denken, zoodat de kuikens gemakkelijk groot zijn te brengen. Zij zijn, wel is waar, slechts matige eierlegsters, doch bun vleesch wordt door hen, die zich niet door de ongewone kleur laten afschrikken, als buitengemeen malsch en welsmakend geroemd.
Kweekers van fazanten. Bantams enz. meenen we te mogen aanraden, de Zijdehoenders meer âop de groottequot; te fokken, opdat zij een grooter aantal eieren kunnen uitbroeden.
1) Do 5(lc teon schijnt juist uiot knraktoristiok te zijn, want er komon dikwijls zoor goodo Zydohooudcrs voor, die slochts 4 teonou hobbon.
44.9
Behalve deze donkerhuidige Japansclie Zijdehoenders zijn er ook nog andere rassen of variëteiten, welke ten deele uit kruising met andere rassen voortgesproten, ten deele misschien ook ouder zijn dan de hiervoor beschrevene.
Tot de laatste rekenen wij
7. De Siarneesche Zijdehoenders [Haarhoendersl,
welke naar de verzekering van Hlytli uit Malakka of' Singapore naar Britsch O.-Indie en van daar rechtstreeks naar Europa gevoerd zijn. Zij onderscheiden zich van het Japansclie ras door een gewone huid- en vleeschkleur â terwijl hot beenvlies zwart is â, door hun enkelvoudigen hangenden kam, wiens kleur, ovenals die van gezicht, kin- en oorlellen, meer het gewone rood nabij komt, alsmede door een gelen snavel en dito pooten, indien deze laatste niet bevederd zijn. Zij komen met en zonder kuif voor. Het zijdeachtig gevederte is meer geelachtig dan wit. Zij zijn iets kleiner dan de Japansclie Zijdehoenders, niet zeer hard, leggen tamelijk goed, broeden graag, doch verlaten licht de eieren.
8. Chineesche hoenders (Wolhoenders).
Deze, ook Chineesche Zijdehoenders geheeten, schijnen wat hunne afstamming betreft, tot de Japansclie in betrekking te staan, terwijl ze aan de Siarneesche zeer nauw verwant zijn. Hun wit gevederte, ook het dons, ziet er meer wollig dan zijde-haarachtig uit; overigens gelijken zij op de Siameesche, doch zijn grooter cn bereiken soms de grootte der landhoenders. Volgens Lenz zijn ze âlangzaam, goedaardig, leggen en broeden ze goed en zijn ze gemakkelijk groot te brengen.quot;
Het Dwerg-Zijde-hoen is blijkbaar een in 't klein gefokt Siameesch hoen, evenals hot nog weinig bekende
9. Zwart Dwerg-Zijde-hoen.
Waarschijnlijk, en niettegenstaande zijne met de Cochins overeenkomende figuur, een door kruisingen ontstaan dwergproduct van het Japansclie Zijdehoen. Robert Oettel beschrijft het als âbuitengewoon klein en met zeer fijn, zijdeachtig gevederte, zwartrooden kam, hel bruine oorlellen met een zweem van groen, korte, zijdeachtig bevederde pooten met 5 teonen en gewoonlijk zwartblauwe huid.quot; Ze zijn even tam als do Cochins, buitengewoon vruchtbaar, leggen zelfs dikwijls in den winter, en broeden uitstekend; de jongen worden gemakkelijk groot cn zijn in 3 a 4 maanden volwassen.
-150
10. Negerhoenders.
Ook deze verraden lumne afstaniming van de Japansche Zjjdelioenders. De uitstekende pluimveekeimer R. Oettel vond met recht het duidelijkste bewijs van kruising niet een gewone zwarte hen hierin, dat de Negerhoenders, niettegenstaande alle uit- en inwendige zwarte kenmerken ook liet vleesch is zwart vaker met gewoon gevormde veeren worden aangetroffen dan met dons- of zijdeachtig gevederte. Kam, kinlellen, geziciit, opper- en beenderen huid zijn blauwzwart; snavel en pooten zwartgrauw, het gcheele gevederte fluweelzwart.
Eindelijk verwijzen wij ook de door de hoenderkenners in 't algemeen en door de Engelsciien in 't bijzonder niet verachting behandelde
11. Landhocnders
naar de rommelkamer der niet-geklassificeordo hoenders, zonder echter te willen beweren, dat zich in den loop der tijden niet de eene of andere variëteit of slag langzamerhand tot den rang van klasse-hoen heeft verheven, zooals bjjv. de Uergsche kraaiers, de Sclilotterkammen, de Kamelslohers o. a., welke reeds door Vereenigingen van pluimvee-fokkers en liefhebbers en zeh's door dezulke, die speciaal den aanfok van bepaalde rassen beoogen â als bijv. bjj ons de Wyandotte-, en de Leghom-Minorca-club â als zoodanig worden beschouwd.
We zullen daarom de sedert jaren zuiver gefokte, en meer en meer door de liefhebbers gezochte, alsmede de meest nuttige variëteiten nauwkeuriger beschouwen en beschrijven.
Do zoogenoemde landhoenders (boerenhoenders), in Engeland Burndoor-fowls - schuurdeurhoenders genoemd, hebben dit met elkander gemeen, dat zij geen positieve kenmerken bezitten. Daar zij sedert tal van een wen bijna overal door natuurlijke kruising onder elkander en met nieuwe geïmporteerde rassen zijn ontstaan en in stand blijven, verschillen zij in gestalte, grootte, kleur en teekening, kamvorming enz. aanmerkelijk van elkander, en zelfs de door Dr. Lenz opgegeven kenmerken: âgroote kinlellen, zonder of met kleine kuif en baard, onbevederde pootenquot; zijn willekeurig, daar er onder de landhoenders ook wel gevonden worden met grooten baard of kuif.
Niettemin worden er onder de landhoenders hier en elders, onder enkele der bekende kleurslagen, hanen aangetroffen, die in voorkomen en kleurenpracht door de fraaiste rashanen niet overtroffen worden; ook onder de landhoenders vindt men fraaie goud- en zilverlakensche en gepelde hanen,
151
alsmede prachtige witte en onberispelijk zwarte met groen en paars schitterend gevederte.
Waar men hechtte aan grootte, schoonheid en landhuishoudelijke waarde en daarop â bewust of onbewust â fokte, zooals in sommige streken van Duitschland en Oostenrijk het geval was, daar zijn inderdaad landhoen-derslagen ontstaan, welke boven tal van rashoenders zijn te verkiezen, vooral ook omdat zij zich geheel en al aangepast hebben aan klimaat en bodem, koude en hitte kunnen verdragen en een groot weerstandsvermogen bezitten. Huune huisvesting, verzorging en teelt veroorzaken weinig moeiten en kosten; hunne soms groote productiviteit, niet overdreven broedlust en groote zorgvuldigheid in het geleiden der kuikens maken deze landhoenders voor eigen bedrijf en verkoop in liet klein ten zeerste aanbevelenswaardig.
Bijna alle tegenwoordige landhoenderslagen echter hebben als vleeschpro-ducenten weinig waarde en ook voor de eierproductie in het groot zijn ze niet geschikt, ofschoon zij, wanneer ze oordeelkundig daarop doorgefokt werden, binnen niet al te langen tijd menig ander geprezen ras â bijv. de Italianen, die toch ook slechts landhoenders zjjn zouden kunnen vervangen. Ja, het is vrij zeker, dat de mee.st geschikte en sterkste soorten of stammen, wanneer die, zooals de Engelsche, Fransche en Belgische, even zorgvuldig als de stamrassen op het vleesch worden gefokt, deze buitenlandsche rassen éénmaal zullen verdringen, indien men daarbij het groote voordeel der afharding maar niet uit het oog verliest. Jn Midden- en Zuid-Duitsch-land zijn reeds nu landhoenderstammen, die bij de Dorkings of Spaansche hoenders weinig ten achter staan, liet mag waar zijn, dat er eenig bloed van beide pasgenoemde of ook van andere rassen, bijv. Cochins of Brahma's in hunne aderen vloeit, doch dit bewijst dan, dat men zijne toevlucht tot kruisingen moet nemen, wanneer men spoediger bevredigende resultaten wil verkrijgen.
Tot de voornaamste, in vele streken van Duitschland en aangrenzende landen gefokt wordende lokaalrassen behooren o, a. de volgende:
De Pellen, Tocltlejer, Poules de la Campine, â ook Oost-Friese]ie meeuwen genoemd.
De naam Todtleger ook Alltagsleger â wijst er op, dat hiermede een hoen wordt bedoeld, dat door eierproductie uitmunt, terwijl do volgende een der landstreken noemt â de Kempen in 't X. van België, â waar het veel (of het eerst?) gefokt werd. De naam O. Friesche meeuwen zegt aangaande de afkomst niets; in O. Friesland noemt men ze meeuwen, dat is alles; behalve in O, Friesland zijn deze hoenders echter ook in Westfalen,
152
Bolgiö on Nederland verbreid. Ten onzent treft men zo voel in Friesland aan, en wel als goudpellen (rood weiten), Zilverpol (witweiten) en goolpel of eiorkleurige.
De Polion hadden oorspronkelijk allen een enkelen kam, doch in Engeland werden ze het eerst ook mot een rozokam gefokt onder den naam van Boltonhoenders. De Pellen met enkelen kam, hier ook hoerenpelltn genoemd, zijn in den regel niet zoo fraai getoekend als do rozekammige. Bij de zuiver gotoekende zijn do staartveeren niet geheel zwart, doch omgeven door oen smallon, witten rand ovenals bij do gopolde Hamburgers.
Behalve dat do Pellen bost loggen, goed zoeken, vroeg rijp en zoor hard zijn, worden ze ook geroemd als goede tafelhoenders, welke een malsch on sappig gebraad opleveren. Ze zijn slechts middelgroot en wegen van 2 tot 'ij kilogram.
Ze hebben een statige, trotsche houding, levendige en bevallige bewegingen, een enkelen, regelmatig getanden kam, die bij den haan tamelijk
groot is en rechtop staat; bij do hen is hij kleineren licht tot overhangen geneigd; de kinlollen zijn middellang en slap, de oorschelpen wit. Do borst is vleozig en goed naar voren gebogen, de romp gestrekt en hot achterlijf bij de hen diep en goed ontwikkeld. De tamelijk korte pooten hebben stevige, sterke dijen ou blauw en onbevederd loopboon. Kleur en teekening: goud- en zilverpellon met goudgele of zilverwitte halsveeren; do staart van don haan is zwart mot lange sikkelveeron, die der hen gepeld (evenals het gohoele gevedorte â mot uitzondering van de sierveeren â elke veer van
Fern er kerm.t man in ''quot;.ngl and g3samp;umts -laced- S ilbertupfen, we iszgesamp;Tamoe schwar-ze ITamb,(?), 1 iderfarbige und v;eiszgesQuints 1edarfarbige,rain weisz3 - frtther mit â¢achterquot;Pederquot; gezttchtet - und kucknksfarbige diese vielleiciit der Zttchting an wttrdigf? tan. In Deutschl i-.nd spricht man von A11tag= \in.d Tod tl 3/9 rn .Tjakenfeldern ,Carnpinern nnd andern Var i elft ten.
Zu bem-i'ken is t noch, d-asz die rein-sten Stamp;nme der Ki'iinburrs gel agentl icn e infachkS.'-npiige Nachkoinmen zeuren, be sonde rs wann die Pi tern die kleinsten und besten Ros enk amp; tne haben. Od darln ge rade 3 in Rftckschla in -^e1quot;1 Typua der ersten Vóral-tarn der Rasse zu finden iat/nag dahin gestel It bleiben; sic her ist dies J F.rschei-nung e in T'eweis von Kreuzung,
I
'
â *
153
) donkere streepjes voorzien, die te zamen als 't ware om den vogel eken banden vormen).
t Kempenscho of 1'el-hoen mag met do grootste waarsclnjnljjklieid als anivador der goud- en zilvergepelde Hamburgers worden beschouwd.
Lakenvelders.
zo hoenders, die in Westfalen uit de l'ellen gefokt zijn, danken hun hoogstwaarschijnlijk aan hunne teekening: zij zijn nameijjk geheel iet uitzondering van hals en staart, welke zwart zjjti, zoodat het ijjkt, men een zwart hoen voor zich heeft, dat op hals en staart na geheel ;en wit laken bedekt is - een wit laken op een zwart veld â, aan ( teekening echter dikwijls nog al iets ontbreekt.
kop van den haan is tamelijk lang en smal, de snavel middellang jlit hoornkleurig; de middelgroote kam staat rechtop, is enkelvoudig gelmatig getand; het gezicht is rood en dun bevederd, het oog rood; jrlellen zijn wit en tamelijk groot, de kinlellen middellang, dun en r rood. 13e hals is vol, middellang en wordt rechtop gedragen; de gestrekt; do rug lang en breed met breed en rond zadel; de volle, e staart wordt schuin omhoog gedragen en heeft groote, breede sikkel-n. De borst is goed gerond doch treedt weinig naar voren; de groote, e vleugels worden slechts los tegen het lichaam gedragen; het ach-is breed; do dijen zijn kort en tamelijk zwaar; het loopbeen glad en j'llang, lood- of vloeschkleurig; de teenen zijn lang en dun.
hen is iets kleiner dan de haan en haar kam een weinig hangend, jons komt zjj â- op de gewone geslachtsverschillen na â met den overeen.
Lakenvelders z|jn als zoovele andere hoendersoorten erg verwaarloosd icewel er tegenwoordig weer meer zorg aan wordt besteed, hebben 3 goede eigenschappen nog niet weder de vroegere hoogte bereikt.
leggen ze nog altoos 120 a 140 eieren van 50 gram gewicht en 3ii zjj ook om hun malsch vleesch, hunne hardheid en snelle ontwik-lt;â geroemd.
Hel Steiersche Landhoen
scheidt zich vooral door vroegrijpheid en vleezigheid, terwijl zijn vleesch s zoo fijn en sappig is, dat Steiersche poulardes en kapoenen in den en tijd jselfs op de Parijzer markt aftrek vinden. De hennen bereiken laismesting uit de hand in een donker, warm vertrek een gewicht van
154
'2] tot 3 kilogr., terwijl du kapoenen 4 kilo worden. Ter verhooging van hunne waarde als tafelhoen, kruist men de hennen niet Dorking-hanen.
Dr. Stephan, Ynjheer van Washington, voorzitter der Stiennarker pluimveeclub, heeft den volgenden standaard vastgesteld:
liaan: snavel tamelijk kort en sterk, witachtig hoornkleurig; kam niet zeer groot, enkelvoudig, rechtop en naar achteren een weinig oploopend, niet diep getand, zonder vouwen of uitwassen, hoogrood van kleur. De kop is kort met een klein vederbosje achter den kam. liet oog middelgroot, zeer levendig, hoogrood; oorlellen lang ovaal, wit; kinlellen lang en dun, hoogrood; hals tamelijk lang, hoog gedragen en goed bevederd; borst vol en naar voren gewelfd; romp krachtig en diep met een breeden met dicht en vol behang voorzienen rug; vleugels groot en vast tegen 't lijf gedragen; staart groot en vol met fraai gebogen sikkelveereii. Dijen kort en weinig zichtbaar, doch zeer sterk; loop boen kort en stevig, met 4 teenen van een witachtige kleur, met een roodachtigen weerschijn tusschen de schubben en teenen. Gevederte vol, lang en vlak aansluitend; houding trotsch en rechtop; grootte middelmatig.
Ilea: in voorkomen en houding als de haan; kam niet zeer hoog, rechtop of half omgebogen gedragen, doch niet hangend; kinlellen korter en ronder dan bij den haan; oorlellen wit; staart gesloten en rechtop gedragen, liet vederbosje iets dichter dan bjj den haan en meer kuifvormig.
Klcurslagen zeer talrjjk; het meest komen voor de tjond- en zilvcrhalzige (als de gelijknamige Eng. Vechthoenders), ditckwimj, koekoekceerige en wille.
Als fouten gelden anders dan enkelvoudige kam en den kamvorm der Italianen; het ontbreken van het vederbosje; baard; voetbcvedering en 5 teenen; gele, groenachtige of blauwe pooten.
Hel Augsburger kooi,
voor ongeveer Ki jaren in Augsburg uit La Flèches en Italianen gefokt, vereenigt de goede eigenschappen van beide rassen in zich en moet een bijzonder weerstandsvermogen bezitten en zoo vroeg rijp zijn, dat sommige hennen reeds in de vijfde maand beginnen te leggen.
Tiet is van middelbare grootte, rechtop van houding en hoog op de pooten, terwijl borst en rug breed en vleezig zijn en het gevederte zwart is met een groenachtigen metaalglans.
De kam van den haan bestaat van voren uit een enkele doch van twee rijen fijne tandjes voorziene wrong, die achter in twee lange punten uitloopt; de hen heeft denzelfden kam, doch het achterste gedeelte hiervan hangt meestal naar beide zijden af. Kinlellen groot, rood en .slap; gezicht rood; oorlellen wit. De vleugels worden vast tegen 't lijf gedragen; de
155
pootcn zijn stevig en lang; de staart van den haan heeft fraai gobogene sikkelveeren.
Een nog niet genoeg doorgefokt, docli economisch een zeer goed landhoen mag genoemd worden liet l'allscr huen, dat vooral in dc llhoinpfalz gevonden wordt, en waarvan do hennen a 4, de hanen 5 kilogram zwaar
Het Seleda-hoen,
dat we onder de Crève-coeurs reeds genoemd hebben, wordt door zijn schepper Dr. O. Finch als volgt beschreven:
De stamouders zijn donkere Brahma-henuen en een Crève-coeur-haan.
156
De kleur der nakomelingen is bij den haan: hals benevens sierveeren, boven rug en vleugeldekveeren bleek stroogeel met zwarte schachtstropen, die op de sierveeren bijna geheel bedekt zijn; zadel zwart met bruinen glans, de lange, smalle zadelveeren, die de vleugelspitsen bedekken, hebben roestaehtig gele punten; de onderkant benevens de onder-vleugel- en staart-dekveeren en de vleugels en staartveeren zijn diep zwart met een groen-aehtigen metaalglans. Karn, kinlellen en gezicht komen het meest met die der Brahma's overeen; de pooten zjjn zeer weinig bevederd. De hennen zijn diepzwart met een groenachtigen, licht violetten metaalglans; kam een verschrompelde rozekam, kinlellen ontbreken bijna geheel. Op den voorkop een klein naar achteren liggend vederbosje; een zwakke, door enkele lange keelveeren gevormde baard. De gestalte is wat plomp en gedrongen doch niet zoo massief als bij de Brahma's,
Het Selecta-hoen is zeer tam en vertrouwelijk, doch niet zoo phlegmatiek als de Brahma's en heeft veel weerstandsvermogen; 't is een uitstekend leg- en vleeschhoen, daar het gemiddeld per jaar 126 eier legde van 63 gram gewicht, terwijl zijn vleeschgewicht bedroeg:
Op den leeftijd van '2 maanden 500 a 000 gram â â â ,, 'Sâ3.^ ,, 1250ti4500 ,, hennen 1150 gr. â â â â 8-!) â 2250 a 3000 â â 1750 a 2000 gr.
De nieuwste ârassenquot; van Amerikaanschen oorsprong, welke zich ongetwijfeld wel weder baan zullen breken, ofschoon ze nog niet tot de âklasse-hoendersquot; worden gerekend, zijn o. a.
liet Alaska-hoen. Cochintype, citroengeel van kleur, met enkelen, zelden met drienjigen kam. Gewicht 5 (i kilogr.
Het Arizona-hoen. Haan als de goudlak. Padua's, hen donker chamois-kleurig; kam drierjjig, oorlellen wit, pooten rose- of vleeschklcurig, staart zeer hoog gedragen, gewicht 3 a 4 kilogram.
Wille Leiceder Banlams. Zuiver wit met zwarte voetbevedering, kam enkel of drierjjig, kop naar achteren gebogen gedragen, oorlellen blauw, borst vooruitstekend, vleugels hangend, staart rechtop en zonder sikkelveeren, klein van gestalte,
Chok-Boars. Snavel middellang, stevig en spits, rose- of vleeschklcurig, kop zonder kam met groote witte kuif, welker veeren aan het eind zwart gezoomd zijn; gezicht rood, de oogen on de zeer kleine witte oorlellen zijn onder de kuif verborgen, keellellen bij den haan lang, bij de hen fraai afgerond, de hals breed met glimmende, zwarte, wit gezoomde veeren, borst vooruitstekend, rug kort en naar achteren een weinig afloopend, vleu-
157
gels kort en aan 't lijf gesloten, staart vol en uitgespreid met bruine aikkel-veeren. Borst, rug, vleugels en staart zwart met smalle, witte zoomen aan elke veer, de staart van den haan met groenachtigen weerschijn en witte punten aan de sikkelveeren. Pooten kort, rose- of' vleeschkleurig; gewicht 3âJi.J kilogram.
Montana. Snavel donker hoornkleurig, kort en dik, kam drievoudig, kop groot en plat, gezicht wit, oogen donker oranje, oorlellen zuiver wit, kin-lellen zeer kort, hals dik en recht, borst breed en naar voren gewelfd, rug breed, vleugels kort en goed aansluitend, vol zadelbehang en dito staart met fraaie sikkelveeren, loopbeen leiblauw met haakvormige sporen en 5 teenen. Ge veder te zuiver zwart, groot van gestalte, 4.j, a 5 kilogr. zwaar.
Patterson, Andalusiërtype in goud- en zilverkleur, de eerste als de blackred, de laatste als de zilverkleurige Duckwing Eng. Vechthoenders. Middelgroot.
Wyoming, Cochintype, drievoudige kam, loopbeen onbevederd, gevederte als de Zilverpellen,
Derde rubriek. Bantams en Krielen.
Dwergvormen van sommige hoenderrassen dateeren reeds van vroege tijden, want twee, misschien ook nog meer dergelijke hoendervormen waren reeds aan de Grieken en Romeinen bekend en zijn zeker in nog vroegere tijden in Zuid-Azië China, Japan enz. â gefokt.
De Engelschen, en in navolging van dezen ook de Duitschers, noemen alle dwergvormen Bantams; de Nederlanders gebruiken voor de meeste den naam Kriel. quot;Wij zullen hier Baldamus' indeeling volgen, doch ook telkens den naam Kriel bezigen, daar waar die bij ons algemeen gebezigd wordt.
I. Bantams.
De Bantams zjjn luxe-vogels, wier landhuishoudelijke waarde alleen hierin bestaat, dat zij met weinig voer en weinig ruimte tevreden zjjn en een vrij groot aantal zeer lekkere, doch kleine eieren leggen.
We beginnen, in tegenstelling met Wright, die ze slechts alphabetisch rangschikt, met die Bantam-variëteiten, welke zeer waarschijnlijk de oudste zijn.
n. Eenkleurige, gladpootige Bantams. Clean legged B.
1. Zwarte Bantams, Black B.
Deze âoen der oudste en in Engeland nog het meest populaire Bantam-rassenquot; is in den laatsteu tijd zoo veranderd, dat geene variëteit duidelijker
158
bewijs oplevert voor do bekwaanilieid 011 kennis van den fokker. Deels door kruising met bruin-roode Vechtkrielhanen, deels door zorgvuldige inteelt heeft men, zoowel wat liet bestendigen der kleur als wat de figuur en de houding betreft, klaarbljjkehjk goede resultaten verkregen.
De tegenwoordige eischen, die aan de eenkleurige Bantams gesteld worden, komen volgens liet Engelsche Stamboek hierop neer, âdat zij een verkleinde, maar nauwkeurige afspiegeling zjjn van de Hamburgers, en dat de haan van 454â625; de hen van .'540â511 gram weegt.quot;
De methode om de dieren te wegen is evenwel een zeer onzekere ter bepaling van de kleinheid en kan er toe leiden, dat een betrekkelijk groot doch mager dier boven een klein doch goed in staat zijnd exemplaar wordt gesteld. Het malen der hoogte en der vleugelspanning is zeker meer vertrouwbaar ; deze laatste wordt aanbevolen door den bekenden Bantamfokker Karl Huth te Niederrad, aan wiens werkje âDe verschillende Bantam-boenderrassen en hunne teeltquot; wij ook den tegenwoordig geldenden standaard der Bantamrassen ontleenen.
De kleur der zwarte Bantams is bjj beide geslachten prachtig diepzwart met een schitterend groenen glans. Snavel donker hoornkleurig, kam (rozekam), gezicht en kinlellen fraai rozerood, oorlellen schitterend wit, iris schitterend donkerrood of donkerbruin, loopbeen donkerblauw, bjj zwart af. De kop moet fier worden gedragen, de staart van den haan smalle, fraaie sikkelveeren hebben, het temperament levendig zijn.
Bjj de
2. Witte Bantam», White H,
de snavel bjj beide geslachten wit, kam, gezicht en kinlellen fraai rozerood, oorlellen wit (in Amerika verlangt men die echter rood, omdat roode fraaier tegen do witte kleur der veeren afstoken), oogen donkerrood, loopbeen wit of vleeschkleurig, gevederte zuiver en vlekkeloos wit. Wanneer de witte Bantams te veel aan de zon worden blootgesteld, worden hunne halsveeren echter geel, evenals bjj de witte Cochins. Men beschutte ze daar dus tegen door schaduwrijk onderhout, struikgewas, boomen enz., opdat ze zoo mogelijk zonder brandvlekken (sun-burn) blijven.
b. Bantams met bevederde pooten.
3. Sahelpootkriel, Booted Bantams.
Deze moeten eveneens zoo klein mogelijk zijn en zeer zwaar bevederde pooten met gierhakken hebben; ook zjjn ze meer gedrongen van bouw dan
4 50
do gladpootige. Do staart van den haan moot rijk van sikkelveeren zijn voorzien; de kam is enkelvoudig, het gezicht in den regel kaal, ofschoon er ook voorkomen met baard.
Men telt er vijf kleurvariëteiten van: Bimkiva ofpairfjsklmrige, geteekend als de Black-ml Vechthoendcrs; hou te, geteekend als de vorige, doch met meer witte voeren; porceleinkleurige of Mille fleurs, met driekleurig geve-derte; elke veer, met uitzondering van de slagpennen, staart- en spiegel-veeren, heeft aan het eind een witte halvemaanvormige vlek, dan een zwart veld en is overigens fraai oker- of chamoisgeel, zuiver wit gevederte en lichte pooten en snavel; en zwarte, welke zeer zeldzaam zijn.
Met recht prijst men in deze origineele, sierlijke dieren â en over het algemeen in alle niet te zeer gekunstelde Bantams â hunne groote vruchtbaarheid en vertrouwelijkheid,
alsmede hunne goede eigenschappen als broedsters en moeders; ook zijn zo zeer weinig eischend. De sterke voetbevedering belet hun door krabben schade in de tuinen aan te
richten, waarom ze in Engeland ook wel âTuinhoendersquot; worden genoemd.
Van hunne vertrouwelijkheid haalt li. het volgende aan:
âIk bezat jaren lang een bonte Sabelpoothen, welke dagelijks als 't ware de komst van den postbode afwachtte om dan met dezen in mijn bureau te sluipen, waar ze dan onder de schrijftafel voor mijne voeten haar ei legde. Zoodra hot ei gelegd was, rolde zij het heen en weer om mijne opmerkzaamheid te trokken en als ik het ei opgeraapt had, liep ze naar de deur om uitgelaten te worden.
Opmerkelijk is het, dat deze vertrouwelijkheid vererfde, want eene dochter van deze lien bracht ook, dadeljjk toen zij begon te leggen, hare eieren in huis en wel telkens op een bloemtafel, die in het voorhuis stond.quot;
160
c. Geteekondo Bnutatiis. Zonder sikkelveereu.
4. Sebright-liantams.
D(} Sebright-Bantams, ook wel eenvoudig goud- en zilver-Bantams genoemd, zijn volgens Wright zeker de grootste triomf', die in hot fokken der hoenderrassen is behaald. De eerste fokproeven van baronet John Sebright dateeren van 1801 en begonnen met eene voortgezette kruising tnsschen gewone Bantams en Padua's (volgens anderen met goud- en zilverlak. Hamburgers), terwijl met do inteelt der kruisingsproducten voortgegaan werd, totdat de gowenschte teekening en grootte waren verkregen.
Baronet Sebright stichtte weldra daarna de â te zijner eer zoo genoemde ââ¢
Sebr. Bantam-chib, die nu nog, na den dood van den beroemden fokker, bestaat, een privaat karakter heeft en waartoe men niet gemakkelijk toegang verkrijgt. De meeste der door hom voor de beoordeeling der goud- en zilver-Bantams voorgeschreven regelen gelden ook tegenwoordig nog.
Beide geslachten, fig. 5!), moeten daarnaar de volgende kenmerken hebben : de kop moet fier en stout gedragen worden en levendigheid en opgewektheid verraden; de snavel tamelijk kort zjjn, kegelvormig en niet gebogen; de kam dubbele of rozekam met correct gevormde tanden, naar achteren smaller wordend en in een naar boven gebogen punt uitloopend; kinlcllen middelgroot en goed gerond; oorlellen middelgroot en zonder plooien; hals
Kil
kegelvormig (naar boven steedH smaller wordend), bjj den haan zeer naar achteren gedragen of gebogen cn evenals bij do hen zonder eigenlijke sier-veeren; de romp moet: in 't algemeen gedrongen zijn, do rug zeer kort en de borst zeer vol en naar voren gewelfd; do vleugels worden zeer hangend
gedragen, zoodat die van don haan bijna den bodem raken. De zadelveeren van den haan komen met die van de hen overeen. Dijen on loopbeen kort, het laatste slank en volkomen glad. Staart tameljjk groot, die van den haan hennenveerig (op dezelfde wjjze gevormd als die der hen, zonder sik-
Bauiamus, Pluimveeteelt. n
-ioö
kolveercn) maar wat langer on zoo hoog godragon, dat liij don kop gohoel of nagonoog aanraakt. Wat de grootte aangaat, zoo geldt de regel: lioe kleiner, lioo boter. Algemeen voorkomen: kort en diep; houding: buitengewoon ijdei, behaagziek bij den haan, Hink en nieuwsgierig bij de hen.
De teekening der veeren is bij beide kleuren dezelfde. Do kleur der goud-Bantams is goudbruin, die der zilver-Bantams helder wit. Bij volmaakte dieren is elke veer ook de halsveeron, do kleine slagpennen on de staart-veeren â geheel omgeven door een smallen, zwarten zoom. Pig. 60. Do nauwkeurigheid en netheid dozer teekening is bij goede exemplaren merkwaardig en maakt eon prachtig effect.
Do eerste slagpennen, die, wanneer hot dier rustig staat, niot zichtbaar zijn, bobben meestal aan 't eind een zwakken zoom on zijn over 't gohoel bij de goud-Bantams gewoonlijk wat donkerder van grondkleur, met eone eenigszins grijze schakeering aan de binnonvaan. Bij de zilver-Bantams vertoonen zjj gewoonlijk wat meer zwart of grijs. De spiegel moot duidelijk en zwart zjju.
De staartveeren zijn, wat den zoom betreft, vaker foutief dan do andore voeren. Wol zijn er ook in dit opzicht volkomen goede exemplaren, doch bij do meosten is de zoom, evenals in do afbeelding, aan de zijden iots smaller. Toch zijn de zoo gezoomde voeren ook goed te noemen en, bij overigens uitstekende vogels, kunnen zelfs sierlijk van een eindvlok voorziene staartveeren er mee door.
De rozekam â- in zijn vorm altijd een moeilijk punt â en de kinlellon moeten frisch rozerood, bot gezicht bloedrood en de oorlellen wit zijn; dit wit, volgens sommigen ton koste van de vedorzooming bereikt, is echter reeds voor lang roodachtig, geheel rood of blauw geworden on geen noodzakelijk veroisebte meer. De volkomen naakte pooten zijn licht blauwgrijs.
De witte kleur dor oorlellen en do slechte zooming van het govoderte behoeven echter niet noodzakelijk in oorzakelijk verband tot elkander te staan. De oorzaak van hot rood is zeker voel moer te zoeken in de onvruchtbaarheid van liet Sebright-ras, waardoor inon slechts weinig kuikens verkrijgt, eu zoef beperkt is in de keuzo dor fokdioron. Om deze redenen is hot wit der oorlellen opgeofferd aan oono goede zooming.
Goud- en zilver-Bantams loggen oen behoorlijk aantal eieren, maar doze zijn, wanneer de hanen volkomen hennenveerig zijn, zeer dikwijls onbevrucht, zoodat or meermalen van verscheidene eieren geen enkel kuiken kwam, ton gevolge waarvan menige stam geheel uitgestorven is, terwijl bij anderen de teekening langzamerhand tot op enkele onbetoekenendo overblijfselen na geheel is verdwenen. Het hennonveerige karakter dor hanen kan, zooals velen aannemen, toch niet de eonigo of naaste oorzaak zijn van dit verschijnsel,
doa
daar or bij andero honnenveerigo rassen scliittercudo uitzonderingen zijn. Henne- en Sebright-veeren zijn evenwel als een product van inteelt te beschouwen, terwijl de kleur van het gezicht en de oorlellen van de eene of' andere kruising komt; rassen echter, welke uit zoo ingewikkelde kruisingen ontstonden, kunnen alleen door de strengste inteelt in stand worden gehouden en zjjn daarom niet zeer geschikt voor de invoering van versch bloed. Daarbij komt, dat do kleinste en dus de zwakste dieren voor hot doorfokken gekozen worden ou de toeneming dor onvruchtbaarheid is daardoor zoor duidelijk te verklaren.
Een der gelukkigste fokkers van Sebriglit-Bantams, de hoer Matthew Leno to Dunstable, bevoelt aan, voor het doorfokken hanen te kiezen, wier staart niet volkomen hennenveorig is, maar wat meer van oenen gewonen hanonstaart hooft.
De hanen zjjn, evenals allo Bantam-hanon, niettegenstaande hunne geringe grootte, zeer stout en dapper en vallen, om hunne hennen te verdedigen, ook do grootste lianen aan, ja zelfs de hanen van parelhoenders en kalkoenon, en jagen doze gewoonlijk op do vlucht. Jegens hunne hennen en kuikens zjjn ze zeer liefdevol en jegens de menschon zeer vertrouwelijk, zoodat ze gemakkelijk tam worden.
Hunne eierproductio â zij loggen kleine geel-bruinachtig witte eieren â kan niet meer dan middelmatig worden genoemd, doch zij zjjn, als alle Bantams, goede, vertrouwbare broedsters en uitstekeudo moeders.
tl. De overige Bantams.
5. Nankinhleurige Bantams.
Deze behooreu tot do oudste Bantam-varicteiten en zijn waarschijnlijk de stamouders van vele andere, welke door kruising van deze mot verschillende grootere rassen zijn ontstaan. In den laatsten tijd kwamen zij op tentoonstellingen maar weinig meer voor, omdat zij wegens hunne grootte, die nu eenmaal bij do Bantams als afkeurenswaardig geldt, zelden bekroond worden.
Als voornaamste eischen stolt men; zoo klein mogelijk van gestalte, enkele of dubbele kam, blauwe of witte naakte pooten. De kleur der hennen komt zeer voel met die der ledorkleurige Cochins overeen, de halsveeren zijn donkorder en soms zwart gevlekt, de staartveeren hebben in den regel een zwarte stip aan het eind. De haan is op de bovondoelon meer kastanjebruin of liever donker oranje-goudgeel, evenals een zeer donker ledorkleurige Cochiu; de staart heeft sikkelveoren on is schitterend zwart of ook koper- of kastanjebruin, in zwart overgaand. De onzichtbare eerste slag-
\M
pennen zijn bij beide geslachten dikwijls zwart; de vleugels raken bijna den bodem.
Zij zijn de tamste en vertrouweljjkste van alle Bantams, uitstekende eierlegsters en de zorgvuldigste moeders; de eieren zjjn betrekkelijk zwaar.
Kruisingen met Hamburger Goudpellen zullen misschien en zeker zonder grooto moeilijkheden zeer fraaie en kleine gepelde Bantams kunnen opleveren.
De Java-Bantams, eigenlijk Nankin-Bantams met gele pooten en bek worden niet meer aangetroffen.
(i. Koehoekveerige Bantams.
Onder deze benaming komen eenige soorten voor van verschillende afstamming :
lquot;. Eene soort, waarschijnlijk de oudste onder de koekoekveerige Bantams, die naar de meening van Wright ontstaan is door kruising van rozekammige zwarte en witte Bantams. Onder deze kruisingsproducten treft men behalve koekoek veerige ook zuiver witte en zwarte, alsmede
leikleurig blauwe aan.
'2°. Eene uit Schotland stammende soort met enkelvoudigen kam en witte pooten; zij komt in alle opzichten, behalve de grootte, met de Scotch Grey's overeen en is in Schotland ook onder den naam Scotch-Grey-bantam bekend.
3°. Eene soort, die in Yorkshire, naar het schijnt, geheel zelfstandig werd gefokt.
4°. Antwerpsch Kriel (Coucou d'Anvers). Of deze krielsoort uit eene der vorige ontstaan of ook een zelfstandig gefokt product is, valt niet met zekerheid te zeggen; de baard, do rozekam en de zeer korte (of ontbrekende) sikkelveeren pleiten wel voor het laatste.
Bij al deze genoemde soorten is eene juiste kleur en teekening, zooals die bij alle koekoekveerige hoenders vereischt wordt, natuurlijk de hoofdzaak. Zij komen echter zelden geheel zuiver voor: meestal is de kleur donkerder dan zij behoort te wezen.
In al het overige komen zjj met de andere Bantams overeen en zijn goede of vrij goede legkippen en uitstekende broedsters en moeders.
7. Japansch Kriel. Chabo's.
Deze onderscheiden zich alle door hun enkelvoudigen kam, zeer korte pooten en een plompen, kort en dikken lichajiinsbouw.
â¢165
De eerste der verschillende variëteiten, die in 1850 in Engeland ingevoerd werd, was do
Siro-Chubo, (wit met zwarten staart). De staart van den haan is bijzonder eigenaardig: de sikkelveeren zjjn zeer lang doch weinig in aantal; zjj worden fraai zwaardvormig gebogen en zeer rechtop boven den rug gedragen.
Een kort, gedrongen lichaam, vooral bij den haan, zoo kort mogelijke gele en naakte pooten, hangend gedragen vleugels met zwarte slagpennen, bij den haan lange, zwarte, als metaal glimmende sikkelveeren met witte zoomen, rechtop en waaiervormig gedragen; de hen heeft zwarte, van een smallen witten zoom vooiziene staartveeren, een grooton, rechtop staanden kam, hoogrood van kleur en niet al te diep getand; langronde, kleine keellellen, evenals de niet te grootc
oorlellen en het gezicht hoogrood van kleur. Zietdaar de norinaalpun-ten voor de teelt van deze fraaie variëteit.
De Japansche krielen zijn zeer bedaard en minder vechtlustig dan de overige Bantams; de hennen leggen zeer goed en zjjn goede moeders. Do jongen komen beter met de ouders overeen dan bij vele andere variëteiten het geval is, maar zijn zeer gevoelig voor koude en vocht en dienen daarom in Juni en Juli uitgebroed en voorts in den tijd, dat de kam en de staart zich ontwikkelen, warm gehouden en van opwekkend voeder voorzien worden.
106
Ma-Siro-Chaho, de geheel witte variëteit; bij deze komt hot eigenaardig typo van dit ras liet best en meest volmaakt uit.
Hiitehi-Chaho, Houdankleurige; het wit en zwart van het gevederte moeten regelmatig verdeeld zijn, doeli zoo, dat het geheel een zilverachtig aanzien heeft. Met deze komt de Iwclwclsvcerige, met een correcte donker blauwgrijze of zwartachtige dwarse golftcekeiiing op een lichtgrijze grond-kleur, het meest overeen.
Shiu-Quro-Chuho, zwarte, komen in zuiver zwart voor en met goudgele
sierveeren ; Curo-Kisctsa-Chaho = zilverlmlzige; V.ha-cro-Chaho =. chamois-kleurige en gele; Aka-Chabo in kleur met de black-red Vechthocnders overeenkomende.
Eindelijk noemen we nog de Krxlveer-Chabo's [Chin-Koro-SalnigucJ en Zjde-Chubos (Kalsura-ito-no-Cliabo'sJ, de laatste wit met zwarte staart- en vleugelpunten.
8. Cochin- of Pekingkriel.
Het Cochin-kriel, dat ten gevolge van de plundering van het Keizerlijke zomerpaleis te l'eking in 1860 in Europa is gekomen, is blijkbaar een reeds oud kweekproduct van de Clnneesche liefhebberij voor het kleine en dwergachtige en daarom ook zoo constant in zijn karakteristieke kenmerken. Het is in zoo hooge mate een miniatuurbeeld van de tegenwoordige Cochins, dat de Chineezen het bepaald uit een groote variëteit gefokt moeten hebben, die zeer na aan de Cochins verwant is; een nadere beschrijving is daarom overbodig. De oudste variëteit is de lederkleurige, waarvan do haan op de
I
167
bovondeelcii ocji zeor fraaio donker oranjo- of donker kastanjebruine leder-kleur lieeft, terwijl hij van onderen wat liclifer is; de hen is normaal leder-kleurig; beide zjjn meestal wat donkerder dan de tegenwoordig gewilde lederkleur der Cochins. Bovendien zijn zij ook wat lager op de pooten en niet zoo rechtop van houding. In den laatsten tjjd zjjn er ook krielvormen van de andere kleurvariëteiten der Cochins gefokt (witte, zwarte, koekoeken patrijsveerige), terwijl men er zich in 't algemeen op toelegt zulks van allo bekende hoenderrassen te doen. Tot dusver is dit ook gelukt met
Bmhma-kriel, in de kleur der lichte Brahma's,
Maleicr-kriel, in wit, rood, bruin en porceleinkleurig,
Schotsch kriel, koekoekveerig ais de Scotch-Grey's,
Krulveerkriel, in wit, geel en bont,
llolstaarlkriel, in wit, zwart, koekoek- en patrijskleurig en zilverhalzig (duckwing), welke alle zoo getrouw mogelijke miniatuurvormen van de gelijknamige groote rassen moeten zijn.
Andalusiër-, Hamburger-, Leghorn-, Padua-, Witknifkricl enz, zjjn nog âin voorbereidingquot;.
TI. VeclUkriül, Game-Bantams, Nains de Combat,
Evenals de Cochin-krielen een schitterend bewijs zjjn van de kweekkunst der Chineezen, zoo kunnen de Veohtkrielen als de grootste triomf der En-gelsche fokkers worden beschouwd.
Deze bijzonder kleine vertegenwoordigers van de Engelsche Vechthoen-variëteiten vertoonen hiervan de fijne omtrekken en liet gevederte in vlekkelooze volmaaktheid en zjjn daarbij, volgens den voornaamsten vechtkrielfokker, Mr. W. F. Entwistle (Westfield, Yorkshire), noch nis leg- noch als vleesch-hoenders onvoordeelig. Ontegenzeggel jjk echter behooren zij tot het fraaiste siergevogelte.
Als algemeen aangenomen regel geldt, dat de Vechtkrielen in uUe oinichlen met de geljjknamige groote Engelsche Vechthoenders moeten overeenkomen, alleen de grootte uitgezonderd. Als grootste gewicht van tentoonstellingsexemplaren geeft men op 7:i() gram voor den haan, 5(17 gram voor de hen.
Men neemt tegenwoordig in Engeland vier hoofd-variëteiten vnn Vechtkrielen aan, n.l. l.Roode niet zwarte borst (Black-red), 2. Koode met bruine borst (Brown-red), Eendvleugelige (Duckwing) en -4. Koode met witte borst (Piles). Buitendien zjjn er echter ook nog witte, zwarte en gele Vechtkrielen; laatstgenoemden zijn onmisbaar voor bet fokken van Black-red en Duckwing.
De Vechtkrielen gaan voor hard en weinigeischend door: zjj eischen behalve graanvoer en voldoende beweging slechts weinig zorgen. Zjj leggen
168
vrij goed en zijn uitstekende broedsters en moeders, terwijl linn vleescli bij dat van patrijzen weinig ten achter staat.
]!ij het fokken van deze miniatuuruitgave der groote Engelsche Vecht-hoender-variëteiten komen vooral 3 zaken iu aanmerking; stijl, veder en kleur.
A. Met stjjl bedoelt men de gestalte en de houding der dieren; de kop moet goed lang en smal zijn en bevallig gebogen; de hals lang en dun; de schouders breed en hoekig; de borst breed; de romp kort en wigvormig, aan den staartwortcl zeer dun en smal; dijen lang en sierlijk gerond; loopbeon lang, dun en rechtop; teenen lang, goed gespreid, vlak op den bodem rustende; de achterteen moet vlak achter den middenteen staan, waardoor de gang vaster wordt; wanneer de achterteen zijwaarts of te veel onder den voet is geplaatst, beet do vogel âeendepootigquot; en heeft hij geen waarde; de schubben der pooten zijn klein, glad en sluiten dicht aan het been; de vleugels zijn kort en fraai gebogen, niet hangend doch goed tegen den romp sluitend; do uit smalle, harde voeren bestaande staart is dicht gesloten en wordt zoer bevallig doch slechts weinig naar boven gedragen. Do houding is rechtop en stout en verraadt onbevreesdheid.
B. Wat de vederen betreft, deze moeten alle gezond, smal en hard zijn als van draad (âwiryquot;) en zoo dicht en vast op elkander liggen, dat de vorm van de dieren duidelijk uitkomt. De halsveeren van den haan moeten kort en hard zijn en mogen elkander aan de borst niet raken, noch de schouders bedekken. De staart heeft fraaie, lange en smalle sikkelveeren.
Als groote, doch dikwijls voorkomende fouten gelden; een korte, dikke kop en hals; groote hangende of gedraaide kammen; witte oorlellen; korte, dikke pooten; een iango romp; een smalle borst; breede benedenrug en stuit; waaiervormige staart; lange en hangende vleugels; lange, breede voeren en eendepooten.
C. Kleur. De hoofdkleuren zjjn de volgende:
1. Iloode met zwarte horst [Black breasted Beds of kortweg lilack-redsj.
Haan: gezicht, kam, oor- en kinlellen schitterend rood, oogen roodbruin, snavel donker groenachtig hoornkleurig, kop- en halsveeren zuiver oranjerood, rug en vlongelboog zuiver karmijnrood, aan de zadolveeren in oranje overgaand, vleugelrand zwart, vleugeldekveeren diep kastanjebruin, spiegel staalblauw, borst, onderlijf, dijen en staart diep zwart, pooten en teenen olijfgroen.
Hen: gezicht, kam, oor- en kinlellen en oogen evenals bij den haan, snavel, pooten en teenen eveneens, alsmede de kopveeren; de halsveeren zwart met goudgele, breede omzooming, borst fraai zalmrood, de schachten dezer voeren een weinig lichter; onderlijf en djjen aschgrauw met een zweem van zalmrood, rug en vleugels éénkleurig lichtbruin of vuilbruin (elke veer
169
is zeer fijn, zwart gespikkeld, zoodat do kleur op eenigen afstand wat donkerder bruin schijnt), staartveeren zwart, de buitenste veeren aan de punt fijn bruin gespikkeld.
Fouten bij don haan zijn: zwarte strepen aan den hals; eene zwarte teekening aan den vleugel boog; anders gekleurde veeren aan borst, onderlijf of dijen, roode schachten aan de staartveeren, bruinachtige of roestkleurige spiegel;
bij de hen: grooto, onregelmatige vlekken op do vleugels of een roode of gele tint daarop, te lichte of te donkere kleur der borst. Een gele of troebele kleur van do iris en blauwe of gele pooten en teenen zijn bij haan en hen beide af te keuren.
'2. Roode mal bruine borst / llrown breasUul llcds of kortweg Urown-redsl,
liaan: gezicht, kam, oor- en kinlellen donker purperrood, oogen zoo donker bruin als mogelijk is, snavel zwart; kop- en lialsvecren helder oranjegeel of als geel koper, naar onderen zwart gestreept; rug en vleugel-boog fraai oranjekleurig, naar de zadelveeren toe, welke bij de halsveeren moeten passen, lichter van kleur wordend; schouderdekveeren groenachtig zwart, spiegels fraai donkergroen, vleugeldekveeren groenachtig zwart; borst donkerbruin, bijna zwart (elke veer met fraai bruine schacht en zoom), onderlijf en dijen donkerbruin niet lichtbruine schachtstreep, staart groenachtig zwart; pooten en teenen donker bronskleurig, zwart of olijfgroen.
Hen: gezicht, kam, oor- en kinlellen en snavel evenals bij den haan; kop- en halsveeren zwart met een smallen, goudgelen zoom; borstveeren evenzoo, doch bovendien met een smalle, goudgele schacht; rug, vleugels en staart groenachtig zwart; pooten en teenen als bij den haan, het liefst donker bronskleurig.
13. EendvleugcUjc {üuckioings),
liaan: gezicht en andere naakte deelen van den kop schitterend rood; oogen scharlakenrood; snavel groenachtig hoornkleurig; pooten en teenen groen (alle naakte deelen dus als bij de Black-rcds). Kop- en halsveeren zuiver roomwit of zeer licht strookleurig, zonder zwart; rug en vleugelboog fraai schitterend oranje, naar de zadelveeren in stroogeel overgaand; schouders blauwachtig zwart; spiegel staalblauw; kleine slagpennen zuiver wit, aan de buitenvlag met smalle, zwarte vlekken, welke een zwarten band onder aan den vleugel, vlak boven het wit, vormen; borst, onderlijf, dijen en staart blauwachtig zwart.
l)e zilver-Duckwiny-haan verschilt van don bovengenoemde alleen door een zuiver witten rug en vleugelboog eu door de zuiver witte, van smalle zwarte strepen voorziene halsveeren.
Hen: de naakte deelen als bij den haan; kop- en halsveeren wit en zwart,
170
hot wit heeft de overhand (elke veer behoort in 't midden en aan den rand wit to zijn); horstvoeron licht zalm- of rooldeurig, met eon lichtere sohacht-strcep ; dijen en onderlijf aschgranw ; rug en vleugels óénkleurig'licht grauw, zoor fijn en gelijkmatig zwart gestroopt on daardoor blauwachtig grijs schijnend, mot witte schachten; staart zwart, de buitenveoron aan do punt fijn gespikkeld.
De zilver-Duckiobtg-hen is witter aan don bals, bloeker aan de borst, lichter op don rug en de vleugels, kortom, over 't geheel lichter van kleur.
i. Roode mei wille horst (Red Pile!.
liaan: de naakte doelen van den kop schitterend rood; de oogon scharlakenrood; snavel groenachtig geel als do pooten groen, lichtgeel als de pootcn geel, en vloeschkleurig wit als do pooten wit zijn; kop- en hals-vcorcn diep oranjerood, naar de schouders toe licht wit gestreept; rug en vleugelboog diep karmijnrood, aan do zadelvoeron in oranjerood overgaand (met do halsvoeron ovoreonkomond); schouderdekvoeren, borst, onderlijf en dijen roomwit; spiegel en staart wit; kleine slagponnen aan de buitonvlag zuiver en donker kastanjebruin; pooten en toonen het liefst geel.
Jlen: do naakte doelen als bij den haan, ook de kleur dor pooten; kopen halsvoeron wit en goudgeel, bet midden wit (hoe broeder hot geel, hoe beter); borst diep zalmrood met lichtere schachten, aan dijen en onderlijf in met zwak zalmrood geteokend roomwit overgaand; rug en staart roomwit: vleugels eveneens doch met zalmroode teekening aan de vleugelboog; deze teekening wordt do âroosquot; genoemd en door sommigen zeer gaarne gezien; andoren geven aan zuiver witte vleugels de voorkeur 1).
Dit zijn alzoo de Engelscho standaardkleuren; er zijn echter ook zwarte en witte Vechtkrielen, welke evenwel weinig liefhebbers vinden.
De benaming tarwokleurig hoeft alleen op de hennen betrekking; men onderscheidt een roode en een grauwe tarwekleur, welke geheel met do kleuren iler overeenkomstige groote Vechtiioenders overeenkomen. Do tarwekleurigo hennon worden met Black-red en Duckwing-hanen gepaard.
Wij komen nu tot de teelt der Vechtkrielen en volgen daarbij den heer Entwistle.
Om goede Vechtkrielen te fokken, kiest men oen haan en 3 of 4 hennon van I j a 2-jarigen leeftijd en brengt die tijdig, in Januari, bij elkander. In de tweede helft van Februari legt men do eerste eieren onder, waarmee men dan tot het begin van Juni kan voortgaan. Voor liet nest maakt men slechts een kuil in den grond, waarin men wat hooi of fijn stroo legt.
I) Dozo besclirijvingon zijn ontleond aan don matador dor EiibcIboIio Vochtkriolfok-kers, Mr. Bntwistlo, wijl zij tot do bosto on do moost mothodische bohooron.
171
Bij lioet, droog weder besprenkelt men de eieren 2 ol' li dagen vóór het uitkomen met warm water â- zulks allo dagen te doen is niet noodig. In den regel komen ze op den UMquot;quot; of 'iOto» dag uit.
L)e kuikens krijgen na 24 uren een mengsel van eieren, gestremde melk en wittebroodkruimels, na 3 dagen ook een weinig kanariezaad, na l i dagen bovendien een kruimelig deeg van liaverdegort en gerstemeel met melk, niet te veel op eens en twee maal per dag versch toebereid. Als ze 5 weken oud zijn, geeft men alleen bet genoemde deeg en tarwe. Vijf a zes weken lang kan men de kloek in de kuikenren bonden, docb de kuikens moeten steeds vrijen toegang bobben tot een grasveld, frisscbe aarde en frisch water. Als ze '3 maanden oud zijn, worden de hanen van de bonnen gescheiden.
Men moet de jonge hanen niet van kam, kin- en oorlellen ontdoen, vóór ze geheel in de veereu zitten, d. i. in de (i'11; of V1'quot; maand. Jlen snijdt do wille oorschelpen der hennen ook weg, als deze voor de tentoonstelling bestemd zijn. liet is evenwel voel beter fokdieren met kleine, geheel roodo oorschelpen te fokken en voor den fokstam dus dieren uit te zoeken met een kleinen, sierlijken, rechtop staanden kam en gladde, roodo oorlellen.
Om voor de tentoonstelling te fokken moet men zijne fokdieren met de grootste zorg uitzoeken.
Wat i, de Black-reds betreft, zoo kieze men, om goede hanen te fokken, een ongeveer tweejarigen haan, die aan alle eischen voldoet: lange kop, hals en pooten enz. en twee even zoo oude hennen van de roode tarwekleur. Vooral zie men op een fijnen, langen kop en hals, heldere, goed geopende oogen, gezonde pooten, goed gevederte, breede schouders en borst, fijn achterlijf en een harden, veerkrachtigen, sierlijk naar achteren gedragen staart.
Om jonge hennen te fokken moet de eveneens tweejarige haan een wei-nigje donkerder zijn en zwak zwart gestreepte halsvceren hebben, zoo mogelijk niet gecoupeerd en van de hiervoor beschreven kam en roodo oorlellen zijn voorzien. Hetzelfde geldt van de 2 of li hennen, welke alle de gewensebte hoofdzaken moeten bezitten. Men laat deze ongeveer een maand later uitbroeden, aangezien het altoos beter is bennen te exposeeren, die een maand jonger zijn, dan de jonge lianen.
'2. De beste Brown-redhanen verkrijgt men, als men tweejarige banen, die zooveel mogelijk aan do standaardeischen voldoen, vooral zulke met een donker gezicht en donkere oogen, duidelijke borstteekening en goede kleur â welke voor het fokken van jonge lianen van even groot belang is als de figuur van de ben met twee naar den standaard gekleurde hennen paart, bij welke vooral op de figuur, goede kopergele balsveeren, duidelijk geteekende borst van het diepste zwart moet gelet worden.
-172
Om joiigo hennen te fokken kieze men een liaan, die wat donkerder is dan do standaard eischt, zoo mogelijk met diep zwarte borst. Do belangrijkste punten zijn de figuur, een fijne kop en groenzwarte vleugels. Daarbij '2 of IJ hennen, niet zeer donkere halsvoercn mot goudgelo zoomen.
IJ. Duckwing-hanon vallen het best van zilvervleugelige hanen en beste eendvleugolige of roode hennen. Als men do laatste gebruikt, dan kieze mon zulke, die zuiver goudgeel aan den kop zjjn en in 't geheel geen rood of roestklour op do vleugels hebben. Mr. Entwistlo fokt do Duckwing-haantjes op twoo wijzen; lquot; van schittorond on rijkgeklourdo Black-rod hanen met correct gekleurde halsveeren en tarwekleurigo hennen mot witten hals en 'J0 van correct gekleurde Duckwing-hanen en grauw tarwekleurigo of zeer licht gekleurde patrijsvoörige roodo hennen. Hjj houdt deze methoden voor de beste; doch men kan ook fokken van een roodon liaan en volmaakte Duckwing-hennen of van oen Duckwing-haan, die van gemberkleurigo hennen stamt.
4. Voor do teelt van Red lrile-luineii neemt men eon fraai gekleurden, pilo-haan mot witte borst en oen paar hennen met veel goudgeel aan do halsveeren, oen sierlijke âroosquot; on eon weinig kleur op de vleugeldek-veeren, doch mot tamelijk bleeke borst.
Om hennen to fokken neemt men denzelfden haan en twoo of drie hennen, die aan den standaard voldoen.
Voor kruising met andere variëteiten beveelt Mr. Entwistic Black-red-hanen aan en wel de donkerste, die men kan vindon; de Hod-pilo-hennon moeten eveneens zeer donker zijn; vooral moet de haan zeer fraai en donker kastanjebruin op do vleugels hebben.
5. Tarwekleurigo hennen vallen zoo nu en dan van fokstammen voor Duckwing-hanen â Black-rcd-hanen en Duckwiiig-hemion (zie hiervoor onder ;!).
Om Vechtkriel met succes te oxposooren, hoeft men velerlei in acht te nemen. Voor alles dient men to weten, wat /ijiic slammen zjjn. Er zijn hanen, welke uitstekend voldoen, zoolang zij alleen in de kooi zijn, doch do vleugels laten hangen en den staart spreiden â en dus waardeloos zijnâ zoodra men er een hen bij doet. Andere hanen daarentegen zijn steeds suf en bedrukt, wanneer ze alleen zijn, doch vertoonen zich tegenover de hennen in al haar glorie. Nog andere zijn in de kooi zoo schuw en wild, dat zjj alleen daardoor verliezen. Dit laatste is gemakkelijk te voorkomen, door ze ongeveer acht dagen vóór de tentoonstelling aan de kooi te gewennen, zoo-dat zjj er zich dan in te huis gevoelen. Men voert ze dan als gewoonlijk doch geeft ze nu en dan ook wat hennep en witte boonen, waardoor buitendien het gevederte glanzig wordt.
17:*
Hennen moeten echter op liet grasveld blijven tot men ze moet verzenden, daar zjj in de kooi zeer spoedig in slechte conditie geraken.
Het is bepaald noodig, dat alle vogels van een cn dezelfde kooi nauwkeurig met elkander overeenkomen in kleur van oogen. pooten en teenen. Ook moeten oude of jonge hennen van één kooi in alle standaardeischen volkomen gelijk zijn. als zjj voor eene bekroning in aanmerking zullen komen.
De beste leeftijd om te exposeeren is voor jonge hermen van 4 tot 7 maanden, zoodra zij namelijk bun vol gevederte hebben en vóór ze begonnen zijn te leggen. Hanen vertoonen zich op het voordeeligst op den leeftjjd van 6 a 14 maanden en zijn gewoonljjk in het eerste jaar beter dan later. Slechts weinige krijgen na den eersten rui de fraaie, lange sikkelveeren weder en vele worden te dik en plomp, vooral aan kop en hals. De alge-meene verbetering van deze fraaie dieren heeft echter ten gevolge gehad, dat men tegenwoordig jaarlijks tien aanzienlijk aantal hanen ziet, welke hunne schoonheid ook gedurende het tweede seizoen behouden, waartoe goed hardvoer en veel beweging het hunne bjjdragen.
Wat de voorbereiding voor de tentoonstelling aangaat, hiervoor is verder niets noodig dan de naakte dooien eenvoudig te wasschen en de borstelig omhoog staande voeren boven de oogen van den haan tot dicht op de huid weg te snijden, zonder de regelmatig en glad liggende voeren te beschadigen.
In 't algemeen valt aangaande de teelt der Bantams en Krielen nog op te merken, dat het lang niet zoo gemakkelijk is ze kleitt Ie houden, wat toch de hoofdzaak bjj hen is. Wjj hebben reeds op de nadeden gewezen, die het laat broeden zoowel op de geheele constitutie als op de ontwikkeling van het gevederte, vooral van den staart, heeft. Wij moeten daarom deze methode om Kriel te fokken, bepaald afraden. Niet minder verwerpelijk is een schrale voeding; dit heeft meestal dezelfde en nog ergere gevolgen, daar de dieren daardoor dikwijls te gronde gaan. Het geheim â en als zoodanig beschouwen het inderdaad vele fokkers, die verschillende voederrecepten bewaren â het geheim berust op een reeds lang bekende daadzaak. Het middel, dat voor het fokken van zoo groot mogelijke stammen of individuen aanbevolen wordt, wijst het eenvoudig aan. Evenals men door toevoeging van phosphaten en kalk aan de voedermiddelen kan werken op eene krachtige ontwikkeling van de beenderen en het geheele geraamte, zoo zal men omgekeerd, door de dieren die beenvormende stoffen gedeeltelijk of geheel te onthouden, do ontwikkeling van het becnderengestel tegengaan en verzwakken kunnen, zonder dat de dieren tevens â bij overigens voedzaam voer â in de lichamelijke ontwikkeling, in een krachtig gestel, benadeeld worden. Dit ligt zoo geheel voor de hand, dat men zich ver-
174
wonderen moot, dat or nog monschon zijn, die daarover als over een geheimmiddel praten.
Interessant is het nu, dat Mr. H. Hutton, de ervaren fokker van even kleine als gezonde on sterke Bantams, do juistheid van deze redeneering practisch hoeft bewezen. Hij gaf zjjno Bantams âals ochtendvoer onveranderlijk in melk gekookt wittebrood, als hardvoer goede, gezonde tarwe, wekelijks tweemaal tot afwisseling kanariezaad en bovendien dagelijks in water gekookt en met een weinig vet en piment gekruide rjjst, waarmoe hij, als dit geheel koud was geworden, nog fijue haverdegort vermengde, die zich met de rjjst tot kleine balletjes vormde.quot;
Deze zeer voedzame spijze bevat zoer weinig stoffen voor do beenvorming. De kuikens bleven klein, kwamen echter good iu do voeren en Mr. Hutton had dikwijls vroegbroed, waarvan de bonnen roods op den leeftijd van 10 weken logden.
Dit voer is inderdaad zoor arm aan boenvormende middelen. Vooral rijst bezit daarvan slechts oen minimum ou wij gelooven te oorder, dat do Chineezen en Japauneezon door hot voeren van rijst zooveel succes hadden iu het fokken van dwerghoondervormen, daar de barones Ulm âErbach uitdrukkehjjk zegt, dat de Japanscho Bantams in hun vaderland met rijst worden gevoerd.
Dekde Hoofdstuk.
Wilde hoeudors cu aMamnihig: der linislioeudei's.
Wanneer men niet wil aannemen, dat de gedomestiseerde organismen â huisdieren en cultuurplantoii â als geheel afzonderljjko soorten, bepaald tot nut of liefhebberij van don zoogenoemdeu âhoor der Scheppingquot; go-schapen en georganiseerd zijn en zich dus wezenlijk van de âwilde soortenquot; onderscheiden â zooals werkelijk door meer dan ééne teleologie beweerd is â dan blijft er inderdaad niets anders over dan hunne voorouders te zooken onder de nog lovende of reeds uitgestorven stamsoorton.
Met betrekking tot het pluimvee, waarmee wij het hier te doen hebben, is dit vraagstuk bij het grootste gedeelte er van gemakkelijk op te lossen; bij die soorten n.1. welke of nog slechts korten tijd Opzettelijk door den mensch gefokt worden of voor welko deze zich niet bijzonder interesseerde. Wij zullen in de volgende hoofdstukken zien, dat de stamouders van hot parelhoen, van den pauw, den kalkoen, de gans en de eend in nog lovende wilde soorten zijn aan te wijzen ; do gedomostiseorde rassen verschillen er slechts weinig of in het geheel niet van.
175
Anders echter is liet met tie lioondors iüi duiven, welke reeds eeuwen lang bij bijna alle cultuurvolken een voorwerp van de liefhebberij voor het fokken waren, en voor welke men zich ook tegenwoordig in dat opzicht zeer interesseert. Hunne door eene kunstmatige kweeking verkregen productei! bieden eene groote verscheidenheid aan in vorm- en kleurveranderingen, welke men slechts bjj enkele gedoniestiseerde zoogdieren aantreft en inderdaad verbazingwekkend is, ofschoon de zaak, zooals tegenwoordig elke denkende fokker weet, zich zeer natuurlijk toedraagt.
Het was voor den even genialen als bedachtzamen natuurvorscher Ch. Darwin weggelegd, de wetten der vererving en aanpassing als do beide hoofdelementen van zijn theorie âde natuurlijke teelkeusquot; uit te vorschen en ter verklaring van de afstammings- en ontwikkelingsleer van Lamarck nan te wouden. Vóór bjj echter de vormveranderingen der organismen door de natuurljjke teolkeuzo ging aanwijzen, bestudeerde Darwin jaren lang en â zooals hij zelf zegt â systematisch de gedomestiseorde dieren en planten ten opzichte van de âkunstmatige teelkouzequot;, en hij heeft ook in dat opzicht een zoor groote menigte waarnemingen en bewijsmateriaal verzameld, die vooral voor de fokloer van de grootste betoekonis zjjn.
Deze laatstgenoemde studie, in verband met de voortgezette scherpzinnige waarnemingen van de wilde soorten, maken, dat men het oordeel van Darwin in elk geval als dat van een autoriteit mag beschouwen.
Onder do natuurvorschers, welke de; wilde hoenders waargenomen en beschreven hebben, staan in de eerste rij Bi.vth, Jebdon, Hutton, Tnevon Dickens en Col. Sykes. Hun jarenlang verblijf in Oost-Indië gaf hun ruimschoots gelegenheid tot het bestudeoren der daar aanwezige wilde en tamme hoendersoorten en rassen. De geleorde Layaud, ex-curator van het Cape-town-museum, alsmede Tennant, hebben veel bijgedragen tot de kennis van do Ceylonsche soort â⢠Gallas Lafayetti (of Stanleyi). Salomon Muli,er, H. Boje, Dr. Bernstein en baron van Rosenberg, de onvermoeide onderzoekers van Ã.-Indië en Nieuw-Ouinea, bobben uitvoerige mededeelingenâ-laatstgenoemde mondeling en per briefâaangaande de Javaansche soort â G. varius â gedaan.
Bijna alle nieuwere ornithologen nemen voor de eijenlijke hoenders eene onderfamilie aan: Snhfam. Gallinae.
Wij volgen voor de systematiek den uitstekenden Anglo-Indischen ornitholoog J. C. Jerdon, die in zijne natuurljjke geschiedenis der vogels van bet Indische vasteland de volgende kenmerken der eigonljjko hoenders (Huhfam. Gallinae) geeft:
âKop soms van een vleezigen kam en kinlellen of van een volle of halve kuif voorzien; staart gewoonlijk met 14 vederen, samengedrukt of meer of
170
minder uitgespreid, half rechtop gedragen; de bovenste staartdokveeren van de hanen â typisch â verlengd on naar beneden hangendquot;.
Naar zjjne meening behooren daartoe de wilde hoenders, Jungle-fowls, van Indiö en maleisch Azië; de âFirehaclcsquot; (Vnnri'uggen), Macartneya, Les*, en de âBlack-Phaesantsquot; Alectrophasis, Gray, beide tot de maleische streken behoorende; en een kleine groep van Indië en Ceylon, de zooge-naajnde âSpur-fowlsquot; (Spoorhoenders) dor Indische Jagers, Galloperdix, Blythquot;.
Volgons Jerdon moeten de geslachten der onderfaniiiie van de echte hoenders als volgt gegroepeerd worden:
De overgang van de fazanthoenders â Gallophasis â tot de vuurrug-gcn â Macartneya wordt gevormd door het fraaie prelaathoen â Diardi-gallus pr a el af us, Bp. {Alectrophasis, Gr. Cnvieri. Temrn) uit Siam. Het heeft eene kuif als die van een pauw, oen tamelijk langen, schitterend zwarten staart, zilvergrijs bovengevoderte en borst en een bleek goudgelen romp. Dan volgen de beide vuurrugfazanten Macartneya (Phas.) ignita en Vieilloti, grooto vogels mot zwart gevederte, vuurrooden rug en witte mid-denstaartveeron, enkelvoudige vederbos en blauwe oogkringen. Het op Lophophorus Cnvieri, Temm gegronde Graysehe geslacht Alectrophasis en het op Phas. erythrophtli alm us gegronde Reichcnbach'sche geslacht Acomus sluiten daaraan en vormen den overgang tot de echte hoenders (Gallus).
Het geslacht Gallophasis ITodgs, (Ka-liJ-Phaesants), (fazanthoenders) kan ook tot de onderfamilie der eigenlijke hoenders gerekend worden; hun geheele voorkomen en houding, alsmede de wijze waarop de staart gedragen wordt, de vedervorming en do eieren maken, dat zij, niettegenstaande hunne 16 staartveeren en het hier geheel onbeteekenende geografische verspreidingsgebied, dichter bij de hoenders staan dan bjj de fazanten.
Geslacht Gallus, L. Kamhoenders.
Kenmerken; âKop van een huidachtigen kam voorzien; gezicht naakt evenals de kinlellen; loopbeen van den haan sterk gespoord; do spoor lang en licht gebogen; staart metl4veeren, aan de zijden samengedrukt, gedeeld, de middelste veeren verlengd, gebogen en naar beneden hangend, half rechtop gedragen, met de rugzijde der veeren tegen elkander overstaand, de bovenste staartdokveeren verlengd en gebogen; nekveeron lancet-vormig.
De 4iio slagpen is de langste, zoowol bjj de hen als den haan. Bjj de heuneu zijn kam en kinlellen meer of minder verschrompeld on de naakte doelen met zeer kleine veertjes bedekt, terwjjl de spoor ontbreekt of slechts rudimentair is; zelden is die volkomen ontwikkeld. Bids.
-177
âDit goslaclit omvat do zoogonoomdc âJungle fowlsquot; -- Dzjungelhoondcrs, do stamouders van alle hoenderrassen; hunne algemeene kenmerken hebhon ze alle gemeon. Verscheidene soorten komen in indië tot op het eiland Timor voor; het Indische vastland bezit twee soorten, Ceylon een derde, Java enz. een vierde soort.
I. (jIhIIus ferrugineus, Gmelin. G. Bankiva Car. Temm, Haukiva-hoen. Rostfarhigea Ifuhn. Red-Jungle-fowl, -Ier don,
Bengal Jungle-foni, Wild Common Fowl, BlyHi.
Haan: op den schedel, aan hals, nek en borst fraai goudgele, lange lancetvormige veeren, op den nek en aan den achterkant wat Meeker; oorlellen klein, rood; rug purperaelitig bruin in het midden, oranjebruin aan de zijden; bovenste staartdekveeren verlengd, oranjekleurig; vleugels benevens kleine en groote dekveeren zwart met groenen glans; middelste dekveeren fraai donkerbruin; groote slagpennen/Avartachtig met een lichteren zoom; kleine slagpennen van buiten kastanjebruin, van binnen zwartachtig; de nog hooger zittende pennen schitterend zwart; staart met de midden-voeren fraai schitterend groenzwart, welke kleur op de zjjwaarts zittende veeren zwakker wordt; bet onderlijf, van de borst af, zwart zonder glans en evenzoo de dijveeren. Snavel blauw-bruin; iris oranjerood; gezicht, kam en kinlellen rood; pooten leizwart. Lengte ongeveer 20 Engolscbe duim (fili;] millim.), slagpennen 9 duim (22!) mM.), staart 15 duim (382 mM.), loopbeen 2] duim (7ü mM.). Gewicht ongeveer 2] Eng. ponden (1,125 kilogr.); schoon, volgens kapt. Beavan, 90S gram.
Kapt. B. geeft de volgende maten van noord-oostelijke exemplaren (in millimeters):
Lengte, Vleugels, Staart, Loopbeen, Teenen, Spoor.
r,,S' 229 l 267 96 83 25.5.
612 216 ^
De Ik'ii heeft als algemeene kleur geelachtig bruin met kleine donkerbruine spikkels; eenige veeren, vooral aan den bovenrug en de vleugel-dekveeren, hebben duidelijk bleeke schachten; kop van boven zwartachtig; de kopveeren gaan in korte, donkerbruine, aan den nek en de zjjden der borst schitterend geel gezoomde halsveeren over; de vederschachten en staart zijn donkerbruin, de middelste veeren met bruingevlekte zoomen; oordekveeren geelachtig; onder de keel is een schitterend roodbruine streep, onder in een punt uitloopend en boven in een streep achter de ooren en in de smalle wenkbrauwen van dezelfde kleur; borst licht roestbruin met centrale lichte streepjes, op het midden van het onderljjf bleeker en aan
Baldamus, Pluimveotoelt. 12
178
de flanken, liet achterljjf, do onderstanrtdokveeren en djjvceren in donkerbruin overgaand. Zonder kam on kinlellen, alleen een kleine, roode, naakte plek. Volgens de verzekering van Blyth evenwel zijn de kinlellen wel aanwezig doch zeer klein. Lengte 408 a 4:34 millim., staart 178 millimeter.
Deze wolbekende soort is verbreid van het ïïimalaya-geb. zuidwaarts tot in het Westen van het Indisclio schiereiland, in elk geval tot aan het Vindhya-geborgte en volgens do onderzoekingen van Blanford ook zuidelijk van Nerbudda in het âRaj-peoplaquot;-gebergte. In het Oosten komt zij door Centraal-Indië en Noord-Circars tot in de nabjjheid van don noordelijken oever der Godavery voor. Ook zou ze nog zuideljjk daarvan in Cumnnin geschoten zijn. Jerdon zelf zag zo slechts tot aan do oevers der Indrawutty, dicht bij do plaats, waar dozo zich met de Godavery vereenigt, en hier kraaiden beide soorten slechts weinige schreden van elkander. Hij schoot een exemplaar, dat zonder twijfel oen bastaard was van beide ârassenquot;.
In Centraal-Indië is dit wildo hoen zeldzaam, ten minste in de westelijke streken; vorder naar het Oosten wordt hot vaker aangetrortbn.
Kapitein Beavan vond liet zoo in geheel Sikkim â⢠ook O. E. Bulger ââ en in Bhotan, aan de oevers der rivieren in het Maunblioom-district, in het dal van de Salwen en in de Tenasserim-provinciën van Birma; hier misschien Blyth's âBurmosische ut' Maleische rasquot;.
Naar hot Noord-Westen komt liet in den heuvelketen zuidelijk van Kaschmir en in 't Westen van Jumna voor, doch zelden, ofschoon hot in de lage ketens van Simla en van daar langs don Himalaya tot Assam, Silliot, Chittagong en Birma algemeen is en tot op 4ÃÃU voet boven den zeespiegel wordt aangetroften.
Maleische exemplaren zijn beslist donkorder van kleur en hebben roest-roode wanglollon; ook zij vornion misschien een goed ras of soort, dat dan den naam Tomminck's G. Bankiva zou moeten dragen. Dit ras scbijnt over vele der Maleische eilanden, en volgens Sal. Muller on Wallace ook over Celebes en Lombok tot aan Timor verspreid te zijn. Blyth riebt de aandacht van Jerdon op de beschrijving van oen hoen van de Bonin-cilanden en vindt hot Maleische ras gelijk aan het Burmesischo, behalve dat de haan dieper en rooder van kleur is; de wanglollon zijn evenals de kam en do kinlellen karmijn- of hoogrood.
Het Bankiva-hoon heeft oen bepaalde voorliefde voor do bamboes-jungles, doch men vindt het oven good in lichte als in dichte bosschen. Wanneer er bebouwd land in do nabijheid van hunne woonplaats is, kan men zo in den herfst en na don oogsttijd dos morgens en avonds dikwijls bij troepen van 10 a 20 stuks op de velden zien ronddwalen. liet gokraai, dat zij tegen den avond en don morgen laten hooren â het gehoele jaar door.
179
docli vooral in den paartijd â komt gohool met dat van den Bautam-liaan overeen, doch is korter en niet zoo aanhoudend als dat van onzen huishaan.
De hen broedt tnsschen Januari en Juli, legt lt;S a 12 roomwitte eieren, dikwijls onder bamboes- of ander struikgewas, waar het eenige bladeren of gedroogd gras tot een nest bjjoen scharrelt. W. E. Brooks noemt die eieren mat lederkleurig wit; zjj hebben een gemiddelde lengte van 44,(i en eene breedte van ongeveer millimeter, afwisselend tusscheu 43 en 5^ bij 36,5 en 3!) millimeter. Gewicht -47 a 50 gram.
Vroeger of later, al naar den broedtjjd, vallen den haan soms de lange nekveeren uit, die dan door zwartachtig grijze, korte voeren vervangen worden.
De haan is een prachtige, trotsehc vogel met een fier en majestueus voorkomen; hoe vlug ook in zijne bewegingen, deze geschieden altijd met een merkwaardige bevalligheid, zooals men in de diergaarden kan opmerken. Hij d raagt den staart niet zoo hoog als de tamme rassen, doch meest hangend, zooals bjj de fazanten.
Het Bengaalsche wilde hoen is oud gevangen zeer moeilijk te temmen, veel moeilijker dan het Sonnerats- en Stanley-hoen en veel ander wild gevogelte, terwijl het bantamachtige Burmesische hoen veel gemakkelijker tam wordt.
Ook mengt het Bengaalsche ras, zelfs daar, waar het algemeen is, volgens Blytii zich zeer moeiljjk of in 't geheel niet met de daar gehouden huishoenders, wat met het Burmesische ras zeer algemeen geschiedt. Dit laatste heeft wat steviger, lomper pooten. Het vleesch is volgens Pu. von MnKBim, die dit hoen zeer dikwijls aantrof, vrjj slecht van smaak, dat van den romp bruin en dat van de dijen wit van kleur,
2. Gallus Sonnerati, Te mm, Phasianus (/alius, Sonnerat.
Phas.-inclicKS, Leach, IVyth e. a. Stanleyi? J. Gray.
The Gray JungU-foni.
Het Somieratshoen.
Beschrijving. Haan, tig. (i-4. De geheele bovenkop en nek benevens de smalle veeren zwartachtig grijs met gele vlekken, elke veer zwartachtig met witte schacht en twee vlekken, de eindvlek nagenoeg vierhoekig van vorm als een droppel geel zegellak, de andere witachtig, naar de vleugel-dekveeren toe in langwerpig ronde, schitterend bruine vlekken overgaand; oordekveeren bleek roestrood; 't overige gevederte boven en onder zwartachtig grjjs, de vederschachten wit en de veeren aan de zijden met een
-180
breed, bruin centrum en «tippels; de buitenste groote siagpennen zwartachtig met een liciitere schacht en smalien rand, de overige üwak schitterend zwart; de bovenstaartdekveeren schitterend purperrood; de middelste staart-veeren schitterend groen, welke glans op de sikkelveeren vermindert; achterlijf' vuil bruinachtig; onderstaartdekveeren schitterend zwart met witte schachten. Snavel geelachtig hoornkleurig. Kam, gezicht en kinlellen rood; iris oranjebruin; pooten als de snavel. Lengte 612 millimeter en bij fraaie exemplaren nog meer; slagpennen 242â-255 mM.; staart ;58'2ââ 408 mM.; loopbeen 83 mM.; gewicht 1,135 kilogram.
De hen is van boven bruin gevlekt met bleekere schachten aan do vleugeldekveeren, van onderen zwartachtig bruin; de voeren hebben een breed, zuiver wit centrum, dat aan de zijden, de djjveeren, liet achterlijf en de onderstaartdekveeren in zuiver donkerblauw overgaat; schedel en nek roodachtig bruin, aan de kin en de keel iets lichter, geelachtig; groote slagpennen donkerbruin, kleine bruin gevlekt; staart zwartachtig bruin met
IS I
bruingovlckto randen. Lengte ongeveer 13;! niM. Volgens ïemminck moet de haan 758, de hen 506 niM. lang zijn.
Dit fraaie hoen wordt alleen in zuidelijk O.-Indiö gevonden, langs de oostkust tot een weinig noordelijk van de Godavery, in Centraal-Indië tot de Mahadewa-gcbergte, noordelijk tot Nagpore, en aan de westkust tot het Hajpeepla-geb., waar het op bet gebied van het Bank iva-hoen komt. liet komt zeer menigvuldig op de kust van Malabar voor, vooral in de hooger gelegen stroken zooals in Wynaad en op de bellingen der Neilgherries; even algemeen in de geschikte streken der Oost-Grhats en in de verschillende afzonderlijke heuvelrijen van Zuid-Indiö; niet zelden in bet Naggery-gebergte bij Madras, waar het geregeld aan de markt komt.
Het Sonuerats-hoen houdt zich evenals bet Eankiva-hoen graag op in de bamboes-jungles. In den vroegen morgen vindt men het op de geheele kust van Malabar in Wynaad enz. overal op de wegen grazend, zoodat het gemakkelijk te schieten is.
De bon legt van Februari tot Mei gewoonlijk 7â10 eieren van een roodachtige roomkleur onder de bamboestruiken. Het geluid van den haan is zeer eigenaardig, een afgebroken en onvolkomen wijze van kraaien, geheel anders dan het gekraai van den Bankiva-haan en de tamme rassen en moeilijk te beschrijven. Uit do jungles genomen, zjjn zij wilder en niet zoo gemakkelijk tam maken als de Bankiva's; zij hebben evenwel in gevangenschap met tamme hoenders gebroed.
3. Gallus Lufuyctti, Lesson. G. titanleyi (?) Gray I). G. Kil'ii'ivulli, Temm. Lafresnayi, Aliq. G. lineatus. Blyth. Ceylon Jungle-fowl.
Lafayette- of Stanley-hoen.
âOver 't geheel gelijk aan de Bankiva's, doch van onderen rood; een goed ras, zoo niet eene soort.quot; Voor liet laatste pleit vooral het zeer afwijkende geluid, dat Layard en Tennant met de gedurig herhaalde woorden âGeorge Joycequot; vergelijken.
De liaan heeft een korten, aan de basis smallen, enkelvoudigen kam, die zich naar boven toe uitbreidt, van bijna gele kleur met roeden zoom; kinlellen rood; halsveeren goudgeel; borst rood of bruin.
Het eerste paar, dat Europa levend bereikte, kwam in 1S73 in den zoolog. tuin in Eogentspark. Ueze haan had oranjegele ware balssierveeren, een geelachtigroode borst bleekroode pooten en fraaie purperblauwachtige
1) Volgons Haetlauii zou G. Stanleyi, Gray het wyfjo on oigoniyk synoniem met G. Lafayetti zijn.
zadelvecrtm, welke evenwel niet luncetvormig, maar breed on aan do punt afgerond en buitengewoon glanzig waren. Kam en kinlollen waren gewoon rood, de eerste in liet centrum geel. De spoor was zeer scherp.
Do lien heeft een zoor kleinen, maar toch merkbaren kam, die evenals do kinlollen gewoonlijk geel is; bet gevedorto is zeer eenvoudig patrijs-kleurig. Do iris is bij beide geslacbten parel- of groenachtig wit.
Het Stanley-hoon â zooals het in Engeland wordt genoemd â legt volgens de waarnemingen van Layard ü a 1 'i roomkleurrigo, roodachtig bruin gestippelde eieren. De jongen gelijken veel op die dor gewone huis-hoenders. Op Ceylon zijn ze zoor algemeen en, volgens Layard, worden zo in allo onbebouwde streken van dit eiland, vooral in de noordelijke en noord-westelijke, in menigte gevonden. Ook in hot zuid-westen, dat wegens zijn rijkdom aan bosch volgons W. V. Leqgk bijzonder voor lion geschikt is. Trevor Dickens echter beweert, dat zij ook op hot Indische vastland en op Java voorkomen, terwijl Bi.vrn zegt, dat deze âgoed gekarakteriseerde soortquot; tot Ceylon beperkt is. Zij vliegen zelden, doch loopen uitstekend.
Alle prooven om deze prachtige vogels te domestiseeren zijn tot nog toe mislukt. Evenwel paart de haan dikwijls met tamme huishennen. Mr. Mieeord bezat twee van zulke bastaards, welke de stem van den vader geërfd hadden. Zij waren volkomen onvruchtbaar.
4. Gallus val'ins, Shaw. G. Javanicm, llorsf. G. fiwcaius, Temm.
Vorkslaarlhoen.
Ook dit in menig opzicht eigenaardige wilde hoen is nog slechts zelden in Europa ingevoerd. Behalve in de Londensche Diergaarde bevonden or zich eenige fraaie exemplaren in die van Antwerpen. In beide trok men, naar bekend is, eenige bastaards van den haan dezer soort en van andere hennen.
De haan heeft een kleinen, ongetanden, van onderen blauwachtig rooden en boven in violet of purper overgaandon kam, een enkele kinlel, welke zich midden onder de kin bevindt, aan don voorkant fraai donker karmijnrood is en vorder naar achteren in geel overgaat, een rood gezicht, een tamelijk langen en smallen kop en sterk uitpuilende oogen. De halsveeron zijn niet lang en smal, als hij bijna alle overige hanen, maar stomp en afgerond aan de punt, diep metaalachtig glanzend groen van kleur met zwarte zoomen, waardoor het gevedorto een geschubd aanzien verkrijgt; zij reiken tot op het midden van den rug. De zadelveeren zjjn van 't zelfde groen, doch mot gelen zoom; evonzoo de met goudgroene punten voorziene
183
schoudcrdukveoren. Dc groote slagponuon zijn donkerbruin, bijna zwart; do kloino diop oranjorood aan do punton; dozo klour is ailoon bij gosloton vlougols zichtbaar. Do onderdeolcn zijn zwart of diop donkergrijs met eon biauwachtigen weerschijn, of', zooals do vochthoonfokkors zoggen: blauw-bruin. Do schitterend groenzwarte staart is gaffelvormig, doordat do boido middelste voeren naar buiten gebogen zijn.
De hen is kleiner, heeft geen kam of kinlellon en groenachtige hals-voeren, van den vorm als die van den baan. De bovendoden van het lichaam en van den staart zjjn grijs mot een waas van bruin, de beneden-doelen grijsachtig van kleur.
De pootcn van beide geslachten zijn blauw of blauwgrijs, (de exemplaren te Antwerpen haddon vleeschkleurigo pooten).
Men heeft geconstateerd, dat deze soort voorkomt oj) do eilanden Java, Lombok, Soembawa en Flores.
Zij bewoont volgens Bernstein bij voorkeur de alang-alang wildernissen en hot dichte struikgewas der eilanden, tot ;{ÃI)à voet boven den zeespiegel, alzoo tot daar, waar bot gebied van (l. lernigineus begint, dat zelden beneden â¢iHÃU voet voorkomt.
Het Vorkstaarthoen is zeer scliuw en in do dichte struiken moeilijk waar te nemen, daar het zich bij het minste gedruisch verbergt of, zonder op te staan, tusschen liet alang-alang wegkruipt. Alleen het geschreeuw, dat bij het aanbreken van den dag herhaaldelijk door den haan wordt geuit en klinkt als een schor âku-kruuhquot;, verraadt zijn tegenwoordigheid. Do hen roept kort âroek, roekquot; of âgroek, groekquot;. Zoo dikwijls men zo hoort, zoo zelden krijgt men ze te zien. Het best gelukt ilit nog in den vroegen morgen, wanneer zij, als zij zich veilig wanen, op open plaatsen hun voedsel zoeken, dat uit zadenjen, bladknoppen en vooral uit insecten (termieten e. d.) bestaat.
In gevangenschap kan men ze lang met rijst in het leven houden, doch zij gedijen het best, wanneer men hun, vooral in hot begin, nu cn dan dierlijk voer, bijv. insecten daarbij geeft. Dr. Beunstein heeft slechts éénmaal een nest gevonden. Het bevond zich midden in het hooge alang-alang in een kleine uitdieping van den bodem, bestond alleen uit losse, droge halmen en bladeren van die grassoort en bevatte 4 eieren, die reeds eenige dagen bebroed waren en 40 a 4!) mM. lang en ;i(i u 37 mM. breed waren. Do eieren, die zich in het Leidsoh museum bevinden en door H. 13o.ik in de nabijheid van Tjikao op Java verzameld werden, zijn geelachtig wit van kleur, 45,5 a 50 mM. lang, 37 a 38 mM. breed en wegen ledig 3,35 a 4 gram.
Dr. Sal. Müller merkt op, dat bastaards van dit wilde boen en den
184
daar gohouden liuishaan zeldzaam zijn on hoog in prijs worden gehouden.
Bijna alle overige, door vele vroegere ornithologen als soorten voorgestelde wilde hoenders zijn, naar bewezen is, hybriden (bastaards) of toevallige of gedomestiseerde variëteiten.
Zoo beschouwt Blvïii het Tcininiiickslwen, G. l'einmincki, Llraij en G. aeneus Tenun. als bastaards van het Vorkstaarthoen, G. varius, en de huishoenders. Hot wilde reuzenhoen van Temminck, G. ijifjanlens, en verder zijn G. morio, crispus (krulveerhoen), ecaudahis (klomphoon) laiuilus enz. zijn slechts als variëteiten en, voorzoover zij constant zijn, als rassen te beschouwen. Prof. OiKitm, is misschien de eenige schrijver van den nieuwen tijd, die (in zijn âTlietiuums ornillioloyiaequot;) van nog 8 wilde hoender-soorten melding wil maken en â van 12 werkelijk reeds melding maakt!
Welke van deze vier wilde soorten zijn nu de stamouders van onze huishoenders?
Ch. Darwin spreekt do inderdaad zeer twijfelachtige bewering, dat ânog niet ontdekte of reeds uitgestorven vormen de voorouders zouden zijn,quot; beslist tegen. De eerste zouden zich dan bepaald in hot centrum van Centraal-Azië verborgen moeten houden. Het feit echter, dat de bekende wilde hoenders te midden van de oudste en dichtst bevolkte streken van Oost-Indië tot heden zijn bewaard gebleven, maakt do hypothese, dat de oervormen uitgestorven zouden zijn, zeer onwaarschijnlijk.
Er blijft ons inderdaad niets anders over dan den stamvorm onder de levende en bekende Wilde hoenders te zoeken, want Darwin meent slechts één enkelen stamvorm te mogen aannemen.
De erkende wet: âHoe grooter het verspreidingsgebied van eene soort is, des te grooter is hare veranderlijkheid Iquot; noopt ons tot eene recapitulatie van hunne verspreiding.
Het grootst, zoowol in lengte als in breedte, is het verspreidingsgebied van het Bankiva-hoen {G. fermgineus) met zijne waarschijnlijk slechts gcographische rassen of variëteiten. Het Bengaalsche ras bewoont het noordelijk gedeelte van Voor-Jndië, binnen de reeds aangegeven grenzen, doch komt volgens Bovi.u in het Himalaya-gebergte ook nog tot 4000 voet boven den zeespiegel voor, zoodat geconstateerd is, dat haar gebied zich uitstrekt tusschen 72° en 100quot; Oester-lengte en 48° en 22quot; Noord er-breedte. Het Burmesische ras noemt het noordwestelijk deel van Achter-Indic in beslag, van het middelgebergte van den Oost-Himalaya tot do Tenasserim provinciën, ongeveer van den 93stoii tot den lOOstequot; lengte-en van den 25steii tot den 14lt;ie'i breedtegraad. Het Maleische ras breidt zich van hier uit over het schierei-
land van Malakka, Sumatra, Zuid-Celebos on alle eilanden tusschon Java en Timor â volgens Bernstein alleen in hoogland boven 3000 voet â dus van ongeveer 95° tot IÃOquot; O. L. en 14° Noordor tot 10quot; Z, breedte.
Beperkter is het gebied van het Sonneratshoen, dat de zuidelijke helft van Voor-Jndië, tusschen 7kJ a iS'i0 O. L. en 'i'i tot 1'i0 N.15. bewoont.
liet kleinst is het gebieil der beide overige soorten: liet Vorkstaarthoen (G. mirhis) bewoont de vlakten van Java, beneden 3000 voet, en de eilanden Lombok, Soembawa en Flores, tusschen lt;i en 10quot; Z. Br., terwijl het Lafayette-hoen alleen op Ceylon en in den laatsten tjjd op de zuideljjke hellingen van het Ghatgebergte op Voor-Indic wordt aangetroffen.
De variëteiten van het Bankiva-hoen zijn alzoo in horizontale en in vertikale richting het verst verspreid, n.l. over 5i lengte- en 58 breedtegraden, terwijl het Sonneruts-hoen tot 10 lengte- en 8 breedtegraden en de beide overige binnen nog engere grenzen zijn beperkt.
liet geographisch verbreidingsgebied pleit er alzoo voor, dat de Bankiva-hoenders de stamouders onzer huishoenders zijn en, dat zich tenminste drie rassen daarvan ontwikkeld hebben, is een schitterend bewijs van de groote veranderlijkheid der soorten.
Een vorder bewijs voor deze bewering wordt gevonden in de groote overeenkomst van het Bankiva-hoon met de Vechthoenders, welke Darwin als het meest typische van onze tegenwoordige hoenderrassen beschouwt, en in de bewering van Blyth, dat do roode Engclsche luiishaan bijna tot don stamvorm (Bankiva) is teruggeslagen ofschoon het aanmerkelijk grooter is, terwijl de Indische huishoenders dikke pooton en de karakteristieke pareloogen bezitten.
Laatstgenoemde vond in Birma zeer dikwijls de huishoenders vermengd met het daar aanwezige Bankiva-ras, zoo dat het wilde en het tamme gevogelte âzeer fraai in elkander over gingenquot;, terwijl hij zelfs daar, waar het Bengaalsche ras algemeen is, te vergeefs zocht naar sporen van hunne vermenging met do daar veelvuldig in do jungles grazende huishoenders.
Verder heeft het gokraai van de Bankiva's zeer groote overeenkomst mot dat dor Bantams en volgens Darwin ook met dat dor Vechthoenders.
Zij paren vrijwillig mot liet Burmesische ras en met do echte Bantams; ook de bastaards kruisen verder met Bantams. Dat de door tamme hoenders uitgebroede en geleide Bankiva's hun wildon aard en hun instinct behouden cn zich, zooals Blyth in Birma waarnam, op hot gezicht van vreemdelingen zoeken te verbergen en op boomen overnachten, verandert niets aan de zaak; onze huishoenders doen hetzelfde, wanneer zij op een verborgen plaats uitgebroed zijn, on onder dezelfde omstandigheden behouden ook eenden, katten en honden langen tijd hun wilden aard, d. i. vrees voor
18()
menschon. Bovendien moet men aan dc omstandigheid, dat do wilde vormen niet gemakkelijk tam worden en zelfs dat zij moeilijk kruisen, niet zulk een groot gewicht hechten als sommigen wel doen, zelfs niet wanneer die schuwheid zich in verschillende opeenvolgende geslachten openbaart. Menige soort van do stamouders onzer huisdieren leeft nog in den oorspronkelijkcn, wilden staat naast hare reeds lang gecultiveerde nakomelingen, zonder dat men daarom gerechtigd of geneigd is hun stamouderschap in twijfel te trekken.
Als een doorslaand bewijs haal ik hier onze Midden-Europeusche huiseend aan. Ue Wilde eenden (A//as hoscas) die zonder twijfel hunne stamouders zijn, hebben overal hun instinct, aard en gewoonten behouden. Oud gevangen, zijn zij moeilijk te temmen; de jong gevangene en de door hoenders of tamme eenden uitgebroede ontsnappen zoo mogelijk spoedig na hunne geboorte of ook wel, wanneer zij volwassen zijn; beide is mjj meermalen voorgekomen. Zoo vond ik van !) jonge zomertalingen, pijlstaarten en wilde eenden, welke in den nacht uitgekomen waren, 's morgens nog slechts één in het nest in een paardenkrib; do overigen bevonden zicii in de rivier, die op eenige honderden passen afstands door liet bosch stroomde: zij waren uit de 3 voet hooge krib naar beneden gesprongen. Evenwel heeft zich de Wilde eend op verscheidene plaatsen, bjjv. in den slotvijver te Köthen, ten gevolge van jarenlange bescherming, als 'tware van zelf godomestiseerd, zich vrijwillig met tamme eenden gepaard en is zoo in een half tammen toestand overgegaan.
Xa al het aangehaalde schijnt het, dat het Burmesische ras der Bankiva's beschouwd moet worden als stamvorm, ten minste onzer kleine rassen, speciaal van de Bantams, of volgens Darwin van de Yechthoenders. Het verdere zal dan zeker het samenwerken van do natuurlijke en kunstmatige teelkeuze gedaan hebben.
Over do betrekking der overige Wilde hoenders tot onze tamme rassen ontbreekt nog ieder aanknoopingspunt voor een beslist oordeel. Voor Tcm-mincks meening, dat het kleine Engelsehe hoen zou afstammen van het Javaansche Vorkstaarthoen en de groote Hollandsche rassen van het Beuzen-hoen ((!. (jicjanlous) bestaat alzoo geen wetenschappelijke grond.
Slaan we ten slotte nog een vluchtigcn blik op de verbreiding der hoenderteelt bij de cultuurvolken, dan richten we ons oog iu de eerste plaats naar het stam- en vaderland der Wilde hoenders, naar Azië. Wel is waar weten wij er weinig meer van, dan dat de hoenderteelt in Indië, vooral echter in China en Japan zeer vroeg en ver verbreid moet geweest zijn. Meer dan enkele berichten, b.v. van een Uuitsch gezantschap, dat in Cliina tegen het midden van de 17i'o eeuw kleine, moedige, met een soort van schapewol bedekte hoenders aantrof, die men voor zijn pleizier hield, meer
â¢187
dan dit bewijst liet hestaan van oen aantal zoor eigenaardige Oost-Aziatische rassen â Cochins, Brahma's enz. â dat de hoenderteelt in deze oude cultuurlanden gebloeid moet hebben.
Van Oostelijk Azië verbreidde zij zich toen door Centraal-Azië naar Voor-Aziö, Egypte en Europa. De Vechtiioendcrs uit Medië, Tanagra, Clialcis enz. waren bij Grieken en Komeinen bekend. Laatstgenoemden kenden ten minste drie goed onderscheiden rassen. Aristotclus, Plinius en Columella e. a. maken, behalve van de gewone, ook melding van Kriel- en Veolithoenders. Plinius bericht, dat hoenders met oen gelen snavel en gele pooten niet tot godsdienstige ceremoniën gebruikt mochten worden, terwijl men de zwarte voor geheime offeranden bezigde. Aan do eersten, die men Italiaansche hoenders noemde, gaf men wegens hunne grootere vruchtbaarheid de voorkeur boven de zoo fraaie Aziatische Vechthoenders en in het bijzonder hield men van die, welke roodachtig gevederte hadden met zwarte vleugels en staart. Deze beschrijving van deze oude Italiaansche hoenders past bijzonder nauwkeurig op de tegenwoordige, die door hunne Vruchtbnar-heid algemeen in trek zijn gekomen. Hoenderfokkerijen op groote schaal kende men in Rome reeds ten tijde van Varro en Cato. Beide gaven aanwijzingen voor het mesten door middel van pillen en met melk toebereid zacht voor.
Nog vroeger was de huishoudelijke hoenderteelt een loonend bedrijf der Delicrs, die liet daarin vrij ver gebracht moeten hebben, aangezien er âop het eiland lieden waren, die de eieren van al hunne hoenders van elkander konden onderscheiden.quot; Ook waren zij de eersten, die zich met het mesten van hoenders bezig hielden.
De Egyptenaren hadden de hoenders blijkbaar rechtstreeks en reeds in zeer oude tijden uit Azië ontvangen, daar zij reeds ten tijde van de eerste Komeinen tallooze hoender- en ganzeneieren in broedovens lieten uitbroeden. Aan het fokken van eigen of goede rassen schijnen zij echter geen gewicht te hebben gehecht, daar het Egyptische hoen ook tegenwoordig geen bijzonder te waardeeren eigenschappen bezit.
Door de Romeinen kwamen de hoenders in hunne Afrikaansche en Europeescho wingewesten. Wright is, wel is waar, van meening, dat de Romeinen hunne Vechthoenders uit Brittannië gekregen moeten hebben, en, daar do hoenderfokkerij, voor zoo ver do liefhebberij daarbij in het spel was, bij alle volken en sedert meer dan '2000 jaren bijna alleen om de specialiteit in het fokken van vechthoenders draaide, is bet niet onmogelijk, dat John Bull met zijn nationale passie voor sport de Romeinen overvleugelde en dezen later van zijne verbeterde vechthoenders heeft voorzien. De hartstocht voor hanengevechten bleef in Engeland algemeen verbreid en werd.
188
toon dozo door do wot worden verboden, tot âKunst en Wotensehapquot; gepromoveerd. Eerst in den laatstou tijd bog'on men in Engeland, Frankrijk, Holland, België en N. Amerika, al was het ook niet methodisch, op huishoudelijke eigenschappen, vooral op eierproductie te fokken, en zoo vormden zich langzamerhand in Frankrijk cn België de Lu Flèches, Crèvecoeurs en lloudaiis, in Engeland do Sussex-fowls, Scutch Greys en Dorkings, N.Amerika do Plyomilh-Roclis, üooiiniiiiies, enz., tot, tegelijk mot de invoering der grooto Aziatisclie rassen â do Cochin's cn Brahma's â en de erkenning van de wetenschappelijke grondregels voor het fokken, vooral in Engeland eene liefhebberij voor de lioenderteelt ontstond, die eindelijk âmaniequot; werd, eerst aan gene zijde van den oceaan, zich toen tot over het kanaal voortplantte en bij hare iiatuurljjko verzwakking toch een gezonde belangstelling voor do wetenschappelijko zijde en een verstandige liefhebberij achtergelaten heeft en achterlaten zal.
Viekde Hoofdstuk.
Over lid; voeren en mesten der hoenders.
De doelmatigste en goedkoopste voeding der hoenders heeft men, van een landhuishoudkundig standpunt beschouwd, met het volste recht de âgrootc vraagquot; genoemd. De oplossing van dit vraagstuk is dan ook inderdaad niet zoo gemakkelijk, als zij wel schijnt, hoewel ook niet zoo gecompliceerd als men ze wel eens voorstelt. Niet zoo gemakkelijk echter als diegenen haar meenen gevonden te hebben, die den goedkoopen raad geven, om hierin evenals in alles ,,de natuurquot; te volgen, d.w.z. de dieren maar aan zich zelf over te laten, of âde natuurlijke voedcrwijze der in vrijheid levende soorten to bespieden en na te volgen.quot; Men vergeet daarbij o. a. dat men zich dan ook met de ânatuurlijke productenquot; van het leven iu vrijen staat moet tevreden stellen â in ons geval met hoogstens '2 of I! legsels eieren cn met minder goed en mager vlcesch, daar de natuur geen âalltaglegerquot; en geen âvette poulardenquot; oplevert.
Wright geeselt met recht de gemakzucht en naïviteit van die lieden, welke meenen, dat hun pluimvee moet gedijen, als zij Juiste voorschriften gelezen hebben, en telkens weder klagen en vragen om telkens weder dezelfde antwoorden te lezen. De onkunde in dit opzicht is werkelijk verbazingwekkend, voegt hij er bij.
De oplossing van dit belangrijke vraagstuk is echter ook niet zoo moeilijk, als de overdenking van enkele voorafgaande vragen wel doet schijnen en belangrijk genoeg om er de noodigc aandacht aan te wijden.
180
âDo kosten van dit of dat voer â of eene voedingstuetliodü â kuimea gemakkelijk genoog berekend worden, zegt AVriglit, doch niet zoo gemakkelijk de resultaten daarvan. Een voedingsmiddel kan iirodiiclicf zjjn, meer opbrengen dan liet kost; eenvoudig ivcgyeworpc.n zijn, geheel niets opbrengen of uitwerken; docli ook nadeelicj op de gezondheid en de productie der dieren werken: redenen te over om de nieuwste uitkomsten der physiologic en chemie mot betrekking tot de leer der voeding en der voedingsmiddelen te bestudeeren en aan ons doel bevorderlijk te maken.quot;
Wij volgen hier de bekroonde prijsvraag van prof. ür. Julius Kühn: âDe doelmatigste voeding van het rundveequot; lie druk, 1lt;SiKi, Dresden bjj (1. Schönfeld, een hoek, dat niet alleen landbouwers doch ook pluimvee-fokkers ten zeerste is aan te bevelen.
Wij moeten hierover echter kort zjjn en verwijzen daarom voor eene uitvoerige studie naar het bovengenoemde werk.
Bjj de âdoelmatigstequot; voeding der dieren hebben we in de eerste plaats rekening te houden met de directe en indirecte werkzaamheid der voeder-stoffen, waarvan do Chemie en de Physiologie ons de scheikundige bestand-deelen en de werking daarvan op het organisme der dieren loeren kennen.
Voor we de voederstoffen uit dit oogpunt beschouwen, zullen wo van het standpunt dier beide zoo nauw verwante wetenschappon eerst het dierlijke lichaam zelf van naderbij bezien.
Het dierlijk lichaam bestaat, wat zjjn organische elementen betreft, uit cellen en weefsels en deze voornamelijk uit stikstof houdende substantiön, welke bjj jonge en magere dieren bet hoofdbestanddeel van do droge substantie van het lichaam vormen â buiten het water, dat ^ tot van het lichaamsgewicht bedraagt â en verder uit stikstofvrjjc en anorganische substantiön.
De bolangrijksto der bij de voodingsvraag in aanmerking komende stikstof houdende stoffen zijn de proteïne of eiwitstof, en wel het eiwit of albumine, de vezelstof of fibrine on de kaasstof of caseïne. Deze proteïnstoffen zijn aan velerlei veranderingen onderworpen, kunnen in elkander overgaan on vormen alle overige stikstof houdende bestanddeolen van het lichaam, bjjv. do Ijjmvormende, het hoornstof, welk laatste het eigenlijke bestanddeel der opperhuid en de daarbij behoorende vormingen (haar, veeren, schubben, nagels, sporen enz.) is.
Do belangrijkste stikstofvnje substantie van het dierlijk lichaam echter is hot vet, dat zich in grootero of kleinere hoeveelheid in allo vloeibare en vaste stoffen bevindt: in het ei, in het bloed, in do zonuwsubstantie, in het kraakbeen, in de vaste beenderen en in de molk.
Een tweede stikstofvnj bestanddeel is het melkzuur, dat zich in hot bloed
190
on de spiorsubstantio bevindt, dezelfde stof, die zich bjj liet zuur worden der melk uit de melksuiker vormt.
J)e gewichtigste, in allo weefsels voorkomende anorganische bestanddeelen eindelijk, zijn phosphor- en zwavelzure alkaliën, phospliorzure kalk- en talkaarde, ijzeroxyde, chloorkalium en chloornatrium (keukenzout). Deels met do proteïnstoffen verbonden (zwavel), deels met het bloed (vrije alkali, keukenzout, ijzer), deels met de voedingsvloeistof der spieren (chloorkalium), zijn de anorganische substantiën de voornaamste vormers van het geraamte, dat slechts 30 a 36 proc. aan organische stoffen bezit.
De verhouding dezer stoffen is in bet dierlijke lichaam echter niet constant, doch wisselt af naar den ontwikkelingstoestand en de voeding: jeugd en ouderdom, magerheid en de verschillende stadiën der mesting enz. zjjn daarop van invloed.
Al deze bestanddeelen of vormende elementen moeten het dierlijk lichaam in meerdere of mindere mate - al naar liet doel der voeding â door de voedermiddelen worden aangebracht.
Beschouwen wij nu de bestanddeelen dor voederstotfen te gelijk met hunne werkzaamheid in betrekking tot het dierlijk lichaam in het algemeen, dan vinden wij ten eerste, dat de voederstoffen allo in het lichaam aanwezige storten bevatten.
Do stikstofhoudende bestanddeelen dor voedormiddelen vertoonen, evenals het begin van het plantenorganisme, do cel, een merkwaardige overeenkomst met die van het dierlijk lichaam. De plantaardige proteïnstoffen: planteneiwit, plantencaseïne, kleefstof enz. â de voornaamste, zoo niet de eenige leveranciers der stikstofhoudende bestanddeelen van het dierlijk lichaam â hebben uit een chemisch oogpunt beschouwd overeenkomst met elkander en met de dierlijke proteïnstoffen; doch deze is niet, zooals men tot nog toe aannam, constant, maar wisselt in hare elementen, zooals Ritthausen met do verschillende procenten van het kool- en stikstofgehalte in het graan, de boekweit, de peulvruchten en oliezaden heeft bewezen. De proteïnstoffen â voornamelijk het eiwit â- vormen in de eerste plaats het protoplasma der planten en zijn ook de bloed- en vleeschvormers of de plastische voedende bestanddeelen der voedermiddelen. Zij vormen zich uit de verbindingen van ammoniak met salpeterzuur, en hoeveel te meer hun daarvan â â behalve door de natuurlijke bronnen: lucht, vocht, bodem enz. â door de kunstmatige bewerking toegevoegd wordt, hoe grooter de voeder-waarde der planten is, d. i. hoe grooter het gehalte der proteïnstoffen daarin wordt. Hoe schraler omgekeerd de plant wordt gevoed, hoe minder hare stikstofhoudende bestanddeelen, boe geringer ook hare vocderwaarde. Hetzelfde geldt ook van het plantencaseïne (legumine) enz. der peul- en olievruchten.
ini
De stikstofvrijo bestanddoelcu der vocdcrstdffen dionon vooral voor do ademhaling on do vetvonning-. Do belangi'jjksto zijn: colstof, (plantonvozel-stof), zetmool, inulino, dextrine, suiker, gom, plantonslijm, gezamenlijk onder den naam van koolhydraten bekend. Daarbij komen nog het aan koolstof' zoo rijke vet en de jjlantenzuren.
Celstof' en zetmeel, zeer na met elkander verwant, vormen do voornaamste ademhalingsmiddelen en met het betrekkelijk gehalte hiervan, vooral van het zetmeel, in de voederstoft'en heeft men dus wel rekening te houden. Bodem en bemesting zijn van groeten invloed ook oj) do ontwikkeling daarvan. De korensoorten, peulvruchten, aardappelen, wortelen enz. zijn er hot rijkst aan; do vezelstof vervangt liet ten deole, wanneer het n.1. ten gevolge van verhouting niet onverteerbaar wordt.
Het zetmeel gaat bij oeue hooge temperatuur ('100°) in dextrine over, vormt zich daaruit door inwerking van het speeksel, ontstaat bij de kieming in mout en wordt bij eene langere inwerking van deze stoffen in druiven-suiker omgezet. Ook de celstof verandert door langdurig koken met water in eene soort van dextrine (en door inwerking van zwavelzuur in cellulose-dextrine en eindelijk in druivensuiker).
De suiker â druiven- en rietsuiker â is het werkzaamste ademhalingsmiddel, gaat het gemakkelijkst in het bloed over en werkt bij eene overigens goede verhouding der voedende bestanddeelen bijzonder gunstig op de melkproductie. Suiker komt in het celvocht dor meeste plantendeelen voor, vooral in de jonge en vóór don bloei (maïs enz.), in ruimere mate echter in knollen, wortelen, pastinaken enz. De suikerbiet bevat dubbel zooveel suiker als de mangelwortel. doch verliest bij toenemende grootte aan suikeren proteïne-gehalte, dat echter door eene sterke, stikstofvrijo bemesting vergroot kan worden. Het rietsuiker wordt evenals het zetmeel door het verteringsproces in druivensuiker omgezet en beide zjjn als ademhalings-(verbrandings) middel van ongeveer dezelfde werkzaamheid en groote waarde, daar hun koolstofgehalte nagenoeg hetzelfde is â zetmeel 44,4 quot;/oj rietsuiker 42,10,o en watervrije druivensuiker 40%.
Dc andere hiervoor genoemde koolhydraten gaan we als minder bekend en, naar hot schijnt, voor ons doel van minder belang, stilzwijgend voorbij, doch maken nog melding van hot aan zuurstof rijke plantenslijm, dat het hoofdbestanddeel is der sappen van knollen en ooft en volkomen en snel verteerbaar is. Do votto oliën hebben een zoor hoog gehalte aan koolstof; zjj bevatten daarvan '2] maal zooveel als de koolhydraten en zjjn daarom een uitstekend ademhalingsmiddel. Wat er bij eene overigens voldoende voeding van overschiet, wordt tot de eigenlijke vetvorming verbruikt, en de vette oliën zijn een des te werkzamer voedingsmiddel, daar het vet benevens de
192
proteïne in ruinio mate deel neemt aan ile celvonning en de vernieuwing der vormende elementen, terwijl buitendien een behoorlijk vetgehalte van het voeder ook de verteerbaarheid, vooral der proteïnstoffen, bevordert. De vette oliën worden in alle plantendeelen aangetroffen, ook, doch in geringe nmte, in het graan, wikken en boonen; wat meer in erwten en weidehooi (gemiddeld %), nog meer (3 a 4 %) in tarwe- en roggezemelen, 6 a 7 H/o in lupinen en maïs, en tot 50 quot;/o in de zoogenoemde oliezaden, waarvan de van liet uitgeperste meel gebakken koeken altoos nog 8 a 12 0/0 bevatten en liet gewichtigste en betrekkelijk goedkoopste krachtvoer leveren, ja zelfs de zemelen overtreffen, daar hun gehalte ook aan stikstofhoudende bestanddeelen dubbel zoo groot is. Vooral het lijnzaad heeft als voedermiddel groote waarde, zoowel rechtstreeks als, in vereeniging met mestvoer, als vetvormer.
Van do overige stikstofvnje plantenbestanddeelen noemen we nog de plantenzuren als belangrijk, omdat zij, gewoonlijk aan minerale bases gebonden, de opname van deze laatste in het dierlijk organisme mogelijk maken. De plantendeelen, en vooral do groene stengels en bladeren, bevatten oxaal-, wijnsteen-, appel- en citroenzuur; zij dienen als ademhalingsmiddelen doch geven bij te ruim gebruik aanleiding tot diarrhee. Hot voornaamste zuur echter is het melkzuur, dat geheel met animale melkzuur overeenkomt, zich in het voer door gistingsprocessen en in het dierlijk lichaam door vertering der koolhydraten ontwikkelt, en dat voor het opslorpings- en assimilatieproces van groote waarde is, omdat het het phosphorzure kalk gemakkelijk oplost en gemakkelijk door de wanden der fijne bloedvaten dringt.
AVij komen nu tot de anorganischo of minerale bestanddeelen der voedermiddelen.
Wanneer we altijd maar bepaald het ival en hoeveel konden bepalen en verschaffen, zouden onze huisdieren nooit aan de eene of andere stof gebrek behoeven te krijgen. Onze hoenders echter, die veel phosphorzure kalk moeten producceren voor de eierschalen, hebben, vooral als ze geen vrijen uitloop hebben, dikwijls gebrek aan anorganische stoffen, waarom men ze dan ook beenderenmeel door het weekvoer geeft of gebroken oesterschelpen e. d. te hunner beschikking stelt.
Alle, als bestanddeelen van het dierlijk lichaam bekende anorganische stoffen bevinden zich ook in de planten en zijn voor deze even onontbeerlijk als voor gene. De bestanddeelen van de ascli der planten zijn de grondslag-van alle plantaardige vormen en worden in de planten in voldoende hoeveelheid gevonden om te voorzien in de behoefte, die de dieren daaraan hebben. Zjj zijn evenwel voor het grootste gedeelte aan plantenzuren gebonden en het dier ontvangt dus een deel van 't geen het aan anorganische stoffen behoeft in den vorm van plantenzure zouten. Daarom behooren we ook op
in:{
'de verhouding dozer zouten in de voederstoffen te letten. Vooral heeft liet dierlijk lichaam behoefte aan phosphorzure kalk voor de heenvonuing.
Nu bevat de vette olie van vele zaderijen als: de leguminosen, de rogge, haver en gerst een zekere hoeveelheid phosphor; verder zijn alle veel proteïne bevattende plantendeelen tevens rijk aan phosphorzure zouten, n.1. graan- en peulvruchten, oliezaden, alsmede de zemels en de geperste koeken daarvan.
Het noodige keukenzout wordt voornamelijk geleverd door jonge groene planten en door de wortelgewassen (de suikerbiet is er liet rijkst aan). Door den invloed van het keukenzout op de vertering der overige voedermiddelen, vooral van de zwaar verteerbare, alsmede op de door vermeerdering der afscheidingen verhoogde stofwisseling vooral gedurende den mesttjjd â is eene matige toegift van keukenzout, wel is waar, aan te bevelen, doch eene te groote hoeveelheid ook bepaald nadeelig.
De knolgewassen en aardappelen zijn bijzonder rijk aan alkaliën.
Eindeljjk komt nog bet watergehalte der voederstof in aanmerking. Over 't algemeen geldt de regel, dat de planten van eene zekere soort eene des te geringere voederwaarde bezitten, naarmate zij meer water bevatten. Toch is het voor de melk- en ook voor de eierproductie van belang, dat den dieren een deel van het noodige water door groenvoer, knollen, wortelen enz. wordt verstrekt.
Achterstaande tabel geeft de procentsgewijze samenstelling van de voor ons doel belangrijkste plantaardige en dierlijke voederstoffen.
Wij merken liierbij nog op, dat de door bet leven van het dier voortgebrachte stoffen oj) dezelfde wijze als de plantaardige tot de voeding van het dierlijk lichaam dienen; dat alzoo de stikstofhoiidende of plastische dierlijke stoffen: eiwit-, kaas- en vezelstof, plastisch d. w. z. vormend of vcrïiienwend werken; de stikstof'vrjje daarentegen: vet, melkzuur enz. dienen voor de onderhouding van het ademhalingsproces. Ook anorganische stoffen worden uit dierlijk voer opgenomen, daar zij evengoed voorkomen in de dieren die van dierlijk, als in die welke van plantaardig of gemengd voedsel leven.
Of bet spijsverterings- en assimilatieproces van dierlijk voedsel wegens de nauwere verwantschap met het dierlijk lichaam sneller, gemakkelijker en volkomener gaat, is eene vraag, die voor ons weinig practische waarde heeft, in 't algemeen verteren de vleeschetende dieren sneller dan bijv. de graanetende â een ook met betrekking tot de vogels bekend feit, doch de spijsverteringsorganen zijn bjj beide categoriën ook zeer verschillend en juist ingericht voor hunne bijzondere werkzaamheid.
Voor we het voorgaande toepassen op het voer voor onze hoenders,
Hai.damum, Pluimveeteelt.
1fU
moeten wo nog twee dierlijke producten gedenken, die van /00 groot gewicht zijn: do melk en liet oi.
De melk bestaat uit eene oplossing van caseïne en melksuiker in water, waarbij nog extractiestoffen en zouten komen en onopgeloste vetbolletjes, boter. De samenstelling van de droge snbstantiën der melk geeft de tabel. Het watergehalte van versche koemelk varieert tusscbeu S5 en 87 procent; de vaste bestanddeelen bedragen 1a 15 procent en wel li a 4 deelen boter, 3 a 6 deelen caseïne, 'i a 5 deelen melksuiker en extractiestoffen, en 0,5 a 0,7 deel zout (asch), vooral phosphaten, welke ongeveer de helft vormen.
Het oi bestaat hoofdzakelijk uit eiwit â albumine â een kleurloos, alkalisch reageerend celvocht, waarvan do droge substantie tot het water-gehalte staat als 1 : lt;S. Dit bevat chloor-, kool-, zwavel- en phosphorzure natron en phosphorzure kalk en is een uitmuntend plastisch voedermiddel; de dooier bevat eveneens eiwit, waarin gele vetbolletjes â eierolie -â ronddrijven, die rijk aan phosphor zijn.
In het voorgaande hebben wij over de voornaamste voederstoffen het een en ander medegedeeld. In de hier volgende tabel vindt men een nauwkeurig overzicht van hunne scheikundige bestanddeelen. Om deze tabel als leiddraad bjj de keuze der meest geschikte voedermiddelen te gebruiken, is bet echter niet voldoende, zoo maar zonder meer, die als de beste te beschouwen, die misschien aan plastische, vetvormende enz. stoffen het rijkst zjjn.
Men dient daarbij nog in acht te nemen:
1. Afioisseling in het voor â- dierlijk en plantaardig, hard en zacht â of een mengsel van beide dagelijks of Inj eiken maaltijd.
2. Verandering in het voer naar de eischen van bet jaargetijde.
3. Keuze van liet voer naar de behoefte in de verschillonde tijdperken van het loven der dieren, naar den toestand, waarin zij zich bevinden, naar het doel, dat men er mee beoogt; in ons geval: de eierproduc-tie, de vleesch- of vetvorming (mesten), bet broeden, de kuikens enz.
4. De prijzen der verschillende voederstoffen naar verhouding van hunne werkzaamheid.
ins
TA BEL
van do procentsgewijze (gemiddelde) samenstelling der voedermiddelen.
|
NAMKN DHR VOKDKRMinDRLBN. |
Droge stoffen. |
| Protelnestoffen. (Bloed- en vleescli-Tormers, plastische Toederstoffen). |
Vette oliën. Ademhal ings en vetvormende stoffen. |
Stikstofvrije extraetiestoffen. Ademhalings en voedende stoffen. |
Vezelstof. Voedende stof. |
Asch. Beenvormende stoffen. |
|
1. Groenvoer. | ||||||
|
Weidcgras..... |
'25,0 |
:{,o |
0,8 |
13,1 |
0,0 |
2,1 |
|
Thimotlicegras |
31,0 |
'2,7 |
0.8 |
14,0 |
10,5 |
2,1 |
|
/octc grassen.... |
20,'2 |
2,0 |
lt;gt;,7 |
11,7 |
12,4 |
2,1 |
|
Ital. Ray-gras |
'20,0 |
3,0 |
1,0 |
12,1 |
7,1 |
2,8 |
|
Roode klaver. |
I0,.S |
3,0 |
0,7 |
8,5 |
5,0 |
4,4 |
|
Witte klaver .... |
10,8 |
4,0 |
0,8 |
8,0 |
5,0 |
1,4 |
|
Lucerne..... |
24,7 |
4,5 |
0,7 |
8,4 |
0,3 |
4,8 |
|
Esparsette..... |
21,5 |
3,5 |
0,7 |
8,5 |
7,0 |
1,2 |
|
Erwton . . . , . . |
18,5 |
3,5 |
0,0 |
7,0 |
5,4 |
4,4 |
|
Wikken . .1 |
18,0 |
3,7 |
0,0 |
0,1 |
0,0 |
4,6 |
|
Haver . . S ⢠|
10,5 |
'2,5 |
0,0 |
0,2 |
5,5 |
1,7 |
|
Rogge . . . i tD ⢠⢠|
24,0 |
3,2 |
0,8 |
11,2 |
7,3 |
1,5 |
|
Maïs. . . . 1 . . |
10,0 |
1 A |
0,5 |
8,4 |
4,7 |
4,0 |
|
Boekweit . . . . |
15,0 |
2,3 |
0,7 |
0,3 |
4,3 |
4,4 |
|
Kool.... . . |
1 /(,:} |
2,5 |
0.7 |
7,1 |
2,4 |
1,6 |
|
Mangcïlwortel / § . |
10,7 |
2,2 |
0,4 |
4,8 |
4,5 |
1,8 |
|
'TIS Koolraap . ⢠\ ~ . |
11,7 |
2,1 |
0,5 |
5,2 |
4,6 |
2,3 |
|
Koolrabi . . . . |
14,0 |
3,0 |
0,5 |
7,3 |
4,5 | |
|
11. Wortelen en knollen. | ||||||
|
Aardappels .... |
25,0 |
2,1 |
0,2 |
'20,7 |
1,1 |
0,0 |
|
Mangelwortelen . |
12,5 |
1,34 |
0,14 |
8,0 |
0,08 |
1,14 |
|
Koolrapen..... |
11,7 |
1,1 |
0,1 |
8,2 |
1,4 |
0,0 |
|
Suikerbieten .... |
18,5 |
1,0 |
0,1 |
15,4 |
1,3 |
0,7 |
|
Wortelen (peen) . |
14,1 |
1,3 |
0,3 |
0,0 |
1,0 |
4,0 |
|
Knollen...... |
8,5 |
1,0 |
0,45 |
5,8 |
0,7 |
0,8 |
|
III. Zaden rn vruchten. | ||||||
|
Tarwe...... |
80,0 |
12,0 |
1,8 |
08,7 |
2,3 |
1,8 |
|
Rogge ...... |
80,0 |
10,8 |
1,8 |
70,2 |
1,8 |
'2,0 |
|
Gerst...... |
85,9 |
0,7 |
1,0 |
07,0 |
4,0 |
2,4 |
|
Haver...... |
87.!) |
10,7 |
5,0 |
58,3 |
40,0 |
3,3 |
i()(;
|
NA.MKN |
a ,p O |
⢠0) 1 S .ï ^ O ,41 O «tâ ^ c |
. 1gt; O .§ v: ^ feu J . ® c o |
a § § #ê Bs II |
O O 2 £ |
agt; â¢quot;S C' lt;0; s ^ |
|
DKIt VORDRUMIDDKLKN. |
C/5 bn p Q |
B * 'A ï 1 1 ^ 2 o ® p ^ 3 ^ tü k |
-2 2 ^ § IIIquot; |
j-; O) -3 O lïll t: -n â =: agt; |
^ d N S P 'O gt;â lt;v O r* |
« O 1 § a' M |
|
Maïs...... |
86,6 |
0,4 |
4,3 |
69,3 |
2,3 |
1,3 |
|
Boekweit..... |
85,9 |
11,3 |
2,6 |
54,9 |
14,3 |
2.8 |
|
87,0 |
1 0,8 |
3,8 |
58,0 |
11,0 |
3,4 | |
|
87.4 |
6,7 |
0.i» |
78,5 |
0,5 |
0,8 | |
|
Erwten...... |
86,1 |
23,1 |
1,9 |
52,7 |
5,7 |
2,7 |
|
Wikken..... |
86,(i |
26,2 |
2,1 |
49,0 |
6,6 |
2,7 |
|
Linzen ...... |
87,2 |
25,4 |
4,9 |
52,5 |
4,4 |
3,0 |
|
Gele lupinen .... |
86,0 |
38.2 |
4,4 |
25,5 |
14,1 |
3,8 |
|
Blauwe lupinen . . . |
85,6 |
30,0 |
6,0 |
35,3 |
11,4 |
2,9 |
|
Lathyrus sativus. . . |
86,1 |
23,1 |
1,9 |
52,7 |
5,7 |
2,7 |
|
Lijnzaad..... |
00,7 |
22,6 |
33,6 |
23 2 |
7,0 |
4,3 |
|
09 7 |
19,5 |
42,2 |
20,8 |
6,0 |
4,2 | |
|
01 8 |
19,5 |
40,8 |
18,7 |
5,6 |
7,2 | |
|
18,2 |
32,6 |
21 1 |
15,0 |
4,2 | ||
|
Aardnoten..... |
03,7 |
28,2 |
41,2 |
7,2 |
13,9 |
3,2 |
|
Eikels (versch . . . |
49,3 |
2 2 |
2,0 |
34,7 |
9,4 |
1,0 |
|
id. (gedroogd) . . |
81,1 |
5,5 |
3,8 |
61,0 |
9,0 |
1,8 |
|
Kastanjes (versch) . |
50,8 |
5,4 |
1,5 |
39,8 |
2,5 |
1,6 |
|
id. (gedroogd) . |
81,2 |
6,0 |
3,2 |
65,3 |
4,0 |
1,8 |
|
Tamme kastanjes . . |
51,0 |
3,1 |
2,1 |
43,2 |
0,8 |
1,8 |
|
Appels, peren . . . |
16,0 |
0,4 |
â |
11,8 |
4,3 |
0,4 |
|
IV. Productia en afval | ||||||
|
uit fabrieken enz. | ||||||
|
Raapkoeken .... |
88,5 |
31,6 |
9,6 |
29,3 |
11,0 |
7,0 |
|
Lijnkoeken .... |
88,0 |
28,0 |
11,0 |
30,0 |
11,0 |
8,0 |
|
Maanzaadkoeken. |
89,3 |
35,4 |
9,8 |
21,6 |
11,3 |
11,2 |
|
Ilennepzaadkoeken . . |
88,4 |
30,2 |
8,5 |
19,0 |
22,9 |
7,8 |
|
Aardnotenkoeken |
90,0 |
47,5 |
7,6 |
24,9 |
5,4 |
4,6 |
|
Beukenootkoeken . . |
80,5 |
36,3 |
8,3 |
31,3 |
0,6 |
7,0 |
|
Palmpitkoeken . . . |
89,5 |
16,9 |
11,6 |
30,8 |
17,2 |
4,0 |
|
Kokosnootkoeken. . |
90,6 |
20,6 |
12,5 |
37,4 |
14,2 |
5,9 |
|
89,7 |
10,5 |
10,1 |
47,5 |
11,0 |
10,6 | |
|
Katoenzaadkoeken . . |
90,7 |
31,3 |
9,3 |
25,6 |
17,7 |
6,8 |
|
Ta,rw(!voeder-meel . |
87.0 |
14,7 |
2,9 |
63,5 |
3,5 |
2,4 |
|
VM | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
*) Onvortoorbaro cliitino. |
â 1lt;)8
Als voorbeeld van hot gebruik dezer tabel kiezen we do daarin genoemde koeken, om te zien welke voor zeker doel, b.v. het mesten, het verkies-lijkst zijn.
|
. Raapkoek. |
Lijnkoek. |
Maanzaadk. |
Henuep-zaadkock. |
Aavdnoten koeken. | |
|
i. Droge massa .... |
88,5 |
88,0 |
89,3 |
88,4 |
90,0 |
|
2. Vleesch vormers . . |
31,6 |
'28,0 |
35,4 |
30,2 |
47,5 |
|
3. Vetvormers..... |
9,0 |
11,0 |
9,8 |
8,5 |
7,0 |
|
4. Stikstofvrije extractiestof- | |||||
|
fon....... |
30,0 |
'21,6 |
19.0 |
24,9 | |
|
5. Vezelstof..... |
11,0 |
11,0 |
11,3 |
22,9 |
5,4 |
|
6. Beenvormers .... |
7,0 |
8,0 |
11,2 |
7,8 |
4,0 |
|
Pnjs....... |
? |
? |
? |
1 |
? |
Hieruit blijkt, dat de aardnotenkoeken betrekkelijk de hoogste percentage aan vleesch- en beenderenvormende bestanddeelen (rubriek '1 -f- 5) bevatten, doch aan vetvormende en warmtevoortbrengende stoffen (rubr. 3 |- 4 -f- 5) het armst zijn. Zij zouden dus vergelijkenderwijs als best voer in de groeiperiode der hoenders en als zomervoer zijn aan te bevelen. Lijnkoek daarentegen heeft de hoogste percentage aan vet- en warmtevoortbrengende stoffen en zou dus als mestvoer on in het koude jaargetijde meer geschikt zijn.
Nu is de vraag, welke der bovengenoemde koeken in verhouding tot hunne algemeene of bijzondere werkzaamheid tevens het goedkoopst zijn om zich â afgezien nog van andere omstandigheden â daarvan te bedienen â natuurlijk niet als hoofdvoer, maar als toegift, of met andere spijzen vermengd. Verder; of' niet andere plantaardige of dierlijke voederstoffen voor het beoogde doel in verhouding tot hunne voederwaarde goedkooper zijn, enz.
Ur. Blancke, conrector van de landbouwschool te Herford, geeft de volgende metbode ter bepaling der voederwaarde. Men telt de in de tabel aangegeven procenten proteïne en vet samen, vermenigvuldigt do verkregen som met 5 en telt bij dat product het procent der stikstofvnje extractie-stoffen; het zoo gevonden getal noemt 13. do eenheden dor voederwaarde. Deelt men nu de marktprijs van hot artikel door die eenheden, zoo verkrijgt men den werkelijken prijs van het voedermiddel in verhouding tot zijne voederwaarde.
Voor tarwe bijv. vinden wo op die wijze als voederwaarde-eenheden (1'2 -f- 1,8) X 5 08,7 = 137,7; rekent men nu den marktprijs van tarwe
i!)i»
op Æ 4,1 D per 50 K.Or., dan verkrijgt men Æ 4,15 ; J37,7 r= [5 Cts. voor elke eenheid.
Voor raapkoeken met oen marktprijs van f ;5.ÃU per 50 kilogr. zal men verkrijgen (3-1,6 -|- 9,6) X 5 -f- 20,3 = 235,3 voedenvaarde-eenheden, en voor elke eenheid een prijs van Æ 3.00 : 235,3 â 1,25 Cts.; raapkoeken zijn dus in dit geval goedkooper dan tarwe.
Als doelmatigste gemiddelde verhouding der samenstellende doelen van pluimveevoer geeft Dr. 15. 1 deel vet op 4 a 5 deden proteïne en 1 deel proteïne op 4 a 5 deelen stikstofvrije extraetiestoft'en of in procenten uitgedrukt :
14 pree. proteïnestoffen,
2,8 a 3,5 â vet,
50 a 70 â stikstofvrije extractiestoffen.
Hierdoor is dus eon vaste basis aangegeven voor eene rationeele en voor-deelige keuze uit de in du tabel genoemde voedermiddelen.
Hier volgen nog eenige voorschriften, welke door de ervaring bleken aanbevelenswaardig te zjjn.
Over 't algemeen is het aan tc raden het hasle. voer te kiezen, vooral graanvoer; sleclit voer, ofschoon schijnbaar goedkooper, ia zulks inderdaad maar zelden, daar het gewoonlijk een geringere hoeveelheid voedende stoffen bezit en van eene mindere kwaliteit, zoodat bet naar verhouding nog wel duurder kan komen.
Wat bot voeren van vlecseli aangaat, moeten we aanraden geen vleesch van aan eene ziekte gestorven dier te voeren, noch rauw vleesch. Kan men eens een mager doch gezond paard voordeelig koopen, dan is dit wel aan te bevelen, doch zieke dieren koope men nooit, vóór een kundig veearts liet vleesch als onscliadeljjk voor de consumtie heeft gekeurd. Yan gezonde dieren beeft, zooals ook uit do tabel blijkt, ook de afval ingewanden, bloed enz. â - zijne waarde. Fijn gehakt en gekookt vleesch met bot daarvan gekookt vocht door een even groote hoeveelheid gekookte aardappelen en graan gemengd en in het koude jaargetijde warm voorge-diend, zijn een voor hoenders, eenden en kalkoenen uitstekend voer, dat voornamelijk op de eierproductie werkt; voor het mesten deugt het echter niet.
Wanneer men zulk vloescb op eene goedkoope wijze kan bekomen, is het genoemde voor tevens goedkooper dan het goedkoopste goede graan.
'200
Onderstaande rekening, voor welker juistheid de schrijver instaat, kan tot bewijs dienen.
Koopprijs van een oud paard.........Mark '25.71
Transport- en slachtkosten.......... â '2.'2!)
Mk. '28.00
Opbrengst van de huid......Mk.
â â â beenderen . . . . â 1.71 â â â ingewanden en het bloed â '2.'2i)
Mk. '22.80 af Mk. '22.80
Blijft voor ruim .'!()(» pd. vleesch........3Ik. 5.14
Voor (500 pd. aardappelen....................â25.71
â 300 pd. gerst........................,, 30.01
Zout en materialen.......... . . ,, '2.57
1200 pd. voer kost alzoo...........3Ik. 03.57
Deze 1200 pd. voer waren gedurende 12 dagen ruimschoots voldoende voor 800 hoenders, eenige kalkoenen en 20 eenden, welke dus per dag 100 pd. van het mengsel gebruikten, of ongeveer pond per dier, voorden prijs van 0,00 Pfennigo of nog geen halven cent.
Hierbij moet nog opgemerkt worden, dat de aardappelen en de gerst toen zeer duur waren en dat wij het bloed en de ingewanden tegen inkoopsprijs berekend hebben, terwijl het voor den wormput veel meer waarde zou hebben gehad.
Het Spratt's patent hoender- en pluimveevoer, dat door Engolsche autoriteiten warm wordt aanbevolen eehter niet als mestvoer â zal als kuikenvoer en, evenals allo vleeschvoor, ter verhooging van de productiekracht goed zijn, of het echter met het oog op den prijs wel als voordeelig is aan te bevelen, is eene andere vraag. Voor liefhebbers, bjj wie de finantieele kwestie niet de voornaamste is, heeft het echter groote waarde, te meer daar het zoo gemakkelijk in liet gebruik is.
Ook het Vleeschmeel van do âLiebig's Vleesch-extractmaatschappij in Fray Bentosquot; wordt meermalen als een opwekkend kuiken- en mestvoer aanbevolen, natuurlijk -ââ en vooral in het begin niet in groote porties en niet zonder bijvoeging van zetmeelhoudende voederstoffen. Bjj het gebruik van vleeschmeel in het weekvoor gedijen de hoenders â onder de genoemde voorwaarden â buitengewoon bost, zetten veel vleesch aan en zijn vroeger voor de keuken geschikt dan zonder dat bijvoer. Ook werkt liet vleeschmeel bjj fokdieren zeer voordeelig op de gezondheid en kracht der nakomelingen en eveneens op de eierproductie. Men vermengt het vleeschmeel gewoonlijk
'2(11
met fijn gemankte g'okookto nardappclcn, tnrwozcmcis en grof gersteineei tot een kruimelig deeg. De hoenders (sten dit weekvoer â¢â⢠wanneer men ze er langzamerhand aan gewent -â niet graagte; het spreekt echter van zelf, dat men bovendien even goed voor graanvoer en groen moet zorgen.
Volgens de nieuwste analyse bestaat dit vleeschmeel â overschot van de vleeschoxtractbcroiding â uit 15 a 1(1% vet en 73% stikstofhoudendo voederstoffen met 11 a 12% stikstof, terwijl men er, ter vergoeding van de door de extractbereiding er aan onttrokken zouten, '2,14% phosphorzure natron en 0,88% chloorkalium aan beeft toegevoegd.
In den laatsten tijd wordt er dikwijls geklaagd over bedorven vleeschmeel; men schrijft dit too aan de omstandigheid, dat het vleeschmeel soms te lang in do pakhuizen opgestapeld ligt en daar tot bederf, overgaat.
Het vlecschmcel mag niet âmufquot; rieken en niet schimmelig zijn. Voorzichtigheidshalve doet men het best, het met kokoul water te broeien om de mogelijk aanwezige schimmelplanten onschadelijk te maken.
Wormpuiten.
Ter bekoming van bet voor het pluimvee noodige dierlijk voer, leggen sommigen ook wormputten aan, niet alleen echter met het doel om regenwormen, doch ook om de larven en poppen van verschillende soorten van vliegen in voorraad te hebben.
Ter verkrijging van regenwormen gaat men op de volgende wijze te werk.
In een lossen, cenigszins Icemachtigen on vochtigen bodem wordt een kuil gegraven van ongeveer een halven meter diepte, waarin men versch stroo hot liefst haverstroo en ongeveer 5 kilogr. op den vierkanten meter â loodrecht plaatst, terwijl men de tusschenruimten weder met de uitgegraven aarde aanvult en het geheel er ook mede toedekt. Op een zandigen bodem doet men goed, voor dit laatste wat leem- of kleihoudende aarde te nomen. Deze aarde moet zoo dikwijls bevochtigd worden, dat zij niet droog wordt. Om het uitdrogen in den zomer tegen te gaan cu tevens om des winters de noodige warmte in den put te houden, wordt deze nog met planken en rijs en 's winters zoo noodig mot mest of met een 10 centim. hooge aardlaag bedekt. In dezen put verzamelen zich nu de regenwormen en na eene maand kan men de aarde er uitscheppen en den hoenders voorwerpen, welke de wormen dan met gretigheid voor don dag zullou halen en verorberen. Het gemakkelijkst zijn de groeven van 2 vierkante meter, en legt men daarvan een 30tal naast elkander aan, dan kan men er eiken dag ééne openen. Het stroo wordt dan gedeeltelijk vernieuwd, doch de uitgegravene aarde weder tot aanvulling gebruikt. Op deze wijze verkrijgt men een
'202
telkens nieuwen voorraad van eon dierlijk voer, dat de hoenders bijzonder graag eten en zeer voordeelig op do eierproduetie werkt.
Voor de madenteelt graaft men één of meer kuilen van (gt;5 a 70 eentim. diepte on breedte en 2 M. lengte (of ééne grootere, die dan in verscheidene afdeelingen wordt verdeeld), welke men gernaks- en zindelijkheidshalve met baksteenen bevloert en opmetselt. Don bodem bedekt men dan verder met een 15 a 20 centim. dikke laag baksel van roggesti-oo, waarover een 5 a 8 centim. dikke lang versche, droge paardenmest komt (zonder stroo). Dit bedekt men weder ongeveer 4 centim. hoog met aarde, waarop men paarden-en runder- of ander bloed giet en afval uit de slagerijen (klein gesneden), bedorven groenten en vruchten, afval uit de keuken, doode dieren, bierdraf enz. uitstrooit, ter dikte van ongeveer !) centim.
Het geheel dekt men verder toe met wat baksel of droge bladeren en een langje aarde, waarover weder rijshout â en bij regen planken.
De reuk van deze rottende stoffen trekt, vooral op warme, zonnige dagen, den geheelen zomer door een groote menigte vliegen van verschillende soorten nis Sarcopluiya, Musea, Slomoxijs (vleesch-, brom- en steekvliegen) e. a., we'.ke danrin hare eieren loggen, wnaruit zich larven ontwikkelen, die al naar omstandigheden binnen 8 a 14 dagen volwassen zijn. Weldra verpoppen zich deze om danrna weder vliegen voort te brengen, die op hare beurt weder eieren leggen. Dat de vermeerdering dezer vliegensoorten zeer groot-is. blijkt wel hieruit, dat sommigen hunner honderden, andere duizenden eitjes leggen, welke meest binnen 24 uren maden leveren, en dat alzoo het geheele gedaanteverwisselingsproces binnen 20 dagen afgeloopen is om dnarna weder op nieuw te beginnen. Alleen de in den naherfst ontstane larven overwinteren als poppen. Behalve de genoemde vliegensoorten, welke op deze putten azen, ontwikkelen zich daarin door het vleesch, de ingewanden en de plantendeclen ook nog eieren en larven van andere soorten.
Voor het gebruik werpt men de hoenders den inhoud dier putten bij schoppen vol voor en vult ze weder op de beschreven wijze. Volgens Al. Espanet is i kilogr. larven een voldoende hoeveelheid voor éénen maaltijd van 50 hoenders.
De wnlgeljjke reuk, die zulke inadenputten om zich verspreiden, maken ze minder aanbevelenswaardig en 'tis ook zeer do vraag, of de gezondheids-politic ze, met het oog op het gevaar voor infectieziekten, wel overal zal toelaten.
Wij hebben ze volledigheidshnlve slechts beschreven, doch gelooven, dat het zoo goedkoope vleeschmeel ze best kan vervangen. De eigenlijke worm-putten hebben niet de genoemde schaduwzijde en zijn daarom wel aan te bevelen.
'iü.'i
Slalikentocll.
Eenden vooral, docli ook hoenders, eten zeer gunrne de in do tuinen zoo veelvuldig voorkomende en schadelijke naakte slakken (Umax) en huisjesslakken (Helix).
Om zulke slakken te telen, kan men zonder veel omslag een beschaduwd, vochtig en met gras begroeid hoekje van den tuin inrichten als winterma-gazijn, ter vervanging van de madenputten. Om het ontsnappen der slakken te voorkomen, wordt die plek omgeven door een hoogen wal van houtspaanders, een houten schutting of, beter nog, dooreen waterhoudend slootje. Men bestrooit dan den bodem met mos en bedekt dat met van bladeren voorziene takken, waaronder de dieren bij droog weder gaarne kruipen. Hun voedsel bestaat vooral nit grootbladerige planten: kool- en slabladeren en stronken, alsmede loof van aardappelen, knollen, esschen- eu elzenboomen enz. Daar de dieren bij droog weder niet eten, voedert men ze alleen, als er regen verwacht kan worden; dan echter moet men zich daarmee ook haasten, daar zij anders probeeren weg te kruipen.
Om zulk een slakkentuin te bevolken, verzamelt men in liet voorjaar en in den zomer eene menigte slakken. In den naherfst of den winter graaft men ze uit den grond, waarin ze zich op geringe diepte verborgen hebben.
Met: een enkel woord dient hier ook nog gewaagd te worden van de (/)â¢()«/iwerftvplaatsen.
Al naar het aantal hoenders, dat men heeft, verdeelt men een grooter of kleiner stuk bouwgrond in kleinere bedden, waarvan men er om de 2, 3 of meer dagen, al naar het weder en de omstandigheden zulks eischen, één bezaait met tarwe, gerst, haver, boekweit, maïs, salade, erwten, paardebloem, kruiskruid en andere zaderjjen. Men bedekt de bezaaide bedden niet rijshout, of beveiligt ze door draagbare; schuttingen, om te voorkomen, dat de hoenders de nog te jonge plantjes uitpikken.
Heeft het groen op het ééne bed eene voldoende hoogte bereikt, dan neemt men de beschutting weg om die weder voor een pas bezaaid bed te gebruiken.
Op deze wijze kan men zijne hoenders het grootste gedeelte van het jaar van een gezond en met graagte gebruikt groenvoer voorzien.
Op waardelooze hoekjes van den tnin kweeke men verder zooveel mogelijk brandnetels en langs de randen der tuinbedden suikerbieten, welke beide een evenzeer te waardeeren voedsel leveren.
Hebben we aan het begin van dit hoofdstuk reeds de algonieene grondregelen opgegeven betreffende do keuze, de afwisseling enz. der verschillende
204
voedormiddolcn, naar do liior in nanmorking' komende vcrhoudingcii, hier willen wo daarovoi' nader liandelen ou wo beginnen daartoe mot de vooder-wjjzo voor legkippen on lumen.
M. Espanot geeft dienaangaande do volgende raadgevingen:
1. Gebruik alleen goed koren, goodo zemelen, goede aardappelen.
2. Kook do beenderen en het andere afval uit do keuken in water en vermeng dit mot de zemelen of de gekookte aardappelen.
15. Het deeg, dat men uit zemelen, gehakte brandnetels, salade enz. bereidt, moet goed stevig zijn en niet kleverig maar kruimelig.
Espanot voerde zulk een deeg van fijn gehakte rauwe of gekookte kruiden, zemelen, gekookte aardappelen, maïsmeel en gekookte boekweit, wat hem per maal voor '1500 hoenders ongeveer 3 francs of Cts. per dier kostte.
4. Een maaltijd moet niet uit slechts óéne soort van voer bestaan; 15 gram gerst of boekweit en 30 gram deeg per kip geven een goed maal; ook oen eetlepel vol maden of regenwormen, 15 gram koren en een paar vingergrepen gehakte sla of ander groen.
5. Twee maaltijden per dag zijn voldoende.
0. Des morgens geve men graan, des avonds weekvoer.
(Dit voorschrift koeren we liever precies om; 's morgens weekvoer en 's avonds graan, omdat dit laatste veel meer tijd behoeft om te verteren, waartoe de nacht juist de gelegenheid aanbiedt, terwijl bet weekvoer den hongerigen dieren 's morgens eerder ton goede komt dan hard voor).
7. Des zomers geve men meer koren, des winters meer groen. In den naherfst en tegen 't einde van den winter vooral haver en wormen, om het laat en vroeg leggen te bevorderen.
8. Men verzamele het pluimvee liever door middel van een bel of ratel op de voederplaats dan door roepen.
De op jarenlange ervaring berustende grondstellingen van den heer li. Wright laten zich in het volgende samenvatten:
1. Elk schepsel heeft voor zijn levensonderhoud een zekere hoeveelheid voedsel noodig. Het meerdere kan, evenals de aard van het voeder, werkzaam, werkeloos of schadelijk zjjn.
2. Het ei bevat, evenals de melk, de dierlijke vooderstoffen in den meest geconeentreerden, natuurlijken vorm. Voor oene regelmatige productie ervan is dus ook een regelmatige en voldoende vergoeding noodig door passende vooderstoffen. (Practisch : Op 100 Kör. levend gewicht moet men 5 KGr. droge stof reiken met een gehalte â volgens Dr. Blanche â van 14% proteïne, 2,8 a 3,5% vet en 50 ii 70%stillt;-stofvrije extractiestof).
205
3. Logg'undo kippen hobbon moer voor noodig on otcn moor dan niot-loggondo. Hongor on ovorlading zijn (ivoii ruulcciig.
Votto honnon slochto loggers; vette lianen sloclito treders! Toevallig voor â toevallige* resultaten!
4. Koron is liet natuurljjke voor der hoenders, doch eveneens groen, wormen, vleescli.
5. Afwisseling on vermenging dor vorschillonde voodonniddelen is overeenkomstig de natuur, (ochter geono vermenging van verschillende korensoorten).
(i. Weck voor â uit gemalen koren en verschillende hjjvocgsels lio-staande - is afwisselend noodig \).
|
NAMKN DKIl VOEDKRMIDDKLKX. |
| i 3 (C |
Adomhalings- miilclolon on vetvormors. nis Zot-Oho. . mooi. |
lt;4-1 â /. N |
^ G O $ |
C/5 CC lt;xgt; tn p |
Water. | |
|
Boonen en erwten .... |
'25 |
'2 |
48 |
8 |
'2 |
85 |
15 |
|
I lavermeol....... |
18 |
6 |
03 |
2 |
2 |
01 |
0 |
|
Tarwezemelen..... |
IS |
6 |
53 |
4 |
5 |
80 |
14 |
|
Haver........ |
15 |
0 |
47 |
'20 |
2 |
00 |
10 |
|
Tarwe........ |
Vl |
3 |
70 |
1 |
2 |
88 |
12 |
|
Boekweit....... |
l'i |
(i |
58 |
11 |
1,5 |
88,5 |
11,5 |
|
11 |
2 |
(iö |
14 |
2 |
80 |
11 | |
|
11 |
S |
05 |
5 |
1 |
00 |
10 | |
|
Hennepzaad...... |
10 |
'21 |
45 |
14 |
2 |
02 |
8 |
|
Rijst........ |
7 |
sporen |
80 |
â |
sporen |
87 |
13 |
|
Aardappelen...... |
(5,5 |
â |
80 |
â |
2 |
49,5 |
50,5 |
|
Melk........ |
4,5 |
3 |
5 |
â |
0,75 |
13,25 |
80,75 |
7. Boste grondstoffen voor het wcekvocr zijn; goede, zware, witte, met den bolster gemalen of gebroken haver. Bjj gebrek hieraan; goede fijne tarwezemelen, met evenveel gerstemeel, waaronder men ook gekookte aardappelen of mangel wortelen mengen mag. Maïsmeel mag, omdat hot de vetvorming te zeer begunstigt, nooit alleen gebruikt worden. Tarwezemelen- met in zoo weinig mogelijk water gekookte
1) Bovonstaando tahol van do prooontHffowijzo nninenstelliiiK dor voornaamste voo-dormiddclon voor phiimvoo in ontloond aan Tegotmoicr (âPoultry-Bookquot;), door Wriglit vermeerderd en door ons van do rubriek âdroge massaquot; voorzien.
200
iMi fijn gumntikfo mangi^lwortelen of suilaM'bicten vormengd, geven een goed weekvoer, zoowel geregeld door nis tot nfwisseling.
8. Het van aardappelen en meel bereide weekvoer geve men liefst, doch bepaald in den winter, warm, terwjjl alle meel on zemelen met kokend water moeten worden aangemaakt.
i(. Het weekvoer strooie
men bij goed weder op
lt;le voederplaats, opdat
iedere kip daarvan haar
deel kan bekomen. Bij
regenachtig wodor of in Fipf. 05. Kir. 66. 0 0
de hokken, die met fijn
zand bestrooid zjjn, geve men het in voldoend groote eetbakken met rechtop staande randen, zit; tig. 05, waarovei' men, om het bevuilen te voorkomen, een besehermend zinken dak plaatst, met ongeveer S duim hoog traliewerk aan den voorkant ; /ie Hg. 0(1.
10. 1 Iet doelmatigste en eenvoudigste drinktocstel is de in tig. 07 afgebeelde pneumatische drinkbak, welke het voordeel heeft, dat men de, van onderen opene klok /eer goed zonder een Hesseliensohuier kan schoon maken, wat met de, in fig. 08« iifgcbeelde, op een toestel van draadwerk rustende Heseli niet liet geval is.
Een derde, zeer goed voldoend, van geëmailleerd ijzer vervaardigd pneumatisch drinktoestel laat ons fig. OW' zien; hiervan wordt de
waterhonder gevuld door do uitvloeibuis, mot behulp van oen trcchter, dien men daarna op hot toestel plaatst, om de kippen te beletten er
op te gaan zitten.
Al deze toestellen, welke slechts ééns por dag behoeven gevuld te
207
worden, zjjn vorro hoven opene drinkbakken tc vurkiczon, omdat daarin hot water niet vcrontroinigd kan worden.
'11. Het beste en tevens bet goedkoopste graanvoer voor legkipjien isboek-tvail, trots alle vooroordeel daartegen. De hoenders gewennen er wldrn aan, vooral wanneer men liet liun eorst gekookt of geweekt voorzet, en eten het dan gaarne. In Frankrijk wordt het hijnii uitsluitend zoowel voor de eierproductie nis voor bet mesten gebruikt.
Nii. boekweit is goede c/ai-sl en tot afwisseling /Wiire, witte/«mr aim te bevelen. Turioa is, hoewel liet gunstig op de eierproduetie werkt, in den regel te duur; alleen gezonde kleine tarwe, kan, als bet niet te duur is, echter nu en dan wel dienen. Maïs mag alleen in matige hoeveelheden aan licht gebouwde nissen als Spaansche hoenders en llamhnrgers gegeven worden; aan de grootere rassen slechts nu en dan tot afwisseling.
Alle andere rassen, vooral de Aziatische, welke in beperkte ruimten worden gehouden, worden er te vet van en leggen slecht.
12. Gerst, die tot 't ontkiemen toe in water is geweekt, wordt met graagte gegeten en doet ter afwisseling uitmuntende diensten,
13. Moulkicmcn kunnen des winters één- of tweemaal per week, doch niet in te groote hoeveelheid, als mkldagvoer worden verstrekt.
14. (!mn mevynel van iwscllillende gmansoorleu! De boenders zoeken er het één uit en laten bet ander liggen; bovendien is eene behoorlijke afwisseling dan ook niet mogelijk.
15. In beperkte ruimten en in hokken geeft men alleen dierlijk voer voor de eierproductie. Voor een klein aantal hoenders is het vleesckafval uit de huishouding voldoende; voor een grooter aantal is met een weinig peper en zout gekruid runderlever bet beste en goedkoopste vleescb-voer; in sommige streken zijn hart, lever en Imnj van schapen of ander dierlijk afval goedkooper te verkrijgen. Het vleesclmat gebruike men tot liet bereiden van het week voer.
10. Wat de hoeveelheid vleeschvoer aangaat, zoo is des winters of bij slecht weder, als er geen wormen of insecten te vinden zijn, alsook in den ruitijd, dagelijks 10 gram per kip voldoende; des zomersvoere men het om den anderen dag of in het geheel niet.
17. Eene juiste hoeveelheid graan- en weekvoer is moeilijk op te geven. Een bal week voer van ongeveer (i centim. middellijn 's morgens en een kleine bandvo.l graan des avonds kunnen zoowat tot maatstaf dienen; kleine rassen geve men wat minder graan.
18. In 't algemeen moet men nooit meer geven, dan de dieren met graagte opeten.
208
I!). Men vooro op zijn hoogst driomaal por dag; 's morgens vroeg, des middags en 's avonds kort voor de dieren tor ruste gaan. Het middagmaal moet sleeiits lielit en niet te ruim zijn; ais morgonvoer geve men liefst â aan nauw opgesloten hoenders weekvoer, terwijl liet avondmaal uit groen moet bestaan. Hieroj) houden de dieren het des nachts beter vol.
'20. (Iroenvoer is noodig voor opgesloten hoenders, voor losloopende niet. Het beste is jong gras, dat men fijn hakt en met het weekvoer vermengt, of' ook op de zode kan gegeven worden; verder kool, salade, enz., de stronken het best fijn gehakt. In do hokken of rennen kan men ook, !2l) a '25 centim. hoven den grond, een geheele kool, sla-krop, een halven mangehvortel of suikerbiet ophangen. Het pikken daarvan verschaft de boenders bij slecht weder en in den winter tevens eenige afleiding.
We zouden uit den rijken voorraad nog wel eenige andere voedermengsels kunnen aanbalen, doch achten hot vorenstaande werkelijk voldoende; alleen willen we er nog bijvoegen, dat ook brood, van eenig voedermeel of gebroken graan gebakken, tot afwisseling en in verbonding tot zjjne werkzaamheid een goedkoop voedingsmiddel kan zijn,
Nog zjj bier vermeld, dat do eigenaars van een tuin of akkerland niet alleen in de gelegenheid zijn hunne hoenders periodiek zonder noemenswaardige kosten te voeden, doch in die dieren tevens eene uitstekende politie hebben, die de gewassen tegen de vraatzucht van veel ongedierte bescbermt.
Aan de 1 Jij lagen van het Berljjner Dagblad ontleenen we dienaangaande de beide hier volgende artikels.
Ilfl nut der hoenders in den hoomyaard.
In mjjn, ongeveer een hectare grooton, boomgaard hadden do appel hoornen altoos in erge mate te lijden van de bladrollers en do spinselmotten.
Dos zomers leverden de hoornen dikwijls een trourigon aanblik op, zoodat ik mij meermalen beklaagde geen pereboomen te hebben geplant, welke niet van ongedierte te Ijjden hebben. Zelfs eene besproeiing met kalkwator, veertien dagen voor den bloeitijd, die aan het verwoestend work van den appelbloesemkever altijd ecu einde maakt, bleek togonover het genoomdc ongedierte werkeloos te zjjn. Evenzeer hadden mijne appolboomen en vooral mijne kersoboomen van do bladkcvers to lijdon. Een jonge kerseboom werd daardoor zoodanig geteisterd, dat hij aan do gevolgen stierf. Al schudde
20!)
men den eonen fla^ ook nog' zooveel kevers van de boomen en vernietigde die, des anderen daags waren er even zooveel weder. En de kevers vergenoegden zich niet alleen met het bladwerk, ook de jonge appeltjes werden door hen aangetast, wat hij nieuwe en fijne soorten duhbel onaangenaam is.
Nu kwam ik liet vorige jaar op de gedachte, om tegen den vliegtijd dei-kevers de hoenders in den boomgaard te laten loopen en dezen de kevers tot voeder aan te bieden, â en liet succes was ongedacht groot. Zoodra de kevers van de boomen werden geschud, waren de hoenders present om deze op te eten. Daar de hoenders echter eerst in de maand Juni in den boomgaard werden toegelaten, leden mijne appelboomen toch nog-als gewoonlijk door het ongedierte. Met volgende jaar eebter, toen de hoenders er altijd den vrijen toegang hadden, was er van bladrollers enkevers nauwelijks een spoor merkbaar en de spinselmot vertoonde zich er in liet geheel niet, hoewel mijn buurman er vooral van den bladkever groeten overlast van had.
Door deze ervaring geleerd, mag ik nu eiken oof'tkweeker aanbevelen, de hoenders zooveel mogehjjk vrij in den boomgaard te laten rond loopen; doch er dient tevens voor gezorgd te worden, dat die hoenders er ook gelegenheid vinden om gras te eten, daar zij zich anders aan de bladeren der leiboomen te goede doen. En heeft men tevens aardbeien en andere onder het bereik der hoenders staande vruchten in den tuin, dan moet men ze er natuurlijk op zekere tijden buiten houden.
Na den oogsttijd is het iederen kweeker geraden de hoenders in den tuin te laten rondloopen, ook de vermindering der ooft,,wormenquot; was zichtbaar waar te nemen, liet is een lust te zien, met hoe scherpen blik de hoenders alle ongedierte! opsporen: rupsen, die zich van de boomen laten vallen om in de aarde te overwinteren, worden steeds met gretigheid door hen verslonden. Terwijl ik eens een interessanten strijd tusschen een rups, die zich liet vallen, en een sluipwesp stond gade te slaan, kwamen de hoenders en maakten aan dat schouwspel een einde door de rups eenvoudig op to pikken.
Nul der hoenders op hel vrije veld.
(Uit eene voordracht van een landeigenaar).
âAangespoord door do schade, die de omelt in het jaar '1893 onder de suikerbieten aanrichtte, besloot ik in het voorjaar van '18!li met 1'20 hoenderkiekens en de daarbij behoorende kloeken tegen dit ongedierte te velde te trekken. De dieren werden eerst gedurende een achttal dagen bij huis gevoerd in een eenvoudig verplaatsbaar hok en, toen zij aan deze verblijfplaats waren gewend, daarin op een het vorige jaar met roode klaver en Eng. raygras bezaaid veld gebracht. Een ouden man, die niet meer kon
Baujamus. Pluimvootoelt. 14
240
workon, word opgodragoii liut opzicht over de dieren te houden en ze van eten en drinken te voorzien. De kuikens verslonden dagelijks een groote massa ongedierte, vooral toen de klaverstoppel in den herfst omgeploegd werd.
Ik laat liij hot ploegen gewoonlijk twee span oniniddellijk achter elkander gaan, docli kon dat dezen koer niet in praktijk brongen, daar de kuikens bij troepen den ploeg volgden. ()m over de ontwikkeling enz. dezer kuikens met moor zekerheid te kunnen oordoelon, had mijne vrouw ook oenige kuikens i)jj imis gehouden. Deze ontvingen dagelijks per boofd driemaal zooveel voer als de op hot veld vortoeVendo en er stierven naar verhouding veel moer van. Van de laatste verloor ik er op éénen dag '20 stuks aan een gebarsten krop: ze hadden te veel zaad gegoten van het raygras, dat dooide droogte van I S!Ki zoo vroeg bloeide, terwijl or nog 40 kuikens bjj hot transport doodgedrukt worden. Deze verliezen waren dus alleen oen gevolg van onkunde en onvoorzichtigheid. Do andere kuikens ochter groeiden uitstekend en ontvingen vanaf' hot begin van den oogst geen toevoer meer. Het nut dezer dieren in hot veld kan mot getallen niet worden aangegeven, doch ik bon er vast van overtuigd, dat, zoo ik in 18iK{ slechts 50 hoenders oj) mijn 5 hectare groot suikorbietonveld had gehad, ik van elke hectare op zijn minst 3000 kilogr. meer bieten zou hebben geoogst, welke nu dooide eniolt verloren gingen.
In October 4894 had ik van do 420 kuikens !)ü fraaie. Hink uitgegroeide hennen en hanen, welke laatste op enkelen na iu de huishouding worden gebruikt en zich onderscheidden door hun heerlijken wildbrnadsmaak. De verkochte werden als fazanten op tafel gebracht en ook voor fazanten gehouden on gegeten. Do hoenders worden in November bij huis gehaald, sliepen ook daar in hot hok, dat hun tip hot veld tot verblijfplaats had verstrekt in don winter word hot echter mot paardonniest gedekt â en begonnen in Januari weder to loggen.
Hot volgende jaar word or een beter hok ingericht in den vorm van een grooten wagen, waarin do jonge hoenders weder naar hot veld gingen; do oude bleven bij huis. Do op hot veld vertoevende hoenders werden niet opzettelijk gevoerd, terwijl die bij huis tarwe on aardappelen kregen. De oieropbrengst was bjj beide gelijk (gemiddeld 4 ei por kip in 2jt dag); nu echter leggen do veldhoenders 1 ei in 4] dag.
Do smaak van de eieren dor op het void levende boenders is bepaald fijner; de dooiers zijn donkerrood.
Als landbouwer moet ik u raden, uwe hoenders naar het veld te brengen; alleen daardoor zijn wij in staat onze veldvruchten tegen de vraatzucht van hot ongedierte te beschormon en ons ook den buitenlandschon eiorhandol ton nutte te maken.quot;
2H
Boide bcricliten, welko mcf: nog andorc dergeljjko to vormcerderen zijn, bewijzen onzen landbouwers, hoe verkeerd liet in, het pluimvee alleen tot liet erf eu den mesthoop te beperken, en welk voordeel er van de pluimveeteelt kan worden getrokken, wanneer zjj de dieren op zekere tijden vrij op wei- en bouwland laten rondloopen. Wjj komen hierop in oen volgend hoofdstuk nog terug.
In Prankrjjk zijn soortgeljjke hoonderwagens als waarvan in liet voorgaande sprake was, veel in gebruik. Daar brengt men ze zoowel op de suiker-bietvelden als op het groenland, alsmede op de graanvelden, wanneer het koren ongeveer zjj no halve hoogte heeft. Men geeft den iioenderwagen eiken dag een andere standplaats, opdat er telkens nieuwe streken van ongedierte worden bevrijd.
Broedkippen, kuikens en jonge hoenders.
Over het voeren der broedkippen is in 't algemeen niet veel meer te zeggen, dan dat zjj gowoonljjk slechts eenmaal per dag, meestal in den voormiddag, eten en dan nog tamelijk weinig en vrij haastig.
Men geeft ze alleen goed koren, alleen tot afwisseling een weinig week-voer en zelden groen. Na liet broeden is dit echter des te meer aan te bevelen. Voor de verstopping, die zich gewoonlijk in bet begin van den broedtijd openbaart, behoeft inon niet bezorgd te zijn, daar deze waarsclnjn-Ijjk met de ontwikkeling van meerdere bloed- en broedwarmte en het schoon houden van het broednest samenhangt en dus de normale toestand gedurende den broedtjjd schjjnt te zijn.
Dunne uitwerpselen en diarrbee zjjn daarentegen bjj broedende kippen bewjjzeu van een minder goeden toestand. Gaan de broedsters niet van zelf van bet nest om te eten, wat dikwijls voorkomt, dan moet men ze van de eieren nemen en bjj hot voeder en drinken brengen; men dient er dan verder op toe te zien, dat ze ook werkehjjk eten en drinken, weder op hare eigene broodplaatsen komen en niet met natte of bevuilde pooten op de eieren gaan zitten.
Men vergete vooral niet, haar steeds van frisch water te voorzien, alsmede! van een hoop zand en asch, waaraan zjj groote behoefte hebben voor de reiniging van het gevederte en om zich vrij te houden van ongedierte, waardoor ze dikwijls zoo geplaagd kunnen worden, dat ze niet meer naar haar nest willen temgkeeren.
Als het broeden is afgeloopen, geve men ze dadelijk zooveel graan, vooral goede gerst, als ze maar lusten, alsmede frisch drinkwater, want zjj zijn dan gewoonlijk zeer hongerig. Gedurende 8 a l i dagen mag men ze
'212
dan van hot kuikenvoer laten meeëten, 't wolk men later buiten haar bereik houdt.
Het eersto voor dor kuikens, '24 A 30 uur na liet uitkomen to geven, bestaat uit bard gekookte en fijn gewreven eieren, welke met een tweemaal zoo groote hoeveelheid wittebroodkruiniels worden vermengd en of zoo droog of met melk bevoebtigd worden voorgezet. Dit i.s ten minste algemeen het gebruik en men grondt dit op de omstandigheid, dat do kuikens uit eieren zijn gevormd en eieren daarom ook bet meest passende voedsel voor hen moeten zijn.
Waarom moeten die echter hard gekookt zjjn, in welken toestand ze hot moeilijkst zijn te verteren? Menigeen heeft toch kunnen opmerken, dat hot voeren van hard gekookt ei, zoowel als het voeren vóór 30 uren na hot uitkomen, dikwijls de spijsvertering tegengaat en diarrhee veroorzaakt, waardoor reeds honderdduizendon kuikens te gronde zjjn gegaan.
Wil men volstrekt eieren voeren, dan kan men die evengoed rauw klutsen on dan met broodkruimels vermengen.
Wij zjjn van bet voeren mot eieren geheel torug gekomen on geven de kuikens als eerste voer ontbolsterde gierst met fijn zand vermengd, en als drank afgeroomde of voor de helft met water vermengde melk; doze drank-wordt hun echter eerst gegeven, nadat zij gegeten hebben en telkens weder vorvorscht, want natuurlijk mag de melk niet zuur worden.
Deze gierst voeren wij zoolang mogelijk en voegen daaraan, wanneer de kuikens niet mot de kloek vrij kunnen rondloopen, een weinig fijn gehakt vleesch en groen toe; voor dit laatste gebruiken wjj gras, salade enz.
Na 5 of O dagen houden de dieren niet veel meer vnn gierst; dan geeft men ze boekweitgrutten on tot afwisseling een weekvoer, bestaande uit gekookte en gestampte aardappelen, met tarwezemelen en gorstomoel tot een stevig deeg gemaakt on met van de hoeveelheid aan vleeschmeel vermengd; verder voege men er nog wat phosphorzure kalk aan toe, ongeveer 1 theolepol vol per dag voor 15 kuikens.
Langzamerhand worden gerstemeel en boekweitgrutton, door steeds grover gebroken graan vervangen en komt men op kleine tarwe en later o]) gerst.
Voor kuikens, die een beperkte ruimte hebben, of zulke die in het koude jaargetjjde uitgekomen zijn, wanneer er weinig wormen, larven en insecten zjjn te vinden, kan met schubben en graten gekookte en fijn gestampte visch als bijvoer niet genoeg worden aanbevolen, daar de kuikens voor een gemakkelijke on snelle bevedering behoefte hebben aan hoornatof. Zij vindon die anders in do insecten, larven enz. Beenweekheid (rachitis), die zoo dikwijls bij 3 a 0 weken oude kuikens voorkomt en meestal als jicht of
rhoumatiek ten gevolge van koude wordt beschouwd, ontstaat alleen door gebrek aan hoornstof in liet voer, waardoor liet geheele organisme zeer verzwakt. Men neemt voor bovengenoemd bijvoer natuurljjk kleine vischjes, die overigens geen waarde hebben. Of de kuit in den rijtijd vergiftig is en dus eerst verwijderd moet worden, is zeer te betwijfelen.
In Frankrijk geeft men kuikens, die eenige dagen oud zijn, een kruimelig deeg van boek wei tgrutten, aardappelen en andere meelbevattende stolfeii bij liet eivoer en laat dit na S a 10 dagen geheel weg, om het door grof gemalen gerst, boekweit, maïs, tarwe of gierst te vervangen, terwijl men hun ook larven, miereneieren en Hjn gesneden regenwormen geeft.
Als de kuikens tussclien 3 en (i maanden oud zijn, kan men de hoeveelheid voedende bestanddeelen in het voer wat verminderen. Zout- en kalk-houdende stoffen, als schillen van appels en peren, erwten en hoonen, goed fijn gesneden en met aardappels en een weinig haver vermengd, zijn een goedkoop en tevens beenderen en spieren vormend voer.
Dit voer is even goed voor piepkuikens, welke men ter markt brengt en 14 dagen te voren wat meer boekweit, gerst en maïs voert om ze âkoren-vetquot; te maken, als voor volwassen slachtgevogelte, daar het zoowel de vleesch- als de vetvorming bevordert.
Het voeren der kuikens is eene zaak van zooveel gewicht, dat daarvan meermalen het wel- of niet slagen der geheele fokkerij afhangt.
Vooropgesteld, dat men de helft dor gefokte hoenders op don leeftijd van 5 a (i maanden wil verkoopen â zegt Espanet â dan zal deze helft de kosten der andere helft dekken, die men voor de eierproductie houdt. Doch men ontzie dan geen kosten en verwaarlooze het opzicht niet in het geringste. Al die kleinigheden voeren onder âhet oog des meestersquot; tot resultaten, welke de kosten en moeite meer dan ruimschoots loonen.
Wright beveelt voor kuikens van den tweeden dag af eene regelmatig dieet aan, dat in de eerste plaats uit gebroken haver bestaat, âdat als voc-dermiddel door geen ander overtroffen wordtquot;. Het eenige onaangename ervan is, dat het taai en kleverig is, doch dit kan verholpen worden door bijvoeging van een weinig maïsmeel, waardoor hot voer meer kruimelig wordt. Het naast bij dit voer komt grof gemalen havermeel, met ongeveer een derde deel gerstemeel of broodkruimels vermengd; havermeel alleen is te droog cn de kuikens groeien er niet zoo goed op, als wanneer er gerstemeel of broodkruim door wordt gemengd. Gedurende eenige dagen kan dit weekvoer met versche molk toebereid en er een weinig vleesch dagelijks aan toegevoegd worden. Dij tijdig uitgebroede kuikens doet versche warme melk, 's morgens vroeg te drinken gegeven, werkelijk wonderen, vooral bij koud weder. Voor gewone markthoenders zou het te duur komen; voor
'214
deze is een klein grasveld of een toegift van jong, fijn gesneden gras bij het genoemde voer voldoende.
Hoogstens eenige dagen later komt bij liet weekvoer ook graan, eerst in den vorm van geplette grutten, die reeds don volgenden dag in heele korrels kunnen worden verstrekt en na één of twee weken door kanariezaad of geplette hennep vervangen worden; later volgt gebroken tarwe of gerst, geplette haver of boekweit, welk laatste van liet einde der tweede week af liet lievelingsvoor der kuikens uitmaakt.
Het avondmaal moet, om de hiervoor opgegeven reden, uit hardvoer bestaan en een weinig daarvan moet voor den morgen overblijven. De kuikens hebben goeden eetlust, zijn vroeg 's morgens present -â in den zomer tegen i uur en mogen geen honger lijden.
Als regel echter â het âgroote geheimquot; in do kuikenvoedering â moet gelden: âGeef zooveel als noodig is om den honger te stillen, nooit meer!quot; In do eerste weken alle 'i uur, dan eene maand lang om de 3 uur en later 't maal per dag. Hot jaargetijde komt daarbij echter ook in aanmerking: in het voorjaar moeten de kuikens gedurende den eersten groeitijd vaker en beter gevoerd worden.
De heer Wright is beslist tegen het voeren van âeierkaasquot;, die men bereidt door l ei in ] liter melk to klutsen en dit dan op een kachel te laten stollen. Voor hot gebruik wordt het fijn gemaakt. W. beweert, dut de kuikens dan later eenvoudig doch goed voer versmaden en licht aan leverkwalen beginnen te lijden. Alleen geeft men dit in do maanden Januari en Februari, of aan kostbare doch zeer zwakke kuikens; in het eerste geval liefst 's avonds tegen lü uur bjj lamplicht, wanneer zij hot gaarne eten zonder den volgenden dag het gewone voer te versmaden. Alleen op die wijze kan eierkaas vooral bij kostbare dieren (vrooghroed) niet voordeel gebruikt worden,
Dr. Lonz beveelt als het beste voer gedurende de eerste tien dagen aan gelijke doelen rogge- en tarwebrood, het liefst oud, goed gedroogd, dan in water geweekt en met een weinig tarwezemelen kruimelig vermengd; hij voegt daaraan toe fijn gehakt rauw, gekookt of gebraden vleesch, hard gekookt ei, goede aardappelen (gekookt) en gestremde melk.
In vele streken van Duitschland geeft men van den tweeden dag af een mengsel van gepelde gierst, in melk of water geweekt en wittebroodkruimels. De kuikens gedijen daarbij uitstekend. Af en toe vermengt men ook gehakte jonge brandnetelbladeren met water en tarwezemelen tot een kruimelig deeg.
Tal van andere kuikenvoer-recepton laten we onvermeld, omdat we de genoemde voor do beste houden, vooral in groote fokkerijen; toch bevelen
215
wo nogmaals do miuwgozutsto zorg' on waakzaamlieid bij hot opkwooken van kuikens aan, en angstvallig lioet't inon or voor to wakon, dat hot wcek-voor nooit verzuurt.
Wil men lovond pluimvee verzenden, dan late men dit zich vooraf goed verzadigen aan goed graan on geve hot op reis in de verzondmand zeer vochtig geweekt brood in een vastgebonden voederbak mee. Pas aangoko-inoii dieren geve men eerst een weiniij brood, late hen dan slechts matig drinken, om hun eerst 'i uur later eon niet overvloedige portie graanvoor te geven.
/lel, mestvoer en kei mesten.
Zonder te willen beweren, dat hot hier over bovengenoemde zaken voi-gondo het oenige juiste, of zelfs in allo opzichten juist is, moenen we tocii wol te doen, mot oen overzicht te geven van de, volgens Al. Espanot in doze in .Frankrijk gevolgde methode, welke door hom in do hoofdstukken âover de voeding dor kapoenen en poulardesquot; en âover bot mestenquot; als volgt is beschreven.
Vier zaken, zegt Espanet, zjjn het, die bij het mesten van pluimvee hoofdzakelijk iu aanmerking komen: n.1. eene hepaalde voedimj, runt, Lloiilterheid en onthouding van de vrije lucht.
(Hier dient roods dadelijk opgemerkt te worden, dat, in plaats van onthouding der vrije lucht, andere practici, zoowel Engelsche als Fransche e. a., de vrije circulatie der lucht juist als een groot voordeel bij het mesten boschouwen).
AVe stellen hierbij op don voorgrond, dat de jonge hanen voorbereid zijn gokapoond of niet en dat do hennon nog niet gelegd hebben.
Hots beter men voor rust, donkerheid en afsluiting dor vrije lucht zorgt, des te minder tijd en voeder men voor het mesten noodig heeft. Do ervaring verkondigt luide, dat de kapoenen, die vrij kunnen gaan en konion, driemaal zooveel tijd behoeven om vet te worden, als die welke opgesloten worden gehouden.
De voor het mesten bestemde hoenders moeten geheel volwassen zijn, d. w. z. zij moeten, al naar do rassen, van (i tot 8 maanden oud zijn. Zjjn ze jonger, dan zet hot mestvoer in den eersten tijd vleesch en eerst later vet aan; zjjn zo ouder, dan kunnen ze, wol is waar, spoediger vet worden, doch vele verdragen dan het mesten niet, worden niet vet en kwijnen zelfs weg.
Het mesthok bestaat gewoonlijk uit eene rij van kleine, aan den voorkant getraliede hokjes, ook wel uit verschoidone zulke rijen boven elkaar; ze
'216
zijn aan den voorkant slechts zoover open, dat de dieren den kop naar buiten kunnen steken om lijj liet eten en drinken te kunnen komen; overigens geen licht, bijna totale duisternis, liet voer bestaat uit een weinig â of' in 't geheel geen â haver, gerst, tarwe, vooral maïs en veel meel bevattende stoffen: boekweitemeel of -gort, maïsmeel en aardappelen. Olieachtige stoffen, als noten, hazel- en beukenoten zijn zeer voordeeiig, wanneer de prijzen niet te hoog zijn.
Het is van belang de dieren langzamerhand aan het niesten te gewennen, door ze eerst eene week in eene donkere ruimte, maar toch meer in vrijheid te laten. In de tweede week brengt men ze dan in do kleine mestkooien en handelt overeenkomstig de aangegeven voedingsmethode; deze methode is voldoende voor hut mesten voor eigen gebvuik, alsmede voor hen, die nu niet juist eene volkomene mesting bedoelen. In de laatste dagen geeft men de dieren, al naar het aroma, dat men er aan verlangt: jeneverbessen, koriander, anijs, venkel, kaneel, peterselie, selderij, muskaatnoot enz., welke kruiderijen tot poeder worden verwerkt en 's morgens en s avonds in passende hoeveelheid met meel vermengd, als deeg, gegeven.
Hel mesten.
Op eene donkere, zooveel mogelijk vau alle gedruisch verwijderde plaats in een soort van kelder, waarin de temperatuur weinig veranderlijk is en de lucht slechts weinig ververscht wordt, stelt men een aantal kleine hokjes of kooien naast en boven elkander op, ieder voor één te mesten dier bestemd; de cellen van deze gevangenis verschillen in ruimte naar de grootte van de te mesten dieren. Eene nadere beschrijving is zeker onnoodig, daar iedereen toch rekening zal moeten houden met de hem ten dienste staande ruimte en middelen. De mesthokjes behooren echter zoo klein te zijn, dat het dier niet veel beweging kan maken om zich te bevrijden; de voor- of bovenkant moet weggenomen kunnen worden, omdat men het dier, telkens wanneer het gestopt moet worden, er uit moet nemen.
Andere kwelmiddelon om de dieren tot bewegingloosheid te doemen, zijn onnoodig; opsluiting in de besproken enge cellen is voldoende.
Het mestsysteem omvat 3 perioden: het hier aanbevolene is het snelste en loopt in '20 A 30 dagen ten einde.
1ste periode. Het dier moet vleesch aanzetten door eene daarop ingerichte voeding, zooals wij die als voeding van 3 a (i maanden oude hoenders beschreven hebben.
2do periode. De te mesten dieren komen in eene donkere ruimte, waarin
217
zij eene week lang vrij rondloopen, het liiervoor genoemde voeder krijgen en zoodoende voorbereid worden voor do
3dü periode, de volkomen mesting. De dieren zijn nn doorvoerd en zouden weldra weinig moer eten, als ze niet gestopt werden. Men sluit ze dus ieder afzonderlijk in een mestliokje en stopt ze dagelijks twee keer.
Eene geoefende vrouw kan niet goed meer dan 100 stuks per dag behandelen. Aangezien men echter slechts één dier te gelijk kan stoppen, is bet, om regel in de zaak te houden, noodig, dat de hokjes worden genommerd en dat men telkens op de rij af stopt, opdat ieder dier telkens zijn maal met dezelfde tusschenpoozen en op dezelfde uren krijgt.
lljj of zjj, die dit werk moet verrichten, neemt twee dieren te gelijk, wikkelt die tot aan den kop toe in een doek en houdt ze tusschen de knieën vast. Naast hem (haar) staat een bakje met water en een bak met pillen.
Deze pillen maakt men van het mestdeeg in den vorm van balletjes ter grootte van een flinke kers (ook wel langwerpig rond) stopt ze één voor één in den bek van het dier en dwingt dit, ze naar binnen te slikken totdat de krop gevuld is. Om de dieren wat meer tijd tot slikken te geven, geeft men om beurten eerst het ééne dan het andere dier twee of drie pillen, tot beide kroppen gevuld zijn. Men doopt de pillen, vóór men ze den dieren in do keel steekt, in water, waardoor ze beter naar beneden willen glijden. Op het laatst echter moet men de pillen met den vinger naar beneden drukken om ze in den krop te krijgen. Yoor ieder dier is men zelden meer dan 15 zulke pillen noodig voor eiken maaltijd. Het deeg voor deze pillen wordt bereid uit maïsmeel en versche melk; men kan echter ook grof meel van boekweit, gerst en beukenoten nemen.
Niet alle te mesten hoenders kunnen evenveel pillen verteren. Sommige ook bevinden zich goed bij 't gebruik van drinken, andere niet. Eindelijk zijn sommige reeds na 20 dagen vet, terwijl andere ;i0, ja, sommige zelfs 4(J dagen opgesloten moeten blijven om vet te worden. Dat alles hangt af van hunne constitutie en de werking der spijsverteringsorganen. Absolute voorschriften kunnen in deze niet worden gegeven, alleen ervaring en handigheid stellen iemand in staat te onderscheiden, of elke maaltijd voldoende is en of alles van den eenen maaltijd tot den anderen wel verteerd is.
Vanaf den tienden dag der opsluiting is het nog noodig den mestdieren olie of vet te geven; voor eiken maaltijd geeft men een lepel vol olie of een klein balletje reuzel of varkensvet, of men maakt een taai deeg van gestampte gierst of gerst - of beide te zamen â waardoor men wat boter of vet mengt. Als drinken is aan te bevelen; versche of' zuro melk,
21 lt;S
diu door wat suiker verzoet wordt. Men slacht ze dos nachts cn steekt ze een paar truffels in hot lichaam, die er 's morgens weder uitgenomen worden. (Amorikan. agriculturist, no. 5, 1874).
Eindelijk moet men eone week voor den afloop van den mesttijd donken aan hot parfumeeren van het pluimvee, naar den smaak van den consument of' van den kooper.
Men mengt daartoe onder het deog voor de pillen van 10 tot 20 gram kaneel en andere scherpe stoffen (zie pag. til 6) en 25 a 30 gram jeneverbessen. Oefening en ervaring loeren de noodige hoeveelheid dezer specerijen het bost kennen en er een geur aan brengen, die bijna onmerkbaar, doch des tc fijner is.
Wanneer enkele dieren bijzonder goed voor het mesten geschikt blijken, gaan sommigen daarmede nog verder en maken er exemplaren van om op tentoonstellingen tc figureeren. Het parfum moet echter, onverschillig hoe lang men het mesten voortzet, in de laatste dagen worden aangobracht.
We meenen hier nog te moeten opmerken, dat met het oog op finan-tieel voordeel, de volledige mesting alleen daar aanbeveling verdient, waaide noodige voederstoffen laag in prijs zijn; ook komt het ons voor, dat deze mesting alleen aan te raden is bij die rassen, welker dieren een gewicht van 3 kilogr. cn daarboven bereiken.
Men moet de kilogram levend gewicht der gemeste hoenders voor ongeveer f 1.50, d. i. het stuk gemiddeld voor /'4.00 a /'4.50 kunnen ver-koopen om een winst van / 0.75 a /1.00 per stuk te maken, want ze komen hem, die ze mest, zeiven op /3.00 a /3.50 te staan.
In dc groote steden van Frankrijk is echter geen ander dan gemest pluimvee verkoopbaar cn in de kleinere plaatsen heeft elk eenigszins gegoed gezin oen mesthok, waarin men de op do markt gekochte hoenders opsluit en eerst minstens 8 a 14 dagen flink met den afval van tafel en keuken voert, of hij hoogere eischen rationeel mest, vóór men ze het slachten waardig keurt.
Waar men pluimvee alleen voor eigen gebruik mest, vergenoegt men er zich mee, met eenvoudig 8 a 12 hoenders in een, van voren cn beneden van ronde traliën voorzien mesthok op te sluiten en 3 maal dagelijks geregeld te voeren; en men verkrijgt daarbij zeer goede resultaten, als men den bodem maar droog houdt, alle tocht vermijdt en de dieren door middel van een gordijn in het duister houdt.
Verder heeft men er voor te zorgen, dat men alleen aan elkander gewende hoenders bij elkander zet, die men eerst eenige uren zonder voeder laat om ze des te begeeriger naar het mestvoer te maken. Dit voer bestaat uit een mengsel van gerste-, haver- en boekweitomeel met versche melk, waaraan een flink mester nog wat vet of spek toevoegt.
219
Do lioovcülhüid voeclcr wordt berekend naar den eetlust; men geeft telkens versch bereid voer en na het eten frisch water; de maaltijden worden op geregelde tijden verstrekt en bet mestbok na afloop daarvan in het duister gebonden. liet mesten is in 15 a 20 dagen afgeloopen, waarna de dieren dadelijk geslacht worden, daar ze anders even zoo snel weder in gewicht achteruit gaan.
Volgens sommigen speelt boutskoolpoeder, door het mestvoer gemengd, bij het mesten een belangrijke rol. Het dient tot bloedzuivering, bevordert de spijsvertering en do votwording en moet ook de smakelijkheid van het vleesch vorboogen.
Ue beide stopmethoden, n.l. mot droge en mot half vloeibare mestmid-delen, hebben in Frankrijk zuo wat bet toppunt van volmaaktheid bereikt.
Over do eorsto hoeft Movr. Millot âRobinot in oen, op last van bet Ministerie v. Landbouw uitgegeven geschrift: âTraité sur les Oisoaux de basse-courquot; de beste beschrijving geleverd, welke bier in uittreksel volgt.
Het mestbok bestaat uit eene rij van elkander gescheiden kooien of cellen van dennenhout, 8 duim (22 cM.) breed en zoo diep, dat bet dier kan gaan zitten on zich voor- en achterwaarts bewegen. De zijwanden en de achterwand zijn van planken, de voorkant is mot tralies voorzien, de bodom bestaat uit rondo staven van l.J duim (4 centhn.) dikte, opdat de mest er door kan vallen; do bovenwand bestaat uit een zoo broede scbuifklep, dat men hot dier goniakkoljjk uit de kooi kan nemen. Het geheele toestel staat op pooten van 1 voet ( 48 contim.) hoogte en do bodem, waarop het staat, wordt mot droge aarde of ascb bedekt om do uitwerpselen, die als mest groote waarde hebben, om den anderen dag gemakkelijk te kunnen verzamelen.
J)e te mesten dieren moeten zoo rustig mogelijk worden gehouden; hanen en hennen mogen daarom niet in onmiddellijke nabijheid van elkander geplaatst worden, omdat zij elkander door hunne stem in opwinding brengen. Om dezelfde rodon mogen ook pas in het mestbok geplaatste dieren niet dicht bij dezulke staan, die reeds eenigo dagen gemest zijn.
Het boste en goedkoopste mestvoer is fijn bookweitemeol, mot versche melk tot oen deeg gekneed; gerste- en havermeel kunnen dit niet volkomen vervangen; maïsmeel geeft te brokkelig deeg, wanneer bet niet met boekwoitemeol vermengd is.
Om hot deeg to kneden gebruikt men oen tafel of ondiep vat; men doet het meel daar op (in), giet er een weinig lauwe melk op, mengt beide mot een lepel goed dooreen en kneedt het dan met do handen, totdat het niet meer aan de handen kleeft. Daarna verdeelt men bet deeg in stukken, ongeveer ter grootte van 2 eieren, maakt hiervan rolletjes ter
220
(likto vim een vrouwenvinger en snijdt deze met een schuine snede in âpatonsquot; (pillen) van 2^ duim (± (i,5 centim.).
Nadat men een l)ak met pillen en een niet water liij de hand heeft gezet, neemt men de kip, die men stoppen wil, voorzichtig uit de kooi, door haar met beide handen onder de borst te vatten, gaat zitten, neemt het dier onder den linkerarm, opent met de linkerhand den snavel, wat na eenige oefening zeer gemakkelijk is, brengt met de rechterhand een in water gedoopte pil in den snavel en schuift die met den wijsvinger voorzichtig in den slokdarm op. Is zij zoover daarin geschoven, dat het dier haar niet meer uit kan spuwen, dan schuift men haar in den krop door met duim en vinger zachtjes langs den hals te strijken, hierbij zorgende, dat de pil niet breekt, daar een in den slokdarm achterblijvend stuk licht ontsteking kan veroorzaken.
Op deze wijze gaat men voort. Op den eersten dag geeft men slechts 2 of :i pillen, tweemaal in de vierentwintig uren, en telkens op dezelfde tijden en voorts iederen dag bij eiken maaltijd één pil meer tot 12 a 15 stuks. Men mag het dier niet laten hongeren, doch ook niet te vroeg stoppen. De krop mag gevuld worden, doch de inhoud moet ook verteerd wezen, vóór men weder stopt. Dit is niet het geval, wanneer men nog deeg in den krop voelt en in dat geval moet men een maaltijd overspringen en een volgenden keer wat minder geven. Als men den krop in 't eerst te zeer vult, wordt het dier ziek en moet men het de vrijheid geven.
Soms â vooral in het begin wordt de luchtbuisslagader met den slokdarm saamgedrukt, wat het dier doet hoesten; dit heeft echter geen ernstige gevolgen en bij eenige oefening is dat gemakkelijk te vermijden.
Het dier moet na het stoppen weer met beide handen zorgvuldig onder de borst aangepakt en in zijn hokje worden gezet, zonder verder verontrust te worden.
Zoo handelt men achtereenvolgens ook met de andere dieren. Men moet zich steeds aan de volgorde houden, opdat ieder dier telkens op denzelfden tijd zijn voedsel ontvangt.
Het mesten is in 2 a 3 weken afgeloopen; extra vet gevogelte echter verkrijgt men eerst in 25 a 26 dagen; ja, men kan bij nauwlettende verzorging zelfs tot 30 dagen stoppen, na welken tijd de dieren in hun vet âstikkenquot;. Voor het mesten van elk dier is 40 liter boekweitemeel voldoende.
Opgemerkt dient hierbij te worden, dat Mevr. Millet-Robinet in het vorenstaande het La-fleehe-ras op 't oog heeft.
Eene andere methode, door Ch. Jacque, een der Fransche autoriteiten op het gebied der pluimveeteelt, aanbevolen, bestaat in het toedienen van
221
half vloeibaar melig voeder aan do mestdieren, door middel van een trechter. Het voer bestaat uit gerstemeel en melk met water (van beide de helft) in den papvorm.
De trechter (fig. G!)) is van gegalvaniseerd blik vervaardigd en groot genoeg om cene voor één exemplaar, vaii welk ras ook, voldoende hoeveelheid voeder te bevatten. Hij is boven '10 centim. wjjd en centim. hoog; de hals is van boven 2,5 en van onderen 1.5 centim. wijd, schuin afgesneden, de rand omgebogen en zoo gesoldeerd, dat hij overal zacht gerond, nergens scherp is.
Boven aan den trechter zit een smalle ring voor den voorsten vinger van de rechterhand;
deze ring moet op de juiste plaats, 5 centim.
rechts van de opening zitten, opdat deze, als de operateur den rechter wijsvinger door den ring heeft, zijwaarts van hem gericht is, in welk geval hij er beter het oog op kan vestigen.
Om alle gevaar voor kwetsuren te voorkomen, is hot wol aan te bevelen die opening door een dunne gummi-buis te omgeven.
Het mestvoer wordt in een vat gedaan, waaruit men hot met een lang gesteelden lepel in den trechter schept. Men vat nu den vogel bij de vleugels aan, dicht bij de schouders en zet hem voorzichtig tusschen de knieën met den kop naar zich toe. Men neemt den kop van het dier in de linkerhand, strekt den hals uit, opent den snavel met de rechterhand en houdt dien daarna met den linker in dien toestand, waarna men de buis van den trechter over de geheele lengte vlug doch voorzichtig in de keel drukt. Men houdt dien nu met de linkerhand vast, vult den trechter en laat liet voeder vervolgens in den krop loopen, totdat deze gevuld is, wat men bespoedigen kan, door nu en dan met duim en vinger langs den hals te strijken. Daarna zet men het dier weder op zijne plaats en neemt een ander.
Men geve deze maaltijden driemaal in de 24 uren: 's morgens tusschen 4 en 6, 's middags tusschen 12 en 2 en 's avonds tusschen 8 en 10 uur.
Om de bewerking te vergemakkelijken, geen dier to vergeten en vor-geefsche, de dieren afmattende pogingen te vermijden, moet men, naar het
222
aantal dieren, dat. men te stoppen heeft, bijzondere inrichtingen hebben, üj) een matig' warme, tochtvrije plaats, liijv. in een stal, plaatst men opene hokken, welke op zjjn hoogst 10 dieren kunnen bevatten en waarvan men er steeds één ledig moet houden. Dit ledige hok wordt van droog stroo voorzien en men zet daar de gevoederde dieren in. die men uit een der hokken heeft genomen; dan voorziet men het ledig geworden hok op dezelfde manier en gaat zoo voort, opdat alle hokken eens per dag van schoon stroo worden voorzien. Geschiedt dit niet, dan neemt het vlecsch licht ecu slechten smaak aan.
Men kieze voor liet mesten alleen volkomen gezonde dieren; zwakke en zulke, die geen aanleg toonen te hebben voor vetwording, vcnvijdere men. Al naar het ras en de individueele gesteldheid der dieren ia het mesten in 15 a 20 dagen afgeloopen. Door ze langer te mesten zouden ze mager worden en zelfs sterven.
Door de groote Pransche pluimveemesters worden ook stopmachines gebruikt, welke de dieren niet zoo verontrusten en veel tijd sparen. Bjj deze machines is het hoofddeel een groote, met het. voeder gevulde cylinder, welk voeder, gewoonlijk door met den eenen voet een trapwork in beweging te brengen, door een buis in den krop der dieren wordt geperst.
liet mesten door middel van een stopmachine (r/aveuse) is door den heer Odile Martin, te Neuilly bij Parijs, tot eene groote volmaaktheid gebracht; en ofschoon de kosten van aanleg van een dergeljjke inrichting ons bijzonder en noodeloos hoog voorkomen, meenen we toch daarover hier niet te mogen zwijgen.
De heer Martin gebruikt als mestvoer een mengsel van gelijke deelen maïs- cn gerstemeel met een weinig spek of varkensvet, door middel van melk tot ecu half vloeibare pap bereid, liet mesthuis is een groot, luchtig gebouw en van achthoekige, draaibare toestellen (hokken) - épinettes tournantes â voorzien, welke om een loodrechte as kunnen draaien. Elke zijde van zulk een hok bevat 5 zitstokken, ieder voor 5 hoenders, zoodat ieder toestel 200 hoenders kan bevatten. Do zitstokken liggen boven elkander en onder ieder zitstok is een schuin staande plank aangebracht, van welke de uitwerpselen naar het midden van het toestel vallen zonder de dieren te bevuilen. Eiken morgen wordt er wat baksel op den mest gestrooid cn deze door middel van een daar onder door loopende kar weggebracht.
Het eigenaardigste van Martins methode is hot feit, dat de hoenders met riemen van ongelooide dierenhuid op de zitstokken zijn vastgesnoerd. Op de zitstokken zjjn loodrecht staande planken bevestigd, die de dieren van elkander scheiden en de vrije luchtcirculatie niet belemmeren. Dit vastbinden
223
dor hoenders kost slechts weinig moeite, wanneer men liet des nachts doet. De voordeelcn der zindelijkheid en der ventilatie zijn zeer groot en bevorderen den groei en de vetwording aanmerkelijk, liet geheel wordt dikwijls met ijzervitriool gedesinfecteerd. Het voeren geschiedt door middel van eene machine, welke evenals de man, die met liet voeren belast is, op eene soort rolstoel is geplaatst, die heide tot aan de bovenste etage van het mesthok voert 1).
De stopper neemt den kop der hoenders in de éóne band, brengt met de andere het mondstuk, dat met een buigzame buis aan den cylinder verhonden is, in don slokdarm, brengt met cénen voet hot toestel in werking,
waardoor in enkele oogen-1 dikken de benoodigde hoeveelheid voeder in den krop wordt geperst. Een gegradueerde wijzerplaat Wijst de Fig. 70. Stopmachine.
hoeveelheid aan, die elke
vogel overeenkomstig zijn leeftijd, grootte en mesttijd noodig heeft. Een enkele beweging met de hand doet het mesthok zoo draaien, dat de stopper weer tegenover een anderen vogel komt te staan en bij eenige oefening gaat alles zoo vlug in zijn werking, dat er in 1 uur tjjds 200 hoenders gestopt kunnen worden.
Wanneer de dieren voor den verkoop geschikt zijn, worden zjj aan de pooten opgehangen, in een doek gewikkeld om bet tegenspartelen te voorkomen, waarna hun ceu klein mesje in de keel wordt gestooten. Zoodra zjj dood zijn, worden /ij geplukt, in vochtige doeken gewikkeld om snel af te koelen en opgehangen om uit te bloeden â waarvan de witheid van het vleesch afhangt â⢠en ook wel met zemelen afgewreven.
Opmerking verdient nog, dat in Frankrijk voor het mesten der Bresse-
1) In no. 43 on 44 vim âEigon Haard,quot; jaarg. 1807, komt oono bosclirijving voor vmi hot hoondei'park to Totoriuffon, waarbij afbooldingen van do liior bodooldo moHt-toostellon.
224
poulardes hoofdzakelijk boekweite- en maïsmeel wordt gebezigd, terwij! men in Normandic meer van gerstemeel houdt, en dat men naast ontroomde melk ook geronnen melk gebruikt.
In Engeland wordt, volgens Edw. Brown, voornameljjk in Sussex, Surrey en West-Kent aan het mesten van pluimvee gedaan. In Sussex bedraagt de jaarlijksche omzet in mesthoenders 160000 pd. Sterling of hjjna 2 millioen gulden. Daar wordt bijna uitsluitend havermeel met ontroomde melk gevoerd, alsmede een weinig vet. Zekere Mr. Oliver in Ileathfield moet in het mest-seizoen wekelijks voor /'240 aan afgeroomde melk gebruiken.
De dieren worden daar gedurende de eerste 8 a 10 dagen uit bakken gevoerd, die voor de tralies der mosthokken worden gezet en waaruit zij zooveel kunnen eten, als zij lusten; daarna maakt men gebruik van de stopmachine, die in de groote mestenjen van Engeland algemeen in gebruik is.
Interessant is de volgende aanteekening, betreffende de gewiehtstoenanie van !) hanen en 15 hennen.
Al de 24 dieren samen namen in gewicht toe:
in de lxtc week I I pd. en 4 ons, gemiddeld ieder 9{ ons;
I pd. 5] , 5| , i\ ,
in 4 weken dus 55 pd. en .'i.J ons, gemiddeld ieder 2 pd. (i ons, waaruit men kan zien, dat het mesten in de eerste 2 weken de grootste uitwerking heeft.
De gewichtstoename was bij:
Iloudan X Ind. Vechthoen gemiddeld 2 pond, 10 ons; Ind. Vechthoen X Dorking â 2 ,, (i â
Plym.-Rock X Dorking â ,, â 4 â
Zuivere Plym.-Rocks â â ,, 4.j â
In Duitschland en elders wordt nog weinig gebruik van het stoppen gemaakt, wat dit voordeel heeft, dat de te mesten dieren ook niet door de onkunde of lompheid der arbeiders âdood gestoptquot; worden. Overigens is het vermogen der dieren om veel voedsel te kunnen opnemen en verteren zeer individueel; zijn er, die trots de beste stopmachine en den besten
stopper niet geschikt blijken om vet te worden, anderen slaan bij eene vrijwillige mesting goed aan, zonder dat men hunne spijsverteringsorganen geweld behoeft aan te doen.
225
De constructie der mestliokken, die in het groot gewoonlijk in 3 of 4 rijen boven elkander worden geplaatst, is voorgesteld in fig. 71.
Vierdk Hoofdstuk.
Ou douwden, ziekten en vijanden der hoenders.
A. ONDEUGDEN.
i. Hel eier-elen.
De oorzaak van deze zoo nu en dan voorkomende ondeugd is misschien minder te zoeken in het toevallig opeten van in het nest gebroken eieren zonder schaal, als wel in hot werpen van groote stukken eierschaal in de hokken, waardoor zeker do trek tot het eier-eten wordt opgewekt, voornamelijk, wanneer er nog wat eiwit aan die eierschalen was blijven zitten. Wil men zjjne hoenders eierschalen geven, dan zorge men er voor, deze eerst tijn te maken. Ze zijn echter geheel overtollig, als men maar zorgt, dat de hoenders nooit gebrek hebben aan kalkpuin, fijn gestooten, gebakken steen, als dakpannen of baksteen, zand, asch e. d.; in groote fokkerijen is hot aantal eierschalen onvoldoende, in kleinere kan men ze uitstekend vervangen door de sepiaschalen, die overal in do nabijheid der zeekusten goedkoop zijn te krijgen. Gebroken oester- en andere schelpen, die, in ons land althans, goedkooper zjjn to verkrijgen, verdienen ook alle aanbeveling. quot;Wegens het gevaar, dat men bjj onvoorzichtig gebruik van eierschalen loopt om de dieren tot het eier-eten to verleiden, is liet hun, die zich niet de moeite willen getroosten ze fijn te maken, aan te raden, ze maar geheel weg te laten.
Voor kostbare rasdieren, die zich aan het genoemde euvel schuldig maken, is eon legnest aan te bevolen, waarin do gelegde eieren buiten het bereik der hoenders vallen.
Fig. 72 geeft de doorsnede van een dusdanig nest, dat men desnoods zelf gemakkelijk kan maken. Het bestaat uit oen bakje, aan welks éénen zijwand men een, met eon zachte stof bekleede plank h zoo bevestigt, dat dio den tegenovergestelden zijwand en den bodem tot op een handbreedte raakt; daar tegenover bevestigt men eveneens een plank «, die ook schuin loopt, doch slechts tot hot midden reikt en zoover van de eerst genoemde plank af, dat een ei er gemakkelijk tusschen door kan rollen. In den éénen zijwand maakt men tevens eene opening, waardoor men de gelegde eieren
Bai.damus, Pluimvooteelt. '1 5
226
weg kan nemen. Het spreekt van zelf', dat de wanden, waartegen de eieren aan rollen, ook met do eene of andere zachte stof bekleed moeten worden om het breken te voorkomen 1).
Daar liet, vooral daar, waar men vele hoenders houdt, altijd eenigszins lastig is, de misdadigers te ontdekken, andere middelen, als de dieren een hard gekookt ei zeer heet voor te leggen e. d., ook niet altijd doel treffen en het zeer de vraag is, of' die loeljjke gewoonte niet erfelijk is, is het oenige, alle gevaar en schade voorkomend middel: de boosdoeners direct te verkoopen of to slachten.
|
Fifï 72. Loffknstjo voor oier-etcrn (in dooi'snodo). |
Hoe groot de schade door de aanstekelijkheid van deze ondeugd kan worden, heb ik zelf' moeten ondervinden. In een volkomen gesloten hoenderhok verdwenen eens de eerste wintereieren uit de nesten, zonder dat het mjj mogelijk was den dief te betrappen. Toen deze eindelijk door een verscherpt toezicht ontdekt word, merkte ik tevens, |
dat er reeds meer waren, die, wanneer er een hen op het nest zat, geduldig daarvoor gingen zitten wachten, tot deze hot nest verliet, waarna ze samen oj) het pas gelegde ei aanvielen en het met schaal en al verslonden. Zelfs beproefden sommigen dier roovers, als hun het wachten wat te lang viel, de hen van het nest te jagen door haar telkens met den snavel to pikken ; zoo hartstochtelijk was hun trek naar eieren geworden.
In zulke gevallen mag men niet talmen, doch dient men direct een eind aan de zaak te maken, door de misdadigers en verdachten onschadeljjk te maken. Heeft een haan die ondeugd leeren kennen on roept bij zijne hennen bij hot lekkere maal, dan is er van eieren uithalen geen sprake meer; de hoenders zijn ons dan altijd vóór en de geheele toom moet opgeruimd worden.
Een door Prof. Heller aanbevolen en reeds door velen met succes in toepassing gebracht middel om het eier-eten te voorkomen, bestaat eenvoudig hierin, dat men de legnesten op eene zoo donker mogeljjke plaats aanbrengt, wat men altijd bewerkstelligen kan, door er een betrekkelijk langen, donkeren loop (tunnel) naar toe te leiden.
1) Hij dc âOndorlingo quot;WorkvcrHclmffliitfquot; to Wnrsa (prov. Frioslmid), waar allo Hoorton stroonoflton wordon vorvaardig-d, zijn ook noHton voor oior-oters tc bokomon, dio meermalen al» zoor doeltrell'end wordeu aanbevolen.
227
2. Het veerenplukken.
Ook dit is oeno ondeugd, die zeer gemakkolijlc door de hoenders van elkander wordt overgenomen en veel vaker voorkomt dan liet eier-eten, niet alleen bij de Pransche rassen en de Maloiers, zooals sommigen sclijjnen te meenen, doch bij alle, zelfs bjj de landhoenders, en wel bjjna uitsluitend bij hennen.
Wright noemt als voornaamste oorzaak van deze ondeugd gebrek aan friscli drinkwcUer en Baldamns meldt, zelf ook opgemerkt te liebben, dat dorst de aanleiding was, dat eene hen andere kippen, vooral jonge hanen, de staartveeren uittrok, het in de spoelen aanwezige bloed uitzoog en ze dan wegwierp. 15. liet het dier terstond afzonderen en van verscli water voorzien en had het genoegen te ondervinden, dat het zich eenige dagen daarna niet meer aan genoemd euvel schuldig maakte. Of hot later ook weer er toe overging, heeft B. niet kunnen nagaan, daar hij het onder den grooten troep uit het oog verloor; wel deed hij de onaangename ervaring op, dat reeds andere hennen met dezelfde ondeugd behept waren.
Ofschoon do dieren sedert lang geen gebrek meer aan frisch water hadden, voor afwisseling in het voer gezorgd werd en den dieren een ruime weideplaats en overvloedig groen ton dienste stonden, woekerde hot kwaad voort en stonden vooral do kuiven der hanen aan de aanvallen der jonge hennen bloot. Niettegenstaande er beweerd wordt, dat men onder de vrjj-loopende hoenders geen veerenplukkers vindt, zegt Bs, dat hij ze ook onder deze wol degelijk heeft aangetroffen. Verveling is ongetwjjfeld ook wel eens de aanleiding tot het veerenplukken, waarom het aan te bevelen is, den dieren gelegenheid te geven tot krabben, door het voeder, dat in de ren gestrooid wordt, met kaf en baksel te vermengen en zo veel groen to geven, vooral slakroppen en komen, die men aan een touw in do ren ophangt; zeer aan te raden is het echter ook, de uitgevallen vederen direct uit de ren te; verwijderen, omdat zij daarin gereode aanleiding tot het veerenplukken vinden.
Bs. beveelt ook aan, den hoenders beenderen voor te werpen, waaraan nog eenig vleesch zit - ook al om den dieren afleiding en bezigheid to verschaffen. Sommigen meenen echter opgemerkt te hebben, dat het voeren van vleesch ook het veerenplukken in de hand werkt.
Wright beveelt aan, don hoenders tweemaal per week een mengsel van zemelen en lijnzaad te geven en voorts ruimschoots slakroppen, vooral zulke, welke reeds zaad schieten, wjjl dit een kalmeerenden invloed op de dieren uitoefent. Ook wendde hij met het beste gevolg aan: J a [ grein morphi-nezuur dagelijks en 1 grein calomel tweemaal per week; ook gaf' hij
228
bovendien zooveel koolzure kalk in het drinkwater, dat dit er bepaald naar smaakte. Bovendien werden de korte vederstompen verwijderd en het ge-vederte Hink met een stijf schuim van eene koolzure desinfectie-zeep bestreken.
Het door Rob. Oettel aan de hand gegeven middel, n.l. do aangetaste en gedeeltelijk geplukte kuiven met een touwtje samen te binden en met Ijjiu te bestrijken tot de veoren weer geheel aangegroeid zijn, is bij enkele, kostbare hoenders misschien aan te wenden, bij een eenigszins groot aantal hoenders is liet echter niet in toepassing te brengen; ook heft het alleen de gevolgen van het veerenplukken op, niet het kwaad zelt'. Een ander middel, eveneens van Oettel, is de kale plekken (ook hot gevederte) te bestrijken met het bittere afkooksel van 2 lood aloë in } liter water. Dr. 1 feller e. a. beweren, dat het bestrijken der aangetaste plekken met hoon-dermest het meest probate middel is; geen hen zou voor de tweede maal zulk een plek aanraken.
Hot zekerste middel tot uitroeiing van deze bepaald aanstekelijke ondeugd blijft echter, de misdadigers direct te verwijderen en voor de keuken klaar te maken. Ook de oude practicus Dr. Lenz verklaart dit, na vele andere proeven genomen te hebben, voor het eenige zekere middel.
B. ZIEKTEN DER HOENDERS 1),
De beste middelen om ziekten bij het pluimvee te voorkomen â wat nog beter en gemakkelijker gaat dan ze te genezen â zjjn: eene gezonde ligging der hokken en rennen, een tamelijk droog en warm terrein, eene goede inrichting der hokken en rennen, beschutting tegen vocht en groote koude -vooral tegen natte koude â groote zindelijkheid in alles, een gezonde lucht in de hokken, zuiver, dikwijls vernieuwd drinkwater, gezonde voedermid-delen en eene gepaste afwisseling daarin. Ook overmaat van koren in den oogsttijd, overdadig groen bij buitengewone hitte, zelfs te veel vleeschvoer kan gevaarlijk worden.
Dat de landhoenders, niettegenstaande zij in den morgendauw en op vochtige weiden loopen, in ellendige, donkere, muffe, onzindelijke en tochtige hokken hun verblijf hebben of soms slechts tot den mesthoop beperkt wordenâ wat sommigen zelfs als voor de gezondheid dienstig beschouwen! -en des winters met slecht graan worden gevoerd, toch nog goed gedijen,
1) By do behandeling ïh hot uitstokonde werk van prof. Zürn to Leipzig gevolgd âDie Krankhoiten des HausgeflUgels,quot; Weimar 1882. Wat hier over do behandeling van hoendera wordt gezegd, geldt eveneens van kalkoenen, parelhoenders enz.
220
bewijst alleen, dat deze bastaardrassen in don loop der tijden gehard zijn en zich aan genoemde levensonistandigheden hebben kunnen aanpassen. Ook dient men niet te vergeten, dat zij winter en zomer vrij rondloopen, dat zij meestal ecu mesthoop te hunner beschikking hebben en veel afwisseling in hun voer kunnen brengen; dat zij meestal droge en gelijkmatig warme woningen hebben naast, in of boven den veestal, waarin zij ook bij slecht weder onderdak en voeder vinden; verder, dat die verblijfplaateen iu den regel zoo groot en zoo weinig dicht zijn, dat er van ophooping der zoo schadelijke ammoniakgassen, welke goed gebouwde doch onvolkomen gereinigde hoenderhokken zoo dikwijls verpesten, geen sprake kan zijn.
Als algemeene maatregel bij liet uitbreken van eene ziekte â vooral van besmettelijke â¢â- stollen we dan ook; directe verandering in het voer, als 't mogelijk is ook verandering van verblijfplaats en verdubbelde zindelijkheid. In eene uitgebreide fokkerij moeten daarom ook goed van elkander afgezonderde zieken verblijven in voldoend aantal aanwezig zijn. Deze kunnen geheel ingericht zijn als de gewone nachtverblijven, doch het zandbad moet zoo worden aangebracht, dat het niet door de excrementen verontreinigd kan worden, wat echter ook in alle winterverblijven het geval moet zijn.
In die lazarets komen allo individuen, welke aan de eene of andere ziekte lijden, wat merkbaar is aan de algemeene houding der dieren, aan den aard van bet gevcderte, den kam en de excrementen.
Verliezen de hoenders hunnen gewonen eetlust en opgewektheid, krabben zij niet meer, zonderen ze zich af, staan ze op één poot of met in de veeren verborgen kop; wordt het gevederte dof, glansloos of zelfs ruw en miskleurig ; verkleurt de kam of krimpt deze ineen; zijn de uitwerpselen of te week en waterig of te hard en droog â beide teekenen van storing dor spijsvertering â dan dient men dadelijk tot de hiervoor genoemde veranderingen over te gaan.
In de talrijke gevallen, dat do ziekteverschijnselen een gevolg zijn van natte, koude, slecht of verkeerd voeder, vooral van slecht drinkwater, genezen do patiënten bij oeno zorgvuldige verpleging in de ziekenhokken in den regel geinakkcljjk. Een warme, droge bodem, zuiver water of een hier na to noemen mengsel, vorder onthouding van groenvoer, wanneer de dieren aan diarrhee, en ruim groen, wanneer ze aan verstopping lijden, zullen in vele gevallen reeds genezing aanbrengen.
Hetzelfde geldt voor alle gevallen, in welke duidelijk kenbare verschijnselen eene bepaalde ziekte aanwijzen.
Hier is, vooral bij acute (plotselinge) ziekte vormen, genezing mogelijk, terwijl de meeste, zoo niet alle, die oen chronisch, slepend karakter hebben, ongeneeslijk zijn. J)e laatste ontwikkelen zich vooral bij individuen, die
-230
door hot /.okore oog der Natuur, wegens luinne zwakheid en ongeschiktheid voor eene gezonde voortplanting, uitgezocht en ter ondergang gedoemd worden. .Mot andere woorden: zulke individuen vormen de algemeene percentage van de verliezen, waaraan allo schepselen onderworpen zijn, die niet meer in staat zijn de ontwikkeling der soort te dienen, 't Is dus in het belang van den fokker, dat Inj znlke aan algemeene zwakheid lijdende schepsels zoo spoedig van de hand doet, om alle gevaar voor vererving van zulk een ontaarding, welker eigenlijke oorzaken in den regel onbekend zijn, te voorkomen; en Wright heeft volkomen recht, wanneer bij, in dien zin sprekend, een zeker percent verlies een âwerkelijk voordeel noemt.
Dr. Lenz zegt heel eenvoudig: âAls een hoen ziek is, dan onderzoeke men, of de kwaal ook in overvetheid bestaat en «lachte het dier in dat geval. âIs het mager en de oorzaak der ziekte onzeker, dan geve men het ander voer, n.1. brood en vleesch, doch nooit zooveel, dat het geheel verzadigd wordt.quot;
âVoor onbepaalde ziektevormen kan men geen bepaalde middelen voorschrijvenquot; zegt Espanet, en âmen maakt zich over 't geheel veel te veel illusies aangaande tie ziekte- en de geneesmiddelleer.quot; Wij zijn hot geheel met Espanet eens, doch meenen, dat er toch ook enkoio ziekten y.ijn, welke bepaalde verschijnselen hebben, waarvan men do oorzaken kent en waarvoor eveneens bepaalde geneesmiddelen bestaan. ])e meeste ongesteldheden komen echter voort uit onvoldoende huisvesting, voeding en verpleging en liiertegen is weinig anders te raden, dan de zieke dieren in gunstiger omstandigheden te brengen.
I. /icklen der ademludinysonjanen.
1. Luck l bt lisivormen.
In een hoogst belangrjjke, hierop betrekking hebbende voordracht, zegt 13r. Heller uit Kiel :
âEene der gevaarlijkste ziekten der sier- en zangvogels, zoowel als van het pluimvee, wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van den gepaarden luchtbuisworm, Sijngamus Irachealis.
De wormpjes bevinden zich meestal paarsgewijs in bet bovenste gedeelte der luchtpijp, dikwijls even beneden de stemspleet. Het mannetje is 5 millim., het wijfje 13 millim. lang.
Aan het kopeinde hebben zij een bekervormig zuignapje, waarin de slijmhuid der luchtpijp als 't ware opgezogen wordt; deze wordt dan aangestoken door een scherpen tand, welke zich onder in bot zuignapje bevindt
231
on uit dc hierdoor ontstane wol ulo zuigen zij dan het bloed; van daar, dat deze wormpjes rood van kleur zijn.
Door de prikkeling' van de ontstoken shjiuhukl wordt deze rood en opgezwollen en scheidt ongewoon veel sljjni af; hierdoor, zoowel als dooide wormpjes zelf, vernauwt zich de opening in de luchtbuis, waardoor ademnood ontstaat; de hieraan lijdende vogels snakken mot opengesperden snavel naar lucht.
Grootere vogols mot een wijdere luchtbuis verdragon de aanwe/igheid van deze wormen dikwijls zeer lang, zonder daarvan hinder to ondorvindon; kleinere echter, alsmede dc jongen van groote vogels, lijden er zichtbaar onder. In liet eerst worden de dieren gewoonlijk alleen wat stiller, zangvogels zingen minder; dan beginnen zo te hoesten, langzamerhand heviger, en schudden den kop been en weer als om zich van de lastige gasten in de keel te ontdoen; soms ziet men zo een witachtig stukje daarvan weg-slingeron, dat zij evenwel gewoonlijk dadelijk oppikken. Eindelijk wordt hot hoesten erger, er ontstaat ademnood on hot snakken naar lucht wordt zeer duidelijk hoorbaar; soms echter sterven ze plotseling vóór dien tijd. waarschijnlijk doordat een wormpje plotseling in de strottenhoofdopening geraakt en het dier doet stikken. Om de vogels tegen don gepaarden luchtbuisworm tc kunnen beschermen, moet men zjjne ontwikkelingsgeschiedenis kennen. De wijfjes leggen eieren, welke met liet slijm in den slokdarm en van daar in de spijsverteringsorganen geraken; met dc uitwerpselen verlaten zij weder het lichaam. Op vochtige plaatsen ontwikkelt zich in zulk een eitje een jong wormpje en wel bij gunstig warm weder in ongeveer acht dagen, bij koud weder meestal na 4 a (gt; weken of nog later. Worden nu deze van wormpjes voorziene eitjes toevallig met bet voeder opgepikt en geraken zij in het spijsverteringskanaal, dan komen daar de wormpjes uit en kruipen in de luchtpijp; de weg, dien zij inslaan, is echter nog niet nauwkeurig vastgesteld.quot;
Prof. Elders in Gottingen heeft op kunstmatige wijze een mees en een kanarie met zulke rijpe eieren aangestoken; hij bracht een droppel water met zulke eieren in dc luchtbuis der genoemde vogels; na zeven dagen hoestte de kanarie reeds, op den twaalfden dag doodde E. hem en vond in de luchtbuis van het dier twaalf paar van de genoemde wormen; dc moes werd op den zevenden dag ziek; in de luchtbuis bevonden zich twee paar wormen en in den mest van den vogel roods eieren.
Hieruit volgt, dat tie grootste zorg voor het zuiver houden van kooien, hokken, voeder- en drinkbakken noodig is om reeds aangetaste vogels in 't leven te houden, en dat deze terstond van do gezonde dieren gescheiden moeten worden. De genezing is niet onmogelijk. Soms kan men als de
sjiavcl van den vugcl geopend is, de wormpjes in de strottenhoofdspleei; zien en met een tangetje verwijderen; overigens is nog te beproeven een in terpentijn gedoopte veer voorzichtig in de keelspleet te brengen, éénmaal om hare as te draaien en snel terug te trekken; terpentijn isdoodeiijk voor zulke woekerdieren.
Misschien zal ook deze handelwijze mot een sterke oplossing van salicyl-zuur succes hebben; salicylzuur is, naar door proefnemingen is gebleken, volstrekt niet nadeelig voor hoenders en heeft zich o.a. ook bjj de zoo gevaarlijke diphtheritis als zeer werkzaam bewezen.
Volgens Zürn kan ook het inademen van de damp, die ontstaat door met een gloeiend stuk ijzer in eene 2 procents creosoot-oplossing (in water) te roeren, voordeelig werken. Het zekerste blijft evenwel, het besmette dier te dooden, diep te begraven en de hokken enz. grondig te ontsmetten.
De gepaarde luchtbuiswormen zijn tot op heden waargenomen bij: hoenders, fazanten, kalkoenen, patrijzen, den zwarten ooievaar, eksters, kraaien, den groenen specht, do gierzwaluw, de grijze kardinaal en de wevervogels; zonder twijfel echter kunnen alle vogels er door aangetast worden.
Deze woekerdieren stammen waarschijnlijk uit Amerika; daar zijn ze in 171)7 voor het eerst beschreven en richten grootc verwoestingen aan onder het jonge pluimvee, dat er in menig hoenderpark bijna geheel door te gronde gaat.
In no. 5 der Dresdener âBI. f. Geflügelzuchtquot;, jaargang 189(5, deelt Dr. J. Müller te Liebenwalde mede, dat op aanraden van den Parijzer veearts Mouquet omvangrijke en heilzame proeven tot genezing zijn aangewend met eene 5 procents oplossing van salicylzure natron, waarvan de heer Cordiku in de âRevne des sciences naturelles appliquecsquot; melding maakt.
Door middel van een spuitje brengt men i gram van genoemde oplossing-in de luchtbuis van den patient; men legt dezen met de borst naar beneden tusschen de knieën, buigt den kop met de linkerhand achterover, zoo dat men de luchtbuis tusschen duim en wijsvinger voelt. Dan neemt men de gevulde spuit in de rechterhand, steekt den wijs- en den middenvinger door het oog van de spuit, steekt do canule vlug doch voorzichtig in de luchtbuis tot dicht aan het strottenhoofd in benedenwaartsche richting en drukt met den duim den zuiger naar beneden, waarna men de spuit dadelijk weer terugtrekt.
Door die inspuiting geraken de wormen los en hot hoen hoest ze uit.
Als voorbehoedmiddel tegen verbreiding wordt aangeraden; ontsmetting der hokken, voederplaatsen, etens- en drinkbakken met creoline, een weinig salicylzure natron in het drinkwater en het strooien van ijzervitriool overal.
233
waar wormen kuniicn zijn. Viui liüU aldus beliandeklc dieren stierven er maar vier.
De volgende ziekten, wolko eerst als aandoeningen van de ademlialings-organen optreden, doch later ook andere versclnjnselon vertoonen, worden voornamelijk en in de eerste plaats door koudevatting als tocht, snelle temperatuurswisseling, natte, vooral koude natte, en door bedompte, vochtige, slecht geventileerde hokken veroorzaakt, zoodat het beste voorbelioedmiddel bestaat in eene nauwlettende zorg voor het voorkomen van genoemde oorzaken.
De lichtste' vorm dezer ziekte is zeker
2. Catarrh van het neusslijmvlies,
waarvoor alle vogels vatbaar zijn. Zij is kenbaar aan een buitengewoon sterke slijinvloeiing nit de neusgaten, welke ontstaat door eene sterke afscheiding van het roodachtig gezwollen neusslijmvlies, welke zich later ook tot bet bindvlies der oogen uitstrekt. Ofschoon op zich zelf niet gevaarlijk, kan deze kwaal door verwaarloozing echter toch gevaarlijk worden. Ze moet als eene eenvoudige verkoudheid worden beschouwd, waarom het dan ook zaak is, zulke patiënten dadelijk een warme verblijfplaats te verschaffen, waarin zo geruinien tijd moeten vertoeven, liet voer â warm weekvoer â geve men slechts in matige hoeveelheid en steeds lauwwarm. Aan het drinkwater voege men wat tannine toe â een messpits vol op een wijnflesch â en zette dit den dieren in een aarden pot voor. De behandeling der oogen zie men onder âOogziektenquot;.
Bij onvoldoende behandeling neemt de catarrh licht een chronisch karakter aan, in welk geval eene voortgezette behandeling met tannine van het beste gevolg is. Wordt het shjmige vocht etterachtig, dan lieeft men voor diphtheritis te vreezen; neemt het echter een taaieren vorm aan, zoodat de neusgaten verstopt geraken en de dieren dus genoodzaakt worden door den geopenden snavel te ademen, dan ontstaat er
3. Pips,
welke kwaal genoemd is naar het piepend geluid, dat de dieren bij hunne gehinderde ademhaling maken. Onder den voortdurenden invloed der buitenlucht verdroogt de oppervlakte van de slijmhuid van tong en gehemelte; vooral op de punt van de tong vormt zich dan eene witte, hoornachtige verharding.
De behandeling is over 't geheel dezelfde als bij de eenvoudige catarrh;
234
docli men li on ft: hier vooral voor zoo week mogelijk en lauw voeder te zorgen, tong en koel herhaaldelijk met ongezouten boter, zachte olie oi' glycerine te bestrijken en, zoodra liet verdroogde gedeelte der tong los begint te worden, dit met een scherpe schaar zoo voorzichtig mogelijk te verwijderen. Zulks met geweld te doen is een gruwelijk misbruik, dat belachelijk wordt, wanneer men, zooals heden ten dage nog geschiedt, de afgesneden tongpunt, in boter gewikkeld, den dieren ingeeft.
Bij een langdurig lijden aan deze kwaal mag men van tijd tot tijd een lepel levertraan geven en de mond- en keelholte herhaalde malen met eene â¢j a .quot;â gt; procents oplossing van chloorzure kali penseelen. (Züru.) Volgens Oettel kan pips ook ontstaan ten gevolge van het branden der tong door niet voldoend afgekoelde aardappelen bijv.
1'. Lucldpijponlslekbui, Bvonchilis.
Deze kwaal, die zicli door gedurig hoesten openbaart, komt over 't geheel niet dikwijls voor en heeft haar ontstaan ook in koudevatting. Een matig verwarmde ruimte met drogen bodem en met door waterdamp vochtig gemaakte lucht, alsmede niet zwavel- of salpeterzuur en suiker vermengd water, zoodat dit een weinig zoet en zuurachtig smaakt, helpen gewoonlijk zeer spoedig. Aanbeveling verdient ook een weinig cayenne-peper of gember door het weekvoer.
Dr. Züru beveelt een mengsel aan van 0,5 gram salmiak en gram honig in 50 gram venkelwater opgelost en hiervan dagelijks of 4 malen van een thee- tot een eetlepel vol in te geven; of ook dulkamara-extract, in verhouding van i op 100 met water verdund, 'i maal daags een theelepel vol. Daarbij laat men zwakke teerdampen inademen: 1 deel teer met 50 doelen beet water vermengd, in eeu üeschje gedaan en dit onder den snavel van den patient gehouden. Heeft men verscheidene patienten tegelijk te behandelen, dan zet men in liet hok een pot, waarin een eetlepel vol teer niet een halven liter water wordt vermengd, welk mengsel meu dan met een gloeiend ijzer, zoo dik als oen potlood ongeveer, omroert. Sterkere teerdampen verkrijgt men door eenige droppels teer op een heeten ijzeren plaat of dakpan te laten vallen. Men heeft er echter voor te zorgen, dat de teerdamp in het hok niet zoo sterk wordt, dat de dieren er in stikken.
De luchtpijpontsteking kan, als ze verwaarloosd wordt, ook overgaan in
5. Catarrhale of croupciiso longontsteking,
die echter bij ons pluimvee slechts zelden is waargenomen. Zij kenmerkt zich door eene âkorte, snelle, piepende ademhaling, met opengesperden
235
snavel, een pijnlijk geschreeuw bij aanraking van do borst, heete borst, treurigheid, gebrek aan eetlust, droge uitwerpselen, duidelijk te merken koorts, pijnlijk hoesten, waarbij slijm wordt uitgehoest, dat dik en grijswit in en dikwijls bloedige strepen vertoont, ot'^âbij cronpeuse longontsteking â ills een oranjegeel slijm uit den snavel en de neusgaten dringt. Dikwijls ook is er alleen eene moeilijke en zware ademhaling merkbaar, waarbij allo buikspieren in werking zjjn.quot; (Zürn).
BehantleUnij. Inwendig koolzure ammonium, O^J a 0,5 gram op een van meel en water gemaakte kleine pil, vier maal daags één. Ook gezuiverde salpeter: 0,75 gram voor een gans, 0,4 a 0,5 gram voor een kip, 0,00 a 0,1 '2 gram voor eene duif; om de ;{ uren zulk eene gift, is door Ilertwig aanbevolen. Jbj eatarrhale longontsteking kunnen ook de in no. 4 opgegeven middelen worden aangewend; ook dan, wanneer de kwaal door het koolzure ammonium reeds gebroken is. Ook is dan bet inademen van zwakke teer-dampen aan te bevelen. (Zürn).
(i. DiphlhcriLis, Eikj. Ilotiji.
Deze verschrikkelijke, verwoestende ziekte, eens de geesel der pluirnveolio-ven, is, sedert men de muffe, slecht geventileerde hokken door ruime en f'rissche, de uitsluitende graan voedering gedeeltelijk of geheel door doelmatig toebereid en warm weekvoer, en de tochtige teenen verzendkorven door goed beschutte heeft vervangen, niettegenstaande hare groote besmettelijkheid door het drinkwater enz., tegenwoordig veel minder gevreesd.
Zij blijft echter altijd nog gevaarlijk genoeg. In het begin dikwijls voor eene gewone verkoudheid aangezien, wordt ze in den regel te laat, als reeds verscheidene dieren aangetast zijn, in haar waren aard herkend. Zjj komt, onder slechte omstandigheden, dikwijls uit eene verwaarloosde neus-catarrh voort, doch treedt ook dikwijls zonder na te speuren oorzaken op, ontwikkelt zich snel tot eene epidemie, welke in korten tijd den geheelen hoenderhof ontvolkt. Dikwijls wordt diphtheritis ingehaald door pas aangekochte, oogenschijnlijk gezonde, doch reeds besmette exemplaren. Zeker is echter dit, dat de kwaal deels door splijtzwammen, deels door gregarinen ontstaat, zich voordoet als eene etterige ontsteking van liet neus-en keelshjm-vlies, van het oogbindvlies, later ook van het luchtpijp- en darmslijmvlies, eindelijk van den kam en de lellen, buitengewoon besmettelijk is en maar al te vaak een kort verloop en een doodelijkeu afloop heeft.
In tegenstelling met de eenvoudige, uit koudevatting voortkomende eatarrhale ontsteking, vertoonen zich bij diphtheritis reeds in het begin dadelijk de symptomen, die verraden, dat de patient in erge mate is aangetast.
236
Do kcntcekencii van dozo ziokton liobben in liet begin wol overeenkomst mot do onder 5 genoemde: veranderde ademhaling, dikwijls uitgestrekte hals en kop, steeds half geopende snavel, ademnood, snakken naar lucht, gebrek aan eetlust, zwakte, matheid. Na deze eerste periode: grootere ademnood, open snavel, hoesten, niezen, een piepend of rochelend geluid, pogingen om door hut slingeren met den kop het reeds taai geworden, kwalijk riekende slijm kwijt te worden, opzwelling der oogleden; het slijm wordt geel en etterachtig, daarna taai en kazig, ten laatste droog, korstig en kruimelig; kam en kinlellon dikwijls donkerrood of' blauwachtig, later bleek en als bloedloos. Yermagering en bloedarmoede, verstikking, eindelijk ook wel eene beroerte hebben gewoonlijk na dagen, weken of maanden den dood ten gevolge.
VoQrhelioedmiddden. In de eerste plaats groote voorzichtigheid bij op tentoonstellingen gekocht en (uit Italië en Hongarije) ingevoerd pluimvee, vooral bij do âmeermalen bekroondequot;; want hoenders en duiven, en juist de fijnste rassen, brengen de smetstof op de tentoonstellingen of halen die van daar. Eigenlijk moest men nooit ergens gekocht pluimvee onder zijne dieren opneneinen of ook maar in hunne nabijheid installeeren, vóór men ze gedurende eenige weken afgezonderd en nauwkeurig geobserveerd heeft. Breekt bij de nieuwelingen de diphtheritis nit, dan is het zekerste middel om de gezonde dieren te beschermen, de aangetaste dadelijk le verbranden (niet alleen de reeds aan de kwaal gestorvene), en, na de nog gezonde in een ander hok te hebben overgebracht, hot besmette te desinfecteeren met 50 gram ruwe carbol op 1 liter water. Wanneer men zulks niet reeds van den beginne af deed, dan geve men nu nog- aan de gezond geblcvene dieren ongeveer 1 gram zuivere (zonder alcohol) salicylzuur of carbolzuur op 200 gram water (eene ^ procentsoplossing). Eene 2 procents jjzervitriool-oplossing en vooral het gebruik van âRichards Diphtheritis-tinctuurquot; worden als beslist nuttig aanbevolen. (Zürn).
Prof. Zürn heeft het genoemde middel in de behandeling ook als buitengewoon probaat bevonden. Het tinctuur van den hofapotheker Richard te Bockenheim bij Frankfort a M. moet bij het uitbreken der ziekte als volgt worden aangewend : 1quot;. penseelt men de zieke plaatsen van keel en neus driemaal daags en '2quot;. geeft men de patienten dagelijks tweemaal een theelepel vol in. Het inwendig gebruik van dit middel dient vooral om diphtheritisehe darmcatarrh te voorkomen, waaraan de dieren zoo licht bezwijken. Hot penseelen van keel, neus, oogen en oogbindvlies geschiedt slechts bij uitzondering door middel van een goed penseel of een veer; meestal wordt de tinctuur door middel van een zoogenaamden besproeier, voornamelijk in de oogen, toegediend en deze te gelijk met koud water
237
afgekoeld. De opgezwollen ooghoeken worden voorzichtig uitgedrukt en dan op dezelfde wijze met de tinctuur behandeld. Met de eventueel ontstane zweren aan den kop handelt men evenzoo, nadat men die met een lancet geopend en den gelen, kazigen inhoud voorzichtig uitgedrukt heeft. Men mag die stoffen niet met geweld verwijderen; ook liet branden met helsche steen moet vermeden worden, want de zwerende plaatsen mogen na verwijdering van den inhoud nooit bloeden! I )e korstige, brokkelige gele massa op de buitendeelen wordt, vóór men ze met liet lancet wegneemt, door penseeling met een zacht vet, bijv. vazeline geweekt. Overigens raadt prof. Zürn aan, 15 gram walnootbladeren in 200 gram water zoo lang te koken, tot er in 't geheel 150 a Klü gram overblijft, daarna het afkooksel te filtreeren en er aan toe te voegen 20 gram zuivere glycerine, 5 gram chloorzure kali en 15 gram zuivere spiritus, waarin gram salicylzuur is opgelost.
Van dit mengsel mag het groote pluimvee dageljjks één- of tweemaal (al naar de hevigheid der ziekte) telkens van een tiiee- tot een eetlepel vol ingegeven worden. Wil dit ingeven niet gelukken, dim moet men de noo-dige hoeveelheid mot meel tot eenige pillen maken en die ingeven.
Met dit mengsel penseelt men ook twee- of driemaal daags de met een geel beslag overdekte plekken van het slijmvlies, of spuit de vloeistof â⢠het best met een bloemspuitje of besproeier â daarop, in de aangetaste neusholten, oogen enz.
Voor het penseelen van harde, zeer vast zittende korsten, alsmede van de wratachtige knobbels aan de huid van den kop, aan den kam en de kinlellen, en eveneens van die plaatsen, waar ingrijpende maatregelen genomen moeten worden, gebruike men een mengsel van
20 gram glycerine, 400 gram gedistilleerd water.
2 a -4 gram berkenteercreosoot,
5 gram boorzuur,
15 gram zuivere spiritus,
I )it mengsel mag niet ingegeven worden!
W anneer er oogontsteking aanwezig is, moeten de op de oogleden zittende korsten geweekt en verwijderd worden; ook moet men de in en onder de oogleden zittende gele massa voorzichtig uitdrukken of met een lepelsteeltje wegnemen; het bindvlies van de oogen kan ook met eene 3 procents aluin- of kopervitriool-oplossing of met lauw chloor water gepenseeld en uitgewasschen of met de punt van een kopervitriool-stift bestreken worden. Het verkoelen der oogen met koud water ondersteunt deze behandeling.
Bjj neusvliescatarrh moeten de licht verstopt rakende neusgaten goed gereinigd worden. Wordt hierbij ook de beneden-oogholteeel aangedaan en
238
vormt zich onder het oog-, naar den snavel toe, een groot gezwel, dan opene men dit met een scherp mes, verwjjdere do daarin aanwezige gele, kaasachtige stof en penseele het gezwel mot 10% carbol water of boorzunr-mengsel. Voor cventuoele bloedingen bezige men bloedstillende watten.
Bij sterk rochelen hebben tecrwaterdampen, die de patient inademen moet, dikwijls een wonderbare uitwerking.
Moeten er te gelijk voor verscheidene dieren teerdampen aangewend worden, dan droppele men in het hok, nadat deuren en vensters goed gesloten zijn, houtteei' op heet gemaakte ijzeren platen of dakpannen en late het zoo verdampen. De platen of pannen mogen niet te heet zijn, daar dan de teer verbrandt en er zich dan verbrandingsproducten ontwikkelen, die sterk prikkelen en nadoelig voor de ademhalingsorganen zijn.
Nog gemakkelijker verkrijgt men teerdampen, als men teerwater (heet water op teer getrokken) boven een spirituslamp of door het roeren met een gloeiend stuk ijzer tot verdamping brengt. De dampen mogen echter, om stikken te voorkomen, niet te sterk zijn.
Bij sterk rochelen is verder liet in de apotheek te verkrjjgen âhorst-elixerquot; aan te bevelen; het wordt met evenveel vonkelwater vermengd en 4 a 5 keer dagelijks oen theelepelvo! ingegeven.
Ontstaat er diphtheritisch-croupeuse darmontsteking, merkbaar aan buikpijn en dunne, vloeibare, dikwijls groenachtige of bloederige uitwerpselen, dan is hiervoor genoemd afkooksel van walnootbladeren enz. ü a 4 maal dagelijks aan te bevelen, of in plaats daarvan tweemaal daags een Ijzervitriool bevattende pil (voor duiven .'5 centigram, hoenders en eenden (!, ganzen 8 a 20 centigram). Ook het ingeven van gelijke doelen water en glycerine (dagelijks -4 keer, telkens een eetlepel vol) is bjj watervogels zelfs dan nuttig, als allo andere middelen falen.
Ontstaat er bij aanwezigheid van catarrh ook slechts een zweem van een diphtheritische ziekte, doordat bijv. het vocht uit den neus zijn slijmachtig karakter verliest en etterachtig begint te worden, dan wasscho of liever spuite men keelholte on neusgaten alle 3 a 4 uur in met eeno oplossing van chloorkalium (5 :150) en bescherme do oogen tegen besmetting door een luchtdicht sluitend verband. Ook mag men bij deze behandeling wel oppassen, dat er geen etter in eigen oogen of in eeno wonde aan do hand enz. komt; men wasscho de handen ook na het werk steeds met carbolzeep af in water, waarin men een weinig zuivere carbol heeft gedaan.
Ontstaan er hij de dieren toch nog verschjjnselen, die er op wijzen, dat zjj werkeljjk aan diphtheritis lijden, dan scheide men ze dadelijk van de gezonde en behaudele ze, zooals is voorgeschreven.
239
7. Oogziekten.
Onder de oogziekten is de diplitheritisclie, die we reeds leerden kennen, de verderfeljjkste. Inwendige oogontstekingen komen slechts zeiden en dan nog ineestul Inj oude dieren voor; uitwendige ontsteking van liet oogbind-vlies komt vaker voor en is meesttil een gevolg van koudevatting of van verwonding door stooten, pikken enz.
Kenmerken vim de door koude ontstane oogontsteking zjjn opzwelling van het sterk rood geworden bindvlies en de ooghoeken, lichtschuwheid en het vloeien van eene waterachtige vloeistof onder de oogleden weg.
Behandelimj. Een warme, droge verblijfplaats en alles wat tot opheffing dor koudevatting dienen kan, zoo als onder à is opgegeven. Tevens moet het bindvlies gewasschen of gepenseeld worden met lauw chloorwater, zinkwater of zinkzalf.
Is door een werktuigelijke oorzaak â stooten, pikken enz. â het bind-of het hoornvlies ontstoken, dan moet in de eerste plaats het zieke oog afgekoeld, het hoornvlies met eene 1 a 2 procents zinkvitriooloplossing (zinkwater) gepenseeld, en, vooral wanneer er zich kleine zweertjes op ver-toonen, een weinig calomel op bet oog geblazen worden, wat gewoonlijk spoedig tot genezing leidt.
II. Ziekten der spijsuerterirnjsoilS^inen.
Deze ontstaan, ofschoon ook koude er toe kan meewerken, ten deele door parasieten, meestal echter door ondoelmatige voedering en bedorven of, in elk geval, verkeerd drinkwater, zooals reeds in het hoofdstuk over de voeding is opgemerkt. Wij herhalen hier, dat eene éénzijdige voeding, steeds mot hetzelfde, moet worden vermeden, dat er voor afwisseling in bet voer moet worden gezorgd en tevens, dat dierljjk en plantaardig voer tot elkander in eene juiste verhouding behooren te staan.
1. Harde krop.
Harde krop ia een gevolg van eene oenzjjdige en overmatige graanvoe-dering; dat graan zwelt door bet drinkwater en het door den kropwand afgescheiden sap op en drukt den krop zoo ver naar beneden, dat do opening, die van den krop tot de maag voert, verstopt geraakt. Ook onverteerbare stoffen kunnen hiervan de oorzaak zjjn.
De sterk opgezette krop is hard op het gevoel; men kan, als men er zachtjes op drukt, de graankorrels en andere dingen er in onderscheiden; spitse voorwerpen als naalden, spelden, spijkertjes e. d. dringen door de
240
krophuid en li(!t vol on kunnen zoo verwijderd worden, als zij n.1. geen al te dikken kop hehlien. Js zulks wel liet geval, dan mag men ze er nief; niet gewold uittrekken, doch de verwjjdering door eone operatie mogeljjk maken, welkt; het bost door een veearts of' chirurg kan worden verricht. Men maakt daartoe met een ontleedmesje eeno kleine insnijding door het vel en den kropwand, onder of boven het te verwijderen voorwerp.
Men behandelt deze kwaal gewoonlijk door den krop zacht te drukken en te kneden, nadat men hem eerst door betten met warm water of' inwrjj-ven met een vette olio lenig heeft gemaakt. Genoemde vochten mag men echter niet ingeven! Ontstaat de harde krop door overdadig gebruik van koren, wat men in den regel wel kan voelen, dan is het ingeven van een theelepelvol wonderolie dikwijls van goed gevolg; anders dient men het beproefde zoutzuur toe I a 2 droppels in etui theelepelvol water â of pepermuntthee, 3 a 4 maal daags; of even dikwijls een eetlepelvol van kamillenthee met dO droppels zoutzuur. Helpt dit alles niet, dan blijft er niet anders over dan eene operatie.
Men legt daartoe den patient op den rug, verwijdert voorzichtig eenige veeren en zoekt dicht bij bet bovenste gedeelte van den krop een plekje op, dat zoo weinig mogelijk bloedvaten vertoont. Hier maakt men dan eene insnijding, die in de meeste gevallen niet langer dan 2 a 3 centim. behoeft te zijn. Door middel van een kleinen theelepel verwijdert men den inhoud, liet liefst geheel enquot; al, en zoekt dan met een in olie gedoopten vinger do maagopening op. Het is toch licht mogelijk, dat zich daarin iets vastgezet beeft, en do operatie zou nutteloos zijn, als dat niet word verwijderd. Daarna neemt men een naald en een paardehaar of' linnen draad, naait eerst den kropwand met 4 of 5 steken dicht en daarna met 3 steken de huid; deze laatste tusschcn de andere steken, zooals fig. 73 aanwijst. Men moot er voor zorgen den kropwand en de huid niet aan elkander vast te naaien, daar dit meestal den dood ten gevolge heeft. Den draad behoeft men later niet meer uit te trekken. Na de operatie voert men eerst in water gedoopt, doch niet te nat brood en geeft in de eerste 24 uren geen drinkwater, daar dit toch door de wonde zou wegvloeien en de genezing vertragen, zoo niet geheel tegengaan. Het bestrijken der wonde met collodium bespoedigt de genezing.
Als alle andere middelen binnen 48 uren zonder uitwerking zijn gebleven, mag de operatie niet langer uitgesteld worden; een zure, onaangename reuk uit den snavel waarschuwt ons, wanneer het daarvoor tijd is.
241
2. Hang krop.
Doze kwaal verscliilt van do vorige alleen in liet barsten van den krop-wand, waardoor het voeder tusschen deze on de huid geraakt en de patient een soort van zak voor de borst krjjgt hangen en heen en weer slingeren. Ook hier is eeno operatie noodig doch - moeieljjker, daar de gehoele ruimte tusschen kropwand en liuid zorgvuldig gereinigd moet worden.
In de meeste gevallen is hot raadzamer don patient maar te slachten.
IJ. Weeke of lucht mop.
Deze is oen gevolg van koudevatting, vooral door het overdadig drinken van koud water, zonder dat do dieren vooraf gegeten hebben (voorzichtig dus met van een reis komend pluimvee!): âeone eigenaardige catarrh van den binnenwand van den krop.quot; (Zürn).
De kenteekonen ervan zijn: groote uitzetting van den krop, die week en elastisch op hot gevoel is - men voelt eene vloeistof en weinig vaste substantieâ, gebrek aan eetlust, loomheid en treurigheid, hurken op den bodem, neiging tot braken, terwijl er ook soms eou zuur en bedorven riekende vloeistof uit snavel en neusgaten komt; zonder onze tusschenkomst vermagert de patient gaandeweg en sterft don hongerdood. (Ziirn).
Voorbehoedmiddelen: Niet te koud water, vóór de dieren gegeten beb-hen; geen gistende of rottende voedormiddolon als draf, mulle moutkie-men e. d.
Bij eene tijdige behandeling is genezing niet moeilijk. De patient wordt afgezonderd op oen droge, warme plaats, krijgt li maal daags een schraal maal van lauw, gekookt weekvoor met fijn gehakte uien of knoflook, en in het drinkwater zuivere salicylzuur '2 gram in i liter water. Dr. Zürn Inat den patiënt bij de pooten grijpen en mot don kop naar beneden hangen, omvat den krop met do eene hand en tracht zoo voorzichtig mogelijk don inhoud door den bek naar buiten te persen, wat in den regel zeer goed gelukt. Daarna dient hij den patient een thee- tot een eetlepelvol van een .] procents salicyloplossing toe, of het een of ander samentrekkend middel, als bijv. een .'J procents aluinoplossing. Gedurende één dag laat men den patient nu zonder voer, de volgende â ! a i dagen krijgt hij weekvoer en zeer weinig koren; in het drinken geeft men nog wat salicylzuur, ongeveer â¢1 ; 000.
In het ergste geval is eene operatie noodig, evenals bij den harden krop.
Ualdamus, Pluimveetoolt. 4ü
242
4. Indigestie.
(Slechte spijsvertering).
Do kenteekenen van dezen eenvoudigsten en lichtsten vorm der liier to behandelen ziekten zijn ; verminderde eetlust, weinig en harde uitwerpselen, treurigheid en loomheid.
Wanneer de aanwending van diëetische middelen â goed en bij afwisseling gegeven graan en groenvoer enz. â geen gevolg heeft, 't welk evenwel slechts zelden uitblijft, dan voegt men aan het niet te overvloedig gegeven woekvoer wat fijn gehakte uien of knoflook, of enkele peperkorrels of wat cayenne-peper toe. Ook een afkooksel van 2 ii 3 peulen hiervan in 2 liter water en met (J a H liter water verdund aan de dieren gegeven, wordt als een goed middel aanbevolen. Voorts ook een afkooksel van pepermuntkruid of kalmus â 2 gram op (gt;0 gram water â, 3 maal daags een eetlepelvol voor hoenders, waardoor men ook 1 gram dubbel koolzure natron kan roeren. Dikwijls echter volgt de genezing spoedig, nadat men een Hink afvoermiddel - calomelpillen, wonderolie of rhabarber â lieeft toegediend.
Verwaarloozing van zulk eene eenvoudige indigestie kan leiden tot
5. Leverziekten,
d. i. tot gevaarlijke vergrooting of andere misvormingen van de lever. Zjj ontstaan gewoonlijk door verstopping van de galbuis, ten gevolge van darmcatarrh en openbaren zich dan in den vorm van gal- of geelzucht, welke bij een chronisch verloop aan de geelachtige kleur der naakte deelen (kam, kin- en oorlellen en der oogen) zichtbaar is. Ook vervetting van de lever â bij jong pluimvee door overvoering met hard gekookte eieren of door eierkaas, of door te sterke voeding in 't algemeen, bjj gebrek aan vrije beweging in een te kleine ren (Brahma's, Cochins!) veroorzaakt â komt vrij dikwijls voor en eindigt door een loverbreuk of verbloeding met een plotselingen dood.
Voorbehoedmiddelen; eeno tijdige en juiste behandeling der darmcatarrh; niet te sterke en te aanhoudende voedering der jonge dieren met hard ei en totale vermijding van de zoogenaamde eierkaas; niet te beperkte loop-ruimte voor zulke hoenderrassen, die zich er anders wel mee tevreden stellen (of moeten stollen), verzuurd drinkwater.
Bfilimidding. In de eerste plaats zorgen voor een gezonde dieet en bewe-fvinjv; rreen vetaanzettend en niet te rijkelijk voor: slechts twee maaltijden
O O o '' *
daags en meer weekvoer en gras dan koren; eene grootere ren of nu en
WA
dan vrije bcwegbig in dc open lucht. Geneesmiddelen hebben bjj leverziekten zelden succes. Gaan ze met darmcatarrli samen, dan zijn afvoerende middelen (zie hiervoor onder 4) aan te raden. Men moet echter voorzichtig zijn met het in sommige gevallen onontbeerlijke calomel, âdaar de vogels lichter dan alle andere dieren door kwikzilver vergiftigd worden.quot; (Zürn).
Na afvoerende middelen geve men bittere, bijv. thee van 5 gram kalmuswortel in iOO gram water gekookt.
Tal van pluimveehouders en daaronder ook Engelsche, bevelen ten zeerste aan: fijn gehakte bladeren van de paardenbloem door liet weekvoer te mengen.
(gt;. Diarrlwe.
Diarrhee ontstaat in de meeste gevallen door to erge verkoeling der spijsverteringsorganen, door te koud drinkwater, bedauwd of berjjpt gras enz. of door fouten in de voeding, znurgeworden weekvoer. overdadig gebruik van maden, larven, vleeschmeel enz. of van jong koren.
Kenlc.cke.nen. Weeke, witachtige (kalkachtige) en met geel slijm vermengde ontlasting, welke de voeren rondom den anus bevuilt en aan elkander doet kleven. Wanneer er geen hulp wordt verleend, wordt de ontlasting waterig en wit-groenaelitig; de eetlust neemt af, de dorst neemt toe; de anus wordt rood en ontstoken; de krachten raken langzamerhand uitgeput en het dier sterft aan uittering of darmontsteking.
Voorbehoedmiddelen; zorgvuldig schoon en warm houden der hokken, onmiddellijk den mest der patienten verwijderen en den bodem zoo mogelijk eiken dag met droog zand en aarde bestrooien, vermijding van de bovengenoemde oorzaken der ziekte.
Deze zijn natuurlijk ook bij do behandeling te vermijden en een droog, warm hok aan te bevelen. Hij gebrek hieraan moeten dc patienten in een of ander warm, doch goed geventileerd vertrek gehuisvest worden.
Sommigen bevelen aan, den bodem van het hok met een flinke laag paardenmest te bedekken en deze weder met zand en aarde te bestrooien. Het broeien van den mest houdt den bodem warm en werkt zoo weldadig op de patienten. I?ij het opkweeken van kuikens en om kippen spoedig aan 't leggen te krijgen, wordt hetzelfde middel wel toegepast.
Geneesmiddelen: in de eerste plaats licht verteerbaar en voedzaam weekvoer â gekookte gierst, met wat gemalen krijt bestrooide rijst, geroosterde grof gebroken gerst, een dikke pap van geroosterd gerstemeel, erwtepap, dit laatste vooral voor jonge kalkoenen; als drank rijstwater; verder \ a (gt; maal daags i a 3 theelepelsvol haver- of lijnzaaclshjm. Het achterlijf
'24-4
bestrijke men, na het eerst door middel van lauw water goed gereinigd te hebben, niet een zachte olie of vet. De lievnilde veeron van het achterlijf make men op dezelfde wijze schoon of knippe die af.
Diarrhee in hoogen graad heeft men dikwijls dysenterie genoemd en ook als zoodanig beschreven. Volgens Zttrn is het echter twijfelachtig, of er wel werkelijk dysenterie bij pluimvee is voorgekomen.
7. Tyijhus, Cholera,
ook hoenderpest genoemd, de verschrikkelijkste geesel van den hoenderhof, oisclit hij bet eerste optreden een snel en krachtig ingrijpen, en â wanneer dit werkelijk met energie geschiedt â is gelukkig ook de verbreiding der ziekte bepaald tegen te gaan.
De door splijtzwainmen veroorzaakte en voortgeplante, hoogst besmettelijke hoendertyphus tast alle soorten van huisgevogelte aan, ook duiven en verder niusschen en andere kleine vogels, die van hof tot hof vliegen en de smetstof verspreiden; zij heeft in den regel een zeer snel verloop. De overgang van eene schijnbare gezondheid tot den dood is meestal zoo snel. dat men in den waan komt, dat de dieren vergiftigd zijn. Altijd is het verloop echter niet zoo snel; wel is waar loopt deze verwoestende ziekte meestal binnen 2 a 13 maal uren af, doch er zijn ook voorbeelden van, dat hoenders (S a 14 dagen er aan lijdende waren, eer ze bezweken. Opmerkelijk is, dat sommige patienten dan tot bijna op het laatste oogenblik voeder gebruiken, terwijl soms ook dadelijk alle eetlust is verdwenen. In het eerste geval komt het den leek voor, dat de dieren niet ziek zijn, in het laatste merkt hij zulks dadelijk, want niet alleen dat het dier niet eet, liet hurkt ook slaperig en mat op den grond met opgezette veeren en hangende vleugels. De karakteristieke kenteekenen van de hoendertyphus zijn; diarrhee, het achterlijf is meestal opgezet en blauwrood; de veeren van het achterlijf zijn bevuild door de zeer dun vloeibare, soms bloederige of groenachtige uitwerpselen; moeilijke, snelle ademhaling niet sterk gerochel in de luchtpijp; zwakte in de beenen, waggelende gang, veel liggen; tranende oogen, knippen met de oogen wegens lichtschuwheid; glazig slijm in den snavel; het vloeien nu en dan van eene kwalijk riekende stof uit de snavelholte en de neusgaten; zelden: verdraaien van den kop en den hals en achteruitloopen. De dood treedt in onder stuiptrekkingen; do kop wordt daarbij achterover naar den rug of voorover op de borst gebogen. De voornaamste door sectie aan 't licht gebrachte verschijnselen zjjn: catarrh van de keel on de shjmhuid der luchtpijptakken; longontsteking of met bloed en eene waterige stof gevulde longen; liet hart en de groote aderen overvuld met donker bloed ;
'245
liartvliesontstcking en afBchuiding van oon golc zoutigo massa; do lover dikwijls vergroot, doch broos, soms buitengewoon week; nieren donkerrood, met bloed gevuld; soms ontsteking van den eierstok, waarbij gewoonlijk gebarsten dooiers; dooier iu de buikholte; vlekkige bloedingen onder het harde, eeltachtige bekleedsel van de binnenvlakte der spiermaag; bovendien nog: danncatarrh of bloedige darmontsteking in den vorm van vlek-, strcep-ot' stippelvormige bloedingen in het darmslijmvlies, in den geheelen darm of' gedeelten daarvan, als het voorste deel der dunne darmen en het einde van den mestdarm.
Deze sectie-verschijnselen moeien niet, doch kimiien aangetroffen worden.
Een radikaal middel togen hoondertyphns is er niet. Van alle artsenijen is het ijzervitriool gebleken nog de werkzaamste te zijn. Het kan verstrekt worden in den vorm van pillen, dagelijks tweemaal centigram voor duiven en kuikens, (i centigr. voor hoenders en eendon, iS a 1'2 centigram voor grootore vogels. Waar oen geval van hoendertyphus aanwezig is geweest, geve men alle dieren, ook do gezonde, '2 a IJ gram ijzervitriool op 1 liter drinkwater, ten minste 4 weken lang.
Voorbehoedmiddelen zijn: de het eerst aangetaste dieren doodon on vernietigen of' strong afzonderen; grondige reiniging der bokken en rennen, eet- en drinkbakken met heete loog. nadat alle houtwerk een weinig afgeschaafd is: eindelijk ontsmetting met cene 5 a iü procents carbol- of creoline-oplossing of met eene sublimaatoplossing (I : iüüO), Hiermee zij men echter voorzichtig, daar sublimaat een zwaar vergif is! De mest der dieren moet eiken dag zoo goed mogelijk verzameld en vernietigd (het liefst verbrand) worden, eveneens de gestorven dieren. De bodem van dc ren moet omgespit worden en eveneens ontsmet, zonder dat men zich er om bekommert of het gras verwoest wordt. Hij, die de afgezonderde, zieke dieren behandelt, mag niet in de nabijheid van, nog minder met de gezonde in aanraking komen. Het uitzwavelen der bekleen is ook zeer doelmatig! Zoolang de ziekte op eene lioeve of in eene fokkerij heerscht, moeten do dieren bijzonder good gevoed worden mot gerst, tarwe, keukenafval, wonnen, brood, doch (j'-eii vleeschmeel, geen bedorven zaken, geen zieke aardappelen, weinig weokvoer. Het drinkwater van â'1 procent zout- of zwavelzuur te voorzien en hot voederkoren in oen 1 proconts zwavolznurwater of ócn proconts zoutzuurwator te weeken, is mede ten zeerste aan to bevelen. Over do waarde der inenting tegen deze ziekte is nog niet met volle zekerheid te oordeelen.
De door ons beproefde werkzaamheid van het ijzervitriool tegen do verspreiding der hoendertyphus schijnt ook bij anderen practische resultaten to bobben opgeleverd, zooals blijkt uit hot bericht van prof. Ziirn in do
24ü
Drosdenor âBliitt. für ücH. zuchtquot;, no. '27, jaargang 1890. Dc verdienstelijke onderzoeker zegt daarin, dat onder de middelen, welke helpen kunnen, hovetiaan staan: zwavelzuur, het water van Hahcl (1 deel zwavelzuur op :ï doelen spiritus), ijzervitriool en zoutzuur.
Van zwavel- on zoutzuur geeft men ^ procent, van het Kabel'scho water l %, van ijzervitriool 1 a 2 % in liet drinkwater; men zorge er echter voor deze stoffen chemisch zuiver te gebruiken, daar do onzuivere in den regel arsenicum bevatten. Het zoo bereide drinkwater moet op eeue besmette hoeve of een hoenderpark ook aan de gezonde dieren i a (i weken lang gegeven worden. liet zieke of verdachte, streng afgezonderde pluimvee geve men dagelijks i maal een theelepelvol van dit drinkwater iu; het voederkoren weoke men er in en het brood bevochtige men er mede.
8. Tubefcidoae uf knobbcllerincj.
Tuberculose komt voor bij allo hoenderachtige vogels, bij duiven veelvuldig, bij watervogels zelden. De Aziatische hoenders met bevederde pooten en de Italiaansche zijn, meer dan andere, daarvoor gedisponeerd.
Deze ziekte ontstaat en verbreidt zich bij mensch en dier door microscopische wezentjes, splijtzwammen, de zoogenaamde tuberkelbacillen.
De aan lever- en darmtuberculose lijdende hoenders ontlasten met hunne meestal zeer dunne excrementen deze bacillen, en door het gebruik van hierdoor verontreinigd voer worden ook de gezonde dieren aangestoken. Wanneer de uitwerpselen en de sputa van teringachtige menschen op den mesthoop worden geworpen, waarop het pluimvee toegang heeft, loopt men groot gevaar dat de hoenders, kalkoenen, duiven enz. allen besmet worden door de zich daarin bevindende tuberkelbacillen. Dit is mede geconstateerd door een ons bekenden veearts. Op een boerderij, die door eene teringachtige familie werd bewoond, leden alle hoenders steeds aan tuberculose. Meermalen werden ze afgeschaft en door van elders aangekochte vervangen, doch telkens openbaarde zicli ook bij deze de ziekte na eenigen tjjd. Wanneer de slijinige stoffen, waarin zich bacillen bevinden, uitdrogen en in stof overgaan, kan dit stof gemakkelijk bij toeval door mensch of dier worden ingeademd of ingeslikt en bij dezen de tering veroorzaken, liet is meer dan een bloot vermoeden, dat de pluimveetuberculose waarschijnlijk een bron van besmetting voor de menschen is. 't Is maar goed, dat erg aan tuberculose lijdende hoenders geen eieren meer leggen, want men mag met recht vreezen, dat in het rauwe ei van zulke hoenders levenskrachtige tuberkelbacillen kunnen zitten, al is dit tot nog toe ook niet bewezen. Men gebruike daarom liever geen geheel rauwe eieren.
247
Do tuberculose van liet pluimvee is ongeneeslijk; men behoeft de aangetaste dieren dus niet met medicijnen te plagen, doch bedenke, dat zij zeer veel tot het verbreiden der ziekte kunnen bijdragen. Door één schijnbaar niet zeer ziek dier, dat om zijne kostbaarheid misschien gespaard wordt, kan de tuberculose onder oen geheel hoenderpark heerschende worden. Tuberculose vererft, of ten minste de aanleg daarvoor, waarom alle daaraan lijdende dieren, alsmede de daaraan na verwante van de voortteling uitgesloten moeten worden. De ziekte is echter ook besmettelijk, zooals boven reeds werd aangevoerd ; men doode en vernietige daarom de daaraan lijdende dieren, daar hun vleescii niet zonder gevaar gegeten kan worden.
Kenteckenen: De aangetaste dieren toonen zich in 't begin moede, zij loopen niet opgewekt rond zooals andere, gezonde dieren, doch zitten en hurken veel op den grond; eindelijk vertoont zich zwakte in de pooten, welke met het verder verloop der ziekte dikwijls zoo toeneemt, dat de dieren in 't geheel niet meer kunnen loopen, doch met onder het lijf getrokken pooten op de spronggewriebten voortkruipen. Zij eten gewoonlijk tot aan het laatste oogenblik van hun leven, ja, dikwijls meer dan noodig is; vooral zijn ze zeer begeerig naar vleesch, wormen u. d. Niettegenstaande hun veel eten vermageren ze toch langzamerhand, tot zij eindelijk weinig meer zijn dan een geraamte. Het spoedigst verdwijnen de borstspieren-Snelle vermagering bij gragen eetlust zijn bet karakteristieke kenmerk van tuberculose. Kam, kin- en oorlellen worden bleek of geelachtig, of krijgen witte vlekken, de zichtbare slijmvliezen zijn steeds bleek en arm aan bloed. Kort en moeilijk ademhalen merkt men zelden op, daar longtuberculose bij pluimvee zeer zelden voorkomt. Eindelijk ontstaat er diarrhee, die de sappen en krachten geheel in beslag neemt. De steeds zeer magere en bloedarme cadavers vertoonen bij de sectie: een meestal vergroote, door eene soort van vervetting ontaarde, weeke lever en een vergroote milt; in lever en milt, binnen de substantie dezer organen of ook wel meer aan de oppervlakte, soms zelfs er buiten uitstekende, vindt men verscheidene knobbeltjes of knopjes, geelachtig van kleur, die een meer of minder weeken of harden kaasachtigen inhoud hebben. De grootte dezer knopjes varieert tusschen die van een halve gierstekorrel en een kleinen aardappel. Aan de darmen, soms aan de spiermaag, aan ballen of eierstok, aan eierleider en buikvlies bevinden zich insgelijks dikwijls rondachtige tuberkelknobbels, meestal van een harden, kaasachtigen inhoud voorzien, geel van kleur en van een maïskorrel tot een kers dik of nog dikker. De darmwand is dikwijls ook geheel met zulke tuberkels doorweven, terwijl ook het darmvlies dikwijls sporen van zweren vertoont. In die tuberkels zijn de bacillen door met de methode van onderzoek vertrouwde personen altijd aan te wijzen.
248
Daar do ziekte aanstekeljjk is, zondore men do verdacht uitziende dieren dadelijk af en vornietigo ze, als men aangaande het bestaan der ziekte zekerheid heeft. Hok en zoo mogelijk ook do ren, waarin zich tuberculose dieren hebben opgehouden, alsmede eet- en drinkbakken, moeten grondig en herhaaldelijk gedesinfecteerd worden meteene sublimaatoplossing (1 : lOüü), nadat het houtwerk eerst gereinigd en afgeschaafd is. Daar sublimaat vergif voor hoenders is, wassche men het, 12 uren na de behandeling daarmede, af met zwavelwaterstofwator, dat in iedere apotheek te verkrijgen is. Hot spreekt dus ook wel van zelf, dat er in al dien tijd geen hoenders tot de hokken en rennen toegang mogen hebben. Eerst wanneer de reuk van liet zwavelwaterstofwater ââ een reuk van vuile eieren verdwenen is, mag men do dieren er weder in laten. - Daar sublimaat ook voor menschen oen zwaar vergif is en, door in een wondje aan de handen bijv. te geraken, schromelijke gevolgen na zich kan slepen, zouden we liever raden als desin-foctiemiddel eeno 5% carbol- of eeno 10% crooline-oplossing te nomen en daarna alles met oen dunne kalkbrij te bestrijken.
ü. IngewandstvorDien.
t. De door lintwormen veroorzaakte darmcatarrh bij hoenders, kalkoenen, pauwen, duiven, ganzen, eenden enz. ontstaat, evenals alle door lintwormen veroorzaakte ziekteverschijnselen, slechts dan, wanneer er vele of tenminste verscheidene dezer wormen in de ingewanden aanwezig zijn; een enkele of weinige schijnen geen merkbaar kwaad te doen.
Men erkent deze kwaal bij hoenders en ganzen hieraan, dat de dieren, ofschoon ze zoor goed eten, magerder worden en dunne, met veel geel slijm, soms met een weinig bloed vermengde uitwerpselen hebben. Daarbij zijn ze zeer belust op water, dat zoo koud mogelijk is. In dit stadium dei-ziekte kan er nog wat togen de lintwormen gedaan worden; men moot daarom do uitwerpselen der dieren microscopisch onderzoeken of laten onderzoeken, om gewaar te worden, of er zich ook eieren van lintwormen in bevinden. Zijn deze aanwezig of zelfs enkele geledingen van lintwormen, dan moet er hulp verschaft worden, want na oenigen tijd worden de pationten treurig, zonderen zich van hot ander gevogelte af, zitten mot opgezet govederte en hangende vleugels, zonder eet- of drinklust. Zonder hulp zijn zo dan meestal verloren.
Voorbehoedmiddelen zijn bij de geringe konnis, die men van de pluimvee-lintwormen bezit â men kont er evenwel reeds 1!) soorten â moeilijk te nemen. Men weet alleen, dat het gevogelte er in natte jaren veel meer aan lijdt dan in droge en dat bijv. jonge, op eeno 7tul.Ie weide gedreven
'2/(0
(janzcii veel eerder geledingen, eieren on blaaswormen â waaruit de lintwormen ontstaan (Züi'n) â met hun voedsel tot zieli nemen dan op droge gronden, Ook hier geldt, evenals bij allo vvoekerdioren, wat \vo onder voorbehoedmiddelen tegen de luchtbuiswormon hebben gezegd.
Jlet beste middel tegen lintwormen is de arcca-noot, welke tot poeder gestampt eu met boter tot pillen wordt bereid: '2 a gram poeder voor hoenders en grootere vogels, jonge dieren al naar den leeftijd J a minder, duiven .'j van de dosis voor de boenders. Kalkoenen worden na liet gebruik van areca-noot wat opgewonden, hebben ongeveer een uur laag een strakken blik en huppelen bij volgende ontlasting op eeue eigenaardige wijze, met beide pooteu te geljjk, rond.
Andere eveneens onschadeljjke wormmiddelen worden door het pluimvee minder goed verdragen ol' staan in uitwerking bij de areca-noot ten achter.
'2. Minder gevaarlijk schijnen de zuigwormen, Iremaloda, waarvan er tot heden 13 soorten bij het pluimvee zijn gevonden; volgens Zürn veroorzaken zij echter altijd darmcatarrh en kunnen, als zij in groot aantal â 10 a 12 stuks â¢â in de lucht- of de spijshuis en in de darmen vertoeven, door ontsteking de voeding van het pluimvee storen of in de luchtbuis dezelfde uitwerking hebben als de genoemde gepaarde luchtbuiswormen.
Over voorbehoeding en behandeling is nog weinig bekend. Bij hoenders, die in zindelijke en droge hokken en rennen huisvesten, heeft men zelden of nooit zuigwormen aangetroffen. Hierin ligt wel cene vingerwijzing.
Vindt men zuigwormen in den mest of eieren daarvan, welke laatste niet zonder hulp van den microscoop zijn te ontdekken, dan kan men als afvoerend middel '2 eetlepels wonderolie of een pil van 0,ü(i tot 0,1 ^ gram calomel geven, of ook een theelepelvol Oleum am[iyrcumalicurn Chaberii voor klein en een eetlepolvol voor groot gevogelte.
3. De ergste vijanden van het pluimvee onder de ingewandswormen zijn zonder twijfel onder de spoelwormen, nematoda, te zoeken, vooral onder de bloedzuigende. Geheele duivenslagen worden soms door den duivenspoelworm, van welke er dikwijls 4 a 500 stuks inde darmen eener duif kunnen zitten, ontvolkt. Eenden en hoenders sterven dikwijls plotseling of langzamerhand ten gevolge van darmcatarrh, diarrhee, uittering enz, welke door de spoel-wormsoorten (draadwormen enz,) worden veroorzaakt. Ook de gepaarde luchtbuisworm behoort tot de groep dor spoelwormen, van welke er een '20tal bij het pluimvee worden aangetroffen.
Voorbehoedmiddelen: Behalve de algemeene, zorgvuldige reiniging en ontsmetting der verblijfplaatsen, is het volstrekt noodig er voor te zorgen, dat de dieren hun voeder steeds uit schoone bakken krijgen en dat het nooit â vooral niet daar, waar men reeds ingewandswormen heeft opge-
250
merkt â op con door don most bovuildon grond wordt uitgostrooid, omdat dan niet voorkomen kan worden, dat do dieren met hun voedsel ook aan den most klevend ongedierte mede naar Linnen slikken. Verder werkt, zooals dikwijls is opgemerkt, het gedurig bestrijken der zitstokken, leghokken, etiz. met vluchtige oliën, als anjjsolie, beslist gunstig op het voorkomen, verdrijven en dooden van alle dierlijke, mogelijk ook van plantenparasicten. Het is een algemeen bekend en oud middel, voor vreemde duiven, die men op oen slag wil lokken, anijskorrels in oen mengsel van klei, leem en zout, dat met water tot kleine balletjes wordt gemaakt, op het slag neer te leggen ; en inderdaad gevoelen de duiven zich in zulk een slag daarom prettiger, omdat zij er minder door allerlei parasieten worden geplaagd. Ook hoenders eten nu en dan gaarne anijskorrels; misschien zijn hot wel juist dezulke, die aan ingewandswormen lijden on door het instinct gedreven worden tot het oppikken der anijskorrels. Prof. Zürn beveelt ook aan grof areca-noot-poeder onder hot voer te geven.
Wat de behandeling van aan spoelwormen lijdend pluimvee aangaat, zoo kunnen de gewone afvoerende en wormmiddelen rabarber, calomel enz. â dat ongedierte wel verdrijven, nis hot niet in te groeten getale aanwezig is, anders helpen ze, volgons Zürn, ook niets; on is hot darmkanaal geheel met wormen opgehoopt, dan valt er aan genezing niet te denken.
Een goed middel voor hoenders on kalkoenen bestaat uit 2 eetlepels vol olijfolie, waarin 10 droppels anijs-, anjelier- of rozemarijnolie, als één dosis ingegeven. Bij duiven zijn 5 droppels op 1 theclepclvol olijfolie voldoende. Verder wordt aanbevolen 5 a (i droppols benzine op een eetlepel vol olio of lijnzaadwater. Als uitstekend, goedkoop en onschadelijk middel mag ook hier de hiervoor genoemde areca-noot genoemd worden; voor hoenders 2 gram, voor duiven 1 gram, voor kalkoenen 3 gram, mot boter tot pillen gemaakt. Mocht dit niet dadelijk werken, dan geve men dezelfde giften liever nog eens weder dan meer op eens toe te dienen. Kalkoenen zijn hot gevoeligst voor menige artsenij, doch ook bij hoenders van verschillende rassen en ook individucel is in dit opzicht verschil op te merken. Het inademen van creosootdampen, die inen verkrijgt door met een glooiend ijzer in 2 % creosootwater te roeren, kan ook gunstige resultaten hebben.
10. Behaarde rupsen.
Darmontsteking ten gevolge van het gebruik van behaarde rupsen is bij hoenders zelden, bij eenden vaker waargenomen. Alle met stekeltjes of haren bezette rupsen prikkelen slokdarm, maag en darmen der dieren en
251
veroorzaken dikwijls eenc doodelijke ontsteking dezer organen. Men heeft opgemerkt, dat oen troep eenden, die niet opzet in den moestuin gedreven werden om dezen van do koolrups te zuiveren, dagen lang bjjna geen ander voedsel gebruikten, zonder dat hun er eonig kwaad van overkwam, terwijl op oen anderen keer de geheele troep ongesteld raakte, zonder dat daarvoor een andere roden was op te diepen, dan het overdadig gebruik van rupsen. Voorzichtigheid is dus in elk geval aan te bevolen, en een slijmig weekvoer, 's morgens vóór en 's avonds na zulk een jacht op rupsen, zal zeker goed werken.
Konteekenon: neiging tot braken, geen eetlust, veel dorst, koorts, dunne slijmigo en bloedige ontlasting.
Bahandeiiiu): zooveel lijnzaadwator als mogelijk; zachte olie; schrjjiiwer-kersljjm, in Uloine stukjes gesneden en half in water geweekt; wassehen van die lichaamsdeolen, die de ontstoken organen bevatten, als hals, maag en darmen, met zoor koud water of loodwater.
11. Vargiftiijinjen.
De meeste vergiften veroorzaken bij hot pluimvee maag- en darmontsteking, voornamelijk de minerale vergiften, terwjjl de narcotische en scherpe plantenvergiften tevens een sterkeren toevoer van bloed naar liet ruggemerg en de hersenen te weeg brengen. Do werking dor narcotische of bedwelmende vergiften wordt verzwakt door een tannine-oplossing, azijn, koffie zonder melk, glauberzout, begieting' van kop en rug met koud water en aderlating.
a, VergU'lijintj door arsenicKm, zeker alleen voorkomende, wanneer hoenders, duiven enz. met arsenicum vergiftigde, voor de muizen bestemde graankorrels eten.
Kenteokenen: Sterke spoekselafsehoiding, neiging tot brakingen en slikken, groote angst en onrust, dorst en weinig of in 't geheel geen eetlust; dunne, meestal bloedige en uaar knoHook riekende ontlasting, langzaam en moeilijk adomhalen, waggelende gang, sidderen en schokken, verwijding van de pupil. De dood volgt gewoonlijk na zeer korten tijd.
Behandeling: ijzerroest in water opgelost, of water uit den koelbak van een smid, elk half uur 1 a '2 eetlepels vol; suikerwater, 't wit van i ei, elk uur; lijnzaadwater of slijm van malva-wortel, benovens gebrande magnesia, 1 deel met 30 doelen water vermengd, alle uur oen theelepel vol.
b. LoodverjifUqhuj komt bij allo pluimveesoorten voor, vooral in de nabijheid van loodmjjnon, loodhutten en loodwitfabrieken; bij ganzen ook waargenomen door hot inslikken van jachthagol.
252
Koiitocskonen: plotseling sturvon zonder voorafgaande waarneeinbare ongesteldheid, vooral l)ij hoenders en duiven; ook uren, dagen, weken lang tot aan den dood; waggelende, onzekere gang, neervallen, kramp, diarrhee; of bjj een langzamer verloop gebrek aan eetlust, ledige krop, lusteloosheid, bleeke kam; als er diarrhee is, zijn de uitwerpselen dun vloeibaar, en, als die veroorzaakt is door de hagelkorrels, zwartachtig en kwalijkrie-kend; verder nerveuse verschijnselen, waardoor zwakte in vleugels en pooten en later geheele verlamming ontstaat en dikwijls hals en kop krampachtig op den rug komen te liggen; voorts toenemende vermagering en verzwakking, welke gewoonlijk met den dood eindigen.
Behandeling: eene oplossing van glauberzout in lijnzaadwater, :i a 'i gram van het eerste in een theekopjevol van het laatste - of hjnzaadwater met olie â voor hoenders, ganzen en eenden, in l porties over I dag verdeeld; daarbij zooveel zwavelzuur in het drinkwater, dat dit zwak zuur smaakt.
Daar liet pluimvee echter zeer gevoelig is voor lood en loodzouten, is de genezing twijfelachtig.
c. Vergifiujimj door koper en kopérzoulen. Zij wordt meestal veroorzaakt door greenspaan in koperen vaatwerk enz. en is dan zonder erg nadeelige gevolgen, wanneer er n.1. niet al te groote hoeveelheden van het zoo vergiftigde eten is gebruikt, in welk geval de dood in 24 a 45 uren volgen kan.
Kenteekenen: verminderde of in 't geheel geen eetlust; neiging tot braken
bij duiven: braken, lusteloosheid, sidderen, opgezette buik, hevige diarrhee, waterige groene ontlasting.
Middelen: Veel eiwit of een of ander slijm, gebrande magnesia, zooals bij de behandeling der arsenicumvergiftiging is opgegeven, veel wei.
d. Vcnjifligimj door kwikzilver. Voorkomende, wanneer men ter verdrijving van vogelluis en mjjt kwikzalf heeft gebezigd.
Kenteekenen: sterke speekselafscheiding bjj een rood mond-en neusshjm-vlies, matheid, stinkende ontlasting, toenemende magerheid, uitvallen der veeren op sommige plaatsen, een schubachtige uitslag op de kale plekken. De dood volgt door uittering.
Middelen: slijm, suikerwater, eiwit, Vs percents jjzervitriool-oplossing, ;i maal daags een lepelvol; een weinig ijzervitriool in het drinkwater.
e. Vergifligijiij door zink. ]5jj ganzen en eenden dikwijls in de nabijheid van zinkliutten.
Kenteekenen: ganzen en eenden (misschien ook ander pluimvee) zijn duizelig en tuimelen gedurig omver, kunnen den kop niet omhoog houden; hevige diarrhee, liggen bjj hot zwemmen op de ééne zijde en sterven spoedig.
Geneesmiddelen: melk, wei, eiwit, suikerwater, gebrande magnesia.
'253
f. Veryiftiijimj door phosphorus. Vooral bij hoenders cn eenden waargenomen, welke gelegenheid hadden om voor muizen en ratten neergezet phosphorusgift te nuttigen.
Kenteekenen: alleen dan merkbaar, wanneer er groote lioeveellieden gebruikt zijn; hevige maag- en darmontsteking en dood binnen i a k2 uren. Hij gering gebruik: matheid, treurigheid, opgezet gevederte on gebrek aan eetlust.
Middelen: in het laatste geval: chloorwater, alle hall' uur een theelepel tot een eetlejwl vol, gebrande magnesia in water, eiwit, slijm (zonder olie).
g. Vcrgiflhjimj door lioukenzoul. 15 a ;iü gram keukenzout kunnen een zwaar hoen dooden en wel binnen 8 a 1 'i uren, wanneer lt;lie hoeveelheid op eens binnengeslikt wordt. Het veroorzaakt ontsteking in krop, maag en darmen.
Kenteekenen: hevige dorst bij gebrek aan eetlust, rood en droog worden der mond- en keelslijmvliezen, diarrhee, verlamming van hals, pooten en vleugels, steeds op het achterljjf hurken, verwijding der pupillen, zelden braken of' neiging daartoe. Dood onder krampen.
Behandeling; begieten en klisteeren met koud water, veel slijm met wat olie, een theelepel vol olie op à a 3 eetlepels slijm, aan een groot dier in eens ingegeven.
li. Verijifligiii;! door pekel. 1'ekel zoowel als bet water, waarin zoute-visch is afgekookt, zout spoelwater uit de keuken, dat men nog wel als opwekkend middel gebruikt om het weekvoer aan te maken, zijn nog gevaarlijker dan zuiver keukenzout, waarschijnlijk omdat zij met rottende stoffen bezwangerd zijn.
Kenteekenen: als bjj de zoutvergiftiging, versterkt door bevigen bloed-toevoer naar hersenen en ruggemerg, merkbaar door het verdraaien van den bals, tuimelen, verlamming van het aehterljjf, krampachtige trekkingen.
Behandelen als bjj zoutvergiftiging.
i. Vergifliginci door heuhenolen en beukenotenkoek. Terwijl de olie der beukenoten niet sehadeljjk is, werken de melige bestanddeelen en de schaal van het zaad â en dus ook do koeken â bij hoenders en duiven prikkelend op de maag, wat merkbaar is aan het braken of de neiging daartoe, buikpijn enz.
Baar onze Europeesche wilde duiven, vooral de wilde- en de boutduif, zeer gaarne beukenoten en eikels eton en hunne maag daarmee in den lierl'st soms geheel gevuld is, mag men tot het besluit komen, dat de olie de sterk samentrekkende eigenschap van de schaal en de vezelstof der pit verzacht of geheel onschadeljjk maakt. Hoenders en duiven, die mot beukenoten en eikels gemest worden, bevinden zich daarbij ook zeer goed, waarom alleen togen de beukenotenkoekeu dient gewaarschuwd te worden.
254
k. VcrgifUgimj dour de. hinderen en housen van den taxus (Taxiis haecata L.). Eenden en ganzen braken de ingeslikte naalden en vruchten gewoonlijk weder uit; hoenders niet.
Kenteekenen: bedwelming, eigenaardig nikken met den kop, gesloten oogen, hangende vleugels, verlamming der pooten en ten gevolge daarvan waggelen en struikelen bij het loopen; eindelijk krampachtige trekkingen en de dood binnen enkele tot 36 uren.
Dus geen taxus op plaatsen, waar pluimvee kan komen!
Behandeling: als bij vergiftiging door narcotische planten. Oplossing van tannine, azijn, koffie, glauberzout, begieten van kop cn rug met koud water.
I. Vergiftiging door tuin- en waterscheerlinj.
Kenteekenen: tuimelen, hangende vleugels, krampachtige trekkingen, zij- cn rugwaartsche bewegingen van den hals, sterk uitstrekken der pooten, dood onder krampen; een snel verloop bjj ganzen en eenden, die waterscheerling, en bjj hoenders en kalkoenen, die tuinscheerling gegeten hebben. Daar de scheerling dikwijls voor peterselie wordt aangezien is zoo misschien de meening ontstaan, dat ook peterselie nadeelig is.
Dc zaden van do waterscheerling, die door vele vogels o. a. ook door leeuweriken in natte jaren zonder nadeel gegeten worden, verwekken dergelijke verschijnselen ook bij menscben, die zulke leeuweriken hebben gegeten, vooral als de maag mede gebraden wordt. De schrijver leerde zelfquot; bjj een vriend te Amsterdam zulk een geval kennen, dat erge gevolgen had.
Behandeling: als onder k is aangegeven; glauberzout mot slijm, waarin een weinig olie; aderlating, welk laatste echter door een deskundige dient te worden verricht.
Wat eindelijk do over 't algemeen zelden voorkomende vergiftigingen door vergiftige zwammen, schimmels, mocderkcorn e. d. aangaat, voldoende waarnemingen zijn dienaangaande deels weinig bekend, evenmin als vertrouwbare middelen, deels is de behandeling dezelfde als hij vergiftiging door scherpe stoffen bevattende planten.
Goed en gezond voer, vrij van schimmel en brand, droge hokken en rennen, verwijdering van vochtige en moerassige weiden nis loopplaatsen, verwijdering der dieren van plaatsen, waar vergiftige planten en siergewassen aanwezig zijn, zietdaar do beste middelen om het pluimvee voor deze en soortgelijke vergiftigingen te bewaren.
III. Her sen- en nujgemergsziekten.
Deze komen tengevolge van hevigen aandrang van het bloed naar deze zenuwcentra â gewoonljjk duizeligheid, draaien (vallende ziekte), tuimelen
255
en beroerte genoemd bjj al ons pluimvee niet zelden voor. Volbloedigheid ten gevolge van te overdadige voedering disponeert â vooral in den paartijd, doch ook overigens â tot vermeerderden bloedtoevoer naar de hersenen (hersencongestie). Andere aanleidingen zijn, belialve sterke geslaelits-drift, ook overmatige inspanning bij heftige bewegingen, erge zonnehitte die bijv. doodehjk is voor jonge ganzen en kalkoenen in de eerste 14 dagen en om ze hier ook maar bij te rekenen uitwendige beschadiging van den kop door stoeten, enz.
Kenteekenen: behalve door de bekende, dikwijls bij hanen â vooral bjj jonge, die door sterke mededingers afgeslagen zijn â in den paartijd waargenomen kenteekenen van herseneongestie, als verwijding, zelden vernauwing, van de pupil van een der oogen, scheefdragen van hals en kop, verdraaiing van den kop tot zelfs in verticale richting, kenmerkt zich deze ziekte in 't algemeen en wel dadelijk door duizeligheid, tuimelen, hals- en kop verdraaien, in een kring rondloopen, bovendien door onregelmatige en onwillekeurige bewegingen der pooten en vleugels. Daarna volgen bedwelming, verwijding der pupillen, neervallen onder hevige stuiptrekkingen en gewoonlijk de dood; zelden eene tijdelijke of geheele herstelling der epileptische krampen.
Voorbehoedmiddelen: bescherming der jonge dieren tegen sterke zonnehitte door 't verschaffen van beschaduwde plaatsen, struikgewas, enz. In den paartijd niet te veel of te verhittend voer, vooral niet, wanneer er reeds een soortgeljjke aanval geweest is; zwak door zoutzuur verdund drinkwater; groenvoer.
Behandeling: bjj de eerste verschijnselen, duizeligheid enz., koudwater-douches op den kop, door om het half uur een in koud water gedoopte spons uit te drukken of door middel van een eenvoudig toestelletje. Daarna geve men een snelwerkend purgeermiddel in, het best 2 eetlepels vol wonderolie per kip. Hij aderlating mag, volgens Ziirn, een kip van 8 tot hoogstens 40 gram, een gans 45 a 60 gram, eene duif 4 A 6 gram bloed afgenomen worden. De aangegeven middelen, waaraan nog kan toegevoegd worden: zorg vooropen lijf, schrale voeding, een koele, donkere verblijfplaats, maken een aderlating in de meeste gevallen overbodig; ook heeft deze niet die groote beteekenis, die er gewoonlijk aan wordt toegekend.
Een goed werkende douche kan men zelf vervaardigen, door aan du kraan vau oen koffiepot een 'n paar meter lange elastieke buis te bevestigen. Men zet nu de koffiepot gevuld met koud water op eene verhevenheid, een paar meter boven den grond, neemt het ondereinde van de buis tusschen duim en vinger en regelt hiermede, na de kraan geopend te hebben, de waterstraal, dien men op den kop van den patient richt.
256
IV. Uitwendige kwalen en heleedigingen.
i. Schurft- of kalkpoolen. Elcphanliasis.
Dozo worden veroorzaakt door verschillende soorten van gravende schurft-mijten, onder welke de gewone schurf'tmijt â Sur copies of' Dermatorjktes mutans â de meest bekende en misschien de gevaarlijkste is, omdat zij, van daarmee behepte dieren op andere individuen overgaande, deze dadelijk aansteekt, wat menigeen, die op pluimveetentoonstellingen exposeerde, uit ervaring zal weten. Hoenders met kalkpooten worden daarom ook in den laatsten tijd van de tentoonstellingen geweerd. Ofschoon deze mijt bij de groote Aziatische hoenderrassen het meest voorkomt, wordt zij bij de andere rassen toch ook maar al te vaak aangetroffen.
De eerste kenteekenen van schurftpooten worden licht over het hoofd gezien: een geel- of grijsgeelachtige, op verdroogd vuil of klei gelijkende laag bedekt het loopbeen, vooral aan den voorkant en vormt daar eindelijk een bultige massa, welke bestaat uit aangevreten, zeer kleine stukjes van de huid, verbonden met een uitgezweete vloeistof (serum) en de hierdoor omhooggeheven schubben der pooten. Deze laag krijgt door de vermeerdering der mijten een afschuwehjjk, korstig en gespleten aanzien en kan zoo erg worden, dat niet alleen lamheid in de pooten maar, bij verwaarloozing, zelfs de dood er het gevolg van kan zijn, vooral als de dieren des nachts erg door de mijt geplaagd worden.
Voorbehoedmiddelen; alle meer gemelde middelen, die, behalve cene groote zindelijkheid in hokken, eet- cn drinkbakken enz., de komst van het heirleffer dezer kleine en kleinste woekerdieren kunnen beletten of hun aantal zooveel mogelijk beperken.
Behandeling. In de eerste plaats afzondering der aangetaste en nauwkeurig in 't oog houden der schijnbaar nog gezonde dieren, daar hot gevaar voor besmetting, vooral in vochtig warme hokken, dooi' het over-loopen der mijt van het eene dier op het andere â ook van de kloek op de kuikens â⢠zeer groot is. Verder eene grondige en herhaalde reiniging en ontsmetting der hokken, vernieuwing der zitstokken en het bestrijken van deze met creoline, petroleum, carbol of met verdunde amjsolie, welk laatste door sommigen voor het zekerste middel wordt gehouden. De waarde van het aangetaste dier beslist, of men het zal afmaken of behandelen. Deze behandeling bestaat ten eerste in het weeken dor korstige massas door die in te smeeron met groene zeep, welke men ook wel met een lapje omwikkelt en 24 uur laat zitten om ze daarna met lauw water af te wasschen.
'257
Door middel van een harden schuier worden de korsten daarna geheel en al verwijderd, en wanneer zulks niet den schuier niet voldoende gaat, neemt men zijne toevlucht tot een hcenen spatel of ijzeren lepel. Men zorgt echter zooveel mogelijk bloeding te voorkomen. Hierna wrijft men de pooten met een lap schoon en droog en smeert ze in met het een of ander middel, dat de mijt doodt. ür. Heller beveelt carbol- of petroleum-zalf aan (1 deel carbol op 30 deelen varkensvet, 1 deel petroleum op 3 deelen vet); J)r. Zürn, welke deze middelen voor jonge hoenders nadeelig vindt, noemt perubalsem een probaat en tevens aangenaam riekend middel. Anijsoliezalf (i deel anijsolie op 10 a 15 deelen varkensvet of ongezouten boter) is gebleken ook zeker te werken. Het dagelijks insmecren met één der genoemde zalven wordt 3 a 4 dagen lang voortgezet; daarna wascht of borstelt men de pooten met warm zeepwater af, droogt ze en smeert ze in met een of ander zacht vet of olie (vazeline, glycerine of room, volgens Zürn echter niet met lijnolie). Openbaart zich de kwaal hier of daar nog weder, dan begint men dezelfde behandeling weder van voren af aan. Volgens Zürn kan men in plaats van perubalsem ook met 3 deelen spiritus verdunde vloeibare styrax nemen.
!2. Uilslag.
De door eenige andere mjjtsoorten en in 't bijzonder door de hoender-mijt â Symhiotes (Dermalophagus) gall hm mm â veroorzaakte uitslag, welke zich gewoonlijk eerst in kleine plekjes, vooral aan bals en borst vertoont en zich allengs over het geheele lichaam der hoenders verspreiden kan, moet naar de waarnemingen van Ca/iurini zelfs den dood ten gevolge kunnen hebben.
Deze uitslag vertoont zich in den vorm van dunne, doorschijnende huid-schubjes, welke in verscliillende lagen over elkander liggen en onder welke de huid vochtig en met bloed gevuld is. Ook de spoelen en het inwendige der veeren zijn met zulke schublagen bedekt. âDe door ecne tallooze menigte mijten overdekte hoenders toonden geen gevoel van jeukte, doch wel zaten zij stil ter neder, waren treurig en hadden gebrek aan eet- en drinklust; na eenige weken volgde de dood.quot; (Caparini).
Voorbehoedmiddelen: De hiervoor meermalen genoemde middelen tegen mijt enz. in de hokken, ontsmetting enz.
Behandeling: Afzondering der aangetaste dieren; afwasschen der aangetaste deelen met lauw zeepwater en inwrijven met benzine (of cresoot) en olie (1 deel benzine of creosoot op 30 deelen olie), of met een mengsel van 1 deel creosoot met 10 deelen zwakke spiritus en '20 deelen water. (Zürn).
Baldamus, Pluimveeteelt. 17
258
3, Witte kam. Poederkuyi. Faviisziekte.
Deze wordt verooi'üaakt door kleine scliimmels, welke veel gelijken op die, welke bij de mensohen de onder den naam van faviisziekte bekende huidziekte veroorzaken en hoenderfavus worden genoemd.
Kenteekenen: de zeer besmettelijke ziekte, die, wanneer zij aan zich zelf wordt overgelaten, den dood tengevolge hebben en geheele hoenderparken ontvolken kan, vertoont zich het eerst aan den kam, de keel- en de oorlellen, welke eerst kleine witte of grijswitte vlekjes krijgen, die zich langzamerhand vergrooten en in 't laatst een dun wit of grijswit overtreksel vormen. Dit verdikt binnen 3 iï 4 weken tot eene dikte van 8 millim. en wordt dan eene op asbest gelijkende schubbige korst. Van de genoemde lichaamsdeelen verbreidt de kwaal zich verder over den kop, den hals er. den romp der lijdende dieren en maakt de omhoog gerichte veeren langzamerhand droog, broos en brokkelig; deze vallen eindelijk uit en laten kale, met korsten bedekte plekken op de huid achter; daarna beginnen de patienten door onderbreking der huidfunctiën te vermageren en sterven aan uittering.
Do zieke hoenders verspreiden soms een muffen of schimmeligen reuk.
Voorbehoedmiddelen; afzondering der zieke dieren en ontsmetting der hokken.
Eene behandeling kan alleen succes hebben in liet eerste stadium der ziekte, d. w. z. als deze zich nog niet tot de bevederde huid heeft uitgebreid.
Het één keer daags inwrijven van kam en lellen met een zalf van benzine of carbolzuur en vet (1 deel benzine of carbol op 20 deelen vet) of van do witte precipetaatzalf (1 :6a 8j, kan in dezen hulp brengen. Men moet eiken dag, vóór men opnieuw inwrijft, kam en lellen met zeepwater schoonmaken.
Heeft de uitslag zich over de bevederde huid verbreid, dan is het, om besmetting te voorkomen, geraden, den patient dadelijk te dooden en te verbranden.
4. Zwarte kam.
Gregarinose of zwarte kam, eene tot dusver zelden en nog wol alleen bij Spaansche hoenders waargenomen kamziekte, ontstaat ook door microscopisch kleine levende wezens (gregarinen), van welke men niet weet, of ze tot het planten- dan wel tot hot dierenrijk behooren, waarom ze ook protisten of protogoën, oerplanten of oerdieren, worden genoemd.
De kenteekenen van deze kwaal zjjn in het begin: gele of bruinroode, soms door een lichtrooden ring omgeven uitzweetingen, ter grootte van een maanzaadkorreltje, later zoo groot als eene erwt, welke in groepen bij
'259
elkander staan en soms een dikke, gele, kaasaclitig-e stof' bevatten; deze knopjes worden weldra bedekt met grijsbruine korsten, op en tussehen dewelke de gregarinen in groeten getale zitten.
Over voorbehoedmiddelen is voorloopig nog niet veel te zeggen.
Het beste middel ter bestrijding der kwaal zal zijn een der hiervoor, onder âWitte kamquot; genoemde zalven. Silvestrini beveelt zorgvuldige penseeling met helsche steen aan. Een 5 % creoline-oplossiiig zal ongetwijfeld ook heilzaam werken.
5. Aphtcie.
Deze uitslag wordt, naar men meent, door ann mond- en klauwzeer lijdend vee (of door het loopen in de weide, waarin zich aan mond- en klauwzeer lijdend vee ophoudt) op het pluimgedierte overgedragen. Ze vertoont zich in den vorm van kleine, eene vloeistof bevattende blaasjes, welke bij hoenders op kam en lellen, aan den bovenrand der neusgaten, aan het bindvlies der oogen, op de slijmhuid van snavel en keel en aan de pooten zijn waargenomen, lijj ganzen en eenden komen deze blaasjes vooral aan de zwemvliezen voor, doch verder ook aan bot slijmvlies in snavel en keel.
De kwaal geneest meestal van zelf in den tijd van 8 a 14 dagen. Volgens de laatste onderzoekingen moet de kwaal ook al weder door sommige soorten van spljjtzwammen veroorzaakt worden.
Kenteekenen: meerdere of mindere verlamming der dieren, wanneer de kwaal aan de pooten uitbreekt; verder koortsachtigheid, gebrek aan eetlust en geen eieren.
Voorbehoedmiddelen; zorgen, dat de hoenders in 't geheel geen toegang kunnen krijgen tot de plaatsen, waar zich aan mond- en klauwzeer lijdend vee ophoudt, ook niet op den mesthoop, waar de uitwerpselen dezer dieren gebracht worden, noch bjj de bakken en emmers, waaruit dat vee gevoerd en gedrenkt wordt.
Behandeling: de natuur redt zich zelve, dus geen modieijncn! De aangetaste dieren behoeven in de eerste plaats rust; men sluite ze daarom op en geve hun ruim en zindelijk strooisel, â gezond stroo, doch geen hooi. Daar, waar de opengebarsten blaasjes diepe wonden veroorzaakt hebben, penseele men met eene '2 a ;i % aluin-, '2 % tannine- of 3 % kamfer-spiritusoplossing om het ontstaan van zweren tegen te gaan.
0. Dolheid.
De dolheid bjj pluimvee heet mede door splijtzwammen veroorzaakt te
'260
worden; men meeat tenminste, lt;lat men deze in het speeksel en het bloed van daaraan lijdende dieren hoeft gevonden. 1'rof. Ziirn e. a. hebben evenwel hij een aan dolheid lijdenden hond zulke spljjt/wanmien niet kunnen ontdekken. De dolheid wordt door den beet van dolle honden op het pluimvee overgedragen â 't schijnt dus, dat het gif' rechtstreeks met het bloed in aanraking moet komen; â zij werd tot nog toe bij hoenders, kalkoenen en eenden waargenomen.
Kenteekenen: groote opgewondenheid, schreeuwen met veranderde, later met heesche stem, gedurig in de hoogte springen, lust om andere dieren en menscben aan te vallen, in het aangezicht te springen en in de kleeren te bijten. Na ongeveer '24 uren treden verlammingsverschijnselen in; zij laten de vleugels en de staartvoeren hangen, 't gaan en loopen wordt hun moeilijk en onmogelijk; de lamheid neemt toe en do dood volgt binnen '2 a ;i dagen. De ziekte openbaarde zich op de boven beschreven wijze i'2 uren na het bijten; bij eenden in één geval eerst na I I maanden.
Y oor behoedmiddelen: onmiddellijk dooden en verbranden der door een dollen hond gebeten dieren.
Behandeling: tot op heden is niets dienaangaande bekend.
7. Ronde huidziekte.
Ecne huidziekte, die tot nog toe slechts éénmaal is waargenomen en wel bij een overigens geheel gezonden haan. Deze verloor in enkele weken bjjna al zijne voeren, die heel gemakkelijk en zonder do geringste bloeding uitgetrokken konden worden. l )c huid was gelijkmatig levendig rood gekleurd en verbleekte onder den druk der vingers. Er werd een zalf van chloorijzer en vet aangewend â 1 : '20 â, waarop binnen 10 a i'2 dagen de huid weder haar natuurlijke kleur terug kreeg en het uitvallen der voeren ophield. De kwaal bleek niet besmettelijk te zijn.
8. De eerste vederjroei an de rui.
Bjj het doorbreken der eerste voeren bij de kuikens lijden de diertjes niet zelden door het natte weder â waarschijnlijk door onderbreking of verhindering der stofwisseling â zoo erg, dat zij binnen korten tijd wegteren en sterven. Een warme verblijfplaats en opsluiten bjj nat, koud weder; krachtig, de stofwisseling bevorderend voer; een weinig doch niet te veel miereneieren, gekookt en fijn gebakt vleesch of vleeschbeschuit onder bet kuikenvoer gemengd, zullen den vedergroei en daarmee de gezondheid der dieren weldra weder herstellen.
'201
Hetzelfde gekit van het ruien, dat niet als eene ziekte in den eigenlijken zin kan worden opgevat.
Verloopt do rui door de eene ot' andere oorzaak â als te laat beginnen, natte koude, onvoldoende voeding enz. â te langzaam of onregelmatig, dan is er in de meeste gevallen niet anders noodig dan die oorzaken uit den weg te nemen, om dat verloop weder tot regelmaat te brengen. Onder zekere omstandigheden mag men den rui ook door opwekkende middelen bevorderen, zooals onder âIndigestiequot; is aangegeven, en door 's avonds een weinig gekneusd hennepzaad te voeren.
Men raadplege hierbij ook het onder âBeenzwaktequot; medegedeelde.
!). IIuidwalerzHcht en Windzucht.
I luidwaterzucht komt alleen voor ten gevolge van of in verbinding niet do buikholte- of luehtcelwaterzucht en kan alleen te gelijk met deze verholpen worden.
Menigvuldiger komt windzucht voor bij hoenders en kalkoenen, doch ook bij duiven; bij de eerste vooral aan den kop, bij kalkoenen aan de vleezigo lappen aan den kop. Men meent, dat deze zwellingen bjj hoenders veroorzaakt worden door het gebruik van narcotische planten en voorts na sterke beweging, tengevolge van beten enz.; zjj bedekken of bot geheele lichaam van het dier, zoodat dit er geheel door misvormd wordt, of vertoonen zicli slechts op sommige plaatsen; de grootste vindt men op de borst en aan den benedenhals.
Kenteekenen: gezwollen en opgezette huid, welke elastisch en droog is en oen ritselend geluid laat hooren, als men er overstrijkt.
Behandeling: verwijdering van de lucht door insnijdingen in de huid (bij duiven door naaldeprikken) en door strijken en drukken. Zijn de gassen zoo geheel verwijderd, dan klooft men de insnijdingen weder vast met col-lodium ol' eiwit. Kan men wegens de hardheid van de opgeblazen huid geen insnijding maken, wat bij kalkoenen dikwijls het geval is, dan laat men de dieren loepen, tot zich de zwellingen op ééne plaats geconcentreerd hebben, in welk geval men gemakkelijk eene insnijding kan maken.
10. Ontsteking der vet klier.
Deze, bjj kamervogels dikwijls voorkomende ziekte, vertoont zich ook, hoewel niet zoo dikwijls en ook niet zoo gevaarlijk, bij het pluimvee, ton gevolge van onregelmatig ruien of van eene ziekte, bijv. tuberculose.
Kenteekenen; Verettering of verharding van het stuitkliervet; het laatste tot een wasachtige, gele votmassa ter grootte van een walnoot.
Beliandoling: ^lcii snijdt met oen selierp mos do klier open on drukt de etterende stof er voorzichtig geheel uit; do verharde massa neemt men mot een spatel of boenen lepeltje weg en bestrijkt het inwendige van do klier met een zacht vet of olie; in beide gevallen wordt de wonde later met eone 5 % boorzuuroplossing of met lauw water dikwijls uitgewasschon of uitgespoten.
11. IU;vroren kam.
Strenge winterkoude kan voor de naakte doelen van liet pluimvee zeer noodlottig worden; vooral zijn het de kam en kiulellen der hoenders, die er van te lijden hebben. De tanden en randen van do kammen, welke het eerst worden aangetast, worden oorst blauw, daarna zwart, verdrogen en vallen eindelijk af. Ook de pooten on vooral de teenen hebben meermalen last van bevriezen. Aan en onder de pooten ontstaan builen, en in strenge winters of onder ongunstige omstandigheden zelfs bij minder hevige koude, komt het bevriezen en eindelijk afsterven der teenen, helaas, vrjj dikwijls voor.
Yoorbehoedmiddelen: Behalve in een goed geventileerd doch warm hok, dat de hoenders bij sterke vorst alleen des middags mogen verlaten, bestaat do beste voorbehoeding tegen vorst in het bestrijken der naakte doelen (kam, lellen, pooten en teenen) met oen mild vet of olie, bijv. vazeline, waardoor het nat worden dier doelen, zoo niet geheel, dan toch in die mate tegengegaan wordt, dat het gevaar voor bevriezen er aanmerkelijk door vermindert.
Behandeling: Men wrijft de bevroren doelen flink in met sneeuw of ijskoud water, droogt ze daarna goed af, wascht ze dan met een zwakke aluinoplossing â â⢠4 gram op .'iO gram water â ââ droogt ze weder af en wrijft ze eindelijk in mot glycerine, vazeline of boomolie (niet met lijnolie). I)o builen aan de pooten worden eveneens eerst met sneeuw of koud water gewreven of gedurende eenige minuten in sneeuw gehuld en dan met eene oplossing van helsclie steen (1 : 'JO a 30) gepenseeld of met een stift helsche steen, die een weinig vochtig is gemaakt, bestreken.
12. Brandwonden.
Deze worden met een mengsel van kalkwater en boomolie (van beide evenveel) of met loodazjjn en boomolie, of met glycerine, waaraan men 5 a 10 procent kalkwater heeft toegevoegd, bestreken en dan, zoomogelijk, met boomwol verbonden.
263
!;i. Wonden en knenzinjen.
Bjj niot to zware verwondingen â boet-, scliour- en snijwondcnâ helpt meestal roods het herhaaldelijk af'wasschon mot water, waaraan wat arnika-tinctüur is toegevoegd, liij sterk hloodondo wondon doet men er bloedstillende watten op of' bestrijkt zo mot bloedstillend collodium; weinig bloedende wonden â aan kam, lollen on teenen â worden mot collodium bestreken, liet naaien van groote snij wondon late men liever aan eon veearts over, wanneer het ton minste de mooito waard is.
Kneuzingen worden eerst mot koud water afgekoeld, dan met een leem-pap bestreken, die men, door er gedurig water en azjjn (van beide gelijke doelen) op to laten druppelen, vochtig en koel houdt. Later bestrijkt men de plaats, na verwijdering van de pap, mot loodzalt' ot' eenig mild vet, of' wrijft die niet kamferspiritus in.
14. Beenbreuken.
Beenbreuken konion liet menigvuldigst voor aan de pooten en vleugels, doch nu en dan ook aan de ribbon, do schouder- en de bekkonbeonderen. liet gemakkelijkst is de behandeling en hot bandageeren dor beenderen van de pooten. vooral van hot loopbeen. Men handelt daarbij op do volgende wijze: Do op den rug gelogde patient wordt door oen persoon in die houding vastgehouden; oen tweede persoon zet hot gebroken been terecht door de brcukvlakton weder goed tegen elkander te brengen; hij houdt daartoe hot bovenste gedeelte van den poot mot de linkerhand vast en brengt, door voorzichtig te trekken, hot onderste gedeelten in zijn natuurlijkon stand, in welken hij don poot zoo lang houdt, tot oen derde persoon het verband hooft gelegd. Dit bestaat uit een strook wollen stof', die men in '2 of ii windingen effen en stevig om don poot windt, zoo, dat do gebroken plaats zich zoo goed mogelijk in hot midden van bet windsel bevindt. Daarna wordt er een even breede strook vloeipapier of' linnen, die men vooraf met eiwit of', nog beter, met waterglas heeft gedrenkt, vier of meer malen stevig doch niet al to vast om het wollen windsel gewonden, welke stevigheid men nog verhoogen kan door er onder het winden wat krijtwit of' gips op te strooien. Moot do breuk âgespijldquot; worden, wat bij eenvoudige breuken van groote beenderen het geval kan zijn, dan gebruikt men daarvoor dunne, stevige, naar de breedte van het been berekende reepen carton of' de dunste JSoorweegscho vorbandspaardors. Deze worden tusschen het wolion en hot linnen windsel zoo gelogd, dat de oeno reep aan den achter- en de andere aan den voorkant van het been komt te liggen;
zijtt er IJ s|iijl('ti noodig, dan logt men één aan ieder der zijden en één aan den voor- of' achterkant. Het verband blijft zoo 4 weken lang zitten. In den eersten tijd moet men onderzoeken, of' liet ook te vast of to los is gelogd; in het eerste geval kan de poot boven of onder het verband opzwelion en moet het verband voorzichtig een weinig losser gemaakt of dienen de zwellingen gedurende oonige dagen mot zinkwator of zinkzalf' bestreken te worden; in hot andore geval moot het verband wat steviger gemaakt worden, wat niet zoo gemakkelijk gaat.
Bij vleugolbeenbrouken moeten, na hot loggen van hot verband, de vleugels met smal lint aan hot lijf vastgebonden worden. i5ij liet leggen van een verband heeft men er voor te zorgen, dat het gebroken boen in de juiste ligging in betrokking tot de overige beendoron gebracht wordt. Bij breuken van don benedonarm is hot meestal voldoende, de benedenarm-slagpennen samen te binden on zo zoo l weken lang te laten zitten; bij een bovenarm- ofquot; onderschenkelbrouk worden voor do behandeling do voeren weggeknipt.
V. Rhenmatische en dcrjclijke aandueninycn.
1. Jicht, kramii. [Bumble-foolJ.
Bij het pluimvee openbaron zich â meestal aan de pooton â dikwijls mot gedeeltelijke lamheid gepaard gaande ontstokingen, die algemeen aan rheumatische aandoeningen doen donken, doch onder verschillende namen voorkomen, als: jicht, kramp, acute gowricbtsrheumatiok en vootzwelling (Eng. Bumble-foot). Dr. Ziirn onderscheidt zo in: a otterende en h jicht-achtige gewrichtsontsteking.
a. De etterende gewrichtsontsteking, die veel bij hoenders, doch ook bij duiven, voorkomt, treedt op in don vorm van kloinoro of grootero zwollingen â van de grootte van eon duiven- tot die van een hoenderei aan do voet- en vlougelgowrichton, zelden aan do bovenste halswervels.
Kenteekenen: Op de genoemde plaatsen ontstaan bijna plotseling zulke zwollingen, gepaard mot verschijnselen van koorts, zoodat de temperatuur bij boenders dikwijls tot 4'2.()0 Celsius stijgt. Deze zwellingen zijn steeds rood, erg warm en in het begin stevig op het gevoel; do zich in de nabijheid daarvan bevindende slagaderen kloppen heviger; bij aanraking dor gezwollen plaatsen geven do dieren blijken van grooto pijnlijkheid.
De gewrichtszwelling vertoont zich bij hoenders meer aan do pooten on voornamelijk aan het kniegowricht on hot middelvoetsgewricht on in het laatste geval ook aan do voetzolen. Do dieren worden dan lam in de
'265
pooton, bewegen zich zeer moeielijk en liurken liet liefst op de zitstokken of op den bodem. Aan do vleugels (meer bij duiven dan bij boenders) worden vooral de gowriebten tusscbon boven- en benedenarm en tusscbcn elleboog en liandwortel aangetast, waardoor de dieren nog slecbts Hadderon, niet meer vliegen kunnen. Na '24 a 136 uren is do beete en stevige zwelling woeker geworden; snijdt men er in (wat evenwel slecbts onder zekere, nader tc noemen omstandigheden aan te raden is), dan loopt er een in don regel beldere, zelden met bloed of etter vermengde vloeistof uit. Nog later vindt men er eene gelei- of kaasachtige gele massa in. Maakt men geene insnijding, dan verdwijnen binnen lt;S a i l dagen do koortsachtige versclnjnselen; de zwelling wordt koeler, minder rood en kleiner; alleen aan bot gewricht is nog eenige verdikking merkbaar en na meerdere weken geneest do kwaal dikwijls van zelf.
Vooi'behoedmiddelen en hvhandélinij: In de eerste plaats beeft men te zorgen voor een warme en droge verblijfplaats, daar de kwaal voornamelijk, zoo niet geheel, het gevolg is van langzame koudevatting in vochtige, koude bokken en rennen. Alle andere, ook als oorzaken opgegeven omstandigheden (te kantige of to dunne zitstokken, scherp grint in do ren, uitwendige beleodiging dor pooton enz.) zijn zeker alleen in verbinding met koudevatting in staat, deze kwaal te veroorzaken of het uitbreken daarvan te verhaasten. Het warm houden der patienten in een bepaald droge ruimte is het boste en gemakkelijkste middel om genezing te verkrijgen. Tevens geve men dadelijk van het begin af dagelijks â¢! salicylpillen (0,3 gram salicylzunr, in spiritus opgelost en met meel en water tot een pil gemaakt). Verder houdt men de ontstoken en gezwollen plaatsen koel door er in loodwater gedoopte watten, werk e. d. om te wikkelen of een uit leem, water en azijn bestaande pap, welk een en ander men koel en vochtig houdt dooier nu en dan wat azijnwater op te laten droppelen. Zijn de zwellingen wat vaster geworden, dan wrijft men ze één keer daags in met kamferspi-ritus of zeer verdunde jodium-tinctuur (i : ISO a 50) en wikkelt het lijdende gewricht in werk, jute e. d.
Alleen wanneer de zwelling aan de voetzolen voor de genoemde middelen niet wil verdwijnen, doch in tegendeel grooter wordt en men daarin een weeke, brijachtige inhoud voelt, alleen dan mag men zijne toevlucht nemen tot hot mes, de zwelling opensnijden en den inhoud er uitdrukken of mot een lepeltje uithalen.
Heeft men den inhoud zoo mogelijk geheel verwijderd, dan stilt men het bloeden door bloedstillende watten, om dan later de wonde of opening in- en uitwendig met verdunde jodiumtinctuur (1 : 10) te penseelen.
De jichtachtige gewrichtsontsteking heeft veel overeenkomst met de
260
vorige; alleen wordt zij lioofdziikelijk aan liet voetgewricht, zelden aan de vleugelgewrichten aangetroffen. Zij komt bij hoenders, pareihoenders (en duiven) voor en openbaart zich ook in zwellingen met dezelfde gevolgen (lamheid, enz.), terwijl door bet vele liggen op de borst deze dikwijls wonde plekken bekomt. De zwelling vergroot langzamerhand, wordt zeer hard en vormt in 't laatst een soort gekristalliseerde massa, welke uit piszuurkristallen of kalkzouten schijnt te bestaan. Door die verharding onderscheidt deze ontsteking zich duidelijk van de hiervoor genoemde en verder ook door haar langzaam verloop; dikwijls openbaart zich de ziekte aan den eenen voet ] a .j, jaar later dan aan don anderen. Dan zijn in den regel ook eerst de volgende konteekenen waarneembaar: gebrek aan eetlust, bloedarmoede, vermagering, bleekheid van kam en slijmvliezen; eindelijk sloopt een sterke diarrhecbet verzwakte lichaam geheel en al en volgt de dood. Het krampachtig samentrekken der teenen naar onderen, zoodat de dieren op de samengetrokken voeten staan, wordt dikwijls ook als eene afzonderlijke kwaal, als kramp, beschouwd en beschreven.
Voorbehoedmiddelen: dezelfde als de onder u genoemde.
Behandeling: van het begin af salicylzure pillen, geheel zooals onder a is aangegeven; omwikkeling der aangetaste declen niet verwarmde wollen lappen of werk; wanneer de zwellingen geen pijn meer veroorzaken, kan men zo zacht inwrijven met kamferspiritus of spiritus met mierenzuur.
2. Beenzivahte. Beenweekheid. Rachitis.
Beenzwakte, die zich veelal openbaart in verbuiging van sommige beenderen (borstbeen enz.) wordt voornamelijk bij de hoender vogels, minder bij duiven en zeer zelden bij watervogels waargenomen.
Onder de hoenders zijn bet vooral de zware rassen, welke er aan lijden en wel reeds op den leeftijd van 3 a G maanden. Oorzaak dezer kwaal is gebrek aan do noodige hoeveelheid been vormende voederstoffen en kalkzouten in den groeitijd.
De ervaring heeft geleerd, dat deze ziekte het menigvuldigst voorkomt bij kuikens, die in een beperkte ruimte opgesloten zijn of alleen vrij rondloopen in tijden, dat dierlijk voedsel â vooral insecten â ontbreekt. De eerste kenteekenen vertoonen zicb reeds, als de dieren 4 weken oud zijn, wanneer de ontwikkeling van bet gevederte liet sterkst is en eene menigte hoorn- en bjmvormende stoffen vereischt worden. Deze stoffen bieden de insecten in ruime mate en wanneer zij ontbreken, dan heeft de vedervorming plaats ten koste van de totaal-ontwikkeling der dieren; do beenvorming blijft ten achter, er ontstaat bloedarmoede en eindelijk uittering.
267
in rli) eerste periode, die der eerste bevedering, is beenzwakte bezwaarlijk tegen te gaan door alleen beenvormend voeder te geven, doch wel door ook Ijjmvormend voer te verstrekken, 't zij in den vorm van insecten, 't zij door de dieren visch met schubben en graten e. d. te voeren. Men vergelijke hierbij het dienaangaande in Hoofdstuk IV over kuikenvoeding gezegde.
Dat het te vroeg rusten op zitstokken de oorzaak van beenzwakte zou zijn, is eene dwaling. Aan beenzwakte lijdende dieren zullen van het te vroeg rusten op zitstokken eerder de nadeelige gevolgen, als verbuiging van het borstbeen enz. ondervinden dan volkomen gezonde kuikens; de eigenlijke kwaal komt echter even goed voor hij kuikens, die op den grond als lijj die, welke op zitstokken slapen.
Kenteckenen: De dieren hebben geen lust om te loopen en een onzeke-ren gang; later gaat het loopen moeilijk, wat men o.a. merkt aan het herhaaldeljjk snakken naar lucht: eigenaardige weekheid der beenderen (pooten, vleugels, wervelkolom, borstbeen, bekken enz.), verbuiging van deze, vooral van het borstbeen, enkel of dubbel (g vormig), daarmee gepaard gaande bloedarmoede en uittering.
Voorbehoedmiddelen: flinke voeding met doelmatige voederstoffen, zooals in het daarop betrekking hebbend hoofdstuk is beschreven.
Behandeling: Een warme en droge verblijfplaats; goed phosphorzuur- en kalknjk graanvoér, het best gebroken; vleeschvoeder (insekten en vischvoer niet te vergeten); beenderenmeel in het weekvoer of, in de plaats hiervan, gebrande en fijn gemaakte oesterschelpen of kalk van oude muren, benevens 1 a '2 gram basisch phosphorzure kalk dagelijks per dier door liet weekvoer. Als drank geve men % ijzervitrioolwater, of witte wijn, waarin gedurende langen tijd spijkers hebben gelegen. Bij merkbare bloedarmoede en vermagering geve men bovendien 0,05 a 0,1 gram tot stof gemaakt ijzervijlsel dagelijks per dier in het weekvoer.
3. Hartziekten.
De hartziekten, zoowel die. welke door splijtzwammen als die welke niet door parasieten worden veroorzaakt, zijn nog te weinig waargenomen, de geneesmiddelen nog te weinig beproefd en de dood is, zelfs bij een langen duur der ziekte, zoo zeker, dat er behalve naam en kenteckenen, weinig van valt op te geven.
a. Aangaande de door de gevaarlijke splijtzwammen veroorzaakte hart-spier- en hartklepontsteking zijn tot nog toe de volgende kenteekenen waargenomen: benevens do algemeene verschijnselen (gebrek aan eetlust.
268
onbehagclijklicid, liet luirkcn op don grond op donkere plaatsen) openbaart zich vooral eeno groote zwakte in één of beide pooten, ten gevolge waarvan bet dier wankelt eti lam wordt en bij de pogingen tot loopen aan ademnood bjjdt en soms werkelijk naar lucbt snakt â een beenzwakte, die men gewoonlijk voor een gevolg van rbeumatiek boudt. Ook doen zich wel teekenen van koorts voor, terwijl de patienten meestal niet mager worden.
De langzaam verloopendo ziekte bepaalt zich meestal tot enkele dieren, doch moet ook wat bij besmetting door de microscopiscb kleine zwammen geen verwondering baart â reeds als epidemie zijn waargenomen, docli slecbts bij hoenders ot' duiven.
h. Hartvliesontsteking komt eveneens slechts bij hoenders en duiven voor, zelden bij watervogels. Kenteekenen zijn: een voeibare en snelle hartslag, soms moeieljjke ademhaling en de algemeene ziekteverschijnselen. De dood volgt, als do kenteekenen duidelijk kenbaar zijn, zeer spoedig.
Behandeling: Misschien zou het do moeite waard zijn de proef te nemen met digitalistinctuur, '2 a 1 droppels niet een weinig water, dagelijks 2 of :i maal.
VI. Geslachtelijke ziekten.
1. Van hel mannelijk ijedaehl.
Deze zijn waargenomen aan de zaadballen van hoenders en duiven en aan de roede van ganzen en eenden.
Wat de eerstgenoemde aangaat, zijn behalve opeen hooping van kalk in de ballen en vergrooting en misvorming van deze, ook nog kankerachtige en tuberculose ontaardingen voorgekomen; betreffende de genezing, indien die mogelijk is, valt echter niets zekers te zeggen.
Soms zijn do randen van de cloaca bij den baan gewond, wat hem zeer waarschijnlijk hindert in het vervullen zijner plichten ten opzichte van de hennen. Men wascht die gewonde doelen in zulke gevallen met [ a I % carbolwater en bestrijkt ze dan mot vazeline, room, ongezouten boter of een ander mild vet.
De roede van den woerd kan soms na eene plaats gehad hebbende paring om do eene of andere reden niot in do cloaca teruggetrokken worden, hangt dan geruimen tijd daar buiten eu sleept over den grond â misschien oen reden, waarom watervogels over 't algemeen liever op het water paren dan op het land. Wil men bier hulp verleenen, dan moet in de eerste plaats de roede van het daaraan gekleefde vuil ontdaan, dan met olie bestreken en met den vinger in den daarvoor bestemden zak terug gebracht worden;
260
hot betten der roede met warme azijn wil wol eens oeiie vrijwillige terugtrekking' ten gevolge hebben.
Ontstaat er tengevolge van niishandeling aan het aditerlijjf spierverlam-ming van de naar buiten getreden roede, dan is het dior voor de teelt verloren, tenzij men, door de roede en de omgeving der cloaca met prikkelende middelen â kamferspiritus of'spiritus met mierenzuur in tis wrijven, het zoover kan brengen, dat de roede van zelf weder naar binnen gaat. Men dient er natuurlijk voor te zorgen, dat de over den grond slepende roede niet te erg bevuild of' gewond wordt.
2. Van hel vromvelijk tjeslaclU.
a. Ziekten van den eierstok [Ovarium).
Daar deze ziekten zeer moeilijk zjjn te onderkennen en hare behandeling tot nog toe volkomen onbekend is, zoo bepalen wij ons tot den raad, om zulke dieren, bjj welke men de aanwezigheid van een groot gezwel, eene groote dikte, duidelijk voelen kan, te slachten voor ze te zeer vermageren. Misschien dat het vleesch dan nog bruikbaar is, doch in elk geval dient het onderzocht te worden, daar bet gezwel ook van kankerachtigen of tuber-culosen aard kan zijn.
De eierstok der vogels is alleen aan de linkerzijde volkomen ontwikkeld cti verdwijnt bjj toenemenden ouderdom dikwijls geheel en al, in welk geval de hennon mannelijke eigenschappen verkrijgen, en wel in kleur, veder- en kamvorming, stem enz. Zulke hoenders kraaien o.a. ook. Ook komt soms een aangeboren verschrompeling van den eierstok voor, in welk geval de dieren onvruchtbaar zijn.
b. Ziekten van den eileider of tegdnrni (Oviduct).
Ontsteking van den legdarm is bij alle pluimvee, doch voornamelijk bij hoenders waargenomen. Zij verloopt nu eens snel dan eens langzaam en is slechts zelden te genezen. Oorzaken zijn gebrek aan kalkzouten, te groote productiviteit, te groote, schaallooze of' gebroken eieren, uitwendige belee-diging en gevolgen van de eene of andere ziekte.
Kenteekenen: het leggen van windeieren, zelden en moeilijk leggen, wat zware legnood kan worden; vergeefsche persing, het wrjjven met het achterlijf over don grond, onrustig rondloopen; het uitpersen van eiwit of in slijm gehulde kalkstoffen. Het in den regel opgezwollen einde van den mestdarm is in de cloaca opgedreven.
Voorbehoedmiddelen: zorgen voor kalk of' kalkzouten; het zorgvuldig nagaan der dieren, om zo desnoods tijdig te kunnen slachten en gebruiken.
Daar de behandeling zeer lastig is en zelden met succes bekroond wordt,
270
zoo verwijzen wij dienaangaande naar het vroeger genoemde werk van Zürn, pag. KiO, waar ook sprake is van een legdarmgezwel, dat 10 centim. in middellijn was, een breedteomvang van 25 en eon lengteomvang van IK) centim. had.
c. Uitzakking van den legdarm. (Omstulping van den legdarm).
Het onderste gedeelte (de scheede) wordt soms door buitengewoon groote eieren mede in de cloaca gedreven, in welker opening dan de roode binnenvlakte der scheede te zien is.
Hierdoor wordt de legdarm en tevens de dikke zoom van de cloaca naar buiten omgeslagen. Deze kwaal kan ook ontstaan door het gebruik van prikkelende middelen ter bevordering van het leggen eu misschien ook door hot vastraken van den mest in de cloaca-holte.
Voorbehoedmiddelen: geen of slechts zeer weinig prikkelende voedermiddelen in den tijd van het leggen; vooral geen of zeer weinig hennepzaad, niet te veel vleeschmeel of uitsluitend dierlijke kost, maar op zijn ininat één maal daags ook korenvoeder en, zoodra er iets van de kwaal merkbaar is, liever fijne tarwe dan gerst. Ook dient de patient afgezonderd te worden.
Behandeling: Men bet de eerst afgewasschen deelen met warmen wijnazijn, penseelt ze daarna met olie en tracht ze dan met den vinger weder naar binnen te brengen.
Herhaalt zich de kwaal, dan doet men een stukje ijs in de aarsopening, wat echter dikwijls op nieuw moet geschieden en alleen helpt, als er nog geene sporen van ontsteking zijn als: een blauwroode, paarse of zwarte kleur van den legdarm. De patient wordt daarna zoo lang op eene donkere plaats alleen gezet bij schrale voeding, tot er geen herhaling meer te vreezen is. Om den patient rustig te houden, mag men buitendien dagelijks tweemaal een pil geven van 0,00 a 0,08 gram zuivere opium en onder omstandigheden ook zwaardere giften, daar het pluimvee zonder schade een zoo groote dosis opium verdragen kan, dat een mensch er aan zou sterven.
d. Legnood is een gevolg van ontsteking of zwakte van den eileider, voornamelijk van den uterus, het wijde gedeelte, dat bij het uitdrijven van het ei zoo groote diensten doet. Daar de eieren met het stompe einde vooraan naar buiten geperst worden, kunnen buitengewoon dikke eieren met een zeer stomp afgerond uiteinde het leggen ook aanmerkelijk verzwaren.
Zonder twijfel kunnen ook de zoogenoemde windeieren, eieren zonder schaal, het loggen zeer bemoeilijken. Wanneer prachtvinken aan legnood leden en geholpen moesten worden, bleek het vastzittende ei in de meeste gevallen een windei te zijn.
Kenteekenen: treurig rondloopen der dieren, wanneer zjj zonder gelegd te hebben van het nest komen. Soms blijven zij echter op het nest zitten
271
en leggen dan op het laatst nog; komt liet ei echter niet van zelf', dan moet liet dier goholpen worden.
Men kan in zulke gevallen helpen door voorzichtig wat lauw water en boomolie in de aarsopening en den mond van den eileider te spuiten; men doet dit het best met een spuit, waaraan een buigzame (elastieken) canule. Ook wil het vaak wel gelukken het ei los te krijgen, als men met een in olie gedoopte veer, zoover mogelijk in den legdarm op, de wanden daarvan bevochtigt en met duim en vinger zachtjes het ei vooruitschuift tot aan den mond van den eileider; daarna gaat het wel van zelf. Men legt de hen daartoe op den rug en vat de buik, even boven de plaats, waar bet ei zit, met duim en twee vingers aan, zoo, dat de duim en de eene vinger het ei van ter zijde en de andere vinger het een weinig achter do punt aanvat, en beproeft het zoo door zachtjes te drukken en te schuiven vooruit te brengen. Bereikt men echter soms met dit een en ander niet zijn doel, dan geeft Zürn nog als probaat aan, twee lange haarnaalden (even in olie gedoopt) met het omgebogen gedeelte naar binnen te schuiven, zoo, dat men het vastgeklemde ei daartusschen krijgt, waarna men het gemakkelijk naar buiten kan werken.
Het ei te doorboren of stuk te drukken is af te raden, omdat daardoor licht inwendige deelen beschadigd worden; men doe zulks daarom niet, vóór alle andere middelen beproefd zijn.
Wind- of vlieseieren, zulke die geen of slechts een dunne buigzame schaal hebben, komen meestal alleen bij boenders en duiven voor, uiterst zelden bij watervogels.
Oorzaken van dit gebrek zijn onvoldoende kalkhoudende stoffen in het voer, te goed, vetmakend voer, ontsteking van den eileider, te veelvuldige paring, angst en schrik. (Dit laatste wordt door Zürn ontkend).
Voorbehoedmiddelen: doelmatige niet te overvloedige voeding, voldoende kalkstoffcn, niet te weinig kippen bjj één haanâ0 tot 15, al naar de rassen.
De behandeling is zeer eenvoudig: aan de zoo pas genoemde voorbehoedmiddelen kan nog toegevoegd worden: afzondering van den haan gedurende eenige dagen en tot kalmeering 10 droppels opiumtinctuur in een theelepel vol slijm, eenige keeren daags in te geven.
3. Ziekten der eieren.
Hiermee bedoelen we de aanwezigheid van stoffen in het ei, die er niet in behooren. De vreemde voorwerpen, die er nu en dan in voorkomen, kunnen daarin niet anders komen dan terwijl het ei in den eileider is. Dit geldt ook van alle plantaardige en dierlijke parasieten, welke men tot nog
'272
toe in (!(' eieren gevonden heeft, als li soorten ingewandswonnen (liutwonnen en stukken daarvan, een zuig worm en (ien spoel worm) en draadbacteriën (spljjtzwanunen), welke liet bekende, naar zwavelwaterstof riekend bederf veroorzaken en van welke men, evenals van de insgelijks in eieren gevonden gistkiemen aanneemt, dat zij tijdens de paring in den eileider zijn gekomen.
Daarentegen moet bet door een beele rij van scliiininelzwainmen veroorzaakte bederf der eieren zonder uitzondering worden toegeschreven aan oorzaken buiten den eileider, d. w. z. nadat het ei reeds gelegd is, en alleen tegen deze vijanden kan men op zijne hoede zijn. Men vergelijke hierbij, wat onder âConserveering der eierenquot; is medegedeeld.
C. VIJANDEN DER HOENDERS EN BESCHERMING ])AARTEGEN.
Een goede hond houdt vossen, kalian, hwnhujs en dergelijk gespuis buiten den hoenderhof en de woning. Wezels, rallen en tmiizen - de laatste doen den kuikens veel meer kwaad, dan men gewoonlijk meent â zijn door strikken en vallen, katten en egels gemakkelijk uit don weg te ruimen. Een flinke haan â hij behoeft juist niet tot het Vechthoenderras te behoo-ren. â beschermt zijne hennen tegen den havik (Astur palumbarius), den eenigen roofvogel, die zich aan volwassen hoenders waagt; er zijn tal van gevallen bekend, dat de stoute roover verslagen of op de vlucht gedreven werd. Het wijfje van den Sperwer (Astur nisus) â hot mnnnetje zelden doet nu en dan een aanval op de kuikens. Beide, zoowel in de vlucht als zittend roovende haviksoorten, alsmede de Slechtvalk [Faleo iic.reyrinus), die ook half volwassen hoenders en eenden rooft, als hij zo aan 't vliegen kan brengen want hij grijpt alleen in de vlucht zjjn do voornaamste vijanden der duiven, welke het doldrieste sperwerwijfje soms zelfs tot op het duivenslag en dwars door de vensterruiten vervolgt. De Wouw fMilvus milvus, (M. regalis Schl.)| vooral, doch ook Milvus nvjvans, do zwartbruine Wouw, die zich in de nabijheid van het water ophoudt, zoomede hunne in de Oude-en Nieuwe wereld levende verwanten, geven door hun algetneenen naam âKuikendievenquot; reeds te kennen, dat zij specialiteiten zijn in het rooven van jong pluimvee. Zij zijn de schrik der jonge ganzen- en pluimveehoeders en keeren steeds terug naar de plaats, waar zij eenmaal een prooi vermeesterd hebben. Ook de Bruine Kuikendief | Circus aeruginosas, (Circus rufm) \ steelt in de nabijheid van zijne woonplaatsen â weilanden, moerassen en plassen â dikwjjls jonge hoenders en half volwassen eenden en behoort bovendien tot de meest vraatzuchtige nestverstoorders. De overige dagroofvogels, alsmede de Uilen, zjjn over 't geheel eerder tot de nuttige dan tot de schadelijke dieren te rekenen. De Kerkuil (Strix Hammea) en de Steenuil
273
[Carino (Strix) noctua] worden dikwijls vrtscdzaam broedende naast duiven aangetroffen en kunnen onsehadelijk voor het pluimvee genoemd worden. Ofschoon zij niet officieel tot de roofvogels worden gerekend, vormen de Kraaien soorten (Corvus corax, Corone corone en Corone cornix) raaf, zwarte en bonte kraai en de ekster [Corvus (Pica) pica] een ware rooversbende en rooven eieren en kuikens, waar zij die slechts kunnen krjjgen. Eenige
goed gemikte schoten zjjn echter in den regel voldoende om deze en andere roovers het terugkooren af' te leeron. Daar zjj meestal op bepaalde uren van den dag hunne strooptochten houden, kan men er heter liet oog op houden en met succes van een vuurwapen gebruik maken. Waar men echter niet mag, wil of kan schieten, is een der bekende roofvogel va Hen aan te hevelen, die dan ook bij een hoenderpark slecht gemist kan worden.
De goedkoopste, eenvoudigste (gt;11 voor alle dag- en nachtroofvogels geschikte val is zeker die van Kallmann (fig. 74). Een net met tameljjk wijde Baldamus, Pluimveeteelt. 48
ik
274
niazon is los over eon stevigcn vioi'kaiiten Iiouton beugel gospauiuui, waarvan lt;!(' zijstaven ongoveer 4 imi de andere ongeveer '2 Miitor lang' zjjn. De eene breedtestaaf a (op de teekening de onderste) is wat langer en is met do uiteinden draaibaar in twee stevig in den grond bevestigde baken h (goed bevestigde ijzeren ringen zijn beter) en draagt aan een, een weinig vooruitspringenden arm c een gewicht d, dat bet neervallen van den beugel bespoedigt en daarbij in een daaronder gegraven gat in den grond zakt. Aan een aebter den beugel staande paal c is. ongeveer 'J.1, ]\I. boven den grond, een houten tang of' vork f bevestigd, welke om een dwars over bet midden van den beugel bevestigd touw grijpt en door middel van een spring-of zethoutje ;/, dat om de kegelvormig toegespitste tangpunten \i geschoven wordt, bot touw vasthoudt en het geheele toestel in eene bijna loodrechte richting staande houdt. Van de punt van bet zethoutje loopt een stevig touw naar het bovenste gedeelte van een wijdmii/.igen ijzeren kap i, die door een dun, veerkrachtig staafje /.â ongeveer 5 centimeter boven den grond en boven een kooitje / zwevende wordt gehouden. Dit kooitje moet vrij dicht getralied zjjn, opdat de roover den zich daarin bevindenden lokvogel, een duit', mus-schen e. d. niet raken kan. Stoot de roofvogel op den lokvogel, dan moet bij den ijzeren kap raken, waardoor het stelhoutje van do punten der vork glipt, bet toestel neervalt en de roover gevangen is. De in tig. 74 gegeven teekening is genomen naar de in prof. Dr. J. J. Naumann's meesterwerk: âNatnrgeschiclite der Yögel Deutschlandsquot; voorkomende en stelt het vang-toestel voor in den oorspronkehjken vorm, zooals het door den vader van den genoemden ornitholoog vervaardigd werd.
Ofschoon katten wel eens gevaarlijk kunnen worden voor jonge kuikens, is het toch voordeelig er een paar te houden op een hoenderpark. Zjj kunnen er tal van muizen en ratten onschadelijk maken en, wanneer ze van jongs af' bjj kuikens worden groot gebracht, gemakkelijk zoo gewend worden, dat ze dezen geen kwaad doen.
Vreemde katten moet men door overhangend draadwerk aan de muren en bet traliewerk der bokken beletten bij de kuikens te komen, of men vangt ze en maakt bun, ingeval men ze niet mag dooden, bet terugkeeren onaangenaam door een flinke koudwaterdouche, het best door middel van een tuinspuit.
Wij hebben reeds een zoo groot aantal, meestal zeer kleine woekerdieren als de oorzaak van vele en gevaarljjke ziekten loeren kennen, dat we wel mogen zeggen, dat niet de groote roofdieren, maar het kleine, deels met bet bloote oog geheel niet zichtbare, dierlijk en plantaardig parasieteudom
275
als do gevaarlijkste en liet moeiljjkst te weren en te vernietigen vijanden van het, pluimvee is te beschouwen. Ook in aantal, zoowel van soorten als van individuen, overtroffen zij alle andere grootere roofdieren: juist liunne ongeloofeijjk groote vermeerdering is het, die lien zoo gevreesd maakt zoowel bij menschen als bij dieren, want een enkele doet anders al weinig of in 't geheel geen kwaad. Om slechts eenige voorbeelden te noemen, zoo âwegen 030 milliarden van zekere bacteriënsoort slechts 1 gram. Ieder van deze bacteriën verdoelt zich in één uur tijds éénmaal, ieder der hierdoor ontstane bacteriën (weder zelfstandige individuen) verdeelt zich in het volgende uur weder eenmaal enz. De nakomelingen van één zoo'n bacterie zouden, wanneer zij allo bleven leven en zich zoo vermenigvuldigden, in 24 uren het 40sto deel van een milligram wegen, in -48 uren echter reeds 442 gram cn in 72 uren 7 ', millioeu kilogram. Als de Natuur zelve geene grenzen stolde aan eene zoo kolossale vermeerdering, zou alles wat leeft door deze enkele bacterie-soort vernietigd moeten worden.quot; (Prof. Colin en Zürn).
De duivenspoehvorm wordt dikwijls bij honderden in eene duif aangetroffen, zoodat bet darmkanaal geheel en al daarmede is opgevuld, en âde ongeveer 7 gram wegende mest, die een zeer zieke duif binnen 24 uren ontlastte, bevatte ongeveer 12000 eieren van dezen ingewandsworm.quot; (Un-terberger). Is liet wonder, dat er geheele duiventillen door verwoest worden ?
En bovendien, hoe vele soorten van deze kleine vijanden heeft het pluimvee niet! Van den lintworm heeft men tot heden gevonden; in het huishoen 7 soorten, in de eend 10, in de gans 4 en in duiven en kalkoenen ieder 1 soort; van de overige ingewandswormen herbergt het hoen er 20 soorten, eend en gans ieder 13, pauw en duif ieder 4, de kalkoen 3 en liet parelhoen 1 soort. Van de mijten en vederluizen kent men bij het hoen 11 of 12 soorten, bij de duif 9, bij kalkoen en parelhoen 3, bij de pauw 4, bij ganzen en eenden 4 soorten. Het aantal pluimveevijanden onder do plantaardige parasieten zal wel niet kleiner zijn, hoewel hun aantal bij lange na nog niet bekend is.
Moet de pluimveehouder niet bang zijn voor zoovele slechts ten deele zichtbare vijanden? Neen! Want ten eerste zijn niet allen zoo gevaarlijk als de weinigen, welke de epidemieën plegen te veroorzaken, en ten tweede hebben de verdienstelijke geleerden en onvermoeide natuurvorschers, welke ons deze vijanden hebben loeren kennen, ons ook de middelen aangewezen om ze te bestrijden en te vernietigen en zijn zij nog steeds bezig, door verdere nasporingen aangaande de parasieten, de wetenschap en daarmede ook de praktijk onschatbare diensten te bewjjzen.
We hebben hier nog met een enkel woord te spreken over de zoogenoemde! imhtrluizm: onderfamilio MaUopImtjH, Hiertoe beboeren de groote
'270
en do glanzige âganzenluiaquot;, do âhoondorluisquot;, alsmede do oj) het parelhoen, de pauw en de kalkoen lovende lain, wolko alle tot het geslacht Liatheurn bohooren; verder die, welke tot liet geslachtbohooren, van wolke or 4 op liet hoen, '2 op do kalkoen. '2 op liet parelhoen, '2 op de gans, '2 op do pauw, '2 op do iluif en 1 op de eend voorkomen, welke verscliillende woekerdieren allo in do vroeger genoemde werken van Prof. J)r. Heller en Prof. Dr. Zürn zijn beschreven.
Deze âluizenquot; zijn geene bloedzuigers, ofschoon zij zich wel in de huid van hunnen hospes vast bijten en dezen daardoor en door hun snel rondloo-pen tusschen de veeren veel last veroorzaken en 's nachts in zijne rust storen, en menigmaal van het nest drijven. Zij voeden zich met de huidschilfertjes en stukjes van de veeren.
Voorbehoedmiddelen: goed ingerichte hokken zonder reten en schuilhoeken. zooals die in 't volgende hoofdstuk zjjn beschreven ; de grootst mogelijke zindelijkheid en kalkstof! Kalkstof houdt dit en dergelijk gespuis tegen of vernietigt hot bepaald zeker, als men er maar op de juiste wijze mee omgaat. Men werpt dit meelfijne stof met de hand zoo lang tegen de zoldering en do 'wanden van het hok, tot, wanneer dc stofwolk zich eindelijk gezet heeft, alle gaatjes, reten en hoekjes er van doordrongen zijn en het geheele hok met een dun langjo kalk bedekt is. Het op den grond gevallene veegt men mot den mest iu een hoek en herhaalt deze bewerking een- of tweemaal. Dit is het goedkoopste, zekerste eu minst gevaarijjke middel ter verdelging van deze en dergelijke parasieten eu levert danrbij nog een kostbaren mest op.
Van de schurftmjjt der hoenders is onder âkalkpootenquot; gesproken. Twee andere, de hindicecfschnijl en de hichtzukmijl, schijnen geen bijzondere storingen bij do hoenders en fazanten te veroorzaken, wanneer zjj in gering aantal annwezig zijn. Do kalkachtige omhulsels der gestorven bindweefsel-mjjten vindt men in den vorm van geelachtig witte plekjes, ter grootte van ceu rescdazaadje, onder de huid dor hoenders en fazanten; de levende mjjten zijn moeilijk te ontdekken. Jn groot aantal aanwezig geven die talrijke gele lichaampjes aan het vleosch van liet slachtgevogelte op zijn minst een onamakolijk aanzien. Do wijfjes loggen eieren, welke reeds ontwikkelde jongen bevatten. Dr. Heller vond deze mjjt bij ongeveer 70% der door bom onderzochte hoenders.
Do luchtzakmjjt wordt zeer dikwijls in do luchtholton van buik, borst en beenderen gevonden. Men ziet zo op do fijne omhulsels dezer lucht-bolten in den vorm van witte bewoeglijko puntjes, dikwjjls in enorm groot aantal, mannetjes en wijfjes on de levend ter wereld gekomen jongen, allen door elkander. Sterk door deze mijten geplaagde hoenders laten soms een eigenaardig, naar gi-jik klinkend geluid hoeren.
'277
Het zou ons te ver voeren, wanneer wjj ons ook nog met de parasieten van de laagste organisatie â (jreyarincn en iMorosiicrmirn en met de plantaardige parasieten gingen bezig houden, hoewel juist deze het zijn, in welke de nieuwste onderzoekingen de oorzaken hebben ontdekt der gevaarlijkste ziekten en epidemieën, ook onder liet pluimvee.
Belangstellenden verwijzen wij ook dienaangaande naar het voortreffelijke werk van Dr. Heller.
We ineenen echter te moeten aanraden, verdere proeven te nemen met anjjsolie ot' het eene of andere extract van anijs.
Zesijk 1 [ooi*'ijst uk.
Aanlog, woiiiiigon, inricliliiig en bedrijf'.
Wat den aanleg van hoenderfokkerijen betreft, moeten we in de eerste plaats de gunstigste en meest wenschehjke voorwaarden vaststellen, waarbij evenwel valt op te merken, dat, wanneer de natuur ons de eene of andere voorwaarde niet aanbiedt, wij eensdeels moeten trachten door geschikte maatregelen daarin te voorzien, anderdeels ook door rassen te kiezen, die door een groot weerstandsvermogen aan de ongunstige lokale omstandigheden het hoofd kunnen bieden. Zoo zal men bijv., wanneer men ook slechts een klein aantal hoenders houdt voor huislioudehjk gebruik of uit liefhebberij, hun toch niet altijd zulk eene groote, of zoo ingerichte ruimte kunnen geven, als wel overeenkomstig hunnen aard en voor hunne gezondheid en hun gedijen de beste is; niettegenstaande dat kan men evenwel â zooals duizende malen is bewezen -â met lust, liefde en verstand tot op zekere hoogte in het ontbrekende voorzien en een daarmede overeenstemmend nut en genoegen van de dieren hebben.
De algemeene eischen, aan welke zooveel mogelijk voldaan moet worden, laten zich in het volgende samenvatten; de bodem moet droog zijn of iu elk geval zoo, dat hij het water goed doorlaat, alzoo beter hoog dan laag, het liefst zandig en kalkachtig en, zoo hij teveel waterhoudend is, moet 'Mi zooveel hellen, dat liet water toch kan wegloopen. Plantengroei is wenscheljjk; het best zijn met gras begroeide boomgaarden, droge weiden met het noodige beschuttend struikgewas, parken, boschpartjjen; op zijn minst moeten de dieren periodiek vrijen uitloop in het veld hebben. Het geheel moet zooveel mogelijk tegen noorden- en oostenwinden beschut zjjn; vooral geldt dit van de hokken en rennen.
Voor de hokken wordt vereischt I vierkante meter voor elk achttal
278
liouiiclers, dus voor 20 lioenders 2.J vierk. meter, terwijl zij op zijn minst zoo hoog moeten zijn, dat men er rechtop in kan loopen; voor kleine toornen hoenders is eene hoogte van 1.80 M. voldoende, voor grootere neme men 2 M. a 2.5 M. hoogte.
Men make geen buitengewoon groote gebouwen, in geen geval grooter dan voor 100 a 120 hoenders en dan nog in zoovele afdeelingen verdeeld, dat er in iedere niet meer dan 15 a 20 hoenders komen. Nog beter echter is het, zooveel afzonderlijke bokken te maken, dat ieder 15- a 20tal er één heeft, welke men, zoo ze van hout zijn, zoo kan inrichten, dat ze verplaatsbaar zijn, wat groote voordeden oplevert.
De wanden van de hokken moeten (//acü-gescliaafd of gepleisterd en gewit zijn, welk laatste ongeveer elk halfjaar herhaald moet worden; de bodem moet bevloerd zijn met hout, vloertegels of cement.
Espanet beveelt, als een uitstekend middel om het ongedierte tegen te gaan of te dooden, aan, de witkalk met gedeelto zwavelkalk te vermengen. Men maakt deze zwavelkalk, door een handvol bloem van zwavel en drie handenvol fijne, ongebluschte kalk een half uur lang in 10 Liter water te laten koken. Men bewaart het in gesloten tlesschen of iets dergelijks en kan het bezinksel drogen en in het zandbad gebruiken.
Door het aanbrengen van ventilatiebuizen in bet dak of in de zijwanden, dicht bij het dak, zorge men voor de noodige luchtverversching. Deze openingen moeten door kleppen of traliewerk sluitbaar zijn om nachtelijke bezoeken van roofdieren te voorkomen. Evenzoo moeten ook de openingen, die den hoenders tot uit- en ingang dienen en 20 a 80 centimeter boven den beganen grond liggen, sluitbaar zijn met stevige houten of ijzeren kleppen.
Tot de inwendige inrichting der hokken behooren de zitstokken en de legnesten. Eerstgenoemde make men, om ze gemakkelijk en beter schoon te kunnen maken, niet vast aan de wanden, doch doe ze met de einden in ingekeepte en aan de wanden bevestigde klossen rusten.
De zitstokken moeten 40 centim. van den wand en 80 centim. van elkander verwijderd zijn en eene breedte hebben van 7 a 8 centim.; de bovenkant er van wordt afgerond, zoo, dat ze in dwarsdoorsnede dezen vorm
hebben Q en dan aan de kanten 2 en in 't midden 2.j, a li centim.
dik zijn. Alle zitstokken moeien op dezelfde hoogte aangebracht worden â niet trapsgewijze boven elkander â daar de hoenders anders eiken avond om de hoogste plaatsen vechten; voor zware Aziatische rassen neme men de hoogte boven den bodem 150 a 40, voor lichtere 60 a 70 centimeter. Zeer doelmatig is het, onder de zitstokken losse planken aan te brengen.
270
wiiarop dus nachts do oxcreinonten vallen, welke dan des morgens door wegneming- der planken gomakkelijk verzameld kunnen worden; dit kan echter ook zeer goed met een ijzeren krabber of' nauw getande hark geschieden.
De lexjkasten kan men op den grond of .iO a 40 centim. daarboven aanbrengen ; in het laatste geval is het aan te raden de bodemplank der legkasten zoo breed te nemen, dat zij 15 a 20 centim. buiten den voorkant daarvan uitsteekt en den dieren gemakkelijk toegang tot het nest verschaft; men kan echter ook even goed een afzonderlijke plank van die zelfde breedte voorlangs de nesten aanbrengen. JJe voorkant van de kasten moet ongeveer 10 a 12 centimeter hoog zijn, de andere wanden ongeveer 40 centim. hoog en breed, zoodat ieder nest 'iG centim. lang en breed wordt. Het is werkelijk aan te bevelen, de kasten van een goed schuin dak te voorzien, opdat de hoenders er niet op kunnen gaan zitten; nog beter is bet. aan dit schuine dak door middel van scharnieren of reepjes leder kleppen te bevestigen, waarmee men den toegang tot de nesten kan afsluiten, omdat sommige hoenders de gewoonte hebben in het nest te overnachten en dit dan bevuilen. Do dwarsdoorsnede van zulk eene rij kasten zou dan worden zooals in fig. 75 is voorgesteld: a bodem met op-treeplank, h voorwand, c achterwand, de scheiding tusschen de nesten, e dak, /' afsluitklep. Practiseh is het, de zijwanden van het bok als achterwand der nesten te gebruiken en daarin openingen met sluit-baren klep aan te brengen, waardoor men de eieren uit de nesten kan nemen zonder bet hok te betreden |,gt;jK 75i |j0gilt;aHtjo. en de boenders te storen. Het aantal nesten berekene
men zoo, dat er voor elk 3 of' 4 tal hoenders één legnest aanwezig is; voor 20 hoenders neme men dus 5 a 7 nesten; daar de dieren niet ter zelfder tijd leggen is dit aantal voldoende.
Het is ten zeerste aan te bevelen, niet alleen de zitstokken, maar ook de nestgelegenheden zoo in te richten, dat men alles gemakkelijk weg kan nemen om schoongemaakt te kunnen worden.
Door middel van klampen en klampjes kan zulks zeer goed en deze klampen spijkere men niet vast, doch bevestige ze met houtschroeven, opdat ook zij bij eeue groote schoonmaak weggenomen kunnen worden.
Is er geene andere gelegenheid voor de hoenders om zich bij regenachtig weder te verschuilen, dan verbinde men aan het hok nog eene overdekte vrjje ruimte, eene soort veranda, waarin ook een zandbad kan worden aangebracht; dit laatste kan echter ook wel in een afzonderljjk bakje in een hoek van liet hok eene plaats vinden.
280
Wat do loopruimte of de run aangaat, dozo make men zoo groot als mogelijk is: 10 vierkante meter voor elk lioen is 7iiet te veel, ofschoon men zich in geval van nood ook met het vierde of vijfde gedeelte daarvan tevreden kan stellen, als men geen te groot aantal hoenders heeft, deze mi en dan eens geheel los kunnen loopen en overigens goed van groenvoer worden voorzien. Om den dieren moer beweging en bezigheid te ver-schafifen, strooie men in dat geval ook het korenvoer in baksel of kaf of overdekke het met wat stroo, zoodat de dieren het alleen door Hink krabben kunnen machtig worden.
Wat den uitwendigen vorm en de meerdere of mindere sierlijkheid der hokken en der geheele inrichting aangaat, deze zullen we geheel en al aan den smaak van den eigenaar of den bouwmeester overlaten; voor oen landhuishoudelijk doel mag men eenvoud en zuinigheid bij den aanleg niet uit het oog verliezen; evenwel dient men die zuinigheid niet zoo ver uit te strekken, dat bet den dieren ontbreekt aan datgene, wat zoowel bij de eenvoudigste als bij een weelderige inrichting behoort.
Fig. 76 toont ons bet plan voor den aanleg van een boenderfokkerij, die door L. Wright genoemd wordt âuitnumtend passend voor het houden en fokken van luxe-hoenders, zoowel als voor de eier- en dc vleesch-productie in het groot,quot;
A. Nachthokken met legplaatsen; h nesten; c zitstokken. Jl. overdekte ruimten (afdak); C. grasvlakten; I). kleine bokken en opene ruimten voor broedende kippen en afgezonderde hoenders; K. passage, die bet licht van boven krijgt; f kleppen voor do lognestcn; F. mesthokken.
Wij merken hierbij in do eerste plaats op, dat in dit plan geen afzonderlijke ruimten voor kuikens en jonge boenders zijn opgenomen, wat we toch zeer noodig oordeelen; men kan er echter bedoelde ruimten gemakkelijk aan toevoegen, terwijl ook do kleine hokken en opene ruimten, onder D bedoeld, gemakkelijk daarvoor kunnen worden ingericht. Ook de overdekte ruimten B kunnen daartoe zeer goed dienen.
Het hoofddeel vau het geheele gebouw, dat zich, zoowel wat de grootte als wat de bijzondere inrichting betreft, gemakkelijk laat wijzigen, is de overdekte gang of passage, die door dakvensters verlicht moet worden. Van uit deze gang leiden tal van deuren naar al de andere ruimten of afdee-lingen, terwijl deze weder met do grasvelden in verbinding staan. De leghokjes hebben boven ieder nost een klep -/-, zoodat men de eieren in de gang uit de nesten kan halen, zonder de eigenlijke hokken te betreden.
Tusschen de passage en do zich rechts en links daarvan bevindende hokken enz. make men tot op oeno hoogte van 00 centim. boven den grond dichte houten wanden en verder naar boven tot aan het dak traliewerk.
281
Aan den buitenkant zijn alle wanden diclit betimmerd, het liefst dubbel, aan beide zijden van de stijlen en palen. Do overdekte ruimten - li - blijven aan den buitenkant open, wanneer zij niet als kuikenrennen dienst zullen doen. Anders moeten zij aan den voorkant boven mot planken, beneden
met traliewerk afgeschut worden. âDe kuikens gedijen beter in zulke beperkte opene ruimten dan geheel en ai vrjj in do open luchtquot;.
De deuren, die uit de passage naar de vorschilleffie hoenderverbljjven leidon, make men niet te smal en de openingen, die den hoenders toegang
282
naai' buiten vorsclmffon, onder du overdekte ruhnten, dicht bij do gang, om het tochten zooveel mogelijk te voorkomen.
De mesthokken - F- moeten een bodem hebben, welke uit 5 ccntim. dikke latten bestaat â â met tusschenruimten â waaronder eene uittreklade ter opneming van de uitwerpselen.
])e buitenste oinheiningen kunnen tot op eene hoogte van 75 centim. boven den grond uit houtwerk en voor het overige gedeelte, verder naar boven, uit traliewerk bestaan. Zijn do grasvlakten niet groot genoeg om ten allen tijde gras voor het aantal hoenders to leveren, dan verwisselt men de ruimte voor de leghoenders met die voor de kuikens, totdat het gras weder aangegroeid is, of men wtrooie er fijne kiezel over en zorge voor kunstmatige groenvoedering. In elk geval pbuite men eenige vruchtboomon in elke afdeeling.
Bij strenge koude is eene dubbele rij van heetwaterbuizen langs de wanden der passage, om in het gebouw eene aangename warmte te onderhouden. zeer aan te bevelen.
Een ander, eveneens door Wright medegedeeld plan, van hetwelk fig. 77 eene voorstelling geeft, is zoo eenvoudig, dat het weinig verklaring behoeft.
L)e figuur stelt een grondstuk voor van 150 M, lengte en 90 M. breedte, in (i gelijke doelen verdeeld, ieder voor 30U hoenders, en waarop zich in het midden een, in evenveel afdeelingen verdeeld gebouw bevindt.
Wright noemt de inrichting overeenkomstig dit laatste plan goedkooper, doch bekent overigens y.ijne verlegenheid om uit beide bouwsystemen eene keuze te doen, en wel wegens gebrek aan practische ervaring. De nadoelen van het tweede systeem vindt hij met recht in het ontbreken van beschutting voor hem, die mot de verzorging van een en ander ia belast, terwijl
283
ook wegens hot ontbreken van een centrale passage en wegens de grootc afstanden moeilijker oen overzicht over het geheel gehouden kan worden. Een hoofdgebrek is echter zeker wel dit, dat de geheele aanleg alleen op het houden van legkippen is gebaseerd. Evenwel zou hierin voorzien kunnen worden, door er nog een tweede gebouwtje bij op te richten of door op het middengebouw een tweede etage te plaatsen voor de kunstmatige broe-derjj en kuikenfokkerij.
De Amerikaan II. 11. Stoddard deelt zijne meeningen dienaangaande in een der eerste Amerikaanschc landbouwbladen in 12 artikelen mede.
âGeen kleine afgezonderd gehouden troepen zonder vrijen uitloop, noch vrije uitloop zonder afgezondorde troepen!quot; zegt hij. liet eerste systeem vordert veel te veel arbeid, die de voordeelen verslindt; het tweede leidt tot eene onnatuurlijken, wildon rommel, waaronder de eierproductie lijdt. Uitgaande van het bekende feit, dat de hoenders, zooals alle huisdieren, hunne gewone hokken kennen en van de weide daarin terugkeeren, ontwerpt hij het volgende plan van een âeierfarmquot;. De geheele farm of het voor de hoenderfokkerij bestemde gedeelte is door evenwijdige, ongeveer 5M. van elkaar verwijderde wegen of paden doorsneden. Dicht aan deze wegen zijn de hokken in een zeshoek geplaatst en zwart, groen en wit geverfd, doch zóó, dat ieder hok 20 Meter verwijderd is van en in kleur verschilt met de ü hokken, waarvan dat hok het middelpunt vormt. De hokken zelf zijn van eenvoudige constructie en zeer goedkoop; zij hebben een gevel-of puntdak, oen grondvlak van 3 bij 5 Meter en eene hoogte van 1,^ Meter. De gevels bestaan voornamelijk uit klepdeurtjes om de eieren weg te nemen en des zomers te luchten. Het geheel is van planken en stevige palen gebouwd en verplaatsbaar. Gedurende den zomer wordt namelijk elk hok, of liever elke barak, na cenigen tijd zooveel verschoven, dat het op anderen grond komt te staan en do mest door middel van een hakploeg ondergeploegd; in den winter daarentegen wordt het telkens op ecu 15 centim. hoogen, met gezeefde droge aarde gevulden bak gezet, terwijl de geheele aanleg ieder jaar op een nieuw stuk grond wordt overgebracht, waarna het gebruikte stuk wordt omgeploegd en bezaaid. Voor dit systeem is men dus eene dubbele bodemruimte noodig.quot;
âAl deze werkzaamheden, ook het voeren en drenken, het verzamelen van droge aarde in den zomer voor wintergebruik, worden verricht met behulp van een span paarden en van werktuigen, die de heer Stoddard afbeeldt. Eenige ruwe extra-hokken, die met rijshout bedekt zijn on des zomers voor het drogen van aarde gebruikt worden, dienen daarna tot winterkwartieren. Voor de broedkippen en het opvoeden der jonge legkippen is gezorgd door het maken van afzonderlijke, blijvende afdeeliugen. Afzon-
284
derljjk voor lt;lc hoendennarkt te fokken aclit do hoor Stoddard niot noodig, daar do jongo lianon, do oudo honiion on do voor liot doorhoudon ongo-soliikto jonge honnon gonoeg voor do markt opleveren.quot;
âEen streek land van ongeveer 25 Hectare biedt ruimte voor 10 rijen hokken voor do legkippen; ieder rij van 10 hokken, zoodat men in liet geheel 100 hokken heeft. Deze hokken kunnen ieder 50 hoenders herbergen, dus samen 5000 hoenders. Hierbij komen nog 500 broedkippen on 500 voor liet fok- en proofpark. Do 5000 legkippen bestaan uit 3000 éénjarige en 2000 tweejarige. Om hot aantal legkippen te vernieuwen, moeten jaarlijks 7500 kuikens uitgebroed worden, want 3 van de 5 zijn hanen of zulke hennen, dat ze het doorhoudon niet waard zijn. Voor de vernieuwing van de broed- en fok-hoenders â voor dezo laatste is, met liet oog op de teeltkeuze, het vor-wjjdcron van minderwaardige dieren zeer noodig â moeten verder 2500 kuikens dienen, zoodat or in bet geheel 10000 kuikens uitgebroed worden.quot;
âNu kan één persoon bjj de gewone inrichtingen op het land, waar het aantal hoenders en do inrichtingen daarvoor langzamerhand toenemen, ongeveer 000 hoenders in allo opzichten goed verzorgen en daardoor oen zuivere winst van 000 dollars maken. Besteedt hij echter dien zelfden vollen tijd aan anderen arbeid in eeno andere zaak, dan kan bij 8 a 000 dollars maken (want een dagdief kan geen hoenderfokker zijn!). Dat is de voornaamste reden, waarom sedert de laatste 15 jaren alle proeven, om groote hoenderfokkerijen naar de huishoudelijke hoenderteelt in te richten, schipbreuk hebben geleden.quot;
âDe hoofdzaak is besparing van arbeidskrachten. Dezo wordt verkregen door het gebruik van paarden en door verplaatsbare hoenderhokken. Mobiele hokken en geen omheiningen! Daardoor wordt de arbeid tot op het minimum gebracht. Al het andere is van ondergeschikte beteekenis.quot;
âVijf paar handen met 2 paarden kunnen eene inrichting met (iOOO oude hoenders verzorgen en 5000 legkippen zullen ook 5000 dollars boven de voederkosten opleveren. Daarbij is van voordeel van de broed- en fokdieron geen sprake, deze zijn, zooals vele andere zaken een noodzakelijk kwaad; en evenmin van dat der oogst of den mest, die eene flinke vergoeding opleveren voor de intresten van bet land en de gebouwen.quot;
âEr zijn maar 3 systemen van hoenderteelt mogelijk, dio zich wel is waar in menig opzicht laten wijzigen, doch waartoe alle wijzigingen toch ook weer teruggebracht kunnen worden.quot;
âHet eerste systeem is het iioogst kunstmatige kooi-systeem van Mr. Geyelin, zooals hij dat in zijn overigens zeer goed boek beschreven beeft. Do groote fout daarvan is echter, dat de hoondors te weinig en de verzorgers te veel beweging krijgen.quot;
285
âHot twcodo systucm is liet gowono van den liuulbomver of don liefhebber, dat in alle boeken over pluimveeteelt en landbouwbladen in eindelooze variaties op hetzelfde lied wordt bezongen: âeen huis niet een tuin daar naast!quot;
Een goed plan voor een huisgezin, dat het werk niet in rekening brengt, maar dat met verlies wordt betaald, wanneer men de stadsmarkten tegen de gewone prjjzen van tafelge vogel te en eieren wil voorzien.quot;
âHet derde eindelijk is dat, hetwelk door de natuur, lang vóór de hoenders gedomestisecrd waren, en van den vóórhistorisehen tot op den tegen woord igen tijd gevolgd is: Vrije uitloop over dag en beschutting gedurende den nacht en tegen regen, wind en zonnebrand door zoo eenvoudig mogelijk overdekte ruimten (loods, afdak); besparing van werk bij liet schoonmaken dor hokken door onderploegen, en verplaatsbare hokken; besparing van de omheiningskosten door het in stand houden van de wederzijdsche vijandelijkheid tusschen naburige hoendertroepen â evenzoo als bij de wilde hoenders â en het maximum van winst en mininiuin van arbeid en kosten zal verkregen zijn.quot;
Zoo ver Mr. Stoddard.
Er is echter één bezwaar, dat liet door den lieer Stoddard aangeprezen plan op zijne grondvesten doet schudden en het geheele, theoretisch zoo verleidelijke, doeh nog niet beproefde systeem iliusorisch maakt. De heer Stoddard meent n. dat de afzonderlijke, tot één hok behoorende dieren, steeds om en bij dat hok bljjven en zich van de andere, naburige troepen verwijderd zullen houden. J)at doen zij echter niet, zoodra de oppasser of iemand anders in hunne nabjjheid komt. .,/ij volgen iedereen, die hun slechts éénmaal voeder heeft gegeven, zelfs dan, wanneer ze zoo pas ruim van voeder zjjn voorzien, en, al weten zij ook het voor hen bestemde hok terug te vinden, bij zulk een groot aantal zal er weldra eene zoo groote verwarring ontstaan, dat er aan orde en afzondering niet meer te denken valt. De heer Stoddard geeft dit toe, doch meent ook de oplossing voor dit aan zjjn systeem verbonden bezwaar gevonden te hebben en wel hierin: om indirect te voeren, d. w. z. den dieren niet te laten merken, dat hun voeder wordt verschaft. Van het eerste oogenblik af mogen de kuikens niet merken, dat de oppasser zich hier of daar met hun voeder bezighoudt. De kleine bokken voor do kuikens, die op een afgezonderd gedeelte van de farm worden gehouden, zijn van voederbakjes voorzien, welke zoo zjjn ingericht, dat de dieren eerst na eenigen tijd bjj het voer kunnen komen. De oude hoenders ontvangen des morgens zeer vroeg hun week-voer in hun hok, zonder dat zjj den oppasser kunnen zien, en do geheele massa korenvoor, dien zij gedurende één dag behoeven, wordt op een met
28«
stroo bedekten lioop uitgestort, vóór de lioenders naar buiten worden gelaten, zoodat hunne dageljjksebe bezigiieid wordt: hun voeder op te scharrelen.
Aan het zien van den oppasser kunnen ze op die wijze dus niet het denkbeeld vastknoopen dat deze hun voeder brengt. Men moet echter gedurende de 15 a 18 maanden, den gemiddelden tijd, dat de hoenders leggen, zorg verhoeden, dat hun rechtstreeks, al is liet ook nog
zien, dat de drinkbakken gevuld wordenquot;.
Fig. 78 stelt zulk een, reeds een weinig gecultiveerd , verplaatsbaar hoenderhok voor. De hokken moeten niet te zwaar zijn, opdat zij door één of twee paarden gemakkelijk verplaatst kunnen worden. Zij rusten op posten of halken, zoodat ze als een slede voort worden bewogen.
In het dak is een venster en op de vorst een ventilator aangebracht, zooals in A, de voorstelling van het ge-heele hok, is te zien, terwijl /I bet grondplan en (1 eene dwarsdoorsnede voorstelt, waarop tevens de plaatsing der deur is aangegeven. De nestplaatsen zijn in A door a a, de zitstangen âDergelijke verplaatsbare
co; Li
| |||||||||
|
Fig. 78. Vcrplaatabaar pluimvochok. | |||||||||
de
drinkbak door b aangegeven.
hoenderhokken worden op vele plaatsen aangetroffen, waar het overbrengen op een verschen bodem voor de gezondheid der dieren als wenscheljjk wordt beschouwdquot;.
met angstvallige
|
- | ||||||||||||
|
Wij hebben deze Amerikaansche plannen hier gegeven, omdat we van meening zjjn, dat zij ook ten onzent op uitgestrekte terreinen mot voordeel kunnen worden in toepassing gebracht en geven in de Hg. 7!) en 80
door
287
no^' t\vo(! afboolclingon van /wm' pnictischc, verplaatsbare liocudcpliokkcn.
In fig. 7!) kunnen we tovonis zien, hoe de leghokjes zjjn .aangebracht en hoe zo geledigd kunnen worden, zonder dat men liet hok behoeft te betreden. Wat nu de praktijk der hoenderfokkerij aangaat, deze zal zeker redenen
tot tevredenheid geven, wanneer men zich tot de fokkerij in het klein bepaalt en daarbij in acht neemt, wat over de huisvesting, de verzorging, do voeding gezegd is, alsmede met verstand zijne fokdieren kiest, waarover later. Wil men de zaak op groote schaal inrichten, dan dient men dat te doen in overeenstemming met het doel,
dat men zich daarbij voor oogen stelt. Dat doel kan zjjn.
4.
Men
Uitsluitend duetie.
Uitsluitend vleeschpro-ductie.
Eier- en vleeschpro-ductie.
J[et mesten.
mag- uit deze vier
1.
richtingen nu kiezen, welke men wil, de ondernemer moet nooit meenen, dat hij zijn pogen dadeljjk in het eerste jaar met het meeste succes zal bekroond zien; hij zal er in do eurstu plaats op moeten werken, zich zelf
'288
hoenders to fok kon, dio, met liot oog op zijn dool, do moest geschikte zijn.
Wie reeds aan hoendorfokkerij heeft gedaan, weet â en hom, dio er nog niet aan gedaan hooft, zij het bij dozen gezegd dat iijj tevreden mag zijn, wanneer van do honderd of verscheidene hondorden van de boste legrassen aangekochte hoenders de helft of liet derde gedeelte werkelijk goede leggers zijn, welke meer opbrengen dan hun voeder en hunne verzorging kosten. De ondernemer moet dus iu de eerste plaats zijne dieren scherp in het oog houden, allo dezulke, die niet rentabol blijken te zijn, van do hand doen en alleen van do beste legkippon verder fokken.
Hij zal dan in hot tweede jaar reeds eon vrij rentabele collectie hebben en, wanneer hij onder inachtneming van hot hiervoor gezegde doorfokt en elk jaar do vierjarige hennen en do middelmatige loggers van do band doet, zal bij langzamerhand een stam hoenders krijgen van de grootst mogelijke legkracht. Wat nu
1«. het bedrijf, allren om de derproductie, aangaat, deze zal alleen in verhindimj met het landboiiivbedrijf en op een groote uitgestrektheid gronds als nevenhedrijf voldoende winsten afwerpen; dan echter zal die winst ook aanzienlijk zjjn, omdat bij do directe winst uit do eieren en den mest nog do indirecte komt, welke voortvloeit uit het verdelgen van zoovele voor den landbouw schadelijke dieren en uit een productief gebruik van het afval, zooals in het hoofdstuk over de voeding is aangewezen. Als hokken zijn de verplaatsbare vooral aan te bevelen, omdat men 1°, daarin de dieren ge-makkeljjk daar kan brongen, waar zij als bij 't graven en ploegen â veel ongedierte kunnen verdelgen; 2°. om de dieren in kleine troepen over een groot grondgebied te kunnen verdoelen, aangezien, zooals we reeds vroeger opmerkten, het opeenhoopen van te groote massa's hoenders niet alleen het ontstaan van ziekten begunstigt, doch ook de eierproductio schaadt; deze zal zich alleen dan op hare vollo hoogte houden, wanneer iedere familie of bijeen behoorondo troep niet door vreemde indringers gestoord of lastig gevallen wordt.
'2. Heeft men uitsluitend vleeschproductie, hot fokken van fijn tafelge-vogelte, o]) het oog, dan kan men zjjn doel met en zonder het houden van eigen hoonderstammen bereiken on hot laatste is misschien wel boven het eerste te verkiezen, omdat de ondernemer dan vool aan grondgebied en personeel kan sparen en zijne opmerkzaamheid geheel kan wijden aan bet uitbroeden, opkweeken en vorkoopen dor dieren. Aangezien do verzending in elk geval zeker wel voor hot grootste gedeelte per spoor zal moeten geschieden, is hot van belang, dat de ondernemer zijn verblijf in de nabijheid van oen hoofdstation kiest en dat er in den omtrek van zijne woonplaats dorpen of boerderijen enz. zijn, wier bewoners bereid zijn, de door
289
hem verlangde of aangeschafte fokdieren te houden, vooraf wetende, dat zij in hem steeds een bereidwilligen afnemer vinden voor de gelegde eieren.
Als wij bedenken, hoe de roomboter- en kaasfabrieken hier te lande werken met de melk, die hun door de omwonende veehouders wordt ver-sehaft, dan komt het ons voor, dat ook eene inrichting, dit; de productie van fijn tafelgevogelte beoogt, op dezelfde wijze met meer voordeel zou kunnen worden gedreven, dan wanneer men daaraan ook het houden van legkippen verbindt. De omwonende pluimveebezitters konden de eieren leveren â natuurlijk van vooraf te bepalen hoenderrassen â terwijl aan de inrichting zelve gezorgd kon worden voor het uitbroeden der eieren door middel van hoenders, kalkoenen of broedmachines en voor het grootbrengen en aan de markt brengen van het gevogelte.
Het gebouw zou dan moeten bevatten: een broedlokaal, één of meer vertrekken voor het grootbrengen der kuikens, een slachtplaats, kelders, keuken en voorraadschuur voor het voeder, het materiaal enz. Voor broeden kweeklokalen verwijzen wij naar hoofdstuk IX.
3. Voor de ei er- en vleeschprodudie beiden is weder verbinding met het landbouwbedrijf noodig, of hoenderfokkerij de hoofdzaak mot landbouw als bijzaak, waarvoor dan een terrein van 10 a 15 Hectaren het minimum zou zijn: het beste zou nog zijn droge weidegrond met vruchtboomen, een park en een weinig bouwland; het laatste om de noodige aardappelen, knollen, wortelen en kool voor het groen- en weekvoer zelf te kunnen verbouwen. Wordt het grasveld voor de hoenders ruim groot genomen, zoodat de gras-groei daar niet wordt geschaad, dan zal deze door den mest der grazende hoenders weldra zooveel meer opleveren, dat ook enkele koeien kunnen worden gehouden voor de te gebruiken melk; daar deze echter ontroomd wordt, zal men ook boter kunnen maken en aan de verzending van tafelgevogelte die van ooft en boter kunnen verbinden.
Aan eene dergelijke inrichting kan ook met voordcel een mester ij worden verbonden, alsmede de teelt van sportdieren. Met betrekking tot het laatstgenoemde meenen we echter zeer tot voorzichtigheid te moeten aanraden, daar de afname altijd zeer beperkt is en de liefhebberij voor een groot gedeelte door de mode wordt beheerscht, waarom men wél zal doen, zich altijd alleen op het fokken van die rassen toe te leggen, die juist âen voguequot; zijn.
Hier een plan voor een dergelijk bedrijf in het groot te ontwerpen, zou weinig nut hebben, daar men in den regel rekening heeft te houden met reeds aanwezige gebouwen, de algemeene eischen reeds vroeger besproken zijn en het ook bij dit bedrijf wenschehjk is de verschillende stammen en rassen zoo ver mogelijk van elkander te houden, m. a. w. verplaatsbare
Bai.damus. Pluimvooteelt. 19
290
hokken tc gebruiken. Do ruimten voor liet uitbroeden en grootbrengen der kuikens zijn echter in elke boerenhoeve of groote woning gemakkelijk in te richten en voor de mesterij kan desnoods eone schuur dienen.
i. Na hetgeen hiervoor over het mesten medegedeeld is, valt er over het bedrijf, dat zich uitsluitend hot mesten ten doel stelt, weinig meer tc zeggen. Men moet natuurlijk ruimte hebben voor de noodige mesthokken, eenige hokruimte ter berging van de opgekochte hoenders, een slachtplaats, een magazijn, benevens keuken en voederbergplaats.
Als algemeen geldende grondstellingen voor alle dergelijke ondernemingen geven wij de volgende :
1. Bezit men zelf niet de noodige kennis van het bedrijf, dan ga men vooraf' met een zaakkundige te rade, niet eerst tlun, wanneer men de zaak reeds naar eigen goeddunken ingericht, fouten begaan en verliezen geleden heeft. Alen winne de noodige informatiën niet in uit gesprekken of door briefwisseling over zekere punten â niet oj) de (joedkoopste wijze doch geve den zaakkundige een behoorlijk honorarium, daar men billijkerwijze van niemand verlangen kan, dat hij in het belang van een hem geheel vreemd persoon zooveel tijd opoffert en zijne ervaringen ten beste geeft.
2. Men huisveste in één hok of ééne afdeeling nooit meer dan 25 a 30 hoenders, boude geen hoenders langer dan vier jaren en late alleen eieren van de beste legkippen uitbroeden.
;i. Voor de eierproductie zijn aan te bevelen: Leghorns, Minorca's Hamburgers, Houdans en als winterleggers Brahma's en Langshans; over 't geheel echter geven alle, vroeg in 't voorjaarâtot April uitgebroede hoenders wintereieren, waarom men bij de eierproductie in het groot ook vooral op vroeg broeden moet bedacht zijn.
4. Voor de vleeschproductie zijn de kruisingen van Brahma-hennen met hanen van de Pransche rassen bijzonder geschikt; goede, sterke hennen van de landhoenderslagen kunnen echter ook met voordeel worden gebezigd.
5. Mest en veeren zijn niet te versmaden nevenproducten en moeten derhalve zorgvuldig verzameld worden.
(i. Nauwgezetheid in alle werkzaamheden, orde en zindelijkheid zjjn de noodzakelijke vereischten bij de pluimveeteelt; ook de periodieke ontsmetting mag niet gering geschat worden.
7. Men zorge er voor, dat men alleen goede kwaliteiten eieren en tafelvogels heeft en dat deze op eene zindelijke, uitlokkende manier worden geëtaleerd en ten verkoop aangeboden; men verkoope ze of rechtstreeks aan de consumenten -â hotels, restaurants en private personen â of zocke in de groote steden gerenommeerde handelshuizen, die zich met don verkoop of de expeditie naar het buitenland belasten. Eieren en gevogelte moeten
2!H
echter van een stempel of merk worden voorzien, opdat er geene verwisseling van producten kan plaats hebben, die de zaak zou kunnen benadeelen.
De vraag, waarom er sedert het jaar 1870 zoovele nauwelijks opgerichte groote hoenderparken en fokkerijen te niet zijn gegaan, meent de schrijver op grond van eigene ervaring als volgt te moeten beantwoorden:
Een algemeene oorzaak voor het geringe succes van al die inrichtingen is, dat de pluimvee-industrie â het broeden en opkweeken in het groot nog betrekkelijk van zeer jongen datum is, in den beginne de practisclie ervaring nog to gebrekkig was en deze eerst tegen betaling van hoog âleergeldquot; moest worden verworven. Verder waren de bekende groote Duitsche inrichtingen als te Ober-Ursel, Brunswijk en St. llgen op een zoo grootsche schaal ingericht, dat zo meer op fabrieken geleken dan op een landhuishoudelijk bedrijf, vooral door de buitengewoon groote gebouwen voor de kuikens; zoo had dat van St. llgen bijv. eene lengte van 150 Meter!
De welvoegelijklieid verbiedt ons, een oordeel te vellen over de bekwaamheid der ondernemers; 'tis echter zeker, dat er, behalve die groote opeen-hooping van dieren, nog vele andere fouten zijn begaan, die het succes bepaald in den weg stonden. Ober-Ursel wilde reeds dadelijk domineeren en als autoriteit in do kunst van pluimvee fokken optreden, zelfs vóór het nog eenig resultaat van zijn werk had gezien; het gaf een goed ingericht vakschrift uit: âDe pluimveefokker en Vogelvriendquot; en haalde zich hierdoor, alsmede door andere kostbare en niets opbrengende inrichtingen en door het aanschaften van dure fokstammen, een massa onkosten op den hals, welke nooit behoorlijke winsten konden afwerpen.
Brunswijk, dat onder de meerjarige leiding van den heer Grimmer zeer tot bloei was gekomen, had het ongeluk zijnen eminenten leider te verliezen, die door een ondernemer mede naar Chili werd genomen cn welk verlies niet op voldoende wijze vergoed werd.
St. llgen, dat eveneens onder leiding van den buitengewoon werkzamen directeur AVestphülinger bloeide en in 1884 dagelijks gemiddeld tiOü stuks tafelgevogelte verzond, verloor zjjno leidende kracht door den dood en beging de groote fout, er in Woltersdorf nog eene tweede groote inrichting bij te bouwen, waardoor de leiding der zaak in twee zoo ver van elkander verwijderde inrichtingen des te moeilijker werd.
Kou men niettegenstaande den ondoelmatigen en veel te kostbaren aanleg in beide inrichtingen toch niet zeer goed gevolg werken, iu veel lioogere mate was dit het geval in het door ons zelf ingericht en bestuurd etablissement op het landgoed van Balmünster in Lotharingen.
2i)2
Wij pasten liier liet decentralisatie-systeem toe en verdeelden de t'okstani-men in 22 verplaatsbare hoenderhokken over een terrein van meer dan 12 Hectare. Do dieren leefden op die wjjsse in do gunstigste omstandigheden; hunne gezondheid liet dan ook niets te wenschen over en de eieropbrengst was uitstekend. De broedmachines stonden in de benedenste verdieping van het woonhuis en wel 6 stuks, ieder voor 500 eieren in eone bevloerde zaal. In de bovenste etage, onder het dak, waren 5 kweekkamers, die ruimte bevatten voor 2500 kuikens. In enkele maanden tijds werden er alleen door de boeren 500 kuikens afgehaald, welke tot verbetering van de landhoen-derstammen dienden, en de afzet van de, naar het systeem der Koord-Duitsche kamerkuikenteelt opgekweekte tafelhoenders was zeer gemakkelijk en voordeelig, daar we niet alleen rechtstreeks aan de consumenten leverden, doch ook aan handelaren uit Metz, Luxemburg en Saarbrücken, welke de inrichting bezochten, om persoonlijk uit te zoeken, wat ze noodig hadden.
De weide leverde, dank zij de verdeeling der hoenders over een groot oppervlak, zoo overvloedig gras op, dat wij niet alleen het hooi voor 3 koeien wonnen, doch ook nog ongeveer 70 centenaars aan het garnizoen te Metz konden verkoopen. Onze boter vond in Saarbrücken gretige en geregelde afname tegen 70 Cents het pond en ook de ooftcultuur beloofde rijke opbrengst in de toekomst. Hier mag nog bijgevoegd worden, dat het landgoed eenige jaren ongebruikt had gelegen en zeer verwilderd was.
Wij konden dus met ons succes volkomen tevreden zijn en met recht eene grootsche ontwikkeling der inrichting te gemoet zien, toen we tot onze schade bemerkten, dat we ons aan iemand verbonden hadden, wien het slechts te doen was zijn landgoed te verbeteren en productief te maken om het daarna te verkoopen. Onbekendheid met de uitzonderingswetten in het Duitsche liijksland was de oorzaak, dat wij, die door voordeelige aanbiedingen uit Heidelberg gelokt werden om voor gemeenschappelijke rekening de hoenderteelt c. a., op groote schaal te drijven, dupe werden, terwijl de slotheer â een gewezen Duitsche notaris â na het landgoed verkocht te hebben, met zjjne millioenen naar Frankrijk trok.
We zouden echter, op grond van de in Balmünster opgedane ervaringen omtrent de deugdelijkheid van onze grondstellingen, een eventueel op te richten nieuwe fok- en mestenj in alles evenzoo inrichten. (Grünhaldt).
In den laatsten tijd is zekere heer Herin. Bibow voor den dag gekomen met een plan voor de inrichting van een hoenderfokkerij in het groot. In het werk âEintragliche GeHiigelzucht im Grossen.quot; Pract. Anleitung zur Betriebs-einrichtung und Durchführung, von Herm. Bibow. Berlin 4895, bjj Paul Parey, heeft hij zijne meeningen dienaangaande ontwikkeld. Genoemde heer wil, door eene bijzondere verzorging en voeding der kuikens
293
liet zoover brengen, dat deze allen in de 5i'c maand van luin leven beginnen te leggen en hiermede in die mate voortgaan, dat zij in 12 maanden 225 a 240 eieren, of gemiddeld 230 stuks per hoofd geven. Ofschoon we nu zelf bij onze voederwijze ook wol dergelijke resultaten kregen, dat nl. in Februari geboren kuikens met 5 maanden â een zelfs met 4 maanden eu 27 dagen - begonnen te leggen, zoo durven we toch op eene zoo groote gemiddelde eieropbrengst niet rekenen, zonder evenwel de mogelijkheid te willen bestrijden, dat men tot de door Bibow geschilderde resultaten kan komen.
Want, ofschoon het ons niet aangenaam aandoet, dat de heer Bibow in zijn boek alle tot nog toe verschenen vakliteratuur deels ignoreert, deels als waardeloos gekrabbel brandmerkt, zoo verraadt hij toch een zoo groeten kennis van de grondstellingen der fokleer en van het physisch en psychisch leven van het pluimvee te bezitten, dat we om het groote belang der zaak niet geheel over zijne grondstellingen kunnen zwijgen.
Als onwederlegbaar juist en geheel met onze eigen ervaring overeenkomende moeten wij erkennen;
1. Dat de zoo zeer bewonderde resultaten der Engelsche fokkers niet verkregen worden, omdat, het klimaat van Engeland zoo bijzonder gunstig, maar niet tegenstaande het ongunstiger is dan dat in vele streken van Europa en dat ons klimaat dus volstrekt geen hindernis is om met voordeel en in 't groot pluimveeteelt te drijven.
2. Dat alleen vroeg in 't jaar uitgebroede hoenders zekere winterleg-gers worden.
3. 1 )at door eene krachtige voeding der kuikens, van hunne eerste jeugd af, de legnjpheid bespoedigd en de productiviteit verhoogd kan worden.
4. Dat ons pluimvee alleen dan zijne hoogste productiviteit ontwikkelt, wanneer het op do plaats zijner geboorte blijft en het bewaard blijft voor alles, waardoor hot gestoord of verontrust kan worden.
5. Dat pluimveeteelt in het groot alleen productief kan zijn, wanneer die kunstmatig gedreven wordt, wat tevens het voordeel heeft, dat de kuikens geen ongedierte kunnen overnemen van de oude hennen, wat voor hunne krachtige ontwikkeling van groot gewicht is.
Wij moeten den heer Bibow toegeven, dat zijn systeem op degelijke grondslagen steunt en, daar hij het ook in Engeland jaren lang met succes in praktijk heeft gebracht, kunnen we zijne methode niet verwerpelijk vinden, al kunnen wij er ons ook in alle opzichten niet mee vereenigen.
Dat de heer Bibow echter alle fokkers, die zijne meeningen niet zijn toegedaan, dilettanten noemt, is minder mooi; ook schijnt hij niet te weten, dat het systeem van de door hem in 4877 vervaardigde en volgens hein
294
do eonige doelmatigo broedniaoliinc. ecnc uitvinding is van den licor Baunicyer en reeds voor 10 jaren gepatenteerd werd.
Wat de groote Fransdie fokkerijen aangaat, kunnen we met genoegen constateeren, dat die â o. a. die van Rouillier en Arnoult te Gambais, J. Philippe Jr. te Houdan, Voiteilier 1) te Mantes e. a. â zicli in een voortdarenden bloei mogen verheugen, omdat de ondernemers niet vervallen zijn in de fout om hunne zaak al te grootsch in te richten en zij die â zooal niet geheel â dan toch ten naastenbij ingericht hebben als een landhuishoudelijk b ed rij f.
Zkvkndio Hooi'ustuk.
Keuze der rassen en variëteilen.
Aangezien we hier alleen de economische waarde van het pluimvee op het oog hebben, mag deze ook alleen de maatstaf zijn bij het kiezen der rassen, die men daarvoor wil houden.
Wil de liefhebberij hierbij ook een woordje meespreken, zonder de hoofdzaak schade aan te doen, dan is daar natuurlijk niets togen in te brengen.
Bij do waardebepaling der te fokken huishoudelijke rassen dient men wel in aanmerking te nemen, of men alleen voor eigene Iniisltoudinj of levens of wel voornamelijk voor den verkoop van eieren, van mager of van gemest pluimvee denkt te fokken, en in het laatste geval, of men zich alleen tot de eierproductie wil beperken dan wel het mesten daaraan verbinden wil. Eindelijk komen voor het gedijen der verschillende rassen ook het klimaat, de ligging en de aard van den bodem, de uitgestrektheid van het terrein en de grootte der gebouwen in aanmerking en dient men bij het kiezen der rassen ook daarmede wel degelijk rekening te houden.
Wil men voor de behoeften van zijne huishouding fokken dan moet men behalve één of meer productierassen ook één of meer individuen hebben, die goed broeden en goede moeders voor de kuikens zijn, hetzij, dat men die neemt uit hot een of ander ras, dat deze eigenschappen bezit, hetzij dat men er kan vinden, die als legsters en broedsters beide zijn aan te bevelen.
Voor kleinere of grootere boerderijen, welke aan pluimveeteelt doen om de bijverdienste, zonder daaraan juist âbijzondere zorgquot; te wijden, is de
1) Do zaak vnn Voitollior in ovcrgcKnan in hfinden vnn don lioor Ã. do Porpignii; zij lovort jaarlijks ook honderdon vim broodmncliines, dio zoor geroomd wordon.
Vort.
205
keuzo der beste rassen niet zoo liocl moeilijk: van gekuifde hoenders en weekelijke rassen zal men zich in elk geval moeten onthouden en zich inis-schien wenden tot de robuste Langshans of' do Hamhurgers, wanneer men niet de voorkeur geeft aan het een of ander landhoenras. Heeft men hoofdzakelijk eierproductie op het oog, dan zou aan deze een Leghorn-of Minorca-haan en, bedoelt men vleeschproductie, dan een La Flèche- of Dorking-haan toegevoegd kunnen worden, terwijl als broedsters Brahma-hennen aanbeveling verdienen.
Een tveinij âzorgquot; zal er echter altijd aan het houden van hoenders verbonden zijn, zoowel met het oog op het verwijderen der te oude exemplaren als van de slechte leggers, zoowel voor de teeltkeuze als voor de bloedver-versching, daar er zonder die zorg van geen duurzaam voordeel sprake kan zijn. Anders echter wordt het daar, waar bij een kleiner of grooter landbouwbedrijf de zaak alleen of in hoofdzaak als landhuishoudelijk bedrijf wordt opgevat. Tot op heden wordt de hoenderfokkerij nog bijna overal in 't klein gedreven en zorgen opkoopers en handelaars voor do binnenlandsehe markt en de export.
De aanzienlijke sommen, welke daardoor in het Noorden van Frankrijk verworven worden, bestaan zeker wel voor gedeelten uit kleine posten van eieren en poulardes, welke de kleine grondbezitter produceert en âwaaraan die provinciën hoofdzakelijk hun meer dan gemiddelden welstand te danken hebben.quot;
Ook hier blijken weder de voordeden van de âVerdeeling van den arbeid.quot; Voor de hoenderfokkerij als hoofdbedrijf voor den kleinen en kleinsten grondbezitter zal eene scheiding van het bedrijf naar eierproductie, kuikenteelt en vleeschproductie (het mesten) zijn aan te raden. Wi 1 men zich tot den verkoop van eieren bepalen, dan verdienen die rassen do meeste aanbeveling, welke de meeste en tevens de grootste eieren leveren en moet men met deze fokken voor do instandhouding en verbetering vim zijne eigene stammen. Uit is in verreweg de meeste gevallen veel meer aan te raden dan het aanschaffen van een geheelen voorraad jonge hoenders; een grooter productievermogen trachte men zelf te verkrijgen door omzichtig en met zorg te fokken.
Met het oog op het broeden en opkweeken der kuikens, die later als mestdieren verkocht zullen worden, heeft men weder op andere eigenschappen te letten. Hierbij komen in de eerste plaats in aanmerking: zwaarte, malschheid en smakelijkheid van het vleesch, snelle groei en gemakkelijke mestbaarheid, omdat deze alleen een zekere winst garandeeren.
Wat eindelijk de âpluimveeteelt op groote schaalquot; aangaat, zoo is men het er tamelijk wel over eens, dat die het best rentabel is, wanneer eier-
2fl6
productie, broeden en opkweeken en mesten niet elkander gepaard gaan. Het spreekt echter van zelf, dat men bij de keuze der te houden dieren zich ook al weder tot die rassen en variëteiten dient te bepalen, welke met het oog op die verschillende doeleinden de beste zijn, en, aangezien men wel geen hoenderras zal kunnen vinden, dat al de gewenschte eigenschappen in zich vereenigt, dient men voor ieder tak van het bedrijf afzonderlijk de meest geschikte dieren uit te zoeken; dus: beste legkippen, beste broeders en moeders, boste mesthoenders. Ook heeft men daarbij -al naar de uitgebreidheid der zaak â op de onderlinge getalverhouding der verschillende rassen te letten, vooral op die der broedkippen tot de legkippen en mesthoenders; zeker zal dit dikwijls met groote moeilijkheden gepaard gaan, doch het is niettemin noodzakelijk er rekening mede te houden.
Omtrent de productiviteit der verschillende rassen zijn niet zoo gemakkelijk algemeen juiste cijfers te geven als men wel zou meenen. Zeer vele, ja, misschien de meeste fokkers en liefhebbers zijn van de betrekkelijk hooge waarde hunner lievelingsrassen vast overtuigd, en dikwijls met volle recht. Want, daar alle eigenschappen van het pluimvee, dus ook het productievermogen, door een rationeele wijze van fokken en behandelen aanmerkelijk verhoogd kunnen worden, zoo is het zeer natuurlijk, dat die met bijzondere voorliefde verzorgde lievelingsrassen gunstiger resultaten opleveren dan zij bij eene meer achtelooze of stiefmoederlijke behandeling zullen geven.
Een ander gevolg van deze feiten zijn dan de somtijds lijnrecht tegen elkander over staande meeningen aangaande de productiviteit enz. der verschillende rassen, zooals men die in tijdschriften zoowel als in boeken dikwijls vindt uitgesproken cn die den niet-kenner niet weinig in de war brengen, zonder dat er juist opzettelijke misleiding in het spel is.
Over 't algemeen heeft er zich toch langzamerhand ecne vrij nauwkeurige overeenstemming gevormd in het oordcel over de eigenschappen der verschillende rassen. Aangaande de eierproductie maakte Baron Bihra te Uirtenfeld destijds â alleen echter ten behoeve van zich zelf â de volgende classificatie:
Hij onderscheidde zijne hennen als:
zeer slecht â 1, wanneer zjj gemiddeld om den vijfden dag legden, dus 70 a 80 eieren per jaar gaven;
slecht = 2, als zij gomidd. om den 4l1oii en 5('«quot; dag legden, =: 70 a 90 eieren per jaar;
middelmatig = 3, als zij gemidd, om den 3(lon en 4don dag legden, =; 90 a 1'20 eieren per jaar;
207
goed = i, als zij gcmidd. om den 'i'i0quot; en S'i⢠dag legden, â 120 ii 180 eieren per jaar;
uitmuntend = 5, als zij meer dan 180 eieren per jaar leverden.
Achter dit hoofdstuk geven we een tabellarisch overzicht van de economische eigenschappen der voornaamste rassen, waarbij wij, op de wijze als Baron Bibra, de waarde aangeven, doch in omgekeerde volgorde der cijfers, dus: 1 m uitmuntend, 2 = goed, 3 = middelmatig, 4 = slecht, 5 = zeer slecht.
Als voorbeeld van hetgeen bedoeld overzicht ons aangaande do verschillende rassen zegt, nemen we hier het eerstgenoemde ras.
De Cochins zijn goede legkippen (2), de eieren zijn groot (2), hard van schaal (2), zij zijn goede (2) winter leggers; zij groeien snel (2), de kwantiteit van hun vleesch is zeer groot (1) of groot (2), de kwaliteit van het vleesch goed (2) of middelmatig (3); zij broeden uitstekend (i) doch zijn slechts goede (2) moeders (wat do zorg voor de kuikens aangaat); zij eten veel (2), zijn goed hard (2), gedijen uitstekend (1) wanneer ze vrijen uitloop hebben en ook in een beperkte ruimte (1). Dit voorbeeld zal voldoende zijn om het gebruik van deze natuurlijk onvolkomene en onvolledige proeven van een tabellarisch overzicht te verklaren.
Tabel 2 op pag. 302, ter vergelijking van het gewicht der verschillende rassen en hunne eieren, is eveneens onvolledig en bepaalt zich alleen tot de voornaamste landhuishoudelijke rassen, in zoover zij raszuiver of gekruist als nuthoen zijn aan te bevelen. Met het oog op de landhuishoudelijke hoenderteelt zouden meerdere opgaven van zeer veel belang zijn. De tabel geeft het gemiddelde gewicht van het groot aantal dieren, welke daarvoor het materiaal leverden, en dat der eieren bepaalt zich tot die van één- en tweejarige hennen.
Niet zonder belang ia zeker eene vergelijking van het productievermogen der verschillende rassen, op zich zelf en in verband met het gewicht der hennen beschouwd. Als men aanneemt, dat hot aantal eieren van den eierstok bij alle rassen (iOO is (wat echter volstrekt niet bewezen is!), terwijl het eier- en lichaamsgewicht aanmerkelijk varieeren, dan is het duidelijk, dat de totale productie der verschillende rassen op zich zelf en betrekkelijk â in betrekking tot het lichaamsgewicht opmerkelijke verschillen moet aanwijzen. Tabel 3 geeft eenige resultaten van deze wijze van vergelijken.
Van nog grooter belang zou eene berekening zijn van den tijd, in welken de legkracht der verschillende rassen geheel uitgeput zou zijn wijl die in elk geval een aanknoopingspunt zou geven voor de bepaling der grenzen van hunne landhuishoudelijke waarde â voorop gesteld echter, dat het aantal eieren aan den eierstok bjj alle rassen gelijk was, wat hier voor-loopig als bruikbare hypothese wordt verondersteld. Dan zouden natuur-
298
lijk die rassen de nuttigste zij», welke dat aangenomen aantal (600) in den kortsten tijd legden.
Dan zouden bijv. de Leghorns, welke vóór huneersten rui 160, tusschen den eersten en den tweeden 18ü en tusschen den tweeden en den derden 180, dus in ongeveer 3.J jaar 5i2ü stuks eieren leggen, te verkiezen zijn boven de landhoenders, welke nauwelijks zoovele en dan nog kleinere eieren in ongeveer 5| jaar leggen.
Deze en dergelijke onderzoekingen zouden voor de landhuishoudelijke pluimveeteelt van zeer groote waarde zijn en 't ware te wenschen, dat de Yereenigingen van Pluimveeliefhebbers en do Afdeelingen der Maatschappij van Landbouw er iets op konden vinden, dat er in die richting onderzoekingen worden ingesteld.
Aan de hand van de tot dusver gegeven medodeelingen kunnen wij nu echter wel met vrjj groote zekerheid uit do verschillende rassen, variëteiten en kruisingen die kiezen, welke voor het door ons beoogde doel de geschiktste zjjn.
Tn Frankrijk houdt men voor de eierproduetie voornamelijk do Hondans, die volgens de meening van vele Fransche fokkers het stamras der goede Fransche variëteiten zijn, alsmede de La Flèche's, ook âPoules du Mans' genoemd. Als vleeschhoenders stelt men de Crève-Coeurs bovenaan, als het fijnste en sappigste tafelgevogclte, gemakkelijk te mesten en bovendien uitstekende eieren leverende. Hierop volgen de Houdans, welke, zonder gesneden te zijn, even gemakkelijk vet worden en bijna evenzoo fijn vleesch hebben, en de La Flèche's met dezelfde eigenschappen en bovendien de âfijnste huid.quot; Deze en andere Fransche rassen worden echter reeds sedert langen tijd zelden raszuiver gefokt, zelfs in de klassieke streken, waaraan ze hun naam te danken hebben, en hebben door voortgezette kruisingen of door verwaarloozing eene menigte slagen en variëteiten geleverd, onder welke die van La Bresse, Angers enz. de beste zijn. De waarde der Houdans wordt door de heeren Roullier en Arnoült als volgt geschilderd:
âDe Houdans overtreffen door hunne goede eigenschappen nog hunne schoonheid. De kuikens zijn in 4 maanden tijds geheel volwassen, laten zich gemakkelijk mesten en worden zeer zwaar. Een gemeste jonge hen van 4.| maand weegt geslacht met ledigen krop en ledige ingewanden 'i,ii kilogram, (de ledige ingewanden 200 gram, hot zand uit den krop en de veeren 50 gram, de beenderen â met kop, hals en pooten â 250 gram, vleesch en lever 1,8 kilogram). De poularden zijn uitstekend; ook is er geen ras, waarvan de hennen in gewicht zoo dicht bij dat der hanen komen. Het zijn beste legkippen, die vroeg beginnen te leggen; hunne eieren zijn groot en fraai wit van kleur. Zij zijn harder en gemakkelijker te fokken
20f)
dan allo andero Franscho rassen, minder vcclitlustig onz.; liet, zijn echter, evenals nlle bost leggende hoenders slechts zeer middelmatige broedsters.quot; Ook de lieer Gavot zou, âals hij uit de genoemde rassen er óme moest kiezen, de voorkeur geven aan liet Houdan-ras, hot fraaiste onder de fraaie, do koning onder alle hoenderrassen.quot;
Yoor de meeste streken van ons land zijn als legkippen in do eerste plaats aan te bevelen; Leghorns (patrijskl. cn witte) doch hier gefokte(!), Minorca's, Wyandottes, Andalusiërs, Langshans en kruisingen van deze mot boerenhoonders. Vroegbrood van sterke ouders legt reeds in Augustus en gaat daarmee bij goede behandeling tot in don winter door.
Deze rassen leggen allo flinke eieren â¢â de Wyandottes do kleinste â en zijn goed tegen het klimaat bestand; do Minorca's echter zijn de teerste.
Ook onder do boerenhoonders, do sterkste van allen, worden uitstekende loggers gevonden, doch deze eigenschap is meer individuooi. Zeker is het echter, dat hot âBoorenhoenquot; over 't geheel door doelmatige kruising zich uitstekend laat verbeteren, zoowel wat do vleesch- als wat de eierproductie aangaat.
Daar men do legkippen slechts zoolang mot voordeel kan houden, als zjj genoeg eieren geven, gemiddeld hoogstens a 4 jaren, moot men zijn piuimveestapol jaarlijks door hot aanfokkon van kuikens aanvullen â of vergrooton en om hot noodige aantal hennen bij die kuikens te hebben, dient men er op te rekenen, dat de kleinste helft der uit to broeden eieren gewoonlijk hennen geeft. Men moot dus, als men niet zelf wil mesten, zorgen, dat men een uitweg vindt voor do afgedankte oude hoenders en voor hot nog grootor aantal jonge hanen, die men zal krijgen,
In Frankrijk houdt men de fokhanon tot het rW1' jaar cn fokt ook met hennen van dien leeftijd. Espanet beweert, dat naar een physiologische wet elk dier 5 a ü maal zoo lang loeft als hot tijd noodig heeft om in de lengte to groeien. Hiernaar gerekend zouden de hoenders (ij a 7,' jaar leven (!). Hun toppunt van kracht echter bereiken zij op ongeveer de helft van dien leeftijd â hoenders dus tusschon :J en 4 jaar. Daaruit: zou dan volgen, dat .'5 a 4-jarigo hoenders ook do sterkste kuikens moeten geven en zou men, als men op grootte on kracht wilde fokken, eieren van Jï-jarige hennen moeten laten uitbroeden.
Bij de Cochins is reeds opgemerkt, dat men voor dat dool eieren van twee-jarige hennen moet nemen.
Wat het doorfokken mot de gekozen rassen of variëteiten aangaat, zoo is bij in allo opzichten constante stammen bloedverversching niet bepaald noodig, doch wel raadzaam, vooral wanneer het er op aan komt, de eene of andere eigenschap verder to versterken of te volmaken. Haar de haan
noo
altijd con aanmerkolijk grootcn invloed op zijne nakomelingen heefl-, moet men daaraan vooral ook de noodigo opmerkzaamheid wijden. Om bijv. de grootte of' iiet gewicht van een stam te verhoogen, moet men den grootsten of zwaarsten haan uitzoeken en dien de zwaarste hennen geven. Alleen do eieren der vruchtbaarste hennen worden als broedeieren gebruikt, als men vergrooting van de legkracht op het oog beeft enz.
quot;VViiiGiiT neemt aan, dat men op deze wijze de eierproductie na 5 a (i jaren op '230 jaarlijks kan brengen, daar de productiviteit der hoenders door de domestiseering reeds vertienvoudigd is en het genoemde getal door Brahma's cn Hamburgers e. a. werkelijk is bereikt en zelfs overtroffen. Hi now wil dit - zooals we gezien bebben â door gepaste verzorging en voeding bereiken. Bij eene andere familie der hoendervogels is de eierproductie zoo groot, dat zjj voor ongeloofelijk gehouden zou worden, als zij niet door een ernstig natuurvorscher. Dr. G. Bennett, en verscheidene andere getuigen gewaarmerkt was. Op sommige eilanden der Meuwe-Hebriden moet liet grootvoetige hoen â Meciapodim FreycinoAii â dagelijks 2 a i eieren leggen; de heer Bennett, de scheepskapitein e. a. hebben echter met zekerheid waargenomen, dnt een hen van deze soort aan boord van het schip dagelijks tot aan haren dood toe Iwce eieren legden. En welke eieren! Het hoen is van de snavelpunt tot het uiteinde van den staart 35i miilim. lang, terwijl de eieren gemiddeld 70 millim. lang en 44,3 millim. dik zijn. De eieren van deze ook overigens zeer merkwaardige vogelfamilie, behooren ook tot de betrekkelijk grootste en worden door de hennen met do punt naar beneden in kuilen of ook in zand- en aardhoogten en rottende plantenmassa's gelegd, waar zij deels door de zon deels dooide door gisting ontstane warmte worden uitgebroed.
Dat men ook op geschikte kruisingen bedacht moet zijn om het beoogde doel zekerder of sneller te bereiken, en dat men de nieuwe variëteiten door eene voortgezette invoering van versch bloed cn door eene zorgvuldige kweeking constant in de verkregen eigenschappen moet maken, spreekt wel van zelf. De belangrijkste kruisingen zijn reeds hij de behandeling der afzonderlijke rassen genoemd.
Of men van de gekozen rassen 4â'2, 1â3 of meer exemplaren zal aanschaffen of deze door den aankoop van broedeieren zal trachten te verkrijgen, is eene vraag, bij welker beantwoording verschillende omstandigheden meespreken als: de geldkwestie, tijd, gelegenheid tot bekoming van kuikens of eieren enz. De aankoop van stammen of toornen vereischt wel direct hoogere uitgaven, doch daarmede bereikt men ook spoediger en meestal ook zekerder zjjn doel. En dieren, die voor ons doel hooge waarde hebben, doch wegens onvoldoende kleur en teekening geen aanspraak kunnen maken op 1° klasse
301
dieren, dus op tentoonstellingen niet mee kunnen doen, zijn in den regel voor niet te veel geld wel te krijgen; acht men zulks noodig of' wenschelijk, dim kan men ook, door speciaal daarop te fokken, die fouten langzamerhand gaan herstellen.
Wil men zijne fokdieren zelf kweeken uit broedeieren, dan denke men er om, dat er onder de in Januari en Februari gelegde eieren meer onbevruchte voorkomen dan onder de later gelegde. Van de eerste moet men, zoo zij ons toegezonden worden, maar niet meer dan 40 % kuikens verwachten, terwijl de laatste er gemiddeld (iü en meer procent geven. l)c meerdere waarde der vroege kuikens als winterleggers vereffent echter dat verschil weder. Ook mag men zijn fokstammen niet te rijkelijk en te krachtig voeren, daar de eieren van vette hoenders dikwijls onbevrucht zijn en buitendien ook minder voor de fokkerij deugen. Nog valt er op te merken, dat de eieren van alle groote rassen onzekerder bevrucht zijn dan van de kleinere rassen.
TABEL I,
aanwijzende de economische eigenschappen der voornaamste hoenderrassen.
|
Namen der Rassen. |
Eiorproductio. 1 | (H -2 g S S -c 5-S J | quot;i S:o S3 1.£ £ ! quot;C .2 sj j ï- |
Vlooscb-prod. TT. 2 2 i ⢠f-g to à « *2 a, 5 g s i i ï o c; c r a * ?I a |
Moedor. c c c £ o 2 nd gt; £⢠o 3 j ^ quot;O |
Voedermassa. |
Oedüon. 2 a c 5 .si D, £ ⬠'=§ .2 « ^33 s. ^ ^ '5 5? o |« O | ||||||||
|
CocliiiiB........ |
2 |
2 |
2 |
2 |
2 |
1,2 |
2,3 |
1 |
2 |
2 |
2 |
1 |
1 |
|
IJrabnitt'H........ |
2 |
2 |
1,2 |
2 |
1 |
1,2 |
2 |
2 |
2 |
1,2 |
1,2 |
2,1 | |
|
LangsliniiB....... |
1,2 |
2 |
2 |
1,2 |
2 |
1 |
1,2 |
2 |
2 |
2 |
1 |
1 |
2 |
|
Maloiers........ |
3 |
2 |
X |
2 |
1 |
2 |
4 |
2 |
2 | ||||
|
Vochthoondors...... |
2 |
2 |
2 |
2 |
1 |
2 |
1 |
2 |
1,2 | ||||
|
Dorkings........ |
3 |
2 |
2 |
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
2 |
3 |
1 | ||
|
Hamburgers....... |
1 |
3 |
3 |
1 |
2 |
2 |
2 |
3 |
3 |
3 |
2,1 |
1 | |
|
Rod-Caps........ |
l |
2 |
1 |
1 |
2 |
1 |
3 |
3 |
3 |
2 |
1 | ||
|
Domiuiques....... |
1 |
2 |
1 |
1,2 |
2 |
1 |
2 |
2 |
2 |
1 |
1 | ||
|
l'lym.-Rock»....... |
2 |
2 |
2 |
1 |
2 |
2,1 |
2 |
2 |
2 |
1 |
1 |
2 | |
|
quot;Wynudottos....... |
2 |
2 |
2 |
1 |
1 |
2 |
1,2 |
2 |
1 |
2 |
1 |
1 |
2 |
|
Spaanscho Witw...... |
1,2 |
1 |
2 |
2 |
2 |
4 |
4 |
2 |
2,1 |
1 |
1 | ||
|
Minorca's........ |
1 |
1 |
2 |
2 |
2 |
4 |
4 |
2 |
2 |
1 |
1 | ||
|
Andalusiörs....... |
1 |
1 |
2 |
2 |
2 |
4 |
4 |
2 |
2 |
1 |
1 | ||
|
1 |
2 |
3 |
1 |
1 |
2 |
1 |
1 |
2 |
a |
1 |
1 |
2 | |
|
MocliolsoUo Koekoek.... |
1,2 |
2 |
3 |
2 |
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
2 |
1 |
1 |
2 |
|
Logborns........ |
1,2 |
2 |
2 |
2 |
3 |
3 |
3 |
2 |
1 |
1 | |||
|
La Flocbos....... |
2 |
1 |
3 |
2 |
2 |
1 |
4 |
3 |
2 |
2 |
2 | ||
|
Crèvo-Coours....... |
1 |
1 |
3 |
2 |
2 |
1 |
4 |
3 |
2 |
2,1 |
2 | ||
|
JSierproductio. |
Vlooscli-prud. |
3loe-dors. |
03 CO CD |
Qedqeu. | |||||||||
|
Namen dku Hasskn. |
^ c quot;ü 0 a t- cö d |
⢠1 o ^ a, §â â¢Â« « u -o co o i o o p 0) j |
bigt; ai |
's 3 £ 0) t* s c O 0) |
-§ oj ï 1 |
* . *- ^ ⢠x ca o «d X £ |
c agt; n3 o |
t_ r/j c c o c |
CS S fH o â 73 |
Gehardheid. |
â¢ld fl |
c | |
|
quot;S |
O fe r3 |
i-rt S |
£ |
c» c cö |
r b f' |
fc' |
kt m |
r- |
3 |
ti c, O | |||
|
HoudniiH........ |
1 |
l |
3 |
1 |
1 |
2,3 |
1 |
4 |
3 |
2 |
2,1 |
2 | |
|
Holl. Witkuifh...... |
1,2 |
3 |
3 |
4 |
3 |
3 |
3 |
2 | |||||
|
Padua's . '....... |
3 |
2 |
3 |
3 |
2 |
4 |
3 |
3 |
3,2 |
2 |
2 | ||
|
Lttndboonders...... |
1,3 |
3 |
2 |
2,3 |
2 |
2,1 |
3 |
1 |
1 | ||||
|
2 |
3 |
2 |
2 |
4 |
3 |
2 |
1 | ||||||
|
Krielen..... . . |
1,2 |
4 |
3 |
2 |
1 |
1 |
3 |
2,3 |
1 |
9 | |||
|
Veohtkriolen....... |
3 |
3 |
2 |
1 |
1 |
3 |
1 | ||||||
|
Bantams........ |
1,3 |
4 |
3 |
1,8 |
1,2 |
1 1 |
3 |
2,3 |
1 |
2 | |||
TABEL 11.
Over het gewicht van eieren, haan en lion.
|
Gewicht |
Gewicht |
L O |
V H A O â -23 | ||
|
gt; co |
c ^ | ||||
|
Namen deb Kassen. |
der |
--- |
--- |
O |
L» ^ |
|
Eieren. |
v/d liaan. |
v/d hen. |
O) O |
II 3 | |
|
Brahma's....... |
ü'2 gram |
4,5â6 kilogr. |
3,5â5 kilogr. |
65 | |
|
Cochins....... |
60 â |
5 |
3,75 ,, |
625 | |
|
Crève-Coeurs..... |
63 ,, |
3,75 ,, |
3,25 ,, |
52 | |
|
Dominiqnes ...... |
60 â |
3,25 â |
2,75 â |
46 | |
|
Dorkings....... |
65 ,, |
4,5 â |
3,5 â |
63 | |
|
Hamburgers..... |
50 ,, |
2,125 â |
1,625 â |
32 s | |
|
Houdans ....... |
65 ,, |
3,25 â |
3 |
46 | |
|
Leghorns....... |
63 ,, |
3 â |
2,25 â |
36 | |
|
La Flèches...... |
63 â |
3,5 ,, |
3 â |
475 | |
|
Landhoenders..... |
50 â |
2,5 â |
2 â |
40 | |
|
Langshans...... |
60 â |
â 4,5 â |
3,5 â |
58 | |
|
Minorca's....... |
68 â |
3,75 â |
3 |
44 | |
|
Plym. Rocks..... |
67 ,, |
4,5 â |
3,5 ,, |
52 | |
|
Ramelsloher...... |
55 â |
3,25 â |
2,75 â |
50 | |
|
Spaansche Witw..... |
70 â |
3,75 â |
3 â |
43 | |
|
Wyandottes...... |
67 â |
3,75 â |
3,25 â |
i |
485 |
303 Tabel III.
|
Namen dek Kassen. |
Aantal. _______ |
Eiorou 3 1 ! Totunl ko-o s i 'E 5 wicht dor oio-o O _ reu in gramm. |
Gemiddold gowiobt van de bon, in gramm. |
Verhouding tuxBcbon 't gewicht dor bon o» do oioron. | |
|
Leghorns ...... |
(iöü |
03 |
378U0 |
2250 |
1 ; 17 |
|
Hondans....... |
(55 |
39000 |
3000 |
1 ; 1 3 | |
|
La Flèches...... |
gt;gt; |
03 |
37800 |
3000 |
1 ; 12,0 |
|
Crève-Coeurs..... |
gt;gt; |
03 |
37800 |
3250 |
1 ; 11,0 |
|
Minorca's...... |
OX |
40800 |
3000 |
1 : 13,0 | |
|
Sp. quot;Witwangen .... |
gt;gt; |
70 |
42000 |
3000 |
1 : 14 |
|
Brahma's...... |
02 |
37200 |
4250 |
1 : 8,8 | |
|
Cochins ....... |
00 |
30000 |
3750 |
1 : 9,0 | |
|
Landhoenders..... |
gt;gt; |
50 |
30000 |
2000 |
1 : 15 |
|
Dominiques...... |
00 |
30000 |
2750 |
1 : 13 | |
|
Dorkings....... |
05 |
3!J00ü |
3500 |
1 : 11,1 | |
|
Hamburgers...... |
j) |
50 |
30000 |
1625 |
1 ; 18,5 |
|
Langshans ...... |
00 |
30000 |
3500 |
1 :10,3 | |
|
Plym. Rocks . . , . . |
07 |
40200 |
3500 |
1 ; 11,5 | |
|
Ramelsloher...... |
55 |
33000 |
2750 |
1 : 12 | |
|
Wynaudottes..... |
n |
07 |
40200 |
3250 |
1 : 12,4 |
Achtstk Hoofdstuk.
Fokleer. Paring en kruising'.
Aangaande hetgeen hier over de fokleer volgt, dient vooraf te worden vermeld, dat dit zich alleen bepaalt tot datgene, wat de ervaring in dezen heeft geleerd en in betrekking tot de economische zjjde der pluimveeteelt; eeiie wetenschappelijke uiteenzetting daarvan, zooals die bijv. door Darwin aan de hand van eene zoo groote reeks van voorbeelden is gegeven, zou hot bestek van dit werk zeer te buiten gaan.
De resultaten, welke eene op nauwkeurige waarneming, op methodisch ingerichte proeven enz. gegronde, algemeene fokleer tot op heden opgeleverd heeft, kunnen gevoegelijk worden samengevat onder de volgende vier wetten, welke men de grondregelen der fokleer zou kunnen noemen.
Uit dezo laten zicli gemakkelijk de regelen voor bijzondere doeleinden afleiden.
1. Eene of' meer eigenschappen der ouders kunnen op de nakomelingen overgedragen worden; â de wet der vererving.
2. Uit de samensmelting der karakters van de ouders, of uit do indivi-dueele verschillen van deze kunnen nieuwe eigenaardigheden geboren worden; â de wet der veranderlijkheid, variabiliteit.
3. Verloren gegane eigenschappen kunnen weder te voorschijn komen; de wet van de terugslag (regressie), atavisme, latente of onderbroken vererving.
4. Door gewenning en opvoeding der voor het fokken bestemde dieren kunnen zekere veranderingen in de vormen, eigenschappen enz. verkregen worden; â de wet der aanpassing, adaptie, verworven vererving.
Laten wij nu de gevolgen uit deze wetten trekken en ze in algemeen verstaanbare regelen voor de praktijk inkleeden.
Wanneer men zich een plan heeft gevormd, naar hetwelk men meent te moeten fokken om hot een of ander doel te bereiken, komt het er op aan, de daarvoor meest geschikte fokdieren te kiezen en die nauwkeurig te leeren kennen.
Schaft men zich fokdieren aan, dan dient men, wanneer zulks immer mogelijk is, den stamboom dezer dieren na te gaan, om zich te vergewissen omtrent hetgeen men koopt en wat men ervan te verwachten heeft. Stammen de dieren af van een door langdurige inteelt constant geworden ras of variëteit, dan kan men, met de kennis der eigenschappen daarvan toegerust, zonder tijdverlies op de meest wenschenswaardige eigenschappen fokken; zijn ze echter een kruisingsproduct, dan moet men door de eerste kuikens niet dadelijk te leur gesteld of ontmoedigd worden. Want, terwijl in bet eerste geval alleen de wet der vererving werkt, doet in het tweede geval de wet der veranderlijkheid en bij het tweede geslacht ook do wet van den terugslag â meestal op do grootouders â haren invloed gelden. J)e uit eene kruising ontstane ouders brengen niet altijd de beste kinderen voort, met grootere waarschijnlijkheid echter wel de beste kleinkinderen (latente vererving).
Eene uitzondering op dezen regel vormen die producten van eene eerste kruising, welke door de eene of andere gewaardeerde bijzonderheid uitmunten on dan óf als eerste kruisingsproducten voor het een of ander doel gebruikt worden (verkocht, geslacht enz.) â zooals bijv. de eerste kruisingsproducten van raszuivere Toulouser en Emdener ganzen, welke de ouders in grootte en zwaarte overtreffen â of voor nieuwe kruisingsproeven dienst kunnen doen.
305
Heeft men nu een goeden fokstam verkregen on wil men dien als zoodanig behouden en verder vormen, dan is liet in do oersto plaats dringend noodig, dat men do kuikens in allo opzichten nauwkeurig'gadeslaat om dan daaruit voor het doorfokken die individuen te kiezen on zorgvuldig te behandelen, welke voor do bereiking van het doel de moeste waarborgen bieden, wat echter volstrekt niet in zich sluit, dat men ze later niet door nog betere mag vervangen.
En dat uitzoeken i.s goeno gemakkelijke taak. ,,Dc verschillen tusschen do individuenquot;, zegt Hiickel, âwaarop het bjj hot uitzoeken aankomt, zijn zeer klein. Een gewoon mensch is niet in staat die kleine verschillen op te merken, welke een geoefend fokker oj) het eerste gozicht in't oog vallen. Do taak van den fokker is geen gemakkelijke kunst en vereischt een buitengewoon scherpen blik. Bij oen enkel geslacht zijn de verschillen door een leek soms in 't geheel niet waarneembaar; door do opoenhooping dier verschillen gedurende een reeks van geslachten wordt de afwijking van den stamvorm ten laatste zeer aanzienlijkquot;.
Darwin zegt ergens, dat er onder duizend menschen nauwelijks één good waarnemer gevonden wordt.
Aan te; bevelen is het, om dadelijk twee stammen van hot gekozen ras te nemen en deze van elkander gescheiden tc houden, om zoo geschikt materiaal voor bloedverversching bjj de hand to hebben. Geschikt materiaal, dat wil zeggen zulke dieren, wier eigenschappon men door nauwkeurige 'waarneming als goed heeft leoren kennen. quot;Want het is zeker, dat alleen op deze wijze een vertrouwbare waarborg voor een voordeelige bloedverversching kan worden verkregen; door invoering van frisch bloed uit een onbekenden stam krijgt men dien niet, on door eon onzuiveren of overigens gebrekkigen stam zou mon zijn eigen stam voor langen tijd, zoo niet voor altijd, kunnen boderven, zelfs in de economische eigonschappen. Men schijnt echter bijna overal, ook in Engeland, teruggekomon to zijn van de overdreven waardeering der invoering van nieuw blood; in Frankrijk, waar mon ten minste in den laatsten tijd wegens den uitvoer naar Duitschland en Engeland bjj de liefhebber-fokkers op het zuiver fokken der rassen aandringt, heeft men zich nooit bijzonder voel om bloedverversching bekommerd.
Door de kruisinij ot mot andere woorden ,,door natuurlijke of kunstmatige teeltkeuzequot; worden die veranderingen bjj de nakomolingschap te voorschijn geroepen welke men mot do namen variëteiten, slagen, rassen of soorten aanduidt; en inderdaad zouden vele rassen van onze huishoenders door de huidige systematiek als soorten (specien), ja, zelfs als geslachten en ondergeslachten (genera, subgenera enz.) gekarakteriseerd worden, wanneer zij in 't wild
Bai.damus, Pluimveeteelt. 20
rjod
levend aangetroffen werden. Wij verslaan hier onder âkruisingquot; niet alleen de paring van verschillende rassen, maar ook die van verschillende variëteiten en skujen. Wat do wet der veranderlijkheid in het wild alleen langzamerhand in een lange tijdruimte door individueele, sexueele enz. teeltkeus door opllooping' van dit! kleine veranderingen â tot stand brengt, dat bereikt do door de menscheiihand geleide teeltkeus, in den vorm van kruising, in weinige Jaren en geslachten. De kruising bewerkt echter tevens ook, onder evenwel nog niet volkomen bekende omstandigheden, terugslag, niet alleen op do grootouders, overgrootouders enz., maar, volgens Darwin, Wallace o. a. zelfs op de vroegste voorouders, op do wilde stamsoorten der gedomostisoerde soorten en rassen. Daar echter deze laatste werking voor ons doel van geen belang kan zijn, en bovendien het onomstootelijk bewijs daarvoor zeker ook niet geleverd is, ten minste niet voor de gewervelde dieren, maken wij er slechts terloops melding van met de opmerking, dat het bewijs ervan tevens oen bewijs voor de groote stabiliteit âder soortquot; in zich zou sluiten.
Wat don absoluton en betrekkeljjken leeftijd der fokdieren aangaat, geldt als regel, dat de nakomelingen, wanneer die den leeftijd hebben van de ouders, ten tijde van do paring, over 't algemeen ook op do ouders, zooals die ten tijde van do paring waren, gelijken; dat alzoo bijv. de jonge hauen van eon driejarigen vader in het derde jaar aan dezen gelijk worden en de jonge bennen van een vierjarige moeder in het vierde jaar op deze gelijken: de nakomeling scha} t slacht naar den ahsoluten ouderdom der ouders â gelijktijdige geslachtelijke vererving. Deze regel wordt echter beperkt door eene andere: dat bij relatief verschillenden leeftijd der ouders de krach Hijst onhoikkelde van deze, dus die met de sterkste constitutie, een overwegenden invloed op de vererving der ouderlijke eigenschappen uitoefent. Hij relatief gelijken leeftijd der beide ouders heeft over 't geheel het ment-nelijk geslacht (hier dus do haan) voornamelijk grooten invloed op (jeslalte en kleur, bot vrouwelijke meer op de grootte, de constitutie cn do vruchtbaarheid. Ter verkrijging van de gewenschte economische eigenschappen zal men dus in de eerste plaats met zorg de hennen moeten kiezen, doch deze toch ook niet zulke hanen paren, die door hunne afstamming van vruchtbare ouders on grootouders een waarborg geven voor de verhooging der gewenschte eigenschappen.
Naast de vererving op overeenkomenden leeftijd staat de vererving op overeenkomende plaatsen, d. w. z. dat zekere afwijkingen in kleur enz. bij de ouders zich ook bij de nakomelingen op dezelfde plaats vertooncn. Zoo vertoonden twee dochters en een kleindochter van een driejarige witte Minorca-lion in liet tweede jaar ieder een zwarte voer op dezelfde plaatsen
:W7
â groote vleugoldekveeren en stuit â waar dio ook bij de moeder (en grootmoeder) waren verschenen.
Algemeene regelen voor den leeftijd, waarop de dieren fokrijp zijn, kunnen moeilijk worden gegeven, daar deze bij do versoliillende rassen (en zelfs individuen van 't zelfde ras) vroeger of later intreedt, 't Is in elk geval aan te bevelen, dat men slechts volwassen en rijpe dieren voor liet fokken bezigt; vooral bij de zware rassen, wier beenderengestel een langeren tijd behoeft om vast te worden, is dit niet uit het oog te verliezen, daar de kuikens bijv. van te jonge Brahma's en Cochins bijna altijd aanleg hebben voor beenzwakte. ])e eigenaardigheden der ouders vererven in elk geval het volkomenst, wanneer deze in hun volle kracht zijn.
Bjj de lichtere rassen wordt aanbevolen tweejarige dieren te paren of zelfs dieren, die in hun tweede jaar zijn. De kuikens zullen dan gelijkmatiger in de veeren komen, dan die van oudere vogels.
Om eene krachtige, alle gewenschte eigenschappen overervende nakomelingschap te verkrijgen, moeten beide ouders niet even oud zijn. De bewering, dat éénjarige bennen het best leggen en dus op dien leeftijd ook het zekerst vererven, houdt geen steek, omdat de veronderstelling valsch is: zonder gebruik van prikkelende middelen geeft geen ras in het eerste jaar â van rui tot rui gerekend â meer of zwaardere eieren dan in het tweede ot derde-âbij sommige rassen zelfs niet meer dan in het vierde jaar.
Nog minder valt er op te rekenen, dat éénjarige hennen groote, zware en sterke nakomelingen zouden opleveren: eigenschappen, welke zij op dien leeftijd zeiven nog niet volkomen verkregen hebben.
Daarentegen verdient het wel aanbeveling, wanneer nu eenmaal één der ouders jong zal zijn, een jongen liaan met oudere hennen le puren, zooals dat door vele ervaren fokkers ook geschiedt: het resultaat is meestal groote, krachtige kuikens, welke alle eigenschappen van de moeder des te zekerder overnemen en vererven. Men moet echter jonge hanen niet meer dan '2 of i? hennen geven, wijl zjj anders â - om nog niet bekende redenen â meer hanen dan hennen verwekken. (?)
Uit het voorgaande volgt van zelf, dat de fokker theoretisch en practisch bet toppunt van rijpheid van zijn fokmateriaal nauwkeurig moet kennen â bijv. de leeftijd, waarop zijne hennen liet meest productief zijn â om dat voor zijne bijzondere doeleinden met zekerheid te kunnen gebruiken. Want, heett men bijv. vererving en versterking van alle economische eigenschappen op het oog â bij haan en hennen meer of minder gescheiden of gezamenlijk voorkomende â dan zal alleen een even rijp en volkomen ontwikkeld paar eene ongeveer gelijkmatige vererving van de som dier eigen-schappen waarborgen.
308
Eone ongeveer gelijkmatige vererving: want ook do overige vorervings-wetten doen hun invloed in goede of in verkeerde richting gelden.
Deze gelijkmatige invloed vertoont zich zeer duidelijk bij volkomen rijpe
â niet even oude â ouders in de volkomen vermenging der kleuren: van zwarte en wille ouders, onverschillig of het mannelijke dan of het vrou-weljjke exemplaar wit of zwart is, vallen jrjze nakomelingen. De meerdere of mindere donkerheid van kleur of teekening hangt evenwel af van den meerderen invloed, dien de haan daarop uitoefent.
Voor economische doeleinden: een grooter productievermogen, een krachtiger gestel, grootere gehardheid enz., zal men dus zoo moeten paren, dat beide ouders die eigenschappen in zoo hoog mogelijke mate bezitten, of, als dit niet te verwezenlijken is, zal men, met inachtneming van den sexueelen invloed in het algemeen en de door den relatieven leeftjjd gewjjzigden invloed, de fokdieren zoo moeten kiezen, dat de bij deze gescheiden voorkomende eigenschappen op de nakomelingschap gelijkmatig
â of zoo gelijkmatig mogelijk â inwerken en vereenigd overgaan.
Ter opheldering van de zaak een voorbeeld. Men heeft bijv. een bijzonder productieven stam, die echter wat al te gevoelig is voor de onregelmatigheden van hot klimaat, Het eenvoudigste zou nu zijn, volkomen en gelijk ontwikkelde dieren te paren, van welke één van beiden de gewenschte gehardheid in hooge mate bezit. Kan men echter zulk een dier niet krijgen, dan heeft men te kiezen: of oude, geharde hennen met een jongeren, uit een productieven stam voortgekomen haan, óf oude (i a 5-jarige) geharde hanen met jongere hennen te paren. Het doel zal door alle drie paringen, wat de zekerheid aangaat in de genoemde volgorde, bereikt worden. Mocht de productiviteit daaronder geleden hebben, dan zal men, na het verkrijgen van de gehardheid van den stam, die gemakkelijk weder kunnen verhoogen. Want, men moet bij het verhoogen van zekere eigenschappen niet op twee of meer van die eigenschappen te gelijk fokken. Dit is een regel, die door alle ervaren fokkers bevestigd wordt.
Voor het fokken van productieve stammen is het niet onverschillig, of men meer hanen dan hennen verkrijgt, daar deze laatste voel meer waard zijn; eene daarop gerichte paring of het onderscheiden van het geslacht aan de eieren zou derhalve van het grootste belang zijn. Men heeft dan ook in deze richting tal van âervaringsregelenquot; ten beste gegeven, zonder echter nog tot zekere resultaten te zijn gekomen.
Er zijn er â en daartoe behoort ook de auteur van dit werk â die aannemen, dat beide geslachten, voor zoover die in do natuur gescheiden optreden, over 't geheel, zoo niet geheel dan toch ten naastebij, in even groot aantal voorhanden zijn en dus ook steeds op nieuw in die verhouding
nof»
moeten worden voortgebracht. Vorder nemen zij mIh bewezen aan, dat het geslacht van alle levende wezens in het ei afwisselt en dus onafhankelijk is van de bevruchting. Uit een en ander besluiten zij, dat er eene min of meer gelijkmatige en over 't geheel eene regelmatige afwisseling moet plaats hebben en dat op een mannelijk ei een vrouwelijk ei volgt en omgekeerd, wanneer n.1. alle eieren bevrucht worden en tot ontwikkeling komen. Een duidelijk bewijs voor deze regelmatige opvolging der geslachten leveren volgens hen o.a. de duiven, welke bijna zonder uitzondering twee eieren van verschillend geslacht leggen, van welke het eerstgelegde meestal mannelijk is. En hetzelfde geldt van alle familiën, geslachten en soorten, welke twee eieren leggen. l!jj al die vogels echter, welke meer dan twee eieren leggen, zijn er evenveel of nagenoeg evenveel mannelijke als vrouwelijke eieren, hot eerste n.1. bij een even, het laatste bij een oneven aantal eieren. De vogelkweekers in den Ilarz, in het Thxiringer woud en elders verzekeren dan ook, dat er in een nest met 5 jonge vinken, goudvinken, grasmusschen, grauwe lijsters e. a., 2 mannetjes en 3 wijfjes zijn, of omgekeerd, terwijl er bij hot tweede broedsel, dat gewoonlijk A eieren telt, '2 mannetjes en 2 wijfjes zijn.
Zoo laten zich ook de beweringen van de âboschornithologenquot; verklaren, âdat namelijk, wanneer het oudste van 5 jongen een mannetje is en zij kunnen zulks zeer goed onderscheiden â â ook liet jongste (kleinste, zwakste) en hot derde mannetjes zijn, en omgekeerd, wanneer het oudste een wijfje is; alsmede âdat er in sommige jaren meer mannetjes, in andere meer wijfjes zijn.quot; Verder wordt daardoor verklaard, hoe niet alleen op zekere tijden, maar ook op zekere plaatsen het ééne geslacht soms de overhand heeft.
Het valt evenwel niet te ontkennen, dat één der beide geslachten, en wel meestal het mannelijke, soms de overhand kan hebben. Bij onze zangvogels in de vrjje natuur merkt men zulks dikwijls op. Misschien dat de wijfjes over 't geheel zwakker zijn en er dus meer van sterven. De duiven-fokkers zullen ook wel opgemerkt hebben, dat er meer jonge duiven te gronde gaan dan doffers.
Deze laatste, gewoonlijk eerst uitkomende en krachtiger, spelen spoedig den baas in het nest, verdringen de duif en worden op die wijze vaker gevoed.
Deze feiten zijn hier vermeld om er het besluit uit te trekken, dat deze regel ook bij onze huishoenders moet gelden, zooals dat ook bij hunne wilde stamouders het geval is.
De meeste soorten van het gedomestiseerde pluimvee hebben deze eigenaardigheid van hunne stamouders behouden, dat zij een bepaald aantal eieren leggen â een legsel â en dan broeden. Zoo o. a. de ganzen.
310
kalkoenen en duiven. Alleen lt;le hoenders en ten deele ook de eenden en parelhoenders, voor zoover die bewust of onbewust door den invloed van den mensch een grooter productievermogen hebben gekregen, maken eene uitzondering. Echter ook slechts schijnbaar. Want niet alleen dat vele hoenderrassen, o. a. de landhoenders hun bepaald aantal eieren leggen en dan, als ze niet verhinderd worden, werkelijk broeden, ook de meest productieve en weinig of' geen broedlust openbarende rassen maken, na een zeker aantal eieren gelegd te hebben, eeu pauze van '2, 3 of meer dagen. Dat deze productieve hoender- en eendenrassen dikwijls dubbel zooveel eieren achtereen leggen als hunne wilde stamouders en de minst vruchtbare rassen of variëteiten, is oen gevolg van liet door kweeking vergroote prod actie vermogen.
Aangenomen dus, dat do eieren van beiderlei geslacht beurtelings tot rijpheid komen en bevrucht worden, dan zou daaruit volgen, dat ieder legsel uit evenveel mannelijke als vrouwelijke eieren bestaat of - bij een oneven aantal eieren â één mannelijk of vrouwelijk ei meer bevat. Laat men dus een aantal in volgorde gelegde eieren uitbroeden, dan kan men bij een even aantal evenveel mannelijke als vrouwelijke jongen verwachten.
En weet men -..... wat door proeven gemakkelijk is te bepalen â dat het
eerstgelegde ei mannelijk is, dan zullen naar alle waarschijnlijkheid het 2°, 4c, 6° enz. ei vrouwelijk zijn cn heeft do fokker liet dus in zijne macht naar believen hanen of hennen te fokken.
We kunnen hier op dit zoo belangrijke onderwerp niet verder doorgaan, doch bevelen het den physiologen dringend tot verder onderzoek aan.
Over de gevolgen der kruising is reeds in 't algemeen gesproken, eu over de meest aanbevelenswaardige kruisingen der verschillende rassen onder elkander is bij de beschrijving daarvan het noodige gezegd.
Er rest nu nog, van eenige algemeeno regelen te gewagen, zooals die naar de tot dusver opgedane ervaring vastgesteld kunnen worden.
Vooraf echter dient eenige aandacht gewijd te worden aan de voor de hand liggende vraag, hoe lang de invloed der bevruchting door den haan werkt. Zij is even belangrijk voor de rasdierenfokkerij als voor de kruising, doch zal bij deze laatste veel vaker in aanmerking komen. Wel is waar loopen de resultaten van de waarnemingen dienaangaande iets uit elkander, doch het veelvuldigst is, wat de hoenders aangaat, waargenomen, dat door één enkele paring negen eieren bevrucht worden, zoodat men voor de werkzaamheid der paring een tijdvak van H a 12 dagen zou mogen rekenen. Toch zijn er ook voorbeelden, dat eene hen na een enkele bevruchting door den haan 20 bevruchte eieren legde.
Van het stellen van een âwet der bevruchtingsduurquot; kan echter voor-
311
alsnog geen sprake zijn; zelfs positieve regelen voor practiscli gebruik wagen we niet te geven; we dienen ons niet dezen negatieven te vergenoegen : Men zorge, dat er geen vreemde hanen bij de fokstamnien kunnen komen, daar zij zoowel onze rasdieren als onze kruisingsproducten voor langoren tijd, zoo niet voor altijd kunnen bederven.
Aangaande de rassenk ruising geldt als eerste regel, dat men altijd zeer na of ton minste na verwante rassen met elkander moet paren. Ofschoon ook op dezen, evenals op zoo menig andoren regel, talrijke uitzonderingen kunnen worden gemaakt, is hot toch niet te ontkennen, dat vooral de aanvangers goed zullen doen zich aan dien regel te houden. Zjj zullen zich daardoor behoeden voor herhaald mistasten, wat helaas, ook de pluimveeteelt grooter schade heeft veroorzaakt, dan men zich gewoonljjk voorstelt.
Nog belangrijker komt ons nu de aanwending van de hiervoor genoemde regelen over deu absoluten en relatieven leeftijd der fokdieren op de kruisingen voor, vooral ook, wanneer men bedoelt economische eigenschappen te verkrijgen of te versterken, of door inteelt verloren gogane eigenschappen weder te herstellen, of de raszuiverheid in 't algemeen te bevorderen. Hier vertoont zich do kweekkunst in haar vollen glans, eene kunst, die evenmin als iedere andere van zelf tot ons komt, doch door ingespannen arbeid verworven moet worden.
Wat de zoogenoemde inteelt â hot fokken in dezelfde familie, met verwant bloed â betreft, deze is over 't algemeen niet aan te bevelen aan hen, die bepaaldelijk om het nut hoenders houden, aangezien door hot groote verervingsvermogen van zulke paren niet alleen de ontwikkeling der goede eigenschappen in de hand wordt gewerkt, doch ook der slechte en der gebreken. Al kan ook de liefhebber-fokker of de fokker van professie, die over veel tijd kan beschikken en met een scherp waarnemingsvermogen begaafd is, met behulp van voortgezette inteelt bewonderenswaardige resultaten bereiken, zoo zal de nutdierenfokkor, die ook nog aan andere bezigheden zijne aandacht heeft te wijdon, toch in de meeste gevallen slechts op negatieve resultaten van de inteelt kunnen wijzen. Hem is in tegendeel dringend aan te raden om, ten minste elke drie of vier jaren door den aankoop van vreemde mannelijke dieren voor bloedverversching te zorgen.
Negende Hoofdstuk .
Eieren, Broeden eu Oiikweekcn.
Men weet, dat do eieren dor vogels in grootte, vorm, in textuur van do schaal, in kleur en teekening zeer verschillend zjjn. Over't algemeen bestaat
312
er eene bepaalde verhouding tusschen de grootte der vogels en hunne eieren, maar tocli varieert deze meer of minder naar de verschillende orden, fami-liën en alle kleinere groepen, naar de rassen en variëteiten, zelfs naar de individuen. (Zoo leggen hijv. de roofvogels op weinige uitzonderingen na kleine eieren, terwijl de snippen zeer groote leggen). Tn betrekking tot de drie laatstgenoemde categorieën kan natuurlijk alleen van de gedomestiseerde soorten sprake zijn, ofschoon de op eene reeks van nauwkeurige waarnemingen berustende wet: âIeder individu legt in den regel gelijke, of liever op dezelfde wijze gevormde, gekleurde en geteekende eierenquot; â zeker ook wel op deze categorien van toepassing zal zijn. Menige fokker (ook menige huismoeder) toch kent de eieren van ieder zijner kippen, en wel aan den vorm en de kleur.
De eieren der hoenders zijn, evenals die der geheele orde dor hoender-vogels, naar verhouding groot of zeer groot en slechts enkele familiën leggen er van normale grootte, dat wil zeggen in verhouding tot do grootte cn zwaarte der ouders, vooral der moeder.
Binnen deze typische grootte varieeren nu echter de eieren van het gedomestiseerde pluimvee in grootere mate dan die van het wilde gevogelte. Wij hebben hier niet die normale verschillen op het oog, die afhankelijk zijn van den leeftijd of hot verschil in grootte der rassen; wij bedoelen de door een gunstig klimaat en voordeelige gesteldheid van don bodem, door eene zorgvuldige behandeling, vooral echter door eene gepaste, goede voeding â of door het tegenovergestelde van dit alles â ontstane of vergroote toe- of afneming der grootte en der zwaarte van de eieren: verschijnselen, die oorspronkelijk individueel te voorschijn tredend, door de stille en geheimvolle, maar zeker en regelmatig werkende natuurlijke teeltkeuze of de hand van den mensch langzamerhand bevestigd zijn. Alleen in dien zin kan men de eieren der verschillende rassen groot, klein enz. noemen.
13s. heeft jaren lang speciaal de voortplanting der vogels bestudeerd en bevonden, dat voornamelijk overvloed van gepaste voedermiddelen voordeelig werkt op het productievermogen, op het aantal en de grootte der eieren. Als bewijs daarvoor diene de vroeger reeds gepubliceerde waarneming. In het jaar 1857, dat ten deele zeer rijk aan muizen was, legden de wijfjes van buizerds, torenvalken, uilen enz. niet alleen meer, maar ten deele ook veel grootere eieren dan gewoonlijk. De eieren van den grauwen kuikendief, welke te midden van de plotseling bij milliarden te voorschijn komende muizen op de weiden (aan den mond van de Saaie, tusschen deze rivier en de Elbe) in groot aantal broedden, waren toen bijna tweemaal zoo groot als gewoonlijk. De velduil, dien li. vóór dien tijd nooit broedende gevonden
313
had, bleef toen in buitengewoon groot aantal in die stroken en legde 7 a 10 eieren, in plaats van 5 a 6. De nmizen waren in 't volgende voorjaar verdwenen, dank zij de slachting, die liunne gevederde vijanden onder haar aanrichtten. Een ander bewijs van den invloed der voeding op de productie gaf B. een tweejarige witte Brahma-hen. Deze hen begon 3 Sept. te leggen, nadat zij eenige dagen met geweekte boekweit gevoerd was. Het eerste ei woog 0l2,5 gram; zij legde er om den anderen dag tot 17 Sept. tot een gewicht van 68,77 gr., den 18 Sept. zelfs één van (i9,()0 gr.; van 18 tot 28 Sept. legde zij eiken dag, den '2!) niet, van 30 Sept. tot G Oct. eiken dag. Van 18 tot 28 Sept. nam het gewicht af en daalde tot (i0,9!) gram.; daarna steeg het weder tot 65,58 gram. Van 24 Sept. af kreeg do hen in plaats van boekweit, tarwezemelen.
Weinig minder veranderlijk dan do grootte is ook de vorm der vogeleieren, zoowel in 't algemeen, als in 't bijzonder van do hoendereieren, en die verschillen treft men zoowel bij do soorten en rassen aan als bij de familiën en geslachten. Wat de soorten en rassen der wilde- en huishoenders aangaat, wijkt de normaio vorm wel is waar weinig af van do beide typische hoofdvormen der vogeleieren, de ovale en do ovate, en is die alleen óf wat meer gerekt of verkort, maar toch is de speelruimte tusschen deze grenzen groot genoeg om zoo merkbare vormverschillen aan te wijzen.
De âoologische morphologiequot; of leer der eiervormen heeft, niettegenstaande den geleerden naam, in betrekking tot do hoenders toch zooveel waarde, dat wij de afzonderlijke vormen, zjj liet dan ook kort, hier wel moeten beschrijven.
De eerste hoofdvorm der eieren, de ovale of gelijkhelftige, kenmerkt zich hierdoor, dat de grootste dwarsdoorsnede juist door het midden van do lengteas gaat en het ei in twee gelijke doelen verdeelt; tusschen de ronding der beide einden, de basis en do punt, is weinig verschil merkbaar. Zjjn de beide einden gelijkvormig gebogen, dan is de vorm elliptisch, terwijl men naar de meerdere of mindere gerektheid of gedrongenheid van den vorm ook spreekt van lang-ovaal en kort-ovaal.
De tweede hoofdvorm, de ovate, onderscheidt zich van don ovalen vorm en diens nevenvormen daardoor, dat de grootste dwarsdoorsnede niet midden door de lengteas gaat maar verder naar de basis toe, zoodat het ei daardoor in twee ongelijk lange doelen wordt verdeeld. Ook de ovaatvorm komt gerekt en verkort, lang- en kort-ovaat voor, Hoe dichter de grootste dwarsdoorsnede de basis nadert, hoe meer liet spitse gedeelte den kegelvorm nadert.
Bij de eieren der wilde boenders heeft de ovale vorm met zijne nevenvormen de overhand. Bij do gedomestiseerde komen beide hoofdvormen
314
mot lumne nevenvormen voor, doch de ovale liet menigvuldigst. Alle andere vormen der eieren zijn als abnormale te beschouwen; deze komen bij de in 't wild levende vogels niet zoo dikwijls voor als bij de gedomes-tiseerde. Bij deze laatste komen ook buitengewoon groote en kleine voor, de eerste soms mot twee dooiers, de laatste nu eens zonder dooier dan eens zonder wit. Deze laatste worden ook ova spuvin âspooreierenquot; genoemd.
Wat de kleur en teekening der eieren betreft, schijnen die der wilde boendersoorten nooit een zuiver witte schaal te hebben. De scheikunde kent slechts twee kleurstoffen der vogeleierschalen; hot Biliverdine en het Cholejjyrrhine. Het eerste geeft aan de eieren van vele eendensoorten die intensief groene kleur en aan die der ganzen een zweem van groen; bjj hoendereieren komt zjj in het geheel niet of nauwelijks merkbaar voor. Uet laatste, meer of minder roodachtig- of geelachtigbruin, geeft den eieren der wilde hoenders en allo, niet zuiver witte eieren der huishoendors, parel-hoenders en kalkoenen do kleur- en teekeningstinten: lichter of donkerder roodachtig of geelbruin, dat zich over de buitenste kalklaag gelijkmatig verdeelt en bleeker wordt, en alleen in de stippels en streepjes van de teekening â ten gevolge van eene latere afscheiding â zijne oorspronkelijke intensiteit behoudt. Het zijn vooral de Aziatische rassen, welke zoo gekleurde en geteekende eieren voortbrengen. Ten gevolge van kruising en langen tijd voortgezette inteelt verdwijnen kleur en teekening (deze bet eerst) langzamerhand, komen ook weder en verdwijnen op nieuw, zonder dat men hiervoor een oorzaak kan vinden. Daarom is ook de kleur geen constant kenteeken van de eieren der verschillende huis-hoenderrassen.
Vertrouwbaarder dan de grootte, de vorm en de kleur is de structuur van de schaal ter onderscheiding van de eieren. Tot de schaal rekent men niet alleen de beide kalklagen, maar ook het uit twee â zoo niet meer â vliezen bestaande binnenste schaalvlies en de buitenste of opperhuidlaag. Beide vlieslagen bestaan nit organische, de beide kalklagen uit anorganische stoffen; in de onderste kalklaag bevinden zicli echter ook organische lichaampjes. De kalklagen bestaan uit:
97 procent koolzure kalk i
' met een weinig vet. l ,, phosphorzure â \
'2 ,, dierlijke stof, met een weinig zwavel en een spoor van ijzer.
De kalk is deels kristalvormig, deels een amorphe massa.
De door de opperhuid omgeven, meer of min korrelige oppervlakte dor schaal met hare poriën, welke zooals men algemeen aanneemt de dampkringslucht doorlaten, gaat voor bet betrekkelijk zekerste kenmerk der
315
vogeleieren door. Er behoort ccliter een door veel oefening gescherpt oog toe, om do groote massa korreltjes en liimne vormen, alsmede de verdeeling, vorm en diepte der poriën enz. to herkennen en te onderscheiden; do hoender eieren zijn evenwel in dit opzicht zoo duidelijk gekenmerkt, dat men zo van alle overige, in grootte, vorm en kleni' op deze gelijkende eieren dadelijk onderscheiden kan, voornamelijk, en met het bloote oog, aan de zeer duidelijke, regelmatig gevormde en verdeelde poriën.
Naar de, door prof. Erman genomen proeven, zou do luchtkamer der eieren, welke door verdamping van het eiwitwater ontstaat, geen dampkringslucht zijn, maar eene uit den dooier en liet wit ontwikkelde zuur-stofvrije lucht. Prof. Goorg Seidlitz meent zelfs, dat het embryo voor zijn ontwikkeling geen zuurstof behoeft. (.')
Ook de onderste kalklaag vertoont naar den binnenkant toe een misschien specifiek bepaalde structuur, zoonls door quot;NV. v. Nathusius, die in dit opzicht naam heeft gemaakt, is aangewezen. Ook de glans van de schaal is voor de bepaling der eieren van beteekenis. Die glans hangt, wel is waar, van den aard, do sterkte en de scheikundige of mechanische verbindingen der opperhuid af, doch wordt door de nauwe aansluiting met de buitenvlakte dor bovenste kalklaag gewijzigd, of door eene zwakkere of sterkere, naar het schijnt zuiver koolzure kalkafscheiding, de kalklaag, bedekt, welke dus als ilo vijfde laag van do schaal kan worden beschouwd. Als een duidelijk en interessant voorbeeld van eene, door mechanische verbinding van vetstof veranderde opperhuid, kunnen de eendeneieren dienen, welke daardoor een mat overtreksel krijgen, dat met den naam olieglans wordt aangeduid en zelfs door het gevoel waarneembaar is; bij de eieren dor tamme eenden is dit soms nauwelijks merkbaar, doch bij die van alle wilde eenden karakteristiek.
Voor de praktijk belangrijker is echter nog de betrekkelijke dikte en dichtheid of vastheid der eierschalen, omdat daardoor de eieren zich meer of minder laten banteeren en bewaren en het vroegere of latere uitkomen der kuikens, d. i. de snellere of meer langzame ontwikkeling van het embryo daarvan afhankelijk is. De dikte en stevigheid der hoenderschalen zijn, in vergelijking tot hunne grootte, âgrootquot; en âzeer grootquot; te noemen. En juist hierin schijnen do eieren der verschillende rassen tamelijk constant te zijn, ofschoon door uitwendige omstandigheden ontstane individueele uitzonderingen niet bijzonder zeldzaam zijn.
Opmerkzame consumenten weten dit zeer goed en kiezen ter bewaring gaarne dik- of liever dichtschalige eieren, daar deze langer goed bljjven. Een in 't oog vallend bewjjs voor de bewering, dat dik- of dichtschalige eieren moer tijd behoeven om uitgebroed te worden, geven de parelhoen-
316
|
Tabellarisch overzicht van de sterkte der schalen in verhouding tot hunne grootte. Urootto in millim. (Jowicht In grom. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
317
|
(irootto in millim. Oowicht in gram. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
eierschalen vindt men bij de eieren der parelhoenders en kalkoenen, wolk verschil een zoo grooten invloed uitoefent op den broedtijd dezer beide, zoo nauw verwante lioenderfainilies.
De grootte van het parelhoenei staat tot die van de kalkoen nagenoeg als 2 ; 3, terwijl do verhouding van liet gewicht der schalen slechts 1 : 0,83 is. Uit eene vergelijking van de getallen in de beide kolommen blijkt tevens, dat de eierschalen dor gedomestiseerde hoenderrassen aanmerkelijk zwaarder en dus sterker zijn, dan die hunner stamsoorten.
De inhoud der eieren bestaat hoofdzakelijk uit eiwit en den dooier (het eigeel). Het eiwit â â⢠Albumen â omsluit nagenoeg in zjjn midden den bolvormigen dooier â Vilei lus â en bestaat uit tea minste drie om elkander gelegen lagen, die bij een hard gekookt ei gemakkelijk zijn te onderscheiden en in verschen toestand verscbillende graden van taaiheid of vastheid bezitten. De binnenste laag heeft de meeste vastheid; de middelste laag is onmiddellijk aan de binnenste laag het meest vloeibaar en wordt verder naar de buitenste laag toe steeds taaier; do buitenste laag is weder minder taai.
318
De dooier van liet lognjpo oi bostaat uit don zoogenaamden witten dooier, den gelen dooier, liet dooiervlies, de kiemlaag en de kiem.
De gewichtsverhouding tusschen deze beide hoofdbestanddeelen van het ei, eiwit en dooier, verschilt in het algemeen wel, doch bljjft bij de hoen-dereieren vrij constant als '2!): 15 bij versche en als : i5 bjj eieren, die 14 dagen oud zijn. Bij nog oudere eieren verdampt bot eiwitwater in den zomer tot eene verhouding van 22:i5, wat men ook kan waarnemen aan de vergrooting van de luchtkamer.
IJjj de kort en dikke eieren is de verhouding eon weinig anders, daar die een dikkeren dooier hebben dan de meer gerekte.
De scheikundige analyse geeft volgens Hostoek de volgende procents-gewijze samenstelling;
Zwavel- on Olio of
Water. Eiwitstof. Speekselstof. zoutzure zouten, vloeibaar vet.
Eiwit . . 85 -12 2,7 (l,:i
Dooier . . 54 17 ? 20
De minerale bestanddeelen zjjn volgens Pront:
Kalk- en
Zwavelzuur. I'liospliorzuur. Chloor. Kali en natron, kalkaarde. IJzor.
ten deelo koolzuur.
Eiwit. . 0,015 0,045 0,087 0,272 0.025 Dooier . 0,00(1 0,350 0,028 0,027 0,001 Sporen.
liet eiwit bevat dus 0,444, de dooier 0,472 procent minerale bestand-deelen. De kleurstof van den dooier is volgens Staedklku een bloedstof â Haemaloidhi, volgens Gonr.EV ijzer en een galstof.
Behalve dezen tot het wezen van bet ei behoorenden inhoud vindt men bjj uitzondering ook nog andere, vreemde lichamen binnen de schaal. Zoo treft men aan de binnenvlakte van de schaal, en ook wel in het eiwit, grootere of kleinere korrelige kalkmassa's aan, zooals die ook op de buitenste oppervlakte van de schaal voorkomen.
In hot eiwit, meestal aan den dooier, bemerkt men ook niet zelden één of meer bloedbolletjes; ja, soms kan het eiwit geheel met bloed vermengd zijn. Dit bloed komt volgens Dr. Heller uit de gesprongen bloedvaatjes van het vlies, waarin de dooier aan don eierstok gehuld is.
In den regel worden deze bloedvaatjes bij het groeien van den dooier langzamerhand uitgerekt en gescheiden en terzelfder tijd weder gesloten; geschiedt dit echter plotseling, dan ontstaat er bloeding; het bloed komt dan met den dooier in den eileider en wordt, met het eiwit vermengd, door het binnenvlies en de kalkschaal ingesloten. Er zijn hennen, bij welke deze uitzondering regel wordt, wier eieren steeds één of meer van zulke
:ho
bloeddroppeltjes bevatten, wanneer ze eiken day leggen; slaan ze echter één dag over, dan is in liet dan komende ei gewoonlijk geen bloed: de snellere groei van de dooiers in bet eerste geval verklaart dit versclujnsel na liet hiervoor aangehaalde voldoende.
Vorder ontwikkelen er zich niet zelden zwammen binnen de schaal, het eerst aan de schaal of aan de eivliezen, waar deze bruin, groenachtig ot' bruinzwart gekleurd worden, en van waar zij zich onder gunstige omstandigheden eerst door het eiwit en dan door den dooier verspreiden en het geheele ei bederven. Wanneer men eierschalen droogt, merkt men ook dikwjjls, dat er onder zijn, die aan do binnenzijde zwartachtige vlekken hebben. Misschien kunnen die vlekken eebter ook een andere oorzaak hebben; men heeft toch meermalen opgemerkt, dat de eieren van eenden, die vertoeven in wateren aan wier oevers eikeboomen staan en do afgevallen eikels eten, dikwijls donker gekleurde dooiers hebben en andere donkere plokken vertoonon.
In dit geval is hot dus vrij zeker het looizuur, dat die verkleuring bewerkt, Dr. Heller heeft het vermoeden uitgesproken, dat do kiemen van deze zwammen reeds is den eileider in het ei geraken. Bij do eieren van spechten en eenden is dit verschijnsel ook meermalen waargenomen.
Dr. Heller maakt eindelijk nog molding van drie in den eileider en den legdarm levende wormen: één zuigworm Distomum ovalnm, in den eileider voorkomende, en twee dikwijls in den darm aanwezige spoel-wormen â Ascaris gibbosa en Helemkis vesicularis, van welke de beide eerstgenoemde ook binnen in de eieren zijn aangetroffen.
13e ontwikkelingsgeschiedenis van bet vogelei, in 't bjjzonder die van de hoendoroieren, welke bij de dienaangaande gedane proefnemingen meestal gebezigd werden, is in menig opzicht zeer interessant en hun, die dieper op de physiologische ontwikkeling van het hoender-embryo wenschon in te gaan, kunnen we liet populaire, met tal van illustraties voorziene werk van Willi. His aanbevelen: âUnsere Körpcrform und das physiologische Problem ihrer Eutstehungquot;. Bij P. C. W. Vogel, Leipzig.
liet eerste orgaan voor de ontwikkeling van bet ei is de eierstok, fig, 82, die, oorspronkelijk dubbel, aan beide zijden van de lendenwervels door een vlies vastgehouden wordt. Do eene helft daarvan, meestal de rechter, komt echter bijna zonder uitzondering nooit tot ontwikkeling. Meckel zegt, dat hij die zelfs nooit heeft kunnen waarnemen. De eerste ontwikkelings-pliase van het ei is een klein blaasje, follikel genoemd, welks kiem reeds in den eierstok van de jonge vogels aanwezig is. Deze blaasjes bevatten ieder een eitje, worden, naarmate do paartijd nadert, langzamerhand groo-ter en ontwikkelen zich, omgeven door een bekervormig beursje, dat door
320
middel van een steel aan den eierstok verbonden is, tot rijpe dooiers, welke dan, waarsehijnlijk door samentrekking van het aan den eierstok zitten blijvend beursje nitgestooten worden en door den trechtervormige!! mond van den eileider in dit orgaan geraken, dat voor de verdere ontwikkeling
van het ei dienst doet. Bij den eileider â Oviduct â onderscheidt men drie, niet scherp van elkander gescheiden gedeelten:
1. De eileider in engeren zin, een uit verscheidene windingen bestaand, nauw darmvormig kanaal, dat eenigszins naar links door een vlies mot den ruggegraat verbonden is, en welks bovenste trechtervormige opening vrij in de buikholte uitmondt. Het nauwe ondereind van dezen trechter, waarin, zooals we reeds zeiden, de rijpgeworden dooier wordt opgenomen of opgezogen, noemt men ook de istmus.
2, Het wijdere middengedeelte,
de baarmoeder of eihouder â⢠Uterus, en
3. Het nauwere onderste gedeelte, eigang of scheedo â- Vagina, die in bet onderste deel van liet darmkanaal, de cloake, uitmondt.
Elke van deze drie afdeelingen van den eileider verricht hare eigene function bij de ontwikkeling van het in den vorm van een dooier opgeno-men ei. De dooierbol bestaat, als hij in den eileider treedt, uit den witten en gelen dooier, het dooiervlies en de kiemschijf, in 't dageljjksch leven âlianetreequot; of âhanetredquot; genoemd, met het kieniblaasje. Dat is de plaats, waar de ontwikkeling van het kuiken een aanvang noemt.
De kiemschjjf, een witte vlek, bevindt zich aan de buitenoppervlakte van den dooier en bhjjft, hoe men het ei ook moge leggen, steeds boven.
Nu stort zich eerst uit de talrjjke klieren van den eileider het nu nog homogene eiwit uit rondom den, door peristaltische bewegingen in spiraalvormige richting voortgeschoven dooierbol. In de baarmoeder aangekomen, scheidt zich het eiwit in de drie hiervoor genoemde lagen van verschillende vastheid af, terwijl hier tevens de schaal wordt gevormd. Het schaalvlies â misschien alleen het onderste â hoeft zich reeds in het onderste gedeelte van den eileider, in tien isthmus, gevormd, of door de afscheiding van bijzondere klieren of door stolling van de bovenste eiwitlaag. Nu vormt
321
zich liet bovenste schaalvlies, waarop zich ook reeds dadelijk enkele kalk-korreltjes afzetten. Op de onderste kalklaag volgen spoedig- oen tweede en een derde en, ten minste bij vele dikschalige eieren, meer andere, welke te zamen de kernlaag vormen, die naar liet schijnt alleen uit anorganische stoffen bestaat. Tegelijk met deze schaalvorming ontstaat ook de kleur bjj al die eieren, welker geheele schaal gelijkmatig geel, bruin of groen gekleurd is â do radiale kleuring, waarop zicli de zoogenoemde schaalteeko-ning bevindt. Door deze teekening hier of daar vlak (tangentiaal) af te slijpen, kan men aantoonen, dat de verschillende vormings- en kleurlagen gelijktijdig ontstaan zjju.
Bkutuold's proef en het daarop steunend bewijs, dat het op nieuw gevormde schaalvlies van een in den eileider gebroken ei niet uit spiervezels maar uit gestremde eiwitproducten gereproduceerd wordt,
heeft bij herhaling dikwijls aangewezen, dat,
wel is waar, de opening door een nieuw schaalvlies wordt gesloten, doch dat er, als het ei nog langer in den eileider vertoeft, ook een kalklaag overkomt en zelfs, als do kleuring reeds begonnen was, ook een zwakke kleurlaag.
Na de kalklaagvorming, de kleuring en de teekening omsluit eindelijk de dunne opperhuid het nu volkomen legrijpe ei; slechts in enkele gevallen wordt deze nog weder zwak gekleurd,
terwjjl ze bij verschillende vogelsoorten ook wel een zeer levendig gekleurde teekening verkrijgt, die zich echter gemakkelijk verwijderen laat.
Eerst als de schaalvorming afgeloopen is,
worden de eieren der hoenders, ook die dei-wilde soorten, van kleur en teekening voorzien,
want alleen de bovenste laag der schaal is van de overige lagen zijn zuiver wit. Het geheele ontwikkelingsproces van hot ei, van de bevruchting tot do legrijpheid, duurt bjj het huishoen '23 uur of langer; waarschijnlijk ook â in het zeldzame geval, dat er 'i eieren binnen 12 uren tijds gelegd worden - in korteren tijd, ofschoon nauwkeurige waarnemingen en onderzoekingen dienaangaande tot op heden, naar het schjjnt, ontbreken.
Het wil ons echter voorkomen, dat, indien er 2 eieren binnen de 12 uren gelegd worden, zulks niet juist geschiedt, omdat het ontwikkelingsproces in aldamus, Pluimvoetoelt. -1
322
clion korten tijd nlloopt, niaai' doordat enkele uren na elkander twee rijpe dooiers in den eileider werden opgenomen. Ten opzichte van de eieren met dubbelen dooier neemt men ook aan, dat twee dooiers te gelijker tijd los en in den eileider geraken.
Het volkomen gevormde ei wordt nu gelegd met liet stompe eind vooraan.
Fig. 83 geeft eene afbeelding van de beide vrouweljjke genitaliën, den eierstok, Ocar/fOH, enden meterlangen, meermalen gekronkelden, elastisclien eileider, Oviduct, met de biervoor genoemde afdeelingen: trechter, Infiiiidi-hiihim, eileider in engeren zin, eihouder, eigang en cloake. Aan den eierstok is nog de gestoelde kelk zichtbaar, die den laatsten rijpen dooier aan de trechtervormige opening van den eileider heeft afgegeven. Het van eiwit en schaal voorziene ei bevindt zich reeds in den eihouder, uit welken het door de scheede in de cloake treedt en gelegd wordt.
Het âgelegd wordenquot; is de regel, waarop echter ook uitzonderingen zijn. Men beeft namelijk voorbeelden van âwerkelijke buikholtczwangerschapquot; â voor zoover bekend, alleen bij hoenders en in één geval bij een kalkoen waargenomen - waarbij men dooiers, eieren met cn zonder schaal, zelfs meer of minder ontwikkelde Jongen, meestal door een zakvormig vlies omgeven, in de buikholte en niet in den eileider of den legdarm heeft gevonden. Aan de door pastoor Göze, Morand, Kanold, (ieiswlcr, Tabarrani cn Seidlitz vermelde gevallen kunnen we nog die van Bechstein en baron 1\. König te Warthausen toevoegen. Baron K.â W. vernam door ecu persoonlijk onderzoek bjj de vrouw van den predikant Tiiubert in Thorand, dat deze in de eerste helft van April 1851 een doode kip had gekocht, die in een gebarsten vlies in de ingewanden besloten, een heel klein, maar tamelijk goed gevormd kuikentje bjj zich droeg, waarvan kop, pooten en nagels duidelijk zichtbaar waren. Van een ander omhulsel dan de vliezige zak was niets te bespeuren: de zak was ineengefrommeld, grooter dan een walnoot en bevatte nog sporen van een opgedroogde stof (Eiwit?), liet embryo was doorscbjjneml cn onrijp. De hen was sterk en gezond geweest en had maar zeer kleine eieren aan den eierstok.
We zullen ons hier echter van theoretische beschouwingen over deze en dergelijke zaken, alsmede over het ontstaan van onregelmatig gevormde eieren, welker ontstaan door in- en uitwendige oorzaken zeer goed te begrijpen is, moeten onthouden en ons weder op practisch gebied begeven.
Wjj bepalen er ons toe, drie stadiën uit de ontwikkeling van het embryo te beschrijven en af te beelden. De eerste stelt het mot bloedvaten doorweven membraan voor, tegen hot einde van don dorden dag dor bobrooding. Men kan hot bij witte eieren met niet te dikke schaal, wanneer men die togen het licht houdt, zien in den vorm van een donker net, het eerste
323
teeken van bevruchting der te broeden gelegde eieren. Nog duidelijker kan men hot waarnemen door middel van een oierspiegol, van welke die, welke van een lamp en reflector voorzien zijn, het meest zijn aan te bevelen, omdat die den geheelen inhoud van het ei voldoende verlichten.
Fig. 84 geeft ous een voorstelling van dit â ook respiraticvlies genoemde ââ omhulsel van het embryo, waaraan men op den vierden dag reeds den kop met de groote oogen, den romp, hot begin der ledematen en het staarteindo
kan onderscheiden. Het embryo is tot aan do geboorte in een dun, het geheele lichaam insluitend vlies gehuld.
Tegen ongeveer het midden van den broedtijd, op den elfden dag, zjjn de in- on uitwendige organen reeds zeer duidelijk ontwikkeld. Het oog. waaraan men reeds de afzonderlijke doelen onderscheiden kan, beslaat nog ongeveer de helft van den kop; snavel, neus- en oorgaten en de geledingen der ledematen zjjn duidelijk te zien; de voeren beginnen door to bi-o-ken. Fig. 85.
Van nu af aan neemt het kieken, wiens bewegingen van den ll^on dag-af waar te nemen zijn, snel in groei toe.
Op den ÃMoii dag kan men do ontwikkeling dor verschillende organen over 't geheel als afgeloopen beschouwen. Het kieken verbreekt mot zijn snavel hot vliosje, dat de luchtkamer afscheidt, zet zich uit, ademt vrij door de longen, noemt snel in kracht toe, zijne bewegingen worden heviger en de i^. 80. Kiekon togcll .t oill(lo spieren ou pezen worden voorbereid tot het van 11011 19dl!n (1uk-
aanstaande, belangrijke werk: hot verbreken van het omhulsel. Fig. 80.
Do dooierzak is nog altijd met de voedingsvaten verbonden en wel door het laatste overblijfsel van do navelspleet, waardoor do voedende dooier toegang tot bot lichaam wordt verschaft, zoo als iu tig. lt;S7 duidelijker is te zien. Eerst hij de geboorte van het kuiken wordt die zak in de buikholte
324
opgetrokken en dient dan gedurende dè eerste 24 a 48 uren tot voorraadschuur, waaruit liet jonge dier zijn voedsel put.
Meestal één dug voor liet uitkomen begint het kuiken met het doorbroken van de schaal, die ton gevolge van mechanische en chemische inwerking bjj het bebroeden aan dikte en stevigheid heeft verloren. Dit verlies strekt zich echter niet of niet merkbaar uit over dat gedeelte van de schaal, waar zich di* luchtkamer bevindt, die tegen het uitkomen van het kuiken zeer groot is. Op do grens van dit gedeelte der schaal begint het bevrijdings-werk en wordt dit voortgezet, totdat de schaal zich in tweeën scheidt. Deze deelcn schuiven gewoonlijk van zelf in elkander of worden door do moeder in olkandcu' geschoven om meer ruimte in het nest te maken. De vrij levende vogels dragen ze, zooals bekend is, spoedig in den snavel weg om ze gewoonlijk een eind van het nest verwijderd te laten vallen.
Om het moeilijke be vrij dings werk gemakkelijker tot stand te kunnen brengen, heeft het kuiken op de punt van den bovensnavel een vrjj scherp en bard uitwas, waarmee het bii lanaere of kortere tusschenpoozen â soms
van 40 minuten en langer â één, twee of meermalen tegen do schaal stoot. Ofschoon nu die schaal door het broeden wel brozer is geworden, wordt er voor het doorbreken daarvan toch nog vrjj wat kracht vereischt en het moet ons wel verwonderen, dat het dier die in zijne ongemakkelijke bonding, welke zoo weinig beweging toelaat, kan ontwikkelen. Do kop ligt daarbij nog altijd onder den rechtervleugel, in zeer enkele gevallen onder
den linker. Alleen door herhaal-Fig. 87. Kuiken op don 19don dat? uit
liet oi goBiiodeu. dellJk st00ten 0P dezelfde plaats
ontstaat er eindelijk een barst, waardoor de arbeid gemakkelijker wordt. De langere of kortere duur van dit proces hangt af van do meerdere kracht van het dier en is zeer verschillend.
I lot pas uit liet ei gekomen kuiken is door een dun eiwitvliesje omgeven, dat echter in stukjes of schubbetjes afvalt, zoodra het diertje door de broodvvarmte droog is geworden.
!Nu is het van alle omhulsels en boeien bevrijd en begint een nieuw zelfstandig leven.
325
Do voor liet broeden bestemde eieren nomo men â wat echter ook aan te raden is voor do eieren, die voor do consumtic bestemd zijn â eiken dag uit hot nest cn beware zo, van den datum voorzien, op een droge, koele plaats. Hiervoor kunnen best niet te diepe bakken of' schuifladen dienen, waarvan de bodem met haksel of kaf' is bedekt; zemelen of zand zijn minder aan te bevelen. Daarin legge men ze, zooals zo in de nesten liggen, het liefst zoo, dat ze elkander niet raken ; ze op de punt of het stompe eind (do basis) te plaatsen is onnatuurlijk en nadeelig. Maakt men door een of ander toeken op de eieren ook duidelijk, van welke kip ze zijn, dan loopt men, al bewaart men er ook van meer kippen bij elkaar, in geen geval gevaar, dat men ze met elkander verwart.
Voor de consumtio blijven de eieren echter het langst goed, als men ze met de punt naar boven op de eierrekjes zet, daar het water in dien stand minder verdampt. (?) In 't algemeen beware men ze altijd zoo, onversehillig, wat men or vooraf moe doet om ze beter te consorvoeren.
Aangezien de ouderdom der eieren van invloed is op den duur van den broedtijd â oudere eieren komen later uit dan versche - kieze men voor ieder broedsel eieren van ongeveer denzelfden ouderdom of' in volgorde na elkander gelogde, daar deze meer gelijktijdig uitkomen. De pas gelegde eieren komen het zekerst uit.
Dikwijls echter komen oudere eieren ook goed uit. Hoendereieren behouden liunno kiemkracht gewoonlijk 18 a 'JO dagen, doch men is zekerder, als men ze niet ouder neemt dan 14 dagen. Columella on Plinius rieden reeds aan, niet boven de 10 dagen te gaan; laatstgenoemde voegt er nog bij, dat pas gelegde eieren onvruchtbaar zjjn. (!)
Naar den vorm zijn de kort-ovale eieren de zwaarste; deze hebben betrekkelijk den grootsten inhoud en kunnen dus, onder overigens gelijke omstandigheden, de krachtigste jongen geven; zware en gedrongen hoenders leggen in den regel ook eieren van dien vorm.
Bij het uitzoeken der broedeieren lette men ook nog op de schaalvor-ming: alle dezulke, die barsten, grove oneffenheden of'eene opvallend dunne schaal hebben, legge men liever ter zijde en eveneens de buitengewoon groote en kleine.
IIel broeden.
De vraag, of de kunstmatige broeding door middel van machines al of' niet boven de natuurlijke te verkiezen is, hangt van den omvang van het bedrijf', het jaargetijde enz. af. Daarover echter later, om eerst over het zetten der broedhennen te sproken. Wij kennen reeds de rassen, welke de boste moeders, de beste kloeken leveren; de Brahma's en
326
do kruisingen daarvan met booronhoenders hebben lijj ons de voorkeur boven alle andere: na deze de Cochins en de bastaarden daarvan. Ook onder de boerenhoenders worden er echter zeer goede kloeken gevonden.
Behalve hoenders worden ook kalkoenen voor het broeden gebruikt. Zelfs d« hanen der kalkoenen broeden nu en dan zeer goed en in de fazantenparken worden beide voor dit doel gebezigd.
Het zjjn bijna zonder uitzondering goede, domme, onvermoeide broedsters, vroeg in het voorjaar reeds bereid om de voor hen zoo ondankbare taak te vervullen; en neemt men hun de pas uitgekomen kuikens af, dan zetten ze zich getroost weder tot een tweede of derde broed. Zij worden echter door te vaak achtereen te broeden vrij wat verzwakt, zoo zelfs, dat zij de opgedane zwakheid niet weer te boven komen; men moet ze daarom niet vaker dan tweemalen laten broeden. Ook als moeders zijn zij zeer vertrouwbaar; zij leiden, verzorgen en verwarmen de kuikens met groote zorgvuldigheid en verdedigen die met groeten moed tegen katten, honden, roofvogels enz.
Zij hebben echter ook hunne schaduwzijden. Hun gewicht, hniiiio lompheid, domheid en vrees â soms voor de onschuldigste kleinigheden, die hun ongewoon zijn â en hunne drift richten dikwijls vrij wat schade onder de broedeieren en de kuikens aan, waarom men zo vóór alles van alles wat buitengewoon is verwijderd moet houden. Men doet goed, ze dagelijks twee maal 10 a 15 minuten van het nest te nemen en wat rond te jagen; daarna zet men hun gerst enz. en water voor en, als ze gegeten en gedronken hebben, zet men ze weder op het nest, daar men anders niet zeker is, dat zij niet ergens anders blijven zitten of op een ander nest gaan, na eerst de bezitster daarvan verdreven te hebben.
Men moet de kalkoenen niet meer dan 25 hoendereieren onderleggen bij vroeg en laat broeden; wel kunnen zij er enkele eieren meer bezitten, doch niet meer kuikens, van welke er dus door onvoldoende bedekking toch licht eenige verloren zouden gaan.
De broedneston voor de kippen maakt men het best als volgt: op een onderlaag van zand en houtasch, die in 't midden een weinig uitgehold is, legt men varens, heide enz. en daarop een zachtere laag van hooi of stroo, dat men in het midden een weinig indrukt, opdat de eieren niet naar de zijdon kunnen rollen. Hierin legt men de broedeieren, de kloek wordt er op gezet, de datum, 't aantal eieren en misschien nog andere notitiën op een bordje er boven vermeld en â de zorg voor de eieren wordt nu aan de hen overgelaten. Aan wilde, vreesachtige of ons onbekende kippen kan men echter niet altijd maar zoo een broedsel eieren toevertrouwen. Men boude deze eerst een geheelen dag in een donkere kist of mand en legge haar een ei onder. Des avonds bij lamplicht zet men haar dan op het eigenlijke
327
broednest, waarin men twee of drie eieren heeft gelegd, of men plaatst de kist of de mand zoo, dat de kip in liet nest kan zien, waardoor zij dit ook zelf wel opzoekt. Zit zij op liet nest, dan sluit men dit af en opent liet den volgenden morgen voorzichtig weder om de hen gelegenheid te geven van het voor haar klaar gezette eten en drinken te gebruiken, (iaat zij daarna van zelf weer op het nest en herhaalt dit ook voor den tweeden keer, dan kan men haar, terwijl zjj van het nest is om te eten, zonder zorg liet volle aantal broedeieren in het nest geven.
Toch mag men tijdens het broedproces de eieren niet geheel en al uit het oog verliezen en ook dient men de broedende kippen te verzorgen en over haar een wakend oog te laten gaan. Als deze niet van zelf van bet nest komen om te eten en te drinken enz., dient men ze er af te nemen en, nadat ze gegeten en gedronken en een zandbad genomen hebben, te zorgen, dat ze bare plaats op het nest weer innemen. Op den (illen dag worden de eieren geschouwd en de aanwezige onbevrnchte verwijderd; op den IT'icu dag giet men, terwijl de hen aan haren maaltijd is, een liter heet water om den rand van het nest of wat lauw water tusschen de eieren, zoodat de onderste zandlaag vochtig wordt. Dit vocht gaat de verdikking van het nog aanwezige eiwit tegen en bevordert de vrije beweging van het kuiken en het doorbreken van de schaal. Hij deze voorzorg zullen de kuikens zonder onze hulp, die altijd min of meer van twijfelachtig nut is, op den 'i 1 sten dao' uitkomen, of hij koud weder ook wel één of twee dagen later.
Wright is op de gedachte, om de onderlaag van het nest te bevochtigen, gekomen door de opmerking, dat de verschillende hoendervogels in vrjjen staat een nestholte maken in vochtige aarde en liefst zoo beschut door gras of struikgewas, dat het vocht niet spoedig verdampt. De prairie-en zandhoen-ders enz. broeden slechts in den regentijd, terwijl nog andere lufftne eieren in vochtige mesthoopen leggen om ze door de zich daarin ontwikkelende warmte te laten uitbroeden.
Als algemeenen regel neemt men aan, dat de broedhen hare eieren voor niet langer dan een half uur mag verlaten en bjj een lage temperatuur slechts een kwartier, ten minste gedurende de eerste twee weken. In het laatste derde gedeelte van den broedtijd behoeft men niet meer zoo angstvallig op een paar minuten te zien, want er zijn voorbeelden van, dat eieren, die 48 uren lang onbedekt hadden gelegen, toch nog Hink ontwikkelde kuikens gaven. De meerdere of mindere warmtegraad en vochtigheid der lucht spelen in deze natuurlijk een belangrijke rol.
Naar de onderzoekingen van Dahkstr blijft het embryo in hoendereieren, die .'f dagen bebroed zijn, bij eene luehtwarmte van 10quot; nog 7 volle dagen in leven en bij eene warmte van 12:) nog (3 dagen. Bij verdere bebroeding
ontwikkcldu zich iiot onibry(| wel, doch kwam later uit, waaruit mag worden besloten, dat do ontwikkeling godurondo de afkoeling of' geheel of gedeeltelijk stil stond. Bjj een temperatuur van 1 a 2° leefden de embryo's nog '24 uren.
AVil men vooraf gaarne weten, hoeveel eieren er zullen uitkomen, dan kan men dit gewaar worden door zo I a 'i dagen vóór hot verstrijken van den broedtijd in een ruimen schaal of bak met tot 0 verwarmd water te leggen, zoo, dat ze geheel door het water bedekt worden. Aan de eieren, waarin zich lovende kuikens bevinden, zal men na enkele minuten beweging kunnen waarnemen; men mag de eieren gerust een kleine 40 minuten in het warme wnter laten liggen en ze nat weder onder de kloek leggen; ze komen er zelfs des te beter door uit.
Deze proef gaat echter niet altoos door in dien zin. dat de eieren, waaraan geene beweging valt op te merkon, juist allo geene of doodo kuikens zouden bevatten; doch ook overigens heeft deze proef weinig practische waarde, omdat het al zeer weinig uitmaakt of men I a dagen vroeger te weten komt, hoevocl kuikens men van een broedsel verkrijgt.
Moet men een kuiken bij het uitkomen helpen, omdat het de schaal niet kan verbreken, dan doet men zulks bet best in ongeveer liO0 warm water en op eone warme plaats. Ook overigens dient men er de uiterste voorzichtigheid bij in acht te nemen, want stort men bij deze operatie ook maar één droppel bloed, dan is bet kuiken in de meeste gevallen verloren. Natuurlijk zorgt men er voor, dat de snavel van het diertje niet onder water komt, daar het dan toch nog zou stikken.
In Frankrjjk doopt men de broedeieren in koud water, vóór men ze in het nest legt, wat vooral aangeraden wordt, als het nest niet op een eenigs-zins vochtigen bodem staat.
Wat het aantal eieren aangaat, dat men eene hen kan onderleggen, dit is geheel afbankeijjk van de grootte der eieren, van de grootte en de bovcdering dor hen, alsmede van het jaargetijde. De hen moet niet alleen de eieren goed kunnen bedekken, doch later ook de jonge kuikens onder hare vleugels kunnen koesteren en daarmede heeft men dus wel rekening te houden, voornamelijk hij vroeg en laat broeden, als de lucht zelf koeler is.
In Engeland en Frankrijk geeft men de hen in dat geval meestal 7 a!) eieren en in warmere tijden dl a 'lli. in Frankrijk bezigt men echter hoofdzakeljjk kleine rassen voor het broeden en in dat geval kan men één hen ook moeilijk meer eieren onder geven. Of men dus 14, !â '), 15 of 17 eieren zal nemen, hangt van tal van omstandigheden af; gewoonlijk neemt men een oneven aantal, omdat men die regelmatiger in het nest kan verdoelen dan een even aantal.
32fl
liunulmalifj broeden.
Vi'oog'brocdkiiikciis, daarover is mon liet algemoen eens, zijn van groot belang zoowel voor het verkrijgen van vroeg leggende leglioonders en win-torleggers als van goede exemplaren voor de tentoonstellingen; ook kan men bij verkoop voor vroege jonge hoenders den lioogsten marktprjjs bedingen, zoodat het vroeg broeden ruimschoots de kosten vergoedt, die aan de verwarming van de verblijfplaatsen worden besteed. \Vil men in liet klein fokken, dan levert het vroeg broeden geen bijzondere moeilijkheden op. Men zet de broedkip op de eene of andere plaats in de verwarmde woonkamer en de kuikens vinden in do nabijheid van do kachel voldoende warmte om te gedijen.
Wanneer men echter op oenigszins groote schaal met oordeel wil fokken, komen er, zooals reeds is opgemerkt, vrij wat raooiljjkheden kijken. Is hot alleen om het mesten te doen, dan kan men, zooals ook bijna overal go schiedt, de noodigc kuikens door aankoop verkrijgen. Dit gaat echter niot, wanneer men groote toornen leghoenders verlangt, van wier meerdere of mindere productievermogen de winst en dus het bestaan afhankelijk is.
Een hoofdbezwaar zal bovendien altijd blijven, een voldoend aantal broed-sche kippen te krijgen, ofschoon men door een oordeelkundige en zorgvuldige teeltkeuze ook in dezen veel vermag. Toch is dit voor het fokken in bot groot nog altijd een vraagstuk, dat op eene voldoende oplossing wacht.
Of het bezwaar door broedmachines uit den weg kan worden geruimd
Voor de fokkerij in liet groot is o. i. het kunstmatig broeden onontbeerlijk; niet alleen dat men langs dien weg zooveel kuikens kan bokonien als men verlangt, doch het is ook goedkooper dan het natuurlijk broeden, omdat hiermede veel meer arbeidsloon kostende zorg en werkzaamheden gepaard gaan. Ook procentsgewjjze zal men met eene broedmachine betere resultaten verkrijgen dan met broedkippen, omdat onder deze altijd wol worden gevonden, dio als broedsters minder goed voor hare taak geschikt of vechtlustig zijn, waardoor menig ei en kuiken verloren gaat.
Een noodzakelijk vereischte echter is, dat men ijoeilc machines heeft, welke voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° Moeten zij door middel van een automatischen warmtcregulateur steeds een temperatuur kunnen behouden van ii'i1 Réaumur, 40° Celsius of 104'1 Fahrenheit.
«
'2quot; Moet in de eierlade voldoende luchtververscliing kunnen plaats hebben.
IJquot; Moet er van uitdrogen der eieren geen sprake kunnen zijn.
4° Mag de verwarming geen brand- of ander gevaar opleveren en geen onaangename lucht met zich brengen.
330
50 Moet zij /00 eenvoudig mogelijk in de belmndeling zijn.
Wij kunnen hier geeno â anders wel interessante gcseliiedenis geven van de ontwikkeling der kunstmatige broederjj. noch een overzicht van het groot aantal broedmachines, die in de laatste '20 jaren door de Amerikanen,
Engelschen, Franschen, Duit-sehers en onze eigen landge-nooten in den handel zijn «rebraeht, doch moeten ons
O
bepalen tot de voornaamste, die, voor zoover wij weten, nog steeds bevredigende resultaten opleveren.
Men kan de nieuwere broedmachines gevoegelijk in twee hoofdgroepen verdeelen n.1. zulke, waarin de eieren zich in eene ruimte bevinden, waarvan de lucht verwarmd wordt (warme luchtmachines), en zulke, waarin de eieren die warmte ontvangen van een bak met verwarmd water (warm-watermachiues), welke de eieren bedekt, zooals ook de broedhen de hare bedekt.
Yau de warme-luchtmachines kan men er weder twee soorten onderscheiden, als 1quot; zulke, die verwarmd worden door er op geregelde tijden heet water in te gieten en 2quot; zulke,
die door een lamp worden verwarmd;
alleen de laatsten zjjn ten deele van een warmteregulateur voorzien.
Bij de warm-watermachines geschiedt de verwarming eveneens door lampen, in groote inrichtingen door kachels, en ook aan deze /.jjn warm te-regulateurs aangebracht.
Een zeer bruikbare machine, ook voorzien van regulateur, is de âChampionquot; Incubator van Chs. Hearson en Co. (fig. 88), van welke de machine van Sartorius een vrij nauwkeurige copie is, fig. 80.
334
Tlicr te Itiiulo wordt Ilearsons niacliiut' zocr good vervaardigd door den lieer Peterson te Dordrecht.
De werking dezer machine is als volgt:
De warmte van de lamp T stijgt in do buis L op, gaat door LL, verder door het waterreservoir A A en ontwijkt lijj W. Jict hierdoor verwarmde water in reservoir A A straalt zijne warmto nit in de daaronder liggende ruimte, die de broedeieren bevat. Boven die eieren zien we in het midden een metalen capsule S. welke enkele droppels aether bevat, eene stof welke zich door de warmte sterk uitzet. Wordt nu de warmte in do eierruimte te groot, dan zet zich de capsule door do verhoogde spankracht der aether-dampen naar boven toe uit en heft meteen de op haar bovenvlak rustend
staafje O oen weinig omhoog. Dit staafje workt weder op den bewege ijjken hefboom C (boven het deksel der inachine), aan welks ééne einde een ronde plaat F juist boven den schoorsteen V hangt. Als liet staafje door de uitzetting der actherdampen in de capsule omboog wordt geheven, licht ook de hefboom C de plaat F op en de warmto van de lamp ontsnapt boven uit den schoorsteenpijp zonder het waterreservoir te passeeren. De warmte in het toestel vermindert daardoor nahnirlijk, doch die warmtevonuindering heeft tevens ten gevolge, dat de aetherdampen weor verdichten, de capsule inkrimpt en de hefboom met plaat K weer daalt, waardoor de warmte van de lamp weder door het reservoir gaat.
Wanneer de lamp nu eenmaal geregeld is, waarvoor ook de looper H
332
aan den hefboom dient, zal de warmte in de niachino steeds nagenoeg dezelfde blijven, daar de overtollige warmte steeds zal ontsnappen.
De bodem van het toestel geeft bij 1) Ã de frissehe lucht toegang tot het inwendige; deze lueht strijkt over een klein met water gevuld bassin 0(1, wordt daardoor vochtig, stijgt door den van gaatjes voorzienen bodem van het eierruim naar boven, bevochtigt de lucht in die ruimte en ontsnapt weder bij EE, zoodat er ook steeds geregelde toevoer van versche lucht is.
Bij de nieuwere soort van warme luchtmachines bedient men zich niet meer van een waterreservoir, doch laat de warmte der lamp of liever de door de lamp verwarmde luchtstroom direct over de eieren en tusschen deze door naar beneden gaan, waarna zij door openingen in den bodem der machine naar bniteu ontwijkt.
De toestrooming en afsluiting van den warmen luchtstroom wordt op
eveneens vochtig gehouden, door haar door en over een met water gevuld bakje te laten gaan. De inrichting is iets anders, doch de werking al evenzoo als bij de âincubatorquot; van Hearson. De eerste vervaardiger van deze zuivere warmc-luchtmachine is de heer inilier te Nails worth en naar dit systeem zijn tal van Fransche machines vervaardigd, ook de Duitsche âNon plus ultraquot;. (Zie fig. 01 en 92).
Al is nu ook door tal van proefnemingen en door het gebruik voldoende bewezen, dat deze zoo eenvoudige en gemakkelijk te behandelen toestellen dikwijls schitterende resultaten geven, zoo schijnt het toch, dat men die niet ullijd kan verkrijgen, voornamelijk niet met een eenigszins groot toestel.
333
Zeker vindt dit zijne verklaring' hierin, dat het uiterst moeiljjk is in een eenigszins groote ruimte vooral eene gelijke temperatuur te verkrijgen, waardoor het dikwijls zal voorkomen, dat sommige eieren teveel, andere niet genoeg warmte ontvangen.
De heer Bibow, mot wien wij op pag. '2it'2 kennis hebben gemaakt, ver-
l)e inrichting der broedmachine van Otto Grünhaldt berust op het systeem
klaart, dat hij na eeno veeljarige studie van de Engelsche, Franscho en Duitsche machines geen betere heeft leeren kennen dan die van hot systeem Baumoyer, welke hij voor het fokken in het groot als de cenige aangewezene beschouwt.
334
Van Baumcyor, doch is iti onkele opzichten eon verbeterdo uitgave daarvan. In figuui' f):i zien wij de inwendige inricliting van een klein, voor 72 eieren ingericht toestel. Het bestaat uir cene met een glazen plaat gedekte kast, in welker onderste gedeelte een zinken waterreservoir ah cd ligt van 00 centim. lengte, -45 centim. breedte en 14 centim. hoogte. Deze reservoir wordt met water gevuld, dat door eene onder de machine staande lamp wordt verwarmd. De warmte der lamp wordt opgevangen in den trechter e en door de buis J' naar buiten in den schoorsteen lt;j geleid. Door den waterreservoir loepen over de lengte in schuinsche richting drie buizen h, welke aan de zjjden loodrecht naar boven gaan en daar ieder in een rechthoekig op de buizen staande elleboog overgaan van ongeveer 3 centim. wijdte; elke twee tegen elkander overstaande buisopeningen worden door een buis / van gummi met elkander verbonden en op deze wijze wordt naar de wet der zwaartekracht een aanhoudende circulatie van het in die buizen aanwezige water tot stand gebracht. Het water wordt in de schuinliggende buizen door het water van den reservoir verwarmd, stjjgt door de opstaande pijpen naar boven, gaat door de gummibuizen en keert aan den anderen kant naar den
reeds in die mate verbeterd, dat du koolzuurhoudende gassen, die zieb uit du eieren ontwikkelen, afgevoerd worden.
15jj andere maehinus van Grünhaldt en ook bjj diu van Janert teOtters-leben wordt de eleutrieituit aanguwend tur ruguling van de broedwarnite.
336
Als do kuikens in do in %. !).'gt; bedoelde machine zijn uitgekomen, verwijdert men den bodem, waarop do eieren rusten, en de plankjes, die de ruimten verdeelen, waardoor men eeno verwarmde ruimte verkrijgt om de kuikens des nachts en zoo noodig ook des daags te herbergen.
Bovendien bevindt zich in één der zijwanden een schuif, welke geopend kan worden en den kuikens toegang verschaft tot eene opkweekkas of ren, die men slechts tegen de machine heeft aan te zetten.
Daar echter het toestel dan niet als broedmachine dienst kan doen, heeft Gr. er nog een ander vervaardigd voor 7i2 eieren, op dezelfde wijze ingericht, doch waarin in het onderste gedeelte van hot toestel eene ruimte verwarmd kan worden voor de kuikens; dat toestel kan dus als broedma-cbine en kunstmoeder te gelijk dienst doen, evenals enkele undere machines.
Ofschoon verschillende omstandigheden als: meerdere of mindere vochtigheid en warmte der lucht, ouderdom der eieren, dikte en dichtheid der eierschalen en de individualiteit der broedhennen betrekkeljjk een grooten invloed op het resultaat en den duur van het broedproces kunnen uitoefenen, kan men toch over 't geheel vrij nauwkeurig den tijd aangeven, waarop de jongen van ons pluimvee uit de eieren komen. Zoo broeden:
|
Hoenders Fazanten Parelhoenders Kalkoenen Pauwen Eenden Ganzen Zwanen Duiven IS dagen |
1!).J a 23 dagen. 20 a 21 â 20 a 27 28 a 30 â 29 a 32 28 a 32 â 27 a 32 35 a 37 |
. in den winter tot 23 dagen. Het Pankiva hoen . 20 â De wilde eend 21 a 2S De wilde gans 27 a 2lt;S De Canada-gans 27 a 2S |
Iichfinih'linri en verzorging der kuikens.
Aangezien wij in hot vierde hoofdstuk, pag. 188 e. v. reeds over de voeding der kuikens hebben gehandeld, kunnen we hier over de behandeling kort zijn.
Of men de kuikens, die het eerst uitkomen, uit liet nest zal nemen en ze in een met Hanoi bekleed mandje, hakje of iets dergelijks bij don warmen haard plaatsen, om ze eerst weer onder de moeder te; brengen, wanneer alle overige uitgekomen zijn, dan wel of men zo eenvoudig in het nest en onder do hoede dor moedor zal laten, zijn vragen, welker beantwoording voornamelijk afhangt van de omstandighodon en â van de gewoonte.
.137
Ifet oersto kan, wanneer hot mot de noodige voorziclitiglioid en zorg geschiedt, geen kwaad; docli men neme de kuikens liever niet uit liet nest vóór ze geheel droog zjjn. Wanneer de onistandighedon liet echter niet noodzakelijk maken, houden we er niet van de hroedhen telkens te storen, wanneer er weer een paar kuikens zjjn uitgekomen. In eene eenigszins groote fokkerij, waar tal van kippen zitten te broeden, kan die handelwijze ook eenvoudig onuitvoerbaar worden.
De natuurlijkste weg is deze, dat men de kuikens liij de moeder laat. wier lichaamswarmte juist zoo geschikt is voor de behoeften der kleinen. Komen de kuikens des namiddags uit, dan is het aan te raden de kloek met haar kroost op te sluiten, na eerst de ledige eierschalen verwijderd te hebben; den volgenden morgen zal men dan in den regel de jonge dieren vlug en hongerig vinden. Zijn er dan echter nog eieren in het nest, van welke men verwachten kan, dat ze nog zullen uitkomen, dan dient men naar omstandigheden te handelen. Heeft men nog een andere kip zitten, dan kan men die de nog niet uitgekomen eieren onder leggen; heeft men een broedmachine, dan kan die het verdere gedeelte van het broedproces overnemen. Anders zul men óf'de hen stil moeten laten zitten en eene ruimte om het nest zoo afschutten, dat de kuikens niet weg kunnen raken, of de niet uitgekomen eieren eenvoudig wegwerpen in het belang der aanwezige kuikens, die de zorg der moeder behoeven. Men moet, zegt Wright, niet met goede kuikens naar slechte werpen.
De kuikens zullen den eersten dag wei weinig eten, doch liet beste is ze in de eerste 24 a .'iG uren na hunne geboorte in 't geheel geen eten voor te zetten; zjj hebben daaraan geen behoefte, aangezien de dooier van het ei, waaruit ze zijn gekomen, nog niet volkomen verteerd is; overvoe-dering zou zeer schadelijke gevolgen hebben.
Zjjn de kuikens tweemaal 24 uren oud, dan kan men ze, zoo het weder zulks toelaat, met de kloek in de vrije lucht brengen en ze daar ook des nachts laten, doch natuurlijk niet zonder de noodige beschutting.
Een zeer practische kuikenren, welke men zonder veel moeite van elke kist kan maken, die 1 Meter of meer lengte, 1 Meter breedte en 40 A 50 centim. hoogte heeft, is zulk een, die uit twee afdeelingen bestaat, van welke de ééne voor de kloek, de andere voor de kuikens is bestemd. Do beide afdeelingen zjjn van elkander gescheiden door traliën, welke zoo ver van elkander staan, dat do kuikens er gemakkelijk door kunnen en deze zich naar verkiezing in de voor bon hestomdc ruimte kunnen begeven of zich onder de vleugels der kloek verwarmen. De afdeeling voor de kloek is op de naar de ren gekeerde traliozjjde na geheel gesloten, die dor kuikens is alleen boven geheel of gedeeltelijk van ijzeren vlechtwerk voorzien, on
Baldamub, Pluimvootoclt. 22
3nH
üvorlgüus dicht, ot' omgekeerd. Ue bodem van beide ufdeelingen voorziet men van een tiinke laag ascli en zand of droge aarde, die eiken dag gezuiverd en gedeeltelijk vernieuwd wordt.
Heeft men echter over geschikt terrein, vooral een grasveld, te beschikken, dan kan men den bodem ook weglaten, doch dan dient de inrichting eiken dag zooveel verplaatst te worden, dat ze weder op een nieuwen bodem komt te staan.
Als de omgeving niet te gevaarlijk is voor de jonge dieren, kan men ook alleen de kloek opsluiten in een hokje, dat op dezelfde wijze getralied is. De kuikens kunnen zich dan naar willekeur rondom het hok bewegen en toch ook bij de kloek komen. Wil men eene dergelijke inrichting ook des nachts buiten laten, dan is het noodig, dat ze des avonds met een klep gesloten wordt. Sommigen bedekken in den eersten tijd de van boven opene kuikenren ook wel met een glasraam, wat bij regenbuien zeker aanbeveling verdient, doch overigens liever achterwege worde gelaten: de kuikens mogen niet aan de guurheden van het weder worden blootgesteld, doch evenmin vertroeteld worden.
Een grasveld, al is het ook slechts klein, is voor het gedijen van het jonge pluimvee van groot belang. Heeft men dat niet te zijner beschikking, dan zorge men er toch voor, dat de dieren eiken dag een paar keeren van versch en fijn gesneden gras worden voorzien.
Vroeger hebben we reeds aangestipt, dat niet alle rassen en individuen hunne jongen even lang leiden en beschermen; Dorkings en landhoenders bijv. doen zulks langer dan de groote Aziatische rassen, welke hunne kuikens gewoonlijk reeds na 4 a (i weken aan zich zelf overlaten. Bastaarden van Cochins en Brahma's maken hierop echter wel eene uitzondering en belmoren tot de beste broedsters en moeders.
Bemerkt men, dat do kloek zich niet meer om haar broedsel bekommert, of 's avonds op het rik gaat in plaats van do kuikens onder hare vleugels te nemen, ofschoon deze toch nog onvoldoende bevederd zijn, dan is het aan te raden de diertjes maar van de moeder te verwijderen en ze er aan te gewennen om in de kuikenren te overnachten. En ook, al kunnen zjj de zorg der moedervolkomen ontberen, is het beter, ze nog eenige weken een afzonderlijke verbljjfplaats zonder zitstokken te geven, daar zij op stokken teveel op het nog weeke borstbeen rusten, waardoor dit gevaar loopt te verbuigen en scheef te worden. Vooral de zware hoenderrassen. Cochins en Brahma's en zware bastaarden van deze, moeten niet op zitstokken slapen, vóór ze volwassen zijn, daar anders verbuiging van het borstbeen bijna zonder uitzondering het gevolg is. De bodem, waarop de kuikens des nachts rusten, moet zoo droog mogeljjk en van een tiinke zandlaag voorzien zijn en goed zindelijk worden gehouden.
rm)
In groote fokkerijen moot men altjjd oenigc kuikoiirennou extra liehhon, omdat het dikwijls kan voorkomen, dat na enkele weken de zwakkere kuiki «is van do sterke gescheiden moeten worden, als men niet wil, dat eerstgenoemde geheel verloren gaan.
Bovendien dient men, als ze 10 a weken oud zijn, de hanen van de hennen te scheiden en eveneens is het aan te bevelen, zulke kuikens, zoowel lianen als hennen, die voor de toekomst veel beloven, af te zonderen om daarop beter het oog te kunnen houden. Door de lianen en liennen tijdig van elkander te scheiden, bevordert men beider ontwikkeling', ofschoon de hennen dan misschien niet zoo spoedig beginnen tc leggen.
Het groot brengen van in eene broedmachine uitgebroede of moederloos geworden kuikens is niet zoo moeilijk als velen wel meenen. In de plaats van de natuurlijke warmte der kloek moet men natuurlijk kunstmatig een andere stellen, en die kan men zeer gemakkelijk aanbrengen door middel van een schapevacht. Tegen een flinke plank van 150 a iO centimeter breedte en voldoende lengte spijkert men aan het eene einde een plankje van !) centim. breedte (de achterwand van het toestel) en aan de beide zijden plankjes, die aan dien achterwand eveneens !» centim. breed zijn. doch naar den voorkant tot eene breedte van 11! centim. oploopen; dit is het houten geraamte, waarvan de eene zijde (do voorzijde) open blijft en de eerstgenoemde plank den bovenwand, de dekplank, vormt. Nu neemt men een stuk van een buigzame, langwoliige doch niet te dikke scliapevacht, zoo groot, dat het den open voorkant kan afsluiten. Deze vacht spijkert men alleen tegen de dekplank, vanwaar ze dan vrij naar beneden hangt en den open of voorkant afsluit. In de beide zijwanden maakt men, dichtbij de dekplank, eenige kleine gaten voor de ventilatie en de kunstmoeder is gereed. Men zet haar nu op een plank, die mot een flinke laag zand is bedekt, en met de door de schapevacht gesloten voorkant tegen de opening van de kuikenren. De schapevacht besprenkele men om het ontstaan van ongedierte tegen te gaan vooraf met een oplossing van naphtaline.
Deze kweekkasten of kunstmoeders bewijzen vooral bij vroegbroed uitstekende diensten, als de kloek door de eene of andere omstandigheid de kuikens heeft verlaten. De kuikens schuiven gemakkelijk de schapevacht op zij om naar buiten en naar binnen te sluipen, doch moeten daartoe gewend worden door ze eerst te lokken met wat voer, dat men er dicht tegen aan strooit. Zulk een kweekkast is eigenlijk bijzonder geschikt voor kuikens, die in eene machine zijn uitgebroed, geene kloek kennen en zich dadelijk in het warme kastje thuis gevoelen. Men plaatst deze kweekkast naar omstandigheden binnen- of buitenshuis, in een beschutte ruimte of op een grasveld.
;uo
Dat men or voor moet zorgen, dat de bodem telkens goed gereinigd en van een droge zandlaag voorzien wordt en dat do dieren op bepaalde tijden voeder en drinken in de nabijlioid der kweekkast moeten vinden, spreekt wel van zelf.
Niet zon primitief en vooral in het koude jaargetijde moor vertrouwbaar zijn do kunstmoodors, welke door oono lamp verwarmd worden, ovenals do broedmacliine zelf. doch beide zijn voor oen 30 a 50 tal kuikens zoor aan to bevelen, terwijl voor bet opkwooken van groote massa's een verwarmde kamer de voorkeur verdient, eensdeels omdat men dan voel gemakkelijker een overziobt van het geheel kan krijgen, anderdeels omdat de dieren dan sneller groeien, vroeger geslachtsrijp zijn en vroeger leggen.
Van een door hem boziebtigdo ,,kanierkuikonkweekerijquot;, die door bom daarna ook op grootore schaal mot een buitengewoon succes is toegepast, geeft Baldamus de volgende boschrijving:
..Hot was een echte Noordduitscbe winterdag in de maand Januari, dat ik voor het eerst in de nabijheid van Hrenion zulk eene kamerkuikenkwoo-kerij bezocht en moeilijk kan ik den indruk weergeven, dien ik ontving, toon ik, na de dikke sneeuwlaag in den tuin doorwaad te bobben, de deur opende, die toegang verleende tot de schuur, en reeds daar een verwijderd hondordstemmig gepiep en gesnater vernam. Toen de uit de woonkamer komende vrouw dos huizes mij daarna in de kuikenkamer bracht, begrootten (i a 700 kuikens van zeer verschillenden leeftijd hare verzorgster mot gillende vreugdetonen, sloegen mot de vleugels en staken den kop zoo ver door de traliën van bunno kooi als ze maar konden. Buiten eene ijzige, alles verstijvende winter, hier binnen eene weldadige â ofschoon wel wat hooge warmte en oen vroolijk bedrijvig loven; wolk een kolossaal contrast!
De kuikenkamer was ongovoor 3 Meter lang en '2 M. brood, bevatte eene met turf gestookte kachel en langs ieder der beide lengtewanden een âkuikonkastquot;, zooals de wel op eene kast gelijkende aaneenschakeling van kooien wordt genoemd, welke kasten in vier verdiepingen tal van kleine afdeelingon. ieder voor ÃO a 30 kuikens, bevatten.
Aan don voorkant zijn deze afdeelingon door houten tralies gesloten, tussclion welke door de dieren den kop stoken om bij do daarvoor staande eetbakken te kunnen komen.
Het voer bestaat uit eene dikke pap van gebroken boekweit of gerst met gestremde molk, vermengd met visch, die mot schubben, graten en al wordt gekookt en fijn gestampt. (Over do waarde van de visch is in het hoofdstuk over de voeding der jonge hoenders reeds gesproken). Dit voeder, dat zeer voedzaam en licht te verteren is. bevordert dan ook, in verbinding met de gelijkmatige warmte, do ontwikkeling dor dieren zoo buitengewoon,
341
dat de jonge liaantjes reeds probeeron te kraaien, als ze nog sleclits J ü ii lv2 dagen oud zijn, terwijl het gevederte in i weken ontwikkeld is. Op dien
342
zt' voor do f'okkcrjj of' voor do eierproductic zullen dienen, langzamerhand aan liet gowone hoendorvoer en aan don uitloop in do open luolit gewond Avordon.
II. DE KALKOEN. HET PAHELHOEN. HET 1'ARKGEVOGELTE.
TlKNDE HüOFJjSTUK.
1)ü knlkoen.
Do oorste berichten betreffende den kalkoen ontving Europa omstreeks liet jaar iö'iö door bemiddeling van don Kastiliaan Gonzai.o IIkiinandi:/, ui: Oviedo, lt;lio in zijne âIlistoria natural y general de las Indias ote.quot; zegt, dat er in Nieuw-Spanje (eene oude benaming voor Mexico) een vreemde soort pauwen bestond, welke door de Mexikanen gedomestiseerd en naar andere deelen van Amerika overgebracht werden. Toch hebben er, naar het schijnt, zelfs nog lang nadat de kalkoen reeds in Europa ingevoerd wasâ-volgens den een in 'tjaar 1520, volgens anderen in 1530-âallerlei verhalen do ronde gedaan aangaande zijne herkomst, zooals gomakkoljjk valt op to maken uit de verschillende namen, waaronder het dier bekend werd. Volgons Emscii was KaUwelsche haan (naar Calicut, een zeehaven op de kust van Malabar in Britsch-Indic) de meest algomeene benaming, terwijl bij ook nog Indische en Tuvhschc haan werd genoemd; de Engelschen noemen hem, zooals bekend is, nog steeds Turkey. En toch is liet ontstaan dier namen niet zoo moeilijk te verklaren. Een Fransch koopman Jacques Coeur zou namelijk reeds in 1432, dus vóór de ontdekking van Amerika, kalkoenen ingevoerd hebben uit de Levant, naar welke streek deze uit hun oorspronkelijk vaderland, Oost-Indiö, waren overgebracht. Nu ligt Calient in üritsch-Indië, terwijl de Levant en Turkije niet zoo heel ver van elkander liggen, zoodat liet volstrekt geen verwondering behoeft te baren, als in dien tijd verseliillondo namen voor hetzelfde dier in omloop kwamen. Het staat evenwel mi vast, dat de kalkoen oorspronkeljjk uit Indië stamt en de naam Coq d'fnda (Indische haan), welken de Eranschen hem dadelijk gaven â de naam Dindon is hljjkbaar daarvan afgeleid en dien hij ook in de Europoosclie talen draagt, is dus de meest passende.
De Fransche naam Coq d'Inde, aangenomen, dat die juist is, bewijst echter nog niet, dat de kalkoen van O.-Indischcii oorsprong is. In Amerika (Mexico) wordt de kalkoen in het wild aangetroffen. Columbus meende in Amerika Indië gevonden te hebben, getuige nog de naam Wost-lndië, vroo-
343
ger ook wol kortweg Indiö genoemd. Ook van daar kan de kalkoen zoor good in Frankrijk geïmporteerd zijn en tocli don naam Coq d'lndo gekregen hebben. De door Jacques Coour ingevoerde Coq d'Inde kan echter ook zeer goed een andere vogel zijn geweest.
De Spaansche veroveraars hebben zonder twijfel den kalkoen gedomesti-seerd in het rjjk der Azteken aangetroffen, waar hjj Ilucxolotl word gonoemd, en zeker is hij van nit Mexiko of van een der West-indische eilanden naar Europa overgebracht. Do sago van do importatio uit de Levant wordt dan ook door Fransche schrijvers als Scaligor en Cliampier woderlegd. Do eerste doolt mede, dat er in hot jaar 1510 eenige kalkoenen in Frankrijk ingevoerd worden en de andere, dat zij - i550 â voor weinige jaren uit West-lndiö waren medegebracht. Volgens Engelscho bericliten echter zoudori zij roods omstreeks 1520 in Europa ingevoerd en geacclimatiseerd geworden zijn, wat welzoo tamelijk overkomt met eone beschrijving, die P. (Jyllius in 1533 gaf van een uit Amerika geïmporteerd paar. Eerst later verbreidde do kalkoen zich ook over de andere Enro-pooscho landen.
Do berichten over het voorkomen van wilde kal-koonon in Noord-Amerika dagteekenen eerst van Interen tijd. In Virginiö werd hij in het jaar 1581.
gevonden, in Ponsylvanio in 1753 (volgens Kalm),
terwijl hij door Smyth in troepen van moer dan 5000 stuks in de westelijk van Virginiö gelegen onbebouwde streken werd aangotroffon,
Ofschoon niet in zoo grooton getale, warende Wild Turhaijs tocli ten tijde van Aumumon in de nog onbevolkte stroken van Kentucky, Oliio, Illinois, Indiana en de noordwestelijke districten, alsmede in de woudstreken van Arkansas, Tennessee, Alabama enz. buitoiigewoon talrijk; minder talrijk waren ze in Georgië en do beide Carolina's en nog minder in Virginiö en Pensylvaniö, in welks oostelijk gedeelte zjj reeds zeer zelden voorkwamen; in de dicht
:ui
lm volk to stiitiMi van hot Ão.stou koudon zo roods nis uitgerooid boschouwd wordon. Zuovor Andubon, die zijn kostbanr work, âOriiilhological Biogi aphijquot; mot do lovonsbesclirijving van dozon vogol begint in de volgende bewoordingen : ,,I)e aanzienlijke grootte en scboonbeid van den wildon kalkoen, do waarde van zijn smakelijk en zeer gosebat vleoseh, en do omstandigheid dat hij do stamvader van bet thans over beide worolddoolon verbreide godomostisoordo ras is, maken hom tot don meest interessanton vogel der Voreenigdo Staten van Noord-Amorikaquot;.
rrins Max von Wied vond den wilden kalkoen in het jaar nog
zoor menigvuldig in de bosschon aan den oever der Wabash (in Indiana van Illinois), vooral in het houtgewas op de eilandjes, waar zij in troepen van (i tot t20 stuks samen leefden. Enkoio jagers voorzagen de bewoners van bet groote dorp New-Harmony geregeld oen paar malen per week van deze dieren.
Zij gingen dan do straten van liet dorp door to paard en belast met een '20 tal van deze t'raaio vogels, die zij voor 25 Cts (J Dollar) het stuk ver-koehten. Verder westelijk aan do Wh ito-Ui ver kwam do wilde kalkoen aan don Missouri niet voor.
Voor we ochtor do goographisohe grenzen van het verbreidingsgobied van don kalkoen trachten to bepalen, dient wel eerst de vraag beantwoord te worden, of er slechts éóne of moer soorten of rassen van don Wilden kalkoen zijn. Nu. men heeft wol twee, drie, zelfs vier vormen aangenomen, welke deels als soorten, deels als rassen en variëteiten in hot stelsel zijn opgenomen. Voor den âkleurornitholoogquot; is een weinig wit, of juister witach-tigs, in do stuit- en staartveeron van don wat kleineren, doch overigens goheel gelijken zuidelijken of Moxikaanschon wilden kalkoen voldoende, 0111 dozen als âvery distinctquot; van den noordelijken, als soort of ton minste als ras te erkennen. Linnona â- en na hem do moeste schrijvers â kende don Amerikaanschen kalkoen en noomde hem
Meleagris ijallopavo,
Synonioinon daarvan zijn: Melaaiiris umeric.uHu IJautham, M. sylveslris an fora Vieillot, on vóór Linnens: Gallopuvo sijlveslns en Novae AiKjIiae Hav.
Jn hot jaar 'i85(i stolde John Goui.d , op grond van de hiervoor gonoomdo verschillen, de tweede soort of hot tweede ras vast onder den naam
Meleagris m exicana,
welke sedert door do meeste Amorikaansche ornithologen erkend is, totdat J. 15. Allen in een uitmuntend artikel: The urigin of Ihc Domesiic Turkeii t(( gelijk do vragen aangaande do species en do afstamming in een anderen zin beantwoordde.
ru5
Volgens alle borichten moet als ecu goed ras of eene goede soort en niet als een door den invloed van het klimaat ontstane variëteit beschouwd worden
Mdciujris ocdlala Cüvier, .1/. aurea Vieili.ot,
ot' de Hoiiduvm-Kallxoex, als wiens vaderland Centraal-Amerika, van de landengto van Panama tot Y ucatan, wordt aangewezen, lljj is dus een zuiver tropisch ras en onderscheidt zich van do beide hiervóór genoemde door het ontbreken van den haarbos aan de borst en de wratten aan de naakte deelen van den hals, alsmede door de kleur en teekening van het gevederto. De kleur van het gevederte is een prachtig bronsgroen mot gond-bronzen en schitterend zwarte dwarsllanden, welke op den benedenrug intensief' blauw en rood en als gesponnen zijde schitteren, terwijl zjj op de staartdekvecren zoo scherp begrensd zjjn, dat zjj zich hierop als oogvonnige vlekken vertoonen. Deze prachtvolle vogel paart in zijn vaderland vrijwillig met het gedomestiscerde ras, doch is zoo gevoelig voor eene minder dan tropische warmte, dat alle pogingen om hem in Xeord-Amerika en Europa te acclimatiseereu schipbreuk hebben geleden.
Doch, koeren wij tot de tegenwoordige verbreiding van den gewonen wilden kalkoen terug. Aixen, die behalve de hiervóór genoemde nog slechts céne soort aanneemt, is dienaangaande zeer kort; ,.IJe wilde kalkoen verbreidt zich van de warmere gedeelten van Canada zuidwaarts zonder onderbreking over het geheele terrasland van Mexico,quot; zegt hij. Spkntkh IUiru neemt nog eene geheel van de overige verschillende Centraal-iinierikaansche soort aan en zegt, dat de Mexikaansehe soort in het llotsgebergte to huis behoort; anderen verdeelen ^.-Amerika in twee helften en meenen, dat in de westelijke helft alleen de Mexikaansehe en in de oostelijke helft de Amerikaansche soort voorkomt. In de oosteljjke staten komt de wilde kalkoen alleen nog voor in de bosehrijke, minder dicht bevolkte streken en wordt door de steeds westelijker trekkende cultuur langzamerhand meer terug gedrongen; men treft hem in de zuidoostelijke staten daarom ook nog menig-vuldiger aan dan in de oosteljjke en noordelijke. Volgens prof. CJ. M. Biii:\\i:K is hjj in de staten van Nieuw-Engeland waarschijnlijk uitgestorven. Volgens WniTK komt iiij in Georgië voor, doch daar werd hjj in het begin van de laatste helft dezer eeuw door Ai.kx. Qkkiiaiiht niet meer gevonden. Daarentegen schijnt hij aan de noordeljjke en zuidelijke grenzen van zijn verbreidingsgebied in het oosten, n.1. in Canada en volgens Ai.i.kn in Florida, tameljjk veelvuldig voor te komen, vooral in die streken, waarin niet te veel gejaagd wordt; daarin is hij zelfs nog zeer talrijk. Naar het Westen toe schijnt het Rotsgebergte de grens van zijn verbreidingsgebied te zjjn.
34.fi
I it het voorgaande blijkt oclitcr al to duid olijk, dat ook in dozen âdo golooi'don liot nog niot oens zjjnquot;.
Aangaande de grootte onz. van den wilden kalkoen geeft prins Jfax v. Wied de volgende aanteekeningen, welke gemaakt zijn naar door hom gedoodo exemplaren.
Lengto. Omvang. Oowicht.
I. Oud mannol. cxempl. in don herfst 1.498 M. 1.453 M. 7 kilogr.
,, ,, â 1.191 â 1.(524 â
3. â vrouwel. â 0.948 â 1.313 â
â¢i- » â â 0.975 â 1.200 â
Genoemde natuurvorsclior morkt hierbij nog op, dat de kop van No. 1 âlicht hemelsblauw, onder do oogen ultramarijnblauw, de wratten en oelt-aclitige plokken lakrood, do iris geelbruin, do snavel vuil wit hoornkleurig en do pooten bleekviolet of lakrood waren.quot;
Zeer opvallend is hot geringe gewicht dezer exemplaren in vergelijking mot dat der noordelijke exemplaren, die tot een gewicht van 17 kilogr. worden opgegeven; daar nu volgens de berichten van Hoaüdman aan Au.en âhet gemiddeld gewicht der hanen in Florida ook slechts 8,2 a 9 kilogr. en dat der hennen '2,7 a 4,5 kilogr. bedraagt, ofschoon er ook hanen voorkomen van 11 a 12,7 kilogr.,quot; schijnt toch het noordelijke slag vrij wat sterker ontwikkeld te zijn dan het zuidelijke en het westeljjke.
Naar de mcdedeelingen van Audubon, Wilson o. a. is do wilde kalkoen een standvogel, die echter tegen den herfst in grootere of kleinere troepen rondzwerft en dan gaarne de door do kolonisten bezette streken nadert. Daar hij zeer ongeregelde tochten onderneemt niet het doel om rijkore weidevelden op te zoeken, kan men hem echter niet als trekvogel, hoogstens als zwerfvogel beschouwen.
Togen het midden van Februari scheiden zich de hennen van de hanen en overnachten ieder afzonderlijk, doch niet ver van elkander verwijderd. Nu begint de paartijd, de tijd waarop do hanen door eigenaardige geluiden en bewegingen, hot balderen van het korhoen, de liennen trachten te lokken. Dit balderen verschilt niet van dat der tamme kalkoenen, doch de lianen geraken daarbij in zeer verwoede gevechten, waarbij zij elkander voornamelijk aan den kop zoo toetakelen, dat zij dikwijls met den dood van den zwakste eindigen. Is de mededinger verslagen, dan trapt de overwinnaar dezen met ile pooten, doch niet met teekenen van haat maar met liefkozingen, welke hij anders alleen aan do hennen, bewijst.
Tegen het midden van April, als het weder droog is, begint de hen met den bouw van een zeer eenvoudig nest: zjj krabt zich eeno vrij ondiepe kuil onder het struikgewas en voorziet die van oenige droge bladeren en â
347
liet nost is gereed. Zij is daarbij editor uiterst oinzielitig cn, wanneer zij eieren lieet't gelegd, nadert zij liet nest zelden ot nooit twoeinnal langs den-zelfden weg, bedekt de eieren, zoo dikwijls zjj liet nest verlaat, zeer zorgvuldig niet droge bladeren en zit overigens zoo vast en stil op liet nest, dat dit zeer moeilijk door de menschen te ontdekken is. De kraaien weten het editor wel te vinden; deze wachten bier of daar op den loer gezeten zeer bedaard het oogenblik af, waarop de ben bet nest verlaat, om zich daarna aan de eieren te goed te doen.
De wilde kalkoen legt van 15 tot liS eieren, welke naar M. von Wied mededeelt âgeheel gelijk zijnquot; aan die van den tammen kalkoen. Nu is er, wel is waar, geen groot verschil in vorm en grootte op te merken, maar toch wel in de grondkleur en de kleur der vlekjes, die zieb op de eieren bevinden: hij die van den wilden kalkoen is die kleur, evenals bij die van bijna alle wilde boendersoorten, meer zuiver geelbruin, terwijl die der tamme een roodachtigeii tint hebben, zoodat liet verschil door een geoefend oog zeer goed is op te merken.
Gaan we do grootte der eieren van de kalkoenen vergelijken met bet gewicht, zooals we dat op pag. 31 (i met de eieren van verscbillende boenders hebben gedaan, dan verkrijgen wij;
grootte dor oioron, gowiclit der Bclialon,
Meleagris gallopavo (iO X 40 tot ()lt;â ! X 45,8 millim. 7.Ã1 tot 8,54 gr. ,, mexicana (10 X 40 ,, 04 X 40 ,, 7,00 ,, S.ltgt; ,, â domestica 58 X 30 ,, (ül X 58 ,, (i.'iH â 8,25 ,, Van een leg van 18 eieren van den tammen kalkoen verschilden die maten van 59 X 42 tot 03 X 47 en wogen:
de pasgelegde eieren van 50,835 tot 73,075 gram, de pasgeledigde schalen ,, (gt;,403 ,, 8,2 H â
de gedroogde schalen ,, 5,380 ,, 7, l il â
De schaal der eieren van den wilden kalkoen is niet zeer glanzend; de poriën zijn evenals bij die der hoenders tamelijk duidelijk doch niet zeer groot en regelmatig gevormd.
Tusscben de sterkte der schalen schijnt echter een constant verschil te bestaan; do ciersebaal van den wilden kalkoen is, wel is waar, niet dikker, eerder zelfs iets dunner dan die van den tammen, doch zij is dichter en vaster van structuur en daardoor betrekkelijk zwaarder. De vorm is hij beide dezelfde: gewoonlijk oen weinig ovaal, soms geheel tot den ovalen vorm overgaande, en bij beide komt de gerekte nevenvorm vaker voor dan de korte.
De wilde kalkoenen schijnen juarljjks slechts één broedsel te maken. Alleen wanneer bun de eieren of de jongen ontnomen worden of op de eene of andere wijze verloren gaan, gaan zjj tot een tweede over.
348
Audubon nain waar, dat twee of' meer liennen bjj elkander bleven, in eenzelfde nest bare eieren legden en met elkander hare jongen groot brachten, waarschijnlijk ter wedcrzjjdsche bescherming van elkander; in zulke gevallen houdt altoos één der hennen bij liet nest de wacht. Eenmaal vond A. een nest met 'i2 eieren, die te gelijk door 3 hennen bebroed werden.
Als de jongen ongeveer M- dagen oud zjjn, vliegen zij met de moeder op de laaggeplaatste takken der boomen, waar zij onder de vleugels van deze overnachten. De hen leidt over dag hare kuikens naar de opene plekken van liet woud, waar zjj zich voeden met bessen en insecten, vooral bprinkhaansoorten, waardoor zij zeer voorspoedig groeien en in Augustus reeds zoo ontwikkeld zijn, dat zij zich aan de vervolgingen hunner vijanden kunnen onttrekken door in do hoogste boomen een wijkplaats te zoeken.
Volgens prins Von Wied bestaat het voedsel van de wilde kalkoenen uit allerlei vruchten, als eikels, verschillende walnootsoorten. kastanjes, do vruchten van den papawboom, allerlei bessen, insecten, rupsen, kevers, jonge takjes, bladeren en knoppen, grashalmen enz., die hij in hunne maag vond, vermengd met kiezelsteentjes, en waarmede de krop gewoonlijk geheel gevuld was.
De wilde kalkoensche haan is ten gevolge van de onophoudeljjko vervolging, waaraan hij bloot staat, zeer schuw geworden, ofschoon bjj volgens prins Von Wied, in tegenspraak met andere waarnemers, een domme, onnoo-zele vogel is; de hen schijnt minder schuw te zijn.
De stem en de geluiden der wilde kalkoenen zijn bjj beide geslachten aan die der tamme geljjk. De haan laat zijn gekolder reeds bjj het aanbreken van den dag hooren.
Volgens J. Gould e. a. zou de tamme kalkoen niet van eene der levende wilde soorten maar van een uitgestorven ras afstammen, doch deze hypothese is door zoo vele en gewichtige feiten wederlegd, dat hot nauwelijks de moeite waard is. er over te spreken, te minder daar de vraag naar do afstamming van geene boteekenis is voor de kalkoenenteelt. Vast staat echter, dat de nog heden ten dage geïmporteerde wilde exemplaren zich laten domestiseeren en vrijwillig met de tamme paren; dat het gelukt is door kruising een gedomestiseerd ras tc verkrijgen, 't welk nauwelijks van het wilde is te onderscheiden en dat dit, als men het aan zicli zelf overlaat, langzamerhand weder in het gewone huisras overgaat. (Voor hen, die van de afstammingsvraag meur studie wenschcn te maken, is het werk van J. Allen zeer aan te bevelen).
En nu het de gedomestiseerde, de Uhhdic kalkoen. In den laatsten tijd
349
heeft men zich, voornamelijk in Noord-Amerika, met lijjzondoren ijver en kennis van zaken op liet fokken daarvan toegelegd, en daaraan hehben wij het bestaan te danken van den Uronsklcnrigcn hnlUom â Bronze Turkey -â eene uitmuntende variëteit, die door toevoer van âwild bloedquot; niet alleen de grootte, het gewicht en de prachtige bevedering van den wilden stam, maar ook diens hardheid en weerstandsvermogen sclijjnt te willen bewaren. Wel is waar, treft men onder de gewone, niet-Ameri-kaansche slagen dikwijls ontaarding aan, doch dit is minder de schuld van onze kalkoenen dan van hunne eigenaren, die zicli tot op de laatste tijden bitter weinig om eene zorgvuldige kweeking bekommerden.
Naar den Amerikatinschen standaard van nituemendheid moet een prjjs-waardige Bronskleurige kalkoen aan de volgende eiscben voldoen:
1\' haan: Gezicht, oor- en kinlellen alsmede de andere naakte deelen prachtig rood. bij oude exemplaren zijn de kinlellen van wratten voorzien en met wit gezoomd. Kop lang en breed. Snavel gebogen, sterk, goed aan den kop gezet, aan de punt licht hoornkleurig, aan de basis donker, llah. horst en rug zwart, prachtig met een bronskleur als quot;t ware overschaduwd, die in de zou goudkleurig schittert; elke veer eindigt in een smallen schitterend zwarten dwarsband. De onderdeden en de dijen zjjn zwart en hebben dezelfde doch niet zoo duidelijk uitkomende of levendige teekening. De vleugelboogveeren zijn zwart met een fraaien groenachtigen of bruinen glans. De groote slagpennen zijn zwart, met witte of grijze dwarsbanden hoe meer en hoe regelmatiger des te beter â en met een smallen witten zoom aan de huitenvlag. De kleine slagpennen hebben zwarte schachten en grauwe, smal witgezoomde bnitenvlaggen; de hiiinenvlag is donkerbruin met grijs gemarmerd of geschakeerd. Alle slagpennen mogen wit gezoomd zjjn. doch zulks is niet gewenscht. Do vleugeldekveeren hebben een fraaien bronskleur met breede zwarte banden aan 't eind ; de saamgevonwen vleugxd moet een breeden, bronskleurigen dwarsband vertoonen. die van de slagpennen gescheiden wordt door een soort van schitterend zwarten rand. welke teekening door de punten van de dekveeren gevormd wordt. Slaarl zwart, elke veer onregelmatig met smalle bruine banden geteekend en in een breeden grijsachtig bronzen band uitloopende. Staartdekveeren donkergrijs; waar zij bedekt zijn. in een glanzend metaalachtig blauwzwart overgaand en met breede bruine dwarsbanden aan 'teind; het zwart heeft twee of meer zeer smalle bruine dwarsteekeningen en één duidelijke, smalle, sehit-terend koolzwarte teekening tussehen de blauwe en bruine randen. Hoe duidelijker de kleuren van het geheele gevederte zjjn en hoe meer die tegen elkander afsteken, hoe beter. De donsveeren zijn overvloedig en zacht, doch goed bedekt door de harde contourveeren. Lonpbrcn lang en krachtig, donker.
nso
lijjiiii zwart van kleur. Er zijn oclitor onder de autoriteiten op dit gebied ook, die liet voorsclirijveu van eene bepaalde kleur der pooten afkeuren, welke kleur hij goede exemplaren van liet vleesclirood der wilde kalkoenen in alle nuances tot leiblauw en zelfs gevlekt toe, voorkomt.
De hen : Deze komt in gevederte geheel met den liaan overeen, behalve dat de kleuren niet zoo glanzend en duidelijk en de zoomen der veeren vaker wit of liever licht lederkleurig in plaats van zwart zijn. Aan de rug-veteren tusschen de vleugels zijn de zoomen zeer smal, naar den staart toe worden die breeder en bereiken bij de staartdekveeren eene breedte van 9,5 centimeter. Aan de borst zijn de veeren bruin en eindigen in een smallen. witachtig lederkleurigen zoom, die door een smallen schitterend zwarten band van het bruin gescheiden is.
Punten voor do beoordeeling van den bronskleurigen kalkoen:
Grootte..............35 punten.
Rijkdom en volmaaktheid van het gevederte . 30 ,,
Pooten..............10 ,,
Symmetrie.............15 ,,
Conditie.............40 ,,
Totaal . . 100 punten.
Fouten zjjn: wit in het gevederte van den haan, behalve in do vleugels; verbogen borstbeen; misvorming hier of daar; minder gewicht dan 1.3,0 kilogram voor volwassen hanen en 8,2 kilogr. voor volwassen hennen.
Behalve het bronskleurige ras, dat in den laatsten tjjd menigvuldiger werd ingevoerd, hebben de Engelsche graafschappen Norfolk en Cambridge ook ieder een tamelijk goed karakteristieke variëteit opgeleverd, welke naar die graafschappen genoemd zijn.
De Norfolksehe kalkoen is zwart met eenige witte vlekken aan de vleugels, de Cambridgc-kalkoen bronsgrijs; deze staat ook wat booger op de pooten en heeft dikkere beenderen. De vereerders van de Norfolksche variëteit beweren, dat deze vleeziger is en dat het vleesch witter en malschcr is dan dat der Cambridge bronskleurige, welke laatste evenwel zwaarder wordt dan de eerste.
De kalkoenenteelt is in beide genoemde graafschappen van ouds even beroemd als de hoenderteelt in Surrey en Sussex. De kleine boeren en pachters verkoopen bunne jonge dieren tegen het einde van Augustus door tusschenkomst van opkoopers aan de grootere, die ze dan op gerst- en haverstoppelvelden jagen. Overigens voert men ze met aardappels, lichte gerst en lichte tarwe, welke gemalen en met melk aangemaakt worden. Door het voeren van de gewone witte wortelen, die zij gaarne ongesneden eten, wordt hun vleesch wit. De prijs per kilogram stijgt, naar mate de
351
(lioron in zwaarte tuoncmcm. Dc lioinioii worden spoediger vel dan de hanen, gaan ook voor inalsoher door en worden meestal voor liet einde van November gesiaeht. Eenige tweejarige lianen heeft men ojgt; '!:{,() kilogram gebradit, één of twee tentoonstellingsexemplaren zelfs tot 18 kilogr.
Behalve de drie genoemde variëteiten, welke sedert jaren gefokt worden, wordt er, voor zoover ons bekend is, geene andere raszuiver gefokt, tenzjj door dezen of genen, dit* bijzondere voorliefde voordeeene of andere kleur heeft. Nocli in Frankrijk, noch in Italië en Duitscliiaiid of elders heeft men in dit opzicht ondersclieid van beteekenis gemaakt, zoodat meestal alle kleuren in bonte mengeling door elkander worden gehouden. Er komen evenwel zeer fraaie éénkleurige exemplaren voor in aschgrauw, grijsblauw, chamois of geel, alsmede witte met zwarte strepen of banden enz., die wel waard zouden zijn, zuiver doorgefokt te worden.
De wille, kalkoen, een waar sieraad van den pluimveehof, is volgens sommigen teerder dan de gekleurde, eene meening, die door Wriglit e. a. echter beslist wordt tegengesproken en met bewijzen weerlegd.
Jn Frankrijk werden, volgens Mariot-Didieux, de witte kalkoenen gefokt om de voeren, die onder den naam van âMaraboutveerenquot; in den handel gebracht en tot sieraad gebruikt werden; daarvoor deden vooral dienst de buikveeren en de fijne zijdeachtige donsveeren tusschen de dijen en onder de vleugels. De hanen werden twee keer jaarlijks geplukt en brachten op die wijze per jaar Æ 7.50 a Æ46 op. Deze industrie werd wel ecnigszins in 't geheim uitgeoefend en 't is ons niet mogen gelukken te weten te komen, of ze nog bloeit.
Het fokken van kalkoenen wordt door sommigen beschouwd als weinig voordeel opleverende, of in elk geval als zeer onzeker, omdat hot zoo moeilijk heet de jongen groot te brengen. Die onzekerheid kan echter door voorzorgsmaatregelen zoo niet geheel dan toch grootendeels opgeheven worden. Het groot brengen der jonge kalkoenen is eene zaak, waarop het voorjaars-en zomerweder van grooten invloed is, Koude en vocht zijn voor de jonge kalkoenen, vooral gedurende de eerste weken zeer gevaarlijk, doeh evenzeer groote zonnehitte, wanneer die niet door schaduwgevende voorwerpen getemperd wordt. In landen en landstreken, waar deze klimatologische nadeelen geregeld hunnen invloed doen gevoelen, zal de kalkoenenteelt in 't algemeen weinig loonend zijn. Daarom gedijt die ook niet in Algiers, en in 't zuiden en noorden van Frankrijk minder dan in liet midden. Daarom is zeker ook de kalkoen in andere, zuidelijker gelegen landen, bijv. Oost-Indiö meer dan elders ontaard, een feit, waardoor (Jh. Darwin tot het besluit kwam, dat de kalkoen oorspronkelijk niet in de heete luchtstreek te huis behoorde.
Doch de nadeelige invloeden van het klimaat kunnen door eene zorgvuldige
.152
verpleging onselmdelijk worden gemankt en dnnroin /ijn onvoldoende voor-zorgsmantregelen en verpleging dan ook in den regel de oorzaken van de sleelite resultaten bij liet opkweeken van kalkoenen in minder gunstige jaren, landen of landstreken. l?ij zorgvuldige verzorging en verpleging gedijen de kalkoenen overal in de gematigd warme Inclitstreek en waarselijjnlijk. wanneer overigens aan hunne levensvoorwaarden wordt voldaan, ook in de tropische landen, daar toch de Honduras-Kalkoen (M. ocdlata) een tropische vogel is.
Bij dc vraag naar de voordeelen van het fokken van kalkoenen komt evenwel ook nog iets anders in aanmerking dan de moeilijkheid om de kuikens groot te brengen, n.1. de voedingskosten. Er wordt wel beweerd, dat kalkoenen geen noemenswaardige winst afwerpen, als men er geen grootc troep van heeft, dien men onder een hoeder op de weide, op het stoppelland, in bosschen enz. kan laten loopen. Isn is het zeker, dat de k dkoenen, op deze wijze gehouden en gevoed, beter gedijen en meer winst zullen afwerpen ; doch in Cambridge en Norfolk, in Frankrijk en sommige streken van Diijtschiand loont toch ook het fokken in het klein wel de moeite, wanneer het maar met de noodige zorg en omzichtigheid geschiedt.
Vóór alles dient men te zorgen, dat men een goeden fokstam verkrijgt. Hiervoor neemt men geen jongere dieren dan die'i jaren oud zijn ; 't is echter ongetwijfeld beter een 3 jarigen haan te nemen, orndat deze eerst in het derde levensjaar zjju volle gewicht en daarmede ook zijne volle rjjpheid krijgt. Daar niet de eier- maar de vleeschprodnctie de hoofdzaak is. kicze men niet juist de vruchtbaarste hennen, doch zulke, die het bost vleeseh en vet aanzetten. Een ronde, compacte liehaamsbouw bij niet te lange poo-teu zjju de uiterlijke kenmerken van deze eigenschap. Ook is het van belang, dat do hen wel levendig maar tevens zacht van aard is. De haan moot oveneens meer kort en breed dan lang en slank zijn: vooral do borst en het acliterljjf moeten vol en goed gewelfd zijn.
Aan één haan geve men niet meer dan 4. a (5 hennen; 't gaat niet aan voor eiken haan vooraf het juiste aantal op te geven, doch meer dan (! hennen is evenmin aan te hevelen als minder dan 4. In Engeland on Frankrijk houden de kleine kalkoenenfokkers er zelf geen haan op na, ten eerste om voeder te sparen en ten tweede om het twisten en vochten mot ander pluimvee te voorkomen. Deze lieden brengen beurtelings hunne hennen ter paring hij iemand, die er speciaal met dat doel één of meer hanen op na houdt; deze gaat ook wel met zjjn haan of zijne hanen hij do eigenaars van hennen rond. Sommigen o.a. de Franschman Cozaux, beweren, dat ecne enkele paring voldoende is om een geheelen leg te bevruchten, doch de ervaring leert, dat, wanneer de hen maar éénmaal getreed is, vele en juist
.15.7
lt;f(! laatst gelogde eioi'cn oubcvi'udit zijn ; men iiuijj oclitor wel aunnoinon, dat óóno gowlc paring â 'gt; a (i bcvi'uchtc eieren geeft.
\ ele fokkers hebben do vorkeerde gewoonte om in don herfst fle beste hanen te verknopen, omdat die het best betaald worden. Een noodwendig gevolg van deze zucht naar moordoro winst is evenwel, dat him eigen fokstam daardoor langzamerhand achteruitgaat, waarvan weder zwakkere jongen en meer moeite mot hot, groot brengen de gevolgen zuilen worden. Men zorge altijd het beste te houden om er verder mee te fokken.
JJe kalkoen begint bij middelmatig strenge winters en als hij goed gehuisvest is, tegen het laatst van Februari of in het begin van Maart te leggen en legt dan gewoonlijk 15 a '20, ook wel eens meer eieren; de ben legt in den regel om den anderen dag, soms evenwel ook meer dagen achtereen. Worden de hen de eieren afgenomen en broedt deze niet, dan legt zij tegen 't einde van Juli of in 't begin van Augustus dikwijls nog eenige, gewoonljjk â ) a S eieren, welke, wanneer de haan gezond en sterk is, ook wel bevrucht kunnen zjjn.
De eieren der kalkoenen smaken uitmuntend, doch worden gewoonlijk niet anders genuttigd, dan in geval men de hennen als broedsters van hoender-, eenden- of fazanteneieren dienst wil luten doen, daar zjj anders al te duur komen.
De meeste kalkoensche hennen hebben de neiging om hare eieren te verbergen â een overblijfsel van het instinct barer voorouders â en zulks is ook niet altijd onnoodig, zelfs dan niet, wanneer men geen vrees voor roofgedierte behoeft te hebben: vele kalkoensche hanen toch zijn groote beminnaars van eieren en verorberen de door de bennen gelegde eieren het een na het ander, waarom het zaak is den haan zooveel mogelijk van het nest verwijderd te houden. Wanneer eene hen zich een nestplaats opzoekt in do opene lucht en men dat op die plaats veilig acht, kan men haar gerust laten begaan: zjj legt dan dikwijls meer eieren dan in het hok. Van de beschutting, die dat zelf gekozen nest heeft tegen de invloeden van het weder, hangt het evenwel af, of men de hen daar ook kan laten broeden. Kan zulks, dan is dat ook al weder het beste, daar de eieren dan gewoonlijk het zekerst uitkomen, terwijl men er verder geen drukte mee heeft dan de broedster op tijd van voeder en drinkwater te voorzien. Op groote, boschnjke landgoederen gebeurt het wel, dat eene kalkoensche hen spoorloos verdwijnt en na een week of (i plotseling weer voor den dag komt met een Hinken toom krachtige kuikens, die dan echter in den regel vrij wat wild zijn en gevangen en opgesloten dienen te worden, als men niet het gevaar wil loopen, ze weder en misschien voor goed te zien verdwijnen.
Baldamus, Pluimvootoolt. 2.3
AM
Doch al wil nu'D, wat in de niceste gcvallon zeker het veiligste is, de Iumi ook in een hok laten broeden, dan kan men aan bare zucht om verborgen te zitten wel te gemoet komen, door de natuur een weinig na te bootsen en in de hoeken van het hok wat struiken en bundels stroo aan te brengen, waarachter zij zich veiliger gevoelt en de eieren dan niet zal wegleggen.
Men neemt de gelegde eieren gewoonlijk weg met uitzondering van één nestei, waarvoor men echter ook een porceleinen ei kan nemen; begint de hen te klokken en blijft zij op het nest zitten, dan heeft men zekere bewijzen, dat zij zal ophouden met leggen en broeden wil. Men kan haar dan de gelegde eieren weder onderleggen en van dien tijd af zal zij vast broeden, zelfs al legt zij er ook nog eenige eieren bij.
Over liet aantal eieren, dat men ééne hen ter bebroeding mag geven, loopen de meeningen uiteen. Terwijl men haar in Frankrjjk en Duitschland van 17 tot 20 eieren geeft, leggen de Engelsche en Amerikaansche fokkers de eerste (i a 7 eieren onder ecne huishen, terwijl ze de overige 42 a 14 door do kalkoen-hen laten uitbroeden. Deze, door Amerikaansche autoriteiten aanbevolen handelwijze heeft zeker veel vóór zich, doch om die te volgen, dient men ook tijdig het noodige aantal broedsche kippen, bijv. Brahma's, te zijner beschikking te hebben.
De kalkoensche hen is het ideaal van een kloek, wat betreft het vast zitten en bet onvermoeid doorbroeden. Zij heeft echter ook hare schaduwzijde, waarvoor zij echter niet verantwoordelijk gesteld kan worden, n.1. haar groot lichaamsgewicht en hare lange, onbeholpen pooten, die iu verbinding met hare schuwheid en vrees voor alles wat ongewoon is, soms vrij wat verwoesting onder liet broedsel kunnen aanrichten. Daar zij zich echter langzamerhand aan alles gewennt, zelfs aan honden â vooral aan haren verzorger â kmmen die bezwaren uit den weg worden geruimd; iets ongewoons trachte men echter altijd van haar verwijderd te houden, als men niet het gevaar wil loopen, dat zjj in haar vrees of boosheid bare jongen, waarvan zjj anders bijzonder veel houdt, doodtrapt. Er zijn echter ook voorbeelden van. dat zjj alle vrees weet te overwinnen, wanneer het er op aankomt haar broedsel to verdedigen. In zulke gevallen valt zjj zoowel honden en katten als haviken en andere gevleugelde roovers aan en blijft meestal meesteres van het strijdperk.
De broedtijd duurt gemiddeld 28 dagen, doch kan even goed met één dag verkort als met 2 a 3 dagen verlengd worden. In Frankrijk schjjnen zo echter gewoonlijk langer te broeden, daar de meeste Fransche schrijvers dien tijd op 30 a 32 dagen stollen.
Wanneer men verscheidene kloeken naast elkander moet zetten, dient men
n!)i)
te zorgen, dat zij elkander niet kunnen zien of ten minste niet liereiken. Aks het geen zeer zachtaardige dieren zijn, /.uilen zjj elkander storen, om de nesten twisten, wanneer ze die, na gegeten te hebben, weer opzoeken en dikwijls met elkander vechten tot groot nadeel van het broedsel. Het beste is in zulke gevallen, door middel van stroomatten of horden van ongeveer ^ Meter hoogte de dieren gedurende bot voeren ieder afzonderlijk te honden; en heeft men er ééne onder, die steeds een andere kloek van het nest tracht te verdrijven, dan moet deze geheel afzonderlijk opgesloten worden.
Dikwijls k an bet voorkomen, dat de hen niet van zelve van het nest wil komen om te eten en te drinken, in welk geval men haar er natuurlijk dient af te nemen. Vooral in de laatste dagen van den broedtjjd wil zulks bij deze ijverige, hartstochtelijke broedsters dikwijls bet geval zjjn en zouden zij zonder onze hulp gevaar loopen al te zeer te verzwakken, zelfs te verhongeren. Het beste voer gedurende den broedtijd is zuivere, goede gerst, en ter afwisseling nu en dan brood en eenige bladeren van de paardebloem (Leontodon taraxacum), welke voor al ons pluimvee als uitmuntend groen mogen aangeprezen worden evenals de bladeren van den grootbladerigen brandnetel (Urlica clioica); kalkoenen, oude zoowel als jonge, houden er ook bijzonder veel van.
Als het mogelijk is, late men ze gedurende den voedertijd in de buitenlucht.
Zij nemen dan gaarne eenig groenvoer, dat onder hun bereik gesteld moet worden en zeer weldadig werkt; zij schudden zich het gevederte uit en nemen gaarne een zandbad, dat op de eene of' andere beschutte plaats voor haar in gereedheid moet staan. Gaan zij niet van zelf van het nest en naar buiten, dan zette of jage men ze eenige malen daarheen, totdat zjj zulks vrijwillig doen. Over haren terugkeer naar het nest moet natuurljjk ook gewaakt worden. In den regel zullen zo vrijwillig weder op het nest gaan, waarbij men slechts beeft toe te zien, dat zjj niet in een verkeerd nest terecht komen, doch doen ze zulks niet, dan zetto men ze er op.
Wanneer de hennen in de open lucht broeden, moet den haan belet worden bij het nest te komen. Vele en juist do beste en sterkste hanen toch hebben de eigenaardigheid, dat zij nest en eieren verwoesten, ja, zelfs de kuikens dooden. Men bedekke daarom de nesten, bijv. door middel van een mand, of sluite den haan afzonderlijk op.
Het uitkomen dor eieren gaat in de meeste govallcn zonder moeilijkheid en dat is maar goed ook, want hulp hierbjj is nog gevaarlijker dan bjj hoenderkuikens. Blijkt die echter noodig, dan zal het beste zjjn die te trachten aan te wenden onder warm water, zooals bij de hoenders is aangegeven.
Eischt bet uitbroeden der bevruchte eieren van ons weinig zorg, meer
356
arhoid, meer inooito en zorg is or verbonden aiin hot opkweoken dor kuikens, vooral in do eerste dagen en weken. Toch is ook dit niet zoo moeilijk, als wol beweerd wordt. Het natuurlijkste on ook over 't geheel genomen het voordoeligste is, de pas uitgekomen kuikens onder de moeder te laten droog worden. In de eerste 24 uren na het uitkomen der eerste jongen late men de kloek daarom ongestoord, tenzij deze zich onrustig of woest mocht toonen, wat men spoedig kan bemerken en in welk geval men haar de kuikens afneemt, deze koestert, zooals bjj de hoenderkuikens is hesehreven, om /.o later weer bij de kloek te doen.
Zijn er zooveel kuikens uitgekomen als men kan verwachten en zijn dio alle droog, dan brengt men ze met de moeder in eene andere â voor vroegbroed verwarmde â ruimte. De hodem dezer ruimte wordt ;i contim. hoog met een mengsel van zand, asch en droge aarde bedekt; niet met stroo, hooi of haksel. eensdeels wijl dit niet zoo zindelijk is, anderdeels omdat de jonge dieren zich daarin moeilijk kunnen bewogen en ongelukken kunnen krijgen. Houdt men de temperatuur zoo mogelijk gelijkmatig op pi. min. 20° Celsius, dan kan men meer dan één broedsel aan de zorg van ééne kloek overlaten of de kuikens aan de vroeger beschreven kunstmoeder gewonnen, zonder vrees dat zjj bij zulk eene temperatuur koude zuilen lijden. Behoudt elke kloek hare kuikens, dan is een temperatuur van ongeveer l'J a 13quot; voldoende. Espanet geeft nog den raad, den bodem der kuikenruimte met eene 30 a 60 centimeter dikke laag paardemest te bedekken, waarover dan weder 3 a 5 centimeter zand of droge aarde, de kuikens zoolang in doze ruimte te laten tot zo goed bevederd zijn, d. i. minstens '2 maanden, en ze alleen bij droog, warm weder gedurende eenige uren per dag. in de open lucht te doen vertoeven.
De jonggeborenen aan het zelf eten te gewennen, wanneer zij dat niet uit eigen aandrift doen, is oen werk, dat groote oplettendheid en zorg van den verzorger oischt. Er wordt wel beweerd, dat de jonge gedomestisoordo kalkoenon het oorspronkelijk instinct om hun eerste voedsel op te pikken verloren hohbon, doch dit beweren wordt gelogenstraft door het feit, dat do meesten zonder opzettelijke inmenging onzerzijds cn zonder gestopt te worden loeren eten. Do heer Wright geeft den zeer practischen raad om, wanneer do kalkoonoieren zeven dagen bebroed zijn, eenige hoondoroicren onder do kloek te leggen, zoodat deze te gelijk met de andere uitkomen en de hoenderkuikens de kalkoenkuikens bij het eten als leermeesters kunnen dienen.
Blijkt onze tusschenkomst echter noodig en moeten de kuikens gestopt worden, dan bozige men daarvoor vliegenlarven, miereneieren en dergelijk insecten voer. Dit stoppen moet, helaas, als het immer mogeljjk is, om het half uur gosolneden en kan wel eens 2 a 3 dagen moeten worden volge-
357
houden, liet is dus zoor lastig' on tjjdroovcnd on l)ij oen eonigszins groot aantal kuikens bijna onuitvoerbaar. Gelukkig editor zijn er onder zulk een aantal kuikens altijd wol enkele, die wat minder dom en onnoozol uitgevallen zijn, weldra con begin maken met zolf to eten on do andoren door hun voorbeeld aansporen hetzelfde te doen. En dit zal des to gemakkelijker en spoediger gaan, wanneer men hun dadelijk in hot begin liet natuurlijkste voer, mierenoieron on inseetonlarven enz. geeft.
Een bijna afdoend middel om do hardnekkigste vasters aan hot otcn te brengen is, hun oen kleinen, lovondon regenworm boven don snavel te liou-den; meestal pikken zij gretig daarnaar on bobben zij er eerst stukjes afgepikt en die geproefd, dan levert do zaak vorder geen moeilijkheid op.
Dat liet eerste voeder dor wilde jonge kalkoenen uitsluitend uit dierlijke stoffen, insecten, larven, wormen enz. bestaat, is boven allen twjjfel verliovon. Nu kunnen wij onze jonge kalkoentjes, wel is waar, niet dezelfde soorten van insecten verschaffen en niet die afwisseling van voeder, welke hunne Amorikaansche neefjes en nichtjes in hunne bosschen enz. kunnen vinden, doch wjj kunnen ons wol van goede surrogaten voorzien en die in voldoenden voorraad hebben om ze gedurende do eerste dagen te verzorgen; en die surrogaten vinden wij in vliegenlarven on regenwormen uit de wormputten en in de algemeen door vogels geliefde miereneioren en meolwormen, welke de kalkoenenfokkor zoo mogelijk zolf in voldoend aantal moet telen.
Voor de eerste week beveelt Wright aan, do jonge kalkoenen te voeren met hardgekookt en fijn gemaakt ei, dat hij tevens gosehikt noemt om do diarrhoe tegen te gaan, waarvoor deze dieren zeer vatbaar zijn; verder wil bij als toegitr alleen fijn gehakte bladeren van do paardebloem of. luj gebrek daaraan, gekookte en fijn gehakte brandnetels. Eerst na do eerste week wil hij dil voer vermengen met broodkruimels, gerste- en havermeel en nu en dan wat gekookte aardappelen of fijn koren; dit mag echter niet do boofd-sehotol zijn. Ook gestremde melk mag in tamelijk groote hooveellioid worden gegeven, doch alle soorten van peulvruchten, als erwten, wikken enz. moeten worden vermeden, daar deze voor kalkoenen van eiken leeftijd ondoelma-tig zijn.
Tegen hardgekookte eieren komen echter tal van kalkoenenfokkers, en onzes inziens terecht, op. Wil men eieren voeren, wat velen echter geheel overtollig voorkomt, dan neme men rauwe of zacht gekookte, welke gemakkolijker te verteren zijn, en vermenge die met zoete melk en havermeel tot een kruimelig deeg. âMet zoete molkquot;, zegt W. Düsterberg, ,,dio voor zoovele dieren in hunne eerste jeugd het eenige voedsel is, heb ik steeds uitmuntende rosnltaten gehad. Om deze den jonge dieren in zoo ruini mogelijke mate te doen genieten, koke men havordegort, die zelf zeer liehl verteerbaar
.158
is, in zoofc molk tot een dikke brij en voege daaraan iu het begin oen zesde deel, later een vierde deel fijn gesneden jonge brandnetels, jong klaver ot' dergelijk groen toe. Men koke en voere echter nooit meer dan du dieren met graagte opeten en wel om het uur, daar de diertjes niot veol op eens maar wol vaak moeten eten. Dan zette men ook kleine, ondiepe, smalle bakjes met molk voor de kleinen neer en late zo hiervan naar hartelust drinken, waarbjj zij zichtbaar gedijen. Doze bakjes moeten dikwijls schoon gomaakt worden, in hot eerst van uur tot uur. Het voedsel zetto men zo liever op eene plank voor dan in een bakje, omdat het daarop eerder afdroogt on niet zoo papperig blijft. Bij deze wijze van voeren moot echter do grootste zindelijkheid in acht worden genomen, daar de melk en het met melk bereide voeder licht verzuren, waardoor hot een vergif voor het kleine volkje wordt, dat zeer spoedig don dood veroorzaakt. Heeft men insoctonlarven, dan zijn deze alleen of' ter afwisseling met hot andere voer zeer aan te bevolenquot;. Deze voederwijze kan ongetwijfeld rationeel worden genoemd, maar vereischt zooveel werk en is zoo kostbaar, dat zij in oeuigs-zins groote fokkerijen zeker onuitvoerbaar is.
Espanet, die insgelijks in de eerste plaats insecten en wormen aanhovoolf, verhaalt, dat lijj in Algiers van een broedsel van 14 jonge kalkoenen slechts l redde en wel door dozen te voeden met insecten, die men voor vergiftig hield, mot stukjes kikvorschvleesch, een weinig graan en groen vermengd. Vooral was een soort van groote schorpioenen, die in twee of drie stukken werden gesneden, eene ware lekkernij voor hen; bovendien aten zij insecten en wormen van allerlei soort: meikevers, spinnen, slakken, vliegen enz. âHot zou niet noodig zijnquot;, zegt Espanet, âhun de zoo beroemde peperkorrels of uien, koffie en wijn als prikkelende of opwekkende middelen bij het mengsel van brandnetels en pillen van allerlei aard to geven, als men hun oven zooveel insecten en wormen gaf als groen, meel on korenquot;.
In Frankrijk, ton minste in het noord-oostelijke gedeelte, voedert men in de eerste dagen met gestremde melk, gebroeid oud gekruimeld wittebrood, later een voedermcngsol van geronnen melk met tarwezemelen, waaraan van tijd tot tijd wat uien en venkel toegevoegd wordt en, als het rood aan kop en hals te voorschijn komt, wat ijzerpoeder. Men moet de kuikens voor natte en zoiiiiehitte beschermen, doch ze overigons zooveel mogelijk van de buitenlucht laten profitoeren.
Mr. W. Simpson, de matador van de Amerikaansche fokkers van bronskleurige kalkoenen, geeft gedurende de eerste paar dagen weer de voorkeur aan hard gekookte eieren, en daarna gestremde zure molk mot hot jonge loof van nien, dat met oen schaar fijn geknipt wordt. Na zeven dagen kan don kuikens wat geplotte gerst of haverdegort of' gebroken tarwe worden
359
gegeven. Havermeel, moi; ongeveer 10 procent zuivere beeudereuraeel vermengd, is een uitmuntend voer. Aangezien editor havermeel en liaverdegort to duur zijn, gebruikt men in do plaats daarvan veelal maïsmeel. Daarbij moeten zij twee- of' driemaal per dag van friscli, koud water worden voorzien en nu en dan ook eens van melk. Do hoor Simpson laat zijne kuikens ongeveer drie weken oud worden, vóór liij zo 's morgens, als de dauw is opgetrokken, naar buiten laat; des avonds worden zij mot de ouden weder opgesloten. Deze bolioevon echter niet van het voor do kuikens bestemde voer te eten, wat zij echter, wanneer zjj er bij kunnen komen, zeer gaarne doen. 's Morgens en 's avonds, en als zij te hnis worden gehouden ook 's middags, is gerst voldoende om de moeder van do vermoeienissen van het broeden te doen bekomen.
In Frankrijk on Duitschland, en ten dooie ook in Engeland, iaat men de jonge kalkoenen moestal reeds na l i dagen, soms ook zoli's na 8 dagen naar buiten gaan, doch natuurlijk alleen bij warm weder en op eou drogen bodem. Vooral de dauw is voor hen zeer nadeelig. Ook mogen zij zich niet al te ver verwijderen, opdat zij bij plotseling opkomende regenbuien dadelijk weder onder dak gebracht kunnen worden. Worden zij niet in huis â in eene schuur of andere ruimte â gehouden, dan geve men hun als schuilplaats een verplaatsbaar hok, dat aan iille kanten waterdicht is en alleen aan de óóne zijde eene opening heeft, waardoor zij uit en in kunnen gaan; een hok, waarin ze goed beschut zjjn tegen natte en koude, doch evenzeer tegen de niet minder nadeclige werking der brandende zon. Men mag er echter niet op vertrouwen, dat de jonge kalkoenen, die maar wat dom zijn uitgevallen, hunne schuilplaats uit eigen beweging zullen opzoeken, ten minste in de eerste dagen niet; men zal ze meestal eerst eenigen tijd mot veel geduld in liet hok moeten drijven, vóór ze weten, waartoe dit eigenlijk dient.
Hot voor blijft in deze tweede periode voorloopig in hoofdzaak nog hetzelfde ; heeft men ze echter eieren gevoerd, dan late men die nu achterwege en vervango die door een der genoemde mengsels weekvoer, langzamerhand wat meer graan en vooral wormen. Evenwel behoeft men deze laatste niet meer zoo overvloedig te geven, daar de kuikens reeds in staat zijn om zich een gedeelte van hun voeder zelf in liet gras te zoeken. Wormputten zijn zeker van groot belang zoowel voor de jonge kalkoenen als voor den eigenaar hiervan en besparen veel tijd en geld.
Drijft men de kalkoenenfokkerij op zoo groote schaal, dat er oen bezoldigde oppasser en verzorger voor noodig is, dan kan do troep onder de hoede van dezen naar de weide gevoerd worden, doch ook alleen dan, wanneer die weide natuurlijke of opzettelijk ingerichte schuilplaatsen bevat
.160
togen do voornaamsto vijandon dor joiigo dieren; regenen felle zoniioscliijn. Ia er geen dicht struikgewas aanwezig, dat beschutting aanbiedt togen do zon en ook tijdelijk togen regenbuien, dan moeten er â en dat is het veiligste â verplaatsbare hokken neergezet worden. In die stréken van Frankrijk, waar men kalkoenen fokt op eenigszins grooto schaal, heeft men voor dat dool groote, doch zeer licht gebouwde huisjes, welke op vier wielen rusten, ongeveer zooals de herders vroeger hadden, doch veel grooter en natuurlijk anders ingericht. Het hoog gewolfde dak bestaat uit geprepareerd papier, dat verscheidene jaren stand houdt, do wanden zijn van dunne planken gemaakt. De inwendige ruimte, die in verscheidene afdeelingen is verdeeld, is van zitstokken voorzien van zacht liont, alles zoo licht mogelijk. I n deze Imisjes schuilen de kalkoenen, oude zoowel als jonge, tegen de zonnehitte en voor den regen en slapen ze ook des nachts.
()p deze wijze worden de kalkoenen, ook do jongen, niet alleen goed-kooper gevoed, doch gedjjen ook uitstekend, vooral, wanneer zjj eerst op de stoppelvelden gebracht worden; bovendien zijn zjj daar zeer nuttig, wijl zjj een massa insecten enz. verslinden, die den landbouw schadelijk zijn.
Dat men ze, ook als ze op de weide zijn, des morgens en avonds moet voeren, hetzij met koren, hetzij met iets anders, is niet zulk een groot bezwaar, als men misschien wel zou meenen, aangezien de oppasser het voor eiken dag benoodigde voer eenvoudig naar het land kan meenemen. De werkzaamheden, aan het oppassen en verzorgen van een troep kalkoenen verbonden, zjjn zoo gering en eischen zoo weinig inspanning, dat zij zelfs door een actief kind kunnen worden waargenomen. In vele streken van frankrijk, zooals o.a. in de omstreken van Tours, waar iedere landbouwer er een kleiner of grooter aantal kalkoenen op nahoudt, wordt de zorg voor de kudde toevertrouwd aan eene van de dochters des huizes, die daarvoor eene extra-belooning geniet. En dat dit de moeite loont, zegt Mariot-Didieux, kan men aan de landmeisjes zien, die volstrekt uict armoedig gekleed gaan of er behoeftig uitzien.
De voeding en behandeling dor kalkoenkuikens oischt gedurende eene week of acht dezelfde nauwlettende zorg. Zoodra zjj kunnen vliegen, laat men ze met do ouden op stok gaan. Om hun zulks gomakkehjjk te maken, brenge men echter onder en vóór de eigenlijke zitstokken breede latten of planken aan, waarop ze eerst kunnen vliegen om van daar op de eigenlijke zitstokken te komen; die zitstokken mogen niet te dun zijn, omdat do jonge dieren dan te veel op hot borstbeen rusten, waardoor dit gevaar loopt te verbuigen.
Bewegen de jonge dieren zich vlug over den grond, zoeken zjj vliegen (e vangen, wentelen zjj zich in hot zand enz,, dan mag men aannemen, dat
361
zij volkomen gezond zijn on zicli wolbohagoljjk gevoelen en dan is er allo kans, dat zij de laatste erisis, n.l. de volkomen bevedering en de ontwikkeling van het rood aan kop en hals, gelukkig te boven zullen komen, in den regel komt deze erisis, wanneer ze ongeveer 8 weken oud zijn, doch dit hangt zeer af' van den toestand, waarin de dieren ziel: bevinden, zoodat het ook wel 14 dagen, zelfs eene maand later kan worden.
Een goed aansluitend en glimmend gevederte en lakroode lellen zijn hoofdkenmerken van eene goede gezondheid, en als de lianen kolderen, dan spreken zij, zegt Dixon, eene gezonde taal.
De jonge kalkoenen eten nu, wol is waar, met uitzondering van de zaderjjen, evenals de ouden de meeste soorten van groen, doch houden nog het meest van dierlijk voedsel: ratten, muizen, kikvorschen, hagedissen, adders, slakken, kevers en andere insecten en wormen van allerlei soort; voorts tal van vruchten, bessen, wortelen, bladeren enz. Daar zij echter meestal zonder onderscheid van alles proeven, wat hun voor den snavel komt, komen er ook wel eens vergiftigingen onder hen voor door bilzen-kruid, belladonna, vingerhoedskruid, scheerling enz., en men mag veilig aannemen, dat de plotselinge dood van geheele broedsels jonge kalkoenen in de meeste gevallen door vergiftiging veroorzaakt wordt. Een nauwkeurig onderzoek naar mogelijke vergiftige planten op de plaatsen, waar de kalkoenen zich ophouden, is dus niet overbodig.
Al die opgenoemde voederstoffen zijn evenwel niet voldoende om de jonge kalkoenen naar beliooren te verzadigen en Ie doen gedijen. Goed koren- en weekvoer, geregeld 's morgens en 's avonds, zjjn daarbij bepaald noodig, wanneer men groote en sterke dieren wil bekomen.
fn Frankrijk, voornamelijk echter in Engeland, worden de hennen, die spoediger vet worden dan de hanen, meestal reeds vóór bet einde van November geslacht en gaan dan voor nmlscher en sappiger door dan deze, die meestal als kerstniisgebraad dienst doen. De hanen zjjn eerst in het derde jaar geheel volwassen, doch in den regel worden zij geslacht, als zjj twee jaren oud zijn, op welken leeftijd men enkele exemplaren van 1:3,6 en zelfs één of twee van 18 kilogram heeft verkregen.
De bronskleurige kalkoenen worden evenwel veel grooter en zwaarder. Zij zijn in Amerika door kruising van de grootste; tamme kalkoenen met hot wilde ras gefokt en door eene zorgvuldige keuze van de fokdieren eene veel grootere en zwaardere variëteit geworden, die zeer veel van het prachtige vederkleed van den wilden kalkoen heeft behouden, welke zich van het gekruiste ras hoofdznkeljjk ondcrscheidl door het helder en ultramarijnblauw van den kop en de oogstreek.
De beste stammen hebben hanen van 1 ;i,(( en hennen van 7,'2 kilogr,;
^gt;2
een enkele maal komen hier en daar echter wel exemplaren, die dit gewicht aanmerkelijk overtreffen. Zoo bezat de heer W. Simpson hennen van om de 10 en zelfs ééne van over de 41 kilogr. terwijl zijn óéne haan -0,1 kilogr. woog. Simpson geeft zijne hanen niet meer dan 4 of 5 hennen. Door do zware oude hanen hadden de hennen echter veel te veel te lijden, waarom do lieer Simpson jongere lianen nam, wat echter ten gevolge had, dat de jongen niet zoo groot en zwaar werden. Hij sloot nu de oude hanen vóór den broedtijd afzonderlijk op en verminderde hun gewicht: een proef, die volkomen gelukte en die lijj ook verder voortzette. In Februari 1871 woog S. een broedsel van 8 maanden; 8 hanen wogen van 10,0 tot Ui,:! kilogr., ti hennen van (i tot 0,8 kilogr. Dit broedsel stamde van eene hen, die 0,() kilogr. woog. Do heer S. deed hierbij de ontdekking, dat hij steeds betere kuikens kreeg van hennen die ongeveer 6,5 kilogr. wogen dan van zwaardere, doch dat een fraaie, groote haan, dien men door schraler te voeren enz. in gewicht heeft doen afnemen, van het grootste belang is.
Bij geen pluimvee, zegt du heer Hewitt, komt het zoo zeer op een goed uiterlijk benevens grootte en zwaarte van den haan aan, als bij den kalkoen. Wij stipten vroeger reeds aan, dat de prijs per kilogr. toeneemt met het gewicht der dieren, zoodat de kilogram levend gewicht van een i'-i kilogr. wegenden, vetten haan veel liooger betaald wordt dan van een haan, die maar 7 a 8 kilogr. weegt. Daarin zit dan ook het voordeel van het mesten.
Vroeger werden â of zulks nog geschiedt, is ons onbekend â in Frankrijk do kalkoenen, zoowel hennen en hanen, gesneden en evenals de kapoenen en poulardes op de meest uitgezochte wijze gemest. Gierstemeel en boter werden 's avonds met water of melk tot pillen gekneed, die in drie porties voor do drie stoptijden â¢â 's morgens vroeg, 's middags en 's avonds â werden afgewogen om er den volgenden dag de dieren mede te stoppen. quot;Voor een kalkoen-poularde bestond het dagelijks rantsoen uit '200 gram gierstemeel en '25 gram boter, terwijl nog op iederen maaltijd dagelijks
liter melk te drinken werd gegeven. Deze mesting duurde 24 dagen. Evenzoo handelde men niet de kalkoen-kapoenen. Ten laatste werdén zij, evenals de gemeste hoenders, met bijvoeging van aromatische kruiden gestopt en geslacht en in sommige streken van Frankrijk met geheele of stuk gesneden truffels gevuld. Onze zegsman, H. Gauss meent, dat deze, ook in een Silezische poulardenmesterij gevolgde methode, waarbij 4,5 kilogr. gierstemeel, 0,5 kilogr. boter en !( kilogr, melk per dier, werd gebruikt, niet veel duurder, zoo niet goedkooper komt dan het mesten met koren.
In sommige streken van Frankrijk, waar veel walnoten groeien, o. a. in Dauphiné, gebruikt inon deze voor het stoppen van kalkoenen, en men heeft dit zoozeer geprezen mestmiddel ook in Duitschland in practijk gebracht.
Men begon het stoppen niet éóne noot, gaf dan 2, li, i enz. tot wel (50 toe. Men is echter spoedig weder van deze wijze van mesten teruggekomen, daar de resultaten niet voldeden aan de verwachtingen, die men er van had en ook niet naar den zin der Duitsche huismoeders waren.
De groote vraatzucht der kalkoenen maakt ook inderdaad het stoppen bjjna overbodig. Met goed korenvoer, een pap van de eene of andere meel-of gebroken graansoort en frisch koud water kan men zo zeer goed in zulk eene mate mesten, dat het vleesch zeer smakelijk, malsch en licht verteerbaar is, terwijl, wanneer de dieren overmatig vet zijn, ten minste de eerste en de laatste dezer eigenschappen daaronder lijden.
Men slacht de kalkoenen evenals de hoenders, door bun met een scherp mes do luchtpijp en de halsaderen dicht onder do keel door te snijden en ze dan aan de pooten op te hangen om ze zoo zuiver mogelijk te laten uitbloeden en het vleesch wit te houden.
Wat de ziekten der kalkoenen aangaat, daarover is eigenlijk niet veel te zeggen. Zijn de dieren eenmaal den hiervoor genoemden gevaarlijken crisis te boven, dan heeft men bij kalkoenen minder met ongesteldheden te doen dan bij hoenders. Speciaal bjj kalkoenen tebuis behoorende ziekten kent men eigenlijk in liet geheel niet, en do gewone hoenderziekten, voor zooverre zij daaraan onderhevig zijn, worden bij hen op dezelfde wijze be-bandeld en met dezelfde geneesmiddelen, als in het hoofdstuk over ziekten enz. is opgegeven. (Jok de verschijnselen der ziekten komen bijna in alles overeen met die der hoenderziekten.
Groote verwoestingen worden er echter soms onder de kalkoenen aangericht door een âpokkenachtigen huiduitslag, die veel overeenkomst heeft met de pokziekte bij de schapen of ook met de âkinderpokkenquot; ; niet alleen onder do jonge dieren doch ook wel onder do ouden, daar do kwaal zeer besmettelijk schijnt te zijn. Zij vertoont zich aan den snavel, ook inwendig, onder de vleugels, tusschen de schenkels en verspreidt zich, ovenals bij duiven, soms over don geheelcn kop. Do hierdoor aangetaste dieren moeten dadelijk afgezonderd worden, doch sterven in do meeste gevallen. Drinkwater, waarin zwavehjzer â d5 gram op 1 liter â is opgelost, week voer waarin fijn gesneden knoflook, en het penseelen der pokken met holsche steen is alles, wat er tegen te doen is. (Didieux).
Op plaatsen waar bijen zijn, mogen jonge kalkoenen niet gebracht worden, aangezien zij daarop jacht maken, in de keel gestoken worden en bijna zonder uitzondering ten gevolge daarvan sterven. Het is gebeurd, dat van een troepje kalkoenen, dat in de nabijheid van een bijenstal liep, meer dan de helft daardoor verloren ging.
J)e hoofdzaak is ook hier, evenals bij alle pluimveeziekten, dat men de
.164
ziekten tracht te voorkomen door: zindelijkheid, zuiver en frisch drinkwater, passende voederregelen, bosclierming tegen de rechtstreekselie inwerking der zonnestralen, vooral op den middag, tegen regen en plotselinge temperatuursveranderingen.
Een goed en gunstig gelegen liok is eveneens een eerste vereischte; al is liet ook maar van ruwe planken getimmerd, toch kan het wel zoo worden ingericht, dat het als verhljjfplaats, zoowel dos zomers als des winters, geschikt is. Bovenal mag het niet vochtig of duf zijn. Een droge bodem en goede ventilatie, zonder echter tocht te veroorzaken, zijn zaken, waarop liet ten zeerste aankomt; meer dan op do temperatuur. Niet alleen in Ame-rika, ook bij ons willen de kalkoenen gaarne in liooge hoornen overnachten en zoeken daarbij geene andere beschutting dan die zij vinden, door zich stjjf tegen den stam aan te drukken. En zelfs onze ontaarde huiskalkoenen kan men, wanneer zij maar eerst do beido eerste levensmaanden goed en wel zijn doorgekomen, volstrekt niet van weekehjkheid en gevoeligheid voor de koude beschuldigen.
Daar zij gaarne hoog zitten, behooren ook liunno hokken hooger te zijn dan die van het overige pluimvee, terwijl ook de breede zitstokken zoo hoog mogelijk geplaatst moeten worden en gemakkelijk toegankelijk zijn.
Wanneer men voor do kuikens eene afzonderlijke ruimte heeft, komt het op de ligging der rustplaatsen minder aan; wel echter, wanneer beide met elkander verbonden zijn, want voor de kuikens is ongetwijfeld de ligging op het zuiden de gunstigste. Een met kiezel bestrooide loopplaats en een, zij hot dan ook klein grasveld, waarop men paardebloem kan zaaien, zijn in hoogc mate gewenscht. Een vooruitspringend afdak, een of meer beschutte plaatsen met zandbaden, eenigc boomen en hier en daar dicht struikgewas â vooral moerbeiboomen, waar die willen gedijen â⢠om de dieren tegen de zon en regenbuien te beschutten, zietdaar vrijwel al het nuttige en noodige; al het andere is meer oen kwestie van smaak.
Uit het tot hiertoe medegedeelde blijkt wel, dat men kalkoenen niet met ander pluimvee in een zelfde afgesloten ruimte moet houden en wel het allerminst in één nachthok.
Oude kalkoenen worden bovendien niet alleen voor het andere pluimvee gevaarlijk, maar, wanneer zjj geplaagd worden of hun toorn door de eene of andere oorzaak wordt opgewekt, ook voor kinderen; zelfs vliegen zij dan wel volwassen personen naar iiet gezicht. Eiuiten en het nabootsen van hun gekolder schijnen zij niet te kunnen verdragen; ook roode voorwerpen kunnen hun toorn dermate opwekken, dat die langzamerhand als het ware tot razernij stijgt. Daarbij liebhoii kalkoenen, niettegenstaande Imnno domheid, die echter niet zoo groot is als inon gewoonlijk meent, een goed geheugen
365
voor beloedigingon, wolko zij lijj elke golcgonlioid op dieren on niensclion wreken. IJocli zjj vergeten ook eene vriendelijke beliniuleling niet en beloo-nen liunne weldoeners dikwijls door eene merkwaardige aanlmnkehjklieid en vertrouwelijkheid, die zeer in tegenspraak zijn niet de hatelijke eigenschappen, die men hun wel eens in wat overdreven mate toekent.
Elfde Hoofdstuk.
Het Parelhoen. Poule pintadc.
liet Parelhoen wordt van alle pluimveesoorten zeker het meest stiefmoederlijk behandeld en verwaarloosd, en toch bezit hot meer economische eigenschappen, dan men gewoonlijk wel aanneemt. Andere eigenschappen en het geheele voorkomen hebben er misschien het hunne toe bijgebracht, dat den Guinea-fowl der Engelschen niet een meer voorname plaats onder het pluimvee wordt ingeruimd.
Ofschoon het Parelhoen reeds meer dan 2000 jaren door den inensch gefokt is, draagt het niet, zooals andere dieren, de kenteekenen van den invloed der domestiseering, doch verschilt nog weinig of niets van zijn welbekende stamouders; want alle nuances van zjjn gevederte, tot de zuiver witte kleur toe, komen ook bij de wilde soorten voor.
Als het vaderland van het Parelhoen, gelden meestal het westelijk en noordwestelijk gedeeltelijk van Afrika, doch het werd, volgens Strabo, ook reeds vroeg in het oosten daarvan aangetroffen. De Grieken schijnen er reeds in de r^io eeuw vóór Clir. kennis aan gehad te hebben, ofschoon de berichten dienaangaande zeer onzeker zijn. Door de Romeinen is het naar Italië overgebracht; volgens Plinius verscheen het zoo laat op de tafels der lekkerbekken, omdat zijn vleesch een âonaangenamen bijsmaak zou hebben, en deze bijvoeging is misschien wel ééne der redenen, waarom er zoo weinig aan de verspreiding en kweeking van het Parelhoen werd gedaan. Columella onderscheidde twee rassen, waarvan bij het ééne met roode keellellen Meleagris, het andere met blauwe keellellen Numida of Gallina africctna noemde.
Men heeft de 7 of 8 soorten van parelhoenders in ééne familie of tenminste ééne onderfamilie vereenigd: Numididae of liever Melcagrididae, Naar hunnen totaalhabitus te oordeelen, staan zjj echter dichter bjj de l'erdicidae of patrijzen, met welke zij ook in levenswijze veel meer overeenkomen dan met de kalkoenen.
Uit dezelfde soorten, die de practicus Wright ter nauwernood als rassen wil erkennen, hebbcll de kamerornithologen zelfs vier geslachten gevormd
fiOfi
en in don lantsten tjjd i '2 a i:$ soorten ondorsclioidcn. Welko liid van de stanisoort is van liot godomostisourdo pardlioen, is eenvoudig beslist, door hot f'oit, dat die soort nog' leeft en wol in het niiddolste gedeelte van West-Afrika, van de (iambia tot (Jalioon en op de Kaap Verdische eilanden. De van daar naar Europa gebrachte exemplaren gelijken zoo in alles op de gedomestiseerde, dat men niet naar Abessinië behoeft te gaan noch zicb te storen aan de opmerking, dat noch de Grieken noch de Uomeinen met West-Afrika in verbinding hebben gestaan. Het vermoeden ligt immers voor de hand, dat de âtypischequot; soort vroeger ook in Koord-Afrika inheemsch is geweest. En dit vermoeden wordt versterkt door de Homeinsclie namen ninnida, ar/s mnnidica, en zekerheid door een tamelijk gelijktijdig historisch getuigenis. Skvlax zegt uitdrukkelijk: ,,Aan de golf van Carthago ligt een vijver, waar wilde parelboenders worden gevonden, van welke de elders aangetroffen wordende afstammenquot;.
Het scliijnt echter, dat ook de andere parelhoensoorten zich gemakkeljjk laten domestiseeren.
Van de Zuid-afrikaanscbe soort Nunrida mitrala I'all. berichtte Mej.
ITarber aan E. L. Layard, dat deze zich gemakkelijk laat temmen, sierlijker en grooter is dan de tamme, goed legt en broedt, met deze paart en door een gedeelte der farmers in groot aantal wordt gebonden. Exemplaren met witte slagpennen had zij echter nooit gezien.
()nze West-Afrikaansche stamsoort N. meleagvis L. (Rendalli [era, typiis 01:.) is echter niet alleen uit het stamland in Europa ingevoerd, doch ook in West-Indië; volgens Gosse waren er reeds vóór 150 jaren verwilderde parelhoenders in de wouden van Jamaica, en hertog Paul Willi, v. VVurtemberg zag gelieele scharen daarvan op St. Domingo. Dr. E. Bolle geeft zeer interessante bijzonderheden over hunne levenswijze op de Kaap Verdische eilanden.
367
Ons parollioen hoeft zich zoo lang constant; golioiidcii en is bovendien zoo bekend, dat eone wjjdloopige besclirijving zeker ovcü'bodig' is. (Jok bestaat er nog geen standaard van uitnemendheid van, die zulk eene besehrijving noodig maakt, zoodat eene afbeelding als de hier gegevene voldoende kan geacht worden. Voor de beoordeeling op tentoonstellingen komen daarom alleen de grootte, de symmetrie, de goede staat van het gevederto en hot geheele uitwendig voorkomen in aanmerking. Een witte of wit gevlekte borst en witte slagpennen, die bij het wilde stamras en ook bij de overige soorten en rassen niet voorkomen, gelden voor fouten.
Wat de toevallige, door kleur of teekening bepaalde variëteiten aangaat, hiervan hoeft men er -â deels ook bij de wilde â tot op heden de volgende waargenomen:
4. Zuiver witte, bij welke alleen de parelteekening soms door meer schitterend wit is aangegeven. Uit kruising van deze met de gewone heeft men gevlekte verkregen.
2. Blauwgrijze.
3. Staalblauwe.
4. Bruinachtige, met of zonder teekening en
5. Met lichtere grondkleur en donkerder parelteekening,
Mocht do belangstelling in en do kweeking van het parelhoen mettertijd wat grooter en algemeener worden, dan zou men door eene oordeelkundige teeltkeuze deze en nog andere toevallige verscheidenheden misschien tot constante variëteiten kunnen volmaken.
Het geslacht der parelhoenders is uiterlijk zeer moeilijk te onderscheiden. De opmerking van Wright, dat de kinlellen van den haan grooter zijn dan die der hen en een weinig anders âaangezetquot; zijn, heeft alleen betrekkelijke waarde, aangezien men bepaald beide geslachten samen moot hebben om hot verschil te kunnen opmerken. Zijne waarneming, dat de haan ronder van rug is en met een gemaakten gang op de teenen loopt, hoe scherpzinnig die ook moge zijn, gaat toch ook alleen in den paartijd en in een toestand van bijzondere opgewektheid door. Een beter onderscheid is op te merken in hunne stem, in hun roep. De hennen laten tot onverdrngeljjk wordens toe hun schol âgeewekquot; liooron, terwijl de hanen met niet mildere consquentie hun rat-sjeh, rat-sje-kek-kek doen weerklinken.
Dit inderdaad dikwijls zeer lastig wordend geschreeuw, wanneer het urenlang in de nabijheid klinkt, de leelijko gewoonte om ver van huis rond te dwalen en de eieren weg te leggen en hunne voorbeeldeloos hardnekkige, nijdige zucht tot het vervolgen van dikwijls geheel onschuldige en niets kwaads vermoedende schepselen, welke het ongeluk hebben op de eene of andere wijze hun toorn op te wekken, zijn ongetwijfeld geene
368
(Mgonschappon, dio Iiun onzc^ sympathio clu(3n voi'worvon. Mon liooft opgemerkt, dut een pai'elhoen door een grooten kalkoen aangevallen, dezen op de vlnclit joeg en den vluchteling twee volle uren vervolgde. Heide dieren draafden onder luid geschreeuw rondom eene boerderij, zonder dat de kalkoen echter door het parelhoen werd ingehaald. De tusschenkomat van eene der bewoonsters was noodig om aan het vervelende doch komische schouwspel een einde te maken.
De parelhoenders leven in monogamie en dit is eene andere verwant-scliapstrek, die hen met de groote familie der patrijzen en veldhoenders verbindt. Door de domestiseering is deze eigenschap wel niet zoo trouw bewaard gebleven, doch die parclhoenders wil fokken, duet het verstandigst ze paarsgewijze te houden, want er is meermalen opgemerkt, dat, ofschoon de haan met 'J of 3 hennen in de beste harmonie leefde, slechts ééne dezer hennen, en steeds dezelfde, bevruchte eieren legde.
Heeft men alleen de eierproductie op het oog, dan kan men aan één haan vier, vijf en zelfs nog meer hennen geven. Een Amerikaansch schrjj-ver meldt, dat hij eens tien hennen bij éénen haan had en dat de eieren bijna alle bevrucht waren. Daarbij legden de hennen gemiddeld 132 eieren: resultaten, welke zeker alleen door het warmere klimaat der Vereenigde Staten, vrijen uitloop op de uitgestrekte velden en een ruim en doelmatig voer bereikt kunnen worden.
De haan is tegenover zijne gezellinnen, vooral tegen zijne favorite, zeer galant en lokt deze aanhoudend, wanneer hij iets vindt, dat van hare gading is.
Het begin der legtijd hangt veel af van de temperatuur en valt voor Midden-Europa gemiddeld in de maand April. De wilde soorten schijnen niet meer dan 10 eieren te leggen en broeden waarschijnhjk twee malen. Do tamme leggen, wanneer men het gelegde ei telkens wegneemt, zooals men dat bij de huishoenders doet, van (iO tot f)(J stuks en zelfs nog meer. Professor Heller maakt melding van ééne zijner hennen, die van den laatsten April tot 20 October 107 eieren legde. Men zorgc evenwel, dat men altijd één ei in hot nest laat, en vindt men een nest, waarin zich reeds verscheidene eieren bevinden, dan neme men er niet te veel op eens uit, wijl men dan groot gevaar loopt, dat de hennen dat nest verlaten om zoo mogelijk een nog meer verborgen nestplaats op te zoeken. In overeenstemming met hunnen aard, die hen tot een zwervend leven drijft, leggen zij de eieren gaarne ver van huis op verborgen plaatsen, welke echter gemakkelijk door den haan verraden worden, doordat hij tijdens het leggen daarbij de wacht houdt. Het nest bestaat dan uit eene in den grond gekrabde diepe kuil, welke met wat zachte stoffen, halmen en bladeren enz. gestoffeerd wordt.
:j(i9
De van een zeer dikke en dichte scliaiil voorziene eieren der parellioen-ders zijn betrekkelijk de kleinste onder die van iilie hoendervogels, docli naar verhouding de zwaarste. Hun lengteas is tusschen 48 en 52 millimeter en de breedteas tussehen 'M en .'iS,.quot;) niillini. lang, terwijl zij gemiddeld 45 gram zwaar zijn, waarvan er echter 0,5 grain voor de dikke schaal gerekend moeten worden.
Toch is er in de grootte dezer eieren even goed verschil op te merken als bij de hoendereieren; zoo teekendc prof. Holler o.a. aan, dat zijne éénjarige parelhennen eieren legden van gemiddeld 40 gram gewicht en waarvan de kleinste 31! en de grootste 51 gram wogen, /ij zijn zeer stevig en homogeen van structuur; dc poriën, van verschillende grootte en vorm, zjjn meestal in groepjes bij elkander, zóó dat één of meer grootere door tal van kleine zjjn omgeven; ze zijn betrekkelijk zeer groot en zoo duidelijk zichtbaar als bij slechts weinige soorten het geval is. De kleur is eigenlijk gelijkmatig over de schaal verdeeld en wisselt af van licht geelbruinachtig wit tot eene tamelijk donkere lederkleur, doch verkrijgt, doordat het pigment zich in do poriën cn om de randen daarvan heeft opgehoopt, en fijn gestippeld of meer gevlekt voorkomen. De opperhuid is vrij dun en de schaal slechts mat glimmend; de eieren der wilde soorten hebben een dikkere opperhuid en een meer glanzige schaal. De vorm der eieren is gewoonljjk kort ovaat, zelden gestrekt en slechts bij uitzondering ovaal.
Aangezien de parclhoenders in den regel niet vóór Augustus broedsch worden, laat men hunne eieren, om tjjdig kuikens te bekomen, door hoenders of kalkoenen uitbroeden.
Zjj willen ook wel vroeger broeden, doch dan dient men ze ongestoord op oen door haar zelf gekozen nest te laten en de eieren niet weg te nemen. Zjj broeden dan gewoonlijk zeer vast cn zjjn ook goede moeders, die hare jongen dapper verdedigen. De buitongewone dikte en dichtheid der eierschalen is oorzaak, dut de broedtijd bijzonder lang is, n.l. 20, ook wel 27 dagen. De door pleegouders uitgebroede jongen worden zeer tam, terwijl die, welke door de hen zelve op een verborgen plaats uitgebroed zijn, uiterst schuw blijven. De kuikens zijn niet moeilijk groot te brengen, wanneer men maar zorgt, dat zij om het half uur voeder krijgen. Hun krop is te klein en zjj kunnen slechts zoo weinig voeder tot zich nemen, dat dit in een half uur reeds verteerd is. Het gewone kuikenvoor met eone toegift van wat ruim fijn gehakt ci of gekookt vlcesch doet ze snel groeien, als men tevens maar zorgt, dat zjj geen last krijgen van de koude, vooral niet van eene natte koude. Miereneieren en vliegenniaden (uit de wormput) zjjn uitmuntend voeder voor hen, evenals voor alle insecten-etend pluimgedierte; dat men hun het gemis van âpikant smakende insecten en de suikerzoete
Bai.damub. Pluimvootoelt. 24
370
vruchten van Numidië door prikkelend voer en wat wjjn in het drinkwaterquot; moet vergoeden, zooals MariotâDidieu.v in allen ernst aanraadt, is een eisch, waaraan zeker geen der lezers zal trachten te voldoen.
Als de jonge parelhoenders 3 a 4 maanden oud zijn, behoeft men zicli er zoo goed als niet meer om te bekommeren; zjj eten dan alles mede en vinden op hunne strooptochten overal hun passend voeder.
Men houdt de parelhoenders bijna algemeen alleen uit liefhebberij, op zijn hoogst om hunne bijzonder smakelijke eieren, die zich lang laten bewaren. Het door Plinius verspreide vooroordeel aangaande den slechten bijsmaak van hun vleesch is, als menig ander sprookje van den grooten Romeinschen natuurvorscher, nog volstrekt niet overal uitgeroeid. En toch is het vleesch der jongen, die men ,,'2 a 3 kilogram zwaar kan laten wordenquot;, en der kapoenen zeer malsch en fijn, volgens MariotâDidieux gelijkend op en smakende als dat van patrijzen, volgens Pallas dat van fazanten nabij komende en met dat van jonge pauwen gelijk staande. De heer Hewitt vindt het vleesch der in ongestoorde vrijheid levende parelhoenders smakelijker en meer met wildbraad overeenkomende; hij roemt tevens hunne groote waakzaamheid en hun nooit falende alarmkreet, wanneer er zich des nachts iets buitengewoons in hunne nabijheid vertoont: eene waakzaamheid, ,,op welke de honden zich zelfs verlatenquot;.
Ziedaar dan de goede hoedanigheden van het Parelhoen, die, volgens Wright, ter nauwernood opwegen tegen de hiervoor genoemde minder aangename eigenschappen. Toch is ook Wright van meening, dat deze laatste, bjjv. hunne wildheid, door eene vriendelijke en goede behandeling ten deele weggenomen kunnen worden, en dat de jongen, door hennen of kalkoenen uitgebroed, tammer worden en zich gewennen aan hunne woning, wanneer men daarin zoo hoog mogelijk een dikken zitstok voor hen aanbrengt en hen eiken avond voert. Ze leggen dan om de 400 eieren.
Volgens MariotâDidieux moeten de parelhoenders in Frankrijk nog veel vruchtbaarder zijn en zou het gemiddelde aantal eieren in de noordelijke provinciën 150 a 100, ja, in warme jaren zelfs 200 zijn, terwijl do opbrengst in de zuidelijke streken nog grooter wordt genoemd. Daar nu de eieren, al zijn die ook niet groot, in Parijs zeer gezocht zijn en dubbel zoo duur betaald worden als hoendereieren; daar ook het vleesch der jonge parel-boenders, die in Parijs des zomers met 4, des winters met 3 franks per stuk worden betaald, wanneer vooroordeel en onkunde algemeen geweken zijn, in prijs zal rijzen; daar zij slechts weinig voeder behoeven en, wanneer zij een onbeperkten uitloop hebben, bij het geringste zelfs gedijen; daar men eindelijk in Frankrijk 40 a 42 hennen op 1 haan rekent: is het niet onmogeljjk, dat een pachter in Artois, die zjju geheelen uitgestrekten
371
hoenderhof met parelhoenders heeft bevolkt, âdaarvan dubbel zooveel voordeel heeft getrokken alu van een even groot aantal hoendersquot;.
De ijverige pleitbezorger der miskende parelhoenders voegt er nog bjj, dat zij beginnen te leggen, als zjj één jaar oud zijn, dat hunne grootste vruchtbaarheid 5 a 0 jaren duurt en dat zij gedurende deze periodo van het vroege voorjaar tot den herfst dagelijks leggen; â wat dan ook wel noodig is, wanneer zij 150 a '200 eieren zullen leggen.
Overigens is ook reeds door tal van andere deskundigen als hunne overtuiging te kennen gegeven, dat hot vleesch der parellioenders uitstekend smaakt en werkelijk veel heeft van patrijzenvleesch; ook, dat hunne eieren lekkerder zjjn dan die van alle ander pluimvee, beter betaald worden dan lioendereieren eu deze dieren daarom reeds alleen voor de eierproductie zijn aan te bevelen.
Bastaards van het parelhoen heeft men verkregen door paring:
1. Met huishoenders; eene der nieuwste is die met een donkere Brah-ma-hen;
2. Met kalkoensehe hennen;
3. Met pauwhennen.
Al deze bastaards waren onvruchtbaar.
Door de weinige zorg, die er is besteed aan de domestiseering der parelhoenders, hebben deze luinnen onafhankelijkheidszin voor het grootste gedeelte behouden en deze eigenschap, gevoegd bij de gewoonte om hnn voedsel zelf te zoeken, maken deze dieren bjjzonder geschikt voor eene half-wilde fokkerij. Juist op zulke plaatsen, waar eene fazantenfolckerij niet zou rendeeren: op slechte, zandige gronden, heidevelden, inde duinen enz. als er maar eenig struikgewas aanwezig is of aangebracht wordt. In zulke streken zouden zij de geringe kosten, aan het opzicht en de voeding verbonden, zeker ruimschoots loonen. Dat zjj ook op een goeden bodem, in vlakten en boschrjjke bergstreken gedijen en licht verwilderen, heeft men niet alleen in de tropische gewesten ondervonden, maar ook in Europa, bepaaldeljjk in Engeland en Frankrjjk.
De geleerde l'arjjzer veearts Mariot Didieux heeft intussehen volkomen gelijk, wanneer hij zegt, dat men evenmin algemeen bekend is met de parelhoenders als overtuigd van bun nut.
Behalve do gewone, ook op andere pluimveesoorten voorkomende vogel luizen, leeft in het gevederte van het parelhoen ook een bijzondere soort: Liotheum stramineimi, de stroogele parelhoenluis. Wat de ziekten van dezen vogel aangaat, deze zijn al dezelfde als die der huishoenders.
Behalve de hier genoemde soorten van parelhoenders heeft men nog het öekraagde of Gier-parelhoen, ISinnidu vulhirimi, dat zelfs door Wright als
alt
âderde variëteitquot; wordt erkend en door Gould een der. âedelstequot; wordt genoemd, welke sedert eenige jaren zijn ontdekt.
Deze prachtige vogel, die liet eerst door kapitein Piioiivn uit West-Afrika naar Engeland overgebracht, en in 4834 door 1 Iaktwkiki: is beschreven, wordt door Gray van de andere parelhoensoorten onderscheiden door den naam Agrillium. Hij onderscheidt zich van de anderen door een ongeveer 155 millim. langen staart en 101 miliim. lang loopbeen, fraai gekleurde en geteekende, lancetvormige veeren aan den benedenlials en een helm- eu kuifloozen kop, die evenals de bovenhals sleclits met enkele rechtop staande zwarte haren is bezet. Deze eigenaardigheden van hals en kop zijn het, die dezen vogel een giorachtig uiterlijk geven, van waar zjjn naam.
Voor de opneming van dit parelhoen onder ons hofgevogelte bestaat, volgens Wright, voorloopig nog geringe waarschijnlijkheid.
Twaai.i'jjic Hoofdstuk.
Pauwen, Fazanten, Patrijzen en andere park- en volière-vogels.
De beide familiën der Pavonidae en Phasianidac omvatten ongetwijfeld de fraaist bevederde en gekleurde soorten, niet alleen onder de hoenderachtige vogels, maar ook onder de geheele klasse. Zelfs de kolibri's staan in kleurenpracht en glans niet boven dc pauwen, de goud-en de Lady Amherst-en de glansfazant {Loplioithoms impeya^m). Zelfs de koele natuurvorscher Jkudon zegt van dezen laatste, dat bij door kleuren eu metaalglaus van bet gevederte de kolibri's naar de kroon steekt. En wie de voorkeur geeft aan meer intense en toch verrassend schoone kleurcontrasten boven zachte tinten en prachtvolle teekening, nergens ook kan hjj dat alles zoo bij en naast elkander vinden als bjj de meeste leden van deze wonderschoone en eerwaardige familie, die nog altjjd haar centrum heeft op en naast het grootsche Ilimalayagebergte, waarvan zjj zicii in alle richtingen over een groot gedeelte van de Oude-Wereld heeft verbreid.
En de hoofdzaak is, dat al deze flinke, prachtige vogels of reeds gedo-mestiseerd zjjn, of nog slechts wachten op invoering in onze parken, tuinen en volières, waar zij zich welbehagelijk gevoelen en zich zelfs voortplanten, wanneer men hunne natuur nauwkeuriger bestudeert, hunne eigenaardigheden, gewoonten en behoeften heeft leeren kennen en daaraan voldoet. Dc zoologische tuinen hebben in dit opzicht reeds veel gedaan en zij vooral zullen het mogelijk maken, dat dc schoonste en minder weekeljjke soorten langzamerhand in het privaatbezit van den liefhebber-fokker overgaan.
373
Tot do familiü der Pauwen rekent men gewoonlijk, behalve de 'J ot' 3 eigenlijke pauwen, ook nog de Pauw- on Argusfazanten.
1. De gewone pauw. I'avo crislalus.
Zijn prachtig vederkleed, zijne leelijke pooten en zijn nog leelijker g(!-schreeuw, de geschiedenis van zijne invoering in Europa, zijne gewoonten en manieren, welke juist ook niot zoo aangenaam en bevallig zijn, zijn te bekend om daarover hier nog te spreken.
Ook dat er wit gevlekte en geheel witte pauwen zijn, weet iedereen. Nieuw en interessant echter is zeker de in den lantsten tijd bepaalde begrenzing van liet vaderland der verschillende soorten.
'J. De g'i'oenhalzige of Javaansche pauw. Puvo imdimis, /'. jaiwnensix, I'. javanensis. siiiciferua etc. The (jreen-neckcd Pea-fowl, van welke het donkere ras /'. xiyripennis ook Sionatraansche pauw wordt genoemd.
Deze laatste moet naar de medcdeelingen van A. Newton, Darwin e, a. voor eene toevallig ontstane, plaatselijke kleurvaricteit worden gehouden.
De (jawone of Indische pauw bewoont Voor-Indic, van het voorgebergte van den 1 limiilaya-keten tot Ceilon, oostelijk tot Assam en Chittagong. Van Arakan uit vindt men ten eersten het donkere of zwartvleugelige ras (/'. ni(jri])cnrm) in Achter-Indiö tot aan het zuiden dor ïenasseriin-provin-ciön, terwijl de meer levendig gekleurde soort /'. mulicus op het scliierciliind van Malakka. van daar zuidelijk op Sumatra en Java, en noordelijk tot Birma voorkomt.
,,I)e Javaansche pauw is niet zoo prachtig, doch misschien wel fraaier dan de gewone, daar hij meer goudkleurig groen en minder blauw in liet gevederte heeftquot;, zegt Jerdon. Dat is evenwel een kwestie van smaak; anderen, lt;ho beide naast elkander hebben gezien, zijn van eene andere meening. liet allereerst valt het verschil tusschen de kuiven in het oog. Die van den gewonen pauw bestaat in don regel uit veeren, welke alleen aan het eind rondachtige, groen en blauwe vlaggen hebben met gouden glans; die van den anderen uit 10 of 42, soms ook uit meer van een smalle vlag voorziene veeren van dezelfde kleur, doch bjjna tweemaal zoo lang. De ronde, schubvorniige schitterend groene halsveeren zijn rood-of beter koperachtig goudgeel gezoomd, wat hun dat eigenaardige, op massief metaal gelijkend voorkomen geeft, dat men ook bjj vele kolihri's, paradijsvogels, goudfazanten enz. aantreft. Deze metaalglans is bepaald sterker dan
374
die, welken men op liet gevederte van den gewonen pauw zlot, en komt nog meer uit op den rug, wiens rijk als koperbrons glanzende veeren door groene en lichtbruine strepen als doorweven zijn. De schouderdekveeren hebben een dieper en intensiever blauw dan die van den gewonen pauw, do staartdekveeren zjjn prachtig groen, met koperbronzen banden en worden in den broedtijd door andere vervangen, welke op die van den gewonen pauw gelijken, doch een meer bronskleurigen weerschijn hebben.
JJc hen gelijkt in alles meer op die van de gewone soort.
Deze soort -â niet variëteit, zooals Wright zegt â leeft niet zoo gezellig en vertoont zich niet in zoo groote menigte ais de gewone pauw; ook is zij veel schuwer en moeilijk te schieten. Wat hunne gewone verblijfplaats aangaat, hun aard, hunne gewoonten, hunne wijze van nestelenâzjj maken hun nest in het struikgewas, in de dzjungles en het hooge gras â hun gestalte, grootte, kleur en teekening, liet aantal hunner eieren â van 6 tot 9 in dit alles komen beide soorten volkomen overeen. De eieren zijn van 70 tot 75 millim. lang en 52 a 55 miilim. dik, kort ovaal meestal gedrongen van vorm, hard van schaal, met een gladde glimmende oppervlakte cn onregelmatige, tamelijk groote, diepe poriën. Do kleur is licht okergeelachtig wit (helder leder kleurig). De teekening, wanneer die n.1. aanwezig is, bestaat meestal uit kleine stipjes, zelden uit vlekjes, groepeert zich alleen om de poriën en bestaat dikwijls alleen uit eene donkere kleuring van dezer grenzen.
In gevangenschap worden de pauwen dikwijls zeer driest en boosaardig, vallen dieren en menschen aan, dooden en verslinden soms kleine kuikens en richten ook overigens velerlei kwaad aan; door hunne afschuwelijke stem worden zo ook dikwijls zeer lastig en vervelend. Zjj overnachten zoowel des winters als des zomers gaarne zoo hoog mogelijk in boomen of op de daken der huizen, zoodat hun bij strenge vorst dikwijls de pooten bevriezen.
Men geeft één haan vier of vijf hennen. Deze verstoppen linniie eieren gaarne op de meest zonderlinge en afgelegen plaatsen en broeden het best, wanneer men ze daar ongemoeid laat. 13e broedtijd is 28 a 32 dagen. De jongen behandelt men als de jongen der kalkoenen, doch geeft hun meer dierlijk voer als: miereneieren, wormen enz. Als ze 14 dagen oud zijn, hebben ze weinig bijzondere zorgen meer noodig. De moedor geleidt ze zes maanden lang of ook wel tot het volgende voorjaar. Tot aan den eersten rui, wanneer ze ongeveer 8 maanden oud zijn, zijn beide geslachten nagenoeg volkomen gelijk; de haan verkrijgt zijn volkomen ontwikkeld vederkleed pas in het derde jaar. Zij rnien zeer sterk, doch zjjn die periode daardoor ook spoedig fe boven; dc staartdekveeren verkeerdelijk do staart genoemd - blijven gedurende eenigen tijd tamelijk kort, totdat zij op eens
375
sterk begiiinon to groeion en dan ook in korten tijd hunne volkoniene lengte hebben bereikt.
Minder prachtig, maar toch vim groote en eigenaardige schoonheid zijn de soorten van dc familie der pauwfazanten, Polyplcclron, van welke men er 4 of 5 soorten kent.
Eene der bekendste en fraaiste is
3. üe Assam pauwfazant of Spiegelpauw. Poli/iiledron Cliiiiquis. Ton»), /'. Ihibclanum, Br. 'Uw Assam Vea-cock Pheasant, verkeerdelijk ook AnjusfazanL genoemd.
Deze, een bewoner van de heuvelstreke'h van Achter-Indiö, van Assam, door I^Binna, Arakan, ïenasserim tot Mergui, hoeft wel een wat korteren liala, maar is toch slanker gebouwd dan do pauwen, met welke de pauw-fazanten de lange, ver over den eigenlijken staart reikende staartdekveeren gemeen hebben. Do hanen zijn met twee, drie of meer boven elkander geplaatste sporen toegerust. De haan van de hierboven genoemde soort heeft over 't geheel een grijsbruin gevederte; de kop is grijsbruin, hals en borst zijn bruin, rug en groote staartdekveeren lichtbruin, vleugels en schou-derdekvoeren bruin geelachtig; de grondkleur, die op zichzelf niet fraai is, wint echter inderdaad aan schoonheid door de fijne, smalle, zwarte dwars-lijnon of bandon van elke veer. Moor echter nog door de zoogenoemde âoogenquot;, die wondervolle, rondachtige, meerkleurige en met een metaalglans schitterende vlekken, welke zich aan het einde van de staartdekveeren dor pauwen bevinden, pauwoogen genoemd worden (ocellated = geoogd) en die, zeer merkwaardig, ook bij sommige dag- en nachtvlinders worden aangetroffen, van welke enkele dan ook hun naam hebben. Deze oogteekening bepaalt zich bij den pauwfazant niet tot do staartdekveeren, waarop zij zich dicht bij het eind daarvan in twee rijen vertoonen, maar strekt zich ook uit over de schouder- on vleugeldok- en rugveeren. Do oogen op de rug-en de staartdekveeren zjjn quot;'prachtig groen met purperen weerschijn, de laatste ook nog door oen schitterend zwarten zoom omgeven ; die der vleugelen schouderdekvoeren zijn in het midden prachtig groen, wolk groen omgeven is door oen purperglans, grooter en kleiner, al naar de grootte der voeren ; allo oogen zijn bovendien ook nog door oen donkeren zoom omgeven.
Do hen is niet zoo prachtig gekleurd en goteekend en heeft ook niet zulke lange staartdekveeren.
Ofschoon deze vogels in linn vaderland zoor schuw zijn, evenals allo fazanten-soorten, hebben zij toöh in gevangonscliap, o.a. in don zoologischen tuin te Londen, reeds meermalen eieren gelegd, waaruit ook jongen zijn
I
376
vorkregen. Ãci.atkii geeft oj), dat zij twee eieren leggen en twee-of drienuial per jaar broeden. Dit geldt evenwel alleen van die, welke in gevangenschap leefden; 't is zeer waarschijnlijk, dat zjj in den vrijen staat 8 a 9 of nog meer eieren leggen.
Jammer, dat deze vogels nog zoo zeldzaam en dmir zijn, dat liet niet gemakkelijk gaat ze in bezit te krijgen ; en dit geldt ook van de overige, ten deele nog fraaiere soorten, van welke eene onlangs in Cocliin-Cliina ontdekte soort ââ Polyp. Germaini, â Germains Spiegelpauw â veel overeenkomst heeft met de hiervóór beschrevene, doch welker gevederto donkerder genuanceerd is, terwjjl do groene, met roodachtig wit gezoomde oogen op mg- en staartdekveeren nog meer schitteren.
Eene oudere soort van Sumafi'a, de pauwfazant met bronsklenrigen staart, beeft hierop geene oogen, terwijl de Napoleons pauwfazant â Polyp, emphanes, Temm. - waarschijnlijk van Borneo herkomstig, als liet mm pltis lillva van kleurenpracht en teekening wordt geroemd.
Van de derde onderfamilie der Pavoniclae, de Argusfazanten, noemen wij
4. De Keuzenargus, Argusfazant, Arguspauw, Arjtisanus giganteus, Temm, Pavo argus L.
H. ff
i i .j
Deze leeft paarsgewijs op het schiereiland Malakka, op Sumatra en Borneo en houdt zich vooral in het dichtst der bosschen op. Eene nieuw ontdekte soort, Argusanus Gragl, Elliot, van Borneo, moet zich voornamelijk door meer donkere kleuren onderscheiden, terwjjl van een derde, A. occllahis, ven1, alleen wordt gemeld, dat die eenige lange vleugel- en staartdekveeren heeft. De haan van den Reuzenargus heeft een naakt, lichtblauwgnjs gezicht, de bovenkop is matzwart, de haarachtige veeren van den achterhals zijn geel en zwart gestreept, nek en bovenrug bruin met lichtgele stippels en strepen, middenrug lichtbruin met donkere vlekken, borst en benedengedeelte roodbruin, mot geelbruine en zwarte golflijnen. De kleine slagpennen hebben een witte schacht, heldere grijs-roodachtige strepen en langs de schacht groote, schitterende oogvlekken, welke een donkeren en een lichten zoom hebben; dc buitenvlag is roodbruin. De groote slagpennen hebben een blauwe schacht met fijne witte stippels op de binnen vlag. De staartvecren zijn zwart met fijne witte stippels, de twee middelste zijn aan den buitenkant roodbruin, aan den binnenkant grijs met ronde, witte, door een zwarten zoom omgeven vlekken. Bij de hen zijn kop, hals, benedengedeelte en groote slagpennen helder bruin, met zwarte dwarsgolflijnen; bovenrug, vleugeldek-vecren en kleine slagpennen zijn zwartbruin met geelbruine vlekken, de benedenrug is roestbruin met zwartbruine banden en de staart zwartbruin
377
met lichtere vlekken. De snavel is grijswit, liet oog donkerbruin, liet luop-been karmijnrood.
Terwijl de soorten der beide laatstgenoemde onderfamiliön den pluimvee-liefhebbers misschien nog langen tijd moeilijkheden zullen opleveren met de acclimatiseering en de voortplanting, zijn er van de familie der Phasiunidua reeds verscheidene soorten langen tijd in hun bezit, terwijl het grootste gedeelte daarvan in de zoologische tuinen wordt gevonden.
In deze familie zijn, zooals reeds is opgemerkt, vogels van nog grootere kleurenpracht en van de merkwaardigste kleurcontrasten. In de eerste rij staat
5. De Glansfazant, Lophophonis impeyemus, l.alh. L. vo.fuUjcns, Temm, 'J'hc Mom tul Pheasant. Spieyelfasan,
De groote, 08 i a 735 millimeter lange vogel, van welke er slechts'215 millini. voor den staart zijn, heeft met uitzondering van den witten middenrug, den bruinrooden staart, de zwarte slagpennen en liet zwarte onderlijf, overal een metaalglans, die op een prachtig groenen, purper- en bronskleu-rigen ondergrond in alle mogelijke nuances straalt en spiegelt; ook de vederbos, die uit verscheidene veeren bestaat, welke ulleen aan de punt van eeno lancetvormige vlag voorzien doch overigens zonder baarden zijn, heeft een prachtige, als metaal glanzende groene kleur.
Alleen de wat plompe en samengedrongen lichaamsvorm de haan weegt togen 2} kilogram â doet afbreuk aan dezen, in tooverachtigen kleurenglans onovertroffen vogel.
De glansfazant komt vrij talrijk voor in den Himalaya van Afghanistan tot Sikiin en Bootan, op eene hoogte van 'iOUO a 3000 Meter tot aan de boomgrens, alsmede in de streken van den westelijken Hamalaya-keten. Hij maakt zijn nest onder liet struikgewas of gras in de maand April en legt 5, waarschijnlijk ook 7 a lt;S eieren, welke in kleur en teekening met die der pauwen overeenkomen, doch gerekter van vorm zjjn ; hunne lengte is (iO a 70, hunne dikte 43 a 45 millini.
Deze prachtige vogel heeft meermalen in Europa gebroed, o.a. in den Londenschen zoologischen tuin en in dien van den graaf van Derby. Deze laatste deelde destijds mede, dat ééne hen eens 13 of I 'i eieren achtereen legde, wat or wel voor pleit, dat het hiervoor genoemde, aan de âBengal Sporting Reviewquot; ontleende getal te klein is.
Behalve deze heeft men ook nog Sclaters glansfazant â Lojih. Sclaleri van Assam, zwart op de voor- en onderdeelen, bronsgroen op de boven-deelen, kastanje-bruine staart met witten rand aan 't einde.
Een tweede geslacht, welks meest bekende soort onder den naam van
.178
Tragopan door Teimniiick is beschreven, bevat A of 5 soorten en vormt zeker den naasten overgang' tot de eigenlijke fazanten. De bekendste en naar liet schijnt de meest voorkomende soort is
(5. De Tragopan, Pticrasia macrolopha, Lesson. Satyra niacrolopha, Loss. â /'. nipalansis, Old. â The Pukras Pheasant,
Plas or Koklas Pheasant.
Do soorten van dit geslacht onderscheiden zich door een dubbelen of, als men wil, drievoudigen vederbos â ecno kuif kan men niet zeggen; van beide zjjdon van het voorhoofd gaan namelijk zwarte of donkergroene vederbosjes uit, welke voluit 10 centim. lang zijn en in den broedtijd als een paar horens overeind staan; tusschen deze en geheel gescheiden daarvan ligt de bruine of grijsbruine vederbos, die zich van den schitterend donkergroenen kop naar achteren uitstrekt en verheft.
De Tragopan heeft aan elke zijde van den hals een groote, eivormige, witte vlek, licht aschgrauwe bovendeelen met zwarte lange schachtstrepen tot aan de punten; de bovenstaartdekveeren zijn verlengd, de vleugeldek-veeren van eenige groote, zwarte vlekken voorzien; de staartveeren zijn kastanjebruin met zwarte punt en fijn witachtig gezoomd; de borst en het bovenlijf zijn fraai diep kastanjebruin, het achterlijf evenzoo, doch met witte vlekken; de zijden zijn aschgrauw. De snavel is zwart, do iris donkerbruin, het loopbeen aschgrauw.
Lengte van den haan (108, staart :?0i, vleugels 253, loopbeen (ili millimeter ,, van de hen 50(1 millimeter.
De Tragopan is een bewoner van het voorgebergte van den noordwestelijken Himalaya, van het westen van Nepal tot aan gene zjjde van Simla en tot dicht aan de boomgrens, en leeft meestal in afzonderlijke paren; luj voedt zich met boomknoppen, eikels, zaden jen, bessen, wormen enz., eet niet gaarne koren en is in gevangenschap moeilijker te houden dan de Glansfazant.
Hij maakt zjjn nest op de aarde, zoo goed mogelijk verborgen en legt 7 op die van den Glansfazant gelijkende eieren.
De Fazanten â Phasianns.
Onder den naam fazant komen nog ongeveer ;i0 soorten prachtvogcls voor, die evenwel tot verschillende ondergeslachten behooren.
Tot de fazanten in engeren zin behooren:
1. De gewone of bosch fazant â Phas. cold deus. De haan is een prachtige, bonte vogel; de romp in hoofdzaak roodbruin, de hals metaalglanzig
370
zwartgroen, vederbosjes achter deooren, lange staart. De hen is minder sierlijk. Van den boschfazant komen ook witte, isabelleklourigo en gevlekte speelsoorten voor.
'2. Do Ring fazant â Phas, lorqualus â â uit Midden-Aziö, China enz. Komt veel met den vorigen overeen, heeft ook een langen staart en oor vederbosjes; kenmerkt zich door een witten halsband.
:f. De Mongoolschc fazant â Phas. mongolicus â â uit het Altaï-gebergte van Mongolië. Iets grooter en zwaarder dan de onder 2 genoemde, waarvan hij misschien eene variëteit is; heeft eveneens een witten halsband.
i. De. groene of bonte fazant Phas. versicolor â uit Japan. Zeer bont gekleurd met grasgroenen hals; kuif, oorvederbosjes en lange staart.
5. Sommerings fazant â â l'has. Soemeringi. (Graphophas.), eveneens uit Japan. Op kop en bovenlichaam koperbruin met prachtigen bronskleu-rigen glans; lange staart en oorvederbosjes.
(j. Elliots fazant â Phas. Ellioti, uit China. Prachtig bont, rug en borst geelachtig, buik wit, lange, van een parelgrijzen dwarsband voorzienen staart.
7. Konings- of Reevesfazant Phas. Recvesi (Sgnnaticus), uit Centraalen Noord-China. örondkleur goudgeel, bovenkop wit, zwarte halsband, zeer lange, fraai gehande staart.
8. Wallichsfazant Phas. Wallichi (Catreus), uit den noordwestolijken lliinalayaketen. Hoofdkleur zwart met geelachtige banden, zwartachtige kuif, lange staart.
Tot het geslacht Thaumulea behooren de beide prachtigste van alle fazanten.
9. De Goudfazant â Thuum. picla, uit Centraal-Azië. Hoofdkleur goudgeel met blauw, groen en purper; hooggele kuif, breede oranjeroode halskraag, lange staart.
10. Lady Amherst fazant â Thaum, Aniherstiae, uit noordelijk China en Mandsjoerije. Prachtig bont, met rood-gouden kuif en zilverwitte, met zwart gezoomde halskraag, lange staart.
Het geslacht Crossoptilon, oorfazanten:
11. Mantsjoerijsche oorfazant â Cros. mantchuriciim. Hoofdkleur bruin, licht en donker; de middelste staartveeren boogvormig gekromd; aan weerszijden van den lio]), boven de ooren, een sierlijke pluim van witte veercsji.
PJ. Blauwe oorfazant â i'.ros. auritum. Verschilt van de vorige door de blauwe hoofdkleur.
1IJ. Tlnbetaansche oor fazant â Cros. thibetanum. Wit met fluweelzwar-
380
ten kop, bruin mot gr ij zo vlougols; staart zwart mot groonon woor-schijn.
Hot goslacht Euplocomus (Gallophasis), fazanthoendeiv.
14. Zilver fazant â En pi, nycthemems, uit Zuid-China. Bovondoolon wit mot fijno zwarte teokoning, ondordoelon zwart, blauwzwarte kuif, lange staart.
15. Sa.nnhoe-fazant â Kupl. Sivihoei, van 't eiland Formosa. Hoofdkleur glanzoud blauwzwart, bovonrug on twoo middelste staartveoron wit, witte kuif.
â¢10. Vieillol's fazant â Kupl. VieiUoti, van Ma lak ka en Sumatra. Hoofdkleur zwart met staalblauwen glans, beide middelste staartveoron wit.
Op den benedenrug een schitterende vlek, (Yuurrugfazant).
17. Prelaatfazant {Prelaathoen). Eupl. praelatus, uit Siani. Eovendeolen asohkleurig blauw, zwarte kop en kuif, witachtige halsband.
18. Edelfazant (Vuurrug faz.) Kiqil. nohïlis, van Borneo. Verschilt in kleur van Vieillot's faz. alleen door de roodbruine bonedenborst; beide middelste staartpennon isabellekleurig, staart kort.
19. Gestreepte fazant â â luijil. Uneatus, van Tenasserim en Pegu. Hoofdkleur zwart met fijne witte strepen, gekuifd.
20. Ilorsfieldfi fazant (Zwarte faz.) â Eupl, Ilorsfeldi, uit Assam. Hoofdkleur zwart.
'ii. Zwartrug fazant â Kupl. melanotns, van Sikkim en Bootan.
'2'2. Wilkuif fazant â Eupl. albocristalns, van Punjab.
2:j. Roodstaart fazant-â-Kupl. enjthrophtalnuis, van llalakka en Sumatra.
Geslacht Ceriornis, Horenfazanten, (ook Tragopan genoemd), zich kenmerkende door horenvormige uitsteeksels ter weerszijden van den kop.
'24. Saterhoen ââ Cer. satyra, zuidoostelijke Himalaya. Met vuurrooden hals en onderlijf, blauwe keellelleu en horens, zwarte nek band.
25. Temmincks horenfazant â â Cer. Temmincki, uit China. Bovendeden kastanjebruin met kleine parelgrijze vlekjes, bovenkop zwart, aan de zijden oranjerood.
20. Hastinijs horen fazant â Cer. Ilaslhuji (C. melanoeephala), uit den zuidoostelijken Himalaya. Bruine rug, roode buik, witte vlekjes over 't gehcele lichaam, bovenkop zwart, voorhals vuurrood.
27. Cabot's horenfazant (Geelbuik horenf.) â Cer. Caboli, van zuidoost. China. Voorhals, borst en onderlijf bruinachtig geel, bovendeelen zwart met witachtige vlekjes.
28. Blyth's horenfazant â Cer. Blylhi, van Assam. Zwarte bovenkop, hals rood, keel oranjekleurig, onder blauwachtig, door een zwarten
384
bund omgeven; boveudeelen lichtbruin met zwarte banden, roode en witte vlekken.
De tot de familie der fazanten belioorende wilde hoenders zijn in het derde Hoofdstuk beschreven.
Ook onder de familie der Patrijzen â Perdicidae â zijn er verscheidene, die voor domestiseering geschikt zijn. Eenige daarvan worden hier en daar in volières gehouden, andere zijn reeds geheel geacclimatiseerd.
Zoo is bijv. uit de groep der Frankoljjnlioenders â Fruncolinus - eene zeer fraaie en fijn geteekende Afrikaansclie soort, Fruncolinus (Selcvoplerti) Clapiunioni, meermalen in Europa ingevoerd, waar zij zeer goed schijnt te gedijen. Ook andere Zuid-Afrikaansche soorten, welke in hun vaderland ook half getemd voorkomen, worden door E, L. Layard ter invoering aangeprezen. Eene der fraaiste soorten, in Zuid-Europa misschien uitgestorven, doch in sommige streken van Zuid-Azic zeer veelvuldig voorkomende, is Fruncolinus vulgaris Sleph., welke ook een sieraad in een fazantenpark zoude zijn, zoowel als vele andere Afrikaansclie en Aziatische soorten van deze sterke en levendige onderfaniilie.
Ook van de eigenlijke patrijzen Perdicinae â der Oude Wereld zijn er enkele fraaie, sterke soorten nis volière-vogels gemakkelijk te houden, als bijv. de rotspatrijzen Perdix rubra, /'. petrosa, P. saccatilis e. a. nit de zuideljjke Alpen van West-Europa, IS'oord-Afrika en Centraal-Azië.
Niet minder tam, zelfs wanneer zij oud worden gevangen, worden tal van soorten uit de Zuid-Aziatische, Zuid-Afrikaansche en Australische geslachten Ortygornis, Arboricola, Pcrdicula, Coturnix en Turni.r, welke in Indië en Maleisch Azië in kooien en ook in do open lucht worden gehouden. Zjj hebben de grootte van onze patrijzen tot de halve grootte der kwartels, van 300 tot lüü millimeter lengte. Zjj zijn zeer bewegelijk en strijdlustig en worden door de Indische muzelmannen gaarne gehouden vooral de dubbel gespoorde -â voor gevechten, evenals de hanengevechten. Zij worden echter ook bijzonder tam; Jerdon verhaalt, dat zij hunne meesters in de straten der steden navliegen en op bevel in hunne kooien terugkeeren.
Onder de geslachten Odonlophorus, Orty.v, Dendrortyx, Kupsychorty.r, C.allipeplu, Lophorlyx etc. zjjn eveneens prachtige en geharde soorten, die als de schoonste park-siervogels kunnen worden aanbevolen.
De meest bekende onder de biervoor genoemde geslachten zijn:
onze gewone patrijs, Perdix Perdix, welke zeer goed in volières tot broeden kan worden gebracht;
:i82
do roode patrijs, Caccahis rxfn /,. Per dia; rubra Temm., welke ook in 't zuiden van ons land nu on dan wordt aangetroffen;
de rotspatrijs, Caccahis (Perdix) pelrosa, uit het noorden van Afrika; in 1870 werd in den zoologischen tuin te Antwerpen een aantal dezer vogels uitgebroed uit eieren, die uit Mazador (Afrika) medegenoinen en meer dan eene maand onderweg geweest waren ;
de Californisclie patrijskwartel, CaUipepla (Ccliiniix) Californica, gekuifd ; en
de Virginiaansclie patrijskwartel, Ortyx (Colurnix) Virghiiana.
l'it de familie der Tetraonulae, bosclilioenders, tot welke ons Korhoen-Tel ra a letrix, het Hazelhoen â Telrasles ( Telras) honasia, het Anerlioon â T. nrogalliis en de Sneeuwhoenders â Lacjopus â behooren, schijnen in den laatsten tijd enkele Noord-Amerikaansche soorten ook in Europa het burgerrecht te zullen verkrijgen, bijv. het zonderling uitziend Prairie- of Cupido-hoen â Telrao Cupido, fig. 100, en het Gekraagde bosehhoen â T. umbeUus, in Schotland cn Engeland.
Deze familie onderscheidt zich echter niet door bijzondere lieftalligheid.
maar behoudt altijd iets van de schuwe koppigheid en woestheid, welke haar in den natuurstaat eigen zijn. Beide genoemde zijn nog het meest aan te bevelen en vooral de eerstgenoemde, die met zijne zonderlinge âoorvlen-gelsquot; en naakthuidige âluchtballonsquot; ter weerszijden van den hals een zonderlinge vertooning maakt.
383
JJes to aanbevelenswaardigci' daaruiitogen zijn tlo Jlokko's of Ho(jiiilio(3ii-ders â Cracidae uit tropisch en subtropisch Zuid-Amcrika. Zij hebben bijna de grootte van Kalkoenen, zjjn recht en ti'otscli van bonding; deels hebben zij een eigenaardige, verschillend gevoi'mde vederkuif â bet geslacht Crax, de eigenlijke Jlokko's of' âCurassao'squot; â â deels een bij de neusgaten ontspringende en het voorhoofd bedekkende roode verhevenheid, n.1. het geslacht Pauxi, helmhokko, waarvan slechts ééne soort is. Nog andere, het geslacht Mitu, met een aim den voorhoofdswortel ontspringende, naar den schedel gebogen en van boven afgeronde voorhoofdskuif; het geslaclit Mitu telt ook slechts ééne soort, terwijl er van de eigenlijke Hokkos volgens Bonaparte 10, volgens Jieichenbach wel 20 soorten zjjn.
Vele soorten bevinden zich alleen in zoologische tuinen, doch sommige
worden ook reeds gedurende meer dan een halve eeuw door particulieren in 't Zuiden van Frankrijk en in Italië gehouden en gekweekt.
De groote, van een ruwe schaal voorziene eieren worden voor even smakelijk gehouden als het malsche, witte, doch wat weeke vleesch.
Over het houden en do behandeling dezer vogels vindt men eene uit-voerige beschrjjving in het âBulletin de la Snciéld d'Accliniatalionquot;, I, van Barthélemy de la Pommeraye, en vertaald in de âZoolog. Gartenquot;, S1'» jaarg. nquot;. 7, prof. Ludw. Rcichenbach.
384
Mogelijk zullen nog andere soorten van de aan de Hokko's verwante familie der l'enclopidae, bijv. de Gonans, Motmots, Marails etc.âduiven-hoenders zou men ze kunnon noemen â in warmere streken gedijen. Of zij echter getemd bij ons zulke nuttige huisdieren zouden worden, als zij volgens prins Max. von Wied voor de Indianen van Zuid-Amerika zijn, valt tc betwijfelen.
We zullen hiermede do reeds vrij uitgebroeide lijst van vogelsoorten, die gedomestiseerd zouden kunnen worden, maar sluiten; de omvang van dit werk laat ook eene nadere beschrijving niet toe. De keuze is dan ook reeds groot genoeg en de liefhebber, die meerdere voorlichting behoeft, zal die wel het best kunnen verkrijgen aan de zoologische tuinen, welke de domes-tiseering der voornaamste soorten voorbereiden.
Hl. ECONOMISCHE EN TECHNISCHE OPMERKINGEN.
Dertiende 1 Ioofdstuk .
Over het bewaren en verzenden van eieren, liet gebruik van ile prodiielen
der pluimveeteelt enz.
Het conserveeren der eieren is eene zaak, die van groot belang is zoowol voor hen, die kippen houden voor eigen gebruik, als voor hen, die hunnen overvloed van eieren aan den man moeten brengen. Niet alleen toch is een bedorven ei juist in staat om iemands eetlust geheel te bederven, doch ook, zonder dat men juist bederf kan constateeren, is er groot verschil op te merken tusschen den smaak van pas gelegde eieren en zulke, die weken of slechts ecnigo dagen oud zijn ; er zijn zelfs fijnproevers, die een 3 dagen oud ei door den smaak van een, dat pas gelegd is, weten te onderscheiden, wijl het eerste het aroma mist van het laatste.
Aangezien werkelijk versche eieren gaarne 25 procent duurder betaald worden dan zulke, waarvan men moet verwachten, of ze misschien ook geheel of half bedorven zijn, contracteeren sommige eierbandelaren in groote steden, welke eene vaste clientele hebben, met een aantal kippenhouders, â evenzoo ook particulieren mot hun âeierboerquot; âzoo, dat deze hun eiken dag do versch gelegde eieren, voorzien van den dagstempel, bezorgen, terwijl den consumenten hot recht wordt gegeven elk ei, dat niet aan de gestelde voorwaarden voldoet, terug te brengen en tegen een ander te verruilen.
Ontegenzeggelijk is de verkoop van eieren op deze wijze het meest loo-nend, vooral in den winter, wanneer de eieren schaarsoher en daardoor
hooger in pi'ijs zijn, waarom zich dan ook reeds menigeen toelegt oji liet fokken en houden van winterloggers en zich daarbij naar eigen verzekering wel bevindt.
Zoolang' echter de behoefte aan versche Avintereieren niet door de productie gedekt kan worden, moet men nitzicn naar middelen om de zomer-en herfsteiercn zoo goed mogelijk te conserveeren; dit geldt zoowel voor de eieren, dit! in don een of anderen tak van njjverheid dienst moeten doen als voor die, welke in de huishouding gebruikt zullen worden en wel het allermeest, als men deze gekookt verlangt.
Met aantal middelen ter conserveering der eieren is groot en bijna alle hebben ton doel de poriën der eierschalen te verstoppen om daardoor de verdamping van het water en de toetreding der zuurstof van de dampkringslucht te verhinderen; andere zijn antiseptisch en hebben ten doel verderfelijke invloeden onschadelijk te maken.
Een der oudste en door velen ook als oen der beste middelen aanbevolen, is het keukenzout. Reeds Varro schreef: âOm de eieren voor de keuken te bewaren, wrjjve men ze met fijn zout in, of men logge ze gedurende 3 uur in zout waterquot;. Wanneer het zout goed fijn is, zoodat het ook in de poriën der schaal kan dringen, en de eieren versch zjjn, geeft deze handelwijze goede resultaten, vooral wanneer men ze daarna tusschen fijn zout in goed gesloten kistjes bewaart. Doch het gebruikte zout moet ook volkomen zuiver keukenzout zijn; onzuiver, met andere natronzouten, voornamelijk met zwavelzure natron vermengd keukenzout, mag voor deze bewerking niet worden gebezigd.
Eene veel door bakkers aangewende methode bestaat in het leggen der eieren in kalkwater, ook reeds een oud gebruik; eene hoeveelheid fijne schelpkalk wordt vermengd met tweemaal zooveel water, waaraan door velen ook nog een weinig cremortart wordt toegevoegd, en hierin legt men de eieren, zoo, dat zjj geheel onder de vloeistof bedolven blijven. De zoo behandelde eieren worden echter hroos van schaal, zoodat ze geen koken kunnen verdragen en hebben ook altijd een eenigszins onaangenameu bijsmaak.
Beter middel is volgens sommigen het volgende; In een pot of pan maakt men eene oplossing van silicaat van potassium, die bij onderdompeling van den vochtweger eene sterkte van '25 a 30 graden aanwijst. De versche eieren worden gedurende enkele oogenblikken in deze oplossing gelegd, daarna daaruit genomen en op een eierrek te drogen gezet. Om te voorkomen, dat zij door do kleverigheid der oplossing aan het rek blijven vastzitten, zet men ze op een stukje papier, dat later gemakkelijk weder verwijderd kan worden.
Baldamus, Pluimveetoelt, ^5
386
Na 24 uren zijn de eieren droog' en overdekt met een vliesje, dat de lucht afsluit en bederfwerend is, waarna ze (i maanden en nog langer als versch bewaard zouden kunnen worden.
In Frankrijk wrijft men de eieren in met zuivere olijfolie, waardoor een weinig was is gesmolten; elders wordt daarvoor boter, vet, waterglas, gelatine enz. gebezigd.
Het salicylzuur, dat ook in lioogo mate bederfwerende eigenschappen bezit, wordt door sommigen als liet beste conserveer!ngsmiddel geroemd, zoowel van eieren als van tal van andere voedingsmiddelen. Te dien einde lost men 10 gram salicylzuur in een weinig wijngeest op en verdunt dit met een liter water. In deze oplossing laat men de eieren een uur liggen, waarna ze worden afgedroogd, ieder afzonderlijk in een dun stukje papier gewikkeld om daarna tusschen boekweitdoppen, stroo of baksel te worden verpakt en bewaard in kistjes, welke ongeveer 50 stuks kunnen bevatten. Deze kistjes worden elke week gekeerd en op deze wijze zouden de eieren na een half jaar nog zoo goed zijn, alsof ze slechts enkele weken oud waren. Anderen raden aan, de eieren slechts een kwartier in deze oplossing te laten liggen, ze in de lucht te laten drogen en daarna op een gewoon eierrekje op eene luchtige plaats te bewaren.
Dat er evenwel nog geen afdoend middel gevonden is om eieren gedurende geruimen tijd zoo te conserveeren, dat ze als versche behandeld en gebruikt kunnen worden, bewijst wel het aantal proeven, dat nu eens met deze, dan met gene stof wordt genomen.
liet âDagblad van Goudaquot; deelde dienaangaande het volgende mede: âIemand nam eene proef met verschillende manieren, welke voor het verduurzamen van eieren worden aanbevolen. Alle eieren ondergingen de behandeling op denzelfden dag in 't begin van Juni en werden onderzocht en geproefd in het laatst van Februari daarop volgend, dus lt;S maanden later. De uitslag was als volgt:
1. Onder pekel bewaard. Alle eieren onbruikbaar door den ingedrongen pekel.
2. In papier gewikkeld..........80 proc. bedorven.
3. Bewaard onder eene salicylzure en glycerine-oplossing 80 â â
â i. Met zout ingewreven..........70 â â
5. In zemelen bewaard..........70 ,, â
(i. Met een laagje paraffine bedekt......70 ,, â
7. Met eene salicylzure en glycerine-oplossing bestreken. 70 ,, ,,
8. 12 a 15 seconden in kokend water gehouden . . 50 ,, â
9. Met eene aluinoplossing behandeld......50 ,, â
10. Onder eene salicylzuur-oplossing bewaard . . . 50 ,, â
38?
11. Mot waterglas bestrokeu.........40 proc. bedorven.
12. Met vernis behandeld .
13. Met collodium bestreken .
14. Mot spekzwoerd ingewreven .
15. In houtasch bewaard .
16. Met boorznur en waterglas behandeld.....20
17. Mot overmangaanzure kali behandeld
-18. Met vaseline ingesmeerd en in kalkwater bewaard, silie eieren goed.
De Hond der âpluimvee-voreenigingcnquot; in Pruisisch Saksen schreef in 1887 oen wedstrijd uit in bet conserveeren van eieren en deelde in nquot;. 47 van de Geil. bursa, jaargang 1898, den uitslag daarvan mede.
De voor de mededinging geprepareerde en gestempelde eieren werden in den loop der maand Sept. in ontvangst genomen en ten tijde eener pluimveetentoonstelling van 4â7 Februari 1898 onderzocht naar uiterlijk voorkomen, reuk eu smaak â rauw en zacht gekookt.
Elke inzending bestond nit minstens 12 eieren; de couserveeringsmid-delen mochten niet duurder zijn dan 25 pfenn. 15 ets. voor 60 eieren.
Er werden 29 nommers ingezonden uit alle oorden van Duitschland, alsmede uit bet noorden van Italië.
De conserveeringsmethoden waren drieërlei :
1. Met een droog middel en droog bewaard.
2. Met een vloeibaar middel, doch droog bewaard.
3. In een vloeistof.
Naar de 1 st0 methode was met 3 inzendingen gehandeld. De hoogste onderscheiding, een zilveren medaille en i prijs, werd toegekend aan Fr. Höbold te Barby. Deze bad de eieren eenvoudig in koe-en kal verb aar gepakt, dat afkomstig was uit eene looierjj, waarin met kalk werd gelooid. De eieren waren uitmuntend gebleven.
De kosten bedroegen 20 pfenn. per 00 stuks eieren; daar hetzelfde haar echter op nieuw bruikbaar kan worden gemaakt door bet eenigen tijd in eene dunne kalkbrjj te laten liggen en daarna te drogen, worden de kosten op den duur geringer.
Tweede methode, 14 inzendingen.
Met een bronzen medaille en lston pvijs werd bekroond Karl Rcinhardt uit Kaiserslautern, die zijne eieren op twee verschillende wijzen had geconserveerd; de eene conserveeringswjjze mocht voorloopig nog niet publiek worden gemaakt, de andere was als volgt:
Versche eieren worden in een luchtdiclit sluitbaar voorwerp gele gd. II ierin wordt koolzuur geleid, waardoor de dampkringslucht, die lichter is dan koolzuur, wordt uitgedreven, waarna liet voorwerp luchtdicht wordt gesloten.
388
Be volgende eenvoudige methode werd met een prijs bekroond: De eieren worden in kokende parattiue gedoopt en daarna snel in koud water afgekoeld.
Naar de 3de methode waren er l'i inzendingen, van welke die van Peter Esters te Oppuin bij Crefeld met een zilv. medaille en prijs werd bekroond.
Esters had als volgt gehandeld:
i liter waterglas opgelost in '2,1 liter kokend water geroerd; de afgekoelde oplossing wordt in een steenen pot over de daarin gelegde eieren gegoten, zoodat deze er geheel onder bedolven zijn. J)e pot wordt op eene koele plaats bewaard. De kosten bedragen 10 a I pfenn. per (iü eieren.
Na de vraag, hoe men eieren het voordeeligst kan bewaren, is zeker ook deze, hoe men ze het voordeeligst koopt, niet van belang ontbloot.
Vrij algemeen worden de eieren bij het stuk, bij 10 tallen, '20 tallen enz. gekocht, eene manier, die dit voor heeft, dat ze zeer gemakkelijk is eu zich daarom vooral in den kleinhandel ook wel zal liandhaven.
Aangezien de eieren der verschillende hoendersoorten echter aanmerkehjjk in grootte en dus ook in waarde verschillen en ook in dezen het zoo dikwijls gebezigde gezegde âEen ei is een eiquot; niet opgant, is het zeer natuurlijk, dat er naar eene betere manier werd omgezien. En die betere manier meent men gevonden te hebben in den verkoop der eieren naar het gewicht, welke methode men in sommige landen bij den groothandel reeds meer en meer begint te volgen. Toch blijft ook bij den verkoop naar het gewicht waar. wat bij dien per stuk geldt: âDe grootste eieren zijn het best bet geld waard 1quot;
Bij het gewicht toch komt ook liet gewicht der eierschaal in aanmerking en dit is niet evenredig met de grootte der eieren: de kleine eieren hebben naar verhouding een zwaardere schaal dan de groote en daardoor heeft een centenaar eieren, waarvan er 15 stuks op I kilogram gaan, meer werkelijke waarde dan een centenaar, waarvan de '20 stuks I kilogram wegen.
Voor den groothandel moge het verkoopen naar het gewicht eenig gemak opleveren, voor den kleinhandel is zulks zeer zeker niet het geval, daar een klein getal zich gemakkelijker laat aftellen dan afwegen en men bij beide methodes toch do grootte der eieren niet uit het oog dient te verliezen en daarnaar de prijzen dient te regelen.
Eene andere manier, welke o.a. in vele streken van Frankrijk eu Zwitserland wordt gevolgd, bestaat hierin, dat men de eieren vóór den verkoop sorteert naar de grootte en daarnaar den prijs bepaalt.
.'lt;80
Men gebruikt daartoe meetringen van ;i8 en van 40 millimeter middellijn. De eieren, welke door den kleinsten ring kunnen, worden met den naam van kleine, die welke door den grootsten gaan met dien van middel-(jroole bestempeld, terwijl die, welke o|i den grootsten blijven liggen, (jroola worden genoemd.
Het verschil in de prijzen der drie, op deze wijze verkregen soorten Iaat zich door de ervaring vrij nauwkeurig bepalen en als daarmede rekening wordt gehouden, maakt liet ook weinig of geen verschil, of men zulke gesorteerde eieren bjj liet getal of bjj het gewicht koopt.
Wat het conserveeren van broedeieren aangaat, meenen wij. dat de door velen, ook door Wright, aanbevolen methode om die eieren met de punt naar boven op een eierrek te plaatsen, even onnatuurlijk en verkeerd is als de omgekeerde - met de punt naar boven.
In beide gevallen toch moot zich de kiemselijjf veel te veel van hare natuurlijke plaats bewegen om daarvan geene nadceligc gevolgen te duchten. Wij blijven daarom bij onze meening, die eveneens op ervaring berust, dat de natuurlijke wijze van liggen op eene natuurlijke onderlaag van stroo of baksel en verder in eene kist op eene droge, koele plaats, de beste wijze is om de broedeieren te bewaren.
Wil men broedeieren verzenden, dan dient men lnj de verpakking de uiterste zorg in acht te nemen. Vooral wanneer ze als postpakket of met den spoortrein moeten worden verzonden, kan men niet te voorzichtig daarmede zijn, wijl met de kistjes en mandjes niet altoos zoo zorgvuldig wordt omgegaan, als men dat met het oog op de breekbaarheid van den inhoud wel zou wenschen, al is de kist ook van een âbrocdeier- of glasetiquetquot; voorzien.
Sommigen gebruiken verzend kistjes, welke in even zoovele afdeelingen zijn verdeeld, als het kistje eieren zal bevatten, zoodat ieder ei in een afzonderlijk vak wordt gepakt. Anderen pakken de eieren ieder afzonderlijk in een linnen zakje of netje, welke netjes dan door middel van twee touwtjes aan twee tegenover elkander staande zijwanden van de verzend-kist worden bevestigd, zoodat de eieren zwevende worden gehouden. Bjj deze en tal van andere wijzen van verpakken dienen de eieren echter toch ook in de eene of andere stof gewikkeld te worden, die belet, dat ze bij eventueele aanraking van elkander breken en dan komt ons de volgende eenvoudiger manier minstens even doelmatig voor.
Men wikkele ieder ei afzonderlijk in een stuk papier, doch neme daarvoor papier, dat niet te dun en niet te tiju is, omdat het dan niet veer-
390
krachtig genoeg is. Men doet liet best, de stukken papier eerst ineen te frommelen, zoodnt het geheel gekrenkt wordt, waarna men er de eieren zoo inwikkelt, dat men een ruwen, doch veerkrachtigen bal verkrijgt. De zoo ingepakte eieren legge men in de verzendkist op eene llinke onderlaag van hooi of houtwol. De ruimten, die er tusschen de naast elkander liggende eieren zijn, worden nu met hetzelfde materiaal aangevuld, waarna men de eieren weder met een laag daarvan geheel bedekt. Hierop komt een tweede laag eieren en zoo gaat men door, tot de kist gevuld is, waarbij men natuurlijk zorgt, dat de bovenste laag weder uit houtwol bestaat en ook de zijwanden der kist daarmee worden gestoffeerd. Op deze wijze zijn de eieren zoo goed door veerkrachtige stoffen van elkander gescheiden, dat er wel verbazend ruw met de kist moet worden omgegaan, als de eieren elkander of de wanden zullen raken en zoo breken. Het deksel bevestige men met houtschroeven in plaats van met spijkers.
Kunnen de hroedeieren per stoomboot vervoerd of gedragen worden, dan is eene zoo zorgvuldige verpakking minder noodig. Meestal is het dan voldoende ze in een houten kistje of stevige cartonnen doos te verzenden, alleen in papier gewikkeld of in zangsel gelegd, dat men met de vingers een weinig aandrukt.
In hoeverre het schudden, waaraan de eieren tocli nog altijd gedurende de reis zijn blootgesteld, nadeelig werkt op de kiemkracht, en of deze daardoor ook geheel vernietigd kan worden, dat is eene vraag, die zeer verschillend wordt beantwoord. Wanneer de van elders ontvangen broedeieren slecht uitkomen, wil de kooper dit gaarne hieraan toesuhiijven, dat de eieren onbevrucht waren, terwijl de verkooper iillicht geneigd is, dat op rekening te stellen van de âruwe manierquot;, waarop er gedurende de reis met de eieren is omgegaan; voor het céne heeft men echter al even min bewijs als voor het andere.
Men mag als zeker aannemen, dat .hevige of langdurige trillingen den kiem op den duur kunnen dooden, doch er zijn toch ook voorbeelden' genoog van, dat goed verpakte en per spoor verzonden eieren meer dan een etmaal onderweg waren, zonder merkbare schade te lijden, 't Is evenwel aan te bevelen, van elders ontvangen broedeieren eerst gedurende tweemaal 24 uren stil op een koele plaats te laten liggen, vóór men ze in de broedmachine of onder de broedhen legt.
Volgens de onderzoekingen van Laneste e. a. bezit het onontwikkelde embryo eene bnitengewoon groote levenskracht, zoo zelfs, dat het in het ei door vorst niet gedood zou worden. Hierop baseeren nu sommigen, die aanraden om geen versche, maar reeds bebroede eieren te verzenden, waaraan te zien is, dat ze bevrucht zijn. Het blijft echter altijd de vraag, hoelang
391
dan die eieren moeten bebroed zijn. Bij eene goede verlichting is na 'i a 3 dagen broedens wel reeds zichtbaar, ofquot; de kiem zich ontwikkelt, op den zesden dag is zulks nog beter merkbaar, doch uit het feit, dat het 3 of (J dagen oude embryo zonder bezwaar strenge koude kan verdragen, volgt nog niet, dat het even ongevoelig is voor uitwendige invloeden, als het schudden en stoeten.
Meer aan te bevelen is het aankoopen van jonge kuikens, wanneer die zoo ver zijn, dat zij alleen kunnen eten, dus na ongeveer '2 X 24 uren. Dat de jonge dieren, wanneer maar de noodige voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen, zonder bezwaar zelfs betrekkelijk groote reizen kunnen maken, hebben de lieeren Roullier en Arnoult bewezen door hun kuikenexport naar België, Zwitserland, Italië, Duitschland en Engeland, in hunne beroemde broedinrichting werden in het jaar 1875 reeds 3000 kuikens uitgebroed, deels voor eigen rekening, deels voor rekening van anderen. Zulk een groot aantal kon echter niet in hunne inrichting worden grootgebracht, waarom zjj naar de fokkers in den omtrek werden gezonden, die zich verder met de opkweeking belastten. Hunne inrichting breidde zicli sedert dat jaar echter nog meer uit, zoodat zjj weldra hunne jonge kuikens door geheel Frankrijk en naar het buitenland zonden. Zelfs bet opkweeken van de het verst verzonden diertjes moet weinig of geen bezwaar hebben opgeleverd. Zoodra ze ter bestemde plaatse zijn aangekomen, brengt men ze, met inachtneming van de in liet negende hoofdstuk genoemde voorzorgsmaatregelen, onder een gewone of kalkoensche hen of in eene kunstmoeder.
Bij het verpakken van de voor de consumtie bestemde eieren maakt men in den regel niet zooveel âdrukte en omslagquot;, ofschoon het groote aantal gebroken eieren, dat zich dikwijls onder eene bezending bevindt, wel een bewijs is, dat eene betere verpakking niet altijd overtollig is.
Zacht stroo, hooi, mos, zeegras, (ijne houtspaanders enz. als onder-, tus-schen- en deklaag, en fijn gesneden baksel of iets dergelijks om de tus-schenruimten aan te vullen, zjjn zoovele stoffen, die bjj de verpakking geschikt dienst kunnen doen, terwijl er bovendien voor gezorgd dient te worden, dat de eieren zoo stevig en sluitend mogelijk in de kisten, vaten of manden gepakt worden.
Voor technische doeleinden worden eiwit en dooier in den laatsten tijd afzonderlijk in groote vaten verzonden.
302
Het oiwit wordt in grootc massa's in de albumiiie-jjapicrliibnekeii oh katocndrukkerjjcn gebruikt; onder de eerstgenoemde zijn er groote inrichtingen, die jaarlijks ongeveer 100000 kilogram noodig hebben.
liet eidooier wordt vooral gebruikt in witlooienjen bij de bereiding van handschoenleder. Men brengt het deels in een dik vloeibaren toestand, met-zout bewerkt, in den handel in welken toestand het praeparaat het aanzien heeft van honig â deels droog, in den vorm van tabletten enz. geperst, of in poedervonn.
Met verbruik vnn zoo groote massa's eieren in de industrie maakt deze, wel is waar, als voedermiddel duurder, doch verhoogt tevens de rentabiliteit der pluimveefokkenjen.
De verzending van levend pluimvee geschiedt gewoonlijk in teenen manden, welke niet hooger zijn, dan dat de dieren er behoorlijk rechtop in kunnen staan; ook voor jonge hanen en kippen, die naar dc mesterijen gezonden worden, zijn dergelijke manden voldoende.
Wanneer de dieren echter een verre reis moeten maken, zijn hoogero korven of kisten meer aan to bevelen, zoowel in het belang van de dieren zelf als van de verkoopers; even noodig, misschien nog noodiger is het, dat er meer toezicht wordt uitgeoefend op de verzending van pluimvee door de opkoopers. 't Is treurig om te zien, hoe de arme kuikens dikwijls in eene mand zitten opeengepakt als haringen in een ton, en het behoeft ons volstrekt niet te verwonderen, dat tal van zoo vervoerde kuikens dood op de plaats der hesteinining aankomen of na korten rijd bezwijken.
Veelvuldige ervaringen van den laatsten tijd maken het zeer twjjfelachtig, of men in groote mesterijen wel verstandig doet zelf het benoodigde materiaal te fokken en op tc kweeken. Heeft men het ongeluk, dat onder de jonge hoenders eene besmettelijke ziekte uitbreekt, waardoor deze, zooals reeds meermalen is voorgekomen, geheel verloren kunnen gaan, dan moeten wel dadeljjk de werkzaamheden in de niesterij uit gebrek aan materiaal gestaakt worden, wat niet zoo licht het geval zal worden, wanneer men dc kuikens van hier en elders bekomt. Men dient dan echter de âkleine luiquot; op het platteland aan hot verstand tc brengen, dat zij, door kuikens te fokken en op te kweeken, waarvoor zij zekere afnemers hebben, niet onaanzienlijke winsten kunnen behalen. Eveneens dient men hun van broedeieren of fok-stammen te voorzien van zulke rassen, die voor de mesterij de meeste waarde bezitten, aangezien het fokken vnn zulke rassen hun het meeste voordeel zal opleveren. Hoe vasthoudend vele menschen ook zijn aan oude, van vader op zoon overgeërfde gew'oonten en begrippen, âklinkendequot; bewijzen blijven in den regel niet zonder uitwerking. Het wil ons voorkomen, dat, wanneer eene groote mestinrichting haar levend materiaal op deze wijze
993
in don ointi'ck kan bckonion, dit zoowel voor dc mostors als vooi'do fokkers de meeste voordeelen zal opleveren.
Voor het verzenden van fokmateriaal of tentoonstellingsdieren gebruikt men grootere teenen manden, welke ingericht zijn als de in tig. 102 afgebeelde. Zo zijn van binnen met zaklinnen of zeildoek bekleed. Mon neme do afmetingen echter niet te klein, opdat de voeren niet afgestooten of beschadigd worden.
Yoor lange reizen echter zijn houten kisten, welke aan de voorzijde van houten of Ijzeren tralies zjjn voorzien,
boven teenen manden te verkiezen. Eet- en drinkbakken brengt men het best aan den buitenkant aan. In Amerika scheidt men zulke kisten in afdeelingen, welke nietgrooter zijn dan dat één dier daarin zitten of staan kan, zonder zich om tekccrcn. Heter echter is eene matig groote kist voor verscheidene exemplaren te gelijk; voor drie stuks der Aziatische rassen neme men eene oppervlakte van ongeveer 0,9 vierkante meter.
Zulke kisten voorziet men van een gemakkelijk weg te nemen zitstok, een weinig boven den bodem, waarop do dieren des nachts kunnen rusten; des morgens dient die zitstok echter weder weg te worden genomen. Op den bodem der kist strooie men eiken morgen een paar handen vol fijn gruis of geklopte steen, of, als dit niet kan, voere men met een weinig grof zand vermengd weekvoer en wat minder koren; geeft men de- dieren verder een paar geheele suikerbieten in do kist en dagelijks ook een zekere hoeveelheid in kleine stukken gesnedene, dan kunnen de dieren, wanneer de kist dagelijks nog behoorlijk wordt schoon gemaakt, zelfs een verre zeereis zonder schade voor hunne gezondheid verdragen. Tarwe en maïs zjjn voor verre reizen meer aan te bevelen dan gerst en haver. Voor kleine reizen behoeft men natuurlijk niet zooveel voorzorgsmaatregelen te nemen. Wat versch gesneden klaver, lucerne, paardebloem of leeuwetand wat
tarwii of maïs, ook gorst ca liaver, in water geweekt brood en gt;;eii stuk van een suikerbiet zijn voldoende om de dieren gedurende verscheidene dagen gezond te houden. Zjjn zij ter bestemde plaats aangekomen, dan geve men hun â vooral in den zomer -â niet dadelijk en niet te veel en te koud water, doch liever eerst wat frisch groenvoer, brood of' weekvoer cn later wat koren.
De transportkooien voor eenden kunnen wat lager zijn dan de hiervoor beschrevene, doch worden overigens evenzoo ingericht, behalve dat men den zitstok weglaat.
Voor kalkoenen en ganzen â in sommige streken voor alle pluimvee â heeft men langwerpig ronde kooien van eene naar de grootte der dieren geëvenredigde hoogte, die misschien boven de cirkelronde .'iijn te verkiezen.
Het verpakken en verzenden van geslacht pluimvee voor de markt geschiedt op zeer verschillende wijzen en richt zich geheel naar het gebruik en de wenschen van den handelaar.
Hoofdregel moet echter hierbij zijn, dat de dieren zindelijk en luchtig verpakt worden, er aanlokkelijk uitzien en geheel voor het gebruik in de keuken geschikt zijn. Met het oog daarop is het aan te bevelen, vóór het slachten de dieren door een slag met een stuk hout op den kop te bedwelmen, dan den snavel met do linkerhand geopend te houden en met een scherp mesje of' fijne schaar inwendig de beide halsslagaderen door te snijden. Daarna laat men de dieren wat uitbloeden en begint dadelijk met het plukken; eerst worden de vleugelpennen uitgetrokken, daarna plukt men rug, borst, dijen enz., alles natuurlijk zonder de huid te beschadigen.
De zoo van de veeren ontdane dieren behouden in den winter hunne ingewanden, in den zomer haalt men die door de aarsopening uit en vult de ontstane holte met zijdepapier. Daarna buigt men de loopbeenen tegen de buik en de borst, draait het buitenste vleugellid onder het middelste, wikkelt de dieren in een vochtigen linnen doek en legt ze in eene rij naast elkander op een plank met een loodrechten achterwand, zoodat ze met hot achterlijf stevig daar tegenaan liggen; over de rij dieren legt men dan een tweede plank, die men door een steen of' gewicht verzwaart en laat de dieren zoo koud worden.
Vóór de verzending wikkelt men ieder dier afzonderlijk in wit zijdepapier en verpakt ze in ruime van een deksel voorziene manden, met onder- en tusschenlagen van versch stroo of reukeloos houtwol.
't Is den handelaren zeer aan te bevelen, hunne waar op de markt eene afzonderlijke plaats te bereiden en aan het een of ander kenbaar te maken. Uit dergelijke afzondering van pluimvee en eieren zou zoo eene soort van
395
tentoonstelling kunnen ontstaan, welke eene even groote, zoo niet eeno gi'ootere Iniishoudelijke waarde llt;aii hebben dan tentoonstellingen van levend pluimvee, waarvan de waarde voor de keuken, met uitzondering van liet gewicht, niet geschat en dus ook niet geprijsd kan worden.
In Parijs wordt hef geslachte pluimvee reeds sedert jaren op deze wijze tentoongesteld en men wil opgemerkt hebben, dat dit van gunstigen invloed is geweest op het fokken en mesten van Fransch slachtgevogelte. Wanneer de pluimveehandelaren in de gruote steden er eens eene proef mee namen, zouden de gunstige resultaten voorzeker ook niet uitblijven.
Wat het gebruik der veeren aangaat zij nog opgemerkt, dat ook de hoender- en eendenveeren niet zoo waardeloos zijn, als algemeen wordt aangenomen. Als zij goed worden behandeld, kunnen zij zeer goed in de bedden dienst doen en worden nis zoodanig dan ook reeds sedert jaren niet ganzeveeren vermengd gebruikt; ja, de goedkoopste soorten van bedden moeten, naar men zegt, zelfs alleen met hoenderveeron gevuld zijn.
Voor groote fokkerijen en mesterjjen loont het de moeite wel, dat men de veeren - hals-, zadel-, staart- en sikkelveeren â sorteert, daar deze door de âsierveerfabrikantenquot; gekocht en goed betaald worden, vooral die van kalkoenen en parelhoenders.
De kielen en het andere afval der vederen worden gebezigd voor de bereiding van bloedloogzout. Op den mesthoop behooren zij niet, daar zij slechts zeer langzaam verrotten en de hoenders licht tot vecrenplukken kunnen verleiden.
De hoendermest wordt nog lang niet algemeen genoeg op zijne waarde geschat, ofschoon hij hier en daar in Frankrijk, Italië, Engeland en Noord-Amerika met de guano op cóne lijn gesteld en veel gebruikt wordt Voor de helft met duivenmest vermengd, komt zijne werking die der guano werkelijk ook zeer nabij, zooals door tal van proeven is bewezen. Iljj werkt het best op den groei van gras en lucerne, wanneer hij vooral des winters op do sneeuw uitgestrooid wordt. Voor de kalebassoorten is hij zonder twijfel de beste mest; zooals bekend is, geldt de duivenmest in het Oosten voor het kweeken van meloenen voor onontbeerlijk ; in Perzië bijv. houdt men de duiven alleen om den mest. Ook voor de meeste groenten, de koolsoorten enz, is hij, op de toebereide bedden uitgestrooid, zeker van duurzamer werking dan de guano. Men moet zich er echter voor wachten hem te dik te strooien. Eenige aardbeiplanton, waarop gedurende den winter misschien een handvol mengsel had gelegen, bleken geheel âverbrandquot; te zijn.
Het spreekt van zelf, dat men hoender- en duivenmest niet in de open
306.
lucht mag bewaren, daur lijj dan guhool uitloogen zou. Behoorlijk gedroogd en fijn gemaakt evenwel niet tot poeder â laat luj zich in groote vaten zeer goed bewaren. Een zwak aftreksel daarvan, voorzichtig gebruikt tor begieting, heeft bij aardbeien, kruis- en aalbessen enz, uitstekende resultaten gehad. Verbazend was de uitwerking op driejarige, Ame-rikaansche braambessen, welke (i a 7 meter lange en meer dan â¢'! centimeter dikke jaarranken maakten met tallooze, groote vruchten.
Hierbij dient echter opgemerkt te worden, dat deze proeven genomen zijn op een grond, die zeer koud was en moeilijk water doorliet.
Vooral de eigenaren van groentetuinen kan niet genoeg worden aangeraden, met pluimveemest nadere proeven te nemen,
Instruklies voor den uerzorjer van hel pluimvee.
Orde en regelmaat bij liet werk zijn den verzorger van hot pluimvee al evenzeer aan te bevelen als ieder ander, wien de zorg voor de eene ol' andere affaire is toevertrouwd, en niet het minst, wanneer hot bedrijf van eenigen omvang is.
Wanneer we hier eene proeve geven van eene instructie voor den verzorger van eene fokkerij van ongeveer lUOÃ stuks hoenders, welke alleen de eierproduetie op het oog heeft en de jonge hanen en overtollige hennen ongemost van de hand doet, dan stellen we daarbij op den voorgrond, dat al het benoodigde materiaal aanwezig is; de instructie bevat alzoo alleen eene opsomming van de verschillende werkzaamheden, welke er successievelijk te verrichten vallen,
't Spreekt wel van zelf, dat deze voorschriften niet voor olke inrichting en onder alle omstandigheden als âgekniptquot; moeten beschouwd worden; ze zijn niet meer dan eene aanwijzing, hoe zulk eene instructie, die we voor den verzorger van een hoenderpark van eenige beteekenis bepaald noodig oordeelen, zou kunnen luiden, Is aan den oppasser ook opgedragen te zorgen voor hot noodige aantal fokstammen enz,, dan heeft bij bovendien nog tal van deze zoo belangrijke zaak betreffende bijzonderheden in acht te nemen en aan te teokenen. De tijd voor het nagaan en het merken van beste legkippen enz, moet luj weten te vinden, daar deze ruimschoots zal worden beloond.
Wanneer we nu beginnen met den wintertijd â ongeveer begin December â komen we tot de volgende dagehjksche werkzaamheden:
1, Yóór zonsopgang: toebereiding van het weekvoer â of wanneer men aardappelen enz, des avonds te voren gekookt heeft â vermenging hiervan niet het met heet water gebroeide voedermeel en zemelen,
397
Haar omstandigheden met reeds gekookt en fijn gehakt vleesch vermengd.
2. Schoonmaken van de 's avonds te voren geledigde drinkbakken en deze daarna weder vullen met zuiver, f'risch water; hij groote koude echter lauwwarm en zoo noodig een weinig verzuurd.
3. Vulling der vooraf gereinigde voederbakken met het lauwwarme, kruimelige weekvoer; bij niet te groote koude dadelijk na zonsopgang toedienen.
i. Het luchten en zoo noodig verwarmen van de nacht- en leghokken; de temperatuur mag niet aanhoudend beneden 2' Reaumur zijn.
5. De kalkoenen, ganzen en eenden voeren en hunne drinkbakken schoonmaken en vullen.
(gt;. liet openen der leghokken en, als het niet te koud is, van de nachthokken of loodsen.
7. Het nazien der leghokken, vooral van de fokstammen, om de beste legsters te leeren kennen.
H. Het schoonmaken der nachthokken, afharken en verwijderen van den mest; zandbaden in orde brengen.
9. Tegen 12 uur: toediening van liet niiddagvoer; niet te overvloedig korenvoer en zoo mogeljjk een weinig groen ; een kool, suikerbiet, halve koolraap enz. om er aan te pikken.
ld. Tegen 2 uur: eieren rapen. Aanteekening houden van de beste legsters.
dl. Vóór het donker worden: ruimschoots korenvoer.
42. Sluiting der ingangen en deuren.
13. Den voedervoorraad voor den volgenden dag afwegen en afmeten.
14. Aardappelen, rapen enz. koken voor het weekvoer van den volgenden morgen.
Met het einde van Januari of het begin van Februari komen daarbij nog do volgende werkzaamheden:
15. Het verzamelen der voor het uitbroeden bestemde eieren van de fokstammen (hoenders, ganzen en eenden); met bet oog op het verkrijgen van meer productieve nakomelingen, worden de eieren van de beste legsters afgezonderd en nauwkeurig gemerkt.
10. liet zetten van de broedsters, wat men het best tegen den avond doet; als hot mogelijk is zotte men er verscheidene te gelijk.
17. Het voeren en drenken dor broedsters â 's morgens, 's middags of ?s namiddags â mot graan enz. Voor zoover noodig moeten de broedsters van het nest genomen worden.
18. Terwijl do broodstors van de nesten zjjn, moeten deze worden nagezien; eventueel gebroken eieren worden verwijderd en vuile schoongemaakt.
398
l!). Op don G1'011 broeddug': schouwing der eieren; verwijdering van de
onbevruchte, voor welke versche in de plaats worden gelegd, '20. Op den 'l!)1'011 dag e. v. met het oog op de onder 19 bedoelde versche eieren tot den 2Ssten clag bijzonder toezicht op de broed-nesten tot het uitkomen der jonge hoenders, ganzen en eenden. 21. Voeding enz. der kuikens, dadelijk na zonsopgang en vervolgens met tusschenpoozen van 'gt; tot 'i a 3 uur, al naar den leeftijd en do soort der jonge dieren. Dit werk wordt tusschen do andere, hiervoor in volgorde genoemde werkzaamheden ingeschoven.
In de voorjaars-, zomer- en herfstmaanden blijven de werkzaamheden en de volgorde daarvan dezelfde, met de volgende wijzigingen:
i. Al het pluimvee wordt bij goed weder dadelijk na zonsopgang naar buiten gelaten; dan worden
'2. de kuikens verzorgd.
3. Het voeder voor het oude pluimvee wordt in de open lucht, bij regen enz. echter in de loodsen (onder de afdaken) toegediend. Het voer wordt over eene groote ruimte uitgestrooid, opdat allen er gemakkelijk van kunnen bekomen.
4. De drinkbakken, welke men 's avonds omkeert, worden bij warm weder voor hoenders en kalkoenen ten minste driemaal por dag met frisch water gevuld.
5. De groentebedden (perken) worden voor de dieren opengesteld en de den vorigen dag afgeweide op nieuw bezaaid.
6. De hokken worden den geheelen dag door gelucht en ten minste tweemalen in de week zorgvuldig schoongemaakt, de zitstokken afgekrabd enz.
In het begin van het voorjaar worden bij droog weder de wormputteu in orde gemaakt, de groentebedden aangelegd en de grasperken, die misschien bier en daar kaal zijn geworden, hersteld. Ook verzuime men niet, in de hoeken der perken paardebloem en brandnetelen te zaaien.
In het bijzonder dient de verzorger acht te geven op den gezondheidstoestand enz. van de onder zijne hoede geplaatste dieren. Zwakke en ziekelijke exemplaren moeten dadelijk in eene afzonderlijke afdeeling, waarin ze gemakkeljjker kunnen worden gadegeslagen, of in de ziekenhokken gebracht, veerenplukkers en eier-eters onschadelijk gemaakt, twistzieke en bijtgrage hanen of hennen verplaatst of verwijderd worden.
De fokstammen vooral eischen eene aanhoudende en nauwkeurige oplettendheid en zorg. Het kan toch niet te dikwijls herhaald worden, dat de rentabiliteit der fokkerij, onverschillig of men eierproductie of vleeschpro-ductie bedoelt, voornamelijk afhangt van verhooging van het productiever-
399
mogen der dieren, welke alleen door eene verstandige teeltkeuze met de beste exemplaren kan worden bereikt. Een laatste bewijs van een Hinken, degeljjicen oppasser en verzorger zal hierin bestaan, dat bij niet alleen de beste legkippen, vleeschboenders enz., doch ook de eieren van deze nauwkeurig kent.
Voor het mesten een âdagorderquot; op te stellen is niet wel mogelijk, daar iedere bijzondere methode eene andere tijdverdeeling noodig maakt; in het daarover handelende hoofdstuk zijn dienaangaande voldoende vingerwijzingen te vinden.
In den nazomer of den herfst moet er aarde verzameld en gezuiverd en daarna in eene loods of onder een afdak te drogen gelegd worden om voor wintergebruik te dienen, en eveneens zorge men dan voor het, verzamelen eu bewaren van de benoodigde hoeveelheid fijn grint, zand, kalk enz.
Veertiende Hoofdstuk.
Teiitoonstelliu^cii, âPluimvee-vereeniyiiiSfenquot; eu muivenvanlo zaken.
Hier over de waarde en het nut van tentoonstellingen uit te weiden is voorzeker onnoodig, aangezien die door niemand bestreden of in twijfel getrokken worden.
Over de inrichtincj der tentoonstellingen, over hun aanhil en de kleinere of grootere schaal, waarop zjj worden aangelegd, loopen de gevoelens echter uiteen.
Ter beoordeeling van het nut der tentoonstellingen dienen we eerst bun doel to kennen.
Wat bedoelt men met de pluimvee-tentoonstellingen? Op deze, zoo rooide hand liggende vraag volgt dadelijk bet antwoord; Verheffing van de pluimveeteelt! Hetzelfde dus, wat ook de Clubs, de Vereenigingen van pluim veefokkers en liefhebbers beoogen.
Op de vraag, wat men onder verheffing der pluimveeteelt heeft te verstaan, volgen echter verschillende antwoorden. De één bedoelt daarmee : Verbetering van de inlandsche pluimveesoorten en invoering en verbreiding van zulke buitenlandsche rassen, welke tot die verbetering kunnen meewerken of door hunne grootere productiviteit met meer voordeel zijn te houden. Een ander; het fokken, aankoopen, ruilen, verkoopen en ten toon stollen van de fraaiste, zeldzaamste en meest raszuivere dieren, om die zoo mogelijk bekroond te krijgen, ten einde er hoogere prijzen voor te kunnen bedingen. Een derde zegt, dat het hem alleen om de eer der bekroning te doen is, terwijl een vierde aan anderen het voordeel en de eer gunt en
400
zich alloc.'11 uit lief'hobborjj (i|) liet zorgvuldig kweekon toelegt on daarin en in don omgang met zijne gevederde vrienden zijne bolooning vindt. Allen meenen echter mede te werken tot verheffing van de pluimveeteelt, en dat doen zij dan, ieder op zjjue eigene wijze, inderdaad ook.
J)it tenminste is ontegenzeggelijk een verdienste van de âI'luimvee-clubsquot; en do, in do laatste jaren wel wat spoedig op elkander volgende tontoon-stellingen, dat zij do belangstelling voor do pluimveeteelt in ruimeren kring gewekt en levendig gehouden hebben. Vorder hebben zij ook reeds in sommigo landen do Eegeering kunnen overtuigen van de wenschelijkheid oin door bijdragen uit 's lands schatkist mode te werken tot de bereiking van hun dool, wat don moest welbespraakton kamer-redenaar inisschion nooit gelukt zou zijn.
Alles kan echter overdreven worden en dan bereikt men niet moor hot beoogde doel.
Zal eone internationale tentoonstelling, welke ons in do gelegenheid zal stollen te zien, wat hot Buitenland vermag en in hoever wjj daarmee kunnen concurreeren, dool troffen, dan dient do mot do organisatie belaste Commissie over aanzienlijke sommen te kunnen beschikken; sommen, welke do contribution der loden van eone Vereonigiiig verreweg overtreffen, liet ontbrekende komt in den regel van gegoede liefhebbers en belanghebbenden; doch, wanneer zulke tentoonstellingen elkander te snol opvolgen, willen de bronnen, waaruit de Commissie moot putten, wel eens wat minder overvloedig beginnen te vloeien; do belangstelling vermindert, omdat ze te veel begint te kosten en â de zaak zelve lijdt daaronder.
Zoo is hot dan ook goene zeldzaamheid, dat de verloting van pluimvee ter gelegenheid van eone tentoonstelling, oorspronkelijk met deze ver honden om de minder gofortunoerden en de wat vast aan hot oude hangenden don kans te geven om voor eeno geringe bijdrage in bet bezit van goede fokdioren te komen, waarmede zij hunne eigen dieren zouden kunnen verbeteren, on waardoor hunne belangstelling in do pluimveeteelt verhoogd kauworden â dat die verloting alleen een middel wordt om het deficit in de kas voor do tentoonstelling te dekken en dat de daarvoor aangekochte en over hot land verspreide dieren van dien aard waren, dat zij niet tot verheffing van do pluimveeteelt konden strekken, integendeel teleurstelling opleverden en eer na- dan voordeelig werkten.
De op kleinere schaal ingerichte tentoonstellingen der plaatselijke of gewestelijke âPluimvee-voreenigingenquot; kunnen ook ongetwijfeld hun nut hebben, doch wanneer die telken jare gehouden worden in de plaats, waar hot Bestuur zetelt, verliezen zo spoedig hunne aantrekkelijkheid. In Duitschland, en misschien ook elders, veroonigon zich zulke âPluimvee-clubsquot; dan ook
4(H
reeds ter organiseer!ng' van tentoonstellingen, nu eens hier dan daar, waardoor voorkomen wordt, dat deze te dikwijls in dezelfde plaats en te kort na elkander worden gehouden.
Niet minder draagt de voor eenige jaren in practijk gebraelite methode om de dieren van voetringen te voorzien, welke den stempel der club en het geboortejaar der dieren dragen, bij tot het uitoefenen van eene betere , controle op den leeftijd der tentoongestelde dieren, waardoor de tentoonstellingen ook al weder een meer getrouwe afspiegeling worden van hetgeen do fokkers werkelijk vermogen.
De Vereenigingen ter bevordering van den aankweek van bepaalde rassen, zooals wij ten onzent in de Leghorn-Minorca- en de Wyandotte-club bezitten, kunnen van grooten invloed zijn, zoowel op hot fokken van sportdieren als van dieren, welke groote landhuishoudelijke waarde bezitten. Werken dan verder die Vereenigingen mee tot de organiseering van degelijke tentoonstellingen, dan bevorderen zjj niet alleen de aantrekkelijkheid van deze, doch ook de landhuishoudelijke pluimveeteelt, die in hoofdzaak de eier- en vleeschproductie op het oog heeft.
In Duitschland houden ook vele Vereenigingen zich bezig niet het oprichten van zoogenoemde fokstations, om op die wijze eene meer rationeele pluimveeteelt te bevorderen; /ij geven aan pluimveehouders op het land fokstammen van rasdieren onder bepaalde voorwaarden, welke in hoofdzaak op het volgende neerkomen. De verzorger van den fokstam staat onder controle van de Vereeniging; lijj moet de vroeg in 't voorjaar door den fokstam gelegde eieren tegen marktprijs aan de Vereeniging afstaan, en de later gelegde eieren moet hjj tegen billijken prijs of in ruil tegen andere eieren aan andere pluimveehouders uit zijne omgeving overdoen; uit de gefokte jonge dieren mag de Vereeniging een zeker aantal voor zich uitzoeken; na '2 of 3 jaren gaat de fokstam in eigendom aan den verzorger over.
Wanneer alles goed gaat, kan de verzorger van zulk een fokstam fiiian-tieel voordeel van de zaak hebben, doch het is de vraag, of hjj zelf en zij, die door hem van eieren worden voorzien, wel werkelijk daardoor in het bezit van beter fokmateriaal komen, daar de Vereeniging ten eerste de vroeg in 't voorjaar gelegde eieren, welke juist met het oog op vroeg-broed zoo groote huislioudelijke waarde hebben, tot zich trekt en ten tweede uit de gefokte jonge dieren ook nog de beste en sterkste voor zich uitkiest.
Verder is het aan de âfokstationsquot; afgestane fokmateriaal volstrekt niet altijd van het beste en nog niiiuler is daarmee altijd vooraf een proef genomen, die den verzorger der dieren de noodige resultaten waarborgt. De raszuiverheid toch van een fokstam geeft volstrekt nog geen zekerheid, dat Baldamus, Pluimveeteelt. 'iü
40'2
liet gekozen ras op zich zelf' de daaraan toegekende goede eigenscliappen werkelijk bezit en vererft on waard is onder de landelijke bevolking verbreid te worden.
De ervaring heeft ook geleerd, dat bij cp.u zelfde ras de vruchtbaarheid zeer individveel is en dat het bezit vaneen toom Minorca's of Leghorns niet altijd een groote eierproduetie garandeert, alleen omdat het dieren zijn van een goed legras. Meer dus dan liet bezit van dieren van een bepaald ras, zuilen de zaakkennis, de goede verzorging, de opmerkingsgave en de daarnaar ingerichte teeltkeus den houder van een âfokstationquot; de waarborg moeten geven, dat bij van uit zjjn station inderdaad medewerkt tot verbetering der pluimveeteelt in zijne omgeving.
Van grooter belang dan de verbreiding van uitgezocht rasgevogelte en het verdringen van onze inlandsche, goed geacclimatiseerde en geharde hoen-derslagen, zou het misschien zijn, dat de landelijke bevolking, met welker hulp op den duur ook van onze inlandsche hoenders wel betere resultaten zouden worden verkregen, door woord eu geschrift beter bekend gemaakt werd met liet pluimvee, zijne eigenschappen, behoeften enz. en alles wat op het fokken betrekking heeft. Van staatswege kon in een en ander onderwijs worden gegeven aan de landbouwwinterscholen, terwijl door wandelleeraars en geschriften voor herhaling en uitbreiding kon worden gezorgd.
In Oostenrijk en Hongarije worden in sommige middelbare landbouwscholen cursussen gehouden over de pluimveeteelt, de pluimveeziekten enz., terwijl ook in Oostenrijk en in Zwitserland door wandelleeraars voorlezingen daarover worden gehouden, welke steeds talrijke toehoorders trekken, vooral vrouwen.
De in dit boek reeds vroeger genoemde inrichting van de heeren Roullier en Arnoult te Gambais bij Houdau (Frankrijk) is reeds sedert jaren tot eene door den Staat gesubsidieerde School verheven, waar onderwijs wordt gegeven in alles wat op de pluimveeteelt betrekking heeft, welke school, ook door buitenlandsche aspirant-aviculteurs druk bezocht wordt.
Groot-Brittanje heeft aan enkele hoogescholen een lector voor de pluimveeteelt. terwijl in vele streken van dat land voorlezingen over dien tak van nijverheid worden gehouden. In Rusland heeft men met hulp van de liegeering eeu permanente wandel-tentoonstelling van pluimvee in het leven geroepen, welke de voornaamste steden van het land bezoekt en bij welke gelegenheid dan ook een cursus wordt gehouden; bovendien heeft keizer Nicolaas 11 eene som van '25,000 roebel beschikbaar gesteld voor de oprichting van een model-fok-leerinrichting bij Petersburg.
Dat deze voorbeelden ook in ons land navolging mogen vinden!
O U D.
1 N H
|
Hladz. Inloidiiiff...........v DR HOENDRRVOGELS. 1. Kot H u i shoo n. Eerste Hooi'DSTuk. TurininoloKio dor in- 011 uitwendige doelen van hot hoen. nomenclutuur, klus-Bidcntie........... 1 Tweede Hoofdstuk. Klnnson en variëteiten dor liuishoonders. EorHte rubriek. K1 as se-bo end er h. A. Ongekuifde russen. I. Azintisclio rassen. a. Met bevederde pooten. China's. 1. Cochinchina-ras. (Cochins) . . !) 2. Hot Urahma- of iirahnui-poe-tra-ras.........19 ii. Langshans........30 4. Hot Jjhassa-hoen......ii8 Ij. Qladbeenigo rassen. 5. De Maleierj........'18 li. Vechthoendorrassen. (Game- fowls)..........41 A. Engelsche Vechthoenders .... 41 li. lielgischo Vechtlioendors .... 48 C. Indische Vechthoenders.....49 (/. Hot Aseel heen.......50 /j. Het Indische Vecbthoen .... 51 e. Meersporigo Ind. Vechthoenders . 52 f/. Sumatra Vechtlioendors .... 58 7. Yokohama's.......54 8. Het Phoonix-hoen.....öti II. Engolsche rassen. 9. Dorkings.........58 10. Scotch Greys.......G5 |
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Wi
|
Bhidz. b. Kullboendern mot volle roiulo kuif, vollon baard, zonder kliilcllcn; kam van ^oeno beteekonis; oubevodorde pooten. 25. Padua's. Common Polish fowl. 12G 26. Brabantors........130 c. Met bevederde [looten. 27. Turksche of Sultanbocudors . 133 C. liaardhoenders. /onder kuif, doch mot /.waren baard. 28. Uilebaarden.......135 VII. Naakthalshoenders. 29. Hot Zevenburgsche Naakthals-hoen..........137 Tweede rubriek. Niet geklassiflcoerdo rassen...........139 1. Dworghoenders......140 2. Belgische of Mecholsche koekoek 140 3. Itussischo hoenders ... 142 4. Het liolstaart- of Klomphoen . 142 5. Krulvoerhoenders......145 6. ZydehoendeiH. Jap. Zydehoon . 140 7. Siameesche Zijdehoendors (Haar-hoenders)........149 8. Chineescho hoenders (Wolhoen-dor») ..........149 9. Zwart Dwerg-Zydehoen . . . 149 10. Negerhoenders.......150 11. Landhoondors.......150 De Pellen...........151 Lakenvolders..........153 liet Steiereche landhoen......153 Het Augsburger hoon.......154 Het Sundheimer hoon.......155 liet Selecta-hoen........155 Derde rubriek. Hautains en Krielen. . 157 I. liantanis. n. Eenkleurige, gladpootigo Bautams. 1. Zwarte Bantams......157 2. Witte Bantams......158 h. Bantams met bevederde pooten. 3. Sabolpoot-krlol.......158 c. Oeteekondo Bantams. Zonder sik- kelveereu. 4. Sebright-Bautams.....160 |
Dhrdk ITooi-'dstuk. Wilde hoenders, afstamming der huis- hoenders ..........174 Geslacht Gallus. Kanihoendors . . .170 1. Gallus forrugineus. Banklva-hoen 177 2. â Sonnorati. Sonneratshoen 179 3. ,, Lafnyotti. Lafayette- of Stanley-hoen.....181 4. â varlus. Vorkstaarthoen . 182 Vierde Hoofdstuk. Over het voeren cn mesten dor hoender» 188 quot;SVormputten..........201 Slakkenteelt..........20;! Groen-voederplaatsen.......203 Voederregelen voor legkippen en hanen. 204 Het nut der hoenders in den boomgaard 208 â ,. â â oigt; het veld . . 209 Broedkippen, kuikens en jonge hoenders 211 Het mestvoer en het mesten . . . .215 Vijfde Hoofdstuk. Ondeugden, ziekten en vyanden der hoenders. A. Ondeugden. 1. Het eler-eten.......225 2. Hot veerenplukken.....227 B. Ziekten der hoenders......228 I. Ziekten der ademhalingsorganen. 1. Luchtbuiswormen......230 2. Catarrh v. h. neusslijmvlios . . 233 3. Pips..........2i{3 4. Luchtpijpontsteking, Bronchitis. 234 5. Catarrhale-of eroupouso longontsteking .........234 6. Diphthorltis.......235 7. Oogziekten........239 II. Ziekten dor spijsverteringsorganen. 1. Harde krop........239 2. Hangkrop........241 | ||||||||||||||||||
405
|
Filadz. I |
Blailz. | ||
|
3. Weoko of luolitkrop .... |
241 |
Zjjsüjs HüOI.'DSTUK. | |
|
4. Indigestie........ |
242 |
Aanlog, woningen, inrichting en bedryf 277 | |
|
5. Leverziokton....... |
242 |
Zevende IIoofdstfk. | |
|
6. Diarrheo......... |
243 |
Keuze dor rassen en variëteiten . . . |
294 |
|
244 | |||
|
7. Typhus, Cliolera...... | |||
|
8. Tuberculose....... |
240 |
Achtste Hooi'dsïuk. | |
|
9. Ingownndswormen..... |
248 |
Fokleor, paring en kruising .... |
303 |
|
10. üohnarde rupsen...... |
250 |
Negende Hoofdstuk. | |
|
11. Yergil'tipingen....... |
251 |
Eieren, broeden on opkwoeken . |
311 |
|
. Hersen- on ruggomorgsziekton . . |
254 |
Natuurlijk broeden........ |
325 |
|
IV. Uitwendige kwnlon on boleedi- |
Kunstmatig broeden....... | ||
|
gingen. |
Behandeling en verzorging der kuikens |
336 | |
|
1. Schurft- of kalkpooton. . . . |
256 |
11. De Kalkoen, het Parelhoen en | |
|
2. Uitslag......... |
257 |
het l'arkgevogolto. | |
|
3. AVitte kam; poederkam . . |
258 |
Tiende Hoofdstuk. | |
|
4. Zwarto kam....... |
258 |
Do Kalkoen.......... |
342 |
|
5. Aphtao .... . . . . |
259 | ||
|
(i. Dolheid......... |
259 |
Er,ede Hoofdstuk. | |
|
7. Iloode huidziokto...... |
260 |
Het Parelhoen......... |
365 |
|
8. Eerste vedergrooi en rui . . . |
260 |
Twaalfde Hookds t uk. | |
|
i). lluidwater- en windzucht. . . |
261 |
Pauwen, fazanten, patrijzen en ander | |
|
10. Ontsteking dor votklior . . . |
261 |
park- cn volièregovogelte .... |
372 |
|
11. Bevroren kam....... |
262 |
1. Do gewone pauw...... |
373 |
|
12. Brandwonden....... |
262 |
2. Do Javaansohe pauw . . . . |
373 |
|
13. Wondon cn kneuzingen . . . |
263 |
3. Do Assam pauwfazant .... |
375 |
|
14. Beenbreuken....... |
263 |
4. Do Heuzcnnrgus...... |
376 |
|
V. Rheuinatimno cn dergelijke aan | |||
|
doeningen. | |||
|
1. Jicht, kramp. Bumble-l'oot . . |
264 |
Fazanten e. a.......... |
378 |
|
2. Beonzwakte, Kachitis . . . . |
266 |
III. Economische en technische | |
|
3. Hartziokton........ |
267 |
o pme r k i ngo n. | |
|
VI. Gealachtelijko zieken. |
Dertiende Hoofdstuk. | ||
|
1. Van het mannelijk gcslaclit . . |
268 |
Over hot bow aren cn verzenden van | |
|
2. Van het vrouwoljjk geslacht. |
209 |
eieren, hot gebruik van do producten | |
|
«. Ziekten van don eierstok. . . |
269 |
i | |
|
b. Van den eileider....... |
269 |
Instructies voor don verzorger van bot | |
|
c. Uitzakking van don legdarm . |
270 |
. . | |
|
lt;7. Legnood......... |
270 | ||
|
3. Ziekten der eieren . |
271 |
VHERÃIENDK HOOFDSTUK. | |
|
Vijanden der hoenders en boschor- |
Tentoonstellingen, ,, Pluim vee vereen i- | ||
|
ming daartegen....... |
272 |
gingenquot; cn aanverwante zaken |
399 |
G R A V U 11 E N.
11!
i â â ;i il i '.l ' ; 1
|
Kifr. Bladz. |
Fife'. |
Dlmlz. | ||
|
1. iiy du anatemio....... |
2 |
30. |
Voeren van oen Dominiquo-haan |
79 |
|
31. |
v n n n 1 |
80 | ||
|
3. Gicrhnkkon......... |
6 |
32. |
Plymouth-Rocks...... | |
|
4. l'ati'ijsvoor Cocbin-lion..... |
11 |
33. |
Wyandottos........ |
85 |
|
5. quot;i Veoron van oono patrjjsvoor |
34. |
Witte Wonderhoenders .... |
88 | |
|
6. ( Cochin-hon......13, |
14 |
35. Spannsche Witwangon .... |
91 | |
|
T. Donkere Brahina-haan..... |
21 |
30. |
Andalusiërs . . ...... | |
|
8. Veoron van oen donkore Brahma-hcn |
23 |
37. |
Ramelslohors....... |
101 |
|
3. Halsvooron van lichto Brahma's . |
24 |
38. Patrys Leghorns...... |
105 | |
|
10. Borst- en vlcugelveer van donkere |
39. |
Kop van oen Kraaikop-haan . |
111 | |
|
Brahma's......... |
24 |
40. | ||
|
11. Hals- en zadelvoer van donkere |
41. |
Kop van oon Cröve-coour-haan . |
117 | |
|
Brahma's......... |
20 |
42. |
Crovc-coeurs ....... |
118 |
|
12. Langshans......... |
31 |
43. |
121 | |
|
13. Ideale lijn van do houding dor |
44. |
Schedel van oon Padua-haan, |
124 | |
|
Maloiors......... |
39 |
45. Kop â â â |
126 | |
|
14. Jlaloior haan en hen..... |
41 |
46. |
Voeren van een Zilvorl. Padna-haan |
127 |
|
15. Kendvlougoligo Vechthoenders . . |
44 |
47. |
« m w h » hen |
128 |
|
10. Red-pilo-haan........ |
45 |
48. |
Goudlak. Padua's...... |
129 |
|
17. Hennenveorige Vechthoonders . . |
47 |
49, |
Sultanhoendors...... |
134 |
|
18. Sumatra Vochthoendors .... |
53 |
50 |
Thilringer Uilohaardon .... |
130 |
|
19. I'onikHhoonders....... |
57 |
51. |
ZovenburgBche Naakthalshoonders |
138 |
|
20. Kompvorm van oen Dorking-haan . |
59 |
52. |
Mecholer Kookookhoendors . . |
141 |
|
21. Zilvorgrijzo Dorkinghen..... |
61 |
53. |
\ | |
|
22. Veoron van een Zilverl. Hamburger- |
54. |
/ Voeren van Zijdehoendors. . |
147 | |
|
haan .......... |
08 |
55. |
) | |
|
23. Veoron van eon zilverlak. Ilnmh. hen. |
09 |
56. |
Oost-Friosclio Meouwon. . . . |
152 |
|
n » « » n » ⢠|
70 |
57. | ||
|
25. Voeren van oon Zilvorpel-haan . . |
71 |
58. |
Millo-flours........ |
159 |
|
20. Zilvorpol-Ham burgers..... |
72 |
59. |
Sebright Bantams...... |
160 |
|
27. Voeren van een Zilverpel-hon . . . |
73 |
60. |
Voeren v. Sebr. Bantams . . . |
161 |
|
28. â â â Zilver-Moonoy-haau. |
74 |
61. |
Chobo's, Ma-Siro...... |
105 |
|
29. Orpingtons......... |
77 |
62. |
Chabo's, Siro....... |
165 |
407
|
Fig. |
Bliulz. |
Fig. |
Hindu. | |
|
63. Chabo's, Chin-Curo .... |
. . 10ü |
80. |
Verplaatsbaar hoonderbok. . |
287 |
|
64. Sonnerats hoon..... |
180 |
81. |
Vorf?elijkeiulc oiormaat .... |
310 |
|
65. ) |
82. |
Eierstok van oono lion .... |
320 | |
|
| Vooderbakkon..... 6b. ) |
200 |
815. | ||
|
67. | |
84. |
Hoenderei na 3 da^en broedons . |
323 | |
|
200 |
85. |
â op den lldon dag. . . |
323 | |
|
68i. ' |
80. |
â op 'fc eind van den 19den | ||
|
69. Stoptrochtei'H...... |
. . 221 | |||
|
70. Stopmacbine...... |
223 |
87. |
Kuiken op den 19don dag uit't oi | |
|
224 |
324 | |||
|
72. Logbok voor oiorpikkors . |
. , 220 |
88 |
tot 96. Broodinachines . . 330- |
335 |
|
73. Krop-oporatio...... |
. . 240 |
97. |
341 | |
|
98. |
Wild Amerik. Kalkoen . . . . |
343 | ||
|
75. Loffkastjo....... |
. . 278 |
99. |
Pareliioenderu........ |
300 |
|
76. Plan van oen fokkerij . . . |
. .281 |
100. |
382 | |
|
282 |
101. |
383 | ||
|
78. Vorplaatsbaar lioontlorlioU. |
. . 280 |
102. |
Verzendkorl' voor levend pluimvee. |
933 |
|
79. |
. . 287 | |||
ALPH ABETISCU U EG 1ST ER.
|
Hliuiz. |
Hiiidz, | ||||
|
Aanpassing . ....... |
304 |
Astur nlsus..... |
272 | ||
|
Atavismo...... |
304 | ||||
|
Aderlating......... |
255 |
Aueriioen...... |
382 | ||
|
Afstamming........ |
174 |
Augsburgorhoen. . |
154 | ||
|
Affal.......... |
204 | ||||
|
Afvoermiddol........ |
242 |
0 | |||
|
Alaska-hoon........ |
150 |
Bacteriën...... |
275 | ||
|
Albinismo......... |
â 7, |
114 |
Bakios....... |
140 | |
|
Albino.......... |
7 |
lialdoron...... |
340 | ||
|
Albumen......... |
317 |
Bankiva-hoen .... |
177 | ||
|
Albumino......... |
189, |
392 |
Bantamiden..... | ||
|
Aloctrophasis....... |
17(i | ||||
|
Alltagiogor........ |
75, |
151 |
, Black . . . |
157 | |
|
228 |
â , Witte . . . |
158 | |||
|
Aluin..... 237,241,259, |
202, |
380 |
., , liooted . , |
158 | |
|
Ammonium........ |
235 |
,, , Lieicester |
15(1 | ||
|
, Nanking . . | |||||
|
Anas boscas........ |
180 |
,, , Sebright . . |
100 | ||
|
Anatomie......... |
1 |
â , Clean legged . |
157 | ||
|
Ancona's......... |
97 |
â , Koekoek . . |
104 | ||
|
Andalusiërs........ |
â , Scotch Grey . |
164 | |||
|
Angs.......... |
250 |
Bantamtoelt..... |
173 | ||
|
Anijsolio......... |
250, |
257 |
Barndoorboenders . . . |
150 | |
|
Anorganische stoffen..... |
190 |
Bausbilckchon .... |
137 | ||
|
Antwerpscb Kriel...... |
Ifi4 |
Beenbreuken . . . . |
263 | ||
|
Aphtae.......... |
259 |
Beenweekhuid . . . , |
212 | ||
|
Arboricola........ |
381 |
Boonzwakte..... |
. . . 115, |
26(i | |
|
Areca-noot........ |
250 |
Belgian game , . . . |
48 | ||
|
Argusfazant........ |
375, |
376 |
Belgisch Vechthoen . |
48 | |
|
Arguspauw........ |
37ü |
Benzine. ...... |
. 250, 257, |
258 | |
|
Arizona hoen........ |
Bergsche Kraaier . . . |
98 | |||
|
Arsenicum........ | |||||
|
Asoelhoen......... |
50 |
Bevroren kam .... |
262 | ||
|
375 | |||||
|
Astrakan-hoon....... |
142 |
Black Java..... |
81 | ||
|
272 |
Black-rcd ...... |
108 | |||
409
|
liladz. liloodvcrvorHchinff...... 299, 3U ülooiukoolBo/.icht........96 Bolstaarthoen.........142 IJolstaartkriol.........16V IJonaHirt...........ii82 liooiuhoondorB.........!!83 lioofzuui'....... 237, 202, ü87 Bosclit'fizant..........378 BoBchhoonclerd.........ü82 ISrabantoi'H..........130 Uramapootra..........19 lirahma'tj...........1!' Brnbmakriol..........107 Brandnetels..........355 Brandwonden.........262 Bruziliaanscli lioen.......55 Broda-lioon..........111 Brosae-boon.........,116 Brilnous kraaikop . . . . , . . .112 Broeden, Notnuriyk.......325 â , Kunstmatig......329 Uroodduur...........336 Breedoioren bewaren on verzenden . . 389 Broedmacbine.......330 335 Broodwarmto..........329 Bronchitis...........234 Bronski, kalkoen........349 Bronze Turkey.........349 Brown-rod.........43, 169 Bruges, Kace de........48 Buff.............11 Buikholte zwangerschap......322 Bumble-foot..........264 (Jaccabis rufa.........382 â potrosa........382 Californ. kwartel........382 Callipepla...........381 Calomel....... 242, 243, 249 Campine, Poule de la- . â¢.....151 Carbol . . . 236, 238, 245, 248, 258, 268 Carboizalf...........257 Caseïne...........189 Catarrh............233 Catarrhale longontsteking.....234 Caycnne-peper....... 234, 242 |
lllmlz. Celstol'............ 191 Ceriornis natyra.........380 â Blythi.........380 â Caboti........380 â Ifastingi........380 â Temmincki.......380 Chabo's............164 Chauiois........ . 129, 132 Chinccsoho hoenders.......149 Chittagongs..........19 Chloorkalium....... 190, 238 Chloornatrium.........190 Cholera............244 Chloorzurc kali.........234 Chlorismo...........7 Chok Boars..........156 Cinnnmou...........11 Cochins...........9 Coobin-kriol..........166 Collodium....... 240, 263, 387 Columbia-hoen.........40 Combattant de Bruges......48 â dos Indos......49 â du Nord.......48 Congestie...........255 Conservecringsmiddclen .... 385 e. v. Co(| d. Inde..........342 Cornwall. Voohtlioon.......51 Coturnix...........381 Coucou d'Anvors........164 â do Malines.......140 Coupcoren...........48 Courtes pattes.......111, 140 Crncidao...........383 Crax.............383 Cremortart..........385 Crooline......... 248, 259 Creosoot..... 232, 237, 250, 257 Crove-coeur..........117 Crossoptilon auritum.......379 â mantchuricum .... 379 â tbibetaiuim......379 Croupeuso longontsteking.....234 Cupido-hoon . . . .......382 Curassao...........383 |
410
|
Blatlz, Darmcfttarrh..........243 Dnshooiidors..........140 Dondrortyx..........381 Dosinfectooron.......23ü, 245 Dextrine...........191 Dinrrhao...........243 Digitalis...........268 Dindon............342 Diphthcritis..........235 Dolheid............259 Doniimque-hoen.........78 Dorkings...........58 Doiuilie............255 Drinkbakkon..........20G Duck wing.........43, 169 Duivenboendcrs.........384 Dnivenspoelwonn........275 Dulkamara...........234 DumpicB...........140 Dwergiioondors.........140 Dworg-Zijdehoon........149 Dysenterie...........244 Eokhoornstaart.........6 Ei........ 194, 197, 3)2, 318 Eierdooier........ . . . 317 Eier-oten...........225 Eiorvormen..........313 Eierknnn...........214 Eierspicgol..........323 Eierschalen........314, 316 Eierstok...........319 Eileider............320 Eiwit . . . .........317 Elephantiasis..........256 Elsassor hoen.........155 Embryo.......... 323, 327 Emu-fowls...........13 Engolscho boenders.......130 Erwtonkam....................5 Erythrisme....................7 Euploconius nyctbemcrus.....380 â Swinboeï.......380 â Violloti.......380 â prelntus........380 â nobilis. ......380 |
B'mlz. Euplocoimis linoatus.......380 â Horsfieldi.......380 â melanotus.......380 â albocrlstntus......380 â ery trophtalmus.....380 Enpsyohortyx..........381 Faleo peregrinus........272 Fnvusziekte..........258 Fazant.......... ⢠yfS â Elliots.........379 â Groene of bonte......379 â Glans..........377 â Goud..........379 â Konings.........379 â Lady Amborst......379 â Mongoolsche.......379 â Hooves.........379 â Ring..........379 â SömmerlngB .......379 â Wallichs........379 â Edel..........380 â Gestreepte........380 â Ilorsfielda........380 â Prelaat.........380 â Itoodstaart........380 â Swinhoe.........380 â Vioillots.........380 â Vnurrug...... 380 â Witkuif.........380 â Zilver-.........380 â Zwartrug-........380 Fazanthoenders ......... 380 Fenikshoen..........56 Fibrine............189 Firobacks...........176 Fokmatoriaal..........305 Fokstam.....,..... 7 Fokstation...........401 Foxy-head. . :........16 Frankolyn...........381 Friesen............145 Frisó's............145 Frisirteshuhn..........145 Frizzled fowls.........145 Furness-hoenders........46 |
411
|
BI adz Gallinao...........17( Gallopordix..........17(i (i nllophasis........176, 380 Onllus............nu OalhiH aiiKlicniuiH........!30 â bankivn.........177 , ooftudatuH........1-13 â fomipiiieiiH........177 â l'urcatus.........182 â Javaniuus........182 â kiklrivulli........181 â Ijal'ayotti........181 â persicus.........143 â Soimcrnti........179 â Stanloyi.........181 â vnriuH.........182 Odl- of f^eclzuclit ........ 242 Omuo fowla..........41 Oamo bantam.........107 Qavouso...........222 Ookrangd parollioon.......371 Ctelatino............380 Qoldorsch hoon.........112 Gomboi'............234 Ocwiclitstoenaino........224 Gowriclitsontstoking.......2G5 Oiurbakkon..........(i Gtior-parolboon.........371 Olansfnzant..........377 Glauberzout........ 251, 252 Olycorino......... 237, 386 Oo-lait,'hs . . . . .......140 OondookH . . . ........144 Gouan............384 Goucllakon...........70 Goudpol...........71 Grogarinon..........258 Orogarinoso..........258 Grouso............11 Guinea fowl..........365 Haarhoondors..........149 llahituu............6 Hauibm'ffor kuikens.......341 Hamburgers..........67 Hanen of lioniien...... 308, 300 |
Blad?.. . . 267 Haverslym. . , . . ......243 Havik............272 Hazelhoen...........382 Heilige boendors........102 Heimhokko...........383 Helscbo steen.........262 Henny-gamo..........46 Honninó...........129 Hoendorbokken....... 286, 287 IIoondermeHt..........395 Hokko............383 Iloil. witkuif..........124 lloUbiiuser hoen........100 Honig............234 Honduras kalkoen........345 Horenfazant Blythi.......380 â Caboti.......380 ,, Hastiagi.......380 â Temminoki......380 Houdans...........120 Houtskoolpoodor........219 Hnidwaterziicbt.........261 Hurrican fowls.........145 Ijzervitriool . 236, 238, 245, 246 252, 267 Incubator = broedmachine. . . 330â335 Indian game fowl........49 Indigestie...........242 Ind. Vecbtboen.........49 Infundibuium..........322 Instructie...........396 Inteelt............311 Inuline............191 Italianen...........102 Japanscb Kriel.........164 â Zijdehoen.......146 Jicht.............264 Jodium............265 Junglo-fowl..........177 Kalkoen als broedsters......326 Kalkoen-eieren.........347 Kalkoen...........342 â bronski.........349 I i Hartziekten |
41
|
'2 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ai 3
|
Blndz. |
lilmlz. | ||
|
Melsbachncb vechtlioen . . |
.... 52 |
Patterson....... |
. ... 157 |
|
Mentvoor....... |
210 e. v. 362 | ||
|
Moatliok....... |
. . . .219 | ||
|
Mjjt......... |
â , Sumatruanscbe . . | ||
|
Millo Hours...... |
.... 159 | ||
|
MilvuH........ |
.... 47 |
.... 88:i | |
|
Minorca's....... | |||
|
Mitii......... |
r muticuH..... |
.... 373 | |
|
Monaul pticasniit . . . . |
.... 377 |
â nigripennes .... |
.... 373 |
|
Montana'»....... |
. . . .157 |
spiciferus..... |
. ... 373 |
|
iloonov's | |||
|
Motinot........ |
Peking-Kriel...... |
.... 10 | |
|
Mottled Java...... |
.... 82 |
.... 151 | |
|
Pencilled....... |
. . . 12, 68 | ||
|
I'enelopidae...... |
.... 384 | ||
|
Nain do Combat . . . . |
. . . . 1G7 I | ||
|
Napoleon»...... |
.... 40 |
Pepermunt...... |
. . 240, 242 |
|
Perdicidae....... |
.... 381 | ||
|
Nomonclatuur .... |
.... 1 |
1'ordicinae....... |
.... 381 |
|
Nuniida....... |
.... 381 | ||
|
â volturinu . . . |
.... 371 |
Perdix........ |
.... 381 |
|
â rubra ..... |
. . . , 381 | ||
|
Odontopborus..... | |||
|
Oloum oinpyrenmntieum. |
â saxatilis .... |
.... 381 | |
|
Olijfolie....... |
Perser........ |
.... 145 | |
|
Ontstekintf dor votklier . |
.... 161 |
Persian cock...... |
.... 143 |
|
Oost-Kriesclio moouwtjos. |
.... 151 | ||
|
Oorfazant, Mon^oolHubo . |
.....379 |
Petroleum....... | |
|
â . Blauwe . . . |
I'basianus gallus . . . . |
.... 179 | |
|
v , Tbibetaanscbo |
â imlicuu . . . . |
.... 179 | |
|
Opium....... |
. . . 270, 271 |
â colcbicus . . . |
. . . , 378 |
|
Opkweekkast..... |
â mongolicus . . |
.... 379 | |
|
Orpingtons...... |
.....76 |
r Ellioti . . . . |
.... 379 |
|
Ortygornis...... |
.....381 |
â Keevesi . . . |
.... 379 |
|
Ortvx....... |
â Soemeringi | ||
|
Ovarium...... |
. . 269, 322 |
â torquatuH . . . | |
|
â versicolor . . . |
.... 379 | ||
|
â Wallichi . . |
.... 379 | ||
|
Paardebloem..... |
, . . 243, 355 |
Pboonixboen...... |
.... 56 |
|
I'adua'H...... | |||
|
Pbospborzuro kalk . . . |
. . 190, 267 | ||
|
Paraffine ...... |
. , . 386, 388 | ||
|
Parelboon...... |
.....365 |
Piuiinveo verzonden . . . |
. . 392 e. v. |
|
Parjjzer boenders . . , |
.....40 |
I'lvnioutb Rocks . . . . |
.... 82 |
|
Partridge...... |
.....11 |
Poederkam...... |
.... 258 |
414
|
Bliulz, Polauds...........123 Polinh fowls..........123 Pollastri...........103 Polvorara-hoen.........120 Polyploctrou Chinqui.......375 â argus.......3Tü B thibotanum.....375 Potassium...........385 Poulo C'ornotto.........112 â do Combat........48 â du Mans.........110 â do la ürosso.......HG â du Sérail.........135 â sultano.........135 â de la Campine.......151 Poulo pintado.........305 Prairio-hoen..........382 Procipetaatzalt.........258 Prins Albort hoon........10 Proteïne...........189 Ptarmigans..........13-1 Pucrasia...........378 Rachitis.......115, 212, 200 llamelslohor boen........100 Kas............. 7 Rod caps...........275 Red-pilo.........-14, 170 Rogressio...........304 Ren.............280 Rouzonargus..........370 Rbabarbor...........242 Rystwater...........243 Roodkapjes..........275 Roodo huidziekte........200 Roofvogels..........272 Roofvogelval..........273 Rotspatrijs...........381 Roup............235 Rozomai'ünolio.........250 Rui.............200 Rumkins...........143 Rumples fowl . . . ......142 Rupsen............250 Russian fowls.........142 Russisch hoon.........142 |
Utadz. Sabolpoot kriel.........158 Salioyl . . . 232, 230, 241, 205, 2CG, 380 Salmiak...........23-1 Salpeter...........235 Saterhoon...........380 Schelpkalk......., . . 385 Schlotterkammen........100 School............0 Schotsch kriel.........107 Schotscho koekoek........65 Schnlpneus kraaikop.......112 Schurftpooton.........250 Scotch Orey......, 05 Sebright bantam........160 Selecta-hoen........120, 155 Serail-boon..........135 Sbangbaes...........9 Siameesch zijdehoen.......149 Silicaat........, . . . 385 Silky fowls .........140 Silver-bull'...........11 Slagen............7 Slnkkenteelt..........203 Sneeuwhoen..........382 Sonnerats-hoen.........179 Soort............^ Spaanschc boenders.......90 Spangled......... 46, 68 Species............ï SpiegeU'azant..........377 Spiegelpauw......., . . 375 Spiritus......... 237, 257 Spoelworm..........24!) Stam............'i Standaard...........4 â van volkomenheid .... 5 Stanley-hoen..........181 StDiorsche landhoen.......153 Stijl.............0 Stopmachino..... .... 223 Stoptrechters.........221 Struishoenders.........55 Styrax............257 Suiker............191 Sublimaat......... 245, 248 Sultanhoondei's ........1B3 |
415
|
Hliiilz. Blailz. iSumatru game.........5iJ j Vaseline...........387 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
I
|
lilatlz. |
Bladz. | ||
|
Zevenburgscli naakthalshoen . |
... 137 |
......385 | |
|
Zyde-Cocliins....... |
. . . li! |
Zoutzuur..... |
. . 240, 245, 246 |
|
Zydehoonders....... |
. . .140 |
Zuigwormcn .... | |
|
Zilverlaken..... |
. . . 68 |
Zwarte Java-liooii . |
......81 |
|
Zilverpol........ |
... 71 | ||
|
Zinkwater........ |
. 239, 264 |
Zwiiveljjzor .... |
......363 |
|
Ziukzall'........ |
. 239. 264 |
Zwavelkalk .... | |
|
Zitstokken....... |
. . .278 |
Zwavelzuur .... |
'1 â
i
I Ij ij'!
[| 1
'it-|f
F Hi
ri
â
11:
4-; vv -vt; v^.quot; ^
v V- *⢠A:\, lt; ^ ^ /jf
\ ' *
lt;gt;â¢
' ^ â 4 / «. â '
-. . . r ^ * i f C* S r quot; ** . ^
k , â¢' lt;â 'â¢' .*, ?v ; quot; -^«s..... »gt;
f ^'y â t i* v- ,
V ' ^ gt;â . , gt;'».â¢lt;, *gt;, / ~gt;v â ^ gt;k--gt;KKt* J*ir quot;' ' K »' ⢠vQ
i« Y â¢w' % ft- t v'i^ â gt;- £*?''$â
I â ⢠i ⢠.' 'V^ * gt;r-. »â / - . \ «1 ^ â gt;â «⢠⢠- â¢Â«â . ; ; -
,4 . ''-â S^Ãf--.' * a' . â ^ ^â : n
i â¦. 'â¢.quot; i / ,. ,- - quot; 'i. . ' â¢gt; 1 quot; ; gt;- ' r?' gt;lt;.., , \ r '-\ c '
i ,⢠j, \. v,
j t-.r- -â
lgt; â
*r i 'quot; gt;.-' t jjr *â '⢠if*
i ' »-lt; gt; ^ ^ '. â¢
jT ȉ -v
* quot;V, y 7
! ⢠#-fV '--.'p : ramp; 3
'- ' quot;U .-^ 1^ - x, ^ gt; a . * ' i â¢
â¦i' ^.: ' -* V ' -lir â - iNK - ' v * ^
^ ** ^ ' \. fl X ,.-! ^ V ' V â lt;« »' â
i â¢â¢ .lt;»â 'â A KlK. ; ' n^T '
gt; ^ . \ 'V' ^ gt; W â ^',
v f» v. ' f ^ - '/ fl ^ ^
V C i ^ ^⢠1 f . V '' #'V v 7
vi v i' v n: quot; ^ .:
^ ?
:i r
f 'V
«
. . quot;teL
. - â ^U' fs ' - â â 1 tv- * *3
:J Ti-'quot;
quot;Jï.'yy N
v* - / v *quot;
' 5