ocr page 1

HANI) L E ri) I N ( .

P' ; ■

L / \; A

OT EENE EATTONEELE UITOEFENING VAN HET

J

HOEFSMIDSVAK

X /'

J. B. H. MOÜBI S,

Pnardonarl/i 1ste. klasse hij de Rij- on Hoefsmidschool.

(yM.ET 4.3 WOUTSNEÈFIGUREN.)

DERDE HERZIENE EN VERMEERDERDE DRUK.

V

t , ■ • AMEllöFOORT,

H. .1. SLOTHOUWER. 1896.

ocr page 2

. ■ ■ . ............... •

..... •••■' ■■'■■■ ■ ■ • • .■■■■■•■- 'l;-quot; '■■■■• ...... -:

■ ■■..... ■

, • .,. ■. .-■■ . , -. ,. ... ■ - .,■ .. .... : , ■ ■ ■■■gt; ■ ■ ; • ■ y ..: .. i | | ■ • ■ ■ si '■ ^ a

i, i:

•' ■ ■ ■ ■•■•■: — • ' - ■■

' 1 ' ' ....... ■•■■..... -

iü '■■' ' ••■ -

■■

■

'i^f?

., ■ -

--------- ......

• ■ , .......

... ,....,

■lÉlililiiiMÉEwW i'

»TOMH|Mjw[W | ^ * ,1''

. ■ 1

■.....!

;■■■ quot; ■ • : !! ' WISl' quot; j1' ■!

•:

■

.... . .■ • ' ' É , , , . . ....... ,•,. ... ,. ■..u,.i.y. .,.

„ .■ . ■ ■■;■: - ■ •: . . . ■ . .

......... - ; .,...■ .......

. ■

. , , . . ., , .. ■ .

■ ■'■■ ■ • ' ■'■ • ' ,..:....

■ ■ . :■ , ,, - ;.■ , . . ■

...... ;, . . ■■ ,,.... ... L

ocr page 3

.

*

-

■

-

11

ocr page 4

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

2912 908 1

ocr page 5

lt;^L

#amp;**. r^Y '^-

y

3279

HET HOEFBESLAG.

A \ i) I, I i i) i \ (;

'OT F, KNK RA TI ONE M Ti E [IITOEFE NT I N (I VAN IT ET

H0EFSMID8VAK

J. B H. M O U B I S,

l^CKtvch'Udvts 1str /iltissc hij dt' Bij- t'n J[iii'jxittidsc/inol.

{JAet 43 Houtsneêfiguren.)

DERDE HERZIENE EN VERMEERDEROE DRUK.

AMKRSFOOHT,

G. .1. SI.O'I'HOCWMR. ISHO.

I| ?

ocr page 6

■ . . , . . . ....... - ■ ■ • ■ ■ ' ■

..;v:-.:. ■ . - .

,

■

'

( j

I I

1 lt;

'

■

■

,,,, , ........

■ . . ...... ■ ■ ■ ■ '■ ■ - ..... p-

... • ■ ■ -■;. ■■ i ■ ,

ocr page 7

VOORIiElilCIIT TUT DK EKIiSTI* 11 Tl IA A F

Dc helangstellmy, irclkc aliicinceii in de rrrzon/in;/ run hef paunU vooral ten opzichte ran de hoeren, irord/ geloond, gaf mij iiinileitUpa om di/ werkje orer hoefhexlag in het lich/ Ie geren, ten einde Ie dienen tot leerboek voor dr hoe/.iineden en roar de leerlini/en, die zich In dd rok irillen hekwamen. in de eerxte plants en verder voor idlni. negen* den aard hnnner In trekking met het /Ktanl moeien omgnmi, rooide verzorging moeten /raken of ilanrin l/ehingslettcii.

Hoewel beknopt, round nat hel mei r brpaid(/ thron tisrln (p i/ce/tc betref/, meen ik. dat het vrij volledig he/ preietlsehe gnteellc beliiiiiilrlt. en het voornuamnte bevat, ivat tot cuie ra/loneele iiitoefenliKj ran dit rok noodig Is te weten.

Moge. het een irrhdg bijilragcn tot rerln tering dm rerzon/hni run het paard'en tot rerheljing ran den hoefsinldssla/ot

AMEBSPOour, Dccombur ISSN,

.MUl'lils

ocr page 8
ocr page 9

\OÜI{lUiHI(:HT TOT DE WWiVM lllï.AAF.

Daav cciic hrccdc i(il(jlt;i(il can dil ircrLJe is iiooiIkj ncirurdcn, in run di' ijvlcgenheid (jchviiik f/em a a ll om den inhoud hier en daav te, irjzUjen, hijroct/iiu/cn te malen, en het ran eenir/c niemre JhjKven Ie rnorzicn.

Mojje t/rze niemre nilgaaf hetzelfde (junstiiie onthaal ten deel rallen als de vorige.

Ajieuöfoort, Jamuiri 181)8.

DE 8(. 11UI.I \'ER.

YUOHllEHKiHT TOT DE DERDE lilTGAAE.

De derde drnh' dezer handleidiiKj herat stcehts f/e.rhijiv irijzU/mjen ran den inhoud. l'Jene bepaalde omircrkiinj nrrd door mij onnoodiy ifeacht, iregens lui harte tijdsverloop dal de ror'uje. uitgaaf verscheen en in verhand met het goede onthaal, dat deze mocht ten deel rallen.

AMBUdfUOUT, DcC'.üuIjtr lb!)-'».

DE SCHRIJVER.

ocr page 10
ocr page 11

INHOUD.

Inlniding.

KKKSTK AI'DKKLI.Nd.

Bouw en verrichtingen van den voet.

Riad'.

He l)eeiider(!ii on ^owrlclitcn...................;gt;

IJO pcZlMl........... ......................1

He hiM'fliiankhoondeiv.ii......... ..................H

liet straal- ol' velknssönljo..............................lt;)

He hoellederhiild......................................Hl

Do liooinigo dooien......................................i;gt;

Uo lijnoro bonw van liet liooni on ^lo lioorn^rooi...........{(\

Over do voeding....................................|(|

Do vorm van den hooi'.....................

Ovor do beweging dor lodoinaton.................-2i

Het boefmochanismo........................................^jr,

Het nnt van hot hoefniiiohiiiisino................................^7

TWEEDE AFDEEUNC.

Het hoefbeslag.

Algoraeone bepalingen..................................-ji)

Hot lioerijzi'r....................................•gt;.gt;

Over oonigo hoefijzers van bijzonderen voi'in.............;jli

De hoefnagels........ .........

W'intorijzors....................

Beslag voor de paarden bij de bereden korpsen.

Voorschrift nopens hot hel hoefbeslag............................/(,5

a. Hol ijzor.........................

h. Kevostiging van het ijzer.....................

c. lioworking van den boei......... ..........£7

ocr page 12

Bepalingen nopens het winterbeslag

('iiittii peir.ha zoIimi uil bulfors .

liet kunsthoorn........

Uc! benoodigdhoden dor smiiclerij . Het onderzoek van liot paard . . . IK; wij/lt;* van Iwliandcling van het paar Hot werkon aan dun hoei /quot;11di'r indpi' Het alnoincn der oiulc ijzers. . . . Het bewerki'.n van do.n hoef. . . •

Du keu/.o der ijzers.......

Het riclili'n en passou......

Het onderslaan van het ijzer. . . . Het heslag hij paarden, die zich strijke

Het klappen in de ijzers.....

Verzorging van den hoei.....

liladz. 48

54

55

57

58

59 (il (i-2 6;i (15 HO ('i'.l 71 -'l 71!

DK.HDK AKIIKKI.INC,.

De hoefzlekten Indeeling der hoefzlekten

Do vernageling. . . . Do nageltred ....

De kroonlrap.....

De steengai......

De verballing.....

De hoefbevangenheid

De hoornzinI.....

De hoofkanker.....

De plathoef......

De volhoef......

Di' bokhoel'......

I )e kleinhocf.....

De verbeening der hoefkra; De scheeve hooi .... De kiomine hooi . . . • De hoornsehenr . . . ■

De lioornklool'.....

De losse en holle wand De rolstraal......

M

7(1 7(1 78 711 8(1 8-2 8-2

84

85 8(1

86

87

88 ill 9-2 91! 93

96

97

98

k

ocr page 13

IILEIBIICL

Gcwiclitig zijn de diensten, welke door liet paard tot nut van den eigenaar, tot genoegen van den liefliebber en tot veiligiieid van liet rijk worden verricht. Daar het evenwel een kostbaar dier is, is het van groot belang, om het lang in goeden staat te houden. Daartoe wordt een goede verzorging vereischt, waaronder eene behoorlijke behandeling der hoeven eene voorname plaats bekleedt, terwijl verzorging der hoeven en hoefbeslag niet te scheiden zijn.

Het hoefsmidsvak is een handwork, de uitoefening berust, evenwel op een wetenschappelijken grondslag; daarom kan de hoefsmid zonder behoorlijke ontwikkeling niet zelfstandig als zoodanig optreden. De kennis, welke hij moet bezitten, vereischt opleiding in zijn vak. Dit wordt tegenwoordig algemeen erkend; vandaar, dat ook hier te lande vele stemmen zijn opgegaan, om de opleiding tot hoefsmid teregelen; maatschappijen van landbouw lieten lezingen houden en practische oefeningen onder toezicht van deskundigen, terwijl door Z. E. den Minister van Oorlog aan burgerhoefsmeden de gelegenheid wordt verschaft om zich te bekwamen bij de hoefsmeden der bereden korpsen en aan de Hoefsmidschool voor het Leger en gretig wordt daarvan gebruik gemaakt, zoodat de plaatsen daarvoor opengesteld, steeds lang vooruit zijn bezet. Ook de opleiding van miliciens tot hoefsmid aan laatstgenoemde inrichting zal vooral de burgermaatschappij ten goede komen.

1

HOEFBESLAG.

ocr page 14

2

Mose spoedig de tijd quot;aanbreken, dat even als in naburige rpen, de uitoefening van dit beroep afhankelijk worde gesteld van geleverde bewijzen van bekwaamheid en verwervmg van een diploma; dan eerst zal het gewichtige Hoefsmidsvak in goede

haZooals in het voorwoord gezegd is, bevat het voorliggende boekje

op beknopte wijze alles, wat de hoefsmid voor de uitoefenmg van ziin vak noodig heeft te weten. De indeehng is vrij bewerk naar het bekende boek van «Leisenng en Hartmann , de inhoud wijkt daar echter zeer van af, en werd m oyereenstenmnng gebracht met onze toestanden, vooral wat betrelt het beslag d

üaarden bij de bGrodon korpsen.

De- figuren zijn deels uit genoemd werk afkomstig, voor een

gedeelte oorspronkelijk geteekend.

ocr page 15

EERSTE AFDEELING.

Bouw en verrichtingen van den voet.

DE BEENDEEEN EN GEWEICHTEN.

De beenderen op natuurlijke wijze met elkander verbonden, vormen het geraamte, en maken den steun uit van het lichaam. Van den vorm, de lengte, do ligging en de verbinding der beenderen, hangt de uitwendige gedaante van het paard hoofdzakelijk af. De beenderen zijn op verschillende wijzen met elkander verbonden ; deze verbinding is bewegelijk of onbewegelijk. Eene bewegelijke verbinding van twee of meer beenderen wordt een gewricht genoemd. De beenderen zijn daar, waar zij een gewricht vormen, van oen dunne laag kraakbeen voorzien. Kraakbeen is taai, en veerkrachtig; hierdoor en door het gewrichtsvocht, dat slijinig is, en de kraakbeenvlakten glad maakt, wordt de beweging gemakkelijk.

De beenderen zijn door banden aan elkander verbonden. De gewrichtsvlakten worden luchtdicht gesloten door den beursband. Behalve dezen beursband vindt men aan de meeste gewrichten nog andere banden, hulpbanden geheeten, zijnde vezelachtige strengen, welke dienen om de verbinding sterker te maken, en doordat zij niet uitrekbaar zijn, om de beweging van het gewricht te beperken. Naar de plaats, waar zij gevonden worden, heeten zij dwarsbanden, zijbanden, kruisbanden, ophangbanden.

Niet alle gewrichten hebben dezelfde vrijheid van beweging; daarnaar hebben zij verschillende namen. Aan den voet heeten zij scharniergewrichten; dat zijn dezulken, welke slechts buigingen strekking toelaten.

ocr page 16

4

De vool, dat is het onderste gedeelte der ledematen, van af den kogel, heett tot steun vier beenderen; kootbeen, kroonbeen, hoei-been en straalbeen.

Overlangsche doorsnede van oen rechter voorvoel, liinnenheirt.

A. Ondereinde van liot pijpbRen.

B. Kootheen C. liinncn sesamlieentje.

I). Kroonbeen. E. hoefbeen. Straalbeen. a. Strekpees. h. bovenste band der sesambeentjes. 6'. onderste band der sesambeentjes. c. l)iiigp;!es van liet kroonbeen. c'. ringband voor de buigpees van bet lioet'been. e. beursbaml van het koDtgewricht. /'. beursband van bet kroongewrieht. ;/ en (/'. bouisliand van het hoelgewricht. h. slijinbeurs van den hoefbeenlmiger. i en straaikussen. t'. oellige |vloezige| ballen, i'2. onderste grens van het straaikussen, door den hanekani bedekt,/.'. vleeseh-kroon. I. vleeschwand. m. vleeschzool. n. vleeschslraal. u. hoorn wand. /gt;. hoornzooi. q. hoornsti'aal. (/'. hanekani binnenhelft. r. de spoor. s. do huid.

Het kootbeen is bet langste dezer beenderen en vormt den grondslag van den koot bij bet paard. Zoowel bet bovenste als het onderste ukeinde zijn voorzien van kraakbeen; het vormt

ocr page 17

met het boveneinde! des krooubeens, eveneens van kraakbeen voorzien, een gewricht, hol kroongewricht.

Het kroonbeen is (gt;011 kort, zoogenaamd dobbelsteenvormig been, het heeft zes vlakten: de zooeven gemelde boven- ot gewrichtsvlakte, de ondervlakte, evenzoo eeno gewrichtsvlakte; verder eenc vóór- en achter, eeno binnen- en buiten zijvlakte. De voorvlakte is in het midden glad, evenzoo de achtervlakte; de beide zijvlakten zijn ruw, knobbelig voor de aaiibechting van banden. Met kroonbeen is aan de bovenste heill een weinig grooter in omvang dan beneden, welk breeder gedeelte, vooral door de zoogenaamde leuning, zijnde een verdikt gedeelte van dit been aan het boveneinde der achtervlakte, wordt gevormd. De leuning dient tot steun van het kootbeen, tot versterking van bet kroon-gewricht en tot aanhechtingsplaats van het onderste einde van de buigpees des kroonbeens. Het kroonbeen is slechts voor een klein gedeelle binnen den eigenlijken hoef besloten.

ocr page 18

Het hoef been is gelieel in den hoornigen hoef ingesloten; zijn hoogste punt ligt ongeveer gelijk met den bovensten hoornrand. Van zijn vorm hangt de uitwendige gedaante van den hoef af. Het heeft drie vlakten: 1°. de boven- of gewrichtsvlakte is met kraakbeen bekleed; het hoefbeen is zoodanig geplaatst dat deze vlakte een weinig afhellende naar achter verloopt. Deze .vlakte vormt met de ondervlakte van liet kroonbeen, en met de voorvlakte van het volgende beentje, het onderste gewricht der ledematen, het boefgewricht, '2°. De voor- of wandvlakte heeft een ruw aanzien, vooral teweeggebracbt door een groot getal gaatjes, die naar het binnenste van het been voeren, waarin bloedvaten voor dit been gelegen zijn; aan weerszijden op de wandvlakte ziet men eene ondiepe groeve, de wandsieul, waarin grootere bloedvaten liggen. In het midden is deze vlakte bet hoogste, naar de zijden neemt zij in hoogte aanmerkelijk af. 3°. De onder- of zooivlakte is steeds meer of minder uitgehold, en wordt in een voorste grooter en achterste kleiner gedeelte gescheiden. Dit laatste draagt den naam van de halvemaanswijze uitsnijding; aan beide zijden hiervan is een groot gat aanwezig, waardoor bloedvaten gaan.

Het been heeft drie randen : eeu bovenrand, vóór de gewrichtsvlakte, een achterrand, met kraakbeen bekleed, achter de gewrichtsvlakte, en een onderrand die vrij scherp is, en in liet midden dikwijls eene kleine insnijding heeft. Er zijn drie uitsteeksels aanwezig: het kroonuitsteeksel, eene verhevenheid op het midden van den bovenrand, en de twee naar achter uitstekende ruwe einden van het hoefbeen, de takken of armen. Het hoefbeen is het onderste been van bet geraamte; bet moet met de beide voorgaande beenderen in dezelfde richting verloopen.

Het straalbeentje een klein schuitvormig been, ligt dwars achter bet hoefbeen, tusschen de hoefbeenstakken. Het beeft twee vlakten: de vóór- of gewrichtsvlakte, met kraakbeen bekleed, ligt tegen de gewrichtsvlakte van het kroonbeen; de achtervlakte eveneens van kraakbeen voorzien, is eene zoogenaamde peesvlakte. Het heeft twee randen; de bovenrand, die in het midden verdiept en van een aantal gaatjes is voorzien, rondom ruw is, waaraan banden zijn vastgehecht. De onderrand is aan de voorste hellt met kraakbeen bekleed, en is daarmede tegen den kraakbeenigen achterrand van het boefbeen gelegen; de achterste helft is ruw, voor de aanhechting van banden.

De beenderen van den voet der voorste ledematen zijn eenigszins verschillend in vorm van die der achterste ledematen; dit is

ocr page 19

7

vooral met het hoefboen het geval. Het vóórhoefbeen is gewoonlijk grooter in omvang, aan den onderrand rond, terwijl het achterhoefbeen meer spits van vorm is ; bij dit laatste is ook de richting van de wandvlakte steiler, de zoolvlakte sterker uitgehold, en de takken korter dan bij het eerste.

Onmiddellijk aan de beenderen zijn de pezen vastgehecht. De pe/en zijn voortzettingen der spieren. Onder den naam van spieren verstaat men het vleesch, dat aan hot lichaam aanwezig is. Elke beweging aan liet licliaam geschiedt door spierwerking. Bespieren hebben het vermogen om zich te kunnen samentrekken en te

ocr page 20

verslappen, dat is zich te verkorten en te verlengen. Daar do spieren aan de beenderen zfm vastgehecht, worden deze laatste door die werking bewogen, en wel naar verschillende zijden; die beweging geschiedt in de gewrichten, want daar zijn de beenderen op bewegelijke wijze verbonden.

De spieren hechten zich onmiddellijk aan de beenderen vast, of wel zij gaan over in pezen; dit laatste is vooral aan de ledematen het geval. Onder de voorknie en onder het sprongge-wricht worden geen spieren meer aangetrollen; de beweging der daaronder liggende deelen geschiedt door do spieren, die hooger gelegen zijn, namelijk aan den voorarm, aan de dij en den schenkel, en welke hare pezen tot onder aan den voet hebben loopen. De pezen zijn niet veerkrachtig, zoodat do voile kracht, die eeno spier kan uitoefenen, aan het onderste aanhechtingsplint kan ontwikkeld worden.

De spieren, welke het onderbeen in beweging brengen, zijn zoogenaamde strekkers of buigers; daarom verdeelt men de pezen aan den voet ook in strekpezen en buigpeezen. De eerste liggen op de voorvlakte van het been, dus van het koot-, kroon- en hoefbeen, de tweede op de achtervlakte.

Aan den voet komen in aanmerking ééne strekpees en twee buigpezen. De strekpees van hot hoefbeen is gelegen op de voorvlakte van hel koot- en kroonbeen, en eindigt aan het kroon-uitsteeksel van het hoefbeen. lüj de werking der spier, waarvan deze pees de verlenging is, wordt het been en ook do hoef naar voren bewogen, gestrekt.

De buigpeezen heeten : die van het kroonbeen en die van het hoefbeen. Zij liggen beide op de achtervlakte van do ledematen. De buigpees van het kroonbeen ligt aan de achtervlakte der pijp onmiddelijk onder de huid; aan den kogel verdeelt zij zich in twee vakken, welke over de achtervlakte van het kootbeen, naar die van het kroonbeen gaan, om zicli vast te hechten aan de leuning, een aan het buiten, de andere aan het binnen gedeelte daarvan. Deze splitsing in twee takken is noodig om de volgende pees, die er vóór ligt, door te laten gaan; zij wordt alzoo door deze doorboord, waarom zij ook wel de doorboorde pees heet.

De buigpees van het hoefbeen ligt aan de pijp onmiddellijk vóór de voorgaande, gaat achter het kootbeen door de splitsing der vorige, over de achtervlakte van liet kroonbeen en van het straalbeentje, en eindigt aan do halve-maanswijze uitsnijding van het hoefbeen. Deze boot ook wel de doorborende poos.

ocr page 21

9

c

Zij worden gewoonlijk de zijdelingsche lioefkraakbeendoron genoemd ; liet zijn twee dunne onregelmatig gevormde platen van kraakbeen, aan de hoelbeenstakken vast verbonden. Men onderscheidt een voorste uiteinde, dat zich naar voren uitstrekt tot dicht bij de strekpees: liet achterste einde reikt tot in de hallen van den hoel'. Zij hebben een bovenrand, dien men onder do hnid aan de kroon kan voelen, en een onderrand, die met het weefsel van het straalknssentje innig verbonden is. Elk kraakbeen heelt twee vlakten; eene buitenvlakte, die voor een klein gedeelte door de huid, voor bet overige door de boollederhuid is bedekt. De inwendige vlakte is vóór tegen een der zijvlakten van hot kroonbeen gelegen, verder is deze vlakte met bet straal-kussen vast verbonden.

De boefkraakbeendeien zijn veerkrachtige deelen, en als zoodanig werkzaam bij do uitzetting van den hoel'.

HET STRAAL- OP VETKUSSJllNTJB.

Dit lichaam is gelegen in de ruimte tusschon de twee boef-kraakbeenderen, met welks inwendige vlakten het vast verbonden is; het reikt van de halvemaanswijze uitsnijding van het hoefbeen tot in do vleezige ballen, liet begint tamelijk smal, evenals uit-

ocr page 22

10

wendig de hoornstraal, en ligt daar onmiddellijk onder de buigpees van het hoefbeen. Aan do oudervlakte is het overal vast verbonden met den vleeschstraal, en wordt evenals deze uaar achter breeder, heeft aldaar in het raidden een diepe groeve voor den hanekam; aan bet achterste uiteinde bepaald de afstand van den eenen hoefbal tot den anderen zijne breedte. Onmiddellijk achter de voorgenoemde buigpees is het slechts door de huid bedekt.

Het bestaat uit een zeer veerkrachtig weefsel en is vooral door deze eigenschap werkzaam bij de mechanische bewegingen (uitzetting) van den hoef. liet dient te gelijk tot zachte onderlaag voor de buigpees van het hoefbeen en het onmiddellijk daarboven gelegen hoefgewricht.

DE HO EFLKDERHUID.

Het leven ook de zachte of vleezige deelen of wel de boclleder-huid genoemd, is eene voortzetting der huid. Lvenals deze is haar weefsel zeer veerkrachtig, hoogst gevoelig, wegens bet groot getal zenuwen, en zeer bloedrijk, door de vele bloedvaten, welke er in verloopen. Do hoeilederbuid is om al de reeds beschreven deelen heen gelegen; zij bedekt een klein gedeelte van hetkioon-been, de wandvlakte van het hoefbeen, een groot deel der hoet-kraakbeenderen, de zoolvlakte van het hoefbeen en het straalkus-sentje. Zij is geheel met hoorn omgeven; haar bestemming is dan ook het voortbrengen der hoornige deelen. Om aan dit doel te beantwoorden, is zij gewijzigd in haar samenstelling; dit betreft vooral de afwezigheid van baren, van vet- en zweetklieren. Daarentegen vindt men op de hoeilederbuid de zoogenaamde vleeschplaatjes en vleeschtepeltjes, die behalve tot voorgenoemd doel, het voortbrengen van hoorn, te gelijk dienen tot bet vormen eener sterke verbinding van de uitwendige met de inwendige

deelen. . , M ,

De vleeschplaatjes zijn dunne, smalle plaatjes der noelleaer-huid, welke alleen worden aangetrolleu aan den vleeschwand en het omgeslagen gedeelte daarvan. Zij zijn evenwijdig naast elkander gelegen in de richting van boven naar beneden.

De vleeschtepeltjes zijn vlokvormige of tepelvormige verleng-

ocr page 23

II

selen der hoeflederhuid, die aan de onderscheiden dealen daarvan, verscliiliend van grootte zijn. Men vindt deze vormsels overal, waar geen vleeschpiaatjes aanwezig zijn.

Men verdeelt de hoeflederhuid in: vleeschzoom, vleeschkroon, vleeschwand, vleeschzool en vleesclistraal. De vleeschzoom is het bovenste gedeelte; hij neemt een aanvang daar, waar de eigenlijke huid eindigt; is dus gelegen tusschen deze en de vleesch ■ kroon. Hij doet zich voor als een .gt; a (i m.m. breede strook der hoellederhuid, is in den toon iets breeder dan aan de zijgedeelten, en verbreedt zich sterk aan de verzenen, alwaar hij de vleezige ballen overtrekt, om vervolgens in de vleeschstraai over te lt;gt;aaii.

De vleezige ballen worden gevormd door de achterste uiteinden van de hoefkraakbeenderen en het straalkussen, welke deelen omgeven zijn door den vleeschzoom.

De vleeschzoom is voorzien van (ijne vleeschtepeltjes.

De vleeschkroon is eene dikke plooi der hoellederhuid, en gelegen onder den vleeschzoom en boven den vleeschwand. Zij is ongeveer l!4 a 2 ctm. breed aan den toon, wordt naar acliter gaande smaller, zet zich aan de verzeneinden op de zool vlakte voort, en is daar gelegen langs den vleeschstraai, welk laatste gedeelte, ))het omgeslagen gedeelte der vleeschkroonquot;, hetzelfde aanzien heeft als de vleeschzool. Zij is geheel bedekt door vleeschtepeltjes, die in den toon het langste zijn, en naar achter in lengte en getal afnemen.

ocr page 24

De vleeschwand neemt een begin onder de vleesclikroon; hij is voorzien van de vroeger beschreven vleeschplaatjes, lt;lie iiel langste en breedste zijn in het toongedeelte, naar achtei smaller en korter worden. Aan liet onderste uiteinde zijn zij voorzien van vieeschtepeitjes, welke met die der zool in één vak zijn gelegen. Aan de verzengedeelten zet tie vleeschwand zich voort op de vleesehzool, en heet daar «het omgeslagen gedeelte van den vleeschwandquot;, dat eveneens van vleeschplaatjes is voorzien, welke gelegen zijn, tusschen het omgeslagen gedeelte der vleesclikroon en het achterste gedeelte der vleesehzool.

Beide te samen, omgeslagen gedeelten van de vleesclikroon en van den vleeschwand. noemt men vleezige steunsels.

De vleesehzool bedekt de zool-v lak te van het boei heen, met uitzondering der halveniaanswijze uitsnijding daarvan; zij reikt tot aan de punt van den vleescbstraal, en gaat langs :1e vleezige steunsels tot aan de verzengedeellen; zij is geheid bedekt met vieeschtepeitjes.

De vleesehstraal is het overige gedeelte van de hoellederhuid op de ondervlakte, hij heelt den vorm van den hoornsliaal, begint puntig en is gelegen op de ondervlakte van liet straalkussentje, heelt naar achter toe, in het midden, een indruk van den hanekam en gaat breed eindigende aan elke zijde over in de vleezige ballen (vleesch-zoom). Zijne vlakte is voorzien van kleine vieeschtepeitjes.

ocr page 25

13

DE HOORNIGB DEELEN.

liet hoorn vormt oen vast on hard bekleedsel om de inwendige, gevoelige deelen; hierdoor is liet mogelijk, dat de lichaams-last van het paard door den hoef gedragen wordt, liet hoorn is meestal grauw of donkergekleurd; bij paarden met witte uiteinden aan de ledematen, is het wit ol' geelachtig, ol ook wel met geelkleurige strepen.

De hoedanigheid van het hoorn kan zeer verschillend zijn, hard, taai, broos; ook is er verschil in de al'/.onderlijke deeleti van denzelfden hoef. Alle hoorn bezit in meerdere of mindere mate de eigenschap van veerkrachtig te zijn, hetgeen bij de beweging, die de belaste hoef imiykt, hoogst nuttig is; het is een slechte warmtegeleider, zoodat hitte en koude, welke niet te lang op den hoef inwerken, weinig invloed hebben op de inwendige dooien.

De uitwendige vorm van den hoef hangt van dien der inwendige doelen, en wel bepaald van het hoef been al'.

Even als de hoellederhuid verdeeld men den hoornigen hoefin meerdere deelen, die in den gezonden toestand vast met elkander verbonden zijn.

Bij verweëking in warm water, bewaren in den grond of in eene verwarmde plaats gaan de afzonderlijke deelen na eenigen tijd geheel of gedeeltelijk van elkander.

Fig. 7

Men onderscheidt den hoornzoom, den hoornwand,

de hoornzooi en den hoorn-straal.

1 )e hoorn, zoom ook hoorn-kroon en zoomband genoemd.

is een dunne smalle band van hoorn, die geleden is op den bovensten rand van den hoornwand. Mij heeft aan toon en zijgedeelten eene breedte van ongeveer I c.m..

aan de verzenen noemt de breedte toe, wijl hij daar de vleezige ballen overtrekt,

waarom dat gedeelte ook hoornige ballen vvoi'dtge-

'J

De lloiirnschoun ol' llcjuf van Ierzijdi',gcïzion. a (ï de Hoom/oom of znoral)and. — h do Zoora-

• dquot; Kfoongroevo. ...... Vim cl tot c

Toon wand. — Van c lot / Zijwand. — Van / Iquot;! ;/ Draclil- of varzunwand. h Hooi'n-plaaljos.

ocr page 26

14

noemd; vertier gaat hij over in de sclienkels van den hoornstraal. Wegens die vaste verbinding met den straal, werd liij vroeger ook wel straaiband gelieeten. De hoornzooi is bet bovenste gedeelte van den hoel'; bij maakt als bet ware den overgang uit van de boornige laag der bind, de opperhuid, in het boorn van den hoel'. Met hoorn er van is zeer zacht; hij is met zijne inwendige vlakte met don vleescbzoom verbonden, waaruit hij voortkomt.

Bovenstaand gedeelte is hetgeen gewoonlijk wordt beschreven als hoornzoom; deze zet zich evenwel nog verder omlaag over den wand voort als buitenste ol' deklaag, welke tot den hoorn-wand behoorende wordt gerekend.

De hoornwand is het omvangrijkste gedeelte van den boor-nigen boei'. Hij bekleedt de vóór- en zij vlakten der boellederbuid; aan de verzenen slaat bij zich naar binnen om, en beeft aldaar een afzonderlijken naam. Men onderscheidt daarom den eigenlijken hoornwand en het omgeslagen gedeelte daarvan de steunsels.

De eigenlijke hoornwand heeft den vorm van een koker, die nauwer is dan benoden, wijl de wand van boven naar beneden en voren, dus in schuine richting verloopt, het hoorn er van is bard en vast, zijn weerstandsvermogen is groot. De wand beeft twee randen; de boven of kroonrand is dun en scherp, door den boornzoom bedekt, en den onder of draagrand, die de dikte van don wand aangeeft. Hij heeft twee vlakten: eene uitwendige en eene inwendige vlakte; de eerste is glad, de tweede is voorzien van de hoornplaatjes, die evenwijdig, dicht naast elkander gelegen zijn en van boven naar beneden verloopen. Terwijl het boorn uitwendig gewoonlijk grauw van kleur is, zijn deze plaatjes en een klein gedeelte vim den barden wand steeds wit gekleurd. Deze plaatjes verbinden zich met do vleeschplaatjes, zoodanig dat tus-scben twee dezer laatste een hoornplaatje ligt, of omgekeerd. Zij nemen een aanvang onder de kroongroeve, zijnde de sleuf onmiddellijk onder den kroonrand, waarin de vleescbkroon is gelegen. Bij het begin zeer smal, verkrijgen zij spoedig hunne bepaalde breedte, welke zij gewoonlijk behouden tot aan bun onderste uiteinde, dat is de witte lijn die de verbinding tusschen hoornwand en hoornzooi uitmaakt. Even als de hoornplaatjes van weeker boorn zijn dan bet overige gedeelte van den wand, is ook de witte lijn zachter dan de eigenlijke draagrand. Indien men den hoornwand in twee gelijke deelen verdeelt, dan beeft men eene buitenste en eene binnenste helft; daar deze laatste steeds steiler

ocr page 27

15

is, kan men oon rechter- van een linkerhoef gemakkelijk onderscheiden. Elke lieH't wordt in drie deelen verdeeld: liet toon-, zij- en verzengedeelte. De toon heeft steeds eene schuine richting; de zij- en verzengedeelten staan meer steil. De wand is liet hoogste in den toon, en neemt naar de verzenen aanmerkelijk in hoogte af; hij is ook het dikste in den toon, doch wordt naar de verzenen geleidelijk dunner.

De steunsels zijn gelegen op de zool vlakte van den hoef, zij nemen een aanvang aan de uiteinden der verzenen ; zij vormen aldaar met den verzenwand, aan elke zijde, een hoek, den steun-selhoek Hun verloop is schuin in de richting naar de punt van den straal; zij reiken evenwel niet tot zoover, maar eindigen ongeveer tegenover het midden van den straal, om daar in de hoorn-zool over te gaan. Zij nemen van den steunselhoek naar voren verloopende in hoogte en dikte af, Men onderscheidt er twee vlakten aan: de inwendige of bovenste is voorzien van hoornplaatjes, die met de vleeschplaatjes op de hoeilederhuid aldaar verbonden zijn, en de uitwendige ot' ondervlakte, die met de zijvlakte van den iiooi nstraal, de zijdelingsche straalgroeve vormt. Zij hebben een bovenrand, die met den hoornstraal is verbonden, en een onderrand, die vrij op de zooivlakte zichtbaar is. De voorgenoemde wit te lijn slaat zich aan den steunselhoek om, en zet zich voort zoover als de steunsels verloopen.

De lioornzool is een gewelf, dat de vleeschzool bedekt; hare grootte en gedaante hangen af van den omvang en vorm van den wand, en ook van de gesteldheid der zoolvlakte van het hoefbeen. Is de hoef aan den draagrand cirkelvormig, dan heeft ook de zool dien vorm ; naar de meerdere of mindere uitholling van het hoefbeen is de hoornzooi vlakker of moer hol. De zool heeft twee vlakten: de bovenvlakte is verbonden met de vleeschzool en is min of meer gewelfd; de onder- of grondvlakte is steeds uitgehold, zooals voor is opgegeven. De buitenrand is geheel door de witte lijn omgeven, en door deze vast met den wand verbonden; de achterrand gaat van den eenen steunselhoek tot den anderen; hij is daar verbonden met de steunsels, en naar voren met hot lichaam en de punt van den straal; door deze verbinding vormt die rand eene driehoekige uitsnijding. Do gedeelten, die zoowel aan tie buiten- als aan de binnenzijde voorbij de punt van den straal liggen, heeten de zooltakken ; het overige wordt het lichaam der zool genoemd,

De hoornstraal vult de driehoekige ruimte van den achterrand der zool en van de steunsels geheel op. Hijzelf heeft ook

ocr page 28

Hi

een meestal langwerpig (Iriehoekige gedaante ; liet voorste gedeelte begint spits, de punt van don straal ; zij ligt juist onder het begin van den vleeschstraal en het straalkussenljo; hot daarachter gelegen broeder gedeelte is het lichaam van den straal; daarna wordt hij dooi eene verdieping, do middelste straalgroeve verdeelt in de twee straalschenkels, dio beiderzijds overgaan in de hoornige ballen. Dit is de uitwendige ol' grondvlakte; de bovenvlakte is verbonden met den vleeschstraal; zij is uitgehold, en heeft aan het achterste gedeelte in het midden een scherpe verhevenheid, den hanekam. De twee zij v lakten vormen mot de steunsels do zijdelinssche straalgroeven. f)e ruimte tusschen de twee hoornige ballen iieet baluroeve. liet hoorn van een gezonden straal i^ zeer taai en veerkrachtig.

DB P.fJNERE BOUW VAN HET 1IOOKN EN DE HOORNGROEI.

Het hoorn bestaat uit cellen, hoorncellon, welk onafgebroken uit do hoellederhuid voortkomen. Deze cellen zijn niet overal aan den hoef op dezelfde wijze met elkander verbonden; daarom heeft liet hoorn, onder eene zekere vergrooting gezien, een verschillend voorkomen Overal waar op de hoelloderhuid vleesch-tepeltjes aanwezig zijn, vindt men de hoorncellen verbonden tot buisjes, zoogenaamde hoornpijpjes. De cellen leggen zich bij haar ontstaan om een vleeschtepeltje heen, in den vorm van een buisje, en deze vorm blijft bestaan, zoover als het buisje reikt. De hoornpijpjes liggen evenwijdig naast elkander, en zijn vast verbonden door do tusschenlioornstof; dit zijn de hoorncellen, welke ontstaan uit de hoollederhuid, tusschen de vleeschtepeltjes in. Elk hoornpijpje is aan zijne verbinding met zijn vleeschtepeltjes hol; dit kan men met het bloote oog vooral aan de kroon-groeve duidelijk waarnemen. Zoodra het pijpje het vleeschtepeltje heeft verlaten, wordt er gewoonlijk een mergstof in aan-getrolfen, dat wil zeggen, dat het midden zachter is dan de omtrok. Dit merg bestaat ook uit hoorncellen, die afkomstig zijn van het onderste vrije uiteinde der vleeschtepeltjes, dat natuurlijk ook geschikt is tot voortbrenging van hoorncellen. Deze laatste,

ocr page 29

17

GVGiuils iillo bij haar ontstaan zacht, ontwikkGlon zich nifnmer tot haid hoorn; daardoor ontstaat dus dio wcgUgi'o i)inneiiruiintG. Doze WGGko hoorncellGn kunnGn zich omvormGn tot vut, zoodat ook deze stof in 'net hoorn wordt gevonden, zonder dat er vot-klieren in de iioeflederhind aanwezig zijn, liet vet ontstaat dus door de verandering der weeke hoorncelien binnen de hoorn-pijpjes. Daar deze laatste bij hot bewerken van den boel', steeds dwars worden doorgesneden, heeft het vet gelegenheid om uit ^ pijpje te treden; doze laatste worden dan ook dikwijls hol aangetrolfen. De vroeger beschreven hoornplaatjes, welke aanwezig zijn aan de binnenvlakte van den eigenlijken hoornwand en van do stcunsels, bos taan alleen uit hoorncellen, die tot een dunne laag in den vorm van een plaatje, met elkander zijn verbonden. Onder het vergrootglas ziet men op de vleeschtepeltjes overlangs verloopende verheven randen, die als kleinero vleesch-plaatjes moeten worden aangezien; evenzoo vindt men zulke randen op de hoornplaatjes, welke met de voorgaande verbondGn zijn, en de hoornplaatjes der tweede soort uitmaken. Door deze inlichting wordt de oppervlakte tusschen de hoornige en vleezige deelen grooter; de punten van aanraking zijn vermeerderd, en daarom is de verbinding zeer sterk.

De hoornzoom en de voortzetting daarvan, de dek- of glazuur-laag van den wand, komt voort uit den vleeschzoom ; deze laatste is voorzien van vleeschtepeltjes. zoodat de hoornzoom uit hoornpijpjes is samengesteld.

De hoornwand bestaat uit drie verschillend gebouwde la^en van hoorn:

1°. De uitwendige zeer dunne laag, de dek- of glazuurlaag geheeten, de voortzetting van den hoornzoom, reikt meestal niet tot aan den draagrand. Men kan deze laag gewoonlijk tot even over de helft der wandhoogte servolgen; naar bGiieden is zij door het bewerken van den boel ol door andere invloeden verdwenen.

2°. De middelste- oi dikke pijpjeslaag vormt den vasten steun van den hoornwand; zij komt voort uit de vleeschkroon; haar begin is de kroongroeve, haar gukIg de draagrand. De derde is de binnenste- of plaatjeslaag. Hoewel do hoorn- met de vleeschplaatjes eene sterke verbinding uitmaken is het verband tusschen belde tamelijk los, ais men nagaat, dat evenals alle hoorn naar beneden afgroeit, elk hoornplaatje tusschen twee vleosch-plaatjes in, steeds naar beneden gestuwd wordt. Het is ook nog niet zeker uitgemaakt, of de hoornplaatjes voortkomen uit de vleeschplaatjes, en wel om dezelfde reden van afgroei. Door velen

HOEFBESLAG o

ocr page 30

18

wordt beweerd dat liet onderste gedeelte van de vleeschkroon de plaats is, waaruit de hoornplaatjes voortkomen, en dan tusschen de vleeschplaatjes omlaag gaan. De vleeschwand zou in dit geval alleen een kunstige verbinding met de hoornige deelen uitmaken. Zeker is liet dat de hoornplaatjes aan do kroongroeve zeer smal een aanvang nemen, en na eenig verloop in breedte toenemen; dit meerdere hoorn moet onderweg zijn bijgekomen. Wanneer een gedeelte van den vleeschwand wordt blootgelegd, is dat spoedig met een laagje hoorn bedekt, evenzoo als de verbinding tusschen hoorn- en vleeschwand door ziekelijke omstandigheden is opgeheven.

Men mag daarom aannemen, dat elk gedeelte van de hoefledei-huid het doel heeft hoorn voort te brengen, en daartoe geschikt is, dat dus ook de vleeschwand dit doen kan. De eigenlijke plaats van herkomst der hoornplaatjes kan de vleeschkroon zijn, terwijl de vleeschwand er verder toe bijdraagt, om een goed vast verband te vormen; of tie vleeschwand veel of weinig hoorn aan de plaatjes zal leveren, hangt wellicht af van de geringe of grootere drukking van den hoornwand op den vleeschwand, die bij meerdere of mindere helling van den hoornwand verschillend moet zijn.

De witte lijn wordt gevormd door het onderste uiteinde der hoornplaatjes, en verder daartusschen door de hoornpijpjes, welke worden voortgebracht door de vleeschtepeltjes, die aan het onderste uiteinde der vleeschplaatjes aanwezig zijn.

De hoornzooi komt voort uit de vleeschzool, evenzoo de hoorn-straal uit den vleeschstraal. Daar beide vleezige deelen voorzien zijn van vleeschtepeltjes, zoo is het hoorn dezer deelen ook uit hoornpijpjes samengesteld, welke even als aan den hoornzoom en wand, door tusschenhoornstof tot eene vaste massa zijn verbonden. Het begin der hoornpijpjes kan men aan de bovenvlakte van de zool en den straal duidelijk zien, en het verloop tier pijpjes, in schuine richting en gegolfd, vooral bij lichtgekleurde hoeven waarnemen.

De hoorngroei is aan toon, zij- en verzengedeelten even sterk; insnijdingen van den wand aan die gedeelten, evenwijdig met tien kropnrand gemaakt, gaan, na eenigen tijd naar beneden, maar blijven steeds evenwijdig aan den kroonrand.

De snelheid van den groei kan zeer verschillend zijn; zij hangt dikwijls af van den gezondheidstoestand, van tien dienst en van den bodem, liet verblijf in een goede weide bevordert den groei; ook wil men, dat tlie verhoogd woidt door de aanwending van prikkelende middelen boven den kroonrand. De groei is sneller

ocr page 31

19

bij onbeslagen hoeven clan bij beslagene, omdat elke drukkino, dus ook die van hot ijzer, de groeikracht vermindert.

De tijd van afgroei van den hoornwand, dat is van den hoorn-zoom tot den draagt and, bedraagt omstreeks één jaar aan den toon; aan de verzenen, welke een derde der hoogte hebben, ongeveer vier maanden, De hoefsmid dient dit te weten, om bii sommige ziekelijke toestanden te kunnen bepalen, in hoeveel tijd deze zullen verdwenen zijn.

OVER DE VOEDING.

Zooals we gezien hebben, ontstaat liet hoorn uit de hoeflederhuid. Deze laatste is over hare geheele uitgestrektheid voorzien van een net van bloedvaten, liet bloed daarin aanwezig bevat de voedende bestanddeelen, dat wil zeggen, de stoffen welke noodig zijn, om alle deelen van den hoef te onderhonden in den toestand, waarin zij verkeeren, en ook om de stollen te leveren, waaruit het hoorn wordt gevormd.

Deze stollen treden uit de bloedvaten, en daaruit vormen zich dan aan de hoeflederhuid de hoorncellen. De bloedvaten van den voet maken een gedeelte uit van do bloedvaten van het geheele lichaam, liet bloed stroomt onafgebroken in deze vaten door het lichaam, zoodat ook de voeding aanhoudend plaats vindt. Men verdeelt deze bloedvaten in slagaderen, die bij het aanvoelen kloppen , het bloed in deze vaten is helder rood gekleurd, en wordt zulk vat gewond, dan spuit het bloed er in een straal uit, terwijl do aderen, welke donker gekleurd bloed bevatten, zulks niet doen.

Het bloed ontvangt de voedende stolfen uit het voedsel, dat in de maag en darmen wordt opgenomen en verteerd. Opdat de voeding regelmatig plaats vinde, en elk deel binnen den lioef zijne taak behoorlijk kunne volbrengen, daarvoor dienen de zenuwen, die evenals de bloedvaten, door de geheele hoeflederhuid verspreid zijn ; zij zijn tevens de oorzaak van de groote gevoeligheid van dit weefsel.

Het hoorn zelf bezit noch bloedvaten noch zenuwen, het is gevoelloos; wordt er bloed in aangetroffen, dan is dit steeds afkomstig uit de hoeflederhuid.

ocr page 32

'20

DE VOftM VAN DEN HOEF.

De hoef' van liet veulen wijkt zeer af van dien bij liet volwassen paard. Ue veulenhoef is meer cilindervormig, de kroonrand namelijk heeft nagenoeg denzelfden omvang als de draagrand; ook is het verschil in hoogte van don toon en die der verzenen niet groot. De hoef ontwikkeld zich eerst geleidelijk tot den vorm van paardenhoef. De omstandigheden, waarin de jonge paarden verkeeren, hebben grooten invloed op de ontwikkeling van dit lichaamsdeel.

In de eerste plaats is dit het geval met den bodem ; men ziet dat de paarden in lage streken, op vochtige bodems over het algemeen een grooten hoef hebben; de omtrek aan den draagrand is gewoonlijk circelrond, de wand is zeer schuin gesteld, zoodat de hoek met den bodem scherp is; deze hoeven hebben lage verzenen, de zool is vlak de steunsels liggen schuin. Dit is de wijde hoef veelal eigen aan het inlandsche paard.

Daarentegen vindt men in hooge en drooge streken een kleineren en meer steilen hoof, de hoek aan den toon met den bodem is grooter, naar de verzenen staat de wand bijna loodrecht, de omtrek aan den draagrand is meer eivormig, de overlangsche doorsnede van den hoef is grooter dan de dvvarsclie, de verzenen zijn hoog, de zool is sterk uitgehold, de steunsels staan steiler, de straal is klein, de straalgroeven zijn smal en diep. Deze heet de nauwe hoef.

Deze beide vormen hangen nauw samen met de verschillende rassen van paarden. De wijde hoef heeft een bijzonderen aanleg tot plathoef, de nauwe hoef om klemhoef te worden.

Verder is de vorm afhankelijk van den lichaamsbouw van hot paard, en vooral van de stelling der ledematen. Evenais het eene paard in lichaamsvorm verschilt van het andere, evenzoo verschilt de hoef van hot eene paard van dien van het andere. De vier ledematen van hot paard vormen bewegelijke zuilen, de steunpilaren van het lichaam, waarvan do hoeven de grondstukken zijn, die zich richten moeten naar de plaatsing der steunpilaren, waarvan zij een onafscheidelijk deel uitmaken.

Is het paard goed gebouwd, hebben de ledematen den zooge-naamden rechten ol normalen stand, waarbij het been van den elleboog tot den kogel loodrecht staat, dan vind men den schoon-sten, den normalen hoef.

ocr page 33

21

De voorhoef is alsdan bijna circelrond aan den (iraagrand, de toonwand vormt met den bodem een iiaiven rechten hoek ;deach-terrand van den hoef heel t hetzelfde schuine verloop als de toonwand, de toon heeft driemaal de hoogte van de verzenen, hij is tweemaal dikker dan deze laatste,

de zool is behoorlijk hol,

de straal is regelmatig,

goed ontwikknld, eeneover-langsche doorsnede door de, middelste straaigroeve,

de punt van den straal en het midden van den toon, deelt den hoef in twee bijna gelijke deelen.

Deze hoef is het minste onderhevig aan ziekten,

wij 1 de zwaarte des lichaams zich over de beide helften ongeveer gelijkmatig verdeelt.

De achterhoef heeft een meer spitsen vorm,

het verzengedeelte van den wand is naar evenredigheid dikker en ook hooger dan aan den voorhoef, de zool is sterker uitgehold, de straalgroeven zijn dieper.

De voorhoef is rond,

opdat de zwaarte des lichaams op gemakkelijke wijze daarover kan worden geschoven ; de achterhoef is

in don toon spits om een goeden steun in den bodem te vinden, bij het vooruitbrengen van het lichaam.

Den grooteren omvang van den voorhoef verklaart men uit de

llecliter voorhoof van onderen gezien. a. Draagrand van den hoornwand. — h. Verzeneinde. — c. Steunsehvand. — d. Hoornzooi. — c. Takken der hoornzooi. — /. Witte lijn.

■ lt;/. Voortgezette witte lijn tusschen zool on •steunsel. h. lloornstraal. — t. Schenkels van den lioornstraal. — k. Middelste straaigroeve.

/. Zijdelingsclie straaigroeve. — m. Hoorn-liallcn.

ocr page 34

22

der voorhand door liet hoofd en den hals, waardoor zij omstreeks een zesde a een zevende deel van de geheele zwaarte meer te dragen heeft dan de ach-terliand. Ook de vlakkere gesteldheid van de zooi aan de voorhoeven komt daar vandaan.

De ledematen wijken van den goeden stand af in de richting naar voor en achter, naar buiten en naar binnen.

Staan de voorbeenen te ver voorwaarts, in gestiekte stelling, dan valt de last des lichaams meer naar acliter;het verzengedeelte van den hoef heeft meer te dragen en wordt sterker afgewreven. iiij deze stelling vindt men steeds lage verzenen, de wand in den

lang;

belasting

toon groeit in

voorwaarts en de overlang-De hoek, dien de

sche doorsnede is veel grooter dan .......----- --

toomvaml met den bodem maakt, is kleiner danbij den normalen hoel.

Hij ontstaat ook bij paarden, welke tot aan den kogel recht op de beenen, maar met den koot in zeer schuine richting door-getreden staan. De hoef der weeke kootstelling. Bij de achterhoeven krijgt men denzelfden vorm, indien de ledematen naar voren onder het lijf staan, bij sabelbeenen.

Zijn de voorste ledematen onder het lijf geplaatst, als het paard «onder zich staatquot;, dan valt de lichaamslast meer op de voorhand ; van de hoeven wordt meer de voorste helft belast; de achterste helft onttrekt zich aan den last en groeit meer onbelemmerd voort; de verzenen worden daardoor hooger, de toon korter, en is tevens steiler. Deze vorm is insgelijks aanwezig, wanneer bij rechten stand der beenen tot aan den kogel, de koot te steil staat. De hoef bij steile kootstelling. De achterhoeven krijgen dezen vorm in zekere mate, indien deze ledematen naar achter gestrekt staan.

Somwijlen is deze vorm aanwezig bij zeer wecken koot, namelijk bij de beervoetigheid.

grootere

ocr page 35

23

De afwijkende stand der ledematen naar buiten ol naar binnen, wordt bij de paarden veel waargenomen; hij is afhankelijk van den vorm der borst, of van de verbinding der beenderen in de gewrichten, en zulks in den ellenboog, in do voorknio, in het spronggewricht, in den kogel.

Is de borst breed, dan neemt het been dikwijls naar onderen een binnemvaartsche richting, en wordt «nauw op den bodemquot;; omgekeerd gaan bij smalle borst de beenen naar onder wijd uit elkander, en worden «wijd op den bodem.quot;

In liet eerste geva! staat soms het midden van den toon naar binnen; zulke paarden heeten „toontredersquot;. Bij wijd op den bodem daarentegen zijn de toonen naar buiten gesteld, dit is de „Fransche standquot;.

Beziet men de hoeven bij deze stellingen, dan valt het dadelijk op, dat de binnen- en buitenwand eene ongelijke richting hebben en niet even hoog zijn. Deze hoeven zijn scheef, hetgean nog sterker in het oog valt, wanneer het been wordt opgenomen en men de zooivlakte beziet, de buiten- en binnenhelllen zijn niet even groot, de eene helft heeft steeds den vorm van een wijden, de andere helft van een nauwen hoef: daarom spreekt men ook van een ,.half wijden — half nauwen hoefquot;.

Bij toontreders is het binnenste gedeelte, de helft van een wijden hoef; men vindt daar tien grooten omtrek aan den draagrand, de vlakke zool, de schuine richting van den grooten straalschen-kel, de wijde straalgroeve en de schuine ligging van de steun-sels; ook is de wand honger en schuiner.

De buitenste helft is die van een nauwen hoef, de wand is steiler de draagrand heeft.niet dien grooten omvang, de zooihelft is meer uitgehold, de kleinere straalschenkel is meer steil, de steunsels evenzoo, en de straalgroeve is smaller. Denkt men een lijn getrokken door de middelste straalgroeve, de punt van den straal naar den toon, dan is de binnenste helft veel grooter dan de buitenste.

Bij Franschen stand is de verhouding juist omgekeerd.

De last des lichaams is ongelijk verdeeld, waarom deze hoeven bijzondere opmerkzaamheid en kennis bij het bewerken vereischen; men dient hier vooral op bedacht te wezen, dat de vorm van den hoef afhankelijk is van de stelling van het boen. Het spreekt van zelC, dat deze afwijkingen in den stand der beenen niet steeds in denzelfden graad bestaan, dat dus ook de afwijkingen van den goeden vorm der hoeven zeer gering, in andere omstandigheden zeer groot kunnen zijti.

ocr page 36

'24

OVER. DE BEWEGING DER LEDEMATEN.

Het vooruitbrengen der ledematen geschiedt, zooals we dit vroeger reeds gezien hebben, door de werking der spieren. Sommige paarden nemen daarbij de boenen hoog op, zoogenaamd met sterke kniobeweging, andere gaan laag over den bodem. Gaat men opmerkzaam de wijze van bet neerzetten van den hooi op den bodem na, dan zal men, althans in do meeste gevallen, waarnemen, dat deze gelijktijdig met de gebeele ondervlakte, dat is met den draagrand op den bodem komt. Hierdoor wordt do beweging veerkrachtig, en hoef en ledematen worden beschut tegen inwerkende stooten. Na het nederzetten volgt het doortreden in den koot; alsdan is de achterste helft van den hoef het meest belast, zet zijwaarts uit en wordt afgewreven. Naarmate het tegenoverstaande opgeheven been verder vooruit grijpt, komt de koot van het op den grond staande been meer loodrecht boven den hoef, hierdoor wordt het achterste gedeelte van den last ontheven; hij wordt naar den toon overgebracht die zich van den bodem afdrukkende, het been met kracht vooruit helpt brengen. De toon heeft op dat oogenblik sterke wrijving met den bodem.

Elke afwijking van de genoemde wijze van beweging mag als onregelmatig beschouwd worden.

Men ziet soms paarden, welke met de verzenen het eerst den grond raken, (xeschiedt dit tengevolge van te hooge verzenen, dan houdt deze beweging op, zoodra de afwijking door afslijting is hersteld. Indien de hoef aan den toon te lang is, dan zal deze het eerst den bodem raken en sterk afslijten, totdat de hoef vlak op den grond kan woixlen geplaatst. Deze paarden hebben veelal een stootende beweging.

Bij Franschen stand en toontreders wordt de hoef, indien het bodemvlak niet natuurlijk naar den stand gemaakt is niet normaal neergezet, en wel in het eerste geval met den binnen- in het tweede geval, met den buitendraagrand, het eerste op den grond; dit houdt insgelijks op, zoodra zich door afwrijving de goede ondervlakte heeft gevormd,

Paarden, berg opgaande, grijpen met den toon in den bodem; berg af, glijden zij over de achterste helft van den hoef.

In het tuig, vooral bij het trekken van zware lasten, waarbij de voorhand in het haam hangt, zal men ook zien, dat de toon veelal het eerst den bodem raakt. Ook de achterhoeven steunen met den toon in of togen den bodem, om bij bot strekken der gewrichten, hot lichaam met kracht voorwaarts te brengen,

ocr page 37

25

Wil de beweging regelmatig heeten, dan moet de hoefslag der achterbeenen in dien der voorbeenen vallen. Bij overbouwde paarden komt die meestal er vóór te liggen, bij rechten stand in de spronggewricliten blijft de hoefslag der achterbeenen terug.

Verder is er verschil in de richting, waarin de ledematen worden vooruitgebracht. I!ij regelmatig gebouwde paarden met goede stelling der ledematen, geschiedt dit in rechte lijn. Anders is dit bij paarden, welke wijd of nauw van onder staan. In beide gevallen beschrijft de hoef gewoonlijk een gebogen lijn; in het eerste geval naar binnen, naar het tegenoverstaande been toe, in liet tweede geval naar buiten,

Aan de achlerbeenen, vooral bij wijd in de hakken, ziet men bij de beweging, dat het belaste been een draaiing maakt; hierbij verschuiven de ijzers en slijten spoediger aan den buitentak af.

ntlT HOBFMECHANISMK

Men verstaat door deze uitdrukking de veranderingen,, welke ten gevolge der veerkrachtige eigenschappen, gedurende de belasting in den hoef ontstaan. Over het tot stand komen dezer tijdelijke veranderingen, bestaan verschillende uitleggingen. Algemeen wordt aangenomen dat de hoef bij de belasting wijder wordt aan de achterste helft, vooral aan de verzenen, zoowel aan den kroonrand als aan den draagrand ; dit is de zoogenaamde „uitzetting,quot; en verder het doorzakken of vlakker worden van de zool.

Men maakt zich daarover de volgende voorstelling.

Indien het paard vierkant staat, dat is de stand, waarbij de zwaarte des lichaams zoo gelijkmatig mogelijk verdeeld is over de vier ledematen, dan hebben de hoeven hun waren omvang.

Dit is evenwel anders, zoodra het paard in beweging is, daar alsdan, zoowel voor als achter, de zwaarte dikwijls op een hoef rust, terwijl het andere been opgeheven, en de hoef daarbij van elke drukking ontheven is. De belaste hoef heeft méér dan het gewone gewicht te dragen ; en dit neemt toe met de snelheid der beweging; daar behalve het gewicht, dan ook de kracht, waarmede het lichaam wordt vooruitgebracht, in rekening komt.

J'Ü het nederzetten van den hoef op den bodem, bij snelle be-weging, staat hij bloot aan schokken, die op de beenderen en gewrichten worden voortgeplant, en dit te meer, naarmate de kracht grooter is; de vorm van den hoef, en zijne veerkrachtige

ocr page 38

26

eigenschappen, breken deze stooten evenwel voor een groot deel bij hun ontstaan.

De hoef wordt, zooals we vroeger gezien hebben, vlak op den bodem geplaatst, waarna doortreden inet den koot volgt. Bij dit doortreden, waarbij koot- en kroonbeen naar achter en onder worden bewogen, doet het breedere bovenste gedeelte van het kroonbeen de zijdelingsche hoet'kraakbeenderen naar buiten wijken, waardoor de hoornzoom ook deze beweging volgt. Deze laatste is door zijn taaie eigenschap daarvoor ingericht, en worden zoodoende inschem ingen aan den kroonrand voorkomen. Bij verlies der veerkracht van de hoet'kraakbeenderen, 'u.v. bij beenvorming, is doortreden in den koot gebrekkig, er heelt ook geen uitzetten aan den kroonrand plaats.

De last des lichaamsch valt door de beenderen der ledematen op het kroonbeen; hier wordt de last op het hoef- en straalbeen verdeeld. Zoodra bet paard den hoef op den bodem zet, drukt bet straalbeen de dwars daaronder liggende steunsels.

Tengevolge der schuine stelling der steunsels worden deze naar achter en buiten gedrukt en vlakker gesteld, zoodat de verzen-wanden, welker voortzettingen de steunsels zijn, naar buiten worden gedreven. Gelijktijdig drukt het hoefbecn op de gewelfde zool, en deze druk heeft een vlakker worden der zool ten gevolge. Met de verwijding van den hoornwand gaat gepaard, dat de weeke of veerkrachtige deelen van den hoef, namelijk het straalkussen en de hoornstraal, op welke ook de van het straal- en hoef been vallende druk werkt, tegen den bodem worden gedrukt.

De voorstelling, dat de hoef zich zou verwijden door de drukking van het straalkussen tegen den hoornwand, moet worden betwijfeld, wegens de weekere gesteldheid van liet eerste, zoodat hierdoor geen werkzame druk op de hoornige deelen, kan worden uitgeoefend.

Hoeven met sterke uitholling der zool bieden grooteren weerstand tegen doorzakken dan vlakke of platte zolen, waarbij behalve de zwakkere welving ook de ondersteuning van do zool door den wand minder is. Om dezelfde reden en wegens de grootere zwaarte der voorhand, zakt de zool der voorhoeven sterker door dan die der achterhoeven.

De uitzetting aan de verzenen is zeer verschillend, vooral naar den vorm der hoeven; nauwe hoeven zetten minder uit, wijde doen dit meer; bij klemhoeven kan het tegenovergestelde, namelijk nauwer worden der verzenen bij de belasting plaats hebben.

Wijde hoeven kunnen tot 5 m.m. worden uitgezet, vooral bij

ocr page 39

27

onbeslagen paarden of liever bij hoeven, welke nimmer beslagen zijn geweest; door liet ijzer en de nagels wordt de beweging van den wand in de zijgedeelten verminderd en verliest het hoorn van zijn veerkracht.

De zijwaartsche bewegingen van den draagrand kan men duidelijk waarnemen aan de schuringskringen op de bovenvlakte van het ijzer aan de verzengedeelten; de afwrijving van den draagrand aldaar is het onmiddellijk gevolg. Verdere vormsveranderin-gen tot het hocfmechanisme hehoorende worden hier stilzwijgend voorbijgegaan.

HET NUT VAN HET HOEFMECHANISMK

De bewegingen van den hoef zijn doelmatig en noodzakelijk. Het is duidelijk, dat de hoef aan sterke stooten is blootgesteld, veroorzaakt door de zwaarte des lichaams en vooral door de kracht waarmede dit in snelle gangen wordt voorwaarts bewogen.

Dit gewicht komt op den hoef terecht; ware deze niet van stootbrekende eigenschappen voorzien, dan zou bij geen weerstand kunnen bieden aan dit grooto gewicht, zoodat kneuzingen der inwendige, en scheuren der uitwendige deelen, het onvermijdelijk gevolg zouden zijn.

Door de schuine vlakten van den wand, de zool en don straal worden die stooten reeds dadelijk gebroken, en vooral ook dooide veerkrachtige eigenschap van het hoorn en van de inwendige deelen, waaronder het straalkussentje on de kraakbeenderen. Aan de ledematen zijn vooral door de hoeken, waaronder de beenderen liggen, nog verdere inrichtingen tot vermindering van den stoot.

De mechanische bewegingen zijn alzoo nuttig tot behoud van den hoef, maar tevens ook van de gewrichten, banden en pezen aan de ledematen.

Ook wordt de gezonde toestand onderhouden door een krach-tigen en geregelder) bloedstroom; hierdoor wordt de voeding van alle deelen bevorderd; en het noodige vocht geleverd voorde hoorncellen, waardoor deze hare taaiheid behouden, de zoogenaamde vochtigheidsgraad van liet hoorn, de bloedstroom wordt door de beweging versterkt.

De bewegingen van het paard worden aangenamer en veerkrachtiger, omdat het hoefmechanisme de werking der spieren

ocr page 40

28

ondersteunt; deze zijn tengevolge daarvan minder aan vermoeienis onderhevig. Zoodra de veerkracht uit den hoef geweken is, zooals bij klemhoeven het geval is, dan wordt de beweging van het paard minder aangenaam en minder volhoudend.

Door de uitzetting wordt do gang tevens zekerder, namelijk op gladde vlakten, daar de zijdelingsohe beweging der verzen wanden het uitglijden naar voren tegengaat, natuurlijk bij paarden welke onbeslagen zijn.

ocr page 41

iïet Hoefbeslag,

ALGEMBBNE BEPALINGKN.

Bij (Ig in vrijlieid levende paarden is de groei van liet hoorn van den hoef gelijk aan de afslijting. Bij het paard in den huise-lijken staat is dit geheel anders; het draagt den ruiter on trekt zware lasten; het verricht deze diensten op den harden bodem der kunstwegen on straten. De afslijting wordt dooi'deze omstandigheden oneindig sterker, en de hoeflederhuid is niet in staat om het iioodige hoorn tot behoud van den hoef te leveren. Om deze reden is men sedert onheugelijke tijden er op bedacht geweest, om die sterke afwrijving van het hoorn tegen te gaan.

Oorspronkelijk kende men het ijzer niet en weiden de hoeven van sandalen voorzien; later van ijzeren platen, zooals deze in de Oostersche landen, een weinig gewijzigd, nog in gebruik zijn. Sandalen of hippo-sandalen werden van biezen, i'iet, stroo of leder gevlochten, om den hoef geslagen, en boven de kroon dooi' middel van banden vastgemaakt; ook de platen werden met riemen bevestigd.

De oorsprong van het gebruik van hoefijzers, met nagels bevestigd, is niet bekend; len tijde van Karei den Groote schijnon zij vrij algemeen geweest te zijn. Behalve ijzer wordt ook somwijlen staal gebezigd tot het vervaardigen van hoefijzers. Vooral het Bessemer staal, aldus naar den uitvinder van het Bessemer-proces genoemd, wordt tot dit doel gebruikt.

Sedert enkele jaren wordt het aluminium aangeprezen als materiaal tot het maken van hoefijzers; de bijzondere lichtheid

ocr page 42

30

gaf daar aanleiding toe. De proeven met dit metaal, gewoonlijk eene koperlegeering genomen, en in deze verbinding bijzonder geroemd met betrekking tot het beslag der paaiden, zijn niet gunstig geweest. Zij hebben bewezen dat het een week metaal is met een onvoldoend weerstandsvermogen. De bewerking er van moet met omzichtigheid geschieden, dooi1 het boven het smidsvuur te verhitten, zoogenaamd goed handwarm te maken.

Aangaande hoefbeslag van papier wordt melding gemaakt van geperkamentiseerd papier of van papier doortrokken van olie of terpentijn, dat in dunne lagen door een kleefmiddel tot de ver-eischte sterkte wordt sarnengelljmd; ook van papierbrij met eenige bijvoegsels, om het voor vocht ondoordringbaar of ongevoelig te maken. De hoefvorm wordt er aan gesneden. Deze ijzers worden vastgenageld of wel door kleefmiddelen, h.v. kunsthoorn, aan den hoef bevestigd.

Dat er op het gebied van het hoefbeslag steeds verschillende meeningen hebben geheerscht, aangaande het doelmatigste hoefijzer, is niet te verwonderen, wegens de onbekendheid met de verrichtingen van den voet. Daarom bestaat er zulke verscheidenheid van ijzers; de kennis van den hoef en van het beslag heeft zich geleidelijk ontwikkeld lot het tegenwoordige standpunt.

De oprichting der veeartsenijscholen in de vorige eeuw gaf aan dit onderdeel der veeartsenijkunde een rationeeler uitoefening. Niettemin bleven de inzichten zeer verdeeld, waarvan het bewijs te vinden is in de studieboeken over hoefbeslag, welke de beschrijving geven van de Engelsche, Fransche en Duitsche ijzers, evenals van de hoefijzers van veeartsenijscholen of van bepaalde personen. Toch is het hieraan evenals aan de later gestichte hoefsmidscholen, alwaar zoowel theoretisch als practisch, kundige hoefsmeden werden gevormd, te danken, dat er meer eenheid ontstaan is met betrekking tot de denkbeelden over de verrichtingen van den voet, en het doel, waaraan het hoefijzer moet beantwoorden.

Do meeste van bovenbedoelde ijzers dienen heden tot versiering van verzamelingen; vele getuigen van kunstig werk, andere van volslagen gebrek aan kennis van de werking van den hoef. Sommige worden daarentegen veelvuldig gebruikt, zooals: het halvemaansijzer, het gesloten ijzer, het ijzer met kunstmatigen straal, het pantoffelijzer, renijzers, ijzers met verdikte takken, strijkijzers, klapijzers.

Sedert eenige jaren heeft men getracht den werkkring van den

ocr page 43

31

hoefsmid te vereenvoudigen door liet vervaardigen van fabrieks-ijzers. Vooral in Duitschland werden vele patenten genomen voor het uitvinden van zulke ijzers, die niet alleen zouden beantwoorden aan alle vereischten van een goed beslag der paarden, daarbij goedkooper en boter zouden zijn dan uil de hand ge-smeede ijzers, maar ook bijzonder aangeprezen werden, omdat zij alle gebreken der hoeven zouden voorkomen of herstellen. Als een groot voordeel werd opgegeven, dat zij door minder goed geoefende hoefsmeden, zonder eenig gevaar aan den hoef konden bevestigd worden.

Men fabriceert ijzers voor zomer- en wintergebruik, vóór- en achterijzers, zoowel rechter als linker, en zij worden in alle grootten gemaakt, glad of met kalkoenen en stooten voorzien, ijzers om zonder nagels vast te leggen, allo soorten voor jachtpaarden, renpaarden, voor paarden welke in do ijzers klappen. Zij bestaan uit staal, uit koud smeedbaar gietijzer of gietstaal van verschillende hardheid, terwijl andere weèr inlegsels of onderlagen hebben van gummi, geteerd scheepstouw of gewoon touw,, van hout, kurk en vilt.

Ook de fagonstaaf behoort hiertoe, wijl de staven ijzer gedeeltelijk machinaal voorbewerkt zijn tot hoeiijzer. Ook deze is verschillend van vorm, smaller of breeder, al naar het doel, met afhelling aan de bovernlakte, met één of twee ritssleuven; ook staaf mot overlangscha en dwarsche sleuven en dwarsche alleen.

Dit materiaal is gewoonlijk tamelijk week, waardoor het eerder verslijt, en is op zichzelf' reeds duurder dan gewone ijzerstaven; de aangebrachte rits en de plaatsing der gaten voor de nagels is tamelijk willekeurig, behoeden niet altijd voor gevaar bij heslaan. Overigens hebben ijzers uit fagonstaaf het voordeel gemakkelijk te worden bewerkt, zonder helper tot een goed hoefijzer te worden gemaakt, en zeer licht te zijn.

liet is intusschen beter, dat elke hoefsmid de vereischte kundigheid bezit, zoowel in hot vervaardigen van ijzers, als in het bewerken van den hoef en het oppassen en bevestigen der ijzers, liet is duidelijk, dat de machinale ijzers, al zijn zij in verschillende vormen en grootten gemaakt, toch steeds eenige wijziging zullen moeten ondergaan, alvorens zij behoorlijk passen, wil men idet dat de hoeven naar die ijzers worden gevormd. Door deze omstandigheid wordt evenwel het werk omslachtiger gemaakt, en vele van zulke ijzers zijn zelfs ongeschikt om deze wijziging te ondergaan.

liet zwaartepunt van een goed hoefbeslag berust niet op een

ocr page 44

32

goed hoefijzer alleen, maar hoofdzakelijk op de uitvoering van liet beslag, d. w. z. door een goed ijzer oordeelkundig aan den hoef vast tc leggen, dat is naar den vorm van den hoef, stand van de ledematen en naar de bewegingen van het paard.

Hieruit volgt dat een goed ontwikkeld en geoefend hoefsmid, zonder gevaar voor den hoef, zoowel de machinale ijzers als die van faconstaaf zal kunnen gebruiken, voor den minder geoefende blijven zij een gevaarlijk materiaal.

HET HOEFIJZER.

Het hoefijzer wordt vervaardigd uit goed taai ijzer; gebruikte hoefijzers leveren het beste materiaal; zij zijn door het smeden van betere qualiteit geworden dan nieuwe staven ijzer.

Het smeden van het ijzer moet vlug geschieden, de hoefsmid moet weten gebruik te maken van de hitte, zoodat het ijzer in twee hitten ruw is afgewerkt. Hij moet zich oefenen op hot oog te berekenen, welke grootte en welken vorm aan het ijzer

te geven.

11.

ocr page 45

:}3

Men onderscheidt het vóór- en het achterijzer, elk dezer weder in een rechter cn een linker. Daar het ijzer naar den vorm van den hoef' moet vervaardigd worden, dient hij alzoo vooraf te bepalen, welk ijzer door hem wordt gesmeed, om dadelijk den noo-digen vorm aan het ijzer te kunnen geven.

Aan elk hoefijzer heeft men hot toongedeelte en den buiten- en bin-nentak, elke tak wordt verdeeld in het zij- en het verzengedeelte.

Vorm. liet ijzer wordt zuiver naar den vorm van den hoef gemaakt; daar de normale voorhoef een ronden vorm heeft aan den draagrand, zal het voorijzer dus rond zijn; de achterhoef is spitser, meer eivormig, daarom wordt het achterijzer ook spitser in den toon.

Lengte. liet ijzer moet den geheelen draagrand van den hoornwand bedekken ; daar evenwel de hoorngroei steeds doorgaat, de draagrand, aan de verzenen wordt afgewreven, terwijl aan den toon zulks niet het geval is, wordt de draagvlakte langer; het ijzer moet daarom ook zoo lang zijn, dat het eenige millimeters achter den draagrand uitsteekt, om niet tekort te worden.

Breedte. De breedte van liet ijzer regelt zich naar de dikte van den draagrand; algemeen wordt aangenomen, dat deze tweemaal die dikte mag bedragen ; deze breedte kan het ijzer overal behouden, of wijl de wand naar de verzenen in dikte afneemt, kan het naar die gedeelten ook minder breedte hebben.

Dikte. Het moet aan liet toon-, de zij- en verzengedeelten even dik zijn. De dikte van den draagtand van den hoef kan de dikte van het ijzer zijn; gemiddeld zal die dikte één centimeter bedragen. Een licht ijzer is beter dan een zwaar; het ijzer mag niet doorbuigen, en moet naar omstandigheden vier a zes weken kunnen voldoen.

Vlakten. Men onderscheidt eene boven- of hoefvlakte, en eene onder-of grondvlakte. De bovenvlakte is verdeeld in eene draagvlakte en eene afhellende vlakte. De draagvlakte dient vlak, waterpas en zóó breed te zijn, dat de draagrand van den hoornwand in zijn geheel, en de buitenste omtrek, circa 'i a 3 millimeter, van de zool door haar bedekt wordt, daar ook deze lot quot;cliiei'-ijzer van onderen gezien.

mededragen van de zwaarte bestemd is.

HOEFBESLAG. y

ocr page 46

34

Vandaar tot aan den binnenrand wordt deze vlakte schuin gesmeed, de afhellende vlakte gemaakt, om bij de beweging van den hoef elke drukking van het overige gedeelte van de zool tegen te gaan. Bij eene zool, welke belioorlijk hol is, kan deze afhelling gemist worden; zij moet zich dus richten naar de gesteldheid van de zool.

Aan de verzenen vervalt deze afhelling, om de zijwaartsclie beweging van de wanden niet te hinderen, en om de steunsels te doen dragen op het ijzer.

De grondvlakte is voorzien van eene sleuf, rits geheeten, waardoor het ijzer den naam van ritsijzer verkrijgt; deze rits kan verschillend van vorm zijn, naarmate de bodem er van scherp of rond wordt gemaakt of wel de twee vlakten een verschillend verloop hebben. Zij dient zoodanig te zijn aangebracht, dat zij juist tegenover de witte lijn van den hoorn wand komt te liggen; door haar komen de nagelgaten op de vereischte plaats te staan. Zij dient zoodanige diepte te hebben, dat de koppen der ingeslagen nagels er behoorlijk insluiten. De rits loopt aan den toon door of is daar afgebroken; het eerste is meer gebruikelijk bij de vóór-, het laatste bij de achterijzers het geval. Evenzoo loopt de rits door tot de uiteinden der takken, of wel zij houdt vóór die einden op.

Randen. Het ijzer heeft een buiten- en een binnenrand. Aan den eersten ziet men de dikte van het ijzer, hij wordt gewoonlijk naar de grondvlakte toe schuin gesmeed, zoodat de bovenvlakte van het ijzer breeder is dan de ondervlakte; daardoor voorkomt men het strijken. De dikte van den binnenrand is afhankelijk van de meerdere of mindere afhelling aan de bovenvlakte. Over het algemeen kan men aannemen, dat deze de helft der dikte van den buitenrand bedraagt.

Nagelgaten. Het aantal nagelgaten moet zich richten naar de grootte van het hoefijzer. Gewoonlijk zijn zes gaten voldoende voor middelmatig groote hoeven, bij kleinere kunnen vijf volstaan. In elk geval behoeven alle gaten niet van nagels te worden voorzien.

Wat de plaatsing betreft, is het noodzakelijk, dat de gaten in de voorste helft van het ijzer aanwezig zijn, omdat de uitzetting van den hoef in de achterste helft, door geen nagels mag verhinderd worden. Bij de achterijzers kunnen de nagelgaten een weinig meer naar achter geplaatst worden. Zij moeten op regvl-matigen afstand van elkander, juist in de rits geslagen worden, om tegenover de witte lijn te komen. Is de rits niet goed gemaakt,

ocr page 47

35

is zij te dicht bij den buitenrand, dan worden de gaten te mager gestampt, en geven aanleiding tot splijting van het hoorn. In het tegenovergestelde geval worden zij te vet, en begunstigen het vernagelen.

Do nagelgaten moeten eene voortzetting van do rits zijn, en zoodanige wijdte bezitten, dat de kling der nagels, die men voornemens is te gebruiken, er goed en vast in sluit. De nagelgaten worden verdeeld in toonnagelgaten, eerste en tweede zijnagel-gaten. De atstand van de twee toonnagelgaten moet minstens de breedte bedragen van het ijzer aldaar; het is intusschen beter dien afstand een weinig grooter te maken, wegens de sterke afslijting daar ter plaatse, en als gevolg daarvan het los raken der nagels.

Vroeger toen er meer gaten in de ijzers waren, kwamen de toonnagelgaten dichter hij elkander te staan.

liet verloop der nagelgaten door het ijzer moet zich richten naar den stand van den hoornvvand ; daarom zullen de gaten in den toon schuin naar binnen, aan de zijden minder schuin, en hoe meer naar achter, bijna oi' geheel loodrecht worden gestampt. De binnenwaartsche richting aan den toon wordt reeds door een goeden opzet bewerkstelligd. Dij achterhoeven, welker wanden steiler zijn, dienen de gaten ook rechter te worden gestampt.

Ijzers waarin geen rits aanwezig is, maar de gaten, zinknagel-gaten, afzonderlijk worden ingestampt door de geheele dikte van het ijzer, worden tegenwoordig minder gebruikt dan vroeger.

Lippen. In het toongedeelte van het ijzer wordt aan den buitenrand eene lip aangebracht, die aan de basis stevig, naar boven rond bijloopende, dun en niet groot moet worden uitgeslagen, sterk genoeg zijn om niet af te breken, maar met lichte hamerslagen gemakkelijk tegen den wand kan worden aangeslagen. De lip maakt het oppassen en ook het onderleggen van het ijzer gemakkelijk, daar zij het verschuiven naar achter tegengaat. Somwijlen worden ook lippen aan de zijgedeelten van het ijzer aangebracht.

Kalkoenen. Aan de uiteinden dei'ijzertakken worden veeltijds kalkoenen gesmeed. Het nut, dat aan de kalkoenen steeds werd toegeschreven, wordt tegenwoordig op goede gronden betwist, vooral bij paarden, welke snelle diensten te verrichten hebben. De stand van den hoef wordt er door veranderd; ook komt de straal niet met den bodem in aanraking, hetgeen toch noodzakelijk is voor het behoud van den hoef.

Men geeft daarom tegenwoordig de voorkeur aan ijzers zonder

ocr page 48

36

kalkoenen ; alleen aan de achterijzers worden zij meer aangetroffen, daar zij een vasteren stand zouden begunstigen, b.v. bij plotseling inhouden na snelleren gang. liet is intussclien een feit, dat in zoodanig geval liet voorwaarts kunnen glijden der boeven een behoud voor do ledematen is.

De beweging der paarden op ijzers zonder kalkoenen is aan-genainer, en zeker is bet, dat de kalkoenen reeds na ongeveer 10 of 14 dagen grootendeels zijn afgesleten; op gladde wegen, op straatsteenen, gaan de paarden zonder kalkoenen zekerder dan met deze.

Slooten. Aan de ondervlakte van het ijzer in den toon wordt soms een stuk staal, bij wijze van eenen kalkoen geweld; dit is dan een ijzer niet een stoot. Slooten mogen alleen bij trekpaarden worden aangebracht, en hebben alleen eenig nut op bergwegen eu 's winters, wanneer zij gescherpt zijn. Zij worden tegelijk met kalkoenen gebruikt, en moeten dezelfde boogie als deze hebben. Op vlakke wegen ziet men er veel misbruik van maken. Zij verboogen bet gewicht van hel ijzer aanzienlijk.

OVER BENIGE HOEFIJZERS VAN BIJZONDEREN VORM.

Het halvemaanijzer. Uit ijzer is zeer kort, zoodat bet alleen den toon en de zijgedeelten van den draagrand bedekt. Het wordt

verschillend gemaakt; in de eerste

plaats als een gewoon ijzer, waarvan de lakken worden afgeslagen, dus de uiteinden even dik zijn als de toon; het kan ook van den toon tot de takken dun nitge-smeed worden. In hel eerste geval blijven de verzeneinden van den wand onbesneden, om op gelijke hoogte met de ondervlakte van het ijzer te komen. Zij worden van \ tot 5 nagelgaten voorzien. Bijzonder kort, noemt men ze ook toonstukjes.

Het gesloten ijzer, ook balkijzer genoemd, is een gewoon hoeüjzer, welks verzeneinden door een dwars stuk ijzer vereenigd

ocr page 49

37

zijn. Doze flwarsclie balk hoeft dr/olfilG dikte als de ijzertak en hetzelfde vlak; hij inafj; all(?('ii op de bovenvlakte, naar den vorm van den straal, verdiept of hellend zijn Van dit ijzer wordt veelvuldig gebruik gemaakt, daar men hierdoor bepaalde gedeelten van den hoef kan ontheffen van den last des lichaams; vooral echter om dien op den straal over te brengen. Wordt deze balk in den vorm van don hoornstraal naar voron nilgo-smeed, dan spreekt men van een ijzer mot knnstmatigen straal.

Het pantottelijzer. Aan elk ij/.or zonder kalkoenen wordt soms deze naam gegeven; wij verstaan er meer bepaald een ijzer onder, waarvan de draagvlakte aan de verzenon niet vlak, maar naar den buitenrand toe, min of moer hellend verloopt. Ook een ijzer dat naar do uiteinden der takken geleidelijk aan dikte afneemt, (Gntenacker).

Het renijzer is bijzonder licht on smal, doch onderscheidt zich overigens niet van een gewoon ijzer.

Mzors met verdikte takken, bij lage verzenen, en over 't geheel bij onevenredige hoogte van toon en verzonen veelvuldig ge-hebrnikt, duiden genoegzaam door hunnen naam den vorm aan. Opdat deze ijzers niet te zwaar worden, mogen toon en zijgedeelten niet dik zijn.

Strijkijzers. Men verstaat hieronder een ijzer, waarvan de binnentak smaller is gemaakt, dan do bnitentak. Do draagvlakte van hot ijzer is breeder dan de grondvlakte, omdat do buiten-rand sterk afgevijld wordt naar onder en binnen. Daarbij loopt do rits niet in het smalle gedeelte door, ot wel slechts voor een gedeelte. Er bestaat verschil in liet strijkijzer, naarmate de sterke afronding en versmalling van don binnentak reeds aan den toon ol eerst in hot zijgedoelte begint, en daarnaar vindt men ook slechts een of wol meer nagelgaten in den strijktak. In-tusschon worden ijzers, mot hot doel om het strijken te beletten van verschillenden vorm gemaakt. (Zie wbeslag bij strijken.quot;)

Klapijzers, Met toongedeelto van hot ijzer is niet rond, maar wordt recht of plat gesmeed, zoodanig dat de toonwand van den hoef voor een gedeelte er over heen komt te liggen; aan beide zijden van dit rechte gedeelte wordt oone lip aangebracht; de nagelgaten komen in dc zijgedoolton te staan. Zij dienen uitsluitend voor achtorhoevon. Bij het gebruik worden do voorijzers kort ondergelogd en de uiteinden dor takken schuin naar voren gericht; soms word! ook de ondervlakto der voorijzers hellend gesmeed.

ocr page 50

38

DE HOEPNAGELS.

De bevestiging der hoefijzers aan de hoeven geschiedt door de hoefnagels. Kllco andere bevestiging heeft tot heden niet voldaan, on is alleen toegepast kunnen worden bij gebrekkige hoeven

als verbandijzers.

Vroeger waren de uit de hand gesmeede nagels algemeen in gebruik. Deze nagels werden door de hoefsmeden zeiven gemaakt, of zij lieten hun voorraad komen, vooral uit Thüringen en Rübenau in Saksen, in welke laatste plaats van 1860 tot 1874, omstreeks 400 smeden daaraan werkzaam waren.

Sedert dien tijd kreeg dit handwerk eene groote concurrentie aan de machinaal vervaardigde hoefnagels, welke gepolijst, goed-kooper, gericht en gezwikt, in den handel komen. Hoewel dit richten en zwikken later door de vroegere nagelsmeden ook in praktijk werd gebracht, is dit bedrijf evenwel door de machinaal geleverde nagels grootendeels verdrongen. De machines om hoefnagels te fabriceeren kwamen het eerst uit Amerika.

De meest bekende fabrieksnagels zijn: de globenagels, te Hamburg, en de sternagels uit de hoefnagelfabriekBergedorf(Chris-tiania llesteskosömfabrik). Deze laatste firma levert alle tot heden in den handel gebrachte kopvor-men en grootten. Deze nagels zijn van beste qualiteit en voor de rits in onze ijzers goed geschikt, evenals de bekende »Lion-nails.quot;

Ook wordt door haar den «Reichshufnagelquot; vervaardigd,geschikt voor rits- en zinknagelgat, in Duitschland van vele zijden aangeprezen, om meer eenheid in het beslag te verkrijgen. De nummers waaronder deze nagels worden verkocht, geven tegelijk hunne lengte in millimeters aan. De nagels van Muller en Schrei-ber te Eberswalde bij Berlijn kenmerken zich door een eenigszins broedere kling dan do voorgenoemde. Deze fabriek levert ook

ocr page 51

39

de zoogenaamde bajonet-nagels; deze hebben eene driehoekige kling, waardoor het hoorn niet splijt; zij laten zich gemakkelijk inslaan, en zouden steeds eene goede richting naar buiten nemen,

Aan eiken hoefnagel ziet men: oen kop, een kling en eene punt of zwik.

Naar den kopvorm onderscheidt men zink- en ritsnagels. De eerste is vierhoekig, doch loopt naar boven en onder vierhoekig piramidaal; de bovenvlakte is plat geslagen. Hij wordt bij ijzers met zink-nagelgaten gebruikt. De «Fransche nagel heeft dezen vorm.

De ritsnagels, ook wel Engeische nagels genoemd,

hebben een platten, slanken kop, die geleidelijk Fig. 15. in de kling over gaat, en daardoor een sterk afgesleten ijzer nog goed kan vasthouden; zij zijn tegenwoordig algemeen in gebruik.

De nagels moeten worden gesmeed uit best taai ijzer; het Zweedsch ijzer is daartoe het meest geschikt; de grootte moet zich richten naar den hoef, waarvoor zij bestemd zijn, en vooral naar de grootte der gaten van de ijzers; de koppen der ritsnagels dienen zuiver te sluiten in de rits dei-ijzers. Hoe lichter de nagels kunnen zijn, zooveel te beter is dit voor den hoef: de breedte dor kling moet het dubbele bedragen der dikte, de binnenvlakte moet iets naar buiten doorgericht zijn; dit bevordert het rechte doordringen van het hoorn;

geschiedt zulks in een boog, dan kunnen hoorn en inwendige deelen worden beschadigd. De punt moet zuiver, scherp en vooral niet gespleten zijn.

De uit de hand gesmeede nagels, welke in taaiheid de fabrieksnagels overtreffen, moeten grijs- HUkshoefnaBel-achtig blauw van kleur zijn; zij worden tot het gebruik geschikt gemaakt door het richten en zwikken.

Onder de eerste bewerking verstaat men het licht hameren op de platte zijden der kling, waardoor deze wordt stijf geslagen. Met zwikken geschiedt aan de punt; deze wordt eenzijdig wigvormig gemaakt; de zwik mag evenwel geen haak vormen; hij kan4 a Gmillimeterslang zijn; naarmate deze korter of langer is, heeft de smid het in de hand, den nagel booger of lager aan den wand te doen uitkomen.

Sommige hoefijzers vereischen bijzonder gevormde nagels, zoo b.v het iingzoolijzer van Charlier. Er bestaan ook nagels zonder nieten, d. w. z. nagels, die zeer kort zijn, zoodat zij niet op den wand uitkomen, aan de punt met eene soort van weer-

ocr page 52

40

haaU voorzien, waardoor zij in den wand goed vasthouden. Zij hebben intussciion geen algemeene verbreiding gevonden.

liet breken van nagels Uisschen draagvlakte en draagrand komt dikwijls voor. In sommige gevallen ligt de oorzaak hiervan in de beweging van het beon, daar liet steeds, voorkomt bij denzelfden hoef van een paard; in de meeste gevallen evenwel draagt de (|iialiteit (Jer nagels de schuld.

WINT-EBJJZERS.

liet «op scherp zettenquot; is noodig zoodra de wegen glad ol'met sneeuw bedekt zijn. De hoefijzers ondergaan alsdan zoodanige wijziging, dat de dienst dor paarden wordt mogelijk gemaakt, en zij voor uitglijden en vallen worden behoed.

Do uitvindingen op dit gebied zijn ontelbaar, maar vele be-antwoorden niet aan hot doel of zijn onpractisch.

liet op scherp zetten kan geschieden:

1°. Door middel van ijsnagels. Aan eiken tak van het ijzer worden een of twee nagels uitgenomen, en vervangen door nagels met puntige of wigvormige koppen. Deze laatste zijn gehard en lang, zoodat zij buiten de nagelgaten blijven uitsteken, liet is de eenvoudigste, maar ook minst duurzame wijze van scherpen, en alleen bruikbaar bij rijpaarden als noodhulp, die bij plotseling invallende gladheid, korte afstanden hebben at te leggen.

Een ander soort van ijsnagels zijn zulke, welke niet iu den hoornwand worden geslagen, maar in alzonderlijk gemaakte gaten van hot ijzer komen ; de korte maar dikke kling wordt aan den bovenbuitenrand omgebogen, en goed vast geslagen. Zij worden alleen aan de ijzertakken, of te gelijk aan beide zijden van den toon aangebracht. Hiertoe behooren de punten ol ijsnagels van Delpérier, van Aureggio en van Lepinte. Deze laatste, enkele jaren Jquot;ig. It).

in het Fransche leger ingevoerd geweest, heeft een loodrecht staanden hals. De beide andere hebben een naar boven en buiten schuin verloo-pende kling.

2°, liet scherpen van de vaste kalkoenen en den stoot. Dit is bij werkpaarden do meest verbreidde Ka,kl,0,„.0jmic Vitll ijZ(11. met wijze van scherpen. Deide kalkoenen achroefkalkoen ingeschroefd.

ocr page 53

41

worden gehard, of meestiil wordt er staal in geweld om hen duurzamer te maken; zij zijn wigvormig uitgesmeed, en dwars of overlangs aan den ijzertak gesteld, naarmate men den buiten-of binnenkalkoen of beide te gelijk scherpt. Dij zware trekpaarden wordt dan ook een gescherpte stalen stoot in den toon aangebracht. Bij langdurige gladheid en veel gebruik, dient hot scherpen meermalen herhaald te worden, waarhij telkens de ijzers worden alge-nomen. Hierdoor lijdt de hoef zeer, wordt brokkelig en scheurt in.

3°. Door scherpe scbroefkalkoenen. Deze zijn verschillend van vorm; de meest bekende is die, waarvan do kop vierhoekig piramidaal is; daarboven is de zoogenaamde borst, dio een gladden rand vormt, en verder de hals. Deze is voorzien van een draadwinding, vaarschroef, welke niet grol' mag zijn, maar een zuiveren, diepen draad moot vormen. Aan de verzeneinden van het aldaar verdikte en verbreed ijzer, wordt eene draadwinding, moerschroef aangebraclit, waarin do hals van den kalkoen juist sluit, terwijl aan de bodomvlakte een verzinking zonder draad gesneden wordt voor de borst van den kalkoen. Deze kalkoenon worden geleverd door do ijzerfabrieken, of wol door de hoefsmeden zeiven vervaardigd.

Behalve scherpe, worden ook stompe schroefkalkoenon gemaakt, die overigens, wat hals en borst betreft, denzelfden vorm hebben. Zij dienen om op stal, of bij invallend dooi weder in de plaats van de scherpe te worden gebruikt, welke verwisseling door een passenden sleutel geschiedt.

Het vervaardigen geschiedt zoodanig, dat tusschen twee staven patontijzor, oen staaf Duitsch staal wordt gelegd, waarna de staven aan elkander worden geweld in de verhouding van Vu staal. Vervolgens wordt er een vierkante staaf, ter dikte van de verzinking in den zadel, van gesmeed; men vormt cr oen punt aan, en legt dit gedeelte in den zadel, plaatst er den zaalharner boven, geeft oenige slagen met den voorhamer er op, en draait na eiken slag, de staaf of kalkoen om, totdat de hals voor den kalkoen rond is. Daarna wordt de kalkoen afgehakt, men laat hom afkoelen, vijlt er dan do ruwe doelen af en brengt door middel van hot snij-ijzer de draadwinding aan. De punt van den kalkoen wordt ton slotte gehard.

Voor de stompe schroefkalkoenon gebruikt men Zweodsch ijzer tor dikte van de verzinking in den zadel. Men maakt do staaf gloeiend, plaatst hot oiiule or van in den zadel, zot er don zaal-hamer boven, geeft er eonigo slagen mot den voorhamer op, na eiken slag ronddraaiende, totdat do hals van den tookomstigen

ocr page 54

42

kalkoen rond is, hakt dezen af, laat hom koud worden, en snijdt er den draad aan.

Het is van belang, dat goed materiaal wurdt gebruikt, en vooral de schroefdraad zuiver wordt gesneden; de kalkoenen zullen alsdan niet verloren gaan en ook niet afbreken l). liet is ook noodzakelijk, dat alle kalkoenen dezelfde hoogte en één vorm hebben, om steeds passend te zijn, en door elkander te kunnen worden gebruikt.

Scherpe schroefkalkoenen als stoot hebben niet voldaan, daar zij spoedig los gaan en ook afbreken.

Het tegenwoordige scherpmiddel sedert 1889 in het Franscbe leoer is eeno schroefkalkoen met ronden conischen bals en vierkanten kop zonder borst, vervaardigd uit een vierkantige staaf staal (Pader).

Fig. 17.

Scherpmiddel in het Fransche leger.

In het Duitsche leger werd in 1891 de schroefkalkoen zonder hals ingevoerd, nadat bij de vergelijkende proeven bewezen was, dat deze duurzamer en als scherp middel zekerder werd bevonden dan de insteek-kalkoen.

In geval van nood is voorgeschreven het gebruik van ijsnagels als winterbeslag. Deze hebben eene bijlvormige snede of eene vierzijdige pyramide-vormige punt. In het hoefijzer zijn een groot aantal diep verzinkte nagelgaten aanwezig. Zij worden in 3 grootten gemaakt, overeenkomende met de voorgeschreven hoefnagels, liet harden geschiedt door de roodgloeiende koppen te bestrooien met geel bloedloogzout, dan witgloeiend te maken en in water af te koelen (Kosters). 11

4°. Door middel van insteekkalkoenen. Deze wijze 1/ van op scherp zetten is het eerst toegepast door Judson, V een Amerikaan, waarom ook wel gesproken wordt van de Duitsch0 zoogenaamde Arnerikaansche wijze van scherpen. Deze ijsnagel.

') Om de geheel afgeloopen of afgebroken schroef kalkoen te kunnen verwijderen, maakte Pasquay door het midden der schroef een vierkante holte tot in het boveneinde van den kalkoen, Een hierin passende sleutel verwijdert het kalkoengedeelte gemakkelijk en zeker.

ocr page 55

43

kalkoenen hebben ronde, kegelvormige halzen. Zij zijn gewijzigd door Dotmnik, die kalkoenen met vierkante halzen, eveneens kegelvormig verloopend, deed vervaardigen.

Beide vormen zijn veelvuldig beproefd geworden, en is hot quot;e-bleken, dat do ronde, kegelvormige halzen de voorkeur verdienen.

te lande m Fig

Zij zijn dan

lot hetzelfde systeem bohooren de Hvormige insteekkalkoenen van Leonhardt amp; Co., patent Neuss, welke evenals de Hvormige schroef kalkoenen in den handel verkrijgbaar, doch ook zeer eenvoudig kunnen worden vervaardigd. Hiertoe is benoodigd Hvormig staal van de gewensclite dikte. Wil men Hvormige insteekkalkoenen maken, clan snijdt men dit staal tot de noodige lengte voor een kalkoen door, plaatst dit afgesneden stuk op eene matrice

liet

leger

luer

gebruik gesteld.

24.

Fig.

KI

25.

ocr page 56

44

en is afhankelijk Fig. 26.

Kii

1

v

kracht igen

slag

op

koenen,

van de qualiteit van het staal. Bij het hardere staal is het voldoende den kalkoen kersrood te maken en het onder het ijzergat uitkomende gedeelte in zeepwater af te koelen.

liet weekere staal wordt het beste gehard door de kalkoenen met beendermeel ongeveer drie uren in een roodgloeiende plaatijzeren bus op een goed cokesvnur te verhitten en daarna in koud water af te koelen.

Het systeem Neuss is een goed winterbe-slag; het verzekert den stand en gangopgladde wegen, is duurzaam, gemakkelijk aan te wenden. zeer eenvoudig in de bewerking en niet duur, indien de hoefsmid het zelf vervaardigt. Zonder zorg voor beleedigingen kunnen de kalkoenen in de ijzergaten aanwezig blijven; zij worden verwijderd door middel van een uit-stoothaak.

Om dit bij afgesleten of gebroken kalkoenen gemakkelijk te doen, werd bij ilo beproeving van dit winter-beslag bij het leger, eene uitsnijding van het gat naar den buitenrand van het ijzer aangebracht, zoodat de uitstootliaak juist boven den kalkoen komt, en deze door een den haak, kan worden

of een nagelijzer, voorzien van een llvormig coniscli naar onder doorloopend gat, geeft een paar hamerslagen op liet staal, waardoor de kalkoen, tot de noodige diepte in het nagelijzer zittende, klaar is.

Men kan de grondvlakte van den kalkoen gewoon stomp laten of wel door de vijl scherp maken. De conisch verloopende vierkante gaten in het hoefijzer worden door middel van een doorn ingeslagen, eerst warm en later kond op maat gebracht.

De draadwinding aan den schroefkalkoen van dit systeem, evenals die in het ijzergat wordt op de bekende wijze door snij-ijzor en tap gemaakt.

liet harden geschiedt op dezelfde wijze als van andere ka

uitgedreven.

ocr page 57

45

BESLAG VOOIl DE PAARDEN lil.l DE I5EREDEN KORPSEN.

(Hecucil jVlilitair ISS(j) blz. '288—298.)

]gt;elioort bij de liescliikking van den Minister van Oorlog van den 'i1'011 November I88().

IIdo Aid. No. 42.

VOORSCHRIFT NOPENS HET HOEFBESLAG.

A. IIKT IJZlili.

1. Hot ijzer moot als een kunstmatige draagrand worden be-sobouwd') I lot behoort dan ook nauwkeurig naar bot beloop van deze te worden gesmeed, docb twee ;i drio millimeter langer te zijn.

Do uiteinden dei' ijzers moeten dioht tegen den straal aanliggen, maar dozen niet aamaken. Tot dal einde kan men de uiteinden der takken aan den binnenkant schuin wegnemen.

2. Do wijdte van het ijzer moet in den toon en het zijge-deolte volkomen met den boei' overeenkomen, en voor de uitzetting van den voet naar achteren toe iets wijder zijn.

3.t Do breedte van liet ijzer hangt af van do dikte van don hoornwand aan den toon. Men kan als regel stellen, dat het ijzer niet breeder mag zijn dan tweemaal bedoelde dikte.

4. Aan hot ijzer moot zoodanige dikte worden gegeven, dat liet beslag eerst na vijf a zos weken zal behoeven to worden vernieuwd.

5. Aan do bovenvlakte van hot ijzer onderscheidt men oene draagvlakte en eene afhollende vlakte. De draagvlakto moet zóó broed zijn, dat zij don draagrand van den hoornwand en nog 2 millimeter van do hooinzool bedekt; verder mag het ijzer niet mot do zool in aanraking komen. De afhollende vlakte behoort van de draagvlakte duidelijk afgescheiden te zijn.

6. Hot ijzer heeft aan de ondervlakto een rits, twee derde gedeelten van do gehoede ijzerdikto diep, waarin zes nagolgaten worden aangebracht; drie in den buiteïi-en drie in den binnentak. Deze rits zal zoowel bij het voor- als bij het achterijzer, in den toon niet doorloopen en een weinig voor de uiteinden der takken eindigen.

7. In den regel worden bij het voorijzer slechts vijf nagels

') Ingovolge eene liepaling van den Inspecteur der Gav. van den 29 Sept. 1894, zat bij wijze van proef zoowel des zomers als des winters bij bet Wapen dei' Cavalerie, de achterhoeven der paarden worden voorzien van klapijzers.

ocr page 58

46

ingeslagen drie in den buiten- en twee in den binnentak. Daardoor blijft een nagelgat bescliikbaar, voor het geval een der nagels niet goed moclit kunnen worden ingeslagen. De afstand der toon-nagelgaten moet bij bet voorijzer anderbalfmaal, bij het acliter-ijzer, tweemaal de breedte van bet ijzer bedragen.

Aan den buitentak moet liet laatste nagelgat op liet midden, docli aan den binnentak een lialve centimeter meer naar den toon aangebracht worden.

8. De buitenrand van liet ijzer wordt naar de rits toeeenigs-zins rond bijgewerkt en beeft in liet midden eene kleine verdikking tot bet maken van de lip, die dun, glad en zoo buigzaam moet zijn, dat zij zich goed tegen den wand laat aanslaan.

9. De opzet, dien men aan het ijzer geeft, begint gewoonlijk aan het eerste zijnagelgat, en wordt in het algemeen geregeld naar den opzet, die door de afslijting van het oude ijzer wordt aangegeven.

10. Het ijzer moet met de draagvlakte overal gelijkmatig tegen den draagrand van den hoornwand aanliggen; het moet derhalve aan de dracht- en zijgedeelten volkomen vlak en aan het toon-gedeelte in dezelfde mate opwaarts gebogen zijn, als de draagrand van den wand opwaarts gewelfd is.

Elke ongelijkheid van den draagrand of der draagvlakte moet voor het onderleggen zorgvuldig worden weggenomen.

11. Het passen geschiedt zwart warm.

12. De ijzers van het winterbeslag zijn in alle deelen gelijk aan die van het gewoon beslag, met uitzondering echter:

dat, tot het maken van het kegelvormig gat de uiteinden dei-takken minstens de dikte moeten hebben van het nagelijzer of van den controleur ').

IJ. BEVESTIGING VAN HET IJZER.

'13. Ter bevestiging van het ijzer aan den voet, worden ritsnagels gebruikt.

Zij worden zoodanig ingeslagen dat zij 15 a 25 millimeter boven den draagrand uitkomen, afhankelijk van den vorm en de grootte der hoeven en voorts in eene lijn liggen.

') Bij beschikking van den M. v. O. van quot;21 Aug. 1890, zijn aan hel hoefijzer voor winterbeslag bij het Wapen der Cavalerie, de volgende wijzigingen gebracht; de uiteinden der ijzertakken worden verhoogd, het gat voor den insteekkalkoen komt meer naar den buitenrand van het ijzer, van liet gat naar den buitenrand wordt het ijzer aan de draagvlakte een weinig uitgesneden, het gat wordt een weinig verder van het uiteinde der ijzertakken gemaakt.

ocr page 59

47

Do bovenvlakte der nagelkoppen moet niet de onderste hoefijzervlakte gelijk komen.

C. BEWERKING VAN DEN 1I0EE.

14. De bewerking van den boel' bestaat alleen in bet inkorten van den draagrand en wel inzonderbeid aan bet toongedeelte, omdat de beslagen boef' aldaar afgroeit zonder af te slijten, terwijl bij aan de dracbten door de uitzetting van den voet voortdurend in slijting is.

Van den draagrand moet zooveel worden afgenomen, dat hij gelijk komt met de verbinding van de zool en 2 millimeter van deze laatste mede draagvlakte wordt.

15. Bij normalen gang en stand van bet paard, moeten de buiten- en de binnenwand op dezelfde hoogte worden gebouden.

In alle andere gevallen wordt van dat gedeelte van den boorn-wand bet meest afgenomen, ter plaatse waar bet ijzer bet meest is afgesleten, zoodat vóór alles moet worden gestreefd, naar bet vlak nederzetten van den voet, met name dat de beide takken van bet ijzer gelijktijdig op den bodem komen.

16. Van de steunsels mag slecbts zooveel worden afgenomen, dat zij in betzelfde vlak van den draagrand komen te liggen.

17. De zool en de straal mogen in geen geval worden besneden.

IJet doode boom scbeidt zich van zelf af en mag niet kunstmatig worden verwijderd.

18. De draagrand der dracht- en zijwanden moet volkomen vlak, die van het toongedeelte naar boven geweld zijn ten behove van den opzet.

Nadat do besnijding van den boef is geschied worden de uitwendige scherpe kanten van den draagrand door loodrechte streken met de rasp weggenomen en de draagvlakte van den hoef ellen gemaakt.

19. Hot gebruik van een renet is voor bet besnijden van den hoef' verplichtend, dat van een veegmes verboden.

Met gebruik van de houwkling is slecbts bij uitzondering geoorloofd, namelijk alleen voor eene belangrijke verkorting van bet boorngedeelte van den hoef.

'20. De buitenzijde van den lioornwand mag niet worden geraspt of gevijld.

Oude nagelgaten worden dichtgemaakt.

ocr page 60

48

21. Het is aan de hoefsmeden verboden do hoeven na het beslag — voor dat dit is nagezien — met eenig smeer te bestrijken.

Behoort bij de beschikking van den Minister van Oorlog van den c2Jen November 1886,

11de Afd., No. 42.

BEPALINGEN NOPENS HET WINTEBBESLAG.

lo. Het winterbeslag bestaat uit hoefijzers met kegelvormige gaten en daarin passende scherpe en stompe insteekkalkoenen. «)

2°. Aan de korpsen worden door den Directeur der Artillerie-Inrichtingen tegen verrekening der waarde ten laste van het Rijk, standmodellen verstrekt van de hoelijzers, van de scherpe en stompe insteekkalkoenen en van de mal, hierna onder punt 4 g. vermeld.

3o. De insteekkalkoenen worden gemaakt uit ronde staven staal ter dikte van 10 millimeter. Dit staal moet bij voldoende hardheid genoegzame taaiheid bezitten, om daardoor heA breken te voorkomen.

4o. De hoefsmeden moeten tot het vervaardigen van winterbeslag zijn voorzien van do navolgende gereedschappen, die tegen de daarbij vermelde prijzen, bij de Artillerie-Inrichtingen worden gemaakt, als:

a. Een boor No. 1, als voorlooper om rechte (cylindrische) fialen in het ijzer te boren........../'0.(52

lgt;. Een kegelvormige boor No. 2, als naloooper om de gaten kegelvormig te boren............/ 0.87

c. Een kegelvormige boor No. tot het —zoonoodig — boren van het gat No. 3 van de mal, dat moet dienen om de afgewerkte kalkoenen te controleeren......./ 0.87

d. Een kegelvormige boor No. 4, tot het maken van het gat in het nagelijzer............./ 0.87

e. Een nagelijzer, tot het vervaardigen der ruwe (voorbewerkte) stompe kalkoenen............./' 1.66

/'. Een tang met uitgeholde bekken, waarin de hals van den ruwen stompen kalkoen past, om dezen tot voorbewerkten scherpen kalkoen te vormen........./' 1.40

') Sedorl voorgenoemde wijzigingen (verhooging) aan do uiteinden der ijznrtakken zijn gemaakt, worden geen stompe insteekkalkoenen meer gebruikt en hebben de »i3epalingenquot; alleen betrekking op de scherpe insteekkalkoenen.

ocr page 61

49

9- mal. voorzien van vier gaten, als controleur, dienende om zich tü 'overtnigen, dat de boren op de maat zijn gebleven, en de halzen der kalkoenen de juiste afmeiingen hebben /'I.J25 li. lM)n scliroulijzer, voorzien van ^ bekken van ongelijke hoogte, waarvan de laagste schei']) is. om het staal lot eone leiigte

van ',i centimeter al' te kappen........f 1.58.

i. l(]en mes of boorkussen '), tol het glad en op maal afdraaien

van den hals der kalkoenen........./'3,4j.

k. Een stalen zadel, dienende om ondei de boormachine te worden geplaatst, lot hel afdraaien van de halzen der kalkoenen In voorgenoemd nies, van onderen voorzien van enne insnijding tot liet opnemen van het scherpe gedeelte van

den kalkoen.............../1,18.

/. Dezelfde zadel, maar van onderen gewijzigd, lot het vasthouden der stompe kalkoenen bij het afdraaien . . /'JJS. m. Een gespleten beitel, tol het verwijderen der kalkoenen uil

de hoeiijzers............../'0,70.

Al deze gereedschappen worden door de hoefsmeden bekostigd. Zij moeien niet alleen hij eerste aanschal'ling, maar ook in het vervolg hij vei nieuw ing worden geleverd door de Artillerie-Inrich-richlingen, na aldaar van een duidelijk waarmerk te zijn voorzien.

Bedoelde goreedschappen worden door de zorg der hoofd-ad-minislratie van de betrokken korpsen, bij den Direclenr van genoemde inrichtingen aangevraagd en verrekend.

Voorts is tot het vervaardigen van hel winlerbeslag noodig eene boormachine, welke dooi' de hoefsmeden zelf behoort te worden aangekocht, waartoe lum desgewenscht door de administratiën der betrokken korpsen een voorschol kan worden verleend, hetwelk echter binnen de drie tnaanden na de vei strekking moet lei ugbelaald worden.

4

H0ËFBKS1.AG.

ocr page 62

50

Fig. 29.

Deze lido op zijde gezien, met verloop der gaten.

5. liet, vervaardigen der insteekkalkoenen heeft op de volgende wijze plaats:

Men neemt een staaf staal van de voorgeschreven dikte en maakt de/,« aan liet uiteinde rood gloeiend, plaatst haar dan op hot schrootijzer met hel uiteinde tegen den hoogen bek en slaat het staal, terwijl men de staaf ronddraait, op den scherpen bek met den hamer bijna door.

Vervolgens plaatst men dit gedeelte in het gat van liet nagel-ijzer en breekt het losgemaakte einde af, dat nu door eenige hamerslagen tot een kalkoen met ronden kop wordt gevormd. Deze kalkoen wordt daarna op nieuw glooiend gemaakt, de kop op het aanbeeld vierkant geslagen en zoodoende de ruwe of voorbewerkte stompe kalkoen verkregen

Om den voortbewerkten scherpen kalkoen te vormen, wordt de kalkoen met ronden kop rood gloeiend gemaakt, de hals met de holle tang aangevat en de kop op den achterkant van het aanbeeld, tot eene lengte van IT» millimeter beitelvormig nitge-hamerd.

De voorbewerkte kalkoen, zoowel de stompe als de scherpe, wordt vervolgens afgewerkt, door hem onder de boormachine te plaatsen in den voor hem bestemden zadel, met den hals in het mes. Door de boormachine eenige malen rond te draaien, wordt de hals van den kalkoen glad en op maat afgedraaid.

ü. Dij de aanwending van het winterbeslag valt op te merken : a. De gaten voor do insteekkalkoenen worden geboord in het uiteinde der takken van het hoetijzer, dat daar minstens de dikte van het nagelijzer moet hebben. ')

lt;) Om de stompe Insteekkalkoenen te kunnen missen, is aan tiet winterijzer de genoemde verhooging van de uiteinden der ijzertakken aangebracht. Deze verhooging bedraagt 3 m.m., zoodat die uiteinden thans 17 m.m. dikte hebben. Zij wordt gemaakt in oen zadel (matrice). die in het gat op het aanbeeld wordt geplaatst. Door deze verhooging komt het gat voor den kalkoen meer naar voren in den ijzei tak, en blijft zoodoende, mits gevuld met vlas, besmeerd met was, zuiver en steeds ge-schikt tot opname van den scherpen kalkoen. Door deze methode wordt evenwel do kalkoen te veel naar voren, onder den hoel' gebracht, hetgeen voor den stand en den gang niet zonder nadeelen is.

ocr page 63

51

Vóór de trekpaanlen bovendien een gat in liet toonge-deelte der ijzers.

Voor dal de paarden op de besiagplaats komen, moeten de ijzers reeds aangemaakt en van cylindervormige gaten voorzien zijn. Na het passen der lioefijzers worden de gaten met boor No. quot;2 kegelvormig gemaakt.

In den voorraad hoefijzers, bedoeld in punl 7, behooren reeds de kegelvormige gaten aanwezig te zijn. Ingeval deze ijzers voor liet onderleggen nog worden gepast, dienen de ^aten hierna nog eens met de boor No 2 te worden nageboord, aangezien bij het warm maken en opvolgend al koelen van hel ijzer het irat krimpt en onzuiver wordt.

h. Alvorens de ijzers onder te slaan, moeten de gaten en kalkoenen volkomen van de aangehechte olie, die bij de bewerking gebruikt is, ontdaan zijn, om hot uitvallen der kalkoenen te voorkomen.

c. Ten einde do kalkoenen duurzamer te maken, worden zij gehard aan de punt, die daartoe na gloeiend (bloedrood) te zijn gemaakt, in zeepwater wordt afgekoeld. ')

d. liet is van het grootste belang, dat de geheele bewerking met nauwgezetheid geschiede, en de gereedschappen daarbij steeds zuiver worden gehouden.

e. Het inzetten van den kalkoen geschiedt, door hem meteen slag van den hamer, op de punt aangebracht, in het gat te te drijven. Hij het inslaan van den tweeden kalkoen wordt de eerste met de hand vastgehouden, om de trilling te beperken.

Om den kalkoen uit het ijzer te verwijderen, wordt de beitel met hot gespleten gedeelte tegen den hals van den kalkoen geplaatst en geelt men daarna eenige lichte hamerslagen op het achtereinde van den beitel

/'. Kalkoenen, die oorspronkelijk scherp zijn geweest, moeten als stompe worden gebruikt tot zij versleten zijn, en worden dus niet dooi1 stompe vervangen.

7. Het reserve-winter beslag moet, voor I November van elk jaar, vooi'alle bij de veldoskadrons, het eskadron ordonnansen, de batterijen en de trein-compagnieën aanwezige paarden in voorraad zijn, 2)

1

Volgens bepaling van den Insp. der Gav. van 14 Sept. ISDI geschiedt hot harden dor scherpe instoekkalkoonen geheel overeenkomstig de wijze aangegeven in do circulaire van 16 Apiil 18igt;l (met heendennool roods beschreven bij het systeem Neuss.)

2) Bij aanmaak van nieuw wintorbeslag moet voortaan het voorgenoemde gewijzigde model worden gevolgd. (Bepaling van den Insp. der Cav. van 14 Sept. quot;iSSJl).

ocr page 64

52

Voor elk rijpaard worden aangemaakt:

4 hoefijzers,

)G scherpe kalkoenen, waarvan 8 als reserve, en evenzoo

8 stompe kalkoenen.

Voor elk trekpaard worden aangemaakt:

4 hoelljzers,

24 scherpe kalkoenen, waarvan 12 als reserve en

12 stompe kalkoenen.

Die voorraad wordt als veld-uitrusting beschouwd en als zoodanig bij voormelde eskadrons, batterijen en compagnieën opgelegd, en bij het korps verantwoord op de 4de zijde van den drie-maandelijkschen staat van het ledergoed en paardentuig.

8. Het in voorraad aanmaken van de hoefijzers en insteek-kalkoenen geschiedt voor rekening van de hoefsmeden, met dien verstande, dat hun de eerste maal van Rijkswege wordt vergoed:

voor een boei ijzer..............f 0,2o.

voor het boren van een gat..........»0,02.

voor het maken van een scherpen ol stompen kalkoen . » 0,05.

Het vervangen van verloren kalkoenen of het aanscherpen dezer, komt voor rekening van den hoefsmid; zijnde hiermede rekening gehouden bij het vaststellen van het tarief.

Zoowel de hoefijzers als de daarin geboorde gaten, alsmede de stompe en scherpe kalkoenen, worden door de eskadrons-, batterij- en compagnies-commandanten beoordeeld, en nagegaan of do kalkoenen behoorlijk zijn gehard, in alle ijzers volkomen passen, de gaten juist op maat zijn, en zoowel deze als de kalkoenen van olie zijn ontdaan.

Na goedkeuring wordt het bedrag aan de hoefsmeden uitbetaald.

9quot;. Wanneer de paarden in tijd van vrede in den winter op scherp beslag moeten worden gesteld, zullen de reserve-ijzers met toebebooren worden verbruikt en dadelijk door anderen worden vervangen, zonder dat voor nieuwe ijzers van Rijkswege eenige vergoeding wordt toegekend.

10°. Ieder wachtmeester bij de veldeskadrons, het eskadron ordonnansen, de batterijen en de trein-compagnieën wordt voorzien van een gespleten beitel.

Deze gespleten beitels worden op gelijken voet als de gereedschappen der hoefsmeden door de Artillerie-Inrichtingen verstrekt, doch door het Rijk betaald.

ocr page 65

53

11°. Voor paarden, die gedetacheerd worden, wordt het reserve-winterbeslag medegenomen.

Fig. 30.

Mesje of boorkussen, bovenvlakte.

Fig. 34.

n

Iop zijdi»

VERVOLG BEPALINGEN NOPENS HET WINTERBESLAG;

Ingevolge circulaire van den 18 Oct. 1895 wordt op last van den inspecteur der Cav. bij de Regimenten Huzaren, gedurende den winter 1895/90 een beslag beproefd, dat in de volgende punten afwijkt van bet model winterijzer:

1°. In plaats van de verdikking aan bet uiteinde der takken tot bescherming der gaten voor de insteekkalkoenen, is thans een gedeelte van de ijzerdikte aan de uiteinden der takken, ter plaatse waar zich de gaten voor de insteekkalkoenen bevinden, weggelaten.

2°. In het toongedeelte en in de uiteinden der takken zijn

ocr page 66

54

stukjes Duitsch staal geweld, terwijl zich ook in liet toongedeelte twee gaten voor insteekkalkoenen bevinden.

Om tol schel p beslag over te gaan worden in den buitentak twee sclierpe en in den binneutak twee siompc! kalkoenen geplaatst.

QUTTA PERCHA ZOLEN EN BUFFERS.

Vooral in de groote steden, alwaar de hoeven der paarden door de bestrating zijn bloolgesteld aan inscheuring van het hoorn, wordt dikwijls gebruik gemaakt van gntta percha zolen, in ver-scliillende vormen, vaak ook van zoogenaamde bulïers. De eerste zijn van Engelsche vinding, zij bedekken alleen de zool, ol wel te gelijk den straal.

Algemeen bekend zijn de sutta percha zolen van Downie en Harris; hoewel zij uitstekende diensten bewezen hebben, is een algemeen gebruik niet mogelijk wegens den hoogen prijs. Zij zijn in'quot; allo gewenscbte grootten en vormen te verkrijgen, en bij bet gebruik is daarop zeer te letten, omdat er anders te veel aan den hoef moet worden gewerkt. Zij worden met hun dunnen buitenrand tusschon het ijzer en den hoef'gelegd, en met het ijzer vast onder geslagen.

De hoel butter van Hartmann in Hannover wordt met vast aan den boet'geslagen, maar kan ten allen tijde, door behulp van eene daarbij behoorende tang, tusschen het ijzer en den hoef worden aangebracht. De ijzers dienen er vooral voor ingericht te zijn, de uiteinden der takken zijn zoo sterk mogelijk naar elkander toegebogen. De bulfers zitten aan den toon en de zijgedeelten. door middel vun metalen uitsteeksels vast. Zij kunnen alleen bij een goed uitgeholde zool gebruikt worden.

Deze, even als de gutta percha zolen, bewaren de ledematen voor stooten. Beide, maar vooral de laatste, komen ook in aanmerking als winterbeslag, daar zij het glijden op gladde wegen verminderen; bepaald gaan zij het ballen van sneeuw tegen.

Om dit laatste te beletten, wordt dikwijls gebruik gemaakt, van zeep, olie, vet, enz waarmede de zooivlakte van den hoel goed wordt gesmeerd, welke middelen evenwel slorbts voor oen zeer korten afstand helpen.

Een vrij good hulpmiddel, en dat geen kosten meebrengt, is het gebruik van stroobiitters of stroomatjes, welke uit gevlochten stroo bestaan, eu door middel van garen stevig verbon-

ocr page 67

55

den. tiaar de grootte en ilon vorm fier hoeven zijn gemaakt; vooral moet, op de dikte er van worden gelet, deze is al'lian-kelijk van de ruimte, welke (usscImmi zool en ijzer bestaat.

(Jok bij doze bullors worden dn ijzcrtakkeu sterk naar elkander toegebogen, en aan den binnenrand van het ijzer twee of meer platte lippen aangebracht, waarop zij knnnen i'usten.

Indien de |)aar(len in stap worden gereden, pakt de sneenw vast aan hel stroo, maar bij overgang in draf of galop, laat die dadelijk los; om evenwel te verhinderen, dat de matjes alsdan met de vast gepakte sneeuw verloren gaan, is het noodig dat zij zoo vast mogelijk zitten.

Pot hetzelfde doel komt in den handel een hoefbulfer uit eene taaie, vezelachtige stol gevlochten, welke op dezelfde wijze tns-schen den hoef en het ijzer wordt bevestigd als het stroomatje, maar beter dan dit weerstand zon bieden aan uitwendige invloeden.

Voorts touw hi i llers, welke insgelijks het uitglijden moeten tegengaan, en kinkbnlïers, die men verkrijgt door ongeveer k2 centimeter dik kurk te besnijden naar den vorm van de zool. en de ruimte, welke men tussclien deze en het ijzer heeft; vóór het aanhrengen aan den hoef worden zij in warm water week gemaakt.

Behalve bovengenoemde gntta percha zolen, wordt ook soms gebrnik gemaakt van zolen van dik leder en van vilt, Vooral bij gevoelige hoeven kunnen zij noodig zijn. De beste worden gemaakt van leder van ,gt; millimeter dik. Het vilt verhindert niet altijd de drukking van het ijzer, het verslijt ook spoediger, zuigt water op, en maakt de ijzers los.

(Inttapercha hoefzolon, hoefbulfers, lederen zolen met kmist-straal en alle soorten van hoefranden zijn verkrijgbaar aan de Ned. Caoutchouc en Gntta percha Fabriek ))St. Jorisquot; te Ridderkerk bij llotterdam.

Zeer goed en goedkoop zijn deze artikelen in caoutchouc van d1' firma Polliot en Delen te Parijs, door haar in den handel gebracht onder den namen van ))fers francais en caoutchoucquot;, «talons Beucler en caoutchoucquot;, en «croissants francais en caoutchouc.quot;

HET KUNSTIIOORN.

Het kmisthoorn van Delays bestaat uit eene verbinding van guttapercha on ammoniakgmn; het dient om het hoorn van den hoef tijdelijk Ie vervangen, ten einde op deze wijze diensten te kunnen hebben van het paard, in afwachting van herstel.

ocr page 68

56

De genoemde twee stoffen worden in gelijke gewiclitshoeveel-heden te samen gevoegd, ol ook wel zoodiinig, dat op twee deo-len gntta perrha, één deel ammoniakgom komt, en dit naarmate men^ eene hardere of xachtere verbinding wil hebben, daar ook het natmuiijke hoefhoorn verschillend van hardheid is, ze lts de verschillende deelen van denzelfden hoef. Wij weten, dut het straalhoorn steeds taaier, zachter is dan het hoorn van de zool en van den wand. De eerstgenoemde verbinding vormt de hardere massa, de andere het weekcre kunsthoorn

De bereiding geschiedt op de volgende wijze: de gntta petcha, welke in platen of brokken in den handel komt, wordt in stokken gesneden, hetgeen het best kan geschieden, wanneer zij in warnT water is week gemaakt; vervolgens wordt zij in een pan met de ammoniakgom vermengd, over een zacht vunr gesmolten, terwijl men de massa goed omroert, tot zij eene gelijkmatige chocolade-achtige kleur heeft gekregen. Deze massa, het kunst-hoorn, kan als zoodanig dadelijk aan den hoef worden aangebracht of wel zij wordt in een emmer met kond water gegoten, en daarin met de hand tot pijpen gevormd, om voor later gebruik te dienen.

De aanwomling geschiodt bij gobroU cian hoorn van don wand, vooral als deze bij hollen wand is weggenomen; bij brokkelhoe-ven, bij plat- en volhoeven ; bij gebrekkige kleine verdroogde stralen, om deze te verhoogen ten einde bij gebruik van een gesloten ijzer, de noodige drukking aan te brengen.

De massa wordt, versch gesmolten, op ;den boel opgegoten, of met een spatel aangebracht, vervolgens met eene, telkens in koud water gestoken hand. in den vorm gebracht dien men verlangt, en daarna eenigen tijd door water bekoeld, totdat zij

hard geworden is.

Het in staven of pijpen bewaarde kunsthoorn kan door een gloeiend gemaakten spatel, op de plaats van aanwending, ingesmolten worden, en door dit gereedschap of wel op de vroeget aangegeven wijze met de hand, gevormd worden.

[let ijzer kan vóór de aanwending van het kunsthoorn onder-gelegd worden; in andere gevallen geschiedt dit na dien tijd, en moeten alsdan de nagels voorzichtig door de gestolde massa worden gedreven, waarbij men te letten heelt op het vastslaan en omnieten der nagels, vooral als de niet in het kunsthoorn wordt aangebracht.

Vóór dat het kunstmatige hoorn op den hoef komt, moet men al het vuil op de plaats van aanwending zorgvuldig verwijderen

ocr page 69

57

on hei losse gespleten hoorn mot do renet wegnemen, alzoo zorg dragen dat men zuiver en goed verbonden hoorn heeft, en do geheele plaats met een Lip nf spons met aether gedrenkt goed inwrijven, omdat men hierdoor alle velarlitige stoffen vaiThet hoorn verwijdert; aether lost namelijk het vet op. Men moet ook vermijden, vette zalven of dergelijke hoolsmeersels te gebruiken, omdat door deze de verbinding van het natimriijke met het kunstmatige hoorn wordt los gemaakt.

Tot dezelfde doeleinden wordt door de lirma Hotten te Berlijn, het fluf-Ledarkill als eene lederachtige donkerbinino massa in den handel gebracht. Dit preparaat is elastiek, in heet water gelegd of boven vuur verhit, wordt het week en vormbaar, liet verhardt bij koud worden en behoudt alsdan den gegeven vorm. lgt;o\en het ökunsthoorn zou het de volgende voordeelen bezitten: sneller afkoelen, geen volumen verliezen, niet wranderen van qualiteit en geen ontvetting van het hoorn vorderen, liet wordt vooral aangeprezen als onderlaag voor de zool en den straal, waardoor deze doelen op meer natuurlijke wijze f'unctioneeren, glijden op asphalt wordt tegengegaan, zelfs als deze vochtig is insgelijks 's winters bij gladiieid.

DE BENOODIGDHEDKN DER SMEDERIJ,

In de hoefsmederij moeten aanwezig zijn: een smidshaard, een blaasbalg en een koel'

smidsvuur wordt verzorgd door een kolenschop, een rechten en een krommen haardstok en eene koelwisoh.

lot het \ er vaardigen der hoelijzers zijn noodig een aambeeld met ronden hoorn; om vast op het blok te staan moet het minstens 150 kilogrammen zwaar zijn, het heeft eene vlakke verstaalde bovenvlakte, de voor en achterkant moeten loodrecht afloopend zijn.

Op de bovenvlakte bevindt zich bet, schrootgat voor den schroot-beitel Verdei' smeê- en vuurtangen, zoogenaamde braadtangen van verschillende grootten, handhamer, voorslaghamer, handdoorslag, ritsbeilel en ritsstamp, eene werkbank met. bankschroef.

De eigenlijke beslaggereedschappen zijn: de hoefhamer. de nijptang. de iasp de, renet, vim deze laatste reehlsHie en linksche modellen, de nietkapper en een beslagbak, tot berging der gereedschappen en nagels. In veie smederijen wordt met de gewerkt, en de bok gebruikt.

ocr page 70

58

Ret beslaan van he militaire paard geschiedt nit de hand; de noodstal (travalje) vindt men bij vele bm^erhoefsmeden

\an elke smederii dient enne beslagloods met goed lu.hl te

bestaan, waarin de 'paarden tegen weersinvloeden beschut /1)1, en waar de bodem steeds droog is en goed kan worden ondi houden. In den muur moeten de noodige rmgen zijn om db paarden te kunnen aanbinden.

het onderzoek van het paard.

Vóór dat do boefsmid tot bij/ondere werkzaamheden van den hoef uver-aat, zal hij het paard aan een grondig onderzoek onder-ernen namèliik aangaande de stelling der ledematen en den Sand ér boeven. Daarna zal hij het paard in beweging zien

om over den gang te kunnen oordeelen 'V'1^ ^ , e /ioigt; van de grootte der boeven m verband met dt, zwaai te Can het paard ; van de verhouding van den toon tot de verzenen de richting van den koot en .he van (len toonwand, veidei of de wand gaaf is. aan eenig gedeelte ingedrukt, naai binten no-

Knaen of van ringen is voorzien.

Fndien hij vóór het paard staat, let hi, op de ncl.tii.g der Cde-maten, namelijk en of deze en vooral de hoeven evenwijdig staan.

het paard Franschen stand heell ul loontrede' 's-

In beweging ziet hij of het paard rad ol wel kieupel is lt; e wijze van bewegen der ledematen, het opnemen en nederzetten

VaHifn'e0rtevegt; JeJ- ,1« beener. op, e„ let wijduylm-lioe.en,

den toestatvi vat, zool, straal en tallen, on °''llel™f J quot;'T'quot;' lin-.vende ijzer, of .lit verschoven ts, over den wand ligt, o m-aekeerd: ol' het aanleiding heeft gegeven tot strijken, of ongelijk-

™De8 iLlSirTvelte reefis Inn^r bij bet eseaHren of de bat-torii werkzaam is, dient alle paarden, welke hij m beslag heeft,

behoorliik te kennen; de jonge sinid moet hen leeren kennen

Intiissclien k,innen sedert het laatste beslag m den l|oe(vorm ■ de bewening der leden,at. n verai.dermgen zun ontstaan o andere afwijkingen zijn ingetreden: daarom is het nnodig, gt; lt; olk paard aan genoemd onderzoek steeds wordt onderwoi pe i.

ocr page 71

59

DE WIJZE VAN BEHANDELING VAN HET PAARD.

De paarden worden aan de watertrens in de beslagloods gi1-braclit. Zij mogen nimmer verhit ol' bezweet zijn. en steeds voorzien van een deken.

Bijna alle paarden zijn goedaardig, zij onderwerpen zich gewillig aan alle bewerkingen; zij kunnen steeds aan de ringen in de beslagloods worden aangebonden, door middel van den halster.

Om bovengenoemde goede eigenschap der paarden te behouden, zal de omgang steeds zacht moeten zijn. Men mag geen enkel paard blootstellen aan eenige ruwe behandeling, en er dus ook voor waken, dat zij door onnoodig leven en het spatten van vonken worden onrustig gemaakt.

Bij het opnemen der ledematen zal de helper zorg dragen, dat hij niet plotseling naar den hoef grijpt; liet paard moet eerst weten, wat er zal gebeuren, het moet den tijd hebben, den steun op de drie overige beenen te kunnen overbrengen.

Bij het opnemen van een voorbeen, wordt het paard zacht aangesproken, aan hoofd en hals geklopt, en eene hand vlak tegen den schouder gelegd, terwijl men met de andere hand strijkende naar beneden gaat, tot aan de pijp of den koot, op weik oogenblik men een druk tegen den schouder uitoefent, zoodat de steun op het tegenovergestelde heen komt, waarbij het op te nemen been los en geboden wordt, dan de koot gevat en omboog gebracht. De helper noemt zoodanige stelling aan, dat het been van het paard steun vind tegen zijn linker- of rechterdij, naarmate men het linker- of rechterbeen heeft opgenomen.

Dij het opnemen van de achterbeenen strijkt de helper over den rug, de lenden en het kruis van het paard, plaatst eene hand vlak tegen de heup of dij, strijkt met de andere hand langs liet been naar beneden, omvat de pijp, of ook den koot, oefent met de hand aan de dij eene drukking uit. waardoor de steun op het andere achterbeen overgaat, en het op te houden been losser wordt; de helper brengt dit naai voren, laat de hand van de dij los, gaat over de inwendige vlakte van het spronggewricbt, omvat de koot met beide handen, en plaats het been op de dij, rechts ol links, naarmate van het achterbeen dat opgeheven is.

Hij het opheffen dient ei zoig te worden gedragen, dat geen onnoodige drukking of pijn wordt veroorzaakt, en vooral ook de beenen niet te hoog worden opgeheven, zooals door lange helpers allicht wordt gedaan, wijl dit don paarden zeer onaangenaam is.

ocr page 72

60

Er ziin evenwel ook paarden, welke aan cle smederij moelelijker in den omgang ziin. Do reden hiervan kan zeer verschillend wezen: ruwe behandeling in de jeugd of bij het beslaan vioegei, maakt de paarden vreesachtig, soms kwaadaardig, andere zijn zeer gevoelig in de behandeling, en kunnen de aanraking van den

helper niet verdragen.

Zulke paarden mogen nimmer aangebonden worden; er moet dan een man aan het hoofd staan, welke bet paard door zachter of harder toespraak bezig houdt, terwijl de beenen worden op-

g Vreesachtige paarden moet men zeer zacht behandelen, met op.voelU'e of kittelige dient men zeer voorzichtig te zijn, wijl zij licht slaan, men mag evenwel niet streelend te werk gaan, daar zij hierdoor nog kitteliger worden. Het is beter om de beene met de noodige voorzorg driest aan te vatten, of wel hen met een doek of band om den koot, op te nemen zonder het lichaam aan

t0Booze paarden moeten streng worden behandeld; steeds moet men hen opmerkzaam gade slaan, om bij de eerste uitmg van kwaadheid of verzet te straffen, door te dreigen, hard aan te spreken, of aan de trens te trekken. Verder kunnen te pas komen het gebruik van den kaptoom, en m handen van een verstandig smid of onder toezicht, de praam.

In vele gevallen voldoet eene dreigende houding, en daatbij hoog houden van het hoofd van het paard, of wel het doen terugtreden. Bij het opnemen der achterbeenen is het soms noodie, om een touw aan den staart te binden en door deze «/wel door middel van een kluister, om den koot te brengen, het been op te trekken; dit laatste is intusschen zelden noodzake ijk,

Bij oude en stijve paarden mogen de beenen slechts laag worden' opgeheven. 'Kreupele paarden mag men mot lang op hel piinliike been laten staan; ook moet de eene hoef geheel alge-werkt ziin, voor het ijzer van den anderen wordt afgenomen.

Jongequot; paarden, welke nimmer zijn beslagen geweest, vereischen rredulcf, om hen aan het opgeven der beenen te gewennen. Deze heiiandclin'1' oaat minder den smid dan wel den eigenaar aan.

otkw^ Is opbellen der ledemalen, in het begin alleen de voorste later ook de achterste, en hot zacht kloppen met een stuk hout teen den hoef zijn de boste middelen; deze paarden /uilen zich -rpAvoonlijk verzetten, en in de hoogte gaan of het been zoeken fos te rukken: daarom mogen de boenen met lang achtereen opoeheven blijven; goede woorden, kloppen en strijken over het

ocr page 73

61

lijf, eene belooning door eenig voedei', zijn goede hulpmiddelen.

Het is ook zeer goed, dat. venlons dikwijls en met andere gewillige paarden aan de smederij worden gebracht, waar zij door eene vriendelijke behandeling, aan de werkzaamlieden aldaar gewend raken.

HET WERKEN AAN DEN HOEF ZONDER HELPER.

In Engeland was het steeds de gewoonte, dat de hoefsmid het werk aan den hoef zonder helper verricht; deze manier van werken heeft later ook elders ingang gevonden, zoodat tegenwoordig algemeen in de hoefsmidscholen deze handelwijze wordt gevolgd.

Ook aan onze inrichting wordt zij toegepast, on het is gebleken, dat zij door de leerlingen spoedig vvordl aangeleerd, en voor de paarden te verkiezen is, wijl de beenen niet hoog kunnen worden opgenomen, en eene te sterke buiging in de gewrichten wordt tegengegaan.

De hoefsmid gaat op de volgende wijze te werk: Naarmate hij het rechter of linker voorbeen bewerkt, vat hij met de vroeger beschreven voorzorgen, met zijn linker of rechter hand den voet, buigt liet been en brengt het m de hoogte, stapt, met zijn rug naar het hoofd van het paard staande, met zijn eene (binnen) been over het been van het paard heen, en houdt dit boven zijn knieën met de dijen vast, zijne voeten stelt hij van elkander om een vasten stand te hebben.

De smid neemt in deze positie het ijzer af, bewerkt den hoef en slaat het ijzer onder, Is dit geschied, dan maakt hij eene wending, waarbij hij met het gezicht naar het hoofd van het paard is gekeerd, het been wordt voorwaarts gebracht, do hoef op de dij geplaatst, waarna de nieten worden afgeknepen, in orde gemaakt en verder de bewerking ten einde gebracht.

De achterbeenen worden niet tusschen de beenen gebracht; dit gaat niet, wijl er voor het omhalen der nagels geen ruimte aanwezig zou zijn, en daardoor gevaar voor verwonding van den smid bestaat.

liet achterbeen wordt op do dij geplaatst en wel op de rechter of linker dij, naarmate het rechter of linkerachterbeen is opgenomen, De smid staat daarbij insgelijks met den rug naar het paard gekeerd, li ij het dichtnuiKen plaatst de smid zich met het gezicht gekeerd naar het hoofd van het paard, brengt het been

ocr page 74

62

van het paard naar voren onder het lichaam, zet den lioet op zijn dij, maakt den buiten zijwand van den hoef diciit. De smid maakt daarna eene wending, zoodat hij aan de binnenvlakte van het paardebeen onder het lichaam staat, plaatst den boei op den anderen dij, maakt don binnenwand van den hoef dicht en eindigt in deze houding de bewerking.

HET AFNEMEN DER OUDE IJZERS.

De ijzers mogen niet van alle hoeven tegelijk worden afgenomen; hoogstens mag zulks bij twee hoeven overkruis geschieden; bij slechte of gebrekkige hoeven evenwel eerst nadat de andere geheel is afgewerkt.

Deze bewolking moet steeds met de noodige voorzichtigheid plaats hebben; door ruwe behandeling kunnen de hoeven afbrokkelen en inscheuren, en worden kreupelheden veroorzaakt.

De nieten worden door den nietkapper en den hamer afge slagen, waarna het ijzer wordt losgemaakt door middel dei' nijptang. Aan de takken namelijk omklemt deze het ijzer vast; dit laatsie wordt aldaar gelicht, en dit langs het geheele verloop van het ijzer herhaald, liefst ter plaatse, alwaar de nagels vastzitten.

Een zorgvuldig smid kan dit langs het geheele verloop van het ijzer doen, om dan, wanneer door lust lichten alle nagels los zitten, met de tang het ijzer aan te vatten, en zonder eenig geweld af te nemen.

Bij gebrekkige hoeven mag deze handelwijze evenwel nimmer in toepassing komen. Het is daarom beter om door de nijptang het ijzer aan de verzengedeelten te lichten en los te maken, waardoor de nagels uit den hoef komen, het ijzer zacht tegen den draagrand terug te slaan, en dan de nagels uit te trekken, en ditzelfde rondom den hoef met alle nagels te doen.

Men lette er bij deze bewerking vooral op, dat alle nagels onafgebroken te voorschijn komen en reinige den hoef van het vuil dat er aan mocht hechten.

ocr page 75

63

HET BEWERKEN VAN DEN HOEF.

il^t zoogonaamde bosnijdeii van den hoef, lieeft ten doel het hoorn te verwijderen, dat door de afwe/iglieid van het ijzer niet werd afgewreven, en daarom te hoog is geworden

Dit overtollige hoorn moet worden vveggenoinen, wijl de bodem-vlakte van den hoef daardoor is veranderd geworden, Dat dit laatste werkelijk het geval is, bewijst genoegzaam de lang geworden toonwaml, die ongehinderd is voortgegroeid, terwijl de vei'/.engedeelten door de wrijving op het ijzer aan eene meer natuurlijke afsnijding hebben blootgestaan.

Men kan dan ook reeds van te voren besluiten, dat de toon en de zijgedeelten dienen te worden ingekort, maar dal dit met de verzenen niet altijd het geval is zelfs in vele gevallen aldaar geen hoorn te veel aanwezig is.

Het bewerken moet zich richten naar den vorm van de hoeven, naar den stand der beenen, naar de beweging der ledematen, naar den langeren of korteren tijd, dat het oude ijzer er onder heeft gezeten, vooral ook naar den toestand van het afgenomen ijzer. I)il laatste is de aanwij/.ing voor het nieuwe beslag; het geeft ook de veranderingen aan, die sedert het vorige beslagaan de hoeven zijn ontstaan, zeer sterke afslijting van het ijzer aan een gedeelte van don hoef levert het bewijs, dat de wand daar te hoog was.

Afwijkende standen van de beenen, onregelmatige boeven, hebben steeds ongelijkmatige verdeeling van den lichaamslast ten gevolge; ongelijkmatige afslijting der ijzers is daarvan het gevolg.

De smid dient bij de bewerking der iioeven deze onregelma-tifibeden te verwijderen, en ei naar te streven, dat de natuurlijke stand van het paard behouden blijl'l, en dat bij de beweging, de geheele draagrand oi' wel de ondervlakte van het ijzer, gelijktijdig den bodem raakt.

Zoodra de smid is bekend geworden met de hoeveelheid en de plaats waar het hoorn moet verkort worden, gaat hij tot de be

ocr page 76

64

Deze geschiedt met de renet. Deze wordt met de luind om-vüt, en om den Imiden wtind Ixiliooi lijk le biisnijden, wordt de bewerking onderstennd door do andere iiand. en wel door de liolte Uisschen duim en wijsvinger tegen den rug van de renet te plaatsen. Um verwondingen van de belmipzame hand tegen te gaan, worden de vingers daarvan om den hoornwanc! gelegd.

De smid neemt den hoef op de vroeger beschreven wijze op, snijdt al de losse, brokkelige en gespleten gedeelten vati den wand ai', verwijdert met de nijptang of den niet-kapper zoonoodig oude

Fig. 83.

A. Dwarse,he dooisiicdo van den lioof met natuurlijke verbinding tussc.lien wand

li. Dezelfde doorsnede, waar de verbinding van zool en wand verzwakt un de ge-lieele zool sterk besneden is.

nagelstitlen. en zuivert de hoornzool, dooi wat los ol htokkelig is,quot;er uit te verwijderen zonder haar schoon te vegen en te verzwakken.

Daarbij neemt hij in acht. dat een gedeelte aan den uitwen-dioen rand dor zool niet te veel besneden word. Hij zeei dioge boeven neemt hij de rasp. om liet harde hoorn om den draag-rand te breken, en snijdt daatna met de renet aan den loon en d(\ zij^edeelten, den boornwand omlaag, lot aan de verbinding met de zool Daarna wordt de draagrand goed vlak geraspt, en wel zoodanig, dat behalve de eigenlijke draagrand (waarbij de witte lijn) ook een gedeelte van den omtrek dei zool in die vlakte begn pen is, daar ook deze de zwaarte des lichaams mede

te dragen heelt.

Van de zijgedeelten naar den toon toe, wordt de draagvlakte opwaarts gebogen, voor den opzet van het onder te leggen ijzci. De steunsels worden zooveel mogelijk gespaard, en bij haar begin op dezelfde hoogte als de wand gehouden; de verbinding aan do sleunselhoeken mag niet doorgesneden oi verzwakt woiden.

Wat den hoornstiaal betrelt dient te, worden opgrmerkf, dat het wenschelijk is, dat de ondei vlakte van dezen gelijk ligt met de ondervlakte van het ondergelegd ijzer; om dit te bevveik-

ocr page 77

65

stelligen moet evenwel van den wand niet meer dan liet strikt noodige worden afgenomen, terwijl de straal zeil' niet verzwakt ol besneden mag worden. Alleen dan, wanneer hij vuil is, losse doode stokken hoorn vet toont, worden deze verwijderd.

Na ileze bewerking laat de smid het been los; hij plaatst zich zoowel vóór als zijdelings van het been, om te zien ot'de buitenen binnenwand even hoog zijn, of een goede verhouding in hoogte van toon en verzenen bestaat, en of de richting van den wand in den toon, met die van den koot overeenkomt, lieefi hij te doen met alwijkende standen en sclieeve hoeven, dan kunnen buiten- en binnenwand niet gelijk van hoogte zijn; bij toontre-ders zal de binnenwand cteeds hooger dan de buitenwand moeten i bij I' ranschen stand de buitenwand hooger dan de binnenwand.

Hij zal bij net bewerken van den hoef dit steeds in het oog houden, daar deze paarden ook de geheele draagvlakte van den hoef gelijktijdig op den bodem moeten zetten.

De richting of wel de stand van den koot kan aflicinkelijk zijn van de xerhouding in hoogte vati toon en verzenen; hij onjuiste bodem vlakte staat de koot te steil of te schuin. Is de toon te lang geworden, dan is het eerste gewoonlijk het geval, zoodat • loor behoorlijk inkorten van dezeti, de goede richting wordt verkregen.

DE KEUZE DER IJZERS.

De maat van de hoeven wordt gewoonlijk door middel vaneen stukje hout genomen, waarop de lengte en breedte worden ge-teekend. Om evenwel den juisten voim der hoeven te hebben, zijn verschillende boel meters, podometers, uitgedacht, gewoonlijk uin plaatijzer vervaardigd, welke iegm den hoef gelegd, den juisten omvang en de grootte, door krijt geteekend, aangeven. Zij worden evenwel zelden gebruikt.

Voor bekende paaiden, en dit is bij den militairen hoefsmid het geval, is het aan te bevelen, dat de hoelijzers genummerd in de smederij aanwezig zijn, in elk geval worden de ijzers vooraf en op maat gemaakt, zoodat alleen het ijzer op den hoef moet

HOEFBESLAG. 5

ocr page 78

66

worden gepast, om het tot het onderleggen geschikt te maken.

Over het algemeen moet bij het kiezen van de ijzers worden u'elet op den vorm der hoeven, op de grootte en zwaarte der paarden, op den aard luniner werkzaamheden, op den bodem waarop zij dienst doen.

Dit heeft vooral betrekking op de zwaarte der ijzers.

liet is beter lichte dan zware ijzers te nemen, omdat liet gewicht der laatste bij de beweging mede iTioet worden opgenomen, waardoor de gang meer sleepend wordt, en vermoeienis der spieren eerder intreedt.

De ijzers moeten zoodanige zwaarte of drkte hebben, dat zij den beslagtijd uithouden; dit is bij de korpsen 5 a 6 weken; waar geen tijd daarvoor is bepaald, moeten zij eene sterkte hebben, dat zij minstens een viertal weken uithoiiden. daar het niet o-oed voor de hoeven is, deze wegens de verbrokkeling door de nagels nog meer te beslaan. Met opzicht tot de lengte der ijzers, dient de smid er voor te zorgen, dat het ijzer eenigo millimeter langer is dan de hoef, welke wegens den groei aan den toon en de afwrijving aan de verzenen, na eenigen tijd een grootere vlakte vertoont dan het ijzer, waardoor dit alzoo te kort zou worden en dan den geheelen draagrand niet moer zon kunnen dekken.

De lengte kan naar de verschillende standen verschillend zijn. i)e vorm van het ijzer moet zich richten naar het beloop van den draagrand van den hoornwand, met dien verstande, dat wanneer de vorm van den hoef niet juist beantwoordt aan den normalen, men het ijzer toch zooveel mogelijk den goeden vorm geeft, omdat de ondervinding leert, dat de boef met den tijd daardoor een beteren vorm aanneemt.

HKT BICIITBN EN PASSEN.

Hieronder verstaat met alle werkzaamheden om het hoefijzer tot het onderleggen geschikt te maken. Met passen geschiedt zwart heet, om daardoor alle ongelijkheden, die bij de bewerking van den draagrand van den hoef niet zijn weg te nemen, duidelijk waar te nemen. Het warme passen is om genoemde reden bepaald noodzakelijk, en is voor den hoef onschadelijk. Is evenwel

ocr page 79

67

het ijzer te heet, en wordt dit lang tegen den hoef gehouden, dan verbrandt liet hoorn van den wand en de zool, terwijl de zachte deelen in ontsteking kunnenjgeraken, tengevolge waarvan hevige kreupelheid ontstaat.

Dit zoogenaamde «warm beslagquot;, is dikwijls als gevaarlijk al'iiekeurd geworden en vervalleen door het «koud beslagquot;, dat is het passen van het ij/er in kouden toestand.

Het is intusschen bijna niet mogelijk, dat de draag rand op deze wijze zuiver vlak wordt bewerkt; het is daarom zeer

■ ..... - (anker voorhoef aan de ondervlakte gezien,

tljuroovend, of wel er bestaat mot het ijzer doorschijnend ge teekend, om de

geen innhie aanraking tus- V'llt;llc, en , ll!nflt(- te bezien en welke deelen

schen het li/er pn dpn .Ir-mo JB'lekt wrnxlen. — Aan den toon

scnen net tjzei en aendiaag- en de zijwanden is hot ijzer van buiten niet

rand. zichtbaar gelijk liggende met den draagrand.

Bij liet passen van het ijzer ^al1 ''u drachten a. ligt het een weinig buiten-

onderzoekt de smid de verhou- heT veiJ'neiml.fuiSokï1 dat ietS 0Ver ding van hetzelve tot de zool,

de wijdte en de lengte

be draagviakte moet naar de dikte van den wand worden gemaakt en volkomen vlak zijn, behalve aan den toon, alwaar opzet wordt gegeven. Hieronder verstaat men eene opbuiging van het ijzer aan den toon, beginnende aan de zijgedeelten, en wel aan het eerste of tweede zijnagelgat. Deze opzet zal gewoonlijk niet meer bedragen dan de dikte van het ijzer; tie zuivere maat er van wordt door het oude ijzer aangegeven; dit naast het nieuwe ijzer op het aambeeld geplaatst, bepaalt de juiste hoeveelheid.

De opzet aan het voorijzer is noodig, omdat hierdoor de beweging aangenamer wordt; de lichaamslast wordt gemakkelijker over den toon heengeschoven. liet is de natuurlijke afwrijving aan den onbeslagen hoef

Aan de achterhoeven en ijzers wordt dikwijls geen opzet gegeven, en dit is daar ook zoozeer niet noodig; het is evenwel ook daar ter plaatse aan te bevelen, vooral gedurende den zomer,

ocr page 80

68

daar wegens het slaan en stampen met de beenen, de ijzers alsdan spoediger losgaan, ol' naar achler opsclmiven.

liet ijzer moet naar de ligging van de zool gericht worden, wijl de uitwendige omvang van deze in dezelfde vlakte van den draayrand dient te liggen, en mede draagvlakte moet zijn. liet overige gedeelte der zool wordt tegen elke drukking van liet ijzer beveiligd.

Het ijzer moet aan den toon en de zijgedeelten volkomen gelijk liggen met den hooi nwand, en van hier lol aan de uiteinden wijdei worden gelegd, zoodat hel aan de verzenen één of meer millimeter huilen den wand komt; de uilzelling van den huel vordert dit.

■n aan de

schuringsk

I).!

bovenvlakte der verzengedeelten van het oude ijzer, toonen dit duidelijk aan.

De maat der wijdie regelt zich aldus naar de meerdere id mindere uilzelling; zij moet hij wijde hoeven meer bedragen dan hij nauwe. Paarden, die zich strijken, vcivischen bijzondere voorziening.

Zooals hoven merkt, moet het hmger zijn dan dus stoekt het a daarover uit. Ih

kool stelling

zal

iij ren-draag-maken

ekt niet langer zijn dan de

paarden mag liet ijzer vol rand. Paarden die zicli een eigen beslag noodig.

Bij het passen van bel warme ijzer vertoonen zich aan de draagvlakte de onelTenheden door de gebruinde plekken ; door herhaald passen en afraspen, ontstaat eene innige aanraking van het ijzer met den hoef, welke noodig is om de ligging van het ijzer vast en zeker te maken.

ol' in de ijzers klappen,

paarden, welke in b.v. bij het cavallerie-pnard, de de opgegeven maal van 2 a

mecui

is

versc.l

boeven hij weeke eene grootere, lt;le steile hoeven mindere lengte, en over het alge-snelle gangen worden gereden, minder bedragen; hiervoor

reeds is opge-ijzer een weinig de draagrand, an dr verzenen i hoeveelheid is zoo vereisehen de

millimeter voldoende

lengt(

ocr page 81

69

Do hoefsmid zal er verder op letten, o(' de mifrelgnton zuiver tegenover de witte lijn liegen, en de iiiteiiidnn der takken tot dicht aan den straal reiken, zonder dezen aan te raken.

Alle nehreken aan liet ijzer moeten bij het passen worden veranderd. Past liet, ij/er volkomen, dan wordt liet afgekoeld, de nagelgaten moeten zuiver doorgeslagen, en de scherpe randen op de bankschroef worden afgevijld, waardoor hel een goed aanzien verkrijgt, cn ook liet strijken wordt tegengegaan.

Hij afwijkende hoefvormen. zooals dit hel geval is bii de scheeve hoeven tengevolge van Franschen stand cn bij toont reders, alwaar buiten- en binnenwaiid eene ongelijke! richting hebben, moet er steeds voor worden gezorgd, dat de ijzers bij het passen zoodanig worden gewijzigd, dat zij overal zuiver op den draagrand komen te liggen.

Indien het beslaan der paarden geschiedt met b«*dinlp van een helper, dan neemt de smid liet warme ij/er met de smeetang, |ilaalst bet tegen den boef, waarbij de lip als stenn dient, neemt de nijptang en brengt de puntige uiteinden in een buiten- en een bin-nennagelgal. laat de smeetang los en volbrengt het onderzoek.

Rij de Engelsche wijze van beslaan, wordt de handdoorslag op het aambeeld in een der nagelgaten gestoken, en daarmede bet warme ijzer gepast.

HET ONDERSLAAN VAN HET IJZER.

liet ijzer wordt voor het onderslaan nogmaals koud gepast,om zich te overtuigen, of het in elk opzicht voldoet. De smid slaat vervolgens eerst den binnen- en dan den buiten toonnagel in. ol omgekeerd Daarbij ziet hij vooral toe, dat het ijzer niet verschuift, waartoe bet steeds neiging heeft en wel naar den tegenoverge-stelden kant. Dit wordt legen gegaan door don nagel juist in het midden van het nagelgat aan te zetten. Hij laat bet been los, waardoor de hoef op den bodem geplaatst wordt, en oveituigt zich dan van de goede ligging van het ijzer ; is dit laatste het geval, dan wordt de lip door eonige zachte hamerslagen vast tegen den toon aangoslagen.

Is het ijzer bij liet inslaan van den eersten nagel verschoven, dan kan dit door eonige zachte hamerslagen tegen den anderen tak. ol ook door de wijze van aanzetten van den anderen nagel worden verholpen ; bij sterke verschuiving moeien de reeds ingeslagen

ocr page 82

70

nagels uitgetrokken, en opnieuw worden ingeslagen. De overige nagels worden achtereenvolgens, één aan den binnen- én een aan den buitentak ingeslagen, naarmate het ijzer binnen cl buiten het ruimste ligt.

De smid let, bij het aanzetten der nagels, vooral op de richting van den zwik, en de wijze van plaatsen in de nagelgaten, juist tegenover de witte lijn, daar zulks van belang is om den nagel hooger of' lager aan den wand te doen uitkomen. Dit moet verschillend zijn naar de grootte der hoeven, naar de neiging van den wand, en ook naar den meer vasten of brokkeligen toestand er van.

Bij kleine hoeven en sterke wanden moeten de nagels lager aan den wand uitkomen, en is 15 millimeter hoog genoeg; bij groote hoeven moet dit meer bedragen, eveneens bij brokkelhoeven, waarbij overigens de gaten tegenover de heste wandgedeelten moeten zijn aangebracht.

Dat de hoornvvand zooveel mogelijk gespaard, en vermeden wordt, dat de hoeflederhuid niet aan drukking of verwonding wordt blootgesteld, is duidelijk. De nagel wordt zoolang tusschen de vingers vast gehouden tot men overtuigd is, dat hij de gewenschte richting heeft aangenomen.

Het inslaan geschiedt voorzichtig; of de nagel de goede richting heeft, en aan de behoorlijke plaats op den wand te voorschijn komt, beoordeelt de smid naar het gevoel en den klank.

Elke nagel moet in het begin met zwakke, daarna met vaste hamerslagen worden ingedreven. Nagels, welke stuiken of op zekere hoogte noch zacht gaan, moeten dadelijk worden verwijderd, liet op den wand uitkomende gedeelte van den nagel wordt met den hamer dadelijk omgebogen, om verwondingen tegen Ie gaan.

De hoef wordt bij het aanhalen der nagels met de linkerhand ondersteund, waarna met den hamer los op de koppen der nagels wordt geslagen, om deze behoorlijk en vast in de rits van het ijzer te drijven. Met de nijptang worden daarna de nagelpunten heel dicht aan den wand afgeknepen, waarbij geen draaiende bewegingen mogen worden gemaakt, liet hoorn onder de nagedeel-ten, dat steeds een weinig is opgedreven, wordt met de rasp of nietkapper verwijderd, zonder aldaar den wand verder te beschadigen, het nageleinde voorzichtig afgevijld, daarna de bek der nijptang onder het nageleinde gezet en dit door eenige hamerslagen op den nagelkop nog sterker omgebogen.

Om de nieten te maken worden de afgebroken nageleinden sterk omgebogen en vast tegen den wand aangebracht door lichte hamerslagen, waarbij de tang tegen de nagelkoppen is gezet.

ocr page 83

71

Het staat goed, wanneer de nagels op gelijke lioogte aan den wand te voorschijn komen, zoodat de nieten in dezelfde lijn liggen.

Ten laatste verwijdert de smid met de rasp den scherpen buitenrand van den draagrand, waardoor deze niet zoo spoedig over het ijzer heengroeit en afbrokkelen wordt tegengegaan.

Door het paard daarna in stap en in drai te zien gaan, overtuigt hij zich of het work naar behooren is volbracht.

Het beslag bjj paarden, die zich striken en in de ijzers klappen.

HET STRIJKEN.

Een paard strijkt zich, wanneer hij de beweging, het ééne been door den voorbijgaande,n hoef, wordt geraakt. Hierdoor ontslaan grootere of kleinere verwondingen aan de kroon, den kogel soms zelfs aan de voorknie.

De oorzaken liggen in het beslag, in afwijkende stellingen, in zwakte en in het gebruik van het paard. Is het beslag de oorzaak, zooals te wijd liggende ijzers, verzuimd beslag of uitstekende nieten, dan zal liet strijken ophouden, zoodra deze afwijkingen zijn opgeheven.

Bij zwakte der paarden en slappe gangen hierdoor ontstaan, moeten de hoeven gelijkmatig worden besneden, met even hooge verzenen, en beslagen met een ijzer met verdikten Iniitnn- en dunneren binnentak. Deze laatste wordt, van den toon tot aan het verzeneinde, aan den buitenrand zeer schuin gemaakt, zoodat de ondervlakte millimeter smaller wordt dan de bovenvlakte. Het ijzer, namelijk de bovenvlakte daarvan, wordt met den binnentak 1 millimeter binnen den hoornwand gelegd. Zoodia het paard sterker is geworden 011 de bewegingen krachtiger zijn, waardoor het strijken ophoudt, dan wordt weer een gewoon ijzer ondergelegd.

De reden van liet strijken kan ook in gebrekkige stellingen liggen, en wel bij paarden, welke toontreder zijn of Franschen stand hebben.

De eerste strijken zich minder; is dit het geval, dan strijken zij zich met den toon, en dient men te onderzoeken met welk gedeelte hiervan zulks geschiedt. Is dit bekend, dan maakt men daar het ijzer '2 a 3 millimeter smaller; van het hoorn, hetwelk

ocr page 84

72

over dat gedeelte van het ijzer nitsteelct, wordt de scherpe rand af^eraspt, en aldaar geen nagel ingeslagen. Bij vermindering van liet strijken, wordt het ijzer geleidelijk verbreed.

15ij Franschen stand strijken de paarden zich alleen met liet uiteinde van den ijzerlak. Men legi een ijzer onder, waarvan de binnentak een weinig dunner en ongeveer '/i centimeter korter is dan de buitentak en de ondervlakte even als bij oen paard met slappe gangen is opgegeven.

Met komt wel eens voor, dat een verkorte binnentak niet aan het doel beantwoordt; men legt alsdan een ijzer onder met een halven binnentak; deze wordt dan zoogenaamd halvemaanswijze in den wand ingelaten

Indien de paarden zich strijken, doordat zij niet behoorlijk worden ingespannen, ol' wel boven lunme krachten gebruikt, dan kan zulks dooi' het beslag niet worden tegengegaan.

HET KLAPPEN IN DE IJZERS.

Een paard klapt in de ijzers, wanneer het in beweging, vooral in draf, met den toon der achterijzers tegen de voorijzers aanslaat. Dit aanslaan, door het bekende geluid hoorbaar, kan geschieden tegen het uiteinde der ijzertakken, of wel tegen de ondervlakte van het ijzer, liet gevolg hiervan kan zijn, krom trekken of' wel geheel afrukken van de voorijzers.

In andere gevallen worden de ballen der voorhoeven gekneusd of verwond; het kan zelfs voorkomen, dat de achterhoef in het voorijzer blijft haken, en bij de aanwezigheid van een stoot aan het ijzer, dat deze boven den hoornstraal vastklemt, waardoor het paard kan storten. In dit geval wordt gezegd, dat het paard zich vangt.

De oorzaak is dikwijls gelegen in den bouw van het paard, waarbij de hoefslag der achterbeenen over dien der voorbeenen been gaat, zooals dit geschiedt bij paarden, welke vóór en achter onder zich staan, welke hoogbeenig of' wel overbonwd zijn. Mot klappen in de ijzers komt vooral veel voor bij jonge paarden, om de laatstgenoemde reden, en ook wel tengevolge van slapheid. Men ziet dan ook, dat hot weer ophoudt, zoodra deze paarden ouder en krachtiger worden.

Het komt mede voor, dat de schuld ligt in den toestand der hoeven of dien van het beslag. Lange ijzers aan de voorhoeven, lange schuine toon dezer hoeven, bemoeilijken hot vooruitbren-

ocr page 85

73

gen van het been; ook te lange toon der achterhoeven begunstigt liet klappen.

De te lange toonen moeten behoorlijk worden korter gemaakt, en de vroeger beschreven klapijzers ondergelegd; aan de achterhoeven worden de scherpe randen aan den toon, zoowel van den hoef als van het ijzer, zorgvuldig afgerond.

VERZORGING VAN DEN HOEF.

Alles wat gedaan wordt om den hoef in gezonden toestand te houden, kan verzorging worden genoemd. De hoefsmid, die volgons de regels der kinist heelt beslagen, heeft zijn plicht gedaan. De verdere verpleging is niet zijn werk. Hij kan er evenwel veel toe bijdragen, dat de hoeven van de paarden in het algemeen naar behooren worden behandeld, daar hierin dikwijls groote misbruiken bestaan. Het is goed dat hij weet, dat het gebruik van de vele bestaande hoefzalven en smeersels nutteloos, soms nadeelig is.

Geen van al die middelen verbetert de hoedanigheid van het hoorn. Die hoefzalven trekken niet in het hoorn, kunnen dit dus ook niet zacht ol hard maken ; en het beschutten van het hoorn tegen ongunstige invloeden kan ook slechts in zeer geringe mate geschieden Daarentegen bedekken zij het vuil, en houden dit aan de hoeven vast. waardooi het hoorn murw en brokkelig wordt. Alleen water treedt in de lioorncellen en kan het hoorn zachter maken; of evenwel zoodanig had gunstig voor de hoef is, mag worden betwijfeld, daar een opvolgend verdampen van dit vocht, de. taaiheid van het hoorn vermindert.

Zeker is een bepaalde graad van vochtigheid voor het hoorn noodzakelijk; deze moet evenwel uit het innerlijke van den hoef zeil voortkomen, en wel bepaald uit het bloed, dat de voeding van alle deelen des lichaams bezorgt.

Het hoefmechanisme bevordert den bloedsomloop in den hoef en verbetert de voeding. Door deze verhoogde voeding wordt de vochtigheid van het hoorn onderhouden; dit geschiedt alzoo door voldoende beweging van het paard. Indien de paarden in den stal blijven staan, dan ziet men dat de boeven inkrimpeti, nauwer worden; dit komt door de verminderde voeding, en als gevolquot;' daarvan, droog worden van het hoorn.

hen zindelijke stand, vrijwaren voor de inwerking van scherpe, invretende stollen op hot hoorn, welke men bij sommige strooisels

ocr page 86

74

kan aantreffen, die door de ophooping van niest en urine de hoeven vernietigen, liet dagelijks reinigen der hoeven, dragen tot het gezond houden wezenlijk bij.

Na eiken dienst moeten de hoeven behoorlijk worden gereinigd. Nadat de straalgroeven zijn ontdaan van het vuil, wordt de ge-heele hoef goed gewaschen met water. Wil men eenigen glans op den hoornwand aanbrengen, in de meening hierdoor het voorkomen van het paard te verhoogen ol het toilet te voltooien, dan is het opstrijken van zuivere vaseline op den schoongemaakten hoef een vrij onschuldig middel, mits deze stof in zulke geringe hoeveelheid worde aangewend, dat de normale kleur van hot hoorn behoorlijk te zien is.

Groote zorg vereischen de hoeven van jonge paarden, wijl floor onachtzaamheid, gebrekkige hoefvormen kunnen ontstaan. Bij veulens is het nog mogelijk om slechte standen der ledematen te verbeteren, maar ook omgekeerd, worden deze door onregelmatige hoeven ontwikkeld.

Jonge paarden moeten zich vrij kunnen bewegen op droegen bodem; worden zij in den stal gehouden, dan heelt niet alleen geen afslijting van het hoorn plaats, maar er ontwikkelt zich geen goede vorm van paardenhoef, namelijk de loon wordt te lang. waardoor de stand in den koot te steil wordt; ook inscheuringen en ombuigen van den draagrand, scheel afgroeien der wanden zijn het onmiddellijk gevolg, liet is dus noodig, dat op die hoeven zorgvuldig wordt gelet, en dat zij van tijd tot tijd met de rasp en de renet worden ingekort en de draagrand wordt afgerond. Ook de hoeven van oudere paarden, welke onbeslagen zijn. en weinig of onregelmatig afslijten, moeten op dezelfde wijze worden behandeld.

Met behoeft hier geen nader betoog, dat bij beslagen paarden dient gelet te worden op alle voorkomende afwijkingen in het beslag; daarom is liet noodig, vooral bij slechte weersgesteldheid en zware diensten, steeds er op bedacht te zijn te onderzoeken of de ijzers vast zitten, de ligging er van goed is, of er losse nagels zijn, of de nieten uitsteken. Eene verbetering van dergelijke afwijkingen behoort tot de goede verzorging van de hoeven

ocr page 87

DERDE AFDEELING.

De Hoci'zicktoii.

Het is noodzakelijk, dat de hoefsmid bekend is met de meest voorkomende ziekten en gebreken van den hoef, daar de eerste hulp dikwijls in de smederij wordt gezocht; maar ook omdat de smid de gebreken en hunne oorzaken kennende, deze beter zal weten te voorkomen. Vele hoefziekten toch ontstaan ten gevolge van gebreken in het beslag, maar ook vele gebreken zijn door wijziging van het beslag geheel of gedeeltelijk te herstellen. Alleen dooi1 eenige bekendheid met de afwijkingen zal hij kunnen beoor-deelen, of in voorkomende gevallen geneeskundige hulp noodig is, waardoor hij den eigenaar van paarden als raadgever kan dienen.

Het is niet gemakkelijk steeds de grens tusschen gezondheid en ziekte te bepalen, daar geringe afwijkingen, vooral in den vorm, dikwijls worden overzien, en deze dan tot bepaalde ziekelijke toestanden aanleiding kunnen geven. Met is bij zulke afwijkingen niet noodig, dat kreupelheid bestaat; dit is alleen het geval bij pijnlijke aandoeningen in den hoef.

De hoefsmid, die zich bij het beslaan der paarden van de goede beweging der ledematen moet overtuigen, dient ook te kunnen zien of het paard kreupel is, en in het laatste geval, aan welk been. Algemeen kan men aannemen, dat kreupelheid bestaat aan dat been, op hetwelk door het paard wordt vermeden om dooi' te treden.

Indien het vermoeden bestaat, dat de oorzaak fier kreupelheid in den hoel is gelegen, kan onderzocht worden, of die hoef zeer warm oi pijnlijk is. Op de warmte kan men niet altijd staat maken, daar de hoeven geen bepaalden warmtegraad hebben.

ocr page 88

76

Soms zijn zij koud ; in andere gevallen warm, maar ongelijkma-li^e warmte der hoeven, en daarbij de kreupelheid, is steeds verdacht.

De pijn wordt nagegaan, dooi den hoof' met een hamer te bekloppen, of wel door middel van lt;le hoelvisiteertang te drukken ; er is veel oefening toe noodig, om dit behoorlijk te doen.

Verdere bijzonderheden zullen bij de afzonderlijke ziekten worden vermeld.

l)e hoefziekten worden in de meeste leerboeken over hoefbeslag gewoonlijk in afdeelingen gesplitst. Hoewel deze indeelingen op geen zuiver wetenschappelijken grondslag berusten, hebben zij toch het nut, dat zij het begrip van den leerling scherpen, en een goed te onthouden overzicht dei \ ooi komende ziekten geven.

INDBELING DER HOEFZIEKTEN.

1°. Ziekten der hoeflederhuid : vcrmigeling, nagelti ed, kroontrap, steengallen. ontsteking fier hoefhallen of veiballing, hoef-bevangenheid, hoornzuil, hoefkaidlt;er.

^0. Gebreken der iioornige deelen :

A. Verandering in den vorm van den hoef: plathoef, volhoef, bokhoef', klemhoef, verbeening der lioeCkraakbeenderen, scheeve hoef', kromme iioef'.

B. Storing in de verbinding der hoornige deelen ; hoornschcur. hoornkloof, losse en holle wand, rotstraul.

DE VERNAGELING.

Wordt door het inslaan van de hoefnagels de hoellederhuid, namelijk de ■ vleeschwand of de vleeschzool gedrukt of gewond, dan wordt dit vernagelen genoemd. Men onderscheidt den nacit'lslcch en het eigenlijke vernagelen.

Onder nagélsteek verstaat men het inslaan vaneen nagel in het leven, meestal kenbaar aan liet plotseling trekken met het been. De oorzaken zijn dunne, brokkelige wanden, te veel besnijden van de verbinding tusschen wand en zool: verkeerd aanzetten dei nagels, en te vet gestampte nagelgaten, het zoogenaamde «vernagelen op het aambeeld.quot;

Bij het eigenlijke vernagelen wordt de uiting van de pijn niet

ocr page 89

77

gezien, of wel er bestaat ook voor' het oogenblik geen pijn, wijl de nagel ilaarbij ile ^evoeh^e (leiden niet IkhïI'I gekwetst. Gewoonlijk zil ilr na^i'l le diciit i)ij hei leven, waardoor dit laatste wordt gedmkt, /,00'Ira de nagels hij het aanhalen worden kromgetrokken ol wel d^ lichaamslast door den hoed moet worden gedragen.

Men ondekt do vernageling eerst na het beslafi, dikwijls ook een of meer dagen latin1 door de krenpelheid. De iioef is dan pijnlijk, heel en soms is er ook zwelling aanwezig.

behandeling, lüj nagelstoek wordt de nagvl dadelijk uitgetrokken, en geen nieuwe daar ter plaatse iiigeslag(*n; mocht het paard groote pijn tóonen, dan moet ile hoef dien dag worden verkoeld.

Hij vernageling hangt de hehandelin^: al' van de hevigheid der verwonding, en van don duur dat zij heeft hastaan. Di ukt slechts de nagel en wordt dit spoedig gezien, dan is gewoonlijk het verwijderen van don nagel voldoende, om verdere gevolgen te voor-k .mon.

Hij hevige pijnon of kroupolheid moet steeds het ijzer worden alyonomon; mon dionl allo na^ds te onderzooken, daar meer dan éèn dozegt; kunnen hinderen; de hoef wordt koud gehouden, door hem mi on dan ooni^o minuten in oen emmer water te plaatsen.

Is ver/wering ol ottervorming aanwezig, dan dient de opening in de witte lijn mot do iviiet te worden vergroot, om den etter te doen alvlooien. Indien dit niet tijdig geschiedt, dan neemt de etter gewoonlijk de richting naar hoven, gaat tusschen de vleesch-plaatjos van den vleeschwand. en ontlast zich door een kleine opening tusschen de kroonharen; de kroon is dan vóór dien tijd gezwollen en pijnlijk.

lüj verzwering is steeds hevige pijn aanwezig, de hoef rust gewoonlijk op den toon; in beweging gaat liet paard op drie heenen. In dat geval worden na aan de witte lijn eeno opening te hebben gemaakt, geen koude, maar warme voetbaden gegeven, en de hoef al dan met wner van oen ijzer voorzien, en zoo dit gedaan wordt, de |)ijnlijke plaats goheol vrij gelobd. Dikwijls zal de hoefsm'd het met op zich mogen nomen, de behandeling te leiden, daar onvolkomen genezing of toovallige omstandighedon, oorzaak kunnen worden tot het ontstaan van rechtstijvigheid en mondklem, eene ziekte, welke zeer gevaarlijk voor het leven van het paard is.

ocr page 90

78

DE NAGELTRED.

Men verstaat hieronder eene verwonding der inwendige dealen, veroorzaakt door het intreden van een scherp voorwerp door de hoornzooi of den hoornstraal. Zulke voorwerpen zijn meestal nagels, daar vandaan de naam; het kunnen ook glasscherven, zeli'sscherpe stukken van beenderen zijn. Begunstigd wordt het ontstaan door de zool of den straal zeer dun tö besnijden.

De meest gunstige plaatsen voor de zeverwondmg zijn de straal-groeven van de achterhoeven, lievige kreupelheid is het onmiddellijk gevolg; terwijl een gunstige ol slechte alloop dikwijls afhankelijk is van de plaats waar het voorwerp zit, van de diepte, waarop het is ingedrongen, de deelen welke verwond zijn, den toestand waarin het voorwerp zelf verkeert, en de meer of minder goede en spoedige behandeling, die is ingesteld.

Aan verwonding op deze wijze staan bloot: de vleeschzool, het hoefbeen. het straalbeen, de buigpees van het hoefbeen, het hoef-gewricht, de vleeschstraal, het straalkussen, de vleezige ballen.

Oppervlakkige verwondingen van vleeschzool en vleeschstraal mogen betrekkelijk gunstig worden beoordeeld, maar verwondingen der pees, van het hoefgewricht of van de beenderen zijn zeer gevaarlijk, en soms doodelijk.

Onreine ruwe voorwerpen zijn gevaarlijker dan blanke nagels, daar de eerste de wond onzuiver maken.

Behandeling. Wanneer zoodanig paard aan de smederij verschijnt, zal de hoefsmid bij het verwijderen van hot vreemde voorwerp zich overtuigen van de juiste richting, waarin het heeft gezeten; deze en de lengte er van. geven de diepte aan tot waar het is doorgedrongen, en welke deelen gekwetst zijn. Het verwijderen moet zeer voorzichtig geschieden, opdat men niet onnoodig de pijn verhooge, maar vooral, opdat het voorwerp er geheel uit-kome; men moet het daarom dadelijk en behoorlijk onderzoeken.

De meest gevaarlijke streek is zeker een weinig voorbij de punt van den straal, wijl daar het gewricht, de banden of de pees dikwijls worden geraakt, hetgeen door het zachte hoorn van den straal wordt begunstigd.

De uitwendige opening van het hoorn is gewoonlijk zeer klein, eu later alleen door de groote gevoeligheid te vinden. Het hoorn daar ter plaatse moet steeds spoedig worden dun gesneden, waarna de hoef in een emmer met water sterk wordt afgekoeld. Bij ingetreden verzwering, welke hierbij ook dikwijls wordt aangetroffen, moet de plaats van intreding gezocht en de opening

ocr page 91

79

worden grootor gemaakt, eensdeels om de afvloeing van liet vuil

Fig. 36.

te bevoideren, ten andere om eene behoorlijke behandeling te kunnen bewerkstelligen, waarmede evenwel de smid zich zoomin mogelijk moet inlaten, daar bij deze aandoening, nog meer dan bij de voorgaande, de klem of rechtstijvigheid te verwachten is, zelfs bij lichte verwondingen der hoeflederhuid.

Bij de behandeling wordt dikwijls gebruik gemaakt van ver-bandijzers, met geheel of gedeeltelijk bedekte zool en straal, welke bedekking gewoonlijk bestaat uit een plaatijzer, ')at tusschen ijzer en hoef geschoven, ol' wel door middel van nagels of schroef-kalkoenen wordt vastgemaakt.

DE KROONTRAP.

Dit is eene verwonding aan de kroon met verscheuring van den kroonrand; vleeschzoom en vleeschkroon zijn gewoonlijk aangedaan. De oorzaakt ligt in bet plaatsen van den eenen hoef op den anderen, meestal gedurende den winter, door de scherpe kalkoenen of punten aan de ijzertakken. Deze aandoening komt gewoonlijk voor in den toon, soms aan de zijgedeelten, en wel binnen of buiten, naarmate het paard zich zelf verwondt of dit door een ander wordt gedaan.

Behandeling. Zuiver maken der wond; het vuil of stof verwijderen; de verwonding van het hoorn regelen, namelijk afronden

ocr page 92

80

van scherpe randen, verwijderen van los lioorn, zijn werkzaamheden, die doot' den smid kunnen worden verricht.

Hoewel dikwijls vrij oiiKclmldig. kan eene diepgaande kroontrap evenwel, behalve de voorgenoemde deelen, ook de strekpees van het hoelbeen het hoefgewricht en de hoefkraakbeenderen verwonden. Zulk geval kan zeer onaangename gevolgen hebben; men mag daarom deze verwonding niet te gering achten.

Om het afgroeien van goed verbonden hoorn aan den kroon-rand te bespoedigen, en elke drukking aldaar tegen le paan, wordt het soms noodig, om den draafJiand onder de verwonding vrij van dracht op het ijzer te leggen.

DE STEENGAL.

Vindt men het hoorn van de zool in den steunselhoek, of' de witte lijn aldaar, rood gekleurd, dan is een steengal aanwezig

IJe kleur kan helder of donkenood, zelfs blauwachtig zijn. Deze verkleuring is steeds het gevolg van eene vroeger plaats gehad hebbende bloeding van de hoefledei huid. en wel van den vleesch-wand, van de vleeschzool of ook van de vleezige steunsels. Aan deze deelen heeft eene verwonding plaats gehad met uitstorting van bloed.

Dit bloed treedt in het hoorn, gaat mede omlaag en wordt dan later zichtbaar.

Steengallen komen meestal aan de voorhoeven voor, en wel in den binnen steunselhoek; aan de buitenzijde zelden. Soms is kreupelheid aanwezig; in andere gevallen een meer gespannen ol stramme pang, al naar de hevigheid der verwonding, of naar de oorzaken.

Deze kunnen gelegen zijn: in gebrekkige hoeven, als klemhoeven, plathoeven; in de stelling der ledematen, waarbij scheeve hoeven, wijl de lichaamslast bij deze ongelijk drukt; in slechte bewerking van den hoef. b v. verzwakken door te veel wegnemen van liooin van den wand, tie zool, de steunsels en den straal, ongelijk besnijden, zoodat de zwaarte ook ongelijkmatig wordt gedragen ; in slecht gemaakte, slecht gerichte en gepaste ijzers, zooals de korte ijzers, welke op de zooltakken liggen, ij/ers die te wijd liggen of geen goede draagvlakte hebben, maar naar binnen zijn gericht.

Soms vindt men alleen de roede verkleuring van het hoorn; deze heet dan eene drooge steengal.

Is de verwonding evenwel lievig geweest, dan volgt soms etter-

ocr page 93

81

vorming, de zoogenaamde zwerende steengal, waarbij hevige kreupelheid bestaat. Bij deze verzwering Fig. 37.

komt het ook wel eens tot openbreken boven den kroonrand. De etter is geel of zwart; men heeft dan niet steeds eene roode verkleuring.

De steengal is verouderd, wanneer het hoorn zich kenmerkt door eene donkerroode of blauwe kleur, op eene omschreven plaats, spekachtig of zeer hard is en soms scheuren vertoont. Drukt het ijzer aldaar, dan gaat het paard pijnlijk. In dit geval zijn in de verbinding van de hoorn- met de vleeschplaatjes ziekelijke veranderingen ontstaan.

Bij aanhoudende drukking op de Afgebroken balkijzer.

inwendige deelen, zooals dit plaats a. Zitplaats der steengal.

vindt bij de hoeven, welke in hunne achterste helft zijn vernauwd, dus bij klemhoeven, ontstaan ook steengallen; het uitgetreden vocht is niet altijd bloed, maar dikwijls bloedwater, waardoor dan de verkleuring van het hoorn niet sterk is.

Behandeling. De aanleidende oorzaken moet men opheifen, door de bewerking van den hoef zuiver volgens de voorschriften te doen; de afwijkingen aan de ijzers herstellen, deze goed richten en passen, en vóór het onderleggen, de gevoelige verzenen een weinig lager snijden.

Indien ettervorming aanwezig is. dient elke drukking aldaar te worden vermeden, door het aanwenden van een gesloten ijzer, of ook soms van een afgebroken gesloten ijzer. Het is noodzakelijk dat de etter aan de witte lijn of zool wordt ontlast, door eene kleine trechtervormige opening te maken, waardoor de steengal behoorlijk kan worden behandeld; deze opening kan met vlas of watten worden gesloten, om het indringen van vuil tegen te gaan.

De laatst genoemde ijzers kunnen ook bij de verouderde steen-gallen in toepassing komen, evenzoo het plaatsen van een val-schen kalkoen; dit is een kalkoen tegen den ijzertak vóór de steengal, waardoor het daarachter gelegen gedeelte van het ijzer en van den hoef geen last of drukking ondervindt üok bij verzwering kan zoodanige kalkoen worden aangebracht wanneer de werkzaamheden niet toelaten dat het paard rust geniet.

UOETBESLAO. 6

ocr page 94

82

.. Over het geheel moet het gebruikelijke uitsnijden van steen-gallen dooi', den hoHsmid worden vermeden, eensdeels wijl daarbij dikwijls nieuwe verwondingen iler lioellederhnid ontstaan, waar-dooide steengaiien toch niet genezen; maar ook om de meening van velen te doen verdwijnen, dat dooi' het verwijderen van dit gekleurde hoorn, eene aanwezige kreupelheid zou moeten herstellen ; gebeurt dit na deze bewerking niet, daar de |iijn aan het leven hlijft bestaan, dan wordt de zitplaats der kreupelheid gewoonlijk hooger gezocht, lïij plathoeven zal het ontstaan van steengaiien worden tegengegaan, door de afhelling zoo sterk te maken, dat eene drukking van het ijzer op de gevoelige zool niet kan plaats vinden.

Bij klemhocven, die bijna steeds van steengaiien zijn voorzien, verdwijnen deze, zoodra de hoefin zijn vorm is verbeterd; de middelen hiervoor aangebracht, dienen te gelijk voor de behandeling der steengaiien.

DE VERBALLING.

Dit is eene ontsteking der vleezige ballen, waarbij één dezer of wel beide, gevoelig, warm, gezwollen, gekneusd ol gewond zijn. Zij ontstaat door te korte ijzers, vooral bij lage verzenen: ook door verwondingen tengevolge van zich te vangen of van oprijden.

Soms laat bet hoorn van de aangedane ballen los, en doet men best dit losse gedeelte met de noodige sparing te verwijderen.

De zieke ballen worden goed koud gehouden; de verdere be-bandeling behoort hier niet. Het ontstaan wordt tegengegaan door verbeteringen in het beslag aan te brengen, natuurlijk verschillend naar de oorzaken.

DE HOEFBEVANGBNHEID.

De bevangenheid van den hoef is eene eigenaardige ontsteking van de hoellederhuid, welke dikwijls tot verschillende ziekelijke veranderingen in- en uitwendig aanleiding geeft. Hare zitplaats is het voorste of toongedeelte van den vleeschvvand en van de vleescb-wand en van de vleeschkroon; gewoonlijk tast de ziekte de twee-voorhoeven aan, minder de achterhoeven, of wel één of alle hoeven te gelijk. Zij treedt hij voorkeur bij goed gevoede paarden op en wel plotseling, tengevolge van het vatten van koude, bij zwaar werken.

ocr page 95

8n

l?i; militaire paarden ontstaat deze bovan^enlieid dikwijls gedurende de manoeuvres. Tempel geeft als oorzaak hiervan op het sterke gebruik der paarden op hardo straatwegen, waarbij de ontsteking aan ile vleeschkroon (in aan den vleescbwand wordt te voorschijn geroepen door lierliaalde rekking der vleesch-vlokjes en vleeschplaatjes. Ook schrijvei zag onder dergelijke omstandigheilen deze ziekte enkele malen optreden.

De erkenning is gemakkelijk aan den eigenaardilt;gt;eu stand ; zijn de voorhoaven aangedaan, dan worden deze in gestrekte houding, dus naar voren geplaatst; de aehterhoeven sterk onder het lijf'; de beweging is zeer moi'ilijk. stijl'; de hoeven worden zwaaiende voorwaarts gebracht pn het nedorzetten geschiedt met vermiiding van het gebruik der voorste helft van den hoef. De paarden kunnen er overigens zeer ziek van zijn.

De voornaamste veranderingen aan den hoef zijn : opheffen der verbinding van hoornplaatjes en vleeschplaatjes aan den toonwand; eveneens van de verbinding tusschen dezen en de vleeschkroon; de vleeschtepeltjes treden geheel of'gedeeltelijk uit de hoornpijpjes.

Deze afwijkingen ontstaan door dat tengevolge dezequot; ontsteking, op de hoeflederhnid eene stof wordt afgescheiden, die men zieke hoornstof kan noemen. Dit ziekelijk hoorn hoopt zich op tnsschen hoornige en vleezige deelen. komt later aan de witte lijn te voorschijn, en verbreedt deze aanzienlijk aan den loon en soms ook aan de zijgededten. Dikwijls evenwel is die hoornige massa murw, zacht, gespleten van holten dooi trokken ; weder in andere gevallen vindt men de verbinding van hoorn- en vleeschwand voor een groot gedeelte opgeheven en heeft zich een holle wand gevormd.

fs de aanval hevig, dan ziet men spoedig dal de hoef aan de kroon is ingevallen, en wil men dat er zakking van het hoefbeen heeft plaats gehad Alsdan verdwijnt de holheid van de zool, die zich tot volhoef ontwikkelt, aan het toongedeelte dim, doorschijnend, zelfs door den scherpen onderrand van het hoefbeen wordt doorboord.

Aan znlken hoef ziet men dan dikwijls een korlen zeer onregel-matigen, knobbeligen toonwand, hooge verzenen, en ringen van den hoornwand, die aan den toon smal zijn, naar de verzenen wijd nit elkander loopen. Kr heeft zich een knolhoel ontwikkeld.

Van andere zijden wordt de doorzakking van het hoefbeen betwijfeld en het vol worden en doordrukken van de zool toegeschreven aan eene veranoerde bodemvlakte van den hoef.

De verdere veranderingen van de inwendige deelen kunnen hier achterwege blijven ; alleen zij opgemerkt, dat het hoefbeen in vele

ocr page 96

84

aevallen wijzigingen heelt ondergaan, lt;Ue blijvend zijn, waai uit volst, dat zoodanige hoef' nimmer meer regelmatig kan WOI'f'el1-Dit0 been wordt kleiner in omvang en aan de zooMakte bol, doordat de scherpe onderrand verdwijnt; daarbij ziet do wandvlakte er veelal zeer ruw en onregelmatig uit.

Behandeling. Deze kan nooit aan den smid worden toeveiti ouwel.

Zoodra de ziekte wordt ondekt, zullen de hoeven zoo sterk mogelijk worden verkoeld ; hierdoor worden de gevolgen dikwijls voor-

^ZUn'de hiervoor beschreven veranderingen ingetreden, dan wordt de behandeling meer ingewikkeld en van langdur.gen aard. Daar het nieuw gevormde hoorn aan de kroon steeds de richtin0 ol^t van den veranderden stand van den hoornwand, zoo moet de verbinding worden verbroken, en wel door hoog aan den wand, in het gezonde gedeelte daarvan, eene sleul aan te hiengen to op het Teven evenwijdig met den kroonrand. In vele gevallen za dan bii het afgroeien van den wand eene betere en steilere richting worden verkregen, terwijl de verbinding van den hoorn- met

den vleeschwand wordt hersteld. , i„ i

De hooge verzengedeelten dienen te worden ingekort, en de hoet voorzien van een sterk afbellend breed of gesloten ijzer, waarbij

de toon moot worden vrijgelegd.

De knolvormige verdikkingen kunnen door de rasp woiden verwijderd of de geheele wand worden weggenomen en door kunst-

hoorn vervangen. . . , , .

Men kan ook de ziekelijke hoornmassa aan de inwendige vlak e

van den wand met eene smalle renet verwijderen, zoodat eene holle

wand wordt gevormd ; het toongedeelte van den wand wordt van de ziigedeelten losgemaakt door overlangsche insnijdingen, en daarna een ijzer met beugel ondergelegd; door eene schroed .n dezen laatsten wordt de hoornwand tegen den vleeschwand gedi ulu. verloop van tijd wordt hierdoor eene betere richting verkregen, en kan de beweging regelmatiger plaats vinden.

de hoornzuil.

Met dezen naam bestempelt men kegelvormige hoornmeuwvor-min^en aan de binnenvlakte van den hoornwand.

De zitplaats is gewoonlijk de toon, minder de zijwand; zelden komen er twee aan een hoef voor. Zij nemen in vele gevallen een aanvang in de kroongroeve, in andere er onder; zij gaan meestal

ocr page 97

85

tot fle witte lijn floor. De hoornwand kan uitwendig een normaal voorkomen hebben, in andere omstandigheden bestaal te gelijk kroontrap, huornkloof' of hoornscbeur. Steeds is kreupelheid aanwezig.

Oorzaak. Zij ontstaat door het opheffen der verbinding van hoorn- en vleeschwand tengevolge van eene omschreven ontsteking der hoeflederhuid, waarbij de etterafvloeiing verhinderd is. Aan den vrijen rand der vleeschplaatjes ontstaan door de hyperaeinie aldaar papillen, en uit deze ontwikkelt zich hel hoorn der gezwellen, die in groei toenemen tot dat. de ledige ruimte daarmede gevuld is (Gutenacker).

Er ontstaat vernietiging en etterige infiltratie van den onder-hggenden vleeschwand on later atrophie van het hoefbeen.

Volgens Pader is de hooinznil hel gevolg van hoornscheur.

De aandoening strekt zich gewoonlijk 5 a 6 c.m. zijdelings uit.

De onderkenning is gemakkelijk indien de hoornzuil tot den draagrand reikt. Zoodia het ijzer is afgenomen, ziet men eene halfcirkelvormige verbreeding der witle lijn, die tot in de hoorn-zool gaat.

Behandeling. Men isoleert de hoornzuil door twee overlangsche sleuven tot op het leven, en één dwars verloopende in de witte lijn, in welke laatste men dan een biaderige hoornmassa aantreft, uit welks scheuren etter te voorschijn komt. Daarna wordt het zieke gedeelte verwijderd: vooraf wordt het hoorn onder den kroonland sterk verdund. Om het bloeden tegen te gaan wordt vóór de operatie een elastieke band aangelegd. De wond wordt streng antiseptisch behandeld. Herstel volgt langzaam en een langdurige rust is daartoe eerste vereisclite (Pader).

DE HOEPKANKER.

Deze ziekte bestaat in eene woekering der hoeflederhuid, waarbij de hoornafscheiding ontaard en gestoord is, en eene vuile, stinkende, kaasachtige stof wordt ontwikkeld.

Deze verandering ziet men gewoonlijk aan den straal of in een der straalgroeven intr eden, waarom zij dan ook straalkanker wordt genoemd.

De oorzaak van het ontstaan dezer ziekte kan niet altijd worden opgegeven. Deze aandoening breidt zich langzamerhand over de geheele hoeflederhuid uit.

ocr page 98

86

De beliiuideliiig kan nimmer het werk van den hoefsmid zijn; maar het is toch goed om te weten, dat deze ziekte niet moet worden verward met hoviguii graad van rotstraal.

Tér genezing wordt steeds gehrnik gemaakt van oen verband-ijzer, dat voorzien is van een zooiplaat en meestal van seliroef-kalkoenen, waaidoor de aanwending van geneesmiddelen op de blootgelegde zieke hoellederhnM gemakkelijk kan geschiedm, terwijl te gelijk eene behoorlijke drukking door het opvullen met vlas wordt teweeg gebracht.

DE PLATHOEF.

Dit is een boel' waarvan de zool in dezelfde vlakte met den draagrand ligt; de hoornwand verloopt ilaarbij in eene zeer schuine richting. De draagrand heschrijrt gewontdijk een cirkel; het zijn bijna zonder uitzondering de voorhoeven, welke hieraan lijden.

Deze hoef komt \eel voi r bij de paarden in laag gelegen streken. Hij ontslaat veelal door verzwakking der verbinding tusschen wand en zool.

De verzenen zijn gewoonlijk zwak, terwijl de straal groot en sterk ontwikkeld is.

Eene bepaalde behandeling voor deze verandering in den vorm bestaat niet, daar de platte zool niet kan worden veranderd. Dij de bewerking mag uit de zool niets worden verwijderd ; de draagrand wordt alleen met de rasp vlak gemaakt en de scherpe buitenrand er van afgerond.

Men gebruikt hierbij een ijzer, dat breeder is gesmeed, dan dit gewoonlijk wordt gedaan, met eene behoorlijke afhelling; zijnde verzenen zeer zwak, of zijn er steengallen aanwezig, dan wordt een gesloten ijzer ondergelegd.

DE VOLHOEP.

Bij dezen hoef is de zool naar onder gewelfd en steekt onder den draagrand uit. De wand en straal zijn als bij d n plat boel. waarvan hij ook dikwijls het gevolg is. In andere gevallen is zijn ontstaan te danken aan voorafgegane hoeliievangvnbeid, zooals reeds bij deze ziekte is opgegeven

Bij dezen afwijkenden vorm kan, wegens de vroeger gemelde veranderingen aan het hoefbeen, de zool niet meer tol hare vroe-

ocr page 99

87

gore holheid worden teruggebracht. De bewerking van den hoef vereischt, dat do /.ooi wordt gespaard, terwijl van den wand alleen de losse deelon worden verwijderd. Met ijzer moet een sterke afhelling hebben, ingericht naai den bollen toestand der zool, dikwijls met sterk doorgebogen binnenrand, een zoogenaamd ketelijzer, of' wel een goed ariiellend gesloten ijzer. Bij deze hoeven wordt veel gebruik gemaakt van het kunstboon^ om den wand daarmede te verhoogen Om elke drnkking tegen de zool te beletten, worden aan den loon een stoot, aan de verzeneinden kalkoenen, meestal schroef kalkoenen, aangebracht.

DE BOKHOBP.

Een boei' met steileti wand, waarvan de verzenen ten opzichte van den toon te hoog zijn. wordt bokhoel' genoemd.

Hij ontstaat bij onde, stijve en steil gekootte paarden, doch ook veel bij beervoetigheid. Verder bij opgetrokken biiifjpezen en beengebreken, zooals spat, waardoor de verzenen niet op den bodem afslijten; hij kan ook door veel inkorten van den toon ontstaan.

Ten gevolge van den stand over de kooien, waardoor de hoek in het kogelgewricht verandert, en door verstijving in dit gewricht, ontstaat de stelthoef', een hevige graad van bokhoef

Bij de behandeliiig van zulke hoeven, zal steeds op de oorzaak er van moeten worden gelet. Dok hoef ten gevolge van gebreken in den stand van hel been. kan niet worden veranderd, deze vorm moet behouden blijven, en op gewone wijze worden beslagen. i?ij verkorting der buigpezen of' bij de aanwezigheid van spat, mag eveneens aan de verzengedeelten niets worden afgenomen, en zoolang deze laatste de noodige hoogte missen om den bodem te raken, worden verdikte ijzerlakken of hooge kalkoenen aangebracht, om het gaan gemakkelijker te maken. Hij den stelthoef, dien men intnsschen zeldzaam, en in het leger nimmer zal aan treilen, komt in den hevigsten graad de toon alleen op den bodem; om het gaan mogelijk te maken, wordt een ijzer onder-gelegd met afgeronden bek in den toon, waarmede het paard op den grond steunt. Is de bokhoef door onoordeelkundig besnijden van den hoef ontstaan dan moet de bewerking behoorlijk geschieden, en kan zoo noodig een halvomaansijzer worden gebruikt

ocr page 100

88

DB KLBMHOEP.

Dit is een hoef, die in zijn achterste helft te nauw is. In-tusschen kan eene vernauwing ook aan aiuiere deelen van den hoef voorkomen. Kleine hoeven, de vroeger genoemde nauwe hoef, hebbe ' eene neiging om klemhoef te worden. Maar ook wijde hoeven kunnen klemhoef zijn. en wel door inkrimping van den wand onder den kroonrand, meestal van de verzenen ; terwijl drukking van de zool klemhoef aan dit deel te weeg brengt. Ook spreekt men van eenzijdigen klemhoef, wanneer de vernauwing slechts aan ééne zijde bestaat.

Den graad der beklemming van een hoef erkent men aan de breedte der balgroeve, den afstand der straalschenkels, de grootte der straalgroeven, den stand der steunsels en der verzenwanden.

Klemhoeven veroorzaken een strammen ^ang, in hoogen graad ook wel kreupelheid: zij geven aanleiding tot spoedige vermoeienis van liet paard, daar het hoefmechanisme niet voldoende werkzaam is en do spier werking dus niet behoorlijk wordt ondersteund.

Wegens de gevoeligheid in de achterste helft van den hoef, treden zulke paarden niet door; de verzenwanden worden niet afgewreven, en dientengevolge te hoog. De lioefballen zijn klein, scherp geteekend; het hoorn van den hoef wordt droog, broos, geeft dikwijls aanleiding tot scheuren; de hoornwand wordt dun daar de voeding in den hoef gebrekkig is; de inwendige deelen zijn armer aan bloed, de veerkrachtige deelen, vooral het straal-kussentje, verminderen zeer in omvang.

Behalve scheuren, zijn rotstralen en steengallen gewoonlijk aanwezig.

De klemhoef ontstaat door alle omstandiglieden, welke de veerkracht van den hoef verminderen, zooals te weinig beweging, het verzwakken van de verzenwanden, laag snijden van de steunsels en den straal, te wijd liggende ijzers, ijzers met binnenwaarts gerichte draagvlakte, en met hooge kalkoenen, zoodat de straal niet op den bodem komt.

Behandeling. Paarden met klemhoef moeten geregeld beweging hebben, daar het herstel alleen mogelijk wordt door de werking van het hoefmechanisme en betere voeding der inwendige deelen.

Dit doel bereikt men door de hoeven onbeslagen te laten, of wel door het gebruik van het halvemaansijzer, het gesloten ijzer, het pantoffelijzer.

ocr page 101

89

Het aauvveuden van het eerie ol andere dei' yeiioemtle ij/ci's, is alhankelijk van den bodem, waarup het paai'd dienst doet, vooral ook van den toestand van den straal, en van eene meerdere of mindere gevoeligheid van den hoel'. Net doel is, om de zool, den straal, de sleunseis en de verzen wanden, behoorlijk werk/aaam te doen zijn. Daarom kan het ook te pas komen, om tevens gntta percha /.oleii en hoelbullers, en Ijij een gesloten ijzer, leilcr, vilt ol knnstboorn le gebruiken, om den straal met den dwarsbalk van het ijzer in aanraking Le biengen, ol' de zool. mede te doen dragen.

Iüj eenzijdigen klemlioel'kan bet ijzer alleen aan die vlakt(! al'hellend naar den buitenrand worden gemaakt, waar de boel'vernauwd is.

üm den tegenstand van den harden wand aan de verzengedeelten te verminderen, kan de wand aldaar in sommige gevallen dun worden geraspt; of wel men heft de verbinding van een gedeelte van den wand aldaar op. I)il, gesebiedt op de volgende wijze: men maakt een paar centimeter ondei den kronnrand en evenwijdig met dezen oen sleuf in den wand, zoo lang als noodig is; van de beide uiteinden daarvan doet men hetzelfde tot aan den draagrand, de achterste sleuf evenwijdig met den acbienand van den hoef, de voorste schuin naar achter; het ijzer woi dt aan dit losgemaakte gedeelte vrijgelegd. Kene andere wijze om klemboeven te verbeteren is bet aanwenden van de verwijdingsscbroef, den dilatator.

Kig. 38.

ocr page 102

'.KJ

Aan (l6Z0 scliroct' zijii twee bekken, welke aan de uiteinden der ijzertakken woeden aangc/.et, en dooi' middel van een sleutel nit elkander worden jzc^clirniTd. 0[) een dwarsstuk tussoiien de hekken is de maat in millimeters aangebracht, waardoor men kan zien, hoeveel de bekken zijn uit elkander gegaan, ol' wol de ijzer-takken met de verzemvanden zijn niteengesehroel'd.

Aan den binnenrand van het ijzev, vóór de uiteinden der takken. wordt een verheven rand of lip aangebracht, die indezijde-lingsche straalgroeven legen de stennsels komt te liggen, zoodat deze genoodzaakt zijn, bij de bewerking wijder to worden en de ruimte voor den straal Ie vergrooten. Aan den binnenwand van den toon en de zijgedeelten van het ijzer n[iaakt men insnijdingen, waardoor het veeren van liet ijzer vermindert: daardoor kan men de juiste maat der verwijding verkrijgen en behouden.

Soms is het ook voldoende om alleen ditzelfde ijzer met eenige afhelling op de bovenvlakte van de verzengedeelten aan te wenden, en het wijder schroeven achterwege te laten. Dit laatste kan aan den smid nimmer worden toevertrouwd, daar een geweldadig verwijden hevige gevolgen kan hebben, namelijk inwendige verscheuringen en kreupelheid, liet is natuurlijk dat het verwijden slechts weinig mag bedragen; hoeveel dit mag zijn, is afhankelijk van de gesteldheid van den hoef en vooral van den dienst. Het kan bij paarden, die in het land stappend werk verrichten, meer bedragen

ocr page 103

91

hebben, liij de eerste kan van i (i dagen 'gt; a 5 millinieter, bij de

laatste nooit, meer dan '2 a .'i inillinieter in 8.....10 dagen worden

wijder gescinoefd.

lü.i vernauwing van den hoornwand, namelijk bij insnoering van den wand aan de kroon, zoogenaamd dwang, wordt in Engeland eene insnijding aan de kroon tier verzenen gemaakt, niet met de renet, maar mot een tot dit doel uitgevonden zaag. De plaats der operatie is 1 t;.M. onder de kroon. ('agny, die haar meermalen in toepassing bracht, meldt dat kreupelheden steeds dadelijk verminderden.

Ook kan eene aanhoudende drukking tegen de steunsels worden aangebracht door eene eigenaardig gevormde veer. die met .baar uiteinden in de zijdelingsche straalgroeven komt te liggen, terwijl het platte voorste gedeelte in den toon. tussclien ijzer en boef steun vindt. Daar de spanningsgraad evenwel lang niet onversebillig is, dient men met eene lichte veer te beginnen, daar anders inwendig kneuzingen of verscheuringen kunnen ontstaan, die eveneens aanleiding zouden geven tot kreupelheid.

De vernauwing dei wanden bij wijde hoeven komt tengevolge van plotselinge veranderingen, b. v. wanneer de paarden na den weidegang op stal komen en daarbij weinig beweging hebben. Behalve regeling dezer laatste, is liet noodig een beslag te gebruiken, waarbij de gevoelige deelen vrij van drukking blijven; ook kan het voorbeschreven ophelTen der verbinding in het vernauwde wandgedeelte worden verricht, terwijl het gebruik van hoelhulTers of zolen kan te pas komen.

Heklemming van de zool ontslaat tengevolge van vermindering der overlangscbe doorsnede van den hoef. zooals dit plaats vindt bij hoeven, waarvan de toon wand in een boog naar buiten verloopt; de hoornzooi drukt dan sterk tegen de vleescbzool.

De oorzaak kan liggen in ijzers met naar binnen afhellende draagvlakte, in te weinig beweging van het paard.

De hoef moet worden verwijd; dit kan op eene tier voorgenoemde wijzen gescbieden, gepaard met voldoende beweging.

VERBEENING DEB, HOEFKRAAKBEENDEREN.

Volgens de onderzoekingen van Lungwitz komt dit gebrek vooral bij zware paarden voor; meer aan de vóór- dan aan de achterhoeven; het buitenkraakbeen lijdt meer tlan het binnenkraakbeen. De verbeening komt reeds op jeugdigen leeftijd voor; zij wordt

ocr page 104

02

begunstigd door liet gebruik der paarden op harden bodem.

Het gevolg van deze aandoening is de gedeeltelijke of'geheele opheffing der elasticiteit van den hoef' in de achterste helft. Door mechanische inwerking ontstaan kneuzingen van do hoeflederhuid aldaar en van het straalkussen. Ken stramme gang en niet zelden kreupelheid gaan met dit gebrek gepaard. Do verbeening begint steeds in de diepte, aan do inplantingsplaatsen der banden en schrijd; meer of' minder spoedig naar den bovenrand toe. Zoodra deze rand, onder de huid van de kroon gelegen, aan de drukking van den duim sterkon weerstand biedt, hard op hot gev el is, dan kan met zekerheid op vorbeening worden besloten, fs de verbeening nog slechts in do diepte, dan is de erkenning moeielijk, doch* dikwijls kan men bet bestaan vermoeden, door de warmte en zwelling aldaar.

Behandeling. Het gebrek is ongeneeslijk. Het beslag heeft ten dool gelijkmatig dragen te doen plaats vindon. Daar aan de lijdende zijde de hoornwand hooger blijft wegens de mindere nitzetfing, moet die sterker worden ingekort. Ts de verzenwand ingetrokken, dan gebruikt men oen ijzer, waarvan de bnitentak breed is en zoo wijd wordt gelegd, dat de buitenrand loodrecht onder den kroonrand komt te staan; daardoor wordt de licliaamslast zoo gelijkmatig mogelijk ondersteund.

Bij verbeening van beide hoefkraakbeenderen gebruikt men leder-of' viltbelegsels als stootbrokende middelen.

DE SCIIEEVE HOEF.

Is het verloop van den oenen zij- en verzon wand te steil en van den anderen te schuin, dan is de boef' scheef. Denkt men den hoef middendoor gesneden, dan verkrijgt men ongelijke helften. Hij sterke ontwikkeling van scheefheid zijn de ballen ongelijk hoog staande, terwijl de straalschenkel der zieke zijde geheel of gedeeltelijk is verdwenen. De richting van den zieken wand kan zelfs schuin naar binnen zijn

Gewoonlijk is de binnenwand van don voorhoef de zieke helft, bet omgekeerde is zeldzaam. Paarden met afwijkende stolling der ledematen hebben steeds scheeve hoeven, die men evenwel niet als ziekelijk mag beschouwen, daar zulke hoeven, zooals reeds vroeger is gemeld, bij die standen behooren. Maar toch kunnen deze in de eerste plaats ziekelijke scheeve hoeven worden. Slecht

ocr page 105

93

beslag der paarden geeft meestal aanleiding tol liet ontstaan van dit gebrek, en vooral hot ongelijk besnijden van den wand, waardoor onregelmatige verdeeling van den lichaamslast wordt veroorzaakt.

Behandeling, liet zieke gedeelte van den wand moet vrij van drukking blijven; dit verkrijgt men dooi' het onderleggen van een gesloten ijzer, zoodat de zwaarte wordt gedragen dooi'den schuinen wand, gewoonlijk dus den huitei wand ; van den zieken steilen of scheef naar binnen staanden wand, wordt, zoo noodig, zooveel afgenomen, dat deze niet tegen het ijzer komt te liggen. Ten gevolge van het onregelmatig besnijden der hoeven kan het voorkomen, dat de eene helft van den wand, van hoven naar beneden in een boog naar buiten, en aan de andere zijde omgekeerd de wand van boven in een boog binnenwaarts verloopt. Dit is „de kromme heetquot;. De buitenwaarts gaande kromming ontstaat steeds daar, waar de wand te hoog was. Zulke hoeven zijn altijd van ringen voorzien, die aan de buiging naar buiten breeder zijn dan aan den korteren binnenwaarts gerichten boog van den wand.

Men le^t bij dezen hoef een ijzer onder, dat aan den bollen zijwand wijd. aan den hollen wand nauw gericht is, en verwijdert het uitstekende hoorngedeelte aan den laatsten met de rasp.

DiJ HOORNSCHEUB.

Storingen in den samenhang van den hoornwand, welke de verbinding der hoornpijpjes in overlangsche richting ophefïen, heeten hoornscheuren.

Deze kunnen voorkomen in toon, zij- en verzengedeelten, en heeten dan toon-, zij- en verzenscheuren.

Naarmate zij uitgaan van den kroonrand of van den draagrand, en in het. eerste geval een eind ver de wand naar heneden, of in het andere geval, de wand naar boven gespleten is, heeten zij kroon- of draagrandscheuren.

Gaat de scheur van den kroonrand tot den draagrand door, dan is het een doorloopende scheur.

Gaat de scheur niet door de geheele dikte van den hoornwand, dan is hij een oppervlakkige, is zulks wel het geval, dan wordt hij doordringend genoemd.

Doorloopende scheuren komen meest voor aan den toon der-achterhoeven, deze heeten dan ossen voeten.

ocr page 106

94

Zij ontstaan ten gevolge van vermindering der veerkracht van het hoorn, zooals we .lit bij den klenilioef hebben gezien. In andere gevallen kunnen belefdigingen van het hoorn de oorzaak zijn, zooals kroontrappen, kromtrekken bij liet aanhalen der nieten, te zware nagels, te mager gestampte nagelgaten, waardoor inscheuring van den draagrand. Zij komen ook veel voor bij paaiden, die onbeslagen zijn, en van welke de wand niet bijtijds wordt ingekort en de draagrand rondgeraspt.

Fig. 4Ü,

quot; gt;

a. Kram (agraf) b. Samengebogen kram.

c. Tang om de krammen vast te zetten.

d. Brandijzer.

Behandeling. De eens gescheiden wandgedeelten kunnen niet meer aau elkander groeien; de genezing volgt dmr helafgroeien van nieuw hoorn, dat goed verbonden moot wezen. Om dit laatste te verkrijgen, is het noodig de randen van de scheur tegen elkander te brengen, ol' elke beweging in die randen op te heffen, om zoodoende het scheuren van hel nieuwe hoorn te voorkomen.

De wand onder de scheur mag niet op bet ijzer dragen. Het aan elkandei verbinden der scheurtanden geschiedt op de volgende wijzen.

1°. Dooi' krammen (agrafen).-Door middel van een daartoe ingericht brandijzer wordt de plek van den wand tot plaatsing der kram ingebrand, deze wordt dan in de bekken der daarvoor bestaande tang gevat, en in de ingebrande plaats vast ingedrukt.

ocr page 107

95

Er kimnen meei krammen over één scheur worden gebracht. Vooral hij toonscheuren is deze iiamlelwijze aan te bevelen.

2«. Even doelmatig is het ophogen van een metalen plaatje over de scheur. Dit wordt aan heide zijden van de scheur door een of twee schroeljes, welke naar de dikte van den hoorn wand moeten worden gemaakt tegen het hoorn vastgeschroefd. Zij houden aan de verzengedci lu n niet altijd goed, wijl daar de wand zeei' dun is.

3°. Door middel van daarvoor gemaakte nagels, die door de scheur-randen worden geslagen en vervolgens omgeniet; om de nagels gemakkelijk te kunnen inslaan, worden de gaten vooral'ingeboord, 4° Bestaan er riemen voor hoornscheurcn. waaraan een gesp, waarmede de hoef wordt ingesnoerd.

.*gt;*. Volgens Groszwendt woiden de schrm randen, vooral de doordringende in den toon, vastgesteld door middel van een wigvormig gesneden stukje hout inde scheur te plaatsen, zoover als de wand gelijke dikte beeft. De randen vvoiden zoodanig bewerkt dat de scheur binnen wijder is dan buiten, waardoor de wig goed vast zit; zij kan ook door nieten worden vastgehouden.

Om de scheuren vrij te leggen van bet ijzer, zal men bij toonscheuren de lip in den toon doen vervallen, maar twee zijlippen aanbrengen, en het hoorn van den draaprand aan beide zijden van de scheur halvemaanswij/.e wegsnijden.

I' ig. 42. I'estaat er een doorloopende

zijscheur, dan legt men den draag-rand van het onderste einde van de scheur vrij. tot aan de plaats, die loodrecht onder het bovenste einde ei van is gelegen.

Dij kloiinscheuren m de zij- of vei/j'iigedeelten denkt men zich de scheur tot aan den draag-rand doorloopende in de l ichting Beslag IjiJ draagrandscheur. der hoornpijpjes, en handelt als vóór; Iegelijk maakt men aan het ondereinde van de scheureene insnijding, om liet verdere splijten tegen te gaan.

ocr page 108

96

Men maakt gebruik van een gewoon, en meer nog van een gesloten ij/er of' afgebroken balkijzer; daar lioefbnffers de dracht op zooi en straal overbrengen, zijn zij soms ook bruikbaar.

De stennsels kunnen ook inscheuren. Men zal de scheurranden zooveel mogeliik wegsnijden en een gesloten ijzer onderleggen, dat de stennseis en den wand aldaar vrij van drukking houdt.

Bij draagrandscheuren moet vooral de aanleidendeoorzaak worden vermeden, zooals zware nagels en slecht geplaatste gaten in de ijzers. Men neemt van den dr.iagrand in de omgeving van de scheur een gedeelte weg om het dragen tegen te gaan en brandt of __/ t; /

snijdt aan het einde van de

scheur in den wand eene rondo «eslag bij zij- en kroonscheur.

verdieping of dwarse sleuf, om het verdere splijten naar boven te beletten.

Vóórdat men tot een der voorgenoemde handelingen bij hoorn-scheuren overgaat, dient men zich goed te overtuigen, of er vuil in de scheurranden aanwezig is, of wel een gedeelte der hoef-lederhuid is ingeklemd of verzwering bestaat, wijl door nalatige behandeling hevige kreupelheid kan ontstaan.

DE HOOBNKLOOF.

Dit is eene storing in den samenhang van den hoornwand, waardoor de hoornpijpjes dwars zijn doorgescheurd, floornkloven komen bij voorkeur aan den binnen zij- en toonwand voor, tengevolge van het indrukken door kalkoenen of door iiet winter-beslag. Ook bij verzweringen b.v. steengallen, is de verbinding van den hoornwand met den vleeschwand opgeheven, waardoor het hoorn droog en broos wordt en gemakkelijk inscheurt De hoefsmid zal do randen afronden, vooral het voorste en achterste einde er van, om verder splijten te voorkomen. Elke dracht of drukking dient te worden vermeden, door den draagrand niet op het ijzer te doen dragen; daar mogen nok geen nagels worden ingeslagen. Is de kloof laag afgegroeid, of breekt het hoorn af, dan wordt liet losse stuk verwijderd, de plaats goed zuiver gemaakt en dan of open gelaten of met kunsthoorn opgevuld.

Fiquot;. 43.

ocr page 109

97

DE LOSSE EN HOLLE WAND.

Indien de verbinding van wand en zool m de witte lijn is opgeheven dan heel dit losse wand.

Dit gebrek komt voor aan de voorhoeven, vooral als deze wijd zijn; maar ook bij volhoeven, klemhoeven, scheeve en kromme hoeven ; bij droogheid van het hoorn, bij verbranden dooi' heete ijzers; ook tengevolge van veel vervveeken tier hoeven, waardoor de witte lijn later zeer droog en murw wordt.

Is de verbinding diepgaande gestoord, dan kan kreupelheid intreden wegens aandoening dei- hoellederlund.

De verbinding tusscheu wand en zool mag niet worden verzwakt; het beste ijzer is het gesloten ijzer. Men zorge, dal de buitenste omvang der zool vooral mededraagl; soms kunnen zijlippen aan het ijzer worden gebruikt.

Is het losse gedeelte klein in omvang ol' is de plaats pijnlijk, dan wordt dat gedeelte vrij van drukking op het ijzer gehouden.

Holle wand. Hierbij is de verbinding tusscheu den hoorn- en vleeschwand opgeheven. Ue vleeschwand is hierbij niet bloot, maar steeds be,dokt met eene hoornige laag. Do wand kan soms over een groot gedeelte van den hoef hol zijn, zelfs kan de storing zich tot bijna aan den kroonrand uitstrekken. Doven het losse gedeelte is de wand somwijlen gewelfd. Is dit sterk, dan kan de holle klank bij de beweging worden gehoord; steeds verneemt men dien, wanneer door middel van een sleutel of een dergelijk voorwerp op den hollen wand wordt geklopt.

De witte lijn is niet aanwezig, daar de wand voor een grooter of kleiner gedeelte van de zool is gescheiden; men kan van daar uit de hoogte en uitbreiding dei holheid onderzoeken. Het komt intusschen ook voor dat in de holle, ruimte drooge kruimelige hoornmassa's aanwezig zijn.

In vele gevallen is dit gebrek niet hinderlijk voor de beweging; intusschen ontstaat toch wel eens kreupelheid.

De reden van het ontstaan van een hollen wand is niet altijd bekend; in vele gevallen is hij blijkbaar het gevolg van eeneont steking van den vleeschwand en de vleeschkroon, zooals dit bij hoefbevangenheid is opgegeven.

Behandeling. Het holle gedeelte mag niet op het ijzer dragen ; daarom is bij eenige uitbreiding van het gebrek een gesloten ijzer aan te bevelen. De beste wijze om zeker herstel te verkrijgen, is het insnijden van een sleuf in den hoornwand boven de holle ruimte, en wel tot op het leven, namelijk daar, waar de verbin-

ocr page 110

98

ding zuiver en goed is. Hot nagroeiende hoorn van den wand verbimlt zich dan gewoonlijk met de hoellederlinid, en krijgt ook eene betere richting. Indien later het holle wandgedeelte inscheurt, los wordt ol anderszins hinderlijk is, kan het worden verwijderd, en al of' niet. de rniinte met kunsthoorn worden opgevuld, liet losse gedeelte kan ook onmiddellijk geheel verwijderd, en van kunsthoorn worden voorzien. Kr verloopt hij eeuigszins hoog gaanden hollen wand veel tijd, tot de nieuw gevormde wand omlaag is gekomen; dit hangt, behalve van de hoegrootheid der holheid, ook at' van den snelleren of lang/ameren groei van het hoorn.

In de eerste dagen dat de sleuf is ingsneden, of de wand is verwijderd, kan do hoef soms gevoelig, en daarom rust nood.ig zijn; dit verandert evenwel spoedig, en dan kan de patiënt daaraan lijdende weer dienst doen.

DE ROTSTRAAL.

Is de straal ingescheurd en vindt men in deze kloven een stinkend vocht dan is rotstraal aanwezig. In het begin is gewoonlijk de middelste straalgroeve alleen aangedaan, later kan de geheele straal ziek worden. Genoemde kloven in de straalschen-kels gaan dikwijls op de deklaag van den hoornwand over ten gevolge waarvan aan dezen oppervlakkige groeven (ringen) ontstaan, verloopende in de richting naar den kroonrand. In sommige gevallen reikt zoodanige groeve ook werkelijk tot in den kroonrand en veroorzaakt daar eene ontsteking van den vleesch-zoom, waardoor eene geneeskundige behandeling van dezen noodzakelijk wordt.

Door het opheffen van den samenhang van den hoornstraal. wordt deze dikwijls kleiner, en als gevolg daarvan ontstaan nauwe en scheeve hoeven.

Rotstraal ontstaat tengevolge van onzindelijkheid in de stallen, vooral bij weinig beweging der paarden; door slecht beslag ol' slechte bewerking van den hoef. Verzwakken der achterste helft van den hoef, wegsnijden der straalschenkels doen den straal vuil worden of wel inkrimpen of indrogen, vooral als de ijzers van kalkoenen zijn voorzien, zoodat de straal den bodem niet kan raken. Zelden gaan paarden aan rotstraal kreupel; een stramme gang is evenwel dikwijls het gevolg.

ocr page 111

99

Behandeling. Veel en langdurige beweging, waarbij de straal op den bodem komt Daarbij liet gebruik van opdrogende en bederfwerende middelen, waaronder teer en carbol; in sommige gevallen onbeslagen laten der hoeven, o(' wel het onderleggen van halvemaansijzers.

Bij gelijktijdig bestaande klemhoeven kan een der daarbij opgegeven wijzen van behandeling in toepassing komen.

ocr page 112

•. Bij den uitgever tos is mede verschenen en wordt in aansluiting op lt;lit werkje aanbevolen :

De Beweginpofganen van het Paaid,

Beknoptehandleiding

tot de leer der spieren eu hare werking. MET 6 GEKLEURDE PLATEN.

DOOK

.1. li. H. MOUB1S,

Paardtmns IsU Uquot;quot; *9 d' W » WmidsC'mL

Prys ƒ 1.50*

ocr page 113

1

■■ Qmflft- ■ - gt; ■

......

.

■

.

ocr page 114

1

,

-

/

I

I

ü ■

ocr page 115

|

HM|' MHM

iwi H

...

H

HHI

.....

m

..... ■ . :',, ■

'

-V ; •

ocr page 116