ocr page 1
ocr page 2

-

-

-

.

.

C-ViV. , v. ,

.

■

-

;Vgt;- ■ quot; , ; .•

■■■■■' ■!:

ocr page 3
ocr page 4

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

3088 871 7

ocr page 5

,5tait6aax*6

cRott«-s3a in,

NU an amp; VAN DTTMAR

DÏP.-RIJPSTRi BRiKLLü

. A/. /

BIBLIOTHEEK DIERGENEESKUNDE UTRECHT

i

ocr page 6

n

.. ^ ^ ■. ' lt; ■- ■ ^ ' ■

— -....... -

......

gt; ■ -■' - - quot;jgaett

■ ■

I!-: /«^«SkifeaSës: .;,: ?r?.^ ■ ■ ' ■ •; ■- ■ .w.n-

amp;amp;:* -* quot;. .,......*? .................. -...Viamp;vV

I

..■•■■• .......................

.•■•''■■■ 'quot;' quot;quot;' quot; ■ ' . ■ ■ i I 11 I - v^- • ; -,yf j|4

3 *■■;.. ■ ■■

l. '

., , .■.•,' . ..■ .• gt; ■■•• ' ' ^ ' ' ' ■-■ -■■■ ' 1 , ...; ... ................ ..... - .....

WE' quot;':gt;;'H' -•'• .-■'■ '^é ........ ■■■•■■ ■ ' • ■'

■

.

» ■ ■

■ ■

■J- ::;:

■ , ■• ■■ ■

..... ■

, . ....

gt;ia3ttóSè - -

ocr page 7

VOORBERICHT.

Toen voor ongeveer vijf jaren, na den val van „Ornisquot;, de nieuwe Vereeniginy „Avicidturaquot; werd gesticht, bleek reeds spoedig dat het noodig teas, voor de heoordeeling op tentoonstellingen een vasten leiddraad te hellen, die zooveel mogelijk de eischen aangaf, waaraan ras-hoenders luidden te voldoen, wilden zij voor bekroning in aanmerking komen.

Wel hadden wij het verdienstelijk werk van den Nestor der hoender-specialiteiten, den heer Maitland, aan wiens keurige verhandeling voorzeker ieder nog nu de eer zal geven die het verdient, ntaar de eischen zijn sedert de uitgave daarvan in zoovele opzichten veranderd en gewijzigd, dat althans het standaard-gedeelte niet meer voldoen kon aan wat tegenwoordig verlangd wordt.

Het is daarom, dat ondergeteekende het gewaagd heeft, aan de hand vooral van Engelsthe specialiteiten, een nieuwen standaard voor hoenders (van de meest in zwang zijnde rassen) te heiverken.

In het Weelcklad De Vogelwereld ktuam deze bewerking voor, en de schrijver heeft gebruik gemaakt van de naar aanleiding daarvan tot hem gerichte op- en aanmerkingen, om te trachten, de beschrijving der hier behandelde hoender-rassen zooveel mogelijk te doen beantwoorden aan de eischen, die daarvoor ook in het buitenland tegenwoordig worden gesteld.

Vertrouwende, daarmee iets te hebben bijgedragen tot het vestigen ran eene meer gelijkmatige beoordeeling en daardoor tot bevordering van den lust tot het aanfokken van rashoenders, wordt dit -werkje in de welwillende aandacht aanbevolen.

11. COE W Ï.

Molenaarsgraaf 1892.

ocr page 8
ocr page 9

TERMINOLOGIE.

9. Zadel-sierveêren.

10. Sikkelveèren.

11. Staart-dekveören.

12. Staartponnen.

13. Schouder (kleine schouder-dek veeren).

14. Groote schouder-dek-veêren.

1. Kam.

2. Wangen.

3. Kinlollen.

4. Oorlellen.

5. Hala-sierveóren.

6. Borat.

7. Rug.

8. Zadel.

15. Kleine slagpennen, 10. Vleugel-uiteind.

17. Groote slagpennen.

18. Djj.

19. Knieschijf.

20. Schenkel.

21. Spoor.

22. Teenen.

Duidelijkheidshalve geven wij bovenstaande afbeelding van een haan, met daaronder gevoegde nomenclatuur dor

lichaarusdeelen, zooals die in onze beschrijving zullen voorkomen, en waarheen de cijfers verwijzen.


ocr page 10

2

DE COCHINCHINA'S.

Van de Cochin's komeu vijt variëteiten voor, nl. de gele, patrijskleurige, koekoeks-veêren, witte en zwarte.

De gele, patrijskleurige en witte worden 't meest aangetroffen; de koe-koeksveêren en zwarte zijn zeldzaam en laten dan nog, vooral wat flinkheid en

algemeene lichaamsontwikkeling betreft, voel te wenschen over.

üe Cochin's moeten in 't algemeen zijn kloek en sterk van bouw, met breede, goed voorkomende borst, ruime broek, en zeer zwaar bevederde beenen. In Engeland wordt meer gelet op


ocr page 11

forscli en symmetrisch voorkomea, dan op buitengewoon groote exemplaren, en vooral wanneer deze daarbij hoog op de beenen zijn, worden zij daar iichtergesteld bij kleinere, maar sterke, goed geproportioneerde dieren.

Aigemeene vereischteu bij al de variëteiten zijn:

Haan:

Bek. —• Kort met flinke, sterke basis, spits toeloopende naar de punt en een weinig gebogen.

Kam. — Kukel, niet groot, fijn, rechtopstaand, regelmatig getand, zonder uitwassen.

Kop. — Niet te groot (bij andere, kleinere rassen vergeleken eorder klein). Oogeu. — Helder, sprekend.

Oorlellen. — Groed ontwikkeld, helder rood, bijna op de kinlel neerhangend. Kinlellen. — Vrij lang, helderrood, lijn

en van onderen goed afgerond. Wangen. — Glad, helder rood en fijn. Hals. — Kort, sierlijk gebogen, meer voor- dan achterwaarts gedragen en rijkelijk voorzien van lange, smalle sierveóren, die tot op den rug neerhangen.

Borst. — Sterk ontwikkeld, broed, vol en rond.

Rug. — Kort en breed, naar den staart oploopend, met flink zadel, ruim voorzien van glanzige zadelveêren. Vleugels. — Klein, de groote slagpennen schier onder do kleine verscholen, dicht aan het lijf gedragen, de uit-eiudeu als verborgen onder do zadel-voeren.

Staart. — Klein en vol, zonder sikkel-veêren, van don rug af met hot zadel eene sierlijke welving vormende. Staart-dekveêren. — Donzig en overvloedig, sierlijk gebogen.

Dijon. — Kort, dik. Hink uit elkaar staande, ruim bedekt mot zachte voeren, die als 't ware een ruime broek vormen.

Dijbeen. — Geheel bedekt onder zachte veêren, geel.

Hakken. — Rondom bedekt mot zachte veêren, die goed naar buiten staan, giorhakken, hoewel niet te verkiezen, worden niet ais „foutquot; aangemerkt.

Beenen (schenkels). — Geel, kort, dik en sterk bevederd, de veêren moeten flink van de beenen uitstaan.

Houding en voorkomen. — Forsch en zwaar, goed afgerond, tier.

H e n :

Bek: — Kort, sterk, spits toeloopend en een weinig gebogen.

Kam. — Klein, enkel, rechtopstaand, fijn, zonder zij- of uitwassen.

Kop. — Klein en sierlijk.

Gogen. - Vol uitdrukking, helder.

Oorlellen. — Flink ontwikkeld, helder rood.

Kinlellen. — Klein en afgerond.

Wangen. —- Glad, rood en fijn van weefsel.

Hals. — Kort, min of meer naar voren gedragen, sterk bedekt met zachte sierveêren, dio tot op den rug reiken.

Borst. —• Breed, vol en rond.

Rug. — Kort en breed, eerst oploopende als 't ware in een dik kussen en daarna naar den staart afioopend.

Vleugels. — Klein en met do uiteinden als onder het rugkussen verborgen.

Staart. — Kort en schier door het rug-kussen bedekt.

Staart-dekveêren. — Overvloedig en douzig.

Dijen. — Kort en sterk, flink uit elkaar staand, overvloedig met zachte veêren bedekt.

Hakken. — Rondom flink bevederd. Gier-hakken niet te verkiezen, maar even-min eene fout.

Beenen. — Kort, dik, geel, sterk bevederd.

Teenen. — Sterk en recht, de middelste en buitenste sterk bevederd.

Houding en voorkomen. — Forsch en zwaar, houding en gang rustig, de~ kop meer voor- dan achterwaarts gedragen, het voorlijf afbellend, het rug-kussen oploopend.


ocr page 12

De Gele Cochin's.

Deze wordou onderscheiden in lichten donker-gele. („Bulïquot; on „Lemen.quot;)

H a a n ;

Kam, kinlellen, wangen. — Hoog-rood. Oorlellen. — Hoog-rood, zonder sporen

van wit.

Bek. — Zuiver geel.

Oog. — Oranje- of parelkleur (het eerste

verdient de voorkeur).

Gevederte. — Geel, 't zij donker of licht, maar gelijkmatig; de vleugels zonder zwart of wit; roode schouders af te keuren; de staart zonder witte, eu zoo weinig mogelijk zwarte veêren.

Been en. — Hoog-geel.

11 e n :

Geheel als bij den haan.

Patrijskleurige.

Haan:

Kam, wangen, oor- en kinlellen. — Hoogrood.

Bok. — Geel, in hoornklenr overgaande.

Kop. — Donker-rood of oranje.

Oog. — Oranje- of parelkleur (eerste te verkiezen).

Halssierveêren. — Oranje-rood, iedei'e veer in het midden een glanzend zwarte streep.

Rug- en schouder veêren. — Schitterend rood.

Groote en kleine schouder-dekveêren. — Metaal-zwart.

Groote slagpennen. — Kastanjebruin en zwart (buiten- en binnenzijde).

Kleine slagpennen. — Vóór kastanjebruin, verder zwart.

Zadel veêren. — Donker goudkleur tot oranjerood; iedere veer met zwarte middenstreep.

Bor st. — Glanzend zwart zonder spoor van wit.

Onderlijf en dijen. — Zwart.

Staart. — Glanzend metaal-zwart.

Hen:

Kam, wangen, oor- en kinlellen. — Eoog-rood.

Bek. — Geel, tot hoornklenr overgaande.

Kop. — Lichtbruin of geel, fijn gepeld.

Oog. — Oranje- of parelkleur, (het eerste verdient de voorkeur).

Hals. — Goudgeel, iedere veêr met groenzwarte middenstreep.

Overig gevederte. — Lichtbruin, iedere veêr duidelijk afgeteekend met donkerder schaduw, gelijkmatig over het geheele lijf.

Beonen. — Hoog-geel.

De Witte.

Sneeuw-wit gevederte; verder in alle opzichten als de andere.

Bleeke beenen bij oude dieren eene fout, doch geen teeken van niet-raszuiver.

De Zwarte.

Koolzwart. Oogen rood of zwart. Liefst gele beenen, hoewel zeer vele raszuivere dieren worden aangetroffen met brons-achtige beenen.

De Koekoeksveêren.

Haan en Hen:

Kam, wangen, oor- en kinlellen. — Rood.

Bek. — Geel, soms met zwarte vlekjes.

Oogen. — Rood.

Gevederte. — Licht blanw-achtig, grijze grond, iedere veêr omzet met donkerder blau w-grijze randen. Deze teekening moet over het geheele lijf gelijkmatig zijn.

Beenen. — Lichtgeel.

Beoordceling hij Gochins:

Volmaakte vogels — 100 punten, wor den afgetrokken voor:


ocr page 13

5

Wankleurig (bij patrijskl. en koe-koeksveêren onzuivere teekening 20

Onvoldoende ontwikkeling ..................15

Leelijke kop en kam....................................10

Uithangende vleugels....................................5

Gemis van rugkussen....................................5

Te hoog op de beenen..............................-5

Onvoldoend bevederde beenen............10

Idem voorkomen..............................15

Onfrissche toestand ....................................15

100

Onverschoonbare fouten zijn : Wanstaltigheid; andere kleuren van beenen dan geel, kale beenen en valsche veêren.

DE BRAHMA POOTRA'S.

Deze worden onderscheiden in 2 variëteiten, als de „donkerequot; en „lichte.quot;

Eene witte variëteit is nu en dan gepresenteerd, maar het was te zien, vooral aan den kam, dat die door inbrenging van Cochin-bloed werd verkregen.

De algeraeene kenteekenen zijn bij don

11 a a n :

Bek. — Kort, gebogen, zeer sterk. Kam. — Drie-rijig, recht-opstaand, stevig, zoo klein mogelijk, de midden-rij iets boven de buitenste uitstekend; alle drie rijen zuiver recht en gelijkmatig gepunt, voor en achter in elkaar loopend, de gebogen vorm van den kop volgend en daarop goed passend. Kop. — Klein, gedrongen, goed afgerond en eenigszins boven de oogen uitgewassen.

Oogen. — Groot, goed voorkomend. Oorlellen. — Lang, vooral in verhouding

van de kinlellen, naakt en fijn. Kinlellen. — Klein, goed afgerond, fijn,

glad en kaal.

Wangen. — Zoo glad en knal mogelijk. Hals. — Lang, flink en sierlijk gebogen, ruim bedekt met op de schouders

neerhangende sierveêren, vrij van in elkaar gedraaide veêren; de afscheiding van den kop en de halsveêren moet in 't oogloopend zijn.

Borst. — Zeer vol, breed en forscli, goed vooruit gedragen.

Rug. — Overal flink breed, kort, min of meer hol tusschen de schouders, zadel opwaarts gaande, van achter de dijen tot aan de staart-dekveêren.

Vleugels. — Middelmatig groot, horizontaal gedragen, zonder in elkaar gegroeide of uithangende veêren. met do uiteinden als onder de zadel-veêren opgenomen.

Staart. — Middel-lang, van af het zadel (niet te steil) oploopend, do middelste staartpennen waaiers-gewijze uitgespreid.

Staart-dekveêren. — Vol, goed gebogen en de staartpennen schier bedekkende.

Dijen. — Groot en sterk ontwikkeld, vol met veêren bezet, do onderste borstveêren do voorzij der dijen bedekkend.

Hakken. — Vol bezet met afgeronde veêren. Ouk penveêren is goed, mits de pooten verder naar evenredigheid ook zwaarder bevederd zijn.

Dons. — De achterdeelen zeer dik onder zacht dons verborgen.

Beenen (schenkels). — Middel-lang, krachtig en sterk, betrekkelijk wijd uit elkaar staand, de zoogenaamde schubben zoo effen eu glad mogelijk.

Beenveêren. — Zoo kwistig mogelijk, flink nan de beenen uitataand. Sterk-bevedering en liefst zonder gierhak-ken, (deze laatste geen fout).

Teenen. — Recht, groot en wijd uit elkaar staand.

Houding en voorkomen. — Van terzijde gezien vol en forscli, van voren gezien breed en gedrongen, statig, fier, met recht borstbeen.

Hon:*

Bek, — Kort, sterk, gebogen.

Kam. — Als bij den haan eu zoo klein mogelijk.


ocr page 14

6

Kop. _ Klein, kort, goed afgerond, voor

de oogen uitgegroeid.

Oogen. — Groot, goed voorkomend.

kop- en halsveêren moet in 't oog

loopend zijn.

— Zeer vol, breed en torsclu

Eul', — Breed, kort, vlak of mm of meer hol tusschen de schouders; het zadelkussen oploopend, van achter de dijen tot aan de staart-dekveêren.

XT* J. ______llOVl»

i W - N»1 ^ (quot;,iddel)' quot;0,,u


ocr page 15

zontaal gedragen met do uiteinden als onder de zadelveêren opgenomen.

Staart. — Middel-groot, bijna steil opstaand. en uitgespreide staartpennen als een waaier.

Staart-dekveêren. — Vol tot bijna aan't uiteinde van den staart.

Dijen, — Groot en stevig, flink gedekt met veêren, zoo dat de onderste borst-veêren de voorste dijveoren als bedekken.

Hakken. — Vol, zacht, afgeronde veêren (ook penveêren is goed, mits de poo-ten verder naar evenredigheid ook zwaarder bevederd zijn).

Dons. — Zacht en in overvloed vooral de achterdeelen dekkend.

Beenveêren. — Zoo kwistig mogelijk, van af de hakveêren tot het uiteinde der middelste en buitenste teencn. Flinke bevedering zonder gierhakken (hoewel deze geen bepaalde fout zijn) heeft de voorkeur.

Teenen. — Recht, groot en goed uitgespreid.

Houding en voorkomen. — Van terzijde gezien vol en forsch, het lichaam naaiden grond dragend ; van voren : forsch en gedrongen. Rustig, kalm, met goed recht borstbeen.

De donkere Brahma's.

Haan:

Kam, wangen, oor- en kinlellen. — Hoogrood.

Kop. — Zilverachtig wit of wit gestreept met zwart of grijs.

Oogen. — Oranjegeel, parelkleur of grijs.

Bek. — Zwart of geel met zwart.

Hala-sierveêren. — Zilverachtig wit, sprekend zwart gestreept over de lengte-as van iedere veer.

Borst. — Liefst koolzwart of met witte vlekjes, maar niet veel.

Onderlijf, dijen on donsveêren. — In overeenstemming met de borst.

Schouder en achterste dekveoren. — Zilverachtig wit, uitgezonderd tusschen de schouders, waar de veêren koolzwart moeten zijn met wit omzet.

Zadel veêren. — Zilverachtig wit, scherp afgeteekende koolzwarte streepen.

Vleugels (schouders en sch oud er-dek veê-veeren). — Zilverachtig wit, groote en kleine vleugel-dekveêren, een dui-delijt e afscheiding van glanzend zwart toonende, groote slagpennen, zwart met enkele veêren aan de buitenzijde voorzien van witte oogen. Kleine slagpennen, eindigende in witte punt (15) met zwart vleugeluiteinde (10).

Staart. —• Zwart.

Staart-dekveêren. — Glanzend zwart, de twee hoofd veêren met fijne witte streep afgezet.

Beenen. — Oranjegeel.

Beenveêren. — Zwart of zwart met een (weinig) wit.

Hen:

Kam, wangen, oor- en kinlellen, — Hoog rood.

Kop, oogen en bek. — Als bij den haan.

Hals-sierveeren. — Zilverwit, spr kend zwart gestreept of gepeld als op het lijf.

Staart. — Zwart of zwart met grijze oogen.

Verdere hoofdkleur. — Jonge dieren iedere tint van licht-grijs. Bij jarige hennen als boven; het grijs mag een bruinachtige tint hebben, zonder bepaald bruin te zijn; grijs is echter te verkiezen met zwart of donkerder.

Beenen. — Oranje-geel, do veêren (goed gepeld) grijs, zoo sprekend en gelijkmatig mogelijk geteekend (gepeld). Veêren (goed gepeld).

De lichte Brahma's.

H a a n:

Kam, wangen, oor- en kinlellen.— Hoogrood.

Kop. — Zilverachtig wit.

Oogen. — Oranje of parelgrijs.


ocr page 16

Bek. — Zwart of geel en zwart.

Hals. — Wit met zwart gestreept, een bonten halskraag vormende, vau boven naar beneden regelmatig zwarter wordende, zonder daarom geheel zwart te zijn, maar altijd zwart en wit gestreept.

Borst. — Wit.

Onderlijf. — Helder wit; het dons aan de achterdeelen mag grijs zijn.

Dijen. — Wit.

Rug- en schouderdekveêren. — Wit.

Zadel. — Wit of wit met zeer weinig zwart gestreept (wit verkieslijk).

Vleugels. — Wit, met zwarte groote slagpennen, en kleine slagpennen half zwart half wit.

Staart. — Zwart.

Staart-dekveêren. — Glanzend zwart, de twee bovenste mot zwarte randjes gelijkmatig omzet.

Beenen. — Oranjegeel met wit of zwart en wit bevederd.

Hen;

Kam, wangen, oor- en kinlellen. — Hoog rood.

Kop, oogen en bek.— Als bij den haan.

Hals. — Als bij den haan, de zwarte middenstreep van elke veer moet heel door een witten zoom omgeven zijn.

Borst. — Wit.

Rug. — Zuiver wit.

Vleugels. — Wit met zwarte groote slagpennen, en half zwart, half wit kleine slagpennen.

Staart. — Zwart.

Staart-dekveêren. —- Zwart met wit.

Dijen. — Zuiver wit.

Dons. — Boven wit, maar op het lijf grauwachtig.

Beenen. — Oranjegeel, wit of zwart met wit bevederd.

Beoordeeliiuj hij Brahma's.

Volmaakte vogels = 100 punten, worden afgetrokken voor ;

(bij donkeren) Haan.

Leelijke kop ............................................................3

Idem kam ..................................................................6

Onvoldoende sierveêren ..............................4

Idem zadel..................................................................5

Idem dons ..................................................................4

Idem been-bevedering....................................6

Idem staart ............................................................3

Witte veêren in den staart........................5

Neerhangende slagpennen ........................6

Bleeke pooten ....................................................3

Kromme teenen......................................................3

Witte plekken aan de borst ..................7

Onzuiver (geel) wit ..........................................8

Onvoldoend gestreepte sierveêren... 5

Andere klenr-gebraken ..............................6

Onvoldoende ontwikkeling (grootte) 10

Gebreken in bouw en voorkomen ... 10

Onfrisscbe toestand ..........................................6

100

Onverschoonbare foutun zijn:

bij den Haan;

Andere dan drie-rijïge kam; naakte beenen, wanstaltigheid van welken aard ook, witte of vleeschkleurige pooten , veel roode of gele veêren, veel witte staart-veêren.

Hen:

Leelijke kop ............................................................4

„ kam ............................................................4

Onvoldoende sierveêren ..............................4

Onvoldoend zadel (kussen)........................6

ld. dons ................................................4

ld. been-bevedering ..................7

ld. of leelijke staart..................3

Bleeke pooten ......................................................2

Kromme teenen......................................................3

Wit in de oorlellen........................................4

Niet gepelde maar gestreepte borst 6

Onzuivere grondkleur ..............................8

Witte been-veêren ..........................................3

Ongelijkmatige teekening ........................12

Andere kleur-gebreken ..............................5

Onvoldoende ontwikkeling (grootte) 10

Gebreken in bouw en voorkomen,.. 10

Onfrissche toestand ..........................................5


ocr page 17

9

Onverschoonbare fouten zijn:

bij de Hen:

Andore dan drie-rijige kam, naakte beenen, wanstaltigheid, witte pooten, totaal gemis van ^gepeldquot;, bruine of roede vlekken.

Lichte. — Haan.

Numerieke waarde der punten; (totaal

100) aftrekken voor :

Leelijke kop ..........................................3

ld. kam ............................................................6

Onvoldoende sierveêren....................................4

ld. zadel (kussen)........................5

ld. dons ................................................4

ld. beenbevedering ..................6

ld. of leelijke staart..................3

Witte vlekken in den staart ..................5

Onregelmatig groote slagpennen............6

Lichte (bleeke) beenen ....................................2

Kromme teeuen ....................................................3

Wit in de oorlellen ..........................................2

Zwart in de borst ................................................4

ld. in het dons............................................3

Onzuiver witte (grauwe) grondkleur.. 8 Niet of onvoldoend gestreepte sierveêren ........................................................................5

Gestreepte zadelveêren .....................2

Andere kleur-fouten ..........................................4

Onvoldoende grootte ..........................................10

Gebreken in bouw en voorkomen ... 10

Onfrissche toestand ........................................5

Onverschoonbare fouten zijn:

bij den Haan:

Andere dan drie-rijïge kam, verwarde sierveeren , mismaaktheid of wanstaltigheid , naakte of witte beenen, gele vee-ren, veel te onvoldoende grootte.

Bij de Hen:

Leelijke kop..............................................................4

ld. kam ............................................................4

Onvoldoende sierveêren....................................4

Onvoldoende zadel (kussen)........................(i

„ dons ..............................................4

„ been-bevedering ..................7

„ of leelijke staart..................3

Lichte (bleeke) beenen ....................................2

Kromme teenen ......................................................3

Wit in de oorlellen................................................2

Niet zuiver witte sierveeren........................10

Zwarte vlekken ......................................................10

Onzuiver witte (grauwe) grondkleur 10

Andere kleur-gebreken ....................................6

Onvoldoende grootte ..........................................10

Gebreken in bouw en voorkomen ... 10

Onfrissche toestand .....................................5

Onverschoonbare fouten zijn :

Andere dan drie-rijïge kam, verwarde sierveeren, naakte beenen, mismaaktheid of wanstaltigheid , witte beenen, gele veêren , onvoldoende grootte.

Bij witte Brahma's zullen de punten en algemeenen eigenschappen dezelfde zijn als beschreven, alleen met uitzondering van de kleur, die zuiver wit moot zijn.

PLYMOUTH ROCKS.

Ouder de vele verschillende hoenderrassen is er zeker geen dat de Plymouth Book's zoowel om hun sierlijk voorkomen als om hunne goede hoedanigheden, overtreft.

Van oorsprong Amerikaansch, schijnen zo daar getrokken te zijn uit eene kruising van zwarte Java-hoenders en Dominique's.

In Engeland, waar ze sedert ongeveer 10 jaren werden ingevoerd zijn ze in de handen van kundige kweekers tot een staat van volmaaktheid gekomen die terecht de bewondering van alle liefhebbers opwekt.

Primitief waren ze lichter van kleur-schakeering dan tegenwoordig bij inderdaad fraaie dieren geeischt wordt, maar met hun meer donker veder-kleed hebben zo in pracht gewonnen, terwijl bovendien hun kloeke, sterk ontwikkelde lichaamsbouw ze een inderdaad imposant voorkomen geeft.

Het eenige wat ze „tegenquot; hebben


ocr page 18

10

is de neiging tot „te vetquot; worden wan- ! neer ze niet vrij uit kunnen loopen. Men heeft bij vastzittende bijzonder to letten op de voedering, die niet te ruim mag j zijn en waaraan volop groen voer | nooit raag ontbreken. Heeft men ge- j zoo licht en dikwijls broedsch worden als Cochin's en Brahma's.

Algemeene Eigenschappan. Haan.

Afmeting. — Groot.


legenhoid ze, vooral o]) een grasland, vrij te laten rondloopen, dan durven wo beweren dat er geen sierlijker vogel te vinden is en dat gene andere hennen baar in eier-productie zullen overtreffen ; ze zijn goede broedsters hoewel ze niet

Kam. — Enkel, niet te groot, recht op

staand en zuiver getand.

Snavel. — Zwaar en sterk. Kop. — Niet te groot en flink reclit op

gedragen.

Borst. — Breed en ruim.


ocr page 19

11

Hals. — Stevig, zwaar en rijk met sier-

veêren behangen.

Oogen. — Groot en helder.

Oorlellen. — Flink ontwikkeld en neerhangend.

Kinlellen. — Lang, afgerond en breed. Lijf. — Groot, stevig.

Rug. — Breed en kort.

Vleugels. — Middel-groot, flink op gehouden, de bocht en uiteinden goed bedekt door de borst- en zadelveêren. Beenen. — Lang, sterk, flink uit elkaar staand en zonder spoor voor veêren. Voeten. — Met vier teenen, sterk.

Staart. — Middel-groot, niet te breed en sierlijk opgedragen en gebogen.

Hen.

Kam. — Als de haan, maar klein. Kop, snavel, oogen, kin- en oorlellen,

borst. — Als bij don haan. Rug. — Breed, do halsveeren moeten flink

over do schouders hangen.

Vleugels, beenen, voeten. — Als bij don haan.

Staart. — Klein, recht-op-staand en

eenigszins tops.

Dijen. — Zwaar en sterk bezet met donzige vederen.

Kleur-aanduiding.

Haan en Hen.

Kam, oor- en kinlellen. — Hei-rood. Snavel en beenen. — Hoog-geel. Gevederte. — Zoogenaamd koekoeksveêr d. w. z. groudkleur, licht ascligrauw of blauw-grijs, omzet met donker lei-blauw, beide kleuren moeten als in een loopen ; zooveel mogelijk moeten zo zuiver geteekende strepen (om den ander) vormen, zonder roode, bruine, witto of zwarte veêren er tusschen. ' De meeste Plymouth Rock hanen hebben de fout van witte veêren in de staart, en 'tis juist een hoofd vereischto dat de staartveêren zuivere koekoeks-veer zijn.

Ook heeft men eene witte variëteit van Plymouth Rocks, die met inachtneming van hun veder-dos, die smetteloos wit moet zijn, moeten voldoen aan do algemeene eischen, hiervoor genoemd. De z.g. zwarte zijn niet anders dan een uu en dan voorkomende terugslag op de stam-ouders.

Numerieke waarde der punten: Op 100 af te trekken voor;

Leelijke kop............................................................5

Leelijke kam ......................................................10

Leelijke vorm van staart........................5

Wit in do oorlellen ....................................5

Niet voldoende grootte..............................15

Onevenredige bouw ....................................15

Witte veeren in de staart ................15

Onfrissche toestand ................................10

Kleurfouten........................................................20

Onverschoonbare fouten.

Bevederde of anders dan gele beenen, roze-kam, roode of bruine veeren; geheel witte oorlellen, mismaaktheid.

PADUA'S en WITKUIF-HOENDERS.

Dat wij beide bovengenoemde rassen gelijktijdig behandelen, is toe te schrijven aan onze meening, dat beiden echt Hol-landsche rassen zijn. Hoe de Padua's aan hun naam gekomen zijn ? Het is ons niet mogelijk geweest, zulks te weten te komen.

Do Engelschen noemen beide rassen onder éénen naam Poland's, en geven alleen aan, dat de eerste met, de laatste zonder baard zijn. Hoewel de nanrn „Paduaquot; aan Italië doet denken, is het niet aan te nomen, dat ze van Italinansche origine zijn, en wanneer Wright (in zijn geïllustreerd Poultry Book) naar aanleiding van de verzekering van den Londenschea handelaar Baily, dat hij de Padua's uit Holland in Engeland heelt ingevoerd, erkent dat ze in Holland thuis be-hooren, dan zien wij niet in, waarom we aan John Buil zijn eisch zouden toegeven om ze als „Engelschquot; te beschouwen.


ocr page 20

2

te meer daar de Daitscliers ze ook „Bra-banterquot; noemen.

Sierlijker vogels dan de Wit-kniven kan men zich moeielijk denken; dat intus-schen, om aan hun prachtig voorkomen niet te kort te doen, bijzonder ingerichte hokken en bijzonder nauwkeurige behandeling vereischt worden, zal ieder die zo ooit hield, moeten erkennen. Do witte kuiven moeten vol eu zuiver wit zijn, en het is daarvoor noodig dat zij in droge, zindelijke hokken verblijven, en dat niet alleen om het fraaie te behouden, maar vooral ook met het oog op do gezondheid en veiligheid der dieren. Laat men ze los loopen, dan is pcii regenbui voldoende om de prachtige witte kuiven te doen verkeeren in eene vuile massa, die oogontsteking en verkoudheid kan doen ontstaan; daarenboven is het evenmin raadzaam, ze niet fraai weer in vrijheid te laten rondloopen, althans op plaatsen waar slooten of poelen zijn. De kuiven toch (wij spreken van goede dieren, dus met kuiven en geen kui kunnen door die versiering niet voldoende van zich afzien en zouden dus voortdurend blootstaan aau 't gevaar van te water te geraken en te verdrinken. Bij de Padua's is dat natuurlijk ook het geval. Overdekte loopen dus dient men te hebben, wil men deze beide soorten steeds in volle pracht en goede conditie hebben en houden.

Wij zouden ze kunnen onderscheiden in fcitr/'hoendors met en zonder baard.

De eersten (Padua's) komen voor onder de volgende kleur-varitoiten:

De crouden-. Zilveren-, Chamois-, Witte en Hermine.

Vooraf zij opgemerkt dat de Padua's op den kop een beeiiachtigen knobbel hebben, die als basis dient voor de kuif; hoe sterker die knobbel is ontwikkeld bi] de kuikens, dos te grooter zal de kuif worden. Daaraan dus kan men reeds bij de jonge kuikens die onderscheiden , welke de grootste kuiven zul-len hebben.

Algevieene kcnteehenen-.

Haan.

Kop. — Middelgroot, geheel onder de kuif verborgen.

Kam. — Geen of zoo goed als geen, en in het laatste geval in de kuif verborgen, zeer kleine pijltjes.

Kuif. — Zoo groot en vol mogelijk, bolvormig, met stevig, gesloten front, en niet over den bek hangende.

Oogen. — Vol eu helder, en als in den baard verscholen.

Oorlellen. — Door kuifveêren en baard geheel bedekt.

Kinlellen. — Onzichtbaar.

Baard, — Zoo groot en vol mogelijk onder de kin en langs de wangen een ringbaard vormende. Hoe voller baard (en kuif) des te beter.

Hals. — Middellang, recht-op gedrageu en rijkelijk van sierveêren voorzien.

Borst. — Rond, vol en vooruitstekend.

Rug. — Recht, en naar den staart als een wig toeloopend.

Vleugels. — Groot, maar vast tegen het lijf gedragen.

Staart. —• Vol en sierlijk gespreid met groote sikkelveêren, bijna loodrecht gedragen.

Dijen. — Kort met middel-lange beenen.

Houding. — Recht-op en statig.

Hen.

Kop. — Rond, en onder de kuif verborgen.

Kam. — Geen o£ zeer klein (pijltjes), en dan geheel door de kuit verborgen.

Kuif. — Groot en vol, bolvormig.

Oogen, — Vol en helder.

Oor- en kinlellen, — Door kuif- en baard-vecren onzichtbaar.

Baard, — Groote, volle ringbaard.

Hals. — Kort en naar den kop taps toeloopend.

Borst, — Rond en vol.

Rug. — Recht, naar den staart als een wig toeloopend.

Vleugels. — Groot en vol, vast tegen het lijf gedrageu.


ocr page 21

13

Staart. — Groot, eenigszins waaier-vormig. Dijen. — Kort, met middel-lange beeneu. Houding. — Recht-op.

min of meer zwart, zoo min mogelijk witte veêren.

Baard. — Als de kuif.

Oorlellen. — Wit.


Kleur-variëteiten.

Goudlaken Padua-Haan.

Kuif. — Kastanjebruin, iedere veer met zwarte puntjes. Bij kuikens zijn do kuifveêren aan den wortel wel eens

Oogen. — Rood.

Ilals-siorveêren. — Rijk kastanjebruin , met zwart sprekend omzet.

Zadelveêren. — Rijk kastanjebruin met glanzend zwart geteekend. De teeke-ning moet zooveel mogelijk het voor-


ocr page 22

14

komon hubben van bruin met zwart omboord.

Borst. — Goud-bruin, iedere veêr duidelijk en regelmatig met zwart omboord.

Schouder-dekveêren en rug. — Als do borst.

Vleugel-bocht. — Goud-bruin met zwarte vlekken.

Vleugel-dekveêren. — GouJ-bruiu, iedere veêr zoo met zwart omzet, dat duidelijk twee kromme lijnen gevormd worden over do vleugels; de groote en kleinen slagpennen eveneens goudbruin geheel ir.et zwart omzet.

Dijen. — iStaart-sikkelveeren , Staart-dekveeren: goud-bruin met zwart omlijst.

Beeuen. — Blauw.

Over het geheel moet de vederdos

zoo schitterend mogelijk zijn.

ii e n.

Kuif. — Goudbruin, iedere veer met zwart omzet; bij kuikens soms zwart met bruin omzet (dus omgekeerd), in ieder geval geen witte veêren.

Baard. — Als kuif.

Oorlellen. — Wit.

Oogen. — Rood.

Hals. — Goudbruin, iedere veer met zwart omlijst.

Vleugels. — Uroote en kleine slagpennen, staart en geheel het overige gevederte: goudbruin met zwart omlijst.

Beenen. — Blauw.

Over het geheel moet de vederdos zoo

schitterend mogelijk zijn.

Zilveren Padua-Haan.

Kuif. — Zuiver witte grondkleur, iedere veêr met zwarte punt. Bij kuikens ziju soms de kuifveêren ook aau den wortel zwart, maar wit is te verkiezen.

Baard. —lt; Als de kuif.

Hals-sierveeren. — Zuiver wit met zwarte randen.

Zadel-veêren. — Zuiver wit, mot diep zwart afgezet; die afzetting moet zooveel mogelijk het voorkomen hebben van gerand.

Borst. — Zuiver wit, iedere veêr gelijkmatig zwart gerand.

Rug- en fSchoudor-dekveeren. — Als de borst.

Vleugel bocht.— Wit met zwarte vlekken.

Vleugel-dekveeren. — Wit, iedere veêr zoodanig met zwart gerand dat daardoor twee duidelijke kromme lijnen over den vleugel gevormd worden. De slagpennen eveneens wit, geheel met zwart omzet.

Dijen, staart, sikkelveêren en staart-dekveêren. — Zuiver wit met zwart omzet.

Beenen. — Blauw.

Hen.

Kuif. — Zuiver wit, iedere veêr met zwart omzet. Bij kuikens mag het omgekeerd zijn.

Hals. — Wit met zwart omzet.

Vleugel-dekveeren en Slagpennen. — Dito.

Staart. — Als boven.

Verder gevederte. — Eveneens wit en zoo regelmatig mogelijk met zwart omzet.

Beenen. — Blauw.

Chamois Padua-Haan.

Kuif. — Fraai geel, iedere veer wit gepunt, zonder zwart.

Oorlellen. — Wit.

Oogen. — Rood.

Hals-sierveêren. — Geel met wit omzet.

Zadel veêren. —Donkergeel met wit omzet.

Borst. — Geel, regelmatig met wit omzet.

Rug- en Öchouder-dokveêren. — Als de borst.

Vleugel bocht. — Geel met wit gevlekt.

Vleugoldek. — Geel, iedere veêr zóó met geel omzet, dat daardoor duidelijk 2, kromme lijneu over den vleugel gevormd worden.

Slagpennen. — Geel, geheel met wit omzet.

Dijen. — Geel met witte randen of vlekken.


ocr page 23

15

Staart. — Geel met witte randen. Sikkel- en staartdek-veêren. — G-eel uiet

■wit gerand.

Beenen. — Blauw.

Als boven.

Staart en verder gevederte. Beenen. — Blauw.


Qoudlaken

Hen.

Kuif. — Geel, iedere veêr wit gerand. Oorlellen en oogen. — Als bij den haan. Hals. — Hooggeel met wit omrand. Vleugel-dekveêren en slagpennen. — üeel, gelijkmatig met wit omrand.

idua-Hen.

Herminé Padua's.

Haan en hen beide. — Zuiver witte «rrondkleur met regelmatig geteekenden zwarten halskraag als bij de lichte Brahma's.


ocr page 24

16

Witte Padua's.

Geheel zuiver wit, zonder spoor van andere kleuren.

Numerieke waarde der punten ; op de 100 af te trekken bij al de variëteiten ,

Haan of hen.

Biecht gevormde of te kleine kuif... 20

Te veel kam................................................................10

Gebrek aan baard (onvoldoende)............10

Onzuivere grondkleur..........................................15

Onzuivere teekening ..........................................15

Onvoldoende lichamelijke ontwikkeling 10

Onevenredige bouw ..........................................10

Onfiissche toestand ..................................10

Onverschoonbare fouten:

Mismaaktheid, totaal gemis van baard, andere kleuren van beenen dan blauw, in het oog loopend groots kam.

Bij de Uollandsche Withuiven worden onderscheiden de Zwarte, Blauwe en Witte (allen zonder baard).

Bij de eersten moet de kleur over het gebeele lijf koolzwart, goed glanzend zijn, zonder spoor van witte veêren ; bij de blauwe zoo regelmatig mogelijk elfen blauw en bij de witte, sneeuw-wit.

De kuiven bij allen wit en vol. Bij de beide eersten mug voor aan de kuif een soort kroontje van zwart of blauw in deu vorm van een omgekeerde pijl, echter zoo klein mogelijk, bij de witte mag geen andere kleur dan wit, voorkomen.

Bij deze wordt van 100 punten afge

trokken voor :

Onvoldoende kuif ........................ 20

Te veel zwart of blauw voor in de

kuif....................................... 10

Te voel kam .............................. 10

Vlekken in de oorlellen .............. 5

Geel-witte veêren in de kuif .......... 15

Dof in plaats van glanzend geve-

derte....................................... 10

Onvoldoende lichamelijke ontwikkeling ....................................... 10

Onevenredige bouw........................ 10

Onfrissche toestand..................... .. 10

Onverschoonbare fouten : Mismaaktheid. — In het oog loopend groote kam, andere kleur van beenen dan blauw, valsche veêren.

HAMBURGERS.

De naam „Geel-quot; en Blauwpelquot;, waaronder onze pellen meer algemeen bekend zijn, komt met hun uiterlijk beter overeen dan die van Goud- en Zilver-gepelde, welken naam men er gewoonlijk aan geeft.

Wij laten voor 'toogenblik daar, of onder „Hollandsche pellenquot; niet behooren verstaan te worden de Friesche pellen met enkelen kaïn, en waarvan een slag in België onder den naam van Kempisch hoen als „poule de fermequot; bij uitnemendheid voorkomt.

Do Uollandsche Geel- en Blauwpellen zijn grooter en grover; bij de eersten is het geel dof en het zwart grauw, bij de laatsten zijn wit en zwart iets levendiger, maar bij beiden zoekt men te vergeefs in de zwarte lovers den groenen weerschijn, bij het geel te vergeefs de gouden tint, en bij het wit bet zuiver wit. En waar o. a. in het werk van Maitland van de „Pelquot; gezegd wordt, dat de kam „grootquot; moet zijn, terwijl bij de „Gepelde Hamburgersquot; de kam niet groot mag zijn, gelooveu wij dat ook dit punt van verschil groot genoeg is, om bij onze bovengenoemde indeeling in 5 variëteiten te blijven. Voegen wij daarbij, dat èn Engeland èn Duitschlaud èn Frankrijk èn Belgie deze indeeling volgen, dan zien wij niet in, waarom wij alleen zouden trachten vol te houden in de meening, dat de gepelde Hamburgers, Hollandsche Goud- of Zil-verpellen moeten genoemd worden.

Engeland noemt ze: Golden (Silver) pencilled Ham burghs.

Frankrijk en België noemen ze: Ham-bourg Crayonnés.

Duitschland noemt ze; Gesprenkelte


ocr page 25

17

Hamburger, zoodat, naar onze meening, wij goed zullen doen met ons bij die indeeliug aan te sluiten.

De Hainburgsche hoenders mogen bij uitnemeuheid aanspraak maken op de bijzondere belangstelling van allen die er prijs op stellen liet fraaie en nuttige te combineereu.

Goede Hamburgers, d. \v. z. Hamburgers die voldoen aan de Standaard-eischen, zijn prachtige dieren, en wij zijn overtuigd dat men geen sierlijker combinatie kan maken dan die van de vijf variëteiten naast elkaar in flinke, ruime loopen. Slechts één bezwaar bieden zij,

en dat is het moeie-lijk grootbrengen der kuikens. Veelvuldige bloed verversching is vooral bij de Hamburgers een hoofdver-eischte; niet te vroeg broeden, droge en warme {metverwarm-de) verblijven voorde kuikens, doel- en regelmatiger voeding zullen echter veel tot welslagen bijdragen.

De meoning van sommigen dat „Hamburgers quot; in beperkte loopón niet tieren,

kunnen wij beslist tegenspreken. Zij tieren uitmuntend en leggen ijverig, mits men ze goed verzorge.

De zwarte komen liet minst voor, en verdienen toch o. i. do eerste plaats, omdat zij lJ sierlijker van bouw en voorkomen zijn, 2° gemakkelijker te kweeken zijn, 3° meer en grooter eieren leggen dan de andere.

De hennen van al do variëteiten zijn als puike Icgstors algemeen bekend, en hoewel hare eieren (behalve van de zwarte en zilverlakensche) betrekkelijk klein zijn, wordt dat door het groote aantal grootendeels vergoed. worden

Zwarte Hamburgers.

H a a n.

Kam — Dubbele of rozekam, van voren loodrecht opstaande, zoo goed als waterpas bovenvlak, dat vol- en fijnge-tand is, zonder groote onelfenheden, zonder ontsierende uitwassen, en zuiver recht op den kop staande, uitloopende in eene fijne, lange, rechte punt, die echter L;iet zoo lang mag zijn, dat hij bij het schudden van den kop heen en weer gaat; hei-rood. Het geheel moet sierlijk zijn en om zoo te zeggen een keurig be- en afgewerkt voorkomen hebben.

De wangen moeten zuiver schitterend kersrood zijn , zonder een spoor van wit, wat intusschen nog al eens het geval is tengevolge van de „modequot;, die zeer oorlellen wil.

De oorlellen, zuiver wit, sierlijk rond en, zooals de „modequot; tegenwoordig eischt, zoo groot mogelijk.

In Engeland zijn die groote „oorlellenquot; zoo en vogue, dat alleen daarvoor andere hoofdpunten worden over 't hoofd gezien.

De kleur groenzwart, overal, met zwarte loovers aan het uiteinde der veeren, vooral vleugels en staart moeten daardoor een schitterend aanzien hebben.

De staart moet zoo vol zijn als mogelijk is, hoe voller des te schooner, met een

niet broedsch, zoodat, om er van voort te tcelen of kunstmatige broeding moet toegepast worden, of andere broedhennen moeten gebruikt worden.

groote


ocr page 26

18

groote sierlijke bocht, iu geen geval over don rug gedragen, en vooral recht aan het lijf staan.

De sikkelveeren moeten broed ca zeer ontwikkeld zijn, terwijl een rijk behang van zadelveêren aan het geheel een prachtig rijk, aanzien geeft.

De vleugels moeten bevallig met de uiteinden ouder de zadelveêren zijn opgenomen en mogen niet hangen.

De beenen moeten niet te lang zijn, maar zoo, dat zij aan het geheele voorkomen eene bevallige houding geven; bij kuikens zijn ze zeer

donker (bijna zwart), maar na de eerste rui worden ze lichter (grauw).

Bij do kenze van een haan zij men vooral veeleischeud en zie toe dat de slagpennen zuiver zwart zijn.

H e n.

Bij de hen wordt

vereischt :

Een kam (rose) die klein en sierlijk is, goed op den kop sluit, vol- en fijngetand, zonder grove punten of uitwassen, en uitloopende in een klein, uet puntje, hei-rood en over het geheel symmetrisch gevormd.

Wangen, die kersrood zijn, frisch van kleur.

Oorlellen van middelmatige afmeting, sierlijk rond, zuiver wit, zonder spoor van roode vlekjes.

Voorkomen en houding rank en bevallig.

Een staart die eenigszins gebogen is als bij de fazant-hen, al de veêren goed aaneengesloten en volstrekt niet gespreid. Bijna horizontaal gedragen i

(met bocht); oen steile staart is een hoofdgebrek.

Even als bij deu haan, moet ook bij de hen de kleur schitterend groen-zwart zijn, mot groen-zwarte loovei's aan iedere veêr.

Bij de beoordceling op 100 punten af te trekken voor:

Leelijke of te groote kam............... 15

Onvoldoende sierveêren.................. 10

Witte veeren .............................. 10

Rood in de oorlellen ..................... 10

Te kleine oorlellen........................ 5

Leelijke staart, (waaier-vormige staart bij de

hennen) ......... 10

Hangende vleugels 10 Te hoog op de

beeneu ......... 5

Onevenredige

bouw........... 15

Onfrissclie toestand ............ 10

Onverschoonbare fouten:

Enkele kam; roode oorlellen; andere beenen dan donkergrauwe; scheve staart; mismaaktheid.

Zilverlaken Hamburgers.

Haan.

Kam. — Dubbele of rose kam, die stevig op den kop staat. De groote lompe kammen die men algemeen ziet, ontsieren den vogel; de karn moet integendeel niet breed zijn, aan den voorkant (hoogstens 4) centimeter , naar achteren taps toeloopen en eindigen in een vrij lange punt, die eenigszins opwaarts gebogen staat. Do oppervlakte van den kam moet


ocr page 27

19

geheel voorzien zijn van korte puntjes, zoo symmetrisch mogelijk. De Bngel-schen noemen dit „full of work.quot; Het moeten „puntenquot; zijn en geen „bobbels.quot; Leege plekken, onregelmatige uitwassen en holten in den kam zijn grove fouten.

Wangen. — Rood. Wit in de wangen is een groot gebrek.

pen, maar dio allen door de witte grondkleur van elkaar zijn gescheiden.

Hals-sierveoren. — Wit, van onderen zwart gespikkeld.

Rug- en zadelveêren.—Wit, met groenzwarte spikkels.

Kleine slagpennen. — Aan de uiteinden van goed voorkomende zwarte loovers


Bek. — Kort en gebogen, hoornkleurig.

Oorlellen. — Zuiver, onberispelijk wit, hoe ronder des te fraaier, ter grootte ongeveer van een tienstuiverstukje, glad en effen.

Kinlellen. — Rood en tamelijk groot.

Beenen, — Eer kort dan lang, lei-blauw.

Kleur. — Helder wit, met groen-zwarte loovertjes, die niet ineen mogen loo-voorzien.

üe staart moet flink groot zijn, met sierlijk gebogen sikkelveêren , zuiver wit, met groenzwarte loovers aan de uiteinden.

De hoofdpunten bij eene goede hen zijn:

Kam als bij den haan, maar zeer klein (zoo klein mogelijk), not, met fijne


ocr page 28

puntjes bewerkt en in een punt uit-loopeud.

Wangen. — Rood, zonder eenig wit.

Bek. — Klein, hoornkleur.

Oorlellen. — Rond en zuiver wit.

Kleur. — Grondkleur onberispelijk witj over het geheole lijf bezet met kleine (als een dubbeltje) loovers, allen op zichzelf en door het wit gescheiden.

Hals. — Sierveêren.

Rug. — Breed en goed gelooverd.

Schouder. — Dekveêren (spiegel) duidelijk afgeteekend.

Staart. —■ Geheel wit, aan het uiteinde geheel voorzien van goed afgezette loovera.

Goudlaken Hamburgers.

Haan.

Eene der hoofdzaken bij de Goudl. Hamb. is de kleur. De grondkleur moet roodbruin zijn met gouden weerschijn, de luils-sierveoren afgezet met groen-zwart, do borst glanzend bruin, kwistig maar gelijkmatig bezet met groen-zwarte loovers. Deze gelijkmatigheid vooral is eene zaak, dia niet zoo gemakkelijk te verkrijgen is, en het is daarom, dat zoo dikwijls de toevlucht genomen wordt tot kunstmiddelen, om die te verkrijgen, (door plukken b. v.) De staart moet groenzwart zijn, zeer vol en met rijk behang. De kam moet zijn als bij de zilverlakensche is beschreven, net en fijn bewerkt, uit-loopende in een eenigszins oploopende punt. De oorlellen zuiver wit, rond en zonder rimpels, do wangen schitterend rood. Voor alle andere bijzonderheden verwijzen wij naai' de zilverlakensche, niet inachtneming alleen, dat de verdee-ling van zwart en wit en de versiering met loovers bij de goudlakensche, zwart en bruin is.

Wat de hen betreft, kunnen wij niet beter doen dan te verwijzen naar onze beschrijving van de zilverlakensche. Symmetrische plaatsing der groen-zwarte loovers op den glanzend bruinen grond is een bepaald vereischte in eene wezenlijk fraaie goudl.-Hamburger hen.

Bij de beoordeeling van Zilver- en Goudlaken-Hamburgers op 100 punten af te trekken voor;

Leelijke of te groote kam........................15

Onvoldoende sierveêren..............................10

Rood in de oorlellen....................................10

Te zwarte rug......................................................10

ïe kleine oorlellen..........................................5

Leelijke staart ..........................................10

Hangende vleugels..........................................10

Te hoog op do beenen ..............................5

Onevenredige bouw ....................................15

Onfrissche toestand ................................10

Onverschoonbare fouten:

Enkele kam, roode oorlellen, andere beenen dan grauwe, scheeve staart, mismaaktheid.

Zilver-gepelde Hamburgers.

Onder Gepelde Hamburgers verstaan wij hot ras, vroeger (en nog) speciaal bekend onder den nnam van „Pellen.quot; In Belgie werden ze tot voor korten tijd „Campines a crête doublequot; genoemd, in tegenstelling met de enkel-kammige pellen, die in de Kempen vooral veelvuldig voorkomen. Ook daar, even als in Duitsch-land en Engeland, worden de door ons bedoelde fijn en scherp gepelde hoenders onder de „Hamburgersquot; gerangschikt, en wij zien dan ook geen reden om deze indeeling niet te volgen.

Van den „Zilver-gepelden Haanquot;geven wij eene afbeelding, die duidelijk eenige bepaalde ras-kenteekenen vertoont.

Haan:

Kam, wangen, oorlellen, kinlellen en beenen. — Als de Zilverlakensche.

Bek. — Kort en gebogen, hoornkleur.

Vooral niet groote, net gevormde, fijne kam is een hoofd-eisch.

Grondkleur. — Zuiver wit.


ocr page 29

21

Kop-,hals-, rug-en zadelveóren.—Wit. Bovenste vleugelveêreu. — Wit. Onderste idem. — Met groen-zwarte stippen die een regelmatige dwarsstrecp vormen.

Hen:

Kam. — Klein, overigens fijn en als bij den haan.

Bok. — Klein, hoornklour.


Zilver-gepelde Hamburger Haan.

Staart. — Vol, met flink ontwikkelde sikkelveêren; zwart met groenen weerschijn en iedere veêr met zilverwitten rand omzet.

Borst- en buikveêren. — Wit.

Wangen, oor-en kinlellen en boenen.— Ala bij den haan.

Kleur. — Groudkleur; zuiver wit, hals wit, borst en rug fijn en regelmatig zwart gepeld met groen-zwarte


ocr page 30

22

stippen, die als 't ware dwarsstrepen vormen, (de stippen mogen niet hoefijzervormig zijn).

Staart. — Aaneengesloten (niet gespreid), regelmatig gepeld. Scherpe, symmetrische afscheiding van zwart en wit, zijn hoefdeischen.

Bij de beoordeeling van Zilver-gepelde Hamburgers op 100 punten af te trekken

voor :

Haan.

Leelijke of te groote kam........................15

Onvoldoende sierveêren..............................10

Rood in de oorlellen....................................10

Zwarte rug- of borstveêren ..................15

Zwarte staart (zonder witten buitenrand) ........................................................................20

Hangende vleugels..........................................10

Bruin in de slagpennen..............................10

Onfrissche toestand..........................................10

Hen.

Leelijke of t.e groote kam ..................15

Rood in de oorlellen....................................10

Onregelmatig gepelde borst en rug 15

Te zwart gepeld..........................................5

Te hoog op de beenen ..............................5

Hangende staart................................................15

Niet gepelde staartveêren........................15

Zwarte strepen of vlekken aan

den hals ............................................................15

Hangende vleugels..........................................5

Onfrissche toestand ....................................10

Onverschoonbare fouten:

Enkele kam, roode oorlellen, scheeve staart, andere dan grauwe (blauwe) beenen, mismaaktheid.

Goud-gepelde Hamburgers.

Wij kunnen volstaan met voor deze variëteit te verwijzen naar de Zilver-gepelde, met inachtneming van het kleurverschil.

De grond kleur ia bij deze geel (bruingeel). De staart van den haan moet zwart zijn met bruin-geel, en oogenschijn-lijk als verdeeld in groote vlokken, die bijna niet noemenswaard in kleur schijnen te verschillen.

Bovenlijf en vleugels moeten glinsterend licht kastanje-bruin zijn, de uiteinden der slagpennen dof-geel en aan de bovenhelft (vooral de kleine slagpennen) voorzien van zwarte loovers.

De hen moet, evenals de Zilver-gepelde, fijn en regelmatig gepeld zijn met groen-nwarte loovertjes, die regelmatige dwarslijnen over het lijf vormen. Ook de borst moet die fijn geteekende dwarslijnen hebben, en niet hier en daar een loovertje of vlek met groote gele plekken.

Bij de beoordeeling van Goud-gepelde Hamburgers op 100 punten af te trekken voor:

Haan:

Leelijke of te groote kam........................15

Onvoldoende sierveêren..............................10

Rood in de oorlellen ....................................10

Zwarte of witte borst- of rugveêren 15 Zwarte staart (zonder gelen buitenrand) ........................................................................20

Hangende vleugels..........................................10

Wit in de slagpennen ..............................10

Onfrissche toestand ....................................10

Hen:

Leelijke of te groote kam............ 15

Rood in de oorlellen .................. 10

Onregelmatig gepelde borst of rug 10

ïe zwart gepeld....................... 10

Hangende staart........................ 15

Niet gepelde staartveêren............ 10

Zwarte streepen of vlekken aan

den hals ...... ...................... 15

Hangende vleugels..................... 5

Onfrissche toestand..................... 10

Onverschoonbare fouten:

Enkele kam, roode oorlellen, scheeve staart, andere dan grauwe (blauwe) beenen, mismaaktheid.


ocr page 31

23

DE LANGSHANS.

Toen in 1872 de eerste Langshans in Engeland door Majoor Croad werden ingevoerd, ontstond er een strijd over de vraag, of het een afzonderlijk constant ras, dan wel oen slechte soort zwarte Cochins was, welke vraag in niet geringe mate de gemoederen van voor- en tegenstanders in beweging bracht.

Mr. Lewis Wright, de bekende schrij ver van het ,,Illustrated book of Poultryquot;, hield met ongekende hardnekkigheid (eene betere zaak waardig) staande, dat de z.g. Langshans niet anders waren dan slechte, zwart-beenige Cochins, getrokken uit eene kruising van echte Cochins met... ja met alles en nog wat.

Stoutweg weigerde hij (destijds als redacteur van hot „Live Stock Journalquot;) in 1874 in dat blad op te nemen een artikel over „Ei-, Kuiken en volwassen Vogelquot; (van Langshans) met de enkele opmerking, dat hij aan „Langshans niet geloofde, en niets mocht er in zijn blad over geschreven worden dan als advertentie, dus tegen betaling.

Het werkje van Miss Croad „The Langshan Fowlquot;, waarvan wij onlangs in ons blad melding maakten, geeft van den gevoerden strijd ongeloofelijke verhalen en toont zonneklaar aan (met brieven en weer brieven) dat de groote Wright bij zijne bestrijding niet alleen groote flaters heeft gemaakt, maar is moeten eindigen met eene nederlaag, nog grooter dan zijn grootste flater.

Dat werkje van Miss Croad is eene lezing meer dan waard en levert eene bijdrage tot de kennis van menpchelijke dwaling en hartstocht, die (wij zien dat ook elders en hier) te bespottelijker worden, waar men eindelijk in een zelf geweven net van intrige verward raakt.

Wat er van zij, de Langshans zijn schitterend uit het strijdperk getreden; verguisd en veracht bij hunne eerste verschijning, stonden zij weldra boven-aan op de lijst der nut- en sierhoenders op alle tentoonstellingen vaneenigebeteekeuis in Engeland. Dat zij die onderscheiding verdienen, zal zeker door niemand die goede, raszuivere Langshans heeft, ontkend worden.

Wij willen ze aan de hand van Miss Croad beschrijven, zooals ze door haar (en wijlen haar vader) zijn ingevoerd en gefokt van 1872 tot heden, en beginnen met op den voorgrond te zetten, dat Langshans moeten hebben bevederde boenen ; zoogenaamde gladbeenige Langshans zijn Langshans met eene fout, dus geen zuivere. Aan dat oordeel, van Miss Croad en van den heer de Foucault, do bekende Langshan-fokkers, geloof ik dat wij ons dienen te houden. Wordt toch ééne afwijking toegelaten, waarom zouden wij dan morgen niet een tweede door do vingers zien, b. v. roze kam, of gierhakken ?

Beide, als tafel- en als leghoen, is de Langshan van groote waarde, en met het oog daarop is in Engeland de volgende standaard vastgesteld :

Algemeene eigenschappen , (bij beide, Haan en Hen).

Bij een ras van zoo groote waarde als „tafel-vogelquot;, moet de haan niet minder dan 4, de hen niet minder dan 3 kilogrammen zwaar zijn.

Kleur-eischen :

Snavel. — Hoornkleur (liefst donker).

Kam, wangen-, oor- en kinlellen. — Hel-rood.

Oog. — Bruin, met zwarten oog-appel.

Beenen en voeten ; lei-blauw ; het vel tusschen de teenen en onder de schubben moet een rood-achtigen doorschijn toonen ; voetzool wit.

Nagels. — Wit.

Gevederte. — Zuiver glanzend metaal-zwart met groenen weerschijn (de laatste hoe sterker des te fraaier); roode of bruine weerschijn is eene groote fout.

Huid. — Wit en fijn,


ocr page 32
ocr page 33

25

Haan:

Algemeen voorkomen: Groot, rijzig, fier en vlug; de kop flink in do hoogte, vol-ronde bouw, breed aan de schouders, flink voorkomende borst, volle waaiervormige staart met volop glanzige zij-sierveoren en twee lange sikkel-veêren.

Kop. — Naar verhouding klein en fijn en achterover gedragen.

Snavel. — Weinig gebogen, sterk en niet te lang.

Kam. — Enkel, rechtop staand, niet te groot, fijn van weefsel, gelijkmatig getand en zonder zij-spranten.

Kinlellen. — Goed afgerond, niet te groot en fijn.

Oorlellen. — Glad en niet te groot.

Hals. — Sierlijk rond en ruim behangen met glanzende sierveeren, van het lijf naar den kop gelijkmatig taps toeloopend.

Rug. — Vrij lang, niet te lange zadel veêren.

Borst. — Vol en breed, met lang borstbeen, dat flink met wit vleesch moet bezet zijn.

Vleugels. — Vrij lang, min of meer hangend en met zeer glanzende dek veêren.

Staart. — Waaier-vormig en vol, hoogop gedragen, rijk voorzien van staart-dekveêren, met 2 ver buiten de andere staartveèren uitkomende sikkelveêren.

Dijen. — Kort maar sterk, rondom mot zachte veêren goed bezet, vooral de hakken moeten goed bevederd zijn.

Beenen. — Flink uit elkaar staand, eer lang dan kort, en aan den buitenkant als met een veêren franje bezet.

Teenen. — Lang, recht en goed uitgespreid, alleen de buitenteenen weinig bevederd, witte nagels.

Gevederte. — Goed aaneengesloten, dik, met weinig dons.

Hen:

Algemeen voorkomen: Sierlijk afgeronde romp, die flink van den grond afgedragen wordt, zonder schijn van plomp; vlug en levendig.

Kam. — Enkel, fijn en opstaand, (niet groot).

Rug. — Lang met weinig of geen kussenzadel.

Staart. —• Waaier-vormig en vol.

Bij de beoordeeling op 100 punten af te trekken voor:

Onvoldoeud bevleeschde borst............15

Krom borstbeen ..............................................15

Roodbruine vederkleur of witte

veeren ..................................................................] 5

Te veel dons ....................................................10

Te zwaar bevederde beenen en teenen 10

Slechten kam ......................................................]()

Korte schenkels ................................................10

Kromme teenen ................................................5

Onfrissche toestand ....................................10

DE WYANDOTTE'S.

Geen hoenderras dat zich zoo snel bai.n heeft gemaakt ouder liefhebbers en kweekers als de Wyandotte's.

Getrokken uit Brahma's, Zilverl. Hamburgers, Cochin's en Sebright Bantam's schijnt het alsof alle mogelijke goede eigenschappen van deze zich in het maaksel hebben overgeplant, althans de roep er over is algemeen en gunstig.

Sierlijk (vooral de Zilverlakensche), en vlug in voorkomen zijn de hennen legsters van middelgroote, licht bruin gekleurde eieren; zeer goede broedsters en moeders, zonder dat ze, als Brahma's en Cochin's daarom „broedsch zijn of worden.quot;

Ze komen in 3 variëteiten voor. Zilver- en Goudlakensche en Witte, hoewel wc gelooven ook wel spoedig Zwarte te zullen zien. In ons bezit is eene zwarte hen, indertijd gekomen uit Zilverlaken-scho, en klaarblijkelijk een terugslagopeen der grondstoffen waaruit ze gemaakt zijn.

Algemeen Voorkomen.

Beiden, haan en hen, hebben in voor-


ocr page 34

26

komeiij houding en vorm de meeste overeenkomst met de Brahma's. Ze zijn niet zoo groot en zwaar ills deze en hebben niet hunne bevederde beenen. De Brah-ma-afkomst springt onmiddellijk in het oog en verloochent zich in het uiterlijk van goede Wyandotte's niet.

Do in 1880 in Engeland aangenomen Standaard stelt de volgende eischen.

Kop. — Kort en breed, met roede wangen, hoorn-kleurige snavel met gele vlekken of weerscliijn.

Oor- en Kinlellen. — Hel-rood en fijn van weefsel.

Hals. — Kort, sierlijk gebogen, rijk voorzien van Sierveêren, die Zilvergrijszwart gestreept moeten zijn.

Borst. — Ureed en vol; grondkleur wit


Hquot;a a n:

Kam. — Roze, volbewerkt met kleine, gelijkmatige puntjes, laag en plat: van voren vierkant en naar de punt taps uit loopend: de punt, mag niet te lang zijn, en of recht uitstaand of afhangend de bocht van den nek volgend.

met groen-zwarte regelmatige loovers van af de keel tot de dijen.

Rug. — Breed en kort. Zilvergrijs zonder gele of bruine veêren.

Vleugels. — Middelgroot, sierlijk tegen het lijf gedragen met 2 duidelijk voorkomende zwarte randen.


ocr page 35

27

Dons. — Het achterdeel vol zwart, als

wit gepoederd, zacht dons.

Beenon. — Stevig, maar fijn van gebeente, middel-lang met rechte, goed uitgespreide teenen ; helder hoog-geel. Staart. — Goed ontwikkeld, middel-lang

en zwart met groenen weerschijn. Voorkomen. — Bevallig, Brahnm-achtig.

Goed ontwikkelde oude hanen moeten ongeveer 4, volwassen jonge hanen ongeveer 3 Kilo zwaar zijn.

Hen:

Kam. — Als van den haan, doch klein. Kop. — Idem.

Oor- en kinlelleu. — Idem.

Hals. ■— Kort, goed met sierveoren bezet, en even als bij den haan zilver-grijs, zwart gestreept.

Borst. — Breed en vol, witte grondkleur, regelmatig met groen-zwarte loovers bezet.

Rug. — Kort, bij de schouders broed

en gevlekt als de borst.

Vleugels. — Middel-groot, sierlijk tegen het lijf gedragen en gevlekt als borst en rug.

Dons en beenen. — Als bij den haan. Staart. — Goed uitgespreid, groen-zwart. Voorkomen. — Bevallig.

Goed ontwikkelde oude hennen moeten ongeveer 3, volwassen jonge hennen ongeveer 2-!j Kilo z waar zijn.

Bij de beoordeoling af te trekken op 100 punten voor:

Haan en hen:

Leelijke kam ............................................................10

Leelijke kop ......................................................5

Niet voldoende oor- of kinlellen............5

Leelijke hals ............................................................5

Onvoldoend ontwikkelde borst ............15

Id. id. rug ..................15

Te groote, niet aansluitend gedragen

vleugels ................................................................10

Gebrek aan dons ................................................5

Te lange of leelijke beenen ........................10

Leelijke staart............................................................5

Onvoldoende grootte ......................................10

Onbevallig voorkomen ..................................5

Bij de Goudlakensche gelden in het algemeen dezelfde eischen als bij do Zilverlakensche, natuurlijk met het verschil, dat hier de grondkleur bruin-geel is (zie Goudlakensche Hamburgers) met groen-zwarte loovers bezet.

Ook bij de beoordeeling geldt dezelfde waarden der punten bij de verschillende onderdeelen.

De witte moeten zuiver sneeuw-wit zijn, zonder zwarte, gele of bruine veêren.

Onverschoonbare fouten bij al de drie variëteiten zijn :

Niet-gele (anders gekleurde) beenen, enkele kam, bevederde beenen, scheve staart.

LEGHORN'S.

Geen hoenderras heeft zich meer mogen verheugen in de sympathie van alle kweekers en liefhebbers dan de Leghorn's. Van origine Italiaansche hoenders hebben ze vooral na hun invoer ia Amerika, door doelmatige kruising en veredeling in zoover eene wijziging ondergaan, dat èn algemeene lichaamsbouw èn vorm en afmeting van kam, èn de gele kleur der beenen het oorspronkelijk type der Italianen belangrijk hebben gewijzigd.

De Leghorn's zijn dan ook wat men noemt „geperfectioneerde Italianen.quot; De meening van sommigen dat de zoogenaamde Patrijs-kleurigon, Livorno's heeten, of moeten heeten, berust op eene dwaling. De verschillende kleurslagen vindt men door geheel Italië en noch de ééne noch de andere behoort speciaal tot dit of gedeelte van dat land.

In sommige programma's van tentoonstellingen (althans in België) worden behalve de Leghorn's ook nog „Italiensquot; gevraagd. Hoe daarmee sommigen in dwaling worden gebracht bleek nog onlangs op de tentoonstelling in den Zoö-logischen tuin te Antwerpen, waar onder


ocr page 36

28

de klasse „Italiensquot; echte Leghorn's waren ingezonden.

Ouder Italianen toch wordt tegenwoordig vrij algemeen verstaan het Ita-liaansche hoen met donkeren (zwart grauwe of bronskleurige) heenen.

Onder Leghorn's alleen dio met gele beenen. We zullen ons dan ook bij deze zeer gezochte variëteit bepalen en de kenmerken aangeven die volgens den Engel-schen Standaard gesteld zijn voor goede Leghorn's. Intusschon moeten we voorop zetten dat de Engelsche kweekers naar onze meening zich to nauwgezet houden aan enkele bepaalde eischen als b. v. zuiver witte oorlellen. De geïm-posteerde dieren (uit Italië) met zuiver gele beenen hebben hoogst zelden zuiver witte oorlellen : het is dan ook gebleken dat het niet gemakkelijk valt die te hebben, ten zij met verlies van do kleur der beenen.

De crêmo kleur der oorlellen gaat doorgaans zamen met fraai gele beenen, terwijl bij zuiver witte ooi-lellen de beenen minder geel zijn. Daaruit (gevoegd bij het feit dat de geimporteerde Italianen meest crêmeoorlellen hebben) komen wij tot de gevolgtrekking dat de Engelschen gekruist hebben met witte Minorca's, wat nog duidelijker uitkomt als we zien hoe-vele (vooral witte) Engelsche Leghorn hanen veel te groote oorlellen, ja bijna wangen hebben, terwijl het Spaansch bloed nog verder blijkt uit den vorm van do staart bij de meeste Engelsche Leghorn hanon. De zucht der Engelsche fokkers om vooral met Leghorn's, allerlei kleurslagen te fokken, kan niet in onzen smaak vallen.

Naar onze meening moet daartoe te veel vreemd bloed worden ingebracht en wat men hier wint, verliest men elders, en dat vooral in een der hoofdzaken, de fraai gele kleur der heenen,

We behandelen daarom dan ook alleen de algemeen bekende en meest gezochte kleurslagen, als:

De Witte-, Patrijskleurige-, Zwarte-, Koekoeksveer- en Herminé-Leghorn's.

Algemeone kenteekenon.

Haan:

Kop en hals. — Groot en breed genoeg om daarop oen grooten kam te kunnen dragen.

Snavel. — Lang en gebogen. Kam. — Fijn van weefsel, groot, enkel, zuiver recht en rechtop staand, regelmatig diep en breed getand, flink achter don kop uitstekend en zonder zij-spranken.

Kinlellen. — Lang, dun en fijn. Wangen. —Eijn, zonder plooien of rimpels. Oorlellen. — Goed ontwikkeld, dun, vast

en glad tegen den kop.

Hals. — Lang, goed bezet met eierveeren

en rechtop gedragen.

Lijf. — Algemeen voorkomen vlug en levendig, breed bij de schouders en naar den staart eenigszins taps toe-loopend.

Rug. — Min of meer rond en naar den

staart iets afliellend.

Vleugels. — Groot, maar vast tegen het lijf.

Borst. — Vol, rond en vooruit gedragen. Beenen en voeten. — Lange schenkels en dijen, glad en-zonder spoor van V veeren, met dunne, goed uitstaande teenen.

Staart. •— Groot, met flinke sikkelveeren, hoogop gedragen (zonder eekhoorndracht).

Grootte. — Middelgroot, 2^ a 3^ kilo

voor den haan en 2^- voor de hen. Voorkomen en houding. — Vlug en levendig.

De algemeene kenteekenen bij de hen zijn dezelfde als bij den haan, onder inachtneming van de geslachts-kenmerken en met het onderscheid dat zij in plaats van staande een aan eene zijde (onverschillig welke), overhangende, enkele karn heeft.


ocr page 37

29

Kleur-kenteekenen.

Witte.

H aa n en hen.

Snavel. — Zuiver geel. Oogeu. — Rood.

Patrijskleurige.

de hebben

Reeds vroeger

Do Engelschen noemen dessen „brown,

Belgen „doréquot;.

wij in ons blad gezegd, dat wij wonsch-ten homogeen te gaan met onze buren.


ill

Lüghoru-liuun,

Kam, Wangen en Oorlellen. — Hoogrood.

Oorlellen. — Wit of licht crème. Beenen. — Hoog geel.

Gevederte. — Smetteloos wit, zoomin mogelijk met gele tint.

Evenals de Cochins in deze kleur-variëteit worden genoemd in Engeland ,.Partridge Cochinquot; en in België „Cochin Perdrixquot;, zonden wij de Leghorn's van deze zelfde kleur-variëteit „patrijskleurigquot; „Perdrixquot; en „Par-


ocr page 38

30

tridgequot; willeu noemen. Waarom meii elders daar niet heen wil, is ous een raadsel, zelfs na hetgeen de heer Paul Monseu daarover indertijd in „Chasse et Pêchequot; schreef. Wij blijven intns-schen bij onzen naam „patrijskleurig.quot; De ruimte tusschen bruin (brown) en doré (goud of verguld) is ons te groot, om daar zoo maar overheen te springen.

Haan:

Snavel en nagels. Geel of hoorn-kleur.

Oogen. — rood.

Kam, Wangen, en Kinlellen. — Hoog rood.

Oorlellen. — Wit of licht crème.

Beenen. — Hoog geel.

Kop- en Hals-Sierveeren. — Oranje-rood met zwart gestreept, de voorkant der Sierveeren, onder de Kinlellen kar-mozijn-rood.

Rug. — Schouder-dekveeren en Vleugel-boog karmozijn-rood.

Vleugel-dekveeren. — Staal-blauvv met groene weerschijn.

Lange Slagpennen. — Zwart gevlekt met bruin.

Kleine Slagpennen. — de buitenzij kastanje-bruin, overigens zwart.

Zadel. — Hoog oranje-rood met zwart gestreept.

Borst eu onderlijf. — Glinsterend zwart zonder bruine vlekken.

Staart. —• Zwart met groenen weerschiju; wit in de staart is een groote fout.

Staart-dekveeren. — Zwart met bruine vlekken.

Hen:

Snavel en nagel. — Geel of hoorn-kleur.

Oogen. — Rood.

Kam, Wangen en Kinlellen. — Hoog rood.

Oorlellen, — Wit o£ licht crème.

Beenen. — Hoog geel.

Hais-sierveeren. — Goudgeel, mot breedo zwarte strepen.

Borst. — Zalm-kleur, rond kop en kinlellen in bruin-rood overgaande, en asch-graauw bij de dijen.

Kleur van het lijf. — Patrijskleurig bruin, met donkerbruin of zwart gevlekt. Do vleugels mogen geen roode tint hebben.

Staart. — Bruin met zwart geteekend.

De Zwarte moeten koolzwart zijn, zonder witte veeren in staart of vleugels. Vooral bij deze zijn crème oorlellen verre van een fout.

De koekoeksveereu hebben de be- -kende kleurschakeering, die door scherpe afteekening van donker- en lichtgrijs regelmatige niet te groote vlekken moet vertoonen, (zie Plymouth Hock's) terwijl voor de Herminó's wordt verwezen uaar de kleurbeschrijving der Lichte Brahma's.

Numerieke waarde der punten : op 100 af te trekken voor;

Haan en Hen.

Onvoldoende ontwikkeling en leelijke

Kam ............................................................................12

Gerimpelde oorlellen ........................................G

Rood in de oorlellen .........................10

Onvoldoende sierveeren....................................10

Valache veeren ......................................................20

ïe klein ........................................................................15

Onevenredige bouw ..........................................15

Onfrissche toestand ..........................................12

DE ORPINGTON'S.

De strijd, die in Engelsche en Duit-sche vakbladen over het nieuwe hoenderras „de Orpington'squot; maanden lang is gevoerd en nog gevoerd wordt, gaf ons aanleiding daarover ook in dit werk te spreken. Mr. William Cook, een En-gelsch fokker van goeden naam, heeft ze het eerst aan de wereld „voorge-steldquot; en den uaam van zijne woonplaats „Orpingtonquot; gegeven. Wie ze ziet, denkt onmiddellijk aan gladbeenige


ocr page 39

31

Langshan's, die vooral ia Duitsohlaud zoozeer in aanzien zijn, en het is dan ook geen wonder, dat vele Dnitsche (en ook Engelache) liefliebbers verklaren dat de Orpington's „humbugquot; zijn en niet anders dan Langshan's met onbevederde beenon. lutusschen, terwijl de strijd voortduurt, is het den beer Cook gelukt, eene groote partij teu gunste der Orpington's op zijne hand te krijgen, een „Orpington-clubquot; te vestigen die reeds 200 leden telt, en op de groote tentoonstellingen in Engeland eene afzonderlijke klasse voor zijn „maakselquot; te erlangen, waarin o. a. op de in 1888 gehouden Crystal Palace Show,

reeds een 30tal dezer nieuwelingen voor het front kwamen.

Tegen de bewering van hen, die de Orpington's eenvoudig voor gladbeenige Langshan's houden,

verzekert de heer Cook, dat hij de Orpington's gemaakt heeft van Plymouth Rock, Minorca en Langshan. Onwillekeurig denken wij bij het lezen en schrijven dier compositie aan de recepten in een keukenboek, en ontbreekt slechts aan de openhartige verklaring van den heer Cook do mededeeling dat zijn Orpington's bestaan uit:

? deelen Plymouth Rock. ? deelen Minorca.

? deelen Langshan.

Laat dat onder gestadig omroeren een jaar of vijf gisten en door elkaar werken, en ge zult Orpington's hebben. Maar ,.raillerie a part.quot; Een feit is het dat de Orpington's in Engeland als een nieuw ras erkend zijn, dat eene Orpington-club bestaat, en dat die club een standaard hoeft vastgesteld.

Aan de hand van Mr. Cook zelf, zullen wij trachten onzen lezers eene beschrijving te geven, en al dadelijk beginnen met de opmerking, dut reeds 2 soorten van Orpington's bestaan, nl. die met enkelen, on die met rozekatn. Op het eerste gezicht, wij zeiden het reeds, zijn die met enkelen kam Lmghan'a, en wij gelooveu dat ieder zich die wel zal kunnen voorstellen.

Vooraf echter moet ons nog eene opmerking uit de pen, en wel deze; wanneer het waar is wat de heer Cook zoo pertinent verzekert dat „Orpingtonquot;' is het resultaat van Plymouth Rock-Minorca-Lan'ishan, dan is het ons niet recht duidelijk, dat ook eene variëteit van den Orpington in et rozekavi bestaat.

Wij geven alzoo Cook's eigen standaard met enkelen kam, zoadat onze lezers door in de plaats van de enkele, zich een dubbele kam voor te stellen, van beiden een denkbeeld knu-

nen maken.

Haan:

Gevederte. — Zwart met groenen weerschijn, zonder bruine of anders gekleurde veêren.

Kam. — Enkel, gelijkmatig getand, recht opstaand, iets grooter dan bij een Plymouth Rock.

Wangen en oorlellen. — Rood.

Snavel. — Donker hoorn-kleurig of zwart, sterk en sierlijk gebogen.

Beenen. — Glad, zonder veêren; aan


ocr page 40

32

lederen voet 4 teenen met witte nagels.

Staart. — Groot en in een sierlijken

bocht gedragen.

Houding en voorkomen. — Zeer gracieus,

flink vecht opstaand.

Gewicht. — Niet onder 9 pond (Engelsch)

bij volwassen dieren.

liug. — Zeer weinig gebogen.

Niet voldoende ontwikkeling, hangende kam, bruine of andere dan zwarte vederen, gevlekte oorlellen, krom of scheef borstbeen, ^ijn gebreken, die niet licht geteld mogen worden.

Hen:

Houding en voorkomen. — Gracieus en

symetrisch.

Kam. — Als bij een Langshan, enkel, rood, gelijkmatig getand, recht opstaand.

8navel, — Als bij den haan. Kop. — Vol en min of meer achterwaarts gebogen.

Gogen. — Bruin met zwarte pupillen, levendig.

Borst. — Hecht en vol, mot recht borstbeen.

Staart. — Middelgroot, niet steil. Beenen. — Kort en sterk, donker of zwart, witte nagels aan de voeten en zondiT veêren. Bij overjarige hennen worden de beenen iets lichter van kleur.

Gewicht. — Bij volwassen dieren niet

onder 7 puud (Mugelach).

Gevederte. — Prachtig zwart, met groenen weêrsclnjn; dieren ouder dan 3.V jaar worden grauw, en zijn dus niet meer voor tentoonstellingen geschikt.

Niet voldoende ontwikkeling of grootte, gekleurde veêren, hangende kam, zijn bepaalde fouten.

Verder zegt Cook:

Ik heb den standaard als boven omschreven bewerkt; wanneer echter na verloop van tijd de Ürpington-club voor goed gevestigd is, zal zonder twijfel in enkele punten nog eenige wijziging gebracht worden. De Orpington heeft de verwachting van allen, die er de proef mee namen, overtroffen. Zij telen gemakkelijk voort. Ik heb er vier stammen van, die niet aan elkaar verwant zijn, zoodat er geen gevaar bestaat voor inteelt, en ik twijfel niet, of zij zullen spoedig het hoen zijn bij uitnemendheid.

Voor den heer Cook willen wij het hopen. Wie zich herinnert, hoe eenige jaren geleden ook in ons land eene soort ,,Langshauquot;-koorts heerschte (gelukkig slechts sporadisch) en daiirvoor o. a. bij de verkoopingen in den Bot. Zool. tuin te 's-Gravenhage voor Nederland ongekend hooge prijzen werden besteed, en hoe spoedig die duurte over was, zal begrijpen, dat althans bij ons de Orpington-trek niet zoo'n vaart zal nemen.

In Engeland is de vraag intusschen zoo sterk, dat men met moeite ze kan bekomen, en het gewone gevolg daarvan zal zijn, dat velen „kat in den zakquot; koo-pen, totdat te avond o£ morgen een ander Engelsch fokker weer een ander ras „maaktquot; en zoodoende de prikken levend houdt.

In de l'ructische Gejlüyel Züchter deelt do heer H. Martin van Lehrte zijn mee-niug mede over de Orpington's. Op de laatst gehouden Cristal Palace tentoonstelling, waar zij als een „nieuwtjequot; opgang maakten, heeft hij ze aan strenge critiek onderworpen, maar blijft de meening toegedaan, dat de Orpington's niet anders zijn dan „gladbeenige Langshan's.quot; Het moge waar zijn, dat Cook door de bekende kruising iets gemaakt hoeft en anderen ze hebben „nagemaaktquot;, waardoor, vooral onder de hanen, er voorkwamen met groote en kleine, roede en blauwe kammen, hoog en laag op de pooten, enz. enz. Maar de „echtenquot; waren Langshan's en niets anders dan „Langshan'squot;, en hij raadt dan ook aan, den Engelschen hunne Orpington's te gunnen, maar ze in Duitschland te blijven noemen: „glattbeinige Langshan'squot;.


ocr page 41

33

DORKINGS.

De Dorking's zijn een echt Engelsch hoender-ras, en als zoodanig nemen zij op de groote Engelsche tentoonstelling doorgaans eeno voorname plaats in, en ziet men ze daar in kolossale, prachtige exemplaren. In de catalogi van de groote Engelsche Landbouw-tentoonstelling (the Dairy Show) worden ze altijd No. 1 genoemd, en in zoover zouden wij wel mee nationaal gestemd willen zijn, dat wij wel wilden, ook op de programma's van onze tentoonstellingen, in de allereerste plaats onze Hollandsche rassen genoemd te zien; niet dat we die daarom altijd de beste zouden lieeten, evenmin als wij kunnen dweepen met de charme der Engelschen, de Dorking's. Wij zijn het eens met iemand, dien wij hoorden zeggen : „ik vind ze mooi om te zien, maar niet om te hebben.quot; Alleen de donkere en witte zouden ons nog eenigszints kunnen bekoren. Als leghoenders zijn ze van weinig beteekenis, maar daarentegen nemen zo als tafelhoenders eene eerste plaats in. Zij leveren prachtig malsch vleesch, en als zoodanig verdienen zij alle aanbeveling. Een groot bezwaar bij het kweeken van Dorking's zijn de kuikens: deze zijn zeer gevoelig en teer gedurende de eerste 2 a 3 maanden van hun bestaan; zitten zij echter eens goed in do voeren dan groeien ze Hink door, en zijn bij goede voedering zeer spoedig goed voor do tafel. Zij leggen zelden binnen het half jaar, meestal zijn ze 7 a 8 maanden oud, eer het eerste ei komt. Zij komen voor in 4 variëteiten, als: Donkere-, Zilvergrijze-, Witte- en Koekoeksveeren (deze laatste echter weinig.)

Algemeene eigenschappen.

H aan:

Snavel. — Sterk.

Kam. — Bij de donkere enkele en rose-, bij de zilvergrijze enkele, en bij de witte en koekoeksveeren dubbele of rose-kam.

Dit is een opmerkelijk, bij geene andere rassen voorkomend verschijnsel, n.1. dat de kleur den vorm der kam bepaalt.

Bij „enkelen kamquot; moet deze flink rechtop staan, dik zijn, flink op den kop gebouwd, diep en regelmatig getand, en zonder uitwassen of zijspranken.

Bij „roze-kamquot; niet groot, vast op den kop, gelijkmatig getand met vierkant front, en in een flinke punt uitloopend.

Kop, — Groot.

Oogen. — Groot.

Kinlellen. — Lang en flink neerhangend.

Hals. — Zwaar, niet lang, goed met sier vee ren bezet.

Borst. — Vol, vooruitstekend, met lang, recht borstbeen.

Lijf. — Groot, breed en forsch gebouwd.

Rug. — Breed en lang, naar achteren eenigzins taps toeloopend.

Vleugels. — Groot en goed omhoog gedragen.

Staart. — Groot en zwierig, vrij hoog gedragen, zonder daarom in eekhoorn-vorm te vervallen,

Sikkel-veeren. — Lang en breed, sierlijk gebogen.

Staart-dekveeren. — Vol en lang.

Dijen, — Dik en sterk, door het geve-derte goed bedekt.

Beenen. — Kort en stevig, met sporen aan de binnenzijde.

Voeten. — Groot en breed, met vijf tee non, do vijfde teen opwaarts gedragen en goed van de 4° afgescheiden, de andere recht en goed gespreid.

Algemeen voorkomen. — Zwaar en vierkant, niet lomp, maar trotsch, indrukwekkend.

Hen:

Snavel. — Sterk.

Kam. — Enkel of dubbel bij donkere, enkel bij zilver-grijze, en dubbel of roze bij witte en koekoeksveeren. De enkele kam moet langs eeue zijde van den kop neervallen, de roze moet


ocr page 42

34

klein zijn, goed vast op den kop I zitten en gelijkmatig getand zonder ! oneffenheden, in een punt uitloopcii. ivinlellen. — Niet te groot en sierlijk afgerond.

Borst. — V ol en rond, mot lang en recht

borstbeen.

I'ijf. — Groot, voi en sterk. Kug'. — Broed en plat, naar den staart een weinig taps uitloopend.


«

Milni

Donkere Dovking-Haan.

Kop. Groot, maar Diet grof. Vleugels. — Groot en goed omhoog1 ge-

üogen. —Vol en met zachte uitdrukking. ' dragen.

Hals. Dik, niet lang. Staart. — Breed en vol, tamelijk hoog

ocr page 43

gedragen, doch zonder eekhoorn-dracht.

Dijen. — Dik en sterk, goed door het

gevederte bedekt.

Beenen. — Kort en sterk.

Voeten. — Groot en breed mot 5 teeneu, do 5° teen naar boven gedragen en goed afgezonderd van de 4° , de anderen recht en goed uitgespreid. Algemeen voorkomen. — Flink on zwaar.

Kleur-pnuten.

Donkere H a a n.

Met het noemen der punten is niet de bedoeling, dat andere kleur-schakoerin-gen (donkerder of lichter) daarvan worden buitengesloten. Wij geven do punten voor die nuance, welke het meest in den smaak valt van beoordeelaars en liefhebbers. Het spreekt van zelf dat eene lichtere kleur-schakeering b.v. bij overigens goede eigenaohappen, oven goed als de door ons beschrevene zal kunnen volstaan en voldoen. Uit do lijst der afkeurings-punten blijkt dan ook dat aan de kleur niet zoo groot gewicht wordt gehecht.

Kop. — Wit-grijs of grijs-wit of staalgrijs niet zwart gestreept, Hals-sierveeren. — Als boven.

Kam en Wangen. — Rood.

Oorlellen. — Rood of rood niet wit, rood

verdient de voorkeur.

Snavel. — Hoorn-kleur.

Oogen, — Oranje- of donker-rood. Kinlellen. — Rood.

Borst. — Zwart of zwart met wit gevlokt.

Onderlijf en Dijen. — Zwart.

Rug-, Schouderdek- en Zadelveeren. —

Wit met zwart of staalblauw. Vleugel-bocht. — Zwart mot wit. Vleugel-dekveeren. — Metaal-zwart, een

duidelijken band vormend.

Groote slagpennen. — Zwart of zwart met wit.

Kleine slagpennen. — Wit en zwart. Staart en Sikkelveeren. — Zwart of

zwart met weinig wit. Het eerste verdient de voorkeur.

Staart-dekveeren. — Zwart of grijs.

Boenen, Voeten en Nagels. — Wit.

Hen :

Kop. — Bovendeel zwart, onder de oogen grauw.

Kam. — Hoog-rood.

Wangen. ■— Rood.

Oorlellen. — Rood of rood mot wit, het eerste verdient de voorkeur.

Kinlellen. — Rood.

Snavel. — Hoorn-kleur.

Oogen. — Oranje of donkerrood.

Hals. — Zwarte of donkergrijze streepen op lichter grond.

Borst. — Bruin, zalmkleur, onder de keel iets meer donker en ook bruin niet zwart gevlokt.

Rug- en Schouder-dekveêren. — Donker met duidelijk witte schacht-lijn op iedere veer.

Vlengelboog. — Als boven, zonder rood.

Groote Slagpennen. — Zwart of zwart mot wit.

Kleine Slagpennen. — Zwart, do buitenste in lichter overgaande.

Staart on Staart-dekveeren. — Zwart of graauw-bruin.

Dijen. — Zwart.

Boenen, Voeten en Nagels. — Wit.

Kleurpunten bij Zilveren Dorking's.

H aan:

Kop. — Zilverachtig wit.

Hals-sierveeren. — Zuiver zilver-wit zonder stropen.

Kam, wangen en lollen. — Koraal-rood.

Snavel. —• Hoorn-kleur of wit.

Oogen. — Oranje.

Borst. — Glanzend zwart.

Dijen en onderlijf. — Zwart.

Rug. — Zuiver zilver-wit.

Schouder-dekveêren, — Dito, zonder vlekken,

Zadel-veêren, — Zuiver zilver-wit.

Vleugel-bocht. — Dito.


ocr page 44

3ü

Vleugel-dekveêren: Groen- zwnrt,

Gi'ooto slagpennen. — Zwart met wit gevlekt.

Kleine slagpennen. — Buitenste wit, de andere zwart.

Staart. — Glanzend zwart.

Sikkel- en staart-dekveêren. — Dito.

l?eeneu, voeten en nagels. — Wit.

Hen:

Kop. — Zilver-wit met licht grijze teekeuing.

Hals-veuren. — Idem met zwart gestreept.

Kam, wangen en lellen. — iloog rood.

Oogen. — Oranje.

Snavel. — Hoornkleur of wit.

Borst. — Bood of zalmkleur, naar het onderlijf in grijs overgaande.

Dijen en onderlijf. — Grijs.

Rug-, schouder-, dek-, zadel-, vleugel-veêren. — Zilver-grijs met geringe teekening van donker-grijs op iedere veêr; de schacliten der veêren wit.

firoote slagpennen. — Grijs of zwart.

Kleine dito — Grijs.

Staart. — Grijs, iets donkerder dan do lijfveêren, zwarte standveêren.

Meenen, voeten en nagels. — Wit.

Bij Witte Dorking's.

H aan en Hen:

Kam, wangen en lellen. — Hoog-rood.

Snavel. — Wit.

Oogen. — Oranje.

Veêren. — Zuiver wit, zonder schijn van andere kleur.

Boenen, voeten en nagels. — Wit.

Bij Koekoeksveêren.

II aan en Hen:

Kam, wangen en lellen. — Hoog-rood.

Snavel. — Wit of hoorn-kleur.

Oogen. — Oranje.

Lijf. — Licht blauw-grijze grond, iedere veer omzet met donkergrijzen of blauwen rand j do teekening moet overal zoo symmetrisch mogelijk zijn en de twee kleuren zooveel mogelijk ineen loopen, zoodat geen bepaalde scheidingslijn tusschen do twee in het oog loopt.

Beenen, voeten en nagels. — Wit.

Numerieke waarde der punten bij donkere. Op 100 af te trekken voor: Haan:

Onvoldoende g-rootte..................... 15

Slechte vorm ............................. 20

Fout (ook in kleur) aan beenen en

voeten .................................... 20

Leolijke kop .............................. 5

Dito kam .............................. 10

Dito kleur............................. 5

Krom (gebogen) borstbeen ............ 10

Slechte stand van don staart ......... 5

Onfrisch voorkomen ................... 10

Onverschoonbare fouten.

Zeer boog op do beenen, kromme of misvormde beenen en voeten, ontbreken van den vijfden teen, gele nagels, sporen aan de buitenzij der beenen, bevederde of anders dan witte beenen, war-staart, geheel zwarte rug of veel vlekken in de veêren.

Hen:

Onvoldoende grootte ..................... 20

Fouten (ook kleur-) aan beenen en

voeten .................................... 25

Slechte vorm .............................. 25

Slechte kleur ............................. 5

Onfrissche toestand .................... 10

Leelijke kop en karn..................... 5

Krom borstbeen........................... 10

Onverschoonbare fouten:

Mismaaktheid van welken aard ook, zeer hoogo beenen, kromme teenen, gemis van vijfden teen, gele nagels, bevederde beenen, anders dnn witte beenen, war-staart, geheel zwart gevedorte.


ocr page 45

37

Numerieke waarde dor punten bij zilveren.

Op 100 af te trekken voor: Haan:

Onvoldoende grootte .................... 12

Slechte vorm ............................ 12

foit ( ook inkleur) aan boenen en voeten 15

Krom borstbeen........................... 10

Verkeerde stand van den staart ...... 10

Onfrissche toestand ...................... 10

Onverschoonbare teuten:

Andere dan enkele kam; anders dan vijf toonen; gele nagels, sporen aan de


Te grove kop ............................................................5

Loei ij ke kaïn ............................................................7

Wit in de oorlellen................................................4

Witte veêren in borst of dijen ..................15

bnitenzij der beenen, beenen dio bevederd zijn of anders dan wit, veel wit in de staartvooren, bruine veêren, gele tint in de veêren, mismaaktheid, war-stanrt.


ocr page 46

38

Hon:

Onvoldoende grootte..........................................15

Slechte vorm ....................................................15

Fout (ook in kleur) aan boenen en

voeten ........................................................................10

Leelijke kop eu kam........................................5

Wit in de oorlellen..........................................5

Slechte kleur van't lijf....................................15

Slechte kleur van de borst......................15

Krom borstbeen......................................................10

Onfrissclie toestand ..........................................10

Onverschoonbare fouten :

Anders dan enkele kam, anders dan vijf teenen, bevederde of anders dan witte beenen en voeten, grijze borst, mis-maaktheid.

Bij witte.

H aan en H e n :

Onvoldocude grootte..................... 15

Dito vorm........................ 15

Fouten aan beenen eu voetou........ 15

Leelijke kop cn kam..................... 15

Wit in de oorlellen........................ 5

Anders dan zuiver wit.................. 10

Krom borstbeen ........................... 10

Verkeerde stand van den staart ...... 5

Onfrissche toestand........................ 1.Ü

Onverschoonbare fouten:

Enkele kam, gekleurde veereu, anders dan vijf teenen, misvorming, bevederde of anders dan witte beenen en voeten, warstaart.

Bij Koekoeksveêren.

Onvoldoendo grootte..........................................15

Dito vorm..............................................15

Fouten aan beenen en voeten..................15

Leelijke kop en kam.........................15

Wit in do oorlellen........................ 5

Slechte kleurschakeering..............................10 j

Krom borstbeen.................................10

Verkeerde stand van den staart ............5 i

Onfrissche toestand................................................10 |

Onverschoonbare fouten :

Anders dan rose-kam, mismaaktheid, gekleurde veêren, anders dan vijf teenen, bevederde of anders dan witte beenen en voeten, warstaart.

SPAANSCHE HOENDERS.

Als vrij zeker kan worden aangenomen, dat tusschen de Italiaansche on Spaansche hoenders verwantschap bestaat, fn kam, bouw, kinlelleu en niet-broedlust komen ze met elkaar overeen.

Oorspronkelijk schijnen do Spaansche hoenders niet die groote witte wangen gehad te hebben, die tegenwoordig bij do Wit-wangen hoofdzaak zijn, maar eerst later, door jarenlange teelt, verkregen te zijn, en vooral Engelsche fokkers hebben zich daar speciaal op toegelegd.

Onder „Spaansche hoendersquot; begrijpen wij :

1°. Do z.g. Wit-wangen.

2°. De Andalusiërs.

3e. De Minorca's.

Do Wit-wangen werden 't meest aangetroffen, maar vinden in den laatsten tijd duchtige mede-dingers in de Minorca's. Br is een tijd geweest, dat zij doorgingen voor de boste leghoenders, eo dat zij inderdaad goede eier-producen-ten zijn is zeker, zoowel om de grootte als het aantal der eieren. Daarbij komt dat zij in betrekkelijk kleine ruimten, mits zorgvuldige behandeling, zeer goed gedijen, en dat zij zelden of nooit broedsch worden.

In ieder geval zijn zij om die hoedanigheden aanbevelenswaardig, en dat te meer, wanneer zij zoo veel mogelijk voldoen aan de eischen, die op tentoonstellingen gesteld worden; dat is, wanneer zij door imposant voorkomen, glanzend zwarten vederdos, zuiver witte, gladde wangen, inderdaad fraai kunnen heeton, wat niet hot geval is bij aooveleu, die


ocr page 47

39

men ziet met leelijke karamon, geritn- 1. Spaanache Wit-wang en.

pelde, gevlokte wangen en doffe, vale . , ,

veêren. Dan toch zijn ze, naar ouzo Algemeen voorkomen:

meening, bepaald afzichtelijk. Houding. — Pier on bevallig.

Wij zullen trachten de eischon, dio Lijl'. — Slank maar stovig.

voor do verschillende Spaanacho varië- Hals. — Lang, mot weinig bocht, teiten gesteld worden, zoo duidelijk Borst. — Goed gewell'd en vol. mogelijk te omschrijven. , Beenen. — Hoog, sterk.

ocr page 48

40

Staart. — Met lange, sierlijk gebogen sikkelveereu.

Het gelieel moet een deftig, trotsch,

maar niettemin elegant voorkomen zijn.

De haau moet 55 a 60 ceutim. hoog

üijn; de lien 40 a 50.

Bijzondere eigenscliappen ;

Haan:

Kop. — Lang en breed.

Kam. — Enkel, zuiver rood, groot, diep en regelmatig getand, rechtop staand.

Snavel. — Niet te lang, sterk, donker hoorn kleur.

Oogen. — Groot en levendig.

Wangen. — Groot, wit, glad «onder veertjes of haartjes, boven het oog tot aan den kam reikende en als 't ware met de oorlellen een crême-wit, rimpelvrij vlak vormende, dat bijna tot aan de keellellen reikt.

De wangen zijn bij deze het hoofdpunt; hoe grooter, gladder, zuiverder wit, des te beter.

Keellellen. — Rood, lang.

Hals. — Hoog-op en eenigzins achter-arts gebogen.

Rug. — Vrij breed en rond, naar het ! zadel smaller uitloopend.

Zadel. — Afbellend en flink behangen.

Vleugels. — Lang, goed ontwikkeld, vast tegen 't lijf.

Staart. — Groot, gespreid, met lange, sierlijk gebogen sikkelveeren, goed rechtop gedragen (niet a la eekhoorn).

Schenkels en voeten. — Lang on krachtig, glad, met lange, dunne teenen.

Do Hen gelijkt, afgescheiden van de gcslachts-kenmerken, op den haan. Het beduidende verschil ligt in de kam, die bij de hen over eeue zijde neerhangt; hoe flinker dio kam ontwikkeld is, en dus de zijde waar zij hangt 't meest bedekt, dos te beter. Even als bij andere groot-kammige hoenders, krimpt ook bij deze do kam in den ruitijd aanmerkelijk in, om later, wanneer de hen tegen deu leg is, weer tot de gewone, volle ontwikkeling te komen.

Klourslagen:

Vroeger was alleen sprake van Zwarte; later kregen wij Witte en allerlaatst zagen wij Blauwe en Koekoeksveêren.

Do Z w a r fc e.

Bij dezo dient bijzonder gelet te worden op flink en fraai voorkomen, op groote, gladde, zuiverwitto (of crème) wangen, grooten, regelmatigen kam, sterke, gladde, donkergrijze beenen, langen hals, fraai gevederto en (bij don haan) Hink ontwikkelden, van groote sikkelveeren voor-zienen staart.

Niet voldoende ontwikkelde exemplaren, met leelijk gevlekte, kortbeenige wangen, maken een onaangenaam figuur.

De Witte kunnen ons minder bekoren dan de Zwarte : het wit gevederte maakt met de groote witte wangen een weinig aesthetisch geheel uit.

Zij moeten zuiver wit van veeren zijn en de beenen van donker tot zeer licht grijs.

Do Blauwe en Koe k o o k s -voeren gelijken in kleur, de eersten op blauwe Andalusiërs (zie ouder), terwijl de anderen de kleurschakeering moeten hebben, als vroeger beschreven bij de Plymouth Rocks en anderen.

Do groote gladde wangen komen bij deze beter voor dan bij de witte.

Numerieke waarde der punten bij al de klourslagen.

Op 100 af te trekken voor: Haan:

Niet zuiver rechtopstaande kam, niet regelmatig gevormd.................. 20


ocr page 49

41

Valsche veêren (of slechte teekeniug) 15

Te dikke wangen............................10

Vlekken in de wangen....................................10

Niet voldoende lickamelijke ontwikkeling ........................................................................15

Te kleine of misvormdo wangen............15

Niet voldoend ontwikkelde staart............15

Onversclioonbare fouten :

Overhangende kam; anders dan enkele kam ; mismaaktheid; gedrongen figuur met korte beenen; roodgevlekte wangen ; lichtgrijze, bevederde beenen.

Hen:

Niet voldoend ontwikkelde, slecht ge

tande kam............................................................15

Vlekken iu- de wangen..................................10

Niet voldoende algemeen voorkomen 15

Te kleine wangen ................................................15

Rimpels in do wangen ..................................10

Te dikke wangen......................................................10

Te hoog gedragen staart ............................10

Valsche veeren, slechte teekeniug............15

Onverschoonbare fouten ;

Staande kam ; andere dan enkele kam ; mismaaktheid; gedrongen figuur met korte beenen; roodgevlekte wangen; licht grijze of bevederde beenen.

II. Andaluaiërs,

Algemeeno eigenschappen ;

Haan :

Kop. — Groot en breed.

Snavel. — Lang, niet dun. Kam. — Enkel, goed ontwikkeld, zuiver recht en rechtop staand, diep getand. Kinlellen. — Zeer lang, fijn eu dun. Wangen. — Pijn, glad en zonder wit. Oorlellen. — Middel-groot, glad, eenigs-zins ovaal, vast tegen den kop sluitend. Zonder plooien of rimpels.

Hals. — Lang, achterover gedragen, mot

rijk behang.

Lijf. — Rank, breed bij de schouders,

naar den staart taps toeloopend. Rug. — Eeuigszins rond.

Vleugels. — Lang, maar vast tegen het lijf. Borst. — Rond en vooruitgedragen. Beenen en voeten. — Lang, glad met

dunne teenen.

Staart. — Met flinke sikkel veeren, goed rechtop staand (geen eekhoornstaart). Algemeen voorkomen. - - Elink ontwikkeld, fier en statig.

II o n :

Als de haan, met inachtneming van de geslcichts-kenmerkeu en met het verschil, dat bij deze de kam over eene zijde van den kop neerhangt.

Kleurpunten.

H a a n en Hen;

Snavel. — Donker hoorn-kleur.

Oogen. — Oranje of rood.

Kam, wangen en kinlellen. — Schitterend rood.

Oorlellen. — Zuiver wit.

Beenen. — Lei-blauw.

Borst. — Donkerblauw.

Overig gevederte. —Lei-blauw met donkerblauw (bijna zwart) op iedere veer afgezet; bij den haan zijn de sier-veeren, zadel-, behang- en sikkelveeren schier zwart met purperen weerschijn.

Numerieke waarde der punten.

Op 100 af te trekken voor:

H aan en Hen:

Leelijke kam ..........................................................10

Rimpels in de oorlellen..............................5

Roestvlekken (of rood) in de oorlellen 5

Onvoldoende siervecren....................................8


ocr page 50

42

•Leolijke staart............................... 15

Slechte kleur .............................. 20

Onvoldoende ontwikkeling............... 10

Onevenredige bouw........................ 15

Onfrisch voorkomen ................... 12

HI. Minorca's.

Dat ook de Minorca's behooren onder de Spaansche hoenders, en eigenlijk, zij 't dan ook met inbrenging wellicht van


Anders dan roode wangeu ; vijf teenen; bevederde beenen; anders dan blauwe beeuen; roode, gele of witte voeren, onverschillig waar.

vreemd bloed, zwarte (of witte) Audalusiërs zijn, gelooven wij stellig. Wie Audalusiërs gehouden hoeft, weet hoe tal van zwarte kuikens voortkomen uit zelfs het onbo-riapelijkste paar blauwe, en soms ook


ocr page 51

4S

witte. Nu is wel bij de Minorca's rle kam wat grooter dan bij de Andalusiërs en stelt men als eisch bij de goede, dat zij wat hooger op de boenen staan, maar over 't algemeen hebben zij in uiterlijk en eigenschappen zooveel overeenkomst met deze, dat twijfel omtrent afkomst bijna niet mogelijk is.

De Minorca's worden aangetroffen in zwarte en wittej vooral in Engeland zijn zij zeer gewild en op iedei-e tentoonstel-ling gaat hot daar met de Minorca's als hier en in België met de Leghorn's, n.1. dat deze bij groote massa's worden ingezonden.

Het zijn dan ook inderdaad fraaie en aanbevelenswaardige hoenders. Hun flink voorkomen, kloeke houding, gepaard met uitmuntende hoedanigheden van ei- en vleeschproductiej zijn altemaal aanbevelingen, zoowel als hunne weinige neiging tot broedlust. Vooral rle witte zijn aan te bevelen. Beter nog dan do zwarte voldoen zij aan de eischenj die men kan stollen voor een nut- en sierhoen. De groote afmeting der eieren, het saprijke vleesch, winnen hot van do zwarte, hoewel ook deze allo aanbeveling verdienen.

Voor de tontoonstellings-exemplaren worden in Engeland (en ook in België) do volgende eischen gesteld.

Algemeene eigenschappen: Haan;

Snavel. — Niet te groot. Sterk. Kam. — Enkel, groot, vleezig, met bree-de stevige basis, ruw, gelijkmatig diep getand, zonder uitwassen of zij-spranten.

Kop. — Groot en kloek genoeg om als drager van den grooten kam te dienen. Kinlellen. — Lang, afgerond en fijn van weefsel.

Wangen. — Zuiver glad, zonder veertjes

of haartjes.

Oorlellen. — Zacht, eenigszins ovaal, goed togen den kop sluitend, niet te groot.

Oogen. — Vol.

Hals. — Lang met sierlijke bocht en volop lange sierveeren.

Lijf. - Bij do schouders flink breed en gezet.

Rug. — Broed en vrij lang, naar den staart eenigzins taps toeloopend.

Vleugels. — Middellang, vast tegen 't lijf gedragen.

Borst. — Vol.

Beenen en voeten. — Middellang en sterk.

Teenen. — Vier, fijn, wijd gespreid.

Staart. —Vol, met goed gebogen sikkel-veeren ou achteruit gedragen.

Afmeting. — Vrij groot.

Houding en voorkomen. — Flink en sierlijk.

Hen;

Snavel. — Niet te groot. Sterk.

Kam. — Groot, enkel getand, een bocht vormend, flink langs eene zijde van den kop overvallend, zonder uitwassen of zijpnnten.

Kop. — Groot en vol.

Kinlellen; — Lang, goed afgerond, fijn.

Wangen. — Glad, zonder haartjes of veertjes.

Oorlellen: — Niet te groot en iets ronder dan bij den haan, maar toch nog eenigszins ovaal, vast tegen don kop.

Oogen. — Vol.

Hals. — Lang, gebogen.

Lijf. — Groot en stevig, breed bij de schouders.

Rug. — Breed en vrij lang.

Vleugels — Vrij lang, vast tegen 't lijf gedragen.

Borst. — Rond en vol.

Dijen. — Stevig.

Boenen. — Middellang.

Teenen. — Vier, fijn, wijd gespreid.

Staart. — Sierlijk on goed achteruit gedragen. (Vooral niet hoog).

Afmeting. — Groot.

Houding en voorkomen — Naar evenredigheid flinker on viorkantor dan de haan, maar rustiger dan deze.


ocr page 52

44

Kleui'puiitcn; Zwarte. LI ii a n en Hon;

Snavel. — Donker lioornldenr. Oogeu. — Donker.

Witte. 11 a a n en H o n : Snavel. — Wit,

Oogen. — Donker.


Witto Mi

Kaïn, wangen en kinlellen. — Blood-rood. Oorlellen. — Zuiver wit.

Gevedertc. — Glanzend groen-zwart. Boenen. — Zwart of donker leiblauw.

rca Haan.

Kam, wangen en kinlellen. — Bloedrood. Oorlellen. — Zuiver wit.

Gevederte. — Zuiver glanzend wit. Beonon. — Wit.


ocr page 53

Numerieke waarde der punten. Op 100 af te trekken voor ;

Haan en Hen:

Leelijke kam ..........................................................20

Idem oorlellen ....................................................20

Slechte kleur en voorkomen........................20

Onvoldoende grootte ..........................................15

Onevenredige bouw..............................................15

Anders dan donkere oogen........................10

Onverschoonbare fouten ;

Mismaaktheid ; wit in de wangen : bij den haan ovei hangende, en bij de hennen op-staande kam; war-staart; veeren aan de beenen; valscbe veêren; anders dan 4 teenen aan de voeten ; beenen anders gekleurd dan zwart of leiblanw bij de zwarte, of wit bij de witte.

De Fransche Eassen.

Van alle landen (althans in Europa) staat Frankrijk, wat betreft de hoenderfokkerij als industrie, bovenaan. Voor duizenden en nogmaals duizenden guldens worden van daaruit hoenders en eieren gezonden naar Engeland en andero landen, terwijl bovendien in de eigen comsumtie wordt voorzien.

Do Fransche rasssen zijn dan ook algemeen bekend en om de groote eier-productie en om de uitstekende hoedanigheden voor de tafel.

Wij willen successievelijk die rassen behandelen; voorop dient echter gezegd dat, hoewel wij ook in deze de mode willen volgen, en dns onze beschrijving inrichten naar de tegenwoordige tentoon-stellings-eischen, wij daarmee niet willen zeggen, die in alle opzichten te deelen. Naar onze meening toch heeft do zoogenaamde veredeling ook van uitsluitende nut-hoenders, aan het eigenaardig type dier rassen afbreuk gedaan, en is het brengen van vreemd bloed niet altijd gevolgd door verbetering, al heeft men in fraaiheid ai gewonnen. Maar — wij moeten meê! en daarom onderwerpen wij ons, zij 't soms al mokkende, aan wat men tegenwoordig eischt.

Wij beginnen met het ras, dat het meest bekend en het meest verspreid is, n.1. met de Houdan's. Tafelhoen bij uitnemendheid, is 't ook als leghoen aanbevelenswaard, vooral wanneer het zich in alle vrijheid kan bewegen. In beperkten loop ver-eisefcen de llondiin's bijzondere zorg, vooral het soort dat wij tegenwoordig kennen als „Engelsche Houdan's.quot; De Engelschen, die overal, waar het fokkerij betreft, trachten te verbeteren en te verfraaien, hebben vooral de Houdan's tot doelwit hunner manie gekozen, en getracht door kruising met zilver Padua's, vooral groote kuiven, en bovendien meer regelmatige kleur-schakeering te verkrijgen.

Dat doel is in zoover bereikt, dat de tegenwoordig gewilde Engelschc Houdans prijken met enorme kuiven, iets wat vooral schade doot aan de eierproductie, daar, wat wij reeds vroeger zeiden van do Padua's, die kuiven oorzaak worden, dat men zo vast moet houden, omdat de kuiven het gezicht benemen, en bij aanhoudend regenachtig weer aanleiding geven tot oogziekten enz. Wij geven iutusschen do beschrijving volgens den Engolschen Standaard, waarin wij vinden:

Algemeene eigenschappen.

Haan :

Kop. — Vrij groot.

Kuif. — Groot en vol, genoegzaam naar achter overhangende om den grooten kam duidelijk te doen uitkomen. Kam. — Zoogenaamde blader-kam, bestaande uit 2 groote buiten-bladen, waartusschen als 't ware een snoer koralen, liet geheel heeft de meeste overeenkomst met een vlinder met uitgespreide vleugels.

Snavel. — Kort en sterk.

Oogen. — Moedig.


ocr page 54

46

Kinlellen. — Niet lang, goed afgerond.

Baard. — Groot, vol en regelmatig gevormd.

Wangen. — Zoo goed als bedekt door den baard.

Horst. — Breed, diep en vol.

Rug. — Breed, vrij langen recht-loopend.

Vleugels. — Niet te vaat tegen 't liji', niet sleepend.

Staart. — Vol en sierlijk gebogen, met flinke sikkelveeren.

Dijen. — Kort en flink uit elkaar staand.

Beenen. — Niet lang, stevig en goed recht.

Teenen. — Vijf, recht eu goed uit elkaar staand. De vijfde teen, die geheel vrij van den vierden moet zijn, een weinig opwaarts gebogen.

Houding en voorkomen. — Fier en levendig.

H e n :

Kop. — Vrij groot.

Kuif. — Groot, vol, i-ech tops taan d, gelijkmatig op don kop staand, en vooral sierlijk bolvormig.

Kam. — Zoogenaamde blader-kam, neer klein.

Oogen. — Vol en helder.

Kinlellen. — Zeer klein en afgerond.

Baard. — Groot en vol.

Hals. — Vol, vooral niet te lang.

Borst. — Breed, lang en vol.

Rug. — Breed, recht, middel lang.

Vleugels. — Groot, niet sleepond, ook niet te vast tegen het lijf.

Staart. — Niet te groot, recht aan 't lijf.

Dijen. — Kort.

Beenen. — Kort, sterk en zuiver recht.

Teenen. — Vijf, recht en goed gespierd, even als bij den haan.

Houding en voorkomen. — Flink en levendig.

Kleurpunten .

Haan en hen:

Kam, wangen en kinlellen. — Hoog-rood.

Oorlellen. — Wit.

Oogen. — Rood.

Kuif en baard. — Zwart en wit: mag over het geheel lichter van kleur-schakeering zijn dan het overige ge-vedtrte. Beide kleuren zoo regelmatig mogelijk verdeeld.

Overig gevederte. — Glanzend zwart met helder wit govlokt, zoo regelmatig mogelijk.

Beenen. — Wit met blauw of zwart gevlekt.

Waarde der punten.

Op 100 af te trekken voor:

Hij d en Haan:

Onvoldoende kuif ................................................14

Idem baard..............................................................10

Idem grootte ............................................................18

Onevenredige bouw ........................................12

Leelijke kam ............................................................16

Onvoldoende kleur (verdeeling) ............10

Fouten aan de beenen .........................10

Onfrisch voorkomen ..........................................10

Onverschoonbare fouten.

Mismaaktheid, roodo of bruine voeren, anders dan vijf teenen aan de voeten, sporen aan den buitenkant der beenen.

II e n:

Onvoldoende kuif ................................................15

Idem baard................................................................12

Idem grootte ............................................................20

Idem kleur (verdeeling) ..............................15

Leelijke beenen ......................................................10

Idem kam ..................................................................8

Onevenredige bouw ..........................................10

Onfrisch voorkomen ..........................................10

Onverschoonbare fouten.

Roode en gele veêren; anders dan 5 teenen aan de voeten: mismaaktheid: geheel zwart of geheel wit; sporen aan den buitenkant der beenen.


ocr page 55

47

DE „LA JTLÈCHE.quot;

Dit ras mag voorzeker wel in de tweede plaats onder de Fransclie rassen genoemd worden, ja, uit een oogpunt van „liefhebberij,quot; zouden wij geen oogenblik aarzelen het No. 1 te plaatsen. De flinke, hooge gestalte, de eigenaardige kop en kam, de vrij groote witte oorlellen, gevoegd bij den schitterend zwarten vederdos, doen liet onmiddellijk de aandacht trekken. Een toom goede La Flèche's is dan ook een sieraad in iedere collectie; hoewel zij niet zooveel eieren leggen als een Houdan, is de La Fleche hen niettemin eeue goede legster, maar vooral zijn deze hoenders als tafelhoenders aan te bevelen, en in het gedeelte van Frankrijk, waar zij bij voorkeur gekweekt worden (Dep. de la Sarte), zijn zij dan ook voor de vetmesting bijzonder intrek. Geïmporteerde La Flèche's eischen bij ons bizondere zorg; zij gewennen niet gemakkelijk aan de sterke verandering van lucht- en landstreek. Met wat zorg echter zijn zij goed te acclimatiseeren, en eenmaal gewend, zijn zij zelfs vrij sterk on fokken gemakkelijk voort.

Ook in Engeland zijn zij zeer gezien en heeft men voor dat ras den volgenden standaard.

Algemeene eigenschappen.

Haan:

Snavel. — Lang met hoogstaande neusgaten.

Kam — Bestaande uit twee gelijkmatig ronde horeutjea, zonder bij- of zijspran-ten, den vorm van een ~V vertoonende; middelgroot en niet lomp.

Kuif. — Bjen zeer klein kuifje, uit slechts enkele veertjes bestaande, eigenlijk slechts een klein begin van kuif, die niet voltooid is.

Oorlellen. — Niet te groot, glad en effen,

rond en zeer fijn.

Kop. — Nog al lang, dun en aan de

zijden plat.

Oogen. — Vol en stout.

Wangen. — Glad, zonder spoor van veeren.

Kinlellen. — Lang, neerhangend.

Hals. — Lang en statig; hals-sierveêren niet te veel ontwikkeld.

Rug. — Lang, niet breed, naar den staart taps toeloopend.

Vleugels. — Groot en flink opgedragen.

Borst. — Vol en sterk.

Staart. — Lang, maar naar verhouding niet vol, en eer af hellend gedragen, dan hoog..

Dijen. — Lang.

Beenen. — Idem.

Teenen. — Gelijkmatig en recht.

\ oorkomen. — Sierlijk, kloek en vroolijk.

Hen:

Snavel. — Vrij lang met hoog staande neusgaten.

Kam. — Bestaande uit 2 horentjes te zamen een \ vormende, zonder verdere bij- of zijspranten, klein en sierlijk.

Kuif. — Begin van zeer klein kuifje, enkel bestaande uit eenigo kleine veertjes, die aan begin van kuif doen denken.

Kop. — Klein.

Oogen. — Vol en stout.

Wangen. — G lad, zonder spoor van veêren.

Oorlellen. — Klein, rond en fijn.

Kinlellen. — Klein en rond.

Hals. — Lang en sierlijk.

Rug. — Breed, naar den staart een weinig taps toeloopend.

Lijf. — Eenigszins plomp.

Borst. — Breed.

Vleugels. — Groot, maar goed opgedragen.

Staart. — Klein, rechtuit gedragen.

Dijen en beenen. — Lang,

Voorkomen. — Kloek en vroolijk.

Kleurpunten:

Bij haan en hen:

Wangen. — Eood.

Oorlellen. — Zuiver wit.

Kinlellen en kam. — Rood.

Oogen. — Rood.


ocr page 56
ocr page 57

Yederdos. — Zwart met schitterend

groenea weerschijn.

Beeaen. — Donker lei-grauw.

Waarde der punten. Op 100 af te trekken voor:

Bij baan en hen:

Leelijke kam ............................................................15

Eoest- of andere vlekken in de oorlellen ........................................................................10

Wit in de wangen................................................10

Onvoldoende grootte........................................18

Onevenredige bouw ..................................15

Te sterk ontwikkelde kuif ........................12

War-staart ..................................................................10

Onfrisscha toestand ........................................10

Onverschoonbare fouten.

Mismaaktheid; witte of gekleurde vederen; roode oorlellen.

De Crêvecoeur's.

Ben der fraaiste hoenderrassen is zeker wel dat der Crêvecoeurs, dat zijn naam ontleent aan het plaatsje Crêvecoeur in Calvados. In hoever het waar is wat sommigen beweren, dat hier gedacht moet worden aan een kruisings-product waarin het Hollandsch Witkuif-hoen betrokken is, zullen wij daarlaten. Zeker is het dat wij hier te doen hebben met een prachtig hoenderras, welks trotach en statig voorkomen, kloeke bouw en fraaie kuif, die de la Flêche-hoorntjes als kam koket doen uitkomen, ieder bekoort. De Engelschen hebben ook dit ras zich aangetrokken, en zich vooral toegelegd op de ontwikkeling van de kuif, waaruit ze ieder spoor van wit hebben weten weg te fokken.

Als leg-hoen behooren zij niet tot de beste, hoewel zij evenmin onder de slechte mogen gerangschikt worden. Het ei is kloek ; als tafelhoen is het uitmuntend, daar het vleesch zeer blank en malsch is. Zij komen voor in drie kleurslagen als zwart, wit en blauw.

De Engelschen geven alleen den standaard aan van zwarte, en wij twijfelen dan ook geen oogenblik, of deze zijn do ware, terwijl de blauwe en witte door kruising met Witkuif of Padua zijn verkregen, eerst de witte en daarna de blauwe. Zij zijn minder week en gevoelig voor tem-peratuui'-wisseling dan de la Fleche; de kuikens van flinke sterke ouders groeien flink en vlug, kortom, 't is een ras dat elke aanbeveling overwaard is.

Algemeene eigenschappen.

Haan.

Kuif. — Groot, achterover neigend, zoodat do kam goed zichtbaar is. Kop. — Rechtop en statig. Kam. — Bestaat uit twee gelijkmatige hoorntjes een V vormend, zonder bij-of uitwassen, niet te groot en flink tegen de kuif opstaand.

Oogen. — Vol en groot.

Ooren. — Klein, met donzige baardveê-

ren bedekt.

Wangen. — idem.

Kinlellen. — Lang.

Snavel. — Sterk en krom gebogen. Hals. —• Lang en sierlijk, goed met sier-

veêren bezet.

Borst. — Breed, vol en lang. Rug. — Breed, lang en plat.

Lijf. — Groot en breed.

Bakke- en Kinbaard. — Vol en groot. Vleugels. — Lang, niet te hoog en te vast

tegen 't lijf.

Staart. — Zwaar en met groote, breede

sikkelveêren, hoog op gedragen. Dijen. — Kort en goed met veêren bezet. Beenen, — Korte schenkels, met vier

lange, rechte teenen.

Voorkomen, — Fier en elegant.

Hen:

Kuif. — Groot, bolvormig. Kop. — Groot.

Kam. — Als bij den haan, doch klein en net.


ocr page 58

50

Hakke- en Kinbaard.0— Vol en grout. V ^S!8quot; Lan8quot;' lliet ^ hoog op gcdra-

1IabêZIt Middellan^goedniet8ierveêren | Staart.quot;- Breed en vol.

i Dijen. — Zeer sterk.

ri^mm

Crévocoeiir Haan.

~^.Lan8' en vo1' vooruitstekend. — Flink groot.

Kug. — pjat eIj breed.

Beenen. — Kort, met 4 rechte teenen. Voorkomen. — Levendig en fier.


ocr page 59

51

Kleurpunten.

Haan en Hen:

Kam. — Hoog rood.

Wangen en lellen. — liood.

Oogen. — Hoog rood.

Beenen. —Zwart of lei-grauw (liet laatste te verkiezen).

Gevederte. — Schitterend groen, zwart, zonder spoor van andere, behoudens een enkel wit veertje in de kuif van oude dieren.

Waarde der punten.

H aan:

(Op 100 af te trekken voor:)

Leelijke kam ............................................................20

Gebreken in kam en baard ........................20

Witte veêren in de kuif ............................10

Onvoldoende grootte ..........................................20

Onevenredige bouw ..........................................15

Onfrissche toestand ..........................................15

Onverschoonbare fouten.

Mismaaktheid: andere dan zwarte veeren (behoudens enkele witte veertjes in de kuif van oude dieren), gemis van

baarden.

Hen:

Leelijke kam ............................................................15

Witte veêren in de kuif ............................14

0ebroken in kuif en baard ........................22

Onvoldoende grootte ..........................................22 ï

Onevenredige bouw ......................................12

Onfrissche toestand ........................................15

Onverschoonbare fouten.

Mismaaktheid: andore dan zwarte veêren (behoudens enkele witte veertjes in de kuif van oude dieren) gemis van baarden.

De blauwe moeten zijn: gelijkmatig blauw zonder stroo-gole veeren, niet loi-blanwe beenen, terwijl do witte onberispelijk wit moeten zijn inet lichte beenen.

Overigens zijn bij deze kleur-slagen alle bovenomschreven eigenschappen in acht te nemen.

De Kraai-koppen.

Onder dezen, wel wat vreemden naam, is een ras bekend, dat gevaar loopt, spoedig niet meer bekend te zijn.

't Is een echt Hollandsch ras, getuige ook zijn naam van Bredasch hoen, Gel-derscli hoen. Wel zijn sommigen van meo-uing, dat de kraaikoppen ontstaan zijn uit eene kruising van den la Flêche haan met do gewone land- of boerenkip, maar bewijzen van betrouwbaren aard zijn daarvoor nooit aangebracht, en de moening scli i j ut alleen liaar ontstaan te danken te hebben aan de overeenkomst tusschen den kop van la Flêche eu kraaikop.

Do eigenaardige been- en vooral voot-bevedering van goede kraaikoppen getuigt daarentegen veel meer van een zelfstandig ras, dat wellicht juist om die bevedering niet in den smaak viel van den practischen boer, en zoodoende verwaarloosd werd. In het werk van Fit-zinger „Arten und liassen der Hühnerquot; zegt deze van de kraaikoppen (door hem Napfkainmhuhn genoemd) dat hun vuder-land zou zijn het eiland Ja,go, van waar ze in Spanje kwamen. Maar het blijkt dat do man „er naar raadtquot;, waar hij laat volgen: Vandaar, Spanje (waar zij nu iuheomsch ziju) kwamen zij later naar Engeland en Holland.

We golooveu er tittel noch jota van en twijfelen er aan, of er in Spanje kraaikoppen te vinden zullen zijn. In de laatste jaren is weer meer do aandacht van liefhebbers op dit inderdaad fraaie ras gevallen, vooral in ons land en meer nog in België.

Vroeger, vóór de invoering der Cochin's, werd ook in een gedeelte van Duitscbland en vooral in de omstreken van Frankfort en Wiesbaden, nog al werk gemaakt van kraaikoppen, die daar met schecpgelegenheid van uit Holland werden aangevoerd.

Algcmeone eigenschappen.

Op don eersten aanblik komen de kraaikoppen het meest overeen met la


ocr page 60

Flêche's. Zij zijn echter niet zoo groot en zwaar als deze. Vooral aan 4 bijzonderheden, hun speciaal eigen, ontleenen zij hunne eigenaardigheden, als ;

a. don eigenaardigen vorm van den kop en snavel;

b. totaal gemis van kam;

f. het zeer geringe spoor van kuif;

cl. do been-bevedering met eigenaardig lange, smalle beenveêren en gier-hukken.

Haan:

Snavel. — Donker (bijna zwart) over de niet groote neus-gaten een soort verhevenheid of zadel, al naar welks vorm de benaming is, „schulpneus, brilnensquot;, of „toornsche kip.

Bij de eerste is de verhevenheid op den snavel met platte randen; bij de tweede zijn die randen sterk omgekruld, terwijl de laatste achter de verhevenheid nog een klein bewijs van kam hebben, in don vorm van 2 vleesachtige puntjes.

Kop. — Vrij groot, sterk, eer breed dan lang, met breeden schedel, waarop eenige borstelachtige haartjes aanspraak trachten te maken op den naam van kuif.

Wangen. — Rood, met haarachtigo veertjes.

Oogcn. — llood, met zwarten oogappel.

Oorlellen. — Lang, 't zij rood of wit, al naar men Baldamus of Perre le Roo gelooven wil.

Kinlellen. — Zeer lang en goed afgerond, helder rood.

Hals. — Vrij lang en zwaar, min of meer voorover gedragen, met lange, glanzende aierveeren bezet.

Rug. — Lang en breed, met goed ontwikkelde schouders en zadel.

Borst. — Breed, vol en vooruitstekend.

Vleugels. — Sterk, vrij breed, vast aan 't lijf.

Staart. ■— Niet van de grootste, met sierlijk rond gedragen sikkelveêren en tamelijk recht-op gedragen.

Schenkels. — Lang en sterk, met veêren bezet die boven het knie-gewricht met stevige veeren, zoogenaamde gier-hakken vormen.

Voorkomen. — Kalm, maar fier.

Bij do hen moeten al de voornoemde kenmerken aanwezig zijn, met de gewone afwijkingen van 't geslacht.

De meest voorkomendeklenrschakeerin-gen zijn; zwart-, blauw- en koekoeks-veeren. Do witte worden zelden aangetroffen.

Onnoodig te zeggen, dat de kleur moet zijn zilverglanzend zwart of blauw, of wit, zonder andere kleuren, en als vroeger bij andere rassen beschreven. Ook de koe-koeksveêren moeten zoo zuiver mogelijk afgeteekend zijn als bij de Plymouth Rocks is gezegd.

De Yokohama's.

Dit i'as, naar mijne meening door sommigen te om'echt onder de Vecht-hoenders gerangschikt, behoort in de allereerste plaats mede onder de sier-hoenders. Als Vechthoen toch kornt den haan de lange staart al zeer weinig te stade, en bovendien zijn ze over 't algemeen eer vreedzaam dan strijdlustig van aard.

Als siervogels bohooren zij tot de fraaiste die men zich denken kan. Rank en bevallig van houding en voorkomen, maken vooral goede hanen met hunne prachtige, lange staarten een hoogst aangenamen indruk.

Als nut-hoenders staan ze op een der laagste rangen, ten ware men de goede eigenschappen der hen als broedster en moeder, als zoodanig in aanmerking wil doen komen. Zij legt weinig en zeer kleine eieren, wordt, vooral als zij oen paar jaar oud is, telkens na het leggen van van 1.0 a 15 eieren broedsch, zoodat het geene zeldzaamheid is, eene hen in één jaar 3 broedsels groot te zien brengen.

De naam, die van de Japansche haven-1 stad Yokohama, duidt het vaderland dezer ' hoenders aan als Japan. Van daar kwamen zij, naar we meenen, voor het eerst in


ocr page 61

58

18(54 naar Europa, on wel in den Jardin d'Acclimatation te Parijs.

Slechts zeer weinig exemplaren gelukte het in te voeren, zoodat vrij zeker kruising met Phoenix en Mtdeiers heeft plaats gehad.

lu Japan zelf, waar ze „Jïtoriquot; genoemd worden, komen zij in velerlei kleur-sohakee-vau den aanfok der Yokohama's, wat blijkt uit do vele schoouo oxemplaren, die wij telkens op tentoonstellingen zien. Wel is waar zien wij daar niet of hoogst zelden do inderdaad schoone gezadelde, zooals een jaar of acht geleden, maar onder de witte komen zeer vele prachtige dieren voor.

Dj Engelschen scliijnen er weinig mee


ringen voor, terwijl wij in hoofdzaak geen ; andere kennen dan do Witlo en z. g. Gezadelde, hoewel wij ons herinneren, eenige jaren geleden een blauwen haan i gezien te hebben.

In Frankrijk, België, Duitschland en ons land wordt nog al werk gemaakt |

op te hebben, althans Yokohama's zijn op do Engelscho tentoonstellingen als ,,witte ravenquot;.

Wij willen trachten ze te beschrijven, zooals zij naar onze meening moeten zijn, om inderdaad aanspraak te kunnen maken op do naam van fraai.»


ocr page 62

54

Algemeen voorkomen:

Hoofdveroischton zijn: een gestrekt lijf, slanke lials, breede kop, kleine kam, in den vorm van een wrongel. Wat dezen laatsten betreft, moeten wij do opmerking maken dat, zeer zeker ten gevolge van kruising met Phoenix, die z. g. wron-gelkam tegenwoordig meestal ^gemaaktquot; wordt. Zeor vele kuikens toch hebben een wel niet groeten, maar toch vrij ontwikkelden, enkelen kam, die door geoefende operateurs wordt gesneden en besneden, in den vorm van een „wrongel.quot;

Voorts moeten zij vrij hoog op do beenen staan: deze moeten glad zijn en geel, terwijl vooral bij den haan de meerdere lengte der sikkelveeren do meerdere waarde aanbrengt, en ook de staart van de hen sterker ontwikkeld is dan bij andere rassen. Sierlijk van houding, en bevallig in al zijne bewegingen, is het Yokohamahoen oene eigenaardige verschijning.

Jammer maar, dat de aanfok moeilijk is, zoowel om hot feit dat do kuikens moeielijk zijn groot te brengen, als om de knoeierij, die met liet mes meestal aan do kammen moet plaats hebben.

Bijzondere eigenscbappen.

Haan:

Kop. — Lang en breed.

Snavel. — Middellang, sterk, een weinig gebogen, bij jonge dieren hoog-geel, (bij oude exemplaren komt nog al eens een bruinachtige snavel voor). Kam, — In den vorm van oen wrongel,

niet groot.

Wangen; — Rood en glad.

Oogen. — Groot en levendig.

Oorlellen. — Rood, niet te groot. Kinlellen. — Weinig of niet.

Hals. — Lang, slank, in gewonen gang-rechtop en sierlijk gebogen; bij snelle beweging rechtuit gestrekt.

Lijf. — Gestrekt on slank, eenigszins hoog in de schouders. Rug. — Middellang, naar den staart eenigzins taps en afhollend.

! Vleugels. —• Middelmatig lang, goed tegen het lijf gedragen en onder de sierveeren gedeeltelijk verborgen. Borst. — Vol en min of moor vooruit gedragen.

Beonon. — Hoog, met lange, sterke

schenkels, glad en geel.

Staart. — Praai gevormd, met zeer lange sikkelveeren, die in sierlijke bocht worden gedragen.

Ook hier wordt nog al eens oen middeltje ter hand genomen, om eon goodo richting aan den staart te geven, n.1. hot bevestigen van lood aan de pennen.

In goeden natuurlijken staat, moeten vorm en dracht van don staart eenigszins gelijken op die van den fazant; do sikkelveeren moeten bestaan uit lijne, dunne schachten, ongeveer 80 a 90 centimeters lang zijn; do korte staartveeren moeten goed rechtuit gedragen worden, waarover do sikkelveeren in sierlijke bocht wolven en den grond raken,

II e n.

Deze komt, wat lichaamsbouw en houding betreft, geheel overeen met den haan; do staart, die zeer lang en vol moet zijn, doet ook denken aan de fazant en moet recht godragen worden, met eenigszins, neergebogen uiteinden.

Als boven gezegd, komen voor do zoogenaamd gezadelde, en de witte Joko-h am a's.

Do eerste, wier grondkleur wit is, onderscheiden zich als volgt:

bij den haan moet do rug, met de schouders en vlougel-dekveeren, frisch bruinrood zijn; dit vormt dus midden op hot lijf als hot ware een zadol, al hot overige govedorte moet wit zijn.

Intusschen komt veol voor een bruin of geel onderlijf, zich soms tot aan de borst uitstrekkend; dit is meer dan gezadeld en behoort zoo niet te zijn, hoewel daarop bij do beoordeeling niet zoo scherp wordt gelet als op houding, bouw en vooral fraaien staart.

Bij de hen moeten kop, hals, vleugels en staart wit zijn, terwijl verder hot ge-


ocr page 63

vederte van af de borst met onderlijf en rug oen bleek-roode of chamois-tint hoeft, met witte uiteinden.

Onnoodig te zeggen, dat de witten onberispelijk wit moeten zijn, zonder spoor van gekleurde vederen.

Over de enkele blauwe en ook zwarte, waarvan wij wel eens hoorden, zullen wij niet uitweiden, maar liever afwachten hoe men die vorder door kruising met Phoonix en Sumatra-hoen zal maken.

De Scotch Greys.

In Dnitschland worden zij vrij algemeen „graue Schottenquot; genoemd : de wetenschappelijke naam is „Gallus dom. Scotius undulatus.quot;

Van waar zij komen is eene vraag, waarop hun naam liet antwoord geeft. Schotland is hun „sweet homequot;, en tengevolge van die afstamming uit het. ruwe hoogland is hot ras sterk en tegen allo weersgesteldheid gehnrd. Zij kunnen gevoegelijk het Schotsche landlioen (tot een hoogen graad van raszuiverheid gebracht) genoemd worden.

Do vraag of zij door kruising uit de Dorking's dan wel dezo uit do Scotch Greys getrokken zijn, heeft vroeger pennen en hoofden in beweging gebracht maar heeft zoo weinig te beteekenen, dat wij ons daar maar niet in zullen verdiepen. Genoeg zij het te woten, dat het oen hoenderras is dat zeer zuiver gefokt wordt en om zijne verschillende goede eigenschappen zoowel als nut on luxe hoen zeer aan te bevelen is.

Algemeen voorkouion:

Een der eerste eischen is, dat zij twee flinke, sterke, hooge beenen onder 't lijf hebben, en hooger dan de Dorking's zijn. De bovenschenkels zijn kort, de onder'beencn lang, beiden intusschon, zwaar en sterk, geven aan hot dier oeno

f)5

hooge gestalte en tengevolge daarvan een eenigszins zwaren gang.

De teenen zijn lang en staan wijd gespreid, bij de hennen vindt men dikwijls tamelijk ontwikkelde sporen.

Do beenen hebben eene bleeko kleur, zijn glad, zonder eenig spoor van beveo-dering; do bovenschenkels steken als 'fc ware in eene sierlijk afgeronde broek.

Het lijf is gestrekt, maar niettemin goed afgerond; betrekkelijk is het geraamte niet zwaar, maar do vleeschvor-rning dos te grooter en het volle achterdeel, en de breed gebouwde borst zijn ! als 't ware geschapen tot eene overvloe-; digc vleesch-productio, en daar zij goede, ! gulzige eters zijn, zijn zij bij uitstek | geschikt om kolossale tafelvogols te pro-; duceren; hun vleesch is daarbij lijn en t saprijk, en het is do vraag, of zij hierin zell's de Dorking's niet de baas zijn. Kop. — Sterk gebouwd, lang en smal. Snavel. •— Lang, dik met weinig bocht,

licht hoornkleurig.

Kam. — Enkel, dun, bij den haan met vrij stevige biisis, zoodat hij goed recht blijft staan; bij de hen hangt het bovengedeelte een weinig over, terwijl hij bij beiden regelmatig, doch niet diep getand is.

Kinlellen. — Aan do keel vrij breed,

niet zeer groot, frisch rood en fijn. Wangen en ooren. — Rood, groot en glad, zonder spoor van wit er in, de ooren zijn groot en lang.

Oogen. —• Groot en helder met donkeren appel.

j Schedel. -- Smal en afgerond.

I Hals. — Vrij lang, bij de bennen recht, bij don haan met korte, sierlijke buiging.

1 Borst. — Vol en breed, goed afgerond, niet te veel vooruitgedragen, het borstbeen is sterk gevormd, niet vooruitstekend, zoodat kromgroeien zelden , of nooit voorkomt.

! Onderlijf. — Lang, met do beenen nog al naar achteren en in het oogloopend ter zijde, waardoor zij een eenigszins loggen gang hebben.


ocr page 64

Schouders. — Sterk ontwikkold, uog ui in 't oogloopend, zonder echter eer. hoekigeu vorm te veroorzaken. ^Jet de sterke

Vleugels, die zeer ontwikkeld zijn, vormen zij oen geheel, dat getuigt van kraclit en forschheid.

Niettegenstaande de goed ontwik-

De vleugels moeten vast tegen 't lijf gedragen worden en loopen in hunne volle breedte tot aan den staart.

Rug. — Lang, niet te breed en flauw afgerond.

Staart. — Vol, vrij rechtop gedrageu, vooral bij den haan, zonder echter naar den kop over te neigen. De


'1/a

kolde, sterk gebouwde vleugels, kunnen de Scptch Greys zoo goed als niet vliegen, het geheele lijf is daarvoor to zwaar, zoodat zij in eene lage omrastering kunnen gehouden worden. Alleen do jonge dieren, wier vleugels reeds volwassen zijn, vliegen vrij goed.

staartveeren zijn lang en sterk, staan vrij ruim en evenwijdig van elkaar, en geven daardoor aan den staart eene in 't oog loopende breedte; de sikkel-veeren van den haan zijn niet zoo lang als bij do meeste andore rassen, maar niettemin in bevalligen bocht.


ocr page 65

57

Kleurpmiton.

Het gevederde moet gelijkmatig „Koe-koeksveerquot; zijn. De grond kleur donker, met lichter, regelmatig gevormde ringen \ om liet gelieele lijf, dus ook aan het onderlijf doorloopende. ]5ij geen ander ras van dezelfde kleur komt die ring-vorming zoo sprekend voor, vrij zeker een gevolg daarvan, dat die ringen niet grauw-zwart, maar blauw-zwart zijn; deze schakering moet over bet geheele lijf doorloopen van af den kop tot aan het uiteinde van den staart, zoodat deze niet enkel grauw of grijs mag zijn. Even als bij de meeste andere Koekoeksveeren-rassen vindt men ook bij do Scotch Grey's meer fraai getee-konde hennen dan hanen. Veelal vindt men bij de laataten een geel-of bruinachtige tint in de veeren: ze zijn doorgaans lichter van grondkleur dan do hennen, hoewel donkere hanen daarom nog geen zeldzaamheid zijn. Bij de keuze van een fokhaan dient vooral gelet te worden op zuiver Koekoeksveer zonder gele of bruine tint, en zal met een lichten, goed getee-^ kenden liaan bij zoo donker mogelijke hennen do uitkomst zijn, dat men goede afstammelingen krijgt. Als leghoen zijn zij zeer aan te bevelen, is het al niet om het groot aantal, wat beneden het cijfer der uitstekende legsters blijft, dan toch zeker om do grootte der eieren, wier gewicht gemiddeld 04 a 68 gram is. In liet 3° levensjaar echter vermindert de leg sterk en ontstaat eene neiging tot vleesoh- en vetvorming, zoodat zij dan spoedig en gemakkelijk tot een aanmer-) lijk gewicht kan gevoerd worden.

De kuikens groeien doorgaans snel en vooral in vleesch, zoodat zij op den leeftijd van 2 a 3 maanden een lang niet te versmaden tafelhoen kunnen zijn.

Zij zijn minder dan eenig ander ras vatbaar voor ziekten, en om al die redenen zeer zeker meer aandacht waard dan er bier tot nog toe aan geschonken is.

Voor eene kruising ter verbetering van het gewone boerenlioen zijn zij zeer aan

te bevelen, terwijl bovendien eeno kruising met Italiaansche en Spaansche kippen zeer zeker aan te raden is.

De Dominique's.

[Gallus dom. Ammcanus uvdnlatus).

Deze zijn een Noord-Amerikaanscli hoenderslag en voeren dus een naam, door dezen of genen fantast er aan gegeven.

• Waarschijnlijk zijn zij ontstaan uit eene kruising met Scotch Greys of Dorkings, mot een geringe dosis Cochin-bloed.

In voorkomen en kleur komen zij met de Scotch Greys overeen; van deze onderscheiden zij zich in hoofdzaak door hun roze-kam en gele beenen en van de Dorkings door het ontbreken van den vijfden teen.

Vroeger waren deze hoenders meer in trek dan tegenwoordig; zij zijn dooide Leghorns, Plymouth Rock's en andere tegenwoordig meer gewilde rassen, tamelijk op den achtergrond geraakt. Waarom? Zie hier eene vraag, die wij niet durven beantwoorden. Zeker toch is het, dat wat sierlijkheid en goede eigenschappen betreft, de Dominujue's boven do Scotch Greys de voorkeur verdienen, misschien alleen met uitzondering van hunne mindere waarde als tafelvogels.

Algemeen voorkomen:

Gedrongen, vierkant, Dorking-achtig lijf, stout, levendig.

Ha a n :

Kop: — Klein en plat.

Snavel : — Middel-groot, helder geel.

Wangen : — Glad, zonder veertjes, fijn,

en helder rood.

Oorlellen : — Middel-groot, eenigszins

neerhangend, hoog-rood.

Kinlellen: — Middel-lang, sierlijk afgerond.


ocr page 66

58

Oogen. — Leven Jig, rood.

Kam. — Sierlijk roze, evenals bij de Hamburgers voor aan den kop breed en taps uitloopend in een opwippende punt: fijn getand bovenop.

Hals. — Middel-lang, forsch gebouwd, goed bezet met lange, over de schouders neerhangende sierveêrcn.

Lijf. — Stevig gebouwd niet breeden rug.

Zadelveêren. — Vol en lang.

Borst. — Rond, sterk, flink voorwaarts gedragen.

Achterdeel. — Breed, Oochin-achtig.

Staart. — Goed ontwikkeld, breed, met fraaie, lange sikkelveêren, flink opgedragen (zonder eekhoorn-houding).

Vleugels. — Krachtig, vast tegen het lijf' gedragen.

Beenen. — Sterke dijen, met slanke schenkels, glad, kaal, geel, met flinke sporen en vier dunne, lange, van scherpe nagels voorziene teenen.

Hen:

In alle deelen, behoudens geslachtskenmerken en mindere grootte, als do haan.

Kleur. — Koekoeksveer, als bij de Plymouth J lock's beschreven.

lloofdvereischte zijn. — Fraai, vol figuur, nette, regelmatig bewerkte kam, gele boenen en snavel, gelijkmatige koekoeksveer.

Hoofdgebreken. — Enkele kam, vleescli-kleurige beenen en snavel, slechte kleur, als bruine of gele veêren en tint.

De Sultans.

{Serail ]i,nendors).

Met dit Sier-ras wenschen wij de eerste afdeeling van den Standaard voor Hoenders te besluiten. Wij weten wel dat nog tal van andere rassen zouden kunnen genoemd en beschreven worden, maar van den beginne af hadden wo ons ten taak gestold niet alles te behandelen, ;

maar zoo na mogelijk alleen die rassen en variëteiten die op onze en de Belgische tentoonstellingen het meest voorkomen.

Eene tweede afdeeling zullen wij aanvangen met de meest voorkomende vecht-hoenders (groote en kleine) en de verschillende Bantamsoorten.

De Sultan's, ook Serail- en Turksche hoenders genoemd, zijn in den volsten zin des woords Sierhoenders.

We zullen ons niet verdiepen in de vraag of inderdaad de Sultan's van Turksche dan wel Russische origine zijn en evenmin ons aflaten met enkele meer of mindere toevallige kleurschakeringen waarmee wel eens getracht is ophef te maken, maar ons bepalen tot de bekende witte variëteit die voor eenige jaren door enkele liefhebbers zoo prachtig werden geëxposeerd dat wij niet kunnen begrijpen ze tegenwoordig zoo weinig meer te zien. Onder de Kuif-hoenders toch nemen ze eene zoo niet de eerste plaats in,

Alg'emeen voorkomen:

Niet groot, gedrongen, sierlijk gebouwd met flink voorkomende borst, middel-lange en recht opgedragen hals, volle, bolvormige kuif, zware kin- en bakkebaarden, sterk bevederde, korte beenen, voeten met vijf teenen. In het algemeen zijn ze iets kleiner dan Padua's en even-iils deze in hun geheele voorkomen sierlijk en bevallig, kalm van temperament (hoewel de hanen nog al druk kunnen zijn), mak en vertrouwelijk.

Haan;

Kop. — Kort en hoog gewelfd, met volle, gelijkvormige achterover neigende, rond den kop neerhangende kuif.

Baard. — Zoo kin- als bakkebaarden zeer vol zoodat wangen, oorlellen en keellellen daar geheel onzichtbaar door zijn.

Kam. — Deze bestaat uit slechts twee puntjes aan den snavelwortel zonder meer.


ocr page 67

59

Keellellen. —/eer klein (ongeveer 15 mM. lang en 10 breed.

Snavel. — Kort, met weinig bocht.

Oogen. — Groot, levendig, geelbruin.

Hals. — Middelmatig, rechtop gedragen. Sierlijk gebogen en met lange sier-veeren vol bezet.

Romp. — Gedrongen, met vrij breeden rug.

Borst. — Rond, diep en flink voorkomend.

Vleugels. — l^ang^ met de punten naar beneden gedragen.

Zadel-Sierveeren. — Lang en vol.

Staart. — Vol, lang en flink hoog gedragen, met veel kleine en groote sikkelveeren.

Beenen. — Middellang, sterk bevederd, waardoor ze korter schijnen dan ze zijn, met flinke, neerhangende gier-hakken, vijf teenen, waarvan op de middelste de beenbevedering uitloopt.

De Hen. — Is kleiner en sierlijker dan de haan, het verschil (behalve de gewone geslachtskenmerken als sporen, sier- en sikkelveeren) bestaat voornamelijk in de kuif, de kam en de keellellen. De kuif van de hen toch bestaat niet uit lange smalle achterover neigende en langs den kop hangende veeren, maar vormt een korten, goed gevulden, compacten bol; van kam zoo goed als niets te bespeuren en van de keellellen slechts de plaats aangeduid waar ze konden zijn.

Kleur. — A.ls bovengezegd willen we niet ons afgeven met deze of gene meer of minder toevallige kleurslagen die al eens gezien zijn (b. v. de blauwe, die volstrekt niet constant zijn) maar alleen spreken over de witte, en dan is het woord voldoende om te doen begrijpen dat alles, overal onberispelijk wit moet zijn, met een schitterenden zilverglans; licht-vleeschkleurige beenen en snavel. Om ze inderdaad fraai te houden, dient men er goed ingerichte hokken en rennen voor te houden; ze tegen de zon vooral te beschutten omdat, als bij alle andere witte rassen, vooral de haan door de inwerking der zonnestralen geel wordt.

Waarde der punten op 100 af te trekken voor: (Bij haan en hen.)

Te veel kam 20.

Te weinig kuif 15.

Onvoldoende beenbevedering 15.

Niet voldoend ontwikkelde baard 10. Te groote kinlellen 10.

Onevenredige voorkomen 10.

Niet voldoende ontwikkelde staart 10 (vooral bij den haan.)

Onfrissche toestand 10.

Onverschoonbare fouten:

Kromme rug of andere mismaaktheid; gemis van baard; gemis aan beenbevedering; lange keellellen, sterk ontwikkelde kam.


ocr page 68

,

■

4

ocr page 69
ocr page 70
ocr page 71
ocr page 72