ocr page 1

0^

Jgt;w

lt; 'V

• amp;■ ■

•v ^

- w V r ^ -f , ^ ^ ^ w«

-4r-,4 t ^ ./---V1 quot;rv^

^ .j^Ü- -\ ^ -7 / ^ M*

*■ '

v«'\ ^ ; t^tu Vè-

r-p^ iv? :-u'lt;^- - tr^..

I7 -£■.* x f5 '

quot;■ *£ef' :

.. JfV- \v \ r lt;;■ # . ^ *•-•( ?-W

■ - «quot;quot;V ^ ■

quot;-I'V . x- - -l fgt;, ■

- ^ 'f

■ ' ^ p-., 'v 'S; irf- ; • *

iv v . S** . slt;è ■

: V' ^ v ^^ T W V

!'»gt; ■■■- ;v-

■ T gt; Sr JM * M ^L~

i.»''. • ' -N* Ö. ■ -.^ ■' V r ^

M.' • - .•gt;•» gt; -• V » A- j\

Ir ' 'i 4 jquot; ^ ■'' - .v-v

_ v ït:^ ...■ - ^ ,

^ ^ f /■?'...S]

U

, -v-v^r \\T - *±1

v^: 4 . v # t

-'u 4 ^ ' f i

t ^ s /■ Jt*- , ' 'V -

^•7'

T-t ^ ^ A ^

gt;1/ • • ?lt; gt;r ,

h ' *» * ■• - , -■ lt;

^ quot;i- «j . 5^ - 'quot; ';;

: 4 . » ^.v. *lt;

S ;lt;^-

gt;- ?

^ f*' * „■.. lt; gt; -J

•■*■. r-gt;

♦ quot; quot;r. r r r 1 ■•■■^

flt;-, '7.' ;■

r . gt; v a v-* .- ..^ ■ .v 4 •

' quot;. ^ '1 t t ,v ' i'-

t - r -:; . ■ ^ ^ ■' quot;• ^ t-

i .cA-■ v ^^ ,: ^ .9 ^:

a? ** - 'j-V- . • A

. «.; -t^-c ,/ - -^T •lt; „r- A 'S-V A-gt;

i ^ ^ * i \r^ , ••' ^JVr v ,

vr ■' :* t- nr v gt;.

r l''*!

^ ^ ./gt;i

ocr page 2

Bibliotheek van de fakuiteit der Diergeneeskunde

Collektic: C. S. Th. van Gink

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

geïllustreerd handboek

DER

PLUIMVEETEELT.

ocr page 6

3088 868 3

ocr page 7

geïllustreerd handboek

DKii

PLUIMVEETEELT

UOOli

A. C. E. BA LD A MUS.

NAAR DEN DERDEN DRUK VOOR NEDERLAND RE WERKT

DOOR

J. H. BEEKMAN JV

Redacteur vax „Avicultukaquot;.

MET 240 AFBEELDINGEN.

TWEEDE DEEL: DUIVEN EN WATERVOGELS.

MET 138 nOUIGRAVDRES NAAI! TEEKENINGEN VAK JEAN BUNGARTZ E. A.

wcV A?-V

----- ^

ZUTPHEN. SCH1LLEMANS amp; VAN BELKUM.

ocr page 8

ilcilrukt bij G. J, TI1IEMK te ArnhcMii.

ocr page 9

I. DE DUIVEN.

INLEIDING.

Onze duiven bchooren, niet do honden, paarden, hoenders enz., tot die huisdieren, welke door den invloed, dien de mensch op hunne teelt uitoefende, de menigvuldigste en meest opvallende veranderingen hebben ondergaan. Het onderscheid tusschen het Barbarijsche paard , het Nonnandiselie ras en de Schotsehe poney, of tusschen den windhond, den buldog en het Bologneezer hondje is nauwelijks grooter dan dat tusschen de Valkenet, de Kipduif, den Kropper en den Almondtuimelaar!

In skelethoini' — in vorm en afmetingen, zelfs in het aantal afzonderlijke deelen van het geraamte; in de ontwikkeling der spieren en hunne verdeeling, zoowel als in de andere weeke deelen; in de hevedering — in vorm, lengte en aantal der vederen; in de grootte, houding, dracht, beweging — vlucht en gang; in do slem zelfs; welk een verbazend groote speelruimte voor veranderlijkheid is in dit alles op te merken!

Welk een onderscheid tusschen den snavel van de Veldduif, den Almondtuimelaar, de Valkenet en de Engelsche Carriers; tusschen do snavel- eu oogwratten van beide laatstgenoemde soorten en de washuid en oogranden der quot;Veldduif; tusschen het hooge, steile voorhoofd der kortsnavelige Tuimelaars en hot vla kke voorhoofd van de Kollers of de Dragonders; tusschen den schedelvorm van overigens na verwante rassen als Dragonders en Carriers, Platzwaluwen en Eksterduiven; tusschen den hals van de Pauwstaartduif en den Dragonder, de Valkenet en de Zwaluwduiven enz.; tusschen de dijen en pooten, de grootte, het voorkomen en de houding van Kroppers, Alinond-tuimelaars en Raadsheeren!

Letten we verder op het aantal, de lengte en den vorm der slag- en slaartpennen en de houding eu richting der laatste; op de hevedering der poolen; de versierselen van kop, hals en borst; op de sLruclnvr en de eigenschappen van het gevederte; — wat een contrasten en tevens wat ecu overgangen 1

Baldamus, Pluimvcotoolt II. 1

ocr page 10

sj

.— beschouwen we de kleur en de teekening der duiveu! Welke andere huisdiersoort, zelfs de hoenders niet uitgezonderd, kan, wat den rijkdom en den (/lunit der Meuren en de verscheidenheid en nauiokcurUjheid der teekening aangaat, met de duiven vergeleken worden!

Dat alles te zamen genomen en daarbij gevoegd de groote tembaarheid en vertrouwelijkheid der duiven, de levendigheid en sierlijkheid liarer bewegingen, vooral van de vlucht, de eigenaardiglieden van deze laatste alsmede zelfs van de stem: dat alles heeft er toe medegewerkt, dat de duiven reeda in de grijze Oudheid de lievelingen der menschen geworden en dat tot op den huidigen dag gebleven zjjn. .la, de liefhebberij voor duiven heeft zich, zooals duidelijk is aan te toonen, in den loop der eeuwen steeds verder en verder verbreid en is in velt' landen, vooral in het Oosten, een hartstocht geworden, die de schoonste kweekprodneten heeft doen ontstaan.

Uit het Oosten, uit Indië, Perzië, Voor-Aziö en uit Noord-Afrika, heeft Europa het grootste gedeelte van zijne schoonste rasduiven gekregen. En nog heden telen Christenen en Mohammedanen aan de kusten van Klein-Azië duiven van zulk eene schoonheid, fijnheid en zuiverheid in kleur en teekening, dat men zich er geen goede voorstelling van kan maken, als mende blondinetten en satinetten, „de parelen onder de bevallige meeuwtjes , nog niet heeft gezien.

Piet is echter niet alleen om aan de liefhebberij of het schoonheidsgevoel te voldoen, dat de duivenfokkerij zich zoo zeer heeft verbreid, zoo zeer wordt beoefend; de eerste factor van de domestiseering der duiven, alsmede van hare verbreiding, was zonder twijfel het nul, dat ze in verschillende opzichten opleveren.

We houden het er voor, dat de voorouders van onze duiven zeiven de eerste schrede tot hare domestiseering gedaan hebben. Dat deze voorouders slechts holenhroeders geweest kunnen zijn, onverschillig of zij tot ééne ot tot meer uitgestorvene of nog levende soorten behooren, dat bewijst de bepaalde voorliefde van hare nakomelingen in het duizend en nog zooveelste lid voor donkere, neslpladtsen, haar tegenzin in hoornen in 't algemeen en in het houwen van haar next in de lahhen daarvan, waarvan geen enkel ander zoo sprekend voorbeeld bekend is. De voorouders onzer duiven moesten wel zoo lang in rotsholten enz. broeden, tot de door den mensch opgerichte gebouwen haar andere geschikte broedplaatsen aanboden.

Toen echter maakten ze — hetzij uit zucht tot gezelligheid, hetzij omdat zij zich er veiliger gevoelden, hetzjj omdat zij daar gemakkelijker in haar levensonderhoud konden voorzien hare nesten op daarvoor geschikte plaatsen aan en bij de mcnschelijke woningen.

Hadden deze gebouwen, op eenige hoogte boven den grond, in- of uit-

ocr page 11

3

wendig donkere hoekjes, dan namen de duiven die vrijwillig in bezit. (Ifet-zelfde geldt ook van andere vogels, bij voorbeeld van vele zwaluwsoorten. Eene Amerikaansche soort, welke nog voor weinige jaren in bet verre Westen in boom- en rotsholten broedde, bouwde langzamerhand hare nesten in de daar ontstaande buizen en verbreidde zich toen ook oostelijk tot aan de Atlantische kust.) J)e eerste gebouwen van deze soort, welke boven de bouten, strooien en met aarde bedekte hutten uitstaken, waren klaarblijkelijk de tempelgebouwen. Daarin en daaraan zett'en zich de eerste veldduiven neer en gingen als eene „godsgavequot; voor heilig door, zooals zij nog tegenwoordig bij verscheidene Oostersche volken voor heilig worden gehouden.

De priesters hadden intusschen weldra ontdekt, dat deze heilige gasten der goden ecu aangename en gezonde spjjze opleverden, vooral de jonge. Deze werden daarom voornamelijk bestemd voor de „zoen- en brandoffers der priestersquot;. Naast de tempels begonnen zich de koninklijke paleizen te verheffen, in welker torens en muren de heilige duiven gingen nestelen, tot eindelijk ook de „onderdanenquot; merkten, dat de duiven „zeer goed eetbaarquot; waren en daarom potten en hokjes aan hunne hutten en aan de stadsmuren hingen, om ze te vereeren en — te verteren. Kortom: het was ile smaak in eigenlijken zin, die, lang vóór liet ontwaken van den idealen smaak, de domestiseering der duiven verbreidde.

Dat echter ook de laatste, de liefhebberij voor het houden en fokken der duiven, zich in zeer oude tijden, en weder het eerst in het Oosten, ontwikkelde, daarvoor hebben wij vele historische bewijzen, 't Is echter hier niet de plaats om eene geschiedenis der huisduiven te geven en dus moeten we ons bepalen tot eene korte aanwijzing op minder algemeen bekende data.

In den talmud is reeds sprake van 10 soorten van duiven en onder deze waren er 5 rassen of variëteiten van huisduiven, onder welke Dr. L. Lewysohn den Eaadsheer en den Tuimelaar meent te herkennen; zijne meening berust echter op zeer zwakke gronden.

In de stad Modena (Italië) bestaat reeds sedert meer dan tweeduizend jaren de liefhebberij voor een enkel en eigenaardig ras van vluchtduiven, waarover later meer, en bet bezigen der duiven voor bodediensten dagtee-kent reeds uit de grijze Oudheid.

In Europa, waar de duiven lang voor de christelijke tijdrekening zijn ingevoerd, heeft zich do liefhebberij voor do d ui venfokkerij •— met uitzondering van Rome eerst tegen bet einde van de 'li)dlt;' eeuw verbreid. Holland en België zijn dc Europeescbe landen, waar de liefhebberij voor duiven reeds in do I6(i(gt; eeuw in vollen bloei stond. Van hier uit schijnt zij zich over Frankrijk, Engeland, Duitschland enz. verbreid te hebben.

ocr page 12

waar zij op vclo plaatsen een wave hartstocht werd en waar zich eene kweekkunst heeft ontwikkeld, welke niet die van het Oosten kan wedijveren.

Eerstk Hoofdstuk.

Terminologie, iionieiiclaliiiii' en klnssifleatie tier Imisdniveii.

I. Terminologie.

Wij bepalen ons hier, niet betrekking tot het in- en uitwendige der duiven, slechts tot de belangrijkste afwijkingen van de terminologie der hoenders, zooals die aangegeven is op bladz. 1 e. v. van het 1quot;' deel, en waarmee de duiven uit een anatomisch oogpunt beschouwd in vele opzichten overeenkomen.

De voor ons doel belangrijkste verschillen betreffende de beenderen zijn de volgende:

De hersenpan is evenals sommige andere beenderen zeer poreus en pneumatisch (de holten zijn met lucht gevuld) en het voorhoofd onderscheidt zich van dat van alle echte hoendervogels door meerdere breedte en welving.

Het borstbeen heeft een zeer hoogen kam; de hoogte hiervan wordt slechts overtroffen door die der beste vliegers als de vlieghoenders (Pterocles), de zeilers (Cypsehis) en de kolibri's (Trochiius). De achterkant van het borstbeen, dat ovenals bij de hoenders tot ver naar achteren reikt, heeft aan elke zjjde twee met huid bekleede bochten; doch bij de duiven is, juist andersom als bij de hoenders, de naar het bekken gerichte bocht verreweg do grootste en de binnenste zeer klein. De vorm en de grootte dezer bochten verschillen echter vrij aanzienlijk, vooral bij de rasduiven.

Van de 7 paren ribben bezitten er 4 of 5 een van een gewricht voorzien beonig verlengstuk.

De duiven hebben — mot uitzondering van do Gauras, welker er 13 bezitten — 12 halswervels, 7 gedeeltelijk met elkander vergroeide rugwervels en 7 staartwervels.

De beenderen dor vleugels komen, evenals die der pooten, zeer veel mot die dor hoenders overeen; de ellepjjp is sterk gekromd en staat tamelijk ver van het spaakbeen af, maar de hand is langer dan de benedenarm, deze langer dan de bovenarm en de duimvleugel der hoenders ontbreekt. Het loopbeen is meestal korter dan het bovenschenkelbeen, alleen bij de Goura's is het even lang.

Wat do muskulatuur aangaat is op te merken, dat de vleugelspieren uitmunten door buitengewone sterkte en kortheid hunner pezen, wat, in

ocr page 13

vereeniging met de hiervoor genoemde eigenaardiglicden van liet beende-rengestel. de duiven niet alleen een snelle vlucht geeft doch haar tevens in staat stelt het vliegen langen tijd vol te houden, zoodat zij dan ook in het vliegen door weinige vogelsoorten geëvenaard of overtroffen worden.

Do slokdarm is tot een zeer rekharen krop uitgezet, welks wanden in don broedtijd verdikken en plooien en vouwen aan den binnenkant krijgen, om onder verhoogde werking der verwijde bloedvaten een melkachtige stof af te scheiden, die het eerste voedsel der jongen uitmaakt.

Do kliermaag is langwerpig van vorm en rijk aan klieren; de eigenlijke maag, de spiermaag, heeft sterke wanden, is zeer gespierd doch niet groot.

Het darmkanaal, G k 8 maal zoo lang als do romp, heeft aan do binnenzijde vele oneffenheden; de blinde darmen zijn zeer klein.

De lever bestaat uit twee ongelijke spitse lappen en heeft geen galblaas; do gal stort zich door twee kanalen in den darm.

De milt is langwerpig rond van vorm, doch in minderen graad als bij do zangvogels.

De tong is zeer smal, spits en week, de kern ervan kraakbeenachtig.

De ballen zijn langwerpig rond als die der hoenders, de eierstok is eveneens enkelvoudig en alleen aan den linkerkant ontwikkeld.

Aangaande de terminologie der uitwendige deelen het volgende:

De snavel is ongeveer gelijkmatig dik en ongelijkhelftig, d. av. z. dat de bovenneb dikker en iets langer is dan de onderneb: bijv. bij do volden kleurduiven (Fig. 4, 2 en 3), of gehjkhelftig en meer of minder kegelvormig: bijv. bij de meeste kortsnavelige rassen (Fig. 4, 5 en 6), of eylindrisch — Box-beak — (Fig. 20,21, 22 en 23), bijv. bij de Carriers enz.

Do neushuid, snavelhuid, snavelwratten — Beak-wattles of Nose-wart —-is of enkelvoudig en dan glad, vlak, minder of meer kogelvormig (Fig. 1—6, 24 en 13), of samengesteld, halfkegelvortnig — Pcrj-wattles — (Fig. !gt;!)), of walnootvormig (Fig. 20); do kleine ronde wratten aan de onderneb noemen de Engelschen Jewivatlles ~ jodenwratten, (Fig. 13).

De naakte kring om de oogen, die zich bij sommige rassen tot een imetto of tot wratten heeft ontwikkeld, is of klein en glad, óf als wratten gekorven, geplooid, gerimpeld enz. (Vergel. Fig. 13, 14, 20 enz.).

De schedel is rond, breed, hoekig, driehoekig of plat; de bovenkop vlak, hoog, gewelfd (vergel. Fig. 3 en 5, 23 en 12 enz.); liet voorhoofd breed, vlak, hoog, steil, overhangend (vergel. Fig. l i, 22 en 11); het voorste gedeelte van den kop en de snavel heeten het gezicht — Face,

De gezichtslengte wordt gemeten van het midden der oogen tot aan de snavelpunt en de duif heet daarnaar kortsnavelig, langsnavelig, of middel-langsnavelig.

ocr page 14

Fijjf. 2. IJuduil'.

Fig. 4. Nonnetje.

Fig. 3. Platzwaluw.

ocr page 15

JJc huid tussclion do wortels dor ondemobtalskcn licct do kin; eciio van daar tot do koel loopondo slappo Imid do warn of koelzak (fig. 6), bij do moouwtjes; don krop noemt men naar den vorm ovaal of bolvormig.

Do lials komt dun of dik, sniiil of breed uit de schouders; verder is bij lang. kort, dun, dik, naar boven dunner wordend, roebt, gebogen, ingetrokken enz. Als contrasten dienon fig. '2 en 3. 'iü, 21, 22, 23 enz.

ocr page 16

8

Men noemt den rug bol of hol, naarmate hij naar boven of naar beneden gewelfd is.

Bij de kroppers komen nog eenige bijzondere benamingen voor, die bij de behandeling van dat ras zullen worden opgegeven.

In betrekking tot de houding van den kop hebben de Engelschen nog do uitdrukking down faced, wat wil zeggen, dat snavel cn kop niet liori-zontaal, maar een weinig naar beneden gericht gedragen worden. (Vergel. 23 cn 9, 10, 13 enz.).

üc pooten noemt men „hakkersknieënquot; — Baker-knee — wanneer de hakken een weinig naar binnen cn do beenen een weinig naar buiten zijn gebogen, wat tot de sierlijkheid der houding behoort; „Koehakkigquot; noemt men ze, wanneer het hielgcwricht niet hoog genoeg en te sterk gebogen is, enz. (Zie: diagram v. d. Kropper, fig. 80).

quot;Wat de bcvedcring aangaat, springen in de eerste plaats de eigenaardige vedervormingen in het oog, die het eigenlijke sieraad, ook wel een der kenmerken, uitmaken van sommige duivcnrasscn. Deze versieringen bestaan bijna zonder uitzondering uit onregelmatig gevormde, dat wil zeggen van den gewonen vorm afwijkende vccren. Want zelfs in de gevallen, dat deze sierveeren een samenhangende vlag hebben, zijn de schachten toch gebogen, gekromd, gedraaid enz.

Meestal missen zij ook de kleine haakjes, waarmee de baarden in elkander grijpen, waardoor de vlaggen hare vastheid verloren en omkrulden; do baarden hebben dikwijls een dons-, zijde- of haarachtig voorkomen, gaan soms werkelijk in dons over en vormen een ruw, verward, gekruld geheel.

Bedoelde versieringen worden gewoonlijk gevonden aan den kop, den hals, do borst en de pooten, doch ook wel — en dan zijn de vccren of zijdeachtig en gedeeltelijk gekruld, of naar boven gekromd — op het grootste gedeelte van den romp, zooals bij de zijde- en krulvecrduiven.

Tot de versierselen van den kop behoort in de eerste plaats de kuif, die nu eens van den schedel, dan van het achterhoofd of den nek uitgaat. Men onderscheidt deze in pimlkuif cn schelp kuif.

De pimlkuif — Peak-crest — (fig. 6) bestaat uit smalle, gedraaide, spits toeloopende veertjes, welke samen een eenigszins plat gedrukten, spiraalvormig gewonden kegel vormen met spitse punt en breede basis. Deze kuif moet juist aan liet midden van den nek ontstaan en aan den achterkant niet loodrecht, maar een weinig bol omhoog gaan tot boven den schedel. Het achterste gedeelte van deze kuif wordt ook maan genoemd, welke naam echter ook gebezigd wordt voor liet achterste gedeelte van den eigenaardigen vedertooi van de raadsheerduiven. Bij deze zien wij de maan

ocr page 17

!)

ia hare volle ontwikkeling, Lij de puntkuif' slechts als „embryoquot;; die der maanduif verschilt weder van heide vormen.

De schelplmif — Shell-crest — (fig. I), I, fgt;, 18) moet het achterhoofd omgeven en in een fraaie hocht tot dicht aan en onder de oogen loopen en daar in ecne schelpvormige winding eindigen. Deze winding wordt in Engeland rozette genoemd en gaat voor bijzonder fraai door. Een volkomen schelpkuif moet van oog tot oog goed ontwikkeld zijn, uit dicht naast elkander stiiande en gelijkmatig „als een kroonquot; opgerichte veertjes bestaan en zoo hoog mogelijk zijn; de grootte of hoogte, alsmede regelmaat in de vorming beliooren vereenigd te zijn om deze kuif werkelijk schoon te kunnen noemen.

De snavelroos is eeno aan den snavelwortel ontstaande, minder of meer roosvormige vederversiering, zooals men die bij de paap- en trommelduif aantreft; hij eerstgenoemde zjpi de veertjes naar ééne zijde omgekruld en vormen zij een soort kussentje, bij de laatste zijn de veertjes meer naar alle zijden gericht.

De kap of halskraag, welke zich bij de raadsheerduiven het best ontwikkeld vertoont, strekt zich uit van het achterhoofd, over het achterste gedeelte, de zijden en het bovenste deel van den voorhals tot dicht aan de borst. De Engelschen onderscheiden er 1? deelen aan, n.1. de Hood —hoed — die men als eene grootere en meer volkomen schelpkuif zou kunnen beschouwen, Chain — ketting — het langs do zijden van den hals loopend gedeelte en Mane — maan — het achterste gedeelte, fig. 19. Bij de beschrijving der raadsheerduif zal een en ander uitvoeriger worden omschreven.

Aan den voorhals, van de wam tot op de borst, ontwikkelt zich eene uit gekroesde veertjes gevormde vederversiering, in 't Engelsch Frill genoemd, door ons gewoonlijk met de Fransche namen jabot en cravate betiteld; de volkomenstc vorm, de Rose-frill, noemen wij ook rozette. Zij bestaat over hare geheele uitgestrektheid uit kleine, rondaehtige, gekroesde veertjes, welke meestal zijwaarts, doch ook gedeeltelijk naar boven en naar beneden gericht zijn (fig. (i, 9 en 10). In hun fraaisten vorm, de rozette, scheiden zich deze veertjes alleen in het centrum, d. w. z. op de rechte lijn, welke over het midden van den hals, van de wam tot de borst loopt; vooral bij de Engelsche en Afrikaansche Owls — Uiltjes — is zij zeer fraai ontwikkeld.

Aan de pooten onderscheidt men de volgende vederversieringen:

De broek, waardoor men de bevedering van de onderschenkels verstaat, wanneer die uit lange, werkelijke veeren is gevormd.

De vrij lange en elastische, meestal breedc en afgeronde veeren, zijn daarbij schuin naar beneden en naar binnen gericht. De meer stijve en lange

ocr page 18

10

Fig. 17, Boeohnrijschc Irominelduif.

Fig. 18. l'napduif.

Fig. 10. KnadHhoor.

Fig. 20. Carriör.

ocr page 19

11

broekveoren even boven het liielgewriclit vormen cjierhakken, welke bij sommige russen gaarne worden gezien.

Door kansen, waarover nader bjj de kroppers, verstaat men do bijna altijd zachte, donsachtige bevedering van het loopbeen.

De uir harde, gewone kiclveeren bestaande bevedering van loopbeen en teencn — Slippers — pantoffels — worden door ons meestal nokken genoemd. Naar de lengte van deze voeren noemt men de dieren dan lang en kort gesokt, en zjjn deze veeren zacht en donzig dan spreken de Engelschen nog van grouse-mvjfed sneenwhoenvoetig.

Zijn van de staartveeren de baardjes van elkander gescheiden, dan noemt men die tjefriseerd.

Wat de kleur en teekening van het gevederte aangaat, valt in 't algemeen op te merken, dat men 4 hoofdkleuren aangenomen heeft: blauw, zwart, rood en geel, waarbij gewoonlijk nog een vjjfde wordt genoemd, n. 1. wit; alle andere heeten gemengde of nevenkleuren.

ocr page 20

12

Het blauw, de slarnkleur van alle huisduiven, komt voor van het helderste duivenblauw (maan- of' heulzaadblamv, wildblauw) tot het diepste leiblauw en gaat zelfs in werkelijk mat fluweel- en glimmend ravenzwart over. Het rood gaat van fraai kastanje-bruinrood in alle roode nuanceeringen over tot het diepste okergeel en dit tot het lichtste, witachtig geel.

Tot de nevenkleuren en nuanceeringen rekent men de volgende, die gedeeltelijk zeer moeilijk te onderscheiden zijn: parelblauw, zilverblauw, lichtblauw, vaalblauw, leiblauw (donkerblauw), zilvergrijs, asehgrauw, staal-grauw, leigrauw, geclgrauw, roodgrauw, vosrood, steenrood, aardbeirood, vleeschrood, vaalrood, vaal, reebruin, kaneelkleurig (lichtbruin), roestkleurig, roodbruin, chocoladebruin (donkerbruin), koperbrons, goudbrons, goudgeel, eigeel, zwavelgeel, vaalgeel, isabellekleurig, roomkleurig, parelwit, melkwit enz.

Het wit zelf komt voor: zuiver wit, mat of atlasglanzig of met een zweem van blauw, rood of geel en in eene zeer eigenaardige nuance, die bij de Néurenberger zwaluwduiven wordt aangetroffen en „oliewitquot; wordt genoemd.

Op de halsveeren nemen de duiven kleuren alle een soort van metaal-glans aan, die zich op de contourveeren van bijna alle lichaamsdeelen vertoont als: staalgroen, purper, koperkleur en brons; op den hals echter vertoont zich deze glans ook in tal van schakeeringen, als donker-, geel-en witachtig groen, als goud-, brons-, koper- en zilvergroen, van zwart- en purperrood tot het lichtste en zuiverste rose- en lilarood, als donkergoud-of koperrood, tombakrood, zilverrose enz. Dit in alle kleuren schitteren van het gevederte noemt men iriseeren; onze oostelijke naburen duiden het met het enkele woord „taubenhalsigquot; = duivenhalzig aan, waarvoor wij, waar zulks kortheidshalve gcwenscht is, „duivenhalsglansquot; zullen gebruiken. Bij de donker gekleurde duiven is die kleurmengeling dieper en fraaier dan bij de lichte.

Zijn de kleuren bijzonder zacht en zonder glans, dan noemt men ze Huweelkleuren en hebben zij bij groote zachtheid een weinig glans, dan heeten zij atlas- of satinetkleuren.

Duiven, die over hun geheele lichaam dezelfde kleur hebben, hoewel het onderlijf altoos iets lichter is, heeten éénkleurige duiven, ook wel roeken, ook dan nog, wanneer vleugels of staart van spiegels of banden zijn voorzien.

Bij de (jeteekendc duiven of duiven met afteekening, zooals de term ook wel luidt, onderscheidt men de grondkleur, dat is die, welke de overhand heeft en in alle kleuren en kleurschakeeringen kan voorkomen, alsmede

ocr page 21

13

wit kan zijn, on do kleur der teekening. Meermalen editor zijn buidu, grondkleur en teekening zoo over het lichaam verdeeld, dat hot moeilijk is to zeggen, wat eigenlijk do grondkleur is; in vele gevallen beslist dan de kleur van de iris.

De teekening zelve is, wat haren vorm betreft, regelmatig o( onregelmatig. De onregelmatig geteekende duiven zijn: bont wanneer ze zeer groote vlekken hebben; gevlekt — met kleinere vlekken; getijgerd — meer regelmatig gevlekt; gestippeld, gesprenkeld, geschimmeld, gevlamd, gemarmerd — een meer of minder onregelmatige, hier en daar ineenloopende donkere teekening op een liebteren grond; gehamerd — ook hamerslag, meer of minder regelmatige donkere vlekjes op een liebteren grond van dezelfde kleur; gekrast of geschift — wanneer de kleur der vleugels niet egaal is, maar door eene andere kleur onderbroken wordt, zonder echter eene dor hiervoor genoemde duidelijker teekeningen te dragon. Zoo spreekt men van roodkras, als de blauwgrijze kleur der voeren onderbroken is door roode baardjes, zoodat zij er als mot rood bekrast uitzien. (Komt vooral bij postduiven voor), enz. enz.

Naar de regelmatig gevormde teekening dor voeren noemt men deze: gezoomd — wanneer ze of alleen aan do punt of gebed omgeven zjjn door eon lichter of donkerder gekleurden rand — oindzoom en volle zoom; soms ook treft men dubbclgezoomde aan; getoept — spangled — wanneer de voeren in een min of meer ronde, grootere of kleinere vlek eindigen; in het laatste geval noemen de Engelschen de voeren tipped, de Franschon pointillé (gestipt);

geschubd of geschelpt — scaled -— wanneer de teekening op schubben of schelpjes gelijkt;

gepijld — arrow-pointed — wanneer de voeren aan liet eind zoo geteekend zijn, dat zich daar oen figuur vertoont in den vorm van een pijlpunt;

overlangs gestreept — striped;

dwars gestreept — gehand — barred;

terwijl men ook nog spreekt van zigzag gestreepte, netteekening, halvemaan-teekening enz.

Behalve deze vederteokeningen, die men kan aantreffen oj) den kop, den hals, de borst, den bovenrug, de schouders, de vleugeldekvoeren, de slagpennen of den staart, komen echter een groot aantal door éénkleurige voeren gevormde teekeningen voor.

Aan de verschillende doelen van het lichaam onderscheidt men nog de volgende teekeningen:

ocr page 22

i. T e e k e li i n g e n v a n d e 11 k o p.

No. 1 van fig'. 2(3

'2 „ „ 26

voorhoofdsnippen

* I

2()

De erwtesnip.....

De ronde snip . . . . f

De ovale snip.....

De spits-ovale snip .

4 „ „ 26

De oorsnip.............No. A van Hg. 26;

De helm, het helmplat Ilclmot........ 5 „ „ 26;

{De greusljjn loopt van den bovensnavel door de oogen naar liet achterhoofd, waar /e naar beneden buigt, zoodat het plat daar in den vorm van een spitse snip uitloopt).

Het schedelplat, volplat.........No. 6 van fig. 26;

(De grenslijn loopt van den bovensnavel door de oogen naar en om liet achterhoofd; de hierbij aanwezige schelpknif is anders gekleurd dan het plat).

De halfkop.............No. !» van fig, 26;

(De halfkop omvat de grootste bovenhelft van den kop met inbegrip van

ocr page 23

i 5

liet achterhoofdsgat; men ziet ze hot zuiverst bjj de witkop-tuimelaars (Baldheads).

De volkop..............No. 7 van fig. '20;

(De volkop omvat den geheelen kop met benodensnavel- en wangstreken tot aan den nek).

De baard, keel- of kinband........No. 11 van fig. 2(1;

De schedelband, een li a 4 milliineter breede streep, die van den snavelwortel tot over den schedel loopt.

2. T e e k e n i n g e n v a n k o p e n h a I s.

J)e nonnenkop............No. 8 van fig. 20;

(Hierbij is de kuif anders gekleurd dan de kop).

Do kleurkop (moorkop).........No. 10 van fig. 20;

(Verschilt van den nonnenkop hierin, dat de kuif dezelfde kleur heeft als de kop, terwijl ook de grens van het gekleurde gedeelte aan den hals iets verder naar beneden loopt).

De lachmeeuwkop (bij de Modeneezer duif) fig. 0!).

(Zoo genoemd naar do overeenkomst met de kopteekening van de lach-meeuw (Lams ridibundus); het gekleurde gedeelte omvat wel de wangstreek maar niet het achterhoofd).

• i. T e e k e n i n g e n van kop, hals e n b o r s t.

De halve borst, bef of slabbe, omvat de bovenste helft van de borst;

De vol borst.

4. T e e k e n i n g v a n li a Is en b o r s t.

liet borstschild, de borstband, halve maan.

5. T o e k e n i n g e n v a n r n g e n v I e u g e 1 s.

Het hart, een hartvormige teekeniug van den boveni'ug en de schouders;

De mantel, ook meeuwteekening genoemd, omvat den rug en de vleugels;

De zadel, teekening van den midden- en benedenrug.

0. ïeekeningen van de vleugels.

De volvleugel, omvat alle vlengeldekveeren alsmede de slagpennen;

Het vleugelschild, omvat de vlengeldekveeren zonder de slagpennen;

Vleugelbanden, één- of meerkieurige teekening, welke dwarsbanden op de vleugels vormt;

Spiegel, driehoekige of rondachtigo vlekjes, zoo groot als een erwt, aan het eind der slagpennen (fijn getoepte slagpen);

Vleugelroos, bestaande uit 10 a 10 witte, halve-maanvormige vlekjes

ocr page 24

10

—.

ongeveer in 't midden der kleine vleugeldekveeren; zij komt vooral bij de Engelsclie kroppers en sommige tuimelaars voor. Deze teekening strekt zich soms ook tot op de groote schoudorveeren uit.

Wit-pen, wanneer alleen de slagpennen wit zijn.

7. Te eken in gen van don staart.

Volstaart, met of zonder de boven- en onderdekveeren ;

Greband, van anders gekleurde dwarsbanden voorzien;

Spieg-cls, wanner zich aan het eind van de staartveercn minder of meer rondachtige gekleurde vlekken bevinden.

8. T e e k e n i n g e n d e r v o e t b e v e d e r i n g.

(Zie pagina 9 en 41).

Al naar slechts een enkel of meer doelen van het lichaam geteekend zijn, noemt men de teekening één-, twee-, drie- en meerdeelig. 15jj de twee-deelige teekening correspondeeren meestal kop en staart, kop en vleugels of slagpennen, soms ook vleugels of slagpennen en sokken — in dit geval is do broek in den regel anders gekleurd dan de loopbeen- en voetbevede-ring, wat een zeer goed effect maakt — vaker echter onderlijf en beenbe-vedering. Bij do drie-deelige teekening komen gewoonlijk kop, vleugels (schouders, banden, slagpennen) en staart overeen; bij de vier-deelige komt dan nog de beenbevedering.

Do kleur der naakte deelen steekt gewoonlijk, bij de eene soort meer, bij een andere minder, af tegen de kleur van liet gevederte. Alleen de kleur van den snavel en, met dezen correspondeerend, die der nagels hangt af van de kleur van het gevederte. Beide zijn zwart, leiblauw of donker hoornkleurig bij oen zwarte of blauwe grondkleur van het gevederte; donker of bruinachtig vleeschkleurig bij een roode en bruine; lichter tot licht vleeschkleurig en ivoorwit bij een gele, isabellekleurige en nog lichter bij oen witte grondkleur. Deze overeenstemmende kleuringen gaan tevens voor de normale door, ofschoon de uitzonderingen niet zeldzaam zijn en in sommige gevallen voor eene bijzondere schoonheid worden gehouden. Zoo treft men wel een ivoor- of waskleurigen snavel aan bij donker, zwart of rood gevederte, of een diepzwarten snavel bij zuiver wit gevederte. Gevlekte snavels worden echter, op weinige uitzonderingen na, als foutief beschouwd.

Bij de duiven met een witte of gekleurde kopteekening verschilt de kleur van den bovensnavel van die van den ondersnavel, wanneer ook de beide helften van den kop verschillend gekleurd zijn, doch alleen dan, wanneer do aan den snavel wortel grenzende teekening — boven de snip en benoden de baard — in de kopteekening begrepen zijn; ook dan zelfs, wanneer

i

■

ocr page 25

17

voorhoofd en kin alleen geteekend zijn. In dit geval richt zich de kleur van den boven- en den benedensnavei naar die van liet daaraan grenzend gevederte; in alle andere gevallen richt zich de gelieele snavel naar de kleur van den geheelen kop.

J)o kleur van de snavel- en neushuid is bijna zonder uitzondering wit of' grijs, die der wratten witachtig of vleeschkleurig en wit bepoederd, alleen bjj de kleine houtduif — Columba oenas —• zijn deze geelachtig rood evenals do snavel.

Ook tusschen do kleur van de iris en die van het gevederte is zekere overeenstemming, liij een witte grondkleur — ook als de kop alleen wit is — is de iris donker-, zelfs zwartbruin. Als eeno zeldzaamheid en groote schoonheid gelden hierbij de witte, glas-of parelkleurige oogen; Pearl-flije pareloog. Dit bijzonder graag geziene oog is echter geen kenmerk van de grondkleur maar van het ras, ofschoon bet volstrekt geen uitsluitend voorrecht van do hoogfijne, kortsnavelige rassen is, daar bet nu en dan ook bij alle grondkleuren en allerlei rassen wordt aangetroffen.

Het pareloog moet zoo zuiver egaal gekleurd zijn als mogelijk is, zonder stippels, vlekjes of donkeren rand; is hot fijn gestippeld, dan heet het Sandij-eije = zandoog.

liij elke andere grondkleur — ook do novenkleuren — is de iris rood en geel, eu wel van het vurigste, diepste oranjerood en oranjegeel bij de donkere, tot het lichtste rood en geel bij de lichte grondkleuren. Soms hebben deze oogen een donkerder geelrooden rand. die niet als een fout geldt, terwijl vuurgele oogen bij een witte grondkleur zelfs voor fraai doorgaan. Foutief daarentegen zijn ongelijk gekleurde, tweekleurige, troebele en gevlekte oogen of bruine oogen bij gekleurd gevederte; dit laatste echter niet zonder uitzondering.

Hij de geteekende duiven moet zich do kleur van de iris naar do grondkleur richten. Dit is echter niet altijd het geval, zelfs dan niet, wanneer de grondkleur duidelijk de overhand heeft op de kleur der teekening. Kan de grondkleur niet bepaald worden, dan treft men meermalen zandoogen, gevlekte. tweekleurige of ongelijk gekleurde oogen aan; deze laatste komen vooral bij twee-zjjdig gekleurd gevederte voor, dat wil zeggen, bij zulk, waarvan de linker- en rechter helft, vooral do vleugels, ongelijk van kleur zijn.

Do oogleden zijn meestal rood, van licht vuilachtig vleeschrood tot het levendigste karmyn- en hoogrood; verder komen zij ook in geel, oranje, zilver- en donkergrijs voor.

De kleur der oogringen varieert tusschen vleeschrood en grijs- zelfs zwartachtig blauw, die der oogwratten tusschen lichtere en donkerder schakeeringen van karmijn-, hoog- en vermiljoenrood.

IUi.damus, Pluimvootoelt II. 2

ocr page 26

18

Loopbeen en teenen zijn rood, van karmijn- en bloedrood tot geelachtig, licht en donker vleeschkleurig en grijsachtig rood. De tusschen de schubben der pooten zichtbare huid heeft meestal eene meer lichte of donker grauwachtig' witte kleur.

11. Nomenclatuur.

't Zou zeker van groot belang zijn, dat in liet internationaal verkeer latijnsche namen voor de verschillende soorten en rassen van duiven gebruikt werden, omdat men dan met zekerheid kon aanduiden, welke der talrijke duivensoorten men bedoelde. Deze namen zouden dan echter moeten gekozen worden overeenkomstig de algemeen geldende grondregels der wetenschappelijke nomenclatuur. De tot hiertoe genomen proeven hebben echter voor de praktjjk weinig gegeven, daar men voor gelijkwaardige rassen, variëteiten enz. nu eens twee, dan weer drie of vier en meer latijnsche namen krijgt, wijl voor elke afwijking van eene soort de toevoeging van een nieuwe benaming noodig is.

Zonder die grondstellingen dor nomenclatuur hier verder te ontwikkelen veroorloven wij ons, de rassen der huisduiven bij hunne benoeming ais soorten te beschouwen en hun dienvolgens slechts twee namen te geven. Inplaats van den tuimelaar Columba livia domestica gyratrix te noemen, zullen we dus eenvoudig C. gyratrix zeggen en schrijven. Wil men ook de onderrassen en variëteiten latijnsche namen geven, daar is niets anders tegen dan dat we dan een, door een gewoon menscb onmogelijk te onthouden reeks van benamingen moeten gebruiken. Voor den zwarten kortsnaveligen baard-tuimelaar zouden we toch, ais we den naam voluit wilden, moeten schrijven Columha livia domestica gyratrix brevirostris harhata nigra en, al wilden we de eerste twee bijvoegingen, die bjj do benoeming van alle tamme duiven herhaald kunnen worden, ook weglaten, dan bleven er toch altijd nog vijf over en, met weglating van den geslachtsnaam, nog vier. Wil men wetenschappelijk nauwkeurig zijn, dan zijn zeker al die namen noodig. evengoed ais men in de iiotanie soms 5 of 7 namen noodig is om de eene of andere variëteit in alle opzichten nauwkeurig aan te duiden. Zoo schrijven bijv. sonunigu bloemisten Dianthus chinensis Heddewigii nanus flore plc.no aïbus om eene variëteit van Dianthus aan te duiden.

In het volgende zullen we alleen aan de rassen latijnsche namen geven en, zooals boven gezegd is, slechts twee, alsmede de reeds bestaande, voor zoover die niet verkeerd gevormd zijn of tot misverstand aanleiding kunnen geven.

ocr page 27

i!l

III. Klassificatie.

Wjj verdeelen de duiven overeenkomstig de bedoeling, die we met dit boek liebben, in de beide groote categoriën nut- en sier- of luxeduiven.

Onder nutduiven verstaan wij do zoogenoemde veldduiven, dat zijn die half tamme duiven, welke zich, al naar liet klimaat van liet land, gedurende een kleiner of grooter gedeelte van bet jaar zei ven hun voedsel zoeken en zich zeiven ook nestplaatsen opzoeken, zoo de mensch hun geen gelegenheid tot nestelen aanbiedt. Deze duiven alleen zijn in den eigenlijken of engeren zin van bet woord „landhuishoudelijkequot; duiven, daar het hun bijgebleven instinct om zelf op liet veld lam voedsel to zoeken, zoowel als hunne producten — vleesch en mest — eene groote landhuishoudelijke waarde hebben, te meer, daar het aantal dezer duiven dat van allo overiae

O

rassen te zamen genomen aanmerkelijk overtreft.

Eene grens tusscheu nut- en luxeduiven is evenwel zeer moeilijk te trekken, aangezien er ook onder deze laatste categorie vele duivenrassen zijn, die op het veld hun voedsel gaan zooken of daartoe gemakkelijk afgericht kunnen worden.

Tot de luxe-duiven rekenen we dus alle tamme duiven, alle dezulke, die door den mensch verzorgd, beschermd en gekweekt worden; alle tot een bepaald ras te brengen huisduiven. Men splitst ze gewoonlijk in de beide groote onderafdeelingen: kleurduiven en vormduiven.

De kleurduiven komen in lichaamsbouw, houding en gewoonten het meest met de nut- of veldduiven overeen; zij onderscheiden zich van deze hoofd-zakelijk door bepaalde erfelijke kleuren en vederteekening. Hiernaar kan men ze ook gevoegelijk verdoelen in gekleurde en yeteekendc duiven.

Tot de gekleurde — kleurduiven in engeren zin — behooren alle werkelijk of nagenoeg éénkleurige duiven (met uitzondering van de witte), wier vederteekening eveneens gekleurd is — niet wit, of ten minste niet zuiver wit en niet regelmatig. Tot de geteekende rekent men al die duiven, welke op een gekleurden grond een witte, of op een witten grond een gekleurde, bepaalde en regelmatige teekening hebben.

De vormduiven kenmerken zich ook wel ten deele door de eene of andere eigenaardige veerteekening, doch verschillen anderdeels ook, zoowel in uit-wendigen vorm van het geheele lichaam of enkele deelen daarvan nis in inwendigen bouw, aanmerkelijk van de kleurduiven. Men zou hier dus ook kunnen spreken van veerduiven en vormdidven in de engere beteekenis van het woord.

Hier eene meer wijdloopige uiteenzetting te geven van bet op den aangegeven grondslag berustende systeem, znl wel niet noodig zijn, daar die

ocr page 28

liU

vorder ook uit do inhoudsopgave blijkt. Hoo gewensoht on noodzakolijk oono klassificatio ook is, om eon eenigszins gomakkolijk ovorziclit van liet groote aantal duiven te verkrijgen, ondoenlijk zeker is het zulk oene te vinden, die aan alle oisclien voldoet, aangezien zoo veranderlijke elementen, als do rassen en variëteiten der gedomestiseorde duiven zijn, dikwijls met elke, op zieh zelf' reeds moeilijke, wetenschappelijke systematiek spotten. Yooral geldt dit, wat do duiven aangaat, van do grooto groep dor luimeluars, die, ook al verwjjdert men de nonnen en do ringslagers daaruit, tal van moeilijkheden opleveren. De „eigenaardige bewegingquot;, die zij naar hunnen naam te oordeelen iu de vlucht maken, is ton eerste geen plastisch, geen op den vorm betrekking hebbend kenmerk, en ten tweede is die ook volstrekt geene eigenaardigheid van ullr tuimelaars. Volgens Tegetmeyer e. a. is bet zelfs niets anders dan een verworven, of' liever, eene door werktuigelijk drukken en schudden voortgebrachte eigenaardigheid (men zie hiervoor verder onder de beschrijving dor tuimelaars), en ontbreekt die zelfs juist bij de edele tuimelaarsoorten, die men tocb gewoon is als liet plastische type van de groep te beschouwen.

Het steile, booge voorhoofd is mede geen kenmerk van alle tot deze groep behoorende duiven; do rollars bijv., overigens zeer beslist tuimelaars, hebben eea buitengewoon lang en vlak voorhoofd. De snavelbouw, do slepende vleugels en de houding zijn ook al niet of niet voldoende kenmerkend. Er blijft eigenlijk maar een enkel plastisch kenmerk van do groep over, dat zich ter karakteriseering daarvan laat bezigen, al heeft liet met den naam tuimelaar ook niets gemeen, en dat is do „hollequot; rug, die meer of minder duidelijk aan alle leden van deze groep eigen is.

Alvorens tot de beschrijving der afzonderlijke huisdnivenrassen enz. over te gaan, willen we ons nog bepalen tot die wilde duiven, welke men tamelijk algemeen en met alle recht als do stamouders der huisduiven beschouwt, of welks bloed zich ten minste, tengevolge van natuurlijke of' gedwongen teeltkeus, gedeeltelijk mot het hare vermengd heeft.

TwKEDK 1 looi'dstuk.

Wilde lt;1 ui ven. Coliimbac,

De orde der duiven vormt een zoo goed gekarakteriseerde en met den eersten oogopslag te herkennen vogelgroep, dat het werkelijk onbegrijpelijk is, hoe Cuvieu, trots Linnaeus en de zoo duidelijk in 't oog springende physiologische en biologische eigenaardigheden ervan, deze orde als een aanhangsel van de Hoenders kan beschouwen, te meer, daar wegens het

ocr page 29

21

diep ingrijpenclo verschil tussclicn de voeding der jongen zelfs geen overgang tussclien die; beide orden bestaat. We maken hiervan alleen melding, omdat er zijn, die beweren, „dat men er door een zorgvuldige kweoking in slagen zal, de duiven in hoenders te veranderenquot;; in liet bestaan der kipduiven zien dezen, „don eersten trap tot den overgangquot;.

Als de kipduiven ophouden hunne jongen te voeren ; als deze Inatsten ook dadelijk hun nest kunnen verlaten en zelf hun voedsel tot zieli nemen; eerst dan zal men van de duiven hoenders gemaakt liehben, al blijven ze overigens ook nog zoo zeer op de veldduiveu gelijken.— Xeen, ook dan zelfs nog niet!

't Is daarmede even zoo als met de zoogenoemde „Hoenderduivenquot;, waarvan L. Bueiim melding maakt. Lkvaii.f.ant, de ontdekker van deze, van

meer dan ééne zijde als een kunstproduct beschouwde, „Zuid-Afrikaansche __

laten we hier dadelijk maar zeggen — hoendersoori, die hij zelf „duiven-hoendevsquot; — Columbi-Galline — noemt, zegt daarvan: „Alleen de snavel-vorm, die volkomen met dien van de duiven overeenstemt, alsmede de duifachtige veeren van deze merkwaardige soort, herinneren aan de duiven: de naakte, roode kinlelletjes echter, de vorm en de houding van den korten staart, de ronde vleugels, de lange pooten, en bovenal de hoofdeigenschappen, die dus, welke bij slot van rekening de natuur, den aard der schepselen uitmaken, verwijzen deze dieren onder de hoenders. Zij nestelen in kleine, ondiepe kuiltjes op den grond, leggen van (I tot 8 roestkleurige witte eieren; de met een roestgrauw dons bekleede jongen verlaten dadelijk na het uitkomen hot nest en worden door beide ouders rondgeleid enz., kortom, de natuur schijnt dezen vogel slechts enkele, oppervlakkige, onbe-teekenende punten van overeenkomst met de duiven gegeven te hebben, alleen om een duif aan te duiden — four servir sr.idement a indvjuer ?m pigeon.quot; En dat zouden grondeigenschappen zijn!

Doch keeren we terug tot de

Orde der duiven. Columbae, [Mham. (Gemüores).

Beschrijvimj. Snavel naar verhouding slechts middellang, recht, samengedrukt, slechts weinig gewelfd; de punt vau den bovensnavel is een weinig naar boven gewelfd on vervolgens naar beneden gebogen, hoornig, hard: de basis is week en meer of minder bedekt met een weeke, vleesch-achtige, gezwollen of wratachtige huid — de neushuid — welke achter de spleetvormige, in het midden van den snavel zittende neusgaten omsluit en afsluiten kan; de kanten van den snavel zijn een weinig naar binnen getrokken en sluiten niet, die van den ondersnavel steken aan do basis een weinig over. De tong is tameljjk lang, met een naar beneden gebogen, gootvormige punt, sterk uitgesneden achterrand en ter weerszijden met een

ocr page 30

'i'i

stci'kcn hoektand. De hersenpan ondorschcidt zich door breedte en welvingvan het voorhoofd. De borst is naar voren gericht, het borstbeen heeft een elliptischen achterrand, waaraan ter weerszijden twee door oen vlies bedekte bochten, van welke de achterste de kleinste is, juist andersom als bij de hoenders. De kam van het borstbeen is zeer hoog (alleen de aanverwante vlieglioenders-i'/ero^es, de zei Iers- (Ujiml idae en de Ko\\\m s-Trnc! dlidae, dus de uitstekendste vliegers, hebben een nog hoogeren borstkam), en tengevolge daarvun is ook het geheele spierstelsel der vleugels buitengewoon ontwikkeld. De meeste duiven hebben l'i halswervels (slechts enkele, bijv. de GotM'ci-soorten en de Coronata en Victoriae, kroon- en Victoria-kroon-duiven, hebben 13), 7 ten deele met elkander vergroeide rugwervels en 7 staart wervels. De vleugels zijn lang of vrij lang, spits, zelden afgerond, de 12 a 15 slagpennen zeer sterk, hard en elastisch, de tweede is de langste; de eilepijpen zjjn zeer krom en staan van het spaakbeen af; de handbeenderen zijn langer dan de beenderen van den bcnedenarm, deze weer langer dan die van den bovenarm; de vleugelduim heeft geenen nagel. De staart, die uit 12, 14, zelden uit 10 veeren bestaat, is bij het eene ras langer, bij een ander korter, aan 't eind nu eens reelitaf, dan eens afgerond of wigvormig. De pooten zjjn middellang of kort; de zwakkere achterteen staat in hetzelfde vlak met de 3 voorteenen. Het gevederte is meestal zeer vast dicht en glad; de halsveeren glimmend met een metaalglans. De eierstok, is, evenals die der hoenders, steeds enkelvoudig en alleen aan de linkerzjjde ontwikkeld. De ballen zjjn middelgroot en langrond.

De orde der Columhae wordt in 2 zeer ongelijke afdeelingen verdeeld, van welke de eene slechts een enkele soort bevat, n.1. de even merkwaardige als zeldzame, kromsnavelige Dodo of Ürorde-duif— Didunculus of Pleiodus stfigirostris, Peale.

Tot de tweede afdeeling — Gyrantes — bel moren volgens Bonaparte i familiën:

1. Treronidae met 5 onderfamiliën, 31 geslachten en ongev. 120 soorten.

2. Qilumhidae. . 4 ,, 48 ,, ,, ,, 170 ,,

3. Coloenidae . . 1 ,, 1 ,, ,, ,, 1 ,,

4. Gouridne. . . 1 „ 1 „ ,, ,, 2 ,,

Tot de familie der Columbidae en wel tot de onderfainilie der Columbinae,

de „eigenljjke duivenquot;, behoort het geslacht Columba, waarvan de soorten, ondersoorten enz. bij de meeste natuurvorschers voor de stamouders der gedomestiseerde duiven worden gehouden. Met deze en wel bepaaldelijk met het geslacht Columba—■ Itotsduif — hebben wjj hier dus slechts te doen.

Van de overige vier in Europa voorkomende wilde duiven behoort ééno soort, de bekende bosch- of houtduif— C. oenas — - tot hetzelfde geslacht;

ocr page 31

23

een tweede, de ringduif, is door Kaui' en Bonaparte met nog-4 of 5 andere soorten onder liet geslacht Pahimhus gerangschikt, (I. palumhus L. tegenwoordig Palumbus lorqualun-, do derde en vierde eindelijk, die eveneens tot deze familie maar tot de onderfamilie der tortelduiven Turlurinae — behooren, zijn de Europeesche tortel- en de lachduif, Turiur aurilus en Streptopdiu risoria. De door den Grickschen geleerde Aristoteles aan de duiven gegeven namen zijn; Pcrislem ~ ('olumha livida domestica; 1'eleias == C, livia; Oinas oenas; Phaps of PluUta ~ Palumhus en

Trygon ;= Turtur. Aristoteles zegt uitdrukkelijk, dat de Perisleva het spoedigst tam worden.

Familiekenmerken der Cohimbidae: snavel alleen aan de punt hard en hoornig; loopvoeten; Icopheen tamelijk lang; mondspleet matig wijd. On-derfamiliën: Columhinae, 'l'urliirinun, Zenaidinae, Phapinuc. Do Columhinac liebben alle slechts 12 staartveereu en omvatten 63 soorten, in 17 geslachten verdeeld. Zjj is tevens de eenige der '12 onderfamiliën, welke onder hare soorten zoogenoemde „wereldburgersquot; telt, en deze vormen als het ware liet centrum der groote duivenorde en dragen den stempel van het eigenlijke duiventype, dat het zuiverst vertegenwoordigd wordt in het geslacht

Columha, Itotsduif.

Geslachtskenmerken: I l slagpennen; heulzaadblauwe of aschgrauwe hoofdkleur; twee volkomen, zwarte of zwartgrauwe vleugelbanden; staart breed van veeren, kort afgerond, middellang.

Van de 12 of nog meer soorten, nevensoorten en variëteiten van dit geslacht is de bekendste:

Columha livida Briss, Witstuit-rotsdidf, C. livia Driss. ex èvrore!

C. saxatilis, Briss. I',, rupicola. Jlay. C. domestica, Gmel. de.

Fransch : Biset of pigeox dc roehe, Bu/fon ; Colomhe biset, Temm, Le hisel sauvage, Espanei: Hoogd.: Felslaubc, wilde Feldtauhe; Eng.: Biset o{ ivhite-rumiied pigeon Lath. Ital.: Colomhella a gi'oppone bianco, Sale.

Soortkenmerken: Witte benedenrug en witte onder-vleugeldekveeren.

Kleur: donker heulzaadblauw (maanzaad-, duiven- of wildblauw), lichter aan den buik en de schenkels, het donkerst op de lange onderdekveeren van den staart. De rug, schouders en vleugeldekveeren licht aschblauw (maanzaadblauw, duivenblauw), de onderste rij der laatstgenoemde voeren hebben in het midden blauwzwarte banden van 12 millim. breedte; de derde slagpen heeft een blauwzwarte eindhelft, welke helft met do zwarte einden der aschgrauwe tweede slagpen den tweeden vleugelband vormt. De eerste slagpen, benevens hare dekvoeren, zijn aschgrauw met donkerder

ocr page 32

randen en fijne, lichte zoomen. De onderdekveeren van de vleugels en de-schouderveeren zijn zuiver wit. evenals de benedenrug. De staartveeren en hare boven-dekveeren zijn donker maanzaadblamv; de eerste niet een !22 a 23 niillini. broeden zwarten band aan 't eind, de buitenvaan der buitenste veer is van den wortel tot aan den band Avit. De ondervlakte der staartveeren is leikleurig met donkere banden. De hals is donker leiblauw, boven met een licht blauwgroenen, aan den kop niet een purpcrkleurigen metaalglans. Snavel zwart, middelgroot, in het midden sterk samengedrukt. De bovensnavel is weinig langer dan de ondersnavel en niet zeer over dezen heen gebogen, ongeveer 10 millim. lang; de neusgaten zijn tamelijk lang. De iris is vuurrood. De pooten zijn tamelijk kort en stevig, aan den voorkant tot bijna op de helft bevederd; soms is de geheele binnenkant met eene rij van kleine veertjes bezet. Loopbeen en teenen zijn bloedrood, de nagels kort, dik, stomp, weinig gebogen en hoornzwart. Totale lengte 208 a 338 millim., vludit 590 a (336 millim., vleugellengte van den boog tot de punt 231 millim., staartlengte 95 a 100 millim., loopbeen 2-4, middenteen 20. achterteen 12, nagels dier beide teenen S millimeter.

Het duitje is iets kleiner en slanker; hare kleuren zijn minder zuiver en matter, de vleugelbanden smaller en lichter, het wit van den benedenrug heeft voor de bovenste helft een blauwgrijzen weerschjjn. Dit alles geldt in nog grootere mate voor de jonge dieren.

De Rotsduif is in de eene of andere barer variëteiten bijna over de geheele Oude Wereld verspreid, doch komt daarnaast bijna ook overal in haar typischen vorm voor. In Europa treft men haar aan tot 02quot; N. B., in bet Westen tot op de Farüer — en tot 59' in Noorwegen, waar zij. volgens Wallengren alleen liet eiland .Renneso tot broedplaats heeft, volgens Agardb Westerlund echter ook Omö en Musterö. Naar 't Zuiden komt zij in N.-Afrika tot Senegambia en Nubiö voor, doch schijnt den evenaar niet te overschrijden, ook niet in Azië, waar de typische vorm niet zeer ver naar 't Oosten wordt aangetroffen, docb door andere wordt vertegenwoordigd.

Ofschoon dc Rotsduif zicli eigenlijk op de rotsachtige kusten eerst recht thuis gevoelt, komt zij toch ook in rotsachtige streken van het binnenland voor, bijv. in de diepe rotskloven van Tripolitza en Rumelië, waar zjj in tallooze menigte met de gewone en de Alpenkraai broedt. Zij broedt in gaten en spleten van rotsen, grotten en holen, oude ruïnen en torens, bijv. in de zeegrotten van Santiago op de Kaap Verdische eilanden (Bolle), in de naar haar genoemde Grolla dei Cohnnhi en in die van Oridda in Sardinië (T. Salvador!). Volgens Pennant broedt ze ook in groote menigte in de zandige vlakten van het graafschap Suffolk in Engeland, in de konijnenholen dicht bij de stad Brandon. Ook is zij in do rotsspleten aan den

ocr page 33

25

Servischen Don.auoever te midden van gieren, arenden en valken broedende aangetroffen. Zij broedt gewoonlijk twee keer in het jaar, in het zuiden van Europa den eersten keer reeds in Maart; de broedtijd duurt 16 a 17 dagen. De twee eieren hebben den gewonen vorm der duiveneieren, dus tamelijk gelijkhelftig, gerekt en aan beide einden nagenoeg evenveel afgerond: deze eieren zijn .'iO a 38 millim. lang en 27 a 28 millim. breed, wegen gevuld ongeveer 15, en ledig van 4,06 tot 1,15 gram.

Langen tijd heeft men de Rotsduif voor een trekvogel gehouden. Doch Latham, op wien men zich beroept, zegt alleen, dat zjj uit de noordelijke streken naar Engeland trekken, velen echter standvogels zijn. Pennant zag ze dos winters bij myriaden op de klippen der Orkadische eilanden, en Wallengren verzekert, dat zij op liennesö standvogels zijn. Over hun voeder, dat hoofdzakelijk uit granen en zaden, kleine wortelknollen en blad- en bloemenknoppen van vele planten bestaat en wel eenigszins van dat der gedomestiseerde duiven verschilt, zal later uitvoeriger worden gehandeld.

We laten iiier een systematisch overzicht volgen der soorten of nevensoorten en variëteiten van dit d ui vengeslacht naar hare verschillende kenmerken, om daaraan eene beschrijving der voornaamste vormen vast te knoopen.

Groep I. Mei witten benedenrug en benedenvleugel.

C. livia. Totale Ipiigto. Stnurt. Vlougols.

(in milimcters)

'Communis 200—399, 95—108, 20i!—317,

lirehma y'upestris 811

maeroptera 3(!8 — —

Subspecies fAm((liae 325

C, gymnocyclus, Gray 350 122, 21G,

Hiermede vergeleken:

C'. ayrestis (velddiiif) ongev. 310, ongev. 127, 220,

Groep II. Met witte stuit en onderlijf.

C. elegans, Brm. 284 — 290, — — — — Subiü.

Groep IJL Met witte duit, onderlijf en midden v. d staart.

C. leuconotus, Vigors. 350, 127, 239, — — N. AVestel.

Himalaya.

Groep IV, Met witten middenrng en midden v. d. staart. C. rupestris, lip. Fall. 323 — 330, 100—127 225, 2(), 30 Centraal-Aziö.

Snavel. Loopboon. Vindplaats.

18 —19, 22, Midoll. Zeekusten.

id.

— Corsica en Sardinië

— Faröer enz.

Noorwegen. 19,7 24, Senegal.

ocr page 34

Groep r. Met aschgrauwe of heulzaadblamve stuit.

Totaio lonprto. Staart. Vleugels. Snavel. Loopboen. Vindplaats, (in millimetors)

('. turricola, Bp. — — —

C. i/Jauconotiis Bnn. 284 — 300, 90, 158—176,

— Italiö tot l'erzië.

Oppor-Epypto.

Nubië.

C. Schimpen', Bp. 323, 108, 205, 22',

C, intermedia, Strichl. 305-330, 127, 222-228. 19,

Groep VI. Met éénkleurig zwart gevederte. (Meknismc?) C. nnicolor. A. Urm. 284-307, 102, 185-199, 19, — Nubië.

Nubië.

In: „Proceed, of the Acad, of Nat. Scienc., of Piüladel phia 185(1quot; wordt melding gemaakt van eene door hu Chaillu ontdekte zuidelijkste Afrikaan-sclic soort, C. iridilorques, Cassin, zonder dat evenwel de groep wordt genoemd, tot welke zij behoort.

G roep II.

Met witte stuit en onderlijf.

I. C. elegans Urm. Sierlijke rotsduit'.

Soortkenmerken: grondkleur zeer licht, vooral op den mantel; stuit en onderbuik wit; zeer sterke glans aan den hals.

C, elegans is de fraaiste van alle wilde veldduiven. De kop is heulzaad-blauw; de geheele hals prachtig iriseerend; de mantel licht heulzaadblamv met een sterken zilverglans; de vleugels hebben twee scherp begrensde, fraai afstekende, zwarte banden; de punten der slagpennen zijn „blauwgrijsachtig, leikleurigquot;; de benedenrug, de aarsstreek en de beneden vleugels (deze laatste gedeeltelijk) zijn wit; de staart en de staartdekveeren licht, de onderdekveeren donker heulzaadblauw, de borsten het bovenlijf weder licht.

Het duifje is niet zoo fraai; de mantel is niet zoo zuiver blauw, de vleugelbanden zijn niet zoo scherp begrensd. C. elegans wordt met C. ghm-conotus, maar vee! zeldzamer dan deze. in Nubië gevonden. (Wadi Haifa, Karosko, Alfr. Brehm).

27 Nubio. — O.-lndiO.

Beide soorten zijn waarschijnlijk de stamouders der tallooze huisduiven van Egypte, elegans is misschien die der meelduiven (ijsduiven), Brelnn.

Groep III.

Onderlijf en in 7 midden van den staart wit.

'2. C. leuconotus (leuconota) Vigors. The white heUlcd Pigeon, .Terdon — Snow pigeon or Imperial liockpigeon (Sneeuw- of keizersrotsduif) der Hima-laya-jagers. Witbuikige rotsduif.

ocr page 35

27

De witlniikigc rotsduif heeft een donker aschgrauwen bovenkop en oov-dekveeren, witten aeliterlials of liever nek, lielder bruinachtig grijzen mantel, helder aschblamv in het midden der vleugeldekveeren, witten onderrug. De eerste slagpen is naar de punt toe zwartachtig, de tweede is aan het eind donker getoept, de derde alsmede hare dekveeren grauwachtig getoept en daaronder ziet men een donkeren band; deze teekening vormt drie korte vleugelbanden met een spoor van een vierden. De staart met zijne boven-dekveeren is grauwachtig zwart; een breede, evenzoo gekleurde dwarsband beslaat het derde gedeelte van de basis der middelste veer en bereikt, steeds smaller wordende, in een boogvorm de punt der buitenste veeren, welke een witte basis en buitenvlag hebben.

De snavel is zwart, de iris geel, pooten en teenen zijn kreeftrood.

De totale lengte is ongeveer 3r)0 millim., de staart 127, de vleugels 230 millimeter.

Deze duif bewoont in groote scharen de afgelegen, rotsachtige hooge dalen en kammen van den Himalaya, voornamelijk in 't Noord-Westen, in Kaschmir, Ladak, enz.; zij is bier algemeen en dikwijls in gezelsclmp van C. livia, op eene hoogte van 10000 voet tot aan de sneeuwgrens. Haar vlucht is verbazend snel.

Ook deze duif heeft, ofschoon in geringere mate, bijgedragen tot de vorming der O.-Indische en ()ostersche huisduivenrassen in 't algemeen.

Groep IV.

Het midden van rug en staart wit.

3, C. rupestris, Br. C. oenax, var kt, C. rapicola daurica, Fall, maarniet 'C. livia Brelm. — The blue Ui 11-pigeon. Jertlon — C. livia, pied variety, Adam*. — The pale blue Rock-piyeon. Witrug rotsduif.

Kleur als die der blauwrug-rotsduif, (Zie groep V), maar veel lichter. De bovenkop en wangen zijn aschblauwgrijs (heulzaadblauw), de achterhals is groen schitterend, mantel en bovenrug zijn helder grauw, de middenrug is wit, de stuit en de staartdekveeren zijn donker aschblamv, de staart is aan den wortel donkergrauw en heeft in liet midden een witten, dikwijls een duim breeden, en aan 't eind een breeden zwarten band; de buiten-veeren aan de buitenvlag vanaf den wortel zijn zuiver wit met zwarte punt; de kin is ascliblauw, de voorhals beeft een purperkleurigen, de bovenborst een groenen glans, die aan den buik, do zijden en het achterlijf in een helder ascliblauw overgaat; de vleugeldekveeren zijn helder grijsblauw, de onderste wit, naar den voorrand van den vleugel met grauw vermengd; enkele der grootere, alsmede de veeren van het achterlijf en de achterste

ocr page 36

'28

tweede slagpen, hebben grauwzwarte vlekken, die twee banden vormen • de slagpennen zjjn grijs met zwarte schachten en donkerder punten aan de buitenvlag. De snavel is zwart, de neushuid grijs, de iris rood; de poo-ten zijn vleeschrood. Totale lengte 3i2:i, staart 127, vlucht (133 millimeter; gewicht 7.( once (Jerdon). De maten en de beschrijving van Jïadiik stemmen hiermede bijna volkomen overeen en eveneens die van BoNAPAiiTic en Moore. Woonplaats: O.-lndië (Blyth, Jerdon). In Knmaon, misschien in Mussouri, zeker in Ladok, Kaschmir enz. door Adams en Moore gevonden in licti-velachtige rotsachtige streken. J)oor Pallas in Soengari, Daoerië enz., door Radde waargenomen aan bet Baikalmeer tot in O.-Siberië, Mandsjoerjje, noordeljjk China {Parzndi/ki, Dc la Fresnaye). De witrug rotsduif komt zelfs in de kabinetten voor nat. historie slechts zelden voor.

Groep V.

Mei blauwgrijzen rug.

4. (intermedia, Strickland. — C. li via var. Blylh, Adams—C. oenas, Sykes. —• The hlue Ilockpigeon, Jerdon. — Pagocla-pigeon, Blauwrng-rotsduif.

Kleur: leigrjjs-blauw, donkerder aan kop, keel, borst, staart en diens boven- en onderdekveeren; de staart heeft bovendien een z war tachtigen band aan bet eind en eene witachtige buitenvlag aan de beide buitenste veeren; twee zwarte vleugelbanden, welke ontstaan door de grootere dekveeren en de tweede slagpen, welke aan de buitenvlag zwart getoept zjjn. De vlaggen der nekveeren gaan aan de punt uiteen en zjjn prachtig groen- en amethyst- of purperkleurig. De snavel is zwartachtig aan de basis, boven als met meel bestoven; de iris is donker oranjegeel; de pooten zijn mat roodachtig vleeschkleurig. Totale lengte 305—330, staart 127, vleugels 222—228, vlucht 583, snavel 19 millimeter.

C. intermedia is een der meest alledaagsche vogels van Oost-lndië, van Ceylon tot den Himalaya, in Assam, Sylhet en Birma; in boschachtige streken komt zij zelden voor. Zij nestelt in de holten en gaten van alle hooge gebouwen; kerken, moskeeën, pagoden, de stadsmuren onder de daken en veranda's der woonhuizen, in rotsholten — vooral in de nabijheid van meren en watervallen. Zjj wordt, niettegenstaande de schade, die zij nu en dan aan de korenvelden veroorzaakt, door de meeste inboorlingen ontzien en voor heilig gehouden {Jerdon).

Zonder twijfel zijn zjj de stamouders der meeste gedomestiseerde duiven van Oost-lndië (Jerdon) en deze krijgen do aschgrauwe stuit, wanneer zij tot de kleur der wilde terugslaan. (Blyth).

Tot deze kleurgroep behooren de alleen in de maten afwijkende kleinere

ocr page 37

'2!)

vorinon C. gkiuconotm, Schimpen en Bonapartos twijfelachtige C. tnrricolu, „halfwilde, in Italië en oostelijk tot Perzic oji torens liuizende vogels.quot; Geheel afwijkende in kleur zijn daarentegen de volgende drie:

1. Graaf vou der Mühlen ontving tweemaal „geheel gelijk ge teek end c duivenquot; onder de gewone rotsduiven in Griekenland, waar deze in tallooze scharen verbreid zijn. In zijne „Bijdrage tot de ornithologie van Griekenlandquot; beschrijft iuj ze als volgt:

„De duif is geheel roestbruin, staart en borst zjjn zwartachtig, de laatste met een purperen glans, het achterlijf is wit, de stuit en bovenstaartdek-veeren zijn leiblauw, de pooten scharlakenrood. In getemden toestand heb ik deze kleur nooit aangetroffenquot;.

(Eene, o}) de vleugels en dikwijls ook op den rug roestrooilc variëteit van de kusten van Engeland is door Biytli men den naam C. affinix bestempeld).

12. Dr. .Hautlaijii beschrijft onder den naam C. li via eene rotsduif uit Senegambia, die zich van de Europeesche onderscheidt door wat kleinere gestalte en donkerder kleur, terwijl haar groen aan de keel (?!) nog meer schittert, de zwarte staartband wat breeder, de naakte oogstreek wat grooter en de snavel wat dikker is. Volgens Bonaparte is de rug bruin, onmerkbaar in blauw overgaand. Dit is de hiervoor genoemde gumnoci/cbts Grai/.

De opgave van Bonaparte komt echter niet met de beschrijving van Dr. Hartlaub overeen, die de duif aschgrauw noemt, op de onderdeden lichter; stuit wit; bovenkop en nek zwartachtig loodgrijs; hals zeer fraai groenglanzend zonder paars; vleugels lichtgrijs met twee breede zwarte banden; eerste slagpen vuil bruingrijs; onderstaartdekveeren aschgrauw met zwartachtige punten: staart loodgrijs, naar het eind toe zwart; snavel rood-• achtig; oogringen (wat grooter dan bij livia) naakt en vleeschrood.

;i. C. unicolor, A. en L. Bhehm. Het geheele gevederte is koolzwart met fraaien groenen en purperen glans aan den hals tot op den bovenrug en de borst; de slagpennen zijn aan de binnenvlag lichter gezoomd, aan den ondervleuge! echter zwartgrauw; vele ondervleugeldekveeren zijn licht leikleurig. De buitenvlag van de eerste slagpen is tot over de helft zilver-maanzaadkleurig. Het duifje is iets kleiner en lichter, vooral op den mantel en aan borst en buik; de ondervleugeldekveeren zijn witachtig maanzaad-blauw. Door Alfr. Brebm en lv. Viertbaler zijn er in Xubië enkele exemplaren van waargenomen onder de vlucliten der blauw-stuit rotsduif. C. glauconolus,

Wat eindelijk de kenmerken der tot C, livida behoorende nevensoorten van ]j. Brelun aangaat (welke gegrond zijn op snavel-, bovenkop- en vleugelverhoudingen), deze zijn de volgende:

ocr page 38

30

„I. Do gewone veldduif, C. livia communis linn.

J)e siiiivel is middoldik, de vleugels zijn middellang, do bovenkop is zoo hoog ids liet voorhoofd, do kop matig gewelfd, de glans aan den huls is tamelijk sterk. Lengte 338 millimeter.

'i. l)c rotsveldduif, livia rupestris Brm.

De snavel is klein en kort, do vleugels zjjn middellang, do bovenkop ia hooger dan het voorhoofd, de kop sterk gewelfd, beeft een sterken glans aan den hals. Lengte 311 millimeter.

3. De langvleugelige veldduif, C. livia macroptera Brm.

De snavel is lang en slank, do vleugels zijn zeer lang, do bovenkop is lager dan het booge voorhoofd, de kop weinig gewelfd; beeft een sterken glans aan den bals. Lengte 338 millimeter.

'(•. Amalia's veldduif, ('■. livia Amalia Urm.

De snavel is dik en middellang, de vleugels zjjn middellang, de bovenkop is lager dan bet lage voorhoofd, de kop plat, de glans aan den hals is mat. Lengte •i'io millimeter.

Alle vier hebben een witten onderrug. Bij No. 4 — de Noordsche veldduif — „komen ook in do wildernis de meeste als karpers geschubde duiven voor, waarschijnlijk do stamouders dor vele gekarperde duiven van onze slagenquot;.

Zietdaar dan het zeer eenvoudige vorm- en kleurmateriaal, waaruit het eerst onze tamme duiven zijn ontstaan. Welke van deze kleurvaricteiten do oorspronkelijke is, en of er niet nog één van allen verschillende oervorm aangenomen moet worden, die reeds lang uitgestorven of nog niet ontdekt is, zal wel moeilijk uit te maken zijn. quot;Wat wij met zekerheid weten, bepaalt zich hiertoe, dat de meeste gedomestiseerde duiven in Oost-lndië, en naar hot schijnt in geheel Azië, de grijze stuit der daar te huis behoorende wilde blauw- of grijsrugduif hebben; on verliezen zij die grijze stuit tengevolge van eene algemeene kleurverandering, dan komt die bij terugslag naar de wilde kleur toch weder terug; verder weten wij, dat omgekeerd, in Europa, de witte stuit als erfenis van de wilde witstuitduif de meest iilgemeene is.

Hit de reeds bij do rotsduiven aanwezige hoofdkleuren aschblanw, zwart en wit, laten zich de verschillende gemengde kleuren, de gevlekte en schimmels van allerlei soort, zoowel als bare éénkleurigheid door gedeeltelijke of geheele leucisme (albinisme) en melanisme — de moest algemeene kleurveranderingen — voldoende verklaren. Volgons Pali.as worden er ook onder de scharen rotsduiven in Kaukasië niet zelden witte en bonte aangetroffen.

ocr page 39

3 J

Het door graaf v. d. Mühlen en Bonaparte waargenomen roestbruin is misschien het uitgangspunt van de bruine, roode en gele kleur geweest. Bij menigen vogel en ook bij vele vogoloieren komt de neiging voor om bjj het verkleuren in rood en de daarmee gemengde kleuren over te gaan (erythrisme).

Deze neiging der kleuren om in rood, wit on zwart over te gaan heeft in de eerste plaats de ontwikkeling en bevestiging der hoofdkleuren tengevolge gehad, terwijl uit de vermenging van deze kleuren gemakkeljjk de zoogenaamde nevenkleuren gevorin konden worden.

De mogelijkheid en neiging tot veranderen variabiliteit — welke de onbeperkte heerschappij der wet van de erfelijkheid momentaneel en onder nog onverklaarde voorwaarden wijzigt of opheft, vertoont zich bij de wilde duiven echter ook in wijzigingen van den vorm van enkele lichaamsdeelen. Do nauwkeurige en scherpzinnige waarnemingen van Ch. L, Brehm hebben in zijne nevensoorten der rotsduiven reeds alle typen van schedelvormen ontdekt, zooals die, verder ontwikkeld, bij de huis- en rasduiven worden aangetroffen: een hoog, steil en vlak voorhoofd, oen hooggewelfde en platte bovenkop. Dergelijke verschillen zijn ook in den vorm, de lengte en dikte van den snavel, in de lengte van do slagpennen en van den staart en de pooten aangetoond. Er was dus niets meer noodig dan do helpende hand van den mensch, niets dan een door hem met vaste hand en oordeel geleide teeltkeuze, om al de verschillende en dikwijls wonderlijke tegenstellingen onder de duivenrassen voort te brengen, constant te maken en verder te volmaken, welke de systematicus, wanneer ze hem in de natuur voorkwamen, zonder bedenken tot den rang van geslachten of zelfs familiën zou verheffen.

Menig natuurvorscher is echter ook van meening, dat er behalve de rotsduiven ook nog andere wilde duivensoorten invloed hebben uitgeoefend op het ontstaan der verschillende huisduivenrassen. Ja, enkele ornithologen, onder anderen B. Bechstein, hebben de boschduif als rechtstreeksche stammoeder beschouwd. Het valt dan ook niet te ontkennen, dat kleur en teeke-ning van deze duif tamelijk nauwkeurig overeenstemmen met die van menige huisduif. De gronden van Brehm, die op het verschil in het kirren steunen, zijn niet steekhoudend; want het is niet in de eerste plaats de vraag, hoe de boschduif zich tot de rotsduif verhoudt, maar boo hare verhouding is tot de huisduivenrassen, wier stem - om hier alleen maar de trommelduiven te noemen — veel meer van de beide genoemde wilde duiven afwijkt, dan die van beide onder elkander.

Zelfs Bonaparte, die zoo minutieus is in het scheiden en groepeeren. heeft van de boschduif, wegens het geringe onderscheid met de rotsduif. een ondergeslacht van deze laatste gemaakt.

ocr page 40

32

Aan eene rechtstreeksche afstamming van do bosclidnit' valt echter moeilijk to denken, al is de mogelijkheid van kruisingen van betrekkeljjk jongen datum niet uitgesloten.

De naaste verwante der Rotsduif is alzoo;

Columba Ocnas, Gmel. Linn. Kleine boschduif, Pulmnhoena oenas, lip.

—• L'oenas on pigeon déserteur, Huff, Colomhe colombin, Temm. —-Colomhélla — Slock pigeon, Lath. Kleine Holzlanbe, Hohltanhe.

Soortkenmerken: heulzaadblauw of leiblauw gevederte. De kleine boscli-duif onderscheidt zich van do rotsduif, waarmee zij dikwijls verward wordt, door haar kleinere en meer slanke gestalte, liot overal heulzaadblauwe gevederte, de slechts door eenige zwarte vlekken aangeduide vleugelbanden, den lichtgeel- en roodachtigen snavel en de donker- of nootbruine iris.

JJc snavel is gevormd als die van de rotsduif, maar steeds helderder van kleur; in de jeugd bruinachtig grijs met een witachtige punt, daarna van voren geel- en van achteren roodachtig, bjj oude vogels donkerrood en naar achteren toe als met witgrijs poeder bedekt; de iris is bruin, de oogringen zijn klein en vuil vleeschkleurig, de kop en hals heulzaadblauw, de zijden en het beneden-achterste deel van den hals mot sterken blauwgroenen en purperen glans, van voren tot aan do borst grijsachtig wijnrood, dat sierlijk in het zeer heldere heulzaadblauw van de borst en het benedenlichaam overgaat; de bovenrug en de schouders zjjn aschblauw, de benedenrug, de stuit en de bovenstaartdekveeren zijn zeer helder heulzaadblauw, naar den staart toe donkerder; de vleugeldekveeren en de kleinste slagpennen zjjn helder heulzaadblauw, deze en de beide grootste rijen dekveeren naar den rug toe hebben enkele zwarte, onsamenhangende vlekken in plaats van eigenlijke vleugelbanden; de vleugelrand van eenige der voorste groote slagpennen is leizwart met een fijnen witten zoom aan de buitenvlag; de overige groote slagpennen zijn aan den wortel helder heulzaadblauw aan de buitenvlag, welk blauw steeds in afmeting toeneemt, zoodat deze kleur bjj de kleine slagpennen de geheele buitenvlag met uitzondering van een zwarte punt inneemt; de staart is leiblauw met een zwarten, ongeveer '24-millimeter broeden eindband, vóór welken eon lichtere dwarsband ligt alsmede een dwarsvlek, die een begin van een tweeden donkeren band aanduidt, ongeveer in het midden van de buitenvlag der buitenste staartveeren. Het loopbeen is aan den voorkant, vanaf hot hielgewricht tot op ongeveer de helft der lengte, met kleine veertjes bezet en overigens aan den voorkant met groote en aan de zijden met kleine bloedroode schubben bedekt.

De duif is meestal iets kleiner dan de doffer en matter van kleuren; ook is haar krop niet zoo fraai wijnrood en de glans aan de zijden van den

ocr page 41

lulls niet zoo uitgebreid. Een éénjarige doffer is echter in dat alles aan Imar gelijk, zoodat beide geslachten moeilijk van elkander zijn te onderscheiden.

De maten zijn de volgende;

Totale lengte 290 a .'320; staart 112—124; vleugels 206 — 220; vlucht 625—060; snavel '20—21,5; loopbeen 24—26; middenteen met den 6a 8 millim. langen nagel ongeveer 31 millimeter.

De kleine Boscliduif is over bijna geheel Europa verspreid, komt in Skandinavië tot op den Olston breedtegraad voor en wordt in Midden-Europa in voor haar geschikte streken tamelijk menigvuldig aangetroffen. Aangaande hare verbreiding in Azië en Afrika, ja, ten deele ook in Europa, ontbreken nauwkeurige opgaven, omdat zij dikwijls met do Rotsduif wordt verward. Zij houdt zich op in groote en kleine bosschen van loof- en naaldhout, zoowel in vlakten als in de bergstreken, indien er ten minste oude boomen met natuurlijke of door de groote spechtsoorten gemaakte holen en gaten, alsmede velden in de nabijheid zjjn.

In het Noorden is zij trekvogel, in Zuid- en Midden-Europa blijft zij echter niet zelden ook des winters over; zij komt dikwijls reeds voor het einde van Februari en nog wel vroeger, en trekt dikwijls eerst in de tweede helft van November weg om gedeeltelijk in Zuid-Europa, gedeeltelijk in Noord-Afrika te overwinteren.

Haar voedsel is hetzelfde als dat der Eotsduif, doch zij eet misschien meer boomzaden dan deze; aan tarwe, linzen, boekweit, raapzaad en hennep geeft zij echter de voorkeur boven alle andere zaderijen. Eene door Naumann geopende éénjarige boschduif had in krop en maag: gerst, tarwe, haver, wilde haver, zaden van winde en spurrie, raapzaad en eene menigte zaden van Vicia-, Lathyrus-, Orohus- en Astrulagus-soorten, benevens een weinig grof zand en kleine steentjes. Ook graszaden, wolfsmelkzaad, boschbessen enz. eten zij graag,

Zij nestelen in groote en kleine gaten in de boomen, vooral in die, welke door do zwarte, de groene en de kleine groene specht gemaakt zijn, hoog boven of meer laag bij den grond, al naar de gelegenheid zich aanbiedt, zoowel in alleenstaande boomen als in de bosschen, en broeden in den regel drie keer in het jaar; alleen de jonge paren broeden twee keer. Beide ouders broeden buitengewoon vast en zijn daardoor gemakkelijk op het nest te vangen. Zij kiezen, wanneer dit maar immer mogelijk is, voor ieder broedsel een andere nestplaats, daar het eenmaal gebruikte er zeer vuil uitziet. Do eerste eieren worden reeds in 't begin van April gelegd; deze worden 17 a 10 dagen bebroed, zjjn 35—37 millim. lang en 28,5 a 31 millim. dik en wegen onbebroed 15 a 10, geledigd 1,10 a 1,18 gram.

De Boschduif leeft in menige boschnjke streek in een half gedomestiseerden

Bai.damus, Pluimvootoolt 11. 3

^■MWieaaOTWMMi

ocr page 42

34

toestand, daar zij gaarne in voor haar aan boomen en lunzen opgehangen nesthokjes nestelt en veel van hare natuurlijke schuwheid verliest. Men neemt de eerste jongen, die een zeer smakelijk gebraad opleveren, uit het nest en laat de laatste uitvliegen. Het is zeer natuurlijk, dat onder zulke omstandigheden verbastering met huisduiven niet tot de onmogelijkheden behoort.

In Oost-Indië, Centraal- en West-Azië leeft eenc aanverwante soort, C. ocnicapilla, JUtjlh, de 10ijnroodkoppifja boschduif, — tlio Hill pigeon — der Oost-Indische jagers, iets kleiner dan de vorige, donker aschgrauw met een witachtig grijze stuit en wijnrooden bovenkop, doorschijnend gelen snavel, helder bruine iris, gele oogringen en geelachtige pooten. Ook deze soort kan wel met menige der Aziatische huisduiven gekruist hebben.

De overige Europeesche duivensoorten, zoowel als de talrijke Aziatische soorten enz. gaan we hier met stilzwijgen voorbij, daar zij bezwaarlijk tot het ontstaan van onze huisduiven bijgedragen kunnen hebben, ofschoon men in den laatsten tijd wel kruisingen met tortel- en lachduiven tot stand heeft gebracht.

Derde Hoofdstuk.

De Huisdnivcii.

Eerste a f d e e 1 i n g. N u t d u i v e n.

De Veldduif. Columba agrestis. C. li vin agrestis (dnmeslica), C. livia fugiens, C. Pigeon fuyard, Biset fuyard, ■ Pigeon comnmn etc.

Colombi semidomestici, Bonizzi. The Domestic Pigeon,

the Field pigeon enz.

De Veldduiven onderscheiden zich door niets van de rotsduiven dan hierdoor. dat zij in alle kleuren en teekeningen van deze en bovendien in nog vele andere voorkomen. Het menigvuldigst treft men zulke aan, die overeenkomen met do beide typen der rotsduiven met witten of grijzen benedenrug, gene meer in Midden- en Noord-Europa, deze in Z. O.-Europa, Zuid-Azië en N. O.-Afrika. Natuurlijk worden overal naast deze, bet meest voorkomende typische kleuren, ook alle hoofd- en nevenkleuren gevonden van de onder het begrip „duivenblauwquot; vallende tinten, deels éénkleurig, deels in de meest verschillende teekeningen, zooals die der duiven eigen zijn. Doch ook wat de grootte en zwaarte aangaat verschillen de Veldduiven aanmerkelijk, zoodat het niot gemakkelijk is, een positief „soortkenmerkquot; vast te stellen en een nauwkeurige grens tusschen de Veldduiven en de

ocr page 43

35

kleur- of Huisduiven te trekken. „Jets grooter en zwaarder, dikwijls ook kleiner dan livia, met zeer variecrondo kleur en teekeningquot; — kan tocli geen „kenmerkquot; worden genoemd.

De vraag is misscliieu niet zoo ongepast, of het nit^t goed zou zijn een aantal kleurduiven tot de Veldduiven te rekenen, daar zjj alle mogelijke kenmerken mot deze gemeen liebben, voor alles dat, waarnaar de veldduiven liaren naam dragen — li(;t vliegen naar en het zoeken van liaar voedsel op het veld namelijk. Hier tegenover staat echter, dat men de Veldduiven ook weder zeer gemakkelijk tot IFuisduiven kan maken, d. w. z. dat men haar, door ze ruimschoots te voeren, het zoeken op het veld gedcel-teljjk of geheel kan afwennen.

Al zondert men ook de duiven met kuiven en met bevederde pooten uit, is er nog weinig gewonnen, daar men van beide versieringen voorziene duiven aantreft, die, afgezien daarvan, beslist Veldduiven zijn, zooals er ook kortsnavelige rasduiven zijn, welke onder omstandigheden veldvluchters worden. Evenwel is hierbij toch altjjd nog de menschenhand in het spel, terwijl de eigenlijke Veldduiven in sneeuwlooze landen geheel en in koudere gedurende het grootste gedeelte van het jaar geheel onafhankelijk van den mensch bljjven, niet alleen wat de voeding, doch ook wat de voortplanting betreft, ofschoon zij, zooals reeds is opgemerkt, de haar aangeboden nest-hokjes gaarne in bezit nemen, als zij geen meer geschikte nestgelegenheden kunnen vinden.

De Veldduiven zijn niet alleen over bet grootste gedeelte der aarde verspreid, waar ook de Rotsduif zich vertoont — namelijk over het grootste deel der Oude Wereld — maar ook over een groot deel der door Europeanen en Aziaten bewoonde Nieuwe Wereld. Nadere bepaalde opgaven óver de streken, waar zjj voorkomen, ontbreken. Zij schijnen echter opliet noordelijk halfrond der Oude Wereld niet ver over den üOton en niet onder den O1'™ breedtegraad voor te komen,

Eene karakterisoering van de onder liet begrip Veldduiven vallende massa huisduiven is zoo goed als onmogelijk, want zij verschillen niet alleen in kleur en teekening, maar ook in de volstrekte en betrekkelijke maten in zoo hoogen graad, dat er van eene nauwkeurige bepaling wel geen sprake kan zijn. Wat de maten en het gewicht aangaat, geldt dit zelfs van die Veldduiven, welke, met betrekking tot do kleur, de Rotsduif het meest nabij komen n.l. van de „wildblauwequot; met witten of grijzen benedenrug, de rechtstreeksehe halfwilde afstammelingen der wilde Rotsduif.

Deze nog heden verreweg het meest voorkomende kleursoort der Veldduiven biedt ons zelfs geen zeker onderscheidingsteeken van de wilde duiven met witten of grijzen benedenrug aan, zoodat zelfs onze voornaamste orni-

ocr page 44

86

tliologen het vooi' onmogelijk houden zc met zekerheid te onderscheiden.

De maten zijn in het algemeen iets grooter, doch deze maatvorschillen zijn noch groot, noch vast (men vergelijke hiervoor do maten op pag. 25 en 20).

Wat de van de oorspronkelijke kleur afwijkende kleuren aangaat, zoo valt de geheele kleurenreeks der bekende „duivenkleurenquot; waar te nemen, van het zuiverste wit — eonerzjjds door de okernuances en hare met rood eu zwart vermengde kleuren, anderzijds door verschillende aschblauwe, lieul-zaadblauwo en zwartblauwe tinten -— tot het zuiverste zwart.

quot;Wright en Fulton willen alle andere kleuren van de zwarte afleiden en noemen die slechts toevallige producten — sports — van deze. Dit aangenomen, rijst do vraag: „Waaruit zijn dan de zwarte duiven ontstaan?quot; Van de wildblauwe Veldduif dan natuurlijk niet. We zouden voor de afstamming onzer huisduiveu dan onze toevlucht moeten nemen tot de „eenkleurige koolzwarte veldduifquot; Col. unicolor, welke Alfr. Brehm in Nubië zagen waarvan Ij. Brelim ook werkelijk de leizwarte duiven laat afstammen.

De min of meer nauwkeurig bepaalde en benoemde kleuren zijn de volgende:

1. Het oorspronkelijke duivenblauw of heulzaadblauw.

2. Helder aschgrauw en, met een blauwachtige nuance, helder aschblauw.

3. Beide tinten in donkerder nuances tot i. Leizwart en leiblauw en

5. Zuiver zwart, tot diep glanzend ravenzwart.

Door vermenging van de ook bjj wilde duiven voorkomende oker-tinten mot deze kleurenreeks ontstaan de volgende neven-of gemengde kleuren:

(i. Violetzwart tot purperbruin en purpergrauw.

7. Zwartbruin.

8. Chocoladebruin.

9. Helderbruin of brons.

JU. Lederbruin tot ledergoel.

11. Boestrood.

12. Voskleurig tot de derde hoofdkleur

13. Bood — eigenlijk bruinachtig okerrood of koperkleurig rood, dat door I Donker en licht steenrood in

15. Geel (donker en licht okergeel) overgaat, en door Ki. Heldergeel, eenerzjjds van 17. Yaalgeel,

•18. Zilvervaal en

-If). Boomkleurig wit, anderzijds door vermenging mot roode tinten, van 20. Grijsrood,

ocr page 45

37

21. Vaalrood, on door

'2'2. Vaalblauw 011

'23. Meelvaal tot liet zuiversto

'24. Melkwit en

'25. Sneeuwwit loidt.

Het spreekt van zelf, dat alle hiervoor genoemde kleuren ook bij de zoogenaamde éénkleurige duiven niet over alle lichaamsdeelen gelijkmatig verdeeld maar in verschillende nuances voorkomen — mot uitzonderina' evenwel van de zuiver witte kleur. Deze nuanceering of schakcering dei-kleuren bepaalt zich echter niet alleen tot zekere lichaamsdeelen, bijv. rug en vleugels, maar wordt ook aan enkele, afzonderlijke voeren waargenomen, voornamelijk aan de vlcugeldekveeren. En zoo zijn er dan ook een groot aantal

Gi• rneleerde duiven,

die onder de namen geschimmelde, getijgerde, hamer sing (of gehamerde), geschubde en leeuwei'ikdiiiven bekend zjjn.

De geschimmelde en getijgerde duiven zijn deels alleen op do vleugel-dekveeren, deels op meer lichaamsdeelen of op het geheele gevoderte, voor zoover dat uit kleine voeren bestaat, geschimmeld of getijgerd; d. w. z. de grondkleur, waarnaar zjj benoemd worden, is vrij regelmatig mot witte streepjes of kleinere en grootero rondachtige vlekjes vermengd. Zoo heeft men zwart- en roodgeschimmelde en getijgerde duiven enz.

De hamerslag of gehamerde duiven hebben op eene lichte grondkleur donkere, rondachtige, niet geheel gelijkmatig gekleurde vlekken van dezelfde nuance. Zij komen voornamelijk in licht duivenblauw voor.

Do geschubde of geharperde duiven onderscheiden zich van de gehamerde duiven daardoor, dat de grondkleur der veeren niet met eene van hare schakeeringen, maar met zwart of wit breed gezoomd of geschubd is. Zoo is bjj de

Blauwgeschuhde do mantel blauw met zwarte schubben en het overige gevoderte roodgrauw in verschillende graden;

Zwarlgeschubde, op de bovendooien zwart en wit geschubd, op do ondor-doelon zwartgrauw, naar hot achterlijf in helderbruin overgaand;

Roodgeschubde, op de bovendoelen blauwrood of koperkleurig gnjsrood met witte schubben, van onderen zwartgrauw tot zwart.

Vorder komen natuurlijk nog allo denkbare onregelmatige en regelmatige teekoningon voor, van de moest bont gevlekte tot do staart-, vleugel- en borstteekoning.

ocr page 46

38

Voorts nog do van kuif en vootbevodering voorzionc.

Tot do Veldduiven wordt ook nog gerekend do Kif. bleek roodachtig aschgrauw, met roodachtig bruine vleugelbandcn, overigens geheel aan de blauwe Veldduif' gelijk.

Bijna al deze teekeningen komen ook bjj do luxe-duiven voor, óf over het geheele gevederte verbreid, of over enkele gedeelten daarvan, voornamelijk de vleugels.

Wij laten hier nu een en ander over bet nut en de schade dor Veldduiven volgen, waaraan wij het algemeene, betreffende do voeding, voortplanting, behandeling, woning en ziekten dor duiven toevoegen, om de bijzonderheden bij do later te bespreken rassen to beliandolen.

Vierde Hoofdstuk.

Nut en scliudc der Veldduiven.

Veel is er over geschreven on gestreden, of do Veldduiven tot de, voor den Landbouw schadelijke vogels moeten gerekend worden of niet; of het nut, dat zij ontegensprekelijk stichten door liet vernietigen van massa's onkruidzaden, al dan niet opweegt tegen do gevoelige schade, die zij aan do graan- en oliezaadvelden alsmede aan do moestuinen kunnen toebrengen.

Om deze geenszins onbelangrijke vraag te beantwoorden zijn in Frankrijk, Uiiitschland en elders herhaaldelijk onderzoekingen ingesteld en is liet voor en lecjen ook in do zittingen dor Société cl'Acclimalulion beliandeld geworden.

De strijd, die hier en daar tegen de Veldduiven werd aangebonden, had niet altijd zijn oorzaak in do door deze dieren aangerichte scbade. Zoo werden bijv. in 1789 in Frankrijk, waar ton platten lande tal van duiven-torens bestonden, de Veldduiven algemeen voor vogolvrjj verklaard, doch de beweging gold „eigenlijk do duiventorens als teekenen van het foudalisme.quot; Deze werden overal omver gebaald, zoodat er naar de verzekering van Dio Vithv ten tijde dor restauratie departementen waren, waar geen enkele Veldduif werd aangetroffen. Later werden die torens met grooto kosten weder opgebouwd.

Do tijdens do revolutie van 178!) in do ban gedane Veldduiven vonden in het begin dezer eeuw uitstekende verdedigers in do hooron Befkhov en den zoo pas genoemden De Vithv, beiden bekwame loden van de Société

ocr page 47

39

cVAgriculture de Paris. Do eerste toonde aan, dat sedert de verdrijving der Veldduiven in liet departement de l'Aisne, anders door de rijkste oogsten van liet beste koren hekend, liet onkruid dermate de overhand kreeg op de velden, dat de vruchten er niet door tot ontwikkeling konden komen en verstikten; de gevolgen waren: weinig en zoo goed als waardeloos stroo en kleinkorrelig graan. Hij heriep zich op het feit, dat tie korenrijkste districten van Frankrijk, als La lleauce, de meeste duiventorens bezaten. De heer De Vituy is van hetzelfde gevoelen, doch wil door eene eenvoudige hecjjfering aantoonen, op welk groot verlies aan gezond en smakelijk vleesch Frankrijk de verwoesting en ontvolking der duiventorens kwam te staan.

„Er waren — zoo zegt hij •— ten tijde, toen het verbanningsvonnis over de Veldduiven werd uitgesproken, in Frankrijk 42000 gemeente- en even zoovele duiventorens; wel is waar trof men er geene in de steden aan, doch daarentegen in tal van dorpen twee, drie en nog meer. Vele dezer torens herbergden :i00 paren duiven; ik wil echter maar aannemen, dat zij gemiddeld 100 paren bevatten, die jaarlijks slechts twee broedsels maakten, dan verkrijgt men een totaal van 16.800000 jonge duiven, welke, ieder op kilogram gerekend, een totaal gewicht van 2,100000 kilogram vleesch opleveren. Hierbij komt dan nog hot verlies van den zoo kostbaren mest, die in vele departementen tegen korenprijzen werd verkocht enz.quot; Prof. Bonizzi heeft alle mogelijke hem ten dienste staande gegevens verzameld om het nut der Veldduiven in Modena te bepalen en in cijfers te brengen en komt tot het resultaat, dat 100 paren een netto-gewin opleveren van 200 lire, dus 1 paar 2 lire (1 lira = 1 franc). Hij neemt aan, dat elk paar jaarlijks 3, op zijn hoogst 4 broedsels geeft, doch rekent gemiddeld maar op 2, dus 2 paar jaarlijks voor den verkoop. Deze 200 paar brengen, tegen 0,70 lire het paar, 140 lire op. Den mest berekent hij op 1 kilogram per oud exemplaar en met dien der jongen op 5 centenaars. Neemt men nu voor den centenaar den laagsten prijs, 13 lire, dan is de jaarlijksche opbrengst van den mest 05 lire en de totale opbrengst 205 lire of ruim 2 lire per paar.quot; — Bonizzi stelt hierbij voorop, dat deze duiven — wat in den regel in Modena het geval is — niet gevoerd worden en kent bezitters van duiventillen, die met eenige zorg voor hunne duiven jaarlijks (i paar jongen krijgen.

Van overdrijving in liet een of ander is Prof. Bonizzi in dezen waarlijk niet te beschuldigen, doch deze berekening geldt alleen voor Italië en voor die landen in 't algemeen, waar men des winters weinig of geen sneeuw heeft. In minder gunstige landen zullen de voederkosten misschien aan de waarde van het vleesch en den mest gelijk zijn of die overtreffen en zal alleen op groote landgoederen, waar de duiven in en voor de schuren en op mest-

ocr page 48

40

hoopcn veel koren kunnen vinden, dat anders verloren zou gaan, de balans met een voordeelig saldo sluiten.

Hot is echter niet te weerspreken, dat het verlies aim koren en andere zaderijen vrjj aanzienlijk moet zijn, als het tegen de niet weg te cijferen voordeden der duiventeelt zal opwegen. En dat dat verlies niet zoo groot is, als onkundigen gewoonlijk oordeelen, kan bljjken uit een onderzoek naaide voedermiddelen, dio door de duiven bij voorkeur worden gebruikt.

J. F. Naumaim geeft de volgende rij van zaden enz. welke de Veld-duiven naar volgorde prefereeren: lijnzaad, kool- en raapzaad, linzen, wikken, erwten, gierst, tarwe, gerst, haver, rogge. (Naumaim vergeet hier de boekweit, die zooals bekend is, ook een zeer geliefd voeder is).

De groote natuurvorscher heeft echter alleen het oog gevestigd op de genoemde cultuurgewassen. Had hij zijn onderzoek ook uitgestrekt tot de schadelijke onkruidzaden, dan zou hij ontdekt hebben, dat do meeste dezer door de Veldduiven boven die der genoemde cultuurgewassen worden geprefereerd. Mu zijn het juist de Vicia (wikken-) en Erviou (linzen) soorten, als Vicia angmtifolia en V. aegetnm — aan V. cracca komen zo niet zoo licht — Ervnm hirsutum, E. tetmspermum E. monanthus enz. vooral echter E. hirsutum, welke in Frankrijk, Duitschland en elders voor den koren-bouw zoo verderfelijk zijn, daar men bijna niet in staat is die uit te roeien. Zij hebben, waar zij in menigte opschieten, volkomen de door Beffroy geschilderde uitwerking en kunnen, daar hunne zaden jarenlang op en in den grond hunne kiemkracht behouden, de korenvelden ook jaren lang ten verderve zijn.

Pastoor P. H. Schnell, wiens verdienstelijke waarnemingen aangaande het voedsel der duiven den landbouwer zeer zijn aan to bevelen, vond op een reeds van den oogst ontdaan roggeveld don bodem dermate niet de zaden van wikken en linzen bedekt, dat er in ieder kuiltje van 6 tot 12 dezer zaadjes bij elkander lagen; en zijne duiven vlogen gedurende de maand Augustus, dus gedurende en onmiddellijk na den tarwe-oogst, niet naar de tarwe-akkers maar bijna steeds naar den roggestoppel, om zich daar aan do genoemde onkruidzaden te goed te doen.

Op een anderen keer voedden zijne duiven — toen tor tijde 16 stuks — zich ongeveer 14 dagen lang bijna uitsluitend op een eenige bunders groot klaverveld, door steeds den maaier te volgen en de daar sedert het voorjaar liggende vogel wikken op te zoeken. In don krop van eene op den 16 Juli (1855) tegen don avond geslachte jonge duif telde Schnell niet minder dan 3582 van die vogelwikko-zaden; en zeker waren er ook reeds even zooveel in dc maag overgegaan. Elke oude duif behoudt ook wel de helft van dat aantal voor zich zelf in den krop en zoo worden er, in den tijd, dat er

ocr page 49

M

jonge cluivon zijn, dus in óén dag door eeno enkele duif eon kleine 0000 zaden van dit onkruid vernietigd. Schnell nam nu zijne duiven — 'lt;0 in getal — gedurende een geheel jaar, van Augustus tot Augustus, nauwkeurig waar en constateerde eiken dag hun voedsel, deels door tegen den avond enkelen van do jongen te slachten en den vollen krop te onderzoeken, deels door na te gaan naar welke velden zijne duiven hare vlucht hadden. Het verrassende resultaat van zjjne onvermoeide nasporingen luidt als volgt: Zjj 110 duiven voedden zich uitsluitend met vogelwikken;

van 24 November tot 4!) December.........25 dagen;

van 22 December tot 14 Januari..........23 ,,

van 1 Juli tot i Augustus . . . .........32 ,,

Samen ... 80 dagen, en daaronder 32 dagen, gedurende welke er ook jongen gevoerd moesten worden.

Gedeeltelijk — voor ongeveer de helft — bestond het voeder uit deze wikken:

van 25 Augustus tot 20 October..........56 dagen;

van 10 tot l!) November.............9 ,,

van i5 Maart tot 47 April............33 ,,

van 20 tot 30 Juni..............10 ,,

Samen . . . 108 dagen, waaronder 99 dagen, waarop ook jongen gevoerd werden. Gedurende den overigen tijd van het jaar werden do duiven deels in huis gevoerd, deels voedden zij zich met graansoorten, waaronder ook altijd nog onkruidzaden werden gevonden. Andere onkruidzaden dan vogelwikken vond Schnell gedurende dat jaar in niet noemenswaardig aantal in de onderzochte kroppen.

Door de verkregen cijfers komt pastoor Schnell bij eone zeer bescheiden rekening tot een rond aantal van 20 millioen vogelwikkezaden voor de jaarlijksche behoefte van 20 paren duiven, of een millioen voor ieder paar.

Benevens dit ,,dagelijksch broodquot; der Veldduiven en ook bij gebrek aan voldoenden voorraad van de vogelwikken, gebruiken zij nog een groot aantal andere, ten deele zeer lastige onkruidzaden, zoowol melige als oliehoudende, uit do geslachten Orohus, Lathyrus, Paiiiciun, Polj/f/onum, Eimex, Ccntaurea, Convolvulus, Rophauns, Sinapis, Papaver etc. Hier-—cn volgons Pallas in Transalpijnsch-Daoerië — eten zij bijzonder graag de zaden der wolfsmelksoorten, voornameljjk dio van Euphorbia Cyparissias. Verder gebruiken zij bjj gebrek aan geschikte zaden en zoowel als toespijs als tot afwisseling, de kleine knolletjes van Omlthogalum, Gayea, Allium, Saxifraga yranulata, Lathyrus tuberosus, Ranunculus ficaria etc., welke in den zomer en den herfst dikwijls aan de oppervlakte liggen. Voorts —

ocr page 50

42

ti'iizij die in diclitc bosschen moeten worden gezocht ook vele boomzaden ; eikels, beukenoten, naaldhoutzaden, lijster- en boschbessen (volgens Lentz); in de tuinen ook kleine kruisbessen en rijpe aalbessen. In het Zuiden, bijv. in Afrika, schijnen zjj zich, behalve van graansoorten en on-kruidzaden, hoofdzakelijk van de daar zoo menigvuldige knol- en bolgewassen te voeden.

Dat zij met zooveel verschooning behandeld worden, hebben zij ook wel verdiend door het verteren van zoo menige soort der kleine naakte en huisjesslakken — Arion- en Bull mus soorten — die aan teere planten, uls aardbeiplanten, cene gevoelige schade kunnen toebrengen. Ook kleine regenwormen, enkele soorten onbehaarde rupsen bijv. van Nudim neyetnvi, kleine insectenlarven of maden en eene soort slakkeneieren gebruiken zij nu en dan. Ook de meelwormen, welke zich dikwijls onder haren mest en in do stroonesten ophouden en de nog zeer kleine jonge duiven bijten en zelfs dooden, worden door haar niet versmaad; doch welke vogel, vraagt Dr. A. Brehm, eet geen meelwormen?

Ziedaar de zeer sterke lichtzijde geschilderd; laten we nu ook de schaduwzijde eens bezien.

Het is ontegenzeggelijk waar, dat de duiven rijpende korenhalmen knikken en ter aarde trekken om de korrels uit de aren te halen, dat zij zich te goed doen aan in schooven liggend of in hokken staand koren en oliegewassen, dat zij do niet ondergeëgde korrels opzoeken. Doch zij knikken alleen de halmen aan de randen of in de voren en voornamelijk zulke, die reeds naar beneden hangen of liggen en welker korrels ook zonder de duiven verloren zouden gaan, zegt Schnell. En waar zij op legerkoren neerstrijken, geschiedt dit meestal om de wikken en linzen, die dat koren hebben doen liggen.

Hoewel het niet valt te ontkennen, dat zij op de pas gesneden of in schooven liggende gerst ■—• haver raken zij bijna nooit aan — trekken en menige aar ledig plunderen, zoo zoeken zij toch nog liever de uitgevallen korrels op en het liefst, namelijk als zij nog kleine jongen hebben, vogel-wikken en andere kleine onkruidzaden, welke meer voor de bereiding der spijsbrij geschikt zijn. En wat eindelijk de schade, die zij in den zaaitijd veroorzaken betreft, pastoor Schnell en andere nauwkeurige onderzoekers hebben door proeven, die in het uitstekende werk van Schnell opgenomen zijn, bewezen, dat die schade eerder een voordeel is te noemen voor den landbouwer, omdat lt;le niut ondergeploegde of ondergeëgde korrels verrotten of verkommerde planten zonder vrucht voortbrengen, welke de gezonde halmen van een deel van het voedsel herooven.

Tot dezelfde overtuiging kwam in het begin van de vorige eeuw ook

ocr page 51

43

reeds dc lieer J. H. Horn, die zegt: „Men houdt het er algemeen voor, dat de duiven in de maand Juni het meeste kwaad doen aan het lijnzaad; ik heh echter meermalen de ervaring opgedaan, dat het vlas op die velden, welke veelvuldig door de duiven bezocht werden, het best stond; want daar de blootliggende zaadkorrels opgegeten werden, die toch niet gelijk op konden groeien met de ondergeögde, en, al schoten ze ook wortel, toch onbeteekenende planten zouden geven, beeft het ondergeögde des te beter kunnen groeien. Bovendien, lijnzaad ontkiemt vrij snel, ook liet boven den grond liggende, do duiven verlaten daarom zeer spoedig de vlasvelden, want de ervaring heeft geleerd, dat jonge duiven, welke met ontkiemd lijnzaad gevoerd worden, binnen weinige dagen alle te gronde gaan, aangezien die ontkiemde zaden in den krop een vaste onverteerbare massa vormen. Ook de oude duiven worden er ziek van. Van daar de groote sterfte onder de jonge en oude wilde duiven ten tijde van het tweede, soms ook nog van het eerste broedsel... Ik heb zelf gezien, dat iemand in dien tjjd 8 a 10 paren van de kleine Boschduif (Columha oenas) alle dood uit hunne nesten haalde ...quot;

Plaatselijke omstandigheden, dit valt niet te ontkennen, moeten bij de berekening van door duiven veroorzaakte schade zeer zeker mede in aanmerking worden genomen. Waar veel duiven zijn en weinig onkruid is, moet het nadeel, dat aan de korenvelden wordt toegebracht natuurlijk des te grooter zjjn. Ook daar, waar men 's morgens bijv. gerst gezaaid heeft en 's middags naar huis gaat zonder die ondergeploegd te hebben, kunnen groote duivenvluchten in het middaguur aanzienlijke streken geheel kaal eten, doch dit behoort zeker tot de zeldzaamheden, daar ook de duiven haar middagrust nemen en tusschen li en 2 uur bijna nooit naar liet veld vliegen. Luider en meer overtuigend echter dan alle klachten over het nadeel, dat de verguisde duiven veroorzaken, spreekt liet, door dc hiervoor genoemde Fransche landhuishoudkundigen en door vele andere waarnemers, o. a. ook door Schnell beweerde feit, dat de veldvruchten, met name gerst, tarwe en lijnzaad en naar sommiger meening nog meer rogge en haver — juist op die velden het best tieren, de rijkste graanoogsten en het meeste stroo geven, welke het geheele jaar door, doch vooral kort na den zaaitijd door de duiven bezocht worden.

Pastoor Schnell is van oordeel, dat de zoo werkzame duivemnest ook het zijne zal toebrengen aan den voprdeeligen stand der granen en vruchten. „De landlieden echterquot; — zegt hij — welke ik op dien gunstigen stand opmerkzaam maakte, konden het feit niet loochenen, doch vonden de door mij opgegeven oorzaken natuurlijk belachelijk.

Welk een tijd en moeite pastoor Schnell zich getroost heeft voor zijne

ocr page 52

u

onderzoekingen, moge blijken uit een paar voorbeelden. Zoo bracht Sclinell eens een hongerige dnit' naar zijn pas met erwten bezaaiden akker, welke duif weldra de geheele vlucht derwaarts lokte. Om de duiven langer op dien akker te houden, strooide Schnell meermalen erwten uit en had de voldoening, dat hjj een oogst kreeg, die de boeren wel voor den besten moesten verklaren.

Op een anderen tijd telde hjj de blootliggende erwten en gerstekorrels op een zekere plek om hunne ontwikkeling tc kunnen nagaan en telkens kwam hij rot liet resultaat, dat de door de duiven opgepikte korrels de gezonde planten zouden geschaad hebben en dat de duiven dus de weldoeners van laatstgenoemde moesten worden genoemd, enz.

Doov dit alles heeft Schnell echter niet altijd zijne tegenpartij kunnen overtuigen en onder deze laatste bevond zich ook een autoriteit van beteeke-nis, n.1. J. J. Naumann, die de Veldduiven, niettegenstaande het groote nut. dat zij stichten, toch tot do voor den landbouw hoogst schadelijke vogels rekent. Misschien echter heeft hjj, zelf landbouwer en daardoor niet geheel en al onbevooroordeeld, Schnells waarnemingen ook niet gekend. Wat de blootliggende zaadkorrels aangaat, deze, zoo redeneert men, zullen bij voldoende vocht ook wel ontkiemen en vruchtdragende planten geven, wat ook ongetwijfeld het geval zal zijn. Hoe gaat het er echter mede, wanneer het vocht niet tijdig genoeg komt; zullen zij dan niet geheel verloren gaan of zich tot kommerlijke planten ontwikkelen, die den gezonden tot nadeel strekken ?

Uit het aangevoerde blijkt duidelijk, dat het door de wet geboden opsluiten der duiven gedurende den zaaitijd of, zooals in Frankrijk, gedurende den oogsttijd, een op verkeerde waarnemingen gegronde misgreep is, die het tegenovergestelde uitwerkt van 't geen men er door meent te verkrijgen. En wanneer de verkeerde gevolgen van dergelijke maatregelen zichtbaar zijn geworden, doordat sommige onkruidzaden de overhand krijgen, wordt men zelfs door schade nog niet wijs, doch meent men het nadeel te kunnen herstellen door verordeningen op het uitroeien van vogelwikken, winde enz. door menschenhanden.

Genoeg echter hierover!

In tuinen kunnen de duiven soms zeer lastig worden, doch dat zijn gewoonlijk die, welke al te tam zijn gemaakt en niet naar het veld gaan. wanneer zjj jongen hebben, en zeiven alleen met gerst gevoerd worden. Zjj zoeken dan naar kleine zaderijen, malsch groen, blad- en bloesemknoppen, onrijp, groen zaad van velerlei planten enz, ook op de bloembedden en zoo wordt door haar menige lakooi- of portulacca-plant ontbladerd of uitgetrokken, daar zij de planten met vleezige, saprijke bladeren uit de ge-

ocr page 53

slachten Mesemhryauthemnm, Scdim enz. bovon alle andere schijnen te verkrijgen. Men heeft toch opgemerkt, dat duiven niet op oen vrij groot stuk land met rijpende gerst kwamen, ofschoon zij dagelijks geregeld op een daaraan grenzenden aardappel- en groente-akker neerstreken.

Aangaande het rechtstreeksche nut der Veldduiven loopen de meeningen niet zoo uiteen. Espankt maakt dienaangaande de volgende berekening, welker elementen wij hiervóór reeds gegeven hebben. Daarnaar kosten 500 paar duiven dan jaarlijks '2000 francs. Zij geven, na aftrek van het verlies door de sterfte, gemiddeld elk jaar 7 paar jonge duiven, dus jaarlijks 3500 paar, welke, tegen slechts 1 franc per jaar berekend, 3500 francs opleveren, dus eene zuivere winst van 1500 francs. l)e waarde van den most, welke op zijn minst op l.J francs per paar ouden gerekend mag worden, bedraagt daarnaar 750 francs, welke som voor do „kleine uitgavenquot;, als voor stroo, voor hot schoonmaken der hokken en ander werk, meer dan toereikend is. Neemt men de jongen editor, in plaats van op don vjjf-eu-twintigsten dag van hun leven, een vijftal dagen later weg om ze te ver-koopen, dan brengen zo bij verkoop een halven franc meer op. En mest men ze eerst 5 a 7 dagen (na den vijf-en-twintigsten dag), dan is de winst bij een zekeren aftrek nog aanzienlijker.

Het spreekt echter van zelf, dat deze winstberekening niet doorgaat voor die landen van Midden- en Noord-Europa, waar de duiven, al naar het klimaat is, niet zoo vaak jongen krijgen, als door Espanet is aangenomen.

De waarde van den duivenmest als bemestingsmiddel wordt door menig schrijver nog hooger geschat dan Espanet zulks deed, daar die mest voor vele planten de voorkeur verdient bovon allo andere meststoffen.

Van de Perzen, die groote liefhebbers van meloenen zijn, wordt medegedeeld, dat zij hunne vele en groote duivenvluchten -— alleen rondom Ispahan bevinden zich meer dan 3000 duiventorens — uitsluitend om den mest houden, welke voor het kweeken van meloenen onontbeerlijk heet te zijn. In Italië wordt de duivenmest voornamelijk gebruikt in de groenten-tuinen, op de weilanden, alsmede voor het verbouwen van vlaszaad en voor den wijnstok. Voor weilanden is do waarde van dezen mest reeds sedert de vroegste tjjden erkend en hij gaat in Italië en Frankrijk voor werkzamer en goedkoopor door dan de lieden ton dage zoo dikwijls vervalschte guano. Professor Ponizzi geeft de waarde van den mest der Modeneezer duiven in zjjn uitmuntend werk „/ Colomhi rispeiio all' Agricolluraquot; aan, en naar aanleiding daarvan ging zijn collega Dr. Cuoghi Constantini, professor aan het Technisch instituut te Modena, dezen most ontleden en kwam tot do volgende resultaten:

ocr page 54

1000 gram gedroogde duivenmest a 110'' bevatten aan organische, bij

gloeihitte vluchtige stoffen.............81)4 gr,

minerale stollen of asch.............lOO ,,

Totaal . . . 1000 gr. Voorts vond hij in do organische stoffen 70 gr. stikstof en in de minerale stoffen '22,5 gr. phosphorzuur.

De waarde van den mest per centenaar berekende hij op 18 Lire.

Prof Bonizzi argumenteert nu verder aldus: sommige guanosoorten, die geen stikstof en geen phosphorzuur bevatten, kosten per centenaar 30 lire, terwijl een even groote hoeveelheid duivenmest met 12, op zijn hoogst met l-i lire wordt betaald, terwijl die eene waarde van 18 lire heeft; do prijs valt naar verhouding dus zeer ten gunste van den duivenmest uit en het houden van duiven ter wille van den mest levert dus groot voordeel op.

Vijfde Hoofdstuk.

Hot voeren en mesten der (inivcn.

Bjj de keus van het voeder hoeft men er — ten minste gedurende den broedtijd — wel voor to zorgen, dat dit niet schadelijk is voor de jongen. Ten gevolge van slecht of ongeschikt voeder, dat den ouden in 't geheel geen kwaad schijnt te doen, sterven er tal van jonge duiven, niet alleen in de eerste dagen, doch ook dan nog, wanneer men meent, dat alle gevaar om de jongen te verliezen reeds voorbij is.

In Engeland voert men bijna nooit gerst, zelfs niet vermengd met andere voedermiddelen. Als voornaamste hoofdvoedermiddelen bezigt men daar boonen, wikken, grauwe erwten, kleinkorrelige maïs en tarwe. Ook maakt men er onderscheid tusschen winter- en zomervoer: van ongeveer het einde van Augustus tot bet begin van den broedtijd geeft men goede, volle paar-deboonen en wikken; van het begin van Maart tot einde Augustus daarentegen goede grauwe of bruine erwten, maïs, wikken en tarwe, als lichter verteerbaar voor de jongen; hennepzaad, en dan alleen ook nog nieuw en versch, geeft men alleen als opwekkend middel en lekkernij, vooral bij natkoud weder. Maïs en tarwe veroorzaken, zegt men, wanneer de duiven er niet aan gewoon zijn, in den winter licht diarrhee en ten gevolge daarvan uittering. Wright wil niets van groenvoer weten voor opgesloten duiven ; alleen in den broedtijd keurt hij salade goed en raadt aan, de kroppen zoo op te hangen, dat de duiven er aan pikken kunnen.

Voor de kortsnavelige tuimelaars, die geen paardeboonen tot zich kunnen

ocr page 55

47

nemen, beveelt hij als wintervoer aan kleine grauwe erwten en wikken c11 nu en dan een handvol kanariezaad, gierst of hennepzaad; als zomervoer een toegift van ruwe rijst of oude tarwe.

In Frankrijk voert men, belialve wikken, grauwe erwten, groote en kleine maïs en tarwe, ook gerst, boekweit, linzen, witte boonen, haver, wijndruif-pitten, alsmede eene soort van brij of deeg van graan, aardappelen, meel of zemelen, vermengd met gekookte of rauwe, fijn gehakte salade, brandnetelen en gras en door een weinig zout gekruid.

Dit deeg mag men naar de verzekering van Espanet geregeld voeren, daar het minder verhittend werkt dan uitsluitend korenvoer en zelfs ver-frisschend is; men dient er echter voor te zorgen, dat men het niet uitsluitend voert, omdat vooral de opgesloten gehouden duiven niet aan het opwekkende graanvoer ontwend mogen worden. Na den rui, na den winter of om den paartijd te bespoedigen beveelt hij ook gedurende eenigen tijd '2 a 3 gram hennepzaad per hoofd en per dag aan.

Eene belangrijke regel is afwisseling in het voer. Voor de niet vnjvlie-gende duiven zijn 2 of 3 soorten van korenvoer, die men nanr behoefte kan afwisselen of ook gemengd kan geven, voldoende. Over 't algemeen houdt men haver voor verhittend, tarwe voor afvoerend en verfrisschend; men voere dit laatste dan ook, zoodra men bemerkt, dat de uitwerpselen hard en droog worden en er uitzien, alsof ze in een soort van vlies zijn gewikkeld, wat een zeker kenteeken van te groote prikkeling en verhitting is.

In Duitsehland bestaat hot gewone voer uit een mengsel van gerst en wikken met de kleinere zaden van de wilde wikken- en erwten soorten, waarvan ook de huisduiven bijzonder veel houden en dat dan ook met een weinig haver vermengd onder den naam van duivenvoer aan de markt komt.

Men voere dit echter niet, wanneer de duiven jongen hebben en de kleine zaderijen, welke voor do bereiding van dc spijsbrij meer geschikt zijn, aan het mengsel ontbreken. In dat geval is het noodig, het door Espanet aanbevolen of eenig ander weekvoer toe te dienen, al zjjn het ook maar broodkruimels of in water geweekt oud wittebrood, goede aardappels, gekookte boonen, erwten of linzen, met of zonder vermenging met kleine zaderijen, gierst of ook goede oude tarwe, raap- of lijnzaad. Het is echter raadzaam, van dit extra-voer niet meer dan de helft van het gewone korenrantsoen aan dit laatste toe te voegen en van de oliezaden slechts zeer weinig. Als wintervoer recommandeert Lentz gekookte aardappelen met tarwezemelen gekneed, benevens ongeveer een derde gedeelte haver.

Voor het weekvoer, dat in den winter lauwwarm toegediend wordt, is een grootere of kleinere, langwerpig vierkante bak aan te bevolen, waar-

ocr page 56

48

lt;)\u inui con, aan oune zijdo van tralies voorzienen zinken leap plaatst om het morsen met en het bevuilen van het voer tegen te gaan (Zie Ie deel pag. 206). Ue/u bak moet natuurlijk zeer schoon en zuiver worden gehouden en vooral bewaard voor alles wat zuur is of zuur vormt. Voorliet koren voer gebruiken Wright en anderen sinds jaren met groot voordeel den

hier in fig. 27 afgebeelden voederbak. De eigenlijke zaadhouder heeft een naar boven scherp toeloopend dak, boven welks vorst een dun ijzerdraad is aangebracht om den duiven te beletten er op te gaan zitten. Naar onderen loopt de zaadhouder ook trechtervormi0-toe (311 staat in don oigeiilijkon •j lt; a oodGx*- of eetbak, waarin

weder ijzeren staafjes zijn aangebracht, zoover van elkander, dat de duiven

er met den kop gemakkelijk tusschen door kunnen cn waardoor ze verhin-

erd worden het voer te verstrooien. Om den muizen te beletten er bij te komen, zot men het _

gehoelo toestel op een

15 centimeter voetstuk van glad ijzerdraad.

Een anderen, door den heer J. Harisson voor postduiven gebe-zigden voederbak vertoont ons tig. 28. Do

opening, waaruit do duiven eten, kan door middel van het plankje EB dat met een koord bewogen kan worden, geopend en gesloten worden.'

Men plaatst het toestel het best tegen een wand van het duivenslag en late hot koord door dien wand loopen, in welk geval men don bak openen en sluiten kan zonder

Fig. 29. Voederbak voor duiven. 'Ilt;!f sla8' to betreden en de

-*Tr , duiven te storen.

egens hunne zindelijkheid en duurzaamheid zijn vooral zeer aan te

ocr page 57

49

bevelen de geëmailleerd ijzeren voederbakken, welke algemeen in den handel zijn, en van twee van welke wij hier nog eene afbeelding geven.

Gedurende den broedtijd geve men het weekvoer tegen don middag, als wanneer do duiven meest allen van het nest zijn. Wat het koren aangaat dient nog opgemerkt te worden, dat men frisch, pas geoogst graan, vooral gerst en tarwe, zooveel mogelijk dient to vermijden.

Wat de maat of hot gewicht van het dagelijksch rantsoen voeder per hoofd aangaat, daarvoor laten zich mooi-hjk algemeen gol-dende regelen vaststellen , daar het jaargetijde, de aanwezigheid vanjongen,

do grootte der rassen,

enz. do hoegrootheid van dat rantsoen niet onaanzienlijk wijzigen.

In do wintermaan- 30-

den, voornamelijk in December on Januari, mag men niet te veel, te zwaar en te opwekkend voeder geven, om do dieren niet tot al te vroegtijdige paring te prikkelen.

In don zomer, hoofdzakelijk gedurende don broedtijd on na den rui, moet

men ze echter des te beter verzorgen en zooveel voeren, als de dieren willen eten.

Espanot rekent voor 500 paar veld vluchters dagelijks ongeveer 25 kilogram korenvoor en, al naar bot jaargetijde, 1 a 5 kilogram van zijn hiervoor Baldamus, Pluimveotoelt II, 4

ocr page 58

50

genoemd weekvoer; wij dienen hierbij eclitcr op te merken, dat hjj rekent met liet oog op zijn eigen in een duiventoren gehouden veldduiven, die de velden van onkruid moeten bevrijden, dus weinig gevoerd worden en des te meer zoeken.

Lentz daarentegen berekent de hoeveelheid gerst per paar rasduiven benevens hare jongen, wanneer die op den leeftijd van 7 weken weggenomen worden, het geheele jaar door gemiddeld op 190 gram per dag, doch houdt de volgende voederwijze voor de beste: l1' gekookte aardappels met eene toegift van der kwantiteit aan haver, zooveel de dieren willen vreten; 'i1' voor elke oude duif eiken dag om 10 uur 's morgens 12 gram gerst, 's namiddags om 3 uur weder 12 gram, en voor iedere meer dan 8 dagen oude jonge duif bij eiken dezer twee maaltijden nogmaals 12 gram.

Benevens goed en voldoende doch niet vetmakend voer behooren zjj dagelijks tweemaal van versch drinkwater, des winters lauwwarm, voorzien te worden. In fig. 30 is de beste drinkbak voorgesteld, dien Wright kon vinden: hjj is echter bekend genoeg en behoeft daarom geen verdere beschrijving. In tig. 31« zien we een eigenaardigen, waarschijnlijk zeer ouden, uit terra-cotta vervaardigden drinkbak, die eveneens wel practisch is.

Voor het baden binnen het duivenslag beveelt Wright den in fig. 32 afgebeelden dubbelen bak aan, die zeker eveneens geene beschrijving behoeft.

Het komt ons echter voor, dat die bak aan het doel — namelijk bet over den bodem spatten van het water te voorkomen — niet voldoende

ocr page 59

M

diepe badkuip verwijderd, met andere woorden, in verhouding tot de badkuip veel grooter moeten zijn. Beide zijn van zink. Aan den kant legt men gewoonlijk een steen om den kleine soorten van rasduiven het uit het bad gaan gemakkelijker te maken, 't Is gemakkelijk te begrijpen, dat zulk een badkuip in het duivenhok alleen noodig is om den vloei- te ontzien.

Het is echter niet noodig, dat de duiven dagelijks baden; twee keer in de week of in het heete jaargetijde om den anderen dag is voldoende; vele duiven baden zelfs nooit. Wright is van meening, dat de duiven zich niet in het zand baden; dit is echter wel het geval; zij doen het steeds graag, als ze daarvoor eene geschikte gelegenheid hebben, en een hoop zand, droge aarde of haardasch voor het verdrijven van ongedierte is voor duiven even nuttig als voor hoenders.

De voor de keuken bestemde jonge duiven worden gewoonlijk op don leeftijd van '23 a 25 dagen uit het nest genomen. Wanneer men ze echter 0 a lt;S dagen langer in bet nest laat, nemen zij vrij wat in gewicht en in smaak toe.

Wil men ze echter mesten, dan laat men zo niet langer in het nest dan '23 a '25 dagen ou zet ze dan paarsgewijs in de door eene gootvormige tusschenruimte van elkander gescheiden afdeelingen van het mesthok. Die goot dient tot opname van de uitwerpselen en moet dagelijks gereinigd worden.

Het boste mestmiddel is maïsmeel of wittebrood met melk, dat de duiven of in een dik vloeibaren toestand door middel van een trechter wordt ina-e-geven, óf in een deegvorm tot pillen gemaakt, waarmee men de dieren stopt. In plaats van melk nemen sommigen ook wel noten- of raapolie; dit laatste is echter niet aan te bevelen, omdat het vleesch er een onaangenamen smaak door krijgt. Espanet beveelt aan brij van gierstemeel en gekneusd maanzaad of eenig ander oliezaad, met melk aangemaakt. Men stopt de jonge duiven op zjjn minst vijf keer per dag en mengt in de laatste dagen 's middags de eene of andere kruiderij onder het deeg, als fijn gemaakte venkel, anijs, koriander of, om het vleesch den smaak van wildbraad te geven, fijngewreven denne- of cypresse-bladeren. Dit is de Pransche mcstmethode, die in elk geval beter en minder wreed is dan de vroeger in Frankrijk gevolgde methode om de jonge duiven de pooten te breken, opdat zij het nest niet konden verlaten en dus langer door de ouden gevoerd werden.

Men zal echter ook voldoende zijn doel kunnen bereiken op eene meer eenvoudige en minder werkzame wijze, als men n.1. de duiven alleen of paarsgewijze opsluit, haar een of ander voedzaam weekvoer, bijv. in melk geweekt brood, of gierst, gebroken maïs of tarwe en tot drank versche

ocr page 60

52

melk gcct't cn er voor zorgt, dat de mestkooi frisschc lucht kan krjjge.'ien zooveel lieltt, dat de dieren hun eten en drinken kunnen vinden. Natuurlijk is de uiterste zindelijkheid bjj het mesten een eerste veroisehte.

Zesde Hoofdstuk.

Voort itlnuling1 dor duiven, Parilijf eu Ilcliandeliiijy.

De duiven leven over liet algemeen in monogamie. Bij de wilde soorten schijnt slechts de dood een einde aan den echt te maken. Do domestiseering echter heeft door gedwongen paring en scheiding het oorspronkelijke instinct klaarblijkelijk en aanmerkelijk gewijzigd; de veel geprezen huwelijkstrouw der duiven is, ten minste bij de hokduiven, eeno mythe geworden. Ook munten de duiven, wilde zoomin als tamme. Juist niet zoo bijzonder uit door groote liefde en opoffering voor hare kinderen, als menigmaal verteld wordt, cn hare „aangeboren vrees en schuwheidquot; verklaart en verontschuldigt dit gebrek aan ouderlijke toewijding en genegenheid in geenen deele, daar veel kleinere, zwakkere en overigens vreesachtige vogelsoorten voor hunne eieren en jongen een bewondcrenswaardigen moed en eene werkelijk roerende zorgvuldigheid en trouw aan den dag leggen.

Men kan eigenlijk alleen voor de halfwilde veldvluchters een termijn aangeven, waarop de voortplantingsdrift ontwaakt en de nestbouw begint. En toch is die termijn ook nog weder van bet klimaat cn het weder afhankelijk. Nergens echter komt die aandrift ver vóór den tijd, waarin de duiven voldoende voedsel voor zich en hare jongen kunnen vinden, dat is tusschcn Februari en het begin, zelfs het midden van April. Over 't geheel geldt dit ook voor de huisduiven, doch niet zelden komt het voor, dat bij deze de paarlust, wanneer het weder eenigszins mild is, reeds in Januari ontwaakt. Bij de fijne duivensoorten doet men echter verstandig dit zooveel mogelijk te voorkomen, aangezien zij dan toch meestal zwakke jongen krijgen, waaronder veel sterfte voorkomt, en vooral de duif doch ook de doffer gevaar loopt dermate te verzwakken, dat ze voor de fokkerij verder onbruikbaar worden.

In gunstige klimaten of bij rijkelijke voeding in warme hokken, veestallen enz. verdwijnt de paarlust alleen gedurende den ruitijd, ten minste bij al die rassen, welke zich door groote vruchtbaarheid kenmerken.

In alle warme landen en landstreken geven de huisduiven 9 a 10 broedsels in het jaar, de veldduiven in Frankrijk tot 7, bier en in Noord-Duitschland gemiddeld 5, zelden 6, doch in warme stallen en goede jaren 7 en zelfs 8. Duiven, die reeds langen tijd gepaard zijn geweest, beginnen

ocr page 61

5.1

vroeger te nestelen dan do pasgopaardo. Het nest is zeer eenvoudig en ondiep en slechts losjes uit over elkander gelegde rjjsjes, stroo- en hooihalmen gevormd. De eerste of winternesten hebben in don regel een wat dikkere en warmere onderlaag dan de zomernesten. Daar, waar moii liet oude nest niet verwijderd heeft of niet verwijderen kan, dient dit gewoonlijk tot onderlaag, waarop slechts enkele rijsjes en strootjes worden aangebracht. Deze, op die wijze jaren lang gebruikte nesten kunnen eeno aanzienlijke hoogte bereiken en worden door de uitwerpselen van binnen en van buiten zoo hard en vast, dat men ze niet dan met moeite uiteen kan trekken. Evenals l)ij do meeste vogels beslist de doffer over de keuze van de nestplaats. Hij draagt ook het nestmateriaal aan, dat de duif terecht legt.

De beide eieren worden gewoonlijk -40 a 40 uren na elkander en des namiddags of tegen den avond gelegd. Zij zijn, evenals op enkele uitzonderingen na alle duiveneieren — alleen die van het geslacht Oena zijn fraai okergeelachtig wit — zuiver wit van kleur en nagenoeg of geheel gebjk-helftig, aan beide uiteinden bijna geljjk gerond en nu eens meer kogelvormig. dan weder meer gerekt. Slechts bjj uitzondering komen er ook ongeljjk-helftige, aan de ééne pool spitse vormen voor. Do Nicobarische prachtduif, Cnloenas nicoharira, met hare bijna tol- of peervormige eieren, maakt hierop misschien de eenige uitzondering.

Wat de grootte der duiveneieren aangaat, deze verschilt nog al aanmerkelijk naar verhouding van de lichaamsgrootte dei-duiven zeiven. Fig. 33 geeft den omvang van de grootste en de kleinste onder de bekende soorten,

n.I. die van Goura coronafa, de kroonduif, en Oena capensis, Kaapsche duif; de middelste is de gemiddelde maat van de eieren der veldvluchters.

De eieren der veld- en huisduiven van verschillende rassen varieeren tusschen 3'2 en 40 millimeter lengte en '25 en 3'2 millim. breedte en wegen gemiddeld: gevuld en versch 10 a 20 gram, ledig 0,8 a 1,45 gram. De schaal is naar verhouding dun maar zeer stevig, de structuur fijn;

de poriën zijn voor de geheele orde der duiven de duiveneieren gemakkelijk en met het bloote gekleurde zijn te onderscheiden.

De broedtijd der duiven duurt onder gunstige omstandigheden niet geheel en al i N dagen. Dit is evenwel het kortste termijn voor het uitkomen der jongen. Hij groote koude of wanneer ze dikwijls in het broeden gestoord worden, wat vooral de niet geheel tamme duiven niet best kunnen ver-

ocr page 62

54

dragen on waardoor zo dikwijls do oieron verlaten, kan do broedtijd wol 4 a 5 dagen langer duren.

Zooals bekend is, broedt zoowel do doffer als do duif; eerstgenoemde lost zjjn wijfje gewoonlijk zes uur per dag af, van 0 a 10 's morgens tot '2 a 4 uur 's middags.

Do eierschalen worden in den regel, zoodra de j'ongen uitgekomen zjjn, uit liet nest verwijderd, ook wel door de ouden opgegeten. Geschiedt dit echter niet, dan wil het wel gebeuren, dat do schalen van het eerst uitgebroede ei om het nog niet uitgebroede schuiven, waardoor het uitkomen van dit laatste zeer bemoeilijkt, j'a, zelfs geheel verhinderd kan worden, 't Is daarom aan te bevelen, wanneer men dienaangaande geene zekerheid heeft, het nest. als de broedtijd ten einde loopt, ééns na to zien om dergelijke rampen nog tijdig te kunnen voorkomen.

Ook kan hot gebeuren, dat de jongen wegens de dikte en hardheid van de schaal niet in staat zijn deze te verbreken. Men kan in dat geval daarbij de behulpzame hand bieden, door in water van ongeveer :iOquot; en op oene warme plaats do schaal te breken. Er behoort echter een zachte hand toe en nog behoedzamer dient men te werk te gaan, als het jonge dier aan het vlies is vastgekleefd en daarvan zal bevrijd worden, daar één druppel bloed hierbij in de meeste gevallen den dood van het diertje ten gevolge heeft. Ook zorge men er bij deze bewerking voor, dat de snavel niet onder het water komt. Hierbij valt nog op te merken, dat men bij elke noodige operatie, bijv. ook wanneer men op den vijfden dag der bebroeding onderzoek wil doen naar de bevruchting der eieren, zoo mogelijk in het donker de nesten nadert, opdat de broedende duiven niet door het licht verontrust worden.

Het uitkomen der jongen kan aanmerkelijk verlicht worden, als men de eieren, ongeveer twee dagen vóór het verstrijken van den broedtijd, enkele malen voor een oogenblik in warm water doopt en ze daarna nog nat weder in het nest legt.

De Jongen zijn in het begin met een weinig dun, haarachtig dons bedekt, waaraan men zeer duidelijk de wijze, waarop de latere voeren naast elkander zullen liggen, kan zien. Uit dezelfde huidopeningen breken na 8 a 10 dagen — tegelijk met het openen der oogen — de kielen der eigenlijke veeren door en wel in deze volgorde: eerst verschijnen de groote slagpennen en de staartveeren, dan de vleugeldekveeren en de kleine slagpennen, daarna de veeren van den romp, verder de kop- en halsveeren en eindelijk die van het gezicht, rondom den snavel mortel. Het haardons blijft tot 8 dagen — en nog wel langer — na het uitvliegen aan de punten der veeren hangen.

De wijze, waarop de duiven hare jongen voeren, is zoo eigenaardig, dat

ocr page 63

zjj daardoor alleen reeds van de hoendersoorten te onderscheiden zijn, ook dun nog', wanneer er, zooals reeds is opgemerkt, geen belangrijk verschil mocht zjjn aan te wijzen. Ten eerste heeft men het voorbereidende phy-siologisch-anatomisch proces van de verdikking der krophuid ten gevolge van een tijdelijke sterkere voeding- daarvan, welke bij de duif — doch in veel geringere [mate ook bjj den doffer — in de eerste dagen der broedperiode plaats heeft. Vorder dient opgemerkt te worden, dat in den krop en de kliermaag de spijsbrij bereid wordt, waarmede de jongen ongeveer 8 dagen lang on hoofdzakelijk door de duif gevoed worden; de doffer noemt eerst vanp.f den 88ten of fl{ien dag geregeld aan het voeren deel. Do ouden nemen daarbij den snavel dor jongen zijdelings in den haren en pompen de vloeistof, schijnbaar zonder groote inspanning, in den slokdarm der jongen. De spierinspanning bij het voeren wordt echter aanmerkelijk grooter, wanneer langzamerhand na 8 a 9 dagen op dezelfde wijze in den krop geweekte graankorrels in don slokdarm der Jongen geperst moeten worden. Ouden en jongen buigen zich bij deze handelwijze met kracht op en neder en zijwaarts, zoodat men liaast moet vreezen, dat de jongen daarbij de halswervels zullen verstuiken of verdraaien. De ouden voeren gedurende dien tijd alleen geweekte zaden en laten zich door geen bidden en smeeken der hongerige jongen bewegen om dezen dadelijk, nadat zij zelf gegeten hebben, (ingeweekt zaad te geven.

De veldvluchters en hofduiven vinden gedurende het grootste gedeelte van den broedtijd de voor de bereiding van de spijsbrij noodige kleine, nog onrjjpe en weeke of door regen en dauw geweekte zadenjen. De huis- en slagduiven echter hebben, zullen de jongen flink gedijen, ten minste gedurende de eerste periode behoefte aan het een of ander weekvoer, tenzij men de ouden zoodanig voert, dat deze steeds overvloedig spijsbrij in voorraad hebben. Langzamerhand worden de jongen aan een steviger voer gewoon, zoodat zij na ongeveer 20 dagen alleen nog in den krop geweekte zaden krijgen.

Wij laten hier maar dadelijk volgen, wat er over de paring dei-duiven, hare behandeling en verzorging gedurende den broedtijd enz. te zeggen is.

Over 't algemeen behoeft men zich echter om de paring der Veldduiven niet te bekommeren, daar de paartjes zich wel vrijwillig samenvoegen. Wel heeft men er echter op toe te zien, of er ook ruziemakers, vooral onder de doffers, zijn; onverbeterlijke rustverstoorders moeten verwijderd worden evenals overtollige doffers of duiven, Dit geldt echter meer bepaald voor de huisduiven, aangezien bjj de veldduiven in groote slagen zulk een controle moeilijk uitvoerbaar en ook minder noodig is. De goede verstandhouding

ocr page 64

5()

tusschen dotters en duiven wordt maar zelden ernstig gestoord en dan gewoonlijk; ook al zeer spoedig weer hersteld.

Anders echter is het, wanneer men rasduiven voor bijzondere doeleinden gepaard wenscht te zien. In zulke gevallen kan men natuurlijk do duiven geen vrjje keus laten, doch moeten kunst en kennis van den fokker elkander de hand reiken, om het zich voorgestelde doel met de grootst mogeljjke zekerheid te bereiken.

Het middel daartoe is du gedwongen paring, dat wil zeggen het samen opsluiten van het gekozen paar in liet daarvoor bestemde paarhok, 't welk zoo algemeen bekend is, dat het hier geene beschrijving behoeft.

Wat den dotter aangaat, is er bij die gedwongen paring maar één bezwaar: hij mag, wanneer hij reeds — vooral vrijwillig — gepaard is geweest, zijne vroegere echtgenoote niet zien. Om dit te voorkomen, plaatst men zijne kooi dus zoo, dat zulks niet mogelijk is, of men hangt over zijne af-deeling een doek, die het licht wel doorlaat, docli hem niet toelaat er door te zien.

Bljjkt liet na '2 of 3 dagen, dat het paar elkander bevalt, dan neemt men den traliewand, die de beide afdeelingen scheidt, weg en de paring zal niet lang meer op zicii laten wachten, vooral niet, wanneer men ze hennep-, raap- of lijnzaad heeft gevoerd; drie tot vier dagen na de paring kan men ze dan zonder gevaar in het slag laten.

Het gebeurt echter ook wel eens, dat de duif, zoodra men den scheids-wand wegneemt, zich meester maakt van het terrein en den dofter met bijten achtervolgt. In dat geval moet zij in een half donker hok opgesloten worden, zoo, dat zij geen andere duif kan zien. Men laat den doffer gedurende dien tijd in het paarhok en brengt de duif na eenige dagen weder bij hem, wanneer de duif zich gewoonlijk vrijwillig aan haar heer gemaal onderwerpt.

Oudere paren of zulke, die eerst nog gescheiden moeten worden, brengt men ook wel gedurende eenige dagen ieder in een afzonderlijk hok, vóór men ze in het paarhok zet.

Een andere voorzorgsmaatregel bestaat nog hierin, dat men de vroegere gezellin (of gezel) ook op nieuw paart of uit het hok verwijdert, vóór men de gepaarde dieren loslaat.

In het niet zelden voorkomend geval, dat men zoo lang mogelijk met een bijzonder goeden, ouden doffer wenscht te fokken, pare men dezen aan eene jonge duif. Fulton heeft op die wijze van een meer dan 10 jaren oude Valkenet nog zulke fraaie en sterke nakomelingen gekregen, dat zij menigen prijs wonnen. Er mag dan echter geen jonge, hupsche met een krachtige stem begaafde doffer op het slag zijn, omdat de jonge duif dan

ocr page 65

57

maar al to licht geneigd is, de eieren te vaak te verlaten om met dien doffer te paren.

We hebben reeds opgemerkt, dat de huwelijkstrouw der duiven, ofschoon die wel als regel kan gelden, volstrekt niet zonder uitzonderingen is. En zoo bestaat er onder de duiven dan ook veelwijverij en gebeurt het wel, dat een zelfde doffer zich met twee duiven paart eu beide helpt bij het uitbroeden en voeren der jongen. Fulton meldt, dat bij eens een doffer had, die geregeld met niet minder dan vijf duiven gepaard was. Men mag vooronderstellen, dat die doffer zich dan ook in het geheel niet om zijne familie bekommerde, niet broedde en niet voerde, want dat zou niet best uitvoerbaar zijn, tenzij hij onder die vijf' duiven eene sultane favorite bezat, aan welke hij bijzondere opmerkzaamheid wijdde.

De geschiktste tijd om de duiven oin te pareu is zeker de ruitijd, omdat in dien tijd de paringsdrift sluimert. Dikwijls echter kunnen er zich omstandigheden voordoen, die eene omparing midden in het broedseizoen noodzakelijk of wenschehjk maken. Dit kan bijv. het geval zjjn, wanneer men iu dien tijd in bezit komt van een doffer of duif, die voor bet doel meer geschikt is dan de gepaarde, of wanneer de resultaten van de eerste paring niet van dien aard waren, dat men op dezelfde wijze voort kan gaan. Met het omparen van den doffer heeft men dan gewoonlijk weinig moeiehjkheid. Om echter meerdere zekerheid aangaande de duif' te hebben, laat men deze eerst hare beide eieren leggen en neemt haar dan dadelijk weg om haar alleen, zonder doffer, op te sluiten en wel gedurende op zijn minst acht dagen, wanneer zij slechts eenmaal in dat seizoen heeft gelegd, veertien dagen, wanneer zij voor de tweede maal, en drie weken, als zij nog vaker heeft gelegd. Na dezen rusttijd, welke ook den invloed der vroegere paring opheft, brengt men het paar in het paarhok en handelt als gewoonlijk.

De meeste duiven leggen tusschen acht en zestien dagen na de paring. Legt eene duif' binnen drie weken niet, dan kan men haar gedurende acht dagen opsluiten en daarna opnieuw weder bij den doffer brengen.

Legt zij na herhaalde scheiding niet, dan doet men het best den doffer aan eene andere duif' te paren eu de duif gedurende bet seizoen verder ongepaard te laten. In de meeste gevallen zal zulk eene verzwakte duif dan weder geheel herstellen en het volgende broedseizoen des te bruikbaarder zijn.

De bij vele rassen zoo dikwijls voorkomende en menigmaal in eene volkomene onvruchtbaarheid overgaande zwakte der duiven is wel menigmaal een gevolg van te veelvuldig broeden en ten toon stellen, doch beeft toch ook nog een diepere, natuurlijke oorzaak.

ocr page 66

58

De ervaring heeft geleerd, dat liet eerst gelegde ei bijna onveranderlijk mannelijk, liet tweede vrouwelijk is. Aangezien nu dc duiven meestal op liet eerste ei blijven zitten, komt dit — dus een jonge doffer — ook eenige uren vroeger uit, en bij den verbazend snellen groei der jonge duiven komt de jonge doffer liet later uitkomend duifje zoozeer in kracht en ontwikkeling voor, dat hij steeds liet beste aandeel van het voeder bekomt, zoodat de duif, al gaat zij ook niet geheel en al te gronde, toch zeer achterlijk blijft en dikwijls met een verhogen borstbeen opgroeit. Natuurlijk erven de kinderen deze zwakke constitutie der moeder, welke zelfs voor het kweeken van kleine rassen schadelijk bljjft. Daarbij lijden zulke zwakkelingen bij het leggen van het eerste ei dikwijls zoo aan legnood, dat zij eraan sterven. Dit is de eerste oorzaak, waardoor er zooveel sterke doffers en zooveel zwakkelijke duiven zijn.

Om dit ongelijktijdig geboren worden der jongen te voorkomen, verruilt men het eerstgelegde ei wel met een vooraf hard gekookt duivenei, dat men weder wegneemt en tegen het versche verwisselt, als het tweede gelegd is. Het ligt voor de hand, dat beide eieren dan te geljjk uitkomen moeten.

Eene andere vraag is, of deze in de oogen van den fokker zoo verkeerde verhouding niet eene op de natuurwet gegronde is. Bij tal van vrijlevende vogels is zulks ongetwijfeld het geval en wel bij dezulken waarvan —- met uitzondering van enkele roofvogels — het mannetje grooter en sterker is dan het wijfje, alzoo ook bij de vrijlevende duiven, wilde duiven en veld-duiven.

Van het einde van Augustus doet men het best de geslachten gescheiden te houden tot zoolang, dat eene duurzaam gunstige weersgesteldheid gunstige gevolgen van de paring belooft. Men doet dit het best door een tusschen-schot van traliewerk, welke afscheiding zoo wordt aangebracht, dat zij de beide afdeelingen van het slag geheel en zeker scheidt.

Vele van de fijne duivenrassen zijn niet in staat om hunne jongen te voeren of zij voeren die ten minste niet voldoende, gewoonlijk slechts tot den achtsten, negenden of tienden dag. Bij de Valkenetten ligt de oorzaak in een mechanische hindernis; bij de fijne kortsnavelige Tuimelaars, vooral de Almonds, aan de ongemeene zwakte der jongen gedurende de eerste dagen en, even als bij vele Kroppers en Carriers, tevens aan den geringen trek of de ongeschiktheid om te voeren. Men bemerkt dat niet- of onvoldoende voeren gemakkelijk aan den geringen groei der jongen en heeft dan dadelijk te zorgen voor eene „minquot; of men moet ze uit de hand voeren, voorop gesteld natuurlijk, dat het slechte voeren der jongen niet een gevolg is van slechte voeding der ouden zei ven.

ocr page 67

59

Bij eeue goede voeding nemen de jonge duiven buitengewoon snel in grootte en gewicht toe. „Zoo wogenquot;, zegt Dixon, „gewone duiven, kort na liet uitkomen, 17 gram, zes dagen later reeds 150 gram, den daarop volgenden 190 gram, op den negenden dag 2()0 gram en op den leeftjjd van 4 weken 380 gram; iets meer zelfs dan hunne oudersquot;. Wat den snellen groei aangaat, staan de duiven echter niet alleen: alle uit den krop voerende zaadeters onder de zangvogels, vele waad vogels, enkele zeevogels enz. groeien even snel. of naar verhouding misschien nog sneller.

])e eenvoudigste manier om goede jongen van zulke slechtvoerende duiven te verkrijgen is, do eieren onder goede voedsters te leggen. Hierbij dient men er echter wel voor te zorgen, dat die eieren zoo mogeljjk even oud zijn als de eieren, waarvoor men ze in de plaats legt. In dat geval kan men ze op elk tijdstip van don broedtijd ten voordeele van de rasduiven onderleggen. Zijn de eieren van deze laatste echter eerder gelegd en langer bebroed — op één of twee dagen komt hot juist niet aan — dan vinden de jongen bij hunne geboorte de spijsbrij bij de pleegmoeder nog niet ontwikkeld en moeten zij van gebrek omkomen. Dit is ook het geval, wanneer men jonge duiven aan pleegouders geeft, die hunne eigene jongen veel vroeger uitgebroed en dus ook vroeger gevoerd hebben, omdat dan het voer voor de jongere pleegkinderen te hard en te grof is; heeft het omgekeerde echter plaats, zijn de jonge duiven, die men aan eene pleegmoeder geeft, eenige dagen ouder dan hare eigene, dan genieten zij langer van het weekvoer, wat zeer in hun voordeel is.

Bijna alle kleurduiven, alsmede de geteekende laten zich op die wijze als pleegouders gebruiken en onder de rasduiven de dragonders, pauwduiven, raadsheeren en Antwerpsche duiven. In Engeland houdt men de neiging van deze duiven tot het voeren van vreemde jongen ten deele voor erfelijk en de fokkers van zeer fijne rasduiven schatten die zoo hoog, dat zij hunne „minnenquot; dikwijls met evenveel zorg fokken als de volbloedduiven en ze niet dan tegen hooge prijzen afgeven. Men kiest natuurlijk pleegouders uit van eene voor de hun toevertrouwde jonge duiven passende grootte.

Vooral bij het fokken van de kortsnavelige tuimelaars en speciaal van de Almonds is do hulp van vreemde verplegers noodig en men zal daarbij goed doen, als men voor één paar daarvan twee paar verplegers houdt, waarvan bet ééne paar twee dagen vroeger en het andere twee dagen later gepaard is dan de Almonds, opdat men vrij zeker kan zijn, dat men linn do eieren tijdig onder kan leggen, wat bepaald beter is dan de Almonds zeiven te laten broeden en de jongen bij de pleegouders te brengen. Tot de beste verplegers van tuimelaars behooren middellang- of langsnavelige witkop- en haardtuimelaars, meeuwtjes, eksters, raadsheeren en anderen.

ocr page 68

(50

Voor Yalkenetteii, welke van liet derde jaar af ongeschikt worden om zeiven te voeren, kunnen gebruikt worden: één- on tweejarige exemplaren van hetzelfde ras, Antwerpsche duiven, dragonders, wanneer deze n.l. niet te wild zijn, en anderen.

Yoor die kroppersoorten, welke of geheel niet of op zijn hoogst slechts 10 dagen voeren, houdt men pauwstaartduiven, welke echter ook voor tuimelaars zijn aan te bevelen, kleurduiven, veldduiven enz. Het is in de meeste gevallen echter goed, de kroppers, wanneer zij willen, zeiven hunne jongen tot den achtsten of tienden dag te laten voeren.

Voor de Carriers dient men zwaardere verplegers te nemen als dragonders, Antwerpsche duiven enz. Vooral om Hinke en sterke duiven te verkrijgen, waaraan vaker gebrek schijnt te bestaan dan aan doffers, is het aan te bevelen steeds pleegouders te nemen en die dan alleen de jonge duiven ter verzorging te geven. Vrij vliegende Carriers voeren echter ook zeiven meermalen met goed gevolg, doch het gevaar voor het verliezen van zulke kostbare dieren is te groot, dan dat men het er maar op kan laten aankomen.

Ton opzichte van kostbare, fijne rassen getroost men zich ook wel do niet altijd loonende moeite om de jongen uit de hand of uit den mond te voeren. Het laatste is bij zwakke Almonds dikwijls met succes beproefd. Men neemt daartoe van eono dunne brij van melk en havermeel een weinig in den mond, en den snavel van de jonge duif tusschen de lippen en tracht deze zoo de vloeistof in de keel te brengen.

Men bezigt voor dit doel ook wel half vloeibaar eiwit van een gekookt ei, doch de op deze kunstmatige wijze gevoerde duiven worden hoogst zelden sterke exemplaren en dienen eigenlijk nergens anders voor dan om ons in de gelegenheid te stellen te zien, hoe het broedsel van een nieuw paar er uitziet, wanneer ze n.l. zoo lang blijven leven. Zijn er geene pleegouders aanwezig of krijgen do jongen geen voedsel genoeg, dan kan men als volgt handelen: In een koffiemolen male men maïs, grauwe erwten en wikken, vermenge die in kokende melk onder elkander en late die brij een nacht over staan om ze den volgenden dag de jonge duiven in te spuiten, waarvoor men een spuit van caoutchouc met een ivoren mondstuk gebruikt of een zoogenaamden melkzuiger. De brij moet lauwwarm gegeven worden. De jongen moeten echter eerst 8 a 14 dagen oud zijn, vóór men ze met succes op deze wijze kan behandelen en verder ook óf door de ouden of kunstmatig warm worden gehouden. Wanneer de jonge duiven eenige dagen onvoldoende door de ouden gevoerd worden en daardoor zeer verzwakken, worden de ouden wel eens zeer nalatig in het voeren en loopen do jongen dus eveneens gevaar van gebrek om te komen. Als men dezen dan slechts

ocr page 69

Ö1

óóii koor por dag, tegen den avond, don krop met hot genoemde kunstvoor vult, zullen zij woldra weder aansterken; de ouden beginnen dan wodor boter to voeren on hot kunstmatig voeren kan nnsschion weder geheel achterwege worden gelaten.

Wanneer later, als de jongen ongeveer IJ weken oud zijn, do ouden hun in don krop geweekt koren voeren, doch niet voldoende, dan kan men do jongen 's avonds mot in warm water geweekte graankorrels stoppon.

Oude duiven, die niet voldoende voeren, kan men nergens boter door daarin te hulp konion, dan door haar 's avonds in melk gekookte rijst te voeren of ook in kleine stukjes verdeelde havenneolkoek. Zij gowonnon or heel spoedig aan en voeren dan gewoonljjk zeer goed.

Om liot ton gevolge van hot op ongelijke tijden uitkomen dor jongen ontstane verschil in groei en ontwikkeling te vereffenen — gewoonlijk zijn hot de duiven, dio daarin bij do doffers ten achter blijven ■— kan mon met de achterlijke jongen ook op do hiervoor genoemde wijze handelen on hun 's avonds weekvoer of koren toevoeren al naar hun leeftijd, tot hot dool van deze handolwjjze is bereikt.

Wanneer eindelijk do jongen het nest verlaten hebben en niet moor voldoende door de ouden gevoerd worden, is liet eveneens aan te raden, hun 's avonds don krop te vullen. Eten zij alleen, dan is het tijd om hen zoo mogelijk van do ouden te scheidon en allo jongen in oone afzonderlijke afdoeling onder dak te brengen.

Zevende Hoofdstuk.

Diiivcnsla^vu en lillen.

Allo inrichtingen om duiven te huisvesten, hoe verschillend van aard ze ook mogen zijn, kunnen tot twee rubrieken worden gebracht: holenslayau on kiiDierslayen.

Hot holonslag bestaat hoofdzakelijk uit alleen van buiten toegankelijke nostholton. Hot zjjn drie- of vierhoekige hokken, welke door schotten in verscheidene afdeelingen zijn verdeeld en aan do muren van gebouwen worden opgehangen, of rondo, zes- of achthoekige, oveneons verdoelde koepeltjes, welke op oen steonen of houten pijler of paal ergens in den tuin of oj) het erf worden geplaatst. Ofschoon de Veldduiven on ook sommige rasduiven gaarne dergelijke inrichtingen bewonen, hebben deze toch dit grooto gebrek, dat zij te koud zijn; zelfs do Veldduiven broeden er later in en scheiden vroeger uit dan in warmere slagen. Do aan de muren op-

ocr page 70

62

gehangen hokken zijn in dit opzicht beter dan de geheel vrijstaande, vooral wanneer zij aan de zonzijde van een gebouw zijn geplaatst, omdat zij clan niet van allo kanten aan de guurheden van wind en weder zijn blootgesteld. Zijn ze, zooals men ze hier en daar ziet, binnenshuis in warme veestallen opgehangen, dan broeden de Veldduiven er zelfs des winters wei in, indien deze maar eenigszins goed gevoerd worden. Een tweede nadeelige zijde is deze, dat zij moeilijk schoon zijn te maken en daardoor wel eens minder vaak schoon gemaakt worden dan noodig is, terwijl zij in de derde plaats ook niet zoo geschikt zijn om er nieuwe duiven in te gewennen.

Oneindig beter zijn in alle opzichten de kamerslagen n.1. dezulke, die uir eene op een kamertje gelijkende ruimte bestaan, waarin zich de nestpiaatsen bevinden. Zij beschutten beter tegen weer en wind cu bieden den eigenaar ook in alle opzichten eene betere gelegenheid om liet noodige toezicht te houden. De eerste vraag bij het inrichten van een dergelijk slag moet deze zijn: Wat en in welken maatstaf men fokken wil.

Semen wij met Espanet aan, dat wij van plan zjjn een vlucht van 500 paar Veldduiven of andere ook op het veld zoekende variëteiten te houden, eene onderneming, die — aangenomen dat we daartoe het recht heliben — alleen op eene groote boerderij of een groot buitengoed rentabel is, dan zullen de tegenwoordig in Frankrijk meer en meer verdwijnende duivento-rens van de oude constructie misschien de meest geschikte en, niettegenstaande de meerdere kosten van aanleg, op den duur ook de goedkoopste zijn. Zij zjjn van steen gebouwd en kunnen, volgens Espanet, als ze een trrondvlak hebben van 10 M'2, muurwerk van 5 Meter en een dak van

O 1

4 a 5 M. hoogte, gevoegelijk I'iOO a '1500 nestplaatsen bevatten, gedeeltelijk langs de muren, gedeeltelijk iu liet midden aan houten wanden en aan het houtwerk van het dak.

Dergelijke torens zjjn ook in het Oosten, met name in Perzië in gebruik.

Natuurlijk kunnen die duiventorens ook op eenvoudiger en goedkooper schaal worden aangelegd, al mogen ze het dan ook niet zoo lang uithouden als de door den schrijver bedoelde. Iu ons land zien we er vele van hout en van geringere afmetingen, rustende op vier steenen of met zink beslagen houten pilaren. Men ziet zo hier buiten het erf, op oen aangrenzend stuk land staan, vanwaar de duiven een vrij uitzicht over den omtrek hebben, elders op het erf, midden in de mestvaalt. Dergelijke duiventorens, meestal duiventil genoemd, bevatten in den regel alleen veldvluchters en zijn onderworpen aan bet in de desbetreffende artikelen van de quot;Wet op de Jacht en Visschenj bepaalde, waarin o.a. gezegd wordt, dat „door duiventil wordt verstaan dk toestel, waarop zoogenaamde tilduiven of veldvluchters worden gehoudenquot;. Ook wordt in die Wet gezegd, dat er geene duiventillen mogen

ocr page 71

63

opgericht worden zonder toestemming der Regeering; doch in een arrest van den Hoogen Raad is uitgemaakt, dat niet liet bouwen van een duiventil, maar liet houden van tilduiven of veldvluchters op zulk een toestel als het oprichten eener duiventil moet worden aangemerkt.

Bij liet aanleggen van een kamerslag in den eigenlijken zin van het woord dient men er voor te zorgen, dat als algemeene regel geldt, dat dit voor moeilijk vliegende rasduiven zeer laag, voor andere middelhoog en voor de het veld bezoekende zoo hoog mogelijk moet geplaatst worden.

Voor allen echter — en dit is een regel, die niet genoeg in acht kan worden genomen— moeten ze voldoende ruimte hebben, welke ruimte te grooter moet zijn-, naar mate de bewoners ervan minder beweging nemen in de vrije buitenlucht. Wat de ligging aangaat, is die op het Zuid-Oosten, Oosten of Zuiden de beste, ofschoon ook eene Zuid-Westelijke en zelfs Westelijke ligging niet af te keuren is, wanneer het slag aan die zijden maar voldoende tegen wind en weder beschut is. Het slag moet zoo droog mogelijk en goed geventileerd zijn zonder sterke tocht toe te laten, dus zonder reten en scheuren in het dak en de wanden. Zeer aan te bevelen is liet, de wanden met kalk te bestrijken. De vloer behoort eveneens goed dicht en glad te zijn on liefst goed geolied; want zelfs bij eene zorgvuldige reiniging-is het toch niet te vermijden, dat de waterige zelfstandigheden der uitwerpselen erin trekken, dien spoediger doen verrotten en nadeelige uitwasemingen veroorzaken, welke zelfs door eene goede ventilatie niet voldoende verwijderd kunnen worden. Eindelijk kieze men voor den aanleg van het slag-zoo mogelijk eene zijde van het huis, die ten minste eenigszins vrij ligt, opdat de bewoners zich gemakkelijk kunnen orienteeren en bij hunne terugkeer van het veld niet naar hunne woning behoeven te zoeken.

De vlieggaten moeten aan den binnen-, zoowel als aan den buitenkant van een treeplank zijn voorzien, met een klep kunnen worden gesloten en voor goedvliegende duiven ten minste een halven meter boven den vloer zijn aangebracht, om den jongen liet naar beneden vallen en te vroeg uitvliegen te beletten.

De vloer dient met een laag stofvrij zand, het best rivierzand (beter dan gehakt stroo of hooi) bedekt te worden van een paar centimeter hoogte, welke men dagelijks afharkt om het vuil te verwijderen; ook de zitstokken moeten telkens afgekrabd worden, wat men het gemakkelijkst kan doen, wanneer men ze zoo heeft aangebracht, dat ze zijn weg te nemen. Van die zitstokken is men natuurlijk een zeker aantal noodig, berekend naar het aantal duiven, dat ervan gebruik moet maken, doch men neme ook niet meer dan volstrekt noodig is, plaatse ze op verschillende hoogte, doch niet boven elkander en geve ze eene breedte van ongeveer 55 milli-

1

ocr page 72

(14

, ll.w „liter zijn ym voren afgeronde plankjes van ongeveer 12 centimeter lengte en «',5 centira. broeflte, welke op eene rij #. gep «»t9t en waaronder, eenige centimetor. lager, Sgt;«U»ck»fdejl.nk lang.

iir-fLi::; .fT*t

0 gt;1 -m „„„fim liooe: de zitplanken zeiven hebben

'22 centimeter breed en 31 centnn. 8

Fig. 85.

«ene breedte van 13 centimeter, terwijl aan weefzijden der zitplank een

Bcluiin «floepende plank i. bevest,gd _ del, joi,t niel

Wnnnpcr men in liet slag voert, is liet noouig

„I::,:; _«„et ^«. -»•%. .^^jzzzz

getralied raam voorzien venstertje, al is E liet ook slechts een dakraam.

Voor jaagdniven de voor het jagen afgerichte tuimelaars enz. — moet het slag nog eene afzonderlijke inrichting hebben.

Een vrij omstandige inrichting is die der

SeS quot;« Rieden, die met de ***£*welke

x-—-—• lik

1-1 i,„f siao- dikwijls in het dak daarvan, is een luik Zoo hoog mogelijk in liet sia0, uikw.j

ocr page 73

65

aangebracht, zoo groot, dat het bovenlichaam van den du ivenhouder door de opening kan. Dicht daarbij is de vangkorf of vangkooi en de voederplank, voor welke laatste ook het geopende luik zelve kan dienen.

De duivenhouder bespiedt van uit het geopende luik de jaagduiven, die hij heeft laten vliegen en noodzaakt de dieren, die naar zijn zin te spoedig weer hokwaarts willen koeren, door liet zwaaien met een aan een stok bevestigd vlaggetje om op nieuw een tochtje te maken.

De vangkooi is zoo ingericht, dat de duiven er wel door in het slag, doch er niet meer uit kunnen komen. In de opening hangen namelijk eenige houten rolletjes, ieder van een ijzerstaafje voorzien, of eenige in haakjes hangende ijzerstaafjes (Pig. 35), welke zeer bewegelijk zijn en gemakkelijk naar binnen wijken, wanneer er eene duif door wil om in het hok te komen. In omgekeerde richting gaat dit echter niet, doordien de staafjes van onderen tegen een op de treeplank bevestigd drempeltje slaan, dat hun belet naar buiten uit te wijken.

De inrichting der nestgelegenheden in een kamerslag is zeer verschillend. Dr. Lentz, een practisch natuurvorscher, beschrijft die in zijne slagen als volgt:

„Rondom langs de wanden zijn ongeveer 45 centimeter boven elkander breede planken aangebracht, waartusschen de uit dun hout vervaardigde nesthokken geplaatst worden, welke zoo hoog zijn, dat er twee boven elkander tusschen de planken kunnen staan. Deze nesthokken hebben eene breedte van ongeveer 38 centimeter en eene diepte van '20 centimeter; de ingang rechts is ongeveer 45 centimeter breed en 14 centimeter hoog.

Daar de planken, waartusschen de nesthokken staan, 50 centim. breed zijn, blijft er vóór deze nog eene ruimte over van 30 centim. diepte en 38 centim. breedte, waar de duiven zich vrijelijk kunnen bewegen; door een paar loodrecht staande latten zjjn deze ruimten voor de verschillende nesthokken van elkander gescheiden, zoodat de duiven hare buren kunnen zien, zonder er mee in gevecht te komen. Door losse tralieramen, voorzien van een kleine deur, die dient om de dieren van eten en drinken te voorzien, kan ieder nesthok veranderd worden in een kooi, welke men gebruiken kan voor het gewennen van nieuwelingen, tot afzondering van twistzieke exemplaren, alsmede als paarkooien. Twee boven elkander staande nesthokken zijn voor één paar duiven bestemd. Zijn de jongen in het onderste nest-hok bijv. 10 dagen oud, dan worden ze uit het nest genomen en in het bovenste nesthok op zacht stroo of hooi gezet; het gebruikte nesthok wordt nu flink schoon gemaakt, met tabaksasch bestoven — welke daarna weder van de wanden verwijderd wordt — de bodem wordt met eene dunne laag zand bestrooid en daarna kan het op nieuw door de ouden gebruikt worden. Twee zulke nesthokken boven elkaar is beter dan naast elkaar,

r

Baldamus. Pluimvooteelt 11.

i

ocr page 74

66

omdat iu liet laatste geval de jonge duiven de ouden gemakkelijk in liet broeden kunnen storen.

Deze inrichting moge wat kostbaar en omslachtig zijn, zij overtreft ook elke andere inrichting, waarbij gebruik gemaakt wordt van gevlochten of op cune andere wijze vervaardigde nesten. De gevlochten nesten toch hebben het nadeel, dat zij niet zoo gemakkelijk goed gereinigd kunnen worden en, wil men zo grondig schoonmaken, dan worden de schoonmaakkosten en de aanschaffing van nieuwe nesten zeker hooger dan die der beschreven nesthokken; de ervaring heeft in elk geval geleerd, dat deze nesthokken zoowel voor de oude als voor de jonge duiven van onovertroffen waarde zijnquot;.

Ecne dergelijke, maar meer eenvoudige en toch practische inrichting der nesthokken is de volgende;

In plaats van de door Lentz gebezigde nestkasten, neme men eenvoudig drie plankjes, alle even lang als de afstand tusschen de boven elkaar geplaatste planken. Twee dier plankjes zijn ieder 30 a 40 centimeter breed, het derde slechts 15 a 20 centimeter. Als men deze drie plankjes nu met de lengtezijden rechthoekig tegen elkander aan spijkert, verkrijgt men een halve nestkast, n.1. een voorwand en twee zijwanden. Deze halve kasten kan men nu, overal waar men wil, tusschen de hiervoor genoemde planken schuiven, van welke de bovenste dan het dak en de onderste den bodem van de nestkast vormt, terwijl de muur den achterwand uitmaakt. De eene, de smalle zijwand, laat dan ruimte genoeg aan de duiven over om er binnen te komen.

Plaatst men die halve kastjes 12 a 15 of meer centimeter van elkaar, dan hebben de duiven ook nog eene vrij ruime zitplaats buiten de eigenlijke nestkast en plaatst men ze zoo, twee aan twee, met do smalle zijde naar elkander toegekeerd, dan verkrijgt men ook twee nestgelegenheden voor één paar duiven, welke ieder op zich zelf weggenomen en gereinigd kunnen worden.

Wat de nestpannen aangaat zij opgemerkt, dat naast de van gips, klei en hout vervaardigde, welke laatste goed geolied of geverfd moeten zijn, de geëmailleerde ijzeren nestpannen ten zeerste zijn aan te bevelen, daar zij het ongedierte niet do geringste schuilhoeken aanbieden.

In fig. 30 is zulk een nestpan afgebeeld,

Eene andere, veel kostbaardere soort van nesthokken dan de hiervoor beschrevene, zijn de Engelsche „Nesting boxesquot;, welker beschrijving door de afbeelding in fig. 37 zeker overbodig zal zijn. Deze nesthokken worden hoofdzakelijk voor slecht vliegende duiven gebezigd en staan op den bodem van het slag. Zij zijn echter niet zoo gemakkelijk schoon te maken en ook zal do lage wand, die het hok in twee afdeelingen scheidt, niet beantwoor-

ocr page 75

07

don aan liet doel, dat men er mede beoogt, n.1. te voorkomen, dat de half volwassen jonge duiven de reeds weder broedende oude dnif storen. De jonge duiven tocli kunnen al zeer spoedig gemakkelijk over die afscheiding komen en wel te gemakkelijker, daar de laag zaagsel, waarmee do bodem van de nestkast bedekt is, tot aan den rand van de nestpan reikt.

Wright verzekert, wel is waar, dat het gebruik van zaagsel in de nest-hokkon en over den geheelen vloer van het slag een „zekerquot; preventief tegen ongedierte is, wij meenen echter, dat een mengsel van zand en asch, 't welk door Lentz wordt aanbevolen, in dit opzicht meer vertrouwen verdient, tenzij men het den laatsten tijd in den handel gekomen „desinfec-teorendquot; zaagsel gebruikt.

In het volste recht is Wright echter o. i., als hij, ton minste voor fijne en teero rassen, aanraadt om het slag door een bewegelijken traliewand in tweeën te scheiden, om do duiven gedurende de koude wintermaanden naaide geslachten gescheiden te kunnen houden. De teere rassen toch broeden, wanneer men dezen voorzorgsmaatregel niet neemt, dikwijls later of langer dan raadzaam is, verzwakken daardoor te veel en gaan dan in den ruitijd maar al te vaak te gronde.

Ook voor het ontparen — „dis-matchingquot; — en andere doeleinden is eene dergelijke inrichting zeer aan te bevelen.

Eene, speciaal voor postduiven aanbevolen scheids wand wordt door J. Harrisson bescbreven en is in tig. 3S d, d, d, d, voorgesteld. De scheidingswand verdeelt het geheele slag in twee even groote afdeelingen b en c en splitst zich tegenover de deuren h li, in twee armen f d en g d, welke liet venster e insluiten. Door de bij g draaibare deur kan elke der beide helften van het slag geopend of gesloten worden. De wand zelve staat op den vloer tusschen twee lijsten en is boven losjes togen de zoldering bevestigd; het onderste gedeelte ervan, tot op eene hoogte van 6 tl igt; decimeter, is van dunne planken vervaardigd, hot overige gedeelte van ijzeren traliewerk.

Welke inrichting men echter ook moge kiezen, op twee zaken dient in

ocr page 76

08

de eerste plaats gelet te worden, als men genoegen en succes van zijne duivenfokkenj wil hebben: ten eerste, dat er voldoende ruimte voor de opgesloten duiven is om zich te bewegen, en ten tweede, dat er twee, of als 't mogelijk is, 3 nesten voor ieder paar aanwezig zijn.

Het is misschien niet overbodig er op te wijzen, dat dc gereedschappen en voorwerpen, die men voor het schoonmaken enz. van het duivenslag

noodig heeft, zoo mogelijk in of ten minste dicht bij het slag bewaart. Bij ieder bezoek aan het slag toch vindt de hand wel deze of gene kleinigheid te verrichten, welke misschien ongedaan zou blijven, wanneer men zich nog eerst weer moest verwijderen om het eene of andere gereedschap te halen.

Lenz beveelt verder aan om in de hoeken van het kamerslag de volgende zaken te plaatsen: 1° een houten of steenen bak met kalkpuin van oude muren; 2U bij gebreke van zulk puin een mengsel van leem en kalk, van ieder de helft, vooraf bevochtigd met water, waarin een weinig keukenzout is opgelost; 3° een bak met fijn gestooten metselsteen of dakpan. Voor het tweede door Lenz aanbevolene wordt ook het volgende mengsel zeer aanbevolen; (i kilogr. oude droge kalkpuin, 3 kilogr. droge, fijn gestampte baksteen en '250 gram anijs worden met water, waarin 1 kilogr. zout is opgelost, goed vermengd, tot doeg gekneed en in den vorm van platte koeken op hot slag gelegd. Dit mengsel bekomt den duiven niet alleen zeer goed, doch geeft haar ook eene zoo zeer gewenschte bezigheid.

Harrisson maakt nog melding van eene „veiligheidsdeurquot;, een toestel om katten enz. buiten het slag te houden, welker noodzakelijkheid en zekere werking ons echter niet zoo bijzonder groot toeschijnt. Fig. 39 geeft eene voorstelling van het geheele toestel, alsmede van de doorsnede daarvan. Het is eigenlijk niet anders dan een balanceerende treeplank. Doze plank D D is aan den buitenkant door middel van scharnieren zoo op den dwars-regel F bevestigd, dat zij met het zich daarboven bevindend traliewerk B naar beneden slaat, zoodat, wanneer er eene kat op springt, deze er weder afglijdt. Aan het eind van het zich binnen het slag bevindend gedeelte dei-plank is een gewicht E aangebracht, dat liet toestel in eene schommelende beweging en langzamerhand weer in zijn horizontalen stand brengt. Dat gewicht is zwaar genoeg om de plank in den horizontalen stand te houden

d\

—v*

8\

/t

A

b

0

a

Fig. 88.

ocr page 77

G9

als er cene duif op gaat zitten. Is de treeplank echter breed en bestaat die, zooals in de teekening, uit drie afzonderlijke planken, dan kan men deze ook ieder afzonderljjk op de boven aangegeven wijze bewegelijk maken.

Zeer aan te bevelen is liet, aan den buitenkant, vóór het vlieggat een soort van kooi te maken, welke dienst kan doen om nieuwe duiven te gewennen en jonge duiven vóór het uitvliegen te orienteeren. Men kan zulk een kooi gevoegelijk maken door een houten raam van ongeveer 70 centim. lengte, 50 a 00 centim. breedte en 40 si 50 centim. lioogte met draadvlechtwerk te bekleeden. In den achterwand dezer kooi maakt men een deurtje, waardoor zij in verbinding staat met het slag en de voorwand wordt voorzien van een sluitbare klep of van het toestel, dat hiervoor beschreven en in fig. 35 afgebeeld is. Gebruikt men het laatstgenoemde toestel, dan kan de kooi ook nog tot toevluchtsoord dienen voor duiven, die zich verachterd hebben en eerst te huis komen, als de eigenlijke toegang tot het slag reeds gesloten is. o ___

Voor postduiven is zulk een toestel, zulk eene vanginrichting onontbeerlijk, wanneer men n.1. niet onafgebroken naar de terugkeerende duiven wil zitten uitkijken; brengt

Fig, 39.

men het toestel door middel van geleidraden in verbinding met een electrische bel, dan wordt men oogenblikkchjk van de aankomst eener duif verwittigd, zonder dat men daarop opzettelijk behoeft te zitten wachten.

De meeste duivenhouders, zoowel in de steden als te platten lande, zullen wat den aanleg en de inrichting van hun duivenslag betreft, rekening moeten houden met de beschikbare ruimte en zoo zal de een hier, de ander daar een grooteren of kleineren hoek vinden, dien hij voor het doel zoo goed mogelijk zal weten in te richten. Wij vertrouwen, dat zij in het aangehaalde genoeg vingerwijzingen zullen vinden om die inrichtingen zoo te maken, dat zij zooveel mogelijk aan de gestelde eischen kunnen voldoen.

ocr page 78

70

Voor kostbare d ui venrassen, welke men niet zonder gevaar van ze te zullen verliezen vrijelijk kan laten uitvliegen, doet men het best een zoogenoemde volière te bouwen, n.1. een van een schuin afloopend dak voorzien huisje, waarvan bet eene gedeelte geheel van bout betimmerd is en de nestplaatsen bevat, terwijl bet andere gedeelte, dat door middel van de vlieggaten met hot eerste in verbinding staat, rondom met ijzeren vlechtwerk is bekleed en de duiven gelegenheid geeft zich in de buitenlucht te 13e eigenaar heelt dan ook ruimschoots gelegenheid zijne lieve-

bewegen.

lingen gade te slaan en zich in bet beschouwen daarvan te vermeien.

Fig. gt;10. ïransportkist voor kropporn.

Maakt men in het vlechtwerk ook nog vlieggaten, die door eene klep kunnen worden gesloten en waarvoor een treeplank, dan beeft men tevens gelegenheid de duiven nu en dan eens vrij uit te laten vliegen, wanneer zulks noodig of wenschelijk geoordeeld wordt.

Eindelijk maken we hier nog molding van de elegante verzend-kisten en korven, naar het model van quot;Wright. Do in tig. 40 afgebeelde kist is speciaal voor liet verzenden van Kloppers bestemd. De door

ocr page 79

71

quot;Wright aangegeven maten — voor lt;gt; afdeelingen 0,663 M. lengte, 0,405 M. breedte en 0,228 M. lioogte binnenwerks — hebben betrekking op de Engelsche kroppers en kunnen naar de grootte van andere kroppersoorten

gemakkelijk iets gewijzigd worden.

Ue inrichting enz. blijkt overigens voldoende uit de afbeelding; alleen

zij neg opgemerkt, dat de luchtgaten ongeveer 1'2 centimeter middellijn hebben.

Fig. 41 toont ons een transportkist, van welke men zich in Engeland bij voorkeur bedient voor privaatzendingen van Kroppers en Carriers. Hare inrichting berust op hetzelfde systeem, n.1. met wigvormig toeloopende afdeelingen; zij bestaat uit twee etages, elk voor 2 duiven eu is binnenwerks lang 0,880 M., breed 0,203 M. en 0,330 M. hoog.

Om do benedenste afdeelingen van versche lucht te voorzien, staat de kist op 4 pooten of op lijstwerk. Ue luchtgaten in den bodem en in de lijsten zjjn 15 millimeter in middellijn. Men kan in deze kist ook ge\oe-gehjk kleinere rassen verzenden, in welk geval men die paarsgewijs in elke afdeeling plaatst.

Fig. 42 eindelijk stelt een transportmand voor, welke voor alle duiven-rassen gebruikt wordt, met uitzondering van de Kroppers. Voor Carriers en andere grooto duiven is die in 6 afdeelingen verdeelde korf binnenwerks

ocr page 80

7'i

lang 0,910 M., breed 0,330 M. en hoog 0,203 M., welke afmetingen voor lt;le kleine rassen echter iets kleiner kunnen zijn.

Om de staartveeren vooral van do Pauwstaartduiven voor het afstooten

te bewaren, bekleedt men de binnenzijde der afdeelingen met eene linnen of katoenen stof.

Achtste Hoofdstuk.

Ziekten cn Vijanden der duiven.

A. ZIEKTEN.

Het is eene natuurwet, dat een levend wezen des te minder aan ziekten onderhevig is en een des te hoogeren leeftijd bereikt, naar mate het geregelder in de oorspronkelijk voor hetzelve bestemde levensvoorwaarden blijft en kan blijven; — altoos natuurlijk binnen de hiervoor gestelde perken. Omgekeerd vermeerdert, met do toenemende verwijdering en vervreemding-van die natuurlijke levensomstandigheden, vooral wanneer die met geweld of plotseling gewijzigd worden, de neiging tot allerlei ziekelijke verschijnselen en tot werkelijke ziekten.

Dit is voornamelijk, en misschien in hoogere mate dan bij eenig ander gedomestiseerd schepsel, bij de duiven het geval.

Terwijl de half wilde, aan zich zeiven overgelaten Veldduiven zelfs daar gezond blijven, waar men hare verblijfplaatsen slechts eenmaal per jaar

ocr page 81

73

schoon maakt -—■ zij sterven, zoo al niet aan de pokken, dan meestal aan zwakte door ouderdom —- zijn de fijne rassen, klaarblijkelijk ten gevolge van de tot hot uiterste, ja, tot ziekte gedreven vervorming van hunne natuur, aan tal van misvormingen en ziekten onderhevig, die bij sommige rassen een zeer bepaald karakter dragen. Zelfs Wright, Fulton en andere Engelschen geven toe, dat de manier om sommige kenmerken der fijne rassen tot eene overdrevene, onnatuurlijke mate te kweeken, niet anders dan ziekelijke toestanden in het leven kan roepen. Het zijn dan ook juist die overdrijvingen, die „kunstmatige puntenquot;, welke in do eerste plaats door ziekten worden aangetast; bijv. bij de Carriers de snavel- en oogwratten door kanker, de pooten en vleugels door jicht. Bij de Kropduiven wordt de krop maar al te vaak overdadig gevuld en uitgezet; braking enz. en eindelijk uittering zijn er hot gevolg van. Hunne pooten en vleugels lijden aan zwakte, gewrichtsontsteking enz. De kortsnavelige Tuimelaars zijn zeer vatbaar voor kankerachtige woekeringen aan en in den bek, voor verschillende oogontstekingen en voor uittering, terwijl andere soorten tuimelaars, welke niet zoo mishandeld worden en daarom niet altijd opgesloten zitten, nauwelijks vatbaar zijn voor de eene of andere ziekte.

Fulton begint het hoofdstuk over duivenziekten met de bekentenis, dat de genezing betrekkelijk zeer moeilijk is, en wel wegens hot feit, dat vele der in specifieke gevallen aangewende geneesmiddelen bij de duiven van eene zeer onregelmatige werking zijn. Zoo heeft hij o.a. menig ervaren duivenliefiiebber hooren zeggen, dat zij geen zeker afvoerend middel voor duiven kenden.

Als hoofdoorzaak van de meeste ziekten der duiven noemt hij overvulling van het slag, een te groot aantal duiven in zekere ruimte. En wij zijn dit uit volle overtuiging met hem eens, want de ervaring heeft het maar al te vaak geleerd, dat een te groot aantal dieren, onverschillig of men een groote of een kleine ruimte heeft, de hoofdoorzaak is van allerlei kwalen, van allerlei verkeerde gewoonten en van de meeste verwoestende ziekten, niet alleen bij duiven, maar ook bij ander pluimvee en vooral bij hoenders. De beste en zorgvuldigste verpleging, de pijnlijkste zindelijkheid en zelfs de beste ventilatie, boe uitmuntende voorbehoedmiddelen zij over 't geheel ook zjjn, in te dicht bevolkte ruimten kunnen zjj geen voldoende vergoeding geven voor het gemis aan beweging, kunnen zij niet de verveling voorkomen, en uit deze beide oorzaken komen alle andere kwalen en gebreken en verliezen voort. Fulton heeft volkomen gelijk, als hij zegt, dat er in dit opzicht nog veel te weinig naar de waarschuwing van „te veelquot; wordt geluisterd en dat er onder de vier liefhebbers nog altijd drie zijn, die hunne slagen te dicht bevolkt hebben, waardoor ze maar al te spoedig ontvolkt

ocr page 82

74

worden. Daar juist ontstaan in de eerste plaats do besmettelijke ziekten, welke maar al te dikwijls epidemisch worden en geheele slagen verwoesten.

I. Zichten der ademhalingsorganen.

1. Do oorzaak dor meeste eatarrhale ziekten is te zoeken in koudevat-ting en de meeste koudevattingen ontstaan door tocht, vooral wanneer de duiven door regen nat zijn geworden. Ook hebben vele duiven de gewoonte om, zoodra ze iets buitengewoons meenen te vernemen, binnen of buiten liet hok vlak voor de vlieggaten te overnachten, dus juist oj) die plaatsen, waar de tocht het sterkst is.

De eerste gevolgen van zulk eene koudevatting openbaren zich gewoonlijk door eene groote vochtigheid der oogen of neusgaten, door gebrek aan eetlust en het ruw worden van het gevederte. In dit stadium helpt zeer dikwijls een droppel aconitum-tinctuur (doch niet in homcepatische verdunning) in een theelepel vol water — voor kleine duiven do helft, — het warm houden van de patiënten in een afzonderlijk hokje en een voetbad van lauw water gedurende eenige minuten.

In het werk van Rich, de Boeve „Traité pratique sur l'élevage de tous les pigeonsquot; wordt aangeraden, eene duif in dit geval 0 peperkorrels per dag in te geven: 's morgens en 's avonds telkens 3 of 's morgens, 's middags en 's avonds telkens 'i en haar lindebloesemthee in plaats van water te geven.

In dit stadium is benevens het warm-houden ook voldoende het penseelen van de neusgaten, den snavel en de keel met eeno I a 2 procents tannine-of aluinoplossing, en eveneens helpt dikwijls het bekende riekmiddel, bestaande uit gelijke deelen geest van salmiak en carbolzuur. Wordt deze hulp niet te rechter tijd verleend, dan treedt maar al te vaak een reeds gevaarlijker stadium in, dat gewoonlijk met den naam

2. Catarrh wordt aangeduid en eene sterkere aandoening der slijmvliezen in neus, snavel en keel is. Uit de neusgaten en de oogen scheidt zich steeds meer vocht af, dat langzamerhand taaier wordt; de patient begint te niezen en met den kop te schudden om zich van het slijm te ontdoen en openbaart eene algeheele lusteloosheid en gebrek aan eetlust. Terwijl men doorgaat met het penseelen met de tannine- of aluinoplossing, wende men tevens heetwaterdamp of beter nog teerwaterdamp aan. Te dien einde giet men op een eetlepel vol bruine teer van ] tot }l liter kokend water in een sterk glas of niet te wijden steenen pot en houdt de patient deze dampende vloeistof zoo onder den snavel, dat hij ze wel moot inademen.

ocr page 83

Du ontwikkeling van do teerdampen kan men versterken door liet mengsel nu en dan met oen gloeiendon 4 a 5 millimeter dikken ijzerdraad om to roeren.

Ook zondore men do lijdende dieren direot van do gezonde af, aangezien deze sljjmvlioscatarrli maar al to dikwijls ontaardt in de zoo gevaarlijke

3. Diphtheritis, Do vele namen, waaronder deze kwaal optreedt als: snot, griep, reutel, gele mondzwam, keelontsteking, geven genoegzaam te kennen, dat zij algemeen verspreid is, al zijn de verschijnselen en de namen, naar het stadium waarin de kwaal verkeert en naar de plaatsen, die het hevigst zjjn aangedaan, dan ook niet altijd dezelfde.

Do afscheidingen van oogen en neus worden steeds heviger en taaier, terwijl de gehoolo kop meestal merkbaar begint op te zwellen, do patient koortsachtig en steeds magerder wordt. Naar mate de kwaal voortwoekert, zwelt de kop steeds moer en meer op, de oogen, de koel eu de luchtpijp vullen zich met een zeer taaie, geelachtig groene, kwalijkriekende en zeer besmettelijke stof. waardoor zelfs de jongen worden besmot. Gewoonlijk is de dood door verstikking liet einde van de zoover gevorderde kwaal; of, wanneer men in staat is deze voorloopig onschadelijk te maken, dan zjjn tooh gewoonlijk kankerachtige uitwassen, longen- en lovortuberculose, vleu-golziekte enz. de niet uitblijvende gevolgen.

Prof. Zürn zegt, dat er geen onkel onfeilbaar middel tegen deze kwaadaardige ziekte bestaat. Eene plaatselijke behandeling (hot penseelen der aangetaste slijmhuiddeolen met eouo tannine-, borax-of aluinoplossing) moet steeds gepaard gaan mot eene inwendige, liij sterk rochelende duiven is hot inademen van teerdampen van groote waarde en eveneens hot uit- en inwendig gebruik van liet volgende afkooksel; 15 gram walnotonbladeren late men in '200 gram water zoolang koken, tot men ongeveer 150 a 160 gram ovorlioudt. Dit afkooksel filtreert men door oen dook en voegt er aan toe: 20 gram zuivere glycerine, 'i a 3 gram chloorzuro kali en .] gram salicylzuur, welk laatste vooraf in 15 gram zuivere spiritus is opgelost. A an dit mengsel geeft men de patient één of twoe koeren per dag ^ thee-lopelvol in. Kan men mot dat ingeven niet klaar komen, dan knede men die hoeveelheid mot wat meel tot pillen en geve die in. Verder penseelt men mot dit mengsel twoe of drie koeren per dag allo met een geel beslag bedekte plaatsen van het slijmvlies of bespuit do aangetaste plaatsen aan den kop, in do neusholte, do oogen enz. daarmede. Dit mengsel wordt door geen ander middel in zijne uitwerking overtroffen en tal van dankbetuigingen aan Prof. Zürn bewijzen de vruchtbaarheid daarvan.

Voor het penseelen van zeoi' vaste, korstachtig verharde slijm- en etter-vormingen, alsmede van de waterachtige knobbeltjes (pokkon, bindweefsel-

ocr page 84

70

zwering) aan don kop, is daar, waar men ingrijpend moet handelen, ten zeerste aan te bevelen een mengsel van

'2 a -i gram creosoot van berken houtteer,

5 „ boorzuur,

15 ,, zuivere spiritus,

20 ,, glycerine, en 100 „ gedistilleerd water.

Van dit mengsel mag den dieren echter niets ingegeven worden. De hoofdzaak blijft echter: dat men do aangetaste dieren van de gezonde scheidt, dat men weinig kostbare zieke exemplaren terstond doodt, bet slag herhaaldelijk geheel desinfecteert en alles vermijdt, wat het vergif van de ziekte verbreiden kan. Daar de jonge duiven de voornaamste ver-breiders van diphtheritis zijn, moet men beletten, dat er na het einde van Juli nog jongen uitgebroed worden, aangezien dan een grondige ontsmetting van bet slag beter mogelijk is.

Bij eene sterke uitbreiding der ziekte in groote steden raadt Dr. Lazarus de volgende radicale handelwijze aan:

alle zieke duiven terstond te dooden, de gezonde gedurende eenige weken in eene kamer of dergelijke ruimte af te zonderen, nauwkeurig gade te slaan en de daaronder voorkomende zieken eveneens te dooden om dan, na verloop van 4 a 5 weken, de nog gezond zijnde dieren in een geheel nieuw aangelegd slag over te brengen, of — daar deze handelwijze niet altijd uitvoerbaar is — volgenderwijs te handelen:

le. Openbaart zich de ziekte gedurende den broedtijd in het voorjaar, dan moeten de jonge zieke duiven, indien zij niet bijzonder kostbaar zijn, gedood worden; de kostbare soorten late men in de nesten, opdat ze door de ouden gevoerd worden, en behandele ze als volgt: in het begin penseele men de snavelholte, de keel en de neusgaten 2 keer daags, later 1 keer per dag en nog later om de 2 a 3 dagen, met eene oplossing van helschen steen (nitras argenti); 20 centigram helsche steen in 30 gram gedistilleerd water opgelost en in een zwart of met zwart papier beplakt fleschje te bewaren. Dit penseelen geschiede met een schilderspenseel, niet met een veer. Do knopvormige en wratachtige zweertjes in de keelholte drukt men dermate met het penseel, dat de kaasachtige iniioud eruit gaat; gelukt dit niet, dan moeten deze knobbeltjes met een mesje geopend en van hunnen inhoud ontdaan worden en daarna met de helschesteenoplossing uitgepenseeld worden. Op dezelfde wijze handele men ook met de knobbeltjes, die aan den kop onder de bevederde wanghuid mochten ontstaan.

2°. Men laat tot aan het einde van Juli broeden, niet langer; alles wat tot aan dien tijd ziek werd, wordt gedood of, zoo er kostbare exemplaren

ocr page 85

77

onder zijn, worden die behandeld, zooals onder 1 is aangegeven. Broeden er einde Juli nog duiven, den ontneme men die op den 15tlen dag van den broedtijd de eieren, opdat er na Juli geen jongen meer uitkomen. Alle gezonde jongen worden in 't begin van Augustus geslacht, de zieken dadelijk gedood en vernietigd; de nesten, waarin zieke jongen waren, worden verbrand. Ook de oude duiven worden nauwkeurig onderzocht en die, welke sporen van diphtheritis vertoonen, worden onmiddellijk van de gezonde duiven gescheiden en, zoo zij na eene behandeling van eenige dagen niet genezen zijn, insgelijks gedood.

Midden Augustus moet het slag loeder met volkomen gezonde duiven bezet, doek niet overbevolkt zijn.

3°. Op zekeren dag in Augustus worden de duiven zeer vroeg uit het slag gelaten en dit dan grondig gereinigd; het houtwerk wordt afgeschaafd en alles met eene sublimaatoplossing (50 gram kwikzilversublimaat op 20 liter water) gedesinfecteerd. De nesten worden verwijderd; twee uren na de desinfectie wordt het geheele slag met witkalk bestreken en de vloer met zand bestrooid. Tegen het einde van September wordt het slag op nieuw overgewit en van nieuwe nesten voorzien.

Deze handelwijze en het afstand doen van jonge duiven van af het einde van Juli is vooral hierom van zooveel belang, omdat de diphtheritis der duiven in het voorjaar en den zomer slechts in lichten graad voorkomt en slechts bij uitzondering van de jonge duiven op de ouden overgaat, terwijl in den herfst, bij het begin van den rui, de diphtheritis van ééne enkele duif in korten tijd op vele of alle duiven van het slag wordt overgedragen en dan een zeer kwaadaardig karakter aanneemt. Terwijl de lichtere vorm der diphtheritis alleen door de behandeling met do helschesteenoplossing genezen kan, helpt dit bij den kwaadaardigen, tijdens den rui heerschenden vorm niet meer, evenmin als andere tegen deze ziekte aangeprezen middelen. Overigens moet men het geheele jaar door aan zijne duiven de noodige opmerkzaamheid wijden; bevindt er zich, niettegenstaande de opgegeven handelwijze, eene enkel aan diphtheritis lijdend exemplaar onder — en gelegenheden tot aansteking, waartegen men zich niet beveiligen kan, zijn er in eene groote stad te over — dan moet dat dadelijk afgezonderd en naar de hiervoor genoemde wijze behandeld worden. Er gaan door de hiervoor aangegeven wijze van handelen wel vele duiven verloren, docii men houdt op die wijze toch nog altijd een groot gedeelte over, dat zonder een zoo doortastenden maatregel insgelijks verloren zou gaan.

4. Luchthuis-catarrh en bronchitis worden genezen door de patiënten warm te houden en de hiervoor genoemde behandeling met teerwaterdamp.

I

ocr page 86

78

11. Rhewnatische ziekten. Jicht. Vleugelziekte.

Jicht openbaart zich in de eerste plaats door een hevige ontsteking der aangetaste plaatsen, gewoonlijk de schouder- en de hielgewrichten. Deze ontsteking neemt spoedig grootere afmetingen aan, ontwikkelt zich tot een, in het eerst weeke buil of knobbel, die bij opening blijkt te etteren en eene kaasachtige vloeistof' bevat. 13cze buil ontwikkelt zich tot de grootte van een musschen-ei of hazelnoot en begint, wanneer zij niet in hare verdere ontwikkeling wordt tegengegaan, langzamerhand hard te worden en vergroeit als het ware met do beenderen tot één geheel. Wanneer die buil nog niet te oud is, kan op de volgende wijze genezing worden aangebracht: Men omwikkelt het gezwollen gewricht met bevochtigd scheepswerk en houdt dit kool door er van tijd tot tijd koud water op te laten droppelen; of men legt om het gewricht een verband van leem, dat men op dezelfde wijze koel houdt. Is de hitte over, dan legt men een droog verband van werk of wol aan en wrijft dagelijks Hink met een zalf van

1 deel jodoform en 25 deelen vazeline in. Inwendig geve men dagelijks

2 pillen, ieder van 0,00 gram salicylzuur met meel aangemaakt; in erge

ocr page 87

79

lus moet nauwkeurig sluiten om de lange slagpennen een weinig boven hunne gewone ligging te houden. Ook dient de vleugel wat hooger opgebonden te zjjn, dan in de afbeelding is aangegeven.

Doelmatiger echter komt ons het door den heer A. Verschuren te Antwerpen uitgevonden „vleugelharnasquot; voor. Het bestaat uit een stuk dun leder in den vorm als in fig. 43c is voorgesteld; de drie o stollen drie knoopjes voor, de vijf ï knoopsgaten en de stippellijnen de plaatsen, waaide deelen van het harnas worden omgeslagen. Men begint met deel 1 vast

te knoopen aan 2, waardoor eene opening ontstaat, door welke do vleugel gestoken wordt, zóó, dat 3 onder en 4 boven den vleugel komt te liggen en het gewricht van schouder en arm tus-schen 1 en 4 zit. Daarna maakt men deel 4 met een knoop aan deel i en met twee knoopen aan deel '2 vast, zooals in tig. 43 d is aangeduid. Do vleugel zit nu stevig in het verband zonder te worden gekneld.

Dergelijke verschijnselen als de door jicht veroorzaakte kunnen ook een go-volg zijn van beleediging van het ellebooggewricht en het handgewricht,

door vechten, bovenmatige inspanning bij het vliegen, door stoo-ten tegen de kanten van het vlieggat, wanneer dit wat te klein 4^ is enz. De behande

ling is ook dan echter dezelfde, als voor jicht is aangegeven.

Over de oogziekten, welke op rheumatische aandoeningen berusten, zal later bij de ziekten der Carriers, Tuimelaars enz. gehandeld worden.

III. Ziekten der spijsverterinysorganen.

i. Eene slechte spijsvertering en tengevolge daarvan eene onvoldoende of slechte voeding van het lichaam, is, wat ook de oorzaak hiervan moge zijn, benevens koudevatting do hoofdbron dor meeste ziekten. Of dio slechte spijsvertering zich openbaart in verstopping of in hot tegenovergestelde

ocr page 88

80

hiervan, diarrhee, wanneer zij, of liever hun gemeenschappelijke oorzaak verwaarloosd wordt, zijn andere en gevaarlijke ziekteverschijnselen er het gevolg van, verschijnselen, waaraan menigmaal de oorsprong niet meer is waar te nemen.

Aan eene goede spijsvertering is daarom zeer veel gelegen en wij dienen die te bevorderen of in stand te houden door afwisselend en gezond voeder, frisch en zuiver drink- en badwater, de uiterste zindelijkheid, regelmatigen toevoer van frissche lucht met vermijding van tocht, en de meest mogelijke vrijheid van beweging. Dat zijn de beste medicijnen, welke alle andere overbodig maken en ons behoeden voor het verliezen van dikwijls zeer kostbare vogels; dat zijn ook de beste aller voorbehoedmiddelen.

Evenwel kunnen er ook, niettegenstaande de nauwgezetste zorgen, storingen in de spijsvertering voorkomen, welke men niet kan verhoeden, en het is daarom van belang, dat we ons op de hoogte stellen van de gevolgen daarvan en van de middelen om die zoo mogelijk af te wenden.

Eene slechte of gestoorde spijsvertering ontstaat óf door overlading van krop of maag bij een overigens gezond dier, óf door te eenzijdig voer, óf eindelijk door slecht, ongezond voer. Gezond, doch te koud, of bedorven en dus ongezond drinkwater, alsmede koudevatting zijn daarop ook ten allen tijde van grooten invloed.

De naaste, de onmiddellijke gevolgen van eene gestoorde spijsvertering vertoonen zich gedeeltelijk reeds in en aan den krop, gedeeltelijk in de beide hoofdsymptomon van eene abnormale werking der maag: verstopping en diarrhee.

Over de kropziekten zal bij de beschrijving der Kroppers nader worden gehandeld.

-2. Verstopping ontstaat voornamelijk door het aanhoudend en uitsluitend gebruik van droge, vooral verhittende voedermiddelen, in verband met gebrek aan goed, nu en dan zout drinkwater, beweging en frissche lucht.

Het zekerste kenteeken ervan bestaat in de bewegingen van het achterlijf en de zichtbare moeite, die de dieren hebben om hunne ontlasting kwijt te worden, terwijl er gewoonlijk slechts een weinig scherpe, kalkachtige mest los komt, welke de huid om den anus rood en ontstoken on de vederen bevuilt en stjjf maakt. Verdere kenteekenen zijn; ruw, opgezet gevederte, gebrek aan eetlust en eene geheele lusteloosheid en treurigheid.

quot;Wij hebben in het begin van dit hoofdstuk opgemerkt, dat er volgens sommigen geen enkel zeker afvoerend middel voor duiven bestaat. En toch is zulk een middel bij hardnekkige verstopping dringend noodig. Fulton beveelt als zoodanig aan: wonderolie, glauberzout en jalappe, vooral het laatste, met tamelijk veel kans op succes, daar dit gewoonlijk een goeden

ocr page 89

81

cotlust aanbrengt, terwijl glauberzout en wonderolie geen reclite werking schijnen te hebben. Prütz daarentegen beweert ten stelligste: „Degenezing volgt, wanneer men den patiënt zemelen met fijn gemaakte senebladen, boter en tarwebrood, tot kleine balletjes gevormd, ingeeft en het achteren onderlijf inwrijft met verwarmde olijfolie of vet, waarmee men een weinig poeder van muskaatnoot vermengd heeft; ook zorge men dagelijks voor frisch water en voldoende beweging. Zand en gebrand en gezouten leem mogen daarbij nooit op het slag ontbrekenquot;. Voldoende beweging zal in deze wel de hoofdzaak zijn; dikwijls echter is het klisteeren met verwarmde olie ol ongezouten boter reeds bij den tweeden keer van goed gevolg, terwijl ook een veranderde en schrale voeding meermalen genezing aanbrengt.

In ieder geval geeft, benevens een theelepel vol wonderolie of 0,25 gram rabarberpoeder, met meel en water tot pillen gemaakt en ingegeven, een, lavement van warm water liet meeste succes; bij vrouwelijke duiven dient men er echter voor te zorgen, dat het water niet in den eileider komt, daar het dan zonder effect bljjfr. Eene langdurige verstopping is echter altijd eeu bedenkelijk iets. dat men niet te licht moet tellen, daar maar al te vaak enteritis, vermagering en eindelijk de dood er het gevolg van wordt.

De Boeve beveelt aan, de duiven elke 3 maanden opzettelijk op de volgende wijze te laten purgeeren; Men vermengt hun voer voor ] deel van het rantsoen met goed droog Ijjnzaad. Den volgenden morgen houdt men ze opgesloten, geeft hun geen eten en in plaats van water eene oplossing van Engelsch zout in de drinkbakken. Daarna geeft men een half rantsoen van het gewone voer, vermengd met lijnzaad, terwijl men des namiddags het overschot van de oplossing van Eng. zout wegneemt en afgekoeld gekookt water in de drinkbakken geeft.

3. Diarrhee heeft de zichtbaar moeilijke ontlasting en de scherpte van den ontlasten mest mot de verstopping gemeen ; ook hier blijft de taaie, kleverige vloeistof aan het gevederte van het achterlijf kleven en worden de anus en het onderlijf in meerdere of mindere mate ontstoken; bij diarrhee zijn echter de uitwerpselen meer vloeibaar, geelachtig shjmig en niet zoo kalkachtig wit. Diarrhee tast, wel is waar, ook oude duiven aan, vooral in den nazomer, door het gebruik van te jong graanvoer, meer algemeen echter jonge duiven en wel in denzelfden tijd en waarschijnlijk ook door dezelfde oorzaak.

Overlading met voer en slechte kwaliteit van het voer zijn ook niet zelden de oorzaak en eveneens koudevatting bij nat en guur weder.

Het eerste wat men doet tegen diarrhee is het toedienen van stopmiddelen als rijst, erwten en vooral gedroogde boschbessen, alsmede wijziging van het voer — alleen droog voer — en een weinig ijzer in het drinkwater te

Baldamüs, Pluimveeteelt II. 6

ocr page 90

82

geven. Prütz raadt aan in de eerste plaats van voeder te veranderen en kleine gerst of maïs met kalmus of komijnzaad te voeren; verder spijkers of hamerslag of een afkooksel van eikebast in liet drinkwater, het afknippen der veeren aan het achterlijf en afwassching en inwrijving hiervan met lijnolie en verder, tot volmaking van de kuur, een lavement van lijnolie, die men met een aftreksel van kalmus, komijnzaad en zevenblad vermengt. Men kan ook driemaal per dag een theelepel vol rooden wijn ingeven.

Bij zeer dunne, groenachtige ontlasting geve men 0,03 gram ijzervitriool, met boter en meel tot 3 pillen verwerkt, en in zeer ernstige gevallen opium r 0,03 tot 0,04 gram niet altheapoeder en water tot pillen verwerkt.

Al deze middelen baten echter alleen, wanneer men met een eenvoudige diarrhee te doen heeft. Ontstaat zij ten gevolge van eene andere en zwaardere ziekte als hevige koudevatting, diphtheritis enz., dan dient de behandeling natuurlijk allereerst op de hoofdkwaal gericht te zijn; heeft men het geluk die weg te nemen, dan houdt gewoonlijk ook de diarrhee op.

Een ergere vorm van diarrhee is

■i. Dysenterie. Zij is meestal een gevolg van verwaarloosde diarrhee en eigenlijk slechts een hooger stadium daarvan, waarom men bij diarrhee dadelijk middelen moet aanwenden om dat te voorkomen. Het kenteeken ervan bestaat in bloedstrepen in de ontlasting.

In de eerste plaats reike men de hiervoor genoemde opiumpillen en als drank water met rooden wijn en ijzervitriool — | procent; ook kan men het onder diphtheritis opgegeven afkooksel van notebladeren aanwenden, daar een hardnekkige diarrhee ook ten deele een verschijnsel van diphtheritis of typhoide kan zijn, waarom het aan te bevelen is de dieren in zulke gevallen met de uiterste nauwkeurigheid gade te slaan en voorzichtig te behandelen.

5. Enteritis of darmontsteking is insgelijks een der kwaadaardige gevolgen van diarrhee, waardoor vooral de nestjongen en de vrouwelijke duiven worden aangetast. De diarrhee gaat dan plotseling in het omgekeerde ervan, verstopping, over, de droge uitwerpselen kleven met hun taai omhulsel aan liet achterlijf vast en verstoppen de opening van den mestdarm. Het achterlijf zwelt langzamerhand op, soms ook zeer snel en wordt hard — een gevolg van de opzwelling der darmen — de huid wordt rood ontstoken en gespannen, het ademhalen moeilijk, daar ook de longen door de opgezette darmen in het nauw komen, en de dieren sterven, naar adem snakkende, dikwijls terwijl men ze in de hand houdt.

Jonge duiven gaan aan deze kwaal meestal te gronde; oude kunnen in het eerste stadium soms nog geholpen worden door zachte afvoermiddelcn, groenvoer en goed, oud koren.

ocr page 91

83

Is do kwaal een gevolg- van vergiftiging, dan dient men te onderzoeken, door welke stof deze veroorzaakt is en daarnaar do geneesmiddelen te kiezen, die in het le deel van dit werk uitvoerig zijn beschreven. Ook wat

(i. de Ujphoïde aangaat, die bjj duiven niet zoo dikwijls voorkomt als bjj het andere pluimgedierte, verwijzen wij naar hetgeen daarvan in het 1° deel is gezegd.

IV. Uitwendige ziekten.

'1. Wat de kankerachtige ziekten, pokken, bindweefselzwering enz., welke aan de snavelwratten en oogringen, aan de kaken, de tong en de oorstreken voorkomen, aangaat, dient gezegd te worden, dat zij als gevolgen of verschijnselen van door gregarinen veroorzaakte diphtheritisch-croupeuse keelsbjmhuidontsteking beschouwd moeten worden en volgens Prof. Zürn gepenseeld dienen te worden met een mengsel van 2 gram creosoot, 5 gram boorzuur, 45 gram spiritus, 20 gram glycerine en 160 gram gedistilleerd water. Verder moeten de aangetaste dieren afgezonderd, droog en warm gehouden en de bokken, eet- en drinkbakken enz. Hink gedesinfecteerd worden.

2. Uitslag. Dit is geene bijzondere ziekte, doch het hoogste en laatste stadium van verscbillende ziekteverschijnselen, die hun oorzaak hebben in bederf van het bloed of stoornis van den bloedsomloop. Dit is vooral het geval met die uitslag, die tengevolge van verharding van den krop ten laatste de uit- en inwendige opperhuid van het geheele lichaam met eene soort van pokken bedekt en in dat stadium ongeneeslijk schijnt te zijn. Als oorzaak van deze boosaardige kropverharding neemt men wel aan het ontstaan van spijsbrij in den krop der duiven, tegen het einde van den broedtijd, als deze spijsbrij nog geen dienst kan doen; door in den krop te blijven verdikt en verhardt die spijsbrij, zet zich ook wel aan de wanden van den krop vast, stoort dezen zoodoende in zijne functiën, hindert de spijsvertering en geeft door een en ander het aanzijn aan ongezond bloed. Deze kropverharding is menigmaal zoo erg, dat men die door voelen bemerken kan. Gebrek aan eetlust, een gezwollen slokdarm, ruw gevcderte en benauwdheid zijn verder nog kenteekenen van de kwaal.

In dit stadium kunnen de dieren nog geholpen worden door eene bij do kropduiven beschreven operatie. Aangezien de operatie echter niet altijd met succes wordt bekroond, onderneme men haar niet anders dan bij kostbare duiven en bepale er zich overigens toe, zoodra men teekenen van verharding bespeurt, den krop voorzichtig te kneden en in te wrijven met warm water of olie en de patiënte driemaal daags \ theelepel vol sterke pepermuntthee met één droppol zoutzuur in te geven.

ocr page 92

84

3. Evomnin als uitslag schijnt ook cluizeliijheid (vertigo) ueno zelfstandige ziekte te zijn, docli, zooals op pag 255 van het 1'' deel reeds is opgemerkt, als de eerste trap van eene beroerte en als een gevolg van drukking van bloed op de hersenen beschouwd te moeten worden. De oorzaken van deze bloeddrnkking kunnen zeer verschillende — inwendige en van buiten aangebrachte — zijn. Do duizeligheid is een niet zelden voorkomend verschijnsel, dat meestal zeer plotseling en meer of minder hevig en aanhoudend optreedt, vooral dan, wanneer het dier met den kop naar beneden, gebogen staat, bijv. bjj het eten en drinken. Het tuimelt dan plotseling achterover of draait in liet rond en schijnt door kramp te worden overvallen. Over 't algemeen kan men alleen bij jonge, sterke dieren op genezing rekenen; oude sterven meestal ten gevolge van eene hersen- of longenberoerte.

De Boeve kent slechts één middel, dat soms plotseling verandering in den kritieken toestand kan brengen, n.1. het lijdende dier van elk derpootenéén nagel weg te snijden om zoo eene sterke bloeding te bewerken. Verder beveelt hij aan, den kop van de patient met water te koelen en een afvoer-middel toe te dienen.

Wanneer de aandrang van het bloed naar de hersenen hevig is (beroerte) is ook nog aan te bevelen de patient eenigen tijd met de pooten in warm water te houden.

Tulton heeft genezingen geconstateerd, nadat hij de patienten in het gehemelte had adergelaten of door de huid langs het geheele achterhoofd open te hebben gesneden en meent, dat in deze gevallen de genezing een gevolg was van de bloeding, die plotseling de hersenen van hunnen druk ontlastte. Ook al om dezelfde redenen bevelen anderen aan om van beide pooten een nagel tot dicht aan den wortel weg te snijden en de pooten dan eenigen tijd in lauwwarm water te houden om dc bloeding wat langer te doen aanhouden.

Fulton verhaalt nog een zeer eigenaardig geval van genezing van eene aan duizeligheid lijdende duif; deze genas namelijk, doordien F. haar onopzettelijk een vrij hevigen schop gaf. Hij liet haar eerst voor dood liggen en was niet weinig verbaasd, toen hij haar den volgenden dag niet alleen levend, maar ook volkomen hersteld vond. Hij verklaart het feit van die plotselinge genezing door een hevige zenuwaandoening of door het openspringen van een klein gezwel in den kop, dat de oorzaak van de drukking op de hersenen is geweest.

Alle andere duivenziekten onderscheiden zich in hare verschijnselen en behandeling weinig of niet van de ziekten, welke in het vijfde hoofdstuk van het eerste deel zijn beschreven, terwijl zij overigens behandeld zullen worden bij de beschrijving der verschillende rassen, die er het meest vatbaar voor zijn.

ocr page 93

85

Aangaande legnood en andere ziekten van de voortplantingsorganen verwijzen wij naar pag. '270 en aangaande kwetsuren, wonden, breuken enz. naar pag. 203 van liet 4quot; deel. De van liet verschil in grootte en houw der dieren afhankelijke wijzigingen zjjn van zoo weinig beteekenis, dat daarover niet opzettelijk behoeft te worden uitgeweid.

B. VIJANDEN DER DUIVEN.

I. Parasieten.

i. Ingewandswormen,

Men heeft hij de duiven reeds vier soorten van draadwormen en ééne lintwormsoort aangetroffen, welke, wanneer zij in groot aantal aanwezig zijn, hevige darmcatarrh en eveneens hardnekkige verstopping kunnen veroorzaken.

Het eenige onbedriegelijke kenteeken van de aanwezigheid van wormen is dit, dat deze of enkele geledingen van lintwormen het lichaam met de uitwerpselen verlaten. Als specifiek middel tegen spoelwormen wordt algemeen alsem gebruikt (de stuk gewreven bloemknoppen van eenige oostersche Artemisia-soorten). Men geeft dat vermengd met lijnolie en tot pillen gevormd en buitendien tweemaal per week wat zwavel (Prütz). Prof. Zürn beveelt pillen aan van 4 a 1 gram versch areka-nootpoeder, met meel en boter gekneed en, wanneer eenige uren daarna de wormen nog niet loskomen, een zacht afvoerend middel — een theelepelvol wonderolie; hij deze be-handeling dient men de patiënten evenwel afzonderlijk te zetten, opdat de zich in den mest bevindende eieren der wormen de kwaal niet verder verbreiden. Eene grondige ontsmetting van het slag en de ziekenhokken is dan natuurlijk eveneens noodzakelijk.

2. Luis, mijt enz.

Van de eigenlijke woekerinsekten bchooren er bij de duiven te huis: .3 soorten van zoogenoemde duivenluizen, (i mjjtsoorten, verder wantsen en de vogelvloo. Verder kunnen ook de larven van de meelkever — de zoogenoemde meelwormen — voor de nog in het nest zittende jongen gevaarlijk worden. De meest bekende dezer kwelgeesten zijn Hypodecles columbannn, de wormvormige duivenmijt, welke storend op den rui werkt en zelfs inwendige organen binnendringt; de in de vcderkielen wonende vederspoeimijt (Syringophilus hipectinatus); do bloedzuigende gewone vogelmjjt (Dermanyssus

ocr page 94

86

avium); do 4,5 a 0,5 millimetel, lango bloedzuigende Argas rellaxus cohnn-harum; van liet geslacht Philopterus Gordo cotes compur, do vederniijt Lipeimis bacillus; van 't geslacht Liolheum do kegelvonnigo vedermijt Col-pocephahtm turhinutum.

Het inwrijven met Perzisch insoctenpoeder of anijsolie — (lit Inatste met 10 deelen raapolie vermengd — tusschen het gevederte is heilzaam tegen deze woekordieren, overigens asch- en zandbaden, het witten van het slag en hot bestuiven van hetzelve met fijne kalk, zooals in hot 4st0 deel is beschreven.

Wright beveelt aan, denesten flink te besproeien met verdund carbolzuur of te bestrijken met paraffine. Overigens heeft hij geene groote verwachtingen van deze en alle andere dorgehjko middelen, wel echter van zijn universeel voorbehoedmiddel n.1. houtzaagsel, dat hij eenmaal ot' vaker per week in de nesten gestrooid en zoolang vernieuwd wil hebben, tot er zich geen ongedierte meer vertoont. Door sommigen wordt tabakstof in do nesten als onfeilbaar tegen ongedierte geprezen.

Behalve de reeds gonoemde kwelgeesten heeft men nog de hoender- of duivenvloo {I'vlex avium), een klein zwart insect, dat zich verbazond snel vermenigvuldigt en, volgens sommige practici, wel het best in het zoo door Wright aangeprezen zaagsel.

Verder heeft men nog de op vleesch beluste larve van de meelkever, (Tenebrio molitor), die zelf onder den naam van meehvorm als een delicatesse voor de meeste vogels bekend is en daardoor een niet onbelangrijk handelsartikel is geworden.

Voorts de vraatzuchtige larve van de spekkever (Dennestes lardarius), welke zich ook gaarne te goed doet aan de jonge duiven, en eindelijk de anders zeer nuttige larve van de doodgravers en aaskevers (Necrojthorus, Siljiha etc.), die zich evenals de hiervoor genoemde vleeschcters, wel is waar alleen in onzindelijke slagen en nesten vestigen, doch wanneer zij eenmaal aanwezig zijn, hot op den krop en den buik der nog teere jonge duiven gemunt hebben on deze dooden, zoo ze niet tijdig verwijderd worden.

Lentz beveelt nog als middel ter voorkoming en verdrijving der gezamenlijke parasietische insecten aan, het besmeren van die deelen welke hot meest worden aangetast als; onderlijf, krop, kin, oor- en oogstreek, neusgaten en snavelranden mot levertraan.

De hoofdzaak is en blijft echter — en niet alleen ter voorkoming dei-parasieten -—- eene uiterste zindelijkheid van het slag en de nesten, dage-hjksche verwijdering van den mest en asch- en waterbaden.

ocr page 95

87

II. Roofdiere)!.

Do vijanden uit do klasse der warmbloedige dieren zijn over 't geheel dezelfde als die, welke als dio der hoenders zijn opgegeven; zie pag. 272 l81'' doel. Voor de duiven zijn vooral gevaarlijk de inheemsche groote edul-valk (Falco peregrimts) en zijne onder- en nevensoortcn of' vertegenwoordigers in andere doelen der aarde. Ook de havik (Aslur palumharius) en de sperwer (Astur nisus) vangen vele afzonderlijk vliegende duiven weg. Gevaarlijker echter zijn de marters, de wezels, de ratten en muizen. Terwijl de laatste alleen nestjongen aanvallen, verwoesten de anderen niet zelden geheele slagen en het kost moeite do overlevenden weder in zulk een slag te krijgen, waarin marters, wezels, ook zelfs ratten hebben huis gehouden. Een nieuw verdelgingsmiddol van deze laatsten, dat alleen voor knaagdieren vergiftig moet zijn, is onder den naam Gliricine in den handel verkrijgbaar.

Negende Hoofdstuk.

De luxe- of sierdiilvcn.

„The fancij pigeonsquot;.

Tegenover de tallooze kleurvariëteiten der nut- of Veldduiven, die wij iillen tot oen enkele groep of een enkel ras moeten brengen, staat de tweede afdeoling, die der luxe- of sierduiven, met een nog veel grooter, in zeer vele groepen verdeeld aantal van meestal goed gekarakteriseerde rassen, onder-rassen, slagen en variëteiten.

Wel is waar is do overgang van de eene afdeeling tot de andere dikwijls nauwelijks merkbaar, en, zooals reeds is opgemerkt, is het onderscheid tusschen de Veldduiven en bet meerendeel der kleurduiven wetenschappelijk niet te definiëeren. De onderscheiding heeft inderdaad ook alleen eene practische waarde, zelfs al staat men ook in twijfel, of hot niet beter zou zijn de eene of andere dor kleurduiven, welke den overgang tot do vorm-of rasduivon vormen, tot de Veldduiven te rekenen.

Tweede afdeeling. Luxe-duiven.

Eerste on der afdeeling. Klcvr duiven.

Eerste groep. Eénkleurige huisduiven C. unicolores.

1. De lichtblnmve duif — C. c a e s i a.

Deze, gewoonlijk holvleugel genoemde duif hoeft een zeer gelijkmatig licht grijsblauw gekleurd gevederte, alleen de slagpennen zijn van eene iets

ocr page 96

88

donkerder, bruinachtig blauwe kleur; de hals is helder roodachtig niet paarsen weerschijn, do zwarte vleugelbanden zijn onder de dekveeren verborgen en de staart is van een ongeveer 25 milliin. broeden grijsblauwen dwarsband voorzien. De lichtblauwe duif is iets grooter en slanker dan de middelgroote Veldduif, heeft een wat dikkeren, gladden kop, groote oogen, eene roodgele, door donkerrood omgeven iris en korte, stevige, naakte pooten.

Volgens Prütz e. a. draagt deze variëteit van de Veldduif den naam van holvleugel, omdat zij geene in 't oog springende vleugelbanden heeft — de zwarte vleugelbanden worden n.1. eerst zichtbaar, als zij do vleugels uitspreiden. Het „omdatquot; komt ons, eerlijk gezegd, echter wel wat onbegrijpelijk voor.

2. De maanzaad- of wüdblauwe duif'. C. oenina.

Do kleine voeren van deze duif zijn gelijkmatig blauw van de kleur van blauw maanzaad, eene wat zuiverder lichtblauwe kleurschakeering als die der vorige; de slagpennen en de staartband zijn donker grijsblauw of lei-blauw : zij heeft geene vleugelbanden; alleen aan don voorhals vertoont zich een zwakke, roodachtige weerschijn. Zij heeft de grootte der Veldduif, doch is breeder en compacter van bouw en lager op de pooten. De gladde kop is dikker, de breed uit de schouders komende hals korter; de pooten zjjn bevederd, de snavel en nagels hoornkleurig, de iris oranjerood, de oogleden rood.

Afgezien van de kleur heeft zij toch weinig overeenkomst met Columhn oenas, waarnaar zij genoemd is, ook niet in de houding, en zonderling genoeg schijnt juist bij deze duif de vermenging van het bloed dezer wilde duif, wanneer dit aanwezig is, al zeer zwak te zijn.

Door hare bevederde pooten is zij minder geschikt om op het veld haar voedsel te zoeken. Haar vleesch wordt echter bijzonder geroemd.

3. De Vlecht duif — C. pr ui no sa.

Het gevederte van deze duif' is iets meer blauwgrijs van kleur, in verschillende nuanceeringen van blauwvaal tot zilvervaal en blauw tot zilverachtig geschimmeld. De slagpennen zijn leigrauw, aan de buitenvaan zwak blauwgrijs bepoederd; de staart is donkerblauwgrijs; de vleugels hebben smalle, zwarte banden, welke na den tweeden rui sterk uitkomen. Zij is grooter dan de Veldduif, doch slanker en edeler van houding. Kop en pooten zjjn glad, snavel en nagels donker hoornkleurig, de iris oranjegeel.

Deze duif is zeer zeldzaam en komt alleen nog in eenige streken van Westfalen voor.

ocr page 97

89

4. De Vuurduif. — C. fulgens.

Het geheele gevederte is diep zwart en heeft met uitzondering van de slag- en staartpennen een schitterend koperrooden metaalglans, die zeker bij geen enkele duif levendiger voorkomt. Zij heeft de grootte van de mid-delgroote Veldduiven, doch is meer rechtop van houding en heeft in hoinv en voorkomen veel van een groeten tuimelaar. Kop en pooten zijn glad. snavel en nagels zwart, het oog is levendig oranjerood.

Eene zeer fraaie duif, die echter ook zelden voorkomt.

Na verwant aan deze is

5. De Goudvinkduif — C. illyrica; the Archangel.

Pigeon houvreuil. Illirische of Gimpellauhe.

■ze duif, die met den goudvink al zeer weinig overeenkomst heeft, onderscheidt zich echter door een in alle kleuren van den regenboog schitterenden metaalglans op het rijke en volle gevederte. Volgens Prütz is zij .in Duitschland reeds ongeveer een 70tal jaren bekend en naar de mededee-ling van Dr. S. C. Betty aan Tegetmeier in 'tjaar 18.39 uit Gent naar Engeland overgebracht, en daar in de laatste 25 jaren meer algemeen verspreid en zorgvuldiger geteeld. Men meent, dat zij van Russischen oorsprong is, vandaar dan ook zeker haar Engelsche naam Archangel. Met zekerheid valt dienaangaande echter niets te bepalen, evenmin of zij oorspronkelijk in Zuid-Duitschland, Tyrol of Illyrië te huis behoort, wat men uit den naam Illyrica wel zou willen opmaken.

De Goudvinkduif heeft de grootte van de Yeldduif, eene lengte van :! 'i' a :jG centimeter, komt er wat gestalte en houding aangaat veel mee overeen, doch is slanker en eleganter van bouw; de kop is lang, smal, licht gewelfd, met tamelijk vlak voorhoofd, glad of liever van een lange puntkuif voorzien; de snavel is lang, dun en recht, alleen aan de punt een weinig naar beneden gebogen, hoornkleurig tot wit; de iris is rood of geelachtig rood en omgeven door een mat rooden oogring. De keel is rond, scherp uitgesneden, de hals middellang, vlak en matig breed, de achterhals loopt van de punt dtr kuif tot aan den benedenhals bijna loodrecht naar beneden. De matig breede borst wordt ver naar voren gedragen; de rug-is recht en loopt naar achteren slechts weinig af; de tamelijk lange, goed gesloten vleugels rusten losjes op de zijden van den staart, die goed gesloten en tamelijk lang is. De buik is van voren matig vol, doch achter weinig ontwikkeld; de pooten zijn iets langer dan bij de Veldduif, de dijen even zichtbaar; loopbeen en teenen zijn naakt. Wat do kleuren aangaat dienen wij te noemen: de Engelsche of koper vink met diep groen schitterende zwarte vleugels, benedenrug en staart; vleugeldekveeren met eene

ocr page 98

90

koperkleurige omzooming; kop, lials, borst en buik schitterend koperkleurig ; een booge puntkuif is een vereischte. De blauwe kopervink daarentegen heeft een gladden kop, diep blauwe vleugelschilden, zwartblauwe vleugel-punten en staart, de laatste met een zwarten band aan bet eind; hals en borst zijn bruinrood; overigens is zjj gekleurd als de vorige. Ook komen er zulke duiven voor met puntkuif en zwarte vleugelbanden, alsmede zulke met witte vleugelpunten; zjj zijn echter zelden goed in kleur en glans.

])o eigenlijke Goudvink of goudduif komt met de Engelscbe koperkleurige overeen, doch is goudkleurig aan kop, hals, borst en buik. De vleugels en lt;le staart zjjn meestal blauwgrijs-zwartachtig met een zweem van geel; de puntkuif ontbreekt in den regel. Als blauwe goudvink moet bij op de blauwe koperkleurige gelijken; alleen is bij de eerste goudkleurig, wat bij de laatste koperkleurig is; ook is bet blauw aan vleugels en staart wat lichter met een zweempje van geel.

De spiegelgoudvluk is u. koperkleurig, met roomkleurige vleugels en staart, roodbruine vleugelbanden en dwarsband aan den staart; overigens komt zij in kleur met de blauwe kopervink overeen; h. goudkleurig; in dit geval is alles, wat bij de vorige bruinrood of koperkleurig is, geel van kleur, ook de vleugel- en staartbanden. De grondkleur van vleugels en staart is

zilvergrijs met een zweem van zacht blauw. Dc spiegelgoudvinken zijn bijna zonder uitzondering gladkoppig.

Dietz vermeldt de volgende variëteiten van de goudvinkduif: 1. Do zwarte goudvink. De vleugels bobben elk spoor van blauw verloren en moeten zoo zwart mogelijk zijn en benevens rug en staart als metaal glanzen.

ocr page 99

91

2. Do blauwe goudvink met zwarte strepen. De vleugels moeten geheel blauw zijn en tie strepen donker en scherp begrensd.

li. De holvleugel goudvink. Deze komt gewoonlijk met een gele borst voor en is dan buitengewoon fraai; hoe zuiverder het blauw en geel zijn, hoe verrassender de indruk is.

-4. Do blauwe, zwartgeschubde goudvink. Do schubben moeten regelmatig verspreid en scherp begrensd zjjn.

5. Do blauwe goudvink met witte strepen. De strepen moeten zuiver wit en gezoomd zijn, terwijl de slagpennen, staart en borst donker blijven. Exemplaren zonder gebreken zijn evenwel zelden te vinden, daar de kleur onder den invloed der witte strepen tot verbleeken geneigd is.

6. Blauwe en zwarte goudvinken met wille slagpennen. De slagpentee-koning moet aan beide zijden regelmatig zijn en zich tot minstens 8, heter echter !) veeren bepalen.

7. Blauwe en zwarte goudvinken met wille slagpennen en witten hoven-hop. Het wit op den kop moet een regelmatigen vorm hebben. Füreb verlangt een smallen, van den neuswortel tot aan het achterhoofd reiken-den band; in den regel is er echter slechts een onregelmatige, witte vlek aanwezig.

lt;S en 9. Rood- en geelvale sp/ej/e/goudvinken. Horst, staart en rug zijn rood- of geelvaal, zoo helder en zuiver mogelijk, met gelijkkleurige, scherp gesneden strepen op de blauwe vleugels.

0. De Hijacint-duif. C. hyacinthina; The Hyacinth. Pigeon inaillé jacinthe. Jhjazinthtaube.

Eene groote, sterke en harde duif. De snavel is wat dikker en meer gestrekt dan die der overige kleurduiven; do hals en de naakte pooten zjjn eon weinig langer; de kop is glad, do borst wordt wat meer naar voren gedragen, zij hoeft glad aansluitend gevederte; do houding is meer rechtop.

Dc hoofdkleur der hyacintduiven is ecu tamelijk diep purperblauw, dat aan de borst, den buik, de dijen, de stuit en den staart eene lichtere nuanceering vertoont; aan den staart bevindt zich dicht aan het einde een zwarte dwarsband; de groote slagpennen zijn blauwzwart, het zadel, de schouder- en Hankveeren hebben op een bleek bruinachtigen grond eene langwerpig-driehoekige of pijlvormige zwarte teekening, van do schacht en bot midden uitgaande en de randen omzoomende; de teekening is in't midden lichtgrijs of blauwachtig gekleurd. Deze driekleurige teekening, welke zeer geregeld evenredig is aan de grootte der veeren, is buitengewoon fraai.

De diepere kleur van den kop heeft een zeer fraaien en sterken glans.

ocr page 100

92

De snavel is zwart, de neuswortellmid wit, het oog oranjegeel; de poolen /jjn rood.

7. De Victoria-duif — C. Victoriae; Victoria's.

Do Yictoria-duif is even groot en hard als de Hyacint-duif, misschien wel iets grooter, doch komt er overigens in tal van opzichten, als houding, vorm van snavel, kop, hals en borst enz. mede overeen.

De hoofdkleur is echter lichter en soms wat geelachtig; over kop, hals. borst, onderlijf, dijen, stuit en staart vertoont zich een zweem van aschgrauw met een zwakken weerschijn aan den hals; de zadel-, schouder- en Hank-veeren hebben donkere schachten en eon fijne pijlvormige teekening zonder een spoor van blauw daarin. De snavel en nagels zijn zwart, de oogen oranjerood, de pooten rood.

Het is opmerkelijk, dat de uitstekende afbeelding, die Ludlow onder den naam van „Hyacinthquot; hoeft gegeven, noch bij de beschrijving der Hyacintli-noch bij die der Victoria-duif past. Op de afbeelding n.l. vertoonen alleen de vleugelschilden de op de Hyacinth-duif passende fraaie teekening, terwijl die deelen, waarop die teekening volgens de beschrijving moet voorkomen, de hoofdkleur dragen.

8. De Poolsche los- of bjnxduif. Polish Lynx Pigeon.

Bisct de PolognePolnische Luchstauhe.

Deze duif, die haren naam waarschijnlijk ontleent aan het nog in Galliciö voorkomend viervoetig roofdier do Los of Lynx en met welks huidteekenlng hare vederteekening wel overeenkomt, wordt door Prof. Joz. von Rozwadowski te Krakau als een nutduif van den eersten rang geroemd, ja, als de eenige hoort, welke dien naam werkelijk verdient. Zjj is, wat haar vleeschgehalte aangaat, bepaald de grootste en het best mestbaar, daarbij aan een ruw klimaat gewend en overal gemakkelijk te acclimatiseeren; zij is een uitstekende veldvlieger — wat voor haar gedijen ook noodzakelijk is — legt en broedt uitmuntend en is eene even vertrouwde moeder, weet zich voor de roofvogels uitstekend in acht te nemen en neemt ieder maar eenigszins beschut hok voor lief. Toen deze duif het eerst bekend werd, mocht zij zich in de algemeene belangstelling der duivenfokkers verheugen, doch weldra verflauwde die belangstelling, en niettegenstaande hare goede eigenschappen heeft zij zich geen blijvende plaats in de duivenslagen kunnen veroveren. De redenen, die Prof. Rozwadowski hiervoor opgeeft, geven almede eene verklaring voor menige teleurstelling op het gebied van het fokken van ook andere soorten van duiven. Prof. R. zegt; „Het ras was nieuw en tot haar ongeluk fraai en origineel van teekening; een en ander maakten, dat men

ocr page 101

93

zich er met haast en gretigheid van meester maakte on pur force fokte, zonder zich de moeite te geven zich vooraf op de hoogte te stellen met liet temperament en den aard der duif; en even haastig als men was om zich de duif aan te schaffen, even haastig en ondoordacht werd zij weder over boord geworpen, toen het fokken voor de vuist weg niet de verwachte resullaten opleverde; er was immers wel meer nieuws: men ging eenvoudig tot het allernieuwste over en maakte in een kort tijdsbestek van de nulduif een parade-, een tentoonsteUinysdilif: de teekening werd de hoofdzaak, de waarde als mitdnif raakte op den achtergrond. Natuurlijk leverden de van de eene tentoonstelling naar de andere gezonden en geplaagde dieren weinig bevredigende fokresultaten en — weldra was het korte, veroordeelende vonnis uitgesproken: „dit ras deugt niet!quot;

Van nog grooter gewicht is het feit, dat er onder de fokkers zoo weinig goed doordenkende mannen zijn, welke profiteeren van hetgeen de vakliteratuur hun biedt. En leest men uit verveling of omdat men toch niets anders te doen heeft nog iets van dien aard, dan rekent men het tot zijn plicht, een op ervaring en zaakkennis steunenden raad van vreemden zooveel mogelijk te ignoreeren en meent, dat men het zelf op eene betere, in elk geval andere wijze even goed kan probeeren. Men brengt de dieren in groot aantal of ook met andere rassen te zanten, paart ze naar eigen goeddunken en de gevolgen ziju — vechtpartijen, geen jongen, diphtheritis. Verder is men gewoon, zijne fokduiven in liet voorjaar aan te koopen, wat bij eene rationeele teelt nooit moest gebeuren. Alleen met jonge dieren bereikt men goede fokresultaten en deze kan men alleen in den herfst bekomen; want natuurlijk bieden dan de Poolsche boeren hunnen overvloed en hun uitschot te koop aan, zij honden niet meer goed fokmateriaal den winter door dan zjj in het voorjaar noodig hebben, zoodat er dan niets meer te krijgen is. of het moest nog eenig nagekomen uitschot zijn. Wil men succes hebben met de fokkerij, dan is het noodig : 1°, dat de fokparen alleen uit jonge, in den herfst gekochte en gedurende den winter gewende duiven bestaan ; '■2e, dat de fokparen nooit op tentoonstellingen rondgezonden worden; 3e, dat ieder fokpaar een afzonderlijk, zij het dan ook klein verblijf wordt gegeven, dat zeer goed onder het vooruitspringend gedeelte van een huisdak of op eene andere, eenigszins beschutte plaats kan worden aangebracht; 4°, dat de Los-duiven vrij moeten kunnen uitvliegen en dat men alleen in het voorjaar op de paring heeft toe te zien; 5°, dat de paring met volkomen gelijk geteekende duiven wordt vermeden; het best is de paring van éénkleurige met geschubde, 't Spreekt echter van zelf, dat witpen-duiven alleen met witpen- en donkergepende alleen met donkergepende gepaard mogen worden.

ocr page 102

Do Poolsche Los-duif komt alleen in de omstreken van Krakau eeht voor. ofschoon ook eeno in de omstreken van Bodmin gefokte Veldduif met den naam los-duif wordt bestempeld; deze laatste komt wel in teekening met de eigenlijke Los-duif overeen, daar zij meestal geschubd en van banden voorzien voorkomt, doch zij is aanmerkelijk kleiner, heeft steeds gekleurde slagpennen en is in den regel gekuifd.

De echte Los-duif komt niet in geel en rood voor, doch alleen in blauw en zwart; er zijn:

1. éénklenrig zwarte met witte banden en slagpennen,

2. „ blauwe „ „ „ „

3. zwart en blauw geschubde, welke

4. ook met donkere slagpennen voorkomen; deze laatste zijn in den regel echter wat kleiner en dan hoogstwaarschijnlijk afstammelingen van de bovengenoemde valscho los-duiven.

De echte Los-duif moet kort maar stevig en gedrongen van figuur zijn, een tot opblazen geneigden krop en een luid klinkende of liever huilende stem hebben; de banden en de schubteekening moeten correct zijn. Het meest gezocht zijn de dieren met een zwarte schubteekening, zwarte grond-kleur en paars schitterenden hals, waarbij witte stuit- en aarsveeren, een ongelijk aantal witte slagpennen en dergelijke slechts als weinigbeteekenende

schoonheidsfouten gelden. Foutief zijn echter een lang gerekt lichaam, doode veeren aan kop, hals en borst, kousen of sokken.quot;

In de „kenmerken derdui-venrassenquot; door H. Marten worden de raskenmerken der Losduif opgegeven als volgt; grootte 38 a iO centimeter; gestalte als die der Veldduif, van aanzienlijken omvang, aan de Oud-duitsche kroppers herinnerende, zeer levendig; kop tamelijk groot, glad of met puntkuif (?). (Volgens Dürigen zijn do van puntkuiven voorziene Los-duiven zeldzaam). Voorhoofd tamelijk hoog en breed; snavel donker en tamelijk lang; oog geelrood; keel scherp gebogen; hals kort en breed met een luchtkrop;

ocr page 103

borst zeer breed en door den opgeblazen krop nog omvangrijker schijnend; rug tamelijk kort, zeer breed, een weinig gewelfd; vleugels tamelijk kort maar breed, de vleugelboog door de borstveeren bedekt; de vleugelpun-ten raken elkander boven op den staart; staart tamelijk kort, een weinig breed en bjjna horizontaal gedragen; buik zeer vol en aanzienlijk van omvang; pooten kort, dijen niet zichtbaar, voeten naakt, soms een weinig-bevederd (?). Deze geringe voetbevedering is dus zeker even als de zelden voorkomende puntkuif oen gevolg van kruising met andere duiven. Kleur en teekening; bijna uitsluitend in zwart en blauw, het eerste wat intensief. Behalve op de vleugels is ook het blauw niet licht en zuiver, aan hals en borst zwartblauw. Er zijn éénkleurige met witte slagpennen en witte banden en éénkleurige met geschubde vleugelschilden. Onder de zwartgeschubde komen er voor met donkere slagpennen; de best geschubde vindt men onder de blauwe.

9. Dc Leeuwerik-duif— C. aland in a major s. Co burgen sis.

Pigeon alouette, Lerchentaube.

Deze eigenaardig fraaie, groote, goed broedende en goed zoekende duif komt de Hyacint- en Victoria-duif in grootte en gestalte, houding, kleur en teekening tamelijk nabij, en het is niet onwaarschijnlijk, dat gene van deze afstamt en van Duitschland of België uit naar Engeland overgebracht is.

De kop is tamelijk lang en in verhouding tot de lengte smal te noemen; de geelachtig vleeschkleurige snavel is insgelijks iets langer en dikker dan die der Veldduif; de middellange naakte pooten zijn niet zoo forsch; de kop is glad of van een puntkuif voorzien.

Het kenmerkende dezer duif bestaat eveneens in de kleur en teekening der vleugels met of zonder het zadel. De kleur is een fraai lichter of donkerder parelgrijs of geelachtig grijs, waarop eene soort van zigzagteekening, welke door smalle, driehoekige, kastanje- of donkerbruine puntteekening der afzonderlijke voeren wordt voortgebracht, eene teekening, welke van nabij beschouwd buitengewoon fijn en net blijkt te zijn. Het overige gevederte is van eene gnjsvale, gebronsde, boven donkerder en onder een weinig lichtere kleurschakeering, van voren met een zwakken bronsglans; of mot dezelfde nuanceeringen in vaal geel. Bij beide kleuren vindt men bovendien donkere vleugelbanden.

De Vereeniging voor pluimveeteelt in Neustadt bij Coburg, op welker tentoonstelling verscheidene echte „Leeuwerikenquot; te zien waren, gaf de volgende kenmerken: grootte tusschen de quot;Veldduif en de Turksche duif; borst breed; slagpennen en staart lang; de kop, boenen en voeten glad. Grond-

ocr page 104

90

kleur aschgramv, de slagpennen lichter; de borst goudgeel; do vleugels zwart getoept met twee zwarte handen.

Deze zwarte vleugelteekening wordt door Marten verworpen, welke de borst geel, kop, hals, rug, vleugels, staart en buik donker aschgrauw en de vleugelteekening bruingrjjs verlangt.

Bungartz beschrijft don kop als lang en smal, glad, zelden van een punt-kuif voorzien, met een langen, stevigen, geelachtig vleeschkleurigen snavel on goed ontwikkelde neushnid; oogringen tamelijk breed; borst breed; slagpennen en staart lang; pooten middellang en glad. Kleur: mat vaalgrijs, bronskleurig en geel, mot eeno in het goudgeel overgaande maantoekening op de borst, welke teekening naar de djjen toe in het grijze overgaat. Vleugel- en schouderveeren parelgrijs, elke veer van een driehoekige, donkerbruine ot' zwarte vlek voorzien, do vleugelbanden duidelijk begrensd, slagpennen matgnjs. ])e Coburger Leeuwerik is een huishoudelijke duif en bijzonder goed in het vleesch.

lü. I)c Menie Leeuwerik-duif. C. al audi na minor, ook Seurenburger Leeuwerik genoemd.

Zlj is iots kleiner en slanker en heeft smallere oogringen dan de Coburger, is 33—35 centim. groot en komt in gestalte en houding met de Veldduif overeen; de snavel is hoornkleurig, de iris geelachtig rood; de keel rond en diep uitgesneden, de hals middellang en slank; de borst eerder smal dan breed, slechts weinig vooruitstekend en licht gewelfd; do rug is smal en recht en valt naar achteren toe slechts weinig af; de vleugels zijn smal. maar tamelijk lang, goed gesloten en kruisen elkander boven den staart, die tamelijk lang en goed gesloten is; de buik is weinig rond en eerder smal dan breed; de pooten zijn kort, het loopbeen onbevederd. Kleur: kop en achterhals zijn vaalgrijs, horst en buik tot aan de dijen geel, het overige gevederte aschgrauw. Ue vleugelschilden met dezelfde teekening als do Coburger in zwartbruingrijs, ook de vleugelbanden hebben deze kleur; de punten der vleugels en de staart zijn éénkleurig aschgrauw. Het achterste gedeelte van den buik is blauwachtig grijs; kop, achterhals, rug en vleugels hebben een zweem van geel, namelijk bij dieren met een fraai gele borst.

Een donkerder variëteit wordt Koollecuwerik, eeno met in hoofdzaak gele kleur Goudleeuwerik genoemd.

14. De IJsduif ■— C. farinosa — Ice pigeon, Pigeon satin.

Eis-, Lasur- of Mehltauhe. Zie fig. 2.

De IJsduif heeft ongeveer de grootte van de veld vluchter, maar is vlakker, gedrukter van bouw en heeft eene bijna horizontale houding; zij onderscheidt

ocr page 105

97

zicli dooi- een naar evenredigheid dikken, zwartaclitigeii of zwarten snavel met zeer kleine witte neuswratten, door den altjjd gladden, tamelijk dikken kop en korte pooten. Deze zijn deels onbevederd, deels van sokken voorzien, welker veeren bjj sommige exemplaren eene lengte van wel 10 centimeter kunnen verkrijgen. Do Engelschen noemden deze zoo zwaar bevederde voeten „Wingfeetsquot; — vleugelvoelen — en voor zoo zwaar gesokte dieren worden liooge prijzen bedongen, daar zjj moeilijk te fokken zjjn. Het gevederte is bjj allen zeer diclit en als met een licht poeder bestrooid.

Men onderscheidt tegenwoordig 4 variëteiten:

«. Blauwe oi' holvleuyeHge; deze zijn over het geheelc lichaam éénkleurig blauw zonder merkbare schakeering van de eenvoudige, fraaie, teere en als bepoederde kleur; zij heeft geene vleugelbanden, ook mag de hals geene schakeering of glans vertoonen. De vleugelpunten en de staarthand zijn blauwzwart. Donkere oogen en een zwarte snavel worden in 't bjjzonder gaarne gezien. Deze en eene zuivere, gelijkmatige kleur geven dan ook den doorslag bjj de beoordeeling; of zjj klein of groot zijn, dit heeft daarop geen invloed.

h. '/.wart (jehandc, welke een weinig lichter van grondkleur zijn. De vleugelbanden moeten lang, smal en diep zwart zijn. de vleugelpunten en de band aan 't eind van den staart grauwzwart.

c. Wil ijébaride. precies zoo als de onder h genoemde, doch voorzien van witte handen met een fijnen zwarten zoom.

d. GeschnMe, van dezelfde grondkleur. docb met zwart geschubde vleu-gelschilden; de naam „gehamerdequot; was hier eigenlijk wel zoo goed, daar de schubben maar zelden correct begrensd en gelijkmatig verdeeld zjjn.

1 hirigen noemt ook nog 117/ geHvUuhde ijsduiven of /'om'/c/o-duiven, \velke hier en daar ook Parelduiven, in de omstreken van Keulen „Forellenquot; en in Weenen iMxemhurgers genoemd worden.

Zij moeten aan de lVil gehande gelijk zijn, doch dc vleugelschilden be-liooren wit geschuhd en de schubben zeiven zeer fijn zwart gezoomd te zijn; ook dc sokken ziet men gaarne evenzoo geschubd.

De gladvoetige heeten in Engeland rraWjsduiven, doch zijn niet meer in aanzien; die met bevederde pooten noemt men daar N/Z/cmc/ic ijsduiven. Deze laatste zjjn zeer moeilijk in alle volmaaktheid te fokken, daar een fraaie teekening en groote sokken zelden gepaard gaan.

Volgens Prütz zjjn de ijsduiven .,wat erg schuw en, wanneer zij opgesloten zjjn, zeer koel van temperament, waarom zjj ongaarne tot paring overgaan en er zich ook moeilijk toe laten dwingen. De doffer zit dikwijls weken achtereen stom en onbewegelijk naast zijn duifje in het paarhok, doch vcreenigt zich er dadelijk mede, zoodra de dieren maar vrijgelaten wordenquot;.

Baldamus, 1'luimTOOtoolt II. 1

ocr page 106

98

12. De Porceleinduif — C. bad ia — The Porcelain. Porzellanlaiihe.

De Porcoleinduif komt in vele opzichten met de IJsduif overeen, is ecu der jongste fokproducten en eene der fraaiste kleurduiven.

Volgens H. Marten is zij aan do IJsduif gelijk, doch moet benevens de witte, zwart gezoomde banden evenzoo geteekende schubben hebben en elke vleugeldekveer moet scherp en correct geteokend zijn; zelfs de rug en de voetbevedering behooren de toekening van de vleugclschilden te hebben, terwijl de staart in plaats van met een zwarten dwarsband mot een witten spiegel voorzien dient te zijn. (Men vergelijke hiermede de onder de IJsdui-ven vermelde bewering van Durigen).

Zóó het ideaal, dat echter — zeldzaam is. Bnngartz laat als grondkleur ook aschgrauw en bruin toe, terwijl luj den grondtoon der vleugelschilden roomkleurig noemt. Ook moet de porceleinduif in blauw en geel voorkomen.

De snavel is tamelijk stevig en zwart; de iris gewoonlijk donkerbruin.

Behalve do genoemde komen er nog met verschillende schakeeringen van de grondkleur en talrijke soorten van toekening voor: niet dicht en spaarzaam verspreide, breede en smalle, zwarte en heldere sprenkels, toepen, zoomen en punten; verder zijn er gladkoppigc en met onbevederde pooten, evengoed als van een kuif en van bevederde puotcn voorziene porcelcinduivcn.

13. De Eichhi'ihler duif,

Eeno tot voor weinige jaren alleen in liet kanton Bern (Zwitserland) gefokte veldduif, doch volgens den /witserselien Overste Plüekigcr

reeds voor liOO jaren door diens voorouders geïmporteerd en sedert dien tijd raszuiver doorgefokt; zij verkreeg baron naam van hot faniiliegoed „Eichbühlquot;.

De Eiehbiililer duif is een goede veldvluohter, houdt zich echter ook graag in bos-sclien op, waar zjj op de zaden van den zilverspar aast. Naar sommiger meening is deze duif een afstammeling van de Veldduif en de kleine Boseh-,'~V.„ quot; duif (C. oenas) en in dat geval

Fig. 40. Do Eiclibulilor duit. x . .

is hare geneigdheid om de

bosschen te bezoeken wel verklaarbaar). Zij weet zich tegen den havik te

ocr page 107

!)!»

beschermen door zicli plotseling' boven dezen in de lucht te verheffen. Haar oriënteer!ngsvermogen is sterk ontwikkeld, zoodat zij zelfs na eene lialf-jarig-e gevangenschap en omparing haar oorspronkelijk hok op grooten t afstand weet weder tc vinden.

De Eiclibülder duif is van middelmatige grootte, krachtig maar slank van bouw, tamelijk schuw en gelijkt over 't geheel veel op de Yeklduit'; zij heeft een vol ontwikkelden kop, groote, donkere, ver naar achteren staande oogen, een sterken, eerder korten dan langen snavel en goed ontwikkelde snavelwratten. De hals is koperkleurig blauw zonder rooden of groenen glans, het lichaam éénkleurig blauw met zwarte banden of ook blauw met zwart gehamerd; de vleugels zijn lang en hebben blauwgrijze slagpennen, de staart is blauw niet een zwarten baud aan 't eind; het loopbeen heeft eene donsachtige hevcdering, de teenen zijn glad.

Hare sterke constitutie en groot oriënteeringsvermogen maken, dat do Eichbühler duif behalve voor liet zuiver fokken ook zeer geschikt is voor bloedopfrissching bij postduiven.

II. Geteekende duiven. » Eerste groep. Halshnnddiiiveu — ('.olumhae collares,

A. Met Willen halsband. (Halve inaanteekening).

i. De Spreciuvhalsduil' — C. sturnicollis — Slai'ling pigeon.

Pigeon éloiwneau. Slayhalslaube.

Deze duif, welke ook in ons land wol ondei' den Duitschen naam Staarliah bekend is en ook Rouwdnif wordt genoemd, draagt haren naam naar de overeenkomst tusschen hare halsteekening en die van de spreeuw.

De grootte, houding en eigenschappen zijn die der Veldduiven; oog geel tot rood met een smallen, witten ring. Snavel lang, recht en zwart met een smalle, witte neushuid; het vast aan 't lichaam gesloten gevederte is diep zwart of ook blauw eu dan meestal met een schijn van geel, vooral op de borst. Du vlcugelbandeu zijn wit en evenzoo de borstteekening ; deze laatste heeft den vorm van een halve maan, welker horens van de bovenborst tot 1 de zijden van den hals loopen. De kleur der zwarte wordt met toenemenden

ouderdom aan kop en hals min of meer grijsachtig. De vleugelbanden moeten zuiver wit, smal en scherp begrensd zijn. Ook moet de Spreeuwhalsduif eigenlijk ongekuifd en glad van pooten zijn, ofschoon die, welke oen fraaie puntkuif en sierlijk bevederde pooten hebben, weinig minder gewaardeerd worden. De jongen hebben uocli de 'diepe groudkleur der ouden, noch eene

ocr page 108

100

/oo luunvkeurigo on zuivere teekoning. Do kleur is lijj doze gewoonlijk een vuil bruin, terwijl de halve maan onvolkomen en donker gestreept is en de vleugelimnden bruin gevlekt of geheel bruin zijn. Eerst im den tweeden rui ontwikkelt zich de volle, zuivere teekoning der Imlve maan. Volgons Prütz moet evenwel die halve maan slechts 2 a ;i jaren fraai blijven, dan steeds grootor worden en meer en meer haren vorm verliezen; ook zouden dan de vleugelpunten witachtig en de bovenkop grjjs worden, een bewijs, dat deze duivensoort, in Duitschland althans, nog niet volkomen op de toe-kening gefokt wordt.

In Engeland wordt de Spreeuwhalsduif mot zorgvuldig uitgezochte Zwa-bische en Porceleinduiven gepaard, wat hoofdzakeljjk bijgedragen moot hebben tot fixeering der drie variëteiten, van welke ieder nu hare eigenaardigheid getrouw overerft.

In Frankrijk heeft men ook zwarte Spreeuwhalzen niet witten kop (Pigeon rlourneati noir a Idle Manche), welke overigens elders niet schijnen voor te komen.

De Spreeuwhalsduif behoort tot de meest aanbevelenswaardige duiven, niet alleen om have schoonheid, maar ook om hare economische eigenschappen. Zij zoekt beter on is vruchtbaarder dan de Veldduif, heeft „bijna altjjd terzelfder tijd eieren en Jongen en is een onvermoeide voedster van andere duiven en daarom ook van groote waarde voor den fokker van rasduiven.

'2. Xwnhiaeiw duif — C. sue vie a Snahiun püjcon, I'iijeon SovkIic.

Schim hind ie Tauhe.

J)e onder dozen naam door Ludlow beschrevene on voortreffelijk afgebeelde „Duitsebe speelsoortquot; schijnt werkoljjk slechts cone speelsoort van de Spreeuwhalsduif te zijn, van welke zij zich eigenljjk alleen onderscheidt door de aanwezigheid van eon minder of meer rijk gesprenkelde of getoepte teekoning, vooral op do vleugels.

Er zijn zoowel licht- als donkerkleurige, dicht als spaarzaam getoepte, over 't geheele lichaam getoepte of gesprenkelde als met donkeren kop, hals, vleugels en staart; gladkoppige en met een punt- of een schelpknif voorziene, ghidpootige en met bevederde poolen, met kleine en met groote sokken enz. Uit deze geheel regellooze rij heeft men echter toch twee speelsoorten gefixeerd, welke ook zeer aardig zijn ; eene zwart getoepte en eene brons-glanzige.

De zwarl i/eloeple onderscheiden zich van de Spreeuwhalsduiven hoofdzakelijk door de zwarte toepen aan do punten der witte vleugelveeren en door eene fraai ovale, witte teekoning van de benedenvlag der groote slagpennen ; bovendien nog hierdoor, dat de witte, zwart gesprenkelde halve-maanteeke-

ocr page 109

101

ning van do horst liooger bij tlon liiilis oploopt. Do liovoukop is soms zwart, soms regelmatig, fijn wit gesprenkeld. Ook de staart heeft soms — en dit is een groot sieraad van de duit' — een witten band dicht aan het eind. Hot zwarte gevederte moet overal op het lichaam echter ten minste sporen van toeping toouen.

De ijehronsde hebben dezelfde teekeningen, doch bovendien een bronskleurige tint over de donkere veeren en zacht roomwit over de lichte partijen. Beide hebben een zwarten bek en oranjeroode iris.

Volgens Marten gelijkt de Zwabische duif in alle opzichten op do Sprceuw-halsduif met uitzondering van de teekening. „De grondkleur is zwart, de vleugelschilden zijn tamelijk donker met witte schubben en witte banden, waarover een roodachtige tint ligt; de buitenste slagpennen hebben een witte oogvlek, de zoogenoemde vinkteeki'niuij. De staart is éénkleurig zwart, tenvijl er ook moeten voorkomen met een witten spiegel. Met toenemenden ouderdom wordt de kleur lichter en verliest de teekening meer zijn bepaald karakter. De horens der halve maan moeten hoog bij den hals oprciken en aan den achterhals dicht bij elkander komen; correct ziet men deze teekening echter zeldenquot;.

Hiertoe behooren zeker ook do door l'riitz onder den naam van „zilver-geschubdequot; beschrevene „geperfectioneerde variëteiten der van een sehelpkuif voorziene Witsnip paapduifquot;, l'riitz beschrijft deze zeer fraaie, zelden «mi bijna alleen in Zwaben voorkomende duif als volgt: ,,Snavel hoornkleurig; oogen, al naardat het wit of' bet zwart de overhand heeft in het gevederte, zwartachtig grijs of' geel met een oranjekleurigen rand. De voetwortel is zwart bevederd en ook de nagels zijn zwart. Kop, hals, borst — do eerste met uitzondering van de snip zjjn matzwart, doch als bedekt met een glazuur van witte, lichtrood en appelgroen schitterende vederstrepen, welke naar den benedenhals toe steeds talrijker en parelvormig worden en voor de borst een halve-maanvormigen ringkraag vormen, waarvan de punten elkander aan den achterhals raken, die vóór de borst een vingerbreed is en eveneens met de hiervoor genoemde kleuren schittert. De vleugeldek-. seliou-der- en bovenrugveeren zijn aan den wortel zwartgrauw. aan de punten, zoover die niet bedekt zjjn. scherp afgesneden wit en geheel van een grjjs-gelen rand voorzien, en hebben fijne zwarte sclmcliten. Deze doelen schijnen daardoor als met een kantgarnituur bedekt, waardoor ze wel iets van het gevederte van den Zilverfazant verkrijgen. De benedenrug en de buik zijn matzvvart, de groote slag- en de staartpennen iets donkerder, de eerste van fraaie spiegels, de laatste van oen 2!quot;) eentimeter broeden zwarten band voorzien. Al naarmate de vleugeldek voeren lichter of donkerder genuanceerd zijn,

ocr page 110

102

worden ook de witte, met zwart gezoomde vleugelbandon zichtbaar. Deze duiven heeft men ook met witte slagpennen en witten staart.

B. Mei geJileurden halsband,

3. De /tvilsirrsclte duif — C. Helvetiae — Crescent or Swiss — l\ Pigeon suisse, Ilcdbmond- of Mondtaube.

Men heeft langen tijd getwijfeld en twijfelt ten deele nog, of deze duif tot do kleur- of tot do geteekende duiven gerekend moet worden. Voor het eerste pleit hare groote overeenkomst met de Veld vluchters in lichaamsbouw en eigenschappen, alsmede het voorkomen van dezelfde kleur en teekening bij do gewone Veldduiven; er tegen de constimte kleur en teekening bij de nakomelingschap; dit laatste mag zeker den doorslag geven.

De Zwitserscho duif is, om zou te spreken, het omgekeerde van de nauw aan haar verwante Spreeuwhalsduif met betrekking tot de kleur, en ongeveer van dezelfde teekening; ook van gelijke grootte en snavelbouw als deze of als do Veldduif; glad van kop, kort van hals, met vlakken compacten romp en tamelijk laag op de pooten, welke meestal van flinke sokken en zachte gierhakken zijn voorzien. De iris is bruinrood, de oogleden en snavel zijn witachtig, ten minste licht van kleur. De slagpennen reiken tot ongeveer 20 millim. van het einde van don staart en raken elkander daar. De grond-kleur van het dichte en zachte gevederte is een lichte roomkleur, soms met een geelachtige of zilverkleurige tint; de gele hebben de teerste en gehjk-matigste grondkleur. Van liet midden der borst strekt zich met de horens naar de zijden van den hals een „Turksche halvemaanquot; uit (d. w. z. een vierde- of een derdedeel van den cirkelvorm), van een bruingele, roodachtige, roodbruine of zwartbruine en met alle schakeeringen van een duivenhals schitterende kleur; deze halve maan moet in het midden ongeveer 20 millim. breed en van daar af gemeten circa 00 millim. hoog zijn, langzamerhand smaller worden en in twee sierlijk gebogen punten uitloopen, welke zoo ver mogelijk naar de oogen moeten reiken.

Van dezelfde kleur, doch gewoonlijk een weinig lichter, zijn de eveneens halve-maanvormige -— d. w. z. in 't midden breedere, overigens echter smallere-—vleugelbanden en oen wat lichtere dwarsband dicht bij liet einde van den staart. De sokken zijn wit evenals de grondkleur.

De hoofdpunten bij de beoordeeling zijn : eene zuivere, overal gelijkmatige, zoo mogelijk lichte room- of atlaswitte kleur, alsmede nauwkeurigheid en zuiverheid van de teekening en de kleur van deze.

De Zwitsersche duif is een goede vliegster, doch tamelijk weekelijk en slecht in de voortplanting, vooral de gele. Prütz beveelt herhaalde bloed-

ocr page 111

verwisseling nan, wiuiiiocr men or good vorder moo wil fokkon, tlucli is togou kruising, ,,dio do soort zelf (?) allo waarde ontneemtquot;. Verder bericht Prütz, dat zij slechts in Saksen, Thüringen on Silezië voorkomt, terwijl oene in Zuid-Duitschland en Zwitserland voorkomende variëteit, de goud- othorsl-dl' genoemd, geelachtig goteokend is, dikwijls geen vleugelbandon on onbovo-derde pooten heeft.

In Frankrijk komen Zwitsersche duiven voor, welke mot rood of oene andere levendige kleur gestreept zijn en welke strepen dikwijls een borstband vormen. Ook zijn er éénkleurig goudbruine ■— Bui- of his-doré; eindelijk nog inet een goudbruinen, zwart getoepton (hermhv;) cn azuurblauwen borst- of halsband (collier).

Tweede groep. Snip- oi maskerduiven — C. frontales.

Ofschoon de Snip- en Maskerduiven meestal van elkander gescheiden — tot twee groepen gebracht — worden, is er eigenlijk niets tegen om ze tot céno groep te veroonigen en te verdoelen in Witsnippen en Kleursnippen, daar zij in de hoofdtrekken als: grootte, gestalte, toekening en eigenschappen nauwelijks van elkander zjjn te onderscheiden. Vooral geldt dit van de Kloursnippen en de eigenlijke Witsnippen, bij welke snip en staart van dezelfde kleur — gekleurd of wit — zijn.

Beide hebben ongeveer dezelfde grootte, n.1. zoo groet of iets kleiner als do Veldduif; beide zijn van denzelfden habitus, beide zijn beste vliegers en voldvluchters, minstens even goed, zoo niet beter dan de Veldduif. Beide eindelijk hebben dezelfde ovaalsnip welke niet te smal mag zijn, doch ook niet tot een schedelplat uitgebreid die in kleur met den staart overeenkomt iu de hoofdkleuren: blauw, zwart, rood en geel.

Men zou de eene hot omgekeerde van do andere kunnen noemen, daar bij de eene gekleurd is, wat bij do andere in wit voorkomt en omgekeerd.

Zelfs in de kleur van dou snavel vertoont zich het omgekeerde, in overeenstemming met de kleur van het gevoderto: bij do klcursnippen is de benedensnavel wit, bjj de witsnippen do bovensnavel, terwijl do andere helft naar den algemeenen regel, naar de hoofdkleur van het gevedorto, gekleurd is. Het oog is bij de Witsnippen donkerbruin, bij de Klcursnippen oranjegeel.

A. Wits)iippeu. (Wilslaarten).

i. De Witsnip, Col. albifrons (C. maculata). Pigeon heurté inverse. Weisshldssige Tauhe. Fig. 20, kop '2.

Snip en staart zijn zuiver wit; de grondkleur is eene der hoofdkleuren; zwart, duivenblauw, rood of geel of oene van de nevonkleuren. De grond-

ocr page 112

104

kleur moet diep en gelijkmatig, do tookoning zoo scherp mogelijk begrensd zijn. Behitlve deze gewone vormen komen de volgende variëteiten voor:

k. De Witbandige Witsnip met witte of witte met zwart gezoomde vleugelbanden. Gewoonlijk treft men deze in liet zwart of blauw aan; de koperroode en bruinaelitig gele zijn veel zeldzamer.

b. Eveneens witbandige, doch bovendien met wit gezoomde vleugcldek-veeren — geschubd of gekarperd. De zoomen en banden moeten zuiver wit zijn.

c. Tot de AVitsnippen moet ook nog gerekend worden de drie-of eigenlijk viorkleurig IwperrleiujeUgo, omdat deze insgelijks het hoofdkarakter van deze groep heeft, n.1. een witte ovaalsnip eu een witten staart, witten boven- en donkeren ondersnavel en oranjeroode iris. De bouw van deze fraaie duif is echter een weinig meer gedrongen dan die der overige Snipduiven en hare naaste verwanten; zij is echter even levendig, vliegt even goed en is mede even vruchtbaar. De grondklour—wanneer hier van eene grond kleur sprake kan zijn — is aan kop, hals, borst, bovenrug en slagpennen donker asch-grauw met een blauwachtige tint; de hals en de bovenborst schitteren in een bronskleurig groen; het onderlijf is tot aan de witte aarsveeren licht aschgrauw, ook de voeren der sokken worden naar het eind toe wat lichter; de vleugeldekveeren (de vleugelschilden) hebben een, vooral in den zonneschijn prachtig schitterende donker koperroode kleur, die fraai bij de kleur van het overige gevederte afsteekt.

2. De Vuur- of Vuurrugduif — Fire pigeon. Tire-back. Feuertaube.

Onder den naam Fire pigeon, Yuurduif, wordt door Ludlow eene als „Fire backquot; vuurrug afgebeelde duif beschreven, die, zoo zjj niet dezelfde is als de hiervoor genoemde kopervleugelige Witsnip, dan toch klaarblijkelijk tot deze soort behoort. Zjj is aan kop, hals, borst, onderlijf en voct-bevedering zwart of bijna zwart; ook de slagpennen zijn van buiten zwart, doch aan den binnenkant bronskleurig; de rug, de vleugelschilden en de zijden zijn fraai en intensief kastanjebruin; de ovaalsnip en staart zijn, deze laatste met inbegrip van de boven- en onderstaartdekveeren, zuiver wit, de grens van den witten staart is een de stuit en den aars scherp afsnijdende dwarslijn; de bovensnavel is dikimjjls wit (naar den algemeenen regel moet deze immers ook wit zijn!) De halsveeren vertoonen in de hoogste rnate de duivenhalskleuren en maken, als zij met den glanzigen kastanjebruinen rug in den zonneschijn schitteren, een prachtig effect; bovendien is de klenrenverdeeling over het geheel effectvol; het robijnklenrige oog, door zwart fluweel omgeven, het contrast tusschen den schitterend witten

ocr page 113

105

staart eti liet overige gevederto enz. vormen een buitengewoon verrassende verschijning. De zwarte voetbevedering moet uit zoo lang mogelijke veeren bestaan. De duif is (naar de meening van Ludlow) fraaier dan de doffer, daar bij haar alle vederen van de kastanjebruine partijen aan de punt duidelijk zwart getoept zijnquot;.

Alle Witsnippen hebben eene oranjegele iris. vleeschroode oogranden en oogleden, een witten boven- en donkeren ondersnavel en karnnjnroode of' bevederde pooten.

H. De Kh'uvsniiipoi of' MaxkerduiveH.

De normale vorm der snip is de ovaalsnip, ofschoon de rond- en zelfs de bandsnip ook toegelaten worden. De sniii meet van den snavelwortel tot aan de meer of' minder spitse of' afgeronde punt 'i? en aan de basis 35 millimeter. Met de kleur van den staart komt ook die der boven-en onder-staartdekveeren overeen en de grenslijn moet zoo recht en scherp mogelijk zijn.

3. De Maskerduif, Col. maculata Spot-Piijeun. I'igeoit heurlé.

Maskeniauhe. F iff. 'JO, n0. 3.

o '

De grondklcur dezer duif is een zoo zuiver mogelijk wit; de teekeningen komen vooral voor in de reeds genoemde vier hoofdkleuren, in blauw echter zelden. (De geul snip heet in Frankrijk: Le heurté de Siam). De teekening moet in alle opzichten nauwkeurig en de kleur gelijkmatig zuiver en intensief zijn; het zwart fluweelachtig, het blauw zuiver en helder, het rood en geel intensief van kleur. Dat zijn de hoofdzaken, waarop het bij de beoordeeling der Kleursnippen aankomt. Bovendien moet de figuur slank zjjn, de snavel middellang doch stevig, terwijl de vederversiering —■ punt- of schelpkuif en voetbevedering wanneer die aanwezig is. normaal gevormd moet zijn.

4. De Ooievaarduif—O. rem i ga lis — Stork pi(jeogt;i. Piyeon cilt;jo(jne(t)

Schwingen- of Slorclitaidw.

*

De Ooievaarduif, welke dezen naam kreeg, omdat de groote slagpennen gekleurd zijn, terwijl 't overige gevederte zuiver wit is. dus evonzoo getee-kend als de ooievaar, komt in figuur, houding, grootte en in al hare eigenschappen geheel met de Kleursnippen overeen. Het eenige onderscheid bestaat hierin, dat bij haar de groote slagpennen gekleurd zjjn in plaats van den staart. Als norm geldt, dat alleen de groote slagpennen de kleur van de snip hebben; en inderdaad heeft de teekening, wanneer deze zich

ocr page 114

106

tot do grooto slagponneu op zijn minst 8 on op zijn hoogst 10 — bepaalt, niot alleen oen moer scherpe en natuurlijko grens, maar is zij ook zuiverder en fraaier, dan wanneer do dekveeren mede gekleurd zijn. De kleur van den snavel ■— boven donker en onder licht •— do hazelnootbruine iris, do aanwezigheid ot' liet ontbreken van punt- of sclielpkuif, de overeenkomende kleur der been- en der middellange voetbevedering: dit alles is bij de Ooievaarduif evenzoo als bij de Kleursnippen. Alleen wordt de snip gaarne meer rond gezien, ofschoon de ovale vorm in dezen juist niet als eeno fout geldt.

De Ooievaarduif komt met zwarte, blauwe, roode on gele teekening voor; do gooi geteekende zijn evenwol zeldzaam en de blauw geteekende misschien geheel verdwenen. Eeno duidelijke en glanzig gekleurde teekening'met eene scherpe begrenzing en zuiver witte grondkleur zonder eenige valsche veer zijn — natuurlijk bij eene goede conditie — do hoofdzaken bij de beoordeeling; daarna komt de kleur van den snavel in aanmerking.

5. De Helm duif - C. occipitalis — The Helmet;

Brésilien? Helmtauhe. Fg. '26, n0. 5.

Als men de wat kleinere gestalte, hot wat hoogere voorhoofd en do meer opgerichte houding, welke wel eenigszins aan do tuimelaars herinneren, buiten rekening laat, behoort do Helmduif — die trouwens moeilijk tot con andere groep gebracht kan worden — ook tot de Kleursnippen. De helm — als 't ware een groote ovaalsnip, dio zich over den geheelen schedel en den ach-terkop uitbreidt on in den nek in een afgeronde punt uitloopt — do staart on zij 11e groote dekveeren zijn gekleurd evenals bij de Kleursnippen; de hoofdkleur is wit, do snavel is, in overeenstemming met de kleur van den boven- en den onderkop, voor de bovenhelft donker en voor de onderhclft licht van kleur. De parelkleur van de iris wijst evenwel op eeno andere afkomst, ofschoon dat ook juist geen uitsluitend aan de tuimelaars bohoo-rende eigenschap is. De Helmduif is gladkoppig, heeft onbevederde pooten en de teekening schijnt in alle kleuren voor te komen. Beiden, kleur en teekening, moeten bepaald duidelijk en zuiver en de eerste daarenboven intensief zijn; de grenslijn van don helm moet van do snavelspleet in eene rechte lijn onder de oogen door loopen tot aan den nek, waar zij in een afgeronde punt eindigt.

De Helmduiven zijn levendige vogels, die goed vliegen; ook leggen on broeden zij goed en vererven zeer geregeld hare kenmerkende eigenschappen.

ocr page 115

107

Derde groep. I(in een scltedelplal voorziene duiven — Col. piloata

s. verticales.

De Paapduif'. C. pileata (cristata)— The Pried. P. Coquille russe (?) Pfafl'entcmbe of' Blasse.

])o talrijke variëteiten van deze zeer verspreide en algemeen geschatte duif schijnen wegens haar compacten liehaamshouw, haar breed voorhoofd, hreede borst en rechte liouding en niettegenstaande haar wat korten hals (jrooter dan zij werkelijk zijn; zij overtreffen echter de Veldduif maar weinig in grootte. Wat de 1 'aapduiven op den eersten blik van andere duiven onderscheidt, is een sieraad, dat slechts bij haar en bij de Trommelduiven voorkomt n.1. de snavelroos, een roosvormig, uit korte veertjes bestaand kussentje, dat tusschen den snavclwortel en de neusgaten zit en zich meestal goed gesloten naar alle zijden afrondt. Dit is de normale vorm en tevens do eigenaardigste en fraaiste. Er komen echter nog twee andere vormen van voor: bjj de eene scheiden zich de veertjes in twee rijen zoo, dat de eene rij naar achteren, naar den voorkop toe, gericht is, terwijl de andere rij over den snavel valt; de andere vorm bestaat uit eene soort van wezenlijke puntkuif, die uit rechtop staande, gekroesde en in elkander gedraaide veertjes is samengesteld. In Duitschland verlangt men die snavelroos glad en breed en zoover mogelijk over de snavelwratten liggend, terwijl de rozetvorm er als „onschoon geldt. De snavelroos moet echter altijd wit zijn even als het volle schedelplat, dat begrensd wordt door eene lijn, die van de snavelspleet door het midden van het oog en verder in eene rechte of een weinig naar beneden gebogen richting tot aan de basis van do breede schelpkuif gaat. De kuif zelve is gekleurd met de hoofdkleur van het geve-derte en wel met de donkerste nuanceering daarvan, die dor bovendeden.

De Paapduif komt in alle vier hoofdkleuren en in eenige nevenkleuren voor, met en zonder vleugelbanden. 15ij allen moet echter de bovenneb van den snavel wit zijn en de onderneb zwartachtig of roodachtig bruin, al naar het gevederte donkerder of lichter is; de iris is bruinrood. De pooten zijn kort, zacht bevederd — cjrousse gt;nu/fed — deels van middellange of kleine sokken voorzien.

Terwijl in Duitschland en elders do roode, gele en zwarte paapjes het meest gezien zijn, geeft men in Engeland de voorkeur aan de blauwe, die van een fraai, gelijkmatig blauw moeten zijn, dat alleen op den prachtig schitterenden hals en aan de kuif donkerder geschakeerd mag zijn. Tevens moeten zij zuiver witte vleugelbanden hebben, welke van een smallen zwarten — bij jonge duiven meestal nog bruinen — zoom zijn voorzien, terwijl de staart een zwarten band heeft; zij behooron dus tot de witgebande

ocr page 116

-los

vttrictoiton. Do gi-oote slugpeiuicii zjjn blauwzwurt:. Du zwarte zoom ilcr vlougelbandeu verdwijnt gewoonlijk door het ruien.

De kleur der zwarte l'aapduiven moet diep en selntterend zwart zijn. die der roode en gele eveneens diep en vol en geljjkmatig; eene onduidelijke, onegale kleur, waarbij tevens aschgrauwe djjen, zooals er dikwijls voorkomen, is af te keuren.

Eehalve de genoemde kleurslagen zijn er nog wild- en lichtblauwe(,,lavendel-kleurigequot;) zonder en met zwarte vleugelbanden, zilverkleurige en andere.

In Duitsehland onderscheidt men bovendien de volgende variëteiten, welke voor fijnerquot; doorgaan:

'i. witgesokte,

h. witgehande,

c'. witgehande witpen,

lt;/. dito met zwarten staart,

e. „Ilohenzollernduifquot; met spreeuwlials, banden, witte slagpennen en

staart en gladde pooten.

ƒ. de zilvergeschubde spreeuwhals-l'aapdnif.

De vleugelbanden van variëteit h zjjn smal en wit, die van de blauwe grondkleur hebben eene zwarte omzooming. Ikiitengewoon fraai doch zeer zeldzaam zijn die, welke een zilvergrijze, roode en gele grondkleur hebben.

Tariëteit lt;1 komt het meest in de zwarte en blauwe grondkleur voor; de gele en roode hiervan zjjn zeldzaam.

Variëteit e komt alleen aan den Moven-Xeckar en in llohenzollern voor en alleen in quot;t zwart, met gladde pooten en de 7 eerste slagpennen wit; zij gaat wegens hare zeer zuivere teekening voor de fraaiste van alle l'aapduiven door.

Benevens de quot;Witpen-variëteiten zijn er nog gespiegelde, terwijl er naast de éénkleurige ook nog gemeleerde bestaan; van de beide door 1'rütz aangehaalde voorbeelden behoort echter de eene, de Zilvergeschubde, bepaald en de andere, de Zilvergeschubde met spreeuwlials, zeer waarschijnlijk tot de Zwahische duiven, waaronder wij ze voorloopig ook gerekend hebben. Met een gekleurd schedelplat komen deze duiven niet voor.

Vierde groep. Wit- en Kleurkopduiven -— C. capita los.

A. Witkopduiven.

1. De Monnikduif. C. albicauda (monachus) — The Monk pigeon. Vujeon moine. Mönehtauhe.

De Monnikduiven komen in bouw en in den geheelen habitus zeer veel met de Paapduiven overeen; zij onderscheiden zich eigenlijk alleen door

ocr page 117

109

bare gTootere en breedere gestalte, alsmede door de witte kleur der gTCote slagpennen (van 7 tot !)) en van den staart met diens onder-en bovondek-veeren. Over de grens van de witte kopkleur sprekende, zegt Marten, dat die van bet acliterlioof'd in een gebogen lijn onder de wangen doorgatit tot ongeveer S ü 10 millini. onder den snavel, zoodat de oogen geheel door wit omgeven zjjn.

De bevedering der beenen en de vrij zware sokken moeten wit ziin. evenals liet overige gevederte behalve hals, horst, bovenrng en vleugelschil-den. ()]gt; deze wijze getcekende duiven noemt men gewoonlijk „gemonniktequot;.

J)e snavel moet licht vleeschkleurig, de iris bruin tot zwart en do kop glad zjjn; men vindt er echter ook wel met punt- of met schelpkuif, alsmede met kuif en snavelroos te gelijk, welke evengoed gedoogd worden. Morst en rug zijn sterk en breed, de ponten kort en stevig.

De Monnikduiven komen in de bekende hoofdkleuren zwart, blauw, rood en geel voor en wel met en zonder witte vleugelbanden: verder beeft men nog zwart- en blauwgesehuhde. Dij de beoordeeling moet evenzeer op zuiverheid en volheid der kleur als op eene nnnwkeurige en zuiver begrensde teekening gezien worden. Koode en gele met witte vleugelbanden worden bijzonder gaarne gezien en zeer gewaardeerd.

Monnikduiven met schelpkuif en snaveloos en zwaar bevederde pooten worden in hhigeland ook „Brunswicks' genoemd en zeer gewaardeerd (Durigen).

De Pranscbe Pigeon mohie heeft meer wit aan kop en bals en is, wat de kleur aangaat, geheel en al het omgekeerde van de Latsdnif.

2. Th' Will,n))- of WilslnnrtpaajKlirif. C. a I biceps /Vie Manlier iiirji'nn. MiiiiaerUmhe,

Onder dezen naam komt, naar men wil alleen in sommige plaatsen van Tbüringon, eene duif voor (zij wordt dan ook wel „Thüringer Witkopquot; genoemd), die als een kruisingsproduct van de Monnikduif' en de Paapduif wordt beschouwd. Zij onderacbeidt zich van dc 1'aapduif hoofdzakelijk door haar witten staart en bet ontbreken der snavelroos en van de Mouuikduif door het ontbreken der witte slagpennen. De witte kopteekening moet geljjk zijn aan die der Paapduif en nauwkeurig' begrensd; de snavel is aan de bovenncb wit, de onderneb in overeenstemming met de kleur van het gevederte lichter of donkerder gekleurd, het oog geel- n/e/in overeenstemming met de grondkleur, welke bij deze duiven bijzonder vol, diep en glanzig is of ten minste moet zjjn - vooral bij de roode en zwarte. De blauwe zijn zelden zuiver, eerder nog de gele en bronskleurig bruine. Bijzonder

ocr page 118

HO

fraai zijn evenwel de roode, wanneer ten minste do kleur diep, zuiver en glanzig' is. Alle hebben soms ook witte vleugelbanden, de blauwe ook zwarte.

De Witkoppaapduif is tamelijk teer, niet bijzonder vruchtbaar en ook geen beste vlieger; zij behoort tot die duiven, welke gaarne bij haars gelijken zijn.

3. W right zegt in zijn „Practical Pigeon-keeperquot;, dat door de firma John Baily en Zoon uit Duitschland cone duif in Engeland is ingevoerd, die een „omgekeerde nonduifquot; kan genoemd worden; Kop, slabbe en staart zouden wit, de schelpkuif on geheel hot overige gevoderte zwart zjjn. Vol-koDtcii is die „omkeeringquot; dan echter niet, aangezien do groote slagpennen dan wil zouden moeten zijn. Ook moet de kop niet geheel en al naar hot tuimelaarsmodel zijn, terwijl do pooton zwak bevederd zouden zijn.

Verder beschrijft Marten onder don naam van „Fransche Witkopdnif — havellc' een „omgekeerde Moorkopquot;. De kop, kleine slabbe, staart en voot-bevedering zijn wit; al hot overige is gekleurd, do iris gooi.

Ongetwijfeld hebbou we hier met óóno of misschien twee teekeningon to doen, die, wanneer ze correct doorgefokt worden, tot de prachtigste vcr-schjjningen onder de duiven gerekend zouden moeten worden.

B. Kleurl;oii(hdven ('. coloriceps. l^ig. 2G, nquot;. 10.

4.. |)o Ivlourkopduivtüi sluiten zich, wat grootte en gestalte aangaat, geheel aan do vorige groep aim on zijn even algemeen bemind als de Paap-en de Momiikdniven; zjj zjjn even goede vliegers, misschien nog betere veld vliegers en zeer vnichtbaar. Hunne grondklcur is wit, kop en staart zijn gekleurd. Zjj zouden, wat do toekoning betreft, geheel het omgekeerde van de Witkopduiven zjjn, wanneer de kleur van den kop zich niet zoo ver naar beneden uitstrekte. Niet alleen toch, dat do goh cole kop benevens het voorste gedeelte van de kuif gekleurd is, deze kleur strekt zich uit vanaf do basis der kuif, onder do ooren on wangen door over oen gedeelte der zijden van den hals naar den voorhals, waarvan zij ongeveer do helft beslaat.

De hoofdkleuren dor tookening zijn do gewone vier: zwart, blauw, rood en geel en do duiven worden daarnaar zwartkoppon (Moorkoppon - Moor-haad-plcjaons), blauwkoppen, roodkoppen ou geelkoppen genoemd. Beide laatstgenoemde zijn echter bijna geheel verdwenen, terwijl de lichtblauwe ook zoldzaain zijn. De kleur van den snavel moot zwart zijn, de snavelwratten zeer klein en wit bepoederd; de iris behoort insgelijks zwart te zijn, doch is meestal rood tot bruin. Do pooton ziet men hot liefst onbevederd, doch zijn meestal van sokken voorzien.

Eene nauwkeurige toekening en gelijkmatige kleur, vooral ook van don staart, zijn de hoofdzaken bij de beoordeeling.

ocr page 119

111

5. De Nondnif. — (vest al is. —- The nun, Piijeon nonnain. Nönnchen, Fig. 4 en 47.

J)o eigenaardige teekening der Noiuluit' is de reilen, waarom zij, ofschoon door Dürigen, Marten e.a. tot de tuimelaars gerekend, liier ondei'de rubriek klenr-kopduiven eene plaats vindt. Den naam draagt /ij naar de teekening van den kop en don hals, waarin het menseholijk oog een nonnensluier zag.

De Nonduif heeft ongeveer tie grootte van de Uotsduif, doch is meer rechtop van houding, waarin zjj vrij wat met de meeuwtjes overeenkomt.

De kop is sierlijk gerond en heeft veel van een tuimelaarskop; de beide snavelhelften behooren even dik te zijn en met die van de Tuimelaars, niet met die der gewone Veldduiven overeen te komen. Do schelpkuif is zeer breed en zoo hoog mogelijk aangezet, het oog parelkleurig; zandoogen zijn eene fout, die vaak voorkomt doch niet beslissend is bij de beoordeelingquot;; de niet breede oogringen zijn bij de zwart- en blauwgekleurde nonnen

innigi ijs, ^hij roodo on gele rood of vlocscliklcui'ig, !)(» pooton zijn zoor korf, de voeten en teonen glad en donker vleescbrood.

De teekening strekt zich uit over den geheoleu kop tot aan de basis van de kuif, welke zelf geheel wit blijft, en vandaar in een fraai gebogen lijn tot ongeveer het midden van den voorhals, waar zij een sierljjke bef of slabbe vormt; de staart met zijne dekveeren is eveens gekleurd en op zijn minst ook de eerste zeven groote slagpennen. Overigons is het geheele gevederte zuiver wit.

ocr page 120

112

De teokening laat nog al dikwjjls te wenschen over, vooral de voorkant van de kuif. Sommigen trachten dit gebrek wel te verwijderen door de valsche veertjes uit te trekken, doeli daardoor ontstaat dan eene andere fout, daar de kuif dan haren steun verliest en niet behoorljjk wil blijven staan.

De bef of slabbe moet zich tot boven over de keel uitstrekken en nauwkeurig en schei)) begrensd zijn. Ook hierbij biedt de mcnscb echter wel de behulpzame hand. Eene goede grens der slabbe, zulk eene n l. die laag genoeg loopt -— low nil, in tegenstelling van high cut ■— is daarom vooral van veel waarde, omdat die gewoonlijk gepaard gaat met eene andere niet minder gewaardeerde eigenschap, namelijk het juiste aantal der gekleurde slagpennen.

l'ulton verlangt 10 gekleurde slagpennen in eiken vleugel, terwjjl anderen zich met lt;S. zelfs met 7 tevreden stellen; gewoonlijk varieert liet aantal tusschen 7 en !). Erger is de fout, wanneer het aantal gekleurde pennen in de heide vleugels ongelijk is. eene fout. die zich niet gemakkelijk laat weglokken en die men maar al te vaak tracht te verheimeijjken door de overtollige uit den eenen vleugel te verwijderen, een bedrog, dat, wanneer er !) en 10 of zelfs maar 8 en 9 gekleurd zijn, niet zoo erg in liet oog valt. doch door tellen toch gemakkelijk ontdekt kan worden.

Onder de 12 staartveeren bevinden zich slechts zelden valsche veeren.

De teekening komt bij de Nonnen in de vier hoofdkleuren voor.

De zwarte Nonnen /jjn het volkomenst en worden ook het incest gehouden; het zwart is hij deze duiven ook zoo diep en fraai als bij weinige andere rassen. Als eene bijzonderheid merkt Fulton op, dat met deoogrin-gen (of de wasliuid) ook zwarte pooten gepaard gaan, in plaats van roode, ten minste bij vele exemplaren van dit ras, en dat deze zwarte pooten steeds hij de beste zwarte Nonnen voorkomen, liet zwart der pooten heeft echter een vrij sterken paarsen weerschijn.

De hlauwe, roode en gele Nonnen, vooral de beide laatstgenoemde, laten het meest te wenschen over, waarom werkelijk goede exemplaren in die kleuren dan ook hoog gewaardeerd worden.

Ofschoon er hij de beoordeeling der Nonnen meer op de teekening dan op de grootte gelet wordt, zijn toch de grootere exemplaren hoven de kleine te verkiezen, omdat men bij de grootere eerder een goed gevormden kop en nog waarschijnlijker een dikken snavel, een goede kuif en meestal ook de beste hefteekening vindt, terwjjl de kleine veelal „high entquot; zijn, dus een te kleine bef hebben.

ocr page 121

11 'A

Vjjfdo groop. llorsUlviven C. pcctoraloa.

I)i' liorsldiiif ('. poet or all's — Coloured hreast pigeon, h'iirhcnbrüsler of Hnisllavben.

Do IJorstduif scliijut woinig gofokt to wordoa on men schijnt or ovor tgcheol veol minder aandaclit aan te wijden dan aanhaar naaste verwante, do Ekstorduif. Do toekoning dor Eorstduif strekt zich uit over don koj), den hals en de borst; de grenslijn loopt van deze tot den wortel van den aohtorhals; al het overige gevodorte moot zuiver wit zijn. De teekening komt voor in zwart, rood en geel en oeuigo nevenkleuren.

15ehalve hot aangevoerde is er niets bijzonders van de Borstduif te zeggen, dan dat zij de grootte hoeft der Voldduif, doch wat slanker van bouw is, ztti goed vliegt en zoor vruchtbaar is. JJe snavel is zwart of hoornklonrig, de iris bruinrood of oranjegeel.

Behalve gladkoppige en gladpootige liorstduiveii heeft men er ook met eene kuif en met sterk bevederde pooten, welke laatste zelfs do voorkeur genieten. Be kuif behoort een puntkuif te zijn; de schclpkuif komt niet zoo vaak voor en ook die met gladde kop zijn zeldzamer.

Bij de jonge Borstduiven zijn de witte veeren van donkere randen voorzien, die echter bij den eersten rui roods verdwijnen; bij de echte zwart-borstduif, die ook wel roelduiven worden genoemd, verlangen sommigen, dat or iets van die donkere omzooming zichtbaar blijft.

lgt;jj de beoordeeling komen voornamelijk eene nauwkeurig begrensde teekening en eene zuivere zwarte, roode of gele kleur in aanmerking. AV it-borstduiven selijjnen te ontbreken.

Zesde groep. Vleugclduivcn — C. alares (ponnatae!).

A. Wilvleujéligen.

De Elxsterduif — C. pica — The Magpie.

Pigeon pie. Ehlerlmihe. Pig. i.

Boze fraaie duif, die zich als oen vertrouwbare broedster en goede moedor hoeft doen kennen, is in Buitschland en elders verdwenen, doch niet hare teekening, welke bij do .Tuimelaars nog al eens wordt aangetroffen.

In Engeland ochter komt de Eksterduif voel voor en wordt zij zoor gewaardeerd, niet het minst als voedster voor de kortsnaveligo Tuimelaars. Hiei volgt daarom de besclirjjving naar don Engolschen standaard.

Baldamus, Pluimveeteelt 11. v;

ocr page 122

114

De gladde kop moet in vorm met dien der wilde duif overeenkomen, dus een weinig gestrekt zijn, niet kortsnavelig en kort van gezicht als een tuimelaarskop. De snavel moet bij alle kleurvariëteiten vleeschkleurig zijn; oen smalle bruine streep op de bovenneb is echter geene fout. Eene zuivere kleur van den snavel is hierom zoo zeer gewenscht, omdat daarvan gewoonlijk eene goede kleur van het gevederte afhangt; bij een te donkeren snavel ziet men in den regel eene onzuivere kleur van het gevederte, terwijl daarbij ook dikwijls do kleur zich aan de borst te ver naar beneden uitstrekt. De kleur alleen van den snavel is anders bij de beoordeeling geen hoofdzaak. Beenen en voeten zijn onbevederd. Het oog behoort bij allo kleuren zuiver parelkleurig, of. zooals deze in haar zuiverste kleur genoemd wordt, een vischoog te zijn. door een smallen, rooden washuidring omgeven. Vleugels en staart zijn zeer lang, vooral die van vroegbroed; ook is vroeg-broed gewoonlijk over 't geheel wat grooter, wat sommige liefhebbers o'aarne zien, hoewel anderen de voorkeur geven aan kleinere vormen. liet gevederte is rijk en dicht.

Volgens Fulton zou men de Eksterduif eigenlijk meer op de lengte moeten fokken; de schepper dezer duif toch, zegt Fulton, heeft liet voornemen gehad, den ekster zooveel mogelijk in een duivenvorm toiug te geven. — 't Is mogelijk, dat de schepper der Eksterduif dat voornemen heeft o-ehr.d, zeker ia het echter volstrekt niet, dat hij ook den vorm op het oog had. Men zou met evenveel recht mogen zeggen, dat men er bij het fokken van do Los- of lynxduif naar moet streven, deze met 4 pooten te fokken, omdat de los een viervoetig dier is.

Do Eksterduif komt in de vier hoofdkleuren voor, terwijl er onder de blauwen ook zwart geschubde en van zwarte vleugelbanden voorziene voorkomen: de teekening zou precies liet omgekeerde van die der Zwaluwen zijn, wanneer deze ook een witten schedel hadden; de beschrijving der Eksterduiven kan ook korter worden gegeven, als men het wit als kleur der teekening beschouwt. Wit namelijk zijn de vleugels met uitzondering van de schouderdekveeren en van de kleine slagpennen, het onderlijf en de dijen; alle overige doelen zijn gekleurd.

De teekening moet door eene rechte, scherpe lijn dwars over de borst begrensd worden; er zijn echter twee soorten van „stijlquot; in de teekening, de eene te laag — „low-cutquot; — en de andere, waarbij de grens wat hooger loopt — „tó/Zi-cwi-stylequot;, — welke laatste verdient algemeen te worden aangenomen, aangezien deze do teekening beter doet uitkomen. Ook op de andere plaatsen moet do grenslijn zuiver en scherp zijn.

Om deze zoo nauwkeurig gewenschte grenslijn te verkrijgen, kunnen weinige liefhebbers de verzoeking weerstaan, daartoe een weinig mee te

ocr page 123

11 rgt;

helpen, door hier en daar een paar veertjes uit te trekken, welke correctie men echter gemakkelijk kan ontdekken door liet gevederte op de verdachte plaatsen, of liever daaronder, op te blazen.

Van do vier teekoningen wordt de zwarte liet hoogst geschat, ten eerste omdat die zeer schitterend is en ton tweede, omdat de zwarte kleur voor de eksters de aangewezene schijnt te zijn. De kleuren schijnen, met uitzondering van de blauwe, bovendien hjj de Eksterduiven over 't geheel schitterender te zjjn dan hjj andere duivenrassen. Goudvinkduiven en Vuur-duiven uitgezonderd. Het zwart echter heeft den schoonsten groenen glans en veroorzaakt het fraaist contrast.

De blauwe Eksterduiven hebben minder van dien luister; ook is het blauw dikwijls donker en onzuiver.

De roode zijn van een diepe, intensieve kleur. Do gele zjjn het moeilijkst in zuivere, diepe kleur tc fokken, wat echter in 't algemeen van alle gele slagen gezegd kan worden.

Om de roode en gele kleur fraai tc behouden of te verkrijgen, moot men zwarte duiven met roode of gele paren, doch voor beide geslachten zoo goed mogeljjke kleuren kiezen. Blauwe vallen er van zelf genoeg.

Om de grensljjn der borstteekening goed te krijgen, moet men vooral zorgen geene dieren samen te paren, die beide eene te laag gaande borstteekening hebben; „tc hoog afgesnedencquot; heeft men maar zelden en deze pare men, nis men ze heeft, met eerstgenoemde. Het beste is, de „hoog-afgesnedenenquot; met elkander te paren.

De eksters broeden met betrekking' tot de teekening meer vertrouwd dan alle andere duivenrassen. Hierom, alsmede om andere eigenschappen zjjn deze duiven juist aan te bevelen voor die liefhebbers, welke slechts weinig tjjd «an hun duivenslag kunnen wijden; zjj zijn n.l. zeer sterk, goede broed-sters en voedsters -— waarom ze ook zooveel worden gebezigd bij het fokken van kortsnavelige Tuimelaars, Afrikaansche Meeuwtjes e. a. — verlangen niets dan eten, drinken en reinheid en zjjn zoowel om hun vormen als om de kleur cn de toekoning werkelijk zeer fraai te noemen.

Hjj de beoordceling wordt in de eerste plaats op zuiverheid van teekening en schoonheid en glans der kleuren gelet.

De onder den naam van 'l'nrolcr akslev bekende duif heeft, behalve de gewone eksterteekening, een gladden kop, die van boven uit is doch voorzien van een snij), ter grootte van een lins en van dezelfde kleur als de eksterteekening. De grens tusschen den witten bovenkop en het gekleurde gedeelte loopt van de kin onder het oog door tot het achterhoofd. De oogen zjjn donker van kleur.

De Ilollandsche ekster is aan de Tyroler geljjk, doch heeft, behalve de

ocr page 124

nr.

voorlioüi'dsnip ook nog een klein langwerpig rond vlokjo imn dc beide mondhoeken.

In Frankrijk onderscheidt men van de Eksters nog 'i ondorrasson, n.1.:

La I'ic harnaché, welke in Duitschland Va-ltchrlllitgel wordt genoemd en zich van de eigenlijke Eksterduiven onderscheidt door den witten kop der Monnikduif en de witte voetbevedering, wanneer deze laatste n.1. aanwezig is, en

I.e Pie contraire, welke het omgekeerde is van de Ekster, d. w. z. dat hij haar wit is, wat bij de Ekster gekleurd voorkomt cn omgekeerd.

B. G ekletirdvleugelige. Zwaluwen.

Zwaluivduiven — C. sterninae (mercuriales) — Swallows.

Pigeon liirondelle. Sclnvalhentaxihe.

]{ij den naam Zwaluwduif heeft men niet te denken aan onze zwaluw — hirundo —; deze duif draagt haren naam naar de overeenkomst, welke hare teekening met die der zeezwaluw -— sterna — heeft; niet do familie der landzwaluwen heeft zij niets gemeen. Do Fransche naam Pigeon hiron-delle is alzoo onjuist.

De Zwaluwduiven behooren om hare sterk uitkomende en goed begrensde teekening tot de fraaiste en meest geliefde geteekende duiven, tevens ook tot de vroegst bekende. De teekening is tweedeelig: kop- en vleugelteeke-ning of, zoo men de voetbevedering er bij rekent, driedeelig. De eerste is veranderlijk en tot dusver heeft men daarvan twee typen aangenomen: do erwlensnip en het volle schedel [dal, waarnaar men ook twee variëteiten heeft benoemd, welke echter niet alleen in deze kopteekening, doch ook door enkele kleine verschillen in den bouw van elkander onderscheiden zijn. Men noemt ze eenvoudig Snipzwahnoen en Platzivahiwcn.

1. De Snipzwaluwen — C. sternina. Pigeon hirondellc de Saxe.

Schnippcnsclnva I be. Fig. 20, nn. i.

Do Snipzwaluw, ook „Silezischo Vleugelduifquot; of „Silezischc Zwaluw' , in Frankrijk „Pigeon hirondolle do Saxequot; genoemd, vertoont do volgende eigenaardigheden in bouw en voorkomen: Kop tamelijk lang en weinig doch sierlijk gewelfd; voorhoofd middelhoog en rond; snavel lang — ongeveer 50 millim. — en dun, met zeer kleine, wit bepoederde snavelwratten; hals kort en goed naar voren gewelfd. Pooten kort, goed gebroekt en van flinke sokken voorzien, bij de gladkoppigo echter onbevederd. Bevedoring dicht

ocr page 125

117

en gesloten nuiar toch zacht; houding als van de Veldvluchters, do grootte iets moor.

Vroeger alleen glad koppig, worden zij tegenwoordig liet liefst niet een breede schelpkuit' gezien.

Kleur en toekening: do kleur van den snavel moet overeenkomstig die van het govodorte zjjn, do bovonheift donker, de benedonhclf't wit ot' blauwwit — geheel witte snavels vindt men alleen bjj do witkoppen ; iris groot en bruin tot roodachtig, smalle en bleekroode oogranden. Do hoofdkleur is wit, terwijl do snip, do vleugeldok voeren - met uitzondering van do schouderveoren, die met den bovenrug het zoogenoemde hart vormen en sokkon gelijk en gelijkmatig gekleurd zijn; do slagpennen hebben of dezelfde kleur on zijn alleen van wat donkerder nuance, of zo zijn blauwgrijs en leizwart.

De snip wordt peervormig verlangd: bjj don snavel smal, verder naar boven wat broeder wordend en tot over het voorhoofd reikend: zij moot echter noch to smal noch te breed zijn en geen witte veertjes tusschon de gekleurde vertooncn. Er komen ook mot zuiver witto koppen voor.

De vleugels moeten witto banden hebben met uitzonderins: van de ce-

O O

vlekte of getijgerde.

De bekende klourslagen zijn;

a. Kcnkleimge in zwart, blauw, rood, geel en zilvervaal met witto vleugelbanden. Do gele zijn zeldzaam en moestal slecht van kleur en van vlou-gelbandon.

h. Geschubde in zwart, rood en blauw, waarvan de blauwe het voelvul-digst voorkomen, de zwarte de meeste waarde hebben en de roode gomeenljjk de slechtste zijn. De schubteekoning is wit.

c. Gevlekte of jetijjerde. Deze zijn gladkoppig, doch hebben do grootste sokken. Zjj komen in zwart, rood en geel voor en de tjjgerteekening bepaalt zich alleen tot do vleugels en de sokken en wel zoo, dat de voeren telkens om het ander gekleurd zijn, wat bij de groote cn kleine slagpennen een bepaald vereischte is.

De Snipzwaluwen hebben nog vele eigenschappen vim do Veldduiven; zij zijn blijkbaar nog niet zoo lang en zoo zorgvuldig gefokt als de Platzwa-luwen. Zij zijn schuwer en vluchtiger dan deze, uitstekende veldvliegers en gaan voor tamelijk vruchtbaar door. Zjj worden vooral in Silezië on in de Lausitz gefokt; in Ober-Lausitz zijn de boste te bekomen.

'2. De Platzwaluwen — C. mercurial is - Hirondelle Carina on de Nuremberi/. Plalten-schwalbe.

De l'latzwaluwen zijn oj) het eerste gezicht van de Snipzwaluwen te

ocr page 126

I IX

onderscheiden door den gekleurden bovenkop volplat —■; do grenslijn loopt van de snavolspleet door liet oog naar liet achterhoofd tot aan de kuif; ook verschillen zij in lichaamsbouw en overigens ook nog iets van do Snipzwaluwen. Zjj hebben niet geheel en al de grootte van deze, zijn vlakker gebouwd en daarom wat lager van voorkomen. J)e sokken zijn iets kleiner, de meestal aanwezige en over 't geheel ook het liefst geziene schelpkuif is ongekleurd; de slagpennen, in kleur overeenkomende met die der Snipzwa-luwen, zijn donkergrijs (zilver- en leeuwerikvleugel) of leizwart (blauwvleugel); de vleugels zijn met of zonder banden; de snavel is bij de zwarte en blauwe slagen zwart, bij de roode en gele licht hoornkleurig en de iris bruin tot roodachtig, evenals bij de vorigen. Ue kleuren zijn duidelijk en zuiver, of behooren zulks ten minste (e zijn; vooral is het zwart van het losse maar

rijke, zachte en vettig schijnende gevederte bijzonder fraai, diep en fluweelachtig. Het wit moot eigenlijk zuiver zijn, doch heeft gewoonlijk een oliegele tint; van daar de naam „Schmalzfeequot; in de omstreken van Neurenberg.

Deze zeer eigenaardige kleur van het gevederte ontstaat klaarblijkelijk door een zoo buitengewoon groeten overvloed van vette oliën, als zeker bij geen anderen landvogel wordt aangetroffen.

Op die plaatsen van het lichaam, waar vooral die vetvorming merkbaar is als: de staartwervelstreek, de zijden en flanken, de bovenschenkel en bovenarm — hier alleen aan de binnenzijde — ziet men ecu aantal onontwikkelde, als in den overvloed van vet gestikte vederkielen en scheeden, welke, onder de contourveeren verborgen, evenals de stekels van den egel ten deele dicht naast en over elkander liggen. Deze, met eenc gele, droge zelfstandigheid gevulde en meestal om de 10 millim. lange vederkielen zitten maar losjes met de punt in de van vetkussentjes voorziene huid. Voor de meening, dat deze zoogenaamde vetkielen ■— ook vetveeren ge-

ocr page 127

II!»

noonul — door overvloedige vetvorming gestikte en in luiime ontwikkeling gestoorde veeren zijn, ]gt;leiteii de verschillende stadiën in den groei der veder-vlaggen, welke zich naast de gesloten, vlaglooze vetkielen vertoonen, alsmede het feit, dat de tot die kielvorniing geneigde lichaamsdoelen hij do jongen langer kaal blijven en later met dunne, droge, witte scheeden bedekt worden, die dan langzamerhand geel gekleurd worden.

Na den eersten rui worden deze dan door de wat grootere kielen vervangen, welke waarschijnlijk van hunnen overvloed aan vet iets aan het overige gevederte afgeven en dit zoo in 'toog vallend vettig doen lijken.

l)e Platzwaluwen komen in de volgende kleuren voor;

«. Zwart, rood, geel, blauw en zilvergrijs zonder vleugelbanden;

h. In dezelfde kleuren met wille banden;

c. Blauw en zilvergrjjs met zwarte banden;

d. Geschubd in blauw met zwarte of witte schubben; de laatste worden het hoogst geschat.

De gladkoppige Platzwaluwen met onbevederde pooten mogen geen vleugelbanden hebben, met uitzondering van do blauwe, bij welke die banden zwart moeten zijn.

De Platzwaluwen zijn niet alleen om hun sierlijk uiterlijk en hunne levendigheid algemeen geliefd, doch zij zijn ook zeer vruchtbaar en voeren luiime jongen zorgvuldig. Die, welke zwaar bevederde pooten hebben, zijn natuurlijk niet zulke goede veldvluchters als de anderen, doch houden desniettemin evenveel van een vrije uitvlucht.

Zevende groep. Schildüuiven. — C. elypeatae.

A. Wit schilden.

Tot deze groep rekenen wij met Marten de sinds jaren tot de Duitsche Trommelduiven gerekende kruisingen van dit ras met van kuif, snavelroos en sokken voorziene Schild-veldduiven en wel om twee redenen: ten eerste omdat deze bastaarden in het geheel niet „trommelenquot;, wat wij in tegenstelling met de Engelschen voor een wezenlijk karakteristiek kenmerk van de Trommelduiven achten, en ten tweede, omdat dit de eenigen zijn, onder welke men tot heden witschildduiven kent, welke echter alleen als witschild-roode en witschildgele voorkomen.

Eveneens rekenen wij de bastaarden der Duitsche Trommelduiven met gekleurde schilden tot de volgende groep E.

ocr page 128

120

Tl. Dili ren niet ijekleiml vJc.iKjchchihl.

I. Ih Schildilidf. — ('. clypoata. — The Sliidd-iiiyeuii.

ri,j(M)t houclier. Schild- of DeckeUauhc,

Dis Scliilddiiivon behooron tot do reeds sedert langen tijd met voorliefde gekweekte geteekende duiven, doch sclijjnen in den laatsten tijd wel wat verwaarloosd te worden, voornamelijk do wat kleinere, gladbeenige soort, uit welke ongetwijfeld de wat grootere gefokt is.

De kleinste soort heeft ongeveer de grootte dor Veldduiven, docli is wat slanker van bouw; de grootste is maar weinig grooter doch compacter en krachtiger van voorkomen, waartoe ook de sterk bevederde pooten broek en sokken — bijdragen.

Over 'tgeheel zijn echter beide soorten van denzelfden bouw; de boven-rug en borst herinneren aan de breede vormen der Zwaluwduiven, ook de tamelijk korte hals en zelfs de wat gestrekte en platte kop, ten minste bij de Engelsche Schildduiven. De snavel is meer dan middellang en licht, vleeschkleurig of wit, in overeenstemming mot de kleur van den kop; de iris is donker nootbruin of zwartbruin, bij de gesehubde soorten echter geelachtig rood.

Het gevederte is zuiver wit; alleen het schild, waaronder men de gezamenlijke vleugeldckveeren en de kleine slagpennen verstaat, zijn gekleurd en komen in alle hoofd- en neven- of tussclienklouren voor en zoowel elfen als geteekend, zonder en met éénkleurige, meestal zuiver witte vleugelbanden; bij de blauw gekleurde zijn de vleugelbanden dikwijls zwart gezoomd. Men zoude dit geheele kleurteekeningsysteeni ook de nieeuw-teekening kunnen noemen.

Als standaardkleuren der van effen gekleurde schilden voorziene Schild-duiven gelden in Engeland zwart, dat zich door zuiverheid en diepte moet kenmerken, blauw, en wel een eenvormig grijsblauw, rood, (jed en zilvcr-Idcnr, alle even gelijkmatig en zuiver. Goede gele zijn in Duitsehland zeldzaam en daarom zeer gezocht, vooral die met witte vleugelbanden. De gele kleur kan overigens door kruising met zwarte en roode verbeterd worden.

Behalve gladkoppige fokt men hier en daar ook Schildduiven met breede schelpkuif; die met een puntkuif of een smalle schelpkuif worden echter afgekeurd. Van de witgebande blauwschilden vallen de gladkoppige meestal te licht uit, terwijl die, welke kuif en snavelroos hebben, een goede, diep blauwe kleur en goed bevederde pooten hebben.

Volgens Prütz beliooren tot de gemeleerde Schildduiven ook een aantal duivenvariëteiten, bij welke de witte grondkleur door verschillende andere

ocr page 129

121

klourcn is vorvangon en wellcor schildcn meestal donker, dikwijls in drie kleuren, meer ot' minder regelmatig, docli op verseliillende wijzen goteekend zijn. Als gangbaar gelden:

((. J)e ijcschiinmehle Schilddnif, welker hoofdkleur purper-leikleurig i.s, terwijl de schilden fijn wit en zwart gestreept zijn.

Igt;. De Ici'uwerikvücriijo Schilddnif, lioofdklcur bronskleurig; de scliild-veeren hebben op eon parelkleurigen grond een smalle, driehoekige, zwarte teekening; zwarte vlengelbanden.

r. De (jaliiii'iicnlc Schilddnif, de iris geelrood, snavel iüi nagels donker lioornkleurig. l[en heeft ze in lilanw, grijs, zwart, rood, koperkleuren noemt ze blauw-, grjjsgcscliubd enz.

Achtste groep, llulfsrhcidduivoii. C. dimidiatae.

I. Lahorc-dnif. ('. diniidiata. Thr Lahore.*.

fiijcoii l.iihih'L'. fAihoi'clcinbo. Fig. i!).

D( )ze duif, die voor rnini etMi kwarteeuw uit üost-lndië naar lOngeland is overgebracht, is een groote, fraaie cn fijne vogel, niettegenstaande zij wat compact van bouw is en er slaperig uitziet. Zij wijkt in hare kleuring geheel van alle andere duiven af, aangezien de beide liet sterkst contras-teerendc kleuren, zwart en wit, zoo liij liaar verdeeld zijn, dat kop. acliter-hals, rag en vleugels diep en zuiver zwart of purperachtig zwart van kleur zijn, terwjjl al het overige zuiver wit is. Hiernaar de benaming ,,!lalf-scheid-duifquot;; den naam Lahore-duif' draagt ze naar de O.-Indische stad Lahore. Deze eigenaardige teekening in verhand met eeue sierlijke, rechte en elegante houding maakt de Lahores zoo interessant.

De Europeesclie fokker kan zich echter natuurlijk niet tevreden stellen met de oorspronkelijke kleuring en, hoewel tegenwoordig ook nog de zwart en witte Lahores de fraaiste en meest gezochte zijn, heeft men er toch ook reeds, bij welke het zwart plaats heeft gemaakt voor blauw, rood en geel; deze wijziging is echter niet in het voordeel dezer duiven, daar noch de blauwe, noch do roode en gele in sclioonheid met de zwarte kunnen wedijveren.

De oude standaard luidt:

Snavel middellang en dik; de kop sierlijk van vorm, het voorhoofd hoog, de schedel wat breed, het oog groot met donkere iris, de oogranden smal en roodachtig; de hals is tamelijk kort en komt breed uit de breede en sterke schouders te voorschijn; ook de hovenrug is breed, hel voorste gedeelte van den romp is dik en gedrongen, naar achteren toe wordt die

ocr page 130

I '2'2

over 't gcliccl smaller on loopt kegelvormig uit; de pooten zijn kort en stram evenals de teenen en onbevederd.

Do grondkleur is dus een zuiver en fraai wit, de kleur der teekening een prachtig zwart. Dit zwart strekt zich uit van de snavelspleet in een rechte lijn onder het oog door en bedekt van den nek af bijna nauwkeurig de achterste helft van den hals - deze is alzoo aan den voorkant wit en aan den achterkant zwart —; verder strekt zich het zwart uit over den boven-rug tot aan de stuit en over den geheelen vleugel.

De bovenneb van den snavel is gekleurd in overeenstemming met de kleur der teekening, de onderneb is licht vleeschkleurig, de oorveeren zijn zuiver wit.

Bij de „modernequot; Lahores zijn gestalte en houding meer die der Yeldduif,

doch iets meer rechtop ; de lengte bedraagt 35 a 37 centimeter; de kop is rond, kort en breed, glad en met tamelijk hoog voorhoofd; de snavel matig lang en stevig, licht gebogen, de bovensnavel in overeenstemming met het gevederte gekleurd, de ondersnavel wit; het oog groot en donkerbruin met een smallen rooden oogring. De hals is middellang, tameljjk dun en rond, bijna

recht; de borst breed en slechts matig naar voren gedragen, doch diep; de rug licht gewelfd en tameljjk steil naar achteren afvallend; de vleugels zijn aan den boog breed, middellang, wat los gedragen en op den staart rustend; staart middellang, los gesloten ; de buik breed en kort, weinig rond. De pooten matig lang, bevederd of glad. Kleur: kop, achlcrhah, bovenrug en vimgels zwart, rood, geel of blauw; keel, voorhals, borst, buik en staart zuiver wit.

Tegen alle verwachting broeden de Lahores zeer goed en zijn zij een volkomen gefixeerd ras.

Zjj zijn bovendien bard en vruchtbaar, bedaard en tam en uitmuntende voedsters voor alle om voeder schreeuwende jongen.

Naar alle waarschijnlijkheid is de Lahore-duif, of eene zeer op haar gelijkende duif, de lievelingsduif der Indische radja's, welke er duizenden van bezitten en zich met hunne vliegoefeningen en vliegkunsten vermaken.

Wij weten van deze vliegduiven echter verder niets bepaalds, dan dat zij op de eene helft zwart en de andere wit zijn.

ocr page 131

123

'2. Dr. Shentjee-duil'.

]Jezo is ongetwijfeld van denzelfclen stam als de Lahore-duif, van welke zij zieli onderscheidt dooi' de sterk bevederde pouten eu zware sokken en doordat zij den staart wat meer naar beneden draagt. Hare teekening vertoont dezelfde verdeeling van zwart en wit; er moer echter in Indië ook eene variëteit bestaan, waarvan de horst gevlekt is; rlie vlekken bebooren zoo regelmatig mogelijk over de borst verdeeld te zijn en elkander niet raken, in welk geval deze variëteit zeer gewaardeerd wordt.

Naar de beschrijving van Marten, gegeven naar de teekening van Lyell, moet de teekening der Sherajee-dnif' zijn: blauw met zwarte vleugelbanden en zwart gezoomde vleugelpunten.

Volgens Dilrigen zijn de Lahore- en de Sherajee-duif dezelfde vogel en worden die met sterk bevederde pooten gewoonlijk Shcrajees, de naaktbee-nige Lahores genoemd.

De Ijahore-duif (alsmede de Sherajee) is bier tot de geteekende kleurdui-ven gebracht. Haar buitengewoon groot oog, dat er zoo slaperig uitziet alsof het eigenlijk voor de schemering of' den nacht bestemd was, de luii-tengewoon korte en compacte romp en de eigenaardige, bij geene andere duiven voorkomende kleurverdeeling geven baar anders misschien ook wel aanspraak op eene afzonderlijke* onderafdeeling.

Aangaande het houden en fokken van kleurduiven geeft Aug. Nouhert in zijn werkje: ,,l)ie Arten der Deutschen Farbentauhen und ihre Zuchtquot; enkele aan de praktjjk ontleende wenken, die ook hier zeker op Imnne plaats zijn;

„Wat het paren van kleurduiven onder elkander aangaat, zoo laat er zich eigenlijk niet veel doen om weder zuivere kleuren te verkrijgen. Kleine afteekeningen als de snip, het schedelplat enz. kunnen gemakkelijk wegge-fokt en (iveii gemakkeljjk door oordeelkundige paring verkregen worden, en eveneens bevederde pooten; jongen met eene zuivere vederteekening vallen er echter maar zelden. Kruising van vleugelduiven en duiven met ooievaarsteckening geeft inenigmaal tamelijk goede jongen; paapduiven met monnikduiven gepaard geven slechte paapduiven en onzuivere monnikduiven; eerder gelukt het nog door paring van paapdniven met schildduiven of met witstaarton een drageljjke nionnikduif te verkrijgen. De borstduif en de moorkop brengen samen nooit iets goeds voort, doch van moorkop en snipduif valt wel eens een goede snipduif. Wat er van de kleurduiven verlangd

ocr page 132

124

werd, IujMxmi vroogui-o fokkers reeds bereikt; ons blijft dus over, te traeliten het sclioone, dat er in dat opzicht tot ons is gekomen, te behouden. En daartegen is en wordt nog, helaas, veel gezondigd. Waar zijn de fraaie rood- en geel vleugel ige duiven zonder banden gebleven? Uitgevoerd of door het fokken van wit gebnude zwaluwduiven verwaarloosd I

Voor hooge prijzen kan men tegenwoordig nauwelijks nog een paar fraaie rood- of geelvleugelige snipduiven zonder banden machtig worden; goede ijsduiven, Zwitsersche duiven en als ooievaars geteekende worden steeds zeldzamer; een geheel zuiver paar gladkoppige paapduiven is cene groote zeldzaamheid.

De Kleiirduiven hechten over 't algemeen aan hare kleur; de liefhebber van geljjk geteekende duiven heeft ontegenzeggelijk ook de meest hokvaste duiven. Nooit moesten twee buren eigenlijk gelijk geteekende duiven houden, daar er anders geen einde komt aan het trekken van het eene slag-op het andere; en niets is onaangenamer dan dat. Ik fok reeds 5U jaren lang duiven, doch van het begin af was mijn grondstelling: elke duif van mijne vlucht, die ik twee malen op een vreemd liok of op de straat aantref, moet dat met haar leven boeten: beter céne weg, dan de geheele vlucht bedorven. Op deze wijze kreeg ik hokvaste duiven en had nooit te klagen over liet wegvangen. En toch, hoe vaak wordt er niet geklaagd over liet wegvangen, hoe velen schaften niet daarom alleen al hunne duiven af! En toch hebben do eigenaars zeiven groote schuld aan dat wegvangen. Ten eerste kan do wijze van voeren de oorzaak zijn. Het voeren der duiven op den grond mag nog zoo vele voorstanders hebben, geen van hen weet, wat een hokvaste vlucht duiven beteekent. In steden, waar men soms huis aan huis duivenslagen aantreft, is voederen op het slag de eenigo goede manier. Des avonds wordt het slag gesloten; 's morgens vroeg, voor men de duiven uitlaat, worden deze gevoerd, opdat de honger haar niet ergens hoen voort, waar de eigenaar tjjdiger bij de hand is en misschien van uit de vlieggaten voert, opdat do hongerige duiven hot des te beter kunnen zien. De bodem van het slag moet daar, waar men voert, zoo dikwijls als zulks noodig is gereinigd worden en — men moot niet zooveel verscheidenheid van kleuren onder elkander houden; ziedaar de onmisbare voorwaarden en regelen. Neemt do fokker die in acht, dan zal hij zelden over verliezen te klagen hebben. Op boerderijen, die veel verder van elkander staan en waar men moestal wel eene door gebouwen omgeven ruimte hoeft, kan men zonder veel bezwaar hot voer op den grond uitstrooien, doch in steden, waar men gewoonljjk slechts een klein open plaatsje hoeft vol stof en roet, moet niet lt;)|» den grond gevoerd worden. De duiven worden ten eerste zeiven vuil, daar iedere daar aanwezige goot of waterplas door haar als drink- en bad-

ocr page 133

125

pliiats wordt gebruikt; is ton twoodc lt;!(' oigonaar niot 0011 nmn van do kiok, wat liet voeren aangaat, dan liurkon de duiven in elke dakgoot, op elke vensterbank om te wachten tot baar meester baar door zijn Huiten aan den maaltijd roept. Duurt dit op zekeren dag eens wat langer dan gewoonlijk en do buurman lluit zijne duiven, dan wordt de verleiding te groot. Eerst vliegt eene oude duif, welke op voeder waebtende jongen in bot nest heeft, weg; spoedig volgen de reeds uitgevlogen jongen, die nog niet al te goed alleen kunnen etun en dus altijd honger hebben; gaat dit eenige dagen zoo door, dan is de gebeele vlucht bedorven.

Ofschoon alle kleurduiven aan het vliegen naar het veld gewend kunnen worden, brengt men de op het slag gevoerde daar het gemakkelijkst toe; ook blijven deze beter l)jj elkander, dan die welke gewoon zijn op den grond gevoerd te worden.

Zooals reeds is opgemerkt, houden zich alle kleurduiven gaarne op bij duiven van dezelfde kleur, doch zulks is niet bij alle rassen in even sterke mate het geval.

Bij de moorkoppen, de borstduiven en snipduiven komt zulks het sterkst uit; hierbij is het niet mogelijk, dat twee buren dezelfde duiven houden, zonder dat de dieren van het eene hok naar het andere vliegen. Ook de zwaluwduiven en de witstaartduif, en van deze laatste vooral de roode variëteit, zijn zeer geneigd om andere duiven van dezelfde kleur in hare buurt op te zoeken.

Het beste is en blijft steeds, dat men bjj het aankoopen van duiven vermijdt, die soorten te koopen, welke ook reeds in de buurt worden gevonden. Dit is eene der hoofdregels voor het fokken van kleurduiven, welke evengoed door de fokkers in het oog dient te worden gehouden als de volgende:

1. Men moet alleen zuiver geteekende fokdieren houden en niet meenen, dat men van slechte fokdieren soms ook wel goede jongen kan krijgen; de nakomelingschap brengt vrij zeker de fouten der grootouders met zich.

2. Men moet niet te veel soorten door elkander houden, ten minste geen lichte en donkere duiven, aangezien men dan nooit een hokvaste en aaneengesloten vlucht verkrijgt.

3. Men moet geene duiven dulden, die op de straten rondzwerven of naar eens anders slag vliegen, maar dezulke verwijderen, zelfs al zijn het ook de fraaiste dieren; één enkele zwerver kan de gebeele vlucht bederven.

4. Des avonds moet bet slag gesloten worden: de duiven mogen alleen buiten komen, als haar eigenaar zulks wil.

5. Eindelijk moet men bjj aankoop van duiven vermijden, deze uit de naaste omgeving te nemen; duiven, die gaarne naar het veld vliegen, vinden haar hok dikwijls op uren afstands terug; heeft men nu duiven uit de

ocr page 134

naaste omgeving aangekocht, clan wil liet wel voorkomen, dat deze, ja, wel op liet iiok tei'ugkeeren, maar, uit aanhankelijklieid aan hare oude woonplaats, ook deze maar ui te dikwijls met een bezoek vereeren.

()vor het naar het veld vliegen der duiven nog hot volgende: Alle duiven, die goed kunnen vliegen, gaan ook gaarne naar het veld, wanneer zij daaraan maar gewoon zijn eu aan die gewoonte gehouden worden; vooral de kleurduiven kunnen uitstekende veldvliegers worden, doch de fokker moet daartoe medewerken. Heeft hij eerst enkele „straatduivenquot; onder zijne vlucht, dan is alle moeite te vergeefsch en doet liij het best ze maar af te schaffen. Ik heb met mijne duiven nooit last, ofschoon ik witstaarten en zwaluwduiven heb, alle met bevederde pooten. Ik laat ze in het voorjaar 5 a 0 weken uitvliegen, daarna voer ik ze tot aan den oogsttjjd, en van dien tijd af geef ik ze niets meer vóór den naherfst, wanneer het begint te vriezen. De duiven tusschen den voorjaarszaaitijd en den oogsttijd niet te voeren, houd ik voor geheel nutteloos in de steden, wanneer men andere dan gewone veldduiven houdt, welke gewoon zijn op eiken mesthoop voeder te zoeken; in de steden zou dat het rondzwerven op de straten bevorderen en nadeelig voor het broeden zijn.

Men moet zjjne duiven goed weten te behandelen. Zoolang zjj eieren hebben, moet het slag zoo vroeg mogelijk geopend worden; in October evenwel, wanneer de broedtijd voorbij is (wel wat laat!) en alles in den rui is, kunnen ze tot 's morgens 11 uur in het hok blijven.

In dien tijd heeft de liefhebber het in de hand, goede veldvliegers te vormen. Zoodra hot toeken tot het uitvliegen gegeven is, wat door het bewegen van de afsluitklep kan geschieden, komen allen voor het vlieggat en zoodra dit open is, stormen allen naar buiten en gaan, zonder zich eerst op liet dak neer te zetten, naar het veld. Gewoonlijk is de geheele troep na verloop van een uur met een vollen krop weder terug op het hok. Het is een prachtig gezicht, zulk een troep duiven als een bonte streep pijlsnel over de huizen te zien vliegen om zich op het veld gezamenlijk neer te laten. Maar ook, afgezien van dat genoegen, heeft dat laat-uitlaten in den herfst zijn groote voordooien. Laat men de dieren vroeg naar buiten, dan gaan de beste vliegers dadelijk naar het veld, doch luiaards zijn er ook altijd onder zulk een troep en deze en de nog niet goed gewende jonge duiven gaan dan, zoo voor en na een enkele, komen allicht onder eene vreemde troep terecht en worden dan of gevangen of het worden zwervers. Laat men ze laat naar buiten, dan heeft de geheele troep honger, blijft bijeen en de tragen gaan in den stroom moe. Ook heeft men dan niet zooveel gevaar van don havik te duchten, daar die in deu regel tegen den middag reeds voldoende buit heeft gemaakt en verzadigd is. Verder

ocr page 135

-127

komt er nog- bij, dat de veldarbeiders gewoonlijk naar huis gaan of zich hier of' daar neervlijen om hun middagmaal te nuttigen, zoodat de duiven ongestoord hun voedsel kunnen zoeken. En ton derde heeft men nog het voordeel, dat er niet zooveel mest verloren gaat, en die mest heeft toch ook zijne waarde.

Op die wijze kan men werkelijk pleizier van zijne duiven helihen en behoeft men niet over verliezen te klagen, doch af en toe moet er eens een enkele opgeofferd worden.

Om van duiven, die niet aan het vliegen naar het veld gewoon zijn. veldvliegers te maken, moet men geduld hebben. Aan slagvoedering gewende duiven loeren het veel gemakkeljjker dan anderen, straatduiven zijn er nooit toe te brengen, haar arbeidsveld bljjft de straat. Men doet het host. wanneer men zulke duiven -- zoo mogelijk van dezelfde kleur als men reeds heeft vliegen — koopt uit een goede veldvliegerstroep, deze met zijne eigene te paren of ze ten minste goed aan de zijnen te gewennen.

Is nu de tijd van do veldvlucht aangebroken, dan houdt men op met voeren. De aan het vliegen gewone duiven zullen, zoodra ze hongerig worden, beginnen met in kringen rond te vliegen om zich te oriënteeren, en hebben ze een korenveld ontdekt, wat haar niet zoo bijzonder moeilijk valt, dan gaan ze op haar doel los. Weldra volgen ook de andere duiven, want de eene ziet al spoedig aan de andere, dat zij gegeten heeft. Doen zij dit echter niet, dan moet men haar te hulp komen en haar wjjzen. waar voeder te vinden is: men moet ze naar liet veld dragen.

Het best neemt men hiervoor een zeef met wijde mazen, strooit daaronder en daaromheen wat goed voer, doet dan de duiven er onder en laat haar zich behoorlijk zat eten, vóór men de zeef oplicht. 5 a G stuks kan men er op eens onder doen; heeft men er meer, dan laat men de eerste troep eerst alleen opvliegen zonder ze weg te jagen, want daardoor zouden ze bang worden.

Men bevestigt daartoe aan de zeef een lang touw, waarmee men haar zonder gedruisch kan oplichten, en als dit werkelijk zonder gedruisch geschiedt, komen de duiven er langzaam onder weg. vreten eerst nog van het rondom de zeef gestrooide voer en kijken eens goed rond, waar ze eigenlijk zjjn. Dikwijls vliegen ze dan nog denzelfden dag weder naar de plek terug, in de hoop, er weder voeder te vinden, doch het komt ook voor, dat men ze !i a 4 malen naar het veld moet brengen, en gaan ze ook dan nog niet uit zich zeiven, dan worden ze ook nooit goede veldvliegers.

Geweld behoeft men bierbjj niet te gebruiken; de dieren doorjagen en in de handen te klappen tot vliegen te bewegen, zou toch niets geven, zij zouden daardoor slechts schuw worden, de liefde tot hun hok verliezen

ocr page 136

128

on zwcrvors worden. Do Imot'd/aak is, dnt incn, wannoor mon oonmaal mot do zaak bogonnon is, niot wodor gaat vooron, al mocton or ook oonigo jongen on oioron vorloron gaan.

\ eldviuolitors ondor do klourduivon to brongon om doze zoo liet vliegen naar liet void to loeren, is niot aan to bevelen; zij bijten gewoonlijk teveel in het slag on do werkoijjke klourdaif vliegt ook liever in gezelschap van haars geljjkon dan in dat van anderen.

Tweede on derafdee 1 ing. Vormchnven.

I. Vederduiven.

Eerste groep. Trommelduiven. Col. Cristalae. Trumpeters.

Tambours. Trornmellauhen.

Deze kenmerken zich door twee soorten van vedorversioringen op don kop, namelijk scholpkuif, wnarnaar zo dan ook Col. crislutae hoeten, en snavelroos of rozotto, welke alleen bij do volmaaktste typen voorkomen. Deze beido vedorversioringen zijn reeds voldoondo ondorscheidingsteekeneii der Trommoldniven, zoodat mon daarvoor niet zijne toevlucht behoeft to nemen tot de stom dezer dieren, hoewel die, naar don naam Trommelduif te oordoelen, eigenlijk hot kenmerk dezer duiven zou moeten zijn.

Zijne verschillende aan de muziekinstrumenten ontleende namen heeft dit eigenaardige, goed begrensde ras toch klaarblijkelijk aan zijne muzikale begaafdheid te danken, welke, bonevens do uitwendige kenmerken, niot alleen do ooron en harten dor Moskovieten en Kozakken, maar ook dio dor Gormaanscho on Koinaanscho volken veroverd heeft, onverschillig of die ooron in do stom der duiven de tonen van een trompet of van een trommel meenen te ontdekken. Doch neen; onze onmuzikale naburen ann de overzijde van hot Kanaal staan ook in dezen op hun eigenaardig standpunt: „Do stom dor „trumpeterquot; is zeer luid en afgebroken in vergelijking mot die der andere duiven, doch zij komt bij de waardebepaling volstrekt niet in aanmerkingquot;, verklaart Fulton even kort als bondig aan 't eind van zijne beschrijving. En toch ziet do grooto Brohm juist in dat trommelen iets zoo eigenaardigs, dat hij dit alleen voldoende acht om do soort vast te stellen, 't Is dan ook eeno op zijn minst vreemde uitspraak van zoo iemand als Fulton om te zeggen: „Op het trommelen komt het bij do Trommoldniven niot aan!quot; Hot komt niot aan op „trommelenquot;, waarom juist de armste duivonliofhobber zijn paar trommolduivon houdt! Wat zouden de Engolschen vreemd ophooron, als wij zeidon: „Op een krop komt hot bij uwe Krop-

ocr page 137

1 '20

pers niet aanquot;. Of mag' dat misschien niet, omdat dit ccne //^wendi^e eigenscliap betreft?

„Hoe langer het trommelen aanhoudt, dos te meer is de dotter waard, die het laat hoorenquot; zegt Brehm verder. Het trommelen staat in Duitsch-land dan ook zoo zeer in aanzien, dat men daarvoor, evenals voor den zang van do kanaries, een bepaalde muzikale terminologie heeft. Zoo behoort tot het echte, het rechte trommelen „een goede aanzet, een duidelijk gemarkeerde voordracht, afwisselend rijzen en dalen van den toon, de triller en het aanhoudenquot;. Hoe vaker en vooral hoe aanhoudender, zonder lange tus-schenpoozen, er in den „goeden stijlquot; getrommeld wordt, hoe meer de trommelaar waard is. Men onderscheidt een rollend, een roffelend, een diep en een hol getrommel. Kirren mag een goede trommelaar in het geheel niet, of iijj moet van het kirren dadelijk in het trommelen overgaan.

De virtuozen trommelen trots den besten tamboer met zeer korte onderbreking wel 10 minuten achtereen en nog langer soms. En dat gaat zoo don geheelen dag door, zelfs bij het eten, vooral in het voorjaar en wanneer men zo ruimschoots hennipzaad voort. Want zij trommelen uit liefde of wanneer zij toornig zjjnquot;.

Do verschillende variëteiten trommelen trouwens op verschillende wijzen. Zoo kenmerken zich bijv. de Alterburger trommelaars, iu onderscheiding van de Russische, door hoogte, helderheid, bewegelijkheid en afwisseling van toon en door lang aanhouden en zelfs de duif door een „melodisch gotronnnelquot;. Beide zitten daarbij meestal stil, bewegen alleen den snavel oen weinig en den voorkop heen en weer, brengen de slagpennen in een trillende beweging en blazen den krop een weinig op, wolk laatste men echter liever niet ziet. Zoo ton minste in Duitschland.

,,En dat alles, Mr. John, zou bij de beoordeeling dor Trommelduiven geheel niet in aanmerking komen? Alleen zeker uwe rouzonkuivon, groote snavelroos en monstersokken? Neen, daarvoor zjjn de Huitschers waarlijk te muzikaal!quot;

Maar —- om op hot uiterlijk terug te komen: de snavolroos, de kuif en do sokken zijn inderdaad do voornaamste oigenaardighedon der trommel-duiven van den „nieuwen stjjlquot; in Engeland, on — ook in Duitschland worden meniginaal Trommelduiven gekweekt, die het trommelen verleerd hebben.

i. De Bucharijsclu; Trommdduif. — C. dasypus. •— The Trumpeter af new lype of Ilnssinnx.

Tambour de Boukharic. Ihichavische Tro)iiineUaiihe.

Deze duif schijnt aanzienlijk grooter dan de Engelsche Carrier; van de veereu ontdaan zijn beide echter nagenoeg even zwaar: de groote en breede

Bai.damus, Pluimveeteelt II. 0

ocr page 138

130

kop, de korte, zeer stevige pooten, de lange slagpennen en het rijke, dichte en toch losse gevederte, dat tegelijk fijn van textuur is, zijn de oorzaken van die misleiding van het gezicht. Want de groote kop, de korte, massive, op de breede schouders staande hals, de breede, gewelfde borst en de even breede bovenrug geven den vogels, niettegenstaande de zeer lange en breede, doch losjes gedragen slagpennen, een aanzien van kracht en welgedaanheid: een indruk, welke door den stevigen, middellangen snavel, door hot zeer weelderig ontwikkeld vedersieraad van don kop en den lagen stand nog versterkt wordt. De snavel was bjj den vogel van oud-Engelschen stijl

donker en alleen bij do witte licht gekleurd of wit; hot oog rood of oranje toi parelkleurig. Bij de nieuw geïmporteerde echt Russische, dat wil zeggen bjj de duiven vaii den „nieuwen stijlquot;, is de snavel licht hoornkleurig tot wit en zjjn de oogen zonder uitzondering pa-reloogen met fraai roode ooglidranden en ringen.

En wat nu de genoemde hoofdkenmerken

Fiir. 50. BucbariiBclie Trommelduif. , .

aangaat, die volgen hier

in de volgorde der waarde, die er aan wordt toegekend.

«. ])e rozette is een soort van mutsje of kapje, dat uit zeer smalle voeren bestaat, die zich van uit hun centrum, dat zich een weinig vóór het midden van den schedel bevindt, straalsgewijs naar alle kanten gelijkmatig uitbreiden en vlak aanliggen, van den snavelwortel tot dicht aan de schelpkuif en over de oogon hangen, overal van gelijke lengte zijn en een zoo volkomen mogelijken cirkel vormen. De regelmatige often minste gelijksoortige vorming der veeren, grootte en gelijke lengte daarvan, en een gelijkmatig overvallen van uit den wortel zijn bepaalde vereischten van een goede snavelroos. De middellijn ervan moet ongeveer 25 cM zijn.

Igt;. De schelpkuif moet hoog aan het achterhoofd aangezet zjjn en zich in een fraai ronden vorm rondom het achterhoofd uitstrekken en in de nabijheid der oogen in een kleine rozette eindigen. De veeren van de kuif moeten naar voren gericht zijn, tot boven den schedel reiken en de rozette

ocr page 139

131

aan den achterkant i;ii de zijdon insluiten. Iloofdvereischten van een fraaie schelpkuif'zijn; de lengte der voeren en do regelmatigheid der plaiitsing, alsmede eene zekere elasticiteit der veeren, evenals bij don kap dor Raads-heorduivon.

c. De voetbovedoring begint met lange voeren aan do hielen (gierhakken), verbreidt zich op dezelfde wijze over den buitenkant van liet loopboon — de binnenkant is van kleinere veeren voorzien - en vormt aan den voetwortel en aan de teenen dichte, lange sokken, welke nooit te lang en te zwaar kunnen zijn. De langste beliooren niet minder dan 10 cM lang te zijn; toch moet men om meer dan één reden niet te veol gewicht aan al te lange sokken hechten.

Ten eersten zijn de groote veeren minder elastisch dan de kleine, breken ten gevolge daarvan licht af en laten in hunne plaats dan gedurende een groot gedeelte van het seizoen de leeljjke stompen zien. Ten tweeden gaan gewoonlijk met de beste, d. w. z. de langste, voetbevedering groote gebreken in de bevedering van den kop gepaard, en daar eerstgenoemde gemakkelijk, laatstgenoemde moeilijk te verkrijgen is, behoort men aan laatstgenoemde de voorkeur te geven. De voetbevedering is overigens het eenige punt, waarin het oud-Engelsche of Duitsche type met het nieuwe concurreeren kan.

Wat de kleuren aangaat heeft men de volgende: witte, zwarte en gevlekte (mottles) in beide kleuren. De laatste, vooral de zwartgevlekte, houdt Fulton benevens de zwarte voor de beste kleurvariëteit. Fulton roemt de houding en het voorkomen der Nieuw-Rnssische trommelduiven en vindt, dat zij wel aanspraak hebben op de benamingen trotsch, voornaam en deftig. Langzaam en bedachtzaam loopen zjj rond en de deftigheid van een met zijn duifje koketteerenden dofter levert eon oven opvallenden als sierlijken aanblik op. Een virtuoos in het trommelen is de Hucharjjsche trommelduif niet meer, daar hij hare kweeking het grootste gewicht aan de uitwendige kenmerken moot worden gehecht.

In plaats van den naam Russische Trommelduiven naar don nieuwen stijl, gebruikt men tegenwoordig algemeen dien van Bucharjjsche trommel-duiven; het „Russischequot; behoort bij de trommelaars van den ouden stijl, die eerst in Engeland in „Duitsche trompettersquot; werden veranderd, omdat zij over Duitschland in Engeland kwamen en in Duitschland in dien vorm werden gefokt, in welken zij in Engeland bekend werden.

AVat het oorspronkelijk vaderland der Trommelduiven aangaat, dat moet waarschijnlijk in Centraal-Azië gezocht worden; de hier bekende moeten zeker als plaatselijke ontwikkelingsvormen worden beschouwd.

Aangezien nu de Trommelduiven uit Centraal-Azië worden gerekend te

ocr page 140

-1.^2

stammen, daar een landstreek wordt gevonden met den naam Bucharije en van dezen naam de Fransche en Duitsclie benaming voor deze duif' zijn afgeleid, komt het ons voor, dat de in ons land gangbare naam Bulyoarsche trommelduif verkeerd is en vervangen behoort te worden door Bucharijsche trommelduif.

2. De Thntsclv Trommelduif — C. tympanizans — The German tinmpeter. Tambour de Dresde, Deutsche Tr.

Zij heeft de gestalte en de houding van de Veldduif, is wat forscherdan deze doch kleiner dan de vorige; hare lengte varieert tussschen 87 en 40 centimeter. De kop is breed en vlak, de kuif en de rozette zijn minder ontwikkeld, laatstgenoemde bestaat slechts uit een halve rozette, welke zich naar den snavel toe buigt: een volle rozette wordt afgekeurd; de schelp-kuif moet echter in breedte en vorming zooveel mogelijk met die der Bucharijsche trommelduif overeenkomen. De kleur van den matig langen snavel varieert in overeenstemming met de kleur van het gevederte tusschen donker en zuiver wit en die van het oog tusschen bruin tot geel en parelkleur. De hals is tamelijk kort en dik, de borst breed en gewelfd, de rug eveneens breed en weinig naar achteren afvallend, de lange hreede vleugels reiken bijna tot aan hot eind van den matig langen staart en rusten daarop. De korte pooten zijn sterk bevederd, gesokt. De vlucht is, niettegenstaande de vleugels lang zijn, moeilijk, zeker een gevolg van de lange sokken. Bij het opvliegen klappen zij gewoonlijk, doch niet altijd, met de vleugels. Zjj vermeerderen zich, evenals de onder 3 genoemde Altenburgers, buitengewoon goed, maken wel eens 9 broedsels per jaar en brengen de jongen meest allen groot, vooropgesteld echter, dat hun hok volkomen zindelijk wordt gehouden; anders bevuilen zij de lange voetbevedering en doen door het daaraan klevend vuil licht schade aan de eieren en de teere jongen. Zij behooren niet alleen tot de vruchtbaarste, maar ook - in tegenstelling met de Buclianjsche trommelduiven, ten minste in Engeland — ook tot de hardste duivenrassen.

Wat de kleuren aangaat, heeft men in Duitschland de volgende: a. Gemonnilde in zwart, blauw, rood, geel, rood- en muisvaal, zonder of met witte vleugelbanden; in het blauw heeft men ze ook met zwarte en in het vaal met roode banden. Kop, vleugelpunten, staart en voetbevedering zjjn wit, meestal ook liet achterste gedeelte van den buik. De snavel is zuiver wit.

h. r.ênhleurige in zwart, rood, geel en blauw met en zonder witte bandon. c. Gevlekte of getijgerde in zwart, rood en geel.

ocr page 141

■m

d. Geelvalo met gok) banden.

W'itisckikim of „'Dresdcnerquot;, éénklcurig goel of rood. (Vergoljjk oüder Witsohildduivon, groep 7, A).

J)(! gemonniktc worden ook „Iksrnburgerquot; troininekluivcu gunocind.

Do Duitsche tronnnelduit' is een uiininerkoljjk betere trommelaar dan do Hucharjjaclie.

Li. De Allenhimjer {Saktiische) Tivminclduif. Tin; A 11 o n b u r g trumpoter. Tdmbour d'Allcubonnj.

Deze gaat van onds door voor een kruising en vermenging van de Hus-siselie trommelduiven niet de Veiddnit', van welke vermenging zjj ook duidelijk de sporen vertoont. Zij is in bot Altenburgscbe en omstreken sedert langen tijd bekend en wegens bare bijzondere bedrevenheid in de trommelkunst zeer bemind en verbreid.

In voorkomen en bouding onderscheidt zjj zich niet in haar voordeel van de Duitsche variëteit; zij is niet zoo elegant van gestalte, heeft een gebogen houding, geen schoone kleuren en is aanmerkelijk kleiner dan deze: hare lengte bedraagt lUi a 38 centimeter. De kop is glad en draagt alleen een snavelroosje, dat zich naar den snavel toe ombuigt: een volle rozette is een fout. JJet voorhoofd is hoog, de snavel matig lang, aan de punt gebogen; de pooten zijn kort en glad of bevederd, zelfs van sokken voorzien, vooral de witten; de teenen zijn meestal onbevederd. Het gevederte is echter, evenals bij de Duitsche trommelduiven, weelderig, vol en los.

De Altenburger trommelduif komt bjjna alleen éénkleurig in wit en blauw voor en in eenige nevenkleurige slagen van eene juist niet fraaie en aantrekkelijke nuanceering. De meest gewone kleuren zijn wit en blauw of vaalblauw in verschillende schakeeringen, met en zonder vleugelbanden en met slag- en staartpennen, die er uitzien alsof ze gebleekt waren. Zeldzamer zjjn eene erwtengele variëteit met gele banden, en roodvaal-gele met bruine banden, alsmede zwart getijgerde.

Fraai zijn zij niet, de Altenburgers, maar onder de onsehoone en verschoten uniform klopt bij beide geslachten een „wakker tamboershartquot; — en dat is de hoofdzaak!

Dr. dir. L. Brehm noemt bovendien als „zuivere rassenquot; der Duitsche trommelduiven de volgende;

1. Zwarte, met een zuiver zwart vederkleed.

2. id. met wit schedelplat.

3. id. met witgevlokte vleugels, d. w. z. met breede witte randen aan de boven-vleugeldekveeren (Mottles).

ocr page 142

134

4. Blauwe (wildblauwe) met zwarte vleugelbandeu en dito band aan het einde van den staart.

5. Roode, met gelieel bruinrood gevederte.

6. Gele, gelieel bruingeel.

7. Witte, met zuiver wit gevederte.

Voorts nog eene rij van de „fraaiste bastaardenquot; van andere duiven, uitsluitend schildvleugelige in de l hoofdkleuren en met of zonder banden, en wel:

a. Met witte grondkleur.

i. Met zwart schild.

'2. ,, blauw schild en witte of zwarte banden.

3. ,, rood schild.

4. ,, geel schild.

b. Met wit schild.

5. Witschild roode.

0. „ gele.

Deze bastaards zijn deels gladkoppig, hebben deels een snip en schelp-kuif of ook slechts één van beiden. Do meeste bastaarden trommelen in het geheel niet. (Men vergelijke hierbij ook het onder groep 7, A gezegde).

Tweede groep. Manen- of gemaande duiven ■— C. jubatae.

A. Met halve of onvolkomen manen.

1. De Smalkaldensche Moorkop — C. jubata — The Moor'shead.

Pii/ion a crinière. Mcihnentaube.

Manenduiven of gemaande duiven noemen we de tot deze groep behoo-rende duiven om ze niet te verwarren met de Maanduiven. Deze toch dragen hunnen naam naar de halve-maanteekening op de borst, terwijl de Manenduiven den haren hebben van den uit haarachtige veeren bestaanden kap —- de manen — aan den achterhals.

De Smalkaldensche Moorkop wordt door velen en misschien niet ten onrechte voor eene, op grootte en sterke manenontwikkeling gefokte variëteit van do Latsduif gehouden. Het geheele voorkomen der duif en de omstandigheid, dat zij ook slechts in een zeer beperkt gebied, in sommige gedeelten van Thüringen en van liet Saksische Ertsgebergte, wordt aangetroffen, pleiten wel voor deze meening; ook nog bet bepaald alleenstaand feit, dat zij slechts in ééne kleurteekening n.1. zivarl voorkomt. Wel hoort men nu en dan ook van bruine en gele spreken, doch deze zijn zoo onvolmaakt en dragen zoo duidelijk de sporen van bastaards te zijn, dat

ocr page 143

135

/ij niet verdienen op ééne lijn gesteld te worden niet de Snialkaldensche Moorkopduif.

De Smalkaldensche Moorkop is niet grooter dan de Veldduif, alleen iets langer, breeder en compacter van figuur. De kop is rond mot een matig hoog voorhoofd, do snavel lang, dun en zwart, het oog groot en donkerbruin, de hals lang en naar achteren gebogen; de boenen zijn tamelijk kort, het loopbeen is sterk bevederd en de voeten zijn van zware sokken voorzien. Van den nek uitgaande breidt zich aan beide zijden van den hals en in eene bijna loodrechte lijn tot op do hoogte van do borst eene soort van halsmaan of kap uit, welke uit niet zeer dicht staande, bijzonder buigzame veertjes met zeer dunne schachten bestaat. Deze kap sluit aan den nek en aan de zijden van den hals juist de zwarte teekening in, welko zich over den geheelen kop, den nek en den voorhals tot aan do borst uitstrekt. Ook do staart en do staartdekveeren zijn zwart; al het overige gevedorte, ook do halskraag is natuurlijk wit.

De Jioofdzaak bij dezo duif is, dat de maan uit lange, zachte, golvende veeren bestaat, zoodat zij aan den achterhals niet glad en gesloten, doch wat breed en ruw is; de naar voren gerichte veertjes liggen echter meer glad en effen en moeten de borst zoo goed mogelijk omsluiten; ook eischt men tegenwoordig, dat die veeren zoo ver mogelijk den achterkop bedekken en daar als het ware een kap vormen.

Een tweede vereischte is, dat de teekening overal scherp begrensd is en niet te ver over de borst reikt, en dat de been- en vootbevedering zeer zwaar is.

De over die zwarte teekening golvende manen geven deze duif een zeer eigenaardig aanzien, dat juist niet door allen fraai wordt genoemd. Ook overigens heeft deze duif weinig aantrekkelijks: zij is schuchter en schuw, daardoor zeer vluchtig, terwijl zij ook vrij wat teer on weokehjk is en zich slechts weinig vermenigvuldigt. Zij houdt zich ook zeer gaarne bij duiven van haar eigen ras op, schijnt zich, wanneer zij slechts in enkele paren wordt gehouden, niet tehuis te gevoelen en zoekt dan gaarne vreemde slagen op, waar zich ook van hare rasgonooten bevinden.

Bij de beoordeoling wordt voornamelijk ook op een zuiver zwarten staart gezien; dat de zwarte teekening zich ver naar beneden over den voorhals uitstrekt, is geen voordeel, wijl met een „grooto keelquot; bijna zonder uitzondering slecht gevormde manen gepaard gaan. De manen zelf mogen volstrekt geen zwarte veertjes hebben: het fraaie zwart aan kop en hals moot door een zuiver witten voderenkrans omgeven zijn.

ocr page 144

I ;)6

'2. De Lalsduif of llollandsche Sdielpduif — C. gal eat a —

Leiz pigeon (?). P'ujeon coquille hollandais. Lalztaube.

Ook doze duif komt ver van algemeen voor. In hot werk van Neumeister, tabel 4, i, is zij in de 4 hoofdkleuren afgebeeld; hoofdzakelijk echter komt slechts de zwarte — ook Weener Ledsduif genoemd — voor; de roede en gele zijn niet zoo veelvuldig en dan ook nog algemeen zeer onzuiver van kleur en teekening. En toch is deze duif niet alleen fraai geteekend, doch ook overigens door hare eigenaardige tot over de helft van den hals reikende soort van schelpkap zeer interessant; bovendien is zij een sterke en tamelijk vruchtbare duif en een vlijtig veldvlieger. Bijzonder sterk ontwikkeld zijn bij liaiir — evenals bjj bijna alle goede vliegers — de borst en de hals; de kop is tamelijk forsch en schijnt dat des te meer door de losse schelpkuif, Do snavel is meer dan middellang en zwart van kleur, het oog oranjegeel tot roodbruin met een smullen, blauwgnjzen huidrand omgeven. De grondkleur is een zuiver w^t; de teekening neemt den geheelen kop in tot aan de witte kuif en loopt aan beide zijden van den hals tot ongeveer het midden van de borst, waar zij in een bijna rechte lijn, dwars over de borst, van het wit is gescheiden. De losse schelpkuif vormt aan den achterkant van den kop die grenslijn, en de eveneens witte voortzetting van dc kuif, welke zich naar voren tot ongeveer het midden van den hals uitstrekt, scheidt het gekleurde gedeelte van den rug en de zijden. Deze geheel alleen staande kuif cn halskraagvorming kan als de overgang beschouwd worden tot de volle vederversiering van de Eaadsheerduif. De afbeelding en beschrijving- der „Schleyer- oder Paru-quentauhequot;, C.ol. yalerita, bjj J. L. Prisch, op tabel XIII voorkomende, wettigt deze meening bepaald. De pooten zijn kort en bevederd, de voeten dikwijls ook van sokken voorzien.

Espanet beschrijft de coquilles als zijnde van een kleine, gestrekte, bevallige figuur en van groote overeenkomst met de Raadsheerduiven, met welke zij ook in groote vruchtbaarheid overeenkomen. Men treft de volgende variëteiten aan ;

i. Le coquille hollandais, de eigenlijke Hollandsche schelpduif, de grootste en in verschillende kleuren.

(Een paar van deze variëteit, dat uit de omstreken van Versailles stamde, wordt door den schrijver als zijnde van zulk eene kleurenpracht beschreven, als hij nog niet bjj eene hem bekende vogelsoort had aangetroffen. Het was diep ravenzwart van kleur met een onbeschrijfelijk fraaien koper- eu bronsglans. De dieren waren kort en stevig van gestalte, fraai rechtop van houding en vol en aansluitend

ocr page 145

137

bevederd. De schelpkuif breidde zich benedenwaarts tot liet midden van den hals uit; de veeren daarvan waren gekroesd naar voren gebogen, zonder elkander daar te raken).

'i. I.d cotiidlle dlourneuK, de spreeuwhals-schclpduif, zwart met grijswitte vederpunten en vleugelbanden.

;i. La coijuille russe, de Russische schelpduif.

■4. La coquille barbu, de baard-sehelpduif.

5. La coquille lata da mort, de doodshoofd-schelpduif, met zwarten kop en één of twee gekleurde vlekken.

'3. De Capucijnerduif of yekapte Non — C. capucinorum. The Capuchin. Nonnain cupa J). KdimziuerUiube. Fij. 51.

Wat er ook tegen aangevoerd kan worden, zoo mag deze duif, die bepaald aan de Raadslieerduif verwant is, zelfs tot liare naaste voorouders belioort, zeker toch onder deze groep gerangseliikt worden. H. Caiiidia, die deze tijne duif herhaaldelijk uit Klein-Azië in Engeland geïmporteerd heeft, zegt, dat zij daar tut eene bepaalde localiteit beperkt is en dat hij, ofschoon hij sedert '20 jaren met haar bekend is, geen verandering aan haar heeft kunnen bemerken, dat zij nog eveuzoo is, als ook de oudste liefhebbers haar gekend hebben. Deze betrekkelijk groote onveranderlijkheid of ten minste vastheid van het eigenaardige karakter bewjjst ontegenzeggelijk, dat we hier met eeue goede soort of een goed ras te doen hebben en,

daar zij de voornaamste kenmerken van den Oosterschen stijl; ronde schedel met korten snavel, zuiver witte oogen, een volle vooruittredende borst en een weinig hangende vleugels bezit, alsmede zoo tamelijk wel dezelfde grootte heeft als de

1) Do Capucynortluif hoct bij lialdaimiH in 't Krannch Capuchon cn ook Capucin, torwyl flo Enadshoorduit (zio bij 5 vim doze grooi)) Pfffeou nonnain wordt ponoomd. In Do ISoovo: „Traité pratique?'' on „Guide colombophiW'' worden dezo nainon juÏHt andersom gebruikt, n.1. iioiindin en nonnain cape (gukapto non) voor Capucynerdnif en Capucin voor ItaadHhoor, welke benamingen wij liior hebben overgenomen.

Ook in hot Duitach worden beide duiven boiiih mot elkander verward on voor beido de namon Kapuziner- en Kapuzentaube gebezigd. Ook bij Durigon vindt men don imam Capucin voor Kaadnheerduit'.

ocr page 146

138

Raadsheerduif en van eeuc breede, zelfs eon weinig bij den hals naar beneden loopende schelpkuif of kap is voorzien, moet men wei tot eene nauwe verwantschap besluiten, tenzij men haar als een der in ontwikkeling achtergebleven stamouders wil beschouwen.

Van den anderen kant vertoont deze fijne, interessante duif in vorm en houding, vooral in de sleepend gedragen vleugels en den hollen rug, eene nog nadere verwantschap met de edele Tuimelaars. In Engeland werden zjj „nooit met do reeds perfecte Kaadsheeren gekruistquot;, omdat deze reeds „don fijnen kopquot; bezaten, dien zij anders van de C'apucjjners konden verkrijgen. Tegenwoordig, nu deze eigenschap voor de Haadsheeron bijzonder gezocht is, zouden kruisingen met de gekapte Non zeker aan te bevelen zjjn. Het „merkwaardigquot; witte oog is door een smalle en gladde, donkerroode was-huid omgeven, de snavel is zwart; de korte, naakte beenen en voeten zijn kreeftrood.

De hoofdkleur is een diep ravenzwart over het geheele lichaam, alleen de staart uitgezonderd, die zuiver wit moot zjjn. Volgens De Boeve (Traité pratique) en Br. Dürigen komen er ook blauwe, zwarte en gele voor met witten staart en zelfs geheel witte, ofschoon Marten getuigt deze nog nooit te hebben aangetroffen.

Dezo duiven zijn zeer rechtop van houding, broeden en voeren uitstekend en bewaren haar karakter zeer getrouw.

Dat is al nagenoeg alles, wat er van dit, wel is waar, lang bekende doch merkwaardigerwijs niet zeer verbreid ras te zeggen valt.

Tot deze groep behoort ook nog de meermalen in Europa ingevoerde

4. Wilde Manenduif C. jubata of Nicoharische duif — Caloenas nicobarica. Fig. 52.

Zjj heeft de grootte van eene kip (volgens Brehm is zij 3(i cM lang = de lengte der Veldduif) is zeer gedrongen van bouw met een bijzonder vlakken en kleinen kop. Haar gevederte is aan kop, hals, de onderdeden en de slagpennen zwartachtig groen, terwijl de veeren van de onderzjjde korenbloemblauwe zoomen hebben; de rug- en de vleugeldekveeren zijn grasgroen met oen metaalachtigen glans. De manen of halskraag bestaan uit lange en kortere, smalle, zachte veeren, welke aan beide zijden van den hals afhangen; de langste dezer veeren zijn grasgroen, de kortere hebben een goudkleurigen glans; do korte staart is zuiver wit. De iris is roodbruin; do betrekkelijk dikke snavel is bijna zwart en draagt een bolvormige wrat bij het voorhoofd. De pooteu zijn roodachtig purperkleurig.

Deze duif behoort tehuis op de Nicobarische eilanden en wordt verder

ocr page 147

139

oostwaarts op alle eilanden, tot de Pliilippijnen en de noordoostkust van Nieuw-Guinea aangetroffen; vooral op de kleine, onbewoonde eilanden is zij zeer talrijk. Zij heeft een logge vlucht, vertoeft meestal op den grond en heeft daarop ook haar nest.

In den Londenschen dierentuin hehben verscheidene paren herhaaldelijk gebroed en jongen groot gebracht.

B. Met volkomen manen.

5. De Raadsheerduif— C. cucullata L. — galerita, Prisch — patagiata Brm, — The Jacobin of Jack. Capucin. Permcken-of Schleiertauhe. Fig. 19. (Zie de noot op pag. 137).

De Raadsheerduif bekleedt in Engeland onder de „Toysquot; den voornaam-sten rang en wordt om hare eigenaardige schoonheid tot de eerste-klasse duiven gerekend. Zij wordt natuurlijk tot de „Toysquot; gerekend, omdat zij hoogstwaarschijnlijk van continentalen oorsprong is, hoewel zij zoowel in Engeland als in Duitschland cn elders reeds zeer lang bekend is. Hare geschiedenis schijnt niet van vroeger dan omstreeks het jaar 1600 te dateeren. Aldrovandi beeldt haar af eu zegt, dat zij in België gehouden werden onder den naam Kappers-Monnikduiven, C. Monachicae, Ferrarienses Sorellas, en zoo genoemd werden, omdat zij een kap droegen. De laatste naam schijnt echter van latijnschen oorsprong te zijn. Zijne afbeelding toont aan, dat de kap den kop niet geheel insloot; do kop was niet wit; vleugels en staart schijnen te kort te zijn. L. Frisch beschrijft ze onder den naam Schleyer-oder Paruquen-taube en zegt, dat zij gewoonlijk wat groot en forsch

ocr page 148

140

is als een Kropper, waarop zij wegens haar eenigszins opgeblazen krop ook wel gelijkt. Zij draagt haren naam, zegt hij. naar de naar voren gekromde nekveeren, die den geheelen kop, van het eene oor langs den nek tot het andere oor. omsluitenquot;. Op de afbeelding eene groote, plompe figuur zwart met witte slagpennen, witten kop en bovenhals --strekt de, van liet aehterhoot'd schuin naar den voorhals loopende, witte siuiille en korte kap zieh nog een weinig tot in het zwart van den benedenhals uit. Snavel en pooten zijn vleesclirood. In Engeland gold, volgens Muore, omstreeks dien tijd (1735) de Raadsheer voor liet kleinste duivenras. Zjj moet dan echter in Duitschland in korten tijd zeer veranderd zijn, tiaar de beschrijving van Bechstein reeds tegen liet einde der IS'1'' eeuw bijna volkomen op den tegenwoordigeu vorm past.

De hoogste ontwikkeling van bijna alle eigenaardigheden dezer duit' is echter het werk van Engelsche fokkers en wel reeds vóór of ten rijde van Moore, die reeds alle hoofdpunten, alleen met uitzondering van de manen, nauwkeurig beschrijft en bij alle kleurvariëteiten een zuiver witten kop, slagpennen en staart eischt; bevederde en onbevederde pooten stonden te dien tijde nog beide evenzeer in gunst. Een hoofdvereischte was echter, dat de duif „zoo klein mogelijk wasquot;. „De echte Jack - zegt Moore — is de kleinste van alle duivenquot;. Fulton daarentegen beweert •— om redenen, omtrent welker gegrondheid wel twijfel bestaat — dat alleen bij de groote slagen de hoofdeigenschap, n.1. de kap of kraag — waaraan de Duitschers de hoed, de manen en de keten onderscheiden — tot volkomen ontwikkeling kan komen; bij weerlegt deze bewering echter zelf onmiddellijk daarna door de vermelding van het feit, dat hij door paring vnn groote, volkomen exemplaren met zeer kleine reeds tegen het einde van het tweede seizoen het materieel voor kleine, even goede, zoo niet betere „Jacobinsquot; had geschapen. Van zulke duiven had Fulton de eer er een paar aan Koningin Victoria te leveren. Met één, van dit paar gekomen doffer fokte Fulton verder en de nakomelingen hiervan met inbegrip van dien doffer brachten hem de aardige som van 1 70 pond sterling (ƒ '2040) op.

Ook elders heeft zich in den laatsten tijd eene voorliefde voor de kleine variëteit geopenbaard, welke benevens de algemeene kenmerken van fijnere rasduiven de bijzondere van de zuivere Raadsheerduiven meer en meer schijnt te ontwikkelen en in elk geval liooger te schatten is dan die groote, onbehouwen variëteiten, welke do kenteekenen dragen van eene herhaalde en bonte kruising, zelfs al dragen zij ook de bijzondere eigenschappen der Raadsheeren in hoogere mate.

De kop der Raadsheerduif moet groot zijn in verhouding tot de licbaams-grootte en in vorm met dien van den kortsnaveligen Tuimelaar overeen-

ocr page 149

141

komen; liot' voorhoofd steil, de Lovenko]) breed en van voren naar ncliteren, zoomede van oog tot oog goed gerond. I'rütz e. a. eisehen een hoog ge-welfden kop, niet een vlakken, breeden bovenkop en hoog voorhoofd; Fulton beweert, dat een breede, vlakke bovenkop — ,,inou8e-faeedquot;, muize-koppig genoemd — de duif langer van gezicht doet schijnen dan zij werkelijk is, terwijl een goed gewelfde kop gewoonlijk gepaard gaat met een tweede „goed puntquot;, n.1. een korten, dikken, fraai gevonnden en naar beneden gerichten snavel, welke tevens het effect van den kop vergroot; een duif met een vlakken bovenkop heeft, volgens Fulton, gewoonlijk geen dezer goede hoedanigheden en ook maar zelden een goed gesloten kap.

De snavel moet, niet uitzondering van die der éénkleurig zwarte, wit zijn met roodachtig witte, een weinig gezwollen ncuswratten; bij overigens goede vogels is oen weinig gevlekte snavel echter geene fout van be-teekenis. Het oog, dat door een levendig rooden huidring is omgeven, moet licht parelkleurig zijn, evenals bij alle kortsnavelige duivenrassen; eene donkere of oranjekleurige iris geldt voor eene fout, die echter bij overigens goede hoedanigheden niet al te hoog aangerekend behoeft te worden en door oordeelkundige kruisingen — het donkere oog door ééne, het oranjekleurige door twee — weggefokt kan worden. J)e vleugels en staart moeten lang zijn in verhouding tot de liehaamsgrootte, eerstgenoemde ook breed, laatstgenoemde den bodem rakend; alleen lange veeren geven een goede kap en die lange veeren gaan altoos met lange staart- en slagpennen vereenigd. Vroegbroed is in dit opzicht gewoonlijk het meest ontwikkeld, doch is meestal ook te groot van lichaamsbouw. De onbevederde pooten moeten kort zijn en de schenkels in het gevederte verborgen. De rug is lang en recht, de stuit weinig gewelfd, de borst smal en goed gerond, doch niet naar voren tredend; de lange hals is tamelijk sterk gebogen en achterover gedragen. De geheele hals en do kop worden door de kap omhuld; van ter zijde gezien eindigt zij in een rozette, welker centrum in het midden van den benedenhals ligt en van waaruit zich de lange zachte veeren naar alle kanten uitbreiden, het meest in de richting van den achterkop, den voorhals en de borst, minder naar de schouders en den vleugelboog. De veeren moeten aan den achter- en den voorhals — van de keel af — en op de borst goed aansluiten en den kop zoo omhullen, dat alleen de voorkop te zien is. Do kap moet gelijkmatig gevormd zjjn, mag niet hier en daar slecht bevederde plekken hebben en moet, van ter zijde gezien zeer breed, van achteren en van voren gezien smal zijn.

De kleurslagen zijn:

1. Eénklenrige in wit, zwart, rood, geel en blauw, van welke echter alleen de witte goed gekapt voorkomen.

ocr page 150

142

3. Gemonnildc in zwart, rood, geel en blauw; die van de blauwe kleur hebben weder een slechte kap en zijn daarom niet gezien. Kop, .slagpennen en staart zijn bjj deze teekening wit; de grens van het wit van den kop moet van het achterhoofd langs de oogen tot aan de snavelspleet loopen; een geheel witte kop geldt echtor alleen voor een schoonheidsfout, die bij overigens volmaakte dieren weinig heeft te beteekenen. Goede exemplaren behooren in eiken vleugel H witte slagpennen te hebben; één of twee meer of minder wordt evenwel ook toegestaan. Hals, borst, buik en vleugeldekveeren moeten gekleurd zijn, doch de buik is achter de schenkels zelden goed éénkleurig. Diepte en glans zijn bij de kleuren zeer gewenscht.

Dürigen en Bungartz, maken ook nog melding van een Raadsheer met een snavelroos, een kruisingsproduct, waartoe do Trommelduiven hebben bijgedragen. Dikwijls ziet men bij deze ook bevederde pooten, doch do kap laat gewoonlijk nog al te wenschen over.

In Frankrijk heeft men, evenals elders, eene menigte kleurvariëteiten: men heeft daar ook ééne variëteit met gefriseerde jabot - collerelle frisde ■—, die klein, elegant, zeer tam en zeer vruchtbaar is.

De hoofdvariëteiten zijn de volgende:

i. Le Capucin soupe au vin. (Zie de noot op pag. 137) ■—de wijnsoep-kleurige Capucin.

2. Getijjerde in zwart, rood on geol, welke meestal uitinuntende, onberispelijke kappen hebben.

ocr page 151

0,

La

Ca]gt;ucin panaché

— de bontgostreepte C.

3.

,, Chamois

pur -— zuiver Chamoiskleurige C'.

4.

n

,, blanc —

witte C.

5.

,, rnaurin

wit en zwart gevlekte ('.

fi.

»gt;

„ ca pa —

de gekapte (!.. alloon mot scholpka]

van den

raadsheerkap.

Do Boevo maakt in zijn werk geen molding van dozo klourvarioteitun; daarin, evenals in meer andere werkou, worden ondersclieidon;

1. Da Engehche Raadtthcer (Jacobin) do schoonste en volmaaktste van allen, in 't zwart, rood, geel en donkerbruin. J)o kap bedekt den kop dermate, dat de oogen en do snavel er zelfs nog door omlmld worden.

'2. Da Franschc llarulshaar (Capucin), kleiner dan de Engelsclie en met veel minder ontwikkelde kap. Komt in allo kleuren voor.

Da Duilsche RacKhheer (Perrückentaube), óónkleurig in't zwart, rood, geel, blauw, met zwarte en mot witte vleugelbandon. De kop is tamelijk ontwikkeld en de poolen zijn havaderd.

4. Da Siiaansclie Raadsheer, in wit en rood, wit on gooi. wit on zwart en wit en blauw. J leeft bevederde pooten.

5. Da Slruisraddsheer, met een voderrozotte boven den snavel, zooals de Altenburger tronnnelduif; beeft gladde of' bevederde pooten.

Ofschoon in Duitscliland de namen Perrücken- en Selileiertaube voor dezelfde duif gebezigd worden, ziet men in ons land onder den naam Üluierdvif nu en dan eone duif geëxposeerd, die volgens Dc Braconior van Nes „do vorm en grootte eener grove Engelsclie Raadslieerduif heeft. De kap is echter nimmer zoo vol uocli zoo lang van veer en reikt zelden verder dan tot den bovenkant der borst. De geheelo duif is wit, behalve de kop, de keel en dat gedeelte van den hals, dat tusschon de kap ligt. Op de borst is een scherp begrensde horizontale lijn de grens van dc gekleurde partij, die zelden anders dan in de hoofdkleuren voorkomt. Do pooten zjjn onbevederdquot;.

Wij maken juist om den naam te dezer plaatse melding van deze duif, ofschoon het niet uitgemaakt is, dat zij, zooals sommigen meenen, aan de Raadsheerduiven verwant is.

Do Pigeon coquille barhu, die we bij de Latsduif genoemd hebben, wordt als eone variëteit dezer duif beschouwd, alsmede nog eone andere duif, zonder kap, doch met cene smalle, witte streep in de plaats daarvan.

ocr page 152

144

Derde groep. Craval-duiven C. collar os. Meeuwtjes — C. turbita, L. — C. collo hirsute, Frisch —Frilled Pigeons, Turhits — Pigeons rravatés, —- P. a jabot, Möventauhen.

De rijke greep der Meeuwen heeft, naar men zegt, zijnen naam gekregen wegens de overeenkomst dezer duiven met dezeemeeuwen. Het is mogelijk, doch die overeenkomst is niettemin eeno zeer oppervlakkige. Doch de naam bestaat, en reeds zeer lang en — is misschien ook even goed als een andere.

De Meeuwtjes behooren tot de lievelingen van die personen, welke van de normale duivennatuur houden. Zij zijn van oud-Oosterschen oorsprong, doch zijn reeds sedert langen tijd algemeen verbreid en gewaardeerd en worden in liet Oosten, zoowel wat de kleur als wat de teekening aangaat, in een graad van volmaaktheid gefokt, die alles overtreft, wat het Westen in dit opzicht, zoowel wat deze als elke andere soort aangaat, tot stand heeft gebracht.

Do Meeuwtjes behooren verder tot de kleine, ja, het meerendeel hunner variëteiten en slagen zelfs tot de kleinste duivenrassen; zij zijn gedrongen en gespierd van bouw, wat kort, doch volstrekt niet plomp van figuur, heboen eene sierlijke, trotsche houding, zijn levendig en bevallig in hunne bewegingen, goede vliegers en niet bijzonder schuw van aard. Zij vermenigvuldigen zich ook goed.

Het hoofdkenmerk der Meeuwtjes is oen van de kin tot het midden van de borst loopende keelzak of wam, welker huidplooien tevens een uitwendig karakteristiek kenmerk vormen, namelijk de jabot of cravate. Deze keelzak — Gullet of Dew-lap — is een belangrijke eigenaardigheid der Meeuwtjes, niet alleen omdat hij door eene soort van spanning het gezicht als 't ware naar beneden trekt, maar ook omdat er niet aan „gedokterdquot; kan worden, zooals aan andere kenmerken en dus als een zeker kenmerk van het zuivere ras kan worden beschouwd. Bij het opnoemen der kenmerken dient dan ook in de eerste plaats deze keelzak of wam te worden genoemd en onmiddellijk daarna de daarmee samenhangende jabot.

De kin- of keelzak is een dunne, doorzichtige, tamelijk strakke huidplooi, die zich, zooals gezegd is, van den wortel der benedenkaak tot ver naar beneden op de borst uitstrekt; bij goede, oude exemplaren wordt hij wel eenige centimeters „diepquot; of breed, doch als hij zich tot zulk een volkomenheid zal ontwikkelen, dan moet hij reeds merkbaar zijn, als de duiven ongeveer weken oud zijn. Een diepe keelzak wordt vooral bij goede, kort-snaveligeen laagziende individuen iioog gewaardeerd, omdat hij een natuurlijk.

ocr page 153

ur,

lnet kujistniatig aangobi'aclit, dus uun oubodriegoljjk kenmerk is. Hoe breeder lijj derhalve is, hoeveel te meer waarde de vogel heeft. Aan de lengte ervan wordt minder gewicht gehecht, ofschoon eene behoorlijke lengte altijd gewenscht is. Overigens is de keelzak bjj eerste-klasse vogels dikwijls zoo zeer — en zooals Fulton beweert, ten koste van den slokdarm— ontwikkeld, dat de dieren daardoor in liooge mate gehinderd worden in het voeren hunner jongen, zoodat deze dikwijls van honger omkomen.

Het tweede eu fraaiste kenmerk is de jabot, die echter zeer moeilijk in de vereischte volkomenheid te k wecken is. De volmaaktste vorm, de „rose-frillquot; — komt voornamelijk bjj do Uilen Owls — voor. Zij bestaat uit losgebaarde, in verschillende richtingen gebogen hals- en borstveeren. Deze strekken zich tor weerszijden van een over het midden van den keelzak loopende lijn uit, van de keel tot aan de borst, bebooren zich naar rechts en links om te buigen en zich beneden, oji de borst, af' te ronden en de zoogenoemde inzette te vormen. Behalve de vorm en de ligging van deze vederen komt ccbter ook bun aantal wel degelijk in aanmerking. Al deze eigenschappen der jabot komen ver-eenigd echter zeer zelden voor;

maar al te vaak is de jabot onregelmatig of' eenzijdig en even dikwijls is zjj te onvolkomen door een te gering aantal gebogen veertjes. Het ergste is echter, dat een uitstekende jabot in den regel gepaard gaat met andere gebreken,

als slechte schenkels e. a., welke gebreken men dan echter ter wille van de jabot gewoonljjk over het hoofd ziet.

Verder volgen als hoofdpunten

do /.op en de snavel, omdat beide

samenwerken tot het verkrijgen

van een hoofdvereischte: een korten, naar beneden gerichten snavel.

De snavel moet kort en dik zijn en vanaf den wortel in een bevallige bocht naar beneden gericht; eene goede ontwikkeling van de snavelwratten, welke tamelijk vol en sierlijk afgerond moeten zijn. draagt daartoe niet weinig bij. De uiterste punt van den bovensnavel behoort bovendien, evenals bij de uilen, een weinig haakvormig over den benedenkaak gebogen te zijn. Al deze eigenschappen ontwikkelen zich met toenemenden leeftijd tot grootere volkomenheid, doch moeten reeds iu de jeugd merkbaar zijn,

Kai.iu.mus, J'luiinvectoeU. II. 10

ocr page 154

i W

wiiiiiu'ci' er iels gouds van lo vurwiiclitoii /al zjjn. l)if guldt ook van den koj), wolko reeds liij de nosljongen den jniston vorm moot hobbon, aangezien mol den leel'ljjd wel do dikte van den kop toeneemt, doeli de oor-spi'onkeiijke vorm weinig verandert, wat (ronvvens bjj alle kortsnavelige duiven rassen hot geval is. De hetrekkeljjk groote, of'in elk geval groot schijnonde kop moet v:im de snavelpnnt tot liet midden van den schedel eene fraai, gelijkmatig jiebogeii lijn vertoonen en van daar naar achteren toe wat sterker atloopen, wat bij de gladko])pige meeuwtjes duidelijker merkbaar is.

Voorhoofd en schedel /jja tamelijk breed; laatstgenoenido steekt achter en boven de oogen een weinig sterk voornit, waardoor de gelieele kop den vorm verkrijgt, dien men gewoon is „hoekigquot; te noemen. Schedel en voorhoofd mogen echter volstrekt niet vlak, doch moeten naar alle zijden sierlijk gewelfd zijn.

Met uitzondering van de zoogenoemde Uilen — Owls — welke steeds zonder kuif belmoren te zijn, komt bij alle meeuwtjessoorten zoowel de pnntkuif als de schelpkuif voor. Men neemt algemeen aan, dat laatstgenoemde de oorspronkelijke vorm is geweest, waaruit zich de pnntkuif heeft ontwikkeld, welke meer het werk der moderne fokkers schijnt te zijn. Bjj de pnntkuif komt bet vooral aan op don vorm en de wijze, waarop zij is aangezet. Zij moet hoog zijn en gelijkmatig gevormd; wanneer zij zulks van natuur is en er dus niet aan ..gedokterdquot; is, dan bevindt zich daaronder de zoogenoemde maan: n.1. een aantal naar achtereti en naar boven gerichte veeren, Vis. 5ij. Oebrokkigo mocnvonko,,. wolice f]e puntkuif aan den ach

terkant nis 't ware aanvullen, zoodat deze daar door eene bijna rechte lijn wordt begrensd. Bij eene onvolkomen kuif ziet men op zijn hoogst een bosje onregelmatige en verwarde vederen, welke de kuif. in plaats van haar nan den achterkant een weinig bol te maken, eerder een hol aanzien geven, wat als eene fout wordt aangemerkt. Bij overigens goede, doch to vei- nnar achteren aangezette kuiven is weinig of niets van een maan te zien, liet is eene fout hij de puntkuif, wanneer zij aan de eene zijde meer

ocr page 155

147

voeren heeft dau aan do alulero; do synmietrio in evenwel door liet uittrekken van eenigo veertjes gemakkelijk te horstellen en de moeste liefheli-bers zien er dan ook niet togen op, deze operatie te verrichten. De figuren 54 en 55 geven oeno voorstelling vim oeno goede puntkuifvorming mot alle veroischten, alsmede eene met do daaraan voorkomende fouten.

Natuurlijk wordt de gehoele collectie fouten: een lange snavel, to laag staande wratten, te laag aangezette kuif, liet ontbroken van de maan en don keelzak — zelden bij één en denzelfdon vogel aangetroffen.

Do schelpkuif behoeft geene nadere beschrijving; zij breidt zich als een franje om het achterhoofd uit. Opmerkelijk evenwel is het, dat beide soorten van kuif met betrekking tot de andere punten gewoonlijk van zeer verschillende waarde zjjn.

Terwijl namelijk de puntknif meestal vergezeld gaat van een dunnen snavel, een smallen schedel en weinig ontwikkelden keelzak, zijn bij de aanwezigheid der schelpkuif deze punten zeer dikwijls van uitstekende hoedanigheid.

Fulton zegt, dat lijj tot op heden nog slechts één van een puntkuif voorzien Meeuwtje heeft gezien, dat even goed van snavel, kop en keelzak voorzien was als vele breed gekuifde. Hij verklaart dit uit eene eenzijdige kwecking op do puntkuif door twee van eene puntkuif voorziene duiven met elkander te paren, waarom hij dan ook, om verbetering van deze gebrekkige punten te verkrijgen, voorstelt, beide kuifvormen onder elkander te paren.

De oogen zjjn groot in betrokking tot de lichaamsgrootte, staan niet, zooals gewoonlijk het geval is, ongeveer midden in den kop, maar een weinig meer naar boven, naar den schedel toe. Deze plaatsing en de in den regel - en bij alle kleuren voorkomende donkere iris doen de oogen nog grooter schijnen dan zij werkelijk zijn. Er komen evenwel ook oranjekleurige oogen voor en bjj de Engelsche en Egyptische Owls, alsmede bij eenige Oostersche variëteiten, zjjn deze zelfs regel. Ook treft men er aan met parel- en glasoogen. Wanneer de vogels overigens goed zijn. worden zij om deze afwijkende kleuring der oogen echter niet minder geschat, ofschoon eene donkere kleur regel is.

Slagpennen en staart zijn kort en geven met de breede borst aan de Meeuwtjes die tamelijk korte, stijve en compiicte gestalte, welke in ver-eeniging met hunne sierlijke, coquette houding — zjj staan zoor goed op de naar proportie lange, naakte pooten deze duiven tot eene zoo aan-trekkeljjke, symmetrische verschijning maakt. Hiertoe draagt echter ook het goed aansluitend, gladde jievederte met zijne rijke schitterende kleur en sierlijke teekening niet weinig bij.

ocr page 156

I 48

Op Imogcruii lool'tijd lalcn /.ij de .sliigpomuüi liiingvn in'onuls dc kort-snaveligi; Tuimulaui'is.

In Engeliind worden do Moouwtjos vordoold in Uilon — Owls, eigenlijke Meeuwtjes - Tiirhils en Üostersclio variëtoiteu — üriciilid fi-itted igt;iiieoiis. Onder Ifiion verstaat men de éónkleurige gladkoppige Meeuwtjes, onder eigenlijke Meeuwtjes do gcteekende en van een kuif voorziene en onder Oostersclie de A/.iutisclu; variëteiten. Deze verdeeiing is eehter weinig steekhoudend en het komt ons voor, dat oene verdeeling in Westersehe en Oostersehe nog altoos eene grootere zekerheid geeft; eeno verdeeling naar de niet of wel aanwezige voetbovedering, welke tot voor ongeveer tien jaren voor zoo verre eene dubbel kemnerkende was, daar de toenmaals bekende Oostersehe meeuwtjes allen bevederde en do Westersehe onbe-vederte pooten hadden, heeft sedert, dien tjjd met betrekking tot het kenmerkende bare waarde verloren, daar er intusschen ook Aziatische meeuwtjes met onbevederde pooten ten tooneele zijn verschenen.

Wij zullen ons hier daarom maar houden aan eene verdeeling in Oosterse]ie en Westersehe meeuwtjes en beginnen met de laatsten.

A. Weslersehe-, luiroiiecsclic en Afrilmimsche Meeuwtjes,

(i)iet onbevederde jiooten).

1. Het Duitsehe Meeuwtje. Ooi, turhild comunuils. Gerniun Frilled Pic/eon.

I'ii/eou emvaté alleiiKind. Deutsehes Móvcheii.

I)(^ algemeene keuteekenen zijn eene lage stelling liij een zeer opgerichte houding en een zeer opgewekt, driest voorkomen. De lengte bedraagt .'SO a 3'2 centimeter en de lichaamsbouw moet zoo kort en gedrongen mogelijk en de horst zeer breed zijn. Do kop is bij de ongekuifden rond, bij de gekuifden meer hoekig met een hoog en steil voorhoofd: de zeer korte, breede en dikke snavel moet do richting van het voorhoofd volgen, tevens behoort hij wit te zijn en tamelijk groote, witte en gladde snavelwratten te hebben; de iris is, al naar de kleur van het gevederte, geel tot donkerbruin met een geelachtigen tot rooden oogring. De keel is scherp uitgesneden en van een Hinken keelzak voorzien, welke de keelinsnijding geheel vult. De korte, zeer breede hals is naar achteren gebogen en de volle jabot strekt zich uit van den bovenhals tot op de bovenborst. De zeer breede, ronde en naar voren gewelfde borst wordt hoog gedragen; ook de korte, een weinig gewelfde rug is zeer breed in de schouders, loopt naar achteren spits toe en schuin af tot aan den staart, welke goed gesloten en tameljjk kort is en een weinig opgericht gedragen wordt. De

ocr page 157

149

korte, aan den boog bfccdc on vast gosloton vleugels rusteii (j[i de zjjranflen van den staart. De buik is zeer kort, rond en vol in het voorste gedeelte, het achterste gedeelte is echter weinig ontwikkeld. De schenkels en de hielen der korte pooten zijn door de zjjveeren bedekt, loopbeen en teenen kort en onbevederd. Het gevederte is glad en goed aansluitend.

JJe meest bekende kleur variëteiten zijn;

u. Eénkleurige in wit, zwart, rood, geel, blauw, rood-, geel- en zilver-vaal; hiervan hebben de blauwe en de zilvervale zwarte, de geelvale gele en de roodvale roode vleugelbanden.

h. Wilslaarten in alle kleuren; deze onderscheiden zich boven de écn-kleurige door de aanwezigheid van een schelpkuit', welke ook aangetroffen wordt bij het meerendeel der c. Kleur staarten, welke in de vier hoofdkleuren voorkomen, Als fout

geldt bij dezen een witte onderkant van den staart.

(I. Sdiüd meeuwtjes. Deze zijn deels glad koppig, deels van een spits- of schelpkuif voorzien, behooren op de schilden na zuiver wit te zijn en ten minste zeven — correct echter lt;S of 9 — witte groote slagpennen te hebben. Gekleurde veeren aan of achter de schenkels zijn alleen eene schoonheidsfout en zonder heteekenis.

De Schildmeeuwen komen in de 4 hoofdkleuren voor en verder als blauw gehamerd of geschubd, zilver-, rood- en geelvaal. Allen, met uitzondering van de zwarte, roode en gele, hebben vleugelbandcn. liet Akensche of Lak-schildmeeuwtje, dat alleen in zwart, rood en geel voorkomt, is wezenlijk op diepte en glans van de kleur der

schilden gefokt, waarbij de typische kenmerken der Meeuwtjes verwaarloosd werden; vooral heeft de figuui'geleden : de kop is te smal

ocr page 158

150

on du snavel te lang' geworden; hij volc ontbreekt de keelzak en de broek is dikwijls gekleurd.

Snipmeeuwtjes; deze komen in de \ hoofdkleuren voor en met de teekening der Snipduiven. De bovensnavel der blauwe en zwarte is zwart en de benedensnavel vleeschkieurig; bij de roode en gele behoort de geheele snavel vleeschkieurig te zijn.

'i. Ilel Kngelsche Meeuwtje; The frilled inyeons, Owls en Turbits.

Pigeon evavalr anglais. V.nglisciies Movcheu.

Deze kunnen zeker beschouwd worden als naar Engelsehen smaak getokte gewone ot' Duitsehe meeuwtjes.

Dat de éénkleurige met den naam Owls — Uilen —• en de overige met dien van Turbits worden bestempeld, hebben we reeds eerder opgemerkt, zoodat ons nog overblijft mede te deelen. aan welke eischen „volmaaktequot; Engelsche Meeuwen moeten voldoen. Men verlangt ze ter lengte van 3l2 tot .'!! centimeter, de üwls grooter dan de Turbits; de kop behoort bij de eersten glad te zijn, bij de laatsten spits gekuifd, kort en breed met een steil voorhoofd, terwijl de snavei de richtingslijn van den kop volgen moet; een hoekige kop wordt niet. gedoogd. De neuswratten moeten niet hoog zijn, doch kort, breed, glad en wit bepoederd; de blauwe üwls behooren een hoornkleurigen, alle overige een witten snavel te hebben. Deoogringen moeten bleek zijn. De keel is rechthoekig, de keelzak sterk ontwikkelden naar voren gericht, zoodat de keelhoek er bijna geheel door gevuld wordt; do lange jabot is eveneens sterk ontwikkeld en bestaat uit twee rijen vee-ren, die naar beide kanten omliggen en een weinig gekroesd zijn; zoo mogelijk moet de jabot op de borst een rozette vormen, zooals fig. 5(5 h aangeeft.

Owls komen voor in blauw, zilver en zilver gepoederd, wit, zwart, geel en rood, in de laatste vier genoemde kleuren echter zelden; de blauwe en de nevenkleuren daarvan hebben zwarte vleugelbanden en worden ook in de geschubde teekening gefokt. De Turbits hebben gekleurde vleugelschil-den en gelijken veel op de Duitsehe schild meeuwen, doch zijn meer volmaakt van figuur, kop en snavel; bun normaal hoofdsieraad is de hoog in den nek aangezette puntkuif, waarvan de punt tot boven den schedel behoort te reiken. Hreedgckuifde en gladkoppige Turbits voldoen niet aan de eischen van den standaard en kunnen alleen voor bijzondere doeleinden bij het fokken dienst doen.

ocr page 159

.•{. lid Hijiijil inch a Meeuwtje, Affikuumch of Tun inch Mccinrtjc, C. lurbita ufricanu. The African Owl. Afrikaidsche Etde. I'u/eou cruvatd tunésieri. 'JO on 56«.

Dit Meeuwtje is een in alle opzichten voel klohiero vorm van do Engolsclio Owl, met dit onderschoid, dat hot in alle aan do Moeuwen oiyono hjjzon-dorheden evenzeer uitmunt, mIh do Owl daarin meestal to kort nchiet. Fulton beweert zelfs, dat, wanneer or één duivonras „volkomen gefoktquot; is, hot dit fraaie Meeuwtje is, dat workolijk dikwijls niets te wonschon overlaat. Bij geen andere soort komt ook ile echte rozotto in den regel heter tot oen volkomen vorm. De Egyptische meeuwtjes bohooron tot do kleinste duivon en zijn nauwelijks grooter dan de Almond-tuimelaars. Zjj worden bjjzonder gaarne klein gezien, dooli oeue lengte van i!(i a 'ih! oontimeter is jnist geen bepaald voorschrift; voldoende is het, wannoor zij kleiner zijn dan andere Meeuwtjes.

Dit uiterst bevallige, compact gebouwde en toch zoo symmetrisch gevormde Meeuwtje van de edelste en zuiverste duivonhouding is niet alleen in Engeland, doch ook op het vasteland van Europa de lieveling dor meouwenfokkers geworden; daar do ouden hunne jongen echter slecht voeren, moet men voor vreemde voedsters zorgen, waarvoor men veelal pauwstaartduiven, witkop- of baardtuimelaars, kleine ekstorduiven of grootere meeuwenvariëteiten bezigt. Volgens Dürigen komt het Egyptische meeuwtje voor;

it. éénldeurig in wit (het talrijkst ingevoerd), zwart (meer grauw- dan

diepzwart), blauw met zwarte banden, geel en rood.

. h. Kleurslaarlen, en wel witte met blauwen of zwarten staart, gewoonlijk niet scherp geteekend;

c. Blauw-ivil en zwart en wit ijevlrkte; deze zijn zeldzaam doch zeer fijn van ras;

il. Geeivale, welke slechts nu en dan geïmporteerd worden.

4. liet llaliuaittichc Meeuwtje, ('•. hirlnlu üalica. The ituliun frilled [lujeon, Italieuisches Miwehen,

Deze meeuwensoort werd voor hot eerst in hot jaar IXXO door den hoer -f. E. Engelhardt te Neurenberg oj) de Dresdener tentoonstelling vertoond en wel onder den naam van Turkscho meeuw; haar vaderland is evenwel Opper-Italië. Zij heeft veel overeenkomst met do Engelsche Owl. waarvan zjj echter verschilt door dat zij hooger op d(* pooten staat, alsmede door haar kortoren romp, hare opgerichte houding en staart.

ocr page 160

152

Marten geeft ér do volgende bosclinjving van: do grootte is 30 a 32 centimotei'; de gestalte on do lionding y.ijii die van de Engelsohe Owl, (locii do Hchedel is wat vlak kor en liet ticlitorlioofd liookiger; do snavel is zwart, kort, brood en dik en vormt mot liet voorhoofd één sterk gebogen Ijjn; het oog is koraalrood en onigeven door een donkeren imidrand; do keel scherphoekig, de keelzak niet zeer ontwikkeld; do hals is niet geheel

zoo kort als die dor Engelsche Owl en aan don nek sterker gebogen, ronder en dunner; de jabot is maar matig ontwikkeld; de borst is breed rond en goed naar voren gericht; de rug kort, weinig gewelfd, brood in de schouders en naar achteren schuin afloopend; de vleugels zijn kort, aan den boog zeer breed, de slagpennen stevig gesloten en op den staart rustende; de staart is tamelijk kort, goed gesloten en wordt sterk omhoog gedragen; de buik is zeer kort, breed en rond, naar achteren spits toe-loopend; de pooten zijn langer dan die der Owls en onbevederd; kleur en teekening: ijsblauw met zwarte vleugelbanden en ijsblauw met leeuwerik-grijze schubben.

Prof. von Rozwadowski geeft een veel grooter aantal kleurvariöteiten op als; roode en zwarte, welke in den regel mat van kleur zijn; gele, die wel is waar zelden voorkomen doch tamelijk zuiver in de kleur zijn en vrij goed van figuur en kopvorming; witte, die wat den vorm van den kop aangaat meestal slechts middelmatig zijn; blauwe, welke in den regel onberispelijke rastypen zijn. Vooral de melkblauwe of zilver-gepoederde zijn volgens v. 11. onvergelijkelijk fraai en schitterend: kop, hals, borst, alle vleugeldekveeren, het onderlijf en de rug zijn alle volkomen gelijk en licht van kleur, de staart- en slagpennen echter van eene donkerder nuanceering. De karakteristieke kleur berust hierop, dat alleen de uiterste

ocr page 161

153

punten van de kleine veeren melkwit van kleur zijn, terwijl het onderste gedeelte daarvan leiblauw is. Het effect van deze eigenaardige kleuring wordt nog verhoogd door de zwarte, fijn besneden vleugolbanden en den breeden, een weinig meer matten staartband. Ook meikblauwo — ijsblauwe met zwart gestippelde vleugeldekveeren worden door prof. v. 11, geroemd als een zeer fraaie en bijzondere kleurvariëteit.

5. ,/te Chineesche Meetmljes, C. htrhila harhalu, (chineiimquot;/), The Whiskered Owl. Pvjetm cruvulc chinuis. Burlmöwhen,

Als deze Meeuwduif oorspronkelijk uit (quot;hina stamde - - wat echter nog niet vast staat — dan zouden we om consequent te zijn haar misschien tot de Oostersche soorten rekenen; deze laatste stammen echter, voor zoover zij bekend zijn, alle uit Klein-Azië, dus uit een warm klimaat, terwijl het zoogenoemde Chineesche Meeuwtje door hare hardheid en weerstandsvermogen verraadt, dat zij uit eene koudere luchtstreek afkomstig is; nu kan de streek van herkomst zeer wel in China liggen, doch dut is wed een weinig ver van het vaderland dier duiven, die gewoonlijk Oostersche nieeuwfjes worden genoemd.

Sommigen meenen, dat het Chineesche meeuwtje een kruisingsproduct is en dat de Raadsheerduif mede tot haar ontstaan heeft bijgedragen: bewijzen zijn hier echter niet voor.

Men neemt aan, dat het Chineesche meeuwtje voor ongeveer eene halve eeuw in groot aantal in Tilsit en Memel is aangevoerd door uit Oost-lndië teruggekeerde schepen, dat zo vandaar in Zuid-Duitschland kwamen, toen

ocr page 162

154

voor langon tijd uit den handel verdwenen en er eindelijk een paar in handen kwam van den bekenden Franschen duiventbkker J. Dkstriveaux te Parijs, van wien ze overgingen in liet bezit van den uitstekenden kenner en fokker A. Prosclie te Dresden, die ze inet zijn gewoon succes verder fokte. Deze geïmportvmle exemplaren waren van eene zoo voikomene veder-(jabot) vorming, als men, volgens Prütz, nu reeds sedert lang niet meer te zien krijgt. Alles wat wij van de Engelsche, van jabot en rozette voorziene Meeuw weten, komt zoo nauwkeurig overeen met de uitvoerige beschrijving van die duiven, welke door Destriveaux naar het selujnt maar op goed geluk af Chineesche Meeuwtjes genoemd werden, dat men wel tot htt besluit moet komen, dat zij van denzelfden oorsprong zijn. De beslist altijd ronde Owlkop, de snavel, liet groote oog, de oranjekleurige iris, de dubbele jabot, grootte, houding, robuste bouw en groote gehardheid zijn aan beiden gemeen. Ook leggen zjj zeer goed, doch broeden niet altijd met succes en ile jongen moeten zorgvuldig tegen de koude beschut worden.

De vederversiering aan borst en hals is samengesteld uit tal van veeren, die vanuit een scheiding aan den voorhals links en rechts naar de zijden van den hals zijn opgericht doch den acbterhals niet raken; even onder de kin komen uit deze jabot eenige veeren, welke een aan beide zijden van den hals, sierlijk gerond en goed aansluitend halskraagje (cravate) vormen, terwijl ile van de scheiding tusschen borst en hals naar beneden en zijwaarts gebogen veeren daar eene rozette vormen.

Volmaakte exemplaren komen alleen in wil en blauw voor; de in zilverblauw, zwart, rood en geel voorkomende zijn gebrekkig van kleur en van vedervorming. Er zijn van deze soort ook reeds zeer goede schildmeeuwtjes gefokt, doch deze zijn zeer zeldzaam geworden.

Wij laten hier nog de altoos zeer te waardeeren Engelsche fokvoorschrif-ten volgen. Al is het ook, dat de bekwame meeuwtjesfokker er geene behoefte aan heeft, zjj bevatten altoos nog wel enkele vingerwijzingen, die den naar de juiste fokwijze zoekenden liefhebber welkom zullen zijn.

De standaardteekening der Turbits is, zooals bekend is, het schild, dat wil zeggen, de gezamenlijke vleugeldekveeren. Al het overige gevederte moet, wanneer men den vleugel oplicht, zuiver wit zijn. De blauwe en de zilvermeeuwtjes moeten bovendien zuiver zwarte vleugelbanden hebben, de laatste desnoods ook bruine of gele. Dikwijls voorkomende fouten zijn gedeeltelijk gekleurde slagpennen en schenkel veeren.

Deze speciaal „meeuwtjesteekeningquot; genoemde teekening komt deels éénkleurig in de hiervoor genoemde kleuren, deels in twee daarvan voor en is meestal zeer fraai.

Het hoogst waardeert men de zwartschildmeeuwtjes, zoowel om het

HSL

ocr page 163

155

contrast dor tookouing als om do zeldzuanihoid van goodo exomplaroti in dozo kleur, vooral spitsgekuifde. Men verkrijgt zulke of verbetert ze ten minste door paring met breedgekuifde zwartschildige, onder welke men niet zelden zeer fraaie exemplaren aantreft, ofschoon juist deze gewoonlijk, wat de kuifvorming aangaat, te wenschen overlaten. Dit werkt liet verkrijgen van eene goede puntkuif echter in de hand, vooropgesteld, dat de eene duif er zulk eene heeft, terwijl de andere, de breedgekuifde, hare overige betere eigenschappen op de nakomelingschap overdraagt, welke bij de eerste gewoonlijk slechts gebrekkig voorkomen. Heeft men in dit opzicht aijn doel bereikt, doch is de kleur of de teekening door die paring geheel of gedeeltelijk verloren gegaan, dan moet uien natuurlijk door eene zorgvuldige keuze van fokdieren ook weder voor dc herstelling van die fout zorgen; want ook in deze dient men den algemeen geldenden fokregel niet nit het oog te verliezen: dat men niet op éénmaal verbetering moet trachten tc brengen in alle punten, die zulks behoeven, doch steeds slechts op één of twee punten moet fokken; alleen op die wijze komt men, langzaam doch zeker, tot de gewenschte resultaten.

Het onderling paren van zwartschildige Meeuwtjes is echter niet altijd do kortste en zekerste weg om tot het doel te komen. He kleur wordt dikwijls slecht en maar al te vaak komen er bruingevlekte zwarte of bruingevlekte roode onder de nakomelingen. Om de kleur weder te verbeteren is paring niet diepgekleurde roode of gele aan te bevelen en daar deze in andere opzichten de zwarte overtreffen, heeft de kruising daarmede nog het voordeel, dat de zwarte ook in die opzichten verbeterd kunnen worden, bijv. zuiver witte slagpennen en schenkels en gewoonlijk ook dc puntkuif. Onder do anders gekleurde exemplaren, welke uit deze paringen voortkomen, zijn vooral de bruinschildige van belang, wijl deze gebruikt kunnen worden om de beste geelschildige te fokken. Bijna allo andere echter zijn uitstekend voor het terugfokken op zwart, waardoor dit zeer fraai en glanzig wordt.

Aan do roode en geks Schildmeouwtjes ontbreken slechts twee zaken om ze volmaakt te kunnen noemen, n.1. een korte, dikke snavel cn eene be-hoorljjko jabot. Beze gebreken zijn echter weder, evenals hij do zwartschil-den, te vereffenen door paring mot breedgekuifde exemplaren, wolko in die beide opzichten beter zijn ontwikkeld. En dit is bij het groot aantal goede vogels in deze kleuren volstrekt gecne moeilijkheid. Om do rijke, diopo kleur te verkrijgen, moet men echter van oudere exemplaren fokken, daar juist deze beide kleuren op toenemenden leeftijd fraaier worden: de doffers moeten evenwol niet ouder dan 3 a 5 en de duiven niet boven de 4 jaar oud zijn. Be gele verbetert men door roode, niet omgekeerd. Be kruisings-

ocr page 164

156

producten llt;ini men dan op lt;;ee1 tenigfokken. Om liet lioofdgolirek, een onvoldoende jabot, te verbeteren, blijft er nietx anders over dan de in dit opzicht allerbeste exemplaren, die men krijgen kan, met elkander te paren.

J)e blauw- en zilverschildige Meeuwtjes hebben zwarte vleugel banden; bjj de laatstgenoemde treft men er echter meer bruin- en zelfs geelachtige dan zwarte aan; voor deze laatste heeft men zich steeds te hoeden en men pare ze nooit met blauwe, Op zijn hoogst mag men soms zilverschilden met donkere banden paren met zuiver diep blauwe duiven, doch nooit omgekeerd, zooals vaak geschiedt.

liet is bovendien raadzaam niet op zilverschilden te fokken — die kleur toch is niets anders dan een licht of verbasterd blauw en deze alleen te paren met zulke blauwe, wier kleur hard is geworden of die daarin zwarte vlekken vertoonen.

Yan de blauwe vallen niet zelden blauw gevlekte, welke, wanneer de

u'deiteekening nauwkeurig en regelmatig is, zeer fraai zjjn, vooral de blauw gevlekte zwartschildige, zooals er eene in fig. 59 n is afgebeeld.

Behalve deze standaardvai'iéteiten, die allen een vleeschkleurigen snavel hebben en in den regel ook ('lt;!ii bruine iris, zijn er in Engeland ook nog andets gekleurde, zooals die bij de Duitsche meeuwtjes zijn opgegeven.

N\ jj meenen hier nog den goeden raad van Fulton in herinnering te moeten brengen: om namelijk „goede mannelijke Meeuwtjes te paren met matig groote witte vrouwelijke Owls, om door eerstgenoemden — de dotters vererven immers vooral de kleur — de meeuwtjes-teekening en door de (hvls kop, snavel en jabot te verbeteren en te bevestigen en eene geringere grootte te verkrjjgen.quot;

ocr page 165

157

15. Uiidersclii! Mf.euwljcs. Aziulinclic Meaiiioljcti. Dr/dtiliil frilled pigeons. Cramlr* du Levi int. OrienUdischv Kvansenlanhen of Aziatischc Mövchen.

Wie deze, door Fulton beschreven en door Ludlow afgebeelde prachtige Meeuwduiven nog niet heeft gezien, heeft geen denkbeeld van de wonderbare schoonheid en nauwkeurigheid van kleur en teekening, welke uit de zoo eenvoudig gekleurde en geteekende stamsoort van al onze liuisduiven zijn voortgekomen; die heeft geen denkbeeld van de volharding en de bekwaamheid, noch vun den smaak der Oostersche duivenliefhcbbers, waarmede deze eeue reeks van kleurduiven hebben voortgebracht, die alles overtreft, wat de kweekkunst van den monscli in dit opzicht tot op heden heeft gewrocht. Men mag met gerustheid zeggen, dat. hoewel vele der tropische en sub-tropische wilde duivensoorten deze „parelen en edclsteenenquot; onder de huisduiven aan kleurenpracht overtreffen, s'c'''11 enkele daarvan hun echter in de harmonie der kleuren, iiojgt;' minder in de fijnheid, nauwkeurigheid en schoonheid der teekening op zijde streeft. Hij deze, zoo bijzonder fraaie dieren past alles zoo geheel en ui bij elkander, dat men zelfs de eigenaardige voetbevedoring, die toch bij bijna alle iindere Meeuwduiven ontbreekt, niet durft wegdenken, uit vrees dat de symmetrie en harmonie der geheele verschijning daardoor zouden lijden. Eu niet minder merkwaardig is het, dat de indruk er niet in het minst door lijdt, of zij gladkoppig of van een puntkuif voorzien zijn. Wie geeu duivetdiefhebber is, moet het bij het beschouwen dezer prachtige dieren wel worden!

Eerst voor ongeveer veertien Jaren zijn deze pniehtduiven door zekeren heer H. 1'. (Jamdia, to Birmingham woonachtig, in Engeland geïmporteerd. ('ariiua, die ze vanaf zijn Jongensleeftijd in haar vaderland aan hare wieg, zooals hjj zegt zorgvuldig waargenomen en bestudeerd heeft en eveneens de desbetreffende inzichten der vurige Oostersche liefhebbers nauwkeurig leerde kennen, bracht zo van Klein-Azië — uit Smyrna en diens omstreken mede naar Engeland.

Het is bekend, dat de duiven ia het geheele Oosten sedert eeuwenoude tijden tot op den huldigen dag algemeen geliefd waren en door menig volk voor heilig werden gehouden. Dit was o. a. het geval bij de Assyriërs, in en bij alle tempels van Venus, aan welke de duiven gewijd waren, omdat deze godin door duiven gelukkig uit het in den Euphraat gevallen reuzenei werd uitgebroed; bij de Muzelmannen — nog heden ten dage worden tallooze duiven in de moskeeën van Konstantinopel door vrome geloovigën gevoerd; bij de Tartaren en bij de Russen, door wie de duiven gehouden worden voor de dragers van den Heiligen Geest, enz. Het behoeft

ocr page 166

•I 5S

ons dan ook niet h; vcrwoiidcron, dat, zooals Caridia Imweert, de duiven-fokkorij in Azië nog tegenwoordig met een ijver, bekwaamheid en succes wordt beoefend, die bjj niets vergeleken kunnen worden. Vooral geldt dit van de Meeuwduiven en verder van de kortsnavelige rassen, in wier kweeking bot Oosten ongetwjjfeld bet Westen overtreft.

De beer Caridin verdeelde deze ondergroep der meeuwen in drie variëteiten: Sulinetteii — atlasmeeuwtjes. Blondinetien = blonde meeuwtjes en Turhi-leeiien ~ snipmeeuwtjes, docb voegt hieraan toe, dat deze benamingen in Engeland zonder zijn locdocu zijn ontstaan. Hij karakteriseert ze in 't algemeen op de volgende wijze:

Grootte: een weinig grooter dan de Engelscbe meeuwtjes.

Gestalte : gedrongen en krachtig.

Kop: groot en rond naar alle kanten, zonder oneffenheden.

Wangen: vol.

Snavel: kort. stevig, naar beneden gericht en in de boogljjn van kop en hals liggend.

Keelzak: vol, van de kin tot zoo laag mogelijk langs den hals en tot het begin van de jabot.

Hals: tamelijk lang en fraai gebogen.

Schouders: breed.

Romp: naar achteren spits toeloopend — „acutely taperedquot;.

Loopbeen: lang, geheel met korte veeren bedekt, evenals de teenen (gronse-mvfl'ed).

Houding: rechtop.

Beweging: waardig — een weinig gemaakt — conceited.

De grootte varieert evenwel; docb groote exemplaren genieten in het Oosten wegens hun stout uiterlijk, hunne sterkere constitutie en grootere vliegkracht de voorkeur.

I5ij deze kenmerken moeten nog gevoegd worden:

Jabot: sterk ontwikkeld.

Horst: zeer sterk naar Voren gericht.

Schenkels: sierlijk en kort gebroekt.

Sedert de door den heer Oaridia aangenomen verdeeling der Oostersche meeuwtjes, waarvoor ook de namen: Smi/rnasche, Levantschc en Tnrksche meeuwtjes gebezigd worden, zijn er nog hjjgekomen de Anatolische en de Aidinev meeuwtjes, zoodat er heden, volgens prof. Von Kozwadowski'te Krakau, .! hoofdgroepen van Aziatische meeuwtjes aangenomen moeten worden: do oudere Smurnrifiche en de later bekend gewordene /inrilolinchc en Aidhicv meeuwtjes. Terwijl eerstgenoemde allen bevederde pooten hebben, moeten, volgens genoemden geleerde, de beide andere groepen

ocr page 167

15! •

Dtibovodoi'di! [loohüi on ook gccn sjiiogols of bandon liolilion. Er scliijnt (lionaaiigaando — on dat is wogons do niouwhoid niot to vonvondoren — oclitoi' nog eonigo onzokorhoid to lioei'schcn, want, hoowol Marten do Anatolisclie nioonwtjos als naaktljuonig bosclirijft, /jjn deze door .1, liungart/. in zijne „Taubonrassonquot; mot bovodorde pooton afgoboeld.

Voor wc tot do optelling der in do drie groepen voorkomende kleuren en teekeningen overgaan, nog een enkel woord over den spiegel (den spiegelstaart), welke wij bij de meeste der Smyrnasclio meeuwtjes aantreffen en die bij de anderen moet ontbreken. Dien spiegel vindt men op een gekleurden staart en bij bestaat uit een rondaebtige, witte, doch door een fijnen donkeren zoom omgeven vlek vóór liet staarteinde. Zjjn vorm is gewoonljjk ovaal, doch ook wel lialf-ovaal of peervormig.

I. Smyrnasche Meeuwtjes.

Naar de opgave van prof'. Rozwadowski komen hiervan tot op lieden de volgende kleurvariëteiten voor:

a. Eenkleurige in wit, zwart, blauw, blauwzwart gehamerd, vaal en liarlekjjnkleurig, alle zonder spiegel en witte banden;

b. Eenkleurige Blondinetlen in blauw en vaal, met volmaakte banden en spiegels, alsmede zwarte met gebrekkige banden.

c. Geschubde Blondinetlen in alle kleuren, zeer zelden in zwart en zuiver geel, goed in blauw; bij alle overige klourslagen wordt de zuiverheid der kleuren door vermenging met grijs benadeeld. De geheelc soort plant de kleur en do spiegel vorming zeer onbestendig voort, vooral bij paring van geheel gelijke dieren.

d. ScltildmeeHwljes met (jekleurden spiegehlanrl; SalineUen in donker ■ledorlmiin en blauw geschubd; Drunelten, llhtellen, Silrerellrn, zwart- on geolschildig(! en het Nelmrnenuirlje (llelwel).

e. Sehildmeeuuijes met snip en met uillen staart Turhiteenrn — in alle kleuren, ook in geel en rood ; de beide laatste zjjn vooral zeer intensief, wat des te opvallender is, omdat deze kleuren anders bij den gcheelen stam der Aziatiscbe meeuwtjes ontbreken.

f. Mrl gekleurden staart, met en zonder spiegel, in blauw, vaal en zwart; de laatste bebben slechts bij uitzondering een correcten spiegel.

I'rof. Rozwadowski raadt aan bjj de Turbitoenen alleen op het verkrjjgen van een goede voorhoofdsnip te fokken en de toch niet fraai staande en inoeiljjk goed te kweeken oorsni|»pen maar te laten varen.

En aangezien er ook Turbiteonen met onlievedcrde pooten voorkomen eejie tegenstelling met alle andere variëteiten van deze groep — en de

ocr page 168

KiO

intensiteit dor golo oil rootte kleur bij geen undm; variëteit der Aziatinclie meeuwtjes te vinden is, komt liet genoemden lieer voor, dat do Turbi-teenen als een zelfstandig, naar Smyrna ingevoerd en daar geacclimatiseerd ras beschouwd moeten worden.

11. Anatolische Meeuwtjes.

Deze worden voor de fraaiste, volmaaktste en meest rasechte der Aziatische meeuwtjes gehouden en vooral roemt men hen, omdat zij weinig eiscltend en zeer vruchtbaar zijn, zich bjjzonder gemakkelijk accllmatisecren en zeer nauwgezet kleur en teekening vererven.

Men verdeelt ze in twee hoofdgroepen:

a. Kénkleurige, tot heden alleen in wit.

I). Schilchneemvtjes met de onderafdeelingen;

1. Met gekleurden staart, In zwart, kofflehruin zonder handen, blauw en vaal met banden; beide komen ook gehamerd voor.

'J. Met witten staart, alleen in blauw en zwart.

III. Aidiner Meeuwtjes.

Vormen de Anatolische meeuwtjes in figuur, kop, snavel en alle overige hoofdpunten het ideaal van een gladbeenig Meeuwtje, de Aidiner meeuwtjes zijn van mindere kwaliteit en staan dichter bij de Smyrnasche, doch zijn bijna zonder uitzondering gladbeenig. Zij zijn tot heden bekend als;

ocr page 169

■1«4

cl. Üomino's, in mIIc kloui'oii behalvo bruin;

h. Züverschild; de groudkleur van het schilt! en den staart is zacht zilverblauw of zilvervaal, mot zwarte, gele en bruine handen; ook heeft men er met zwart gehamerde schild en banden.

c. Zwarte met imllc slagpennen.

Na deze indeeling van het overvloedige en toch nog zeer te vermenigvuldigen materiaal rost ons nog eene nadere beschrijving van de ondergroepen der Smyrnasche duiven of, beter gezegd, van de zoodanig geteekende, welke door bjjzondere benamingen als ondergroepen gekarakteriseerd /jjn geworden.

a. Satinetten — Col. serimlae (Atlasmeeuwtjes).

De heer Caridia houdt de Satinetten voor de grondsoort der meeste overige variëteiten en de Hrunelten, Bluctlen en Silverellen voor de directe afstammelingen daarvan. Alle oude, eerwaardige liefhebbers der Satinetten, voornamelijk de mohammedaansche, zijn van meening, dat zij afstammen van eene halfwilde Klein-A/.iatisc.lie duif, welke gestippeld gevederte, kort be vederde ponten en een korten snavel moet hebben.

De geheide ondergroep der Satinetten is wit, met gekleurde en geteekende vleugels, grijze stuit en gekleurde en geteekende staart voeren. De iris is donkerbruin, de oogleden /.jjn lederkleurig vleeschrood, de jabot is sterk ontwikkeld.

Sedert ongeveer 10 jaren heeft men zich er in Engeland op toegelegd om Satinetten met een gekleurden kop te fokken, voor Melk doel men Satinetten met zwaar bevederde pooten en de dikwijls voorkomende bonte veeren aan den kop kruiste met Domino-meeuwtjes. Nog slechts kortgeleden is men er dan ook in geslaagd tamelijk bevredigende resultaten te verkrijgen; men beeft deze nieuwe producten in twee kleurvariëteiten verdeeld — satinetblauw en zwart geschubd — en onder den naam ,, Vizorsquot; of Vlzor-rneeuivtjes ten toon gesteld.

De Vizors moeten een correcte puntkuif dragen en de kleur van den kop moet met die der vleugelteekcning overeenkomen, De grensljjn tusschen den gekleurden kop en den witten hals moet scherp zijn en ongeveer 1 centimeter onder den snavel door loopen; de kleur van den snavel richt zich naar die van den kop. De oogen behooren niet donker, doch grijs of oranjekleurig te zjjn ; de jabot is wit; de pooten zijn zwaar bevederd.

I. Bij de Salinelten (in engeren zin) zijn de vleugelveeren donkerbruin, welke kleur langzamerhand in eene lichtere nuanceering en eindelijk in wit overgaat. Op deze zoo fraai geschakeerde groudkleur vertoont zich een

IUldamus, l'luhnvootooit II. II

ocr page 170

-I (l'i

pui,[)(M,z\vart(j zoom, die aan (It! jmntcn doi' voeren don vorm van eeu miti ot' incei' rondo vlok aiuuiotunt. Up du grooto voeren is dio kleur lichter dan oji do kleinere dekveeren. zoodat do gezamenlijke vleugelbevedoring boven liet donkerst is en naar de slagpennen toe lichter wordt. Van de slagpennen moeten op zijn minst 7 het standaardgetal hij de Oostersche liefhebbers — en hoogstens 10 wit zijn. Do staartveeren zijn donker pnr-perblauw, met een grooto witte doch donker gezoomde vlek, de spiegel. Ofschoon do Satinetten oorspronktdijk gladkop])ig waren, zijn zij later ook met eene puntknif gefokt ; ilezo puntkuif moet echter zoo spits mogelijk toeloopen. JJit is evenwel van ondergeschikt belang, als de dieren in de hoofdpunten maar correct zjjn.

Hot naast bij de Satinette komt;

i2. De Ih'unallc., welke zich alleen maar door de kleur van de Satinette onderscheidt. De grondklcur van alle gekleurde veeren is namelijk een teer zilvergrijs; de kleur der teekening bestaat uit verschillende nuances van een donker grijs, met een zweem van lederkleur, zeiden van fraai zwavelgeel.

De vorm der teekening van beide variëteiten is meestal de pijl vorm, doch er komen ook gezoomde, gespikkelde, getoepte enz. voor.

;i. J)e llluelteii hebben lichtblauwe vleugeldekveeren met fraaie driekleurige banden, liet zijn de li kleuren der Satinette; tuit, dat langzamerhand in bruin overgaat en met zivarl gezoomd is; zuiver wiltc,, alleen met zwart gezoomde banden, worden eveneens hoog geschat. De blauwe staartveeren hebben spiegels evenals bij de Satinetten.

'k De SUrrrdlcn hebben zeer licht zilvergrijs gekleurde vleugelschilden. met banden van bruingrijs en wit (on zwarte eindzoomen); hoe witter de banden zijn, hoe hooger ze geschat worden.

Behalve deze i kleurvarioteiten heeft men nog zwarte en gele Satinetten met eene gelijke teekening cn ook blauw geschubde.

h. Blmdinelten (!nl. stictae,

De BlomUneUen waren het product van stelselmatige kruising van Satinetten met alle mogelijke meeuwtjes-variëteiten, in de eerste plaats met Owls, oen product, dat den begaafden Oosterse!len fokker, die zich met deze kruisingsproeven bezig hield, misschien zelf ook verbaasd zal hebben. Mij trok van een zilverkleurige Owl en eene Satinet een blauwe Owl (dofier) met gedeeltelijk bevederde pooten; deze paarde bij weder met een Satinet en verkreeg toen de eerste Blondinet, welke de beer ('aridia van den fokker ontving. Het was een doffer van ongeveer dezelfde teekening als bjj de

ocr page 171

KW

tegenwoordige Hlondiuetten, inet goed bevederde pooten, doch zonder witte vlekken op de slagpennen en niet slechts kleine witte vlekken op de staart-veeren. D« heer Caridia kreeg korten tijd daarna van een Turk eeno op de/elf'de wijze gefokte duif, die geheel aan zjjn doffer gelijk was, met welken lijj nu die duif paarde. Toen iijj, vóór het paar begon te broeden, op reis moest naar Amerika, kwamen deze dieren benevens al zijne andere duiven iu handen van een Presbyteriaan, onder wiens nauwlettende zorg de culii-veering begon, zich langzamerhand verbreidde en een hartstocht van alle liefhebbers werd.

Laten wij eens nagaan, welke resultaten men sedert het begin, voor ongeveer 40 jaren, heeft verkregen.

Het eerst verkreeg men de êênkleiiriyc Blondinetten en wel de blauwe en de zilverkleurige, gene met driekleurige, deze met tweekleurige of zuiver witte vleugelbanden.

i. De kleur der Ida uwe Blondinetten is een gelijkmatig helder licht-blauw, met den praehtigsten glans op den hals, welke bij alle variëteiten wordt aangetroffen. De vleugelbanden zjjn, evenals die der Bluetten, uit wit, bruin en zwart samengesteld. De witte, sinal zwart gezoomde teekening aan de punten der slagpennen en de witte vlekken der staartveeren volmaken de bekoorlijke teekening, die deze duiven zoo zeer geliefd maakt. Volmaakte exemplaren komen echter slechts zelden voor.

'2. De zilverldeuriije hebben dezelfde teekening op slag- en staartpennen; in de vleugelbanden ontbreekt echter het zwart. Zuiver witte banden worden in het Oosten zeer hoog geschat.

De sa lijn-Blondinetten zjjn purperzwart in verschillende nuanceeringen; buik en beenbevedering zijn namelijk lichter. De vleugelschilden moeten driekleurig zjjn als die der Satinetten; de witgebande stuurpennen en de, naar het schijnt, alle Blondinetten kenmerkende slagpenteekening — lange, witte vlekken, die het midden van de veer beslaan - maken deze variëteit tot een der fraaiste.

De zwarte Blandinclten zjjn slechts tweekleurig: zwart met witte doch zwart gezoomde vleugeldekveeren, slagpennen, benedenrug- en staartveeren; de laatste zjjn zeer smal gezoomd, doch hebben, evenals alle kiel-veeren, zwarte schachten. De bovenste kleine opperarm- en vleugelboog-dekveeren zjjn bjj deze variëteit hjjna nooit geteekend, maar eenvoudig zwart.

5. De bruine lllondinellen gelijken in kleur en teekening der vleugels en van den staart op de Brunetten; de slagpennen echter hebben een smallen zoom van dezelfde klenniuance, die zich in verschillende graden van donkerheid over het geheele overige lichaam uitbreidt en aan den kop het donkerst, aan de korte sokken het lichtst is.

ocr page 172

] (gt;4

O, 13c zimodklifui'iije «f iiuiuUiulzujo ziuuvcl-lUondhuitlcn — llulden-uecked Sulphur* — wier vleugultoekeniiig sterk vermengd is inet zuiver licht zwavelgeel, hetwelk naiir den lials toe diep leder- of goudgeel wordt. De grondkleur en teekeuing van vleugels en staart zijn evenals bij de vorige,

ook do kleur van het overige govedei'te; dc witte teekeuing der groote slagpennen en staartveeren is helder en breed. Zjj zijn zeer zeldzaam, doch wanneer zij volmaakt zijn, ook Imitcugcwoou schoon.

Wat de gezameuljjke schild-Hlondiiiettcu zoo wonderbaar fraai maakt, is juist dc donkere achtergrond der ééuklcurigo, doch sierlijk geschakeerde kleur van romp, kop cn hals, waartegen vooral de zuiver witte, op verschillende wijzen geteckendc vlcugclschilden en de eveneens witte slagpennen en staartvceren sterk afsteken.

7. De hfiüuijclDaiite (Imncn lijipcd) liloiidhicl, tig. ül((, is zeker de schitterendste van allen; de vlokteekening der zuiver witte vleugels en de witte, niet roodbruin gezoomde slagpennen steken prachtig af tegen het donkere roodbruin van het lichaam.

8. Weinig minder fraai is de gepijlde bhmwe Blondinct niet grijzen benedenrug — the arrow pointed Bloiidhielte - - fig. (i4lgt;. Zo is in 't geheel vijfkleurig, op de vleugels driekleurig: wit, bruin en zwart.

9. Ook de, ovei' het geheele lichaam leiblauwe, doch aan de beenbe-vedering licht aschblauwe, ijezoomdc lilominifl the laced Blondineite — is een prachtige vogel, met schoon genuanceerde, helder bruine, smal zwart gezoomde vleugeldekveeren en witte, met zwart omzoomde slagpennen en staartvceren.

De iris is bij alle Mlondinetten fraai oranjerood, de naakte, smalle oog-ring wit.

ocr page 173

1(55

Aangaande het fokken van deze Oostcrsche meeuwtjes raadt de lieer Caridia in 't algemeen aan, alleen kraclitige, volkomen gevormde vogels mot goede jabot en pooten met elkander te paren, doch geene die geheel gelijk van kleurnuance en teekening /jjn, omdat er in dat geval allicht te fijn geteekende, eventueel te lichte en onduidelijke kleuren te voorschijn komen.

Bepaaldelijk hjj de Satinetten moeten niet alleen evenals hjj de Almonds — fijn geteekende en licht gekleurde exemplaren met zwaarder geteekende en donker gekleurde gepaard worden, doch ook kan men deze „met bewonderenswaardig succesquot; 7net Brunetten kruisen; eene kruising, welke met zekerheid van eene der beide variëteiten volmaakte producten geeft.

Bluetten en Silveretten kunnen eveneens met goed gevolg met elkander gekruist worden. Zelfs kruisingen van deze variëteiten, ofschoon ze van vleugelbanden zijn voorzien, met de beide hiervoor genoemde hebben „perfectequot; vogels opgeleverd; zulke kruisingen onderneme men echter niet dan door nood gedrongen.

Ook late men zich door de geljjke kleur en teekening, die zooals bekend is ook bij de Hyacint- en Zwabische duif voorkomen, niet verleiden om met deze te kruisen ; deze toch verschillen in alle hoofdvormen zoo zeer van de Meeuwtjes, dat door kruising de hoofdvormen dezer laatsten onherroepelijk verloren zullen gaan !

Wat het fokken van Blondinetten aangant, hiervoor geldt alles wat er over liet fokken en het kruisen der Satinetten is gezegd. Er dient slechts bijgevoegd te worden, dat men alle kleurslagen der lilondinetten met driekleurige vleugelschilden onder elkander kruisen kan en moet. De ervaring heeft bewezen, dat de jongen volmaakt nauwkeurig op den vader of op de moeder gelijken. In geval van nood kan ifien ook met éénkleurige kruisen.

Deze — de blauwe en de zilverkleurige — Blondinetten kruist men insgelijks tot wederzijdsch voordeel ook met elkander.

Al deze variëteiten zijn uitstekende broedsters en voedsters; in hun vaderland brengen zij gewoonlijk S of !• paar jongen groot.

Men voert ze daar hoofdzakelijk hennipzaad, alsmede met dari en gerst. Zjj zijn in het Oosten evenwel vluchtduiven evenals de Tuimelaars: houdt men ze opgesloten, dan wordt het voeren van hennipzaad doodehjjk; de heer Caridia verloor op die wijze al zijne fraaie exemplaren, (ferst, alsmede nu en dan eenige broodkruimels en tot afwisseling dari is voor de opgesloten duiven het beste voer. I.aat men ze vrij vliegen, dan kan men ze evenals alle andere duiven behandelen. Als men do vluchtduiven te zeer vertroetelt, maakt men zo weekei ijk en zwak. en als men ze opgesloten

ocr page 174

■Uifi

lioudt, map moii zo niet to Dvervloorlig' vooron. vooral uiot met verliittondo 011 votvormondo vooderniiddolon als bijv. liennipzaad.

Dc „eerwaardoquot; 1) Aziatisclio fokkors scliijnoii niot alloon 0011 „brandendenquot; hartstocht voor hunno „parelonquot; te hebben, hnn fijne smaak ten opzichte van deze duiven volgt deze zolt's in de lucht. Caridia zegt, dat de liefhebbers aldaar de „samenstelling en het effect der kleuren bij het vliegen van don zwerm bostudeeron.quot; Een volmaakte zwerm of vlucht is op de volgende wijze samengesteld: 1° een aantal van de bedoelde variëteiten, 2quot; óónkleurige, H0 met gekleurde schilden, -V' witte mot donkeren staart, 5e witte mot donkere slagpennen, (i0 nonnen, 7° zwarte en roode met witten staart enz. enz. Nu denke men zich eens zulk een bonte zwerm in onophoudelijke beweging in de helderblauwe lucht, terwijl daarboven eenige Oostorsche rollers hunne dolle liarlokijnskunsten uitvoeren!

Genoemde duiven zijn niet alleen uitstekende vliegers, doch ook goed hokvast, daar zij, ten minste in het Oosten, geregeld weder op hun slag terug komen. Dit alles geldt ook van de hierna te noemen variëteiten.

Met betrekking tot de kleur der jongen valt nog op te merken, dat men zich niet ontsteld of ongerust over hun eerste vederkleed behoeft te maken: het fraaie, bruine purperzwart bij de Blondinetten verandert langzamerhand in de veroischte kleur en teekening, bet eerst op de vleugels, dan op de slagpennen en vlougelbanden en ten laatste op don staart; hetzelfde geldt ook van de onvolkomen tookeningen der Satinetten. Zulke jongen, welke niet de eene of andere der bedoelde teekeningen, voornamelijk aan staart en slagpennen krijgen, zjjn altijd nog geschikt om voor zekere doeleinden als fokmateriaal te dienen en soms zelfs onmisbaar.

c. De TurhUeenen (Siihmeeiiwljeit), C. turbitina-e — The TurlMeem.

i *

Piijeons iuvhiléens. Sclmippen- of (Ihrcit-Mövelicn l^ig. 02 en fig. 20, kop 4.

De Turbiteenen zijn, wat de voreischten van don koj) aangaat, werkelijk zoo goed als men die bij do Engelsche Owls verlangt: de kop is groot en gelijkmatig gewelfd, de snavel is kort en dik en vormt met kop en hals één fraaie, gelijkmatig doorloopende lijn; de jabot is vol en goed ontwikkeld, boenen en voeten zijn goed bevederd. Zjj zijn tamelijk groot, hebben eene elegante, deftige houding, diepe en glanzige teckeningskleuren van

1) Dnai- Caridia steeds Hprookt van „eorwaardoquot; lokkers en liel'liebliers, mag men aannemen, dat liet in liet Oosten vooral de ffeostelyken der voi'Hchilleiido christelijke KodHdioiiHtHoetcn en dor muzelmnnnen zijn, die z.ii^ti mot de duivcnteolt hozis honden.

ocr page 175

1(17

zeldzame schoonheid — vooral in zwart, rood en geel die zich alleen over de schilden, de voorhoofdsnip en de wangen uitstrekken en overtreffen in vorm en kleuren alle Engelsche meeuwtjes, hoewel /.jj eene vergeljjking met de driekleurige Satinetton en Blondinctten niet kuuneii doorstaan.

Het eigenlijk kenmerkende der Turbiteenen is tie kopteekening: n.l. èt' alleen eene spits ovaalvormige voorhoofdsnip, óf' benevens deze twee wangsnippen, welke laatste zich zijwaarts van den snavel over de gelieeie wangstreek tot over de zoogenoemde oorvederen uitbreiden.

Behalve de in de reeds genoemde drie priiclitklenrcn prijkende Tnrbiteenen, zijn er ook nog blauwe, blauwgevlcktc, zilverkleurige, met limine of'zwarte banden, zilver-, rood- en geelgevlekte. niet roodc en gek; banden en zeer licht bruine. De kopteekening is steeds uénklenri^. de gevlekte teekening bepaalt zich alleen tot de vlougelschildcn. De eerste 7 a 10 slagpennen moeten wit zijn.

De Turbiteenen, welke een groote kopteekening hebben, hebben evenals gekleurde Owls en de Hlondiiuitteu roede oogen. terwijl de met kleinere vlekken geteekende een bruine iris liebbcn; eene regelmatige*, groote kopteekening treft men maar zelden nmi. De snavel moet reeds bij de nest-jongen eene met de moer ot' minder donkere teekeningsklenr der dieren overeen-

stemniende kleur vertoonen. lieimlve genoemde kop- en

vleugelteekening moet de geheele duif'

wit zijn; donkore

schenkels worden echter gedoogd bij duiven, die in de hoofdpunten overigens volmaakt zijn.

Wat bet fokken van deze variëteit aangaat, bobben de oenvaarde Ooster-sche liefhebbers in het fokken op de klem juist geen nieuws uitgevonden. Wij weten immers reeds lang, dat men ook onvolmaakte duiven tot het fokken van volmnakte exemplaren kan gebruiken, dat de zwarte kleur zoowel als de roode verbeterd kiunien worden door kruising met elkander en door de daardoor verkregen producten weder met do overeenkomende kleuren te kruisen; dat deze zelfde wijze van bundelen ook gevolgd kan

ocr page 176

168

worden ter verbetering van fle kleur der roode en gele; dat men ten slotte twee vogels van do op dene wij/.o verbeterde kleuren met elkander moet paren; on dat men zich voor het paren van zwarte met gele moet wachten.

Aangaande liet ontstaan der Tnrbiteenen kan het volgende worden medegedeeld ;

Een invloedrijke Oostersche liefhebher kruiste cene reeds bestaande meeuwtjessoort - Meeuwtjes niet zwarten staart on kop, geteekend als de Nonnen met witte Owls. Het gelukte hem eindeljjk, eenige Meeuwtjes met geteekenden kop en witten staart te fokken, welke weldra in de mode kwamen, terwijl te gelijk de puntkuif' der eigenlijke Meeuwtjes op de Owls werd overgeplant, wat tot op heden „Oostersche stijlquot; gebleven is. Deze „revolutiequot; was een gevolg van den overvloed van en de onvoldaanheid over volmaakte gewone Meeuwtjes, alsmede van de eergierigheid en den ijverzucht der liefhebbers om iets nieuws en bijzonders in 't leven te roepen. Vóór echter de kopteekening bij het nieuwe product regelmatig gevormd en constant was geworden, trokken de Blondinetten aller opmerkzaamheid tot zich en niemand bekommerde zich verder meer om de volmaking der Snipmeeuwtjes.

Zoo is het tot op den huidigen dag gebleven. Men is tevreden, als er zich maar een vlek aan voorhoofd en wangen, ja, zelfs aan ééne wang vertoont, en de volmaakt zuiver geteekende, geïmporteerde prachtexemplaren zijn zeldzaam en gezocht. Alleen de beenbevedering, welke alle lieve-lingsduiven van het Oosten moeten bezitten, werd er nog aan toegevoegd.

De Tnrbiteenen behooren in hun vaderland eveneens tot de vluchtduiven en moeten bij ons ook als zoodanig gevoerd en behandeld worden. Zij zijn over 't geheel nog sterker, ook grooter en even vruchtbaar als de hiervoor beschreven variëteiten.

Vierde groep. Krulduiven — C, crispae,

i. Da Krui duif — C. hispida, L. — crispa, Aldr. The Frillback. lx pigeon frist1, Strupp-, Wolllaubc. Pig. 63.

De Krulduiven komen voor: ongekuifd en van schelpknif voorzien, glad-beenig en met kousen en sokken. Zij hebben de grootte en de gestalte der Veldduif, of juister van de IJsduif, daar zij geheel de korte beenen van deze laatste hebben; het gevederte is over het geheele lichaam meer of minder gekroesd en naar boven of verkeerd omgekruld. Men treft echter slechts weinige exemplaren aan. wier gevederte* geheel volkomen zoo ge-

ocr page 177

169

vovmd is; gewoonlijk zijn de kop-, hals- en zadclveeren slechts een weinig geki'oesd, terwijl de overige vederen van liet bovenste gedeelte van het lichaam, vooral de vleugeldekveeren, werkelijk gekruld zijn.

In Engeland heeft men de volgende kleurvariëteiten:

l. Wille ')

neens fraai gekruld is.

die eve

dikwijls met schelpkuif.

/warle )

meestal ongekuifd ten minste de grijze ^ en het meest volkomen gekruld, daar men ze alleen op het gevedertc; gefokt lieeft, zonder niet de kleur rekening te houden. J)e oogen zijn gekleurd, bruin of rood;

in Duitschland komt de Krulduif alleen voor in wit niet vleesohrooden snavel en nagels en oranjeroode oogen,

in het „echtstequot; ras — volgens Püh-rer — met gekrulde schelpkuif en bevederde pooten. liet gevederte is dicht doch zacht; ook de kleine slagpennen zijn naar de punten toe een weinig gekruld, doch de 1'i staartvee-ren niet.

De Krulduif is levendig en opgewekt van aard, doch wel wat weekeljjk;

in den ruitijd moet zij vooral warm worden gehouden. Zij vliegt licht en snel, doch plant zich slecht voort.

L. Brehm noemt de hier beschreven duiven „onechte krulduivenquot;; echt daarentegen noemt hij

'2. cirrnla, Hoogd. Lockenrlvif (gelokte duif).

hij welke alleen de vleugelschilden tot aan de lange slagpennen met lange krullen bezet zijn; iedere dekveer daarvan is van de punt af opgerold. Haar voorkomen is dat der Veldduif, de kop glad of gekuifd, de snavel bij de witte lichtrosekleurig, hij de gekleurde zwart; de iris varieert tus-schen geel en bruin, de oogring is smal en bleek.

De keel is rond en glad, de hals tamelijk kort en lirlil gebogen, de borst breed en gewelfd, de rug licht gewelfd en zeer breed in de schouders; de vleugels, wier punten elkander boven den staart raken, zjjn matig lang en worden aan den boog slechts los aan de borst gedragen; de staart is

llrijzc

/undldevriijr

Smid i/s,

ocr page 178

-170

iniif.ig lang en goed gesloten, de buik rond en breed. De korte pooton zijn van kousen of' sokken voorzien; liet laatstgenoemde is bij de witte bijna altoos bet geval.

Zuiver éénkleurige worden er zelden gevonden en van deze zjju alleen de witte correct en voor bet nieerendeel ook van eene kuif' voorzien. Wood- en blauw gescbinnnelde komen bet menigvuldigst en ook bet best ia kleur voor; de eerste hebben roode, de laatste blauwzwarte vleugelbanden en ongekuifden kop.

De krulvorming is bij deze beide variëteiten liet best en overtreft daarin ook meestal die der witte.

Volgens L. Brehm waren in zjjn tijd alle Krulduiven wit en grooter dan de Veldduiven.

Vijfde groep, /ijdeduiven. — sericeae. •|. I)r Xijdeduif' — (i nerimp, Le imjaon soie. Hear- of Seidenhaartaube.

De Zijdeduif is, evenals liet Zjjdeboen en allo gekruld pluimvee, bet product van eene ontaarding der vederstructuur, welker eigenaardigheden klaarblijkelijk door kunstmatige en misschien ook door natuurlijke kweeking bewaard, verder volmaakt en standvastig geworden zijn. Welke factoren bij de eerste ontaarding werkzaam waren, zal wel altijd voor ons verborgen blijven; ook de tijd van het ontstaan dezer duiven is onbekend, hoewel men mag aannemen, dat zij reeds zeer vroeg bekend waren.

Dr. I jcnz beweert, dat de Zijdednif in elk geval geen oorspronkelijk ras is, omdat het ondenkbaar is, dat een zoo hulpeloos schepsel zich duizenden van jaren tegen zijne vjjanden beeft kunnen beveiligen. IFij is van meening, dat de Zjjdeduiven nu en dan, als bij too val gefokt werden en steunt deze meening op het geval, dat een paar Altenburger troimnelduiven bij Fiibrer uit een hunner eieren eon volkomen Zijdeduif te voorschijn bracht. Dit bewijs voor Lenz' meening is echter niet afdoend, omdat liet zeer goed mogelijk is, dat één dier Trommelduiven uit eene vroegere kruising met eene Zijdeduif is voortgekomen en de versehijning van die jonge Zijdeduif dus een gevolg van atavisme of regressie was.

Dat die ontaarding van het gevederto ook nog in don tegenwoordigen tijd kan plaats hebben, behoort zeker niet tot de onmogelijkheden, doch de ervaring beeft daarvan, voor zoover bekend is, nog gcene afdoende bewijzen geleverd.

De eigenaardige bouw van de zoogenoemde zjjdevceren is in bet 'lcdeel van dit werk beschreven en afgebeeld, liet gevoderte van de Zjjdeduif

ocr page 179

171

wijkt, iilloon in zoover van (lat van liet Zijdelioen af, als de voeren der gewone duiven van die der gewone hoenders verschillen, liij beide is de schacht zwak, week en niet elastisch ; bij beide vormen de baarden geen vlakke vlag, omdat de haakjes, waarmee die baarden in elkander grijpen, ontbreken en deze dus los naast elkander staan. De veeren van de Zijde-duit' zijn echter breeder, vooral de binnenvallen der in de kiel gekromde kleine slagpennen zijn zeer breed en ruw tevens, waardoor de benedenrug een los en vezelachtig voorkomen verkrijgt. De vlaggen der overige slagpennen en der staartveeren zijn een weinig zijwaarts naar boven gericht en eveneens ruw. De kleinere veeren op het overige gedeelte van het lichaam liggen gegolfd en als dakpannen over elkander, zijn zeer zacht en teer en zijdeachtig, het geheele gevederte eindelijk is tamelijk vol en dicht. Natuurlijk is het door eene dusdanige vorming der slagpennen den dieren niet mogelijk te vliegen, wat men bij de hokinrichting voor deze teere duif niet uit het oog moet verliezen.

De Zijdeduif heeft de grootte der Veldduif, doch stamt niet rechtstreeks van deze af; de spitstoeloopende 25 millimeter lange snavel, de smalle oogring, de middelhooge, tot op de helft bevederde pooten en de lange, dunne teencn wijzen op eene andere afstamining. Ook de gladde, fijne kop, met een breed doch juist niet hoog voorhoofd, de korte huls en de spitse tot aan het einde van den staart reikende vleugels zijn kenmerkende eigenschappen dezer duif. De houding heeft echter wel overeenkomst met die der Veldduif, doch zij is niet los en vlug.

De hoofdkleur is wit, zelden eene andere. In overoenstemniing daarmede zijn de oogen nootbruin en de snavel alsmede de nagels vleeschkleurig wit.

De voortplanting is slechts middelmatig en onder omstandigheid zelfs slecht te noemen, daar de jongen zeer teer zijn en licht sterven. Ook de ouden moet men, vooral gedurende den ruitijd, zorgvuldig voor koude en vocht bewaren.

2. De Frnnsche zljdf'.dnif.

In Frankrijk heeft men eeu Zijdeduif, die, wat hare afkomst aangaat, verwantschap met de Pauwstaartduif vertoont. Zij heeft de oude, de eerste staartvorming van de Pauwstaartduif, den loodrecht gedragen, als een schotel gebogen staart, zooals die voor honderd jaar gewoonlijk bij de Pauwstaartduiven werd gevonden. De Zijdeduif wordt tegenwoordig bijna nog uitsluitend in Holland gefokt (!) en behoort, evenals de beide hiervoor genoemde Krulduiven, in Engeland en Diiitschland tot de zeldzaamheden.

Tot de vormduiven in engeren zin behoort ten eerste de

ocr page 180

172

Zesde groep. Pairwslnarlihnven. — C. laliccmdae.

I. JJc I 'aawflddrl. ■— 'lulicaudu. The FanlaU, Bruudltiilctl Shaker, Le piyeon puon, I', Iremblear [laou. Die i'fuuluube, 1'f'auenscliLoanz, Hühnerschwanz.

De I'auwstaiirtduif is, als zoovele andere duivenrassen, van Aziatischon oorsprong en werd — wordt ook nog tegenwoordig — uit Britsch-Indië, uit Calcutta, naar Europa ingevoerd.

W anneer ilit voor liet eerst geschiedde, laat zicli moeilijk niet volkouum zekerheid zeggen. Fulton beweert, wel is waar, dat „hare geschiedenis ons verder naar vroegere tijden terugvoert, dan die van vele andere duiven-rassenquot;, zonder echter een bepaalden tijd te noemen of bewijzen daarvoor aan te voeren. Met zekerheid mag echter worden aangenomen, dat zij iu Duitschland niet voor het begin der 17(' eeuw bekend was, daar noch CoMiAU Gessnkii, noch U. At.drovandi melding van haar maken, wat beiden wel doen van verscheidene andere, in bunnen tjjd bekende duivenrassen, die veel minder in bet oog vielen. Do eerste Duitscho ornitholoog, welke de Pauwstaartduif' beschrijft en afbeeldt, is ,). L, Fiuson, ongeveer in het jaar 17/(-ü. „De vermoedelijk vreemde soort werd toen door de duiven-vrienden onder andore soorten gehoudenquot;. Dit schijnt echter alleen in Xoord-Duitschland het geval te zijn geweest, aangozion de lieer «I.H. Zonx (1742), die in oeu afzonderljjk hoofdstuk van zijn van geleerdheid overvloeiend, doch ook aan fraaie waarnemingen rijk boek do verschillende vormen en de doelmatige inrichting van den staart der vogels uitvoerig bespreekt, geen melding mankt van den staart der Pauwstaartduif, wat hij toch zeker wel gedaan zou hebben, als lijj dat duivenras gekend had. Doch, ook dit is slechts oen negatief bewijs, dat de Pauwstaartduif tegen het midden van de vorige eeuw in Zuid-Duitscbland nog onbekend was.

Friscii besobrjjft de Pauwstaartduif van zijnen tijd als volgt: „De Pauwstaartduif is, wat hare gestalte en natuur aangaat, eene volmaakte duif, doch klein en sierlijk van lichaam, kop en snavel; ook beeft zij wat korter pooten. Haar staart echter is niet, zooals bij andere duiven, vlak (horizontaal), maar dubbel en steil omhoog gericht (perpendiculair) evenals de staart van oen tamme huisben. Zjj draagt dien, in evenredigheid met hot lichaam groeten staart altijd hoog en spreidt hem dikwjjls uit, evenals een pauw, vooral wanneer zij boos is of gaarne wil paren, terwijl dan terzelfder tijd kop en hals in eone trillende beweging zjjn, welke eigenaardigheid bij geen andore soort van duiven wordt waargenomenquot;. De afbeelding dezer duiven vertoont een witten, zwartkoppigen vogel met een zwarte, onvol-

ocr page 181

\r.\

maakte puutkuif', dii; aan don acliterlials in eeno soort van witte maan overgaat. De '20 staartpennen zjjn, evenals de bovenste staartdekveeren, zwart van kleur met een grijzen zoom.

In Engeland, Frankrijk en Holland is de Pauwstaartduif zeker nog vroeger bekend geworden en door deze zeevarende natiën uit Oost-Indië ingevoerd. W[i.LUGiTBv (4(577) zag Pauwstaartduiven met 2(5, Moode (17:55) met

:i(j staartpennen, terwijl Boiiaimi en Coiiiin': er in l^nnikrijk vcicï zagen met In Zuid-Oost-Azi(; is de l'auwstaartduil' bepaald reeds langen tijd vóór haren eersten uitvoer gefokt, wat onder anderen lievvezen wordt door de bijna zonder uitzondering voorkomende zuiverheid van haar bloed, dat zich nauwelijks door de eene of andere kruising verontreinigen Iaat.

De Pauwstaartduif behoort tegenwoordig tot de algemeen verbreide en beminde duivenrassen en wordt, en wel in tamelijk goeden stijl, bij dui-venliefhebbers van allerlei standen en rangen aangetroffen. Of /,jj echter, zooals sommigen beweren, in hare meest echte echtheid ,,de fraaiste van alle huisduivenquot; is, zal wel eene kwestie van smaak zijn, waarover niet valt te twisten.

Evenmin is het bepaald uit te maken, of men de grootste variëteit met een grooten staart doch „weinig stijlquot; (houding enz.) voor sierlijker moet houden dan de kleine met veel stjjl doch oen sleehteren staart. De Engel-sche en Schotsche liefhebbers van Pauwstaartduiven hebben lang en hevig over beide soorten van stijl niet elkander gestreden, welke strijd in zooverre ten gunste van de kleine variëteit is uitgevallen, dat aan deze ook in Dnitschland en elders de voorkeur wordt gegeven. De Duitsche fokkers echter zijn er in geslaagd een kleine figuur en veel stijl in zoo hooge mate

ocr page 182

i 74

te vereenigen en vooral om, wat de teekening aangaat, eene zoo groote verschoidenlieid van uitstekende dieren te fokken, dat zelfs de koele en op dit punt zeer achterhoudende Britten daarover openlijk hunne goedkeuring hebben te kennen gegeven.

De Pauwstaartduif moet in hare geheele verschijning, doch vooral wat don romp aangaat kort, rond en compact zijn, eene figuur, welke vooral door de ronde en voile gespleten borst bepaald wordt, die zoover mogelijk naar voren en omhoog gericht moet zjjn: de romp moet niettemin ook zoo kort en rond mogelijk zijn.

In tegenstelling met den compacten vorm zijn do pooten zoo fijn en sierlijk mogelijk, of behooren althans zoo te zjjn; de snavel is kort doch slank, de bovensnavel aan de punt een weinig naar beneden gebogen; de snavel wratten zijn klein en als met een wit poeder overdekt; de kop is klein en smal en loopt naar den snavel smaller toe; het voorhoofd is middelhoog, de hals lang en dun, wordt vanaf den kop steeds dikker cn broeder en is ter hoogte van de borst naar achteren gebogen als de hals van de zwaan; de van eene puntkuif voorziene Pauwstaartduiven hebben aan den achterhals, als voortzetting van die kuif, een soort van korte maan of kam. De vleugels en slagpennen zijn tamelijk lang en worden slepende gedragen; de vleugelpunten raken bijna den bodem, doch mogen nooit op of tusschen de staartveeren liggen, noch elkander kruisen of raken; de dunne en korte pooten zijn evenals de kleine slanke teenen onbevederd en prachtig rood van kleur; de snavel is bij de witte variëteit vleesch-kleurig, bjj de gekleurde donker, terwijl de iris bij eerstgenoemde hazelnootbruin, bij laatstgenoemde oranjekleurig, rood of' parelkleurig is; de smalle oogring is wit, doch bij de gekleurde rood.

De Pauwstaartduiven komen voor met gladden kop, met een puntkuif cn met een schelpkuif; deze laatste kuifvorm is evenwel af te keuren.

De beide hoofdzaken bjj deze duiven zijn de staart en de houding — en wel de houding in haar geheel, niet alleen die van kop en hals, zooals de eerwaarde heer Serjcantson en anderen meenen. Aan den staart, die als hij uitgespreid is den radvorm moet hebben, stelt mende volgendeeischen:

P' moet lijj zoo groot mogelijk zijn ;

■•i'' behoort lijj, wanneer hjj uitgespreid is, zoo vlak te zjjn als een waaier;

:!'■ moet hij cirkelrond zjjn; de beide uiterste staartpenneu behooren bijna den bodem te raken:

V moet hjj in liet midden goed gesloten zjjn en noch van natuur noch door de houding van den kop eene opening vertoonen.

De staartveeren moeten ieder op zich zelf lang en breed zjjn, sterk van

ocr page 183

175

schuclit en goed gesloten; ulleeu de eindou mogen een weinig gefriseerd, van een weinig franje voorzien zijn; de veeren, welke in twee of drie rijen drie vierde deelen van de stuit omgeven, moeten vlak en gelijkmatig over elkander liggen, zoodat de veeren der ééne rij juist tegenover de openingen der andere rij staan en zij in den toestand van rust hol of'sehotelvorniig doch lnj uitgespreiden staart vlak en waaiervormig liggen. De staart behoort uit zoovele veeren te bestaan, als de duif' zuiver kan dragen. Als minimum neemt men in Engeland voor het kleine, Schotsche slag een aantal van 24 a ito aan (duhbelstaart), terwijl het kleinste standaardgetal voor de groote Engelsche pauwstaartduiven '28 is; :i(i veeren kunnen nog op eenecorrecte wijze gedragen worden, lij] 40, in drie rijen staande veeren, zooals de Birmingham Columbarium Society in een normalen staart verlangt, is de houding reeds twijfelachtig. Voor de fokkerij is zulk een „volstaartquot; zeker van groot belang; voor een modelduif'zijn '28 a veeren voldoende, wanneer deze maar juist geplaatst zijn. elkander goed dekken en een driekwart cirkelboog vormen. De uitgespreide staart mag niet hier en daar openingen tusschen de veeren hebben en moet correct, dat wil zeggen, loodrecht of een weinig naar voren worden gedragen, nooit echter zoo, dat hij den zoogenoemden „potdekselquot;- of „parapluvormquot; nabij komt, dat wil zeggen, zich over den kop uitbreidt en daardoor de houding van dezen zoowel als van het geheele lichaam afbreuk doet. Een Pauwstaartduif, die met de voorborst over den grond slepend rondloopt, is eene misselijke verschjjning. Een aan de zijden samengedrukte staart - zoogenoemde hoenderstaart — en een te kleine staart zjjn niet minder af te keuren. Het spreekt van zelf', dat bij het oprichten der staartveeren ook de staartdekveeren mede moeten worden opgericht, zoowel de bovenste als de onderste. De grootste dezer dekveeren zijn op dezelfde wijze gevormd als de staartveeren, evenzoo slnp van baarden en aan hot uiteinde een weinig gefriseerd.

Van weinig minder belang eindelijk is de houding. Wanneer de borst en de hals correct worden gedragen de borst hoog genoeg en de hals ver genoeg naar achteren gebogen — dan zal ook de kop eene goede houding hebben, dat wil zeggen, de kop zal dan zoover naar achteren en naar beneden gericht zjjn, dat het achterhoofd tot recht boven den staart-wortel reikt. Deze houding ontbreekt al te dikwijls hij de Engelsche pauwstaartduiven. De houding van liet geheel en deze genoemde onderdeclen der duif is correct, wanneer men, als men haar van voren en in eene nagenoeg horizontale gezichtslijn beschouwt, alleen de ronde horst doch — en vooral bij het sidderen niets van den kop kan zien. Daarbij moet de duif op de punten der teenen staan en trippelend heen en weer loopen, met de borst hoog opgeheven en de vleugels slepende. Hjj kortbeenige

ocr page 184

170

Hoe zwaardei' de staart is en hoe rechter die wordt gedragen, des te meer wordt het zwaartepunt van «ie duif naar voren verplaatst, zoodat het evenwicht slechts door liet rugwaarts buigen van hals en bovenborst hersteld kan worden, (iesehiedt dit niet, zijn borst, hals en kop niet naar achteren gebogen, dan verliest de duit' haar evenwicht en slaat naar voren over.

Eene eigenaardigheid der Pauwstaartduiven, die overigens echter ook nog bij de Alniond-tuhnelaars, Nonnen en enkele andere duiven wordt waargenomen, is het zoogenoemde sidderen. In opgewonden toestand ot ook wanneer zij iets opvallends hooren ot zien, bewegen zij kop en hals krampachtig voor- en achterwaarts. Deze krampachtige of liever zenuwachtige bewegingen duren dikwijls geruimen tijd, vooral bij de Schotsche pauwstaartduiven, die dikwijls eigenlijk alleen bij het zitten niet sidderen, en zijn zoo hevig, dat de dieren soms achterover vallen; bij laatst genoemde variëteit strekken deze zenuwachtige bewegingen zich bovendien over hot geheele lichaam uit, doch zijn aan kop en hals het sterkst.

Deze eigenaardigheid is het hoofdkenmerk van de Schotsche pauwstaartduiven.

De overige verschillen tusschen den Schotschen en den Engelsclten stijl stellen wij gemakshalve tegenover elkander:

Schotsche stjjl (Fig, 65). Engelsche stijl.

Lichaam: zoo klein mogelijk bijna de helft grooter.

Kop: klein en siniil — groot, vaak te groot.

oxemplareii raken de vleugels dan dikwijls den grond, waardoor de slagpennen beschadigd worden, wat zeer leeiijk staat.

ocr page 185

Ml

Snavel; kort en slank Hals: lang en dun (zwanenhals) Borst: verheven —

Bevedering: dicht

Houding: kop en hals zoo laag ge- — dragen, dat er geen tusschenruimte tusschen beide zichtbaar is,

Do kop lager dan de borst, ongeveer ter hoogte van don staartwortel; de oogen nagenoeg loodrecht boven de pooten.

De gespreide staart niet meer dan — loodrecht gedragen; naar voren iiol.

Dikker en langer.

Dik on zonder die sierlijke buiging.

Lager.

Los.

Kop en hals zoo hoog gedragen, dat de laatstgenoemde den rug in 't geheel niet raakt.

De kop veel hooger dan de borst, even hoog als de punten van den staart; do oogen bijna loodrecht boven de pooten.

De gespreide staart moer dan loodrecht, naar voren gebogen; waaiervormig vlak


Fouten bjj beide vormen zijn, dat de Schotsche pauwstaart dikwijls te weinig, de Engelsche te veel staartveeren beeft. Beide kunnen door kruising onder elkander — zooals in Engeland ook veel geschiedt — aanmerkeljjk verbeterd worden, aangezien hierdoor de eene van de andere meer staart, meer houding, beweging enz. overneemt, Hebben /jj zooveel beweging, dat zjj niet broeden kunnen, dan noodzaakt men ze er dikwijls toe, door ze in een zeer nauwe kooi op te sluiten. De buitengewone zenuwachtigheid verdwijnt na 2 ii jaren.

In Engeland en Schotland fokt men bijna zonder uitzondering witte Pauwstaartduiven, omdat deze in alle werkelijke kenmerken do gekleurde en, geteekende verre overtreffen; er zijn evenwel ook fokkers, die zoowel éénkleurige fokken als „Sn(1(Ur-1gt;ackiiquot; (zadelrug), dat wil zeggen niet gekleurde vleugelschilden, zooals er ook — en meestal van puntkuif voorzien — uit Oost-Indië geïmporteerd worden.

Een dergelijk verschil als tusschen do Schotsclie en de Engelsche pauwstaartduiven. bestaat er ook, wat grootte en andere punten aangaat — tusschen de Fransche en Duitsche. In Frankrijk fokt men meer groote, in Duitschland meer kleine slagen,

In hoever de aan de Duitsche pauwstaartduif gestelde eischen van den standaard der Schotsche afwijken of nauwkeuriger aangegeven zjjn, blijkt uit het volgende:

Grootte zoo gering mogelijk, gestalte kort, gedrongen; houding: de breede, zeer hoog gedragen borst en de voorhals vormen een scherp gebogen lijn, de lange dunne hals is slangvormig zoover naar achteren gehogen, dat de benedenhals tusschen de schouders en de nek vóór den opgerichtcn

BaIiDAMUS, IMiiimvcotoolt U. 'I'i

ocr page 186

47«

staart ligt, toi'wijl de kop vast sluitend op don voorhals rust. Dozo lials-buigiug wordt hierdoor mogelijk gemaakt, dat ook de buik zoover naar voren is gericht, dat hij een bijna loodrechten stand aanneemt. De staart moet als een waaier dicht gesloten en zoo vlak mogelijk zijn en uitgespreid een zoo volkomen rad vormen, dat do onderste zijveeren eene opening van niet meer van (i a 7 centimeter overlaten, welke opening door de daar-tusschen liggende vleugelpunten gevuld wordt. Op het aantal staartveeren wordt niet zoo zeer gezien als op hunne lengte, breedte en de sluiting. De staart mag in liet geheel geen openingen vertoonen en moet loodrecht staan, noch naar voren ot' achteren, noch naar eene der zijden overhellend. Men heeft dc volgende kleurvariëteitcn gefokt:

1. Eenkleurige in wit, zwart, rood, geel, blauw en zilvergrijs, do beide laatste met zwarte vleugelbanden.

'2. Eenkleurige met een witten, en witte met een gekleurden staart.

3. Met gekleurde vleugelschilden in alle kleuren.

4. Gemonnikte, welke echter nog weinig constant zijn.

5. Eenkleurige met witte banden; deze zjjn echter, wat banden en staart aangaat, nog gebrekkig.

De nieuwste kweekproducten zijn isahelleklenrige, zwarte met witte banden, witstaarten in geel, rood, bruin en lichtblauw met zwarte koorden, alsmede donkerblauw gehamerde en zilverkleurige; verder heeft men er met gekleurden staart in rood, geel, blauw, grijs, zilver, zwart en bruin en zwart en wit gevlekte met zwarten staart; eindelijk nog witkoppen in zwart, blauw en geel en isabellekleurigo met witte banden.

'2. Als eene bijzondere variëteit wordt meestal nog de Zijdepauwstaart-dnif genoemd. In Engeland heet zij „Laccdquot; Fanlail; (laced met do betee-kenis van kant, frisuur). De zoo goed als erfelijke eigenaardigheid van deze duif bestaat in de zonderlinge vedervorming, welke in het lste deel bij het Zijde-hoen beschreven en afgebeeld is, ofschoon dat zijdeachtig gevederte niet in diezelfde mate ontwikkeld is als bij de Zijdehoenders. Doch evenals bij die hoenders staan ook bij deze duiven de baardjes der voeren niet zoo dicht bij elkander als gewoonlijk en zijn deze niet met elkander verbonden, omdat do haakjes ontbreken; het geheele gevederte ziet er daardoor als los en uitgerafeld uit. Zulke Zijdepauw-staartduiven heeft men tot dusver nog maar alleen in wit en blauw aangetroffen. De eerste, in ons werelddeel voorkomende worden door James Wallace in Glasgow (uit O.-Indië?) geïmporteerd en door kruising met betere gewone Schotsche pauwstaartduiven aanmerkelijk verbeterd; „een bewijsquot; zegt Pulton, ,.dat men niet altjjd juist een imav noodig hoeft om eene nieuwe variëteit constant te maken of een stam te verbeteren; óéne - een mannelijk of vrouwelijk exem-

ocr page 187

170

plaat' —• is voldoende, als de eigonaanlige kenmerken maar constant zijn en erkend worden — echter vooropgesteld, dat men de dieren op de juiste wijze met elkander paartquot;.

Het feit, dat de eerste Zjjdepauw-staartduiven in Engeland (leïmporteevd zijn, bewijst echter nog niet, dat zij een af'zonderljjk ras vormen. Ook bewijst het niet, dat zij niet door een konsekwent doorgezet fokken uit Krulveer-pauwstaarten zijn ontstaan, onverschillig of die langzame vorming in haar oorspronkelijk vaderland of in Europa heeft plaats gehad. En als, zooals door velen wordt aangenomen, de Krulveer-pauwstaartduiven een echt ras zijn, dan moet konsekwent doorgeredeneerd de Zijdepauwstaartduif wel het echtste zijn. Eene zeer fraaie duif is zij echter ontegenzeggelijk, jammer evenwel, dat zij zoo weekelijk is, niet goed kan vliegen en daarom alleen in ocne volière kan worden gehouden.

De overige Pauwstaartduiven, vooral de groote slagen, zijn evenwel des te geharder en kunnen zeer oud worden. Seujeantson bezat een doffer, die in zijn veertiende jaar nog even goed was als vroeger en vrjj zeker nog langer zoo gebleven zou zijn, wanneer liij niet door eene kat om het leven was gebracht.

De Pauwstaartduiven vermenigvuldigen zich ook goed, vooral van het tweede of derde jaar af. Zij voeren hunne jongen zeer ijverig en zijn bijzonder teeder in den omgang met deze. Alleen de al te kleine zijn slechte voedsters en maar teer van constitutie.

Alle Pauwstaartduiven vliegen slecht, vooral wanneer er wat wind is. Bij storm en regen worden zij werkelijk door ernstige gevaren bedreigd, daar bun staart door den regen zoo zwaar wordt, dat zij nauwelijks eenige meters ver kunnen vliegen; terwijl de wind het hun zoo lastig maakt, dat zij de richting niet kunnen houden en op die wijze gemakkelijk te onpas komen en verloren gaan. Men zorge er dus voor, ze bij zulk weder beschut te houden en ze altijd zoo goed te voeren, dat zij niet uit gebrek naar bet veld behoeven te vliegen, aangezien zij daar ook zeer gemakkelijk eene prooi der roofvogels worden.

De Pauwstaartduiven worden gemakkelijk en in hooge mate tam en zijn zeer vertrouwelijk jegens baren verzorger. Van de eigenaardige manieren van een jongen doffer bij zjjne liefdeverkiaringen geeft de heer Serjeantsou eene aardige, aan de natuur ontleende bescbrijving, die wij ons niet kunnen weerhouden hier aan te halen. „Niets is belachelijker dan bet gedrag van een fraaien jongen doffer, die de dame zijner keuze zijne buide brengt. Hij trippelt met sierlijke pasjes naar haar toe en vertelt haar onder vele hoffelijke buigingen en met een heriiaaid en aangenaam klinkend „koe-koequot; van zjjne liefde; dan richt hij zich in zijne volle lengte op, draait op de

ocr page 188

180

puiiton zijnor tuciicn hoon im woor, werpt do sidderendo on bovendo kop on huls zoover achterover, dat hij in 't geheel niet meer recht voor zich uit kan zien, tot hij haar eindelijk met eeno bevallige buiging van den langen hals een verstolen blik over de schouders toewerpt. Deze blik is klaarblijkelijk te veel voor zijne zenuwen, want op nieuw beeft en siddert hij van opgewondenheid en werpt zich zoover achterover, dat de punten der vleugels den bodem raken en zich krommen onder zijn gewicht; bij moot, ofschoon bij zeker gaarne eeno voorwaartsche beweging zou willen maken, wel een of twee passen achteruitgaan om te voorkomen, dat hij gelieel achterover slaat. Als hij zijn evenwicht weder hersteld heeft, trippelt hij weder vooruit en herhaalt zijne vertooningen, tot hot hem gelukt, de dame te bewegen moe te gaan en zijn kamertje te bezichtigen, dat bij roods vooraf voor haar heeft uitgekozen.quot;

Zevende groep. Kipduiven. — C. Gallinariae.

(Kortstaartduiven •— C. brevicaudae).

De Kipduiven vormen eeno good gekarakteriseerde en goed begrensde groep van duiven. Hare hoofdkenmerken wijkon zoo zeer van die der andere duivengrocpen af en vallen daardoor zoo gemakkelijk in het oog, dat men zo inderdaad wel als eone afzonderlijke afdeeling tegenover allo andere duivengrocpen kon stollen. ,

Hare eigenaardige, karakteristieke kenmerken zijn: een groote romp en een staart, die van denzelfden bouw zijn als die der hoenders en ook op dezelfde wijze gedragen worden, een lange spits toeloopende kop en snavel, en S-vormig gebogen lange hals, korte vleugels en dikke en hooge gladde pooten; ook in hare houding en beweging komen zij met do hoenders overeen.

Deze eigenaardige duivengroep staat eigenlijk het naast bij de Pauwstaartduiven; niet alloon vertoonen zij met deze een merkwaardige overeenkomst in snavel, kop, hals, stuit, bevedering van het achterlijf, staart en houding, beide hebben ook zelfs eenige auatoinische eigenaardigheden in don bouw, nl. den omhoog gerichten stuit enz., gemeen, zoodat de vooronderstelling, dat zij stamverwant moeten zijn, zeer voor de hand ligt. Volgens Piiiscii heette de Pauwstaartduif in zijnen tijd „Hühnerschwanzquot; (hoenderstaart) en haar staart was naar zijne beschrijving „dubbel en omboog go-richt, als de staart van een tamme huishenquot;.

1. De Maltezer duif. — C. brevicauda. The Mallede.

Pigeon poule Mallais, MalteseHuuhe,

De groote Maltezer duif is het eigonljjke type van de Kipduiven en bezit

ocr page 189

I 81

allo hiervoor genoemde kenmerken in sterke mate; zjj heeft onder ullo duiven de meest volkomen hoenderfiguur.

De Maltezer duif heeft de grootte van oen klein dwerghoen, een rond, als 't ware kogelvormig' voorkomen en eenc opgerichte houding; zjj staat hoog op do pooton en lijkt door do korte vleugels en den korten, zeer rechtop gedragen staart nog hoogheeniger dan zij werkelijk is. Do vijj dikke, rechte en aan de punt gebogen snavel, mot oen matig grooto, stevige snavelwrat voorzien, gaat langzamerhand in het vlakke voorhoofd over, wat don op zich zelf reeds een weinig gostrekten kop Inngor doet schjjnen dan hij is en dezen oeno treffende overeenkomst met dion van vele Waterhoenders en Rallen geeft. Ook de rondo on stevige nok, die nauweljjks merkbaar in hot achterhoofd overgaat, de lange als een zwanenhals gebogen en gedragen lials, de diepliggende bruine tot roodgele oogon en do roede oogleden dragen daartoe bjj; de vrjj dikke, op do breedo en gespleten borst rustende krop echter niet. Do rug is zeer breed; do plat afgesneden staart-veeren staan mot de hen ton doolo dokkende stuitveeren omhoog onder oen hoek van ongeveer 45 graden. De stuit zelf is ook naar boven gericht en het achterlijf is dicht met dons bedekt. Weder eene overeenkomst met do hoenders. De kleine, en van smalle en korte slagpennen voorziene vleugels, die, omdat zij maar weinig gebruikt worden, maar zwak zjjn, on do hoogo en stevige roode beonon voltooien het geheel van eene gestalte, die men bij don eersten oogopslag gemakkelijk voor die van oeno kip zou kunnen aanzien.

Al deze eigenaardigheden worden het zuiverst aangetroffen bij do zuiver witte variëteiten, minder bij do éónkleurig blauwe on hot minst bij do zwarte, de bruine, do vaalroode met donkere vlougolbandon enz.

De Maltezer duif is, wat men anders van dit forsche en sterk gebouwde dier niet zou verwachten, toer en weekehjk, doch behoort niettegenstaande dat tot de vruchtbaarste duiven, tot dezulke, die, mot uitzondering van den ruitijd, bijna hot geheole jaar door broeden; ze brengt, als oeno goede voedster, hare jongen ook meestal gelukkig groot. Zij vliegt natuurlijk sleclit; hare houding is, zooals reeds opgemerkt is „hoenderachtigquot;, haar gang is fier en wijdhoenig on hare bewegingen, vooral die van don kop, zijn het eveneens.

Volgons Prütz zijn do maten dezer duif als volgt: breedte van den rug l'iS millim. Hoogte der pooton 175 millim., uitgestrekt 25 millim. over hot einde van den staart reikende. De vlougelpunten ;!0 millim. van het einde van den staart verwijderd.

ocr page 190

182

'2. De Floreniijnsclie duif, — C. brachyura, Brm. The Uur meao or Florentine pigeon {Leghorn runtPigeon /lorentin.

Florenliner Tauhe. (Fig. 6(5 on 07).

Du laatst hierboven genoemde Engelsebe benaming komt eigenlijk toe aan eene Kipduif. die ook Spaanscho en — boter nog — Livorneezer-dnil' werd genoemd, volgens AVriglit roods voor jaren in Engeland niet moer werd gevonden en tegenwoordig als uitgestorven beschouwd wordt. Do door Wright gegeven en aan Eaton's werk ontleende afbeelding heeft over't go-hool eene groote overeenkomst met do Elorentijnscho kipduif, zoodat wij het „verdwenen rasquot; belangrijk genoeg vinden om het in tig. üü voor te

stellen, to meer omdat het niet onmogelijk is, dat onze Florentjjnscbo duif daaruit is voortgesproten.

De Florentijnsche duif heeft evenals de Maltezer een gestalte, welke aan die der hoenders doet donken, doch is iets langer en ziet or wat plompor uit, omdat zij niet zoo hoog op de pooten staat. De kop is glad, rond en tamelijk groot, met een middelhoog, breed voorhoofd; de snavel is dik, tamelijk lang en een weinig gebogen, hoornkleurig tot zwart van kleur; de iris is geel tot roodbruin, de oogringen zijn smal en rood. De tamelijk lange, gebogen hals wordt naar do borst toe aanmorkoljjk breeder

ocr page 191

-18!]

vleugels on staart gekleurd tc zijn, on beboert do kleur van den kop begrensd te worden, door oene lijn, die van den nek tot aan den voorhals, 5 a (i millim. onder do oogen doorloopt; de bals, do borst, de buik en do rug moeten wit zijn. L)e vleugels zijn meestal óónkleurig, doch er komen er ook voor, die alleen geklemde schilden hebben.

Deze duif vliegt moeiehjk en slecht, doch broedt goed on vermenigvuldigt zich tamelijk sterk.

3. De Ooslenrijk-Uongaarsche Kipduif— C. gallinacea. — The Hungarian Pigeon, Pigeon hongrois. Iluhn- of IJuhnernchecke.

De Oostenr.-Hongaarscbo Kipduif is waarschijnlijk een sportproduct van do Plorentjjnscho, misschien ook wel van do Maltezer duif en door oene oordeelkundige teeltkeuze tot hare tegenwoordige volkomenheid ontwikkeld; het is eeno fraai gekleurde en eigenaardig geteokende duif, die in geheel Oostenrijk bijzonder geschat wordt.

Zij komt in gestalte veel met de Maltezer duif overeen, doch is wat gestrekter van vorm; hoe meer zij echter in bouw en houding op de Maltezer duif gelijkt, hoe hooger zij gewaardeerd wordt, vooropgesteld evenwel, dat kleur en tookoning, welke toch do hoofdzaak en het eigenlijk karakteristieke van deze duif bljjven, zoo zuiver mogelijk zijn.

Men kan bij deze duif eigenlijk moeilijk zoggen, wat de grondkleur en

ocr page 192

184

wat do toukoiiing' is, Wij nemen echter maar wit als de teekening aan en de vier hoofdkleuren, waarin zij voorkomt, als grondkleur. Deze kleuren zijn gewoonlijk zoo diep, zuiver en fraai, als men ze misschien bij geen andere duiven aantreft, tenzij hij do Engelsche eksterduiven.

Het zwart ia fluweelachtig, zuiver en diep en heeft tevens een metaal-

achtigen glans; het blauw zuiver en helder, het rood en geel intensief en schitterend.

De kleur der teekening, een zoo zuiver wit als mogelijk is, strekt zich uit van den snavelwortel, in don vorm van een ongeveer een stroohalmbreedo, doch steeds breeder wordende band over het midden van den kop, den nek, den achterhals en den rug, terwijl hij tevens tusschen den vleugelboog en de slabbe doorgaat en zich verder over

de horst, het geheele onderlijf en de schenkelveeren uitbreidt; ookdegroote slagpennen zijn wit. Alle overige deelen hehhen eene der grondkleuren. De teekening behoort natuurljjk overal regelmatig en scherp begrensd to zijn, wat echter aan kop, hals en borst, waar die grenslijn rond of ovaal moet loopen, niet altijd bet geval is; vooral do zoogenoemde „bandteeke-ningquot;, dat wil zeggen de witte teekening van kop en bals, laat dikwijls veel te wenschen over. Volgens Makten ligt de waarde hierin, dat tusschen den vleugelboog en de slabbe oen smalle witte streep door loopt, do gekleurde zijden van den kop en de slabbe scherp begrensd zjjn en dut deze laatste tot over het midden van do borst reikt.

De blauwe van deze Kipduiven hebben meestal zwarte vleugelbanden, zelden slechts witte; er komen echter ook blauw gehamerde voor.

Wat deze fraaie duif nog aanbevelenswaardiger maakt is hare gehardheid, levendigheid en vruchtbaarheid; wat laatstgenoemde eigenschap aangaat, overtreft zij zeker alle andere Kipduiven.

Zij komt hoofdzakeljjk in haar oorspronkelijk vaderland, Oostenrjjk-ITongarije, voor, waar zij hoog in aanzien staat.

ocr page 193

185

4. üa Slrasscr, T li o S t r a s s o r.

Evonals de vorige komt ook deze duif veel met de Florentijnsche duif overeen; liet is een product van Oostenrijksche kweekkunst en eerst voor een vijftiental jaren meer algemeen bekend geworden. Hare grootte en gestalte zjjn bijna dezelfde als die dor Florentijnsche duif, alleen is zij iets gestrekter van vorm. Ook in den vorm van den kop, die editor ook wel van een puntkuif is voorzien, komt zij met genoemde duif overeen. Snavel, oogen, hals en borst vertoonen in 't geheel geen afwijking niet die der Florentijnsche duif, alleen is de rug wat smaller en niet hol, docli recht. De korte, breede vleugels rusten op den staart en raken daar met de punten aan elkander; do staart is wat langer en wordt horizontaal gedragen. De gladde, roode pooten zijn een weinig wjjdbeenig aangezet.

Hare kleur en teekening zijn als die der Florentijnsche duif, doch er komen ook voor met witte vleugelbanden en zwart en wit geschubde in alle kleuren. De Strasser is een goede veldvlieger, eene goede broedster en voedster en haar vleesch wordt zeer geroemd.

5. Da Monteneur.

De Monteneur behoort met de Maltezerduiven en do andere Kipduiven tot de grootste duivensoorten en overtreft in grootte zelfs de Romeinsche duif. In figuur komt hij meer mot do hoenders overeen dan niet de duiven ; de compacte lichaamsbouw, de sterk ontwikkelde borst, de lange en bij den doffer zeer dikke hals, de korte vleugels, de vrij korte, een weinig omhoog gerichte staart, de vrij lange en stevige naakte pooten, de lichte gang en moeilijke vlucht — dat alles maakt niettegenstaande vele afwijkingen, dat de Monteneur tot de Kipduiven gerekend moet worden. Opgemerkt dient te worden, dat de krop wat meer opgeblazen is dan bij de meeste andere Kipduiven.

De hoofdkleuren zijn blauw geschimmelde en roode met zwarte kooiden.

In vroegere jaren kwam de Monteneur menigvuldig voor, vooral in Noord-Duitschland, Pommeren enz., tegenwoordig schijnt hij wol uitgestorven.

Achtste groep. Ilolnigduiven {Tuimelaars).

Als een overgang van de Staart- en Kipduiven tot de Tuimelaars kan het eigenaardige ras worden beschouwd, dat bekend is onder den naam

ocr page 194

186

A. Mod eneezcr duif'. C. in u tine us is.

lla::u Iriijaniiia u iritjanica, Paolo Bonizzi. „Clomb da volquot; (vlieijduij'J

dcr Triganieri. The Trhjanica or Modena Pigeon. Pigeon de Modcne.

Modeneser Fluglanbe. Fig. 09.

In tal van werken ovoi' cluivcii wordt de Modeneezer duif tot de Kip-duiven gerekend; ook Priitz rekende liaar daar onder, ofschoon zij volgens zijne eigene besclinjving niet tot die duiven behoort, welke zich door buitengewoon grooten lichaamsbouw en een korten, opgeheven, niet dien van de hoenders overeenkomenden (!) staart onderscheiden.

Wel beschouwd is het zeker ook beter, ze onder de „vliegduivenquot; te rekenen; ééne barer Italiaansche namen rangschikt haar immevs ook onder die groep en zij kenmerkt zich dan ook wel degelijk door de eigenaardigheden van hare vlucht.

I)e hier volgende beschrijving is een uittreksel van hetgeen aangaande deze duif voorkomt in het uitstekende werk van prof. Paolo Bonizzi te Modena, ,,/ Colomhi di Modenaquot;.

Tot de interessantste verschijningen in de duiven- en duivenfokkerswereld behooren ongetwijfeld de Modeneezer „vliegduivenquot;, zooals zij door do liefhebbers en fokkers, de Trujunieri in Modena, genoemd worden, en deze Triganieri zeiven.

Yan de duiven geeft P. Bonizzi do volgende

AIgemeene raskenmerken.

Snavel zeer kort, tot aan de punt slechts 'J0 millim. lang; de bovensnavel is aan de punt een weinig naar beneden gebogen; de iris gewoonlijk roodachtig geel; loopbeen ■'! centimeter lang en nooit bevederd; de middeu-teen is lang li centim., de achterteen 15 millim.; de staart bestaat uit i'i staartpennen; elke vleugel heeft 10 groote slagpennen. Ue totale lengte is 2i», de staart 9, de vleugels 21 en de vlucht 00 centimeter. J)e slagpennen reiken nooit tot aan het einde van den staart, welke horizontaal gedragen wordt, soms echter een weinig naar boven gericht. Een gedeelte van den onderschenkel boven het hielgewricht is altoos zichtbaar en doet den vogel hooger schijnen, dan bij inderdaad is. Het voorkomen is zoo elegant en levendig als bij geene andere huisduiven (van die namelijk, welke de schrijver kent). Alle lichaamsdeelen: kop, hals, borst, rug, de geheele romp zijn sierlijk geproportioneerd en fraai van omtrek, alles goed afgerond. De kop is naar verhouding klein, snavel en loopbeen zijn middellang. De

ocr page 195

•187

houding is ooiiigszins koon, do kop wordt hoog godragon, do vlucht is onstuimig, krachtig on do duiven kunnen iiot vliegen lang volhouden.

Ook is deze duif zoor vruchtbaar, daar zij N en meermalen in het jaar broedt. Het gevederte komt in een groot aantal kleuren voor, die dikwijls zeer schitterend ot' teer zijn, éénklourig of op duizenderlei wijze geteekend.

Naar den aard en de verdeeling der kleuren onderscheidt men een groot aantal variëteiten - namelijk meer dan 450 hoofd variëteiten en volgens den bijge-voegden catalogus 70 „Schieltfsoorten éénkleurigo — en 70 „O'ccrztquot; soorten of ekstervariëteiten —

welke alle een bij-zonderen naam dra-

Ken. En welke na- .. , , ...

quot; l'ig. 09. Modoueozor duit.

men!

De naam „Clotnb da volquot; — vliegduif, dien de duif ))ij de Modeneezor duivenhouders draagt, klinkt volstrekt niet Toskaansch, doch wat te zeggen van namen als Négher aruspée, Munér cun el vcvjh, rossi, Trenyhen pred cièr.y Ma(jnun ed bis-Gaz rnugnan d-brodzès, Zarzanël cd caldan en Ga: zarzanèl d-caldan en de andere der 15'2 hoofd variëteiten, delle pinci}gt;ali varieta! En in welken lexikon zal men ze vinden? 't Zou voor den „niet-triganieroquot;, zelfs voor een italiaanschen, eenvoudig eene onmogelijkheid zijn ze te verstaan, als niet prof. Bonizzi cono Italiaansche vertaling daarvan aan zijn werk had toegevoegd, waaruit men kan zien, dat in dat eigenaardig idioom bijv. spala zala zooveel beteekent als spalla gialla, dat is gele schouder, en toch ook weer niet schouder, doch alleen gele vleugel-dekveeren; of dat do kleine slagpennen „curllazquot; voor „coltelacciquot; lieeten, wegens hunne overeenkomst met een coltello of mes.

Bonizzi, die uit de hiervoor aangehaalde karakteristieke kenmerken der duiven afleidt — en zeker met het volste recht dat zij aanspraak hebben op den rang van oen afzonderlijk ras, rangschikt ze in de vierde groep van Darwin (Veldvluchters, kleur- en trommelduiven), ofschoon zij wegéns

ocr page 196

188

de houding van staart en vleugels, haar groot vliegvermogen, haar gang enz. zeker meer aan de Tuimelaars herinneren.

Naar do kleuren en de kleurverdeeling onderscheidt de schrijver twee groote categorieën; de eerste omvat de éénkleurige variëteiten, in de taal der triganieri „scielquot; = „schiclliquot; genoemd, en welker gevederte slechts ééne kleur heeft-—eenvoudig of geteekend. De tweede, „gazquot; dat is „yazziquot; of eksters genoemd, omvat die, welke eene witte grondkleur hebben met een gekleurde voorkop on keel, verder met gekleurde of geteekende vleugels -—■ met inbegrip van do slagpennen — en de met een gekleurde staart en dekveeren versierde variëteiten.

Do acliterkop is wit. De grenslijn der teekening loopt hij do l!) afbeeldingen van den achtersten schedelgrens in een meer of minder gebogen lijn ongeveer een vinger breed achter do oogen langs en zoo verder naar beneden tot aan de grens van de bovenkeel. Deze teekening komt nauwkeurig — en ten deelo ook de kleur — met die van de Lachmeeuw — Larus ridibundus L. — in het zomerkleed overeen; ook overigens is de teekening bijna gelijk aan die van de Lachmeeuw, alleen de staart en de rug wijken af. De Modeneezer eksterduiven hebben dus, wat do teekening aangaat, al even weinig met onze Eksterduiven gemeen, als deze met de vogels, waarnaar zjj hunnen naam dragen, n.1. Corvrcs pica L., welke alleen witte schouderdekveeren en een witte bovenbuik heeft.

Bijna alle kleuren der eerste categorie komen overeen met die van de tweede en men behoeft voor de namen der éénkleurige slechts de woorden „Gaz-edquot; of ,.Gaz d-quot; te plaatsen om de namen der respectievelijke ekster-kleurige variëteiten te bekomen, bijv. „Pred cièr de la verga zalaquot; — „Gaz ed pred cièr de la verga zalaquot;, of „Mdgnan ed Irenghon sgurafossquot; — „Gaz mdgnan d-trenghen sgurafossquot;.

Om beter een overzicht van deze tallooze verscheidenheden te kunnen krijgen, heeft Bonizzi alle kleurschakeeringen tot 5 groepen of afdeelingen gebracht.

1. Enkelvoudige kleuren, d. w. z. dat elke afzonderlijke veer slechts ééne en dezelfde kleur heeft.

'2. Meervoudige kleuren, in twee of meer kleuren: van de gekleurde veeren hebben sommige slechts ééne kleur, andere twee duidelijke eenvoudige kleuren.

3. Gemêleerde kleuren met een duidelijk uitkomende grondkleur.

4. Gevlekte kleuren, d. w. z. dat elke veer '2 of 3 kleuren heeft.

5. Gemêleerde of gemengde kleuren, uit bijna alle duivenklcuren samengesteld en waarbij witte of zwarte vlekken de overhand hebben, of wier kleuren met eene bjjzondere nuanceering, of verbleeking overgaan in wit.

ocr page 197

i8!)

Opmorkelijk is liet, dat or onder de vele variëteiten geen zuiver blauw, d. w. z. geen duivenblauw schijnt voor te komen; onder de triganieri leeft de traditie, dat de oorspronkelijke, echte colomhi triganini zwart geweest zijn met een ovale witte vlek op den rug, welke traditie door de totale afwezigheid van duivenblauw aan waarschijnlijkheid wint en tevens aan betee-kenis aangaande de afstamming dezer duiven, waarop later zal worden teruggekomen. Bonizzi spreekt wel is waar, van een „Color azzuroijnolo, o meylio simile al color dell'aqua del marequot; — azuur- of zeeblauw, eene kleur, die do triganieri korenmolenaarskleur — munér did gran (mulinaro del grand) noemen, doch op de afbeelding vertoont deze kleur geen spoor van blauw en Bonizzi zelf geeft er later ook eene verklaring van met de woorden „Color bigio chiaro perlinoquot; ■ licht parelkleurig aschgrauw. Ja, in het hoofdstuk over de stabiliteit der kleurslagen noemt hij de blauwe kleur -— linta bleu — zelfs synoniem met aschgrauw — bigio, eene kleur, die hij op eene andere plaats (pag. 19) als „color cenerino-ccruleoquot; = aschblauw — aangeeft en tot de vier oorspronkelijke hoofdkleuren rekent, uit welke alle andere kleuren zjjn ontstaan. Deze vier hoofdkleuren zijn :

1. Color sauro o tint a rossa = goudbruin of rood;

,, cannella o tinta gialla = kaneelbruin of geel;

,, bigio o tinta bleu — aschgrauw of' aschblauw;

„ nero — zwart. Geheel witte worden zelden aangetroffen en zijn waardeloos.

AVij hebben vroeger reeds gezien, dat deze vier hoofdkleuren met inbegrip van de witte kleur bij onze tegenwoordige Veldduiven on hare rassen of nevensoorten vertegenwoordigd zjjn en wel: het blauw als hoofdkleur, wit en zwart als teekeningskleur (stuit en vleugelbanden), roestbruin bij Col. gymnocyclus, Gray (de rug, volgens Bonaparte) en bij twee door graaf Von der Mühlen in Griekenland waargenomen exemplaren van Col. liria als hoofdkleur. Het roestbruin echter kan ook als stamkleur van het duiven rood en duivengeel gelden.

Wat de teekening betreft, welke zich, met uitzondering van de zoogenoemde eksterteekening bjjna uitsluitend tot de vleugelseliilden bepaalt, komen de volgende soorten in aanmerking:

1. Gestippelde en gesprenkelde van een donkerder nuance der grondkleur van de schilden; zij heet in de taal der triganieri „tringnaduraquot;, de duif zelve „trenghenquot; of „tringnrequot; (van „irigono = driehoek).

2. Eene grootere, vierhoekige teekening op dezelfde wijze heet „qtaidri-naduraquot;, de duif zelve „quadrinéequot;.

3. Eeno soort van langwerpige vlekteekening „fr'r.zadnra, frizzrrquot; wordt door Bonizzi met „pruzzaloquot; verklaard.

ocr page 198

190

Hij do nutincccring dor vleugels komen nog anders gekleurde — roode ofquot; gele teekeningen, vlekken en stippen, /oonls bij voorbeeld bij de zwarte variëteiten. Zoo heeft men o. a. de volgende onderscheidingen ;

a. Zijn de vlekken klein, dan heet de vleugel „punledaquot; — „punleggialaquot;, dat is fijn gestippeld; bijv. „du imntèda cd rossquot; =; rood gestippelde vleugel.

h. Zijn de vlekken grooter en de vleugels als gemarmerd, dan heet de teekening „ruspaduruquot; — padde-teekening. Bijv. ,, Un clomh négher aruspée, ela ruspéda ed zulquot;, dat is: een zwarte duif met padde-teekening; de vleugels hebben eene gele teekening als die van een padde.

c. Zijn de vlekken nog grooter en „vormen zij bijna één groote vlekquot;, dan noemt men de duif Clomh de lu spalu {spuUu) rossa o znla. dnt wil zeggen: duif met roeden of gelen schouder.

d. Neemt deze vlek een éénkleurigen lichten toon aan, clan wordt aan de benaming dezer teekening nog het woord „alatédaquot; toegevoegd, dat wil zoggen: in do melkkleur overgaande.

c. Is alleen oen vleugel met een donkere, sterk uitkomende vlek getee-kend, wat voor eene hoog gewaardeerde bijzonderheid doorgaat, dan heet de vogel „Clomh do lu prza (pezza) ~ duif met een vleugel vlek (woordelijk: met een stuk of lap).

5. De vleugolbanden, eon of twee, moeten zeer stork tegen de grond-klour uitkomen, onvorschillig of zij van eene donkere nuanceering van die grondkleur of van eeno andere kleur zijn;—zwarte zijn een gruwel! De vogels heeten daarnaar „Clomh dal verijlt (verrjhe — meervoud van verga) rossi, zali enz. dat is: duif met roode, gele, enz. vleugelbanden.

Alle genoemde teekeningen - en alle bij name genoemd —vormen nu de Sollorazze en Sottovarietü, van welker aantal men zich eene voorstelling kan maken, als men weet, dat zij in alle kleur variëteiten van beide categorieën ■— éénkleurige en eksters — voorkomen en dat meor dan de helft van de naar deze teekeningen onderscheiden subvariëteiten in don catalogus der 152 hoofdvariëteiten niet opgenomen zijn.

Wij hebben nu nog onze aandacht te wijden aan de gebreken en on-volmaakthedon van dit eenig en bewonderenswaardig „op de veer go-kweektquot; ras.

Wat de fouten aangaat, deze komen natuurlijk vooral on het menig-vuldigst voor bij de eksterduiven, welke maar zelden volkomen zuiver van klour en teekening gohoiulen kunnen worden. De fouten bestaan, wat de

ocr page 199

494

Idouren aangaat, hierin, dat of do witto gedcelton door gekleurde veereli ontsierd worden, of' de gekleurde partijen niet de daarvoor bepaalde grens bereiken of' zich daarover uitbreiden, zoodat die partijen of te klein of te groot worden èf niet den juisten vorm hebben. Bij de eenkleurige gelden vooral witte veeren als een groot gebrek, bij beide categorieën witte veeren aan den kop, in de vleugelschilden of onder de groote slagpennen. Zijn deze alle wit, dan behoort de duif onder den naam „pariiujaquot; = vlinder tot de niet zeer in aanzien staande duiven. Ook is elk spoor van eene kuif een zeer zwaarwichtige fout. Wat de vormen betreft, mag de vogel niet te gestrekt zijn, geen al te langen staart hebben, terwijl die staart horizontaal — ot desnoods een weinig naar boven gericht — gedragen moet worden, doch niet afhangend; ook mag hij nooit gespleten (tweedeelig) zijn. Eindelijk behoort de vogel ook niet te laag op de pooten te zijn. Heeft eene duif de hier genoemde gebreken niet, dan is hij wel is waar goed te noemen, maar toch nog niet fraai en volmaakt. Om dat te zijn, behoort zij nog te bezitten: schoonheid en levendigheid en moeten alle kleuren, ook die der teekening en vooral van de zeer breede vleugelbanden zoo intensief mogelijk zijn; — zwarte gaan voor afschuwelijk leehjk door en donkerroodachtige zijn niet in aanzien, het meest gewaardeerd worden de roode, gele en vleeschkleurige. Behalve al deze eigenschappen is ook bij de eksters nog de uiterste nauwkeurigheid van de teekening een ver-eischte, alsmede eene goed uitkomende en nauwkeurig begrensde veer-teekening van de vleugeldekveeren. 't Spreekt wel van zelf, dat zoo volmaakte exemplaren bij alle variëteiten hoogst zelden voorkomen eu zeer gewaardeerd worden.

Het verschil in kleur tusschen den doffer en de duif bestaat over het algemeen hierin, dat de kleuren bij deze wat matter en blocker zijn dan bij gene. Bovendien vertoonen er zich nog eenige andere bijzonderheden. Bij de variëteiten met langwerpige (spritz) vlekken — frizzée — is de duif bijna altijd zonder deze vlekteekening; bjj die met driehoek- en ruit-teekening is deze bij de duiven fraaier dan bij de doffers, waarom zulke duiven ook duurder betaald worden. Sommige kleuren komen menigvuldiger bij de duiven voor dan bij de doffers. Bij andere is er een aanmerkelijk verschil op te merken in den overgang van donker tot licht. Als regel geldt, dat bij vele variëteiten meer fraaie en volmaakte doffers voorkomen dan duiven.

Prof. Bonizzi verontschuldigt zich bij de triganieri van zijne vaderstad, dat hij niet alle variëteiten in zijn catalogus heeftopgenomen. AVij behoeven onze lezers dus ook gelukkig niet te vermoeien mot de opsomming van al die kleur- eu teekeningsvariëteiten. Wel echter dienen we hier en op eene

ocr page 200

in'2

andero plaats nog liet oon on andor mede to doolon uit liet zoer interessante tweede hoofdstuk van het uitmuntende werk van Bonizzi, waarin de schrijver beproefd heeft do grondslagen van eene speciale zootechniek der duiven te ontwerpen. Hoe veelomvattend het werk van Bonizzi is, kan alleen reeds blijken uit de inhoudsopgave van dat tweede hoofdstuk, dat onder het opschrift: „Het fokken der duivenquot; over de volgende zaken handelt:

I. Over de veranderingen der Modeneezer duif; over de stabiliteit harer kleuren; over hare als raskenmerken geldende eigenschappen; over de kenmerken van de geslachten. II. Over kruisingen; over vermenging der kleuren ten gevolge van kruisingen; over veranderlijkheid der karakters; over terugslag en bloedverwantschap. Hl. Over de praktijk van het fokken (duivenslagen, inrichting, behandeling, ziekten enz.) Verder nog in het derde het duivenspel en het opvoeden der duiven; in het vierde eene verhandeling over de afstamming der Modeneezer duiven en over de geschiedenis der triganieri, en eindelijk in een aanhangsel waarnemingen omtrent het hybridiseeren der huisduif met de lachduif en over het oriënteerings-vermogen der duiven.

Wij geven hier in de eerste plaats een uittreksel uit het hoofdstuk „over de kruising der Modeneezer duivenquot;. De Modeneezer duivenfokkers stellen zich bij de verschillende kruisingen ten doel, de bestaande variëteiten iu den meest volkomen vorm te fokken en verder om nieuwe fraaie variëteiten vooi't te brengen. De attentie is daarbij in de eerste plaats op de eksterduiven gericht, doch over het algemeen worden de grondstellingen der kruisingsleer toch ook op de éénkleurige duiven toegepast. Bij beide categorieën moet fraaiheid der vormen onvermijdelijk op den voorgrond gesteld worden. Een tweede eisch is verder nauwkeurigheid der teekening bjj de eksterduiven: deze moeten „legelimquot; lecjülimo dat is zonder fouten zijn, zeggen de Modeneezer triganieri. Om dit doel bij de reeds bestaande variëteiten te bereiken, paart men zoo volmaakt mogehjjke exemplaren van dezelfde variëteit en kleur met elkander. Verlangt men echter nieuwe kleuren en teekeningen bijvoorheeld een dieper of helderder of' meer gelijkvormig koloriet, schitterende, zachte, fluweelachtige kleuren - dan is het beste, verschillende variëteiten met elkander te kruisen.

Als algemeene grondstellingen gelden bovendien bij de Modeneezer fokkers:

1. Men mag alleen zulke exemplaren voor de kruising gebruiken, welker stamboom men nauwkeurig kent; men kiest daarom het liefst fok-dieren uit zijne eigene stammen.

2. Gewoonlijk kruist men alleen uiterlijk verwante variëteiten mot elkander, dus éénkleurige met éénkleurige, samengesteld gekleurde met samengesteld gekleurde (bonte vnrieycjiale).

ocr page 201

inn

li. Onder deze kleuren geeft men de voorkeur aim venvunte of gelijke. Het een of' ander doel, dat men mot de kruising op liet oog heeft, maakt evenwel wel eens uitzonderingen op deze regelen noodig.

4. Hetzelfde geldt van de variëteiten met vleugel- of staartbanden. Men paart gewoonlijk alleen zulke duiven met elkander, welke één van heide bezitten.

5. Wanneer men verpliclit is met bloedverwante dieren te kruisen, dan neme men daarvoor nooit broeders en zusters.

Men houdt de Modeneezer duif in gewone kamerslagen, of opgesloten, of met vrije uitvlueht; vrijwillige paring onder elkander staat men haar echter nooit toe, altijd paart men ze na zorgvuldig eene keuze te hebben gedaan.

Te dien einde worden in de slagen verplaatsbare houten stellages opgesteld met zoovele, aan de beide smalste zijden getraliede afdeelingen, als men het voornemen heeft paren duiven te houden. In deze afdeelingen worden de afzonderlijke hroedkasten, die eveneens aan twee zijden van traliën zijn voorzien, naast en boven elkander geplaatst. Deze zijn ongeveer 75 centimeter lang, 05 centimeter diep en evenzoo hoog en bevatten ieder twee van wilgen teenen of iets dergelijks gevlochten broednesten — horejh — rnrha, korf van een eigenaardigen vorm, die men wel met dien van een suikerbrood kan vergelijken, van 40 centim. lengte en 00 centini. diepte en welke twee aan twee in eene horizontale richting ann de smalle zijden van de kooi op den bodem worden bevestigd. Om deze kooi voor eene gedwongen paring te gebruiken, voorziet men haar aan den voorkant van traliewerk, waarin eene deur om bij de nesten te kunnen komen.

liet voedsel is over het geheel hetzelfde als hier en elders: wikken en gerst, alsmede tarwe; zoo lang do jongen klein zjjn, geeft men gierst, welke vooral ook als lokvoer dienst doet. IJijst wordt door de triganieri gevoerd om hunne vliegdniven hongerig te houden. In den winter voert men ook de pitten uit de wijndruiven, liet onontbeerlijke zout wordt de duiven toegediend in een sedert onheugelijke tijden gebruikelijk deeg, dat hun in den broedtijd benevens gierst verstrekt wordt. J)e triganieri bereiden dat deeg naar het volgende recept: 1000 gram gestooten baksteen wordt met 100 gram tarwezemelen, even zooveel gierst en 25 gram gestampte kummel met water, waarin 50 gram keukenzout opgelost is, tot een stevig deeg gekneed, dat men in stukken snijdt, iu de zon of de kachel droogt en de duiven voorlegt, opdat deze daaraan pikken. (De triganieri noemen dit deeg „al clunaiiquot; (il comino, kummel). In het Oosten strooit men kummel in de slagen om de duiven te lokken of te gewennen). Hoven dien geeft men haar, vooral bij diarrhee of om hun eetlust te prikkelen enz. een weinig zout in het drinkwater of vermengt het met zand.

Baldamus, l'luimvcetcolt II. lij

ocr page 202

IfU

Ofschoon ziektcversclijjnselcn in goed zuiver gelioudon en goed geventileerde slagen en Injj eene zorgvuldige en rationeele voedering zelden voorkomen, zoo lijden toch in sommige jaren oude duiven zoowel als jonge aan diarrhee, waartegen men zout ot' jjzer in het drinkwater en best voeder gebruikt en meestal met goed gevolg.

De jonge duiven worden vooral in den herfst licht door de pokken aangetast, cn, wanneer zjj deze ziekte te boven zijn, dikwijls met diarrhee, uittering, oog-, vleugel- en beenkwalen bezocht.

Grootc verwoestingen richt soms, meestal in den naherfst, eene dooi' prof. Delprato als typheuse leverziekte erkende epidemie onder de Mode-neezer duiven aan. De verschijnselen van deze ziekte zijn de hiervoor genoemde oog-, vleugel- en beenkwalen en voorts een geel- of groenachtig speeksel en opzwelling van den krop, en de kwaal eindigt gewoonlijk met het braken van eene groene, waterige massa, verweeking van do lever en ontleding van het bloed, Cremor tartari of ijzerhoudend water uit den koelbak van den smid zijn soms met goed gevolg aangewend; het zekerste is evenwel, de gezonde dieren door verwjjdering uit het slag voor besmetting te bewaren.

ocr page 203

195

Eindelijk komen wc tot liet van oudis beroemde, liartstochteljjk gedreven duivenspel, „ghtocoquot;, en tot de africhting der duiven daarvoor.

Volgens Bonizzi hebben dergelijke spelen ook plaats in lieggio en eveneens in Moskou en in andere steden van Rusland.

J)o lieden, die zuili met dat spel bezighouden en tot bjjna alle klassen van menschen behooren, lieeten „Targanèrquot; ■. _ Trkjanicri; het spel zelf' wordt aangekondigd met de woorden: „fin- mdèr i clombquot; — de duiven laten vliegen.

is en „inmtquot; = brug heet.

I)u plaats, van waar uit dit duivenspel geleid wordt is do „chnnburaquot;, een zoo mogelijk op het hoogste punt van het huisdak gebouwd, toren-vormig duivenhuisje, aan drie zijden omgeven door een klein platform, waarop zich de „targanerquot; bevindt, die het spel leidt — Fig. 70. Dat platform heeft drie etages of verhoogingen, van welke de middelste a, welke de breedte van de eene zijde der dakopening heeft en ongeveer 1

vierkanten meter groot is, de

Rechts en links daarvan bevinden zich twee andere bruggen h h, die 30 centimeter hooger zijn, welke „rufianèliquot; — rufianelle (koppelaarsters) genoemd worden, een weinig meer dan I vierkanten meter oppervlakte hebben en, evenals twee wederom hoogere bruggen - „contrarupanèliquot; —• c lt;: door zijplanken (treden) met elkander verbonden en door stevige stutten aan het dak bevestigd zijn. Dit geheele bmggenstelsel heet „parciaduraquot; —• apparecchiatiira : stellage en is aan den buitenkant door een 30 centimeter hoogen wand van planken d cl omgeven. Uit het dak leidt eene opening van ruim i Meter lengte en breedte naar het torentje, dat ruim 4 Meter hoog en van een schuinsch dak voorzien is, fig. 71. Do voorkant/ van dit torentje is open, zoodat men van daaruit rechtstreeks op de brug kan stappen; de beide zjjwanden voor de voorste helft e van steen of planken vervaardigd en voor de achterste helft ij van latwerk,

fig. 70 en 71. De achterwand wordt gevormd door twee of drie kooien, welker deurtjes, wanneer deze gesloten zijn, tevens

den geheelen achterwand afsluiten. Ter

weerszijden van de kooien bevinden zich nog valdeuren of kleppen om de vreemde duiven bij het spel te vangen. Voor dat zoogenoemde „spelquot; worden de duiven zorgvuldig afgericht. Men kiest daarvoor bij voorkeur jonge duiven op den leeftijd vun (5 a 8 maanden, „welke nog niet gebroed hebben.quot; Men noemt deze duiven „pizonquot; — piccioni en de geheele troep of vlucht, gewoonlijk uit 20 a 30 stuks be-

ocr page 204

1!»(i

staande, un ciop cd pizon: een vluclit onde duiven wordt nn ciop cd ver genoemd. Men geeft do voorkeur aan duiven, die in niot-gesloten slagen geliouden worden, omdat deze zicii reeds in liet vliegen hebben geoefend en eenigszins met den omtrek vertrouwd zijn.

Het doel van het „duivenspclquot; is, door zijn eigene vlucht duiven die van andere duivenhouders te lokken en te vangen. Men richt zijne duiven daarom langzamerhand op steeds verdere vliegtochten af en ten laatste ook op vermenging met andere, vreemde groepen of vluchten, van welke zjj zich op een gegeven toeken weder scheiden om naar hun eigen meester terug te keeren. Het komt er dus vooral op aan, de duiven zoo te dres-seeren, dat zjj Hink vliegen, zich op een toeken van hun meester dadelijk scheiden van de vreemde groep, waarmede ze zich vereenigdon en zoo eenige, niet zoo goed gedresseerde duiven van die groep medevoeren. Voor die dressuur worden zjj eerst in de kooien van den toren opgesloten en schraal gevoerd met eene slechte soort rjjst of iets dergelijks en nooit geheel verzadigd. Als zjj de naaste omgeving van de kooien, de stellages en hot dak hebben loeren kennen, worden de deurtjes der kooien geopend en strooit men op de bruggen een beter, meer door de dieren gewild voer als wikken, tarwe enz. Men lokt ze altijd uit de geopende kooien door zicht- en hoorbare teekens, als eeue beweging met de hand alsof men voeder strooit, klappen in de handen, fluiten enz., zoodat zjj zich er al zeer spoedig aan gewennen, direct aan do uitnoodiging te voldoen om van het voor haar gestrooide voer te gebruiken. Daarna worden zjj tot vliegen opgejaagd en na eenigen tijd met de gewone teekens tot terugkeer naar de voeder-plaats geroepen. Eindelijk brengt men zo er toe, dat zjj zich onder de vluchten van bevriende triganieri mengen; deze roepen dan beurtelings hunne vlucht terug en, zoo sommige vluchten nu enkele duiven van eene andere vlucht meenemen, en er misschien zelf ook enkele verliezen, worden deze gevangen en dadelijk omgeruild. Zijn de duiven na eene langdurige oefening Hink geworden, dan nemen zjj aan het oigenljjke spel of liever aan den strijd deel. De triganieri staan namelijk meestal met hunne naaste buren op „voet van vredequot; — „a pcaquot; — « part', doch met andere, meer verwijderde op „voet van oorlogquot; •— „o guèraquot; — u guerra. Met deze laatste wisselt men de gevangen duiven niet tegen elkander uit doch behoudt ze tegen betaling van een lire. Staan sommige triganieri echter, wat tegenwoordig slechts zelden moor het geval is, op „voet van een hloedigen oorlogquot; — gitera al idlcm sanyhiiwquot; — guerra alV ultimo sangue ■— dan worden de gevangen duiven in het aangezicht van de tegenpartjj gedoodquot;, (ïoed geoefende vluchten duiven verlaten nooit het gebied van de stad, doch bljjven er altoos boven rondvliegen en wel meestal om bet middel-

ocr page 205

-li »7

punt (liuirvan, wat wcrkolijk co» interessant .sckouwspul is; iiioi' cu daar ziet inun dan tevens do triganieri op liunno stellages met oen vlag in de hand, waarmee zij de to vroeg terugkeorende duiven weder opjagen en do bewegingen van liunne vlucht regelen en leiden.

De Modeneezer duif', liet duivenspel enz. dagtoekenen reeds int den tijd van Plitllüs, die van do bewoners van IModona zegt, „dat zij als dol zijn, torens voor hunne duiven op do huizen bouwen en van sommige duiven een stamboom aanhoudenquot;. C. Malmuai hoeft het archief van Modena tot op het jaar i:i'27 doorgesnuffeld, in welk jaar er oene wet uitgevaardigd word, waarbij verboden was do duiven van andere partijen te dooden of te vangen. De eerste zekere mededeelhig betreffende de triganieri en bun spel vinden we in do eerste helft van de lO'1'' eeuw bij don Modeneezer dichter Alessandro ïassoni, die de zoogenoemde triganieri eene bende dagdieven noemt, verslaafd aan het spel en liet laten vliegen van duiven

15. Tuimelaars — C. (jijranles.

Tuimelaars, Overslagers, Hollers enz. Tumblers, Pigeons ('.ulbulanls, Tümmler, linrzler enz.

De groep der Tuhnehinrs is rijker aan soorten, variëteiten en subvariëteiten dan allo andere duiven rassen, ja, misschien rijker dan de groote onder-afdeeling der kleurduivon, welker teekoningen ook bijna allo — en bovendien nog andere ■— hij de Tuimelaars worden aangetroffen.

De Tuimelaars dragen liunnen naam naar de eigenaardige hewegingen in de vlucht, welke eigenaardigheid oorspronkelijk bij alle rassen en variëteiten van deze groep werd gevonden en alleen door de dressuur was verkregen, waarom vele dezer duiven onopzettelijk of mot opzet, door de wijze waarop zij gehouden werden, hare bijzondere gewoonten ook weder veranderden of nagenoeg geheel verloren. Wij zeggen hier mot opzet ..nagenoegquot;, omdat die eigenaardigheid zich dikwijls dadelijk weder openbaart, wanneer men lang opgesloten gehouden dieren weder in vrijheid laat. Ja, er wordt beweerd, dat. deze eigenschap zich wel erfelijk toont in het derde en vierde geslacht, waarom sommigen meenen, dat onze Tiiimolaars afstammen moeten van eene bijzondere soort van wilde duiven, aan welke deze ongewone wjjze van vliegen eigen is; hetzij dan, dat die soort, in den loop der tijden uitgestorven is, of nog in leven doch onbekend is, wat niet heel waarschijnlijk schijnt.

Doch, al toont het eigenaardige tuimelen, rollen enz. ook erfelijk te zijn, het kan daarom zoor goed eene verworven eigenschap dezer duiven zijn, aangezien het door de ervaring blijkt, dat ook verwnrve)i eigenschappen soms niet minder erfelijk zijn dan oorspronhdijkc.

ocr page 206

i 98

l)o eigenaardigheid van de vlucht dezer duiven bestaat over 't algemeen hierin, dat de Tuimelaars nooit in eene en dezelfde richting ergens naar toe vliegen zonder zich nu en dan ruggelings achterover te werpen of' ten minste, niettegenstaande do groote snelheid linnner vlucht, deze plotseling staken en van richting veranderen. Daarbij slaan zij meest altoos kleppend de vleugels boven het lichaam tegen elkander, zelfs dan, wanneer zij zich uit eene aanzienlijke hoogte bliksemsnel naar beneden laten vallen. Naar den verschillenden aard dezer bewegingen, en naar het aantal, do volgorde en de snelheid daarvan hebben de Engelschen de Tuimelaars als volgt verdeeld :

Rollers; zoo noemen zij die duiven, welke zich zoo tallooze malen achtereen en zoo snel achterover werpen, dat zij op een vallenden bal gelijken. Een goede Roller moet zich op eene distantie van '20 voet voortdurend achteroverwerpen; andere doen zulks drie of viermalen op eene grootere distantie; do beste echter zijn die, welke bij het vallen door eene groote ruimte aanhoudend tuimelen.

Tumblers worden die duiven genoemd, welke bij het opstijgen en telkens wanneer zij wenden, tuimelen en te gelijker tijd twee of moer rugwaartsche bewegingen maken.

Tipplers (dronken duiven) moeten telkens slechts ééne buiteling maken, doch deze zeer dikwijls herhalen.

Mad tumblers (dolle duiven) hebben de dolle eigenaardigheid, om zich — zoowel opgesloten als in de vrije lucht — aanhoudend, als of ze dol en blind waren, achterover te werpen, zoodat zij zich dan ook gewoonlijk weldra tegen het eene of andere hard voorwerp den kop stuk stooten. Men laat ze daarom niet vliegen, doch houdt ze alleen om er van te fokken.

Twizziers (draaiers, ringslagers) eindelijk zjjn die duiven, welke horizontaio, kringvormige bewegingen maken onder het tuimelen van de geheele vlucht.

Bovendien spreekt men nog van Lon(j~and hiijlt-jlying Tumblers, (langen hoogvliegers), verder van Brilliant xoorhers Regular or accurate Tipplers — Eccentric Twizziers —• Long Rollers Mid-slajworkers, Kits en*, alle namen, welke de eigenschap der respectieve tuimelaarssoorten in eene hooge mate uitdrukken.

Bij sommige duiven is de vaardigheid in het tuimelen zoo sterk ontwikkeld, dat zij zelfs in de engste ruimte tuimelen, wanneer zij van den bodem opspringen of opvliegen; zij heeten Inside otHouse Tumblers. Hunne grootste volmaaktheid bestaat hierin, dat zij slechts enkele duimen hoog van den grond opspringen, zich achterover werpen en dan weder op de pooten terecht komen.

Alle Tuimelaars hebben echter wel de eene of andere eigenaardigheid of

ocr page 207

-190

verkeerde gewoonte bij dit vliegen, ook die variëteiten, welke men gewoonlijk niet vrij laat vliegen, bijv. ook de Almonds en de overige kortsnavelige variëteiten.

In Frankrijk verdeelt men deze groep in Culbulants ■— die eenvoudig tuimelen, en Culhulanls pantomimes — luchtspringers, doch men verstaat daaronder alleen de kleine en kortsnavelige variëteiten. l)o imjeonn lounmuls of' llingslagers worden door Espanet nog weer van deze onderscheiden. In België en Holland, waar de liefhebberij voor duiven reeds in del6lleeeuw in hoogen bloei was, noemde men de Tuimelaars overslagcrs en do tijnste onder hen draaiers. De doffers klapten, volgens Aldrovandi, niet alleen met de vleugels, wanneer zij boven hunne duiven vlogen, doch ook bij het opstijgen en bij het „ringslaanquot; en wel in zoo erge mate, dat hunne sliig-pennen dikwijls braken.

Uit het vorenstaande blijkt ten duidelijkste, dat het woord tuimelaar tegenwoordig geen nauwkeurig bepaalde beteekenis meer heeft. Vandaar dan ook die verschillende indeelingen. Sommigen rekenen tot de Tuimelaars alle duiven, die zich door eigenaardige vliegbewegingen kenmerken en dus ook do Ringslagers en Slenke-duiven.

Dat zulk eone groepeering aanleiding moet geven tot misverstand, ligt voor de hand. „Tuimelaars behooren te tuimelen onder het vliegen, juist van dat tuimelen krijgen ze hun naamquot;, 't Was zeker wel gewenscht, dat deze eenvoudige definitie voldoende was om de zoogenoemde tuimelaars te karakteriseeren, doch zoover is men nog niet: iemand, die „Tuimelaarsquot; koopt, behoeft volstrekt niet te meenen, dat hij „tuimelendequot; duiven bekomt.

Darwin zegt, van de Tuimelaars sprekende; „Zij wentelen zich in de vlucht rugwaartsquot;, dat is dus: Zjj tuimelen. 11 jj verdeelt verder de Tuimelaars in:

lt;(. Per:isrhe (^iimeiaars, die hoog vliegen en werkelijk tuimelen;

b. Indische tuimelaars (Lowtans), bodemtuimelaars, omdat zij niet in de lucht maar op den grond hunne buitelingen verrichten :

c. Gewotie Engelsche tuimelaars, die nog boter wentelen dan de Perzische;

(I. Kortvoorhoofduje tuimelaars, die hel vermogen om le tuimelen verloren

schijnen te hebben, doch het hij toeval nog wel eens doen.

In de juiste beteekenis van het woord kan deze 4(U' groep eigenlijk niet meer tot de Tuimelaars gerekend worden.

Daar alle tot de Tuimelaars gerekend wordende variëteiten echter uitstekende vliegers zijn, is liet zeker beter deze groep te verdoelen in Tuimelaars en Hoogvliegers (troep- en solo vliegers).

Afgezien van de eigenaardige vlucht worden de Tuimelaars verdeeld in

ocr page 208

200

loiKj-faccd liingsnavüligo (oigonlijk liuigvoorliooltligc) en xhorl-fdccd -koi'tsnavelige (kortvoorlioofUigo) Tuimelaars, doch er zjjn ook niicklenvoinien met een snavel van middelmatige lengte.

Als algemoone kenteekenen voor den geheelen groep der Tuimelaars kunnen golden: een bijna zonder uitzondering licht gekleurde snavel, naar verhouding tot den kop groote, meestal glas- of parelkleurige oogen, een korte en van boven dunne lm Is, eene vooruitstekende breede borst, korte pooten, losjes gedragen vleugels en eene eigenaardige houding, welke een gevolg is van den achterwaarts gebogen hals en den ingebogen rug. Al deze punten zijn echter bij de beide bovengenoemde omlerrassen zoo veelvuldig gewijzigd, dat het zeker geraden is, beide afzonderlijk te karakte-riseeren.

I. Li(ii(jsii(tveli(je 'iuiinclaars — C. (jtjrulvix lomjiroslris. I.oikj faced honblers. l'itjeons lomhlaives. Gewölinliche Tuimnlev. Fig. 5 en 71!.

Hiertoe rekent men het grootste gedeelte van de Tuimelaars, welke noch een zoo steil voorhoofd, noch een zoo korten snavel, noch de sleepende vleugels en de eigenaardige trotsche, overmoedige, jonge-damcsachtige bonding hebben, die den echten kortsnaveligen Tuimelaar kenmerken. De houding komt in de allereerste plaats in aanmerking ter bepaling van deze afdecling en verder de gerekte, lange tot middellange snavel en de tamelijk lange kop mot het vlakke voorhoofd.

Voor de practijk is het zeker niet ondienstig, deze afdceling in twee onderardeelingen te splitsen : liuiysinurliyc vn niiddcllavcjtsndrcliije 'l'uimclaars, terwijl ook de opmerking zeker niet overbodig is, dat de tallooze, tot deze afdceling behoorendo duiven zoowel do Uoocjvliccjers omvat als de yewone Tuimdaars,

n. Langsna velige.

I. Ün lirunawijkcr Witjien Baardhunielaar. The lomj faced Heard T.

1 Vcisschhij-Ihhi cl ie a of Hraunschiveiijer Diirlclien.

Deze duif wordt sedert langen tijd in I5runswijk, Maagdenbiirg en llal-berstadt gefokt; zjj heeft de grootte van do Veldduif, eene slanke gestalte, opgerichte houding en is zeer levendig en bewegelijk van aard De gladde kop is lang, vlak en zeer smal; de achterkop aan den nek scherp begrensd en hoekig; voorhoofd cu snavel moeten zoo mogelijk ééne liorizontale Ijjn vormen. J)e zeer lange, dunne cn rechte snavel is vleescbkieurig, terwijl de snavelwratten van eene wat lichtere nuancering, lang, smal en zeer vlak

ocr page 209

201

zijn; liet grootü oog is licht parelklourig', hoeft oen kleine pupil on oen zoor smallon, gladdon. loveudig rooden oogrand. Do hals met de cirkolvormig uitgesneden keel is middellang, licht naar achteren gebogen en de bovenhals zeer dun. Do matig breode borst is gewolfd en steekt een weinig vooruit; de rechte rug loopt naar achteren vrij steil af; de stevig gesloten, lange vleugels worden hoog in don vleugelboog gedragen en kruisen elkander boven den staart, welke matig lang en stevig gesloten is en met den schuin afloopendon rug één rechte lijn vormt; de buik is smal en weinig gerond. Vim de pooten zjjn de schenkels slechts weinig zichtbaar, hot loopbeen is echter lang en evenals de toenon onbevederd.

De Hrunswijkscho Baardtuimelaar komt in bijna alle hoofd- en neven-kleuren voor, ook blauw gehamerd, met leeuwerikteekening, zilver-, muis-en melkvaal, geel- en roodvaal. De zwarte, gele, roodo en melkvale (isabelle-kleurige) zijn zonder vleugelbanden, alle overigen hebben die banden en wel: do blauwe, zilver- en muisvale en do gehamerde zwarle, do leeuwerik-kleurige en de roodvale romln en de geelvale (jt'Ia vleugelbanden. Do tec-heniiuj bestaat: 1° uit den baard of bef, dat is de keelvlek, die wit is en een middellijn van lü millim. moet hebben, van den benedensnavel af gemeten; de baard mag niet tot achter of aan de oogen reiken en moet geheel wit en door oen bevallig gebogen lijn begrensd worden ; 'i0 uit de teekening der vleugels, welke bij normale dieren ieder 8 witte groote slagpennen behooren te hebben, ofschoon 7 bjj 8 of !) bij !) bij overigens volmaakte duiven deze niet van de hoogste bekroning uitsluiten.

Behalve eene intensieve kleur en correcte teekening zjjn nog een smal en vlak voorhoofd, een lange en geed gekleurde snavel, een helder oog en eene goede figuur de hoofdzaken bij de beoordeeling. Deze duif kenmerkt zich ids eene uitstekende „iroepvlicijcrquot;.

'i. De 1 [((nnovarsche Wil-penluhttelaiir.

Deze duif is, in tegenstelling met de jias genoemde, een solovlieijcr van den eersten rang, een weinig langer doch overigens in gestalte en houding daaraan gelijk, ook wat do kop- en snavelvorming betreft. Alleen is hot voorhoofd gewoonlijk iets hooger, de snavel wat bleeker van kleur en aan de basis iets breeder, terwijl het groote parelkleurige oog een zeer breede iris en een kleine pupil heeft. Hij de donkere kleurslagen is de snavelpunt gewoonlijk hoornkleurig, wat niet als eene fout wordt aangemerkt. Men onderscheidt onder deze duiven zoogenoemde roodoogen mot een levendig i'ooden, en witoogen met een witten oogrand. Keel, hals en borst zjjn als bij de vorige, alleen is de boog iets broeder en daarmee overeenstemmend

ocr page 210

202

is do nig in do sclioutlers ook breed on loopt die ininder steil ut'. De vleugels sluiten vaster tegen den romp, reiken bijna tot aan het uiteinde van den staart en rusten ongekruist daarop. De buik is matig breed en lang, terwijl staart en pooten geheel zijn als bij nquot;. i.

Voor de vleugelteekening -— witpen -- geldt ook hetzelfde als bjj de vorige; de kleuren /jjii: éénkleurig in zwart, bruin (chocoladebruin), blauw niet zwarte, vaalgeel met gele vleugelbanden en wit; de laatste kleurva-riëteit komt soms met een breede kuif voor, doch wordt dan niet als raszuiver erkend. Een witte vlek aan liet achterlijf geldt niet voor eene fout.

De onder den naam Cellar tuimelaar voorkomende duif verschilt niet noemenswaard van den Hannoverschen en wordt dan ook wel als dezelfde beschouwd, terwijl de Bremer tuimelaar oone plaatselijk slag vandenllan-noverschen is, speciaal gefokt op een hoog voorhoofd, zoolang mogelijke slagpennen en staart en „wat de kleur betreftquot;, hoofdzakelijk op de gevlekte of tjjgerteekening.

3. De Wit-slaarttuimelaar.

is eene in Denemarken gefokte, als goede troepvlieger bekend staande variëteit, die in alles met de vorige overeenkomt; alleen is een breede kuif bjj doze even goed geoorloofd als een gladde kop, alsmede een donkere vlek op den vleeschkleurigen snavel, welke laatste bij do blauwe ook geheel donker mag zijn.

Deze duif komt in alle hoofdkleuren voor, de blauwe met zwarte vleugelbanden; melkvale worden zelden aangetrotfen en dan ook zelden nog goed. Do volkomen witte staart moet scherp begrensd zijn, terwijl ook do onder-staartdekvoeron wit behooren te zijn. Er worden ook Witpen-wit-staarten gefokt, bjj welke, wat het aantal witte slagpennon aangaat, hetzelfde geldt als bij de onder nquot;. quot;1 en '2 genoemde.

4, De Deemche Tuimelaar.

De Doensche tuimelaar is gladkoppig doch overigens in alles aan de vorige gelijk. Met de zoogenoemde „eksterquot;teekening wordt bjj ook Kopcn-hagener tuimelaar en Doensche Klister genoemd: deze teekening komt voor in de kleuren zwart, bruin, rood, geel, blauw en zilver. Kop, hals, borst en rug zijn gekleurd, vleugels en buik wit. De borstkleur moet zich niet te ver naar den buik toe uitstrekken, doch ook niet te hoog eindigen en het gekleurde „hartquot; tusschon de schouders moet aan beide kanten gelijkmatig en scherp begrensd zijn.

ocr page 211

203

Tiolialvc in do okstcrtuekoning komen de Dounscliu tuimoffitrs ook voor óófikleui'ig in zwart, rood en geel, zonder eenige af'tcekening doch met een diepe, glanzende kleur; in deze zelfde drie kleuren heeft men ook getijgerde, van welke kop, bovenhals, slagpennen en staart éénklenrig zijn, terwijl borst, benedenhals, rug en vleugeldekveeren zoo gelijkmatig mogelijk met wit getijgerd zijn. Als het geheele gevederte met wit gevlekt is, dan worden zij „Schoorsteenvegersquot; genoemd. De „Slipperquot; — Deensch: Stdn-l;edi; in wit komen zeer veel met de getijgerde overeen ; als „/ilversiipperquot; hebben zij op een lichten zilvergrijzen grond kleine zwart-blauwgrijze spikkels, de „Goudslipperquot; hebben zwarte spikkels op een lichtgeelachtig rooden grond. De „Branderquot; of „Vuurduifquot; is levendig bruinrood (kastanjekleurig); de veeren van rug en vleugels verlangt men zwart gezoomd, de groote slagpennen zwart met bruine punten en bruine schachten, de staart zwartbruin met een zwarten dwarsband, de snavel pikzwart.

De Deensche tuimelaars zijn alle goede vliegers, evenals

5. De Galicische Ehslerluimélaar of Krukauer Eksler.

Deze komt alleen iu de ijsblauwe kleur voor, heeft een zwarten snavel en blauwgrijze oogranden, doch onderscheidt zich overigens in niets van de voorgaande.

('i. De HoIUmdsrhe Tuimelaar.

The long-fdCMl Dalch Tumbler.

Cidbulanl hollandais.

Hollander Uochfliccjer.

De Hollandsche tuimelaars kunnen volgens Marten als do stamouders der langsnave-lige witte Tuimelaars (hoogvliegers) beschouwd worden, doch hebben, mede tengevolge van de mode, in den loop der tijden eenige veranderingen ondergaan. Ilot oudste type had witte oogranden en bevederde pooton, later werden do oogranden rood en de pooton glad verlangd, terwijl men eindelijk weder de voorkeur gaf aan de kenmerken van het oude type.

De Hollandsche tuimelaar is krachtig doch slank van vorm; de kop is lang, smal en glad met een weinig gewelfden schedel en zoor langen.

ocr page 212

204

(liinnen Kiiitvol, wolko wit vim kleur cn aan do pimt cun weinig gebogen in. J)e oogen /.iju groot en kristalhelder (glasoogen) en omgeven door een bleekrooden iiuidrand. De lials is lang, terwijl ook de vleugels, de pooten en de staart vrij lang zijn; do vleugels worden vnst gesloten tegen liet liehaam gedragen en reiken niet tot liet einde van den staart.

Ofschoon de kleur oorspronkelijk wit was, treft men ze tegenwoordig ook in andere kleuren aan: zwart, bruin, rood, blauw, getijgerde, wit-staarten, witpennen enz. De witte vertoonen als nestjongen roode sprenkels aan hals en borst, welke bij den eersten rui gewoonlijk verdwijnen, doch soms ook blijven.

De 11 oil. tuimelaar is eene uitstekende en elegante hoogvlieger.

7. /te Slraalsunder Tuimelaar.

Deze duif is een solo- en troepvlieger beide, komt alleen in wit voor, welke kleur bij de jongen echter met rood is vermengd, dat eerst langzamerhand bij den rui verdwijnt, doch ook bjj vele exemplaren altijd aan den hals zichtbaar blijft.

De snavel is wit, zeer lang en recht, alleen aan de punt een weinig gebogen; de snavelwratten zijn zeer vlak en hebben een eenigszins roodachtige tint; het voorhoofd is zeer vlak; het groote, heldere pareloog heeft een levendig rooden rand. De vleugels liggen slechts los tegen het lichaam en de pooten zijn zeer lang.

Als „oerstamquot; van de Straalsunder tuimelaars beschouwt men den liol-landschen tuimelaar of Hollandscheu hoogvlieger, waarvan zij dan ook ,,bijna niet te onderscheiden zijn.quot; (Marten).

8. De Dantziger Hoogvlieger

heeft een smallen kop met een licht gewelfd voorhoofd en een breede kuif; de snavelkleur varieert tussehen wit en hoornkleur al naar do kleur van het gevedorte; zoo is het ook met de kleur van de oogranden, alsmede met de iris, welke van geel tot donker voorkomt, ofschoon men de voorkeur geeft aan de parol- en witte kleur. Do hals is tamelijk kort, doch dun aan de koel en een weinig naar achteren gebogen; de matig breede borst treedt goed vooruit; de rug is een weinig hol en loopt slechts weinig af; de lange vleugels rusten slechts losjes gesloten op de zijden van don iniddollangen, tamelijk broeden staart, welke uit 12 a 17 of nog meer voeren bestaat, oen weinig hol is en aan het einde recht afgesneden. De buik is kort en rond; de pooten hebben een onbevederd loopbcen en moeten

ocr page 213

'205

zoo lang' mogelijk zijn. Ann do kleur van liot gevederto wordt minder waarde gehecht dan aan do bekwaamheid in hoog en lnng' vliegen, waarin de Dantziger hoogvlieger, naar men zegt, alle andere rassen moet overtreffen. Deze duiven komen hjjna alleen voor ais gemeiigdklenrige en witte; slechts zelden treft men zuiver gekleurde exemplaren aan.

9. JJe Weena)' Tuimelaar.

Even goed hoogvlieger en met evenveel kracht en volharding begaafd als de voorgaande. Hij is slank van bouw, hoog' op de pooten, stram van houding, schuw van aard, levendig van temperament. Jljj heeft een gladden, vlakken en smallen kop, die scherp van den nek gescheiden is, en een zeer smal eu vlak voorhoofd. De lange en rechte snavel is wit tot hoorn-kleurig rn vormt met hot voorhoofd één horizontale lijn: hot oog is grijswit tot licld parelkleurig mot oen iu overeenstemming met het gevederte lich-teren of donkeren oogrand. De lange en dunne hals is licht gebogen, do borst smal en niet vooruittredend, de rug recht en schuin atloopend. De lange vleugels liggen goed gesloten en dicht tegen den romp en kruisen elkander op het einde van den matig langen, gesloten staart. Ook de buik is smal en vlak, terwijl do pooten lang en onbevederd zijn. Men heeft er éénkleurigo in het blauw van verschiHondo nuanceoringen en bovendien een groot aantal van verschillende kleur en teekening. De donkere, gele en roede met ooievaarsteekening, de zwartgescliilde, gehamerde en geschimmelde zjju do voornaamste; de andere talrijke variëteiten zjjn voor niet-Weeners van geen belang.

*10. Da Oostersche Hotter, C. (jeulnosa. The oriental I taller. Le ph/mn Roldeur oriental. Der Orienlallsche Holler.

Dit merkwaardige tuimelaarsras, dat uir Klein-Azië stamt, ook in sommige streken van Turkije en Griekenland gehouden wordt en zeer hoog geschat wordt, is door don heer Ludlow het eerst in The lumciers Gazelle beschreven en afgebeeld; hjj doet ons daar kennis maken met een zwart on een almondklcurig' exemplaar. Zonderling is echter — eu dit springt hjj eone beschouwing der afbeelding direct in het oog dat dit ras uit twee groepen moet ontstaan zjjn, die zeer in karakter verscliillen: do romp vertoont den bouw en de houding der Almouds, terwijl kop. snavel en hals niets liebben. dat aan de Tui molaars herinnert.

De snavel is lang en recht, matig dik en sterk, met oen weinig gezwollen, doch gladde snavel wratten, quot;t Js wol merkwaardig, dat de snavel ook bij do zwarte variëteit wit is mot oen roodo tint aan don neus.

ocr page 214

206

Di' kop is tamelijk gestrekt, liet voorhoofd gaat vlak in den scludel over, welke sleclits weinig gewelfd is; liet oog is parelkleurig met een matgelen rand. De hals is middellang, fraai gebogen en tamelijk fbrscli, de borst treedt slechts onbeduidend naar voren doch is breed en diep; de tamelijk lange vleugels worden los en laag gedragen, de pooten zijn kort en onbevederd; de rug is kort en hol en breed in de schouders. De staart wordt omhoog gericht gedragen en is eigenaardig gevormd: hij bestaat uit 14 a 22 veeren - 10 is echter het gemiddelde getal — van welke de beide middelste zich naar buiten buigen, waardoor eene zwakke scheiding ontstaat, die den staart in twee deelen verdeelt. Soms bestaat de staart uit smallere doch regelmatig lange tweelingveeren. De slanke gestalte verraadt eene zekere elasticiteit, die zich ook wel in de een weinig omhoog gerichte houding van den staart openbaart en door welke houding de rug holler schijnt dan hjj werkelijk is; deze eigennardiglicden worden zeer gewaardeerd en gaan, benevens een zoo groot mogelijk aantal staartveeren, voor een dei-beste kenteekenen van goed bloed door. Eene tweede eigenaardigiieid dezer duif is het ontbreken van de stuit- of staartklier.

Behalve de almondkleurige, die eigenlijk meer de almond gevlekte -Almond sphtsh — nabij komen, tameljjk regelmatig zwart en wit geteekend en aan hals en borst en langs de groote vederschachten lederkleurig zijn, komen er ook blauwzwarte voor met een zilverkleurigen hals, zilverblauwe met bruinroode vleugelbanden, zwartblauwgrijze met witten staart en witte slagpennen, alsmede éénkleurige, welke evenwel niet in aanzien zijn en niet voor ,,zuiver van bloedquot; gehouden worden. Kleur en teekening staan bij de Oostersche rollers trouwens geheel op den achtergrond; 't is voldoende, als zij er op eenigen afstand goed uitzien. Do hoofdzaak blijft hun bewonderenswaardig „spel in de luchtquot;.

In het Oosten zoowel als in Engeland worden deze Rollers in vereeni-ging met een vlucht Hoogvliegers gehouden, wier bewegingen dan dienen om de vliegkunsten der Rollers beter in het oog te doen springen. Op de soort van Hoogvliegers komt het niet aan; de Rollers toch vermengen zich met geen enkele soort. Laat men nu den geheelen troep vliegen, dan verheffen zich do Hoogvliegers in schroefvormige kringen tot zoo hoog mogeljjk. Niet aldus een paar Rollers. Deze zetten zich eerst voor eenige oogenblik-ken op het hoogste punt van de naaste omgeving; van daar uit vliegen ze als goede postduiven, welke haar doel inliet oog hebben, in eene rechte lijn naar boven en zijn binnen 5 a 15 minuten reeds hemelhoog; toch rijzen ze nog steeds zonder zich om hare hokgenooten te bekommeren, tot zij hoog boven deze haar hoogste punt hebben bereikt. Eerst blijven zij op deze hoogte boven de andere duiven en volgen deze, waar zij ook heen

ocr page 215

'207

vliegen, daarna begint op deze verbazende hoogte liet eigenljjke spel. Zjj hebben ook tijdens deze vlucht reeds bewijzen van hunne vliegkunst gegeven, doch wat men daarna te zien krijgt, overtreft alles. Zij schieten steeds recht boven den troep bij rukken eu dikwijls ruischend heen en weer, waarbij zij zich van den eenen vleugel op don anderen werpen („rollenquot;), laten zich dan vallen, tot zij bij hunne hokgenooten, de Hoogvliegers, zijn, rijzen weder tot de vorige hoogte en zetten dit vermoeiende spel met alle gemak 2 a 3 uren voort, waarbij doffer en duif' beiden schjjnen te wedijveren, wie wel do onmogelijkste wendingen kan maken. Zijn zij moede van het spel of hongerig en willen zij naar beneden, dan komt kort vóór of bij het vallen hot voornaamste kunststuk. Met uitgestrekte vleugels

zwevend schijnen zjj den afstand van do hoogte, waarop zjj zich bevinden tot hun hok te meten en komen dan in eon reeks van tuimelingen, als een vallenden ring naar beneden vallen.

De Eollers hebben een buitengewoon ontwikkelde gehechthoid aan hun hok en raken niet licht verloren, wanneer zij zich in dat hok maar wel-belmgelijk bevinden.

De Bukowincv roller is een kruisingsproduct van gewone Tuimelaars en

ocr page 216

208

den Oostersclieu roller ou komt één kleurig' en gevlekt voor; hij behoort IC staartvceren te hebben.

11. Do Tierlijner Tuimplaar.

Do waarde dezer duif wordt minder naar de kleur en de teekening beoordeeld dau naar hare begaafdheid als solo- en troepvlieger. Zjj behoort zoo lang en levendig mogelijk te zijn, in voorkomen en houding met den Hrunswijker baardtuimelaar overeen te komen en een langen gladden kop mor een laag voorhoofd te hebben, dat in een zelfde richting loopen moet met den langen reebten snavel, welke van wit tot licht hoornkleurig van kleur is.

Het groote parelkleurige oog heeft een grijsblauwen rand. De lange, slanke hals is licht gebogen, de borst eerder smal dan breed en niet naar voren uitstekend; de lange, rechte rug loopt tamelijk steil af en vormt met den langen, stevig gesloten staart eene rechte lijn; de lange vleugels liggen gesloten tegen do borst; de buik is lang, smal en vlak, de lange pooten zijn bevederd.

Kleurvariëteiten zjjn: donkere blauwbonte, witte, blauwe wit-pen, gestreepte, wit-staarten, witpen-witstaarten e. a.

1 'i. IIn Illvfishffjiir — C. percussor — The Sviiler. I'it/cun lournant.

Itingschlcigcr of Klatschtai(he.

De Uingslager heeft eene meer dan gemiddelde lengte, een niet zeer steil voorhoofd, een licht gekleurden, 20 millim. langen en bijna kogel-vorrnigen snavel, noot- of donkerbruine iris, fraai vleeschkleurige oogleden en smalle oogringen, eene sierlijke puntkuif, waarvan de voorkant wit en de achterkant gekleurd is en een niet te sterk gewelfden kop. De tamelijk dikke hals komt krachtig uit de breede schouders te voorschijn; ook de borst en de hovenrug zijn breed en krachtig ontwikkeld. De vleugels loopen eigenaardig' spits uit do vier eerste slagpennen zjjn ongeveer 25 millim., de tweede, de langste, ongeveer 50 millim. langer dan de vijfde enz. — en reiken tot op ongeveer 12,5 millim. van het einde van den staart. De onbevederde pooten zjjn ongeveer 12.5 centimeter lang. De totale lengte der duif bedraagt ongeveer 35 centimeter, waarvan er 12.5 op den staart komen; de vlucht meet ongeveer 75 centim., terwijl het gewicht tusschen 433 en 500 gram varieert. In gestalte en houding heeft do Uingslager veel overeenkomst met do Tuimelaars, ook is hij even vast aansluitend bevederd als deze.

De Ringslager komt in alle hoofdkleuren voor, de witte teekening ver-

ocr page 217

209

schilt iti grootte, vooral hij die, waarvan de grondkleur zwart is. Wit moet zjjn: do geheele kop, boven tot aan de puntkuif — de voorkant van deze ook —- en beneden van liet achterhoofd met een sierlijke bocht onder de oogen door tot aan de kin. Verder moeten nog wit zijn: de stuit, de staart, liet onderlijf tot aan de dijen, de dijen zelve en de zes eerste slagpennen, eene teokening welke in haar geheel en in de afzonderlijke deelen zeer veel overeenkomt met die der Witkoptuhneiaars — Hald-heads. De grondkleur strekt zich evenwel dikwijls uit tot aan de stuit en den staart; bij de zwarte, de fraaiste doch zeldzaamste, zelfs tot over den staart.

Naar hunne waarde volgen de grondkleuren in deze volgorde op elkander: zwart, geel, blauw, rood.

Behalve deze naar den standaard geteekende kent men ook zoogenoemde éénkleurige met witten staart, met en zonder vleugelbanden.

Een hoofdvereischte is, naast eeno fraaie, gelijkmatige grondkleur, eene zoo nauwkeurig mogelijke begrenzing der teokening, eene flinke grootte en — boven alles — een volmaakte „slagquot; of „ringslagquot;.

Deze eigenaardige vlucht bestaat in hoofdzaak uit een luidklinkend, ver hoorbaar samenklappen der vleugels — hoven den rug — bij do geringste ruimte, welke deze duiven doorvliegen, cn zelfs in de enge ruimte van een duivenslag. Zij vliegen daarbij niet hoog en ook niet ver, gewoonlijk slechts van het ééne lievelingsplekje, hijv. van het ééne dak, tot het andere, vooral in het voorjaar. De duif „klaptquot; ook met de vleugels, doch niet zoo sterk en zoo aanhoudend als de doffer. Deze ontwikkelt een bijzondere virtuositeit in zijne liefdesaanzoeken. Hij vliegt in een kring rechts en links om de duif heen — een goede slager moet dit tot 5 a fi malen horhalen — en slaat bij elke korte wending de vleugels met kracht en klappend tegen elkander. Dit noemt men „ringslaanquot; en het slaan met de vleugels zonder die zwenkingen „brandslaanquot;. Bijzonder gewaardeerd zijn goede ringslagers, die zich de slagpennen niet bederven. Dit laatste geschiedt echter zeer dikwijls en wel in erge mate: de slagpennen worden meermalen zoo stuk geslagen, dat de dieren niet meer kunnen opvliegen. Men trekt hun dan wel de stuk geslagen slagpennen uit, wat éénmaal in 't jaar zonder nadoel gebeuren kan.

De Ringslagers zijn sterke, levendige, geharde en zeer productieve duiven, doch tevens ook onrustig, twistziek en jaloersch tot in hot uiterste; het beste is daarom, ze niet met andere duiven samen in één hok te houden.

Deze interessante duif is vooral in Frankrijk bekend cn bemind; men heeft cr daar twee variëteiten van ■— frappeurs en halteurs.

't Is wel opmerkelijk, dat de beschrijving, die Jos. Mieliiels te Termonde 1)

1) Traité pratique do l'clovage do toun les piffcoiiM etc. pur Rich, de Boove. Baldamub, Pluimveotoolt II. I 4

ocr page 218

210

Villi den Ring slager go eft, zoo geheel van de hiervoor gaande afwijkt, te meer daar deze duif reeds van ouds in Vlaanderen bekend is en nog, vooral in de omstreken van A lost en Termonde wordt gevonden. Michiels zegt er o. a. het volgende van :

„De kleur van den llingslager was oorspronkelijk geel of rood, doch door kruising met den „Speelderquot; (een kleinere soort van Ringslager, die in de omstreken van Brussel en Vilvoorden wordt aangetroffen en ten minste 7 kringen beschrijft, terwijl de eigenlijke Ringslager er gewoonlijk maar 3, zelden 5 maakt), heeft men ook geschimmelde, zwarte en blauwe verkregen.

De Ringslager is nooit éónkleurig: kop, hals, vleugels en borst zijn gekleurd (behalve de witte slabbe), slagpennen en lendenstreek zijn wit; bij de gele en de roode moet de staart ook wit zijn, bij de andere gekleurd.

De bek is licht rosekleurig bij de gele en de roode en donker bij de anders gekleurde; de kuif is een schelpkuif; de slabbe heeft den vorm van een halve maan en i'eikt tot dicht aan de oogen. De bek is fijn en van middelmatige lengte, niet kleine bepoederde wratten, de kop groot en lang, de borst breed; de pooten zijn zwak bevederd.quot;

Bs. rangschikt den Ringslager onder de 3t! groep der geteekende duiven en wel onder C. pileata.

W anneer echter de kleurkenmerken zoo uiteen loopen als in de beide hier gegeven beschrijvingen, is het moeilijk den Hingslager eene plaats aan te wijzen onder de Kleurduiven; en, daar ongetwijfeld de eigenaardige vlucht bjj deze soort duiven de hoofdzaak is, kan hij zeker zonder bezwaar en met evenveel recht onder de Vliegduiven (tuimelaars en hoogvliegers) gerangschikt worden, evenals

13. Bi; Slenker of Slanke-duif.

Deze duif is, evenals de hiervoor genoemde, oorspronkelijk een Neder-landsch ras, dat zich echter ook over onze oostelijke grenzen heeft uitgebreid en daar ook wel Oost-Friesche Slenk wordt genoemd, doch overigens zeer weinig bekend is. Eerst in den kaatsten tijd heeft de „Groninger Slenkerquot; weder de aandacht der liefhebbers uit de andere deelen van ons land tot zich getrokken.

De Slenker is een weinig forscher dan de Veldduif en heeft een trotsche, elegante houding; de lichaamsbouw verraadt kracht en vlugheid; de borst is breed, de staart en de vleugels zijn betrekkelijk kort, doch de slagpennen zijn breed. De kleur der oogen regelt zich naar die van het gevederte; de pooten zijn lang en onbevederd.

De Slenker komt meestal éónkleurig rood voor met witte slag-en staart-

ocr page 219

2-1-1

pennen on lichte vleugelbaiiclen, doch moii treft m ook éénkleurig geel, wit en rood, alsmede geel gesprenkeld aan.

Sommigen maken ook nog melding van een Geldcrsehen Slenker, welke niet moet sidderen zooals do Q-roningor, docli wier keel met een rondo, witte vlek geteekend moot zijn.

J)o Slenker kenmerkt zich, evenals do Kingslager, door eigenaardige vliegbewegingen, waarbij liij ook de vleugels mot luid geklap tegen elkander slaat.

Do hoer H. Huizinga to Groningen, oen kenner en liefhebber van den Groninger Slenker, geeft daarvan de volgende schildering (Ned. Avicultura van 7 Dec. 1897):

„Is er eleganter, levendiger, riddorlijker dier denkbaar? Zie do buigende, aan de vrouw allo mogelijke attenties bewijzende on haar op bijna balzaalachtige manier het hof makende doffer in de weer met zijne sprekende gebaren, die duidelijk zijne groote veroering voor de vrouw aan den dag leggen, zonder ophouden don ganschen dag door. Altijd bezig, kirrende, buigende, om haar heen trippelende, haar tot zich roepende als zo zicli slechts oven gaat verwijderen. Zie do wederkeorige sprekende gebaren en bewegingen van do duif daarop antwoord geven, eveneens onophoudelijk den ganschen dag door en niet zooals andere soorten slechts hij uitzondering uit eeno soort dommelighcid of onverschillige alledaagschheid ontwakende.

Als hier sprake kon zijn van adel, zoude do Slonke-duif als de adellijke onder de duiven mogen worden genoemd. En niet alleen door de beschreven levendigheid en courtoisie, maar ook om hare andere schoone, sterk sprekende eigenschappen. Vooreerst de houding. Do Slenke-duif heeft hot trot-sche, laat mij zeggen, verwaande, opgoblazone in hare houding dat, voor zoover ik weet, overigens alleen bij holle kroppers wordt waargenomen, welke dan ook als een verwante soort kunnen beschouwd worden, hoewel deze laatste in do vlucht niet de eigenaardigheden heeft, die de Slenk kenmerken. Zich zoo hoog mogelijk op hare pooten oprichtende, tot bij deochtsten alleen de toonon den grond raken; zich uitrekkende als het ware, buigt ze don hals zwaansgewijze achterwaarts on geeft door deze voortdurende poging aan den langen, slanken, edel gevormden hals oeno doorgaande trillende beweging, zooals ook bij Pauwstaarten op te merken is. De krop is licht opgeblazen, ook bij de duif, juist genoeg om de borst eon gevuld aanzien te geven, dat van levenslust getuigt. De staart staat uitgespreid tegen den grond gedrukt tengevolge van do achterwaarts aangenomeno houding. Hot oog is vurig, levendig. De pootjes zijn matig lang en onbevederd.

De kleur varieert niet veel. Men treft slechts aan: gele, roodo, geol-blooke, roodbleeke on witte en dan nog spar = gestippeld = mottled, als

ocr page 220

'2112

een kruisingsproduct van witte en gekleurde. Eene eigenaardigheid is, dat altijd gezorgd moet worden, een gele met een roode of roodbleeke te paren. Twee gelen brengen blinde jongen voort. Daaruit zou zijn op fe maken, dat de gele eene verbastering is. Maar tocli, geteeld op de aangegeven wijze, is de gele even gezond en teelbaar als de roode.

De soort is zeer teer, niettegenstaande de oogensclnjnlijke levenslust. Niet onmogelijk is dit oen gevolg van de jaren lang volgelioudene kruising in dezelfde stad, waardoor, onbewust, natuurlijk dikwijls paringen worden bewerkt door de houders, die do te paren dieren niet van afstamming kennen, maar slechts een koop doen zonder naar relatie onderzoek te doen.

De jongen zijn daardoor dikwijls niet of met groote moeite groot te brengen, vooral door de eigen ouders. Want deze laatsten zijn te levendig van aard, te onrustig, te wulpsch om zicli lang en zonder ophouden aan de jongen te wijden. Zij verwaarloozen ze spoedig. En dan, op een leeftijd van 10 tot 'iO dagen, als de jongen niet meer de warmte der ouders genieten. is de geringste daling der temperatuur beneden bet middelmatige oorzaak van vermindering van groeikracht en bloedsomloop; het voeder, dat ook al niet jjverig wordt toegediend verteert slecht, en kwijnen en dood zjjn het einde. Daarom is vooral eene doelmatige voedering der ouders een hoofdvoorwaarde. Tarwe mag eigenlijk niet ontbreken: rijst is goed, gele erwten zijn voortreffelijk er bij; duivenboonen onthoude men zo in den tijd, dat de jongen beneden vier weken oud zijn.

De Slenkeduif is gemakkelijk te gewennen, maar in een zelfde stad en boven een jaar oud zijnde, zal men wel doen een nieuweling gedurende een vjjftal weken opgesloten te houden. Want is hij gewend op een plat en wil men haar laag bij den grond of in een tuin gewennen, dan is de ongewoonte oorzaak, dat zij, eenmaal boven zijnde, niet naai' beneden durft te komen om haar hok op te zoeken.

Het voornaamste kenmerk is de vlucht. Greene andere duivensoort heeft die met haar gemeen. Zij staat daarin even zoo alleen als de Tuimelaar in zijne vliegwijze. De Slenkeduif vliegt met veel beweging en niet zooals alle andere duivensoorten zonder onderscheid, met uitgestrekten hals en samengetrokken staart, maar met den hals rechtop, den staart waaiersgewijze uitgespreid en de einden boogvormig naar boven. De vleugels worden haast bij iedereu slag boven tegen elkaar geslagen met een luidklinkenden slag. Hij tusschenpoozen worden ze naar beneden eveneens tegen elkaar geslagen, waardoor als het ware het gansche lichaam een schok ontvangt, die het een vierde achterover schijnt te werpen, Springen genoemd. Dan weder worden de vleugels in rechte of schuine richting naar beneden gericht en doorvliegt zij aanmerkelijke einden zoo, zonder van houding fe veranderen :

ocr page 221

'21 n

Zwemmen; dan weder, en gewoonlijk onmiddellijk daarna, gaan de vleugels rechtstandig naar boven, vlak tegen elkaar aan, en drijft ze zoo een eind voort: /dien. De heste soorten zijn natuurlijk die, welke liet meest werken in de vlucht.

h. Middellangsnavelige Tui mei aars.

L)e duiven van deze afdeeling onderscheiden zich van de vorige door een meer gedrongen lichaamsbouw, een kortoren, meer gewelfden kop met hooger voorhoofd en korte pooten en natuurlijk ook door een kortoren snavel. Gewoonlijk rekent men do Tuimelaars, wier snavel 1G ii 19 millim. lang is, tot de middellang-snavelige.

i. De Calotte of llelinduif. The Helmet or Coloured Head inmbler.

De Calotte is eene zeer geziene en in Hamburg sedert langen tijd met zorgvuldigheid gefokte duif, die zoo klein mogelijk, sierlijk en levendig moet zijn en in gestalte en houding met de Meeuwtjes moet overeenkomen. De ronde koji met het licht gewelfde voorhoofd kan glad zijn, doch mag ook een brecde schelpkuif dragen; de snavel is middellang, doch wordt liever wat korter gezien dan wat langer: bjj de roode en gele exemplaren is hij licht vleeschkleurig, bij de blauwe en zwarte licht hoorn kleurig; bef pareloog heeft een zeer smallen, roeden rand. De tamelijk korte en gedrongen bals heeft een scherp uitgesneden keel en is naar achteren gebogen ; de borst is breed en rond en treedt Hink naar voren; de tamelijk korte en rechte rug loopt zachtjes naar achteren af; de lange, goed gesloten vleugels rusten op den matig langen, eveneens goed gesloten staart. De buik is kort en weinig afgerond;

de pooten zijn kort, de schenkels en het hielge-wricht zijn door de zijveeren bedekt, het loopbeen is onbevederd.

De kopteekening (het holmplat) en de staart hebben éóne der vier hoofdkleuren, al het overige gevederte is zuiver wit. Bij de gekuifde moet bet

ocr page 222

'2-14

hehnplat tot nan de kuif reiken, bij de ongekuifde moet hot niet verder reiken dan tot het achterhoofd; overigens loopt de grensscheiding van den snavel wortel midden door het oog. De staart moet aan de onderzijde dezelfde kleur hebben als aan den bovenkant en scherp van liet witte gevederto van den romp zjjn afgesneden: dat do staart aan de benedenzijde wit is, geldt voor eene groote fout.

De Calotte is een goede troepvlieger.

2. De Hamburger Tuimelaar.

Deze, eveneens eun uitstekende troepvlieger, onderscheidt zich van de Calotte alleen door de menigte kleurslagen en den witten of roodachtigen snavel. Hij komt meestal voorzien van een schelpkuif voor en wel bij de eksters — die in Hamburg eveneens „Kopenhagenersquot; genoemd worden —-bij de witstaarten en bij de witpeimen. De éénkleurige in de 4 hoofdkleuren, de parelblauwe en die, welke een gekleurden staart hebben, zijn in alle kleuren ongekuifd en worden „Hollandersquot; genoemd.

Bijna in alle opzichten met deze overeenkomende is

3. De MecMenhurger of Roslokher Tuimelaar,

welke echter krachtiger van bouw moet zijn en steeds voorzien van een breede schelpkuif; tevens moet hij een uitstekend vlieger en tuimelaar wezen. Hij komt alleen als witpen-witstaart voor, doch als zoodanig in alle kleuren.

4. Dc Poolschc, Bukowiner of Hongaarsche 'Tui)nelaar. The Polish Tumbler.

De kop van dezen Tuimelaar is rond en tamelijk breed en heeft een matig hoog, tamelijk steil oploopend voorhoofd en een breede schelpkuif; de snavel is voor de bovenste helft wit, voor de benedenhelft gekleurd; liet donkerbruine oog heeft een smallen, roeden rand. Do rug is kort en recht en breed in de schouders, loopt zacht naar achteren toe af en vormt met don midclollangen staart oen rechte lijn; do tamelijk lange vast gesloten vleugels rusten losjes op de zijden van den staart. Do buik is breed maar vlak. De pooton zijn kort en onbevederd. Deze duif komt voor in zwart, rood, geel en blauw met zuiver witten bovonkop, terwijl ook de groote slagponnen wit zijn. Het gekleurde plat op den kop moet evenzoo begrensd zijn als bij de Calotte.

Do Poolsclio tuimelaars zijn uitmuntende vliegers.

ocr page 223

215

5. /gt;lt;' h'din'iKjsOciycr l\leurko\ttiiirncJ(Hir. The Köiiiyxbciy Coloured head pigeon.

Dezo duif hoeft ocu dikken, ronden kop mot een breed, istcil voorhoofd en een zeer breede sclielpkuif; de snavel is wit tot hoornkleurig, liet oog parelkleurig niet een breeden. bleekrooden luiidrand; de luils is kort, breed en licht gebogen; de breede, vooruitstekende borst is sterk gewelfd, de buik breed en rond; de pooten zijn zeer kort en liet loopbeen is zoo zwaur mogelijk bevederd; overigens komt hij geheel met den Poolsehen tuimelaar overeen.

De kop- en halsteekening is dezelfde als die der Nonduiven, doch de kuif is aan den voorkant ook gekleurd. De gekleurde staart is aan den onderkant dikwijls geschimmeld of van eene andere nuance dan de bovenkant, wat als eene fout wordt aangemerkt.

De zwarte — de moorkoppen ■—• zijn het meest verbreid, alsmede de donkerblauwe; lichtblauw-, rood- en geelkoppen zjjn veel zeldzamer en zeer zelden van fijne kwaliteit.

(j. Dlt;: Duitsche of Pruisische Witkop-tuiMeluurs. The German medium faced Baldhead Tumbler.

Eene duif met een zeer levendig temperament en zeer met de Calotte overeenkomende. Zjj heeft een matig langen kop met een tamelijk vlak voorhoofd en komt zoowel gladkoppig als met eene kuif voor; de middellange witte snavel is op dezelfde wijze aangezet als bij de langsnavelige Tuimelaars en loopt bjjna in eene rechte lijn met het voorhoofd; de rand van het parelkleurige oog varieert tnsschen bleekgeel en matrood. De matig lange en slanke hals is zeer weinig gebogen, de matig breede borst treedt niet naar voren, de rug is recht en loopt weinig naar achteren af. Vleugels en staart zjjn lang en stevig gesloten ; eerstgenoemde kruisen elkander boven den staart. De smalle buik is slechts weinig gerond, de pooten zijn tamelijk lang met onbevederd loopbeen.

Men treft deze duif bijna altijd in liet blauw aan, zelden in zwart, en in rood en geel in 't geheel niet: meer. De duif behoort geheel gekleurd te zjjn met uitzondering van kop, staart en de eerste 7 a !) slagpennen, welke wit zijn. Het wit van den kop reikt tot ongeveer 1 centim. onder den snavel. Gewoonlijk echter is de stuit ook wit, terwijl de buik meestal wit of bont is.

Do Witkoptuimolaar is geen beste vlieger doch een goede tiiimelaai'.

ocr page 224

'21 (i

7. De Berlijnar Tuimelaar. The medium-faced Berlin Tumbler.

Deze duif komt in voorkomen en houding veel met de Koningsberger kleurkop overeen, doch is iets slanker; inen treft er onder deze soort aan, welke bij de eene of andere emotie den hals in trilling brengen (sidderduiven) en van deze wordt algemeen veel gehouden. De kop is rond en breed, met een tamelijk hoog voorhoofd en glad of van een breede kuif voorzien; de snavel, die liever kort dan lang gewenscht wordt, is forsch aan den wortel en aan de punt licht gebogen; het pareloog is door een grijsrood-achtigen rand omgeven. De tamelijk korte hals is aan de keel rond uitgesneden en fraai naar achteren gebogen (zwanenhals), de borst is vol en rond en treedt goed naar voren; de breede en holle rug loopt camelijk steil naar achteren af. Do matig lange vleugels zijn breed in den vieugelboog en worden een weinig hangend gedragen, terwijl de tamelijk lange en goed gesloten staart daarentegen een weinig omhoog wordt gedragen. De buik is smal en vlak, de pooten zijn tamelijk kort en meer of minder zwaar bevederd.

Men heeft blauwbonte met eksterteekening, witte borstvlek en bevederde pooten (fig. 7!) 6), zilver- of parelbonte, isabellebonte, grijs geschimmelde met zwarte vleugelbanden, gestreepte in geel- roodachtig wit, zoogenoemde roomkleur, koperkleurige, éénkleurige met blauwzwarten staart, terwijl ook de banden en de voetbevedering die zelfde kleur hebben; verder heeft men nog getijgerde of gevlekte.

Terwijl, zooals reeds is opgemerkt, onder de in Duitschland gefokte langen middellangsnavelige Tuimelaars exemplaren niet bevederde pooten tot de uitzonderingen behooren, treft men er in Engeland veelvuldig zulke aan en soms zelfs met vrij zware voetbevedering, zooals uit de beide in fig, 70 afgebeelde Eng. tuimelaars duidelijk is te zien.

8, üe Fransche Tuimelaar.

De i ransche tuimelaar is ongetwijfeld eene der kleinste huisduiven, daar hij naar de beschrijving van Alex, Detroy in het meer aangehaalde werk van Rich, de Boeve eene totale lengte heeft van slechts 25 (?) centimeter. Het is eene bevallige duif met fraai geronden kop en middellangen bek, van ongeveer denzelfden vorm doch fijner dan bij de Antwerpsche reisduif. Het oog is een pareloog en omgeven door een smallen, gladden rand. De rug is plat, de vleugels, hoog in de schouders, zijn lang en rusten zonder elkander te kruisen op den staart, welke uit 40 centimeter lange veeren bestaat. De korte pooten zijn naakt of geheel bevederd; de langste voet-

ocr page 225

217

veeren liebben eene lengte van ongeveer 5 centimeter. In kleur en tceke-ning heerscht eene groote versölieidenlieid; er zijn geheel witte, zwarte, blauwe, zwarte met witte slagpennen, zwart en wit geschubde, welke voor de fraaiste gelden, en witte die niet zwart of rood gespikkeld zijn.

De Fransche tuimelaar is een zeer levendige en vruchtbare vogel, die echter vooral gewaardeerd wordt om zijne vliegkunsten, welke hem tot den „clown der duivenquot; maken. Hoewel zeer klein, is bij toch geen volièreduif; evenals andere werkelijke tuimelaars moet lijj, als hij zijne bekwaamheden in het vliegen zal kunnen ontwikkelen en ten toon spreiden, eene vrije uitvlucht te hebben.

II. Kortsnavelige TuimeUtars — brevh'oatri». The nhort-fuced Tumbler.

P. ctilbulant. KirrzschntïhUge of Edlerlümmler.

Het type van deze afdeeling is klaarblijkelijk de moderne Engelsche Almond- of amandelkleurige tuinielanr. ofschoon deze buzwaarbjk hot oorspronkelijke type van alle tuimelaarrassen kan zijn, daar hij betrekkelijk een der jongste producten van Engelsche fokkunst is en wel in eene betee-kenis, die volgens Fulton voor geen ander duivenras in zoo hooge mate geldt: een waar kunstproduct, welks „gezicht en kopquot; in de eigenlijke beteekenis van het woord „gemaaktquot; zijn door een bijzonder daarvoor ingericht instrument, dat reeds bij dc nestjongen voor dat doel wordt gebruikt. Kr valt

echter niet aan te twijfelen, of de eene of andere, op de hedendaagsche Almonds gelijkende Tuimelaar moet het stamras van misschien alle Tuimelaars zijn geweest.

ocr page 226

2d 8

Do afbeelding, die .). L. Friscli op pliiat I IS geeft en zijne beschrijving (van het jaar 1743) spreken ten gunste van deze veronderstelling.

Wat de gestalte aangaat, komt deze Tuimelaar tamelijk goed met de Voldduif overeen, doch hjj is veel fraaier; de kop is geheel rond, de snavel klein, de hals dun, de schouders zijn breed; rondom de fraaie oogen bevindt zich een roede huidring. die geheel onbevederd is. De kop is glad, zonder een spoor van een kuif, en ook de pooten zijn onbevederd en meestal rood. Op de teekening zijn de groote vleugeldekveeren amandelkleurig met een donkeren zoom ; op het voorhoofd zit een Mitte, spits ovale snip, de buik is licht, de groote oogen zijn parelkleurig, het voorhoofd is hoog en de snavel middellang.

Behalve de Almond-tuimelaar. wiens naaste stamouders waarschijnlijk in de hiervoor beschreven duif moeten gezocht worden, heeft men nog 5 variëteiten van kortsnavelige Engelsche tuimelaars.

Ook wordt hier en daar in Engeland nog een fraai blauwe Tuimelaar met tamelijk korten snavel aangetroffen, die den baardtuimelaar in houding en gestalte overtreft, n.l. de ..Old fashioned Blue Tumblerquot;, evenals men in Duitschland, vooral in Berlijn en omstreken, onder eenen dergehjken naam, de „Altstchnmer,, het oude ras in zijne oorspronkelijke volkomenheid heeft bewaard.

Ofschoon de stamboomen niet zijn na te gaan, zijn misschien beide genoemde rassen de stamouders der blauwe kortsnavelige tuimelaars en der éénkleurige baard- en witkop-tuimelaars.

1. Engelsche kortsnavelige Tuimelaars, The short-faced Tumbler,

Aan deze duiven stolt men de volgende eischen: zoo klein mogelijk, met een maximum-lengte van 30 a 32 centimeter; in gestalte en houding he-hooren zij aan de Meeuwtjes, in de voorste lichaamsdeelen tevens aan de Pauwstaartduiven te herinneren. De kop moet zeer kort, doch breed en hoog zijn, het voorhoofd moet hooger reiken dan de schedel en goed naar voren gewelfd zijn, zoodat het een scherpen hoek vormt met de basis van den snavel. Hoe hooger en breeder het voorhoofd is en hoe meer het vooruitsteekt, hoe hooger de duif gewaardeerd wordt. Van het hoogste punt van het voorhoofd moet de kop met een zacht naar achteren glooiende boogljjn in den lials overgaan. De zeer korte snavel moet den vorm van een halven gerstekorrel hebben, van de punt tot aan den wortel 5 a (i millimeter lang zijn, licht van kleur en van zeer kleine, een weinig hooge snavelwratten voorzien, liet oog is parelkleurig met een zeer smallen rood-achtigen rand. De korte hals is boven zeer dun en rond, de benedenhals

ocr page 227

21 n

zoor breod en naai' achtoron gebogen, waardoor do broedo en gowelfdo borst des te meer naar voren treedt; do korte, holle rug is in de schouders brood en loopt naar do stnir een weinig op. Do lange vleugels zjjn aan den vleu-gelboog zoor breod, los gesloten on aluiton ook naar los tegen hot lichaam aan; hunne punten liggen onder don staart, doch zij worden daarom niet slepend gedragen. De buik is kort en rond. do pooten zjjn kort en onbevederd.

Zij komen in de volgende kleuren voor;

a. De Ahnond-Unmelaar, The Almond Tinnbler. IHycou tumbler almond.

Almond of Mandelfarhiger Thmmler. Fig. 11 en 77«.

Er was eens een tjjd, dat deze echt Engelsche variëteit den eersten rang onder alle duiven bekleedde en als eersteklasse-vogel zelfs boven de Carriers stond. Ten gevolge daarvan — of misschien ook omgekeerd — waren de liefhebbers der Almond-tuimelaars vooral in Engeland en Schotland zeer verbreid, doch tevens liepen de meeningen aangaande de eigenlijke, ware kleur dezer duiven zeer uiteen. Of men onder „amandelklenrquot; de kleur van het uit- of van het inwendige van den amandeldop of wel die van de pit zelve moest verstaan, was in Engeland gedurende langen tijd een onderwerp van levendige discussion. Ons komt die vraag, ook wanneer zij opgelost kon worden, waarvan Pulton ons echter niet kan overtuigen, voor als van weinig belang te zjjn. Al geeft men ook aan, dat de normale kleur gelijk moet zjjn aan die van oen afgewreven en van do ruwe bestanddeelen ontdane buitenkant van den dop eener „oude amandelquot;, dan zal men toch nog niet geheel tot de oplossing komen, daar ook de oude en gladgewreven amandeldoppen in kleurnuances evenzeer verschil vertoonen als de meeningen over het „eigenlijke normaaltype der Almond Tnmhl er-col our, welke een diep, intensief, doch niet roodachtig geelquot; moet zijn. 'tls er al evenzoo mede als met de benaming zalm- en lederkleur enz., welke ook in vnjwat verschillende nuanceeringen voorkomen; en natuurlijk — zegt Fulton —■ houdt iedere liefhebber de meer of minder van het type afwijkende nuanceering van zijn eigene vogels voor de alleen juiste en echte.

Dc oorzaak van den langen tjjd daarover gevoerden strijd is zeker hierin tc zoeken, dat de „amandelkleui'quot; met don leeftjjd der dieren verandert, aangezien do doffer in het eerste jaar roodachtig geel en de zwarte teekening slechts even zichtbaar is. Van jaar tot jaar wordt de grondkleur donkerder en treedt het zwart der teekening' meer op den voorgrond, terwijl het wit daarvan moer op den achtergrond wijkt. In het derde jaar zjjn kleur en teekening beide het zuiverst en nauwkeurigst, terwijl zij in het vierde jaar tc donker worden.

ocr page 228

Do doffer moet dus, id naar zijn leeftijd, van geelrood tot bruinrood van kleur zijn. en elke veer behoort een zwarte vlek te hebben, die deels aan den zoom deels in het midden daarvan ligt; op de slagpennen en staart-veeren zijn deze vlekken wit. De duif is veel lichter gekleurd — meer geel—, de zwarte teekening komt bij haar minder uit, doch de witte teokening op slagpennen en staartveeren des te beter. Ook de duif wordt van den eenen rui tot den anderen een weinig donkerder, doch niet in zoo hooge mate als de doffer.

b. Mottles, (jevlehte, Fig. 77//.

13e echte, zuivere Mottles, dat wil zeggen zulke, bij welke geen spoor van de agaatteekening aanwezig is, behooren werkelijk niet alleen tot de fraaiste maar ook tot de zeldzaamste van alle kortsnavelige Tuimelaars. De elegante witte teekening, die prachtig afsteekt tegen de donkere grondkleur, bestaat uit een aantal van ongeveer twaalf halve-maanvormige, regelmatig en scherp begrensde schoudervlekjes — met de riise-pinion bij de Engelsche standaard-kroppers overeenkomende -— welke door evenzoo gevormde doch kleinere en smallere vlekjes omringd zijn en te zamen een soort van ovaal vormen. Bovendien is ook nog de bovenrug, of liever het zoogenoemde „hart , van cene dergelijke, doch naar onder meer pijlvormig toegespitste teekening voorzien, zoo namelijk, dat telkens ongeveer 5 witgezoomde veeren een van onderen gesloten doch boven open ovaal vormen, 't welk aan den onderkant nog door - of ■! van zulke veeren wordt aangevuld: eene werkelijk fraaie en nette teekening, zeker de meest elegante van alle tuimelaar-teekeniiigen.

Yooral bij de zwarte en dieproode grondkleur komt zij verrassend schoon uit; bij de gele echter minder. De hoofdzaak bjj alle kleuren is eene gelijkmatige verdeeling daarvan over alle deelen van het lichaam, on in het bijzonder bet geheel ontbreken van wit aan voorhoofd, hals enz.

ocr page 229

2'2|

Wat liet begrip Mollies aangaat, (licnaangaamlc sclijjnen zelfs alle Engelsclic duivenkenners liet niet recht eens te zijn: terwijl Fulton toch de witte teekening tot de vleugels en de achterste schouderdekveeren beperkt, wil de even groote duivenkenner Ludlow do witte vederzooming regelmatig over het geheele gevederte verbreid hebben.

Fulton maakt ook nog de opmerking, dat de V-vormige rugteekening-,, / land kerel i icf-hacli' — zich iii(!t op de rugveeren bevindt maar op de vleugel-dekveeren; evenwel schijnen niet alle, deze teekening vormende veeren vleugeldekveeren te zijn, doch gedeeltelijk ook werkelijke rugveeren, waarom de naam „liartteekeningquot; zeker de beste zou zjjn. Doch deze teekening ontbreekt bij vele overigens goede Mottics en wordt tegenwoordig meestal voor overtollig gehouden.

r. AijnJe mollies en whole coloured Agates. Agonlkleuriii gevlekte en

geheel agnatkleurige.

De eerste zjjn gevlekt in rood en geel, de laatste rood of geel. met een weinig wit aan slagpennen en staart.

il. Kiles, Wouwen.

■

Deze komen in kleur overeen met de Europeesche zwarte Wouw, Milvus niger llr.: zij zijn roodbruinaehtig zwart ,,fuscoaler\

e. Tialdheads. —- Witkoppen. Fig, 7X lt;/. fig. 2(i kop !gt;.

De Daldheads komen in de 4 hoofdkleuren voor; kop, rug. staart, groote slagpennen en buik zijn wit. De lijn, die den witten kop van den geklenrden hals scheidt, moet '2 millimeter beneden het oog en recht van den beneden snavelwortel tot dicht onder den nek loopen. (iaat het wit wat lager, zoodnt ook do keel wit ia, dan wordt dit echter niet als eene fout aangemerkt.

/'. Beards. — Baard-luimelaars. — Fig. 78/;, fig. 20 kop 'li.

De Beards komen in alle hoofd-en nevenkleuren voor. Van de Witkoppen onderscheiden zij zich door hun gekleurden kop en een wit baardje, een wit vlekje aan de boven koel, dat zich tot aan de oogen uitstrekt doch ook niet verder mag reiken. De blauwe en zilverkleurige Beards en Baldheads hebben zwarte vleugelbanden, de zwarte en blauwe Beards ook een donkeren bovensnavel.

De beide laatste variëteiten — Baldheads en Beards — behooren wel. wat de vormen aangaat, in alles met de Almonds overeen te komen, doch zulks is zelden het geval: zij zijn wat grooter van lichaamsbouw, hun kop is ronder en hun voorhoofd niet zoo hoog en zoo vooruitstekend; ook komt

ocr page 230

liunue l)oi'st niet zoo goed uit en is lum snavel meer ontwikkeld dan die der Almonds.

Wat de fokmetliodes voor de kortsnavelige Tuimelaars aangaat, waarin men het in Engeland tot eene buitengewoon hooge mate van volmaaktheid heeft gebracht, volgen hier nog enkele algemeene opmerkingen.

Wat ten eersten de Almonds betreft, zoo worden alle kleurslagen — Almond-breds = Almond fbkduiven genoemd — voor het fokken van zuivere Almonds gebezigd.

Do oudste methode bestond in het paren van een Almond-doffer met een Wouwkleurige duif, of omgekeerd. Beide paringen mogen echter niet te dikwijls herhaald worden, aangezien zij gaarne eene te diepe mahoniehout-kleur geven in plaats van het correcte geel; de paring van Kites met bleekkleurige Almonds daarentegen is zeer aan te bevelen, doch natuurlijk komen er benevens goede Almonds ook nog wel van de hiervoor genoemde variëteiten onder de jongen voor.

Eene tweede paring is die van een gevlekten Almonddotfer of met een goed gekleurde Almondduif, of met een roode, of beter nog een gele ééu-kleurige, of eindelijk met een gele gelijkkleurige Agaat-duif.

Eene derde methode bestaat in het paren van een gelen gelijkkleurigen Agaat-doffer met eene gevlekte, fraai gezoomde of goed gekleurde Kite-duif.

Ten vierden paart men roode gelijkkleurige Agaat-doffers met jonge of oude, goed of slecht gekleurde Almondduiven of met roode éénkleurigen, die van Almonds gevallen zijn.

Ten vijfden worden roode gelijkkleurige doffers, die echter zeer zeldzaam zijn, gepaard met gevlekte, goed gezoomde Almond-duiveli, en dit is eene der voordeeligste paringen.

Een goede paring is ten zesden ook die van een rood- of geel Agate-mottle-doffer met eene goede Almond of Kite-duif.

Goede, typische Almonds met elkander te paren geeft zelden bevredigende resultaten; zoo brengen bijv. twee licht gekleurde Almonds gewoonlijk meelkleurige of bruine Mottles voort of ook zelfs wit gevlekte met donkere oogen — white Sjilnshes.

Over het algemeen geldt de regel: zoo te paren, dat één der duiven heeft, wat de andere ontbreekt, waarbij men echter in het oog moot houden, dat de kleur meest van den doffer en de teekening van de duif vererft, alsmede dat het op de kleur enz. der ouders aankomt, welke deze ten tijde der paring bezitten, niet op die, welke zij vroeger hadden of later zullen krijgen. Mettegenstaande dat alles is het fokken van Almonds een „loterijquot;, zooals Pulton zegt. Zelfs zou de omstandigheid, of' de ouders vroeg- of laat-broed zijn, van invloed zijn op hunne nakomelingschap: doffers van laatbroed

ocr page 231

'223

en duiven van vroegbroed zouden de voorkeur verdienen, vooral om goede duiven te fokken. Laatbroedsels geven kleinere jongen; voor tentoonstellingen en voor den verkoop fokt men daarom laatbroed. ()ver 't geheel genomen verdient vroegbroeden echter de voorkeur.

Fulton houdt de meening, dat Almonds in warme hokken moeten worden gehouden, voor eene groote dwaling; het is voldoende, zegt liij, wanneer die hokken droog en tochtvrij zijn. Do beste resultaten hebben die fokkers, wier duiven eene vrije vliegruimte hebben of geheel vrij kunnen uitvliegen.

De hoofdzaak bij het fokken van Almonds is eindelijk een aantal goede voedsters of minnen, en als zoodanig zijn bijzonder geschikt de meeuwtjes, eksters, raadsheerduiven, gewone baard- en witkoptuimelaars cn dergelijke niet te kort- of diksnavelige rassen. Daar de Almonds en de overige kort-snavelige Tuimelaars nnuwelijks een paar uren over den gewonen tjjd op hunne eieren zitten en meestal slechts enkele dagen voeren, gaat men het zekerst, als men hunne eieren maar dadelijk onder de hiervoor genoemde voedsterduiveu legt en dan handelt naar het op pag. 5!) hierover medegedeelde.

Wat het fokken der Mottles betreft, voor deze zijn de paringsmethoden over 't geheel dezelfde; men moet zich echter zorgvuldig wachten voor exemplaren met een witte voorhoofdsnip, aangezien die, wanneer zij eenmaal aanwezig is, zeer moeilijk weder weg is te fokken.

Overigens fokt men in Engeland eigenlijk alleen de prachtige zwarte Mottles, en wel door paring van éénkleurige zwarte en kite-kleurige duiven met zuivere mottle-doff'ers. De overige kleuren verkrijgt men gemakkelijker, ofschoon zelden in volkomene zuiverheid van teekening en kleur.

L2. De Berlijner Altstamduif. The Altstdmmer of Ancient,

Berliner Altstdmmer. Pig. 79^.

Deze duif, die, zooals duidelijk is na te gaan, reeds in de vorige eeuw

ocr page 232

224

in Duitschland gefokt word, is niet alleen eon van do oudste, maar ook oen der fraaiste slagen van do „odeltuimolaarsquot;. Zij wordt eveneens zoo klein mogelijk — niet over de 30 a 32 centimeter lengte — gewenscht en van de gestalte en houding dor Almonds, met een dikken, ronden kop en een lioog en breed, steil oploopend voorhoofd. Een gladde kop verdient de voorkeur, doch een breede kuif geldt juist niet voor eene fout. De zeer korte en dikke snavel moet wit zjjn en met het voorhoofd een deel van een cirkelboog vormen. Het oog is een pareloog doch bij de witte is het donker; de oogrand is zeer breed, glad en geel-roodaehtig. Zoogenoemde „gebrokenquot; oogen worden niet gaarne gezien, doch als de kop- en snavel-vorming overigens goed is. worden zulke oogen toch niet streng beoordeeld. De hals is naar verhouding lang met een zeer kort uitgesneden keel en een zeer rugwaarts gebogen „sidderhalsquot;; de breede borst wordt hoog en zeer sterk naar voren gedragen; de rug is kort, in de schouders breed en een weinig hol, hij loopt zacht naar achteren af, doch de stuit is een weinig gewelfd; de staart, waarop de punten van de korte en breede vl

losjes rusten, is kort en niet zeer vast gesloten. De buik is kort en van voren breed en rond, de pooten zjjn kort en zijn deels zwak, deels sterker bevederd.

Wat de kleur en de teekening aangaat, heeft in Berlijn de eksterteekening in alle kleuren de overhand; daarna zijn de getijgerde het meest gezien. Eenkleurige in zwart, rood, geel en wit worden meer buiten Berlijn aangetroffen, Overigens komen de Altstammer in alle kleurslagen voor, welke bij de middellangsnavelige Berlijner tuimelaars zijn opgegeven. Kleur en teekening zijn echter, en bepaaldelijk hij do eksterhonte, dikwijls gebrekkig,

ocr page 233

'225

daar de fokker zich i» de eerste plaats op liet fokken van eeue goede figuur, alsmede goede kop- en snavelvorming toelegt, waardoor het govederte dikwijls lijdt.

3. De witte Koningsberger Tuimelaar. The short-faced Königsherg Tumbler. Culbutant allemand blanc. Königsberger Reinauge.

Voor dit slag worden do gestalte en de houding van het Egyptische meeuwtje, alsmede eene zoo gering mogelijke grootte als het ideaal beschouwd. De kop onderscheidt zich van dien van de Altstamduif door een hooger, breeder en steiler oploopend voorhoofd, doch komt even goed glad als van een breede kuif voorzien voor. Do zeer korte en dikke snavel is niet zoo breed aan den wortel en moet ook een weinig gebogen zijn, zonder echter den „haakvormquot; aan te nemen. De kleur is zuiver wit. Het oog is zeer licht parelkleurig (glasoog) met een niet zeer breeden rooden huidrand. De matig lange hals is rond en fraai gebogen, de borst breed, gewelfd en goed naar voren gericht; de korte en rechte rug is boven in de schouders breed; de korte, stevig gesloten vleugels rusten met de punten op den tamelijk korten, goed gesloten staart. De buik is kort, smal en rond; de korte pooten moeten een goed bevederd loopbeen maar geen lange sokken hebben; evenwel worden ook de van kousen voorziene en zelfs dc geheel onbevederde toegelaten.

4. De Weener Tuimelaar. The short-faced Vienna Tumbler.

Culbutant de Vienne. Wiener Tiïmmler.

In grootte, houding en gestalte is deze Tuimelaar bijna geheel gelijk aan den onder 3 genoemden witten Koningsberger Tuimelaar; het op te merken verschil bestaat in don meer vierkanten en steeds gladden kop, in den meer rechten snavel, welken men het liefst wit ziet. in de tamelijk lange, bijna tot aan het einde van den betrekkelijk langen staart reikende vleugels en in de korte, onbevederde pooten; ook worden donkere oogen bij den Weener Tuimelaar geduld.

Er komen éénkleurige voor in zwart, rood, geel en wit, fraai en intensief van kleur; vervolgens gevlekte in rood en geel, welke met witte vleugel-schilden verlangd worden, doch meestal gevlekte schilden hebben.

De Moreltel of „Mohreokquot;, eene diepzwarte duif met witte wangen en snavel, is in deze teekening uitgestorven; de tegenwoordige Morettel is een kruisingsproduct van een grauwzwarte kleur, met een zwarten snavel en vele witte veertjes aan kop en hals.

Baluamus, Pluimveeteelt II. '15

ocr page 234

'22Ü

Dc Gunseln, waarvan men echter weinig goede exemplaren aantreft, zijn liet meest gezien; zij komen voor in zwart, rood, geel, blauw en deneven-kleuren hiervan en hebben donkere oogen; de teekening der Oanseln is die der eksters docli met een witten kop, wiens kleur zich in een spitse boog tot aan liet midden van den voorhals uitstrekt.

Volgens Dürigen komt de kortsnavelige Weener Tuimelaar ook nog voor als:

Witslag, in zwart, rood en geel en als

Harlekijns, onregelmatig bruinzwart geschubde op een witachtige grondkleur. Fijne vogels van deze variëteit zijn er echter schaars te vinden.

De kortsnavelige Weener Tuimelaars, ofschoon vroeger goede jaagduiven, moeten tegenwoordig geiieel als sierduiven worden beschouwd en in dat opzicht staan ze, wanneer zij lijn van ras zjjn, ook mede bovenaan.

5. De Poster Hoogvlieger of Hongaarsclie Tuimelaar. The shoH-faced Pest or Hungarian Tumbler. Culhutant dc Pest.

Ungarischen 7 'ümmler.

Deze is wat langer en krachtiger van bouw dan de vorige en zeer vurig en levendig; de kop is vlakker met een matig breed voorhoofd; de pikzwarte snavel is kort en dik, weinig gebogen en een weinig naar beneden gericht; het parelkleurige oog heeft een zeer kleine pupil en een gladden, donkeren rand. De tamelijk lange en slanke hals is dun aan de keel en sierlijk gebogen. De lange, stevig gesloten staart vormt met den matig afloopenden rug een rechte lijn en de lange vleugels sluiten stevig tegen bet lichaam. De buik is vlak en weinig ontwikkeld; de matig langepooten zijn onbevederd.

De Pester hoogvlieger komt voor met ooievaarteekening: het gevederte is zuiver wit, doch de slagpennen en staartveeren hebben zwarte randen. Volgens Dürigen is dit laatste bij de staartveeren niet noodig, terwijl Marten een zwarten band aan het eind van den staart verlangt.

Deze tuimelaar moet een uitstekende vlieger zijn, voornamelijk, wanneer hij met zjjiiM gelijken gejaagd wordt.

De Erlauer hoogvliegers verschillen van de Pester alleen in kleur; zij zjjn n. 1. zwart, blauw, alsmede zwart en blauw gehamerd en geschimmeld.

Ook de Lernherjers zijn na aan de Pester hoogvliegers verwant; deze zjjn éénkleurig met een witte koptoekening en vleugelroos - epauletten — doch komen ook in rood en geel, alsmede gevlekt of getijgerd voor met witte schilden. De Lombergers zijn goede tuimelaars.

ocr page 235

2'27

0. Di; Pmger Tuimelaar. Culhutant de Prague, Vrager Tfimmler.

Üfsolioüii in gestalte en houding met den onder 5 genoemden Tuimelaai' overeenkomende, behoort deze ecliter zoo kort mogelijk te zijn, terwijl ook de kop korter is en een breeder voorhoofd heeft; de snavel moet zoo kort mogelijk zijn en licht van kleur, liet helder parelkleurige oog hoeft een smallen rooden rand. De korte en gedrongen hals is aan de keel dun en licht gebogen; de borst tamelijk breed en gewelfd; de van hoven breede rug is recht en loopt zacht naar achteren af. De vleugels en de staart zijn lang en goed gesloten, eerstgenoemde sluiten stevig tegen het lichaam en rusten op den staart. De matig lange becnen zijn onbevederd. De meest bekende kleurslagen zijn de Uilen — met zeer licht blauw tot grondkleur en witte teekening — welke voorzien zijn van zwarte vleugelbanden en donker blauwgrijze slagpennen eu staart. Ook komen er voor met witte vleugelbandon en verder zwart getijgerde, rood- en geel-geschimmelde, en geel gestreepte — in een zeer lichte kleur — bij welke laatsten alleen do borst en de vleugelbanden goed gemarkeerd zijn.

De Prager tuimelaar is een uitmuntende hoogvlieger en jaagduif.

7. De Elbinger Witkop. The short-faced llahlhead Tumbler.

Guïbutant d'Elbing. Elbinger Weisskopf.

Deze variëteit werd reeds voor Jaren in Elbing in groote volmaaktheid gefokt en verwierf zich eene werkelijke beroemdheid, doch is in de laatste tientallen jaren in de plaats barer herkomst zeer verwaarloosd.

Deze duif komt in alles met de Engelsche Baldhead overeen, doch de kop is niet zoo breed en zoo hoog, het voorhoofd is niet sterk gewolfd en steekt niet vooruit; ook is de snavel meer kegelvormig.

De bijzondere kwalen, waaraan vooral de kortsnavelige Tuimelaars onderhevig zijn, zjjn niet zoo bijzonder menigvuldig, doch meermalen zeer ernstig eu niet zoo gemakkelijk te bestrijden.

Eene der dikwijls voorkomende bestaat in bet kankerachtig zweren der mondhoeken. Gewoonlijk beproeft men dit te genezen door de aangetaste deelen te penseelen met eene oplossing van helsche steen, Nitras argenti, (Lapis infernalis), ofschoon men daarbij niet altijd baat vindt. Fulton keurt het uitbranden met helsche steen dan ook af en beveelt de volgende behandeling aan. Men stopt den patient in eene kous of wikkelt hem zoo in een doek, dat de kop alleen vrij blijft en hij geheel weerloos is, waarna

ocr page 236

men den bek open breekt en een smullen gummiiing van ongeveer een centimeter dikte om den ondersnavel schuift. Met een mesje krabt men de kankerachtige zelfstandigheid aan de mondhoeken weg, penseelt de wonden daarna met zwavelzuur en houdt den patient een half uur lang in de hand. Bloeden de wonden onder de operatie, dan boude men den kop van het dier naar beneden. Na verloop van het genoemde half uur kan men de duif weder geheel van zijn boeien bevrijden en, als de kwaal niet al te erg was, als geheel genezen beschouwen. In erge gevallen dienen de ge-infecteerde plaatsen aan den boven- en benedensnavel geheel en al uitgesneden te worden; daarna wasche men de wonden uit mot koud water, voor de helft met „Condy's fluïdiumquot; vermengd, tot het bloeden ophoudt en hestrijke ze vervolgens dagelijks met zinkzalf, tot ze geheel genezen zijn.

Openbaart zich de kwaal aan den tongwortel, dan is het eenige mogelijke middel: penseelen met zwavelzuur.

Als deze behandeling in één keer niet helpt, behoeft men ze niet voor den tweeden keer te herhalen, daar er dan bezwaarlijk genezing van te verwachten is.

Eene soortgelijke zwering van het voorste gedeelte van den benedensnavel kan ook veroorzaakt worden door do prikkeling en ontsteking van eene te lange tong (?); in dat geval snijde men de te lange of gekromde punt eenvoudig af, waarna er van zelf genezing zal komen.

Heeft de ontsteking zich uitgebreid tot aan de keel, dan snijde men de kaal geplukte huid, zoover die aangetast is, weg, terwijl men die met de vingers der linkerhand een weinig omhoog trekt. Doet men de duif daarna in een passend mandje en bewaart men haar voor tocht en koude, dan geneest vaak de wonde, die men nog gedurende acht dagen met zinkzalf bestrijkt, buitengewoon snel.

Deze kankerachtige uitwassen kunnen ook een diphtheritisch verschijnsel zijn en met diphtheritis gepaard gaan, waarom we hier mede verwijzen naar hetgeen dienaangaande in het zevende hoofdstuk is gezegd.

De onder den naam van voetjicht -- ijoul — bekende opzwelling van loopbeen en teenen beproeve men te verdrijven o]) de wijze, zooals bij de Kroppers is aangegeven — omwikkeling van de pooten met in Fransche brandewijn gedoopte wollen lappen. Er is echter slechts zelden succes van te verwachten; iti elk geval fokke men niet van met deze kwaal behepte duiven.

Menigvuldiger dan bij andere duivensoorten komen er bij de kortsnavelige Tuimelaars oogziekten voor onder verschillende vormen. Bij alle is het eerste merkbare verschijnsel eene waterige afscheiding rondom het oog. Dateert dit verschijnsel reeds van de jeugd der dieren, dan is er geene hulp mogelijk. Is echter de opzwelling en vochtafscheiding een gevolg van koudevatting.

ocr page 237

2'29

dan bet men do oogen dugolijkn driemaal met warm water, droogt ze weer af en bestrijkt ze rondom met ricimisolie, dat men later met warm zeepwater zorgvuldig weder afwascht. Wil de patient niet eten, dan moet men hem stoppen met erwten en wikken, die men gedurende 5 uren in water heeft laten staan weeken, en gekookte melk te drinken geven.

In ernstige gevallen, wanneer de afscheiding etterachtig wordt, pcnseele men de oogen met eene oplossing van 0,0'» gr. kopervitriool en 25 gram water of 0,00 gram helsche steen in 130 gram water.

Eene andere, veel ergere soort van oogziekte is die van den oogbol zelf, waarop zich eerst kleine, witachtige puntjes vertoonen, welke zich langzamerhand vergrooten en eindelijk een werkelijk blaasje vormen. Ilet gewone betten en ook het inblazen van fijne suiker geeft dan geen baat. Het eenige aan te bevelen middel bestaat hierin, dat men dat gedeelte van het ooglid, dat telkens met de zieke plaats in aanraking komt en daar eene prikkeling veroorzaakt, wegsnijdt, waardoor die prikkeling en ook dikwijls de waterachtige afscheiding ophoudt. Fulton meent, dat in het eerste stadium van deze kwaal eene indruppeling van eene helsche-steenoplossing (i : 30) twee keeren per dag van goede uitwerking kan zijn.

Eindelijk Ijjden de Tuimelaars meer dan andere duivenrassen aan tering, vooral laat uitgebroede vrouwelijke dieren en zwakkelijke exemplaren. De kwaal openbaart zich zeer dikwijls bij het intreden van koud weder en gewoonlijk eerst door ruw. opgezet gevederte of hangende vleugels, door groene, waterachtige uitwerpselen en gebrek aan eetlust, tenminste wat het gewone voeder betreft. Het meeste succes heeft men gehad met een kunstmatige voeding, namelijk met rauwe eieren of met pillen, ter grootte van een boon en bestaande uit in gekookte melk geweekt wittebrood, van welke men den patient om den anderen dag 12 ingeeft en van welke (i vooraf in bloem van zwavel gerold zijn ; op de tusschendagen laat men den patient naar verkiezing zoeken uit het gewone voer, waaraan men nog wat hen-nipzaad, kanariezaad en gierst heeft toegevoegd. Zien de uitwerpselen er na 8 dagen nog niet gezond uit, dan geve men { theelepelvol ricinusolie en voere verder nog 8 dagen op de voorgeschreven wijze om daarna weder tot het gewone voer over te gaan. Als drinken geve men tot aan de genezing afgekoelde gekookte melk in plaats van water.

Eene veel met de hiervoor genoemde overeenkomende ziekte — zoo ze niet geheel dezelfde is — overvalt de jongen gedurende den eersten rui en komt zoo menigvuldig voor, dat men haar eigenlijk slechts eene onpaslijk-heid zou kunnen noemen. De verschijnselen zijn dezelfde, doch de uitwerpselen vertoonen hunne afwijking van do gewone in nog grootere mate en het achterlijf is dikwijls in erge mate ontstoken, doordat de mestdarm er

ocr page 238

'230

geheel door gesloten wordt, fn de eerste plaats dient men de veeren om den amis geheel weg te knippen — ze uit te trekken zou do ontsteking bevorderen — daarna traehte men den patient door een weinig tarwe, rijst, hennip- en lijnzaad tot eten op te wekken en steppe hem, wanneer hij weigert, den krop halfvol met de hiervoor genoemde wittebroodpillen en geweekte erwten, beurtelings in te geven. Bovendien make men pillen op de volgende wijze: men kookt rjjst in melk, perst de melk daarna zoo goed mogelijk uit, voegt daaraan ongeveer evenveel fijn meel en halt' zooveel levertraan toe en vermengt een en ander tot een stevig deeg.

Van dit deeg maakt men pillen ter grootte van een boon en geeft den patient daarvan lü dagen lang om den anderen dag (! pillen en daarbij het gewone voer. Willen do dieren dit niet eten, dan stopt men ze weder met geweekte erwten en broodpillen en geeft steeds koude gekookte melk te drinken. Openbaart er zich na 8 dagen geen beterschap, dan maakt men pillen van een hardgekookt ei en gekruimeld wittebrood, doopt die in levertraan en geeft daarvan dagelijks twee keeren 4 stuks in; één daarvan rolt men vooraf even in bloem van zwavel. Wanneer de dieren nog niet te zwak zjjn, volgt er gewoonlijk genezing. Soms echter is de zwakte zoo groot, dat de dieren den staart nauwelijks schijnen te kunnen dragen; in dat geval kan men de staartpennen uittrekken, wat de patiënten zichtbaar verlichting geeft — misschien wel door de vergroote bloedcirculatie — en de genezing zeer bespoedigt. Wel is waar vertoont dan de nieuwe staart dikwijls 2 in plaats van de 3 door den standaard geëischte kleuren, soms ook wel een blauwachtige kleur, waarom sommige liefhebbers, in plaats van de staartveeren uit te trekken, deze dicht bij den wortel afknippen, wat den dieren ook wel verlichting geeft, doch niet dien weldadigen invloed op den bloedsomloop heeft, wiens storing voor een der oorzaken van de ziekte wordt gehouden.

13e vleugelziekte komt bij Tuimelaars betrekkelijk weinig voor en andere, speciaal aan deze duivensoort eigene ziekten zijn er niet.

liegende groep. Kropduiven — C. strumosae, Frisch.

Krappers. Pouters. GrosHes-jonjes of BouUints. Kröpfer.

„Als de Carrier de Koning der duiven kan worden genoemd, dan mogen de Kroppers de Gentlemen en Ladies der sierduiven heeten, en juist niet alleen om hunne grootte, maar ook wegens het elegante hunner gestalte, de bevalligheid hunner houding en hunne „tentoonstellings-eigenschappenquot;. Ja, ik houd de Kroppers voor de edelste van alle „Fancy-pigeonsquot; (luxeduiven).quot; Zoo laat zich een der meest bekende kenners van de Engelsdie

ocr page 239

'231

Kroppers, lt;lu heer James Montgomery uit Bulfiist (Ierland), over zjjiie lievelingen uit. En ongetwijfeld zijn er vele duivenliefliebbers van dezelfde inee-ning. Wij denken er, uit een aestlietiseli-natuurhistoriscli oogpunt beschomvd, echter anders over, en al stonden we in dezen ook geheel alleen — wat echter het geval uiet is — we zouden er niemand een grieve van maken, dat hij ons in onze meening alleen liet staan; quot;t is immers ook mogelijk, dat wij er onder andere omstandigheden evenzeer mee ingenomen waren. Werkelijk staan de Kroppers niet alleen in Engeland, maar ook bij ons en bij de Pranschen en üuitschers zeer in de gunst en tal van liefhebbers vinden zich door de vele aantrekkelijke eigenschappen dezer duiven rijkelijk beloond voor al de moeiten en kosten, welke liet fokken van goede Kroppers, evenals van vele andere edele duivenrassen, met zich brengt. Eene der gevolgen van deze groote liefhebberij is mede het groot aantal variëteiten en sub-variëteiten van dit ras, welke in zeker opzicht een nationalen stempel dragen. Want, om alleen maar de hoofdslagen te noemen, er zijn zoowel Hollandsche, Fransche en Duitsche als Engelsche kroppers.

Of de Kroppers werkelijk een product zijn van de kweekkunst van den nieuwen tijd, zooals de Engelschen ten minste van de hunne beweren, is eene vraag, die, wat de Engelsche kroppers aangaat, zeker bevestigend beantwoord moet worden, doch zeker is het ook, dat 3 eeuwen geleden in ons land en België reeds duiven werden gehouden, die bijna dubbel zoo groot waren als de huisduiven, zwaar bevederde pooten hadden, hun krop buitengewoon sterk konden opblazen en „kroppersquot; werden genoemd. Ook vóór het midden van de vorige eeuw kende men deze duiven reeds in verschillende variëteiten in Duitschland en Frankrijk. Fniscn kende glad-beenige en met bevederde pooten, gladkoppige en van ecu kuif voorziene duiven van verschillende kleuren, wier krop men door opblazen door den snavel buitengewoon verwijden kon.

Van uit Holland en Duitschland zijn de Kroppers naar Engeland overgebracht.

Ofschoon Frisch niet weet, of hij de Kroppers tot de inheemsche soorten moet rekenen, zijn zij toch blijkbaar van Westerschen oorsprong; daarvoor pleit geheel hun vorm en karakter, alsmede het feit, dat zij in liet Oosten totaal ontbreken. Ook laat zich hun ontstaan of hunne ontwikkeling uit oudere, algemeen verbreide, misschien wel gewone huisduiven in Duitschland en Holland zeer goed verklaren, al kan men het ook niet rechtstreeks bewijzen. De een of ander heeft de eigenschap van alle duiven om den krop op te blazen interessant gevonden en de dieren op die eigenschap verder gefokt, en misschien, zoonls de oude Frisch uildrukkelijk vermeldt, ook wel een weinig medegeholpen, door den krop nu en dan wat op te blazen, en

ocr page 240

'J ^2

zoo zijn in den loop der tijden de verschillende variëteiten ontstaan en — men zou kunnen zeggen overeenkomstig den nationalen smaak — tot de heden bestaande vormen ontwikkeld.

Hoe verschillend die vormen nu ook mogen zijn, toch hebben zij allen met elkander gemeen, wat hen tot Kr oppers maakt, n.1. in de eerste plaats den groeten krop.

Wij zullen hier eerst de ahjemeene eigenaardigheden van de Kroppers aangeven en dan beproeven, met behulp van het diagram, dat het ideaal van den Engelschen Kropper voorstelt, de terminologie te verduidelijken.

Men moet wol een verblind liefhebber van do Kroppers zijn om in allen ernst te durven beweren, dat „zelfs het kunstenaarsoog de groote schoonheid en bevalligheid van do goed geëvenredigde en harmonische booghjnen in deze duivenfiguur bemerken moet;quot; het valt evenwel niet te ontkennen, dat de lijnen, die hier de kropper-schoonheid aangeven, in idealen vorm voorkomen. En Fulton heeft volkomen gelijk, wanneer hij zegt, dat de combinatie van allo in eene Juiste verhouding tot elkander staande eigenschappen, en niet enkele sterk uitkomende en op zich zelf goede punten, bij de beoordeeling tot grondslag moeten liggen. En nu die punten zelve :

Het ligt voor de hand, dat de hoofdzaak in den geheelen bouw en de houding der Kroppers voornamelijk hierin bestaat, dat de krop zoo sterk mogelijk ontwikkeld is, wat — vooral bjj de Engelsche kroppers — dan zeker ook het geval is. De kleine kop, de lange hals, de smalle taille, de smalle en lange vleugels en slagpennen, de lange staart, de lange en dunne schenkels en loopbeenen — dat alles doet klaarblijkelijk den op zich zelf reeds grooten krop nog grooter schijnen; en daartoe draagt eindelijk ook do meer of minder rechte houding bij, die bij den Engelschen kropper van dien aard is, dat eenc lijn, van het oog tot de voetzool getrokken, loodrecht moet zijn.

Ongetwijfeld verkeert de heer Ure in een dwaling, wanneer hij beweert, dat niet de krop, maar de pooten en de taille de hoofdpunten zjjn; want deze hebben op zich zeiven niet zooveel waarde, doch krijgen die, doordien zij den krop, als hoofdkenmerk, meer en beter doen uitkomen, en uit dat oogpunt beschouwd zijn zij natuurlijk ook zeer te waardeeren. Voorzeker is het dan ook slechts eene beleefdheid tegenover zijn correspondent, wanneer Fulton „den krop wel niet als het belangrijkste kenmerk beschouwtquot;, terwijl hij in zijne beschrijving toch met dit, „het geheele ras het meest karakteri-seerende kenmerkquot; begint.

ocr page 241

233

A. GROOTE KROI'i'EHS.

1. Dr. Engelsche Kropper, gulturosa anglica. The I'outer.

Boulant anglais. Englischef Kröpfrr.

I3(i kop van den Engolschon kropper is klein in verhouding tot de lieliaiunsgrootte, het voorhoofd middeliioog, de schedel goed afgerond, in het midden .slechts nauwelijks merkbaar afgeplat, de snavel tamelijk krachtig on ongeveer 25 millhneter lang niet kleine, een weinig gezwollen en wit bepoederde snavelwrattcn. De nek is een weinig ingebogen en daarbij forsch en krachtig; do oogen zijn rood of oranjekleurig, doch donkere of zwarte oogen zijn bij overigens goede exemplaren geen groote fout; bij de witte variëteit behooren de oogen donker te zijn. ])e hals moet zeer lang zijn, opdat er een flinke en goed gevormde krop kan ontstaan; deze moet, wanneer hij opgeblazen is, van af den snavel bjj C een weinig omhoog loopen, ongeveer in liet mid- h

den van zijne lengteas bij C het volst, het breedst zijn en vooral bij Cquot; niet de borst eene insnijding vormen, wat zeer tot een sierlijken „bol- c vormquot; van den krop bijdraagt;

bij Cquot; is de welving van den achterhals het grootst en komt door de beide insnijdingen, aan den nek en aan den benedenhals, nog des te beter uit.

11M en EH geven de betrekkelijke grootte van de „halve maanquot; en het daarboven gelegen segment ■— Bib = slab-be — aan. De ruimte tusschen den hoek bij Cquot; en de inplanting van den schenkel bij T moet zoo lang mogelijk zijn en eene rechte Ijjn vormen, waardoor, zoowel als door de inbuiging bij O', tusschen B en E, de zoo zeer gewenschte smalheid der taille GG' zeer bevorderd wordt, terwijl daardoor ook niet weinig tot de recht opgerichte houding wordt bijgedragen. Deze houding moet zoo zijn, dat een loodlijn, die uit het oog wordt neergelaten, in bet midden van de voetzool valt. Do

ocr page 242

234

vleugels moeten, viin T E gemeten, zoo smal mogelijk zjjn en goed aan liet lichaam sluiten; do slagpennen en de staart moeten niet te lang zjjn, omdat zij dan te spoedig don grond raken en het dier beletten de gowensclito opgerichte houding aan te nemen; L F en L T geven de juiste verhouding en den juisten vorm van beide aan. De schenkel T ï moet zoo lang mogelijk zijn en vooral ook en dit is eeno der moeilijkste punten — het loopheon T L, het belangrijkste gedeelte van het geheele been. Bij L is de zoo bewonderde wijze van voetbevedering — lange, smalle voeren — voorgesteld, lijj l' de plaats voor de zoogenoemde ,.roosquot; — Rose pinion. De lengte, van de snavelpnnt over den kop tot aan liet einde van de langste staartveer gemeten, (vederlengte) bedraagt om do 500 millimeter; doch niet de grootte, ot' liever de lengte van het lichaam, maar de opgerichte houding en de hoogte beslissen in dezen, en daar deze voornamelijk van de lengte (of hoogte) der beenen afhangen, is de „vederlengtequot; ondergeschikt aan de lengte der beenen, ook al omdat die „voderlengtequot; een gemakkelijk, de beenlengte daarentegen een zeer moeilijk bij de Krappers te bereiken punt is. Nu is er echter onder de twintig Krappers nauwelijks één met zulke lange beenen, dat, hij eene „vederlengtequot; van 45(i millimeter goed kan dragen. Beenen van 177 millimeter lengte — van het kniegewricht tot de punten der teenen gemeten — kunnen een vogel van 470 a 475 millim., en zulke van 180 a 1lt;S4 millim. eene „voderlengtequot; van 481 a 488 millim. dragen; eene grootere beonlengte dan 177 millim. is echter moeilijk te bereiken en gaat meestal met zwakte van de beenen gepaard, waardoor de vogel in zijne vrije en elegante beweging en houding gehinderd wordt.

De boenen •— of eigenlijk de schenkels — moeten dicht bij elkander geplaatst zijn, de duif mag niet wjjdboenig zijn; liet hielgewriclit, dikwijls doch verkeerdelijk kniegewricht genoemd, mag niet te sterk gebogen zijn: eene te sterke buiging maakt do dieren „koehakkigquot; ■—cow-hocks—, doch do loopbeenen, welke zoo lang mogelijk moeten zijn, mogen ook niet al te rechtop staan, daar dit loclijk lijkt en als eene fout beschouwd wordt. Eindelijk moeten do hielgowrichten een weinig naar binnen en loopbeen en teenen een weinig naar Indien gericht zijn; men noemt zulk een stand der beenen bakkorsknieën „haker-kneesquot;. Met zulke beenen staat en beweegt zich de duif gemakkelijk en elegant en zij zijn een zeker kentoeken van een goedgefokten stam. De boenen behooren zoo gelijkmatig mogelijk bevederd te zijn met korte donsachtigo voeren, welke naar benoden gericht zijn, geen onkel deel van het been onbedekt laten en niet gedraaid of naar voren gericht zijn, wijl dit er toe zou bijdragen, dat de beenen korter zouden schijnen, dan zij zjjn; de teenen alleen zijn van langere voeren voorzien.

ocr page 243

'235

Eu wrl niorkwaardig' maar toch juist liet komt hier niet zoozeer aan op de werkelijke uls wel op de selijjiibare lengte der beenen en op den vorm i^n den „stijlquot;; kortere doeh correct gevormde beenen schijnen werkelijk langer dan zij zijn; een voorbeeld daarvan geeft fig. 81.

J)e Engelschen duiden eene in alle opzichten goede beenvorming aan met liet enkele woord „clacm-lcijyrdquot; zuiver of volmaakt beenig, waarmee niet alleen eene zuivere kleur, doch ook de correcte bevedering en de vorm der beenen in bun geheel wordt bedoeld, ofschoon het in engeren zin alleen van eene correcte bevedering van den ondersdienkel en het loopbeen wordt gebruikt en met eene dichte en correcte voetbevodering den „volkomen stijlquot; der pooten vormt. Als foutief gelden te dun en te zwaar bevederde — thin en i-otujh leygnl ■— pooten, vooral het laatste, wanneer de, een weinig naar achteren afhangende en dus wat langere zachte veeren van liet liid-gewricht te lang en te stijf worden en gierhakken vormen.

Nog dient opgemerkt te worden, dat het zichtbare gedeelte van den schenkel goed duidelijk tegen bet onderlijf uitkomen maar noch te dun, noch te dik mag zijn;

is het te dun. dan wordt de vorm van het been daardoor benadeeld, en is het te dik, dan de slankheid der taille. Ook dient er wel op de buiging van het eigenlijke kniegewricht, minder op die van het heupgewricht, gelet te worden. Wij hebben reeds opgemerkt, dat de lijn van do inbuiging beneden vóór aan den krop tot de schijnbare inplanting van den schenkel (zie fig. 80 van C tot T) zoo lang mogelijk moet zijn. Is dit niet het geval, staat de schenkel integendeel bijna loodrecht onder den schouder, dan ligt de geheele lengte van den vogel achter de beenen: eene zeer zware fout, die echter minder in het oog valt, wanneer de vogel op zijn blok zit, en den staart kan laten hangen, den rug kan oprichten en zoo bet geheele lichaam meer in de lijn van de te rechte beenen kan brengen. Om den juisten vorm der pooten te kunnen zien en beoordeelen, moet de vogel op den grond of in eene groote kooi staan.

Als tweede hoofdpunt komt de taille — „girlhquot; in aanmerking. Zij moet zoo smal mogelijk zijn, dat wil zeggen, de dikte of de omvang van den romp in de schouderstreek, G G , zij zoo gering mogelijk, opdat de grootte en de vorm van den krop des te beter uit kunnen komen. De taille

ocr page 244

236

(en de geheele romp) wordt of schijnt althans des te smaller, naarmate ook de vleugels smaller en dichter aansluitend bevederd zjjn en vaster tegen het lichaam gesloten gedragen worden, en vooral ook naarmate de lengte van het lichaam, van de inbuiging bij Cquot; tot den schenkel bij T, tig. 80, grooter is. Is die lengte te gering en komt dus de krop dicht aan do schenkels, dan wordt de vogel te dik en de krop ovaal, beide groote fouten. Een ovale of hangende krop ontsiert den vogel in hooge mate en ontstaat dikwijls door het te veelvuldig broeden en voeren der jongen; vele liefhebbers laten hunne Kroppers daarom in liet geheel niet of slechts gedurende S a 10 dagen voeren.

Eindelijk doet ook nog de inbuiging bij G de taille smaller schijnen. Al deze kleine bijzonderheden, die te zamen eene smalle taille vormen, zijn teekenen van goed bloed en gaan gewoonlijk met andere goede punten gepaard.

Wat den krop aangaat, deze moet, als hij goed gevormd zal kunnen heeten, zooveel mogelijk den bolvorm naderen, overal gelijkmatig gebogen zjjn — behalve aan den achterhals, waar de bocht zeer gering is, wijl anders de veeren niet goed vlak zouden kunnen aansluiten — Hink naar de zijden en naar voren gewelfd zijn, zoodat do snavel gedeeltelijk daarin verborgen is. De krop der duiven mag niet zoo groot zijn als die der doffers, daar zij, wanneer zij een te groeten krop hebben, bijna altijd met andere gebreken behept zijn en bovendien ook de Jongen niet goed kunnen voeren. De grootte van den krop moet echter ook altijd in eene goede verhouding staan tot de lichaamsgrootte van den vogel; overmatig groote kroppen benadeelen de houding en de gezondheid der duiven.

Ovale kroppen of zulke, die éénzijdig ontwikkeld zijn of niet opgeblazen worden en, zooals op beogen leeftijd vaak voorkomt, slap neerhangen, sluiten de Kroppers natuurlijk van elke tentoonstelling uit. De jonge vogels beginnen den vorm van den krop eerst op den leeftijd van 3 a 4 maanden maanden te toonen en, wel zonderling, de duiven zeer dikwijls vroeger dan de doffers, terwijl toch over 't geheel de doffers anders alle eigenaardigheden vroeger en sterker ontwikkelen dan de duiven.

Over het vierde punt, de lengte der vleugels, is reeds het noodige gezegd. Wij voegen er hier nog aan toe, dat Kroppers met te korte vleugels dikwijls een „varkensrugquot; hebben en meestal producten zijn van laat-broeden, van te lange inteelt of van kruising met ,,Runtsquot;.

Eindelijk het vijfde of laatste punt: Kleur en leekening. De standaardkleur — beter gezegd staadaardteekening — der Engelsche kroppers is, zooals bekend is, reeds sedert langen tijd die, welke men de „ekster tee-keningquot; — pies — noemt. De steeds witte afteekening strekt zich bij alle

ocr page 245

237

standaardkleuren — zwart, blauw, rood on geel ..... uit: a over de lialve

maan van den krop, wier horens tut dicht onder de oogen moeten reiken, docli elkander niet achter aan den lials mogen raken; er zijn echter wel zulke exemplaren en dio worden ringhalzen — „ring-neckedquot; genoemd; h verder over de vleugelroos — rosa-pinion or pinionsmarking eenige (gewoonlijk 10 a 10) halvemaanvormig gerande kleine vleugeldekveeren, welke ongeveer het midden van het sehouderdek beslaan en ten naastenbij gezamenlijk een cirkel vormen; c vervolgens over de gezamenlijke slagpennen en de beenen, alsmede over het onderlijf tot ongeveer de bulve hoogte van de borst. Bij de roode en gele eksterkroppers en bij de meelvalen zijn bovendien ook nog de benedenrug en de staart wit van kleur, ofschoon zelden goed zuiver. Bij de zwarte en blauwe zijn kop, hals, borst en staart gekleurd.

Wat de teekening der Kroppers aangaat, verdienen zeker nog enkele kunsttermen eene nadere verklaring. De vleugelteckening heet laivn-sleeved of bishopped, wanneer er zich op de vleugeldekveeren in plaats van de roos een witte vlek bevindt, welke tot aan den voorkant van den vleugel boog loopt. Slagpennen en pooten moeten hij zoo geteekende Kroppers zuiver wit zijn en do laatste glad bevederd, anders worden zjj „fonl-llightedquot; of „foid-thiyliedquot; —- onzuiver van slagpennen of beenen — genoemd.

Van de zwarte Eksterkroppers schijnt men, zeker wegens het prachtige kleurencontrast, over 't algemeen het meest te houden, doch dan dient daarbjj voorop gesteld te worden, dat het zwart diep en glanzig moet zijn. Jammer echter, dat zij in andere opzichten maar al te dikwijls groote gebreken hebben: dikwijls zijn ze plomp van lichaamsbouw, kort van beenen met gebrekkige beenbevedering, maar daarbij dikwijls lang van veer. Een zwarte Eksterkropper met goede beenen en ook in andere opzichten goed geteekend is inderdaad eene zeldzaamheid. Ook witte snippen en ringen om den kop kwamen er vroeger menigvuldig voor, doch deze fouten ziet men tegenwoordig niet zoo dikwijls moer.

De hlauwe Eksterkroppers hebben over 't geheel hunne kleur beter bewaard dan de andere kleurslagen en een fraai geëksterde blauwe Kropper is inderdaad een prachtvogel, die in de zwarte vleugelbanden nog een punt oj) de overige kleuren voor heeft.

Itoode eksterkroppers waren tot voor weinige jaren in Engeland zeer fraaie vogels van eene diep bloedroode kleur en onberispelijk van beenen; tegenwoordig zijn zij in den regel „foul-flightedquot; en slecht van kleur. Fig. 82 geeft eene afbeelding van oen normalen Kropper.

Ook de gele, wier sehoone kleur bijna verloren was gegaan, zijn nu fraaie vogels. Zij zijn eerst in den huitsten tijd door kruising met roode verbeterd.

ocr page 246

Van de neveukleurige is de medvale de eerste. Ofschoon hunne kleur niet fraai is, zijn de „Mealiesquot; echter in bijna alle overige punten meer volmaakt dan alle anders gekleurde; van daar, dat zij zoo goed als onontbeerlijk zijn voor kruising op deze punten: smalle taille, lengte van beenen en veder, fraaie houding en correcte teekening. En een werkelijk goede meelvale Eksterkropper is toch op zich zelf ook reeds een sierlijke vogel.

De zaïidldcurige of roodmeelldeurige, in Engeland ook nardheikleurige genoemd, zijn wat de kleur aangaat de minste ouder de Eksterkroppers; zij

hebben echter niet do meelvale dit gemeen, dat zij goed van bouw zijn en eveneens voor kruisingen dienen.

De zilverkleurige zijn •— volgens Ure — bijna zonder uitzondering van slechte hoedanigheid; de kleur is eene meer liclite schakeering van blauw met bruine vleugelbanden. Hoezeer de smaken ook in dezen verschillen, blijkt uit de opmerking van Fulton, die de zilverkleurige zeer schoone en voor kruisingen zeer te waardeeren vogels noemt: hij en vele anderen zouden deze kleur gaarne onder de standaardkleuren zien opgenomen.

ocr page 247

23!)

Eénkleurigc treft men alleen in wil iuin: deze zijn, daar men niet geene teekening iieef't te maken doch alleen niet de vormen, gemakkeljjker onberispelijk te fokken dan de gekleurde, doch worden daarom ook niet zoo gewaardeerd.

Wij zullen hier nog enkele opmerkingen van Engelsclie fokkers aangaande de paring der Kroppers laten volgen, daar zij zeker nog wel het een of ander zullen bevatten, waarmee onze fokkers hun voordeel kunnen doen; wij moeten ons echter bepalen tot de ervaringen van de meer genoemde meesters in bet kropperskweekon, de lieeren Ure en Montgomery.

Eerstgenoemde van deze beide hoeren acht het voor onnoodig, zwarte eksterkroppers met andere kleuren te kruisen, wanneer zij over 't geheel lang van beencn en slank van taille zijn; aangezien dit echter maar al te dikwijls niet het geval is, zijn kruisingen niet zandkleurige en gevlekte aan te bevelen om de zwarte op die punten te verbeteren. Als men zijne fokdieren met zorg kiest, belooft zulk eene paring dikwijls goede zwarte jongen, wier kleur bovendien door deze kruising niet lijdt, zooals bij die met blauwe, gele en zelfs roode — waarin tegenwoordig te veel geel bloed is -— wel het geval is. Montgomery is wel is waar ook niet voor kruising van zwarte Kroppers, doch raadt, wanneer kruising noodig is, aan, ze met roode te kruisen om daarna de zwarte op zwart en de zandkleurige op rood terug te fokken.

Voor het fokken en de verbetering van do blauwe beveelt Ure de kruising met meelvale aan: deze kruising geeft een fraai, zacht blauw, verbetert slechte schenkels en helpt dikwijls mede tot verbetering van vorm en stijl.

Wat de roode en do gele aangaat, wanneer kruising volstrekt noodig is, wil Montgomery de eerstgenoemde met zwarte paren en do golo met roode; liet verkregen product van laatstgenoemden wil hij echter niet verder, maar alleen op geel terugfokken. Ure weet niet, hoe die beide in verval geraakte kleuren te verbeteren zouden zijn. Het paren van beide kleuren onder elkander heeft juist het slechte rood voortgebracht en kan op zijn hoogst het geel een weinig verbeteren. Kruising van roode met zwarte geeft tegenwoordig, wegens het „gele bloedquot; in eerstgenoemde, ook niet veel goeds, zoodat er niets anders overblijft dan do weinige roode en gele, die nog gezond en frisch van kleur zijn, zorgvuldig onder elkander verder te kruisen.

Om witte Kroppers te verbeteren beveelt hij eindelijk aan paringen met meelvale, blauwe of gevlekte.

Aangaande het fokken op verbetering der beenen nog hot volgende : Als hoofdregels gelden: 1° Pok, als het immer mogelijk is, nooit vanéén, en in geen geval van twee vogels, welke een kort loopbeen hebben; 2° nooit van twee, en zoo mogelijk ook niet van één vogel, wieua schenkels

ocr page 248

240

te ver naai' voren geplaatst zjjn. Dit zijn twee fouten, welke de geheele figuur on houding der Kloppers in hooge mate benadeelen en, zoo ze eenmaal ingeworteld zjjn, zeer moeilijk weder uitgeroeid kunnen worden. De beide uitersten in de beenbevedering daarentegen n. i. te dunne en ongelijkmatige —■ Ihin legged, tig. 83 a en h — en de te zware en ruwe

— rough-limh, fig. 83 c en d — zijn met behulp van in dit opzicht goede exemplaren zeer goed voor kruising te gebruiken, voorondersteld echter, dat zij geen gebreken aan do ledematen bezitten en de fokdiercn zorgvuldig uitgezocht worden. Gebreken in de bevedering kunnen n. 1. altijd voel gemakkelijker weggefokt worden dan zulke, die hun oorzaak in den skelet-

ocr page 249

241

bouw hebben. Ook vogels, die te kort van taille zijn, doet men beter niet met elkander te paren.

Hoe moeilijk liet is, in alle opzichten uitmuntende Engelsclie kroppers te fokken, kan men opmaken uit lietgeen de uitstekende Nederl. duiven-kenner, de heer P. Polvliet, in zijne besciirjjving van den Eng. kropper in liet werk van De Hoeve zegt: „Het is bespottelijk, eerste-klasse Eng. kroppers voor '20 francs liet paar aan te bieden, zooals men dat in de vakbladen wel ziet gebeuren, daar men in Schotland (bet vaderland der schoone kroppers) ten minste 700 a 800 francs betaalt voor een goed exemplaar, dat een eersten prijs op eene der grootste Engelsclie tentoonstellingen kan verwerven.quot;

Wij zijn met opzet wat uitvoerig geweest in de beschrijving der Engelsclie kroppers, omdat vele bijzonderlieden en opmerkingen aangaande deze ook de andere rassen betreffen, zoodat we hij de behandeling der overige rassen zooveel te korter kunnen zijn.

2. De Fransche Kroppers. The French Pouters. Les Grosses-gorges.

Les houlanls francais. Die Französischen Kröpfer.

Van deze Kroppers zijn er twee of drie variëteiten, waarvan de eene met een bolvormigen, de andere met een ovalen krop.

De eerste, de gewone of groote Fransche Kropper, ook wel het „ras van Amiensquot; genoemd, heeft een bolvormigen krop, staat zeer hoog en rechtop op de onbevederde pooten en bereikt, zooal niet de grootte dan toch de hoogte van den Engelschen Kropper. In het meer aangehaalde werk van De Boeve, zegt Rob. Fontaine aangaande de beenen; „Het loopbeen kan naakt of aan den buitenkant mot eene rij van kleine veertjes bedekt zijn: deze bevedering strekt zich ook uit over den buitensten en den middelsten teen. Is het loopbeen echter naakt, dan behooren de teenen insgelijks onbevederd te zijnquot;. Daar de Fransche Kropper buitengewoon levendig van aard is. heeft hij den krop bijna altoos opgeblazen. Wegens zijne onbeholpenheid in het voeren der jongen vermenigvuldigt hij zich zeer slecht en dat. in verband met de moeilijkheid in het kweeken van goede exemplaren, is zeker de reden, dat de duivenfokkers zich in Frankrijk over 't algemeen — behalve in de omstreken van Amiens —■ zoo weinig op de kropperteelt toeleggen.

De tweede variëteit, de Itijselsche kropper, Boulant lillois, is veel kleiner dan de hiervoor genoemde en heeft een ovalen krop. Zijne hoogte varieert tusschen 30 en 40 centimeter. Hij komt voor in wil, blauw met zwarte of witte vleugelbanden, zwart, rood en geel (ééukleurig of met witte banden); ook

Baldamus, Plmmvoetoelt. 11. 1G

ocr page 250

242

zijn er getijgerde, met zwarte vlekken op een witten grond, zwarte slagpennen en staart.

Do Kjjselsclie kropper staat ver henoden dio van Amiens.

Van den grooten Franschen kropper lioof't men eene menigte kleurslagen, van welke de volgende de meest bekende en gewaardeerde zijn:

1. Le Grosse-gorge sou[t(; au vin — de wijnsoepkleurige kropper.

'2. „ „ „ chamois — „ chamois of reekleurige ,, ,, „ „ blanc — ,, witte ,,

4. ,, „ „ (jris panaché — ,, zwart getijgerde ,,

5. ,, „ „ marron — ,, kastanjebruine ,,

6. „ „ „ rouge — ,, roode „

7. „ „ „ hlen — „ blauwe „

Onder deze éénkleurige zijn er ook, die vaneen, uit achter- en zijwaarts

gekromde veeren bestaanden halsband zijn voorzien en Pigeons a havettc heeten. Zij komen ook in alle hoofd- en nevenkleuren voor, zoowel één-kleurig als gestreept, getijgerd, geschimmeld, gemonnikt enz.

Eindelijk zijn er ook nog met de teekening der Engelsche kroppers, met eksterteekening en halve maan op don krop.

Fontaine zegt, dat er 5 variëteiten van liet ras van Amiens bestaan: ,,de witte met zwarte oogen, de blauwe, zwarte, roode en gele met witte bavette (slabbe) en slagpennen en met ol' zonder de vleugelroos, met ot' zonder witte stuit; deze moeten oranjcroode oogen hebben.

De bavette is een halve maan van witte voeren, die de duif om de keel draagt in don vorm van cou halskraag, welke aan beide zijden tot op ongeveer een centimeter afstand van het oog loopt.

De blauwe en zwarte behooren een gekleurden staart te hebben, de roode en gele een witten; do bek is bij de eersten zwart, bij do laatsten helder rosekleurig.

Men treft ook blauwe, zwarte, roode ot gele exemplaren aan zonder slabbe en zonder vleugelroos, doch deze worden veel minder geacht. '

De kleurslagen der Rijselsche kroppers zijn over 't geheel dezelfde als die der groote Fransche kroppers. Zij zijn echter zeldzamer, zoowel in Frankrijk zelf als elders.

3. De Pommersche Kropper. The Pomerania Ponter. Boulant de Poméranie. Per Pommersche Krop [er.

Deze Kropper vertoont insgelijks eene zoo groote verwantschap met den Engelschen, dat het de vraag is, welke van beide de meest oorspronkelijke is. Fulton zegt, dat de Engelsche kropper vau den llollandschen en den

ocr page 251

Duitsclieu afstamt «n dat deze „zeer eigenaardig uitziende maar sierlijke vogels voornamelijk op kleur en teekening gefokt worden, met geringschatting van alle overige kropperpunten, alleen de krop uitgezonderd.quot; Hiernaar te oordeelen heeft Kulton echter don Pomraerschen kropper niet gekend, ofschoon hjj ovej' 't geheel aangaande de Duitsche speelsoorten — Foys zoo goed onderricht is. dat hem deze Kropper niet ontgaan zou zijn, wanneer hij toen reeds in Engeland geïmporteerd was geweest. Men moet dus aannemen, dat hij van Engeland naar Duitschland overgebracht is en wel het eerst naar de Pommersche zeeplaatsen Straalsond en (Ireifs-wald, waar hij hijzonder zuiver wordt gekweekt — of dat beide zoo zeer met elkander overeenkomende slagen onafhankelijk van elkander en misschien in Pommeren later dan in Engeland gefokt en meer en meer volmaakt zijn.

De Pominersche kropper onderscheidt zich inderdaad van den Engelschen alleen door de zware bevedering der beenen en door de wat breedere horst en. als een gevolg hiervan, door een minder slanke taille; in alle andere punten komt hij bijna geheel en al met den Engelschen model-kropper overeen. De maten zijn ongeveer dezelfde; lengte, van de punt van den snavel tot het einde van den staart, 440 a 400 millimeter; vleugelbreedte ongeveer 1.gt;0 milliin.; beenen 1/0 a i7.) millim. Deze laatste moeten zoo lang mogelijk schijnen, zoodat schenkel en loopbeen een zeer stompen hoek en nagenoeg een rechte lijn vormen moeten. Niettegenstaande de breede borst moet de figuur gestrekt en smal zjjn, de krop bolvormig en naar verhouding groot; de vleugels moeten tot het einde van den staart reiken, waar zjj elkander raken of kruisen; de staart mag niet naar beneden hangen of sleepen. Ja, de overeenkomst strekt zich zelfs uit tot de kropteekening, de halve maan, wier horens elkander aan den achterhals niet mogen raken, en nog verder: ook hebben de geelkleurige een witten staart en witte slagpennen, terwijl de zwarte en blauwe alleen witte slagpennen hebben. Wat het hiervoor reeds genoemd verschil betreft, dit kan men in t kort aldus definieoren, dat bij den Pommerschen kropper als schoonheidsregel geldt, wat bij den Engelschen als eene fout wordt afgekeurd, n,l. de zware beenbevedering. In tegenstelling met de eischen van don Engelschen standaard moet de broek zoo lang mogelijk bevederd zijn en gierhakken vormen, moet het loopbeen eveneens zwaar bevederd zijn en de voetbevedering zoo lang mogelijk — niet beneden de 25 millimeter; zjj komt zelfs tot eene lengte van 125 millim. voor. Als eene fout geldt de aanwezigheid van witte voeren op de vleugels.

De kleur en teekening komen overeen met die van den Engelschen Kropper, doch zonder vleugelroos; ook moeten er zijn — of geweest zijn:

ocr page 252

lt;244

éénkleurige in allo kleuren, ook met witte slagpennen, witte en witte met oon gekleurden staart, zwart getijgerde of gevlekte.

Togcnwoordig ziet men bijna alleen witte en zelden blauw- en zwartstnartcn.

4. De Saksische Krapper. Pigeon houlant de Saxe.

Dczo staat boog op de pooten, welke geheel bevederd en van gierhakken voorzien zijn. Hij is slank van gestalte en schijnt door de stevig- tegen het lichaam gedragen en boven den stacart gekruiste vleugels nog des te slanker; bij is ongeveer 8 centimeter kleiner dan de Duitsche Kropper. Tengevolge van dezen meer lichten lichaamsbouw vliegt hij ook gemakkelijker en sneller.

Men treft hem alleen eenkleurig aan in wit, zwart, rood, geel, blauw en isahellekleurig; de gekleurde hebben ook wel witte en de blauwe ook zwarte vleugelbanden. De meest volmaakte exemplaren worden onder do isabellekleurige gevonden. De kleur moet regelmatig over bet geheele lichaam verbreid en zonder schakeering zijn en ook niet zoo licht, dat de witte vleugelbanden niet goed duidelijk meer uitkomen.

5. De Duitsche Kropper. — C. gutt. maxima. The Old German Peuter. Boulant allemand. Der Deutsche Kröpfer,

De Duitsche Kropper behoort tot de hoogste en tevens tot de langste, doch in deze eigenschappen sedert ongeveer 40 jaren ook tot de uitgestorven rassen. De toen in de mode gekomen Engelsche Kroppers hebben de fokkers der Duitsche doen inslapen, en ook de hedendaagsche „oud Duitschequot; Kropper, die niet zoo groot is, verdwijnt meer on meer voor de in den nieuweren tijd gefokte rassen eu plaatselijke variëteiten.

De tegenwoordige Duitsche Kropper is 44 a 46 centim. lang, laag op de pooten, breed en plomp van figuur, weinig rechtop van houding; de gladde kop is tamelijk vlak en smal en heeft een rond voorhoofd, en oen tamelijk langen zwarten snavel met kleine, witbepoederde, vrij vlakke wratten. Het oog varieert tusschen geel en roodbruin; de hals is lang en weinig gebogen, de krop zeer groot en kogelrond; dc borst is breed en zeer kort en verdwijnt geheel onder den opgeblazen, tot dicht aan do schenkels reikenden krop. De rug is lang, hol tusschen de breede schouders en vormt met den langen en tamelijk breeden staart eenc nagenoeg rechte lijn. De zeer lange en breede vleugels reiken tot aan het eind van den staart, waarop zij rusten. De buik is lang, breed en vol. De schenkels zijn door de zijveeren bedekt, het loopbeen is kort met tamelijk lange teenen en onbevederd.

ocr page 253

245

Do voorkomende kleuren zijn zwart, blauw, getijgerd en wit zonder afteekening. Witto zijn zeldzaam. Koode en gele bestaan niet.

De oude Duitsehe Kropper kwam ook als witkop en ten deele met een puntkuif voor en werd dan Breslauer Kropper genoemd.

Tegenwoordig komt bij voor onder den naam

(i. Buil scha Witkop of' (jemonniktc Kropper. The Gernmii Hahllicud Voider.

Deze is geheel gelijk aan den onder 5 genoemden en bestaat alleen in de vier hoofdkleuren. Kop, slagpennen en staart behooren wit te zijn, doeh de moesten hebben slechts 2 a 4 witte slagpennen en een gekleurden staart.

7. De verknerdvlewjel of Eksterkropper. The German Magpie Voider. Verkehrtllügel of' Elster-Krüpfer,

in Oostenrijk „Gansel-Kropferquot; genoemd, is iets kleiner dan de vorigen, minder plomp en in houding meer met den Engelsclien kropper overeenkomend. De beenen zjjn tamelijk lang en hebben wijd van elkander staande, vooruitstekende schenkels en een sterk bevederd loopbeen.

Hij komt in alle vier hoofdkleuren voor, het meest in geel, dan in rood en het zeldzaamst in blauw. De lials, liet zoogenoomde hart op de schouder-dekveeren en den rug, de buik en de staart zijn gekleurd, de kop is wit met een smal, scherp begrensd, gekleurd schedelplat; de vleugels en de voetbevedering zijn wit. Het hart mag zich tot op de helft van de vleugel-schilden uitbreiden.

8. De Oostenrijksche Slager. The Auslrian hlutcher. Der Oeslerreichische

Kldtscher of Pintscher.

Deze, zoo genoemd naar bet klappend geluid, dat hij onder bet vliegen maakt, komt evenals de „Glcdzer Steigerquot; die misschien wel geheel on al dezelfde duif is, in gestalte en lichaamsbouw met den Duitschen kropper overeen, doch is gewoonlijk nog iets kleiner en blaast zjjn krop minder op. Hij is éénkleurig zwart, rood en geel en heeft korte, onbevederde pooten.

9. De Akensche Bandkropper

onderscheidt zich door een puntkuif en door eene smalle, lintvormige tec-kening op den krop, overeenkomende met do halve maan van den Engelsclien kropper. Hij is slechts 36 a 40 centim. lang en zeer levendig van aard. De bovenhals en de puntkuif zijn door rechtuit staande veertjes verbonden, waardoor een flinke kam gevormd wordt. De korte pooten zijn onbevederd.

ocr page 254

24-6

Hij komt voor in do i lioofdkleuren. Halsband, slagpennen en buik zijn wit; de halsband moet aan den achterlials smal beginnen en naar do borst toe steeds breeder worden; hij behoort zoo laag te liggen, dat hij overliet onderste gedeelte van den krop gaat. Do eerste 8 slagpennen behooren eigenlijk wit te zijn. doch men stolt zich ook met een kleiner aantal tevreden, daar zeer dikwijls slechts 3 a i slagpennen wit zijn, indien niet do geheele vleugel gekleurd is.

10. De IloUarulsche Krapper. The Dutch Cropper.

Hoewel Fulton do „vreemdequot; kroppersoorten slechts vluchtig bespreekt, vermeldt hij toch, dat do Engelsche kropper van een ouderen vorm van den Hollandschen afstamt, en ongetwijfeld moet deze dan ook beschouwd worden als het stamras van allo kroppersoorten, die bevederde pooten hebben.

De Hollandsche kropper komt in houding en grootte met den Pommer-schen overeen, is van de snavelpunt tot het eind van den staart 440 a 400 millini. lang. Hij heeft een langwerpig ronden kop met een tamelijk hoog voorhoofd, een middelmatig dikken, langen snavel, die aan de punt een weinig gebogen en hoorngrauw tot zwart van kleur is; de oogen zijn omgeven door een matrooden rand en hunne kleur varieert tusschen geel en bruin. De lange hals is een weinig gebogen, de krop rond en zeer groot van omvang. De borst is kort en vlak en de rug lang en een weinig gewelfd; de taille korter en niet zoo smal als bij den Engelschen kropper. De zeer lange en breede vleugels raken elkander aan het eind van den langen en vrij broeden staart, die met don steil afloopenden rug eene rechte lijn vormt. De buik is lang en tamelijk vol; de boenen zijn lang, met breed aangezette, goed uitkomende schenkels, giorhakken en zwaar met lange voeren bevederde loopbeen en teenen.

Kleuren en teekening zijn dezelfde als bij do Engelsche kroppors, doch do vleugelroos ontbreekt. Eoode, gele en zuiver zwarte zijn zeldzaam, terwijl roodmeelvale en zwart getijgerde het veelvuldigst voorkomen.

B. KLEINE OP DWERQKI! OPPERS.

Do Dwergkroppers zijn klaarblijkoljjk het product van verschillonde groote soorten, waarvan misschien toevallig kleine exemplaren gevallen zijn, welke men daarna opzettelijk verder heeft gefokt. Hunne eerste stamouders zijn ten deele nog heden aan te wijzen. Zoo stamt bijvoorbeeld do korte, ronde, Hollandsche ballonkropper hoogst waarschijnlijk van den ouderen Duitsch-Hollandschen; de Prünner benevens de Engelsche dwergkropper van den

ocr page 255

'247

meer slanken Ilollandsclicii kropper van don nieuwen stijl, waarvoor ook wel de omstandigheid pleit, dat de Brüuner kropper in de middelpunten van de streken, waar hij het meest gefokt wordt, quot;Weenen en Praag, ook Ilollandsche kropduif wordt genoemd. Ook de Saksische kropper. die eveneens van llollandsohen oorsprong is. iieef't daaraan misschien zijn aandeel, terwijl de Prager kropper als 't ware een middenlid tusschen beide vormt.

Het tokken op dwergvorinen is immers, zooals reeds opgemerkt is, niet zulk een groote kunst en levert niet zooveel moeilijkheden op, daar bijv. laat-broed over het algemeen, als natuurlijke gevolgen, eeue onvolkomen ontwikkeling zoowel van de lichaamsgrootte als van die der vederen medebrengt. Kruisingen moeten dan echter natuurlijk ook tot de volmaking van menige dwergvariëteit medegewerkt hebben.

Tot de dwergkroppervariëteiten, welke hoog op do pooten staan, behoort in de eerste plaats

H. JJc Briinncr hropper. — C, guU. minima. 'Ihe Austrian l'outvr.

Boulant de Briinn. Briinner Kröpfer.

Deze duif, die in Oostenrijk Ilollandsche I,rapper en in Engeland Ooslcn-rijlischc krapper wordt genoemd, is hier, zoowel als in Duitschland en Frankrijk, algemeen onder den naam Briinner kropper — naar Briinn. de hoofdstad van Moravië bekend en bemind en — om hem met een paar woorden te karakteriseeren — wat tiguur en houding aangaat, een miniatuur-beeld van den Engelschen kropper.

Iljj is slank van figuur en trotsch, rechtop en tegelijk elegant van houding, na de Almondtuimelaars de kleinste van alle duiven; hij gaat met recht voor de sierlijkste en fijnste Kropper door en zou alle goede hoedanigheden van het kropperras in zich vereenigen, wanneer zijn ge-vederte wat voller en niet zoo los was. Zijne totale lengte is ongeveer :?50 millimeter, de vlucht ongeveer 600 millim., de beenen 140 millim., de snavel '25 millim., do krop meet 75 millim., de vleugels reiken tot '25 millim. van het einde van den staart, het gewicht bedraagt '200 a '270 gram. De snavel is dun, een weinig spits en naar benoden gebogen, bij de isabellekleurige en witte fraai vlceschklourig, bij de donkere slagen naar den algemoenen regel gekleurd, liet voorhoofd is hoog, de kop langwerpig, doch klein, fijn en glad; de hals is lang en licht gebogen, de krop kogelvormig en fraai gerond, zoodat de fijne taille daardoor nog des te beter uitkomt. De vleugels, welke reeds smal zijn, schijnen door de lange smalle slagpennen, die elkander boven de stuit kruisen, nog smaller; de vleugels zijn zeer dicht samengevouwen en worden vast tegen hot lichaam gedragen.

ocr page 256

248

Do lange beeuen schijnen nog langer dan ze zijn, omdat de onderschenkel bijna over zijne geheele lengte zichtbaar is en de beenen bij het opblazen van den krop en als de duif geagiteerd is zoo gestrekt worden, dat zij niet alleen eene bijna loodrechte lijn vormen, doch ook in het hielgewricht naar voren of' naar buiten gericht schijnen, vooral wanneer de vogel op de toppen der teenen staat en zich in zijne geheele lengte omhoog heft.

De Brünner kroppers zjjn meestal éénkleurig, deels met, deels zonder vleugelbanden, in alle hoofd- en in vele nevenkleuren. Bovendien zijn er ook nog getijgerde, gestreepte en met ooievaarteekening. Onder de gestroopte gaat de zacht isabellekleurige, witgestreepte voor eene even groote schoonheid als zeldzaamheid door. Bij deze moeten snavel, oogleden en nagels vlekkeloos zacht vleeschkleurig en de iris lichtgeel zijn mot ovanjekleurigen ring.

Do éénklourigo cn getijgerde mot onbevederde pooten worden „Brünner kroppers genoemd, terwijl de mot ekster- en ooievaarteekening, welke grootor zijn en bevederde pooten hebben, onder den naam van „Pragerquot; kroppers bekend zijn. Deze laatsten moeten echter als kruisingsproducten van den Hollandschen kropper beschouwd worden en men streeft er tegenwoordig in Leipzig naar om den ouden Prager Ooievaarkropper, welke bijna geheel verdwenen was, weder tot een zelfstandig ras te fokken.

De Brünner kroppers vliegen gemakkelijk, veel en snel en toonen daarin een groot volhardingsvermogen te bezitten; nu eens vliegen zjj met de vleugels klappend, dan weder zweven zij mot recht omhoog staande vleugels dikwijls 5U a 60 pas kalm voort of bewegen zich in groote kringen om hun slag. Ook in alle andere bewegingen zijn zij oven sierlijk en vlug: de duif heeft iets fiers in haren gang, vooral wanneer zij voor den haar bet hof makenden doffer aanloopt, die haar met uitgospreidon en over den grond sleeponden staart, niet sterk opgeblazen krop en dof koerend naspringt of navliegt, zich op de teenen verheft enz.

12. De Engélsche dwergltropper — The Pigmy Pouter; Amir am P. and Isabel. Boidant Pigmy, iïnglischer /wergkröpfer. Pig. Ni,

Pulton meent de onder de bovenstaande (Engelsche) namen in Engeland bekende dwergkroppevs, die toch in Engeland erkend worden, als Pigmy Pouters samen te moeten voegen, „omdat zij, evenals de Standaard-kropper alleen in kleur en tookoning van elkander afwijken, doch tot dezelfde klasse van kroppers bohoorenquot;. Do onder den naam Austrian Pouter (Oostonrijksche kroppers) bekende variëteit is oen slanke, in alle opzichten met den Engelachen overeenkomende vogel, doch met eene wat mindere vootbevodering, welke men met don naam wire-legged, dun bevederd,

ocr page 257

240

eigenlijk „draadbeenigquot; aanduidt Deze eigenaardigheid doet wel de taille smaller schijnen dan zij werkelijk is, doch schaadt bepaald zeer don totaalindruk en bijjft eene fout, die menige liefbehber reeds ten deele door eene zorgvuldige kweeking heeft doen verdwijnen.

Do eigenlijke l'igmij Po uiers stammen waarschijnlijk van deze Üostenrijk-sche kroppers af en hebben geheel dezelfde voetbevedering, den krop, de taille, het voorkomen en zelfs do eksterteekening^van den grooten standaard-

kropper en kunnen in werkelijkheid echte Kroppers in miniatuur genoemd worden.

De Tsuhels eindelijk gelijken op do ruwbeenige Kroppers; vele van hen hebben groote gierhakken en, zeer merkwaardig, gaan met deze zware beenbevedering— evenals bij de Standaard-kroppers — gewoonljjk de langste vleugels en staart, alsmede de best gevormde krop gepaard.

Van al deze dwergvormen kan gezegd worden, dat zij eene des te hoo-gere waarde hebben, naar mate zij in alle opzichten meer met den Engel-schen Standaard-kropper overeen komen

De dworgkroppers moeten, wel is waar, naar de punten van den Standaard-kropper beoordeeld worden, doch de kleinste dienen dan de voorkeur te genieten.

C. KORTBEENIGE DWERGKROPPERS.

13. De Holland nel ie Ballonkropper of Holle Kropper. C. gntl. halavu.

The Thilclt Balloon Cropper. Bnulaiit hollandais.

Der Hollandische Ballonkröpfer.

De Holle- of Ballonkropper, ook wel Amsterdamsche dwergkropper genoemd, stamt hoogst waarschijnlijk af van den ouden Hollandsch-Duitschen

ocr page 258

250

kroppcTvorm. mot welken hij de voornaamste pnnten gemeen heeft, welke o. i. niet bestaan in ilcn achterwaarts gebogen lials en in de wijze, waarop lijj bij liet vliegen den kop draagt, ofschoon het eerste hem dadelijk van de Kroppers en het laatste van alle duivenrassen onderscheidt.

Ook de hiervoor genoemde Engelsche dwergkropper met zwaar bevederde pooten vertoont de neiging tuf dien halsvorm, hetgeen ons er aan herinnert, dat de Kroppers, ten minste de Engelsche, herhaaldelijk met Itimh zijn gekruist, welke zooals bekend is een dergeljjken halsvorm hebben en waarbij men vooral liet oog had op lange veeren en lange beenen.

In de eerste plaats is het de korte, gedrongen, rondachtige lichaamsvorm, welke door den achterwaarts gebogen hals en den grooten krop nog korter schijnt dan bij werkelijk is — 325 millim. of, volgens II. A. Richter slechts 280 a :i00 millim. — wat den Ballonkropper scherp van de andere dwerg-vormen onderscheidt; verder ook de korte, slechts 140 millim. lange, rechte en kort bevederde pooten. Eerst in de tweede plaats komen o.i. de overigens wel zeer opvallende, doch niet het kroppertype bepalende eigenaardigheden in aanmerking, n.1. de achterwaarts gebogen hals, zooals men dien bij do pauw- en kipduiven ziet, en de opgeheven houding van kop en krop onder het vliegen.

Door den vorm van den hals is de nek sterker ontwikkeld en treedt dc borst breeder naar voren, terwijl tegelijk de krop, die 375 a 450 millim. omvang heeft, niettegenstaande zijne grootte en insgelijks wegens dezen halsvorm, niet zoo sterk naar voren treedt als men wel zou vermoeden. De snavel is van gewonen vorm en naar verhouding lang evenals de gladde kop, die juist op het midden van den krop moet liggen en dan nauwelijks zichtbaar is. De vleugels zijn van eenc matige lengte en liggen vrjj los tegen het lichaam; dc slagpennen, die gewoonlijk een weinig gekruist gedragen worden, reiken tot ongeveer 10 millim. van het einde van den staart; de vlucht bedraagt 075 millim., liet gewicht is ongeveer 383 gram. Deze cijfers kunnen echter slechts eene betrekkelijke waarde hebben, daar de Ballonkropper geen bepaalde maat heeft, doch hoe kleiner hoe liever verlangd wordt.

Door de sterke achtcrwaartsche buiging van den bals, welke veel opdien vim de Pauwstaart gelijkt en dien het dier ook in dezelfde sidderende beweging kan brengen als de Schotsche pauwstaart, schijnt de krop den geheelen hals te omringen en als de duif in extase komt, heeft zij eene eigenaardige houding en trippelenden gang, dien men wel „op den staart rijdenquot; noemt.

Do Ballonkropper komt voor; tweekleurig, als wit met zwart, blauw, rood of geel en in dat geval is hij evenzoo geteekend als de Engelsche

ocr page 259

251

kroppci' alsmede éénkleurig in wit, geul of rood; dc laatste zijn echter liet zeldzaamst.

Wegens de groote moeilijkheid om de jongen groot te brengen, komt het echte type slechts bij weinige liefhebbers voor.

Alge m o e n c o p m o r k i n g e n.

De K.roppers beliooreu niet alleen tot de meest geliefde duivensoorten om bun trotsclie en toch bevallige figuur, maar misschien nog meer om hunne beminnelijke eigenschappen. 15ij Imnno natuurlijke levendigheid en opgewektheid, die zich bjjna altijd, zoowel bij het loopen als bij het vliegen openbaart, komt nog eene vertrouwelijkheid en tamheid, die zeker bij geen ander duivenras wordt gevonden. Zij hebben blijkbaar gaarne, dat men met hen spreekt, laten zich streelen en in de hand nemen, toonen bun blijdschap over het verschijnen van bun meester, vliegen hem op de hand of den schouder, zelfs vanaf bet buisdak enz. Deze buitengewone vertrouwelijkheid en genegenheid is, wel is waar, het resultaat van een soort van dressuur, doch men verkrijgt dat resultiuit toch bij andere duiven niet zoo goed en gemakkelijk als bij de Kroppers. In Engeland dresseert men ze zoo met liet oog op de tentoonstellingen. .Men kiest te dien einde de tamste uit voor het fokken, neemt de jongen dikwijls in de hand. spreekt hun vriendelijk toe, streelt ze enz., zoodat zij alle vrees en schuwheid voor menschen verliezen. De eigenlijke dressuur begint echter eerst na den eersten rui. De dieren worden afzonderlijk opgesloten in kooien van 10 centim. lengte, 45 centim. hoogte en 50 centim. diepte, zoo, dat zij geen andere duiven kunnen zien. In het midden van de kooi is een blok hout van ongeveer 12 centim. hoogte bij ongeveer 10 centim. in 't vierkant om er op te zitten. Eet- en drinkbakken zijn aan den buitenkant der kooi aangebracht. Twee zulke kooien worden, door een beweegbaar tusscheuschot van elkander gescheiden, naast elkander geplaatst en in do eene wordt de doffer, in de andere dc duif geplaatst. Bij elk bezoek wordt, nadat men de dieren toegesproken heeft, het tusscheuschot weggetrokken, zoodat de dieren elkander kunnen zien en daarbij wordt telkens een of ander, doch steeds hetzelfde lokwoord gesproken, zoodat de vogels spoedig leeren, op dat lokwoord hunne beste houding aan te nemen. Heeft men eene duif, die gewend is op de hand te komen, dan bereikt men zijn doel daarmede even gemakkelijk, wanneer men deze onder bet uitspreken van bet gewone lokwoord aan den opgesloten doffer laat zien. Dit alles moet zoo dikwijls mogelijk gebeuren, om het dier zoo vast te gewennen, dat het zich op de tentoonstellingen dadelijk op het gegeven woord in postuur stelt.

ocr page 260

'252

Tiet behoeft zeker nauwelijks opgemerkt te worden, dat op deze en dergelijke wijze niet alleen de Knippers, maar ook alle overige duivenrassen en zelfs de meeste dieren, zelfs spinnen, slangen e. d. vertrouwelijk en tam gemaakt kunnen worden. Tortelduiven worden menigmaal zoo vertrouwelijk met liunnen meester, dat zij dezen bjj zijne nadering op de hand vliegen en kirrend begroeten. Kij het dresseereu der Kroppers moet men er echter voor waken, dat ze ons niet iu de vingers pikken wat zij gaarne doen — omdat zij daarbij eene gebukte houding aannemen en zich daardoor minder geschikt maken voor tentoonstellingen.

Bijna alle Kroppers zijn tamelijk goede vliegers, vooral de slanke soorten en de dwergkvoppers, ofschoon zij zelden ver vliegen. Zij slaan daarbij de vleugels mot een klappend geluid tegen elkander, laten zich dan weder op de lucht voortdrijven en voeren allerlei vlugge bewegingen uit, vooral in den paartijd.

Hun gang is meestal trippelend maar sierlijk, dikwijls op de teenen. lijj het vervolgen van de duif springen de doffers van sommige variëteiten, anderen bijv. de Engelschen, mogen zulks niet doen doch behooren op de teenen te trippelen.

Alle Kropduiven, voornamelijk echter die met een grooten krop, moeten een afzonderlijk hok hebben, daar zij zich, wanneer de krop opgeblazen is, niet goed tegen de aanvallen van andere duiven kunnen verdedigen en dus licht in meerdere of mindere mate letsel bekomen. Verder zijn zij ook langzaam en onbeholpen bij het eten en zelfs liij het paren. Als het immer mogelijk is, geve men hun ook eene vrjje ruimte om te vliegen, waarvoor het slag vergroot dient te worden; een oppervlakte van ongeveer 1.8 Meter in het vierkant is voldoende voor (i paren. Ter hoogte van ongeveer 1.5 Meter kan men één of twee paar kooien bevestigen. De nestkasten, die tot aan den rand van de nestpannen met grof houtzaagsel worden gevuld (fig. 37), moeten voor de groote kroppersoorten ongeveer 00 centim. diep, 45 centim. hoog en de dubbele nestkasten 90 centim lang zjjn. Voor de dwergkroppers is do op pag. 65 aangegeven maat voldoende. Men plaatse de nestkasten voor deze duiven altijd op den bodem van het slag. Bij gebrek aan zulke kastjes zette men de nestpannen tegen den wand van het slag, bevestige langs den voorkant daarvan een plankje van 20 centim. breedte en vuile de tusschenruimte op dezelfde wijze met zaagsel aan. In beide gevallen dient het zaagsel om de uit het nest vallende eieren of jongen voor beleediging te vrijwaren.

Den nieuweling in het vallt; is dringend aan te raden, dat hij zorge zijne hokken met beste kwaliteit duiven te bevolken en, zoo hij zich standaard-vogels aan mocht willen schaffen, zoo goed mogelijk onderzoek te doen

ocr page 261

'253

naar do afstamming daarvan. Ook is het aan to bevelen, eerst met ééno kleur of' ééno variëteit to beginnen. Verder dient men niet te vergoten, dat de meesto on edelste Kroppers eerst van hot derde jaar af goede nakomo-lingon geven on daarmee dan tot hun achtste, tiende jaar on nog langer door kunnen gaan.

Volgens Prütz en andoren zou men den ouderdom dor Kroppers kunnen bepalen „naar do grootte en het minder of meer zakvormig hangen van den kropquot;. Zoo in 't algemeen gesproken is deze bewering echter niet steekhoudend, aangezien die duiven, welke hunne jongen niet zelvon of slechts voor enkele dagen voeren, den bolvorm van den krop langer bewaren dan andere, die veol voeren.

Wat de belangrijke en veel besproken vraag aangaat, of de Kroppers — vooropgesteld, dat zij daartoe lust enz. hebben - zelvon hunne jongen moeten groot brengen of dat men deze aan vreemde voedsters moet geven, de antwoorden daarop van de voornaamste kropper-specinlitoiten zijn nogal tamelijk uiteenloopend. De een beweert: „Hoeveel te meer vreemde voedsters in het kropperslag, hoeveel te meer succes bij hot fokken!quot; Een ander „verlangt alleen in geval van nood vreemde voedsters en houdt er met het oog daarop hoogstens enkele paren Pauwstaartduiven op naquot;. De waarheid zal ook hier wol weer in het midden liggen en het zal in de eerste plaats wel afhangen van de soort Kroppers, die men houdt, en in de tweede plaats ook van do individueele eigenschappen der dieren. Terwijl er toch zjjn, die hunne jongen drie weken lang voeren, zijn er ook, die reeds na verloop van 8 a 10 dagen daarmee uitscheiden eti zelfs, die er in het geheel niet mee beginnen. In allen gevalle zal hef dus raadzaam zijn, geschikte voedsters bij de hand te hebben, waarover men in geval van behoefte kan beschikken, en behalve de niet gevaarlijke Pauwstaartduiven zijn de gewone veld-vluchters of niet al te groofe aanverwante rassen zeker het meest aan te bevelen. Als het kan, late men de Kroppers echter zeiven 8 a 10 dagen voeren, opdat de duif niet al te spoedig weer begint te leggen.

Ook over het scheiden der geslachten na afloop van het broedseizoen loopen de meeuingen uiteen. Deze vraag is zeker niet van zoo overwegend belang, al meenen sommigen ook, dat de duiven door het voortdurend samenzijn met de doffers onvruchtbaar worden.

Wel kan met recht gezegd worden, dat de Kroppers over het geheel niet zeer vruchtbaar zijn of, beter misschien nog, dat zij zich over het geheel niet best — en sommige variëteiten of slagen zelfs slecht — vermenigvuldigen. Wat het laatste aangaat, staan de Ballonkroppers bovenaan; met de Duitsche, Saksische cn Fransche is het niet veel beter gesteld; het predikaat

ocr page 262

254

„tamelijk goedquot; verdienen de Hollandsche kroppers,

„goed op lateren leeftijdquot; de Engelsche,

„onvoorwaardelijk goedquot; lijjna alle dwergkroppers.

Wat het voederen en het voeder aangaat, is er vooral voor te zorgen, dat di! Kroppers nooit te hongerig worden, omdat zij zich dan licht overvreten. •luist voor hen zijn de op bladzijde 48 beschreven voederbakken van groote waarde. Als het beste voeder golden in Engeland wikken en boonen, tusschenbeiden een weinig maïs, oude grauwe en gele erwten, in den tijd dat zij jongen voeren, met een weinig oude tarwe vermengd, llennipzaad is voor Kroppers vergif!

Van Maart tot December bange men wekeljjks een kool of saladekrop voor alle rassen een voorbehoedmiddel tegen vele ongesteldheden zoo hoog in het slag op, dat de dieren er bij kunnen om ervan te pikken. Oud kalkpuin en fijn grint, wekelijks een weinig grof zout, alles te zamen in een van boven overdekten bouten bak, frisch drink- en badwater dagelijks mogen niet ontbreken, wanneer men zijne Kroppers gezond en krachtig wil houden.

De Kropduiven zijn nog aan bijzondere ongesteldheden en kwalen onderhevig, die hier eene nadere beschrijving verdienen.

Het veelvuldigst komt voor overvulling van den krop - over-gorging. Zij heeft haar licht verklaarbare oorzaak in liet zich overvreten tengevolge van groeten honger en bet daardoor veroorzaakte hangen van den over-vulden krop over diens uitmonding in de maag, voornamelijk wanneer de dieren niet ruimschoots goed drinkwater kunnen bekomen. De hoofdzaak bij de genezing is nu, den te laag liangenden krop weder in dien stand te brengen, dat zijn inhoud ongestoord zijn natuurlijken weg naar dc maag-kan vinden. Soms bereikt men zijn doel, wanneer men door zacht kneden en drukken van den kropinboud de duif aan bet braken kan brengen, zoodat zij zich van bet overtollige ontlast. In de meeste gevallen gelukt dit echter niet en moet men tot andere middelen zijne toevlucht nemen. Zoo steken sommigen bijv. zulk een patient in een van onderen afgesneden kous, de staart en de pooten vooraan, tot aan den krop, dien men voorzichtig omhoog drukt, zoodat hij door de elasticiteit van de kous in de juiste houding wordt gehouden, en hangt bet dier dan in loodrechte houding zoo lang op, tot de krop geledigd is, wat gewoonlijk in 10 a 24 uren het geval is. .Heter echter is het een kistje of mandje te nemen, zoo lang als bet dier zelf en slechts weinig breeder dan zijn lichaam. In dit mandje of kistje legt men de patient en vult de overblijvende ruimte zoo met baksel of zachte lappen aan, dat hij er geheel tusscheu ingepakt zit en de krop in een goeden stand is komen te liggen; het deksel moet zoo sluiten, dat

ocr page 263

'255

de vogel zich weinig' of niet kan bewegen. Vóór het dier zoo ingepakt wordt, geeft men het twee ricinuscapsules en hondt daarna liet mandje gedurende '24 uren in eene nagenoeg loodrechten stand, is de inhoud van don krop dan nog niet ten minste gedeeltelijk in de maag overgegaan, dan geeft men het dier een weinig melk te drinken en nog een ricinuscapsuie, drukt en kneedt den krop voorzichtig met de vingers en brengt den patiënt nog weder gedurende 12 uren in de vorige houding. Helpt ook dit niet, is de krop nog hard en koud op het gevoel en kan het dier niet meer staan zonder voorover te vallen, dan geeft men het warme melk, met een halven eetlepel vol levertraan vermengd — wanneer het niet kan drinken, geve men het in door een glazen bnis of kleine trechter — en wanneer ook dit geene gunstige uitwerking heeft, nog meer warme melk, vermengd met een weinig jalappe. Het dier wordt telkens weder in het kistje of mandje gepakt en in de genoemde positie gebracht, des winters op eene warme plaats. In den regel vindt men bij dit middel baat, doch niet altijd; in het laatste geval blijft er tot redding van het dier niets anders over dan eene eenvoudige en, wanneer ze goed wordt verricht, ook succesvolle operatie, tenzij de krop inwendig reeds zoo ontstoken of in ontbinding is geraakt, dat er geen hulp meer noodig is.

Deze operatie komt over 't geheel genomen overeen met die, welke in het 1'' deel op bladzijde'240 is beschreven. Men steekt den patient in eene kous, om alle beweging te voorkomen, legt hem zoo op den rug, plukt de veeren weg rondom de plek, waar de insnijding moet plaats hebben, dat is aan het onderste gedeelte van den krop, en maakt dan eene dwarse insnijding door de buitenste huid en den kropwand. Men ontdoet dan den krop door middel van den wijsvinger van zijn inhoud, wascht hem aan den binnenkant met lauw water uit en naait de gemaakte opening daarna weder dicht. Van dit dichtnaaien hangt alles af. leder der beide huiden moet afzonderlijk dicht genaaid worden; de binnenste of kropwand met dichte steken, waarbij de naald telkens aan den binnenkant ingestoken wordt, zoodat de randen van de wonde tegen elkander sluiten. De buitenhuid wordt op dezelfde wijze dichtgenaaid, doch met holle steken. De genezing der wonde volgt gewoonlijk heel spoedig, wanneer het weefsel van de huid maar gezond is. De randen der wonde bestrijkt men met citroenzalf of met collodium. liet eerste voedsel, dat men nu geeft, bestaat uit een uiet te dun havershjm en tot aan de geheele genezing stelle men het dier op diöet en boude bet zoo rustig mogelijk. Dikwijls zijn de geopereerde duiven reeds den volgenden dag weer levendig en opgewekt, doch soms ook verkeeren zij wel eens '2 a 3 dagen in een suffen, onbe-hagehjken toestand.

ocr page 264

quot;256

Soms ook is do krop gevuld mot water ot' ook wel met lucht. Om dit te verhelpen opent men don snavel van do duif, steekt den vinger daarin en houdt de duif met den kop naar beneden om het water er uit te laten loopen; in liet tweede geval drukt en kneedt men den krop voorzichtig om de lucht door den goopenden snavel te laten ontsnappen. Dikwijls ook schijnen de Kroppers onpasselijk te worden en braken /ij het tot zich genomen voeder weder uit. Genezing verkrijgt men alleen, door den krop tamelijk vol met warm water te gieten, hem voorzichtig te drukken en te kneden — hem als het ware uit te spoelen — en het water dan op de zoo pas aangegeven wijze weder te verwijderen.

De zoogenoemde hangkrop bjj sommige Kroppers is meestal het gevolg van herhaaldelijke overvulling van den krop en als het ware eene chronische kwaal geworden. De bovenmatig uitgezette krop heeft zich niet weder in behoorlijke mate samengetrokken en hangt zakvormig en aanhoudend zoo ver over de maagopening, dat de krop het opgenomen voer niet meer voldoende in de maag kan loozen. Het in het onderste gedeelte hangen blijvende voer gaat tot bederf over, wat men door den onaangenamen reuk uit den geopenden snavel merken kan. Hier is eene operatie noodzakelijk en deze wordt bewerkstelligd door dicht aan de basis van den krop een halvemaanvormig stuk overdwars daaruit te snijden en de wonde daarna zoo te behandelen als bij de gewone krop-operatie is aangegeven. Wanneer dit stuk wat grootte en vorm betreft goed is afgemeten en de operatie zelf goed is afgeloopen, zal de duif niet alleen weder volkomen gezond worden, doch, wanneer zij zulks vroeger kon, ook daarna weder op tentoonstellingen een goed figuur maken.

De meest gevreesde van alle kropperziekten is do tering — conmntplion or wasting, /jj schijnt evenmin geneeslijk als de onder denzelfden naam bi; de menschen voorkomende ziekte. Hare verschijnselen zijn eene snelle vermagering, verbonden met moeilijkheid in het ademhalen en andere kentee-kenen van zieke longen. Men kent tot nog toe voor die kwaal geen hulp, want het ingeven van levertraan en melk kan slechts als een middel tot verzachting van het lijden, niet als eon geneesmiddel beschouwd wordon. Het best doet men eigenlijk, de patienten èn om hen zeiven en om de gezonde dieren maar te dooden.

Eene andore kwaal, waartoe jonge kropduiven zeer geneigd zijn, is zwakheid van de gewrichten. Het eenigo cn dikwijls werkzame middel daartegen is het omwinden van het hielgewricht met in Franschen brandewijn gedoopte wollen lappen, wolko men gedurende eene week ton minste één koer per dag met die vloeistof bevochtigt. Hot beste is, de lappen drie koeren om het been te winden en dan vast tc naaien.

ocr page 265

'257

Ih buhandeliiig van kankui' en vluugclziuktc zie inoit bij de Carriers, hij de kortsnavclig'c Tuimolnnrs lt;'u in hot aclitstc lioot'dstuk. EerstgenoenuU-kwaal treedt zeiden in lievige mate op en bovendien niet zoo veelvuldig bij Kroppers.

Tiende groep. Wrat- of SnavehUuven — ('. verrucosae.

De tiende en laatste groep der vormduiven kenmerkt zicli voornamelijk door de meerder of minder sterke ontwikkeling van do snavelhuid en van de naakte oogringen, alsmede door den vorm Van den snavel.

Bij de eerste tot deze groep behoorende duiven verschilt de snavellmid niet veel van die der in de vorige groepen genoemde en is zij weinig meer dan een wat zwaarder Imidknssentje. Hij de Oostersche postduiven heeft zij zich echter reeds tot een meer opgezwollen vorm ontwikkeld en bij de Bagdetten vertoont zij zich als eene vormlooze opeenhooping van wratachtige verhevenheden.

Hetzelfde geldt van de oogringen, welke hunne grootste uitgebreidheid en massa bjj de Bagdetten en Valkenetten bereiken.

De vorm van den snavel eindelijk heeft — afgezien van eenige 2K)Sfquot; dnivenrassen, welke niet tot deze groep behooren maar zeer weinig meer van den typisehen dnivensnavelvorm en varieert tusschen den zoo kort mogelijken kegelvorm mot en zonder eene zwakke overbuiging van de boveneb — tot den langst mogeljjken, terwijl hij bij sommige Bagdetten een vorm aanneemt, die alleen nog door de neusgaten aan een duiven-snavel herinnert.

1. I)r Duniascpty'f (lulj dronnscKnci, The Dmnnscciia. I'h/coii

(JiDwtfirnic (ook Pignon uniii de Jn'imih'm), Ihvunszmar Taiilif. Fig, SH en N.

Deze sierlijke duit, van Oosterschen stijl -- zij draagt haren nanm miar de stad Dainasens in Syrië — is, ofschoon zjj evenals de Capncvnerduif reeds lang bekend is, ook als deze op eene onverdiende wjjze verwaarloosd geworden. A oor ongeveer (it) jaren werd zjj in het Oosten zoo menigvuldig aangetroffen, dat zjj in Smyrna tot spijze werd gebruikt.

De heer ( aridia vond daarvan echter in den eerst en tijd van zijne liefhebberij reeds geen spoor meer in Smyrna. Andere liefhebbers daarentegen waren zoo gelukkig nog enkele paren ..van den ouden stijl ' machtig te worden, welke vermenigvuldigd en met bevederde pooten gefokt werden. Desniettegenstaande en misschien wel juist daarom is de Damascener duif

Baidamüs, Pluimveotcclt II. -) 7

ocr page 266

25^

in liet Oosten niet populair geworden en niet talrijk vertegenwoordigd. Sommigen beschomven deze duif ook wel als een kruisingsproduct van de Engelsche Owl en een Oosterscli Meeuwtje.

Do Damascener duif is een weinig grooter dan de Engclsclie Owl; kop en snavel komen met die van dat duivenras overeen; de eerste is tameljjk groot. 1 leeft een tameljjk broeden, fraai geweifden schedel, een niet bijzonder steil voorhoofd, en 7,it op een sterken, loodrecht gedragen hals; de snavel is zwart, kort en nagenoeg kegelvormig. Het oog is helder en oranjekleurig, do groote oogringen zijn donkerblauw, de korte en naakte pooten levendig rood van kleur.

De beide hoofdpunten echter, welke dit ras zoo aantrekkelijk maken.

zijn de teere zilver-poederkleur van het gevederte, waarmee de diep zwarte vleugelbanden een heerlijk contrast vormen, en de tameljjk breede, pruimblauwe, vleezige oog-ringen, welke prachtig tegen de oranjegele iris en niet minder tegen het melkwitte gevederte afsteken. Ook de een weinig donker genuanceerde slagpennen en staartveeren, welke laatste aan het eind een diep zwarten, met wit gezoomden band hebben, maken een zeer fraai effect.

Eene eigenaardigheid van de gepoederde zilvergrijze kleur is. dat de witte contourveeren, voornamelijk die van den hals, aan de uiteinden donkere donzige baardjes hebben. Voornamelijk wegens deze eigenschap is er veel voor de nicening van Caridia, dat de Damascener duiven voor kruisingsproeven bijzonder geschikte voorwerpen zouden zijn. Zij zijn bovendien ook zeer levendig, vliegen goed, gedijen goed hij een vrije uitvlucht, doch eischen eene goede verzorging, wanneer men ze opgesloten houdt.

De lengte dezer duif varieert tusschen 32 en 34 centimeter.

y. iJe Swift of Kaïro-duif —- C. cypselus. 7 he Swift,

Egyptian Swift, Pigeon du (kare. Seglev- of Mekkataube, Fig. 86 en /.

Dit buitengewoon fraaie en hoogst eigenaardige gebouwde duivenras, heeft den Engelsehen naam „Swiftquot;, den Duitschen „Seglerquot; en den

ocr page 267

25'0(

Latijnschen „Cypselnsquot; van zijne grooto quot;■ overeenkomst met de familie der Cjipsdidae, waartoe o. a. de lijj ons bekende toren- of gierzwaluw behoort, die zich zoo goed kenhaar maakt door haar doordringend, gillend gesehreeuw en hare snelle en aanhoudende vlucht. Deze overeenkomst strekt zich evenwel alleen uit over den vorm van den roinj) en de enorme lengte der vleugels, voornamelijk der slagpennen; kop en hals zijn hij de Cypselidae veel korter en plomper dan hij de Kaïro-duif.

Deze duif, die voor het eerst in ISfi'i rilt Alexandriiquot; en Ivaïro (Egyptei naar Engeland werd overgehracht en waarschjjnlijk nil Oost-indië stamt, herinnert evenzeer, zoo niet meer. aan de familie der Vlieghoenders ■—-Ptcrodidac —, waarmede zij in den goheelen bouw en habitus, zelfs in den snavelbouw zeer veel overeenkomt. (Kop, hals en borst doen evenzeer aan do Meeuwtjes deuken).

Do kop is klein en rond, het voorhoofd niet steil, maar langzaam oploopend, de snavel stevig, zeer kort en hoornkleurig, de snavelwratten zijn matig groot, meer breed dan lang en wit bepoederd; het oog is groot •en varieert, wat de kleur aangaat, tusschen rood en rosachtig geel, de naakte oogring is tamelijk breed, cirkelrond en vleeschkleurig; de romp slank en gestrekt, de houding van het voorste deel des lichaams herinnert aan de Meeuwtjes; de pooten en teenen zjjn kort en onbevederd; destaart en de vleugels — voornameljjk de slagpennen — zijn buitengewoon lang; eene van Ludlows duiven had eene vlucht van S'kS millhn., terwijl de middelste staartveer 182 millim. lang was. De vleugels worden gewoonlijk boven den staart gekruist en niettegenstaande hunne losse bevedering toch goed gesloten gedragen.

Het gevederte is vol, los en lang, de romp-en vooral de vleugeldekveeren neigen een weinig naar beneden. Tengevolge van deze losse en lange bevedering schijnen de Kaïro-duiven veel grooter en forscher dan zjj werkelijk zijn.

De tot op heden bekend geworden kleuren zjjn: 'Jr hruinzwarl, met donkerbruinen kop, goudkleurigen hals, geelgrijze borst en buik; 2° blauwzwart met zilverkleurigen hals en zilvergrijze borst- en buikbevedering.

De grondkleur komt het best uit op de vleugelsellilden, waarop de bruine of staalblauwe veeren zwart gerand zjjn. welke teekening zich ook dikwijls tot de slagpennen en den staart uitstrekt.

Behalve deze kleuren komen er ook nog Almondkleurige, gevlekte en éénkleurige voor - witte niet, - allen niet een levendige kleur op den hals; bijzonder fraai en gewaardeerd zijn do zirarh' met een koperrooden of kersbruinen hals.

Niettegenstaande hare lange vleugels is de Ivaïro-duif toch niet zulk een goede vlieger, als men wel verwachten zou, een gevolg van do lengte en

ocr page 268

'2(iO

losheid van liet guvedorto en de zwakte der kielen en schachten. Zeii's de bastaards, die men verkreeg door kruising- met Antwerper postduiven, namen wel deel aan de kringvlucht onder een troep Antwerpenaars, doeh verrieden ten duidelijkste hoe groote inspanning hun dit kostte.

Hun van alle overige dnivenrassen afSvjjkende, lang gerekte romp vorm. humu! hardheid, hun weerstandsvermogen, de beseheidenlieid liunner eischen. wat woning en voeder betreft —- zij gedijen met weinig voer en in eene beperkte ruimte — zijn eigenschappen, welke door menig liefhebber op prijs worden gesteld. Wanneer het mag gelukken — en zoo heel moeilijk zal dat niet gaan — door daarop gerichte kruisingen en paringen aan de

vleugels, die blijkbaar voor een aanhoudende en snelle vlucht bestemd zijn. de nog ontbrekende stevigheid en elasticiteit te geven, dau kan de Kaïro-duil ook als volmaakte postduif eene toekomst hebben, /ij zijn den fokkers hiervoor zeker veel meer aan te bevelen dan de ('arriérs.

De Pouldvivcn C. inhellariae. Homing pigeons, Mrssrmjrr /•..

FJijhiij p., TravcUcrs, Carriers de. Pigeons vnlanis, VDyngrnrs.

C.ourriers, Cmnnlels. Brief-, Boten- ot Posllnnhrn.

A. ET0ENL1.IKE POSTDUIVEN.

liet begrip ,,postduifquot; is sedert langen tijd zoo onbepaald en zoo slecht te bepalen ook, dat er eigenlijk van deze duiven als van een bepaald en begrensd ras geen sprake kan zjjn. Om deze reden kan men de postduiven ook niet als sier- of luxeduiven beschouwen: het bonte mengsel van allerlei vormen en kleuren, dat men postduiven noemt, doel en deed altoos alleen

ocr page 269

tgt;(i I

dmiist. ids l)(iil(;ii voor civiele en milihiire dooleiiiden en licoft als zooiliiniy reeds voor tientallen van eeuwen liij de Gi'iekon en Koineinen, en waarschijnlijk ook bjj do Assyi'iërs, Mgyptonaren on Indiërs in staatsdienst gestaan. Missel lion ook in dienst van Venus, aan wie de duiven inmiers gewijd waren, of' misschien in dien liarer |jriosteressen.

Toch worden hier do postduiven niet tot de nutduiven maar tot de sier-duiven gerekend, omdat de gewone veldduiveji, die ook soms als post-duiven worden afgericht, uitgezonderd — liijna alle overigen het een of ander plastisch kenmerk dragen, kenmerken welke de; eigenlijke ,,vorni-kenmerkenquot; zjjn en die verreweg de grootste meerderheid der postduiven naar de groep der wrat- of snavelduiven verwijzen.

Niettemin zijn deze raspostduiven altjjd nog moeilijk genoeg te klassifi-ceoren en het aantal onderrassen, variëteiten en slagen, alsmede het in tijdschriften en boeken opgestapelde materiaal is zoo aanzienlijk, dat or eene afzonderlijke litteratuur voor deze in den laatsten lijd zoo helangrijk geworden duivenklasse is gevormd.

Het oudste boek, dat over postduiven handelt, schijnt dat van den Arabier Michail Sabbagh te zijn, dat door Dr. Arnold oiuler den titel: „Kunst der 'raubenpostquot; vertaald is. Andore helangrijke weiicen daarover zijn:

F. OiiAi'Uis. Le pigeon voyageur beige. Verviers l(S(i(i.

,, ,, „ ,, , do sou instinct d'orientation. ,, 18t)lt;S.

H. .1. Lknzkn. Die Brieftaube, üeschichte, Pflege mul Dressur derselben.

Dresden, Weinhold und Söhne.

In dit werk zullen wij ons echter tot de beschrijving der voornaamste rassen of variëteiten bepalen.

In Engeland — en ook elders hebben onkundigen den Carrier om zijn naam, die door „bodequot; vertaald kan worden, voor de eigenljjke postduif gehouden, ((een duivenras echter is misschien minder dan deze, alleen voor tentoonstellingen gefokte, extra-fijne volbloedduif, voor het vliegen geschikt en bij geen enkel ander ras in misschien ook liet oriënteeringsvenuogen en de gehechtheid aan het hok minder ontwikkeld dan juist bij de Carriers. Wel echter werden in lOngeland Dragonderduiven, langsnavelige haarddui-ven. Owls en andere voor wedstrijden afgericht en gebruikt. De eigenlijke, erkende vorm der postduiven, die in Engeland algemeen den naam „ //om/n;/ lihieuns' dragen, is de uit België stammende en in Engeland zeer weinig veranderde Antwerpsche of Belgische, welke voor ongeveer SO jaren in België uit één of moer kruisingen is voortgekoinen en door eene voortgezette rationeele kweeking tot die volmaaktheid gebracht, welke de Belgische postduiven boven alle andere hezitten.

Men neemt aan, dat zij toen uit eene kruising van de l'Vanscbe, /.eer

ocr page 270

koi'tsnaveligo Meeuwtjes — Pujeori cravaté francais — met eeue andere onder den naam Camus (= stompneus) bekende en zeer zelden aangetroffen tuimelaar-variëteit is ontstaan. Dat beweert men ten minste van de Luiker postduif. In Engeland, alsmede in België, Frankrijk en Duitscliland, lieert men voorts kruisingen ondernomen met bijna alle rassen van best vliegende duiven; in Engeland onder anderen met de Dragonderduiven, wier bloed dan ook in menigen stam valt op te merken. Over 't algemeen heeft men echter toeh bijna overal de hulp van de reeds gefixeerde Belgische onderrassen, vooral van de Antwerpsehe, ingeroepen; ofschoon de heer I. Harrison, secretaris der London Amateur Pigeon Society en een uitstekend kenner van postduiven, niet inziet, waarom men in het Vereenigde koninkrijk niet even zoo goede Hominy piyeons zou kunnen kweeken als in België, beveelt hij zijn landslieden toch aan, hunne fokstammen zeiven uit België te gaan halen, waar men zich ook om verdere informatiën heeft te vervoegen, om ,,zonder moeite, verlies, teleurstelling en werkquot;' tot het doel te geraken.

En inderdaad toonen ook de beroemdste Engelsche vliegers en prijswin-ners - de Newcastle rassen, welke Ludlow in het werk van Enlton zoo prachtig afgebeeld heeft en waarvan fig. 87 ons de copie van oen éénjarigen

blauwen doffer te zien geeft -ecne zoo groote overeenkomst met de langsnavclige Antwerpsehe postduiven, dat zjj daarvan ter nauwernood te onderscheiden zijn; Harrison beschrijft dan ook stilzwijgend de Antwerpsehe postduif en geeft toe, dat bjjna alle uitmuntende Engelsche llomhvjs uit België geïmporteerd of nakomelingen van uit België geïmporteerde stammen zijn. Zijne hesehrijving luidt in niltreksel als volgt:

,.in vorm en voorkomen heeft de postduif iets van de blauwe

Rotsduif; de borst is echter voller en breeder; de kop heeft een boven goed afgeronden en tusschen de oogeii breeden schedel, alsmede ecne zeer ruime schedelholte met groote hersenen — de hoogkoppige licbben een wat meer vlakken schedel; de snavel is dik, kort en sterk en gewoonlijk zwart. De snavelwratlen berinnereii nan de Dragonders en zijn meer of minder goed

ocr page 271

2(i3

ontwikkeld. Zij zjjn meestal vlak, loopen naar den snavelwortel een weinig op en worden door een overlangsche spleet in twee gelijke helften verdeeld. J)o oogringen zijn soms donker, doch meestnl wit bepoederd. Het oog puilt een weinig uit, de iris is diep oranjerood, dikwijls inct een meer donkeren rand.

De forsclie en kraelitige vleugels en slagpennon zijn zeer eigenaardig gevormd: zij staan zoo ver van de mmpveeren af, dat limine sterke beenderen — en spiervorming— ziclitliaar zijn m de dieren üls 't ware op liet punt schijnen van op te vliegen. De i O groote slag|)eiiiieii llijhl feather*—-zijn lang, zeer breed en dekken elkander zeer ver; de tweede slagpen is de langste. Ook de kleine slagpennen kenmerken /.ieh door lireede vanen en groote elasticiteit van de gelieele voer. In den toestand van rust worden de vleugels dicht tegen lu-t lichaam gesloten gedragen, zoodat de punten der slagpennen elkander boven de stuit nagenoeg rakenquot;.

De uit I voeren bestaande staart moet niet te breed zijn. de pooten zijn bij sommige variëteiten tamelijk kort, de teonen klein.

Men treft de volgende kleurvariëteiten aan: cónkleurig blauwe, roode, zwarte en meelvale; vorder blauw- en roodgevlekte en op alle mogelijke wijzen gesprenkelde en gevlekte enz. Aangezien men de postduiven alleen o]) de voor limine diensten nuodige eigenschappen fokt, zijn kleur eu tee-kening bijzaken, die dan ook dikwijls veel te wenschen overlaten en niet bepaald vastgesteld zijn.

Zoo luidt in korte bewoordingen do beschrijving van de Helgischo postduif naar de opvatting van J. Harrison, die zijne mededeolingen ontleend heeft aan de beide genoemde werken van ('hapuis, aan 1' Kpervier, een Belgisch orgaan voor fokkers enz., alsmede aan zijn eigene rijke ervaringen.

Beschrijving dor voornaamste Belgische rassen :

I. De Anlwerpsohe Posldinf La Pigeon voyageur d'.Invert:.

Naar men meent, is de Antwerpsche postduif een kruisingsproduct van den Carrii'r en een Tuimelaar, en wel in het tweede of derde geslacht. Men noemt daarbij den Dragonder, die in Antwerpen voornamelijk voor het fokken van postduiven gebruikt wordt, als eerste bastaard van beide rassen aan en is van meoning, dat tut de verdere bastaards het eenigermate constante ras (.') gevormd is. dat onder den naam van Antwerpsche postduif bekend is.

Nu is wel is waar volstrekt niet met positieve zekerheid aan te wijzen, dat de Dragonder uit die beide, zoo ver van elkander stamide rassen (Jarriërs en Tuiiiielaars — ontstaan is, en Darwin zegt dan ook, dat „de

ocr page 272

'Jfii

imUoiiieliiigoii van do eerste kruising' van twee zuivere rassen vrij wel, en liij de duiven soms buitengewoon overeenstemmend uitvallen, doeh dat hij voortgezette paring van deze bastaards onder elkander nauwelijks twee van linnno nakomelingen op elkander gelijkenquot;, clocb, hier is ook geen sprake van de vorming van een streng bepaald middenras tusselien twee zeer verschillende rassen, ofschoon Darwin overigens nergens ontkent, dat eene uiterst zorgvuldige en lang voortgezette teeltkeuze zulks mogelijk maakt.

Zoo vertoont dan ook de Antwerpsche postduif de eigenaardigheden van het eene of andere stamras iu meerdere of mindere mate, zonder ooit hare afkomst te verloochenen.

Van den Dragonder heeft zij den langen snavel, die eene bijna rechte lijn vormt met den vlakken schedel, de meer of minder ontwikkelde snavelwratten, de eveneens in grootte verschillende oogringen en den langen, dunnen hals, terwijl zij van beide stamouders in Imogen graad bijna alle eigenschappen bezir. die aan een uitstekenden vlieger gesteld worden, als; een glad en dicht aansluitend gevederte, lange of zeer lange slagpennen met breede, elkander goed dekkende vanen enz.

De hoofdkleuren zijn blauw en lichtrood; er komen evenwol ook andere kleuren en dikwijls de bontste teekeningen en gemengde kleuren voor.

quot;i. De JirusseUc.he Pusüiuif.

Lc [liijeou voluut, messaijev on voijoijeitv de Urn.rellen.

De lirusselsche postduif is vergelijkenderwijs de zuiverste en oorspronkelijkste van de Europeesche variëteiten, missehion ook de oudste en waarschijnlijk komt zjj de Oostersche duiven ook liet meest nabij. Zij stamt klaarblijkelijk af van de Turksche duif en vertoont daarvan dan ook liet hoofdkarakter. Terwijl zjj de grootste der Belgische en over 't geheel van alle Westersche slagen is, is zij tevens de krachtigste; zij heeft den korten, dikken hals en den stevigen snavel met de Carriers en Dragonders gemeen, terwijl hare snavel wratten en vleezige oogringen ongeveer het midden houden tusselien die der heide genoemde duivenrassen.

:i. De Luiker Poslduif. Lc [ligeon de Uége.

Deze duif wordt gehouden voor een bastaard van liet Meeuwtje (1'igeon a cravate) en den Tuimelaar cn is de kleinste en fijnste der postduiven. De tuimelaarsoort, waarvan zij hij voorkeur getrokken werd, zal wel de kleine baardtnimelaar zijn. aangezien vele stammen en individuen benevens de jabot hel kenmerk der IMecnwIjes ook den haard hel hoofdkenmerk

ocr page 273

in 15

van den baardtuimolaai' dragen. Zij hooft ouii fij'ueii en go wool i lijk gladdon kop, ofschoon or ook wol worden gevonden, die het kleine punt-kuifje der Meeuwtjes hebben. De snavel is tamelijk f'orsch, do snavehvratten zijn niet zeer ontwikkeld. De borst is vol en zeer gespierd, do vleugels en slagpennen zijn oen weinig naar binnen gebogen en herinneren aan die der boste vliegers als de sperwers en gierzwaluwen. Hot gevederte is vol en zacht en minder op het aanhoudend vliegen ingericht. De pooten zijn glad, vrij kort en zwak, de teenen kort; men treft er evenwel ook aan met bevederde pooten en met glasoogen, namelijk onder sommige Fransehe variëteiten en die van Verviers. Over 't geheel echter is do kleur van de iris in overeensteniming met die van het gevederte.

In Krankrjjk heeft inon insgelijks verscheidoiK! onderrassen. Een der kleine, /'igeon volunl gcnoonid, scbijiii groote overeenkomst te hebhen met de liiiiker postduif' en in lA'ankrijk nf zelfstandig uit baars gelijken èf uit kruising van zeer veel daarniee overeenkomende duiven fe zjjn voortgekomen, tenzij ze, wat ook mogelijk is, uit België geïmporteerd is. /ij is klein, slank gebouwd, heeft kleine snavel wratten en kleine, roode oogringen, pai'eloogen, onbevederd loojdieen en komt in alle mogelijke kleuren voor.

Een ander onderras, Püjcdh voluut, iiwasaiier, heeft langere en spitsere vleugels, en vliegt zeer hoog, gemakkelijk en in een rechte lijn; ook deze komt in verschillende kleuren voor, is zeer vruchfbaar en, volgens Espanet, de echte postduif van den Ouden en Nieuwen tijd.

Het hooge belang van de postduiven voor militaire doeleinden, vooral wanneer andere comniunicatiemiddolen als telegraaf, telefoon enz. zijn afgesneden, is vooral in den Kransch-Duitschen oorlog van J870 e. v. duidelijk aan het licht gekomen. De postduivensport is daardoor in niet geringe mate opgewekt en aangewakkerd en het gevolg is geweest, dat alle beschaafde volken hunne aandacht hebben gewijd aan het kweeken en africhten van postduiven en deze een voorwerp van de zorg der Ministers van Oorlog zijn geworden. Niet alleen zijn op alle plaatsen, die uit een strategisch oogpunt beschouwd van groot belang zjjn, militaire postduiven-stations opgericht, doch ook enkele liefhebbers en Vereenigingen stellen het zich ten taak liuiine duiven zoo goed mogelijk af te richten, om ze in tijd van nood aan de militaire overheid ter beschikking te stellen.

l it den aard der zaak moest daardoor wel een streven ontstaan naar meer eenheid in de bij het kweoken te volgen richting; de vroeger zoo talrijke bonte verscbeidenheden in kleur en vormen verdwijnen meer en meer en in Duitschland heeft men reeds een bepaald tvpe aangenomen, dat door Marten als volgt wordt gekarakteriseerd :

ocr page 274

2f)()

4. De Duitsche Postduif.

Do grootte moet ongoveor 36 a 'M centimetoi' bodragon; lt;le gostalte en liouding dio van den Dragondor zijn; de kop lang, van het achterhoofd tot den snavel langzamerhand smaller wordend (dus wigvormig), met een vlak, lang en smal voorhoofd, dat met den snavel een rechte lijn vormt; het achterlioofd en do nek zijn tameljjk breed on rond en ongekuifd. Do half lange, sterke, hoornkleurige snavel moot tot aan do punt toe recht zijn, met lange, smalle neusgaten on wratten; deze laatsteii moeten vlaken glad en licht met wit gepoederd zijn. liet groote, uitpuilende oog heeft een breede roestbruine iris en een naakten, matig broeden oogrand van oene grijze tot blauwgrijze kleur. Do ronde, scherp uitgesneden keel vertoont geen spoor van een wam of keelzak: do middellange en forscho doch niet lompe hals is licht gebogen, do borst matig broed en niet ver naar voren gericht, flink gespierd en van een lang en vlak borstbeen voorzien;

de rechte rug is in de schouders breed en loopt naar achteren toe slechts weinig af. Do stevig gesloten, breede en matig lange vleugels zijn zeer forseh in den vleugel boog, en steken een weinig naar voren uit. de breede en harde slagpennen liggen los op den staart en raken elkander daar eventjes aan. De staart is matig lang, heeft sterke kielen en tamelijk breede vlaggen, is goed gesloten en aan het eind afgerond.

De buik is lang en slechts weinig gerond. De schenkels moeten goed gespierd zijn, doch slechts weinig zichtbaar; loopbeen en teenon zjjn langen stevig 011 onbevederd.

Wat de kleur betreft, zijn wit, diep rood en geel af te keuren; blauwe met zwarte vleugel banden en zwart gehamerde zijn zoor gezien, terwijl er bovendien ook nog steen- en blauwroode met roode of bruinroode vleugelbanden, zilvergrijze schubben, blauwgrijze slagpennen en staart voorkomen.

ocr page 275

207

H. ANTWEKPER „SHOWDUIVEN.

(Tentoon ste 11 ingsdni ven).

Uit do Bolgisch-Fransche variëteiten cn voornamelijk uit de A ut werper, heeft men door eene zorgvuldige kweeking op de; vormpunten en vooral op den kop, alsmede op de veer ook door eene duidelijk merkbare verdere kruising met de Valkeuet i) ■—in Engeland eene tentoonstellingsvariëteit doen ontstaan, welke onder den naam

Exldhilioii Antwerps of Show Anlwerjis, Antwerper tenloonsleUinitschnreii

eene afzonderlijke klasse op de Eugolsclie tentoonstellingen inneemt, daar zij werkelijk reeds tot een bepaalden idealen of standaardvorm ontwikkeld is. Het spreekt van zelf. dat zulke duiven, die uitsluitend voor tentoonstellingen gefokt werden, vele van de uitwendige eigensehappen verloren, waarop vroeger gefokt werd met het oog op de diensten, die men toen van de duiven verlangde; doeli door de ontwenning of liet niet gebruiken ging met liet verlies van die uiterljjke eigensehappen ook eene vermindering van haar instinct, van hare innerlijke hegaafdheid gepaard, ofschoon /.ij die — ten minste tot op heden — nog niet geheel en al hebben verloren. Doch daarop komt het bij deze duiven juist ook niet aan; hare hooge waarde berust geheel en alleen op het bezit van eigenschappen, die haar tot eersfce-klasse tentooiistellingsdieren maken, dat wil zeggen tot zulke, welke ten behoeve vnii de niededinging op de tentoonstellingen tot een bepaald model gevormd en gefixeerd zijn.

Men onderscheidt in Engeland van deze tentoonstellingsduiven drie verschillende variëteiten —• Short-, mediatn - en loruj-faced Anhverps; de eerste ■ de kortsnavelige — vertegenwoordigt echter het hoogste ideaal vau een tentoonstellingsvogel, daar zij „zoo onveranderlijk geworden is als er maar een ras kan bestaanquot;.

.1. W. Ludlow, een der oudste fokkers en kenners dezer duiven, geeft daarvan de volgende beschrijving;

De kortsnavelige Antwerper „Showquot;duif moet eene behoorlijke grootte

1) Fulton vovzekert, dut do Valkunotton mocrmulcn gebruikt zijn voor kniiaing met kortsnavoligo Antworpor postduiven om bokroningnwaardigo duiven te verkrijgen, en dat de buitengewone kortheid en dikto van den Hiiavel, alsmede de korte en breede scbedol van sommigo bekroonde exemplaren op die wijze verkregen zijn. Bij dozo gclegonbeid liovestigt Kulton ook de meening van Ludlow, dat eene roodo wanliuid en pnreloogon geen zekere teokenen van eene kruising zijn.

ocr page 276

'2ns

grootte liolibun, diiai' nono uitdrukkiiig van kmcht on fierhoid zooi1 gcwonsclit is en kloinei'c duiven te dikwijls liimno afstamining' van de Owls of eeue te teere constitutie verraden. De kop moet groot en massief en langwerpig-of ovaal van vorm zijn en naar alle kanten door eene sierlijke, niet gebroken lijn begrensd worden en niettegenstaande den breeden schedel, noch tusschen achterhoofd en snavelpunt, noch van oog tot oog eenige hoogte of laagte of hoekigheid vertooneii.

I )o snavel moet het karakter van ecu goudvinksnavel hebhun, dat wil zeggen, kort, dik, goed gesloten, hard en sterk /jjn; heide helften krachtig ontwikkeld. De snavel wratten moeten groot en gelijkmatig gevormd zijn, zich ver over den snavel uitstrekken en geheel en al iu de hoogljjn liggen, welke van het achterhoofd tot aan de punt van den snavel loopt; de ondersnavel moet bovendien ruim voorzien zijn van een geljjkvormige wrataeh-tigu substantie, welke zich van de snavelspleet tot den henedensnavel uitstrekt, zich met de wratachtige neusliuid vereenigt en zoo aan alle kanten eeue scherpe wigvormige gedaante vertoont. Het groote en nitpuilende oog is oranjekleurig of bloedrood, vol vuur en heefi eene uitdrukking van stoutheid en wildheid. De vlcezige oog-ringen zijn matig groot en rond, doch niet dik of overhangend en van eene bleekgrijze roodachtige kleur.

Met eene te geringe ontwikkeling der oogringen gaat gewoonlijk eene onvoldoende ontwikkeling van den snavel gepaard; beide staan in dit opzicht met elkander in liet nauwste verband, evenals de keelzak, wanneer die aanwezig is, bepaald vergezeld gaat van andere minder geschatte erfstukken der Owls, bij voorbeeld van een korten hals en korte pooten. liet oog en de snavel moeten overigens zoo ver mogelijk van elkander verwjjderd zijn; dit is een zeer gewichtig punt, daar het van een gruotcn kop getuigt en een groote kop juist een hoofdvereisebto van deze duif is.

Pig. S!l vertoont al deze lioofdpunten in eene volmaakte ontwikkeling.

De bals moet matig lang zijn en dun aan het bovenste gedeelte, doch niet voorzien van den keelzak der Dwls en Meeuwtjes, zooals sommigen verlangen. De schouders zijn breed; de vleugellioog staat van den romp af;

ocr page 277

de liorsf is vol, do romji vloug'cls en shigjit'iiiien /ijn rrchluil ge

strekt; en de laatste liebbeu breede vanen, die elkander g'oed del\ken : de pooten zjjn lang', do teenen tamelijk groot. De uitdrukking en houding/ijn koen, verstandig en tevens vol waardigheid: de uitdrukking der oogeu getuigt van een buitengewoon verstand en soherp/inaigheid.

Wat de kleuren betreft, zoo neemt men vier standaardvariëteilen en evenzoovele nevenkleuren aan.

J)(^ eerstgenoemde rangschikken we hier als volgt:

i. Silver dun of Meahj zilverbrnin of meelklearig.

'i. Ilod Chcijiiers ■—- rood gevlekte.

3. Jiluc Chequers ■— blauw gevlekte en i. Blues — blauwe.

De nevenkleuren zijn: Silvers, Silver ('.heijiturs, ('.reemies (roomkleurige) en Bluchs (zwarte).

1. De zilverhrinne hebben een buitengewoon tcerc, roomwitte kleur, welke zich zoo zuiver en regelmatig mogelijk over het gebeele gevederte moet uitstrekken, met inbegrip van de slagpennen en den staart. De kop van den doffer is tot aan eene lijn onder den benedensnavel meelwit. die van de duif gewoonlijk een weinig donkerder. Op liaison borst scbit-tert een diepe en zuivere koper-brouskleur, zonder eenigen zweem van groen; de vleugelbanden zijn diej» en fraai roodbruin, de vederschachten witachtig bruin ; do snavel en de nagels zijn donker; de iris is fraai oranjerood. Dat de hals en de vleugelbanden een diepe, intensieve kleur hebben wordt hoog gewaardeerd : een bleeke of grijze enz. kleur is af te keuren.

'J. Van de rondijerlel.le is er, evenals van de blauw gevlekte, eene lichte en eene donkere klenrschakeering; bij de eerste heeft de beldere of meel-kleur, bij de laatste het rood de overhand. Do donlierrooil gevlekte hebben een fraai roeden kop, een als fraai brons en koper sebitteronden hals en eene dieproode vlekteekening op de vleugels, welke teekening zich dikwijls over den rug tot aan de stuit uitstrekt. Staart en vleugels zjjn helder of witachtig rood, de laatste aan de binnenzijde en bij geopende vleugels rood. De borst en het voorste gedeelte van den buik tot aan do schenkels zijn

ocr page 278

270

duidelijk gevlekt en gaan naar achteren toe in liet aschkleurige over. Diepte en zuiverheid der kleur en regelmatigheid der teekening zijn de hoofdpunten. De lirhlrooil gevlekte hebhen een voel licliteron kop en wordi'ii naar den hals toe nog lichter: hierin en in het ontbreken der teekening van den rug bestaat het voornaamste onderscheid tusschen beide kleuren, terwijl een gewone fout van de iichtroode bestaat in ongelijkmatigheid van de in het centrum meestal te hleeke teekening op de vleugels.

.'i. Do beide schakeeringen der blavir tjevlekle kenmerken zich hierdoor, dat Itjj het donhrrhlmur gevlekte slag' zwarte en liij het lichlhlauiv gewiekte blauwe tinten de overhand hebben. Rij de donkere zijn bovendien de rug en de stuit gevlekt, de borst vertoont duidelijke sporen van eene teekening; bij de Uchle zijn alleen de zjjden van de vleugels en het zadel gevlekt, doch de intensief zwarte teekening steekt tegen de sierlijke bleekblauwe kleur beter af. Zjj geven nog al dikwijls jongen met een witten rug, doch deze komen onveranderlijk in de kop- en snavelpunten, dat is in de hoofdpunten, met het donkere slag overeen en zijn daarom van grootc waarde. De snavel en de nagels zijn zeer donker, het oog is prachtig oranjerood. Met betrekking tot de kleurpunten zijn gelijkmatigheid van kleur en teekening eene der eerste vereischten.

4. Ook van de blauwe, variëteit heeft men twee nuances. De lichtste is bepaald de fraaiste; de zwarte vleugelbanden komen bij deze veel beter uit, evenals de schitterend gekleurde hals, de donkere slagpennen en de staartband. Snavel en nagels zijn zeer donker, de iris is licht oranjekleurig rood. Een witte rug of witte schenkels gelden voor grove fouten.

We komen nu tot de kleurvariëteiten van den tweeden rang. do neven-kleurige.

1. De zilverkleurifje hebben over het geheele lichaam een zeer teêre. krjjtwitte kleur: kop, hals, borst, de onderste gedeelten en de staart hebben een donkerder, aschgrauwe nuanceering, terwijl ook de slagpennen naar de punt toe iets donkerder worden, alsmede de hals. De vleugelbanden en de staartband hebben eene donkere, in het zwart overgaande kleur. De snavel is licht gekleurd, doch het hoogste deel van den bovensnavel een weinig donkerder.

'2. De zilvenievlekU; komen in de grondkleur met de vorigen overeen, doch de zjjden der vleugels en het zadel zijn gevlekt in de kleur der vleugelbanden. Snavel en nagels en al het overige is evenzoo als bjj de zilverkleurige.

.'i. De roomkleuritje hebben eene zeer bleeke, onduidelijke, verschoten kleur; de slagpennen en de staart zijn roomkleurig; de vleugelbanden, de hals en de borst hebben eveneens eene geelachtige kleur.

ocr page 279

271

4. De zwarte eindelijk zijn blauwzwart van kleur en vertonnen altjjd zwakke sporen van vleugelbnnden. Zij dienen tot kruisingen voor de hhrnvc. om een gezond blauw van een gelijkmatige tint te verkrjjgen of om liet l)lau\v te verbeteren : toeh mag men deze kruisingen niet te dikwijls lierhalen. daar anders heel licht het ontstanu van een vuil. onzuiver blauw er het gevolg van zou zjjn. Men heeft de zwarte ook met hlauwgevlekte gekruist, doeh zonder bijzonder veel succes. Alleen wanneer men de vormpunten op het ooigt;' heeft, die de zwarte bezitten, kan men deze met de blauwge-

O '

vlekte paren.

De Antwerper ,,Showquot;duiven zjjn een sterk, hard en vruchtbaar slag. al zjjn ze dan ook op kunstmatige wijze ontstaan. Zjj zijn wel voor de gewone duivenziekten vatbaar, doch hereiken, als ze deze eenmaal te hoven zijn, een zeer hoogen leeftijd — 1.1 a Ü'2 jaren -— en vele van deze veteranen zijn nog goede fokdieren.

De langsnavelige Antwerps moeten, wat hare vorm- en kleurpuiiten aangaat. even zorgvuldig beoordeeld worden als de kortsnavclige. Wat den kop betreft is het een hoofdvereischte, dat de schedel ..filled is, dat wil zeggen, dat er geene indeuking tusschen het voorhoofd en de neushuid zichtbaar is, dat dus do boeglijn, van het achterhoofd over den schedel getrokken, ongebroken over de volle snavehvratten tot aan de punt van den snavel loopt, evenals bij den typischen vorm. De langsnavelige komen wat den breeden, ronden schedel die reeds dadelijk aan den voorhoofds-wortel eene aanzienlijke breedte moet hebben - en de dikte en stevigheid van den boven- en benedensnavel betreft, juist met den typischen vorm overeen, met uitzondering natuurlijk van het „lange gezichtquot;, dat van het middenpunt van de pupil tot aan de snavelpunt gewoonhjjk M:! of zelfs nog enkele millimeters langer is.

Dit alles geldt ook — met uitzondering van het een weinig kortere gezicht — van de middellangsuavelige Antwerps, eene benaming, die menigeen ongerijmd schijnt en ook werkeljjk zeer onbepaald is, daar de meeste fokkers er zich op toeleggen op de uitersten te fokken.

in alle overige vormen en kleuren komen beide variëteiten ervan met die der kortsnaveligen overeen.

•i

i

5. De Spaansche duif. -— C. hispanica. 'The Common or Spanish Runt (Fulton). Le pigeon yro* nwndain. Die Spanische Tun he. Pig. 91 en 14-.

De groote. zware duiveiirassen staan over 't geheel in Engeland weinig in aanzien; zij zijn daar dientengevolge ook slechts weinig bekend en de Ikitsche auteurs zijn over 't algemeen ook zeer kort in hunne beschrijvingen van deze duivenrassen.

: t 1

1

'I

i ;

ocr page 280

'■27 ^

„Do Spiiausclic ilnii', Fulton, komt in Engoland inindor voor (hm

liijna allo andoi'o rasson, en zij lieef't dan ook voor den lief'liebbcv slocdits éénc eigenseliap, die haar aantrekkelijk kan maken, namelijk hare ijroollr: en deze. of' liever haar ijcicicht, is dan ook werkelijk hnitengewooii, aangezien duiven beneden 'i pond zelden op de tentoonstellingen komen en een gewicht van pond geene zeldzaamheid is. Doch niettegenstaande dat gewicht zijn deze duiven uit een eeonomisch oogpunt beschouwd als tafelgevogelte niet zoo bijzonder aan te bevelen, daar zij, en voornnnieljjk de grootste exemplaren, slechte broedsters en voedsters zijn en zich alzoo slecht vermenigvuldigenquot;.

De beschrijving dezer duif maakt Pulton al zoo kort mogelijk: „de kop komt wat den vorm aangaat met dien van do gewone hnisduif'of een grootc, oude kropduif overeen. lUauw en zilver zijn tegenwoordig de gewone kleuren. 15jj de beoordeeling komen zuiverheid der kleuren en een weinig symmetrie wol in aanmerking, doch grootte en gewicht zijn de hoofdpuntenquot;.

Volgens Lndlows uitstekende afbeelding maken de Spaansche duiven

over 't algemeen den indruk van buitengewoon groote huisduiven tc zijn; alleen de forsche snavel, waarvan de bovenste helft aan de punt een weinig

ocr page 281

over don ondersnavel uitsteekt, de matig sterk ontwikkelde en een weinig ruwe snavelwratten en de tameljjk gezwollen oogringen verzwakken dien totaalindruk, wjjzeu op eene sterke vermenging mot vreemdsoortig bloed en herinneren aan de groep der Bagdotten. In do houding hebben /ij weder groote overeenkomst met do veld- of huisduiven.

De iris is bij beide hiervoor genoemde Uieurvariëteiten levendig roodgeel van kleur, terwijl do korte en stevige, naakte pooton hoogrood zijn.

Sommigen houden de Spaansehe duif voor oen bijzonder type. terwijl andoren on daaronder uitstekende duivenkonnors althans ton dooie van eou tegenovergestelde meening zijn. Ju Duitschland golden voor deze duif de volgende kenmerken, welke oven wol niet iu alles mot de hiervoor gonoemde overeenkomen:

De kop is altjjd glad en langrond — oen zoogenoemde ganzokop —do middelhooge schedel gewelfd, hot oog oen weinig diep liggend, de iris meestal parelkleurig (niet rood), bet govederte vol en los en meestal óén-klourig. dikwijls fraai geschubd. De houding is horizontaal, de gang vlug; do pooton staan nog al ver van elkander on de toonen zijn goed gespreid. Do vlucht is zwaar en mot veel geruisch verbonden, het temperament levendig, de aard vertrouwelijk, de stem diep.

Ofschoon do Spaansehe duif, naar men meent, in Frankrijk het fraaist wordt gekweekt, maakt toch Espanet — ook in do nieuwste uitgave van zijn duivonboek — er geen molding van, evenmin ids do Catalogus van de Jardin (VacclimaUilinii. liet is zoor waarschijnlijk, dat Espanet deze duif plaatst in do niet te karakleriseoron roinmelkamer van zijne „Mondainsquot;, en wol ondor do eerste dor „meest constante variëteitenquot; van doze ton dooie „niet te beschrijvenquot; groep — of ras zooals hij zo noemt.

„Alen rekent gewoonlijk tot de Mondain* die duiven, welke niet gemakkelijk onder andere bonamiugon zjjn samen te vattonquot;, zegt Espanet. De mogelijkheid bestaat dus. dat men in I'Vauknjk den naam Spaansehe duif in het geheel niet kont, evenals lijj ook in Engeland eene niet zeer bepaalde beteokenis heeft; oen bewijs te moer voor do juistheid der mooning van Prütz on andoren, dat er eigenljjk „geen type van de Spaansehe duif zou bestaanquot;. Ook hij weet niet, hoe hij do nioniigt;to variëteiten en afwijkingen in den lichaamsvorm groepooron moet. Hier volgen do door hom gegeven hoofdmaten van do Spaansehe duif, vergeleken met die van de Jiomeinscho en de Montauban-duif:

Totale lengte in millim.. Snavollongte . . . . Staartlengt.e.....

Baldamus, Pluimvooteelt. IJ,

Kom. duif. 500,

Montauban. 525 a 580 -6,

184.

Sp. duif.

BOO; 26; 213; J 8


ocr page 282

lt;274

Ylucht

Hugbreedtc . Eeenlengto . Gewicht .

Ivum. duif. . . 850, . 1'25 a 150,

. 175, 1 kilogr,

Moiitiiuban. Sp. duif.

980, ungcv. 1000; 125 a 150, 150;

? '210;

„ 1 kilogr


„Lc gros mondain — Col. ndmista crassa —• is zeer groot en bereikt zelfs de grootte van eene kleine kip; zij heeft roode oogringen, komt één-kleurig of hont in alle kleuren voor, broedt niet dikwijls en niet\ertrouwbaar en is dus weinig vruchtbaarquot;.

Fulton merkt op. dat men deze duiven van de kleinere rassen afgezonderd moet houden, omdat ze door hunne kracht en vechtlust voor deze gevaarlijk kunnen worden.

Hij houdt ze of voor de ouders, of ten minste voor vader of moeder van de Kropduiven. met welke zij. uit een practisch oogpunt beschouwd, alleen nog gekruist kunnen worden. J)o nakomelingen zijn in elk geval niet te miskennen Kroppers, en ofschoon deze zeer geneigd zijn dik en lomp te worden, beeft men door deze kruising toch aan lengte der veder (van snavelspits tot staarteinde) en der pooten gowonneu. Men kiest met bot oog hierop een Spaansehe duif met lange vleugels en langen staart, paart deze gedurende één seizoen met een Kropper, met goed bevederde pooten. grooten krop en goede afteekening, om het ontbreken dezer punten bij de Spaansehe duif te vergoeden. Eenige van de op deze wijze verkregen Kroppers kunnen pooten hebben van ongeveer 8 duim (?) lengte, ofschoon zij korter scliijnen; „doch ook zulke resultaten zijn de moeite van het fokken waardquot;.

Wij voegen hierbjj nog enkele zinnen uit de beschrijving, welke H. ( Vignon te Parijs, die „25 jaren lang de Mondain gefokt heeftquot;, ervan geeft. Deze zegt o.a.: „De Mondain is een der meest aan te bevelen rassen wegens zijne vruchl-

haarheid;......hij geeft van 8 tot 10 broedsels per jaar, gewoonlijk

telkens 2 jongen, die, nis ze 3 dagen oud zijn, reeds 130 gram en op den leeftijd van 6 weken dikwijls 800 gram wegen. De doffers bereiken een gewicht van 850, de duiven van 830 gram. bij eene lengte van 45 a 47 centimeter.

Er zijn 3 variëteiten van, alle even productief:

1° de gekapte of van ecu kuif voorziene,

2° met onbevederde pooten,

3quot;' met bevederde pooten: het loopbeen bevederd doch de teencn naakt.

Wegens hare grootte en haar gewicht kan deze duif niet ver vliegen en zelve baar voedsel zoekenquot;. (JJe Boeve, Traité pratique).

ocr page 283

(i. he Itomchmclic dgt;'Ij. rntiiiinn. (jhjiiidca, C. dun', unliijuu.

cellaris, (Miimclly,). The ISoinan pijeou. Iloman Hunt.

I'hji'ou romuin. Itiiinerluuhe.

])o Ivomoinsclie duit' 00110 dor gfootstn duch ook dei'onzuiversto duivon-rassen schijnt haru kcninorkondo cigeiiSoJiuppon door vroogo on veelvuldige kruisingen van zeer verschillende andere duiven te hebben gekregen. In grootte, ten dooie ook in gestalte on andore enkele bijzonderheden, herinnert zij aan do IJagdetton, vooral echter aiin de Turksche duit' en. volgens Kspanet. tevens ook aan do Miruilrs, van welke zij zich alleen door een kortoren hals en kortere pooten ondorschoidt (?); de krop en do daarop groeiende haarvedoren doen volgons l'riitz aan de iMontaubanduit' (en aan de Kroppers) en do hoogo pooten en vlakliggende oogen aan do Kipduiven denken. Ook Fulton, die slechts terloops van de Roineinselie duif' melding maakt, spreekt in zeoi1 onbepaalde bewoordingen van de ItmiKin Ihml t'n weet niet recht, wat hij eigenlijk van do Ivomoinsclie on do Spaansche duit' denkon moet.

Over geeu enkel ander duivenras zijn de gevoelens dor schrijvers en lief-liohbers dan ook zoo verdeeld ais over do Uomoinscho on de Spaansche duit'. Ook over iiare bloedverwantschap loopcn de meeningen uiteen: in Dnitsch-land houdt men ze voor kindoron van don Duitschen kropi)er en het een ot' ander groote Oostcrsche ras, torwjjl men ze in Frankrijk beschouwt als afstammelingen van de „beroemde (Jampanischo duifquot;, welke veronderstelling misschien de meest juiste is.

Volgons Espanot is de liomeinsclio duif zeer verbreid in Italië; volgens l'riitz in de meeste Europeescho landen, en wel in vele variëteiten, doch het fraaist in Frankrijk.

Espanet beschrijft ze aldus: „dikke iiuid om de neusgaten, aan den snavelwortel; roode oogleden en oogringen : witte iris (glasoogen); twee boonvor-migo snavelwratten: hals en pooten korter dan bij do Fransche Badgetten. Vjjf variëteiten: 1. de gewone Homeinscho duif is het grootste ras na do Turksche duif. /ij heeft geene snavelwratton (I) noch kuif, onbovodordo pooten, komt in verschillende kleuren voor, doch zelden treft men exemplaren aan met gelijkmatig gekleurd gevederte. Zij vliegt weinig, eet voel en vermenigvuldigt zich middelmatig.quot;

2. De tweede variëteit, Uomam coupe genoemd, ,,is eleganter en slanker en niet zeer vruchtbaar; evenzoo de andere variëteiten:

3. liomain argenté. — Zilverkleurige Kom. duif.

'i. ,, faux messagev. — Onechte postduif.

o. ,, manlelé. — Uemantelde Kom. duif.quot;

ocr page 284

27fi

De Eomeinsclie duif heeft in elk geval eene aanzienlijke grootte en meet 50 a 55 centimeter in de lengte en 100 a 105 centim. in de vluelit. (Priitz geeft de volgende maten op; lengte van de snavelpunt tot liet staai'toind meter; vluelit 85 centim.; rugbreedte 12,5 a 15 centim.; lieen-lengte 17.5 centim.: snavel 25 millim. lang en aan de basis 18 millim. dik; oogrand 3 millim. breed; gewicht 1 kilogram.) Zij is lomp van gestalte: de kop is glad en gewelfd en heeft een middelhoog voorhoofd: de snavel is tamelijk lang en dik, weinig gebogen, bij do blauwe en zwarte variëteiten donker, bij de overige licht van kleur. De wratten zijn lang, glad en wit. Een witte snavel geldt voor een bijzonder voordeel. Het oog is parelkleurig bij de donkere variëteiten, bij de witte donker en is omgeven door een rooden. wratachtigcn rand van ongeveer 5 millimeter breedte, welke met den leeftijd meer gezwollen wordt. De keel is scherp gebogen en vertoont bij oudere dieren sporen van een keelzak; do hals is naar verhouding kort, dik en gebogen. De zeer brcede borst komt niet ver vooruit doch word! diep gedragen: de lange en breede rug is weinig gewelfd en loopt slechts weinig naar achteren af. De vleugels zijn lang en reiken tot liet einde van den staart, welke lang, tamelijk breed en aan 't eind afgerond is. De lange en breede buik is vol en rond en raakt achter bjjna den bodem. De korte beenen hebben een donkerrood, onbevederd loopbeeu en lange teenen : alleen de binnenkant van het loopbeen is met kleine veertjes bezet.

Als raszuiver kunnen alleen beschouwd worden: de éénkleurige in vit, zwart, rood. geel en blumv met zwarte, alsmede vale met bruine vleugelbanden. Andere kleuren wijzen op kruisingen.

7. Ite Montcmban-duif. — C. gigcis.

Deze duif is door den zeer verdienstelijken duivenfokker, den schermmeester A. Prosciie te Dresden, uit Monlauhan (Dep4. Lol et Guronne in 't Zuidwesten van Frankrijk) ingevoerd cn gefokt; zjj heeft echter ook weinig karakteristieks meer dan hare grootte en de breede en vlakke, tot aan de oorgaten reikende schelpkuif en verschilt in grootte, gestalte en houding weinig van de Romeinscho duif. Haar kop is breed, sterk gewelfd, met een hoog voorhoofd en breede schelpkuit; de snavel tamelijk lang en niet to dik, weinig gebogen en licht van kleur; de wratten zijn wit en kleiner dan die der hiervoor genoemde duif. De voeren van don achterhals staan een weinig tegen de kuif op. Andere verschillen zijn er nauwelijks te vindon. Het roode loopbeen moet onbevederd zijn, doch heeft menigmaal do stoppelige bevedering als bij do Romeinscho duif.

Do Montauban-duif komt alleen éénkleurig voor in wil, zwart, rood en

ocr page 285

277

(jeel; de bcido laatst gonoomdo kleuren zijn zoldon iutcnsiot'; het moost komt de witte kleui' voor doch af en toe ook de hermeljjukleur.

Terwijl de; Romeinsclie en de Spaanscliu duit' in figuur en houding aan de Yeldduif herinneren, heeft do Montauban-duif hierin en in haar geheele voorkomen en aard veel van de Trommelduif. Zelfs hare stem, die buitengewoon die]) is — een hjj/.onder diepe basstem herinnert aan die der trommelduiven. Men zou do Moiitaubans werkelijk reusachtige Trommeldui-ven kunnen noemen on de beide hiervoor genoemde reusachtige Veldduiven.

De Moiitaubans zjjn iiisg(;]jjks vrij trage en vervelende (lieren, daarenboven zeer twistziek en jaloersch, doch vertrouwelijk jegens hun verzorger, /jj kirren dikwijls en zelfs aanhoudend midden in den nacht, vooral bij maneschijn.

Over de kleur der oogeu is in den laatsten tijd vrij wat strijd gevoerd. Pol Dagrand uit Moutauban geeft in zijne beschrijving van de Montauban-duif de kleur der oogeu als volgt op: de iris moet zwart zijn bjj de witte of gekuifde variëteiten en oranjerood met een witten kring — gewoonlijk pareloog (?) genoemd bjj de andere variëteiten.

])it werd door tal van kenners van deze duif niet beaamd.

De graaf De Vezins uit Montauban. een gezaghebbende in deze, besliste den strjjd; liet normale oog van de Montauban moet een pareloog zijn, doch gele oogeu worden toegelaten bij overigens goede duiven.

„Een fraaie Montauban-duif, die eene behoorlijke lengte en gewicht heeft, een hooge en breede, goed gevormde kuif, een breed achterlijf en breedeu staart, die de vleugels niet laat sleepen enz. zal nooit gediskwalificeerd worden, omdat zij gele oogen heeftquot;.

Het is hier misschien de geschiktste plaats voor eene duif, die in den laatsten tijd in 't Noorden van Frankrijk en in België veel opgang maakt en voor welke ook een standaard is vastgesteld: wij bedoelen

S. I)i' Carneau-duil'. - Le piyeon Cartwau.

Robert Fontaine beschrijft deze duif in „De Boeve, Traité praliijuequot; en zegt er o.a. van;

„De Carncau-duif is niet alleen een fraaie duif, maar ook een zeer productieve en gezochte tafelvogel. Zjj heeft ten naastenbij den vorm van de Romeinsclie duif, doch is kleiner; men kruist haar wel met deze duif om grootere jongen te krijgen, doch dit gaat ten koste van hare vruchtbaarheid. Zij broedt het geheele jaar door, doch geeft van Februari tot September de beste jongen, die snel opgroeien. Zij vliegt vrij goed, doch is geen veldvluchterquot;.

ocr page 286

278

Do „Süeiótó natioimlc pour rAmólioratioii do l'AvicuIüiro on Bulgiquoquot; lieot't den volgenden standaard aangeiiomen:

Woonplaats: — in Bolgiö on liet noorden van Frankrijk.

Algemeen voorkomen: forseli en gedrongen.

tirootte: ten minste een dorde grooter dan de Antwerper postduif', niet een minimum gewicht van 500 a TiSO gram.

Kop: dik en rond, niet een sterken, vrij langen, licht rosoklonrigon bok. De nagels hebben deze zelfde kleur, terwijl de iris oranjekleurig geel is.

Do ougringen moeten regelmatig gevormd zijn, fijn van weefsel, 'J milli-inotor broed en licht vleeschkleurig niet roode stippels. Do korto en dikke hals vertoont een bronsgroenen weerschijn. Horst zeer ontwikkeld. I{tig breed en vlak. Vleugels goed aan bet lichaam sluitende, tot op ongeveer 3 conti-nieter van hot staarteind reikende, zonder elkander te kruisen op don staart rustende.

Staart: ongeveer 12 contim. lang, goed gesloten en vlak aan 't eind; moet met den rug in ééne lijn liggen en don bodem niet raken.

De beonon zijn vrij stevig, van middehnatige lengte, liet loopbeen onbevederd en karinjjnrood van kleur. Kleur; over 't algomoen fluweelachtig bniinrood, mot of' zonder witten benedonrug.

l'\)uten, die men moet tracliten te vermijden zijn; zwarte vlokken op den bek, roode oogringen, witte vooron, voornamelijk rondom de oogen en aan do boenon, — bevederde pooton.

Loodkleurig of' geelachtig gevodorto, onvoldoende grootte, roode iris —- of' witte voeren in vleugels en staart /.ijn onverschoonbare fouten.

Bolialvo de bier genoemde kleurvariöteit heeft men ook nog donkergele met dezelfde eigenschappen als de roode, alsmede zulke die op do schouders oen 20-tal witte veertjes hebben.

Algemeen voorkomen, grootte en gewicht, bok en nagels, oogen en oog-ringen, borst en kleur vormen de hoofdpunton bij do beoordeeling.

!). De Valkenet. — C. barbarica, (Barbarysche duif). The Barb.

Le pigeon polonais, Indianer Tanhe, Cypernsche of Türkische Tanhe. Pig. 95 en 13.

Evenals allo zoogonoomdo Turkscho duiven stamt, volgons Dürigen, ook do Valkenot uit Aziatisch Turkije on werd vandaar zeker zeer vroeg naar do Turksche volken van Noord-Afrika overgebracht. Woods voor eeuwen raakte zij in handen dor op do Afrikaanscho kusten handel drjjvendo volken.

Do Ilolla miers schijuon do oor,sten te zjjn gowoost, die zo van daar in voordon ; in Engoland waren zo in do 'Kklo oouw bokond on togonwoordig zjjn

ocr page 287

•271»

zi! over golicol Eui'opii verbreid. Men bescliouwt ze in Rngeliiml als „hoog-klassige Toysquot;, hoowei Fulton ze tot de werkeljjke „lioogklassigequot; rassen rekent; dat do JÜngeisclien over het geheel niet zooveel belang in liaar stollen, komt zjjns inziens iiiervan, dat deze duit' zoo gedrongen van vorm en laag op de pooten is.

In Engeland fokt men dit ras in drie grootten: n.l. groote. middelgroote en kleine en allo drie worden door Fulton „correct van stijlquot; genoemd, als do eigenaardigheden van den kop maar gecvenredigd zjjn aan de totale grootte der duiven, liet kleine aantal liefhebbers en fokkers Fulton kan ze op do vingers tellen is dan ook do reden, waarom er. afgezien van do grootte, zoo weinig verschil in meening aangaande dit ras bestaat.

Sommigen onderschoidou do Valkonetten in Engelsehe, Franscho en Duitsche of Saksische, van welke do laatstgenoemde do kleinste en de Franscho do grootste is. Sedert do Engelschen echter door nieuwe impor-tatios uit de zuidelijke zeehavens van Frankrijk do Engolsche Valkonet verboterdon, kan men gevoegelijk tweo variëteiten aannemen, als do yroolc of Euifehch-Fra-nsche en de Jdeine of Duitsche.

a. Do ijroolc Valkonet heeft cone lengte van 35 a :f(S coutimoter; zij is zeer broed van gestalte, laag op de pooten, zeer compact en niet zeer levendig van temperament. J)o gladde kop is zeer kort en breed van bouw, van don nek tot don snavelwortel overal oven breed eu van het achterhoofd tot de punt van den snavel één gebogen lijn vormende. De snavel is zeer kort, breed en dik on oen weinig naar beneden gericht (laagziend). Do snavohvratten moeten fijn van weefsel zijn, over de lengte gescheiden, heide helften gelijkmatig gevormd en niet ruw en rimpelig. Ook aan de beide zijden van den beuodensnavel en onder dezen zjjn kleine wratjes aanwezig, die echter mot den leeftjjd grootor worden; zelfs de snavelhookou zijn van kleine wratjes voorzien. De snavel behoort wit van kleur te zjjn, de wratten roodachtig en als mot wit bepoederd. Het oog der donkere variëteiten behoort parelkleurig, dat dei' witte donker to zjjn; de wratachtige oogranden cirkelrond, zeer broed en overal van gelijke breedte, niet sponsachtig maar hard en bloedrood van kleur. Aan den rand en voornamelijk aan het bovenste gedeelte daarvan behooren zij zoo dik mogelijk te zijn, verder naar hot oog toe worden zij dunner en vlakker, zoodat het eigenlijke oog vrjj blijft.

De hals is zeer kort, aan de keel dun, naar de borst toe zeer dik en naar achteren gebogen. De zeer breode borst treedt sterk naar voren en vormt met den benedenhals eene tot aan de schenkels reikende boogljjn. De korte rug is achter de schouders een weinig hol, de stuit licht gewolfd. De vleugels zijn tamelijk lang en breed en niet zeer gesloten: de bovenste

ocr page 288

2 .SO

ilükveei'on liggen losjes over den hollon rug, do slagpeiinon bedekken do schenkols en do punten der vleugels rusten losjes op do zijden van den staart. Deze is eer kort dan lang te noemen en tamelijk smal; hij reikt slechts ongeveer 1 centimeter verder dan do vleugelpunten. Van de korte beenen zijn alleen het naakte loopbeen en de eveneens naakte teenen ziclit-baar, welker kleur donkerrood is. Do binnenkant van het loopbeen is meestal met kleine donsveertjes bezet.

De kleurvariëteiten zjjn; óénkleurig zwart, rood, geel, bruin, wit en ge-

sprenkeld -— ym phjud; ■■ ii(!t rood laat meestal te wenschen over: de rug, staart en buik zijn in den regel blauwgrijs. Mnkolc malen komen er ook blauwe en zwarte jnet witte vleugelpunten voor, doch lgt;ij dezts zijn de kop en do snavel meestal zeer gebrekkig van vorm.

b. De Meina Viilkcnci is slechts ;!() a lgt;'2 centimeter lung, gelijkt over 't geheel op de grooto variëteit, doch is levendiger en zeer dikwijls van een hoog opgerichte doch slechts halfbreede schelpkuif voorzien. De wratten aan den benedensnavel ontwikkelen zich alleen bij oudere duiven.

De kleine Yalkenet komt éénkleurig voor in zwart, rood, geel en wit. Do witte met een iioog aangezette en hoven den kop uitstekende schelp-kuif worden „Sultaninenquot; genoemd.

Wat hef kweeken cn paren der Vulkenetteu aangaat, behoort in de eerste

ocr page 289

281

plaats opgemorkt to worden, dat mon voor goede iilecijouders voor het voeren der jongen moet zorgen, daar do kortsnavelige oude Valkenetten, zoowel om den bouw van linn eigen snavel als van dien der jongen, deze niet langer dan eene week of' op zjjn hoogst 10 dagen kunnen voeren. In de eerste plaats zouden als pleegouders — juist om hun snavelvorm en geneigdheid tot voeren — do Dragonders genoemd moeten worden, docli deze zjjn een weinig wild en schuw. Dan de Valkenetten zeiven, — daar deze uit hun aard goede broedsters en voedsters zjjn mits ze niet ouder zjjn dan twee jaren, aangezien zjj Inter door de verkorting en verharding van den snavel en het samenkrimpen van den slokdarm daartoe ongeschikt worden. Men kieze tot pleegouders zooveel mogelijk langsnavelige duiven, die dan ook zeer gemakkelijk te verkrjjgen zjjn. Ook de grootkoppige Ant-werper duiven voeren zeer goed. Het best zjjn echter de Valkenetten zeiven — echter onder de hiervoor genoemde voorwaarde? — en wel be-paaldeljjk voor hen, die slechts één ras in hnnne hokken willen hebben. In het ergste geval moet men zelf voeren.

En mi wat het kweeken op do kleur aangaat. Ofschoon andore kleuren moeiljjker te kweeken zjjn, zoo is en bijjft zwart toch, wegens het groote contrast met de roede oogwratten, de lieveHngskleur. Om beste zwarte Valkenetten te kweeken, pare men zulke duiven van die kleur met elkander, welke elkander, wat do hoofdpunten betreft aanvullen. Als het immer mogelijk is, moet de dotter een geheel witten of licht vleeschkleurigen snavel hebben of, aangezien zulke exemplaren moeiljjk te vinden zjjn, ten minste een lichten benedcnsnavel. Verder dient er op de breedte en den vorm van den schedel gelet te worden, het belangrjjkste van alle punten bij de Valkenetten en ter wille waarvan men. als 't noodig is. van een goeden snavel afzien mag. Daar echter deze heide punten dikwjjls met andere fouten verbonden zjjn, lujv. met een gebrekkigen vorm der oog-ringen achter de oogen, moet men eene duif uitzoeken, welke benevens een goeden snavel ook de andere, den dotter ontbrekende punten bezit. Daar de paring van zwart met zwart in dezen ontegenzeggoljjk de beste is, mag men zelfs wagen in imuwe bloedverwantschap te fokken, doch dan mag men daarvan niet verder fokken.

Om de beide hoofdgebreken der zwarte, nl. een donkeren snavel en ge-gebrekkige oogringen, te verbeteren, is paring van een zwarten dotter met eene bruine duif aan te bevelen.

De bruine verett'enen niet alleen het gebrekkige in beide genoemde punten, doch geven ook, wanneer zjj niet te licht van kleur zjjn, fraaie zwarte jongen, vooral de donkerbruine, terwjjl de lichtere één zwart en één bruin jong en de nllerlichtsto twee bruine jongen go ven. 1 let grootste gedeelte der beste

ocr page 290

'28'J

zwarte tsxcrnplaron zjjn producten van zsvai'to doffers en bruine duiven me( een goeden scliedel en fijne oogen.

Fijne oogen zijn de bruinen speciaal eigen. Eene zeer voordeelige kruising is daarom ook die van een goeden bruinen doffer niet een in de siiavólpun-ten (dikte en licfite kleur) uitmuntende duit'. Hij al deze kruisingen is natuurlijk niet alleen de kleur maar ook, en wel voornamelijk, een goede kop en snavelvorm bet hoofddoel.

Kan men geen goede bruine exemplaren verkrijgen, dan kunnen goede mode dezelfde diensten bewijzen; ja, deze zijn in menig opzicht boven de bruine te verkiezen, omdat zij de lichte kleur van den snavel en het diepe scharlakenrood van hunne oogwratten op do zwarte overplanten. Hunne fout daarentegen bestaat in den vorm en de substantie van den snavel. Goede roode, zonder gebroken, zelfs wat de kleur aangaat, zijn echter zeldzaam, omdat het rood zelden gelijkmatig van kleur is, ofschoon—of, liever misschien omdat de Valkenetten tengevolge van de vele kleurkruisingen meer kleurspelingen lt;8/(0/7« — voortbrengen dan bijna allo andere duiven. zoodat in één seizoen van één paar bijna allo kleuren vallen. Bij beide genoemde kruisingen is echter weinig gevaar voor eene slechte kleur van snavel en oogen, omdat de snavel der bruine en roode bijna zonder uitzondering licht is en de oogen zelden oranjekleurig zijn.

De gele Valkenetten worden door vele liefhebbers boven de zwarte verkozen, en de werkelijk diep gekleurde gele zijn dan ook inderdaad zeer fraai. Maar om die diepe kleur te verkrijgen, is er maar één middel, n.1. kruising met zwarte, en dit geldt ook van de roode, die nog veel te weinig met zwarte gekruist zijn. Het is eenvoudig eene hopelooze zaak, door eene kruising niet roode, zooals die tegenwoordig zijn, zuivere gele te willen fokken, liet beste is, een goeden, jongen, gelen doffer met eene oudere, zwarte duif te paren, welker snavel, kop enz. des te correcter moeten zijn. wanneer die bij den doffer te wenschen overlaten. Wel is waar zullen van zulke paringen weinig gele exemplaren vallen, maar toch meer, dan wanneer men omgekeerd een zwarten doffer met eene gele duif paart. Is echter de gele duif jong en krachtig, dan vallen er niet alleen enkele gele jongen van, doch dan zijn die ook van eene goede, diepe kleur. De gele kunnen ook onder elkander gepaard worden of niet werkelijk goede roode. De heer Jones heeft ook niet zonder succes limine van een tcere kleur met gele gepaard.

Witte Valkenetten staan — met uitzondering van de schitterend koraal-roodo oogwratten in alle opzichten bij alle gekleurde ten achter. Zij vallen soms als xjiorls van andere kleuren: zoo viel eens een der beste witte paren van bruine en zwarte. Mene goede kruising om de witte te

ocr page 291

1

verbetoron, is die van con jongen witten doffer met een licht matbniine duir.

.Met betrekking tot de dit ras bjjzonder eigene ziekten en kwalen valt op te merken, dat do Valkenetten als Wratduiven over't geheel nan dezelfde ongemakken zijn blootgesteld als de Carriers. Zij hebben denzelfden aanleg voor kanker aan den kop on de oogwratten, zooals die bjj de Carriers is beschreven en worden ook op dezelfde wijze behandeld, .luist bij goede Valkenetten merkt men op den leeftijd van 3 maanden, bij het begin van den eersten rui ■— de kritieke periode dikwijls diphtheritisehe of tering-aebtige verschijnselen op, zonder dat men daarvoor een oorzaak kan opgeven. Een levertraancapsule, om den anderen dag ingegeven, brengt de dieren gewoonlijk door deze gevaarljjke periode.

Als de rui bjj koud of vochtig weder intreedt, kan men die levertraan-capsules ook als voorbehoedmiddel ingeven.

|O, Ut; Tttrksche duif. ('■. lurcica. The Titrlioij-piyeon. Im piyeoii hire.

Thrkische Tan be. Kui'sschiutbd-Jkujilclk'.

Espanet houdt dit onderras, dat den overgang van de Viilkenetten tot de rechtsnavelige Hagdetten vormt, voor „een der fraaiste rassenquot; en betreurt het, dat het in Frankrijk zoo weinig wordt aangetroffen. Onze Engelsche hoofdbron maakt er in het geheel geen melding van.

Men zou do kortsnavelige 1 iagdet kunnen beschouwen als een Carrier of Dragonder met kortere snavel, hals en pooten, en misschien is deze speciaal Engelsche üagdetvorm ook wel uit die duiven ontstaan door ze op een korten snavel enz. te fokken. De Turksche Iiagdet bezit inderdaad ook bijna alle, op denzelfden stevigen skeletbouw gegronde lichaamsvormen der beide genoemde verwante rassen ten deele in nog grootere mate; het nog hoogere, breede borstbeen steunt de sterk naar voren tredende, breede borst; aan deze en aan den breeden bovenrug sluit de korte en dikke hals vormingen, die het voorste gedeelte van het lichaam een massief, plomp voorkomen geven, dat door den dikken, korten, een weinig gebogen snavel en de korte, naakte pooten nog vergroot wordt. De romp is echter over zijn geheel gestrekt van vorm, de kop langwerpig en de vleugels zjjn lang. De houding is niet erg bevallig en elegant, waarop de geheele bouw dan ook niet bijzonder is ingericht. De snavel- en oogwratten houden, wat de grootte aangaat, ongeveer het midden tusschen die van de Carriers en de Dragonders; de eerste zijn evenals de muishuid vrij sterk gezwellen, grof van weefsel en rood van kleur met wit bepoederd ; de oogringen zijn evenals de oogleden dik en vleezig en, vooral in de jeugd, levendig rood van kleur. De iris heeft meesttjjds eene schitterend roodgele kleur, is zelden parelkleurig; het oog is naar verhouding groot.

ocr page 292

l'rütz geeft iil« snavollengte op 'J5 millimeter en voor de middellijn van de oogringen 20 miiimeter.

De Turksclie duif komt glad koppig voor en van eene sclielpkuif voorzien ; in Frankrijk, waar dit ras niet zeer verbreid en gezien is, vindt men voornamelijk gekuifde.

Behalve van deze, de Turc maakt Espanet nog melding van ge

wone en geaderde Turksclie duiven, Turc ordinaire en Turc veine.

De moest algemocne kleurvariëteiten zijn de zwarte en de bruine; blauwe komen minder voor en witte en gele zijn nog zeldzamer.

Ofschoon de Turksche duif over 't algemeen traag van temperament is, is ze toeli vrij wat twistziek en ook een goede vlieger; zelfs werd en wordt ze misschien nog in het Oosten als postduif gebezigd.

Hare stem is vol en diep, hare vruchtbaarheid goed.

De ..Moravische Ducjdelquot; en de Hongaarsche „Schnoblalicnquot; noemen we hier slechts als variëteiten of lokale slagen van de Turksche duif.

11. Cylindersnuveliije.

11. De Dmgondcr. — 'dhnacha. The Drctyoon. l'hjeon cavalier of Dragon, har llraijoncr. I'Mg. 9:i, U6, 22, 2;gt;.

Aangaande dit onderras heerscht in drievoudig opzicht twijfel of verschil van meening, n.l. aangaande den naam, het type en de klasse, waartoe

het gerekend dient te worden. De naam Dragon ..... draak of drakenduif

schijnt echter niet de ware; te zijn, l1', omdat in oude Eugelsche werken nergens sprake is van Dragon doch wel van Dragoon = dragonder, 2quot;, omdat de beide aanverwante rassen namen van ongeveer dezelfde betee-kenis hebben, n.l. C.arricr en Iforsemun - bemlon bode, cavalier in het Franscb en eijacx in het Laljju, en ;gt;'■ omdat de naam dragon, ofschoon wel gebruikt, iu geen enkel opzicht iets kenmerkends aanduidt. Wat de lel asse aangaat, deze is in Engeland afhankelijk van de moeilijkheid om de eenmaal aangenomen en erkende modellen te kweeken, en, daar dit ras ids van niet veel beteekenis beschouwd wordt, rekent men de Dragonders niet tot de „lioogklassednivenquot;.

Wat het type van den normalen Dragonder aangaat, dit hangt af van den stijl, en nu zijn er in Engeland wel twee stjjlen of' „scholenquot;, welke vrij sterk van elkander afwijken; de Londensche stjjl en de Birminghafn-dragonderstjjl. Kort uitgedrukt, verlangt de Londensche stijl een forsch gebouwde duif met stevigen snavel en flink ontwikkelde wratten, de Bir-ininghainsche een kleinere en zwakkere, mest een dunneren snavel en wratten.

ocr page 293

285

Dat alios karaktcriseort den Ümgondcr als eon ovcsrgaugsvorm van de postduiven tot do Carriers, ofschoon er ook zijjn, dio bewcron, dat do Dragonders bastaarden zijn van ('arrii'r.s on Tniinelnars of zolfs van Kro|)-pors en Homeinschc duiven.

De moderne Londensclie stijl. (fig. !•;gt;) die de meest ..lieeraeliendequot; is. verlangt volgens Gruliam en Fulton.

dat do Dragonder ongeveer zoo groot moet zijn als de lt; 'arriër en volkomen symmetriscli. De snavel moet in elk opzicht met den zoozeer begeerden cylindriselien snavel der Carriers overeenkomen.

alleen met uitzondering van do lengte, welke, van het midden van liet oog gemeten, niet meer dan 42 millimeter mag bedragen. Do snavehvratten — alleen aan den bovensnavel — moeten aan den snavelwortel liet hoogst zijn en van daar naar de punt van den snavel toe langzamerliand lager worden.

uit één stuk bestaan, niet bloem- Fip. 93. Oelo Dragonder, Londonsclio stijl, koolvormig, maar glad, kegelvormig; het hoogste punt ervan behoort bij 2- tot li-jarige duiven niet hooger te liggen dan de schedel en 13.5 millim. omvang te hebben; de kleur moet licht en als bepoederd zijn. De oogwratten dienen zoo klein mogelijk te zijn en tot op den leeftijd van 12 maanden cirkelrond, fijn van weefsel en niet vleezig; na 18 maanden worden zij aan den achterkant van de oogen smaller en dunner, wat de Engelschon Pinchecl, innch-efied noemen; de ringen zijn dan voor de oogen liet breedst en dikst en worden van daar tot achter hot oog steeds smaller en dunner. De oogen zelf moeten groot zijn en cene uitdrukking van driestheid en waakzaamheid hebben. De schedel moet vlak zijn, doch van zijn hoogste punt boven de oogen sclinin naar den snavel toe atloopen en van daar tot aan het achterhoofd steeds breeder worden, zoodat hij aan liet achterhoofd bijna tweemaal zoo breed is als aan het voorhoofd. Dit is een voornaam punt bij de Dragonders, een overal even breede schedel duidt luinne verwantschap met de Carriers aan. De beide figuren 04 en '.gt;5 stellen modelkoppen van volkomen ontwikkelde Dragonders in natuurlijke grootte voor, zooals zij echter zelden voorkomen en na hunne volkomen ontwikkeling nog minder langen tijd blijven.

ocr page 294

Wf;

De sniivclwi'alton on (jo^rin^cn verliezen spoedig hun rogelmatigon Nonif en worden uvennls bij alle wratduiven onoffbn, rimpolig' enz.

De hals moet liet j gedoulte van de Iialslengto dur Carrii;rs en eenc vuile keel hebben en op goede, breede schouders staan. De borst is vol; de vleugelranden sluiten er aan den voorkant niet tegenaan, terwijl de vleugels over bet geheel niet vast tegen het lielmani sluiten ; de slagpennen worden

hoog gedragen en reiken tot ongeveer 12 niillmi. van liet einde van den staart. De rug moet een weinig hol zijn. De beenen moeten wat ver naar achteren geplaatst zjjn. de schenkels krachtig en goed bevederd; het loopbeen meet van de hiel tot de voetzool .iO inillim. en is onbevederd, liet geheele gevederte moet het aanzien van eene behaarde huid hebben eii de houding moet goed zijn.

De erkende kleuren zijn: 1. 'jee/; 'i. rood — een rjjk en schitterend bloedrood; 3. blauw in verschillende imanceeringen; 4. zilver niet roomkleurig; 5. iril — met donkere oogen en zou mogelijk lichte en bepoederde snavel- en oogwratten; G. grijs, (jeschimmeld (cjritzle) — elke veer moet blauw en wit zijn. alsof beide kleuren uit een peperbus over de duif gestrooid zjjn, dus niet gevlekt.

De snavel wratten vertoonen zich bij vroegbrocd, vóór de jongen een jaar oud zjjn; tegen de vijftiende maand kan men reeds, evenals hij de Carriers, den „stjjlquot; dezer wratten tamelijk zeker herkennen, /ij bereiken hunne hoogste ontwikkeling met 3 a 4 jaren en behooren dan, bij den hiervóór opgegeven omvang aan de basis, niet langer dan 4!) inillim. te zijn — bij jongere exemplaren nog korter terwijl de snavel van de punt tot het begin van de wratten niet meer dan 0,5 millim. mag meten; de snavel mag vóór de wratten niet te lang zijn, dus tegenovergesteld aan dien der Carriers, bij wie juist eene groote lengte van den snavel vóór de wratten eene zeer begeerlijke eigenschap is.

ocr page 295

2X7

De inocloi'Mc IJii'iningliiiiiisclK) stijl Kig. !l(i, lilauwc Driigoiiflc;!' is in do uugon van zijn vooniaainston en ijvorig.sten [iloithczorgcr .1. NV. Ludlow natuurlijk van „onvcrgolijkolijkc! sciioonlicidquot;.

JLet Londoiisclio typo liect en hoo kan men van oen zoo dwcciizick specialiteit ook iets anders verwachten t - hel lompe, ruwe uitvaagsel van het Carriérhok, te licht en te levendig, of' soms ook te jong voor tentoon-stellings-Carriërs, en toch te plomp en t(^ korl en te dik, om niet de nette, lichte, bevallige, synimctrische chjcvlijlic Dragonders, zooals de Birmingliamsche stijl die verlangt en levert, vergeleken en tentoongesteld te worden.quot;

JJit moeten wjj echter met den heer II. Ludlow als een voordeel van zjjue Hirininghamsche clienteu erkennen, dat zij verder van de ('arriërs af' staan dan de Londensche vorm, en dus met meer recht als eene misschien overgebleven en bewaarde, gewijzigde ontwikkeiingsvorm der Carriers, zoo riet als een zelfstandig ras beschouwd kunnen worden.

De perfecte Dragonder is volgens Ludlow van eene middelmatige grootte; niet te groot want grootte is een kenmerk der Carriers, en de Dragonders waren vroeger en zijn ten deele nog de beste Engclsclie vliegers en postduiven — noch te klein, want liet kweeken op eene te kleine gestalte zou onder meer ten gevolge hebben, dat men dwerg-Carriërs of' zwakke, ontaarde nakomelingen zou verkrijgen, welke de kracht, levendigheid en stoutheid zouden verliezen, welke toch alle goede Dragonders moeten bezitten. De Dragonder moet een flink, vleezig lichaam, eene compacte en elegante gestalte, eene goed opgerichte houding, sierlijke bewegingen en een wild, zenuwachtig temperament hebben. Ofschoon de houding „in rustquot; rechtop is, is die toch niet tie rechte en gerekte houding der Carriërs, maar eene, die den omtrek van het lichaam door meer sierlijke boogljjnen wedergeeft;

rechtop moet de Dragonder staan,

maar zoo, dat hij het aanzien heeft van steeds tot een snelle vlucht gereed te zijn.

De snavel moet lang, sterk, goedsluiteud en recht zrjn en van het midden van het oog tot aan de punt ongeveer VJ millimeter meten; deljjn, diede snavelspleet vormt, moet bij verlenging juist door het midden van bet oog

ocr page 296

'288

gaan; do onderkaak moot goed dik en niet uitgehold zijn. ook niet gelijkmatig spits toeloopend, doch bevallig en regelmatig gevormd en aan de punt een weinig afgestompt en zwart van kleur. Alleen de bovensnavel lieet't snavehvratten en deze behooren klein en langwerpig van vorm te zijn met eene regelmatige en duidelijke doelljjn doorliet midden; zij mogen niet over de randen van den snavel hangen en evenmin scheef, oneffen of onregelmatig zijn. De doffers bebben natuurlijk een ,,extra-portiequot; wratten en deze hebben steeds — wat met de jaren bjj de duif ook liet geval wordt zekere rimpels en plooien, die echter op hetzelfde punt — den rug van den snavel — behooren uit te loopen.

De schedel moet smal schijnen, niet juist vlak doch een weinig laag en langwerpig; het achterhoofd oen weinig hooger; dit vergroot de schijnbare lengte en smalheid van den kop en is bovendien een bewjjs van de aanwezigheid van groote hersenen en. als een gevolg daarvan, van grootere waarschijnlijkheid van groote liefde voor hot hok, die alle vliegduiven in meerdere of mindere mate bezitten. Tiet oog moet groot zijn, een weinig uitpuilen en van eene dieji oranjeroodo kleur met een krans van diep en schitterend bloedrood. De vleezige oogring is klein, cirkelrond en van eene zwak gepoederde, witte kleur. De hals moet lang en slank, de bovenhals zeer smal zijn. waardoor de geheele gestalte werkelijk raidver en eleganter wordt. De hals, die met een fraaie bocht gedragen wordt, is ronder dan die der Carriers en neemt van de keel naar de breede borst meer in dikte toe. Het bovenste gedeelte van den rug en de schouders zijn breed en deze laatste komen op den wat smaller toeloopenden romp goed uit. Vleugels en staart zijn tamelijk kort, eerstgenoemde loopen spits toe en worden sierlijk naar boven gedragen, evenals de staart, die den grond niet mag raken. De onderdeelen, van de schenkels naar den buik toe. moeten weinig vleezig en maar schraal en dun bevederd zijn. het geheele gevederte bovendien hard en gesloten. Het loopbeen is lang. de onderschenkel een weinig naar voren gericht, de voet tamelijk groot.

Men kent de volgende klenrvariëteiten;

1. Blauwe — op alle lichaamsdeelen goed en zuiver van kleur.

'2, '/ilverkleurifjc met hrxdne vleugelbanden — zeer bleek en van een teer. witachtig bruin.

3. /ilverldeurige met zwarte vleugelbanden — van een zeer bleek en teer roomgrijze kleur.

4. liouile — diep en prachtig kastanjebruin.

5. Gele — van een diep, helder en prachtig gelijkmatig geel.

0. Grijs- of blauw yeschimmelde — eene soort van peper-en-zoutkleur.

7, Gevleide — zwart en blauw gevlekt op den rug en aan de flanken, overigens blauw.

ocr page 297

280

8. Witte — zuiver wit, soms ook met een spoor van zilverwit aan den iials.

0. /loarlc — overal diep en schitterend zwart, niet blauwzwart.

De blauwe kleur geldt voor de hoofd- en lievelingskleur en tevens voor de eenige vertegenwoordigster van het echte, ware dragondertype.

Behalve en naast eene gelijkmatige zuiverheid van de kleur stelt men ook zuiver zwarte en smalle vleugelbanden zeer op prijs, ofschoon breede juist niet af te keuren zjjn.

Onzuiver, bruinachtig zwart dnarentegen wjjst op kruising mot zilverkleurige exemplaren, welke men zooveel mogeljjk vermijden moet, wanneer men eene werkelijk goede blauwe kleur verkrijgen of behouden wil.

Zoo komen wij eindelijk nog tot enkele opmerkingen over het fokken en kruisen van Dragonders met betrekking tot kleur en vorm. liij den vorm zijn de den kop betreffende punten in de eerste plaats in het oog te houden en vooral de snavel wratten, die bjjna evenzoo moeilijk goed te verkrijgen zjjn als bij de Carriers. Aangezien echter alles, wat daar ter plaatse opgemerkt is, ook voor de Dragonders geldt in de meeste gevallen ook wat de kleur betreft kunnen wc hier des te korter zjjn.

Voor kruising met blauwe Dragonders zijn dus de zilverkleurige niet aan te bevolen, wel echter de onder 7 genoemde zwart en blauw gevlekte. Deze kruising geeft over 't algemeen de zoo hoog gewaardeerde, diep en zuiver blauwe kleur. Jonge, blauwe doffers, met gevlekte duiven gepaard, zullen meestal blauwe jongen voortbrengen en omgekeerd. De van eene kruising gevallen gevlekte exemplaren moet men evenwel niet terugkruisen, zoolang de gevlekte zoo weinig in aimzien zjjn, als tegenwoordig het geval is. De soms te voorschijn komende roetachtig blauwe Dragonders echter kan men met zilverkleurige kruisen, en wel met zulke, die bruine vleugelbanden hebben, welke laatste gemakkeljjk te verkrijgen zjjn. daar zij de kleur zeer getrouw vererven.

Om exemplaren met donkerbruine banden te fokken (zulke met zwarte banden bestaan alleen in do verbeelding' van sommige fokkers) pare men licht gekleurde blauwen, al hebben die ook een lichte stuit en lichte schenkels en zelfs verkeerd gekleurde oogen en snavel.

(iele Dragonders, welke Fulton in het geheel niet als echte Dragonders beschouwt, omdat zij in vorming en houding wezenlijk van de blauwe afwijken, moet men volgens Ludlow en Graham met roode, en roode met zwarte kruisen; men moet zich daarbij echter voor invoering van te veel zwart bloed wachten, wat gemakkelijk te merken is aan miskleurigheid of zwarte vlekjes. Trouwens, elke vermenging van kleuren moet trapsgewijze bewerkstelligd worden; zoo moet bijv. de zwarte kleur niet onmiddellijk in de gele, maar door de roode overgebracht worden enz.

Bauumus, Pluimveeteolt 11. l!i

ocr page 298

'iOO

Wat do bohaiKlüling enz. dor Drugondoi's aangaat, zoo vorlangon do/,o als uitstokondo vliogors — zij wordon in Engoliind als postduiven gebezigd - en als lovondige, strijdlustige vogels, die door hot gebruik van lum scherpen on sterkeu snavel gevaarlijk kunnen wordon, oen zoo groot mogelijk bok en eene groote vliegruimte en mogen niet met zwakkere rassen in één Itok samen worden gebonden, liet is zelfs aan te bevelen, dat men hun door op een voldoenden afstand van elkander geplaatste nestbokken belet, elkander te bevechten. Zij zijn bard genoeg om vrjj buiten te vliegen en worden daardoor des te harder en veerkrachtiger.

Espanet beweert, dat de Fransclie Dragonders -— Piyeons cavaliers, (.ol. cqaes — een kruisingsproduct van Kroppers en Homeinscho duiven zijn. Klaarblijkelijk echter heeft hij verschillende „variëteitenquot; onder zijn 0lt;u' ras bij elkander gebracht, daar „verscheidene van deze — dus niet alle snavelwratten en roode oogringen hebbenquot;. \ erdor zegt hij van het,.fraaie en vruchtbare rasquot;, dat het den krop ingetrokken en don kleinen kop naar achteren gebogen draagt, wat het een trotsch en strijdlustig voorkomen geeft en aan een aantal dezer variëteiten den naam Farauds heeft doen geven.

Deze Cavaliers forniids zijn gestrekt van lichaam en staan booger op de pooten dan de beide andere variëteiten: le Cavalier ordinaire en Ie Cavalier cspagnol, die grooter dan andere maar minder vruchtbaar zijn.

Naar de weinige gegevens, die Fulton aangaande de oude Engolsche „Horsemenquot; geeft, te oordeelen, zou men geneigd zjjn iudc Cavalier* meer of minder veranderde nakomelingen van dat dnivenras te zien. Ook de hetzelfde beteekenende namen doen zulks vermoeden. Fulton zelf houd tde „llorsoncuquot; voor de voorouders der tegenwoordige Engelsehe Bagdetten, Dragonders i'u Carriers.

In Duitschland stelt men aan een volmaakten Dragonder de volgende eischen:

Hij moet van middelbare grootte, van do snavolpunt tot het einde van den staart IlS 40 centim. lang zijn. compact van lichaamsbouw, opgericht van houding en levendig en vurig van temperament. De kop, die van achteren breed is en naar den snavel toe wigvormig smaller wordt, moet met zachte huigingeu in nek en voorhoofd overgaan. De snavel is tamelijk lang, dik en recht; de benedeusuavel moet bjjzondcr sterk zijn en vast tegen den bovensnavel sluiten; alleen de bovensnavel mag wratten hebben, fijn van weefsel en glad van oppervlakte, van achteren breed en naar voren toe langzamerhand dunner uitloopend. Het levendig roode en zeer vurig uil-ziende oog is door een bijna cirkelronden, dunnen, vleezigen rand omgeven, welks grootte met die van de snavelwratten in overeenstemming moet zijn; de kleur van dien rand moet bij de blauwe, zilvervale, gemeleerde en

ocr page 299

■2!)f

gcliiiiiioi'do variötoiton zou duiikor luugoljjlv zijn. Du korto lt;'n dikko. doch iiiiu lt;lr keel (luniic huls. zondor con spoor van keelzak, moet bi'oed uit de schouders te voorschijn komen; de horst moet breed /ij u cn goed naar voren treden, de rug vlak en naar achter schuin afioopen. De sterke vleugels liggen aan den boog los tegen liet lichaam en worden sierlijk boven den staart gedragen, welke kórt en gesloten is en ongeveer met den rug in ééne 'jjii 1'gt. De van voren brecde, licht geronde buik is ingetrokken. De korte beenen hebben sterke, gespierde schenkels; loopbeen en teenen /ijn onbevederd.

Er zijn blauwe, blainvgchanierde, zilvervale — alle met zwarte vleugelbanden — roode, gele en gemêleerde Dragonders. De blauwe moeten gelijkmatig en duidelijk van kleur zijn, doch niet donker; bij do gehamerde zjjn alle veereu aan de vleugels en den rug donker geteekend. J)e zilver-vale moeten zoo licht mogelijk zjjn en de vleugelhanden zoo zwart mogelijk. Bij de roode en de gele moet de kleur duidelijk en egaal zijn; bij de gemcleerde moet het wit niet te zeer de overhand hebben, maar zoo gelijkmatig mogelijk over het zwart en blauw verdeeld zijn; de hals is jjsblauw met een donkeren weerschijn.

12. /)(• llagdel. — C. hihcrcidosa. ((7, lahélUtvict) The Carriry.

I.rltor-rcirner. I.c I 'itjeon Bagadnis Die BrKjilelle, Piif/ddflltc,

Wat don nnamsoorsprong van dit duivenras aangaat, hierover liepen en loopen misschien nog de meeningen uiteen. In oudere gescliriften vindt men ook de namen l'avdotte, Pavdete en 1'avodete. welke naam volgens lt;1. Jj. Friseh afgeleid is van Pavo = pauw en naar zjjne meening beter voor de Pauwstaartduif past dan voor de eene of andere soort van Turksche duif. Men meeut tegenwoordig echter zeker te weten, dat dit ras voor eenige eeuwen uit Bagdad, de oude hoofdstad van l'erzië, naar klein-Azië en vandaar verder westwaarts gebracht is en dat het van die stad zijn naam draagt, waarom de naam Bagadet of Bagdet dan ook juister moet zijn dan Pagadet.

\an de verschillende vormen der Bagdetten zijn er voornameljjk twee onderrassen, welke in Europa op hunne bijzondere eigenaardigheden gefokt worden, n.l. de Engelsche en de Kransche, hoofdzakelijk echter de eerste, welke in Engeland onbetwist den eersten rang onder alle Faiicij-iüiieous inneemt en een voorwerp van sport is, doch zich ook op het vaste land van Lm opa eene eervolle plaats onder de luxe-duiven heeft verworven.

ocr page 300

2nc2

a. De Engelsche Dagdet of Carrirr. Fig. 07, 08, 00 on 20.

De Engelsclio Bagdet of Carrirr, cl. w. z. briefdrager of postbode, is in alle karakteristieke punten verreweg liet meest ontwikkelde onderras der Bagdetten. Deze duif werd vroeger werkelijk als postduif gebruikt, doch de stelselmatige vergrooting van hare oogringen en snavelwratten, die baar tegenwoordig beletten voor zieb uit te zien. iiebben baar als zoodanig waardeloos gemaakt. Dat zij vroeger uitstekend beeft kunnen vliegen en dat zeker nog wel zou kunnen, bewijst de uitstekende bouw van bare beenderen en spieren, waarin zij volgens Fulton door geen enkel duivenras wordt overtroffen, al beeft die dan ook reeds veel van bare vroegere krachtige ontwikkeling verloren.

De moderne vorm van den Carrier is naar Engelsche begrippen zoo aantrekkelijk, zoo „betooverendquot;, dat „hij, die den Carrier niet bewondert, geen ware dui venlief hebber is.quot; Het vreemde van de geheele verschijning, de moeilijkheid om in elk opzicht volmaakte modelvogels te fokken en de zeer hooge prijzen, welke voor goede exemplaren worden besteed, misschien ook wel de werkelijk interessante eigenaardigheden zelfs van onvolkomen exemplaren. — dat alles zeker te zamen heeft de Carriers tot de lievelingen, tot de boogklasseduiven van de aristocratie der Engelsche en ook andere duivenliefhebbers gemaakt. Daarbij komt nog do „spanningquot; waarin de fokker verkeert gedurende den langen tijd, dien de Carriers behoeven om zich volkomen te ontwikkelen, vooral in de beide hoofdstadiën der ontwikkeling, welke intreden op den leeftijd van ongeveer 6 maanden en van 18 tot 24 maanden, terwijl ook nog het derde jaar noodig is voor de volkomen vorming van deze merkwaardige — in het oog van zoo velen toch leelijkr duiven.

En juist dat, wat ze zoo leelijk maakt en geheel en al van bet ideaal der duivennatuur doet afwijken, dat lecbjke zeldzame is bet, wat de liefhebber door alle mogelijke middelen tracht te bereiken en zoo mogelijk nog te vergrooten : n.1. de oogringen, den langen cyliiidrischen snavel, de vlcesch-massa's op en om dien snavel, benevens nog andere „sieraden' , welke anders in den regel weinig aantrekkelijks hebben. Waarlijk, over smaak en mode valt niet te twisten!

De Engelsche modelvogel moet, van de snavelpunt over den kop tot aan bet einde van den staart, eene lengte hebben van 4.ri0 tot 443 millimeter en hoog opgericht op lange, sterke pooten staan, zonder dat de staart den bodem raakt. De lange hals moet eveneens gerekt zijn, kop en snavel moeten horizontaal gedragen worden en eene trotsche en koene uitdrukking hebben, welke nog vergroot wordt door de sterk naar voren tredende borst.

ocr page 301

293

Tegen deze. wel niet den aard der duiven ovoreenkomende eigenseliapiien valt niets te zeggen; doeli er zijn nog andere, welke voor het grootste gedeelte niets „duifaelitigsquot; hebben. Het hierbij gevoegde, aan Pulton ontleende diagram geeft een overzicht van do verhoudingen.

Wat de Carriers van alle andere duivenrassen onderscheidt, is de vorm van

betrekkelijk gemakkelijk te fokken.

De snavel moet drie „eigenschappenquot; bezitten; n.1. lengte, dikte en een juiste vorm. Bij een symmetrisch gevormden ('arriër moet de snaveliengte, van het midden der pupil tot aan de snavelpunt gemeten, IJquot; = 47,5 millimeter bedragen. De snavel moet echter niet alleen lang zijn, doch ook door den vorm en de aanzetting der snavel wratten nog langer schijnen dan

ocr page 302

'294

liij werkelijk is. — Verder moet hij sterk en goed gevormd zjjn, d. \v. z. dik, massief, recht en aan de punt afgestompt; de beide snavelhelften moeten gelijkmatig dik zjjn en nauwkeurig op elkander sluiten en de ondersnavel moet hijna even lang zjjn als de bovensnavel; kortom, de bek moet een echte box-hei(1; zijn. Korte en dikke of lange en dunne snavels — spindle-beaks — laten zich gemakkeljjk fokken, doch zjjn grove fouten: is de bovensnavel dikker dan de ondersnavel of steekt lijj gekromd over dezen heen, zoodat de beide helften niet goed op elkaar sluiten, dan kan dit gevaarljjk worden voor de gezondheid en het leven der dieren, aangezien daardoor het uitdrogen van de mondholte, kanker en liet afbreken van den ondersnavel de gevolgen kunnen zjjn.

Steekt do bovensnavel over don ondersnavel lieen, dan mag men — en dit is werkeljjk in het belang van de dieren — het overstekende gedeelte zorgvuldig en voorzichtig wegsnijden en de punt bevijlen: en dit is maar al te vaak noodig, daar de beide snavelhelften zelfs bjj de beste exemplaren meestal slechts 'J a .quot;i jaren goed sluitend blijven. Een reeds bij jonge dieren goed gevormde snavel is de beste waarborg voor de ontwikkeling van de belangrijkste en zeldzaamste! van alle eigonschappen der Carriers, de

Snavel wrat le», IJenk-uxdtlus, Deze leeljjke, korstige vleeschuitwassen gaan, daar /,jj in den volmaakten modelvorm liet moeilijkst te fokken zjjn, bij onze stamgenooten aan de overzijde van het Kanaal voor het non igt;lus ultra door van al wat aan den Carrier wenschehjk is, en zjj, die beweren, dat zij die niet als de hoofdzaak beschouwen, „houden zich slechts zooquot;, zooals Fulton meent. ISru zjjn Fulton echter, zelfs gedurende een lang tijdsverloop, op zijn hoogst slechts 20 Carriers onder de oogen gekomen, die eenigszins bevredigend bjj benadering aan de modelgestalte van het diagram konden voldoen; volmaakte echter nooit. ])at model is dan echter ook willekeurig genoeg. Men denke zich slechts de heide erkende typen; de lolvorm - — zoo genoemd, wanneer de wratten dicht bij het voorhoofd het hoogst zjjn en verder naar de snavelpunt toe trapsgewijze kleiner worden — en de wal-noolvovm, ook wel bioemkoolvorm genoemd, zoo mogelijk met een stoffijn wit poeder bedekt en meer dan -j gedeelte van den snavel bedekkende! Dit is echter nog niet alles: de li doelen IJ', Bquot; en 15quot; in tig. !gt;7 moeten zich sierlijk geproportioneerd boven elkander verheffen en van boven goed gerond zjjn, liet achterste gedeelte zoo naar voren gebogen, dat de oogrin-gen beter uitkomen en het gezicht langer schijnt dan het is. De wratten van den benedensnavel moeten ongeveer op dezelfde wijze gevormd zjjn als die van den bovensnavel: C' slechts een kleine puist of wrat, Cquot; ongeveer dubbel zoo groot en Cquot;, de achterste, dubbel zoo groot als C', terwijl zjj verder, boven- en benedenwniUen, zoo gevormd moeten zjjn, dat zij bjj ge-

ocr page 303

295

sloten snavel slechts ééue massa sclijjnoii, Cquot; is aan den bovensnavel bevestigd en luuigt alleen over den benedensnavel. De omvang van dit vlcezig gewas behoort bjj een vogel van den eersten rang op den leeffjjd van 3 a 4 jaren 63 a 101 millimeter te bedragen; de laatstgenoemde maat gekit voor extra-good, terwijl 108 miliim. eene zeldzame uitzondering is. liet hoogste gedeelte ervan reikt tot ongeveer 1'2 miiliin. boven den schedel. JJit alles geldt alleen van den tolvonn. De wal-nootvonn onderscheidt zich hiervan daardoor, dat liet geheel slechts ééne rond-achtige massa is, die, wanneer w symmetrisch is gevormd, aan den achterkant goed van den schedel afgebogen en aan allo kanten goed gevuld is, zooals de oppervlakte van een bloemkool, even hoog geschat wordt als de tolvonn, doch ook even moeilijk te verkrijgen is, fig. 08.

De snavel wratten zijn nooit volkomen ontwikkeld vóór den leeftijd van 3 jaren, Ki^. os, Walnootvorm-Bnnvol van soms echter zelfs eerst na (i of 7 jaren. llcn ^nn''lquot;r'

Bij de ouijrinijcn of oogwifKeti Eye-walllea is regelmatigheid der vorming eene eerste vereischte. Zjj moeten cirkelrond zijn en het oog moet juist in liet midden ervan liggen; de buitenste kring scherp en regelmatig gekorven, (f, tig. 07, de binnenzoom F regelmatig dunner worden, naarmate hij meer nabij het oog komt.

De grootte der oogringen behoort bjj een volkomen volwassen doffer 28 miiliin. te bedragen—hoe grooter des te beter en zelfs tot 38 miiliin. doch met een zoo buitengewone grootte gaat zelden of nooit eene zoo ge-wenschte fijne textuur gepaard: ook zijn bij zoo groote oogringen nooit de snavelwratten naar evenredigheid ontwikkeld of is de snavel lang genoeg, zoodat er tusschen deze eene wanverhouding ontstaat, die bjj het fokken van goede exemplaren altijd dient te worden vermeden. Als de middellijn der oogringen van een vogel van 12 maand 20, van 18 inaanden '25 en van 2 jaren 28 millimeter is, dan is dat met betrekking tot de andere goede eigenschappen van den kop voldoende.

De oog- en snavelwratten behooren bleek vleeschkleurig te zijn en als met een fijn wit poeder bedekt. De lucht verandert echter deze kleur in rood en gaat ook den groei der wratten tegen. De vrij vliegende Carriërs zijn dus meer tijd noodig voor de ontwikkeling der oog- en snavelwratten dan de opgeslotene, doch worden ook harder en sterker. De oogen zijn gemakkelijk goed te fokken.

ocr page 304

29«

De schedel moof: zoo smal mogelijk zijn en wel overal even smal, bij 1) evenals bjj E. liet meest af te kernen is een naar den snavel V-vormig toeloopende schedel; dit is de karakteristieke schedelvorm der Dragonders en moeilijk weg te fokken. Men moet evenwel aan een smullen schedel niet al te veel gewicht toekennen, daar hij dikwijls door kunstmiddelen schijnbaar „verbeterdquot;, dat is smaller wordt gemaakt.

De keel, die van de kin tot den eigenlijken voorhals .) reikt, is eveneens een belangrijk en tevens een der „fraaistequot; punten, zonder welke een vogel, al heeft hij overigens ook alle goede eigenschappen, niet tot de hoogklasse-vogels gerekend kan worden. De keel moet sierlijk naar binnen gebogen zijn — niet vol of naar voren gericht — zoodat eene lijn van den schedel tot aan het punt E, de „dieptequot; van den kop zoo weinig mogelijk doet uitkomen. Door deze eigenaardigheid schjjnen de snavel en de hals dunner en dientengevolge langer dan zij werkelijk zijn. Eene volle keel is ook moeilijk weg te fokken en een stam, die met deze fout behept is, geeft weinig kans op in dit opzicht goede nakomelingen.

De hals moet lang en vooral slank gebouwd, van ter zijden en vooral van voren dun zijn en „smal uit de schouders komenquot;. Deze zoo „aantrekkelijkequot; eigenaardigheid van een goeden Oarriër is dikwijls bij jonge vogels van 12 a 1.quot;) maanden aanwezig, doeli na dien leeftijd komt zjj slechts zelden naar eisch voor. De lengte van den hals wordt gemeten van liet punt II. aan het achterhoofd, recht tegenover liet oog, tot het punt K en van het punt E bij de keel tot aan hetzelfde punt, dus door de lijnen IIKenEK. Die lengte, alsmede de geheele trotsche, opgerichte houding van den vogel, komen des te beter uit, naarmate de snavel horizontaal of een weinig naar boven gericht gedragen wordt, welk laatste aan een goeden kop en hals eigenlijk de gewenschte houding geeft.

De schouders moeten zoo breed mogelijk zijn en zoo ver naar voren gericht, dat een dwars over den voorkant der borst gelegde liniaal slechts weinig van den voorrand af staat. Beter nog is het, dat er zich bij M tus-schen do schouders, van den hals tot den benedenrug, een kleine inbuiging bevindt. Worden de vleugels zoo vast tegen het lichaam gedragen, dat de schouders gerond schjjnen, dan ontstaat er een zoogenoemde zwjjnsrug — hog-back — die zeer is af te keuren.

De vleugels hehooren zoo gesloten gedragen te worden, dat de Ijjn KN slechts kort is, waardoor de lengte en vorm van den onderschenkel beter uitkomen. Hangende vleugels geven aan een vogel het voorkomen van te laag op de pooten te staan.

De onderschenkels moeten gespierd, goed gerond en met zachte, korte veeren bedekt zijn. Zij hehooren van N tot 1! gemeten een „passende*quot;

ocr page 305

'I'M

ocr page 306

•ÜOS

üiclitslengto van 50 a 55 millim. — van Iiot midden van hot oog tot tie snavelpunt genieten ■—, een middellijn van de oogringen van tot 32 millim, l)jj volkomen ontwikkelde exemplaren, en, zoo mogelijk, een witten snavel.

Volgens F. T. Wiltshire, een der voornaamste fokkers en exposanten, en Fulton beliooren de volgende kleuren tot de correcte:

1. Kiep ravenzwart met metaalglans, zonder eenige vermenging bijv. met blauw en zonder een spoor van vleugelbandeii. Deze komen hoofdzakelijk in liet westelijk gedeelte van Engeland voor.

-• Zaclit (jniidbruin — dun —, dat er noch verschoten, noch hard (ten gevolge van vermenging met blauw) mag uitzien en eveneens geen spoor van vleugelbanden mag vertoonen. Aangezien deze teêre kleur door de zon en de lucht echter licht verbleekt, geven sommige fokkers de voorkeur aan een meer harde kleur, die in de vrije lucht niet lijdt.

.'i. Zuiver Uchlhlaiuv, met zwarte vleugelbanden.

4. Fraai wil met „hidl-cyesquot; (donkere oogen).

Marten maakt ook nog melding van chocoladeldeuriije en zegt, dat bet blauw der Carriers geen eigenlijk liclühlauw maar meer slacdblanw is.

Aangaande het paren en fokken dezer duiven hot volgende;

Met betrekking tot hot fokken up de kleur heeft de ervaring aangetoond, dat eene voortgezette paring van zwarte Carriers den metaalachtigen glans van het zwart doet verloren gaan. Om dezen te behoiulen, paart men meestal zwarte doffers met bruine duiven, doch ook bjj deze paring kan men alleen bevredigende resultaten verwachten, wanneer beide kleuren normaal zijn, d. w. z. in geen geval een bewijs van vermenging mot blauw vertoonen. Door een goed donker cn zacht bruin wordt het zwart van een duivenstam spoedig verbeterd. Aangezien de slechtste kleur in den tjjd van 3 jaren in eene goede veranderd kan worden, terwijl de veel belangrijker punten als snavel, oog- en snavelwratten, hals en pooten een menschenleeftijd noodig hebben om de volmaaktheid zoo nabij mogelijk te komen, is het aan te raden, aan de meer belangrijke eigenschappen, wanneer deze anders niet verkregen kunnen worden, onbepaald de voorkeur te geven boven de kleur.

Een gevolg van de gewone paring van zwarte doffers met bruine duiven is nu evenwel het zeer merkbaar gebrek aan goede zwarte duiven. Om deze te verkrijgen is paring van een bruinen doffer met een zwarte duif het verkieslijkst, beide volwassen en ongeveer van denzelfden leeftijd of eene duif van 11 a '2 jaren met een 5 a (i Jarigen, sterken zwarten of bruinen dotter. Daar nu de constitutie der nakomelingen in hoofdzaak van de duif, kleur en gestalte meest van den doffer komen, moet men in alle bovengenoemde gevallen in de eerste plaats voor eene zoo groot en krachtig mogelijke

ocr page 307

20f)

zwarto duif zorgen. Evenwel kennen of volgen slechts weinige fokkers den zoo aan te bevelen regel om n. 1. het eerst gelegde ei weg te nemen en door een nestei te vervangen, totdat het tweede •—■ gewoonlijk een vrouwelijk ei — gelegd is. In dat geval toch komen beide eieren terzelfder tijd uit, terwijl anders het duifje, dat eenige uren later ter wereld komt, licht gevaar loopt in groei ten achter te bljjven en later een geheelen stam achterljjk te doen worden. Zorgt men tevens voor twee paren pleegouders; waarover later, dan kan de jonge duif aan één paai' daarvan worden gegeven en tengevolge van een rijkelijker voeding groot en krachtig worden.

Het is opmerkeljjk, dat de meest»! zwarte Carriers, die de grootste en zwaarste wratten hebben, slecbt van kleur zijn, zoowel wat den snavel als liet gevederte betreft, /ij worden dan daarom ook dikwijls afgekeurd, doch zijn niettemin voor den fokker van onschatbare waarde.

Hunne kleur kan. zooals reeds opgemerkt is, gemakkelijk door paring met bruine exemplaren verbeterd worden, terwjjl hunne grootte en gewoonlijk sterke constitutie hen tot bot beste fokmateriaal verheffen.

Goede blauwe Carriers, en wel zulke met zelden fraaie zwarte vleugel-banden. vallen er dikwijls door paring van blauwzwarte met zuiver zwarte exemplaren; het tweede jong is dan gewoonlijk zwart of bruin. Deze; door zwarte gefokte blauwe duiven hlach-IMd -—■ hebben voor den fokker eene te grootere waarde, omdat zij ten gevolge van hunne afstamming beter van wratten zijn voorzien dan de eigenlijke blauwen zelf. Zij leveren (ook een goede zilverkleurige dotter), met goede en groote blauwzwarte duiven gepaard, de best gekleurde en de best van wratten voorziene blauwen op, die men te zien krijgt. Valt de kleur ook niet dadelijk correct uit, dan is deze door verdere kruising met blauwe gemakkelijk te herstellen. De kruising van blauwe met zilverkleurige moet zich alleen bepalen tot verbetering van de kleur.

Om „te fijnequot;, dat wil zeggen onvoldoend van wratten voorziene blauwe duiven in dit opzicht te verbeteren, pare men een zeer lichtkleurige bruine duif met een blauwen of desnoods ook met een zilverkleurigen doffer. Verkrijgt men bierdoor niet de gewenschte kleur, dan zal die toch bijna zonder uitzondering ontstaan, wanneer men de Jongen op dezelfde wijze weder paart.

Daar bet fokken van zuiver witte Carriers of' van eene andere zeldzame kleur een veelbelovend open veld voor ondernemende liefhebbers is, mogen wc hier zeker wel eene door Fulton aanbevolen methode aanhalen.

Men pare witte Dragonderdotters, die een ,,to langen snavel en te veel oog- en snavelwrattcn hebbenquot;, zooals er bij menigte voorkomen, met blauwe, liefst lichtblauwe Carriër-duiven met een witte stuit, en die niet alleen een langen snavel hebben wat noodig is om het Dragonderbloed mede te

ocr page 308

.'UK)

Iielpou maar ook in do staart-, vleugel- en alle andere Cairiërpunten zoo goed als mogelijk zijn. De jongen, die in kleur het meest met de verlangde kleur overeenkomen, moeten met goede zilverkleurige duiven gepaard worden en dan zullen sommige der verschillende kruisingen bepaald één ot' twee geheel witte duiven opleveren. ()m versch en nawerkend bloed in te voeren, zal men met bruin en zwart gevlekte moeten kruisen, welke gewoonlijk goede en krachtige vogels zijn en, met do zwakkere witte gepaard, deze in menig opzicht deugdelijker maken. Op deze wijze zal men in eenige jaren een stam fijne witte Carriers kunnen verkrijgen.

J)at men hy allo kruisingen op de kleur het liefst een doffer van de verlangde kleur kiest, om dezen met cene jonge, krachtige duif te paren, behoeft zeker nauwelijks herinnerd te worden.

Wat bij het fokken van Carriers veel moeilijker is, is het tot stand brengen van de vroeger reeds genoemde voorname wrwpunten, welke dit duivenras juist zoo interessant maken en het in Engeland tot het eerste van alle duivenrassen heeft verheven.

Als eerste voorbeeld kiezen we twee koppen, voorgesteld in tig. IUÜ en

101, van welken die van den doffer /.eer groote snavelwratten heeft, welke het ideaal in alle opzichten zeer nabij komen. Hij is echter down-faced — laagzichtig — d. w. z, dat de snavel niet horizontaal, maar een weinig naar beneden gericht is.

Zelden of nooit bezit een Carrier tegen het einde van zijn derde levensjaar zoo sterk ontwikkelde snavel wratten zonder laagzichtig te worden, daar het betrekkehjjk groot gewicht der wratten, in verband met den dikwijls goeden, krachtigen snavel, dezen langzamerhand naar beneden doet zakken. Zjj zjjn bovendien ook veel te groot in vergelijking mot de kleine en onre-gelmatig gevormde oogringen. Zulke vogels worden daarom door menigen fokker van de hand gedaan en deugen dan ook niet voor tentoonstellingen.

ocr page 309

ncn

Toch hebben zij, in banden vnn fokkers gekomen, die de waarde ervan kenden, exemplaren opgeleverd, welke door bnnne vroegere bezitters met verbazing werden aangestaard.

Natuurlijk: ze bebben te veel wratvleeseb op de ééne plaats en te weinig op eene andere. Groote snavelwratten gaan echter bijna altijd met een forschcn snavel en gewoonlijk niet eene aanzienljjke licbaamsgrootte gepaard: en daar bovendien zoo groote vogels met zulke groote snavelwratten gewoonlijk vroeg-broed zijn. bebben zjj ook Hink lange staart- en slagpennen, wat in vereeniging met een langen bals en rechte pooten werkelijk eene voor-deelige toegift is. Laat-broed geeft niet licht groote, sterke vogels; zjj verwisselen de kielveeren niet in hetzelfde seizoen, zooals vroeg-broed, zoodat men natuurlijk van laat-broed ook jonge dieren krijgt met kortere vleugels en staart, een gebrek, dat door paring met vroeg-broedduiven verbeterd kau worden.

Dat tengevolge van kleine oogwratten de schedel te breed lijkt, is van geene beteekenis, daar hij met de toenemende ontwikkeling dier wratten werkelijk smaller schijnt te worden; doch zelfs exemplaren met een breeden schedel hebben nog groote waarde, wanneer zjj maar een goeden massieven schedel hebben en gepaard worden met duiven, die de bij de doffers ontbrekende eigenschappen bezitten.

Beschouwen wij nu eens eene klasse van rhriven, welke geschikt zijn om mot met de hiervoor beschreven doffers een ,,eerste-klasse-stamquot; voort te brengen, tig. 101.

Hier treft men in de eerste plaats de omgekeerde verhouding tnsschen de snavel- en oogwratten aan: de eerste zijn veel te weinig, de laatste veel te sterk ontwikkeld. De naar verhouding kleine snavolwratten doen het gezicht (den snavel) langer schijnen dan het werkelijk is, daar er een groot deel van den snavel vóór de wratten en ook nog eene ruimte tnsschen deze en de oogen vrij blijft. Het voorste gedeelte van de wratten is, weliswaar, klein, maar toch goed gevormd; het middelste is echter veel te klein en dat is een groot gebrek; bovendien bestaat het achterste en grootste gedeelte uit één stuk en is dat niet naar behooren gevormd. Aan den benedensnavel is het voorste gedeelte der wratten behoorlijk geplaatst; het tweede gedeelte is al bijna op dezelfde wijze gevormd en het oogensclijjnhjjk derde gedeelte ontbreekt bij bijna alle duiven, daar bij haar de wratten aan den bovensnavel niet voldoende ontwikkeld zijn om als aan den benedensnavel bevestigd te schijnen. De oogringen daarentegen zjjn van aanzienlijke grootte, zoogenoemde „vleeschoogenquot;, en zoo teer van weefsel, dat zjj licht dubbel plooien —■ „spout-eijcclquot; — en dan niet alleen leelijk lijken, maar ook een waterige vloeistof afscheiden, die zich in de vele plooien verzamelt en

ocr page 310

UO'A

daarin 'iljjl't staan. Hot 0()igt;' moot daatoin van tijd tot tijd mot huw wator uitgovvassoiion wordon, waarna mon hot mot oon zacht dookjo droog' maakt on de ooglodon mot oom vor.sch on ongozonten vet bestrijkt. Duet men dit niet, dan loopt men gevaar, dat de oogon ontstoken geraken, beginnen te etteren en verloren gaan. liet leven van do duif' zelfs kan daardoor in gevaar komen en de eieren of' jongen wordon in die omstandigheden licht verlaten. Men moet daarom, zoodra zich daartoe de gelegenheid aanbiedt, maar dadelijk een meer werkzaam middel aanwenden, 't welk hierin bestaat, dat men het overtollige wegsnijdt. Wat hiertegen ook moge aan te voeren zijn, oude fokkers erkennen de waarde van zulke duiven en de niet moeilijke operatie, waartoe men dadelijk bij het ontstaan der eerste plooien moet overgaan, is, wanneer ze tijdig en met zorg wordt uitgevoerd, van weinig beteekenis en mon is er ééns voor altijd door geholpen.

Eene zoo sterke ontwikkeling der oogwratten doet de duiven van deze soort bijna altjjd zeer smal van schedel schjjnen en vereffent in dat opzicht dus het gebrek bij don doffer. Verder hebben de duiven van deze klasse in den regel ook een beter gevormde keel en een fraaier gevormden, langen lials dan die welke van meer zware snavelwratten zijn voorzien, eene eigonsehap, welke haar eveneens geschikt maakt tot paring met de beschreven doffers, die bijna altjjd „dik in don halsquot; worden.

Hierhjj kan gevoegelijk opgemerkt worden, dat over 't algemeen eene paring van eene li-jarige duif' met een 1.',-jarigen doffer het meest is aan te bevelen.

Beschouwen wij nu de iu tig. 102 en i03 afgebeelde koppen. Do eerste is die van eene 9 a 40 maanden oude duif, het type van een „eerste-klassequot;-duif van dien leeftijd en waarschjjnljjk, wanneer alles goed is gegaan, het product van het paar duiven, waarvan tig. 100 en 101 de koppen gaven. In de eerste plaats beschouwen we den vorm, de lerxjle en de dikte

ocr page 311

van (ion smivol. Door zijn ^ood gopi'opoi'tionoorncn vorm sclijjnl liij otis buitengowoon lang toe, ol'schoon lijj workolijk slochts ceno nonnalo lengte heeft, namelijk 44 inilliineter ^). Deze fraaie vonn van den bek is echter van eene grootere waarde voor den lokker dan een werkelijk langeren snavel, die echter wegens de grootte en den vorm dor snavehvratten korter schijnt. Een tweede voordeel is, dat do hoven- en de benedensnavel even of bijna even dik zijn en dat deze over hunne geheele lengte in eene rechte lijn sluiten. Dit zijn de kenmerken van den welbekenden, zoo zeer (legeerden, doch zoo zelden voorkomenden ..ho.r-hcukquot; der liefhebbers van Carriers. Men groot voordeel van zulke snavels bestaat hierin, dat zij veel vollere en meer stevige wratten krijgen dan de dunne snavels. De meeste Carriers zijn in dit opzicht foutief, daar hun benedensnavel gewoonlijk meer massa heeft dan de bovensnavel, en het mag als eene onveranderlijke wet ln'-schomvd worden, dat doffer en dnif in dit opzicht nooit goed zullen bijjven, wanneer zij het in luiiine jeugd niet reeds zijn. daar de snavels met den leeftijd dikwijls slechter doch nooit beter worden.

AVat de snavehvratten betreft, deze zjjn aan den achterkant sierlijk afgerond en laten eene flinke ruimte tusschen zich en de oogTintren over. ook

O O

wanneer beide zich volkomen ontwikkeld zullen hebben. Hoe grooter deze tiisschenruinite is, hoe bevalliger de duif er uitziet, en hoe hooger de zoo gevormde wratten zijn, hoe grooter die tusschenruimte zal schijnen, hoe langer ook het gezicht (de snavel) zal lijken. Alleen in geval de snavelwratten buitengewoon groot zijn, zullen deze. en wel dicht bij den snavel, de oogwratten raken, doch nooit zullen beide zoo dicht tegen elkander aan gedrongen worden, dat de als „crowded togetherquot; aangeduide fout ontstaat, d. w. z. dat ze als 't ware één zouden worden.

Verder is de regelmatige vorming van de oogwratten een fraai punt aan den in tig. 102 gegeven kop. Deze wratten zijn rond, het oog ligt in het midden ervan en zij breiden zich regelmatig naar alle zijden daarvan uit. Deze goede eigenschap is regel bij jonge duiven beneden de 12 maanden: niet echter hij jonge do/fers, welke maar al te vaak geneigd zijn tot dien vorm, die „\nnch-eijesquot; genoemd worden, dat wil zeggen, dat de oogwratten aan den achterkant der oogen gebrekkig van vorm zijn. Evenwel hebben ook wel meer dan 12 maanden oude duiven neiging tot deze font. en wel bepaaldelijk bij de beste soort van oogwratten, n.1. zulke, die dun zijn eti die, als zij regelmatig van vorm en netjes gezoomd zjjn, zoo goed staan, zoo weinig last veroorzaken en maken, dat de dieren er „dun in de wangenquot;

1) J)o/e afbooliling is zeker Icloiner genonion dan tie oorsproiikolyke, daar eene muting ulecliU 30 uiillim. geelt,

ocr page 312

run

on „smal van soliodclquot; uitzien. Duiven mot dikke, vlcczige oogringen daarentegen krjjgon wol iii(^t zoo licht p'mch-cijes, doch zjjn dik van wangen on van kop, van voren smal on van achteren broed van schedel, oono font, welke, nit die oorzaak ontstaan, mot toonomendon ieeftjjd natuurlijk erger wordt.

Een andor goed punt oindoljjk is do vorm van de kool, welke eene sierlijk gebogen Ijjn vormt on zoover uitgesneden is, dat zij mot een goed-gevormden snavel er voel toe bijdraagt om het gezicht lang te doen schijnen.

Hjj dezen (?)(/rckop bolioort. als 't ware, als product van de beide eerste koppen, de in lig. 1 Oli voorgestelde Jo/^erkop, al is die dan ook oen weinig geïdealiseerd. liet is een van een iti a 15 maanden ouden dotter en gelijkt in de eerste plaats op den duivoköp door den vorm van donsnavel, die alleen een weinig langer en wat dikker is, zooals dit bij doffers in den regel liet geval is. Mier is met opzet de kop van dezen, reeds wat ouden doffer gekozen, om een beeld to geven van do wijze, waarop „eerste-klasse wrattenquot; er in het eerst uitzien. Het te voorschijn komen dezer wratten is de beslissende ontwikkelingsperiode en altijd een zorgvolle tijd voor den fokker: do tijd, waarop de drie verschillende doelen van de snavehvratten zich beginnen te ontwikkelen. Het achterste en hoogste gedeelte ervan is soms niet voldoende, soms ook te sterk ontwikkeld. Het moeilijkste pnnt is echter het middelste gedeelte: heeft dat bij een vogel van 15 maanden niet den juisten vorm en eene voldoende grootte, dan zal het die nooit krijgen; want juist dit gedeelte groeit het langzaamst op Interen leeftijd en eene meer sterke ontwikkeling ervan bij een jongen vogel is daarom meestal een waarborg voor eene verdere normale ontwikkeling van het geheel, daar de beide andere, schraler uitziende doelen licht voller worden en eene juiste verhouding tusschen de drie doelen onderling bewerkstelligen.

Aangezien nu met op deze wijze gevormde snavels en bovensnavelwratten ook altijd goede wratten aan den benodonsnavol gepaard gaan, is in dat geval het moeilijkste punt bereikt.

Verder schijnt de gezichts- of snavellengte van dezen kop aanzienlijker dan zij inderdaad is; eon gevolg van do hiervoor beschreven goede wrat-vorming. die eon behoorlijk lang gedeelte van den snavel vrij laat, alsmede eene voldoende tusschen ruimte tusschen de snavel- en oogwratten, want in werkelijkheid bewijst cone meting, dat de snavel niet moor léngte heeft dan bij oen goeden vogel veroischt wordt n. 1. 47,5 millimeter (in fig. 1OJ! slechts 40); een bewijs, dat oen buitengewone lengte van den snavel niet absoluut noodig is om het oog van den beoordoelaar tot zich te trekken ot liet dier tot een der meest volmaakte exemplaren te maken; hier bljjkt weder de grooto waarde van juiste verhoudingen in ieder opzicht.

ocr page 313

nor)

Do kop van onzen doffer heeft verder even volkornene oogwratten als de bij hom behoorende duif'. Zij hebben op alle punten denzelfden middellijn, dezelfde dikte en een gelijkmatigen en fraaien zoom; zjj zijn in't kort zoo, als ze bij doffers veel zeldzamer zijn dan bij duiven, daar zij l)ij de eersten achter of onder het oog dikwijls gebrekkig van vorm worden, terwijl zij boven en boiieden liet oog te vol zijn. Om dit te vermijden trachten sommigen door drukken en trekken met wijsvinger en duim de te weinig ontwikkelde deelen een grooter voorkomen te geven, terwijl anderen dadelijk naar de schaar grijpen en de gelijkvormigheid herstellen door het overtollige boven en voor het oog weg te snijden. Deze operatie is, wanneer zij bij jonge, nog niet volwassen dieren ondernomen wordt, dikwijls van goed gevolg: want door het wegsnijden van hot overdadige aan den voorkant van het oog wordt niet alleen de regelmatigheid bevorderd, ook de ruimte tussehen de oog- en de snavelwratton wordt er door vergroot en de groei komt gedurende de enkele dagen, dat de herstelling duurt, de minder ontwikkelde gedeelten ten goede.

Tengevolge van deze sterke ontwikkeling der oogwratten is bij dezen kop do afstand tussehen deze en de keel kleiner en fraaier dan bij den in fig. 102 voorgestolden, wat er al weder toe bijdraagt om de schijnbare lengte van den snavel te vergrooten. En tocb hebben deze oogringen niet meer dan een goeden middellijn, n. 1. 25 millim. (in de fig. Ill millim.). Zijn zjj echter grooter, zooal.s er soms voorkomen, dan doen zij den snavel korter schijnen, wat niet wenschelijk is.

Ofschoon het achterste en het benedenste gedeelte van de oogwratten gewoonlijk de gebrekkige punten zijn, is toch ook het bovenste gedeelte V€an grooten invloed op de waarde der dieren.

Is het bovenste deel flink ontwikkeld en verheft liet zich een weinig boven den schedel, dan lijkt dat zeer goed en doet den schedel smaller schjjnen. Bij toenemenden ouderdom vallen zij dan echter dikwijls naar buiten om in plaats van naar binnen, waardoor de rand niet alleen van zijne sierlijkheid verliest, doch ook do schedel weer breeder uitkomt.

De vorming der oogwratten is iu 12 maanden afgeloopen; wel nemen zij daarna nog in grootte toe, doch niet in regelmaat, zooals sommigen meenen. Als men do hiervoor genoemde hulpmiddelen niet tijdig heeft aangewend, neemt de regelmaat eerder af dan too met don leeftijd.

Uit het voorgaande blijkt dus, dat een duif wol groote oogwratten kan hebben, zonder dat zij op dat punt yoed genoemd kan worden, en middelmatig groote doch goed gevormde oogringen zijn dan ook verreweg te verkiezen boven groote doelt onregelmatig gevormde.

De zooming of inkerving dor oogwratten, welke in de bedoelde figuur

Baldamüs, Pluimvoetoolt II. 20

ocr page 314

306

zooi' regelmatig is en het oog zoo voorrleelig doet uitkomen, begint bij jonge, goede doffers op den leeftijd van !( a l'i maanden; bij vogels van mindere kwaliteit daarentegen niet vóór ze 2 a 3 jaren oud zijn en soms zelfs nog dan niet. Deze zoogenoemde „half-and-half birdsquot; zien er het voordoeligst uit op den leeftijd van (5 i\ 7 maanden; zij kunnen dan zelfs een degelijk kenner misleiden, wanneer deze de ouders dier vogels niet gezien heeft, en zoo kunnen kleine duiven met gladde oogringen voor O a 7 maanden oud doorgaan, ofschoon ze in werkelijkheid misschien reeds 3 jaren oud zijn.

Vooral dient in dit opzicht gewaarschuwd te worden voor zulke duiven, omdat deze veel meer van de constitutie vererven dan de doffers, te meer omdat er altijd nog personen worden gevonden, die hoofdzakelijk of alleen voor den verkoop fokken en menig nieuweling in het vak door de geringere prijzen weten te verlokken, zulke „half-en-halfquot; vogels tc koopen op een

Men wachte zich er daarom voor, kleine duiven te koopen, tenzij men zich vooraf heeft kunnen vergewissen, dat de ouders der duiven groote, sterke dieren waren en liet gebrek aan grootte bij do jongen een gevolg-is van omstandigheden, doch niet van eene zwakke constitutie.

In figuur 104 zien we weder den jongen doffer van fig. 103, doch nu op den leeftijd van 3 jaren, dus niet volkomen ontwikkelde snavel wratten.

Vooreerst valt op te merken, dat, indien deze wratten op den leeftijd van IS maanden den verlangden vorm hebben, zooals in fig. 103, men later niet meer voor misvorming bevreesd behoeft te zijn. Onze afbeelding is echter wel een weinig ideaal in zoo ver ze ons zulke goed gevormde wratten toont benevens een zoo goeden snavel: eigenschappen, die men zelden of nooit gepaard ziet gaan. Want ook de beste snavel is bij driejarige doffers reeds zooveel verbogen — en later nog meer —• dat er zich altijd

ocr page 315

307

eene meerdere of mindere ruimte tusschen onder- en bovensnavel vertoont, deze dus niet goed meer sluiten.

Bjj do beoordeeling' dient natuurlijk wel in acht genomen te worden, dat, wanneer een ouder exemplaar een beteren of' een even goeden snavel beeft als een jonger exemplaar, eerstgenoemde in dat opzicht; als de beste moet worden beschouwd. Eveneens dient men aan dieren, die van nature een goeden snavel hebben, de voorkeur te geven boven zulke, wier snavel door een of ander hulpmiddel in een goeden toestand is gebracht.

De snavelwratten van den in tig. 404 afgebeelden doffer scliijnen bij den eersten oogopslag buitengewoon groot te zijn. terwijl toch liunne afmetingen werkelijk kleiner zijn dan die van menig ander goed exemplaar. Hun omvang bedraagt 93 millimeter en er zijn er wel grootere. (Zie noot op pag. 303). Er zijn er echter maar zeer weinige doffers, die zulk een in alle opzichten goeden vorm hebben, waarom het den eigenaars van zulke exemplaren dringend aan te raden is, daarmee zooveel mogelijk te fokken, voor hij in verzoeking wordt gebracht ze te verkoopen.

Het staat echter niet onomstooteljjk vast, dat doffers, die zelf de beste wratten hebben, deze ook op hunne jongen doen overgaan; veel hangt in dezen ook van de duif af. Doch, ook de paring- met eene goede duif geeft nog niet altjjd de gewensehte resultaten: deze zijn door niemand met volle zekerheid vooruit te bepalen. Dit staat echter vast, dat men van de heste ouders ook meestal de beste fmkomelingon kan verwachten, en vallen deze niet zoo uit, als men verwachten mocht, dan is cr in vele gevallen terugslag op de grootouders en komen zij met deze ten minste zeer overeen. De in liet 1'' deel opgegeven verervingswetten gelden ook hier.

lil vergelijking met fig. 403 schijnt de kop in fig. 404 korter van gezicht (snavel) te zijn, ofschoon beide in dat opzicht volkomen gelijk zijn. De reden daarvan is, dat liij de jongere duif wegens de kleinere snavelwrattcn meer ruimte tusschen deze en de oogwratten is. (In werkelijkheid is het gezicht in tig. 404 ook '2 millim. korter dan in tig. 403).

Fig. 105 vertoont ons de ideale ontwikkeling van de in fig. 402 voorgestelde diri/, op den leeftijd van 4 jaren. Zelden of nooit komt de volkomen ontwikkeling bij deze vóór dien leeftijd en zelden ziet men ze zoo volmaakt als de afbeelding die geeft.

Hij eene nadere beschouwing blijkt de textuur van de bovensnavel wratten van dezen kop wat fijner te zijn dan bij den dofferkop, terwijl de drie gedeelten daarvan minder vol zijn en niet zoo goed uitkomen. De grenzen dier deelen kunnen evenwel toch getrokken worden en het einde van het achterste gedeelte is hier zelfs beter dan bij den doffer. Door de geringere grootte der bovensnavelwratten bij de duif zijn ook do wratten van den

ocr page 316

nos

benedensnavel niet zoo goed gescheiden als bjj den doffer. Men zal dan ook maar zeer zelden eene duif aantreffen met meer dan twee gedeelten van de boven- en benedensnavelwrattcn; bjj de eene ontbreekt het middelste, bij ecu andere liet achterste gedeelte daarvan. Dat beeft men te danken aan die liefhebbers, welke verzot zjjn op hetgeen zjj eene „sierlijke, kleine duifquot; noemen, terwijl zij de voller gevormde groote duiven als ,,te lompquot; betitelen. Maar deze „lompequot; duiven worden beter, broeden tot in het 4li0, 5lt;l01 ja, zelfs (ilt;le jaar en geven, wanneer zij volwassen zijn „uitmuntendequot; nakomelingen; do „sierlijke, kleine duivenquot; daarentegen zien er op den leeftijd yan 4.', a 2 jaren het best uit, ontwikkelen zich echter niet zoo goed, dat ze niet meer te herkennen zijn en houden bet bovendien gewoonlijk slechts half zoo lang met broeden vol als de, groote.

Om een volkomene voorstelling van een goeden kop te geven, is het noodig hier ook een frontaanzicht af te beelden. Pig. '107 vertoont het frontaanzicht van een volkomen ontwikkelden, 4 a (5 jaren ouden doffer, ongeveer dus van den in fig. 98 voorgestelden. Hierbij valt op te merken, dat de oogwratten zoo natuurlijk dikker schijnen dan van tor zijde gezien, dat de

ruimte tusschen die oogwratten overal evengroot is en de schedel slechts schijnbaar overal niet even breed is.

Wij hebben getracht in het vorenstaande alles uitvoerig te beschrjjven, wat, in zooverre het den kop betreft, een goeden vogel op verschillende leeftijden maakt, doch het is niet minder noodig, dat ook zulke vogels zorgvuldig' bestudeerd worden, aan welke niets goeds is, die niets goeds kunnen voortbrengen en wier opneming in een goeden stam dikwijls jaren lang de jammerlijkste gevolgen na zich zou slepen. Fig. 10(5 geeft eene voorstelling van zulk een onverbeterlijk gebrekkigen kop; doch wij zullen de fouten daarvan afzonderlijk aanwijzen en de redenen opgeven, waarom die zoo ver-derfeljjk zijn.

ocr page 317

300

1° is de snavel, ofschoon luj aan een 4 a 7 maanden ouden vogel behoort, een leeftijd, waarop hij juist het bost moet zijn, gebogen, vooral de bovensnavel.

2° is de henedensnavel lang niet dik genoeg in vergelijking mot den bovensnavel.

3l! is do bovensnavel langer en aanmerkelijk gebogen op een leeftijd, waarop beide nebben even lang hehooren te zijn. Zulke fouten bij een jongen vogel worden mot den ouderdom steeds grooter en alle mogelijke kunstmiddelen kunnen zulk een snavel geen goed aanzien geven. Wel is waar worden dergelijke snavels bijna algemeen bewerkt, terwijl de dieren nog in bet nest zitten, doch deze operaties hebben geen ander gevolg, dan dat men daardoor dieren met een scinjnbaar langer gezicht verkrijgt, want de kortheid en do geringe dikte van den henedensnavel verraden, afgezien nog van andere teekens, de gebezigde kunstmiddelen aan eiken ingewijde,

4° ligt de naaste groote fout in de vorming van de snavelwratten, welke niet alleen laag, doch van voren naar achteren ook vlak zijn en nergens eene neiging vertoonen om zich op te richten of naar voren te buigen. De eenige plaats, waar die wratten zich goed ontwikkelen, is die, waar zij over den henedensnavel hangen. Hoe ouder het dier wordt, hoe leelijker hij den liefhebbers en beoordeelaars zal toeschijnen, en inderdaad wordt ons oog dan ook door niets zoozeer bcleedigd dan hierdoor, dat dc schedel hooger is dan de snavelwratten. Is deze fout in een goeden stam overgebracht, dan behoort er een menschenleeftjjd toe om ze weder weg te fokken.

5e is ook de keel slecht, omdat ze niet behoorlijk gebogen is, eene fout, die eveneens met den tijd toeneemt en zoo leelijk is, als een Carrier er maar eene kan hebben, daar een zoogenoemde ,,vollequot; keel nooit de lengte van hot gezicht goed doet uitkomen.

(3quot; zijn de oogwratten, niettegenstaande de vogel nog jong is, oneffen en onregelmatig.

Al deze fouten hebben, ofschoon zij een oppervlakkigen waarnemer niet meer in het oog vallen dan menige andere fout, dit met elkander gemeen, dat zij met de jaren grooter en zichtbaarder worden, doch nooit afnemen.

Eene andere fout, waarop op verre na niet zoozeer wordt gelet als, zij dat wel verdient, zijn korte hemen.

Een Carrier, die laag op de pooten staat, kan er niet goed uitzien, hoe goed hij overigens ook moge wezen, en we mogen iedereen aanraden, zich van een met die fout behept exemplaar te ontdoen, wanneer die niet werkelijk extra-goed in de overige punten is. Is dit laatste het geval, dan pare men den kortbeenigen doffer met eene sterke, jonge duif, die hoog en stram

ocr page 318

op de pooten is; men zoeke echter zorgvuldig den voor die paring gescliikt-sten leeftijd uit, zóó, dat de duif de krachtigste vogel is.

b. Dn Fransche Bagdetten. Lea Pigeons bagadai».

De Fraiischen onderseheiden twee variëteiten van hunne Bagdetten: les HcKjadais a grand es morilles ■— niet groote oogringen, en les Bajadais mondains, welke meer met de Mondains en de Romeinsche duif overeenkomen.

De eerste variëteit heeft, niettegenstaande haar hoenderachtig voorkomen, toch ook veel van do Engelsclie Bagdet. Zij is krachtig en gedrongen van bouw, doch krijgt door den langen en vrijen dunnen docli niet fraaien hals en door de lange stevige pooten een wat slanker voorkomen. De snavel is lang en stevig, voor een weinig gebogen en de snavelwortel vormt met liet voorhoofd een vrij vlakken hoek. De snavelwratten zijn zeer sterk ontwikkeld, doch worden nooit zoo groot als die der Engelsclie Bagdet. De oog-ringen zijn groot, wratvormig en rood van kleur, de iris is parelkleurig. Het gevederte sluit glad tegen het lichaam en doet de schouders en schenkels sterk uitkomen, zoodat de beenen nog langer schijnen; deze zijn van het hielgewricht af naakt. Zij zijn traag doch tevens wild van aard en zeer prikkelbaar, doch hebben wel iets fiers in hunne houding. Zij zjjn wel zeer vruchtbaar, doch door hare wildheid dikwijls de oorzaak van het mislukken van het broedsel. Men treft ze hoofdzakelijk aan in zwart, wit, rood- en bruingevlekt.

De Bagadais mondains zijn de sierlijkste variëteit van dit ras en tevens de vruchtbaarste.

De Fransche Bagdet staat in den laatsten tijd bij de Duitsche fokkers nog al in aanzien. Men verlangt haar M a 47 centimeter lang, hoog opgericht van houding, naar achteren steil afloopend, zoodat de staart bijnaden bodem raakt, en hard en vast aansluitend bevederd.

De gladde kop is tamelijk lang, schedel en voorhoofd zjjn smal, het achterhoofd wat hoekig en aan den nek scherp gebogen. De tamelijk lange en rechte snavel is alleen aan do punt een weinig gebogen en moet, zoo mogelijk, wit van kleur zjjn; de snavel wratten zjjn tamelijk lang en vlak. Schedel, voorhoofd en snavel moeten nagenoeg in een rechte lyn liggen. Het groote uitpuilende oog is hij de donker gekleurde een pareloog, bij de witte donker, de tamelijk breede oogring is glad en levendig rood; bij oude dieren wordt hij wratachtig. De zeer lange dunne hals met scherp gebogen keel maakt in het midden een lichte buiging naar voren, doch wordt overigens bijna loodrecht gedragen. De niet te breede en weinig naar voren

ocr page 319

311

gedragen borst is zacht gerond, de rug lang en recht, breed, in de schouders; hij loopt naar achteren toe smal en steil af en ligt in een rechte lijn met den middellangen, stevig gesloten staart. De middellange, dichtgesloten vleugels worden zeer hoog doch los gedragen en wijken aan den vleugel-boog een weinig af, zoodat de duif op het punt schijnt op te willen vliegen; de vleugelpunten raken elkander op den staart. Do buik is bijna recht, maar vleezig, het borstbeen steekt een weinig uit. liet achterlijf is minder ontwikkeld. De beenen hebben een zeer lang en stevig schenkel- en loopbeen, het hielgewricht is een weinig ingebogen, de teenen zijn lang en goed gespreid en evenals het loopbeen rood en onbevederd. Men heeft ze één-kleurig in zwart, wit, rood, geel, blauw en bruin, alsmede zwart getijgerde. Lichtblauwe zijn zeer zeldzaam en de overige kleuren, behalve zwart, zijn zelden intensief. De duif wordt dan ook niet naar de kleur, maar naar de vormpunten beoordeeld.

In het meer aangehaalde werk van De Boeve spreekt F. Couchot van La Rochebordeaux (Maine et Loire) slechts van de givole en de kleine Fransche Bagdet en noemt hjj de laatste slechts een miatuurbeeld van de eerste.

III. Kromsnuvelige.

13. Ue Neurenberyer Bagdet. C. curvirostris. The Scandaroou.

Bagadais de Nuremberg. Deidsche of Kntruinschnahel-BagdeUe.

Deze duif, die in Engeland onder den naam Scundaroon bekend is, doch daar weinig voorkomt en niet bijzonder in aanzien staat, heeft de volgende raskenmerken, zooals die in den laatsten tjjd door de Neurenberger Bag-detten-club zijn vastgesteld.

De lengte moet bij den dotter 43 centimeter (duif 42) bedragen, de snavellengte, van de punt tot het voorhoofd, 42 (duif 40) millim., tot aan den mondhoek in eene rechte lijn 35 (duif 33 millim.); de snavelwratten 32 millim. lang en breed, de middellijn van den oogring 15 millim., de lengte der beenen I2.| centim. De omvang van de borst, boven de vleugels gemeten 31 (duif 30) centim. Vlucht 74 (duif 71 .^) centim. Gewicht niet ledigen krop 590 gram (duif 500).

De snavel moet lang, krachtig, goed gesloten, fraai gebogen en stomp zijn: do bovensnavel mag niet of niet noemenswaard over den beneden-snavel uitsteken.

De lijn, die van het achterhoofd, over den kop en tot aan de punt van den snavel getrokken wordt, moet gebogen zjjn, zonder ook zelfs bjj den

ocr page 320

312

snavel wortel eene iubuiging te vertoonen. De snavelwratten zijn Jiartvormig, in liet midden gedeeld; zij behooren liet voorhoofd niet aan te raken en door een smalle, wratachtige teugelstreep met de oogringen verbonden te zijn. De kop is lang, smal, niet hoog en niet hoekig, liet achterhoofd moet fraai afgerond in den hals overgaan. Het oog is groot en vurig; de oogranden zijn noch breed, noch hoog.

De hals is lang, slank en sierlijk gebogen (een zoogenoemde zwanenhals), met een goed ontwikkelde koel wam en sterk uitkomend strottenhoofd. De borst behoort breed te zijn en het borstbeen een weinig vooruit te steken; de vleugels staan een weinig van den romp af, zijn van voren breed, doch worden naar achteren toe zeer smal en loopen in een punt uit. De slagpennen zijn kort, do rug is zwak gewelfd, beenen en teenen zijn lang en stevig.

Het gevederte is niet vol, sluit echter goed aan, zoodat de wat hoekige vormen duidelijk uitkomen. De Neurenberger Bagdet komt éénkleurüj en geteehend voor.

De bonte, in bijna alle kleuren, moeten den kop, den voorhals, het onderlijf en de stuit wit hebben, en eveneens de vleugels met uitzondering van de schouderdekveeren. De teekening begint dicht bij het achterhoofd, loopt van daar naar den voorhals tot aan het midden van de borst, sluit hot wit hier af en bedekt het overige gedeelte van den bals, de borst, den rug, de schouderdekveeren en den staart. Ook de kleine veertjes langs de teugels zijn gekleurd. De teekening van den rug en de schouderdekveeren vormt het zoogenoemde hart. De kleur is diep en glanzig, de teekening symmetrisch ; witte veeren in den staart gelden voor een groote fout.

De snavel is vleeschkleurig, aan de randen rood; de wratten zijn bij jonge dieren rozerood, bjj oude wit bepoederd; de oogringen levendig rood. De oogen der bonte en witte zijn zwartbruin, die der éénkleurige zjjn verschillend van kleur. De pooten zijn mat karmijnrood.

De schildvleugelige moeten witte schouders hebben, welke witte teekening zich langs den onderrand der vleugels tot aan den staart toe voortzet.

Éénkleurige behooren kortere slagpennen te hebben, alsmede een kortoren staart en overigens ook meer gedrongen van vorm te zijn.

De Duitsche of Neurenberger Bagdet is reeds sedert eeuwen in Duitseh-land bekend, en vooral in de omstreken van Neurenberg, naar welke beroemde middeleeuwsche handelstad zij door kooplieden uit bet Oosten overgebracht werd en in welker omstreken zij, zooals bekend is, nog heden ten dage veel gefokt wordt.

Als bijzondere ziekten der Carriers — en in 't algemeen van allo Bag-detten en alle van snavel- en oogwratten voorziene rassen — komen moestal tamelijk veelvuldig de volgende voor:

ocr page 321

1. Ontsteking der oogwratten -— of' door toclit, of door een te snellen groei, of ook door verwonding bij het vechten ontstaande. Vooral do vogels, die zeer vleezige oogwratten helibon, ondervinden de gevaarlijke gevolgen van deze eenvoudige ontstekingen, wanneer zij niet te rechter tijd geholpen worden; zelfs een hardnekkige kanker, die zich soms tot de ooren,

de gevaarlijkste van alle plaatsen uitstrekt, kan er het gevolg van zijn. Aan

zulke „vleeschoogenquot;

dient men dus in hot bijzonder zijne aandacht te wijden en bij do minste beschadiging dadeljj k zijne maatregelen te nemen. Bij elke ontsteking moet men warme baden toepassen,

dat wil zeggen, dat men de wratten met een spons en warm water bet — niet wrijven! - het water uitdrukt en, nadat men dit eenige malen herhaald heeft, met een zacht zijden of linnen doekje afdroogt — zonder te wrijven — waarna men ze met versch, ongezouten vet of goede olie insmeert. Bij uitwendige kwetsuren wendt men in plaats van vet steeds zinkzalf aan. In ieder geval echter moet men na het verdwijnen van de ontstekingsverschijnselen nauwkeurig toezien, of er zich ook plooien — Spouts — onder het oog gevormd hebben — welke ontstaan kunnen door een te weelderigen groei der oogwratten, doch ook door het pikken van andere duiven — zooals de kop in tig. 101 vertoont. Zulke geplooide oogwratten — Spoxd-ayes ■— worden zeer dikwijls bij duiven aangetroffen met groote en overigens goede oogwratten, en daar deze vouwen alle waterige of lymphachtige afscheidingen van de oogen vast houden en natuurlijk tot ontsteking en zelfs tot een kankerachtig zweren aanleiding geven, zoo is het verwijderen van deze vouwen door middel van eene operatie geen bodrog, maar een noodzakelijke voorzorgsmaatregel om de dikwijls boste individuen te behouden. In de eerste plaats moet de duif, die geopereerd moet worden, aan den hals en aan de schouders van de aangetaste zijde goed met olie of vet ingesmeerd worden, om eene

ocr page 322

31/1

beschadiging viin liet oog te voorkomen en zelf-invetting mogelijk te maken, wanneer de duif de geopereerde plaats tegen den benedenlials of' de schouders wrijft, wat zij ongetwijfeld zal doen; het wrijven tegen de droge veeren zou de versche wonde te zeer prikkelen en dikwijls de oorzaak zijn van het weder opengaan der reeds genezende wonde. Daarna bindt men de pooten met een zachte strook linnen aan elkander en wikkelt het geheele lichaam tot over de schouders in een doek of in eene kous. Het instrument, waarvan men zich bedient om die vouwen en plooien weg te snijden, is een chirurgische schaar met zijwaarts gebogen bladen, met welke men dicht aan het oog kan komen. Men doopt vooraf de bladen der schaar in Condy's Red Fluid, welke het bloeden en etteren voorkomt, trekt de vouwen wat naar beneden en vooruit en onderzoekt het binnenste der plooien, dat gewoonlijk met roode puntjes of knopjes bedekt is, welke alle met de vleeschhuid weggesneden moeten worden; er mag geen enkele van die knopjes blijven zitten, omdat deze weder aanleiding zou kunnen geven tot nieuwe plooivorming. Men behoeft niet zoo erg bang te wezen, dat men te veel wegsnijdt; want het is opmerkelijk, hoe spoedig en gemakkelijk de wonde dicht groeit en geneest; bij zeer diepe insnijdingen in eene week, bij wratten met dunne wanden in twee dagen.

Zoodra de plooien weggesneden zijn, drukt men een zacht sponsje, dat men vooraf in de zoo pas genoemde vloeistof heeft gedoopt, zachtjes tegen de wonde en herhaalt dit gedurende ecnige minuten, tot het bloeden geheel heeft opgehouden. Daarna strijkt men een weinig zinkzalf aan den bovenkant der wratten, boven de wonde. De zalf smelt langzamerhand, bedekt ook de wonde en voorkomt het gevaarlijke vastkleven der oogleden aan de wratten. In geval van nood kan men iu plaats van deze zalf ook een weinig boter of spek nemen, docli liet beste is altijd de zinkzalf. Zoolang de bloeding duurt houdt men de duif met den kop naar beneden, opdat haar geen bloed in den snavel kan vloeien.

Nii legt men de duif, nog door de windsels omgeven, gedurende eenige uren iu een kooi of kistje, dat zoo eng is, dat zij zich er niet in wenden kan en, is daarna de wonde wat opgedroogd, dan neemt men haar uit den doek of de kous, maakt het windsel om de pooten een weinig los, zoodat het dier wel loopen, doch zich niet met de teenen aan de wonde kan krabben. Den volgenden morgen bestrijkt men de wonde zelf, de oogwratten in hun geheel, alsmede hals en schouders opnieuw met zinkzalf. Na weinige dagen zal alles goed en liet dier gevrijwaard zijn voor een langdurig lijden, dat zonder de operatie zijn deel zou worden.

Is de operatie niet volkomen geweest, dan is het beter eerst de genezing af te wachten, vóór men tot het wegsnijden van de nog overgebleven

ocr page 323

315

knopjes overgaat. Lijden beide oogwratten aan die kwaal, dan kan men beide onmiddellijk na elkander behandelen, tenzij de operatie van zoo gTooten omvang is, dat de patient er door zon kunnen lijden. Na afloop der operatie trekt men een zijden draad door de bovenste randen van de wratten en bindt die draden boven den kop aan elkander, om te verboeden dat de oogleden met de wonden in aanraking komen. Hierbij ten slotte nog de vermelding, dat zinkzalf' het beste middel is bij allo beleedigingen van de oogwratten.

De moest algemeene en tevens de gevaarlijkste kwaal der Bagdetten en van bijna alle wratduiven is evenwel

de kaliber, die meestal zijn ontstaan heeft in koudovatting en dan, tijdig behandeld, bijna altijd te genezen is, ot' erfelijk is en dan zoo goed als ongeneeslijk. Kanker treedt voornnraeljjk in twee vormen op: n.1. in den drogen en korstigen en in den vochligen vorm, in welken laatsten er steeds een scherpe, om zich vretende vloeistof wordt afgescheiden; deze laatste vorm is de gevaarlijkste, vooral wanneer de ooren erdoor worden aangetast.

In dat geval is het opzwellen van de oorstreek het eerste herkennings-teeken, en zoodra men dit bemerkt, moet men die streek op de biervoor aangegeven wijze met een sponsje en water betten, zoo warm als de duif maar verdragen kan; in dit water lost men vooraf een weinig zeep en soda op. Uit betten moet dagelijks herhaald worden en brengt bij lichte gevallen genezing aan; in erge gevallen brengt men een in eene helsche-steenoplos-sing gedoopt penseel diep in de oorholte en draait het daarin om, waarna men die holte zorgvuldig afdroogt en er eene warme gutta-perchaoplossing in laat druppelen tot aan den oorrand toe, welke oplossing men dan met den vinger wat aandrukt, opdat zij vasthoudt. Deze prop laat men in het oor, tot zij mettertijd van zelve loslaat en eruit valt.

Het van de buitenlucht afgesloten vocht verdwijnt of verandert binnen eenige weken in den zoogenoemden drogen kanker, die, wanneer de dieren op de boste wijze gevoed worden, zonder verdere hulp geneest en in den vorm van droge korsten afvalt. Doch ofschoon er op deze wijze dikwijls genezing volgt, is het betten met warm water toch zekerder en eenvoudiger dan het penseelen met eene oplossing van helsche steen.

Mij eene behandeling als de hierboven genoemde en dergelijke, zorge men altijd, de patient met den kop naar beneden te houden, opdat de afloopende vloeistof niet in den snavel of op eene andere plaats met de huid in aanraking kan komen, aangezien daardoor licht ontsteking van de opperhuid door kan ontstaan.

Wanneer de droijc kanker van het begin af door eene geringe opzwelling

ocr page 324

31 6

van do oorstreek en door droge korsten kenbaar is, laat men de genezing aan de natiun' over of men vult de ooren met een dun deeg van talkaarde en water. J)e genezing volgt in korteren of langeren tijd: de op deze wijze bewerkstelligde afsluiting der lucht verhindert bovendien, dat deze vorm van de kwaal in den veel gevaarlijker vorm, die van den nullen kanker overgaat.

De aan de binnenzijde van den benedensnavel verschijnende kanker wordt misschien — of liever waarschijnlijk — veroorzaakt door een te lange tong van den vogel, wier onopboudeljjke beweging en prikkeling de teere slijm-huid ontstoken doet worden. De genezing volgt gemakkelijk en snol, als men de lioornachtige punt van de tong afknipt, ongeveer ter lengte van :i millini., daarna liet aangetaste gedeelte en zoo noodig zelfs de gchcele huid tusschen de kakebeenen wegsnijdt, de wonde met Condy's Fluid uit-wasclit en met eene oplossing van iielsche steen penseelt. In den regel volgt de genezing zeer spoedig en liet weggesneden gedeelte groeit volkomen weer aan.

Moeilijker wordt het echter, wanneer de achterste weeke deelen van de kaken en de mondholte aangetast zjjn, omdat de aanhoudende beweging der kaken en de daarmee gepaard gaande prikkeling de genezing tegenhoudt of verhindert. In dat geval kan men de invretende stof alleen wegkrabben; men bestrijkt de wonde dan door middel van een zacht penseel met zwavelzuur en zet de patient in een enge kooi of Uist. na om den bovensnavel een ten minste (i millim. dikken knevel of ring van gummi te hebben gelegd, om het openen en sluiten van den snavel te verhinderen, de speekselvorming tegen te gaan en hot zwavelzuur langer en beter te doen werken. Men doet liet best, dien ring des avonds aan te leggen en de patient er dos morgens van te bevrijden.

Soms openbaart zich de kanker ter zijden van de oogwratten of op den schedel en aan liet achterhoofd. In zulke gevallen doet men het best de zweer rijp te laten worden tot ze van zelf doorbreekt; er komt dan bijna altijd eene harde korst op, die van zelf loslaat, zonder dat de patient er verder hinder van heeft.

Ontstaat ev kanker aan de oogwratten zelve, dan bespoedigt het betten met warm water het natuurlijke ontwikkelingsproces; men moet dan echter niet snijden, zoo lang er nog hoop is, dat het gezwel van zelf aan do oppervlakte doorbreekt en dan gemakkelijk geneest.

Ook jonge Carriers lijden soms aan kanker in den snavel, wanneer zij nog in het nest zitten — een gevolg van vererving, van slecht of bedorven voer of slecht drinkwater. Het beste is dan, de aangetaste plaatsen te betten inet eene sterke oplossing van zout of aluin door middel van een

ocr page 325

317

sponsje. De zoutoplossing' werkt heilzamer clan de aluinoplossing en is ook overigens beter voor het welzijn der patienten. Jn geval de kwaal nog niet al te ver gevorderd is, bereikt men gewoonlijk zijn doel door drie a vier maal met de zoutoplossing te betten,

Do gevaarlijkste vorm van de kanker is die, welke in den laatsten tijd den naam van „Small-poxquot; — kldne pokken — heeft gekregen. Hij schijnt voornamelijk kort voor bet intreden van den rui voor to komen; ook na het opsluiten in eene andere lokaliteit, bjj verandering van voeder, door slecht drink- en badwater, door te snellen groei enz. en een gevolg van storing van den bloedsomloop te zijn. De kleine pokken zijn een dor verschrikkelijkste on der meest besmettelijko kwalen; het eerste verschijnsel bestaat uit een rood, wratvormig blaasje aan den rand dor oogwratten, soms ook dor snavel wratten. Dit blaasje zwelt langzamerhand op tot oen gezwel, waarin eone bijna droge materie zit; als men hot opent, ziet men, dat hot vol peesachtige worteltjes zit mot weinig etter. Ton laatste worden de geheel tot misvorming opgezwollen oogwratten met deze pokken bedekt, wanneer het ons niet gelukt aan deze gevaarlijke kwaal tijdig paal en perk te stellen.

Zoodra men het eerste blaasje ontdekt, zondere men do duif af in eene kooi, die men dagelijks met Condy's lied Fluid besprenkelt, om zoodoende elke infectie te voorkomen. Vooraf moet liet lijdende deel tot op hot gezonde vleesch uitgesneden, do wondo met do genoemde vloeistof uitgowasschon en zorgvuldig mot eone helsche-steonoplossing gepenseeld worden. Op dezelfde wijze handelt men, wanneer de kwaal zich ook op eene andere plaats openbaart, wat niet onwaarschijnlijk is. Na de operatie geve men de patient '2 capsules met wonderolie en verandere gedurende oenigen tijd van voeder. Fulton getuigt, dat hij met deze handelwijze zelden onbevredigende resultaten verkreeg, terwijl hij, vóór hij daarmede bekend was, verschrikkelijk veel verliezen beeft geleden.

Als deze pokken in den mond ontstaan, dan opent men den snavel, houdt dien in dien toestand door middel vau oen gummiring om den bovensnavel, zooals hiervoor reeds is beschreven en snijdt met eene schaar of lancet de aangetaste doelen weg. Zoo lang de wondo nog niet genezen is, stopt men do patient mot geweekte boonou en erwten, welke men vooraf in grof zand rolt om de vertering te bevorderen. Ook zijn pillen van gekookte rjjst en wittebrood, eveneens in zand gerold, een good stopmiddel bij deze en der-geljjko ziekten, terwijl melk dan een uitstekende drank is. Opmerkelijk genoeg schijnt deze vorm van kanker, hoe besmettelijk die ook is, niet erfelijk te zijn zooals de andere vormen, welke daarentegen niet zoo besmettelijk schijnen te zijn.

ocr page 326

318

Over de vlnugdziekte — Wing-disease aan het schoudergewricht openbaart, zie der Carriers, liet hoofdstuk over ziekten — welke zich als een week gezwel men, evemils over andere ziekten en kwalen.


Tiende Hoofdstuk.

ISuilcnlnndsclic sierdiiiveu en zeldznainliedeii.

Behalve de beschrevene, alle in meerdere of mindere mate bekende en verspreide duivenrassen, heeft men er nog verscheidene, welke in den laatsten tijd ingevoerd, doch ten deele ook weder verdwenen of in vergetelheid geraakt, of nog niet voldoende geacclimatiseerd en dus weinig verbreid en bekend zijn. Tot de eerste categorie behoort de zeer bewonderde

Dolksteekduif — Pldegoenas (Columba) cruentata. Lath. Pigeon poignardé. Dolchstichtauhe.

Deze duif is voor het eerst in 1861 uit haar vaderland, de Philippijn-sche eilanden, naar den zoolog. tuin te Londen overgebracht en sedert nu en dan ook in andere landen ingevoerd en zelfs met goed gevolg gefokt, vooral in Frankrijk. Zij heeft de grootte van de Lachduif en komt in twee variëteiten voor:

De bonte; deze is aan de bovenzijde paars van kleur met groenen weerschijn. de benedenrug iets matter; het voorhoofd is lichtgrijs; de kleine vleugeldekveeren zijn grijs, de groote roodbruin met grijze punten; de slagpennen zijn donkergnjsblauw met roodbruine zoomen. De middelste staart-pennen zijn grijsbruin, de buitenste grijs met een zwarten band dicht aan 't eind; do zijden en het achterlijf zijn roodachtig geel; de buik en de borst wit. De snavel is bruinzwart, het oog roodbruin, het loopbeen blauwrood.

De witte; geheel wit.

Wat deze duif zoo merkwaardig maakt en waaraan zij ook haren naam dankt, is de roode vlek, die zich op de borst van beide variëteiten bevindt en die geheel het voorkomen heeft, alsof het eene bloedende wonde is, door een mes- of dolksteek te weeg gebracht.

De Dolksteekduif eischt geene bijzondere behandeling, doch alleen wat groenkruid en nu en dan enkele meelwormen of een stukje rauw vleesch bij het gewone graanvoer.

ocr page 327

319

Dn Goolee-duif.

Evenals de reeds vroeger beschreven Lahore- on Sherajee-duif'uit Britsch-Indië afkomstig. Zjj is iets kleiner dan de Slierajee-duif en heeft, wat vorm en houding aangaat, wol overeenkomst met de Almond tuimelaars. Het voorhoofd is hoog en steil, de bek kort; de pooten zjjn naakt en de vleugels worden eenigszins slepend gedragen. Zjj heeft den trippelenden gang van de Pauwstaartduif. Kop en nek zjjn geteekend als bij de Sherajee-duif, de staart is gekleurd; de vleugels zjjn geheel wit of regelmatig gevlekt.

De Mookee-duif.

Mede ecne Indische duif, heeft nog moer van de Pauwstaartduiven, daar zjj ook aan den hals die zenuwachtig sidderende beweging kan geven, haar kop meer naar achteren gedragen wordt en de vleugels eveneens hangen.

Haar kop is voorzien van eene punt-kuif.

Moore (en ook Mat ten) houdt de Mookee-duif voor een zeer oud kruisingsproduct van de Pauwstaartduif en verwant aan den Dantziger hoogvlieger.

ocr page 328

320

Dr Koraal-oog duif.

Dczo komt in vorm en houding met do postduiven overeen; zij kenmerkt zich door hare buitengewoon groote koraalroode oogen, welke door een breeden, roodon oogring zijn omgeven, /ij komt tot heden alleen wit voor en blauw mot zwarte vleugelbanden.

De Libanon-dvif.

Komt in vorm en houding veel met de langsnavelige tuimelaars overeen. Men treft haar aan; diep rood met witten spiegel op den staart en de vleu-gelpunten, evenals bij de Blondinetten; rood met witte vleugelbanden en wit geschubde vleugelschilden en spiegelteekening cp staart en vleugels; alsmede zwart met witte vleugelbanden en blauw geschubd met dito banden.

De Syrische Wamduif. The Dewlap Pigeon.

Deze duif komt zeer veel niet do Antwerpsche tentoonstellingsduif overeen, doch is wat plomper van vorm.

Zjj heeft den kop van een Meeuwtje met oen groote wam of keelzak, die zicb van den benedensnavel langs den luils tot aan de borst toe uitstrekt en de geheelc keeluitsnjjding vult. Zij draagt den staart bijna horizontaal. Hare kleur is in den regel blauw met witte vleugelpunten en een witte,

meer lang dan bree-de vlek of snip op het voorhoofd.

Vele dezer dui-vonsoort hebben aan de zijden van den hals even beneden do wangen een witte streep, die tweemaal zoo lang is als breed.

Da Gekuifde tortel. PI taps lophotes.

De gekuifde tortel behoort tot de Australische Spiegelduiven eu is vooral kenbaar aan haar lange, spitse kuif, welke door de verlengde veeren van den achterhals gevormd wordt.

ocr page 329

:V2\

'/ij is op do buvojideelen liclit olijfbruiu van kleur, op du oudurdoclen en don koj) grijs on lioot't eeno loiigtc van ;{.■quot;) ccntiinetcr. Do vleugoldekveeren zjjn wit gezoomd en do stanrtveeron van een spiegel voorzien.

/ij beiioort tot de fraaiste Anstralisehe duiven, die tot ons zijn gokomen, is een sieraad in onze volières en teelt in gevangenschap gemakkelijk voort. Eene zeer interessante duif' is ongetwijfeld nog

7)ö hvooHilui/, irOHvci o/ McyQpelüi COVOHUlil,

Deze duif bereikt eeno lengte van /■gt; centimotor en is bovendien noo' merkwaardig door hare groote, grijze vodorkuif'. Hare hoofdkleur is leiblauw; mantel en schouders zijn bruinrood; de groote vleugeldek voeren zijn aan den wortel zwart, aan de punt bruinrood en in 't midden wit, waardoor op do vleugels een witte band ontstaat; de staart heeft aan 't eind oen breeden, lichtblauw gekleurden band. De oogon en de pooten zijn rood.

Aangezien eeno besproking van het groot aantal buitenlandscho volière-duiven niet in ons bestek ligt, dienen we deze afcleeling hiorméde te sluiten.

JUi.damus, Pluimveeteelt. II,

ocr page 330

II. WATERVOGELS.

FjLI'DIO tloOI'IISTIIK.

Eeinleii.

Bij geene der gedomestiseerdo pluimveesoorten is men, wat de afstamming betreft, minder in liet onzekere dan bij de eenden. Er is onder ons pluimvee geen enkele soort, wier voorouders zoo algemeen verbreid zijn, wier gelieele levenswijze zoo algemeen bekend is en die zich zoo vrijwillig met bare getemde nakomelingen heeft gepaard en deze van nieuw, frisch bloed beeft voorzien, als de alom bekende „Wilde-Eend

Een gevolg daarvan is, dat vele onzer tamme of huiseenden dikwijls tot in de kleinste bijzonderheden op de wilde starnsoort geljjken, vooral daar. waar de Wilde-eend veelvuldig wordt aangetroffen en de mensch ter bereiking van het een of ander doel de vrijwillige paring geen hinderpalen in den weg stelde. Er zijn landstreken, ook in Diütschland, waar de W ilde-eend ter nauwernood van de tamme is te onderscheiden en dan nog alleen door hare houding en hare geringere grootte; het is zelfs meermalen voorgekomen, dat tamme eenden, die zich wat ver van huis hadden verwijderd en daardoor onder een troep wilde waren geraakt, zelfs door haren eigenaar voor wilde werden aangezien en geschoten.

Dat ook kruising van de Wilde-eend (Atuts hoscas) met andere wilde soorten niet zeldzaam is, blijkt wel hieruit, dat er in de laatste halve eeuw alleen in ons land niet minder dan ^0 in wilden staat geboren bastaardeenden werden gevangen of geschoten, voor het meerendeel kruisingsproducten van An. hoscas X Pijlstaart-eend, Smient, Slob-eend, Krak-eend en Wintertaling; de overige waren bastaards van andere wilde soorten (Albarda).

De groote familie der Analidae (Zeefsnavelijen of eendachtigen), behooretidc tot de orde der Anseriformes of Gansvormigen, wordt verdeeld in 3 onder-familiën: de Anserinae of ganzen, de Cygninae of zwanen en de Anatinae of eenden. Gewoonlijk worden de vertegenwoordigers dezer onderfamiliën onder de respectieve geslachtsnamen Anscr, Ct/gnus en Anas samengevat. We zullen hier die namen ook behouden, doch daarnaast voor het gemak

ocr page 331

ook gebruik miikon van andere, welke in verseliillende oruitliologische werken veelvuldig worden gevonden.

Tot de Anatinau beliooren meer dan 100 over de geheele aarde verspreide soorten, welke men gewoonlijk weder onderscheidt in zwem-eenden en duik-penden, van welke de laatste ook aan den achterteen een zwemvlies hebben, t welk hij de eerste ontbreekt; eene derde, kleine onderafdeeling vormen do zagers of zaagbekken.

Van beide eerstgenoemde geslachten treft men er aan in

Europa: '27, n.l. \\ zwem- en 16 (luik-eenden;

Azië; 33, „ 18 „ „ 15 „ ;

Afrika: 26, „ 11 „ „ 10 „ ;

Amerika: 42, ,, 24 ,, ,,18 ,, ;

Australië:

en Polynesië: 22, ,, 16 „ ,, 6 „ ;

Tot de zwem-eenden behoort in de eerste |)laats do stamsoort van onze huiseenden :

De Wilde-eend. — Anas boscas /.. A. fera Èriss. Wild Duel; of Mallurd.

Canard sauvaye. Mürz- of Slockcnte.

1)(; Wilde-eend bewoont een groot gedeelte van bet noordelijk lialfroud van onzen aardbol en is, niettegenstaande do invloeden van liet klimaat en/, zoo constant gebleven, dat de Japannoesclie exemplaren even min van de Europeesche verschillen als de Amerikaansclie. Zij broedt in Europa van Oriekenland tot aan den OS8'0 graad noorderbreedte, terwijl baar broedgebied zich in Azië uitstrekt van Kasclimir en in N. Amerika van Kentucky tot ongeveer dezelfde noorderbreedte. Al naar de breedte van hare verblijfplaats is zij bier standvogel, daar zwerfvogel, elders trekvogel, die met het eerste dooiweer in liet Noorden verschijnt, in zachte v, inters overal is waar maar open water blijft en bij strenge koude zelfs tot aan den evenaar trekt.

Gedurende de wintermaanden kiest zij, in vereeniging met andere wilde soorten en in groote troepen, hare verblijfplaats in moerassige streken, welke dan onder water staan, veenplassen en meren met niet steile oevers. Audubon vond ze in 1831 op de overstroomde savannen van Florida, IVaumann en Baldamus zagen ze op de overstroomde vlakten tusschen de Elbe en de Saaie (aan den mond dezer laatste rivier) en alle drie in zoo groote scharen, dat het zonlicht er door verduisterd werd, wanneer de troep zich in de lucht verhief, en het geruisch hunner vleugels als een verwijderde donder klonk. (Audub. Ornith. Biogr. 111. 1691).

Des zomers houden de Wilde-eenden zich op aan stroomende en stil-

ocr page 332

SsU

staaiulo wak-run, wolkc g'odoeltoljjk mut riet, biezen en amlerc walorpiantoli zijn begroeid en in welker nabijiieki zieh ook boomeii, liij voorkeur knotwilgen, bevinden. Zij nemen liet eehter ook voor liet' met sfflten en kleine waterplassen, wanneer zij daar maar geschikte gelegenliedon vinden om zich te verschuilen, en broeden dikwijls op tamelijk grootcn afstand van het water op weilanden, korenvelden en in niet te hooge en droge boscli-achtige streken. Het kunstelooze nest is vervaardigd uit droge rijsjes, halmen en bladeren, vooral rietbladeren enz. eu gevoerd met de borst-en donsveeren der moeder, die, wanneer zij het nest verlaat, de eieren daarmede bedekt. Men vindt het nest meestal op de aarde en tamelijk goed verborgen, doch ook dikwijls in den kop der knotwilgen en soms zelfs vrij hoog boven den grond in onde krnaien- en roofvogelnesten.

])e in boomen uitgebroede jonge Wilde-eenden worden, zoudra ze droog zijn, door de moeder in den snavel naar bet water of op den grond gedragen. Do het laatst aan de beurt zijnde jongen worden wel eens wat ongeduldig en onstuimig, zoodat er menigmaal enkele van een vrij aanzienlijke hoogte uit hun nest ter aarde vallen, zonder dat ze daardoor, naar het schijnt, letsel bekomen. Zit het nest in den kop van een knotwilg, dan worden de jongen zoo maar zonder complimenten door de moeder in liet water of op den grond geworpen, en dit geschiedt met zooveel vlugheid, dat men moeite heeft om waar te nemen, hoevele er naar beneden worden geworpen en hoevele zich vrijwillig laten vallen.

In ons land is de Wilde-eend een zeer algemeen bekende vogel, welke overal langs de oevers, op de binnenwateren, zelfs aan do kanten van slooten wordt aangetroften, en daar zij een zeer gezocht wildbraad oplevert, wordt zij in de wintermaanden met jachtgeweer, netten en in eendenkooien in groot aantal gevangen.

Zij zijn in de wintermaanden hier zeer talrijk, docli voor een groot deel slechts doortrekkende. De van het Noorden komende zijn de grootste, terwijl die, welke bij strenge vorst uit het Oosten hier komen — de kooikers noemen ze „Oost-eendenquot; — kleiner en meer gedrongen zijn en ook kortere bekken hebben (Albarda). ür. Venema onderscheidt in zjjne studie over de Eenden (Alb. der Natuur 1873) ook twee verscheidenheden van Anas bosca, n.l. Westersche en Oostersche. „De eerste zijn grooter, donkerder van kleur dan de laatste. Ook is het verschil merkbaar aan den snavel. Die der Westersche eenden is meer geelachtig en heeft in den regel een zwarte streep; die der Oostersche is meer groenachtig en mist die streep. De Oostersche verhuizen van hier tegen den zomer; de Westersche blijven aan onze meren, riviertjes, plassen en poelenquot;.

Reeds in de maand April kan men hier haar nest vinden met een 10 a

ocr page 333

325

Iti tal eieren, die gewoonlijk in l weken worden uitgolnoed; dc broecUjjil kan echter door den invloed van liet weder ook wel enkele dagen langer worden.

De eieren zjjn, evenals de ouders zelve, kleiner en slanker dan die der gewone huiseenden, licht grijs-groenachtig van kleur en ook van een sterkeren vetglans voorzien. Deze eieren verschillen in grootte meer van elkander dan door prof. lt;). F. Nauinann wordt aangenomen. Ondereenigehonderden eieren, die nauwkeurig werden genieten, hleken do meesten te variëeren tusschen 55 en .quot;gt;7 millim. lengte en 40 en 42 millim. breedte; de kleinste maten 5;i X 40, do grootste 5!) X 44 millimeter. Het gewicht der pas gelegde eieren hedraagt gemiddeld 53.4 gram, dat der droge schaal 5.45 gram. De poriën zjjn zeer klein en wegens de naar verhouding sterke en zeer olieachtige opperhuid nauwelijks merkbaar; de schaal is tamelijk dik en sterk. De meestal voorkomende vorm is de een weinig gerekt ovate, doch men treft er ook aan, die meerder of minder zuiver ovaal, meer gerekt of kort zijn.

De eenden zijn over 't geheel zeer vraatzuchtige dieren en An. boscas doet in dezen voor geene harer familieleden onder; haar voedsel, dat zoowel dierlijk als plantaardig is, zoekt ze bij voorkeur in de schemering; het bestaat uit insecten, wormen, slakken, kikvorschlarven, kleine kikvorschen en visclijes, alsmede uit inalsch groen, wortelknollen en zaderjjen van allerlei soort. En daar zjj uitstekend zwemt en vliegt, zeer goed loopt en duikt, is het terrein, waarop zij zich kan bewegen om voedsel te zoeken, bijna onbeperkt.

Alle wilde eenden leven paarsgewijs en Anas boscas heeft zich dan ook eerst sedert hare domestiseering aan do polygamie gewend. De mannetjes, n'ocnl of waard en in sommige streken ook weriel genoemd, verwijderen zich, zoodra de eenden zich te broeden zetten, van deze en vereenigen zich in groote, soms uit verscheidene honderden exemplaren bestaande troepen oj) groote plassen en meren, misschien wel om zoo doende beter beschermd te zijn in den tijd, gedurende welken zij wegens den zomerrui slecht of in het geheel niet kunnen vliegen. De eenden hebben namelijk een dubbelen rui. De zomer- of beter gezegd de voorjaarsrui begint reeds in Mei, bereikt in ongeveer (gt; weken tijd met bet verlies van de staart- en slagpennen zijn hoogtepunt en is tegen het midden van -luli afgeloopen. In dit „zomerkleedquot; en in het eerste vederkleed, dat op de donsbekleeding volgt, gelijken de woerden in kleur en teekening zeer op de eenden, welke alleen een weinig lichter van kleur zijn. Beide evenwel, het zomerkleed en het eerste vederkleed der woerden, worden slechts gedurende zeer korten tijd gedragen; pas vier weken later begint reeds do herfstrui, welke tegen het begin of

ocr page 334

326

liet midden van October geëindigd is; do wijfjes-eenden mien eehter veel later dan de woerden. De woerden bezitten na dezen rui een prachtkleed, dat zoowel wegens zjjne kleurenluirmonie als teekening met dat der fraaiste vogels kan wedijveren en ontegenzeggelijk prachtiger is dan er door eenig lid van hunne eigene familie wordt gedragen.

Volgens Schlegel en anderen ontstaat het prachtgewaad der woerden niet zoozeer door het ruien, dat is door liet verwisselen der veeren, als wel door het verkleuren van de in den zomerrui ontstane nieuwe veeren, zooals men dat ook ziet bjj vele andere vogels, bepaaldelijk bjj vele prachtvinken. Door Homeyer e. a. is die meening wel is waar tegengesproken, doch het is een feit, dat de herfstrui zeer onvolkomen en dat de verkleuring der veeren niet buitengesloten is.

De woerd is in zijn prachtkleed goudgroen aan kop en hals, terwijl de benedenhals een witten ring draagt; de rug is geelbruin, de stuit en de

bovenstaartdekveeren zijn zwart niet een groenen wcerseliijn, de onderstaart-dekveeren Huweelzwnrt, terwijl de staartpennen zelve grijsbruin zjjn met witte randen; de krop is pnrperbruiii, de overige onderdeden, borst en buik, liebben een witachtige grondkleur, waarop talrijke fijne, dwarse en zwarte zigzaglijntjes. De vleugels dragen een fraaien metaalblauwen spiegel, welke met wit en zwart is omzoomd. Een eigenaardig kenmerk van den woerd zijn ook de naar boven omgekrulde achterste bovenstaartdek veeren.

liet wijfje is over 't gelieel roestgeel van kleur met zwarte vlekken en grijze vlengeldek veeren, en zoo zjjn ook ongeveer de jongen en de woerden

ocr page 335

327

na den rui gekleurd. De snavel is hij den woerd geelgroen, lijj de eend groenachtig grijs; de pooten zijn steenrood; de oogen l)ij den woerd bruinrood, bij de eend bruin. De Wilde-eend heeft eveneens fraaie vormen, draagt liet lichaam meer rechtop dan de tamme eenden en mag ook in dat opzicht met recht een fraaie vogel worden genoemd.

In maat en gewicht staat zjj echter bij de tamme eenden vrij wat ten achter. De lengte van den woerd, van den snavelwortel tot den staart, varieert tusschen en 554 millimeter, die der vlucht tusschen 842 en 943 millimeter. De eend is gemiddeld 350 millim. lang en lieeft eene vlucht van lt;S00 a 850 millim. Het gewicht van een Hinken, vleezigen woerd is 1 ] a Ij kilogram, dat der eend zelden 1 kilogram of meer.

Anag boscax is reeds door de Romeinen en waarschijnlijk ook door de rieken en ('hineezen in zeer oude tijden tot den rang van huisdier verheven. Varro en Columella geven reeds eenige vingerwijzingen voor de inrichting van eendenfokkerijen — nossolvopheion, een Grieksche naam, die met eenige waarschijnlijkheid doet vermoeden, dat die fokkerijen van Griek-schen oorsprong zijn. De Romeinen kruisten het wilde met het tamme ras en zorgden voor gestadige bloedopfrissching, door, zoonis ('olumella mededeelt. de eieren van wilde eenden op te zoeken en door hoenders te laten uitbroeden. Zij hielden in hunne eendenparken ook kleine soorten, als men ten minste mag aannemen, dat wij onder hun QuenjuednJa onze Ttdinyen moeten verstaan. Doch welke soort zij ook met dezen naam aanduidden, 't is wel merkwaardig, dat alleen Anas Imcas gedomestiseerd werd. Dit is eveneens het geval in China, waar do eendenfokkerij reeds van zeer ouden datum moet zijn en nog tegenwoordig op groote schaal wordt beoefend; de ('hineezen broeden in hunne tonbroedmachines voornamelijk eendeneieren uit. De fokkers in de nabjjheid der zeekusten vergezellen hunne troepen eenden in booten en houden er een wakend oog over, wanneer de dieren op de door de ebbe droog geworden slikken naar voedsel zoeken; deze loepen daar in bonte mengeling door elkander, doch kceren op het geluid van een bekken (tamtam) naar hunnen eigenaar terug (Du Halde). In Cochin-China zag J. Crawford kudden tamme eenden van over de 1000 stuks.

Deze tamme wilde-eenden zijn door de langjarige domestiseering echter in menig opzicht veranderd: zij zijn n.l. grooter en zwaarder geworden en hebben veel van het instinct barer voorouders verloren.

Toch kan men bij de gedomestiseerde of huiseenden eigenlijk niet van rassen spreken, zooals wjj dat bij de hoenders doen, doch alleen van kleur-slagen, die zich, behalve wat do kleur en de grootte aangaat, plastisch wei nig of in het geheel niet van elkander onderscheiden.

ocr page 336

r!28

Do kleuv is liij de voonmamstc der Imislioudolijk nuttige slagen als liet ware oen kenmerk van hare nationaliteit geworden, bijv. do kleur en tee-koning der Wilde-eend bij do Kouaan- en de witte kleur niet den rosékleu-rigen snavel bij de Aylesbury-eend, do beide hoofdvertegenwoordigers van de Fransche en Engelsche kweekkunst,

Met bestek van dit werk laat niet toe, dat we uitvoerig zijn in de bespreking der sier-eenden; ook hier het nuttige boven liet aangename stellende, komen liet eerst en voornamelijk in aanmerking

A. DE HUIS- OF NUTEENDEiV.

Hiertoe rekenen wij in de eerste plaats de geheel gedomestiseerde slagen, welke zich door eene verhoogde eierproductie, meerdere lichaamsgrootte en mestbaarheid resultaten van de zorgende menschonhand onderscheiden, doch verder ook die, welke algemeen bjj de liefhebber-fokkers worden aangetroffen en op welke, zooal niet de naam nut-eenden, zeker toch de naam huis-eenden mede toepasselijk is.

Over 't algemeen legt men zich niet zooveel op de eendenfokkerij toe, als wel wenschelijk is; de meerdere aandacht, die er in de laatste jaren ook in ons land aan de pluimveeteelt wordt geschonken, komt de eenden-fokkerij nog slechts weinig ten goede. En toch kan ook deze afdeeling der pluimveeteelt, rationeel gedreven en onder eenigermate gunstige omstandigheden, zeer loonend zjjn.

Onder die gunstige omstandigheden verstaan wij de aanwezigheid van water en wel. daar het hier niet op de ,,fancy-pointsquot; aankomt, voornamelijk van stilstaande wateren als meren, plassen, vijvers, grachten, zelfs slooten, omdat daarin welig het voornaamste groenvoer voor de eenden tiert, nameljjk de onder den naam van eendenkroos bekende waterlinzen. Lemma minor (jiblia, polijrrhiza etc., welke de oppervlakte dier wateren dikwijls als met een groen kleed bedekken. Bovendien herbergt zulk een kroosveld eene massa kleine slakjes en andere dieren, die mede voor de eenden een zeer te waardeeren voedsel zijn. Uoor hare behoefte aan en trek naar dierlijk voedsel bewijzen de eenden in de huishouding der natuur belangrijke diensten, daar zij ook op de volden massa's slakken, larven van meikevers enz. verdelgen; in de tuinen zijn zij, met de spreeuwen, de voornaamste verdelgers van de vraatzuchtige tuinslakken, van de koolrupsen en ander ongedierte, terwijl zij er, daar zij niet. krabben, weinig schade kunnen te weeg brengen, eene schade, die in elk geval volstrekt niet opweegt tegen de groote voordeelen, die ■/.ij aanbrengen door liet verdelgen van zoo vele vijanden van onze tuingewassen. In jaren, waarin de koolrups in buitengewoon groot

ocr page 337

329

aantal in do (uiiien voorkomt, zij men oclitor zoo voorzichtig, om do oendon geon onboporktc vrijheid to geven in het verdelgen dezer rups, daar liet meermalen Iiewezen is, dat een overdadig gebruik daarvan haar zeer schadelijk, zelfs doodelijk kan worden. Hoe ruim de disch dan ook van dit dierlijk voedsel voorzien moge zijn, men verzuime niet, de eenden ook dan nog een zekere hoeveelheid graan te voeren.

Espanet vertelt, dat liij op een groot landgoed door het aanleggen van een 20-tal plassen of' vijvertjes, die door een beek of een sloot van water werden voorzien, jaarlijks om de vijfhonderd stuks eenden kon groot brengen. Deze met stilstaand water gevulde vijvertjes waren weldra geheel met een laag eendenkroos bedekt, dat „eene menigte insecten, wormen, slakken en kikvorschen loktequot;. Eiken dag werden de eenden naar één der vijvertjes gedreven, hetwelk dan niet horden werd omgeven om te beletten, dat zij in de andere vijvertjes konden komen. Er was op deze wijze voorraad voor den tijd van 20 dagen, in welken tijd de oppervlakte weder met kroos was bedekt, zoodat dit steeds in voorraad was. Espanet liet de dieren echter 's morgens en 's avonds, bij het gaan naar en het terugkeeren van één der vijvertjes, ook eenigen tijd op een stoppelveld of eene weide grazen en voorzag ze, vóór ze de nachtrust aannamen, nog van eene iioeveelheid graan.

Op deze wijze zal de eendenfokkenj zeker zeer goedkoop en winstgevend zijn en in streken, waar geen voldoende waterplassen zijn om met voordeel eenden te houden, doch wel een beekje of sloot, die een aantal zulke kleine vijvertjes kan voeden, zon eene proefneming de moeite en kosten ongetwijfeld loonen.

Velen rekenen voor de fokkerij één woerd voor 8 a 10, zelfs voor 12 eenden voldoende; anderen houden dit aantal echter zelfs voor de eierpro-ductie alleen te groot. De mannetjes van vele vogels, die van nature of ook alleen in getemden toestand polygamist zijn, hebben de eigenaardigheid, dat zij eene of sommige hunner wijfjes begunstigen, ten koste van de andere, die zij soms geheel verwaarloozen, ja, niet deze laatsten dikwijls op zulk een gespannen voet staan, dat zij die menigmaal niet bij den voederbak dulden. Om zekere brocdresultaten te verkrijgen, geve men een goeden woerd daarom niet meer dan '(• of hoogstens (i eenden en, wanneer men bij liet broeden geen verlies aan tijd en eieren wil hebben, mag men ook nog wel acht geven, of liij alle wijfjes wel bevrucht; mocht zulks niet het geval zijn, dan geve men de verwaarloosde eenden aan een anderen woerd.

Wanneer men met eene eendenfokkenj begint, heeft men dus dadelijk op deze verhouding tuaschen woerden en eenden te letten, terwijl men bij het aanschatten van fokeenden bovendien er zooveel mogelijk voor moet zorgen, dat men eenden van verscliilleiicien leeftijd krijgt, doch niet ouder dan 2 jaren

ocr page 338

330

ca - - van liei'f'stk'ggcrs. fs zulks uicfc mogelijk, dfin moet men zich zeiven door eene zorgvuldige keuze vau de fokdieren langzamerhand in het bezit van goede fokdieren stellen.

De gewone boeren- of laudeeuden beginnen bij gunstig weder meestal reeds in .Maart te leggen en gaan daarmee, wanneer men de gelegde eieren geregeld tot 0]) één na wegneemt, door, tot zij een l»0 tal gelegd hebben; verscheidene slagen brengen het echter ook tot over de honderd. Zij leggen nu eens enkele dagen achtereen, dan eens om den anderen dag. Zjj behouden deze vruchtbaarheid soms tot aan hun tiende jaar, beginnen dan langzamerhand te verminderen, houden met hun vijftiende of zestiende jaar geheel op en kunnen tot 20 jaren oud worden. De eieren der eenden zijn ,,vetterquot; dan de hoendereieren, en niet alleen de dooier maar ook het eiwit, dat tevens ook helderder is, minder kleur heeft. Wegens deze eigenschappen wordt juist, zoowel op technisch gebied als in de banketbakkerijen, de voorkeur gegeven aan eendeneieren en worden deze duurder betaald dan hoendereieren. Zoo heeft men bijv. in do albuminpapierfabrieken liever eendeneieren, omdat hun eiwit helderder en meer doorzichtig is dan dat der hoendereieren. Deze tak van nijverheid verbruikt eeno groote massa eiwit, terwijl do dooiers bij de bereiding van fijn handschoenleder dienst doen.

De eieren der gewone huiseenden verschillen in grootte en kleur evenzeer en misschien nog meer dan die der Aylesbury-eenden en de overige slagen; de grootte der middelgroote is X 43,5 millimeter; het gewicht der pas gelegde eieren varieert al naar den vorm tusschen 58 en (gt;4 gram, dat der gedroogde schaal tusschen 5,5 en 0,5 gram. De eieren der grootere variëteiten, als Aylesbury- en Kouaan-eend, zijn natuurlijk grooter en zwaarder; beide wegen gemiddeld 71—7'2 gram.

Het gewicht van den dooier staat tot dat van het eiwit gemiddeld ongeveer als 5 ; !l (nauwkeuriger als 20,45 : 3(1,72). Do kleur der eieren varieert tusschen bjjna zuiver wit, met een nauwelijks merkbaren zweem van groen of geel, en een zeer fraai en intensief olijfgroen of duidelijk roomgeel.

Men laat soms ook de eieren der gewone eenden door hoenders of kalkoenen uitbroeden, voornamelijk de eerste eieren in het seizoen. Düsterberg beveelt zelfs aan om „gewone kippen voor het uitbroeden van drie direct op elkander volgende geslachten te bezigen, om zoodoende de uitstekende eigenschappen der hoenders, vooral tamheid, groote eierproductie enz. trapsgewijze op de eenden over te brongon; de derde graad is beslist de hoogste, daar een verder doorgevoerd fokken met behulp van kippen geene verhooging meer ten gevolge heeft,quot; liet onaangenaamste, zegt hij verder, is, dat er bij deze wijze van fokken een periode van 3 jaren noodig is, voormen

ocr page 339

3.11

zijn dool lioroikt ou dut zal dan vulgons hum ook ecu redcsn moe zijn, waarom deze eenden zoo zeldzaam zijn. (?) Door hoenders uitgebroede eenden moeten nanr sommigei' bewering oollt; nog andere eigenschappen overnemen, o. a. ook die om niet meer op den grond, maar hooger hare nestplaats te zoeken. Dit doen echter de Wilde-eenden ook en sommige soorten wel vrij geregeld. Baldamus zelf echter zegt, dat het eenige, wat men bij de jonge eenden, die door kippen of kalkoenen uitgebroed worden, bereikt, is, dat zjj meestal •— echter niet altijd ongaarne te water gaan, en hij schrijft dat hieraan toe, dat hun donzig kleed niet zoo goed door eene kip ingevet wordt, als do moeder-eend dat bjj het bebroeden of liever bij het uitkomen doet.

Het is niet onmogelijk, dat 15. in dit laatste geljjk heeft, doch we hebben herhaalde malen door kippen uitgebroede eendjes te water zien gaan en daarin ronddartelen, terwijl de broedster, niet wetende wat zjj van zoo iets moest denken, angstig klokkend langs den kant van het water liep, als wilde zij hare pleegkinderen waarschuwen voor het gevaar, waarin deze naar hare meening verkeerden.

Moeten zulke jonge eenden zich echter met een vlakken waterkom tevreden stellen, dan volgen zij veel meer de kloek en worden dan door den meerderen omgang met de mensehen langzamerhand ook tammer dun wanneer zjj in slooten en grachten hunne fortuin zoeken.

Eene kip kan, al naar hare grootte, i I a 15 eendeneieren bebroeden, eene eend 1lt;S en een kalkoen 'i'J.

De broedtijd duurt gewoonlijk '2S dagen, doch kan ook wel een paar dagen korter of langer zijn. Wie zijne jonge eenden zonder moeite en zonder nadeel en verlies dadelijk te water wil brengen, dien raden we aan, de eerst uitgekomenen stilletjes bij de moedereend te laten, tot alle uitgekomen zijn. Zelfs de tamste eenden willen, wanneer men ze er niet vun den beginne af aan gewend heeft, niet verdragen, dat men huar nadert, dat men bij het nest komt; zij tracliten den rustverstoorder dikwijls met zooveel woede en onstuimigheid te verdrijven, dat de eieren of do toore jongen daardoor verloren gaan.

Ook do Wildo-oonden openbaren dikwijls een buitengewone moederliefde en moed. quot;l Is wel gebeurd, dat een broedende eend den voor het nest stand bondenden jachthond woedend in het gezicht vloog en dezen door dien onverwacliten aanval op den loop joeg.

Grilnhaldt verhaalt aangaande deze eigenschappen der eenden hot volgende: „Een Wilde-eend, die den hollen top van een knotwilg in de nabijheid van mijn tuin tof hare broedplaats had gekozen, was door mijne dageljjksche bezoeken aan haar nest zoo aan mij gewond, dat zjj bjj mijne

ocr page 340

.332

verschijning niet van liet nest vloog. Tegen liet luutst van den broedtijd echter werd zjj zoo woedend, dat zij mij naar liet gezicht vloog, en toen ik achteruit week om na te gaan, hoe zij zich verder zou gedragen, vervolgde zij mij half loopende en half' vliegende onder luid geschreeuw en beet mij in de pijpen van mijn pantalon. Toen de jongen eindelijk uitgekomen waren, vloog zij bij mijne nadering met eene lokroep van het nest, waurna de nauwelijks droge .jongen zich hals over hoofd naar beneden lieten vallen en binnen enkele oogcnblikken in liet weidegras verdwenen. Slechts een enkel, nog niet droog kiekentje was in het nest achtergebleven en dit werd, toen ik mij .verwijderde door de moedereend uit het nest gehaald en eenige honderden passen verder in het gras neergezet. Toen ik tegen den avond de mij wel bekende plaats weder opzocht, vond ik de geheele familie bijeen, die nu door de moeder naar een beekje aan den rand van het bosch werd geleid.quot;

Zoodra de jonge eendjes slechts '24 uren oud zijn, kan men ze, om de overige broedeenden weder spoedig aan het leggen te krijgen, in troepen van 50 stuks (?) en zelfs meer nog aan de hoede van één enkele leidster toevertrouwen, waarvoor men dan eene der tamste eenden kiest. Voorzichtigheidshalve brenge men de kiekens dan des avonds onder hare pleegmoeder, opdat deze ze dien nacht onder zich houdt; daarna zul zij hare pleegkinderen even goed verzorgen als haar eigene.

Hoe teer de jonge eendjes bij al hunne levendigheid in de eerste dagen ook zjjn, zoodra zij de moeder in het water volgen, behoeft men aangaande den aard van het voer niet meer bezorgd te zijn. Gekookt en fijngehakt vleesch, voedermeel, zemelen, fijngehakt rauw of gekookt groenvoer, gekookte aardappelen, broodkruimels bjj dit alles tieren zij zeer goed. Geen ander voer bekomt hun echter beter dan de larven uit den wormput, dien men bij het fokken van eenden iu het groot door niets beters vervangen kan. Vliegen larven, vermengd of afgewisseld met gekookte boekweit, zijn zeker het beste van alle voedermiddelen om de jonge eenden snel te doen groeien, vooral wanneer zij geen sloot, gracht enz. te barer beschikking hebben. In dit geval dient men er ook voor te zorgen, dat zij steeds gebruik kunnen maken van een bak met water, waarvan de bodem niet een ongeveer 3 centimeter dikke laag fijn grint bedekt is.

De vroegste broedsels zijn ongetwijfeld do voordeeligste en gelukken ook beter dan een tweede of een laat broedsel. Later dan Juni of op zijn laatst in het begin van .luli moet men eenden niet laten broeden, aangezien de jonge eenden dan te langzaam groeien, de verkoopsprijs geringer is en het voordeel der fokkerij aanmerkeljjk kleiner wordt, zoo niet geheel verloren gaat.

ocr page 341

Wat de huisvesting tier eenden aanhaal, dient men liij liet fokken op gl'Ooto schaal te zorgen, dat /.jj haar hok en loopplaats niet met ander pluimvee behoeven te moeten deelen. Dikwjjls wordt eene scliijnbaar natuurlijke inricliting iifinhevalen, waarbij de kippen de bovenverdieping bewonen en de eenden en ganzen de benedenverdieping. Üustverstoring van beide kanten en gevoelige verliezen hjj het grootbrengen der jongen zijn er de onvermijdeljjke gevolgen van.

liet wil ons voorkomen, dat deze bezwaren grootendeels, zoo niet geheel, uit den weg zouden worden geruimd, wanneer men de rennen of loopplaatsen voor hoenders enz. van de voor de eenden enz. bestemde scheidde en bet hok zoo inrichtte, dat de dieren daaruit nergens anders konden komen dan in de voor iedere soort bestemde afdeeling der ren. Wat de ganzen aangaat, die zouden we er liever niet zien, om de scherpe lucht, die hunne uitwerpselen van zich geven en die dan in de hoendervorblijven zoude dringen.

In groote fokkerijen moet het eeudenhuis op zijn minst uit 3 afdeelingen bestaan. Beter echter is nog de verdeeling in vier ruimten, als;

I. Eene afdeeling, waar de eenden zich ongestoord aan de rust kunnen overgeven, wanneer ze daaraan behoefte gevoelen.

li. Een nesthok, alleen door een houten schot van n '. 1 gescheiden en daarmede verbonden door verscheidene openingen, waardoor de eenden van de eene in de andere afdeeling kunnen komen.

(In plaats van de afdeelingen 1 en ti zou men ook één grootere kunnen nemen, ruim genoeg om als rust- en als legplaats beide te dienen).

3. De broedruimte, welke een bepaald vereischte is, wanneer men door hoenders laat broeden, doch ook aan de broedende eenden een rustiger en veiliger verblijfplaats biedt. Deze afdeeling moet van de andere door een houten schot gescheiden zijn en sluitbare toegangen tot de nestgelegenheden, ile kuikenren en de looplaats of ren hebben.

4. De kiekenren, die voor de opname van de jonge eendjes bestemd is en door lichte, verplaatsbare schuttingen of horden in kleinere afdeelingen verdeeld kan worden. Deze afdeeling moet de grootste zijn, omdat de jonge eenden daarin hun nachtverblijf moeten vinden tot zij den leeftijd bereikt hebben, waarop zij verkocht worden, of, wanneer men mesten wil, tot zoo lang zjj in het inesthok geplaatst kunnen worden; deze afdeeling is dubbel noodig, wanneer men behalve de eieren van eigen eenden ook van elders aangekochte wil laten uitbroeden.

Zijn do afdeelingen 3 en 4 zoo gebouwd, dat zij den eenden voldoende beschutting tegen de koude bieden, dan is een verwarmingstoestel onnoodig. tenzij bij zeer strenge winters en ter bekoming van buitengewoon vroege

ocr page 342

.'i.Vi

kiekons; do nicerderG productiekosten kunnen dan voorzeker gedekt worden door de lioogere prijzen, die men voor vroegbroed maken kan.

J)e bodem der verscliiilende afdeelingen, die vooral tegen de wroet- en vernielzucht der ratten bestand moet zijn, kan bedekt worden met een laag van aseh en zand, door elkander gemengd en waarover een laag stroo. In de afdeeling voor de kiekens is echter eene zandlaag meer aan te bevelen. Deze afdeeling moet ook verlicht zijn, aangezien de kiekens daarin ge-ruimen tijd gevoederd moeten worden, terwjjl do broed- en legruimte. vooral de laatste, donker moeten worden gehouden.

Meent men, dat do eenden beter zullen broeden, wanneer do nesten wat meer aan het oog zijn onttrokken, dan kan men zulks gemakkelijk zoo inrichten, door toenon- of stroohorden voor de nesten te plaatsen. Voor kostbare eendensoorten gebruikt men ook bodemlooze houten kastjes, welke men over hot nest plaatst en waarin eene kleine opening is voor het in-en uitgaan dor dieren.

Heeft men in de oniniddelljjke nabijheid van zijne woning voldoend water voor zijne eendon en waarin deze vrijelijk kunnen rondzwommen, dan plaatst men ook wel strooien manden of lognesten van een bijzonderen vorm op een uit eenige palen en planken bestaand houtvlot, dat men op eenigon afstand van do kanten in het water vast logt, en welke nesten dan gaarne door de eenden gebruikt worden. Hier en daar ziet men deze nesten ook wel aan don kant van hot water op den vasten wal geplaatst.

Een nadeel van dozo nesten in do open lucht is echter, dat ze gemakkelijk door eierdioven kunnen worden bezocht als: kraaien, eksters, wezels en marters. He aan don wal liggende nesten zijn in dit opzicht natuurlijk nog minder vertrouwbaar dan die, welke op oen vlot zijn geplaatst.

Mot zekerste middel om allo eieren te krijgen is, do eenden geregeld binnenshuis te halen zo niet uit te laten, voor zo gelegd hebben.

Heeft men oen niet te groot aantal, dan kan men ze, voor zo den stal verlaten, even bevoelen. Door oen lichten druk met do vingers op hot achterlijf, laat zich gemakkelijk een aanwezig ei voelen, zonder dat dit er door beschadigd wordt.

Eenden, bij welke men oen ei voelt, boude men dan eerst nog eenigon tijd binnen.

Do hierboven bedoelde strooien leg- on broodnesten, welke ook even goed in den eendenstal dienst kunnen doen als in de open lucht, worden hier te lande tegen lage prijzen geleverd door de Vereeniging „Onderlinge Werkverschaffingquot; te Warga.

Wil men eenden mesten, dan dient men ervoor to zorgen, dat zij niet maar zoo op eens uit den troop gevangen en in liet mosthok gezet worden,

ocr page 343

335

aangezien ze dan gewoonlijk door limine onrast zoo slecht eten, dat zjj menigmaal achteruit gaan in plaats van vooruit. Men doet heter, ze eerst langzamerhand wat langer in den stal te houden en ze dan in troepjes van 8 a d'i stuks iu eene kleine, donkere doch frissche ruimte op te sluiten, waar men ze kan voeren met gekookte aardappelen, rapen en koren, terwijl men ze na eiken maaltijd den krop vol stopt met pillen van met water of melk aangemaakte zemelen, gebroken maïs of gerst en maïsmeel of ook wel met gekookte en warme maïskorrels. Als de eenden flink willen eten kunnen ze ook met de genoemde meelspijzen zonder stoppen wel behoorljjk vleezig en vet worden, doch een groote en vette lever verkrijgt men alleen door de dieren geregeld met genoemde pillen te stoppen.

Het mesten is in den regel in I \ dagen afgeloopen. Als de dieren de vleugels niet meer kunnen kruisen en den staart waaiervormig uitspreiden, is dat een teeken, dat men met mesten eindigen en do dieren op het oogenhlik slachten moet, daar men anders gevaar loopt, dat zij in overmaat van vet stikken,

1, De gewone Huis- of' Bocreneend, — Anas coDiitnmis. A. boscas domcstico.

C.ommun Duck. Canard domesliipie. Hans- of Landeule.

Deze eend, de oudste van de gedomestiseerde eenden, is grooter en zwaarder, meer gedrongen van vorm en vleeziger dan de Wilde-eend en komt, behalve in de oorspronkelijke kleur en teekening van deze laatste, in tal van andere kleuren voor, als: wit, zwart, zwart met witte borst

welke kleur vooral bij de Italiaansche eenden menigvuldig voorkomt, grijsblauw, grjjsgeel, gevlekt, bruin e. a. Do kleur van den snavel wisselt naar de kleur van het gevederte af van lichtgeel door grijsgroen tot zwart, en evenzoo de pooten. Het gewicht stijgt bij do zware slagen tot 3 kilogram.

De gewone huiseend is een tamelijk goede legster, doch zjj legt hare eieren dikwijls te ver van de woning op verborgen plaatsen, in korenvelden, aan de met lang gras en biezen begroeide kanten van slooten, enz, Zjj broedt uitstekend en is eene even goede leidster van hare kiekens.

Haar vleesch is zeer goed; daar zij echter slechts klein is, is eene kruising met zwaardere soorten, ter vergrooting van liet gewicht, zeer aan te bevelen, Eene sierlijke variëteit is.

2. /V kuil-eend. — Anas crislata, The crested Duel;. Canard liiipp(: C. Vempereur. Hauhen-, Schopf- of Kaiser-cnte.

De Kuif-eend ■— niet te verwarren met Fuliga crislala, eveneons Kuif-eend genoemd, doch een duikeend — draagt haren naam naar de fraaie,

ocr page 344

ÈS6

runde, uit lij nu, iloiisaclitigo voeren bostaandu kuit', wolkc ovoiialö bij ilo werkelijke kuifiioenders op eene verliooging van den schcdel in ingeplant en liet eenige wezenlijke kenmerk dezer eend is. Zjj komt in de wilde kleur voor, doch meestal in wit, liclit- en donkergeel met witte kuif. Ook treft men zwarte aan en een enkele maal witte met een gele kuif. De snavel is groenaclitig geel, de pooten zijn oranjegeel.

De Kuifeend is niet alleen een sieraad voor eiken vijver, doch heeft ook groote huishoudelijke waarde. De eierproductie laat niets te wenschen over en de wit-, geel- en groenachtige eieren hebben een behoorlijk gewicht. Volgens eene opgave in de Allgem. Deutsche Geflügelzeitung No. 30, jaarg. '18!Ki, bereikt deze eend bij goede voeding een gewicht van a 4 kilogram en geeft zjj sappig en smakelijk vleesch.

„De eenige moeieljjkheid, heet het daar verder, welke het fokken van deze eend oplevert, is deze, dat er soms slechts een klein procent van de uitgekomen jongen van eene kuif is voorzien. Het gunstigst onderscheiden zich in dit opzicht de wildkleurige, ofschoon deze eene der nieuwste kleur-slagen zijnquot;.

3. De Hou aan-eend. — A. Rolhomagensis. Honen Ihtck.

Canard de Ronen. Rouen-ente.

Deze uitstekende nut-eend, die de oorspronkelijke wilde kleur constant bewaard heeft, draagt haren naam naar de oude hoofdstad van Norinandië, op welker markten zij nog altoos raszuiver te verkrijgen is. Dat zij de kleur van de wilde stamsoort zoo goed heeft bewaard, is misschien oen gevolg van toevallige of opzettelijke kruising met deze. Zij heeft zich echter tot een zoo grooten, zeer tot vet worden geneigde vleeschklomp ontwikkeld, dat zjj in den laatstcn tijd de beroemde Aylesburys in dit opzicht niet alleen op zijde streefde doch zelfs heeft overtroffen en ongeveer 4 maal zoo zwaar kan worden als hare stamouders.

Do heer Hewitt exposeerde te Birmingham eens 1—'2 Rouaan-eenden, die te zamen 14,(i kilogram wogen. Daar nu de woerd der Wilde-eenden zelden zwaarder wordt dan 4 j en de eend zelden 1 kilogr. weegt, is de gewichtsverhouding vim I—-'i Wilde-eenden tot deze 4—2 Rouaan-eenden als 3,5 tot 44,(i of als 7 tot 2!', zoodat de laatste ruim A maal zoo zwaar wogen als do eerste. Hewitt had zijne dieren echter met melk en havermeel gevoerd.

J. K. Fowler, een der voornaamste Engelsche eendenfokkers zegt, dat de Houaan-woord zoo nauwkeurig mogelijk nis de woerd vim Anm hnsca* gekleurd moet zjjn.

ocr page 345

3.37

Do hovennob vuii don snuvol moet, cvoiwils lijj doAylesbury-eend, rechtquot; aan het voorhoofd aangezet zijn. de snavel zelf' lang en vlak, van voren broeder dan aan den wortel, geel van kleur niet een lichten zweem van groen: een lichtgele kleur van den snavel is eene fout en een loodkleurige een „misdaad . Kop en hals zijn prachtig smaragdgroen met oen purperen metaalglans, welke begrensd is door een zuiver witten ring of halsband, welke aan den achterhals niet geheel mag sluiten doch overigens scherp begrensd moet zijn en sterk tegen de andere kleuren moet afsteken. De borst moet eene prachtige en diep wjjnroode kleur hebben, geheel gelijk van toon, d. w. z. zonder lichtere of donkorker zoomen om do voeren, en deze kleur moot zich uitstrekken tot aan de „waterljjnquot;, dus over dat gedeelte van de borst, dat boven het water uitkomt, wanneer het dier zwemt. Daar gaat het wijnrood in eon grijze kleur over, welke zich over het onderlijf uitstrekt en zelfs op de ondorstaartdokvoeren niet zuiver wit

M

li f M 1

| 1

mU

■

li

^;! f

.;;Uf

■M., vr ï.

II

Fig. llü. Kouuan-ocmlou.

mag worden. Do rug is op hot voorste gedeelte ascli-grijsbrnin en verder nanr nehteren toe prachtig groenachtig■ zwart en evenzoo zijn de gekrulde staartveoren. Do vleugels zijn grijsbruin, de spiegels prachtig en schitterend blauw, nan beide kanten mot wit omzoomd; de slagpennen zijn zuiver donkergrijs — wit is hier eene groote fout. De pooten zijn prachtig oranjekleurig. De Rouaan-woerd hooft in geheel zijn voorkomen en houding iets edels en gebiedends en wordt in schoonheid door geen andere eend overtroffen.

Baldamus, PJuiiuvooteelt II.

||l

i

ly

tf

ocr page 346

338

Uc snavel van dc eend is niet geheel zoo lang nis die van don woord, oranjekleurig, met eon donker, bjjna zwart zadel, dat zich v; n de basis af over ongeveer twee derde doelen van den snavel uitstrekt, dcidi dat nocli tot aan dc punt mag reiken noch de snavelrr.ndon raken. Gedurende don legtijd verandert dozo kleur in ecu vuil bruin en soms wordt zjj ook geheel zwart. De kop is bruin met twee duidelijke donkorder strepen aan beide kanten, welke zich van do oogeu tot aan hot donkere gedeelte van den nek uitstrekken; dit gaat voor een werkelijk kenmerk van volmaaktheid door. De borst is bruin mot ceue donkore teekening; de rug zeer donkerbruin, bijna zwart geteekond op een bruinen grond. Deze teekening moet zeer duidelijk zijn en goed uitkomen. De kenners zijn met betrekking tot de grondkleur echter niet allo van dezelfde meening; sommigen geven de voorkeur aan een licht leembruin, doch de meest „fashionablequot; tint is evenwel een donker bruin, bijna een chocoladekleur; de teekening behoort echter ook l)ij deze kleur duidelijk to zijn. De vleugels hebben denzelfden spiegel als die van den woerd en ook de pooten zijn oranjekleurig evenals bij dozen, doch over 't algemeen een weinig donkerder.

Het gewicht van den ongemesten woerd bedraagt 3.1 a 4, dat der eend ongeveer 3 kilogram, doch kan door mesting alsook door flinke voeding aanmerkelijk grooter worden.

De Rouaan-eenden zjjn uitmuntende legsters; de eieren zijn in den regel niet zoo groot als die der Aylesbury-eenden en vertoonen dezelfde verscheidenheid in kleur als deze. Om er mee te fokken kieze men een woerd van niet ouder dan IS maanden, en als die dan kilogr. weegt, dan is dat gewicht geheel voldoende; de eenden mogen ouder zijn; tweejarige zijn de beste.

De Rouaan-eenden zijn niet minder hard dan de Aylesbury-eenden, doch worden niet zoo vroeg rijp als deze. Hun vleesch is overheerlijk en zij kunnen tot hetzelfde gewicht gemest worden als de beroemde Engelsche.

4. Be Duótair-eend. Canard Duclair of C. d ha vette.

Een Pransch product, dat haren naam draagt naar het in de buurt van Rouaan gelegen vlek Duclair. Zij wordt algemeen beschouwd als een kruisingsproduct van eene Cayuga-eend en een Rouaan-woerd, doch dat hare kenmerkende eigenschappen constant vererft en dus evengoed aanspraak heeft oj) den naam van ras of variëteit als hare stamouders. De Franschen roemen zeer de groote economische waarde van deze eend en zij wordt dan ook evenals dc Aylesbury-eend, het Ramelsloher-hoen e. a. gedurende den lijd van Januari tot April in groote menigte voor de markt

ocr page 347

33!)

gefokt, waai' moil clan voor vottü jonge eoiulcn lü a 12 Irancs per stuk kan bekomen.

De Duclair-eend onderseheidt zicli van ilc Itouaan-eend door Jiog grootere mestbaarlieid, een grjjs-groenen snavel, pooten van dezelfde of oen oranje-roode kleur en door het gevederte, dat Itij den woerd aan kop en bovenhals groen glanzend, aan de keel, den voorhals en de borst wit, aan den onderkant zuiver grijs en aan den bovenkant bruinachtig zwart is met blauwgroene spiegels. De eend is bruinachtig zwart met bjjna zwarten snavel en een witte borst.

In grootte en gewicht komt de Duclair-eend de Rouaan-eend zeer nabij.

In de zuidelijke bergstreken van Frankrijk moet onder den naam van ('•unard des Monlagnes eene eend gefokt worden, die dezelfde kleur heeft als de bovengenoemde, doch veel grooter is.

!). De Ayleshunj-eend. — A. Buckinghamensis. Ayleshivry Duck. (kin ard d'Aylesbury. Aylesbury-Ente.

Deze speciaal Engelsche variëteit is de eerste van alle variëteiten — of rassen, zooals men wil. — geniet eene wereldberoemdheid, is over een groot gedeelte der aarde verbreid en wordt sedert menschenheugenis in de hoofdstad van Buckinghamshire en hare omstreken als eene bijzonderheid gefokt. Hare groote voordeden bestaan in hare gehardheid, haar gewicht en hare snelle ontwikkeling en vroegrijpheid. Bovendien is zij zeker gemakkelijker te acclimatiseeren dan alle andere watervogels en gedijt, waar andere variëteiten mislukken.

/ij komen slechts in ééne kleur voor, n.1. zuiver wit. Het geringste spoor van eene andere kleur is een bewjjs van onzuiverheid en brengt diskwalificatie mee. De snavel moet vleeschkleurig zijn — „as pink as a lady's nair — zoo rozig als de nagel van een vinger eener dame! De pooten moeten fraai oranjekleurig zijn. Zoo zien zij er uit in de nabijheid van Aylesbury. Daar hebben echter ook de vijvers, beken en stroomen een bedding en oevers van zandig kiezel, dat mot mosselschelpen vermengd is. Buiten het dal van Aylesbury wordt de snavel dikwijls geel, wat als eene fout wordt aangemerkt. In Noord-Amerika worden gele snavels echter niet afgekeurd, omdat de heete zomerzon aldaar deze bruin kleurt en ook niet toelaat, dat men de dieren in huis houdt. Alleen wanneer zij in een goed beschaduwd park en buiten het bereik van onzuiver, si ij kerig water kunnen worden gehouden, blijft het gevederte zuiver wit en behoudt de snavel zijne zoo bewonderde kleur. Om deze laatste beter te behouden, doet men ook wat kiezel in de drinkbakken dezer eenden.

ocr page 348

340

J)o woord omlurschoidt zich van do ocnd alleuii door de twoe opwaarts gekrulde staartveeren en is bovendien ook wat grootor. De gewone fok-stannnen hebben een gemiddeld gewicht van ongeveer 3,2 a 4 kilogr. voor den woerd en '2,7 a 3,2 kilogr. voor de eend. Voor tentoonstellingen brengt men zo tot 5 kilogram; men heeft er zelfs gehad van 5,5 kilogram.

Om good te tieren verlangen de Ayloshmy-eenden water; stroomend water is te verkiezen boven vijvers, doch wanneer een stroomend water slijkerige oevers en een slijkerigen bodem heeft, is een vijver met eon zan-digen bodem en zandige oevers zeker te verkiezen, want de hoofdzaak is, dat bet water helder en zuiver zij. Do voor do markt bestemde dieren mogen echter nooit te water worden gelaten en komen dikwijls zelfs niet buiten hunne omrasterde perken, vóór zo geslacht zullen worden.

Met het oog op de fokkerij geeft men een woerd slechts 2 of 3 eenden. Vroegbrccd van Maart logt gewoonlijk reeds in December, doch bepaald

om Nieuwjaar. Om weder vroegbrood te verkrijgen, is het dus van belang ook van vroegbrood te fokken, liet is aan te bevolen, zicli in September jonge exemplaren aan te schaffen, die dan ongo-veer 7 maanden oud zijn, en dan de woerden en eenden niet van denzelfden stam te nomen; men neme echter nooit dieren, die moer dan 2 jaren oud zijn; in het dorde jaar is telkens Idoedverversching noo-dig.

Do eieren vortoonen het merkwaardige verschijnsel, dat zij vrjj wat in kleur verschillen, aangezien sommige zuiver wit, andere fraai groen en nog andere roomklourig zjjn, niettegenstaande do eenden alle op dezelfde wjjze gevoerd en behandeld worden.

In de stad Avleshurv en do omstreken daarvan worden enorme hoevoel-

ocr page 349

3ii

lieden oeiulcii voor do Loiulonsclio niiirkt gefokt. Do liinidol bogint in Fobniiii'i 011 duurt tot hot ohulo van .Jnli on godureudo dion gelioolon tijd valt iu;t moeilijk aan do aanvraag to voldoen, ofsclioon er door do onniiddollijk in de nabjjheid dor stad liggende plaatsen voor ongeveer 40000 pund sterling of ƒ 480000 alleen voor Aylesbury-eenden aangevoerd wordt, liet grootste gedeelte van de fokkerij is in handen van den minder gegoeden stand, die met deze bezigheid aanzienlijke sommen verdient. In de buizen van deze eendenfokkers — due kers ■ worden de jonge eenden overal gehuisvest, van do keuken tot de slaapkamer. J)o groote fokkers beginnen met in do maand December do eieren in de naburige plaatsen op te koopen en sluiten gewoonljjk eontracten aangaande de levering van alle lot aan Mei te leggen eieren. De prijs por dozijn is in December gewoonlijk 12 shillings of y 7.20 en daalt in Mei tot 2 shillings. Deze eieren laat men door hoenders uitbroeden en menig fokker heeft er dan ter /.elfder tijd 150 kippen zitten te broeden. Deze lieden hebben het door lange ervaring zoover gebracht, dat /.ij na weinige dagen kminen zien, welke van de ondergelegde eieren goed of slecht zijn; de laatste worden dadelijk verwijderd en door versche vervangen. De toevallig gebroken eieren worden eveneens weggenomen en de overige alsmede het nest zorgvuldig gereinigd. De broedkippen worden dagelijks één keer van het nest genomen en gevoerd en men contracteert over de levering daarvan, evenals van de eieren, voor den duur van het broedseizoen. De prijs por broodkip bedraagt gewoonlijk :i sh. ti pence.

AV annoer de .jonge eendjes uitgekomen zijn, worden ze in troepen van 50 en meer aan één enkele kloek tor hosehenning en leiding gegeven, /ij worden dagelijks geregeld driemaal gevoerd: in de eerste dagen met hard gekookt ei, gekookte rijst en wittebrood en het ei wordt fijn gehakt en goed met de rijst vermengd; later metgerstenieel, vermengd met vetkanen, het overschot van in stukjes gesneden on gesmolten reuzel; do kanen worden in water gekookt en liet meel daarmee tot een stevig deeg vermengd. Uovondien geeft men mi ook één koer por dag gerst of maïs bij afwisseling. Zindelijkheid, versch stroo eiken dag en beschutting tegen tocht zijn de onmisbare voorwaarden voor oene goede gezondheid en het gedijen der jonge eenden. Sommige fokkers geven hunne inarkt-eenden dagelijks eenmaal gelegenheid om te water te gaan, de meesten echter keuren dit niet goed en stellen alleen een klein waterbassin niet kiezelzand te hnniier beschikking.

Als do eendjes 6 a S weken oud zijn, zijn zij geschikt voor do markt; die van (i weken zijn dan ongeveer 1,5 kilogr. zwaar en brengen in don eersten tijd 21 shilling per paar op, later daalt die prijs tot !) shillings. De lt;S weken oude eenden worden „zeer goedquot; genoemd, wanneer zij 1,8 kilogr. wogen. De voederkosten berekent men voor dien tijd op 2 shillings.

ocr page 350

Op de Londensche markt is de maand Maart de duurste tijd; dan kost het paar daar gedurende eenige weken 17 a 1!) shillings. Daarna begint de prijs langzamerhand te; dalen tot aan do maand Juni, wanneer men niet meer dan 5 a 6 shillings per paar kan bedingen

Dio voor tentoonstellingen of alleen voor zijn pleizier fokt, laat de eendjes in Maart en April uitbroeden en hardt ze ook wat meer af. Men laat deze naar verkiezing te water gaan, doch zjj worden zorgvuldig tegen den invloed van de zon beschermd, daar anders dc snavel en het gevederte eeu bruine tint zouden krijgen. 1 let beste zou dus zijn, dat men de dieren des morgens uitliet, voor de zon te veel kracht heeft en ze weder binnenhaalde, wanneer het te warm begon to worden. Het eigenaardigs kiezelzand van het dal van Aylesbury houdt den snavel dier eenden op kleur en geeft den dieren kracht en gezondheid. Hoe zachter en helderder het water is, des te beter.

Het beste voedermiddel om vleesch zonder vet voort te brengen, is goed gerstemeel, op de wijze zooals hiervoor is gemeld, met vetkanen vermengd, doch ook met ruim groenvoer als: salade, kool en andere tuingroenten. Ook rust, eeno voldoende ruimte en eene goede luchtverversching in bet hok dragen bij tot hun gedijen.

Ook de gewone of hoereneenden kunnen door eene zorgvuldige en ratio-neele behandeling en voeding, welke het deel zijn van de bier beschreven Fransche en Engelsche variëteiten, tot een vrij boog gewicht gebracht worden. In sommige landstreken, waar de eendenfokkerij ton gevolge van meer gunstige omstandigheden bloeit, beeft men reeds variëteiten of slagen weten te verkrijgen, die, al kunnen zij ook niet aan de strenge eischen van den Engelschen standaard voldoen, dezen toch, wat deugdelijkheid van het vleesch, mestbaarbeid en gewicht aangaat, zeer nabij zouden kunnen komen. Als men van toevallige winterleggers met Engelsche zorgvuldigheid cn vasthoudendheid verder fokte en op Engelsche wijze voederde, dan zou men na weinige jaren een stam kunnen verkrijgen, die, wat bet nut zoowel als wat de kleur betreft, met do genoemde zouden kunnen wedijveren en die op do markt ongetwijfeld gretig aftrek zouden vinden. In die streken, waar men stroomende wateren heeft met een zandige bedding en oevers, mag men inet evenveel recht goede resultaten van de eendenfokkerij verwachten als in bet dal van Aylesbury met zjjne „bijzonderequot; zandsoort.

In de laatste kwart eeuw trad als een waardige mededingster van de Aylesbury-eend op

(i. De Pekincj-eend — Anas sinensis. Peking Duck. Canard de Pékin. Peking-Ente.

Volgens den heer l'Mw. Brown kwamen de reking-eenden liet eerst in

ocr page 351

343

llt;S7 i Dj) eono teiituoiistoniiig in Engeland voor, als inzending van een Ame-rikaansdion exposant, ofschoon een hem bekend „gentlemanquot; ze reeds twee jaren vroeger direct uit Peking (China) had medegebracht. Deze eerste Peking-eenden waren eerder licht kanariegeel dan wit te noemen en ook lieden nog heeft men gaarne dat het witte gevederte een geelachtigen tint heeft, ofschoon men, jammer genoeg, maar zelden zulke exemplaren aantreft. De I'eking-eenden vonden, door hunne eigenaardige, opgerichte pin-guïnenhouding, door de groote vruchtbaarheid verradende „legbuikquot; en door baren wegens liet losse gevederte schijnbaar buitengewoon zwaren lichaamsbouw, overal een gunstig onthaal en werden weldra algemeen verspreid, wat weder ten gevolge bad, dat er veel „uitschotquot; werd gefokt, of liever in de wereld gebracht, en menigmaal elke witte eend met een oranjckleu-rigen snavel en dito pooten voor eene Peking-eend doorging.

De raszuivere l'eking-eend heeft door hare ver naar achteren geplaatste pooten een krachtig opgerichte en gestrekte houding; de hals wordt loodrecht gedragen, de rug loopt zeer steil af en de staart is sterk opgericbt.

/jj schijnt door die houding hooger en door het losse, zachte gevederte even zwaar als de Kouaan- en Aylesbury-eend, doch is in werkelijkheid kleiner en lichter. De kop is dikker en ronder, de sim vel korteren breeder,

oranjerood van kleur met witte punt. De veeren aan den achter-bals zijn een weinig schuin opgericht en vormen aan den nek een soort van kam, die door velen, doch niet algemeen als een vereisehte wordt beschouwd.

De zeer massive romp beeft een j,'iK ]i5 Pokingquot;eond.

zeer sterk ontwikkeld achterlijf,

dat rijkelijk met dons is bezet. De korte staart wordt altijd omhoog gericht gedragen.

Het gevederte vertoont, behalve den reeds genoemden kam in den nek van den woerd, op de borst ook nog eene scheiding, welke de borst-bevedering daar in twee helften scheidt.

De Peking-eend is hard, gemakkelijk groot te brengen en een goede legster. Zij levert echter niet zoo veel vleesch en laat zich ook niet zoo

ocr page 352

344

jrooii jnesteii ids de Aylusburv-eeml, dio oon tijdlang' door Imiir oji den achterg'i'ond gedrongen was, doch in den laatsten tijd weder liare oude plaats als sport- en nut-eend van den eersten rang sclijjnt in te nemen.

7. De Japansche eend — A. Japonica.

De/c, een der naaste verwanten van de Peking-ecnd, kwam bij gelegenheid van de l'arjjzer tentoonstelling in IS87 in Mni'opa en do geëxposeerde dieren kwamen daarna in liet bezit der .lardin d'Acclimatation,' waar ze verder werden gefokt en vanwaar er, zoo voor en na, ook exemplaren in handen van particulieren kwamen.

De Japanselie eenden hebben dezelfde, ja misschien eono nog meer opgerichte en gerekte houding als de I Vking-eenden en ook hetzelfde lange lichaam; haar hals is echter (111111101'; do kop fijner en smaller, ook is de logbuik nog wel zoo zwaar.

In kleur 011 teokening komt zij in hoofdzaak met do Wilde en do Rouaan-eond overeen, doch is wat lichter van nuance.

De Japanselie eenden leggen best, de jongen zjjn gemakkelijk groot te brengen en groeien snel tot een aan/ionlijk gewicht, doch zjj /.ij 11 weder verdwenen en inisschion wel hoofdzakelijk hierdoor, dat in do vakbladen door hare grooto tegenstanders hare raszuiverheid werd bestreden en zjj voor een kruisingsproduct van Peking-en Ixouaan-eenden verklaard werden.

Anderen evenwel erkennen de echtheid van hare afkomst on beschouwen zo, met de Poking-oendon, als kinderen van een zelfden Aziatischen stam, 11I. van de Pinguïn-eenden.

8. De CiiijiKjn-i'end, Gcujuga Duel;, Canard d'Amerique of C. CaytKja.

Cayuga-Euta.

Zij is van Amerikaansche afkomst en draagt haren naam naar het ('avuga-meer in don staat New-York, zuidelijk van het Ontario-meer.

Edw. Brown, die slechts vier nut-variëteiten erkent, nl. de Aylesbury-, Kouaan-, Peking- en Cayuga-eend, beveelt deze laatste echter niet als rasdier aan, do^h wil ze als kruisingsrnateriaal gebruikt hebben. Jlij zogt, dat de Cayuga-eend zwaarder wordt dan de Poking-oendon, dat haro voornaamste waarde ligt in haar heerljjk vleesch, hetwelk door kruising met do Peking-eend in smaak dat der Wilde-eond zoo nabij komt, als bij goen andere der gedomestisoerde eenden het geval is.

De zeer hooge ko]) on de massive gedrongen lichaamsbouw tier Cayuga-oond geven haar, als zjj in opwinding den hals cn hot bovenlijf opricht Zooals in fig. 116 — het voorkomen van ecne gans.

ocr page 353

345

In grootto, en licliaamsvoi'in hooft di' riiynga-cciid vci'l van do Knuaiin-coud, doch luuu' siiii-vcl is blauw-zwart of donkoi' liooi'tik leurig,

do klour van liot go-vodoi'te zwart mot eon gTocnoii motaalglans.

terwijl de pooten Iji'uinaehtig of ioi-grainv zjjn.

Hnngartz hovoolt deze oom! don liof-liobbors onvoorwaardelijk ami, omdat zjj vrij hard en vrucht-liaar is en, als zjj eenmaal gewend is,

in oene heporkto rninito gedjjt.

Ook is zjj zoor verdraagzaam tegenover andore eendensoorten.

Tot broeden heeft zjj echter weinig neiging.

lijj eeno goede verzorging kan zij i a 5 KG zwaar worden; haar vlecsch moet, wat den wild-smaak aangaat, dat van .1. Rosens overtreffen.

De Cayuga-eenden worden ook wel tin weeleenden genoemd en tot deze laatste rekent men dan ook eene kleinere soort, die de Engelschen Black Kuxl-1mlian Duel;, de Fraiisclu-n (tinard dn Labfador en dc Dnitschere S»iaru(jd~ of Lahmdov-eend noemen. (Men zie verder onder 10).

A cocrulesccns.

ü. Dc /weedscho eend

(Jok deze eend onderscheidt zich weinig van de gewone hiiis(H!iid. ofschoon zij deze in grootte overtreft.

ocr page 354

346

Zij is gekleurd als volgt: do bovendeelon blauwgrijs, do scliodol on bovoulials doiikerdor, do oorsto mot oen smaragdgroenon weerschijn; do borst, buik en het aclitorlijf zjju zilvergrijs, do koel, hals en bovenborst wit.

De Zweodsebe eend is good gehard, legt uitmuntend (110 a 1 ■JO eieren per jaar) en is ook oen vertrouwde broedstar. De Jongen wordpi gemakkelijk groot en zijn zoor mestbaar.

Zij is levendig van aard, gedrongen van lichaamsbouw on sierlijk van gestalte. Do eend is kleiner dan do woerd, over 't geheel matter van kleur en mist ook den smaragdgroenen weerschijn op don kop.

10. De Labvador-eend, Fluweel-eend. Illack East-Indian Dud;.

Canard du Labrador. Smaragd-ente.

Behalve do bovenstaande namen lieoft de hier bedoelde eend ook nog do volgende: Blad; Brazilian, Ihienos Ajjrcan en Bahia-eend, namen, die ons aangaande do mogelijke afstamming of de plaats van horkomst werkelijk in verlegenheid brengen. Volgens Fowlkü stamt zij uif Oost-Indië, volgens Wright werden do eerste exemplaren ervan uit Buenos Ayros (Zuid-Amorika) naar Engeland overgebracht. De naam Bahia-eend wijst ook op Z.-Amerika.) terwijl die van Labrador-eend ons weder in gedachten naar Noord-Amerika voort.

Baldamus beschouwt haar echter als cou kleinere vorm van de Cayuga-oend en zoo denkt ook Edw. Brown er over, als iijj haar een „Bantam representativequot; of the Cayuga noemt; eu hij kan dit mot het volste recht doen, omdat deze eend in Engeland zoo klein mogelijk gefokt wordt voor do tentoonstellingen.

Elders hoeft zij do grootte van cene middelmatige booreneend met welke zij ook in vorm overeenkomt; sommigen beschouwen baar dan ook als eene variëteit van Anas boscas.

Het gevederte is geheel zwart mot een smaragdgroenen metaalglans en een diep groen schitterenden spiegel. Ook de snavel en do pooten behooren volgens Baldamus zwart te zijn.

Niettegenstaande hare geringe grootte hoeft deze eend toch hare goede eigenschappen: zjj logt namelijk misschien even goed als de gewone booreneend, broedt goed, is oeno vertrouwbare geleidster der kiekens en levert oen gebraad, dat door fijnproevers hoog wordt gewaardeerd. Volgens prof. Cornevin zijn do eerst gelegde eieren zwart, alsof ze mot roet waren bestreken, doch worden do later gelegde langzamerhand lichter van kleur Ook zegt deze geleerde, dat deze eenden, naar mate zij ouder worden, witte voeren krijgen (aan kop on koel?) en dat de pooten dan naar het gele beginnen over te hellen.

ocr page 355

347

II. De Muskus- ot' Turhsche eend — Anas (Caivind) moschata.

The Musk of Mtiskovij Duck, l.e canard masqué ot' Canard de l'arbarie.

Mosclms-, Bisam of Türkische Knie.

Doze oontl heeft eene veel grootere Imishoudelijke waarde als algemeen bekend is en erkend wordt; /-ij is volstrekt niet dat ondankbare en boos-aardige schepsel, waarvoor zij door velen wordt uitgekreten, als zij maar niet in een al te kleinen vijver met tal van andere eenden moet samenwonen. Wel schijnt zjj niet zoo spoedig met andere eenden vriendschap te sluiten en weet zij indringers op een behoorlijken afstand te houden, doch, als er

behoorlijk ruimte is, kan zjj rustig te midden van andere eenden rondzwemmen, zonder iets van een twistzieken aard te toonen. Doch de gevoelens loopen hierover uiteen.

Over hare huishoudelijke waarde wordt al even verschillend geoordeeld. Terwijl Bungartz zegt, dat de Muskus-eend in geen enkel opzicht nuttig is, daar niet alleen haar vleesch een sterken smaak en walgelijke reuk heeft, doch de eieren ook, al is het ook in geringe mate, die eigenschappen bezitten, beweert Schuster, dat het vleesch alleen een onaangenamen smaak krijgt, wanneer zij in vuile poelen en plassen verkeert, welke zij bij voorkeur zou opzoeken, „omdat liet water van vijvers, slooten enz. haar te koud isquot;. Hij beveelt daarom aan, slechts een ondiep vat met water ter beschikking dezer eenden te stellen.

ocr page 356

348

Ikldaiiius nounit nis Imre tsigouschappen: liaro aanziuiiljjkc g-rootto, liarc mestbaarlicid, haro vi'uclitbaarlieid on liaar uitmimtend vleoscli en beveelt zo zeer aan voor landstreken, waar vijvers on beken ontbreken, omdat zjj weinig behoefte aan water hebben on bjj eone voldoende gelegenheid om to baden, zeer goed gedijen. In do tuinen kunnen zij groote diensten doen dour het verdelgen van slakkon en ander ongedierte.

Dr. O. Finch, die deze eend vole jaren fokte, zegt dat zjj eone buitengewoon groote huishoudelijke waarde hooft, voornamelijk daar, waar gebrek aan ruimte en water is; hij rekent haar niet tot do sier- maai' beslist tot de nut-eeuden. Door kruising van oen mannelijken Muskus-eend met vrouwelijke boereneendon had lijj exeinplaron verkregen, die liet tot een gewicht van ongeveer 3,5 kilogram brachten.

Het gevederte van de Muskus-eend is zacht en zeer donzig en heeft vooral van de witte variëteit — groote waarde.

Do soortkenmerken van do wilde stamsoort zjjn; eone zwartbruine kleur op do bovendeelen met oen groenen en paarsou metaalachtigen woerschjjn, witte vleugeldekvoeren, zwartachtig roode huidwratten op de tougelstrook, een snavelknobbol bij don woerd.

Deze groote en fraaie eend loeft in Zuid-Amerika, van Hiaziliö tot Paraguay, aan meren en rivieren die door bosch omgeven zjjn — ook te midden van de maagdelijke wouden is in haar vaderland de; eenige tamme oenden-soort en als zoodanig over bijna geheel Europa verbreid en bekend.

De woerd heeft oen matig grooten en sterken snavel, die van voren weinig breeder is dan van achteren, mot oen broeden on korten nagel en oen kogolvormigen !• millim. hoogen knobbel tusschen den snavelwortel en do neusgaten; do teugels en eone 6 a 7 millim. breede ooghuid, alsmede de voorhoofdshooken boven den knobbel zijn naakt en mot vloezige wratten bedekt — bij oude vogels ziet het onderste gedeelte van de teugels er ovenzoo uit. De oogen zjjn tamelijk groot en levendig van uitdrukking, do iris is geelbruin. Do voeren op den bovonkop zjjn hing en smal; de vleugels tamelijk kort en rond, de slagpennen gekromd; de derde is de langste, do vierde slechts weinig korter; de staart bestaat uit 18 pennon, van welke do buitenste ongeveer 81 niillimeter korter zjjn dan de middelste. Do pooton zijn stevig, de nagels sterk en gekromd.

De eend is veel kleiner dan do woerd en hoeft geen snavelknobbol; do teugels en de oogstrekon zijn bevederd, alleen aan den voorhoofdshoek en don bovensten teugelrand zitten roodo wratten.

Kleur van den woerd: het gevederte is bruinachtig zwart, op don bovonkop met een groenen glans; op don rug, do vleugels en de overige bovondoelen vertoont zich oen prachtig groene en purperpaarse metaalglans, en op

ocr page 357

;U!»

do slagpounoii oen fraai groone en donker staalblauwe weerseliijn. 1)(^ omlerdeelou zijn zwartaclitig' bruin zonder glans, liet grootste deel dor vleu-goldekveoren is zuiver wit. De snavel is zwartachtig; voor de neusgaten bevindt zich een blauwachtig witte dwarsband, de punt is bleek vleeschrood, de nagel zwartachtig, overigens van boven blauwachtig. J)e naakte huid van de teugels is bruinachtig zwart met eenigo roode vlekjes, do wratten zijn donker vleeschrood, ten dooie zwartachtig gevlekt. De pooten zijn zwartachtig grijsbruin.

Kleur van da eend: Op kop en hals zwartachtig bruin, aan de keel niet zilverwit vermengd; het overige gevedorte beeft dezelfde kleur als hij den woord, maar het zwart is moer bruinachtig en heeft niet zooveel glans. De snavel is bruinzwart, achter don nagel grjjsrood, naar onderen toe moor rood; voor de neusgaten hevindt zich oen aschblauwachtig vleeschklourigo dwarsband.

De Muskus-eend voedt zich met zaderijen, waterplanten, schaaldieren, slakken, waterinsekten en dergelijke; zij ovcrnacht op horizontale boomtakken en nestelt, volgens Azaha in hooge hoornen, volgens anderen in boombolton — waarschijnlijk op heide wijzen; hot aantal eieren bedraagt 10 a 14. Zij is buitengewoon schuw en voorzichtig en moeielijk te naderen; bare vlucht is snel en gaat vergezeld van een sterk fluitend geruisch. liet vleeseh van oude exemplaren is hard, dat dor jongen zeer smakelijk on heeft van een muskussmaak geen spoor, ofschoon zich in het voorjaar bij den woord oen muskusreuk uit do stuitklier ontwikkelt.

In godomestiseerden toestand komt de Muskus-eend geheel wit voor, geheel zwart — zonder witte vleugeldokveeren blauwachtig bruin en zwart- en witbont. Do woerd en de eend verschillen aanmerkoljjk in grootte en gewicht; de eerste is 8(17 milim. lang, heeft oen vlucht van 1 .:gt; meter en weegt 4,5 a 5,4 kilogr.. terwjjl de eend eene lengte hcoft van (gt;70 milim., eeno vlucht van 900 millim. en een gewicht van 1.1 a 3,4 kilogram.

Do Muskus-eend was volgens Bolon in quot;t midden der Kicle eeuw roods in Frankrijk bekend onder den naam /(««s hjhicd.

12. De Indische Loop-eend. The Indian Rioiner. Canard eoureuj'.

Lauf-enle.

Aan de hiervoor genoemde imt-eendon nicenen we er nog één te moeten toevoegen, welke dien naam zeker met eere kan dragen: do Indische Loop-eend.

In Engeland, waar deze eend voor ruim twintig jaren het eerst schijnt ingevoerd te zijn. is zjj onder de landelijke bevolking, vooral van het

ocr page 358

35Ö

liüoi'dwustulijk dool, ulgomceu verbreid en hoog' in aan/ieu. Eli geen wondoi' waarlijk, wanneer dit ras, zooals trouwens door moer dan één fokker wordt beweerd, onze beste leghoenders in liet leggen overtreft.

Wm. Weir zegt in de „Feathered Worldquot; dat de Loopeenden op den korten ruitijd en de koudste winterdagen na. liet geheele jaar doorleggen. Een ander Engelsclie fokker, Mr. Cock, stemt geheel hiermede in; deze heeft Loopeenden gefokt, die in Sept., toen zij 5 maanden oud waren, begonnen te leggen en daarmede geregeld den geheelen winter, ook in de strengste koude, doorgingen. Menigmaal zelfs kreeg hij van ééne eend 2 eieren op denzelfden dag. Gemiddeld kan het aantal eieren per jaar op 200 en meer gesteld worden.

Dr. Blancke te Herford (Pruisen), een groot liefhebber van pluimvee en ijverig onderzoeker, bleef niet in gebreke ook met deze eenden kennis te maken en laat zich daarover niet minder gunstig uit dan zijne Engelsclie collega's. Van een stam, bestaande uit 1 woerd en 3 eenden, dien bij in Nov. 189G uit Engeland liet komen, zegt bij o. a.: ,,In de eerste helft van December begonnen alle drie eenden te leggen — de eene had ook reeds vóór de ontvangst gelegd — en gaven mot hun drieën in Dec. 52, in Jan. ()7, Eebr. 7 4, Maart 82, April 83, Mei 85, Juni 79 eu Juli (gt;7 eieren; in Juli hielden ze op met leggen en begonnen te ruien. In 8 maanden tijds gaven ze alzoo 589 eieren of gemiddeld 19(i ieder, zoodat de bewering der Eng. fokkers, dat zij in het jaar 200 en meer eieren geven, volstrekt niet overdreven schijnt te zjjn. liet gewicht der eieren variëerde tusschen 80 en 90 gramquot;.

Ook bleek Dr. BI., dat Mr. Cock niet te veel zei, toen hjj beweerde, dat sommige eenden 2 eieren op één dag gaven. Hij zegt dienaangaande: ,,Ik hel) vroeger nooit willen gelooven, dat hoenders of eenden twee eieren op één dag konden leggen, doch heb er mij van overtuigd, dat dit bij de Ind. Loopeenden voorkomt en wel betrekkelijk zeer vaak. Mijne ervaring strekt zich nog slechts over 8 maanden uit, doch het is bewezen, dat geen eendenras de Indische Loopeenden in vruchtbaarheid evenaart.quot;

Naar het voorgaande te oordeelen en ook naar de mededeelingen, die we van enkele landgenooten ontvingen, kan er geenc eend genoemd worden, die, wat de eierproductie aangaat, meer aanbeveling verdient dan de Ind. Loopeend. Men heeft den geheelen winter door eieren en kan dus vroeg broedkuikens hebben, op een tijd, dat deze duur betaald worden. De kuikens groeien ook buitengewoon snel, daar zij op een leeftijd van 7 a 8 weken reeds 1.^ a 2 kilogram kunnen wegen.

„Ook het opkweeken der jongen is niet moeieljjk, daar zij even hard, zoo niet harder zijn dan andere rassen. Ook behoeven zij juist niet veel

ocr page 359

351

water, (laai- zij ziuli, ofschoon huil Btmonieiul wator ton dionstu staat, niool' op het land niet liet zoeken naai' groen, wonnen en insecten bezighouden dan in het water.quot;

Zjj loopen niet langzaam, moeielijk en waggelende zooals andere eenden, doch gemakkeljjk en vlug; vandaar dan ook hun naam Loopeenden.

De kenmerken van het ras zijn de volgende: kop en hals fijn, lang en gerekt. De koptcekening is bij den woerd zeer donker, zelfs zwart met groenen weerschijn, bij de eend donkerbruin; de hals is bij beide geheel of gedeeltelijk wit. Snavel bij den woerd groenachtig geel, bij de eend blauwgroen; dit geel en groen varieert echter, naarmate liet vederkleed lichter of donkerder is.

Do rug loopt schuin naar achteren af. De pooten zjjn kort en van oranjegeel tot rood gekleurd. Houding zeer rechtop, levendig en opgewekt. Gang een werkelijk loopen zonder waggelen. De kleur dezer eenden is zeer verschillend en kan niet onder de raskenmerken worden gerekend. Men heeft er zuiver witte, zwarte met witte teekening, bruine, bruine met witte teekening, reekleurige met witte teekening enz.

Onder de gekleurde met witte teekening heeft men zeer fraaie exemplaren, vooral die, van welke de hals, de slagpennen en het achterljjf wit zjjn.

De woerd onderscheidt zich van de eend, behalve door zijn gekrulde staartveereu, ook door meerdere grootte, door zijn groenglanzenden bovenkop en geelgroenen snavel, welke laatste bij de eend donkerder is.

In zwaarte kunnen de Loopeenden het tegen verscheidene andere rassen niet houden, doch bereiken zonder gemest te worden toch nog een gewicht van '■I a '2.^ kilogram. Zij zijn tijn van beenderen, zeer vleezig en van een zeer fijnen smaak.quot; Om ze als tafelgevogelte meer waarde te geven, kruist men ze met Peking-, Uonaan- en Aylesbury eenden. Zjj worden daardoor zwaarder dan die van zuiver ras, doch verliezen er iets van hunne leg-kracht door.

B. SIE KEENDEN.

i. De Kwaker-eenden — A. Miniita. The Call-Duel,'. Canard mignon of C. nain. /werg-ente.

Oorspronkelijk legde men zich er op toe om de wildkleurige variëteit van de huis-eend zoo klein mogelijk te fokken, met het doel om haar te gebruiken als lokvogel in de eendenkooien, omdat deze dwergvorm door groote levendigheid en luidruchtigheid bijzonder voor het lokken van wilde eenden geschikt was: vandaar haar Engelsche naam Call-Duck en de Hollandsche naam roep-eend. Door het steeds afnemende aantal dezer eendenkooien, werd het fokken van deze eendjes als lok-eenden steeds meer en meer beperkt

ocr page 360

3f)2

on veraudonlo liot in con soort sport. Men logdo or zich op toe kriol-oenden te fokken zooals meu kriel-lioendors fokte 011 trachtte van alle bekende groote eendenslagen miniatuur-vormen te verkrijgen, van welke geëischt wordt, dat zij met hniine groote naamgenooten in alle opziciiten overeenkomen,

Zoo lieeft men Kwaker-eenden in de wilde kleur en in wit gefokt van de evenzoo gekleurde huis-eenden; in Engeland heeft men de Cayuga-cond tot een C.ayuga-Bantam verkleind, terwijl er ook reeds krielen van de Rouaan- en de Ayleshury-eend bestaan.

Deze dwergvormen zijn een geschikt en fraai materiaal ter bevolking van parkvijvers en voor liefhebber-fokkers, die slechts weinig water tor beschikking van luinne eenden kunnen stellen.

Onder de sier-eenden onderscheiden zich drie of \ier soorten niet alleen door kleurenpracht en fijnheid van teekening, maar ook door eigenaardigi! vedervorming boven alle andere eenden, ofschoon er ook onder deze zijn, die veel schoons en aantrekkelijks bezitten. Er is inderdaad nauwelijks iets bekoorlijkers te vinden dan een met de verschillende eendensoorten bezet park, d. w. z. een waterpark, zooals o.a. de te vroeg gestorven baron Halduin van Münchhausen op het slot Leitzkau bij Maagdenburg bad ingericht en dat wij in het belang der liefhebbers van eenden en andere zwemvogels hier meenen te moeten beschrijven.

De bedoelde aanleg heeft, wat zijne schoonheid aangaat, veel aan de natuur te danken: aan de grens van het eigenlijke park bevindt zich een hooggelegen, omvangrijke landstreek met tal van vijvers. Deze vijvers, die met elkander in verbinding staan, worden aan de eeno zijde begrensd door prachtige, dicht op elkander staande woudboomen; en aan de andere door enkele alleenstaande, alsmede door kreupelhout, struikgewas uu door van riet en biezen voorzien weiland, dat weder aan bouwland grenst, terwijl een gedeelte ervan door zandige heuvels is omgeven. Alles wat de zwemvogelwereld dus voor haar gedijen verlangen kan: helder, diep en ondiep water, zandige oevers en moerassig terrein enz. was daar aanwezig. Doch met welk een kennis van zaken, met welk eene liefde en zorg had Baron van Münchhausen ook alles ingericht om het zijne dieren zoo aangenaam mogelijk te maken, om hun verblijf zooveel mogelijk in overeenstemming te brengen met hun vaderland, ten einde hen daardoor tot broeden te verlokken! Hij kon, wel is waar, zijnen in de Noordelijke gewesten broedende vogels niet de Alpenmeren en stortbeken van hun vaderland verschaffen, doch in de plaats daarvan werden de boomen van groote, uit takken en rijs vervaardigde nesten en van ruime broedholen voorzien. Daarvoor lagen er geheel uitgeholde boomen horizontaal en schuin op on tegen de met

ocr page 361

struikgewas begroeide heuvels en waren er voor de holenbroeders onder de eenden de berg-eend, de Casarca-eend enz. — kunstmatige holen in de heuvels gegraven. Op de vlakke, lagere streken was overvloed van riet, biezen, kalmus en rietgrassen, terwijl er mede eenige kunstmatige eilandjes ten gerieve der dieren waren aangebracht.

't quot;Was een lust, het bonte, frissche, steeds afwisselende leven op deze vijvers te zien! Daar waren ongeveer een dozijn Europeesche wilde-eenden-soorten, zaagbokken, duikeenden, eenige wilde ganzen waaronder één buitengewoon tamme , zeezwaluwen, soms ook meeuwen. Alles zwom, zwierde en vloog dooreen, langzaam en bedachtzaam of pijlsnel, elkander plagend en vervolgend. „Nooitquot;, zegt Baldamus, „zal ik den indruk vergeten, dien de aanblik van dit eenden-dorado bij het eerste bezoek, in gezelschap van mijn vriend, op mij maakte. Reeds in de hoofdlaan van het park werd mijn vriend aangeklampt door eene vleugellam geschoten, voorbeeldeloos tamme rietgans Anser falmlix, A. Heijuhtm, welke de zijzakken van zijn jas onderzocht, in de hoop daarin brood of gerst te vinden.

En op de voederplaatsen bij tie vijvers! Op het gefluit van den eigenaar kwam alles aanzwemmen, -rennen en -vliegen. De baron had onder de bonte schaar zjjne bijzondere lievelingen, welke een eigen naam hadden en op zijn roepen bjj hem kwamen, liem het voedsel gedeelteljjk uit de hand namen en /.idi lieten grijpen. Hij wist zich dan ook op een buitengewoon vriendelijke wjjze met hen te onderhouden en door lekkernijen aan zich te verbinden. Do niet-inheemsche, met name do trok-eenden waren natuuriijk geleewiekt, doch niet de gewone Wilde-eenden, Anas hoscas, welke meest in de boomen broedden en bij afwisseling naar de dichtbijzjjnde rivier de Elbe trokken, waar zij ruimschoots voedsel vonden.

Waarlijk, onder alle mogelijke pluimveeparken is er geen, dat met een eendenpark te vergelijken is, wat het bewegelijke, afwisselende en bevallige leven der bonte vogelschaar aangaat. Jammer, dat ons niet altijd liet noodige en wenschelijke water ten dienste staat — want watergevogel te zonder water is een onding.quot;

Maar om tot onze siereenden terug te keeren en wel in de eerste plaats tot de vier, waarvan we hiervoor gewaagden; ze dragen met recht den naam van pronk- of prachteenden: hot zijn de Carolina-eend, de Mandarijn-of Waaier-eend, de Chineesche en de Japanse]ie taling.

De Carolina-eend — Aix [Anas] sponsa, L. — aestiva, Briss.

Summer of Wood-Duck. Canard Carolin. Hraulente.

Deze fraaie eend bewoont een groot gedeelte van Noord-Amerika, voornamelijk de Vereenigde Staten, broedt daar overal op geschikte plaatsen

Baldamus, Pluimvoeteolt II. ^3

ocr page 362

:i5A

(sii overwintert voornamelijk in liet zuidelijk deel der Vereenigde Staten, op Cuba enz. Zij is gedurende den broedtijd verder over het Unie-land verspreid dan alle andere daar inheemsche eendensoorten. Zjj behoort tot de bewegelijkste en tevens do meest gracieuze eenden, vliegt bijzonder gemakkelijk en pijlsnel evenals de trekduif door het woud, loopt flink en vlug op den vlakken grond en op zware boomtakken, waar zij dikwijls in troepen van :50 a 50 stuks rustende wordt aangetroffen, zwemt en duikt zeer goed en steekt, wanneer zij gewond is of vervolgd wordt, alleen den snavel boven hot water. Vooral zitten en verzamelen zich deze eenden gaarne op een half in het water liggenden boomstam of zwaren tak, waartoe men de tamme exemplaren ook eigenlijk steeds gelegenheid moet geven, wanneer zulks mogelijk is. Het voedsel bestaat uit eikels, beukenoten, wijndruiven en andere besvruchten, die zij onder do hoornen opzoeken of duikende uit het water ophalen, In de zuidelijke Staten voeden zjj zich met rijst, wanneer de korrels nog melkachtig zijn, alsmede met insecten, slakken, kikvorschlarven, kleine watersalamanders enz. Ook de jongen voeden zich met insecten en zadenjen. (Audubon).

De Carolina-eend broedt het liefst in boombolten van den grooten Noord-Amerikaanschen specht IHcus principcdis; voorts in de breukplaatsen van zware gebroken takken, en slechts eenmaal vond Audubon, aan wien deze schildering ontleend is, haar in een rotsspleet. Het nest is met veeren en andere zachte stoffen belegd en de eieren worden daarmede bedekt, wanneer de eend het nest verlaat. Het aantal eieren wisselt, volgens Audubon, af tusschen (i en 15, al naar den leeftijd van de eend. Wanneer Audubon echter een nest met slechts 6 eieren gevonden heeft, is het zeer wel mogelijk, dat dit nest van eene eend was, wier vroeger nest verstoord werd en die zoo later nog eenig'e eieren legde. Het verschil tusschen (i en 15 is wel wat groot om het alleen door verschil in leeftijd te verklaren.

De eieren hebben den gewonen, nagenoeg elliptischen vorm der eendeneieren en zijn glad van schaal, groenachtig lederkleurig of' licht oker-geelachtig van kleur en worden in 25 a '2() dagen uitgebroed. De broedtijd varieert eenigs-zins naar het klimaat tusschen begin April en Juni. De jongen springen, wanneer het nest zich boven liet water bevindt, met uitgespreide vleugels en zwemvliezen kort na hunne geboorte uit het tot 120 voet boven het water zittende nest naar beneden. Bevindt er zich lang gras, mos, droog loof e d. onder den boom, dan laat de moeder hare kleinen naar beueden vallen om ze daarna naar hun element te voeren. Is het nest echter ver van het water verwijderd, dan draagt de moeder ze zorgvuldig in den snavel daarheen (Audubon). Alex. Wilson zag eens, dat eene eend op deze wijze in 10 minuten tijds 14 stuks jongen den een na den ander wegdroeg.

ocr page 363

:*nr,

Do Carolina-eend verdraagt do gevangenschap, zolfs onder ongunstige omstandiglieden, zeer goed en is als zoodanig reeds lang bekend. Zij plant zich onder zulke omstandigheden soms zelfs voort, hoewel de heer Matthew Leno van meening is, dat zij zulks slechts onder zeer gunstige omstandigheden doet. De heer Leno is echter blijkbaar met het fokken dezer eenden niet goed op de hoogte, aangezien de heer P, J. Pol vliet te Rotterdam, „volgens eene opgave van den heer A. Geoffroy Saint-Hilaire, directeur van den Jardin d'Acclimatation te Parijs, in do 15 jaren, die het jaar 1872 vooraf gingen, niet minder dan 1700 Carolina-eenden foktequot;. (Maitland). Zooals bekend is, laat men ze in zoologische tuinen in afzonderlijke broodkasten broeden, vooral om de jongen tegen ratten enz. te beschermen. Baldamus verhaalt, dat hij eenmaal ouden en jongen, welke laatste in een gewoon en klein eendenhok waren uitgebroed, on wanneer er een vreemdeling naderde als muizen onder het stroo kropen, in den besten welstand hooft gezien. De ouden kenden hunnen meester on waren zeer tam, en langzamerhand werden do tien jongen even tam.

De woerd van deze eendensoort kenmerkt, zich door een soort van helm, welke uit naar beneden hangende veoren van den achterkop bestaat, van eene groene on goudgoelachtige kleur, aan de kanten omzoomd door twee smalle witte strepen, de eene boven liet oog', de andere van daar achterwaarts tot aan den onderrand van den helm loopendo. De kop is groenglanzend van kleur, welke aan de zijden van don hals en de wangen moer in het

paarse overgaat; de halsringen zijn wit, de borst is roodbruin met witte vlekken op de veeren, het onderste gedeelte ervan is wit; de schouders, de rug en de vleugels zijn zwartgroen mot een blauwen weerschijn, de spiegel

ocr page 364

3F)H

is blauw. Do zjjden zijn geelachtig grjjs met een fijne, zwarte golfteekening, de pooten oranjerood; de snavel is rood.

Bij de eend zijn de nekveercn slechts een weinig verlengd; de kleur is op de bovendeelen bruin, aan de zijden grijs met bruine vlekken, aan de onderzijde wit; de snavel is groenachtig en evenzoo de spiegel; het oog-hoeft een witten rand.

Do woerd is lang 52U, zijn staart 107, de vleugels '228, de snavel 36, het loopbeen 3(i millim.; do eend heeft eene lengte van 495 millimeter.

Do Carolina-eonden houdt men het best en het fraaist in een kleineren of grooteren vijver, in welks midden zich zoo mogelijk eon boom met sterke takken bevindt, waarop do dieren rusten kunnen. Kan men op dion boom iiestholen aanbrengen, dan worden de dieren niet zoo zeer gestoord en hebben zij ook geen last van waterratten e. d. welke men anders ook op een afstand kan houden door don boom op eone hoogte van een paar voet boven hot water, door oen rand van blik of zink te omgeven.

De figuren 119 en 120 geven in u eene afbeelding van den woerd, in c van do eend, terwijl men in lgt; en d een mannelijke on een vrouwelijke Mandarijn-eend ziet.

Dr. örünhaldt maakt de opmerking, dat do naam Carolina-eend niet de juiste is voor de hier beschrevene, maar toekomt aan de eveneens zeer fraaie Amerikaansche Krik-eend, Querquedida carolinenses, jGm.j, Sleph. Do hier beschrevene hoet in Amerika niet Carolina-Duck maar Sumtner-of Wood-.Duck.

Vorgoljjkend overzicht van de maten der volgende drie sioreenden in millimeters:

Totaal. Staart. Vlougel. Snavol. Loopbeen. Gewicht.

Anas formosa 393— 7(i 215 — 38 — 32, tot 1 pd. (Eng.) Jerdon.

223 - 45 34, 11 „ Pallas.

\ woerd 520 107 — 228 — 36 — 36,

„ sponsa ,

' eend AW) Audubon.

„ falcata 492 76 -268 - il —31, tot 2 „ Pallas.

52!) 86 -291 -54 Blasius en Haldamus.

3. De Mandarijn-eend — Aix galericulata L. Mandarin Duck.

Canard mandarin. Mandarin-ente.

De Mandarijn-eend, bij ons ook Wuaier-eoid, Eng. Chinese Teal, Fr. Canard n eventaü genoemd, is, wat kleurenpracht, teekening en vedervorming betreft, ongetwijfeld niet alleen dc fraaiste van allo eenden, maar ook in't algemeen een der fraaiste en interessantste vogels, welke in pracht van bet gevederte

ocr page 365

357

aan de grilligsto en zoldzaaniste vodervormingcn van munigen tropisclien vogel herinnert.

De Mandarijn-eend schijnt liet oostelijke gedeelte van Midden-Aziö te bewonen, — volgens Radde en Yon Schrenk van hot Amoerland zui-deljjk tot liet midden van China, waarschijnlijk de bergwateren van liet binnenland - doch niet overal menigvuldig aangetroffen te worden. In noordelijk Japan verkreeg II. Whitely in Maart, September en October vijf exemplaren aan de groote meren bij Hakodate. De grenzen van haar vaderland zijn evenwel nog niet voldoende bekend. Zij wordt in China, waar zij Li-chi-ki heet, in kooien en volières gehouden, gaat door voor het zinnebeeld van echtelijke liefde en trouw en is er zeer hoog in prijs. Dat zij daar niet overal even gemakkelijk te verkrijgen is, blijkt wel hieruit, dat Dr. Bennett, die een zijner vrienden in China verzocht, hem een paar dezer eenden to bezorgen, van dezen ten antwoord kreeg, dat hjj hom gemakkelijker twee levende Mandarjjen kon bezorgen dan een paar Mandarijn-eenden.

De nauwkeurige tijd van invoering dezer eenden in Europa is niet bekend. Naar eone mededeeling van Dr. Gloger in het Journal fiir Ornithologie, 1853, moet de Mandarijn-eend reeds in het begin van deze eeuw in Holland ingevoerd zijn en toen slechts het derde gekost hebben van 't geen er voor een halve eeuw voor werd betaald. In 1850 ontving sir John Bowring eenige paren, doch reeds vroeger kwam de heer Polvliet te Rotterdam in het bezit van 4 paar, welke 1600 francs kostten 1). Uit deze geïmporteerde paren ontsproten alleEuropeesche stammen, totdat inden kaatstentjjd JohnBailv and Son te Londen nieuwe exemplaren geïmporteerd hebben en Mandarijn-eenden tegenwoordig niet meer tot de onbetaalbare zeldzaamheden behooren.

1) Do lieor Maitlmid zc^t in zijn wel bokond Handbook, dat do Waaier-eondon in 1H47 direct uit Japan to Rotterdam aangevoerd en door don lieer Ciuullaaiit aldaar voor ƒ 500. hot paar aangekocht worden, on dat de heer Polvliet lator oon |iaar kocht voor ƒ 300.— waarvan hij mot buitengewoon succes fokte.

Hot door M. genoemde jaartal stemt zeer goed overeen met do mededeeling van Oobin, dio zogt, dut de Mandarjjii-eond in 1858 in Krankrük, doch roods 10 jaren vroeger in Holland on Engeland word geïmporteerd.

ocr page 366

358

Do vrouwelijke Mandarijn-eeiul komt zoo niet de Carolina-eend overeen, dat zij gemakkelijk met elkander verward kunnen worden; alleen is haar gevederte wat minder glanzig en niet zoo intensief van kleur als dat dei-laatste.

De Woerd evenwel is dadelijk te herkennen aan zijn groot, helmachtig hoofdsieraad of kuif, die wij ook bij den Carolina-woerd opmerkten, verder aim zijn wel eenigszins op manen en een bakkebaard gelijkende kraag en bovendien door de waaiervormig uitgespreide en opgerichte slagpennen van den bovenarm. De kop en de kuif schitteren in groenachtig blauw, de kraag in bruinachtig geel, terwijl de opgerichte slagpennen roestbruin zijn; het gezicht is vuil roodachtig wit, de hals roodachtig bruin met een paarsen glans, de borst is met twee halve-maanvormige, witte, met zwart omzoomde banden versierd; al hot overige is nagenoeg evenzoo als bij den Carolina-woerd.

De Mandarijn-woerd is een zeer trouwe en teedere echtgenoot en het levendige, dartele spel met de eend in den paartijd levert een buitengewoon aantrekkelijk gezicht op.

Aangaande het fokken van de Mandarijn-eend deelde de „Mentor agricoiequot; in nquot;. 4 van dezen jaargang o.a. het volgende mede:

„De eend begint gewoonlijk in de eerste dagen van April te leggen, of, zoo het seizoen gunstig is, in het laatst van Maart. Eenigen tijd vóór en ook gedurende de legperiode voegt men aan haar gewoon voeder (tarwe, boekweit) een derde hennipzaad toe, echter ook niet meer; ook zorge men, dat de eend steeds goed voorzien is van salade, waaraan deze eenden groote behoefte hebben en waarvan ze in den legtijd ruimschnots gebruiken.

De eend legt um den anderen dag; in het istc Jaar 10 a 20 eieren, in de volgende jaren 20 a 30 en zelfs meer, doch hot aantal eieren hangt natuurlijk ook af van den leeftijd, van do behandeling en van het individu zelf. Als nestgelegenheid neme men een eenvoudige houten nestkast met wat zacht hooi en zet dien op een donkere plaats.

Zoodra men 8 a 10 eieren heeft, legt men ze onder eene broedsche kip, die ze in 26 a 30 dagen uitbroedt. Men laat do jonggeborenen eerst 24 uren bij de broedster zonder eten; daarna geeft men hun water en als voedsel mierenlarven, kleine wormpjes, alsmede een mengsel van hard gekookt ei, wittebrood, en in water gekookt en fijn gehakt rundvleesch. Als ze eene maand oud zijn, kan men hun ook wat boekweit en gierst geven, zonder echter geheel van het genoemde mengsel en van aardwormen af te zien, van welke zij veel houden en die veel tot eene spoedige ontwikkeling bjj-dragenquot;.

Vingerwijzingen, van welke ook met vrucht bij het opfokken van andere sier-eenden partij kan worden getrokken.

ocr page 367

359

•i. De Chinoesche Tidim/. Querquedida (Anas) falcala. The falcated Duck. Sur cell e d faucilles. Sichel-ente.

Soortkenmerken: Snavel zwart en overal even breed, langer clan liet loopbeen; pooien bruinachtig. De spiegel is onder zwart met roodachtig witte vederpunten, verder naar boven metaalglanzig grauwzwart, door witachtige, gewaterde, sikkelvormige dek voeren bedekt. Do staart bestaat uit 1(3 veeren.

Noord-Oostelijk Azië, van de Jeniseï tot Kamschatka is liet vaderland van deze prachtige eendensoort; bijzonder menigvuldig komt zij voor aan liet Baikal-meer, terwijl zij in Kamschatka zeldzamer is. Zjj overwintert in zuidelijke streken van Azië (China), van waar zij in April naar zuidelijk Siberië trekt (Pallas, Radde o. a.);

eerst in Mei komt zij in de op hoogere breedte gelegen streken aan. Th. vou Mid-dendorff vond ze menigvuldig nestelende in hut S'tanowój-gebergte, zelfs tot dicht bjj den kam.

Volgons Pallas maakt zij haar nest op de aarde, voert

hot van binnen met gras en legt vuilwitte eieren, welke siecnts weinig kleiner zijn dan onze eendeneieren.

De Chineesche Taling is oen harde vogel, die zich gemakkelijk in gevangenschap laat houden en vermenigvuldigen.

5. De Japansche Taling. (Juerquedulu (Anas) Formosa. Japanese Teal, Canard Formosa. Gluck-ente.

Soortkenmerken: Kop fraai purperbridn met witte randen om de oogen; nek en achterhals schitterend groen; spiegel eveneens schitterend groen, doch aan het eind fluweelzwart, aan den voorkant door een roestrooden, aan den achterkant door een zilverwitten zoom begrensd.

Volgens Pallas is haar vaderland Oostelijk-Siberiö (oosteljjk van het Baikal-meer) en wordt zij langs den gcheelcn loop der rivier de Lena zeer menigvuldig gevonden; zij broedt in ecu kuiltje in den grond, dat zij met veeren belegt en legt tot tien vuilwitte eieren. Zjj trekt reeds in September met de eerste trekvogels naar het Zuiden, en wel verder dan do Chineesche taling, daar

ocr page 368

zij volgens Blyth, Jerdon o. a. des winters ook in liet noordelijke deel van Oost-Indië (bjj Calcutta) voorkomt. Volgens Radde kwam de Japansclie taling reeds den '26st,'n Maart aan de Tarei-nor en versclijjnt zij den 4(,,'n April in talrijke troepen aan de zijrivieren van den Amoer. Aan de Boganida — 70 graden N. Br. — verscheen zij niet voor 12 Juni; daar was zij de meest algeraeene eendensoort, doch ging de Taimyrrivier niet op. Den 3(,en Juli werden aan do Boganida 7 versclie eieren gevonden in een onder wilgestruiken aan den oever verborgen nest. De eieren zijn blauwachtig geel en naar verhouding klein; bet kleinste was 50 millim. lang, terwijl zijne grootste breedte 35 millim. was. Even menigvuldig kwam zij ook voor op het S'tanowój-gebergte, waar zij in de eerste dagen van Mei aankwam. Zij is zeer luidruchtig en laat bijna onafgebroken hare luidklinkende stem hooren (v. Middendorff).

Ook deze eend werd voor meer dan eene kwart-eeuw reeds door den heer Polvliet met goed gevolg gekweekt.

Als sier-eenden worden door Wright nog aangehaald;

6. De Rooclbek-hoomeend ■—• Dendrocygna autumnalis. The Bed-billed Tree Duck. Dendr, a bec rouge. Herbst-ente.

Deze eend, ook Citroen-eend genoemd, draagt haren naam naar haren helder rooden snavel, aan wiens punt zicb een zwarte nagel bevindt.

De kop is van boven vuil roestbruin van kleur evenals do benedenhals, terwijl over den nek een bruinzwarte streep loopt. De keel en wangen zijn donkergrijs, do rug is donkerbruin, de borst grijs, de buik zwart.

Van de vleugels zjjn de schouder-dokveeren en do kleine slagpennen wit, de groote zwart. Ook de staartveeren zijn zwart.

De Roodbek-boomeend is ongeveer een derde kleiner dan Anas boscas; zij bewoont een groot deel van Zuid-Amerika, alsmede Midden-Amerika tot Mexico.

7. Het Weeuwtje. Dendrocygna (Anas) viduata. While-faced Tree Duck. Canard de maragnan, Nonnen-ente.

Ook deze eend, bij ons ook Witwangige Boom-eend genoemd, behoort in Zuid-Amerika te buis, docli wordt op bijna bot geheele zuidelijke halfrond en op het noordelijke tot ongeveer 25 graden N. Br. aangetroffen.

Zij werd in 1835 voor hot eerst uit Brazilië in Engeland ingevoerd en komt evenals de vorige nu en dan op de Engelscbe tentoonstellingen, ofschoon zij evenmin zeer algemeen is. De gevoeligheid der Boom-eenden voor koude en de omstandigheid, dat zij in gevangen staat niet schijnen tc willen broeden, staat hare verbreiding natuurlijk zeer in den weg.

ocr page 369

361

Het Wecuwtje kenmerkt zich door eone opgericlite gestalte, waardoor zij wel iets van eene gans heeft; zij is echter klein, een derde kleiner ongeveer dan A. boscas.

De kop is aan achterhoofd en nek zwart; de wangen, de schedel en de kin zijn echter wit; ook aan de keel bevindt zich eene witte vlek. (Deze eigenaardige teekening heeft haar ongetwijfeld de verschillende bovengenoemde namen bezorgd, niet uitzondering van do Franscbe, die aan haar vaderland herinnert). De snavel is zwart, doch heeft voor den nagel oen grijsachtigen ring. De borst en de buik zijn zwart even als de rug; de mantel is echter donkerbruin, met lichtere zoomen om de veeren.

Dc benedenhals is kastanjebruin evenals de vleugeldekveeren, de flanken zijn grijswit met zwarte golflijnen; slagpennen en staart zijn zwart.

De andere Boom eenden gaan we hier verder maar stilzwijgend voorbij, omdat zij allo aan het genoemde euvel mank gaan.

8. De Berg-eend. -—■ Ta dor na vulpanser, F tem. Anas tadorna L.

Sheldrake. Tadorne. liery-, Fuchs- of Brand-cnte.

Eene prachtige eend, van de grootte als of iets grooter dan A. boscas. Van den woerd zijn de kop en de bovenhals schitterend zwartgroen; de rug, de krop en de buik zijn wit; over de bovenborst en de schouders loopt een bruine band, terwijl van de borst tot don staart een zwarte streep over het midden van den buik loopt. De vleugels zijn aan de schouders zwart, de kleine dekveeren zijn wit, de spiegel schittert in een pur-perachtig groen en wordt bij oude exemplaren door een roodbruine streep begrensd; dc groote slagpennen zjjn zwart. De uit 14 veeren bestaande staart is wit met zwarte punten. De snavel, die aan de punt een weinig naar boven gekromd is, heeft een karmijnroode kleur en een knobbel aan do basis.

Itjj de eend ontbreekt deze snavelknobbel en ook bij de jongen, terwijl bij deze laatsten het goheele onderlijf ook wit is en liet gevederte van de bovendeelen in hoofdzaak grauw/wart niet lichtere randen om de veeren.

Deze prachtige vogel bewoont in liet warme jaargetijde de kusten van dc Noord- en Oostzee, de oevers van dc zoutwatermeren in Zuid-Oost-Rusland cn Midden-Siberië en nestelt in do verlaten holen van vossen, dassen en konijnen en ook wel in holle boomen. Zjj is schuw van aard, doch kan, als zjj op hare broedplaatsen niet gestoord wordt, even tam worden als onze buis-eenden,

Men zoekt do eieren gewoonlijk op om zo door onze tamme eenden te laten uitbroeden; de jongen kunnen dan zeer tam worden, doch hebben, als ze goed zullen gedijen, meer dierlijk voedsel noodig dan onze eenden. In

ocr page 370

362

gevangen staat broedt do Berg-eend niet gemakkelijk en alleen dan, wanneer men haar onderaardsche gangen tot broedplaats geeft, zooals zij die in den natuurstaat ook heeft. Hare eieren zijn rosachtig wit van kleur en grooter dan onze eendeneieren.

1 )e Berg-eend is ook een getrouwe gast aan onze kusten; zij broedt hier in de verlaten konijnenholen in de duinen, vooral op Rottumeroog. Op dit

eiland — evenals op meer eilanden (Sylt en Amrom) worden verlaten konijnenholen zoo voor haar ingericht — en anders kunstmatige holen — dat men de eieren gemakkelijk kan verwijderen zonder de eend te storen.

Men graaft daartoe namelijk gooten in den grond van voldoende diepte en breedte ; over die goten legt men wat kleine plankjes of rijs en daarover met planten begroeide zoden. Het eene eind dier zoo gevormde onderaardsche gangen dient tot ingang voor de eenden, terwijl het nest in het andere eind gemaakt wordt; do zode boven dat nest wordt zoo aangebracht, dat zij gemakkelijk verwijderd kan worden om do eieren te kunnen wegnemen. Men dient die goten altoos niet een bocht aan te leggen of er twee recht-

ocr page 371

363

hoekig op elkander te graven, opdat liet daglicht niet tot het nest kan doordringen.

Op sommige plaatsen aan de kusten der Noord- en Oostzee maakt men

ook op eene dergelijke, doel) meer gecompliceerde wijze kunstmatigo nest-holen, zooals die in Fig. i'ili zijn afgebeeld.

Men steekt een zeker aantal ronde graszoden uit, met een middelljjn van ongeveer 30 centimeter, zoo mogelijk in één stuk, en graaft dan gaten ter diepte van 30 a 50 centimeter, welke tot nestplaatsen dienen. Deze gaten worden met elkander verbonden door gangen van l i a ligt; centim. breedte, welke ten laatste op een uitgang uitkomen. De uitgestoken graszoden dienen om de nestplaatsen weder te dekken.

De bewoners der kusten en kusteiianden hebben door dezen aanleg van nestplaatsen het voorrecht, dat zij steeds weten, waar de Herg-eenden hare eieren leggen, welke gewoonlijk des namiddags, wanneer de eenden do nesten verlaten hebben, op een paar na worden weggenomen. De Berg-eend legt een twaalftal eieren; men vindt echter ook wel eens meer eieren in een nest, doch dan kan men het er voor houden, dat er twee of meer eenden in hetzelfde nest hebben gelegd.

Na het midden van Juni houdt men in den regel op met eieren rapen en laat de eenden dan op een (i a ^ tal broeden.

!). De Kasarka-eend — Tadorna (Anas, Anser) casarca (rutilu).

Ruddy Sheldrake. Tadorne casarca. ■— Kasarka-ente.

De Kasarka's, waartoe verscheidene soorten behooren, worden, hoewel ze de grootte van eenden hebben, door sommigen tot de ganzen gerekend.

ocr page 372

364

waarmede zij in levenswijze, gebaren, stem, vlucht en andere eigenaardigheden geheel overeenkomen. Zij leven meer bij dan op het water en hebben eene besliste voorliefde voor plantaardig voedsel.

Haar snavel is even lang als de kop, aan den wortel even hoog als breed en eindigt van voren in een dikken hoornachtigen nagel, iets smaller dan de punt.

De hierboven genoemde soort is in hoofdzaak roestrood van kleur; de kop en de bals zijn vuilwit met een roostgelo kleur; in zijn prachtgewaad draagt de woerd om den hals en zwarten ring met groenen weerschijn; de rug is roestrood; de kleine schouderdekveeren z|jn wit, de groote zwart; de spiegel is metaalachtig groen; de slagpennen, de staartveeren en hunne bovendekveeren zijn glanzig zwart.

Do snavel en de pooten zijn zwartachtig grauw.

Deze eend wordt aangetroffen in Midden-Azië en geheel Indië, doch komt op den trek ook in Klein-Azië, Griekenland, Egypte, Zuid-Italië, zelfs nog enkel in Spanje voor. Soms dwalen zij wat heel ver naar 't Noorden en naar 't Westen af, waardoor er zelfs, hoewel zeer zelden, in Midden-Duitschland zijn waargenomen.

Zij is reeds een halve eeuw in Europa bekend, doch wordt toch nog weinig hier aangetroffen, misschien wel om haar twistzieken aard, welke echter, door de eieren door tamme eenden of door kippen te laten uitbroeden en door den omgang met het andere hofgevogelte, zeker vrij wat gewijzigd kan worden.

De Kasarka's broeden uitsluitend in holen, evenals de hiervoor beschreven Berg-eend.

10. De Peposaca-eend. — Metopiana (Anas) Peposaca, Rosij-hilled Duck.

Canard a hec rose. Botsnabel-ente.

De Peposaca-eend, ook Eosébek-eend genoemd, heeft Zuid-Amerika en meer bepaald Chili tot haar vaderland. Zij is in Europa nog niet zoo lang bekend als de beide vorigen en ook nog verre van algemeen, ofschoon ze in gevangenschap wel teelt.

De kleur van het gevederte is op de boven- en voorste doelen donker; kop, bals en krop zijn zwart, de eerste met een groenen en paarsen glans; borst en buik lichtgrauw met nog lichtere golflijntjes; rug donkergrauw met witte uit fijne stippeltjes bestaande golflijntjes; slagpennen zwart met een groenen metaalglans; spiegel wit; staart van boven zwart, van onderen wit; snavel rood met zwarte punt en een vieeschachtig kussen aan het voorhoofd ; pooten mat geelrood.

ocr page 373

.{fir)

De eend is levendiger gekleurd, doch licef't een grauwachtigen snavel en pooten.

11. De Bahama-eend. — Da/Ha (/Ina.s) Bahamensis. Bahama Hack.

Canard de Bahama. Bahama-ente.

Het vaderland dezer eend is Midden-Amerika met de West-Indische (waaronder ook do Bahama-) eilanden, doch zjj komt ook nog op het vaste land van Zuid-Amerika voor.

Hare kleur is over liet geheel licht- on donkerbruin gesprenkeld, alleen aan wangen, keel eu kin door wit vervangen, terwijl de staart ett'en lichtbruin is.

Do vleugels zjjn donkerbruin en hebben een groenen spiegel, door lichtbruine banden afgezet.

De snavel is zwart, doch heeft van den wortel tot onder de neusgaten een bloedroode vlek; ook de pooten zijn zwart.

Ofschoon ze niet algemeen is, ziet men de Bahama-eend toch bjj ons geregeld op de groote tentoonstellingen.

Zjj is reeds ongeveer een halve eeuw in Europa bekend. De meer genoemde heer Polvliet was een der eersten, die ze met goed gevolg fokte; zjj teelt niet moeilijk in gevangenschap.

Wij laten hier nog eenige wilde soorten volgen, die alle in grooter en kleiner aantal jaarlijks op onze kusten of binnenwateren komen en gevangen worden.

12. De Pijhtaart-eend. — Dafila (Anas) acata. Pintail of Sprigtail.

Pilot of canard faisan. Spiess- of Fasan-ente.

De Pijlstaart-eend, te Amsterdam Langhals en in Limburg Gaffelstaart genoemd, bewoont het Noorden van Europa, Azië en Amerika, komt op den trek ook aan onze kusten en zelfs op onze veenplassen. Zelfs zijn er enkele exemplaren in ons land broedende aangetroffen (in N.-Brabant).

Zij draagt haren naam naar don eigenaardigen staart van den woerd, welke wigvormig in een punt uitloopt en uit 10 voeren bestaat, van welke de beido middelste ongeveer G centimeter over den eigenlijken staart uitsteken; de witte staartveeren hebben zwarte dekveeren, terwijl do beide lange veeren zwart zjjn. De snavel is lang en smal. Bjj den woerd is de snavel in het voorjaarskleed helder leikleurig, van boven zwart; de kop bruin, do rug zwartachtig met fijne, witte golflijntjes; de spiegel is purperkleurig groen, aan den voorkant roestkleurig, aan den achterkant wit gezoomd;

ocr page 374

366

do staart is grijs; buik cn borst zijn wit, aan do zijden met fijne zwarte golflijntjes. Jn liet zomerkleed is do bovenkop donkerbruin met roestgrauwe randen om de veeren ; de zijden van den kop en de bals zijn witaebtig grijs, met bruinachtige spikkels ; de rug is bruinzwart, met breede, witachtige golflijnen; borst en buik zjjn geelachtig wit met bruine vlekken. De eend is leeuwerik kleurig en beeft een zwartachtigen snavel; baar spiegel is bruinachtig met witte zoomen. De Pijlstaart is een fraaie vogel, die zeer goed in gevangenschap gedijt en soms ook broedt.

Eene andere eend, die 's winters op den trek in overgroote menigte in ons land wordt aangetroffen en hier ook enkele malen broedende is gevonden, is

13. Dn Smient. — Mareca (Anas) Penelope. Wijeon of Whew er.

Canard amp;iffleur. Pfeif-ente.

De Smient, ook Fluiteend genoemd, is niet zoo groot als de Pijlstaart en heeft in vorm en bonding wel iets van de zeemeeuwen.

Haar snavel en pooten zijn loodkleurig, liij den woerd in bet voorjaarskleed is de kop in liet midden geelachtig wit, aan de zijden roestrood; de romp op de bovendeelen bijna geheel met fijne zwarte en witte golflijntjes bezet; spiegel groen met zwarte zoomen; krop grijs met een wijnroode tint; buik wit. In het zomerkleed zijn kop en hals roestrood met zwarte sprenkels, de krop vaalrood met bruine vlokken; de rug sterk mot eene roestkleur gemengd.

De eend is aan den bovenkant leeuwerikkleurig, van onderen wit en hooft een licht bruinachtig grijzen krop. De jongen komen in kleur veel mot de eend overeen.

De Smient komt in gevangenschap nog al tamelijk voel voor; zij draagt den naam Fluit-eond naar hot eigenaardig fluitend geluid, dat zij laat hooren.

14. De Zomeiialing. — Anas quenjuedula Lin. Summer of Crueket Teal. Sarcelle d'été of Criquarl. Knack-ente.

De snavel van de Zomertaling is overal even breed en zwartachtig van kleur; do spiegel is groenachtig of grauw, van voren on achteren mot een witten zoom. Bij het mannetje in hot voorjaarskloed zijn de bovenkop en de achterhals bruinzwart en vanaf do oogen aan beide zijden door een witte streep begrensd; het voorhoofd en de voorbals roodbruin met witachtige schachten; de rug zwartachtig; dc schoudervooren zijn blauwachtig grijs, de achterste schouderdekveeren zijn bijzonder lang, zwart van kleur mot

ocr page 375

367

grijze randen en witte schachten; de keel is zwart, do buik wit rnet fijne, zwartachtige golflijntjes.

In het zomerkleed zijn woord en eend beide leeuwerikkleurig, doch aan do koel vuil wit; ook de jongen hebben ongeveer die kleur.

Zij bewoont Europa, Azië en Noord-Afrika, is bij ons zomervogel, ofschoon er ook wol enkele paren hier overwinteren. Zjj nestelt in liet riet, langs slootkanten en aan de oevers van meren en plassen en legt 7 a 4 2 geelachtig witte eieren. In gevangenschap gaat zij echter niet licht tot broeden over, hoewel zjj zeer tam wordt. Wij zien haar hier en daar bij de liefhebbers, evenals

15. De Wintertaling. — Anas crecca, Lin. Common Teal.

Sarcelle d'ltiver. Krick-ente.

De Wintertaling, ook Krik en Krikje genoemd, behoort al tot de kleinste wilde eenden, daar zij gemiddeld slechts 35 centimeter lang wordt. Haar verbreidingsgebied strekt zich verder uit dan dat van de vorige, aangezien zij ook nog in Noord-Amerika wordt gevonden. Zij komt hier in 't voor-en najaar in ontelbare menigte en blijft hier tot de vorst invalt. Sommigen broeden hier langs vaarten, meren en plassen, ook op de eilanden, anderen zwerven hier den geheelen winter rond.

De woerd is in zijn voorjaarskleed aan den kop en het bovenste gedeelte van den hals roodbruin, met een breede groene streep achter de oogen, omlijst door een smalle eveneens witte streep, welke zich ook van de oogen tot aan de kin uitstrekt. Do bovenrug, schouders en zijden zijn zwart en wit gegolfd; de krop en de borst hebben zwartachtige vlekjes op eene lichte witachtige grondkleur.

In het zomerkleed is de woerd leeuwerikkleurig met ongevlekte borst. De eend is wat donkerder dan de woerd in zijn zomerkleed en aan den buik grauwzwart gevlekt.

De spiegel is groen, van voren met een witten, van achteren met een zwarten zoom ; enkele schouderdekveeren zijn verlengd.

Hare eieren zijn evenals die van de Zomertaling geelachtig wit van kleur.

Ook de Wintertaling wordt gemakkelijk tam en wil onder gunstige omstandigheden in gevangenschap ook broeden.

De Zomer- en Wintertaling behooren tot de kleinste eenden, die men kent.

10. J)e Lepel-eend. — Spatula (Anas) Clypeata. The Shoveller.

Le Souchet. Löffél-ente.

De Lepel-, ook Lepelbek- en Slob-eend genoemd, welke mede door sommige liefhebbers gehouden wordt, bewoont de geheele noordelijke helft van den

ocr page 376

368

aardbol; ook in ons land wordt zij voel en ook broedende aangetroffen, doch nü. zoo menigvuldig als Anas boscas. Zij maakt haar nest in het riet langs de kanten van vaarten en plassun en legt van 7 tot 44 vuil geelachtig witte eieren.

Zij is op het eerste gezicht kenbaar aan haren sterk verbroeden, van voren lepelvormigen snavel, die blauwachtig zwart van kleur is. Hare lengte is ongeveer 50 centimeter.

De woerd heeft in zijn prachtkleed een prachtig groenen kop en hals, met een schitterenden metaalglans; de krop, do voorste schouderveeren en

de zijden van de stuit zijn wit; de borst en de buik roodachtig; de rug is groenzwart; de achterste schouderveeren zijn verlengd en wit van kleur met groenzwarte randen; de groote slagpennen zijn grauwzwart; de spiegel is groen, de staart bruin met witte randen.

Na den rui heeft de woerd, zoowel als de eend en de jongen een veel eenvoudiger kleur, ongeveer als onze gewone eend.

Ue Lepelbek-eend gewent zich niet best aan de gevangenschap, waarom men hare eieren veelal door tamme eenden en door kippen laat uitbroeden; de jongen worden dan bij eene goede verzorging goed tam en blijven in 't vervolg ook bij de andere eenden.

ocr page 377

309

17. De Krak- eend. Chaulelasmm (Aivis) strep ara. Gray Duck, Gadwaïl. Chipeau, Bruyant. Schnatter-ente.

Do Krakeend, ook Roepereend, Kraakeend en Halve eendvogel genoemd, onderscheidt zich door den betrekkelijk kleinen en smallen snavel en door de meerdere lengte der beide middelste staartpennen; zij is wat grooter dan de Talingen doch kleiner dan Anas boscas.

De kleur van het gevederte is in hoofdzaak grauw, daar het op een witachtigen grond met eene tallooze menigte fijne en grovere zwarte strepen en vlekjes is geteekend. Alleen de kleine dekveeren der vleugels zijn roodbruin, de groote zwartachtig, terwijl de spiegel wit en de buik vuilwit is.

De snavel is zwartgrauw, de pooten zijn oranjerood doch hebben zwarte zwemvliezen.

De eend en ook de jonge woerd gelijken veel op de gewone Wilde-eend.

Het Vaderland der Krakeend is het noordelijk en middengedeelte der Oude Wereld; bij ons vertoeft zij van Maart tot October en broedt hier ook in klein aantal aan dicht begroeide poelen. Ook overwinteren hier wel, die van noordelijker streken komen.

De Krakeend schijnt echter gaandeweg in aantal te verminderen (Albnrda).

Dr. A. Maar beveelt den liefhebbers van sier-eenden nog twee variëteiten uit de groep der duik-eenden aan, namelijk do Kroon-eend en de Tafel-eend, omdat deze, hoewel zij in den vrijen staat uitsluitend dierlijk voedsel gebruiken, zich in gevangenschap gemakkelijk aan het voer der gewone eenden gewennen en slechts een geringen toevoer van dierlijk voeder noodig hebben. Aangezien zjj echter groote beminnaars zijn van vischkuit en kleine vischjes, zijn ze in vijvers, die tevens voor de vischteelt gehouden worden, niet aan te bevelen.

Beide genoemde eenden tellen ook in ons land reeds enkele liefhebbers en komen nu en dan op tentoonstellingen voor.

18. De Kroon-eend — Indigula [Anas) rufina. Red-crested Whistling Duck. Si ff leur huppé. Kolben-ente.

De Kroon-eend heeft bijna de grootte van Anas boscas, is over Midden-en West-Azië, Noord-Afrika, Zuid-Oost- en Midden-Europa verbreid, doch is in ons Vaderland een zeldzame gast.

Do mannelijke Kroon-cend is gemakkelijk te herkennen aan de kroon-vormige kuif, welke gevormd wordt door de verlengde, smalle en haarachtige vederen van den kop. De kop, alsmede ongeveer de helft van den hals zijn in het prachtkleed fraai, roodbruin, de kuif echter is roestgeel; het onderste

Baldamus, Pluimveeteelt II. 24

ocr page 378

370

gedeelte van den hals met den krop, de achterrug, de huik en de staart zijn zwart, de mantel en de vleugels grijsbruin, de laatste hebben een witte schoudervlek en een witten spiegel met een grijzen dwarsband ; de groote slagpennen zijn donkerbruin, aan de binnenzijde roodachtig wit, de buitenste zijn echter wit met een zwartbruine punt; de kleine slagpennen zijn bruinachtig aschgrauw, de ondervleugeldekveeren wit. Het oog en do snavel zijn karmijnrood, de pooton roodachtig geel, de zwemvliezen zwart.

De eend heeft matter gekleurde pooten en een zwarten snavel; bovenkop en nek zijn vuil roodbruin, de wangen, de keel en de zijden van den hals grauwwit, de onderdeelen en de spiegel wit; de staart is donkergrauw, het overige gevederte grijsbruin.

Daar de Kroon-eend reeds in den natuurstaat niet schuw is, wordt zij in den gevangen staat zeer tam en is zij verdraagzaam tegenover de andere eenden.

Hare stem heeft meer van die eener kraai dan van eene eend; in den paartijd, des voorjaars. hoort men van den woerd somtijds een fluitend geluid.

19. De Tafel-eend. — Fuligula (/tnas) ferina. The Red headed ivigeon of Pochard. Lc Canard miloidn. Tafel-ente.

De Tafel-eend, ook lloodkop-eend en in Zuid-Holland Va linger genoemd, komt veel met de vorige overeen, doch is veel kleiner. De woerd heeft in ziju prachtkleed een fraai roodbruinen kop en hals met een zwarten ring om den krop en den voorrug. De rug, de borst en de zijden zijn bleek aschgrauw met een fijne zwarte golfteekening, de overige onderdeelen zijn wit. Do vleugeldekveeren zijn aschgrauw, de slagpennen en de staart eveneens, de spiegel iets lichter. De snavel is blauwgrijs aan den wortel, de punt en de randen zwart, het oog koraalrood; do pooten zijn blauwachtig grijs en hebben zwarte zwemvliezen.

Bij de eend zijn kop en hals roodachtig grijsbruin, de rug, de borst en de zijden hebben op een geelachtig grijzen grond halve-maanvormige zwartbruine vlekken. Do vleugels zjjn aschgrauw, de onderborst en de buik vuilwit.

De ïafel-eend komt in de gematigde streken van Europa, Azië en Amerika voor en bezoekt soms zelfs de noordkust van Afrika. Evenals de vorige houdt zij van groote binnenwateren met rietrijke oevers.

In ons land vertoont zij zich op den voor- en najaarstrek dikwijls in groote vluchten op de meren en plassen, terwijl er ook des winters aan onze kust blijven en enkele paren in N.-Brabant zelfs broeden.

ocr page 379

371

Zij is even weinig schuw en even verdraagzaam tegenover andere eenrlen als de Ivroon-eend, doch laat zicli in gevangenschap ook oven moeilijk tot broeden bewegen.

Bij de beschrijving der Carolina-eend hebben we reeds opgemerkt, dat de heer Matthew Lono de voortplanting der sier-eenden in gevangenschap voor moeilijker houdt dan die is. De daar genoemde heer Polvliet heeft genoegzaam bewezen, dat tal van sier-eenden in gevangenschap zeer goed voorttelen, als zjj maar in voor haar gunstige omstandigheden worden gebracht.

De meermalen aangehaalde lieer Serjeantson is dan ook van eene andere meening. Hij ook heeft reeds tal van sier-eenden gekweekt in een goed omheinden boomgaard van ongeveer 1 acre grootte, welke tevens de verblijfplaats was van zwarte O.-Indische eenden, zwarte Hamburgers, Japansche Bantams en Pauwstaartduiven, Een kleine kunstmatige vijver, welke door een fontein van water werd voorzien en dicht omgeven was met Laurierstruiken, Rhododendrons enz. en waartoe de hoenders gedurende den herfst en den winter ook toegang hadden, werd bjj het begin van den broedtijd door vlechtwerk van ijzerdraad omgeven en voor de eenden gereserveerd, terwijl voor de in holen broedende binnen die omheining kleine nestkasten werden geplaatst. De jonge sier-eenden worden het best onder kleine hoenders en Bantams groot gebracht, doch moeten tegen de guurheden van het klimaat beschut worden door een warme, droge schuilplaats, een klein huisje of iets dergelijks, waarin men wat hooi doet, 't welk men eiken dag ververscht. De jonge eendjes moeten bepaald tegen natte koude beschermd worden. „Ik hebquot;, zoo verhaalt Serjeantson, „op een kouden Juni-dag eens 9 jonge eenden — waaronder de zeldzame Konings-eend, alsmede Pijlstaarten, Wintertalingen en Slobeenden — verloren, omdat ik haar met eene huis-eend te water liet gaan. Zij vatten koude en waren den volgenden morgen alle doodquot;. Ook kunnen jonge wilde eendjes, hoe goed zij anders ook van den eersten dag af kunnen zwemmen en duiken, verdrinken, wanneer zij door eene hen uitgebroed worden en hun donzenkleed niet door een moedereend ingevet kunnen worden, liet dons der jonge eendjes toch wordt dadelijk bij het uitkomen door de buikveeren der ouden met eeue vetlaag bedekt. Bij huis-eenden, welke bijna nooit te water gaan, schijnt die vetheid van het gevederte, die bij alle zwemvogels aangetroffen wordt, langzamerhand af te nemen en verloren te gaan, nu zjj er geen behoefte meer aan hebben-

De mogelijkheid bestaat dus —- en er zijn er, die beweren, zulks waargenomen te hebben — dat ook de door zulke huis-eenden uitgebroede

ocr page 380

372

eendjes wegens onvoldoende invetting van hun dons verdrinken, wanneer zij in het water komen.

Ook de beste hoender-moeders, Bantams, Zijdehoenders, die door M. Leno worden aanbevolen, kunnen dus nooit geheel een eenden-moeder vervangen.

Carolina-eenden zijn uitstekende broedsters en zurgvuldige moeders en dus bij uitstek geschikt om de eieren van andere sier-eenden uit te broeden, wanneer de legsters ervan daartoe niet ot' minder geschikt zijn.

Wat Audubon over bot voedsel der Carolina-eend zegt, geldt ook voor de meeste zoetwater-eenden en ten deele ook voor vele duik-eenden. Voornamelijk echtei' voor die familiën, waartoe onze kleine siereenden beboeren; en al wil men ook niet aannemen, dat de familienaam QMen/wedMa(()Me',ct(S = eik) met de namen eik en eikel in verband staat, toch is deze laatste een lie-velingsspijs van vele eenden. Serjeantson voert gewoonlijk maïs en goede tarwe met een zacht of week voer, dat uit gelijke deelen gerstemeel en gebroken gerst bestaat. De jonge eenden krijgen hetzelfde voor als de hoenderkiekens, die der meer teere soorten bovendien nog kleine stukjes rauw vleesch, wanneer er geen wormen en insecten in voldoend aantal zijn. M. Leao voert de jongen in do eerste dagen met fijn gehakte hard gekookte eieren, die met een weinig gerste-, haver- en maïsmeel vermengd worden. Dit zachte voer moet in een steenen schotel voorgediend worden, terwijl er na een of twee dagen een weinig fijn gehakte gekookte long of leveren eenige kleine regenwormen aan toegevoegd kan worden. Water moot men hun niet te vaak geven en dan nog altoos voorzien van eendenkroos, dat men des avonds verzamelt, omdat er dan vele waterdiertjes, kleine slakken enz. in zitten. Het eendenkroos is zoowel voor liet gedijen van oude als van jonge eenden van belang. Later kan men hun ook haverdegort, kanariezaad of andere kleine zaderijen in liet water geven.

Men kan de jonge eendjes echter ook zeer goed zonder een vijver op een omrasterd grasveld groot brengen, waar zij dan vooral in de avonden morgenschemering rusteloos rondloopen om overal voedsel - plantaardig en dierlijk — te zoeken. Is de eene plek afgegraasd, dan wordt de bewegelijke omheining eenvoudig verplaatst. Natuurlijk moeten zij dan ook van liet voor hun leeftijd geschikte voeder worden voorzien. Op zulk een grasveld gedijen zij bepaald uitstekend.

Ziekten der Eenden.

Tot nog toe heeft men bij eenden nog zeer weinig ziekten waargenomen en van de besmettelijke ziekten heeft men alleen de pluimvee-typhoïde te vreezen. Men zorge er dus zooveel mogelijk voor, deze ziekte niet binnen

ocr page 381

to lialen en, sluipt ze bimion, dan krachtige maatregelen te nemen om de verbreiding tegen te gaan. Men dient dan dadelijk de aangetaste en verdachte dieren te verwijderen en do hokken en rennen grondig te desinfec-teeren. (Men vergelijke ook Hoofdstuk lt;S van dit en pag. 2 i i e. v. van het le deel).

Overigens komt bij jonge eenden nog kramp voor, wanneer zij te vroeg te water worden gelaten, of te lang in koud water gezwommen hebben of, nadat zij het water hebben verlaten, niet warm genoeg gehouden worden. Warmte helpt hiertegen het meest; het beste is evenwel, deze kwaal te voorkomen en de jonge eenden niet te water te laten, voor ze i i dagen oud zijn en dan nog nooit in te koud water.

Twaalfde Hoofdstuk .

Do Ganzen.

Tot de Anseridae, wolk woord we het best door gansvormige vogels vertalen evenals den naam der orde zelve, omvat ongeveer 50 soorten, in tal van geslachten verdeeld.

Tot de eigenlijke ganzen — Anserinae — rekent men 27 soorten, van welke er 10 in Europa, 16 in Azië, 9 in Afrika, 10 in Amerika en l in Australië worden gevonden.

De voor ons doel in aanmerking komende soorten, behooren voornamelijk tot de geslachten A user en Branta (liernicla); van andere geslachten zullen we slechts enkele soorten kunnen beschrijven.

De volgende soorten van wilde Ganzen komen geregeld jaarljjks in grooter of kleiner aantal op onze nieren en binnenwateren of aan de zeekusten voor:

1. De gewone Wilde of Grauwe gans — \nser anser of A, citiereus.

2. lie Rietgans. Anser fabalis of A. segetiun.

3. J)e Akkergans. A. fabalis arvensis.

4. De Kolgans. A. albifrons.

5. De Dwerggans. A. albifrons ergthropus of A. mimUm.

6. De Kleine Rietgans. A. branclujrhi/nclnis of A. segelum Schi.

7. De Brandgans. Branta (Anser) leueopsis.

8. De Rotgans. Branta (Anser) bernicla.

9. De Hood halsgans. I'rat da (Anser) rufieollis.

ocr page 382

374

1. Dc Grauwe (jans — Anser anser, L. A. cinereus, Meyer. The Wild-Goose. Oie muvacje. Grau- of Marzgans.

De Grauwe gans. hier ook algemeen onder den naam van Wilde-gans bekend 1), is zonder twjjfel, zoo niet alleen, dan tocli hoofdzakelijk de stamsoort van de gedomestiseerde rassen der Oude Wereld. Van allo wilde ganzen van Europa paart zij alleen vrijwillig en dikwijls met de tamme of Huisgans en brengt van deze vruchtbare bastaarden voort, terwijl de het dichtst naast haar staande rassen als de Riet- of Zaadgans — hiser segetmn zelfs in getemden staat zich niet met de gewone tamme gans vermengen, doch zich daarvan verwijderd houden.

Blyth doet de wel opmerkelijke mededeeling, dat de Oost-Indische huisgans een kruisingsproduct is van Anser cinereus en de Knobbclgans — Cygnopsis cygnoides of chinensis, en dat de volkomen vruchtbare bastaarden verder telen, zonder terugslag op de stamouders. Jerdon schijnt hiervan echter niets te weten, want hij zegt eenvoudig- „Zjj (A. cinereus) is de stamsoort van de gedomestiseerde gansquot;.

Dat de Zaadgans bij uitzondering ook met tamme ganzen paart, is gebleken in den grooten slotvijver van wijlen Baron Balduin von Mflnchhausen in Leitzkau, waar een buitengewoon tamme woerd van A. segetmn als een tiran over al het andere watergevogelte heerschte en zich meermalen aan dergelijke buitensporigheden schuldig maakte. Of de nakomelingen vruchtbaar geweest zijn, is echter door den al te vroegen dood van den practischen orrtitholoog niet bekend geworden.

De Grauwe gans is over een groot gedeelte van de noordelijke zoogenoemde Oude Wereld verspreid. Wright dwaalt echter, wanneer hij zegt, dat zij misschien meer algemeen verspreid is dan de Wilde-eend — .1«, hoscas, welke ook een groot gedeelte van Noord-Amerika bewoont. Yoor Europa is de Grauwe gans tegenwoordig een meer „Oostelijkequot; vogel, ten minste wat haar broedgebied aangaat, en door de steeds toenemende cultuur wordt deze fraaie vogel nog steeds meer naar het Oosten gedrongen. In Engeland schijnt zij tot de Shetlandsche en de Orkney-eilanden beperkt te zijn; op IJsland komt zij in het geheel niet voor, in Noorwegen alleen op den trek en in Zweden alleen broedende in de zuidelijke en middelste streken tot ongeveer 58quot; N. B,, (Wallengren, Westerlund). Deze breedtegraad schijnt ook de noordelijke grens van haar verbreidingsgebied door Rusland

1) In do igt;rov. Oroiiintfoii hcot do Wildo paus ook Schierling; in bot land van Kuik: Koenekrnan; in Friesland: Groot e Schiere en Groote Wityat (Albarda).

ocr page 383

:mgt;

en Siberië tot Kamscluitka te zijn, liier en daar echter met door de zomer-isothermen bepaalde afwijkingen.

Dat do Grauwe gans ook op Spitsbergen (prof. Lovèn) voorkomt, is zeker eene vergissing; zeker wordt zij iiier met de Zaadgans verward, aangezien prof. Liljeborg haar in den broedtijd nocb in Archangel en aan den mond van de Dwina, noch in Lappmarken aantrof. In Midden-liusland en Siberië is zij volgens Pallas algemeen. De Orauwe ganzen, welke Europeesch liusland en Cis-baikalsch Siberië bewonen, trekkon, volgens Pallas, in den herfst naar bet Westen, terwijl de Trans-baikalsche exemplaren Oostwaarts en naar het Noord-Westen van Amerika trekkon. In het Zuiden schijnt de beneden-Donau of ongeveer de 43st'; of MKtl' graad N. Br. hare zomergrens te vormen. Baldamns vond haar in groot aantal broedende in de moerassen bij Oppowa in het Banaat en aan de overzijde van den Donau bij Semendria. Ook in de Bonauvlakte van Waliachije, waarschijnlijk tot aan de Zwarte Zee. Hare zuidelijke grens in Azië is nog zeer onzeker. Haar trekgebied strekt zich echter uit tot Centraal-Indië, waar zjj volgens Jerdon e. a. een

algemeeno wintergast is, en waarschijnlijk vormt ook in Afrika de 20sto graad N. Br. do zuidgrens van dit gebied.

In Duitschland broedt de Grauwe gans tegenwoordig alleen nog in het Noord-Oosten, ongeveer van den 20s'(n lengte- en den 52stun breedtegraad

ocr page 384

376

af'. Do zuidwestelijkste broedplaatson bevinden zicli zeker aan de vijvers in de omstreken van Zerbst (Anhalt-Dessau), waar zij verzorgd wordt. Eene nog zuidelijker broedplaats, tusschen de Saaie en de Elbe, is baar ontnomen door de indijking van en de cultuur in die streken.

In ons Vaderland komt de Grauwe gans menigvuldig op den trek van October tot November en in Maart en April voor en overwintert er ook bij zacht weer. Volgens Albarda broedt er sedert 1819 eene kleine kolonie in do zoogenoemde Kraanlanden on de Boornbergumer petten (Friesland). Doch ook daar is haar terrein door inpoldering en het sticbten van woningen reeds ingekrompen, zoodat zij zich thans naar Eernewoude en Oudega heeft verplaatst, alwaar ieder jaar eieren worden gevonden.

De nasporingen van Dr. G. A. Venema (Zie Alb. der Nat. jaarg. 1874) hebben aan het licht gebracht, dat ook in de provincie Groningen, hoewel slechts zeer zelden, exemplaren overbleven om te broeden. Zoo vond men daar voor jaren een nest met 5 eieren op de Woldmade bij het Zuidlaarder meer en later een op de Wester broekster made, ten Westen van het Fox-holster- en niet ver van het Zuidlaarder meer.

De zomerverbhjfplaatsen der Grauwe gans zijn stille, diepe, doch tevens met ondiepe plekken voorziene meren en plassen, met hooge waterplanten, biezen, riet enz., vooral wanneer er ook wei- en bouwland in de nabijheid is. Hier maakt het wijfje kort na hare aankomst, meestal in de eerste helft van Maart, het groote nest van allerlei droge waterplanten en van binnen gevoerd met zachte bladeren en veeren, op begroeide heuveltjes en eilandjes, doch altijd op plaatsen, die beschermd worden door diep water, overjarig riet en struikgewas. Dikwijls zijn er verscheidene nesten op bijzonder geschikte plaatsen dicht bij elkander. De oudere exemplaren leggen 8 a 13, zelden 14 eieren, de jongere slechts 5 a 7. Wanneer het legsel compleet is, wordt het met het dons van de borst en den buik bedekt, dat de ganzen zich dan, evenals de eenden, zelf uittrekken, zoodat er een vrij groote „broedvlekquot; ontstaat. Wanneer de broedende gans niet gestoord wordt, verlaat zij één of' tweemaal daags het nest en bedekt dan vooraf de eieren met dit dons. De eieren zijn in grootte, vorm en kleur moeilijk van die der tamme ganzen te onderscheiden en komen ook veel met die van de Zaad-en de Akkergans overeen, ofschoon deze wat kleiner zijn. Zij varieeren in grootte tusschen 83 en !(2 millim. lengte en 50 a 62 millim. breedte; de gemiddelde maat is 87 X 6'1. (Niet 87 X 64, zooals abusivelijk oppag. 317 van deel I vermeld is). Het gewicht der versche eieren bedraagt 154 tot 170 gram, de droge schaal weegt 19 a 22 gram. De eieren hebben in don regel den normaal ovalen vorm; kort en gerekt ovale en ovato vormen bohooren tot de, ofschoon niet zeldzame uitzonderingen. De schaal is naar

ocr page 385

377

verhouding dik, doch niet zoei' sterk, de poriën zijn niet zeer groot, onregelmatig en staan dicht bij elkander. Zij zijn tamelijk zuiver wit van kleur niet een nauwelijks merkbare blauw-groene tint, die echter zeer spoedig in een licht okerk leurige verandert.

De broedtijd is gewoonlijk 28 dagen, doch kan bij buitengewoon warm weder ook 27 en bij aanhoudende lage temperatuur ook '20 dagen worden. Wanneer het nest niet onder water geraakt, wat in het voorjaar echter nog wel eens het geval wil zijn, komen de eieren bijna zonder uitzondering alle uit.

De jonge gansjes worden, 2 \ uur nadat zij uitgekomen zjjn, naar het water gebracht; de moeder zwemt of gaat vooraan, de vader (de gent of ganzerik), die gedurende het broedproces steeds de wacht heeft gehouden, volgt. De wandelingen naar de met jong groen bekleede weilanden, eilandjes enz. worden meestal in de morgen- en de avondschemering ondernomen. Tegen don nacht keert de familie naar het nest terug; de jongen worden door de moeder bedekt, totdat daarvoor na 1 4 dagen geen ruimte meer is onder do moederlijke vleugels; daarna gaan ze, dicht tegen elkander aan gedrukt rust nemen, tot zij zelfstandig en vluchtig zijn geworden, zonder zich echter van de familie te scheiden. Gedurende al dien tijd openbaart zich bot overleg, de voorzichtigheid, de waakzaamheid en de moed van deze zoo dikwijls voor dom uitgekreten dieren op de duidelijkste wijze, zooals den jagers dan ook wel bekend is.

liet voeder van de Wilde-gans is zuiver plantaardig: alle soorten van bladeren, vooral van do cultuurgewassen, ook de zachte stengeldeelen en de bast van do meer harde; verder alle rijpe en halfrijpe zaden, behalve die der wikken, welke haar naar het schijnt nadeelig zijn, en voorts de sappige wortels cn knollen der verschillende knolgewassen. De jongen voeden zich in den eersten tijd met kroos en jonge, teere grassprietjes; voor jongen en ouden echter schijnen onder do grassoorten voornamelijk de [xki-soorten, als poa annua — pluimgras, ;ioa fesluca — zwenkgras en /»0« lluitauH — vlotgras, verder ook de naar haar genoemde ganzedistel — Sonchm oleruceus etc. en van do graansoorten, gerst en haver de lievelings-spijzen te zjjn. Zij gebruiken bovendien ook veel fijn grint of grof zand cn bij gebrek daarvan gewone aarde.

Onder liet winterkoren kunnen de Wilde-ganzen soms groote verwoestingen aanrichten.

De Grauwe of Wilde-gans onderscheidt zich van do Riet- en Akkergans — A user seijeliou en ar ven sis —, waarmee zij door onkundigen dikwijls verward wordt, reeds op een afstand door hare meer gedrongen gestalte, hare veel helderder en zuiverder aschgrauwe kleur endoor hare stem, welke met

ocr page 386

378

die van onze Tamme gans overeenkomt. Andere verschillen tusschen deze 3 soorten (met andere soorten kan de Grauwe gans moeilijk verward worden)

vindt men in de liier volgende, aan J. F. Naumaim ontleende opgaven:

Naam. Snavel. Pooten. Lengte. Vlucht. Staart. Gewicht.

Grauwe gam. Oranje, Licht, J 802—849, 1513—4533,1M—165, 4.J a 6.

gewoonlijk

aan de punt wit. Vleeschkl. $ 694—730,1370—1415, „ 5 a l.J.

Alikcnjans. Geelrood, Oranjekl. S 812, ± 160Ü, 129 -171, 4 a 5 de randen en een streep l

van voorhoofd tot het J 2 580, ± 1510, ,, a 6.

midden zwart. /

JUdgans(Zaadgans). Zwart. Oranjekl. J 6()0 -707,1486—1648,188—200, 2.1 a i

met oranjekl. \ vet

ringvlek tusschen neus- | ? (gt;00—636, 1480, ,, 't.i

gaten en nagel. / millimeter. kilogr.

Volgens Dr. A. Venema (Alh. der Natuur 1874) zijn deze ganzen ook ten deele aan hun geroep te onderkennen; zoo klinkt dat van de Grauwe gam, | gent: kengengenk' (enigszins lang aangehouden),

gent; tainjaint.

gans: kögök;

llietgans,

gent: tainjaint, (kortaf en fijn).

gans: kögök.

De kleur van het gevederte is over het geheel aschgrauw, op den rug (Mi de vleugeldckveeren met lichte randen om de veeren; de groote slagpennen zijn donkergrauw, eveneens met lichtere randen ; dc onderbuik is wit.

De Grauwe gans wordt op plaatsen, waar zij veel broedt, zonder veel moeite tam gemaakt door haar de eieren of kleine jongen te ontnemen en deze alleen of niet de tamme ganzen uit te broeden en op te kweeken, met welke zjj dan gemakkelijk kruisen en daardoor een zeer hard kruisingsproduct voortbrengen.

Onze gewone tamme gans behoort tot het reeds sedert 'langen tijd gedo-mestiseerd pluimvee en is, daar zjj zoowel hitte als koude verdraagt, overal verspreid geworden. Grieksche en Romeinsche schrijvers roemen om strijd hare goede hoedanigheden en geven voorschriften over de beste wijze om ze te fokken en te gebruiken. Aristoteles zegt, dat zo 30 dagen broedt, Varro noemt hiervoor 25 dagen bij warm en 30 dagen bij koud weder; evenzoo Columella. Iforatius, Pal lad i us en Plinius roemen de ganzelevers;

v gans: kagagak

Akker gam,

ocr page 387

379

dichters on landlieden berichten, dat men deze het grootst en vetst krijgt, wanneer men de ganzen 30 dagen lang stopt met stuk gesneden en tot pillen gerolde vijgen. Cato maakt de opmerking, dat men ze evenzoo stopt als de hoenders, doch haar meer water geeft. Va ito en Columella beschrijven de fokinrichtingen voor ganzen, welke men I 'Jumoboskeiov noemde enz. Beroemd waren ten tjjde van l'linius de Noord-Eransche ganzen en de Ger-maansehe kleine, witte gans wegens haar fraai dons, dat toen goed betaald werd (ongeveer j' 4.— per kilogram). Volgens l'linius kwamen er zoo dikwijls klachten over de bevelhebbers der in Germanic staande hulptroepen, omdat zij gehcele cohorten op de ganzenjacht zonden in plaats van op de wachtposten. De productie van groote levers was bij de Romeinen ook eene „gewichtigequot; zaak, vooral in Home, en men had het daarin zeer ver gebracht, ofschoon de satirici Martial en Juvenal wel wat overdrijven (zeker met opzet), wanneer zij de waarschijnlijk door melk en honig uitgezette levers zoo groot noemden „als de gans zelfquot; of „grooter dan een groote gansquot;. Dat de ganzen door hare waakzaamheid eenmaal de redders van het Kapitool en daardoor van Rome werden, wordt door de Romeinsche economische schrijvers natuurlijk met voorliefde in herinnering gebracht en maakte hare in hunne oogen bijzonder aanbevelenswaardig.

Onze gewone Tamme (jans heet in 't Engelsch (hunuton Goose, in 't Franseh (He domestique; in 't Duitsch llaus- of Martinsyans, de mannelijke exemplaren, bij ons ijenl of ganzeril; genoemd, heeten in die vreemde talen respéctivelijk: Gamier, .lav en Giinser'uh of Gansert.

Het onderscheid tusschen de vrouwelijke en de mannelijke exemplaren bestaat alleen hierin, dat de laatste grooter zijn, een dikkeren hals en langere pooten en een niet zoo sterk ontwikkelde huidplooi onder den buik hebben. Ook in de stem is verschil op te merken ; die van de gent is dieper, sterker en kwakend, die van de gans hooger en meer schel. Daar deze verschillen echter niet maar zoo dadelijk in 't oog springen, ja, zelfs moeilijk op te merken zijn, raadt Dr. Lentz aan, wanneer men in 't onzekere is aangaande liet geslacht zijner ganzen, een vreemden gent onder den troep te brengen, met welken de genten van don eigen troep weldra zullen beginnen te vechten.

De bek en de pooten der Tamme gans zijn rood, de eerste met een witte punt, de laatste met een gele tint.

Wat de kleuren aangaat, deze zijn zeer verschillend; de zuiver witte zijn zeker de fraaiste en hare vederen hebben ook de meeste waarde; men heeft evenwel ook grijze, bonte, wildgrauwe e. a,

In den tegenwoordigen tijd hebben voornamelijk '2 slagen van Tamme ganzen eene algemeene vermaardheid, n.1. de Kinder en de Totdouser gans;

ocr page 388

380

het is echter zeer twijfelachtig of' de Pommersche, de Zuid-Eussische, de Italiaansche c. a. bij deze wel veel zouden ten achter staan, wanneer zij met evenveel zorg gefokt en verzorgd werden.

2. Da Emder gans, — Einden Goos. Oie d'Emhden. Emdener Guus.

Deze gans belioort zuiver wit te zijn met een donker vleeschrooden snavel, diep oranjekleurige pooten en lichtblauwe iris. Hare houding moet zeer opgericht, haar romp compact zijn en hij vette exemplaren behoort de buik den grond te raken. Zjj wordt zeer zwaar; een 3-jarige gent van denbeer Fowler woog 14,8 kilogram, de evenoude gans 11,8 kilogr. en hunne jongen 11—12,5 kilogr. Voor de teelt is een gewicht van 9 kilogram echter volkomen voldoende.

Volgens den heer Pfannensehmid te Emden onderscheidt zich de echte Emder (niet Bremer) gans van alle andere slagen in de eerste plaats door een langeren bals (zwanenhals), door eene niet gedrongene, maar boog opgerichte, statige bonding, levendig temperament, dicht aansluitend, schitterend wit gevederte, blauwe oogen, fraai oranjeroode pooten en donkerrose gekleurden snavel. In hare volle vederpracht is de Emder gans een sieraad van eiken vjjver; vrij op de weide loopende is zjj moeilijk te houden, daar zij eene verbazende vliegkracht bezit en dikwijls uren ver vliegt om bij water te komen. In grootte overtreft zjj de Pommersche gans.

„Slechts in enkele plaatsen doet men tegenwoordig nog aan bare teelt: bet geheele aantal jongen zal op zijn hoogst 500 a 000 per jaar bedragen. Door de zeer irrationeele methode om van deze ganzen zoo dikwijls mogelijk eene zekere hoeveelheid veeren te kunnen plukken, bereikt zjj niet meer de volle grootte. Zij is echter vruchtbaar, legt in het eerste jaar 8 a 10 eieren, broedt goed en is eene goede moeder.quot;

Eigenaardig is bij de jongen de teekening der beide geslachten. Terwijl namelijk de jonge gent dadelijk zuiver wit gevederte verkrijgt, heeft de gans in de vleugels en soms ook in den staart eenige lichtblauwe of roodachtige veeren, welke eerst in bet tweede jaar door geheel witte vervangen worden. Pfannensehmid hield dit vroeger voor eene fout, doch de oudste fokkers betuigden, dat zij de gans nooit anders gekend hadden en bij zelf heeft zich dan ook meermalen kunnen overtuigen, dat dit verschijnsel een karakteristiek kenmerk der Emder gans is, ofschoon men er af en toe ook wel aantreft, die reeds in het eerste jaar geheel wit zijn.

Voor landstreken, die voor de ganzenfokkerij bijzonder geschikt zijn, kan de heer Pf. deze gans, ook om hare groote vederproductie niet genoeg aanbevelen. Wie echter een hoog vleeschgewicht verlangt, mag de jongen

ocr page 389

381

ocr page 390

382

De Toulouser gans lioeft eon dikkoji snavel, die ocliter korter is dan die van de Pommersche en de Einder gans; die snavel is aan de basis zeer hoog, diep oranjegeel van kleur niet een witachtige punt.

De hals is middellang, wordt rechtop of een weinig naar achteren gebogen gedragen; de keelhuid vormt eene afhangende wam.

De pooten zjjn zeer kort doch stevig en evenals het zwemvlies oranjerood.

Het gevederte is vol en zeer zacht.

in kleur komt de Toulouser gans met de Wilde-gans overeen. De grondkleur is asch- of grijsblauw, welke kleur aan don benedenhals, de borst en de schenkelstreek werkelijk fraai grijs is te noemen en naar het achterlijf toe langzamerhand in wit overgaat. De kop, de hals en de rug zjjn donker grauw, ook de vleugelveeren, doch deze zijn van witachtige zoomen voorzien.

De gans is kleiner dan de gent doch heeft een zwaarderen hangbuik. De eigenschappen der Toulouser gans zijn al ongeveer dezelfde als die der Einder; hare veeren worden echter niet zoo hoog geschat, wjjl die niet wit zijn.

In 't Zuiden van Frankrijk is deze gans geheel in haar element, doch in een kouder klimaat verliest zjj van hare voortreffelijke eigenschappen. Voor kruising met gewone huisganzen is ze echter zeer aan te bevelen, daar zij zeer vruchtbaar is.

Espanct beschrijft deze gans — de eenige soort, die hij aanbeveelt te fokken — als „wit of aschkleurig met bruin gevlekt. De gent is echter meestal wit, soms gestreept. De gent en de gans zijn beide even groot en weinig kleiner dan een zwaan. Zij worden snel en volkomen vet en de jongen krijgen reeds na 8 maanden aan den buik een vetklomp, die bun in het loopen hindert. Voor de fokkerij zoekt men zeer levendige, waakzame en strijdlustige exemplaren uit.quot;

De Toulouser gans van Espanet is, zooals wel blijkt, dus niet op de veer gefokt. Zij is een nut-dier zonder meer.

4. Do Pommersche Gans.

Deze is meestal geheel wit, of wit met een grauwen bovenkop, of wit en grauw gevlekt; zeer zelden is zij geheel grauw. Men heeft haar dan ook nog niet op de veer gefokt. Overigens onderscheidt zij zich van andere tamme slagen alleen door meerdere grootte en gewicht. Die van Nieuw-Voor-Pommeren worden voor de beste gehouden. Deze ganzen worden meestal door middel van haver zoogenoemd korenvet gemaakt en hebben dan in het begin van October een gewicbt aan vleescli on vet van 7,^ a 9 kilogr., terwijl ze bij langeren mest nog zwaarder worden. Dat deze dieren

ocr page 391

383

zich zoo bijzonder goed ontwikkelen heeft meer dan in andere omstandigheden hierin zjjn grond, dat men de ganzen in Pommeren niet plukt, wat men ook hij de hiervoor genoemde slagen dient te vermijden, als men zijn eigen belang begrijpt.

Volgens Pallas wordt ook in geheel Rusland veel aan de ganzenteelt gedaan. De beroemdste en zwaarste ganzen worden gefokt in do omstreken der stad Arsamas en wel als kruisingsproducten van de tamme Chineesche gans en de gewone. Deze bastaarden komen in gang, vechtlust, stem en grootte veel met de tamme Chineesche ganzen overeen; in articuleering van haar geluid, in vorm van den snavel, die zonder knobbel en aan de basis dik is, en in de meestal witte kleur hebben zij echter meer overeenkomst met de gewone tamme ganzen. Zjj worden voor liooge prijzen aan de liefhebbers van ganzengevechten te Tula, Moskou en Petersburg verkocht. Voor deze gevechten worden de moedigste en sterkste genten uitgezocht, welke men door twee van hunne lievelingsganzen laat vergezellen. Deze worden te gelijk met de genten op de kampplaats gebracht, prikkelen door haar geschreeuw en gekwispel met den staart den strijdlust van deze en plaatsen zich, wanneer het gevecht aan den gang is, naast hen, leggen haren hals op hun rug en moedigen hen zoo onder luid geschreeuw tot den strijd aan.

Welk slag van ganzen men ook wil fokken, de hoofdzaak blijft, dat men een krachtigen, moedigen gent en groote, vleezige, doch niet vette ganzen van een erkend goeden stam tot fokdieren neemt. Engelsche fokkers geven de voorkeur aan die ganzen, welke lang van romp zijn, omdat de ervaring hun heeft geleerd, dat deze de grootste en zwaarste nakomelingen geven.

De heer Hewitt is na langjarige proefnemingen tot het resultaat gekomen, dat kruising tusschen een zuiveren Toulouser gent en een zuivere Einder gans de fijnste, smakelijkste en zwaarste tafelvogels geeft. Hjj heeft geregeld van einde September tot Kerstmis jonge ganzen van deze kruising geslacht, welke 7,7 a 9 kilogr. en genten, welke 10 a 11,8 kilogram wogen, en wel ongemest, zoodat deze meer wegens hunne groote hoeveelheid malsch en fijn vleesch als wegens hun vet opmerkelijk waren. Voor zich zelf en zijne vrienden had hij met Kerstmis ganzen, die door geene andere in gewicht werden overtroffen en voor zulke buitengewoon zware dieren werden dikwijls „fabelachtigequot; prijzen betaald. Zoo was de heer Hewitt er eens bij tegenwoordig, dat de vrouw van een werkman zulk eene gans betaalde met 30 Shillings /' 18.—.

Van dergelijke kruisingsproducten kan echter niet verder gefokt worden.

ocr page 392

384

daar hunne nakomelingen veel kleiner zijn en terugslaan. Zij zijn meestal wit met een grauwen kop en bovenhals en een grauwe vlek aan de schenkels. 't Is wel merkwaardig, dat de meeste dezer jonge genten on een vrij groot aantal ganzen eone kleine kuif hebben, ofschoon de ouders er geene hebben.

Men bewaart dus de stamouders voor de teelt en kan ze daarvoor ook langen tijd gebruiken.

Op één gent rekent men niet meer clan vier, op zijn hoogst vijf ganzen; voegt men zes of acht of nog meer bij één gent, zooals dikwijls aangeraden wordt, dan loopt men gevaar vele onbevruchte eieren te krijgen, alsmede minder sterke jongen.

Twee- tot driejarige genten zijn het best voor de voortteling geschikt. De ganzen kunnen ook ouder zijn, doch boven den leeftijd van 10 jaren dient men bij deze ook niet te gaan.

De ganzen paren menigmaal reeds in December, meestal echter in Januari en in strenge winters nog later. De paring verrichten zij het liefst op het water en men beweert, dat zjj dan ook vruchtbaarder is dan wanneer zij op hot droge geschiedt.

Do tijd van eierleggen hangt van dien der paring af. De ganzen beginnen dikwijls in Januari te leggen, doch meestal in Februari of Maart. De gewone tamme gans legt in het tweede jaar lü a i8 a. '20 en soms nog meer eieren; de jongere exemplaren echter veel minder. Onder de verschillende slagen gaat de ïoulouser gans voor de vruchtbaarste door. Zoo deelden de Dresdener „Bliitter für Greflügelzuchtquot; eens medo, dat zulk eene gans van 22 Februari tot 1(gt; Juni met enkele tusschenpoozen van 4 en 5 dagen 55 eieren had gelegd, van welke 3lt;S jongen uitkwamen ; do overige waren onbevrucht. Volgens Fowler zouden do Einder ganzen bij uitzondering twee legsels in een seizoen geven. Dit gebeurt echter ook wel, al is het ook zelden, bij gewone ganzen, als men ze door alle eieren weg te nemen verhindert te broeden. W. Düstenberg houdt 2 legsels in één seizoen niet voor zoo zeldzaam en raadt aan, van zulke exemplaren fokdieren te trekken, omdat deze eigenschap dikwijls vererft.

Espanet verzekert, dat de ganzen in Frankrijk slechts éénmaal broeden en dat men ze daar nog nooit tot een tweede broedsel heeft kunnen brengen.

lijj de groote Italiaansche landslagen, do zoogenoemde Italiaanschc reuzen-ganzen, is meermalen waargenomen, dat zij in het voorjaar een legsel uitbroedden en nog een tweede in Augustus en bij wegneming van de in het voorjaar gelegde eieren, legden verscheidene dezer dieren 50 a (iö eieren achtereen.

De Italiaansche gans is dus om hare vruchtbaarheid en aanzienlijke grootte

ocr page 393

.185

wol aan to bevelen; het vleesch wordt echter door sommigen voor minder malscii en sappig gehouden dan dat der Tonlouser en Einder gans.

Eenjarige ganzen leggen dikwijls in het geheel niet en bjj de Einder gans schijnt zulks volgens Fowler zelfs regel te zijn. De ganzen blijven echter des te langer vruchtbaar. Willughby maakt melding van een 80-jarige, welke om hare boosheid tegenover jonge gansjes geslacht moest worden. Es. herinnert zich, ergens gelezen to hebben, dat eene gans op den leeftijd van 70 jaren nog gelegd had en Dr. Lenz maakt melding van eene 34-jarige, welke tot dien tijd elk jaar lt;S a 10 eieren had gelegd en uitgebroed.

De ganzen leggen gewoonlijk om den anderen dag. De eieren zijn, zooals reeds is opgemerkt, moeilijk van die der wilde stamsoort te onderscheiden, doch naarmate de dieren zelf grooter zjjn, verschillen do eieren ook in grootte. De uitersten dor maten van normale eieren gaan zeker niet beneden 80 en boven 100 millimeter in de lengte en 52 en 70 millim. in de breedte; de gemiddelde maten bewegen zich tusschen 85 X 60 en 00 X 68. De buitenste kalklaag en de structuur der schaal en al het overige is evenals bij de eieren van do Grauwe gans, alleen is do schaal wat dikker en barder en tengevolge daarvan naar verhouding zwaarder, tusschen 2'2 en 28 gram ; pas gelegde eieren hebben een gewicht van 100 d '190 gram of soms ook nog daarboven.

Zoodra er 2 eieren gelegd zijn, neemt men het eerstgelegde ei weg, zet op het tweede den datum enz, en gaat op deze wijze zoo voort, tot het legsel vol is, d, w. z. tot de gans niet meer legt. De eieren worden op eene droge, koele, doch vorstvrije plaats bewaard, en wel in hunne natuurlijke ligging. Wil de gans broeden, wat bijna zonder uitzondering hare bedoeling is, en wil men baar laten broeden, dan legt men haar de eieren weer onder,

In Frankrijk geeft men eene gans op zijn hoogst 15 eieren ter bebroeding, terwijl men de andere aan een kalkoen geeft; in Duitschland meestal 10 a 12, ofschoon daar in menige landstreek ook zijn, die haar 18 a 20 onder leggen, tot groote schade en verwondering van den onwetende, omdat er slechts zoo weinig jongen uitkomen. In Engeland laten de gan-zenfokkers do eieren dor beide voornaamste slagen, vooral die der Toulouser, omdat deze slecht broeden, bijna uitsluitend door groote Cochin-of Dorking-liennen uitbroeden, welke op slechts 3 of 4 eieren worden gezet. Men besprenkelt de eieren regelmatig en Hink niet lauwwarm water, opdat de schaal niet te hard wordt.

De broedende ganzen moet men goed van spijs en drank voorzien en, zoo ze niet van zelf van het nest gaan om te eten enz,, moet men ze eraf nemen en bij het voer brengen. Zjj broeden zeer rustig en geduldig en HaldamüS, I'luiinvoeteolt II, 25

ocr page 394

386

verdedigen haar nest in de laatste dagen dikwijls door te sissen, met de vleugels te slaan en te bijten.

Do broedtijd duurt tJS a HO dagen, zelden 31.

Men laat de jonge gansjes 24 uren onder de moeder, tot ze volkomen droog zijn; daarna brengt men ze op een droge, warme plaats, meestal in de woonkamer dicht bij den haard ot' de kachel, daar het fokken van ganzen tegenwoordig bijna uitsluitend in handen is van den kleinen man, die slechts over zeer weinig ruimte heeft te beschikken, en do meeste landbouwers zelfs niet meer genoeg fokken voor eigen gebruik. Na 5 a ü dagen kan men de jonge dieren op eeno droge, beschutte plaats in de zon brengen en ze langzamerhand aan do vrije buitenlucht gewennen. Na ongeveer 14 dagen behoeft men niet meer zoo bezorgd voor hen te zijn, doch dient ze toch nog voor het geheel nat worden van hun donzen kleed te beschermen, en wel tot na den rui, cl. w. z. tot op den leeftijd van ongeveer 'J maanden. Ook dauw en nevel zijn nadeelig en veroorzaken dikwijls diarrhee; sterke zonnehitte kan ze in weinige oogenblikken dooden. Als de rui afgeloopen is, trotseeren zij alle wisselingen van het weder.

Als eerste voeder geeft men do jonge ganzen meestal gekruimeld wittebrood, vermengd met fijngehakte jonge brandnetels en jong gras; na 2 dagen een mengsel van wittebrood, gestremde melk, zemelen of gebroken koren met groen, als brandnetels, ganzedistel enz. Later kan men ook gekookte aardappelen fijn maken en met het vermelde voeder vermengen. Eerst na 4 weken geeft men hun geweekte haver.

In Engeland geeft men de jonge gansjes hetzelfde voer, dat ook de jonge eenden krijgen en voegt daaraan nog jonge, groene uien en kleefkruid toe. Na den rui laat men ze, zonder hen verder te voeren, op de koren- en weilanden loopen tot aan November. Dan eerst worden zij gedurende eenige weken opgesloten gehouden en met meel en wat haver vet gemaakt. (Fowler).

In Frankrijk behandelt en voert men ze geheel als de kalkoenkuikens, doch geeft hun geen brandnetels, welke hun alleen op meer rijpen leeftijd goed bekomen. Fijn gehakte salade is in don beginne beter; hard gekookte eieren, broodkruimels, aardappels en koren zijn evenwel hoofdvoer. Men geeft hun oin de twee uur eten. /ij gebruiken ook insecten, alle soorten van wormen, weekdieren en kleine waterdieren. (Espanet).

Het eenige juiste in hetgeen deze Fransche econoom hier mededeelt is, dat men de jonge gansjes dikwijls en rijkelijk moet voeren en nooit al te hongerig naar de weide moet zenden, daar zij zich anders door met te veel geweld aan de taaie plantendeelen te trekken, „den nek breken of den hals open scheuren en sterven kunnen.quot;

Zoodra bet graan, namelijk de gerst en haver, van het veld is, drijft

ocr page 395

387

men do ganzen op liot stoppelveld; du vroogbroodsols licbben dan den rui reeds lang achter den rug. Uit is tevens de tijd, waarop de handel in,Hanzen het drukst is. In Engeland zijn voornamelijk de graafschappen Norfolk en Suffolk wegens hunnen ganzenhandel beroemd. De danr wonende kooplieden koopen evenwel ook in Maart en April de ongeveer 5 weken oude gansjes op en maken deze door een gemengd voer van gerstemeel, maïs, boekweit en moutkiemen in ü a 7 weken voor de „Groenganzen-marktquot; rijp; de ,,jMiehaelisquot;-ganzen (Miehaelis '2!» Sept.) worden eerst later in het mesthok gezet en de ,,Kerstmisquot;-gan/.en nog veel later. Tot 1 October worden ze meestal uit Ierland, Holland en Duitschland geïmporteerd. Die uit Holland komen hoofdzakelijk uit Rotterdam met de stoomboot te Huil aan. Een der grootste handelaars in Norwich voerde in het jaar-187:J ruim .'iSOOO Engelsche pond levende ganzen in. Zjj worden in groote, platte korven verzonden.

In Duitschland en Eranknjk werd de ganzenteelt vóór de verdceling der gemeenteweiden op veel grooter schaal gedreven dan tegenwoordig. Door die verdeeling zijn de groote gemeenschappelijke volden, waarop anders de ganzen naar hartelust konden scharrelen, bijna geheel verdwenen. Alleen aan do kusten der Noord- en Oostzee en in Moravië is ze nog van bcteekenis. Zeer aanzienlijk echter is de aanvoer van Pommersche, Mecklenburger en andere Oostzee-ganzen te Berlijn, op welks markten vele landbouwers uit de provincie Saksen, nit Thiiringen enz. hunne inkoopen doen. Onder de Pommersche ganzenmarkten is die van Kammin (10 Nov.) eeue der grootste.

Vóór de ganzen ter mesting opgesloten worden, krijgen zij bij de Engelsche fokkers alleen suikerbieten en worden ook op de suikerbietvelden gedreven om te grazen. Zij eten eerst hot loof en daarna den geheelen knol; bovendien krijgen zij veel water, dat hun in bakken wordt voorgezet. 15ij deze levenswijze zetten zij meer vleesch aan, en daarna worden zij voor ongeveer l weken opgesloten om gemest te worden, in welken tijd zij moutkiemen en meel krijgen.

In Duitschland worden zij meestal met haver en gele wortelen vet gemaakt, zoogenoemd korenvet; daarna, of soms ook van den beginne af, stopt men ze met pillen van gebroken gerst of haver, met warm water of melk vermengd en dan geroosterd. De eerste methode is echter de beste, omdat de ganzen dan meer vleesch aanzetten; en dit geldt voor het mesten van alle pluimvee; eerst dient men door de dieren Hink te voeren te zorgen, dat zij goed vleezig worden, daarna nieste men ze om ze vet te krijgen.

Pas geplukte ganzen moet men niet iu het mesthok plaatsen, omdat zij eerst 5 a (i weken tijds noodig voor de vorming van de nieuwe veeren.

ocr page 396

388

alvorens or van hot aanzetten van vloesch of vet sprake kan zijn. Het koren bolialvo haver ook gerst, maïs en erwten heeft het meeste effect, wanneer hot 24 uur te weeken heeft gestaan en mot gehakte wortelen, suikerbieten en gekookte aardappelen vermengd wordt.

Ook in Frankrijk gaat men van den stelregel uit, dat men eerst voor do vloesuhvorming dient to zorgen; boekweit, haver en erwten heeten daar do beste vleeschvormers; aardappelen, mooi en andere meelhoudende stoffen, alsmede oliehoudende zooals okkernoten, beukenoten, lijnzaad of, in plaats Viin dit laatste, maïs en olie of een weinig vet na eiken maaltijd, worden als de eigenlijke mestmiddelen gebezigd. In hot Zuiden van Frankrijk, bijv. in de omstreken van Toulouse, sluit men een aantal ganzen samen in een gewonen, ruimen stal op, vult haar dagelijks tweemaal door middel van oen trechter den krop met geweekte maïs en geeft haar ruimschoots frisch on zuiver water te drinken. Nadat zij ongeveer 30 liter maïs gebruikt hebben, wat in i h 5 weken liet geval is, zijn zij volkomen vet. Om groote en vette levers te vorkrijgen, sluit men do ganzen in nauwe mesthokken, waarin zij zich niet kunnen omkeeren; aan den voorkant dezer hokken is een spleet van ongeveer oene hand breed, waardoor de dieren den kop kunnen stoken en in het achterste gedeelte van don bodem is oene opening gelaten, waardoor de uitwerpselen kunnen vallen. In do waterbakken doet men fijn houtskool om do dieren dorstig to maken. Men laat ze nu eerst eten en drinken, zooveel zjj willen, stopt ze dan mot oene hoeveelheid koren of pillen twee keer per dag en geeft hun daarna wat olie of vot in. In plaats van pillen gebruiken ook vele ganzenmesters hot bij hot mesten der hoenders beschreven vloeibaar mestmiddel en den trechter. Nog anderen geven alleen des morgens pillen of mestbrjj en des avonds alleen olie of vet.

Een correct voorschrift is het volgende:

Men geeft aan de, in de hierboven genoemde mestkooien opgesloten, ganzen gedurende do eerste twee dagen fèves de marais gewone tuinboonen — welke men kookt of alleen maar tweemaal laat weeken; de volgende dagen krijgen zij op dezelfde wjjze gekookte maïs; zij worden dagelijks tweemaal op een bepaald uur met maïs gestopt, tot de krop gevuld is. Water kunnen zjj steeds krijgen, zooveel ze willen. De prijs der levers is 40 francs per kilogr., die der schoongemaakte en geplukte ganzen '1.80 fr. per kilogr., zoodat eene good uitgevallene gans bonevens do voeren en het darmvet 15 francs of ongeveer /'7.20 oplevert.

Zoo behandelde ganzen bereiken in vier tot vijf weken gemiddeld een gewicht van li kilogram, waarvan .1, tot 1 kilogr. voor de lover en 2 a 3 kilogr. voor liet vet gerekend moeten worden. Do lever wordt gewoonlijk met 7 francs betaald en liet grootste aantal derzeive wordt gebezigd voor

ocr page 397

3S0

de bereiding van de zoo beroemde Fransclie giinzeloverpasteien, l'erigord — door zijne truffels beroemd en Straatsburg- zijn de niiddeipimten van deze industrie. Straatsburg brengt jaarlijks voor twee miliiocn francs van deze pasteien in den handel.

Men kan ganzen houden en fokken zonder water, en er zijn streken in Engeland, Frankrijk en Duitschland, waar geheel geen stroomend of stilstaand water is en toeb met succes ganzen gefokt worden, wat Espanet tot de ornithologische ketterij verleid heeft, dat ganzen geen werkelijke zwemvogels zouden zjjn.

In zulke streken moet men dan met te meer nauwgezetheid voor helder en frisch drinkwater zorgen, dat dikwijls vernieuwd moet worden, aangezien de ganzen dikwijls en veel drinken. Het beste is in dat geval een vat, groot genoeg om de dieren in do gelegenheid te stellen kop en hals onder water te steken. Zjj besproeien zich dan zelf en wrijven met den natten hals en kop over het gevederte, zoover zjj daarmee kunnen reiken. Inden drinkbak doe men oen laag zuiver kiezelzand van Ü a centim. iioogte, vooral wanneer de dieren met koren gevoerd worden; dat mechanisch hulpmiddel ter bevordering der spijsvertering is ook voor ganzen goed.

De ganzen zjjn over liet algemeen wel vreedzaam van aard en verdraagzaam onder ander pluimvee, doch de gent wordt in den paartjjd, als beschermer van zijne familie, en wanneer hij oud wordt, dikwijls zeer boosaardig en valt dan niet tot zijne familie behoorende ganzen, ander pluimvee en zelfs menschen woedend aan; kleine kinderen vooral dient men dan buiten zjjn bereik te houden.

Ook do moedergans valt dikwijls woedend op ander pluimvee aan, dat hare kinderen al te nabij komt. Mede daarom is het aan te bevelen de ganzen van liet andere pluimvee af te zonderen. De ganzen met boenders en kalkoenen in een hok te houden, zoo dat eerstgenoemde de benedenste afdeeling bewonen, hoe goed dit overigens ook zou kunnen, heeft toch dit groote nadeel, dat de scherpe, doordringende uitwasemingen van den ganzen-mest naar boven trekken en in hot lioenderverblijf dringen. Deze dampen zjjn ook nadeelig voor de ganzen zeiven, waarom de ganzenstal zoo ruim en luchtig mogelijk, dus niet te laag moet zjjn en goed zindelijk worden gehouden. Voor de noodige ventilatie kan men zorgen door het aanbrengen van eenige luchtgaten in de wanden, welke men des winters en bjj strenge koude geheel sluit en in den zomer van traliewerk voorziet, opdat er geene roofdieren als ratten enz. iu het hok kunnen komen, welke voor de Jonge gansjes zeer gevaarljjk zjjn. Bovendien dient de bodem ook zoo vast te zjjn, dat de ratten dien niet doorgraven kunnen; liet beste is daarom, een vloer van baksteen in kalk te leggen.

ocr page 398

:{00

Aangezien ook de ganzen gaarne hare eieren wegleggen, is liet van belang voor gemakkelijke nesten te zorgen en die iu den stal eenigszins bedekt te plaatsen. Men bedekke den vloer van liet hok niet een flinke laag zand ot' zandige aarde, plaatse in de hoeken niet de kluit uitgegraven struikgewas, graszoden, bossen riet of stroo e. d. make hiertusschen een kuil in het zand, bestrooie dien niet lioutasch en stoffeere hem daarna niet stroo of liooi. Zoodra de legtijd nadert, komen de ganzen zelve ook met stroo enz. aandragen, maken liet nest geheel in orde en leggen dan altijd in hetzelfde nest. Men doet het best, zo daar ook te laten broeden. Zij plukken zich, wanneer zij het laatste ei gelegd hebben, de buikveeren uit en bereiden hare jongen daarmee een zacht en warm bed, waarop men ze ongestoord moet laten zitten. In fokkerijen op groote schaal is liet noodig afzonderlijke slaapruhnten te maken, welke met de leg-en broedafdeelingen in verbinding staan; ook dient men dan ééne of meer afzonderlijke afdeelingen voor de jonge ganzen te maken. Het perk of de ren voor de jonge ganzen bezaaie men met de hiervoor genoemde grassoorten en andere fijne soorten, welke spoedig eene zode maken, daar het grazen op kort gras gemakkeljjker en voordeeliger voor haar is. Bovendien kan men ook afzonderlijke bedden niet haver, gerst, raapzaad, salade en ganzedistel bezaaien cn haar die beurtelings ter beweiding geven.

In tuinen en op weilanden en in het jonge koren richten de ganzen vrijwat schade aan, doordat zij dc planten met wortel en al uit den grond trekken alsmede door hare scherpe uitwerpselen. En wat zij niet uit den grond kunnen scheuren als struikgewas, jonge boomen enz. beknagen zij met haren scherpen snavel, waarom men dergelijke gewassen wel moet beschutten door ze met dorenstruiken te omringen of met ijzergaas te omrasteren.

Ganzen houdt men voornameljjk om haar vleesch en vet en meestal worden zij gebraden genuttigd. Daarvoor zijn zij echter alleen geschikt, als ze jong zijn, op zijn laatst tot aan Nieuwjaar; oudere smaken niet meer en evenmin ook al te jonge. Het vleescli van de oude exemplaren is hard en taai en kan op zjjn hoogst nog voor soep gebruikt worden.

In de Oostzeestreken en ook wel elders worden de borststukken met liet borstbeen gerookt en gaan dan voor eene groote lekkernij door. He; l'om-mersche ganzeborsten hebben eene groote vermaardheid en vormen een niet onaanzienlijk handelsartikel.

Ook de handel in veeren en dons is overal van beteekenis. Om zeer vele veeren te bekomen, plukt men het dons en de veeren aan borst en buik en onder do vleugels uit, wijl zich daar de zachtste en de beste veeren bevinden; de draagveeren aan de schenkels moet men echter laten zitten, omdat deze bestemd zijn om de vleugels te dragen. Men begint met deze

ocr page 399

:)9l

operatie, als de dieren volwiissen en volkomen bevederd zijn, wat het geval is, wanneer de vleugels elkander op den staart kruisen, üe veeren zjjn dan rijp en do rui zal weldra beginnen, en deze dient men te voorkomen, daar er anders menige kostbare veer verloren zou gaan. In vele streken worden de ganzen om de twee maanden geplukt. De fokdieren, genten zoowel als ganzen, moeten eigenlijk van November tot den zomerruitijd niet geplukt worden en beter is liet nog, deze geheel en al van die operatie te ver-sehoonen. De vedervorming toch eischt altijd een groot gedeelte van do productieve kracht en de voortteling lijdt daaronder. Daarom worden in Engeland de goede foktoomen ook nooit geplukt. Na hot plukken moeten de ganzen goed gevoerd worden, opdat het lichaam zoo spoedig mogelijk weder in staat is, het noodige voor de vedervorming te missen. Ook gaan de veeren van Hink gevoerde ganzen voor beter door dan die van zulke, welke slechts schraal worden gevoerd, terwijl ook de veeren van levende ganzen elastischer blijven dan die van reeds geslachte, welke men zoo warm mogelijk plukken moet. Men beweert eindelijk ook, dat de veereu van ganzen, die op het water gehouden worden, beter zijn dan van zulke, die niet in het water komen. De oorzaak daarvan ligt naar men moet aannemen in de meerdere vetheid van de veeren.

De reeds door ons beschreven Europeesche slagen geven hun, die om het voordcel ganzen fokken — d. w. z. als ze voldoende weiland en water te hunner beschikking hebben —■ zeker keus genoeg; toch willen we voor hen, die ook gaarne iets bijzonders hebben, nog melding maken van een paar vreemde en enkele wilde soorten.

5. üe Krulveenjans, Scbuslopol of' Daniibiun Goose. Oic j'visée dn Danube of de Sébaslopol. —• Lockencjans.

Bij deze gans zien wjj, wat wij ook reeds bij do Hoenders en de Duiven hebben opgemerkt, eeno eigenaardige vedervorming, eigenlijk hot eenige, waardoor zij zich van andere tamme ganzen onderscheidt.

Het gevederte der Krulveergans is gekruld, vooral op de schouder-, vleugel-, rug- en staartdekveeren, die dikwijls in lokken van 40 centim. (.') lengte naar beneden hangen. Hij vele exemplaren zjjn ook nog do veeren van den kop en den bovenhals gekroesd.

De Krulveergans onderscheidt zich door fraai gevederte en malsch vleesch; overigens verschilt zij echter niet van de gewone gans. Men heeft zuiver witte, doch ook grauwe; do eerste zijn echter veel meer gezocht dan de laatste.

Zullen ze werkelijk siervogels zijn, dan moeten zij steeds van ruim en

ocr page 400

392

helder water met een zandigen bodem en oevers gebruik kunnen maken. In slijkerige, ondiepe wateren verliest liet gevederte te veel van zijne sierlijkheid.

De Krulveergans wordt liier te lande ook Donau-gans genoemd; zjj werd tijdens den Krim-oorlog 1854—56 in Engeland en Frankrijk ingevoerd en vandaar verder verspreid.

Tot de nutganzen kunnen ook nog eenige niet-Europeesolie soorten gerekend worden, onder anderen

(i. De Knobbelguns. — Anser sinensis, Steph. Cygnopsis cygnoides, L. Chinese of Stvan tjoose. Oie caronculée ot' de Guinee,

Hoeker- of Scltivangans,

Ue Knobbelgans -— fig. 127 en 128 — behoort in hot noordelijk gedeelte van Azië als wilde gans tehuis en is reeds sedert eeuwen huisdier in China, Japan, Indië enz. In de vorige eeuw deed zjj ook reeds haar intocht in Europa en tegenwoordig wordt zjj in Midden- en Zuid-Rusland en ook elders vrij algemeen onder het hofgevogelte aangetroffen.

Zij onderscheidt zich van de andere ganzen door een langen en gebogen

hals, die veel van een zwanenhals heeft, alsmede door een kogel- of eivormigen knobbel aan den wortel van den bovensnavel. Deze knobbel is bij den gent grooter dan bij de gans. De grauwe stamsoort beeft bovendien nog een keelzak of wam.

Zij komt in bouw en grootte met onze gewone huisgans overeen en bereikt, als ze goed gevoederd wordt, een gewicht van (i kilogr.

De wilde stamsoort—ook wel Hongkong of Ilonolulu-gans genoemd, komt in kleur zeer met onze Wildc-gans overeen.

De rug en de vleugels zijn grijsbruin met lichtere randen;

van den knobbel loopt een zuiver Pip. 127. Witto Knobbolpans. .

bruine streep over kop en nek

tot aan den rug; de voorhals en het onderste gedeelte van het lichaam

Ill

■III i i

ocr page 401

393

zijn wit, kop en borst bruinachtig wit. Snavel en knobbel /.jjn zwart, aan de basis wit gezoomd; de pooten zjjn geelrood.

De witte Knobbelganzen, zoogenoemde Japanneezen, hebben zuiver wit gevederte, terwijl snavel, knobbel en pooten roodgeel zijn; zij zijn in den regel meer opgericht van houding dan do grauwe. Bij de jongen ontwikkelt zich de knobbel in den eersten herfst.

De tamme Knobbelgans is op het water eene sierlijke verschijning en zeer vlug en elegant in hare bewegingen. Zjj is wat meer muzikaal dan de gewone gans en laat hare luide, trompettende stem gaarne en veel hoo-ren; de gans heeft eene diepere stem dan de gent.

Zij verdraagt ons klimaat zeer goed en is veel vruchtbaarder dan de gewone huisgans. Éénjarige leggen dikwijls 50 a (iO, twee- en driejarige nog meer eieren.

Bjj deze vruchtbaarheid komt nog, dat zij zeer zachte veeren geeft en zeer malsch en smakelijk vleesch, zoodat kniisingen om onze huisganzen te verbeteren zeker aan te bevelon zijn.

Aangezien ze gewoonlijk reeds in Januari begint te leggen en in Juni eerst broedsch wordt, moet men, om vroegbroed te krijgen, de eieren door gewone ganzen, kalkoenen of Cochin-hoenders laten uitbroeden.

7. De Canada- of Trompellergans. Dernicla (Anser) canadensis.

Canada goose. Oie du Canada. Kanadische Bernakelgans,

Deze gans, the „Common Grey Goosequot; der reizigers en pelterij handelaren in de Hudsons-baailanden, fig. 129, wordt bij ons ook Trompettergans genoemd.

Vergelijkende maten van de Canada-gans en enkele andere soorten van het fraaie geslacht Bevniclu of Branla (over welke later meer):

ocr page 402

394

Totaal. Staart. Vleugels. Vlucht.

millim.

Snavel, lang, breed

Tarsus. Gewicht.

Eng.pd. once. 91, 7 Audi). — -ij I Wils, 1 131a-

(53, 4^ ' kist.

25,

üO'2,

120,

— 4 Pallas.

72, 4 en 1 Audb. 4 Naum. 2.9 Audb.

— Pali.

684, 152, 566—613, 130, 595 (gans) —

606,

106, —

— Pall. 55, — Naum.

Bern. Hutchinsi.

033-697, 146, 414—418, 1267, 37—38,

Bern. leucopareia.

393, — 38,

Bern. leucopsis.

481, 1419, 38,

400, 1180—1276, 29—31, 17—18, 71—77, 4 Naum — 1317, —

Branta bernicla.

1013, —

542—566,94—100,330—342,1090—1170, 34—38, 14—16, 59—63, 2.3 Naum

Branta rufioollis.

■482, 99, — — 23,

496—525, 104, 360, 1203—1240, 29,

Bern. Canadensis. Dl'2—1089, 198, 488—5igt;0, 1()47, 54—C3, 9'23 (gans) — — — —

14,

Men ziet hieruit, dat de Canada-gans verreweg de grootste van de groep Bernicla Steph. is en dat zelfs de kleinste maat van deze soort die der beide andere na verwante Noord-Amerikaansche soorten Hutchinsi en leucopereia in de lengte op zijn minst .j overtreft. Dit is voor de juiste bepaling van deze, zelfs door do Amerikaansche ornithologen dikwijls verwarde soorten van groot belang, omdat in den laatsten tijd al deze drie soorten onder den naam Canada-gans naar Europa overgebracht schijnen tc zijn. Alle drie soorten zijn bewoners van Noord-Amerika tot noordelijk van den Poolcirkel. De eigenlijke Canada-gans, I'. canadensis, is echter ook dikwijls in Europa aangetroffen en in Engeland meermalen geschoten en hoeft, naar men zegt, zelfs in Engeland in kleine koloniën gebroeid; als hier n.1. geene verwarring met eene der daarop gelijkende soorten heeft plaats gehad.

Merkwaardig is het door Kapt. Blakiston waargenomen feit, dat de Canada-gans in Egypte, waar de wolven zeer talrijk zijn, in oude, verlaten arends-en ravennesten broedt, terwijl zij anders in groote of kleine koloniën op den bodem broedt. Latere onderzoekingen van Kapt. Elliot Coucs, J. Stevensons e. a. hebben aan het licht gebracht, dat het door Blakiston medegedeelde, hoewel de waarheid daarvan eerst sterk in twijfel werd getrokken, wel degelijk waarheid is. Volgens eerstgenoemden beroemden ornitholoog bouwen deze ganzen ook zolven hun nest in de hoogste boomon langs de

ocr page 403

nor,

gi'ootc strooraen en dragen zij liiinno jongen, evenals de eenden, in den snavel naar beneden.

])e Canada-gans leeft op de talrijke nieren van arctisch Amerika in buitengewoon talrijke scliaren en levert gedurende liet zomerseizoen liet welsmakende voedsel voor de bewoners der lliulsens- en Haffinsbaai-landen. Zij legt (i a 0, in gevangenschap tot 11, eieren van eene witte kleur en

gemiddeld 8!) millim. lang en (i3 millim. breed, welke een weinig gladder van schaal zijn dan die van de gewone tamme gans en in 28 dagen uitgebroed worden.

Eene nadere beschrijving der Canada-gans kan hier zeker achterwege blijven, aangezien do afbeelding fig. i'if) die werkelijk overtollig maakt.

De Canada-gans is in 't algemeen zeer schuw, waakzaam en voorzichtig, doch laat zich volgens Audubon, die er zelf meermalen getemde bezat, gemakkelijk domestiseeren. liet grootbrengen der jongen is eveneens gemakkelijk en hot vleesch is uitstekend. Aangezien zij minder grazen dan de

ocr page 404

396

gewone tamme ganzen en meer van moeras- en waterplanten leven, zijn zij vooral in de lage, vochtige landstreken zeer aan te bevelen. In Noord-Amerika verkiest men ze boven de Engelsche huisganzen, daar hare kruising met deze een grooter en sterker slag geeft dan beide soorten ieder op zich zelf.

De hier nog volgende soorten zijn sedert langen tijd meer in zoologische tuinen dan in handen van liefhebbers te vinden, ofschoon ze toch hier en elders worden aangetroffen.

8. Do Kleine Trompetter-gans, — Bern. Ihitchinsi, Sw. en Rich. lliitcJdns Goose. Oie de 1 In! chin, lint chins Bernakehjans.

Ook deze gans behoort in Noord-Amerika te huis, wordt aldaar nog noordelijker aangetroffen dan de vorige en komt gedurende don regentijd in de Californische vlakte in zoo buitengewoon groote scharen voor, dat, volgens het bericht van Dr. Heermann, de zon er door verduisterd wordt en er door de beide schoten uit een dubbelloops-geweer op eene zwemmende schaar niet minder dan 23 exemplaren gedood en verscheidene andere gewond werden. Zjj broedt in het hooge Koorden aan vlakke oevers enz. legt 6 a 8 witte eieren van 8(3 millim. lengte en 57 millim. breedte (ook iets kortere). Overigens geldt alles wat van de vorige gezegd is ook van haar.

De volgende 3 soorten behooren tot de bewoners van het hooge Noorden en zjjn den liefhebbers van watervogels niet genoeg aan Ie bevelen, zoowel wegens hunne eigenaardige schoonheid — het zijn werkelijk „ornamentalequot; vogels —- als wegens hunne geschiktheid om in gevangen staat te leven. Zij worden alle 3 nu en dan aan onze kusten en binnenwateren op den trek aangetroffen.

De fig. 130, 131 en 132 geven de koppen dezer 3 soorten:

0. De Bvandyans. Uranla (1'erniclu) leucopsis. Boie. Anser leucopsis, hernicla (Leach). Hem. erijlhropus, Steph. Bernacle Goose, Clakis of Tree-Goose. (Pennot). Le Barnacle of Oie bernache.

Bernukel-, Baum-, Nonncngans. Weisswamjemjans.

De Brandgans, ook wel Dondergans genoemd, is hier wintergast; zij broedt in de Noordpoolstreken, doch komt op den trek naar het overige gedeelte van Europa en bezoekt bij strenge koude ook onze kusten, hoewel slechts in kleinen getale.

De Brandgans is zeer kenbaar aan hare kleur; het voorhoofd, de keel en de zijden van den kop zijn wit; de hals tot aan de bovenborst, de

ocr page 405

397

bovenvug, dc groote slagponncn on do staart zijn zwart; de zjjveeren zjjii grijs met witte randen, de onderdeelen wit; de grijze mantel- en vleugel-veeren zijn aan het einde met zwart en wit gezoomd.

Dc snavel is korter dan de kop en zwart of bruin van kleur; de pooten zijn zwart.

Het is werkelijk een fraaie vogel, weinig grooter dan een flinke eend, doch slanker van vormen.

In gevangenschap is de Brandgans gemakkelijk tot broeden te brengen.

De gent roept: hak hak, dc gans; gek — gek (Venema).

10. De Rotgans, — Branla bernicla, Pall. Anser torquatus, Frisch.

Anas bernicla, L. etc. lirenl of Brant Goose, Pennat. Oie cravant,

Temm, II rent-, Klost er-, Itoth- en Ringelgars.

Soortkenmerken: Snavel, pooten, kop, hals, staart-en slagpennen zwart; buik en borst grauw met lichtere randen om de vecren; onder den staart en aan de zijden van den buik wit. Oude exemplaren hebben ter weerszijden van den bovenhals een uit wit gestreepte vecren bestaande vlek, die bijna een ring vormt. Zij bewoont de noordelijke poolstreken en vertoeft in October en November en in Ma art en April vrij talrijk aan de kusten van do Noordzee, ook bij ons land. /ij vliugt in groote scharen onder het aanhoudend geroep der genten: ,,rot, rot of roak —- roiikquot;, terwijl de ganzen roepen: kwek, kwek (Vcncma), wordt veel geschoten en gevangen en laat zich ook mesten; zij broedt in gevangenschap echter niet.

Zij heeft de grootte van een groote tamme eend en is inderdaad een sierlijke vogel.

11. De Rood hals- of Ihissischo gans. — Bern. nificollis, Pali. Anser ruficollis. Pall. Anas torquata, Gniel. The red-breasted Goose.

L'Oie a con roux, Temm. Rothals-, Spiegel-, Norit- en Mopsgans.

Soortkenmerken: Snavel kort en evenals de pooten donker grauw; schedel, rug, borst en staart zwart; voorhals en krop fraai roestkleurig, door een witten borstband begrensd; vleugeldekveercn zwart met witte punten; slagpennen zwart. Grootte als de mannelijke tamme eend.

Het vaderland van allo drie deze soorten is de noordelijke poolstreek dei-Oude Wereld, ten Noordon van don 70sUquot; breedtegraad ; alleen de Brandgans komt ook in noordelijk Groenland en aan de kusten van de Baftinsbaai voor; .alle drie waarschijnlijk ook in het hooge Noordwesten van Amerika.

Von Middendorff zag de Rotgans op 75quot; N. B. in groote scharen nog

ocr page 406

;i!»s

vorder naar het Noorden trekken en Prof'. Keinliardt geeft aan, dat hare broedplaatsen in Groenland ver over TSquot; N. Br. aangetroftbu worden. En toch moeten, tc rekenen naar hot aantal en de grootte der trekscharen, hare zoo hoog noordelijk liggende broedplaatsen zeer uitgestrekt zijn. Von Mid-

Fig. 132. Roodlinlsgnns.

dendortt' vond de Rotgans en de Ivoodhalsgans wel broedende in Siberië, doch de Brandgans niet. De Kotgans broedde op \ Juni aan de rivier de Taimyr en had op 15 Juli pas uitgekomen jongen; tusschen i I en 15 Augustus echter trokken er — van 7:{0 \. Br. af — nog groote troepen noordwaarts. De Roodhalsgans vond hij aan de Boganida op 25 Juli broedende; de eieren waren toen nog maar korten tijd bebroed. De eieren van de Hoodhalagans waren G9 tot 71 millim. lang en 'iA a -45 milliin. breed, die van de Rotgans 75 a 77 bij 50 a 53 millim. en die van de Brandgans een weinig grooter dan deze kaatsten. Allen hebben den wat gerekten gan-zeneivorm en zijn tamelijk glad van schaal.

Alle drie soorten staan, vergeleken met de eigenlijke ganzen, tamelijk hoog op de pooten, loopen zeer gemakkelijk en bevallig, vliegen uitstekend en zijn ook in hare geheele houding en beweging zeer bevallig. Wat ze nog bevalliger maakt is, dat haar fraai gevederte altoos rein is.

Zij voeden zich als echte zeeganzen met verscheidene zoutwaterplanten zoowel uit de zee, aan de kusten, als van de toendra's (met mos bedekte moerassen) van Siberië, met bessen, gras- en graansprietjes in de nabijheid der zee, doch ook met schelpdieren, wormen en insecten. In gevangenschap eten zij echter ook graan, het liefst haver, en alles wat men buitendien nog aan ganzen voert. Bijzonder graag weiden zij de jonge blaadjes van het beemd-, zwenk- en vlotgras alsmede van klaver af en worden bij zulke eene weide en haver zelfs zeer vet.

Daar zij van natuur niet schuw zijn, worden zij gemakkelijk tam en vertrouwelijk, ook verdragen zij de gevangenschap zeer goed.

In den slottuiu te Kothen zijn deze bevallige ganzen dikwijls door Bal-damus gade geslagen; zij nestelden daar in het struikgewas, legden eieren, doch brachten er, voor zoover Bs. vernam, nooit jongen groot. Hoewel verscheidene dezer ganzen reeds oud waren, toon ze werden aangekocht, leefden zij daar nog langer dan '20 jaren, ofschoon men zich zeer weinig om haar

ocr page 407

39f)

bekommerde en zij in stilstaand water vertoefden, dat zeer onzuiver en slijkerig was.

DeRoodhalsgans verschijnt des winters ook, hoewel vrij zeldzaam, op onze meren en plassen.

12. Dc Kohjum, Anser albifrons. White fronted (loose.

Oid rieusc. BhWgcnis.

De Kolgans is ook eene der noordelijke ganzen, welke ons Vaderland op den trek bezoeken en verschijnt hier soms wel in grooten getale.

Zjj draagt haren naam naar den uit witte veeren bestaanden, ringvormi-gen band achter den snavelwortel bjj oude exemplaren; bij jonge exemplaren ontbreekt dat wit soms of ziet men slechts witte vlekjes.

De kop is overigens evenals de hals donkergrijs van kleur; de rug is zwartachtig bruin met lichtere randen om de veeren; de borst en de buik zijn gekleurd doch lichter, en met dicht bij elkaar staande zwarte vlekken geteekend; het achterlijf is wit, evenals de staartwortel en de onderstaart-dekveeren. De vleugels zijn aschgrauw met lichtere randen, de slagpeuiieii zwart; de staart is bruingrijs met smalle witte zoomen en een broeden, witten band aan t eind. De bek is vleeschkleurig en de pooten zjjn steenrood. De jongen zijn nagenoeg geheel effen grijs van kleur.

De Kol gans is wel een sierlijke vogel doch broedt niet in gevangenschap.

De gent roept: Kluuk-kluuk, de gans: Kligliglik (Veuema).

Eene variëteit van de Kolgans is

De Dwerggans. — Anser ulbifr. erythropus of A minutus,

ook wel Kleine Kolgans en Goudoogje genoemd. Zij is bijna evenzoo gekleurd als de Kolgans, doch de witte voorhoofdsvlek reikt verder over den kop, terwijl de borst bijna geheel zwart is.

Zij behoort in de noordelijke streken van Europa en Azië tehuis, doch bezoekt op den trek ook ons land, hoewel in zeer klein aantal.

13. De Egyptische of Vosgans. — Chenalopex [Anser) aegyptiacus. The Egyptian of Nile goose. Oie tCEgypte. Egyptische Entengans, Fuchs- of Nilgans.

Deze, in geheel hare houding en voorkomen zeer elegante en daarbij door de harmonie der kleuren en fraaie toekoning uitmuntende gans bekleedt misschien den eersten rang onder de ornamentale watervogels, ten minste wat hare elegante houding aangaat.

ocr page 408

400

Do kleur der bovendeden is over 't golieel een fraai, zacht grijs met zwart, die der benedendeelen een fraai licht oker- of ledergeel, dat aan de borst-, onderlijf- en sclienkelveeren niet fijne, zwarte dwarsstrepen versierd is; rondom de oranjekleurige oogen vertoont zich een eivormige, kastanjebruine vlek; een dergelijke vlek bevindt zich ook op het midden van de

borst; de vlcugeldekveeren zijn wit. met een smallen, zwarten, als metaal glimmenden band aan het einde der groote dekveeren. De slagpennen en de staart zijn eveneens glimmend zwart; de snavel, welke veel van dien eener eend heeft, is purperrood: do tamelijk dikke pooten en teenen benevens de zwemhuid zijn roodachtig oranjegeel. Do vieugelboog is, evenals bij de Spoorwiekgans —• Pleclropterus tjamhensis ■—• van een 1 centimeter lange, hoorn witte spoor voorzien.

De gans is wat kleiner dan do gent, doch komt er anders in alle opzichte moe overeen.

Do Vosgans is over het grootste gedeelte van Afrika, van de N. O. tot de Zuidkust verbreid, doch komt ook aan de Middellandsche zeekusten van Europa en de grenslanden van Azië voor. Zij legt !' a 1 '2 zuiver witte eieren, welk in vorm met de overige ganzeneieren, in gladheid en glans echter met de eendeneieren overeenkomen; zij broedt gemakkelijk in gevangenschap en brengt de jongen zonder moeite groot; zij legt hier echter zelden meer dan 6 eieren.

Wegens den grooten vechtlust van de genten is het geraden op 5 a G

ocr page 409

m

en zelf'b meer ganzen slechts één gent te houden en er voor te waken, dat er geen twee genten niet elkander in aanraking komen, ten minste niet in den broedtijd.

Dehtiendf: ] [oofdstuk.

Z w a ii e ii. — C y g1 n i n a e.

]le voornaamste plastische kenmerken der Zwanen zijn; een voor en achter even breede snavel, aan de basis meer hoog dan breed, van voren plat met een stompen, breeden nagel; de washuid reikt tot aan de oogen, de neusgaten zijn eirond en bijna in het midden van den snavel geplaatst;

— een naar verhouding kleine kop; — een zeer lange en dunne, meestal

— doch niet altijd — S vormig gedragen hals; -— oen zeer lang-ovale, van boven en beneden wat breed gedrukte romp; —- ver naar achteren aangezette, korte en stevige pooten met lange teenen — de middelste teen is langer dan het loopbeen; — zeer groote vleugels met lange armbeenderen en betrekkelijk korte slagpennen met lange spoelen en harde schachten en eindelijk een middellange, uit icS tot 24 voeren bestaande, afgeronde of meer spits uitloopende staart.

Do houding op het water is fraai, trotsch en voornaam, in rust wel wat melankoliek, doch in beweging, vooral wanneer zij bedaard zwemmen, vol zelfbewustheid en elegantie.

W anneer de Zwaan snel zwemt, verliest zijne houding veel van het bevallige en, door zijn moeilijken, waggelenden gang op het droge nog meer.

De Zwaan is een watervogel in den volsten zin van het woord, want hij leeft en sterft op het water.

Zelden ziet men hem aan den oever rusten, zelden gebruik maken van de woning, die men aan den oever voor hem heeft ingericht. II ij is het liefst in het water, zelfs om uit te rusten en te slapen. Men doet daarom het best, zijne woning te bouwen op een eilandje te midden van bet water of op een vlot, dat men op eenigen afstand van den oever vast legt. 't Is of hij er zich dan, omringd door water, veiliger gevoelt, want hjj vertoeft daarin liever dan in een op den vasten wal staande woning; als het weder niet al te guur is, zal hjj echter de nachten ook dan nog op het water doorbrengen.

De /wanen voeden zich zoowel met dierljjk als niet plantaardig voedsel en het is ongeloofeljjk, hoe groote massa's zjj daarvan verslinden kunnen.

\V il men de Zwanen echter aan het voor hen bestemde water en aan

Baldasiüs, Pluimveeteelt H. 26

ocr page 410

402

luinno woning gewonnen, dan dionen zij geregeld op gezette tijden toegevoerd te worden met luiver, gerst, erwten, brood, gekookte aardappelen enz. Vooral des winters, wanneer er niet meer voldoende waterdieren en planten te vinden zijn, dient men dit nooit te vergeten, daar men anders gevaar loopt, dat ze er op uitgaan hun voeder ver van huis te zoeken.

Goed verzorgd kunnen de Zwanen zeer oud worden; men meent van wel 1ÜU jaren.

De Zwaan legt van 4 tot 8 eieren, welk aantal ook al van het voeder alsmede van het weder afhangt. De eieren zijn vuilwit van kleur met grijsgroene tint en wegen ongeveer | kilogram.

De broedtijd valt in 't voorjaar, iets vroeger of' later al naar het weder is.

In den tijd, dat het wijfje op de eieren zit, welke na 5 volle weken bebroedens uitkomen, is de gent in den regel zeer jaloersch en boosaardig en beschermt hij den omtrek van het nest met zorg.

De moeder houdt de uitgekomen kleinen gewoonlijk nog 1 a 2 dagen onder zich en gaat er dan mee te water, waar ze zich te goed doen aan kleine waterdieren en eendenkroos. Vinden zij niet genoeg, wat de ouden vaak verraden door dikwijls met hen de voederplaats te bezoeken, dan geve men ze geweekt oud wittebrood, geweekte gerst of' een weekvoer, dat men ook als ochtendvoer aan de hoenders geeft.

De Zwanen worden eerst in het derde jaar volkomen voor de voortplanting geschikt.

Zij leven in de strengste monogamie en verdedigen hun gebied tegen eiken vreemden indringer, met wien zij verwoed kunnen vechten. Als zij jongen hebben te beschermen, moet men al op een zeer goeden voet met hen staan, om hen zonder gebeten of' met de vleugels geslagen te worden, van nabij te kunnen naderen.

De Zwanen laten nu en dan een knorrend geluid hooren, dat o. i. zoowel eene uiting kan zijn van tevredenheid en welbehagelijkheid is als van vrees of wantrouwen. Als ze boos zijn, brengen ze ook een sissend geluid voort.

(Jeen vogel, de arend en de nachtegaal misschien uitgezonderd, is van de vroegste tijden tot op den huidigen dag zoo zeer door dc dichters bezongen als de zwaan; zwanenzang, zwanenblankheid, zwanenhals, zwanen-trots, zwanenridder, zwanenjonkvrouw — ziedaar woorden, welke in alle talen zoowel in proza als in poëzie duizenden malen voorkomen.

En alsof' de Witte zwanen den schrijvers en dichters nog geen stof genoeg aanbieden, haalt een der laatsten zelfs den Zwarten zwaan uit Kieuw-Holland aan en laat dien, natuurlijk als ongeluksprofeet, heel eenvoudig van Bourgondië naar „zijn vaderland aan de Noordpoolquot; trekken. Do arme Zwarte zwaan, die zich van het Zuiden van Australië niet eenmaal aan de noordkust van

ocr page 411

iüH

ilat vastland waagt! Docli dat is juist licciilia purlieu, dlelitorlijkc vrijheid.

Men kent tegenwoordig 8 of !) soorten van zwanen, die de nieuwe systematiek onder 'i geslachten heeft verdeeld.

Van de 3 in het Noorden der Oude Wereld inlieemsclie soorten van Witte zwanen geven de afbeeldingen 134, 135 en 136 de koppen.

I. De (jewone Awuuit. —- (Ujjnus olur. L. The Common of mule Swan, Cij'jmi u bec routje of ('. lubereulé, Höckevsehivan,

der Sliimme of Zahme Schwan.

Soortkenmerken: Snavel fraai menierood met zwarte punt, bij de jongen

1%. 134. Gewone Zwaan. Fig. 135. Wilde ol' Zingzwnun.

loodkleurig blauw, later lichter van kleur, de naakte huid tusschen snavel en oog zwart of zwartgrijs, de snavelknobbel zwart; ook de pooten zjjn

zwart, 't gevederte geheel wit, bij do jongen gewoonlijk grijs, ofschoon er, volgens Schlegel, in een zelfde nest terzelfder tijd ook wel geheel witte jongen voorkomen. Hot grijze dons der niet-witte verandert na Fig. 186. Kleine Zwaan. cen Paar maanden in lichtgrauwe voeren,

die eerst het volgende jaar door geheel

witte worden vervangen.

Hij behoort tehuis in Oostelijk Europa en Siberië en nestelt verder naar het Westen ook in 't zuidelijk deel van Scandinavië, Denemarken en Holstein.

Ook in ons land komt hij jaarlijks in klein aantal als wintergast. Daar hij echter niet van de tamme zwaan is te onderscheiden, wordt ook wel eens een ontsnapte of verdwaalde tamme zwaan voor cen wilde aangezien.

I reft men echter vluchten van 7 a !) stuks aan, vooral in streken, waar weinig of geen tamme zwanen worden gehouden, dan mag men rekenen, met echte wilde exemplaren te doen te hebben (Albarda).

De Wiigehoren /waan. — Cyymis immnlabilis, Yarr,

Deze, zoo genoemd, omdat het donzen nestkleed dadelijk bjj den eersten

ocr page 412

404

mi met con zuivor wit vocrenpak wordt vcrwissold, kan als eono variëteit van don gewonen zwaan worden beschouwd. Eon onbcdriegelijk kenmerk moot zijn, dat do zwemvliezen, ofschoon in hoofdkleur loodgrijs, eon vleesch-kleurige tint hebben en behouden.

Volgens den lieer Albania is deze zwaan hier zoo zeldzaam, dat hij slechts van '2 exemplaren molding maakt, welke hier geschoten werden: het eene in 1840 op het Haarlemmermeer, het andere in 1896 te Rinsu-mageest (Friesland).

'2. De Wilde of Xinyzwaan. — Cyynm musicus, Hechst.

fariix, Hay. ('■■ Ximthorhimis, Ncnim.

The WlrisliiiKi of W ild Sicdii. Cjiijnc khuvckjc. Sinijschwan

Van dezen zwaan, die in ons land ook Doen en lloolzwaan wordt genoemd.

187. Wilde Zwaan.

kan men bij tal van schrijvers lezen, dat zijne stem „een zeer liefelijkon

ocr page 413

/ion

klank heeftquot;, als „do toon van zilveren klokkenquot;, zelfs „zucht als lt;le tonen van eene vioolquot;. Dr. W. Schilling (1859) spreekt van een „luiden, zuiveren toon, als loktoon en waarschuwingskreet, doch die, wanneer de dieren in troepen vereenigd zjjn, ook om strijd uit louter plezier wordt geuit en nu eens aan den klank van klokken, dan weder aan dien van blaasinstrumenten of violen herinnertquot;.

Nu bestaat er een anatomisch verschil: de luchtbuis heeft een anderen loop, de vorm van het strottenhoofd en van de beide luchtbuistakken is anders dan bij den gewonen zwaan, vandaar dat bij in staat is een luider en helderder geluid voort te brengen, dat hom den naam van „musicusquot; heeft bezorgd; in de omschrijving van dat geluid heerscht echter vrijwat overdrijving.

liet gewone geschreeuw der Wilde zwanen wordt door Naumann vertolkt door: „kielkliïquot; voor bet sterke en „angquot; voor het zachtere.

Soortkenmerken: De voorste helft van den snavel tot over de neusgaten is zwart, alsmede de randen; het andere gedeelte tot aan de oogen citroengeel, bij de jongen vleesehkleurig. De pooten zijn zwart, liet gevederte is geheel wit.

11 jj broedt iu de koude streken van het noordelijk halfrond en trekt tegen den winter naar het Zuiden, zelfs tot Egypte.

In ons land vertoont hij zich jaarlijks ook in kleinere of grootere troepen, aan onze kusten en op onze binnenwateren en ondergeloopen vlakten.

3. De Kleine Zwaan. — Cijijuks Bc.wicki, Yarr. C. minor Scld.

Ilowicks Swan. Cyijne de. Dewirh. Zwerijsciiwan.

Soortkenmerken: Kleiner dan ('■. musicus; de snavel is tot ver over de neusgaten blauwzwart, het overige (ongeveer | deel) is, evenals de driehoekige teugelvlek, hooggeel, naar oranje zweemend; bij jonge dieren vleesehkleurig.

Hij broedt in de Poolstreken van Amerika en ook op IJsland, en komt, hoewel zelden, als wintergast ook bier te lande voor.

4. De Trompetter-Zwaan. — Cytjnus buccinator, INch. Trumpeter Swan. Cygne trompette. Trompeter Schwan.

De Trompetter-zwaan draagt zijn naam naar het eigenaardig gerekt geluid, dat hij maakt en waarin men de tonen eener trompet meent te herkennen. IIjj bewoont het westelijk gedeelte der Vereenigde-Staten van Noord-Amerika, van den Mississippi tot den Grooten Oceaan.

ocr page 414

406

Hij heeft de grootte van den gewonen zwaan en ook diens wit gevederte. De vrjj lange bek is zwart, evenals de pooten en de driehoekige naakte plek, welke ter weerszijden van den kop van den wortel van beneden- en bovensnavel naar het oog loopt.

Hij broedt ook in gevangenschap.

5. Jkt Amerikuanschc Zwaan. —- Cyymts amencanus, Shasp, American ot' Whislliny Swan.

Het onderscheid tusschen dezen — ook Amerikaansche Zingzwaan genoemd — en den vorigen bestaat alleen in de geringere grootte van dezen laatsten, alsmede in het kleinere aantal staartpennen en den korteren en een weinig anders gevormden snavel. De gele vlek op den zwarten snavel, die door sommigen als een kenmerkend verschil wordt opgegeven, is volgens Elliot Coues e. a. niet constant.

De volgende maten zjjn, wat de onder 1, en 3 genoemde aangaat, genomen door Naumann, die aangaande nquot;. i door den Prins Von Wied:

1. C. ulor. 2. ('..musicus. 3. ('..minor. 4. C.buccinator.

Man Wijfje Man — Wijfje Man- Wijfje jonge m. oude m. Totale lengte / 4561 —1402 1394 — 1310 1073 — 1011. 1410 —1533 Snavel 116— — 106— 100 90— «7 97 — 117

Hals . I 707 — —- ()3'2— — 50lt;S— — — —

Staart § ) '248— '231 105-- 172— _ 150

Vleugel S \ 637 - 560 504— 542 496— 473 642 671 Vlucht .S I 2358 — 2174 2163 — 2134 1943 — 1863 — 2508 Loopbeen [ 100— 104 138— 120 107— 104 128 — 130 Middenteen 141 — 138 178— 170 124— 122 147 — —

Gewicht: tot 27 20 27 18,5 12 10 — 23 pd.

0. Zwarlnek-Zwaan. — Cygnus nigricollis, (Am. The Blacknecked of Chilian Swan. Cygne d cou noir. Schwarzhalsiger Schwan,

Deze fraaie Zwaan, die ook meermalen in de vjjvers van particulieren voorkomt, is een weinig kleiner dan C. minor. Zijn gevederte is fraai wit, behalve de kop en de hals, welke zwart zijn; van het oog loopt ook nog een witte streep tot aan het achterste gedeelte van den schedel. De bek is leikleurig en draagt twee achter elkander geplaatste roode knobbels nabij den kop. De pooten zijn zeer bleek roodachtig.

De Zwartnek-zwanen behooren in Zuid-Amerika tehuis en wel voornamelijk in Chili, Peru en Brazilië. In 1846 werden ze voor het eerst te Antwerpen

ocr page 415

407

ingevoerd, waar ze in den dierentuin broedden. Een weinig later landden er ook in Engeland, en daar zo overal zonder veel moeite broedden, geraakten zij ook langzamerhand in de handen van liefhebbers. Ue meer genoemde heer I 'olvliet te Rotterdam was de eerste in ons land, die ze onder zijne collectie telde.

7. Do Ztvaanyans. — üyyum coscoMhc, Gm, Coscovoba Swan.

Cijfjnc analoïde. Enten- of Koskorobu-Schivun.

Ook de Zwaangans hoeft zijn Vaderland in Zuid-Amerika en wel hoofdzakelijk in Chili en Patagoniö, tot aan de Straat van Magellaan.

Zijn gevederte is zuiver wit, met uitzondering van de punten der groote slagpennen, welke zwart zijn; do snavel en de pooten zijn rood. In houding komt hij meer met do ganzen overeen dan met de zwanen; zijn staart eindigt in een punt.

üe Zwaangans heeft nog niet in gevangenschap gebroed; vandaar dan ook, dat hij slechts zelden buiten zijn vaderland wordt aangetroffen.

8. De Zwarte Zwaan. — Cygntis atralus, Steph. Cltenopsin atrata, Wagl. Cygnus plutonia, Shaw. The Black Swan. Lu Cijyne noir. Der Sehwarze Schwan.

Van alle zwanen heeft de Zwarte zwaan het kleinste verbreidingsgebied; hij bewoont alleen het zuidelijk gedeelte van Nieuw-l lolland en Van Die-mensland, in zooverre daar grootero meren en rivieren met breede monden zijn. Zijn geheelo gevederte is bruinzwart, op den rug mot bruingrauwe punten, de onderzijde een weinig lichter, de eerste en tweede slagpen zuiver wit; de iris is evenals de oogleden, de teugels en don snavel fraai scharlakenrood, do laatste heeft aan de punt een witten dwarsband; de pooten ziju zwart.

In zijne houding, voornamelijk in die van den hals, heeft hij meer overeenkomst met den gewonen Zwaan dan de andere soorten, welke den hals niet zoo sierlijk gebogen dragen. Gould beschrijft hem als turn. vreedzaam en edel, doch deze eigenschappen schjjnt hij in den gevangen staat afgelegd te hebben, (wat evenwel met vele getemde dieren het geval is) en in de plaats daarvan zeer twistziek en bijtgraag geworden te zijn, zoodat hij op een kleinen vijver moeilijk met andere watervogels samen kan worden gehouden zonder deze te hinderen. Er zjjn echter uitzonderingen op dozen regel; soms verdragen zjj zich uitstekend met do gewone zwanen en eenden in denzelfden vijver.

ocr page 416

408

De Zwarte zwaan is een zeer harde vogel, die overal in gevangen staat broedt, wat dan ook de reden is, dat hij zieli na zijne importeering in

Europa, in liet begin dozer eeuw, betrekkelijk 'spoedig verbreidde, zoodat hij nu geene zeldzaamheid meer is in do particuliere vjjvers.

ocr page 417

I N H O U I).

lilailz.

I. D e D u i v o n

Inloidin^...........1

Ekbstb Hoofdstuk.

Torniinologio, nomenclatuur pn klftusificntio.

1. Torminologio........4

II. Nomonclntuur........18

111. KliiHHilicatic........19

Tweede Hoofdstuk.

Wildo duivon. (Jolumbne.....20

Do llotHduil'..........23

Do kleine Bouchduii'.......32

Dubde Hoofdstuk.

Do Huisduiven.

EofHte afdeollng. Nutduivon.

De Veldduit'..........34

Vierde Hoofdstuk.

Nut en schade der Veldduiven ... 38

Vijfde Hoofdstuk.

Hot voeren en mosten der duiven . . 46

Zesde Hoofdstuk.

Voortplnnting, Paring en Beliandoling. 52

Zevende Hoofdstuk.

Duivenslagen en tillen ...... 61

Achtste Hoofdstuk.

Ziekten on vjjanden der duivon.

A. Ziekten...........72

I. Ziekten der adorahalingsorganon . 74 II. Rhoumatiscbn ziekten.....78

Bladz.

111. Ziekton dor siigsvorteringsorganon. 70

IV. Uitwendige ziekten......83

B. Vijanden.

I. I'arnaioton.........85

II. Roofdieren.........87

Negende Hoofdstuk.

Tweede afdool ing. Do Luxe- of Sierduivon.

Eerste ondorafdeeling. Kleurdulvon.

I. E i g o n 1 ij k e k 1 o u r d u i v o n.

1. Do lichtblauwe duif.....87

2. Do wildblauwe duif.....88

3. Do Vlechtduif.......88

4. De Vuurduif.......89

5. Do Ooudvinkduif......89

6. Do Hyacinth-duif......91

7. Do Victoria-duif......92

8. Do Poolsohe Los-duif .... 92

9. Do Leeuworik-duif.....95

10. Do kleine Leeuwerik-duif. . . 96

II. Do IJsduif........96

12. Do Porceleinduif......98

13. Do Eichbühler-duif.....98

II. Goteekendo duiven. Eerste groep. Halsbandduivon.

A. Met witten halshand. (Halve-maanteekening).

1. De Spreeuwhalsduif.....99

2. De Zwabische duif.....lOO

B. Met yellearden halsband.

3. Do Zwitserscho duif.....102


ocr page 418

MO

Bladz.

Bladz.

Twoedo groop. Siii|i- ot' Mau-korduivon.

A. Witsnippcn ( Witstoarten).

1. Do AVitsnipduif......103

2. „ Vuurduif.......104

li. Kleur snippen.

3. Do Mnskerduif......105

i. „ Ooiovanrduif......105

5. „ Holmduif.......10G

Dor do fjfrocp. Duiven mot oon schodolplat.

Do Paapduif..........107

Viordo groop. Wit- on Klour-kopduivon.

A. Witkopduiven.

1. Do Monnik-duif......108

2. „ Witkop-duif......109

3. „ Franscho Witkop-duif, . .110

li. Klcurkopduiven.

4. Do Moorkop-duif o. a. ... 110

5. „ Nonduif........111

Vijfdo groop. Dorstduivon.

Do Borstduif..........113

Zosdo srooli- Vleugolduivon. A. Witvleugeligen.

Do Eksterduif.........113

li. Gehleurddeugeligen. Zwaluwduiven.

1. Do Snipzwaluwon.....ll(i

2. „ Platzwaluwen.....117

Zevende groep. Schildduivon.

A. Witschiidon.........110

B. Mot gekleurd Hcbild.

1. Do Schildduif.......120

Achtste groep. Halfschoid-duiven.

1. De Lalioro-duif......121

2. „ Shorajoo-duif......123

Het lokken onz, vun klourduiven . .123

Tweede ondcrafdeoling. Vormduivon. 1. Vod or d u ivc ii.

Eerste groep. Troinmolduiven . . 128

1. Do liucharijscbo Tronimolduif . 12!)

2. „ Duitscho „ . 132

3. „ Altenburger „ . 133 Twoedo groep. Cteniaando duiven.

A. Met onvolkomen manen.

1. Do Smalkaldonscbo Moorkop . 134

2. „ Latsduif.......13G

2. „ Capucijnor-duif of gekapte

Non..........137

4. De Wildo Manenduif .... 138

B. Met volkomen manen.

1. De Raadsheer-duif.....139

Dorde groep. Cravat-duivcn (Meeuwtjes) .......144

A. Westerschc Meeuwtjes.

1. Hot Duitscho Meeuwtje . . .148

2. „ Engelseho „ ... 150

3. „ Egyptische of Tunischo Meeuwtje........151

4. Het Italiaanscho Meeuwtje . . 151

5. De Chineoscho Meeuwtjes. . . 153 li. Oostorscho Meeuwtjes.....157

I. Smyrnasche „ .....159

II. Anatolischo „ .... 160 III. Aidinor „ .....1C0

a. Satinetton.........161

h. Blondinetten........162

c. Turbiteenen........166

Vierde groep. Krulduiven. . .168 Vijfdo groep. Zyde-duiven .... 170 Zosdo groep. Pauwstaart-duiven . 172 Zo ven de groep. Kip-duiven.

1. Do Maltezer 'duif.....180

2. „ Klorontynsche duif. . . . 182

3. „ Oostonr.-Hougaarsche kipduif 183

4. „ Strasser.......185

5. „ Monteneur.......185

Achtste groep. Holrugduiven (Tuimelaars)...........185

A. Do Modonoozer duit'......186


ocr page 419

411

Bladz.

Bladz.

TuimolnarB, IfooKvlioBcrH enz. . .

197

8. Do Oostenryksche Slager . . .

245

/nngnnavclijjfo TuimolnnrH . . . .

200

1). „ Akensche Bandkropper . .

245

1.

De

JiruiiHwijkor Hunrdtuimolaar.

200

10. „ Hollandsche Kropper . . .

246

2,

llannovorsclio witpen ,,

201

lï. Kleine of üwergkroppers . . . .

24li

8.

11

Witstaarttuimelaar. . . .

202

11. Do Brünnor Kropper . . . .

247

4.

11

Dooiisclie tuimelaar . . .

202

12. „ Engelsche dwergkropper. ,

248

5.

11

Oaliciache of Krakauor okstor

203

C. Korlbeenige Dwcrykroppers . . .

249

C.

1?

llollaiidsclio tuimelaar . .

203

13. Do Ballon of Holle Kropper. .

249

7.

11

Straalsundor „ . .

204

Algemceno opmerkingen......

251

8.

11

Dantzigor hoogvlicKor. . .

204

9.

V

Weener tuimelaar . . . .

205

Tiende groop. Wrat-of snavelduiven.

10.

V

OosterHche roller . . . .

205

1. De Damascener duif . . . .

257

11.

11

Uerljjner tuimelaar. . . .

208

2. „ Swift of Kaïro-duif . . .

258

12.

11

Kingslagor.......

208

3. „ Postduiven......

260

13.

Sleuker........

210

A. Eigenlijke postduiven.

i.

Middollangsnavolige.

n. Do Antwerpsche postduif. . .

263

1.

De

Calotte of Helmduif . . .

213

0. „ Brusselsche „ . . .

264

2.

11

Hamburger tuimelaar. .

214

v. „ Luiker „ . . .

264

3.

11

Mocklonlmrgor of Kostokker

d. „ Duitsche „ . , .

266

tuimelaar.......

214

15. Antiverpsehe „Show^duiven . . .

267

4.

11

Poolsche, Bukowinor ol'llon-

4. De Spaansche duif.....

271

gaarnohe tuimelaar . .

214

5. „ Uomeinsche duif . . . .

275

5.

11

Koningsberger tuimelaar

215

C. „ Montauban duif.....

276

6.

11

Duitsche witkop-tuimelaar .

215

7. „ Carnoau-duif......

277

7.

11

Uerljjuor tuimelaar.

21ü

8. „ Valkonet.......

278

8.

11

Fransche tuimelaar . . .

21ö

9. „ Turksche duif.....

283

Kortsnavoliiro tuimelanrB . . . .

217

1.

EngolBche „ . . . .

218

11. Cylindersnaveligo.

Do AlmondT. 4.Mottics. c. Agaton. 219 —

10. De Dragonder.......

284

. Kites.

e. Baldheads. f. Beards . .

221

11. „ Bagdetten.......

291

2.

Do Berlijner Altstam-duif. .

223

«. De Engelsche Bagdet ol' Carrier .

292

3.

11

witte Koningsberger T. . .

225

4.

11

Weener T.......

225

111. Kromsnavolige.

5.

11

Pester Hoogvlieger. . . .

220

13. De Neurenberger Bagdet. . .

6.

11

Prager ï.......

227

311

7.

11

Elbinger witkop . . . .

227

Tiende Hoofdstuk.

K e n d o

groep. Kropduiven. .

230

Buileiilandsvhe sierduiren en zeldzaam-

A

Groote Krappers.

Dolksteekduif. Goolec-duif.Mookee-duil'.

318

1.

Do

Bngolsche Kropper. . . .

Koraaloog-duif. Libanon-duil'. Syrische

2.

3.

11 V

Fransche Kropper . . . . Pommorsclio Kropper. .

241

242

quot;Wamduif. Kroonduif......

321

4.

11

Saksische Kropper ....

244

II. Watervogels.

5.

11

Duitsche Kropper ....

244

Er.fok Hoofdstuk.

6.

11

„ Witkop-kropper .

245

7,

'1

Kkster-kvoppor.....

245

l)c Wilde-cend.........

ocr page 420

4.-12

lilailz.

HuiH- ol' nuteonden......328

1. Do Booron-ooud.....• 335

2. „ Knifoond.......835

8. „ Rouann-eond......386

J. „ Daclair-oend......838

5. „ Aylo8t)ury-ocnd.....339

6. „ Poking-oond......842

7. „ Japanscho oond.....344

8. „ Cayuga-eond......344

9. „ Zwoodscho cond.....345

10. „ Labrador-eond.....846

11. „ Muskus-eend......347

12. „ Indische Loop-eend . . 349

B. Siereenden.

1. De Kwaker-eenden.....351

2. „ Carolina-oend......358

3. „ Mandarijn-eond.....350

4. „ (Jliineescho Taling.... 359

5. „ Japnnscho Taling .... 359

6. „ Rood-bek Uoomeend . . . 800

7. liet Weeuwtje......800

8. Do 15org-eend.......801

9. „ KanBrka-eend......308

10. „ Peposaca-cend.....364

11. „ Baliania-eond......364

12. „ PijlHtaart-eend.....865

18. „ Smient........865

14. „ Zomertaling......866

15. „ Wintertaling......866

16. „ Lepel-eend.......867

17. ,, Krak-eond.......869

Bladz.

18. I)e Kroon-eond......369

19. „ Tafel-oond.......370

Ziekten der Eenden.......372

Twaalfde Hoofdstuk.

873

1.

De

374

2.

n

Emder gans......

880

3.

«

Toulouser gans.....

381

4.

n

Pommorsche gans . . . .

382

5.

w

Krulveor-gans ....

391

6.

n

Knobbel-gans......

892

7.

D

Trompetter-gans.....

393

8.

n

klo:ne Troinpettor-ganB .

896

».

n

Brandgans.......

396

10.

n

Rotgans.......

397

11.

r

Russische ol' Roodhals-gans.

397

12.

w

13.

n

Dkhtikndk Hoofdstuk.

anen

401

1.

Do

gewone zwaan .....

408

la.

t)

wit gol)orcn zwaan. . . .

408

2.

ff

Wilde of zingzwann . .

404

8.

n

Kleine zwaan......

405

4.

V

Trompottor-zwaan . . . .

405

5.

n

Amorikaanscho zwaan

406

6.

n

Zwartnek-zwaan.....

406

7.

t)

Zwaangans......

407

Zwarte zwaan

407


ocr page 421

G R A V U R E N.

Kiy. Hliidz.

1 —14. Duivenkoppon.....6, 7

15--25. id. .....10, 11

26. Koptookoningon.......14

27—80. Vooderbakkon.....48, 49

31—31n. Drinkbakkon.....49, 50

32. Badkuip..........50

38. Orootto van duivonoioron .... 53

34. Zitplaatsen voor Carriers .... 04

35. Tralies voor oon vanRkooi. ... 64

36. Ooömailleerd yzoron nostpan. . . 07

37. Engolsche nestkast......07

38. Grondplan van oon duivonkamor . 08 39«. )

j Veiligheidsdeur......69

40. i . 70 J Tranaportkisten voor duiven

41. ( . il

42. Transportmand voor duiven ... 72 43«.

436. / .....78

43 1 Vleugelverbanden

43rf. )

44. Goudvink-duiven.......90

45. I'oolsehe Los-dnif.......94

46. Do Eiclibühlor-duif......98

47. Nonnen..........111

48. 1'latzwalu wen........118

49. Lahoro-duif.........122

50. liucharijscho Trommolduif . . . 130

51. Capucvjner-duif........137

52. Nicobarische-duif.......139

53. Kaadsbeeron.........142

54. Een goede meeuwonkop . . • .145 35. Gebrekkige meeuwonkop . • . . 140

Fig. Hliidz.

56. Afrikaanscbe en Engelscbo Uil . . 14!)

57. Italiaanscho Meeuwtjes.....152

58. Chineescho Meeuwtjes.....153

59. Blauwe Meeuwtjes......15ti

60. Aidiner Meeuwtjes......100

01. Blondinetten........164

02. Turbiteenen.........107

03. Krulduivon .... .... 109

64. Pauwstaart-duiven......173

65. Schotsoho Pauwstaarten .... 176

66. Leghorn runt........182

67. Florentynscho duif......183

68. Oostenr.-IIong. Kipduif.....184

69. Modeneezer duif.......187

70. j .....194

71 J. „Clumberaquot; c. a. .....igft

72. Langsnav. Oalicischo Tuimelanr . 203

73. Oostorsche']{ollers......207

74. Calotteu..........213

75. Eng. Tuimelaars.......217

70. Alm. Tuimelaar.......220

77. Eng. kortsnav. Tuimelaar.... 223

78. Horlijner Tuimelaar......224

80. Diagram van den Kropper . . . 233

81. Normale voetbevedering .... 235

82. Eng. roode Eksterkropper . . . 238

83. Beenbevedering.......240

84. Eng, dworgkvoppers......249

85. Damaseenor-duif.......258

80. Kaïro-duif.........260

87. New-Castler postduif.....262

88. Duitsche postduif.......260

89. Kortsnav. Antwerper.....268


ocr page 422

414

rig.

lihulz,

Fig.

lilailz.

«0. 91.

Kortsimv. Autworpei' .... Spnanucho duit'......

, 209 . 272

116. 117.

| Oayuga-eondon.....

345

92.

Yalkonetten.......

. 280

118.

Muskus-eond.......

. 347

93.

Dragonder, Loud, utijl. . . .

. 285

119.

Mandarijn- on Carolina-woerd .

. 355

94.

95.

j Dragondorkoppen ....

. 286

120. 121.

Mandarijn on Carolina-eond . . Chineesche Taling.....

. 355 . 359

96.

Dragonder. Uirminghnin-Htijl

. 287

122.

Do Berg-oend.......

. 362

97.

Diagram van eon model-Carriër

. 293

123.

Holon voor Berg-eendon , . .

. 363

98.

Walnootvorm-snavol ....

. 295

124.

Do Slob-oond.......

. 368

99.

Blauwo Carrier......

. 297

125.

„ AVildo-gans......

. 375

100

107. (Jarriër-koppon . . . 300 e. v.

126.

Toulouser-ganzen.....

. 381

108.

Scamlaroon........

. 313

127.

Witte Knobbelgans.....

. 892

109.

IndiHcbe duiven......

128.

Grauwe Kuobbolgans ....

. 393

110.

Gekuilde tortels......

. 320

129.

. 395

111.

130

-132. Ganzcnkoppon . . . .

. 398

112.

„ AVildo-eond......

. 326

133. Egyptische of Vosgans . . .

. 400

113.

Kouaan-eonden......

. 337

134-

130. Zwanenkoppcn . . . .

. 4(13

114.

Aylosbury-eendon.....

. 340

137.

Wilde Zwaan.......

. 404

115.

Poking-eond.......

. 343

138.

Zwarto Zwaan......

408

ocr page 423

ALPHABETISCH REGISTER.

Blailz.

Bladz.

Aardboiklcur......

. ... 238

Anas rothomagonsls . . .

.... 336

Adorlaton.......

. ... 84

«

. . . .353

Agiitos........

. ... 221

7)

strepera.....

Aidinor Meouwen ....

. . . . lUO

7)

.... 361

Aix

sponsa ......

. ... 353

n

.... 360

galoriculata ....

. ... 356

Anatidao.......

.... 822

Anatinac.......

.... 322

Aluo

. ... 85

Anatolisolio moouw . . .

. . 160, 161.

Altstam-duif......

. . . .223

.... 223

AUstiimmcr......

. ... 218

Anüsolic.......

Aluinoploasing.....

. . .74, 75

.... 322

Ajuorican Swaa.....

. . . .407

W

Amiens kroppor ....

. ... 241

n

aegyptiacus ....

.... 399

Amis acuta......

. ... 365

V

albifrous.....

. . 373, 399

»

aostiva......

. ... 353

n

arvcnsis.....

H

bahamonsis ....

. ... 364

n

berniclii.....

.... 373

7)

boacas ......

.... 322

n

branchvrynchu» . .

. . . .373

»

buckinghamcnsis

. . . . 339

D

canadensis . . . .

.... 399

n

casurca ......

. ... 363

Y)

cinereus.....

. . 373, 374

»

clypoata.....

.... 367

n

. . . .373

ft

communis.....

.... 335

n

erytropus . . . .

. . 373, 399

n

coorulescons ....

.... 345

n

loucopsis.....

. . 373, 396

»

cristata......

.... 335

f)

mimitus.....

V

crocca ......

... .366

n

segotum.....

M

domostica.....

... .385

V

sinensis.....

n

i'alcata......

... .359

V

rulicollis.....

H

forina......

.... 370

«

f'ormosa.....

.... 359

Archangel.......

.... 89

7)

Areka-noot......

.... 85

V

libyca......

.... 349

7)

minuta......

.... 351

Austrian pouter.....

. . 247, 248

»

moscbata.....

.... 347

Aylesbury Duck . . . .

n

ponolopo.....

.... 365

n

poposaca .....

.... 364

Bahama Duck.....

.... 364

7)

quoriiuodula ....

7)

7)

ruflna ......

... .369

ocr page 424

410

Hliidz.

Ulmlz.

liadkuip......

50

Boulauta.......

. . . . 230

Ba^adaia......

291

„ lillois.....

. ... 241

Bagdet.......

291

Box-bcak.......

. . . 5, 303

Bai- = bis doré . . .

108

Brander .......

.... 203

Bakorkneo......

... 8

234

Branta bomicla.....

. ... 397

Bakkorsknioën ....

... 8

234

„ leucopsis ....

. ... 396

Baldhoad......

15, 215

221

Brant-onto......

. ... 361

Ballonkropiior ....

249

Brant (foose......

. ... 397

Barb........

278

Braut-euto.......

. ... 353

Barbarijsoho duif . . .

278

Breast pigeon.....

. ... 113

Barnaclo......

396

Bremer tuimelaar ....

. ... 202

Bartohon......

200

Brentgana.......

. ... 397

Bartmövchon.....

153

Brieftaubo.......

. . . . 260

Battuura......

Broadtailod......

. ... 172

BaunigaiiH

. . . . 9

221

]5oakwattIo8.....

294

BerRcnte......

361

Brusttaube.......

. ... 113

Bornaclo gooso ....

396

. ... 869

Bernakol gans ....

. . 396

396

Buenoa-Ayroan.....

. . . . 346

Bomicla canadonsis . .

393

Bukowiner roller ....

. ... 207

v orytropus. . .

396

Bull-eyos

. ... 298

„ Hutcliiuai. . .

395

Burmese.......

. . . .182

„ leucopsis .

. . .

396

„ ruficollis .

397

Call-duck.......

. ... 351

Boroorto......

84

. . . . 213

Bewicks Swan ....

405

Caloeuas nicobarica . .

. . . .138

Bisain-cnto.....

347

Campanische duif ....

. ... 275

Biaot .......

23

Canadagoose......

. . . . 393

Bishoppod......

237

Canard aauvago.....

„ domeati(jue ....

. . . . 335

Black-brod .....

299

„ 1'ompereur ....

. . . . 335

Black-East Tndiun Duck .

, . . .

346

n huppé .....

Blackncckcd Swan. . .

407

„ de Pouen ....

. . . . 336

Black Swan......

407

„ Duclair.....

. . . . 338

„ li bavotte . , . .

Blondinotton.....

. . 158

162

„ d'Ayleabury . . .

. . . . 339

Bluctto .......

162

„ dos montagnes ,

. . . . 839

Boereneond.....

335

„ do Pékin ....

Boorzuur......

. . .76, 83

„ du Labrador . . .

. . . . 346

Borax-oplossing. . . .

75

Borstduif......

113

„ Cayuga .....

Borsttcckcninp: ....

15

Boachbosson.....

81

„ musqué.....

. ... 347

Boschduif......

32

„ coureur.....

. ... 349

Botontaubo .....

260

„ nain, mignon.. .

. ... 351

ocr page 425

447

lilndz.

Bladz.

('animi

carolin.....

('olnmlm

macroptora . . .

.... 30

W

mandarin ....

«

oenicapilltt . .

.... 34

V

h óvontail ....

rt

aproBÜB ....

.... 34

n

FormoBa.....

V

unicolor ....

. . . , 36

w

do Maragnan . . .

n

caesia.....

.... 87

rt

h hoe rOHe....

3Ü4

w

oenina . . , . .

.... 88

n

de Itahama.

n

pruinosa ....

.... 88

»

I'aisan.....

n

l'ulgonB ....

.... 89

w

sifHeur.....

V

illyrica.....

.... 89

n

milouin.....

V

hyacinthina . .

. . . • 91

Capuchon ......

137

n

Victoriae ....

. ... 92

Capucin........

. . 139,

142

ii

alaudina ....

. . . 95, 96

Capucijnor.......

n

I'arinosa ....

.... 96

Carrier

291

i)

had ia.....

.... 98

('atarrli

74

V

BturnieolliH .

.... 99

Cavaliers.......

n

Buovica ....

. . . .100

Cayupa Dantam.....

352

n

helvitiae , . . .

. . . .102

n

Uue.k.....

n

frontale» ....

. . . .103

Coller tuimelaar ....

202

„

albil'rons ....

.... 103

ChauloluHiniiH.....

maculata ....

. . 103, 105

Chonalopex......

ÏT

remiffaleB. . .

. . . .105

ChoquerH.......

n

occipitalis . . .

.... 106

ChiiiOBO

0 OOHO.....

892

V)

piloata ....

. . . .107

Cliipoau........

Yl

capitales ....

. . . .108

ChonopBiB atrata ....

407

n

alhicauda ....

. . . .108

Chloorz

kali......

n

monachuB. . .

. . . .108

ClakiH

V

alhicepH ....

. . . .109

n

coloricep» . .

.... 110

(iloaili

la vol ....

I8(i

„

voBtalin ....

.... 111

Clumbora.......

V

pectoralcs . .

. . . .118

Colmrfjrer leeuwerik . . .

»

alaroB .....

.... 118

Collodium.......

255

M

pennatao ....

. . . .113

CoUiinbao.......

20

W

pica.....

. . . .113

Columba oenas.....

3?

y)

Bternimio ....

.... 110

H

livida.....

23

n

mercurialis . .

.... 117

n

Baxatilis ....

ft

clypoatao....

. . 119, 120

n

rupicola ....

»

dimidiatae

.... 121

n

livia.....

tgt;5

n

cristatae ....

. . . .128

V

Amaliao ....

30

»

dasypus ....

. . . .129

M

eleffaiiH ....

2G

M

.juhata.....

. . . .134

»

loueonotuB . . .

2fl

»

rupentris ....

... 27

30

„

capucinorum

.... 187

n

intormodia . . ,

28

n

eueullata ....

.... 189

n

Kymnocyclus . .

29

rt

(falorita ....

. . . .139

n

unicolor ....

29

pataffiata ....

.... 189

n

livia communiH

»

eollares ....

.... 144

Bai.damüs, Pluimveeteelt 11. 27

ocr page 426

448

Hladz.

Ul.idz.

Oolumbn

. . . 144

CouriorB

.... 260

collo hirsuto. .

. . . 144

Coquille

O O

rgt;

. . .101

n

. . . .141!

CoBcoroba Swan . . . .

. . . 108

rgt;

. , .108

CravatoB.......

.... 144

r

. . . 170

. . .70, 83

V

. . .172

Crescent.......

.... 102

rgt;

K«lliiiiiriao ....

. . .180

Crested

Duck.....

. . . .235

brovicautln ....

. . .180

Crinièro

brncbyura ....

. , .182

Criquavl

n

pillinacoti ....

. . .183

Cmquot

inutinensiB ....

, . . 180

allomand. . . .

. . . .225

. . .200

de Pont . . . .

.... 226

gt;»

n

do Vionno . . .

porcuBsor.....

. . .208

iioilnndaiB . . .

. . .217

n

Cumulol

. . . .200

ffutturosa.....

. . . 2B3

„ mnxima

. . . 244

„ a con noir . . . .

.... 406

„ minima .

. . .247

„ bntiivu . .

. . . 24«

„ do liowick . . . .

.... 405

verrucosae ....

. . .257

„ noir.....

.... 407

„ nniivaKc.....

.... 404

51

cypseluB .....

. . .258

„ trompette . . .

.... 405

tabollariao ....

. . .200

bispnnica.....

. . .271

CjKninae .......

. . 322, 401

romana.....

. . . 275

CygmiB

.......

. . 322, 401

M

. . 40!t

. . .275

;»

immutabiliB. . .

.... 403

Kifta» ......

. . .270

51

V

turcica......

. . . 283

»

XantborinuB .

.... 404

dimacba.....

. . . 284

n

1)

V

.... 405

?)

n

buccinator . . .

.... 405

turborculoBa ....

. . . 2!J1

uniericanuH. . .

. . . .406

11

v

nigricolliB .

.... 406

W

. . .318

it

.... 407

Common

n

.... 407

n

.... 407

V

Swan......

. . .403

Cypornacho Taubo . . .

. . . .278

. . . 250

Cypselus......

.... 259

ocr page 427

M9

Hliulz.

Dafila acuta..........365

„ bahaiuonxiH........3(j4

])amil)iaii Gooao.........3!)1

Darmontsteking.........82

Dcokoltaubo..........120

Dconscho okstor.........202

Doudrocygna ii boc rougo.....3(i0

„ autuinualis.....360

„ vidunta.......360

Dowlap............320

Diarrlioe ...........81

Diijhthoritis..........75

Dolchstichtaubo.........318

Domino's...........161

Donaugans..........391

Domlorgans..........396

Down-facod..........300

Dragoon...........384

Drinkbakken........;!49, 350

Duckers...........341

Duolair-eend..........328

Duiven, Wilde.........20

DuivonhoendorH.........21

Duivenkleuron.........36

Duizeligbeid..........84

Dysenterie...........82

Edlertümmlor..........21T

Eendenkroos . .........328

Egyptian Oooso.........399

Eiergrootto...........53

Eikebast....... .... 82

Elster............113

Einden Oüoho.........379

Engelscb zout.........81

Entengans...........399

Entenscliwan..........407

Enteritis...........82

Erlaners...........226

Exhibition Antwerps.......267

Eye-wattles..........295

Falcated Duck.........359

Fancy pigeons.........291

Fantnil............172

Karauds............290

Farbonbriister.........113

Filled up Fluiteend Fluweeleend Flying pigeons Forelduif Feulfliglited Foultbighed Frappours Fuolisonte Fuclisgans I Fuligula ferina „ rulina

Gadwall j Gall'olstaart i {lander . . I Uauseln Oilnsericli Oansert. ! Oiorhakken Glauberzout I Oluck-ente Glycerine . . Oond leeuwerik Ooudoogjc. . Goura ....

Gout.....

Qraugans Grny-duck Gresse-gorge Orousse inuil'ed

Haartaube llaH'-aud-lialf bird Halskraag Halstookening llalvo-oendvogel llamorslag. . . Handkerchiel'bacl' Harlekijn Haubon-ente llaus-ente . . Helm .... Helmet .... HoUche steen Herbs t-ente


ocr page 428

4'

Blndz.

High-cut...........114

lliickergnus..........392

Höckorsoliwau.........JOii

Hoed.............9

Holl. ekster ..........115

Holvleugel...........87

Homing pigeon.........200

Horsemnn.....• . . , 284, 2!)0

Hühnersohwnnz.......!72, 180

Hulmschocke..........183

Huis-eond...........335

Hungarian tumbler.......22(i

Hutcliins Goose.........390

Ijzervitriool..........82

Indianer...........278

Indian runner.........349

Insectenpoeder.........80

Isabel-pouter..........248

Italiaansche gans........384

Jack...........13!), 143

Jacobin .........139, 143

Jalappo......... 80, 255

Japanese Teal.........359

Jar.............379

Jerusalem, Pigeon de.......257

Jew-wattles..........5

Jicht.............78

Jodol'orm...........78

Kaiser-onte..........335

Kalmus............82

Kap.............9

Kaputzontaube.........137

Kasarka-ente..........363

Ketting........................9

Kites.............221

KlassHic.atie.........4 19

Klatschtaube........ 208, 245

Klostergans..........397

Kniick-ento..........300

Koohakkig.........8, 234

Koenekraan..........374

Koliien-ente....... . . . 309

Komijnzaad..........82

Blaiiz.

Koolloeuwerik.........90

Kopervitriool..........229

Kopteekening..........14

Koudevatting..........74

Kousen............11

Krick-ente...........300

Krik.............300

Kroos............328

Kummel...........193

Laced-l'antuil........ . .178

Land-onte...........335

Langhals...........305

Lapis inl'ernalis....... 70, 227

Lasurtaube..........90

Lauf-ente...........349

I.awn-sleeved..........237

Leghorn runt..........182

Lembergers..........220

Lemna............328

Letter carrier.........291

Letz pigeon..........130

Levertraan.........80, 255

Liï'ge, Pigeon de —.......204

Lynolie............82

Lynzaad...........81

Lintworm...........85

Lockengans..........391

Loekentaube..........109

Löfï'ol-ente..........300

Low-cut...........114

Lowtans.........199, 319

Luchstaube..........92

Luchtbuiscatarrh........77

Luxemburgers.........97

Lynx-duif...........92

Maan............8

Maanzandblauwe duif.......88

Magplo..........113, 245

Miihnontaube..........134

Mallard............323

Maltese............180

Mandarin Duck, — Elite......350

Marecea penelope........305

Miirz-ente...........323

Miirz-gans,..........374


ocr page 429

421

Bladz.

MüuHertaube..........10!)

MonlioH.......■ . . . . 328

Megapelia...........321

Mehltaubo...........!I6

Mokka-taubo..........258

3[oBsagoi'...........2B4

Messengers..........2(i0

Metopiana...........304

Myt.............85

Jlinnon............223

31000110801'...........18()

Molireck...........225

Mondain......... 271, 273

Mondtaube. ...........102

Monteneur..........185

Moorboad, — kop......110, 134

Mopsgans...........397

Moravisobe bagdot........284

Morettol . . . . .......225

Moscbus-cnto..........347

Mottles.......... 133, 220

Moulter pigoon.........109

Möventaubc..........144

Musc.............347

Muscovy Duck.........347

Jluto Swan..........403

Nostbokken.........65, 67

Nestpannon..........07

Nouroiiborger leeuwerik......96

„ zwaluw.......118

Nicobar pigeon.........139

Nile Oooso..........399

Nilgans............399

Nitras argonti....... 76, 227

Nomenclatuur........4—18

Nonnain............137

Nonnen-onto..........300

Nonnongans..........397

Non, Gekapte —•........137

Nordgans...........390

Oio bornacbo..........390

„ caronculóe.........391

„ cravant..........397

d'Embdon.........379

Bladz.

Ole do Guinee................391

„ d'Egypto..........399

„ du Canada.........393

„ du Danube.........391

„ Sobastopol.........391

„ do Toulouse.........380

„ do Hutcbin.........396

„ domostiquo.........37'.)

„ ii cou roux.........397

, frisóe...........391

„ rieuse...........399

„ sauvago..........374

Oogon............ii

Ooievaarduif..........105

Oosteondon..........324

Opiumpillen..........82

Oriental lïillod pigoon . . . . 148, 150

Orientalisobo inoeuwtjos......157

roller.......205

Ovorgorging..........254

Overslagor..........107

Owls.............148

I'aapduii'...........107

Pagadette...........291

Pagdotto...........291

Palumbus...........23

Parelduif...........97

Poak-crest...........8

Fog-wattlos..........5

Popermunttboe.........83

Porriickentaube.........139

Pl'auonscbwanz.........172

Pfautaube...........172

Pfeif-onto...........365

l'io contraire..........110

„ barnacbó..........116

Piiaps lopliotcs.........320

Pblogoenas..........318

Pigoon bagdais.........291

„ cavalier....... 284, 290

„ culbutant......197, 199

„ bongrois.........183

„ paon..........172

„ poignardé........318

„ polonais.........278


ocr page 430

422

Bladz.

Bladz.

Pigeon Hoio.....

.....178

„ tournant . . .

.....208

Rouwduil'......

I'igmy-poutor . , . .

.....9

Pilot........

. 182, 271, 275

I'illcn.......

Piuch-eyed......

.....285

Saddle-back.....

.....177

Pinions marking . . .

.....237

Salicylzuur......

. . . . 75, 78

Pintail.......

Sarcelle ii I'aucilles. . .

.....350

„ d'été ....

Pooliarcl......

. . . . 370

„ d'hivor ....

.....306

Pokkon.......

.... 317

Satinetten......

. . . 158, 101

Polish tumblor ....

.....214

Ponlo maltais ....

. . . .180

Schelpkuif. ....

.....9

Pragor Tiimmlor . .

.....227

Schiere. Sohierling. . .

.....374

Puntkuif......

Schildduif......

.....120

Schildmeouwtjos. . . .

Quorqnodnla carolineusis

.....350

Schopt'-onto.....

.....235

„ formosa . .

.....359

Schmalzl'ee.....

.....118

Scbnatter-ente ....

.....309

Raapolio......

.....8(i

Scbnoblaken.....

Rod billed Tree ducik

.... 300

Schoorsteenveger . . .

.....203

,, breasted (ioose .

.... 3!)7

Schwalbentaubo ....

.....110

„ crested quot;Whistling .

Schwarzer Schwan . .

.....407

„ headed Wigcon .

.....370

Schwarzhalsiger Schwan.

. . . , . 400

lleinaugo......

.... 225

Ricinusolio.....

22')

Uioinuscapsulo ....

.... 255

Soidentaubo.....

.....170

Kingsehliiger.....

.... 208

Scnobladen.....

.....81

Kijsselscbe Kroii^or

. , . .2-11

.....172

UingolgaiiB.....

.... 3!)7

Sholcrest......

.....9

Sheldrake......

. . 301, :«i3

UollorH.......

107, 11)8, 205

Slierajeo-duil'.....

.....123

llool'dloren.....

Shieldpigeon.....

.....120

iviimiui runt.....

.....275

Shoveller......

.....867

Römor Taube ....

Showduiven.....

.....267

Rose-trill......

... 9, 145

Siberische ijsduit' . . .

.....97

Rose pinion.....

225, 234, 237

Sil'Heur liupix'.....

.....369

Silezisclio zwaluw .

.....110

Silveretten......

.....162

Rotsohnabol-onte . . .

.... 31)4

Singschwan.....

.....404

Rough-limb.....

.... 240

Smaragd-ente.....

.....340

ocr page 431

Bladz.

Bladz.

Smitor........

.... 208

Trembleur.......

.... 172

Triganieri.......

. . . .180

öimvülroos.......

.... 9

Trommeltaube.....

.... 128

Snippen........

. ... 14

Trumpeter.......

. . . .128

Snipzwuluw......

. . . . 11C

Trumpeter Swan ....

.... 404

Sokkon ........

.... 11

Tumbler.......

.... 172

Spntulu clypoata . . .

.... ilü7

. . 144, 150

Turkey pigeon .....

.... 283

Spiritus.......

Splanh........

. . 200, 222

„ Tan be ....

. . 278, 283

Sports.......

.... 282

Tyroler ekster.....

. . . .115

Stünkodo ......

.... 203

.... 148

Starling.......

Stippor.......

.... 203

IJngar. Ti'nnmler ....

.... 220

Ural-jjsduif......

.... 97

Storclitauho.....

.... 105

Valinger.......

Struisraadslioor ....

.... 143

Vangkooi.......

.... 05

Strupptaubo.....

. . . .I(i8

Vaseline.......

.... 78

Vocrtookening.....

. . .13. 37

Sublimaat......

Veiliglieidsdeur.....

.... 09

Sultauinon. ....

.... 280

Voldduir.......

Vorkoln'tflilgel.....

. .110, 245

Verstopping......

.... 80

Swallow......

. . . .111!

.... 84

Victoria-duil'......

.... 91

Vinktoekening.....

, ... 101

Vizormeciiwtjo.....

. 101

Vleugelharnas.....

.... 79

Vleugelteokening ....

.... 15

Tambours......

.....128

Vleugelvoeten ....

.... 90

Tannine.......

.... 74

Vleugelziokte.....

. . 78, 318

Toerwatordamp ...

.....74

Voederbakken.....

Voeder dor Voldduiven .

.... 40

Torminolotfio.....

.....4

Voedsters.......

.... 223

Thin-loggod.....

.... 240

Voetbevedering.....

.... 11

Tippler.......

. . . .11)8

.... 228

Tomblaire......

... .200

Voyageurs.......

.... 200

Waaier-eend......

. . . . 350

Transportkisten.....

. . . 70 72

Waard........

.... 325

Travellers......

Walnotenbladen.....

.... 75

ocr page 432

424

ftlmlz.

Bladz.

quot;Wamduif.......

.... 320

Wiro-loffpod ....

.....248

. . . . 256

Witgat . . '. ...

..... 374

. . . . 328

Woerd......

.....325

AVoiHuauKonfjaiiH.....

.... 397

Wolltaubo.....

.....168

.... 325

Wonderolie ....

. . 80, 81, 85

Wormen.....

.....85

Whovoi'.......

.... 865

Wouwen.....

.....221

.... 153

quot;Wliistlint?.......

.... 404

Zadolrup.....

.....177

AYhistling Swan.....

.... 407

Zalnner Schwan. . .

.....403

Zovenblad.....

.....82

Zijde duit'.....

.....170

Zijde pauwrttaart . .

.....178

Wildblauwo duit . . , .

.... 88

Zoutzuur.....

.....83

Wild Duck......

.... 323

Zwabischc duif . . .

.....100

„ ÜOOrtO......

. . 374, 404

Zworg-onto ....

.....351

Zwerg-scliwan . . .

.....405

Zwitsersche duif'. . .

.....102

ocr page 433
ocr page 434
ocr page 435
ocr page 436

.■f. w^.'

' • lt; •

;• t

* ^ •

, -»sgt;

* %.

'■; ■*#*gt;*fx lr. . ' ■

t- ^ • \,„ a I4 w ,rA •

.( A ^ N.^ T*V i

-.;. V ^ ,Xgt; -. ; ^

' ■ v i k..;^: ' quot;44.

k 'V

w «■ ■

r

gt; s

., rw.v^ t

• . . V'r. .^iv' •;-*A gt; v/quot;

,■.-* ^ • '. ^■'ïf''-., 4,4, . ' r* r ...,.; 1 lt; «.

; -'- .lt;quot;«? ■ gt;■ .% ■

'A

.Sf

I. .lt; ♦ -

V - .-quot;%■ f ' '

• I *- ■ ■■■■ ■ ■•quot;• gt; * ^ •gt; ■ -' •■. --i -/ - v.r ■ - ..

gt;gt;

4 ■ -

• -IV .

:* V4'V ■'■ '-quot;f .

• fe'. gt; ■■

f ^ gt;'! 'X.

' iquot; v--. .lt; - ^

., ^ V; -

A- -v/*'quot; '

« f -Tv' -r- r-«.

• xquot;-v X

- ^ ■ r t:f7

f-

•■ • v : ' ^

■v ■ ' -*/ ■ .

^ / •* J . V i?

t, 4lt;ï:

t ■

1 '' gt; •

X 4 ^

P

i i

^ ^ ^ I

ïfri

quot; ' J fi - : * * : . • gt;T

EL - . f

m

quot; r

fry : 'ï', ' i

; / . ^ v

■■:J.v /■' gt; '■ ' . ■ \ , V

gt; x •-;.; ■'

i : 't' : . gt; „ ,■lt;-•*( ' i- T-V-r

• ■» ' 4 t gt;

■. „rf: ^ V *

-.-..„^•V V^- Jv ,

\ s, *j ... quot;. quot; k. V % ••—.

-:^si quot;gt;gt;,■ %

:Jamp; 'k ■ gt; A s

wt -.fquot;' • •^.tr--gt;lt;: ij ■ **gt;■!

w**quot; T

^ -i

rj/-quot;1 V ■ lt; 1 gt; v quot; « '.: ■ ■ s

. i lt; r *, *? f *amp;i?X^

r:r-

■' * . ■ quot; gt; % * i gt; v ' A , •gt; ^

v-i. .. ,quot;4—------------Ja ..lt;». ■——fc v ■,,! -igt;.'Jrr —gt;-^

I»'

.. v ^

quot; . •# 4t ^

/ ï - ,. '-k •;. ' , fquot; ' lè

^ v

.*■ quot; ^ *. X

lt;*' r^gt; J

\4'■• % ■quot;? . v r -f S. • J