ocr page 1

^ /\ ï! I . f 1 Er n i-%

J cj

V vfci

' m ,A

v-i .^7 gt;;

r'Cw/i

VÖtiVl F I:' f pb |KHr. r)| 1 k

'^1'^ 'H) ^ ^ t- /Jil

v,mgt;v-

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

DE FEESTYIEREHDE

Katholieke Kerk

IN NEDERLAND.

ocr page 6
ocr page 7
ocr page 8
ocr page 9

-0®Efc=-«#0----^DfO-

Huisboek voor Christelijke Gezinnen.

ocr page 10
ocr page 11

VOORREDE tHJtïtr irctt

E FEESTVIERENDE KATHOLIEKE KERK IN NEDERLAND verlangt in waarheid te zijn een Huisboek voor Christelijke Gezinnen, schreven wij in de voorrede van den derden druk. Deze wensch is verwezenlijkt. De groote oplage van den derden, en de nog grootere van den vierden druk zijn uitverkocht. Opdat echter dit zoo nuttige boek in ieders handen komen kunne, in eiken katholieken familiekring als huisvriend zijn intrek neme, en ook aan de leerlingen der Katholieke scholen als prijs gegeven worde, hebben wij den prijs nogmaals aanzienlijk lager gesteld.

Moge dan ook deze nieuwe druk, even als de vorige, onder de hoede en voorbede van den allergelukzaligsten Jozef, het hoofd der H. Familie en den vermogenden Beschermheilige der Christelijke huisgezinnen, eene welkome opname vinden; opdat, gelijk wij het vurig wenschen, de heerlijke krans onzer kerkelijke feestgetijden weder worde wat hij voorheen, volgens Dom Guéranger, geweest is ; j de vreugde der volken, het licht der geleerden, het boek der kleinen quot; !

ocr page 12
ocr page 13

DE ADYEKT.

ER de zon, in den vroegen morgen, zich in haren vollen glans aan de oosterkimmen vertoont, de duisternis van den nacht verdrijft, en licht, leven en vruchtbaarheid over den aardbodem uitspreidt, daagt het blijde morgenrood ten trans, om de komst van den lichtreus aan te kondigen en voor te bereiden. Zoo ook verscheen niet eensklaps in de wereld. Hij, die de Zonder Gerechtigheid is, maar de komst van het Eeuwig woord des Vaders, dat voor ons is vleesch geworden en onder ons heeft gewoond, de geboorte van den God-mensch, die licht en leven brengt aan de zielen en haar door zijne genade vruchtbaar maakt voor den Hemel, werd voorafgegaan door de Oude Wet, het morgenrood, van het Nieuwe quot;Verbond ; zij werd aangekondigd en voorbereid door een lange rij van Oudvaderen en Profeten : daarna eerst werd de Zaligmaker geboren; daarna eerst sprak God tot ons door zijn eigen Zoon, door wien Hij alles heeft gemaakt, en dien Hij tot erfgenaam van alle volleeren heeft aangesteld; nadat Hij reeds menigmaal en op verschillende wijzen tot ome vaderen door zijne Profeten gesproken had.

Op het hooge feest van Kerstmis viert en herdenkt de Kerk de geboorte van onzen goddelijken Verlosser. Maar, opdat wij het geluk, dat ons door Jezus' komst beschoren is, beter zouden beseffen, wil de Kerk, dat wij ons, vóór het Kerstfeest, den voortijd, den tijd der venoachting herinneren. Dit is de eerste reden, waarom zij den Advent, — den tijd, die de komst, adventus, van den Heiland voorafgaat, — heeft ingesteld. Daarom doet zij ons alsdan in de

ocr page 14

8 DE ADVENT.

H. Mis en in de andere openbare gebeden de taal hooren der Profeten, die de komst des quot;Verlossers voorspellen : daarom ook herhaalt zij, zonder ophouden, de verzuchtingen der Oudvaders naar de geboorte van den Messias. Dauwt, hemelen, den Rechtvaardige ; en gij, o aarde, open uwen boezem, en hreng den Verlosser voort, zoo klinkt het gedurig in de kerkelijke gezangen. Welaan, zoo luiden weer andere gebeden, laten wij den Heer en Koning, die weldra zal verschijnen, aanbidden , o Heer der machten, kom ons verlossen; o Gij, Zone Gods, die op deze wereld zult komen, ontferm U onzer.

Wanneer nog maar acht dagen ons van het Kerstfeest scheiden; hoor, daar verheft de Kerk des te luider hare stem, en roept nu eens : o Wijsheid, kom ons den weg der voorzichtigheid leeren; dan weder : o Leidsman van het huis van Israël, kom en verlos ons door uwen machtigen arm; en zoo vervolgens slaakt zij eiken dag een kreet van vuriger verlangen : o wortel van Jesse, draal niet meer, maar kom en verlos ons; o Sleutel van David, kom, open den kerker, en ontsla het menschdom van zijne boeien; o Glans van h$t eeuwig licht, kom en verlicht hen, die in de duisternis zitten en in de schaduw des doods ; o Koning, o Verlangde der volkeren, kom en verlos den mensch, dien Gij uit het slijk der aarde hebt gevormd) o Emmanuel, onze Heer en onze Koning, kom, kom en verlos ons ! En is eindelijk de vooravond van Kerstmis aangebroken, dan verkondigt zij in jubeltonen het blijde feest, en zingt, met vreugdevolle en dankbare stem : morgen zal de boosheid der aarde worden uit-gewischt, en de Verlosser der wereld zal over ons heerschen.

Dit alles was op vele plaatsen nog niet genoeg voor het katholieke hart. Het was niet genoeg dat het met de Oudvaders en de Profeten naar den Messias verzuchtte, maar het had er behoefte aan, zijn verlangen ook nog te vereenigen met de Gezegende onder alle vrouwen, die het vurigst van

ocr page 15

DE ADVENT. 9

allen Jezus' geboorte had verbeid. Vandaar het gebruik om op den eersten der Quatertemperdagen in den Advent, eene plechtige Mis, Maria ter eere, te vieren. Deze Mis wordt de Gulden Mis, of ook wel, omdat zij met de woorden Borate Cali, begint, de Rorate-Mis genoemd. Het is nog duistere nacht, als de klok de geloovigen ter Gulden Misse roept. Eu dit geschiedt terecht: want dan vieren wii den dag nog niet, waarop de Zon der Gerechtigheid voor het menschdom is opgegaan ; maar wij herdenken nog dien hangen nacht van onwetendheid en bedorvenheid, waarin de wereld verkeerde vóór Jezus' komst. De dag is echter nabij, waarop Maria Hem aan de aarde zal schenken; Hem, die het ware licht is, dat in de duisternis schittert, en allemensch, die in de wereld komt,verlicht; en daarom is ook de kerk zelve, terwijl buiten haar alles nog duister is, heerlijk verlicht, en, als het ware, met een gloed van luister vervuld. Levendig wordt ons op die wijze de genade der Verlossing voor oogen gesteld. Te midden van dien glans klopt het hart dan ook dankbaarder voor de onuitsprekelijke genade, ons geschonken in Hem en door Hem, die ons van de duisternis des ongeloots heeft bevrijd; en vuriger dan ooit verzucht dan de ziel naar het oogenblik, wanneer zij niet meer met de Moeder-maagd naar de komst van den Heiland smachten, maar zich met haar in zijne geboorte verheugen zal. De Gulden Mis is een voorsmaak van Kerstmis.

Geen wonder dus, dat de Gulden Mis, vroeger, zoo men meent, met gulden letteren in de Misboeken geschreven, zoo dierbaar aan het katholieke volk gebleven is. Bij het eerste klokgelui komt alles op de been, jong en oud, rijk en arm, want bij de Gulden Mis wil ieder tegenwoordig zijn. Vóór alle anderen echter hoort men de varensgasten met blijdschap elkander wekken, en vóór alle anderen spoeden zij ter kerke heen. Waaraan men dien ijver der scheepslieden, om het eerst bij dit feest tegenwoordig te zijn, moet toeschrijven, kunnen

ocr page 16

10 DE ADVENT.

wij slechts gissen. Zou het misschien wezen, omdat zij, die zoo dikwerf en nog meer dan de herders moeten waken, en toch niet het eerst bij de kribbe van Jezus werden geroepen, hiervoor eene vergoeding zoeken en zich dus haasten, om ten minste liet eerst bij Jezus5 Moeder, bij die Sterre der Zee, bij die zekere Haven der Zaligheid te zijn ?

De Zon der Gerechtigheid, die met Christus5 geboorte voor de wereld is verrezen, moet ook opgaan voor ieder Christen in het binnenste zijner ziel. Maar hoe zal het licht doordringen in een gemoed, dat de duisternis der zonde bemint ? Hoe zal een bovennatuurlijk leven het hart bezielen, dat, door de zonde gedood, zijnen doodslaap wil blijven doorsluimeren ? Hoe zal het rijk der genade heerschen in hem, die onder den ijzeren schepter van satan en in diens slavernij wil blijven voortleven? Daarom roept de Kerk in deze dagen den zondaar toe : Hora est jam nos de somno surqere. Het is nu tijd, om uit omen sJaap tt-ontwaken, want onze Verlossing is naderbij, dan toen wijgeloovig werden. Zij spoort allen aan, om waardige vruchten voort te brengen, eu aan de wereldsche vermaken vaarwel te zeggen; zelfs verbiedt z'j, dat gedurende den Advent huwelijksfeesten gehouden worden. De Priester bezigt in dezen tijd geen ander gewnaddanhetpurperkleurige,hewelkeenteeken van boete en droefheid is. Daarenboven beval de kerk vroeger, dat de geheele Advent een tijd van vasten en versterving zou zijn, juist gelijk de veertig dagen, die het heilig Paaschfeest voorafgaan. De vasten van den Advent duurde eertijds óók veertig dagen, en begon daags na het feest van den H. Martinus. Het is daaraan toe te schrijven, dat, te dien tijde, het H. Mar-tinus-feest veelal, zooals thans, helaas, nog de Vastenavond, in losbandig vermaak werd doorgebracht. Later is de Advent tot vier weken, ter herinnering aan de 4000jaren vóór Christus' geboorte, beperkt, en hierdoor vervielen de vermakelijkheden van Sint-Maartensdag, ofschoon men er ook heden ten dage

ocr page 17

DE ADVENT. 11

nog overblijfsels van kan bespeuren, op vele plaatsen, waar, op den vóóravond van dien dag, vreugdevuren — sint-Maar-tens-vuurtjes genaamd — ontstoken en ommegangen met brandende fakkels gehouden worden. Ook de verplichting, om gedurende den Advent te vasten, bestaat hier te lande niet meer. Maar al heeft de Kerk hare wetten te dien aanzien veranderd, haar geest blijft toch dezelfde; en, willen wij in dien geest binnendringen, dan moeten wij dezen heiligen tijd niet in vermaak en feestviering doorbrengen, maar gedurende die dagen met de zonde breken en onze kwade neigingen betoomen, boetvaardigheid oefenen en in vurig gebed naar Jezus' komst verzuchten, ten einde ons voor te bereiden, om het groote Kerstfeest waardig te vieren, en ons gemoed zóó te stemmen, dat alsdan Jezus door zijne genade ook in ons hart worde geboren.

LOFZANG CREATOR ALME SIDERUM.

Zie, Schepper van het starrenheer. Der Christnen licht, genadig neer. En neig, van uit der zaalgen koor. Tot die U smeeken, gunstig 't oor.

Gij, Jezus, die der helle macht Gebreideld hebt met hemelkracht. Gij bracht uit 's eeuwgen Vaders schoot Aan 't menschdom redding van den dood.

Gij kwaamt om onze zondeschuld. Als hemelsch toonbeeld van geduld. Als schuldloos offer hier op aard. Uit maagdelijken schoot gebaard.

ocr page 18

12 DE ADVENT.

Maar nu, in heerlijkheid gesteld,

Wordt* langs heel de aard uw Naam gemeld,

Daar Englen dartlen in uw licht,

En de afgrond van uw aanblik zwicht.

En daarom knielen we in het stof,

En brengen. Rechter, U den lof Met bede, dat uw macht ons hoed',

Waar 's vijands gruwelbende woedt.

Prijs, eere en glorie zij den Zoon,

Met Geest en Vader, aangeboón.

En aller harten dank bereid.

Van nu af tot in eeuwigheid.

Overweging.

Alk dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal worden geslecht, en de kromme wegen zullen recht en de oneffen wegen effen worden .* en alle vleesch zal de zaligheid Gods zien, ( Luc. 3. 4. 5. 6.)

Dit zijn de profetische woorden, welke de Kerk in den Advent tot ons richt, en die in onze taal zeggen willen : bereidt u tot het ontvangen van den hemelschen Koning, die terstond tot u komen zal. Hij is heilig en geheel goddelijk! Niets onheiligs kan voor Hem bestaan! Daarom doet boetvaardigheid, en bekeert u van ganscher harte. Vernedert u voor God wegens uwe zonde; verandert ernstig van voornemen en wandel; neemt andere gedachten en gevoelens aan; streeft naar alles, wat waarachtig, wat rechtvaardig, wat behaaglijk en prijzenswaardig is.

Gij vindt woeste dalen in u : gebrek aan geloof, aan liefde tot God en aan blij vertrouwen. Vul deze dalen, wanneer Christus u tot zaligheid strekken zal. Gij vindt er bergen en heuvels! Trotschheid en blinde eigenliefde hebben ze opgeworpen. Slecht en sloopt zulke hoogten, wanneer Christus u tot zaligheid strekken zal! Gij vindt zoovele kromten, zoovele valsche grondstellingen in u, zooveel onzuiverheid en onredelijkheid in uwe bedoelingen, zoovele verkeerdheden in uw

ocr page 19

DE ADVENT.

willen en handelen, en in het oordeel over beiden. Deze kromten moeten recht gemaakt, de sluippaden der booze lusten, de kromme wegen van huichelarij en valsche eerzucht moeten verlaten worden, wanneer Christus u tot zaligheid strekken zal.

Er is in u ook veel ruw- hard- en oneffenheid, zooveel macht van onbetamelijke drift, zooveel vijandelijkheid, liefdeloosheid, toorn en hoovaardigheid, zoo weinig liefde, zachtmoedigheid, mildheid en geduld. Zal Christus u tot zaligheid, zijne komst u ten zegen worden, ruimt dan deze steenen des aanstoots uit den weg, bedwingt u zeiven, trekt geduld, zedigheid, zachtmoedigheid en vredelievendheid aan. Al het ruwe moet worden elfen en glad gemaakt.

De genade van onzen God en Zaligmaker is aan alle men-schen verschenen; ons onderwijzende, dat wij alle goddeloosheid en aardsche lusten verloochenen, en matig, rechtvaardig, en godvruchtig in deze wereld leven moeten. Maar, wanneer wij ons niet van God laten onderwijzen, wanneer wij de goddeloosheid niet verzaken, de kwade lusten niet beteugelen; niet matig, niet godvruchtig op aarde leven; wat kan het, wat zal het ons baten, dat de genade Gods van onzen Verlosser aan ons verschenen is ? God heeft u geschapen zonder u, zegt de H. Augustinus; maar u verlossen zonder u, u goed en rechtvaardig maken zonder u, u eeuwig gelukkig doen worden zonder u ; neen, dat zal Hij niet.

Ziedaar een woord der behartiging overwaardig.

ocr page 20

o—cfliinïiinriiniT............................................................................

SINT KICOLAAS.

ir^a.oe lang en hevig, voor drie eeuwen, de staatsstorm, die l.iB.lldestiids Europa doorwoedde, ook ons vaderland schokte, en uit den boom van ons volksleven menisren fraaien tak wes-

O O

sloeg, toch lag de wortel van dien stevigen stam te diep in den bodem der bevolking gevestigd, dan dat er niet menige twijg krachtig bleef voortleven, waaraan zich gedurig frissche bladeren vertoonen, die vroolijk wederkeeren, van jaar tot jaar. Welke verdeeldheid er, in Nederland, op godsdienstig gebied, moge gerezen zijn tusschen broeders en zusters, vroeger zoo innig door den band van een-zelfde geloof vereenigd, en welk eene betreurenswaardige klove er moge ontstaan zijn tusschen hen, die in den schoot der grijze Moederkerk bleven voortleven, en hen, die haar verlieten, zoo zijn er toch spranken der oude eenheid in den boezem onzer bevolking levendig blijven voortbestaan, en daaronder behoort vooral de Feestviering van den VI. December, de dag van Sint-Nicolaas, om zoo te spreken, den meest populairen Heilige, alom door de Katholieke Kerk, in geheel de christen-wereld, kinderlijk-blijde herdacht, en dit niet alleen in den onschuldigen kring der jeugd, maar ook te midden van volwassenen, bejaarden, hoogbedaagden, ja, tot zelfs achtbare grijzen toe.

Zoo dan viert heden het gansche land, de Katholiek, de Protestant, de Israëliet, in broederlijke eendracht den Sint-Nicolaas, een feestdag van banket, suikergebak en allerlei lekkernij. Weinig gezinnen blijven daarbij achter. Niemands hart leeft toch zóó afgezonderd van het menschdom, of hij heeft hier of daar een petekind, een vriend of een bekende,

ocr page 21

SINT NICOLA.AS. 15

aan wien in zijnen naam, de heilige Bisschop een geschenk te bezorgen heeftj en zelfs de armen, wier ellende velen op dezen dag bijzonder gedenken, genieten het hunne van de al-gemeene vreugd, en verlustigen zich in het schouwspel, dat de bont-versierde winkels en de buitengewoon levendige en helder verlichte straten opleveren. Alleen zeer enkele familiën van germaanscheu oorsprong doen niet of slechts ten halve mede. Zij wachten het Kerstfeest af, om in hunne binnenkamers, en hier en daar in den winkel van een hunner Landes-leute, met een kerstboompje, een variant op hetzelfde feestte leveren, dat, met kindervreugd ten doel, door groot en klein wordtgevierd. Het kerstboompje wil echter bij ons niet populair worden, en blijft altijd iets particuliers, waaraan het nationaal karakter ontbreekt. De hollandsche Sint-Nicolaas heeft nog niets van zijn eeuwen-ouden luister verloren, en is er verre van af, zich door duitsche kerstboompjes te laten dringen van zijn troon. Er zijn lieden geweest, die zich de moeite hadden gegeven, de betrekkelijke waarde der beide feesten met elkander te vergelijken, om daaruit op te maken, welk de voorkeur verdiende : ijdel onderzoek ! Sint-Nicolaas behoudt zijn rang niet, omdat zijn gedenkdag in hooger aanzien behoort te staan dan het Kerstfeest, maar alleen omdat de viering daarvan een geheel hollandsch karakter heeft.— 's Lands wijs, 's Lands eer.

Niet altoos werd de Feestdag van St. Nicolaas enkel gevierd met koek en banket; in lang vervlogen tijden was het een kerkelijke feestdag. De heilige Bisschop was de patroon van Amsterdam, en in de dagen, toen alle steden en gemeenten het feest van haren Schutsheilige met de grootste geestdrift vierden, bleef het kerkelijk leven niet besloten binnen de enge muren van een gebouw, maar verspreidde zijne krachtige sappen heinde en verre naar buiten. Zoo kwam die eigenaardige viering van den St. Nicolaasdag, welke wij thans beleven, in de wereld. Naast de godsdienstige viering in de bedehuizen, ontstond

ocr page 22

16 SINT NICOLA AS.

een familiefeest, dat weldra populair werd en, in andere krin- ' gen dan de kerkelijke overgeplant, eenigszins van aard veranderde, maar toch zijn oorsprong niet ontrouw werd, en altijd duidelijk de kenmerkende eigenschappen van den Heilige, namelijk milddadigheid en liefde jegens de kinderen bleef vertoo-nen. Toen Amsterdam van een hoop visschershutten een stedeke, van een stedeke eene groote stad, en, eindelijk, de grootste, rijkste en invloedrijkste stad van de Vereenigde Nederlanden werd, verspreidden zich haar zeden en gewoonten over het gansche land, en ongemerkt en langzamerhand vierde men op alle punten het Feest van haren Patroon. Het is waar, de moker des beeldstorms had zijn beeld verbrijzeld, maar in het hart des volks bleef het levendig en geliefd; en, ofschoon het Neder-landsch volk gedurende drie eeuwen het bisschopskleed niet meer op zijn bodem aanschouwd had, was het, toen het weder verscheen, er toch bekend en populair. De populariteit van St. Nicolaas had het in eere bewaard.

Thans denken bij het St. Nicolaas feest, zeker weinigen aan zijnen oorsprong. Het is een algemeene vreugde geworden, waar wij trouwens niets tegen hebben in te brengen. Onschuldige en opgeruimde vroolijkheid heerscht heden avond onder menig dak. Hier en daar treedt een goedhartige peetoom of een oude huisknecht, vermomd en met een mijter en staf getooid, het huisvertrek binnen, neemt deze gelegenheid waar, om den kleinen wegens hunne meest in het oog loopende gebreken de les te lezen, maar eindigt altijd, — der legende over St. Nicolaas' gulhartigheid getrouw, — met eene rijkelijke uit-deeling van geschenken. Menigeen laat hem vergezellen door een ander personaadje, een neger, die onder den naam Pieter, mijn knecht, niet minder populair is dan de heilige Bisschop zelf, en met hem verschijnt, als de jeugdige stemmen aan het slotvers gekomen zijn van het liedje, hetwelk zij onder den schoorsteen zingen :

ocr page 23

SINT NICOLAAS. 17

Sint Niklaas, goed, heilig man !

Trek je beste tabbert an.

Rijd er mee naar Amsterdam,

Van Amsterdam naar Spanje,

Appeltjes van Oranje, enz.

En zóó zeer valt dit feest in den geest onzer natie, dat de volwassenen ijverig zorgen, dat het niet enkel tot de kinderen blijft bepaald. Vrienden wisselen op dien dag hunne geschenken, en menigeen neemt deze gelegenheid waar, om eene uitverkorene, ouder een doorschijnend anoniem, een hulde te brengen, die altijd gunstig ontvangen wordt.

Nochtans, hoewel de meesten, die heden van ganscher harte het St. Nicolaasfeest op deze of dergelijke wijze vieren, niets van zijn oorsprong willen weten, valt die oorsprong toch niet te miskennen. De vereering van den weldadigen Heilige moet, in vroeger eeuwen wel warm en hartelijk zijn geweest, om nu nog zulke breede sporen na te laten. Wij gelooven dan ook, dat andere feiten, die even duidelijk in het oog vallen, maar minder nauwkeurig hunne eerste aanleiding vertoonen, wellicht tot dezelfde oorzaak terug te brengen zijn. De vereering van de Heiligen, in vroeger eeuwen, uitte zich vooral in navolgins: hunner deugden. En zou het niet waarschijnlijk wezen, dat de christelijke deugd der weldadigheid, waardoor onze Hoofdstad zich te allen tijde onderscheiden heeft, en waardoor zij in onze dagen niet minder krachtig dan vroeger schittert, haar grond vindt in den eerbied en de bewondering, welke hare bewoners voor de schoonste eigenschap van hun Patroon steeds hebben bewaard ? Ons is althans het denkbeeld immer gemeenzaam geweest, dat wij, naast het gewone jaarlijksche volksfeest, in die traditioneele deugd der milddadigheid no^ een ander en luisterrijker gevolg hadden te aanschouwen der vroegere vereering van St. Nicolaas.

2

ocr page 24

SINT NICOLA AS.

LOFZANG.

Heden steeg hij, die Belijder,

wien de Volken de eerekroon Juichend brengen, van deze aarde

zalig in zijn hemeltroon.

Vroom, ootmoedig, kuisch, en ijverig

strijdend voor des 11 teren zaak, Bleef hij trouw den plicht volbrengen

van zijn opgenomen taak.

Door zijn deugd en voorbeeld tevens,

keert in 't uitgeput gemoed Van den strijder Gods weer veerkracht

en verhoogde zielegloed.

Daarom ook stijgt uit ons midden dank en jubel hemel waart,

Strekt zijn beê ons tot oen voorspraak

bij den pelgrimstocht op aard : Dan toch wordt de lof behaaglijk

in der hemelingen oor,

Dien wij der Drieëenheid brengen, nu

en eeuw bij eeuwen door. Amen.

Overweging.

De behoeftige draagt in zijne hand de schatten des Hemels: want alles wat hij ontvangt, legt hij in den Hemel neder, teneinde het op aarde niet verga. De hand van den arme is de schatkamer van Christus, want Christus zelf neemt dat alles aan, wat de arme ontvangt. Geef dan, o mensch, wat aarde aan den arme, opdat gij daarvoor den Hemel erlanget: geef een stuiver, om een koninkrijk te winnen : geef den arme.

18

ocr page 25

SINT NICOLA AS

1!)

opdat gij aan u zeiven gevet: want gij zult alles hebben, wat gij den arme gegeven hebt, terwijl alles, wat gij hem zult hebben geweigerd, het aandeel van een ander worden zal. God roept u toe ; Ik wil barmhartigheid. Welnu, die aan God weigert, wat Hij vraagt, die wil ook, dat God hem weigere, wat hij zelf verlangt. O mensch. God vraagt u niets voor zijn geluk, maar enkel voor het uwe; hij vraagt, dat gij aardsche barmhartigheid zoudt oefenen, opdat Hij u daarvoor hemelsche barmhartigheid schenke. Want ook in den hemel is barmhartigheid, en tot deze geraakt men door op aarde barmhartigheid te oefenen. — Eens zult gij voor Gods rechterstoel verschijnen; neem u dus tot voorspreekster de barmhartigheid, want zij zal u daar kunnen verdedigen. Hij wachte gerust op vergeving en twijfele niet aan de vrijspraak, die zeker is, dat de barmhartigheid zijne zaak bepleiten zal. Want de barmhartigheid komt niet alleen het rechtsgeding voor, maar in dit leven herroept zij ook het vonnis en spreekt de veroordeel-.den vrij. Dit leert ons de geschiedenis der inwoners van Ninive. Zij waren veroordeeld, ter straffe overgeleverd, en zouden den dood sterven; maar zóó krachtdadig verdedigde hen de barmhartigheid, dat God liever zijn oordeel introk, dan dat Hij iets aan de barmhartigheid weigeren zou. Broeders, verwerft u dan barmhartigheid, door barmhartigheid te oefenen jegens de behoeftigen, opdat gij verzekerd moogt zijn, de straffen te zullen ontgaan en de zaligheid te bekomen. Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ontvangen. Tevergeefs integendeel hoopt hij op barmhartigheid in den Hemel, die hier op aarde geene barmhartigheid geoefend heeft.

-oSamp;gt;

ocr page 26

r.g^

0—

ONBEVLEKTE ONTYANGEKIS YAK MARIA.

s het rechtmatig eu billijk, dat wij God in zijne Heiligen loven; dat wij God danken voor de genade, aan de Heiligen hier beneden, en voor de glorie, hier boven, geschonken; dat wij hulde brengen aan hen, die op eene schitterende wijze over de wereld, den duivel en het vleesch hebben gezegevierd; dat wij hunnen heiligen levenswandel plechtig herdenken, om ons tot het navolgen hunner deugden op te wekken, en dat wij de voorspraak van die vrienden des Heeren met vertrouwen inroepen, — dan is het voorzeker ook rechtmatig eu billijk, dat wij evenzoo, maar tevens op eene meer bijzondere en meer verheven wijze Haar vereeren, die de Koningin der Heiligen is, en die verre boven alle andere gelukzaligen, ja, zelfs boven alle koren der Engelen, in eer en glorie verheven staat.

De Kerk, van deze waarheid diep doordrongen, heeft, om die reden, aan de vereering van Jezus'' Moeder niet één-enkelen dag, maar een reeks van feesten toegewijd, waarop achtervolgens de geheimen van haar heilig leven, en de voorrechten, haar door God geschonken, plechtig worden herdacht en gevierd.

Het eerste feest, Maria ter eere, dat in het kerkelijk jaar voorkomt, is het feest Harer Onbevlekte Ontvangenis; een feest, gehaat door allen, die den schoot der grijze Moeder-kerk hebben verlaten, maar dierbaar aan het katholiek hart.

Waarin bestaat het geheim der Onbevlekte Ontvangenis,

ocr page 27

ONBEVLEKTE ONTVANGENIS VAN MAMA. 21

dat op dezen dag wordt gevierd ? Welk voorrecht is het, dat door ons in Maria erkend wordt, wanneer wij zeggen, dat zij zonder zonde ontvangen isj? Dit voorrecht, aan Maria alléén geschonken, bestaat niet hierin, dat zij, bij hare geboorte, zonden vrij de wereld is binnengetreden; noch ook dat zij, gelijk de Voorlooper des Yerlossers, in den schoot harer moeder van de erfzonde is gereinigd; maar, noemen wij Maria onbevlekt ontvangen, dan beduiden wij daardoor, dat de smet der erfzonde nooit op haar heeft gekleefd; dat zij nooit, zelfs geen enkel oogenblik, een kind van Gods gramschap is geweest, maar integendeel, dat zij van af het eerste oogenblik, dat zij in den moederschoot werd ontvangen, rein, vlekkeloos, schoon, heilig, vervuld met de heiligmakende genade en een voorwerp van Gods welbehagen was. Voorzeker, ook op haar, als kind van A.dam, moest, gelijk op alle andere menschen, Adams zonde overgaan, en de smet dier zonde, welke wij als een treurig erfdeel van onzen eersten vader, mede ter wereld brengen, zou ook hare ziel hebben bezoedeld, indien zij niet door eene bijzondere genade daarvan bevrijd gebleven was. Neen, hair voorrecht komt niet van de natuur, maar van de genade, en dus van het Vleesch geworden Woord, dat de bron is van al het goed, wat wij in de orde der genade ontvangen. Jezus is ook haar Middelaar en haar Verlosser : want er is maar één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus-Jezus. Maar, er zijn twee wijzen van verlossing, gelijk de H. Augustinus, terecht opmerkt: eene, wanneer men hem opbeurt, die reeds gevallen is, en [eene andere, wanneer men iemand belet te vallen. De tweede wijze van verlossing is de edelste en de volmaaktste, en juist daarom, zegt de H. Bonaventura, heeft de Allerhoogste deze wijze] verkozen, omjde Allerheiligste Maagd te verlossen. Hij bevrijdde de gezegendste der vrouwen van de schande der zonde, door de zonde haar niet te laten genaken, terwijl Hij alle anderen slechts redt, door hen van de zonde,

ocr page 28

22 ONBEVLEKTE ONTVANGENIS

die aan hunne ziele kleeft, te zuiveren en te ontslaan. De prikkel der zonde heeft alle kinderen van Adam gewond, alléén Maria niet. Gelijk eene zuivere lelie in het midden der doornen, zoo staat Maria alléén, rein vlekkeloos en ongeschonden te midden van het zondige menschdom. En, geen wonder! Want Maria was bestemd, om de geliefkoosde Dochter des Vaders, de Moeder van den Zoon, en de Bruid te zijn van den H. Geest. En hoe zou zij in die nauwe, in die drie-dubbele betrekking tot de aanbiddelijke Drieëenheid hebben kunnen staan, indien alles in haar niet buitenmate heilig, indien zij ooit, al ware het maar één oogenblik, door de zonde bevlekt en een vooorwerp van Gods gramscha]) geweest ware ?

Als onbevlekt werd dan ook Maria aan de wereld verkondigd, toen God, voor de eerste maal, aan den gevallen mensch een Redder beloofde. zal vijandschap stellen tussehen u en de vrouw, zoo sprak de Heer tot de helsche slang in het Paradijs : tussehen uw kroost en het hare. Zij zal u den kop verpletteren. De vriendschapsband, die den mensch met den duivel verbindt, is de zonde; maar tussehen Maria en den duivel kon nooit vriendschap bestaan; in haar kon dus nooit de zonde zich bevinden, omdat de Eeuwige God zelf vijandschap tussehen haar en Satan heeft gesteld. Zij kon door den duivel niet overwonnen worden, want zij zelve moest Satan overwinnen en zijn hoofd verpletteren; zij kon dus nooit met de boeien van Satan, dat is, met de ketens der zonden, al ware het slechts voor één oogenblik, worden belast!

Ook als onbevlekt werd Maria door den Aartsengel Gabriël begroet, met deze beteekenisvolle woorden : Gij zijt vol van genade* Want, wat beteekent dit anders dan dat Maria niet alleen een overvloed, maar de volheid der genade ontvangen heeft ? En, is dit zoo, dan ontbreekt haar niets in de orde der genade, ook niet het voorrecht, om van de erfzonde bevrijd te zijn.

ocr page 29

VAN MA III A. 2-'5

Na den Aartsengel hebben achttienhoaderd jaren Maria als de genadevolle begroet, en, bewust van hetgeen in deze woorden ligt opgesloten, hare Onbevlekte Ontvangenis erkend, geprezen en geëerd. Van de Apostolische tijden af, van een H. Dionysius van Alexandrië en een H. Martelaar Justinus af, tot aan Ambrosius en Augustinus, en van deze wederom tot aan Bruno en Anselmus, verkondigden de Kerkvaders onophoudelijk dit groote voorrecht van Maria; en schijnt ook al een of ander zich daartegen te verklaren, dan is dit slechts in schijn, wezenlijk is zulks nooit. Zóó diep was in alle gemoederen deze waarheid geworteld, dat de algemeene Kerkvergadering van Trente, na de leer der Kerk aangaande de erfzonde te hebben verkondigd, er behoefte aan had, om de verklaring af te leggen : dat het Concilie niet beoogde, in zijn Dekreet over de erfzonde, de Heilige en Onbevlekte Maagd Maria, de Moeder Gods te begrijpen.

Dat het geloof aan de Onbevlekte Ontvingenis van de H, Maagd te allen tijde algemeen was, blijkt overigens overvloedig uit de liturgie van den H. Basilius, gelijk ook uit die aan den H. Jacobus en aan deu TT. Marcus worden toegeschreven en van oudsher in de Oostersche kerk worden gebruikt. De feestviering der Onbevlekte Ontvangenis, die reeds algemeen was in het Oosten, en, van de tiende eeuw af, ook in het Westen bestaat, levert hiervan een nieuw bewijs. Verhieven zich ook al eens, in later tijden, enkele stemmen, die — uit valsche opvatting daartoe gebracht — dit groot voorrecht van Maria wilden ontkennen, de Kerk stoorde er zich niet aan : zij bleef in hare gezangen Maria prijzen als de Onbevlekte Maagd, als de geheel-schoone, in zoellce men geen vlek kan hespeuren, als de gesloten tuin, waarin de machten der hel nooit zijn binnengedrongen, als de verzegelde hron, waarin Satan nooit zijn vergif heeft kunnen uitspuwen. Middelerwijl Rome's Opperpriesters, onder bedreiging der kerkelijke

ocr page 30

34 ONBEVLEKTE ONTVANGENIS

straffen, verboden de Onbevlekte Ontvangenis der H. Moeder-Maagd aan te randen, werden van alle kanten kerken ingewijd onder aanroeping der [Onbevlekte Maagd; talrijke Bisdommen werden onder hare [bescherming gesteld, en plechtiger dan voorheen werd alom dit schoone feest gevierd. Alléén in de laatste vijf-en-twintig jaren verzochten niet minder dan driehonderd Bisschoppen of Religieuze Orden de gunst, om openlijk, in de Litanie van Loretto en in de Prefatie bij de FT. Mis, Maria als onbevlekt aan te roepen en te prijzen. Dat die vergunning aan niemand werd geweigerd, behoeft wel niet te worden gezegd.

Terwijl alzoo het godvruchtig geloof aan de Onbevlekte Ontvangenis in het Oosten en in het Westen, verre van door den loop der eeuwen te verzwakken, zich integendeel luider en luider openbaarde, het vieren van dit geheim sinds eeuwen algemeen was geworden, en al lang (bijzonder sedert de Constitutie van Alexander VII.) geen enkele stem zich meer tegen deze waarheid verhief, bleef er voor het katholiek hart niets meer te wenschen over, dan dat dit Leerstuk, tot dusverre nooit als geloofspunt voorgesteld, als dusdanig op eene plechtige wijze, aan de kinderen der Kerk mocht worden verkondigd. Den 2. Februari 1849 zond Pius IX van uit Gaëta, waarheen de Revolutie hem gedwongen had de wijk te nemen, een rondgaanden brief aan alle Bisschoppen der wereld, waarin aan ieder hunner in het bijzonder werd afgevraagd, welke de gevoelens waren, die hen en de hun toevertrouwde kudde jegens de Onbevlekte Ontvangenis bezielden, en of zij, zoowel als de hun ondergeschikte geloovigen, waarlijk verlangden, dat eene dogmatische uitspraak over dit Leerstuk zou worden gedaan. Tevens bevalZ.H. dat overal openbare gebeden zouden worden voorgeschreven, om het licht des H. Geestes af te smeeken. Meer dan zeshonderd Bisschoppen beantwoordden weldra den Pauselijken brief; en, ofschoon enkelen hunner

ocr page 31

VAN MARIA. 25

eenig bezwaar opperden over de tijdigheid dezer dogmatische uitspraak of over den vorm daarvan, zoo waren zij het nochtans allen ééns, om in hunnen naam en in den naam der hun toevertrouwde kudde, getuigenis af te leggen van hun geloof aan en hunne godsvrucht jegens de Onbevlekte Ontvangenis van Maria. Na rijpelijk alles voor God te hebben overwogen en de Kardinalen der II. Roomsche Kerk te hebben geraadpleegd, riep de Paus de Bisschoppen der wereld naar Rome, teneinde een laatste maal met zijne Broeders in het Bisschopsambt te beraadslagen, en, in hunne tegenwoordigheid, Maria's Onbevlekte Ontvangenis als geloofspunt plechtig vast te stellen. Op de stem van Pius hadden talrijke Bisschoppen uit Italië, Frankrijk, Duitschland, Nederland, België, Engeland, Ierland, Spanje, Portugal, Griekenland, America, Indië, China, en zelfs uit Oceanië zich naar Rome, het middelpunt der Christen-Eenheid, begeven, om uit den mond van den Opvolger van Petrus de gewenschte uitspraak te vernemen. Nederland was bij die grootsche vergadering door Mgr. Zwijsen, Aartsbisschop van Utrecht, Mgr. van Genk, Bisschop van Adras, i. p. i. Coadjutor van den Bisschop van Breda, en Mgr. Vrancken, Bisschop van Colophon i. p. i.. Vicaris Apost. van Oost-Indië vertegenwoordigd. Het was den 8. December van het jaar onzes Heeren 1854, den dag, aan de feestviering der Onbevlekte Ontvangenis van Maria toegewijd, dat de langverbeide uitspraak zou plaats hebben. Hij zal ten eeuwigen dage in de Jaarboeken der Kerk en in de dankbare harten der geloovigen aangeteekend blijven, die zegenrijke en merkwaardige dag ! De Kardinalen, de uit alle landen saamgekomen Bisschoppen, de Generaals der Kloosterorden en de Magistraat van Rome waren in de groote St. Pieters-Kerk vergaderd, en rondom'sPausen troon geschaard, terwijl eene onafzienbare menigte zich in de onmetelijke ruimte van dit Kerkgebouw verdrong. Zijne Heiligheid zelve droeg het H. Misoffer op. Nadat het Evangelie,

ocr page 32

26 ONBEVLEKTE ONTVANGENIS

eerst in liet Latijn en daarna in het Grieksch gezongen was, naderde de Deken van het H.Collegie der Kardinalen, Z. Em. de kardinaal Macehi, vergezeld van de Dekenen der aanwezige Aartsbisschoppen en Bisschoppen, tot den Pauselijken troon, en verzocht Zijne Heiligheid den Hemel en de aarde te verblijden, door de Onbevlekte Ontvangenis van Maria als geloofspunt uit te spreken. Zijne Heiligheid willigde zijn verzoek in, doch wilde nogmaals, alvorens tot de uitspraak over te gaan, het licht des H. Geestes afsmeeken. Nu weerklonk onder de grijze gewelven van St.Pieterhet eeuwen-oude Feni Creator, dat door duizenden'en duizenden monden uitgegalmd werd. Toen de laatste tonen van dezen Lofzang langzaam wegstierven, verhief Pius zijne stem, en las, te midden eener plechtige, stilte, het leerstellig Dekreet af, terwijl hij, niet minder dan de aanwezigen, diep getroffen en van vreugde opgetogen was. v Na den H. Geest met vurige gebeden te hebben ingeroepen, ,/ zoo sprak de Paus, en onder diens ingeving, doen wij uit-v spraak, verklaren en bepalen — ter eere der Heiligeenoudeel -v bare Drieëenheid, ter verheerlijking der maagdelijke Moeder v Gods, ter verheffing van het katholiek geloof, en tot gewin ,/ van den christelijken Godsdienst, uit kracht des Gezags van ,/ onzen Heer Jezus Christus, der heilige Apostelen Petrus en v Paulus, en van ons-zelven, — dat de Leer, houdende, dat de y allerzaligste Maagd Maria in het eerste oogenbiik harer Ont-;/ vangenis door eene bijzondere genade en voorrecht van wege v den almachtigen God, uit aanmerking der verdiensten van Jezus, den Verlosser van het menschelijk geslacht, van alle ,/ smet der erfzonde ongeschonden werd gevrijwaard, door God ,/ geopenbaard is, en diensvolgens dooralle geloovigen vastelijk // en standvastig geloofd moet worden. BijaWien derhalve, wat „ God verhoede, sommigen het wagen, in hun hart een strijdig // gevoelen met hetgeen wij bepaald hebben, te koesteren, zoo v mogen zij vernemen en voortaan weten, dat zij door hun

ocr page 33

VAN MARIA. 27

„ eigen oordeel zijn verdoemd, in het geloof schipbreuk geleden „ hebben, en van de eenheid der Kerk afgevallen zijn, en dat n zij, door die daad zelve, in de door het recht vastgestelde „ straffen vervallen, zoodra zij zich vermeten, om wat zij in /' hun hart strijdigs koesteren, door woorden of in geschriften ,/ of op eenigerlei andere uiterlijke wijze te kennen te geven quot;

Zoodra Zijne Heiligheid het Dekreet had afgelezen, bracht het kanongebulder van den Engelenburg die blijde mare aan Eome en aan geheel de katholieke wereld over. Gelijk eertijds de Vaders van het Concilie van Cbalcedonië, bij het hooren van den leerstelligen brief van den H. Leo, uitriepen : Petrus heeft door Leo gesproken ; zóó denken, zóó qelooven wij : de banvloek zij over hem, dif zoo niet qelooft, evenzoo dachten en spraken in hun binnenste de Vaders der Christenheid, toen zij 's Pausen uitspraak vernamen. En nauwelijks waren zij in hunne Bisdommen teruggekeerd, of zij verkondigden luide de uitspraak van Pius, en slechts eene stem werd gehoord, die van het Oosten tot het Westen, van het Noorden tot het Zuiden, weerklonk : Credo, zóó gelooven wij. En die stem, het was de stem der geheele katholieke Kerk.

Eens, in vroeger eeuwen, had een ketter met name Nesto-rius, aan Maria den titel van Moeder Gods betwist. De alge-meene Kerkvergadering van Ephese doemde den ketter, en kondigde aan allen, dat het geloof gebiedt, Maria als de Moeder Gods te erkennen en te eeren. Zoodra het katholieke volk van Ephese de uitspraak vernam, gaf het zich aan eene onbeschrijfelijke blijdschap over, en ontstak bij alle huizen en plaatsen vreugdevuren, ten teeken zijner blijdschap en van zijn geluk. Dit was ook nu het geval te Kome, doch niet te Rome alleen, maar de geheele wereld door. Alle kinderen der katholieke Kerk, die uit den mond hunner Bisschoppen de blijde tijding vernamen, dat Pius eene leerstellige uitspraak over de Onbevlekte Ontvangenis van Maria had gedaan, waren van

ocr page 34

£8 ONBEVLEKTli ONTVANGENIS

vreugde opgetogen, omdat de Opperpriester eene nieuwe hulde aan hunne beminde Moeder had gebracht^ en eene nieuwe parel gehecht bad aan hare glansrijke kroon. Het was hun dan ook niet genoeg te herhalen; Credo, wij gelooven, wat Petrus ons door den mond van Pius heeft geleerd, maar zij moesten lucht geven aan de gevoelens van hun hart, en daarom werden overal, waar godvruchtige en godsdienstige gevoelens zich in het openbaar mogen vertoonen, groote feestelijkheden aangericht, plechtige processiën gehouden, en schitterende verlichtingen aangebracht. Zulks was ook hiertelandehet geval in Roermond^s Diocees, terwijl elders de vreugde der Katholieken zich binnen de kerkgebouwen moest bepalen, maar daarom toch niet minder levendig en hartelijk werd geuit.

Te midden van al dat vreugdegej uich, vernam men de grafstem van het Jansenismus niet, dan om er zich over te beklagen, dat het niet geraadpleegd was, en de verklaring afleggende, dat het zich aan de gedane uitspraak niet wilde onderwerpen. Dat een en ander kon geene verwondering baren, want buiten de katholieke Kerk is geene liefde voor Maria, en zij, die zich buiten de Kerk bevinden, zijn er alléén buiten, omdat zij weigeren, zich aan het Gezag, door Christus Jezus ingesteld, te onderwerpen. Helaas, die ongelukkigen ! zij verbeelden zich, tot de katholieke Kerk te behooren, omdat zij zich-zelven èn katholiek èn roomsch noemen, maar zij vergeten, dat de katholieke Kerk hen niet onder hare kinderen telt, dat de Paus van Rome het banvonnis tegen hunne Bisschoppen uitspreekt, en dat zij derhalve geene ledematen der Kerk, maar slechts takken zijn, die van den stam afvielen en verdorden.

Krachtiger weêrklonk, voor een oogenblik, om echter ook weldra machteloos weg te sterven, de stem des Ongeloofs, dat door deze uitspraak zeer verbitterd was. Zij vooral, die onder een schijn van godsdienst en christelijkheid hunne valsche leerstellingen verbergen, zij, die op den weg van een alles ver-

ocr page 35

VAN MARIA. 39

nielend Eationalismus, den val van het menschdom, de Erfzonde, de Verlossing, de noodzakelijkheid des Doopsels, enz. loochenen, en zich nochtans als verlichte katholieken durven voordoen, waren uitermate verbolgen : zij slaakten een kreet, die naar het gehuil der razernij geleek, omdat hun de maskers werden afgerukt, en de Kerk, bij en door het verklaren der Onbevlekte Ontvangenis van Maria, luide aan de wereld als hare onveranderlijke Leer de waarheden verkondigde, die door deze leeraars van het Ongeloof worden ontkend. Trouwens, is Maria alléén onbevlekt en van de erfzonde bevrijd, dan zijn alle anderen met zonden besmet de wereld ingetreden, dan moet men Adams val en de erfzonde erkennen, dan is er behoefte aan Verlossing, dan blijkt de noodzakelijkheid des Doopsels. Lang, maar altijd tevergeefs, had het Ongeloof gehoopt, dat de Kerk, alsof deze slechts eene menschelijke leer verkondigde, een of ander geloofspunt zou loslaten, of in het een of ander punt geloofsverandering zou gedoogen. Alle eeuwen hebben beurtelings die verandering van leer aan de Kerk gevraagd, maar telkens heeft zij geantwoord : ik verander niet, omdat ik van God kom, en God eeuwig en altijd onveranderlijk dezelfde is. En ditzelfde antwoord gaf de Kerk aan het Ongeloof van onzen tijd, op den onvergetelijke!! dag van den 8 December, 1854 ! En dit was de reden, waarom het in woede werd ontstoken door eene uitspraak, die alle geloovige harten met blijdschap, met vreugde en geluk had vervuld. Doch laten wij de oogen van dat zwart tafereel afwenden, om ons nogmaals met den Opperpriester te verblijden, om nogmaals zijne stem te vernemen, en door zijne woorden onze godsvrucht tot de Onbevlekte Moeder-Maagd verlevendigd te zien. //Onze „ mond, — zoo roept Pius uit, bij het slot der overschoone „ Bulle, die de leerstellige verklaring der Onbevlekte Ontvan-;/ genis van Maria bevat, — Onze mond is met vreugde en // onze tong met jubel vervuld ; terwijl wij Christus, onzen

ocr page 36

30 ONBEVLEKTE ONTVANGENIS

,/ Heer, ouzen nederigsten en innigsten dank betuigen en n immer toebrengen zullen, omdat Hij ons, niettegenstaande ,/ onze onwaardigheid, de bijzondere gunst verleend heeft, dat // wij deze eer, glorie en lof aan zijne allerheiligste Moeder v mochten aanbieden en toekennen. Wij voeden de zekerste hoop „ en alle vertrouwen, dat dezelfde allerheiligste Maagd, die n geheel schoon en vlekkeloos, den giftigen kop der wreedaar-,/ digste Slang heeft verpletterd, en der wereld heil gebracht,— ,/ Zij, de lof der Profeten en der Apostelen, de eer der Mar-v telaren, de vreugde en kroon aller Heiligen, de veiligste ,/ toevlucht en zekerste hulp voor allen, die in nood en gevaar „ verkeeren, de machtigste middelares en voorspreekster der ,/ wereld bij haren ééniggeborenZoon, het heerlijkst sieraad, de „ luisteren onwrikbaarste burg der katholieke Kerk, die steeds // alle ketterijen vernietigd, en de geloovige volken uit de „ grootste rampen van allerlei aard gered; en ons-zei ven van ,/ zoo menig dreigend gevaar bevrijd heeft; — door hare meest // vermogende voorspraak zich gewaardigen zal, te bewerken, dat onze Heilige Moeder, de Katholieke Kerk, na afwending '/ van alle hindernissen, zegevierend over alle ketterijen, onder v alle volkeren en op alle plaatsen, van dag tot dag, in kracht n moge toenemen, bloeien en regeeren van de eene zee tot aan n de andere, en van den stroom tot aan de eindpalen der aarde ; n dat zij alle rust, vrede en vrijheid moge genieten; dat de ,/ schuldigen vergiffenis, de kranken heil, de kleinmoedigen ,/ sterkte, de verdrukten troost, en die zich in gevaar bevin-v den, hulp verwerven; dat alle dwalenden na de verdwijning v der duisternissen huns geestes naar het pad der waarheid v terugkeeren, en het eene kudde en één herder worde !

„ Mogen alle, ons innig dierbare zonen der katholieke Kerk, // deze onze woorden vernemen, en met steeds vuriger yroom-,/ heids-liefde en godsdienstijver de allerheiligste Maagd en // Moeder Gods Maria, zonder erfsmet ontvangen, voortdurend

ocr page 37

VAN MARIA. 31

« vereeren, aanroepen, gebeden naar Hem opzenden, en tot ,/ deze teederminnende Moeder van barmhartigheid en genade „ in alle gevaren, angst en nood, in twijfel en vrees, met het n volste vertrouwen hunne toevlucht nemen. Niets toch heeft // men te duchten, maar alles te hopen, onder hare leiding, „ toezicht, gunst en bescherming, daar zij ons waarlijk een ,/ moederhart toedragende, de zaligheid onzer ziel bevordert, v over het geheele menschdom hare zorgen uitstrekt, en, door n den Heer tot Koningin van Hemel en aarde gesteld, boven lt;/ alle koren der Engelen en alle reien der Heiligen verheven, // aan de rechterhand van haren Zoon, onzen Heer, Jezus // Christus, staande, hare allesvermogende moederlijke voor-„ bede smeekend tot Hem richt, en verkrijgt wat zij vraagt, u zonder dat haar wensch onvervuld blijven kan

LOFZANG TER EERE DER

Door Zijne Eminentie den Kardinaal von Geissel,

Aartsbisschop van Keulen.

( UIT HET LATIJN VERTAALD.)

Maagd der maagden, vol van eere, 't Meest bemind van God den Heere,

Heerscheres van 't Hemelkoor,

Laat ons, op de vroomste wijzen, U bezingen, minnen, prijzen;

Schenk ons biddend lied gehoor.

Wie is, bron van zegeningen.

Waardig om uw lof te zingen, U, lieftallig, mild en teer ?

ocr page 38

ONBEVLEKTE ONTVANGENIS

Maagd, vol van genade en schoonheidj Licht, dat hemelglans ten toon spreidt, Woonstee van den Opperheer!

Veel genade, groote dingen Stortte Hij, die 't al kan dwingen,

Op uw hemelsch wezen uit:

Die de schepping blijft regeeren.

Koos vrijmachtig. Heer der Heeren, Ü tot Moeder, Kind en Bruid.

Nooit hebt gij, naar Gods behagen, 't Juk der zondeschuld gedragen

In het aardsche tranendal; Onbevlekt zijt gij ontvangen, 't Voorrecht, dat gij mocht erlangen. Maakte u vrij van 's menschen val.

Als Natuur Gena bejaagde Eu haar stout ten tweestrijd daagde.

Hield Genade d'overhand;

En zij heeft n vrij van zonden. Smetteloos en ongeschonden. Wonderbaar hier neêrgeplant.

Eerstelinge der gekochlen,

U heeft God, bij 't wonderwrocliteu.

Niet van zondeschuld verlost; Hij heeft u lehoed voor zonde. Eer Hij nog de wereld grondde, En in hemelglans gedost.

Eva van de nieuwe leering, Rotmgenoot van Gods regeering,

Steldet gij u in de bres;

Ja, den Draak hebt gij bestreden, Eorsch van hiel, zijn kop vertreden. Satans overwinnares !

ocr page 39

VAN MARIA.

't Blanke kleed, dat u omruischte, U der kuischen allerkuischte,

Droegt gij blank ten hemel in;

Daar zwaait gij, die steeds blijft gloren, Boven alle Hemelkoren,

Nu den staf, als Koningin.

Daar bidt gij, uw Zoon ter zijde. Dat Hij ons van 't kwaad bevrijde, Die Hij vrijkocht door zijn bloed. Gaven drupplen van uw handen,

O giet ook op ons, uw panden, Stroomen van dien hemelvloed.

Wees de Zeestar op ons reizen. Stevenend naar Gods paleizen,

Als der stormen woede ons slaat; Uit U is het Heil getreden.

Wees de deur van 't zalig Eden, Die den Christnen open staat.

Jonkvrouw, vroom en goedertieren.

Blijf op 't heilpad ons bestieren.

Door dit ballingsleven heen.

Moeder, hoed hier uw beminden,

Geef dat we eens ginds wedervinden Cl en uwen Zoon bijeen.

Maak, dat wij, die U belijden,

Met u bidden, waken, strijden.

Veilig aan uw moederhand;

Wil ons met uw gaven loonen, En u Schutsvrouw, Moeder toonen Van 't godvruchtig Nederland,

Doe ons steeds oprecht gelooven.

Hoop en liefde nooit verdooven lu ons hart, van schuld bevrijd :

3

ocr page 40

.34- QUATERTEMPEEDAGEN.

En bewaar, voor ramp beveiligd, 't U van oudsher toegeheiligd Christenvolk, ten allen tijd.

Overweging.

Door u, o gezegende Genade vindster, die het leven hebt gebaard en de Moeder des Heils zijt, door u worde ons de nadering tot uwen Zoon verleend, opdat Hij, die door u ons is toegekomen, ook door u ons opneme. Uwe onbevlekte reinheid verschoone bij Hem de schuld onzer bedorvenheid, en uwe Gode gevallige deemoed verwerve de vergiffenis onzer ij delheid en hoovaardij. De volheid uwer liefde bedekke de menigte onzer zonden, en uwe glorievolle vruchtbaarheid schenke ons de vruchtbaarheid der verdienste. O gij, onze koningin, onze middelares, onze voorspreekster, beveel ons aan uwen Zoon, verzoen ons met uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon. O gezegende Vrouwe, erlang voor ons, door de genade, die u ten deele viel, door de barmhartigheid, die uit u geboren is geworden, dat Hij, wien het behaagde, door uwe bemiddeling, aan onze zwakte en ellende deel te nemen, ons door uwe voorbede deelachtig make aan zijne eindelooze glorie en heerlijkheid.

O—lt;^iiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiinimnMmm«...............................................................................iminiii^—c

QUATERTEMPERDAGEN.

N de derde week van den Advent zijn drie vastendagen, te weten, op woensdag, vrijdag en zaterdag, voorgeschreven. Deze vastendagen, die viermaal [quater) in liet jaar terugkomen, in den winter, in de lente, in den zomer en in den herfst, worden uit dien hoofde Quatertemperdagen genoemd. Het ge-

ocr page 41

QUATERTEMPERDAGEN. 35

bruik, om ieder jaargetijde door een driedaagsch vasten te heiligen, klimt op tot de eerste eeuwen des Christendoms; zelfs schrijft de H. Leo de instelling er van aan de Apostelen toe.

De Quatertemperdagen zijn niet alleen ingesteld, om ieder jaargetij te heiligen, maar ook om, door algemeen vasten en gebed, Gods besten zegen over de aanstaande Bedienaars van het Heiligdom af te smeeken. Op deze dagen immers worden de H. Wijdingen toegediend, en daarom vast en bidt de Kerk, met en voor de Wijdelingen, opdat deze waardige Bedeelers van Gods geheimen mogen worden. Vroeger werden de H. Wijdingen alleen op den Quatertemper-zaterdag in den Advent toegediend, en daaraan is het toe te schrijven, dat men in het leven der oude Pausen gewoonlijk vindt aangeteekend, dat zij in de maand December de H. Wijding hebben verricht. Later zijn ook de andere Quatertemper-zaterdagen, de Zaterdag vodr Passie-zondag, en de Zaterdag van de goede Week voor het toedienen der H. Orden bestemd geworden.

„ De H. Kerk, al het gewicht des Priesterambts kennende, „ bezigt ook alle voorzorgen, teneinde geene dan waardige ,/ personen er toe te bevorderen, hun de plichten, welke zij te v vervullen hebben, krachtig op het hart te drukken, en aan u het volk, voor de waardigheid van hunnen staat en voor de ,/ macht waarmede zij bekleed zijn, diepen eerbied en groot ,/ ontzag in te boezemen. Want, zal het Priesterambt den in-v vloed uitoefenen, dien de Kerk er van verwachten kan, dan // moeten de Bedienaren van dit ambt, én hunner bestemming „ waardig zijn, én door het volk met hoogachting beschouwd, „ met liefde en onderwerping gehoord worden. De H. Kerk u heeft dan ook onderscheiden Orden en Rangen ingesteld, // waardoor zij, die het Priesterschap verlangen te verkrijgen, n langzaam boven de leeken verheven worden, en tot die hooge n waardigheid allengskens opklimmen. Zoo heeft zij den tijd en // de gelegenheid, om de Adspiranten voor te bereiden en te

ocr page 42

.36 QUATERTEMPERDAGEN.

// beproeven, eti om aan de geloovigen het noodige vertrouwen ,/ in te boezemen op diegenen, welke zij tot het Priesterambt // bevordert. Daarenboven, overtuigd zijnde, dat zinlijke voor-// stellingen gewoonlijk dieperen indruk maken dan afgetrokken u bespiegelingen en langwijlige onderrichting, zoo doet zij de t' door haar ingestelde Rangen zoowel als de van Christus-zei ven herkomstige Orden met prachtige en zinrijke plechtigheden u toedienen, teneinde in den Wijdeling een innig en blijvend „ gevoel zijner groote plichten op te wekken, en aan het volk // de waardigheid en de macht van hare dienaren, als zichtbaar u voor oogen te stellen

Het zou te omslachtig zijn, de plechtigheden,bij dekruinsche-ring en bij ieder der mindere en hoogere orden door de Kerk gebruikt, te beschrijven. Bij eene enkele Orde, die als voorbeeld der overigen kan dienen, zullen wij ons bepalen, namelijk, bij het Suhilinkenschap, dat de laatste der hoogere of heilige Orden is. u De twee andere hoogere Orden zijn — „ zoo spreekt Monseigneur van Vree, aan wien wij deze be-„ schrijving, zoowelalsdeoverige aanteekeningen,ontleenen,— // het Diaken- en het Priesterschap. Deze drie worden hoogere /, of heilige Orden genoemd, omdat degenen, dis er mee be-„ kleed zijn, eeue grootere macht bezitten, en dichter bij het ,/ heilige, dat aan het altaar opgedragen wordt, naderen mo-„ gen; omdat zij op eene meer bijzondere wijze onherroepelijk „ aan God worden toegewijd; en omdat zij verplicht zijn onge-,/ huwd en volkomen zuiver te leven. — Deze laatste ver-// plichting lijdt in onzen tijd veel tegenspraak, schoon het „ ontwijfelbaar is, dat zij van de eerste eeuwen af bestaat, en „ van de Apostelen-zelven herkomstig is. Zonder ons met de „ wederlegging der redeneeringen en la steringen tegen het Celi-„ baat in te laten, herinneren wij ons slechts, dat de maag-,t delijke zuiverheid eene door den Verlosser (Matth. 19.) en „zijne Apostelen (l.Cor. 7.) aangeprezen deugd is, en wij

ocr page 43

QUATERTEMPERDAGEN. 37

// danken de heilige Kerk, dat zij, de verplichting tot dezen v evangelischen raad aan hare hoogere bedieningen hechtende, u ons met den sterrenglans der Leeraren ook de sneeuwwitte // leliën der Maagden yerkrijgen doet. — Dit vooraf over de heilige Orden, in het algemeen, gezegd hebbende, gaan wij nu de toediening van het Subdiakenschap beschrijven.

u Als de bisschop, |na het toedienen der mindere Orden, // eenige oogenblikken staande gebeden heeft, plaatst hij zich n op zijnen zetel. De Aartsdiaken wendt zich tot degenen, die n wenschen gewijd te worden, en roept luide : Bat zij, die ;/ het suhdiakonaat verlangen, nader komen. Vervolgens hunne // wij-titels opnoemende, roept hij elk hunner bij zijnen naam. // Zoodra nu allen tot op een behoorlijken afstand voor den // Prelaat genaderd zijn, vermaant deze hen, met nadrukkelijke ,/ woorden, nogmaals ernstig te overwegen, wat zij gaan doen: // hij herinnert hun de zware en altoosdurende plichten, welke // zij op zich nemen, en verklaart hun tevens, dat het hun // nog vrij staat, het voornemen, dat zij aan den dag gelegd // hebben, te laten varen. Geliefde Zonen, zegt hij, op het h punt staande, om tot de Orde der Subdiakens bevorderd te n worden, moet gij ten ernstigste bedenken, dat gij heden uit n eigen beweging verlangt, eenen last op u te nemen. //'ant n tot nu toe zijt gij nog vrij, en gij kunt naar verkiezing, n tot de wereld terugkeer en : maar, hebt gij deze Orde een-u maal ontvangen, dan moet gij in dienstbaarheid aan God h (welke dienstbaarheid nochtans heerschappij is) altijd vol-„ harden, en de kuischheid, met 's Heeren hulpe, beioaren en u aan den kerkdijken dienst immer toegewijd blijven. Bedenkt // u dan, terwijl het nog tijd is; doch behaagt het u, in uw n heilig voornemen te volharden, nadert dan in den Naam // des Heeren.

h Men moet het ondervonden hebben, om te beseffen, wel-v ken indruk deze vermaning maakt, hoe zij het binnenste des

ocr page 44

38 QUATERTEMPERDAGEN.

// gemoeds in beweging brengt. Het zijn jonge lieden, wien // het warme, het hartstochtelijke bloed der jeugd doordeaderen ,/ stroomt, tot wie gezegd wordt : Gij zijt nog vrij; het zijn n jonge lieden, die door de kundigheden, welke zij hebben „ opgedaan, door de vriendschapsbetrekkingen, welke zij in „ hunne studie-jaren hebben aangeknoopt, soms door den // stand, waarin hunne familie geplaatst is, in de wereld groote // bevorderingen kunnen hopen, tot welke de Bisschop zegt : „ Gij hmt, naar verkiezing, tot de wereld terugheer en; het u zijn jonge lieden, wien de begeerlijkheid der oogen rijk-// dommen en pracht, de begeerlijkheid des vleesches verma-// ken en wellusten, de hoovaardij des levens grootheid en u lauwerkransen beloven, tot wie gesproken wordt : zoo gij ,/ volhardt, moet gij aan uwe vrijheid, aan uwe lachende n vooruitzichten in de wereld vaarwel zeggen; alle voldoening „ vau den prikkel des vleesches zal u verboden zijn; God en „ de Bruid van zijnen Zoon zullen de eenige voorwerpen wezen, „ waaraan gij al de krachten van ziel en lichaam, al de ge-„ dachten van uw verstand, al de genegenheden van uwe har-„ ten zult moeten toewijden. Als ik de jonge lieden aanschouw, „ die daar voor den Bisschop staande, uit diens mond deze u woorden hooren, dan verbeeld ik mij, den jongeling van het t, Evangelie te zien, tot wien de Verlosser zeide : Wilt gij vol-t, maakt zijn, zoo ga keen, verkoop wat gij hebt, en geef het „ den armen; en kom, volg mij. Geliefde jonge lieden, laat het „ u niet gaan, gelijk het dezen jongeling ging! Hij werd treu-,/ rig, en verwijderde zich, want hij wast rijk. Verwijdert gij u „ toch niet, laat de gestrengheid der plichten, die u voor oogen // gehouden zijn, geene treurigheid in uwe harten storten. Aan „ de voeten van uwen gekruisten Meester geknield, hebt gij u zijne stem gehoord; als Hij in de H. Communie in uwe har-„ ten gedaald was, heeft Hij tot u gesproken; door den mond n van uwen geestelijken Vader heeft Hij tot u geroepen; Hij

ocr page 45

QUATERTEMPERDAGEN. 39

„ heeft u gezegd : Volg mij. Beantwoord aan deze stem. Maar „ is er onder u iemand, die deze stem niet gehoord heeft, „ wiens hart nog aan de wereld hangt, wiens driften niet ver-„ storven zijn, die zijne vleeschelijke begeerlijkheid nog niet „ in onverbreekbare kluisters geklonken houdt, o dat hij niet „ nadere, dat hij terugkeere : hij is nog vrij. Wee hem, zoo „hij durve naderen! Wee hem, zoo hij niet, gelijk Aaron, ,, geroepen zijnde, zich nochtans dit eerambt durve aan-

matigen! Het is te vreezen, dat van hem, gelijk van den zoon „ des verderf», zal moeten gezegd worden : Het ware dezen „ mensch heter, nooit geboren te zijn geweest.

,, Dank zij den Hemel! Zij naderen allen ! Zij doen allen „ eene s chrede voorwaarts, en in eeuwigheid kunnen zij niet ,, terug! Achter hunne voeten is tusschen hen en de wereld ,, eene klove geopend, die nimmermeer kan aangevuld worden ; ,, zij zijn in het heiligdom getreden, en van daar tot de wereld ,, is de ruimte onmetelijk. Hemelingen, die door net verachten ,, der wereld, door de overwinningen op den duivel, door de „ onderdrukking des vleesches, daarheen zijt opgestegen, waar ,, onvergankelijke goederen, reine weelde, ware grootheid de „ zielen zaligen, gij, gij moet deel nemen aan dit feest; gij ,, moet, voor één oogenblik, in ons nederig Heiligdom ver-,, schijnen, om de beloften dezer Wijdelingen en de herhaling „ dier zelfde belofte door de anderen, die ze reeds vroeger „ deden, aan te nemen, aan den Allerhoogste op te dragen, „ en hulp tot het onderhouden er van af te smeeken.

„ Daar stort de Hoogepriester op zijn aangezicht neder, en al ,, de Wijdelingen voor het Subdiakonaat, Diakonaat, en Pries-„ terschap, zijn voorbeeld volgende, liggen plat ter aarde. De „ talrijke Geestelijken, die in deze plechtigheid dienen, knielen „ eerbiedig ter wederzijde van den Bisschop neer. Twee hun-„ ner verheffen de stem en, na de aanbiddelijke Drievuldigheid „ om ontferming gesmeekt te hebben, roepen zij den bijstand

ocr page 46

40 QUATERTEMPERDAGEN.

„ van alle bewoners des Hemels in. Als de Cantores, in het „ zingen der Litanie gevorderd zijn tot aan de woorden : Dat » gy u gewaardiget ons te verhooren, zwijgen zij stil. De Bis-„ schop richt zich nu op, en met den mijter op het hoofd en „ den staf in de linkerhand, wendt Hij zich tot de Wijdelingen, „ die onbeweeglijk liggen blijven. Gelijk weleer in Jernzalems „ tempel het offerdier, door het slachtmes geveld, beweging-„ loos naar het oogenblik wachtte, waarop het door de handen „ des Priesters op het brandaltaar geworpen en als eene den ,, Heere aangename offerande door het heilige vuur zou wor-„ den verteerd; zoo wachten ook deze jongelieden, zich vrij-„ willig toewijdende, om geheel, zonder de minste terughou-„ ding, door den Hoogepriester aan den Almachtige als offers „ opgedragen te worden. Hij opent zijnen mond, om aan hun „ verlangen te voldoen; hij spreekt tot den Almachtige : Dat „ Gij TI gewaardiget deze uitgekozenen te zegenen. Dat Gij IJ „ gewaardiget deze uitgekozenen te zegenen en te heiligen. Dat ,, Gij Ugewaardiget deze uitgekozenen te zegenen, te heiligen „ en aan U toe te wijden. Dan valt hij wederom op zijn aan-„ gezicht neder, en de Cantores zeggen : Dat Gij U gewaardi-„get ons te verhooren; en allen antwoorden: JFij hidden U, „ verhoor ons. Vervolgens wordt de Litanie geëindigd.

,, Nu hebben er genoegzame voorbereidingen plaats gehad ; „ de Kerk heeft den Adspiranten naar hare bediening, door „ den mond des Bisschops, voor de laatste maal de lasten, „ aan die bediening gehecht, voor oogen gesteld; hun, die „ volharden, heeft zij in de bewoners des Hemels voorbeelden „ en beschermers gegeven; zij heeft zich tot den Heer gewend „ en zijne hulp afgesmeekt; nu meent zij dan ook tot de toe-„ diening der Orde, die onherroepelijke verplichtingen oplegt, „ te kunnen overgaan. Allen staan dus op, en zij, die Subdi-„ aken worden, knielen voor den Bisschop neer. Deze geeft „ hun een kort onderwijs betrekkelijk de verrichtingen hunner

ocr page 47

QUATERTEMPERDAGEN. 41

„ aanstaande bediening, en reikt vervolgens aan ieder hunner „ een ledigen kelk met schotel [pateen) ter aanraking over, „ Ziet, wiens dienstwerk u toeletrouwd wordt; ik vermaan u „ du%, u zoo te gedragen, dat Gij Gode hehaget. Dan wekt de „ Bisschop de geloovigen op, om voor de quot;Wijdelingen te bid-„ den, en wendt zich aanstonds tot den Allerhoogste, om zijnen „ zevenvoudigen Geest over hen af te smeeken. Hij kleedt „ hen vervolgens met de kleederen, die aan de Orde der Sub-„ diakenen eigen zijn, namelijk : de Amict, onder de woorden : ,, ontvangt de Amict, waardoor de voorzichtigheid der sprake „ beteekend wordt. In den naam des Vaders en des Zoons en „ des heiligen Geestes, Amen; den Manipel, met het zeggen ; ,, ontvangt den Manipel, waardoor de vruchten der goede wer-„ ken beteekend worden. In den naam des Vaders en des Zoons ,, en des heiligen Geestes; de Tunica, met de bede : de lieer „bekleede v met het kleed der vreugde en blijdschap. Inden „ naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes. „ Amen; ten laatste reikt hij hun hot Epistelboek over, hun de „ mach', gevende, om voortaan onder den dienst der H. Mis „ den Epistel te zingen. Hiermede is de wijding der Subdiakens „ voleind, en keeren zij naar hunne plaatsen terug.quot;

Is de wijding van den Subdiaken reeds zoo plechtig, veel indrukwekkender nog is de wijding eens Priesters. Hij wordt tot de H. Wijding niet toegelaten, vóórdat de Aartsdiaken en het volk getuigenis van zijn heiligen levenswandel hebben afgelegd. Door de oplegging der handen wijdt de Bisschop hem tot Priester, dat is tot leidsman der geloovigen en uitdeeler van Gods geheimen. Zijne handen, die voortaan het aanbiddelijk Offer van Jezus'vleesch en bloed aan den eeuwigen Yader zullen opdragen, worden door den Hoogepriester gezalfd, en voor de eerste maal draagt hij, dien dag, met den Bisschop het H. Misoffer op. Door de oplegging der handen ontvangt hij tevens de macht, om de zonden te vergeven; en, nadat hem

ocr page 48

42 QUATERTEMPERDAGEN.

uitdrukkelijk de zware plichten, die op hem rusten, voor oogen zijn gesteld, en reeds vóórdat hij eerbied en gehoorzaamheid aan zijne geestelijke Overheid heeft beloofd, zegt hem de Bisschop, in Jezus' Naam : van nu af zal ik u niet meer mijne knechten, maar mijne vrienden noemen. „ O onvergetelijk „ oogenblik! (roept van Vree wederom uit), dierbaar tijdstip, „ waarop ik mij in de zaal des laatsten Avondmaals onder de „ Jongeren van Christus waande, en die gevoelvolle woorden „ uit zijn mond meende te hooren! Nooit, nooit moogt ge uit „ mijne ziel worden gewischt! Onbegrijpelijke liefde van mijnen „ Zaligmaker, die mij, onwaardige, voor Vriend erkent! Mijne „ rechterhand verdorre, mijne tong kleve aan mijn gehemelte, „ zoo ik niet meer denke aan U ! quot;

Zoo leert ons de Kerk, door de plechtigheden der heilige Wijding, de hooge waardigheid en het groote gewicht van het Priesterambt naar waarde schatten; zoo spoort zij ons aan om op de dagen, voor de toediening der EL Orden bestemd, door goede werken en gebeden, Godes zegen over de Wijdelingen af te smeeken.

LOFZANG.

Winter-Quatertemper en Priester-Wijding'.

I.

De Leeuw van Juda is geboren,

Wiens stem de wereld siddren doet;

De Satan heeft den strijd verloren,

De dood zinkt machtloos Hem te voet.

In schaamle kribbe ligt Hij neder,

Wiens Schepter aarde en hemel richt;

Hij brengt den mensch het leven weder.

En 't Rijk des Hemels is gesticht.

ocr page 49

Qü AÏJiRTEMPER DAGEN.

Knielt, Volken, knielt, en laat uw zangen, Uw feestgeluid, uit dankbre borst.

Het lied van d'Englenrei vervangen. Die lofzingt aan den Vredevorst.

Hij sluimert hier, de groote Koning, Die Abrams hoop vervullen zal;

Geen ijdie wereld-praal vertooning

Omstuwt den Schepper van 't heelal;

Maar ned'rig treedt Hij op in 't leven. Wiens wijsheid 't Heidendom veracht.

En die, bij 't smaadlijkst kruisdoodsneven, Het heilwoord uitroept: » 't is volbracht!quot;

Knielt, Volken, juicht den zuigling tegen, Die aller eeuwen wensch vervult.

Die, louter liefde, de aard ten zegen. Uw vloek verdelgt om Adams schuld.

II.

'k Zie Stephanus in foltring sterven. En zooveel argloos kinderbloed

Het martlend beulen-slagzwaard verven, Bij 's levens eersten morgengroet.

U prijs ik zalig, dierbre schimmen.

Die 't zaad van Jezus' Kerke waart.

En, hoe de Hel u aan mocht grimmen,

Zijn Naam beleedt, trots vuur en zwaard.

U prijs ik zalig, dierbre wichtjens. Die Zijnentwil den dood bekocht,

En, met verheerlijkte aangezichtjens. Het eerst Zijn troon omzweven mocht.

ocr page 50

QUATERTEMPERDAGEN.

ü danken wij het, Bloedgetuigen Van 's Heeren Oppermajesteit,

Ook nu nog, daar we ons nederbuigen In 't aanzicht van Gods Heerlijkheid.

III.

En Gij dan, wien wij hulde wijden,

Toannes, door Gods Zoon geliefd,

Wiens borst in 's Meesters zielelijden,

Van 't eigen jammer werd doorgriefd;

Gij, groote Apostel, Heilverkonder,

Ontvang den dank van 't Christenhart, Dat, in geloof aan 't Zoenbloedwonder, Als gij, den storm des Afgronds tart.

Nog zijt gij zeegnend in ons midden,

Naar de uitspraak van des Heilands mond, Om met ons 't Offerlam te aanbidden,

Welks roem gij de aarde hebt verkond.

Schouw toe, hier mag het al gebeuren.

Wat ge eens verrukt op Pathmos zaagt ; Zie, hoe, in myrrhe- en mastik-geuren,

Hier 't Godgevalligst schouwspel daagt.

IV.

Daar naakt in gouden plechtgewade,

De Zendling van de Onwrikbre Rots, Hij komt op wieken der Genade,

Hij nadert in den Name Gods.

Hij stijgt ten troon, bij 't lofzangschallen.

Met zevenvoudig fakkellicht.

En zie ; de Jongren storten allen Ter aarde neêr op 't aangezicht.

ocr page 51

QUATEUTKMPERDAGEN.

Hij slaat de heilige Schriftrol open, Die zevenvoud gesloten lag,

De echte steun van 't aardsche hopen, In 't uitzien naar den jongsten dag.

j Gij hebt — dus laat zijn stem zich hooren s Ons Herders van uw volk gemaakt;

5gt; Ook dezen hebt Ge u uitverkoren,

jgt; Die voor uw voetbank zijn genaakt.

i Geef, Vader, Zoon en geest den zegen, s Opdat hun arbeid vruchten draag',

» En sterkte en bijstand op hun wegen, » Waardoor hun wandel U behaagt!

i Bestijgt, als Priesteren des Heeren,

- Zijn plechtaltaar, van af dees stond;

s Gaat allen volken waarheid leeren, s De waarheid van het nieuw Verbond.

i Hernieuwt onbloedig de Offerande, s Door Jezus aan het kruis volbracht,

s En draagt, in onbevlekte handen,

s Het Lam op, voor 't heelal geslacht.quot;

Hoor, millioenen Englenklanken Herhalen 't Amen op die beê.

En allen bidden, allen danken. En stemmen in den lofzang meê.

V.

Joannes, ja, Uw geestgezichten

Zijn thans verwezenlijkt voor 't oog;

Wij zagen 't alles hier verrichten. Wat eens de Godspraak U omtoog.

ocr page 52

QUATERTEMPKRDAGEN.

Ons is de Juda's Leeuw geboren,

Ons leed Hij op het Kruisaltaar,

En Satan heeft zijn macht verloren, Hij stierf, — en 't levensuur was daar.

Nog wordt door ons de dag gehuldigd. Door 't drietal Koningen gevierd.

En voelen we onze ziel verschuldigd Om 't Bloed, dat ons ten deele wierd.

Nog staat te midden der orkanen,

't Geloof aan Jezus' Zoenleer pal.

Schoon 's werelds roem en luister tanen, En Rijk- bij Rijkstroon neigt ten val.

Wij heffen moedig 't hoofd naar boven, In Christus' Bondbelofte sterk.

En mogen weer den hemel loven, Om 't zegevieren van Gods Kerk.

VI.

Dit kan het uur van heden tuigen, Dat weêr in 't Oude Nederland

Een vrome schaar de knie ziet buigen. Waar 's Bisschops Zetel staat geplant.

Ja, wie de toekomst zwart moog' schijnen, Voor hem, die de Almacht Gods gelooft,

Verrijst van achter rouwgordijnen De zon des vredes onverdoofd.

Zij rijst met vrijheid aan de kimmen

En schijnt het Ongeloof de oogen blind;

Zij rijst, ten spijt van 't hel-begrimmen, Zij rijst, onfeilbaar, en verwint.

ocr page 53

QUATERTEMPERDAGEN.

Die Vrijheid zal de Kerk eens geven : Zij naakt, in zeegning spoedt zij aan,

En de aard, door éénen geest gedreven, Verzaamt zich onder Christus' Vaan.

VII.

Welzalig dan, wien 't mag geschieden.

Bij 't rijpen van een oogst zoo schoon.

Den Wijngaardmeester hulp te bieden,

Voor meer dan 't hoogste wereldloon.

Welzalig dan. Gij, vrome scharen.

Die heden u aan God verbindt.

En in den dienst van zijne Altaren Uw eenig-dierbren wellust vindt;

Gij moogt een vruchtbren tijd beleven: Zie de oogst is rijp en de arbeid veel;

Hem, die zich-zelf geheel zal geven.

Valt zeker 't beste loon ten deel.

Vaart voort, en predikt van de daken Het zaligmakend Christus'-woord,

En moge uw ijver 't vurigst blaken.

Waar meest uw arbeid wordt verstoord.

't Is schoon, Joannes na te streven.

Maar, schooner schouwspel is er niet.

Dan om, als Stephanus, te sneven.

Wanneer het Jezus' Naam gebiedt;

Of om, als de eerste bloedgetuigen,

Met de onschuld van den kinderzin.

Het stervend hoofd voor 't zwaard te buigen En sluimren Jezus' toekomst in.

ocr page 54

48 QUATERTEMPERDAGEN.

Doch moge u God den weg bereiden,

En voorgaan met zijn vlammend zwaard, Zijn arm u op het pad geleiden,

Dat u bestemd werd hier op aard;

En heffe uw stem in beter oorden,

Met Pathmos' Balling 't loflied aan. Waar engelreine klankakkoorden Het Driemaal-Heilig op doen gaan;

Waar, met verheerlijkte aangezichtjens,

En dartiend in nooit moede vaart, De stoet van snood-vermoorde wichtjens Rond huns Verlossers Zetel waart;

Daar worde — 5 moge God dat geven —

Ook u een zetel toebereid.

Waar de Opperpriester zit verheven,

Wien de eere zij in eeuwigheid.

Overweging.

Uit de plechtigheden der H. Wijding kan men zien, dat de Kerk eene menigte van voorzorgen neemt, om onder het getal harer Dienaren, vooral der zoodanige, die onherroeplijke verbintenissen aangaan, geene dan waardige personen op te nemen; dat die verbintenissen niet gedwongen, maar met volkomen vrijheid aangegaan worden, en dat de plichten en lasten vooraf aan de Wijdelingen geheel zijn bekend. Hieruit volgt, dat de geloovigen aan htn, welke de H. Kerk met de zorg over hunne zielen belast, hun vertrouwen veilig schenken kunnen, daar zij niet dan na onderscheiden beproevingen, en na blijken van kunde en braafheid gegeven te hebben, tot het gewijd ambt van Zielzorger worden gebracht. Verder volgt hieruit, dat 't verwijt door onkatholieken tot de Kerk gericht, als oefende zij eene wreede dwingelandij, door hare dienaren tot den staat van zuiverheid te verplichten, van allen

ocr page 55

quatertemperdagen.

grond ontbloot en zeer onrechtvaardig is, daar de Kerk niemand dwingt tot den geestelijken stand, maar allen, die niet geheel vrijwillig tot eene volkomen kuischheid zich verbinden willen, verbiedt, er toe over te gaan.

Men kan uit de plechtigheid der H. Wijding al verder opmaken, dat de waardigheid van den Priester alle aardsche waardigheden verre te boven gaat, zoo wegens de verheven doeleinden van zijn ambt, als uithoofde van de bovenmenschelijke macht, waarmee hij is bekleed. Hij spreekt, en het brood verandert in het Vleesch, de wijn in het Bloed van Christus ; hij spreekt, en de ketenen vallen van de handen des rouw-moedigen zondaars. Hij ontvangt in den naam der Kerk het kind bij zijne intrede in de wereld, en besproeit het met het water der wedergeboorte, tot vergiffenis der zonde. Hij zit aan de sponde des stervenden, dien hij met de H. Teerspijze op de reis naar de eeuwigheid versterkt, wiens uitgang hij zacht doet zijn, gelijk de olie is, waarmede hij hem in den Naam des Heeren gezalfd heeft; wiens stoffelijk overblijfsel, na den dood, hij met godsdienstige plechtigheden in gewijde aarde, tot aan den jongsten dag, te rusten legt, terwijl hij, zoo de overledene niet in volmaakte reinheid verscheiden is, door offeranden en gebeden zijn lijden tracht te verkorten. Maar ik zou niet weten te eindigen, wanneer ik de verheven verrichtingen van het Priesterambt, door de plechtigheden der wijding voorgesteld, wilde optellen. Het is ook onnoodig, dewijl zij in die plechtigheden duidelijk zichtbaar zijn, en deze nadrukkelijk leeren, dat het Priesterschap groot, verheven, ja hemelsch is. Geen verwondering moet dan ook baren het gezegde van een Heilige, dat hij, een Priester en een Engel tegelijk ontmoetende, de eerste eerbewijzing aan den priester betoonen zou; want is de Engel, wat de natuur betreft, boven den Priester verheven, in waardigheid van bediening wordt hij door dezen overtroffen. De Engel mocht Jezus in den Hof tot het voltrekken van het bloedig offer versterken, maar de Priester is de onmiddellijke bedienaar van Jezus in het onbloedig offer, waar de Godmensch zich, als het ware, geheel in zijne handen overgeeft.

Eindelijk heeft men in de plechtigheden der Wijding kunnen bemerken, wat zware plichten den Priester zijn opgelegd, en van hoeveel gewicht het voor de Christenheid is, dat hij ze ijverig vervulle. Katholieken, kunt gij hier aan denken, zonder u opgewekt te gevoelen, om de Priesters door uwe gebeden te ondersteunen ? Gelooft het, zij moeten zoo menige moeilijkheid overwinnen, zoo menigen hinderpaal uit den weg

49

4

ocr page 56

QUATERTEMPERDAGEN.

50

ruimen; zij hebben zoo dikwijls bergen te slechten, en afgronden te dempen ; zij behoeven dus, om hunne talrijke en moeilijke plichten te volbrengen, grootelijks de genade des Heeren. Ook is er u-zelven ten hoogste aan gelegen, dat de Almachtige hun overvloedigen bijstand verleene; want als de herders dwalen, wie zal dan de kudde hoeden ? Bidt alzoo. Katholieken, bidt voornamelijk op de Quatertemperdagen, wanneer de gewone Wijdingen plaats hebben, opdat het der Kerk aan geene Dienaren ontbreke, en zij allen met den geest vervuld worden, die hun verheven Ambt van hen vereischt : gij zult veiliger den weg ten hemel bewandelen, naarmate uwe leidslieden heiliger, en met den geest van hunnen staat meer bezield zullen zijn. De H. Martelaar en Bisschop Ignatius, om de Belijdenis van Jezus Christus met ketenen beladen, schreef aan de Christenen van Magnesië ; „ Gedenkt onzer in uwe gebeden, opdat ik den Heer geniete : want wij behoeven zeer uwe in God vereenigde gebeden en liefde.quot; Aan die van Ephese schreef hij : „ Gedenkt mijner, gelijk Jezus Christus uwer.quot; Ook Paulus maakte aanspraak op de gebeden der Christenen : „ Bidt te allen tijde in den geest, door allerlei gebeden en smeekingen en weest daarin vlijtig, met alle zorgvuldigheid ; als ook in te bidden voor alle heiligen en voor mij : opdat, wanneer ik mijn mond zal openen, het mij vergund worde, met vrijmoedigheid te spreken, en de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken (waarvan ik, in de ketenen, het gezantschap bedien) : ten einde ik daarover met zulk eene kloekmoedigheid moge spreken, als het mij betaamt.quot; „ Overigens, o Broeders, bidt voor ons, opdat het woord des Heeren meer en meer verspreid worde, en in eere zij.quot; — Ook Jezus heeft geboden ; „ Bidt den Heer des oogstes, dat hij werklieden zende in zijnen oogst.quot;

ocr page 57

0--lt;^i7il!llllllllllllllllll!lllllllllllllllllll|{lllllllllllllllllllllllllllMlllllllimilllllllllllltl.....MIHIIIIHIIIIIIIIIIIIillllllllllllimiMIII!Hllllllll~liili'iilllllliriiiijiiiiiiiiiiiiiiiiiiii|ii||i|ri

KERSTMIS.

--

n het woord is Vleesch geworden en Het heeft onder ons gewoond.quot; Het is in den heugelijken nacht van 25 December, dat in vervulling ging die groote geheimvolle gebeurtenis, zoo krachtig eu schilderachtig door den verhevensten Evangelist met deze weinige woorden geboekt. Het is in den zegenrijken Kerstnacht, dat eene Maagd, o wonder ! een Kind baarde, en dat Kind was God. De blijde stond, die nu geslagen is, was het uur der verwachting en verzuchting van vier duizend jaren, voorspeld door de Profeten, afgesmeekt door de gebeden der Aartsvaders en godvreezende Joden, afgebeeld en beteekend door het gansche Oude Testament, dat niet anders kan begrepen worden, dan als de figuur en het zinnebeeld van Jezus' komst op aarde. O nacht, schooner dan de dagen ! uit uwe sombere en langgerekte duisternissen is een goddelijklicht gerezen, dat de gansche wereld verlicht en verheugt, de dageraad van een dag, zooals er geen, sinds Adams val, voor het menschdom geschenen had, de Zon zelve der Gerechtigheid.— Ook daalden deEngelen neder uit den hemel,ominverrukkend-zoete zangen de blijde tijding der geboorte van den Wereld-verlosser den menschenkinderen aan te kondigen. — Welaan dan, kroost van Adam, snel toe naar de plaats der geboorte uws Verlossers, strooi bloemen om de wieg van Emmanuel; rijken en machtigen der wereld, praalt nu met uwe schatten en juweelen ; koningen en vorsten, opent uwe paleizen ; dichters, zangers, kunstenaars en geleerden, ontboezemt hart en geest

ocr page 58

52 KERSTMIS.

met ongekende vreugd; jubelt en knielt allen voor de kribbe van uwen pasgeboren Zaligmaker neer.

Zóó diende toch wel ont vangen te worden, bij zijne intrede in de wereld, de God-mensch, de groote Middelaar van hemel en aarde, de verwinnaar van hel en dood, de schenker van heil en zaligheid; dus oordeelt demensch: maar God, dieandere wegen bewandelt dan de onze, en den afgrond zijner wijsheid in de diepte der gulden nederigheid verbergt, handelde ook hier, om zoo te zeggen, met goddelijke eenvoudigheid, en gaf aan onzen hoogmoed eene treilende les.

Ziehier op welke wijze de gewijde schrijver Christus^ geboorte mededeelt. Dit treffend verhaal is het Evangelie van de eerste Kerstmis. „ En het geschiedde in die dagen, dat er van den keizer Augustus een gebod uitging, om de geheele wereld op te schrijven. Deze eerste inschrijving geschiedde van den landvoogd van Syrië, Cyrinus. En allen gingen, om zich aan te geven, ieder in zijne stad. En ook Jozef ging op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad van David, die Bethlehem geheeten wordt, dewiil hij was uit het huis en geslacht van David, om zich aan te geven, met Maria, zijne verloofde vrouw, die zwanger was. Maar het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou. En zij baarde haren eerstgeboren Zoon, en wond hem in doeken, en legde hem in eene kribbe, omdat er voor hen geene plaats was in de herberg. En er waren herders in dezelfde landstreek, wakende, en de nachtwake houdende over hun vee. En ziet, een Engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid Gods omscheen hen : en zij vreesden met groote vreeze. En de Engel zeide tot hen : vreest niet; want ziet, ik verkondig u groote blijdschap, welke voor het gansche volk zijn zal : dat heden in de stad van David u de Zaligmaker geboren werd, die is Christus de Heer! en dit zij u het teeken : gij zult een Kindeken vinden, in doeken gewonden, en liggende

ocr page 59

KERSTMIS. 53

in eene kribbe. En terstond was er bij den Engel eene menigte van hemelsche heerscharen, God lovende, en zeggende ; Glorie zij God in het allerhoogste, en op de aarde vrede den menschen die van goeden wille zijn.quot;

Wie kan ongevoelig blijven bij het lezen van dit verhaal! Wiens hart zou niet van dankbaarheid slaan, wiens boezem niet van goddelijke liefde zwellen, vóór die krib, in dien stal, waar, in kinderlijke gestalte, onze oneindig beminnenswaardige Verlosser rust!

De blijde geboortedag van onzen goddelijken Jezus valt on-herroeplijk op den 25. December, zoodat de feestviering van de Kerstvreugde afwisselend al de dagen der week doorloopt, en ze allen te zamen, en elk afzonderlijk, als 't ware, met het zegel der verlossing ijkt. De Kerk, zoo zinrijk en dichterlijk in hare gebruiken en ceremoniën, wijdt veertig dagen aan de blijde feestviering van des Heeren Geboortedag. De Kersttijd strekt zich tot aan het feest van Maria's Zuivering, den 2. Februari uit. Gedurende al de dagen van dit heilig veertigtal herdenken hare strijdende leden onafgebroken de groote blijdschap, welke de Engelen des Hemels weleer den Herders van Bethlehem aankondigden. Maar ook de zegevierende Kerk deelt in onze blijdschap : de hemelingen komen in glanzenden drom zich rond de krib van den pas-geboren Koning scharen. Geen ander gedeelte van het kerkelijk jaar stelt, in zulk een kort tijdsbestek, zoovele en zoo schitterende Heiligen, als de dagen van den Kersttijd, aan onze vereering voor. Het zijn fonkelende sterren, die zich scharen om de Zon der Gerechtigheid, waaraan zij hun licht te danken hebben. De Heilige Stephanus, de eerste Bloedgetuige, de Heilige Joannes, de Evangelist, de H.H. onschuldige Kinderen, de H.Thomas van Kantelberg vereeren de palmen hunner overwinning aan hun goddelijken Aanvoerder; het twaalftal der Apostelen zendt Hemzijne twee roemvolle aanvoerders, den H. Petrus, op zijnen Stoel van Rome, den

ocr page 60

54 KERSTMIS.

H. Paulus, in het mirakel zijner Bekeering, toe. — Het heer der Martelaren vaardigt wakkere kampvechters af; ïitnotheus, Ignatius van Antiochië, Polycarpus, Vincentius, Pabianus en Sebastianus. De verheven schaar der Kerkleeraars kiest Hila-rins, Chrysostomus en Ildefonsus daartoe uit. Bij deze sluiten zich aan die andere herders der volken, Julianus de Wonder-doender, en de engelachtige Franciseus van Sales. Uit het strijdperk der Asceten treden op Paulus, de Kluizenaar, Anto-nius, de overwinnaar van Satan, Maurus, de Apostel der kloosters, Petrus Nolascus, de verlosser der gevangenen, Eay-mundus vanPennafort, het orakel van het recht, en de wetgever des gewetens. Het koor der Maagden is vertegenwoordigd door de teedere en lieftallige Agnes, de edelmoedige Emerentiana, en de heldhaftige Martina. En eindelijk verschijnt uit de rij der nederige Weduwen, Paula, de minnares van 's Heeren krib, die als verzonken was in de geheimenissen van Bethlehem. — Zoo vieren dan hemel en aarde, na duizend en honderden jaren, den geboortedag van het Kind Jezus, voor wien, in den nacht van zijne geboorte, geene plaats in de herberg was. Thans echter vieren wij dien blijden herinneringsdag in prachtvolle kerken, of smaakvol gesierde kapellen, bij het flikkeren van duizenden kaarsen, bij het zingen van vroolijkeKerstliederen, die nog liefelijk weerklinken in het huiselijk verblijf, aan den gezelligen haard.— O, wie kan weerstaan aan de zoete gewaarwording, die het hart overstelpt in den Kerstnacht, wanneer voor de oogen des geloofs de goddelijke Verlosser andermaal neerdaalt uit den hemel in de zuivere handen van den Priester, onder de gedaante van Brood en Wijn, terwijl de oogen des lichaams met zielsgenoegen gevestigd zijn op eene bevallige voorstelling van het Kersttooneel in het heiligdom, een lachend Kindje, rustend in eene kribbe, op een handvol stroo: wanneer de zilveren stemmen der koorkinderen den zang der Engelen, het Gloria in excehis Beo, of het zalvingsvolle

ocr page 61

KKRSTMIS. 55

lied : Adesie, fideles lirflijk uitgalmen, en, met der Engelen zang hemelscliL'. vreugde uitstorten in het diep-bewogen gemoed der Christenschaar.

In den heuglijken Kerstnacht ,, was er geene plaats in eene herbergquot; voor onzen lieven Heer. O mochten ten minste nu alle steden en dorpen, alle rijken en landstreken, maar vooral alle harten zich openen voor de intrede des goddelijken Vrede-Konings! Negentien eeuwen leveren het bewijs, dat Jezus van Bethlehem, en Hij-alleen, voor de wereld is: „ de weg, de waarheid en het leven.quot; Dat vóór de kribbe van Bethlehem de wraakzuchtige zijnen haat aflegge; dat de rijke zijn gemoed tot goedertierenheid neige, om de armen en behoeftigen bij te staan; dat alle harten en zielen, rein en onschuldig, blakende van Goddelijke liefde, Jezus de gastvrijheid aanbieden! — In de blijde dagen van den Kersttijd meent de Kerk de strengheid harer tucht te moeten verzachten : wanneer Kerstmis op Vrijdag of Zaterdag valt, moet de vasten voor de Kerstvreugd wijken. Op eenige plaatsen is zelfs op alle Zaterdagen tusschen Kerst-mis en Maria licht-mis, het genot van alle spijzen, zonder eenige beperking, toegestaan. Maar het zijn bijzonder de Priesters, die op den hoogen Kerstdag een verheven voorrecht genieten : het is hun, op dit hoogheilig feest, vergund, tot drie malen toe, het H. Misoffer op te dragen, ter herinnering aan de drievoudige geboorte van het Goddelijk Woord. De eerste staat vermeld in den 109. Psalm: „Vóór den dageraad heb ik u geteeld.quot; De tweede had plaats in het gezegende uur van den Kerstnacht, toen de eeuwige Zoon van God de zoon werd van Maria, moeder en maagd. De derde geboorte is die van Jezus in onze harten. Deze geestelijke geboorte verwezenlijkt zich op de. innigste wijze in de H. Communie, welke de godvruchtige Christen, met jubelende godsvrucht, in den loop der Kerstdagen ontvangt.

De eerste H. Mis van dezen dag, die meer bepaald de

ocr page 62

56 KERSTMIS.

Kerstmis genoemd, en in den vroegen morgen, of omstreeks middernacht, opgedragen wordt, duidt vooral op de geboorte des Heeren in den stal van Bethlehem; de Herders-Mis, die tegen zonsopgang gezongen wordt, wijst op de geestelijke geboorte van den Heiland in de harten der geloovigen; terwijl in de derde Mis, welke op een meer gevorderd uur plaats grijpt, de eeuwige geboorte van het ongeschapen Woord herdacht wordt.

Vroeger was het gebruik vrij algemeen van de Kerstmis te middernacht te zingen. In dien heuglijken nacht, schaarden zich de huisgenooten rondom den vroolijk-flikkerenden haard: daar waakten en baden zij; daar spraken zij over het Kerstkindje, den stal en de kribbe; daar zongen zij oude en nieuwe kerstliederen, totdat, van uit den hoogen toren, de krachtige stem der klok hen ter kerke noodigde en hun plechtig, te midden der nachtelijke stilte, toeriep : Een Kind is ons geloren, een Zoon is ons gegeven , komt, laten wij Hem aanbidden ! Dan stroomden allen naar den heerlijk verlichten tempel, om Hem te danken, te loven en te aanbidden, die ons, uit den diepen nacht des ongeloofs en der zonde, in zijn wondervol licht van waarheid en deugd, van genade en zaligheid heeft overgebracht.

Nu roept ons de klok veelal eerst in den vroegen morgen ter aanbidding van het Goddelijk Kind; op eenige plaatsen is het zelfs, ter voorkoming van ingeslopen misbruiken, verboden de Kerstmis te middernacht te houden. Moge daarom evenwel onze godsvrucht niet minder levendig, onze liefde niet minder vurig, onze dankbaarheid niet minder innig zijn !

ocr page 63

KERSTMIS.

L O F Z A HG

gttalnat plater*

Uit het Latijn van Fra Jacopone.

— XIII. EEUW. —

Naast de strookreb neêrgebogen, Van verrukking opgetogen,

Staart Maria op den Zoon,

Die haar ziel, van vreugde dronken, Tot een Lofzang doet ontvonken. Schallend naar des Hemels troon.

ö Hoe zalig, ö hoe blijde Is die hooggebenedijde,

Vlekkelooze Moedermaagd,

Nu haar liefdestralende oogen, 's Aardrijks licht aanschouwen mogen. Uit haar kuischen schoot gedaagd.

Ja, wiens ziel zou meê niet hupplen. Waar van louter troostdrankdruppelen

't Moederharte óvervliet.

En men de Englenkoninginne, De eeuwge Hemelrijksvorstinne,

Met het Godkind dartlen ziet ?

In den veestal, om de zonden.

Komt dat Kind herstel verkonden.

Zich met 's menschdoms schuld belaên En zoo lijdt het, en zoo schreit het. Maar den Hemel ons bereidt het.

Reeds van d'eersten morgen aan.

ocr page 64

KERSTMIS.

Zie, daar hoog, in 't goud der heemlen, Boven 't Wichtje de Englen weemlen;

Hoor, hoe juicht daar 't Geestendom! Ook 't gemoed van Maagd en Grijze Jubelt op die Serafswijze,

Maar hun lippen blijven stom.

Lieve Moeder, bron van weelde.

Waar Gods liefde u mee bedeelde,

6 Schenk ook mijn ziel dien gloed : Geef, dat ik uw Uitverkoren,

Hem, des Vaders Eengeboren, In aanbidding val te voet.

Heiige Moeder, doe mijn harte Deelen al de wreede smarte.

Door uw Hemeltelg geleên;

Maak zijn krebbe ook mij ten zegen, En met Hem op al mijn wegen. Mij bestendig lotgemeen.

Maar laat ook, bij 's werelds lijden, 't Jezuskindje mij verblijden.

Tot aan de ure van mijn dood;

Laat mij vast aan 't Wichtje klemmen. Niets de liefdebronwel stremmen.

Waar 't mijn ziel uit overgoot.

Moog alom die heilstroom vloeien.

Heel het aardrijk mild besproeien, Lesschen ieders hemeldorst.

Lieve Maagd, 6 laat ons deelen____

'k Zou zoo graag u 't Kindje ontstelen. En het koestren aan mijn borst.

'k Wil het dragen, al mijn dagen. Tot mijn sterfuur is geslagen.

En de lijkgroef zich ontsluit:

ocr page 65

KERSTMIS. 59

Immers, toen het werd geboren,

Heèft de Dood zijn prooi verloren En het vratig graf zijn buit.

Laat me, 6 Maagd, in blij verrukken,

U en 't Kind aan 't harte drukken,

Zieletripplend, hel in vlam;

En verzwolgen in een weelde,

Die nooit zintuig zich verbeeldde.

Maar van Boven oorsprong nam.

'k Stel mij onder uw bescherming:

Schenk' Gods Heilwoord mij ontferming.

Zijn Genade zij mijn deel;

En, zal eens mijn lichaam sterven.

Doe mijn ziele dan beërven Jezus, uwen Zoon, geheel.

Overweging.

Ziedaar dan de vervulling van 's Heeren belofte, van de verwachting der volken : hier ligt voor het stoffelijk oog het aanvangspunt bloot van dat groote, in de eeuwigheid reikende werk, en begint die alles-schokkende omwenteling van het geestenrijk op aarde. Op het hoofd van het Goddelijk Kind rust meer dan de wijsheid aller voorgaande eeuwen ; ziehier den Leeuw van Juda, wiens stem eenmaal de wereld zal doen beven; Hij, de almachtige en toch de zachtmoedige, de hoogverhevene en toch de nederigste van harte, de goede Herder, die komt zoeken, wat verloren is, de Verzoener en tevens de Rechter, wien door den Vader het oordeel en alle macht in hemel en op aarde werd gegeven, die daar nu armlijk het leven te gemoet sluimert in eene Kribbe, en straks zal sterven aan het Kruis : Hij, die de vorst des vredes is, en tegelijk een steen des aanstoots, waardoor veler menschen gedachten openbaar worden; Hij komt het goddelijke aan de wereld, het onstoffelijke verkondigen aan het stof. In Hem is het oorspronkelijk

ocr page 66

de h.h. onnoozele kindeken.

60

beeld van den mensch, in alle volmaaktheid, op aarde verschenen. Heden dan is het licht over ons opgegaan : de Heer komt wonen onder ons, de Schepper van een nieuwen tijd, wiens rijk nimmer eindigen zal. Zie, middernacht is voorbij, en de zon ter baan gestegen. » Een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. quot; De belofte der eeuwen is vervuld ; de telg van David is verschenen, te Bethlehem. Hij zal zijn werk volvoeren en ons verlossen. Zingt dan den Heer een nieuw lied, want Hij heeft wonderbare dingen volbracht. Doch, Christen, gij die u noemt naar zijnen H. Naam, zink neder voor de kribbe van dit goddelijk Kind, en vorm hier het vaste besluit van, in kinderlijken zin, een kind Gods te worden, en, als een Stephanus, de heilige Diaken, belijdenis van den Christus af te leggen, met het woord en met de daad, in leven en in dood; of, als een Joannes, de beminde Leerling des Zaligmakers, hem in de aardsche ballingschap lief te hebben bovenal; of, als de schuldelooze Eerstelingen, de slachtoffers van den argwanenden, aardschgezinden Herodes, getuigenis van uw geloof in Jezus van Nazareth, te Bethlehem geboren en op Golgotha gekruist, onverschrokken af te leggen, en die, zoo noodig, moedvol te bezegelen met uw bloed. Immers de Zoon Gods is mensch geworden, om ons te maken tot kinderen des hemelschen Vaders, die heilig is en volmaakt.

^...................................................... iiiiiiiiiiiniiiiiniiiiiniiiiiiiiiin 1111 iiiiinn ^gt;—O

DE H.H. OKKOOZELE KINDEREN.

en Godsdienst, die enkel reinheid en teederheid ademt, moet noodwendig de kinderen liefhebben : vandaar dat de Katholieke Godsdienst de kinderen dikwerf zijn heiligdom doet binnen gaan en er behagen in schept, hun zijne plechtigheden te toonen : hij verheft hen tot broeders der Engelen.

ocr page 67

DK H.H. ONNOOZELE KINDEKEN. 61

Maar, de kinderen tot het Altaar te doen naderen, hunne onschuldige handen voor de heilige Offerande behulpzaam te maken, dat was niet voldoende : de Godsdienst wil ook nog, dat wij de jeugdige Martelaren vereeren. die, op den schoot hunner moeders geslachtofferd, en van uit de wieg in de vreugde des hemels zijn overgebracht.

Herodes, de vriend van Cesar, steunende op de hulp der Romeinen, van lijfwachten omgeven, beefde nochtans in zijn paleis. En wat deed hein beven ? Het was de gedachte aan een Kind : want, van verre gekomen Wijzen, die van hun land tot Jerusalem door eene wonderlijke ster begeleid waren geweest, zeiden tot die hun vroegen : wij zijn uit het verre Oosten gekomen, om een Kind, dat pas in Judea geboren is, en de Koning der Joden wezen moet, te aanbidden. Eene ster, die anders in het uitspansel niet schijnt, heeft ons hierheen geleid, om onze hulde en onze offers aan dat Kind aan te bieden.

Herodes, door deze woorden met grooten schrik bevangen, vereenigde de Priesteroversten om hen te raadplegen, en deze antwoordden hem, dat het Kind, hetwelk deze koningen uit het Oosten kwamen aanbidden, geen ander zijn kon dan de Messias, door de Profeten voorzegd, die in het stadje Bethlehem ter wereld komen moest.

Vreesachtige Vorsten zijn licht wreedaardig. De vrees, die Herodes voor een onbekend kind deed beven, deed ook een bloedig besluit bij hem opkomen : om namelijk al de pasgeboren kinderen te doen vermoorden, die sedert twee jaren te Bethlehem en in de omstreken der stad van David het licht hadden aanschouwd.

De koning der Joden, dit besluit genomen hebbende, liet de Wijzen tot zich komen, en zeide hun : ook ik wil het Kind gaan vereeren, dat gij zoekt : wanneer gij dus zijne geboorteplaats zult gevonden hebben, en naar uw vaderland terug-

ocr page 68

G2 DE H.H. ONNOOZELE KINDEREN.

keert, komt dan over Jeruzalem, om mij te zeggen, waar dat

wonderkind is, opdat ik, op mijne beurt, er mijne hulde ga

brengen.

De Wijzen, zonder achterdocht, stemden hiermede in; doch weldra kwam een Engel hun het wreede plan van den koning van Judea openbaren, en zij keerden naar het Oosten terug, zonder de stad van Herodes aan te doen.

Omtrent denzelfden tijd werd Jozef door een Engel des Heeren gewaarschuwd en gelast, om met Maria en haar pasgeboren Kind naar Egypte te vluchten.

Wij zien hieruit, hoe vroegtijdig de menschgeworden God aan de boosheid der menschen was blootgesteld. Met Hem huichelde de wereld niet eens, maar toonde zich onmiddellijk tegen den Verlosser, dien zij miskende, bloeddorstig en wreed. Nauwelijks had het goddelijk Kind die aarde, waarop het wilde geboren worden, betreden, of de vrees voor zijne komst deed haar reeds bezoedelen met bloed.

Jezus lag nog in de wieg, toen de vervolging reeds dermate tegen hem woedde, dat zijne Moeder hem naar het land der ballingschap moest dragen : zoo bleven dan de smarten van den Zoon des menschen niet lang uit : zij namen reeds een aanvang met zijne eerste levensdagen!

Deze vlucht naar Egypte ging van de grootste gevaren vergezeld, want reeds ving men aan met het wreede bevel van Herodes ten uitvoer te brengen; reeds lieten droevige stemmen zich in Eama hooren : de stem men der moeders, die weenden, zonder getroost te willen worden, dewijl hare zonen door wreede soldaten aan hare armen ontrukt, en met het zwaard gedood, of tegen de muren verplet werden.

O hoe afgrijselijk, hoe gruwelijk moet de strijd geweest zijn tusschen deze gewapende beulen en de moeders, die hare pasgeboren kinderen verdedigden : zij bezaten noch helm, noch harnas, noch lans, noch schild, noch zwaard : zij hadden slechts

ocr page 69

DE H.H. ONNOOZELE KINDEEEN. 63

de wanhoop der vrouw,. de heldhaftigheid eener moeder tot wapen, en toch vreesden zij niet : eerst hadden zij gesmeekt, maar, toen zij zagen, dat hare gebeden vruchteloos bleven, dat hare tranen niets op het hart der moordenaars vermochten, toen smeekten zij niet langer, en, indien zij nog hare armen uitstrekten, dan was het niet langer om te bidden, maar om te verscheuren, te kampen, te vechten en hare kinderen te verdedigen tot den dood : het zijn nu geene schuchtere vrouwen meer, het zijn leeuwinnen, die brullen, van woede schuimbekken, en hare jongen trachten te bevrijden : meer dan een soldaat van Herodes bezwijkt in dien strijd ; meer dan eene moeder meent een oogenblik, dat haar moed haar kind gered heeft, maar nieuwe uitvoerders van Herodes' bevelen rukken aan : zij doorsnuffelen huizen en velden; zij zoeken onder de bloedige puinen, onder de stapels vermoorde kinderen, en onder de lijken der moeders, die met hare zonen door dezelfde lans doorboord zijn, en, vinden zij een kind, dat nog ademt eene moeder, die er iti geslaagd is, zich met haar telg te verbergen, dan wordt een martelaar te meer geslachtofferd aan de angsten van Herodes, want geen enkel kind mag ontsnappen : dat eene kind toch kon de Messias, de ware Koning der Joden zijn, en wat zou er dan worden van des overweldigers macht ?

ïe allen tijde en alom gaat overweldiging met list en bloeddorst gepaard : wat het onrecht rooft, dat wil de wreedheid verdedigen, de hebzucht handhaven. Sommige schijvers hebben beweerd, dat het getal der op Herodes' bevel vermoorde kinderen tot 14000 opklimt; wij houden dit echter voor overdreven; stellig evenwel heeft tosn veel bloed gestroomd, en in die jeugdige bij Jozus' wieg geslachte offers erkent de Godsdienst even zoovele Martelaars : niet met woorden, maar door het storten van hun bloed, hebben zij de komst des Verlossers beleden. Anderen zijn van het schavot, uit het met bloed

ocr page 70

64 DE H.H. ONMOOZKLK KINDEREN.

geverfde zand der renbaan, en door de vlammen der brandstapels den hemel ingegaan; maar deze werden aan den schoot, aan de armen, aan de omhelzing hunner moeders ontrukt, en door de Engelen in de hemelsche woonstede binnengeleid.

Nergens spreidt de Kerk meer poëzie ten toon, dan in haren Lofzang op het feest der Ounoozele Kinderen : 't is als waren het de harteklanken eener moeder :

Heil, heil u, eerste Bloedgetuigen Voor Jezus' Leer, wien 't moordend staal. Als rozen, in hare ochtendpraal.

Het schuldloos hoofd deed nederbuigen,

O teedre schaar.

Die 't Zoenaltaar,

Waarvoor wij in aanbidding knielen.

Het eerst met palmloof hebt gesierd;

De Kerk, die uw herinring viert.

Prijst zalig u, onnoozle zielen,

Om Jezus, wien, in eeuwigheid.

De hoogste lof is toebereid,

Met Vader en met Geest te zamen :

Heil, heil u, Eerstelingen. Amen.

Het feest der Onnoozele Kinderen, invallende op den 28. December, dagteekent van de negende eeuw. Van toen af werd het bijna algemeen gevierd, totdat dwaasheden het kwamen onteeren. Terwijl opdien aan zooveel jeugdige Martelaren toegewijde n dag de voorrang en de eereplaats aan de kindsheid gegeven werd, daar het feest, als 't ware, het eigenlijke feest der kinderen uitmaakte, was de gezonde rede nochtans niet altijd het richtsnoer bij de plechtigheden, die daarbij op sommige plaatsen werden ingevoerd.

Het schoone feest der Kinderen werd, op enkele plaatsen, misbruikt tot een feest der Dwazen, en daar ontwijdden onedele voorstellingen des Heeren Heiligdom. Doch, Gode zij dank, die onteeringen bestaan niet meer : thans prijkt

ocr page 71

DE H.H. ONNOOZKLE KINDEREN, 65

het feest der jeugdige Martelaren in al zijne reinheid, en menige traan ontrolt, in onze kerken, aan de oogen der christen-moeders, wanneer zij voor het altaar, dat nog met al den luister van Kerstmis schittert, het loflied hooren :

Heil, heil u, eerste Bloedgetuigen Voor Jezus' Leer, wien 't moordend staal. Als rozen in hare ochtendpraal.

Het schuldloos hoofd deed nederbuigen.

De Katholieke Godsdienst, die op deze aarde voor iedere ellende bijstand, voor iedere kwaal genezing, voor iedere smart vertroosting aanbiedt, bezit ook in den hemel voor iederen stand beschermers.

De machtigen dezer wereld, zij, die op tronen gezeten zijn, hebben, om bij den Koning der koningen te hunner gunste te spreken, de H.H. Clotildis, Ludovicus, Ferdinaudus, Hen-ricus, Casimirus.

De krijgslieden hebben de H.H. Georgius, Mauritius en al de vrome soldaten van het Thebaansche legioen.

De kuische maagden, die den Heer zijn toegewijd, hebben tot eerste beschermster, Maria, de Koningin der Maagden, en voorts de H.H. Ursula, ïheresia, Angela en de geduldige Lidwina.

De grijsaards roepen de heilige Aartsvaders aan, eu de kinderen hebben tot voorsprekers in de woningen des hemels, de Cherubijnen, die hunne broeders zijn, en deze jeugdige Martelaren, wier bloed rond de kribbe van het Kind Jt-zus heeft gestroomd.

ocr page 72

DE H.H. ONNOOZELE KINUEHEÏf.

LOFZANG.

O Kerstnacht, schooner dan de dagen, Hoe kan Herodes 't licht verdragen,

Dat in uw duisternisse blinckt En wordt gevierd en aengebeden ?

Zijn hoogmoedt luistert naer geen reden, Hoe schel die in zijn ooren klinckt.

Hij poogt d'Onnoosle te vernielen.

Door 't moorden van onnoosle zielen. En weckt een stad- en lantgeschrei In Bethlehem, en op den acker. En maeckt den geest van Rachel wacker. Die waeren gaet door beemt en wei :

Dan na het Westen, dan na 't Oosten; Wie zal die droeve moeder troosten.

Nu zij haer lieve kinders derft r Nu zij hen ziet in 't bloed versmoren, Vergaen, die naulix zijn geboren, En zooveel zwaarden rood geverft ?

Zij ziet de melleck op de tippen.

Van die bestorve en bleeke lippen,

Geruckt noch versch van moeders borst Zij ziet de teêre traentjes hangen Als daeuw, aen druppels op de wangen : Zij ziet ze vuil met bloed bemorst.

De wenckbrauw deckt nu met zijn booghj Geloken en geen lachende ooghjes.

Die straelden tot in 's moeders hert. Als starren, die met haer gewemel Het aanschijn schiepen tot een hemel. Eer 't met een mist betrocken werd.

ocr page 73

DE II.H. ONNOOZELE KINDEREN. 67

Wie kan d'ellende en 't jammer noemen,

En tellen zooveel jonge bloemen,

Die vroeg venvelckten, eerze noch Haer frissche bladeren ontloken.

En liefelijck voor ieder roken.

En 's morgens dronken 't eerste zogh ?

Zoo velt de zeis de koren-airen.

Zoo schudt de buy de groene blaèren.

Wanneer het stormt in 't groene woud.

Wat kan de blinde staatzucht brouwen.

Wanneer ze raêst met misvertrouwen !

Wat luidt zoo schendigh dat haer rouwt!

Bedruckte Rachel! schort dit waren ;

Uw kinders sterven Martelaren,

En Eerstelingen van het zaed.

Dat uit uw bloed begint te groeijen,

En heerlijk tot Gods eer zal bloeijen.

En door geen tyrannij vergaat.

Overweging.

Hoe hartverscheurend moet het voor de moeders dezer jonge kinderen geweest zijn, zich door bloedgierige krijgslieden hare lievelingen te zien ontrukken, en hen op eene barbaarsche wijze ter dood te zien brengen! Hoeveel tranen moeten die arme moeders niet hebben geplengd, hoeveel kreten van droefheid niet hebben geslaakt! »Men hoorde eene klagende stem in Ra/na, men hoorde weenen en kermen » zonder eind. Het was Rachel, die over hare kinderen weende, j en geen troost wilde ontvangen, omdat hare kinderen niet -» meer zijn.quot; En toch is niets gelukkiger dan de dood dier onschuldige wichtjes, wanneer men dien beschouwt met de oogen van het Geloof. Wie weet, hoevelen hunner door de wereld zouden bedorven zijn geworden, indien een langer leven hun deel ware geweest ? Nu hebben zij, bij de intrede

ocr page 74

DE H.H. OXXOOZKLE KINDKIIEX.

des levens, het geluk en het eervolle voorrecht gehad, om voor Jezus Christus te mogen sterven. Zij zijn de eerstelingen der Martelaren. Zij zegevierden over de wereld, alvorens zij haar kenden, en zij ontvingen slechts het leven, om het reeds in den eersten morgen aan God terug te geven en te verwisselen tegen de onsterfelijkheid ! Achttien eeuwen hebben op aarde hunnen lof gezongen : ook wij prijzen hen heden nog zalig, en hun lof zal niet ophouden hier beneden, vóórdat de vervulling der tijden aanbreekt. Over dit alles echter dachten die bedroefde moeders niet na, en daarom wilden zij niet hooren van troost : no luit consolari, quia non sunt. Ach ! hoe menige moeder verliest ook haar kind in de eerste levensjaren, en hoe dikwerf is ook zij troosteloos, omdat zij de oogen niet hemelwaarts richt. Neen, arme moeders, neen, ik wil uwe droefheid niet veroordeelen, wanneer gij, door de smart ter neêr geslagen, bittere tranen weent bij het ontzielde lichaam, of bij het graf van uw kind. Laat ze vrij vloeien, die tranen : zij zijn de natuurlijke uitdrukking van uw moederlijk gevoel : want uw hart is diep gewond, omdat gij een teergeliefd kind, dat gij met onuitsprekelijke blijdschap uw kind noemdet, hebt verloren. Ween dan vrij, arme bedroefde moeder ! maar wees niet troosteloos. Laat niet de natuur-alléén in u spreken, maar leen ook gehoor aan de stem des Geloofs en aan de smartlenigende en troostvolle waarheden, die zij u verkondigt. Herinner u vooreerst, dat uw kind een kind van Adam is ; dat Adams zonde, met al hare gevolgen er op is overgegaan, en dat het dus eens moet sterven. Buig uw hoofd bij die uitspraak van Gods gerechtigheid, en herdenk, dat hij gelukkig is, die den zon-detol aan den dood betaalt, op een leeftijd, dat hij het schrikbarende en bittere van den dood nog niet kent en niet gevoelt. Ook gij, moeder, gij zijt een kind van Adam, ook tegen u is het vonnis uitgesproken ; gij zult sterven. Buig nogmaals uw hoofd voor dit oordeel van den rechtvaardigen God. Gij hebt reeds een deel dier straf ondergaan; want, toen uw kind stierf, stierf het niet alléén, maar door zijn dood troffen ook u de stervenssmarten. Deze dood, dien gij in den dood van uw kind hebt geleden, zal u, zonder twijfel, worden aangerekend ; en wie weet of een zacht en gerust afsterven u niet als vergelding zal worden gegeven, voor wat gij door het verlies van uw kind geleden hebt.

Vraag u zelve in smartvolle oogenblikken ook af : waar uw kind is heengegaan r Uw kind is niet altijd voor u verloren ; geen roover heeft het u ontvreemd, maar de goede

68

ocr page 75

DK 11 H. ONNOOZELK KINDEREN.

God heeft het tot zich genomen, om het in eeuwigheid wederom in uwe armen terug te brengen. Hef uwe oogen dan ten Hemel : daar, vóór Jezus' troon, dartelt uw lieveling met zijne zegekroon, te midden der onnoozele kinderen van Bethlehem, en overal volgt 't het Lam, werwaarts het zich begeeft, want ook uw kind is rein, zuiver en wit als sneeuw. Nooit heeft de zonde zijn hart, nooit de leugentaal zijn mond bezoedeld. Zalig, ja, eeuwig zalig leeft uw kind in het land der volmaakte vreugd. Bedroefde moeder, vindt uw hart hierin geen troost, dan gelooft gij niet aan den Hemel, of gij bemint u zelve veel meer dan uw kind, dewijl gij het zijn geluk misgunt, om zelve het genoegen te smaken van uw kind, ten koste zijner hemelsche blijdschap en zaligheid, aan uwe zijde te zien.

Herinner u ook, bedroefde ziel, dat het uwe schuld niet was, dat uw kindje stierf. God heeft het tot zich geroepen, en Gods raadsbesluiten zijn genade en barmhartigheid. De Heer schiep behagen in die schoone ziel: hij nam haar weg uit het midden der zondaars, opdat niet de boosheid haar eens verleiden en bederven zou. Ach, gij wist niet, wat er van uw kind zou geworden zijn, indien een langere levensloop er aan vergund ware geweest. Wie weet, of dat langere leven ook niet een ongelukkig en een zondig leven, dat is een leven duizendmaal erger dan de dood, zou geworden zijn ! Verlevendig dan uw geloof in Gods goedheid, wijsheid en liefdevolle voorzienigheid, en gij zult, getroost en overgegeven aan zijnen heiligen wil, in zijne raadsbesluiten over uwen lieveling berusten.

Daarenboven, christen-moeder, gij bemint immers God, niet waar? Maar geeft gij hem wel een bewijs van liefde, wanneer gij stuiptrekkend het ofifer vasthoudt, dat Hij van u vraagt ? Bemint gij uwen God, geef Hem dan het offer, dat Hij vergt, gelijk Abraham zijnen Isaac opdroeg , dat is, in ootmoedigheid des harten en met volle overgeving. Zeg tot Hem : mijn Heer en mijn God, Gij zijt mij dierbaarder dan alles, ja, dierbaarder dan mijn kind ! Ik breng het U, in ootmoed en liefde, ten offer! Ik offer U mijne smart en droefheid op! Gij hebt mij het kind gegeven, het is dus het uwe; Gij hebt het genomen, het is het uwe; gezegend zij uw naam !

Bedroefde moeder, laat mij een woord tot u richten. Toen de Kinderen van Bethlehem door de soldaten van Herodes werden vermoord, is het Kind Jezus door Gods leiding gespaard, en, innig dankbaar, blikte Maria ten hemel, omdat

69

ocr page 76

NIEUWJAAR.

haar Jezus behouden was. Maar de tijd moest komen, en de tijd kwam, waarop Maria haren vurig geliefden Zoon naar den dood, en naar den pijnlijksten dood moest zien gaan. Welnu, christen-moeder, zijt gij meer dan Maria, of beter dan zij, en is de dood van uw kind te vergelijken met den dood van haren Zoon ? Zie dan ook niet meer op het ontzielde lijk van uw kind : die blik hernieuwt uwe smarten; maar hef uwe schreiende oogen tot Maria, de smartvolle Moeder : aanschouw haar met het doode lichaam van Jezus op haren schoot ; vergelijk uwe smart met de hare, en bid haar, dat zij u sterke en uwe moedeloosheid geneze, door hare kracht in het lijden en door hare volle overgeving aan Gods heiligen wil.

o—^iriiiniinmm............. .................................iniiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiinii^gt;-o

KIEUWJAAR.

p den octaaf-dag van het hooge feest van Kerstmis vie-reu wij de plechtige herinnering der des Heer en.

Volgens de Oude Wet moesten al de mannelijke afstammelingen van Abraham zich aan de besnijdenis onderwerpen, die een teeken was des Verbonds, tusschen God en den vromen Aartsvader aangegaan. De God-mensch toont, bij deze gelegenheid, dat Hij een Zoon is van Abraham, uit wien de Messias ontspruiten moest. Het was acht dagen na zijne geboorte, dat het goddelijk Kind deze pijnlijke plechtigheid, volgens de voorschriften der Wet, in het stalleke van Bethlehem onderging. Het is hier de plaats niet, om te onderzoeken of, en in hoever, de Besnijdenis bij de Joden een krachtdadig middel was, om den Israëliet van de erfzonde te reinigen; noch ook, om na te gaan, in hoever, en op welke wijze, de Besnijdenis een zinnebeeld van het heilig Doopsel was; maar, wat wij niet onopgemerkt mogen laten voorbijgaan, is, dat de goddelijke Verlosser, de

70

ocr page 77

nieuwjaar. 71

Eeuwige Wetgever zelf, door de wet der Besnijdenis niet was gebonden; dat Hij, de oneindige Heiligheid, geen reinigingsmiddel behoefde, en zijne liefde voor ons, gepaard met een onbegrijpelijken ootmoed en eene onbeperkte achting voor Wet en Gezag, Hem dus alleen konden bewegen, om zich aan dit voorschrift der Oude Wet te onderwerpen. Zonder ons dan ook te verdiepen in meer wetenschappelijke dan nuttige beschouwingen, knielen wij eenvoudig in aanbidding neer voor het goddelijk Kind, dat in de kribbe van Bethlehem de eerstelingen opdraagt van dat bloedoffer, hetwelk Hij, na drie-en-dertig jaren, op het kruishout voltrekken zal. Stichten wij ons door de betrachting van den diepen eerbied voor het Gezag en de Wet, wiaivan het Kind Jezus ons, in zijne Besnijdenis, een zoo welsprekend voorbeeld gaf; doordringen wij ons met diepen eerbied voor alle gezagvoerende macht, en leeren wij van Hem, die zich vrijwillig onderwierp aan wetten en voorschriften, — die Hem niet verplichtten, — aan de gestelde machten, niet uit angst, maar bereidwillig en uit gewetensplicht te gehoorzamen. Dat de treffende les van ootmoed en onderdanigheid, welke het feest van heden ons aanbiedt, ons waarschuwe tegen de verleidende taal der valsche vrijheid-denkers, en ons leere, dat de ware vrijheid, door Jezus aan de wereld geschonken, op den eerbied en de onderwerping aan het wettig gezag is gegrond.

Het was ook op den dag der Besnijdenis, dat men aan het nieuwgeboren kind den Naam toevoegde, dien het de overige dagen zijns levens dragen moest. De zoetste en verhevenste onder alle namen werd aan het Kind van Bethlehem gegeven, toen het bij zijne Besnijdenis de eerste druppelen van zijn goddelijk bloed voor ons vergoot. Jezus, zoo spraken, als uit éénen mond, de H. Maagd en de H. Jozef: Jezus zal de Naam van den Verlosser zijn !

De eerste dag van het nieuwjaar, dat heden begint, is dan

ocr page 78

7 ~ NIEUWJAAR.

geteekend met des Verlossers goddelijken Naam j Jezus^ Naam staat, als het ware, geschreven op de eerste bladzijde van dit nieuwe boekdeel, hetwelk wij heden voor het eerst geopend hebben. Deze dag is daarenboven gemerkt met het eerst-vergoten bloed van het goddelijk Lam, en draagt alzoo een dubbel teeken van zegening en zaligheid. Deze gedachte geeft eene schoone en verheven beteekenis aan het algemeen bestaande gebruik van elkander, op dezen eersten dag, een zalig nieuwjaar toe te wenschen : want, zou die wensch niet ijdel wezen, indien hij niet geschiedde in Jezus' Naam; terwijl geen andere Naam. onder den hemel is gegeven, door welken wij moeten zalig worden. En rust niet al onze hoop van zaligheid op het kostbaar Bloed van Jezus, hetwelk Hij voor onze zaligheid vergoten en als losprijs voor ons den eeuwigen Vader aangeboden heeft?

Mochten de Christenen bij het aanbreken van het nieuwe jaar, bij het aanvaarden van dat nieuw geschenk, hun door Gods goedheid toegedacht, zich ook den Naam en de zelfopoffering van hunnen goddelijken Verlosser herinneren en te midden van het gewoel van dezen dag niet vergeten, dat het geheim van alle heil in Jezus' Naam ligt opgesloten, en dat de zelfopoffering het zekerste middel is, om aan de rijke vruchten deelachtig te worden van het grootsche Verlossingswerk. Mochten zij zich niet bij ijdele wenschen bepalen, maar, neergeknield in het heiligdom des Heeren, ook de vervulling hunner wenschen van den Hemel afsmeeken door het bloed en de verdiensten van flem, die van zich zeiven getuigt, dat de eeuwige Fader ons alles zal geven, wat wij zullen vragen in Zijnen Naam. — Zalig nieuwjaar dan aan al de Lezers van dit Boek ! Dat Jezus hun gestadige helper en Verlosser zij! Jezus zij onze gids en leidsman op de duistere wegen van dit tranendal; Hij zij onze trooster en versterker in droefheid en nood; Hij zij onze eeuwige vreugde en ons loon daar, waar geene indeeling des tijds meer is, waar geene dagen of jaren,

ocr page 79

NIEUWJAAR. 73

met afwisseling van korte vreugde en lange droefheid meer zijn, maar alleen eene eindclooze eeuwigheid heerscht, met de onuitputbare schatten der goddelijke vergelding voltooid.

L 0 F Z A K G.

Daar slaat de klok; — twaalf doffe zuchten Ontglippen den gewiekten tijd,

En somber, onder 't peilsnel vluchten, Stort zich een Jaar in de eeuwigheid. Een Jaar, begroet met vreugdevuren. Een Jaar, dat eeuwig scheen te duren. Met louter rozen in zijn schoot!

En nu ? — van al dat bloemenloover Blijft enkel de herinring over Aan 't leed, dat ons zijn leefkring bood.

Ziet, reeds begint, gehuld in 't duister. Het nieuwe jaar zijn snellen loop. 't Is alles stil : geen morgenluister Beschijnt nog 't blij gelaat der Hoop. Toch, wees gegroet, ontkiemend leven ! Wees welkom, als van God gegeven !

Wees welkom, pas-geboren licht! Wat voert ge in uw gesloten handen ? Wat sluimert in uw mantelpanden ?

Lacht gij, of fronst ge uw aangezicht ?

De landman ziet reeds 't golvend koren Tot rijke schoven saamgestrikt.

De druif gekleurd in 't zonnegloren.

Wier fonklend nat hem 't hart verkwikt. De zeeman, aan den storm ontkomen. Groet reeds de liefelijke zoomen

ocr page 80

74 NIEUWJAAR.

Der vaderlandsche kusten weêr : —

Daar naakt de orkaan, op donderwolken, Hij sleept den oogst meê in zijn kolken; De zeeman bidt — en is niet meer!

Zoo vlot de sterveling door 't wankelende leven. Zoo dobbert steeds zijn geest, in rustloos ommezweven. Door 't aardsche leven heen. De Hoop op wassen wiek Bekoort, verleidt zijn hart, bestendig, wisselziek. Dan buldert, raast en giert de storm uit helsche kolken. Dan lacht het zonlicht weêr door de uitgewoede wolken 't Is alles slechts een schijn, de schaduw van een schim, Die opstijgt en verdwijnt, al spelend aan de kim.

Maar Gij-alleen, mijn God, die de eeuwen als de jaren In éénen-enklen blik voor U ziet henenvaren;

Die de ongestuime vlucht van tijd en tijdgeest leidt. Bij wien noch dag noch uur, maar 't al is Eeuwigheid; Die van uw hoogen troon steeds rollen ziet den wagen Des Tijds, die niet meer is, der nog te ontluiken dagen Gij weet, wat 't jeugdig Jaar omsluiert in zijn schoot, Gij, Gij-alleen zijt Heer van leven en van dood !

6, Zegen, zegen alle dagen,

In 't eerste morgenrood !

Beveilig tegen onheilsvlagen Het licht, dat Gij geboodt.

Dat de avond, in uw schoot verborgen, Den zegen melde van den morgen.

Die uit uw goedheid sproot!

ó. Zegen de aarde en haar gewassen.

De druif, de korenaar;

Weer schrale droogte en regenplassen.

Weer ziekte en krijgsgevaar.

Spreek over 't meer uw vaderzegen.

Voer heil de nijvre vloten tegen;

ó. Zegen 't nieuwe jaar!

ocr page 81

NIEUWJAAR. 75

o, Zegen het voor Volk en Koning,

Voor iederen rang en stand :

Die zegen schenk' elks hart belooning Voor orde en eendrachtsband !

Verlicht den Staf in 's Vorsten handen,

Doe liefde in 'sBurgers borst steeds branden ; 6 Zegen Nederland !

Overweging.

Velen gaan, zonder daarbij iets te gevoelen, van het eene jaar tot het andere over, en beginnen van minachting te glimlachen, wanneer gij hun zegt, dat gij niet zonder aandoening het eene jaar eindigt, en het andere begint. Wat mij betreft : ik moet bekennen, dat ik nooit, zonder ontroering, 0|) den 31. December, de twaalf klokslagen van middernacht tel ; wanneer de laatste slag geslagen heeft, luister ik nog altijd voort; want de klokgalm, die gedurende eenige seconden voortdreunt, en alles is, wat van het stervende jaar overblijft, behoort er nog aan toe ; het nieuwjaar begint slechts, zoodra die dreun de lucht niet meer trillen doet.

Bij dat overgangspunt moet men, mijns oordeels, eene godsdienstige gedachte te hulp roepen : zonder haar zou immers eene al te groote droefheid zich van onze ziel meester maken ; hoevele vrienden toch heeft het jaar, dat daar in den stroom der eeuwigheid verdwenen is, niet in hunne doodskleederen weggerukt ?

Met hoop op de toekomst, met gelatenheid omtrent het verledene, zeg ik tot het beginnende jaar: „wees gegroet, pasgeboren kind des tijds; wees gegroet, onbekende reiziger : sluiers bedekken geheel uw wezen; wij kunnen niet zien, of uw aangezicht lachend, dan wel of het ernstig is; of uwe nog niet ontsloten handen ons geluk of rampen aanbrengen : gij zijt voor ons geheimzinnig, maar gij komt van God, en daarom zijt gij welkom. Wees gegroet! — Gezegend zij hij, die komt in 's Heeren Naam.quot;

Soms, wanneer eene bron voor de inwoners eener stad geopend wordt, ziet men, dat een Hoogepriester de opwellende wateren komt zegenen. Zoo ook kon er wel een openbare zegen over de aankomende dagen worden afgebeden. —

ocr page 82

DRIEKONINGENFEEST.

76

Immers, bestaat er onder de zon wel een treffender gelijkenis, dan tusschen de wateren, die wegstroomen, en onze dagen, die daar henengaan ? De wateren vloeien naar den oceaan, onze dagen naar de eeuwigheid voort. De oude oceaan zegt wel niet tot de aankomende golven ; waarom zijt gij troebel en beslijkt ? Maar God zal tot onze dagen zeggen : waarom waart gij niet vlekloos ?. . . Zorgen wij derhalve zooveel mogelijk, dat onze dagen niet besmet worden, maar rein en zuiver voor Gods oogen blijven.

DRIEKONINGENFEEST.

-----

E Openbaring van het Vleesch-geworden Woord, is lieden het onderwerp van het feest, dat daarom ook, in de taal der Kerk, Epiphania Domini, de Verschijning des Reeren, wordt genoemd. Veelvuldig zijn des Reeren Verschijningen, die hier worden bedoeld. De Engelen des Hemels openbaarden Jezus' geboorte aan de herders van Bethlehem. Eene heldere ster verkondigde de komst des Verlossers aan de Wijzen van het Morgenland, en leidde hen, ter aanbidding van den nieuwgeboren Koning, tot bij de kribbe in den stal. Door de getuigenis des Vaders en des H. Geestes, werd Hij den Joden geopenbaard als de Zoon van den levenden God, toen Hij, in de wateren van den Jordaan, door Joannes werd gedoopt. Op de Bruiloft van Cana, in Galilea, wrocht Jezus zijn eerste wonder, en toonde door deze bovennatuurlijke daad, dat Hij de verwachte Messias was. Al deze Openbaringen des Heeren worden thans feestelijk herdacht. „ Heden, zoo zingt de Kerk, in hare getijden, heden vieren wij een heiligen, een door drie

ocr page 83

DRIKKOKINGJSNïBEST. 77

wonderwerken verheerlijkten dag : op dezen dag toch heeft de Ster de Wijzen hij de krib gevoerd; op dezen dag is bij de hrniloft van Cana het water in lo 'iju veranderd: op dezen dag is Christus, om ons zalig te maken, door Joannes gedoopt willen worden in den J or daan. Alleluja. De Verschijning echter des Heeren aan de drie oostersche Vorsten is het voornaamste gedeelte der feestviering van dezen dag. Op deze Verschijning wijzen al de gebeden bij de H. Mis en in de openbare diensten, terwijl de twee andere Verschijningen slechts als in het voorbijgaan vermeld worden. Het is dan ook niet zonder reden, dat dit feest het Briekoningenfeest wordt genoemd.

De Heilige Boeken verhalen ons omstandig de groote gebeurtenis, tot welker aandenken vooral, dit feest werd ingesteld. „ Toen Jezus te Bethlehem, in Judea, was geboren, in de „ dagen van Herodes den Kon ing, ziet, er kwamen Wijzen uit „ het Oosten naar Jeruzalem, en zeiden : Waar is de Koning „ der Joden, die geboren is ? Want wij hebben zijne Ster in » het Oosten gezien, en wij zijn gekomen om Hem te aan-„ bidden. Als Herodes, de Koning, dit hoorde, werd hij ont-v steld, en geheel Jeruzalem met hem. En hij vergaderde al 5, de overpriesters en de schriftgeleerden des volks, en onder-„ zocht bij hen, waar de Christus geboren worden moest. En h zij zeiden tot hem : Te Bethlehem, in Judea, want alzon „ staat geschreven door den Profeet: en gij, Bethlehem, land , van Judea, zijt geenszins de minste onder de hoofdsteden van » Juda ; want uit u zal de Leidsman voortkomen, die mijn volk, h Israël, regeeren zal. Toen riep Herodes de Wijzen heimelijk bij „ zich, en onderzocht nauwkeurig bij hen naar den tijd, wan-„ neer de Ster hun verschenen was : en liij zond hen naar „ Bethlehem, en zeide : Gaat, en onderzoekt nauwkeurig naar y het Kind, en als gij het zult gevonden hebben, boodschapl n het mij, opdat ik ook het kome aanbidden. Als zij den r Koning gehoord hadden, gingen zij henen. En ziet, de Ster,

ocr page 84

78 DRIKKONINGENFEEST.

n welke zij in het Oosten hadden gezien, ging voor hen „ uit, totdat zij, komende boven de plaats, waar het Kind n was, staan bleef.

„ Als zij nu de Ster zagen, verblijdden zij zich met zeer u groote blijdschap. En in het huis üedende, vonden zij het u Kind, met Maria, zijne Moeder, en zij vielen neder en „ aanbaden het, en zij openden hunne schatten, en droegen u Hem tot geschenken op : Goud, Wierook en Mirre. En in // den slaap vermaning ontvangen hebbende, om niet weder v naar Herodes te gaan, keerden zij, langs eenen andereu // weg, naar hun land terug.quot;

Ziedaar dan, hoe, voor de eerste maal, de geboorte van Dengene, die voor de zaligheid der geheele wereld in het vleesch verschenen was, ook aan de heidenen verkondigd wordt 1 Eene ster verschijnt den Wijzen in het Oosten, en door dit woudervolle teeken, roept hen Gods genade en barmhartigheid tot het Geloof in Hem, die de weg, de waarheid en het leven is. Edoch, niet alleen voor het drietal Wijzen, maar voor allen, die in de duisternis en in de schaduw des doods waren nedergezeten, is heden een licht opgegaan. De drie Koningen zijn wel is waar de eerstelingen der begenadigden uit het Heidendom, maar alle stammen en alle volken zullen hunne voetstappen drukken; voor alle volken is de Zon derGerechtig-heid ter kimme gestegen; alle volken en alle stammen zijn heden geroepen, om voortaan in dit licht des geloofs, in dezen glans der waarheid en der deugd te wandelen ! O driewerf zalige dag voor ons, die niet uit Israël gesproten, maar de telgen zijn van hen, die eens, in plaats van den waren en levenden God, het redelooze vee, een gevoelloos hout, een levenloozen steen aanbaden ! O driewerf zalige dag, waarop de Waarheid op ons haar licht heeft uitgegoten, terwijl het uitverkoren volk zijne oogen voor de glansrijke stralen er van gesloten hield !

Ziedaar de hoogere beteekenis van dezen grooten dag! De

ocr page 85

DRIEKONINGENFEEST. 79

Kerk herdenkt niet alleen eene heuglijke gebeurtenis van 'sHeeren leven, maar zij looft en prijst en dankt den Verlosser, omdat Hij ons heden, louter uit barmhartigheid, tot dat Geloof geroepen heeft, zonder hetwelk 't onmogelijk is Goeie te behagen. Ziedaar dan ook waarom de Kerk, van de eerste dagen van haar bestaan af, steeds, met de meeste pracht en luister, het feest van dezen dag dankbaar en vreugdevol heeft gevierd. Clemens van Alexandrië gewaagt reeds er van in zijne geschrif ten, en, zóó hoog stond het in de achting der geloovigen, dat hij den naam van een vroom christen verbeurde, die zich aan de viering van dit hoogtijd zou hebben durven onttrekken.

Over den dag evenwel dezer feestviering stemden alle kerken, in den beginne, niet overeen. In de Patriarchaten van Alexandrië en van Antiochië vierde men het feest van 'sHeeren geboorte, te gelijk met het Driekoningenfeest op den 6. Januari. De overige kerken, zoowel in het oosten als in het westen, hadden steeds Kerstmis op deii 25. December, en Drie-Koningen op den 6. Januari gevierd. Tegen het einde der vierde eeuw, liet het oosten zijn gebruik varen, en nam dat der westersche kerk aan, hetwelk op eene oude en gegronde overlevering rustte. Dit voorbeeld werd weldra ook in Egypte-gevolgd; de Armeniërs-alléén bleven Kerstmis en het Driekoningenfeest vieren op denzelfden dag.

Op vele plaatsen prijkt heden, boven het altaar, eene groote, met waskaarsen versierde en verlichte ster, die ons op eene aanschouwelijke wijze aan de Ster herinnert, welke eens aan de drie Koningen Terscheen, om hun de geboorte van den Verlosser der wereld te verkondigen. Nog aanschouw-lijker werd, op vele plaatsen, tijdens de middeleeuwen, de aanbidding der Drie Koningen voorgesteld. Drie jongelingen, in zijde gekleed, met vergulde kronen op het hoofd, en een gouden vat in de hand, traden door de hoofddeur de kerk binnen, en zongen langznam voorttredende : hoe waardig en.

ocr page 86

80 DRIEKONINGENFEEST.

hoe ieleekeiiitvol zijn de geschenken, welke de oostersche Vorsten aan het Kind van Bethlehem brengen ! Voor het altaar gekomen, hief de eerste zijn vat omhoog, en zong : aurum primo-, dan de tweede ; thus secundo; en de derde : myrrham dante tertio. De eerste der Brie Koningen offerde Goud, de tweede Wierook, en door den derde werd Mirre ten offer gebracht. Diiaroj) verhief wederom de eerste zijne stem, en sprak: aurum regem; de tweede : thus ccelestem; en de derde ; mori notat unctio. Het goud zegt ons, dat Hij Koning, de wierook, dat Hij Gcd is; tn de mirre, die hij het balsemen der lijken wordt gebezigd, leert ons, dat Hij tevens mensch is, en de bitterheid des doods zal smaken. Daarna wees een hunner met de hand naar de ster, die aan het kerkgewelf schitterde, en zong op hoogen toon ; hoe signum magni Regis : dit is het kenmerk van den grooten Koning; waarop allen het altaar bestegen, om hunne offers neêr te leggen, terwijl zij zongen : Eamus, inquiramus Eum, et offeramus Ei munera, aurum, thus et myrrham : laat ons opgaan. Hem zoeken, en Hem goud, loierook en mirre ten geschenke aanbieden. Na deze woorden verhief een koorknaap, die achter de altaargordijnen stond, zijne stem en zong :

Nuntium vobis fero de supernis:

Natus est Christus, dominator orbis.

In Bethlehem Judce; sic enim propheta dixerat ante.

Ik breng u de boodschap uit den hooge, dat Christus, de beheerscher der loereld, te Bethlehem, in Judea, geboren is, zooals de profeet het heeft voorspeld.

Daarop gingen de drie Koningen zich achter het altaar plaatsen, zingende : In Bethlehem natus est Rex ccelorum : te Bethlehem is de Koning der hemelen geboren !

Vroeger werden op dezen dag, volgens een oud en eerbied-

ocr page 87

DRIEKONINGENFEEST. 81

waardig gebruik, de veranderende feestdagen van het loopende jnar aangekondigd, en den dag, waarop zij invielen, bekend gemaakt. Op vele plaatsen echter gebeurt reeds lang die afkondiging niet meer.

Verschillende andere gebruiken bestaan nog heden ten dage, die allen, op hunne wijze, aan het een of ander geheim van dezen dag herinneren. Zoo viert men te Rome, hoogst eigenaardig, de roeping der Heidenen tot het ware geloof, waardoor die hoofdstad des lleidendoms het voorrecht erlangde, van te worden de hoofdstad der Christenheid. Daar bevinden zich, in het College der Propaganda, jongelingen van alle stammen, talen en spraken, die zich voorbereiden tot het Prk-sterschap. Deze houden, op het Driekoningenfeest, gewijde voordrachten, waarin ieder in zijne taal hulde brengt aan den Verlosser, aan die schitterende morgenster, die ook op hunne landgenoo-ten haar zaligend licht heeft uitgegoten, en hen ran den dood tot het leven, ran de duisternis tot het licht heeft overgebracht.

ïer herinnering aan het Doopsel des Heeren in de wateren van den Jordaan, werd in het Oosten, in Africa en in eenige kerken van Frankrijk, op den vooravond van het Driekoningenfeest, het H. Doopsel plechtig aan de Catechumenen toegediend, evenals op de vooravonden van het Paasch- en Pinksterfeest. Doch reeds vroeg ging dit gebruik in de Westersche kerken te niet, ofschoon op eenige plaatsen een ander gebruik bleef bestaan, om op dien dag met eene eigenaardige plechtigheid, het water te zegenen. Ook heden ten dage bestaat deze vrome ceremonie nog op verschillende plaatsen; en, verre van iiaar af te keuren, heeft Paus Benedictus XIII. geestelijke voordee-len aan deze godvruchtige oefening verleend ; hij schonk namelijk, voor altijd, aan degenen, die deze plechtige waterwijding godvruchtig bijwonen, een aflaat van honderd dagen.

Het feest der Kerk is tevens een feest der huisgezinnen. Ook

in den familiekring wordt, hier en daar, soms nog vóór her

ü

ocr page 88

82 driekoningenfeest.

Driekoningenfeest een Koning aangesteld. Aan een vroolijt gastmaal nedergezeten, staren clan alle huisgenooten op het gebak, dat een boon verbergt, waardoor de Koning van het Feest zal worden aangeduid. Vooraf wordt een deel van het baksel voor de armen bestemd, opdat ook zij zich, in dit barre jaargetij, zouden verblijden met hunnen Koning, diej te onzer liefde, als de armste onder de armen in een stal geboren werd. Het overige wordt tusschen de aanwezigen verdeeld, en hij, die de verborgen boon treft, wordt, met gepaste vroolijkheid, uitgeroepen als de koning van éénen dag. Zoo brengt de godsdienst, ook bij den huiselijken haard, onschuldige vroolijkheid en reine vreugde aan. Gelukkig de huisgezinnen, waar het Driekoningenfeest nog met die onschuldige blijdschap wordt gevierd, en eene gedachte van geloof, een gevoel van barmhartigheid vereenigd zijn gebleven met het huiselijk vermaak!

LOFZANG.

Herodes, wat woedt gij en vreest voor uw kroon, _ Wat kwelt u de komst van den eeuwigen Zoon ? De Emmanuel, die in de kribbe daar lag,

Beoogde slechts 't hemelsch, geen wereldsch gezag.

Hem zochten de Wijzen, op 't lichten der ster. En brachten hem 't offer des eerbieds van ver; Zijn licht werd hun licht, en, in 't harte voldaan, Is elk weêr in vrede ten zijnent gegaan.

Het Lam zonder vlekken heeft in den Jordaan Het Doopsel des Nieuwen Verbonds ondergaan. Opdat heel het menschdom, gezuiverd van smet, In hem zou vervuld zien 't herstel van Gods Wet.

ocr page 89

DRIEKONING ENF15 EST. 83

Op het wenken der almacht, die straalt uit zijn blik, Verpurpren de watren en blozen van schrik.

Zij tintien, tot wijn in de feestschaal verkeerd. Ten teeken van Hem, die vrijmachtig regeert.

U, Jezus, wiens licht aan de volken verscheen. Zij eeuwig de plichtcijns van dank en gebeên ; Aanvaard, met den Geest en den Vader, het lied, Dat aan de Eenheid in 't Drietal ons dienstoffer biedt.

Overweging.

Het goddelijk Kind, in de kribbe van Bethlehem, door de Wijzen van het Oosten, met goud, wierook en mirre vereerd, wordt door ons aangebeden als de Koning der koningen, in wiens allerheiligsten Naam elke knie zich buigen zal, en wiens Rijk geen einde heeft. De drie Oostersche Vorsten, den Verlosser der wereld hunne drievoudige offerande brengende, hebben ons zinnebeeldig voorgesteld, hoe de aard onzer hulde aan den God-mensch behoort te zijn ; in het gelouterd goud van het geloof, geven wij Hem de Koningseere; in den geurigen wierook der dankzegging van onze harten, brengen wij Hem, als aan onzen Heer en God, het offer onzer onderworpenheid en de hulde van ons erkentelijk gemoed; in de bittere mirre — de specerij der versterving — drukken wij het mysterie uit van het Woord, dat Vleesch geworden, de sterfelijkheid des doods heeft aangenomen, doch om den dood zijn prikkel, het graf zijne overwinning te ontnemen, voor altijd.

Willen wij dus, naar het voorbeeld der Heilige Drie Koningen, den Heer een aangenaam en Zijner waardig offer aanbieden, voegen wij dan bij een waar geloof, een vurig verlangen naar de hemelsche goederen — want dit is de echte wijsheid —; een' aanhoudend, innig en vurig gebed, en de versterving van ons bedorven vleesch en onzer kwade driften; want een levendig geloof en eene vurige liefde, een aanhoudend gebed en de versterving van ons eigen zeiven, dat is het goud, dat is de wierook, dat is de mirre, welke Jezus van ons verlangt, dat zijn de geschenken, welke Hij van ons gaarne aannemen zal.

ocr page 90

HET FEEST YAH DEN

ZOETEN NAAM JEZUS.

aar, waar de godsdienstige gebruiken en overleveringen getrouw bewaard zijn gebleven, en des huisvaders Naamfeest nog niet door den prozaïschen geboorte-vtrjaardag wordt vervangen, juicht de familiekring op den dag, aan de vereering des Heiligen toegewijd, die, bij het heilig Doopsel, als Schutspatroon aan den vader gegeven werd. Ook iedere parochie viert den dag, aan de vereering van haren Kerk-heilige gewijd, en iedere stad en ieder land viert vreugdevol den feestdag van hem, die hunne vrome voorouders eens tot hunnen Beschermheilige verkozen.

Evenzoo viert heden de Katholieke Kerk, dat groote huisgezin der wereld, het Naamfeest van haren goddelijken Stichter, het Naamfeest van Jezus, die haar verworvn heeft door zijn Moed, en die met haar blijft, haar bewaakt, beschermt, behoudt en behoedt, tot het einde der eeuwe7i. Daarom is er heden feest in de Kerk, en vreugde in aller hart.

Er is, wel is waar, niet altijd een bijzondere dag bepaald geweest, waarop de Kerk den Zoeten Naam Jezns plechtig zou vereeren. Eerst in het jaar 1721 werd het Officie van den Allerheiligsten Naam, reeds in enkele landen en kloosterorden gevierd, door Paus Benedictus XIII, aan de geheele Kerk voorgeschreven; maar de vereering van dien aanbiddelijken Naam is zoo oud als de Kerk-zelve. Van den beginne af hebben de geloovi^en lucht gegeven aan de innige gevoelens van eerbied en hulde, van onbeperkt vertrouwen en teedere liefde, die hen voor Jezus' Naam bezielden, en wat was dit anders dan het

ocr page 91

HET FEEST VAN DEN ZOETEN NAAM JEZUS. 85

vereeren van Jezus' Naam? Het kon ook niet anders. Want, zou toch ooit het Christenvolk niet van diepen eerbied voor Jezus' Naam doordrongen zijn geweest, terwijl het wist, hoe goddelijk die is in zijnen oorsprong, hoe verheven in zijne verkondiging, hoe eerbiedwaardig in zijne geheimvolle beteekenis? En inderdaad, het was geen Cherubijn of Seraphijn, maar het was de eeuwige Vader zelf, die aan zijnen beminden Zoon den zoeten Naam van Jezus gaf. (Eph. 11; 10). Aan een der verheven geesten, aan eenen Aartsengel alleen werd het toevertrouwd, dien Naam te verkondigen aan de genadevolle Vrouw, die Jezus in haren maagdelijken schoot ontvangen moest. ,/Gij ,/ zult in uwen schoot ontvangen,quot; zoo sprak de Aartsengel Gabriël tot Maria, // en eenen Zoon baren : zijnen Naam zult / gij Jezus heeten. Deze zal groot zijn en de Zoon des Aller-I/ hoogsten genoemd worden.quot; (Luc. I; v. 31, 32). „ Jozef, // gij, zoon van David,quot; zoo sprak een ander Engel in den slaap tot Maria's zuiveren bruidegom, // schroom niet Maria, ,/ uwe vrouw, tot u te nemen, want hetgeen in haar geboren // werd, is van den heiligen Geest, En zij zal een Zoon baren, // en gij zult zijnen Naam heeten Jezus, want hij zal zijn volk n van hunne zonden verlossenquot; (Matth. 1; v. 20, 21). Jezus' Naam alleen zegt ons dus, dat Hij het is, die ons van het juk der zonde heett verlost. Hij is, om ons van Satans slavernij te bevrijden, gehoorzaam geworden tot den dood, tot den dood des hruises; maar daarom ook heeft de eeuwige Vader Hem verheerlijkt, en Hem een Naam gegeven, die hoven alle namen verheven is; opdat in Jezus' Naam alle knie zich huir/e, in denhemel, op de aarde en in den afgrond der hel, en alle tong lelijde, dat de Heere Jezus in de heerlijkheid is van God den Vader. (Ak. Philip. II. v. 8, 9,10,11.) Zoo wil dedrieheilige God, dat Jezus' Naam geëerd worde door al wat denkt, door al wat leeft!

Van de eerste tijden af, was deze waarheid diep in de harten der geloovigen geprent, en daarom lieten zij geene ge-

ocr page 92

86 HET ÏEEST VAN DEN

legeiiheid voorbij gaan, om lof, eer en aanbidding te geven aan den verheerlijkten Naam van hunnen beminden Verlosser. Vandaar de godvruchtige gewoonte van eerbiedig het hoofd te buigen, zoo dikwerf men Jezus' Naam uitspreekt, of door anderen noemen hoort. Vandaar ook het aloude gebruik, dat niettegenstaande de onverschilligheid onzer eeuw, nog op vele plaatsen is blijven bestaan, van elkander niet met eenen goeden morgen uf goeden avond, maar met een geloofd zij Jezus Christus te groeten. Deze godvruchtige gebruiken zijn niet alleen door de Kerk goedgekeurd, maar verschillende Pausen hebben ze ook, gelijk mede het eerbiedig aanroepen van den Heiligen Naam, met aflaten begunstigd.

Niet minder diep dan de gevoelens van eerbied was het vertrouwen in Jezus' Naam, van het begin der Kerk af, in de harten der geloovigen geworteld. Trouwens, de Apostelen hadden hun reeds geleeraard, dat Jezus' Naam de Naam des Heils is, en er geen andere naam onder de zon is geqeven, waardoor wij zalig moeten worden. (Handel, der Apost. IV; v. 12). Meermalen in den loop des jaars herinnert ons de Kerk aan deze bemoedigende waarheid, en stelt ons met levendige kleuren de kracht voor oogen van dezen heiligen Naam. Zoo verhaalt ous de Epistel van dezen dag, het eerste wonderwerk, hetwelk Petrus en Joannes door de kracht van Jesus' Naam verrichtten (Handel. der Apost. III.), terwijl ons op andere tijden de plechtige belofte, door Jezus aan zijne Apostelen gedaan, herinnerd wordt, h Deze Teekenen zullen degenen, die gelooven, volgen : n In mijnen Naam zullen zij de duivelen uitdrijven ; nieuwe h talen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen; en, in-if dien zij iets doodelijks zullen drinken, zal het hun niet scha-// den; kranken zullen zij de handen opleggen, en zij zullen u gezond worden.quot; (Marc. XVI; 17, 18). Thans, gelijk voor achttien eeuwen, vraagt de Kerk, altijd en overal, de vervulling harer gebeden door den Heere Jezus Christus — per

ocr page 93

ZOETEN NAAM JEZUS. 87

Uoïnmuin nostrum Jenum Christum, — en geeft ous, zoo doende, een voorbeeld van onbeperkt vertrouwen op de belofte van den goddelijken Verlosser, die ons zelf heeft verzekerd, dat alles, wat wij in zijnen Naam zullen vragen, ons ook geworden zal, (Joan. XVI; 23).

Het is dan ook niet te verwonderen, dat het geheele lev^n van een Christen een onafgebroken lofzang is ter eere van Jezus' Naam, en een aanhoudend bewijs van het onbeperkt vertrouwen', hetwelk hij stelt in de alvermogende kracht er van. Jezus' Naam immers roept de Christen-ziel aan, wanneer zij, in duisternissen gewikkeld, door de bekoring gekweld, of door Satan bestormd wordt; Hem roept zij aan, wanneer schrik en angst haar bevangen; Hem roept zij aan, wanneer ellende, smart en lijden haar overvallen, want zij weet, dat Jezus alles vermag, en dat bij Hem licht, kracht en sterkte, overwinning der booze geesten, heul, troost en opbeuring te vinden is.

u O Heere Jezus! zoo roept de Christen-ziel, met den Heiligen Augustinus uit, „ wees ook voor mij een Jezus, dat is een Verlosser; heb medelijden met mij, en verlos mij.quot;.En die verzuchting is niet alleen een gebed van vertrouwen, maar ook een kreet van liefde, die, hooger en hooger stijgend, eindelijk, als het ware, bezwijkt, terwijl zij ons in de vervoering des harten, met een H. Ambrosius, doet uitroepen : „ O Jezus, Gij zijt mijn Jezus en mijn al!quot; O welke liefde moet die gezegende Naam in ons hart niet ontsteken, terwijl hij in ons geheugen terugroept de ellende en pijnen, de verguizing, de wreede geeselslagen, de doornenkroon, de nagels en het kruis, en eindelijk, den smartvollen dood, door Jezus, uit liefde tot ons, verduurd! Met welke dankbare liefde moet ons hart niet kloppen voor den Naam van Hem, die de bron is der ontelbare genaden, die ons, van het begin des levens af, zoo ruimschoots werden geschonken; van Hem, die, in de oneindige glorie gezeten, ook daar nog onze voorspraak is, terwijl Hij

ocr page 94

88 OP HOT FKBSÏ VAN DEX

zijne verheerlijkte wonden aan den eeuwigen Vader vertoont; van Hem, die na ons hier met weldaden te hebben overladen, ons eens in het rijk des Hemels met eer en glorie kronen, met geluk en zaligheid vervullen zal.

O ja, wanneer ik dit alles herdenk, dan begrijp ik, o lieve Jezus, waarom alle geslachten uwen heiligen Naam hebben geloofd, geëerd en geprezen; dan begrijp ik hun vertrouwen, dan begrijp ik hunne brandende liefde voor uwen nooit volprezen Naam !

Wij ook, o Heere Jezus! wij zullen op uwen heiligen Naam vertrouwen, in leven en in dood! Wij zullen uwen Naam vereeren, hem loven, prijzen en beminnen, in tijd en eeuwigheid!

LOFZANG.

ó Naem ! voor wien de grootheid beeft, Hel, Hemel, en al wat er leeft! 6 Schoener Naem als dageraet,

ö Soeter Naem als honigh-raet!

6 Groener Naem als 't Levens-hout, 6 Rycker Naem als 't fynste gout! 6 Sachter Naem als tortelduyf,

ó Verscher Naem als wyngaerts-druyf I ó Klaerder Naem als sonne-strael, ó Stercker Naem als louter stael I ó Grooter Naem als Keyzer-ryck,

ó Naem, die noyt had zijns gelyck!

Duykt, Bloetnkens, wie gy ook meugt zyn, Want gy verliest hier uwen schyn,

En gy, Revierken, loop van my,

Geen silvren nat en haelt hier by!

ocr page 95

ZOETEN NA,AM JEZUS. 89

Gy, trotse Kruytkens, buigt u neer,

Gh'en riekt soo soet niet als de Heer.

Sluyt, Vogelkens, uw beckskens toe,

lek ben uw zingen nu al moe :

Al wat ick sagh of heb gehoort.

Dat is vergeten door één woort :

O Jezu, Jezu, Jezu soet!

O Naem, gedruckt in myn gemoet!

Ick ben bewaert, en oock vereert ;

Hy heeft voor my getriompheerd !

Laet vry de Werelt nu voortaen Eens komen met haer Masker aen.

En d'IJdelheyt met soet gevley :

Ick hou den spot met alle bey.

Al komt Geneucht gelyk zy plagh,

Ick beu gewapent tot den slagh.

En weet, als ick dees Name draegh.

Dat ick naer Doodt noch Duyvel vraegh.

Overweging.

De Naam van Jezus is een naam van Macht, die ons herinnert aan het Woord van God, door hetwelk alles werd voortgebracht; aan Hem, die over de wereld heerscht; aan den Koning der Koningen en den Heer der Heeren, wiens geestelijk Rijk bij alle volken en ten allen tijde zal bestaan; aan het Lam, dat de aarde overwon, en vorsten en volken, met of tegen hun wil, doet buigen als een riet, hen verheft, als ze getrouw, en nederwerpt, als ze weerspannig zijn. — Het is een Naam van Liefde, die ons herinnert aan Hem, wiens armelijk, aardsche leven begon in een stal, om voorts gedurig ten offer gegeven te worden aan beschimping, aan marteling, ja, aan den dood van het kruis : aan Hem, die, uit den doode verrezen en ten hemel gevaren, ook daar nog onze Voorspreker en Middelaar wil wezen, en tevens onze metgezel wil blijven op onze reis naar de eeuwigheid, waar-

ocr page 96

90 OP HET FEEST VAN DEN ZOETEN NAAM JEZUS.

toe Hij dag en nacht op onze Altaren rust. — Het is een Naam van Zegepraal, die ons herinnert aan Hem, wiens kracht de ketenen verbrak, waarin de trotsche beheerscher der onderwereld, Satan, het menschdom vier duizend jaren lang hield gekneld. Dat juk kwam Jezus, onze Zaligmaker, als Verwinnaar van den afgrond, verbrijzelen en het gevangen heelal bevrijden uit de banden der slavernij, uit de boeien der dwaling, der driften en van alle kwalen der ziel. Hij heeft geheel de wereld de glorie der onsterfelijkheid deelachtig gemaakt 5 zonder Hem, die den Naam van Jezus voert, zonk, zooals achttien eeuwen het zouden getuigen, ook nu nog, de maatschappij weer in den poel van jammeren terug, waaruit Hij haar heeft opgebeurd en vrijgemaakt met zijn bloed.

Die Naam zij dan ons eerste woord bij ons ontwaken, ons laatste bij het ingaan van den slaap ; Hij zij een stempel op iederen klank onzer lippen, en het krachtig wapen in alle bekoringen en gevaar. Om ons daartoe op te wekken mogen dienen de gevoelens, uitgedrukt in de woorden van een heiligen dienaar Gods, die uitriep : » alles, wat ik doen zal, wil ik verrichten in uwen Naam. Wakende, zal die naam mij voor oogen zweven, slapende, zal ik hem ademen in mijn gemoed ; op de wandeling zal Hij mij vergezellen, neerzittende, zal Hij zich bevinden aan mijne zij ; onder mijne bezigheden, zal hij steeds mijn gids en leidsman wezen, en mijne pen zal, onder hooger besturing, steeds gevoerd worden in den heiligen Naam ; Hij zal mij mijne gebeden doen storten, en mijne verkwikking en rust zijn, na de vermoeienis van den dag; in krankte zal Hij mij strekken tot geneeskracht en ten troost, en in den dood tot mijn eeuwig heil. Zijn Naam zal wezen de Eeretitel van mijn graf.quot;

ocr page 97

MARIA-L.ICHTMIS.

|T®ijANNEEE eene vrouw, ouder het Joodsche volk, liet licht had gegeven aan een zoon, moest zij, volgens de voorschriften der Wet, gedurende veertig dagen van het tabernakel verwijderd blijven, en, na dat tijdsverloop, moest zij een zuiveringsoffer den Heere opdragen. De offergift zelve was bij de wet bepaald. De moeder moest namelijk een lam tot brandoffer, en eene jonge duif of tortel tot offer voor de zonde komen aanbieden. Den armen evenwel was het vergund, in plaats van het lam, eene tweede duif of tortel te offeren. Een ander voorschrift der wet bepaalde, dat iedere eerstgeboren zoon Gode zou worden toegewijd, maar tevens voor een losprijs van vijf sikkels zou worden vrijgekocht. Aan deze bepaling der wet was Jezus voorzeker niet onderworpen. Hij zelf immers was de ware en levende God; Hij zelf was de Heer en de Meester van al het geschapene, en zijn bloed moest eens de waardige en overvloedige losprijs worden van heel het gevallen menschelijk geslacht.

Evenmin werd Maria door de zuiveringswet verplicht: want deze kon niet van toepassing zijn op de gezegende Maagd, die ontvangen had van den Heiligen Geest; die zonder pijn of smart haren Jezus had gebaard, en wier maagdelijke reinheid even ongeschonden prijkte na de Geboorte des Verlossers, als in haren eersten levenstijd. Desniettemin wilde Maria, enkel uit nederigheid, zich met de gewone vrouwen gelijkstellen, en al datgene doen, wat de Wet van haar en van haren god-delijken Zoon scheen te vorderen.

Veertig dagen na het zalig uur, waarop de Engelen des

ocr page 98

92 MAllIA-LICHTMIS.

Hemels de Geboorte van den Verlosser der wereld aan de herders van Bethlehem hadden verkondigd, toog Maria met Jozef naar den tempel van Jeruzalem, om haar zuiveringsoffer en Jezus' losprijs aan te bieden. Zij droeg het goddelijk Kind op hare armen, terwijl de H. Jozef de vijf sikkels en het offer der moeder in zijne handen hield. De gift was het offer der armen; bij die behoeftige Moeder moest een tortelduif de plaats van het lam vervangen! O wonder van liefde en barmhartigheid! Om mij, armen slaaf, met de kostbare schatten der genade te verrijken, wilde de Meester van het heelal zóó arm en behoeftig worden (2. Cor. 8.), dat zijne gezegende Moeder niet eens een lam, voor haar zuiveringsoffer, aanbieden kon. Maar hier deed het ook weinig ter zake, dat het offerlam bij de plechtigheid ontbrak : want Maria zelf droeg op hare armen dat andere ware Lam, dat voor ovs allen is geslachtofferd, het Lam Gods, dat weyneemt de zonden der wereld, en waarvan het offer een einde moest maken aan alle offeranden van het Oude Verbond.

Met Jozef en Maria kwam Jezus den tempel van Jeruzalem binnen, en vervulde alzoo, reeds op dit uur, de voorzeggingen van Aggeüs en Malachias. Toen de kinderen van Israël bij het bouwen van den nieuwen tempel treurden, als zij zich de pracht van Salome's tempel herinnerden en troosteloos weenden, als zij het nieuwe tempelgebouw in zijne bekrompen naaktheid beschouwden, troostten hen die Gods-gezanten. l)e glorie can dezen tempel, zoo spraken zij tot het Joodsche volk, zal die van den vorigen ver overtreffen : wunt in dezen tempel zal de Verlangde aller volkeren komen; hier zal de vredevorst ver-schijnen. Dat woord moest in vervulling gaan, want Gods woont blijft in eeuwigheid. Na weinige jaren wel is waar zullen de ^ Romeinsche legerknechten Jeruzalem verwoesten, en een vernielend vuur zal den tempel met zijn verscheurden voorhang verteren; maar, zoo lang de Messias dien tempel door zijne

ocr page 99

MARIA.-LICHTMIS. 93

tegenwoordigheid niet heeft verheerlijkt, moet hij op zijne grondvesten blijven staan, 6n zijn hoofd ten hemel heffen. — Hij stond dan ook nog overeind, die tweede tempel, toen Jezus op dezen dag aan zijne deuren verscheen, en, door zijne Moeder gedragen, die grijze muren binnentrad. Van nu at kan die tempel krakend nederploffen en tot puin en stof vergaan, want het woord des Heeren is volbracht, de voorzegging der Profeten is voltrokken. Immers, de ware Vredevorst, die Hemel en aarde komt verzoenen in zijn bloed, de Verlangde aller volkeren is heden in zijn midden verschenen, en heeft hem door zijne tegenwoordigheid met een weêrgaloozen luister en eene nooit gekende pracht vervuld !

Bij de intrede des Heeren heeft voorzeker die joodsche tempel van vreugde getrild; maar het volk kende nog zijn Verlosser niet, en bleef onverschillig bij de verschijning van Dengene, wiens komst de Oudvaders en alle volgende geslachten zoo vurig hadden verlangd. Doch, even als aan de kribbe van Bethlehem, zullen ook hier de erkenning en de aanbidding van het goddelijk Kind niet worden gemist.

De stem der Engelen riep de herders bij de kribbe van Jesns, de geheimzinnige taal eener wondervolle Ster voerde de Oostersche Wijzen naar den stal van Bethlehem; de inwendige toespraak van den Heiligen Geest, zal, in den tempel van Je-ruzalem, nieuwe aanbidders voor Jezus' voeten doen nederval-len. Hier, in den tempel, zullen de grijze Simeon en de bedaagde dochter van Phanuël den verbeiden Messias, in dat zwakke Kind, erkennen, en zijnen lof bezingen. „ Want ziet, er was in Jeruzalem een man, wiens vaam was Simeon; en deze man was rechtvaardig en godvreezend, verwachtendede vertroosting van Israël, én de Heilige Geest was in hem.. En hij had van den Heiligen Geest eene openbaring ontvangen, dat hij den dood niet zien zoude, vóórdat hij den Gezalfde des Heeren had aanschonwd.quot; Toen nu Maria en Jozef met liet goddelijk

ocr page 100

91 MARIA-LICHTMIS.

Kind den drempel van het heiligdom betraden, voelde Simeon zich innerlijk door den Heiligen Geest derwaarts heengedreven. Hij verliet zijne woning, en richtte zijne wankelende schreden met jeugdige geestdrift naar des Heeren Huis. ,/ En ah de ouders het Kind Jezus hinnenhrachten, opdat zij naar de gewoonte der wet voor Hem deden, zoo nam, hij Rem ook in zijne armen, en Joofde God, en zeide : Nu laat Gij, Eeere ! meen dienstknecht, volgens uw woord, in vrede gaan ! Want mijne oogen heihen uw Heil gezien, hetwelk Gij her ei d, hebt roor het aangezicht van al de volken, een licht ter verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van uw volk Israël. En zijn vader en zijne moeder waren verwonderd over hetgeen van Hem gesproken werd. En Simeon zegende hen, en zeide tot Maria, zijne moeder; zie, Deze is gesteld, tot val en tot opstanding voor velen in Israël, en tot teeken, dat tegengesproken zal worden, (en u zelve zal een zwaard door de ziele gaan! ) zoodat uit vele harten de gedachten openhaar worden. quot;

;/ En er was eene oude Profetes, Anna, dochter van Phann-ël, uit den stam Aser; deze was ver op hare dagen gekomen, en had, van haren maagdelijken staat af, zeven jaren met haren man geleefd. En zij was eene weduwe van vier-en-tachtig jaar; zij week niet uit den tempel, en diende met vasten en hidden, nacht en dag. Deze hvam, terzelfder ure ook daarhij, en loofde den Heer, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing verwachtten van Israël.quot;

Ziedaar de heuglijke gebeurtenis, welke de Kerk, op den veertigsten dag na 's Heeren geboorte, plechtig herdenkt. quot;Wegens het Zuiveringsoffer, hetwelk Maria heden opdroeg, wordt dit feest, het feest van Maria-Zuivering genoemd.

In de Grieksche kerk, waar men dezen dag eerder als een feest des Heeren, dan wel als een feest, Maria ter eere ingesteld, beschouwde, werd 't het feest der Opdracht van Jezus in den tempel, en nog algemeener, het feest der Ontmoeting

ocr page 101

MARIA-LICHTMIS. 95

genoemd; omdat Simeon en Anna op dezen dag Jezus in den tempel ontmoetten.

Wegens eene plechtigheid, aan dezen dag eigen, het wijden namelijk en het ontsteken van een aantal Waskaarsen, die bij de Processie worden rondgedragen, is dit feest ook, zelfs vrij algemeen, onder den naam van Maria-IicJdm.is bekend.

Het feest van Maria-lichtmis is zeer oud in de Kerk. Reeds in de vijfde eeuw werd het als een van oudsher bestaande feestdag gevierd; en, volgens de meening van onzen geleerden landgenoot Henschenius, en van Paus Benedictus XIV., zou de instelling er van zelfs tot de Aposteltijden opklimmen. De Kaarswijding echter en de plechtige Processie, die heden plaats grijpen, dagteekenen van later, zonder dat het tijdstip juist te bepalen is.

Wanneer de geloovigen heden ter kerke gaan, nemen zij een witte Waskaars mede, opdat de zegen der Kerk er over worde uitgesproken. In paarsch gewaad gehuld, beklimt de Priester, vóór de Hoogmis, het altaar. Zijne dienaren zijn enkel met de alba bekleed, waarover de diaken een paarsche stola draagt. Aan den kant van den Epistel geplaatst, spreekt de Priester zegenrijke gebeden uit over de kaarsen, die daar ter wijding zijn nedergelegd, opdat zij de kracht erlangen van voor hen, die ze godvruchtig dragen en bewaren, een onderpand der goddelijke bescherming te worden, naar lichaam en naar ziel. Daarna bewierookt en besproeit hij ze met gewijd water, en deelt ze onder het zingen van het Loflied van den grijzen Simeon, aan de vergaderde menigte rond. Zijn nu de kaarsen gewijd en uitgedeeld, dan begint de Processie, waarbij de Priester en de geloovigen dezé brandende fakkels in hunne handen dragen.

De hooge beteekenis der gewijde kaarsen en der Processie van dezen dag moet ons opwekken, om met diepen eerbied en innige godsvrucht aan die heilige plechtigheid deel te nemen.

ocr page 102

96 MARIA-LICHTMIS.

Immers, deze kaars, van witte was vervaardigd, verbeeldt het maagdelijk-rein en zuiver lichaam des Heeren, en hare vlam zegt ons, dat Hij hef- ware Licht is, hetwelk in de wereld kwam, om alle volken te verlichten. Daarom ook worden deze gezegende Kaarsen niet alleen bij de Processie ontstoken en gedragen, maar men houdt ze ook in de handen tijdens de H. Mis, gedurende den geheelen tijd dat, na de Consecratie, Jezus, Mensch en God, wezenlijk, onder de gedaante van brood en wijn, op het altaar rust, en ook dan, wanneer de Diaken het Evangelie zingende, ons Gods Woord verkondigt, dat rene fakkel is voor onze voeten, en op al onze roeqen een Licht.

Wij willen de betwiste vraag hier niet bespreken, of de Processie van dezen dag haren oorsprong al of niet te danken heeft aan eene wijze beschikking der Pausen, die deze kerk-plechtigheid instelden, om de laatste sporen van oude heiden-sche gebruiken, bekend onder den naam Am.hnrhalia, te doen verdwijnen; maar, wij kunnen niet nalaten te doen opmerken, dat de Processie van dezen dag ons levendig aan verschillende waarheden des Geloofs herinnert, en uitermate geschikt is, om onze godsvrucht op te wekken. Die Processie.immers stelt ons levendig voor oogen, én den tocht van Maria naar den tempel, toen zij het ware licht der wereld op hare armen droeg, én de ontmoeting van Simeon, die voér zijnen dood den troost mocht smaken, Dengene een oogenblik aan zijn hart te drukken, die ons door het waslicht zinnebeeldig wordt voorgesteld. O laten wij nooit vergeten, dat wij, die, onder deze Processie, slechts een beeld des Verlossers in onze handen dragen, zoo dikwerf' den Verlosser zelf, bij de H. Communie, waarlijk en wezenlijk in ons hart ontvangen, en dat ons hart dus ook, gelijk dat van Maria en dat van Simeon, vervuld moet zijn met die brandende liefde en dat vurig verlangen, die ons door de vlam der gewijde kaars worden verbeeld.'

Innig bewust van deze groote waarheid, dat de Kerk nooit

ocr page 103

MARIA LICHTMIS. 97

tevergeefs haren zegen uitspreekt, maar integendeel het stoffelijke, wat zij wijdt, tot de bovennatuurlijke orde verheft, en met bovennatuurlijke kracht verrijkt, nemen de geloovigen de gewijde kaars mede naar hunne woning, en ontsteken haalbij onweder en storm, bij ramp en gevaar, bij heilige oefeningen en bij het gebed. Eens, wanneer ons laatste levensuur zal slaan, zullen wij deze gewijde kaars in onze stervende handen drukken : zij zal ons, als het ware, voorlichten bij onze intrede in het huis der eeuwigheid, waar wij eeuwig licht in licht, klaarheid in klaarheid zullen zien. Moge het geweten, in dat beslissend oogenblik, ons de getuigenis geven, dat wij het Licht, dat Christus is, op al onze wegen hebben gevolgd, en dat wij steeds het licht der deugd en der waarheid meerheb-ben bemind, dan de duisternis des ongeloofs en der zonde!

Een gevolg van dit feest, of liever van Maria's Zuivering, is het gebruik der Kerk, om de vrouwen en het kind, hetwelk zij ter wereld brachten, te zegenen, wanneer zij voor de eerste maal weer ter kerke komen. Het is billijk, dat haar eerste uitgang zij naar het huis des Hoeren, om Gode dank te zeggen voor de haar bewezen gunst; om haar kind aan den Heer op te dragen, en, voor zich zelve en voor haar kroost, Gods zegen te ontvangen uit de hand der Kerk. Met eene waskaars toegerust, worden zij het heiligdom binnengeleid, en terwijl zij voor het altaar nederknielen, bidt de Priester voor moeder en voor kind, en zegent beiden, in den Naam des Yaders, en des Zoons, en van den Heiligen Geest.

LOFZANG

DE GEWIJDE KAARS.

Ik groet u, heilig licht, gestarnte van 't altaar ! Uw krooa is zonnegoud, uw troon een kandelaar,

ocr page 104

9S MARIA-LICHTMIS.

Uw slanke lichaamsbouw, uit wol en was verkoren,

Het pronkvverk van de Bij, 't insect tot kunst geboren.

Uw glinsterend gelaat spreekt tot het christenhart

Als flikkrend zinnebeeld van blijdschap en van smart.

Zoo rustig als de dood, zoo levendig als 't leven,

Blijft gij, op aard gevest, steeds naar den hemel zweven.

De liefdevolle geest, die u het lichaam schonk.

Glanst immer voort tot aan zijn laatsten levensvonk.

U zelf verterend, maar om andren te verlichten,

Blijft gij den Christen steeds door treffend voorbeeld stichten.

Gij zijt, o godsdienst-telg zijn trouwe tochtgenoot

Van af zijn wordingsuur tot aan, tot na zijn dood.

De Kaars beglanst het licht der doopvont, waar Gods zegen Ter neêrdauwt op het kind, in Adams schuld verkregen ; De Kaars verwelkomt ook de moeder met haar gloed, Die met haar zuigeling den eersten kerkgang doet.

De Kaars bronst met haar goud de roosjes op de wangen Van 't kind, dat voor het eerst de Godheid gaat ontvangen. De Kaars prijkt als getuige in 's vromen jonglings hand, Wanneer hij wordt gezalfd tot 's Heeren Afgezant.

De Kaars laat heure vlam als diadeemgoud zweven Om 't hoofd des Kloosterlings, die zweert voor God te leven, ü Godd'lijk vuurwerk ! dat ook neêrstraalt op de huif Der geestelijke non, der stille kloosterduif.

Die slechts van manna leeft en heilige gedachten.

Haar geest verheffende, als ontplooide Cherubsschachten : Straal op den zondaar neêr, nog zwervend op deze aard. Terwijl aan zijne ziel Gods heil zich openbaart!

De Kaars verlicht d' orkaan en 't hart der schepelingen. Wanneer de golven slaan en 't vlotte huis bespringen.

Daar 't woeste stormweer huilt met ongetemde vlerk En 't schip ten afgrond sleurt, of opzweept tot aan 't zwerk : Dan zendt haar heilig licht zijn glinstring met de zuchten Des christenharten op naar uitkomstvolle luchten,

ocr page 105

MAKIA-LICHTMIS. 99

Waaruit de Star der zee, Maria, blinkt, die vaak Den drenkeling verscheen als trouwe reddingsbaak.

De Kaars verlicht den storm in 't hart der huisgezinnen, Wanneer de donder rolt rondom haar erf, en binnen De vrees het hart beknelt van ouders en van kroost.

Dan is de ontstoken Kaars het middelpunt van troost, Dan rept zich, als van ouds, de meesteres des huizes. En zegent wand en vloer met teekenen des kruises, In zegennat gesprengd, met den gewijden palm ;

Zij haalt de luifels dicht en zet de deur in schalm. En knielt met d' eedlen oogst van hare liefde in 't ronde. Terwijl 't gewijde licht, ontvlamd te dezer stonde.

Hun moed en hope straalt, totdat het noodweer zwijgt. En 't uitgestormde zwerk de kalmte weêr herkrijgt.

De Kaars verlicht den strijd in 't hart des veegen kranken. Wanneer de dood zijn voet zet op diens legerplanken. Dan heerscht stikdonkre nacht ; nacht in zijn oog en mond. Nacht in zijn hoofd, nacht in zijn hart, ja, nacht in 't rond. De tweekamp tusschen ziel en lichaam gaat beginnen. Wie draagt de zege weg r — Geknakt zijn al de zinnen : De Kaars werpt nog een laatste lichtglans om hem neêr, Terwijl de Priester bidt : sschenk eeuwge rust, o Heer! En dat het eeuwig licht der christenziel verschijne! quot; — De doopvont zag haar licht, het doodsbed ziet het zijne. De doodkaars treurt bij 't lijk, waarom een ieder treurt; Ze ontvlamt het in Gods huis, terwijl de wierook geurt. Bij 's Priesters offerande en stille doodenpsalmen. Die biddend-klagend om den afgestorvne galmen.

Zoo gloort de Waskaars steeds tot troost en heul in smart. Tot roem en vreugd bij feest, tot liefde voor elks hart: Geen uur, geen tijdstip, of zij deelt in zoeten vrede De gaven van haar licht aan Jezus' vrienden mede ; En, altijd even schoon in 't zedig wasgewaad.

Volbrengt de heusche Kaars de plichten van haar staat.

ocr page 106

100 M ARIA-LICHTMIS.

Laat kunst en wetenschap de levenskiem der stoffen

Ontleden, om haar kracht in licht te doen ontploffen,

Uit gloeiend steenkool gas, uit phosphor bliksemstraal,

Of, volgens oud gebruik, aan vuursteenslag en staal

De vonk ontwoekren, en uit olielooze deelen

Een oogverblindend licht voor 't duister aardrijk telen.

Het werk der Bij, gewijd door Godsdienst, spant de kroon :

De Godgewijde Kaars blinkt, zedig, even schoon;

Ja, moge 't kroonlicht ook in dans- of feestzaal zwieren,

Gij blijft, o stille Kaars! den Tempel Gods versieren;

En schittert soms de Kunst op wereldfeesten meer.

Gij viert in 's Heeren Huis de feesten van den Heer.

Het vonklend licht der Kaars, uit stearien gegoten,

Moog 't diepst geheim op aard voor den geleerde ontblooten. De zachte Waskaarsglans verlicht oneindig meer,

En straalt haar maagdelijk licht op de offerande neer.

Moog de olielamp, omkroond met krans en bloemen, schijnen Als een geleerde zon voor de oude boekenschrijnen,

Waar zij het perkament, vervuld met wijsheid, klaart. Het kerklicht flikkert op het schoonste boek der aard. Het Evangelieboek, waaruit Gods Woord blijft stralen.

Ziet gij, bij avond, die lantaarnezonne pralen Aan de opgesmukte koets der grooten van deze aard. Wanneer hen 't fier gespan ter feestzaal henenvaart ?

Méér roem is aan de vlam der Wassenkaars beschoren.

Daar zij tot gezellin van God zelf is verkoren,

Wanneer die God zich hult in blanken tarweschijn. Omgeven en bewelfd door 't sierlijk baldakijn,

Waaronder zijn Gezant, in leliën-gewaden.

Den zieke met het Brood der Engelen gaat verzaden.

Of als in weidscher praal die God zijn omgang houdt. Met Engelinnenstoet, aan de onschuld nog vertrouwd. Gekleed als bruidjes van den Bruidegom des Hemels, Die dan de keten sluit des heiligen feestgewemels.

Gevormd door de muziek en 't jongelingenkoor.

ocr page 107

MARIA LICHTMIS. 101

Dat wierookwalmen zwaait, Arabies rijkst trezoor.

Terwijl het groote heir van honderden flambouwen Haar starren prikkelt, om het schuilend Licht te aanschouwen : Dan wijkt de zegetocht eens konings, rijk bestraald,

Voor zulk een gloriepracht, die Gods triomf ons maalt.

Neen ! geen geboortefeest eens vorstentelgs, verwelkomd

Door 't grootsch kannonnenvuur, dat uit zijn kopren hel bromt,

En opgeluisterd door het heerlijkst vuurwerk, dat

In pijlen, slingers of in letters luchtwaarts spat.

Treft 't christenhart zoo diep, als 't Kerstfeest met zijn lichtjes.

Die rondom het altaar, als goudgewiekte wichtjes.

Het Kind van Bethleëm begroeten met haar glans.

Terwijl het Gloria stijgt naar den hemeltrans.

Neen ! —• neen ! geen hooggetij van wij dgevierde geesten

Treft zóó de ziel als 't Licht van de Mariafeesten,

Wanneer het glanst ter eer van haren naam, haar deugd.

Ontvangenis, Geboorte of hooge Hemelvreugd.

Geen licht blinkt op het feest van krijgers, kunstenaren,

Zoo schoon als 't heilig licht, ontstoken op de altaren,

Gods Heiligen ter eer, die helden van de Kerk,

Die zeiven schittren als gestarnten aan het zwerk.

ü Godgewijde Kaars ! duld, dat ik u benijde ;

Gij staat het Heiligdom, waar liefde woont, ter zijde Met siersels, rijk en schoon, en bloemen onbesmet. Als starren in een hof, bij 't Veertig-uurgebed.

O smolt mijn hart als was, en sloeg mijn tong aan 't blaken. Wat zou ik dag en nacht voor God mijn liefde slaken ! Ik zoude naast zijn troon een aardsche Serafijn, Een lichtelaaie brand, een tintiend vlamwerk zijn,

Dat liefde alom verspreidde en 't aardrijk overgloeide, Totdat het werd één vuur, dat zich aan 't zijne boeide, Om eeuwig.... doch, helaas ! het kwaad heeft me uitgedoofd. Mij, minder waard dan 't licht, dat, onbewust. Hem looft.

ocr page 108

102 MARIA-LICHTMIS.

Vergiffenis, o Gij, wiens Naam het licht blijft roemen.

Maar dien mijn zwakke tong niet waardig is, te noemen; Ach, gun, dat ik U door uw schepselen belijd'.

Waarvan Gij door uw macht oorsprong en schepper zijt! Gij zijt der lichten licht, dat niemand kan bevatten.

Meer dan hier de etherstroom al trillend rond doet spatten. Eens spraakt Gij : »Daar zij lichtquot; — en 't groote licht

[was daar.

Gij zaagt het, en 't was goed : de duisternis was klaar. O mocht de waarheid zóó mijne oogen eens doordringen I Schenk Gij dat, bid ik U, o Schepper aller dingen ! Een bajert is mijn geest, mijn hart nog ongevormd,

Waarin bij duistren nacht de zonde dikwijls stormt.

Spreek over mij dat woord, dat ge eertijds hebt gesproken. En zeg weêr ; »Daar zij lichtquot; in 't aardsche kind ont-Dan val ik U te voet, en bid U dankend aan; [ stoken ! Mijn wezen, opgeklaard, zal U een loflied slaan.

Dat uur zal naken en de sluier nedervallen.

Dan drinkt mijn ziel méér licht dan alle mijnkristallen. Dan zie ik licht in licht, o hemelzoet genot!

Want 't Licht, dat mij bestraalt, is dan de groote God.

Overweging.

De godsvrucht tot Maria heeft geenen anderen stichter dan de Stichter van onzen heiligen Godsdienst. Jezus Christus zelf heeft daarvan den grondslag gelegd. Gij verwondert u wellicht over deze stelling; maar gij zoudt mij toch gelijk geven, indien Jezus op verschillende plaatsen van het Evangelie gezegd had ; gij moet Maria vereeren, gij moet haar eene geheel bijzondere eer bewijzen ; dit is de wil mijns Vaders; — en gij zoudt u zeiven als strafbaar moeten aanzien, zoo gij, in dit geval, uwe plichten jegens de allerheiligste Maagd uit het oog mocht verliezen. Wel nu! wat Jezus Christus gedaan heeft, spreekt daarvoor nog veel sterker, dan wat Hij zou hebben kunnen zeggen.

ocr page 109

MAUIA-LICHïMIS.

Jezus Christus heeft wel niet uitdrukkelijk gezegd : gij moet Maria vereeren, maar Hij heeft in den schoot van Maria, als in een Heiligdom, gewoond; Hij heeft haar tot zijne Moeder verkozen ; Hij liet zich in hare armen dragen, door hare handen verplegen ; Hij was hare bevelen gehoorzaam ; aan het Kruis nog herinnert Hij zich den eersten plicht der kinderlijke liefde, terwijl Hij haar zijn geliefden leerling aanbeval, wanneer Hij niet meer op aarde zou wandelen; in één woord ; Zij is zijne Moeder, de Moeder van Jezus, de Moeder van den God-mensch, de Moeder Gods !

Maria is de Moeder van Jezus, dat wil zeggen ; het vleesch van Maria is het vleesch van Jezus Christus, het bloed van Maria is het bloed van Jezus Christus, het leven van Maria is de bron en de grondslag van Jezus Christus geworden. Er is geen schepsel, dat zoo innig met zijnen Schepper verbonden en der Godheid zoo nabij is, als deze gezegende Moeder, uit wie Jezus, die Christus genoemd wordt, geboren werd.

En nu vraag ik u : kan God zijnen wil wel duidelijker en bepaalder uitdrukken ? Kunnen wij wel te veel ijver in den dienst van Maria aan den dag leggen ? Kunnen wij hare vereering wel overdrijven, haar wel te hoog verheffen, zoo lang wij haar met God zeiven niet gelijk stellen ? Maria is de Moeder Gods, en daarom is zij boven alle andere schepselen, zelfs boven de hemelsche geesten verheven. God heeft haar Zoon willen zijn, en daarom, zegt de H. Bonaventura, heeft Hij Maria zoo hoog verheven, als een schepsel verheven worden kan. Wij zouden dus het grootste onrecht plegen, indien wij Maria met de andere Uitverkorenen op ééne lijn stelden, en aan haar slechts dezelfde eer als aan genen bewijzen wilden. Zij staat hooger dan deze, zij is de Koningin der Heiligen en der Engelen ; wij zijn haar dus een dieperen eerbied schuldig; zij bevindt zich, om zoo te spreken, nader bij de Godheid en verdient derhalve van onzen kant een grooter hulde. God alleen is boven haar; wij moeten haar bijgevolg alleen de eer, aan God verschuldigd, weigeren, maar wij kunnen in haren dienst niet dwalen, zoolang wij haar den schepter Gods niet in de handen geven. Stelt den Zoon niet op ééne lijn met de Moeder, maar stelt ook de Moeder niet op ééne lijn met de overige dienaars en dienaressen des Heeren ! God zelf heeft tusschen beiden eene te groote ruimte gelaten, dan dat wij die mogen wegnemen : Hij heeft hen te ver van elkander gescheiden, dan dat wij tusschen hen eene gelijkheid zouden durven stellen.

103

ocr page 110

MARIA-L1CHÏMIS.

En, bedrogen wij ons, wanneer wij haar boven alles, wat God niet is, verheffen, en haar op eene bijzondere wijze vereeren, dan zoudt Gij, o Heer, ons in dwaling hebben gebracht! Gij hadt haar niet als Moeder moeten kiezen, indien Gij niet wildet, dat wij haar boven uwe andere dienaars zouden vereeren; Gij hadt U niet in hare armen moeten laten dragen, indien Gij wildet, dat wij ons niet voor hare voeten zouden nederwerpen; Gij hadt haar niet moeten onderdanig wezen, indien Gij wildet, dat wij haar niet als onze Meesteres, en als de Koningin der Engelen en der Uitverkorenen zouden erkennen ; Gij hadt geen lichaam van haar vleesch en bloed moeten aannemen, indien Gij wildet, dat wij haar niet als de deelneemster aan het groote werk onzer Verlossing zouden beschouwen; Gij hadt haar niet zoo hoog boven alle andere schepselen moeten verheffen, niet al de kracht van uwen arm moeten bezigen, om haar met heerlijkheid te overladen, indien Gij gewild hadt, dat wij haar niet zouden verheffen, dat wij niet zouden ontvlammen in ijver voor haren dienst.

Eén van beiden, of Jezus Christus heeft zich zeiven bedrogen, of de vijanden van Maria bedriegen zich, wanneer zij de bijzondere eer, welke wij haar bewijzen, veroordeelen, en onzen ijver in haren dienst onverstandig en blind durven noemen. Immers, kunnen wij van onzen kant wel te veel doen, wanneer wij betrachten, wat God voor haar heeft gedaan ? Hebben wij te vreezen van, door al te groote vereering der Moeder, misschien te kort te doen aan de heerlijkheid van den Zoon, nadat die Zoon zelf zijne Moeder duizendmaal meer geëerd heeft, dan wij haar kunnen vereeren ? Neen, nooit zal Jezus Christus u verwijten, dat gij zijne Moeder te zeer bemind, haar te veel verheven, u te dikwijls voor hare voeten nedergeworpen hebt. Nooit, nooit zal Hij het u als eene misdaad aanrekenen, dat gij te veel ijver in den dienst zijner Moeder getoond, dal gij haar te hooge eeretitels gegeven, haar uw middelaarster, uwe voorspreekster genoemd hebt! Nooit, nooit zal Hij, in zijne gramschap, tot u zeggen ; o gij, dwaze ! waarom hebt gij geloofd, dat mijne Moeder zonder zonde ontvangen, van het bederf des grafs bewaard gebleven en wederom heerlijk verrezen is ? Nooit, nooit zal Hij u verwerpen, omdat gij u een te verheven denkbeeld van zijne Moeder gemaakt, en haar, uit wie Hij wilde geboren worden, voor hoog bevoorrecht gehouden hebt.

Neen, wij weten, en dit met de zekerheid des Geloofs — want de algemeene, onafgébroken en eenstemmige Overle-

ocr page 111

de vasten.

vering is even onfeilbaar als het Evangelie zelf — wij weten, dat de liefde, de vereering en aanroeping van Maria eene godsvrucht is, gesproten uit het hart van Jezus, gerechtvaardigd door de Apostelen, bevestigd door de geheele Kerk, waartegen de poorten der hel niets vermogen. Wij weten, en dit met de zekerheid des Geloofs, dat de Moeder van Jezus deel neemt aan onze behoeften en nooden, dat zij voor ons het hart en de gevoelens eener moeder heeft, en dat zij door hare alvermogende voorspraak alles voor ons heil kan bewerken, ofschoon Jezus alléén de oorsprong onzer zaligheid is.

Jezus heeft Maria bemind en geëerd, Hij heeft haar in den hemel verheven. Hij eert en bemint haar nog; — waarom dan zouden wij aarzelen, haar te eeren. haar te beminnen en ons voor hare voeten neder te werpen in het stof ?

^■■■^ïïïïïït..........................................................................................^

DE YASTEK

--:—

et leven van den mensch, (zegt de H.Augustinus,) wordt vin twee groote tijdvakken verdeeld : het eerste bevat // het tegenwoordige leven, dat daarheen vliedt, te midden van // bekoring, kommer en ellende ; het andere begint, om nooit „ te eindigen, met.onze intrede in het huis der eeuwigheid, „ waar rust en zaligheid, vreugde en vrede ons deel zullen ,/ zijn. Beide tijdstippen worden, te onzer leering, afgebeeld door de verdeeling van het kerkelijk jaar. De tijd vóór Pa-n schen is het beeld der bekommeringen van het tegenwoordige it leven, terwijl de tijd na JPaschen liet beeld diir gjlukzalig-„ heid is, welke wij eens in den hemel zullen genieten. Daar-;/ om vasten en bidden wij vóór Paschen ; na Paschen vasten u wij niet meer, maar stemmen alsdan, in stede van rouwlie-n deren, louter vreugdezangen aan.quot; liet tegenwoordige leven is daarenboven een voorbereiding tot het toekomende. Door de beproevingen van den tijd moeten wij tot de vreugd

105

ocr page 112

106 DE VASTEN.

der eeuwigheid geraken : wij moeten eerst de woestijn dezes levens doortrekken, alvorens wij het beloofde land kunnen binnengaan ; wij moeten de smarten der ballingschap in dit Babyion verduren, eer wij in ons ware vaderland, hethemelsch Jeruzalem, terngkeeren. Levendig stelt ons de Kerk ook deze waarheid voor oogen, terwijl zij ons, door een tijd van boetvaardigheid, tot het groote feest van Jezus' Opstanding leidt, en ons de Paaschvreugd niet laat smaken, voordat wij vrijwillig de ontberingen der versterving, gedurende den Vastentijd hebben verduurd.

De Vasten is echter meer dan een enkel beeld onzer pelgrims-reize, want zij herinnert ons niet alleen onze ballingschap, maar geeft ons ook de middelen aan de hand, om in ons vaderland terug te keeren en onze ware eindbestemming te bereiken. Trouwens, wij moeten ons zeiven afsterven, om eens eeuwig met Jezus te leven; wij moeten deelachtig worden aan 's Hee-ren lijden, om in zijne glorie te kunnen deelen; om met den Heiland te verrijzen, moeten wij uit het graf der zonde opstaan en, door liet beoefenen der deugd trachten gelijkvormig te worden aan Hem. Welnu, de Kerk beijvert zich op eene bijzondere wijze gedurende den Vastentijd, om al die gevoelens in ons te verlevendigen. Zij wekt ons,aanhoudend op tot droefheid des gemoeds, en spoort ons aan, om den steen onzer harten te breken, en onze zonden, voor het aanschijn des Hee-ren, te beweenen. „Laat ons van Ueederen veranderen, zoo // spreekt zij tot ons in hare gezangen, de boetepij omgorden, „ en ons met asch overdekken; laten 20ij vasten en weenen, want // onze Heer en God is allerharmhartigst ; Hij zal een verhrij-u zeld en verootmoedigd hart niet verstooten. Hij zal den rouw-„ moedige zijne zonden vergeven.quot; — // Keert tot mij terug, n zoo laat zij den Heer, door den mond van zijnen Profeet, // den zondaars toeroepen, keert tot mij terug in tranen, in // vasten en in zuchtenquot; — ;/ En gij. Priesters des Heer en gt;

ocr page 113

DE VASTEN. 10?'

H zoo roept zij den Bedienaren des Heiligdoms toe, weent tuz-„ schen het voorportaal en het altaar, en zegt: spaar, o Heer ! i, spaar uw volle! laat niet toe, dat de ongeloovigen ons over-,/ heerschen.quot; Gedurig stelt de Kerk, in deze heilige dagen, ons het bitter lijden van den God-Mensch voor oogen, om onze liefde voor den goddelijken Verlosser te verlevendigen, en in ons hart niet alleen een onverzoenlijken haat tegen de zonde, en een waar berouw over onze begane feilen op te wekken, maar ook een vurig verlangen, om met Jezus en voor Jezus te lijden. Zij spoort ons aan, om in dezen tijd, meer dan ooit, te volharden in het gebed, en om in ruimere maat den goeden geur van Jezus Christus door onze goede werken te verspreiden. Zij schrijft ons vasten en onthouding voor, opdat wij ons verdorven vleesch kastijden, onze driften beteugelen, en, zoo doende, in het vervolg zekerder al datgene vermijden, waardoor wij schade zouden lijden aan onze ziel. Alles, in één woord, werkt in dezen heiligen tijd te zamen, om ons tot Boetvaardigheid te stemmen, teneinde wij ons waardig zouden maken de kwijtschelding onzer zonden in het H. Sacrament van Boetvaardigheid te erlangen, en dan, volmaakt gezuiverd, heilig, den God van heiligheid, het onderpand onzer verheerlijkte Verrijzenis, gedurende den Paaschtijd te ontvangen.

Wanneer wij dit een en ander ernstig overwegen, en ons tevens herinneren, dat de Veertigdaagsche Vasten, in vroeger tijd, ook nog ten doel had, de openbare zondaars tot hunne verzoening, en de catechumenen of nieuwelingen tot hun Doopsel voor te bereiden, dan zal het ons niet verwonderen, dat deze heilzame oefening reedb van de Aposi eltijden af in de Kerk heeft bestaan; zoowel in het dagental als in de boete-voorschriften zal men verschillende gebruiken, op verschillende plaatsen, kunnen aantreffen : maar de Vasten vóór het Paaschfeest is zoo oud als de Kerk-zelve.

Eertijds waren de voorschriften der kerkelijke tucht, ten

ocr page 114

108 DE VASTEN.

opzichte van de Vasten veel strenger, dan heden ten dage. Het was slechts eenmaal daags, en wel bepaald eerst na zonsondergang, geoorloofd, eenige spijs of drank te gebruiken. De zondagen alléén waren hiervan uitgezonderd. Eerlang echter werd het uur van het avondmaal vervroegd. In de veertiende eeuw was het gebruik reeds algemeen geworden, om het vastenmaal te drie ure, na den middag, te houden, en er was nog geen eeuw sinds dien tijd verloopen, toen men reeds algemeen den maaltijd omstreeks het middaguur nam. Eene herinnering der aloude tucht bestaat heden ten dage nog in de Vasten, namelijk, men bidt de Verpers, die vroeger eerst tegen den avond gezongen werden, en ook nu nog buiten den Vastentijd in den namiddag worden gebeden, thans vóór het uur, waarop men den maaltijd mag nemen, dat is, vóór het middaguur.

Ook in het voorschrift van slechts eenmaal op den dag eenige spijs te genieten, kwam van lieverlede eene verzachting, en wel van daar, waar zulks het minst te verwachten was. Buiten en behalve de algemeene vastendagen, telden de kloosterlingen nog een aantal dagen in het jaar, waarop hun door hunne kloosterregels onthouding van vleesch en vasten voorgeschreven was. De H. Benedictus veroorloofde aan de monniken van zijne Orde, om op de bijzondere vastendagen van het klooster, 's avonds, na het zingen der Completen, een weinig water en wijn te gebruiken, en weldra werd het gebruik ook bij de andere kloosterorden ingevoerd. Onder het nuttigen van een luttel dranks, hield de Overste eene korte toespraak tot zijne onderhoorigen, of werd er eene geestelijke Lezing — Collatio spiritualis — gehouden. Om deze reden is die avonddronk toen met den naam van Collatio bestempeld, welken naam hij heden nog draagt.

Langzamerhand werd dit gebruik, zoowel in als buiten de kloosters, ook op de algemeene vastendagen toegepast; en, dewijl men het nadeelig achtte voor de gezondheid, dien drank

ocr page 115

ÜE VASTEN. 109

zonder toevoeging van een weinig spijs te nemen, zoo werd ook deze in eene kleine hóeveelheid bij den drank gevoegd, en dus ontstond de ook thans nog gebruikelijke en geoorloofde Collatie.

In de Vasten is alzoo slechts één volle maaltijd geoorloofd, en ook daarvan is nog het uur bepaald. Het gebruik van verschillende spijzen is tijdens de Vasten mede verboden. Men behoeft zich, wel is waar, niet bij water, brood en groenten te bepalen, gelijk de Christenen der eerste eeuwen, maar vleesch, eieren en melkspijzen zijn in de Vasten ons ontzegd. Het gebruik heeft op vele plaatsen het verbod aangaande de melkspijzen gewijzigd, en wat het gebruik van vleesch en eieren betreft, hierin wordt, bij ons te lande, met Pauselijke vergunning, door ieder Bisschop in zijn kerspel in meer of mindere mate gedispenseerd.

De Joden dwaalden veertig jaren heen en weder door de woestijn, alvorens hun vergund werd, het beloofde land binnen te gaan; Mozes vastte veertig dagen, eer hij, op Sinaï, onder het ratelen van den donder, en het schitteren van het bliksemvuur, Gods Wet ontving; Elias bracht veertig dagen in vasten dour, eer Hem de Heer op den berg Horeb verscheen; en onze goddelijke Verlosser zelf vastte veertig dagen en veertig nachten in de eeuzaamhéid der woestijn, alvorens Hij zijn openbaar leven begon. Tengevolge dezer voorbeelden en ter herinnering aan dat Veertigtal, door het vasten van den Heere Jezus geheiligd, heeft de Kerk de Vasten, die het Paaschfeest voorafgaat en zoo als wij reeds vroeger opmerkten, het zinnebeeld is onzer pelgrimsreize door de woestijn des levens naar het beloofde land van eeuwige vreugd, op veertig dagen bepaald. Zij begint met den eersten zondag vau quadragesima, dat wil zeggen, op den eersten zondag, die na den veertigsten dag véor Paschen komt, en zij eindigt met het hoogheilig feest van 's Heeren Verrijzenis.

ocr page 116

110 DJS VASÏKCÏ.

Ia de Grieksche Kerk, waar men op zondag, donderdag en zaterdag niet vast, en waar, dien ten gevolge, het geheiligde veertigtal op verre na niet zou bereikt worden, indien de Vasten eerst met quadragesima begon, neemt die verstervingstijd reeds vroeger zijn aanvang. Hij begint daar namelijk op den eersten zondag, of, om juister te spreken, op den eersten maandag na den zeventigsten dag vóór Paschen. Deze zondag wordt wegens het getal dagen, die hem van het Paaschfeest scheiden, Dominica in septuagesima genoemd. De twee volgende zondagen worden om dezelfde reden, de eerste in sexagesima, en de tweede in quinquagesima geheeten. Op eenige plaatsen, in het Oosten, was op zondag en zaterdag geen vasten voorgeschreven, terwijl de donderdag onder de vastendagen opgenomen was. Op deze plaatsen begon de Vasten met sexagesima; op andere, werden alléén de Zondagen, Goede Donderdag en Goede Zaterdag niet onder de vastendagen gerekend, eu daar nam de H. Vastentijd zijn aanvang met den eersten dag, die op den zondag van quinquagesima volgt. Bij de Latijnsche Kerk bestoud geen soortgelijke reden om den Vastentijd te vervroegen, en zij nam daarom ook het gebruik der Oostersche kerken niet over. Doch, opdat er zooveel mogelijk gelijkvormigheid tusschen het Westen en het Oosten zou bestaan, en de eene Kerk geen vreugdezangen zou aanheffen, terwijl de andere reeds rouw- en boeteliederen zingt, staakt ook de Latijnsche Kerk van septuagesima af alles, wat, in hare openbare dienssten en plechtigheden, blijdschap ademt of vreugd.

Gedurende het geheele jaar zingt de Kerk herhaaldelijk, bij al de H. Diensten, het vroolijk Alleluja, dat als een voor-toon is van het eeuwige loflied, dat wij eens in het hemelsch Jeruzalem zullen aaulieffen. Maar die vreugdekreet past niet in den mond des zondaars, die, tenzij hij zich oprecht bekeere, nooit het lied der gelukzaligen zingen zal. De Kerk wil deze

ocr page 117

DE VASTEN. Ill

waarheid op eene gevoelige wijze doen doordringen in hel hart van den zondigen mensch ; zij wil hem levendig het eeuwig ongeluk doen gevoelen, dat hem te wachten staat, teneinde hem zoodoende krachtiger op te wekken, om in dezen heiligen boetetijd terug te keeren tot den God, dien hij heeft verlaten, en daarom zingt zij gedurende de geheele Vasten geen Alleluja meer.

Voor de laatste maal klinkt die jubeltoon, bij het einde der Vespers o]) den vooravond van septuagesimaj hij zwijgt van dat oogenblik af, en zal onder de gewelven van het tempelgebouw niet meer weergalmen, voordat de dag der overwinning aanbreekt, en hij, bij het verheerlijkte graf des Verlossers, als een triomfkreet, de Verrijzenis verkondigt van den Heer. Op den vooravond van septuagesima wordt, in strijd met het gewone gebruik, het Alleluja tweemaal herhaald, omdat het ons op dat oogenblik verlaat, en als 't ware afscheid van ons neemt. Het is licht te bevroeden, welke gevoelens dit afscheid in het christenhart doet ontstaan. Wij ontwaren die gevoelens niet genoeg, omdat wij te weinig acht geven op de kerkelijke plechtigheden, of haren zin of hooge beteekenis niet genoeg begrijpen. Onze godvruchtige voorouders gevoelden die aandoeningen desgemoeds des te dieper en des testerker. Op veelvuldige wijze, en met kinderlijke eenvoudigheid drukten zij luide hunne droefheid uit, wanneer die getrouwe gezel hunner gebeden hen verlaten ging. „ Alleluj a, // zoo zongen zij, op eenige plaatsen. Alleluja, blijf heden n nog bij ons : morgen kunt gij vertrekken, en bij het krieken // van den dag uwe reis aanvaardenquot;. Gods Engel, zoo heette // het in Spanje, begeleide u, Alleluja; hij zorge dat uwe reis u voorspoedig zij, opdat gij met Paschen vrool jk tot ons weder-u keeret, Alleluja, Alleluja.quot;— En, terwijl het zangerkoor in Duitschlands kerken alle schepsslen uitnoodigde, om met hen een laatst vaarwel aan het Alleluja toe te roepen, en

ocr page 118

112 DE VASTEN.

dien zegezang een laatste maal te herhalen, zong men teeder en treurig in de kerken van Frankrijk : „ Alleluja, dat is de n kreet uwer gelukzalige bewoners, o hemehch Jeruzalem, o u heilig Vaderland, naar hetwelk wij verzuchten ! Aan ons, „ arme lallingen, die hier hij de wateren van Babylon zijn u neergezeten, aan ons, helaas! resten slechts tranen en „zuchten! O Alleluja! wij zijn niet waardig u altijd te „ zingen; wij zijn zondaars, en nu, is de tijd aangebroken., n loaarop wij onze zonden moeten beweenen; daarom moeten „ wij u nu ook uit onzen mond verbannen ! O aanbiddelijke // Drieëevheid! schenk ons de genade, van eens tot het heit mei sc he Paasch feest te zoor den toegelaten ; daar zullen wij n vreugdevol, Uter eere, eeuwig en altijd, een onafgebroken n Alleluja zingen ! quot;

Met het Alleluja houdt tevens de Lofzang der Engelen op. Alléén wanneer het feest van een heilige in den loop der week voorkomt, en op den onvergelijkelijken dag, waarop het Offer en het Prit sterschap der Nieuwe wet ingesteld werden, wordt het Gloria in excelsis gebeden of gezongen onder de H. Mis. Ook het Te Dtum verdwijnt bij de nachtgetijden van den zondag, en na het H. Misoffer zendt de Diakeu de ge-loovigen niet meer weg met de plechtige woorden : Ite, Missa est, maar hij noodigt hen enkel uit, om den Heer te danken, die ons, in weerwil onzer boosheden, niet heeft verworpen, maar barmhartigheid aan ons heeft gedaan. In de H. Mis, blijft het drievoudig Alleluja, na het Graduale, achterwege en is door een gebed vervangen, dat, wegens de droevige en slepende melodie, waarop het gezongen wordt, den naam van Tract us draagt.

Op en rond het altaar toont alles eveneens, dat wij een tijdperk van rouw en droefheid zijn ingetreden.

In het Oosten wordt het H. Misoffer, gedurende de Vasten, alleen op zon- en feestdagen opgedragen. Op de andere dagen

ocr page 119

DB VASTEN. 113

bepaalt zich de Priester bij het nuttigen eener heilige Hostie, die op den vorigen zondag werd geconsacreerd. In de Latiju-sche Kerk gebeurt dit alleen op Goeden Vrijdag. In de Vasten verdwijnen de bloemen en sieraden van het altaar; gele was-fakkels vervangen de feestelijk witte kaarsen; het orgel zwijgt en de bedienaars van het heiligdom verschijnen aanhoudend — met uitzondering der in de week voorkomende feesten van Heiligen — in paarsch gewaad gehuld. Tot aan Aschwoensdag draagt nog de Diaken zijn dalmatica, en de Subdiaken zijne tunica: maar reeds op dien dag leggen zij voor de geheele Vasten dat kleed, hetwelk hun als een teeken van vreugde werd gegeven,— tunica jucunditatis — af. In deze dagen, wil de Kerk geen pracht, geen luister op de altaren van Hem, wiens bitter lijden en smartvollen dood zij gedurig herdenkt. Alléén op den vierden zondag vermindert zij ten gunste der catechumenen, die eertijds op den woensdag dezer week onderzocht werden, of zij in staat waren het H. Doopsel met Pa-schen te ontvangen, de uiterlijke teekenen harer droefheid ; de Diaken en Subdiaken bekleeden zich op dezen dag met hunne dalmatica en tunica, en op eenige plaatsen ziet men dan zelfs bloemen naast het tabernakel geplaatst.

Naarmate de dagen afloopen, en de weken ons nader brengen tot den grooten Lijdensdag, wordt alles treuriger in het Heiligdom. Het: eere zij den Vader, den Zoon en den heiligen Geest, dat zoo vaak in alle heilige diensten, de H. Drieëen-heid ter eere, werd gebezigd, komt reeds met Passie-zondag zeldzamer voor, en sterft eindelijk geheel weg in de drie laatste dagen der Goede Week. De lezingen der H. Getijden worden uit den droevigsten der Profeten, uit Jeremias, genomen, en in de goede week zullen alleen de klaagliederen van dien Godsgezant beantwoorden aan de droefheid der Kerk.

Reeds met Passie-zondag bedekt zij met een somberen voorhang de crucifixen en de beelden der Heiligen; zij overdekt

8

ocr page 120

114. DE VASTEN.

het kruis, om ons aan de vernedering des Verlossers te doen gedenken, die gedwongen werd zich te verschuilen, wilde Hij niet door de Joden gesteenigd worden. De beelden der Heiligen worden achter een paarschen voorhang verborgen, omdat het billijk is, dat ook de dienaar verdwijne, wanneer de glorie des Meesters taant. Viermaal wordt, in de Goede Week, telkens volgens een anderen Evangelist, de geschiedenis verhaald van Jezus' lijden en dood. En zoo naderen wij dan den grooten lijdensdag des Heeren, den sterfdag van een God, een dag, waarop de paarsche. kleur te zwak zal zijn, om de droefheid van Jezus' Bruid uit te drukken, en door zwarte rouwkleur vervangen worden zal. Zoo stelt de Kerk, in hare heilige handelingen, ons de groote geheimen voor oogen, die in dezen heiligen tijd het voorwerp onzer overweging moeten zijn. Zoo spreekt zij tot ons niet alleen door den mond des Priesters, of door hare voorschriften en geboden, maar ook door hare gebruiken en door hare plechtigheden; zij spreekt even krachtig tot de oogen als tot het gehoor; zij grijpt den geheelen mensch aan, om levendig in het gemoed te prenten die gevoelens, waarmede zij hem wenscht bezield te zien. Hij is te beklagen, en bitter te beklagen, die voor de driedubbele stem van Priester, Gebed en Plechtigheid, geen hart, geen ooren heeft.

LOFZANG.

Zie, Heer, van uit uw heerlijkheid, Meewarig neêr op 't hart, dat schreit. En veertig dagen boete pleegt Voor 't schuldjuk, dat er zwaar op weegt.

ocr page 121

DE VASTEN. 115

Gij dan, die, 's harten bodem peilt,

De zwakheid kent, waardoor het feilt.

Versterk met uw genadekracht De ziel, die naar vergeving smacht.

Ja, Heer, wij hebben véél misdaan.

Maar neem ons in ontferming aan.

En richt ons op uit 's werelds slijk.

Tot burgers van uw eeuwig Rijk.

Ons vasten en ons boete-doen Moog voor 't hervallen ons behoên.

Opdat ons hart steeds zondenvrij.

En onze wandel heilig zij.

Oneindige Drievuldigheid,

Verhoor het hart, dat tot u schreit.

Zoo brengen wij U, wel te moê.

Ons vasten en ons bidden toe.

Overweging.

Ik ga u spreken, mijne geliefden, over de groote en heilige Vasten; en hoe zou ik beter deze onderrichting kunnen beginnen, dan dat ik u aan den Epistel van dezen dag herinner, en u met den Apostel toeroep : een Gode gevallige tijd is verschenen, dagen van zaligheid zijn voor u aangebroken! Te allen tijde ontvangen wij wel is waar hemelsche gaven, en ook te allen tijde kunnen wij, door de genade van God, bij Hem barmhartigheid verwerven. Maar, nu wij op het punt staan van plechtig dien Dag te herdenken, waarop het groote Verlossingswerk voltrokken is, nu moet ons vertrouwen groo-ter, onze godsvrucht levendiger zijn, nu moeten wij ons meer dan ooit beijveren, om vorderingen te maken in deugd en godzaligheid, opdat wij met gezuiverde lichamen en geheiligde zielen hel wondervolle en kostbare Geheim van 's Heeren lijden vieren mogen. Jezus' lijden en dood moesten altijd zoo diep in ons hart zijn geprent, zij moesten ons steeds opwek-

ocr page 122

BE VASTEN.

ken tot zulk een diepen eerbied, en zulk eene teedere godsvrucht, dat wij te allen tijde dusdanig voor Gods oogen bleven, als wij op het hoogheilig Paaschfeest moeten zijn. Maar zóó handelen er slechts weinigen. De zwakheid onzer natuur dwingt ons vaak, de strengheid onzer boete te matigen; de menigvuldige zorgen des levens veroorzaken ons tallooze verstrooidheden, en zoo worden zelfs godvruchtige zielen met het stof der wereld besmet. Het is derhalve allervoordeeligst voor ons, dat eene veertigdaagsche voorbereiding tot het Paaschfeest is ingesteld, teneinde wij in die dagen door eene ijveriger beoefening der deugd onzen geest zouden zuiveren en door heilige oefeningen en boetewerken de feilen, in vroeger dagen begaan, zouden beweenen en herstellen.

Heden begint die zalige tijd, waarin wij aan de heiliging van ons lichaam en van onze ziel op eene bijzondere wijze moeten arbeiden. Draagt dan zorg, mijne geliefden, om u gehoorzaam te toonen aan de voorschriften, door de Apostelen zeiven gegeven. Zuivert u van alle smet, die aan uw lichaam of aan uwe ziele kleeft. Strijdt met verdubbelden ijver tegen uwe verdorven neigingen, opdat uwen geest de heerschappij geworde, welke hij over het lichaam voeren moet. Leeft zoo heilig, dat gij niemand eenigen aanstoot geeft, en niemand u over iets moete of kunne berispen. Want terecht zouden de ongeloovigen ons laken, ja, wij zouden het zijn, die hun aanleiding gaven, om met onzen H. Godsdienst te spotten, indien wij te midden onzer boete-oefeningen de volmaaktste zuiverheid in onze zeden, in onzen handel en wandel niet bewaarden! Denkt er dus wel aan, dat de Vasten niet alleen bestaat in het onthouden van spijs, en dat gij vruchteloos het voedsel zoudt onthouden aan uw lichaam, indien gij niet tevens uwen geest alles, wat zondig is, onttrokt.

116

ocr page 123

~Cïi

ASCHWOENSDAG.

—^-«O-gcO*.-

E veertigdaagsche Yasten begint met deu eersten Zondag van quadragesima. Wanneer men echter de dagen, die zich tusscben dezen zondag en het hooge Paaschfeest bevinden, samentelt, en daarbij tevens opmerkt, dat het van oudsher geoorloofd was, op de zondagen in de Vasten meermalen daags eenige spijs te gebruiken, zoodat deze niet onder de vastendagen kunnen gerangschikt worden, dan ontwaart men, dat er vier dagen ontbreken, om het heilige Veertigtal vol te maken. Reeds in de zesde eeuw trok deze onregelmatigheid de aandacht der geloovigen tot zich, eu daar zij de Vasten niet vreesden, gelijk heden ten dage bij velen het geval is, maar, als een Gode gevalligen tijd, en als dagen van zegen en zaligheid, er naar verlangden, zoo begonnen zijde boete-oefeningen van de vasten, uit eigen godsvrucht, op den woensdag der haar voorafga ande week. In de negende eeuw was dit gebruik reeds algemeen geworden, zoodat Paus Gelasius slechs het bestaande bekrachtigde, toen hij dit vroom gebruik voorschreef als verplichtend voor de geheele Kerk. Nu staat dan de woensdag, die op zondag van quinquagesima volgt, aan de spits der vastendagen, die ons tot het hoogheilig Paaschfeest moeten voorbereiden, en om deze reden wordt hij in capite jejunii genoemd. De heilige Getijden echter, die aan den Vastentijd eigen zijn, worden in deze dagen nog niet gebeden, maar beginnen eerst met den vooravond van den eersten zondag van quadragesima.

De Vasten is een tijd van versterving, van heilige oefeningen en van gebed ; maar de goede werken, in staat van

ocr page 124

118 ASCH WOENSDAG.

doodzonde gedaan, zijn dood voor Gods oogen en zonder verdiensten voor den Hemel.

Diep doordrongen van deze waarheid, naderden eertijds al de geloovigen — op enlcele plaatsen was dit vroom gebruik als een verplichtend gebod voorgeschreven — in de week van quinquagesimatot hel H. Sacrament van Boetvaardigheid, teneinde van hunne zonden ontslagen, met de heiligmakende genade verrijkt, en zoodoende in dien staat van gerechtigheid gesteld te worden, die noodig is, om ware verdiensten voor het eeuwig leven te kunnen vergaderen. Voor enkele bepaalde, en openbaar bekende zware zonden werd eene openbare boetpleging opgelegd, die soms lange jaren duren moest. Zij nu, die zich aan deze openbare boete moesten onderwerpen, begaven zich, op Aschwoensdag, vóórdat het H. Misoffer werd opgedragen, naar de kerk, om hunne boetestraf te vernemen, en onmiddellijk daarna met die heilige oefeningen te beginnen.

Barrevoets en met een grof kleed omhangen, stonden die rouwmoedige zondaars aan de deur der kerk, waar aan ieder hunner de boete werd aangewezen, welke zij vrijwillig moesten doen. Daarna werden zij het Huis des Heeren binnengeleid. Terwijl zij in het Heiligdom nederknielden, wierpen zich ook de Priesters en de vergaderde geloovigen op hunne knieën, en spraken luide over hen de zeven psalmen van boetvaardigheid uit. Was dit gebed geëindigd, dan werden die zondaars met eene boetepij bekleed en met asch bestrooid, weshalve zij reeds door Tertullianus conciliati en concinerati genoemd werden. Dit gebruik was aan het voorbeeld der boetelingen van het Oud Verbond ontleend, want daar was steeds het bestrooien met asch een teeken van droefheid, de boetepij een teeken van rouw en smarte, en het een en ander eene oefening van boetvaardigheid. Trouwens, in zak en asch zien wij de Ooudvaders zuchten en weenen, in zak en asch gehuld

ocr page 125

A SCH WOENSDAG. 119

hooren wij de Profeten hunne klaagliederen aanheffen. In de boetepij en met asch bestrooid zuchtten Job en David, Judith en Esther, en, op de stem van Jonas, bogen de bewoners van het zondig Ninive hunne hoofden, om in zak en asch boetvaardigheid te plegen, en van zich af te wenden des Heeren straffende hand. Zoo ook zien wij in het Nieuw Verbond een aantal Heiligen hunne lendenen, uit liefde tot de boetvaardigheid, met een haren kleed omgorden, en zich in hunne laatste levensuren op het dorre aschbed laten nederleggen, teneinde op zulk een boeteleger hunnen geest te kunnen geven.

Na deze eerste boetpleging begon de Processie. Terwijl de Priesterschaar in hare gezangen, aan den vloek, over Adam en diens zonde uitgesproken, herinnerde, en de woorden des Heeren herhaalde : ,/ In het zweet uws aangezichtzult gij n voortaan uw brood eten, totdat gij terugheer et in de aarde, n waaruit gij gevormd zijt; want gij zijt stof, en tot stof zuJt u gij wederkeeren,quot; naderde de Processie allengskens tot aan de deur der kerk. Daar werden de openbare boetelingen op eene plechtige wijze door den Bisschop buiten het Heiligdom verwezen, en vernamen uit den mond van den Kerkvoogd deze indrukwekkende woorden : „ Gelijk d,e eerste menscJi, wegens // de overtreding van het gebod des Allerhoog sten, uit het „ aardsche paradijs icerd verbannen, evenzoo verdrijven ivj u // uit de Kerk des Heeren wegens uwe zonden en uw wanhe-„ drijf.quot; Dan werden de kerkdeuren gesloten en het was den boetelingen niet meer geoorloofd, den drempel van liet. kerkgebouw te overschrijden, vóórdat de Goede Donderdag aanbrak, waarop zij, die hun boetetijd hadden volbracht, hunne vrijspreking in het Heiligdom kwamen ontvangen.

Deze plechtigheden waren uitsluitend, zooals herhaaldelijk reeds is opgemerkt geworden, voor dezulken bestemd, die zich aan eene openbare boete moesten onderwerpen. Allengskens echter voegden zich, uit zucht naar boetvaardigheid, gods-

ocr page 126

120 ASCII WOENSDAG,

vrucht en ootmoed, ook andere geloovigen bij de openbare zondaars, om met hen de gewijde asch op hunne vernederde hoofden te ontvangen. Reeds in de elfde eeuw, toen de open-bare boetpleging al meer en meer buiten gebruik raakte, was deze handelwijze der geloovigen vrij algemeen. De Kerkvergadering van Benevento, op het einde dier eeuw (1091) gehouden, schreef den Priesters voor, de gewijde assche aan al degenen, die het verlangden, uit te deelen, en zij prees deze oefening, als een loffelijk werk van boetvaardigheid en ootmoed, allen geloovigen aan. In de twaalfde eeuw was dit vroom gebruik overal ingevoerd, en nam van dien tijd af eene aanzienlijke plaats onder de kerkplechtigheden in.

Aschwoensdag is derhalve ook heden ten dage nog een plechtige dag in Gods heilige Kerk. Alle gebeden, alle handelingen van dien dag wekken ons op tot boetvaardigheid en stemmen aller gemoederen op de krachtdadigste wijze tot gevoelens, die hen gedurende den geheelen vastentijd moeten bezielen.

De Palmtakken, in het vorige jaar, op Palmzondag, gewijd, zijn tot asch verbrand geworden, en op het altanr geplaatst. // Verhoor ons, Heer, zoo zingt het koor, want uwe harmhar-n tigheid is vol mededoogen. Werp een Mik op ons af, maar u een hlih van overvloedige genade en harmhartigheid.quot; Inmiddels beklimt de Priester het altaar, om de asch te wijden. Hij is in paarsch gewaad gehuld, en, tot teeken van diepen rouw, zijn de Diaken en Subdiaken zonder dalmatica of tunica verschenen aan het altaar. De gebeden, bij het zegenen der asch, behelzen allen eene opwekking tot vernedering des geestes en rouwmoedigheid van het hart; zij doen allen een beroep op Gods oneindige barmhartigheid voor ons, arme zondaars. Is de aschwijding geëindigd, dan keert de Priester zich tot het volk, om eerst zelf met asch te worden bestrooid, en ze daarna aan de geestelijkheid en aan de geloovigen uit te

ocr page 127

ASCHWOENSDAG. 121

deelen. Dewijl echter niets krachtiger is, om den mensch tot degelijke boetvaardigheid te doen besluiten, dan hem zijne geringheid en nietigheid te herinneren, zoo wil de Kerk, dat de geloovigen, op dit eerste uur van de groote Vasten, bij de droevige plechtigheid van Aschwoensdag, aan hunne vergankelijkheid en aan hunnen dood worden herinnerd. De dood ! ach, hij is de onvermijdelijke gezel onzes levens ! Hij staat ons ter zijde van het eerste oogenbük van ons bestaan af; hij vergezelt ons langs de kronkelende paden van een langer of korter leven, en laat ons niet los, voordat hij ons ten grave gevoerd en aan de deur gebracht heeft van het rijk der eeuwigheid, waarin hem geen toegang wordt verleend. Eu toch wordt de dood vaak uit de gedachten der menschen verbannen ; maar juist daarom hechten zij zich aan het vergankelijke, alsof het nooit voor hen moest vergaan ! Wij wandelen over graven, wij leven te midden van de verwoestingen des doods, wij worstelen onophoudelijk tegen den ono ver winnelijken vijand, en toch denken wij niet, dat ook wij sterfelijk zijn, en dat ook voor ons het uur des doods zeer zeker eens zal slaan. Wij zijn, in dat opzicht het kind gelijk, dat spelend langs den lijkwagen huppelt, zonder na te denken, dat dit zwarte voertuig ook eens, — weldra misschien — zijn stoffelijk overschot naar het kerkhof voeren zal. En juist daarom laten wij ons zoo dikwerf door onze driften of door de wereld tot zonde verleiden, en ook dien ten gevolge denken wij er zoo weinig aan, om door werken van ware boetvaardigheid aau Gods rechtvaardigheid voor onze misdrijven te voldoen.

Het is derhalve eene bewonderenswaardige, ja eene hemel-sche wijsheid, welke de Kerk op dezen dag ten toon spreidt, wanneer zij aan al hare kinderen de indrukwekkende stem des doods hooren doet. — De bedienaren van het Heiligdom knielen voor het altaar, de leeken op de communiebank neder. Tot in het binnenste zijner ziel bewogen, staat de Priester

ocr page 128

122 ASCH WOENSDAG.

voor de vergaderde menigte : hij moet eiken christen, èn den grijsaard, die ten grave gaat, èu den bloeienden jongeling, die zich in zijne verbeelding nog ontelbare jaren belooft, èn het onschuldig wicht, dat nog, zonder de kruisen des levens te kennen, zijn aschkruisje tegenlacht, het doodvonnis, dat tegen hen allen geveld is, verkondigen. O mensch ! zoo spreekt hij tot ieder hunner in het bijzonder, terwijl hij met ontroerde hand de asch, het zinnebeeld onzer vergankelijkheid, hun op het vernederde voorhoofd drukt : „ O mensch ! gedenk, dat gij stof z jt, en tot stof zult w^derkeeren ! Memento homo, quia pulvis es, et in pulverem reverter is.quot; Eu dat woord dringt door tot in het binnenste der ziel, en stemt tot ernstige gedachten. Krachtiger dan de kernachtigste redevoering of de verhevenste bespiegeling wekt dat woord ons op, om met de zonde te breken en boetvaardigheid te doen, terwijl het ons, in het binnenste onzer ziel, onophoudelijk toeroept : de wereld met haren glans en hare vreugde gaat voorbij; gij zelf zult tot stof en asch wederkeeren : God alléén is eeuwig, en onsterfelijk is alléén uwe ziel.

Vergeet dan, zoo gij wilt, uw lichaam, dat wegsterft, maar vergeet uwe onsterfelijke ziel niet!

Sluiten wij onze ooren niet voor deze heilzame stem: // beijveren wj ons 'integendeel, om de zonden, welke vnj, door „ de loereld verllind, begaan hebben, door tranen en werken n van ware boetvaardigheid uit te wisschen, opdat wij niet door u den dood verrast worden, en dan eerst, maar tevergeefs, n naar een tijd van boetvaardigheid zoicden uilzien.quot;

De eerste dagen dezer week, die den Aschwoensdag voorafgaan, zijn, als het ware, de vooravond van de veertig-daagsche Vasten. Zij worden daarom va stenavond dagen geheeten. Elders worden zij carnaval genoemd, omdat het de laatste dagen zijn, waarop men, zonder dispensatie, vleesch mag gebruiken, en na welke men aan die spijs voor veertig

ocr page 129

ASCHWOKNSDAG. 123

dagen vaarwel, caro vale, zeggen moet. Ia plaats van deze dagen te gebruiken, om zich door ingetogenheid en gebed tot de ernstige plechtigheid van Aschwoensdag en van den H. Vastentijd voor te bereiden, verkwist men, helaas, maar al te veel! dien kostbaren tijd in lichtzinnige, ja, vaak zondige vermaken; de nacht zelfs wordt in dag herschapen, om het vreugde- of zondegenot zoo lang mogelijk te rekken. // Zij den-v ken niet, die dwazen, zoo spreekt de zachtmoedige en toe-,/ gevende Franciscus van Sales, dat in hetzelfde oogenblik, ;/ waarop zij zich aan vermaak en losbandigheid overgeven, dui-h zenden zielen voor hare zonden, bij diezelfde gelegenheid be-„ dreven, in den foltergloed der helsche vlammen bitter ker-v men, weenen en lijden. Zij denken er niet aan, dat, terwijl ,t zij te middernacht nog de vermaken genieten en najagen, y duizenden dienaars en dienaressen des Heeren, op datzelfde v oogenblik, hunnen slaap afbreken, om den lof des Heeren ,/ te gaan zingen, en zijne barmhartigheid voor de zondaars af n te smeeken. O ongelukkigen! op hetzelfde oogenblik, als „ gij u in uwe dwaze vermaken verlustigdet, stierven duizenden ,/ uwer natuurgenooten in benauwdheid en diepe ellende! Op „ dat oogenblik hebben God en zijne Engelen uwe wegen gaff degeslagen, zij hebben in het boek des oordeels eene droe-// vige bladzijde over u opgeteekend, en intusschen vervloog ,/ uw leven, en kwaamt gij een stap nader tot uwen dood » en tot het oordeel, dat u te wachten staat.quot;

In hare moederlijke bezorgdheid is de Kerk er op bedacht geweest, om ons in deze bewogen dagen een middel aan de hand te geven, teneinde ons aan de wereldsche vermaken te kunnen onttrekken, en de gramschap des Heeren, die door de buitensporigheden van het Carnaval wordt ontstoken, te bedaren en te ontwapenen. Gedurende de vastenavonddagen namelijk wordt het Lam, dat de zonden der wereld wegneemt, te onzer aanbidding, op de Altaren uitgesteld. Daar, als op den

ocr page 130

IZi ASCHWOENSDAG.

troon zijner barmhartigheid gezeten, ontvangt Jezus de hulde zijner aanbidders, die Hem als hunnen God en hunnen Koning erkennen; daar aanvaardt Hij de tranen van berouw dergenen, die, voor Hem neergeknield, den tijd beween en, waarin zij een anderen meester hebben gediend; daar biedt Hij zich zijnen eeuwigen Vader aan voor hen, die, als niet tevreden met hunne vroegere misdaden, ook nog deze dagen gebruiken, om Hem te beleedigen, meer dan ooit. — Het was de godvruchtige Kardinaal Gabriël Paleotti, Aartsbisschop van Bologna, en tijdgenoot van den H. Carolus Borromeus, die het vroom gebruik, om op de vastenavonddagen het gebed van veertig-uren te vieren, instelde in de 16. eeuw. De H. Carolus Borromeus volgde het voorbeeld van Paleotti. De geleerde Kardinaal Prosper Lambertini bevorderde dit vroom gebruik te Bologna, toen hij in de 18. eeuw den aartsbisschoppelijken zetel dier stad bekleedde; en later, ouder den naam van Benedictus XIV., op St. Petrus-Stoel gezeten, opende hij de schatten der Kerk en verleende verschillende aflaten aan hen, die in deze dagen Jezus in het geheim zijner Liefde zouden komen bezoeken en om vergiffenis voor de zonden der wereldlingen smeeken. Deze gunst, die zich vroeger bij Italië alléén bepaalde, werd door Paus Clemens XIII, in het jaar 1765, aan de geheele wereld toegestaan, en van toen af is het gebed van veertig uren door ijverige zielzorgers voor de vastenavonddagen op tallooze plaatsen ingevoerd. Nemen wij aan deze godvruchtige oefeningen deel; onttrekken wij ons aan het gedruisch der wereld en aan de gevaren, die ons in hare vermaken wachten, om aan de voeten des Heeren neder te knielen, en daar zijne stem te vernemen; dan zullen ook wij, zoo als eertijds Maria, de zuster van Lazarus, bet beste deel verkozen hebben, en onze belooning zal zich niet laten wachten.

ocr page 131

ASCH WOENSDAG.

LOFZANG.

ÜITVAARTGROET DER GR1EKSCH-KATH0LIEKE KERK.

— UIT HET GRIEKSCH DER VII. EEUW. —

Komt herwaarts, broeders, hier den laatsten groet gebracht Aan 't dierbaar overschot, dat op de grafrust wacht,

En, uit de rij der aanverwanten weggetreden, Met achterlating van des levens IJdelheden,

Zich niet meer kreunt aan 't aardsche en diep-rampzalig stof. Treedt toe hier, maag en vriend, brengt Gode dank en lof; Doch voegt, voordat gij keert, daarbij de vrome bede:

Geef, Heer, d'ontslapene des Hemels eeuwgen vrede.

Wat scheiding, broeders, welk gejammer, welk een klacht, In 't plechtig oogenblik, dat ons hier samenbracht,

Om voor het allerlaatst den stofgenoot te groeten.

Dien thans op aarde ons oog nooit weder zal ontmoeten : Straks toch dekt, voor altoos, het somber lijkgesteent, In 's grafkuils duister, 't door ons luid beschreid gebeent. Verwanten, vrienden, stort, voordat gij keert, de bede:

Geef, Heer, d'ontslapene des hemels eeuwgen vrede.

Één oogwenk nog, daar stort de schoone bouw tot asch, De tent, die 't inbegrip van broos- en dwaasheid was. De hut, verzwart van leem, verzonken uit haar naden. Het weefsel ligt verscheurd dier pracht- en feestgewaden ; Gevoel en spraak verdween voor d'adem van den Dood, Die aan 't ontzielde stof de poort des grafs ontsloot.

Wij, die 't geleiden, slaken luid de zielebede:

Geef, Heer, d'ontslapene des Hemels eeuwgen vrede.

Wat is ons leven ? — damp en morgendauw, niets meer; Een bloemkelk op een stengel, zwak en teêr.

125

ocr page 132

126 ASCHWOENSDAG.

Komt, letten we ernstig en doordringend op dees graven, De kolk, die 't schoon verzwelgt van deugd en lichaamsgaven, Waarin het vleesch verdort, als stoppels stroo op 't veld : Roept, broeders, Christus aan, terwijl ge in tranen smelt.

Wat tranen, broeders, ach, hoe vreeslijk is de nood. Het wee-geschrei bij 't zielescheiden in den dood !

Hel en verderf, de schaduwen des grafs, de ellende Der aard vervaren 't hart, dat aan zijn dwaalslaap wende. Om bang te ontwaken uit den zondestroom van 't stof: Ons streven zij voortaan alléén naar 's Hemels hof.

En nu nog eens den blik op 't dierbaar stof gericht Des broeders, die daar roerloos op de lijkbaar ligt : Als rook verdween hij, als de grasbloem in de weiden Verbloeide hij, voor wien wij 't doodsgewaad bereidden En 't graf hier dolven in des aardrijks stillen schoot.

Komt, broeders, smeeken wij, dat Hij, die graf en dood Voor altijd overwon, op onze hartebede,

D'ontslapene bedeel met 's Hemels eeuwgen vrede.

Komt, herwaarts, Adams kroost : ziedaar ons aller beeld, Die doode, dra aan 't grafgewormte als aas bedeeld.

En in de duisternis des doods verteerd, aan de oogen Der wereld voor altoos, in 't hart der aard, onttogen.

Richt, broeders, vóór gij keert, tot Christus dan de beê: Geef, Heer, d'ontslapene des Hemels eeuwgen vreê.

Wanneer de ziele door den Engel van den Dood Wordt weggenomen uit des lichaams broozen schoot. Dan vliedt voor haar het beeld van vrienden en van magen. En houdt ze alleen den blik op de eeuwigheid geslagen, Die afhangt, goed en kwaad, van wat ze op aard volbracht. Komt, broeders, komt, stort vóór het oordeel, dat haar wacht Aan 's Rechters Troon, in 't stof, uw aller vrome bede :

Geef, Heer, d'ontslapene des Hemels eeuwgen vrede.

ocr page 133

ASCmVOENSDAG. 127

ö Laat ons in het graf beschouwen 't stof en de asch, Waaruit de ontslapene, aan ons gelijk, geschapen was; Waarhenen loopt ons pad? Wat lot is ons beschoren? 't Zegt weinig, wie er arm, wie rijk, wie Vorst geboren Of burger werd begroet : wij allen zijn slechts stof; De frissche jeugd verwelkt als 't bloemperk in den hof, De schoonheid van 't gelaat is 't voorwerp der bespotting Des doods, die haar bestemt ten buit der grafverrotting.

Voorwaar, de roem en al 't vermaak der wereld is verderf En zinsbedrog; wat kan 't mij baten, als ik sterf?

Wij allen, wie we ook zijn, 't zij vorst of onderzaten, Krijgvoerders, rechters, arm of rijken, niets zal baten : Het graf voerde in zijn schoot hun aller stofkleed mee; Wij bidden : Heer, schenk aan hun zielen d'eeuwgen vreê.

Heel 't lichaams-raderwerk, dat zóó nog zich bewoog, Vertoont geen zweem meer van beweging voor het oog; 't Mist alle veerkracht. — Zie slechts: de aanblik ging verloren; Geen voet verzet zich, geen geluid dringt door in de ooren; De handen zijn verstijfd, de tong stokte in den mond; Het rif zinkt in den kuil van d'opgedolven grond:

Wat ook de mensch op aarde ooit duurzaams wilde stichten, 't Bleek louter rook te zijn en ijdelheid-verrichten.

Maar Gij, 6 Moeder van de Zon, die nimmer dooft.

Bewaar al wie in Hem met liefde en hoop gelooft.

Verwerf, Maria, ons bij uwen Zoon genade;

Uw teedre moedermin koom' heilvol hun te stade.

Die hier ontslapen : 6, schenk ginds den zielen rust Der Godgetrouwen, in 't volop van weelde en lust,

Gelijk die wordt gesmaakt in 's Hemels eeuwge woning : Schenk, onbevlekte Maagd, daar d'Uwen hun belooning,

ocr page 134

ASCmVOEMSDAG.

Overweging.

Wanneer zouden wij passender dan op dezen dag een woord over de begrafenisplechtigheden kunnen zeggen? De Kerk, die zoo zorgvol waakt over het wichtje, dat ons tranendal binnentreedt, verwaarloost ook niets, om den eerbied, die haar voor hare kinderen bezielt, aan den dag te leggen, wanneer de Christen, bij het einde zijner loopbaan, in het donkere graf nederdaalt, om tot stof en asch weder te keeren. Ja, dat ontzielde lichaam is eerbiedwaardig in hare oogen, want het is niet bestemd, om ten eeuwigen dage de prooi der wormen te zijn, maar eens zal het, verheerlijkt, met glans en glorie bekroond, verrijzen, om eeuwig te leven, om nooit meer te sterven. Dat lichaam is het werktuig der ziel geweest bij het beoefenen der deugd; het heeft den last der versterving, de pijn der boetvaardigheid gedragen; het heeft zijn aandeel gehad in de verdiensten en de goede werken, eens zal het ook zijn deel hebben in het eeuwig loon. Het lichaam eens Christens is met de wateren des Doopsels besproeid geworden; bij zijne intrede in de wereld, bij den aanvang der jongelingsjaren, in den laatsten strijd, is het met de H. Oliën gezalfd. Op het thans bleeke voorhoofd is duizend en duizenden malen het teeken der Verlossing gedrukt; op die verstijfde tong heeft menigmaal het aanbiddelijk Lichaam en Bloed des Heeren gerust; dat nu ijskoude hart, door de goddelijke genade verwarmd, heeft zoo dikwerf en zoo liefdevol voor zijnen God en Heer geklopt; neen, neen; dat zoo vaak, op zooveel verschillende wijzen geheiligde lichaam, die tempel des Heiligen Geestes, die gewijde woonstede kan niet bestemd zijn, om voor altijd het lot te deelen der redelooze dieren, het lot van het stomme vee.

De Kerk is diep van deze waarheid doordrongen, en bewijst daarom zooveel eer aan het stoffelijk overblijfsel van den Christen, wanneer zij het op zijne laatste rustplaats nederlegt.

In het licht dezer waarheid begrijpen wij ook de handelingen der H. Kerk bij de begrafenisplechtigheden, die anders zonder beteekenis, ja, zelfs tegenstrijdig zouden schijnen met de liefde, welke zij hare kinderen toedraagt. Wanneer een afgestorvene ten grave wordt gebracht, zien wij zijne ouders

128

ocr page 135

ASCilWOENSDAG.

en vrienden in bittere tranen wegsmelten; wij hooren de klokken langzaam en treurig de treurmare verkondigen van zijnen dood: rouw en droefheid omringen ons van alle kanten; en ziet! de Kerk zingt, zij zingt altijd. Hoe is dat mogelijk ? Kan eene Moeder zingen bij het lijk van haren zoon, en is de Kerk niet de teederste aller Moeders ? O ja, de Kerk bemint ons, en niet minder vurig dan verheven is de liefde, welke zij ons toedraagt. Maar hoe kan zij dan zingen ? Er is niet veel noodig, om deze schijnbare tegenstrijdigheid te verklaren. De Kerk is de bewaarster van de beloften der onsterflijkheid; zij herinnert ons aan die beloften op den rand des grafs. Zij weent, maar gelukkiger dan Rachel, vindt zij overvloedige redenen van troost, omdat zij weet, dat hare kinderen haar eens zullen teruggegeven worden. In de tranen der bloedverwanten spreekt de natuur, maar in den zang der Kerk toont zich, op de gevoeligste wijze, het Geloof. De natuur treurt en herhaalt gedurig ; ik moet sterven; — het Geloof troost ons en herhaalt onophoudelijk : gij zult verrijzen.

Zoodra een geloovige gestorven is, kondigt ons het somber geluid der klok aan, dat een onzer broeders of zusters het huis zijner eeuwigheid is binnengetreden, en wekt ons op, om voor den overledene te bidden. Op den dag der begrafenis komt de Priester het ontzielde lichaam afhalen, om het ter aarde te bestellen. Hij treedt het sterfhuis binnen, besproeit de doodkist met gewijd water, en bidt, met zijne dienaren, den roerenden Psalm ; De profundis clamavi ad te, Domine. Is dit gebed geëindigd, dan wordt het lijk, processiesgewijze, onder het zingen van den Miserere, ter kerke gebracht. Het kruis, dat onderpand onzer Hoop, dat teeken onzer Verrijzenis, gaat voorop, dan komen de zangers, de geestelijkheid, en ten slotte het lijk, gevolgd door de bloedverwanten, vrienden en bekenden van den overledene, die hem de laatste eer willen bewijzen. Zoodra de stoet de kerk binnentreedt, stemt het koor den volgenden smeekzang aan : snelt ter hulpe, o Heiligen Gods; komt te gemoet. o Engelen des Heeren, ontvangt zijne ziel en voert haar op in het aanschijn des Allerhoogsten! Dat Christus, die u heeft geroepen, u ontvange; en dat Gods Engelen u in den schoot van Abraham brengen. Geef hem, o Heer. de eeuwige rust, en het altijddurende licht verlichte hem Intusschen wordt het lijk op de daartoe bestemde plaats neergezet, en rondom worden wasfakkels er bij ontstoken. Deze brandende kaarsen beteekenen het levendig geloof en de brandende liefde van den overledene ; zij verbeelden zijnen overgang tot een beter leven, en wiizen op de eeuwige vreugde,

1 29

ocr page 136

ASCHWOEXSDAG.

die den Christen, na den kommer en de ellende van dit leven, te wachten staat. Zoo staan het tegenwoordige en het toekomstige leven, de tijd en de eeuwigheid, te zamen rondom de lijkbaar geschaard.

Na deze voorafgaande plechtigheden worden de getijden der overledenen gezongen, en, zoodra deze geëindigd zijn, wordt het heilig Misoffer voor den afgestorvene opgedragen. De eerste tonen van het Requiem dringen reeds diep door in de ziel; zij stemmen haar tot ernstige gedachten en tot gebed: maar dieper nog wordt het hart getroffen, wanneer onder de gewijde gewelven het Dies irce weergalmt, de hartroerende zang, die ons den dood en het oordeel in vurige trekken voor oogen stelt, en zoowel tot onderrichting der levendén, als tot lafenis der dooden dienen kan.

Is het H. Misoffer geëindigd, dan plaatst de Priester zich wederom met de dienaren bij het lijk, om de gebeden te doen, die de vrijsprekingen worden genoemd. In üeze gebeden laat de Kerk den afgestorvene zijne stem verheffen, en om verlossing smeeken. „ Verlos mij, o Heer! van den eeuwigen dood, op dien schrikbaren dag, wanneer hemel en aarde zullen bewogen worden en Gij de wereld zult komen oordeelen door het vuur. Ik vrees en sidder voor het oogenblik, waarop het onderzoek zal beginnen, en uwe gramschap zal losbarsten : want die dag zal een dag van gramschap, van ramp en van ellende, een groote, een allerbitterste dag zijn. quot; Zou men bij dit treffend smeekgebed niet gelooven, dat men Jonas, van uit de ingewanden van den grooten visch, tot God hoorde roepen : verlos mij. Heer, verlos mij: o dat de duistere afgrond mij niet verslinde I

Daarna zegt de Priester : Heer, ontferm U onzer ! het koor antwoordt : Christus, ontferm U onzer ! Heer, ontferm U onzer! zegt nogmaals de Priester, en, terwijl hij met de vergaderde menigte het Onze Vader bidt, besproeit hij het lijk met gewijd water en bewierookt het. Dat besproeien is, als het ware, eene laatste zuivering van den afgestorvene, en die wierook beteekent zoowel de gebeden der Kerk, die als een reukoffer voor den overledene ten hemel stijgen, als den goeden geur der deugden, welke de Christen tijdens zijn leven heeft beoefend, en die zich met hem, als de rook der reukwerken, hemelwaarts verheffen.

O Christen ziel, welke deugden zal die wierook bij uw graf verbeelden r Welke zijn de deugden, door u thans beoefend ? Wat antwoordt uw leven op deze vraag ?

Nu verlaat de overledene voor het laatst de kerk, om voor-

130

ocr page 137

ASCHWOENSDAG.

taan in de schaduw van het heiligdom, op het kerkhof te rusten. Vaartwel dan, gewijde wanden, waarin ik het heilig ] )oopsel heb ontvangen ; vaarwel, heilig Preekgestoelte, vanwaar de leer der zaligheid zoo dikwerf, als een vruchtbare dauw, op mij nedervloeide. Vaarwel, getuige van mijn berouw, en van mijne boetvaardigheidstranen, vaarwel, o Biechtstoel, waar ik zoo menigmaal vergiffenis mijner zonden, vaderlijke vermaningen, en onuitsprekelijke vertroostingen ontvangen heb. Vaarwel, heilige Tafel, waar God zelf mij versterkt heeft met zijn onsterfelijk Vleesch en Bloed ! Vaartwel, ouders, kinderen, vrienden, vaartwel, tot op den dag der eeuwigheid en der algemeene verrijzenis ! Dit alles houdt ons de uittocht naar het kerkhof voor.

Op dit plechtig oogenblik verdubbelen de zuchten der ouders en de tranen der vrienden ; maar de Kerk, wat doet zij r Met een zoete en blijde stem, zingt zij deze treftende woorden ; Dat de Engelen u het hemelsch Paradijs binnenleiden ; dat de Martelaren tl te gemoet komen, en u in het heilig Jeruzalem brengen; het Engelenkoor onti'ange u, en, geniet gij, met den eens zoo armen Lazarus, de eeuwige rust.

Luider nog spreekt zij haar geloof en hare hoop op de toekomstige verheerlijking van dat ontzielde lichaam uit, wanneer zij, na het eindigen van de zoo even aangehaalde woorden, opnieuw zingende hare stem verheft, en sprekende in den naam des Verlossers, zegt : Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooJrt, al is hij ook gestorven, zal nochtans leven, en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven. Die belofte des eeuwigen levens, die hoop pp de aanstaande verheerlijking, doet haar alle leed vergeten, en zij zingt den Heer een danklied, omdat hij zijn volk heeft bezocht en van de ballingschap dezes levens verlost : Benedictus Dominus Deus Israel, quia visitavit et fecit re-demp tionem plebis suce.

Terwijl aldus de natuur, in rouw, op het einde onzer loopbaan, slechts een graf met sombere lijksteenen aanwijst, toont ons de onsterfelijke Godsdienst den hemel met zijne onvergankelijke weelde, en zijn laatste woord is een woord van hoop en van troost.

Nadat het graf nog eens met gewijd water is besproeid, wordt het voor goed gesloten, en het Kruis, dat er op geplant wordt, verwittigt den voorbijganger, dat daar het lichaam van een Christen den dag der algemeene Opstanding verbeidt. Welk eene troostvolle gedachte ! In de schaduw van dit Kruis gelijkt de Christen aan een afgematten reiziger, die

131

ocr page 138

SINT JOZEF.

132

zachtkens onder het boomloof ligt te rusten, en den tijd der koelte afwacht, om zijnen tocht voort te zetten. O Kruis, o teeken van hoop en van leven, in uw lommer zal ook ik eens rusten en hopen ! O Kruis, o zoete troost, wees gezegend, van nu af en altijd.

»3«

SINT JOZEF.

n eeue schamele woning te Nazareth, woonde Maria met Jozef, haren biuidegom. Jozel stamde uit het geslacht van David, zooals blijkt uit het geslachtsregister van Jezus Christus, in het eerste hoofdstuk van Mattheus. Hij was een stamgenoot van Jezus' Moeder, daar deze eveneens tot den stam van David behoorde.

Jozef was verloofd aan Maria, de Moeder Gods, volgens het woord : // de Engel Gabriël werd van God gezonden tot n eene Maagd, verloofd aan een man, met name Jozef, en de „ naam der Maagd was Maria.quot; Maar dat huwelijk werd geheiligd door ongeschonden zuiverheid, naar luid der woorden van Maria aan den Engel Gabriël, toen deze gezegd had: n gij zult ontvangen en een Zoon baren;quot; waarop zij antwoordde ; // hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken?quot; Hij leefde dus met haar als een kuische broeder met eene beminde zuster, als een hemelsche gelukzalige, met alle zinnelijke begeerten onbekend. Zij leefden vreemd aan de wereld, in stille afzondering, in nederigheid en eenvoud, terwijl Jozef door zijn handenarbeid voorzag in de geringe behoeften van het

ocr page 139

SINT JOZEF 133

gezin. Hoogmoed had den mensch ten val gebracht: hoogmoed zou geboet worden door de vernedering van den Zoon Gods, die der wereld ging toonen, dat juist deze nederigheid de grondslag der volmaaktheid is. Daarom koos hij zich eene moeder in Maria, een beschermer in Jozef onder de afstammelingen van een aardschen koning, maar vervallen van dat aardsche koningschap, evenals de mensch door zijne zonde van het hemelsche koningschap was beroofd.

Jozef werd, na Maria, op aarde het eerst door een hemel-sche ingeving van het aanbiddelijk geheim der Menschwording van den Zone Gods onderricht. Een Engel des Heeren verscheen hem in den slaap, en zeide : „ Vrees niet, Maria, uwe vrouw, u tot u te nemen, want wat in haar geboren werd, is uit den ,/H. Geest.'quot; Het heil en de verlossing der wereld werden hem op deze wijze door den Engel bekend gemaakt : ,/ Zij zal n een Zoon baren, dien gij Jezus zult noemen, omdat Hij zijn // volk van de zonde verlossen zal. Dit alles is dan geschied, // opdat zou worden volbracht hetgeen van dsn Heer door den // Profeet gezegd is : „ Zie, eene Maagd zal bevrucht worden, // en zij zal een Zoon baren, en men zal hem Emmanuël // noemen, dat is : God met ons.quot; Jozef, die rechtvaardig was, zooals het Evangelie hem noemt, geloofde terstond, en verbeidde de vervulling dier hemelsche belofte met eene heilige vreugd. Toen gebeurde het, dat Jozef met Maria de stille afzondering moest verlaten en eene moeielijke reis ondernemen, om aan het bevel van Keizer Augustus te gehoorzamen, die eene algemeene volkstelling uitgeschreven had. Zij togen dan naar Judea, tot de stad van David, die Bethlehem wordt genoemd, omdat zij uit het huis en het geslacht van David waren: Jozef, met zijne verloofde vrouw, Maria, die zwanger was. Dus werden de voorzeggingen der Profeten vervuld : maar voor de Maagd, die de verwachting der volkeren iu haren onbevlekten schoot droeg, was geene plaats in de herberg. Zij

ocr page 140

134 SINT JOZEF.

moesten beiden, Jozef en Maria, in een stal vernachten. In dien geringen stal bracht Maria haren goddelijken Zoon ter wereld; in dien stal w erd de Koning aller koningen, de Vorst van hemel en aarde geboren. Hij, die den vrede tusschen den Schepper en het schepsel zou herstellen en de boeien van Satan verbreken, waarin geheel het menschdom lag gekromd.

Toen de acht dagen vervuld waren en het goddelijk Kind zou besneden worden, was hij het, die aan dat Kind, zooals de Engel hem had bevolen, den naam van Jezus gaf, omdat hij als de vader werd aangezien, en omdat bij de Joden de vader den naam aan zijn kind gaf, gelijk wij dit mede zien bij de geboorte van Joannes den Dooper. Nu nam hij bezit van zijne vaderlijke macht, en wijdde zijne teederste zorgen aan het Kind, dat hem door God was toevertrouwd. O, welke gelukzaligheid voor Jozef, daar hij niet alleen Jezus aanschouwt, maar hem hoort, op zijne armen draagt, voedt en verpleegt, deelachtig aan de onuitsprekelijke Geheimen, nog voor de wereld verborgen. — O gij, wonder van verheven, en weêrgalooze waardigheid! Jozef! Gods Moeder, de Koningin der Hemelen noemt u haren Heer : het Vleesch geworden Woord noemt u Vader, en is u gehoorzaam! O Jesus, o Maria, o Jozef! Gij vormt op aarde een heerlijk drietal, waarin de ondoorgrondelijke Drieëenheid in den Hemel baar welbehagen heeft!

Meer dan eens werd de H. Jozef door een bezoek van een Engel vereerd. De Engel Gods verscheen hem in den slaap, toen hij het Kind met Maria naar Egypte moest geleiden, om het tegen de vervolging van Herodes te beschermen, die vreesde, dat Jezus hem ten eenigen dage zijne wereldsche kroon betwisten zou. In het Boek der Koningen staat geschreven h voor het aangezicht des Heeren davert Egypte; — voor het aangezicht van den God van Jacob beven de valsche goden op hunne altaren; hunne beelden storten in onderscheiden tempels jneder, gelijk weleer Dagon voor de Arke des Verbonds. En

ocr page 141

S1NÏ JOZEF. 135

Isaias zegt : ;/ zie, de Heer zal in Egypte komen, en alle afgoden van Egypte zullén voor zijn aanschijn beven. quot;

De vervolger van Gods ééngeboren Zoon, Herodes, de beklagenswaardige ko)iing, was gestorven. En zie, de Engel Gods verscheen op nieuw Jozef in den slaap, en gelastte hem, naar liet land van Israël terug te keeren. Jozef gehoorzaamde, ging naar Galilea en vestigde zich te Nazareth.

En de jaren, die aan het openbaar leven van den wereld-Verlosser vooraf gingen, vloden daar in stille vergetelheid, bij een kommervollen arbeid heen.

Toen Jezus twaalf jaren oud was geworden, vergezelde hij Maria en zijn pleegvader. Jozef, naar Jeruzalem, ter viering van het Paaschfeest. De plechtigheid was afgeloopen, maar bij de terugreize misten de ouders hun goddelijk Kind. Terstond, met angst en droefheid in het harte, keerden zij naar Jeruzalem terug, om hem te zoeken. En zie, zij vonden hem, na drie dagen in den tempel, te midden der leeraren, deze hoorende en ondervragende. Nadat Jezus verklaarde, dat hij met de aangelegenheden zijns Vaders moest bezig zijn, keerde hij met Maria en Jozef naar Nazareth terug, en was hun onderdanig.

Na deze gebeurtenis komt Jozef in het Evangelie niet meer voor. Wij zien hem niet tegenwoordig op de bruiloft te Cana, waar Jezus het eerste wonder verrichtte en zijn openbaar leven een aanvang nam. Met grond kunnen wij besluiten, en niemand zal er aan twijfelen, dat Jozef in de armen van Jezus en Maria den geest gegeven heeft. Het is daarom, dat men dien Heilige aanroept, teneinde, door zijne vermogende voorspraak, van God de genade te verwerven van eenen zaligen dood.

De H.Geest heeft van zijne deugd en heiligheid getuigenis afgelegd, door ons in het Evangelie te leeren, dat hij een rechtvaardig man was. Veelbeteekenende woorden, welke wij nimmer genoeg kunnen overwegen !

ocr page 142

136 SINT JOZEF.

Nimmer toch zou de driewerf-zalige God hem uitverkoren hebben, om de zuivere Bruidegom van de allerzuiverste der Maigden, de voedstervader van zijn ééngeboren Zoon te zijn, wanneer hij niet van eene ongeschonden zuiverheid, van eene uitstekende heiligheid ware geweest. Overwegen wij de groote voorbeelden, welke Jozef, met betrekking tot nlle overige deugden, ons gegeven heeft; bewonderen wij zijn levendig geloof : want ootmoedig heeft hij zijn geest onderworpen en geloofd aan de ondoorgrondelijkste geheimen der Menschwor-ding van Gods Zoon; huldigen wij zijne vurige liefde, zijne vaderlijke zorgen voor den goddelijken Jezus, zijne teederheid en zachtmoedigheid voor de Allerheiligste Maagd, toen hij, met de grootste verbazing, haren zwangeren staat bespeurde; overwegen wij zijne volkomen gehoorzaamheid aan den wil des Hemels, zonder gemor of tegenspraak, hoe groot ook de bezwaren en vermoeienissen mocliten wezen, welke hij bij het volbrengen daarvan te verduren had : zooals toen hij genoodzaakt was, te vluchten naar het verwijderde Egypteland; beschouwen wij zijn geduld in droefheid en vervolging; zijne ootmoedige onderwerping, schoon van koninklijken bloede, bij de drukkende werkzaamheden van zijn beroep, waarmede hij, in het zweet zijns aanschijns, het dagelijksch onderhoud voor Jezus en Maria verdienen moest; leeren wij eindelijk, uit het voorbeeld van Jezus, van Maria en van Jozef, hoe groot de dwaling van den wereldling is, die met zooveel inspanning den arbeid en den bchoeftigen staat ontvlucht, en ze als groote plagen beschouwt, terwijl Jezus, de Wijsheid Gods, ze voor zich zeiven, voor Maria, zijne allerheiligste Moeder, en voor zijn Voedstervader, Jozef, heeft verkozen, als een hemelschen schat.

Heeft dan de Almachtige God, onder al zijne Heiligen, den gelukzaligen Jozef uitgekozen om hier op aarde de alierzuiver-ste en ware bruidegom der onbevlekte Maagd Maria en lt;le

ocr page 143

SINT JOZEF. 137

voedstervader van zijn eeniggeboron Zoon te wezen; heeft de Alwijze God zijnen uitstekenden dienaar, opdat hij de verheven verplichtingen dezer dubbele waardigheid getrouwelijk kon nakomen, met Iieel bijzondere genaden overvloedig begiftigd : dan is het ook niet te verwonderen, dat de katholieke Kerk den heiligen Jozef, met eer en glorie gekroond in den hemel, steeds met de innigste gevoelens van godsvrucht ook hoog vereerd heeft hier baneden. Terecht toch heeft zij hem vergeleken met den roemwaardigen Patriarch van het Oud Verbond. Gelijk deze door den koning Pharaö van Egypte belast was geweest met de verzameling en bewaring der granen, noodig voor het lichamelijk onderhoud van zijn volk; zoo had ook de tweede Jozef van den Allerhoogste in last gekregen des Heeren lichaam te kweeken en te bewaren ; het brood des Hemels, 'twelk eens den geloovigen als geestelijk voedsel hunner zielen zou geschonken worden. En gelijk genoemde koning Pharaö zijne om voedsel sineekende onderdanen naar Jozef heenwees, zeggende : lie ad Joseph., //Gaat tot Jozefquot;; zoo vermaant en roept ook de Kerk hare kinderen toe, in al hunne noodwendigheden met vertrouwen tot den tweeden Jozef (e gaan : diep overtuigd zijnde dat Christus de vriendschap, den eerbied, de kinderlijke voorkomendheid, welke Hij aan den heiligen Jozef, als een zoon aan zijn vader, hier op aarde bewezen heeft, thans in de hemelsche woonstede niet zal ontzeggen, maar eerder verhoogen en voltooien.

Ten einde dit zoo gegrond vertrouwen der geloovigen op den veelvermogenden bijstand van den heiligen Jozef nog te verheffen en uit te breiden, heeft de weleer zoo roemvol regee-rende Paus Pius IX, in de vreugde zijns harten, bij dekreet van den 19 September 18 i7, naar het voorbeeld zijner doorluchtige voorgangers, en bewogen, gelijk hij het zelf verklaart, door de bijzondere godsvrucht, die hij van af zijne jeugd dienzelfden heiligen Patriarch heeft toegedragen, het feest der

ocr page 144

138 SINT JOZEF.

Bescherming van den H. Jozef, reeds bij pauselijke vergunning op vele plaatsen gevierd, voor de gansclie Kerk als verplichtend ingesteld.

En ziet, levendiger en algemeener verbreidt zicb de devotie tot den Tl. Jozef iti het hart des ggt;;loovigen volks; krachtiger en inniger klimt het vertrouwen in zijne vaderlijke bescherming; ruimer plaats neemt zijn eeredienst in bij de plechtigheden der Kerk en in de gebeden der geloovigen : ja, het scheen dat, naarmate de gruwelijke oorlog, der Kerk van Christus aangedaan, al verder om zich greep en met den dag in heftigheid toenam, de devotie tot den II. Jozef eveneens zich uit ■ zette en in vurigheid toenam. De heilige Jozef kan helpen, zoo dacht men, de heilige Jozef zal helpen. En zoo werden uit alle oorden der wereld talrijke smeekschriften aan de voeten van Christus' Stedehouder neergelegd, nog tijdens het quot;Va-tikaansch Concilie, vernieuwd en door vele Kardinalen en Bisschoppen gesteund, de dringende bede bevattende, dat het aan Zijne Heiligheid mochte behagen, ten einde des te krachtiger Godes ontferming te kunnen afsmeeken door de verdien-sten en voorspraak van den M. Jozef, tot afwering aller rampen, die ons te midden dezer droevige tijden van alle kanten ontroeren, hem tot Beschermer der gansche Kerk uit te roepen. De achtste December van 't jaar 1870, de eigen feestdag der Onbevlekte Ontvangenis zijner Bruid, was de heuglijke en gedenkwaardige dag, waarop Zijne Heiligheid, Paus Pius IX, aan deze vele en vrome verlangens zijne goedkeuring schenkende, in zijne drie patriarchale Basilieken, onder deheiligeMis, een dekreet liet afkondigen, waardoor de heilige Patriarch Jozef plechtig tot Patroon der Katholieke Kerk verklaard werd.

Laten wij dan, beantwoordende aan des Pausen vrome bedoeling en aan de insprake van ons eigen hart, in al onze zoo tijdelijke als geestelijke nooden onze toevlucht nemen tot de zoo vermogende voorspraak van den H. Jozef; laten wij inzonder-

ocr page 145

SINï JOZEF. 139

heid de allerwegen bedreigde belangen der Kerk aan zijne thans zoo schitterend verheven' Bescherming met onbegrensd vertrouwen aanbevelen; laten wij bij hem hulp en bijstand zoeken te midden der gevaren, die ons omringen naar ziel en lichaam : hij toch, dien wij met zoo'n kinderlijke toeneiging als onzen Beschermer vereeren hier op aarde, zal zich mede als onzen machtigen Voorspreker betonnen in den hemel.

LOFZANG.

U, Jozef, viert het koor der zaalge geestenscharen,

En heel de Christenkerk stemt met dien lofzang in :

Zij eert in u den man, dien 't Gods bevel kwam paren, In kuischen huwlijksband, met 's Hemels Koningin;

Den man, die, toen de Vrucht — Gods wonderkrachtvermogen — Ontkiemd, de aard ten heil, in d'ongerepten schoot, Op 's Engels woord, aan vrees en twijfelzucht onttogen, Berust heeft in 't Geheim, dat 's Heeren wil besloot;

Den man, die toen het Kind gebaard was, 't trouw ten hoeder Verstrekte op 't moeilijk pad, dat naar Egypte ging;

Die 't Godspand heeft gezocht met de afgetreurde Moeder, En 't weer mocht vinden in der Schriftgeleerden kring.

Terecht siert, na den strijd des levens, 't eeuwig lover De kruin der Vrienden Gods, ten loon van trouwe deugd; Doch U kwam reeds op aard het heil der heemlen over Bij d'aanblik van de Zon, wier glans 't heelal verheugt.

Verhoor, drie-éénig God, de beden, die wij slaken.

Neem ons, om Jozefs wille, in liefde ontfermend aan.

Opdat we in eeuwigheid deel van uw heemlen maken. En met het Englenkoor U 't loflied op doen gaan.

ocr page 146

SINT JOZEF.

Overweging.

Wij loven en prijzen u, o gelukkige Jozef! Wij groeten e als den Bruidegom der Koningin des Hemels, als Voedstervader van onzen Verlosser en Heer. Aan welken sterveling werden ooit zulke verheven eeretitels gegeven ? De Kerk des Hemels bewondert u wegens gunsten en gaven, welke God u heeft verleend, en de Kerk der aarde verheugt zich over de hooge eer, die u werd gegeven, en zij dankt en zegent u wegens de weldaden, welke gij haar onophoudelijk schenkt.

O koninklijke zoon van David, die tevens de ootmoedigste der menschen waart; het scheen, dat gij ongeërd, onbekend, en, als het ware, verborgen, uwe levensdagen zoudt moeten slijten; en dit was ook uw hartewensch; maar de Heer beschikte anders over u : Hij wilde, dat gij deel zoudt hebben aan het verhevenste zijner werken. Er is eene edele Maagd, uit hetzelfde bloed als gij gesproten, die een voorwerp van bewondering is voor den Hemel, en bestemd, om de glorie en de hoop der aarde te worden. Gij zijt uitverkoren, om de Bruidegom te zijn dier wondervolle Maagd. Op haar moet de H. Geest als op een allerheiligst tabernakel komen rusten, en aan u, o zuiver en rechtvaardig man, zal die overkostbare schat ter bewaring worden toevertrouwd. Word dan, o Jozef, word de Bruidegom van haar, in wier schoonheid de Eeuwige zelf zijn welbehagen had !

De Zone Gods zal uit den hemel dalen, en onze natuur aannemen, om als een mensch op deze aarde te wandelen. Hij komt de familie, hare banden en hare liefde heiligen. Met uwe ooren, o Jozef, zult gij u door hem Vader hooren noemen, met uwe oogen zult gij hem aan uwe bevelen zien gehoorzamen. Welke moeten wel de gevoelens van uw hart zijn geweest, toen gij, volkomen onderricht nopens de grootheid uwer Bruid en de Godheid van uwen Pleegzoon, de taak op u moest nemen van aan het hoofd te staan van een gezin, waarin hemel en aarde vereenigd werden ! Welke teedere en hooge eerbied bezielde u niet voor Maria, uwe Bruid ! Hoe groot was uwe dankbaarheid en uwe aanbidding niet voor Jezus, voor dat goddelijk Kind, dat aan u gehoorzaam en onderworpen was! O wondervolle en hartroerende geheimen van Nazareth ! Een God woont onder de menschen, en duldt, dat hij de Zoon van Jozef worde genoemd !

140

ocr page 147

SINT JOZEF.

O verheven dienaar des Heeren ! gewaardig u, onze voorspraak te zijn bij het Vleesch geworden Woord des Vaders. Vraag Hem voor ons de nederigheid, die u zoo zeer heeft verheven, en die voor ons de grondslag van eene ware bekeering zal zijn. De hoogmoed bracht ons tot zonde en tot val, maar in zijne barmhartigheid zal de goede God ons vergeving schenken, indien wij Hem een vernederd en ootmoedig hart ten offer brengen. Verwerf ons toch die deugd, zonder welke er geene ware boetvaardigheid is. Bid voor ons, o H. Jozef, opdat wij rein en kuisch mogen leven. Zonder de zuiverheid des harten en der zinnen kunnen wij niet naderen tot een God van Heiligheid, die niets wat bevlekt of onrein is in zijne nabijheid duldt. Hij wil ons lichaam door zijne genade tot tempel maken van den H. Geest. Help ons, opdat wij die hooge waardigheid niet verliezen, of haar terug bekomen, indien wij het ongeluk hebben gehad, ze te verliezen door zin-nelijken lust.

Beveel ons ook aan onze H. Moeder Maria, gij, getrouwe Bruidegom dier allerreinste Maagd. Indien zij hare genadige oogen op ons slaat, dan is onze zaligheid verzekerd. Zij is immers de Koningin der barmhartigheid, en haar Zoon Jezus, Hij, die u hier beneden zijn Vader noemde, wacht slechts, om ons te bekeeren, dat Maria voor ons ten beste spreken zal. Herinner Maria aan Bethlehem, aan Egypte, aan Nazareth, waar gij overal haar tot steun en troost hebt verstrekt: zeg haar, dat wij u eeren en u beminnen, en zij zal genadig op ons nederzien wegens de hulde, welke wij u brengen, o Jozef, die eens haar beschermer waart.

Sta ons, eindelijk, ook bij, o groote Heilige, in het beslissend doodsuur, wanneer de poorten der eeuwigheid zich voor ons zullen openen, en verwerf ons dan van uwen lieven Voedsterzoon, Jezus, de genade, dat wij in zijne liefde mogen sterven, en onze laatste woorden de nooit volprezen namen van Jezus, Maria en Jozef mogen zijn.

141

ocr page 148

O—^iiiitiiiiiiiiiiiimiiiiminiiiiiiiiiimiimiiiiiiiiiiiiiiinmiinnminiiiiiiiiiiiiiiiiimiiiiii^a—C

FEEST DER ZE YEN WEEËK

YAN MARIA.

-—-

p Vrijdag na Passie-zondag herdenkt de Kerk, op eene plechtige wijze de droefheid en de smarten van Maria, bij het bitter lijden van haren goddelijken Zoon. Dit feest wordt het feest der Zeven Smarten of Weeën van Maria genoemd, en is, op eenige plaatsen, onder den naam van het feest van Medelijden, festum compassionis bekend. Eerst in 1413, werd het door een provinciaal Concilie van Keulen ingesteld; weldra volgden andere landen het voorbeeld der Keulsche kerkprovincie, en in het jaar 1727 beval Benedictus XIIf, dat dit feest in de geheele wereld zou worden gevierd. Deze feestviering dagteekent alzoo slechts van de nieuwere tijden. Men geloove echter daarom niet, dat de godsvrucht tot de smartvolle moeder nog nieuw is in de Kerk; integendeel, zij is zoo oud, dat haar oorsprong zich in den nacht der tijden verliest. Zulks getuigt het hartroerend Stabat Mater, in het begin van de XIII. eeuw reeds door Innocentius III. — of, zoo als anderen beweren, door Jacopone — vervaardigd; zulks bewijzen die overoude beelden der bedrukte Moeder, welke men vaak in de grijze tempels aantreft, waarover eeuwen aan eeuwen zijn he-nengegaan; en dit dubbel bewijs wordt noch meer bekrachtigd door de aloude gebeden der Kerk, waarin Maria als de Koningin der Martelaren geprezen wordt. — En kon het wel anders? Is het lijden van Maria, die in Jezus heeft geleden, en weenend onder zijn kruis heeft gestaan, niet te innig verbonden met het lijden van haren goddelijken Zoon, dan dat het katholiek hart het zou kunnen verwaarloozen, om Maria's lijden te ge-

ocr page 149

FEEST DER ZEVEN WEEËN VAN MARIA. 143

denken en te vereeren ? Is het daarenboven niet uit liefde tot ons, dat zij geleden liet ft ? Is het niet ter belooning, ter vergelding der smarten, welke zij onder het kruis heeft verduurd, dat zij ons tot Moeder en wij haar tot kinderen gegeven zijn ? En hoe dan zou het mogelijk wezen, dat hare kinderen zich ooit ongevoelig of onverschillig voor hare smarten zouden hebben betoond ?

Reeds bij de voorstelling van Jezus in den tempel had Simeon aan Maria het bitter lijden voorzegd, dat haar te wachten stond. U, zoo sprak hij tot haar, U zal een zwaard door de ziele gaan; en ach, hoe smartvol voor Maria heeft zich deze voorspelling vervuld ! Van de eerste levensjaren van Jezus af, zweefde haar gedurig het lijden, dat hem wachtte, voor den geest, en hoe groot de zaligheid ook was, welke zij door de tegenwoordigheid en de liefkoozingen van haren Jezus smaakte, zoo bleef haar hart nochtans bedroefd door de gedachte, dat diezelfde Jezus, haar geluk en haar troost, het welbehagen van den Eeuwigen Vader, eens tien smadelijkcn dood des kruises sterven zou. Elke dag bracht haar eene schrede nader tot dit gevreesde oogenblik, en vermeerderde hare smart.

Volgens eenc godvruchtige overlevering was Maria tegenwoordig bij het plechtig onthaal, dat haren Zoon te Jeruzalem, op Palmzondag, tc beurt viel, maar de vreugdekreten zelve, welke zij hoorde, verscheurden hare ziel, want zij wist maar al te wel, dat dezelfde stemmen, die hem nu het hosanna Jilio David (hosanna den Zone van David! ) aanhieven, weldra in woeste woede den moordkreet zouden doen weergalmen; weg, weg met hem, naar het kruis, en dat zijn bloed kome over ons en over onze kinderen ! — Ach, wie zal ons den omvang van Maria's smarten beschrijven, wie zal ons zeggen, hoe diep het zwaard van lijden in hare ziele drong, toen zij haren geliefden Zoon voor den rechterstoel van Annas en Caïphas, en later voor uien van Pilatus, zag sleuren, waar dat onnoozel

ocr page 150

144 FEEST DER Z bi VEN WEEËN

Lam — gelijk de Proktl htt liad voorzegd—met verguizing werd overladen, en toch zijnen mond niet opende, om te doen hooren één enkele klacht ? Wie zal ons het bittere der bitterheden schetsen, die het hart van Maria troffen gedurende dien akeligen nacht, door Jezus in het huis van Caïphas doorgebracht? Iedere geeselslag, die den volgenden morgen Jezus' lichaam verscheurde, iedere doorn, die zijn goddelijk hoofd verwondde, was een zwaard, dat door merg en been haar diep in 't harte gil g. Iedere beleediging, Jezus aangedaan, iedere bespotting, iedere verguizing, iedere godslastering, welke de woeste soldaten tegen hem uitbraakten, was voor Maria eene nieuwe foltering, zoodat de heilige Vaders terecht op haar deze woorden van de H. Schrift toepassen : Magna est velut mare coniritio tua. Is de oceaan onmetelijk, o bedrukte Moeder! onmetelijk ook is uwe smart. En toch was dit alles voor haar, zoowel als voor haren Jezus, slechts een begin van het bitterste lijden. Haar hart scheurde van weemoed, toen zij Jezus, met zijn kruis beladen, van het hoofd tot de voeten doorwond, onder den last van dat schandhout bezwijkende, op den lijdensweg ontmoette ; en, bezweek zij niet, noch bij deze ontmoeting, noch onder het kruis, dan was dit enkel aan de ^ hulp van boven toe te schrijven, immers de hevigheid der smarten, welke zij verduurde, was meer dan genoeg, om haar niet eens, maar duizendmaal den dood te geven. Desniettegenstaande steeg zij den berg des lijdens op, waar Jezus' bloedig offer moest worden volbracht. Zij wilde bij dat ofler tegenwoordig zijn, om| het hare met dat van Jezus te vereenigen. Ten koste der onuitsprekelijkste hartepijn wilde zij, onder het kruis, Jezus' laatste woorden opvangen en zijnen laatsten wil vernemen, waardoor zij ons tot Moeder, en wij haar tot kinderen zouden gegeven worden. Zij had Jt-zus zonder pijn of smart gebaard, maar onze Moeder motst zij niet worden zonder in Jezus' pijn en smart, in Jezus' lijden en dood te

ocr page 151

VAN MARIA. 145

hebben gedeeld. O, vergeten wij toch nooit, wat het Maria heeft gekost, om onze Moeder te worden! Alles, wat Jezus leed in zijn lichaam, leed zij in hare ziel, zegt de H. Bernar-dus. In haar droevig moederhart weêrklonken op eene vreese-lijke wijze de hamerslagen der beulen, die Jezus' handen en voeten aan het kruishout nagelden. Op dat hart viel als een doodelijke smart iedere zucht, elke bloeddruppel van haren goddelijken Zoon. O, nu begrijp ik, waarom de H. Kerk mijne gezegende Moeder de Koningin der Martelaren noemt: want uw lijden overtreft niet alleen hun lijden, maar in uwe ziel hebt gij alleen meer geleden dan alle Martelaars te zamen ooit in hun lichaam hebben verduurd. (H. Bernardus.) Trouwens, in het kruis van Jezus vonden de Martelaars troost, kracht, sterkte, bemoediging in het lijden, ja, eene hemelsche, zoetheid te midden der barbaarsche folteringen, terwijl voor u dat kruis eene oneindige bron was van droefheid en van lijden. Met Jezus' lichaam was het har( van Maria aan het kruis genageld; daar werd het hart met het vlijmendste zwaard doorstoken, niet alleen, dewijl zij op dat kruis haren Zoon doodsangst en zielesmart zag lijden, maar ook omdat zij aan haren geliefden Jezus geen troost, geen heul, niet de minste verlichting geven kon. Zij, die teedere moeder, zij zag haren Zoon afgemat en uitgeput, zij zag hem rust zoeken voor zijn goddelijk hoofd, rust zoeken voor zijne doorwonde ledematen, zonder die rust te kunnen vinden; en zij, —zoo spreekt de H. Bernardus — zij breidde hare armen tevergeefs naar Jezus uit, daar het haar niet vergund was, hem op haren schoot te laten rusten. Zij hoorde Jezus, smachtend van dorst, uitroepen : Sitio, ik heb dorst, en zij kon hem niet laven; zij kon hem slechts zeggen : ftli! non haheo nisi aquam lacrymarum ; mijn Zoon, ik heb geen water, om uwen dorst te lesschen, maar slechts tranen om u te beweenen. ( St. Vine. Ferr. :) O gij allen, die in uwen

boezem een moederhart omdraagt, ik vraag het u : bestaat er

in

ocr page 152

146 FEEST DER ZEVEN AVE EEN

iets, dat bij deze kwelling, :bij deze bitterheid des harten van Maria te vergelijken valt ! O vos omnes, qui transitis per viam, attendite et videte si est dolor simt dolor mem! O smartvolle Moeder, die mij in zulk eene zee van bitterheid onder het kruis hebt gebaard, voortaan wil ik, uit dankbare liefde, uwe smarten herdenken, niet alleen, maar ze ook godvruchtig vereeren eu deelen in al die smart.

Geef o Moeder ! bron van liefde,

Dat ik voele wat u griefde,

Dat ik met u medeklaag;

Dat mij 't hart ontgloei van binnen,

Om mijn Heer en God te minnen.

En ik Hem alleen behaag.

LOFZANG

gitafcctt ffitxXev*

Schreiend naast het kruis gebogen.

Stond de Moeder, diep bewogen.

Daar haar Zoon doornageld hing.

En haar in 't verzuchtend harte.

Krimpende van wee en smarte,

't Zevenvoudig slagzwaard ging.

O hoe droevig, hoe vol rouwe.

Was die zegenrijke Vrouwe,

Om Gods eengeboren Zoon :

Ach, hoe streed zij ! ach, hoe kreet zij,

En wat folteringen leed zij,

Bij des Reinsten smaad en hoon.

ocr page 153

VAN MARIA.

ó Wie kan zijn tranen houen,

Bij het vreeselijk aanschouwen,

Hoe haar boezem openrijt ?

Wie kan zonder meê te weenen, Christus' Moeder hooren stenen,

Daar ze met haar Zone lijdt ?

Ach, voor uwe en mijne zonden. Zag zij Jezus dus doorwonden.

Door de wreede geeselstraf; 't Dierbaar Kind zag zij hier lijden, Gansch alleen den doodkamp strijden. Tot Hij God den geest hergaf.

Geef, o Moeder van genade!

Dat ik al, wat u belaadde,

Met u drage, en met u ween ! Dat de liefde mij doorblake.

En ik Christus minnend nake, Hem behage, Hem-alleen !

Reine Moeder, druk de smarte Van het lijden in mijn harte,

Dat den Kruisling neder boog! Dat ik al, wat hem doorwoelde.

Al de wonden, die hij voelde.

Met u lijdend deelen moog!

Mocht ik klagen, al mijn dagen,

Innig al die smarten dragen,

Tot het leven mij ontvlucht!

Willig u naar 't kruis te leien,

Met u siddren, met u schreien, Is mijn teêrste boezemzucht.

Maagd der Maagden, nooit volprezen, Wierd mij deze gunst bewezen.

Dat ik aan uw zijde klaag!

ocr page 154

FEEST DER ZEVEN WEEËN

Doe mij strijden, doe mij lijden Christus' striemen langs de zijden,

Waar ik eeuwig van gewaag!

Wierd me een deel dier pijn geschonken !

Make 't Kruis mij vreugdedronken,

Door de liefde van uw Zoon!

'k V.oel mijn ziel in vlam gerezen ;

Wil dus gij mijn voorspraak wezen,

Als ik sta voor 's Rechters troon !

Maak, dat mij het Kruis beware.

Dat mij Christus' sterven spare,

In de schaauw van zijn gena !

En, zal eens mijn lichaam sterven,

Doe mijn ziele dan beërven 't Heerlijk Paradijs hierna !

Overweging.

De voorzegging van Simeon en de geschiedenis van 'sHeeren lijden leggen beiden getuigenis af der smarten van Maria. Deze, zoo sprak de grijsaard van het Kind Jezus, is gesteld tot een tee ken. dat tegengesproken sal worden; en tot Maria zeide hij ; u zal een zwaard gaan door de ziel. Ja, waarlijk, mijne gezegende Moeder, u is een zwaard door de ziel gegaan, want alle smarten, welke Jezus in zijn lichaam heeft verduurd, zijn eerst door uwe ziele heengedrongen. Toen uw goddelijke Zoon reeds den geest had gegeven, werd zijne zijde nog geopend door eene wreede lans ; die verwonding kon Hem geen lijden meer berokkenen, maar toch drong die lanssteek door tot in het diepste van uw hart.

Terecht stellen wij u boven de martelaren, dewijl uw har-teleed verre alle pijn overtreft, welke de Bloedgetuigen in hun lichaam hebben verduurd. Ja, dat woord, vrouw, ziedaar uw Zoon. was scherper dan een zwaard, want het drong door tot in het binnenste uwer ziel, en sloeg daar een doodelijke wonde. En geen wonder ; want in dat oogenblik werd u

148

ocr page 155

VAN MARIA,

Joannes voor Jezus, een slaaf in plaats van den Heer der heeren, een leerling in stede van den Meester, de zoon van Zebedëus in plaats van den Zoon des Allerhoogsten, enkel een mensch in stede van den waarachtigen God, gegeven tot zoon en tot kind! Welke bittere verwisseling! Hoe moest dat woord uwe teederminnende ziel niet grieven, daar het herdenken alleen van het lijden onze steenen en stalen harten breekt.

Verwondert u dan niet, mijne Broeders, wanneer ik zeg, dat Maria eene martelares in hare ziel is geweest. Dat hij zich daarover verbaasd toone, die niet weet, dat de H. Paulus het den heidenen als een hunner grootste euveldaden aanrekende, dat zij gevoelloos waren.

In het hart van Maria was zelfs de schijn niet van zulke ongevoeligheid, en ook van ons, hare dienaren, moet alle gevoelloosheid steeds verre verwijderd zijn.

Maar wist Maria dan niet vooruit, zal men misschien zeggen, dat Jezus zulk een dood sterven moest? Ongetwijfeld wist zij dat. Hoopte zij dan niet, dat Hij weldra zou verrijzen ? Ja, voorzeker hoopte zij dat, en wel met vast vertrouwen. En heeft zij dan toch den Gekruiste beweend ? Ja, en zelfs allerbitterst beweend. Bevreemdt u dit, mijn broeder ? Maar wie zijt gij dan toch, en hoe vreemdsoortig zijn uwe begrippen, dat gij het meer te bewonderen vindt, dat Maria medelijden had met de smarten van haren Zoon, dan dat de Zoon van Maria smart en lijden moest verduren ? Hoe ! Jesus zou naar het lichaam hebben kunnen sterven, en Maria zou in hare ziel den angst en de smarten des doods niet hebben kunnen voelen ? De liefde, maar de grootst denkbare liefde werkte het eerste wonder, en het was ook de liefde, maar eene liefde, nooit door eene andere geëvenaard, die het tweede wonder heeft gewrocht.

149

ocr page 156

L'J—c

DE GOEDE WEEK.

an de eerste tijden der Kerk is altijd de week, die het hooge Paaschfeest onmiddellijk voorafgaat, door de ge-loovigen betracht geworden als de heiligste tijd van het geheele j aar, en als eene week, gedurende welke men tot meer godsvrucht en heiligheid is gehouden wegens de groote Gods-gehei-men, die dan worden herdacht. Daarom is zij van oudsher de Heilige Week genoemd. Men heeft haar ook nog verschillende andere namen gegeven. Zoo wordt zij de Goede Week ge-heeten, omdat in deze week het groote werk onzer Verlossing voltrokken is. Jezus heeft in deze week voor onze schulden voldaan, en ons met den eeuwigen Vader verzoend. Eusebius noemt haar de Week der Nachtwaken, omdat men gedurende die week bijna alle nachten in oefeningen van godsvrucht doorbracht, teneinde het bitter lijden van den Zaligmaker te vereeren, en bijzonder dien smartvollen nacht te herdenken, waarin de goddelijke Heiland met bespotting, smaad en verguizing werd overstelpt. Het was immers in dien nacht, dat Jezus bedroefd werd tot den dood, en bloed en water zweette. Het was !in dien nacht, dat hij verraden werd door zijn3ontrouwen Apostel; in dien nacht werd hij als een booswicht door de straten van Jerusalem gesleurd, en van het eene gerechtshof naar het andere gebracht; in dien nacht werd Hij in zijn aanbiddelijk aangezicht geslagen, bespuwd en door den prins zijner Apostelen verloochend; in dien nacht werd hij aan eene bende woeste soldaten overgeleverd, die hem alle pijnen en beleedigingen deden ondergaan, welke zij in hunne onge-loofelijke goddeloosheid en allerbarbaarschte wreedheid slechts

ocr page 157

DE GOEDE WEEK. 151

konden uitdenken. ïer eere yan dat nachtelijk lijden van den Heere Jezus brachten de geloovigen al de nachten der Goede Week in gebed en in oefeningen van godsvrucht en boetvaardigheid door. Gedurende verschillende eeuwen bleef dit vroom gebruik bestaan, en daaraan is het toe te schrijven, dat deze week veelal de Week der Nachtwaken werd genoemd.Men noemt haar ook de Lij den s Week, wegens de smarten en pijnen, welke Jezus in deze week geleden heeft. Om dezelfde reden wordt zij door de Grieken onder den naam der dagen van smart, der dagen van het kruis, der dagen van straf en lijden, en in de Latijnsche Kerk als de Week van Smarten aangeduid. Men noemt haar ook nog de Week van Kwijtschelding, niet alleen, omdat de openbare boetelingen alsdan van de hun opgelegde straffen werden vrijgesproken en tot de gemeenschap der geloovigen toegelaten, maar ook, omdat de dagen dezer week de dagen der groote barmhartigheid van onzen goddelijken Verlosser zijn. De naam echter dezer week, die in de Kerk algemeen is geworden, is die der Heilige of ook wel der Groote Week.

n Noemen wij de goede week bij uitnemendheid de groote // week, dan is zulks niet, zegt de H. Chrysostomus, omdat ,/ zij meer dagen telt dan eene andere, of omdat hare dagen ,/ langer duren, maar omdat Jezus Christus in deze week de „ grootste geheimen van liefde voor ons voltrokken heeft.quot; Trouwens, in deze week heeft hij ons van de slavernij des duivels verlost; hij heeft ten volle aan de goddelijke rechtvaardigheid voor onze zonden voldaan; hij heeft het heilig Sacrificie der Mis ingesteld, en, ons alle zonden vergevende, heeft Rij ons, zooals de Apostel spreekt, het leven wedergegeven. Rij heeft het vonnis, dat ons veroordeelde, uitgewischt : hij heeft het vernietigd, en aan het kruis genageld. In deze week heeft hij over de helsche machten gezegevierd en haar haren luit ontrukt. Het is dus waarlijk eene groote week voor

ocr page 158

152 DK GOEDE WEEK.

den Christen, en daarom beijveren zich de geloovigen ook, voegt de heilige Chrysostomus er bij, om hunne werken van godsvrucht in deze dagen te. vermeerderen, n Eenigen hunner v vasten strenger dan ooit, anderen waken aanhoudend, ande-v ren deelen rijke aalmoezen uit. De Keizers zelfs vereeren // deze groote week door de barmhartigheid des Verlossers na // te volgen, want in deze week doen zij de poorten der ge-// vangenissen openen. Laat ons dan ook, — zoo besluit die ,/ heilige Kerkvader, — deze dagen vereeren, en tegelijk met n takken en palmen ook ons hart aan den Heere Jezus, onzen // Heiland en onzen Verlosser, ten offer brengen.quot;

De goede week is te allen tijde een week van versterving en van boetvaardigheid geweest. Reeds in de eerste eeuwen oefende men deze week strengere onthouding en een langer vasten. Aan die strengheden onttrok zich geen enkel Christen, hoe lauw hij anders ook wezen mocht. Vrijwillig voegde ieder eene of andere strengheid aan de gewone vasten toe, en eenigen bleven zelfs verscheidene dagen zonder het geringste voedsel. Men was ten hoogste verwonderd en bedroefd, gelijk de H. Dyonisius van Alexandrië getuigt, wanneer men menschen aantrof, die op Goeden Vrijdag en Goeden Zaterdag slechts vastten gelijk op gewone vastendagen. De H. Epiphanius noemt deze week de week van streng vasten, dat is te zeggen, van een vasten, waarbij het alleen geoorloofd was, water en brood, of ten hoogste eenige droge vruchten, zonder eenige toebereiding, te gebruiken. Soms noemde men deze week ook de Paaschweek, dewijl zij dient, om ons onmiddellijk tot dit hooge feest voor te bereiden. De strenge vasten, waarvan wij zoo even spraken, dat is : de onthouding van groenten, melkspijzen en visch, was wel niet door een bepaald gebod algemeen voorgeschreven, maar werd zoo algemeen onderhouden, dat het een schande zou zijn geweest, er zich van te ontslaan. In later tijden werd die stren-

ocr page 159

DE GOEDE WEEK. 153

gere vasten alléén op Goeden Vrijdag en Zaterdag bij behouden, maar ook hierin is men later verflauwd.

Met de strenge vasten waren steeds lange nachtwaken verbonden. De plechtigste dezer nachtwaken was die van Goeden Donderdag op Goeden Vrijdag. Deze wordt heden ten dage nog bijbehouden door vele godvruchtige personen, die dezen geheelen nacht in gebed voor het allerheiligste Sacrament doorbrengen, teneinde de vernederingen, den smaad en de pijnen te herdenken, welke Jezus in den nacht, die het instellen van het Allerheiligste Sacrament volgde, en zijnen kruisdood voorafging, voor ons heeft verduurd.

Zoowel in de Grieksche als in de Latijnsche Kerk werden, in de eerste eeuwen, alle dagen der week, die het Paaschfeest voorafgaat, zoowel als die der week, die daarop volgt, als feestdagen gevierd. Geen slafelijke arbeid was veroorloofd, en rechtsgedingen mochten er niet worden gehouden. Keizers zelfs bevalen aan de magistraatspersonen, gedurende dezeu tijd alle pleidooien te staken en alle burgerlijke bezigheden te laten rusten. Later evenwel werd op die dagen handenarbeid veroorloofd, maar de rechtspraken bleven verboden. Dit verbod heeft in later tijden opgehouden te bestaan.

Ook van de eerste tijden af werd de Goede Week als een tijd van kwijtschelding en vergeving beschouwd. ïer eere van Hem, die ons door zijnen dood uit de eeuwige gevangenis heeft verlost en ons de kwijtschelding onzer schulden heeft verworven, en tevens om hunne handelwijs in nauwer overeenstemming te brengen met de handelwijs der Kerk, die in deze dagen aan de boetelingen vergiffenis en kwijtschelding schenkt, openden de Keizers hunne gevangenissan, en oefenden zoodoende tijdelijke barmhartigheid, in navolging van de oneindige barmhartigheid, door den Meere Jezus aan ons allen betoond. „ Het is dan ook wel billijk, zegt wederom de heilige // Chrysostomus, dat de christen volken het voorbeeld hunner

ocr page 160

154 DE GOEDE WEEK.

// Regeerders volgen, en op hunne beurt barmhartiglieicl „ oefenen, door elkander de schulden en beleedigingen te // vergeven, en zich oprecht te verzoenen met elkaer. Dan, ,/ maar ook dan alleen zullen zij deel hebben aan de genade, ,/ welke Jezus Christus ons door zijn bitter lijden en zijnen // smartvollen dood heeft verworven en verdiend.quot;

Uit dit alles kunnen wij licht opmaken, hoe groot de eerbied is, dien de geloovigen, door alle eeuwen heen, gehad hebben voor deze Heilige Week, waarin het groote geheim onzer Verlossing is voltrokken, en de Zaligmaker voordurend de schatten zijner barmhartigheid ruimschoots aan al zijne dienaars bedeelt. Laten wij dan ook die heilige Week door ware godsvrucht heiligen. De keus en de verhevenheid der diensten, de geheimzinnige majesteit der plechtigheden, de al-gemeene rouw der Kerk, alles, in één woord, onderwijst ons en roept ons toe: vernedert en verbrijzelt uw hart, doet boetvaardigheid en oefent u in alle godsvrucht en deugd, indien gij waarlijk deze Week wilt heiligen en verlangt, dat zij ook voor u eene Goede en heilige Week wezen zal. O moge toch, voor geen tnkel kind der Kerk, deze teedere opwekking en vermaning vruchteloos zijn!

LOFZANG mtmM öcüutatr^

Van den H. Bernardus.

Om U, 's werelds Heil, te groeten,

Stort ik, Jezus, voor uw voeten.

Schreiend onder 't zondenjuk;

Koom' het licht van uw genade Mijner arme ziel te stade,

n haar kommer, smart en druk!

ocr page 161

DE GOEDK WEEK.

Heilige voeten, wreed doorklonken, Ik omhels u, weggezonken

Aan het kruishout van den Heer; Ach, wie voelt er bij 't aanschouwen Van die foltring, 't hart niet rouwen, En zinkt niet in 't stof ter neêr ?

Jezus, o, doe aan uwe voeten Mij de rust en vrede ontmoeten,

Waar geen wereld ooit meê streelt: En zij door deez' gruwbre wonden Mij vergifnis van mijn zonden.

Hier en eeuwig meegedeeld.

Zijt gegroet, o heiige handen, Die geslaakt hebt de ijzeren banden.

Waar ons Satan meê omving;

Zijt gegroet, o liefdrijke armen. Toegestoken uit erbarmen.

Als de Godmensch stervend hing.

Ja, mijn ziel brandt van verlangen. Om de kruisbanier te omvangen Met den hoogsten liefdegloed; Ja, des Heeren handewonden Houden eeuwig mij verbonden.

Bloeden me eeuwig in 't gemoed.

In die handen rust ik veilig,

In die wonden blijft men heilig En gestemd tot hemelvreugd;

Laten mij die handen dekken,

Heere Jezus, en mij strekken

Tot een steun op 't pad der deugd.

Wees gegroet, o zijdewonde.

Bloedend voor des menschdoms zonde.

ocr page 162

156 DE GOEDE WEEK.

Overkostbre levensvloed !

Moog' uw kracht mij sterkte schenken, En mijn dorre ziele drenken. Zijdewonde, wees gegroet!

Stort mij troost en vreugd in 't harte, Laafnis voor de bittre smarte.

Die dees aard te lijden geeft 5 Doe mij hier vooraf reeds smaken. Wat mijn heil eens zal volmaken,

Waar de Christen eindloos leeft.

Derwaarts streef ik, heiige wonde. Bloedend ook voor mijne zonde.

Heiige wonde in 's Heeren zij'; Met de handen, met de voeten. Kom ik mede u needrig groeten ; Heilig Vijftal, zuiver mij !

Overweging.

De grondslag van het christelijk leven, is, te begrijpen, dat wij niet het eerst God bemind hebben, maar dat God het eerst ons heeft bemind, niet alleen, alvorens wij Hem beminden, maar zelfs reeds, toen wij zijne vijanden waren. Het bloed des Nieuwen Verbonds. tot vergeving onzer zonden gestort, legt van deze waarheid getuigenis af. Immers, indien wij geene vijanden van God waren geweest, hadden wij geenen Middelaar noodig gehad, om ons met Hem te verzoenen, geen Slachtoffer, om zijne gramschap te bedaren, geen Bloed, om zijne rechtvaardigheid te bevredigen. Hij heeft ons dus het eerst bemind, en zijn eenigen Zoon gegeven ter liefde van ons. Maar wellicht is deze genade te algemeen en ons hart er gevoelloos voor : gaan wij dan de bijzondere weldaden na, waarmede zijne liefde ons voorkomt. — Wat zullen wij zeggen van onze roeping tot het Doopsel ? Hadden wij Gods hulp ingeroepen, hadden wij Hem door

ocr page 163

DE GOÜDÜ WEEK.

onze gebeden gesmeekt, opdat zijne barmhartigheid ons geleide tot de heilzame wateren, waarin wij herboren zijn ? Of liever was Hij het niet, die ons te gemoet is gekomen, en ons het eerst heeft bemind ? Doch mogelijk is deze genade reeds te oud en heeft onze ondankbaarheid ze al vergeten : letten wij dan op onze dagelijksche ondervinding. Herinnert gij u, zondaar, met welke drift gij de zonde najoegt ? De wraakzucht en het vermaak dreven u voorwaarts; hoe dikwijls heeft God tot uw hart gesproken, om u op de helling terug te houden ? Ik weet niet of gij naar zijne stem geluisterd hebt, maar wel weet ik, dat Hij u menigmaal geroepen heeft. Noodigdet gij Hem uit, wanneer gij Hem vluchttet ? Riept gij Hem, wanneer gij tegen Hem opstondt ? En toch is Hij met zijne genade tot u gekomen : Hij heeft aangeklopt, Hij heeft geroepen, en is Hij u dus niet voorgekomen, heeft Hij niet het eerst u bemind r

Doch hoe menige behoeft niet meer de zonde na te jagen, daar hij reeds geheel tot slaaf is geworden; immers, hij is overgegeven aan godslastering, aan kwaadspreken, aan ontucht; om zijn hoogmoed te bevredigen, ontziet hij noch het goed, noch de eer van anderen : hij ademt slechts liefde voor de wereld. Zal Jezus in den afgrond van dat hart, in die hel nederdalen ? Eertijds daalde hij ter helle neder, maar daarheen riepen Hem de stemmen en het verlangen der Profeten, die naar zijne komst verzuchtten. Hier integendeel verwerpt men zijne inspraken, men vlucht Hem, men doet Hem den oorlog aan. En toch. Hij komt. Hij nadert : bij een Paaschfeest, bij een Jubeljaar, bij eene heilige plechtigheid doet Hij aan die misdadige ziel schrik gevoelen; Hij wekt haar inwendig op tot boetvaardigheid. De zondaar vlucht, en God volgt Hem : hij blijft ongevoelig, en God verdubbelt zijne slagen, om die slapende ziel te doen ontwaken. Heet dat niet den mensch voorkomen met eene overmaat van barmhartigheid ?

Maar gij, rechtvaardigen, gij, kinderen Gods, gij weet, dat gij uwen Vader liefhebt ; gij zijt het dan, die het eerst Hem bemind hebt ? Belijdt gij niet met den Apostel : »dat de liefde in uwe harten gestort is door den H. Geest, die u gegeven werdr quot; En zou God u zoo een heerlijk geschenk geven, indien Hij u alvorens niet beminde ? Hij is het dus, wij mogen er niet aan twijfelen, die ons voorkomt, die altijd den eersten stap doet. Maar weet dan ook, dat Hij ons slechts voorkomt, opdat wij Hem zouden voorkomen. Wat zegt gij r Is dat mogelijk ? Ja, dat is mogelijk. Luistert naar

157

ocr page 164

DE GOK DK WK EK.

den Psalmist, die ons daartoe uitnoodigt ; laten wij zijn aanschijn voorkomen, zegt hij ; praoccupemus jacicm ejus. Wat moeten wij dan doen, om Hem voor te komen? God heeft twee eigenschappen, die in 't bijzonder den mensch betreffen : de barmhartigheid en de rechtvaardigheid. De barmhartigheid kunnen wij niet voorkomen, want zij komt ons altijd voor; maar dit geschiedt slechts, opdat wij de rechtvaardigheid zouden voorkomen. Het kan u niet onbekend zijn, zondaar, dat gij door uwe misdaden schatten van gramschap vergadert. Indien deze ergerlijk zijn, zal God voor de geheele wereld er recht over plegen, en al waren zij ook verborgen. God zal ze toch aan geheel de wereld bekend maken. Kom die rechtvaardige gramschap voor : neem wraak over uwe zonden, en God zal geene wraak nemen; openbaar ze, en God zal ze niet openbaren ; Prceoccupemns faciem ejus in confessione. Ik weet wel, dat belijdenis — in confessione — hier wil zeggen lofprijzing, dat heet, Gods grootheid loven, maar ik meen van den natuurlijken zin niet af te wijken, met daaronder mede de boetvaardigheid te verstaan. Immers, kan de zondaar beter Gods grootheid belijden, dan door zich voor Hem te vernederen, en zich zeiven voor zijn aanschijn te beschamen ? Laten wij ons derhalve voor God vernederen, opdat Hij ons in dien vreeselijken dag niet ver-nedere; laten wij zijne rechtvaardige gramschap door de belijdenis onzer misdaden voorkomen; dalen wij neêr in het diepste van ons geweten, waar onze vijanden zich schuil houden; dalen wij daarin neder met een fakkel in de eene, en een zwaard in de andere hand : een fakkel, om door een naarstig onderzoek onze zonden te ontdekken ; een zwaard, om ze met den wortel, door een waar berouw en eene openhartige belijdenis aan Gods plaatsbekleeder, uit te roeien ; zoo zullen wij de gramschap van dien grooten God voorkomen, wiens barmhartigheid ons voorgekomen is.

O Maria! gij, die wonderlijk voor de zonde gevrijwaard en met barmhartigheid voorgekomen zijt, schraag onze zwakheid door uwe gebeden en verwerf ons de genade, van in dezen heiligen Paaschtijd zoodanig de wraak, die ons wacht, door de boetvaardigheid voor te komen, dat wij eindelijk in het rijk des eeuwigen vredes worden opgenomen. Het zij zoo!

158

ocr page 165

PALMZONDAG.

et rassche schreden nadert het beslissend uur, waarop het groote Verlossingswerk zal worden volbracht. Nog maar weinige dagen, en Jerusalem zal den woesten bloedkreet hooren : Icruis Hem, kruis Hem. Tol Ie, tolle, crucifige eum! Jezus zal, als een booswicht veroordeeld, met een zwaar kruis beladen, door de straten dier ondankbare stad gesleurd worden, om op Golgotha in zijn eigen bloed het grootste zoenoffer der wereld aan den eeuwigen Vader te gaan opdragen. Het ontrouwe en ongeloovige Jerusalem, dat de Profeten doodt, en hen steenigt, die tot haar gezonden worden, zal ook den Verlosser der wereld miskennen; zij zal den door alle eeuwen heen zoo vurig verlangden Messias verguizen en verwerpen; in de overmaat harer boosheid zal zij den dood vragen van Hem, die de bron en oorsprong is van alle natuurlijk en bovennatuurlijk leven; zij zal den Zoon van den levenden God den bitteren kruisdood doen sterven.

En toch had het dien verblinden niet ontbroken aan licht; de Profeten hadden den tijd van Christus' komst voorzegd, en die tijd was verschenen. Zij hadden met vurige trekken het leven en den dood van den Messias afgemaald, en Jezus van Nazareth was daardoor als dusdanig met den vinger aangewezen. Nog op het laatste oogenblik had de Voorlooper des Heeren, dien de Joden als een Godsgezant erkenden, hun openlijk verklaard, dat hij de beloofde Messias niet was, maar dat het Lam, dat wegneemt de zonden der wereld, dat de Heiland der menschen, wiens schoeisel hij niet waardig was te

ocr page 166

160 PALMZONDAG.

ont,linden, zich al reeds in hun midden bevond, ofschoon zij Hem nog niet henden. De eeuwige Vader zelf had de plechtige getuigenis afgelegd, ten aanhoore van het volk, dat Jezus zijn beminde Zoon was, in wien Hij zijn welbehagen had gesteld.

Drie volle jaren had de goddelijke Heiland Judea doorwandeld : overal had Hij weldaden verricht, en bewijzen zijner Godheid gegeven. Uit de bezetenen had Hij den duivel verjaagd, en deze had Hem al knarsfandend als den Zoon van David erkend en luide uitgeroepen. Hij had den schuldigen hunne zonden vergeven, en door wonderwerken getoond, het recht te bezitten om van de zondeschuld te ontslaan; zoodat Hij, volgens de getuigenis der Joden zelve, als de ware Zoon van den levenden God moest worden erkend. Kreupelen en lammen zonder tal had Hij genezen, aan de dooven had Hij het gehoor, aan de blinden het gezicht, en aan tallooze kran-ken de gezondheid weêrgeschonken. Wind en storm waren op zijn bevel bedaard, en in zijne handen had het brood zich duizendvoudig vermenigvuldigd. Als meester der natuur beval Hij het graf zijn prooi terug te geven, en de dood gehoorzaamde aan zijne stem. Op zijn woord stonden de ontslapenen van hun sterfbed op, of traden uit den schoot der aarde en van de reeds diep doorgrijpende ontbinding, vol kracht en leven, te voorschijn. Geheel de natuur, de dood zelf en de hel hadden al zijne bevelen geëerbiedigd, en Hem als haren opperheer erkend. Israël alléén hield de oogen gesloten. Nog een oogenblik, en dat ongeloovig volk zal voor een heidenschen rechter verklaren, dat het Jezus niet voor den Gezalfde des Hee-ren erkent, en Hem niet voor zijnen vreedzamen Koning wil aannemen. In zijne verblindheid zal dat volk het bloed van den Rechtvaardige eischen, en spottend uitroepen : dat zijn bloed kome over ons en over ons kroost! Dit moest echter volgens de raadsbesluiten van Gods eeuwige Wijsheid niet geschieden.

ocr page 167

PALMZONDAG. 161

vóórdat de goddelijke Heiland in datzelfde Jerusalem, door datzelfde volk, als de beloofde Messias, als de langverwachte Davids-Zoon, uitgeroepen en gehuldigd was. Datzelfde volk moest den Heiland eerst in triomf Sions grijze veste binnenvoeren, alvorens het zijn bloed vergen zou; langs diezelfde straten, waar de moordkreet tegen den Gezalfde des Heeren zou worden aangeheven, moest eerst uit aller mond het Hosanna filio Damd worden gehoord. Want het verblinde Jodendom moest, vóór het den Godsmoord beging, ten aanzien der seheele wereld, zijn eigen vonnis vellen; het moest plechtig de getuigenis afleggen, dat het den Messias aan zijne werken had herkend, vóór dat het er toe kwam, om dienzelfden Messias als een boosdoener te veroordeelen, en als een bedrieger te verwerpen. De heilige boeken verhalen ons omstandig deze allergewichtigste gebeurtenis, die ons reeds iets doet begrijpen van de ontzettende straf, die sedert achttienhonderd jaren zoo bitter op het verworpen Jodendom rust.

Plet was nog niet lang geleden, datjezus den ontslapen

Lazarus van deu dood had opgewekt. „ Terwijl de goddelijke

,/ Heiland dan nog in Bethanië was, begaven zich vele Joden

H derwaarts, niet alleen om Jezus te zien, maar ook om Laza-

u rus, dien Jezus uit de dooden had opgewekt, te aanschou-

// wen. Maar de overpriesters overlegden, om ook Lazarus te

„ dooden, dewijl velen om hem van de Joden afvielen, en in

,/ Jezus geloofden. Des anderen daags, als zij Jerusalem gena-

„ derd, en te Bethphage, aan den Olijfberg gekomen waren,

// zond Jezus twee discipelen uit, en sprak tot hen : Gaat naar

n het vlek, dat tegen u over ligt, en terstond derwaarts in-

// gaande zult gij vinden eene ezelin, die vastgebonden is, en

// bij haar een veulen, waarop nog geen mensch gezeten heeft;

// maakt het los, en brengt het hier. En zoo iemand tot u zest:

„ waarom maakt gij het los ? zult gij aldus tot hem zeggen ;

u de Heer heeft, het noodicr. En hij zal het terstond laten

11

ocr page 168

16ü palmzondag.

// volgen. Dit alles nu is geschied, opdat vervuld zou worden ,/ hetgeen gesproken is door den Profeet, zeggende : zegt aan „ de dochter van Sion ; zie, uw Koning komt tot u, zacht-igt; moedig, zittende op eene ezelin, en een veulen, het jong ,/ eener juk dragende. De discipelen gingen dan henen, en deden „ zoo als Jezus het hun geboden had. En als zij het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars er van tot hen : waarom „ maakt gij het veulen los? Zij antwoordden, gelijk Jezus hun ,/ gelast had : de Heer heeft het noodig; en zij lieten het hun „ toe. En zij brachten de ezelin en het veulen bij Jezus, en n legden hunne kleederen er op, en deden er Flem op zitten, „ gelijk geschreven staat : vrees niet, dochter van Sion, zie „ uw Koning komt, zittende op liet veulen eener ezelin. Dit „ verstonden zijne discipelen in het eerst niet; maar, als Jezus „ verheerlijkt was geworden, toen werden zij gedachtisj, dat „ dit van hem geschreven stond, en zij hem dit hadden ge-„ daan.quot; Hoe eenvoudig, hoe nederig is die intrede des Hee-ren in Jerusalem! Niet op een prachtigen wagen, maar op de wijze, door de min-gegoeden in het Oosten gevolgd, namelijk, gezeten op een veulen, waarnaast eene ezelin gaat, om het veulen gewilliger te doen loopen, trekt Hij naar Jerusalem op. // Als nu de groote schare, die tot het feest gekomen was, „ gehoord had, dat Jezus naar Jerusalem toog, namen zij tak-„ ken van palmboomen, trokken Hem tegemoet en riepen : „ Hosanna! Gezegend, die komt in den naam des Heeren, n de Koning van Israël! Eu eene groote menigte spreidde hare „ kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de „ boomen, en strooiden ze langs Jen weg. En de scharen, die „ vooruitgingen, en die volgden, riepen, en zeiden : Hosanna ,/ den Zoon van David! Gezegend Hij, die komt in den Naam „ des Heeren! Gezegend het rijk, dat komt, van onzen vader ,/ David! Hosanna in het allerhoogste! De Phariseën konden u hun spijt over deze openbare hulde, welke Jezus ontving.

ocr page 169

PALMZONDAG. 168

„ niet verbergen, en zeiden tot Hem : „ Meester, bestraf uwe „ leerlingen ! Hij echter sprak tot hen : Ik zeg u, indien u deze zwijgen, zullen de steenen roepen.quot;

Plechtig herdenkt heden de Kerk die heugelijke gebeurtenis; zij stelt ons, op eene aanschouwelijke wijze, den roemvollen intocht van den Heiland in Jerusalem voor oogen. In dezen tijd van droefheid wil zij ons een oogenblik vreugde vergunnen, opdat ook wij met blijde harten den Heere Jezus voor onzen Koning zouden uitroepen. Vreugde en droefheid mengen zich op dezen dag te zamen, en daarom drukken ook de H. Diensten nu eens blijdschap uit, wanneer de Kerk den vreugdekreet van Jerusalem, het hosanna den Zoon van David herhaalt; en dan wederom droefheid, wanneer zij ons het lijden van haren goddelijken Bruidegom verhaalt en over diens smarten weent.

De H. Dienst van Palmzondag bestaat uil drie verschillende plechtigheden, te weten : de Palmwijding, de daarop volgende Processie en de H. Mis.

De eerste dezer drie plechtigheden is de Wijding der palmen. Met de paarsche koorkap bekleed, en van een Diaken en Subdiaken begeleid, bestijgt de dienstdoende priester het altaar. Hij leest een antiphoon bij wijze van Introïtus en bidt de Collecte ; de Subdiaken zingt den Epistel, de Diaken het Evangelie, dat ons Jezusquot; intrede in Jerusalem verhaalt, en na een zinrijk gebed heft de Priester de Prefatie aan. Alles, in één woord, volgt elkaar in dier voege op, alsof het H. Misofier ware begonnen,en voltrokken worden moest. Maar zoodra het driemaal heilig gezongen is, worden deze plechtigheden afgebroken, en de eigenlijke Palmwijding begint. De Priester spreekt, in den naam der Kerk, over de palmen zin-en zegenrijke gebeden uit, waarin de beteekenis der gewijde palmen verklaard, en aan de luistervolle intrede van Jezus in Jerusalem herinnerd wordt. Vervolgens worden die palmtakken met wijwater besproeid, bewierookt en aan de aanwezige

ocr page 170

164 PALMZONDAG.

priesters en leeken uitgedeeld. Gedurende de Processie, en onder de H. Mis, tijdens de Consecratie, en wanneer de lijdensgeschiedenis des Heeren wordt gezongen, dragen de ge-loovigen de gewijde palmen in hunne hand, ten bewijze van hun geloof, en ten teeken van hun vertrouwen op Gods bijstand en hulp. Na den H. Dienst nemen zij die palmen mee naar hunne woning, planten ze op hunne akkers, plaatsen ze aan den ingang van hun huis, versieren er het kruisbeeld mede, ot leggen ze bij het wijwater in hun slaapvertrek. Ue wereldsch-gezinde mensch ziet met minachting op dit vroom gebruik neder, omdat hij er niet aan denkt, dat de gebeden en de zegen der Kerk die palmen hebben geheiligd, dat die zegen deze stoffelijke voorwerpen tot de bovennatuurlijke orde verheven, en hun de kracht verleend heeft, om ons lichaam en onze ziel, onzen akker en onze woning te bewaren voor schade en allerlei ramp ! Immers, wanneer de Kerk haren zegen uitspreekt, dan wenscht zij hem niet alleen toe, maar geeft hem waarlijk en met der daad. En wat dan vraagt zij van den Heer, wanneer zij de palmtakken door haren zegen wijdt ? //Dat die-„ genen, o Heer, — zoo bidt zij bij die wijding, — dat die-,/ genen, o Heer, die deze olijftakken ontvangen, uwe bescher-// ming voor hunne ziel en hun lichaam ontwaren ! Dat die „ takken ons een hulpmiddel ter zaligheid wezen, en een // onderpand van uwe genade ! Uw zegen ruste op die plaatsen, ,/ waar deze palmen, ter eere van uwen naam gewijd, zullen // worden neergelegd ; en dat zij allen, die deze plaatsen „ bewonen, aan uwen zegen deelachtig worden.quot;

Soms gaat de wereldling zoover, dat hij den spot drijft met dit aloud en godvruchtig gebruik. Ja, hij heeft er zoo lang mede gespot, totdat hij aan menige arme ziel, die te midden van hare ontberingen en hare ellende, geen ander goed, geen anderen troost dan Godsdienst en Godsvrucht op deze wereld bezat, kwaadaardig, dat dubbel^ dat kostbaar kleinood ontnomen

ocr page 171

PALMZONDAG. 165

heeft. Hij weet misschien niet, hoe groot de wonde is, welke hij heeft geslagen; hij kent de diepte niet van den afgrond, dien hij heeft gedolven, en waarin hij zelf zal vergaan. Hij trede de woning van den armen, door hem van Godsdienst en Godsvrucht beroofden werkman binnen, en hij beschouwe zijn werk! Aan dien naakten wand, naast dat harde leger, boven die gebroken tafel, waarop soms geen bete broods meer ligt om den nijpenden honger te stillen, hing vroeger het beeld van den armen en lijdenden Jezus; en dat Kruis werd, op dezen dag, met een gewijden Palmtak versierd. Neergeknield voor dat kruisbeeld, bad hij iederen morgen: Geef ons heden ons dagelijksck brood. Werd soms zijne bede niet verhoord; had hij tevergeefs aan alle deuren geklopt, om, door harden arbeid, een karig dagloon te verdienen, waardoor hij in de dringendste behoefte der zijnen kon voorzien; keerde hij moedeloos en afgemat in zijne koude woning weder, zonder de tranen te kunnen stillen van een onnoozel wicht, dat, op de armen zijner hongerende moeder, om een luttel broods tot zijnen vader riep en weende, dan knielde hij, met zijne geliefden voor datzelfde Kruisbeeld neder, en, met tranen in zijne stem, sprak hij tot zijnen Verlosser : Uw wil geschiede: en dat woord gaf kracht en sterkte, ja bracht niet zelden redding aan.

Spotter! gij hebt den gewijden Palm van dat Kruisbeeld afgerukt, en nu is ook dat Kruisbeeld zelf uit dat verblijf der smarte verdwenen. Maar, daar stijgt ook thans geen bede meer ten hemel; daar verneemt gij de taal van geduld, van onderwerping aan Gods heiligen wil niet meer. Daar, waar vroeger een arme met zijn hard lot tevreden, woonde, brult nu een ongetemde tijger, die een kreet van wanhoop en een afschuwelijken gil van wraak en bloed hooren doet. Sedert hij zijn oog niet meer ten hemel heft, heeft het zich op u, op u, spotter, gevestigd. Hij ziet uwe rijkdommen, hij aanschouwt uwe schatten, hij staart woedend op de pracht en de weelde, welke gij

ocr page 172

166 PALMZONDAG.

ten toon spreidt. Huilend roept hij uit: zou ik van honger en ellende vergaan, terwijl anderen zich in genoegen baden ? Zij hebben lang genoeg zich met mijn zweet verrijkt; zij hebben lang genoeg het vet der aarde bezeten! Mijn dag is gekomen, het uur is daar, om hun lot tot het mijne, mijn lot tot het hunne te maken. Broeders, zoo roept hij den deelgenooten zijner ellende toe : Broeders, wij hebben allen hetzelfde recht op alle goederen der aarde! Hij krenkt ons recht en pleegt diefstal aan ons, hij, die méér durft bezitten dan wij, hij, die rijk durft zijn, terwijl wij in diepe armoede gedompeld liggen. Laten wij dien verdrukkers den oorlog verklaren, op leven en dood. Wij hebben niets te vreezen in dien strijd: wij zijn duizend gespierde mannen tegen één verwijfden meester! De overwinning is aan ons; wie zou ze ons betwisten? En, moesten wij ook al bezwijken, en onder de puinhoopen der vernietigde maatschappij worden begraven, wat ligt er ons aan gelegen ? Er zou des te eerder een einde zijn aan ons lijden, en wij zouden ten minste eene voldoening, den zoeten wellust mogen smaken eener bittere wraak!

Zóó redeneert het Socialismus, de scherpe geesel onzer dagen, die eens den goddeloozen spotter met den liefdeloozen rijke kastijden zal. Zoo spreekt de Proletariër, gelijk men den werkman thans pleegt te noemen, aan wien men de godsvrucht, en na de godsvrucht het geloof, en met het geloof, alle geduld en lijdzaamheid ontnomen heeft. Ach! had die ongelukkige nog het Kruisbeeld, met den palm getooid, in zijne woonstede bewaard; had hij, voor dat Kruisbeeld neergeknield, den Heiland in zijne naaktheid en armoede beschouwd, en aan zijne voeten gebeden, dan zou het eerste gevoel van wraak in zijne kiem gesmoord, de eerste toon van ongeduld en klacht op zijne lippen gestorven zijn. Nu, helaas! is zijne ziel verwond, en wie zal ze genezen? Nu smeedt hij plannen van verwoesting, en wie zal ze verijdelen ?

ocr page 173

PALMZONDAG. 167

Spotter ! gij beeft bij de gedachte aan het onheil, dat u dreigt, gij siddert bij het denkbeeld van het gevaar, dat u staat te wachten, en dat van dag tot dag grooter wordt en )iader komt. Ach! erken! maar erken met tranen van berouw, dat gij zelf den storm hebt gewekt, die u dreigt te verpletteren : want, die wind zaait, moet orkaan oogden. Herstel, indien gij kunt, het kwaad, wat gij hebt aangericht. Giet in de diepe wonden, welke gij hebt geslagen, den olie en den wijn van den barmhartigen Samaritaan; den olie namelijk der barmhartigheid, niet den ontstekenden en prikkelenden olie der philan-tropie, maar den verzachtenden olie eener medelijdende en weldadige naastenliefde! Voeg bij dien olie een heelenden en versterkenden wijn, niet den zuren wijn eener valsche wijsbegeerte of staathuishoudkunde, maar den geurigen wijn van een levendig Geloof, dat zich door goede werken en stichtende voorbeelden toont, en overal den kostelijken geur van Jezus-Christus verspreidt. Maar leer, vóór alles, eerst zelf terug op de heilaanbrengende wegen van den Godsdienst en der Godsvrucht: zij alléén kunnen heul en redding aanbrengen, want aan haar alléén zijn de beloften gedaan van geluk, voor tijd en eeuwigheid.

Doch keeren wij weder tot de feestviering van dezen dag. Zoodra de zegening der Palmen geëindigd is, begint de Processie, welke men als de voortzetting dier wijding beschouwen kan. Het is bijzonder door dezen plechtigen Omgang, dat Jezus'glorierijke intrede in Jerusalem levendig wordt afgebeeld. Daarom dragen Priesters en leeken, gedurende de Processie, de gewijde palmen in hunne hand, en daarom ook herhaalt het koor verscheiden malen den triomftoon, die eigen is nan dezen dag : Hosanna, den Zoon van David, gezegend zij Hij, die komt in den Naam des Heeren. Wij ook gaan op dezen dag onzen Koning tegemoet, en zingen een loflied den overwinnaar des doods ter eere, omdat Hij zijn volk heeft verlost.

ocr page 174

168 palmzondag.

Tijdens de middeleeuwen was het op verschillende plaatsen gebruikelijk, het Evangelieboek, als zinnebeeld onzes Heeren Jezus-Christus, wiens woorden het bevat, in deze Processie rond te dragen. Op eene bepaalde plaats hield de Omgang stil; de Diaken opende het H. Boek, en zong daaruit het verhaal vaïi Jezus'plechtige ontvangst te Jerusalem; daarna ontdekte men het Kruisbeeld, dat vooraan in de Processie gedragen weid, en alle Priesters naderden het, om, als huldebewijs, een gedeelte hunner palmtakken aan den voet er vnn neer te leggen. Vervolgens zette de Processie haren weg voort, terwijl het Kruisbeeld ontbloot bleef, totdat men de Kerk weer binnentrad. De zin dezer ceremonie is licht te begrijpen : want, wordt het Kruisbeeld met een voorhang bekleed, wegens de vernederingen, den Heer aangedaan, dan mocht die voorhang wel voor een oogenblik worden weggenomen bij die roemrijke, maar kortstondige huldiging, die den Verlosser op dezen dag te beurte viel. In Engeland en Normandië bestond een ander gebruik, dat nog levendiger aan die groote gebeurtenis herinnerde. De Heer Jezus namelijk werd aldaar zelf in het Allerheiligste Sacrament bij de Processie rondgedragen, ter vernedering van de ketters, die de dwaalleer van Berengarius aankleefden, en ter verheffing van dit hoogheilig Geheim, dat door genoemden ketter, voor de eerste maal, sedert de stichting van Jezus' Kerk op aarde, openlijk geloochend was.

Wanneer de Processie haren tocht heeft volbracht, en op het punt staat, om de Kerk wederom binnen te trekken, vindt zij de deur van het Heiligdom gesloten. Zij staat dus stil, maar de triumfzangen duren voort. Binnen de kerk heft de teedere stem der koorknapen den Lofzang aan : gloria, laus et honor tïbi sit enz., dien Theodulphus, Bisschop van Orleans, vervaardigde, toen hij, tengevolge van valsche beschuldigingen, door Karei den Goeden, in de gevangenis geworpen was. Het koor, dat buiten de kerkdeur staat, herhaalt het gloria, laus

ocr page 175

PALMZONDAG. 169

et honor, na iedere strophe, welke de koorknapen zingen. De kinderstemmen, die in de Kerk Jezus als Koning en Verlosser prijzen, verbeelden de Engelen, die in het heiligdom des Hemels de intrede des Heilands in zijn eeuwig Koninkrijk bezingen, terwijl het koor, dat buiten de kerk den kinderzang herhaalt, het menschdom verbeeldt, dat, nog verwijderd van de woning der gelukzaligen, slechts de intrede viert van Davids Zoon in het aardsch Jerusalem. Is deze lofzang geëindigd, dan verheft de dienstdoende Priester zijne stem en zingt tot driemaal toe, terwijl hij telkens een toon hooger aanslaat : ontgrendelt uwe deuren, o Vorsten, en gij, eemoige poorten, opent u, opdat de Koning der Heerlijkheid binnentrede !

Wie is die Koning der Heerlijkheid? vragen al zingend telkens de koorknapen, die zich nog alleen bevinden in de kerk. Het is de Heer, sterk en machtig, zoo antwoordt twee keeren de Priester, de Heer, machtig in den strijd. Ten derden male, antwoordt hij : de Heer der heerkrachten, dat is de Koning der heerlijkheid. Dan klopt de Subdiaken, met het kruis, hetwelk hij in zijne hand voert, op de kerkdeur ; deze wordt alsdan geopend, en de Processie trekt den tempel binnen, terwijl zij Hem looft in hare gezangen, die alléén de Opstanding en het Leven is.

Door deze beteekenisvolle plechtigheid wordt ons de intrede voorgesteld van den Goddelijken Verlosser in dat ander Jerusalem, waarvan de Joodsche stad slechts het zinnebeeld was. Dat ander Jerusalem is de Hemel, dien Jezus ons geopend heeft door zijn bloed. De eerste mensch had door zijn val ons de deuren van het hemelsch Jerusalem gesloten; maar Jezus, de Koning der Heerlijkheid, heeft ons, door de kracht van het Kruis, die deuren weer geopend. Zóó brengt de Kerk onze gedachten al hooger en hooger : in het begin herinnerde zij ons aan eene zeer gewichtige gebeurtenis, die vóór achttien eeuwen op dezen dag plaats had, en bij het eindigen der Processie

ocr page 176

170 PALMZONDAG.

voert zij onzen geest op tot het glorievolle geheim van 's H ee-ren Hemelvaart, waardoor de zending van Gods Zoon op aarde, in den Hemel haar einde neemt. Maar de dagen, waarop deze dubbel zegevierende intrede des Heeren wordt herdacht, zijn ver van elkander verwijderd, en de tijd, die tusschen het een en het ander feest inligt, is niet altijd een tijd van vreugd. Dagen van droefheid en smart moeten dit tweede feest nog voorafgaan, en daarom laat ook heden de Kerk, na een oogen-blik hare droefheid te hebben laten varen, hare tranen wederom vloeien en opnieuw hare zuchten hooren. Diepe droefheid kenmerkt de H. Mis en de andere H. Diensten van dezen dag. Voor de eerste maal wordt heden het verhaal des lijdens van den Heer in zijn geheelen omvang voorgelezen of gezongen, en zeker is er niets meer geschikt, om aller harten tot treurigheid te stemmen. Sedert vijf of zes eeuwen wordt dit Evangelie op eene bijzondere, ik zou bijna zeggen, op eene dramatische wijze voorgedragen. De Mis-Diaken zingt alléén het laatste gedeelte er van, het lijdensverhaal wordt door drie andere diakens gezongen, zonder dat een hunner het Evangelieboek bewierookt, of de koorknapen met brandende kaarsen naast hen staan. Op een ernstigen toon zingt een der Diakens het verhaal van den Evangelist; de tweede zingt, op zachten en lagen toon, de woorden van Hem, die van zich-zelven getuigt, dat hij zachtmoedig en ootmoedig van harte is; de derde eindelijk heft een hoogen toon aan, die tot in het binnenste der ziele dringt, wanneer hij de moordkreten der Joden herhaalt, of de godslasteringen, welke zij tegen den Gekruiste uitbraakten. Tijdens het zingen van de Passie houden allen hunne palmtakken in de hand, om door dit teeken Hem voor hunnen God en Koning te erkennen, Hem, die door het Jodendom verworpen en ter dood veroordeeld werd.

Ziedaar de plechtigheden, en tevens de verheven beteekenis der ceremoniën van dezen dag, die algemeen Palmzondag,

ocr page 177

PALMZONDAG. 171

doch, op enkele plaatsen ook Hosanna-zondag genoemd wordt. De Franschen heeten hem ook wel : de Zondag van het bloeiende Paschen, omdat het groote Paaschfeest, dat na verloop van eene week zal opdagen, nu reeds in bloei staat, en men van dezen dag af aan zijnen paaschplicht al kan voldoen. Aan deze Fransche uitdrukking, die mede in Spanje gebruikelijk is, heeft Florida, dat op dezen dag, in 1513, door de Spanjaarden werd ontdekt, zijn naam te danken. Ook werd deze dag soms Capitilaviurn geheeten, wegens de hoofdwassching der kinderen, die met Goeden Zaterdag moesten worden gedoopt. Om een soortgelijke reden, wegens de laatste voorbereiding namelijk der Catechumenen vdor hun H. Doopsel, werd deze dag ook wel Pascha competentium. genoemd.

LOFZANG.

Uc^illa liegt»

Ontrol des Konings Zegevaan,

De kruisbanier, het levensteeken.

Dat hel en dood te niet deed gaan.

En licht in 't duister door deed breken.

De wonde in des Verlossers zij,

Die bloed met water heeft doen vloeien. Was balsemdrupplend ook voor mij,

Om de erfsmet uit de ziel te roeien.

Nu, David, is uw woord vervuld,

Tot troost der Volken, die het zagen ;

God heeft, in 't aardsche kleed gehuld.

Op 't hout zijn Rijkstroon neergeslagen.

ocr page 178

172 PALMZONDAG.

6 Kruisboom, schittrend schoon van gloor, Met Koningspurper opgeluisterd,

Hoe blinkt uw smaadheid heerlijk door, Hoe hebt ge alle aardsche praal verduisterd !

Op u heeft 's Heeren last gedrukt.

Om onze borst er van te ontheffen.

Aan u is 't zegeloof geplukt.

En stierf de schuld, die ons moest treffen.

o Kruisboom, teeken van gena.

Kom, bij 't herinnren van Gods lijden, Ons met Geloof en Hoop te sta.

Opdat wij in 't hart de Liefde u wijden.

Schenk, Bron van heil. Drievuldigheid, Dat ons, die lof en eere U geven. Het Kruis de zege op aard bereid',

En we in zijn schaduw eeuwig leven.

Overweging.

Overweeg, o Christen, de intrede van Jezus in Jerusalem, en zie, hoe vaak hetgeen daar voorviel zich hernieuwt, wanneer Jezus, door het allerheiligste Sacrament het hart der ge-loovigen binnentreedt. Die goddelijke Heiland komt tot ons in de H. Communie als een allerzachtmoedigste Koning. Met hoeveel bewijzen van eerbied, met hoeveel teekenen van godsvrucht wordt Hij niet ontvangen r Wat is men niet gerechtigd, om van al deze liefde- en eerbewijzen te verwachten ? Welke zedehervorming, welke teedere godsvrucht, welke regelmatigheid in handel en wandel ? Maar, helaas ! ook bij de Christenen ziet men soms hetzelfde gebeuren, dat in deze week bij de Joden plaats had. Jezus Christus wordt als Messias ontvangen, en terstond wederom vergeten of miskend. Zes dagen na zijn plechtigen intocht in Jerusalem werd de goddelijke Heiland er met ongehoorden smaad bejegend, en

ocr page 179

GOEDK DONDERDAG.

173

met barbaarsche wreedheid verguisd. De Christen wacht soms niet eens zoo lang, om Hem te beleedigen, dien hij in de Paaschcommunie ontvangen heeft. Blijft men lang verwijderd van die wereldsche bijeenkomsten, waar men zich zoo zeer schaamt over zijn geloof, van die schuldige vermaken, van die heidensche tooneelen, waar de duivel zich zoo ruim schadeloos stelt voor het verlies, dat hij door eene kortstondige godsvrucht had ondergaan ? Hoevelen hebben daar door hunne booze werken den moordkreet der Joden niet herhaald tegen Hem, die zich voor weinige dagen aan hen had gegeven, om de spijs en de drank hunner zielen te zijn ? Hoe weinigen zijn er, die op den goeden weg volharden ! Moge ons geweten ons de getuigenis geven, dat wij tot het getal dier ondankbaren niet behooren !

O mijn God! zou het mogelijk zijn, dat ik, na de ernstige overweging der Joodsche ondankbaarheid, mij ooit nog aan diezelfde ondankbaarheid zou schuldig maken ? Laat dit niet toe, o mijn God ! en doe mij duizendmaal liever het leven verliezen, dan uwe liefde en uwe genade te verbeuren! Nooit, o mijn God, wil ik U meer verlaten : ik wil altijd aan U gehecht blijven, het koste wat het wil! Nu en immer zal ik met een hart vol liefde tot U, mijn Verlosser toeroepen ; Hosanna, den Zoon van David, gezegend zij Hij, die daar komt in den Naam des Heeren ; Hosanna, in het allerhoogste

...................................................................................................................=•.........................................................

GOEDE DONDERDAG.

ijn wij niet in het midden der groote lijdensweek gekomen ? Zijn wij heden niet op den vooravond van Jezus' smartvollen dood ? Is het niet heden de dag, waarop de Koning der eeuwen, wiens Rijk geen einde zal hebben, door een zijner Apostelen verraden werd ? Is het niet de dag, waarop de goddelijke Heiland in angst en benauwdheid

ocr page 180

174 GOKDK DONDERDAG.

bloedig zweet in den Olijfhof stortte, en gevangen voor de

rechtbank van Annas en Cayphas werd gesleurd ?

Maar, hoe komt het dan, dat de paarsche voorhang van het kruis afgenomen en door een hagelwitte doek vervangen is ? Yanwaar dan die witte kaarsen op het altaar ? Vanwaar die luister in het heiligdom ? Waarom dan luiden zoo feest-lijk alle klokken van den toren, en paren zij hare krachtige stemmen met de welluidende tonen van het orgel-accoord ? Waarom heeft, op een dag van zulke droevige herinnering, de Bedienaar des heiligdoms het treurkleed afgehgd en verschijnt hij in feestgewaad ? Waarom aarzelt hij niet, het zoolang uit den kerkdienst verwijderde lied der Engelen, met de volle borst aan te heffen ? Waarom, in één woord, al die vreugdeteekenen op een dag, die treuriger dan alle andere dagen in de kerk moesten worden herdacht ?

Ja, het is op den avond van dezen dag, dat het bitter lijden des Heeren een aanvang nam, en daarom treurt de Kerk in hare getijden; maar het is ook op dezen zelfden avond, dat de Heere Jezus het offer der Nieuwe Wet en het Priesterschap des Nieuwen Verbonds instelde. Op dezen avond schonk de goddelijke Bruidegom aan zijne geliefde Bruid den kostbaarsten aller schatten, het hoogheilige Sacrament, dat de hartader is van het leven der Kerk, het voorwerp van al hare feestvieringen, hare kroon, haar sieraad en haar roem ! En daarom is op dezen dag der geheimen, gelijk hij in het Oosten wordt genoemd, vreugde naast droefheid geplaatst. Daarom was deze dag, van de Aposteltijden af, een groote en plechtige dag in Gods heilige Kerk ! Op dezen dag werd zelfs in vroeger tijden de strengheid van de vasten getemperd, en vandaar, zoowel als naar den witten voorhang, die heden het kruis bedekt, werd hij Witte Donderdag genoemd. Na deze mede-deeling moet het ons dan ook niet verwonderen, dat het hoogaltaar heden feestelijk is getooid. Daar immers rust onophou-

ocr page 181

GOEDE DONDERDAG. 175

(lelijk de kostbare schat, die ons op dezen dag werd geschonken; daar rust bij dag en bij nacht, onder broodsgedaante verscholen, Jezus' Lichaam en Bloed; dóar wordt telken dage het onbloedig Offer der Nieuwe Wet aan den eeuwigen Vader opgedragen. En wanneer dus zou dat altaar eerder in volle pracht verschijnen, dan op dezen dag ?

Maar wij willen de daaraan verbonden plechtigheden niet vooruit loopen. Wij moeten integendeel wegens haar getal en hooge beteekenis ze aan elkander scheiden, en afzonderlijk nagaan.

DE DONKERE METTEN.

In de laatste drie dagen der Goede Week vervroegt de Kerk het uur der nachtgetij den, opdat de geloovigen ze gemakkelijker zouden kunnen bijwonen. In deze heilige diensten is alles treurig en somber : zij malen ons met de levendigste kleuren de droefheid, waarin de Kerk gedompeld is, en zouden den godvruchtige, die ze bijwoont, bijna doen gelooven, dat hij bij eene begrafenis tegenwoordig was. De getijden worden op deze dagen zonder hoofdman of herder gezongen, opdat wij, den goddelijken Verlosser in zijne verlatenheid betrachtende, de voorzegging van den Profeet zouden herdenken : ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Het gewone voorgebed, en evenzoo de dubbele bede : Heer, open mijne lippen, om uwen lof te zingen; Heer, kom mij te hulp; Heer, haast U, om mij te helpen, worden achterwege gelaten; zelfs het Eere zij den Vader en den Zoon en den H. Geest, dit eeuwige loflied, der Allerheiligste Drieënheid ter eere, dat op alle andere tijden onophoudelijk weerklinkt in de gebeden der Kerk, wordt in deze dagen geen enkele keer meer gehoord. De zang der psalmen is zoo somber, alsof hij met tranen en zuchten ware doormengd, en, nog treuriger

ocr page 182

176 GOEDE DONDERDAG.

dan de psalmen, weerklinken in de eerste nachtwake de treurige klaagliederen van den allertreurigsten der Profeten. Jerusalem was ontrouw geworden aan zijnen Meester, en had zijn knie voor valsche goden gebogen. De gramschap des Heeren was door die euveldaad gewekt, en zijne straffende hand viel loodzwaar op het zondige Israël neer. Jerusalem werd verwoest, het heilige der heiligen werd onteerd, en, als eene kudde vee, werd het uitverkoren volk gevangen en in ballingschap naar Babyion vervoerd. Met onnavolgbare woorden klaagt Je-remias in zijne liederen over het bittere lot van zijn volk, en schildert met vurige trekken de schrikbarende straffen af, die op het ongeloovig Jerusalem zijn neergestort. Die straffen, echter, die verwoesting, die gevangenis, die ballingschap, waren slechts de figuur der kastijding, die het joodsche volk voor eene nog grootere misdaad te wachten stond, en niet zestig jaren, maar tot het einde der eeuwen duren moest.

Die ijzingwekkende vloek, waaraan de komst van Elias, vóór het wereldgericht, slechts een einde zal maken, rust alreeds sedert achttien eeuwen op het joodsche volk, omdat het zijn Messias verworpen, en zijne handen door een Godsmoord bezoedeld heeft. Wanneer nu het jaar in zijnen loop de dagen terugbrengt, waarop deze misdaad der misdaden werd begaan, dan stemt de Kerk, met het oog op de bittere straf, welke Israël verduurt, de klaagliederen van Jeremias aan : zij zingt ze op eene droevige wijze, die van de oude joodsche tijden herkomstig is, en spoort, bij het eindigen van ieder lied, het verblinde jodendom tot bekeering aan, terwijl zij het deze hartroerende woorden toevoegt: Jerusalem, Jerusalem, keer toch terug tot uwen Heer en uwen God! Deze woorden echter zijn niet alleen tot de Joden gericht, maar ook tot ons. Ons geestelijk Jerusalem, onze arme ziel, is misschien ook op dit oogen-blik nog in een betreurenswaardigen staat; zij ligt misschien nog in de banden der zonde gekluisterd, en dan is zij ook ver-

ocr page 183

GOEDE DONDERDAG. 177

woest en onteerd, want schrikbarend is de verwoesting, welke de zonde in het hart aanricht, en ontzettend is de gruwel, welke zij brengt in het heiligdom der ziel. Ook tot u, zondaar, roept in deze dagen de klagende stem der Kerk : Jerusalem, Jerusalem, arme en ellendige zondaar, hekeer u dan toch eindelijk tot uwen Heer en uwen God. — Na ieder uur der Getijden, wordt de psalm Miserere, die zoo zeer geschikt is om ware gevoelens van berouw in ons op te wekken, gebeden, en ter verlevendiging van onze hoop en van ons betrouwen op vergeving, wordt telkens na het Miserere een gebed uitgesproken, dat ons aan den kruisdood des Heeren herinnert, als aan de bron van alle verdiensten, aan de oorzaak onzer hoop.

Men noemt den nachtdienst der laatste drie dagen van de Goede Week gewoonlijk de donkere Metten. Zij dragen dezen naam niet alleen daarom, dewijl deze dienst laat iu den namiddag begint en eerst na zonsondergang eindigt, maar ook nog wegens eene zinrijke en treffende plechtigheid, die in den dienst dezer drie dagen alleen voorkomt. Er wordt namelijk dicht bij het altaar een groote driehoekige kandelaar geplaatst, waarop vijftien gele waskaarsen gezet en ontstoken worden. Na iederen psalm of eiken lofzang wordt eene dezer kaarsen gedoofd, met uitzondering evenwel van de kaars, die op de spits van den driehoek staat. Onder den lofzang Bene-dietus, op het einde der Laudes, worden, na gelijke tus-schenpoozing, ook de zes kaarsen, die op het altaar branden, gebluscht. Wanneer de Antiphoon na den Benedietus gezongen wordt, neemt de Ceremoniemeester de eenige nog brandende kaars van den driehoek af, houdt haar op het altaar, terwijl gezegde Antiphoon gezongen wordt, en verbergt ze dan, zonder ze uit te dooven, achter het altaar. Zoodra de psalm Miserere en het gebed : respice quasumus geëindigd zijn, kloppen de zangers met hunne koorboeken op de banken,

totdat de eenige nog ontstoken kaars van achter het altaar

12

ocr page 184

178 GOEDE DONDERDAG.

wederom te voorschijn komt, en den aanwezigen verkondigt,

dat de donkere Metten van dien dag geëindigd zijn.

Laat ons een woord van verklaring bij de zoo even vermelde kerkgebruiken voegen. Wij beleven in deze week de dagen, waarop de glorie van den Zone Gods door zijn smaadvol lijden in zekeren zin verduisterd werd. Hij, die voor weinige dagen met zooveel geestdrift door het geheele volk werd ingehaald, wordt nu van allen, zelfs van zijne leerlingen, verlaten. Petrus, ja Petrus zelf, verloochent hem op de stem eener vrouw, eeuer onbeduidende dienstmaagd. Die gedurig grooter wordende verlatenheid van den lijdenden Jezus wordt ons levendig verbeeld door het achtereenvolgend uitdooven der kaarsen. De op den driehoek geplaatste verbeelden de leerlingen; de kaarsen op het altaar verbeelden Petrus en de andere Apostelen en lievelingen des Heeren. De kaars, die boven op den driehoek staat, is het zinnebeeld des Verlossers, het licht der wereld, dat, hoe ook miskend, echter wel verre van uitgedoofd te worden, opnieuw uit het graf te voorschijn treden en alle volken en landen verlichten zal. Om deze reden wordt die kaars niet uitgedoofd, maar een oogenblik op het altaar geplaatst en dan verborgen, ten einde eerst aan Jezus' kruisdood en dan aan zijne begrafenis te herinneren. Op het oogenblik, dat Jezus stierf, ontstelde geheel de natuur over den dood haars Scheppers; winden loeiden, donders kraakten, rotsen scheurden, het licht der zon verdween, de dood zelf werd met schrik en angst bevangen; de duistere graven scheurden en vele dooden kwamen uit den schoot der aarde wederom te voorschijn. Ziedaar het feit, waaraan het kloppen op de banken te midden der duisternis ons herinnert. Maar de verwinnaar des doods moet niet voor altijd in het donker graf blijven rusten: na drie dagen zal Hij verrijzen, en met eeuwige glorie bekroond, glansrijk te voorschijn treden. Hierop wijst ons het terugbrengen der nog altijd brandende kaars, die, te midden der diepste

ocr page 185

GOEDE DONDERDAG. 179

stilte, waarin ieder op dat oogenblik den goddelijken Verlosser aanbidt, uit de duisternis te voorschijn treedt en hare verheven plaats wederom inneemt.

Hoe menigmaal hebben wij deze plechtigheden bijgewoond, en toch hoe weinig indruk hebben zij op ons gemaakt, omdat wij in den geest der Kerk niet genoeg indrongen, en misschien de beteekenis niet eens kenden van hetgeen ons op zoo aanschouwelijke wijze levendig werd voorgesteld ?

DE VERZOENING OF VRIJSPRAAK DER OPENBARE BOETELINGEN.

Eertijds werden op Goeden Donderdag drie H. Missen gezongen. Vóór de eerste dezer drie H. Diensten had de verzoening der openbare boetelingen plaats. Eeeds vroeg in den morgen stonden zij, in slordige kleederen, barvoets, met lange haren en een sinds Aschwoensdag ongeschoren baard, aan de deur der kerk, welker drempel zij niet durfden overschrijden.

Wanneer de Hooge Priester in het heiligdom verscheen en voor het altaar nederknielde, om de zeven boetpsalmen met de Litanie van alle Heiligen te bidden, dan wierpen zich ook de boetelingen in het voorportaal der kerk op hunne knieën neder. Onder de Litanie van alle Heiligen vaardigde de Bisschop, tot driemaal toe, gezanten naar de openbare boetelingen af, om dien zondaars hoop en troostvolle woorden toe te spreken. Eerst kwamen twee Subdiakenen, die den boetelingen zeiden : // Ih leef, zegt de Heer, ik wil den dood des zondaars niet, maar dat hij zich bekeere, en leve.quot; Een tweedemaal zeiden hun twee andere Subdiakenen : de Heer zegt: ,/ Doet boetvaardigheid, want het rijk der hemelen komt nader.quot; Ten derden male werd hun een diaken gezonden, die hun toesprak en zeide : u Keft uwe hoofden op, want uwe verlossing is nabij.quot; Hadden deze boden van hoop en troost hunne zending vervuld, dan stond de Bisschop op en zette zich in

ocr page 186

180 GOEDE DONDERDAG.

het midden der kerk, met het gezicht naar de boetelingen gekeerd, op een zetel neder. Daar kwam de Aartsdiaken bij den Bisschop en smeekte hem met hartroerende woorden, dat hij zich mocht gewaardigen, zijne boetende kinderen in barmhartigheid op te nemen, en met de Kerk te verzoenen. Wij zeggen, met de Kerk, dewijl deze boetelingen reeds vroeger, in het Sacrament van boetvaardigheid, de vergiffenis hunner zonden en de kwijtschelding der eeuwige straffen hadden ontvangen, en in zooverre reeds met God waren verzoend. Na het verzoek van den Aartsdiaken sprak de Bisschop tot de nog altijd neergeknielde boetelingen over Gods oneindige barmhartigheid; hij wees hun den weg aan, dien zij voortaan moesten bewandelen, en zeide hun ten slotte: Komt, mijne hinderen, en hoort naar mij, ik zal u de vreeze des Heeren leer en. Dan stonden de boetelingen op, en de Aartsdiaken richtte voor hen de volgende bede tot den Bisschop : gelief in deze loeiende zondaars te herstellen, wat de duivel, door zijne kwade ingevingen, in hen heeft bedorven en vernield. — Zijn zij dan nu waardig, vroeg de Bisschop, om aan de genade der verzoening deelachtig te worden? Ja, antwoordde terstond de Aartsdiaken, ja, ik weet en getuig, dat zij die waardig zijn. Door deze getuigenis gerust gesteld, nam de Bisschop een der boetelingen bij de hand, en deze hielden op dezelfde wijze de een zich aan den ander vast, en zoo trokken zij allen, door den Bisschop geleid, de kerk binnen, en naderden tot bij den zetel, vanwaar de Hooge Priester hun het eerst toegesproken had. Inmiddels zong het koor: „ Voorwaar, ik zeg het u, Gods Engelen verheugen zich, wanneer ook maar één zondaar loetvaardigheid doet.quot; Verheug u, mijn zoon, want uw broeder was verloren, maar hij is teruggevonden; hij was gestorven, maar hij is verrezen!quot; Op zijne beurt verhief de Bisschop zijne stem en zong, op den toon der prefatie, een allertreffendst gebed, waarin hij Gods goedheid over deze

ocr page 187

GOEDE DONDERDAG. 181

zondaren afriep, en den Heer herinnerde aan zijne vroegere barmhartigheid. Na dit gebed knielden al de aanwezigen en baden de drie psalmen, welke met het woord Miserere beginnen. Dan stond de Bisschop alleen op, stortte verschillende gebeden voor die rouwmoedige zondaars, strekte zijne handen over hen uit, en verzoende hen eindelijk met deze indrukwekkende woorden: Bat de Heere Jezus, die zich gewaar-digd heeft, zich voor ons aan zijne vijanden over te leveren; die voor ons zijn kostbaar bloed heeft gestort, en daardoor al de zonden der wereld heeft uitgewischt; die aan zijne leerlingen heeft gezegd-, alles, wat gij hinden zult op aarde, zal gebonden zijn in den Kemel, en alles, wat gij op aarde zult ontbinden, zal ontbonden zijn in den Hemel; dat die Heere Jezus Christus, die mij, hoe omvaar dig dan ook, onder het getal dergenen heeft opgenomen, wien Hij deze macht heeft verleend, zich ook qewaardige, u, door mijne bediening, op de voorspraak van Maria, Gods Moeder, van den Aartsengel Michaël, van den H. Apostel Petrus en van alle Heiligen, door de verdiensten van zijn bloed, hetwelk hij ter vergifenis der zonden heeft vergoten, te ontslaan van alles, wat gij, door gedachten, woorden of werken hebt misdreven. Dat Hij de banden uwer zonden breke, en u tot het eeuvnge leven voere !

Na deze vrijspraak besproeide de Bisschop de boetelingen met gewijd water, bewierookte hen, en zond hen weg met deze woorden ; Staat op, gij, die slaapt! staat op van onder de dooden, Christus zal voortaan uw licht zijn! Vol vreugde, richtten zich dan de boetelingen op, en ijlden naar hunne woning, om de boetepij af te leggen, en met een zedig en passend gewaad in de kerk terug te keeren, teneinde aldaar met de andere geloovigen aan de tafel des Heeren het brood des levens te ontvangen.

Deze vrijspraak, die, even als de openbare boetpleging,

ocr page 188

182 GOEDE DONDERDAG.

alreeds sedert achttien eeuwen niet meer gebruikelijk is, heeft aanleiding gegeven tot eene buitengewone plechtigheid, die heden te Eome plaats heeft en de Pauselijke Zegen wordt genoemd. Op Goeden Donderdag verschijnt de Opperpriester, na de H.Mis, met eene koorkap bekleed, en de driekroon op het hoofd, in de loggia, die zich boven de hoofddeur van Sint Pieter, de Yatikaansche Basilica, bevindt. Eene ontelbare schare, uit alle streken der wereld, is op het St. Pieters plein vergaderd, en verbeidt met ongeduld het oogenblik, waarop de Stedehouder van Jezus Christus hun zijnen zegen, en met dien zegen de kwijtschelding zal schenken der tijdelijke straffen, welke zij, wegens hunne schoon reeds vergeveii zonden, nog moeten voldoen. Aan de voeten van denPaus neergeknield, bidt een der Prelaten, in naam van al de aanwezigen, het Confiteor. Daarna smeekt de Opperpriester Gods barmhartigheid af, roept de voorspraak der H. H. Apostelen Petrus en Paulus in, heft zijne handen ten hemel, alsof hij uit de schatten der eeuwige barmhartigheid kwijtschelding en vergeving wilde putten, en, terwijl allen nederknielen, en aller hoofden zich buigen, gelijk korenhalmen, waar, op den akker, een zachte wind mee speelt, schenkt hij aan die tallooze menigte, in den Naam der heilige Drieëenheid, zijnen pauselijken zegen. Die zegen, waaraan een volle aflaat is verbonden, wordt, ofschoon men deze uitdrukking niet in den letterlijken zin moet opvatten, urhi et or bi, dat is, de zegen voor Rome en voor de wereld genoemd, en werd eerst alléén op Goeden Donderdag gegeven; thans echter gebeurt zulks eveneens op Paaschdag, op 'sHeeren Hemelvaart, en op den dag der ten Hemel opneming van Maria, de H. Moeder Gods.

DE WIJDING DER HEILIGE OLIËN.

Onder de tweede Mis, die eertijds op dezen dag gezongen werd, had de wijding der H. Oliën plaats. Thans geschiedt

ocr page 189

GOEDE DONDERDAG. 183

Jeze onder de eenige Mis, die heden ter herinnering aan het laatste Avondmaal opgedragen wordt. Aangezien deze wijding door een Bisschop moet geschieden, wordt die plechtigheid alleen in de kathedrale kerken verricht. Drie verschillende Oliën worden op dezen dag gewijd. De eerste is de Olie voor de zieleen. Deze is de stof van het Sacrament des laatsten Oliesels, dat den Christen in zijnen laatsten strijd, tot heul van lichaam en ziel wordt toegediend De tweede H. Olie is het Chrisma, hetwelk een mengsel van olijfolie en van balsem is. In dezen heiligen Olie wordt het Sacrament des Yormsels toegediend. Het H. Chrisma wordt buitendien nog gebezigd om onze hoofden bij het ontvangen des Doopsels te zalven, ten teeken, dat de Christen door dit Sacrament aan het geestelijk Koningschap van Christus Jezus deelachtig wordt. Ook dient het H. Chrisma bij de wijding der Bisschoppen, wier hoofd en handen met dezen fl. Olie worden gezalfd; eindelijk wordt het ook nog gebezigd bij het inzegenen der klokken en het wijden der kerken, der doopvont, der kelken en der altaren. De derde H. Olie wordt de Olie der Catechumenen genoemd. Deze is wel niet de stof van het een of ander Sacrament, maar de instelling er van is desniettemin van de Apostelen herkomstig. De Olie der Catechumenen wordt bij de plechtigheden van het Doopsel, bij de kroning van Vorsten en van Vorstinnen, en voor de zalving der handen bij de Priesterwijding gebruikt.

Hoe groot het wijdingswerk der heilige Oliën in de oogen der Kerk is, blijkt uit de veelvuldige ceremoniën, die daarbij voorkomen. Twaalf Priesters, als getuigen en medewerkers optredende, zeven Diakens en even zooveel Subdiakenen, allen met de heilige gewaden hunner orden bekleed, zijn bij deze plechtigheid tsgenwoordig. Wanneer de H. Mis tot aan het Tater noster genaderd is, treedt de Bisschop van het altaar af, en zet zich voor de tatel neder, waarop de H. Oliën moeten

ocr page 190

18J. GOEDE DONDERDAG.

gezegend worden. Hij begint met de wijding van den Olie voor de zieken, die door een Subdiaken op de tafel wordt geplaatst. De wijding van dezen H. Olie is zeer eenvoudig. Zij bepaalt zich bij een exorcismus- en een wijdingsgebed, waarin klaar en duidelijk is uitgedrukt, welke bovennatuurlijke kracht door 's Bisschops zegen aan deze stoffelijke zaak gegeven wordt. Een Subdiaken draagt dezen H. Olie eerbiedig weg, en de Bisschop zet het H. Missoffer voort. Na de H. Communie neemt de Bisschop wederom bij de reeds bovenvermelde tafel plaats. Intusschen begeven zich de Priesters, Diakens en Subdiakens naar de plek, waar zich de twee andere met olijfolie gevulde kruiken bevinden. Een der Subdiakens houdt den balsem in zijne hand, en twee Diakens dragen ieder eene met olijfolie gevulde kruik, en zoo naderen zij den bisschop, terwijl de zangers het schoone loflied : O Redemptor aanheffen en het tot na de woorden : Consecrare tu dignare enz. voortzetten. Nu begint de wijding van het H. Chrisma. Vooreerst spreekt de Bisschop zijnen zegen uit over den balsem, welken hij zeer dichterlijk noemt ; een welriekende traan, die uit de schors van een gelukkigen tak is gevloeid, om een priesterlijk reukwerk te worden. Daarna ademt hij driemaal kruisgewijze over den olie, en de twaalf aanwezige Priesters doen, ieder op zijn beurt, hetzelfde. Dit ademen verbeeldt de kracht des H. Gees-tes, die aan dezen Olie zal worden medegedeeld. En wie zal het ontkennen, dat dit beeld zeer juist gekozen is, daar wij in de H. Boeken lezen, dat de Geest des Heeren blaast, waar hij wil, en eens, onder een hevigen wind, op de Apostelen nederdaalde. Verder spreekt de Hooge Priester, in eene overheerlijke Prefatie, den wijdingszegen over dezen Olie uit, en ten slotte mengt hij den gewijden balsem met den gewijden olie. Dan staat de Bisschop op, en om eene plechtige hulde te brengen aan den H. Geest, die, door middel van dit stoffelijk wezen, zijne heerlijkste gaven in de harten der geloovigen zal

ocr page 191

GOEDE DONDEKDAG. 185

uitstorten, groet hij driemaal dezen H. Olie, met de woorden : ik groet u, heilig Chrisma, en eerbiedig drukt hij zijne lippen op de kruik, die het geheiligd vocht omsluit. De twaalf aanwezige Priesters herhalen, ieder op zijne beurt, dezen drie-dubbelen groet, geven hetzelfde eerbewijs aan het heilig Chrisma, en de chrismawijding is voltrokken.

Bijna op dezelfde wijze, zonder bijvoeging echter van balsem, geschiedt de wijding van den Olie voor de Catechumenen. Ook aan dezen brengt de Bisschop, na de wijding er van, een driedubbelen groet, die door het twaalftal Priesters herhaald en in deze woorden geuit wordt : Ik groet u, heilige Olie ! Twee Diakenen dragen de gewijde Oliën op hun vorige plaats terug, terwijl de geestelijkheid, die hen vergezelt, het laatste gedeelte van den lofzang : O Redemptor feestelijk zingt, en de Bisschop naar het altaar terugkeert, om de H. Mis te voltrekken.

Zoo eindigt de tweede plechtigheid van dezen dag.

DE H. MIS OP GOEDEN DONDERDAG, EN HET H. GRAE.

De Kerk viert en herdenkt heden op eene bijzondere wijs des Heeren laatste Avondmaal, waarin het aanbiddelijk Sacrament des Altaars, het reine offer der Nieuwe Wet, en het altijddurend Priesterdom van het Nieuwe Verbond werden ingesteld.

De eerste dag der ongedeesemde brooden, waarop de Joden, na zonsondergang, het Paaschlam moesten eten, was aangebroken. Jezus bevond zich nog in Bethanië, maar vóór den avond wilde Hij te Jerusalem zijn : zóó immers gebood het de Wet, en die Wet wilde Hij stipt onderhouden, totdat Hij haar door zijn bloedig offer op het Kruis zou hebben afgeschaft. Hij zond dan twee zijner Apostelen vooruit, om het feestmaal, door de Wet bevolen, in gereedheid te brengen. Petrus en Joannes werden voor deze zending uitverkoren, en

ocr page 192

186 GOEDE DONDERDAG.

niet zonder reden : want Petrus, die het eerst getuigenis van Jezus' Godheid had afgelegd, verbeeldt het Geloof, en Joannes, die straks op Jezus' borst zal rusten, is het zinnebeeld der Liefde. Niemand zeker kan beter dan zij belast worden met de voorbereiding van dat onvergetelijk Avondmaal, waarin het hoogheilig Geheim, dat zich door het Geloof aan de Liefde openbaart, het Geheim, dat meer dan ieder ander een Geheim van Geloof en Liefde is, moet worden ingesteld. Gaat, zoo sprak de Heiland tot Petrus en Joannes, en hij uwe intrede in de stad zal u iemand tegenkomen, die eene Jcniik water draagt. Volgt hem in zijne woning, en zegt aan den heer de» huizes : de Meester zegt; mijn tijd is nabij, ik kom hij u, met mijne discipelen, het Paaschlam eten. De Apostelen deden gelijk hun bevolen was. Zij ontmoetten den man; en de huisheer, een rijke Israëliet, die aan de goddelijke Zending des Heeren geloofde, stelde eene groote en fraai versierde plaats ter beschikking des Yerlossers. Hij mocht wel fraai en rijk versierd zijn die zaal, waarin, voor de eerste maal, het offer der Nieuwe Wet zou worden opgedragen, waar de voorzegging van Malachias zou worden vervuld, waar het Priesterschap van 't Nieuwe Yerbond zou worden ingesteld, en waar, op Pinksterdag, de H. Geest, op eene wondervolle wijze, op de Apostelen moest nederdalen.

Toen Jezus met de overige leerlingen te Jerusalem kwam, vond Hij alles gereed, wat tot de viering van het Paaschfeest werd vereischt : het lam, het ongedeesemd brood en de bittere groenten stonden op den disch. Gegord en met den reisstaf in de hand, waren de Meester en de leerlingen om dezelfde tafel geschaard, en vervulden voor de laatste maal volgens de voorschriften der Wet, de Paaschplechtigheden van het Oude Verbond.

Ik héb vurig verlangd, zoo sprak de goddelijke Verlosser zijne leerlingen toe, ditmaal het Paaschlam met u te eten. En van-

ocr page 193

GOEDE DONDERDAG. 187

waar dat vurig verlangen ? Omdat de Heer, voordat Hij den Kruisdood zou sterven, en wel op dezen avond, het kostbaarste onderpand zijner liefde aan zijne beminde discipelen wilde schenken. Alle Apostelen, ook Judas, de verrader, waren tegenwoordig. Hij, voor wiens oogen de diepste geheimen des harten niet verborgen zyn, kende des verraders helsche plannen, doch Hij beval hem niet, de feestzaal te verlaten, maar trachtte integendeel het hart van Judas te stemmen tot boetvaardigheid, en zoo de deuren der ontferming voor dien ontrouwen leerling te openen. Ten dien einde zeide Hij aan zijne leerlingen : In waarheid, ik zeg het u, een moer zal mij verraden. Hij, die met Mij zijn Irood in dezen schotel doopt, dat is de verrader. Deze onverwachte openbaring zijner misdaad moest Judas diep treffen, en de bekende barmhartigheid des Zaligmakers moest hem tranen van leedwezen doen storten en om vergeving doen smeeken. Maar, harder dan de steenrotsen, die bij den dood des Verlossers scheurden, bleef Judas onbewogen. Hij durfde zelfs met de andere Apostelen vragen : hen ik het, Heer? Zacht antwoordde hem Jezus ; gij hebt het gezegd; hetgeen zoo veel wil zeggen als : ja, gij zijt het. Maar ook dit woord vermocht niets op des verraders ijskoud hart. Hij blijft te midden der Apostelen; hij wacht koelbloedig het uur des verraads af, en bezoedelde in-tusschen door zijne tegenwoordigheid het heiligste Geheim.

Inmiddels was het paaschlam gegeten. Nu zetten zich de Meester en de leerlingen aan de tafel neder, om deel te nemen aan een tweede, dat is aan het gewone avondmaal. Joannes zat aan de linkerhand des Heeren, en mocht als de beminde leerling, aan Jezus' harte rusten, en daaruit de grootste schatten en de verhevenste geheimen der goddelijke liefde putten. Bij dit maal heerschte een algemeene droefheid, want loodzwaar drukte op aller ziel het woord des Heeren : een uwer zal mij verraden.

ocr page 194

188 GOEDE DONDERDAG.

Tegen alle verwachting, volgde nog een derde, maar een oneindig meer verheven gastmaal op de eerste twee. De dag was aangebroken, waarop de Heiland de belofte zou vervullen, welke Hij eens, ten aanhoore eener groote schare, had gedaan: Ret brood, dat ik zal geven, is mijn vleesch voor het leven der wereld... Die mijn Vleesch eet, en mijn Bloed drinkt, bezit het eeuwig leven. Het uur, waarop deze belofte zou verwezenlijkt worden, is nu geslagen, want Jezus is reeds aan zijne vijanden verkocht: zijn bloedig offer is dus begonnen, en niets verhindert Hem nu meer, om zijn Vleesch en zijn Bloed aan zijne geliefden tot zielespijs te geven. — Met verwondering zagen de Apostelen den Heere Jezus eensklaps van tafel opstaan. Als een geringe dienstknecht, omgordt zich de Heer der Heeren met een voorschoot; Hij giet water in een vat en maakt zich gereed de voeten der Apostelen te wasschen. De goddelijke Gastheer, die, op dit oogenblik, zijne geliefden tot een goddelijk feestmaal noodigde, wilde hun vooraf dezen bij de Oostersche volken gebruikelijken welkomstgroet geven, en hen tevens daardoor leeren, hoe zuiver de ziel moet zijn, die deel wil hebben aan het gastmaal van het Lam. ,/ Die ge-wasschen is, zeide Hij hun, behoeft zich nog maar alleen de voeten te zuiverr-i, om geheel rein te zijn; en gij, zoo voegde Hij er bij, gij zijt reiv,, maar gij zijt het niet allen.quot; O Judas, zullen dan alle vermaningen des Heeren vruchteloos voor u zijnP Ach, ook dit woord iaat den verrader ongevoelig! Jezus nadert tot Petrus, om de voeten van dezen Apostel te wasschen. Petrus wil die vernedering des Heeren aan zich eerst niet toelaten, maar, door het aanhouden en het bedreigen des Heeren bewogen, geeft hij eindelijk toe, en de goddelijke Meester wascht de voeten van Petrus en daarna die der andere Apostelen, zelfs die van Judas, den verrader. Na die vernederende handeling, zet de Heiland zich weder naast Joannes aan den disch. Hij nam ongedeesemd brood in zijne gezegende han-

ocr page 195

GOEDE DONDERDAG. 189

den, hief zijne oogen ten Hemel, zegende het brood, hrah en gaf het aan zijne leerlingen, zeggende : neemt en eet, dit is mijn Lichaam. De Apostelen ontvingen en aten die goddelijke spijs, en nu was Jezus niet meer alleen met hen aan tafel gezeten, maar Hij woonde ook wezenlijk en waarachtig met zijn Vleesch en Bloed, met zijne Godheid en zijne Menschheid, in het binnenste van hun hart. Ook Judas at dit Brood des Levens en dronk het Bloed des Heeren, maar met dat Brood at die goddelooze zijn oordeel en met dat bloed bezegelde hij zijne verdoemenis. O mijn God, behoed ons; wij bidden en smeeken er U om, voor het schrikkelijk ongeluk, van ooit, gelijk Judas, onwaardig aan uwe tafel te komen nederknielen !

Jezus echter wilde niet alleen een hoogheilig en kostbaar Sacrament, maar ook een wezenlijk en waarachtig Offer instellen. Daartoe was het evenwel niet genoeg, dat hetzelfde Slachtoffer, dat op Golgotha zijn bloed ging vergieten, wezenlijk tegenwoordig werd gesteld, maar het was ook nog noodig, dat de slachting des Offers levendig werd herinnerd, voorgesteld en op eene geheimzinnige wijze hernieuwd. Te dien einde moest het bloed des Heeren als gescheiden van zijn Lichaam worden daargesteld. Jezus nam derhalve den kelk in zijne handen, veranderde den wijn in zijn goddelijk Bloed, en gaf dit tot drank aan zijne geliefden, hun zeggende : drinJct allen hiervan, want dit is mijn Bloed van het Nieuwe Verhond, dat voor velen zal vergoten worden, ter vergiffenis der zonden. Nu was het onbloedig offer der Nieuwe Wet voltrokken en voor de eerste maal aan den eeuwigen Vader opgedragen. Maar dit offer was niet voor dezen dag alléén bestemd : het moet duren door alle eeuwen heen, tot aan de voleinding der tijden. Daarom stelde de Heere Jezus met het Nieuwe offer ook het Priesterschap in der NieuweWet, terwijl Hij den Apostelen en hunnen opvolgers in het Priesterschap de macht verleende, om hetzelfde Offer op te dragen, hun zeggende : doet dit te mijner gedachtenis.

ocr page 196

190 GOEDE DONDERDAG.

Is dan deze dag getuige geweest der instelling van het heiligste onder alle Sacramenten en tevens van de instelling van het Nieuwe Offer, gelijk ook van het Nieuwe Priesterschap, dan kan het ons wel niet verwonderen, dat de Kerk, die trouwe bewaarster van dezen driedubbelen en kostbaren schat, hare droefheid, altijd voor een poos, doet zwijgen, om vreugdevol de blijde geheimen van dit onvergetelijk oogenblik luisterrijk te herdenken.

Teneinde ons op eene gevoelige wijze, voor te stellen de eenheid van het Offer, hetwelk de Opperpriester, Jezus Christus, op alle punten der aarde, door de bediening der Priesters, aan den eeuwigen Vader opdraagt, verbiedt de Kerk op dezen dag alle stille Missen. Slechts één plechtig Misoffer wordt heden opgedragen. Onder deze H. Mis naderen de Priesters, met hunne witte koorkleederen en met de stola versierd, tot de H. Communie, en ontvangen, uit de hand van hunnen dienstdoenden medebroeder, des Heeren Lichaam en Bloed.

Plechtig, blijde en vreugdevol begint de H. Dienst op dien dag. Het altaar is prachtig versierd; en, rijk uitgedost, alsof het Kerstmis of Paschen ware, verschijnt de Priester met zijne dienaren in het heiligdom. Het orgel laat zijne wellui-dendste akkoorden hooren, en wanneer het Gloria in excehis, dat, sedert Septuagesima, uit den kerkdienst was verbannen, feestelijk wordt aangeheven, voegen de klokjes der kerk, en de zware klokken van den toren, hunne schelle en statige stemmen bij die van het orgel, opdat èn in de kerk èn daarbuiten, heinde en verre, het vreugdefeest worde gehoord. Maar zoodra de zang van het Gloria geëindigd is, hervalt de Kerk in de droefheid, die al de plechtigheden van deze week kenmerken. De klok en het orgel zwijgen en zullen geen geluid meer geven, voordat zij de Verrijzenis des Heeren mogen verkondigen. De klokken zijn op reis naar Eome, om Paasch-eieren te halen, zegt het vrome kind, dat ook, in deze laatste

ocr page 197

GOEDE DONDERDAG. 191

dagen, zijn deel in de algemeene versterving neemt; maar ernstiger gedachten bezielen den nadenkenden Christen. De sombere stilte, die alom heerscht, drukt loodzwaar op stad en land, en vervult alle harten met een gevoel van verlatenheid en van schrik. Zij zegt hun, dat Jezus gaat rusten, of alreeds dood is neergelegd in den schoot van het graf, en dat eene diepe stilte den doodslaap des Heeren moet eerbiedigen; zij herinnert hen aan de akelige stilte, die rondom Jezus, bij zijn lijden heerschte, terwijl de Apostelen hunnen Meester hadden verlaten, en zich geen enkele stem te zijner gunste verhief.

Ook de H. Dienst wordt van dit oogenblik af al treuriger, Na den Epistel herinnert ons het koor aan Jezus' bitteren dood, terwijl het zingt : Christus is voor ons gehoorzaam geworden, tot den dood, ja tot den dood van het kruis. Wegens de herinnering aan den kus des verraders, wordt heden in de Mis de Vredekus niet gegeven. Noch bij het driemaal heilig, noch bij de Consecratie, noch aan de Communie hoort men de zilveren stem der schel, die de aandacht verlevendigt; ook zij zwijgt en wordt door het ruw geluid van een houten ratel vervangen. Dit gebruik herinnert aan de eerste tijden des Christendoms, toen het 't éénige teeken was, waardoor de geloovigen ter kerke werden geroepen. Br is iets treffends in het bijbehouden van dit aloude gebruik, want daardoor schijnt ons de K erk te zeggen ; indien ik zoo getrouw ben, om een gebruik van zoo weinig belang in stand te houden, hoe groot moet dan mijne zorg niet zijn, om den schat der heilige waarheden, die mij toevertrouwd is, ongeschonden te bewaren ? Vreest dus niets, mijne kinderen, ik zal het erfdeel uwer vaderen niet verspillen.

Nog eene andere buitengewone ceremonie doet zich in de Mis van dezen dag voor. In plaats van éene Hostie consacreert de Priester er twee; de eene nuttigt hij bij de H. Com-

ocr page 198

192 GOEDE DONDERDAG.

raunie, terwijl hij de andere in een zorgvuldig gedekten kelk nederlegt, om ze morgen, onder het bijvoegen van enkele gebeden, te nuttigen. Want morgen, den dag, waarop het bloedig Offer op Golgotha is voltrokken, zal de Kerk de Onbloedige offerande niet opdragen. Zoo bitter valt haar de herinnering aan Jezus' smartvollen dood ! Zij wil evenwel niet, dat haar goddelijke Bruidegom, wegens deze kortstondige ver-poozing van het eeuwigdurende Offer, minder liefdebewijzen in het allerheiligste Sacrament ontvangen zal. Daarom wordt in een der zijpanden eene prachtige rustplaats voor den Yerbor-gen God opgericht. Na de heilige Mis draagt de Priester, te midden eener talrijke processie, en onder het zingen van het loflied : Pange lingua, de H. Hostie, welke hij voor den dienst van morgen heeft bewaard, naar deze feestelijk versierde plaats. Ddiir zal het heilig Sacrament tot morgen in het tabernakel blijven rusten. Bij dat heilig Graf zal de genadevolle ziel hare liefdegevoelens voor Jezus' voeten komen uitstorten; daar zal de zondaar de gunst zijner bekeering afsmeeken; daar zal, noch bij dag, noch bij nacht, de aanbidding één enkel oogen-blik worden geschorst; daar zullen alle geloovigen komen ne-derknielen, om, door ware aandacht en aanbidding, den smaad, de lauwheid en de beleedigingen te vergoeden, welke de Heer Jezus, in dit geheim zijner liefde, vaak verduren moet. — Wanneer de kelk, die het H. Sacrament bevat, in het tabernakel weggesloten is, blijft de priester nog een oogenblik bidden aan den voet van het heilig Graf. Daarna keert hij naar de sacristij terug, om zijn kasuifel af te leggen en de Vespers te beginnen, die op dezen dag, wegens den diepen rouw der Kerk, wel luide gebeden, maar niet gezongen worden.

ocr page 199

GOEDÉ DONDERDAG.

DE ONTKLEEDING DER ALTAREN.

Na de quot;Vespers beklimt de Priester, door zijn Diakeu en Subdiaken begeleid, het hoogaltaar. Ten teeken dat het heilig Misoffer afgebroken wordt, en ter herinnering aan de vernedering des Zaligmakers, die door zijne beulen van zijne kleederen werd beroofd, neemt hij de linnen doeken, die den altaarsteen bedekken, er van af, terwijl hij luide met zijne dienaren den XXI. Psalm bidt, waarin de koninklijke Profeet, met duidelijke woorden, deze omstandigheid van Js Heeren lijden heeft voorzegd : ,, zij hebhen mijne kleederen onder elhaér verdeeld, en over mijn opperkleed het lot geworpen.quot; De overige altaren worden insgelijks ontbloot ; alle sieraden verdwijnen, het tabernakel staat open en ledig. Alles is stil en doodsch in het heiligdom, en overal, met uitzondering alleen dier plaats, waar het heilig Graf is opgericht, ontwaart men teekenen van droefheid, ik zou bijna zeggen van verwoesting en wee.

DE VOETWASSCHING OF HET MANDATUM.

Ter navolging van den goddelijken Verlosser, die, in het laatste Avondmaal, de voeten zijner Apostelen wiesch, beijverden zich te allen tijde vele Christenen, om datzelfde liefdewerk te verrichten, en zoodoende den ootmoed van den Heere Jezus navolgende te vereeren. Dat vroom gebruik vond men niet alleen in de kloosters, maar ook bij hen, die in de wereld loefden. Op Goeden Donderdag daalden ook de Vorsten en Vorstinnen van hunnen troon, om datzelfde liefdebewijs, in een geest van ware nederigheid, aan twaalf armen of aan even zooveel bedaagde mannen of vrouwen te geveu. Ook de Stedehouder van Jezus Christus op aarde volgt op dezen dag het voorbeeld van zijnen goddelijken Meester, en wordt hierin gevolgd door zijne Broeders in het II. Bisschopsambt. De Paus

13

193

ocr page 200

194 GOEDE DONDERDAG.

wascht op Goeden Donderdag de voeten van dertien Priesters, uit dertien verschillende landen afkomstig, en bedient hen bij het middagmaal, dat hun na de voetwassching in het Tatikaan aangeboden wordt. Wegens het woord, waarmede de eerste Antiphoon begint, die bij de voetwassching wordt gezongen, heeft deze ook den naam van het Mandatum gekregen. Benedictus de XIV geeft de reden op, waarom de Paus niet aan twaalf, maar aan dertien Priesters de voeten wascht. Wij willen die hier aanhalen, en daarmede de beschrijving van dit feest sluiten, dewijl de verklaring door Paus Benedictus gegeven ons tevens toont, hoe welgevallig dit werk van ootmoed en liefde is aan Hem, die tot ons allen gezegd heeft; leert van mij, dat ik hen zachtmoedig en ootmoedig ran hart.quot;

Toen de H. Paus Gregorius de Groote op Sint Pieters stoel te Rome was gezeten, wiesch hij dagelijks de voeten van twaalf armen, welke hij ook allen noodigde aan zijnen disch. Op zekeren dag waren er dertien, in plaats van twaalf. Niemand had dien dertienden zien binnenkomen, en weldra bleek het, dat het een Engel des Heeren was, die door zijne tegen-woordighrid aan Gregorius het bewijs leverde, dat zijne liefde aan den God der eeuwige liefde hoogst welgevallig was.

LOFZANG |.t a n it c linaw*1'

Meldt, o lippen, 't godlijk wonder Van des Heeren Vleesch en Bloed;

Zij zijn mond de lofverkonder Van die 't menschdom heeft behoed,

En, als eeuwge vredegronder.

De aard verlossend heeft begroet.

ocr page 201

GOEDE DONDERDAG. Ons geboren, ons gegeven Uit Maria's maagdeschoot,

Stroomde 't zegen bij zijn leven En genade bij zijn dood;

Doch, alvorens de aard te ontzweven, Schonk hij haar het hemelsch Brood.

Bij het laatste maal, in vrede,

Zittend onder 't Broedrental,

Deelt hij, na de zegenbede,

Die den disch besluiten zal.

Zich als spijs den jongren mede,

Dees tot redding, dien ten val.

't Heilig Scheppingwoord des Heeren Had vrijmachtig 't aardsche Brood In Gods Lichaam doen verkeeren ; En,, vóórdat zijn Bloed nog vloot,

Deed hij 't reeds ten Drank vereeren, In den Wijnkelk, dien hij bood.

Zie, dat Brood, der Englen spijze.

Biedt hij ons tot voedsel aan;

Laat, op eerbiedvolle wijze.

Elk ten liefdedisch dan gaan.

Rijke en arme, jeugd en grijze.

Allen mogen 't Woord verstaan.

Zulk een heilig Wonderteeken Eeren wij met diep ontzag;

't Oud Verbond is nu geweken.

Voor den nieuwen Reddingsdag;

Waar 't begrip dan moog ontbreken, Koom 't Geloof, dat 't al vermag.

ocr page 202

GOEDE DONDERDAG.

196

Vader, Zoon en Geest te zamen Zij ons loflied toegebracht. In dit Drietal heiige Namen Ligt de heerlijkheid, de kracht, Met de wijsheid en de macht, Eeuwig opgesloten. — Amen.

Overweging.

Om ons te verlossen, heeft de eeuwige Vader zijn eenig-geboren Zoon gegeven. Deze is voor ons uit het licht des Hemels neergedaald op de duistere aarde, en heeft zich zeiven diep vernietigd en de gedaante van een slaaf aangenomen. Voor ons is hij gehoorzaam geworden tot den dood, ja, tot den dood van het kruis. Hij heeft met den dood gestreden, en is, als de sterkere, binnengedrongen in het huis van dezen machtige; hij heeft hem zijne wapenen ontrukt, zijne tanden uitgebroken, en hem getemd, zooals men de wilde dieren temt, opdat hij voortaan niet meer, als leenman der hel, over de stervelingen zou heerschen, maar als een onderdanige knecht, als een trouwe, maar strenge bestierder zou dienen in het Nieuwe rijk van God op aarde. Wel schijnt hij zijn werk ook thans nog voort te zetten, zooals hij het van den beginne af heeft gedaan. Ook zijne uitwendige gestalte is nog wel dezelfde gebleven; maar hoezeer is, sedert den dood en de opstanding van Christus, zijn wezen veranderd voor hen, die in Christus gelooven ! Zij zijn de ledematen van het verheerlijkte lichaam van Christus Jezus ; door Geloof, Hoop en Liefde zijn zij innig met hun hoofd, dat Christus is, verbonden, en daarom vreezen zij geen dood, geen graf, geene verrotting meer. Want, is het hoofd zegevierend daaruit te voorschijn getreden, dan zullen ook de ledematen den kerker van het graf verlaten en verbrijzelen de ketenen des doods. Voor hen is de dood een dienaar Gods, die het werk hunner verlossing en hunner bevrijding moet voltrekken. Want de nieuwe mensch, die in hen gevormd is, door de wedergeboorte in Christus, door doopsel, boete en heiliging, voelt zich gedrukt, geboeid en verlamd in dit sterfelijk kleed. Hij weet, dat vleesch en bloed het rijk des hemels niet zullen

ocr page 203

GOEDK DONDERDAG.

bezitten, en het vergankelijke de onvergankelijkheid niet zal verkrijgen ; en daarom verlangt hij, tenminste in zijne meer heilige, aan God gewijde uren, naar de verlossing uit dat lichaam des doods, in welks ledematen de wet der zonde geweldig strijdt tegen de wet van den geest; uit dat lichaam, hetwelk hem loodzwaar neêrdrukt in zijn streven naar het bovenaardsche, en hem met duizend draden aan het vergankelijke hecht. Welnu, het is het ambt van den dood, in Gods huishouding, om op het uur, hetwelk de Heer, in zijne wijsheid en liefde, als het goede uur voor ons kent, de geloo-vigen van dit drukkend hulsel te bevrijden, de boeien te slaken, die hen nog steeds met de bedorven natuur, die van Adam afstamt, verbinden, en hen dan van ketens en boeien ontdaan, in het ware vrije leven binnen te leiden.

Moge ook al het doorbreken van dat hulsel met angst en smart verbonden zijn ; moge ook de geest nog niet, met een heiligen Paulus, wenschen, om van dit lichaam des doods te worden verlost, teneinde overkleed te worden met het nieuwe geestelijke lichaam der heerlijkheid, dan toch bemoedigt en versterkt ons de blik op Hem, die niet alleen een zwaarderen doodstrijd voor ons heeft doorgestaan, maar ook aan zijne getrouwe dienaars hulp verleent in dat beslissend uur, en hen, met overwinnende hand, door de poorten des doods in het huis der eeuwige zaligheid binnenvoert.

Ook het lot des lichaams na den dood, dat voor den zin-nelijken mensch zoo afgrijselijk is, bekommert den geloovige niet. Hij weet, — en de Verrijzenis van Christus is zijn waarborg, — dat het lichaam, even als de aan de aarde toevertrouwde zaadkorrel, wel is waar, tot stof en verrotting zal overgaan, maar alléén, om eens in verheerlijkte gestalte wederom te voorschijn te treden. De zinnelijke, in aardscli genot verzonken mensch, die niets verhevener kent dan de bevrediging zijner lusten en de zorg voor zijn lichaam, moge sidderen voor het oogenblik, waarop dit zijn afgodsbeeld, waaraan hij alles, alles opoffert, in slijk vergaan en den wormen tot spijze worden zal; maar de Christen, die zijn lichaam, als een tempel van den Heiligen Geest, met heiligen eerbied en door strenge tucht heeft bewaard, en het, als hij het ooit ontheiligde, met zuchten en tranen van boetvaardigheid op nieuw heeft ingewijd, de Christen ziet zijn lichaam gaarne tot stof vervallen, opdat alles, wat onheilig is, volkomen in hem worde verdelgd : want hij hoopt en hij gelooft, dat de Heer ook dezen tempel op zijnen tijd weder heerlijk kan en zal opbouwen.

197

ocr page 204

198 GOEDE VRUDVG.

En om ons hiervan een zeker onderpand te geven, heeft ons de goede Heiland, in onovertreffelijke liefde, op dezen dag, zijn eigen Vleesch en Bloed tot spijs en drank onzer zielen achtergelaten. Hij zelf is dat Brood des Levens, hetwelk aan allen, die het waardig ontvangen, wezenlijk de kiem der onsterfelijkheid mededeelt; want de Heer Jezus heeft zelf gezegd : Die mijn Vieesch eet en mijn Bloed drinkt, bezit het eeuwig leven, en op den jong sten der dagen zal ik hem doen verrijzen.

Door deze innige betrekking, waarin, volgens de uitspraak der eeuwige Waarheid, het ontvangen van Jezus' Vleesch en Bloed met onze toekomstige opwekking staat, kunt gij de reden vinden, waarin de H. Kerk, juist ten tijde van Paschen hare kinderen tot het ontvangen van deze goddelijke spijze uitnoodigt, en hen daartoe met moederlijke liefde als 't ware, dwingt. Want op den dag des levens moet het brood des Levens genoten worden, opdat de hoop der verrijzenis geene ijdele, ingebeelde, wankelbare hoop zij, maar, door de werkelijke deelneming aan het verheerlijkte Lichaam van den verrezen Heiland, een waarachtig onderpand hebbe, en opdat iedere ziel met het reddend kenmerk van Jezus' heilig Bloed worde geteekend, en de engel des verderfs, als hij dit teeken bespeurt, zonder te schaden, voorbij ga.

GOEDE VRIJDAG.

U breekt de groote lijdensdag aan, de verhevenste dag van af het begin der wereld, tot aan de voleinding der eeuwen; de dag, waarop de raadsbesluiten der eeuwigheid in vervulling zijn gegaan, toen de Dood en het Leven dien wonderbaren tweestrijd hebben gevoerd. In de kerken heerscht eene plechtige stilte: verheven ernst en teedere smart zijn op

ocr page 205

GOEDE VRIJDAG. 199

aller gelaat te lezen, en diepen indruk maten de geheimvolle plechtigheden van dezen dag.

Geen waslicht is ontstoken; die altijd brandende vlam der godslamp zelve, het zinnebeeld van het eeuwig licht, is uitgedoofd. Een enkele witte doek is over het altaar gelegd: het is de grafdoek des Heeren. Ia zwart gewaad treedt de Priester voor het altaar, en werpt zich aan deszelfs voet ter aarde neder. Daar ligt hij lang op het aangezicht en bidt. Dan hoo-ren wij de woorden van den Profeet Osee : (VI, 3.) // Na twee dagen zal Hij ons levend maken, en ten derden dage zal Hij ons opwekken, en wij zullen voor zijn aangezicht leven;quot; en er wordt uit Ex. XII, 1, — 11 gelezen, hoe het paaschlam geslacht en gegeten moest worden, waarop, ten laatsten male, de lijdensgeschiedenis in haar geheel voogedragen wordt.

De gansene menschheid toeft inmiddels op den zegen van het stervend Offerlam.

En de Priester stort in naam der Kerk de innigste en treffendste gebeden nit: voor haar zelve, dat zij overal verbreid en in vrede en eendracht bewaard worde; voor den heiligen Vader, het opperhoofd der Kerk; voor de Bisschoppen en Prir-sters; voor alle overige Geestelijken en voor het Volk; voor Koningen en Vorsten, dat God hen met wijsheid ver-vuile, om rechtvaardig te regeeren; voor de doopleerlingen; voor alle behoeften der menschheid, in iedere betrekking; dat God de wereld van alle dwalingen zuivere, de krankheden weg-neme, den honger verdrijve, de gevangenissen opene, de boeien verbreke, aan de reizigers eene gelukkige wederkomst, aan de zieken gezondheid, en aan die op de wateren zijn een behouden haven verleene. Dan bidt de Kerk voor die haar verlieten en buiten haar omdolen : dat zij mogen wederkeeren; voor de verblinde Joden : dat ook zij Jezus Christus voor den waren Messias mogen erkennen; voor de Heidenen ; dat zij de afgoderij verlaten, om zich tot den waren en levenden God te

ocr page 206

200 GOEDE VRIJDAG.

bekeeren. Buigen wij onze knieën! zoo zegt de Priester vóór ieder gebed; maar als hij voor de Joden gaat bidden, laat hij die uitnoodiging achter; dan knielt hij niet, en verfoeit het aldus, dat de Joden zich weleer uit spot voor Jezus hebben nederge worpen.

Na deze gebeden neemt de Priester het omhulde kruis, keert zich naar het volk, maakt den sluierdoek los, ontdekt het hoofd des Gekruisten, en zingt met diepe stem : Zie het hout des krnises, waaraan het heil der wereld hing. En het koor antwoordt : Komt, laat ons aanbidden! Dan werpen zich allen op de knieën; de Priester treedt een weinig naar voren, maakt den doek ter rechterzijde los, en zingt hetzelfde, met eenigszins verhoogde stem; en zoo ten derden male, totdat het kruisbeeld geheel ontdekt is: — En met heilige siddering aanschouwt het volk zijn gekruisten Jezus!

Die driemaal herhaalde vereering is een eerherstel voor de driemaal herhaalde beschimping, welke de Joden hunnen Messias, bij Caïphas, Pilatus, en aan het kruis aandeden. Nu wordt het kruisbeeld op een zwart kleed gelegd, en, gelijk Mozes weleer, trekt de Priester zijn schoeisel uit, knielt driewerf voor zijnen gekruisten God, en kust zijne wonden; welke vereering door anderen wordt vervolgd, terwijl door het koor de roerende lofzang gezongen wordt, waarin Christus de tee-derste en liefderijkste verwijten doet én aan het ondatikbare volk, dat Hem kruisigt, én aan allen, voor wie Hij gekruist is en die zijne liefde niet erkennen. Mijn volk! zoo vraagt zijne minzame stem, mijn volk! wat heb Ik u gedaan? of waarin heb Ik u bedroefd ? Zeg het Mij! Ik heb u uit het land van Egypte gevoerd, en gij hebt uwen V erlosser een kruis bereid! Wat heb Ik u meer kunnen doen, en wat ik niet heb gedaan ? Zeg het Mij! En bij de herinnering der ontelbare weldaden, die de Zaligmaker ons schonk, weet een tweede koor niet anders dan met een kreet om ontferming te antwoorden :

ocr page 207

GOEDE VRIJDAG. 201

O Heilige God !

O Heilige en sterke God !

O Heilige en onsterflijke God !

Ontferm U onzer.

Die bekomen ontferming vermeldt de Antiphoon, aan het einde der koren : H Wij aanbidden het kruis, o Heer! en wij loven en prijzen uwe heilige verrijzenis, want zie, door het hout is vreugde over de gansche wereld gekomen.quot; Op eens kondigt een beurtgezang, deels op een teederen, deels op een zegevierenden toon, den lof aan van het Kruis, en de geheimenissen door Gods Zoon daaraan voltrokken. Trouwe kruis-stam ! zoo heft het eene koor aan :

Trouwe kruisstam ! in 't geboomte Is geen boom aan u gelijk;

In al 't woud is geen aan loover Geen aan bloem en vrucht zoo rijk.

Zoete kruisboom, zoete nagelen,

Zoete last.

Klemt gij vast.

Deze teedere uitboezeming onderbreekt telkens den zegezang, die aldus aanvangt :

Zing, mijne tong! het machtig voeren Van den grooten worstelstrijd;

Zij der kruistrofoe des Heeren Een triomfzang toegewijd,

Hoe Hij door zijn dood verwonnen En heel de aarde heeft bevrijd.

Aan het einde der Kruisvereering worden de Kaarsen op het altaar ontstoken, en de Priester gaat, in zwart misgewaad.

ocr page 208

202 GOEDE VRIJDAG.

in statigen optocht, naar het H. Graf, en draagt den kelk met het Allerheiligste naar het hoogaltaar, onder den lofzang van des Konings kruisvaan. Het onbloedig Misoffer wordt niet opgedragen, wijl Christus op dezen dag het bloedig Offer opdroeg; er wordt geen brood of wijn geconsacreerd, maar de H. Hostie van gisteren wordt opgeheven, aan het volk ter aanbidding vertoond, en dan genuttigd.

Na een kort gebed verlaat de Priester het altaar; treurig bidt het koor, even als den vorigen dag, de Vespers zonder zang; aan het einde hooren wij op somberen toon : Toen Jezus den edik genomen had, zeide Hij : het is volbracht ! en, zijn hoofd nederbuigende, gaf Hij den geest. En de Priester heeft het altaar ontbloot; het tabernakel staat open en ledig, en hij zegt, met weemoedige stem : Christus is voor ons gehoorzaam geworden tot den dood, ja, tot den dood van het kruis. Hij bidt een wijle in stilte, en stil blijft het in de kerk; de plechtigheden zwijgen, totdat de nachtgetijden van den Paaschavond beginnen, en zwijgend keeren de diepgetroffen geloovigen naar hunne woning weder, om in eenzame stilte het verbeven sterven van hunnen God te vieren.

Het is Stille Vrijdag — ook de Goede, de Heilige Vrijdag genoemd.

Zij herdenken nu, wat hun in herinnerende daad in het huis des Ileeren vertegenwoordigd en voor oogen gesteld is.

LOFZANG.

gjet Pffrenalicïr itev tmn |llt;nne»

's Nachts den Olijfberg betreden, Slaakte ik voor u mijn gebeden, En uit mijn sidderende leden

ocr page 209

GOKDE VRIJDAG. 203

Stroomde het bloedzweet voor u:

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Laat het u de Englen verkonden,

Hoevele striemen en wonden Ik, aan een schandpaal gebonden,

Zwijgend verduurd heb om u :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Toen ik door beulen gehoond werd,

Smaadvol met doornen gekroond werd,

En zoo, als koning, vertoond werd.

Dacht ik voortdurend aan u ;

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Ja, des doods schuldig geheeten.

't Hoofd wreed met doornen doorreten,

't Kruis op mijn schouders gesmeten,

Steeg ik ten bergtop voor u ;

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Daar, onder ruw hamerbonken.

Wreed aan den kruisbalk geklonken.

En in een smartkolk verzonken,

Stierf ik vrijwillig voor u:

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Toen mij de krijgslans doorgriefde.

Breed mij de zijde doorkliefde.

Vloeide, als uit de ader der liefde.

Water des levens voor u :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

ocr page 210

204 GOKDE VRIJDAG.

Zie toch, in al mijne wonden,

Die u mijn lijden verkonden.

Wordt geen drop bloed meer gevonden. Dien ik niet prijs gaf voor u:

Ach ! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

'k Smeekte mijn Vader, bij 't sterven: „ Doe hen vergeving verwerven.quot; — 'k Liet u mijn Moeder beërven. Als eene Moeder voor u;

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Denkt toch, hoe uit mededoogen, Hemel en aard zich bewogen.

Toen ik mijn hoofd had gebogen En ik verscheidde van u :

Ach ! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Kondt gij ooit iets meer van mij vragen ? 'k Heb mij, zelfs zonder te klagen. Grensloos van liefde, opgedragen. En gansch geofferd voor u :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Heb ik, aan 't kruishout geheven. Mij tot uw zoenprijs gegeven,

'k Wil in het eeuwige leven (Jok nog het loon zijn voor u :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

'k Werd door Maria, mijn Moeder, Eens uw gezel en uw broeder; 'k Word op de altaren uw voeder

ocr page 211

GOEDE VRIJDAG. 205

En blijf tot spijs' daar voor u :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Was ik u, stervende, indachtig.

Steeds blijft gij mijner deelachtig.

Daar ik, den hemeltroon machtig.

Eeuwig blijf denken aan u :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Overweging.

Zoo er een dag in onzen jaarkring is, die de zielen der menschen met een gevoel van ontsteltenis moet vervullen, het is voorzeker de Goede Vrijdag, de dag van het gruwzaam lijden onzes Heeren; zoo er een avond daalt, die ons tot ernstige en sombere gedachten stemt, het is de avond, die thans de aarde met een geheimzinnig grauw overdekt, de avond van den dood van Jezus Christus !

Ja! het was voor ruim achttien eeuwen, dat op dezen avond, op een berg buiten Jeruzalem, een tooneel plaats greep, dat de aarde nog nooit had aanschouwd. Zij ziet hare telgen dagelijks tot haren schoot wederkeeren : maar, dat de oorsprong van het leven sterven kon, dit wist zij niet.

Op dien berg, rondom het kruis, het smartvol en smadelijk sterfbed van den Godmensch, zijn geen talrijke magen of vrienden, om den dood des rampzaligen te beweenen; maar de ge-heele natuur haast zich, haren droeven doodenzang over den Schepper in vreeselijke tonen uit te galmen.

De krachten der hemelen worden beroerd; de elementen staan tegen elkander op, en het is als ware de natuur in barensnood of hadde haar laatste uur geslagen, en viel zij krakend in puin. De zon is met een rouwfloers overtogen en weigert haar licht: de maan klimt aan den hemel, maar als bloed gekleurd. Vreeselijk rolt de donder, en het is alsof Golgotha's kruin in lichter laaie staat van het bliksemvuur dat haar omslingert. Stormen huilen, orkanen loeien, en de aarde wordt

ocr page 212

GOEDE Z.VÏhRDAG.

in hare ingewanden geschokt. De dood geeft zijn prooi terug, en de graven werpen hunne dooden uit, die als de levende schimmen om den rookenden berg heen waren. De zee is woedend en zweept de brullende baren verder dan het strand; de bergen schudden, de steenrotsen splijten van één en verstuiven als zand. De hemelingen verheffen een angstgeschrei, en van uit de diepe kolken der hel gaat een afgrijselijk gehuil op.... En de Gekruiste heft het bloedig gekroonde hoofd omhoog, als de Beschermer van het heelal, en spreekt met heldere stemme en bovenaardsche kracht, zijn laatste woord ; het is volbracht!

Het is volbracht! En dat woord drong door tot de duistere holen der hel, en vervulde ze met beschaming; en dat woord werd door de loeiende winden naar de vier hoeken der zondige aarde overgebracht, en boodschapte aan de mensch-heid verlossing en heil; en dat woord steeg op ten hemel, en werd door de verzoende Godheid aangenomen.

Dat was het sterfuur van den Godmensch, van Jezus Christus, den Heiland der wereld.... van mijn Verlosser!

.......................................................................lïïiTïïï^—c

GOEDE ZATERDAG.

«om-r*—

de plechtigheden van dezen dag, zoo als zij thans in de Latijnsche Kerk voorkomen, wel te begrijpen, moeten wij ons tot vóór de elfde eeuw terug verplaatsen, toen nog bet doopsel plechtig aan een groot getal Catechumenen op Goeden Zaterdag werd toegediend.

Op dezen dag rustte de Zaligmaker nog in het graf, en daarom werd eertijds heden geene H. Mis opgedragen en zelfs geen dienst gehouden, die, zooals op Goeden Vrijdag geschiedt, eenige overeenkomst met het H. Misoffer heeft. Maar op den vooravond van het hoogheilig feest van Paschen, die ook nu nog eene der grootste vigiliën is van het kerkelijk

206

ocr page 213

GOEDE ZATERDAG. 207

jaar, werden de Catechumenen een andermaal onderzocht, gedoopt en door den Bisschop gevormd. De overige geloovigen waren bij deze plechtigheid tegenwoordig. Sinds het avondmaal, dat zij op Goeden Vrijdag namen, hadden zij geen spijs of drank meer gebruikt, teneinde op het eerste uur van het Paaschfeest de H. Communie te kunnen ontvangen. Voordat men den Catechumenen het H. Doopsel toediende, werd het licht ontstoken en gezegend, en, dewijl de doopplechtigheid lang moest duren, deed men eene buitengewone groote wasch-fakkel branden. Onder het doopen der nieuwelingen, las men den geloovigen verschillende schriftuurplaatsen voor, die allen op den val van den mensch, op zijne verlossing, op de zonde en hare gevolgen, op de redding van het Joodsche volk en liet paaschlam, en zoodoende, zinnebeeldig, op onze Verlossing door Hem, die het ware Paaschlam is, en op het Doopsel betrekking hadden. Deze voorlezingen, ten getale van twaalf, werden door gezangen en gebeden afgewisseld, en dienden, om, o?ider de langdurige plechtigheden des Doopsels, aan de aandacht en de godsvrucht der aanwezige geloovigen nieuw voedsel te geven. Inmiddels naderde het plechtig uur van des Heeren Verrijzenis. Dan begon de H. Mis, die op de feeste-lijkste wijze, den verrezen Verlosser ter eere, aan den Drie-heiligen God, in dit nachtelijk uur opgedragen werd. Onder deze H. Offeranden naderden de geloovigen met de nieuwge-doopten tot de Tafel des Heeren, om in het geheim van Jezus' liefde, met zijn goddelijk Vleesch en Bloed, tevens het onderpand hunner verheerlijkte opstanding te ontvangen.

Toen later het getal doopelingen verminderde, werd het uur van middernacht niet meer afgewacht, om de Paaschmis te beginnen. Allengskens werd zij al meer en meer verzet, totdat zij eindelijk, toen er geene Catechumenen meer te doopen waren, in den voormiddag van Goeden Zaterdag gehouden werd. Reeds in de XIII. eeuw was deze verandering in de

ocr page 214

208 GOKDE ZATERDAG.

H. Diensten algemeen bij de Westersclie Kerk ingevoerd,

terwijl de Oostersche den ouden ritus behouden bleef.

Niettegenstaande deze verandering, werden de verschillende eertijds gebiuikelijke ceremoniën bij bewaard. Maar, dewijl deze niet meer in verband staan met het toedienen van het H. Doopsel aan de Catechumenen, en ook ten opzichte van den tijd uit haar vroeger verband zijn gerukt, zoo moet men, gelijk wij dit hierboven deden opmerken, het doel, hetwelk deze plechtigheden eertijds hadden, niet uit het oog verliezen, wil men ze in haren waren zin en wezenlijke beteekenis verstaan, Wegens het groote getal der ceremoniën, die op dezen dag plaats grijpen, zullen wij ze hier, elk afzonderlijk, beknopt verklaren.

DE ZEGENING VAN HET NIEUWE VUUR.

Na des voormiddags vcor de laatste maal onderzocht te zijn, kwamen de Catechumenen, en met hen de andere geloovigen, te drie ure na den middag ter kerk. Geen enkel licht brandde in de heilige plaats: alles was er duister en doodstil, omdat Jezus nog in de duisternis van het graf rust, en de Kerk nog zwijgend en weenend bij het kille graf van haren Bruidegom neergezeten is. Evenzoo is het heden nog in de kerk, voordat de H. Dienst begint. De eerste plechtigheid, die destijds en ook heden op dezen dag wordt verricht, is het zegenen van het nieuwe vuur en licht.

In de eerste eeuwen der Kerk was het gebruikelijk, iederen dag na de Laudes, de lampen der kerk uit te dooven. Gedurende den dag verlichtte de heldere zon de heilige plechtigheden ; des avonds, vóór de Vespers, werd telken dage nieuw vuur uit een steen geslagen, en met dit nieuwe vuur stak men de kerklichten aan. Thans gebeurt zulks alléén op Goeden Zaterdag, maar hetgeschiedtdan ook metmeer plechtigheid.—

ocr page 215

GOEDE ZATERDAG. 209

In paarsch gewaad gehuld, begeeft zich de Priester met zijne dienaren buiten de kerk, waar de benoodigdheden voor het nieuwe vuur, en tevens de wierook, die voor de paaschkaars moet gezegend worden, zijn neêrgelegd. Het vuur, dat zoo dadelijk uit den steen zal vonkelen, is het zinnebeeld van den Heer Jezus, die het ware Licht der wereld is. Men slaat dit vuur uit een steen, om ons te herinneren, dat de goddelijke Verlosser de steen is, dien de Joden hébben verworpen, de steen, die hun een steen des aanstoots is geworden, terwijl Hij de hoeks! een werd van het eeuwigdurend gebouw van Gods heilige Kerk.

De lichtvonk, welke het metaal aan den steen ontlokt, stelt ons ook nog zinnebeeldig het groote geheim van dezen dag voor oogen : de Verrijzenis namelijk van onzen goddelijken Heer, die, als een alles doordringend vuur, heen kwam door den zwaren steen, die zijn graf bedekte, en uit de harde rots, die hem tot rustplaats diende, vol heerlijkheid en licht te voorschijn trad.

Het graf des Heeren bevond zich buiten de muren van Jerusalem. De heilige vrouwen moesten zich derhalve buiten de stad begeven, toen zij het lichaam des Verlossers wilden gaan balsemen. Zinnebeeldig wordt ons deze omstandigheid van des Zaligmakers begrafenis en opstanding voorgesteld en herinnerd, wanneer de Priester de Kerk verlaat, om met het nieuwe vuur ook de vijf wierookkorrels te wijden, die den balsem en de welriekende specerijen beteekenen, welke de vrome vrouwen met zich namen naar des Heeren graf.

Zoodra er vonken uit den steen geslagen zijn, en zij eene licht ontvlambare stof hebben aangestoken, wordt dit nieuwe vuur gezegend. Alles, ook het vuur en licht, mag wel nieu w zijn op dezen dag, waarop de Zaligmaker der wereld het groote Verlossingswerk voltooide, aan het geheele menschdom een nieuw en

hooger leven schonk, en het aanschijn der aarde vernieuwde!

14

ocr page 216

210 GOEDE ZATERDAG.

Terecht wordt ook dit nieuwe vuur, onder het uitspreken van zinrijke gebeden, gezegend, bewierookt, en met gewijd water besproeid; want het is voor den dienst der Kerk bestemd, en de Kerk bezigt niets van al het geschapene dezer eens door God vervloekte aarde, zonder het vooraf te zuiveren door haren zegen en te heiligen door haar gebed. Het is buitendien ook daarom billijk, dat dit nieuwe vuur door den zegen der Kerk worde geheiligd, omdat het de lichten van het altaar en de Paaschkaars moet ontsteken, die beiden een zinnebeeld van den Heilige der Heiligen, van den verrezen Verlosser zijn.

In vroeger tijden bestond op vele plaatsen het gebruik, om ook in de huizen alle licht en vuur op dezen dag uit te dooven, totdat het nieuwe vuur gezegend was; later werd alle licht en alle vuur van stad of dorp ontstoken aan het nieuw gezegend vuur. Deze vrome gewoonte is thans spoorloos verdwenen.

Zoodra over het vuur en den wierook de zegen der Kerk is uitgesproken, kleedt zich de Diaken, ten teeken van heilige vreugde, met een witte dalmatica. Van dit oogenblik af schemert de vreugde der Kerk in al hare verrichtingen door, en, als van verre, laat zij ons reeds den zegezang der overwinning hooren. De Priester keert, met zijne bedienaren, in de kerk terug. De Diaken draagt in zijne handen een rietstok, waarop een drietakkige waskaars bevestigd is. De rietstok verbeeldt de menschheid en het lijden des Zaligmakers, terwijl de drietakkige kaars een zinnebeeld is der allerheiligste Drievuldigheid, die, wegens het groote Verlossingswerk, op dit uur plechtig wordt geprezen en geloofd. Bij het binnentreden der kerk ontsteekt de Diaken een tak der kaars, welke hij in zijne handen draagt. Reeds bij den dood des Verlossers was het Oud Verbond verbroken, en de voorhang des tempels gescheurd : nu treedt het ware licht der wereld te voorschijn, en verdrijft de laatste schaduwen der Oude Wet. De Diaken

ocr page 217

GOEDE ZATEEDAG. 211

knielt neder, heft den drietak omhoog, en zingt luide : Lumen Chriêti; het Licht van Christus. In het midden der kerk, en vóór het altaar doet hij datzelfde, terwijl hij telkens een andere kaars van den drietak ontsteekt, en het koor daarbij antwoordt : Deo gratia» : Gode zij dank! Dank wordt de eerste maal toegebracht aan den eeuwigen Vader, die, te onzer verlossing, zijn eeniggeboren Zoon heeft gegeven; dank wordt de tweede keer gezegd aan den Zoon, die ons door zijn dierbaar bloed heeft verlost; lof en dankzegging wordt ten derden male uitgesproken aan den Heiligen Geest, van wien geschreven staat - Be heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoog sten zal u overschaduwen; daarom ook zal het Heilige, dat uit u zal géboren worden, Gods Zoon worden genoemd.

Zoo dient dan het nieuwe vuur, om den drieheiligen God, wegens het groote geheim der Menschwording van het ongeschapen Woord, te loven, te danken en te prijzen; daarom ook blijft de drietakkige kaars gedurende geheel den dienst van dezen morgen branden bij het altaar; na dezen dag mag zij niet meer in de kerk worden gebruikt.

DE PAASCHKAAKS.

Heeft het nieuwe licht alreeds de glorie van één God in drie personen verkondigd, nu moet het ook nog, bij de inwijding der Paaschkaars, den Lof vermelden van het Vleesch-geworden Woord. Trouwens, de Paaschkaars beteekent niet alleen, voordat zij ontstoken is, de wolk, die de kinderen van Israël bij hunnen uittocht uit Egypte, bedekte, maar ook den gestorven Christus in het graf, en, wanneer zij daar helder flikkert en brandt, beduidt zij niet alleen de vuurkolom, die het Joodsche volk in de woestijn geleidde, maar ook den verrezen Middelaar, die, met licht en glans omstraald, uit het

ocr page 218

212 GOEDE ZATEEDAG.

donkere graf te voorschijn treedt. Wegens deze hooge betee-kenis wordt de Paaschkaars met smaak versierd, en met buitengewonen luister gewijd. De wijding van de Paaschfakkel geschiedde in den beginne alléén in die kerken, waar eene doopvont was, en de Catechumenen op dezen dag het Sacrament der wedergeboorte ontvingen. Paus Zozimus, echter schonk reeds in de V. eeuw aan alle Kerken het recht, om deze plechtigheid te verrichten, teneinde alle geloovigen haar zouden kunnen bijwonen, en zóó den voorsmaak genieten van het Paaschfeest der Nieuwe Wet.

Wanneer de Kerk haren zegen uitspreekt, doet zij dat steeds door den mond van een Bisschop of Priester. De wijding der Paaschkaars maakt hierop eene uitzondering. Deze inzegening is aan een Diaken voorbehouden, omdat de Diaken, bij deze gelegenheid, Magdalena en de andere vrome vrouwen verbeeldt, die, in weerwil van de ondergeschiktheid van haar geslacht, het eerst van allen de Verrijzenis des Heeren uit den mond van Hemelboden vernamen, en haar verkondigden aan de Apostelschaar.

De Paaschkaars is neergezet op de plaats, waar gewoonlijk het Evangelie wordt gezongen, omdat zij Hem verbeeldt, die de poede tijding des heils aan het zondige menschdom heeft gebracht. Met zijne feestelijke dalmatica bekleed, nadert de Diaken, na vooraf 's Priesters zegen te hebben ontvangen, tot bij de versierde fakkel. Daar heft hij, op een verheven toon, het onnavolgbaar Exultet aan, om in den lof der Paaschkaars Hem te verheffen, dien zij verbeeldt. Heeft hij dien wondervollen nacht bezongen, die de stille getuige van Jezus' Opstanding was, dan neemt hij de vijf gewijde wierook-korrels en plaatst ze, kruisgewijs, in de Paaschfakkel, om de vijf heilige wonden des Verlossers daardoor af te beelden, en aan de welriekende specerijen te herinneren, welke Magdalena en hare gezellinnen, om Jezus' lichaam te balsemen, hadden be-

ocr page 219

GOEDE ZATERDAG. 213

reid. Daarna hervat de Diaken den afgebroken zang van het Exultet, en zoodra hij de Paaschkaars, in allersierlijkste bewoordingen, aan den eeuwigen Vader heeft opgedragen, ontsteekt hij haar aan het drietakkige licht. Door deze eenvoudige maar zinrijke handeling, herinnert hij ons aan die groote waarheid des Geloofs, dat het voor ons vleesch geworden Woord van alle eeuwigheid door den Vader is geteeld; dat Hij God van God, Licht van Licht, zoaren God van den waren God, en in zelfstandigheid en wezen één met den Vader is. Een oogenblik later worden de andere lichten der kerk met het gewijde vuur ontstoken, om ons te zeggen, dat de Heer Jezus het eeuwige Woord des Vaders, het ware Licht is, dat alle mensch verlicht, die in deze wereld komt. Nog eens hervat de Diaken den lof der Paaschfakkel : op denzelfden feestelijken toon stort hij vurige gebeden voor den Paus en den Bisschop, en de wijding der Paaschkaars is nu volbracht.

De Diaken legt vervolgens zijne witte dalmatica wederom af, herneemt zijne paarsche stola, en keert naar den dienstdoenden Priester terug, terwijl het beeld der Verrijzenis, de Paaschkaars, vroolijk blijft flikkeren en het hart der geloovigen verblijdt. Tot den dag, waarop Jezus de aarde verliet, om tot zijn hemelschen Vader terug te keeren, blijft de Paaschkaars hare plaats in het heiligdom innemen, en ontsteekt men op eiken Zon- en Feestdag, onder de Hoogmis en de Vespers, haar licht.

DE TOEDIENING VAN HET H. DOOPSEL AAN DE CATECHUMENEN.

In vroeger eeuwen, toen de Catechumenen op dezen dag het H. Doopsel moesten ontvangen, begon men de wijding der Paaschkaars met de bezwering des duivels, de zalving met den H. Olie, en de andere ceremoniën, die de toediening van dit heilig Sacrament vooraf moeten gaan. Inmiddels ge-

ocr page 220

214 GOEDE ZATEKDA6.

schiedden de voorlezingen uit de H. Schrift, die ook heden ten dage nog zijn bijbehouden, en waarover hierboven reeds genoeg is gezegd. Als deze heilige verrichtingen waren geëindigd, was ook het nachtelijk uur al ver gevorderd, en het oogenblik verschenen, om met het doopen der Catechumenen te beginnen. Hoe heerlijk schoon was dit uur uitgekozen, om den nieuwelingen het heilig Sacrament der Wedergeboorte toe te dienen ! Het is nacht in de natuur, maar het is ook nacht in den geest dier ongedoopten, die het Sacrament des Geloofs nog niet hebben ontvangen; het is ook nacht in hunne met zondenschuld besmeurde ziel. Maar, gelijk het daglicht weldra de duisternis van den nacht zal verdrijven, zoo zullen ook straks de geest en het hart der nieuwelingen met het licht des Geloofs en met den glans der goddelijke Genade worden bestraald! Te midden der duisternis flikkert klaar en helder de pas gewijde Paaschkaars, het zinnebeeld van Hem, die in de duisternis verscheen, om ze te verdrijven. In hare geheimzinnige taal, roept zij aan de doopelingen toe : nadert, en gij zult verlicht worden; Christus zelf zal u verlichten ! Accedite et illumina-mini; et illuminabit te Christus! De goddelijke Verlosser werd geboren, toen de geheele wereld was neêrgezeten in de schaduw des doods, toen alles zvreeg, en de nacht van ongeloof en bederf in het midden van zijnen loop was gekomen. Ook in het hart van den nacht, in het diepste der duisternis, zal het kind van Bethlehem in de ziel dier nieuwgeloovigen, door zijne genade, geboren worden. Zij zullen, door het Sacrament der Wedergeboorte, een nieuw, een verhoogd, een bovennatuurlijk leven vinden in Hem.

Ook in de keus der dagen, welke de Kerk eertijds voor de plechtige toediening van het H. Doopsel had bepaald, straalt dezelfde goddelijke wijsheid door. Twee dagen, de vooravonden namelijk van Paschen en van Pinksteren, waren voor deze plechtigheid bestemd. Op Paaschavond rust de Zaligmaker nog

ocr page 221

GOEDE ZATERDAG. 215

in liet graf, maar na weinige uren zal hij verrijzen, glorievol ! Ook de doopeling sterft op dit oogenblik den ouden mensch en de zonde af, maar om weldra een nieuw leven van hemelsche reinheid en genade in de heiligmakende wateren des Doopsels te erlangen. Zoo wordt derhalve voor hem de tijd tusschen den dood en de Verrijzenis des Heeren; het uur van overgang van den dood tot het leven, van de zoude tot de genade, van de duisternis tot het licht! Krachtiger nog werd dit beeld uitgedrukt door de wijze, waarop men eertijds meestal het H. Doopsel toediende. Driemaal werd de doopeling onder het water gedompeld en aan aller oogen onttrokken, even gelijk de Heiland drie dagen in de armen des doods^ en in den schoot der aarde verborgen, rustte. Maar ook even als zijn goddelijke Meester, staat hij op uit het graf, levend en krachtvol, blinkend van genade en schitterend van heiligheid.

Zegt dan de vooravond van Paschen aan den doopeling, dat hij met Christus moet worden begraven, om met Hem te verrijzen, dan zegt hem Pinksteravond even nadrukkelijk, dat hij gedoopt wordt in het vuur van den heiligen Geest, en den Gever aller gaven ontvangt, die hem door zijne genade een bovennatuurlijk leven schenkt, onderhoudt en voltooit.

Alvorens men het Sacrament der wedergeboorte aan de Catechumenen toediende, werd, volgens een gebruik, dat van de A.posteltijden af in de Kerk bestaat, het water der doopvont gezegend. Ook heden ten dage nog grijpt die water wijding plaats, ofschoon het uur dezer plechtigheid vervroegd is, dewijl er thans geene Catechumenen meer te doopen zijn.

Processiesgewijs trekt de Priester met zijne bedienaren en het zangkoor naar de doopvont, onder het zingen van den voor dit oogenblik zoo passenden psalm : gelijk het hert dorst naar de waterbronnen, zóó verlangt mijne ziel naar ü, o mijn God! De Paaschkaars wordt bij deze Processie voorop gedragen ter herinnering aan de vurige kolom, die de kinderen

ocr page 222

216 GOEDE ZATERDAG.

van Israël, te midden der duisternis van den nacht, door de wateren der Roode Zee geleidde, waarin zij hun redding vonden, gelijk de doopeling de zaligheid zijner ziel in de wateren der heilige fontein vinden zal. In een verheven en statigen zang spreekt de Priester den zegen uit over deze wateren, die voor zoo velen de wateren des heils moeten worden. Onder die zegeningen en gebeden verdeelt hij kruisgewijs het water, om ons te toonen, dat het door de verdiensten des Ge-kruisten Verlosser is, dat het de kracht erlangt om de zielen te reinigen. Vervolgens raakt hij met de vlakke hand het water aan; en deze aanraking door de gezalfde priesterhand schenkt aan dit stoffelijk wezen een begin van bovennatuurlijke kracht, op grond van het Priesterschap van Jezus Christus, waaraan de Priester bij zijne heilige wijding deelachtig werd. Dan maakt de zegenspreker driemaal het teeken des kruises over het doopwater, en daarna scheidt hij het in vier deelen, en sprenkelt het naar de vier hoeken der wereld, ten teeken, dat deze bron van zaligheid niet voor een uitverkoren volk alléén, maar voor alle volken der wereld geopend is. Onder deze ceremoniën zingt de Priester, op den statigen toon der Prsefatie, verschillende met zijne handelingen overeenstemmende gebeden. Daarna gaat hij door zijn zegengebed de kracht des Heiligen Geestes op deze wateren doen nederdalen. Doch, alvorens deze bede plechtig aan te stemmen, stort hij eerst op min verheven toon een voorafgaand gebed, en ademt driemaal, kruisgewijs, over het water, om zoo de werking van den H. Geest zinnebeeldig voor te stellen. Drie keeren doet hij de Paaschkaars, die Dengene verbeeldt door wien de H. Geest werd gezonden, in het water dompelen, terwijl hij driemaal, telkens op hooger toon, de volgende bede zingt: dat de kracht van den heiligen Geest in de volheid dezer Iron nederdale ! De derde keer laat hij de Paaschkaars in het water staan, en zingt, na driemaal op het water geblazen te hebben : Rij geve

ocr page 223

GOEDE ZATERDAG. 217

aan het ganscke toezen van dit water de vruchtbare kracht, om de geestelijke wedergeboorte te bewerken ! Dan neemt hij de Paaschkaars uit het water, en eindigt het wijdingsgebed. Met dit gezegend vocht wordt het volk besproeid, en een gedeelte er van voor den kerkdienst, en het gebruik der geloovigen, ter zijde gezet.

Wel is de zegening des waters geëindigd, maar tot grooter eer en meerdere heiliging van deze bron, waarin zoovele zielen voor het eeuwig leven zullen herboren worden, giet de Priester iets van de H. Oliën, die op Goeden Donderdag werden gewijd, in de Doopvont. Eerst mengt hij den Olie der Catechumenen, dan het H. Chrisma met het doopwater, en eindelijk giet hij, telkens onder passende gebeden, te gelijker tijd de beide H. Oliën in die bron des heils, en de wijding der doopvont is volbracht.

Na deze plechtigheid werden eertijds de Catechumenen ge-doopt,en ontvingen zij onmiddellijk daarna uit de handen des Bisschops het H. Sacrament des Vormsels, tot kracht en sterkte, om hun geloof standvastig te belijden immer en altijd.

DE HEILIGE MIS.

Te midden dezer verschillende plechtigheden was het eene uur het andere gevolgd, en het oogenblik verschenen, waarop het hoogheilig Offer, den Verrezen Heiland ter eere, moest worden opgedragen. Zoodra de nieuwelingen gedoopt waren, of, zoo als zulks thans geschiedt, zoodra de doopvont gewijd is, keert de Priester met zijne bedienaren naar het altaar terug. De Paaschkaars en de Nieuwgedoopten gaan voor hem op, en hij wordt door een aantal geloovigen gevolgd. Met zijn Diaken en Subdiaken werpt hij zich voor het altaar op zijn aangezicht neder, om in de nederigste houding den Heer voor zijne weldaden te danken. Zoo blijft hij diepverootmoedigd liggen, terwijl

ocr page 224

218 GOEDE ZATERDAG.

het zangkoor de Litanie van alle Heiligen zingt. Bij de woorden: wij zondaars, wij hidden V, verhoor ons, staat hij op, om zich met het feestelijk Paaschgewaad te gaan bekleeden en het heilig Misoffer te beginnen. Op eene onbloedige wijze zal het ware Paaschlam worden geslacht, en met de andere geloovigen zullen ook de nieuwgedoopten er zich meê voeden. De Mis van Paaschnacht begon zonder ingangspsalm, omdat het volk reeds sedert lang in de kerk vergaderd was; en ook thans nog wordt die ingangspsalm achterwege gelaten. Zoodra de bedienaren des heiligdoms in hun feestgewaad bij het altaar verschijnen, stemt het koor den Kyrie aan, en is deze geëindigd, dan weerklinkt uit 's Priesters mond het verheven loflied der Engelen, als de blijde mare, dat de boetetijd voorbij en het uur geslagen is, waarop wij ons met den Verrezen Heiland moeten verheugen. Een heilige blijdschap vervult nu aller gemoed; ieders boezem klopt, ieders hart trilt van vreugde; vroohjkklingelen deouter-schellen, het orgel juicht, en van den hoogen toren af verkondigt de metalen tong der klok de heugelijke tijding van 's Heeren glorievolle Verrijzenis. De Collecte en de Epistel worden naar gewoonte gezongen, maar zoodra de Epistel, die eene overheerlijke vermaning voor de nieuwgedoopten bevat, geëindigd is, hoort men den zegekreet, die sinds Septuagesima niet meer in het heiligdom werd vernomen : Alleluja! zoo zingt de Priester, Alleluja! zoo antwoordt het koor! Driemaal herhaalt de Priester, telkens op verhoogden toon, dien kreet der overwinning, en driemaal antwoordt het koor met stijgende geestdrift : Alleluja, Alleluja, Alleluja! Wat er op dit oogenblik in het geloovige hart omgaat, welke zalige vreugde door bloed en aderen stroomt, welke heilige geestverrukking den Christen aangrijpt en tot diep in zijn binnenste doordringt, is licht te bevroeden.

De overige plechtigheden der H. Mis worden zooals gewoonlijk verricht. Alleen het Credo en het Offertorium worden

ocr page 225

GOEDE ZATERDAG. 219

noch door den Priester gebéden, noch door het koor gezongen; het Credo wordt achterwege gelaten, omdat de Catechumenen de geloofsbelijdenis vóór hun doopsel luide hadden opgezegd; én het Offertorium, omdat de geloovigen op dezen dag geen brood of wijn voor den H. Dienst ten ofier brachten. De vredekus wordt in deze H. Mis niet gegeven, en ook het Agnus Dei, waarin bij de derde maal om den vrede wordt gebeden, blijft achterwege, dewijl de dag nog niet verschenen is, waarop de Heere Jezus, na zijne verrijzenis, zijn geliefden den vrede was komen wenschen.

Ofschoon deze H, Mis van Paaschnacht tot op den morgen van Goeden Zaterdag is vervroegd, wordt toch al het eigenaardige er van ook thans nog bijbehouden. Eene enkele in het oog loopende verandering heeft zij echter ondergaan. Op Goeden Zaterdag namelijk werden eertijds geene Vespers gebeden, omdat de talrijke plechtigheden van dezen dag elkander onafgebroken van drie ure na den middag tot in den vroegen Paaschmorgen opvolgden. Thans worden de Vespers, op het einde der Mis, na de H. Communie, gezongen.

v Met deze Vesperbede, zegt de uitmuntende schrijver van het Kerkelijk jaar, „wordt het offer gesloten: Alleluja, „ Alleluja, Alleluja! Looft den Heer, gij alle geslachten,

* looft Hem, alle volkeren! want zijne barmhartigheid is n over ons bevestigd, en de waarheid des Heeren blijft in y eeuwigheid! Glorie zij den Vader, en den Zoon, en den n H. Geest ! Gelijk het was in den beginne, en nu, en altijd, n en in de eeuwen der eeuwen. Amen! Alleluja, Alleluja, h Alleluja! Dan wordt nog een andere lofzang, die van

* Maria, de groote Kruisheldin, aangeheven. Aan de vreug-n detonen is geen einde. Alleluja ! is de zegekreet! Alleluja ! h klinkt bet weder. Alleluja! duizend malen. Alleluja! Chris-v tus is waarlijk verrezen. Alleluja ! Alleluja !

n Op morgen zal het Peest der Peesten de geloovigen in den

ocr page 226

220 GOEDÉ ZATERDAG.

n heiligen tempel vereenigen, om den Verwinnaar van zonde, ,/ dood en bel te aanbidden en lof te zingen. O zalig bij, die h in dezen tijd der geestelijke hernieuwing het leven der genade „ in zich zal hebben opgewekt, en op dien grooten verwin-,/ ningsdag ook zijn eigen zegepraal zal kunnen vieren.quot;

LOFZANG get ffiaeultet tmn ïren Si. gLuausttitttt».

(V. EEUW.)

— Nageschetst. —

Jubelt, hemelsche Englenkoren,

Juich, gewijde Priesterschaar; Feestbazuin, doe 't loflied hooren:

Zie, de Zegevorst is daar ! — In haars Konings zonneluister

Dartelt de aard, van vreugd verrukt; Het heelal ontstijgt aan 't duister. En de wereld, vrij van kluister,

Ligt voor 's Eeuwgen Troon gebukt.

Hoor, van blijde feestdagsgalmen Trilt de stem der Moederkerk. Volken, mengt uw hoogtijdspsalmen Met des Outers wierookwalmen ; 't Is volbracht, 't Verlossingswerk.

Daarom dan, geliefde Broeders,

die met mij, bij 't heilig lichl Van de ondoofbre Paaschfeestfakkel,

oog en hart ten hemel richt,

ocr page 227

GOEDE ZATERDAG. 221

Smeekt, dat de Almacht, door wier

goedheid ik in het Levitenkoor Onverdiend werd toegelaten, mij

omschitter' met haar gloor, En mijn mond, door haar geopend,

waardig 't heil verkonden moog', Dat de Paaschvlam heeft doen schittren

voor der volken starend oog. Ja, 't is billijk en rechtvaardig,

dat ons woord aan 't wereldrond. God-des-Vaders lof doe hooren,

en den Zoon, dien hij ons zond. Luid verheerlijk' daar de schuldbrief,

Adams nakroost opgelegd,

Door zijn zoenbloed is vernietigd

en het groote pleit beslecht. Immers, heden is het Pascha,

heden 't hemelsch Lam geslacht. Dat zijn leven voor heel 't menschdom

blij ten offer heeft gebracht.

Hier, hier is de nacht weêrspiegeld,

toen het kroost van Abraham, Uit Egyptes ijzren smaadjuk,

droogvoets door de wat'ren kwam. Hier, hier ziet men 't licht weêrkaatsen,

dat, van uit de duisternis, Als een vuurkolom, te midden

der woestijn verschenen is. Uit den nacht en 't slijk der zonde

heeft zijn star ons voorgeleid, En door 't heilbad der Genade

't pad ten Hemel toebereid.

Hier rijst leven uit den dood op

en hergeeft het graf zijn buit; Hier stijgt Christus, als Verwinnaar,

d'afgrond der verderfnis uit.

ocr page 228

222 GOEDE ZATERDAG.

Waartoe zou ons 't voorrecht strekken

van op aarde 't licht te zien, Als het voorrecht der Verlossing niet

het menschdom hulp kwam biên ? Doch, hoe groot is dan uw liefde,

hoe barmhartig, zijt Ge, o God, Dat Gij, enkel uit ontferming, en

bewogen^met ons lot.

Om den mensch-slaaf vrij te koopen,

uwen Zoon ten losprijs bracht, En om Adams zonde en afval

uwen Izaak hebt geslacht, ó Noodzaaklijk kwaad des menschen,

dat den Godmensch sterven deed, ó Gelukkig schuldbedrijven,

waarvoor zulk een Offer leed!

ö Volzaligste aller nachten,

die het heiluur hoordet slaan, Dat den Christus, zegepralend,

uit zijn grafrust op zag staan. Van dien nachtstond staat geschreven,

dat hij zijn zal als de dag. Waarop aard en hemel tevens

in Gods vreugde jub'len mag : Daar toch zonde en gruweldaden

uitgedelgd zijn, sinds het Lam, Dat ter slachtbank heengesleurd werd,

heel de zoenschuld op zich nam. Zondaars krijgen de onschuld weder,

zielsbedroefden scheppen moed, Haat en nijd zijn weggebannen,

eendracht zet het hart in gloed; Aardsche kronen buigen neder,

verootmoedigd in het stof.

Heel 't herboren aardrijk jubelt

en juicht enkel tot Gods lof.

ocr page 229

GOEDE ZATERDAG.

— De Diaken steekt, kruiswijze, vijf korrels gewijden wierook in de Paaschkaars, welke hij vervolgens ontsteekt. —

Neem dan, heilig God en Vader,

in herinring aan dien nacht,

Deze Fakkel, als een reukwerk,

door de Kerk U toegebracht. Uit Egyptes dichten nevel rees

voor Isrel de ochtendglans, En voor ons steeg Mensch- en Godheid,

't aardsche en hemelsche, ten trans. Daarom, Heer en Zaligmaker,

geef, dat voor het Fakkellicht, In uw heilgen Naam ontstoken,

'taardrijks duister vliede en zwicht. Neem, o neem in gunst dees Feesttoorts

als welriekende offerand, En moog' zij haar glansen paren

met de Zon, die eindloos brandt, Met die eeuwge Morgensterre,

wier verkwikkelijke gloed Nooit gemist wordt aan de kimmen,

waar zij 't harte juichen doet: Morgenster, die uit het duister

van driedaagschen grafkuilsnaeht Voor deze aard weldadig oprees

in onsterfelijke pracht; 6 Wij smeeken, dat haar lichtglans

tot den jongsten dageraad Saam moog smelten met de Paaschvlam,

die ons hart U branden laat..

Eindlijk, God, liefhebbend Vader,

en vrijmachtig Opperheer,

223

ocr page 230

224 GOEDE ZATERDAG.

Zend, op dezen dag, uw zegen

in de mildste volheid neer Over kudde en herders tevens,

over 't Hoofd der Christenheid, Over Vorsten, over Volken, —

en verleen uw Majesteit Al haar schepslen vrede op aarde

en hiernamaals, voor uw Troon, Die den goeden strijd volstreden,

de onverwelkbre zegekroon.

Overweging.

DE KLOK EN HET ORGEL.

Wie bewondert niet het verheven gevoel, door de Kerk, in de plechtigheden van haren eeredienst ten toon gespreid, en waardoor zij op hare zinnebeelden het zegel van haar genie, het kenmerk harer grootheid drukt? Om Gods weldaden en lof, met eene zijner opperste Majesteit waardige pracht en heerlijkheid te verkondigen, bedient zij zich van twee stemmen, wier kracht en uitgebreidheid elkander evenaren : het Orgel en de Klok.

Het Orgel! eene stem naar binnen, die hare welluidende golvingen voortstuwt onder de zangerige gewelven der basilieken, rondom de oude pijlers van het groote kerkschip, tot in de geheimzinnige eenzaamheid van het heiligdom.

De Klok! de stem naar buiten, die, tot in de verte, de lucht onder het geluid harer wijdstrekkende galmen trillen doet. Het Orgel! uitdrukking van het openbaar gebed in de Godgewijde tempels; de Klok! uitdrukking van het algemeen gebed, in den heerlijken tempel der natuur. Het Orgel! stem der Engelen en der Heiligen, die, van de kerkramen af, waarin hun strijd en hunne overwinning staan afgebeeld, op de ingetogen menigte nederdaalt, om de vreugden en heerlijkheden des hemels te fluisteren in hun oor. De Klok! stem van het volk en van geheel het menschdom, die van uit dit dal van ballingschap en tranen, de klacht des lijdens en het geroep

ocr page 231

GOEDE ZATERDAG.

der benauwdheid, met het verlangen der hoop en der liefde, op doet stijgen tot den troon des Almachtigen. Het Orgel! heerlijke stem, wel is waar, maar die, daar zij de grenzen van het heiligdom niet overschrijdt, slechts door de vrome geloovigen gehoord wordt. De Klok! eene stem vol deugd en kracht, die in de ooren des geloofsverzakers doordringt, ten spijt hunner pogingen, om aan hunne gewetenswroegingen te ontgaan; eene stem, die den goddelooze, al is hij ook den Ceder des Libanons gelijk, in zijnen hoogmoed neder-velt; eene stem, die de vrees voor de toekomst en den angst voor de eeuwigheid neerlegt in het geweten, waaruit God verbannen is ; eene ware woestenij, die door een gloeienden wind is verdord en door geen dauw bevochtigd wordt; eene stem, die, als door een onheilspellenden straal, de duistere plooien, waarin dat geweten zich wikkelt, en den akelige afgrond, waarin het zich stort, verlicht.

Ziedaar de reden, waarom de Klok, aan heilige en kuische zielen zoo dierbaar, voor de boozen zoo hatelijk en lastig is. Als voorwerp van haat of van liefde, even als de Godsdienst zelf, wiens onuitwischbare rechten zij verkondigt, wekt zij alle gevoelens op, behalve de onverschilligheid. Wien zij niet treft, als een troost, dien kwetst en verbittert zij, als eene verwijting. Niets ontbreekt alzoo aan hare glorie : de afkeer, dien zij den ongeloovige inboezemt, is eene hulde, die haar niét minder verheft, dan de vrome eerbied, waarmede de Christen haar omgeeft.

De Klokken moeten wij alzoo eerbiedigen en liefhebben, naar het voorbeeld onzer vaderen, die over hare verbanning zoovele tranen stortten, die op het gevaar af van vrijheid en leven, haar met zooveel ijver voor begeerige opsporing verborgen, en die haar, zoodra een dageraad van vrede over de Kerk begon op te gaan, zegevierend en juichend in de al te lang stomme torens herplaatsten.

Maar onze vereering der Klokken moet eene vereering wezen vol begrip en gevoel ; ons Geloof, onze Hoop, onze Liefde moeten de Klok bezielen : want wat zou zij anders zijn dan een klinkend metaal, dat de lucht van een nutteloos geluid weergalmen doet ? Zucht de Klok, dan moeten wij met haar zuchten; juicht zij van vreugde, dan moeten wij ons met haar verheugen in den Heer; looft en dankt zij, dan moeten wij met haar loven en danken; noodigt zij ons uit tot het gebed, tot den arbeid, tot de rust, dan moet haar teeken voor ons als een bevel van God-zelven zijn; roept zij ons op naar het Heiligdom, dan moeten wij uitroepen : Mijn hart heeft zich

lö

235

ocr page 232

PASCHhN.

226

verblijd over wat mij gezegd is : wij zullen opgaan naar des Hcc ren Huis. En zoo dikwerf zij ons oor treft, zeggen wij ; wederom een uur minder aan den dag mijns levens, wederom een schrede meer naar het einde mijner baan. Maar welken voortgang heb ik, bij het ten einde spoeden mijns levens, gemaakt op den weg der eeuwigheid ? Eens komt het laatste uur, waarna mijn bestaan door geen tijd meer zal gemeten worden, en, indien dat uur thans sloeg, zou dan mijne ziel in de handen van een barmhartigen Vader, of van een vertoornden Rechter vallen ?

ii ..........................in................................mi......nu......mi............mTi£gt;—e

P ASCHEN.

aschen ! Paschen! zoo riep vreugdedronken het jood-sche volk, alreeds vdor dertig eeuwen, telkens, wanneer de dag terugkeerde, waarvan de Heer had gezegd ; deze dag zal voor u zijn als een gedenkzuil mijner bescherming en mijner weldaden; gij zult hem te allen tijde, van geslacht tot geslacht, als een plechtig feest, uwen Reer en God ter eere, vieren. En vroegen de kinderen van Israël aan hunne ouders ; wat be teekent dit feest? dan antwoordden hun deze : wij slachten het Paaschlam en offeren het den Heer, ter herinnering aan den laatsten nacht, dien ons volk in Egypte doorbracht, toen de Engel alle eerstgeborenen onzer verdrukkers doodde, maar onze huizen spaarde, omdat zij met het bloed van het Paaschlam waren geteekend. En vroegen Israels kinderen nogmaals ; wat beteekent dit plechtig feest ? en waarom wijdt gij den Heer alle eerstgeborenen toe ? dan werd hun geantwoord : omdat Hij, door de kracht van zijnen arm, ons uit het huis zijner slavernij heeft verlost.

ocr page 233

PASCHEN. 227

Luider evenwel dan aan de oevers van den Jordaan weerklinkt heden diezelfde vreugdekreet van het Noorden tot het Zuiden, van het Oosten tot het Westen. Paschen! Paschen! zoo roept, met vreugde en blijdschap, het verloste menschdom. Alleluja! het groote Verlossingswerk is voltrokken! Alleluja! Ook tegen ons, — zoo antwoordt de Christen aan die hem vraagt, wat die zegekreet beduidt, — ook tegen ons had de Engel des verderfs het moordstaal gezwaaid ; hij dreigde niet alleen ons lichaam, maar ook onze ziel met een' eeuwigen dood; doch de Heere Jezus, dat ware Paaschlam der geheele wereld, heeft onze zielen geteekend met zijn bloed, opdat de Engel des verderfs, die dit goddelijk teeken niet durft schenden, zou terugdeinzen en voorbijgaan, zonder ons te schaden. Wij ook, wij zuchtten, siuds vier duizend jaren, in de wreedste slavernij. Geen aardsche vorst, maar de prins der duisternis, de woedende Satan had alle kinderen van Adam in de ijzeren boeien der zonde geklonken, en oefende op ons een helsche dwingelandij uit. De Heere Jezus heeft onze ketenen verbrijzeld en ons de vrijheid geschonken der kinderen Gods; Hij heeft ons uit de slavernij verlost, en ons gemaakt tot erfgenamen van den driewerf heiligen God ! Ja, hij heeft ons verlost, en wel ten koste van zijn leven, ten koste van zijn bloed! Maar Hij, die in zijnen dood over hel en zonde zegevierde, heeft ook op dood en graf de overwinning behaald. Hij heeft op dezen dag de kluisters des doods verbroken, en is, vol leven, en kracht, vol glans en heerlijkheid te voorschijn getreden uit het graf! Hij is verrezen om niet meer te sterven ! O zondig, o ellendig menschdom, kniel neder in het stof, en aanbid uwen Redder, uwen Verlosser ! Zing een loflied, den Gekruiste van Golgotha, zing een loflied, den Zegevorst ter eere ! Het rijk des dwingelands is vernield ; de prins der wereld is buitengeworpen; uwe verlossing is voltooid, de aarde is herschapen en haar aanschijn hernieuwd.

ocr page 234

228 PASCHEN.

In haar Konings zonneluister.

Dartelt de aard, van vreugd verrukt.

Het heelal ontstijgt aan 't duister.

En de wereld, vrij van kluister.

Ligt voor 's Eeuw'gen troon gebukt.

Ziedaar de hooge beteekenis van dezen dag, die bij uitstek een dag van Geloof, van Hoop en van Liefde is. Paschen is een feestdag voor ons Geloof, dewijl de Verrijzenis des Heeren een ouwedersprekelijk bewijs levert van de waarheid des Ge-loofs, en er, als het ware, het zegel, met het merkteeken der Godheid, op drukt. Want, is Christus niet verrezen, zoo spreekt de Apostel Paulus, dan zijn uw geloof en onze prediking ijdel! Paschen is ook het feest der Hoop. Christus immers is van de dooden opgestaan, als hoofd van het groote lichaam der Kerk. Maar is het hoofd verrezen, dan zullen de ledematen niet ten eeuwigen dage der verrotting worden prijs gegeven; dan zullen ook deze eenmaal uit hunnen graf-slaap ontwaken en glorievol zullen zij, die in geloof en liefde vereenigd bleven met hun goddelijk hoofd, verrijzen uit den dood. De Verrijzenis des Heeren is derhalve het onderpand der verheerlijkte' Opstanding des vleesches, die ons staat te wachten. Trouwens, is Christus van den dood verrezen, zoo roept ons wederom de groote Apostel toe : hoe zou, dan nog iemand durven beweren, dat de dooden niet zullen verrijzen7 Want zegt men, dat de dooden niet zullen opstaan, dan moet men ook zeggen, dat Christus niet verrezen is! Gelooven wij integendeel dat Jezus gestorven is en verrezen, dan moeten zoij ook gelooven, dat God hen, die in den Heere Jezus zijn ontslapen, eenmaal uit de graven zal te voorschijn roepen, om in Jezus' glorie te deelen voor altoos. Ja, Paschen is een feest van Geloof, een feest van Hoop; maar het is ook nog een dag van dankbare liefde èn jegens den eeuwigen Vader, die ons zijnen eenigen Zoon gegeven, diens zoenoffer

ocr page 235

PASCHEN. 229

aanvaard, en hem heden opgewekt heeft van uit den dooden; èn jegens den Zoon, die op dit uur het groote Verlossingswerk voltooid, ons Geloof bevestigd en onze Hoop verlevendigd heeft; èn jegens den H. Geest, die ons, door zijne genade, deelachtig heeft gemaakt aan de verdiensten van den smart-vollen dood en de glorierijke Verrijzenis van den nooit volprezen Verlosser en Heer.

Bij de beschouwing dezer hooge beteekenis van het paasch-feest begrijpen wij, waarom de Heilige Vaders Paschen, het Feest der Feesten, den Dag der Dagen, de Plechtigheid der Plechtigheden hebben genoemd. Op aller gelaat staat dan ook heden de blijdschap te lezen : de geheele schepping juicht en viert met den verrezen Verlosser feest. Er is feest in het hart des zondaars, die zich in de dagen van boetvaardigheid met zijn God heeft verzoend, en die nu, met Jezus verrezen, uit het graf zijner zonden is opgestaan. Er heerscht eenehemelsche vreugde in het binnenste der vrome ziel, die op dezen dag vroegtijdig met Magdalena naar het verheerlijkte graf van haren Zaligmaker ijlde, aan de Tafel des Heeren nederknielde, en zich met het goddelijk Lichaam en Bloed des Heeren Jezus voedde. Op Paaschdag voelt zich de grijsaard verjeugdigd, en deelt met zachte en innige blijdschap de heilige vroolijkheid van het kind des huizes. Heden is er feest in de Kerk, die al hare kostbaarheden ten toon spreidt, en hu re zoetste zangen aanstemt, terwijl klok en orgel, ieder in zijne taal en op zijne wijze, de zegepraal des Heeren luide verkondigen en zonder eind het A.lleluja! den kreet der overwinning herhalen. Ja, er is heden feest in het hart, feest in het huisgezin, feest in de Kerk, en zelfs de natuur, die onder de koesterende stralen der voorjaarszon herleeft, en, als verjeugdigd uit den winter-dood te voorschijn treedt, viert met en door hare verrijzenis de opstanding van haren Schepper, van onzen Verlosser, Meester en Heer.

ocr page 236

230 PA.SCHEN.

Verre van dit vreugdegevoel tegen te gaan, wekt de Kerk in hare H. Diensten ons tot eene innige en heilige vroolijkheid op. Zij had geweend bij Jezus' lijden; stilzwijgend, ofschoon hoopvol, had zij gewaakt bij zijn graf. Maar nu de steen, die het graf van haren Beminde sloot, is afgewenteld, nu de zegels er van verbrijzeld zijn, nu, onder het oog der wachters, de dood zijn buit heeft verloren, nu hemelsche glans en eeuwige luister het hoofd van haren Bruidegom omstraalt, nu spreekt zij niet langer van boete of versterving, nu plengt zij geen tranen meer. Louter vreugdekreten ontsnellen aan hare hijgende borst: a 1 hare zangen zijn vreugde- en zegeliederen, en zonder eind |en zonder maat doet zij het blijde Alleluja weergalmen door de gewelven van Gods huis. De Heer is waarlijk verrezen, Alleluja : dit is haar eerste woord, bij de nachtgebeden van het feest. Dit is de dag, dien de Heer heeft gemaakt: laten wij ons dus aan vreugde en vroolijkheid overgeven ! zoo spreekt zij ons bij ieder uur der H. Getijden toe. Ik ben verrezen, en toch nog met u. Alleluja ! met die blijde woorden begint zij het H. Misoffer van dezen dag, waarin alles op het groot geheim der Verrijzenis terugwijst. In den Epistel dezer H. Mis, herinnert ons de i/roote Apostel, dat Christus ons Paaschlam is, en dit enkele woord doet de harp der Kerk op nieuw trillen, en ontlokt haar een nieuwen zang. Zij heft het victimm paschali laudes aan, en zingt met blijde stem :

Zing luide 't Feestdagslied, den maatzang der victorie, Nu, vrome Christenschaar, weêr't Pascha voor u rijst;

Heft aan dien blijden Psalm, den jubeltoon, ter glorie Van Hem, wien al wat ademt prijst.

De Godmensch stierf; zijn dood gaf ons het leven weder. Hij toog verwinnaar door de afgrijslijkheid van 't graf;

Het bloed van 't vlekloos Lam stroomt heilvol op ons neder. En lost de schuld van allen af.

ocr page 237

PASCHEN. 231

De Hel ontzet in toorn, en tracht haar prooi te ontrukken Aan die de wereld redt, maar, bevend, buigt zij 't hoofd;

De Dood verbleekt, bij 't diep en siddrend nederbukken Voor die haar arm van kracht berooft.

En gij, Maria, zeg, wat mocht uw oog aanschouwen ? „ Ik zag, in 't flikkeren als van bliksemschicht op schicht,

„ Den Doode, dien 'k begroef, den God van mijn vertrouwen, „Verrezen met het morgenlicht.

„ Ik vond de windsels wel, maar 't grafgesticht verlaten, „ Geen kluister van den dood hield Hem in 't stof gekneld,

„Tot weerstand van wiens macht geene aardsche krachten „ En die den Satan heeft geveld.quot; (baten,

Hij leeft! Hem hopen wij, — dra zullen allen 't hooren, Dat Hij verrezen is, naar de uitspraak van zijn woord,

Dra zal zijn minlijk oog weêr 't Jongren-hart bekoren, In 't door Hem begenadigd oord.

ó Gij, die door uw dood den Hemel hebt ontsloten. Ver winnaar van het Graf, gezalfde Vorst en Heer,

Wil ons niet van 't bezit uws koninkrijks verstoeten.

Maar zie, in 't uur des doods, barmhartig op ons neêr.

Alle gebeden der H.Mis ademen dezelfde vreugde, en zelfs op het oogenblik dat de Diaken den geloovigen aankondigt, dat het hoogheilig Offer voltrokken is, en hen met het gewone Ite Misga est naar huis zendt, moet hij nogmaals lucht geven aan zijn hart; nog tweemaal doet hij op verheven toon het Alleluja weêrklinken, en tweemaal herhaalt het zangkoor dienzelfden zegekreet!

Het Paaschfeest werd alreeds door de Apostelen ingesteld, en is derhalve zoo oud als de Kerk-zelve. In den beginne was men het echter niet eens over den dag, waarop dit feest moest worden gevierd. Eenige Oostersche kerken, en wel bepaald die van Klein-Azië, vierden het op denzelfden dag, waarop de Joden hun Paschen vierden, namelijk, op den 14. dag der

ocr page 238

232 PASCHEN.

Maartsche maan, om 't even, op welken dag der week deze dag ook inviel. Al de overige kerken daarentegen vierden, met de Kerk van Rome, het Verrijzenisfeest op den eersten Zondag, die op den zoo even vermelden dag volgt. Het gebruik der Roomsche Kerk verdiende ontegenzeggelijk de voorkeur, vooreerst, omdat de Zaligmaker op den Zondag is verrezen, en ten andere, omdat het Pascha der Joden met hun eeredien st werd afgeschaft, en het derhalve zeer wensche-lijk was, dat het Paaschfeest niet te gelijk met het Pascha der Joden werd gevierd. Tevergeefs had Paus Victor, zelfs onder bedreiging van zware straffen, de kerken van Klein-Azië willen verplichten, om aan hun oud gebruik vaarwel te zeggen, teneinde Paschen overal op denzelfden dag gevierd zou worden; eerst in de algennene kerkvergadering van Nicea werd aan dit verschil een einde gemaakt, en bepaald, dat voortaan alle kerken van het Oosten en het quot;Westen zich te dezer zake naar het gebruik der kerk van Rome moesten voegen.

Vóór de Hoogmis wordt, bij uitzondering, met Paschen, en evenzoo op Pinksterdag, geen water gewijd; maar, ter besproeiing der geloovigen, neemt de Priester water uit de heilige fontein, die den vorigen dag werd gezegend, en waaruit de Catechumenen, voor een nieuw leven herboren, te voorschijn traden. Ook zingt de Kerk, bij het sprenkelen van dit gewijd water, niet den asperges me, met het begin van den voor dezen tijd al te treurigeu boetpsalm, miserere, maar van heden af tot Pinksteren toe, zingt zij het opwekkende : Vidi aquam, waarvan de zin ons in deze schoone dichtregelen van den Hoog-Eerwaarden Heer Van der Ploeg teruggegeven wordt.

Zie ginds ter rechter spoedt Uit 't heiligdom de vloed Des levens voort met zoet geschal,

In wat'ren, helder als kristal.

Alleluja.

ocr page 239

PASCHEN.

Tot wien dat wonder koom',

Hij drinkt uit 's levens stroom,

En allen zingen : zalig hij !

En weder allen zingen zij ;

Alleluja, Alleluja!

Tot in de XVI. eeuw bestond er een gebruik, dat zich van het Oosten aan het Westen had medegedeeld en destijds vrij algemeen onderhouden werd; namelijk, bij het krieken van den dag, begaven zich de geloovigen op Paaschdag ter kerk. Zoodra de Priester in het heiligdom verscheen, nam hij het kruisbeeld in zijne handen, en verkondigde aan de vergaderde menigte de opstanding des Heeren met deze woorden : Christus is opgestaan van de dooden ! Allelu ja ! Dan kuste hij het beeld van den verrezen Zaligmaker, die den waren vrede aan de wereld heeft geschonken, en, alvorens het Paaschlied aan te stemmen, gaf hij den vredekus aan den aanzienlijkste der vergadering, die hem voorts aan al de andere mannen overdroeg. De vrouwen deden dit insgelijks onder elkander. Hij, die den vredekus gaf, zeide : Jesus is verrezen, en degene die hem ontving antwoordde : Hij is waarlijk verrezen. Diezelfde broederlijke omhelzing werd in den familiekring eu zelfs op de openbare straten herhaald; ook werd zij vaak als een middel gebruikt, om zich met zijne vijanden te verzoenen, dewijl niemand den viedekus van Paschen zou hebben durven weigeren of afwijzen. Dit oud gebruik bestaat ook thans nog in Polen; in onze streken is er niets van overgebleven; op enkele plaatsen echter van ons vaderland werd nog op het einde der vorige eeuw, in den vroegen morgen van dezen dag, eene processie gehouden, die niet weinig overeenkomst met de zoo even vermelde plechtigheid had. Een ander gebruik, dat genoegzaam algemeen is en voorzeker vermelding verdient, ofschoon het zich niet in de kerk, maar alleen in den huiselijken

233

ocr page 240

234 PASCHEN.

kring voordoet, is het gebruik der paasciieieren. Die frissche en fraai gekleurde eieren verblijden het kinderhart, en schenken aan de lieve kleinen eene vergoeding voor het aandeel hetwelk ook zij, door de zorg eener vrome moeder, in de algemeene versterving, tijdens de groote lijdensweek, hebben gehad. De meer gevorderden in jaren wijzen mede dit geschenk niet van de hand, maar genieten de paascheieren onder bekende teekens van vriendschap en van ware broederlijke liefde. Die paascheieren zeggen ons, dat de tijd der versterving en der boete voorbij is. Zij zijn daarenboven ook nog een beeld van 'sHeeren Verrijzenis, en van onze toekomstige Opstanding. Immers, de uitwendige harde schaal van het ei gelijkt den grafsteen, dien de Heer verbrak, en welken wij ook eens zullen verbreken op den jongsten der dagen, zoo als het kuiken in het ei de schaal verbreekt, om daaruit leveud te voorschijn te treden.

Moge mede voor ons het paaschei, hoe klein en onbeduidend ook, eene herinnering zijn aan het groot geheim van dezen dag, en een middel, om onzen naasten een sprekend bewijs te geven van een hun toegenegen hart.

LOFZANG.

Wat willen deze ontstelde vrouwen, Dit open graf, uit rots gehouwen.

Door Joodsche wachters streng bewaard ? Hoe zijn dees woeste legerknapen.

Vaak onverschrokken in het wapen,

Thans zóó, tot vluchtens toe, vervaard ?

Hij, dien men, voor slechts weinig dagen. Zijn moordhout zag ter strafplaats dragen.

ocr page 241

PASCHEN. 235

En 't schandlijkst vonnis ondergaan;

Die door zijn Vader werd verlaten,

Gehoond, bespot door die Hem haten.

Schoon met ons aller schuld belaên;

Hij, bij wiens bloedig, smartlijk sneven.

Men de aard zag op haar grondvest beven.

De zon met nevelfloers bedekt;

De steenrots siddrend opgespleten,

Des Tempels voorhang losgereten.

En dooden uit hun graf gewekt;

Hij, die uit liefde door twee braven In deze groeve werd begraven.

Verzegeld door den Hoogen Raad;

Hij heeft, trots zegels en soldaten,

Het welbewaarde graf verlaten.

Bij 't krieken van den dageraad.

Juich, Christenschaar, door blijde zangen Den sombren rouwtoon nu vervangen,

Geslaakt om Jezus' droeven dood !

Doe aan heel de aard uw lofzang hooren,

Stem luide in 't lied der Englenkoren,

En juich ; de Heer is waarlijk groot!

Triomf! door 'sHeilands bloedig lijden,

Kwam hij ons van den dood bevrijden.

Ons opgelegd door Adams schuld.

Triomf! hij heeft het eeuwig leven Ons, door zijn sterven, weêrgegeven,

En Gods beloften trouw vervuld.

Triomf! hij is uit 't graf verrezen.

En heeft ons schitterend bewezen

Zijn roeping, als Gods Afgezant;

Triomf! hij heeft door zijn herleven Het burgerrecht ons weêrgegeven,

In 't eeuwig hemelsch Vaderland.

ocr page 242

236 PASCHEN.

ó Jezus, wien ik, door mijn zonden,

Staag 't hart doorgriefde in wond bij wonden. En 't hoofd met doornen heb gekroond. Doe me óók uit 't zondengraf verrijzen. En laat mijn mond uw goedheid prijzen. Ons in uw sterven mild betoond.

Overweging.

De heuglijke gebeurtenis welke wij heden herdenken, ofschoon meer dan achttien eeuwen van ons verwijderd, heeft in de wereld zoo diepe indrukken achtergelaten, dat het ons voorkomt, als ware zij eerst heden voltrokken. Een heerlijke en majestueuze tempel was geslecht; de verwoesters waanden hunne taak te hebben voltooid, en, gelijk een beul, die zijn slachtoffer heeft afgemaakt, hadden zij zich begeven ter rust. Maar, na drie dagen, is deze tempel uit zijne bouwvallen verrezen, en zie, daar staat hij nu, onverganklijk en roemvol, omgeven met meer pracht en luister dan ooit voorheen. Alleluja ! Looft den Heer! Want Jezus, onze Koning, die den kruisdood gestorven was, is, zooals Hij voorzegd had, opgestaan uit zijn graf. Resurrexit, sic ut dixii, Alleluja I De gesloopte tempel is herbouwd! Tevergeefs had de Jood zijn graf verzegeld, tevergeefs was een zware steen op de grafstede gelegd, tevergeefs waren gewapende wachters er bij geplaatst, om den buit van den dood te bewaken en den gevangene in den kerker te houden : de ketenen van den gevangene zijn verbroken, de Leeuw van Juda is ontwaakt uit den slaap des doods, en de zware steen weggenomen als een lichte veêr. In plaats van de verschrikte wachters, zit nu bij het ledige graf een Bode van het eeuwige licht, vol schoonheid en jeugd, een in glans gehulde Engel des Hemels, die aan de vrome vrouwen van Jerusalem, die den Goddelijken Gekruiste wilden komen balsemen, de vreugdevolle tijding van 'sHeeren Verrijzenis verkondigt, terwijl hij haar zegt ; Hij is verrezen. Hij is niet hier. Waar dan, o dood, is uwe overwinning ? Waar is uw prikkel, o Dood ?

Welk een groote dag is alzoo de Paaschdag ! Het is de dag

ocr page 243

PASCHEX.

tier zegepraal, der levendige vreugde en der onsterfelijke verwachting. Eén woord slechts omvat de geheele feestelijkheid van dezen dag, het is ons Alleluja, het vroolijke Alleluja, dat onder de gewelven onzer tempels weêrgalml en door den Priester gestadig uitgesproken en gezongen wordt; Alleluja !

Elk groot feest evenwel vordert, om plechtig te worden gevierd, den glans van een groot Gastmaal, en tot een plech-tigen dag behoort eene plechtige feestviering. Bij de inwijding van den tempel te Jerusalem werden door Salomon duizenden offerdieren opgedragen aan den Heer. Gedurende tal van dagen nam geheel Israël deel aan de vreugde van een echt koninklijken disch, en de feestvierenden keerden jubelend en vol heilige vreugd naar hunne haardsteden terug.

Een roemrijke tempel, die Goddelijke tempel van het Lichaam onzes Heeren Jezus, is op den dag zijner Verrijzenis herbouwd, en, Christenen ! het is eene behoefte van ons hart, in een feestelijk gastmaal den grooten God een Hem verschuldigd ofifer te brengen.

Moet ik het u nog verkondigen, mijne Broeders, reeds wordt het offer opgedragen en de disch is bereid, zoodat ik u slechts de feestzaal behoef binnen te leiden. In den naam van God en van de H. Kerk, noodig ik u allen uit om binnen te treden, en ik bespeur met vreugde, dat gij allen daartoe zijt bereid.

In Gods huis zelf is de disch in gereedheid gebracht; op het altaar wordt het offer opgedragen. Ziet, hoe die drommen van genoodigden zich eerbiedig naar de feesttafel heenbe-wegen ! Dddr zie ik den godvruchtigen aanbidder, in de zalige verwachting van den God der liefde, zijne godminnende ziel voorbereiden en louteren. Daar zie ik hem, door zijn Engelbewaarder gesteund en geleid, met langzamen tred gaan naar des Heeren disch. Aan het altaar-zelf zie ik den Dienaar des Heeren met de witte stola bekleed, zich tot de neêrgeknielde menigte wenden. Hij houdt in zijne priesterlijk gezalfde hand den Kelk des Heils; ootmoedig biedt hij de goddelijke Spijs den genoodigden ter beschouwing aan, en spreekt tot hen deze roerende woorden ; ziet hier het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. In diepen eerbied klopt de knielende schaar op de borst, en, terwijl menige bekeerde zondaar tranen van boetvaardigheid en van reine vreugde plengt, herhalen allen met den Priester de woorden van den Hoofdman : Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts met een woord, en mijne

237

ocr page 244

PASCHEK.

ziel zal genezen zijn. En zie ! de Priester verdeelt de hemelspijs ; hij plaatst op de tong der genoodigden des Heeren Lichaam en Bloed, onder de blanke gedaante eener Hostie verborgen, en het Brood der Engelen is het voedsel geworden van den pelgrim der aard. Al deze verzadigden verheffen zich van de heilige tafel op, als even zoovele Christophoren, want zij dragen den Heere Jezus in hun hart. Het is de mensch niet meer, die leeft, aanbidt en zijne dankbare ziel voor God uitstort, het is Jezus Christus zelf, die in hem leeft, en in hem den hemelschen Vader aanbiedt 's menschen ontboezemingen van eerbiedigen dank.

O, aanschouwt de gelaatstrekken van dien gelukkigen Christen, die daar zooeven de Paaschcommunie ontvangen heeft! Sla hem gade in zijne heilige ingetogenheid, de ziel als overstelpt van een hemelsch geluk en eene onuitsprekelijke vreugde; meent gij niet, dat, wanneer deze door de godsvrucht gesloten mond zich eensklaps opende, hij eene stem zou doen hooren, gelijk aan den zang van een zuchtenden Engel, of die de zucht van een zingenden sterveling evenaart ?

Ik zie een dezer patriarchale gezinnen, die, zooals men er, Code zij dank, nog al vaak ontmoet, drie geslachten bevatten, de grootouders, de ouders en de kinderen, allen van het Paaschfeest terugkeeren, waarbij zij allen aan denzelfden disch hebben gezeten en dezelfde heilige vreugde hebben gesmaakt. Wie zal het geluk kunnen schetsen van dat gezin, innig in liefde en in geest van opoffering vereenigd door den Godde-lijken Gastheer, die in ieder dier harten zijne woonstede heeft gevest r Wie vermag de verhoogde liefde en eerbied te schetsen dier kinderen tot en jegens hen, die hun het leven schonken ? Wie zal ons de verdubbelde teederheid en zorg dier ouders schetsen in het bewaken hunner zonen en dochters, teneinde aan deze panden hunner wederzijdsche liefde eene jeugd vol onschuld en eene heilvolle toekomst te verzekeren ? Wie voelt zich bij machte, een tafereel op te hangen van het vertrouwen en de jeugdige kracht dier gelukkigen, door het brood der sterkte gevoede grijsaards ? Zij staan, wel is waar, op den rand van het graf, maar zij weten, dat hun graf luisterrijk zal zijn, en dat uit de doodelijke duisternis van het graf, de dageraad van het eeuwig leven voor hen op zal gaan : want in de H. Communie hebben zij èn de belofte, èn den waarborg, èn het onderpand van een eeuwig geluk en van de glorievolle verrijzenis huns lichaams ontvangen. Wie eindelijk, zou het wagen, de innig gevoelde

238

ocr page 245

beloken paschen.

werking der H. Paaschcommunie op alle leden van dat gezin in woorden over te brengen ?

Waar Jezus Christus in de harten huisvest, daar beveelt de meester met zachtmoedigheid, daar gehoorzaamt de dienaar met liefde, en deelt elk lid van het gezin in het lijden van alle overigen. En, geen wonder, want daar, waar Jezus komt, wordt hij vergezeld door alle deugden, die Nazareths nederige stulp eertijds hebben herschapen in het bekoorlijkst verblijf. De zachtmoedigheid, de verplichtende voorkomenheid, de nederigheid, de onschuld, een werkzaam leven en de gestadige vooruitgang in de volmaaktheid, ziedaar het erfdeel der gezinnen, wier leden zich steeds meer en meer nauw vereenigen met Hem, die voor ons allen, de IVeg, de Waarheid en het Leven is.

23»

Vergt van mij geene meerdere bewijzen of redeneeringen op dezen grooten Paaschdag, dien het licht zoo helder en zoo overvloedig omstraalt. Alleen zal ik, tot slot, de heerlijke woorden aanhalen van den schrijver der Navolging van Christus (iv. Boek; 2. Hoofdst.) » Aan twee zaken heb ik hier beneden » vóór- en bovenal behoefte, en zonder deze zou ik den last 5 van dit ellendig leven niet kunnen torsen. Opgesloten in 5 het lichaam, heb ik èn voedsel èn licht noodig, en daarom 3 geeft Gij aan dien armen gebrekkige uw heilig Vleesch tot 3 voedsel van zijne ziel en van zijn lichaam, en uw Woord, om s als eene lamp zijne schreden te verlichten. Ik zou niet kunnen 5 leven zonder deze twee dingen, want Gods Woord is het s Licht der ziel, en uw heilig Sacrament is des levens Brood.quot;

quot;-lt;8.................................................................I...............

BELOKEN PASCHEK

e vooravond van Paschen was eertijds de groote stond, waarop het H. Doopsel aan de Catechumenen werd toegediend. De Doopelingen werden alsdan bekleed met een sneeuwwit gewaad, het zinnebeeld der reinheid en der onschuld, waarin

ocr page 246

240 BELOKEN PASCHEN.

zij door dit heilig Sacrament waren hersteld. Zij behielden deze witte doopkleederen tot op den vooravond van den volgenden Zondag, wanneer zij Ze in de kerk terugbrachten. Aan dit aloud gebruik heeft de eerste Zondag na Paschen den naam ontleend van Dominica in albis of in albis depositis, hetwelk zoo veel als de Zondag ua het afleggen der Doopkleederen zeggen wil. Eertijds was de geheele Paaschweek een voortdurende feestdag. Dit werd, volgens den H. Chrysostomus, bijzonder ten gunste der Nieuwgedoopten dus geregeld. „ Jezus // Christus, (zoo spreekt de Kerkvader) werd na zijn doopsel // bekoord; de nieuwe geloovigen hebben dat insgelijks van den // helschen vijand te verwachten. Het is dus eene wijze inrich-n ting, dat de Kerk deze nieuwelingen nog gedurende zeven n dagen versterkt vóór den strijd, die hen te wachten staat.quot;

Daar het onderricht der nieuwgedoopten veel tijd en moeite vergde, en men die nieuwelingen niet door al te langdurige diensten wilde vermoeien, verkortte men de H. Getijden dezer week, in dier voege, dat er slechts drie Psalmen in de Metten gezongen werden. Datzelfde geschiedt om dezelfde reden gedurende de Pinksterweek. Dit gebruik, dat ook thans nog bestaat, heeft tevens een meer verheven doel. De Kerk wilde door het bidden dier drie Psalmen de Nieuwbekeerden herhaaldelijk herinneren, dat zij in het heilig Doopsel het Geloof, de Hoop en de Liefde hadden ontvangen, en hen opwekken, om de heilige Drievuldigheid van harte te danken voor de groote genade des Doopsels, waardoor zij kinderen Gods en erfgenamen des Hemels geworden zijn. Zoo onderwijst de Kerk bare kinderen niet alleen door woorden, maar ook door hare handelingen. Hiervan vinden wij in den Paaschtijd ook nog een ander bewijs; in dezen tijd namelijk schrijft de Kerk geen vasten voor, omdat het een tijd van geestelijke vreugde en blijdschap is, en zij spreekt hare gebeden niet knielend, maar staande, om ons zoo aanhoudend aan Hem te her-

ocr page 247

BELOKEN PASCHEN. 241

inneren, die uit den dood is opgestaan, en in wiens Verrijzenis het onderwerp der hooge vreugde van het Paaschfeest bestaat.

Bijzondere plechtigheden zijn op dezen dag niet te vermelden, en toch is deze Zondag dierbaar aan het Christenhart, niet alleen omdat hij de voortzetting en, als het ware, de stille avond is van het plechtige feest der Verrijzenis des Heeren, weshalve bij ook beloken, dat is gesloten of afgeloopen Paschen wordt genoemd, maar ook, omdat deze dag op vele plaatsen wordt verkozen, om de H. Communie uit te deelen aan de kinderen, die voor de eerste maal tot de Tafel des Heeren gaan. De dag der eerste H. Communie blijft steeds de schoonste van het leven, en diens herinnering is altijd honigzoet. Daarom blijft de Zondag in Albis, dewijl hij ons, van den eenen kant, aan ons H. Doopsel en, van den anderen, aan onze eerste H. Communie herinnert, een der schoonste en meest geliefde feestdagen van het Kerkelijk Jaar. Hij bijzonder voelt zich gelukkig op dezen dag, die, op de verloopen jaren terugziende, zich de getuigenis kan geven, dat hij zijn sneeuwwit doopkleed niet heeft bezoedeld, en dat de loop der jaren niets ontnomen heeft aan de godsvrucht en de liefde, die hem bezielden, toen hij het geluk had, voor de eerste maal het Lichaam en Bloed des Heeren te ontvangen en Jezus te laten rusten in zijn gelukkig hart!

LOFZ AKG.

|^«0ia0 glgni

Gij, die, in 't sneeuwwit feestdagskleed,

Den disch van 't Lam thans nader treedt.

Breng Hem-, die door een zee van Bloed U heenbracht, veilig en behoed.

Den blijden dank- en jubelgroet.

16

ocr page 248

242 BELOKEN PASCHEN.

Hij, Jezus Christus, 't eeuwig Woord, In wien de nieuwe schepping gloort, Hij, de Opperpriesterlijke Macht,

Heeft u zijn Vleesch ten spijs gebracht, Zijn Bloed tot drank, opdat uw ziel Niet tot een buit des doods verviel. En uit der zonde dienstbaarheid U 't hemelpad werd toebereid.

Hij, 't Pascha van de Nieuwe Wet, Heeft u deez' Feestdisch voorgezet.

Waar hij, die 't Paaschlam heeft geslacht, De oprechten van gemoed nu wacht.

Ja, heilige Offraar, schuldloos Lam, Dat voor mijn heil ter slachtbank kwam. Gij hebt des Afgronds schrikbre macht Voor goed gebreideld door uw kracht, Gij hebt het menschdom vrij gemaakt. De banden onzer schuld geslaakt. En bracht ons 't leven wederom. Met de aanspraak op uw Heiligdom.

Zoo stondt Gij op uit dood en graf, Naamt heel natuur haar kluisters af. En, op der wolken hemelglans, Ontzweefdet Ge ons naar hooger trans.

Daar smeeken wij U, Vorst en Heer, Ei, zie genadig op ons neêr.

En geef ons door den Paaschfeestdisch Al wat op aarde ons noodig is.

Dan grimt geen dood of hel ons aan. Maar loopt ons pad op effen baan; Zoo brengen we uwer Majesteit Den lof, den dank in eeuwigheid.

ocr page 249

BKLOKEN PASCHEN. 243

U, en den Vader, met den Geest,

Die Drie in Eenheid zijt te zamen.

Amen. Amen.

Overweging.

Toen eens de grootste Veldheer van den nieuweren tijd na eene schitterende overwinning, te midden zijner wapenbroeders uitrustte, zeide hem een der aanwezige Officieren: Sire! dezen dag moogt gij terecht onder de gelukkigsten uws levens tellen. Ja, hernam de veldheer, onder de gelukkige dagen zal hij voorzeker tellen, maar hij is er ver van af de gelukkigste mijns levens te zijn. Verwonderd zagen de krijgers elkander aan, en, door het zonderlinge van dit antwoord nieuwsgierig geworden, herinnerde, elk op zijne beurt, aan eene der merkwaardige gebeurtenissen in 's Keizers leven. Ieder meende den gelukkigsten levensdag des Keizers te hebben aangeduid, maar telkenmale werd hun geantwoord : neen, dat is hij niet. Eindelijk stond een grijze strijder op. Het was de even dappere als trouwe Generaal Drouot. s Sire, sprak hij gij zult mijne woorden niet logenstraffen ; de gelukkigste uwer levensdagen was die uwer eerste Heilige Communie.quot; Een traan ontglipte aan het oog des Veldheers; en, diep bewogen, riep hij uit: Drouot, gij hebt mij begrepen. _/«, dat is de gelukkigste stonde mijns levens geweest.'''' Deze woorden — zij mogen al of niet als geschiedkundig worden aangenomen — zijn de uitdrukking van hetgeen ieder Christenhart, waaraan de worm des twijfels of des ongeloofs nog niet heeft geknaagd, in zijn binnenst gevoelt. Lang moge de reeks van jaren zijn, welke men heeft beleefd: geluk en voorspoed mogen ons steeds hebben vergezeld; rijkdom, eer en roem mogen ons deel zijn geworden, dit alles zullen, ja, wel bloemen wezen op den dorren weg des levens, maar zij hebben ons het waar geluk niet geschonken, en konden dit ook niet, omdat zij kinderen zijn der nooit bevredigende vergankelijkheid. Die bloemen, helaas! verwelken allengskens; door den tijd verliezen zij al het aanlokkelijke harer kleuren, en dikwerf ziet het hart slechts onverschillig op dat bloeiend verleden terug; maar de eerste H. Communie, het zuivere genot, de hemelsche vreugde op dien dag gesmaakt, zietdaar eene bewonderens-

ocr page 250

BELOKEN PASCHEN.

waardige bloem, die altijd frisch, altijd geurig, altijd bekoorlijk blijft, gelijk op het oogenblik, dat zij voor het eerst ontlook. Ja, roept terecht een godvruchtig schrijver uit, ja, er is een dag in het leven van ieder Katholiek, die zóó heerlijk, zóó kalm en vol van de schoonste verwachtingen aanbreekt : een dag, zoo vervuld met heilige en genadevolle overwegingen, dat het schijnt, alsof God zich vernedert, om als 't ware met een zachten blik van zelfvoldoening op onze onschuldige kindsheid neder te zien : die dag is de dag onzer eerste Heilige Communie, waarop de Kerk zich, ten teeken van vreugde, met hare feestkleederen versierende, ook ons met het witte kleed der onschuld tooit en ons toestaat, om van het verhevenste harer geheimen deelgenoot te worden. Ach! hoe rampzalig moet hij zijn, die zich dezen gelukkigen dag niet. meer herinnert, en hem niet met vreugde terugbrengt voor zijnen geest!

Ook gij, die sedert dien tijd van reine vreugde uwe lippen reeds hebt bevochtigd met den bitteren kelk der wederwaardigheden des levens; ook gij, niet waar, herinnert u, met schokkende weemoedigheid, dien schoonen dag, waarop de zilveren tonen der luidende kerkklok uw hart, door ééne enkele gedachte van liefde bezield, heviger deden kloppen; dien dag, waarop gij God tot getuige naamt van de blijdschap, die uw gemoed vervulde, en van uwe vurige begeerte, om Hem te ontvangen in uw hart r Gij zeidet tot u zeiven, dat het uw God was, die in uw binnenste zou komen rusten, — en uwe godvruchtige verzuchtingen, uwe liefdevolle gewaarvvordingen waren toen in eene volmaakte overeenstemming met uw heilig verlangen. O, breng, indien gij kunt, dat alles in uw geheugen terug. Herinnert gij u nog de plotselinge aandoening, de godsdienstige verrukking, die uwe ziel doorstroomde op het oogenblik, dat het Geheim zou voltrokken worden, en die aan geheel uw wezen de nadering verkondigde van uwen God ? Herinnert gij u nog het oogenblik, waarop uw verlangen vervuld was en de diepste vrede heerschte in uw gemoed : het oogenblik, waarop gij uwen God hadt ontvangen en volkomen met Hem vereenigd waart ? O! wie zou de onuitsprekelijke verrukking, die toen uwe ziel beheerschte, kunnen begrijpen, de vurige betuigingen uwer godsvrucht en de uitnemende liefde vermogen te schetsen, die u toen bezielde voor uwen God, en u zóó dankbaar voor zijne oneindige liefde deed zijn, dat gij u als gedompeld voeldet in een oceaan van geluk en zaligheid.^

Neen, nimmer kunnen zulke herinneringen uit het geheugen

244

ocr page 251

maria. boodschap.

worden gewischt. De eerste H. Communie is een baken, dat wij uitgezet hebben, om den weg te kennen, dien wij moeten bewandelen, teneinde te geraken tot het ware heil. Gelijk de zeeman zijne blikken vestigt op de ster, die hem ten gids verstrekt op de onstuimige zee, zoo zullen ook wij onze oogen gestadig vestigen op dit teeken, om niet af te dwalen van den rechten weg.

...............................................................................iliiïTi.-iüïTq»—e

MARIA BOODSCHAP.

iee duizend jaren lang had het zondige menschdom, van een Verlosser verstoken, zijne zwakheid en ellende leeren kennen, opdat het des te vuriger naar zijnen Zaligmaker verlangen, en des te beter de weldaad der verlossing waardeeren zou. De nacht van ongeloof en verderf, die de aarde bedekte, was op het midden van zijnen loop gekomen : allerduisterst waren de nevelwolken van dien hangen nacht. De stem der waarheid en der deugd werd in de wereld niet gehoord : er heerschte eene ijzingwekkende stilte, de stilte van het graf.

Nu waren de tijden vervuld. Het plechtig uur, door de Profeten voorspeld, waarop de barmhartige God zijn eenigen Zoon in de wereld zou zenden, opdat de wereld door Hem heil en zaligheid zou erlangen, was aangebroken. ,/ Ziet, zoo had de Profeet Isaïas uitgeroepen, toen hij deze wondervolle gebeurtenis in de verste verte vooruitzag en verkondigde, ziet, eene Maagd zal ontvangen en een Zoon haren, wiens Naam Emmanuël (dat is : God met ons) zal zijn.... Een Kind is ons géboren, een Zoon is ons gegeven : de heerschappij is op zijne-

245

ocr page 252

246 MARIA BOODSCHAP.

schouderen gelegd, en Hij zal de Wonderbare, de Raadsman, God, de Krachtige, de Vader der toekomende eeuwen, de Prins des vredes worden genoemd.quot; Het oogenblik was nu daar, waarop die voorspelling, de hoop en de troost van het gevallen menschdom, in vervulling zou gaan.

Eeeds droeg Elisabeth den H. Joannes, den voorlooper des Heeren, in haren schoot; de komst van den Godmensch, aan wien Joannes den weg moest voorbereiden, was derhalve nabij. // In de zesde maand — der zwangerheid van Elisabeth — //werd de Engel Gabriël van God gezonden naar eene stad h van Galilea, met name Nazareth, tot eene Maagd, die onder-;/ trouwd was aan een man, wiens naam was Joseph, uit het // huis van David; en de naam der maagd was Maria.

// En de Engel kwam tot haar binnen, en sprak: Wees // gegroet, gij vol van genade! De Heer is met u ! Gezegend „ zijt gij onder de vrouwen !

,/ Als zij dit hoorde, ontstelde zij over zijne woorden, en n peinsde, wat dit voor een groet mocht zijn. En de Engel „ sprak tot haar: quot;Vrees niet, Maria ! want gij hebt genade „ gevonden bij God! Zie, gij zult in uwen schoot ontvangen, // en een Zoon baren, en zijnen naam zult gij Jezus heeten. n Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genoemd „ worden, en de Heere God zal hem den troon van zijnen // Yader David geven; en Hij zal over het huis van Jacob „ heerschen in eeuwigheid; en aan zijn rijk zal geen einde n zijn. Toen zeide Maria tot den Engel : hoe zal dit geschie-// den, dewijl ik geen man beken? En de Engel antwoordde, „ en sprak tot haar : de Heilige Geest zal over u komen, en // de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen: daarom // ook zal het Heilige, dat uit u zal geboren worden, Gods ff Zoon worden genoemd. En zie, Elisabeth, uwe bloedver-„ wante, ook zij heeft een Zoon ontvangen in haren ouder-h dom : en deze maand is voor haar, die onvruchtbaar heette.

ocr page 253

MAEIA BOODSCHAP. ■ 24?

// de zesde : want geen woord zal bij God onmogelijk zijn. En // Maria zeide : ziehier dan de dienstmaagd des Heeren; mij // geschiede naar uw woord ! En de Engel vertrok van haar. quot; (luc. I. v. 26 — 38.)

Op ditzelfde oogenblik ontving Maria, door den Heiligen Geest, het eeuwige Woord des Vaders in haren maagdelijken schoot. Uit haar nam de Zone Gods onze menschelijke natuur aan; om voor ons te kunnen lijden en sterven, en om ons door zijn lijden en dood te verlossen van de eeuwige pijnen en den eeuwigen dood. Op dit gezegend oogenblik is het dat het Woord is Vleesch geworden en onder ons is hamen wonen. De Kerk viert en herdenkt op dezen dag dit Godsgeheim, dat geen menschelijk denkvermogen kan bevatten, veelmin verklaren : zij viert het wonder der oneindige vernedering van een God, die, om ons te redden, van den hemel is neergedaald, zich-zelven heeft vernietigd en de gedaante van een slaaf heeft aangenomen; zij herdenkt, met innige dankbaarheid, de onuitsprekelijke barmhartigheid van den Zone Gods, die, in dit wonderwerk van liefde, op de schitterendste wijze uitblinkt. Daarom buigt ook heden, dieper dan op andere dagen, de Priester het hoofd, wanneer hij aan de voeten van het altanr nederknielt, wanneer deze plechtige woorden van het Credo worden gezongen : et incarnatus est de Spiritu Sancto, ex Maria virgine, et Homo factus est. — lie het vleesch heeft aangenomen, door den Heiligen Geest, uit de Maagd Maria, en Mensch geworden is.

Reeds in de eerste eeuwen, zooals menigvuldige oorkonden, die tot de vijfde eeuw opklimmen, zulks getuigen, werd dit feest, zoowel in de Oostersche als in de Westersche Kerk luisterrijk gevierd. Met haren goddelijken Zoon werd tevens Maria plechtig vereerd, die op dezen heuglijken dag het onuitsprekelijk voorrecht ontving, van de Moeder te worden van haren God en Schepper, de Moeder van «nzen Verlosser en

ocr page 254

248 MAMA BOODSCHAP.

van onzen Zaligmaker, en dit, zonder op te houden eene zuivere en ongeschonden Maagd te zijn. Loven wij dan op dezen dag de oneindige liefde van onzen Heer, tevens loven en prijzen wij den luister, de eer en de glorie, aan Jezus' Moeder geschonken, en, met dankbare vreugde en blijdschap herhalen wij haar lied van dankzegging ; „ Mijne ziel maakt u groot den Heer, en verheugd heeft zich mijn geest in God, h mijnen Zaligmaker! Omdat Hij nederzag op de geringheid h zijner Dienstmaagd : want zie, van nu af zullen alle geslach-,/ ten mij zalig prijzen; dewijl Hij groote dingen aan mij heeft // gedaan. Hij, die machtig is; en Heilig is zijn Naam! En „ zijne barmhartigheid is van geslachte tot geslachte over de-u genen, die Hem vreezen. Hij heeft kracht geoefend door „ zijnen arm; verstrooid hesft Hij die hoogmoedig zijn in huns if harten waan. Machtigen heeft Hij van den troon geworpen, u en geringen verheven. Behoeftigen heeft Hij met goederen // verrijkt, en rijken ledig weggezonden. Hij heeft Israël, n zijnen dienstknecht, aangenomen, indachtig zijner barmhar-// tigheid : gelijk Hij het aan onze vaderen heeft toegezegd, n aan Abraham en am zijn kroost, in eeuwigheid !quot;

Ofschoon de Kerk, in het feest van heden op eene meer bijzondere en plechtige wijze de Menschwording van den Verlosser, en de glorie der H. Moeder-Maagd viert, zoo doet zij zulks evenwel niet op dezen dag alléén, maar dagelijks weerklinkt, in hare openbare gebeden, de dankbare geloofsbelijdenis wegens dit troostvol Geheim. Daarenboven wekt, sedert acht eeuwen, de zilveren stem der klok, iederen dag driemaal, de geloovigen op, om dit Geheim van Liefde in een stil gebed te vereeren. Zoodra het klokje den Angelus klept, betzij in den vroegen morgen, in den laten avond, of op het volle middaguur, dan ontdekken zich aller hoofden en buigen zich alle knieën; de gesprekken, hoe levendig ook, worden afgebroken, en, in stille godsvrucht, bidt ieders mond en ieders

ocr page 255

MARIA BOODSCHAP. 249

hart; De Engel des Heeren boodschapte Maria, en zij ontving van den Heiligen Geest.quot;

// Wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met u; gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht

uws lichaams, Jezus--Heilige Maria, Moeder Gods, bid

voor ons, zondaars, nu en in de ure van onzen dood. Amen.quot; „ Zie de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord.

Wees gegroet!quot;

v En het woord is vleesch geworden, en het heeft onder ons gewoond. Wees gegroet!quot;

n Bid voor ons, heilige Moeder Gods,

Opdat wij waardig worden de beloften van Christus.quot; // O Heer ! wij bidden U, stort uwe genade in onze harten, opdat wij, die door de Boodschap des Engels, de Menschwor-ding van Christus, uwen Zoon, gekend hebben, door zijn lijden en kruis, tot de heerlijkheid der Opstanding mogen geraken, door Jezus Christus, onzen Heer. Amen.

Is dit gebed geëindigd, dan wenscht men elkander een zaligen morgen, een zaligen middag, of een zaligen avondstond.

Op vele plaatsen in het vrije Nederland wordt het schoone Angelus-klokje niet gehoord: bekrompen vooroordeelen verbieden het, om de dankbare geloovigen te roepen tot het gebed; mogen daarom echter de mond en het hart der geloovigen niet zwijgen: mogen zij integendeel, getrouw aan het aloude gebruik, geen dag laten voorbijgaan, zonder drie maal de Blijmaar van des Heeren-Engel te gedenken, met hart en mond.

Tijdens de Middeleeuwen werd het onderwerp van dit feest, in vele kerken, op eene dramatische wijze voorgesteld. Twee jongelingen of ook wel een koorknaap en een jeugdig bruidje plaatsten zich, ieder op eene verheven en daartoe bestemde plaats, in de nabijheid van het altaar, terwijl eene duif, den H. Geest verbeeldende, aan het gewelf was opgehangen. Het

ocr page 256

250 MARIA BOODSCHAP.

rijk uitgedoste bruidje stelde Maria voor en zat, in biddende houding, op eene knielbank ; de koorknaap daarentegen, die in een rijk kleed gehuld en met een gouden schepter in de hand, den Aartsengel Gabriël verbeeldde, bleef overeind staan. Wanneer de Mis tot aan het Evangelie gevorderd was, zong de Diaken: De Engel Gabriël werd van God gezonden naar eene stad van Galilea enz., zoo als boven is vermeld; maar alle woorden, door den Engel tot Maria gesproken, werden door den koorknaap, en de vragen en antwoorden der heilige Maagd door het jeugdige bruidje gezongen. Wanneer de koorknaap de woorden des Engels herhaalde: Be heilige Geest zal over Ukomen, wees hij met zijn gouden schepter naar de duif; deze werd dan langzaam afgelaten tot boven het hoofd van haar, die de Moeder-Maagd verbeeldde, en bleef daar hangen tot na het Agnus Dei. Bij dit alles bleef het kleine bruidje knielend op haar bankje zitten; maar, voor dat het de zegenrijke woorden zong : Zie hier de dienstmaagd des Heer en-, mij geschiede naar uw woord, stond het kind op, keerde zich naar het altaar, en stak, als deelde het in het gevoel dat Maria op dat oogenblik ontwaarde, wijd en breed zijne kleine armpjes uit. Na de Mis keerden Maria en de Engel stil en zedig naar de Sacristij terug.

Op de meeste plaatsen geschiedde deze voorstelling onder de Gulden Mis, in den Advent, waarin hetzelfde Evangelie wordt gezongen. Het is zeer waarschijnlijk, dat de Gulden Mis haren naam verschuldigd is, niet alleen aan den gloed vau licht, die alsdan het heiligdom als goud doet schitteren, noch ook alleen aan de plechtige wijze, waarop zij werd gevierd, noch ook uitsluitend aan de verhevenheid van het Godsgeheim dat alsdan wordt herdacht, maar ook aan de dramatische en den volke zoo welgevallige voorstelling van Maria Boodschap. // De guide Misse zegt een schrijver der XVII. eeuw, // is, omdat men alsdan het Evangelie zingt van Onser Vrouwe

ocr page 257

MARIA BOODSCHAP. 251

n Boodschap, ende van onses Heeren ontfanghenisse, voor-v waer wel guidequot;

Even waarschijnlijk is het, dat men grootendeels aan deze dramatische voorstelling den buitengewonen toeloop der geloo-vigen bij de Gulden Mis moet toeschrijven, ofschoon het niet te ontkennen valt, dan eene andere oorzaak hieraan krachtdadig medewerkt, te weten, de vrij algemeene opvatting, dat aan deze Mis een' bijzonderen zegen, om ons van alle gevaren op land en water te beschutten, verbonden is. En hierin vinden wij eene nieuwe, meer voldoende verklaring van den ijver, dien de varensgasten aan den dag leggen om de Gulden Mis bij te wonen.

De dramatische voorstelling van Maria Boodschap leefde, op eenige plaatsen, tot in de laatst verloopen jaren voort. Ouden van dagen, in het Bisdom Roermond, hebben ze nog zien plaats grijpen, en te Thielt, in België, werd zij eerst omtrent het jaar 1840 afgeschaft.

LOFZANG

ROMANCE.

Naar het Spaansch van Lopez de Vega.

In haar cel, met God onledig, Zat Maria vroom en zedig.

Diep verzonken in 't gebed. Peinzend, wie toch eens als Moeder D'eengen Zoon van d'Albehoeder Baren zoude zonder smet.

ocr page 258

252 MARIA BOODSCHAP.

Op haar knielbank neêrgezeten Las ze in 't boek van Gods Profeten

Het geheimnisvolle woord,

Dat haar ziel verlangend maakte, D'aardschen band haars harten slaakte En het hief naar 's Hemels oord.

Ja, zij las daar in die bladen.

Dat een maagd door Gods genaden.

Reine moeder, kuische vrouw.

Door geen man ooit te bekennen.

Noch den maagdenschoot te schennen. Eens het God-Kind baren zou.

s O gezegendste aller vrouwen ! quot;

Riep zij, vol van Godbetrouwen En van diepe vroomheid uit :

Zonder in 't gemoed te weten.

Dat de heilige Profeten

Haar hier hadden voorbeduid.

3' Ach! wie is 't geluk beschoren,

s Als Gij eens op aard geboren,

s Hier komt vestigen uw woon, » In uw heilgen dienst te leven,

» U als dienares te omzweven !

a U te zien, waar' 't hoogste loon ! quot;

■gt; Jonkvrouw ! 'k groet u nu reeds teeder ! » 'k Leg aan uwe voeten neder

» 't Lofwoord dat mijn ziel vervult; gt;gt; 'k Groet u, akker vol van zegen, s Die, bedauwd met hemelregen,

» Zulk een heilvrucht dragen zult.quot;

Door dit heilig, vroom verlangen Had haar geest alreeds ontvangen 't Eeuwig Woord, dat in haar schoot

ocr page 259

MARIA BOODSCHAP. 253

Straks zal rusten en zich kleeden Met enz' brooze menschenleden,

Worden onz' natuurgenoot.

Als de Maagd, door liefde ontstoken,

Dezen wensch had uitgesproken,

Blikte, in 's hemels hoogste sfeer God de Vader op zijn Zone,

En de Gods Zoon, van zijn' trone.

Boog zich voor den Vader neer.

Uit der geesten zalig Eden Snelt een Engel naar beneden.

Waar hij 't Woord verkonden gaat;

Zie, het luchtruim vangt de stralen,

Die al dartiend nederdalen Van zijn tintiend lichtgewaad.

Hij zal, bij zijn nederzweven.

Zich naar Nazareth begeven,

't Stille dorpje, arm van bouw.

Waar de Heer der Starrenbanen Voor een tijd van negen manen Met zijn hemel toeven zou.

Zacht gedaald in 't aardsch beneden.

Hult hij zich in jonglingsleden Schooner dan van Absalon.

Als een God zelf mensch wil worden,

Vraag niet, of uit de Engelenorden,

Een dien vorm wel kiezen kon ?

De Engel buigt, vol hemelwaarde.

Voor de Maagd de knie ter aarde ;

Afgezant van 's Heeren troon Meldt hij zich bij 't eerst ontmoeten,

En dat hij haar thans komt groeten Als de Moeder van Gods Zoon.

ocr page 260

MARIA BOODSCHAP.

Needrig, vol geloof, en teeder,

Buigt Maria, blozend, neder.

Nu zij d'Engel heeft gehoord; En zij roept, naar Gods begeeren : s Zie! ik ben de Maagd des Heeren s Mij geschiede naar uw woord ! quot;

En terwijl aan hare lippen Deze woorden haar ontglippen,

Ligt een God in haren schoot: Want Gods Geest kwam nederdalen Op zijn' bruid, en haar omstralen. Toen zij 't harte Hem ontsloot.

Ja, gij zijt het, o Vorstinne!

Die de Heer van den beginne

Uitkoos voor zijn Heilbesluit, Die Emmanuel tot Moeder,

En de Geest, onze Albehoeder,

Zich verkoos tot lieve Bruid!

Gij zijt de Ark, waarin wij schuilen. Als de stormen ons omhuilen !

Gij zijt ons de vredeboog.

Die zijn zeven schoone kleuren Uit den zondenvloed komt beuren. Om te flonkeren in ons oog!

't Duifken zijt gij, uit den hoogen. Dat naar Noachs ark gevlogen,

D'eersten scheepling op zijn tocht Tot een vreugdewekkend teeken Van ontdekte landings-streken Den olijftak bieden mocht.

Gij zijt 't Braambosch aller landen. Dat eens schittrend stond te branden In de lichtelaaie vlam.

254

ocr page 261

MARIA BOODSCHAP. 265

Toen zijn kruin den gloed trotseerde En het vuur zijn loof niet deerde,

Noch zijn levenskiem ontnam !

Gij zijt de beloofde Vrouwe,

Die 't serpent, zoo vol van rouwe

En vergif voor onze ziel,

In dit ondermaansch beneden,

D'ijdlen schedel mocht vertreden Met uw zegerijken hiel!

Gij zijt de Ark der nieuwe leere!

Gij, de tempel. God ter eere

Staande op Salomons bevel,

Waar de mokerslag der zonden Nimmer heeft het oor geschonden Van den Vorst van Israël!

Gij zijt de eenige Onbevlekte,

Die, toen God uw wording wekte,

Zonder smart ontvangen zijt;

Die Hij 't heilwoord toegezeid heeft.

Die Hij tot zijn woon bereid heeft En tot zijnen troon gewijd!

Overweging.

O zalige Maagd Maria, wie vermag er u naar waarde voor te loven en te danken, dat gij, door de beaming van den groet des Engels, de verloren wereld ter hulpe gekomen zijt r Welke lofspraak zal het armzalig menschdom u kunnen toebrengen, u, door wier bemiddeling alleen het de toenadering ter verzoening met God erlangde r Neem alzoo deze dankbetuiging aan, al is zij ook nog zoo gebrekkig en uwer verdienste onwaardig. Hebt gij ze aangenomen onze gebeden, o verwerf ons dan, door uwe voorspraak, vergiffenis en kwijtschelding onzer schuld. Draag onze bede over in het heiligdom der ontferming, en breng ons vandaar het heilmiddel der

ocr page 262

DE MEIMAAND.

256

verzoening weêr. Door u mogen wij verwerven, wat wij door u vol vertrouwen afsmeeken, en ons worde vergeven, wat wij door u van God verbidden. Aanvaard, wat wij opdragen; schenk ons wat wij u vragen; spaar ons voor wat wij vreezen; want gij zijt de onwrikbare hope der zondaren; door u wachten wij op de vergiffenis onzer misdrijven; op u, o allerheiligste Maagd, rust het oog des uitziens naar de eeuwige belooning. H. Maria, sta den ellendige bij, help den moedelooze, troost den schreiende, bid voor het volk, steun de Priesterschap, bescherm de godverloofde vrouwen; laat allen uwe hulpe wedervaren, allen, die uwe heilige nagedachtenis vieren; zijt den smeekenden tot eene krachtige hulpe in-hun gebed, en verwerf allen de gewenschte verhooring. Neem steeds ter harte de voorbidding voor het volk bij God, gij, gezegende, die in uwen schoot hebt mogen dragen den Verlosser der wereld. Hem, die leeft en regeert, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

quot;3~

DE MEIMAAND.

E vereering van Maria, die ons door Jezus op het kruis tot Moeder werd gegeven, de vereering van Haar, die onze meesteres, onze voorspraak en onze middelaarster is bij haren goddelijken Zoon, is eene wezenlijke behoefte van het Christenhart. Vandaar die lange rij van Maria-feesten, door de Kerk ingesteld, waarop achtereenvolgens al de geheimen van haar heilig leven worden herdacht; vandaar de toewijding der zaterdagen van het geheele jaar aan de onbevlekte Moeder-maagd; vandaar die tallooze kerken en bidplaatsen, op alle punten der wereld, te harer eere opgericht; vandaar eindelijk die veelvuldige broederschappen en godsvrucht-oefeningen, welke men, Maria ter eere, allerwegen aantreft, en die niet alleen de goedkeuring der Kerk genieten, maar

ocr page 263

DE MEIMAAND. 257

ook met geestelijke gunsten zijn bevoorrecht en met aflaten verrijkt.

Onder deze godvruchtige oefeningen moeten wij, op eene bijzondere wijze, vermelden de viering van de Maria-maand die, ofschoon nog geen eeuw bestaans tellende, bijna algemeen is geworden en met buitengewonen luister alom wordt gevierd.

Het gebruik van de Meimaand aan de allerheiligste Maagd toe te wijden, is uit Italië tot ons overgekomen. Sicilië, Napels en Rome kunnen als de drievoudige bakermat der Meimaand worden beschouwd. Trouwens, van oudsher bestond aldaar in de meeste huisgezinnen de godvruchtige gewoonte, om de eerste lentebloemen aan de voeten en ter zijde eener Madonna te plaatsen. Op het einde der achttiende eeuw kwam een vroom Priester deze godvruchtige oefening te gemoet, door haar samen te vatten, te regelen en te brengen tot een geheel. Hij vereenigde al deze huisgezinnen tot eene Broederschap ter eere van Maria, hield zelf de predikatiën, meestal betrekking hebbende op de instelling zelve, en op het doel daarvan, te weten, om, door aanroeping van Maria, te bevorderen Gods grooter eer, en 's naasten eeuwig heil. De Broederschap, die een teeder, vroolijk en levendig karakter had, als de lentemaand zelve, wier naam zij draagt, kreeg van lieverlede vertakkingen, het eene huisgezin sloot zich bij het andere aan; gemeenten vereenigd^n zich met buurtgemeenten, totdat de Meimaand, nu in Maria-maand herschapen en gedoopt, allengskens meer en meer in steden en dorpen bekend, zich over geheel Italië verspreidde; ja, weldra ging de bekendheid daarvan de grenzen over, en kwam in Frankrijk, waar, reeds in het begin der tegenwoordige, negentiende eeuw, een vroom Priester haar te Marseille vestigde. Het eene land nam van het andere deze godvruchtige instelling over, die heden ten

dage algemeen geworden is. Paus Pius VII., zaliger gedach-

17

ocr page 264

258 DE MEIMAAND.

tenis, dit goede werk ziende, en gedachtig, dat hij in eene Meimaand gelukkig in zijne staten was teruggekeerd, keurde deze godvruchtige oefening niet alleen goed, bij eene Breve van den 21. Maart 1815, maar begunstigde haar ook met groote aflaten. Ieder geloovige, die de oefening dezer maand afzonderlijk verricht, of ze openlijk in de kerk bijwoont, verdient dagelijks een aflaat van 300 dagen, en daarenboven een volle aflaat op een dag naar verkiezing dezer maand, mits hij biechte en communiceere en de gewone gebeden storte volgens de meening des H. Vaders. Deze aflaat kan ook worden toegevoegd aan de lijdende zielen in het vagevuur.

Niet slechts in den huiselijken kring, maar ook in de kerken wordt de Meimaand gevierd. Op eene verheven plaats, te midden van het heiligdom, prijkt in die dagen het prachtig versierde Maria-beeld, door geurige bloemen en brandende fakkels omringd. Rond dat beeld knielen de kinderen van Maria neer; daar hooren zij den lof hunner Moeder verkondigen; daar zingen zij zoete Mei-liederen; daar doen zij met de wierook-wal men en den liefelijken bloemengeur hunne bede hemelwaarts stijgen. Alles in het heiligdom, alles ook in de natuur, stemt tot gevoelens van geestelijke liefde, van innige godsvrucht en van vurig gebed. // De Meimaand, immers — zooals de Eerw. Heer Van der Horst, terecht doet opmerken, — is de schoonste der twaalf. Dan is de aarde uit haren winterslaap verrezen, en heeft zich weder getooid met kruid en bloem; zij verspreidt hare geuren wijd en zijd in 't rond, en geeft aan alles leven en vreugde terug. Zij is dus ook bijzonder geschikt, om de teedere en zoete godsvrucht der geloovi-gen op te wekken en te verheffen; zij leent hare bloemen en hare geurige pracht, opdat zij, die in Jèzus Christus herboren zijn, en nu als kleine kinderen in eenvoud en heiligheid voor het oog des Heeren wandelen, de Moeder gaan verheerlijken en loven en prijzen, die hen tot hare kinderen aangenomen

ocr page 265

DE MEIMAAND. 259

heeft. En die bloemen, zij spreken het uit, dat er geestelijke bloemen van heilige besluiten en goede voornemens worden aangeboden; en de geuren welke zij verspreiden, zij zeggen u, dat een aangename geur van goede werken opklimt tot voor Gods troon. Daarenboven, gelijk de Meimaand den winter heeft verdreven, om den zomer te doen herboren worden, zoo hebben die oefeningen ook ten doel, om hen, die sluimerden of ongelukkig den dood der zonde gestorven waren, weder tot het leven der genade en der goede werken op te wekken, en door de voorspraak van haar, die de toevlucht der zondaren is, terug te brengen op den weg des heils. Ja^ zij, die deze godvruchtige oefening gevolgd, en reeds meermalen de Meimaand gevierd hebben, zij zullen kunnen getuigen, wat voordeel zij daarvan hebben gehad.quot;

Laten ook wij, in deze schoone maand, onze bloemen aan de voeten der Moedermaagd neerleggen; laten ook wij haren lof bezingen en hare deugden prijzen; maar, vereeren wij haar vooral door het navolgen van haar heilig leven : dan zullen ook wij, gedurende deze maand, ons in den dienst van Maria bevestigen, en rijke vruchten van genade in-oogsten, voor tijd en eeuwigheid.

LOFZAHG

tmn i»en fj. ffictainttrvt».

Alle dagen,

Met behagen,

Zingt der heemlen Koningin;

Wilt haar prijzen

En bewijzen Uwe teedre kindermin.

ocr page 266

258 DE MEIMAAND.

tenis, dit goede werk ziende, en gedachtig, dat hij in eene Meimaand gelukkig in zijne staten was teruggekeerd, keurde deze godvruchtige oefening niet alleen goed, bij eene Breve van den 21. Maart 1815, maar begunstigde haar ook met groote aflaten. Ieder geloovige, die de oefening dezer maand afzonderlijk verricht, of ze openlijk in de kerk bijwoont, verdient dagelijks een aflaat van 300 dagen, en daarenboven een volle aflaat op een dag naar verkiezing dezer maand, mits hij biechte en communiceere en de gewone gebeden storte volgens de meening des H. Vaders. Deze aflaat kan ook worden toegevoegd aan de lijdende zielen in het vagevuur.

Niet slechts in den huiselijken kring, maar ook in de kerken wordt de Meimaand gevierd. Op eene verheven plaats, te midden van het heiligdom, prijkt in die dagen het prachtig versierde Maria-beeld, door geurige bloemen en brandende fakkels omringd. Rond dat beeld knielen de kinderen van Maria neer; daar hooren zij den lof hunner Moeder verkondigen; daar zingen zij zoete Mei-liederen; daar doen zij met de wierook-wal men en den liefelijken bloemengeur hunne bede hemelwaarts stijgen. Alles in het heiligdom, alles ook in de natuur, stemt tot gevoelens van geestelijke liefde, van innige godsvrucht en van vurig gebed. // T)e Meimaand, immers — zooals de Eerw. Heer Van der Horst, terecht doet opmerken, — is de schoonste der twaalf. Dan is de aarde uit haren winterslaap verrezen, en heeft zich weder getooid met kruid en bloem; zij verspreidt hare geuren wijd en zijd in 't rond, en geeft aan alles leven en vreugde terug. Zij is dus ook bijzonder geschikt, om de teedere en zoete godsvrucht der geloovi-gen op te wekken en te verheffen; zij leent hare bloemen en hare geurige pracht, opdat zij, die in Jèzus Christus herboren zijn, en nu als kleine kinderen in eenvoud en heiligheid voor het oog des Heeren wandelen, de Moeder gaan verheerlijken en loven en prijzen, die hen tot hare kinderen aangenomen

ocr page 267

DE MEIMAAND. 259

heeft. En die bloemen, zij spreken het uit, dat er geestelijke bloemen van heilige besluiten en goede voornemens worden aangeboden; en de geuren welke zij verspreiden, zij zeggen u, dat een aangename geur van goede werken opklimt tot voor Gods troon. Daarenboven, gelijk de Meimaand den winter heeft verdreven, om den zomer te doen herboren worden, zoo hebben die oefeningen ook ten doel, om hen, die sluimerden of ongelukkig den dood der zonde gestorven waren, weder tot het leven der genade en der goede werken op te wekken, en door de voorspraak van haar, die de toevlucht der zondaren is, terug te brengen op den weg des heils. Ja^ zij, die deze godvruchtige oefening gevolgd, en reeds meermalen de Meimaand gevierd hebben, zij zullen kunnen getuigen, wat voordeel zij daarvan hebben gehad.quot;

Laten ook wij, in deze schoone maand, onze bloemen aan de voeten der Moedermaagd neerleggen; laten ook wij haren lof bezingen en hare deugden prijzen; maar, vereeren wij haar vooral door het navolgen van haar heilig leven : dan zullen ook wij, gedurende deze maand, ons in den dienst van Maria bevestigen, en rijke vruchten van genade in-oogsten, voor tijd en eeuwigheid.

LOFZAHG get „®mni fcficquot; tmn i»en ij. Caaimirvt».

Alle dagen,

Met behagen,

Zingt der heemlen Koningin;

Wilt haar prijzen

En bewijzen Uwe teedre kindermin.

ocr page 268

260 UE MKIMAAXD.

Wie vergaêrde Ooit op aarde Zooveel gunsten, zooveel deugd? VVien bekroonde Wien beloonde God met zooveel zaalge vreugd?

Komt haar eeren,

Haar, des Heeren Moeder en geliefde bruid;

Komt verkonden Alle stonden Haren lofzang overluid.

Komt haar groeten.

Voor haar voeten Laat ontspringen uwe klacht, — Door een teeken Zal zij breken Heel 't geweld der helsche macht.

Hoort verhalen 't Zegepralen Van de Maagd, die God verkoor. Om het leven Weer te geven,

Dat het menschdom eens verloor.

Ongeschonden,

Vrij van zonden.

Kwam zij in den moederschoot; Satan duchtte.

En hij vluchtte.

Toen God haar het leven bood.

Zijn vermogen,

Trots zijn pogen.

Werd door haren voet verplet.

ocr page 269

DE MEIMAAND. 261

Hoe hij woedde,

Bang te moede,

Om 't behouden van zijn wet.

De vermeten Zag zijn keten.

Die ons boeide in dood en schand,

Losgereten,

Weggesmeten,

Door Maria's sterke hand.

Lieve kringen.

Wilt haar zingen Haar beminnen t' allen tijd,

Haar beschouwen.

Haar vertrouwen Al hetgeen gij doet of lijdt.

Smettelooze Hemelroze,

Lelie, door geen vlek besmet,

Wil toch geven.

Dat ons leven Steeds getrouw blijft aan Gods wet.

Wil God vragen.

Alle dagen.

Dat ik Hem gehoorzaam zij,

En mijn plichten Moog verrichten Zonder omzien, immer blij.

Blijf mijn richting En verlichting In dees donkre rampwoestijn!

Kom mij vrijden,

Doe mij mijden D'afgrond van der zonde pijn.

ocr page 270

262 DE MEIMAAND.

Laat mij smaken De vermaken Van een zuiver-minnend hart; Doe mij dulden Voor mijn schulden Met gedweeheid al mijn smart.

Maak, schoon plichtig, Mij voorzichtig En van alle traagheid vrij; Matig, goedig En ootmoedig.

Wars van trots en hoovaardij.

'k Wil zachtaardig En rechtvaardig Jegens mijne broeders zijn; 'k Zal ook trachten Te verzachten Al hun smarten, al hun pijn.

Onderwezen Moog ik wezen In Gods hoog-verheven leer, En gedurig Even vurig Bieden Hem mijn liefde en eer.

Mocht ik 't liegen En 't bedriegen Vluchten als de helsche slang, En bewaren In gevaren Jezus' wet mijn leven lang.

Gij, , wie 'k blijde, Eertijds wijdde Mijne kindsheid en mijn jeugd,

ocr page 271

OE MEIMAAND. 263

Bij mijn sterven,

Doe mij erven 't Eeuwig leven, de eeuwge vreugd.

Wil dan spreken,

Wil dan smeeken Voor mij bij uwen lieven Zoon ;

'k Zal daarboven U dan loven Neergeknield voor Jezus' troon.

Overweging.

IJslijk groot is het ongeluk, dat door één man en ééne vrouw ons berokkend werd. Doch Gode zij dank, door een anderen man en eene andere vrouw is dit ongeluk niet alleen hersteld, maar zijn wij ook nog met een grooteren genadeschat verrijkt geworden. Eva was eene middelaarster, maar eene allerwreedste middelaarster; door haar toch heeft het oude serpent, ook in het hart van den man, zijn doodend gif doen binnendringen; Maria integendeel oefent haar middelaarschap uit als eene getrouwe bestuurster; zij schenkt aan allen, aan mannen en aan vrouwen, een reddend tegengif. Eva was de dienstmaagd der verleiding, Maria die der verzoening; Eva spoorde aan tot zonde en tot val, Maria brengt herstel en verlossing aan.

O zwak, o gevallen menschdom ! waarom zoudt gij vreezen tot Maria te naderen? Zij is niet terugstootend, niet schrikwekkend : zij is zacht, zoet en goedertieren, zij biedt aan allen melk en wol, spijs en kleeding aan! Doorblader gansch het Evangelie en, vindt gij op eene enkele bladzijde iets bitters in eene enkele daad van Maria, een hard verwijt in haren mond, of het geringste teeken van verontwaardiging of gramschap, mistrouw dan de goedheid van Maria en vrees tot haar te gaan; maar vindt gij integendeel, — en zoo is het inderdaad — dat in haar alles godsvrucht en genade, goedheid en liefde, zachtmoedigheid en ontferming ademt, dank dan Den-gene, wiens oneindige barmhartigheid u zulk eene middelares geschonken heeft, welke gij niet behoeft te vreezen, welke gij niet mistrouwen kunt. De liefde van Maria kent geen paal of

ocr page 272

KRUISVINDING.

perk; zij strekt zich uit tot allen, tot de grooten en de kleinen, tot de wijzen en de dwazen ; voor allen opent zij den schoot harer barmhartigheid. Bij haar vindt de gevangene verlossing, de zieke genezing, de bedroefde troost, de zondaar vergiffenis, de rechtvaardige nieuwe genade, en de engelen des hemels blijdschap en vreugd. Zij vraagt niet naar vroegere verdiensten; zij is voor niemand onverbiddelijk; zij is allergoedertierenst voor allen, en voor alle behoeften en ellenden vol medelijden.

Laten wij dan vol vertrouwen tot Maria gaan; volgen wij hare voetstappen, en werpen wij ons aan hare voeten neder; bieden wij haar, zonder vrees, met innige godsvrucht en vertrouwen, onze bede aan; zij zal ons ter hulpe komen, want zij is machtig; laten wij aan haar vasthouden en haar niet los laten, voordat zij ons haren zegen geschonken heeft.

KRUISYIKDING.

iR'EHjjlEEDS in het begin der achtste eeuw, (720) werd, op den iJSI derden Mei, de merkwaardige gebeurtenis der Kruisvinding in de westersche Kerk plechtig herdacht. Volgens de Bollandisten zou deze feestviering op eene nog veel hoogere oudheid aanspraak kunnen maken. Wat hier ook van zij, dit is zeker, dat de vinding van bet heilig Kruis, in het begin der vierde eeuw, en wel ten jare 326, plaats had.

Zoodra de goddelijke Verlosser op bet Kruis gestorven, vnu dat Hjdenshout afgenomen, begraven en verrezen was, haastten zich de Joden, dat Kruis, door het bloed des Heeren besproeid en geheiligd, te gelijk met de kruisen, waarop de twee moordenaars waren gestorven, in eene diepte, aan den voet van den Calvarieberg, neder te werpen. Zij bedolven vervolgens dat glorievolle werktuig onzer Verlossing met puin en steen, om het te onttrekken aan aller oog. Zij waanden, die

264

ocr page 273

KRUIS VIN DING. 265

dwazen! dat zij, met het Kruis, ook alle herinnering, alle aandenken aan Jezus van Nazareth ten eeuwigen dage begraven hadden. Veertig jaren later bezweek het zondige Jerusalem onder den schrikbarenden last der goddelijke wraak: zijn tempel werd verwoest, zijne bewoners, die nog aan den hongersnood ontkomen waren, werden vennoord of in verre ballingschap gevoerd, en de Heiden kwam zijn vaandel planten daar waar het uitverkoren volk zoo lang den eenigen waren God vereerd en aangebeden had.

Woedend tegen Dengene, die hem op het Kruis had overwonnen, spoorde Satan de ongeloovigen aan, otn, op de onwaardigste wijze, die plaatsen te onteeren, waar zijn Verwiu-naar geboren, gestorven, en verrezen was. Op het graf des Heeren werd een afgodsbeeld van Jupiter, daar, waar eens Jezus' krebbe stond, werd een andere afgod, Adonis, en, op den Calvarieberg, een tempel ter eere van Venus, de godin der ontucht en der booze lusten, geplaatst; daar, waar de Zone Gods zichzelven voor ons had geofferd, droegen nu de Heidenen hunne afschuwelijkste offers op.

Drie eeuwen lang had Satan zich in deze schandelijke ont-eering der heilige plaatsen verheugd, toen eindelijk een duurzame vreds aan de Kerk werd geschonken, en de dag naderde, waarop aan deze ontheiliging een einde zou worden gemaakt. In en door het Kruis had de groote Keizer Constantiju zijne vijanden overwonnen en uit innige dankbaarheid had hij besloten, daiir eene prachtige kerk te houwen, waar de Heer Jezus voor ons aan het Kruis gestorven was. De moeder des Keizers, de H. Helena, ondersteunde krachtdadig dit godvruchtig voornemen van haren zoon. Dewijl echter, tengevolge der verwoestingen, op de heilige plaatsen door de Heidenen aangericht, du juiste plaats waar Jezus' Kruisgestaan had,moeie-lijk te bepalen was, zoo besloot de vrome Vorstin, om door hare tegenwoordigheid het opbouwen van het nieuwe heilig-

ocr page 274

266 KRUISVINDING.

dom te gaan bespoedigen, en bijzonder dooreene goddelijke vermaning aangezet, om het heilig kruis zelve op te sporen, zoo toog zij op tachtigjarigen leeftijd naar Palestina op weg. Bij hare aankomst haastte zij zich, de schandbeelden van Jupiter, Adonis en Venus te doen omverhalen, en, ouder de leiding van den H. Macarius, Bisschop van Jerusalem, het H. Kruis te zoeken. Helena spaarde geene moeite, om den kostbaren schat te vinden. Zij kon echter geene zekere inlichtingen inwinnen over de plaats, waar het heilig Kruis verborgen was, dewijl de Christenen de heilige plaatsen hadden moeten vermijden, om niet den schijn op zich te laden van de heidenschc afgoden te gaan aanbidden. Op grond eener oude overlevering, die bij de Joden bewaard was gebleven, begon men de werkzaamheden aan den voet van den Calvarieberg, in de nabijheid van het II. Graf, en men hoopte des te zekerder te zullen slagen, dewijl het gebruikelijk was bij de Joden, alles, wat tot de strafoefening had gediend, in de nabijheid der plaats, waar de veroordeelden begraven werden, te werpen in een diepen kuil. Met welken heiligen angst Helena de opdelvingen gadesloeg, is licht te begrijpen. Haar ijver werd echter met een gunstigen uitslag bekroond; want zie, nadat puin en stee-nen waren weggeruimd, kwamen drie kruisen, de ijzere nagels en het opschrift, door Pilatus boven liet hoofd van Jezus geplaatst, te voorschijn. Groot was op dit oogenblik Heiena's vreugde, maar zij was nog verre van volkomen gerust te zijn. Immers, welk van die drie zou nu het Kruis wezen, waaraan Jezus voor onze zouden geleden had? Hieromtrent heerschte de grootste onzekerheid. liet opschrift toch was van het Kruis afgerukt en op eene afzonderlijke plaats bij de drie kruisen teruggevonden; het paste wtl beter aan het eene kruis dan aan het andere, maar dit alleen kon meu niet als een afdoend bewijs beschouwen. Vol geloof richtte Macarius zijne vurigste bede tot den goddelijken Verlosser en, door eene hoogere

ocr page 275

KRUISVINDING. 267

ingeving verlicht, nam hij met een vast vertrouwen zijne toevlucht tot een middel, dat met het beste gevolg werd bekroond. Eene voorname vrouw te Jerusalem lag op sterven. In de tegenwoordigheid van de Keizerin en van het volk liet men haar de kruisen aanraken. Op de twee eersten lag men haar tevergeefs neder, maar zoodra zij het derde had aangeraakt, stond zij geheel genezen, vol gezondheid en kracht weder op. Nu was het ware Kruis door een wonderwerk aangeduid, en alle twijfel weggenomen. De H. Paulinus, Sozomenus en Sulpitius Severus verhalen mede, dat men een doode op het H. Kruis nederlegde, die op datzelfde oogenblik het leven wederkreeg. De blijdschap van alle aanwezenden, maar vooral die van Helena en van Macarius was onbeschrijfelijk groot, en groot ook was de eerbied, die aan de nu ontdekte heilige plaatsen, aan de werktuigen van het lijden des Verlossers bewezen werd. Vol dankbare vreugde, sticl)£|p|Helena eene kerk, dielfe plaats van de kruisiging en van hef Graf

omsluit en de kerk van liet heilig Graf genoemd wordt. Deze kerk, de heiligste plaals der wereld, werd in het jaar 335 voltrokken en plechtig ingewijd. Van toen af stroomden tallooze pelgrims naar dit uitstekend heiligdom, om bij Jezus' graf te bidden en zijn H. Kruis te vereeren. Vijftien eeuwen zijn sinds dien tijd vervlogen; het zand der woestijn heeft de voetstappen der pelgrims niet bewaard; de wind heeft het zand naar alle zijden heen en weer doen stuiven, maar in het christenhart is de liefde en eerbied voor die heilige plaats blijven voortleven, en heden, zoowel als voor vijftien eeuwen, brengt die liefde van alle streken der wereld godvruchtige aanbidders bij het graf des Verlossers te zaam.

Helena deed het H. Kruis met een zilveren kas omsluiten, en schonk dien onwaardeerbaren schat aan den Bisschop van Jerusalem, om in de kerk van het Heilig Graf te worden bewaard en vereerd. Een gedeelte echter dezer kostbare

ocr page 276

268 KRUISVINDING.

reliek gaf zij aan eene kerk, welke zij te Rome, onder deu naam van het heilig Kruis van Jerusalem bouwen deed, terwijl zij een ander gedeelte er van aaa haren zoon Constau-tijn zond, wien zij ook de nagels overbracht, warmee de Zoon Gods aan het Kruis geklonken werd. Van toen at beval Constantijn, dat het Kruis in het vervolg niet meer gebruikt zou worden, om misdadigers ter dood te brengen, en zoo werd het Zegeteeken der Verlossing, dat vroeger een voorwerp van spot en verachting was, een voorwerp van eerbied en liefde en diep ontzag.

L. O F Z A K G.

Wees welkom, o Kruis,

dat Jezus' schouder druckte. Den Godt droeght, die u droegh,

op dat een ieder pluckte De levendighe vrucht

van 't eeuwigh paradijs. Een rechte teghengift

voor Evaes slanghespijs.

Ghy kunt de bitterheèn

der traenen hier verzoeten, En in dees wildernis

den dorst der zielen boeten, Door deze klare bron,

die uit u nedervloeit,

O stut van al wat kranck,

vermast is en vermoeit!

ocr page 277

KRUISVINDING. 269

Ghy zijt het hooghaltaer,

daer 't Lam aan hingh doorsteecken, Ten zoen van d'appelsmet.

Ghy heelt onze erfgebreecken, Ghy zijt de ladder,

van het helsche spoock begrirnt: De trap, waar langhs

Godts Zoon de starren inneklimt.

O schantmerck, eer gevloeckt,

hoe blinckt uw glans in 't midden

Der heilighen.

Die u vereeren en aanbidden,

En wieroocken,

gelijck den troon en voetschabel Van Jezus, Godt met ons,

de rechte Emanuël.

Wanneer zich openbaert

de Rechter aller volcken.

Zult ghy met majesteit

verschijnen in de woleken. En schieten uwen glans

in 't westen uit het oost. Den boozen tot een' schrick,

den Heilighen tot troost.

Doch midlerwijl wij hier

voor Jezus' kruiseer strijden. En worstlen met gedult,

verandert al dit lijden In blijdschap, door de kracht

des Troosters, dien ghe droeght. Zoo voere ons 't Kruis naer Godt,

die lijf en ziel vernoeght.

ocr page 278

KRUISVINDING,

Overweging.

Christenen, verheugt u in de wondervolle vinding des Krui-ses, waarvan heden de gedachtenis wordt gevierd, 't Is het kostbaar Overwinningsteeken, waarmede de Verlosser de hel-sche slang doorboorde, en over dood en hel zegevierde; het is de wijsheid en de wetenschap der wereld; het is de toevlucht van allen, die zich-zelf willen behouden, die het heil hunner zielen liefhebben; het is de banier, het wapenschild van hen, die den eerenaam van Jezus' volgelingen willen dragen, die tot het uitverkoren geslacht der kinderen van Jezus behooren, voor hetwelk Hij, in het Rijk zijns Vaders, de woningen der glorie en zaligheid bereidt.

Hoeveel biedt deze feestdag ons ter overweging aan! Wanneer wij den moed van Helena niet bezitten, om ons kruis op te sporen, dan althans moeten wij het ontvangen en moedig op de schouders nemen, zoodra God het ons toezendt, teneinde Hem na te volgen, die ons door het bloedig Kruis heeft vrijgekocht. Wanneer wij de schatten van genade op deze wereld en de glorie van het eeuwig leven beseften, die voor ons in het Kruis besloten zijn, dan zouden wij ons niet alleen met geduld aan dat Kruis onderwerpen, maar wij zouden het met vreugde omhelzen, als de onuitputtelijke bron van alle goed. Christenen, weest verzekerd, dat gij den hemel niet kunt bereiken, dan langs den weg van het Kruis. Gij moet met Jezus Christus lijden, om met hem te kunnen heerschen.

Het Kruis is de oefenschool van alle christelijke deugd. Jezus Christus, die ze ons van de hoogte des kruises geleerd heeft, heeft ons ook tevens de gelegenheid verschaft, om ze te beoefenen. Terwijl wij de kruisen aanvaarden, welke Hij ons toezendt, leeren wij zijne volkomen onderwerping aan den wil zijns Vaders navolgen ; en, terwijl wij ons in de hand Gods vernederen, leeren wij vernedering en ootmoed beoefenen. Zijne zachtmoedigheid, zijn geduld, zijne liefde jegens zijne vijanden, zijne gehoorzaamheid tot den dood leeren ons, diezelfde deugden beminnen, en — wat voor ons het moeilijkst is — de armoede, de versmading en de folteringen van het kruis boven de rijkdommen, de genoegens en eerbewijzingen der aarde verkiezen.

O gezegende school, waarin wij zulke verheven en stichtende lessen ontvangen !

270

ocr page 279

DE KRUISDAGEN.

-—gt;564—-

iprtS^E drie dagen, die het feest van Jezus' Hemelvaart voor-mJ afgaan, zijn onderden naam van Kruisdagen bekend. Waarschijnlijk werd hun deze naam gegeven, omdat de Priester in de Processie, die op ieder dezer dagen wordt gehouden, het kruisbeeld in zijne handen draagt. De Kruisdagen zijn openbare boet- en bededagen, en worden derhalve Rogationes, en wegens de Processie niet zelden Litanise genoemd. Bij deze openbare gebeden en boetpleging, stelt zich de Kerk bijzonder voor, om van God het behoud van de vruchten der aarde te vragen. Zij roept 's Hemels zegen af over den oogst, en smeekt den Heer, dat Hij ons van de tegenwoordige rampen verlosse, en ons beveilige tegen de gevaren en de onheilen, die ons dreigen. Hoe bewonderenswaardig is toch de Katholieke Godsdienst! roept terecht een ongeloovige wijsgeer uit. Hij beoogt, wel is waar, vóór alles het eeuwig geluk zijner kinderen, maar hij blijft toch ook voor hun tijdelijk welzijn niet onverschillig : hij smeekt integendeel in zijne openbare gebeden Gods milden zegen af over weide en veld, over vruchten en gewassen, over nijverheid en handel, over land en zee, over Vorst en volk.

T)e instelling der Kruisdagen dagteekent van het einde der vijfde eeuw. Reeds sedert geruimen tijd werd de stad Vienne, in Frankrijk, geteisterd door eene vreeselijke ramp. De hechtste gebouwen werden door aanhoudende aardbevingen ter neer geworpen, en vele huizen door brand vernield. Akelige stemmen werden bij herhaling gehoord, en wilde dieren verlieten bij klaar-lichten dag hunne donkere holen, om de inwoners

ocr page 280

272 DE KRUISDAGEN.

te vervullen met ?chrik en angst. Yan dag tot dag groeiden de ellende en de vrees der menigte aan. In Paasch-nacht van het jaar 469. was al het volk in de kerk vergaderd, om den H. Dienst bij te wonen. Te midden der plechtigheid weergalmt op eens de noodkreet: brand! brand! Het stadhuis staat in lichter laaie, en het vernielend element woedt met zulk eene kracht, dat ieder voor het behoud zijner eigen woning vreest. Al het volk verlaat de kerk. Dc heilige Bisschop Mamertus blijft alleen aan 'i altaar staan. Vol vertrouwen op Gods barmhartigheid, bidt en smeekt hij den Heer, onder een vloed van tranen, dat Hij zijne straffende hand moge terugtrekken en het volk van zijne rampen en kwellingen verlossen. En ziet, nauwelijks heeft hij zijn gebed geëindigd, of de brand, door eene hoogere macht beteugeld, houdt eensklaps op. De tranen van den H. Bisschop hadden het brandend vuur gebluscht. Het volk keerde terstond naar de kerk terug, waar de H. Mamertus het Heilig Misoffer voortzette. Zoodra de dienst geëindigd en Gode dank gezegd was, voor de bijzondere genade, zoo wondervol aan de stad op dezen dag verleend, verklaarde de H. Bisschop aan de verzamelde menigte, dat zij in boetvaardigheid en gebed het behoedmiddel moesten zoeken tegen de onheilen, waaronder zij reeds sedert langen tijd gingen gebukt. Tevens maakte hij hun bekend, dat hij zoo straks aan God had beloofd, te dien einde gedurende drie dagen met zijn volk te vasten en eene Processie met openbare gebeden te houden. Iedereen was met de belofte van den heiligen kerkvoogd tevreden, en gezamenlijk werd er bepaald, dat men op de drie dagen vdor 's Heeren Hemelvaart de belofte des Bisschops volbrengen zou.

Dit godvruchtig gebruik werd weldra in andere Bisdommen nagevolgd, en reeds in het begin der zesde eeuw was het in Frankrijk algemeen. In dezelfde eeuw werden de Kruisdagen

ocr page 281

DE KRUISDAGEN. 273

ook in Spanje ingevoerd, en allengskens door geheel de Wes-tersche Kerk gevierd. Te Rome stelde Paus Leo III. ze ten jare 795 in. Van oudsher bestond het gebruik, om van Pa-schen tot Pinksteren geen vastendagen te houden, en het was om deze reden, dat de Grieksche Kerk, die aan gezegd gebruik niets veranderd wilde hebben, bij zich de Kruisdagen niet invoerde.

De vasten werd op de Kruisdagen stipt onderhouden in Frankrijk, althans in de zesde eeuw, zooals blijkt uit de akten dei-Kerkvergadering, in het jaar 511, te Orleans, gehouden. Weldra echter werd op verschillende plaatsen de vasten der Kruisdagen, wegens den nog voortdurenden Paaschtijd, verzacht, en bepaalt zich thans overal bij het onthouden enkel van vleesch. Ofschoon het vastengebod op die dagen zich alleen tot het vleesch derven uitstrekt, wordt echter het onthouden van spijs tot den middag nog in vele Bisdommen aanbevolen als een loffelijk gebruik.

Hoe schoon is het, op dezen dag, daar, waar het geloof levendig bewaard bleef, en de openbare kerkplechtigheden niet zijn verboden, die lange rijen van mannen en vrouwen, van kinderen en grijsaards te zien, die biddend daarheen trekken, langs de kronkelende paden van welige weiden, bloeiende akkers en vruchtbare velden, om Gods milden zegen af te smeeken over alle gewas! Kan de mensch op luidsprekender wijze hulde brengen aan Gods opperheerschappij, klaarder zijne afhankelijkheid van dien grooten God uitdrukken, en gevoeliger zijn vertrouwen aan den dag leggen op Gods vaderlijke voorzienigheid ?

,/Na de Processie, — zegt Chateaubriand, — keert ieder

,/ naar zijn werk terug. Met welk vertrouwen beploegt de

n landman dan zijn akker, daar hij 's morgens den zegen heeft

n afgesmeekt van Hem, die de zon drijft op hare baan, van

„ Hem, die in zijne schatten de koesterende winden en de

18

ocr page 282

274 DE KRUISDAGEN.

n vruchtbare regens bewaart! Om een zoo heilig begonnen // dag goed te eindigen, komen de ouderlingen van het dorp // zich 's avonds gemeenzaam onderhouden met hunnen pas-„ toor, die, op het voorplein van zijn huis, onder het lom-n mer der populieren zijn avondbrood eet. In die avondstilte, // bij het zachte licht derjnaan, meent men van alle kanten de „ vruchten in de aarde te hooren ontkiemen, en alle planten n te hooren groeien. Onbekende stemmen verheffen zich dan „ in het stille woud; het is alsof men het koor hoort zingen // van de engelen des velds, wier bijstand men des morgens ,/ heeft ingeroepen, terwijl het oor der grijsaards, die daar „ niet verre van de graven zijn gezeten, de teedere zuchten n van den nachtegaal verneemt.quot; ó, Wat is dat eenvoudige //feest der Kruisdagen dichterlijk schoon!

LOFZANG

Stil! wat hoor ik ? — Beurtgezangen ! —

op een toon, die 't hart bekoort;

Een processie — 'k wijke zijdwaarts; —

ziet, hoe statig treedt zij voort!

Ziet eens, welk een aantal menschen,

allen deftig schoon gekleed.

Na wie 't heir der Altaardienaars,

in hun boetgewaden, treedt;

Nu eens met het hoofd naar boven,

als door dankbaarheid verrukt;

Dan, door nederigen ootmoed,

met het hoofd naar de aard gebukt;

ocr page 283

DE KRUISDAGKN. 275

Dankend zingend, biddend zingend!

't hart der grijsheid, 't hart der jeugd, 't Hart der rijken, 't hart der armen,

is vertrouwen, hoop en vreugd !

Door 't gebed, zoo vroom, zoo vurig,

zoo hartroerend, zoo vol kracht, Wordt de droeve zorg verdreven,

en de ziel in rust gebracht.

Ja! elk woord, waardoor men zingend,

't omgelegen dal vervult.

Drukt besef uit van Gods goedheid,

en gevoel van eigen schuld.

Eer zij Gode! zingt de Priester

zijn gemeente, dankbaar, voor; Eer zij Gode! lof zij Gode!

juicht en zingt geheel het koor. Geef, Algoedheid! bidt de Priester,

geef aan ons een vruchtbaar jaar! Geef een vruchtbaar jaar. Algoedheid!

bidt met hem de gansche schaar. Geef ons warmte, bidt de Priester,

die de druif tot rijpheid kweekt; Geef ons warmte, is ook de zegen,

waarom 't volk, al biddend smeekt. Geef ons, bidt de Priester, regen,

geef ons droogte, op zijnen tijd! Geef ons droogte, geef ons regen!

is de beê, die 't volk God wijdt. Neem 't berouw, zoo smeekt de Priester,

van ons aan, het is oprecht. Waarop dan geheel de schare,

zingende, amen, amen! zegt. Nu keert men ter kerke weder;

ieder groet nog eens het Kruis; En gaat, vreedzaam, vol vertrouwen

op Gods goedheid, vroom naar huis.

ocr page 284

DE KRUISDAGEN.

Overweging.

Onze eerste plicht in deze dagen is, om de Vasten, zooals die door de kerkelijke overheid wordt voorgeschreven, getrouw te onderhouden; de tweede, om de Processie, als het mogelijk is, bij te wonen. Is het niet droevig, hier en daar. slechts eenige kinderen en vrouwen den Priester te zien volgen, wanneer hij voor allen den zegen des hemels afsmeekt? O mensch ! die over uwe tijdelijke zaken zoo bekommerd zijt, terwijl de Kerk u tot het gebed roept, vergeet gij dan dat hij, die plant en besproeit, geen macht over de vruchten heeft, maar dat alles moet voortkomen van Hem, die alleen den wasdom geeft r Vergeet gij, dat gij tevergeefs des morgens opstaat, als God uwe pogingen niet ondersteunt? En gij, onverschilligen, die, met de armen over elkander, van op den dorpel uwer koop- of werkplaatsen, de Processie ziet voorbijgaan, hebt gij niets te vreezen, niets te vragen? Gebiedt gij over wind en onweer, over hagel en vuur ? En bezit God de macht niet meer, om zich over uwe verachting te wreken ? Goede God! de onverschilligheid brengt den mensch zóó ver, dat hij zelfs zijn tijdelijk welzijn uit het oog verliest!

Wat ons aangaat, stellen wij het ons ten plicht, om altijd met oprechte gevoelens van eerbied, van berouw en vertrouwen de Processie der Kruisdagen bij te wonen; roepen wij Gods milden zegen over ons in, en bidden wij Hem om de genade van steeds zijne gaven aan te wenden tot een heilig gebruik.

276

ocr page 285

^nurg-c

HEME LYA ARTSDAG.

—^-hcJCO»-N—

oor zijn bitter lijden en zijn smadelijken dood had Jezus de poorten des Hemels, die sedert Adams val gesloten waren, weder geopend. Nog veertig dagen bracht Hij na zijne Verrijzenis met zijne Apostelen door; en toen deze verloopen waren, keerde Hij tot zijnen Vader terug. Hij klom op ten Hemel, om ons eene plaats te gaan bereiden in het Rijk, hetwelk Hij ons door zijn bloed verworven had. Op dezen dag viert de Kerk plechtig het voor ons zoo hoopvol geheim van Jezus' Hemelvaart, en stelt ons deze groote gebeurtenis op eene gevoelige wijze voor oogen. Trouwens van Paschen af tot op dezen dag wordt op alle Zon- en Feestdagen onder de H. Mis en de Vespers de Paaschkaars het zinnebeeld van den Verrezen Verlosser, ontstoken, ten teeken dat de goddelijke Heiland, gedurende deze veertig dagen, zichtbaar bij zijne Apostelen bleef. Maar zoodra heden het Evangelie gezongen is, wordt die feestfakkel uitgedoofd, en uit de kerk verwijderd, teneinde ons te herinneren, dat de Heere Jezus op dezen dag de aarde verlaten heeft en ten Hemel opgeklommen is. Deze feestviering dagteekent van de eerste tijden des Christendoms ; want de H. Augustinus getuigt, dat zij door de Apostelen zeiven is ingesteld. Eenvoudig verhalen ons de H. Boeken dit wonder, door Jezus op aarde gewrocht.

;/ Na zijn lijden — zoo' lezen wij daar — heeft Jezus n zich aan zijne Apostelen levend betoond, door menigvul-u dige bewijzen, gedurende veertig dagen van hen gezien // wordende, en sprekende over het Rijk Gods. En, met hen // etende, gebood hij hun, zich niet van Jeruzalem te vei'-

ocr page 286

278 HEMELVAARTSDAG.

,/ wijderen_. maar de belofte des Vaders te verbeiden, welke, „ (zoo sprak hij) gij uit mijnen mond hebt gehoord. Want „ Joannes heeft wel met water gedoopt, maar gij zult met „ den H. Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen. „ Zij dan, die samengekomen waren, ondervraagden Hem, „ zeggende : Heere, zult gij in dezen tijd het Eijk van Is-,/ raël herstellen ? Doch hij sprak tot hen : u komt het niet // toe, tijden of stonden te weten, welke de Vader in zijne // macht heeft gesteld.quot;

Hetgeen de Heer hun beloofde, (merkt terecht Mr. Lipman hier op aan,) dat niet lang na deze dagen geschieden zoude, was voor hun verstand duister, en bevredigde slechts onvolkomen hun al te ongeduldig verlangen. Vandaar de bestraffing in 's Heeren antwoord. Overigens, de H. Geest zou weldra over hen komen en hun de wetenschap geven van wat thans nog duister was voor hunnen geest. „ Maar gij, ,/ (zoo ging de Zaligmaker voort) zult de kracht ontvangen „ des Heiligen Geestes, die over u komen zal, en gij zult u mij getuigen zijn in Jerusalem, in geheel Judeea en Samarië „ en tot aan het uiteinde der aarde. En als hij dit gesproken „ had, leidde hij hen buiten naar Bethanië, en zijne handen „ opheffende, zegende hij hen. En het geschiedde, als hij hen t, zegende, dat hij van hen scheidde, en hij werd, terwijl zij ,/ toeschouwden, opgenomen, en eene wolk voerde hem weg // uit hunne oogen, en hij werd opgenomen ten hemel, alwaar „ hij zit aan de rechterhand Gods. En als zij Hem, die ten „ hemel voer, nastaarden, ziet, daar stonden bij hen twee u mannen, in witte kleeding, die ook zeiden : Galileesche ,/ mannen, wat staat gij hemelwaarts te zien ? Deze Jezus, „ die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen „ als gij hem hebt zien ten hemel varen. Toen keerden zij // van den berg, Olijfberg genaamd, naar Jerusalem terug.quot;

Hoe verheven is deze beschrijving der Hemelvaart van onzen

ocr page 287

HEMELVAARTSDAG. 279

Heer Jezus Christus, door hare onopgesmukte eenvoudigheid !

Op het oogenblik dat Jezus ten hemel voer, werden de deuren van het voorgeborgte der hel verbrijzeld, en de tal-looze Heiligen van het Oud Verbond haastten zich om onder het geleide van hunnen Koning en Verlosser zegevierend den hemel binnen te gaan. „ Prinsen van Gods woonstede, // ontgrendelt uwe deuren, en gij, eeuwige poorten, opent u, ,/ om den Koning der Heerlijkheid, en hen, die hem ver-t, gezellen, te laten binnentreden.quot; Zoo zongen zij met blijde stem, en wanneer het Engelenkoor, dat zijnen goddelijken Koning tegemoet snelde, hun zingende vroeg : n Wie is die ,/ Koning der heerlijkheid ? dan zongen zij luider, Jezus ter z eere : n Het is de Heer, die waarlijk sterk en machtig is, // de Heer die machtig is in den strijd. Haast u, o Prinsen ,/ van Gods woonstede, ontgrendelt uwe deuren, en de Ko-n ning der heerlijkheid zal binnentreden in zijn Rijk.quot; En vroeg nogmaals een talloos koor van Engelen : ,/ Wie is die Koning der heerlijkheid ?quot; dan vloeide uit den mond dier Oudvaders als in een stroom van melodie, het verheven antwoord : „du Heer, de almachtige God zelf is die Koning der heerlijkheid.quot; Onder dezen jubelzang der victorie traden die eerstelingen der verlosten met Jezus, hunnen Eedder, het hemelsch Sion binnen, om daar den Overwinnaar van den Duivel, van de Zonde en van den Dood te loven en zijne oneindige barmhartigheid te prijzen, in eeuwigheid.

O Heere Jezus! ook ik ben vrijgekocht door uw dierbaar bloed, ook voor mij hebt gij de deur des hemels geopend, ook voor mij hebt gij in het land der eeuwige vreugde, in het rijk uws Vaders een troon bereid! O Heere Jezus, ook mij moge toekomen uw rijk ! Middelerwijl die eeuwige poorten zich ook voor mij zullen openen, zal ik niet ophouden, in dit tranendal, naar mijn waarachtig en eeuwig vaderland te verzuchten, en met den koninklijken Profeet uit te roepen :

ocr page 288

280 HEMELVAARTSDAG.

Wanneer, o Heer, wanneer zal het zalig uur slaan, waarop ik tot U komen en voor uw aangezicht verschijnen zal! Quando veniam et apparebo ante faciem Domini!

LOFZANG gtahttte Ijxtmcmae »atcv.

Verlosser der wereld, Gij vreugd des gemoeds,

Gij poolstar der harten en bron alles goeds,

Hoe heeft uw ontferming, met de aarde begaan,

U zeiven ons juk op de schouders gelaên!

Hoe heeft uwe liefde voor 't menschdom geboet.

En hebt Gij de wereld gekocht met uw bloed !

Hoe hebt Gij den dood en de hel overkracht,

En 't schepsel opnieuw tot den Schepper gebracht!

Hoe toogt Gij, Verwinnaar, door lijden en kruis,

Voor eeuwig terug in het Vaderlijk huis.

En zit daar in glans aan Gods rechterhand neêr.

Als Rechter der volken. Verlosser en Heer.

O hoor toch de stem van die vrij zijn gekocht,

O dat onze beê tot u doordringen mocht,

Zoo knelt ons geen band meer, of drukt ons geen schuld,

Maar wordt dra de wensch onzer harten vervuld.

En smaken wij 't heil van uw godlijk gezicht

In de oorden des vredes, bij 't eeuwige licht.

Doch vóór ons uw glorie daar ginds wordt verklaard.

Blijf Gij onze gids en ons doelwit op aard.

Totdat al de tranen van smart hier geschreid,

Verpaarlen in vreugd, die Ge omhoog ons bereidt. Amen.

ocr page 289

PINKSTEREN.

281

Overweging.

Onze goddelijke Heiland, mijne geliefden, heeft heden deze wereld verlaten, om ten Hemel op te klimmen; hechten wij ons dan ook aan het aardsche, en laten wij ons niet verontrusten door tijdelijke zorgen. Willen wij reeds hier beneden kalmte en vrede vinden, dan moeten onze gedachten steeds op den Hemel gevestigd zijn. Eens zullen wij met ziel en lichaam Jezus volgen in zijn Rijk; maar zoo lang die beloofde dag voor ons nog niet aanbreekt, kunnen en moeten wij ons tot Hem verheffen met het hart, dat is, door innige verlangens en vurige wenschen. Doch, broeders, denken wij er wel aan, geen boosheid, geen zonde, geen hoovaardij, geen gierigheid of onrechtvaardigheid kan met den Goddelijken geneesheer den Hemel binnengaan. Willen wij derhalve in het rijk der eeuwige vreugde worden toegelaten, dan moeten wij ook met de zonde breken en alle kwade neigingen en gewoonten afleggen. Wilt gij God zien ? Hoort dan wat Hij-zelt u zegt ; zalig zij, die zuiver van harte zijn, want zij zullen God aanschouwen. Beijvert u dus, om uw hart te zuiveren ; rukt weg uit dat hart alles, wat Gode mishaagt, en dan, maar ook dan alleen, zult gij uwen God aanschouwen in zijne heerlijkheid.

[ig«

PINKSTEREN.

IrpBilERSTMis, Paschen, Pinksteren, welke namen! IlS.Kq welke herinneringen ! Al de geheimen van Gods oneindige iefde voor den gevallen mensch liggen in dit drietal feesten opgesloten. Kerstmis herinnert ons aan de oneindige liefde van den Vader, die zóó de wereld heeft bemind, dat hij haar zijnen eenigen Zoon geschonken heeft. Paschen is het feest der oneindige liefde van den Zoon, die voor ons den kruisdood stierf. Pinksteren, op zijne beurt, toont ons

ocr page 290

282 PINKSTEREN.

cle oneindige liefde van den Heiligen Geest, die als Heiligmaker op ons nederdaalt en ons met zijne genade vervult. Kerstmis kondigt ons het begin, Paschen de voltrekking en Pinksteren de nog altijd voortdurende voleinding van het groote Verlossingswerk aan. Op den dag van heden immers was het, dat de H. Geest op de Apostelen nederdaalde, hen verlichtte, versterkte en volkomen uitrustte, om de nooit meer op te houden verkondiging der goede Boodschap te beginnen, en den mensch te leeren, wat hij doen moet, om aan de verdiensten van de geboorte, van den dood en de verrijzenis des Heeren deelachtig te kunnen zijn. Kerstmis, Paschen, Pinksteren, in dit verheven drietal ligt het keerpunt der geschiedenis van het menschdom; eene geschiedenis, die zonder 's menschen val en verlossing, zonder de goddelijkheid des Christendoms en de verkondiging van het Evangelie, niet te begrijpen, niet te verklaren is. Geen wonder dus, dat het Pinksterfeest voor een der drie hoogfeesten van het kerkelijk jaar wordt gehouden, en, gelijk Paschen en Kerstmis, door een tijd van voorbereiding vooraf wordt gegaan. Evenals de Advent de tijd van voorbereiding is tot het Kerstfeest, en de veertigdaagsche quot;Vasten het Paaschfeest vooraf gaat, zoo dient ook de Paasch-tijd, de vijftig dagen namelijk tusschen Paschen en Pinksteren, tot voorbereiding van dit laatste hooge feest. De aard echter dezer drie voorbereidingstijden is geheel verschillend. De Vasten is een tijd van boete_, versterving, en geestelijke droefenis; en alles, wat in de kerkelijke plechtigheden gedurende de Vasten voorkomt, stemt tot rouwmoedigheid des harten en spoort den Christen aan, om met Jezus te lijden, teneinde eens in zijne verheerlijking te kunnen deelen. Ook de Advent is een tijd van vasten en versterving; maar wegens de blijde hoop op de komst van den Verlangde der volken paart zich vreugde aan droefheid, en, ofschoon ook in den Advent gedurig

ocr page 291

PINKSTEEEN. 283

de purperkleur bij de H. Diensten wordt gebezisrd, blijft toch het vroolijk Alleluja onder de kerkgewelven weergalmen. De Paaschtijd integendeel, die ons op het Pinksterfeest voorbereidt, is een tijd van geestelijke vreugd, ja, hij is een aanhoudend feest, dat vijftig dagen duurt, en als dusdanig ook in vroeger tijden werd beschouwd. Men was wel is waar niet verplicht, zich gedurende die vijftig dagen van slaaflijken arbeid te onthouden, maar de schouwburgen bleven gesloten, en in de kerk zelve was het aanhoudend feest. Veelvuldiger dan op ieder ander tijdstip van het jaar weerklinkt dan het feestelijk Alleluja. Niet knielend, maar staande, om de opstanding des Heeren te gedenken, worden in die dagen de openbare gebeden uitgesproken, en veelvuldig ook de wonderwerken der Apostelen, waardoor 's Heeren Verrijzenis wordt bevestigd, ter bemoediging der geloovigen voorgelezen, terwijl tevens in de eerste vijf eeuwen geen vasten gedurende den paaschtijd bevolen werd. Ook op den plechtigen vooravond van het Pinksterfeest was eertijds, wegens de Paaschvreugde, geen vasten voorgeschreven; later evenwel is deze vigilie, althans in de Latijnsche Kerk, in een vastendag herschapen. De vooravond van Pinksteren heeft eene groote overeenkomst met dien van Paschen, hetwelk daaraan is toe te schrijven, dat eertijds het H. Doopsel en het Vormsel alléén op deze twee dagen plechtig aan de Catechumenen werden toegediend. Vandaar, dat op deze vigilie, gelijk op den vooravond van Paschen, ook heden ten dage nog de H. Dienst begint met het voorlezen van zes schriftuurplaatsen, die allen meer of min betrekking hebben op het H. Doopsel; dat de Doopvont gezegend wordt, en de H, Mis zonder Introïtus begint. Even gelijk Paschen, duurde in vroegere tijden ook het Pinksterfeest acht volle dagen lang. Met den laatsten dag van dit octaaf wordt de Paaschtijd gesloten. Deze acht dagen werden, om dezelfde redenen, en op dezelfde wijze als de Paaschweek gevierd. Om dezelfde

ocr page 292

28 t PINKSTEREN.

oorzaak bevatten de nachtgetijden van dit octaaf slechts drie psalmen. Toen later het getal doopelingen verminderde, werd het Pinksterfeest op vier, en nog later op drie dagen bepaald.

Op dit hoogheilig feest, dat door de Apostelen zeiven werd ingesteld, — zooals de H. Leo getuigt — herdenkt en viert de Kerk een dubbel geheim van onzen H. Godsdienst, te weten : de nederdaling van den heiligen Geest op de Apostelen, en de verkondiging van het Nieuw-Verbond, of, zoo men liever wil, de vestiging van Jezus' Kerk op aarde.

Meermalen had de goddelijke Verlosser aan zijne Apostelen beloofd, dat hij hun, na zijne Hemelvaart, een Trooster zou geven; dat is, dat Hij hun den H Geest zou zenden, die hun alle waarheid leeren zou. Onmiddellijk v(5or dat hij deze aarde verliet, om ten Hemel op te klimmen, herhaalde hij deze belofte : gij zult — zoo sprak de Heere Jezus tot de getuigen zijner Hemelvaart, — gedoopt worden met den H. Geest, niet lang na deze dagen... Gij zult de kracht ontvangen des Heiligen Geestes, die over u komen zal, en gij zult mij getuigen zijn te Jerusalem, in geheel Judea en Samarië, en tot aan het uiteinde der aarde. Tevens gebood hij hun, zich niet van •Jerusalem te verwijderen, maar de vervulling af te wachten van de belofte des Vaders, ivelke gij — zoo sprak hij — uit mijnen mond hebt gehoord.

Getrouw aan dit bevel, begaven zich de Apostelen met Jezus' moeder, de leerlingen en de vrome vrouwen, te zamen omtrent 120 in getal, naar Jerusalem, waar zij allen eendrachtig in het gebed bleven volharden. En als de Pinksterdagen nu vervuld waren, en het uur was geslagen, waarop Jezus' beloften in vervulling zouden gaan, waren zij allen in dezelfde plaats bijeen. En er ontstond plotseling een gedruisch uit den hemel, als van etn opkomenden geweldigen wind, en vervulde het geheele huis, waar zij zaten En er verschenen hun ver-

ocr page 293

PINKSTKKEN. 285

deelde iongen, ah van vuur, zich nederzettende op een ieder van hen. En allen werden vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen in verschillende talen te spreken, naardat de Heilige Geest hun gaf uit te spreken. Voorzeker woonde reeds de H. Geest, door zijne heiligmakende genade, in al die zuivere harten, voordat hij zich aan hen met Pinksterdag op deze buitengewone wijze mededeelde. Maar op den dag van heden stortte hij in die zielen de overmaat, de volheid zijner genade uit. Hij schonk haar daarenboven de kostbare gave van wijsheid en verstand, van raad en sterkte, van wetenschap, godsvrucht en vreeze des Heeren, en deelde haar in overvloed de vruchten zijner genadenrijke werking mee. Hij ontstak in aller hart een brandenden ijver voor de eer van God en het heil der zielen; hij wapende hen tegen alle menschenvrees; hij versterkte hen tegen de vervolging en den dood, die hen in het vervullen hunner verheven zending te wachten stonden; in één woord, hij rustte hen uit met al de gaven en genade, die hun noodig of nuttig waren om het Apostelambt te aanvaarden, en de plichten er van getrouw te vervullen tot den einde toe. En zie! op dat oogenblik zijn de Apostelen in geheel andere menschen herschapen; zij, die zoo traag waren om te gelooven, werken nu wonderen door de levendigheid van hun geloof! Zij, die ongeleerden, die zoo moeielijk Jezus' woorden konden vatten, kennen nu met volle klaarheid al de waarheden des geloofs: ze redetwisten met de geleerden, en doen de wijsgeeren verstommen. Zij, die vrees-achtigen, die Jezus in het oogenblik van gevaar verlieten, en wier dapperste zijnen Meester driemaal verloochende, uit angst voor een zwak schepsel, voor eene vrouw, voor eene slavin, zij kennen nu noch angst noch vreeze meer. Prinsen en Koningen spannen tegen hen samen; men vervolgt hen te vuur en te zwaard; men dreigt, hen met gevangenis, geesels en dood; men vindt alle soort van folteringen uit, om hen te pijnigen;

ocr page 294

28 ü PINKSTEREN.

men roept zelfs de wilde dieren der woestijn te hulp, om hen te verscheuren; maar alles te vergeefs. Zij zijn bekleed geworden met de kracht van boven, en niets is meer in staat om hen af te schrikken; zij leven voortaan alleen, om Christus te verheerlijken en zijn Rijk uit te breiden; zij verlangen naar verachting en verguizing, zij hunkeren naar mishandeling en vervolging; ja, de dood zelf is in hunne oogen een geluk geworden en een gewin. Bewonderenswaardige verandering, zegt de H. Chrysostomus, wie zou hier Gods hand niet erkennen, en niet met den Profeet uitroepen : hac mutatio dexter a Ex-celsi; deze verandering komt van boven.

Zoodra de Apostelen met den H. Geest vervuld waren, aanvaardden zij zonder de minste vertraging hun heilig Ambt. Reeds denzelfden dag verkondigden zij het Woord Gods aan de tallooze menigte, die wegens het Joodsche Pinksterfeest uit alle oorden der wereld te Jerusalem was samengevloeid. Petrus, aan het hoofd der Apostelen geplaatst, leert hun dat in den Heere Jezus de voorzeggingen der Profeten zijn vervuld; dat hij de ware Messias is, die zich als dusdanig heeft kenbaar gemaakt door vele teekenen en wonderwerken; dat zij hem, wel is waar, gekweld hebben en ter dood gebraclit, maar dat hij glorievol van den dood is verrezen en nu aan de rechterhand zijns eeuwigen Vaders zit. // Wij allen, zoo spreekt hij, zijn er getuigen van, dat God den, Heere Jezus van de dooden heeft opgewekt; en om deze getuigenis van Jesus' op standing te bevestigen, beroept hij zich op het wonder waarvan zijne hoorders oog- en oorgetuigen waren. De Apostelen namelijk hadden, buiten en behalve de reeds vermelde gaven, ook nog van den H. Geest de gave ontvangen van verschillende talen te spreken, de toekomst te voorzeggen en wonderwerken te verrichten. Toen nu Petrus op Pinksterdag voor het eerst het woord richtte tot mannen uit alle hemelstreken afkomstig, hoorde hem toch ieder zijne eigene taal spreken,

ocr page 295

PINKSTEREN. 287

en allen verstonden de woorden des heils. Zóó werd op deze dag de voorzegging van den Pofeet Jcël vervuld : en het zal geschieden in de. laatste dagen, zegt de Heer, dat Ik van mijnen Geest over alle vleesch zal uitstoften; en uwe zonen en uwe dochteren zullen profeteeren, en uwe jongelingen zullen gezichten zien, en uwe ouden droomen hebben. En zelfs over mijne dienstknechten en over mijne dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijnen Geest uitstorten, en zij zullen profeteeren.

Als de Joden dit alles zagen en de zoo wondervol bekrachtigde getuigenis van Petrus hoorde», toerden zij bewogen van harte, en zeiden tot Vetrus en tot de overige Apostelen : wat zullen wij doen. Broeders ! Petrus dan zeide tot hen ; doet boete, en een iegelijk uwer worde gedoopt in den Naam van ■Jezus Christus tot vergeving uwer zonden, en gij zult de gave des II. Grestes ontvangen.... Die nu zijn woord aannamen, loerden gedoopt; en er werden op dien dag toegevoegd ongeveer drie duizend zielen.

Zóó werd dan op Pinksterdag Gods Kerk gesticht op aarde ! Zóó begon dan lieden de afkondiging van het Nieuw Verbond, die tot aan het einde der eeuwen duren zal! Ook op dezen dag werd voor 't eerst liet nooit meer te eindigen Offer dei-Nieuwe Wet door de Apostelen des Heeren aan den Eeuwigen Vader opgedragen ! Het Oude Verbond, reeds vervuld en verbroken bij Jezus' dood, hield op verplichtend te zijn van het uur af, dat de Nieuwe Wet plechtig werd afgekondigd, en bleef de onderhouding er van nog eenigen tijd geoorloofd, dan was zulks alléén om de Synagoog met eer ten grave te brengen. — Hoe klein was nog op dezen eersten dag Christus' Kerk op aard! Doch, nog maar eenige dagen, en de Apostelen zullen aan de geheele wereld de goede boodschap brengen; zij zullen de leer des heils verkondigen aan alle volkeren, want in Christus Jezus is geeu onderscheid meer van Griek of Barbaar, van Heiden of Jood; hij is gekomen, om ailes wat ver-

ocr page 296

388 PINKSTEREN.

loreii was, te verlossen ; hij wil, dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid naderen. Van heinde en verre zullen nieuwe kinderen tot de Kerk, tot de weêrgalooze Moeder komen, en, gelijk zijn eeuwig Rijk, zoo zal ook Jezus' rijk op aarde weldra zonder grens en einde zijn. Het Rijk der Hemelen, dat is de Kerk, is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mensch nam en op zijnen akker zaaide, dat wel het kleinste is onder alle zaden; doch, als het opgeschoten is, zoo is het grooter dan alle moeskruiden, en wordt een hoorn, zoodat de vogelen des hemels komen en in zijne takken wonen. Ja, die op Pinksterdag nog zoo nietige Kerk is een groote boom geworden, een boom des levens voor den mensch en de maatschappij; hij heeft zijne takken over de geheele wereld uitgebreid, en in zijn schaduw is sedert achttienhonderd jaren het menschdom komen rusten. In de schaduw er van zijn de rijken en de armen, de geleerden en de onwetenden, de vorsten en de volken zich komen nederzetten; de rijke heeft er liefde en barmhartigheid geleerd, de arme heeft er troost, de onwetende de wetenschap des heils, allen hebben er waarheid, deugd en leven gevonden. Onder de rijkgebla-derde takken van dien heilaanbrengenden boom zijn de Volken tegen de brandende hitte der dwingelandij, en de Vorsten tegen den alles vernielenden orkaan van opstand en muiterij beveiligd geworden; want daar hebben de Volken de ware vrijheid en beschaving gevonden, daar hebben zij den eerbied voor het wettig gezag, en de Vorsten de rechtvaardigheid geleerd, die alleen de tronen schraagt en het geluk der natiën bevordert.

De twee groote feiten, die heden plechtig worden herdacht, de jVederdaling van den H. Geest op de Apostelen, en de stichting der Kerk, zijn de twee groote gebeurtenissen, die de wereld hebben herschapen en vernieuwd. Deze twee feiten hebben, boven alle andere gebeurtenissen in de orde der

ocr page 297

PINKSTEEEN 289

genade, het voorrecht — hetwelk zij alléea met de H. Sacramenten en met het offer der Nieuwe Wet deelen — van tot aan het einde der wereld voort te duren en zich onophoudelijk te hernieuwen. De boom der Kerk, op Pinksterdag geplant, blijft immer krachtvol en jeugdig. Al barst het onweer der vervolging boven hem los, al loeit de vreeselijkste orkaan, van donder en bliksem vergezeld, om hem heen, hij staat pal en onwrikbaar; al poogt de worm des ongeloofs zijn wortel af te knagen, hij blijft vol sap en leven en brengt onophoudelijk hemelsche vruchten van waarheid en rechtvaardigheid, van tijdelijk heil en eeuwige zaligheid voort. Tevergeefs heeft sedert achttien eeuwen de geest des verderfs dien goddelijken boom trachten uit te roeien; de bijl der vernieling is in dezen vrucht-loozen arbeid afgestompt; maar de boom, ja de schors zelfs van den boom des levens is ongedeerd gebleven! Door ketterij en scheuring zijn, wel is waar, eenige takken afgevallen, die van levenssap ontbloot, aan zijnen voet zijn verdord; maar het leven van den boom der Kerk is daardoor niet verminderd : onophoudelijk schiet hij nieuwe takken en vertoont hij nieuwen bloesem en nieuwe vruchten, terwijl het Kruis steeds nieuwe overwinningen behaalt op ongeloof en ketterij, de af-gedwaalden in den schoot der moederkerk terugvoert, tot in de verstafgelegen landen de Goede Boodschap brengt, en in nieuwe oorden Jezus' Kerke sticht. Ja, het groote bekeerings-werk, door de Apostelen begonnen, wordt steeds door hunne opvolgers in het Priesterdom voortgezet, en zal tot aan het einde der eeuwen nooit worden gestaakt.

Ook de nederdaling van den H. Geest op de Apostelen

wordt dagelijks hernieuwd in de harten der geloovigen, en zal

zich ook blijven hernieuwen tot aan den jongsten dag. De

Nederdaling des H. Geestes in ons hart geschiedt wel niet

op zichtbare wijze, zijne komst wordt niet meer door een

hevigen wind voorafgegaan en door brandende tongen aan-

19

ocr page 298

290 PINKSTEREN.

schouwlijk gemaakt; maar desniettemin neemt diezelfde Heilige Geest waarlijk bezit van ons hart, zoo dikwerf wij, ons met God verzoenend, van kinderen van gramschap in kinderen Gods worden herschapen, en zoo dikwerf de heiligmakende genade in ons hart vermeerderd wordt. Hij deelt ons dan wel de uitwendige en buitengewone gaven van de toekomst te voorzeggen en wonderwerken te verrichten, niet meer mede; maar, wanneer wij ons waardig tot zijne komst voorbereiden, en ons hart voor hem openstellen, dan schenkt hij ook aan ons in overvloed èn de inwendige genade, welke wij behoeven, èn die zevenvoudige gaven, welke hij op Pinksterdag over de Apostelen uitstortte, waaruit, als uit even zoovele bronnen, de liefde, de inwendige vreugde, de vrede der ziel, het geduld, de lankmoedigheid, de welwillendheid, de goedheid, de zachtmoedigheid, de oprechtheid, de zedigheid, de reine zuiverheid en de matigheid, die de vruchten des H.Geestes worden genoemd, voortvloeien. De wateren der goddelijke bron, die op Pinksterdag voor 't eerste ontsprong, zullen blijven vloeien, zoolang Jezus' Kerk zal duren, dat is, tot der eeuwen eind. Want het was ook tot ons, dat de Heiland sprak, toen hij aan zijne Apostelen zeide : gij zult geen weezen blijven, maar ik zal u eenen trooster zenden. Daarom bepaalt de Kerk er zich niet bij, den Heere Jezus te loven en te danken, omdat hij op dezen dag den H. Geest heeft gezonden, maar zij roept ook met vertrouwen en vurig verlangen dien heiligmakenden Geest aan, hem biddend en smeekend, dat Hij zich gewaardige, de harten der geloovigen met zijne gunsten en gaven te verrijken. Daarom stemt zij voor de Hoogmis den verheven lofzang : Veni Creator, aan; daarom herhaalt zij ditzelfde gebed verscheidene malen in hare getijden, en daarom ook verzucht en smeekt zij zoo teeder, zoowel op dezen dag, als gedurende het geheele octaaf van Pinksteren, in de H. Mis, nadat de Epistel is gelezen :

ocr page 299

PINKSÏERJiN. 291

Kom, Heilige Geest, en moog een vonk van 't godlijk licht, Dat glansrijk U omgeeft, ons in den boezem stralen; Kom, armen-troost, kom, dat uw schittrend aangezicht In ons gemoed genade en klaarheid neêr doe dalen; Kom, beste raadsman, heul en toeverlaat voor 't hart.

Die, als Ge in 't binnenst heerscht, er vrede en vreugd doet Die laafnis schenkt in druk, verademing in smart, (wonen. Kom, wil U ook met ons geschrei meêwarig toonen, Ons bijstaan in de hitte van den dag, uw gloed Aan onze zielen, die U trouw zijn, mild bedeelen;

Want zonder U bestaat er voor den mensch noch goed,

Noch deugd, noch onschuld. — Ach, wil onze wonden heelen, Ons reinigen van smet, het dorre van den geest In ons bedauwen, het stugge en koele op doen houden, Dat steeds de bron van alle zonden is geweest.

Geef, Heilige Geest, aan die zich uwer toevertrouwden. De zevengaaf, en zij het eindloos loon der deugd.

Dat hun is toegelegd, die op uw sterkte bouwen,

Onze erfschat en ons deel, bij de onverstoorbre vreugd. Waarmee de Heemlen U in eeuwigheid aanschouwen.

Ja, het zij zoo! Moge ons hart de woning zijn en blijven van den Geest des Heeren, en zich voor die onuitsprekelijke genade steeds dankbaar betoonen.

Zinnebeeldig stelt ons de Kerk heden in hare plechtigheden de verheven beteekenis van dit hoogheilig feest voor oogen. De bedienaren van het heiligdom bekleeden zich op dezen dag en gedurende het Octaaf met het roode misgewaad, dat ons zoowel aan de vurige tongen, die op de Apostelen nederkwa-men, en aan de inwendige zuivering, welke het geheimzinnig Pinkstervuur in de harten der geloovigen uitwerkt, herinnert, alsook aan het bloed, hetwelk de Apostelen en de Martelaars, versterkt door de kracht van den H. Geest, voor Jezu^ Leer en Kerk met stroomen hebben vergoten.

In de middeleeuwen was het ook gebruikelijk, althans in

ocr page 300

292 PINKSTEEEN.

eenige Kerken, om door een luid trompetgeschal, dat na den Veni Sancte Spiritus werd aangeheven, den hevigen wind te verbeelden, die de nederdaling van den H. Geest op Pinksterdag voorafging, terwijl tallooze rozenbladen, welke aan de vurige tongen moesten herinneren, boven uit het gewelf der kerk op de verzamelde menigte werden gestrooid. Andere gebruiken bestonden er op andere plaatsen, die allen ten doel hadden, het groote geheim van Pinksteren met al zijne omstandigheden levendig in het geheugen te prenten. AJ deze gebruiken zijn echter van lieverlede vervallen; moge intusschen de dankbaarheid voor de kostbare gaven, ons door den H. Geest geschonken, nooit aan ons geheugen, nooit aan ons harte ontgaan.

LOFZANG.

Ipeni, ffivcatortr spiritu®.

Kom, Schepper, Geest, daal in 't gemoed Van die op uw genade wachten.

Vervul het met den overvloed Van bovenaardsche zielekrachten.

U prijzen wi] als-Wonderbaar,

Als Godsgeschenk en leventeler.

Als liefde en vuur op 't zielsaltaar Als zalvend boezemwondenheeler.

Gij, zevenvoudig Godsgeschenk,

En vinger van zijn eeuwge sterkte.

Die, op des Vaders almachtswenk,

In tonggevonkel taalkracht werkte;

Ontsteek uw licht ons in den zin.

En vloei uw liefde ons in het harte;

Uw kracht neem' onze zwakheid in.

Opdat zij moedig 't euvel tarte.

ocr page 301

PINKSTEREN. 293

Dan maakt nooit vijand ons bevreesd,

En mogen wij steeds vrede smaken;

Daar, in uw hoede. Heiige Geest,

Geen leed ons immer kan genaken.

Doch geef vooral, dat door uw kracht.

Wij U en Zoon en Vader tevens Erkennen als de hoogste macht.

Als einde en aanbegin des levens.

Zoo zij den eeuwgen Vader lof,

Den eeuwgen Zoon, die door zijn lijden Ons plaats bereidde in 't Hemelhof,

En U, den eeuwgen Geest van beiden.

Amen.

Overweging.

Wanneer God landen en volken wil bekeeren en aan zijnen dienst verbinden, dan kiest Hij daartoe geen menschen, even bedorven van verstand als hart; Hij kiest daartoe uitgelezen mannen, bezield met zijn Geest, die heiligen maakt, en zendt zijne dienaren met die goddelijke kracht omgord, om zijnen strijd te strijden. Zoo koos Hij een Abraham, het toonbeeld van geloof en liefde, tot vader van zijn uitverkoren volk, in wien alle geslachten zouden gezegend worden; zoo vormde Hij onder het Oude Verbond tot zijn afgezant een Mo zes; getrouw, zachtmoedig, heilig; zoo zuiverde Hij de lippen van den Evangelist des Ouden Verbonds, den profeet Isaïas; zoo deed Hij op den drempel tusschen het Oude en het Nieuwe een Joannes den Dooper optreden, uitblinkende in onschuld en boetvaardigheid, om de geloovigen tot het Rijk van den Messias voor te bereiden; zoo zal Hij ook zijne Kerk vestigen door zijne Apostelen. Maar hoe ? Door die Apostelen, door mannen, die gedurende heel den levensloop van den Verlosser niets waren, dan een samenweefsel van vermetelheid en zwakheid, of liever enkel zwakheid, die

ocr page 302

PINKSTEREN,

zich dikwerf onder den vorm van vermetelheid vertoont; die nu geloofden, dan weer twijfelden, eindelijk hem allen verlieten en, nog kort voor de Hemelvaart huns Meesters, zijne ernstige berisping verdienden; die altijd onder elkander twistten over den voorrang, en dit zelfs op het gewichtigste en tevens droevigste oogenblik van Jezus' leven ? Ja, door die Apostelen, maar door die Apostelen, vervuld van den Geest, die wanneer hij ademt, alles vernieuwt; die, volgens het Boek der schepping, over de doode stof zweefde en alles verlevendigde; die ook in hen, en in hen vooral, het groote voorbeeld zal geven zijner wonderbare werkingskracht.

Hebt gij ooit, mijne geliefden, het ondervonden, hoe ziekte of kwelling u aandeed ? De lucht is betrokken, de adem van den noordstorm is doodend; maar de liefelijke lentezon breekt door de wolken, het westewindje ruischt verkwikkend ; alles is veranderd, de mensch is niet meer dezelfde. Zóó was het ook in de orde der genade. De Geest van God daalt neder, vurige tongen verspreiden zich over de hoofden der Apostelen, het geruisch van een sterken wind wordt gehoord, en alles is uit zijne doodsche sluimering opgewekt; alles herleeft, alles krijgt een nieuw aanschijn, nieuwe krachten. Zendt Gij uwen Geest, alles wordt herschapen en Gij vernieuwt het aanschijn der aarde.

Neen, neen, de Apostelen twisten nu niet meer om de eerste plaats : ieder hunner beijvert zich, om de minste te zijn; zij vragen niet meer, om aan de rechter- of linkerzijde te zitten, maar om den kelk des lijdens te ledigen tot den bodem toe; zij bidden niet om het wraakvuur des Hemels te doen nederdalen, maar brengen gaarne zich zeiven ten offer voor hunner broederen heil. Petrus, de vreesachtige Petrus, die op de stem eener zwakke dienstmaagd zijn Meester verloochende, durft, ten aanschouwe van het Sanhedrin, aan het vergaderde Joodsche volk den Godsmoord verwijten; Hem, zegt hij, die de oorsprong is van uw bestaan, hebt gij gedood. En Thomas, de ongeloovige Thomas, die eens verklaard had, dat hij aan de verrijzenis geen geloof zou hechten, tenzij hij zijne vingers in de plaats der nagelen stak en zijne hand in de wonde der zijde, roept nu met de daad, wat hij eens met woorden zeide : Laat ons gaan en met hem sterven ! Hij verkondigt in het verre Indië de Godheid van zijn Meester, en bezegelt de waarheid van zijn geloof met zijn bloed. Saulus, de trotsche leerling van Gamaliël, de wreede vervolger der Christenen, wordt op de stem der genade door Gods Geest in een van liefde Wakenden Paulus

294

ocr page 303

PINKSTEREN.

veranderd, en nu belijdt hij voor Jood en Heiden, voor heel de wereld zijnen misstap, en verklaart niets anders te kennen dan Christus en dien gekruist, den Jood eene ergernis en den Heiden eene dwaasheid; hij wordt het uitverkoren vat, om den Naam van Hem, die aan een schandhout stierf, aan koningen te verkondigen, en een wijsgeerige Dionysius, de Areopagiet, wordt door zijne bezielde en bezielende taal verplet en door denzelfden Geest aangevuurd, een ijverig verkondiger der zaligmakende leer. Maar niet alleen de Apostelen moesten het voorbeeld zijn van de werking van den Heiligen Geest. En hoe kon het anders ? Immers, het vuur en de wind, welke de H. Geest tot zinnebeelden koos, too-nen die werking genoegzaam aan; of tracht niet een en ander zich altijd te verspreiden, alles met zich te voeren, of houdt het vuur zich tevreden met het voorwerp, dat het als 't ware doordringt en bezielt, te verlichten en in vuur om te scheppen r Tracht het niet altijd zijne werking uit te breiden en alles, wat het omringt en er mede in aanraking komt, te ontvlammen? Drijft een hevige wind niet naar de verste gewesten, om een weldadigen regen op de dorre velden te doen nederdalen ? Is het dan wonder, dat de Geest, die de Apostelen bezielde, zich zoo snel verspreidde ? Is het wonder, dat de eerste Kerk zoo treffende voorbeelden geeft van de werking van den H. Geest ?

Vanwaar die onwetende geloovigen, die, tenminste in de kennis van het bovennatuurlijke, geheel en al onbedreven waren, eensklaps in leeraars der wereld veranderd ? Vanwaar die verbanning van zelfzucht en eigenliefde, om zich met de harten van den evenmensch samen te smelten en de goederen van natuur, fortuin en genade zoo liefderijk met elkander te deelen ? Vanwaar die heldhaftige vergeving van het zwaarst aangedaan ongelijk in de eerste Christenen, waarvan de geschiedrollen der Kerk getuigen ? Vanwaar een moed, eene kracht en sterkte, die teedere jongelingen, zwakke maagden, foltering en dood voor Jezus deden trotseeren ? Door welke werking anders werden, in verdere eeuwen, een Chry-sostomus, een Athanasius geleid, om beurtelings de Kerk door hunne vurige taal en nog vuriger voorbeeld te stichten, en de ketterij en scheuring te beschamen ? Of welke geest ontvonkte de Augustinussen en de Magdalena's, om hun vorige misstappen zoo bitter te beweenen en hunne zondige harten door het vuur der liefde te louteren ? Welke geest bezielde een Willebrordus, een Bonifacius en zoovele andere Apostolische mannen, om den hun dierbaren geboortegrond

293

ocr page 304

het feest der

te verlaten, en dienzelfden geest in de harten van hun tot dusverre onbekende volkeren over te storten r O zeker, dat alles is eene uitwerking van denzelfden Geest, het is eene gedurige voortzetting van het Pinksterfeest.

o-^ïtiinmiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiininiiininiiimiiimiiiiiniiitiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii.....i^^—c

HET FEEST DER H. DRIEYUIxDIGHEID.

et feest der H. Drie-eenheid is nog niet oud in de Kerk. Eerst in de achtste eeuw zag men het op enkele plaatsen invoeren en voor het begin der tiende eeuw bestonden er nog geene getijden van. In den jare 920 stelde Stephanus, Bisschop van Luik, de dag- en nachtgetijden van dit feest te zamen, die, zoowel als het Feest zelf, door vele bisdommen en kloosters langzamerhand werden aangenomen. Evenwel, ten tijde van Paus Alexander II, zooals uit diens eigen getuigenis blijkt, werd het te fiome nog niet gevierd, en ook daar, waar het ingang had gevonden, kwam men over den dag der viering niet overeen, terwijl eenigen het op den eersten Zondag vóór den Advent, anderen op den eersten Zondag na Pinksteren vierden. Eerst in de veertiende eeuw schreef Joannes XXII., Paus van Eome, aan de geheele Kerk voor, den eersten Zondag na het Pinksterfeest op eene bijzondere wijze aan de vereering en aanbidding der H. Drie-eenheid toe te wijden.

Bij den eersten blik kan het aan velen vreemd schijnen, dat dit hooge feest zoo laat werd ingevoerd, terwijl vele andere geheimen van het begin der Kerk af, op bepaalde dagen, feestelijk

296

ocr page 305

HEILIGE DRIEVULDIGHEID. 297

herdacht, en zelfs, eeuwen lang, vóór het bevel van Joannes XXII. talrijke dagen aan de vereering van verschillende Heiligen toegewijd, in den feestkring van het kerkelijk jaar waren opgenomen. Men zal echter gereedelijk moeten bekennen, dat deze bevreemding van allen grond ontbloot is, wanneer men zich herinnert, dat het geheele leven eens Christens, zoo wel als het gansche leven der Kerk, eene gedurige vereering is van den Drie-eenigen God; en dat op deze vereering der H. Drievuldigheid, alle plechtigheden, alle gebruiken en alle feesten der Kerk uitkopen als op één doel. Br bestond dus geene behoefte, om aan de vereering dér H. Drie-eenheid, een bijzonderen dag toe te wijden; in den beginne werd zelfs de instelling van dit feest, wegens de zoo even aangehaalde reden, door sommigen als overbodig en minder passend beschouwd ; geschiedde zulks evenwel in latere tijden, dan gebeurde dit alléén om aan de godsvrucht der geloovigen jegens dit aanbiddelijk geheim bevrediging en nieuw voedsel te geven.

Het geheele leven van een Christen, zeiden wij zoo even, is eene aanhoudende vereering en aanbidding van de allerheiligste Drievuldigheid; en in der daad, in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes treedt de mensch de wereld binnen, in dienzelfden naam daalt hij ten grave, en in de ruimte tusschen deze twee tijdstippen, die een geheel leven omvat, komt er geen enkele daad van eenig gewicht voor, die niet vergezeld gaat van eene geloofsbelijdenis aan dit geheim, en van eene vereering en aanbidding der allerheiligste Drievuldigheid. Wordt de mensch herboren in de wateren van het H. Doopsel, wordt hij in later dagen ten strijde uitgerust tegen de vijanden des heils, ontvangt hij in het H. Sacrament der boete de kwijtschelding zijner zonden, of wordt hij bij de poorten des grafs met het H. Oliesel gesterkt, het geschiedt altijd in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des heiligen Geestes. Ontvangt hij het Lichaam des fleeren, dan wordt

ocr page 306

298 HET FEKST DER

hem die goddelijke spijs ouder het teeken der H. Drie-eenheid toegediend. Worden zijne handen bij de Priesterwijding gezalfd, of wordt, aan de voeten des altaars, zijn huwelijk ingezegend, het is altoos in den Naam der H. Drievuldigheid, dat zulks geschiedt. Zegent hem zijn vader of zijne moeder, zegent hem Gods Priester, het is altijd met het teeken en in den Naam des Vaders, en des Zoons en des H, Geestes. Staat de Christen op, of legt hij zich ter ruste neder, neemt hij plaats aan den disch, om zijne lichaamskrachten met nieuw voedsel te versterken, of verlaat hij de tafel; treedt hij Gods woning binnen, of begint hij zijnen arbeid; bestrijdt hij de bekoring, of dankt hij den Heer voor de behaalde overwinning, het is altijd met het teeken en in den naam der allerheiligste Drievuldigheid. En is het laatste levensuur voor den Christen geslagen, dan roept hem Gods Priester biddend en vertrouwend toe : u vertrek, o christenziel, in den Naam des Vaders almachtig, die u heeft geschapen, in den Naam van Jezus Christus, den Zoon van den levenden God, die voor u geleden heeft, en in den Naam van den H. Geest, die voor n is uitgestort; in dien Naam beveelt de stervende ten laatsten male zijne ziel in Gods barmhartigheid aan; met het teeken . der Drie-eenheid wordt hij in zijn laatsten strijd gewapend, en in dien Naam treedt hij, onder 's Priesters zegen, het huis zijner eeuwigheid in. Aanroeping, vereering, aanbidding der H. Drievuldigheid, ziedaar dan het geheele leven van een Christen, en ziedaar ook het geheele leven der Kerk. Inderdaad, zegent die goede moeder hare kinderen, — en wanneer heft zij hare handen niet op, om te zegenen? — zegent zij hunne woning of hunne spijs, hunne akkers of hunne vruchten, zegent zij het schip, dat de zee moet doorklieven, of den spoorwagen, die ons met vertiendubbelde snelheid zal vervoeren; zegent zij in het heiligdom het gewijde water of de heilige Oliën; zegent zij de kerkgebouwen, de Misgewaden, de heilige Vaten of wat

ocr page 307

HEILIGE DRIEVULDIGHEID. 299

er al meer hij don heiligen Dienst of bij het heilig Offer wordt gebruikt, immer en altijd spreekt zij haren zegen uit in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, of zij doet althans haren zegen vergezeld gaan van het teeken der H. Drievuldigheid. Treedt zij op als uitdeelster van Gods gaven en geheimen, dient zij den geloovigen de heilige Sacramenten toe, dan doet zij zulks immer in den Naam van den Drie-eenigen God. Wordt het Offer der Nieuwe Wet opgedragen, wie is het dan anders dan de Heer Jezus zelf, die, door de handen des Priesters, deze onbevlekte offerande opdraagt aan den driewerf heiligen God, die één in wezen maar drievoudig in personen is? En hoe menigmaal wordt gedurende deze heilige handeling geen hulde gebracht aan de allerheiligste Drievuldigheid? DePriester — wij willen slechts eenige voorbeelden aanhalen — begint de heilige Offerande met zich te zegenen in den Naam des Vaders, en des Zoous, en des H. Geestes; hij aanbidt één God in drie Personen, wanneer hij, bij het Kyrie eleison, driemaal den Vader, driemaal Christus-Jezus, en driemaal den H. Geest om ontferming smeekt; hij belijdt dit geheim bij het Credo, wanneer hij luide erkent, te gelooven in éénen God, den almachtigen Vader, en in zijnen ééniggeboren Zoon, en in den heiligen Geest, die van den Vader en den Zoon voortkomt, en met hen wordt geloofd en aangebeden; telkens wanneer hij het heilig Offer opdraagt, prijst hij driemaal heilig den éénen God in drie Personen; en wanneer hij, na de Mis, den laatsten zegen schenkt aan de vergaderde geloovigen, dan doet hij ook dit in geen anderen Naam, dan in dien des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Evenzoo is het met alle andere plechtigheden der Kerk gesteld. Glorie zij den Vader, den Zoon en den H. Geest, zoo looft en prijst de Kerk, van de eerste dagen harer wording af, de nooit volprezen Drievuldigheid. Met dit gebed van vereering en aanbidding begint zij al hare getijden; met dit gebed ein-

ocr page 308

300 HET FÊESï DER

digt zij iederen psalm, en dit loflied, den drie-eenen God ter eere, wordt door haar bijna zonder ophouden in al hare openbare gebeden herhaald.

Iedere zondag is aan de vereering der H. Drie-eenheid gewijd; want op dien dag, voor den dienst des Heeren bestemd, wordt den Vader dank gezegd voor de'weldaad der Schepping, den Zoon voor de genade der Verlossing, en den H. Geest voor zijne heiligmaking en zijne gaven. lederen Zondag, wanneer de heilige tijden van het kerkelijk jaar zulks niet beletten, wordt de verheven Prcefatie der H. Drievuldigheid gezongen, waarin de Kerk plechtig haar geloof verkondigt en hare liefde uitspreekt jegens den eeuwigen God, die één in wezen en drievoudig in personen is.

Viert de Kerk het feest van een Heilige, dan looft en prijst zij den Vader, die hem verheerlijkt en tot erfgenaam des Hamels opgenomen heeft; dan prijst zij den Zoon, die door zijn dierbaar bloed voor dien verloste het recht op dit erfschap heeft verworven; dan verheerlijkt zij den H, Geest, die door zijne genade dezen gelukzalige heeft geheiligd en zijne werken verdienstelijk voor den hemel gemaakt. Op de feesten aan de vereering der Moeder-maagd gewijd, o ja, dan prijst zij voorzeker die genadevolle Vrouw, maar terwijl zij haar looft, prijst zij ook den Vader, die haar verkoor tot zijne Dochter; zij prijst den Zoon, die zich gewaardigde in haren schoot de menschelijke natuur aan te nemen; zij prijst den H. Geest, die haar uitkoos tot zijne Bruid en haar met zijne schaduw overlommerde; want de Kerk is zich volkomen bewust, dat alle verhevenheid van Maria voortspruit uit hare innige verbinding met de drie personen der goddelijke Drie-eenheid. Voor Maria en met Maria looft zij den drie-heiligen God, omdat Hij groote zaken aan haar heeft gedaan!

W anneer eindelijk de Kerk de feesten des Verlossers viert of de nederdaling van den H. Geest plechtig herdenkt, dau

ocr page 309

heilige drievuldigheid. 301

vereert zij met den Zoon ook den Vader en den H. Geest, en met den H. Geest ook den Vader en den Zoon, dewijl zij één in wezen, ofschoon verschillend in personen zijn. Is overigens Kerstmis niet een feest, waarin voorzeker hulde van dankbare aanbidding wordt gebracht aan het Vleesch geworden Woord des Vaders, maar waarin ook de eeuwige Vader wordt geprezen, die ons, in de overmaat zijner liefde, zijn eenigen Zoon heeft gegeven, en waarin ook dankbare eer en lof den heiligen Geest wordt toegebracht, door wiens werking het eeuwige Woord in den schoot der Moeder-maagd ontvangen werd ?

Ditzelfde kan ook van Paschen en Pinksteren, van 's Hee-ren Hemelvaart en van de overige Feesten van het kerkelijk jaar worden gezegd; en is dus niet het leven der Kerk, zoo wel als het leven van ieder Christen, eene aanhoudende vereering van de aanbiddelijke Drievuldigheid ?

Prijst dan de Hemel, door den mond der Cherubijnen en der Seraphijnen, den éénen God in drie Personen; looft Hem de aarde, door de woorden en handelingen der Kerk en harer kinderen, laat dan die nooit volprezen Drie-eenheid ook door ons geloofd zijn en geprezen, alle dagen onzes levens, hier beneden, en in aller eeuwen eeuwigheid.

L. O F Z A H Gr.

O Godt, oneindig eeuwigh Wezen Van alle ding, dat wezen heeft. Vergeef het óns; o noit volprezen

Van al wat leeft, of niet en leeft,

Noit uitgesproken, noch te spreecken;

Vergeef het ons, en schelt ons quijt Dat geen verbeelding, tong, noch teken U melden kan. Ghy waert, Ghy zijt.

ocr page 310

HET 1'tEST DKR

Ghy blijft de zelve, alle Englekennis

En uitspraeck, zwak, en onbequaem, Is maer ontheiliging, en schennis :

Want ieder draegt zijn' eigen naeni, Behalve Ghy. Wie kan u noemen

By uwen Naem? wie wort gewijt Tot uw Orakel? wie durf roemen?

Ghy zijt alleen dan die Ghy zijt. Uw zelf bekent en niemant nader.

U zulx te kennen, als Ghy waert Der eeuwigheden glans en ader;

Wien is dat licht geopenbaert ?

Wien is der glansen glans verscheenen ?

Dat zien is noch een hooger heil Dan wij van uw genade ontleenen;

Dat overschrijt het perk en peil Van ons vermogen, wij verouden

In onzen duur; Ghy nimmermeer. Uw wezen moet ons onderhouden. Verheft de Godtheit : zingt haer eer.

Heiligh, heiligh, noch eens heiligh,

Driemael heiligh : eer zij Godt.

Buiten God is 't nergens veiiigh.

Heiligh is het hoogh gebodt.

Zijn geheimenis zy bondigh.

Men aenbidde zijn bevel.

Dat men overal verkondigh':

Al wat Godt behaegt, is wel.

302

Overweging.

Wacht u dit ondoorgrondelijk geheim nieuwsgierig en nutteloos te willen navorschen, indien gij u in geen afgrond van twijfel dompelen wilt.

ocr page 311

HEILIGE DKIEVULDIGHKID.

IVie Gods Majesteit zal onderzoeken, zal van de glorie overmeesterd worden, (Prov. 25. v. 37.) God vermag meer dingen uit te werken, dan de mensch begrijpen kan.

Een godvruchtig en ootmoedig onderzoek van de waarheid is te dulden, wanneer slechts de onderzoeker bereid is, onderricht te worden, en langs de wegen der heilige Vaders tracht te wandelen.

Zalig is de eenvoudigheid, die de moeielijke en zware geschillen daar laat, en op de effen en vaste paden van Gods geboden wandelt.

Velen, door te hooge dingen te hebben willen onderzoeken, hebben hunne godsvrucht verloren.

Ik vraag van u een vast geloof en een rechtzinnig leven, maar niet, dat gij mijne hooge geheimen moet verstaan.

Indien gij dingen, die onder u zijn, niet kunt vatten, hoe zult gij dan datgene, wat boven u is, begrijpen ?

Verneder u onder God, onderwerp uw verstand aan het geloof, en ik zal u verlichten, zooveel u dienstig of noodig wezen zal.

Sommigen lijden groote bekoring tegen het geloof, maar dit is meer aan den boozen vijand, dan aan hunne zwakheid te wijten.

Wil dit niet achten, en met uwe gedachten niet twisten, noch op de ingeving des duivels antwoorden; maar geloof de woorden van God, geloof aan zijne Heiligen en Profeten, en de booze vijand zal u vlieden.

Het is dikwijls nuttig, dat een dienaar van God zulke kwelling te lijden heeft: want de ongeloovigen en de zondaars, welke hij nu reeds gerust bezit, bekoort hij niet, maar hij kwelt en kastijdt de geloovigen en godvruchtigen op velerlei wijs.

Ga derhalve met een eenvoudig en vast geloof voort, en beveel alles, wat gij niet kunt vatten, gerust aan Gods almogendheid; God kan niet bedriegen; maar die te veel op zich zeiven betrouwt, die wordt bedrogen.

God wandelt altijd met de eenvoudigen, openbaart zich aan de ootmoedigen, geeft verstand aan de kleinen, opent het begrip der reine zielen, doch verbergt zijne genade voor de nieuwsgierigen en hoovaardigen.

De menschelijke rede is zwak, en kan falen; maar het ware geloof kan niet falen.

De rede en het natuurlijk licht moeten altijd het geloof volgen, doch het niet voorafgaan of dat willen krenken.

God, die eeuwig, onmeetbaar en almachtig is, doet in den

303

ocr page 312

h. sacramentsdag.

hemel en op de aarde groote en onbegrijpelijke dingen, en niemand kan de wonderen zijner werken achterhalen.

Indien Gods werken zoodanig waren, dat zij door het menschelijk verstand lichtelijk begrepen werden, zouden zij niet wonderlijk of onuitsprekelijk worden genoemd.

304

r.ggt;-c

H. SACRAMENTSDAG.

et was in den vooravond van zijn bitter lijden, dat de

_goddelijke Verlosser het hoogheilig Sacrament instelde van

zijn Vleesch en Bloed. Vandaar dat, van de Aposteltijden af, de instelling van dit aanbiddelijk Liefdegeheim op Goeden Donderdag wordt herdacht en gevierd. Maar te midden der droevige herinneringen aan 'sHeeren lijden en dood, kan de Kerk niet volgens haar verlangen lucht geven aan de gevoelens van dankbaarheid en liefde, die haar bezielen voor dien kostbaren schat, haar door Jezus geschonken, voor die hoogheilige Erfgift, welke de oneindige wijsheid van een God-alleen kon uitdenken, voor dat onwaardeerbaar liefdepand, dat ons door Gods almacht alleen kon gegeven worden. De vreugdekreten en jubelzangen, een God ter eere, die, bij dag en bij nacht, onder den schijn van brood verborgen, in ons midden wil wonen, die zich iederen dag voor ons aan den eeuwigen Vader als zoenoffer opdraagt, ter vergeving onzer zonden, en die, in dit aanbiddelijk geheim van liefde, de spijs en drank onzer zielen wordt, onze jeugd verblijdt, onze rijpere jaren versterkt, en op den weg der eeuwigheid onze teerspijs wezen wil, die vreugdekreten en jubelzangen worden gesmoord onder de klaagtonen van Jeremias, en door de tranen en zuchten,

ocr page 313

H. SACRAMENTSDAG. 305

welke het herdenken van Jezus' smartvollen dood zoo overvloedig in de Goede Week storten doet. Om deze reden verlangden vele godvruchtige zielen, dat op een ander tijdstip van het jaar een dag zou worden aangewezen, waarop men met volle vreugde de instelling van het allerheiligste Sacrament herdenken en vieren kon. Door een bovennatuurlijk gezicht toonde de Heer (1230) aan een der heiligste voorstanders dezer instelling, de H. Juliana van Luik, hoe aangenaam hem dit verlangen was. Dientengevolge werd reeds in het jaar 1246 het zoo vurig gewenschte feest in het Bisdom van Luik, door den Bisschop Eobertus, ingevoerd. Intusschen stierf Juliana. Haar verlangen was slechts ten deele vervuld geworden, want haar vurigste wensch was steeds geweest, den feestdag van het heilig Sacrament geheel de wereld door te zien ingevoerd. Dit verlangen liet zij, als haren erfschat, aan eene godvruchtige kluizenares, met name Eva, achter, en deze bleef er bij den vromen Robertus op aandringen, dat hij van den H. Stoel zou trachten te erlangen, dat de feestviering van dezen dag aan de geheele Kerk voorgeschreven mocht worden. Destijds zat op Sint Petrus' Stoel te Eome, onder den naam van Urbanus IV, Jacob Pantaleo. Deze was vroeger Aartsdiaken van Luik geweest, en met de verschijning aan Juliana verleend, opperbest bekend, want hij zelf had die mede nauwkeurig onderzocht, en daarna er niet weinig toe bijgedragen, om dit feest in te voeren in het Bisdom van Luik. Urbanus echter haastte zich niet, om aan het herhaald verzoek van Robertus gevolg te geven; maar midderwijl stak de ketterij van Berengarius opnieuw het hoofd op, en de wereld vernam wederom de godslasterlijke stem, die de wezenlijke tegenwoordigheid van den Heer Jezus in het allerheiligste Sacrament durfde loochenen. Teneinde die afschuwelijke dwaalleer te beteugelen en het katholiek geloof te verheffen, vaardigde de Paus in 1264 een plechtig besluit uit, waardoor aan de ge-

ocr page 314

306 H. SACRAMENTSDAG.

heele Kerk bevolen werd, voortaan dit feest van het hoogheilig Sacrament, op Donderdag na het feest der H. Drievuldigheid, plechtig te vieren. Ook de instelling der Processie, die op dezen dag gehouden wordt, is toe te schrijven aan dezen grooten Paus. Het besluit van Urbanus IV. werd door Paus Clemens V. en de Kerkvergadering van Vienne, in Frankrijk, (1311) op nieuw bekrachtigd; door Martinus V. en Eugenius IV. werd de feestviering van dezen dag met aflaten verrijkt, en, door de Kerkvergadering van Trente is zij de triomf over de ketterij genoemd. De engelachtige leeraar, de H. Thomas van Aquine, stelde de zalvingvolle getijden van dit feest op, die voorzeker onder de schoonste van het kerkelijk jaar moeten worden geteld.

Neen, wij kunnen van dit feest, zoo zoet voor het hart, zoo schoon voor den geest, niet scheiden, zonder de op dezen dag voorkomende plechtigheden een weinig meer van nabij te hebben beschouwd.

Heerlijk is het op dit feest in de natuur, plechtig in de kerk, prachtig op alle plaatsen, waar de statige Processie zich heenbeweegt.

Het is heerlijk in de natuur. Wij zijn in de bloemrijke Meimaand of in de schoone dagen van Juni. Een zacht en donzig grastapijt, met bloemen van alle kleuren en diamanten dauwdruppelen rijk bezaaid, spreidt zich onder onze voeten uit; de roos heeft haar krullende blaadjes, de lelie haren geu-rigen kelk ontsloten; zij zenden hare reukwerken, door den zoelen wind opwaarts gedreven, als een aanhoudend dankoffer ten hemel; de zon rijst vroeg en helder : zij stemt door hare verkwikkende stralen het heelal tot nieuwe vreugd; het vischje dartelt vroolijk langs den oever, en de nachtegaal is op het midden van zijn onnavolgbaren hymnus gekomen; kortom, geheel de natuur zingt het loflied der Verrijzenis.

Het is plechtig in den tempel Gods : de laatste tonen van

ocr page 315

H. SACRAMENTSDAG. 307

het Ave Maria der Meimaand weergalmen nog door de hooge koorgewelven; de blóem- en wierookgeuren stijgen nog rondom den troon der Hemel-Vorstin omhoog. De feestmaand der Koningin spoedt ten einde : nu gaan de feesten des Konings weer beginnen, en de glans des heiligdoms zal nog vermeerderd worden. De grootst-denkbare liefde, ons bij de Instelling van het allerheiligste Sacrament betoond, moet met de dankbaarste wederliefde en de meest mogelijke plechtigheid worden gevierd. Luisterrijk en verteederend is dan ook deze dag der dagen; hij heeft voor het geloovig hart zijns gelijken niet. Nog vroeg is het, en onvermoeid roept de metalen stem uit de hooge torens ter vrome feestviering. Talrijker dan ooit stroomen de geloovigen de wijdgeopende deuren des tempels binnen. In de kerk prijkt goud en zilver en branden talrijke waskaarsen op 't altaar. Het priester-koor, van hemelvreugde dronken, staat, met gouden plechtgewaden omhangen, rond den troon van den verborgen God, die hen tot zijn tempel-dienst verkoor. Statiger dan ooit zweeft de feestzang onder de gewijde bogen, en langzaam zingt het koor: Lauda Si on, Salvatorem, h Zing, Sion, het lied, uw Verlosser ter eer, verhef in uw zangen den Leidsman, den Herder.quot;

Maar niet slechts binnen de kerk, ook daar buiten, is alles in feestgewaad, want het geldt, den triomf des Heeren te vieren. De groote Koning wil heden zijn rijk, dat noch door grenzen, noch door tijden wordt afgesloten, doorwandelen en zijne volken zegenen. Zoodra het heilig Offer voltrokken is, zal hij, in 's Priesters handen gedragen, door stad en dorp, door veld en beemden gaan, om overal zijn rijksten zegen uit te storten. Reeds toen op den vooravond de zon in den sehoot der wateren als lachend verdween, werd alle aardsche zorg en tijdelijk zwoegen vergeten, en in het stille heiligdom der familie, of voor het altaar der heilige Maagd, bad de Chris-tenschaar met verdubbelde godsvrucht: Heer, verleen ons voor

ocr page 316

308 H. SACRAMENTSDAG.

morgen een helder schoonen dag. Ea zie, daar daagt hij, die hoogheilige dag, en, vóór nog de zon het oosten in goud en purper getooid heeft, wordt hem door den mensch een feestlied tot welkomstgroet aangeheven, en, vóór nog de mor-genklok klept, hebben duizend handen het heilig dagwerk reeds aanvaard. In stad en dorp zijn alle huizen en buurten met vlaggen en wimpels, met kransen en festoenen, met eere-bogen en altaren versierd. Daar nadert Hij!... De zegerijke Koningsbanier, welke Hij zelf heeft gedragen en gepurperd met zijn bloed, komt voorop, en zij, die nog den strijd des levens niet kennen, en zij, die reeds lange jaren, met den helm des heils bekleed, met het schild des geloofs gedekt en de wapenen des gebeds omgord, met de vlam der liefde — door de brandende fakkels verzinnebeeldigd — in het hart, onder de kruisvaan van Jezus streden, zij volgen in twee lange rijen. Schouw, sterveling, schouw toe, kniel neder, en aanbid !

Ziet gij daar die schitterend witte koor-engelen, die voor den troon van den geheimvollen God, in lossen zwaai, hunne zilveren wierookvaten zwierig rondslingeren; die kleine maagdekens, die met onschuldige hand op de paden des Heeren palm en bloemen strooien; dat biddend Priesterkoor, dat rondom zijn genadetroon de liederen van het Hemelsch Jerusalem zingt ? Ziet gij den grijzen Offeraar der Nieuwe quot;Wet, dien gelukkigen Simeon onzer dagen, met zijne zilveren lokken en zijn gouden koorgewaad, die daar langzaam voorttreedt, door een glanzenden draaghemel overschaduwd ? Zijn gelaat is vurig, zijn boezem van geloof en liefde gezwollen, want zijne handen dienen den Koning der koningen tot een troon.

In de eerste rijen ruischt de muziek, en hier, bij de laatste omgeving, heerscht eene stilte, even plechtig als die van de groote wateren, in het uur der zeldzame kalmte op zee.

Driewerf klinkt de scliel, en, links en rechts, knielt de

ocr page 317

H. SACRAMENTSDAG. 309

dichte menigte neder. De grijsaard, stram en afgemat op zijne lange levensbaan, stort warme tranen, terwijl zijne voeten hem den dienst weigeren, om dien heiligen tocht te vergezellen: maar hij heeft nogmaals den Heer, zijn heil, gezien, hij heeft den zegen des Allerhoogsten ontvangen, en nu verbeidt hij getroost de ure der eeuwige rust, die weldra voor hem aanbreken zal. De man, te midden van de stormen des levens, heeft nieuwen moed geput, en de moeder heeft, met een traan in het oog, haren lieveling onder de zegenende hand van den goddelijken Kindervriend gesteld. Maar waar gaat die edele feeststoet henen? Ziet gij ginds, in het midden der golvende akkers, die dichte linde, die met hare groene takken over het beeld van den Gekruiste heen welft? Daar, aan den voet van het Kruis, hebben de maagden der buurt eene rusttent voor den Koning der heerlijkheid, voor den Bruidegom barer harten opgsslagen; daar hebben zij Hem een troon bereid, met rozen en leliën versierd, en met het groene mos omzoomd. Van dien troon daalt de zegen des hemels over vader en kinderen, over veld en weide, over stulpen en kasteelen neer. Op die geheiligde plek knielen allen; daar knjelden ook eens hunne ouders, daar hebben, sinds eeuwen verschillende geslachten geknield, want die stichtende Processie is niet van gisteren, maar eene onwaardeerbare erfenis, door de diepge-loovige middeleeuwen aan het verste nakroost vermaakt.

Helaas ! sedert driehonderd jaren is het in een groot gedeelte van ons Nederland den onsterfelijken Koning der eeuwen niet meer vergund, buiten de enge muren van het tempelgebouw te verschijnen : sedert driehonderd jaren is daar aan het katholiek; hart de troost ontzegd van, langs de openbare straten en wegen, eene hulde van vereering en aanbidding toe te brengen aan het geheim der oneindige liefde van den verborgen God. O, Heere Jezus! Gij weet, hoe bitter hard het valt aan hen, die ü beminnen, verstoken te zijn van het voor-

ocr page 318

310 H. SACRAMENTSDAG.

recht, om luide en openbaar U hunne dankbare liefde te be-toonen. Gewaardig CJ, de bitterheid hunner harten als een welgevallig offer te aanvaarden, en zegen hen in des te ruimer mate, omdat zij bij het goud hunner liefde en den wierook van hun vurig gebed, U, zelfs op dezen dag van geestelijke vreugde, ook nog de mirre der zielesmart ten offer brengen met bereidwillige onderworpenheid.

LOFZANG.

Zing, Sion, het lied uw Verlosser ter eer,

Verhef in uw zangen den leidsman, den herder;

Stem hooger den jubel, zooveel gij 't vermoogt, En toch zal uw lof nooit naar waarde hem prijzen.

Het levend en levenverwekkende Brood.

Dat aan de verbroederde twaalf werd gegeven Ten spijze, in den nacht, aan den heiligen disch.

Geeft stof voor opzetlijke lofliedakkoorden.

Zoo klink' dan uw zang uit de volheid van 't hart. En dartel' de ziel in betaamlijke vreugde :

De Feestdag wordt heden toch plechtig gevierd,

Die 't eerst dezen godlijken disch aan zag richten.

Het Pascha van 't Oude Verbond wijkt voor 't Nieuw, En neemt in het Nachtmaal des Heeren een einde. Zoo vliedt voor de waarheid de schaduw daarheen. De nacht voor den dag, en het Joude voor 't nieuwe.

Wat Christus volbracht in den nacht vóór zijn dood. Ten avonddisch, onder de Jongren gezeten,

Dat doen we op zijn woord ter gedachtnis steeds na. En heiligen 't Brood en den Wijn tot een Offer.

ocr page 319

H SACRAMENTSDAG.

Dat het Brood wordt tot Vleesch en de Wijn wordt tot Bloed, Is 't Geloofspunt, door Christus zijn volgers gegeven, En vat ook 't verstand of het zintuig dit niet,

't Geloof toch houdt vast, wat hier boven natuur gaat.

Daar huist iets voortreflijks hier onder den schijn Der beide gedaanten, — slechts teekens, geen zaken : — De spijs is het Vleesch, en de drank is het Bloed, En Christus blijft heel onder elke gedaante.

Hij wordt niet gebroken, ontleed of verdeeld,

Maar door die hem nuttigt, volstandig ontvangen; En duizend, of één, elk erlangt evenveel.

Doch, schoon ook genuttigd, toch nimmer verteerbaar.

En goeden en boozen ontvangen die spijs.

Tot leven en dood naar 't verschil van hun toestand;

De braven ten zegen, de snooden ten straf.

Zoo verschilt het gevolg hier van de eigenste Nutting.

Al wordt ook het schijnbrood veelvoudig gesplitst.

Geen twijfel bevang' u toch daarom het harte,

Want weet, dat er zooveel verschuilt in elk deel. Als onder 't aanbidlijk geheel ligt verborgen.

De zaak staat in 't minst aan de scheiding niet bloot, Maar enkel het teeken des Broods wordt gebroken, En zoo wordt noch staat, noch gestalte van hem. Die hier is verholen, gedeerd of geschonden.

Beschouw, hoe der Englen Brood tot een spijs Van den christlijken pelgrim op aard is geworden. Het Brood van de kindren des eeuwigen Rijks,

Een spijs, die geen honden ten voedsel mag strekken.

Werd Izaak aan God tot een offer gebracht. Het Paaschlam aan Isrel ter slachting bevolen. En 't Manna den vadren ter spijze vergund.

Zoo is door dat alles ons Kruislam beteekend.

311

ocr page 320

312 H. SACRAMENTSDAG.

Goedaardige Herder, waarachtige spijs,

ó Jezus, wil onzer U liefdrijk ontfermen.

Bescherm ons, en hoed ons, en doe ons in 't land Der levenden de eindlooze goedren aanschouwen.

Verlosser, die alles doorgrondt en vermoogt,

Die ons hier op aard reeds zoo hemelzoet spijzigt, ó Laat ons hiernamaals, ten eeuwigen disch. Ons erfgoed, in 't bijzijn der zaalgen genieten.

Overweging.

Assuerés, de rijke en machtige Perzen-koning, gaf eens, gedurende honderdtachtig dagen, aan al de voornamen zijns rijks, een groot gastmaal, en vervolgens, gedurende zeven dagen, een aan de volkrijke stad Susan.

Wie bewondert niet de mildheid, waarmede gedurende een zoo langen tijd zoo velen werden onthaald ? Doch wat beteeke-nen die velen, aan de tafel van eenen aardschen koning, vergeleken bij de talloozen, die uitgenoodigd zijn tot het maal, hetwelk Christus, de Hemel-Koning, voor eeuwig in zijne Kerk heeft bereid ?

Hij heeft dat bereid voor de duizenden en duizenden, die, op het woord der Apostelen, de Kerk zijn binnengegaan; hij heeft het bereid voor de millioenen, die nog niet geboren waren en in den loop van achttien eeuwen geboren zijn; hij heeft het bereid voor de millioenen, die haar na ons bewonen en in de Kerk treden zullen. Richt uwe blikken naar Europa en Azië, naar Afrika en Amerika, naar de talrijke eilanden van den Oceaan; ziet overal heen, waar de Kerk het tabernakel des Heeren heeft opgericht : gij ziet millioenen van alle kleuren en talen, die heden met ons voor den in het H. Sacrament wonenden Heer in aanbidding nederknielen; die zich verheugen bij het aanschouwen van het hemelsch Gastmaal, en zich verheven gevoelen bij de gedachte : „ één Heer, één Geloof, één Lichaam !quot; die zich gelukkig gevoelen door het bewustzijn, dat zij, door dien éénen Heer gevoed, aan dat ééne, goddelijke Gastmaal neêrgezeten, slechts één enkel huisgezin Gods, en één enkel lichaam van Jezus Christus uitmaken. — Is dat niet eene groote, eene oneindige, eene onuitsprekelijke liefde, voor millioenen en millioenen zoo rijk !

ocr page 321

H. SACRAMENTSDAG.

Toen Jesus het Heilig Sacrament des Altaars instelde, blikte zijn oog door alle eeuwen heen, en vestigde zich met liefde op de geslachten aller tijden; het rustte ook op ieder van ons, wie of wat wij ook zijn mogen, rijk of arm, verheven of laag van stand; tot allen zeide hij : ,, Neemt en eet!quot; en : „ Komt tot mij, allen, die vermoeid en beladen zijt, Ik zal u verkwikken.quot; Zoo weest dan blijde, gij bedrukten, gij ver-getenen en veriatenen : al zijn ook dikwerf de deuren en de harten der rijken voor u gesloten ; immer staat de Kerk, de groote Spijszaal des Heeren voor u open, en te allen tijde is zijn disch bereid voor allen, die met geloof en liefde tot Hem naderen. — De Heer overzag in het uur der Instelling de eeuwen, en zag ook, hoe in haren loop talloozen hem in het Heilig Sacrament met lauwheid en onverschilligheid zouden ontvangen : en toch gaf hij zich zeiven aan het menschdom tot voedsel. De Heer overschouwde de toekomstige eeuwen, en zag, hoe in haren loop velen Hem in zondige harten ontvangen en onteeren zouden; hij voorzag, hoe talloozen hem in het Sacrament zijner liefde zouden honen en bespotten; hoe zij met een gevoelloos hart het Geheim zijner liefde zouden loochenen, en toch gaf hij zich zei ven aan het menschdom als voedsel, tot het einde der eeuwen toe. Liever wil hij ondankbaarheid en beleediging, hoon en smaad verduren, dan de behoeften van hen, die van goeden wille zijn, onge-lenigd laten. Is er dan eene liefde grooter dan Jezus' liefde? Moeten wij dat uur niet zegenen, waarin hij het Heilig Sacrament zijner liefde instelde, het uur dat de ingang is van een nieuw tijdperk, waaruit een zegen opwelde, die, door alle eeuwen heen, tot aan het einde der wereld zijne wateren vloeien doet ?

En wanneer sloeg dat groote zegenuur r „ In den nacht, toen Jezus verraden werd. quot; O bedenken wij die woorden wel; In den nacht, toen Hij werd verraden. — Als gevaren en rampen over den mensch neêrkomen, als een kruis op zijne schouderen drukt, dan woont ook gewoonlijk gemelijkheid in zijne ziel, dan knaagt er kommer aan zijn hart : dan richten blik en gedachte zich naar de ramp, die dreigt, dan keert de ziel, met eigen nood begaan, in zich zelve terug. Hoe zou dan de mensch op lenigen van vreemden nood, op de grondvesting van anderer geluk bedacht zijn? Doet hij dit, en lenigt hij, eigen ramp vergetend, die van anderen, — o, hoe schoon, hoe edel, hoe verheven, hoe offervaardig is dan zijne liefde! — Zien wij nu op Christus! Is er op aarde een lijden, zoo wreed als des Heeren lijden, een nood, een kruis, zoo zwaar

313

ocr page 322

H. SACRAMENTSDAG.

als zijn kruis, eene pijn, zoo smartelijk, als die hem te wachten stond in den nacht, toen hij verraden werd? Hij voorziet het verraad van Judas, zijn trouwloozen vriend, hij ziet de boosheid, die tegen hem knarsetandt, den haat die tegen hem raast, de woede, die tegen hem schuimt : hij ziet de boeien, de geeselen, de doornenkroon, de spotgewaden; hij ziet al de lijdenswerktuigen, die op hem wachten; hij ziet den smaad-volsten en bittersten dood aan het kruis; — en toch zien wij hem, in den kring zijner Apostelen, niet over eigen leed bekommerd, maar vol zorg voor anderer heil. Daaraan denkt hij, daarop peinst hij, daarvoor gloeit hij; zich zeiven en zijn lijden vergetend, stelt hij het Heilige Sacrament in van zijn heilig Lichaam en Bloed; daarin opent hij de bron van het hemelsche, eeuwige Heil. Uit den schoot van den akeligen nacht verheft zich zijne liefde als eene zon, wier stralen alle eeuwen verlichten en verkwikken ! Zelfs spreidt hij zegen over hen, die vloek verdienden.

Is dat niet eene liefde sterker dan de dood; eene liefde, wier ijver machtiger is dan de hel; eene liefde, wier stralen vurige en schitterende tongen zijn; eene liefde, die door de wateren niet gebluscht, door geen stroomen overweldigd wordt r En zouden wij zulk eene liefde ooit kunnen vergeten ? Neen, in aanbidding vallen wij neder voor het Tabernakel, ons door hem gemaakt tot een rustbank zijner voeten, waar hij woont in het Allerheiligste Sacrament; en vol liefde roepen wij met den Psalmist uit : Looft den Heer, onzen God, aanbidt hem op zijnen heiligen berg.

314

ocr page 323

gt;-^3iii......iiiiiimiiiiiiiiiiimiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiniiiiiiiiiiiiiiiimiiiiiiiiiiiiiimiiiiiiiiiiiiii^—o

FEEST YAN HET H. HART YAN JEZUS.

E godsvrucht tot het hart van Jezus is, zoowel in haar doel, als in hare oefeningen, lofwaardig en heilig; zij is Gode ten hoogste aangenaam, en voor de geloovigen eene bron van zegen en gena. Wie kent niet de namen der H.H. Beruar-dus, Thomas, Bonaventura, Theresia, Rosa van Lima, Catha-rina van Siëna, Magdalena van Pazzi, Gertrudis en Mechtil-dis, en van zoovele anderen, die allen met de vurigste liefde tot het heilig Hart van Jezus waren bezield, zoo als wij zien in de teedere en van liefde gloeiende uitboezemingen des harten in gebeden, die zich in hunne nagelaten schriften bevinden, of in hunne levensbeschrijvingen staan geboekt ?

Deze godsvrucht was, in vroeger tijden, als het ware, slechts het eigendom der heiligste zielen; maar toen — met de ont-eering en den smaad, door de zoogenaamde Hervorming Jezus in het goddelijk Sacrament zijner liefde aangedaan — de ijver van velen begon te verkoelen, en de lauwheid meer en meer de overhand kreeg, ontstond bij vele godvruchtige zielen het verlangen, om den Heere Jezus eene vergoeding te geven voor dien smaad en die lauwheid, door zijn Heilig Hart op eene bijzondere wijze te vereeren.

Ten einde deze zoo heilzame en zoete godsvrucht in te stellen, en onder de geloovigen in ruime mate te verspreiden, heeft onze goddelijke Verlosser zich gewaardigd eene nederige maagd tot werktuig uit te kiezen. Deze vrome dochter, Margaretha Maria Alacoque genaamd, was op haar drie-en-twintig-jarigen leeftijd in het klooster der orde van de Visitatie onzer Lieve

ocr page 324

316 FEEST VAN HET

Vrouwe, te Paray-le-Monial in Bourgondië gelegen, getreden, ten einde zich in dit rustig verblijf geheel en al toe te wijden aan den Bruidegom harer ziele. Hoe volkomen zij dit doel bereikte, daarvoor hebben wij geen verder bewijs noodig, dan haar zalige dood, den 17 October 1691 voorgevallen, en vooral de heugelijke omstandigheid, dat het aan zijne Heiligheid Pius IX behaagd heeft haar den 16 September van 't jaar 1864, onder het getal der gelukzaligen op te nemen.

Als deze maagd dan op zekeren dag in bovengenoemd klooster, voor het altaar, iu aanbidding en in de betrachting der grenzelooze liefde van Jezus tot ons, zondaren, diep lag verzonken, vernam zij, bij een wonderbaar gezicht, eene inwendige stem, die haar opwekte, om de vereering van het Allerheiligste Hart van Jezus te bevorderen; tevens werd aan deze vrome ziel, zooals weleer aan den Apostel Paulus, getoond, hoeveel zij om de verbreiding dezer heilige godsvrucht zou te lijden hebben : en waarlijk, slechts door zwaar lijden en diepe vernedering mocht die zalige bruid van den gekruis-ten Jezus er in slagen, die niet minder liefelijke dan heilzame godvrucht te vestigen en uit te breiden.

Gelijk Christus zelf tot een teeken gesteld was, dat tegengesproken zoude worden, zoo ondervond ook de vereering van zijn Allerheiligste Hart van alle zijden tegenspraak; zelfs had zij laster en vervolging te verduren. Maar, zooals de Heer aan zijne groote dienaren had beloofd, droegen al die hatelijkheden er slechts toe bij, om deze heilige aandacht des te meer te verspreiden. Op vele plaatsen, waar zij werd ingevoerd, gaf de Heer door luid-sprekende teekenen zijn welbehagen te kennen; en zoo geschiedde het, na vele wonderbare blijken van genade en zegen, waarmede Gods goedheid de vrome vereerders van Jezus' goddelijk Hart begunstigde, dat deze aandacht in een zeer kort tijdbestek door bijna geheel de Christenheid verbreid werd.

ocr page 325

H. HART VAN JEZUS. 317

De Heilige Stoel, die steeds met de uiterste voorzichtigheid te werk gaat, ziende hoe de vereering van het Hart van Jezus zich toen ter tijd over alle landen der katholieke wereld, onder begunstiging der Bisschoppen, had uitgestrekt, besloot eindelijk toe te geven aan de verzoekschriften der genoemde kerkvoogden; en zoo liet Paus Clemens XIII, ten jare 1765, een dekreet uitvaardigen, 'twelk aan eenige kerken, die zulks gevraagd hadden, verlof gaf het feest van het Heilig Hart te vieren. De daarvoor uitgekozen dag was de eerste Vrijdag, invallende na het Octaaf van het Allerheiligste Sacrament des Altaars. En ziet! gelijk een welige rozenstam, die, in vruchtbaren grond geplant, ongemerkt zijne talrijke wortelen en vezeltjes in het duistere aardrijk heeft rondgeslagen, en slechts op het geschikt oogenblik wacht dat de tuinier ook van boven den toevoer van regen, lucht en warmte openstelt, om in duizendvoudige loten, knoppen, bloemen uit te slaan en zijne bladrijke kroon breed in het luchtruim te ontspannen : zoo ontwikkelde, en ontspande, en verspreidde zich ook van dit oogenblik af de devotie tot het heilig Hart. De eene bisschoppelijke Kerk na de andere vroeg aan den H. Stoel verlof dit feest mede te mogen vieren; broederschappen werden opgericht, kerken gewijd ter eere van het heilig Hart; totdat eindelijk Paus Pius IX, wiens bezielende hand op alle gebied van het kerkelijk leven dezer eeuw ligt ingeprent, den geloovigen een nieuwen prikkel willende geven om met liefde en wederliefde het gewond Hart te omhelzen onzes Heeren, die ons heeft liefgehad en van onze zonden afgewasschen in Zijn bloed, door dekreet van den 23 Augustus 1856 bevel gaf, dat het feest van het heilig Hart voortaan jaarlijks door de geheele Kerk zou gevierd worden.

Liefde verwekt wederliefde. Dat is de eenvoudige, doch diepingrijpende wet, die der godsvrucht van het H. Hart ten grondslag ligt. Liefde, zietdaar baar hoofdonderwerp; wederliefde.

ocr page 326

318 FEEST VAN HET

zietdaar haar hoofddoeleinde. Om dit aan te toonen, en tevens om te doen zien, hoe beide, voorwerp en doel dezer godsvrucht, volgens de even aangehaalde bedoeling der Kerk, zoo uiterst geschikt zijn om het vuur der liefde, dat Christus is komen uitstorten op aarde, te ontsteken in de harten der geloovigen, moeten wij de natuur dezer godsvrucht eenigszins dieper nagaan.

Welk is dan het hoofdvoorwerp der vereering van het H. Hart? Dat hoofdvoorwerp is geen ander dan de matelooze liefde onzes Heeren Jezus Christus, waarvan Hij ous gedurendegansch zijn leven, maar hoofdzakelijk door zijn lijden en sterven, en door de instelling van het allerheiligste Sacrament des Altaars, dat wonder der liefde, ons zulke schitterende bewijzen gegeven heeft. Christus toch heeft ons zoo vurig liefgehad, dat Hij zich zeiven voor ons geleverd heeft. Konde Hij ons een hooger bewijs geven zijner liefde? Hij leert ons immers zelf: ,/ Niemand u heeft grooter liefde dan deze is, dat iemand zijn leven geeft „ voor zijne vrienden.quot; (1. Joann. XV, 13.) En opdat wij die grenzelooze liefde nimmer zouden vergeten, stelde Hij, tot voortdurende gedachtenis van zijn lijden en dood, het Allerheiligste Sacrament des Altaars in, het eene wonder der liefde op het andere stapelend. Die overmaat nu van liefde, gelijk deze uit Christus' menschelijke en goddelijke natuur voortspruit, wordt ons onder den figuurlijken naam van hart voorgesteld; zoodat het lichamelijk hart onzes Heeren niet op de eerste plaats het hoofdvoorwerp is dezer devotie, maar het Hart onzes Heeren in figuurlijken zin genomen; dat is te zeggen, zijne door dit zinnebeeld aangeduide matelooze liefde. Er bestaat trouwens tusschen de aandoeningen en gewaarwordingen van 's menschen ziel en de bewegingen zijns harten een innig verband. Vooral de gevoelens van liefde werken zoo bestendigen regelmatig terug op het hart, doen dit naar omstandigheden zwellen of samenkrimpen, dat bij alle volken, bij geleerden zoowel als bij ongeleerden, in de tale der ongewijde zoowel

ocr page 327

H. HART VAN JEZUS. 319

als der gewijde schrijvers, het hart steeds gegolden heeft als het zinnebeeld der liefde. Roepen wij tot God in de vurigheid van ons gebed : o mijn God, ik schenk U mijn hart ! dan bedoelen wij daarmede hetzelfde, alsof wij zeiden : o, mijn God, ik schenk U mijne liefde ! Welke zinnebeeldige uitdrukking was dan beter geschikt, om als in één begrip, de geheele lengte en breedte, de hoogte en diepte van Jezus' oneindige liefde sadm te vatten dan die van zijn H. Hart ? Is dan hoofdvoorwerp dezer godsvrucht onzes Heeren matelooze liefde, zoo is van een anderen kant diezelfde liefde tevens haar hoofdbeweeggrond. Waarom vereeren wij Jezus' hart ? Om wille van Jezus' liefde. Omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.

Dit alles neemt echter niet weg, dat met de vereering van Jezus' matelooze liefde, ook die van zijn eigen lichamelijk Hart onafscheidbaar verbonden is, en op de tweede plaats het hoofdvoorwerp dezer devotie uitmaakt. Wij toch, zwakke en zinnelijke menschen, kunnen ons moeielijk gedurende een ge-ruimen tijd met afgetrokken begrippen bezig houden, en behoeven vaak, om voedsel te geven aan onze godsvrncht, een onder de zinnen vallend voorwerp, teneinde, zooals de Kerk zingt, door de zichtbare dingen tot de onzichtbare opgevoerd te worden. En daar wij zoo even erkend hebben, dat de liefde eenparig door het hart op figuurlijke wijze beteekend wordt, en dit figuurlijk zinnebeeld als zoodanig ook door de Kerk is goedgekeurd : welk stoffelijk voorwerp ware beter in staat dan het eigen lichamelijk Hart onzes Heeren, om den geloovigen tot geleidelijken overgang te strekken van het zichtbare tot het onzichtbare, van de aanschouwing en vereer ing van dit zichtbaar hart tot de overweging en vereering van onzes Heeren onzichtbare liefde? Doch niet alleen moeten wij dit lichamelijk Hart onzes Heilands vereeren, wij moeten het ook aanbidden, want het is het Hart van een Godmensch, onafscheidbaar,, gelijk zijne gansche aanbiddelijke menschheid, in deeenheidvan

ocr page 328

320 FEEST VAN HET

persoon, met zijne godheid vereenigd. En de beweeggrond, waarom wij in deze devotie onder de andere deelen van 's Hee-ren lichaam zijn aanbiddelijk Hart op eene bijzondere wijze vereeren, is juist hierin gelegen, dat dit stoffelijk Hart het natuurlijk zinnebeeld is der liefde, en wij dientengevolge door geen ander voorwerp op waardiger, gemakkelijker en krachtdadiger wijze konden opgewekt en geholpen worden tot het bereiken van het hoofddoel dezer godsvrucht.

Dat hoofddoel is de wederliefde. Wat toch zoekt de ware vereerder van het Heilig Hart? Hij zoekt op de eerste plaats in zich zeiven eene vurige liefde tot Jezus Christus te ontsteken, door de gestadige overweging zijner tallooze weldaden, waarmede Hij ons, als even zooveel blijken zijner grenzelooze liefde, overladen heeft; hoofdzakelijk door de overweging van zijn lijden en dood, en de daarmede zoo nauw in verband staande instelling van het allerheiligste Sacrament des Altaars, waarin Hij den rijkdom zijner liefde als uitgeput heeft. Hij zoekt, bij het zien der onverschilligheid, der ondankbaarheid, ja, der beleedigingen en versmadingen, waaraan onze goddelijke Verlosser in zijn allerheiligst Sacrament van den kant der menschen dagelijks bloot staat, in zijn eigen hart eene gevoelige smart, een diep medelijden op te wekken, ten einde door deze gevoelens aan den goddelijken Bruidegom zooveel mogelijk eenige vergoeding te schenken. Hij zoekt bij zich zeiven een vurig en werkdadig verlangen te voeden, om door tranen en gebeden, door veelvuldige communies en bezoeken bij het Allerheiligste, door woord en daad, voor zooveel het hem gegeven is, de aangedane smaad te herstellen, de schuldige onverschilligheid der menschen te bestrijden, het getal der trouwe aanbidders van het Allerheiligste te vermenigvuldigen; om in een woord niets te vergeten, noch te verzuimen van hetgeen strekken kan tot meerdere verheerlijking van onzen nooit volprezen Heer en Meester.

ocr page 329

H. HART VAN JEZUS. 321

Liefde verwekt wederliefde. Hoe ook zouden wij, opgewekt door het aanschouwen van Jezus' heilig Hart, diens onbegrijpelijke liefde kunnen herdenken en overwegen, zonder in ons eigen hart de vlam der wederliefde te voelen ontbranden !

Aanschouw dan, vrome lezer, het Hart van uwen Verlosser, en aanbid het, want het is het Hart van uwen God ! Aanschouw dat Hart, om uwentwil met eene lans doorstoken en druppelende van bloed! Verbeeld u hoe het van liefdevlammen blakend, met het kruis in top en met doornen omwonden, u tot wederliefde oproept! Zie, dat is het Hart, 't welk u en alle menschen zoo vurig bemind heeft en nog bemint, en desniettemin voor die matelooze liefde van het meerendeel der menschen niets anders inoogst dan de snoodste ondankbaarheid. Zullen ook wij koud en onverschillig blijven bij het zien van die overmaat van liefde, ons door het goddelijk Hart betoond? Zullen ook wij, die er toch voor uitkomen zijne bijzondere vereerders te zijn, de wonde van zijn heilig Hart als het ware dieper willen uithalen, door zei ven van de misdadige onverschilligheid der menschen de onverschillige getuigen te blijven ? Zullen ook wij verwaarloozen, ons de onuitputbare schatten, in 'sHeeren Hart verborgen, ten nutte te maken, onze genegenheden en gevoelens met de zijne in overeenstemming te brengen, ons hart aan het Zijne gelijkvormig te maken? Op het hart toch komt het aan. Is het hart zuiver, dan is de geheele mensch zuiver; is het hart vol van God, dan is de geheele mensch vol van God; behoort het hart gansch aan God, dan behoort de geheele mensch gansch aan God. Liefde immers is het, die den geheelen mensch overheerscht in al zijn doen en laten. Hoe inniger, hoe vuriger, hoe heiliger die liefde is, des te heiliger zal ook geheel onze levenswandel wezen. Laat ons dan binnengaan in onzes Heeren allerzoetste en aller-beminnenswaardigst Hart, opdat ons eigen naar liefde dorstend

hart ontstoken en verteerd worde door het vuur der goddelijke

21

ocr page 330

332 FEEST VAN HET

liefde. God alleen in de schepselen, en de schepselen alleen om God beminnende.

Ten einde onze godvruchtige lezers in staat te stellen op gemakkelijke en veilige wijze voreustaande gevoelens te verwekken, meenen wij niet beter te kunnen doen, dan hier de Akte van Toewijding te laten volgen, gelijk ze ten jare 1875 door de Vergadering der heilige Riten is goedgekeurd.

AKTE VAN TOEWIJDING

AAN HET

HeiHg $avt ttan Qeixt»,

Goedgekeurd

bij dekreet van de E. Vergadering der Kerkgebruiken van den 22 April 1875.

O Jezus, mijn Verlosser en mijn God! hoewel Gij den menschen, tot wier verlossing Gij geheel Uw kostbaar bloed hebt vergoten, eene groote liefde toedraagt, bewijzen zij U toch zoo weinig wederliefde, ja zij beleedigen en versmaden U zoo zeer, voornamelijk door hunne godslasteringen en door de ontwijding der feestdagen. Ach! konde ik aan Uw goddelijk Hart eenige voldoening schenken, konde ik zooveel ondankbaarheid en miskenning, waarmede de meeste menschen U bejegenen, herstellen! Mocht ik U kunnen toonen, hoezeer ik verlang, ten aanschouwe van alle menschen, aan dat aanbiddelijk en liefderijkst Hart wederliefde en eer te bewijzen, en aldus in ruime mate Uwe glorie te vermeerderen! Mocht ik de bekeering der zondaren kunnen verkrijgen en de onverschilligheid doen verdwijnen van zoo vele anderen, die, hoewel zij

ocr page 331

H. HAKT VAN JEZUS. 323

het geluk hebben tot Uwe Kerk te behooren, nochtans de belangen van Uwe glorie en van de Kerk zelve, Uwe Bruid, niet ter harte nemen ! Mocht ik tevens kunnen verkrijgen, dat ook die Katholieken, welke niet nalaten zich als dusdanig door vele uitwendige liefdewerken te toonen, maar te zeer aan hunne meeningen vasthouden en weigeren zich aan de beslissingen te onderwerpe» van den H, Stoel óf van diens leering afwijkende gevoelens koesteren — tot inkeer komen, met zich te overtuigen, dat wie de Kerk niet in alles hoort. God niet hoort, die met Haar is. Ten einde deze allerheiligste doeleinden te bereiken en verder de zegepraal en eenen duurzamen vrede voor de Kerk, Uwe onbevlekte Bruid, het welzijn en het geluk van Uwen Plaatsvervanger op aarde te verwerven en zijne heilige meeningen vervuld te zien; ten einde tevens geheel de Geestelijkheid ruimschoots in heiligheid toeneme en U welgevalliger worde, ter bereiking nog van zoo vele andere doeleinden, die Gij U, o mijn Jezus, in overeenstemming met Uwen Godde-lijken wil, voorstelt, en die op de eene of andere wijze voor de bekeering der zondaren en de heiliging der rechtvaardigen dienstig zijn; opdat wij allen eens de eeuwige zaligheid onzer zielen bekomen, en eindelijk omdat ik weet, o mijn Jezus, dat dit aan uw allerzoetst Hart aangenaam is; erken ik plechtig, voor Uwe voeten neêrgeknield, in tegenwoordigheid van de Allerheiligste Maagd Maria en van geheel het Hemelsch Hof, dat ik, onder eiken titel van rechtvaardigheid en dankbaarheid geheel en alleen aan U toebehoor, mijn Verlosser Jezus Christus, eenige bron van alle goed dat in mij is naar geest en lichaam. In vereeniging met de meening van Zijne Heiligheid den Paus, wijd ik mij zeiven en al mijne zaken toe aan het Allerheiligste Hart, dat ik alleen wil beminnen en dienen met geheel mijne ziel, met geheel mijn hart, met alle mijne krachten, Uwen wil tot den mijnen makende en al mijne verlangens met de Uwe vereen igende.

ocr page 332

324 FEEST VAN HET

Tot een openbaar blijk eindelijk van deze mijne toewijding, verklaar ik plechtig aan U zeiven, o mijn God, dat ik in de toekomst, ter eere van datzelfde Heilig Hart, de geboden feestdagen, volgens de voorschriften der Heilige Kerk, wil vieren en door de personen, die onder mijn invloed of gezag staan, wil doen vieren.

Terwijl ik al deze heilige verlangens en voornemens, gelijk ze Uwe genade mij ingeeft, in Uw schoon Hart vereenig, vertrouw ik aan hetzelve eene vergoeding te kunnen geven voor zoo vele beleedigingen, die het van de ondankbare kinderen der menschen ontvangt, en tevens het heil mijner ziel en het algemeen heil der zielen van al mijne evennaasten in dit en in het ander leven te kunnen vinden. Amen.

Naderen wij zoo steeds met vertrouwen tot den troon van genade, tot Jezus' liefdevol Hart. Hij is, zooals de Apostel ons verzekert, gisteren, en heden, en in eeuwigheid dezelfde. Ook thans nog, nu hij ter rechterhand van zijn hemelschen Vader troont, gloeit zijn Hart van liefde tot ons. Geen enkel van zijne zoo duur gekochte kinderen wordt door hem vergeten: steeds nog is hij onze Middelaar in den hemel, steeds nog vergeeft hij door zijne Priesters onze zondenschuld; steeds nog stort hij de volheid zijner zegeningen uit door de heiligma-kende genade der Sacramenten, welke hij voor ons heeft ingesteld; steeds nog is hij het onzichtbaar Hoofd zijner Kerk, en blijft, volgens zijn goddelijk woord, met ons tot de voleinding der eeuwen. Nimmer kan Hij ons vergeten, dewijl zijne liefde eeuwig is, en Hij met den Yader en den Heiligen Geest één God is, van eeuwigheid tot eeuwigheid.

ocr page 333

H. HART VAN JEZUS

LOFZANG amp;e»n irttljci»

ó Jezus, wiens gedachtenis Mijn ziel reeds louter blijdschap is, Wat zoete vreugde is hem bereid, Die juicht in uw aanwezigheid.

Geen liefelijker zangakkoord.

Geen klank wordt streelender gehoord. Geen denkbeeld ooit meer wonderschoon, Dan Jezus, Gods gezalfde Zoon.

Die boetenden tot hope strekt, U-biddenden tot vreugde wekt:

ó Jezus, welk een zaligheid Is, die U zoekt en vindt, bereid.

ó Jezus, zuivre liefdebron,

Des harten vreugd, des geestes zon. Gij zijt het hoogste zielegoed, 't Volmaaktste rustpunt van 't gemoed.

Geen taal, die 't openbaren kan.

Geen spraak meldt ooit het zoet er van. Dat slechts de Christen ondervindt. Die Jezus en zijn dienst bemint.

En of ik mij te slapen leg,

Aan huis en haard, op zee, op weg, Alomme, waar ik me ook bevind, Is Jezus mijn verti nwdste vrind.

Bij d'eersten straal van 't morgenlicht Is 't zielsoog naar uw Graf gericht. En zoek ik, met Maria, daar Mijn Jezus, U, mijn Middelaar.

325

ocr page 334

326 FEEST VAN HET

Dan pleng ik tranen van geneugt, Dan baad ik in een zee van vreugd, Dan stort ik mij aan 's Heeren voet, En smeek Hem met een vol gemoed:

6 Jezus, Koning, wondersterk. Vrijmachtig Opperheer der Kerk, U, onuitspreekbre hartelust,

Zoekt zich mijn ziel ter levensrust.

Blijf met ons. Heer, en zij uw licht Ons poolgestarnte op 't pad van plicht; Verdrijf ons 't duister uit den zin, En neme uw Leer heel 't aardrijk in.

Ontsteek uw outer in mijn borst. Uw liefde laav' mijn zieledorst, Zoo blijft voor wereldsche ijdelheid Geen plaats in 't binnenst meer bereid.

ó Heer, wat is uw liefde zoet.

Voor 't afgestreden krank gemoed! Geen taal, hoe teeder, rijk of stout. Die ooit de kracht er van ontvouwt.

Wat was uw menschenliefde groot! Gij, die voor ons uw bloed vergoot. Hebt ons den Hemel opgedaan. En 's Vaders Rijk doen binnengaan.

Ontvlam uw liefde mij in 't hart. En ban er de aardsche zorg en smart, Opdat het enkel zich bereid'

Voor 't gunstgenot der eeuwigheid.

ó Gij, der ziele hoogste goed, Der liefde bron in overvloed.

Geef, dat ik U, uit 's harten zin. Met de eigen liefde wedermin.

ocr page 335

H. HAKT VAN JEZUS.

Gij, eindloos heil, mijn hoop, mijn troost. Volmaaktste vreugd, als 't hart verpoost Van 's werelds kommer, zonde en leed. En, Heer, in U, zich-zelf vergeet.

6 Laat me, o Jezus, in U zijn.

Dan voel ik kwelling, angst noch pijn.

Maar smacht ik, stof en banden moê, U in uw eeuwge glorie toe.

Al is mijn mond uw lof niet waard.

Toch brengt hij hulde U toe op aard, En daartoe schenkt uw liefde moed. Gij eenig-dierbaarst zielegoed.

Mijn Jezus, 6, uw kracht alleen Sterkt mij in 's levens tegenheên.

En 't hart, dat u ten voedsel zoekt,

Wordt door geene aardschheid meer verkloekt.

Die van U eten haken nog.

Die van U drinken dorsten toch Naar d'oeverloozen liefdevloed,

Dien Gij voor de uwen stroomen doet.

Wie van uw glorie is vervuld,

ó Jezus, die voelt ongeduld.

En 't kwellen van de zoetste pijn.

Om met en bij U steeds te zijn.

Want Gij toch zijt der Englen lust, Der heemlen onverstoorbre rust.

Den mond een eindloos honigzoet.

Het oor en 't oog een eeuwig goed.

Gij weet. Heer, wat ik om U lij,

ó Dale uw geest dan over mij.

En doe het aan mijn hart verstaan,

Wanneer ik tot U op moog' gaan.

ocr page 336

328 FEEST VAK HET

Heer Jezus, mijn Verlosser, ach, Hoe zoet, wie 't ondervinden mag. Dat Gij bestendig in hem woont. En met uw gunst zijn liefde loont.

Ach, wees ook mij tot zielevreugd. Tot troostgestarnt op 't pad der deugd. Mijn harteblijdschap, steun en kracht. De burg, waar ik mijn hulp van wacht.

Wat is het zalig, slechts voor Hem Te jubelen met luider stem.

En, voor de wufte wereld dood. Te leven in Gods liefdeschoot.

6 Jezus, licht der eeuwigheid,

Gij troost de ziel, die tot U schreit; Geen schepsel is er U gelijk.

Op aarde of in uw hemelrijk.

Waar ik mij ook bevinden moog, U wenscht mijn hart, U zoekt mijn oog, En als mijn hart en oog U vindt, Dan ben ik uw gelukkigst kind.

'k Omhels U dan uit 's harten grond; En, lieve Jezus, zegt mijn mond.

Laat ons nu nimmer scheiden gaan. Maar hang mij als uw Broeder aan.

Wat ik gezocht heb, vind ik nu, 'k Bezit, wat ik verlangde in U; Ik blaak van 't hoogste heilgenot. En juich en leef nu slechts voor God.

Wie U, o Jezus, zoo bemint.

En in U al zijn blijdschap vindt.

Hij zal in 't eeuwig-zalig oord, Uw liefde eens smaken ongestoord.

ocr page 337

H. HART VAN JEZUS. 329

Hoe fel gloeit nu de liefdevlam,

Die heel mijn ziel gevangen nam,

En naar de bronwel smachten deed,

Wier water heulsap schenkt in leed.

Die zegen daalt van boven neêr.

Die liefde vlamt uit hooger sfeer.

Het is met ongeschapen glans.

Dat deze zonne praalt ten trans.

Die gloed verteert mij merg en been.

En dringt door hart en adren heen;

Dat vuur legt plotsling in de asch,

Wat in mij stof en aardsch nog was.

Die glans, uit hooger kring gedaald.

En op deze aarde neêrgestraald.

Blonk 't eerst den herders, wonderschoon, Ter kribbe van Gods eeuwgen Zoon.

En nu, o Jezus, klinkt mijn zang Uw Naam ter eer, mijn leven lang.

En zij de aanbidding U gewijd Op aard, hier, en in eeuwigheid.

Kom, Koning, uit de wolken neêr;

Kom, Vader, eindlooze Opperheer,

En zij uw hemelsch aangezicht Barmhartig steeds naar ons gericht.

Voor U, o Jezus, dooft de pracht Der zonne weg tot enkel nacht.

Voor U wijkt alle specerij In geur- en smaakgenot er bij.

Uw adem is vol lieflijkheid.

Uw stem, die ons ten hemel leidt,

Zoo zoet, dat, wie haar ééns slechts hoort,

Geen aardsche slijk ooit meer bekoort.

ocr page 338

330 FEEST VAN HET

En daarom smeek ik U, in 't stof, Met zielsverlangst naar 't hemelhof, Waar gij, in uw barmhartigheid.

Ook mij een plaats hebt toebereid.

O daal nog eens op aarde neêr.

Verlaat der Heemlen blijde sfeer,

Waar Gij, aan 's Vaders rechterhand. De vierschaar over 't aardrijk spant.

En 'k zal u volgen, waar Ge ook gaat: Gij blijft mijn schild, mijn toeverlaat. Mijn deel, mijn erf, mijn eenig goed. Mijn heil, mijn roem, mijn overvloed.

Gij, hemelburgers, komt, snelt aan, En doet de poorten opengaan Van 't eeuwige Jeruzalem, Dat jubelschatert op zijn stem.

O Koning van alle eeuwigheid.

Drijf 't duister weg, dat mij omspreidt; Genadebron en hemelkroon,

Ach, voer ons bij uw hoogen troon.

Daar, waar een glanzende Englenschaar U 't loflied schalt, met stem en snaar, In 't licht, waar uwe aanwezigheid De zielen 't hoogst geluk bereidt;

Daar heerscht Ge in vrede, o Hemelheer, En slaat Ge zeegnende oogen neêr, Ach, moge ik eens aan 't heilfestein Uw dischgenoot voor eeuwig zijn.

O Jezus, geef, dat, als ik sterf.

Mijn ziel het hemelsch deel verwerf, En stel mij, in uw eeuwig Rijk,

Met de Englen te uwer dienst gelijk.

ocr page 339

H. HART VAN JEZUS.

Gij zijt mijn loflied, te allen tijd, Aan U is heel mijn geest gewijd. En zweeft, gereinigd door uw Bloed, Den open hemel in 't gemoed. Amen.

Overweging.

Ons hart is voor God geschapen, en Hij, die het voor zich schiep, gaf daaraan zulk een omvang en begeerlijkheid, dat duizend werelden niet in staat zijn, het te vervullen en te verzadigen. Hij alleen is onze zaligheid; Hij alleen is onze eeuwige vreugde en rust. Ten hoogste wonderbaar is onze God in al zijne werken ; hij maakte de wereld zoo schoon, zoo liefelijk, dat wij uit zijne werken hem, den Schepper, herkennen moeten; maar tevens maakte hij haar zoo arm, zoo vergankelijk, en met al hare grootheid zoo gering voor ons hart, dat wij, om den wille van haar, die ons Gods heerlijkheid verkondigt. God zeiven niet zouden vergeten. Ons hart mat zich af te midden van de vreugde der wereld; ja, men mag beweren, dat een bijzondere vloek op deze vreugde rust, dewijl in de bittere walging, in de algeheele verslapping, in de verstomping des geestes, welke zij voor alles, wat bovennatuurlijk is, na zich sleept, het edelste deel in den mensch ten onder gaat. Maar hierdoor zelfs zegt ons de wereld duidelijk ; ik ben uwe zaligheid niet.

Des menschen zaligheid bestaat, totdat zij eens in den hemel volmaakt wordt, hier beneden, in de overeenkomst van zijn wil met den wil van God; en hoe meer deze overeenstemming volkomen is, des te volmaakter ook is zijne zaligheid. Maar God wil niets anders dan het gebod der Liefde, namelijk, dat wij hem beminnen uit geheel ons hart, uit geheel onze ziel, uit al onze krachten, en onze naasten gelijk ons zeiven.

»Wie onzen Heer Jezus Christus niet lief heeft, die zij vervloekt.quot; I Cor. XII. 22.

331

ocr page 340

H. AKTONIUS YAN PADTJA.

13 Juni.

en 13. Juni 1231 stierf deze Heilige op 36-jarigen leeftijd in het nabij Padua gelegen Clarissenklooster Arcella. De kinderjaren bracht hij door in het ouderlijke huis te Lissabon: van zijn tiende tot het vijftiende jaar was hij koorknaap in de kathedrale kerk zijner geboorteplaats; twee jaren vertoefde hij als reguliere kanunnik in het St. Yincen-tiusklooster buiten de muren van Portugals hoofdstad; acht jaren vertoefde hij als kanunnik in Santa Cruz te Coïmbra, en eindelijk werkte hij tien jaren en elf maanden in de orde van den H. Franciscus. Drie vierden zijns levens waren aldus met Christus in de verborgenheid vervlogen, maar de liefde Gods maakte gedurende de laatste negen jaren zijnen nederigen dienaar voor geheel Europa tot een helglanzend licht, dat op den huidigen dag nog niet verbleekt is.

Tegen de dwalingen der Manicheën, t§gen de heerschzucht der Duitsche Cezars, tegen den wellust en het ongeloof kampte hij met al de kracht van zijn genie. Door zijn onmiskenbaar leeraarstalent, zijne apostolische prediking, door zijne groote wonderen en zijn heilig voorbeeld bereidde hij in duizenden harten den weg voor zijnen Heer en Koning Jezus-Christus. Ootmoedig, zachtzinnig, onschuldig ging hij door dit aardsche leven. Zijne liefde tot het gebed en de versterving, de eenzaamheid en de armoede; zijn kinderlijke eerbied voor het gezag en zijne onverschrokkenheid tegenover grooten en machtigen der wereld; zijn werkdadig medelijden jegens ongeluk-kigen naar ziel en lichaam, en zijne trouwe toewijding aan

ocr page 341

H. ANTONIÜS VAN PADUA. 333

waarheid, vrijheid, recht; zijne brandende liefde tot God en de dorst naar het heil der onsterfelijke zielen roepen ons toe, navolgers van hem te zijn, gelijk hij het was van Jezus-Christus.

Eeeds den 30. Mei 1232 werd Antonius door Paus Grego-rius IX onder het getal der Heiligen opgenomen. Nog was geen jaar sinds Antonius' dood vervlogen, en reeds was hij op de altaren geplaatst. Het was een eenig feit in de geschiedenis der heiligverklaringen, sinds zij gebonden waren aan de strenge processen en vormen, die moeten voorafgaan. Zelfs de Sera-fijnsche Vader l'ranciscus was niet zoo begunstigd geweest.

Gelukkige moeder Maria Theresia de Tavera, die haren zoon mocht begroeten onder Gods lieve Heiligen, die geheele volkeren als vreugdedronken voor Antonius' beeltenis zag neergeknield !

Hoe snel Antonius' vereering zich door de gansche Christenheid verspreidde, blijkt uit het getuigenis van Robertus Sicio, bisschop van Aquin, die in eene Antonius-preek zegt: jy Bijna allen, die het merkteeken des Doopsels ontvingen, vereeren den gelukzaligen Antonius met de vurigste godsvrucht. Aan niemand weigert hij zijne bescherming, en niemand verlaat die bron, waaruit zooveel zoetheid borrelt, zonder zijn dorst te lesschen. Steeds komt hij hen, die hem aanroepen, te hulp.quot;

v Padua quot; sprak de geleerde Ozonam, „ is evenals Assisi eene dier plaatsen, die vol zijn van eene groote gedachte, die leven van ééne traditie, van één graf. Ongetwijfeld, deze geleerde stad is haar stichter Antenor niet vergeten, noch Titus Livius, wien zij het levenslicht schonk, noch hare zeshonderd-jarige universiteit. Maar wat van gisteren schijnt te dagtee-kenen, wat de trots van het volk uitmaakt, dat is de herinnering aan den H. Antonius, den veelgeliefden leerling van den H. TVancisous.quot;

De machtige Wonderdoener is waarlijk de Heilige van

ocr page 342

334 H. ANTONIUS VAN PADÜA.

Padaa. Daar spreekt alles van hem : de monumenten en de mensclien wijzen hem aan; alles geleidt naar zijn heiligdom; alles bezingt zijne glorie.

Na Padua zijn het Portugal en Spanje, die zich door hunne godsvrucht jegens den H. Antonius onderscheiden.

Draagt Padua roem op Antonius' graf, Lissabon is zijne bakermat. Hier stond zijn vaderlijk huis, door de zorg vaa Joan II, koning van Spanje, in de heerlijke St, Antoniuskerk herschapen; hier staat de kathedraal, waarin Antonius als Hnd nederknielde, en voor een beeld der zoete Moeder-Maagd de belofte van eeuwige zuiverheid aflegde; hier ligt het over-schoone Augustijnenklooster van den H. Vincentius, waar de engelachtige jongeling de eerste jaren van zijn kloosterleven doorbracht. Spanje scheidde zich niet van Portugal in de vereering van den H. Antonius. gt;

Reeds vroegtijdig wijdde men hem kerken en kapellen toe, terwijl de arme visschers op den Oceaan en de Middellandsche zee zijne beeltenissen in hunne booten plaatsten, en onder zijne nanroeping onder zeil gingen.

De groote zeevaarders der XVde eeuw verbonden zijn naam aan hunne ondernemingen. Met hem deelden zij de eer hunner ontdekkingen, door aan het ontdekte land zijn naam te geven. Kaap Verd of Groene Kaap had zijn St. Antoniuseiland. De punten van Cuba, van Rio, van La Plata, van Vuurland werden even zoo vele St Antoniuskapen. In Texas, Mexico, Brazilië en Ecuador dragen meerdere steden den naam des Thaumaturgs. Zelfs de rivieren werden naar hem genoemd. Aldus waren de koloniën de echo van het Moederland, en heerschte aan beide zijden van den Atlantischen Oceaan een edele wedstrijd om de vereering van Padua's apostel uit te breiden.

Ook het katholieke Frankrijk is niet ondankbaar. Het kent den grooten Thaumaturg eene eereplaats toe onder de

ocr page 343

H. ANTONIUS VAN PADUA. 335

keurbende van mannen, die God zond, om de oudste dochter der Kerk te redden uit de klauwen van ketterij en anarchie. Antonius is Frank rijks populaire Heilige, zooals hij er de populaire apostel was. Zijn vele Heiligen slechts gekend in de liturgie en onder de ontwikkelde kringen, Antonius is Frank-rijks geliefde Heilige gebleven onder alle rangen en standen. Zeven eeuwen zijn over zijne glorie heengegaan, en nog is zij even jeugdig. Met steeds even groote liefde, met steeds even onbeperkt vertrouwen scharen zich de geloovigen om zijne beelden, in zijne heiligdommen, terwijl men in den huiselijken kring zijne wonderen verhaalt, en dankbaar de groote gunsten herdenkt, door zijne machtige tusschenkomst verworven.

Ook in Italië, Duitschland, Belgie en de Noordelijke Nederlanden was Antonius steeds een volksheilige.

Sinds geruimen tijd is zelfs als eene herleving ingetreden in de vereering van den beminden Heilige. Bijna ieder volk heeft een maandschrift te zijner eer, en het liefdewerk der Brooden heeft stormenderhand de harten veroverd, zoowel van de duizenden, die verhooring vonden, als van de duizenden, die ondersteuning en leniging erlangden in armoede en ellende. In alle talen wordt Antonius' glorie bezongen, in alle landen Antonius' naam met vertrouwen aangeroepen.

Is Antonius bij alle volkeren een der populairste Heiligen; wordt hij in alle noodwendigheden aangeroepen ; bezit hij alom kerken, kapellen en beelden, is hij in ieder huis als familielid opgenomen, zoodat men in allen nood zijne hulp inroept — zoo kan dit algemeen vertrouwen niet ongerechtvaardigd wezen.

De oorzaak is in de ondervinding van het Christenvolk zelf te zoeken. In duizenden, honderdduizend gevallen heeft het Antonius aangeroepen en is verhoord geworden. Daardoor vestigde zich de diepgewortelde overtuiging, dat God door zijnen dienaar Antonius de werken zijner macht en liefde tegenover

ocr page 344

336 H. ANTONIUS VAN PADUA.

de lijdende en hulpbehoevende mensehheid wilde voortzetten, Is in andere devoties ebbe en vloed waar te nemen, verdringt de eene soms de andere, die oudere brieven kan too-nen, de devotie tot Antonius blijft standvastig en is door niets te verdringen.

n Van waar komt u ?quot; vroeg Z. H. Paus Leo XIII aan Don Locatelli, kanunnik van Padua.

// Van Padua, heilige Vader,quot; was het antwoord. // Van Padua ! Welk geluk ! Bemint gij uwen Heilige, uwen grooten H. Antonius ? quot;

i, Voorzeker, H. Vader, of ik hem bemin! Ik ben geboren en opgevoed bij zijn graf, en heb de eer zijn naam te dragen.quot;

// Mijn zoon! gij bemint hein niet genoeg! Gij moet hem beminnen en leeren beminnen, want de H. Antonius, weet het wel, is niet slechts de Heilige van Padua; maar hij is de Heilige der geheele wereld.quot;

wan ben gtmatxentutra.

Wilt gij wondren zien geschieden? Op Antonius' voorspraak vlieden Dood, melaatschheid, ketterij; Onheil, duiv'Ien gaan voorbij.

Zieken zijn gezond In een enkelen stond.

Storm en boeien vallen neder;

Oud en jong ontvangen weder Op htm beê 't verloren goed;

Is een lidmaat, hand of voet Ziek, gekwetst of teer,

V Ontvangt gezondheid weer.

ocr page 345

h. anton i us van padua. 337

Wie Antonius wil vragen,

Ziet gevaren, nood en plagen Vlieden als een schaduw heen;

Ja, verhaalt het iedereen.

Gij, die 't ondervondt;

Spreek, o Padua's mond.

Storm en boeien vallen neder; enz.

Eere zij den Vader en den Zoon en den H. Geest.

Storm en boeien vallen neder; enz.

v. Bid voor ons, gelukzalige Antonius.

r. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.

Laten wij bidden.

De feestelijke herdenking van den gelukzaligen Antonius, uw Belijder, moge, o God, uwe Kerk verblijden, opdat zij steeds door geestelijke hulp gesterkt worde en de eeuwige vreugde genieten moge. Door Christus onzen Heer. Amen.

Overweging.

In het museum te Pérouse toont men den bezoekers een meesterlijk schilderstuk.

De H. Antonius de Kluizenaar, gebogen onder den last dei-jaren en steunend op zijn stok, welke eindigt in den vorm van een kruis, waarboven een klokje, staat tusschen den H. Franciscus van Assisi en den H. Antonius van Padua, die den eerbiedwaardigen patriarch van het kluizenaarsleven met kinderlijken eerbied beschouwen en geheel oor schijnen voor zijne raadgevingen.

Het is eene treffende voorstelling van Franciscus' en Antonius' voorliefde tot het beschouwende leven, welks zoetheden de Thaumaturg in de volgende bewoordingen zoo heerlijk beschrijft;

» Wie zal mij vleugelen geven als aan de duif, en ik zal naar mijne schuilplaats vliegen en er rusten in vrede.

22

ocr page 346

H. ANTONIUS VAN PADUA.

i Dit is de kreet eener ziel, die, der wereld moede, naar de eenzaamheid en de rust van het kloosterleven snakt.

S O kloosterleven, van u sprak de koninklijke Profeet, wanneer hij zong; Verlaat, bewoners van Moab, de steden; gaat de rots bewonen, en weest als de duif, die haar nest bouwt in het diepste der rotskloof.

7, Verlaat de steden, dat is: de misdaden, die hen onteeren, het gewoel, dat de zielen verhindert op te stijgen tot God en

zelfs aan Hem te denken----

s Bewoners van Moab, d. w. z. van de wereld, vol hoogmoed als Moab. Alles is trots in de wereld : hoogmoed des geestes, die zich niet buigen wil voor God; hoogmoed van den wil, die weigert zich te onderwerpen aan 's Heeren wet; hoogmoed der zinnen, die opstaan tegen de rede en deze

beheerschen----

s Maar, de wereld verlaten, is dit voldoende f Neen, het rumoer der steden ontvluchten, zich van hare zonden onthouden, moet de godsdienstige ziel niet bevredigen. Ziedaar waarom de Proteet er bij voegt:

s Gaat de rots bewonen. Welnu, de rots is Jezus Christus. Woont in Hem; Hij zij het voorwerp uwer gedachten, uwer verlangens. Jacob, in de woestijn, rustte op een steen en sliep in; en in zijn slaap zag hij den Hemel geopend, onderhield hij zich met de engelen en werd Hij gezegend door den Heer. Dit zal iedere ziel te beurt vallen, die in Jezus Christus haar eenige rust zoekt. Zij zal de heerlijkheden des Hemels aanschouwen; zal in gezelschap der zuivere geesten verkeeren; zij zal gezegend worden als Jacob, in 't oosten en westen, zuiden en noorden. Wat de ziel betreft, die niet op de steenrots rust, zij heeft geen zegen te wachten.

3 En weest als de duif, die haar nest bouwt in het diepste der rotskloof. Is Jezus de steenrots, de rotskloof, waarin de ziel moet vluchten, is de wonde van Jezus' heilige zijde. Is het niet in deze schuilplaats, dat de goddelijke Bruidegom de godminnende ziele roept, wanneer Hij haar in het Hooglied zegt; » Sta op, mijne vriendin, mijne schoone, en kom. Toon mij uw aangezicht, mijne duif in de rotskloof, in de muuropening.

» De goddelijke Bruidegom spreekt van de vele rotskloven, maar Hij spreekt ook van het diepste der rotskloof. Er zijn in zijn lichaam vele wonden en er is de wonde zijner zijde. Deze geleidt tot zijn hart. Daar roept Hij de ziel, welke Hij neemt tot zijne bruid. Haar heeft Hij zijne armen geopend; haar heeft Hij zijne zijde ontsloten en zijn hart, opdat zij er zich kome verschuilen.

338

ocr page 347

H. ANTONIUS VAN PA DU A.

» Door zich terug te trekken in de diepste opening der steenrots, onttrekt zich de duif aan de vervolging van den roofvogel, terwijl zij zich terzelfder tijd een rustige woonplaats bereidt, waar zij zacht rust en in vrede kirt. En de ziel zal in Jezus' hart niet slechts eene veilige schuilplaats vinden tegen de lagen van Satan, maar ook een bekoorlijk verblijf....

■o Blijven wij dus niet aan den ingang der grot, maar dringen wij diep door. Bij den ingang vinden wij, wel is waar,

het bloed, dat ons heeft vrijgekocht____ Het spreekt, vraagt

barmhartigheid voor ons. Maar de godminnende ziel moet zich daarmee niet bevredigen. Na de stem van het goddelijk bloed gehoord te hebben, ga zij tot de bron zelve, waaruit het vloeit, tot in het binnenste van Jezus' hart. Daar zal zij licht vinden, troost, vrede en onuitsprekelijke genietingen.

Zijn wij in het binnenste der rotskloof, als de duif. die haar ?iest bouwt. De duif bouwt haar nest met stroohalmen, die zij hier en daar verzamelt. En wij, met welke stroohalmen zullen wij onze woning bouwen in Jezus' hart ? Deze goddelijke Verlosser, die ons in zijne overgroote barmhartigheid de plaats geeft, waar wij onze woonstede zullen vestigen, geeft ons ook de bouwstoffen om ze op te richten. O godminnende ziel! Geliefde duif van den Christus! Zie de grashalmen, welke de wereld vertrapt! Het zijn de deugden van den Verlosser, uwen Bruidegom, waarvan Hij zelf u het voorbeeld geeft: nederigheid, zachtmoedigheid, armoede, geduld, versterving. De wereld veracht ze als onnutte grashalmen, en toch, het is door hen, dat gij u voor eeuwig zult vestigen

in de diepe grot der steenrots, in Jezus' heilig hart!____

339

Verheven hymne, geweld uit Antonius minnend harte, dat de bekoorlijkheden en genietingen der gelukkige eenzaamheid had gesmaakt, en er naar haakte als een dorstig hert naar de frissche bron van levend water!

lt;#8=-»Oc|co«-

ocr page 348

...................................................■■■■■■■■............................................Zgt;-C

SINT PETRUS EK PAULUS.

ET is heden feest te Rome ! maar het Eome, dat thans leest viert en van vreugde op zijne zeven heuvelen trilt, 't is niet het oude Rome, bezoedeld met het bloed van een broedermoord, niet het Rome der heidensche Keizers, dat dronken is van der Christen-martelaren bloed, (Openb. 17, 6.) maar het is het Rome, de Eeuwige Stad, rood geverfd door het bloed der twee Kerkvorsten, Petrus en Paul us; Petnis de Rots, waarop Jezus Christus zijne Kerk gebouwd heeft; Paulus, het uitverkoren werktuig, bestemd, om des Heeren Naam te brengen voor de volken en koningen des Heidendoms! O zalig Rome, geheiligd door het bloed van ontelbare martelaren, geen luister kan halen bij den glans, die heden over u is verspreid! Geen paarlen schitteren zoo heerlijk aan uwe kroon, als die twee vorsten. Petrus en Paulus. Sla uwe oogen in 't rond, en zie : Carthago bukt thans voor u met eerbied zijn hoofd, en kust met liefde het stof uwer voeten. Yoortaan behoeft gij geene kracht van wapenen meer, om de barbaren te onderwerpen, en hunne verwonnen koningen aan uwe zegekar te kluisteren : van nu af wandelen de volken met blijdschap in uw licht, en de koningen in den luister, die opgaat over u !

Daarom viert niet Rome alléén heden feest, maar met Rome geheel het Christendom : want Rome is ons Sion, de stad onzer sterkte; de Verlosser zelf is haar muur en haar beschermer : daar toch waakt de Herder, aan wien hij de hoede van lammeren en schapen heeft toevertrouwd; daar leeft Petrus nog altijd in zijne Opvolgers; daar staat de onwrikbare rots, waarop Jezus zijne Kerk heeft gesticht. Het is nu achttien eeuwen geleden, dat Petrus, de visscher van Galilea, te Rome aankwam.

ocr page 349

SINT PETRUS EN PAULÜS. 341

maar toen was hij niet meer de zwakke Apostel, die voor het woord eener dienstmaagd terugdeinsde : hij was Cephas, bekleed met de kracht van boven, bestemd, om aan de wereld te toonen, hoe God de zwakheid weet uit te kiezen om de sterkte te beschamen. Vorstenhuizen zijn verheven en vernederd geworden, menschengeslachten zijn opgestaan en in het stof teruggekeerd : wat is er zelfs geworden van de oude zetels der Apostelen, Jerusalem, Antiochië, Alexandrië, eertijds de glorie van het Oosten? Sedert lang hebben ketterij en ongeloof ze ingenomen of verwoest, maar nog altijd leeft het woord des Heeren : „gij zijt Petrus, dat is de Steenrots, en op deze Steenrots zal ik mijne Kerk houwen, en de poorten der hel zullen niets tegen haar vermogenquot; (Matth. 16. 18.) En terwijl hemel en aarde voorbijgaan, gaat dat woord niet voorbij, maar blijft in eeuwigheid. Tevergeefs hebben de Eomeinsche Keizers hunne zwaarden aangegord, om, met het Hoofd, geheel de Kerk te vernietigen : tegen die Eots zijn hunne zwaarden verbrijzeld, en wat de Engel van Jezus' vervolgers zeide, werd ook in hen vervuld : zij zijn gestorven, die naar het leven van het kind stonden. ( Matth. 2 ; 20.) Tevergeefs heeft de ketterij die Rots willen ondermijnen, en eenen anderen grondslag leggen, dan dien Jezus Christus gelegd heeft : de steen is op hen gevallen, en heeft hen verbrijzeld; tevergeefs heeft de goddeloosheid het addergif, dat onder hare tong schuilt, naar Petrus heengespuwd, en het zwaard van een machtige met hare listen weten te paren : weldra ontviel het zwaard aan de heiligschen-dende hand, die het werk des Heeren had willen vernietigen. Op de Rots zetelt nog altijd de vreedzame Vorst, wiens Rijk op liefde en gerechtigheid is gegrond; daar woont nog immer de trouwe en voorzichtige dienaar, dien God over zijn huis gesteld heeft, om zijne kinderen ten bekwamen tijde te voeden ; dadr staat nog voortdurend de rustelooze wachter op de muren van het heilig Sion; daar strijdt de nooit verwonnen

ocr page 350

342 SINT PETRUS EN PAULUS.

veldheer van 'sHeeren leger, die ons in den kamp voorgaat, en ons, met zijnen goddelijken Meester, aanhoudend toeroept: wordt niet moedeloos : ik heb de wereld overwonnen.

Vanwaar die onveranderlijkheid te midden van zoovele wisselvalligheden ? Vanwaar die onverdelgbare hechtheid te midden van zoovele puinhoopen ? Van wien anders dan van Hem, die tot Petrus gezegd heeft : non prmvalehunt : zij zullen u niet overweldigen ! Aan Petrus alleen behoort dat groote, dat almachtige woord, dat de eene dag aan den anderen mededeelt, dat de nacht aan den nacht verkondigt, en de eeuwen elkander toeroepen : zij zullen u niet overweldigen!

Maar opnieuw is de geest des verderfs uit den afgrond gestegen : hij heeft de vorsten doen opstaan tegen den Heer en zijn Gezalfde, en onder zijne heibanier scharen zich de volkeren : in zijn euvelmoed wil hij zich nestelen op den Stoel, waarop nooit de leugen gezeten heeft. Na de vorsten gewonnen te hebben, wil hij doordringen in het heiligdom : maar daar zetelt een Grijsaard, zwak, indien hij op armen van vleesch steunen moest, doch sterk, door de hoede van den Almachtige. Aan het oproer, dat zich beroemt, alles gewonnen te hebben, antwoordt hij met eene hemelsche kalmte : gij hebt nog nooit zegevierend tegen den Stedehouder van den Heer der heerkrachten gestreden ! — Vandaar de haat, die hem lastert, de woede, die tegen hem opschuimt, de wanhoop, die hem te-gengrijnst. 't Is als in de eerste dagen der Kerk : van den eenen kant, dezelfde wrok, dezelfde aanslagen, maar ook van den anderen kant, dezelfde liefde, dezelfde moed en kracht. O! hoe menigmaal, in den loop der eeuwen, hebben de zonen des verderfs zegekreten aangeheven ! hoe menigmaal is hunne borst van ijdele blijdschap opgezwollen, als zij hun nachtelijk duister wroeten met een goeden uitslag bekroond waanden I Die verblinden ! zijn er dan geen achttien eeuwen, die hen leeren, dat alles vergaat, maar dat tevergeefs de golven en stormen

ocr page 351

SINT PETRUS EN PAULTJS. 31S

woeden rondom Petrus' rots ? Zou de orkaan der negentiende eeuw haar verbrijzelen ? Verwacht zulks niet, gij goddeloozen! Ook Voltaire zag in zijne razernij het Christendom reeds verplet; ook Luther droomde, in zijn laatste uur, dat met hem het Pausdom ten grave dalen zou; ook Diocletiaan meende, dat hij, tot den naam toe van Christenen had weggevaagd; ook de Joden juichten bij des Heeren verzegeld graf: maar daar dreunde eensklaps de aarde, daar klonk hun eene stem tegemoet, die hen deed ter neder storten : surrexit: non est hid hij is niet meer hier: — hij is verrezen. Hij is verrezen! Zegevierend klinkt tot den jongsten der dagen diezelfde stem bij Petrus' graf.

LOFZANG.

Op, Christnen, gaat bezoeken,

Bezoeken in den geest. De vergelegen hoeken.

Herdacht met dit ons feest; Waar de ongelijkbre helden. De Helden van den Heer, Hun heilig leven stelden Tot Christus' meerder eer.

Daalt met een groot verlangen

In hun gevangenis,

Stelt u met hen gevangen.

Daar 't al voor Christus is; En smaakt voor alle dingen

De levende fontein. Die Christus deed ontspringen. Die vlekloos maakt en rein.

ocr page 352

SINT PETRUS EN PAULÜS. Trekt dan, ten tweeden dage,

Met Petrus uit de steê,

En -laat niet na te vragen: Quo vadis, Dominef Wilt wel het antwoord vatten:

» Tot Rome, naar het Kruis!quot; Want daarmeê zijn de schatten Te winnen van Gods Huis.

En gaat van hier geleiden Het heilig Broederpaar; En ziet, hoe dat zij scheiden

Vol liefde van elkaêr; Vol blijdschap en vol liefde;

Geen smarte, die ze deer',

Geen droefheid, die ze griefde: Zij schreiden om den Heer.

Dan zult gij Petrus volgen

Tot op het Vatikaan,

Waar Nero, fel verbolgen,

Hem aan het kruis doet slaan; Met opgerichte voeten.

Slechts dit acht hij zich waard; Zoo wil hij nu nog boeten. En staart al Hemelwaart.

Als gij den laatsten zegen

Van dees Apostelprins Hebt over u gekregen.

Zoo spoedt u heen naar ginds; Ginds, waar zij Paulus leiden

Ten Salviaanschen vloed :

Ziet hem den doodslag beiden En storten 't heldenbloed.

ocr page 353

SINT PETRUS EN PAULUS. 345

En bidt, dat, als voordezen,

Zijn vruchtbaar stroomend bloed Der Kerk moog' nuttig wezen.

En menig hard gemoed !

Gaat, zoekt de teedre vrienden,

In 't eigen graf geleid,

Die 't loon te zaam verdienden;

Geen stervling die ze scheidt.

Weest gij met hen de derde Begraven naar den geest:

Opdat u 't loon gewerde

Van 't hoog Verrijsnisfeest.

Dat Petrus u doe blijven

In 's Heeren ware Kerk,

En Paulus u moog' stijven In heiligheid van werk.

Overweging.

DE HIËRARCHIE.

Gelijk een reusachtige bergketen, getuige van de dagen der schepping, door hare opgestapelde lagen en vormingen, ons de hooge wetten verkondigt, die God aan zijne werken ten grondslag heeft gelegd; gelijk zij door allerlei versteeningen en overblijfselen van den voortijd, ons herinnert, wat al omwentelingen de aarde heeft ondergaan; en, na lucht- en landstreken, welke zij van hare hoogten te beschouwen geeft, verdeeld te hebben, haren loop zegevierend door den woelenden oceaan voortzet, uit daarin groenende eilanden het hoofd boven de golven opheft, tot zij, in een ander werelddeel, weder omhoog klimt, en zich in de wolken verliezen gaat: — zoo zegt ons de Katholieke Hiërarchie, dat bergrif der zedelijke wereld, naar welke wetten deze door Christus werd gegrond; zoo getuigt zij, door hare ontwikkelingen en de overblijfselen, welke zij

ocr page 354

SINT PETRUS EN PAULÜS.

meêvoert, de lotgevallen der volken ; zoo geeft zij ons telkens een standpunt aan, om de geschiedenis te overzien; zij be-heerscht die in haren loop, verdeelt ze in hare tijdperken; en, van af de dagen haars Stichters, in onafgebrokene opvolging; voortdurend, blijft zij, — terwijl eene vroegere wereld, als in de wateren ondergaat, — alleen zichtbaar, alleen het verledene met het tegenwoordige verbinden, om ons opnieuw, door de meest verschillende oefeningen en de wonderbaarste verheffingen harer krachten, dien God te verkondigen, en tot dien Verlosser op te voeren, die in haar de heerlijkheid, hem van den Vader beloofd, voor het oog des menschdoms schitteren doet.

Wij begrijpen het niet, neen, wij begrijpen het niet, hoe zoovele Protestanten, die de geschiedenis onderzocht hebben, en toch ook wat schoon, wat edel en verheven is gevoelen, het kunnen laten blijven bij eene meerdere of mindere betuiging van hunne bewondering. Dtórin ligt geen rustpunt voor den geest. Wie toch heeft die bergreeks geschapen ? Is dat menschen-werk? Of is God slechts te zien in de stomme natuur, in planten en redelooze dieren, niet in den hem kennenden mensch ? Ook zou die kracht der Katholieke Kerk zoo groot niet zijn, indien zij niet weldadig was, niet de kracht ware des Offers der liefde, sterker dan de dood. Ja, luider dan het koud verstand, dat zich slechts verwonderen kan, of door redenen gedwongen worden, zou het gevoel der dankbaarheid in het hart moeten spreken, en de liefde er eenig vrijwillig antwoord moeten ontvangen. Hoeveel, hoe onberekenbaar veel toch is men aan die Hiërarchie èn in het verledene èn op het oogenblik niet verplicht! Is het niet een feit, dat door het verguisde Pausdom zij tot ons gezonden zijn, die ons het Christendom gepredikt, en de waarheid er van bezegeld hebben met hun bloed ? Is het niet een feit, dat Europa aan dat, door het Pausdom met duizend opofferingen gepredikte. Christendom zijne verlichting en beschaving te danken heeft ? Is het ons niet eveneens door feiten gewaarborgd, dat, waar de waarheden des Christendoms uit den geest verdwijnen, de barbaarschheid met ontelbare rampen wederkeert ? Is het niet een feit, dat die waarheden zich in het Protestantismus oplossen, en didr — alsof het verschil tusschen eindig en oneindig niet bestond, niet van waarde, niet van gevolg was — de Predikanten het in onverschilligen twijfel laten, of Christus God is al dan niet? Is het, eindelijk, niet een feit, — en deze vraag is beslissend — dat het Pausdom nog met dezelfde kracht, met dezelfde overtuiging, diezelfde waarheden, die licht en leven onder ons verspreid hebben, aan alle volken verkondigen blijft ? Waar dan, — men ant-

346

ocr page 355

SINT PETRUS EN PAUUJS.

347

woorde! — wd.ar is de wet, het doel, de hoop der toekomst ? wddr is ons heil ? — Wie zal ons behoeden voor de reeds aan den gezichtseinder dreigende slavernij, en al de rampen van eene verfijnde, maar daarom juist des te vreeselijker barbaarsch-heid ? Zij is niet te ontvluchten op snelle spoorwagens, niet te keeren met academische redevoeringen, en, voorzeker, is zij niet weg te rekenen met de duizenden cijfers eener Begrooting van Staat! Neen, het Christendom is bloed en leven; en daarom ook met al zijne weldaden niet te behouden, dan door degenen, die zijne belijdenis hebben onderschreven met hun leven en bloed. Het Pausdom, en het Pausdom alléén bezit en verkondigt de blijde Boodschap, en dtórvan alleen is te verwachten der volken heil. Die keten van bergen, welke men onvruchtbaar waant en nutteloos acht, omdat er geene tunnels zijn doorheen te graven, die men zou willen vernietigen, omdat men er op stuit in zijn dolenden loop, waarvoor men slechts siddert en beeft, alsof zij ons ieder oogenblik over het hoofd zouden vallen; neen, die bergen staan er niet tevergeefs! Daar boven verrijst voor ons de dag; aan die bergen zijn de dalen gehecht, waarin wij omwandelen; zij zijn het, die de lucht voor ons temperen, en de stormen afkeeren op hunne kruin; die de stralen der zon voor ons opvangen en weerkaatsen over onze akkers en wijngaarden, en met onuitputtelijke weldadigheid in volle stroomen het levende water uitgieten, dat zij in de wolken des hemels ontvangen en bereiden, en waarvan alles hier groeit en bloeit en vruchten draagt en zich vermenigvuldigt.

ocr page 356

Ü8-0

»-lt;•

DE TEN-HEMEL-0PKEM1NG YAK MARIA.

--gt;slt;---

RiOMP, Katholiek, triomf! bij het groote verheerlijkings-feest onzer allerheiligste Moeder, bij de geboorte van Maria voor den Hemel. Dat de aarde zwijge! dat alles, wat zij in hare verblindheid hoogschat, aan ons ontzinke ; dat onze ziel de vlucht van den arend neme, en boven de starren opstijge, om het heerlijk tooneel te aanschouwen, dat heden onze verblijding uitmaakt. Dat de teederste vreugdesnaar in ons hart trille: want buitenmate zoet en troostvol is het viervoudig geheim van den dood, de weder-opstan-ding, de opvoering en de kroning van Maria, het feest, dat heden hemel en aarde verheugt!

Het is eene zeer oude overlevering in de Kerk, zegt de H. Joannes van Damascus, dat Maria te Jerusalem, in het bijzijn der Apostelen, die daar, door de goddelijke beschikking, van de verste hoeken der aarde vergaderd waren, in gezegenden ouderdom overleed. De Geest Gods riep de Apostelen naar Jerusalem, om de stervenssponde van Maria te omringen, en een laatste maal de Gezegende onder alle vrouwen, de Moeder van hunnen Heer te begroeten, of liever, om ons door hun voorbeeld te leeren, hoe hoog Maria bij ons allen in eere moet staan. Maria, door een Engel van haar naderend einde onderricht, zoo gaat de Legende voort, verdeelde hare twee kleederen tusschen twee heilige vrouwen, zegende de Leerlingen, beval hare ziel in de handen des Heeren, en sliep in. Ja, dat rustig verscheiden van de zoetste der Maagden kan geen sterven heeten; het was slechts een insluimeren (Dormitio), zooals de

ocr page 357

EK TEN-HEMEL-OPNEMING TAN MARIA. 349

ouden het noemden: en toch weenden de Apostelen bitter, nu Jesse's spruit verdord en de Lelie der dalen verwelkt was, nu zij daar dood ter neder lag, van wie het leven der wereld was uitgegaan. Maar hunne droefheid moest weldra verkeeren in vreugd. Neen, de Dochter van den Vader des levens was niet dood, maar zij sliep. Het gebeurde, op den derden dag, nadat Maria in het graf werd nedergelegd, en terwijl de Apostelen de rustplaats, waarin het hun zoo dierbaar overschot van de Moeder des Heeren was weggesloten, nog met hunne tranen bevochtigden, dat de heilige Thomas, verschroeid door de zon, en met het zweet van het verafgelegen Indië overdekt, ook naderde, om nogmaals Maria te vereeren. Maar reeds was de Moeder des Heeren ontslapen, en haar graf gesloten door den zwaren steen van Getnsemani, Thomas wenschte haar nog eenmaal te zien, en deed den steen wegnemen. Doch zie, o wonder! de Jongeren vonden slechts een ledig graf, waarin niets meer voor hunne vereering was overgebleven, dan de doeken, die het lichaam van Maria hadden omkleed. Een verkwikkende geur, aangenamer dan de welriekendste wierook en de kostbaarste balsem, stroomde hun tegemoet, en zeide aan Thomas, dat daar de hoogzalige Dochter van David, de Moeder van den verrezen Verlosser, had gerust. En welke gedachte rees er bij de Leerlingen van Jezus toen op ? Geen andere dan deze, dat Hij, die het goddelijk Woord en de Heer der glorie is, die uit haar zijn vleesch heeft aangenomen, en haar, na het baren, ongeschonden heeft bewaard, ook na den dood haar lichaam van alle bederf had willen bevrijden en lang vóór den dag der algemeene opstanding de eeuwige heerlijkheid had binnengevoerd. O ja. Christen, zóó is het ; dit is de eerbiedwaardige leer der Kerk, welke wij niet zonder roekeloosheid en dwaling zouden kunnen verwerpen. Welk eene eer valt dan heden Maria ten deel! Zie den grooten Koning in zijn rijk, dat niet van de wereld is, in het hemelsch

ocr page 358

350 DE TEN-HEMEL-OPNEMING

Jerusalem, op zijn troon gezeten; zijn blik doordringt de duisternissen en de eeuwen, zijn hoofd draagt een kroon, waarbij de edelsteen verdonkert, zijne hand een schepter waarvoor de winden zich buigen, en waaraan de vier hoeken der wereld gehoorzamen. Niet een stoet van eeuige duur gekochte aanbidders en vleiende hovelingen omgeeft hem; maar een rij van Ouderlingen, die zei ven kronen dragen; Maagden met witte kleederen. Martelaren met de palmen der overwinning. Engelen, die op gouden cithers spelen, en met de snelheid van den bliksem heen varen, werwaarts hij hen uitzendt; duizenden en millioenen Dienaars, die niet ophouden hem te loven en, door de eeuwen der eeuwen, het driewerf heilig toe te zingen. Daar rijst hij op van zijnen troon, de Koning der eeuwen, om Maria als Koningin des Hemels te verwelkomen en te huldigen. En zij, de kuische, de zachtmoedige Duif, die aanhoudend naar reiner sferen verzuchtte, vaart opwaarts uit het aardsche tranendal. O, ziedaar Maria, de welbeminde Dochter des Hemels, omgeven met eene glinsterende wolk, door de Engelen gedragen, die Gode glorie toezingen, na hunne Koningin het rijk der Hemelen naakt. De glanzende poorten van het hemelsch Jerusalem, die eens niet meer geopend of gesloten zullen worden, openen zich, en het onbevlekte koor der engelreine Maagden, met hare witte kleederen en blanke leliën, is in verrukking, nu zij hare Koningin, in haar raidden ontvangen. De Vader heet haar welkom als zijne Dochter, de Zoon als zijne Moeder, de H. Geest als zijne welbeminde. De Zoon, die zich herinnert, hoe eens Maria zuchtte naast de harde kreb, op de terugreis van Jerusalem, en vooral aan den voet van het kruis, hij, die al hare tranen heeft aanschouwd, zegt tot haar : „ nu is het barre jaargetij voorbij, de stormvlaag afgedreven : kom thans, mijne Vriendin, gij gaat gekroond worden.quot; En Maria stijgt, aan de hand van haren goddelijken Zoon, de koren der zaligen, de rijen der Maagden,

ocr page 359

van mart a. 35 i

Belijders en Martelaren voorbij, en allen roepen, vol verbazing : // Wie is zij, die daar uit de woestijn opstijgt, overvloeiende van geneugten, zachtkens op haren Welbeminde geleund?quot; Zij stijgt en stijgt al hoog en hooger, ook den Cherub en den Seraf voorbij, totdat de Koning der eeuwige heerlijkheid haar aan zijne zijde op een troon, als van diamant en smaragd, doet nederzitten, waar de Engelen haar in vreugde kronen en de goddelijke Koning haar den schepter van genade en barmhartigheid in handen geeft.

O kind van Adam, vrees dan nu niet meer, en, zoo de Koning op zijnen troon, met zijn gelaat vol majesteit en zijn bliksemenden schepter, u afschrikt, zie dan op tot de Koningin der Hemelen, die ook de Koningin der aarde is : bij Haar huist geene wraak, maar slechts genade en ontferming.

Christen, blik nu vreugdevol ten hooge, want zij, die daar in onbeschrijfelijke glorie heerscht, is u niet vreemd. Neen, gij kendet en bemindet haar van den schoot uwer aardsche moeder af, die u leerde, dat er in uw teeder lichaam huist eene. groote en onsterfelijke ziel; dan wees zij u ten Hemel, en herhaalde u de woorden door Jezus, onzen zieltogenden Verlosser, gesproken: //ziedaar uwe Moeder!.... uwe Moeder naar de ziel.quot; O welk een geluk, eene Moeder in den Hemel te bezitten, die onze zwakheden en ellende kent, en aanhoudend voor ons ten beste spreekt! Neen, wij zullen voortaan noch de stormen des levens, noch de aanvallen van den boozen vijand vreezen; wij zullen zelfs in het graf der zonde niet wanhopen, maar met kinderlijk vertrouwen ons in uwe bescherming begeven, hemelsche Moeder, en onze schuilplaats nemen in de schaduw van uwen koninklijken troon.

Is het geheim der ten-hemel-opneming van Maria zoo troostvol en zoo opbeurend voor den Christen, geen wonder dan ook, dat de Kerk, reeds spoedig na hare bittere vervolgingen, eerst op den 18. Januari, en later in 582, op verzoek van

ocr page 360

352 DE TEN-HEMEL-OPNEMING

Keizer Mauritius, op den 15. Augustus, het feest van den dood en de hemelvaart van Maria begon te vieren. Geen wonder dan ook, dat dit feest van lieverlede den eersten rang onder de feesten van Maria innam, en allengs door een voor-afgaanden boetedag aangekondigd werd. De opvoering van Maria ten Hemel, waarover de Engelen juichen en den Zoon Gods loven, werd een blijde dag voor het Christendom.

In ons Vaderland vooral werd hij de bij uitstek plechtige dag ter eere van Maria, zooals ons door de benaming van liooge Lieve-Vrouw, aan dezen feestdag toegekend, genoegzaam wordt aangeduid. In vele streken wordt hij door eene plechtige Processie opgeluisterd : daar schaart de geloovige menigte zich in feestelijken optocht, en volgt in vreugde de banier van Jezus en Maria. Geen palmtakken, maar trossen van welriekende bloemen en kruiden, door vrome handen saam-gevlochten en op dezen feestdag van Maria-Kruidwijding (O. L. Vr. Kruidwis), voor het Hoog-Altaar, door den Bedienaar des Heeren gezegend, «worden door engelen van onschuld rondom de Vaan van Maria gevoerd. De ernstige Christen volgt in stil gebed; en heden, op den hooggevierden gedenkdag van het zalig afscheiden van Maria, herhaalt hij, met warmer godsvrucht dan ooit zijne meest geliefde bede : „ Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaars, nu en in de ure van onzen dood. Amen.quot;

LOFZANG.

Zie, daar klimt naar d'eeretroon,

Naast heur Zoon,

In de hoogste hemelzalen 's Heeren moeder ; Eng'len ! spoedt

Haar te moet.

Om haar jublend in te halen.

ocr page 361

VAN MARIA.

Steekt bazuin en loftrompet!

Vrij van smet Is haar glans als van uw zonnen ; Hem droeg ze in haar maagdenschoot,

Die den dood En de helslang heeft verwonnen.

Strooit hier Edens bloemen uit

Voor de Bruid Van den Heer der legerscharen. Die omlommerd is geweest

Van den Geest,

En des Vaders Zoon mocht baren.

Stemt voor 's Hemels Koningin

't Feestlied in,

Nimmer-zwijgende Englenkoren!

Laat ook in uw lofgeschal,

Vadrental!

Laat de stem der eeuwen hooren.

Breidt uw gulden vleugelslag

Op dees dag Schittrend uit, o Cherubijnen!

En waar Gij om 't godlijk Lam

Staat in vlam,

Jubelt mee, gij Serafijnen!

Maar, daar treedt Gods eeuwge Zoon

Van zijn troon Om zijn Moeder in te halen :

Zie, met wat een minlijkheid

Hij haar leidt Door de hoogste hemelzalen.

353

23

ocr page 362

DE TJ£N HKMEL-OPNEMING

Stemmen, harpen, alles zwijgt.

Waar zij stijgt,

Om haar glorie aan te staren; En verrukt nog zoekt haar 't oog

Waar ze omhoog Tot haar troon is opgevaren.

Zacht kwam om haar aangezicht

't Zonnelicht Als een glorie toegegleden.

En de maagdelijke maan

Ging er staan Ten schabel voor hare schreden.

En zij draagt de starrenkroon.

Die de Zoon Haar vereerde, als Rijks vorstinne; Haar aanschouwde van omhoog

's Vaders oog,

Met een onbeschrijfbre minne.

En de Geest omhelst zijn Bruid;

Toen is luid Weêr der Englen zang gestegen. Die zij dankt met zoeten lach;

Sinds dees dag Lacht ze in glorie ook ons tegen.

Laat ook onze zegetoon

Tot uw troon,

Glorievolle Moeder! rijzen;

Laat ook ons, ontgloeid van min,

Koningin !

Met het hemelkoor u prijzen.

•354

ocr page 363

VAN MARIA. übb

Zie, o Moeder van den Heer!

. Op ons neêr,

Toon uw kindren mededoogen ;

Dat we aan 't eind der pelgrimsbaan,

Tot u gaan,

En uw glans aanschouwen mogen.

Overweging.

Een bedevaart is het bezoeken van verwijderde of ver afgelegene heilige plaatsen, uit godsvrucht en om te bidden. De mensch voelt een natuurlijk verlangen in zich, om het oord te zien, waaraan zich herinneringen van gebeurtenissen vastknoopen, die in een nauw verband staan met zijn eeuwig heil. Wanneer hij zulk een oord in den vreemde bezoekt en daar verwijlt, dan wordt die herinnering in hem door de zinnelijke aanschouwing tot de hoogste levendigheid gevoerd ; dan stijgt in hem het gevoel van dankbaarheid voor de genoten weldaden, of van bewondering voor de uitstekendste deugden : dan kan hij inniger en met meer vertrouwen bidden, pleegt strenger boete, en stelt zich ontvankelijk voor meerdere genade. Vandaar worden de bedevaarten in de geschiedenis van alle godsdiensten gevonden, bij Heidenen, Joden, Mahomedanèn; en ofschoon bij die allen een meer nationaal en soms minder edel doel zich uitsprak, de diepere grond van het ter beêvaart gaan was gemeen aan alle Godsdienstige volkeren, en lag in de natuur van het menschelijk hart.

De Katholieke Kerk weet en leert, dat God alomtegenwoordig en ons overal even nabij is; dat wij hem dus overal vinden, overal tot hem bidden en overal van hem verhoord kunnen worden; maar zij weet en leert ook evenzeer, dat de mensch niet bloot geest is, dat hij als geestelijk en stoffelijk wezen ook aan de werking van den invloed der zinnenwereld onderworpen blijft; en dat er diensvolgens, al is God dan ook den mensch overal even nabij, plaatsen kunnen bestaan, waar de sterveling, wel niet lichamelijk maar geestelijk, den Onsterfelijke naderbij treedt : en dit heeft plaats, wanneer de men-schelijke geest, door den invloed der zinnenwereld, op de eene plaats meer dan op de andere, tot eene hoogere gods-

ocr page 364

356 DE TEN-HEMEL-OPNEMING VAN MAKIA.

dienstige stemming gevoerd wordt, waardoor hij beter bidden, danken, boete doen, heilige voornemens maken, met één woord, waardoor hij beter in innige vereeniging met God zich stellen kan.

De oudste bedevaarten der Katholieke Kerk zijn die naar het Heilig Land, die reeds in de tweede eeuw plaats vonden, maar vooral nadat Konstantijn de groote een einde aan de vervolging der Christenen gemaakt, en met zijne H. Moeder Helena, tempels op het graf des Verlossers en op de plaats zijner geboorte te Bethlehem gesticht had. De H. Hieronymus getuigt dan ook, dat eene lange rij van geleerde en heilige mannen, van de Hemelvaart des Heeren af, uit godsvrucht naar de heilige oorden van Palestina pelgrimsreizen deed, om Christus op dezelfde plaats te gaan aanbidden, waar het Evangelie des Kruises 't eerst verkondigd was. Met de uitbreiding des Christendoms won ook de toevloed der geloo-vigen naar het H. Land aan, en de kruistochten der middeleeuwen zijn het gevolg geweest van de klachten der vele pelgrims, die door den moedwil der ongeloovigen in hunne godsvrucht bemoeielijkt waren, of daarvan werden afgeschrikt.

Gelijk de eerbied voor die heilige plaatsen, door den Verlosser betreden, de beweegreden was van het ter beêvaart gaan naar Jerusalem, zoo was ook de groote vereering van Gods heiligen en vrienden de prikkel, om vele vrome ge-loovigen naar de graven en overblijfselen der Heiligen te voeren. Het ter beêvaart gaan naar de graven en overblijfselen der Heiligen is dus zoo oud in de Kerk, als haar leerstuk over de vereering der Heiligen, of laat ik liever zeggen, als zij de gemeenschap der Heiligen belijdt. Uitdrukkelijke getuigenissen van zulke pelgrimstochten treffen wij in de derde en nog meer in de vierde eeuw aan.

In ouderdom en beroemdheid staat de bedevaart naar de graven der H.H. Apostelen Petrus en Paulus, te Rome bovenaan, en deze trekt nog altijd duizenden vrome pelgrims naar het middelpunt der Katholieke Kerk. Bijna ieder land heeft zijn bijzonder oord, waar of de H. Maagd, of een andere Heilige op bijzondere wijze wordt geëerd, en waar men jaarlijks in plechtigen optocht zich heenbegeeft. Wereldberoemd zijn O. L. V. van Loretto en Sint Jacobus van Com-postella. In Seleucia ging men naar het graf van de H. Tecla, de eerste Martelares, in Afrika, naar het gebeente van den H. Stephanus, te Hippo; in Cappadocié, naar de veertig Martelaars ; in Gallië, naar het graf van den H. Martinus van Tours. Later vormden zich de Bedevaarten naar den H.

ocr page 365

ENG KLEN- B EWAARDERS.

357

Adalbert, te Gnesen, naar den H. Willebrordus, te Echternach, naar den H. Thomas, te Kantelberg, en meer anderen. In ons vaderland trekt'men vooral ten Pelgrimsreize uit naar het beroemde Kevebiar, een klein stadje op de grenzen van Pruisen; ook naar Halle of naar Scherpenheuvel, in België, en naar O. L. Vrouw in het Zand, nabij Roermond.

Wat de Kerk doet met betrekking tot de Bedevaarten, kunnen wij kort samenvatten in deze woorden : zij keurt het ter beêvaart gaan goed en prijzenswaardig, verklaart het voor nuttig, en verdedigt het tegen hare vijanden; zij beloont het en hecht er gunsten aan, legt het als boete- en voldoenings-werk op, zoekt er de misbruiken en alle bijgeloof verre van te verwijderen, en geeft zooveel mogelijk aanleiding, om goed en naar behooren den pelgrimstocht te doen.

0 ^3 _i_i___5^^

EHGELEK - BEWAARDERS.

^ •»C' i «O»1

m

E katholieke Kerk heeft onderscheiden feesten ter eere der zalige wezens, welke wij Engelen noemen, ingesteld. Zoo viert zij, den 29 September, het feest van den H. Michaël, en den 8 Mei de Verschijning van dienzelfden Aartsengel; zoo vergunt zij, dat op eenige plaatsen de Aartsengelen Gabriël, op den 18 Maart, en Eaphaël, op den 24 October, feestelijk worden herdacht. Doch, hiermede niet tevreden, heeft zij nog gewild, dat een feest ter eere van alle H. H. Engelen-Bewaarders worde gevierd, en daartoe den 2 October vastgesteld. Er bestaan nochtans landen, waar de godsvrucht der geloovigen een geheel Octaaf aan de vereering dier hemelsche Wachters

ocr page 366

358 engelen-bewaaeders.

wenschte toe te wijden, hetgeen dan ook, met Pnuselijke vergunning, te beginnen met den eersten Zondag van September in vele kerken geschiedt. Dit schoone feest der Schutsengelen is bijzonder geschikt, om ons hart op te beuren en te verruimen, onzen geest tot het hemeische Vaderland te verheffen en onze ziel met bewondering van Gods goedheid, met dankbaarheid jegens deze hemeische geesten, en met heilzamen eerbied voor ons zeiven te vervullen. Inderdaad, niets staat in de gansche schepping alléén : alles hangt samen; hemel en aarde, de wereld der onsterfelijke geesten en die der sterfelijke aardbewoners zijn op 't innigst, saamgesnoerd. Dit blijkt, onder anderen, duidelijk uit de geestelijke gemeenschap, welke Gods barmhartigheid tusschen zijne H. H. Engelen en ons heeft vastgesteld. O, hoe goed is God, hoe vaderlijk de zorg, welke hij voor ons ten toon spreidt. Teneinde ons de grootheid zijner macht, de majesteit van zijn hof te toonen, en ons te gelijker tijd een schitterend bewijs te geven van de overgroote liefde, welke hij ons toedraagt, heeft hij gewild, dat de Engelen, welke de H. Schrift ons voorstelt als geschaard om Gods troon, onophoudelijk bezig met zijnen heiligen Naam te loven en te prijzen, tevens de werktuigen zijner voorzienigheid bij de menschen zouden zijn. Ja, ieder mensch heeft van Gods milde hand een Engel-bewaarder ontvangen, die hem, van zijne geboorte af, tot na zijnen dood, begeleidt, hem bijstaat, hem beschermt en verdedigt. God had voorzeker dezen dienst der Engelen niet noodig, want Hij vermag alles door zich zeiven; maar Hij vindt er behagen in, zijne schepsels te vereeren en te verheffen, door hun een aandeel in zijne werking te schenken. En zoo was het TJ dan niet voldoende, o Gever van alle goed, hemel en aarde, met alles wat zich daar tusschen beweegt, voor onzen dienst geschapen te hebben, maar hebt Gij tevens de vorsten zeiven van uw rijk gelast, om ons op hunne handen te dragen, opdat wij onzen voet niet mochten stooten

ocr page 367

engelen-bewaarders. 359

aan den steen des verderfs. Zoo hebt Gij dan medelijden gehad met onze zwakheid, en ons hemelsche Wachters ter zijde gesteld, sterk genoeg, om alle aanrechtingen der hooze geesten af te weren ! De mensch is immers bestemd, om de opengevallen plaatsen der afvallige Engelen te gaan bekleeden, en bijgevolg medgezel der goede en trouw gebleven Engelen in het heilige Sion te worden. Vandaar die helsche haat, dien de afvallige Engelen tegen het menschdom hebben gezworen. Tegen de aanvallen nu van den afgunstigen en hoovaardigen Lucifer en diens ontelbare trawanten, helpen ons de Engelenbewaarders den strijd zegevierend voeren; zij beschermen ons tegen de aanvallen en listige kunstgrepen des duivels, ontdekken ons de strikken, welke hij ons gespannen heeft, versterken ons in de bekoring, ons tevens moed inboezemende, om te volharden tot het einde onzes levens in dezen aanhoudenden, altijd terugkeerenden strijd. Zij doen meer : zij wekken ons op tot de deugd, spreken tot ons hart door geheime ingevingen, onderwijzen en verlichten ons aangaande de geestelijke belangen onzer onsterfelijke ziel. Zij bevorderen ons streven naar hoogere volmaaktheid, en dragen daarenboven onze gebeden op aan God, en leggen ze als een welgevallig reukoffer voor den troon zijner Majesteit neer. Gods Engel is voor elk onzer een trouwe vriend, een machtige beschermer, een wijze raadsman, een liefderijke arts, een waakzame herder. Hij staat ons ter zijde, bij dag en bij nacht; hij helpt ons in nood en lijden, troost ons in droefenis en alle wederwaardigheid, ja, verwaarloost zelfs niet voor onze tijdelijke behoeften zorg te dragen, als zij ons slechts ter zaligheid dienstig zijn; doch voornamelijk, in den albeslissenden stond, op het oogenblik dat voor ons de tijd gesloten wordt en de eeuwigheid aanbreekt, in het verschrikkelijk sterfuur, wanneer de duivel al zijne krachten inspant, om over onze ziel de eindzege te behalen, en haar voor eeuwig in zijn rampzalig lot te doen deelen, dan.

ocr page 368

360 engelen-bewaarders.

o, dan strijdt onze goede Engel met ons, dan bedekt hij ons met zijn schild, dan weert hij 's vijands herhaalde aanslagen van ons af, en verlaat ons niet, alvorens ons in het hemelsch vaderland te hebben binnengeleid. Zoo ontstaat eene innige gemeenschap tusschen hemel en aarde : hoewel nog lid zijnde der aardsche maatschappij, zoo behoort toch de mensch door zijne betrekkingen reeds tot die der hemelen: hij telt er een zeer bijzonderen vriend, en die vriend noopt hem, in afwachting van het hooge geluk, voor hem in de andere wereld weggelegd, om niet te veel prijs te hechten aan het vergankelijke stof, dat zijne voeten nog eenige jaren, hier beneden, zullen drukken. Daarom schrijft de H. Augustinus, dat wij met de Engelen slechts eene Stad Gods uitmaken, waarvan het eene deel in ons nog als pelgrim ronddwaalt, en het andere in de Engehn ons bijstaat en ondersteunt.

Hoe hartroerend, hoe verteederend, hoe treffend is niet deze gemeenschap van Gods lieve Engelen met ons, maar bovendien hoe leerzaam! Trouwens, zij leert ons, dat eene vurige dankbaarheid ons jegens onzen Schutsengel moet bezielen wegens de onschatbare diensten, welke hij ons bewijst. Zij leert ons, dat wij hem steeds eene drievoudige hulde moeten brengen, dewijl wij aan dien hemelschen Beschermgeest eerbied voor zijne onafgebroken tegenwoordigheid, wederliefde voor zijne goedwilligheid, en vertrouwen voor zijne waakzaamheid verschuldigd zijn.

Hoezeer moeten wij daarenboven ons bij die gedachte niet opgewekt gevoelen, om ons zeiven hoog te schatten en te eerbiedigen ! God heeft mij toevertrouwd aan een hemelschen Wachter; ik leef aanhoudend in het gezelschap van een Engel: welk eene eer voor mij! Welke waarde moet ik niet bezitten in Gods oogen, daar hij mij zulk eene hoogachting toedraagt! Hoe ware het dan mogelijk, dat ik, mij zeiven verlagend, mijn eigen grootheid kon vergeten, en in des Engels tegen-

ocr page 369

ENGELEN-BEWAARDERb. 361

wcordigheid iets begaan waarvoor ik zou moeten blozen in de oogen van een roensch ? Niet alleen leeren wij zoo ons zeiven, maar ook onzen evenmensch, uit achting voor diens Engel, eerbiedigen. Nemen wij ons in acht, onze evennaasten, vooral niet de kleinen, te ergeren. Wachten wij ons voor den heiligen naijver hunner Engel-bewaarders : zij toch zouden ons niet ongestraft laten begaan en hun werk laten verijdelen, zij toch, van wie de Zaligmaker zegt, dat zij in den Hemel altijd zien het aangezicht des Vaders, die in den Hemel is. — Eindelijk moet ons de gedachte aan de gemeenschap dier hemelsche geesten met ons, Gods goedheid leeren hoogschatten en ons opwekken tot eene dankbare liefde jegens hem. Want wat is dan toch de mensch, o mijn God, dat Gij zooveel zorg voor hem draagt, en hem de grootste vorsten van uw hof tot leidsman schenkt! Moet dan de meester den onderdaan, de wijze den onwetende, de rechtvaardige den zondaar dienen ? En was het dan noodig, dat een zoo edele en verheven geest den hemel verliet, om den mensch, misschien een booswicht, voet voor voet te volgen, zonder hem ooit te verlaten, ja, zelfs niet in den dood ? O ! overmaat van liefde en goedheid van mijn God, hoe zou ik U niet bewonderen, U niet loven en prijzen, zoo lang ik leef!

LOFZANG iRuatobe» Ifmttmttm annelcrB.

Wij brengen den juichtoon aan d'Englenstoet,

Op aarde den mensch tot bescherming gegeven,

Opdat, aan de listen des boozen ontheven,

Hij 't heilpad steeds volg', door Gods Wachters behoed

ocr page 370

ENGELEN-BEWAARDERS.

Want, zeker, de lagen des Satans zijn groot;

Nadat hij, het hemelrijk buitengestooten.

Den stervling het Eden des Heils zag ontsloten,

Ontstak hij in gramschap, en zwoer ons den dood.

Snelt toe dan, gij Englen, en blijft ons ter wacht, Zoo deert ons geen leed, en zoo leven we in vrede. Terwijl door ons harte de dank en de bede Ootmoedig der Godheid ten cijns wordt gebracht.

Drie-eenheid, wij buigen de knie in het stof;

O geef, dat we eens samen, met de Engelenkoren, U 't jubelgeruisch van den lofzang doen hooren, In 't zalig verblijf van den eeuwigen hof. Amen.

Overweging.

De Eeuwige God heeft zijne Engelen bevolen, u te bewaren, op al uwe wegen. Bewonder die barmhartigheid, die overmaat van liefde ! W i e toch is het, die dit bevel uitvaardigde, tot wie werd het gericht, in wiens belang werd het gegeven, en wat werd er bevolen ? Laat ons dit alles van nabij betrachten. Wie gaf dit bevel? Het is de oneindig groote en heilige God, want aan Hem alleen behooren de Engelen toe; zij gehoorzamen alléén aan zijne bevelen. .God zelf is het dus, die zijnen Engelen het bevel gaf, om u te bewaren op al uwe wegen, en die heilige geesten volbrengen dat bevel, niet met traagheid of weerzin, maar met de meest mogelijke bereidvaardigheid. Ja, zij bewaren u niet alleen, maar zij dragen u zelfs op hunne handen, opdat gij uwen voet niet zoudt stooten aan den steen des verderfs.

Gij zijt het dus, o mensch ! die aan de hoede dezer verheven en gelukzalige geesten, die zich in de naaste omgeving van den Koning der Heerlijkheid bevinden, wordt toevertrouwd. Maar, wie zijt gij dan toch ? Wat is de mensch, o mijn God, dat Gij hem zulke verheven wachters ter zijde stelt? Is dan de mensch niet een nietige worm, en is de zoon des menschen niet stof en bederf? En toch heeft God zijnen Engelen bevolen, dat zij u zonden bewaren !

362

ocr page 371

ENG ELEN-BEWAARDERS.

Welken eerbied, welke dankbaarheid, welk vertrouwen moet dit woord niet opwekken in uw hart! Eerbied voor de tegenwoordigheid van' uwen Schutsengel, dankbaarheid voor zijne goedheid en zijne liefde, vertrouwen wegens zijne waakzaamheid en zorg! Zie toe, o mensch ! dat uw wandel heilig zij en onbesmet, want denk er wel aan, op al uwe wegen staat Gods Engel u ter zijde. Bewijs, waar gij u ook moogt bevinden, zelfs in de verborgenste schuilhoeken en in de verholenste plaatsen, een diepen eerbied aan uwen Engelbewaarder. Verstout u nooit, om in zijne tegenwoordigheid iets te doen, wat gij onder 's menschen oogen niet zoudt durven verrichten ! Bemin uwen hemelschen begeleider, en met hem alle hemelsche geesten, want zij, die ons nu door den Vader tot leidslieden en beschermers zijn gegeven, zullen eens onze medeërfgenamen, onze broeders in den hemel zijn. Schenk dan aan uwen Schutsengel een onbeperkt vertrouwen : onder zijne geleide hebt gij niets te vreezen ; hem zal niemand overwinnen of misleiden, en zeer zeker zal hij u niet verlaten, maar u integendeel bewaren op al uwe wegen. Die heilige Geesten zijn trouw, zij zijn voorzichtig, zij zijn sterk en machtig : onder hunne hoede behoeven wij niet te vreezen. Schenk hun dus al uw vertrouwen, en, komt eene zware bekoring u overvallen, komt een dreigend gevaar u verontrusten, roep dan uwen Bewaarder, uwen Leidsman, uwen Helper aan, en zeg hem ; Heer, red mij, opdat ik niet verga. En hij zal zijne ooren voor uwen noodkreet niet sluiten, maar u in zijne handen dragen, opdat geen kwaad of letsel u trefife op uwe baan.

Wees eindelijk dankbaar jegens uwen Engel voor zijne waakzaamheid en zijne zorgen, en toon hem die erkentelijkheid door u aan hem te hechten en zijne heilige ingevingen te volgen ; dan, wees er zeker van, dan zult gij onder de bescherming van den Allerhoogste veilig rusten, en niet afdwalen van den weg der zaligheid.

363

ocr page 372

o-Sü

L!Sgt;-c

MARIA GEBOORTE.

blijk niets den afgematten en verdoolden reiziger, na een langen en angstvollen nacht, meer verblijdt dan dat hij de eerste schemering van het morgenrood aan dcu gezichteinder ziet opdagen, zoo ook kon niets den gevallen mensch, na een vierduizendjarigen nacht van dwaling en ellende, meer verheugen dan de geboorte der beloofde Vrouwe, uit wie de Verlosser der wereld geboren worden moest. Immers, even als het morgenrood het einde van den nacht verkondigt, zoo kondigde ook de geboorte der Moeder-maagd het einde aan, van onze geestelijke ellende, en het begin van den zaligen dag der Verlossing, waarnaar alle geslachten zoo vurig hadden verlangd. (H. Ildephonsus.)

Bij hare geboorte, zegt de H. Bernardus, begon de hemel zich met de aarde te verzoenen; hare intrede in de wereld was een onmiskenbaar teeken van de naderende komst des Zaligmakers, en de voorbode van den vrede, dien Jezus Christus tusschen de beleedigde Godheid en het zondige menschdom sluiten kwam. Geen wonder dan ook, dat de Kerk, alreeds sedert meer dan veertien eeuwen, in het Oosten zoowel als in het Westen, den Geboortedag van haar, door wie ivij allen herloren worden, (H. Petrus Dam.) dankbaar herdenkt en op de plechtigste wijze viert. Uwe geboorte, o heilige Maagd, zoo roept zij vreugdevol in hare gezangen uit, heeft aan de ge-heele wereld eene blijde tijding gebracht, want uit u is de Zon der Gerechtigheid opgegaan ; uit u is Christus geboren, onze lieer en onze God!

Volgens het oordeel der wereld moest voorzeker de Ge-

ocr page 373

MARIA GEBOORTK. 365

boorte vau Gods Moeder vol pracht en luister zijn : maar God oordeelt niet zooals de wereld. Hij schonk wel aan die uitverkoren vrouw, van haar eerste wordingsuur af, de volheid zijner genade; hij versierde haar met de uitstekendste deugden en verrijkte haar dusdanig met alle gaven der natuur en der genade, dat zij alle dochters Israëls verre overtrof, en terecht het meesterstuk van alle eeuwen (H. Bernard.) kon worden genoemd; doch tevens wilde hij, dat de glans dier koningsdochter geheel innerlijk wezen, en in de oogen der wereld niet uitschijnen zou. Tusschen Jezus en Maria moest volgens de raadsbesluiten der Eeuwige Wijsheid eene volmaakte overeenstemming bestaan : evenals Jezus moest Maria den gulden weg der nederigheid en der armoede bewandelen, en daarom ook moest hare geboorte, zoowel als die van haren goddelijken Zoon, zonder uitwendige pracht of luister zijn. Maria werd te Nazareth, een onaanzienlijk stadje van Galilea, geboren. Hare ouders, de H. Joachim en de H. Anna, uit het huis van David gesproten, waren wel is waar van koninklijken bloede, maar zij leefden stil en eenzaam, en, ofschoon rijk in deugden en genade, waren zij toch gering en behoeftig in de oogen der wereld, zoodat aan geen praalvertoon bij de wieg van hunne genadevolle dochter te denken viel.

Verschillende heilige Vaders zijn van meening, dat een Engel den Heiligen Joachim en Anna zou hebben geboodschapt, dat hun, niettegenstaande hun hoogen ouderdom en langdurige onvruchtbaarheid, eene dochter zou worden geboren, en dat die gelukzalige dochter de moeder van den lang verwachten Messias worden zou. Wat hier ook van zij, dit is zeker, dat nooit een kind dierbaarder aan zijne ouders is geweest dan Maria. Maar ook verdiende nooit een kind meer alle ouderlijke liefde en teederheid dan zij, die, van hare onbevlekte ontvangenis af, een voorwerp van Gods welbehagen en voorliefde was.

ocr page 374

366 MARIA GKBOORTB.

Nauwgezet in het onderhouden der Wet, gaven de H.H. Joachim en Anna, op den achtsten dag na hare geboorte, een naam aan hare dochter, gelijk het gewijde voorschrift zulks gebood. Zij gaven haar den geheimvollen Naam van Maria, die in de Syrische taal beteekent: Meesteres of Yorstin, en in het Hebreeuwsch zeggen wil: Sterre der zee, die den schepeling zeker in behouden haven brengt, en welke de stuurman in den nacht niet uit het oog mag verliezen, wil hij zich niet blootstellen aan het gevaar van schipbreuk te lijden en jammerlijk te vergaan. Was het tengevolge eener bijzondere openbaring, dat de heilige Joachim en Anna dien naam aan hunne dochter gaven? Wij willen het niet beweren; maar stellig is het, zooals de heilige Vaders opmerken, dat Maria alleen al de beteekenissen van dien naam en al de geheimen, die er in verborgen zijn, kon vervullen; zoodat men met reden mag gelooven, dat haar die zoete naam tengevolge eener goddelijke inspraak gegeven werd.

O zoete, zoete naam van Maria! onze kinderlippen hebben u reeds uitgestameld, in onze eerste levensjaren ; op rijperen leeftijd waart gij onze hoop, onze toevlucht, onze troost, onze redding en onze kracht! O blijf toch steeds dierbaar aan ons hart! Mogen onze stervende lippen dien naam nog herhalen; mogen de namen van Jezus en Maria ons laatste woord, onze laatste zucht op aarde zijn !

Uw naam, o Maria, zegt ons, dat gij onze Vorstin, onze Meesteres en onze Reddingster zijt. O gezegende Moeder-Maagd ! ja, wij erkennen u als onze Koningin : heersch onverdeeld over onze harten; wij wijden ze u toe, voor nu en voor altoos. Wij kiezen u tot onze Meesteres; ootmoedig werpen wij ons aan uwe voeten neder, en smeeken u, ons onder het getal uwer dienaren aati te nemen. O Maria, o Reddingster, wees ook onze ster en geleidster op de onstuimige zee des levens; toon ons den weg, dien wij volgen moeten, om

ocr page 375

MARIA GEBOodfr 367

alle klippen en gevaren te vermijden, en breng ons zeker en behouden in de veilige haven der eeuwige zaligheid !

Wees de zeestar op ons reizen,

Stevenend naar Gods paleizen,

Als der stormen woede ons slaat!

Uit u is het Heil getreden.

Wees de deur van 't zalig Eden,

Die den Christnen open staat.

LOFZANG

Gegroet, gij, die daar blinkend daagt. Gij, Poolstar op de baren,

Gegroet, o reine Moedermaagd, Gij, toevlucht in gevaren.

Gegroet, gij. Moeder van mijn God, Gij, deur van 't zalig Eden,

Door u verandert 's menschen lot, Uit U is 't Heil getreden.

Aan u deelde eens des Engels groet De blijdste tijding mede.

Toen Eva werd het Ave zoet. Dat woord brenge ons den vrede.

Verbreek des zondaars stalen juk, Verlicht het oog des blinden;

Bevrijd ons van alle ongeluk,

Doe ons genade vinden.

ocr page 376

MARIA GEBOORTE.

Toon dat gij onze Moeder zijt;

Beveel God, uwen Zone,

't Gebed dat ons gemoed hem wijdt, Opdat Hij het beloone.

Maria! Gij zijt eindloos goed, Zoetaardig boven allen,

ó, Doe ons smeekende aan uw voet. Uw gunst ten deele vallen.

Zij, op uw bede, ons aller schuld, Door uwen Zoon vergeven!

Verwerf ons ootmoed en geduld. Een rein en zuiver leven.

Geleid ons aan uw moederhand. Beveilig onze wegen;

Dan knelt geen zonde ons meer in band, Maar zijn wij vroom van leven.

Dan blikt, na wèl voltreden baan, En 's werelds schemerduister.

Ons oog gestadig Jezus aan,

In eeuwge vreugd en luister.

Drie-eenheid, U zij eer en prijs Door ons in 't stof voldongen, En boven eens op Englenwijs Voor eeuwig toegezongen.

Overweging.

En de naam der Maagd was Maria.

Niet veel, slechts weinige woorden wil ik tot u spreken, en wel over dezen Naam, dien men door Zeestar kan vertalen, en

368

ocr page 377

MA.UIA GEBOORTE.

die op de Moedermaagd volkomen past. Terecht immers wordt zij bij eene ster vergeleken : want, gelijk eene ster hare lichtstralen schiet, zonder dat zij daardoor eenig bederf ondergaat, evenzoo baarde deze Maagd haren Zoon, zonder dat hare maagdelijke reinheid in het minst werd geschonden; en, even als de uitgegoten lichtstraal de klaarheid der ster niet vermindert, zoo werd ook de zuiverheid van Maria's maagden-dom door de geboorte van haren goddelijken Zoon niet gekrenkt. Zij is derhalve die edele Ster, die opgegaan is uit Jacob, wier stralen de geheele wereld verlichten. Tot in de hemelen schittert haar glans; hij dringt door tot in den afgrond der hel, beschijnt de aarde, en verwarmt niet zoo zeer de lichamen als wel de harten; haar licht doet de deugd vei-lig opgroeien en de ondeugd verdorren. Ja, zij is die heldere en uitschijnende Ster, die, schitterend van verdiensten en ons voorlichtend boven de woeste wereldzee, verheven aan het uitspansel prijkt, om ons te geleiden op onze baan.

O mensch, gij, die veeleer door den stroom des tijds, te midden van storm en onweder, wordt heen en weêr geslingerd, dan dat gij rondwandelt op de aarde ; wilt gij in dien storm niet vergaan, wend dan uwe oogen niet af van het licht dezer Ster! Loeit de wind der bekoring, stoot gij op de klippen der beproeving, zie naar die Ster, en roep Maria aan! Komen de schuimende golven van toorn, van gierigheid, of van onzuivere driften woedend tegen het scheepje uwer ziele slaan, zie dan naar Maria op ! Wanneer gij bij het herdenken uwer boosheden, door haar getal en grootheid ontsteld, beschaamd, en met schrik voor Gods oordeel bevangen, reeds begint neêr te zinken in den poel der droefheid en der wanhoop, denk, denk dan aan de Moeder der barmhartigheid, denk aan Maria!

Denk aan Maria, roep Maria aan in alle gevaar, in allen twijfel, in allen angst, in alle kwelling. Zij ontvalle nooit aan uw mond, nooit aan uw hart! Maar, wilt gij op haren bijstand mogen rekenen, beijver u dan ook, het voorbeeld van haar heilig leven na te volgen. Gij wordt het spoor niet bijster, indien gij hare voetstappen drukt; indien gij haar aanroept, zult gij niet wanhopen; indien gij aan haar denkt, zult gij niet afdwalen. Houdt zij u vast, dan zult gij niet vallen; beschermt zij u, dan zult gij niet vreezen; geleidt zij u, dan zult gij niet vermoeien ; is zij u goedgunstig, dan zult gij onverlet en zeker de veilige haven der zaligheid binnenloopen en in u zeiven ondervinden, dat niet zonder reden van haar geschreven staat : de naam der Maagd was Maria.

369

24

ocr page 378

KRUISVERHEFFING.

EERMALEN reeds had Chosroas, koning der Perzen, over de llomeinsche legerbenden gezegevierd, toen hij zich eindelijk, tijdens de regeering van Keizer Phocas, van Egypte en Africa meester maakte, en ook Jerusalem overweldigde.

In deze stad liet hij een groot getal Christenen ter dooJ brengen en, hiermede niet tevreden, roofde hij ook nog het Heilig Kruis. Hij bracht deze kostbare relikwie naar Perzië over. Inmiddels was Phocas gestorven en door Heracleus opgevolgd. Ontmoedigd door den tegenspoed zijner wapenen, stelde Heracleus aan den Perzen-koning voor, om een eervollen vrede te sluiten. Maar, hoe gunstig ook de vredesvoorwaarden mochten zijn, die hem aangeboden werden, Chosroas wees ze toch gestadig van de hand, dewijl hij door het geluk zijner krijgsverrichtingen verblind was, en zijn overmoed, na de talrijke overwinningen, welke hij behaald had, geen grenzen meer kende. Nu bleef aan Heracleus niets meer over, dan zich met het zwaard opnieuw te omgorden en andermaal het krijgsgeluk te beproeven. Doch, alvorens ten strijde te trekken, beijverde hij zich, door vurige gebeden en goede werken, Gods hulp en bijstand te verwerven. Aangemoedigd door eene hemelsche ingeving, trok hij tegen Chosroas op. Binnen korten tijd versloeg hij driemaal het leger der Perzen, en zóó groot was het gewicht dezer driedubbele overwinning, dat Chosroas de vlucht moest nemen, en zijn zoon Medarses tot deelgenoot van zijn koningschap aanstelde. Siroës, de oudste ïioon van Chosroas, werd door deze laatste beschikking uitermate

ocr page 379

K RUIS VBRHEM'ING. 371

verbitterd : hij besloot zijn vader en zijn broeder te vermoorden, en dan zelf den troon te bestijgen. Hij volvoerde weldra zijn goddeloos plan, en verzocht den Rorneinschen Keizer, hem als Koning te erkennen en den vrede met hem te sluiten. Een en ander werd hem toegestaan, doch onder drukkende voorwaarden : Siroës moest zich, onder anderen verplichten onverwijld het H. Kruis, hetwelk zijn vader uit Jerusalem had weggevoerd, terug te geven. De nieuwe Perzen-koning nam alle voorwaarden aan, en gaf het heilig Kruis aan den Eo-meinschen Keizer terug.

Als nu Heracleus met dezen kostbaren schat te Jerusalem kwam, wilde hij zelf het H. Kruis op zijne schouderen dragen, langs denzelfden weg, en tot op dezelfde plaats, waar de Heer Jezus datzelfde Kruis gedragen had. Prachtig gekleed, met goud en edelgesteenten versierd en van cene ontelbare menigte volks omgeven, trad Heracleus, met zijn heiligen last beladen, voorwaarts naar den Calvarieberg. Maar zie, toen de Keizer aan de poort, die naar Golgotha leidt, gekomen was, kon hij niet meer voortgaan; eene onzichtbare macht hield hem tegen, en, hoe meer kracht hij inspande om zich te bewegen, met des te meer geweld werd hij weerhouden, en, als het ware, op die plaats vastgenageld. Keizer en volk, alles stond verbaasd; niemand kon zich dit zonderling voorval verklaren, toen de vrome bisschop van Jerusalem, Zacharias, liet woord opnam en Heracleus in dezer voege toesprak : verwonder u niet, o Keizer, over hetgeen thans geschiedt, want arm en ootmoedig droeg Jezus zijn kruis; gij wilt, met datzelfde Kruis beladen, zijnen lijdensweg volgen, maar hoe weinig volgt gij hem na in zijne armoede en zijnen ootmoed, terwijl gij met keizerlijke pracht zijt uitgedost, neen, niet alzoo, maar alléén op den weg der armoede en der vernedering kunt gij hem volgen, die eens voor ons arm en behoeftig werd. Diep getroffen door deze woorden, legde Heracleus zijn prachtig gewaad af.

ocr page 380

372 KRUISVEEHEÏFING.

om, in eenvoudige kleeding, en barrevoets, den heiligen lijdensweg af te leggen.

Van dit oogenblik af werd hij door niets meer weerhouden : hij klom den heiligen berg op, en mocht de zalige vreugde smaken van het H. Kruis neer te leggen op die plaats, waar de Heiland der wereld er aan gestorven was.

Ter herinnering aan deze troostvolle gebeurtenis werd, van toen af, het aloude feest der Kruisverheffing plechtiger dan voorheen op dezen dag in de Kerk gevierd.

L O F Z A H G.

ó Kruis, o heilig liefdeteeken,

Ik kom, als Magdalene, u smeeken

Om hulp in nood, om troost in smart! Eerbiedig buig ik voor u neder.

Omhels u vroom en kus u teeder.

Ik dank u op mijn minnend hart.

ó Zoenaltaar, waarop het Leven Heeft willen zuchten, lijden, sneven!

6 Kruis, geverwd met Jezus' bloed! Op u heeft de Onschuld door haar wonden De schuld gedelgd van onze zonden, Gij zijt de bron van alle goed.

6 Kruis, U prijzen alle tongen,

Gij hebt de macht der hel bedwongen,

Den kop der helsche slang verplet, ó Help ook ons zoo zegevieren!

Bewaar en wil ons hart versieren Met deugden, zonder vlek of smet.

ocr page 381

KRUISVERHEFFING. 373

Help ons den duivel overwinnen,

De booze lusten onzer zinnen,

De wereld met haar praalvertoon !

Dat uwe schaduw ons bedekke.

Tot schild en wapen ons verstrekke.

En leide tot de zegekroon!

Niets, heilig Kruis, niets zal ons beiden In heil of onheil kunnen scheiden;

Gij zijt mijn steun in weelde of nood.

U wil ik steeds met liefde omarmen, ' 6 Kruis, ó teeken van erbarmen,

Vooral in de ure van mijn dood !

Wanneer dat schriklijk uur zal naken.

Als ik den jongsten zucht zal slaken.

Wees dan mijn hoop, o heilig Kruis !

Moge ik u dan op 't harte drukken En roepen, in een blij verrukken :

„ 'k Zal ingaan in des Heeren huis !quot;

Overweging.

Onze goddelijke Zaligmaker heeft, ten koste van zijn bloed, ons van den eeuwigen dood verlost. Wij zijn hem derhalve op eene bijzondere wijze dankbaarheid en aanbidding schuldig. Alles, wat ons aan zijn smartvol offer herinnert, moet in ons de levendigste gevoelens van liefde en erkentelijkheid opwekken. Eerbied en godsvrucht moeten ons bezielen voor al, wat in betrekking staat met dit geheim van liefde, dat door den Apostel Paulus het meesterstuk der goddelijke almacht en wijsheid wordt genoemd. Voorzeker moet die godsvrucht vooral in ons hart zetelen; maar, wil zij oprecht zijn, dan moet zij zich daarenboven ook uitwendig vertoonen ; want die uitwendige handelingen werken krachtig mede, om onze inwendige gevoelens te bewaren en te verlevendigen.

Onder de uitwendige oefeningen van godsvrucht, die ons

ocr page 382

KRUISVERHEFFING.

Jezus' bitter lijden herinneren, is er geene, die eerbiedwaardiger is door haren ouderdom, heiliger door hare beteekenis, en meer, zoowel in het gewone leven als in openbare gebeden en plechtigheden der Kerk, wordt gebezigd dan het teeken van het Kruis. „ Dit heilig en godvruchtig gebruik „ klimt tot den tijd der Apostelen op. Bij iederen stap, dien „ wij doen, zoo getuigt de Oudvader Tertullianus van de eerste „ Christenen, bij iedere handeling, welke wij verrichten, wan-„ neer wij ons aan tafel zetten, het vuur of het licht ontste-„ ken, ons neêrzetten of ter rust begeven, in één woord, bij „ alles, wat wij doen, beginnen wij immer met het Kruis-„ teeken op ons voorhoofd te drukken. Tevergeefs zoekt gij „ in de H. Boeken eene wet, die dit gebiedt: gij zult er daar „ geene vinden. De overlevering is het, die deze oefening „ heeft ingevoerd, het gebruik heeft haar bekrachtigd en de „ getrouwheid heeft haar bewaard.quot; Op eene andere plaats getuigt diezelfde Oudvader, dat de Christenen dikwerf hunne armen als een kruis uitstrekten, wanneer zij in stilte met neergeslagen oogen, hunne gebeden verrichtten. Dat dit godvruchtig gebruik van de eerste tijden des Christendoms af niet alleen in de Westersche, maar ook in de Grieksche en Oostersche Kerk algemeen was, zulks getuigen ons de heilige Cyrillus, Bisschop van Jerusalem, en de heilige Ephrem, de geleerdste Leeraar der Kerk van Syrië. „Wachten wij ons ,, wel, — zoo sprak de H. Cyrillus tot de Catechumenen, „ welke hij voorbereidde, om het H. Doopsel te ontvangen, „ — wachten wij ons wel van ons ooit te schamen over het „ kruis van den Verlosser der wereld. Volgt hen niet na, die „ dat Kruis openlijk durven vereeren; maakt integendeel het „ Kruisteeken, drukt het op uw voorhoofd, en de duivel zal, „ bij het zien van dezen standaard, met vrees bevangen wor-„ den en verre van u vluchten. Maakt gebruik van dit aan-„ biddelijk teeken, hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij u „ te slapen nederlegt, hetzij gij ontwaakt, hetzij gij gaat, hetzij „ gij spreekt, in één woord, bij alles wat gij verricht.quot;

Het hart van den H. Ephrem slaat in brand van liefde tot Jezus-Christus, wanneer hij spreekt van Jezus' Kruis. „Het „ teeken van het H. Kruis is het wapen van den Christen; be-„ dekt er u dus mede, als een schild, dat u beschutte. Plaatst „ dat teeken, ja drukt het op uw lichaam en op uw hart, „ en doet dit niet alleen met de hand, maar ook met uwen „ wil. Wapent u met dit teeken, wanneer gij u ter studie be-„ geeft, wanneer gij ergens binnentreedt, of eene plaats ver-„ laat; wapent er u mede te allen tijde en in alle omstandig-

374

ocr page 383

K liUISVERHEFFING.

„ heden. Teekent met het Kruis uwe legerstede, en alles wat „gij aanraakt; zegent in den Naam des Vaders, en des Zoons, „ en des heiligen Geestes alles, wat gij gebruikt. Met het Kruis-„ teeken gewapend, zult gij onverwinnelijk zijn : de vijanden „ uwer ziel zullen u wel aanvallen, maar zij zullen u de minste „ wonde niet kunnen toebrengen. quot;

„ Laat ons, zoo roept diezelfde Heilige, een andermaal, uit, „ laat ons dit teeken des levens indrukken op de deuren van „onze woning, op ons voorhoofd, op onze oogen, op onze „ borst, op onzen mond, op al onze ledematen. Dat deze wa-„ penrusting, die altijd de overwinning behaalt, ons schoonste „ sieraad zij! Het Kruis heeft den dood overwonnen, het is „ de hoop der wereld, het licht van alle volkeren, de sleutel „ des hemels, de plaag der ketterijen, de burg van het ware „ geloof, het behoedingsschild der Kerk. O Christenen! draagt „ dan dit teeken met u, te allen tijde, bij dag en nacht, op „ieder uur, ieder oogenblik. Doet of onderneemt niets, ont-„ waakt of slaapt, werkt of rust, eet of drinkt niet, reist noch te „ land noch ter zee, doet niets, in een woord, zonder u met „ het Kruisteeken te hebben gewapend, maar hebt gij dit heilig „ teeken op uw lichaam gedrukt, verbant dan ook gerust allen „ angst en alle vrees uit uw hart. quot;

Te allen tijde zijn de Christenen gewoon geweest, al hunne gebeden met het teeken van het Kruis te beginnen en te eindigen. Evenzoo werd het Kruisteeken veelvuldig bij het H. Sacrificie der Mis en het toedienen der H. Sacramenten gebruikt. „ Het is tegen de heilige voorschriften, zegt de H. „ Augustinus, het kruisteeken bij het doopsel, of bij het wijden „ van het doopwater of van den Heiligen olie achter te laten.quot; — „ Men bedient zich van het Kruisteeken, zegt de H. Joannes „ Chrysostomus, wanneer men aan iemand het Doopsel, het „ H. Sacrament der wedergeboorte, moet toedienen; evenzoo „ wanneer men het goddelijk Voedsel, dat in onze heilige „ geheimen is verborgen, moet uitreiken, de heilige wijdingen „ toedienen of eenige andere genade meêdeelen. Daarom ook „ zorgen wij, dat het op onze huizen wordt afgebeeld, en de „ muren en vensters onzer woningen er mede worden versierd, daarom teekenen wij veelvuldig ons voorhoofd er „ meê; want wij weten, dat het Kruis de krachtigste verdediger is onzer ziel.quot;

Dit gebruik, welks algemeenheid en oudheid niemand ooit heeft kunnen of durven ontkennen, dient den H. Basilius, om het bestaan en de noodzakelijkheid der Overlevering tegen de ketters te bewijzen. „ Indien wij, zoo spreekt deze Oudvader,

375

ocr page 384

KRUIS VKKH EFFING.

„ de gebruiken verwerpen, die in de H. Boeken niet staan „ opgeteekend, dan randen wij het Evangelie-zelf aan, en ver-„ lagen het geloof tot een ijdelen naam. Want, kent men een „ gebruik, dat ouder en algemeener is dan het Kruisteeken ? „ en toch leest men nergens in de heilige Schrift, dat wij dit „ teeken over hen moeten maken, die in Christus' Jezus „ hopen.quot; Behalve de reeds aangevoerde bewijzen, getuigen de liturgische boeken van alle kerken, dat het gebruik van het Kruisteeken van de Apostelen zeiven herkomstig is.

De godvruchtige oefening van zich met het Kruisteeken te zegenen, is in de Kerk steeds beschouwd geworden als een uitnemend gebed, dienende, om door de verdiensten van den gekruisten Jezus den zegen des hemelschen Vaders te erlangen, die ons kracht geeft, om aan de zichtbare en onzichtbare vijanden onzer zaligheid te wederstaan. In de vervolgingen, welke zij moesten verduren, wapenden zich de Martelaren met het Kruisteeken en stelden al hun vertrouwen er in. Zoo deden de heilige Martelaars Euplius, die in de derde, Theo-dotus, die in het begin der vierde eeuw den marteldood stierven ; zoo deed een heilige Romanus, zoo deden de Martelaars allen.

De duivel is door het Kruis ovenvonnen en van zijn rijk beroofd; daarom siddert en beeft hij voor dit teeken des heils, en juist daarom hebben steeds alle Heiligen zich in een onbeperkt betrouwen met het Kruisteeken gewapend tegen de bekoringen van den helschen geest.

Ook hebben alle Heiligen, die sedert de komst van Jezus Christus de gaaf van wonderwerken hebben ontvangen, steeds het Kruisteeken gebezigd, om den duivel te bannen, de zieken te genezen en de dooden tot het leven op te wekken.

Dit alles is voorzeker meer dan genoeg, om ons eene hooge achting en diepen eerbied voor het Kruisteeken in te boezemen. Wij zullen het echter nog hooger schatten, indien wij de menigvuldige beteekenissen herdenken, die er in liggen opgesloten. Trouwens, het is eene openbare belijdenis van ons geloof; want, zeggen wij, terwijl wij ons zegenen: in den naam en niet in de namen, in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes, dan belijden wij één God, in drie personen; dan belijden wij het geheim der menschwording van het eeuwig Woord en verkondigen luide, dat Jezus door zijn kruis en lijden het helsch serpent overwonnen en ons van den eeuwigen dood heeft verlost. Daarom is ook ten allen tijde het Kruisteeken aangemerkt als het heiligste onderpand en het zekerste teeken van een waar geloof. Met dit

876

ocr page 385

KRUISVEEHEFFING.

Teeken alleen antwoordden de Martelaars dikwerf aan hunne vervolgers, en ook heden nog erkennen de Christenen, zelfs de afvallige Christenen van het Oosten, dengenen niet voor een waar Christen, die dit teeken niet godvruchtig maakt.

Het Kruisteeken is daarenboven eene getuigenis van onze hoop en eene opwekking onzer liefde tot Hem, die door zijn Kruis ons erfgenamen der hemelsche goederen heeft doen zijn. Wanneer wij het kruisteeken maken, loven en aanbidden wij onzen goddelijken Verlosser; want dan toonen wij, dat wij, verre van ons te schamen over de vernederingen des Heeren, het kruis en lijden van Jezus betrachten als de bron van onze eeuwige glorie, die alle eer en lof en dankbaarheid, in hemel en op aarde, verdient.

Wanneer wij het Kruisteeken maken, getuigen wij ook openlijk, dat wij de voetstappen van Jezus willen drukken, en zijn Kruis als ons hoogste en kostbaarste eereteeken beschouwen. Wij herinneren ons dan bovendien het geduld, den ootmoed, de overgeving van Jezus aan den wil van zijnen goddelijken Vader, en wekken ons op, om, naar Jezus' voorbeeld diezelfde deugden te voeden in ons hart. Hoe zalig is dus dit heilig gebruik, om dikwerf het kruisteeken te maken; en te leven alsof men een vijand ware van het Kruis van Christus, zou eene onvergeeflijke huichelarij wezen. Zich met het Kruisteeken zegenen en zijne godsvrucht er niet door opwekken, zou een bewijs zijn, dat ons geloof niet levendig, maar zwak is en flauw.

Willen wij uit deze heilige oefening, die van de Apostelen herkomstig is, waarlijk nut trekken voor onze zielen, volgen f wij dan het voorbeeld der eerste Christenen, en voegen wij er de goede meening bij, van door het Kruisteeken al onze werken aan God toe te wijden, zijne hulp in te roepen, zijne genade af te smeeken, hem de hulde onzer dankbare harten aan te bieden, en hem te danken voor de groote genade der Verlossing, welke hij ons heeft verworven door zijn lijden en Kruis.

377

ocr page 386

ü-3—

^Cquot;

ALLERHEILIGEKDAG.

E Kerk weet in hare heilige tijden ons de geheele geschie-_denis der menschheid weder te geven; zij zoekt ons gedurig onze eeuwige bestemming te herinneren en daartoe op te leiden. De vier weken van den Advent, die op het Geboortefeest des Verlossers uitloopen, vertegenwoordigen de 4000 jaren, die zijne komst voorafgingen en voorbereidden. Gedurende den tijd, die er van Kerstmis tot Paschen verloopt, doet zij ons ingaan in het verborgen en openbaar, in het lijdend en verrezen leven des Heeren. Op Hemelvaartsdag zien wij den Verwinnaar van dood en graf, in zegepraal bezit nemen van zijn rijk, waar hij ons is voorgegaan, om er ons eene plaats te bereiden. Op het Pinksterfeest gedenken wij de zoo lang afgebeelde en toen voltooide stichting der Kerk, die zijn heiligen Geest ontving, om in de menschheid het goddelijk Verlossingswerk voort te zetten en te voltrekken. In de lange weken tusschen den Pinksterdag en het feest van Allerheiligen, zien wij dan ook de Kerk alom de genade der Verlossing uitbreiden, alle volken, naar de zending haar gegeven, onderwijzen en herscheppen; en nu, aan het einde van haren loop, in overeenstemming met den oogsttijd der natuur, ziet zij over de grenzen dezes tijds op de reeds in het eeuwige leven vergaderde vruchten; wijst zij ons op allen, die, gezaligd in haren schoot, of reeds den hemel zijn ingegaan, of nog voor een tijd in de zuiveringsplaats weerhouden, onze hulp inroepen, om van hunne smarten verlost en het eeuwig leven deelachtig te worden. Ons blijft dan nu nog over, eerst het Feest van Allerheiligen, dan de gedachtenis van alle overledenen

ocr page 387

ALLEEHEIL1GENDAG. 379

Toor te stelleu, en daarbij de Kerk, met de verkondiging van het groote wereldgericht, hare heilige tijden te zien voltrekken en sluiten.

Meermalen zagen wij onze teedere Moeder op haren pelgrimstocht naar den hemel hare uitverkorenen vergaderen, in de vier hoeken der winden verspreid; en beurtelings vierde zij, om zich te troosten in hare ballingschap en zich te bemoedigen in haar lijden en strijden, de feesten van hare zegevierende kinderen : van hare Apostelen en Martelaren, hare Belijders en hare Maagden. Ook gedacht zij de Engelen en de koren der zalige geesten, die God uitzendt, om haar en hare kinderen te beschermen. Doch de beperkte dagen des jaars zijn niet toereikend, om de tallooze scharen barer verheerlijkte leden allen afzonderlijk te gedenken, en daarom heeft zij een dag voor de gezamenlijke vereering van al hare Heiligen vastgesteld.

Eeeds in het jaar 608 deed Paus Bonifacius IV. het Pantheon van Rome, een tempel voor alle afgoden gesticht, openen en reinigen en wijdde dien aan den Drie-eenigen God, onder de inroeping van de H. Maagd en van alle Martelaren. Ruim eene eeuw later, in 731, werd door Gregorius III. in de St. Pieterskerk eene kapel ter eere van alle Heiligen gewijd. Nog eenigen tijd later echter schijnt alleen te Rome het feest van Allerheiligen gevierd te zijn, totdat Gregorius IV., in 835, in Frankrijk gekomen, Lodewijk den Goeden verzocht, dit feest in al zijne staten te vieren. Die vorst bewilligde dit gaarne, en sinds breidde zich door de gansche Kerk dit feest uit, waaraan Sixtus IV., in 1480, een octaaf verbonden heeft.

Wanneer dan de herfst is gekomen en de vruchten der aarde, het loon van zooveel arbeid en zorg, zijn ingezameld; wanneer de mensch zich verheugt in het bezit der ingeoogste goederen van allerlei aard, dan roept de Kerk aan al hare kinderen toe; heft uwe oogen en harten omhoog! Dan opent

ocr page 388

380 ALLERHEILIGEN DA6

zij de poorten der eeuwige stad Gods, en laat hun eenige stralen zien van de onuitsprekelijke glorie, die aan God zijne Heiligen heeft toebereid; en zij spreekt tot allen, tot de rijken en de armen, tot de geleerden en de ongeletterden : die goederen, welke gij vergadert, die kostbare oogst, zijn het beeld van de eeuwige goederen, welke gij op aarde te verdienen hebt. Ziet, zoovele Heiligen, weleer aan u gelijk, zij roepen u toe : weest onze navolgers, zooals wij het van Christus zijn. (I. Cor. XI, 1.) Zij waken over u, zij bidden voor u, als gij, die hunne broeders zijt en mede-erfgenamen van Christus, hunne voorspraak zult inroepen.

Want de zichtbare Kerk op aarde weet, dat zij van de onzichtbare na dit leven niet gescheiden, maar met haar op het innigst vereenigd is door eene bovennatuurlijke, geestelijke gemeenschap, die door meer dan aardsche, door goddelijke krachten gedragen wordt. Blijft immers God haar niet ten Yader immer en eeuwiglijk ? Is niet haar Hoofd zijn eeuwige Zoon Jezus Christus? is niet de H. Geest haar onsterfelijk leven? en heeft niet de liefde, die de band is tusschen dit en het toekomende leven, de eeuwigheid in zich ? Is het niet juist die eeuwige, eindelooze liefde, welke hier de Kerk doet worstelen en strijden, de afgestorvenen in het vagevuur doet lijden en de Heiligen gelukzalig maakt? Die eene liefde dan ook doet ons, in al onze verscheidenheid van roep en werkkring, heden eenparig opzien naar de vele woningen in het huis onzes Vaders; (Joan. XIV, 2.) daar ook is Christus aller eeuwig licht, doch schijnt in ieder der rechtvaardigen weder anders uit. Want een anderen glans heeft de zon, een anderen glans de maan, een anderen glans de sterren, en de eene ster is van de andere weder in klaarheid onderscheiden. Immers, gelijk wij het beeld van het aardsche hebben gedragen, zoo zullen wij ook het beeld van het hemelsche dragen. (1. Cor. XV; 49.) Verheffend en troostend gezicht, dat de Kerk ons heden ontsluit !

ocr page 389

allerheiligendag.

Daar staan de Verlosten, door Christus vergaêrd Uit alle geslachten en Heidnen der aard!

Zij komen,

Zij stroomen,

In talloozen stoet.

Met galmende psalmen,

Met wuivende palmen,

In sneeuwwitte kleedren, hun Koning te moet: De heilige Zieners, bezield van omhoog.

Die 't Godsrijk voorspelden, met adelaarsoog: De machtige Apostlen, die, vruchtloos verstoord. De wereld verwonnen, door 't zwaard van Gods woord; De juichende Martlaars, wier weerloozen moed Gestaald werd in vlammen, gedrenkt in hun bloed; De Dankbren in stilte, die Christus den Heer In de armen verpleegden, zijn liefde ter eer; De Strijders en Lijders, verzocht en verdrukt.

Maar wie geen beproeving de kroon heeft ontrukt; De Zonen des Vredes, de Dochtren der Smart; De Schaamlen van geeste, de Reinen van hart.

Allen die verlossing zochten

langs den kruisweg des Geloofs, Erfgenamen Gods des Vaders,

levendige Leên des Hoofds !

Ziet, zij staan daar om hun Koning,

circelend in rij op rij.

Dicht of verder, naar zij rijpten,

381

maar toch allen Hem nabij.

Allen hebben zij dan, op verscheidene wijze, eens gestreden en geleden, gelijk wij; allen hebben zij getracht, aan de verschillende roeping en genade, hun gegeven, te beantwoorden, ket beeld van Christus uit te drukken, en in zich, door den

ocr page 390

382 ALLERH EIL1GEK DAG.

Zoon, den Vader te verheerlijken. En gelijk zij in den tijd God in den onuitputtelijken rijkdom zijner liefde openbaarden, zoo blijven zij nog in de eeuwige verheerlijking van hun wezen hem openbaren en loven, wiens liefde zich in hen op oneindig verscheidene wijze weerspiegelt en verheerlijkt. Die opwekking, om God te loven en te danken in zijne Heiligen, die aansporing, om Christus in zijne wederbeelden te vereeren en na te volgen, dat eenig gevoel van gemeenschap met die verheven toonbeelden van deugd, dat troostend vertrouwen op hunne machtige voorspraak, keeren telkens terug in de getijden en gebeden van dezen dag.

Reeds met den ingang der H. Mis hooren wij de blijde woorden : Verheugen wij ons allen in den Heer, terwijl wij den feestdag ter eere van alle Heiligen vieren, over wier verheerlijking de Engelen zeiven zich verheugen en den Zoon Gods loven. De Lesse (Apok. VII, 2-12) voert ons met den verrukten Joannes in de eeuwigheid zelve over, waar hij eene groote schare zag, welke niemand konde tellen, uit alle natiën en geslachten, volken en talen; zij stonden, met witte kleederen en palmtakken in hunne hand voor den troon van het Lam, en zij riepen met luide stemmen en spraken : Glorie onzen God, die op den troon zit, en aan het Lam ! Alle Engelen stonden om den troon en om de ouderlingen en de vier dieren; en zij vielen voor den troon op hun aangezicht, aanbaden God en riepen : Amen ! Lof en glorie en wijsheid en dank, eer en macht en sterkte onzen God, in alle eeuwigheid. Amen.

En wie zijn ze, die zaligen, die als overwinnaars voor Gods troon staan en hem lof zingen? Dat zegt ons de Heer zelf in het Evangelie van dit feest (Mat. V. 3. - 12.): Zalig zijn de armen van geest; de zachtmoedigen; die treuren; die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid; de barmhartigen; die rein van harte zijn; de vreedzamen; en zalig zij, die vervolging

ocr page 391

ALLERHEILIGENDAG. 383

lijden, en om Zijnentwille beschimpt, vervolgd en gelasterd worden : verheugt en verblijdt u, zoo roept Jezus ons toe, want uw loon zal groot zijn in den hemel.

Doch die daar zalig zijn, wonen in vrede; daarom zegt het Offertorie : de zielen der rechtvaardigen zijn in Gods hand, en geen ramp treft hen, in de oogen der dwazen schijnen zij te sterven : zij echter zijn in vrede, (Sap. III. 1—3.) en meermalen wordt dien dag dit zinrijk gebed herhaald : Almachtige, eeuwige God, die ons vergund hebt, de verdiensten van al uwe Heiligen in een enkel Feest te vieren; wij smeeken U, dat Gij ons den gewenschten overvloed uwer goedertierenheid door de menigvuldige voorsprekers gelieft deelachtig te maken.

Deze feestdag is dan ingesteld, om God te danken en te verheerlijken in de wonderwerken zijner genade, in de tallooze koren zijner Heiligen, en om daarbij ook die Heiligen te vereeren, wier namen niet bijzonder worden herdacht; om ons tot hunne nastreving op te wekken, onze zwakheid aan te moedigen en onze lauwheid te beschamen; om ons aan onze eeuwige bestemming te herinneren, en aan het onvergankelijk loon, ons daar weggelegd; om door de voorspraak onzer verheerlijkte broeders nieuwe gunsten en diezelfde vergelding te verwerven. Zoo hopen wij, aan het einde dei-eeuwen eens met de Kerk te zegevieren, en haar op den grooten triomfdag in hare volle heerlijkheid te zien.

LOFZANG.

yiitcrtrc, (Cl^xnstc, scnmlie.»

Zie, Christus, liefdrijk God en Heer,

Op ons, uw schuldbelijdend kroost, In vaderlijke ontferming neêr,

En blijve uw Moeder ons ten troost.

ocr page 392

384 ALLERHEILIGENDAG.

En gij, wier negendubble rij Den troon des Eeuwigen omgeeft, O Englen, sta uw hoede ons bij,

Terwijl ons hart ten hemel streeft.

Apostel- en Profetenschaar,

Verbidt gij 's Hemels toornegloed. En worden wij den vreê gewaar.

Die enkel woont in 't rein gemoed.

Gij, heiige Martelarendrom,

En gij, Belijders, hoog in eer.

Bereidt ook ons in 't heiligdom Een zetelplaats bij God, den Heer.

O Maagdenstoet en Pelgrims-tal,

Die 't leven boetedoende sleet.

Roept gij ons uit het aardsche dal Naar 't oord, waar smarte huist noch leed.

Des vijands bende die ons kwelt, Zij machtloos in haar overmoed;

Daar, onder Christus' graf gesteld,

Gods kudde veilig wordt gehoed.

Den Vader op zijn hemeltroon Zij met den Zoon, en met den Geest, Het lied der eere in 't stof geboón Door 't schepsel, dat zijn Schepper vreest.

Overweging.

Daar is maar één Middelaar tusschen God en de menschen. Zoo predikt het Evangelie, zoo predikt ook de Katholieke Kerk. Maar waartoe dan, vraagt men, die menigte Middelaars, die ginds, in hooger sfeer, Gods glorie-

ocr page 393

ALLEEHEILIGENDAG.

troon omscharen, en welke Rome, het arme, blinde Rome, ten spot van den éénigen Middelaar, zoo dwaaselijk aanroept en vereert ? Veelvuldig zeker zijn de beschuldigingen, welke men hier tegen Rome opstapelt; maar, hoe veelvuldig ook, gij zult ze, als zoovele nevelen, voor het licht der waarheid zien verdwijnen. In het nog heidensche Rome bestond een tempel, die, ter eere van al de afgoden gesticht, later in een Christelijken tempel veranderd, en, ter eere van Maria en alle Heiligen, aan God werd toegewijd; doch wat meent men nu daarin te vinden, dat zoozeer de verontwaardiging gaande maakt ? Is het niet veeleer een schoon, een treffend, een recht dichterlijk tafereel, dien tempel der afgoden herschapen te zien in een gedenkzuil ter eere dier tallooze scharen, door den grooten Middelaar verlost ? Treedt met uwe gedachte dien ouden tempel, dat voormalig Pantheon bin-, nen : beschouwt daar al wat u omringt, maar beschouwt het met dat eenvoudig oog, waarvan de Zaligmaker zegt ; indien uw oog zuiver is, zoo zal heel uw lichaam helder zijn. Werpt vrij uwe blikken in het rond. Neen, gij ziet hier geen afgoden meer, in hunne plaats wordt Christus Jezus, de Koning der glorie, de eenige Middelaar, op het altaar gehuldigd en vereerd. Ziet om u, en gij ontdekt langs de wanden zijne tropheën, de afbeeldsels der Heiligen, welke Hij met zijn bloed vrij heeft gekocht. Ziet Maria, die gezegende onder de vrouwen, uit wier schoot de Heiland werd geboren; ziet de Apostelen, de Martelaars, wier bloedende wonden getuigen van den strijd des geloofs, dien zij met zooveel roem hebben voleind. Ziet de Belijders, die onvermoeide arbeiders, die in den wijngaard des Heeren den last van den dag en de hitte hebben getorst. Wat zeggen zij u, die edele gestalten, die daar voor uwe oogen schijnen te leven ? Niet waar, zij roepen u toe, zij verkondigen u luide : daar is slechts één Middelaar. Christus Jezus, onze Heer.

Ondertusschen, het is waar, wij vereeren die Heiligen, maar wij vereeren hen niet als Goden, niet als halve Goden ; wij vereeren hen als vrienden Gods, die reeds bezit hebben genomen van dat hemelsche erfdeel, hun door Christus geschonken en verdiend. Wij vereeren die Heiligen, ja, maar aanbidden hen niet. Wij aanbidden God, en God alléén. Wil men er zich van overtuigen, welaan dan, men kome in onze tempels, men kome er, indien men wil, ook op het Aller-heiligenfeest. En dan, zoo men slechts niet te zeer door vooroordeelen verblind is, dan zal men het zien, dan zal men het ondervinden, wij Katholieken, wij aanbidden God

25

385

ocr page 394

DE GEDACHTENIS

386

en God alléén. Terwijl zij opstijgen de wierookgalmen, waarin wij een afbeeldsel des gebeds beschouwen, dan ruischen, het is waar, onze hymnen, maar zij ruischen Hem ter eere, die de oorsprong van alle genade, de bron van alle heiligheid is. Blijde klimmen dan onze lofliederen hooger en hooger tot den troon des Eeuwigen, en roepen onze harten in dankbare vreugde uit : » Glorie zij God in den allerhoogste, en vrede op aarde den menschen, die van goeden wille zijn.quot; In verhoogd gevoel vloeien dan de beden van onze lippen, en zeggen het onze bevende stemmen den Engelen na : Heilig, Heilig is de Heer, de God der Heerscharen. Hemel en aarde zijn vol van uwe Heerlijkheid. Hosanna in den allerhoogste. Met den diepsten eerbied buigen wij de knieën voor den troon des Middelaars, voor het Lam zonder vlekken, dat wegneemt de zonden der wereld; wij buigen ze, in de volste overtuiging, dat Hij alléén eer en aanbidding verdient, en dat er buiten Hem geen heil en zaligheid te vinden is.

Het is waar, terwijl wij alzoo aan God en Jezus de hulde onzer aanbidding brengen, denken wij ook aan Maria, denken wij ook aan de Heiligen Gods. Met haar, met hen naderen wij tot den troon des Allerhoogsten ; met haar, met hen buigen wij ons voor de voeten des Middelaars, door haar, door hen, en met haar, met hen smeeken wij om nieuwe genadegiften. En wanneer het dan den Heere behaagt, minzaam neêr te zien op de gebeden, welke de Heiligen voor ons storten, wie zal de vermetele zijn, die durft beweren, dat Hij zonder den eenigen Middelaar te krenken dit niet kan doen ?

DE GEDACHTENIS YAN ALLE OYERLEDENEN.

R is geen oogenblik in het Kerkelijk Jaar, dat de heilige gemeenschap der lijdende, strijdende en zegevierende Kerk den geloovigen helderder en treffender iu het oog doet

ocr page 395

VAN ALLE OVERLEDENEN. 387

springen, dan de plechtige stond, waarop de overgang plaats grijpt van het Allerheiligen- tot het Allerzielenfeest. Immers, te midden der lofzangen, welke de Kerk over het aardrijk laat weergalmen, als wilde zij ons eenige zwakke tonen laten vernemen van het eeuwigdurend zegelied, dat daar door het hemel-sche Sion ruischt, te midden der onbeschrijflijke vreugde, welke de Kerk, als eene teedere moeder, wegens het geluk harer reeds verheerlijkte kinderen in haren boezem voelt opwellen, schijnt zij eensklaps haar oog te slaan op die andere ontelbare zielen, die ook eenmaal als deze Heiligen den zegepalm zullen dragen in den hemel, maar die thans nog liggen opgesloten in de smartvolle zuiveringsplaats. En ziet, met mede-doogen bevangen, staakt zij plotseling haar feestgejuich ; hare tempels leggen hun feesttooi af en hullen zich in rouwgewaad; lijkkaarsen worden aangestoken en droevig klaaggezang vervult het gewijde koor. Want, alhoewel het op eiken dag des jaars eene heilzame gedachte is voor de overledenen te bidden, zoo wil de Kerk ons toch inzonderheid op den gedenkdag van 2. November dezen plicht met nog treffender kleuren voor oogen houden; dan toch moeten wij gezamenlijk de gebeden en offeranden aanvullen, die dagelijks voor de afgestorvenen worden opgedragen; dan vinden wij gelegenheid tot het herstel der verzuimenissen, waaraan wij ons in het volbrengen onzer verplichtingen jegens de overledenen mochten hebben schuldig gemaakt, en worden wij aangespoord, deze met nieuwen ijver in het vervolg te volvoeren.

Niet altijd werd Allerzielendag, zooals thans, in de Kerk gevierd. Wel heeft zij, van den beginne af, voor de afgestorvenen dagelijks gebeden gestort, en jaarlijks hunne gedachtenis gevierd; maar een bijzonderen dag, om al de overledenen te gedenken, schijnt zij in de eerste tien eeuwen niet te hebben vastgesteld. Eerst in 998, werd in de beroemde Benediktijner Abdij Cluny, in Frankrijk, voorgeschreven.

ocr page 396

388 DE GEDACHTENIS

dat daags na het feest van Allerheiligen de gedachtenis van alle geloovige zielen moest worden gevierd. Dit stichtend gebruik werd eerlang door andere kerken gedeeld en spoedig, ook zonder bepaald gebod voor de geloovigen, door de gansche Christenheid nagevolgd.

En geen wonder! De verheerlijking Gods, het heil der zielen, de plicht der naastenliefde, wellicht die der rechtvaardigheid, en dan nog ons eigen belang zijn immers even zoovele spoorslagen, die ons moeten aanzetten tot het betrachten van dit vroom gebruik. Teneinde ons daarvan te overtuigen, zal de beknopte ontvouwing van eene enkele dezer beweegredenen voldoende wezen.

Wat lijden de zielen in het vagevuur ?

Laten wij, om deze vraag wèl te beantwoorden, met den geest in dien onderaardschen afgrond nederdalen, en er in stillen weemoed des harten de folteringen beschouwen, welke zoovele zielen, die beter leefden dan wij, hebben uit te staan. Helaas, daar ontsluiten zich voor onze oogen de poorten van dien vurigen kerker ! Daar stijgen en dalen de vlammen, en kronkelen zich met altijd nieuwen gloed om de zielen, die er in begraven liggen. Dit vuur, hetwelk volgens de leer der Vaders, niet verschilt van dat der hel, is geschapen, om tot werktuig te dienen van Gods rechtvaardigheid : wie is in staat de schrikwekkende eigenschappen op te sommen, welke Gods toorn, die het heeft aangeblazen, daaraan moet hebben verleend ? Het brandt zonder te verteren en foltert de geesten, die van het kleed des lichaams zijn ontbloot. De pijnen in het vagevuur overtreffen in hevigheid de grootste smarten, welke men in dit leven lijden kan. Ziedaar een kranke op het bed van jammer uitgestrekt! Hoe zijne haren ten berge rijzen; hoe zijne oogen stuiptrekkend in hunne kassen ronddraaien; hoe het koude zweet langs zijn wegkrimpend aangezicht afdruipt; hoe al zijne zenuwen trillend samenkrim-

ocr page 397

VAN ALLE OVEKLEDENEN. 389

pen, en al zijne ledematen huiveren bij het grievend wroeten der pijn in het hart van den ongelukkige! Brengen wij ons een oogenblik te binnen de belsche uitvindingen der heidensche dwingelanden en de uitmergelende pijnen, waarin zij de Martelaren lieten wegsterven. Denken wij even aan de nijpende tangen, die gloeiende roosters, dat kokend pek, die snijdende raderen, dat ziedend metaal, die rekkende pijnbank : welnu, al die pijnen der smartelijkste ziekte, al die folteringen, door de Martelaars geleden, geven ons nog geen toereikenden maatstaf van de pijnen, welke de zielen in die zuiveringsplaats hebben door te staan.

En mocht zich bij deze pijnen het lijden der zielen in het vagevuur bepalen ! Maar er bestaat nog eene andere kwelling voor haar, eene kwelling, die, volgens het Concilie van Provence, de onverdragelijkste aller folteringen is ; de pijn namelijk van beroofd te wezen van het aanschijn Gods ! Verbeelden wij ons die zielen, die in Gods liefde gestorven zijn. Zij beminden God, als haar opperste goed, reeds zoo vurig hier op. aarde : thans bevinden zij zich in een staat, waardoor zij veel beter geheel de liefderijkheid Gods kunnen beseffen. Thans zijn ze ontbloot van dat stoffelijk hulsel, dat haar verstand benevelde, verlost uit dien dierlijken kerker, die haar het gemoed naar de aarde drukte en ze aan het stoffelijke vastgeklui-sterd hield : hoe pijlsnel vliegen thans hare begeerten opwaarts naar dat hoogste goed, zoo lichtvaardig in dit leven door haar beleedigd ! Hoe brandt thans haar verlangen naar het gelukkig oogenblik, waarop zij zich in die zee van zaligheid zullen kunnen dompelen! Hoe smachten zij thans naar die bron van liefde en van heiligheid! Elk oogenblik doen zij eene hernieuwde poging om zich uit den kerker te bevrijden, waarin zij liggen opgesloten, en telkens gevoelen zij met verdubbelde smart het nijpen der ketens, die ze in den afgrond houden vastgekneld; voortgestuwd door hare brandende liefde tot

ocr page 398

390 DE GEDACHTENIS

God, trachten zij onophoudelijk zich te gaan verzadigen aan diens oneindige heerlijkheid, en telkens stoot de hand van Gods rechtvaardigheid die blakende zielen ver van zich af, en dompelt ze opnieuw in dien afgrond van smart en lijden. Neeu, zoo lang wij hier op aarde wandelen, zullen wij al het bittere dier straf, al het pijnlijke dier foltering niet begrijpen.

ó. Laten wij dan onze harten voor het deerniswaardig lot dier arme zielen niet sluiten ! Hebben zij al het voorrecht niet, als het een voorrecht heeten mag, met bevende stem ons mede-doogen gaande te maken, gelijk de verlaten behoeftige hier op aarde, zoo houdt toch de Kerk niet op, in haren naam ons toe te roepen ; » hebt medelijden met mij, hebt medelijden met mij, gij ten minste, die mijne vrienden zijt, want de hand des Heeren heeft mij getroffen.quot; O zalige gedachte! Wanneer wij bidden voor het eeuwig heil onzer broeders, die nog met ons op deze aarde strijden, verrichten wij zonder twijfel een uitstekend werk van christelijke barmhartigheid, hetwelk God niet onbeloond zal laten; maar altijd blijft het onzeker, of ons gebed wel met den gewenschten einduitslag zal worden bekroond, dewijl wij niet weten of hij, voor wien wij onze bede storten, misschien zelf niet een beletsel stelt, om aan de vruchten onzer gebeden deelachtig te worden; bidden wij echter, met de noodige vereischten voor onze broeders, die reeds in de genade des Heeren ontslapen zijn, zoo zijn wij er zeker van ten minste het uur bespoedigd te hebben, dat een uitverkorene te meer plaats zal nemen in de rij der zalige geesten, die Gods liefde en glorie jubelend bezingen door alle eeuwen heen. En tot de daaruit voortspruitende meerdere verheerlijking Gods zullen wij hebben meegewerkt! — Verzuimen wij dan niet, metterdaad de waarheid te behartigen, welke de H. Pau-lus ons voorhoudt, als hij zegt, dat het lijden van één lid gedeeld wordt door al de andere ledematen. Wij zijn immers allen

ocr page 399

VAN ALLE OVERLEDENEN. 391

broeders! — O hoe zal God, die een dronk water, te zijner liefde gegeven, niet onbeloond laat, hem niet beloonen, die door het H. Sacrificie der Mis, door het toevoegen der aflaten, door zijne gebeden en liefdewerken, de goddelijke Barmhartigheid in staat gesteld zal hebben, om de rijkste schatten der ontferming over die innig-geliefde zielen uit te storten! En, mocht het geluk ons ten deel vallen, zoodoende eene enkele ziel verlost te hebben, op welke onbegrijpelijke wijze z.il ons dan niet die ziel hare hemelsche erkentelijkheid be-toonen voor des Allerhoogsten troon !

Laten wij dus geen enkelen dag onzes levens voorbijgaan, zonder iets ten voordeele der arme en lijdende zielen te doen. Zorgen wij het oogenblik harer verlossing te bespoedigen door onze gebeden en goede werken, en bijzonder door voor haar het II.Misoffer te doen opdragen en op haar, althans ten deele, de aflaten, welke wij verdienen, toe te passen. Doch dat heden, vuriger dan ooit, onze bede voor die zielen, in vereeniging met die der geheele katholieke Kerk, ten hemel opstijgen, en dat niet alleen onze mond, maar ook ons hart dikwerf het smeekgebed herhale : Heere Jezus 1 groote Verlosser, barmhartige Vader, heb medelijden met die arme zielen, welke Gij door uw dierbaar bloed hebt vrijgekocht! Geef haar, o Heer, de eeuwige rust, en het eeuwige licht verlichte haar! dat zij rusten in vrede! Amen.

LOFZANG.

ivae.

De toornedag, die dag snelt aan,

Als de aarde in vlammen op zal gaan,

Gelijk Sibyl en David spellen.

Wat angst treft dan niet ieders borst.

Wanneer hij, de Opperhemelvorst,

Het vonnis over de aard komt vellen-

ocr page 400

392 DE GEDACHTENIS

En 't graf, op schel bazuingeluid,

Van schrik verbleekt, zijn schoot ontsluit.

Om alle stof te zien ontwaken.

Terwijl natuur, verbaasd en stom.

Dien onafzienbren volkendrom

Des Rechters vierschaar ziet genaken.

Dan wordt het schuldboek aangebracht. Waarin heel 't menschelijk geslacht Zijn goed en kwaad zal zien geschreven; En heeft de Rechter 't pleit beslist,

Zoo is daarbij geen feit gemist.

Geheim of openbaar bedreven.

Ach mij, ellendige, als ik ben.

Die hier in 't stof reeds schuld beken,

Hoe zal ik 't vonnis dadr ontvluchten ?

Wie keert dan 't vreeslijk oordeel af

Der mij beschoren hellestraf,

Daar zelfs de Heiligen nog duchten ?

Gij Heer, ontzagtbre Majesteit,

Die, louter uit barmhartigheid.

Den uwen 't rijk des hemels opent,

ó Red ook mij, door uw gena.

En kom' mij Jezus' bloed te sta.

Waarop ik, vol vertrouwen hopend,

Alleen mijn uitzicht heb gesteld. Ach, Rechter, eer Gij 't oordeel velt, Bedenk, dat Ge ook om mij kwaamt sterven. Dat Gij ook mij kocht met uw bloed : Ach, zie mij kermend aan uw voet. Ach, laat mij uwe gunst niet derven.

Gij hebt mij onvermoeid gezocht.

Aan 't folterhout mij vrijgekocht.

En is dat al voor mij verloren ?

ocr page 401

van alle overledenen. 393

ó Rechter, streng, maar liefderijk,

Geef mij van uwe ontferming blijk,

Vóórdat uw toornedag zal gloren.

Ik zucht, met schaamte op 't aangezicht. Te pletter liggend onder 't wicht Van tallooze en afgrijsbre zonden;

En toch nog blijft de hoop mij bij :

Want heeft de Moorder aan uw zij,

Maria zelfs geen heil gevonden ?

Wel is mijn bede uw oor niet waard,

Doch Gij, die liefst vergeeft en spaart,

Zult mij aan 't vuur der hel niet wijden.

Maar eerder aan uw rechter zij Een plaats bestemmen ook voor mij,

Bij 't bokken en het lammren scheiden.

Wanneer Gij 't doemtal van u stoot En neerploft in der vlammen schoot,

o. Zij mijn lot dan met de vromen !

In 't stof gebukt, voor U geknield.

Roep ik, het hart met rouw bezield :

6, Laat me in 't einde tot U komen.

Ja wèl vol jammer breekt hij aan.

De dag, als de aarde in vlam zal staan,

Gelijk Sibyl en David spellen;

De stond, als 't schepsel in 't gericht Gedaagd wordt voor Gods aangezicht. Om 't eeuwig vonnis te zien vellen.

ó Rechter, vol lankmoedigheid !

Verhoor den zondaar, die hier schreit.

Bewust van 't kwaad, door hem bedreven; Ach, geef door 't overkostbaar Bloed,

Waarmeê Gij hebt voor ons geboet.

Die op U hopen, 't eeuwig leven.

ocr page 402

DE GEDACHTENIS

Overweging.

HET GRAF DER OUDERS.

. Het is een overoud gebruik, dat op dit Feest, als zijnde de herinneringsdag aan alle afgestorven geloovigen, kinderen, tot zelfs volwassen en gehuwde kinderen, somwijlen twee, drie, ja, nog meer uren ver ddirheen gaan, waar hunne ouders, waar vader of moeder begraven zijn.

Op vele plaatsen bestaat zelfs het gebruik, dat kinderen, kleine en groote, met Zon- en Feestdagen, vóór of na de godsdienstoefening, op den Godsakker staan blijven, en bidden bij hunner ouderen graf. Velen ziet men daar weenen, bitter weenen op de plek, waar hun vader en hunne moeder rusten.

Dit is een schoon en loffelijk gebruik, want er staat geschreven — en God heeft dit op steenen tafelen en iederen mensch in het hart gegrift — ; Gij zult vader en moeder eeren. Het is een goed teeken, dat zij goede kinderen zijn, en zeiven eenmaal ook goede ouders zullen worden.

Wij moeten voor alle afgestorven geloovigen bidden, daartoe wekt ons de katholieke Kerk op, die den dag van heden daartoe bijzonder heeft bestemd, dat wij ook de arme zielen in het vagevuur gedenken, die op de aarde misschien geen mensch meer hebben, die harer gedachtig is.

Wij moeten voor alle afgestorven geloovigen bidden, dewijl allen Gods kinderen zijn. God bemint hen, hij straft hen als vader, niet uit gramschap, maar uit liefde; hij wil slechts hen geheel, als het goud door het vuur, reinigen, opdat zij zonder vlek of smet verschijnen voor zijn heilig aangezicht.

Wij moeten voor alle afgestorven geloovigen bidden, omdat allen onze medemenschen, onze broeders en zusters in Jezus Christus zijn; dewijl het ook ons lief wezen zal, als eens, na ons verscheiden, ook anderen bidden voor ons.

Wij moeten derhalve uit liefde tot God en uit liefde tot den naaste, voor alle afgestorvenen bidden, maar voor onze afgestorven ouders in het bijzonder, uit dankbaarheid. Ik zeg : uit dankbaarheid. Onze ouders toch zijn na God onze grootste weldoeners : aan hen hebben wij het meest, ja alles te danken.

394

ocr page 403

VAN ALLE OVERLEDENEN.

Als echtelieden eenmaal kinderen hebben, dan houden zij als het ware op, voor zich zeiven te bestaan, en beginnen geheel te leven in en voor hun kroost. Van den tijd af, dat zij kinderen hebben, heet de man zijne vrouw moeder, en de vrouw haren man vader. Zij geven daardoor te kennen, zij herinneren en waarschuwen daardoor elkander, dat zij nu geheel, met lijf en ziel, vader en moeder zijn, dat zij uitsluitend voor hunne kinderen moeten leven en zorgen.

Maar vele kinderen zien niet, wat zij in hunne ouders bezitten; velen erkennen en ondervinden dit eerst dan, wanneer zij hunne ouders hebben verloren, wanneer hunne ouders reeds gestorven zijn.

Kinderen! groote, volwassen kinderen! gehuwde en ongehuwde kinderen! gij waart gisteren en vandaag bij het graf uwer ouders, bij het graf van uwen vader, van uwe moeder; — o, gaat er dikwerf heen, en denkt dan bij u zeiven :

„Hier, hier ligt mijn vader begraven! het was een goede vader; veel heb ik aan hem verloren! hij was een brave vader; hij zorgde voor mij in alles zoo liefderijk; hij arbeidde, vroeg en laat, om mij te kunnen opvoeden; hij spaarde voor mij menigen beet uit eigen mond, ja, hij leed misschien zelfs gebrek, opdat ik na zijn dood, zonder gebrek te lijden, zou kunnen voortleven.quot;

„ En hier, hier ligt mijne moeder begraven. Zij heeft om mijnentwil nog meer dan mijn vader moeten doen en uitstaan ; zij heeft mij met smarten gebaard; zij heeft mij in mijne kinderjaren moeten opheffen, nederleggen en verplegen; zij heeft mij bestendig op hare afgematte armen moeten dragen; zij heeft, dikwijls, vele uren lang, soms den geheelen nacht door, geen oog geloken; zij heeft veelal niet eens eenige oogenblikken rustig kunnen eten, zonder door mijn gekerm te worden opgejaagd en gestoord.quot;

Ja, zie, daar rusten thans uwe ouders, daar ligt uw vader, uwe moeder begraven ! O, herinner u dan nu bij hun graf, wat zij al gedaan hebben, om u goed en christelijk op te voeden, om u in deugd, in onschuld, in godsvrucht te bewaren, en u van het kwaad, van de eerste zware zonde, terug te houden ! Met hoeveel ijver hebben zij u naar de school, naar de christelijke leering gezonden! hoe dikwijls hebben zij u tot het gebed, tot het veelmalen en waardig ontvangen van de Heilige Sacramenten der Boetvaardigheid en des Altaars opgewekt! met hoeveel zorg hebben zij u gewaarschuwd voor booze gezelschappen, voor gevaarlijke vermaken, voor het spel, voor den opschik! hoe dikwijls heeft u uw chris-

395

ocr page 404

396 DB GEDACHTBNIS VAN ALLE OVERLEDENEN.

telijke vader, uwe toch reeds genoeg gekwelde moeder, met weenende oogen, met opgeheven handen, om Gods wil, en om uwer ziele zaligheid, gebeden, wellicht nog in hunne laatste ziekte, nog op hun sterfbed, vermaand en gesmeekt, van u toch niet hier of niet daarheen te begeven, met dezen of met die niet om te gaan, in tijds huiswaarts te keeren, en duizend andere lessen en wenken meer toebedeeld. Welke vruchten hebben die vermaningen uwer ouders gedragen? Hebt gij hunne liefde en zorgen betaald ? Waarmeê ? Hebt gij hun vreugde; maar, o mijn God! wat zeg ik, vreugde? hebt gij hun niet kommer en verdriet, door uwe ongehoorzaamheid, door uwe oneerbiedigheid, door uw slecht gedrag zooveel kommer en verdriet veroorzaakt, dat gij daardoor hun leven verbitterd en verkort, dat gij uwen vader, uwe moeder vóór den tijd, onder de aarde, in het graf gebracht hebt ?

Ik zeg nog meer: zie, daar ligt uw vader, daar is uwe moeder begraven, maar slechts hun lichaam, dat wellicht reeds vergaan is : daar zijn slechts hunne dorre beenderen begraven : waar, waar is hunne ziel, hunne onsterfelijke ziel ? Wij hopen wel het berte; maar, wij moeten niet alleen hopen ; wij moeten ook gelooven.

Het geloof nu leert ons, dat de ziel des menschen na haar scheiden van het lichaam, of in den hemel, of in de hel, of in het vagevuur komt. Welnu, waar is thans de ziel van uwen vader, van uwe moeder ? Misschien in het vagevuur, misschien reeds lang, reeds vele jaren in het vagevuur, en dit om uwentwil, dewijl zij voor u te goed waren, dewijl zij u te veel hebben ingewilligd.

Kunt gij verlangen, dat uwe ouders, die om u op deze wereld reeds zooveel moesten lijden en uitstaan, kunt gij het over uw gemoed krijgen, dat zij ook nog in de andere wereld moeten lijden, om uwentwil ?

ocr page 405

gt;-5M

DE H. WIL.L.IBROB.DUS.

aartsbisschop, apostel der nederlanden.

aten wij, met kinderlijke dankbaarheid, het leven van onzen Apostel en den eersten Aartsbisschop van Utrecht lezen, van onzen vader in het geloof, die thans uit den hemel beschermend op ons nederziet, en ons toeroept : gij zijt het teeken van mijn Apostelschap in den Heer.

Willibrordus, de Zoon van Wilgis, werd in Northumberland, in 657, uit even vrome als aanzienlijke ouders, geboren, en in het klooster van den H. Wilfried opgevoed. Nederig, zachtzinnig en zedig, vaardig en nauwgezet in het vervullen zijner plichten, mocht hij welhaast zijne gelofte afleggen. In al zijn doen en spreken straalde eene wijsheid en ernst van hooger jaren en gaven uit, terwijl hij door eene onvermoeide studie der H. Schrift zijne kennis en godsvrucht voedde. Met vergunning van zijn Abt ging hij, op zijn 20. jaar, naar Ierland, om zich onder de leiding van den H. Egbertus te stellen. Na hier tien jaren verbleven en tot Priester gewijd te zijn, voelde hij, zijne Angel-Saksische afkomst gedachtig, zich gedreven, om, wat zijn H. Abt en de H. Wigbertus tevergeefs hadden beproefd, te hervatten, en het Evangelie aan de nog heidensche Friezen, Saksen en naburige volken te gaan brengen. Met een ijverig elftal kloosterlingen, onder welke Werenfried, Adalbert en Suitbertus met zekerheid te noemen zijn, zette hij hier, in 690, bij Katwijk, voet aan land, en zich met zijne tochtgenooten op zijne knieën werpende, smeekte hij Gods zegen over hunnen arbeid af.

Door Frankrijks Opperhofmeester, Pepijn van Herstal, was Radboud, Koning der Friezen, cijnsbaar gemaakt, en een

ocr page 406

398 DE H. WILLIBEOBDUS.

deel van friesland, met Wiltenburg (thans Utrecht,) in de handen der Franken gekomen. Willibrordus vroeg zijne bescherming, die hem gaarne toegezegd en trouw gegeven werd. Eene zijner eerste zorgen was nu, om naar Rome te gaan, en met de zending en den zegen van Paus Sergius wedergekeerd, te Wiltenburg een bedeplaats te bouwen, om er het H. Offer op te dragen, en de nieuwbekeerden te doopen. Ten spijt van het getier der afgodspriesters, wist hij, door geduld en zachtheid, de harten te veroveren. Apostel, herder, vriend en vader, liet hij overal slechts de taal eener ootmoedige en vredever-kondigende liefde hooren, en duizenden trotsche hoofden bogen zich voor des Heeren nederig kruis. Om het bekeeringwerk met te meer kracht te kunnen voortzetten, werd Willibrord, wellicht op aanbeveling van den H. Lambertus, Bisschop van Maastricht, die den ijverigeu zendeling had leeren kennen, tot Aartsbisschop der Friezen verkozen, en, hoezeer zijne nederigheid er zich tegen aankantte, moest hij eindelijk aan Gods beschikking toegeven, en trok hij weder naar Rome, waar hij, in 696, toen 39 jaar oud, door Paus Sergius I. gewijd, en voortaan Clemens (de Zachtmoedige) hetzij om zijne zachtaardigheid, of naar den feestdag zijner wijding werd genoemd. De nieuwe Aartsbisschop koos Utrecht tot zijn zetel, en de kerk des H. Verlossers (Sint Salvator) welke hij bouwde, tot hoofdkerk. Hij richtte er ook een gesticht voor geestelijken en scholen voor de jeugd op.

Na de vestiging van dit middelpunt breidde Willibrordus zijne prediking verder uit, ook tot Koning Radboud zeiven, die versteend van harte bleef, tot den woesten vorst der Denen, die, evenmin als zijne onderdanen, naar den vredesapostel wilde hooren. De eerste zelfs, verwoed, dat de heilige geloofsverkondigeropenlijk de onmacht van den afgod Fosite had doen blijken, vorderde herstel voor dien gewaanden smaad. Doch Willibrordus antwoordde hem onverschrokken : ,/ Fosite, dien

ocr page 407

DE H. WILLIBRORDUS. 399

gij, o Koning! vereert is geen God, maar de Duivel, die u schandelijk misleiden blijft. Indien gij mij, die u den weg des heils aantoon, blijft verachten, weet dan, dat gij de eeuwige straffen met den Duivel, dien gij gehoorzaamt, niet zult ontgaan.quot; Verbaasd over dien moed, hervatte de Vorst: // Ik zie, dat gij onze bedreigingen niet vreest en dat uwe taal uwe daden niet tegenspreekt,quot; — doch hij bekeerde zich niet. Onvermoeid zette Willibrordus intusschen zijne prediking voort, en verspreidde zich met zijne medegezellen door alle streken van ons Vaderland. Zoo kwam hij in Zeeland, op het eiland Walcheren, waar hij een afgod, met menschenoffers geëerd, verbrijzelde, en door een heiden, met een slag van het zwaard, aan het hoofd werd gewond; ter plaatse waar nu Vlissingen ligt, en waar hij een weinig wijn door de kracht Gods vermeerderde; over de Schelde, in een gedeelte vin Vlaanderen; in Antwerpen en Luxemburg; in Kempenland en 's Hertogenbosch, waar hij overal vele zielen voor den hemel won; te Vlaardingen, Kerkwerve, Velzen, Oestgeest, Petten, Heiloo, waar hij kerken stichtte en inwijdde. Op de laatste plaats is nog het putje, dat, toen hij daar met zijne medearbeiders hevigen dorst leed, op zijn gebed, zoet water opgaf, dat ook als geneesmiddel tegen verschillende kwalen heeft gestrekt. Inzonderheid was hij er op bedacht, alom scholen, ook voor jeugdige kerkbedienaars, godvruchtige gestichten en kloosters te vestigen, waarin hij vrome kloosterlingen plaatste, om door hun eendrachtig en aanhoudend gebed, door hun onderricht en voorbeeld zijn apostolischen arbeid te ondersteunen en te bestendigen. Over den Apostel der Nederlanden hebben wij eene schoone getuigenis van den Apostel van Duitschland, den H. Bonifacius, die hem in het jaar 720 bezocht, en driejaren met hem arbeidde. Hij schreef lang na des Heiligen dood aan Paus Stephanus II., „ dat de gelukzalige Willibrordus een Prelaat was, wonderbaar in ont-

ocr page 408

400 DE H. WILLIBRORDUS.

houding en heiligheid; die gedurende vijftig jaren aan het onderwijzen der Friezen arbeidde, en het meerendeel van hen tot het geloof bekeerde; die de tempels, door hunne vaderen voor de afgoden opgericht, vernielde, en een aantal kerken bouwde, terwijl hij zich, wegens zijn hoogen ouderdom, een Bisschop tot medehelper koos, om hem in de bediening van het predikambt bij te staan; en dat, toen de mate zijner verdiensten vervuld was. God zijnen arbeid in de eeuwige heerlijkheid gekroond heeft.quot;

Reeds in 726 had Willibrordus, bij uitersten wil, al de hem geschonken goederen aan de geliefde abdij van Echter-nach vermaakt, en verlangd, om aldaar begraven te worden. Toen, in zijn 82 jaar, mocht de eerbiedwaardige grijsaard met vertrouwen op zijn vijftigjarigen onvermoeiden arbeid onder de Friezen, onze voorouders, terugzien : overal schitterden de bewijzen van zijn nooit vertraagden ijver voor zijnen Meester, wiens Naam en Kruis allerwegen werd vereerd: hij had Nederland voor Jezus Christus gewonnen, en onze vader in den Heer ging nu, vol van dagen en verdiensten, het loon van zijnen arbeid smaken, op den 6. November 739. Het feest van den H. Willibrordus wordt den 7. November gevierd. Naar zijn verlangen werd hij in het klooster van Echternach begraven, waar God het graf van zijnen trouwen dienaar met vele wonderen verheerlijkt heeft. Tot op den dag van heden wordt dat graf door talrijke pelgrims bezocht, die zijne hulp en voorspraak komen inroepen. Het is ook te zijner eere, dat men jaarlijks te Echternach eene eigenaardige Proccessie houdt, die steeds door meer dan tien duizend pelgrims wordt bijgewoond.

ocr page 409

DE H. WILLIBRORDUS,

LOFZANG.

43cbc aan hen iycUiaen SlI'iUtljravigt;u»,

Apostel en Patroon der Nederlanden.

O Willibrord! die, van omhoog, Ons gaslaat met beschermend oog,

Hoor 't nageslacht der vadren aan, Met wie gij zelf hebt omgegaan.

Zie Neerland aan, uw roem en kroon. Gij, onze Apostel en Patroon !

Hier hebt gij, moedig Godsgezant,

Hier Jezus' Heilbanier geplant;

Hier half een eeuw zijn Naam verbreid. Zijn Bruid een zetel toebereid.

Hier, door uw ijver en gebed,

Mijn vadren uit den dood gered.

Ach, elfmaal ging een eeuwkring rond. Sinds gij hier Satans rijk verwont. En nu, ach ! meer dan 't half geslacht, Zonk weêr terug in 's vijands macht.

Geliefde quot;Vader en Patroon ! Zie Neerland aan, uw roem en kroon : Bid, Willibrord ! bid bij den Heer, Dat al wat doolt eens wederkeer !

Ach, voer hen met uw trouw gezin. Ach, voer ook hen uw glorie in ;

O gij, die 't kruis hier hebt geplant. Bid voor uw dierbaar Nederland !

401

ocr page 410

DE H. WILLIBRORDÜS.

Overweging.

Kenden wij Gods gaven, dachten wij aan den toestand, waarin onze voorouders leefden en die, zonder het Evangelie, ook nog de onze wezen zou ; met welke dankbaarheid zouden wij dan onze stemmen bij die der Kerk voegen, ons hart bij haar hart, en ons gebed bij haar gebed, om Hem te danken, die ons in het midden des Christendoms heeft doen geboren worden ! Hoe vurig zouden wij God danken, dat hij ons door den H. Willibrordus de genade des geloofs geschonken heeft! Hoe dankbaar zouden wij onzen Vader in Jezus Christus vereeren, die ons nog als zijne kinderen bemint!

Treft u die herinnering der heidensche tijden niet, slaat dan uwe oogen op de ongelukkige volken, die nog onder de afgoderij liggen gebukt. Ziet, zoo roepen zij ons toe, ziet onze ellende, onze vernedering, ons verderf, onze dwingelandij, onze menschenoffers; gij zijt geweest, wat wij zijn, en zonder het Christendom zoudt gij het nog wezen. Bewaart toch wel, wat gij bezit : de godsdienst, die u aan de slavernij des duivels en aan die der menschen onttrokken heeft, is alleen bekwaam, om er ons vrij van te bewaren. Ondervraagt de landen, die eens het Geloof ontvangen hadden, maar het verlaten hebben : wat leert ons Afrika, het vaderland van een Augustinus, een Cyprianus en een Tertulianus ? wat leert ons Azië, wat leert ons Griekenland, dat met het zweet der Apostelen zelf werd besproeid ? Daar vond men eertijds de godvruchtige Christenen van Antiochië, van Ephese, van Corinthe, van Thessalonica, heilig en tevens vrij en gelukkig. En wat ziet men er nu ? Verwoestingen, de eene op de andere. De Turksche halve maan bekleedt de plaats van het heilig Kruis; de ontucht die der reine deugd; de onbeschaafdheid die der wetenschap; de slavernij die der vrijheid; de vreugde is er opgevolgd door droefheid, jammer, armoede en gebrek. Uit het midden der overblijfselen van hunne oude grootheid, roepen die volken en die steden ons toe : bewoners van Europa, wij waren u voorafgegaan in het geloof en in de beschaving; hier werd uw Geloof gevestigd; wij waren, wat gij zijt, verlicht, gelukkig en vrij, bewaart toch wel den schat, dien gij bezit: de Godsdienst,

402

ocr page 411

KERKWIJDING.

die u deugdzaam en groot heeft gemaakt, kan u alleen voor het terugvallen in de barbaarschheid, voor den ondergang bewaren !

Zoo leert ons de ellendige toestand der heidensche of afgevallen volken de gave des Geloofs hoogschatten; zoo wekt ons het ijselijk schouwspel, hetwelk hun toestand vertoont, tot levendige dankbaarheid op.

Mogen die groote lessen ons dan doen nadenken, en moge het aanschouwen van zooveel ellende ons hart raken ! Laten wij ons niet tevreden stellen met een vruchteloos medelijden, maar laat ons ook die ongelukkigen ter hulpe snellen. Laten wij, door onze aalmoezen en gebeden, den ijver der Missionarissen ondersteunen, opdat de blijde Boodschap der Verlossing weldra ook aan die ongelukkigen worde verkondigd, die, zoowel als wij, door het bloed van Jezus Christus zijn vrijgekocht. Het licht des Evangelies aan degenen bezorgen, die nog in de duisternis zitten en in de schaduw des doods; het onze bijdragen om degenen, die de ware Kerk verlaten en het waar Geloof verloren hebben, in den schoot der ware Kerk terug te brengen, zijn de zekerste middelen, om de genade te bekomen van zelf te blijven volharden in 't waar Geloof.

Smeeken wij dan ook dikwerf den H. Willibrordus, dat hij op deze landen, onder zijne bescherming gesteld, in liefde nederzie en bidde, dat wij het ware Geloof mogen behouden en allen tot de kennis der ééne Waarheid, door hem gepredikt, komen. Spreken wij dagelijks, te dien einde, een vurig kort gebed, bijvoorbeeld ; H. Willibrordus, onze Apostel! bid voor ons en voor ons dierbaar Nederland.

......................................................................................................qgt;-c

KERKWIJDING.

-—-

oen Salomon den tempel van Jerusalem, den eenigen waren God ter eere, had voltrokken, wijdde hij dien toe aan den Heer, te midden van lofzangen, offeranden en plechtig-

4Ö3

ocr page 412

404 kerkwijding.

heden, die zeven dagen duurden. Met meer recht worden onze kerken, waar niet ledige elementen en zinnebeelden, maar verwezenlijking er van zich bevindt; waar niet de quot;Wet van Mozes, de Eoede van Aaron, en het Manna der woestijn, maar de eeuwige Wetgever, de God, die alleen wonderen verricht, als een hemelsch Manna, onder de nederige gedaante van Brood wordt bewaard; waar niet redelooze dieren door Priesters der Oude Wet worden geslachtofferd, maar Jezus Christus zelf, door de handen der Priesters van het Nieuw Verbond, zich aan den hemelschen Vader opdraagt, plechtig ingezegend en gewijd, vóórdat zij tot hare verheven bestemming worden gebruikt.

Den vloek indachtig, die tegen de aarde is uitgesproken, — maledicta terra in opere tuo — bezigt de Kerk voor hare gebruiken niets van al het aardsche, alvorens door haren zegen den vloek er van te hebben weggenomen : en hoe dan zou zij een aardsch gebouw tot de woonplaats maken van den levenden God, en hare verhevenste geheimen er in verrichten, zonder het vooraf door haren zegen of hare wijding te hebben gezuiverd en gewijd ?

Niet altijd echter werd de kerkwijding zoo plechtig, als heden ten dage, verricht. In de eerste drie eeuwen der Kerk, tijdens de bloedige vervolgingen, waaraan de Christenen van de zijde der Romeinsche Keizers onophoudelijk bloot stonden, waren er, wel is waar, van den tijd der twaalf Apostelen af, bepaalde plaatsen, oratoria, (bidplaatsen) of Ecclesise, (kerken) genoemd, aan God toegewijd, waar de geloovigen te zamen kwamen om te bidden, het woord Gods te hooren, de heilige Geheimen bij te wonen, en de H. Communie te ontvangen; maar de plechtige en openlijke wijding der Christen kerken dagteekent eerst van den tijd van Paus Silvester, dat is van het oogenblik, dat door Keizer Constantijn rust en vrede aan de Kerk geschonken werd. De plechtige wijding der nieuwe kerken werd weldra als verplichtend voor alle plaatsen voorge-

ocr page 413

KERKWIJDING 405

schreven, zoodat het buiten het geval eener dwingende noodzakelijkheid, niet geoorloofd is, de H. Diensten te verrichten in eene kerk, die noch door den Bisschop gewijd, noch door eeu daartoe gemachtigden Priester voorloopig ingezegend is.

Menigvuldig en indrukwekkend zijn de plechtigheden, die bij de Kerkwijding voorkomen. Wanneer het besloten is, eene nieuwe kerk te bouwen, en hare plaats door den Bisschop is aangewezen, wordt daar, waar later het hoogaltaar zal staan, een kruis geplant, als zinnebeeld der overwinning, door het kruis op de afgoderij en de heidensche wereld behaald. Zoo plaatst een veldheer de vaan der overwinning op de bolwerken eener veroverde vest! Bij die voorloopige plechtigheid worden lofzangen aangestemd, vurige gebeden gestort, en wordt op eene bijzondere wijze de Heilige aangeroepen, die tot schutspatroon der nieuwe kerk verkozen is. Men denke echter niet, dat de kerk aan dien Heilige zal worden toegewijd ; aan God en aan God alleen kan een tempel toegewijd worden; maar deze wordt onder de bescherming van een bepaalden Heilige gesteld, en onder diens bijzondere aanroeping Gode toegewijd. Is het kruis geplant, dan zegent de Bisschop den eersten steen der nieuwe kerk, tot een zinnebeeld van Hem, die in de heilige Boeken de Hoeksteen der Kerk wordt genoemd; hij plaatst dien in de fundamenten en besproeit hem, benevens de plaats, waar het kruis is geplant en voorts het geheele fundament met gewijd water. Nu kan de bouw der kerk beginnen, en is deze voltrokken, dan breekt de dag der wijding aan. De Bisschop en de gemeente bereiden zich door een vastendag tot het groote wijditigsfeest voor. Op het einde van dezen boetedag, dat is op den vooravond der Kerkwijding, sluit de Bisschop de reliquieën der Heiligen, die in het altaar zullen worden geplaatst, in eene daartoe bestemde doos, waarin hij tevens drie korrels wierook legt en een perkament, waarop de dag, de maand en het jaar der Kerkwijding aangeteekend, en de aflaten vermeld zijn, die

ocr page 414

KERKWIJDING.

te dezer gelegenheid en op den verjaardag der wijding aan de geloovigen worden verleend. Deze doos wordt verzegeld en vervolgens onder eene, te dien einde in de nabijheid der kerk opgerichte en versierde tent, tusschen twee brandende kaarsen geplaatst, en daar worden de Metten en Laudes gezongen ter eere van de heilige Martelaars, wier overblijfsels er zijn neergezet.

In den vroegen morgen van den volgenden dag treedt de Bisschop, die het wijdingswerk zal verrichten, den nieuwen tempel in. Op de wanden van het kerkgebouw zijn twaalf kruisen geteekend, en bij ieder er van is eene kaars geplaatst. Zoodra deze twaalf kaarsen, (het zinnebeeld der twaalf Apostelen, door wie het licht des geloofs over de wereld is verspreid) ontstoken zijn, verlaten de Bisschop en alle andere aanwezigen, met uitzondering van slechts één Diaken, de kerk, en de deuren er van worden gesloten. Door de geestelijkheid en de geloovigen vergezeld, begeeft zich de Bisschop naar de plaats, waar de reliquieën den vorigen dag zijn neergezet, en kleedt zich daar, terwijl de Boetpsalmen worden gezongen, in zijn bisschoppelijk gewaad. Zoodra de zang der Boetpsalmen ge-eindigd is, plaatst zich de Bisschop voor de gesloten deur der nieuwe kerk en begint de plechtigheid, nadat de Litanie van alle Heiligen — waarin ook de Patroon der kerk, tot tweemaal toe, wordt aangeroepen — geëindigd is, met Gods hulp en bijstand in te roepen en water te wijden. Terwijl het koor verschillende lofzangen aanheft, gaat de Bisschop rondom het kerkgebouw, en besproeit de muren er van met gewijd water. Daarna klopt hij met zijn Bisschopstaf op de kerkdeur en zingt: // o Prinsen van Gods woonstede, ontgrendelt uwe deuren, en gij, eeuwige poorten, opent u, opdat de Koning der Heerlijkheid binnenga.quot; Wie is die Koning der Heerlijkheid? vraagt, zingende, de Diaken, die in de kerk is gebleven, en de Prelaat antwoordt hem : ,/ Het is de Heer, die sterk en machtig .is, de Heer, die machtig is in den strijd.quot; Driemaal wordt

406

ocr page 415

KERKWIJDING. 407

diezelfde plechtigheid herhaald. Wanneer de Bisschop ten derden male op de vraag van den Diaken heeft geantwoord, dan roept de vergaderde geestelijkheid, als uit eenen mond ; opent, opent, opent! De deur wordt ontsloten, en met den heilwensch, vrede zij aan dit hun, treedt de prelaat den nieuwen tempel in. Zoo ook zullen wij eens, na meer of minder jaren in dit oord van ballingschap te hebben rondgedwaald, de woning des eeuwigen vredes, ons door den Opperpriester Jezus Christus geopend, blij en vreugdevol binnengaan. Bij het intrekken der kerk, heft het zangerkoor het vreugdelied aan : par (derna al rderno huïc domui: eeuwige vrede kome van den Eeuwige over dit huis! Intusschen gaat de Bisschop tot in het midden der kerk, alwaar hij den Veni Creator aanstemt. Is deze hymnus geëindigd; dan wordt de zang der Litanie van alle Heiligen, die vroeger niet was afgeloopen, voortgezet, tot aan de woorden : dat gij aan de geloovige zielen de eeuwige rust gelieft te verleenen. Wanneer de zang der Litanie tot deze aanroeping is gevorderd, staat de Bisschop op, en zegent driemaal de kerk en het altaar, welke hij wijden gaat. Dan knielt hij wederom neer, terwijl het nog overige gedeelte der Litanie van alle Heiligen nu tot den einde toe voortgezongen wordt. Middelerwijl strooit een der aanwezige geestelijken, in den vorm van een kruis, welks armen zich van den eenen kant van het gebouw tot aan den anderen uitstrekken, asch op de vloer der kerk. Met zijnen staf schrijft de Bisschop het alphabet in Grieksche letters op den eenen, en in Latijnsche letters op den anderen arm van dit kruis, om ons zinnebeeldig te zeggen, dat er in Christus Jezus, die door dat kruis wordt verbeeld, geen onderscheid meer is tusschen Jood en Heiden, tusschen Griek en Barbaar; dat hij voor allen op het kruis is gestorven, en voor allen, zonder onderscheid van taal of stam, de deur zijner Kerk, de bewaarster en uitdeelster zijner genaden, openstelt.

ocr page 416

408 KERKWIJDING.

Nu nadert de Bisschop het altaar, dat gewijd zal worden, en zegent in de nabijheid er van wijn, zout, asch en water, welke hij met elkander vermengt. Daarna gaat hij tot aan de deur der kerk, maakt met zijnen staf een kruisteeken op het bovenste en een ander op het onderste gedeelte er van, en keert, na te dier plaatse een hartroerend gebed te hebben uitgesproken, naar het altaar terug.

Indrukwekkend en verheven zijn de ceremoniën en gebeden, die de wijding van het altaar vergezellen. En geen wonder : want het altaar is het zinnebeeld van den Heere Jezus, die ons Altaar, onze Offerande en onze Hoogepriester is. Op dat altaar zal voortaan, alle dagen, op eene onbloedige wijze, door de bediening des Priesters het Offer worden hernieuwd, hetwelk Jezus eens op den berg van Calvarië, op eene bloedige wijze, aan den eeuwigen Vader opdroeg voor 's werelds zaligheid en heil! Op dat altaar moet het Lichaam en Bloed des Heeren, Jezus' godheid en verheerlijkte menschheid, onder de nederige gedaante van Brood en Wijn rusten ! Het is dan ook billijk, dat het altaar, welks bestemming zoo verheven, zoo heilig is, op eene hem waardige wijze aan God worde toegewijd. Met het zoo even gewijde water maakt de Bisschop vijf kruisen op den altaarsteen, een in het midden en een op ieder der vier hoeken er van. Dan gaat hij zevenmaal rond het nieuw altaar en besproeit het met het gewijde water. Eveneens gaat hij driemaal de geheele kerk rond en besproeit met hetzelfde water eerst de wanden en dan de vloer van het kerkgebouw, terwijl het priesterkoor onophoudelijk nieuwe lofzangen onder de gewelven van den nieuwen tempel weergalmen doet. Andermaal verlaat nu de Bisschop, door de geestelijkheid vergezeld, de kerk. De Priesters treden met hem de plaats binnen, waar sedert den vorigen avond, de H. reliquieën werden bewaard, en zij dragen deze gewijde overblijfsels proces-siesgewijze eerst rondom, en dan in de kerk, tot bij het altaar,

ocr page 417

KERKWIJDING. 409

waarin zij moeten worden geplaatst. Onder den altaarsteen is eene opening gemaakt, welke men het graf pleegt te noemen. In ieder der vier hoeken van dat graf en op de binnenzijde van den sluitsteen maakt de Bisschop een kruis met het heilig Chrisma, zet de H. reliquieën ten eeuwigen dage in dal graf, sluit het met een steen en reeds vooraf bereid cement, en maakt eveneens op de buitenzijde van dat graf met het heilig Chrisma een kruis. Een der aanwezige Priesters wischt het H. Chrisma af, terwijl een andere, nadat de Bisschop zelf tweemaal het altaar heeft bewierookt, tot aan het einde der altaarwijding met het brandend wierookvat in de hand, rond het altaar blijft gaan. Daarna zalft de Bisschop tweemaal den altaarsteen met de olie der Catechumenen, in het midden en op de vier hoeken, hij herhaalt ten derde maal dezelfde zalving met het H. Chrisma, bewierookt tusschen iedere zalving het altaar, en giet ten slotte de olie der Catechumenen en het H. Chrisma uit op den altaarsteen, dien hij geheel met deze H. Olie bestrijkt. Nogmaals verlaat de wijdende Bisschop het altaar, zalft en bewierookt de twaalf kruisen, die op de muren van den nieuwen tempel zijn gemaakt, en keert wederom naar het altaar terug. Daar zegent hij wierook, waarvan hij vijf kruisen maakt, welke hij op die plaatsen van den altaarsteen nederzet, waarop hij vroeger met de H. Oliën en het gewijde water het kruisteeken had gezet. Dunne, kruisvormige waskaarsen worden op deze wie-rookkruisen geplaatst en ontstoken, door en met welke tevens de wierook wordt verbrand. De asch er van wordt door een der aanwezige Priesters verzamsld en in het Sacrarium geworpen. Nu weêrgalmt het vroolijk Alleluja! Ten laatsten male maakt de Bisschop nog eens met het H. Chrisma een kruisteeken voor op het altaar en op ieder der vier hoeken, en de kerkwijding is voltrokken. Voortaan is deze plaats, zoo plechtig aan God toegeheiligd, aan alle wereldsche ge-

ocr page 418

410 KERKWIJDING.

bruiken onttrokken : zij behoort toe aan God, en aan God alleen. Verschrikkelijk is die plaats geworden, want zij is niets minder dan Gods woning en des hemels deur.

Ach ! hoeyele prachtige kerken, welke onze voorouders uit het stof hebben doen rijzen en die door de opvolgers van Willibrordus, Plechelmus en Bonifacius plechtig waren gewijd, zijn, sedert driehonderd jaar, aan hare vroegere bestemming ontrukt! Zij staan daar nog als een bewijs van het geloof en de godsvrucht onzer vaderen, maar ook als een bewijs van den afval van een groot aantal harer kinderen ! Zij staan daar nog, maar zonder Priester, zonder Altaar, zonder Offerande! Zij staan daar nog, maar ledig en ontwijd; ledig voor den geest, die licht en waarheid, ledig voor het hart, dat kracht en sterkte zoekt; ledig, omdat de Zone Gods, die de Weg is, de Waarheid en het Leven, binnen hare muren niet meer rust in het aanbiddelijk altaargeheim ! O mochten die steenen, getuigen van een vroe-geren afval, luide genoeg spreken, om onze afgedwaalde broeders terug te brengen tot het geloof hunner vaderen, terug te brengen in den schoot dier grijze Moederkerk, welke wij zoo vurig wenschen, dat zij nooit hadden verlaten.

Jaarlijks wordt de wijding eener Kerk op eene daartoe door den Bisschop bepaalden dag feestelijk herdacht. De feestelijkheid van den dag der wijding, en de verjaring er van, lokte op die dagen vele kooplieden naar die plaatsen heen, en hunne tegenwoordigheid trok ook in die dagen, toen men zich alle soort van benoodigdheden niet zoo gemakkelijk overal als thans kon verschaffen, menigen vreemdeling uit de naburige plaatsen derwaarts; dit is de eigenlijke oorsprong onzer kermissen, die van dagen van godsvrucht, helaas, nagenoeg geheel en al in dagen van ijdel vermaak en louter losbandigheid zijn ontaard.

ocr page 419

KERKWIJDING.

•L O F Z A ïï G.

vtvbet

Jerusalem, volzaalge stad,

„Gezicht des Vredesquot; is uw naam. Gij, in het hemelsch koninkrijk Uit levend bouwgesteent voltooid,

Zijt door een Englendrom omgloord, Gelijk de Bruid voor 's Bruigoms blik.

Nieuw stijgt zij uit den Hemel af. Als uit het kuische slaapvertrek. Om, uitverkoren, met den Heer In eeuwgen huwlijksbond te treên. Haar straten en haar muren zijn Uit fijn gelouterd goud bereid.

Haar poorten staan, in parelglans. Steeds open tot het Heiligdom,

Voor allen, die, om Christus' wil. Op aard in smaadheid zijn gedrukt, En wien hier, enkel uit gena, Het binnengaan veroorloofd wordt.

Door strenge proeve nauw gekeurd, Is elke steen vooraf geglad.

Eer dat des wijzen Bouwheers hand Aan ieder zijne plaats beschikt.

En zóó het heilig praalgesticht Voor de eeuwigheid gevestigd wordt.

Drie-eenig God, aan U zij de eer! U, Vader, Zoon en Heiige Geest,

Zij 't dank- en jubellied gewijd.

411

ocr page 420

412 KEKK. WIJDING..

U, wien de majesteit de kracht, Ondeelbaar en alléén, behoort, In aller eeuwen eeuwigheid. Amen.

Overweging.

WAT IS DE DORPSKERK VOOR DEN LANDMAN.

Wanneer men de katholieke landstreken van Europa doorkruist, vindt men bijna op ieder uur afstands een groep boerenwoningen, die een dorp vormen. Onder die nederige daken leeft in rust en stilte de arbeidzame landman. Te midden van het dorp verheft zich een gebouw, dat, door het regelmatige en de grootte zijner vormen, boven alle andere woningen uitschijnt, gelijk in een stillen, helderen nacht de maan boven alle andere sterren des uitspansels blinkt. Dit gebouw is de kerk van het dorp. Die kerk is den landman zoo dierbaar als de appel van zijn oog, omdat de zoetste herinneringen zijns levens innig met haar verbonden zijn.

Hij was nog door de erfsmet bezoedeld, toen hij voor 't eerst die kerk binnenkwam. Maar in die kerk werd in den vroeg-sten ochtend zijns levens zijn voorhoofd geteekend met het teeken des kruises, en daar werd zijne ziel door de wateren des Doopsels gezuiverd en geheiligd. In die kerk deed hij eens zijne eerste heilige Communie; in die kerk zegende Gods Priester zijn huwelijk in. Hoe menigmaal, wanneer zijn hart bedroefd was en de wereld hem geen troost kon of wilde schenken, heeft hij aan de voeten van het altaar in zijne kerk gebeden, en daar heul gevonden en heil ? Wanneer zware, soms vruchtelooze arbeid zijn hart tot ongeduld en zijne tong tot morren wilde stemmen, vond hij in het Huis des Heeren kracht, om met volle overgeving aan Gods heiligen wil, in zijne zware taak te volharden. Wanneer het vuur der driften hem soms van het pad der deugd had afgeleid, vond hij in Gods woonstede vergiffenis voor zijne zonden, rust en vrede voor zijn gemoed.

O ja, de Dorpskerk is den landman dierbaar, want diar, langs die grijze muren des tempels, rust, onder gewijde aarde, in de schaduw van het heiligdom, de asch zijner vaderen, en hij zou sidderen bij de gedachte, dat hij dür niet zou worden begraven, waar zijn vader en zijne moeder, zijne bloedver-

ocr page 421

KERKWIJDING

wanten en zijn onvergetelijk kroost reeds ter ruste zijn gelegd, en den blijden dag der verrijzenis afwachten. Ja, die kerk is hem dierbaar, want het is de kerk zijner geboorteplaats, het is zijne kerk. Het is dan ook zeer natuurlijk, dat zijne kerk hem nauw aan het harte ligt, en hij een afkeer gevoelt van hem, die zijne kerk niet bemint en haar slechts als eene gewone woning beschouwt. Zijne liefde voor zijne kerk is levendig, omdat zij rein en zuiver is; zij is vurig, omdat hij op het voorhoofd zijner kerk twee teekenen ziet, die haar eerbiedwaardig maken, namelijk, het teeken van den Godsdienst en der Oudheid.

De Oudheid! Zijne kerk staat daar immers reeds eeuwen en eeuwen lang. Zijn vader en zijne moeder, zijne grootouders en hunne voorvaderen hebben in diezelfde kerk gebeden. Er is niets in het dorp, dat, wat oudheid betreft, met haar kan vergeleken worden. Instellingen, die door alle menschelijke kracht waren geschraagd, en eeuwen aan eeuwen moesten duren, Republieken, Koning- en Keizerrijken heeft de landman zien aanvangen en vervallen, gelijk in den herfst het verdorde loover van de hooge populieren nederstuift. Te midden van al die verwoestingen staat zijne kerk pal, gelijk een onbeweegbare rots; en terwijl alles rondom haar in den afgrond der vernietiging nederploft, blijft zij haar van glans en glorie glinsterend voorhoofd kalm ten hemel heffen. lederen dag, ieder uur brengt in de landsregeeringen, in de kunsten en wetenschap iets nieuws te voorschijn, maar wacht slechts tot morgen, en dat nieuwe zal reeds versleten, den volgenden dag door wat anders vervangen en den derden dag der vergetelheid prijs gegeven zijn ! Zoo gaat het met de aardsche zaken, maar zoo gaat het niet met de kerk. Daar hoort de landman eeuwig en altijd hetzelfde Evangelie, dat nooit vergaat. Terwijl de geleerdste wetten gedurig gewijzigd, hermaakt en afgeschaft worden, en de landman de eene wet boven op de andere aan het raadhuis ziet vasthechten, hoort hij onder de gewelven zijner kerk altijd hetzelfde Credo, dezelfde tien geboden, denzelfden Pater noster, hetzefde Ite Mis sa est. Geene macht dezer wereld heeft van dat alles een enkel woord kunnen afnemen, of niet een enkel woord, zelfs niet de schaduw eener komma er aan kunnen toevoegen. lederen morgen en iederen avond klinkt, van den hoogen toren af de klok zijner kerk, en wekt de inwoners van het dorp en de afgelegen gehuchten, om dienzelfden God te aanbidden, die hunne voorouders hebben aangebeden en vereerd.

Dit tegenstrijdig verschijnsel treft den landman, en zijn

413

ocr page 422

KEKKWIJDING.

helder verstand doet hem, met éénen blik, twee wonderen daarin ontwaren, die hem tot nadenken brengen : hij herinnert zich op den kerktoren dundoeken van allerlei vorm en kleur, tweekleurige, driekleurige, roode, blauwe, witte en gele te hebben zien wapperen : de eene vlag heeft de andere vervangen •, slechts als trekvogels hebben zij een oogenblik op den toren vertoefd, maar geen enkele heeft er genesteld ; geen levendiger bewijs kan hij hebben van de vergankelijkheid der menschelijke dingen, en van de onophoudelijke verandering van het wereldlijk bewind; maar, boven al die vlaggen, heeft hij steeds hetzelfde Kruis ontwaard, hetwelk zijne voorouders er reeds op hebben gezien, en hij is innig overtuigd, dat, wanneer hij er ook niet meer zal zijn, zijne kinderen nog immer hetzelfde Kruis zullen aanschouwen. Luide verkondigt hem dat Kruis, dat onbeweeglijk en onveranderd zooveel menschelijke grootheid aan zijne voeten heeft zien nederzin-ken en vergaan, en zich zegevierend boven al die puinhoopen verheft, dat Christus niet regeert gelijk de mensch, en zijn rijk nooit een einde neemt. Dit alles begrijpt de landman, zonder een doolhof van redeneeringen te doorloopen, en daarom hecht hij zich met hart en ziel aan zijne Kerk. In haar voortdurend bestaan alléén ziet hij klaar en duidelijk den vinger Gods, en de vervulling der belofte van haren goddelij-ken Stichter, ik ben met u alle dagen, tot het einde der eeuwen toe.

En toch is die Kerk, die de eeuwen tart, op alle mogelijke wijzen bestormd geworden : men heeft haar aangerand met het zwaard, met het vuur, met valsche wetenschap, met list, met bespotting en hoon. Van alle kanten zijn woedende vijanden, die haren ondergang hadden gezworen, op haar losgestormd; men heeft haar belaagd, van onder en van boven, links en rechts. Maar sterker dan de sterkste vesting met hare honderden vuurmonden en meer dan honderd duizend bajonetten, staat de Kerk daar, trots al die stormen, ongedeerd, vol leven en kracht, gelijk een onbeweegbare rots, te midden der woeste baren van de zee.

Dit feit, dat klaarblijkelijk getuigenis aflegt van het goddelijke der Kerk, door Christus Jezus gesticht, is zonder weêrga in de jaarboeken der geschiedenis; alle geleerdheid der god-deloozen is niet bij machte, het weg te redeneeren of de bewijskracht er van te ontzenuwen. De landman ziet, gevoelt en begrijpt volmaakt goed dit verbazend feit, en de gevolgtrekking, die er in opgesloten ligt; en juist dairom bemint hij zijne Kerk als het heiligste en het eerbiedwaardigste, wat hij op aarde vindt.

4U

ocr page 423

KJiEK WIJDING.

415

O landman ! o mijn vriend! vraag mij dus nooit, waarom de Heere Jezus zijne onverdelgbare Kerk uiterlijk zoo zwak heeft willen doen zijn, te midden harer machtige vijanden: want, ook dit is een geheim van liefde, en wel van liefde jegens u: daarin ontvangt gij dagelijks een dubbel bewijs van de goddelijkheid der Kerk, door de getuigenis van hen die haar beminnen en door de machielooze aanvallen van hen, die haar haten. Gij behoeft uwe oogen slechts te openen, om de waarheid te vinden, die redding aanbrengt en zaligheid schenkt. Hoe voordeelig is dit voor u, die ook behoefte hebt aan waarheid, maar haar in de boeken niet kunt gaan opsporen, omdat gij uwe dagen in werken en zwoegen doorbrengen moet. Maar nu is het niet noodig, dat gij, om de waarheid te vinden, de boekzalen der geleerden binnentreedt: immers, met brandende letters, ziet gij door de stift der geschiedenis op den gevel uwer Kerk deze hoogst belangrijke woorden geschreven: „ Ik ben met u, alle dagen, tot het einde der eeuwen; de poorten der hel zullen tegen haar niets vermogen.quot; En zoo bewaarheidt zich ook voor u, wat een groote wijsgeer heeft gezegd : „ de waarheid is zoo moeie-,,lijk niet te vinden: hij, die van goeden wil is, behoeft „ slechts de oogen te openen, om haar te zien, en hij vindt „ haar niet in vérgelegen landen, maar, rustig neergezeten, „ aan de deur zijner woning, waar zij dengene venvacht, die „ haar zoekt en haar bemint.''

ocr page 424

üg«

DE LAATSTE ZONDAG YAK HET KERKELIJK JAAR.

et Kerkelijk jaar is ten einde : de laatste Zondag, die het besluit, is aangebroken. Mijn God! hoe rijk was ook wederom dit jaar voor ons aan genade en allerlei zegening! Hoevelen zijn er door de wateren des Doopsels gereinigd, en tot kinderen des Allerhoogsten aangenomen! Hoevele anderen hebben de heiligmakende genade, welke zij door hun eigen schuld hadden verbeurd, in het heilig Sacrament van Boetvaardigheid wederom teruggevonden! Hoevele rechtvaardigen hebben door Gods hulp, op den weg der deugd volhard, en zijn al hooger en hooger in volmaaktheid en heiligheid gestegen! Hoe dikwerf heeft de goede God niet ons verstand verlicht, ons hart verwarmd en onzen wil versterkt! Hoe dikwerf heeft hij ons niet met het brood der waarheid en met zijn eigen Lichaam en Bloed gespijsd! Aan hoevelen, die het huis hunner eeuwigheid zijn binnengetreden, beeft hij niet een zaligen dood verleent!

Dankbaar herdenkt onze Moeder de H. Kerk die tallooze blijken van genade in den loop van dit jaar aan hare kinderen geschonken. Zij wil, dat wij ons met haar vereenigen, om Hem te loven, te prijzen en te danken, die de bron en de oorsprong is van al het goede, dat ons ten deel viel. Daarom is op eenige plaatsen de plechtige Hoogmis van dezen dag eene Mis van dankzegging, die wordt opgevolgd door eene Processie, gedurende welke aanhoudend lof- en dankliederen worden gezongen. Doordrongen van de diepst gevoelde erkentelijkheid, stemt de Kerk, door den mond des Priesters, het eeuwen-

ocr page 425

DE LAATSTE ZONDAG VAK HET KERKELIJK JAAR. 417 oude maar altijd jeudig schoone Te, Deum, laudamus aan. Zij roept hare kinderen toe: laten wij den Vader, den Zoon en den heiligen Geest danken; loven en prijzen wij Hem, in Eeuwigheid. Maar zij voelt, dat hare tonen te zwak zijn, en dat hare dankzegging niet in verhouding is met de uitgestrektheid van 'quot;s Heeren gaven en gunst. Zij kan er zich dan ook niet bij bepalen, alléén met hare kinderen haren Weldoener en diens gaven te prijzen: zij roept alle schepselen op, om hun danklied bij het hare te voegen, en hunne stem met de hare te vereenigen. „ Dat alle werken des Heeren — zoo roept zij — den Schepper prijzen en hem verheerlijken in eeuwigheid! Engelen Gods en krachten des Hemels, zon, maan en sterren, loof uwen Schepper! Dauw en regen, vuur en water, koude en hitte, ijs en sneeuw, dagen en nachten, licht en duisternis, prijst den Heer! Hemel en aarde, bergen en heuvelen, bloemen en planten, zee en rivieren, visschen des waters, en vogelen der lucht, en gij ook, gij dieren, die in de vruchtbare weiden. uw voedsel vindt, of in de woestijn en in de donkere wouden woedend brult, looft uwen Schepper, prijst den Heer! Dienaars des Heeren, Priesters van het heiligdom, en gij allen, rechtvaardige zielen, hetzij gij nog op de zee der vergankelijkheid ronddobbert, hetzij gij reeds de zalige haven der eeuwigheid zijt binnengeloopen, looft uwen Schepper, prijst uwen Verlosser looft en verheerlijkt hem, in tijd en eeuwigheid!quot; Met deze dankliederen op de lippen, verlaat de processie het altaar, en met diezelfde gezangen keert zij langs de grijze tempelwanden naar het altaar terug.

Zoo ook treedt de menschuit Gods hand de wereld in; maar

voor God-alléén geschapen, moet hij ook wederom tot God,

als tot zijn laatste einde, terugkeeren. Wij hebben hier geene

vaste woonplaats, wij zijn slechts pelgrims, die terug reizen

naar hun vaderland. Gelukkig voorwaar, indien ons leven,

gelijk heden de zang der feestprocessie, een aanhoudend dank-

27

ocr page 426

418 DE LAATSTE ZONDAG

eu loflied is voor den driewerfheiligen God! dan zullen wij, na onzen pelgrimstocht, voor het altaar des Allerhoogsten, voor den troon zijner glorie verschijnen, en hem daar aanschouwen, niet meer gelijk op onze altaren, bedekt en verborgen, maar van aanschijn tot aanschijn, in volle kennis en in het volle licht. Eerbied, liefde en zaligheid zullen ons voor dien troon doen nederknielen, om er het eeuwig loflied der verlosten aan te heften en nimmermeer te eindigen.

Het einde van het Kerkelijk jaar zegt ons in zijne beteeke-nisvolle taal, dat die dag der verheerlijking weldra voor ons zal aanbreken; want, zoo pijlsnel als dit jaar, zullen ook de overi?e jaren vervliegen, die ons resten hier beneên; zij zullen verdwijnen als een rook, eu de dag des oordeels en der eeuwigheid zal zoo straks voor ons daar zijn. Gelukkig nogmaals, hij, die in dit kortstondig leven Gods genade zóó gebruikt en de wil des Heeren zóó volbracht zal hebben, dat hij in het oordeel genade, en in de eeuwigheid de belooning zijner deugd en zijner verdiensten erlange!

Tot deze ernstige gedachten stemt ons bijzonder het Evangelie van dezen Zondag, waarin de jongste en schrikkelijkste der dagen de

Dag van jammer en ellenden.

Die des werelds loop zal enden,

wordt aangekondigd, waarop de bazuin des oordeels ons, en alle geslachten, die ons zijn voorgegaan of hebben opgevolgd, zal toeroepen: staat op, ó dooden, en komt ten oordeel!

Zalige waarheid, die ons met de vreeze des Heeren vervult, tegen de bekoring versterkt, van de zonde, die alleen in dat oordeel te vreezen is, bewaart, de nietigheid van al het aard-sche doet beseffen, en ons met den Wijzen man en met den gelukzaligen Thomas a Kempis doet uitroepen: ijdelheid der

ocr page 427

van het kerkelijk jaar. 419

ijdelheden, en alles is ijdelheid, behalve God te beminnen, en Hem alleen te dienen.

LOFZANG.

Eens eindt de worsteling der tijden,

Vervult zich 's werelds barensnood,

Schift goed en kwaad zich, vreugd en lijden

En 't eeuwig leven van den dood!

Eens klieft de wraakbazuin de wolken,

En, bij het angstgeschrei der volken,

Galmt luider steeds haar schrikbaar uitgeholde toon ! Daar stort het zonlicht van zijn troon !

Daar verwarren Zich de starren,

Zwicht de natuur!

Grijpt het vuur Om des aardrijks krakende assen; De oceaan huilt in zijn plassen !

Aller elementen kracht Vecht in vlammen ! Uit den nacht Spuwt de brand met vonkenloover, Bliksemstraal en slag te voor !

Rolt bergen over,

Afgrond door !

Totdat 't eerste rotsgesteente,

't Diep gebeente Van de wereld, dondrend kraakt,

En in laaie vlammen blaakt !

Maar wie redt uit dit vuur r —

Wie, als straks, zonder krachten,

ocr page 428

420 DE LAATSTE ZONDAG

Weer de eerste bajert drijft,

en 't Scheppingswoord blijft wachten; Wie dan, wie spreekt hem toe ? —

Gij, mijn onzichtbre God, dien 'k knielend hulde doe. Wie dan zal niet vergaan in d'afgrond ? — Wie herrijst ?

Vloeit uit, vloeit uit, mijn dankbre zangen !

Zij zullen 't leven weer, voor immer weêr erlangen,

Mijn God! al die Gij spijst!

Overweging.

De heilige Augustinus sprak eertijds deze zoo schoone, zijn hart zoo waardige woorden : „ Mijn Zaligmaker is altijd schoon, „ in welken toestand hij zich ook bevinde ; hij is schoon in „ den Hemel, en schoon op de aarde; hij is schoon in den „ schoot zijns Vaders, en schoon op de armen zijner Moeder; „ hij is schoon in zijne wonderen, en schoon onder de gee-„ selslagen; hij is schoon op het kruis, en schoon in't graf; „ hij is altijd mijn Zaligmaker, en in mijne oogen altijd onvergetelijk schoon.quot; Dat zijn ook de gevoelens van den waren geloovige, ten opzichte van zijnen Godsdienst. Hij is altijd groot in zijne oogen, hij heeft voor hem altijd eene verrukkende schoonheid; hij is schoon op het Kapitool, gezeten op den troon des Cesars, en schoon ook wanneer hij genoodzaakt is, in de Katakomben schuil te gaan; hij is schoon, wanneer de koningen het stof zijner voeten komen kussen, en het zich tot eene eer rekenen, hem te dienen, en schoon ook wanneer hij voor hunne vervolgingen vlucht; hij is schoon in zijne vergulde tempels, en schoon ook op den bemosten rotssteen, die hem tot altaar dient. De Hemel, die altijd zijne oogen op hem gevestigd houdt, is verrakt over zijne schoonheid en beveelt zijnen Profeet, zijnen lof te zingen, met deze woorden ; tuat zijn uwe tenten schoon, o Israel, en welk volk kan met u worden gelijk gesteld!

Wonderlijke inrichting van den Christelijken godsdienst! Voor hem zijn alle tijden het jaargetij der glorie! In den vrede, zegt een kerkvader, versieren de goede werken der kinderen hem met een lieflijk wit, en gedurende de vervolging verft het bloed der martelaren hem met schitterend

ocr page 429

VAN HtT KERKELIJK JAAR.

purperrood ; zoo ontbreekt het hem nooit aan leliën of rozen; op het hemelsch slachtveld levert de vrede zoowel als de oorlog bloemen op, om de soldaten van Jezus Christus er meê te kronen.

Ziedaar, wat wij weten van de lotgevallen des Christen-doms; het verledene verzekert ons de toekomst. Gedurende achttien eeuwen heeft het alles zien instorten, alles zien vergaan. De hechtste instellingen zijn verdwenen; de tijd, die over de steden heenging, heeft ze in gehuchten of wildernissen veranderd; de omwentelingen hebben de grootste rijken onder den voet gehaald, en hunne puinhoopen verstrooid : het Christendom-alléén is staande gebleven, en al die dooden hebben, toen zij in het graf nederdaalden, en zonder terugkeer van het schouwtooneel dezer wereld verdwenen, aan het Christendom dezen roemvollen groet toegeroepen ; wij gaan voorbij, wij sterven, maar gij leeft, gij blijft altijd dezeltde en uwe jaren eindigen niet! Zoo zullen alle geslachten het Christendom groeten. Het Christendom, van den hemel gezonden, om het menschelijk geslacht te verlichten, te troosten en gelukkig te maken, zal de aarde eerst verlaten, nadat het den laatsten mensch de oogen zal hebben gesloten. Dan eerst zal het ten hemel stijgen, te midden der hemelsche liederen, te midden van den lofzang der eeuwigheid, dien de koninklijke Profeet op aarde had begonnen : » de wereld ging voorbij', maar gij duurt langer dan de wereld; gij duurt eeuwig, dewijl gij de Waarheid zijt en dewijl de Waarheid eeuwig is. Veritas Domini tnanet in aternum. quot;

421

ocr page 430

Volgaarne verleenen wij onze goedkeuring aan het boek: s De feestvierende Katholijke Kerk in Nederland, Huisboek voor Christlijke Gezinnen,quot; en bevelen het den geloovigen als nuttig, ter bevordering van godsdienstige kennis en godsvrucht aan.

J. A. PAREDIS,

Roermond, den I2. Augustus iSÓJ. Bisschop van Roermond.

Ik schenk bij deze mijne goedkeuring aan het voornemen om De feestvierende kerk in eene volkseditie uit te geven, en hoop dat daardoor dit stichtende boek onder de geloovigen meer en meer verspreid worde.

J. A. PAREDIS,

Roermond, den 3. Januari 1S7S. Bisschop van Roermond.

IMPRIMATUR.

RUB/EMUND^E, 22 Februari 1897.

Dr. P. Mannens,

Librorum Censor.

ocr page 431

INHOUD.

Bladz,

Voorrede..................

DE ADVENT...............7

Lofzang. Creator alme siderum, door Dr. Waf. . n

Overweging. Jiass en Weiss............

SINT NICOLA AS. Naar „ De Tijd.quot;.......14

Lofzang. Is te Confessor, door Dr. Wap .... 18

Overweging. H. Petrus Chrysologus........18

ONBEVLEKTE ONTVANGENIS VAN MARIA. . . 20

Lofzang. Virgo virginum prseclara, van Z. E. den

Kardinaal von Geissel, door Smiets.......31

Overweging. H. Bernardus...........34

QUATERTEMPERDAGEN..........34

Lofzang. Dr. Wap.............42,

Overweging. Z. D. Hoogw. van Vree.......48

KERSTMIS................51

Lofzang. Stabat Mater speciosa, van Fra Jacopone.

door Dr. Wap..............jy

Overweging................59

DE H.H. ONNOOZELE KINDEREN. Walsh ... 60

Lofzang. Vondel ...............66

Overweging. Vrij naar Hirscher........67

ocr page 432

— 424 —

NIEUWJAAR...............7°

Lofzang.................73

Overweging. Walsh.............75

DRIEKONINGENFEEST...........76

Lofzang. Crudelis Herodes, door Dr. Wap. . . 82

Overweging................83

HET FEEST VAN DEN ZOETEN NAAM JEZUS. . 84

Lofzang. Poiriers..............88

Overweging................89

M ARIA-LICHTMIS.............91

Lofzang. De gewijde Kaars, door Smiets. ... 97

Overweging. Colmar, Bisschop van Mainz.....102

DE VASTEN...............105

Lofzang. Audi benigne Conditor, door Dr. Wap. 114

Overweging. H. Leo.............115

ASCHWOENSDAG..............117

Lofzang. Uitvaartgroet der Grieksch-Katho-lieke Kerk. Uit het Grieksch der VII. eeuw, door

Dr. Wap................125

Overweging. Vrij tiaar Gaume.........128

SINT JOZEF. Nouhuys............132

Lofzang. Te, Jozef, celebrent, door Dr. Wap. . 139

Overweging. Dom Guéranger. . ........140

FEEST DER ZEVEN WEEËN VAN MARIA . . .142 Lofzang. Stabat Mater dolorosa, door Dr. Wap. . 146 Overweging. H. Bernardus...........148

DE GOEDE WEEK............150

Lofzang. Salve mundi salutare, van den H. Bernardus, door Dr, Wap...........154

Overweging. Bossuet.............156

PALMZONDAG..............159

Lofzang. Vexilla Regis prodeunt, door Dr. Wap . 171 Overweging. Croisset.............172

ocr page 433

— 425 —

GOEDE DONDERDAG............173

Lofzang. Pange, lingua, door Dr. Wap.....194

Overweging. Z. Em. Kardinaal van Diepenbroek . . .196

GOEDE VRIJDAG. Van der Ploeg........198

Lofzang. Het Lijdenslied der Pififerari van Rome,

door Smiets...............202

Overweging. Van der Horst..........205

GOEDE ZATERDAG............206

Lofzang. Exultet, van den H. Augustinus, door Dr.

IVap..................220

Overweging /. Em. Kardinaal Giraud......224

PASCHEN................226

Lofzang, door Dr. Wap............234

Overweging................236

BELOKEN PASCHEN............239,

Lofzang. Ad regias Agni dapes door Dr. IVap . . 241 Overweging................243

MARIA BOODSCHAP............245.

Lofzang. Romance, van Lopez de Vega, door Smiets . 251 Overweging. H. Augustinus..........255

DE MEIMAAND..............256

Lofzang. Het sOmni die.quot; van den H. Casimirus,

door Schoofs...............259

Overweging. H. Bernardus..........263

KRUISVINDING..............264

Lofzang. Vondel..............268

Overweging. Nouhuys............270

KRUISDAGEN...............271

Lofzang. De Processie op de Kruisdagen. . . . 274 Overweging. Gaume.............276

HEMELVAARTSDAG. . . .........277

Lofzang. Salutis humanje sator, door Dr. Wap . . 280 Overweging. H. Augustinus...........281

ocr page 434

— 426 —

PINKSTEREN...............281

Lofzang. Veni Creator Spiritus, door Dr. Wap. . 292 Overweging. Haakman............293

HET FEEST DER HEILIGE DRIEVULDIGHEID. . 296

Lofzang. Vondel..............301

Overweging. Thomas a Kempis.........302

H. SACRAMENTSDAG...........304

Lofzang. Lauda Sion, door Dr. Wap.......310

Overweging. Bode..............312

FEEST VAN HET HEILIG HART VAN JEZUS . .315

Akte van Toewijding aan het H. Hart van Jezus. . . 322

Lofzang. Jesu, dulcis memoria, door Dr. Wap. . 325

Overweging. Alexander Prins van Hohenlohe . . . .331

H. ANTONIUS VAN PADUA.........332

Responsorium van den H. Bonaventura......336

Overweging................337

SINT PETRUS EN PAULUS.........340

Lofzang. Stalpaert van der Wiele........343

Overweging. Broere.............345

DE TEN-HEMEL-OPNEMING VAN MARIA ... 348

Lofzang, Van der Ploeg. ...,.......352

Overweging. Van der Horst..........355

ENGELEN-BEWAARDERS..........357

Lofzang. Custodes hominum psallimus angelos,

door Dr. Wap..............361

Overweging. H. Bcrnardus..........362

MARIA GEBOORTE.............364

Lofzang. Ave, maris Stella, door Dr, Wap. . . . 367 Overweging. H. Bernardus..........368

KRUISVERHEFFING............37°

Lofzang..................372

Overweging. Buttler.............373

ocr page 435

— 42? —

ALLERHEILIGENDAG. Van der Ploeg.....

Lofzang. PlacarevChriste, servulis, door Dr. IVap. Overweging. Fr entrap............

DE GEDACHTENIS VAN ALLE OVERLEDENEN .

Lofzang. Dies irse, door Dr. IVap.......

Overweging. Het graf der Ouders, door Jais . . . . DE H. WILLIBRORDUS, Aartsbisschop, Apostel

der Nederlanden. Hessevelt........

Lofzang. Bede aan den H. Willibrordus. Van der

Ploeg.................

Overweging. Van Meel............

KERKWIJDING..............

Lofzang. Coelestis urbs, Jerusalem, door Dr. Wap. Overweging. Kaudt.............

DE LAATSTE ZONDAG VAN HET KERKELIJK

JAAR.................

Lofzang. De jongste dag. Broere en Van der Ploeg . Overweging. Polge.............

lt;amp;6gt;-«x#»* lt;£a)C=-

ocr page 436
ocr page 437
ocr page 438

^..

ocr page 439
ocr page 440

I

I

ocr page 441

/

ocr page 442

1

ocr page 443
ocr page 444