IEY11 PIJLEI
IN
B MET yill HET iMAIDE,
DOOK
NAPOLÃON ROUSSBL.
UIT HET F E A N S t? H V V. R T A A L D.
MIDDELBURG,
F. P. D'HUIJ. 1889.
jSo
*amp;)en -bezel's (^e/icrc/e en QJrec/e /
Het Bestuur van het Gereformeerd Traktaatgenootschap âFilippusquot; beveelt dit. werkje van Nap. Roussel ter lezing en verspreiding aan.
Rome blijft Rome, de valsche Kerk, die aan hare leeringen en inzettingen het G-oddelijk gezag toekent, dat alleen Gods Woord heeft en hebben kan, en die de erkenning daarvan eischt van ieder en allen.
Rome werkt openbaar en in stilte voort, ook in ons land. In alle kringen tracht het zich te nestelen en tot invloed en heerschappij te komen. Vooral door kerken en scholen, en in de latere jaren ook door de pers.
Tegen Rome, en tot redding van roomschen en andere bijgeloovigen en ongeloovigen is slechts één wapen krachtig. Alleen âhet Zwaard des Geestes,quot; hetwelk is Gods Woord, Eph. 6 ; 17.
Alle woord en schrift, die tot bestrijding van de leugen, de zonde, de wereld, de valsche kerken en secten en richtingen i. é. w. van Satan, de oude slange, bruikbaar zullen wezen, moeten genomen zijn uit de onfeilbare Schrift, het eenige en algemeene broodhuis en wapenhuis der waarheid, des Geestes. Dan kunnen zij ook dienen tot verbreiding der ware leer, tot verlichting en zaligheid der menschen. Want van zulke gesproken en geschreven woorden wil God, die de dooden levend maakt, zich bedienen.
Rome maakt zich in alle landen op tot den strijd voor den Paus en zijn wereldlijk gezag. Wat daarvan de gevolgen zullen zijn, behoeven wij niet te gissen. Jezus Christus, de Heere, regeert, en niet Rome's priesterschap of Paus. Doch wij hebben naar de behoefte onzer dagen te getuigen, zonder terughouding en zonder vreeze, in de kracht en met de waarheid van God, den Vader en den Heere Jezus Christus en den Heiligen Geest.
Dit boekje, door âFilippusquot; van den uitgever Kemink amp; Zoon gekqcht, bij wien het in '53 verscheen, is nog niet verouderd.
4
Het Bestuur neemt niet elke redeneéring voor zijne rekening, acht niet elk betoog van groote of even groote kracht. Uit den aard der zaak zoeke niemand in zulk een boekje het kenmerkend gereformeerde; ieder toetse al wat hij leest en ook dit werkje aan de H. Schrift, en vergelijke het met de Ger. Belijdenis. Doch wij geven het uit, omdat het in zijn geheel, door inhoud en vorm, zeer geschikt is om ook den minkundige helder in te lichten aangaande Home's verderfelijke dwaalleeringen en kerkpraktijken. Omdat het aan zijn titel beantwoordt: âZeven pijlen in het hart van het Romanisme.quot;
Zegene de Schoonste aller menschenkinderen, de koning van Sion, deze âscherpe pijlenquot; Ps. 45 ; 6, voor vele roomsche en niet-roomsche medezondaars, medegedoopten, medereizigeis naar den rechterstoel van Christus. Opdat zij in dien Rechter nog in dit leven â want na den dood is er geen redding meer â hunnen Redder en Zaligmaker vinden!
Mei 1889. Het Bestuur van âFILIPPUS.quot;
VOORWOORD VASTDEN VERTALER.
Mogen deze pijlen, als in het voorbijgaan geschoten, menig hart tot nadenken brengen, van dwaling overtuigen, en door Gods genade leiden tot een biddend onderzoek dier waarheid welke wijs maakt tot zaligheid door het geloof in Jezus Christus. Wij wenschen daarom dit werkje, over welks verbreiding wij ootmoedig den goddelijken zegen afbidden, niet slechts in handen onzer geloofsgenooten, opdat zij daardoor te meer hunne voorregten leeren schatten, en met vrijmoedigheid rekenschap geven van de hope die in hen is ; maar ook en vooral in handen onzer dwalende medechristenen, opdat ook onder hen door dit eenvoudig middel nog menigeen worde overgebragt uit de duisternis tot het wonderbaar licht van het Evangelie des vredes, en zijne knie leere buigen voor den éénigen Naam, onder den hemel gegeven, waardoor zondaars moeten zalig worden.
Utrecht,
September 1853.
ZEVEN PIJLEN
IN HET 'ÃIART VAN UET ROMANISME.
Een Protestantsch boek, door een' Franschman in het buitenland uitgegeven, herinnert dat niet de eeuw van Lodewijk XIV? En echter zija â wij ia 1853! Vier en zestig jaar na 1789; drieen twintig na 1830; en reeds meer dan vijf na Februarij 1848!
Deze eenvoudige opmerking zoude genoegzaam zijn om dit geschrift te rechtvaardigen; maar de schrij ver gelooft niet deze rechtvaardiging noodig te hebben. Hij meent te kunnen volstaan met te verklaren, dat in zijne oogen het (lioomsch) Katholicisme de bron is van al de rampen, die sedert eeuwen zijn vaderland en de Christenheid geteisterd hebben, en dat het daarom een heilige plicht is met volstandigheid tegen Rome te strijden. Ditmaal heeft hij slechts lichte pijlen geworpen, even spoedig geschoten als uit den koker te voorschijn gehaald; maar weldra hoopt hij tegen deszelfs verouderde muren een'magtigen stormram op te richten, waaraan hij sedert jaren arbeidt. Dit werk, uitgebreid genoeg om twee groote boekdeelen te beslaan, in genoegzaam bezadigden geest geschreven om in Frankrijk het licht te zien, en meteenen ernst om zelfs zijne tegenstanders tot nadenken te brengen, zal tot titel voeren ; De Katholieke volken vergeleken met de Protestautsche, in de drie derlei betrekking van WELVAART, VERLICHTING en ZEDELIJKHEID.
I.
SLECHTE GOEDE WERKEN.
Wanneer men de verschillende geloofabelijdenissen, die er in de wereld zijn, aandachtig nagaat, zal men daaruit zien dat, om den mensch ten hemel op te leiden, allen een' van deze beide wegen voorstellen: óf de werken des menschen, óf de genade van God. Welke ia van deze twee wegen de goede, de ware? want beide kunnen niet. waar en goed zijn, daar zij in tegenovergestelde richting loopen. Ik weet, dat men deze twee stelsels tot een enkel heeft willen brengen, maar dat is louter onzin en niets meer; Panlus zegt: Indien het uit genade is, dan is het niet meer uit de werken, of wél genade zou geen genade meer zijn; en indien het uit de werken is, dan is het niet uit genade, of de werken zouden geen werken meer zijn. Als men meent, dat de werken voor een gedeelte 's menschen zaligheid moeten te weeg brengen, en Gods genade het ontbrekende aanvullen, antwoord ik, dat dit toch altijd eene zaligheid zoude zijn uit of door de werken, werken minder talrijk en gemakkelijker, maar toch werken die, zoo zij ontbreken, de genade ongenoegzaam doet achten, tenzij men zegge, dat de genade overvloediger wordt, naarmate
8
de werken schaarscher zijn, totdat zij ze eindelijk allen geheel vervangt â hetgeen op het andere stelsel van de volstrekte genade zoude neerkomen. Ik herhaal het dus ; de beide stelsels zijn onvereénigbaar; de zaligheid moet óf uit genade óf uit de werken zijn. En waaruit dan? Hier zou ik de redenen kunnen aanvoeren, welke men van weerszijden opgeeft ; maar misschien zou dit geen ander gevolg hebben dan de vastere overtuiging dergenen, die reeds overtuigd zijn. Ik wil dan een' anderen weg inslaan, en u de waarheid van een der beide stelsels aantoonen door de onwillekeurige getuigenis der aanhangers van het daar tegenover staande stelsel. Ja, ik wil de leer der genade rechtvaardigen door degenen, die door de werken willen zalig worden. En nu, wat is een goed werk? Indien ik mijn geweten raadpleeg, de stemme Gods die in mij spreekt, dan zegt het mij, dat een goed werk eene daad is, welke anderen ten goede komt, en waarbij men zijn eigen belang niet op het oog heeft. Inderdaad, eene opoffering uit ijdelheid of baatzucht, is geene opoffering. Tot een goed werk behoort zoowel de zuivere bedoeling als de belangelooze daad. Zoo begreep het ook de apostel, als hij sprak; âAl ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zoude worden, en had de liefde niet, zoo zoude het mij geene nuttigheid gevenquot; (1 Kor. XIII ; 3). Zoo begreep het ook onze Heere Jezus Christus, als Hij met het oog op de Parizeën sprak: â Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere! Heere! zal ingaan in het koninkrijk der hemelen; maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is (Matth. YII : 21), Daarenboven, zijn wij zeiven niet van nature geneigd, de inzichten te peilen dergenen, die wij zien handelen?
9
En nu, waar zijn de menschen die altijd het goede doen met goede oogmerken? Zien wij niet overal Parizeën, de zoodanigen aan hunne gastmalen noodigen, die het hun kunnen wedergeven? overal tollenaars, liefhebbende degenen, die hen liefhebben? overal krijgslieden, die hun vaderland redden ten koste van een' troon? overal wijsgeeren, die der nakomelingschap hunne werken en hunnen naam nalaten? overal philan-thropen, die eerst na hunnen dood gestichten van weldadigheid of godshuizen laten oprigteu ? Dat valt als van zelf in het oog; niemand verwondert er zich over; men neemt zelfs niet altijd de moeite om zulk eene handelwijze te bedekken. En wat zou men al niet ontdekken, indien men de harten konde doorgronden, met luider stemma de stille berekeningen van zoo veel weldoeners herhalen, en de schandelijke beweegredenen aan het licht brengen, die op den bodem der ziel verborgen zijn! Helaas! daartoe is slechts noodig tot zich zeiven in te keeren. Dat een iegelijk zich zeiven nauw beproeve, en het zal niet noodig zijn, dat ik mij lang met de staving dezer treurige waarheid ophoude: De meeste menschen zijn over zich zeiven tevreden, om de eenvoudige reden, dat zij weinig acht geven op de beweegredenen waardoor zij worden gedreven, en veel letten op de uitkomsten waartoe zjj geraken. Zij bekommeren zich weinig over de zuiverheid der bron, als slechts haar onzuiver water den grond vruchtbaar maakt, dien het besproeit.
Hij, die zulke in de oogen der wereld schitterende werken volbracht, kon zich niet ontveinzen wat zij in den grond gebrekkigs hadden; maar het was hem onmogelijk beter te handelen, en echter wilde hij van eigene verdienste niet afzien. Daartoe was slechts noodig: zijn geweten beneden zijn
10
gedrag te verlagen, het goede anders te bepalen, zich meer over het werk zelf en minder over de bedoeling te bekommeren. Als men altijd zijn hart moest onderzoeken, zegt de mensch bij zich zeiven, zou men er slecht bij staan, en niets ten uitvoer brengen; daarbij zou dit oen onverdragelijke last zijn. Maar ia toch eigenlijk het werk niet het voornaamste? verlicht het niet den ongelukkige? en doet eene heilige, ofeene hoogmoedige bedoeling wel iets aan het gevolg af? worden niet in beide gevallen de arme en de kranke ondersteund en verlicht? En de maatschappij zelve, die er belang in stelt dat de werken in het groot en bij menigte geschieden, hetzij dan do bron zuiver is of niet, trad als het ware met het menschelijk hart in verbond. Zij roemde de daden, de aalmoezen, de offers, waarmede zij haar voordeel deed, en de mensch, toegejuicht door de maatschappij, geraakte des te vaster in deleer: de daad is het voornaamste; laat ons niet naar den aard der bedoeling vragen; â en ziedaar de eerste mindering in de bepaling van goede werken, hunne eerste verlaging. Nu zijn wij aan de stoffelijke daden gekomen; maar ook deze behooren in allo deelen der wet vervuld te worden. Niet alleen mag men niet dooden, uiet stelen, niet liegen, maar men moet tevens rechtvaardig en milddadig zijn; â neen, zulk eene volstandige waakzaamheid over allo daden des levens scheen weldra dea mensch ondragelijk en verplettend. En daar ieder zijne neiging tot een' geliefkoosden hartstocht had, meende ieder dat zijn hartstocht het meest verschoonbaar, en die van anderen het strafbaarst was. Uit de goede werken, die er te verrichten waren, zeide hij tot zich zei ven, kon men immers kiezen, het eene wat meer en het andere wat minder doen, het eene het andere laten vervangen, de aalmoezen, die den armen ten
11
goede kwamen, verdubbelen, terwijl mea zich zeiven eeoige meerdere vrijheid gunde ten aanzien van neigingen, die bij slot van rekening niemand schaadden. Ieder noemde deugd bij uitnemendheid, die deugd, welke hij meende te bezitten ; belaas! zijne schitterende ondeugden werden zelfs met den naam van deugd bestempeld. De taal der vertchillende volken ec onderscheidene eeuwen draagt in de hartstochtelijke meening de sporen dezer veranderlijkheid. Zoo bestond de deugd bij de oude Romeinen in krrjgsmoed; voor hunne opvolgers, de Italianen, is de virtuoze een eenvoudig muziekant of toonkunstenaar ! Op het platte land noemt men eene vrouw deugdzaam als zij hard werkt, en in de steden als hare zeden on-bewspel^k zijn. Ga tot de Mahomedanen in Azië, en do deugd bï uitnemendheid zal do gastvrijheid zijn van een enkel uur, gevolgd door een eeuwigen haat! ga naar Corsika en deugd is de wrake, die zich voortplant van ouders op kinderen! Z»o neemt een ieder aan wat hem bevalt, en verwerpt wat hem mishaagt. Hij verandert eigendunkelijk Gods wet naar zijn hart, past ze op zijn leven toe. en noemt zich dan deugdzaam ! Verkrachting der wet, verarming der goede werken, tweede bewijs dat degenen, die door de goede werken willen behouden worden, er niet toe zullen geraken, en tot de genade hunne toevlucht zullen moeten nemen.
De mensch zoo ver gekomen dat hij de bedoeling der daad niet meer achtte en uit de goede werken eene keuze voor zich deed, had nochtans ook zedelijke plichten te vervullen. Zij waren zwaar, men vervulde ze niet altijd, en niettemin wilde men zelf de verdienende oorzaak blijven. Men moest dus op ieta anders bedacht zijn. Daar de zedelijke daden ook waar men eeniglijk op het werk zelf lette, het harte moeite kostten,
12
begreep men dat de m jeice, welke zij veroorzaakten, der Godheid aangenaam was, en dat zij des te verdienstelijker waren naarmate zij meer vermoeiing en inspanning vorderden : lijden scheen dus het voornaamste. En zoo ver gekomen zijnde, was er nog slechts ééne schrede te doen om in eenen afgrond te vallen. Eerst zeide men : het verdienstelijk werk is moeilijk, en nu kwam men er toe om te zeggen: het moeielijk werk is verdienstelijk, leggen wij oas zeiven dan lijden op; beminnen wij de rust ? laat ons bedevaarten doen ; houden wij veel van een goed en lekker leven ? laat ons vasten en allerlei ontbering ons getroosten; hebben wij een' afkeer van smart? leggen wij ons dan lichamelijke kastijding op. Dat men mij wel begrijpe ; het is geene bijzondere kritiek van het Katholicisme, die ik hier houd. Neen, ik spreek van de menschheid m haar geheel. Zie eens, of gij niet op verren afstand wcder-vindt, wat gij hier in uwe omgeving ziet.
Gij hebt rondom u kloosters voor mannen en vrouwen; lees de berichten der Jezuiten in China, en gij zult in het hemelsche rijk kloosters voor vrouwen en mannen wedervin-den. Gij zult er vasten, processiën en aflaten wedervinden, en wel zóó, dat de kerkvaders oordeelden, dat het 't best ware tot deze heidenen te zeggen, dat zij dezelfde godsdienst als de Katholieken hadden, dat zij Jezus vereerden zonder het te weten, en dat het voldoende zou zyn den naam hunner godheid te veranderen, en tevens het gezag van zijn' Stedehouder te Eome te erkennen. Zie, in de eerste tijden van het Katholicisme, kluizenaars twintig jaren op een' zuil doorbrengen, en vergelijk ze met Fakirs, bij de Boudisten, die zoo langden arm uitgesterkt houden totdat dezelve verdord nedervalt; zie onder u Katholieken, die de twaalf statiën van den kruisberg
13
op hunne knieen afleggen ; maar zie ook ginds de heidenen die nog beter, of liever nog erger doen, want zij doorloopen uren afstands niet zich bij afwisseling ter aarde te werpen en weder op te richten, om op die wijze een langen pelgrimstocht te maken. Hier vast men de veertig dagen voor Paschen ; ia Turkije vast men gedurende de veertig dagen van Ramadan ; maar dat vasten is vrij wat zwaarder, want men eet slechts eenmaal in de 24 uren. Is dit genoeg? Neen, in Indië vast men totdat de dood er op volgt. Gij meent al veel te doen; als gij een boetkleed draagt en uzeiven tuchtigt; misleidu niet, hebben niet de heidenen door alle tijden heen hetzelfde gedaan? en in onzen tijd ziet men de aanbidders van Juggernouth hunne armen en beenen onder den zwaren afgodskar uitstrekken, om ze te laten verpletteren ; zij steken een' ijzeren haak in het lichaam, en hangen zich daarmede op. Dat moet nu verdienstelijk lijden heeten, ziedaar nu het gestrenge en aan zich zelf getrouwe Katholicisme! â¢Gij ziet, het is altijd en overal de lichamelijke smart, die voor het zedelijk werk in de plaats gesteld wordt En hoe is men aan deze leer gekomen ? door het vurig verlangen om zich ten koste van smart en lijden de vrijheid te koopen om zijn' hartstocht onbelemmerd te volgen. Yan daar de vastenavondvreugd door de vasten gevolgd; van daar in Italië die roovenjen, waarvan men de heilige Maagd de tiende geeft; van daar dat men zich op strenge vastendagen soms nog meer te goed doet dan op sradere; van daar bedevaarten om hersteld te worden, zonder den geneesheer te betalen. Van daar duizend min of meer vernuftige wijzigingen van het lijden of de smart, om meer deugdzaam te schijnen of den losprijs te betalen voor begane of nog toekomstige misslagen! Nieuw bewijs, dat de mensch zich onbekwaam gevoelende
14
om in waarheid goede werken te doen, nog een trap lager afdaalt, en er het lijden voor in de plaats stelt. Nieuwe schrede achterwaarts, nieuwe verlaging. Is dat nu alles? neen, luister slechts.
Die goede werken bleven tech moeielijk; men heeft een middel gevonden om ze gemakkelijker te maken. In plaats van de:i mensch tot hen op te leiden, heeft men hen integendeel aan den mensch onderworpen, en de godsvrucht gemakkelijk gemaakt:, is geene nieuwe uitdrukking in het Katholicisme. Valt u het vasten te moeielijk en hard ? betaal slechts, en gij zult er van ontslagen zijn. Houdt gij niet van die bepaalde vastendagen? betaal maar, en gij kunt gebruiken wat gij wilt. Zijn u. . . . Maar ik houd hier op, anderszins mocht het schijnen, oat ik eene bepaalde leer beaoele, terwijl ik eene algemeene dwaling bestrijd. Want meen niet, dat er slechts ouder ons gemakkelijke goede werken bestaan. !Neen, men vindt in Algerië, Bedoumen met een' rozenkrans in de hand; te Kaïro, Mouphtis die tien duizend maal den naam van God in één uur herhalen; op zekeren berg in Indië, een cylinder vol geschrevene gebeden, die door eene wiek van eene windmolen in beweging worden gebracht. Misschien begrijpt gij niet wel waartoe dit laatste werktuig dient. Weet dan, dat de heidenen hunne gebeden door den wind laten opzeggen, en daarvoor de volgende reden bijbrengen: hetgeen Gode behaagt, is het geluid der lippen, de veelheid der woorden. Daar nu de wind het werktuig in beweging brengt, dat op zijne beurt de gebeden doet ronddraaien, veroorzaakt dit een den Heere recht aangenaam geluid ! Gij glimlacht uit medelijden? En is het eigenlijk niet hetzelfde als die talrijke, werktuigelijke latijnsche gebeden, welke niet eens verstaan
15
worden? Is het niet altijd eene koude verrichting, waaraan het hart volstrekt geen deel neemt? Zou het niet even goed zijn, als men honderd duizend rozenkransen door een stoomwerktuig in beweging bracht? Het is zoo waar, dat die roomsche gebeden zonder geest of leven zijn, dat men ze als straf oplegt! â Als straf! welk eene verschrikkelijke omkeering van het Christendom! uit. straf bidt men tot God ; uit straf vraagt men Hem om Zijnen zegen; uit straf roept men weldaden over zich in! Zoo is dau het gebed geen voorrecht meer, maar een last. En men maakt zich eene verdienste uit eene daad, die van onze onwaardigheid getuigt! Ziedaar nu een' bedelaar trotsch, omdat hij de hand uitgestoken heeft! â Is dat de onderste trap van verlaging? Neen.
Men moest nog ééne trede afdalen om de werken te vernietigen, â en men keeft het gedaan. Gebeden opzeggen, boete doen, vasten, was, zoo al niet moeilijk, ten minste ververvelend; nu bedacht men, zich geheel en al van die zorg te ontslaan door ze aan anderen toe te vertrouwen, en men liet goede werken voor zijne rekening bij wijze van procuratie verrichten! Menschen, die daartoe verordend en erkend waren, belastten zich hiermede, en boden hunne smarten en opofferingen hunne bederaarten en gebeden een' iegelijk aan, die er slechts voor betalen wilde. Zij eigenden zich het fonds der verdiensten van alle heiligen toe, en daaruit zonder geld puttende, zeiden zij tot het volk: Ivomt tot ons, wij zullen u goedkoop bedienen! â Maar laat ons do vrage naar geld, die op den uitvoerder betrekking heeft, daarlaten, bepalen wij ons eeniglijk bij het verkregene: de mensch zich al meer en meer onbekwaam gevoelende om eenig goed werk te doen, zelfs wanneer het hem gemakkelijk gemaakt wordt, is er toe ge-
16
quot;komen om het voor zich door anderen te laten verrichten. Van daar die pelgrims, die voor andere Muzelmannen naar Mekka gaan; vandaar priesters, die de mis lezen,onverschillig tot welk oogmerk, als er slechts voor betaald wordt. Wat blijft er nu van een goed werk over? Erkent men niet de noodzakelijkheid der genade door hetzelve alzoo volkomen te vernietigen ?
Hetgeen wij zoo even gezegd hebben, geldt niet slechts de Katholieken, maar ook de voorstanders der natuurlijke godsdienst. Ook zij verkrachten de zedelijke wet, ook zij veranderen die eigendunkelijk, totdat er niets van overblijft. Dezen verminderen de plichten, die wij Gode schuldig zijn, en zeggen: âDe Heer heeft immers ons en onze aanbidding niet noodig ?quot; Grenen verminderen de plichten jegens zich zeiven, en zeggen: âWat geeft de wereld er om, hos ik voor mij zeivenen met mijn goed doe, als ik maar het leven ende bezittingen mijner broeders eerbiedig?quot; Eindelijk zijner anderen, die zich achter deze milde en gemakkelijke zedeleer verschuilen : âIk hebniet gestolen of gedood;quot; men zou kunnen antwoorden; Daa behoeft gij ook niet naar de galeijen gezonden of opgehangen te worden! maar niet gestolen of gedood te hebben, is dat de eeuwige zaligheid verdienen?
Voorts, wanneer Katholieken en de wijzen dezer wereld gedwongen worden zich te verklaren, stemmen zjj eigenlijk met ons in. De eersten zeggen: Jezus Christus is onze Zaligmaker, en de anderen voegen er bij: De Schepper is toegevend; hetgeen dan eindelijk hier op nederkomt, dat allen hunne toevlucht nemen tot de genade, even als wij zeiven.
Welnu, zal men tot mij zeggen, wat wilt gij dan, daar wij het toch inden grond ééns zijn? Welk is het onderscheid ?
17
vraagt gij. Ik zal het u zeggen. Terwijl gij de zegeningen der genade over u inroept, behoudt gij den hoogmoed der verdiensten. De vergeving door Christus is voor u een toevoegsel, een aanvulsel; en gij blijft er niet minder tevreden om over u zeiven, dat wil zeggen, gij wilt te gelijkertijd het genot der goddelijke genade en den roem uwer eigene werken, gij wilt de zaligheid door Jezus Christus, zonder Hem daarvoor dankbaarheid schuldig te wezen en zonder u te verootmoedigen ; terwijl de Christen, die om vergeving smeekt, tevens belijdt dat hij een zondaar is, diep schuldig en bedorven, der verdoemenis waardig.
Gij vraagt, welk het onderscheid is tusschen u en ons ?_
Het is het onderscheid tusschen dien Farizeer aan de eene zijde, vastende tweemaal ter week en gevende tienden van al wat hij bezat, maar zoo trotsch op al deze werken, dat hij de menschheid er om veracht, en zegt : Ik ben niet gelijk de andere menschen ! â en aan den anderen kant, dien tollenaar van verre staande, die ook zelfs de oogen niet wilde opheffen naar den hemel, maar op zijne borst sloeg, zeggende: âO God! quot;Wees mij zondaar genadig!quot;
â Het is het onderscheid tusschea den verloren zoon, die in het vreemde land zijne goederen doorbracht, maar tot zijnen vader wederkeerde en zeide : âIk ben niet waardig uw' zoon genaamd te worden; maak mij als een'van uwe huurlingen,quot; en zijn' oudsten broeder, voor wien alles in de vaderlijke woning ten beste was, maar die met het oog op de erfenis zich een bokske ontzeide om zich met zijne vrienden te vermaken, â die zijnes vader verweet, dat deze het hem niet aangeboden had, â die zich ergerde over het wangedrag zijns broeders, en veelmeer nog over de uitgaven, welke diens weder-
18
komst veroorzaakt had, â en in zijn' eigenwaan zoo verre ging, dat hg de teedere liefde en gezindheid eens vaders jegens een' herouwhebhenden zoon openlijk berispte! â Het is het onderscheid tnsschen de twee moordenaren, die met Jezus gekruist waren. Met dezelfde misdaden beladen, bleef de een onboetvaardig en bespotte den Heiland, terwijl de ander zich diep verootmoedigde, zijne zonden beleed en tot Jezus zeide : âHeere, gedenk mijner !quot;
â Eindelijk, het is het onderscheid tusachen Simon den too-venaar en Simon Petrus; tusschen den toovenaar, die den Heiligen Geest voor geld koopen wilde, om Hem weder met winst te verkoopen, gelijk men overtollige werken verkoopt, en den apostel die zich, over dit voorstel van de genade te verkoopen, sterk verontwaardigde en antwoordde : âUw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt!quot;
In één woord, het is het onderscheid tusschen hoogmoed en nederigheid; wel een klein onderscheid in de oogen des menschen, die zich met den schijn vergenoegt, maar ontzaggelijk groot in de oogen van God, die de onsterfeljjke ziel, bestemd om eeuwig bij Hem te leven, doorzoekt en doorschouwt! Ook biedt het Evangelie den mensch eene zaligheid aan uit vrije genade, volkomen en zeker, waaraan de werken des menschen als verdiensten niets toe of afdoen.
Maar, zal men zeggen, wilt gij dan geene goede werken! Integendeel, het is juist omdat ik wezenlijk goede werken wil, dat ik aldus spreek. Gij, die den mensch vraagt goede werken te doen alvorens zijn hart vernieuwd is door de vreugde des eeuwigen levens, wat doet gij ? Gij vraagt een boom vruchten voort te brengen vóór hij nog geplant is, â terwijl
19
het Evangelie de liefde uitstort ia het hart uit dankbaarheid voor de zaligheid, en alzoo goede werken doet voortbrengen. Het Evangelie plant den boom met de wortels in den grond, en niet met de takken.
Daarenboven, wat heeft er plaats bij al die godsdiensten, welke op straffe van veroordeeling goede werken eischen ? Is het niet, dat zij werken uit vrees verkrijgen ?
Ja, de vrees, ziedaar de groote drijfveer in de valsche godsdiensten gebezigd om het goede te verwekken; de vrees, ziedaar het groote geheim van leugenpriesters om hunnen invloed staande te honden en huu vermogen te vermeerderen. Weet gij waarom men in de Roomsche Kerk de verzekering der zaligheid, welke het Evangelie predikt, veroordeelt ? Het is omdat men de vrees voor de hel bij den geloovige wil onderhouden en tot eigen voordeel aanwenden. Vraag, om u hiervan te overtuigen, aan Roomsche priesters, wanneer gij zeker kunt zijn ten hemel te gaan â en zij zullen u antwoorden: âNooit,quot; hoewel Paulus gezegd heeft; âIk ben verzekerd !quot; â Het is omdat Apostel Paulus tot de verzekering der zaligheid leidde al degenen, wier harte hij wilde verblijden en wier leven hij wilde heiligen, terwijl de Roomsche priesters de vreeze voor het vagevuur aankweeken, ten einde de gelegenheid te bekomen om er u voor betaalde missen van te verlossen. Indien zij, voor het minst, ons den duur van het vagevuur wilden bepalen ? maar neen, dan ware der vrees paal en perk gesteld en tevens een einde gemaakt aan de milddadige godsvrucht der bloedverwanten en betrekkingen, die hunnen doode beweenen. Als men u zeide; Het vagevuur zal voor uw vader millioen jaren duren, dan zoudt gij uwe weinige missen niet laten lezen, in de gedachte, dat haar kleine aantal
20
ze bijna nutteloos maakte. En als men u zeide: Het zal maar acht dagen duren, zoo zoudt gij ze evenmin laten lezen, omdat gij weder spoedig zoudt gerust gesteld zijn. Dus dienaangaande niets bepaalds, niets zekers, opdat men zoo lang mogeljjk zyn voordeel met u kunne doen. Alzoo, vrees gedurende het leven, vrees na den dood, altijd vrees. Ziedaar dan het grootste geheim van den priester, om valse he goede werken van den mensch te verkrijgen.
Integendeel is bet groote Godsgeheim om wezenlijk goede werken te verwekken, het geloof in den mensch te doen geboren worden, totdat de verzekering der zaligheid er op volgt; God verblijdt het harte, opdat er werken uit voortkomen, die blijmoedig en volvaardig worden verricht; Hij schenkt ons tevens vergeving, den Heiligen Geest, de eeuwige zaligheid, liefde, vrede, zegen en welvaart, opdat wij, door dankbare wederliefde gedrongen, ons gansche leven Hem 'zouden wijden, en dat niet uit berekening des verstands, maar uit vrijwillige overgave en besliste keuze des harten. Jezus zegt niet tot den moordenaar, die Hem bidt: Vrees, want gij moet door het vagevuur gaan; vrees, en laat missen lezen. Neen, maar Hij zegt tot hem; âHeden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.quot; â Hoort gij het? niet in het vagevuur, maar in het Paradijs! niet morgen, heden! En dit zegt Jezus niet aan een gering zondaar, maar tot een' moordenaar! Indien ' de Heere nu een berouwhebbend booswicht zoo op eenmaal in het Paradijs overplaatst, voor wie is dan het vagevuur bestemd? Zou het voor de heiligen zijn?
Ja, God wil dat wij ons volkomen op Zijne vrije genade verlaten, totdat wij van onze zaligheid ten volle verzekerd zijn. En daar Hij ons harte door de vreugde der dankbaarheid wil
21
vernieuwen, zoo schenkt Hij ons een goed, dat wij niet kunnen verliezen, een' Hemel, waaruit niemand ons kan verjagen, eene onuitbluschbare liefde, een leven zonder ophouden â en wanneer wij nu ten aanzien van het bezit dezer onverwelke-lijke en onverderfelijke goederen verzekerd zijn, zoo juichen wij met den Apostel: âWie zal ons scheiden van de liefde van Christus ? Niets of niemand ; want wij zijn verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere.quot;
En dat is de gedachte, die den vrede, de blijdschap des Christens uitmaakt; die hem staande houdt onder zijne pogingen tot heiliging zijns levens; het is de vaste overtuiging, dat God hem lief gehad en verlost, en tot een' erfgenaam der eeuwige zaligheid gemaakt heeft. Ook verricht zulk een Christen zijne goede werken in alle blijmoedigheid, of liever hij doet ze zonder er aan te denken, of ze in rekening te brengen, terwijl het hem hartelijk leed doet, dat hij er niet meer verricht, daar het een zalig voorrecht door hem geacht wordt, te streven naar gehoorzaamheid aan den wil zijns Gods. Het verlangen om goede werken te doen bezielt hem zoo geheel en al, dat^ hij niet meer zoo ziet op die hij volbrengt, maar slechts gevoelig is voor hun kleine getal en hunne onvolmaaktheid; zoodat de genade , waardoor hij den hemel deelachtig wordt, niet alleen goede werken in hem voortbrengt, maar ook en vooral die nederigheid, dien ootmoed^ welke hem dringt om in den arbeid des Heeren meer overvloedig te zijn.
22
O, diepe wijsheid Gods! die door de genade vaa de werken scheen te ontslaan, en juist door de genade den verlosten en geloovigen zondaar tot dezelve bekwaam maakt. O, wonderbare gedachten, die, gelijk Paulus zegt, nimmer in het harte van den natuurlijken mensch zouden zijn opgeklommen, maar die God door Zijnen Geest geopenbaard heeft dengenen, die Hem liefhebben.
II.
DE GEBEDELDE MIS.
Mevrouw Dorville, vroeger rijk en gevierd, thans arm en verlaten, en sedert eenige dagen weduwe, ontving door een' soldaat, die uit Afrika was teruggekomen, het bericht, dat haar eenige zoon door een' kogel op het slagveld getroffenen vervolgens door de Bedouïnen medegevoerd was, die hem ongetwijfeld verder met hunne moordpriemen hadden afgemaakt. Diep bedroefd over dezen dood, wilde de arme moeder eene mis laten doen, om de ziel van haar dierbaar kind te verlichten. Maar, helaas! zij was zoo arm, dat zij te nauwernood den geneesheer kon betalen, die haren echtgenoot bezocht had, en den priester die hom ter aarde had besteld. Nochtans, mevrouw Dorville vatte moed en ging den pastoor om raad vragen.
â Laat eene gebedelde mis doen, zeide deze tot haar.
â quot;Wat is dat?
â Hoor eens, als gij vermogend waart, zoudt gij eenige missen betalen, die voorzeker Gode aangenaam zijn zouden; maar u niet meer dan wat geld zouden kosten. Indien gij echter deze mis ten koste van een weinig schande verwerft,
24
zal zij nog veel wclbehagelijker in de oogen des Heeren zijn. Ga dan van huis tot huis, vraag ieder u een'stuiver te geven, en als gij er dan twintig hebt, breng ze mij dan en ik zal . het plechtig dienstwerk verrichten, om uw' zoon uit het vagevuur te verlossen. Dat is nu een gebedelde mis.
Het was de arme moeder maar te doen om de ziel van haar kind te verlichten, en daar zij gewoon was, het lijden als het middel te beschouwen om Gode te behagen, stemde zij gereedelijk met den priester in, en was te eerder besloten om zijnen raad op te volgen, naarmate dit werk hare eigenliefde moeielijker viel, en zij het daarom des te verdienstelijker achtte.
Zij begaf zich dan op weg om, stuiver voor stuiver, de-mis af te bedelen, die haren geliefden zoon uit het vagevuur moest redden.
Vóór wij verder gaan, zal het goed zijn te zeggen, dat een protestantsch zendeling zich sedert eenigen tijd in deze stad gevestigd had, dat hij er tegen de leerstellingen der Roomsche Kerk predikte, en dat de bevolking, weinig ingenomen met haren pastoor, toegesneld was om den nieuwen prediker te hooren. Den avond te voren had hij over het misoffer gesproken, zoodat zijne toehoorders heden het hoofd vol hadden met zijne bewijsredenen.
Mevrouw Dor rille schelde eerst aan bij den geneesheer.
â Ik bedel, zeide zij tot hem bij het binnentreden, eenc mis om mijn' zoon uit het vagevuur te halen.
â En wie zegt u, dat uw zoon in het vagevuur is?
â Wel, de pastoor.
â En hoe weet hij, dat hij niet in de hel is ?
â Goede Hemel! wat zegt gij daar?
â Nu dan, hoe weet hij, dat hij niet in den hemel is?
25
â Maar het is toch in allen gevalle altijd voorzichtiger de mis te laten lezen.
â Ik stem toe, dat het hem geen kwaad zal doen. Maar luister eens. Verleden jaar waren de landbouwers van Ville-franche zeer verlangend naar warm droog weder, opdat hunne granen mochten rijpen, en kwamen op de gedachte om tot dit oogmerk eene mis te laten doen. Denzelfden dag gingen de molenaars uit den omtrek den pastoor dezelfden dienst vragen, ten einde regen te bekomen die, door de vliet te doen zwellen, hunne molens in beweging moest brengen; de pastoor nam het geld der landbouwers en dat der molenaars aan, en zong twee missen, om te gelijkertijd regen en mooi weder te verkrijgen. Gelooft gij, dat God op deze twee oogmerken geantwoord hebbe?
Mevrouw Dorville begreep, dat zij niets vaa den geneesheer te verwachten had, en zonder zelfs op haar verzoek aan te dringen, ging zij tot den buurman.
â Is uw zoon gedoopt ? vroeg deze.
â Ja.
â En wat is de nuttigheid van den doop, volgens onzen pastoor ?
â Dat hij de zonden uitwischt.
â Goed. Maar laat mij u vragen, geloofde uw zoon in Jezus Christus?
â Ongetwijfeld, want hij was een Christen.
â En wat baat het in Jezus Christus te gelooven, altijd naar onzen pastoor?
â Dat wij door Hem de vergeving onzer zonden verwerven.
â Goed zoo; maar dan heeft uw zoon al tweemaal ver-
26
geving ontvangen; en zeg mij, heeft hij nooit vergeving (absolutie) bekomen als hij gebiecht had ?
â quot;Wel zeker.
â Dan heeft uw zoon al driemaal vergeving verkregen. En hij heeft immers ook het avondmaal genoten ?
â Hij heeft ten minste zijne eerste communie verricht.
â En wat leert onze pastoor van het nut dezer communie?
â Dat de offerande van Jezus Christus daardoor volmaakt wordt, die even als het overige onze zonden uitwischt.
Wel, dan is uw zoon al viermaal verlost. Heeft hij ook niet bij zijn sterven het laatste oliesel ontvangen ?
â Dat weet ik niet.
â Veronderstellen wij, dat het zoo zjj, naardien het heel wel mogelijk is, dan heeft uw kind al vijfmaal vergeving van zonden verkregen. En gij zoudt nog een mis laten lezen voor iemand, die al vijfmaal gered is ? Ziet gij niet, dat dit ongerijmd is, en dat indien één dezer zes middelen goed is, de vijf overigen niets te beduiden hebbeu? Geloof mij, of liever, geloof het Evangelie hetwelk ons leert: âdat wij zalig worden door het geloof in Jezus Christus.quot;
â Dus moet er dan maar niet gedoopt worden?
â Voorzeker; maar de doop is een zinnebeeld van de af-wassching onzer zonden door den Heiligen Geest; hij is niet de reiniging zelve.
â Men moet dan maar geen avondmaal vieren?
â Dat zeg ik niet; maar het avondmaal is voor de geloo-vigen, het is eene gedachtenisviering van den dood des Heeren.
En het is dan ook niet noodig van den priester vergeving te ontvangen ?
â Beter is de vrijspraak van God.
27
â En hoe deakt gij over het laatste oliesel ?
â De zalving des Heiligen Geestes ia veel beter. In allen gevalle er bestaat geen zesderlei zaligheid: de eerste in den doop, de tweede in het geloof, de derde in de biecht, de vierde in het avondmaal, de vijfde in het laatste oliesel en de zesde in de mis. Er is slechts één middel tot behoudenis, maar het is groot, heerlijk en algenoegzaam. voldoende voor u, voor mij, voor uwen zoon, voor de geheele wereld van den beginne tot aan haar einde.
â En welk is dat ?
â Jezus stervende aan het kruis voor de geloovigen.
â quot;Waar is mijn zoon dan ?
â In de hel als hy onboetvaardig, en in den hemel als hij geloovig gestorven is.
â quot;Wie komt dan in het vagevuur?
â Niemand.
â En waartoe dient de mis ?
â Nergens toe.
â Voor wie is zij dan ingesteld ?
â Voor de levenden, niet voor do dooden.
â Welke levenden?
â Ga dat maar eens aan onzen pastoor vragen. En hiermede groette de buurman van den dokter de weduwe, en vertrok.
â Met een' reeds langzamer tred kwam mevrouw Dorville aan de deur eens wijnskoopers. en vroeg hem, even als aan de anderen, een' stuiver om het lichaam des Heeren te laten offeren.
â Gij bedoelt het offer der hostie, niet waar ?
â Ja zeker; de hostie of Jezus Christus.
â Neen; de hostie blijft de hostie.
28
â Maar weet gij dan niet, dat het brood door een wonder in het lichaam des Heeren veranderd wordt ?
â Door een wonder, zegt gij; maar hoe weet gij, dat hier werkelijk een wonder plaats heeft ? Het brood behoudt immers den vorm van brood, de kleur van brood, het gewicht van brood en den smaak van brood ? Hoe zegt gij dan, dat het in het lichaam des Heeren veranderd wordt ?
â Het is ook een wonder, zooals ik u zeide.
â Zeg liever, dat het eene ongerijmdheid is. Indien het brood door de wijding des priesters van vorm, kleur, gewicht en smp-k veranderde, dan zou er een wonder plaats hebben. Maar neen, niets van dat alles. Hoe kan ik dan weten, dat er een wonder heeft plaats gehad? Zegt niet alles mij juist het tegendeel ? Indien de Heere een wonder verrichtte, trof dit wonder aller oogen: de kranken werden genezen, de dooden werden opgewekt. Het bewijs was daar; men had het voor oogen en in handen. Welaan, zeide de koopman, terwijl hij mevrouw Dorville een glas voorzette, dat hij met water vulde, proef dat eens.
â Dat is water, zeide de weduwe, nadat zij er de lippen aan gezet had.
â Proef dit nu ook eens, zeide de ander, terwijl hij in een tweede glas wijn schonk.
â En dat is wijn, zeide zij, toen zij dien even geproefd had.
â Welnu, hernam de wijnkooper, indien Jezus op de bruiloft te Kana last gegeven had, water te dienen, dat in wij n veranderd was, en de gasten aan dien drank den smaak van water bevonden hadden â meent gij, dat men er aan een wonder zou geloofd hebben?
â Neen.
29
â Waarom waa dan iedereen verwonderd ?
â Omdat het water, dat in wijn veranderd was, tevens de kleur en den smaak van dat vocht had aangenomen, ofschoon Jezus er niets van gezegd had.
â Zeker, en ziedaar juist het onderscheid tusschen Jezus Christus en den pastoor. Jezus doet een wonder en spreekt er niet over, terwijl de pastoor er over spreekt en er geen doet. Wat mij betreft, ik zalin de transsubstantiatie gelooven, zoodra de priester mij zal kunnen zeggen, dat zijn druivensap den smaak van bloed heeft aangenomen, gelijk het water te Kana den smaak van wijn aangenomen had.
Na deze drie bezoeken begreep de arme vrouw, dat het niet genoegzaam was een' stuiver te vragen, maar dat zij bovendien de mis moest kunnen rechtvaardigen; en alvorens eene andere woning binnen te treden, bracht zij zich eenige bedenkingen voor den geest ten bewijze voor de lichamelijke tegenwoordigheid des Heeren in het gewijde teeken. Hetgeen zich het eerst aan haar voordeed, was eene wonderbare geschiedenis, die den lezer misschien wel bekend zal zijn.
â Eens, zeide zjj, nadat zij het oogmerk harer komst had te kennen gegeven aan den nieuwen persoon, bij wien zij zich nu bevond â eens wilde een Jood eene heilige hostie bekomen, om zich aan haar te wreken over al de beleedigingen, welke de Christenen hem aandeden. Hij bedong daarom met een' jeugdig avondmaalganger een' prijs, waarvoor deze de hostie uit zijn' *iond zou halen, en ze hem heimelijk ter hand stellen. Dit geschiedde. De Jood nam een mesje, sneed de hosti driftig door, en bleef verstomd staan toen hij er bloed uit zag vloeien!
â En ik, zeide de persoon, die naar mevrouw Dorville ge-
30
luisterd had, ik wil u eene geBchiedems verhalen, die met de uwe veel overeenkomst heeft, hoewel zij daaraan in een enkel punt verschilt Eens wilde een Jood zich wreken over de verachting waarmede de Christenen hem behandelden; hij haalde te dien einde een' jeugdig avondmaalganger over, die hem op dezelfde wijze de hostie ter hand stelde. Hij nam
haar aan, sneed ze door.....en de hostie was iu twee
deelen verdeeld; hij vertrad ze met de vgeten, en de hostie was geheel vuil; hij raapte ze op, verbrandde ze, en de hostie ging op in rook. Is mijne geschiedenis minder waarschijnlijk dan de uwe?
â Neen.
â Maar houden wij ons met geene waarschijnlijkheden op; ziehier geschiedkundige feiten, welker waarheid nooit iemand betwist heeft: Eens bevond zich een paus, Victor III, vergiftigd, nadat hij uit den kelk der mis gedronken had. Op een' anderen tijd bevond zich een keizer, Hendrik VII, in dezelfde omstandigheid. Gelooft gij nu, dat het lichaam en bloed van Jezus Christus vergif zijn zouden ? Hoe komt het dat, indien het brood en de wijn werkelijk in vleesch en bloed veranderd zijn, dit niet eveneens met het vergif heeft plaats gehad? En wanneer men aanneemt, dat het vergif geene andere gestalte kon verkrijgen, en dat het vergif gebleven was, van waar dan, dat het na de vervormiiag het lichaam en bloed des Heeren doordrongen heeft, gelijk het zich te voren met brood en wijn vermengd had?^
â Dat is mij hetzelfde, zeide de weduwe, die veel waarde aan hare mis hechtte en naar andere bewijsredenen zocht; de hostie kan het lichaam schaden, en toch een zegen voor de ziel zijn.
31
â Dat betwijfel ik; maar wil mjj nog even aanhooren. Een dweeper verbeeldde zich, dat bij een geed werk zou verrichten met zijnen koning te dooden; maar opdat hij in den genadestaat mocht sterven, wilde hij nog vooraf ten avondmaal gaan: vervolgens stiet hij den dolk in het hart Zijner Majesteit.* Deze man had met een goed oogmerk gehandeld, en het sakrament was hem op de gewone wijze bediend ; van waar dan, dat Jezus Christus, Dien hij zoo even gegeten had, zjjne ziel niet heeft verlicht en veranderd? â zoudt gij raeenen, dat de Heer zijne goedkeuring aan een' moord verleende?
â Neen, natuurlijk niet.
â Gij ziet dus, dat de hostie niet de minste werking op zijne ziel gehad had, om de eenvoudige reden, dat zij Jezus Christus zelf niet was, maar alleenlijk een ouwel!
â Dat zijn er al vijf, die mij afschepen, zeide de arme moeder; wat zal ik aan de anderen zeggen? Maar wacht, ik herinner mij daar mjjn' catechismus â en ditmaal kwam de weduwe zegevierend bij een' bakker.
â quot;Wat is dat? zeide zij, terwijl zij een stuk brood in de hand nam.
Dat is brood, zeide de bakker.
â En als ik u eens zeide, dat dit het lichaam van Jezus Christus was?
â Dan zou ik het niet gelooven.
â Maar als Jezus Christus het u eens zelf zeide ?
â Dan zou ik het gelooven.
â Welnu, toen de Heer aan het avondmaal het brood onder zijne jongeren uitdeelde, sprak hij: âDit is mijn lichaam.'-'
â En wat bewijst dat?
32
â Dat bewijst, dat gij mij een' stuiver moest geven om eene mis te laten doen; want om mijn' zoon uit het vagevuur te helpen, zal de priester eene hostie nemen en zeggen: Dit is het lichaam van Jezus Christus; hij zal de offerande volbrengen, en mijn zoon is gered!
â Kom, kom!
â Ontkent gij dan, dat Jezus Christus van het brood gezegd heeft: âDit is mijn lichaam?quot;
â Neen, dat ontken ik niet; ik geloof het zelfs beter dan gij, maar in geheel anderen zin. Nochtans, ik neem aan dat Jezus Christus Zich zeiven in de hand had, en dat het stukske brood, hetwelk Hij toen tusschen de vingeren hield, werkelijk zijn eigen lichaam was. Ik besluit daaruit, dat de hostie van uwen priester geenszins het lichaam van Jezus Christus is.
â Hoe dat?
â Dat is zeer eenvoudig; dewijl het lichaam van Jezus Christus het stuk brood was, dat vóór achttien eeuwen te Jeruzalem, in de handen des Verlossers bestond, en door de apostelen gegeten werd, kan het niet te gelijk een ander stuik brood zijn, hetwelk in 1853 in onze stad bestaat, in handen van onzen pastoor en door hemzelven gegeten. Gij ziet dat ik de woorden van Jezus Christus nog meer naar de letter opvat dan gij zelf.
â Ik begrijp u niet wel.
â Zie, zeide de bakker, terwijl hij het stuk brood uit de handen der oude nam, dit is brood en ik eet het op {en hij at het). quot;Wanneer nu na verloop van twee duizend jaren een andere bakker een ander stuk brood aan eene andere vrouw aanbood en tot haar zeide: Dit is hetzelfde stuk brood, dat
33
een bakker vóór ruim twee duizend jaren gegeten heelt, zoudt gij hem gelooven?
â Neen; maar Jezus Christus heeft gezegd: âDit is mijn lichaam.quot;
â Wel, het is juist, omdat de Heere dit van het stuk brood gezegd heeft, hetwelk Hij in de hand hield, dat ik het niet denken moet van een ander stuk brood, hetwelk twee duizend jaren later in de hand van den pastoor is. Gij ziet dus, dat ik nog meer dan gij aan de eigene woorden des Ueeren hecht. Hij heeft gezegd: âBit is mijn lichaamquot;; â en niets meer. Ik herhaal het: dit was zijn lichaam; âen niets meer. Als gij mij kunt aantoonen, dat Hij er bijgevoegd heeft: de ouwels, door de priesters gewijd, zullen ook mijn lichaam zijn, zal ik het mede gelooven.
â Maar dat spreekt van zelf, en de catechismus legt het ook zoo uit.
â Ha! komt hier uitlegging te pas? In dat geval moet ik u zeggen, dat een andere catechismus het anders uitlegt, namelijk, dat het brood niet het lichaam is, maar het lichaam van Jezus Christus voorstelt of beteekent; en om nu mijne gansche gedachte te zeggen â dat geloof ik ook. Met deze uitlegging vind ik ten minste geen ongeremdheid meer, noch in de woorden van Jez^s, noch in het avondmaal, dat eene eenvoudige gedachtenisviering wordt van den dood onzes goddelijken Zaligmakers. En zoo is alles eenvoudig en duidelijk : er kunnen millioenen gedachtenis malen aan het lichaam en het bloed des Heeren gehouden worden; maar er kan slechts één lichaam van Jezus Christus zijn, even ala men uw afbeeldsel millioenen malen zou kunnen doen drukken, terwijl gij toch niet dubbel kunt bestaan.
3
34
â Maar als God een wonder doet?
â Dit zou geen wonder, maar eene tegenstrijdigheid zijn. God kan wel een ding in een ander herscheppen; maar Hij kan niet maken, dat een ding is en te gelijker tijd niet is; dat een en hetzelfde voorwerp wit en tevens zwart zij; dat iemand geheel in eigen persoon te Parijs, en op denzelfden tijd te Rome zij; alzoo kan het lichaam van Jezus niet in zijn geheel in elke der hosties aanwezig zijn, die men reeds genuttigd heeft, die men nog eet, en die men in het vervolg eten zal. Gij zoudt op zijn hoogst kunnen zeggen, dat een klein gedeelte van dit lichaam zich hier bevindt en de overige gedeelten elders, hetgeen uw pastoor zelf de eerste is om het te verwerpen.
â Maar, hernam de weduwe, zich tot de bakkerin richtende, met wie zij beter dan met haren man dacht terecht te komen, heeft Jezus Christus niet ergens gezegd: âIk ben het brood des levens?quot;
â Dat is waar, antwoordde de bakkerin, maar dan is er dubbele zwarigheid. Eens zeide de Heere, op brood wijzende, dat dit zijn lichaam was; een' anderen keer zeide Hij, van zijn vleesch sprekende, dat dit brood was: nu eens is het brood, dat vleesch wordt, dan weder is het vleesch, dat brood wordt. quot;Welaan, wat is nu van dpze twee de waarheid? Is het brood Jezus Christus geworden of is Jezus Christus brood geworden ?
â Dat zijn er al zeven, zeide de arme vrouw bij het heengaan. In plaats van zeven stuivers, zeven redenen, waarom ik wellicht ook de dertien andere niet zal ontvangen. Maar dat zij zoo, de pastoor zegt dat men zich vernederen moet, en daarom zal ik volhouden tot den einde. Zij trad daarop in
35
een ander huis van hare vrienden waar zij de geheele familie aan tafel vond.
â quot;Wees welkom, zeide de vader tot haar, neem een' stoel «n eet een weinig met ons.
â Neen, zeide de weduwe, ik zou liever zien, dat de pastoor zich aan de tafel des Heeren plaatste, dat wil zeggen, dat hij eane mis voor mijn overleden zoon zong.
â Maar welke overeenkomst ziet gij tusschen het avondmaal des Heeren en de mis vaa den pastoor? Wat mij aangaat, alles schijnt mij daarin van elkander te verschillen. Jezus was aan tafel gezeten, de pastoor staat overeind voor het altaar. Jezus brak het brood, de pastoor geeft den ouwel in zijn geheel. â Jezus liet den drinkbeker rondgaan, de pastoor drinkt er alleen uit; en dat in weerwil van het bevel des Heeren aan Zijne discipelen; â Drinkt allen daaruit /quot; â Jezus stelde deze plechtigheid des avonds in, de pastoor kan slechts des morgens de mis verrichten. â Jezus sprak in eene levende taal, welke door iedereen begrepen werd, de priester houdt de mis in eene doode taal, waarvan bijna niemand iets verstaat, en alsof hij bang was verstaan te worden door de weinige aanwezigen, die latijn kennen, draagt hij zorg om te zingen in plaats van eenvoudig te spreken. â Jezus had gegeten vóór Hij liet avondmaal vierde, de priester moet nuchter offeren. Jezus dronk zuiveren wijn, de priester doet er water bij. â Jezus zag onder den maaltijd degenen, die met Hem waren, aan, terwijl de priester het volk den rug toekeert. â Eindelijk, Jezus besluit deze plechtigheid met den dienaar zijner apostelen te zijn. als Hij hun de voeten wascht, terwijl de priester zich laat bedienen door degenen, die hem omringen. â⢠Ik heb gezegd wat Jezus deed en wat de priester niet
36
deed; wat zou het zijn, als ik nu eens zeide wat de priester doet en Jezus niet deed! Die teekenen des kruises, die wandelingen, die groetenissen, die opgehevene handen, die ge-bogene kniën!
Maar genoeg, ik zou niet aan het eind komen; dit alleen nog: Meent gij dat indien degenen, die met den Heere aan het avondmaal zaten, thans op aarde wederkwamen en eene mis bijwoonden, zij dien eenvoudigen maaltijd in zulk eene wonderlijke, ongerijmde plechtigheid zouden herkennen?
â Dan heeft Jezus, volgens u, nooit de mis gevierd ?
_ Neen, noch Jezus, noch de apostelen, en de zendeling
zeide ons gisteren avond, dat de Kardinaal Bellarmin dit zelf toestemt met deze woorden; âDe Heer heeft deze offerande niet verricht, noch zelfs in den beginne zijne apostelen.quot;
â Hetgeen mij in zijne prediking het m eest getroffen heeft, zeide de moeder des huisgezins, was die plaats uit het Evangelie, waar gezegd wordt, dat âer zonder bloedstorting geene vergeving der zonden is.quot; Alzoo wischt de m is geene zonden uit, dewijl zij eene onbloedige offerande is.
_ En ik, zeide hare dochter, vond veel merkwaardiger dat woord van Jezus Christus: âZoo zij dan tot u zullen zeggen. Ziet, Hij is in de verborgene plaatsen 1), gelooft het niet.quot;
(gt;) In onze Staten-overzetting vinden wij: (Matth. XXiy:26) i n de Mnnenkameren. In eenIransche vertalmg van Martin �t^-vnipi il est dans le lieu le plus retire de lamaison, ne le'crovez point. Wij hebben het liefst vertaald door verborgene plaatsen. Het grieksche woord beteekent eigenlijk eene bewaarplaats, en wel zulk eene. die het f borgene goed
aan het ooe onttrekt, waarom het ook voor eene bidc e 1 wordt ge bezigd Door deze opmerking wordt het begrijpelijk, hoe de zendeling deze plaats kon aanvoeren en de aanmerking yan het meisie daarop vallen, hetgeen naar onze Nederlandsche vertaling bijna onbegnjpelij zou wezen.
37
Is het niet alsof wij Jezus hier die kasjes hooren voorspelleH, waarin de hosties geborgen worden, en alsof Hij ons wilde wapenen tegen de afgoderij zijner lichamelijke tegenwoordigheid, zeggende: gelooft het niet?
â quot;Wat mij betreft, zeide de meid, ik vond al zeer opmerkelijk wat Petrus van den Heere Jezus getuigde: âDe hemel moet Hem ontvangen tot de wederoprichting aller dingen.quot; Indien Jezus naar zijne menschelijke natuur in den hemel is, dan is Hij niet op de aarde. De prediker deed ook opmerken, dat Petrus niet slechts zegt, dat Christus in den hemel is, maar dat de hemel Hem omvat of omsluit. Dit was voorzeker in het Evangelie met dit woord uitgedrukt, om daarmede het toekomstige bijgeloof aan de mis te dooden.
â Maar, hervatte de vader, hetgeen ik het meest opmerkelijk vind, is de overeenkomst van het misoffer met sommige heiden sche offers. quot;Wacht, ik zal u eens eenige regels uit een werkje voorlezen, dat hij mij gegeven heeft en dat getiteld is: Het heidensche Rome. Laat ons zien; op deze bladzijde wordt gesproken van een offer, dat door afgodische priesters gebracht werd; het bestond in de aanbieding van een rond broodje. Verder lees ik er, dat eenigen zoo ver gingen, van te zeggen, dat zij dit brood etende, hunnen god aten, â eene gedachte, die zelfs den heiden Cicero afschrik inboezemde. Ha ! dit is de plaats, welke ik u eigenlijk wilde voorlezen: â Alexander van Alexandrië noemde dit offer, door Numa ingesteld, eene onbloedige offerande. Ziehier eenige bijzonderheden omtrent de wijze, waarop de offers in het algemeen gebracht werden; de beschrijving welke wij zullen geven, is zamengesteld uit onderscheidene plaatsen, hier en daar uit heidensche schrijvers overgenomen, en bijeengebracht
38
V
om den lezer een juister denkbeeld van het geheel te geven. Het offer moest voor den middag plaats hebben, de morgenstond werd als de gunstige tijd beschouwd. De priester begon met een wit overkleed aan te trekken, a 1 b a genoemd, en een gekleurd onderkleed ; zijn hoofd was geschoren, zijne borst met een' lap bedekt; ook droeg hij een schouderdeksel,, amict geheeten. Na zich de handen gewasschen te hebben, ging de priester in deze kleeding al buigende rondom het altaar, en plaatste zich alsdan recht tegenover het volk, dat de plechtigheid bijwoonde.quot;
Door dit alles getroffen en reeds in haar geloof geschokt, ging de arme weduwe weder naar den pastoor en deelde hem alles mede, wat zij gehoord had.
â Laat ze maar praten, viel de pestoor in, het zijn ketters.
â â Maar indien de mis met dat al niets beteekent ?
â Niets beteekent ? zegt gij; juist het tegendeel, alles heeft daarin eenen diepen zin.
â Inderdaad ?
â Ja zeker.
â Zoodat wanneer gij de armen opheft of de knieën buigt, zulks iets bijzonders te kennen geeft.
â Ja, en dat niet alleen: al de heilige dingen waarvan ik mij bedien, hebben een geheimvolle beteekenis.
â¢â Kom !
â Ja.
â Dat moest gij mij eens nader -^uitleggen.
â Welnu, zeide de pastoor, die vriendelijker werd naarmate hij begon te vreezen nog een schaap te zullen verliezen â luister dan. De priester uit de sakristie tredende, herinnert Jezus Christus gelijk Hij uit den maagdelgken schoot van
39
Maria te Toorechijn kwam. De priester leest het Evangelie, met het gelaat naar het noorden gewend, omdat de noorde-wind den duivel voorstelt, die met deze lezing bestreden wordt. De priester breekt de hostie in drie deelen : het eerste voor den hemel, het tweede voor het vagevuur en het derde voor de aarde. De waskaarsen herinneren dat Christus het licht der wereld is; het altaar is van steen, omdat Christus de hoeksteen der Kerk is. Yan de twee hoornen des altaars stelt de een de Joden en de ander de Heidenen voor ; wanneer de priester dus het misboek van de eene zijde des altaars naar de andere overbrengt, dan geeft dit te kennen, dat het Evangelie van de Joodsche natie naar de Heidensche volken is overgebracht, â en dit misboek wordt op een kussen gelegd, omdat Jezus gezegd heeft: âMijn juk is zacht en mijn last is ligt.quot; De priester keert het volk den rug toe, dewijl God tot Mozes zegt; Gij zult mij van achteren zien. Bij de bisschoppelijke mis draagt de bisschop handschoenen, omdat Jakob, toen hij den vaderlijken zegen ontving, zijne handen met geitenvellen bedekt had, en wanneer hij ringen draagt, dan is hij de bruigom der Kerk. De twee hoornen van zijnen mijter herinneren one, dat Mozes een dwaas uiterlijk had.....
â He! dat is aardig, zeide mevrouw Dorville met een' glimlach, dien de pastoor voor goedkeuring aanzag.
â Ja, vervolgde hij, alles heeft eene geheimzinnige betee-kenis in onze kerken, tot zelfs de klokken, die men zeer hoog plaatst ten teeken van een verheven verstand, en de klepel is de tong des predikers.
â Goed, zeide de weduwe, die door eene plotselinge gedachte scheen getroffen, ik zal wederkomen.
â En de mis?
40
â quot;Wij zullen zien.
â¢â Ik zal ze op crediet voor u doen ?
â Neen, dat is niet noodig.
â Welnu, om niet.
â Ik dank u, ik begeer ze niet meer.
â Hoe komt dat?
â Ieder heelt zoo zijne gedachten.
â Zijt gij ook al kettersch geworden?
â Nog niet.
â In allen gevalle zal ik toch de mis tot uw oogmerk verrichten.
â Hoe! zelfs dan als ik er niet mede gediend was?
â De bedoeling des priesters is voldoende.
â Dus zal de bedoeling des priesters, ondanks mij zelve en mijne ongeloovigheid, mij ten goede komen?
â Ik zeg u; de bedoeling des priesters is voldoende.
â En dezen morgen was de mijne niet voldoende, maar moest er de uwe bijkomen, zoodat de priester den geloovige tegen diens wil redt, en de geloovige zich niet zonder den priester redden kan! Zoo kan een booswicht gered worden zonder er aan te denken, en een berouwhebbend zondaar kan zulks niet, indien het u niet behaagt hem te helpen! God verhoort dan niet het gebed des geloovigen, maar moet gehoorzamen aan het woord des priesters! Nu pastoor, doe wat u goed dunkt.....goeden avond.
Intusschen was er in het hoofd dezer arme moeder eene gedachte gerezen: zij wilde den protestantschen prediker opzoeken, van wien men sedert eenige dagen zooveel sprak.
â Mijnheer, zeide zij tot hem, binnenkomende, ik weet dat gij niet aan de mis gelooft.
41
â Dat is zoo.
â Waar gelooft gij dan aan?
â Aan de groote en eenige offerande van Jezus Christus, die gestorven is tot eene verzoening voor onze zonden.
â Maar zou de mis geene herhaling dier offerande kunnen zijn?
â Neen, want er wordt in de heilige Schrift gezegd, dat Jezus Christus zich éénmaal geofferd heeft, en wat die offers betreft, welke veelmalen van de menschen gebracht worden, dezelfde Bijbel leert ons, dat zij de zonden niet kunnen wegnemen.
â Alzoo heeft Jezus' dood mijne zonden even goed weggenomen als die der apostelen.
â Voorzeker, indien gij slechts in Jezus Christus gelooft.
â Al mijne zonden?
â Al uwe zonden!
â Groote en kleine?
â Er zijn geene kleine zonden voor God, maar allen worden den geloovigo vergeven.
â Op welke voorwaarde?
â Dat heb ik u gezegd, op de eenvoudige voorwaarde van in Jezus Christus te gelooven.
â Dus ben ik van dit oogenblik aan verlost.
â Ja, indien gij gelooft.
â O, leefde mjjn zoon nu nog, hoe zou ik hem dit alles zeggen!
Den volgenden dag was de weduwe geheel vervuld met
hetgeen den vorigen avond gebeurd was, en zij beweende haar dierbaar kind, toen er op eens aan de deur geklopt werd en eene bekende stem haar toeriep : âMoeder ! moeder !quot;
â Hij is het! hij is het! gij waart dan niet dood ? of zijt gij weder opgewekt ?
V,
42
Niet dood of opgewekt; ik heb slechts eene maand onder de Bedouïnen met een' kogel in het lichaam doorgebracht.
â O! omhels mij, omhel» mij nogmaals ; ik sterf nog Tan blijdschap. Dat moet ik iedereen Tertellen, zelfs onzen pastoor!
En de moeder deed alzoo. Een uur later was zij in de pastonj ; en toen de priester haar zag binnentreden, twijfelde hij geen oogenblik of zij was tot beter inzien gekomen.
â Welnu! zeide hij, ik heb de mis gezongen, en uw zoo* is uit het Tagevuur Terlost.
â Is dat zeker waar ?
â Zonder twijfel.
â Dan betuigt mijn jongen zelf u zijnen hartelijken dank.
Ill
DE ROOMSCHE WINKEL.
De Protestanten zeggen^ dat de mis nergens toe dient; de Katholieken beweren, dat zij voor alles goed is. quot;Wie heeft gelijk ? Dat zal ons het volgende verhaal doen zien.
In een zeker dorp leefde eene goede pastoor, namelijk, goed in dien zin, dat hij zijn best deed iedereen te behagen. Nooit liet hij iemand in verlegenheid. Kwam eenig lid van zijn kerspel om kerkelijk ontslag vragen, hij verkreeg het terstond. Verlangde een ander eene mis, de mis werd verricht; en hetgeen meer is, wie regen begeerde, dien werd regen beloofd; wie schoon weder wenschte, dien werd ook schoon weder verzekerd. Alleen viel de regen van den een' wel eens als de zon voor den ander had moeten schijnen, maar vroeger of later werd toch ieder op zijn beurt geholpen.
Eens aan dén hoek van zijnen haard gezeten, zag de pastoor eene jeugdige boerin met een blozende kleur en in ver-legene houding binnenkomen.
â Nader, mijn kind, zeide hij op vriendelijken toon tot haar, wat brengt u hierP
44
â Heeroom, ik kom u eene dienst vragen. Ik ben heel ongelukkig.....
â Wat is er dan ?
â Een gfoot verdriet.
â En welk is dat ?
â Dat durf ik niet zeggen.
â Maar wat kan ik dan voor u cteen?
â Men zegt zoo, dat de missen geluk aanbrengen, en â wanneer gij er nu eene tot mijn oogmerk wildet verrichten, zou ik misschien mijn' wensch verkrijgen.
â Maar welken wensch ?
â Dat kan ik niet zeggen.
â Waarom niet ?
â Omdat het een familiegeheim is.
â O! dat is iets anders.
â Kunt gij daarom toch even goed eene mis voor mijne omstandigheid doen?
â Zeker.
â En zal ik daardoor tot mijn oogmerk geraken ?
-â Heel wel mogelijk. Wij noemen dat eene mis tot oogmerk des gevers.
â O! wat ben ik bigde! dat heb ik juist noodig; eene mis tot mijn oogmerk.
â Wilt gij er maar eene?
â â Ja, als zij goed is. Of zijn twee beter dan eene?
â Dat is duidelijk.
â En vier beter dan twee?
â Het spreekt van zelf.
â Maar, Heeroom, indien vier missen maken dat de zaak gebeurt, dan doet eene enkele slechts het vierde part gebeu-
45
ren, en mijne zaak is dus met eene enkele mis niet zeker?
â Dat is waar, vier zijn veel beter.
â quot;Welnu, daar hebt gij vier franks.
â In orde.
â Goeden avond. Heeroom.
â¢â Goeden avond.
De jonge dochter, zoo treurig toen zij kwam, ging zeer verheugd heen; en de pastoor, een man van orde, bergde het geld en schreef in zijn register ; vier misssen doen tot oogmerk des gevers.....
De jeugdige boerin ging juist de deur uit, toen vier landlieden intraden, van welke de vrijmoedigste met hangende armen en den hoed in de hand naderbij kwam:
â quot;Wel oude Jan, hoe gaat het ?
â Met mij niet slecht, maar met het weder gaat het niet.
â Hoe dat ?
â Ach! ons hooi verrot op het veld; al eene maand lang hebben wij vochtig weder, terwijl wij de warmte zoo noodig hadden.
â quot;Welnu, het middel is bekend, laat missen doen.
â Daarvoor zijn wij juist hier gekomen. quot;Wij kwamen u missen vragen, om eindelijk eenige weken mooi weder te hebben.
â Gaarne, zeer gaarne.
â Maar gij begrijpt. Heeroom, dat het eene poos duren moet.
â Ja, zeker.
â En dat er haast bij is.
â Ik heb u begrepen.
â quot;Welnu, dan zijn wij klaar.
â Ja.
â quot;Wanneer doet gij de mis ?
4G
â Morgen.
â En wanneer krijgen wij mooi weder ?
â Zoo spoedig mogelijk.
â Goed. Vaarwel, Heeroom.
â Maar zeg eena, gij vergeet.....
â O, mijne parapluie.
â Neen, maar te betalen.
â Dat is ook waar. Hoeyeel is het ?
â Gij zijt met u vieren, voor ieder eene, dat is zes franks.
â Dat is wel niet duur, Heeroom; maar voor ons is het wat veel, en wij hadden gedacht, dat vijf en twintig stuivers (sous) *) voor ieder juist te samen een aardig geldstukje uitmaakten .
â Nu kom aan, geef maar op, vijf frank.
â Ziedaar; goeden avond. Heeroom.
â Goeden avond, vrienden.
De landlieden vertrokken, maar oude Jan kwam al dadelijk weerom, zeggende;
â Heeroom, gij zult er aan denken, dat er haast bij is,
â Ja, ja.
â En dat het mooie weder eene poos duren moet.
â Ja wel, zoo lang het kan.
â Tot wederziens.
â Insgelijks.
Ditmaal vertrok oude Jan voor goed, en kwam niet weder.
') Even als onze gulden wordt ook de frank ingedeeld in 20 stuivers (sous). â 21 frank is bij ons 10 gulden, zoodat 1 frank overeenkomt met nagenoeg 9'/« Nederl. st. of iVU cent.
Viermaal vijf en twintig sous maken dus juist een geldstuk van vijf frank uit.
47
Den trap afgaande, ontmoette hjj al de molenaars van zijn dorp, die tot den pastoor gingen. Vier molenaars tegelijk! dat kwam hem vreemd voor; maar hij dacht, dat het misschien de verjaardag van hunnen patroon was, en hij groette ze zonder hun eenige navraag te doen. De molenaars kwamen dan bij den pastoor, die hen op zjjne gewone wijze vriendelijk ontving.
â Goeden avond, Heeroom.
â Goeden avond, vrienden, hoe gaat het?
â Niet slecht, als de molen maar wilde draaien.
â En waarom zou zij niet draaien?
â Omdat er geen water is.
â Dan moet gij de sluis openen.
â Ja, maar de rivier is zoo goed als droog.
â Dan moet gij de greppels afleiden, die vaa het gebergte komen.
â De greppels zijn al opgedroogd lang vóór de rivier.
â quot;Welnu, dan zult gjj moeten wachten.
â Dat hebben wij al twee maanden gedaan.
â Wel zoo, en weet gij niet eenig ander middel om uit die verlegenheid te komen?
â Den regen.
â Juist, daaraan had ik niet gedacht.
â Wij zijn hier gekomen om u daarvoor eenige missen te vragen.
â Heel goed.
â Gij zult het dan laten regenen?
â Dat hoop ik.
â En genoeg om de molen te doen malen?
â Zoo veel mogelijk.
48
â Zonder lang uitstel?
â Morgen zal ik de mis doen.
â Goed. Hier is.....
â Hoeveel?
â Niet met al; ik wilde zeggen.....wij hebben gedacht :
hoe meer het regent, hoe beter wij zullen betalen.
â Neen, neen; dat is tegen de kerkelijke regels; men be-betaalt vooruit, nooit daarna. Liever wil ik ze u voor zoo weinig mogelijk doen : vier missen voor vijf franks.
â Vijf frank ! als het nog voor mooi weer was ; maar wij vragen u slechts om regen.
â Dat is net zoo als gij het nemen wilt.
De molenaars den pastoor vast besloten ziende, haalden vrij langzaam het geld uit hunnen zak ; â misschien waren hunne zakken wat diep, â en de pastoor schreef zijne dubbele ontvangst in hetzelfde register als volgt:
Heden ontvangen om zoo spoedig mogelijk mooi weder te verkrjjgen 5 fr.
Heden ontvangen om ter zelfder tijd regen te verkrijgen 5 fr.
Het kasboek werd gesloten, het geld geborgen, en onze pastoor wreef zich in de handen, terwijl hij de beenen uitstrekte en nieuwe klanten afwachtte.
Hij wachtte niet lang. Nauwelijks had hij bij zichzelven gezegd: vijf en vijf is tien, en vier is veertien, of een rijtuig uit de stad hield voor het huis stil. Hij dacht er over wie dat wezen kon, toen de deur zijner kamer op eens geopend werd en eene groote met eenen vederbos versierde dame binnentrad, die zonder plichtplegingen aan den anderen hoek van den haard plaats nam, en het gesprek aldus begon:
49
â Pastoor, ik ben niet bij u bekend, en ziehier de omstandigheid, die mij tot u brengt. Vóór achttien jaren woonde ik buiten in eene naburige gemeente; de bewoners mijner pachthoeve kregen den inval om mij peet hunner jongste dochter te maken; ik stemde er in toe, en vandaar mijne betrekking op de kleine Petronella, die thans mijne kamenier is. Het is eene brave meid, maar zij wil met een Protestant trouwen.
â Onmogelijk, Mevrouw ....
â Wacht eens. Vóór gij verder gaat, wilde ik u zeggen, dat mijn biechtvader, even als gij, mij zeide dat het onmogelijk was; een ander priester zeide mij dat het voldoende was, wanneer de vader zich verbond om zijne kinderen Roomsch te laten worden, en daar de verloofde weigert hieraan te voldoen, heb ik gedacht. Pastoor, dat gij wel wijzer dan uwe twee ambtgenooten zijn zoudt....
â Mevrouw, geloof dat de zaak uiterst moeielijk is.
â Moeielijk verschilt nog al van onmogelijk. Maar waarin bestaat de moeielijkheid dan ?
â In Rome.
â Hoe zoo?
â quot;Wel, omdat de Paus dispensatie (kerkelijk verlof) ver-leenen moet.
â Dit is juist watiku vragen wilde. quot;Welke zijn de kosten?
Hier nam de pastoor den tijd om na te denken, overzag
de kleeding der dame van het hoofd tot de voeten, wierp een' blik door het venster om uit de equipage tot haren rijkdom te besluiten, en zijne berekening gemaakt hebbende, zeide hij:
â Honderd frank.
â Honderd frank!
â Ja Mevrouw, gij begrijpt dat hiervoor vrij wat te doen
4
50
valt; men moet schrijven, wachten, antwoord ontvangen en de stukken. Dat alles ....
â Nu goed, maar één woord bevalt mij niet: gij spreekt van wachten; dat is het pijnlijkst wat ik ken.
â Veertig dagen loopen er mede heen.
â In dat geval zullen wij er niet aan denken; als het nog met geld te vindon was.....
â Om de waarheid te zeggen, het geld zou de zaak wel kunnen bespoedigen, en dan.....
â Verhaast ze dan zooveel gij kunt, en vraag wat u toekomt. Petronella moet binnen acht dagen getrouwd zijn.
â quot;Welnu, dan komt het op honderd vijftig frank.
â Het is veel geld, maar komaan, gij zult het hebben,
â Ziehier zeven goudstukken en twee kroonen van vijf frank. Over acht dagen dus het huwelijk in uwe kerk. De dame, vrij levendig zoo als wij gezien hebben, wachtte zelfs geen antwoord af; zij groette den pastoor en vertrok zonder de namen des verloofden op te geven.
Dat was een geluksdag; want nauwelijks was er een half uur verloopen of een jeugdig veldeling met met een verstandig gelaat en een boekske in de hand naderde den pastoor.
â Wat is er van uwe dienst? zeide de geestelijke.
â Van mijne dienst niets; ik kom voor mijne aanstaande.
â Verklaar u nader.
â De zaak is, dat ik in mijne kerk, en zij in de hare wil trouwen. Als een goed echtgenoot heb ik alles in der minne geschikt en beloofd, zoowel naar de eene als naar de andere kerk te gaan. Mijn predikant heeft mij zoo even een' dag toegezegd, en nu kom ik u vragen of gij een uur bepalen wilt.
â Gij zijt nog al haastig, jongen!
51
â Waarin?
â Ik kan u niet trouwen, gij zijt hervormd.
â Onze predikant wil toch wel mijne roomsche vrouw trouwen.
â Gij hebt kerkelijk verlof noodig.
â Daar heeft hij niet van gesproken, en hoeveel kost zulk een kerkelijk verlof ?
â Dat is er naar. Zeg mij eens, wie zijt gij ?
â Jan Claudius Niemandsverdriet.
â Wat zegt ge?
â Niemandsverdriet.
â Dien ken ik niet. En uw beroep?
â Smeder.
â Zijt gij rijk? Hebt ge goederen onder de zon?
â Dat is te zeggen, op dit oogenblik, nu zij een weinig schijnt, heb ik wat; maar als ik in de schaduw ga staan, heb ik niets. Met andere woorden, mijn vermogen bestaat in mijne twee handen.
â In dat geval kost het twintig frank.
â Twintig frank?
ââ Ja.
â Dat is te veel!
â Het kan onmogelijk minder.
â Welnu, dan zullen wij het buiten dat zien te stellen.
Maar laat mij eens zien, men trouwt slechts eens in
zijn leven.
Dat kan zijn; maar men kan geen geld geven als men het niet heeft.
â Welaan, geef dan vijftien frank, en laat er ons niet langer over praten.
52
â Neen, Pastoor, tien frank of niets; gij kunt kiezen, gij begrijpt, dat ik het eeniglijk doe om Petronella genoegen te geven. â Hier is het geld, geef mij de kwitantie.
â Wat, eene kwitantie?
â Zeker, gij hebt immers het geld?
â Mijnheer, dat is onder ons geen gebruik; ook is het tegen de geboden der Kerk.
â Als dat zoo is, neem ik mijn geld terug, en nu het in mijn' zak is, krijgt gij het niet weder, al woudt gij mij twintig kwitantiën geven.
â Zacht wat, mijn jongen, wordt niet boos!
â Ik word niet booa, maar ik zeg u op dit oogenblik, dat ik zonder kerkelijk verlof wil trouwen, of ik heb uin het geheel niet noodig.
â Hoe komt dat zoo?
â Mijne vrouw wordt dan hervormd, ik heb er haar al roet een onkel woord over gesproken, en indien het niet om Mevrouw de Gravin was, zou Petronella hare toestemming reeds gegeven hebben. Kies nu: Gij kunt ons trouwen voor niet, of anders laat het maar.
â Gij zijt een dwarshoofd!
â Dat is mogelijk.
â En als het niet was, dat ik opspraak wilde vermijden, aoo zoude ik u weigeren.
â Zoo als gij wilt.
â quot;Wanneer trouwt gij?
â Binnen acht dagen.
â Goed, kom mij dan den avond te voren er van verwittigen. Ik zal u zonder kerkelijk verlof trouwen ; maar dan moeet gij tien frank voor de kosten der plechtigheid geven.
53
â Kijk! Pastoor, ik dacht dat ik slim was, maar gij wint het mij af, ziedaar tien frank.
â In orde, gij kunt gaan.
â O dadelijk. Pastoor! met groot genoegen. De veldeling vertrok, de pastoor haalde zeer misnoegd zijn register weder te voorschijn en schreef:
Heden ontvangen voor een huwelijk met een' Protestant 150fr.
Heden ontvangen voor een huwelijk met een' Protestant 10 fr.
Toen de pastoor zijn kasboek weder bergde, bemerkte hij op de tafel het boekske, dat de jongman vergeten of misschien opzettelijk had laten liggen. Hij nam en opende het, en las aan het slot de volgende woorden, aangehaald uit de heilige Schrift:
âZie, ik wil aan de profeten, spreekt de Heere, die hunne tong nemen, en spreken: Hij heeft het gedaan.quot; (Jeremia XXIII; 81.)
âTweederlei weegsteen, tweederlei efa is den Heere een gruwel, ja die beide.quot; (Spreuken XX: 10.)
âWee u, gij geveinsden! want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden.quot; (Mattheus XXIII: 14.)
âWee u, wetgeleerden! want gij belast de menschen met lasten, zwaar om te dragen, en zeiven raakt gij die lasten niet aan met één' van uwe vingeren.quot; (Lucas XI : 46.)
âSimon bood den apostelen geld aan, zeggende: Geeft ook mij deze macht, opdat, zoo wien ik de handen opleg, hij den Heiligen Geest ontvange. Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt!quot; (Handelingen VUI ; 18â20).
/
54
âGij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.quot; (Mattheus X : 8).
âO alle gij dorstigen, komt tot de wateren! en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk!quot; (Jesaja LY : 1).
âUit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave ; niet uit de werken, opdat niemand roeme.quot; (Efeze II : 8, 9).
âAls wij nog zondaars waren, is Christus voor ons gestorven.quot; (Romeinen V : 8).
âAlzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eenig-geboren' Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.quot; (Johannes III ; 16).
Na deze lezing haalde de pastoor een' Bijbel uit zijne bibliotheek, en de aangewezene schriftuurplaatsen opzoekende, vond hij woord voor woord weder wat hij gelezen had. De pastoor werd bedroefd, hernam zijn hoekje aan den haard en verviel in diep nadenken. Hij scheen te hinken op twee gedachten ; nu eens stampte hij onstuimig met den voet op den grond, dan weder richtte hij de oogen ten hemel; eindelijk opende hij zijn Bijbel weder, en las daarin deze woorden:
âWat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint, en Ijjdt schade zijner ziele ?quot; (Mattheus XVI : 26).
â âVergeving, Heer, vergeving!quot; riep hij eindelijk uiten het goud van zich stootende dat op de tafel lag, greep hij met drift naar zijn' Bijbel, drukte dien aan de borst, en liet gedurende eenige oogenblikken in stilte zijne tranen over het het heilig boek vloeien.
Vier dagen waren in die spanning verloopen, wanneer de
55
pastoor, tot meerdere ruste gekomen, op de deur hoorde tikken, en dadelijk daarop de jeugdige boerin voor zich zag, die onlangs zoo treurig en thans zoo blijde was.
â Hartelijk dank, Heeroom, zeide zij bij het inkomen.
â Waarvoor mijn kind ?
â Uwe missen hebben geholpen.
â Hoe meent gij dat?
â Wat ik wenschte is gebeurd.
â En wat is dat ?
â Petronella is in den vijver gevallen. â
â Ongelukkige, was dat uw wensch?
â Welja! opdat zij niet met Jan Claudius zoude trouwen.
â En daarvoor hebt gij mij vier missen gevraagd?
â Zeker. Ik zeide bij mij zelve : Ik wenschte wel dat Petronella eenig ongeluk overkwame, ik zal te dien einde eene mis laten verrichten, en zie daar, zij valt in het water ! Ik heb er haar niet in geworpen. Dat heeft de goede God alleen door uwe missen gedaan.
â Ondeugende meid !
â Maar Heeroom, gij hebt mij zelf geholpen.........
â Ik wist uwe bedoeling niet.
â En gij hebt gezegd, dat gij die niet behoefdet te kennen, en dat de mis nochtans even goed is........
De pastoor bezat zich zelve niet meer, hij doorliep zijne kamer met groote schreden, vouwde de handen, en slaakte diepe zuchten. De boerin zag hem met verbazing en stilzwijgen aan. Eindelijk begreep de geestelijke, dat hij zoo goed mogelijk het kwaad moest herstellen, dat hij aan deze onkundige ziel gepleegd had. Hij gevoelde, dat hij had medegewerkt om in hare oogen een' moord, of ten minste eene
56
strafbare begeerte te rechtvaardigen; hijbegreepdatzijneKerk en zjjne mis aan deze wschrikkelijke leer medeplichtig waren, en een misboek nemende, dat op tafel lag, zeide hij tot de jonge dochter:
â Mijn kind, ik heb u bedrogen, of liever, ik heb mij zeiven bedrogen. De mis is eene dwaling, ik zal ze niet meer verrichten; het waa mijne broodwinning, maar die winst doet de ziel schade lijden! ik wil liever mjjn boek verbranden, dan zelf branden. Zoo sprekende, wierp hij het misboek in het vuur en zag het met welgevallen in vlam opgaan.
â Vaarwel, mijn kind, zeide hij eindelijk tot de jonge dochter, een andermaal zal ik er u meer van zeggen, maar weet van nu aan wel, dat eene mis, welke gezongen wordt om te geljjker tijd mooi weder en regen te verkrijgen, â een mis, welke tot een onbekende bedoeling, een' moord, kan worden verricht, geenszins door God kan bevolen zijn. Dat God ze mij allen vergeve, die ik gedaan heb, en dat Hij mij ten laatste de volle waarheid leere kennen. Hij sloeg zijnen Bijbel weder op, zocht den zendbrief aan de Hebreen en las daarin deze treffende plaats: âWij zijn geheiligd door de offerande des li-chaams van Jezus Christus, éénmaal geschiedt (Hebreën X : 10).
Petronella werd uit den vijver gehaald, en trad in den echt zonder kerkeljjk verlof.
De zon deed het hooi zonder mis opdrogen, en de molen zonder regen malen door het smelten der sneeuw; de jonge boerin leerde uit het huwelijk van Petronella, dat God geene kwade begeerten verhoort, en de pastoor tot den Heere bekeerd, bad God om genadige schuldvergeving. Eindelijk waren allen door ervaring en door den Bijbel overtuigd, dat de missen nergens toe dienen, gelijk ook de Apostel zegt, dat âChristus éénmaal geofferd is om veler zonden weg te nemen. (Hebreën IX : 28).
IV.
DE PAUS EN Cie.
OOGMERK DEB ONDERNEMING.
De vestiging van een huis, om de menschelijke dwaasheid in het groot tot eigen voordeel aan te wenden.
EERSTE BIJEENKOMST DER LEDEN.
Het hoofd des Huizes, de Paus, roept zijne medegenooten, de leden der geestelijkheid, bijeen, en spreekt hen aldus toe:
Mijne Heeren !
Een heerlijk uitzicht op belangrijke winst is ons geopend: gij weet hoe aan de eene zijde het vermaak in den smaak van alle menschen valt, en hoe aan den anderen kant het geweten zich tegen deszelfs vrije genieting verzet. Ik stel u daarom voor, het menschelijk geslacht te leiden door willige verdragen tusschen geweten en vermaak. Ik wil mij nader verklaren: het hart des menschen raadt hem het kwade aan, hetwelk hem zijn geweten verbiedt; het komt er op aan, hart en geweten in overeenstemming te brengen; ziet hier op wat wijze: laat ons den mensch zeggen, dat feilen en gebreken worden vrijgekocht, dat eene boetedoening eene
58
zonde uitwischt; dat eene deugd eene ondeugd vergoedt, dat de werken eens heiligen op rekening eens misdadigers kunnen geplaatst worden, en dat alzoo een juist evenwicht tus-schen de goede en de slechte dagen van een zelfde leven en eene overbrenging der goede werken van den een' op het zondig bestaan van den ander een iegelijk vergunnen zijne plichten te vervullen en tevens zijne driften en hartstochten te voldoen. De mensch zal gewis eene ruiling aannemen, die zoo goed aan zijn tegenovergestelde neigingen beantwoordt, en het is hier dat onze tusschenkomst hem noodzakelijk wordt. Laat ons eene algemeene wisselbank openen, uitsluitend bestemd tot den verkoop van goede werken en de aflossing van zonden, en laat ons te dier plaatse onze geloofsbrieven nederleggen, welke altijd tegen geld te verhandelen zjjn.
De vergadering stemt en het voorstel wordt met eenparige stemmen aangenomen, ééne uitgezonderd.
Zonder tijdverlies richt de Paus het centrale huis ') te Rome op; zijne medeleden, de bisschoppen, openen hulp- of bijkerken in de steden,, de pastoors op het platte land en in de dorpen en van nu aan beginnen die groote werkzaamheden der Kerk, waardoor zij zich de eeuwen door zoekt uit te breiden «n de gansche wereld te bedekken.
Terstond vaardigt het hoofd des huizes den volgenden rond-gaanden brief uit:
De Paus en Cie aan alle volken zijne lastgevers;
Mijne Heeren!
Wij kennen uwen lust tot alle ondeugden zoowel als de gestrengheid van uw geweten. Het kan niet anders of uw le-
*] Hiermede wordt een huis bedoeld ten dienste eener vereeniging in weinige handen.
59
ven is met vele ergerlijke en strafbare misdaden bevlekt. Wij komen daarom tot u om beide, straf en misdaad, over te nemen. Te dien einde hebben wij eene uitgebreide menigte goede werken van al de heiligen verkrijgbaar gesteld. In dien onuitputtelijken schat zult gij, in hoeveelheid en hoedanigheid, juist vinden wat u noodig is, en alles tegen de minst mogelijke prijzen. Voor de geringe som van eenige kleine boetedoeningen, van eenige vasten, van eenige onthoudingen, kunt gij u de onwaardeerbare overbrenging verschaffen van eenen voorraad van goede werken, aan de heiligen van alle eeuwen en alle landen ontleend; en daar wij ons voor allen toegankeljjk hebben willen stellen, heeft ons huis ook eene kas van korting opgerigt. Zoo zullen wij altijd bereid zijn om onze boetbriefjes tegen uw geld te verwisselen ; zoodat, welke ook de aard der verplichting zij jegens ons aangegaan, het u altijd geoorloofd zal zijn u aan dezelve voor geld te onttrekken.
Zijt gij ons onthoudingen schuldig, welke u te zwaar vallen? wij zullen er u tegen negendaagsche gebeden van ontslaan. Zijt gij te zwak om die negendaagsche gebeden te verrichten? wij zullen daarvoor missen in de plaats doen; en naardien onze priesters 'alleen met de uitlevering dezer laatste waar bevoorrecht zijn, willen wij u dit artikel altijd gaarne voor gereed geld afleveren. Gij ziet, dat wij ons door deze verschillende schikkingen onder ieders bereik stellen: hebben niet allen eene maag tot vasten geschikt, beenen sterk genoeg om ver te gaan, eene deugd krachtig genoeg om het kwade wederstand te bieden .... allen hebben voor het minst geld, om ons te betalen. Ons huis houdt ook rekening met de maatschappelijke betrekking onzer last-
60
gevers, wel wetende, dat men niet het minste voordeel moet veronachtzamen. Alzoo worden dezelfde voorwerpen, die wij voor aanzienlijke prijzen aan de rijken verkoopen, den armen tegen verminderden prijs gegeven, overtuigd als wij zijn, dat uit kleine beken groote stroomen ontstaan. Gij begrijpt, dat ons dit des te gemakkelijker valt, naarmate de eigenlijke grondstoffe ons niets kost; wij putten om niet uit den waarlijk onuitputtelijken schat van overtollige werken, en daar is overvloed, zelfs al schijnt er niet meer te zijn. Vraagt dus wat en zooveel gij wilt, uwe wenschen zullen altjjd binnen de vier en twintig uren worden bevredigd, mits gij zorg draagt des morgens het aan onze kas verschuldigde te voldoen.
NB. Voor alle dingen onze zaken in eere wenschende te houden, arbeiden wij slechts om gereed geld. Nimmer zal er eene mis worden verricht, waarvoor niet eerst betaald is. quot;Wij willen liever tot eene korting overgaan dan de gansche som wagen. Voorts moet gij wel opmerken, dat, indien wij goedvinden u voor geld van uwe kerkelijke verplichtingen te ontslaan, wij nimmer wederkeerig boetedoeningen of dergelijke werken voor geld in ontvangst nemen; het geld van het publiek komt in onzen zak, maar komt er niet weder uit.
Terwijl wij uwe bevelen afwachten, hebben wij de eer u te groeten;
Door procuratie van den Paus en Cie, Ignatius, Bisschop,
Loyola, Pastoor,
Contrefacto, Kapellaan.
61
Deze rondgaande brief, aan duizenden medehandelaars toegezonden, op de deuren der kerken aangeplakt, in de predikatiën vermeld in al de kerkelijke boeken geplaatst, werd weldra door talrijke aanvragen gevolgd. Overal spoedt men zich naar h-t kantoor der sakristie; maar dewijl het te vreezen is, dat het volk niet levendig genoeg zijne dringende behoefte aan dergelijke koopwaren gevoelt, worden er, onder den naam van biechtstoel, bepaalde vertrekken aangewezen, waar de zaken in het verborgen worden afgedaan. Daar wordt door de rondtrekkende geestelijken een iegelijk bewezen, dat hij noodzakelijk zooveel missen, zooveel Onze Vader's of Ave Maria's, zooveel vastendagen noodig heeft, en zij eindigen altijd met dat alles te verhandelen tegen hetgeen zij zeiven niet uitkeeren.
Daar ieder zondaar nochtans gaarne een stoffelijk bewijs voor zijne vergeving en een zichtbaar teeken van den aflaat ontvangt, wenden zich de hulppriesters tot het centrale huis om aan dit verlangen te voldoen, en zonder tijdverlies wordt hierop geantwoord:
De Paus en Cie aan zijnen vertegenwoordiger;
Heer Pastoor!
Hiernevens ontvangt gij tioee duizend vijf honderd aflaten, die in de groote roomsche kanselarij verzegeld zijn; zij zijn van eerste hoedanigheid; wij zullen ze echter in het groot tegen 3 franks het dozijn verkoopen, en den dertiende toegeven. Gij kunt ze in het klein gemakkelijk tegen 3 franks het stuk elijten, hetgeen u eene winst van twaalf honderd voor honderd zal opleveren, omdat de dertiende de verzendingskosten zal dekken.
62
Gij ontvangt ook bij deze zelfde gelegenheid:
1) 2000 aflaatpenningen van de heilige Filomene, die door den Paus zeiven gewijd zijn, a 25 centimes.
2) 4000 rozenkransen met groote koralen, door denzelfden gewijd. 0;
3) 6000 rozenkranzen met kleine koralen a 20 centimes.
4) Eindelijk 20 heilige overblijfselen in medailjons, met hetquot; zegel van ons huis voorzien. Wij moeten u waarschuwen tegen eene bedriegerij , die onzen handel grootelij ks zouden kunnen benadeelen. Wij hebben vernomen, dat er nadrukkers bestaan : gij moet het volk daarop indachtig maken, want hoewel onze echte reliquiën niet beter zijn dan de valschc, zoude deze mededinging daarom toch voor ons brevet van uitvinding niet minder nadeelig wezen.
Ontvang de verzekering, enz.
Antwoord op den voorgaande.
De kapellaan der bijkerk van......aan het centrale huis.
Mijne Heeren!
Heer Pastoor heeft mij opgedragen, u van de goede ontvangst uwer bezending bericht te geven, en ik neem deze gelegenheid te baat, om aan uwe beslissing een' maatregel te onderwerpen, die wij gemeend hebben te moeten nemen.
Het volk heeft zulk een behagen en vertrouwen in onze missen gekregen, om daardoor zijne zonden vrij te koopen, dat wij niet meer aan de menigvuldige aanvragen kunnen voldoen. Wij hebben diensvolgens besloten de missen aan te nemen tegen anderhalven frank, en ze dan zeiven in de kloosters voor den halven prijs te laten verrichten. Alzoo
63
komen er van tijd tot tijd monniken en dorpspastoors in onze stad. belasten zich met eenige dozijnen missen, en op die wijze kunnen wij er spoedig wat afdoen. Wij wachten hierop uwe goedkeuring in, welke wij u verzoeken ons niet te duur te rekenen. .
Ontvangt, enz.
De leden van het centrale huis, zich hierdoor verongelijkt gevoelende en ziende hoe hunne onderhoorigen zich tot winstgevende ondernemingen begeven, waaraan het huis volstrekt geen deel heeft, haasten zich aan alle kerkelijke bisschoppen het volgende te schrijven:
Mijne Heeren!
Wij vernemen, dat de pastoors eene zeer voordeelige verbetering in hunnen handel gebracht hebben. Dat is heel goed; maar gij en wij moeten daarvan ook genieten. Voortaan dus, terwijl het volk de priesters betaalt, zult gij, bisschoppen, de priesters laten betalen, en wij op onze beurt zullen tot u komen. Ziethier hoe de zaak zich moet toedragen: De bisschoppen zullen, bij het aanvaarden hunner bediening, onder den naam van annate 1) den Paus eene bepaalde som uitkeeren. De lagere geestelijkheid zal de bisschoppen betalen, zoo menigmaal zij tot hoogero standplaats geroepen wordt; eindelijk zullen de ondergeschikte priesters hunne uitgaven goed maken door hunne schapen te scheren met de scharen der sakramen-ten, der verhuring van stoelen, met het vrije gebruik van boeken en duizend kleine dingen waarop het volk gezet is, als men ze onder bescherming der geestelijkheid plaatst. Het
â¢) Zoo noemde men in het algemeen het recht van den Paus op de inkomsten des eersten jaars van een kerkelijk ambt.
64
voornaamste is den geloovige in te prenten, dat hij zonder tusschenkomst van den priester niet kan behouden worden. Maar gij moet in plaats van het woord priester, altijd het
woord Kerk gebruiken; zegt ook, dat er buiten de Kericgaene zaligheid is. De Kerk toch, zijn wij.
Ontvangt, enz.
De handel, altijd in uitgebreidheid toenemende, en de kas van den Paus en Cie (niet die van het geld, maar die der goede werken) grootelij ks noodig hebbende gevuld te worden, om aan al de aanvragen der biecht- en boetelingen te voldoen, trekt de Paus zoo spoedig mogelijk eenen wisselbrief op den schat van overtollige werken.
Deze toevlucht is te dierbaarder, naarmate het huis altijd wisselbrieven op de heiligen trekt, en ze nimmer aflost. Heeft het volk millioen missen noodig, dat is, voor een millioen vijf maal honderd duizend frank, de Paus trekt eenen wisselbrief, en de geestelijkheid verhandelt dien onder den naam van kerkelijk ontslag of verlof, van aflaat als anderszins, tegen de klinkende munt der boetelingen, die deze bewijzen nauwlettend in hunne brieventasch bewaren, om ze voor de deur van het vagevuur te doen gelden, â en daar geen hunner uit de andere wereld wederkomt, is er nog geen enkele betuiging dienaangaande tegen den Paus ingebracht.
Alzoo kan een ieder door deze inkomsten der Kerk in elke parochie gemakkelijk de groote zaak zijner zaligheid regelen. De rekeningen zijn voor de belanghebbenden gedurende hun gansche leven geopend, en worden zelfs na hunnen dood niet gesloten.
Het is op deze wijze dat Rome zich vestigt en' uitbreidt,
65
dat het bloeit ea onmetelijke schatten verzamelt. Maar op zekeren tijd riep die enkele stem, welke zich niet bjj al de overige stemmen der geestelijkheid gevoegd had, al de leden der vergadering bijeen; legt door aanblik en gebaren hun het stilzwijgen op, en spreekt aldus:
Heeren kwanselaars.
Ik zal het niet laken, dat gij uw onderhoud vindt in de bekleeding van het priesterambt. Neen, de heilige Schrift zelve zegt, dat wie âhet altaar bediend, van het altaar leven moet.quot; Laat u dus betalen, niets is billijker; even als ieder arbeider is de priester zijn' loon waardig. Ik herhaal het, dat is het niet wat ik u verwijten wilde.
Maar hetgeen ik in u afkeur, hetgeen ik ongerijmd, afschuwelijk vind, is, dat gij de eeuwige zaligheid voor geld verkrijgbaar stelt ! dat gij den mensch bedriegt door hem te doen gelooven, dat de hemel gekocht wordt met goede werken, die van Pieter op Paulus door tusschenkomst van Jan, die altijd priester zjjn moet, worden overgebracht; hetgeen ik verfoeielijk vind, is, dat gij alzoo onsterfelijke zielen misleidt, terwijl gij zegt ze te behouden! hetgeen ik schandelijk noem is, dat gij op die wijze den verheven godsdienst van Jezus Christus, die juist het tegenovergestelde verkondigt, ten eenenmale verkeert! Hoort nu wat de Meester zegt, en indien gij daarna durft, beschuldigt mij dan van wreedheid of onrechtvaardigheid. Hoort de woorden der Profeten, Apostelen en van Jezus Christus zeiven : âGij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet. â Komt, koopt zonder geld en âzonder prijs. â Uit genade zijt gij zalig geworden; en dat âniet uit u, het is Gods gave: niet uit de werken, opdat
5
66
âniemand roeme. Indien het uit genade is, dan ia het niet âuit de werken. â Alzoo lief heeft God de wereld gehad, âdat Hjj zijnen eeniggeboren' Zoon gegeven heeft, opdat een âiegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar heteeuwi-âge leven hebbe. â Geloof in den Heere Jezus Christus, en âgij zult zalig worden. â Uw geld zij met u ten verderve, âomdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld ver-âkregen wordt. â Bij den Heere is vergeving; Hij is barm-â hartig en genadig; en al waren uwe zonden rood als karmozijn, zij zullen wit worden als sneeuw. â Jezus is gestorven voor onze zonden, en opgewekt tot onze rechtvaar-âdiging. â Er is geene verdoemenis voor degenen, die âin Christus Jezus zijn!quot;
Is dat uwe godsdienst? is dat het Romanisme? Neen, het is het Evangelie der genade, het is het Woord des Zaligmakers zei ven, het Woord van Jezus Christus. Maar ik zal niet voortgaan. Indien gij mij gehoord â en nog eenig geweten hebt, slaat dan op uwe borsten en belijdt uwe misdaden ! Gij hebt het vernomen : Er is bij den Heere vergeving, vergeving voor den priester zoowel als voor den leek. Ook gij kunt in genade worden aangenomen; ook gij kunt ten hemel ingaan, gereinigd van uwe overtredingen door het dierbaar bloed van Jezus Christus; en die volkomene genade, die volle zaligheid verkoopt Jezus u niet. Hij schenkt ze u: u schenkt Hij ze, zoo gij slechts op Hem vertrouwt. Gelooft mij, ik ben niet hier om u te vernederen, maar om u de waarheid te zeggen. Hetgeen ik wensch uit al de volheid mijner ziel, is, dat gij berouw moogt, hebben over uwe zonden en u bekeeren, en dat gij gelooven moogt, om van de zonde te worden verlost en vrijgemaakt. En dit kunt gij op dezen
67
zelfden oogenblik. Dat uw hart dan tot dea Heiland vluchte, dat het Hem aanhange, en Hem om genade smeeke ! Voorwaar, die bede zal niet ledig van den hemel tot de aarde wederkeeren.
De stem zweeg; de moedige apostel des Evangelies werd gevat, voor de rechtbank van handel, de zoogenaamde heilige inquisitie, gebracht, ter dood veroordeeld en den volgenden dag levend verbrand. Maar uit zijne assche, door den wind der geschiedenis verspreid, zijn duizenden Christenen voortgekomen, die zich thans eeniglijk op hunnen Zaligmaker verlaten, inde vergiffenis hunner zondenden vrede der ziel gevonden hebben, en bij voortdurende heiliging dea levens de kroon der heerlijkheid, liefde en zaligheid verwachten, die Jezus zijnen discipelen voor eeuwig in de hemelen heeft bereid.
Maar helaas! de Katholieke Bank bestaat er niet te minder om; het gelukt haar wat zij doet, en zij zal voorspoedig zijn op aarde, zoo lang er menschen gevonden worden, dwaas genoeg om aan de mis te gelooven, en geneigd om in het kwade te volharden en zich daarvoor eenige boetedoeningen te getroosten: ââ dat wil zeggen, dat deze handel zal voortduren tot het einde der wereld.
V.
DE BIJBEL
DOOR DEN SATAN UITGELEGD.
Op eenen avond, dat ik alleen in het diepst mijner stille kamer gezeten was, dacht ik na over het kunstige, ingewikkelde raderwerk der groote roomsche machine, die het men-
schelijk geslacht vermaalt om er goud uit te trekken.....
Ik viel in eenen diepen slaap.
De loop mijner denkbeelden werd daardoor niet afgebroken; want door eenen droom kwam ik tot dezelfde waarheden onder levendiger vormen.
In het diepst van een duister hol der hel zag ik satan te midden zijner engelen op een' metalen troon gezeten. Een heilloos stilzwijgen heerschte onder de gewelven dezer helsche kerk, wanneer een geluid van ketenen, bij wijze van klokken in beweging gebracht, op eens de lucht doorboorde en de schreden der op weg overvallen duivelen verhaastte. Toen de kring vol was, nam satan het woord als volgt:
Mijn rijk wordt zeer langzaam bevolkt! Sedert de Gekruisigde de aarde bewandeld heeft, ontsnappen millioenen zielen aan al uwe middelen en pogingen. De Heidenen worden tot het Christendom bekeerd, do Joden zelfs houden op, mij te gehoorzamen, mjjn rijk gaat te gronde en zoo zal de aarde,
69
mijn vaderland, weldra in een paradijs herschapen zijn. De vijand verandert van stelling, laat ons van batterij veranderen ; â quot;Wij streden in de wereld, laat ons in de Kerk strijden, en in plaats van keizers en koningen aan te tasten laat ons de pausen aanvallen; de uitkomsten zuilen immer dezelfde zijn: wellicht zulleu zij nog heerljjker wezen, indien wij ons in engelen des lichts weten te veranderen. Dit is dus de last, dien gij onder elkander verdoelen moet.
Bij hun verscheiden van de aarde, hebben de apostelen van den grooten tegenstander eencn Bijbel nagelaten, die al het kwaad te weeg brengt. Wij kunnen niet loochenen, dat het Gods quot;Woord is, maar wij kunnen den Bijbel voor het minst lasteren. Blaast dan den priesters der kerk in, dat deze Bijbel gevaarlijk, duister is, en dat het voor de geloovigen het veiligst is hem gesloten te houden. Opdat echter deze ingeving niet ongerijmd toeschijne, moet gij hun zeggen, dat hij nog duidelijk en nuttig is voor do leeraars, die met zijne uitlegging belast zijn.
Het daarbij te laten, zou weinig beteekenen. Plet is niet genoeg den Bijbel openlijk te verbieden, gij moet hem ook verdraaien, onkenbaar maken. Dat zult gij zijne uitlegging heeten. Yoegt eenige woorden bij, laat andere weg; schrijft Grode toe wat op mij van toepassing is, en schrijft mij toe wat op God betrekking heeft. Vermengt alles zoodanig, dat men de waarheid niet meer kan onderkennen; scherpt vooral dit beginsel in, dat, om in God te gelooven; men in den mensch moet gelooven, alleen, verbergt het woord mensch onder het woord Kerh, en alles zal wél gaan.
Hetgeen ons de zielen ontrukt, is vooral de vrees der hel; wanneer een mensch zich deze twee uitersten, eeuwig lijden
70
of eeuwige zaligheid, ziet voorgesteld, is het hoogst natuurlijk, dat hij zich tot God wendt. Het komt er dus op aan, dat wij de vreesachtigen gerust stellen, en daar het bestaan van hemel noch hel kan worden geloochend, moeten wij een juist midden uitdenken: dat zullen wij den naam van vagevuur geven; gij zult allen doen begrijpen, dat een iegelijk daarbij welvaart: â de priester door zich met den verkoop van missen te verrijken, de kooper door de vrijheid om in de zonde voort te leven, en eindelijk wy, clie, door de hoop op vermindering van straf, des te zekerder leeken en priesters ten verderve brengen.
Maar ziet wel toe, dit is de zegepraal van uw werk. Indien gij met het vagevuur slaagt, gaat alles wèl; zoo gij er niet mede terecht komt. is alles verloren. Ik weet, dat het werk moeilijk is, omdat gij hier niet het oude bekende middel kunt bezigen en uwe ingevingen op het Woord van God gronden. Want het vagevuur wordt in den Bijbel volstrekt niet genoemd. Als hij van het laatste oordeel sprak, heeft onze eeuwige vijand zorg gedragen te zeggen, dat de menschen van elkander zullen gescheiden worden, ter rechter- of ter linkerhand zijns Vaders, en dat dezen zullen gaan in uwe en mijne eeuwige pijne, maar de recht7aardigen in het eeuwige leven; zoodat hij voor mijne gelukkige uitvinding niet de minste ruimte heeft overgelaten. Maar geen nood! moed gehouden! Bepaalt steeds de priesters bij het vagevuur, predikt het den geloo-vigen, en daar het volkomen met hunne driften en neigingen overeenstemt, â ik ken mijne onderdanen â zullen allen het aannemen. Gaat dan uit; vervloekt de menschenen ontvangt mijnen zegen.
Terstond gaat de menigte van duivelen uiteen; ieder begeeft
71
zich weder, met een en Bijbel in de hand, naar zijn vertrek, en zoekt op wat wijze hij dien zou kunnen vervalschen. Een overleide hij zich zei ven, dat het van het grootste belang was het schepsel in plaats van den Schepper te doen vereeren, en dat het beste middel om hierin met den mensch te slagen zijn zoude, hem een lieve vrouw tot afgod te geven. Tot daartoe was de list menschelijk, maar ziehier wat haar dui-velsch maakte: Om de vereering eener heilige te wettigen, bracht de duivel op haar woorden over, die de Bijbel op eene heidensche godheid toepast. Jesaja had den Joden verweten, dat zij afgodendienaars waren, omdat zij de koningin des hemels vereerden ; de duivel dacht, dat het zijner waardig zoude wezen, deze zelfde benaming aan Maria, de moeder van Jezus, te geven.
Een ander afvallige engel maakte het beter: Farao, de koning van Egypte, een heiden, had tot andere heidenen, zijne onderdanen, die hem om koren vroegen, gezegd: âGaat tot Jozef;quot; van die gelijkheid in naam gebruik makende, liet de duivel de Kerk zeggen wat door den heiden was uitgesproken, en onder het afbeeldsel van Maria's echtgenoot, deze woorden betrekkelijk den zoon van Jakob plaatsen: âGaat tot Jozef!quot; Zoo werd het woord eens afgodendienaars in den mond van Christenen gelegd, en scheen de vereering van den mensch bevolen te zijn door diezelfde Schrift, welke ze verbiedt !
Een derde duivel won het de beide eersten af: Deze toch hadden slechts het schepsel met den Schepper gelijk gesteld, maar hij verhief in zijne vermetelheid het schepsel bovenden Schepper; van eene arme vrouw maakte hg de moeder Gods! Hoor op wat wijze. Hij sloeg in den Bijbel het eerste hoofd-
72
stuk op van 't Lucas' Evangelie, waar Maria een bezoek bij Elisabet aflegt, en daar deze op de groetenis van hare nicht zegt: âVan waar komt mij dit, dat do moeder mijns Heeren tot mij komt ?quot; â stelde de duivel in de plaats van den naam Heere, die ook den menschen gegeven wordt, bet woord God, dat slechts op den Schepper toepasselijk is. Sedert zag men onder de prenten, die dit vrouwelijk bezoek voorstellen, even als in godsdienstige roomsche boeken, deze goddelooze woorden staan; âMaria, moeder Gods!quot; Andere duivelen vergenoegden zich met stoutweg plaatsen te verkeeren, die hen in den weg stonden. De een beweerde dat de woorden van Jezus, bij het toedienen van den beker des Avondmaals: âDrinkt allen daar uit,quot; beteekenden : Dat niemand daar uit drinke. â Een ander hield staande, dat de woorden : âEen opziener moet ééner vrouwe man zijnquot; te kennen gaven, dat een geestelijke niet getrouwd moet zijn. Een derde bewees, dat het bevel van Paulus; âEet al wat in het vleesch-huis verkocht wordt,quot; wilde zeggen : Eot geen vleesch, â en zoo werd de Bijbel verdraaid van het begin tot het einde.
Nochtans zagen zij, die sluwer en listiger waren, dat dit alles niet voldoende was, en zich den raad huns meesters herinnerende, verboden zij het lezen van den Bijbel, en gaven bevel, dat die niet zou gelezen worden dan in het latijn, eene heidenache taal, welke schier door niemand verstaan wordt.
Nu bleef nog do groote zaak van het vagevuur over, waarvan satan niet dan het eerste denkbeeld gegeven had, hetwelk zijne engelen moesten ontwikkelen. Een enkele duivel was daartoe niet genoeg; eene groote menigte hield er zich mede bezig, en ieder bracht in den raad zijne meening uit.
Hoe zullen wij toch het vagevuur geloof doen vinden, zeide
73
de voorzitter, wanneer de Bijbel van zijne eerste tot zijne laatste bladzijde er niet van spreekt ? wanneer alle onderwijzingen van dat verachtelijke boek samenstemmen, om den mensch voor te stellen als geheel verloren in zich zeiven, of volkomen behouden door het geloof in Jezus Christus ?
Die vraag moet worden opgelost: Beëlzebul, spreek, het woord is aan u.
â Om het vagevuur geloof te doen vinden, zeide Beëlzebul, moet gij eerst de priesters voor hetzelve winnen.
â Goed ; en gij, Astaroth, hoe zullen wij ze daarvoor winnen ?
â Door hun de middelen aan de hand te geven om er de zielen uit te verlossen, die er niet in zijn.
â Welke middelen ?
â Vooreerst de mi?, die de valsche munt voor den dood van Jezus Christus zijn zal.
â Vervolgens ?
â Do verdiensten der heiligen, die zij bijeen moeten vergaderen onder den naam van overtollige werken. Hetgeen ons schade doet, is, dat de Bijbel den mensch regelrecht naar zijnen Zaligmaker verwijst, die altijd bereid is te vergeven. Laat ons daarom tusschen Christus en den zondaar onmachtige schepselen plaatsen, en do keten der zaligheid is verbroken !
â En gij, Baal wat zullen de priesters met die verzameling van goede werken doen ?
â Zij zullen ze tegen gereed geld verkoopen.
â Aan wie ?
â Aan de zondaars, die blijde zullen zijn ze te kunnen koo-pen. De menschen aangemoedigd door de voldoening op den Sisten (jg,. zullen des te vrijer zondigen tot aan den 30sten. Lichtelijk vallen zij in den strik dier ongerijmde uit-
74
-vinding. Terwijl men gedurende het leven de vreugde der bel smaakt, bekommert men zich weinig om eene zaligheid, welke eerst na den dood verkregen wordt.
â Maar wie zullen uit het vagevuur worden verlost ?
â De dooden en de levenden.
â En hoe lang zullen wij zeggen, dat de zielen in het vagevuur blijven.
â Laat ons dienaangaande niets bepalen. Zoo kan de priester altijd vragen en de zondaar immer bopen; bedrogenen en bedriegers, allen zullen tevreden zijn.
â Wie zullen wij zeggen, dat in het vagevuur komen?
â Al degenen, die niet ter helle gaan. Men moet prediken, dat schier niemand regelrecht ten hemel gaat.
â Maar dan zal men mij antwoorden, dat de hemel vaa heiligen ontbloot en het vagevuur vol zondaren is; en hoe zullen de overtollige werken van zulk een gering getal heiligen de millioenen zonden der anderen vrijkoopen? Zal men mij niet zeggen, dat de schat van goede werken gevaar loopt te worden uitgeput, en dat het daarom beter is tot God dan tot â de heiligen te gaan?
â Domme duivel, uw' naam onwaardig! Zijt gij dan on-noozel genoeg om niet te begrijpen, dat de mensch, die de ^onde bemint, liever zijn toevlucht neemt tot een mensch, weleer zondaar als hij, dan tot een'altijd heilig God? Heeft uwe duivelsche ervaring u niet geleerd, dat de mensch zoo zeer vreest, God in den gebede te naderen en Hem na te volgen, dat hij altijd liever zjjnen evenmensch tot voorbeeld en beschermer heeft! Ga weg, satan! en leeï uw bedrijf op de aarde kennen; ik verban u voor 1260 jaren naar Rome, en gij zult wijzer wederkomen.
75
Niet één duivel durfde meer het woord opvatten, de ontelbare schare verspreidde zich ijlings aan alle kanten, en de hel brak op aarde los. Ieder duivel koos zijn vaderland. Alle duivelen namen een menschelijke gedaante aan; des daaga, des nachts, in den schouwburg, in de kerk, aan de ouders, aan de kinderen, gaven zij duivelsche gedachten in, en de wereld werd wat wij zien, dat zij thans is.....
Daar was ik in mijnen droom, wanneer ik ontwaakte. Het zweet liep met stralen langs mijn aangezicht, mijne leden beefden, mijn geest was afgemat, en niet dan na langdurige inspanning kon ik mij eindelijk van het gebeurde reden geven.
Het was maar een droom, maar gelijk zooveel andere, had ook deze droom groote waarheden onder treffender vorm voorgesteld. Ook nam ik van dien dag af een besluit: Het was om mij stipteljjk aan den Bijbel te houden, welken satan mij ontrooven wilde, dien zelt te lozen en een' iegelijk te wantrouwen, die mij zijne uitlegging zou willen opdringen. Sedert heb ik mij te nauwer verbonden aan mijnen Heiland en Zaligmaker, Jezus Christus, van wien ik onmiddellijk vergeving van zonden ontvang en al die krachten, welke ik noodig heb, zonder de tusschenkomst van eenen medemensch en medezondaar te behoeven. Den Bijbel in de hand, Jezus in het hart, en wat heb ik noodig met de vergeving, de missen, de uitlegging eens priesters? Ik wil zelf lezen, zelf bidden, mij zeiven heiligen onder inroeping van de hulp des Heiligen Geestes.
Lezer, geloof mij, volg dit voorbeeld; ik roep u niet tot mij, het is naar den Bijbel dat ik u verwijs. Het is niet mijne verklaring, welke ik u zeg te gelooven, maar het eigen woord van God zei ven. Is deze raad niet belangeloos? Gaf de Roomsche Kerk u ooit een' dergelijken ? Onderzoek en oordeel.
VI.
DE BOER
ZUS EN PASTOOR TERECHTWIJZENDE.
â Dag Pieterbaas.
â Uw dienaar, Pastoor.
â Zeg eens, Pieterbaas: men heeft mij verteld, dat gij de preek der Protestanten zijt gaan booren?
â Dan heeft men u de waarheid verteld, Pastoor.
â En hoe zijt gij er toe gekomen, om ketters te gaan hooren?
â Pastoor, God is niet kettersch, en het is Gods Woord, de Bijbel, dien men bij de Protestanten leest.
â Ja, de Bijbel door een' Predikant uitgelegd.......
â Neen, Pastoor: De Bijbel door zich zeiven verklaard,
want hij verklaart zich zelvcn geheel alleen als men hem spreken laat; en ik herhaal u, men heeft den Bijbel laten spreken door hem te lezen.
â Maar zeg eens, heeft do Protestant goed gepreekt? en heeft hij u wel gezegd te gelooven wat hij predikte?
â Neen, Pastoor; de protestantsche prediker beeft ons ge-zegd, het niet op zijn woord te gelooven, maar te huis komende, eenen Bijbel te nemen en te onderzoeken of deze wederspreekt of bevestigt, wat ons verkondigd is.
â Maar begrijpt gij niet, dat dit spotternij is? en dat gij.
77
ongeletterde menscben, geenszins de heilige Schriften kunt onderzoeken om te oordeelen, of zij al of niet met de prediking van den Protestant in tegenspraak zijn?
â Dan heeft Lucas hierin ook met het volk den spot gedreven; want de prediker heeft ons eene Bijbelplaats aangewezen, waarin gezegd wordt, dat de inwoners van Berea dagelijks de prediking van Paulus met de heilige Schriften vergeleken; en hetgeen meer is, Lucas prijst hen om zulk een gedrag. (Hand. XVII: 11.)
â Wel, Pieterbaas, dan zijt gij nu op eens een geleerde geworden! gij zijt nu wel zoo wijs als eene talrijke vergadering van bisschoppen! Zoo zult gij dan nu besluiten nemen in plaats van de kerkvergaderingen.....
â Neen, Pastoor; ik vermeet mij niet, iets voor iemand te beslissen; maar ik neem de vrijheid dit voor mij zeiven te doen: God heeft den Bijbel ingegeven; ik lees het ingegeven quot;Woord, en dat is de eenvoudige zaak.
â Maar gij kunt er niets van verstaan.
â Dat ik het begrijp, is een bewijs dat ik het verstaan kan. Ik begrijp den almanak wel, dien een mensch gemaakt heeft; hoe zou ik dan den Bijbel niet verstaan, die God tot schrijver heeft! Zou God zich minder weten begrijpelijk te maken dan een mensch? Zegt de Bijbel niet bovendien als hij van zich zei ven spreekt: âDat Gods Woord een licht is?quot; (Psalm CXIX : 105.)
â Pieterbaas, gij zijt stijfhoofdig!
â Pastoor, als iemand stijfhoofdig is als hij niet van gevoelen veranderen wil, dan zijt gij het; maar wat mij betreft, wanneer ik op een' slechten weg ben, sla ik een' anderen in. Ik meen niet, dat ik tot hiertoe onfeilbaar geweest ben.
78
Gij zijt hoovaardig, wijl gij meer denkt te weten dan anderen.
â Anderen zijn niet zeer nederig als zij meer denken te weten dan God zelf; het is op God, en niet op anderen, dat ik mij verlaat.
â En ik verklaar u dat, als gij voortgaat zoo te redeneren, ik u geen biecht meer afneem.
â Dan zal ik zelf biechten.
â Dus niet aan my ?
â Neen, maar aan God.
â Aan God ?
â Ja, aan God, die in den Bijbel verklaart, dat indien wij Hem onze zonden beljjden, Hij getrouw en rechtvaardig is om ze ons te vergeven (1 Joh. 1 ; 9).
â De Kerk zal u niet trouwen!
â Dan laat ik mij elders trouwen.
â De Kerk zal u niet begraven!
â Om mijn doode lichaam bekommer ik mij weinig, als de ziel maar gered is.
â Gij zult in den kerkelijken ban gedaan worden.
â Ja, door u, en door God in genade ontvangen.
â Men zal niet meer voor u bidden.
â Dan zal ik zelf bidden.
â Er zal geen mis gedaan worden om u uit het vagevuur te verlossen.
â Dat is ook niet noodig, ik denk naar den hemel te gaan.
â Gij naar den hemel?
â Ja, ik naar den hemel.
â Hoe weet gij dat?
â Dat zal ik u zeggen : ik heb in den Bijbel gelezen, dat de moordenaar, die ter rechterzijde van Jezus aan het kruis
79
gehangen was, den Heiland, die zelf ook God is, zijne misdaden beleed en tot Hem zeide: âHeere, gedenk mijner!quot; Svaarop Jezus antwoordde: âHeden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.quot; (Lucas XXIII: 41â43). Indien een boetvaardig moordenaar vergering ontving op zijn eenvoudig geloof in Jezus Christus, zie ik niet in waarom ik, bij ootmoedige schuldbelijdenis ea een oprecht geloof in dien zelfden Zaligmaker, niet evenzeer zou kunnen zalig worden. En hetgeen mij bewijst, dat mijne verwachting wèl gegrond is, is, dat ik in dien zelfden Bijbel lees, dat âGod alzoo lief de wereld heeft gehad, dat Hij zijnen eenig-geboren' Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.quot; (Johannes III: 16). Ik maak ook een gedeelte der wereld uit en kan dus, geloovende, zalig worden.
â Maar terwijl gij uwen hemel inwacht, moet gij nog op aarde leven, en ik verzeker u, dat gij uwe broodwinning zult verliezen door u met die Protestanten te verbinden. Niemand zal met u te doen willen hebben.
â Ik vertrouw op Hem, die het dagelijksch brood schenkt, en indien God voor mij is, wie of wat zal tegen mij zijn?
â Men zal u met den vinger nawijzen!
â Wat zegt dat! Men heeft den Heere Jezus wel bespot.
â Men zal u overal van zich stooten!
â Jezus had geene plaats waar Hij het hoofd kon nederleggen,
â Ieder zal het genoegen doen, u eene dienst te weigeren.
â Men heeft den Meester vervolgd, men zal ook de discipelen vervolgen, en hoe meer ik om mijn geloof vervolgd wordt hue meer ik zal gevoelen, dat ik waarlijk een discipel van Jezus Christus ben.
80
*
â Wij zullen zien, of gjj het lang vol zult houden. Vooreerst zal niemand U werk geven.......
â En dan?
â Niemand zal u willen huisvesten........
â En dan?
â Niemand zal zaken met u willen doen, om te koopen of te verkoopen.
â En dan ?
Niemand zal u bij zich willen hebben !
â Dus gaat dan de gansche wereld tegen mij samenspannen ?
â Ja,
â En wie zal het hoofd dier samenspanning zijn ?
â quot;Wie! wie! Dat gaat u niet aan!
â In allen gevalle zoudt gij wél doen met dat opperhoofd te zeggen, dat hij geen Christen is, want Christus beval de vergeving der misdaden, terwijl deze man zich wreekt; Jezus gebood liefde, en het hoofd dier samenspanning schijnt niet dan van haat te weten. Indien het bij toeval een priester was, zeg hem dan, dat zijne gelijken in het Sanhedrin waren, die Jezus uit haat ter dood veroordeelden. Indien het een pastoor was, zeg hem, dat ik mij in niets Over hem verwonder, over een lid dier Kerk, welke de inquisitie heeft uitgevonden. Eindelijk, indien gij het zelf zjjt, weet dan dat uw wraakgierige geest voor mij het beste bewijs is, dat gij niet uit de waarheid zijt. De Heer heeft gezegd : âVergeeft en gij wreekt u zei ven. De Heer heeft gezegd; âOnderwijst de volken;quot; en gij weigert hun zelfs het onderwijs van den Bijbel. De Heer heeft gezegd: âGij hebt het cm niet ontvangen, geeft het om niet;quot; (Mattheus X ; 8) en gij verkoopt.
81
(niet het Evangelie dat gij verbergt), maar uwe missen, uwe gebeden, uwe vrijheden, uwe stoelen, uwe aflaten, uwedoops-bedieningen, uwe huwelgks inzegeningen, uwe begrafenia-
sea.....maar ik kan het best buiten al uwe verkoopjes
stellen: ik wend mij tot God, die den hemel uit genade schenkt.
â Uit genade ?
â Ja, uit genade! en ziedaar wat u in den weg staat; want, waar men om niet geeft, is geene mededinging meer mogelijk voor degenen, die verkoopen. Ja, uit genade! ziedaar het woord, dat alleen uwe groote onderneming den doodsteek zal geven. God geeft en gij verkoopt! God vergeeft, en gij straft! God bemint, en gij haat! Hoe wilt gij dan dat men niet tot God ga, en dat men zich niet van u keere ? â Gij kunt»nu met mij doen zoo gij wilt; ik heb geleerd, niet te vreezen voor degenen, die het lichaam dooden, en de «iel niet kunnen dooden; ik vrees veel meer hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel. Ik ben dus niet bang voor u.
â Gij zijt onbeschaamd!
â Neen, maar ik heb den moed om de waarheid te zeggen.
â Gij zijt goddeloos!
â Dat ben ik tot hiertoe geweest, daar ik nederknielde voor hout en steen; maar nu niet meer, sedert ik in den levenden God geloof en mij eeniglijk op mijnen Heiland verlaat.
â Gij zijt een ellendeling!
â Ja, een ellendig zondaar; maar een ootmoedig en berouwhebbend zondaar, wien God vergeven heeft.
â Gij zult altijd........
6
82
â quot;Wat! hetgeen ik zijn zal, weet ik zelf nog niet, maar ik weet althans wat ik zijn wil. Ik wil voortaan heiliglijk leven, want het zijn juist mijne zonden, die mijnen Zaligmaker gekruisigd hebben. Ik wil oprecht, rechtvaardig, mensch-lievend zijn, omdat Jezus zoo goed jegens mij geweest is van mij alles te schenken ! Zie, Pastoor, het is zóó met mij gesteld: Als men mij lief heeft, heb ik weder lief; als men mij ccne dienst bewijst, wensch ik die dubbel weder te doen; hoe edelmoediger men jegens mij is, hoe dankbaarder ik ben. Welnu, is God niet boven bidden en boven denken liefderijk en edelmoedig jegens mij geweest? Hij heeft mij vergeving geschonken, den hemel geopend, zijne eeuwige heerlijkheid bereid! Ook springt mijn hart op van blijdschap, en ben ik bereid om gewillig alles te doen wat God van mij eischt; en wat Hij van mij eischt, is niet moeielijk, het is Hem lief te hebben, en de broederen lief te hebben â en ook u,. Pastoor.
â Ik heb uwe liefde niet noodig!
â Daarom zal ik toch voor u bidden.
â Ik ben niets met uwe gebeden gediend!
â Dat is nu het onderscheid, Pastoor; ik heb u lief, en gij haat mij! Ik bied u mijne gebeden aan; gij weigert mg de uwen! Ook heeft Jezus gezegd: âAan hunne vruchten zult gij ze kennen. Leest men ook een druiven van doornen, of vijgen van distelen?quot; (Matth. VII ; 16.) Oordeel nu. Pastoor^ wie van ons beiden de discipel van Jezus Christus is!
VIL
IN DE LEER DER ROOMSCHE KERK
GEENE ZALIGHEID.
Vergun mij al dadelijk mijne denkbeelden in te kleeden, opdat ik mij te beter doe verstaan.
Ik stel mij de Roomsche Kerk onder eene zichtbare gedaante voor; haar hemel is een gewelf, een koepel, door vier pilaren ondersteund; die Kerk is uwe zaligheid, en de vier pilaren die haar ondersteunen zijn:
de Overlevering, de heilige Maagd,
de Priester, uwe Werken.
Maar zijn die vier pilaren, welke uwe zaligheid dragen, hecht en sterk genoeg? Wij zullen zien.
Laat ons terstond den eersten onderzoeken. â Daar niemand onzer Jezus Christus gezien heeft, moet ons geloof noodzakelijk op eenige gronden rusten. Volgens de Roomsche Kerk berusten deze gronden op de Overlevering. De Apostelen bebben niet alles geschreven, wat Jezus Christus gedaan en gesproken heelt. Hetgeen zij niet hebben geschreven, hebben zij aan hunne leerlingen verhaald, die het weder aan hunne leerlingen hebben medegedeeld; en zoo van leerlingen tot leerlingen, totdat de laatste het in den zin kregen al deze woorden, sedert een-wen door eenen apostolischen mond voortgebracht,
84
op te teekenen. Maar deze woorden der Overlevering zijn in de geschriften der Kerkvaders van alle tijden en plaatsen verspreid.
Indien gij nu bij deze Overleveringen de besluiten der Kerkvergaderingen en de pauseljjke geboden voegt, die der-zelver zin beslechten, verkrjjgt gij in het geheel 150 boek-deelen inâfolio 1). Begrijp wel, dat dit alles geene apostolische Overlevering is; maar dat gij ze in dit alles vinden moet.
Nu vraag ik: Is dat een gemakkelijk werk? De vaderen waren feilbaar ; hoe kan ik thans de punten onderscheiden, waarin zij gedwaald hebben ? Hoe kan ik staat maken op het geheugen eener reeks van mannen, van wie de laatste mij zegt: Paulus heeft mij betuigd, dat Claudius hem gezegd had van Jacobus vernomen te hebben wat Hieronymus van Gregorius had gehoord, die Justinus gezien had, die niet Apol-los, maar den opvolger van Apollos, den vriend der Apostelen van Jezus Christus gezien had ? Hoe zal ik mij overtuigen, dat er onder alle deze verklaringen en weder verklaringen niet eenige grove dwalingen, eenige kleine onwaarheden geslopen zijn ? Indien de eerste geschreven, en de tweede nageschreven had om het eeÃen derde over te leveren, die zou hebben overgeschreven, kon ik nog tot zekerheid komen ; want, gelijk het spreekwoord zegt: het geschrevene blijft, het gesprokene vervliegt. Een boek wordt bij duizenden exemplaren verspreid, die elkander tot tegenafdruksel dienen. Maar hoe zal ik kunnen waar maken, dat hetgeen men mij thans mondeling mededeelt, juist datgene is, wat Petrus en Johannes gezegd hebben zonder het te schrijven?
1) In â folio, dat is, in het formaat, waarbij hot vel papier slechts eens wordt toegevouwen en vier bladzijden heeft.
85
Hetgeen mij het meest verontrust, is, dat de verschillende schrijvers, op wie men zich beroept, verre zijn van hetzelfde gevoelen te wezen. Terwijl zij in eenige punten overkomen, twisten zij over andere; veroordeelen en vervloeken elkander, en nochtans wordt de Overlevering uit hunne schriften gevormd. Ook haalt een iegelijk sedert twee duizend jaren de vaderen voor of tegen hetzelfde gevoelen aan. Hunne werken zijn een algemeen wapenhuis, waar vrienden en vijanden der waarheid hunne wapenen halen, die in het eind niemand schaden, omdat zij door gedurige botsing op elkander verstompen.
Hetgeen mij nog wantrouwender maakt, is, dat deze Overlevering, de steun van het Roomsche geloof, dikwijls door de Romeinen geschreven is. Het zijn Pausen, die de rechten der Pausen bevestigen, en die somtijds liegen tot walgens toe; want de valsche pauselijke yebuden, door iedereen als zoodanig erkend, hebben er niet te minder om de zaken te Rome be-heerscht. Hoe wilt gij dat ik een' aangeklaagde geloove, die in zijne eigene zaak getuigt? Merk ook wel op, dat ik in de Roomsche Kerk zelfs geen. meester ben de Overlevering te onderzoeken; ik moet hare uitlegging uit den mond der Kerk ontvangen, zoodat het de Roomsche Kerk ia, die mij eindelijk beslissend verklaart, dat zij de waarheid zegt.
Indien de Roomsche Kerk zich nu maar steeds gelijk bleve. Maar neen, de eene kerkvergadering veroordeelt de andere; zeker Paus verbrandt het lichaam van zijnen voorganger om diens assche in den Tiber te werpen; een ander
vervolgt zijnen mededinger gewapenderhand.......want gij
moet weten, dat er tijden geweest zijn waarin twee, ja drie Pausen tegelijk regeerden, en daarna was er geen. Welke is de goede tijd ? Misschien de laatste.
86
Maar welken Paus moet ik gelooven?
Laat ons edelmoedig zijn, en veronderstellen dat zij het allen eens zijn; dan blijft ons slechts over ze te lezen: Daar hebt gij 150 boekdoelen in â folio, in hetgrieksch en in het latijn! Waar zullen wij beginnen? Lezer, ik beroep mij op uwe eigene ervaring: Hebt gij ooit de Overlevering gelezen? Kunt gij er mede terecht komen? Weet gij waar zij begint â en waar zij eindigt? Hebt gij die 150 boekdeelen inâfolio ooit ergens elders gezien dan achter de geslotene, getraliede deuren, in eene algemeene boekverzameling, waar zij met stof zijn overdekt en van wormen doorknaagd?
quot;Maar, zal men zeggen, houd u aan uwen pastoor, die zal u het merg en de pit van dat alles geven. â Goed; maar dan is het niet meer de Overlevering, het is mijn pastoor, dat wil zeggen de prieter, mijn tweede steun der zaligheid. Laat ons ook, zoo gij wilt, de vastigheid van dezen pilaar onderzoeken; maar stem vooraf toe, dat de eerste is afgebroken. De tweede pilaar der zaligheid in de Roomsche Kerk is dan de priester; de priester, pastoor, domheer, bisschop, kardinaal of paus, het ia om het even; de priester in het algemeen, die het geloof regelt, de offeranden vervult, genade schenkt en alzoo de zaligheid der geloovigen uitwerkt.
Het is een grondbeginsel in de Roomsche Kerk, dat er genadebewijzen naar ieders staat zijn, dat wil zeggen, inwendige bekwaamheden en toestanden, een' iegelijk overeenkomstig zijne werkzaamheden verleend. De priester moet dus, even als de anderen, de bijzondere genadegaven zijner ambtsbediening hebben. De roeping toch om God te laten spreken, Gode aangename offeranden te brengen, in Gods naam vergeving te schenken, Gods genadebewijzen uit te deelen, die
87
roeping, die gunstbetooningen moeten groot en heilig zijn, en â den priester tot een geheel bijzonder, groot en heilig wezen maken. Een wezen dat onfeilbaar wordt, een wezen dat niet het vuur van den hemel, maar meer dan dit, God zeiven op aarde doet nederdalen; een wezen, dat den Hemel gebiedt, en de Hemel gehoorzaamt; ik herhaal het, zulk een wezen moet rein zijn; het is een heilige priester.
Maar zijn de priesters heilig? Overspelige Pausen, Pausen die hunnen evenmensch vergiftigen, zijn die heilig? Kardinalen, die met hunne meesteres den schouwburg bezoeken, zijn die heilig? Biechtpriesters, die misbruik maken van het vertrouwen hunner boetelingen, zijn die heilig? En als gij eigen namen verlangt, Paus Borgia, die dezelfde vrouw tot dochter, echtgenoote en schoondochter had, â Borgia, die stierf aan bet vergif, hetwelk hij voor een' ander had toebereid, was die heilig ? Kardinalen en bisschoppen, die elkander in eene kerkvergadering, bekend onder den naam van kerkvergadering der roovers, met stokslagen hebben afgerost, zijn die heilig. De kerkvader Mingrat, die eene jonge dochter verleidde, haar tot moeder maakte en daarna in stukken sneed, om hare stuiptrekkende leden in den stroom te werpen, was die priester heilig? Maar wij zullen dit punt bij zulk eene gemakkelijke overwinning niet verder ontwikkelen; eens ieders ervaring moge beslissen of deze of gene priester bij hem bekend, een heilige priester is!
Indien er van joodsche priesters sprake was, [zoude ik mij houden aan het woord van Jezus: âAl wat zij u zeggen, âdat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet ânaar hunne werken.quot; Doch in de Roomsche Kerk gaat mij weldegelijk aan, wat de priester doet; wat de priester doet.
88
zaligt mij; ik ben dus gerechtigd te zien of hij het wél doet, óf hij waardig is het te doen. Wanneer toch een ongeloovig priester, zoo als dit wel eens heeft plaats gehad, in eene mis niet God maar den duivel aanroept, is zijne mis dan nog van kracht? Wanneer een biechtvader zijne biechtkinderen verleidt, is zijne vrijspraak dan nog geldig P Mij is zoo noodig zulks te weten, aleer ik hem mijne zaligheid toevertrouwe. Laat mij dus dezen pilaar van naderbij onderzoeken, en indien ik hem vermolmd mocht bevinden, vergun mij dan dat ik er mij niet op verlate.
Ook steunt men algemeen in de Roomsche Kerk nog meer op eenen derden pilaar of vastigheid, op de Maagd Maria. Zien wij dus welke de hechtheid van dien steun zij.
Laat ons Maria's geschiedenis in hare bron, in het Evangelie zelf, nagaan.
Hooren wij eerst wat de Engel Gabriël zegt: âWees ge-âgroet, Maria! gij hebt genade bij God gevonden.quot; Gij hoort het, Maria heeft âgenade bij God gevonden,quot; even als gij en ik, even als alle zondaren die in oprechtheid tot God gaan. Men schenkt genade aan eenen schuldige, niet aan eenen onschuldige. En dat is zoo zeker de zin der woorden van den engel, dat de Roomsche Kerk, zich hier veroordeeld ziende,, deze plaats door een woordenspel vervalscht heeft. Om deze veroordeeling te ontgaan, zegt zij in de vulgatha 1): âMaria, âdie vol van giatie zijt,quot; en niet âdie genade helt gevondenquot; omdat deze uitdrukking, vol van gratie, voor tweederlei uitlegging vatbaar is, en ook kan beteekenen: vol van gunstbewijzen, om in den nood aan anderen uit te deelen, gelijk
1) De vulgata is de algemeen latijnsche bijbelverklaring, waarvan zich de Eoomsch-Katholieken bedienen.
89
men ook zegt: vol van schatten. En terwijl ik elke logenstraffing te dezen opzichte uitdaag, betuig ik een iegelijk met zekerheid; dat de Roomsche Kerk zich aan vervalsching heeft schuldig gemaakt. Er staat niet in den tekst: vol van gratie, maar die genade hebt gevonden, en deze vervalsching bewijst, dat de Kerk gevoelt dat zij veroordeeld was. Maria heeft genade gevonden, gelijk alle zondaren.
Toen Jezus twaalf jaar oud was, vergat zijne moeder Hem te Jeruzalem, en reisde den ganschen dag voort zonder zich over Hem te bekommeren. Als in onze dagen eene moeder dit deed, zoude men haar voor het minst van onachtzaamheid beschuldigen; maar dat wil ik Maria niet doen. â Zij komt weder te Jeruzalem, vindt haar kind in den tempel, berispt hem, en wanneer Jezus tot haar als tot Jozef zegt: âWeet gij niet, dat ik moet zijn in de dingen mijns Vaders?quot; begrijpt Maria niets van hetgeen Jezus zeggen wil. â Zij was dus nog verre van het Evangelie te verstaan.
Later zochten Maria en hare kinderen (want nadat Jezus van den Heiligen Geest ontvangen was, kreeg Maria nog zonen bij Jozef), later, zeg ik. zocht Maria Jezus en wilde Hem onttrekken aan de schare, welke hem omringde. Zij liet Hem roepen. Men zeide tot Jezus: âZie, uwe moeder en uwe broeders daar buiten zoeken u.quot; Toen antwoordde Jezus, die niet gaarne een onderhoud met zijne discipelen afbrak, âWie is mijne moeder, en wie zijn mijne broeders?quot; en rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, voegde hij er -bjj: âZiet, mijne moeder en mijne broeders?quot; want zoo wie den wille Gods doet, die is mijn broeder en mijne zuster en moeder.quot;
Zoo maakt de Heere Jezus dan geen onderscheid, wat den
90
geestelijken band betreft, tusschen zijne moeder en allen, wie het, gelijk Hem, ernst is, den wil te volbrengen des Vaders die in de hemelen is.
Op de bruiloft te Kana in Galilea ontbrak het den gasten aan wijn, Maria doet het Jezus opmerken, alsof zij een wonder van Hem begeerde; maar om haar te doen gevoelen, dat hare tusschenkomst voor het minst onvoegzaam is, antwoordde de Heere: âVrouwe! wat heb ik met u te doen?quot; Hoort gij het, Jezus zegt tot Maria: âVrouwe, wat heb ik met u te doen?quot; Zoo spreekt meu immers tot iemand die lastig en onbescheiden is? En alsof Hij Maria nog meer wilde verootmoedigen, verrichtte Jezus vervolgens uit eigene beweging het wonder, dat Hij eerst geweigerd had.
Eindelijk, op den plechtigen dag van zijnen dood, zeide de Zaligmaker tot Johannes: âZie uwe moeder,quot; en tot Maria: âZie uw' zoon,quot; zoodat Jezus zijnen discipel en zijne moeder op eene zelfde lijn plaatste; Hij beval ze elkander aan, gelijk wij voor onze bloedverwanten of voor onzen vriend zouden zorg dragen. Maar is dat nu Maria tot den rang der Godheid verheffen ? Of wordt zij met andere menschen gelijk gesteld ?
Dat men mij echter wèl begrijpe: ik wil niet vernederen wat God verhoogd heeft. Ik houd het er zeker voor, dat Maria tot het oprecht geloof in Jezus gekomen, en door Hem zalig geworden is, â ik beschouw het als een uitstekend gunstbewijs, verwaardigd te worden het lichaam van Jezus Christus ter wereld te brengen; maar het lichaam van Jezus Christus is Jezus Christus zelf niet; het goddelijk Wezen, van den Heiligen Geest ontvangen, was de Zoon van God, waa zelf God ; en Maria, in den tijd geboren, kon geen moeder
91
van een eeuwig Wezen zijn. Zij heeft zich niet meer te beroemen dan de aarden vaas zich beroemen kan over den schat dien zij omsluit. Maria ie de aarde vaas, Jezus de schat.
Gij ziet, het schijnt dat God, door ons in het Evangelie de aangehaalde bijzonderheden te bewaren, de Christenen vooraf heeft willen waarschuwen tegen de rol welke de Roomsche Kerk Maria zoude laten vervullen; Hij heeft ons gewaarschuwd tegen de dwaling, die zich later zou ontwikkelen. En niettemin heeft men haar tot godin van het Christendom verheven, en meer altaren voor haar dan voor den Schepper opgericht! Niettemin wordt zij voorgesteld als middelaarster tusschen God en menschen! Maar wat heerlijke beschikking! Alsof de Bijbel ook deze laatste dwaling bestrijden wilde, staat er geschreven: JJJr is slechts één Middelaar tusschen God en wie ? tusschen God en Maria ? â Neen, tusschen God en de menschen. Maar die éénige Middelaar, wie is Hij? â Hoort wat Gods heilig Woord getuigt, als wilde het alle toegangen tot de toekomstige dwaling afsnijden: âEr is één Middelaar Gods en der menschen, namelijk Jezus Christus.quot; Wat kan er duidelijker worden gezegd? Voorzeker niets! En echter voegt de Bijbel nog aan deze duidelijkheid toe. Indien er niet meer in deze plaats stond, zou men kunnen zeggen: het is van Jezus Christus in zijne betrekking van Zoon van God, dat hier sprake is. Doch de Zoon van God is te groot dan dat wij met vrijmoedigheid tot Hem zonden toegaan; daarom moeten wij Hem worden voorgesteld door eene heilige vrouw, zijne moeder, van wie wij ons op minder grooten afstand gevoelen.
Maar neen; er wordt op deze plaats gezegd: de mensch Jezus Christus. Verstaat gij het? de mensch Jezus Christus!
92
Zoodat het niet is in zijne betrekking van den Christus Gods, maar in zijne betrekking als mensoh, dat Hij onze Middelaar is l
O verrassende duidelijkheid voor wie de oogen niet willen sluiten! Mijn God! lof en dank zij U toegebracht, dat Gij mij van rondsom tegen de dwaling gewapend hebt! Eene dwaling, die mij zeer liefelijk zoude geweest zijn, ik beken het; ja, ik begrijp hoe aantrekkelijk het is voor het vleeschr liever tot een wezen, onze gelijke, in den gebede te naderen, dan tot U driemaal heilig God! Ik kan het begrijpen, dat de jonge dochter gaarne hare patrones in Maria, eene jeugdige maagd, ziet; dat de vrouw er behagen in schept hare beschermster in Maria, eene jeugdige moeder, te zoeken. Helaas! mijn verdorven hart doet mij zelfs vermoeden, dat de jongeling of man omziet naar een aardsch evenbeeld van de jonge, schoone en teedere Maria. Maar het is mijn vleesch, mijne aardsgezindheid, die mij tot zulke verkeerde gedachten leidt; wil ik mij echter tot U verheffen, dan gevoel ik, dat ik tot U met geheel verschillende, met zuivere en heilige gewaarwordingen, vrij van al wat vleeschelijk en wereldsch is, komen moet! Heilig God! geprezen zjj Uw naam, daar Gij mij voor de afgodische Mariadienst bewaard hebt!
Alzoo berust de zaligheid in de Koomsche Kerk op eene onzekere overlevering; op eenen zondigen priester; op eene bevoorrechte vrouw ; laat ons zien of een vierde pilaar den toets beter zal doorstaan.
Het zijn uwe goede werken, die dezen pilaar uitmaken. Stapel al uwe edele gedachten, al uwe opofferingen, al uwe grootsche bedrijven, al uwe aalmoezen opeen, en zie of deze pilaar hoog genoeg is om den hemel te bereiken! Onze goede
93
â werken? maar is het geene scherts? waar zijn onze goede werken ? wie heeft ze gezien ? wie heeft ze geteld ? en vooral, wie heeft ze gewogen ? Mijne goede werken, van mij, die vol eigenliefde slechts aan mij zeiven denk en voor mij zeiven werk, of die zoo ik al voor anderen denk en werk, het slechts doe met het oog op eigen voordeel. Hoe! zouden mijne goede quot;werken mij in den hemel brengen, mij die zondig te ieder uur, mij hoogmoedige, onreine, liefdelooze ondankbare? Moet ik al die verdiensten vereenigen, en er eene pyramide van oprichten om den hemel te beklimmen? Maar waarlijk, men zoude even goed kunnen zeggen; gij moet een' put graven om eenen berg te bestijgen, of gij moet u in eenen afgrond werpen om op den Mont-Blanc te komen! Indien er onder u, lezers, iemand gevonden wordt, die meent genoeg gedaan te hebben om den hemel te verdienen of dien waardig te zijn, dat hij het zegge! en indien hij den onzaligen moed daartoe bezit, zal ik op mijne beurt den moed hebben hem te ant-â¢woorden: Gij zijt voor het minst hoogmoedig, en dat reeds sluit u uit den hemel, dien gij zegt verdiend te hebben!
Ziedaar dan de vier pilaren, die in de Roomsche Kerk de steunsels van de zaligheid der geloovigen uitmaken : aan de achteraijde, aan den eenen kant, de overlevering, en aan den anderen de Maagd; â aan de voorzijde, aan den rechterkant, de priester, en aan den linker- uwe verdiensten. quot;Welnu, ik aarzel niet te zeggen; ziedaar vier vermolmde pilaren! Zijt op uw hoede; want het gewelf zal ineenstorten!.... Wat zeg ik? maar gij weet wel, Roomsch-Katholieken, die deze regelen leest; de daad alleen dat gij ze leest, bewijst mij, dat gij een' anderen steun zoekt dan dien uwer Kerk. Ik zal hem u aanwijzen. Wat stolt de Protestantsche Kerk in
94
de plaats van die Tier omvergeworpene pilaren der Roomscli© Kerk ? Vier pilaren van geheel verschillenden aard : in stede der overlevering, een menschelijk woord, plaatst zij den Bijbel, het quot;Woord Gods; ja, het goddelijk quot;Woord, dat door de Katholieken zeiven is goedgekeurd; den Bijbel, geschreven door de Profeten en de eigene Apostelen van Jezus Christus; den Bijbel, onmiddelijk door God zeiven ingegeven. Gij kunt hem loochenen, maar dan storten alle Christeliike kerken ineen, de uwe zoowel als de mijne. Als Protestant heb ik het recht om u het gezag der overlevering te betwisten, terwijl ik dat van den Bijbel staande houd; maar gij, Katholieken, hebt geen recht het gezag des Bijbels te betwisten, zoodra gij aan de overlevering gelooft. Bijbel en overlevering, ziedaar twee oorkonden: ten aanzien der eerste zijn wij het eens, dat zij heilig en onbetwistbaar is; omtrent de tweede verschillen wij, zij wordt althans wedersproken. Geschiedt dit met recht? quot;Wij willen onderzoeken.
Wij hebben gezien, de overlevering is niet dan na een geruim tijdsverloop, waarin ontelbare mededeelingen van mond tot mond gingen, te boek gesteld; men weet niet waar ze op te vatten; men weet niet waar zij begint noch waar zij eindigt. De Bijbel daarentegen is volkomen bepaald; beide het Oude en het Nieuwe Testament. De Schriften der Profeten en die der Apostelen zijn dezelfde bij de Katholieken als bij de Protestanten; deze geschriften zijn die der ooggetuigen. Sedert vier duizend jaar zijn zij dezelfde gebleven; de oudste handschriften komen met de jongste juist overeen. Dit quot;Woord is geschreven en onveranderbaar ; wie er een afdruksel van bezit, is verzekerd dat de andere niet kunnen ver-valscht worden; want hij zoude het onderscheid zien en er
95
tegen op komen. Dit boek is zoo nauwkeurig bepaald, dat er eene menigte vertalingen, soms verscheidene in dezelfde taal, van bestaan, zoodat al wie lezen kan, zich ook door de vergelijking van hare echtheid en getrouwheid kan over-gen. Ik stel dus in plaats van de onbepaalde overlevering, den zeer bepaalden Bijbel; in plaats van het gesprokene en onbestemde woord, het geschrevene en bestemde quot;Woord; in plaats van het woord eens menschen, het Woord Gods; en in plaats van uwe overlevering, door menschelijke wijsheid ingegeven, den Bijbel ingegeven, door den Heiligen Geest. Zoo wordt dan de overlevering, de eerste pilaar of vastigheid der Eoomsche Kerk, door den Heiligen Geest, den eersten pilaar van het Protestantisme, vervangen. â Laat ons nu tot den tweeden overgaan. quot;Wat stelt de Protestantsche Kerk in de plaats van den priester, die den gewijden ouwel aanbiedt en vergiffenis schenkt? Zij plaatst God zei ven, die zijn eigen Zoon gegeven heeft tot eene verzoening voor de zonden Hier wil ik eens toegeven. Ik wil veronderstellen, dat het lichaam van Christus werkelijk in den mensch overgaat en dat de priester het recht van vrijspraak heeft. Maar het is natuurlijk onder zekere voorwaarden. Een ongeloovige, een onwetende, een misdadiger zal. denk ik, wel niet geschikt zijn om God op de aarde te doen nederdalen en den mensch ten hemel te doen opklimmen. Ik wil geene voorwaarden vaststellen; ik zeg alleen, dat zij bestaan moeten om priesters te wijden of zelf priester te zijn. Want, wie verzekert mij dat de priester, die mij Roomsch-Katholiek gedoopt heeft, de priester, bij wien ik gebiecht en van wien ik kwijtschelding verkregen heb, de priester, bij wien ik ten avondmaal ging, de priester, die meer dan eene mis tot mijn oogmerk verricht heeft,
96
wie verzekert mij dat alle deze priesters hunne bediening getrouwelijk vervulden ? dat allen geloovig, verlicht en geheiligd waren? quot;Wie zegt mij, dat er in de lange rij van priesters, die hun van de dagen der apostelen af hunne macht hebben overgeleverd, geen enkele onwaardige, ongeloovige, onwetende of misdadiger gevonden werd? En indien dit zoo is, is dan de gouden keten niet verbroken geworden ? In allen gevalle, blijf ik onzeker omtrent mijne zaligheid; want misschien is er in deze pilaar eene plek, welke door een in het hart verborgen worm doorknaagd wordt. Een glanzend vernis kan zeer goed dit doorknaagde gedeelte bedekken; maar vernis kan toch geen gewelf schragen ? Moet ik niet beven bij de gedachte, dat dit steunsel iederen oogen-blik kraken, ineenstorten en mij verbrijzelen kan? Daarbij, hoe veel liever heb ik met een' driemaal heilig en almachtig God, dan met een' zondig priester te doen! Hoeveel liever zeg ik in ootmoedig geloof: God zelf biedt mg de vrijwillige offerande zijns Zoons aan; God zelf vergeeft mij mijne zon- ^ den; God zelf heeft alles in mijne plaats gedaan; wat zou ik vreezen of wat zou mij ontbreken ? â Het is God, die den Zaligmaker der wereld belooft; God, die Hem door de Profeten laat aankondigen; God, die Hem op aarde zendt; God, die hem overgeeft aan het bitterst kruislijden op Golgotha; God, die hem uit het graf doet verrijzen; God, die mij het geloof schenkt; God, die mij de vermogens en krachten tot werken verleent; God, die alles doet; God, die mij zalig maakt: â God, en niet de mensch; God, en niet de priester! En wanneer nu zoo alles tot mijne zaligheid door God zeiven volbracht is; zou ik dan in de plaats van dien heiligen God den zondigen priester stellen? Neen, dat niet,
97
behoud uwen priester zoo gij wilt, maar laat mij mijnen God en Vader tot eenen steun en toevlucht en Verlosser!
Wat stelt de Protestantsche Kerk in de plaats van Maria, die voor ons tusschentreedt in de Roomsche Kerk? Christus, den éénigen Middelaar, dat is, het eeuwige Woord in de plaats eener geschapene vrouw. Ik wil hier niet weder stilstaan bij die krachtige en duidelijke uitspraak: âEris slechts één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Cliristus Jezusquot;, maar ik wil u doen opmerken hoe het Evangelie, dat ons overal vermaant den Vader in naam des Zoons te bidden, nergens zegt den Zoon in naam van Maria te bidden! En hetgeen meer is; nooit wijst ons het Evangelie op Maria als tusschentredende voor de zondaren bij Jezus Christus, dien dag uitgenomen, waarop de Heere vermaant en afwijst met deze woorden : âVrouwe, wat heb ik met u te doen ?quot;
Geloof echter niet, dat ik smaad zoude willen werpen op haar, die God zalig gesproken heeft; neen, maar ik wil een' iegelijk op zijne plaats stellen. Ik bemin en eerbiedig Maria als Christin, als moeder, als een gezegende vrouw; maar ik vereer Christus als God, en om wel over het onderscheid tusschen beiden te oordeelen, stel ik mij het ontzaggelijk tooneel van Golgotha voor oogen. Zie daar ginds, te midden der Galilésche vrouwen, Maria aan de zijde van Johannes, den veelgeliefden discipel des Heeren; zij ziet alles van verre; zij-durft niet te naderen; haar hart, met een zwaard doorboord, bloedt op dit schouwspel, zij ziet, lijdt en weent als vrouw en moeder; ik begrijp het en ween met baar.
Maar zie in het midden van dit- tooneel Jezus aan het schandelijk vloekhout genageld, badende in zijn bloed, bespot door het volk, beschimt door de priesters, doorboort van de
98
krijgslieden; zie Jezus onder al deze smarten op het kruis blijven, ondanks de spottende uittartingen om af te komen â op het kruis blijven, terwijl Hij den smaad en de schande veracht; omdat Hij weet, dat langs dezen weg de vroegere, tegenwoordige en toekomende geslachten der geloovigen moeten behouden worden; â en terwijl Maria stilzwijgend blijft staan, hoort gij Jezus uitroepen: âVader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen!quot; Welk een afstand tusschen Jezus en Maria! Ja, ik heb deernis met het lot eener liefhebbende, diep bedroefde moeder; maar ik aanbid des Vaders ééngeboren Zoon, den Zaligmaker der wereld. Ginds ontwaar ik eene vrouw, een hulpbehoevend schepsel, daar zie ik het eeuwige quot;Woord, door hetwelk alle dingen zijn ; ginds eene verloste Christin, daar Christus Jezus, den Verlosser der menschheid! Welk een onderscheid,© mijn God! Welk een onderscheid, o Maria ! Ja, zalige vrouw, indien, gij van uit den hemel der heerlijkheid kondet zien en hooren welke afgoderij zich onder uwen naam op aarde verbergt, gij zoudt geen minder bittere tranen storten, dan die gij plengdet op het akelig Golgotha!
Eindelijk blijven nog onze goede werken over, of om juister te spreken, eindelijk moeten nog onze onvolmaakte, slechte werken door iets beters vervangen worden; en ik stel Gods genade in hunne plaats. Genade, dat is, volkomene vergeving, onverdiende zaligheid , welke God om Jezus' wil schenkt aan een iegelijk, die van harte in dien goddehjken Zaligmaker gelooft.
Maar is die genade eene werkelijkheid, of is zij slechts een uitvloeisel van het menschelijk brein? Sla den Bijbel op, open het boek der natuur, en gij zult deze goddelijke genade overal vinden afgemaald. Hoor wat David zegt. âGod is
99
groot van genadequot; en wat Jesaja spreekt: âO alle gij dorstigen, âkomt tot de wateren! en gij die geen geld hebt, komt, koopt âen eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!
Hoort wat Jezus zelfbetuigt: âKomt herwaarts tot mij, allen âdie vermoeid en belast zijt, en ik zal n ruste geven.quot;
Hoort Paulus: âWij worden om niet gerechtvaardigd, uit âZijne genade, door de verlossing die in Christus Jezus is; â âuit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave.quot;
Johannes, als hij zegt: âWie dorst heeft, kome; en wie wil, neme het water des levens om niet.quot;1
Jacobus: âGod wederstaat de hoovaardigen, maar den nede-rigen geeft genadequot; en Petrus: âGodsgenade ia waarachtig.quot;
Sla nu het groote boek der schepping open: wordt niet alles hier beneden u uit enkele genade geschonken? Heeft iemand uwer verdiend geboren te worden, en te leven ? heeft hij zich zijne ouders, zjjne genietingen, ja al wat hij bezit waardig gemaakt ? Gij werkt, zegt gij; maar voor wien ? voor God of voor u zeiven? En al hadt gij de werken van eenen Hercules verricht, zou God u daarom de belooning schuldig wezen voor hetgeen gij voor u zeiven gedaan hebt? Daarenboven, wie gaf u die werkende handen, dat denkende hoofd? Zijn het niet altijd gaven Gods? is het niet alles genade van God? Ja, alles is genade hier beneden gelijk alles genade daar boven is. En zou Gods genade niet tot alles genoeg zijn? wie kan er aan toevoegen? wie ze verminderen ? Die de wet gemaakt heeft, heeft die niet het regt genade te bewijzen? die het heelal te voorschijn riep, heeft die niet de macht genade te schenken? Kan, Hij, die alles is, geen genade verleenen ? Hij, wien de schuldige toebehoort,
100
kan hem immers ook begenadigen? â Neen, zegt gij nog, Zijne heiligheid wil dat aan de eischen zijner wrekende wet voldaan worde. â quot;Welnu, aan die eischen zal volkomenlijk worden voldaan. De heilige Jezus neemt onze menschelijke natuur aan en sterft in onze plaats op Golgotha; Hij lijdt wat wij verdiend hadden, â de bezoldiging der zonde, den dood; en Hjj schenkt ons uit vrije genade het leven, dat uit Hem is, den hemel, de eeuwige zaligheid; Hij hervormt en vernieuwt ons uit genade naar Zijn goddelijk evenbeeld, gelijk Hij ons uit genade het aanschijn geschonken had. Door Hem verlost en vrijgemaakt, zijn wij zijn dierbaar eigendom; vergeving van Hem ontvangen hebbende, worden wij tot de liefde gedrongen; geheiligd door Zijnen Geest, doen wij Zijne werken en niet de onzen.
Wij zijn alles in Hem, alles door Hem en alles voor Hem, Hij is onze steun en toevlucht, onze onwankelbare rotssteen!
Dit is dus de grond der zaligheid voor de Roomsche Kerk: De Overlevering, des menschen woord; Maria, een menschenkind ; de priester, een zondig mensch; en de werken van een zondig mensch!
En de grond der zaligheid voor eenen Protestant: de Bijbel, het eeuwigblijvend Woord Gods tot levensgids; als Verlosser en Middelaar erkent hij Jezus Christus, Gods Zoon, die zelf ook God is; en in plaats van onze arme, onbeduidende werken stelt hij de genade Gods!
Zoo berust alles aan de ééne zijde op den mensch; aan de andere zijde berust alles op God.
Kies nu! maar erken in allen gevalle, dat men van de leer eener Kerk, waarin de zaligheid eens menschen op andere menschen berust,âeener Kerk, waarin de eene zondaar den anderen zaligt, gerustelijk zeggen kan: In die leer is geene zaligheid!