% 9-
' Jl 'â .f- '
gt; ^ tV â gt;* - w v- -.
wnmmmmmmm lt; gt; ^
br . - ; , ^ ,
⢠â * i . r' ' V
1 â V \ ^ l* '
V *T i- â J
'4- .av â¢^V^y
ly» J ^r^-K
»â â »_⢠{
^ ^ ^ gt;
t ** ⢠r'^/ -
T- ***â ' JÃ
/ gt;^-X . i ^ V3-
C v SJ- «. V\ gt;. ⦠- 1 â â à -⢠'
1. li.' t dgt; . . . fc. * '
^ S- ^
Ar- *
f Tà A 1; * J ,.Æ f ' â¢. ' . J»r quot;'â gt;.
'â '/ ^ J quot; ^r ⢠v TV' .
' ⢠t ' Vi,.-quot; â â¢Â» \Tj'^
â lt;: quot; '- . 'â quot;**' V' KA
. x iWquot; ê ^ ^ v'' Jquot;quot; - - â¢* ⢠â¢â quot;* gt;f â *.
, v t yquot; , * ^
⢠4» ⢠, * quot;â - , v ⢠~- ⢠â¢â¢
^ ^ ; u ,4.
~ v V' \ -55 4- ^
â ^5u * * ' ^ gt;. ^ â â .; -
Uquot; -4. ' ⢠'S 'quot; - *â
y* ** * -x ,.
'' #Ahs1 â 'â ' '
â 'â¢. ^ - -V-; -'-â 51
3 *A ; ^ 5. \ 5:- i
* ^ ^ ^ , ^ Hl 5^ ^ lgt;
*gt; ⢠⢠â ? gt;⢠-.^ i quot;lt; .«l' ⢠j
-. iJV ^
'if ' '^ - gt; ^r c.; . gt;a
-.. /W â , :- ' â gt; *
». ï-, lt;i . â 'â f
â â ^Ir- â¢%
â W$ 1
K *$?*' \
*7 quot;^b-i 4 ⢠m
- - i ^ Ki'-tis . â¢
* â.^V.
ii -r ï* -
FREÃERIK DE GROOTE EN ZIJN HOF.
FREDERIK DE GROOTE EN ZIJNE BROEDERS EN ZUSTERS.
i.
Vak/fQj
FREDER1K DE GROOTE EN ZIJN HOF.
EERSTE DEEL.
HISTORISCHE ROMAN
door
LOUISE MÃHLBACH.
Bewerkt door M. K.
TREDERIK DE GROOTE EN ZIJNE BROEDERS EN ZUSTERS.
BIBLiOTECA COM V. WiJCH£NS
bmd. futma.
deede veel verbeterde druk.
Nijmegen amp; Arnhem. Gebr. E. amp; M. COHEN.
EERSTE BOEK.
PRINS HENDRIK.
KEHSTE BOEK. PRINS HENDRIK.
I.
DE KONING ALS HUISVADER
'Met de handen op den rug ging de Koning in zijn kabinet te SanssoHci peinzend op en neder. Hij had door het bespelen zijner fluit zijne ziel weder tot rust gebracht, want de toorn, die zich even te voren van hem had meester gemaakt, was geweken voor den weldadigon invloed der mu- ' ziek. De Koning gt;vas niet toornig meer; veeleer weemoedig, ja, bijkans treurig gestemd. Indien de getrouwe markies d'Argens den droeven glimlach op zijne lippen had kunnen zien, dan zou hij in luide klachten zijn uitgebarsten, en zelfs Voltaire zou het bijtende spotwoord op ziine lippen teruggehouden hebben!
Maar noch de markies d'Argens, noch Voltaire, noch een der vrienden uit den vroolijken kring was nu te Potsdam tegenwoordig d'Argens was met zijne jonge vrouw Barbe Gochois naar Frankrijk vertrokken; Voltaire had zichten gevolge van twist en oneenigheid voor altijd verwijderd; de generaal Rothenburg was ook voor altijd heengegaan, â heengegaan naar een land, van waar niemand terugkeert: hij was gestorven. Mylord Maréchal was naar Schotland teruggekeerd, zooals Algarotti naar Italië, en Bastian werd door zijne betrekking in Breslau teruggehouden. Sanssouci. â dat voorheen steeds het middelpunt van gezellige vreugde en vroolijke scherts was geweest, â was nu eenzaam en stil; jeugd, schoonheid en opgeruimdheid schenen het voor altijd verlaten te hebben; zij waren verdrongen door ernst en plicht, en deze zetelden nu in gestrenge majesteit binnen de wanden, die vroeger zoo menigmaal het gelach en de vroolijke scherts van de geluk-
4
kige gezellen en vrienden van den even gelukkigen Koning gehoord hadden.
Daaraan dacht de Koning, toen hij met de handen op den rug gevouwen op en neder liep, en de vervlogen dagen in zijn geest op nieuw doorleefde. Geheel in deze gedachten verdiept, bleef hij voor de schilderij staan, die boven zijne schrijftafel aan den wand hing, en welke Barberina voorstelde in het bekoorlijk gewaad eener herderin, zoo als de Koning haar tien jaren geleden voor het eerst gezien had, en in welk gewaad Pesne haar portret voor den Koning had moeten schilderen. Welke herinneringen, welke droomen zweefden nu voor de ziel des Konings, toen hij den blik op dat bevallig, glimlachend gelaat, op die groote, schitterende oogen vestigde, die hem eenmaal zoo bekoord hadden. Wel is waar was dit reeds langen tijd geleden ; het was voorbijgegaan, gelijk een zonnestraal op een somberen, stormachti-gen dag. Maar toch, â de herinnering er aan verwarmde het hart van den Koning, die nu zoo eenzaam en arm in liefde voor dit beeld stond, en aan dit eenmaal zoo beminde gelaat bekende, wat hij zich zeiven anders niet bekennen wilde: dat zijn hart zich eenzaam gevoelde, dat bij zich verveelde!
Maar deze zwaarmoedige herinnering, dit weemoedig herdenken van het verleden duurde niet lang. Met geweld ontrukte de Koning zich aan deze droornerijen, en terwijl hij zich van het schilderstuk verwijderde, wierp hij er een af-scheidsblik op, die bijna van haat getuigde.
âDit alles is dwaasheid,quot; zeide hij zacht: âmen moet de dooden laten rusten, en van het tegenwoordige niet vorderen, dat het nog de kleuren van het verleden drage. Alle kleuren verflauwen, wanneer zij aan zonneschijn, storm en regen zijn blootgesteld, en het leven heeft geene duurzamere kleuren, dan eene decoratie. Het is waterverf, niets dan waterverf; de eerste regenbui wischt haar uit, en zoo is het ook goed; daardoor verliest men zijn begoochelingen en teleurstellingen; men leert inzien, hoe weinig waarde het leven heeft, en hoe weinig echt zijne schitterende kleuren zijn. Weg dus met deze gedachten, die voor geen man, en het allerminst voor een Koning passen! Ik wil werken!quot;
Hij ging naar de schrijftafel en greep naar de verzegelde
5
br ieven en pakketten, welke daar voor hem nedergelegd waren. âEen brief en pukjes van de Koningin,quot; zeide hij toen verwonderd, terwijl hij den eersten brief opende en met een vluchtigen blik doorzag. Toen kwam er een spotachtig glimlachje op zijn gelaat. âZij zendt mij hare Fransche vertaling van een stichtelijk boek,quot; zeide hij, de schouders ophalend : âarme Koningin, haar hart wil nog maar niet sterven, ofschoon het, â de Hemel weet het, â reeds lang genoeg onder de luchtpomp van den kommer trilde. Arme Koningin!quot;
Achteloos wierp hij den brief ter zijde, zonder zelfs een blik op het boek te werpen, dat de Koningin hem gezonden had, en waarvan de treurige en klagende gebeden slechts een weerklank waren der gedachten, die haar hart bewogen.
âNiets dan kleinigheden!quot; prevelde de Koning, nadat hij ook de andere brieven gelezen, en op elk eenige woorden, den inhoud en zijn besluit betrelfende, geschreven had, waarnaar, de kabinets secretarissen de antwoorden moesten uitwerken. Toen schelde hij driftig en gelastte den hin-nentredenden lakei, dat hij den heer vonPüllnitz, zoodra deze in de voorkamer zou verschijnen, bij hem moest zenden.
âMijnheer de baron is er reeds,quot; zeide de lakei en.snelde heen om hem te roepen.
Eenige oogenblikken later werd de deur weder geopend, cn het oude, sluw, zoetsappig glimlachende gelaat van den volleerden hoveling werd zichtbaar.
âKom nader,quot; zeide de Koning, en terwijl hij Pöllnitz eenige schreden tegemoet ging, vroeg hij haastig: âbrengt gij mij eindelijk zijne onderwerping? Wil mijn broeder Hendrik inzien, dat het tevergeefs is, zich tegen mijn wil te verzetten?quot;
Met een verslagen blik trok baron Pöllnitz de schouders op. âSire,quot; zeide hij zuchtend: âde prins wil nog maar altijd niet begrijpen, dat een prins geen hart mag hebben! Hij volhardt in zijne ongehoorzaamheid en beweert, dat een man slechts dan eene vrouw mag huwen, wanneer hij haar bemint; en dat hij, die zich laat dwingen tot datgene, wat slechts uit de vrije keuze des harten geschieden mag, zeer verachtelijk en laag is.
Met nedergeslagen oogen en een eerbiedig gelaat had
6
Pöllnilz deze woorden geuit, en hij scheen volstrekt niet te bespeuren, dat de Koning rood werd van drift, en dat zijne oogen toornig op hem gericht waren.
âHa, dit waagde mijn broertje te zeggen?quot; riep de Koning uit: âHij koestert dus het utopiaansch denkbeeld, dat hij zijn wil tegen den mijne kan doorzetten. Zeg hem, dat hij dwaalt; dat hij zich aan mij moet onderwerpen, zoo als ik het aan mijn vader heb moeten doen.quot;
âJuist dit,quot; zeide Pöllnitz: âhaalt hij als voorbeeld aan; juist dit is de reden, waarom hij zich niet onderwerpen wil- Hij gelooft, dat een gedwongen huwelijk nimmer gelukkig kan zijn. Uwe Majesteit had door uwe gedwongene echtverbintenis niet alleen u zei ven, maar ook de Koningin ongelukkig gemaakt, en geene vrouw in uwe landen zou met uwe gemalin willen ruilen.quot;
Doorborend rustte de blik des Konings op het eerbiedig gelaat van Pöllnitz. âWeet gij,quot; zeide hij: âdat het mogelijk wijzer en verstandiger ware geweest, wanneer gij eenige woorden van mijn hoogwijzen broeder vergeten zoudt hébben?''
âUwe Majesteit heeft mij bevolen, u getrouw elk woord van den prins over te brengen.quot;
gij zijt te zeer een man van waarheid en gehoorzaamheid, te weinig hoveling en vleier, om niet elke leugen te vermijden, nret waar? O, vraiment, nu zet gij een gezicht, alsof gij u tegenover de heilige inquisitie bevondt, en gij te moede waart als een verslagen zondaar. Laat dat maar achterwege: Ik ken u, en ik weet zeer goed, dat gij een dubbel spel speelt, en dat gij u eigenlijk hartelijk verheugt, deze familie verdeeldheden met uwe spotachtige bijvoegsels te kunnen aanstoken. Zoo hebt gij ook met mij en mijn vader gehandeld; zoo zijt gij de vertrouwde van mijne zuster Amalia geweest; en nu wilt gij eveneens handelen met mii en mijn broeder Hendrik. Maar ik waarschuw u, volg niet te zeer uw kwaadaardig hart; neem liever van diegene uwer godsdiensten, welke gij den lang-sten tijd gevolgd zijt, wat wijsheid en goedheid over,, en zoek datgene, wat reeds erg genoeg is, niet nog erger te maken. Ik wil, dat mijn broeder huwe, verstaat gij mij, ik wil het, en u, mij nheer de opper ceremoniemeester, baron von Pöllnitz, u zal mijn toorn treffen, wanneer het niet geschiedt.quot;
7
âEn wanneer dit geschiedt, sire?quot; vroeg Pollnitz lachend, óp zijne gewone, onbeschaamde wijze: âWanneer ik den prins overhaal, zich naar het verlangen van Uwe Majesteit te schikken, wat zal dan mijne helooning zijn? Want ik kan onmogelijk gelooven, dat er hii mislukking wel straf, maar bij welslagen geene belooning voor mij zoude zijn.quot;
âBij het welslagen zal de zelfvoldoening uwe belooning zijn,quot; zeide de Koning glimlachend: âen bij de geboorte van eiken nieuwen prins, dien de aanstaande gemalin van mijn broeder aan ons land schenkt, zal uwe zelfvoldoening u het getuigenis geven, dat (jij het eigenlijk zijt, die voor het vaderland dezen nieuwen soldaat ter wereld brengt, daar gij de vader van dit huwelijk zijt.quot;
,,0, majesteit,quot; riep Pollnitz lachend; ânog nimmer beschouwde ik het vaderschap als eene belooning mijner daden, maar steeds als eene hoogst ongelukkige, tijd- en geldroovende gebeurtenis/'
De Koning lachte. âWees maar bedaard. Ik ken uw hart, en weet, dat gij geen gevoelige dweeper zijt, wien het loon van zijne zelfvoldoening genoegzaam is. Ik zal u dus op eene andere wijze moeten beloonen. Op den dag der verloving van mijn broeder Hendrik, verhoog ik uw inkomen met vijfhonderd thaler, en betaal uwe schulden.quot;
âO, sire,quot; riep Pollnitz klagend: âin welk een vreeselijk dilemma brengt gij mij. Uwe Majesteit wenscht, dat prins Hendrik zich spoedig verloven zal, en ik moet nu wenschen dat dit zoo laat mogelijk geschiede.quot;
âEn waarom?quot;
âOmdat ik mij haasten moet, nog zooveel mogelijk schulden te maken, opdat Uwe Majesteit er zooveel mogelijk te betalen hebbe, en mij niet als een vrek beschouwe.quot;
âGij zijt en blijft een volmaakte dwaas, en zelfs de ouderdom verbetert u niet!quot; riep de Koning lachend: âNeem u echter wel in acht,- niet te veel schulden te maken, of bij de oude nog nieuwe te voegen; want ik betaal slechts de schulden, die gij tot heden gemaakt hebt, en zoo gij van heden af nog nieuwe schulden maakt, worden u deze van uw inkomen afgehouden. En nu spreek! Hebt gij hoop, dat mijn broeder eindelijk naar rede zal luisteren?quot;
âWil Uwe Majesteit mij als antwoord eene wedervraag toestaan ?quot;
8
âVraag, baron!quot;
âWaardoor gekikte het Zijne Majesteit den zaligen Koning den tegenstand van zijn Kroonprins te overwinnen, en zijne toestemming tot zijn huwelijk met de prinses van Brunswijk te verwerven?quot;
âDat weet gij even goed als ik,quot; zeide de Koning, wiens gelaat weder betrok: âantwoord u zeiven dus op deze vraag!quot;
Pöllnitz maakte eene eerbiedige buiging. âHetgescbiedde,quot; zeide hij : âomdat de Kroonptins eindelijk het altoosdurende twisten en strijden moede werd; omdat bijnaar vrijheid en rust verlangde; omdat bij, ongehuwd zijnde, aan den persoon des Konings als eene schaduw verbonden was, terwijl hij door zijn huwelijk verzekerd was, zijn eigen paleis, zijne eigene bedienden en zijn eigen landgoed te bezitten, waaT hij op een weinig ledigen tijd en meer vrijheid mocht hopen. De Kroonprins nam de huwelijksboeien aan, omdat hij daardoor toch eenige vrijheid van zijn Koning verkreeg.quot;
âEn gij denkt dus, dat ik hetzelfde middel bij mijn broeder moest toepassen?quot; vroeg de Koning peinzend: âHet is een wanhopig middel, geloof dit vrij, en daar mijn broeder Hendrik geen Kroonprins is, weet ik niet of ik zijne vrijgezelbegeerte kan bevredigen, en hem ongehuwd laten. Maar zeg mij toch eens: heeft mijn broeder inderdaad zulk een onverwinlijken afkeer van het huwelijk en is zijn hart inderdaad zoo gevoelloos en koud, als hij beweert?quot;
Sluw glimlachend haalde Pöllnitz de schouders op, maar zweeg.
De doordringende blik des Konings scheen tot op den bodem zijner ziel te willen lezen.
âGij wilt mij dus niet antwoorden?quot; vroeg hij: âMijn broeder heeft dus eene liefdesbetrekking, en gij zij t daarbij zijn vertrouwde?quot;
âAch, sire, al de leden van uw doorluchtig geslacht kennen mijne onwankelbare trouwen verknochtheid te goed, om niet bet volste vertrouwen in mij te stellen.quot;
âJa, het is waar; gij zijt zeer goed met de geheime geschiedenis van ons Huis bekend,quot; zeide de Koning ernstig: âgij kent haar sedert het begin van ons koningschap en zelïs nog van vroeger. Gij hebt nimmer op het veld van eer, â maar menigmaal op het veld der Hof-intriges uwe
9
lauweren verworven. Gij waart er bij tegenwoordig, toen mijn grootvader zich zeiven tot Koning kroonde en zijn schitterenden intocht hield door de nieuwe straat van Berlijn, welke sedert dien tijd de Koningstraat genoemd wordt; gij waart ook tegenwoordig, toen zijne waanzinnige derde gemalin met luid geween in een wit nachtgewaad in zijn ziekenvertrek kwam, en hem een doodelijken schrik aanjoeg, daar hij geloofde, de Witte vrouw gezien te hebben.1) Hij stierf inderdaad ten gevolge van dezen schrik; en aan den nieuwen Koning zwoert gij den eed van trouw en gehoorzaamheid, en wei dt de vertrouwde der familie-intriges van het nieuwe Hof. Gij verriedt bij gelegenheid onze kleine intriges aan den Koning, even als gij mijne geheimen vroe-ger bij gelegenheid aan zijn vader, den vroegeren Koning, verraden hadt. Gij waart steeds een gehoorzame dienaar van hem, die Koning was, en die de macht en het geld bezat om u uit uwe verlegenheid te helpen. In stilte hebt gij het steeds met den Kroonprins gehouden, maar gij hebt hem ook steeds verraden. Ik wil, dat dit ook in het vervolg zoo zij. Ik moet de gedachten mijner broeders kunnen lezen, om ze te besturen of mij voor hen in acht te nemen. Ik moet weten, wat mijne broeders willen, om daarnaar te kunnen bepalen, wat zij moeten doen. Want de prinsen van het koninklijke huis hebben evenzeer eene zending te vervullen als de Koning zelf: hunne zending is, den Koning te gehoorzamen, het geheele land, als een voorbeeld van blijmoedige en zwijgende gehoorzaamheid en de strengste plichtsbetrachting, voor te gaan. Ik wil, dat ook mijne broeders deze zending vervullen; en daar (jij nu eenmaal het last-paard zijt, waarop de familie Hohenzollern hare kleine, huiselijke geheimen ontlaadt, moet gij nimmer vergeten, dat alleen het kabinet des Konings de plaats voor u is, waar gij u van den last dezer geheimen bevrijden, âen hem alleggen moogt. Zeg mij dus schielijk! Heeft mijn broeder de eene of andere liefdeshistorie, die hem van een wettig huwelijk afhoudt?quot;
âSire, het is van 's prinsen zijde, zoo als ik geloof, een
1
Mémoires pour servir a l'histoire des quatre derniers Souverains de la maison de Brandenbourg roijale de Prnsse. Par le baron de Pöllnitz Vol. I, pag, 393.
10
minnehandel dei* verveling, ofschoon hij zweert, dat het zijne eerste liefde is.''
âDat is een eed, dien men bij elke nieuwe verliefdheid herhaald, en die mij das niet bevreesd maakt,quot; zeide de Koning glimlachend; âen hoe is de naam van haar, die alleen, onder getuige der maan, zijne verliefde eeden hoorde? Zonder twijfel is het eene godin der schoonheid, eene toovergodin.quot;
âJa, sire, zij is jong en schoon; en daar zij ook zweert, dat de prins hare eerste liefde is, heeft niemand het recht daaraan te twijfelen; want niemand heeft meer verstand van liefde dan deze vrouw, die niemand anders is, dan de schoone mevrouw von Kleist, die, zoo als Uwe Majesteit zich herinneren zal, voor eenigen tijd geleden, zich van haar echtgenoot liet scheiden.quot;
âEn dus nu weder op vrije voeten is, zoo als het schijnt,quot; zeide de Koning met een verachtelijk glimlachje: âdeze schoone Louise von Schwerin is echter- eene vermetele en gevaarlijke vrouw, en tegenover haar sluw plan van aanval moeten wij eene contramijn leggen. Wanneer zij zich in hel hoofd gezet heeft, dat mijn broeder haar bemint, dan bezit zij genoeg ondervinding en middelen, om haar doel te bereiken, en hem zoo mogelijk tot de dwaaste en onge-rijmdste streken te verleiden. Deze zaak moet dus schielijk ten einde gebracht worden, en daar het niet anders kan, zullen wij wel genoodzaakt zijn van uw voorstel gebruik te maken en prins Hendrik als kroonprins te behandelen.quot;
âDe prins is voornemens dezen avond met zijne vrienden naar Berlijn te gaan, op het door den prins van Pruisen te geven gemaskerd bal.quot; duisterde Pöllnitz.
âO, het is waar, om zes uur eindigt het arrest van den prins, maar hij zal toch niet vergeten, dat hij verlof moet hebben, om Potsdam te verlaten.quot;
âHij zal het vergeten, sire.quot;
Zwijgend ging de Koning eenige malen op en neder, en zijn gelaat nam nu eene dreigende en toornige uitdrukking aan. âLaat den prins slechts zijn zin doen.quot; zeide hij toen : âherinner hem niet aai^, zijn plicht. Deze onaangename twist moet een einde nemen, en dat wel zoo spoedig mogelijk. Mijn broeder moet zich onderwerpen. Draag dus zorg, dat zijn besluit niet veranderd worde, en dat de prins
11
niet op het denkbeeld kome om verlof te vragen. Ga bij hem, en breng mij, zoodia hij afgereisd is, bescheid.quot;
Nog langen tijd nadat Pollnilz hem verlaten bad, ging de Koning peinzend op en neder. âArme Hendrik,quot; duisterde hij toen zacht: âik mag geen medelijden met u hebben, want gij zijt een Koningszoon, dat wil zeggen â een slaaf van uw stand. Waarom heeft het noodlot ook aan Koningszonen een hart gegeven, zooals aan andere men-scben ; waarom smachten wij dan zoo zeer naar het geluk der liefde, daar deze bedwelmende nectar toch steeds aan onze lippen geweigerd is, en wij liem niet mogen drinken, ofschoon de schoonste tooveres hem ons reikt?quot;
En geheel onwillekeurig vestigden zich zijne blikken weder op de fraaie beeltenis van Barberina. Maar de Koning wilde ook met zich zeiven geen medelijden hebben, daar hij het niet voor zijn broeder durfde gevoelen. Hij nam de zilveren schel en schelde driftig.
âNeem dit schilderstuk daar van den wand weg,quot; gelastte hij den binnen tredenden lakei: âbreng het aan den inspecteur, en zeg hem, dat hij er in de schilderijen-galerij een geschikte plaats voor zoeke.quot;
Met een kalmen blik zag hij, hoe de lakei het schilderstuk van den wand nam en het wegbracht. Maar toen zuchtte hij, en zijn blik vestigde zich op de plaats, waar het gehangen had.
âLedig en naakt,quot; zeide hij: âde laatste herinnering aan mijne jeugd is uitgebluscht. Nu zal ik nog slechts de Koning zijn, en wanneer het noodlot mijn wil zegent, mogelijk ook de vader mijns volks!quot;
II.
PRINS HENDRIK.
Met het hoofd in de hand geleund, zat prins Hendrik onbeweeglijk in zijn eenzaam vertrek. Zijne groote oogen.
12
welke zooveel overeenkomst hadden met die van zijn koninklijken broeder, waren onbeweeglijk op de zoldering van zijn kamer gevestigd, en wél moesten het sombere gedachten zijn, die zijne ziel vervulden, want zijn voorhoofd was bewolkt en zijne lippen waren toornig op elkander gedrukt. Die hem niet kende, zoude meenen, dat het de Koning was, dien hij daar voor zich zag, zoo in het oogloopend was bij den eersten oogopslag de overeenkomst der beide broeders. Het was dezelfde gestalte, hetzelfde gelaat, hetzelfde groote blauwe oog-, hetzelfde hooge, gewelfde voorhoofd, dezelfde vorm van nens en mond. Maar toch, hoewel men eerst eene treffende gelijkenis tusschen den Koning en prins Hendrik vond, â moest men die, bij een meer opmerkzame beschouwing, weder loochenen. Het was slechts eene overeenkomst van het uiterlijk, maar niet van de uitdrukking des geestes. Aan de oogenontbrak de nu eens dweepende, dan weder hartstochtelijke gloed van den Koning; de mond miste dat zachte, bijna roerend en weemoedig glimlachje; aan zijn geheele gelaat, hoe schoon het ook was, ontbrak die toovermacht van het geniale, die schitterende uitdrukking der geestdrift, waardoor-, zelfs in de meest kalme oogenblikken, het gelaat des Konings als met een zonnestraal verhelderd werd. Bijna altijd waren de blikken van den prins gebiedend en streng; zelden vertoonde zijn mond een goedhartig of weemoedig, â maar dikwijls een spottend en minachtend lachje; zijn voorhoofd schitterde van verstand en grootheid, maar het was niet gekenmerkt door den lichtstraal der bezieling. Mogelijk bezat de prins een verheven geest, een scherp verstand, maar de ziel des dichters ontbrak hem; die innerlijke poëtische blik, die gelijk eene goddelijke openbaring uit de oogen straalt, en elkeen tot liefde en bewondering noopt. Dus was de prins geheel het evenbeeld, en tevens het tegenovergestelde van den Koning; het ander ik van zijn koninklijken broeder, behalve dat het geniale hem ontbrak. En daar de wijze en hoogst verstandige menschen de bezielde genialiteit gewoonlijk als iets overtolligs en verwarrends beschouwen, zoo veroorloofde de prins zich somtijds over de dichterlijke pogingen des Konings en over zijn vertrouwelijken, ongedwongen omgang met schrijvers en dichters te spotten, en de daden zijns broeders op eene niet altijd voorzichtige en zachte
13
wijze te beoordeelen. De Koning, wien dit bekend was,âwant zelfs Koningen hebben vrienden, die hun de onaangename dingen overbrengen, â was daardoor tegen zijn broeder in bet harnas gejaagd, en zeer genegen de kleine onbezonnenheden en vergrijpen tegen de subordinatie van den prins, voor ^een opzettelijk en overlegd verzet tegen zijn wil te houden. Hoe strenger hij dus die kleine vergrijpen strafte, des te heftiger en met te minder ontzag verzette zich de prins legen deze gestrengheid. Zoo was die kleine krijg ontstaan, welke sedert eenigen lijd tusschen de beide broeders gevoerd werd. De Koning wilde in den prins niets zien, dan een officier, een onderdaan, die zich tegen zijn plicht en het reglement vergrepen had ; de prins verlangde, dat hij in hem nog den vrijen man en den prins erkennen, en hem eenige voorrechten zoude toestaan; en hoe meer het strenge rechtsgevoel van den Koning dit weigerde, des te vuriger en onstuimiger scheen de prins bij zijn voornemen te volharden.
Dit was nu de reden, dat de prins sedert eenige weken bijna altijd in arrest was geweest, en zich ook nu nog daarin bevond. De prins wilde niet erkennen, dat hij buiten de diensturen toch steeds officier, nimmer de vrije, zelfstandige man was, die het recht had te gaan, waarheen hij verkoos, zonder dat de toestemming van een ander daartoe noodig was. De Koning echter wilde, dat de prins evenzeer als elk ander officier, wanneer hij zijn garnizoensplaats verliet, daartoe vooraf verlof van zijn bevelhebber vroeg; en daar de Koning de in Potsdam aanwezige officieren steeds zelf dit verlof gaf, moest ook zijn broeder het van hem vragen. Maar prins Hendrik nam voortdurend den schijn aan, alsof hem dit verlangen des Konings vreemd was; of mogelijk wilde hij zich niet aan het gevaar blootstellen, dat zijn verzoek om verlof geweigerd werd, zooal« dit dikwijls bij de andere officieren geschiedde. Hij deed dus gelijk de andere officieren, en vertrok heimelijk naar Berlijn, om daar de verstrooiingen en vermaken te zoeken, waarvan in het stille en eentonige Sanssouci geen spoor te vinden was.
Maar de Koning, die zich zoo menigmaal omtrent deze vergrijpen bij andere officieren toegevend beloond had, was, zoodra het den prins betrof, onverbiddelijk. Elke heimelijke reis naar Berlijn werd met eenige dagen kamerarrest ge-
14
straft; en daar de jonge vrienden en makkers van den prins het als eene eer beschouwden, de straf en ongenade van den prins te deeien, was er sedert eenigen tijd onder de jonge, aanzienlijke oflicieren een zekere wedijver ontstaan, om even als de prins in arrest gezonden te worden *), en zij waren trotsch op hunne straf, als op een voorrecht, dat hen den prins nóg nader bracht.
Ook nu weder had de prins eenige dagen in arrest doorgebracht, want zijne dikwijls herhaalde fout had eene ge-strengere straf ten gevolge gehad, en in plaats van één dag,â had de prins nu vier dagen eenzaan op zijne kamer in arrest moeten blijven! Maar nu naderde het uur der verlossing, en met ongeduld zag prins Hendrik het tegemoet.
Eindelijk hoorde men van de nabij gelegen slotkerk den helderen klank der torenklok, die het zesde uur verkondigde. Dadelijk werd de deur geopend, om den prins in naam des Konings te verkondigen, dat zijn arrest geëindigd was.
Met een sprakeloozen hoofdknik antwoordde de prins en bleef zitten, terwijl hij slechts mot eene gebiedende beweging van de hand naar de deur wees. Maar toen de officier vertrokken was, stond de prins haastig op, en liep met snelle schreden eenige malen op en neder.
âHij behandelt mij als een schooljongen,quot; prevelde hij; âmaar ik zal hem bewijzen, dat ik óók mijn wil heb. Ik zal mij geen schrik laten aanjagen, ik zal niet toegeven; en wanneer de Koning niet met zijn plagerijen ophoudt; wanneer hij voordurend vergeten wil, dat ik de zoon en de broeder eens Konings, â en geen lijfeigene, geen slaaf ben, dan is het goed; dan zal ik óók vergeten, wie ik ben; dan zullen ook geene bedenkingen mij weêrhouden; dan zal ik even als hij vergeten, dat ik een prins ben, en mij slechts herinneren, dat ik een vrij en zelfstandig man ben, die dus het natuurlijk recht van den man bezit, haar, die hij bemint, ook de zijne te willen noemen, en haar tot de zijne te maken ten spijt van alle hinderpalen en van alle zoogenaamde onmogelijkheden. Ja, zóó zal het zijn! Wanneer mijn broeder mij tot het uiterste drijft, zal ik ook het uiterste wagen. Hij wil, dat ik huwen zal; dat is de reden
1) ïhièbault: Souvenirs de vingt ans de séjonr a Berlin. Vol. II,pag. 130.
15
waarom hij mij vervolgt en met spionnen omringt; daarom ben ik veroordeeld, hier in Potsdam te leven, waar. geen ander uitzicht is, dan het hol van den leeuw van Sanssouci op de eene, en bajonetten en soldaten op de andere zijde. Daarom is mijn inkomen zóó gering, dat ik ternauwernood vermijden kan schulden te maken, terwijl de Koning reeds voor de tweede maal de oude ongerijmde wet, die verbiedt don prinsen geld te leenen, openlijk bekend heeft laten maken, De Koning wil mij noodzaken, zijn wil te doen en in het huwelijk te treden. Nu ja, ik zal huwen; maar ik zelf wil mij eene echtgenoote kiezen, en er zal wel een meedoogend en omkoopbaar priester te vinden zijn, die mijn huwelijk, den Koning ten spijt, wil inze-genen.quot;
Zóó ver was de prins in zijne alleenspraak gevorderd, toen de deur zacht geopend werd, en een lakei binnentrad met het bericht, dat de heeren von Kalkreuth en Kap-hengst in het voorvertrek op de bevelen van den prins wachtten.
De prins beval hen binnen te leiden, en trad hen met een glimlachenden groet te gemoet, om zijne beide jonge vrienden, wier reuzengestalten nog boven de zijne uitstaken, de hand te reiken.
âWelkom, welkom,quot; zeide hij: âDe kooi is weder geopend, en ik mag weder een weinigje lucht en zonneschijn genieten. Laten wij dus niet dralen om van dit verlof gebruik te maken. Onze paarden moeten gezadeld worden.quot;
âZij zijn reeds gezadeld, Koninklijke Hoogheid,quot; zeide baron Kalkreuth: âik heb ze buiten de poort doen brengen, en zoodra het geheel duister is geworden, gaan wij er heen en stijgen op.quot;
âHoe? gij meent dus, dat wij niet voor mijne deur moeten opstijgen om van daar weg te rijden ?quot; vroeg de prins verwonderd.
âIk geloof, dat wij dit doen moesten!quot; riep baron Kap-hengst vroolijk lachend: âIedereen zal meenen, dat Zijne Koninklijke Hoogheid slechts een wandelrit doet, en niemand zal iets anders gelooven; terwijl men daarentegen nieuwsgierig zal worden, wanneer wij te voet de stad verlaten.quot;
âMij dunkt, het hooft den schijn, alsof ik bevreesd
16
ben, wanneer ik mij zoo heimelijk verwijder,quot; zeide de prins nadenkend.
âEn heimelijkheid en sluipwegen zijn goed voor priesters en oude vrouwen, maar niet voor ons,quot; liep Kaphengst lachend uit.
âHeimelijkheid past ieder, die een onrecht begaan wil,quot; zeide Kalkreuth ernstig.
Snel zag de prins naar hem op. âGij oordeelt dus, dat wij op het punt zijn, om onrecht te begaan?quot; vroeg hij.
âIk \Vaag het niet van Uwe Hoogheid te spreken, maar wij beiden begaan in ieder geval een onrecht; want wij zijn op het punt de ergste fout, die een officier begaan kan, te doen: een vergrijp tegen de subordinatie. Evenwel, mijn Vorst, ben ik bereid; want gij wenschtet, dat wij u vergezelden, en ik geloof, dat ik mijne liefde en vereering voor Uwe Koninklijke Hoogheid juist daarmede bewijzen kan, wanneer ik met vreugde datgene volbreng, wat ik als een onrecht veroordeelen moei.quot;
De prins antwoordde niet, maar trad aan het venster en zag peinzend en zwijgend in de avondschemering naar buiten.
âWeet gij wel, dat gij somtijds on verdragelij k met uwe uitspraken zijt, lieve vriend?quot; fluisterde Kaphengst: âHet verborgene past voor ieder, die een onrecht begaan wil. Waarlijk, ik vrees, dat gij ons met die uitspraak hel heerlijkste gemaskerd bal hebt doen missen, .dat dit jaar in Berlijn zal plaats hebben. Waart gij met uwe wijsheid ten minste een uurtje vroeger gekomen, dan hadden wij verlof kunnen vragen, terwijl nu âquot;
De prins keerde zich van het venster weder tot zijne beide vrienden, on zijn gelaat schitterde nu van vastberadenheid en geestkracht.
âKalkreuth heeft gelijk,quot; zeide hij: âWij waren op het punt een onrecht te begaan, en het is beter, dit te ver-iniiden. Laten wij ons dus aan de wet onderwerpen, zooals het een officier betaamt Ik zal aan den Koning schrijven, en voor ons drieën om verlof vragen.quot;
Dat zal, helaas, onmogelijk zijn. Koninklijke Hoogheid,quot; zeide eene zoetsappige stem achter hem, en toen de prins zich omkeerde, zag iiij eensklaps in het glimlachend gelaat
17
van den heer von Pöllnitz, die juist zijne fraaiste en kunst-raatigste buiging maakte.
âVergeef mij,' Koninklijke Hoogheid, dat ik het waagde onaangediend binnen te treden; maar gij zelf had t mij veroorloofd op dit uur te komen om u bericht te brengen aangaande de bevelen, mij door Uwe Hoogheid gegeven.quot;
âWaarom zegt gij, dat het onmogelijk is van den Koning verlof te verkrijgen?quot; vroeg de prins haastig.
âOmdat Zijne Majesteit zich reeds naar de concertzaal begeven heeft, en met Quanz eene nieuwe tluit-concertante bestudeert. Het is Uwe Koninklijke Hoogheid wel bekend, dat het streng verboden is, hem in de concertzaal te storen.quot;
âWelnu, dan zullen wij van ons plan moeten afzien en hier blijven,quot; zeide de prins verdrietig, terwijl de heer von Kaphengst zijn vriend Kalkreuth woedende en dreigende blikken toewierp.
âEn waarom wil Uwe Koninklijke Hoogheid dit doen?quot; vroeg Pöllnitz verbaasd: âAlle toebereidselen zijn gereed; alles, wat gij mij bevolen en opgedragen hebt, is stiptelijk door mij volbracht. Voor u en uwe beide vrienden heb ik vermommingen bezorgd, gelijk Uwe Koninklijke Hoogheid verlangde, en deze liggen ten mijnen huize in Berlijn gereed; daar zult gij u maskeeren en het rijtuig nemen, dat op u wacht en u naar het paleis van den prins van Pruisen brengt. Niemand zal u in uwe vermomming herkennen, of zoo dit al geschiedt, zal toch niemand het durven wagen Uwe Koninklijke Hoogheid bij den Koning te verraden. Buitendien weten slechts twee personen met zekerheid, dat gij het bal zult bezoeken; namelijk de prins van Pruisen en eene schoone vrouw, wier fraaie oogen vreugdetranen schreiden, toen ik haar de boodschap van Uwe Koninklijke Hoogheid overbracht. âZeg den prins,quot; fluisterde zij met hare be-tooverende sirenenstem: âdat ik hem daar verwachten zal, 9 zelfs al wist ik, dat de toorn des Konings mij later verpletteren zoude.quot;
De prins kleurde van geluk en tevens van schaamte. âEn gij zegt, dat het onmogelijk is den Koning nu nog te storen?quot; vroeg hij.
âOnmogelijk, mijn prins. Ik ten minste zou den moed niet hebben, mij in de concertzaal met eene dépêche 01
Mühlbach, Frederik de Groote en sijn Hof. V. 2
18
een brief tot hem te begeven. Ãe leeuw is steeds gevaarlijk, zelfs wanneer hij op de 11 uit blaast.quot;
âMaar wanneer het concert geëindigd is? Zoude men hem dan niet een brief van mij durven overhandigen?quot;
âAlle brieven, die heden nog komen, worden in het kabinet des Konings gebracht, waar hij ze morgenochtend leest, tenzij het belangrijke staatszaken, of plotselinge onheilen betreft; en ik geloof niet, dat de brief van Uwe Koninklijke Hoogheid tot een dezer beide cathegoriën behoort.quot;
âWij moeten er dus van afzien,quot; zeide de prins zuchtend.
âEr van afzien den Koning te zien, ja! want de Koning is voor heden ontoegankelijk, en zal zijne kamer in Sanssouci niet meer verlaten.quot;
âMaar zijn wij niet volkomen zeker, dat hij onze verwijdering volstrekt niet bespeurt ?quot; zeide de heer von Kap-hengst driftig.
âVolkomen zeker,quot; bevestigde Pöllnitz.
âTenzij, dat de baron von Pöllnitz den Koning zelf deze tijding brengt,quot; zeide baron Kalkreuth, wiens kalme en heldere blikken, op het glimlachend gelaat van den hoveling gevestigd, zijne verborgenste gedachten schenen te doorgronden.
âGij denkt dus, dat ik eene gelegenheid zoek om door den Koning weggejaagd te worden?quot; vroeg Pöllnitz lachend : âNeen, baron, wees gerust, ik zal zwijgen; want ik zoude niet gaarne als medeplichtige herkend worden. âMede gevangen, mede gehangen,quot; dat is een goed, oud spreekwoord.quot;
âO, een verstandig man, zooals gij zijt, weet altijd ter rechter tijd zijn hals uit den strik te redden, en dien van een ander er in te schuiven,quot; riep Kalkreuth driftig.
Baron Pöllnitz wierp een wantrouwenden en angstigen blik op hem. âBaron Kalkreuth,quot; zeide hij : âik wist niet, dat ik geld van u geleend, bestaan hiervoor soms kortere -â? en u daardoor het recht toegekend had, u lomp jegens mij te ge-,, dragen. Maar daar gij het toch waart, hebt gij het zonder twijfel in mindering gedaan, en verzoek ik u dus, mij ten minste vijftig louis d'or te leenen, opdat uw uitval tegen mij eene verzachtende omstandigheid verkrijge.quot;
âStil, heeren,quot; riep de prins, die er tot nu toe peinzend en in tweestrijd met zijn eigen wenschen, bij gestaan had;
19
âneemt uwe mantels en laat ons gaan wandelen. Zeidet gij niet, baron Kalkreüth, dat de paarden ons voor de poort wachten'?quot;
âJuist, Koninklijke Hoogheid.quot;
»En gil, Pöllnitz, hebt gij niet gezegd, dat te Berlijn ten uwen huize drie costumes voor ons gereed lagen?quot;
âDit heb ik gezegd, Koninklijke Hoogheid.quot;
jjEn gij, baron Kaphengst, zult gij op het gemaskerd bal van mijn broeder niet eene schoone vrouw vinden, die gij bemint en die u verlangend te gemoet ziet?quot;
âIk zal er vele vinden, mijn prins; want ik bemin alle schoone vrouwen, en ben trotsch genoeg te gelooven, dat meer dan eene mij met ongeduld verwacht.quot;
âWelnu dan,quot; zeide de prins met een gelukkig glimlachje : âwij mogen de paarden voor de poort, de costumes te Berlijn, en de teedere schoonen van den heer von Kaphengst niet langer laten wachten! Komaan, mijne beeren, wij rijden naar Berlijn!quot;
âHet heeft inderdaad moeite gekost hem te doen ver- . trekken,quot; fluisterde de heer von Pöllnitz, toen hij weder op straat was en de drie jonge lieden nakeek, wier gedaanten zich in de duisternis begonnen te verliezen; âDe goede prins had eene zeer deugdzame opwelling, en mijn plan had bijna schripbreuk geleden. Indien dit den Koning bekend ware, zoude hij in staat zijn om in de vervoering-zijner blijdschap den prins alles te vergeven, en het ge-heele plan van zijn huwelijk op te geven. Daardoor zoude ik echter de toelage tot mijn inkomen, â en het middel om mijne schulden te betalen verliezen. Dat mag dus niet gebeuren, en ik zal mij wèl wachten, den Koning dezen innerlijken tweestrijd van zijn broeder mede te deelen.quot; â
âWelnu?quot; vroeg de Koning, toen Pöllnitz bij hem binnentrad: âIs mijn broeder inderdaad naar Belijn gegaan?quot;
âNeen, sire, hij is er heen gereden, en wel vergezeld door de beeren von âquot;
âZwijg!quot; riep de Koning driftig: âIk wil hunne namen niet weten, anders moet ik hen óók straffen. Hij is er dus heen gegaan, en wel zonder te aarzelen of zich te bedenken ?quot; ~
âJa, sire, zonder zich te bedenken. Hij oordeelde vol-
20
komen in zijn recht te zijn, om te gaan, waarheen het hem goeddunkt, en zich te vermaken zooals hij zulks begreep; en daar hij geen fluit kan blazen, wilde hij ten minste beproeven, op een ingelegden vloer zijns broeders de contra-l)as 1^0 strijken quot;
âEn ik zal bij die muziek de maat slaan!quot; riep de Koning uit: âLaat het rijtuig voorkomen. Pöllnitz, gij vergezelt mij naar Berlijn. Zonder twijfel heeft mijn heer broeder den rijweg over de weide ingeslagen, die wat nader is?quot;
âJa, sire!quot;
âWelnu, dan loopen wij geen gevaar, hen te achterhalen, en ons wederkeerig incognito aan elkander te verraden; en daar wij overal wisselpaarden hebben, zullen wij mogelijk nog vóór hem te Berlijn zijn.quot;
111.
LOUISE VON KLEISÃ.
Mevrouw von Kleist bevond zich alléén in haar boudoir, en beschouwde met blijkbaar welgevallen haar juist voltooid toilet in den grooten Venetiaanschen spiegel, dat inderdaad wel reden tot tevredenheid schonk; want het gewaad eener Odaliske, dat zij droeg, stond haar buitengewoon goed en was volkomen in overeenstemming met hare weelderige schoonheid, met die groote, vochtige blauwe oogen, die volle koraalroode lippen en die buigzame, gevulde en toch zoo volmaakt geëvenredigde gestalte. â Louise von Kleist was nog altijd schitterend schoon, niettegenstaande hare achtentwintig jaren en de velerlei stormen en kommer, die somtijds haar schoon gelaat als met een sluier van wolken bedekt hadden. Maar de rozen op hare wangen waren daardoor niet verwelkt; de jeugd was in haar hart evenmin gestorven, als op haar gelaat.
21
Louise von Kleist was innerlijk nog geheel dezelfde kleine Louise von Schwerin van vroegere dagen; de kleine, dartele dweepster, die het romanesk vond, de beminde van een jongen tuinman te zijn, en die geheel gereed was, met hem naar het paradijs der liefde te vluchten. 1) Toen had de voorzorg des Konings haar van eene romaneske dwaasheid gered, en haar een anderen echtgenoot gegeven. Maar dit ongelukkig huwelijk met den armen heer von Kleist, den goudmaker en duivel-hezweerder, was zij nu te boven gekomen, het was voorbij, en Louise von Kleist was nu weder vrij en van hare kluisters ontslagen. Innerlijk gevoelde zij nog steeds iets van die dartele en avontuurlijke neiging tot het romantische der kleine Louise'von Schwerin ; dezelfde gelukkige zorgeloosheid, dezelfde zucht naar avonturen waren haar bijgebleven; zij was nog steeds de vermetele, dweepende, licht bewogene Louise von Schwerin, â behalve dat zij minder onschuldig was; behalve dat de kleine coquette uit natuurlijke neiging in eene coquette met het volle bewustzijn, en met de volste heerschappij over de haar ten dienste staande middelen, veranderd was.
Toch koesterde de schoone, zelfbewuste coquette nu dezelfde fantastische wenschen, welke eenmaal de schoone, onschuldige coquette gevoeld had. Louise von Kleist droomde even goed van een mésalliance als Louise von Schwerin dat eenmaal gedaan had, maar met dit verschil, dat de laatste hare blikken naar omlaag, â de eerste hare blikken naar omhoog richtte. Louise von Schwerin wilde tot den tuinman nederdalen, Louise von Kleist wilde zich tot den prins opheffen, â dat was het geheele verschil!
Zij stond voor den spiegel, en beschouwde nog eenmaal nauwlettend hare geheele gestalte, on moest zich zelve met een tevreden glimlachje bekennen, dat zij schoon genoeg was, om alle mannen te kunnen betooveren, en in elk hart een smartelijk verlangen naar hare liefde te doen ontstaan.
âMaar ik wil en zal nu niemand meer beminnen, dan den prins alleen,quot; zeidezij toen; âen indien mijne mach tover hem
1
Zie: L. Mühlbach. Krederik de Groote en zijn hof.
22
inderdaad zoo groot is, dat ik hem tot een huwelijk met mij kan bewegen, dan zal ik hem door getrouwheid en eene volkomene berusting in zijn wil, er voor beloonen. O, zeker, ik zal eene deugdzame en eene trouwe moeder zijn, en mijne bekoorlijke, kleine Camilla zal in hare moeder een goed en waardig voorbeeld vinden. Ik zal mijn engel nu met een afscheidskus beloonen, en dan voort naar het bal!quot;
Zij begaf zich in het aangrenzend slaapvertrek en ging naar het bed van haar kind. Het was een vreemd schouwspel, die vrouw in dat grillig en weelderig gewaad zich met zulke vrome en teedere blikken over de legerstede van dat kleine meisje te zien heenbuigen, met gevouwen handen en zacht fluisterende lippen, die mogelijk een gebed of een vromen wensch lispelden.
âHoe schoon is zij,quot; fluisterde Louise, volstrekt niet vermoedende, dat hare eigene schoonheid op dit oogenblik in een bijna verblindenden glans straalde; dat de moederlijke liefde haar van eene verleidelijke coquette in eene aanbid-denswaardige heilige had doen veranderen: âHoe schoon is zij, en hoe weinig bezit zij van het kinderachtige van hare jaren. Men zoude indeixiaad gelooven, dat dit kind van tien jaren reeds een jong meisje, eene Hebe was, geheel waardig om de goden te bedienen.quot;
Een luid gelach van hare dochter deed haar plotseling zwijgen; het kind sloeg de groote, zwarte oogen op, en zag ' hare moeder vroolijk aan.
âOndeugd, gij hebt dus niet geslapen ?quot; vroeg de moeder glimlachend.
âNeen, mama, ik sliep niet,quot; lachtte Camilla: âik speelde maar een beetje comedie.quot;
âAch, en van wie hebt ge dat geleerd, comedie te spelen, mijn kleine wildzang?quot; vroeg Louise teeder.
Het kind staarde met hare groote oogen een poos peinzend voor zich heen, zoo als kinderen dat gewoonlijk doen, wanneer zij door eene vraag verrast, en tot nadenken genoopt worden.
âIk geloof, mama,quot; zeide zij toen langzaam: âik geloof, dat ik dat van u geleerd heb.quot;
âVan mij, Camilla? Wanneer hebt ge mij dan comedie zien spelen ?quot;
âO, zeer dikwijls,quot; riep zij lachend uit; ânog slechts voor
23
eenige dagen geleden, mama! Denk maar eens, hoe hartelijk wij met elkander lachten en schertsten. Eensklaps werd prins Hendrik aangekondigd, en gij zond mij naar een ander vertrek; maar de deur bleef open, en ik zag zeer goed, dat uw gelaat eensklaps zeer droevig werd, en ik hoorde, dat de prins u naar uw welstand vroeg, en toen antwoorddet gij: âIk hen ziek. Koninklijke Hoogheid, en hoe kan het ook anders, daar ik steeds ween en van kommer en verlangen verga.quot; Welnu, mama, was dat niet comedie spelen?quot;'
Louise von Kleist antwoordde niet; hijgend legde zij de hand op liet hart, want daar gevoelde zij een pijnlijk zelfverwijt en een onbeschrijflijke angst kwam over haar.
Camilla vervolgde: âO, ik zag ook, hoe teeder de schoone prins u toen aanzag, en hoe hij uwe hand kuste en zeide, dat gij schoon waart, gelijk een engel. O, mama, ik zal óók schoon worden, en dan wil ik óók door een prins bemind worden.quot;
âMaar om schoon te worden, moet men bovenal goed, verstandig en deugdzaam zijn,quot; zeide de schoone Odaliske met een ernstig gelaat.
De kleine Camilla ging overeind in haar bed zitten; het witte nachtgewaad was van hare schouder gegleden en liet hare zachte, kinderlijke vormen zichtbaar; hare bruine lokken kronkelden langs den ontblooten hals, neder en werden daar door het witte, met kant versierde nachtgewaad bedekt. De lamp, die aan de zoldering hing, verlichtte met helderen glans haar bekoorlijk gezichtje, en deed het goud en zilver borduursel en de diamanten aan het fantastisch gewaad harer moeder, hooger schitterden.
Camilla was op dat oogenblik, toen zij, met de ontbloote armen over de borst gekruist, tot hare moeder opzag, inderdaad schoon gelijk een engel, maar tóch zetelden er reeds aardsche en gevaarlijke denkbeelden in haar hart.
Mama,quot; zeide zij: âwaarom wilt gij dan, dat ik deugdzaam zijn zal, â gij zijt het immers óók niet?quot;
Louise beefde en zag hare dochter vol ontzetting aan.
âWie heeft u gezegd, dat ik niet deugdzaam was?quot; vroeg zij haar.
âMijn arme, lieve papa heeft mij dat gezegd, toen hij voor het laatst hier was, en ik eenige uren bij hem moch zijn. O, hij lieeft mij zeer wel verteld, mama,quot; vervolgd
24
het kind mei een sluw lachje: âhij heeft mij verhaald, dat gij een schoonen tuinmansknecht bemind hebt en met hem weggeloopen zijt, en dat papa u op bevel des Konings gehuwd, â en van de schande gered heeft. En bij zeide, dat gij er niet dankbaar voor geweest zijt, maar dat gij hem dikwijls verraden en bedrogen hebt; en alleen, omdat hij door u zoo ongelukkig was geworden, had hij eindelijk zooveel wijn gedronken, om zijn ongeluk te vergeten. Ach, mama, gij weet niet hoe hij schreide, die arme papa, toen hij mij dat alles vertelde, en hoe hij mij bezwoer, toch niet zoo te worden als gij zijt, maar moeite te doen, om geheel anders te worden, opdat allo menschen mij achten en beminnen konden!''
Terwijl Camilla zoo sprak, was hare moeder langzaam, als het ware verpletterd, naast haar bed nedergezonken, en baar gelaat aan het bed van haar kind verbergende, snikte zij luid.
âSchrei niet, schrei niet, mama!quot; riep Camilla angstig: âGeloof mij toch, ik zal zeker niet doen, wat papa zegt, en ik zal niet zoo dom zijn, om met hem naar eene kleine stad te gaan, waar het zoo stil en eenzaam is.quot;
Toen hare moeder nog steeds bleef schreien, vervolgde Camilla opgewekter, en als het ware om haar te doen bedaren: âIk wil óók zoo worden, als gij zijt, mama; zeker, dat wil ik ! O, gij zult eens zien, ik let altijd op wat gij doet; ik zie hoe gij tegen alle heeren vriendelijk glimlacht, en welke groote oogen gij somtijds maakt, en hoe gij nu eens trotsch en koel, en dan weder zoo teeder kijkt. O, ik . heb alles opgemerkt, en juist zóó wil ik doen; en ik wil óók met een tuinman wegloopen, even als gij; maar ik laat mij dan niet door papa terughalen, neen, ifcniet!quot;
âZwijg kind, zwijg!quot; riep de moeder, terwijl zij zich bleek en ernstig oprichtte; âGij zult een deugdzaam en eerbaar jong meisje worden, en die loopen nimmer met een man weg. Vergeet, wat uwe booze vader u gezegd heeft. Gij weet wel, dat hij mij haat; en hij heeft u al deze slechte dingen van mij voorgelogen, opdat gij mij óók zoudt haten.quot;
âMama, kunt hij er een eed op doen, dat hij onwaarheid, sprak
âJa, mijn kind, ik kan er een eed op doen!quot;
25
âGij zijt dus niet met een tuinman wegeloopen ?quot;
âNeen, mijne dochter; ik heb u reeds gezegd, een deugdzaam meisje loopt niet weg.quot;
âGij hebt papa niet ongelukkig genïaakt, en toen gij zijne vrouw waart, geen andere mannen bemind?''
âNeen, mijne dochter!quot;'
âMama,quot; vroeg het kind na eene poos; âkunt gij mij daarop de rechterhand geven, en er een eed op doen?quot;
Een oogenblik aarzelde Louise, en eene ijskoude rilling overviel haar; zij had een gevoel, alsof zij op het punt stond een meineed te doen. Maar toen zij het bekoorlijk gelaat van haar kind aanzag, wier groote oogen met eene vreemde uitdrukking op haar gevestigd waren, overwon zij hare eigen besluiteloosheid.
âHier hebt gij mijne rechterhand,quot; zeide zij: âik zweer u, dat alles wat uw vader verteld heeft, onwaarheid is.quot;
Camilla begon weder luid te lachen. âZiet gij wel, mama,quot; zeide zij: ânu heb ik u gefopt! Gij wilt altijd, dat ik de waarheid zeg, cn nooit zweren zal, en er nooit de rechterhand op geef, wanneer datgene, wat ik zeg, eene onwaarheid is. En nu hebt gij zelve het gedaan!quot;
âWat heb ik gedaan?quot; vroeg hare moeder bevend!quot;
âGij hebt mij de rechterhand gegeven, en gezworen, dat alles wat papa gezegd heeft, niet waar is, en tóch is het de waarheid, en nu hebt gij gelogen en een valschen eed gedaan!quot;
Hare moeder sidderde zóó hevig, dat zij zich aan de leuning van het ledikant moest vasthouden, om niet neder te storten.
âWaarom gelooft gij dat, Camilla?quot; vroeg zij.
âIk geloof het niet, ik weet het zeker,quot; zeide het kind vroolijk lachend: âwant toen papa het laatst met u sprak en voor altijd afscheid van u nam, zeide hij hetzelfde tot u, wat hij mij gezegd heeft. Ja, ik was er bij en hoorde alles! Gij hadt echter niet gezien, dat ik achter u in de kamer geslopen was, en mij zachtjes achter het groote vuurscherm verborgen had. Toen zeide papa ook tegen u, dat gij de oorzaak van zijn ongeluk en zijne schande waart. Van den dag, waarop gij met den tuinman weggeloopen waart, en hij u op bevel des Konings, had moeten vervolgen en huwen, van dien dag af was hij een verloren man
26
geweest. En toen hij dat zeide, hebt gij slechts geschreid, maar gij hebt niet tot hem, zoo als nu tot mij gezegd, dat papa eene onwaarheid zeide.quot;
Louise antwoordde niet. Deze laatste slag had haar hart gelijk een bliksemstraal verpletterd, en haar geheel bedwelmd. Terwijl zij zich nog steeds aan de leuning van het bed vasthield, zag zij met een onuitsprekelijk gevoel van zielesmart op haar kind neder, wier schalksch glimlachje hare ziel nu nog als met een dolksteek kwetste.
âVerloren,quot; fluisterde zij zacht: âwij zijn beide verloren !''
Toen wierp zij zich in hartstochtelijke vertwijfeling voor haar kind neder, en het vast in hare armen sluitende, kuste zij het vurig, en bevochtigde haar gelaat met hare brandende tranen.
âNeen, Camilla, neen, gij zult niet verloren gaan.quot; fluisterde zij; âGij zult rein en deugzaam blijven! Elk kind heeft zijn goeden engel, die het bewaakt; bid, mijn kind, bid, dat uw engel niet van u wijke!quot;
Nog éénmaal drukte zij haar onstuimig in hare armen, en keerde toen weder troosteloos en diep bedroefd, zoo als zij zich nimmer te voren gevoeld had, â in hare kleedkamer terug.
Maar deze ongewone treurigheid viel haar spoedig lastig; haar hart was er niet aan gewoon smart te gevoelen, en zij sidderde, voor die eenzame, dolle ledigheid, die zij in zich gevoelde.
âKwam het rijtuig nuslechlsom mij te halen,quot; fluisterde zij; en toen, als ware het, om haar lichtzinnig hart voor zich zelve te verontschuldigen, voegde zij er bij ; ânu is het mij een heilige plicht, den prins op eene rechtmatige en wettige wijze toe te behooren. Ik moet de achting van mijn kind weder verwerven;ik moet haar leven een vasten en degelijken grondslag geven. Ja, zeker, daartoe is het volstrekt noodig,. dat ik niet de beminde van den prins, maar zijne echtgenoote worde. En ik zal dit doel bereiken, want de prins bemint mij werkelijk, en in zijn mond is het woord der eerste liefde geene onwaarheid!quot;
En nu was zij weder de behaagzieke vrouw, wier bekoorlijk glimlachje weder volmaakt met haar coquet gewaad overeenstemde; niet meer de teedere moeder, de door berouw en zelfverwijt gemartelde zondares!quot;
27
Daar stond zij weder voor den spiegel, en braclit de gekreukelde plooien van haar kleed in orde, en herstelde haar wat in wanorde geraakt kapsel.
âHeden wil ik betooverend en wegslepend zijn,quot; lluisterde zij met een glimlachje, waardoor de beide rijen van hare parelwitte tanden zichtbaar werden: âuil mijne blikken zal de prins geestdrift en moed putten, om het ongehoorde te wagen, en mij zijne hand aan te bieden. O, ik weet het reeds, dat hij vast voornemens is, het te doen, al ware het ook slechts om zijn koninklijken broeder ergernis te geven!quot;
Toen zij nu van de straal het geraas van het naderend rijtuig vernam, schitterden hare oogen, en zeide zij diep ademhalend; âDe slag neemt een aanvang! Welaan dan, op ter overwinning!quot;
VI.
HET GEMASKEUÃ BAL.
Het feest was reeds begonnen, en toen Louise von Kleist, de schoone Odaliske, de groote danszaal binnentrad, weiden hare oogen bijna verblind door het bont gewoel der edelen, die daar in hunne fantastische, fabelachtige, van goud en edelgesteenten schitterende kleeding op en neder golfden; door den helderen glans, die zich van de kristallen kronen als een fonkelende zee van licht over deze door spiegels en gouden sieraden schitterende zaal uitstortte, eu den ingelegdenjvloer als eene donkere ijsbaan deed blinken.
De feesten bij den prins van Pruisen waren beroemd, zoowel wegens hunne smaakvolle regeling als om de weelde en pracht, die de erfgenaam van den troon daarbij aan den dag legde, en die hij mogelijk als een schitterende sluier over de oogen zijner gasten wilde werpen, opdat zij zijn eigen stil en zwaarmoedig gelaat onopgemerkt zouden laten, maar zijn leven en zijn geluk naar den glans zijner feesten zouden
28
beoordeelen. â Zonder herkend te worden sloop de schoone Odaliske in het bonte gewoel der elegante maskers rond; terwijl zij, wanneer zij hi(!r en daar een dier\ermomde gestalten, niettegenstaande hare verkleeding herkend had, deze den naam of het eene of andere ondeugende gezegde toefluisterde, om dan vroolijk lachend verder te zweven, op nieuw de kleine pijlen van haar vernuft af te schieten, en op nieuw bij de herkenden, verwondering en verbazing te verwekken.
âO, dat het geheele leven een gemaskerd bal ware,quot; zeide zij zacht tot zich zelve: âzulk een geheimzinnige, zoete scherts, waarbij men steeds meer vindt dan men zoekt, en meer gist dan men weet! Niemand kent mij hier, en de dappere, schoone heer Du Troussel, de edele Malthezer ridder, die daar ginds tegen die zuil leunt, en met zwaarmoedige, smachtende blikken naar het gewoel der maskers staart, om haar op te sporen, naar wie zijn hart verlangt, vermoedt niet, dat zij intusschen tegenover hem staat, en hem om zijne verliefde droefgeestigheid uitlacht. Neen, ook hij herkent mij niet, en niemand herkent mij; niemand,â behalve de prins en Pöllnitz, â weet, in welk gewaad ik hier ben, en daar deze mij nog niet gevonden hebben, blijkt daaruit, dat zij nog niet gekomen zijn, en dat ik dus nog wel wat rondzwerven en dwepen kan.
Juist wilde zij zich lot den slanken Malthezer ridder begeven, toen men plotseling zacht haren arm aanraakte, en zij, zich omkeerende, twee in donkere mantels gehulde maskers achter zich bespeurde en groetend voor haar bogen.
âSchoone Odaliske, ik breng u uwen sultan,quot; fluisterde een dezer maskers, en terwijl hij een oogenblik het masker oplichtte, werd het sluw en glimlachend gelaat van den baron von Pöllnitz zichtbaar.
âEn waar is mijn sultan?quot; vroeg zij zacht.
âHier is hij,quot;, zeide het tweede masker, de schoone vrouw zijn arm aanbiedend, en Louise zag door het masker die groote, schitterende, blauwe oogen haar tegenstralen, die niemand, behalve prins Hendrik en den Koning eigen waren.
âAch, mijn prins,quot; fluisterde zij zacht en bijna verwijtend: âgij ziet, dat ik wachtte.quot;
Lie prins antwoordde niet; hij voerde haar slechts haastig door het gedrang, terwijl Pöllnitz vooruitging en
29
hun den weg scheen te wijzen, welken zij gaan moesten. Zoo bereikte zij spoedig aan het einde der zaal de kleine trap, waarmede men in het op het balkon uitkomend boudoir kwam. Van dit balkon kon men de geheele zaal overzien; maar indien men daar boven in het kabinet, onopgemerkt en ongezien door het gezelschap wilde zijn, behoefde men enkel de zware lluweelen gordijnen, die het kabinetje van het balkon scheidden, neder te laten, en men bevond zich dan in eeri bekooi'lijk klein boudoir, waarheen de muziek en het gewoel van de danszaal, als het verwijderd geklots der golven tegen het eiland der gelukkigen, weerklonk.
Naar dit boudoir geleidde de heer von Pöllnitz nu het sprakelooze paar. Met haastigen ijver opende hij hun de deur en liet hen binnentreden; nadat hij vervolgens de gordijnen van het balkon had nedergelaten, boog hij eerbiedig en vertrok,
âMijn hemel,quot; fluisterde Louise schijnbaar ontsteld: âindien men ons hier eens verraste, Koninklijke Hoogheid, indien men â
âVrees niets, hier zal men ons niet verrassen,quot; zeide haar geleider; âPöllnitz houdt de wacht voor de deur. Daar wij ongestoord en alleen zijn, zullen wij vooreerst ee». masker afleggen, mogelijk blijft er toch nog een op rusten!quot;
Zoo sprekend nam de gewaande prins Hendrik zijn masker af, en wierp het op de tafel.
âDe Koning!quot; riep mevrouw von Kleist, ontsteld eene schrede achteruitwijkende.
Met eene doorborende uitdrukking rustten de blikken des Konings op haar. âHoe!quot; vroeg hij: âblijft gij u nog vermommen? Gij neemt den schijn aan van verwonderd te zijn, en gij wist immers, dat ik het was. Aan wien anders dan aan den Koning zoude de schoono mevrouw von Kleist zUlk eene onderscheiding toestaan? In welken anderen cavalier konde zij wel zulk een onbegrensd vertrouwen stellen, dat zij hem hierheen volgt, in dit eenzame boudoir, dat met zijn rooskleurig licht en zijne stilter inderdaad voor ieder ander gevaarlijk zoude zijn, en juist geschikt is, de kalmste zinnen en het koelste hart te doen ontbranden? Aan wien anders dan aan den Koning alleen zoude Louise von Schwerin, â neen,
3U
Louise von Kleist op deze wijze haar eer, haar naam en persoon overleveren? Maar gij weet, dal gij volkomen gerust kunt zijn; want zich in mijne nabijheid te bevinden, beteekent tevens onder mijne bescherming te staan ; onder bescherming van een Koning, die door de zorgen en lasten zijner koninklijke plichten reeds lang het hart van den man verstikt zag. Ik dank u, dat gij mij wel herkend hebt, en mij hierheen gevolgd zijt.quot; ,
Louise was te zeer verward door de doorborende blikken des Konings, â te zeer beschaamd door zijne zacht spottende woorden, om te kunnen antwoorden.
Zij boo^ zwijgend, en liet zich door den Koning naar flen divan gele'den, die tegenover den wand van het balkon geplaatst was.
âLaat ons gaan zitten en wat praten,quot; zeide de Koning: âgij weet, ik haat het gedruisch der feesten, en zonder mij in een groot gezelschap gaarne in eene hoekje af, waar men niet opgemerkt wordt. Nauwelijks had Pöllnitz mij dus geopenbaard, welk eene beminnelijke toovergodin onder dit gewaad eener Odaliske verborgen was, of ik wist, dat mijn goed gezelschap gevonden was, en gaf aan Pöllnitz slechts bevel, ons een stil praathoekje aan te wijzen. Daar zijn wij nu, laten wij dus praten! Maak gij een begin!quot;
âWaarover beveelt Uwe Majesteit, dat ik spreken zal?quot; vroeg Louise verward en angstig; want zij begreep zeer goed, dat het volstrekt geen toeval was, dat de Koning haar gezelschap begeerde, maar dat hij daarmede een bepaald doel beoogde.
âO, ziedaar inderdaad eene vraag, wier naïviteit mij aan de kleine Louise von Schwerin van vroegere dagen herinnert!quot; riep de Koning glimlachend uit: âWaarover gij spreken zult? Wel, laat ons beginnen te praten over hetgeen elk mensch gewoonlijk het meest belang inboezemt; laten wij over uw geluk spreken. Gij zucht? Zoudt gij óók reeds uwe schatting aan het vergankelijke van het geluk betaald hebben?quot;
âO, sire, een ongelukkig huwelijk is wel de zwaarste schatting, die men betalen kan.quot; zuchtte mevrouw von Kleist: âen Uwe Majesleit weet, dat ik die zeer lang betalen moest, tot ik eindelijk, niet lang geleden, door uwe genade uit mijne slavernij verlost werd.quot;
31
âO ja, het is waar, gij zijt gescheiden! En wanneer denkt gij weder in het huwelijk te treden?quot;
Verwonderd keek Louise op. âHoe?quot; stamelde zij verlegen: âUwe Majesteit oordeelt dus âquot;
âDat gij weder trouwen zult? â Ongetwijfeld! Want zulk eene schoone vrouw, als gij zijt, is natuurlijk steeds door minnaars omringd, en ik zal niet dulden, dat gij, â even als de hoogst eerbare Penelope, ^âom uwe minnaars te misleiden, des nachts weder los tornt, wat gij des daags vervaardigd hebt. Neen, ik verlang oprecht, dat gij weder in het huwelijk treedt; daardoor zult gij aan mijne broeders, uwe speelmakkers, een waardig voorbeeld geven, en ik zal tot mijn broeder Hendrik zeggen; Het huwelijk is waarlijk nog zoo slecht niet, als gij gelooft, en men kan er zich zeer goed aan onderwerpen. De schoone mevrouw von Kleist was immers moedig genoeg, om ten tweeden male in het huwelijk te treden, en yij, die een man zijt, zoudt reeds een afschrik van quot;de eerste maal hebben? â â Vraiment, ik hoop dat deze woorden even als een tooverformulier op u werken zullen, en ik wensch uw huwelijk dus niet alleen ter wille van uw geluk, maar ook als een offer der liefde, dat gij aan mijn Huis zult brengen.quot;
âIk twijfel echter, sire,quot; zeide Louise beschroomd: âdat het voorbeeld van zulk een gering persoon in staat zal zijn den prins van zijn tegenzin in het huwelijk te genezen.quot;
âMaar deze twijfel is onbillijk, en ontspruit uit eene dwaling. De prins heeft uit zijne jeugd eene veelle groote gehechtheid voor u behouden, om niet aan het schoone voorbeeld van uwe overreding gevolg te geven. Trouwen zal en moei de prins echter; dat is te zeggen: naar zijn rang, en wettig. Ik houd niet van die buitengewone huwelijken bij prinsen, die meenen van hunne minnaressen eene fatsoenlijke vrouw te kunnen maken, wanneer zij haar in plaats van hun naam en rang, de linkerhand bieden, en. God, de menschen en hun eigen geweten met eenige vrome machtspreuken van eer en zedelijkheid willen verblinden. Wat is eene vrouw in een morganatisch huwelijk? Eene bevoorrechte minnares, verder niets! De gelofte, die men jegens haar voor het altaar aflegt, geeft haar zelfs de zekerheid niet, dat haar echtgenoot niet buiten haar nog luettiy huwen kan. En wat blijft dan voor eene vrouw in
32
een morganatisch huwelijk over? De godsdienst en de omkoopbare Kerk gaf haar een ijdelen titel, dat is alles. De wet vergunt haar niets; de wereld geeft haar slechts de nieuwsgierigheid der geringen en de verachting der aanzienlijken, en wanneer bet noodlot haar bastaard-huwelijk met kinderen zegent, zullen hare kinderen eenmaal hunne moeder vervloeken, die hen tot een leven met eene twijfelachtige eer, en een twijfelachtigen naam veroordeelde.quot;
âO, sire, gij schetst daar eene vreeselijke schilderij!quot; i-iep Louise sidderend.
âIk doe het, omdat ik wensch, dat gij, die mijn broeder reeds zoo lang kent, het zoudt beproeven, in een goeden en edelen zin op hem te werken; want men verhaalt mij, dat de prins op het punt is, eene groote dwaasheid te begaan. Men verzekert mij, dat hij, âten spijt van mij en mijn wil, â stil en onwettig, in het huwelijk wil treden. Nog weet ik den naam zijner minnares niet, maar ik zal dien wel vernemen, en wanneer ik eenmaal de moeite genomen heb, hem in mijn geheugen te bewa-ren, dan zal ik van geen genade weten. Zeg dit aan mijn broeder, ik verzoek er u om. Zeg hem, dat ik nimmer zulk een onwettig huwelijk erkennen zal; dat voor mij deze morganatisch gehuwde vrouw nooit iets anders dan zijne minnares zal zijn, die evenzeer haar minnaars-verlof noodig heett, als de minnaressen der soldaten van mijn leger ^; dat ik de kinderen uit dit huwelijk, even als die der overige minnaressen der soldaten, als weezen beschouwen, â en in het weeshuis te Potsdam zal plaatsen; dat ik vóór alles echter zorgen zal, dat voor zijne minnares de deuren van al de familiën van mijn Hofstoet gesloten zullen blijven, en dat men haar overal als eene verworpelinge en verachte zal afwijzen!quot;
âUwe Majesteit is zeer streng en moedoogenloosjegens den armen prins,quot; zeide mevrouw von Kleist, die het gelukt was hare aandoening meester te worden, en die nu, het
1) De Koning veroorloofde niet, dat de soldaten gedurende hun diensttijd huwden. Maar er werd hun toegestaan in vrije gemeenschap met eene uitverkorene te leven; alleen moest voor deze bij de militaire overheden een minnaars-verlof gevraagd worden, dat hun dan tegen de politie en de Wet beschermde. Prenss. Deel I, bladz. 426.
33
doel des Komngs begrijpende, gaarne den schijn wilde aannemen, zelf geheel vreemd aan deze zaak te zijn.
âNeen,quot; zeide de Koning: âik ben niet wreed en mee-doogenloos; ik moet slechts de dingen met de oogen eens Konings beschouwen, die niet enkel het welzijn van zijne familie, maar nog meer het welzijn van zijn volk in het oog moet houden. Mijne broeders moeten mijn volk niet enkel met een goed en waardig voorbeeld voorgaan, maar zij moeten ook met mij voor het welzijn van mijn land en mijn volk zorgen. Daarom moeten zij volgens hun stand huwen, niet alleen om edele zonen en dappere opperhoofden aan het vaderland te schenken, maar ook om zich met vermogende prinsessen te verbinden, die nieuw geld en nieuwe hulpbronnen aan mijn land en volk bijbrengen.quot;
âArme prins,quot; fluisterde Louise: âUwe Majesteit wil dus zijn hart gelijk een klomp goud tot geld doen slaan, en het schoone goddelijke metaal als morsige, koperen munt voor het volk doen hermunten?quot;
âIk geloof niet, dat de handen van het volk het goud in koper doen veranderen, maar het koper zal in hunne'vlijtige handen tot zuiver goud 'worden, waarop Gods zegen rust. Hem, die zich voor het welzijn van het volk moet opofferen, is door het lot eene groote en sclioone bestemming aangewezen, en de geschiedenis zal hem daarvoor een gedenkzuil oprichten. Ook mijn broeder Hendrik behoort aan de geschiedenis, en hij mag zich dus niet laten verleiden dooide sirenenstem zijner beminde ; maar hij moet zijne ooren met was toestoppen, en zich aan den mast van zijn vorstenplicht doen vastbinden. Zeg dit aan den prins, en nu,quot; vervolgde de Koning met eene welwillend glimlachje: âlaten wij nu weder over u zelve praten. Gij zult dus weder in het huwelijk treden. Vertrouwt gij mij genoeg, om mij den naam van uw gelukkigen bruidegom te noemen?quot;
âSire,quot; antwoordde Louise glimlachend : ânog ken ik zelve hem niet; en om u le bewijzen welk oen onbepaald vertrouwen ik in Uwe Majesteit stel, beken ik u,quot; dat ik zelfs niet weet, of zich onder mijne talrijke vereerders iemand bevindt, die de opvolger van den heer von Kleist zoude willen zijn. Het is zeer gemakkelijk velen te hebben, die ons het hof maken, maar zeer moeielijk onder dezen één trouwlustige te vinden.quot;
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. V. 3
34
âEn toch hebben wij zoo iemand noodig, die den talrijken stoet van onbesuisde vrijers en hofmakers verjaagt,quot; zei de Koning glimlachend: âlaten wij er dus nog eens over nadenken. Wij zullen de hofmakers eens de revue laten passeeren. Zoude er inderdaad niet één enkele trouwlustige onder verdwaald zijn?quot;
Peinzend zag Louise voor zich neder. Met scherpe en onderzoekende blikken staarde de Koning op haar. âWelnu ?quot; vroeg hij na eene pauze: âHebt gij een echtgenoot gevonden4?quot;
Mevrouw von Kleist zuchtte, en het was alsof er een traan in haar gewoonlijk zoo helder en schitterend oog opwelde; in dit oogenblik zeide zij hare schoonste en eer-zuchtigste droomen, â een toekomst vol glans en liefde, â vaarwel!
âJa,quot; zeide zij: âik dacht één trouwlustige gevonden te hebben; een hofmaker, dien ik slechts behoef aan te moedigen, om den bescheiden eh smachtenden jongeling in een minnaar te veranderen, die voor niets terugdeinst, en die mij zijn leven en zijne hand aanbiedt.quot;
âHij is toch van ouden adel, niet waar?quot;
âJa, sire.quot;
âMilitair?quot;
âJa, sire; maar hij draagt slechts kapiteins-epauletten. Uwe Majesteit ziet, dat ik bescheiden ben.quot;
âOp den dag van uw huwelijk zal ik den kapitein tot majoor bevorderen. Wanneer de kerk deze liefde gezegend heeft, zal ook de zegen des Konings niet ontbreken. Wij zijn het dus eens! Wanneer zult gij u verloven?quot;
âSire, dat hangt van de houding van mijn minnaar al, en wanneer het mij eindelijk gelukken zal hem tot spreken te brengen.quot;
âLaat ons aannemen, dat dit binnen acht dagen geschiedt. Gij ziet, dat ik haast heb, om een gelukkigen sterveling meer op aarde te kennen; en ik denk, dat de echtgenoot van de schoone en geestige mevrouw von Kleist een zeer gelukkig sterveling zal zijn. Binnen acht dagen viert gij dus uwe verloving, en om de maat uwer goedheid vol te maken, zult gij zelve mijn broeder Hendrik uwe verloving mededeelen. Het spreekt van zelf, dat gij hem niet laat vermoeden, dat alleen een edelmoedig pogen, om
35
hem zelven een goed voorbeeld te geven, u tot deze verloving deed besluiten. Neen, gij zult uw edelmoedig werk voltooien; gij zult hem zeggen, dat liefde, en alleen liefde u tot dezen stap bewoog; en opdat hij volstrekt uwe woorden niet betwijfele, zult gij hem dit met een helder voorhoofd en lachenden mond mededeelen!quot;
âHet is te veel, sire; dat gaat mijne krachten te boven!quot; riep mevrouw von Kleist uit, wier gekwetste vrouwelijke ijdelheid zich nu 'tegen de onderdanigheid der eerbiedige hofdame verzette: âLaat het voldoende zijn, dat ik mijn eigen hart ter slachtbank brenge; Uwe Majesteit kan nu niet meer vorderen, dat ik vooraf den prins nog den doodsteek toebrenge!quot;
Een toornige gloed schitterde in het oog des Konings, maar nog bedwong hij zich. âDen doodsteek?quot; zeide hij, quot;iiebt, toen gij met den tuinmansknecht wegliepi. locn ;mocht het ons nog gelukken u van de schande te redden, 'door u aan een jongen, dapperen, en beminnensvvaardigen 'cavalier uit te huwen. Nu was het uw plicht geweest, â¢diens liefde en achting te verwerven. Maar gij waart eene Binnen acht dagen zult gij verloofd zijn, en danVuirgij^de goedheid hebben, zelve aan prins Hendrik het geluk uwer nieuwe liefde bekend te maken.quot;
âO, sire, wees toch niet zoo wreed, dit te eischen!quot; riep Louise uit, zich in de hevigheid van hare aandoeningen van den divan op hare knieën nederwerpende: âWees barmhartig, sire. Gij ziet mij bereid de bevelen van mijn Koning op te volgen, en het olfer, dat men van mij vordert, te brengen, maar laat dat olfer niet bovenmenschelijk zijn. Wanneer Uwe Majesteit echter verlangt, dat ik zelve mij den vloek en de verachting berokkenen zal, dat hij niet enkel van mij afzien, maar mij ook verachten zal, â sire, dan is dit te veel van eene vrouw gevergd, rneer dan het sterkste hart vermag te dragen. Want het is Uwe Majesteit wél bekend, dat ik het ben, die de prins bemint, en mogelijk dacht hij er in een onbewaakt uur aan, aan deze vrouw, â welke hem aanbidt, en die er vast van overtuigd was aan zijne hand weder het paradijs der onschuld en der liefde te betreden, â zijne hand te reiken en haar tot de gade van zijn hart te rnaken, daar hij haar niet de gade van zijn naam mag maken. O, Sire, mogelijk was uw broeder door
34
âEn toch hebben wij zoo iemand noodig, die den lul-rijken stoet van onbesuisde vrijers en hofmakers verjaagt,quot; zei de Koning glimlachend: âlaten wij er dus nog eens over nadenken. Wij zullen de hofmakers eens de revue laten passeeren. Zoude er inderdaad niet één enkele trouwlustige onder verdwaald zijn?quot;
Peinzend zag Louise voor zich neder. Met scherpe en onderzoekende blikken staarde de Koning op haar. âWelnu ?quot; vroeg hij na eene pauze: âHebt gij een echtgenoot gevonden T
Mevrouw von Kleist zuchtte, en het was alsof er een traan in haar gewoonlijk zoo helder en schitterend oog opwelde; in dit oogenblik zeide zij hare schoonste en eer-zuchtigste droomen, â een toekomst vol glans en liefde, â vaarwel 1
âJa,quot; zeide zij; âik dacht één trouwlustige gevonden te hebben; een hofmaker, dien ik slechts behoef aan te moedigen, om den bescheiden eri smachtenden jongeling in een minnaar te veranderen, die voor niets terugdeinst, en die mij zijn leven en zijne hand aanbiedt.quot;
âHij is toch van ouden adel, niet waar?quot;
âJa, sire.quot;
âMilitair?quot;
âJa, sire; maar hij draagt slechts kapiteins-epauletten. Uwe Majesteit ziet, dat ik bescheiden ben.quot;
âOp den dag van uw huwelijk zal ik den kapitein tot majoor bevorderen. Wanneer de kerk deze liefde gezegend heeft, zal ook de zegen des Konings niet ontbreken. Wij zijn het dus eens! Wanneer zult gij u verloven?quot;
âSire, dat hangt van de houding van mijn minnaar at, en wanneer het mij eindelijk gelukken zal hem tot spreken te brengen.quot;
âLaat ons aannemen, dat dit binnen acht dagen geschiedt. Gij ziet, dat ik haast heb, om een gelukkigen sterveling meer op aarde te kennen; en ik denk, dat de echtgenoot van de schoone en geestige mevrouw von Kleist een zeer gelukkig sterveling zal zijn. Binnen acht dagen viert gij dus uwe verloving, en om de maat uwer goedheid vol te maken, zult gij zelve mijn broeder Hendrik uwe verloving mededeelen. Het spreekt van zelf, dat gij hem niet laat vermoeden, dat alleen een edelmoedig pogen, om
35
hem zeiven een goed voorbeeld te geven, u tot deze verloving deed besluiten. Neen, gij zult uw edelmoedig werk voltooien; gij zult hem zeggen, dat liefde, en alleen foe/Me u tot dezen stap bewoog; en opdat hij volstrekt uwe woorden niet betvvijfele, zult gij hem dit met een helder voorhoofd en lachenden mond mededeelen!quot;
âHet is te veel, sire; dat gaat mijne krachten te boven!quot; riep mevrouw von Kleist uit, wier gekwetste vrouwelijke ijdelheid zich nu 'tegen de onderdanigheid der eerbiedige hofdame verzette; âLaat het voldoende zijn, dat ik mijn eigen hart ter slachtbank brenge; Uwe Majesteit kan nu niet meer vorderen, dat ik vooraf den prins nog den doodsteek toebrenge!quot;
Een toornige gloed schitterde in het oog des Konings, maar nóg bedwong hij zich.., âDen doodsteek?quot; zeide hji.
goedheid hebben, zelve aan prins Hendrik het geluk uwer nieuwe liefde bekend te maken.quot;
âO, sire, wees toch niet zoo wreed, dit te eischen!quot; riep Louise uit, zich in de hevigheid van hare aandoeningen van den divan op hare knieën nederwerpende; âWees barmhartig, sire. Gij ziet mij bereid de bevelen van mijn Koning op te volgen, en het offer, dat men van mij vordert, te brengen, maar laat dat offer niet bovenmenschelijk zijn. Wanneer Uwe Majesteit echter verlangt, dat ik zelve mij den vloek en de verachting berokkenen zal, dat hij niet enkel van mij afzien, maar mij ook verachten zal, â sire, dan is dit te veel van eene vrouw gevergd, rneer dan het sterkste hart vermag te dragen. Want het is Uwe Majesteit wél bekend, dat ik het ben, die de prins bemint, en mogelijk dacht hij er in een onbewaakt uur aan, aan deze vrouw, â welke hem aanbidt, en die er vast van overtuigd was aan zijne hand weder het paradijs der onschuld en der liefde te betreden, â zijne hand te reiken en haar tot de gade van zijn hart, te maken, daar hij haar niet de gade van zijn naam mag maken. O, Sire, mogelijk was uw broeder door
36
n
mij de in ongenade gevallen prins geworden, maar hij zoude een gelukkig man geweest zijn, en ik vraag den Koning of dit ten slotte niet het beste en schoonste is; ik vraag den Koning, of hij tevreden en gelukkig is geworden, sedert hij zijn hart doodde, en de liefde als een gescheurd vaandel aan de voeten van zijn troon nederlegde! Gij wilt, dat uw broeder doen zal, wat ook gij deedt! Welaan, sire, ik onderwerp mij; ik ben zelfs bereid niet enkel afstand te doen, maar zonder liefde op nieuw de huwelijks-kluisters op mij te nemen. Mogelijk gaat mijne ziel daardoor te gronde, maar wat ligt daaraan gelegen! Zij is een stuk speelgoed in de handen mijns Konings. Dat hij het in stukken breke: maar het zal ten minste niet belasterd, â niet door het slijk gesleurd worden. De prins moge ophouden mij te beminnen, maar ik wil
elkander gedoken, de handen over de borst gekruisd, aan de voeten des Konings zat, had men haar inderdaad voor eene odaliske kunnen houden, behalve dat haar door tranen bevochtigd gelaat niet met dien toestand en dat gewaad overeenstemde.
Er volgde eene pauze; een pijnlijke, angstige pauze, waarin de Koning met zijn toorn, â en Louise met hare smart streed. Uit de danszaal drong het geluid van een vroolijk gelach en het gedruisch der stemmen als een dof ruischen tot hen door, en nu werd het eensklaps overstemd door de vroolijke fanfaren en de opwekkende dansmuziek. Het bal had een aanvang genomen, en daar beneden bewogen de paren zich nu in vroolijken dans.
Het geluid dezer tonen deed den Koning uit zijne overpeinzingen ontwaken.
âGij wilt mijn verzoek dus niet toeslaan ?quot; vroeg hij op strengen toon.
âIk kan het niet, sire,quot; jammerde Louise, hare handen smeekend tot hem opheffende.
âGij kunt niet?quot; riep de Koning uit, wiens gelaat nu van toorn gloeide: âGij kunt niet? dat is te zeggen, gij
37
will niet, omdat gij in de ijdelheid en coquelterie van uw hart niet van den prins wilt afzien. Gij neemt een besluit van zijne hand afstand te doen, omdat gij het doen moet; maar gij wilt zijne liefde voor u redden. Hij moet aan u denken, gelijk aan een hemelsch ideaal, dat men aanbiddend onder de sterren plaatst, wanneer men het niet aan het hart mag drukken. O, mevrouw, zoodoende zoude hij zich slechts met zijne herinneringen verbinden, en de kloof, die tusschen hem en mij bestaat, zoude nog breeder worden. Gij zegt, ten minste zijne hoogachting voor u te willen redden! Welnu, mevrouw, ik vraag u, wat gij gedaan hebt, om deze hoogachting te verdienen? Gij waart eene ondankbare en plichtvergeten dcchter; want gij dacht niet aan do schande en den kommer, die gij uwe ouders berokkend hebt, toen gij met den tuinmansknecht wegliept. Toen mocht het ons nog gelukken u van de schande te redden, door u aan een jongen, dapperen, en beminnenswaardigen cavalier uit te huwen. Nu was het uw plicht geweest, diens liefde en achting te verwerven. Maar gij waart eene plichtvergeten gade, gelijk gij eenmaal een plichtvergeten dochter geweest waart. Gij hadt geen mededoogen met de zwakheden en dwaasheden van uwen man; en zoo gij dan, zooals gij zegt, een paradijs der liefde en der onschuld in uw hart bewaard hebt, dan hebt gij uwen man waarlijk de poorten daartoe niet geopend. In de woestijn der wanhoop hebt gij hem gedreven. Gij hebt hem met de beelden zijner schande en ellende zóólang rondgejaagd, tot de arme en bedwelmde man, â om maar niets meer te zien, om zijne gedachten te kunnen ontvlieden, â zich aan de ondeugd der dronkenschap overgaf. Want, daar hij geen god, maar slechts een arme sterveling was, kon hij de gave der vergetelheid niet uit den Lethe-stroom, maar slechts uit het wijnvat putten. En gij, in plaats van hem nu raadgevend en beschermend ter zijde te staan, gij verliet hem, en weeklaagdet zóó luide over zijne schande, dat ik, â om toch maar een einde aan het schandaal te maken, en den wensch van uwen oom te vervullen, â in uwe scheiding bewilligde. Gij waart echter niet alleen een plichtvergeten dochter en gade, maar ook een plichtvergeten moeder; want gij hebt uw kind den vader ontnomen; gij hebt het tot eene weeze gemaakt, die zelfs op het graf van haren
38
vader niet kan bidden; gij hebt hare jeugdige ziel met de strafwaardige boelden van tweedracht en huiselijke ellende bevlekt; gij hebt haar de achting voor hare ouders ontroofd. En nu, na dit alles, wilt gij nog, dat mijn arme broeder u gelijk eene heilige aanbidden, â en in ongelukkige liefde voor u versmachten zal? Neen, mevrouw, daarvoor zal ik hem weten te bewaren. Ik zal hem de oogen openen, en aan hem en de geheele wereld de geschiedenis van de kleine Louise von Schwerin verhalen. Nog leeft Frits Wendel, en zoo gij het verlangt, zal ik zijn lichaam zoowel als zijne tong vrij laten, üy moge dan vertellen, wat hij weet!quot;
âO, voor de tweede maal reeds hoor ik heden dezen ge-haten naam,quot; (luisterde Louise: âhet verledene is eene furie, die ons door het geheele leven vervolgt, en ons nimmer weder los laat!quot;
âKies, mevrouw,quot; zeide de Koning na eene poos; âwilt gij mijn broeder op eene opgeruimde en ongedwongene wijze uwe verloving mededeelen, of zal ik Frits Wendel roepen, opdat hij de ongelukkige liefde van den prins metzijne romaneske geschiedenis in slaap zinge?quot;
Louise von Kleist had zich reeds vroeger, terwijl de Koning sprak, langzaam opgericht en hare plaats op den divan weder ingenomen. Nu stond zij op, en terwijl zij zich diep boog, zeide zij met sidderende lippen en bewogen stem: âSire, ik ben tot alles bereid, wal gij beveelt! Ik zal zelve den prins mijne verloving mededeelen, en zelfs opgeruimd en zonder zuchten; bewijs mij enkel de genade, mij van dat schrikbeeld te verlossen, dat mij als eene furie vervolgt; laat slechts die man verdwijnen, die als een spooksel van mijn verleden en mijne toekomst tevens, voor mij verrijst.quot;
' âGij bedoelt den armen Frits Wendel ?quot; vroeg de Koning glimlachend: âIk geloof, dat hij voor zijne dwaasheid en zijn verraad genoeg gestraft is, en nadat wij hem nu gestreng bestraft hebben, zullen wij hem met edelmoedigheid schadeloos stellen. Op den dag, waarop gij in het huwelijk treedt, zal ik hem als soldaat naar een van mijne regimenten aan de Poolsche grenzen zenden. Daar mag hij aan de Polen van zijne vroegere avonturen verhalen, zij zullen hem toch niet verstaan en niet naar hem luisteren. Zijt gij nu tevreden?quot;
39
âIk dank u, sire,quot; zeide Louise afgemat.
âO, ik bemerk, dat ons onderhoud u wat vermoeid heeft. Welnu, gelukkig zijn wij teneinde, en hel volkomen eens. Gij zult ii dus binnen acht dagen verloven?quot;
âJa, sire.quot;
âOp den dag uwer verloving zal ik uwen kapitein tot majoor bevorderen. Gij zelve zult mijn broeder Hendrik,â en wel opgeruimd en onbeschroomd, â uwe verloving mededeelen ?quot;
âJa, sire, en gij zult den tuinmansknecht daarvoor voor altijd doen verdwijnen?quot;
âDat zal ik. Maar halt! nog iets. Waar zult gij mijn broeder uwe verloving mededeelen, en ten aanhoore van welke getuigen?quot;
âDaar, en in bijzijn van die getuigen, die Uwe Majesteit zal bevelen,quot; zeide mevrouw von Kleist op kalmen toon.
De Koning dacht een oogenblik na. âGij zult het in mijne tegenwoordigheid moeten doen,quot; zeide hij : âwant ik zal in deze zaak slechts mijne eigene oogen en ooren kunnen vertrouwen. Ik zal u door Pöllnitz plaats en tijd doen aanwijzen; en dat gij tot dit tijdstip den prins zien noch schrijven kimt, daarvoor zal ik zorg dragen. Wij zijn nu gereed, mevrouw, en wanneer het u goed dunkt, zullen wij naar beneden in de zaal gaan. Ik verbeeld mij, dat uw trouwlustige daar naar u zucht.quot;
âLaat hem zuchten, sire. Ik vraag verlof, mij te mogen verwijderen, al ware het ook slechts, om prins Hendrik niet te ontmoeten; want ik gevoel mij nog niet sterk genoeg, om mijn hart voor hem te verloochenen.quot;
âGa, mevrouw, waarheen het u goed dunkt,quot; zeide de Koning; âPöllnitz zal u naar uw rijtuig geleiden.quot;
Met eene vriendelijke buiging reikte hij mevrouw von Kleist de hand en geleidde haar tot aan de deur.
âVaarwel, mevrouw,quot; zeide de Koning vriendelijk: âik denk, dat wij als goede vrienden scheiden?quot;
Mevrouw von Kleist glimlachte smartelijk. âSire,quot; zeide zij: âik kan slechts tot u zeggen, gelijk het de half dood gegeeselde, bloedende soldaten doen, die voor het een of ander misdrijf spitsroede hebben moeten loopen: âIk dank voor de genadige straf.quot; Uwe Majesteit heeft heden mijn
40
aim hart spitsroede duen loopen. Sire, ik dank voor'de genadige slrat.quot;
Zij boog diep, on verliet toen schielijk het vertrek, om den Koning hare tranen niet te laten zien.
V.
EEN ONBEKENDE KAPJTE1N.
De Koning zag haar een geruimen lijd zwijgend na; in het begin met eene uitdrukking van diep mededoogen, dat echter spoedig voor een spottend glimlachje moest wijken.
âZij is geene vrouw, die door den kommer ernstig aangetast wordt,quot; zeide de Koning toen: âwanneer het zwarte rouwgewaad haar niet goed kleedt, zal zij zich spoedig weder in het rozerood gewaad der vreugde tooien. Zij is eene coquette, en niets meer! Het is dus onnoodig haar te beklagen!quot;
Hij begaf zich nu naar het balkon in de zaal en bleef, verscholen achter de gordijnen, op het bonte gewoel er onder nederzien.
âEn dat noemen de menschen zich amuseeren,quot; zeide hij na eene poos: âzij kleeden zich als apen, doen over hun masker nog een tweede, rennen en loopen tegen elkander aan, dansen in het zweet huns aanschijns, en wanneer zij doodelijk afgemat en uitgeput huiswaarts keeren, zuchten zij: âDat was een heerlijk feest! Ik heb mij uitstekend vermaakt!quot; O, arme, dwaze menschenkinderen, hoe wijs kondet gij zijn, wanneer gij niet zoo kinderachtig waart; wanneer gij vreugde en geluk juist niet altijd daar zocht, waar gij verzekerd kunt zijn het niet te vinden! Maar hoe,quot; dus viel de koning zich zeiven in de rede: âdie beide reusachtige gedaanten, die daar aan weerszijden van dien kleinen Armeniër gaan, zijn ongetwijfeld de heeren von Kalkreuth en Kaphengst, en het is dus mijn broeder, die daar in hun midden gaat! Arme Hendrik! Gij hebt een slecht ge-
41
bruik van uwe vrijheid gemaakt, en zult haar dus spoedig genoeg weder moeten verliezen! Ach, hoe wendt hij zijn hoHfd zoekend naar alle zijden, om zijne sclioone Odaliske op te sporen! Met is te vergeefs, broeder, te vergeefs! quot;Voor dezen avond ten minste hebben wij haar in eene boetvaardige Magdalena veranderd, maar morgen zal zij wel weder eene levenslustige Aspasia zijn! Ha, nu verwijdert de prins zich van zijne geleiders, en verdeelen zij zich in de zaal om te zoeken. Ik zou den vroolijken Kaphengst wel een woordje kunnen toefluisteren!quot;
De Koning verwijderde zich van de gordijn, en nadat hij zijn masker weder voor het gelaal gebonden had, verliet hij het balkon om, vergezeld door zijn opper-ceremonie-quot; meester, weder in de balzaal terug te keeren.
Daar heerschte nu een vroolijk, bont gewoel. De maskers verdrongen elkander. Hier stonden groepen in vroolijk gekout naast elkander; daar danste men; ginds aan het andere einde der zaal luisterde men naar den speelman, die in kluchtige Duitsch-Fransche rijmen bij zijn draaiorgel de kleine voorvallen en avonturen van het Hofleven uit dit, jaar bezong, en nu eens schaterend gelach, dan weder verlegen zwijgen en een blos van schaamte te voorschijn riep ; en op eene andere plaats vermaakte men zich weder met het geestig gesnap van den zoon van den prins van Pruisen, den kleinen tienjarigen prins Frederik Wilhelm, die in het gewaad van den god der liefde, met pijl en boog in het rond sprong, en met een vroeg ontwikkelden aanleg, enkel op de schoonste en bekoorlijkste dames zijne pijlen richtte.
Op dit alles gaf prins Hendrik geen acht; zijne dwalende blikken zochten slechts rond naar de schoone Odaliske, en een gesmoorde zucht ontsnapte aan zijne borst, toen hij haar nog steeds niet vond. Haastig snelde hij voort dooide rijen der dansers, wier bont gewoel zijne beide cavaliers juist van hem gescheiden had.
âHet schijnt,quot; fluisterde baron Kaphengst zijn vriend Kalkreuth in het oor: âdat de prins voor goed van ons ontslagen wil zijn; misschien wenschte hij ook liever geheel onopgemerkt te blijven. Ik geloof, dat wij er óók gebruik van kunnen maken, en dus neem ik afscheid van u, om mijne eigene avonturen te kunnen volgen.quot;
42
âAlleen raad ik u op morgen geen rendez vous af te spreken.quot; fluisterde baron Kalkreuth lachend.
âEn waarom niet, vriend?quot;
âOmdat gij niet in staat zoudt zijn te verschijnen, daar gij u morgen zonder twijfel, even als ik, in arrest zult bevinden.quot;
âDat is waar! Hoe het zij, ik dank u voor uw voor-zichtigen raad, en zal al mijne rendez-vous tot overmorgen verschuiven. Vaarwel!quot;
De heer von Kaphengst begaf zich lachend naar een ander gedeelte der zaal, toen zich plotseling eene hand op zijn schouder legde en eene zachte stem zijn naam fluisterde.
Onthutst keerde hij zich om. âTk ben niet degeen, dien gij zoekt, masker,quot; zeide hij; maar toen hij nu die beide groote, schitterende oogen, die door het masker heen op hem gevestigd waren, ontwaarde, sidderde hij, en zelfs zijn stoutmoedig, onbeschroomd hart stond een oogenblik stil van schrik.
Slechts de Koning had zulke oogen; alleen hij bezat dien gebiedenden, vurigen blik.
âGij zegt, niet degeen te zijn, dien ik zoek,'' zeide het masker: ânu ja, gij spreekt verstandig, want ik zocht in u een dapper en gehoorzaam officier, en dat schijnt gij inderdaad niet te zijn! Gij zijt dus inderdaad niet de luitenant von Kaphengst'?quot;
Kaphengst bedacht zich een oogenblik. Hij had de vaste overtuiging, dat het de Koning was, die met hem sprak, want c Frederik had niet de moeite genomen te veinzen. Daar hij nu eenmaal ontdekt was, bleef hem niets over, dan te beproeven, den Koning door scherts te verzoenen.
Hij boog zich dus nader tot den Koning. âLuister, masker,quot; duisterde hij; âdaar gij mij toch eenmaal herkend hebt, zal ik u de waarheid bekennen. Ja, ik ben de luitenant von Kaphengst, en ben incognito hier. Gij begrijpt mij immers?#Ik ben incognito op het bal gekomen. Een schelm echter, die het verklapt!quot;
En zonder een nader antwoord des Konings af te wachten, snelde de heer von Kaphengst verder, om den prins en Kalkreuth op te zoeken, en hun de tegenwoordigheid
43
des Konings mede te deelen, om daarna spoedig met hen diens toorn te ontvluchten.
Maar prins Hendrik, die door het zoeken naar zijne beminde nog meer vertoornd en eigenzinnig geworden was, verklaarde, dat hij de balzaal niet vóór den afloop van het feest verlaten zoude, en dat hij het den Koning overliet, of hij hier openlijk zijn broeder beschimpen,
â en een prins van zijn geslacht vernederen en bestraffen wilde.
âDaar ik, helaas, niet het geluk heb, tot de prinsen van liet koninklijke Huis te behooren,quot; zeide Kaphengst treurig: ^zoo vrees ik, dat de Koning mij soms als de kat, die de gebraden kastanjes uit het vuur moet halen, beschouwen zal, en ik dus voor ons drieën zoude moeten boeten. Ik verzoek Uwe Koninklijke Hoogheid dus mij te veroorloven, mij te verwijderen.quot;
âGa, en zoo gij Kalkreuth ontmoet, verzoek hem dan u te vergezellen; gij, als officieren, moogt de insubordinatie niet verder drijven; ik, als prins en Hohenzollern, waag het,
â maar wees verzekerd, dat ik voor mijn overmoed wei-zal moeten boeten! Vaarwel en haast u! Maar vergeet niet het aan Kalkreuth mede te deelen!quot;
Intusschen waren de pogingen van den heer von Kaphengst tevergeefs; de overste von Kalkreuth was nergens te vinden, en Kaphengst moest dus besluiten, den terugweg naar Potsdam alleen te ondernemen.
âNu zal ik echter het bevel des Konings om mij in arrest te begeven, niet eerst afwachten,quot; zeide'de heer von Kaphengst tot zich zeiven, toen hij op den weg naar Potsdam voortreed: âIk zal zorgen reeds in arrest te zijn, wanneer het koninklijk bevel komt. Mogelijk bedaard dat zijn koninklijken toorn.quot;
Dientengevolge nam de baron von Kaphengst, toen hij aan den wachtpost bij de poort te Potsdam aankwam, de houding aan van een dronken en twistziek officier, en speelde zijne rol zóó uitmuntend, dat het hem volkomen gelukte voor den bevelhebber gebracht, â en in arrest gezonden te worden.
Een uur later kwam bij den bevelhebber het koninklijk bevel, den luitenant von Kaphengst te doen arresteeren; maar met glimlachende verwondering vernam de Koning
liet antwoord: âHij bevindt zich reeds sedert een uur in arrest.quot;
Intusschen had Kaphengst zich niet verrekend. Terwijl prins Hendrik acht dagen en de heer von Kalkreuth drie dagen arrest kregen, werd hij reeds den volgenden morgen uit zijne gevangenschap ontslagen, en wel nog vroegtijdig genoeg, om op de parade te kunnen verschijnen.
Toen de Koning, omringd door zijne generaals, langs het. front reed, ontdekte zijn scherpziend oog dadelijk den stout moedigen, jeugdigen officier, die hem meteen vragen-den en tevens smeekenden blik aanzag.
De Koning wenkte hem tot zich, en toen de heer von Kaphengst in zijne stijve, militaire houding voor hem stond, zeide de Koning lachend: âBij uwe lengte is het inderdaad moeielijk, met u geheimen te bespreken. Buig u tot mij neder, ik heb u iets in het oor te fluisteren!quot;
En zijne kameraden de officieren, ja zelfs de heeren generaals zagen niet zonder afgunst en verwondering, dat de Koning zich jegens den jongen luitenant von Kaphengst zoo buitengewoon genadig betoonde, hem vertrouwelijk eenige woorden in het oor fluisterde, en toen glimlachend en met een genadig hoofdknikje verder reed.
Het was dus natuurlijk, dat, toen de Koning zich weder verwijderd had, ieder zich haastte, den jongen luitenant geluk te wenschen en hem te vragen, wat de Koning hem in het oor gefluisterd had.
Maar de heer von Kaphengst weigerde met den grootsten ernst elke verklaring, en slechts aan zijn overste fluisterde hij vertrouwelijk, maar luid genoeg, om door elk verstaan te worden, het woord: âstaatsgeheimenquot; toe. Toen boog hij zich diep en ging ernstig en statig naar zijne woning, om bedaard de woorden des Konings te herhalen; â die genadige en tevens zoo wreede woorden, die hem eene bevordering aankondigden, en hem toch te gelijker tijd veroordeelden, om deze bevordering voor elkeen te verbergen.
De woorden des Konings luidden: âGij zijt kapitein. Maar éen schelm, die er over spreekt!quot;
Zoo was de heer von Kaphengst dan kapitein, maar zóódanig, dat niemand het. vermoeden kon, en dat de kapitein in ieders oog nog steeds luitenant bleef.
45
VI.
DE NALATENSCHAP VAN DEN OVERSTE DER PANDOEREN, VON TRENCK.
Mol ontevreden, betrokken gelaat, liep de nieuw benoemde legatie-secretaris bij het Oostenrijksch gezantschap te Rerlijn, baron Weingarten, het bureau van dat gezantschap op en neder. Het was de tijd waarop ieder, die met het Oostenrijksche gezantschap zaken te regelen, passen te teekenen, of contracten to sluiten had, recht had, op het bureau te komen, en het was de taak van den baron deze menschen te ontvangen. Maar heden scheen niemand te willen komen; niemand scheen zijne werkzaamheid of zijne hulp noodig te hebben; en dat was het, wat den baron von Weingarten zoo ontevreden maakte. Niet dat het gebrek aan werk en bezigheid hem ontstemde; den heer von quot;Weingarten zoude het dolcefar niente zeer welkom geweest zijn, indien niet ongelukkigerwijze daarmede ook eene mindere geldelijke ontvangst gepaard ging. Want de onkosten voor het teekenen der passen en de ontvangsten van de overige door het gezantschap te bezorgen zaken, maakten eene gedeelte der inkomsten van den legatie-secretaris uit, en de heer von Weingarten, â die geen vermogen bezat, â zag zich dus bijna geheel tot deze inkomsten beperkt. Zijne behoeftige omstandigheden alléén hadden hem er toe gebracht, om zijne aristocratische onafhankelijkbeid en vrijheid prijs te geven; hij was in dienst van den Staat getreden, niet uit eerzucht, maar ter wille van het geld; alleen om de middelen te bezitten, zijne beide ongehuwde zusters te ondersteunen, en zelf volgens zijn stand en zijn ouden aristocratischen naam te kunnen leven. Zijn eenigst doel was dus geld, en wel zoo veel geld mogelijk te verwerven; en wanneer de baron von Weingarten zich somtijds al eens aan zijne fantastische droome-rijen, aan zijne wenschen voor de toekomst overgaf, dan
46
bestonden deze steeds daarin, om zóó veel geld te verwerven, dat hij het vervallen familie-slot van zijne voorvaderen weder opbouwen, de oude familie-bezittingen weder aan-koopen, en daar in genoeglijke, trotsche afzondering met zijne familie mocht kunnen leven. â Maar de verwezenlijking dezer droomen en wenschen werd door de omstandigheden steeds in ver verwijderd verschiet gehouden, en nimmer wdlde zich voor den armen legatie-secretaris eene gunstige gelegenheid opdoen, om zeer veel geld te verdienen. Hij had genoeg om fatsoenlijk te leven, en zijne moeder en zusters, die in eene kleine Oostenrijksche stad woonden, van het hoogst noodige te kunnen voorzien ; maar deze ondersteuning was zelfs niet toereikend, om zijne zusters van dien treurigen en vernederenden plicht te ontslaan, door het geven van onderricht en het vervaardigen van handwerken hare inkomsten te vergrooten, en de heer von Weingarten sidderde steeds bij de gedachte, dat het een of ander helsche toeval de âhoogere standenquot; met deze smet op zijn geslacht zoude bekend maken.
De heer von Weingarten zou dus gaarne elk offer gebracht, eiken dienst op zich genomen hebben, zoo hij daardoor rijkdom had kunnen verwerven. De armoede had hem zedelocs gemaakt; de aristocratische trots had even als de honigdauw bij de planten, alle bloesems en edele kiemen in zijn hart verstikt. Toen hij heden den brief zijner moeder, â die over armoede en gebrek klaagde, en hem berichtte, dat zijne zuster door een officier bemind werd, maar hem toch niet huwen kon, daar beiden arm waren, â gelezen had, ^vervulde een sombere toorn zijn hart en in dit uur zou hij in staat geweest zijn eene misdaad te begaan, zoo hij daardoor slechts rijkdom had kunnen verwerven.
In deze wanhopige en droevige zielsgesteldheid was hij heden uit zijn vertrek naar het bureau van het gezantschap gegaan, en wachtte vergeefs op cliënten, die hem geld en verdiensten moesten aanbrengen.
Maar de uren verliepen in ongestoorde rust, en de heer von Weingarten was reeds op het punt het bureau weder te verlaten, toen de binnentredende bediende hem den baron von Walltz en den Hofraad Zetto uit Weenen aankondigde.
47
âO, zij komen zeker om hunne passen le doen visêeren,quot; dacht Weingarten; âik zal dus ten minste eenige daalders verdienen!quot;
Hij ging de beide binnentredende heeren met een glimlachend gelaat te gemoet en verwelkomde de Oostenrijk-sche landgenooten hartelijk.
De beide heeren namen intusschen zwijgend de hun aangewezen plaatsen op de sofa in, terwijl de heer von Weingarten tegenover hen op een armstoel plaats nam.
Er volgde eene pijnlijke, van verlegenheid getuigende pauze. De groote, majestueuse baron von der Walltz keek zwijgend naar het plafond, terwijl de zwarte, scherpe oogen van den kleinen Hofraad Zetto met eene vreemde, onderzoekende en doordringende uitdrukking het gelaat van den heer von Weingarten schenen te doorgronden.
âKomt gij van Weenen ?quot; vroeg Weingarten eindelijk, om aan dit pijnlijke zwijgen een einde te maken.
âWij komen uit Weenen,quot; antwoordde baron von der Walltz met een ernstig hoofdknikken.
âEn wij zijn mei postpaarden hierheen gereisd,quot; voegde de Hofraad Zetto er bij: âenkel om met u een onderhoud. te hebben.quot;
âMet mij ?quot; vroeg de legatie-secretaris verwonderd.
âMet u!quot; bevestigde de baron met waardigheid.
âWij wilden uuitnoodigen, den Koning van Pruisen een be-langrij ken dienst te be wij zen,quot; zeide de Hofraad Zetto plechtig.
Weingarten werd vuurrood en vroeg vol ver warring: âDen Koning van Pruisen? Gij schijnt te vergeten, mijne heeren, dat mijne diensten alleen aan de Keizerin, Koningin Maria Theresia behooren?quot;
âHij verontschuldigt zich eer men hem aanklaagt,quot; zeide de Hofraad Zetto bij zich zeiven: âhet is dus juist zoo als men ons berichtte; hij speelt eene dubbele rol, hij dient te gelijkertijd Oostenrijk en Pruisen.quot; Daarop zeide hij luide: âGij zoudt tevens aan onze verhevene Keizerin een dienst bewijzen, want voorzeker zou het haar niet alleen bedroeven, maar ook zeer onaangenaam zijn, en haar in een verkeerd daglicht plaatsen, wanneer een Oostenrijksch officier zich in Pruisen aan een moord schuldig maakte?quot;
âEen moord?quot; riep.de legatie-secretaris vol ontzetting uit: âliet is hier dus om een moord te doen?quot;
48
âOm een voorbedachten moord,quot; zeide de heer von der Walltz met nadruk: âom een moord, die een Oostenrijksch officier aan den Koning van Pruisen begaan wil!quot;
âEn waarvan de verhindering u tienduizend gulden zal aanbrengen,quot; voegde de Hofraad Zetto er bij, terwijl hij zijne doorborende blikken op het gelaat van Weingarten vestigde.
Hij zag, dat de legatie-secretaris, die zoo even nog bleek van ontsteltenis was geweest, nu bloosde, en dat een straal van blijdschap als het ware in zijne oogen schitterde.
âHij is veil, ' dacht Zetto met heimelijke vreugde; âwij zullen hem dus kunnen omkoopen.quot;
âEn wat kan ik doen om dezen moord te verhinderen, en aan wien zal die bedreven worden ?quot; vroeg Weingarten schielijk.
âAan den Koning van Pruisen,quot; zeide de baron von der Walltz; âgij echter zult dien moord verhinderen, door den Koning te waarschuwen.quot;
âMaar om te waarschuwen moet ik bewijzen in handen hebben 1quot;
âWij zijn bereid van onze aangifte proces-verbaal op te maken.quot;
âIk moet echter eerst van de juistheid uwer aangifte, en van uwe aanklacht overtuigd zijn!quot;
âIk hoop, dat het woord van eer van een baron von der Walltz u van de waarheid mijner aangifte overtuigen zal,quot; zeide de baron met nadruk.
De legatie-secretaris boog met een dubbelzinnig glimlachje, dat den hofraad Zetto niet ontging. Hij haalde zijne brieventasch te voorschijn, en nam er een opgevouwen papiertje uit, dat hij den heer von Weingarten toereikte.
âWanneer ik mijne woorden door dit papier bevestig, zult gij ons dan geloof schenken?quot; vroeg hij.
Vroolijk verrast zag Weingarten op het toegereikte papier. Het was eene aanwijzing van twee duizend gulden.
âDe uitzet mijner zuster!quot; dacht Weingarten, terwijl zijn hart van blijdschap klopte; maar in het volgend oogenblik kwamen de twijfel en het overleg: â Hoe, zoo men hem eens beproeven, â zoo men zich eens overtuigen wilde, of hij omkoopbaar was? Mogelijk vermoedde men te Weenen, dat hij somtijds de Pruisische regcering met tijdingen uit
49
Oostenrijk bekend maakte, en haar den inhoud van zekere geheime dépêches had medegedeeld, die graaf Puebla, de Oostenrijksche gezant, onmiddelijk uit het kabinet der Keizerin ontvangen had.
Het vuur zijner blikken verdoofde, en met eene ernstige, afwerende beweging legde hij den wissel weder op de tafel.
âGij hebt u vergist, mijnheer,quot; zeide hij koel: âdit is geen document, maar slechts een bankbiljet.quot;
âWaarvoor men echter zeer vele documenten kan koo-pen,quot; zeide de hofraad Zetto glimlachend, terwijl hij het papier weder in zijne brieventasch borg, en er een ander grooter uit te voorschijn haalde.
âMogelijk overtuigt u dit document?quot; vroeg hij, terwijl hij het voor den legatie-secretaris nederlegde.
Het was een bankbiljet van drieduizend gulden.
Maar de heer von Weingarten was weder volkomen bedaard. Hij zeide tot zich zeiven, dat de handelwijze van deze beide mannen hun al het aanzien gaf van verspieders of misdadigers, en dat het hier gold, hem op de proef te stellen, óf hem tot een schelmstuk te verleiden. In beide gevallen moest hij op zijne hoede zijn.
âIk verzoek u, mij op eene andere wijze te overtuigen,quot; zeide hij dus met een koelen blik op het papier: âeen moord is zulk eene vreeselijke beschuldiging, dat men daarbij wel voorzichtig en beraden te werk moet gaan. Gij hebt gezegd, dat een Ãostenrijksch officier voornemens was den Koning van Pruisen te vermoorden. Hoe weet gij dat ?quot;
âUit zijn eigen mond,quot; zeide de baron von der Walltz: âhij zelf heeft mij dit voornemen medegedeeld, en mij het geheele plan uitvoerig toevertrouwd.quot;
âHet schijnt dus,quot; zeide Weingarten spotachtig: âdat die man reden geloofd te hebben, u zulk een vreeselijk geheim te kunnen toevertrouwen.quot;
âGij ziet echter, dat hij zich hierin bedrogen heeft,quot; zeide de baron glimlachend: âwant ik noodig u uit, den Koning van Pruisen te waarschuwen en hem bekend te maken, door welk gevaar hij bedreigd wordt.quot;
âIk zal hem evenwel dit gevaar duidelijker moeten aan-toonen, en hem de nadere omstandigheden behooren mede Mfihlbaoh, Frederik de Oroote en zijn Hof. V. 4
50
te deelen, zoo hij er niet om zal lachen, als om een sprookje, dat zijn heldhaftigen geest niet vervaard zal maken.quot;
âGij zult hem dan ook de nadere omstandigheden mede-deelen, mijnheer; gij zult hem zeggen, dat deze moordaanslag zal plaats hebben, wanneer do Koning zich voor de revue in den herfsttijd naar Koningsbergen begeeft. Daarheen zal ook de officier heimelijk vertrekken, zoodra hij tijding van de komst des Konings ontvangt. Tot zoolang zal hij in Dantzig vertoeven.quot;
âErf hoe zal het hem gelukken, de Pruisische grenzen te overschrijden?quot;
âHij is van een Oostenrijkschen pas voorzien, en heeft onder voorwendsel van in Pruisen eene erfenis te moeten ontvangen, een verlof van vier weken verkregen.
âEr blijft mij nu nog slechts de vraag over: waarom deze Ooslenrijksche officier den Koning wil vermoorden'? Welke redenen hem daartoe nopen'?quot;
âHet is eene wraakneming,quot; zeide de baron von der Walltz plechtig : âeene daad van wraak en toorn; want de üostenrijksche officier, die den Koning van Pruisen wil vermoorden, is de Ooslenrijksche ritmeester Frederik von Trenck.quot;
De heer von Weingarten kromp ineen van ontsteltenis, en zijn gelaat drukte onrust en bezorgdheid uit. Toen zijn oog echter weder op de aanzienlijke som in papieren geld viel, die voor hem op de tafel lag, glimlachte hij weder, en elke bezorgdheid verdween van zijn gelaat.
âEr blijft mij nog ééne vraag over,quot; zeide hij: âwaarom, â daar uwe geschiedenis inderdaad zeer geloofwaardig, en zelfs geschikt is om den dapperen Koning van Pruisen verbaasd te doen staan, â waarom hebt gij het noodig geoordeeld mijne twijfelingen door dit document te vernietigen?quot;
Baron von der Walltz zweeg, en zag den hofraad Zetto uitnoodigend aan.
âWaarom ik u dit document gaf, mijnheer de baron von Weingarten?quot; vroeg deze met een vriendelijk glimlachje; âOmdat geld altijd geld blijft, onverschillig of men het uit de handen eener Pruisische prinses, of wel uit de handen van een Ooslenrijkschen Hofraad ontvangt.quot;
51
âMijnheer, gij waagt het mij te beleedigen ?quot; riep de legatie-secretaris driftig uit.
De hofraad Zetto glimlachte. âVolstrekt niet,quot; zeidehij: âik wilde u slechts te kennen geven, dat wij zeer goed weten, dat gij het zijt, door wien eene zekere aanzienlijke dame uit Berlijn den baron von Trenck belangrijke geldsommen toezendt. Het is dus voor u van dubbel belang, dat de Koning door u, het eerste bericht ontvangt van dit voornemen om hem te vermoorden, opdat hij u niet als medeplichtige beschouwe.quot;
De heer von Weingarten was onder de zware beschuldiging van den Hofraad volkomen bedaard gebleven; hij scheen die zelfs niet gehoord te hebben. âOm den Koning te kunnen waarschuwen,quot; zeide hij met de meest mogelijke kalmte en bedaardheid: âzoude ik eerst zelf aan het verhaal geloof moeten schenken; en ik moetu bekennen, dat dit niet het geval is, ofschoon ik niet kan begrijpen, welke reden gij zoudt hebben, om den armen heer von Trenck zoo opzettelijk in het ongeluk te storten?''
âO, gij wilt dus de reden weten, gij wantrouwt ons?quot; riep de Hofraad Zetto driftig uit: âWelnu, wij zullen u bö-wijzen, dat wij u nochtans vertrouwen en u ons geheim willen mededeelen. Is u de geschiedenis van de erfenis van den heer von Trenck bekend?quot;
âHij is de eenige erfgenaam van den overste der Pandoeren, Frans von Trenck.quot;
âJuist, en kent gij de geschiedenis van von Trenck, den overste der Pandoeren?quot;
âIk heb er slechts onvolkomen en verward van gehoord, en heb er mij nimmer bepaald mede bezig gehouden.quot;
âHet is evenwel eene zeer leerzame en onderhoudende geschiedenis, waaruit men zien kan, hoe ver een mensch met een vasten wil en groote geestkracht het kan brengen, wanneer slechts al zijne gedachten op één doel gevestigd zijn. De heer von Trenck wilde rijk worden, onmetelijk rijk; dat was het doel van al zijn streven en van zijn ge-heele leven; hij kende geen ander. Uit liefde tot het geld werd hij de rooverkapitein van zijne Pandoeren; een brandstichter en barbaar, een moordenaar en kerkroover, een dapper soldaat, en eindelijk een vroom boeteling. Waar hij in de beide Silezische oorlogen verscheen, legde hij brand-
52
schatting op, om het even of hij zich bij vriend of vijand bevond; en gelijk hij bij Solir de geheele pakkage, al het zilverwerk, ja zelfs de geheele krijgskas van den Koning van Pruisen had buitgemaakt, zoo plunderde hij eenige dagen later op Oostenrijksch grondgebied een rijk klooster, waarvan hij beweerde, dat de monniken Pruisischgezind waren. Overal brandschatting opleggende, overal roovende, had hij inderdaad millioenen bijeen verzameld, en uit Beieren, den Elzas en Sileziê had hij geheele scheepsladingen koopwaren, linnen, goud en zilverwaren, paarlen en juweelen naar zijne goederen gezonden. Buitendien bezat hij de voortreffelijke wapenkamer, zadelkamer en het groot, zilveren servies van Keizer Karei de Zevende, dat hij alles als goede buit uit München had medegesleept. ^ â Gij ziet, mijnheer de baron, dat er slechts een vaste wil toe noodig is, om rijk te worden. De overste der Pandoeren, Frans von Trenek, was weldra zóó rijk, dat hij den nijd der aanzienlijkste en rijkste mannen uit het Keizerrijk opwekte, â zoo rijk, dat hij zelfs aan den machtigen en invloedrijken graaf Löwenwalde groote geldsommen kon leenen.quot;
âO, welk een dwaas,quot; zeide Weingarten, de schouders ophalende: âaan een machtig en aanzienlijk man geld leenen, is zooveel als zich een onverzoenlijken vijand op den hals te halen.quot;
âGij spreekt als een profeet,quot; riep de hofraad Zetto: âwant, gelijk gij zegt, geschiedde het! Löwenwalde werd Trenck's onverzoenlijke vijand. Hij beschuldigde hem van het verduisteren van keizerlijke gelden, van verraad en trouweloosheid, en Trenek, de onmetelijk rijke Trenek, werd gevangen genomen.quot;
âMaar zijne millioenen bevrijdden hem, niet waar?quot;
âVolstrekt niet! Zijne millioenen brachten hem slechts dieper in het ongeluk. Zijne goederen werden in beslag genomen, en er werd eene bizondere commissie van beheer voor benoemd, aan welker hoofd de graaf von der Marck stond. Ook mijnheer de baron von der Walltz en ik zelf behoorden tot die commissie.quot;
1) Trenck's Gedenkschriften, Deel I, pag. 257â259.
53
âO, nu begin ik het te begrijpen,quot; prevelde de legatiesecretaris.
De Hofraad Zetto vervolgde met een fijn glimlachjeDe commissie van beheer ondervond intusschen tot haar schrik, dat het gerucht aangaande den rijkdom van den overste der Pandoeren ten zeerste overdreven was. Voornamelijk was van de rijke, zilveren serviezen van Keizer Karei enden Koning van Pruisen, van zijne edelgesteenten en goud-en zilverbaren geen spoor te ontdekken.quot;
âGij zeidet immers straks, dat hij dat alles bezat?quot; vroeg Weingarten glimlachend.
âStraks oordeelde ik als het algemeen,quot; zeide Zetto glimlachend; ânu echter spreek ik als lid der commissie van beheer. Wij vonden, zooals ik zeide, niet zulke groote schatten, maar des te meer schulden; en om vooreerst den omvang van zijne schulden te kunnen berekenen, plaatsten wij in het Dagblad van Weenen eene oproeping aan alle schuld-eischers, om zich aan te melden, en beloofden hun van den dag hunner aangifte, tot aan het einde van het Trencksche proces, dagelijks een dukaat voor elke zitting.quot; 1)
âIk hoop dat de beide aanwezige heeren óók tot de eischers behoorden?quot; vroeg Weigarten.
âZeker; wij behoorden er toe, even als de graaf von der Marck, de voorzitter van de commissie van beheer.quot;
âBijgevolg hadt gij een driedubbel voordeel bij de gevangenschap van Trenck. Ten eerste, uw inkomen als lid der commissie van beheer, wat natuurlijk uit de inkomsten der bezittingen van Trenck, schitterend beloond moest worden; ten tweede, als schuldeischer, want als zoodanig ontvingt gij een dukaat voor elke zifting.quot;
âEn ten derde, mijnheer? Gij spraakt van een driedubbel voordeel ?quot;
âEn ten derde,quot; zeide Weingarten lachend; âin het zoeken naar de schatten en de roerende goederen van den heer von Trenck, die, wel is waar ongelukkigerwijze niet te vinden waren, vermoedelijk doordien zij in den eon of anderen afgrond gevallen, â of in een verkeerden zak geraakt waren.quot;
1
Trenck's Gedenkschriften. Deel I, pag. 157.
54
âO, mijnheer, nu spreekt gij juist als zij, die ons aan het Hof verdacht maakten, en aan de Keizerin-Koningin wilden doen gelooven, dat wij zeiven ons, bij ons moeielijk werk als commissie van beheer, verrijkt hadden. Men ging zelfs zóó ver, om op een onderzoek aan te dringen, dat echter door de Keizerin-Koningin verworpen werd. Kort daarna stierf Frans .von Trenck, de overste der Pandoeren, en Frederik von Trenck spoedde zich van Petersburg naar Weenen om de erfenis van zijn oom te aanvaai'den. Hoe groot was zijne verbazing, toen hij, in plaats van de gehoopte millioenen, slechts eenige in beslag genomen goederen, een in beslag genomen gereed vermogen van honderdduizend gulden, maar buitendien drieënzestig processen met machtige schuldeischers vond, die op het vermogen aanspraak maakten.quot;
âHij had zich óók in de commissie van beheer over de nalatenschap van Trenck moeten doen opnemen,quot; zeide de heer von VVeingarten spottend: âmogelijk ware hij dan beter, geslaagd om zijn vermogen te verkrijgen.quot;
âHij beproefde het op eene andere wijze, en men moet bekennen, dat hii een man vol geestkracht is, die door geld, omkoopingen en de kunst van overreden reeds vierenvijftig van zijne drieënzestig processen gewonnen heeft, en binnen eenige dagen ook de nog overige zal winnen.quot;
âEn dan zal hij ongetwijfeld aan de commissie van beheer gelegenheid willen geven, om rekenschap af te leggen, en hare boeken af te sluiten quot;
âJuist. Hij heeft er reeds een aanvang mede gemaakt. Hij is een onderzoek begonnen tegen den kwartiermeester en den Commandant van het vroegere Trencksche regiment, die Trenck beschuldigd hadden, tachtigduizend gulden der keizerlijke gelden verduisterd te hebben; hij heeft het daarheen geleid, dat men tot de verklaring kwam, dat niet Trenck, maar zijne aanklagers dit hadden gedaan, en dat Frederik von Trenck nog een eisch van tachtigduizend gulden op de keizerlijke krijgskas had. Het gevolg was, dat de kwartiermeester afgezet werd, en de regiments-commandant zoude hetzelfde lot ondergaan hebben, indien hij geene machtige protectie had gevonden.quot;
âEn zal nu deze gevaarlijke Trenck ook de administratie der goederen aannemen?quot;
55
âHij zoude het zeker doen, als wij hel niet wisten te beletten; als wij niet alle mogelijke middelen aanwendden, om dezen gevaarlijken schreeuwer, schandaalmaker en twistzoeker te verwijderen, die reeds sinds jaren het rij ks-hofgerecht en het ministerie van oorlog met zijne twisten en klachten lastig valt, en, in zijn dollen overmoed, zelfs de voornaamste en aanzienlijkste mannen waagt aan te klagen en te vervolgen; dien het reeds gelukt is, de grootste familiën in het gevaar te brengen, van schande en bedrog verdacht te worden. Geloof mij, niet alleen wij beiden wenschen zijn ondergang; achter ons staat eene groote en machtige partij, welke met ons denzelfden wensch, heizelfde verlangen koestert, en gaarne bereid is, dengenen, die ondernemen wil dezen Trenck te helpen verwijderen, eene som van tienduizend gulden te betalen.quot;
Een enkele vonk schitterde als eene bliksemstraal in de oogen van den legatie-secretaris, en zijn hart sloeg luide in zijn borst. Maar hij onderdrukte deze opwelling van vreugde; en vond kracht genoeg in zich zeiven, om een volkomen bedaard en onverschillig gelaat te toonen.
âMijne heeren,quot; zeide hij kalm; âindien het hier werkelijk om eene misdaad te doen is, en nog wel eene misdaad' tegen den doorluchtigen persoon van den Vorst, ben ik natuurlijk tot eiken dienst bereid, en is er geen geld of belofte noodig om mijne krachtige medewerking te koo-pen.quot;
âZou bij inderdaad een man van eer zijn, en zoude men ons dus verkeerd hebben ingelicht?quot; dacht Zette, die zich een oogenblik door hef bedaard en waardig voorkomen van den secretaris liet misleiden.
âGe zult toch hun, aan wie gij bereid zijt eenen dienst te bewijzen, niet de vreugde willen onthouden, u hunne dankbaarheid te toonen?quot; vroeg de baron von der Walltz; âelkeen toch heeft het recht een ander een bewijs van dankbaarheid te geven.quot;
âMijnheer,quot; zeide de heer von Weingarten glimlachend : âmen heeft mij tot nog toe niet van een geschenk, maar veeleer van betaling, â of om het duidelijk te zeggen, van omkooping gesproken, en gij zult mij toestaan, dat een man van eer zich bij dit denkbeeld beleedigd moet achtenquot;
5b
âO, hij laat een achterdeurtje open,quot; dacht Zetto met heimelijke vreugde: âhij is ons, hij is veil; hij wil niet omgekocht worden, maar alleen een geschenk aannemen! â Gij hebt gelijk, mijnheer,quot; zeide hij toen luid; âwij hebben u verongelijkt met u datgene bij voorbaat aan te bieden, wat later slechts een bewijs van dankbaarheid moet zijn. Laten wij er dus niet meer over spreken. Spreken wij slechts van het gevaar, dat den Koning van Pruisen bedreigt. Gij alleen kunt het van zijn hoofd afwenden, door hem te waarschuwen en hem zulke gelootwaardige bewijzen te geven, dat hij niet twijfelen kan.quot;
âGij gelooft dus inderdaad, dat Frederik von Trenck het voornemen heeft den Koning te vermoorden?quot; vroeg Weingarten
âWij willen het gelooven,quot; zeide de hofraad Zetlo met dubbelzinnigen glimlach.
âWij moeten het gelooven!quot;' riep baron von der Walltz driftig; âWij moeten dddrowzijne moorddadige plannen gelooven, omdat men ons anders voor stroopers en bedriegers zal houden; en gij zult het wel natuurlijk vinden, dat wij aan het eerste de voorkeur geven, en dat wij hem, die ons in het verderf wil storten, moeten voorkomen, door hem zeiven eene val te zetten, waarin bij zal moeten loopen.quot;
âEn waarom kunt gij hem deze val niet in Oostenrijk zetten, mijne heeren? Waarom kunt gij hem niet van het misdadig opzet beschuldigen, de Keizerin-Koningin te willen vermoorden?quot;
Zetto haalde de schouders op, âOmdat niemand dat gelooven zou,quot; zeide hij; âomdat Ãrederik von Trenck geene redenen heeft Maria Theresiate vermoorden, terwijl hij zulks uit wraak Frederik den Tweede wèl zou kunnen doen. Gij weet, dat de Koning en Frederik von Trenck persoonlijke vijanden zijn. Trenck heeft zich dikwijls en luid genoeg op deze vijandschap beroemd, om door elkeen gehoord te wor den, en ik geloof niet, dat dit de vijandschap des Konings tegen hem verminderd heeft. Vijanden koesteren den natuurlijken wensch elkander te vernielen, en het hangt slechts van de gelegenheid af, wie van beiden het eerst in slaat is, dezen wensch te voldoen. Trenck zoude het zijn, wanneer wij den Koning niet waarschuwden, en hem de middelen aan de hand gaven, zijn vijand le voorkomen,quot;?
57
âWaarin echter moeten deze middelen bestaan, en wat moet er gedaan worden, dat onze aanklacht eindelijk niet op niets uitloope?quot;
âIs de Koning niet van plan de herfstmanoeuvres bij Koningsbergen te bezoeken?quot;'
âMen heeft het ten minste als stellig bericht.quot;
âNu, Trenck zal zich naar DanIzig begeven, en hij heeft zich beroemd, tegelijkertijd met den Koning van Pruisen te Koningsbergen te komen, zonder dat deze het zou durven wagen hem in hechtenis te nemen.quot;
âIk heb met hem om honderd louis d'or gewed,''[zeide de heer von der Walllz: âen tot waarborg hebben wij er een schriftelijk bewijs van opgemaakt.quot;
âHebt gij dat medegebracht?quot;
âHier is het.quot;
En de baron reikte den legatie-secretaris een papier over dat deze haastig ontvouwde en herhaaldelijk overlas.
âDat is stellig in zeer dubbelzinnige bewoordingen gesteld, en volkomen geschikt om Trenck in het verderf te storten, als bet in handen des Konings valt,'quot; zeide baron Weingar-ten met bitleren glimlach.
Hofraad Zetto beantwoordde den glimlach. âIk heb het sluk opgesteld,quot; zeide hij: âen gij zult hetzeernatuurlijk vinden, dat ik mijne woorden zeer nauwkeurig overwogen heb.quot;
âEn wie heeft toen den brief afgeschreven?quot; vroeg Wein-garten; âMijnheer von Trenck zal wel zoo grootmoedig geweest zijn dit zelf te doen!quot;
âBaron von der Walllz is een groot kunstenaar in het namaken van handschriften, en bezat gelukkig eigenhandige brieven van Trenck,quot; zeide de hofraad Zetto glimlachend.
âGij zult het natuurlijk vinden, als ik mijn best doe, mijne weddingschap op welke wijze dan ook te winnen,'' zeide baron von der Walltz, âwanneer vun Trenck gevangen genomen wordt, vóór hij naar Koningsbergen gaat, heb ik mijne weddenschap gewonnen, en de raad van administratie moet mij honderd louis d'or betalen.quot;
Alle drie lachten.
âZulk een raad van administratie is toch wel aardig,quot; zeide de secretaris.
58
âDeze raad zal u spoedig tienduizend gulden moeten betalen,'' fluisterde de Hofraad Zetto: âhier is eene schuldbekentenis. Op den dag dat Frederik von Trenck de gevangene des Konings wordt, vervalt de schuldbekentenis, en gij zult dan ondervinden, of de raad van administratie ook nalatig is in het uitbetalen van het Trencksche vermogen.quot; â Zetto legde het bewijs bij de assignatiën op tafel. â âGij zult nu zoo goed zijn proces-verbaal op te maken, en wanneer gij het verlangt zullen wij onze aanklacht onder eede bevestigen, of gij kunt voor het minst in uw proces-verbaal opnemen, dat het geschied is.quot;
De heer von Weingarten antwoordde niet. Hij staarde peinzend op de noodlottige papieren, welke daar op tafel lagen; eene hevige strijd woelde in zijne binnenste, en voor een oogenblik scheen zijn goede geest met den duivel om het bezit zijner ziel te worstelen.
âHet geldt hier mogelijk een menschenleven,quot; zeide hij zacht: âhet is eene vreeselijke beschuldiging, die ik daar moet uitspreken. Indien de Koning hem niet ter dood veroordeelt, zal hij hem zeker in langdurige gevangenschap houden, en ik zal er de schuld van dragen.quot;
Geen zijner woorden was aan het oplettend oor van den Hofraad Zetto ontsnapt; even als de verleider stond hij naast hem, en zijne gloeiende, doorborende blikken schenen op het pijnlijk getrolfen gelaat van von Weingarten elk zijner gedachten te willen lezen.
âEn hebt gij óók niet lange jaren als gevangene doorgebracht?quot;' vroeg Zetto op onheilspellenden, fluisterenden toon: âWaart gij niet steeds een slaaf der armoede, een gevangene, dien de nood de voeten ketende, en belette te gaan, waarheen hij goedvond? Wilt gij nu zoo dwaas zijn, uit een belachelijk medelijden de gelegenheid te laten ontsnappen, die u bevrijden kan en uwe slavenketenen slaken? Tienduizend gulden- zijn geen rijkdom, maar zij kunnen het begin er van, â zij kunnen de Ariadne-diaad zijn. die uit het labyrinth der armoede, tot de vrijheid en het licht geleidt. En wie zal het u dank weten, indien gij dezen draad niet aangrijpt? Wie zal uwe grootmoedigheid he-loonen, en u voor uwe zielengrootheid betalen ? Wanneer gij het aan wijze en verstandige lieden verhaalt, zullen zij den spot met u drijven en de schouders ophalen; en als
59
de domkoppen het vernemen, zullen zij u niet begrijpen. Elk mensch is de schepper van zijn eigen lot; wee den-gene, die verzuimt het ijzer te smeden, terwijl het heet is!quot;
De heer von Weingarten gevoelde elk dezer woorden als speldeprikken, maar hij wist toch niet, of zij door een sterfelijken mond geuit, â of slechts de weerklank zijner ziel waren.
âHet is zoo, ja het is zoo,quot; riep hij op luiden, beangsten toon: âhij is dwaas, die de hand van het geluk niet grijpt, wanneer de glimlachende godin ze hem toereikt; hij is dwaas, die zijne ketenen niet verbreekt, wanneer hij er de kracht toe heeft Welaan, mijne heeren, wij zullen het pro-ces-verbaal opmaken, en zoodra dat geschied is, geleid ik u naar onzen gezant, graaf Puebla.quot;
âVolstrekt niet; zoodra het klaar is, vertrekken wij weder met postpaarden. Aan u alleen zal het loon en de dankbetuiging ten deel vallen. Nu aan het werk! Maak het proces-verbaal op!quot;
Vil.
DE AFSCHAFFING DER PIJNBANK.
Met snelle schreden stapte de Koning in zijn kabinet heen en weder. Zijn gelaat was bleek, zijne lippen sidderden en een toornige gloed flikkerde in zijne oogen.
Eensklaps bleef hij voor den Oostenrijkschen legatie-secretaris, den heer von Weingarten, staan, en zag hem langen doordringend aan. Maar deze verdroeg den blik, waar reeds zoovelen voor gebeefd hadden, kalm en met een zóó volkomen onschuldig gelaat, dat dit zelfs op den Koning indruk maakte.
âIk zie, dat gij overtuigd zijt, van hetgeen gij mij daar hebt medegedeeld,quot; zeide de Koning eindelijk: âgij gelooft.
60
dus inderdaad, dal deze onzinnige mensch werkelijk plan heeft, mij te vermoorden?quot;'
âIk ben er van overtuigd, sire,quot; antwoordde de heer von Weingarten onderdanig: âen ik moet wel overtuigd zijn, daar ik de bewijzen van zijn voornemen immers in handen heb.'
âDe bewijzen? â Welke bewijzen?quot;'
âHet papier, dat ik zoo vrij was, aan Uwe Majesteit te overhandigen, en dat Uwe Majesteit op gindsche tafel heelt gelegd, zonder het te lezen!quot;
âO, het is waar, ik heb het door de drift vergeten,quot; zeide de Koning zacht; âik kan mij nog maar niet gewennen, de menschen als wilde dieren te beschouwen, die men in ijzeren kooien moet opsluiten, om niet door hen gebeten te worden. Ik verzoek u, mij den inhoud van dit papier te willen voorlezen!quot;
Met eene eerbiedige buiging nam de heer von Weingarten het papier, dat de Koning hem toereikte, en zijne stem sidderde niet, toen hij de beteekenisvolle woorden las, die scherpzinnige boosheid en wreede hebzucht op dit papier hadden ter neder gesteld, en die, ten kwade uitgelegd, een zware aanklacht moesten bevatten.
âZij luidden aldus: âTengevolge eener weddingschap ben ik verplicht, op mijne tegenwoordige reis naar Dantzig ook naar Koningsbergen te gaan, en wel op denzelfden dag, waarop Koning Frederik van Pruisen, mijn wreede vijand en vervolger, daar zal aankomen. Ik zal mij daarheen begeven, om ten opzichte van den Koning datgene te doen, wat niemand vóór mij deed, en niemand na mij doen zal. Zoo het mij niet gelukt, mijn werk te volbrengen, of indien de spionnen des Konings mij in hechtenis mochten nemen, heb ik mijne weddingschap verloren, en ben ik den baron von der Walltz honderd louis d'or schuldig, die hem door den raad van administratie dei-Ti encksche goederen, uitbetaald moeten worden. Vrijheer Frederik von Trenck.quot;
âEn heeft Trenck dit zelf geschreven?quot; vroeg de Koning. âJa, sire.quot;
âIk ken zijne handteekening,quot; zeide de Koning: âgeef hier!quot;
Hij nam het papier en las het zorgvuldig over. âHet is
G1
zijne handteekening,quot; zeide hij zacht: âmaar ik wil haar nog eenmaal onderzoeken,quot;
Dit zeggende ging de Koning met haastige schreden het vertrek door naar zijn schrijftafel, waar hij uit een casette eenige geel gewordene, dicht beschrevene vellen papier nam, en die zorgvuldig onderzoekende, met het stuk vergeleek, dat Weingarten hem gegeven had.
Ach, hoe weinig kon Trenck, toen hij deze hladen schreef, vermoeden, 'dat zij nog eenmaal tegen hem moesten getuigen, en hem tot een misdadiger zouden maken. En toch waren zij reeds in deoogen des Konings eene misdaad geweest, want het waren teedere brieven, die Trenck gewaagd had uit Weenen aan prinses Amalia te richten, maar die nimmer in hare handen gekomen waren.
En nu moesten deze teedere ontboezemingen eener aan tranen zoo rijke, rampzalige liefde nog getuigen tegen hem, die ze schreef, en hem ten tweeden male doen veroord eelen.
âHet is zijne handteekening.quot; zeide de Koning, terwijl hij de brieven weder in het kistje legde, en het dichtsloot; âik dank u, heer baron; gij hebt mij voor eene onaangename ontmoeting bewaard, want zoo ik er al geen geloof aan wil hechten, dat Trenck inderdaad plan heeft een moord te begaan, zoo is het toch zijn voornemen een openbaar schandaal te veroorzaken, al ware het enkol ter wille zijner ijdelheid, en om weder van zich te doen spreken. Want hij heeft nu, zoo als het schijnt, zijne rol te VVeenen, evenzeer als te Petersburg en Berlijn uitgespeeld, en de wereld zoude hem vergeten, indien hij niet door een dollen streek hare blikken weder op zich wist te vestigen. Hoe hij dat beoogde, weet ik juist niet, maar stellig door geen moordaanslag! Neen, aan een moord kan ik niet gelooven!quot;
âUwe Majesteit is steeds grootmoedig en edel, maar tóch komt het mij voor, dat de zin dezer woorden nauwelijks anders verklaard kan worden.quot;
âIk zal naar Koningsbergen gaan,quot; schrijft de heer von Trenck: âom daar ten opzichte van den Koning datgene te doen, wat niemand vóór mij deed, en niemand na mij doen zal.quot; Is daarin niet duidelijk genoeg zijn misdadig oogmerk aan den dag gelegd?quot;
âAlleen voor hem, die met dit oogmerk bekend is, of het
62
vermoed,quot; zeide de Koning met het hooid schuddende: âvoor ieder onbevooroordeelde kunnen deze woorden ook eene andere beteekenis, eene romantische waarschuwing bevatten, anders niets! De heer von ïrenck is bekend als een pochhans, als een Don Quichotte, die steeds tegen windmolens vecht, en gelooft, dat het ridders of zelfs Koningen zijn, die hem de eer aandoen zijne vijanden te zijn. Ik heb Trenck gestraft, toen hij in mijnen dienst was en een zwaar vergrijp tegen de subordinatie beging; nu is hij niet meer in mijnen dienst, en ik heb hem vergeten. Maar wee hem, zoo hij mij noodzaakt weder aan hem te denken!quot;
âHet zal uwe Majesteit immers blijken, of men hem valsch beschuldigde; of deze mannen van een geloofwaardig en ten eenenmale onbesproken karakter, die alleen hier kwamen om Uwe Majesteit door mij te doen waarschuwen, en die hunne bewering bij het kruis bezwoeren,â of deze heeren den heer von Trenck slechts lasterden, toen zij tegen hem getuigden. Wanneer hij niet naar Dantzig gaat en niet naar Pruisen komt, welnu, dan hebben zij gelogen, en Trenck is onschuldig.quot;
âHij zal het niet wagen de grenzen mijner Staten te overschrijden, want hij weet, dat hij dan als deserteur aan den krijgsraad vervallen is. Maar ik ben overtuigd, dat hij in vermetele pralerij zich wel er op beroemd heeft, mij tegenstand te bieden, en dit zoude wel iets zijn wat niemand vóór hem deed, en niemand na hem doen zal. Maar bij deze pralerij zal het wel blijven, reken er op.quot;
De heer von Weingarten boog en zweeg. M'et een vriendelijk glimlachje vervolgde de Koning; âIn elk geval echter, monsieur, ben ik u dank schuldig; en het zal mij aangenaam zijn, zoo gij mij in de gelegenheid wilt stellen u dit te bewijzen.quot;
De heer von Weingarten, die tot nu toe het hoofd eerbiedig gebogen had, richtte zich nu op, en zijne blikken ontmoetten stoutmoedig die des Konings.
âSire,quot; zeide hij met de edele uitdrukking van een onschuldig beleedigde; âsire,ik vorder en verlang geen anderen dank, dan dat mijne waarschuwing door Uwe Majesteit ter harte genomen moge worden. Zoo het vreeselijk gevaar, dat het hoofd des Konings van Pruisen bedreigt, door mij
63
werd afgewend, dan zal dil mijne schoonste belooning zijn, en eene andere zoude ik moeten afwijzen.quot;
Goedkeurend glimlachend knikte de Koning hem toe. Gij spreekt inderdaad op den toon der overtuiging,quot; zeide hij: âen het schijnt alsof gij inderdaad aan dit gevaar geloof schenkt. Welnu, ik zal u voorloopig mijne dankbaarheid op de door u verlangde wijze bewijzen; ik zal aan uwe waarschuwing het oor leenen, en mij voor het gevaar, dat mij bedreigt, in acht nemen. Maar om dit te kunnen, en ons tevens de overtuiging te verschaffen, dat Trenck inderdaad zulke gevaarlijke plannen koestert, moeten wij over de ge-heele zaak het diepste stilzwijgen in acht nemen, en gij moet mij uw woord geven, er met niemand verder over te spreken.quot;
,.Sire, de geheimhouding in deze zaak, kwam mij zóó noodzakelijk voor, dat ik er zelfs graaf Puebla niets van mededeelde, maar- het waagde mij op mijne eigene verantwoording, tot Uwe Majesteit te wenden.quot;
âEn daar deedt gij zeer wel aan; want nu zal Trenck onverwacht in den strik geraken, dien wij hem spannen zullen. Ik zie buitendien niet gaarne, dat de dwaze en praatzieke wereld zich met mijn persoon en met mijne aangelegenden bezig houdt, en mij nredelijdend beklaagt. Laten wij dus voor altijd over deze zaak zwijgen, en wij zullen haar ons dan slechts stilzwijgend herinneren, wanneer ik deze snuifdoos in uwe handen zie. Wanneer gij mij eens iets te verzoeken hebt, kom dan met deze doos in de hand bij mij. Dan zal ik dit uur gedenken, en u, wanneer het in mijne macht is, itvv verzoek toestaan.quot;
Hij reikte Weingarten zijne eigene gouden, met diamanten omzette snuifdoos over, en nam de vurige dankbetuiging van den secretaris minzaam glimlachend aan.
Maar toen hij den legatie-secretaris ontslagen had, en weder alleen was, verdween het glimlachje en de vriendelijkheid van het gelaat des Konings, en zijne gelaatstrekken waren nu zeer treurig en ontstemd.
âZoo ver is het dus gekomen.quot; zeide hij, met op den rug gevouwen handen op en neder gaande: âzóó ver is het dus gekomen, daartoe heeft deze rampzalige geschiedenis geleid, dat de man, dien ik eenmaal lief had, er nu aan denkt mij te vermoorden! O, gij trotsche Vor-
64
sten, die u durft vermeten, Gods evenbeeld op aarde te willen zijn! Gij zijt zelfs niet eenmaal veilig voor den dolk des moordenaars, en uwe huid is even kwetsbaar, als die van den geringsten bedelaar. â En waarom toch wil hij mij vermoorden? Zoo ik een dwee-pende romanheld was, zoude ik zeggen; om over mijn lijk de hand zijner geliefde te veroveren. Maar Amalia is geene gelietde meer, waar iemand zijn leven voor op het spel zet. Zij is nog slechts eene herinnering, aan hetgeen zij eenmaal was; noch slechts de droevige, met tranen besproeide aschkruik van hare schoonheid. Maar het is waar; haar hart leeft nog, en dat bleef jeugdig en behoort nog steeds aan Trenck. En deze laatste begoocheling zoude ik haar nog ontnemen? Zoude zij nu nog moeten toestemmen, dat hij, dien zij beminde, slechts een lage moordenaar is? Neen, die smart zal ik haar besparen! Ik zal Trenck geene gelegenheid geven zijn werk te volbrengen, zelfs het plan zal twijfelachtig zijn. Moge hij dit slechts voor God en zijn geweten verantwoorden! Ik zal niet naar Koningsbergen gaan; ik zal hem de gelegenheid benemen, zijne booze daad te volvoeren, en zoo hij in zijn vermetelen dorst naar wraak er soms aan denken mocht hierheen te komen, dan zullen wij or wel voor zorgen, dat hem de lust vergaan zal; want dan zal hij zijne straf niet ontgaan. O, o, de nietige worm waant zich een held! Beproef het slechts mijne grenzen te overschrijden, dan zult gij daar een net vinden, waarin gij verward raakt, en eene kooi, die gij niet weder ontvluchten kunt. Ja, zóó zal het geschieden! Ik zal hem voor zijne misdadige wen?chen straffen, maar noch de wereld, noch hij zelf zal het vermoeden, dat het daarom geschiedt. Dat zij mij veroordeelen, dat mijne vijanden en benijders mij eenmaal Trenck als een voorbeeld mijner wreedheid en hardvochtigheid voorhouden! Wat is mij aan de goedkeuring en aan den lof der dwaze en kortzichtige stervelingen gelegen ? Standvastig en onwankelbaar zal ik mijn weg betreden, en slechts God en mijn geweten zal ik rekenschap van mijne handelingen geven! Mijn geweten echter spreekt mij vrij van alle schuld! Trenck heeft het voornemen mij te vermoorden; ik moet den Koning voor mijn volk redden, want ik ben overtuigd, dat het mij noodig heeft, en dat het noodlot mij hierheen
65
riep, omdat het groote dingen door mij volbrengen wil. Neen, mijne taak is nog niet geëindigd ; ik moet mijn vaderland nog belangrijke diensten bewijzen, en wanneer een vergiftige worm zich op mijn pad vertoont en mij in mijn hoop wil stuiten, welaan, dan vertrap ik hem!quot;
En de Koning schelde driftig, en deed den steeds aanwezigen geheim-kabinetsraad, die heden buiten den gewonen tijd den dienst had, ontbieden.
De Koning gaf hem twee brieven in de pen. Een was aan den heer von Reimer, zijn gezant bij den kleinen vrijstaat Dantzig gericht; de Koning gelastte hem daarin, bij den magistraat van Dantzig uit naam des Konings de uitlevering van den vroegeren Pruisischen luitenant von Trenck te vragen, in geval deze het zoude wagen naar Dantzig te komen. âIk weet;4' zoo schreef hem de Koning: âdat Trenck de vrijheid zóó ver drijft, van zelfs in mijne staten te willen komen, ofschoon hij een Pruisisch deserteur en een moordenaar is, die bij zijne laatste ontsnapping uit de vesting Glatz twee schildwachten gedood heeft. Werd hij in mijne staten gevangen genomen, dan was er, geen pardon voor hem, en de krijgsraad zoude den deserteur ter dood veroordeelen. Daar hierdoor echter veel geweld en verwarring zou kunnen ontstaan, moet gij beproeven den deserteur reeds in Dantzig, hetzij op eene openlijke, of listige wijze meester te worden. Ik zal een genoegzaam aantal soldaten, die met de noodige bevelen voorzien zijn, ter uwer beschikking stellen.quot;
De tweede brief was aan den commandant der vesting Maagdenburg gericht, en bevatte het bevel een goed verzekerde gevangenis in de kasematten, tot de ontvangst van een gevangen militair, in gereedheid te houden. âMaar,quot; dus luidde het bevel verder: âkies eene gevangenis, die volkomen zeker is^ en waaruit het onmogelijk is te ontsnappen; want hij, die haar bewonen moet, is niet enkel een vermetel deserteur, maar ook bekend om de stoutmoedigheid en onverschrokkenheid, waarmede hij ui) gevangenissen weet te ontsnappen. Richt dus uwe voorzorgen daarnaar in.quot; 1)
5
1
Trenck. Merkwürdige Lebensgesohichte. Th. I, s. 250. Uühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. V.
66
Nadat de Koning deze beide brieven had gedicteerd, onderteekende hij beide met vaste hand, en ontsloeg toen den kabinetsraad,
âNu,quot; zeide hij met een treurig glimlachje, toen hij zich weder alleen bevond: ânu zal mijne arme zuster Amalia nog het recht hebben, dit atgodsbeeld barer verbeelding als het beklagenswaardig oiler van mijne wraakzucht en onverzoenbaarheid te betreuren; zij zal evenmin als de wereld vermoeden, dat ik mij slechts voor den dolk van een arglistigen moordenaar beveiligd heb. Weliswaar bestaat het moordplan slechts in zijne gedachten, en straf ik hem daarvoor. Maar moest ik dan afwachten, tot hij de daad volbracht of beproefd had, opdat geheel Europa door dit moordgeroop vervuld werd, en de liedjeszangers op de straten mijne geschiedenis opdreunden, zoo als de geschiedenis van Ravaillac of Cartouche ? âMijn goed volk, dat zoo begeerig is naar moorden, heeft immers juist zulk een lekker beetje aan die moordgeschiedenis in de Stelzenkrug op het Alexanderplein; het is dus niet noodig, dat zijn Koning het opnieuw zulk eene ballade quot;verschalTe.quot;
Op dit oogenblik werd de deur geopend en de lakei diende den grootkanselier von Cocceji aan.
Met een hartelijke begroeting ging de Koning den beproefden vriend en staatsdienaar te gemoet. âGij komt ongetwijfeld, om mij rapport te brengen over'die moordgeschiedenis,quot; zeide de Koning glimlachend: âen dan moet ik u bekennen, dat gij voor mijne nieuwsgierigheid zeer gelegen komt, want ik dacht er juist aan.quot;
âUwe Majesteit heeft het geraden; ik kom het rapport mededeelen,quot; antwoordde Cocceji, eerbiedig: âgeheel Berlijn is in beweging en oproer over dit geval, en zelfs de meest vredelievende burgers zijn eensklaps in oproermakers en schreeuwers veranderd, en veroordeelen het koninklijke kamergericht, dat toch slechts deed, wat billijk is.quot;
âEn wat noemt gij billijk?quot; vroeg de Koning ernstig.
âDat, wat de wet voorschrijft, sire.quot;
De Koning schudde peinzend het hoofd. â âEn daartegen zoude het volk opstaan? Daarover zoude het morren? Neen, vriend! Het volk heeft een diepen, ingeschapen eerbied voor wet en recht, en alleen, wanneer het ontaard en verwilderd ware, zoude het durven wagen, zich tegen deze
07
beide hechtste zuilen van den Staat te verzetten. Mijn volk echter is noch ontaard, noch verwilderd, en ik moet dus gelooven, dat het, wanneer het in deze zaak mort en ontevreden is, er ook reden toe heeft. Verhaal mij de geschiedenis dus nog eenmaal, en zeer uitvoerig, zeer nauwkeurig.quot;
En terwijl de Koning op zijn met leder bekleeden armstoel voor zijn schrijftafel plaats nam, gaf hij den groot-kanseli.n- een teeken, zich op den tegenover hem staanden stoel neder te zetten.
âVerhaal mij nu uwe moordgeschiedenis,quot; gelastte de Koning hem.
âOp zich zelve, sire, is zij zeer eenvoudig en alledaagscli. Eene bejaarde, tamelijk welgestelde vrouw, zonder familie of dienstboden, bewoonde sedert verscheidene jaren een huisje op het Alexanderplein, de zoogenaamde Stelzenkrug. Behalve zij woonde in dit huis nog slechts een arm, stil student, die zijn onderhoud verdiende, door aan de kinderen van fatsoenlijke en aanzienlijke burgers les te geven. Tot dat einde verliet hij gewoonlijk reeds des morgens te negen uur de woning van juffrouw Schultze, en keerde eerst des avonds omstreeks zes of zeven uur terug; dan waren zijne les-uren afgeloopen, en hij hield zich dan in zijn vertrek gewoonlijk met lezen en studeeren bezig, tot juffrouw Schultze hem voor het eenvoudig avondmaal in haar vertrek riep. Wanneer dit gebruikt was, keerde hij naar zijne kamer terug, om verder te studeeren, terwijl juffrouw Schultze zich onmiddelijk in haar slaapvertrek ter ruste begaf Zoo leefden deze stille lieden sedert vier jaren in ongestoorde rust, en hunne buren waren zóó zeer met hunne stiptheid bekend, dat, wanneer des avonds het licht van het hoekvenstertje werd uitgebluscht, zij nauwkeurig wisten, dat het negen uur was, en juffrouw Schultze zich ter ruste had begeven; en dat het, wanneer het licht in de kamer van den student nog brandde, nog geen middernacht was. Even regelmatig zag men eiken morgen om acht uur de deur van den Stelzenkrug openen, en juffrouw Schultze met een mandje en potje verschijnen, om uit de nabij gelegen bakkerswinkel, haar voorraad van broodjes en melk te halen. Zij was de vroegste klant van den bakker, die naar haar zijn horloge placht te regelen. Tien minuten
68
vóór negen uur werd de deur van den Stelzenkrug dan weder geopend, en de student verscheen met zijne boeken onder den arm, om zijn taak als onderwijzer te beginnen. Wanneer de ouders in de nabij gelegen huizen dit zagen, zonden zij hunne kinderen naar school; want dan wisten zij, dat het spoedig negen uur zoude slaan. Bij deze regelmatigheid, als die van een uurwerk, kan Uwe Majesteit licht beseffen, welk eene ontsteltenis het moest veroorzaken, toen dit uurwerk plotseling scheen stil te staan. JuiïrouwSchultze was haar ontbijt niet bij den bakker komen halen; de vensterluiken waren zelfs omstreeks half negen nog gesloten, en toen het negen uur sloeg, werd de deur niet geopend en kwam de student niet, zoo als gewoonlijk, er uit te voorschijn. Het huis bleef stil en zonder beweging zoo als de buren het nog nimmer gezien hadden. Dadelijk vermoedden zij dus, dat de eene of andere buitengewone gebeurtenis den geregelden levensloop der beide bewoners van den Stelzenkrug had afgebroken, en om zich hiervan te overtuigen wilden de bakker en de slager zich zelf naai iulïrouw Schultze begeven. Zij vonden de huisdeur echter gesloten, en op hun herhaald kloppen en roepen werd zij niet geopend. Nu begaven zij zich naar het gerecht, en dit zond een gevolmachtigde om de zaak nader te onderzoeken. Men liet de deuren door een slotenmaker openen en trad het huis binnen. In het woonvertrek van jutfrouw Schultze vond men de secretaire geopend, de schrijfkistjes met papieren zonder waarde op den vloer liggen, evenzoo waren ook de laden der commode geopend, en de inhoud lag op de tafel en sofa uitgespreid. In de slaapkamer der juffrouw stonden stoelen en waschtafel niet op de quot;ewone plaats, maar in woeste wanorde midden in het vertrek: alles duidde aan, dat hier vreemde handen bezig waren geweest, en in kisten en kasten rondgezocht hadden.' Eindelijk trad men aan het bed der vrouw, dat uitwendig onaangeroerd scheen te zijn. Toen men echter het beddelaken ophief, vond men er het reeds verstijfde lijk van juffrouw Schultze, met een koord om den hals, de oogen gebroken en wijd geopend, de tong uit den mond hangende, het gelaat met bloed beloopen, kortom met alle kenfeekenen van eene geworgde. Nu begaf men zich naar de bovenste verdieping, om den huisgenoot der vermoorde
69
op te zoeken. Zijne kamer was open en alles bevond ziel) daar in de gewone orde; alle meubelen,even als de boeken stonden op hunne gewone plaats; geen vreemde voetstap scheen dezen dorpel overschreden te hebben. Maar de student was er niet, en alle buren, die sedert de morgenuren op het huis acht gegeven hadden, verzekerden, dat hij het in geen geval dezen morgen verlaten had, maar den nacht buiten moest hebben doorgebracht. Terwijl men zich nog in zijne kamer bevond, werd de deur geopend, en trad de student met een bleek, ontroerd gelaat, met bestoven kleederen en bemorste laarzen, die van een verre wandeling-getuigden, binnen.quot;
âDe student was haar moordenaar,quot; zei de Koning haastig: âer is geen twijfel aan, hij heeft het gedaan; hij heeft de arme vrouw vermoord!quot;
Cocceji boog.
âIk dank Uwe Majesteit voor dit woord,quot; zeidehij: âhet zal eene rechtvaardiging voor mijne handelingen zijn, en mij, zoo ik dwaalde, verontschuldigen.-â De student werd natuurlijk onmiddellijk in hechtenis genomen en verhoord. Hij ontkende intusschen met de grootste hardnekkigheid de misdaad, en scheen ontroerd, toen men hem in de slaapkamer bracht, en het lijk der vermoorde toonde. Toen men hem vroeg, waar hij den nacht had doorgebracht, verklaarde hij, den vorigen dag, die een Zondag geweest was, een vriend, die geestelijke op een nabijgelegen dorp was, bezocht te hebben; hij had zich le voet daarheen begeven, en bij hem den dag doorgebracht. Om zijne lessen des Maandags-morgens niet te verzuimen, had hij zich, niettegenstaande het verzoek van zijn vriend, bij de invallende schemering op weg begeven, om naar Berlijn terug te keeren. Intusschen was hij bij de schielijk toenemende duisternis verdwaald, en was steeds voortgaande het spoor al meer en meer bijster geraaakt, zoodat hij eindelijk uitgeput en afgemat op het vlakke veld was neergezonken en in diepen slaap geraakt was. Toen de dag reeds aangebroken was, was hij ontwaakt, en had hij zijn weg naar Berlijn vervolgd. In het naastbijgelegen dorp had hij vernomen, dat hij zich meer dan drie mijlen van Berlijn, âen wel in eene geheel tegenovergestelde richting bevond, dan van waar hij was uitgegaan; en zoo had hij dan, van dorp tot dorp vragende,
70
zijn weg met moeite vervolgd, tot hij eindelijk Berlijn weder zag, en juist teruggekeerd was.quot;
âEen slecht verzonnen uitvlucht,quot; zeide de Koning, het hoofd schuddend: âeen logen, die men onmogelijk bij hem voor een alibi kan doen gelden.quot;
âIk dank Uwe Majesteit nogmaals,quot; zeide de groot-kanselier buigende; âHet behaagt Uwe Majesteit juist mijn eigen meening uit te spreken. Daar de delinquent echter, niettegenstaande alle tegen hem getuigende omstandigheden, en niettegenstaande hij geen alibi kon aantoonen, zelfs niet eens de plaats kon noemen, waar hij den nacht zoude hebben doorgebracht, âdaar de delinquent, zeg ik, niettegenstaande dit alles ontkende, en niets van de misdaad weten wilde, zoo was ik wel genoodzaakt van de middelen gebruik te maken, die de wet in zulke gevallen voorschrijft, en welke Uwe Majesteit in bet begin uwer regeering, â toen de pijnbank in het algemeen werd afgeschaft, â in bizondere gevallen aanduidde. Deze uitzonderingen, waarbij de pijnbank nog wordt aangewend, zijn die, waarin de misdadiger, niettegenstaande alle tegen hern getuigende bewijzen, en niettegenstaande de duidelijke, bezwarende daadzaken, zijne misdaad blijft loochenen en bij zijne ontkenning volhardt. Dan moet, volgens de wet, bij den delinquent de bekentenis zijner schuld door de pijnbank bewerkt worden. Volgens dit koninklijk bevel liet ik den student, die niettegenstaande de dringendste toespraak, bij zijne ontkenning volhardde en zijne onschuld bleef volhouden, gevangen nemen, en naar de folterkamer
brengen.quot; , u-
âO, naar de folterkamer!quot; zeide de Koning, terwijl nij opstond en naar het venster trad, om nadenkend met zijn hoofd tegen de ruiten te steunen: âVervolg,quot; zeide hij na eene poos: âga voort, ik luister.quot;
âZoo als gezegd is, werd de student naar de folterkamer gebracht, en men deed hem den lichtsten graad dei-pijniging ondergaan. Men legde hem de duimschroeven aan.quot;
De Koning zuchtte diep, en trommelde driftig en ongeduldig tegen de vensterruiten.
âGa voort, ga voort,quot; beval hij verder.
Gocceji zweeg een oogenblik, toen zeide hij diep ademhalend en op een vreemden, plechtigen toon:
71
âDo delinquent was niet in slaat, zelfs dezen lichlsten graad der pijnbank' uit te houden. De pijn ontlokte hem dadelijk eene bekentenis, die de dringendste toespraak niet had kunnen bewerken. Hij bekende aan den moord schuldig te zijn.quot;
De Koning, die nog altijd aan het venster stond, wendde zijn hoofd met eene haastige beweging om, en zijn doordringende blik rustte met eene vurige uitdrukking op het edele, waardige gelaat van den grootkanselier.
âCocceji,quot; zeide de Koning: âdie pijnbank bevalt mij volstrekt niet.quot;
âMij ook niet, sire,quot; antwoordde Cocceji, de schouders ophalende: âmaar zij staat in de strafwetten aangewezen, en de wet moet gehoorzaamd worden.quot;
âMaar het is eene onmenschelijke wet,quot; zeide de Koning zacht: âeene wet die de waardigheid als mensch en de menschlievendheid schande aandoet! Hoe kan men een mensch door folteringen en wreedheid de waarheid willen afpersen; hoe kan men wanen de ziel te overwinnen, terwijl men het lichaam pijnigt!quot;
âSire, het is bekend, dat het de priesters waren, die ih de gevangenissen der inquisitie de pijnbank uitgevonden hebben.quot; )
âZeker,quot; riep de Koning: ,,de pijnbank is óók eene der liefdegiften van de priesters; met duimschroeven en gloeiende roosters wisten zij de ongelukkige zondaren van de goddelijkheid der godsdienst te overtuigen. Maar ik ben geen vrome priester en geen dweepziek Christen; ik verfoei dus elke pijnbank en elke marteling, zelfs al ware zij instaat de menschen tot hun eeuwig heil te bekeeren! Maar â wij vergeten uwen moordenaar! Hij bekende dus?quot;
âJa, sire, en hij werd naar zijne gevangenis terug gebracht.quot;
âEn toen men hem de duimschroeven had afgenomen, herriep hij toen zijne bekentenis niet?quot;
âNeen, maar hij weende steeds voort, en in zijne gevangenis hoorde men hem den geheelen nacht met luider stem bidden.quot;
âIk vrees, dat zijne gewonde handen daar niet door geheeld worden!quot; zeide de Koning, de schouders ophalende:
âEn wat is er nu verder in deze zaak geschied?quot;
72
âNa, de bekentenis van den student was geheel Berlijn den volgenden morgen vol van dit nieuws; en zonderling, â al degenen, die gisteren den student nog voor schuldig verklaarden, waren heden van zijne onschuld overtuigd.quot;
âDat komt,quot; zeide de Koning: âomdat de pijnbank smZ/£ een afschuwelijke en wreede instelling is, dat diegenen, welke daardoor gepijnigd worden; in de oogen der' men-schen tot martelaren en heiligen worden. Het gaat mij even als de Berlijners. Sedert de student den moord op de pijnbank bekende, houd ik hem voor onschuldig!quot;
âGeheel Berlijn oordeelde even als Uwe Majesteit; en zoo kwam dan gisteren eene deputatie van twintig der aanzienlijkste burgers tot mij, om mij in naam der geheele burgerij te verzoeken, het onderzoek met den meesten ernst en grondig voort te zetten. Deze deputatie bestond uit mannen, wier kinderen de student reeds jaren lang onderricht had gegeven, en deze allen waren zóó innig van zijne onschuld overtuigd, dat zij met hun leven en vermogen bij mij er borg voor wilden blijven.quot;
âMijne Berlijners bevallen mij,quot; zeide Frederik: âik houd van hunne opgewekte geestkracht en hunne onverschrokkenheid. Niets ter wereld is in staat hun vrees aan te jagen, en wat zij voor billijk houden, dat brengen zij ten uitvoer. Dat was dus de beweging en het oproer, waarvan gij straks spraakt?quot;
âDat was het; want Uwe Majesteit wete, dat, terwijl deze lieden zich bij mij bevonden, duizende menschen op straat stonden en riepen: Hij is onschuldig! Hij heeft zich zeiven valsch beschuldigd! Vloek en schande over de pijnbank! Zij heeft zich zelve geworgd!quot;
âEn hebt gij u door het geschreeuw schrik laten aanjagen?quot;
âNoen, sire, maar ik liet mij tot rede brengen door de overtuigende woorden dier lieden; ik zoude het als wreed en gewetenloos beschouwd hebben, wanneer ik mij tegenover deze wakkere mannen achter de onschendbaarheid van mijne betrekking verscholen had, en hen hoogmoedig had afgewezen. Het was immers mogelijk, dat bij het onderzoek de eene of andere daadzaak verkeerd begrepen of een punt over het hoofd gezien was. Ik beval dus opnieuw een nauwkeurig onderzoek op de plaats zelve.quot;
73
De Koning knikte goedkeurend.
âJuist,quot; zeide hij: âeen dapper man moet steeds den moed hebben, ook te bekennen, dat hij dwalen kan. Diegenen, welke zich onfeilbaar gelooven, zijn gewoonlijk de domste botterikken. Slechts de wijze kan inzien en begrijpen, welke dwazen en zotskappen wij menschen allen zijn. Gij hebt dus een nieuw onderzoek bevolen?quot;
âJa, sire, en tot dit einde zond ik vóór alles een zeer belangstellend en invloedrijk persoon naar de plaats, waar de misdaad bedreven werd; een persoon, die zoodra het een gehangene geldt, vóór alles er toe berekend is, een oordeel te vellen. Ik bedoel den beul van Berlijn, sire. Ik beval hem, te onderzoeken, of het mogelijk ware, dat de vrouw op deze wijze en in de houding, waarin men haar gevonden had, zich zelve had kunnen verworgen.quot;
âBevond het lijk zich dan nog in huis?quot;
âIn huis, en juist zoo als men het gevonden had; want nog steeds heerscht het vooroordeel, dat men het lijk van een vermoorde niet mag aanroeren, zoo men zeiven niet door den vloek, die op de lippen des stervenden zweefde, getroffen wil worden.quot;
âEn hoe luide het oordeel van den scherprechter?quot;
âHet luide; dat het volkomen onmogelijk was, dat juffrouw Schultze zich op deze wijze had kunnen verworgen. Zij was in elk geval door een ander, en met een knoop, geheel naar de vereischten van de kunst gelegd, geworgd.quot;
âWat bedoelt gij met een knoop naar de vereischten van de kunst?quot;
âDit vroeg ik den scherprechter ook, sire, en hij antwoordde mij, dat dit eene bizondere soort van knoop was, die in het koord gelegd werd, wanneer een dief gehangen moest worden, en die zóó zeker en vast was, dat ze nooit los kon gaan, en dat de dood daardoor verhaast en verlicht werd. Hij voegde er nog bij, dat het moeilijk was zulk een knoop te^ leggen, en dat alléén de lieden van zijn beroep hierin bedreven waren.quot;
âAldus,quot; vroeg de Koning: âhad de student eerst bij een scherprechter in de leer moeten gaan, om dezen moord te kunnen begaan?quot;
âOf een wezenlijke scherprechter had de moord bedreven, sire!quot;
74
âGij liet nu natuurlijk alle scherprechters opsporen?quot;
âIk liet mij, â en dit geschiedde gisteren, sire, âeen nauwkeurige lijst geven van al de vreemdelingen, die ten tijde, dat de daad gepleegd was, te Berlijn waren; en zoo vernam ik dan, dat op den avond, vóór dat de misdaad plaats had, twee beulsknechten uit Spandau te Berlijn gekomen waren. Naar deze beiden werd onderzoek gedaan, en bet bleek, dat het de beide broeders der vermoorde, en hare toekomstige, eenige erfgenamen waren. Den morgen na den nacht, waarin de moord plaats had, had men beide te Spandau zien terugkeeren, en sedert dien tijd hadden zij een M-oolijk leven geleid en zeer veel geld verteerd. Ik deed hen gisteren avond in hechtenis nemen en naar Berlijn overbrengen.quot;
âEn ook in de folterkamer, Gocceji?quot;
âNeen, sire, de pijnbank was onnoodig; want dezen morgen reeds bekenden zij vrij willig-'den moord, dien zij gepleegd hadden, om des te eerder in het bezit der erfenis te geraken. Om dit aan Uwe Majesteit mede te deelen, kwam ik hier.quot;
Er volgde eene pauze.
âZoo gaat het in de wereld,quot; sprak de Koning toen met een bitteren glimlach: âde onschuldigen worden gemarteld, en de schuldigen gaan ongedeerd heen. Maar in mijne Staten zal dit niet het geval zijn, zoo ik het ten minste kan verhinderen. Het is eene treurige geschiedenis Gocceji, die gij mij daar hebt medegedeeld; maar tóch geloof ik, dat het goed is, dat ik ze hoorde; want ik heb er veel door geleerd, en op nieuw gevoeld, dat wij Vorsten óók slechts jammerlijke dwazen en kortzichtige stervelingen zijn, die zelfs dan nog dwalen en struikelen, wanneer zij er naar trachten, het goede en rechte te volbrengen. Ik schafte de pijnbank gedeeltelijk af, om de folter werktuigen uit de handen der priesters te nemen, en niemand meer te doen pijnigen, ter wille van God en zijn geweten. Ik beperkte het gebruik er van tot op overtuigde misdadigers, die bleven ontkennen. Maar wie kan zeggen, dat hij in staat is een mensch te overtuigen en over zijne schuld te oordeelen? Alleen God doorziet het hart der menschen, en kent hunne gedachten en daden. Omdat wij Gods oog niet bezaten, namen wij in plaats daarvan de pijnbank! Gocceji, het is
75
een vreeselijk equivalent, en wij zullen hel nu voor altijd van ons afwerpen! De duimschroeven van den armen student openden onze oogen!quot;
âGezegend zij mijn Koning voor dit woord!quot; riep Coc-ceji vol geestdrift: âNooit heb ik zoo levendig dan in deze dagen de onnatuurlijke wreedheid van deze wet gevoeld; nooit was het mij zoo duidelijk, welk eene groote en echt koninklijke daad het was, dat Uwe Majesteit de toepassing der pijnbank zoo beperkte. Zij was eene vreeselijke plaag der menschen!quot;
âEene plaag, die nu nog in de landen van alle Vorsten heerscht; waaraan de volken in Italië. Spanje, Portugal, Duitschland, ja zelfs in het verlichte Frankrijk, â in het vaderland van een Voltaire, â zich nog onderwerpen. Maar in Pruisen zal zij ophouden; in Pruisen zal het verstand en de wet alléén heerschen; en indien de vrome priesters mij daarom als den Anti christ verketteren en heschimpen, mogen zij het ongedeerd doen. Neem eene pen, mijn waarde Cocceji, en zoo gij het goed vindt, dicteer ik u dadelijk een besluit, waardoor wij de pijnbank in Pruisen voor altijd, ook voor misdadigers, afschaffen!quot;
âEn na verloop van eeuwen zal dit uur nog door uw volk gezegend worden,quot; riep Cocceji: âneen, niet alleen door uw volk, maar door alle volken; want de straal van verlichting en vrijheid, die uit de oogen van mijn Koning schittert, zal weldra de geheele wereld beschijnen, en zelfs de oogen der kortzichtigste Vorsten zullen eindelijk zijn glans moeten opmerken!quot;
âDat is een stoutmoedig woord, wat gij daar uitspreekt,quot; zeide de Koning glimlachend; âKoningen zijn even als nachtuilen. Wanneer het licht hunne oogen verblindt en zij het niet zien willen, trekken zij hunne witte blindlappen er over, en dommelen voort in de aangename schemering!quot;
76
VUL
DE BRUIDEGOM TEGEN WIL EN DANK.
Wederom had prins Hendrik op uitdrukkelijk bevel des Konings aclit dagen in streng arrest doorgebracht; aclit dagen van machteloozen toorn en pijnlijke vernedering, waarin hem niet was toegestaan iemand te ontvangen, behalve Pöllnitz, die, zooals de Koning zeide, tot den inventaris van het huis Ilohenzollern behoorde, en daarom alle deuren voor zich geopend vond.
Pöllnitz had de bittere verwijtingen die de prins tegen zijn koninklijken broeder uitte, â en waarmede hij zich wreekte over de verveling en de eenzaamheid, waartoe de Koning hem veroordeeld had, â vernomen. En hij had steeds een ópen oor gehad voor deze verwijten; doch als hij dan den prins door schijnbaar oprechte en gevoelvolle deelneming had getroost, ijlde hij tot den Koning, om hem met een treurigen blik en juichend hart al die bittere en hatelijke woorden te herhalen, welke de argelooze prins tot hem gesproken had, en welke zeer geschikt waren om de ongunstige stemming van den Koning tegen zijn broeder te verergeren en onherstelbaar te maken. 1)
De prins bleef nog altijd verzekeren, dat hij nooit toegeven en nooit trouwen zoude, en de Koning volhardde bij zijn gevoelen, dat zijn broeder zich aan zijn wil moest onderwerpen.
Zoo waren acht dagen verloopen, toen Pöllnitz met de blijde tijding kwam, dat het arrest afgeloopen, en de prins weder vrij was.
âDat is te zeggen, ik heb de vrijheid in Potsdam rond te loopen,quot; zeide de prins bitter: âmijn broeder staat mij toe, door deze vervelende straten te wandelen, aan zijne tafel te verschijnen, om mijne kleeding door zijne onuit-
1
Thiebault, Souvenirs, etc. Vol. II. pag. 188.
77
staanbare viervoeters te laten bemorsen, en mijne ooren door het vervelende, pedante geklap van zijne niet minder onuitstaanbare tweelDeenige vrienden te pijnigen.quot;
âUwe Koninklijke Hoogheid kan van al deze kleine onaangenaamheden gemakkelijk en voor altijd ontslagen worden,quot; zeide Pöllnitz schouderophalend: âGij hebt daartoe anders niets te doen dan te trouwen.quot;
âOch, te trouwen; dat is te zeggen, mijne arme schoonzuster' Llizabeth Christine eene lotgenoote te geven, opdat deze beide ongelukkigen gezamenlijk de psalmen van hare huwelijksrampen kunnen zingen. Neen, ik bezit den moed van mijn koninklijken broeder niet, om eene vrouw, â dat is, een menschelijk gevoelend wezen, â ongelukkig te maken, enkel om aan de belangen der politiek te voldoen; ik ben niet baatzuchtig genoeg, om met het levensgeluk van een ander mensch, mijn eigen leed te willen afkoopen.quot;
âMaar mort dieu, prins,quot; zeide Pöllnitz op zijne stoïcijnsche wijze; âgij neemt de zaak ie deugdzaam op. Niet alle vrouwen zijn zoo eerbaar en zoo kuisch als de arme Koningin Elizabeth Christine; en doorgaans weten zij zich ergens anders zeer goed schadeloos te stellen voor de onverschilligheid van hare echtgenooten. Uwe Koninklijke Hoogheid denkt over die aangelegenheid veel te burgerlijk en te zedig. Er is hier geen sprake van een gewoon huwelijk, maar van de echtverbintenis van een prins. Gij trouwt niet met uw hart, maar met uwe hand, en gij doet deze huwelijkskluisters aan, als een gala-rok, met een vorstelijke ster getooid; het is enkel voor hel uiterlijk, dat tot niets verbindt, noch tot liefde, noch tot trouw. Maar een uiterlijk, dat onzaglijke voordeelen aanbiedt, en waarom alle andere, niet vorstelijke mannen, u moeten benijden. Vraiment, zulk een ceremonieel huwelijk is eon beschermende talisman, die men elke andere vrouw kan voorhouden, en waartegen al bare egoïstische wenschen en buitensporige eischen,quot;als op een metalen schild, moeten afstuiten. Buitendien is een getrouwd man voor elke andere ongetrouwde vrouw geheel en al sans consequence, en als zulk een bemint, kan deze gelukkige sterveling overtuigd zijn, dat hare liefde werkelijk eene luim van haar hart, â en niet eene berekening der baatzucht of trouwlust is!quot;
De prins beschouwde den glimlachenden hoveling met
78
een ernstigen, bijna vertoornden blik. âWeet gij,quot; zeide hij: âdat hetgeen gij daar vertelt, mij vrij onzedelijk toeschijnt?quot;
âOnzedelijk?quot; vroeg Pöllnitz verwonderd: âWat is dat? Ik ken dat woord niet. Uwe Koninklijke Hoogheid weet, dat ik mijne opvoeding meest aan het Fransche Hof, onder de beschermende Egis van den regent van Orleans en van de prinses Palatine genoten heb, en daar lieb ik het vvooi'd âonzedelijkquot; nooit gehoord. Zoude Uwe Koninklijke Hoogheid het mij wel willen verklaren?quot;
âDat zou zijn: den moriaan wasschen!quot; zeide de prins schouderophalend: âWij zullen om de beteekenis van een woord niet twisten. Ik wilde u slechts zeggen, dat ik, om het bon plaisir van mijnheer mijn broeder, volstrekt niet gezind ben te trouwen; en dat ik maar al te zeer en te diep de vernedering en de afhankelijkheid van mijn toestand begrepen heb, om niet voor de gedachte terug te deinzen: anderen, buiten mij, er óók in te storten. Neen, ik wil niet trouwen : ik wil het ras van deze arme, ellendige prinsen, die geheel nutteloos, en bij gevolg den Staat tot last zijn, â niet voortplanten. ^
)
O, in welk een ongelukkigen toestand verkeeren de prinsen, die door de kroon onderhouden worden; en hoe weinig kennen zij, die ons benijden, onze geheime smarten en vernederingen ! Evenzeer van den troon als van het volk uitgesloten, hebben wij eene dubbelzinnige stelling, die ons boven het lot van andere menschen verhett, en ons toch onopgemerkt en verwijderd aan de voeten van den troon kluistert, in de schaduw van een licht, dat altoos ijverzuchtig waakt, opdat niet soms een straal van zijn glans onzen somberen en vreugdeloozen toestand verlichte. Een jonge prins is geen burger en geen Vorst; hij is een machteloos, afhankelijk stuk speelgoed in de hand van zijne naaste bloedverwanten; een verachte en kostbare last in de oogen van het volk, door hetwelk hij niet eens raag beproeven bemind te worden, om niet den naijver en den nijd van den heerscher op te wekken. O, dat de hemel mij toch de gelegenheid schonk om uit te munten; â om dit volk.
3) 's Prinsen eigen woorden. Zie ThiébauU II, p. 134.
'79
dat mij met leede oogen moet aanschouwen, omdat ik het zoo veel geldfckost; â om dit volk te bewijzen, dat ik iets meer ben, dan een door de kroon betaalde prins; dat ik den aanleg bezit het van nut te kunnen zijn, het mijne diensten, ja mijn leven met blijdschap te wijden! Mijn God, schenk mij slechts de gelegenheid om uit te munten, om dezen naam, die thans zoo onbeduidend, nietig en armzalig is, een klank, eene beteekenis te geven.quot;
âUwe Koninklijke Hoogheid is eerzuchtig,quot; zeide Pöllnilz, toen de prins zweeg, en in geweldige ontroering zijn kamer op en neder liepquot;
âJa, ik ben eerzuchtig,quot; antwoordde de prins; âik dorst naar daden, naar roem, naar werkzaamheid. Ja, ik vervloek het eentonige, bekrompene, kleurlooze leven, waartoe het noodlot mij gedoemd heeft; dat, garnizoensleven, zonder doel en bestemming. Mijn God, hoe gelukkig zon ik mij achten, wanneer ik, in plaats van den prins te moeten spelen, een vergeten burger, een eenvoudig landeigenaar kon zijn, die, zoo hij al niet een Rijk, â dan toch een morgen gronds kon beheeren, en beproeven, of hij niet eenige honderden menschen, die zich zijne onderdanen zouden noemen, gelukkig kon maken. Maar ik ben niets dan de broeder des Konings; heb niets dan mijn ijdelen titel en de vorstenster op mijn rok; mijn inkomen is zóó gering en zóó armzalig, dat het nauwelijks toereikend zoude zijn, mijne weinige bedienden te betalen, indien de Koning ze niet tevens als mijne spionnen bezoldigde!quot;
âMaar dat alles zal ophouden, zoodra gij het beslissende woord zult gesproken hebben; zoodra tm u bereid verklaart te trouwen.quot;
âEn dat waagt gij mij te zeggen?quot;' riep de prins met fonkelende blikken: âgij, die weet, dat ik een vrouw lief heb, die ongelukkig geene prinses is'? Of denkt gij, dat een arm vorslenkind niet eens het hart van een man bezit? Dat ook hij niet dat gloeiend verlangen, dat smartelijk zalig smachten gevoelt, om de vrouw, die hij bemint, ook te willen bezitten?quot;
âKom, kom, de vrouwen verdienen volstrekt niet, dat wij haar zoo vurig beminnen, en voor haar tot groote olïers bereid zijn. Zij zijn alle wuft en veranderlijk van hart. Geloof mij, prins.quot;
80
De prins sloeg een snellen, vragenden blik op het glimlachend gelaat van den hoveling. âWaarom zegt gij mij dat?quot; vroeg hij angstig.
âOmdat het mijne overtuiging is, Koninklijke Hoogheid. Omdat ik niet geloof, dat eene vrouw ooit de kracht heeft eene liefde te bewaren, wanneer haar hinderpalen in don weg komen; omdat ik niet geloof, dat zij ons acht dagen getrouw blijven, wanneer wij acht dagen van haar verwij-derd geweest zijn.quot;
De prins verstomde, en sloeg zijne groote oogen met eene uitdrukking van schrik op het gelaat van den baron.
âAcht dagen!quot; prevelde hij eindelijk: âacht dagen; neen, het is reeds twaalf dagen, sedert ik Louise niet gezien heb.quot;
âO, reeds twaalf dagen! En Uwe Hoogheid verkeert nog in de meening door haar bemind te worden?quot;
De prins zuchtte, en eene wolk zetelde op zijn voorhoofd. Maar dit duurde niet lang; zijn gelaat werd weder helder, en zijne oogen namen hun schitterenden glans weder aan. âIk heb die meening,''zeide hij : âen hoe zoude ik niet, daar mijn hart ook deze beproeving beeft doorstaan. Al heb ik haar ook in geen twaalf dagen gezien, ik gevoel toch, dat mijne liefde voor haar nog even gloeiend, even vurig is; ja, het is mij, alsof mijn hart bij de gedachte aan haar nóg smachtender, nog onstuimiger klopt, dan wanneer ik haar in mijne armen sluit.quot;
âDat komt,quot; zeide Pöllnitz op bijna medelijdenden toon: âomdat Uwe Koninklijk Hoogheid nog bij uwe eerste liefde staat, en mevrouw von Kleist al bij de, ik weet niet. ... hoeveelste is.quot;
Prins Hendrik wierp hem een loornigen blik toe.
âGij zijt zeer boosaardig,quot; zeide hij: âen zeer onrechtvaardig jegens deze arme, schoone vrouw, die, te midden der bedorvene en vreeselijke toestanden, waarin haar het lot reeds vroeg geslingerd had, nog rein en deugdzaam gebleven is. Elke andere, minder edele, minder sterke vrouw, zoude gevallen zijn; â zij evenwel niet. Zij heeft haar hart kuisch, hare ziel onbevlekt bewaard; haar ongeluk heeft haar slechts gelouterd, niet vernederd; en daarom bemin ik haar; daarom denk ik, dat God mij op liaar weg geplaatst beeft, om haar, na zooveel lijden,
81
geluk aan te brengen, om hare gewonde ziel te heelen en door liefde te verzoenen, en haar gebogen hart weder op te richten. O, juist om hare smarten en om den boosaar-digen en schandelijken laster, welke haar altijd vervolgd heeft, â even als de blaffende honden het schoone, edele hert vervolgen, â juist om al datgene, wat men haar verwijt, bemin ik haar!quot;
âNu, prins,quot; zuchtte Pöllnitz met geveinsde droefheid; âik heb nooit een stouter held en vromer Christen gezien, dan Uwe Koninklijke Hoogheid is?quot;
âHoe bedoelt gij dat, Pöllnitz?quot;
âB^r wordt een buitengewone moed toe vereischt, prins, om mevrouw von Kleist voor kuisch en onschuldig te houden, en slechts een vroom Christen kan zich met zooveel gelatenheid onder diegenen rangschikken, van welke Christus zegt: âzalig zijn zij, die niet zien, en tóch gelooven!quot; â Moge een goedgunstige geest u nog lang in dien moed en in dat geloof versterken! â Maar, Uwe Koninklijke Hoogheid moet natuurlijk wèl zeer degelijke en overtuigende redenen hebben, om aan de onschuld en trouw van deze vrouw geloof te slaan; redenen, die onbekend zjjn, en die ik dus niet kan beoordeelen. Want ik moei bekennen, elk ander man zoude door zulke daadzaken wel wat in zijn geloof aan de goden verzwakt worden. Immers, het is een feit. dat mevrouw von Kleist mij sedert twaalf dagen, geen enkele boodschap van Uwe Koninklijke Hoogheid opdroeg ; het is een feit, dat zij zich niet op het gemaskerd bal bevond, en zij zich daarover zelfs niet verontschuldigde; dat zij, zoo dikwijls ik haar dezer dagen bezocht, om haar de brieven van Uwe Koninklijke Hoogheid ter hand te stellen en de hare te ontvangen, mij niet toeliet, immer onzichtbaar voor mij bleef, zoodat ik bijgevolg hare brieven niet ontving, noch die van Uwe Koninklijke Hoogheid overhandigen kon. Het is een feit, dat zij, toen ik vernam, dat zij zich in de laatste dagen steeds bij de Koninginmoeder bevond, en ik mij daarheen begaf, om haar te spreken, en ten minste eene mondelinge boodschap van haar te verkrijgen, opzettelijk vermeed met mij alleen te zijn, maar onafscheidbaar van de Koningin scheen te zijn, die zij door haar geestig onderhoud en hare vroolijke scherts deed lachen.quot;
6
Mühlljaoh, Fr eden-ik de Groote en zijn Hof, V.
82
âEn waart gij heden niet reeds vroegtijdig te Berlijn? Zijt gij niet, zooals ik u opdroeg, bij haar gegaan, om haar te zeggen, dat zij mij dezen avond zoude wachten
âIk begat mij naar hare woning, maar te vergeefs Zij was reeds weder door de Koningin afgehaald, en men zeide mij, dat zij eerst laat in den avond zoude terugkeeren. Ik heb uw last dus niet kunnen volbrengen. Koninklijke Hoogheid!
De prins stampvoette van ongeduld, en liep driftig eenige malen op en neder. Zijn voorhoofd was bewolkt en zijne lippen trilden van innerlijke ontroering. De scherpe blik van den baron volgde oplettend en meedoogenloos elke aandoening van zijn gelaat, iedere bange zucht van zijne beklemde borst, om daarnaar te kunnen afmeten, ol het zaad der ijverzucht en van het wantrouwen, dat hij uitgestrooid had, in het hart van den prins zoude opkomen.
Maar prins Hendrik was nog zoo jong, zoo dapper en vol vertrouwen, en het was nog zijne eerste liefde, die men hem vergiftigen wilde. Zijne jeugdige, krachtige natuur weerstond dus het vergif, en overwon er de heillooze uitwerking van.
Zijne gelaatstrekken hernamen weder hunne vaste en kalme uitdrukking, en de wolken verdwenen van zijn voorhoofd.
âWeet gij,quot; zeide hij, voor Pölnitz staan blijvende, en hem glimlachend in het sluwe gelaat ziende; ,,weet gij, wat ik geloof? Dat gij niet, even als wij, overige men-schenkinderen, van Adam en Eva afstamt, maar dat gij lijnrecht een nazaat van de beroemde slang zijt, en waarlijk, gij doet uwe stammoeder alle eer aan. Voor u is ook geen paradijs heilig, en kwaaddoen is voor u genot! Maar mijn paradijs kunt gij toch niet verwoesten; en hoeveel van den ouden Adam ook in mij mag zijn, zoo zal ik toch niet zoo dwaas zijn om van de bittere vrucht, die gij mij aanbiedt, te eten. Neen, het zal u niet gelukken mij wantrouwend en ijverzuchtig temaken; het zal ü niet gelukken mijn geloof te vernietigen, â en ziel gij, zij, die ge-looven, zijn nog altijd in het paradijs, ondanks uwe stammoeder, de slang!quot;
âPrins,quot; zeide Pöllnitz, de schouders ophalende: âUwe Koninklijk Hoogheid schijnt, mü als een soort van Messias
83
lé beschouwen; gij vond ten minste goed mij slechts eene moeder te geven, en geen vader. Maar ach, prins, indien gij ten aanzien van miine afkomst gelijk hebt, dan hebben de wijsgeeren. en schriftgeleerden zeker ongelijk, die beweren dat de slang van het paradijs als het vreeselijkste erfdeel aan de menschen het 'jeld gaf. Ik klaag mijne stammoeder, de slang, aan, want 'zij heeft mij onterfd, en mij daardoor tot een bedelaar gemaakt, die er toe gedoemd is, van de edelmoedigheid zijner vrienden en becrunstmers te leven.quot;
Met een sluwen en begeërigen blik tuurde hij naar den prins. Doch deze had hem niet verstaan, maar was geheel in gepeins verzonken naar het venster getreden, en zag naar den hemel op, waai de wolken snel voortjoegen.
âZij zal dus henen den geheelen dag bi] mijne moeder doorbrengen, en ik zal haar niet zien,quot; zeide hij zacht, en verviel daarop weder in gepeins. Eensklaps keerde hij zich driftig tot Pöllnitz. âHoe gaat het met de gezondheid der Koningin-moeder?quot; vroeg hij: âHeeft men mij niet gezegd, dat zij ongesteld was?quot; ' .
âOngetwijfeld, Koninklijke Hoogheid. Een hevige aanval van jicht heeft Hare Majesteit aan haar ziekenstoel gekluisterd, en houdt haar nog gevangen!quot;
âArme moeder! ik heb haar in langen tijd niet gezien!quot;
âHet is waar, de Koningin beklaagde er zich over, toen ik de laatste maal de eer had haar te spreken,quot; zeide Pöllnitz met een volmaakt ernstig gelaat, maar innerlijk juichende.
Opnieuw volgde eene poos stilte ; de prins scheen te beraadslagen en met zijn eigene gedachten en wenschen te strijden. Pöllnitz stond achter hem, en bespiedde elke beweging, elke zucht van den prins met zijn boosaardig hovelings-glimlachje.
âIk geloof,quot; zeide prins Hendrik eindelijk, met een nog altijd afgewend gelaat â wellicht om aan Pöllnitz zijn blozen niet te doen zien: âik geloof, dat het wel passend zijn zoude, wanneer ik vóór alles heden persoonlijk naaiden welstand mijner moeder vernam. Het is niet slechts de plicht der beleefdheid, maar eene behoefte van het hart,''
âHare Majesteit zal zich zeer gelukkig gevoelen haar
84
meest geliefden zoon weder te zien, en deze blijdschap zal voorzeker hare genezing bespoedigen.quot;
De prins keerde zich schielijk om, en zag Pöllnitz met doordringende blikken aan, even als wilde hij zijne geheimste gedachten doorgronden. Maar het gelaat van den hoveling was volkomen ernstig en eerbiedig.
âAls dat uwe meening is,quot; zeide de prins met een glimlach van geluk: âis het immers de plicht van den zoon, zoo spoedig mogelijk naar zijn moeder te gaan; ik zal dus dadelijk naar Berlijn rijden. Nu, daar ik slechts ter wille mijner moeder naar Berlijn ga, wil ik het ook geheel en al naar den vorm doen. Wees dus zoo goed den Koning voor mij om verlof te vragen; breng mij dus zoo spoedig mogelijk het antwoord mijns broeders, want ik wil onmid-delijk vertrekken.quot;
âEn ik haast mij Uwe Koninklijke Hoogheid het verlof te brengen,quot; zeide Pöllnitz, afscheid nemende.
Prins Hendrik volgde hem met een peinzenden blik. âIk zal haar dus zien,quot; dacht hij: âzij zal zich moeten verantwoorden en verklaren, waarom zij mij ontweken is. O, ik ben zeker, dat zij zich zal kunnen rechtvaardigen, en boosheid en laster zullen voor haar oog verdwijnen, gelijk de wolken voor de stralen der zon! â quot;
Pöllnitz begaf zich intusschen haastig naar Sanssouci, waar de Koning hem dadelijk ontving.
âSire,quot; zeide hij juichend; âde jonge leeuw is in den strik geloopen, dien wij hem gespannen hebben.quot;
âHij zal dus naar Berlijn naar de Koningin-moeder gaan ?quot; vroeg de Koning levendig.
âHij laat Uwe Majesteit voor dit uitstapje om verlof vragen.quot;
âHeeft hij u dat inderdaad verzocht?quot;
âJa, sire. Hij schijnt zich te willen buigen, en ik geloof, dat hij er over denkt, om zich naar uwen wil te schikken!quot;
De Koning zweeg, en liep peinzend met betrokken voorhoofd. heen en weder. Toen bleef hij voor Pöllnitz staan en zag hem 'met een scherpen, doorborenden blik aan.
âGij verheugt u,quot; zeide hij koel; âen denkt daarbij slechts aan uw eigen voordeel, maar het leed, dat wij den prins moeten veroorzaken, is u geheel en al onverschillig; gij denkt slechts, dat ik uwe schulden zal betalen. Ja, dat
85
zal ik doen; maar ik zal ook nooit vergeten, dat gij het vertrouwen van mijn broeder zoo schandelijk bedrogen hebt!quot;
âIk handel immers geheel en al naar de bevelen van Uwe Majesteit,quot; zeide Pöllnitz ontsteld.
âStellig doet gij dat, maar wanneer gij u er tegen vprzet hadt, zoude ik u daarom geëerd en geacht hebben. Nu betaal ik u, en veracht/u, want gij zijt een verachtelijk sujet; en daar gij alles voor geld doet, heeft ook niemand reden u dankbaar te zijn.quot;
âSire, ik begeer ook geen anderen dank dan deze,quot; zeide Pöllnitz nederig: âhadden de menschen mij voor de bewezen diensten altijd met geld, in plaats van met mooie woorden betaald, ik zou thans een Croesus zijn!quot;
âEn een bedelaar in deugden,quot; zeide de Koning glimlachend : âga maar heen! Ik had ongelijk met u verwijtingen te doen. Gij hebt uw plicht gedaan; want wanneer ik een jachthond op een edel stuk wild jaag, moet hij er op los gaan, want daarop is hij gedresseerd. Dus moet de zaak maar haar gang gaan. Ik rijd nu naar Berlijn, en wanneer mijn broeder daar aankomt, hoop ik er reeds te zijn. Ga nu heen, mijnheer de opper-ceremoniemeester, en breng den prins een verlof van drie dagen.quot;
HL
DE EERSTE TELEURSTELLING.
Eenige uren later reed het rijtuig van prins Hendrik hot voorplein te Monbyou op, en liet de prins zich bij zijne moeder, de Koningin-weduwe, aanmelden, om haar zijne opwachting te maken.
Sophie Dorothea was inderdaad zeer lijdend; de jicht, die met de langzaamheid van eene slak, maar daarom des te zekerder voortkruipt, â die ziekte, welke niet in eens, maar achtereenvolgend lid voor lid doodt, â de jicht had reeds hare voeten doen afsterven, en de arme Koningin aan haar rolstoel gekluisterd. Heden had zij, door pijnen gemarteld,
86
niet eens zoo ver kunnen komen, maar haar ziekbed moeten houden. Zij kon derhalve den prins niet als Koningin, maar slechts als moeder ontvangen, zonder eenige étiquette of ceremonieel. Hare dames en volgelingen moesten dus,
â om deze bijeenkomst tusschen moeder en zoon van allen dwang te bevrijden, â de slaapkamer der Koningin verlaten, en toen prins Hendrik binnenkwam, zag hij de dames door de andere deur heengaan. De laatste maakte juist hare afscheidsbuiging, en kuste de hand, welke de zieke Koningin haar aanbood.
Deze laatste was Louise von Kleist, om wier wilde prins gekomen was, en naar wie zijn hart zoolang en zoo smartelijk verlangd had. O, hij had willen juichen van verrukking, toen hij haar daar zag, in hare betooverende en weelderige schoonheid ; hij had naar haai' toe kunnen vliegen, om hare handen met kussen te overdekken, en haar te zeggen, hoe veel hij om haar geleden had, hoe veel hij nog leed.
Maar Louise scheen hem in het geheel niet te zien, ja, zijn binnenkomen niet eens gemerkt te hebben. Zij had slechts oog en oor voor de Koningin, die haar juist met nnemende vriendelijkheid wegzond, terwijl zij haar uitnoo-digde op het kasteel te blijven, om bij de eerste oproeping terug te keeren.
âIk zal blijven en de bevelen van Uwe Majesteit afwachten,quot; zeide mevrouw von Kleist, snel heengaande, terwijl de Koningin, nu eerst den prins schijnende op te merken, hem vriendelijk groette, en uitnoodigde op eene fauteuil naast haar plaats te nemen.
De prins gehoorzaamde, maar was verstrooid en onrustig; en hoe meer de Koningin zich beijverde hem in een onschuldig en beuzelachtig gesprek te wikkelen, des te stiller en verlegener gevoelde zich de arme prins, slechts vervuld met de gedachte, dat zijne geliefde zich in de naaste zaal bevond, en hij slechts door eene enkele deur van haar ge-
- scheiden was.
Ja, Louise von Kleist was inderdaad in het kabinet dei-Koningin, dat onmiddelijk naast de zaal was. Zij was als verslagen en afgemat op den kleinen divan gezonken, de glimlach was hare lippen ontvloden, en deze anders zoo betooverende en schit terende oog§n, waren nu doortranen beneveld.
87
Louise von Kleist weende. Zij weende om den laatsten droom harer jeugd, om haver laatste hoop op geluk en deugd, oin hare treurige, donkere toekomst, en wellicht ook een weinig uil ijdelheid en gekrenkte eerzucht; want zij moest heden hare trotsche wenschen, waarnaar zij met zooveel geestkracht gestreefd had, die schitterende toekomst, die haar reeds had toegelachen, voor altijd vaarwel zeggen!
Maar het was te vergeefs zich tegen deze harde noodzakelijkheid te verzetten. De koning had haar een streng en bepaald bevel gegeven, en hij zelf was verschenen om voor de uitvoering te zorgen. Hij zat aan de overzijde achter de portiére welke naar de groote zaal leidde, en toen hij Louise zoo even verlaten, â en zich daarheen begeven had, had hij, op dien strengen en gebiedenden toon, welke geene tegenspraak duldde, gezegd: âGij zult mijne bevelen nauwgezet nakomen. Dat waarborgt mij uw woord en uw verstand. Gij weet, dat Fritz Wendel leeft, en dat ik onverbiddelijk zijn zal, wanneer gij niet doet, zooals gij mij beloofd hebt!quot;
Louise von Kleist schikte zich eerbiedig naar het bevel des Konings; zij onderwierp zich aan haar lot, maar terwijl zij dit deed, weende zij toch, en hare tranen vloeiden onophoudelijk, toen zij het oog des Konings niet langer op zich gevestigd zag.
Maar wellicht had Frederik haar toch gezien, en hare zwakheid vermoed; want de portiére werd geopend, en nu zag men het edele en strenge gelaat des Konings te voorschijn komen.
âMevrouw,'' zeide de Koning ernstig; âals de prins u met beschreide oogen ziet, zal hij het geluk, dat gij hem wilt verkondigen, niet willen gelooven.quot;
Louise glimlachte pijnlijk. âO, sire,quot; zeide zij: âhij kan immers gelooven, dat het geluk mij deze tranen ontlokt. Ik heb dikwijls gehoord, dat men ook door overmaat van geluk weenen kan,quot;
De Koning antwoordde niets, en liet de portiére weder dichtvallen.
Louise droogde hare tranen af. âIk zal niet langer weenen,quot; zeide zij: âwant ik heb mij immers aan mijn lot on-
derworpén, en ik wil het doen, terwijl ik aan mijne dochter
«
88
denk. Het is immers meer om Camilla's geluk, dan om het mijne te doen. Ik wil de achting van mijn ongelukkig kind weder verdienen.quot;
Maar nu kromp zij ineen, en drukte hare handen angstig tegen haar hart.
Zij had daar in het kabinet der Koningin stappen gehoord, welke de deur naderden. Nu bewoog zich de klink. In hetzelfde oogenblik gaf de Koning haar een wenk.
âMoed, moed!'' lluisterde zij, en als door innei'lijken angst gedreven, vloog zij van de deur weg, en plaatste zich in de nis van het laatste raam.
De deur ging open, en prins Hendrik trad binnen; zijn blik vloog snel door de zaal, en hij ontdekte aan het andere einde haar, die hij zocht.
O, Louise had het wel willen uitschreeuwen van smart toen zij den zaligen glimlach zag, waarmede hij haar begroette, en zijne vreugde haar hier alleen te vinden. Nooit had quot;hij haar zoo schoon, zoo edel en innemend toegeschenen, als op het oogenblik, dat zij hem voor eeuwig verliezen zoude.
Maar het was nu geen tijd daar aan te denken, geen lijd tot klagen en treuren.
Hij was er reeds, stond reeds naast haar, reikte haar reeds zijne beide handen, en begroette haar met woorden van de teederste liefde, van den hevigsten hartstocht.
Louise moest hare rol spelen; zij mocht niet naar haar hart luisteren, dat wegkromp onder wee en smart.
âO, prins,quot; zeide zij met een lach, die haar zelve toe-klonk als de lach der verdoemenden: âo, prins, wees voorzichtig! Wij vrouwen zijn zoo lichtgeloovig, en ik zelve zou in staat zijn uwe scherts voor waarheid op te nemen.5'
âNu, ik raad u dat te doen,''zeide Hendrik, gelukkigen argeloos: âJa inderdaad, Louise, dat raad ik u te doen; want gij weet wel, dat mijne schertsende woorden een diepen zin hebben. En nu, komaan; wij zijn alleen, en er bestaat dus geene étiquette en geene plichtpleging tusschen ons. Nu moet gij u rechtvaardigen voor een minnaar, die het ongeluk heeft jaloersch te zijn. Ja, Louise, dat is mijn zwak, en ik wil het niet ontkennen. Ik ben jaloersch! Jaloersch op alle mannen, die mij u ontnomen hebben, en die
maakten, datik niet eens uwe brieven heb kunnen ontvangen.quot;
§
80
âBrieven van mij?quot; vroeg zij verwonderd: âMaar, Koninklijke Hoogheid, waarom zoude ik u brieven geschreven hebben? Ik verbeeld mij, dat heit niet te pas komt, dat dames aan een heer brieven schrijven, zonder dat daartoe aanleiding van zijne zijde gegeven wordt. Ik heb van u sedert veertien dagen geene brieven ontvangen.quot;
âOmdat het mijn bode onmogelijk was ze u ter hand te stellen, Louise; omdat gij geheel ongenaakbaar waart, ten minste voor mij. Maar gij hadt nochtans kunnen weten, dat mijne gedachten altijd bij u waren, en dat mijn hart er naar smachtte, bericht en troost van u te ontvangen!quot;
âNeen, Vraiment, dat heb ik niet geweten,quot; zeide Louise lachend.
âDat hebt gij niet geweten?quot; vroeg Hendrik verwonderd: âNu, wat dacht gij dan?quot;
âIk dacht,quot; zeide zij achteloos: âdat prins Hendrik do vastenavondluim van zijn hart had overwonnen en vergeten.quot;
âEn toen?quot;
âToen besloot ik zijn voorbeeld te volgen, en even verstandig als hij, naar rede te luisteren. Toen hield ik tot mijne dwaze oogen, welke schreien wilden, eene lange boet-predicatie. âLuistert, zeide ik hen,quot; gij malle wezens hebt volstrekt geene reden om tranen te storten, maar gij kunt helder kijken, al ziet gij prins Hendrik niet meer. Want eigenlijk gezegd, is het een groot geluk voor u, omdat gij bijna in staat zoudt geweest zijn, mijn hart allerlei dwaze en zotte dingen voor te praten. De prins is jong, schoon en beminnelijk, en hij vindt het grappig, vrouwen op zich verliefd te maken. Hadt gij hem nog langer gezien, dan was er veel kans geweest, dat hem die grap zoude gelukt zijn, en dat de kleine, verliefde scherts, die wij met elkander gespeeld hebben, voor mij eene ernstige liefde ware geworden, en dat zoude een groot ongeluk geweest zijn. Lacht dus en kijkt vroolijk om u heen, mijne oogen; want ik ben voor eene ongelukkige liefde beschermd, en gij behoeft dus volstrekt geene tranen te storten. Ziet om u heen, en zoekt mij een anderen man, die mij wellicht zóó innig lief zal hebben, dat hij mij niet vergeten kan, en wiens liefde ik beantwoorden mag!quot; â Zie, prins, dat was
90
de kleine boetpredicatie, welke ik tot mijne oogen hield, toen zij schreien wilden.quot;
âEn heeft deze strafpredikatie geholpen?quot; vroeg de prins met bleeke, sidderende lippen: âHebben uwe oogen rond -gezien naar dien anderen man?''
âAch, uwe Hoogheid, hoe kunt gij daaraan twijfelen? Mijne oogen zijn mijne vazallen, en moeten mij wel gehoorzamen. Ja, zij zagen rond, en vonden het geluk, dat ik zocht!quot;
âWelk geluk?quot; vroeg Hendrik schijnbaar bedaard terwijl zijne hand zich krampachtig om de leuning van den stoel sloot, die naast hem stond: âWelk geluk hebben uwe oogen voor u opgespoord ?
Louise zag hem aan, en zuchtte diep. âHet geluk,quot; zeide zij, en ondanks zich zelve klonk hare stem ernstig en plechtig: âhet geluk, dat alleen eene verhevene, ernstige en oprechte liefde schenken kan, en dat ik dus verheugd, als een geschenk van God, in mijn hart heb opgenomen.quot;
Prins Hendrik lachte luid; maar zijn gelaat had daarbij eene woeste, wanhopige uitdrukking, en zijne handen omsloten nog vaster de leuning van den stoel.
âIk begrijp uwe heilige en vrome woorden niet,quot; zeide hij ruw: âwat beteekenen die? Wat wilt gij mij daarmede zeggen ?quot;
âZij beteekenen, dat ik ditmaal eene wezenlijke en ernstige liefde heb opgevat: dat ik met den man, dien ik bemin, verloofd ben!quot; zeide Louise met gemaakte blijmoedigheid. De prins uitte een ki'eet, en hief de hand omhoog, als wilde hij eene vervloeking doen nederdalen op haar, die hem zoo pijnlijk gewond had.
âWanneer dit zoo is,quot; zeide hij met eene gesmoorde, doffe stem; âja, wanneer dit het geval is, dan veracht ik u. Dan haat ik u; dan hebben zij gelijk, die u eene wreedaardige coquette, eene lichtzinnige boeleerster noemen!quot;
âO, prins, gij beleedigt mij!quot; riep mevrouw von Kleist vertoornd uit.
âBeleedig ik u?quot; antwoordde hij met een woesten lach: âInderdaad, ik geloof, dat die vrouw^og den moed heeft mij verwijtingen te doen! Aan mij, die in haar geloofde, die haar tegen alle lasteringen verdedigde; aan my, die den moed had, haar te beminnen en te vertrouwen, toen allen
91
haar wantrouwden, toen allen haar belasterden. Ja, mevrouw, ik heb u bemind; ik had den vermeteien moed, in u eene godin te zien, waar anderen slechts eene coquette zagen. O, ik vereerde u, ter wille dier lasteringen; ik aanbad u, als het onschuldige oirer der menschelijke boosheid, die mij van een engel zeggen durfde, dat het eene gevallene was. Ik zag op uw hoofd eene martelaarski'oon, en ik wilde haar u doen verruilen voor de mirtekroon van het geluk! En dit alles was te vergeefs; dit alles verandert nu voor mij in een spottend gelach, dat ik wel over mij zeiven en mijn dwaas, kinderachtig geloof moet aanheffen; dit alles was slechts ijdel stof en nevel, en het afgodsbeeld wordt nu voor mij tot een caricatuur mismaakt. Maar dat is om waanzinnig te worden, om van toorn en schaamte te stikken!quot;
En geheel buiten zich zei ven, geheel aan het geweld zijner hartstochten overgegeven, liep de prins met snelle schreden heen en weder, naar lucht snakkende, en worstelende om zijne bedaardheid te herkrijgen, en nu en dan weder woorden van wanhoop en toorn uitende.
Zwijgend en in stille berusting wachtte Louise von Kleist het einde van doze pijnlijke en onstuimige crisis af. Alleen vroeg zij zich zelve af, of dit uur niet eén toereikend zoen-offer was voor al hare afdwalingen en dwaasheden; of zij door de kwellingen, die zij nu verduurde, niet haar geheel verleden uitgewischt en verzoend had.
De prins liep nog steeds driftig heen en weder. Eensklaps echter bleef hij, als door een nieuw denkbeeld getroffen, midden in de zaal staan, en zag met een vreemd veranderd gelaat naar die vrouw, die een oogenblik hare rol vergeten had, en bleek en ter nedergeslagen, met een droevig gelaat daar ginds tegen het venster leunde.
Wellicht had hij hare pijnlijke zuchten gehoord, wellicht de tranen gezien, die langzaam en stil aan hare neergeslagen oogen ontvloeiden, en als paarlen op hare hand ne-dervielen.
Do toorn verdween van zijn gelaat, zijn voorhoofd weid weder helder, en toen hij nu Louise weder naderde, schitterden zijne blikken van een geheel anderen, zachteren gloed.
âLouise,quot; zeide hij zacht, en zijne stem, die straks zoo ruw had geklonken, was nu weder zacht en smeekend; '
92
âLouise, vergeef mij, heü medelijden met mij; want gij ziet het immers, nu weet ik alles. Ik heb uwe woorden slechts verkeerd uitgelegd; ik heb in de dwaasheid mijner ijverzucht de dubbelzinnigheid uwer woorden niet begrepen, en gij hebt mij immers slechts willen beproeven en zien, of mijne liefde wel innig en sterk, of zij inderdaad zoo moedig en vol geloof was, als ik u dikwijls verzekerde. Welaan, ik heb de proef slecht doorstaan; ik was bevreesd en zwak! Maar, vergeef mij; want, zoo ik dwaalde, dan geschiedde dit immers in den angst mijner liefde. Vergeef mij dus, Louise, en versterk mijn hart met geloof en vertrouwen!quot;
Hij wilde hare hand vatten, maar Louise onttrok ze hem.
âNu, Uwe Hoogheid, is het mijne beurt te zeggen, wat gij straks tot mij zeidet; Ik begrijp u niet! Wat wilt gij mij daarmede zeggen ?quot;
âO, ziedaar,quot; riep Hendrik glimlachend: âdat is weder geheel mijne spotzieke, ondeugende Louise, die mij 'mei mijne eigene woorden vangt. Welnu, ik zal u verklaren, wat gij' niet begrijpt; en dan zult gij den ongeloovigen zondaar vergiffenis schenken. Hebt gij niet gezegd, dat gij ditmaal zulk eene-ernstige liefde hadt opgevat, dat gij met den man, dien gij bemint, verloofd zijt?quot;
âJa, dat heb ik gezegd, Uwe Hoogheid.quot;
âEn ik,quot; riep de prins, bare handen vattende en haar met gloeiende blikken aanziende; âik was kortzichtig en ondankbaar genoeg om deze woorden niet te begrijpen. De vele hatelijkheden en onaangenaamheden, die ik, van u verwijderd, verduren moest, hadden mijn gezicht beneveld, zoodat ik niet lezen kon, wat toch met gulden letteren in uwen zoeten glimlach en uwe schitterende blikken leesbaar was. O, Louise, heb dank voor* uwe heerlijke woorden, waarmede gij eindelijk mijne reeds zoo menigmaal tot uw hart gerichte vraag beantwoordt. Eindelijk zult gij u dan voor overwonnen verklaren; eindelijk zult gij er dan toe besluiten de gade van een man te worden, die u bemint, en dien gij door uwe liefde beloonen wilt. Ik dank u, Louise, ik dank u; en ik zweer u, dat geen troon ter wereld mij ooit zoo trolsch en gelukkig zoude kunnen maken, dan de verzekering uwer liefde het mij heden deed!quot;
Met een uitdrukking van diepe ontroering zag Louise hem
93
in liet schoon, glimlachend gelaat. âAch, prins,quot; zeide zij: âmijne woorden hadden niet de beteekenis, die gij er aan geeft. Ik heb eenvoudig de waarheid gezegd. Mijn hart heeft gekozen, en sedert gisteren ben ik met den man, dien ik bemin, verloofd ; dat wil zeggen; dat ik sedert gisteren de bruid ben . . . van kapitein du Troussel!quot;
âDat is onwaar!quot; riep de prins uit, hare handen driftig van zich afstootende: âLouise, gij zijt heden zeer wreed, en gij martelt mij met uwe vreeselijke scherts.quot;
⢠âNeen, Koninklijke Hoogheid, ik spreek in ernst. Sedert gisteren ben ik de bruid van kapitein du Troussel!quot;
âSedert gisteren ben ik de bruid van kapitein du Troussel,quot; herhaalde de prins, terwijl hij haar met ontstelde blikken, en bevende lippen aanstaarde: âEn gij zegt, dat gij hem bemint?quot;
âJa, Koninklijke Hoogheid, ik zeg, dat ik hem bemin!quot; zeide Louise von Kleist met een pijnlijk glimlachje.
âDat is onmogelijk!quot; riep de prins buiten zich zeiven; âDat is eene onwaarheid!quot;
âEn waarom zoude ik Uwe Koninklijke Hoogheid misleiden?quot;
âWaarom? â Maar nu begrijp ik alles! O, Louise, arme, dierbare Louise. Hoe kortzichtig was ik, om dat niet dadelijk te begrijpen; niet te bedenken, dat mijn broeder, die overal zijne spionnen heeft, die al mijn schreden laat bespieden en bewaken, eindelijk ook mijne liefde voor u ontdekt heeft. Pöllnitz, die voor geld alles doet, â Pöllnitz heeft ons verraden, en de Koning, die mij volstrekt volgens mijn rang wil uithuwelijken, stond er op, dat gij u verloven moest, om mii vrij te laten. Gij zijt het oll'er der ongelukkige huispolitiek van mijn broeder geworden; gij moest u voor zijn onverzettelijken wil buigen, even als wij, zijne broeders en zusters het doen moeten. O, Louise, zeg, dat het zoo is; beken, dat het niet uw wankelbaar hart, â maar het bevel des Konings was, dat u tot deze verloving noopte. Want het is immers-niet mogelijk, het kan niet waar zijn, dat gij de eeden reeds vergeten zoudt hebben, die wij nauwelijks eenige weken geleden wisselden; het is onmogelijk, dat gij, die ik zoo diep, zoo heilig en rein beminde, mijn hart slechts als een nutteloos stuk speelgoed beschouwd zoudt hebben, dat men ter zijde werpt, wanneer men de
94
scherts moede is. Neen, neen, Louise, ik heb het dikwijls genoeg in uwe schitterende oogen, in de zoete huivering die u doortrilde, in al die geheimzinnige, heilige en niet te beschrijven kenteekenen gezien, dat gij mij bemindet; en nu zie ik het aan uwe bleekheid, aan uwe droevige blikken, dat gij mij nóg bemint, en dat men ons wil scheiden. O, mijn arm, lief kind, gij hebt u dus bevreesd laten maken; gij hebt dus aan het sprookje van de almacht eens Konings geloof gehecht! Gij veronderstelt, dat mijn broeder, die over millioenen menschen heerscht, nimmer op zijn pad tegenstand mag vinden, en dat het dus te vergeefs is hem te weerstaan. Maar gij dwaalt, Louise; gij hebt vergeten, dat ik zijn broeder ben, dat ik trotsch en onbuigzaam ben, en het bloed der Ilohenzollern ook in mijne aderen vloeit; dat ik een niet minder krachtigen wil, een niet minder onbe-dwingbaren trots bezit. O, laat mijn broeder het maar beproeven, mij te bedwingen. Ik zal geen machteloos werktuig in zijne handen zijn; met de veerkracht \an een springveer zal ik mij telkens weder verhellen, en steeds mij zeiven gelijk blijven. Daaraan hebt gij niet gedacht, Louise, toen gij u aan dit tyranniek bevel onderworpen hebt. Gij hadt niet het rechte vertrouwen in uwen geliefde; gij wist niet, dat hij bereid was, om uwentwil, met zijne geheele familie te breken; gij wist niet, dat hij bij zich zeiven gezworen had, de vrouw, die hij beminde, te huwen, en dat hij dit nu nog doen zal, â neen, doen moet, om aan zijn hart en eer voldoening te geven, en den Koning te bewijzen, dat ook prins Hendrik een vrij man een zelfstandig wezen is, even als hij zelf, en ten spijt des Konings. Nu, zeg mij Louise, of ik alles juist gei'aden heb, of ik liet plan van den Koning niet doorzien heb? Of het geen waarheid is, dat hij u tot die verloving noodzaken wilde, om u van mij te scheiden?âO, gij antwoordt niet, gij zwijgt'? Ik begrijp het! Zonder twijfel heeft de Koning een eed van u gevorderd, om geen woord van dit alles te verraden. Welnu, zeg dan niets; geef mij slechts een teeken met uwe hand, geef mij slechts een wenk met de oogen, en ik zal u verstaan. En dan zal ik u in mijne armen nemen, en u naar het huwelijks-altaar dragen, waar gij met mij, â versla mij wel,'Louise,â met
95
mij in het huwelijk zult treden! Mijn God, Louise, ziet gij dan niet, dat ik op dat teeken wacht, dat ik doodsangst uitsta?quot;
Louise beurde het hoofd op. Haar hart was overwonnen. Zij had alles vergeten, alles; zij voelde zich bereid den Koning, de geheele wereld weerstand te bieden, en deze schoone en verhevene liefde, die de prins haar aanbood, aan te nemenquot; Maar toen zij nu de oogen opsloeg, viel haar blik evenwel onwillekeurig op de gordijn, waarachter zich de Koning bevond. Zij meende te zien, dat de gordijn, zich bewoog; het was, alsof zij de vurige, toornige blikken van den Koning, dreigend op haar gericht zag. Zij dacht aan hare dochter, aan Fritz Wendel, aan het spottend gelach der wereld! â Zij was overwonnen en veroordeeld.
âGij zwijgt nog altijd?quot; vroeg de prins: âGij antwoordt mij door geen blik of teeken?quot;
Al hare krachten inspannende, herstelde Louise zich. Alleen had zij eene gewaarwording, alsof een ijzeren vuist haar borst samenperste en het hart verscheurde.
âIk ben inderdaad verlegen, wat ik moet antwoorden,quot; zeide zij op een luchtigen toon, die haar zelf deed huiverén ; âhet behaagt Uwe koninklijke Hoogheid eene vroolijke scherts in diepen ernst te willen veranderen en dan moet ik mij zelve als eeue erge zondares en misdadigster voorkomen. En tóch ben ik onschuldig, prins, en waarlijk, f/ij zijt hel ook. Want ziet gij, gij denkt er immers niet aan, deze kleine liefdegril als zulk een hevigen hartstocht te willen beschouwen. Maar gij hebt u zoo opgewonden, evenals men een droom dikwijls voor waarheid houdt, en schaduwbeelden voor de werkelijkheid aanneemt. Want eigenlijk hebben wij beiden tot nu toe de liefde toch slechts als schaduwbeelden aan den wand behandeld, en toen gij duszweegt, toen ik in veertien dagen niet het minste bericht van u ontving, toen geloofde ik eenvoudig, dat het u niet meer behaagde, de lamp van onzen scherts van olie en licht te voorzien, en datgijgeene schaduwbeelden der liefde meer aan den wand wildet laten verschijnen, maar dat gij in de werkelijkheid rondzaagt, en ten gunste der wezenlijkheid van uwe droomen afstand deedt. Dit geloofde ik, en vond het zeer natuurlijk, en deed er u geen verwijt over, evenmin als het mij smartte. Alleen vond ik, dat niets vervelender was.
96
dan met een werkeloos, ledig hart alleen te zijn; met een hart, dat volstrekt niets zegt. Ik zocht dus een metgezel en deelgenoot voor mijn hart, en vond hem spoedig, behalve dat ik, in plaats van een deelgenoot, een meester vond, en dat ik ditmaal mij aan de liefde onderwierp, in plaats er, mede te spelen, Toen dus de heer du Troussel zeer ernstig aanzoek deed om mijne hand, had ik niet den moed, âneenquot; te zeggen: want men is ongaarne wreed jegens zich zeiven, en wanneer men het geluk deelachtig kan worden, doet men het. â Dit, Koninklijke Hoogheid, is dus mijne geheele misdaad, dat ik niet wreed omtrent mij zelve was, maar het geluk, toen het zich aan mij voordeed, aannam. Men heeft mij lang genoeg eene veranderlijke coquette genoemd. Het is dus wel tijd, dat ik mij huwen laat en aan de wereld bewijs, dat de liefde mij in eene eerbare vrouw kan doen veranderen. Zal Uwe Koninklijke Hoogheid mij deswege laken?quot;
Ademloos en met gespannen aandacht had de prins naar hare woorden geluisterd, en van lieverlede namen zijne gelaatstrekken eene andere uitdrukking aan; van lieverlede was de kleur van zijne wangen, en de heldere glans uit zijne oogen verdwenen. Wel zweefde nog een glimlachje op zijne vast opeengesloten lippen, maar het was een koud, verachtelijk glimlachje; wél schitterden zijne oogen nog vol vuur, maar het was van gloeienden toorn, van onuitsprekelijke verachting. Eene vreeselijke, ontzettende verandering had in zijn binnenste plaats gehad; het afgodsbeeld was van zijn altaar ter aarde gestort en lag verbrijzeld aan zijne voeten; de aangebeden heilige was in eene gemeene boeleerster veranderd. Hij zoude zich zeiven veracht hebben, indien deze verandering hem nu nog slechts een traan, een zucht gekost had. Hij zoude het zich zeiven nimmer vergeven hebben, indien hij haar, die hij nu haatte en verachtte, de smarten had laten vermoeden, die zijne ziel verscheurden.
âNeen, mevrouw,quot; zeide hij daarop volkomen bedaard en met die trotsche onverschilligheid, voor welke slechts Vorsten den juisten toon en de juiste gebaren weten te treffen; âneen, mevrouw, ik denk er zelfs niet aan u te laken. Ik vind veeleer, dat gij volkomen gelijk hebt, en wensch u van harte geluk met uwe verloving. Kapitein du Troussel
97
zal een zeer gelukkig man zijn, want hij zal de schoonste, bevalligste en geestigste vrouw ter wereld bezitten. Wanneer zal uw huwelijk plaats hebben?quot;
Mevrouw von Kleist was buiten staat te antwoorden. Zij staarde met onverholen ontsteltenis op dit koude, strakke gelaat, dat plotseling zoo veranderd was; zij luisterde met een soort van afgrijzen naar deze stem, wier weeke, zachte tonen op eens zoo hard als steen klonken.
De prins herhaalde zijne vraag, en zijn stem klonk nóg ruwer, nóg gebiedender.
âIk weet het inderdaad niet,quot; zeide Louise, van schrik ineenkrimpend : âwij zullen daarvoor eerst de toestemming des Konings moeten afwachten.quot;
âEn ik zal zorgen, dat u die niet geweigerd wordt,quot; zeide de prins bedaard: âik zelf zal bij den Koning uw verzoek ondersteunen. En nu, mevrouw, moet gij mij vergeven, wanneer ik u verlaat. Mijne complimenten aan mijnheer uw verloofde! Ik zal hem mij morgen bij de parade laten presenteören. Vaarwel mevrouw!''
Hij maakte een lichte buiging, en zonder haar zelfs een enkelen blik waardig te»keuren, keerde hij zich om én verliet met fiere houding de zaal.
Louise zag hem met wijd opgesperde oogen, met een pijnlijk, vertrokken gelaat na. Maar dat zag hij niet; geen enkelen keer wendde hij zich om. Hij zag niet, hoe zij, nu de deur achter hem gesloten was, als door den bliksem verpletterd, nederzonk en hare handen ten hemel hief, als wilde zij dien om genade en bescherming aanroepen.
Maar zelfs dat uitstorten barer klachten, die uitbarsting van wanhoop zou haar slechts een oogenblik gegund worden.
De portiere aan de overzijde werd teruggeslagen en de Koning trad binnen. Zijn gelaat was bleek, en in zijne oogen lag een vochtige glans, maar zij droegen eene uitdrukking van toorn, toan zij op de op den vloer liggende vrouw vielen. Zij was voor hem niets dan eene gevoellooze coquette, en hij was vertoornd op haar, wegens de smarten, welke zijn broeder nu om harentwil leed, en voor wien hij het diepste medelijden en de innigste deelneming gevoeld had.
Toen hij haar naderde, stond zij langzaam op en maakte eene diepe, cereinoniëele buiging.
Mühlbaoh, Frederik de Groote en sijn Hof. V. 7
98
âGij hebt veel goed te maken, mevrouw,quot; 'zeide de Koning ernstig: âwant ik zie wel, gij hebt met mijn broeder een wreed spel gespeeld, en hem er toe gebracht, dat hij u werkelijk beminde.''
âIk denk, sire, dat ik dit nu duur geboet heb,quot; zeide Louise afgemat: âde prins bemint mij niet meer, hij ver-ftcht mij. De wil van Uwe Majesteit is dus geschied. En nu mag ik wel om de genade verzoeken, mij te mogen verwijderen ?quot;
âGa, mevrouw,quot; zeide de Koning: âgij hebt heden uw plicht jegens mij gedaan, ik zal daarom den mijnen jegens u doen. Ik zal niet vergeten, wat ik u beloofd heb. Zie dat gij spoedig mevrouw du Troussel wordt, dan zullen wij alles, wat mevrouw von Kleist betreft, geheel en al vergeten!quot;
Hij groette haar met eene lichte handbeweging en volgde haar met zijne oogen, totdat zij in de deur, welke naar de vertrekken der hofdames leidde, verdwenen was.
In dit oogenblik hoorde men in de voorzaal, waarheen de prins gegaan was, een doffen val. Onmiddelijk daarop ging de deur open, en de heer von Pöllnitz vloog met een bleek, verschrikt gelaat naar binnen.
âWat is daar binnen gebeurd, Pöllnitz?quot; vroeg de Koning haastig.
âO, sire, de arme prins Hendrik is in onmacht gevallen!quot;
De Koning kromp ineen van schrik, en deed drifüg eenige stappen naar de deur. Toen bleef hij plotseling staan, en zijne trekken namen weder eene kalme uitdrukking aan.
âHij zal bijkomen,quot; zeide hij: âj* hij zal wel bijkomen, want hij is een man ! Vroeger is mij ditzelfde herhaaldelijk door leed overkomen, en ik ben óók bijgekomen!quot;
90
X.
DE OVERWONNENE.
De tijd, die op deze eerste teleurstelling volgde, war. voor prins Hendrik zeer smartetijk. Dij bracht zijne dagen in eenzaamheid door en duldde in zijne omgeving geen vroolijk gelach, ja zelfs geen opgeruimd woord. Zijne bedienden beschouwden hem met bezorgde blikken, entoen hij op den dag na de vreeselijke ontdekking, die, zooals hij meende, het geluk zijns levens had verwoest, op de parade verscheen, vond de Koning hem zóó bleek en lijdend, dat hij hem verzocht een verlof van aclit dagen aan te nemen, om zich van den onderganen schok te herstellen.
De prins glimlachte pijnlijk wegens dit voorstel van den Koning, maar hij nam het verlof aan, en leefde afgezonderd en stil in zijne vertrekken.
Hij gevoelde zijn hart doodelijk gewond en afgemat; zijne ziel, die door de wereld den eersten dolksteek ontving, worstelde met hare smart, en voelde als het ware haar bloed uit de ontvangen wonde wegvloeien.
Maar dit duurde slechts eenige dagen; toen legde de jeugd haar verzachtenden balsem op de gapende wonde, en genas haar; toen droogden trots en verachting de tranen in zijne oogen, en brachten de jammerklachten van zijn hart tot zwijgen; toen fluisterde de wraak hem verleidelijke woorden van vergelding en beschaming toe, en deed zijne mannelijke fierheid en hoogmoed ontwaken.
De Koning had gelijk, toen hij van zijn broeder zeide: âhij zal zich herstellen, want hij is een man.quot;
Hij herstelde zich inderdaad ; en deze dagen van nadenken, strijd en peinzen, hadden hem tot een man gevormd; zij hadden op zijn vroeger zoo onbewolkt en jeugdig voorhoofd de eerste heilige kenmerken van het hartzeer ge-grifd; zij hadden de lijnen van zijn gelaat duidelijker, â de uitdrukking van zijne trekken scherper en meer bepaald
100
doen uitkomen. â Hij had zijne eerste teleurstelling ondervonden, en het was eene bittere en pijnlijke geweest; maar zij had hem gehard en versterkt, â zij had hem tot een man gemaakt.
De acht dagen van het verlof waren nog niet verstreken, toen de prins zijne deur weder voor den kring zijner vertrouwelingen opende.
De eerste, dien hij intusschen noodigde, was de heer opper-ceremoniemeester, baron von Pöllnitz, die zich haasl-te, aan de ontvangene uitnoodiging gevolg te geven. Prins Hendrik ging hem met een vroolijk gelaat en een opge-ruimden welkomstgroet te gemoet. âWeet gij,quot; vroeg hij; âwaarom ik u liet roepen ? Gij moet mij eens wat van de chronique scandaleuse van onze hoogst eerzame en deugdzame residentie verhalen. Begin dus maar onmiddelijk. Wat is het nieuwste on dit van den dag?''
âAch, Koninklijke Hoogheid, het is een vervelend en eentonig leven!quot; zuchtte Pöllnitz: âMen wordt inderdaad, zooais gij gelieft te zeggen, buitengewoon eerzaam en deugdzaam. Geen enkel schitterènd schandaal, geen pikant avontuur heeft meer plaats. Alles wordt vervelend en zoetsappig deugdzaam. Kinderdoop, bruiloften, begrafenissen; dat is het eenige wat er nog voorvalt: de priesters vinden er hunne rekening bij, maar de geest sluimert in, en in plaats van te praten, geeuwt men nu in gezelschappen. Het is waarlijk een ellendig leven, want daar iknie},laat doopen, en uit verveling nog niet gestorven ben, weet ik inderdaad niet meer, waarom ik eigenlijk leef!quot;
âMaar zij, die huwen en laten doopen,quot; zeide de prins glimlachend; âweten ongetwijfeld, waarom zij leven. Verhaal er mij dus wat van. Wat is bij voorbeeld het jongst voltrokken huwelijk?
âHet jongst voltrokken huwelijk?quot; vroeg Pöllnitz aarzelend: âOm dit te beantwoorden, moet ik de vrijheid nemen, Uwe Koninklijke Hoogheid vooraf naar den gezondheidstoestand van uw hart te vragen. Lijdt het nog aan kramptrekkingen, heeft het nog aanvallen van koorts, gloeit het nog?quot;
âNeen,quot; riep de prins: âhet gloeit niet meer; men heeft het een geducht stortbad van koud water toegediend, en dit heeft het voor altijd van zijne koortshitte genezen.quot;
101
âliet verheugt mij dit te hooren, Koninklijke Hoogheid. Mijn hartelijke gelukwensch met uwe Ijerstelling; want vraiment, er is geeno ergere ziekte, dan een koortsig, gloeiend hart. Die het geluk, de vrouwen en de liefde voor altijd aan zich verbinden wil, moet vóór alles een ijskoud hart hebben, en het weten te bewaren.quot;
âGij gelooft dus, dat men met een koel hart kan beminnen?quot;
âMen kan zich daarmede doen beminnen, Hoogheid, en dit is altijd een veel grooter geluk, dan zelf te beminnen. Die een koel hart bezit, vermag alleen de vrouwen te overwinnen, en zich door allen te doen beminnen,quot;
âDat is inderdaad eene treurige levenswijsheid,quot; hernam de prins peinzend: âen ik geloof, dat men eerst uit zeer smartelijke wonden moet gebloed hebben, eer men daartoe geraakt. Maar laten wij daarvan afstappen. Ik zeideu,dat ik hersteld ben, â verhaal mij dus onbeschroomd, wat gij weet! Gij hebt van een huwelijk gesproken. Wie is in het huwelijk getreden?quot;
âKoninklijke Hoogheid,quot; fluisterde Pöllnitz met neergeslagen oogen; âmevrouw von Kleist is gehuwd.quot;
De prins stond den schok onbeweeglijk, zonder do minste aandoening te verraden door.
âWanneer had de huwelijksplechtigheid plaats?quot; vroeg hij met de meeste bedaardheid.
âGisteren, prins, en ik verzeker uwe Koninklijke Hoogheid, dat ik nimmer eene gelukkiger, schitterender bruid zag, dan deze. De liefde schijnt haar waarlijk weder tot eene blozende, beschroomde maagd verheerlijkt te hebben, of zij wist zich ten minste meesterlijk als zoodanig voor te doen.quot;
Met eene snelle, onwillekeurige beweging drukte prins Hendrik de hand op het hart. Mogelijk ontwaardde hij, dat het nog niet zoo volkomen verkoelden zonder koorts was, als hij zich beroemd had; of dat het nog te gevoelig was, om door ruwe, meedoogenlooze handen aangeraakt te worden. â Maar tóch wilde hij geen mededoogen met zich zei ven gevoelen, en dit ook niet van anderen diilden.
âIk kan mij voorstellen, dat zij schoon was,quot; zeide hij, met groote inspanning zijne stem zóódanig beheerschende, dat zij niet trilde; âMevrouw von Kleist is gelukkig, en het geluk verhoogt de schoonheid. En de bruidegom, mijnheer du
102
Troussei? Was hij óók zoo gelukkig en óók zoo schoon?quot;
,,0, Uwe Koninklijke Hoogheid kent den naam van den bruidegom?quot; vroeg Pöllnitz schijnbaar verwonderd.
âVerwondert u dat? Mevrouw von Kieist deelde het mij zelve mede, toen zij mij hare verloving bekend maakte. Maar ik ken haar uitverkorene niet! Is hij schoon?quot;
âSchoon en beminnenswaardig, Koninklijke Hoogheid. Buitendien een zeer goed officier,; wat hieruit blijkt, dat de Koning aan den heer du Troussel tot huwelijksgeschenk diens bevordering tot majoor zond.quot;
âAldus is de schoone Louise von Kieist nu de vrouw van den majoor du Troussel!quot; zeide de prins met een fiauw glimlachje: âWaart gij bij de huwelijksvoltrekking tegenwoordig?quot;
âJa, Koninklijke Hoogheid, uit naam des Konings.quot;
âEn sprak zij het beslissende ja, â dien eed van trouw en standvastigheid â met de noodige hartelijkheid en vol vertrouwen uit? Bloosde zij niet, en sloeg zij de oogen niet ter aarde?quot;
âVolstrekt niet, prins; zij glimlachte als in vervoering, en hief den blik ten hemel, alsof zij God bad, den eed van hare trouw te zegenen,quot;
âEn God zal dat wel moeten doen,quot; zeide de prins barsch, terwijl hij langzaam en peinzend eenige malen heen en weder liep.
âNu nog iets,quot; zeide hij, zijne groote, sprekende oogen uitvorschend op Pöllnitz vestigende: âwat wordt er van mD' gezegd? Hoe verklaart men dit huwelijk ten mijnen opzichte? Houdt men mij voor een afgewezen, â of voor een trou-weloozen minnaar? Beoordeelt men het als een huwelijk uit dépit of uit malice1? Want geheel Berlijn was toch ongetwijfeld met mijne liefdesbetrekking tot deze vrouw bekend, daar gij onze vertrouwde waart.quot;
âO, prins, dat is een hard en wreed woord,quot; zeide Pöllnitz treurig: âUwe Koninklijke Hoogheid kan immers niet in ernst gelooven, dat âquot;
âGeene betuigingen, verzoek ik u!quot; zoo viel hem de prins in de rede: âIk heb dezer dagen veel nagedacht, en veel leeren begrijpen en doorzien, wat mij vroeger onverstaanbaar en duister was. Ik geloof ook u en uw hart een weinig te hebben leeren kennen, of liever de enge plaats
103
in uwe borst, waar bij andere menschen het hart zit. Ik ben evenwel niet boos op u, en doe u geene verwijten. Ciij voldoet volkomen aan de vereischten van uwe betrekking. Gij zijt een hoveling, en bovendien een van de beste en zeldzaamste soort, want gij bezit verstand en kennis, veel ondervinding en savoir vivre. Ik zoude niet weten, wien ik liever in mijn gezelschap zag,, maar men moet niet van u eischen, dat gij ook een mensch zoudt zijn. Die met dat doel uw omgang zoekt, moet zich zei ven de gevolgen daarvan wijten. Intusschen verzoek ik u slechts een oogen-blik geen hoveling te zijn, maar mij geheel openhartig en naar waarheid â luister goed Pöllnitz! â naar waarheid te zeggen, wat de wereld over mij denkt, en hoe zij, met betrekking tot dat huwelijk, van mij spreekt?quot;
âUwe Koninklijke Hoogheid beveelt, dat ik de waarheid zal zeggen?quot;
,,Als gij dat liever hoort, welnu : ik beveel het u.quot;
âNu is het beslissende oogenblik gekomen,quot; dacht Pöllnitz juichend: âals ik nu maar de juiste woorden en uitdrukkingen kan vinden, denk ik wel, dat wij ons doel bereiken zullen, en dat ik mijne vermeerdering van tractement en de betaling mijner schulden verdienen zal.quot; â En hij antwoordde : âWelaan dan Koninklijke Hoogheid, ik zal u de waarheid zeggen, zelfs met gevaar van u te mishagen. Gij wilt weten, wat de wereld van u zegt, met betrekking tot het huwelijk van mevrouw von Kleist? Ik vrees, Prins, dat men u voor een afgewezen minnaar houdt, en dat de slimme mevrouw von Kleist er in geslaagd is, haar schoon voorhoofd met den stralenkrans eener heilige te omgeven; want men voegt er bij, dat zij uwe dubbelzinnige aanbiedingen had afgewezen, om in plaats van de maitresse eens Vorsten, liever de deugdzame echtgenoote van den majoor te worden.quot;
âVerder, verder!quot; beval de prins, toen Pöllnitz nu zweeg en hem vorschend aanzag; âWat zegt men van mij?quot;
âMen zegt, dat uwe Koninklijke Hoogheid wanhopig was over de deugdzame onverbiddelijkheid van uwe schoone, en dat gij u daarom, door teleurstelling en verdriet gefolterd, in uwe vertrekken als een kluizenaar had opgesloten, om te wee-nen en te klagen, en om uw verlorene minnares te betreuren.quot;
404
âZoo?quot; zcidc de prins, met van toorn fonkelendeoogen en gefronst voorhoofd : ânu, ik zal die lichlgeloovige, praatzieke wereld bewijzen, dat zij zich vergist heeft. Zij zoude haast in staat zijn, dit malle praatje ook nog aan mevrouw von Kleist, â ik meen, aan de vrouw van den majoor du Troussel, over te brengen.quot;
âKoninklijke Hoogheid, ik vrees, dat men dat reeds gedaan heeft; want mevrouw du Troussel liet mij gisteren roepen, om naar uw welstand te vernemen; ikzeidehaar, dat Uwe Koninklijke Hoogheid zich in de diepste eenzaamheid en treurigheid in uwe vertrekken terughield.quot;
âOch, waarom zeidet gij/lat?quot; riep Hendrik opstuivend, en driftig op den grond stampend.
, Omdat het de waarheid is, en omdat geheel Potsdam en Berlijn het bovendien reeds weten.quot;
âEn wat antwoordde zij op deze vertrouwelijke mede-deeling?quot;
Zij zuchtte diep. âArme, ongelukkige prins,quot; zeide zij: âik beklaag hem diep, en heb medelijden met zijne liefde, welke ik niet verhooren mocht, noch verhooren kon ; want daar mijn hart niet voor hem sprak, kon ik mijne deugd en mijne eer niet overwinnen.quot;
âO, die eerbare, deugdzame vrouw!quot; riep de prins op spottenden toon: âNu, ik zal haar bewijzen, dat ik haar medelijden niet behoef, en dat zij zich gerust voor haar eigen man kan sparen â Is de Koning te Sanssouci?quot;
âJa Koninklijke Hoogheid.quot;
âGa dan dadelijk heen en meld mij bij hem aan. Ik volg u op den voet!quot;
âGezegevierd, sire, wij hebben gezegevierd!quot; juichte Pöllnitz, toen hij bij den Koning binnentrad: âDe prins verzoekt Uwe Majesteit zijne opwachting te mogen maken en zal dadelijk hier zijn.quot;
âEn weet gij wat mijn broeder van mij hebben wil?quot; vroeg de Koning.
âIk weet het niet, maar ik vermoed het, sire. Hijquot; zal uit dépit tegen zijne trouwelooze geliefde, willen trouwen. O, sire, ik hoor zijn rijtuig reeds aankomen.
âGa dan om den prins te ontvangen en hem hierheen te geleiden. Dan blijft gij in de voorzaal, tot ik u roep.quot;
Toen Pöllnitz vertrokken was, nam de Koning haastig
105
zijn Unit van zijne schrijftafel, en begon, het vertrek op en nedergaande, een van die zachte, smeltende adagio's te spelen, waarin hij vooral een meester was.
Hij speelde nog, toen de deur werd geopend en Pöllnitz den prins aanmeldde; hij hield niet op, toen zijn broeder binnentrad, en in militaire houding aan de deur staande, de vereischte buiging voor den Koning maakte.
Terwijl hij heen en weder ging, speelde de Koning steeds door. Zacht en klagend zweefden de smeltende tonen dooide stille ruimte; als de groet van een geest trolfen zij het hart van den prins, en deden zijne opgewekte gejaagdheid bedaren.
Was dit de bedoeling des Konings, of wilde hij zich zeiven eerst rustig en harmonisch stemmen, vóór hij tot zijn broeder sprak? Wellicht wilde hij beide; want óók de blik des Konings werd zachtmoedig, en zijne trekken namen een goedige en vriendelijke uitdrukking aan.
Toen het adagio ten einde was, legde de Koning zijne tluit neder, en naderde den prins.
âVergeef mij, broeder,quot; zeide hij, hem vriendelijk de hand toestekende; âvergeef mij, dat ik u heb laten wachten. Ik houd er niet van een begonnen werk half geëindigd te laten liggen; ik moet alles wat ik onderneem, geheel afwerken, en kan niet halverwege blijven staan. Had ik mijn adagio niet uitgespeeld, het zou mij in de keel zijn blijven zitten, en mijne andere gedachten waren er onder verstikt. Ik ben nu volkomen tot uw dienst, broeder; en daar ik van u niet gewoon ben vrien-schappelijke en doellooze bezoeken te ontvangen, moet ik ii wel vragen, wat u tot mij brengt en waarmede ik u dienen kan?quot;
Maar het driftige en opvliegende karakter van den prins was door de zachte tonen der tluit slechts even ingesluimerd. Nu ontwaakte het weder, en deed zijn hart weder sneller kloppen.
âGij vraagt, waarmede gij mij kunt dienen, broeder?quot; vroeg hij haastig en met gesmoorde stem : âWelnu, ik zal het u zeggen: Met waarheid sire!quot;
De Koning richtte zijn hoofd fier omhoog, en wierp een doordringenden blik op het gloeiend gelaat van den prins.
âIk ben niet gewoon de waarheid te verbergen.quot; zeide
106
hij: âelk vindt die bij mij tot zijne eigene beschaming.quot;
âWelnu, wees dan zoo goed, broeder, mij te zeggen, waarom gij mij zoo lang en zoo hardnekkig met uwen toorn vervolgd hebt'? Wat heb ik gedaan, om mij zoo zeer uw ongenoegen en al die vernederingen, beschamingen en krenkingen op den hals te halen, waarvan ik sedert eenige maanden het ofler ben?quot;
âVraag liever wat gij deedt, om mijne tevredenheid, mijne liefde, of mijn vertrouwen te verdienen?quot; vroeg de Koning streng: âÃn beantwoord dan u zeiven die vraag naar waarheid.quot;
âO, gij hebt mij belootd, mijne vraag te beantwoorden, en nu ontwijkt gij mij! Maar ik zal u voorkomen, sire; ik zal de vraag, die gij mij bevolen hebt mij zeiven voor te houden, mij zeiven beantwoorden. Ik deed niets, wat mij de bijzondere tevredenheid en genegenheid van mijn koninklijken broeder kon verwerven, maar ook niets, wat mij deze onwaardig maakte. Maar waarom vervolgt mij Uwe Majesteit met uwen toorn? Waarom zijt gij, âdie steeds voor iedereen toegevend en welwillend zijt, â voor mij alleen zoo streng en onbuigzaam? Waaraan heb ik die aanhoudende plagerijen, die altijd vernieuwde uitbarstingen van toorn verdiend ?quot;
âGij vraagt veel, en veel tegelijk,quot; zeide de Koning ernstig: ,,maar ik zal u volkomen tevreden stellen. Ik zal u de waarheid zeggen ! Gij hebt mijn ongenoegen, ja, mijn toorn verdiend, omdat u de lust bekroop een vrij mensch te willen zijn; omdat gij het juk, dat het noodlot op uwe schouders legde, wildet afwerpen; omdat gij in trotschen overmoed meester hebt willen zijn, en een eigen wil hebt willen hebben.quot;
âEn zoude Uwe Majesteit soms vorderen, dat ik van de natuurlijke rechten der menschen afstand deed ?quot; vroeg de prins dri'ftig.
âJa, dat vorder ik,quot; riep tie Koning; âen ik durf zeggen, dat ik mijne broeders hierin met een goed voorbeeld ben voorgegaan!quot;
âMaar gij deedt het, voor zoover ik weet, óók niet vrijwillig; gij werdt er toe gedwongen, zooals gij ons nu wilt dwingen; daar gij ongetwijfeld reeds lang vergeten hebt, welke smarten en folteringen gij geleden hebt, eer gij u voor overwonnen verklaardet.quot;
107
âNeen,quot; zeide de Koning op zaclitor toon: âik heb het niet vergeten; want nóg gevoel ik de litteekens er van in mijne ziel en in mijn hart, en somtijds branden zij nog!quot;
,,En evenwel, broeder âquot;
âEvenwel wil ik geen mededoogen met u hebben. Evenwel zeg ik tot u, gelijk mijn vader tot mij zeide: âGij moet u onderwerpen. Want gij zijt prins, en ik ben uw Koning!quot; âO, ik heb het sinds lang ingezien, hoezeer mijn vader, met zijne gestrengheid en toorn jegens mii, gelijk had ; want ik was niet enkel een ongehoorzaam zoon, maar ook een weerspannig onderdaan, en het ware recht geweest, indien ik het schavot had moeten bestijgen, evenals Katt; â wat óók recht was!quot;
âO, broeder, ik her inner mij den tijd, toen gij dezen trouwen en ongelukkigen vriend nog beweendet, ofschoon gij toen reeds Koning waart!quot; riep de prins verwijtend uit.
âIk bracht hem het otTer mijner tranen; zooveel te meer staat het mij nu vrij hem te veroordeelen, zooals ik mij zeiven veroordeel. Koningszonen hebben niet het recht hun eigen weg te willen bewandelen; het noodlot heeft hun dien voorgeschreven, en dien moeten zij betreden, zonder naar hunne eigene wenschen en neigingen te mogen vragen. Door den mond van hun Koning en meester wordt hun hun lot medegedeeld, en zijne woorden moeten dus voor hen een orakel zijn, even heilig en onschendbaar als het orakel te Delphi. Ik ben er mijn vader in het graf nog dankbaar voor, dat hij volgens deze grondstelling met mij handelde, en haar, â zonder op mijne tegenspraak en kommer acht te geven, â deed gelden. Ik zoude anders het recht niet hebben, ook van mijne zijde, deze grondbeginselen te volgen, en dan alleen zoudt gij mij van wreedheid en tirannie kunnen beschuldigen. âVoorzeker kunt gij u over de hardheid van uw noodlot beklagen; maar, broeder, ik heb het u niet opgelegd. Ik heb noch op mijn hoofd de kroon, noch op uwe schouders het juk uwer waardigheid geplaatst. Beiden moeten wij dragen wat God of het noodlot ons toezendt, en dit moeten wij met waardigheid doen. Zich echter tegen de wenschen en bevelen van den Koning verzetten, is: niet aan de waardigheid van zijn plicht voldoen, maar als een wild paard in den teugel bijten, ofschoon men vooraf weet, dat men zich toch eindelijk door
108
(liun teugel moei laton bedwingen. âGij broeder hebt gelijk dit wilde paard gehandeld, en ik heb de teugels wat sterker aangehaald, ziedaar alles.quot;
âEn ik gevoel reeds, dat gij mij bedwongen en getemd hebt,quot; zeide de prins met een pijnlijk glimlachje: âik voel alleen nog, dal de teugel pijnlijk valt, en mijne leden er nog van sidderen. Maar ik ben bereid mij te onderwerpen, en ik kom hier, om u dit mede te doelen. Gij wilt, dat ik zal trouwen; welnu, ik zal trouwen! Maar ik stel u verantwoordelijk voor dit huwelijk, dat niet het hart, maar de staatkunde heeft gesloten; alleen zal ik u eenmaal voor den troon van God om rekenschap vragen, omdat gij zegt, dat zulks hier op aarde niet mag geschieden; alleen daarboven zal de mensch den mensch vragen: âmet welk recht gij mij mijn heiligst en schoonst eigendom: mijne vrijheid ontstolen hebt? Met welk recht gij mijn hart en mijne hand in kluisters geslagen hebt, welke de liefde mij niet helpt dragen? Maar ik zal óók, â wanneer de last dezer ketenen mij te zwaar valt, en de onnatuurlijke toestand van een echt zonder liefde en overeenstemming mij foltert en tot wanhoop drijft, â op hoofd den vloek van mijn ongeluk slingeren, en u verantwoordelijk stellen voor mijn verstoord leven en mijne teleurgestelde uitzichten. â Neemt gij deze voorwaarden aan broeder? Wilt gij nu nóg, dat ik trouwen zal?quot;
âIk neem deze voorwaarden aan,quot; zeide de Koning plechtig; âik wil, dat gij trouwt; want het is voor den troon noodzakelijk, dat hij door prinsen omgeven zij, wier belangen met die van den Koning verbonden zijn; die met hunne kinderen en zonen den troon tot. steun verstrekken, en hem met het belang en de liefde van het volk verbinden. Het volk heeft een heiligen eerbied voor het familieleven, en houdt zich zelf voor meer gezegend en gelukkig, wanneer ook het gezin zijns Vorsten gezegend en gelukkig-is; het neemt deel in diens welvaart en opvoeding; want het weet, dat de zonen uit dat gezin, zijne veldheeren en aanvoerders worden; dat de dochters bestemd zijn om aan andere landen tot voorbeeld van zedelijkheid en beschaving te strekken. Het gezin is de hechtste band, welke het volk met den Vorst verbindt. â Dat, broeder, zijn de redenen, waarom ik uw huwelijk wensch; en daar gij mij de volle
109
waarheid vraagt, wil ik nog hoogst prozaïsch cr bijvoegen : ik wensch ook nog daarom, dat mijne broeders trouwen zullen, om mijn volk nieuwe bronnen van welvaart te openen; daar de huwelijksgift eener prinses ook nieuw geld en nieuw vertier in mijn land brengt. Ik ben daarom'ook zeer gelukkig, dat ik slechts broeders, en geene zusters behoef to laten trouwen: want het is beter te nemen, dan te geven, en in elk geval nemen wij, als wij trouwen.quot;
âIk mag dus wel vermoeden, dat Uwe Majesteit reeds voor mij gekozen, â en mij eene bruid met een zeer rijken bruidschat bezorgd heeft?quot;
âGij hebt gelijk, cher frére, ik heb 11 de prinses Wilhel-mina, de doch ter van prins Max van Hessen-Kassei uitgezocht; zij brengt niet alleen een bruidschat, maar ook schoonheid, jeugd, bevalligheid en beminnelijkheid mede.quot;
,,Ik dank u, sire,quot; zeide de prins koel en plechtig; âik zoude haar trouwen, al ware ;zij oud, leelijk en onbevallig ; want het komt bij deze handelszaak op dergelijke, kleine uiterlijkheden niet aan. Als men zich als slaaf verkoopt, is het onverschillig of de kooper leelijk of schoon, oud of jong is. Mag ik nu, aan mijne toestemming tot dit huwelijk, eenige kleine voorwaarden verbinden?quot;
âSpreek, broeder, ik luister.quot;
De prins antwoordde niet onmiddelijk. Hij ademde diep en schielijk, en een gloeiend rood bedekte een oogenblik zijn bleek, vertrokken gelaat. Hij wist, dat hij nu aan het keerpunt van een nieuw leven stond; dat zijne woorden nn als eene tooverspreuk waren, voor welke de gesloten poort zijner toekomst zoude geopend worden.
âSpreek, broeder,quot; herhaalde de Koning: ânoem mij uwe voorwaaiden.quot;
âWelaan,quot; zeide de prins, diep ademhalend: âmijne eerste voorwaarde is: dat gij mij vergunt, op mijn verlovingsfeest, eene schitterende partij te geven, waartoe ik niet alleen de hovelingen, maar ook een groot getal Berlijners, die anders geen toegang tot het Hof hebben, wilde uitnoodigen. Ik verlang, dat geheel Berlijn aan mijn geluk zal deelnemen, en dat iedereen door den glans van het feest en mijne vroolijkheid overtuigd worde, dat ik blijde en vrijwillig, â en niet gedwongen en tegen mijn zin, met de prinses verloofd ben.quot;
nu
's Konings oogen rustten met een eigenaardige, bewogen, en weemoedigen blik op het gelaat zijns broeders. Hij begreep volkomen dat gefolterde, trotscbe hart, die gewonde ziel, die den dolk uit de wonde wilde halen, en hem den moordenaar voor de voeten wilde werpen, om er glimlachend bij te voegen; âde wonde smart niet meer, ik sterf er niet aan, want de balsem der verachting heeft mij genezen.quot; Hij wist, dat de prins met zijne verloving en zijn feest slechts eene vertooning wilde maken tegen zijne trouwelooze geliefde; dat hij zich daarom slechts aan den wil zijns^broeders onderwierp, omdat zijn trotsch hart niet verdragen kon, als een versmaad minnaar beklaagd te worden.
âIk neem deze eerste voorwaarde aan,quot; zeide de Koning na eene poos; âen ik hoop, dat gij mij zult toestaan bij dit schoone feest tegenwoordig te zijn. Berlijn kan zich dan overtuigen, dat wij in de hartelijkste overeenstemming met elkander leven. â Hebt gij nog andere voorwaarden?quot;
âNog eene, sire!quot;
âEn die is?quot;
âDat mijn huwelijk uiterlijk binnen vier weken plaats hebbe.quot;
âGij vervult daardoor mijne bijzondere en persoonlijke wenschen,quot; zeide de Koning glimlachend: âwant ik stel zeer veel-belang in dit huwelijk, onidat ik, nadat het voltrokken is, een kleine reis denk te doen. Daar alle voorbereidende maatregelen genomen, â en de onderhandelingen afgeloopen zijn, meen ik, dat er niets meer in den weg staat om het te voltrekken. Hebt gij nog een anderen wensch, broeder?quot;
âNeen, sire.
âSta mij dan toe u nog om de vervulling van eene bedo te verzoeken. Ik wensch, dat dit uur een vriendschappelijk aandenken in uw hart moge achterlaten, en zoude u daarom iets ter herinnering willen schenken. Neem nu van mij het slot Rheinsberg, met alles wat er in en om is, ten geschenke aan. Wilt gij mij dat genoegen toestaan, broeder?quot;
Hij reikte met den hem eigen glimlach den prins zijne hand, en luisterde met zichtbare voldoening naar de levendige en innige dankbetuigingen zijns broeders.
411
âIk koos Rheinsberg voor u,quot; zeide hij toen vriendelijk: âniet enkel, omrlat het mijn lievelingsverblijf is, en ik daar schoone en aangename dagen beleefde, maar óók, omdat geen mijner goederen zoo goed voor een ontevreden, tegen zijn Koning mokkenden prins geschikt is. Dat heb ik zelf ondervonden, en geef u daarom Rheinsberg, zooals mijn vader het mij gaf, als een aangenaam toevluchtsoord, waar men een weinig uit het oog van den strengen Koning is, en men zich kan verbeelden een vrij en zelfstandig man te zijn. Ga dus, wanneer gij over mij en de wereld ontevreden zijt, naai' Rheinsberg; daar zult gij spoedig verzoend gorden, en een vrij, souverein Vorst zijn, en veel gelukkiger dan jk, omdat gij geen volk, â maar alleen u zei ven en uw Hof zult behoeven te regeeren. Rheinsberg is ook het best geschikt om de eerste maand na uw huwelijk door u betrokken te worden, en God geve, dat gij er ook de wittebroodsweken moogt doorbrengen.quot;
De prins antwoordde slechts met een onverschilligen glimlach, en verzocht verlof zich te mogen verwijderen, om de noodige toebereidselen tot zijn verlovingfeeét te maken.
âWij zullen beiden onze toebereidselen maken, broedeiv'' zeide de Koning, den prins tot afscheid zijne hand reikend: ,.gij met uwen huis-hofmeester en den decorateur; ik met den baron von Pöllnitz, dien ik als buitengewoon gezant naar Gassel wil zenden, om de schoone prinses Wilhèlmina voor u te verwerven. Laat ons dus heiden aan onze zaken gaan.quot;
IX.
DE REIZENDE MUZIKANTEN.
De feesten waren voorbij. Rerliin, dat zijne fakkeltochten, zijne illuminatiën, zijne hals en maskerades Ier eere van
112
prins Hendrik en zijne jonge gemalin, prinses Wilhelmina, gehouden had, rustte uit van zijne vreugdebedrijven, en was weder rustig en stil geworden. De prins had zich met zijne jonge vrouw en zijn pas gevormd Hof naar Rheins-berg begeven, en men sprak in Berlijn veel van de schitterende feesten, welke hij daar ter eere zijner schoone echtgenoote gaf. Ja, prinses Wilhelmina was inderdaad schoon; en de goede Eerlijners, die haar altoos met gejuich begroet hadden, als zij zich naast haar gemaal, óf op 'hel balcon, óf in open rijtuig aan het volk vertoonde, â beweerden stellig en zeker, dat er geen gelukkiger en verliefder paar op de wijde wereld was, dan de prins en zijne gemalin. Zij hadden gezien,jnet welk eene uit Irukking van teede-re liefde hare groote, donkere oogen op den prins gerust hadden, en hoe de prins dezen blik met een zalig lachje had beantwoord. Het was dus uitgemaakt, dat de prins een gelukkige jonge man was geworden, en de zegenwenschen cler Eerlij ners volgden daarom de schoone prinses naar Eheinsberg, waar, zooals da Koning bevolen had, het jonge paar de lune de miel zoude houden.
Terwijl prins Hendrik te Eheinsberg schitterende feesten gaf, waarmede hij wellicht zich zeiven verdooven, wellicht de wereld omtrent zijne wezenlijke gevoelens misleiden wilde, verliet de Koning Sanssouci, om eene van zijne gewone militaire inspectie reizen t3 doen. Maar hij ging niet, zooals men gegist had, naar Koningsbergen; en wanneer men werkelijk het plan had, den Koning aldaar le vermoorden, werd dit door de verandering, welke hij in zijn reisplan maakte, ten eenenmaal onmogelijk.
De Koning begaf zich deze keer naar de Rijnprovinciën. Te Cleef echter zond hij zijn gevolg naar Eerlijn terug. De Koning verzekerde, dat hij een weinig ontspanning noo-dig had, en dat hij eenige dagen in ongestoorde rust op het slot Moyland? wilde doorbrengen. Niemand vergezelde hem daarheen, behalve zijn boezemvriend de overste Ealby, en zijn trouwe kamer-huzaar Deesen.
De Koning was in eene buitengewoon vroolijke stemming; zijn oog schitterde van vreugde en genot, toen hij op het slot, dat dicht aan de Hollandsche grenzen lag, gekomen was, en na eene korte rust den overste vanjEalby bij zich liet roepen, vond deze hem, tot zijne groote verwondering,
413
bezig met den inhoud van een koffer te onderzoeken, welke echter niets bevatte dan eenige kleedingstukken van onbeduidende waarde, en Weinig berekend, om de aandacht van den Koning te boeien.
âBalby,quot; zeide de Koning, terwijl hij hem met plechtigen ernst, maar tevens met eene schalksche uitdrukking in zijne oogen, een eenvoudigen, bruinen rok overreikte: âBalby, ik ben u eene belooning voor uw trouwen dienst en hartelijke genegenheid schuldig, en deze belooning zal vorstelijk zijn. Het is waar, ik had u een lint kunnen geven, als onderscheidingsteeken onder de kudde mijner schapen, wier trouwe herder ik ben; maar dat is eene zóó gewone onderscheiding, dat eene ziel als de uwe, zich daardoor eerder vernederd dan gelukkig zoude gevoelen. Neem dus dat bruine pak kleeren als een bewijs mijner vriendschap aan; en opdat gij u moogt overtuigen, dat ik reeds lang bezig ben geweest met de verrassing welke ik u bereiden wilde, zal ik u zeggen, dat ik dezen rok en deze pantalon reeds te Berlijn voor u in het geheim bi j uwen kleêrmaker heb laten maken en ze in hoogst eigen persoon iit dezen koffer gepakt heb, om ze u hier plechtig ter hand te stellen. Neèm aan mijn vriend, en draag beide tot eene gedachtenis aan mij.quot;
En met. eene diepe buiging reikte de Koning den overste Balby de beide kleedingstukken over.
De overste ontving dit zonderlinge gunstbewijs met zulk een verlegen en verbaasd gezicht, dat de Koning er over begon te lachen.
âHoe?quot; vroeg hij toen schijnbaar beleedigd: âvoldoet dit gunstbewijs u misschien niet?quot;
De overste Balby merkte nu aan de looze uitdrukking des Konings, dat achter dit bruine pak nog een geheim moest schuilen, en dat hij dus het best zou doen, met den toon des Konings in te stemmen.
âSire,quot; zeide hij daarom met zekere opgewondenheid: âtevreden is het juiste woord niet voor hetgeen ik gevoel. Ik ben verrukt, sprakeloos, buiten mij zeiven over dit ongehoorde bewijs van genade. En hoe moet het mij tot de diepste dankbaarheid stemmen, daar Uwe Majesteit de genade gehad heeft een nieuw pak voor mij uit te vinden, â een costuum, dat ik met niemand gemeen heb, en dat Uühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. V. 8
414
door zijne bevallige kleur raij veel op eene overgroote, gebrande koffieboon zal doen gelijken, zoodat alle lieftiebsters van koffie op mij verliefd zullen worden!quot;
De Koning lachte. âDat gewaad bezit stellig eene zekere tooverkracht; want zoodra gij het aantrekt, is de overste von Balby uit de rij der levenden verdwenen. Maar gij zult deze gedaanteverwisseling niet alléén ondergaan; want zie, hier is een dergelijk bruin costuum, en dat, vriend, is voor mij bestemd. Wanneer ik het aantrek,'is de Koning van Pruisen verdwenen, en mijn kamerdienaar moet bem tot later in de kleerkast ophangen; want in dit bruine pak zal ik geen Koning, â maar een vrij en gelukkig menscb zijn.quot;
âZoo, dus is het hier om eene vermomming te doen?quot; vroeg de overste.
,,Zeg liever, wij willen de vermomming van ons afwerpen, en eens zonder masker en vermomming om ons zien. Wij willen eens de grap hebben, gewone menschen te zijn, en onopgemerkt en onbesproken onzen weg te gaan. Vindt gij dit goed. Balby, of is uw uniform u liever, dan uw menschzijn!quot;
âOf ik het goed vind, sire?'' riep de overste: âIk ben in verrukking over dezen genialen inval.quot;
âNeem dan uwe kleeren, vriend, en ga er mede naar uwe kamer om ze aan te trekken. Maar, wacht eens; hebt gij, zooals ik n gezegd heb, uwe viool medegenomen?quot;
âOm u te dienen, sire.quot;
âNu dan, als gij gekleed zijt, neem dan uwe viool, leg haar in de kast,'en met de kast onder den arm en wat geld in uw zak gaat gij in den tuin, naar hel kleine paviljoen, dat geheel aan het einde naast bet kleine achterpoortje ligt. In dit paviljoen zult gij mij vinden. Haast u nn, want wij hebben geen tijd te verliezen.quot;
Toen de overste Balby zich, volgens het bevel des Konings, in den tuin naar het paviljoen begaf, dat de Koning hem als rendez-vous had aangewezen, vond hij evenwel niet den Koning, maar twee hem ten eenenmale onbekende mannen. Een van hen droeg een bruinen rok van dezelfde kleur als die van Balby, versierd met groote knoopen van gesneden paarlemoer, vervolgens eene zwarte broek enscboenen
145
met groote gespén, waarvan de randen, met witte steenen ingelegd, niet den vurigen gloed van echte diamanten, â maar den somberen glans van geslepen glas hadden. Ook de kanten van zijn jabot en de manchetten, welke uit de mouwen van zijn bruinen rok- hingen, waren van eene vrij grove en alledaagsche stof. Op zijn hoofd droeg deze vreemdeling een vrij lomp steekje, zonder eenig sieraad, zelfs niet eens de gewone kwastjes en randen van passement; en van onder dat steekje viel zijn lang, bruin, ongepoederd haar in dikke lokken tot op de schouders, terwijl het van achteren door een grooten strik met lange punten in een keurigen haarzak was opgebonden.
Achter dezen vreemdeling stond een ander, in nog eenvoudiger dracht, tennaastenbij zooals de bedienden in een logement of van burgerlieden, â die toen nog het recht niet hadden hunne knechten in livrei te kleeden, â placliten te dragen. Deze man droeg onder den eenen arm een klein valies, en onder den anderen een lange lederen koker, die of eene el, óf eene tl uit moest inhouden. Hij beantwoordde den vluchtigen groet van den overste met een vreemdsoortigen grijns en een diepe buiging.
Er volgde eene kleine pauze, waarna de gewaande vreemdeling onder vroolijk gelach uitriep: âBalby, kent ge mij niet meer?quot;
De overste schrikte bij den klank der stem, en deed ontsteld een stap achteruit. âHoe, sire,quot; zeide hii: âzijt gij het? Gij zelf?quot;
âJa, ik zelf, dat wil zeggen: Frederik, maar niet de Koning. Die hangt in de kleerkast; maai- ik heb een nieuwen mensch aangetrokken, die zich over het leven wil verheugen, en nadat hij zooveel bitters heeft moeten drinken, eens beproeven wil, of er voor hem ook niet een zoeten laafdrank, en een weinig genot en vreugde onder de menschen te vinden is.
âJa, ik ben Frederik, en die uitmuntende bediende daar, is mijn beste Deesen, die mij onder plechtige eeden beloofd heeft ons incognito niet te verraden, en niemand zijn hoogen rang van koninklijk kamerhuzaar te laten vermoeden. Hij zal zich, uit liefde voor ons, vernederen, om voor een paar dagen de bediende van twee muzikanten zonder ridderlint of titel te zijn, die in de wereld rondreizen om
110
hun fortuin te beproeven, en helaaè, weinig protectie of brieven van aanbeveling hebben.quot;
âMaar die zich door hunne kunst en hun verheven talent overal zeiven zullen aanbevelen,quot; zeide Balby met een diepe buiging.
De Koning lachte luid. âBalby,quot; zeide hij; âgij vergeet, dat gij een arm muzikant zijt, die tot zijns gelijken spreekt. Uwe buiging past evengoed bij uw rok, als een kanten sluier bij de grove kleeding eener boerin, of een juweelen speld op het onreine hemd van een bedelaar. Gij moet uwe fraaie manieren, waardoor gij de afgod der dames in de salons zijt, een weinig ter zijde leggen; gij zoudt daarmede in die kleeding aan de onbeschaafde schoonen, die wij wellicht in de weide of in den stal zullen ontmoeten, slechts als een gekleede aap toeschijnen, dien zij zullen uitlachen en bespotten, in plaats van te zoenen en te omhelzen.quot;
â0, wij zullen dus de schoonen op de weide en in den stal opzoeken?quot; vroeg Balby, niet langer in staat zijne nieuwsgierigheid te bedwingen: âWij zullen dus een herderspel vertoonen en als Thyrsis en Damon onze Galathoa en Aminta gaan opzoeken? Zeg mij, sire, wat wij zullen doen en waarheen wij gaan, of gij loopt gevaar, dat ik het van nieuwsgierigheid besterf!quot;
âBeproef het dan maar en sterf,quot; zeide de Koning vroo-lijk; âgij zult ondervinden, dat het niet zoo gemakkelijk is, als gij denkt. Maar ik wil u toch niet plagen en kwellen, ik zal uwe vragen beantwoorden. Gij vraagt, wat wij doen zullen? Nu, wij willen leven, gelukkig zijn, en avonturen zoeken. Ook vraagt gij, waarheen wij gaan? Vraag toch aan de musch, die daar voor het open venster zit, waarheen zij gaat, en wat het doel harer reis is? De naaste boom, de naaste struik, zal zij u zeggen, óf de top eener treurwilg, welke op een of ander graf staat, óf de mast van een schip, dat op zee schommelt, óf de tak eener linde, welke voor het venster van een schoon meisje staat. Evenmin als men een vogel vragen kan, het doel zijner reis vooruit te bepalen, evenmin, kunt gij dat mij doen, vriend. Want vrij zijn wij, als de vogel in de lucht, en onze ziel heeft vleugelen gekregen om zich te verheden boven het onreine stof en de armzaligheid en kleingeestigheid der aarde. Kom, kom, laat ons onze vlucht beginnen, vriend,
117
want zie, dat muscbje daar is ons reeds voorgegaan. Laat ons het volgen.quot;
En met een opgeruimd, hartelijk lachje, dat zijn gelaat als met den glans der morgenzon bestraalde, nam de Koning den arm van zijn vriend en verliet het paviljoen, gevolgd door zijn bediende, den kamerhuzaar Deesen.
âDeesen. wees nu voor ons de engel met het vlammende zwaard,quot; zeide de Koning, toen zij voor het poortje stonden, dat in den muur was aangebracht: âopen ons de poorten van het paradijs, â niet om ons er buiten fe sluiten, maar om ons binnen te laten.quot;
Deesen opende de poort en zij traden naar buiten.
,,Laat ons hier een oogenblik stilstaan,quot; zeide de Koqing, zijne vurige blikken over het uitgestrekte, groenende landschap, dat zich voor hen uitbreidde, latende ronddwalen: âo, God, hoe schoon en heerlijk komt mij heden de wereld voor, alsof zij heden een feestgewaad droeg, om twee vrije menschen te begroeten, die voor het oogenblik geen anderen meester dan God alleen hebben, en geene plichten kennen dan zoo vroolijk en gelukkig mogelijk te zijn. Let nu eens op die verhevene stilte in de Natuur. Nooit heb ik baai-door het gedruisch mijner snaterende hovelingen zoo heilig en groot gevoeld, als nu; en toch schijnt bel mij, niettegenstaande deze stilte, alsof duizenden en duizenden juichtonen in de lucht weergalmen; en de wind, die daar boven in ontzagwekkende heerlijkheid suist, en de boomen schudt en het gras doet sidderen, is dat niet de heraut, die Gods nabijheid verkondigt? En die witte wolken, welke daar aan, den blauwen hemel zweven, zijn dat niet de schitterende sluiers, waar achter de godinnen van den Olympus hare eigene schoonheid verbergen, om niet door onze lage, sterfelijke oogen te worden lastig gevallen? O, zeg mij, Balby, zaagt gij de Natuur ooit te voren zoo schoon en schitterend?quot;
âO, sire,quot; zeide Balby, met bewonderende blikken het opgetogen gelapt van den Koning aanstarende: âmijne oogen hebben geen tijd de Natuur te beschouwen, want zij zien naar u, en u aanziende gevoel ik, dat het waarheid is, wanneer men den mensch de bloem der schepping en Gods evenbeeld noemt.quot;
âNu, indien ik God ware, zoude ik er wel voor bedanken
118'
overeenkomst te hebben met zulk een vervallen, afgetobd gelaat als het mijne,quot; zeide de Koning glimlachend: âKomaan, laat ons nu verder gaan. Geef mij mijn instrument, Deesen, ik wil het zelf dragen, opdat ik óók een weinigje last en moeite op den tocht hebbe. Zoo, nu verbeeld ik rnii een handwerksgezel te zijn, die met zijn ransel op den rug er op uit gaat, om zijn geluk te beproeven. De geheele wereld staat voor hem open, en hém behoort de geheele wereld. Hemel, hoe benijdenswaardig gelukkig moet toch zulk een mijnheer de handwerksgezel zijn!quot;
âNu, waarlijk, geen van hen zal kunnen droomen, dat een Koning hem zijn geluk als handwerksgezel benijdt!quot; riep Balby lachend.
âEn tóch zijn zij benijdenswaardig,quot; zeide de Koning: âwant zij zijn vrij Maar neen, neen! Op het oogenhlik benijd ik niemand. Mij behoort de geheele wereld; mij behoort de zonneschijn en de nachtvorst. Ik zal hitte en koude, honger en dorst, vermoeidheid en lasten verduren; ik zal voor eenige dagen een miskend genie, een arme handwerksgezel zijn, die roem en geld wil verwerven. Want, weet dan, mijn zeer geachte heer overste von Balby : gij zult niet reizen, zoo als het mogelijk met uwen vroegeren rangen stand overeenkomt, maar zoo als bet twee arme muzikanten past, somtijds te voet, somtijds in een wagen, somtijds met eene trekschuit; wij zullen in slechte logementen overnachten, ons middagmaal houden daar waar wij ons juist bevinden, en vertoeven waar het ons behaagt. Het doel van onze reis intusschen is Amsterdam, en daar zullen wij de musea en kunstgalerijen bezoeken, en de kunst bestu-deeren.quot;
âIk dank Uwe Majesteit,quot; riep Balby lachend: âgij hebt mij van den vreeselijksten dood, den dood door versmachting van nieuwsgierigheid, gered. Nu gevoel ik mij weder krachtig en versterkt, en kan gelijken tred houden met. de fiksche stappen van Uwe Majesteit.quot;
Zwijgend gingen zij eene poos verder, tot zij die twee hooge, slanke palen bereikt hadden, die dicht bij elkander opgericht waren, en van waar uit links en rechts in rechte lijnen van tijd tot tijd groote, wit geverfde steenen zichtbaar waren.
âHier zijn wij aan de grenzen,quot; zeide de overste, op de t
119
beide grenspalen wijzende: âlaten wij dus hier afscheid nemen van de Pruisische kleur, die wij hier op dezen paal voor het laatst zien. Sire, laten wij haar met eene eerbiedige buiging begroeten!quot;
Hij nam den hoed af en boog diep voor den paal met de zwart-witte kleuren; eene begroeting, die Deesen met een echt Pruisisch nationaal gevoel navolgde.
De Koning nam geen deel aan hun vaderlandslieven den groet; hij stond voorovergebogen en schreef met zijn kruk-stok teekens in den door regen vochtigen grond.
âKom hier, Balby, en lees dit eens,quot; zeide hij, op de letters wijzende: âKunt gij het lezen?quot;
âZeker,quot; zeide Balby: er staat, âMajesteit! Sire!quot;
âJuist, vriend, want ik laat deze beide woorden hier op de Pruisische grenzen naast den zwart-witten paal achter. Mogelijk vinden wij ze weder, wanneer wij terugkeeren, en dan zullen wij er ons mede versieren en de vermomming van onze heerlijkheid weder aarftiemen. Maar zoo lang wij op Hollandschen bodem vertoeven, bestaat er geen sire en geen Majesteit. Wij verbannen deze beide met'her-melijn bekleede woorden uit het woordenboek onzer gesprekken, en zullen de heldere lucht der Hoogmogende Staten, die zich veroorloven, zonder een Koning en zonder een sire te bestaan, niet met deze woorden verduisteren.quot;
âMaar hoe zal ik mijn Koning dan noemen?quot; vroeg Balby.
âGij zult hem âvriendquot; noemen, voita tout!quot;
âEn ik?quot; vroeg Deesen eerbiedig: âWil Uwe Majesteit niet de goedheid hebben mij te zeggen, wie gij zijt?quot;
âIk ben de heer Zollern,quot; riep de Koning lachend uit; âeen reizend fluitspeler; en wanneer u iemand vraagt, wat ik te Amsterdam doe, zeg dan, dat, ik er een concert wil geven. En avant, mes amis! Daar ginds ligt liet eerste Flol-landsche stadje. Binnen een uur zijn wij er. Van daar gaan wij met den postwagen, en rijden een eind verder het land in. En avant, en avant! Leve de vrijheid en het heerlijk, zwervend leven!quot;
m
XJT.
KEIS-AVONTURKN.
Voor het posthuis te Grave hield de postwagen stil om op de passagiers le wachten. Het vertrek van den postwagen was voor de bewoners van het stadje steeds eene belangrijke gebeurtenis, daar het eene aangename afwisseling brachs in hun eentonig leven, en hun soms een vreemd gelaat te zien gaf, dat hun stof tot denken opleverde, of lien deed droomen van de groote stad, die de benijde reiziger met den postwagen kon bereiken.
Heden evenwai was geheel Grave in een soort van spanning, want een vreemd, hoogst zeldzaam geval deed zich voor. Er waren namelijk drie vreemdelingen in het posthuis, dat tevens logement was, aangekomen en hadden, na een middagmaal van het beste dat te verkrijgen was, besleld te hebben, drie plaatsen in den postwagen besproken. â De goede inwoners van Grave zouden heden dus drie vreemde gezichten uit de raampjes der omnibus zien kijken; zij zouden over het lot en het waarschijnlijke doel der reis van drie onbekende personen kunnen nadenken ! Zij begonnen er nu reeds mede, terwijl de vreemdelingen nog in hun midden vertoefden. De een had hen met bestoven kleederen en zichtbaar vermoeid, de stad zien binnenkomen, en hij moest bekennen, dat de vermetele en vrije blikken, waarmede de beide onbekenden in het bruine pak zijne jonge vrouw aankeken, die op zijn geroep het venster geopend had, hem zeer onbeschaamd, â ja zelfs verdacht voorgekomen waren. Een ander vond het vreemd, dat lieden, die te voet, en in zulk eene gewone kleeding binnen Grave kwamen, een bediende bij zich hadden. Want blijkbaar was de man, die achter hen liep en den kleinen, zeer schralen reiszak droeg, hun bediende; maar inderdaad scheen het een trotsch en overmoedig heerschap te zijn, en hij droeg het hoofd zoo hoog en fier, alsof hij een generaal of veld-
121
maarschalk ware, en beanl\voordde zelfs den vrieudelijken groet der lieden niet, die hij voorbijging. Evenwel konden zijne meesters geene aanzienlijke of vermogende lieden zijn, want ieder droeg immers zelf een kistje onder den arm. Wat kon wel in die langwerpige kist verborgen zijn ? Welke geheimen zoude die wel bevatten? Mogelijk waren er pistolen in, en had men met roovers en moordenaars te doen, die van plaats tot plaats trokken, om de lieden te vermoorden en te berooven. Het uitzicht der vreemdelingen was krijgshaftig en woest genoeg, en hunne onbeschaamde, vermetele blikken deden inderdaad het ergste vermoeden.
De geheele stad was dus in spanning, en ieder was verlangend de vreemdelingen te zien, wier verschijning zoo raadselachtig was, en die zich als groote heeren gedroegen, terwijl zij toch slechts gewone lieden schenen te zijn. Er had zich dus voor het posthuis een troep lediggangers verzameld, die zacht fluisterend en mompelend de ramen van het benedenvertrek van het logement aanstaarden, waar, zooals men wist, de beide vreemdelingen, door hun barschen knecht bediend, hun middagmaal hielden. â En nu zoude eindelijk hun wensch vervuld worden! Eindelijk zag men den bediende met den reiszak te voor-schiin komen, dezen in den wagen leggen, en daarna de beide kistjes halen, waarvan men zoo gaarne den inhoud gekend had. Nu blies de postiljon op den hoorn en het oogenblik van vertrek was gekomen.
Een gemompel vloog door de rijen der nieuwsgierige provincialen. De beide vreemdelingen traden buiten, zij naderden den wagen en wierpen zulke hoogmoedige, gebiedende blikken op de naastbijslaanden, dat deze terugweken, alsof zij vreesden alleen door de blikken van deze moordenaars reeds gedood te zullen worden.
Voor de tweede maal blies de postiljon op den hoorn. De vreemdelingen wilden instappen. In de deur van het logement stond mijnheer de postmeester, en achter hem zijne echtgenoote, de hoogmogende postmeestersvrouw.
âHoor, Nikolaas,quot; fluisterde zij haren man toe: âik moet volstrekt weten, wie die vreemdelingen zijn. De burgemeestersvrouw ergert zich dood, wanneer ik iets weet wat zij niet weet, en van mij wordt zij nimmer ge-
122
waar, wie de vreemdelingen zijn. Maar weten moetikhei, Nikolaas! Ga dus en vraag hunne passen.quot;
En de heer Nikolaas, die aan gehoorzaamheid gewoon was, trad naar buiten, en riep den postiljon, die juist de zweep ophief om zijne paarden het teeken van vertrek te geven, een donderend âhalt!quot;
Toen trad hij aan den wagen en opende driftig het portier.
âUwe passen, heeren!quot; zeide hij barsch: âGij hebt vergeten uwe passen te toonen.quot;
De nieuwsgierige toeschouwers schenen hierover zichtbaar voldaan, en gaven den stoutmoedigen postmeester hun bijval te kennen.
âGij verheugt u,quot; mompelde de postmeestersvrouw, die in de deur staande, alles aanzag en de gedachten van hare gapende vrienden scheen te raden: âgij verheugt u, maar gij zult tóch niets vernemenquot;! Aan uwe nieuwsgierigheid zal niet worden voldaan.quot;
Mijnheer Nikolaas echter stond nog steeds aan het geopend portier, zonder dat men aan zijn verzoek voldaan had.
Hij herhaalde het voor de derde maal.
âEn is dit hier gebruikelijk, monsieur,quot; vroeg eene trot-sche, gebiedende stem uit den wagen:quot; is het hier gebruikelijk aan de reizigers hunne passen af te vragen?quot;
âWij kunnen het wanneer het ons goeddunkt,quot; zeide de postmeester ruw: âer is een bevel, dat wij van ieder die met den postwagen reist, zijne papieren kunnen vragen als het ons behaagt.quot;
âEn waarom behaagt het u, de onze af te vragen?quot; vroeg de stem verder.
âHet behaagt mij, omdat het mij behaagt,quot; was het antwoord.
Maar nu zag men uit den wagen een streng, toornig gelaat te voorschijn komen, en vergramde blikken op den postmeester werpen.
âMijnheer, cA'er weeg quot; uwe woorden wèl, en wacht u om âquot;
âStil,quot; viel de stem, die het eerst gesproken had, hem in de rede: âlaat ons geen onnoodig schandaal beginnen, mon ami. â Waarom, heer poslmeester, behaagt het u onze passen te vragen?quot;
123
âWaarom?quot; vroeg Nikolaas, die er zeer trolsch op was in het bijzijn van zijne vrienden zulk een roemrijke rol te spelen : âGij wilt weten, waarom ik u uwe passen afvraag? Welnu dan, omdat gij mij verdacht voorkomt!quot;
Binnen in den wagen klonk een vroolijk gelach. âEn waarom komen wij u verdacht voor?quot; vroeg toen de stem van den eersten spreker.
âOmdat ik nimmer lieden zonder pakkage vertrouw,'' was het hoogmoedige, lakonieke antwoord.
âBravo! Zeer goed geantwoord!quot; mompelden de toeschouwers, en zelfs de vrouw van Nikolaas moest zich zelve verbaasd bekennen, dat haar man voor het eerst moed en dapperheid aan den dag had gelegd.
âWij hebben geen pakkage noodig,quot; zeide de stem: âwij zijn reizende muzikanten,die naar Amsterdam gaan.quot;
âBeizende muzikanten! Zooveel te meer reden om u te wantrouwen; want van rondreizende muzikanten heeft men nog nimmer iets goeds gehoord!quot;
âMijnheergij wordt onbeschaamd,quot; riep de tweede spreker, en nu sprong de grootste en jongste der beide vreemdelingen (Balby) uit den wagen, terwijl tegelijkertijd de bediende van zijne plaats naast den postil jon afsprong, en zich dreigend, en met een door toorn hoogrood gelaat naast zijn meester tegenover den postmeester plaatste.
âWaag het nog eens, een enkel beleedigend woord te zeggen,quot; riep Balby nit: âdan zijt gij verloren, danâquot;
Maar er werd eene hand op zijn schouder gelegd, eti eene stem fluisterde hem toe; âStel ons niet ten toon!quot; Met was de Koning, die nu insgelijks den wagen verliet, en met zijn zacht gesproken woorden den toorn van zijn reisgenoot tot bedaren gebracht had.
âVef^choon, mijnheer, zoo mijn vriend te driftig was,quot; zeide de Koning, terwijl hij zich met een spotachtig lachje voor den postmeester boog: âwij zijn niet gewoon op deze wijze ondervraagd en verdacht te worden, en ik kan u verzekeren, dat wij ofschoon slechts rondreizende muzikanten, toch eerlijke lieden zijn, die reeds voor koningen en vorsten hunne kunst deden hooren.quot;
âWanneer gij eerlijke lieden zijt, toont mij dan uwe passen! Geen fatsoenlijk mensch reist zonder pas of andere geldige bewijzen.quot;
124
âIk geloof integendeel, dat geen schelm zonder pas zoude reizen,quot; zeide de Koning.
âMen kan het niemand aanzien, dat hij geen schelm is. « evenmin r
Balby uitte een kreet van woede en naderde den onbe-schaamden postmeeste)1, terwijl de bediende de gebalde vuisten dreigend tegen Nikolaas ophief. De Koning deed in-tusschen schielijk meteen enkelen oogwenk de uitbarsting van hun toorn weder bedaren.
âMijnheer,'' zeide hij tot Nikolaas; âGod heeft mijn gelaat gemaakt, het is dus niet mijn schuld, zoo het u niet behaagt. Wat de passen echter betreft, deze liggen wél bewaard in mijn reiszak. Ik veronderstel, dat u dit voldoende zal zijn.quot;
âNeen, dat is mij volstrekt ntelt; voldoende!quot; schreeuwde mijnheer Nikolaas: âToon mij uwe passen, wanneer ik go-looven zal dat gij geene vagebonden zijt!quot;
âMijnheer, durft gij het wagen ons voor vagebonden te houden?quot; riep de Koning nu, wiens geduld óók uitgeput scheen te zijn, en wiens hoog, helder voorhoofd zich nu óók licht fronste.
âDe politie moet elk zoolang voor een misdadiger houden, tot hij bewezen heeft dat hij het niet is,quot; zeide Nikolaas nadrukkelijk.
De toorn van den Koning was reeds weder bedaard, en zijn voorhoofd was weder helder en onbewolkt. âDe politie beschouwt de menschen dus als oorspronkelijke misdadigers?quot; vroeg hij glimlachend.
âMijnheer, gij hebt volstrekt geen recht om de politie strikvragen te doen !quot; i'iep heer Nikolaas op strengen toon: âGij hebt te antwoorden, en niet te vragen!quot;
Lachend hield de Koning den dreigend opgehefen arm van zijn reismakker terug. âMon7gt;tcuquot;fluisterde hij : âziet gij dan niet, dat dit tooneel mij bij uitstek vermaakt, en dat ik naar zijne lompheden haak, als een verliefd meisje naar den kus van haar geliefde ?quot;
En luide vervolgde hij: âVraag dan slechts, mijnheer, ik ben bereid te antwoorden.''
âHebt gij een pas?quot;
âJa mijnheerV'
âGeef hem mij dan, opdat ik hem viseer,quot;
125
âOm dit te kunnen, moet ik eerst mijn reiszak openen, en dit is ongemakkelijk. Maar indien de Wet het volstrekt vordert, zal ik het doen!quot;
âDe Wet vordert het uitdrukkelijk.quot;
De Koning gaf zijn bediende een teeken, en gelastte hem den reiszak uit den wagen te nemen en in huis te brengen.
âWaartoe al dien omslag?quot; vroeg heer Nikolaas: âhet is onnoodig tijdverlies, en de postiljon rnag niet langer wachten. Wanneer hij te laat op het volgende station komt, moet hij boete betalen!quot;
âIk wacht geen oogenblik langer!quot;riep de postiljon nu vastbesloten uit: âStijgt in, of ik rijd weg!quot;
âToon mij uwe passen, en stijgt dan in,quot; zeide mijnheer Nikolaas.
De vreemdelingen waren verlegen en besluiteloos, en men zag het hun aan, ^dat zij zich beklemd en niet op hun gemak gevoelden.
Heer Nikolaas zag triomfantelijk in den talrijken dichten kring van toehoorders rond, die hem met bewonderende blikken aanstaarden, en in ademlooze stilte den uitslag van dit tooneel afwachtten.
âStijgt in, uf ik rijd af!quot; herhaalde de postiljon.
âGeef mij uwe passen, of ik laat u niet vertrekken !quot; schreeuwde heer Nikolaas, terwijl hij de beide geheimzinnige kistjes uit den wagen nam, en ze voor de vreemdelingen nederzette.
âLaat ons in huis gaan,quot; zeide dè Koning zacht tot zijn vriend: âwij moeten wel bonne mine a rnauvais jeu maken.quot;
En vastberaden naderde hij de huisdeur.
Maar daar stond de postmeestersvrouw met fonkelende oogen en een sarrend glimlachje.
âDe postiljon vertrekt, en dan zijt gij uw geld kwijt,quot; zeide zij: âde post geeft nimmer het eenmaal ontvangen geld terug.quot;
âO, ik dacht, dat alléén de kerk deze eigenschap bezat!quot; riep de Koning lachend uit; âLaat de post dan maar behouden, wat zij heeft. Wees zoo goed mij eene kanier aan te wijzen, waar ik gelegenheid heb mijn reiszak te openen, en bezorg ons koffie en een goed glas wijn!quot;
Er lag zóó iets gebiedends in de stem van den Koning,
m
en zijn geheele voorkomen was zóó indrukwekkend, dat zelfs de postmeestersvrouw, die aan heerschen gewoon was, zich er door bedwongen gevoelde, en de heeren zwijgend voorging, om hun hare fraaiste logeerkamer aan te wijzen. â De bediende volgde zijne meesters met de beirle kistjes en den reiszak, die hij op de tafel nederlegde, en zich toen weder voor de deur plaatste.
âEn nu juffrouw, kunt gij ons verlaten,'' zei de Koning op gebiedenden toon: âen doen, wat ik u gelast heb.quot;
Juffrouw Nicolaas verwijderde zich, en de heeren bleven alleen.
â Welnu, wat zullen wij nu beginnen?quot; vroeg de Koning glimlachend: âIk geloof dat wij gevaar loopen, ons heerlijk reisplan geheel in duigen te zien vallen.quot;
âUwe Majesteit behoeft zich immers slechts aan den postmeester bekend maken,quot; zeide de overste Balby.
âEn wanneer hij mij niet als zoodanig erkennen wil, die fielt, die beweert, dat men het mfj niet kan aanzien, dat ik geen schelm ben? Wanneer die blinde dwaas het goddelijk teeken, dat voor mijn hovelingen zoo duidelijk zichtbaar is, niet op mijn voorhoofd wil lezen? Neen, neen, vriend, dat is geen goed middel! quot;Wij hebben het eenmaal ondernomen als gewone en alledaagsche menschenkinderen te reizen; wij moeten nu ook beproeven, om als gewone menschenkinderen door de wereld te komen. Het is dus noodzakelijk dat wij ons in de oogen der politie als eerlijke menschen doen gelden. Gelukkigerwijze geloof ik de middelen er toe te bezitten. Open onzen armzaligen reiszak eens, vriend Balby. Ik denk, dat gij er mijne portefeuille in vinden zult, en daarin eenige oningevulde passen en mijn staatszegel. G'j ziet, dat ik voorzichtig was, en dat ik weinig vertrouwen in de overredingskunst van mijn goddelijk gelaat stelde!'quot;
De overste Balby deed wat de Koning hem bevolen had, en nam de portefeuille met zijn kostbaren inhoud uit den reiszak.
De Koning liet Balby plaats nemen en de afzonderlijke gedeelten van den pas, die hij hem zelf dicteerde, invullen.
De pas werd gesteld op naam van de gebroeders Fre-derik en Hendrik Zollern, die vergezeld door hun bediende, voornemens waren eene kunstreis door Holland te onder-
127
nemen, en te Bèrlijn geboren waren. Glimlachend teekende de Koning deze belangrijke acte âNu moet er nog slechts het groote staatszegel onder geplaatst worden,quot; zeide hij: âen wij zijn vrij. Maar wat vangen wij aan om licht te krijgen?quot;
, Ik zal dadelijk licht gaan halen,quot; riep Bal by, zich naar de deur spoedende.
âDe Koning hield hem echter tegen. âBroeder,quot; zeide hij: âgij zijt zeer onvoorzichtig en onnadenkend; gij vergeet geheel, dat men ons verdacht houdt van misdadigers te zijn. Wanneer wij nu licht vragen, en dadelijk daarop met onzen pas te voorschijn komen, denkt gij dan niet, dat die draak van een postmeester op het denkbeeld zoude komen, dat wij dien pas zeiven vervaardigd, â en er een.valsch zegel onder geplaatst hebben?quot;
âMaar hoe zullen wij dan licht krijgen?quot; vroeg Balby verlegen.
De koning dacht een oogenblik na, en glimlachte toen opgeruimd: âIk heb er iets op gevonden,quot; zeide hij: âgij gaat naar beneden in de eetzaal, â waar ik zag dat eene eeuwige lamp ter eere van de rookers brandt, â om uwe sigaar aan te steken. Wanner die goed brandt, komt gij er mede terug. Aan uwe brandende sigaar steek ik het lak aan, en zoo doende hebben wij nog het voordeel, dat de tabaksrook den reuk van het lak doet verdwijnen.quot;
Balby snelde heen en keerde spoedig met zijne brandende sigaar terug, waaraan de Koning het lak ontstak, om het zegel onder den pas te plaatsen.
âZiedaar onzen atlaatbrief, die ons van alle zonden vrijspreekt,quot; zeide de Koning: âroep nu onzen geachten heer postmeester, broeder Hendrik!quot;
Toen de heer Nikolaas nu uit de handen des Konings den pas ontving, werd zijn streng gelaat weder opgeruimd, en maakte hij voor de beide heeren Zollern eene eerbiedige buiging, ter vijl hij zich bij hem verontschuldigde wegens de gestrengheid, waartoe zijne betrekking hem noodzaakte.
âWij hebben ons dus nu in uwe oogen volkomen als eerlijke lieden gerechtvaardigd,quot; zeide de Koning glimlachend: âen gij vergeeft ons, dat wij zoo weinig pakkage bij ons hebben?quot;
428
âNu,quot; zeide heer Nikolaas verlegen: âmuzikanten zijn zelden rijk, maar leven van de hand in den tand, en moeten God danken, wanneer de rok dien zij dragen, heel en ongelapt is. Uwe kleederen zijn echter nog nieuw, waartoe zoudt gij dus pakkage noodig hebben?''
De koning lachte. âWij mogen dus nu vertrekken?quot; vroeg hij.
âJa, maar op welke wijze, mijnheer ? Want gij zult toch wel gehoord hebben, dat de postiljon onmiddellijk nadat gij weder in huis traadt, weggereden is?quot;
âWij hebben dus nu geen rijtuig? Wij hebben onze plaatsen dus nu te vergeefs betaald, en kunnen nu in dit ellendig nest blijven?quot; vroeg de Koning verstoord.
Mijnheer Nikolaas werd rood van toorn. âMijnheer,quot; zeide hij; âmet welk recht veroorlooft gij u de stad Grave een ellendig nest tenoem,en? Geloof mij, het zou u zeer moeielijk vallen in dit ellendig nest burger te worden; want men moet kunnen aantoonen, dat men genoegzame middelen van bestaan bezit, om op eene fatsoenlijke wijze te kunnen leven, en het komt mij voor, dat âquot;
âDat wij die niet bezitten, niet waar?quot; vroog de koning; â Vraiment, gij hebt gelijk; onze middelen van bestaan zijn zeer onvoldoende, en daar de wijze bewoners van Grave mij dus het burgerrecht van hunne stad niet verleenen zullen, doe ik best maar dadelijk te vertrekken. Wees dus zoo goed, ons daartoe de middelen aan te toonen.''
Er zijn twee middelen; het eene aanzienlijk, het andere gering,'' zeide de heer Nikolaas trotsch; âmen gaat met postpaarden, of met de trekschuit. Het eerste is voor fatsoenlijke lieden, het tweede voor hen, die niets bezitten of niets zijn.quot;
âDus voor ons,quot; zeide de Koning lachend; âniet waar, broeder Hendrik; wij zullen goed doen, met de trekschuit te vertrekken.quot;
, Dat zou zeer goed zijn, broeder Frederik.quot;
âWees dan zoo beleefd onzen bediende te roepen, dat hij den reiszak draagt; en gij, heer postmeester, geef ons iemand mede die ons den weg naar de vaart wijst.quot;
De Koning nam zijn lluitkistje op, en ging naar de deur.
129
âEn mijn koffie en de llesch wijn?quot; vroeg de postmees-tersvrouw, die er juist mede binnentrad.
quot;Wij hebben nu geen tijd om er gebruik van te maken, jultrouw,quot; zeide de Koning, terwijl hij haar wilde vooibij-gaan en het vertrek verlaten.
Maar ju [Trouw Nicolaas hield hem tegen. ,,Geentijdom er gebruik van te maken?quot; riep zij: âMaar t/c moest toch wel den tijd hebben, om koffie voor u gereed te maken en wijn uit den kelder te halen !quot;
âMaïs, mon Dieu, Madame,quot; zeide de Koning ongeduldig.
âMuis, mon Dieu. Monsieur; vous croyez, que je tra'aille-rais pour le roi de Prusse, â c est-a-dire: sans payement 9quot;
De Koning lachte zóó hartelijk, dat Balby tegen wil en dank moest medelachen.
âBroeder Hendrik,quot; zeide de Koning lachend: âmij dunkt, dat dit eene zonderlinge spreekwijze is; travailler pour le roi de Prusse is dus hier zooveel te zeggen als: om niet werken! â Wees zuo goedquot;, deze achtingswaardige dame te bewijzen, dat zij niet voor dien Koning gewerkt heeft, en voldoe haar onze schuld. Julfrouw, ik'heb de eer u te groeten, en wees .verzekerd dat het mij altijd aangenaam zal zijn, aan u te denken, en mij uwe aardige gezegden weder voor den geest te roepen!quot;
En lachend nam de Koning den arm van zijn vriend en knikte de postmeestersvrouw vriendelijk toe, terwijl hij naar beneden ging.
âLuister,quot; zeide juffrouw Nikolaas, toen zij met haar echtgenoot in de huisdeur stond en de beide vreemdelingen nakeek, die, vergezeld door een gids en hun bediende, de straat, die naar de vaart leidde, afgingen: â âzal ik je iets zeggen, vriend? Ik vertrouw die vreemdelingen volstrekt niet! Vooral die kleinste van hen had een zeer verdacht gelaat.quot;
âMaar zijn pas was volkomen in orde,quot;
âDat doet er niets toe! Het is tóch niet pluis met hen, T hierop durf ik wel te wedden. Die vreemdelingen zijn óf vermomde vorsten, óf vermomde roovers, daar ben ik vast van overtuigd!quot;
9
Mühlbaoh. Frederik de Groote en zijn Hof V.
130
XIII.
IN DE TUKKSCIIUIT.
Welk een geschreeuw, gelach en gepraat heerscht er in het bont, gewoel dier zorgelooze en opgeruimde lieden: de passagiers der trekschuit, die âniets bezitten en niets zijn!quot; Hoe yroolijk lachen en praten zij ; met welk eene onverstoorbare bedaardheid beschouwen zij den langzamen voortgang van het lompe vaartuig als eene onveranderlijke .noodzakelijkheid, en morren niet, wanneer de gloeiende namiddagzon hen vlak op het hoofd brandt! Hoe hulpvaardig en welwillend zijn zij voor elkander, en met welk eene natuurlijke beleefdheid staan de mannen aan de vrouwen de beste plaatsen af, waar zij een weinigje schaduw vinden, of minder in het gedrang zijn. Maar de schuit is overvol van menschen, want er zijn er, die niets bezitten en niets zijn (!) en tóch zijn velen genoodzaakt van de eene plaats naar de andere te gaan. De mannen, die langs den oever gaande, door middel van de aan de lange schuit bevestigde touwen, deze doen voortgaan of âtrekken,quot; zoo als de Hollanders het noemen, â die tweebeenige paarden, die locomotieven der trekschuit hijgen van inspanning, en de zweetdroppels rollen van hun verbrand voorhoofd neder; de doedelzakblazer op de schuit dreunt zijn vroolijkste wijsje op, maar te vergeefs noodigt hij de jonge lieden tot dansen, want er is geen ruimte voor; het geheele ruim in de schuit is volgepropt met menschen, zelfs vrouwen en grijsaards moeten staan, omdat er op de lange banken aan weerszijden, geene plaats meer is om te zitten.
De Koning had dit gewoel eene poos met blijkbaar genoegen aanschouwd; dit vrije leven om hem heen, dit geheel vergeten van eigen persoonlijkheid vermaakte hem, en scheen hem zeer aangenaam te zijn. Leunend tegen het dek van de roef, waarvoor hij zat, zag hij glimlachend en met vroolijken blik in het gewoel rond. Plotseling voelde hij op zijne schouders een juist niet zachten tik.
481
en opziende, ontdekte hij het grommige, ruw gelaat van een boer, die driftige woorden tot hem sprak, welke de Koning evenwel niet verstond. Mij trok even met zijne schouders en bleef bedaard zitten. Maar de driftige boer praatte al door, zijne woorden met heftige gebaren vergezellende ; nu eens naar den Koning en dan weder naar een bleeke, jonge vrouw wijzende, die met twee kinderen op dén arm, niet ver van hem af stond.
De Koning trok andermaal zwijgend zijne schouders op; maar toen de driftige man hem ten tweeden male wilde aanraken, wees de Koning hem zóó trotsch terug, en zijn oog schitterde zóó stout en gebiedend, dat de boer verwonderd en verschrikt een oogenblik terugweek.
Maar dit duurde slechts een oogenblik; toen verhief zich een toornig gemompel onder de lieden, en velen kwamen toeloopen om den boer te helpen, die nu weder vastberaden den Koning met dreigende gebaren naderde.
De Koning zat nog altoos bedaard op zijne plaats, ver- . baasd en verwonderd de grommige en vertoornde gezichten dezer lieden beschouwende, wier driftige woorden hij te vergeefs poogde te ontraadselen.
Maar nu drongen twee krachtige armen door het steeds grooter wordende gedrang, en Balby, die zich aan den anderen kant van de schuit met een vreemdeling onderhouden had, naderde nu, door dezen vergezeld, den Koning, en plaatste zich met een dreigend' en toornig gelaat naast hem. 0 amp;
âZeg mij toch eens, wat deze lieden van mij willen hebben, won amiT' vroeg de Koning haastig: âMaargij verstaat het Hollandsch evenmin als ik.quot;
âIk versta het, mijnheer,quot; zeide de vreemdeling, die met Balby gekomen was: âdeze menschen doen u verwiitinyen, naar het schijnt.quot; ® '
âVerwijtingen? En waarover?quot;
De vreemdeling wendde zich tot den boer, die het eerst gesproken had, en zich nu weder levendig en driftig liet hooren. 0
âMonsieur,quot; zeide toen de vreemdeling; âdeze goede lieden zijn boos op u, en mij dunkt, zij hebben niet geheel ongelijk; want er is eene taal, welke men zelfs zonder woorden verstaat, en welke haar woordenboek in ons hart
132
heeft. Daar staat eene arme, zieke vrouw, die haar tweelingen op hare armen draagt, en die geene plaats heeft kunnen vinden om te zitten. Nu, monsieur, zijt gij de éénige man, die zit; en daarom hebben deze goede menschen gemeend, dat het wel voegde, dat gij aan de zieke vrouw uwe plaats afstondt.quot;
âMaar dit is eene onbeschaamdheid!quot; riep Balby opstuivend, terwijl hij zich beraden voor den Koning plaatste; âLaat niemand het wagen een stap nader te komen, of âquot;
âBedaard, cher frère,'' zeide de Koning: âdeze menschen hebben volkomen gelijk, en ik schaam mij, dat ik hen niet begrepen heb.quot;
Hij stond op, en kalm en vriendelijk door de hem omringende mannen heen stappende, die verbaasd terugweken voor dezen man, die in het geheel niet op hen scheen te letten of hen te zien, naderde de Koning de jonge vrouw, die afgemat en uitgeput op den grond geknield lag.
Met een liefderijken en deelnemenden glimlach deed de Koning haar opstaan, en geleide haar voorzichtig naar zijne plaats. Er lag in zijn doen iets zoo ridderlijks, edels en innemends, dat de lieden, die een oogenblik te voren nog zoo opgewonden en boos waren, er zich onwillekeurig door ge-trolfen en ontroerd gevoelden. Een gemompel van goedkeuring verhief zich, en de ruwe gelaatstrekken vertoonden nu een vriendelijken glimlach.
De Koning lette er niet op. Hij was nog altijd met de vrouw bezig, en terwijl hij met de kinderen scheen te spelen, drukte hij ieder van hen een goudstuk in de hand. Maar deze handjes waren niet gewoon zulk een schitterenden last te dragen, of te zwak om dien vast te houden. De beide goudstukken vielen op den grond, en hun heldere klank verkondigde den omstanders het schitterend geschenk. Zij braken in een luid en onstuimig gejuich los, en zwqiaiden met hunne hoeden. De Koning bloosde en zag verschrikt en verlegen om.
De boer, die den Koning zoo driftig had aangesproken, en voor wiens voeten de goudstukken gevallen waren, nam ze op en gaf ze aan de kinderen terug; daarna stak hij den Koning, onder luid lachen, zijn breede, ruwe hand toe, en sprak levendig en op hartelijken toon.
133
âDe yoede man bedankt u, mijnheer,quot; verklaarde de vreemdeling; âhij vindt,quot; zegt hij: âdat gij toch een zeer fatsoenlijk en goedhartig mensch zijt, en vraagt excuus, dat hij vroeger zoo driftig is geweest.quot;
De Koning antwoordde slechts met eene stomme buiging van het hoofd; hij, die gewoon was, den blik eener ge-heele wereld, als eene hem toekomende schatting, op zich gevestigd te zien, gevoelde zich nu bijna verlegen en beschaamd over de goedkeuring dezer arme, eenvoudige men-schen, die hem stellig niet in zijn rang als Koning, maar in dien van mensch toejuichten en den laatsten eene hulde bewezen, zooais de eerste nog nooit ontvangen iiad!
De Koning had dus wèl gelijk gehad mei te zeggen, dat hij zijn koningschap en zijne majesteit in de kleerkast gehangen, â en een nieuwen mensch had aangetrokken. Hij gevoelde zich als mensch inderdaad verward en verlegen, en was blijde, dat Deesen hem kwam zeggen, dat het avondeten in de roef opgediend was.
Hij gaf Balby een wenk hem te volgen, en spoedde zich vluchtig groetende, naar de roef.
âNu,quot; zeide hij: âwanneer het leven alle dagen zoo vele avonturen aanbiedt, begrijp ik waarlijk niet, hoe de menschen steeds over verveling klagen. Hoe vele en boe heerlijke avonturen heb ik vandaag bijvoorbeeld al niet beleefd.quot;
âMaar onze avonturen liggen enkel in het eigenaardige van onzen toestand,quot; zeide Balby : âal deze kleine avonturen waren eigenlijk ergerlijke en onaangename plagerijen, terwijl zij nu hoogst grappig en kluchtig worden, omdat zij een vermomden Koning overkomen.quot;
âMaar de vermomde Koning kon er veel uit leeren,'' zeide Frederik glimlachend: âvan heden af aan verwondert het mij niet meer, dat men de politie eene hatelijke instelling noemt; want zekerlijk, zij heeft iets afschuwelijks, hoewel zij eene noodzakelijkheid is. De politie is de publieke aanklager der menschen, en onze waardige postmeester had volkomen gelijk, met te zeggen, dat de politie een ieder voor een misdadiger moet houden, zoolang hij het omgekeerde niet bewezen heeft. Helaas, hoe ver zijn wij van onzen oorspronkelijken toestand afgedwaald; de wijzen zeggen immers dat de mensch van nature goed is, en nu is het al zóó ver gekomen, dat de politie ons weder goed maken, â
134
en den duivel uit ons verdrijven moet. Laat niemand mij ooit meer spreken van eene gelijkheid met God, of van den schitterenden stempel, waarmede God het voorhoofd der Vorsten gemerkt en onderscheiden heeft boven de gewone menschenkinderen. Mijnheer Nikolaas heeft er niets van op mijn voorhoofd gelezen, en ik had voor hem het gelaat van een misdadiger, totdat ik mij door mijn pas als een eerlijk man had doen kennen. Arme, beklagenswaardige mensch-heid; hoe diep zijt gij gevallen, sedert moeder Eva onder de verleidende kunstgrepen der slang bezweek; en hoever hebben wij allen ons van het paradijs der onschuld verwijderd! Maar laat ons deze grillige droomerijen voor onze geurige pastij laten varen. Kom, vriend, laat ons beginnen.quot;
Onder het eten koutte de Koning met een innig genoegen over de heerlijke avonturen van den dag.
âWaarlijk,quot; zeide hij lachend, toen het tooneel boven op de schuit met al zijne bijzonderheden weder voor zijn geest kwam; âwaarlijk, zonder de tusschenkomst van dien geleerden vreemdeling zoude het allicht hebben kunnen gebeuren, dat Zijne Majesteit de Koning van Pruisen in zeer onaangename, handtastelijke aanraking met de eerlijke, Hollandsche boeren gekomen ware! Och, en ik heb mijn reddenden engel nog niet eens bedankt! Gij hebt met hem gesproken, broeder Hendrik. Wie is hij ? Hoe heet hij ?quot;
âDit kan ik niet zeggen, omdat ik zijn pas niet gezien heb!! â Maar het schijnt mij toe, dat hij een zeer beminnelijk, beschaafd man is, van fatsoenlijke manieren en eene edele denkwijze.quot;
âGa dan naar hem toe, en vraag hem, of hij lust heeft een stukje van onze pastei te proeven; zeg hem, dat mijn heer Zollern hem gaarne voor ziine hulp zoude willen bedanken, en om de eer van zijn bezoek vraagt. Merkt gij wel, vriend, dat ik al wat beleefder begin te worden en mij leer schikken en buigen, zooals het een arm, reizend muzikant betaamt? Wees toch vooral beleefd in uwe uitdrukking, anders houd ik het er voor, dat die man in staat is zijn bezoek te weigeren; en ik verlang naar menschen.quot;
Balby ging heen, en kwam na eenige minuten met den vreemdeling terug.
âHier, vriend,quot; zeide Balby: âbreng ik u onzen redder in den nood. Hij mag wel zijn aandeel van de pastei hebben.quot;
135
En dul heeft hij eerlijk verdiend,quot; zei de Koning, den vreemdeling vriendelijk groetende: âja, inderdaad, monsieur, ik heb veel verplichting aan u, en het stukje pastei, dat ik de eer heb u aan te bieden, is slechts eene armzalige be-looning voor uwe aan mij bewezen diensten. Ik verbeeld mij, dat ik nooit zulke groote vuisten gezien heb als van deze Hollanders, en eene nadere kennismaking met haar zoude mij zeer lastig gevallen zijn. Ik dank u, dat gij mij daarvoor bewaard hebt.quot;
âOp reis maakt men zeker kennissen van allerlei aard,quot; zeide de vreemdeling lachend, met eene buitengewone gemeenzaamheid naast den Koning op de lederen bank gaande zitten, welke gemeenzaamheid Balby deed ontstellen: âDe uwe, mijne heeren, reken ik onder de aangename, en bedank li, dat gij mij er in doet deelen.quot;
âIk hoop, dat gij de kennismaking met deze pastei mede onder de aangename zult rekenen. Eet dus, mijnheer, en praten wij intusschen een weinig! Maar broeder Hendrik hoe staat gij daar zoo met een ernstig en eerbiedig gelaat, en waagt het niet eens te gaan zitten? Ik ben niet bang, dat deze vreemdeling een vermomd Vorst is, die incognito reist, en wiens verheven rang gij wellicht meent ontdekt te hebben.quot;
âNeen, mijnheer, ga maar gerust zitten,quot; zeide de vreemdeling lachend: âgij behoeft niet bang te zijn de etiquette te beleedigen, want ik geef u mijn woord, dat ik geen vermomd Vorst ben, maar óók geen vorstendienaar, en ik erken gaarne,- dat ik op beide even trotsch ben.quot;
âZoo, gij zijt er dus trotsch op, geen Vorst te zijn?quot;
âWel zeker mijnheel'!quot;
âHet schijnt mij evenwel toe,quot; zeide Balby met een vej-legen blik op den Koning: ,,dat het eene zeer verhevene en groote roeping is, een Vorst te zijn.quot;
âMaar eene roeping, welke helaas weinig Vorsten naar waarde weten te volgen,quot; zeide de Koning glimlachend: âhet zijn kleingeestige, vreesachtige, door vooroordeelen benevelde menschen, onze Vorsten en Koningen van den tegenwoordigen tijd; en zelden gebeurt het, dat men onder hen een mensch vindt. Wie zou dus kunnen wenschen, de dienaar van die kortzichtige, kleingeestige menschen, of zelfs een van deze te zijn ? Elk vrij man is benijdens-
136
waardig, die zich zei ven voldoende, â en in zich zei ven vrij is.quot;
âGij spreekt daar volkomen mijne eigene gedachten nit, mijnheer,quot; zeide de vreemdeling, die juist begonnen was, met veel ijver zijn stukje pastei te gebruiken; âGrelukkig is hij, die vrij is!quot;
âZijt gij het?quot; vroeg de Koning.
âJa, mijnheer, voor het oogenhlik ten minste ben ik het nog.quot;
âWat voor landsman zijt gij?quot;
âEn Zwitser, mijnheer!quot;
âEen zeer eerwaardig volk! â Uit welke streek?quot;
âUit het kleine stadje Morges!quot;
âDus niet ver van Lausanne, aan de oevers van het meer van Genève. Niet ver van Ferney, waar de groote Voltaire zijne residentie heeft opgeslagen, en heden zijn banvloek slingert, tegen diegenen, welke hij gisteren zegende. â Zijt gij met uwe regeering tevreden? Zijn uwe patricische familiên niet een weinig trotsch, ja zelfs uwe burgers van Bern, wanneer zij bij u komen? Zijn zij tiiet stijf, ver-.waand, ongevoelig?quot;
âDaarover hebben wij ons zelden te beklagen, en wij worden door menig voordeel schadeloos gesteld.quot;
âHebt gij u hier in Holland gevestigd?quot;
âNeen; ik ben slechts op reis,quot; hernam de vreemdeling verdrietig, pogende het stukje pastei, dat hij reeds zoolang op de vork had gehad, eindelijk in zijn mond te steken.
De Koning lette er niet op; hij had geheel vergeten, dat slechts Vorsten het recht hebben, al vragende een gesprek te houden, en dat dit mijnheer Zollern in het geh.eel niet paste.
âWaarom zijt gij hier gekomen?quot; vroeg hij haastig.
âOm mijne studie te voltooien,quot; hernam de vreemdeling, terwijl hij met een gefronst voorhoofd de vork met de opgepikte truffel weder op zijn bord legde.
Maar de Koning hield niet op met vragen, âzult gij u hier vestigen?quot;
,,Ik geloof het niet, of liever ik weet het nog niet,quot; antwoordde de vreemdeling met spottenden lach, welke Balby wanhopend maakte.
âBrengt het veelkleurige van de menigte vormen, in
137
den Zwilserschen regeeringsvoi m aaugonoraen, geene ver-watriug in het staatsstelsel?quot;
âNeen, want men weet, dat elk canton viii is, zoo als het zijn wil.quot;
âMaar brengt dit niet tot zelfzucht, ot tot onverschilligheid?quot;
Het geduld van den vreemdeling was uitgeput en zonder op 'sKonings verdere vragen te antwoorden, schoof hij het bord terug en stond op.
âMijnheer,quot; zeide hij vertoornd; âik neem de vrijheid op te merken, dat dit voor een stukje pastei, dat gij mij bovendien niet eens laat opeten, veel te veel vragen zijn.quot;
. )A gij hebt gelijk, en ik vraag u om vergeving,quot; riep de Koning, met een lachenden blik Balby toewenkende zich bedaard te houden: âGij weet immers, men reist om zich te onderrichten, en gij zult mij des te gereeder verontschuldigen, dat ik met genoegen aan deze neiging toegaf, omdat het slechts zelden gebeurt, dat men er'aan völdoen kan. Maar gij hebt gelijk! Ik zal u eerst wat rust gunnen, om uw stukje pastei te gebruiken. Eet dus, mijnheel', en straks zullen wij, als gij het goed vindt, nog wat praten!quot;
Toen de vreemdeling later, na een belangwekkend en levendig onderhoud, opstond om zich te verwijderen, reikte de Koning hem glimlachend zijne hand. âGeef mij uw adres,quot; zeide hij; âdat wil zeggen, â ik verzoek er u beleefd om. Gij zegt, dat gij nog geene betrekking gekozen hebt. Wellicht ben ik in de gelegenheid u van dienst te kunnen zijn, en u het een of ander aangenaam voorstel te doen.quot;
De vreemdeling reikte hem, onder levendige dankbetuigingen zijn kaartje over, en keerde naar het dek terug.
Dc Koning zag hem peinzend en glimlachend na. âDie man bevalt mij zeer, en ik zal hem bij mij laten komen, wanneer ik niet meer de arme muzikant ben. Maar wat zegt broeder Hendrik, van dien heer, die, zooals ik zie mijnheer Le Catt heet?quot;
âIk vind hem wel wat vrijmoedig en opvliegend,quot; zeide Balby: âhij schijnt een echte republikein te zijn.quot;
âO, dat verbeeldt gij u, omdat hij de Vorsten haat, en mij eenige lompheden gezegd heeft. Wat het eerste betreft, dit moet men een republikein vergeven, en ik verzeker u. dat ik, in zijne plaats, het wellicht evenzoo zou doen. Wat
138
echter het laatste aangaat, daarin had hij volkomen gelijk, den heer Zollern een beetje mores te leeren. Die arme man kan ziih volstrekt nog niet naar de gebruiken der gewone wereld schikken, en begaat allerlei vergrijpen legen de wellevendheid ; want mij dunkt, het is vandaag den eersten keer niet, dat men hem om zijn gemis aan beleefdheid, op zijne plaats gezet heeft.quot;
âMijnheer Zollern is in elk geval een Koning,quot; zeide Balby lachend: âen hij wil met de gewone maat gemeten worden! Dan worden de menschen boos, als hij niet goed in hunne maat wil passen, en ergeren ei' zich over, dat hunne el voor hem te kort is!quot;
âEn zij hebben gelijk,quot; riep de Koning: âwanneer men in het bosch gaat, moet men, â al is men een leeuw, â met de wolven huilen.quot; ^
1) Het geheele gesprek van den Koning met den beer Le Oatt is'historisch. Zie: Thiébault Vol. I. pag. 218. Vervolgens â Preuss. Frederik de (iroote. Deel I, pag. 368. 411. â De Koning vergat dit reisavontuur niet, maar liet dadelijk, na zijne terugkomst uit Holland, den heer Le Catt eene betrekking in zijne naaste omgeving, en wel als lector, aanbieden. Le Catt nam die betrekking aan, en genoot gedurende twintig jaren, de gunst en het vertrouwen des Konings. Toen werd hij van eene geheime briefwisseling met d'Alembert beschuldigd, met wien hij eene afspraak scheen gemaakt te hebben, om den Koning zekere indrukken en gezichtspunten te geven; ook beschuldigde men hem, dat hij zich verbonden had, door zijn invloed zekere gunstbewijzen van den Koning te verkrijgen, en daarin ook was geslaagd, door den Koning valsche berichten te geven. Zulk een handelwijze stond den Koning zeer tegen. Daar echter de feiten, waarvan Le Catt beschuldigd was, niet voldoende konden bewezen worden, bestond zijne straf daarin, dat hij wel is waar in zijne betrekking bleef, maar niet meer bij den Koning ontboden werd. Zoo verscheen dan Le Catt, aan wien de Koning geen enkel woord van wantrouwen of misnoegen liet blijken, eenige jaren achter elkander, geregeld des morgens in de voorkamer des Konings, maar moest, na eenige uren te vergeefs gewacht te hebben, ongeroepen weder heengaan. Eindelijk vroeg hij om zijn afscheid, dat hij ook kreeg. (Denkwürdigkeiten meiner Zeit. Von Christian Wilhelm von Dohm. Th. IV. s. 581).)
139
XIV.
TE AMSTERDAM.
Uitgeput en dood moede keerde do Koning met Balby terug naar het logement de Zwarte Raaf, dat toen een der eerste hotels van Amsterdam was. Zij hadden den geheelen dag rondgezworven, en met onvermoeide oplettendheid, met he't hoogste genot en de meeste belangstelling had de Koning de talrijke verzamelingen en kunstschatten der rijke en trotsche patriciërs van Amsterdam, alsmede de publieke musea bezichtigd. Niemand had vermoed, dat die kleine man, in dat eenvoudig gewaad, met bestoven schoenen en groven hoed, een Koning was, en nog wel een, wiens roem in geheel Europa weergalmde. Overal had hij daarom het genoegen gehad, onopgemerkt en ongestoord to kunnen studeeren, zonder in zijn schoon, romantisch avontuur, en in zijne droomerijen van geluk en onafhankelijkheid als mensch, gestoord te worden. Maar nu was de vrije mensch in hem tóch overwonnen, en wel door den honger, den aartsvijand van alle verheven gevoelens en gedachten.
De Koning had honger gekregen! Daardoor was hij gestoord geworden in zijne omzwervingen in de wereld dei-kunsten ; daarom had hij zich aan het strenge bevel van de machtige Natuur, waaraan ook een Koning moet gehoorzamen, onderworpen, en was hij met Balby naar het logement teruggekeerd, om uit te rusten en te eten.
âZorg nu, mijn vriend, dat wij wat lekkers en vertris-schends krijgen,quot; zeide de Koning, zich vol genot op de canapé uitstrekkende: âik kan mij bij voorbaat verblijden in het vooruitzicht op een heerlijk maal, eene genieting, waarom de Koning mijnheer Zollern nog dikwijls benijden zal; want hongerig te zijn, en dan te kunnen eten, ^ is eene weelde, welke den Koning ontzegd is. En toch,quot; vervolgde de Koning zacht en in gedachten voor zich heen sprekende: âtóch is ons geheele leven niets
140 â¦
anders dan een aanhoudende hongei- naar geluk, voldoening en rust, waarvoor, naar ik vrees, op aai'de geene verzadiging te vinden is. â Broeder Hendrik, laat ons eten en vroolijk zijn, en over een lekker maal denken, evenals een verliefd meisje over een versje in het album van haren minnaar peinst. Dwazen zijn het, die zich in hunne verhevene zinnelijkheid het aanzien geven, alsof hun het lichamelijke genot slechts een noodzakelijk kwaad is, en alsof het eten eene zeer lastige inspanning voor het lichaam is. Dwazen zijn het, die niet begrijpen, dat het eten óók eene kunst en wetenschap is; de eigenlijke ziel onzer ziel, het kompas van onze gedachten en gevoelens. Balby, bezorg ons dus een koninklijk maal, want heden wilde ik gaarne vroolijk en vrij blijven, luchtig en opge-ruimd, â maar daarvoor dienen wij vooral ons lichaam te koesteren, en het niet met gemeene, aardsche dingen lastig te vallen.quot;
.,Wij zullen het, hoop ik, het heerlijkste verschalï'en, wat de Hollandsche bodem oplevert,quot; zeide Balby lachend: âwant mijnheer Frederik Zollern weet volstrekt nog niet, dat wij hier in een hotel zijn, welks kasteleines door alle Hollanders aangebeden en verheerlijkt wordt.quot;
âEn dat kostelijke stuk menschenvleesch wilt gij ons voorzetten?'' riep de Koning ontsteld: âmet deze Hollandsche schoonheid wilt gij mij verzadigen?! Kom, kom, broeder Hendrik. Ik deel niet in de verrukking der Hollanders; ik vind deze vrouw niet aanbiddelijk schoon, maar afschuwelijk leelijk!quot;
âOch, mijnheer Zollern, die goede Mijnheers aanbidden jultrouw van der Blaken niet om hare schoonheid, maar om eene pastei, welke zij alleen in geheel Amsterdam kan klaar maken.quot;
âZoo, dat is wat anders, broeder Hendrik. Ik begin nu achting voor de Hollanders te krijgen, en zal mij gaarne onder hare aanbidders scharen, mits de pastei goed is.quot;
âGoed?quot; riep Balby met kluchtige overdrijving: âMerkte Uwe, - neen, merkte broeder Frederik dan niet, dat ik, terwijl gij vol geestdrift voor de beroemde Nachtwacht van Bembrandt stond, âquot;
âEene schilderij, die ik, helaas, niet zal kunnen krijgen,quot; zuchtte de Koning: âdie trotsche Mijnheers noemen haar
141
hun nationalen schat, en willen haar niet verkoopen!quot;
âMerktet gij niet, dat ik toen met .drie of vier van die kleine, dikke, welgedane Mijnheers druk aan het praten was? Gij dacht wellicht, dat wij zoo druk redeneerden over de heerlijke schilderij, waarvoor wij stonden, en dat die goede Hollanders daarom als in verrukking hnnneblikken opwaarts richtten? Neen, neen, mijnheer, wij spraken over eene pastei, üe nieuwsgierige Mijnheers vroegen mij, â want zij hadden ons als vreemdelingen herkend, â waar wij vandaan; kwamen en waar wij logeerden, en toen ik hun de âZwarte Raafquot; noemde, geraakten zij in geestdrift over de heerlijke patrijzen-pastei van juffrouw van der Blaken. Zij vertelden mij, dat deze dame door hare pastei, â waarvan niemand het recept kende, en die zij altoos geheel alleen en met zorgvuldig gesloten deuren maakte â in geheel Holland beroemd was geworden; dat men haar portret, voor de ramen van alle prentenwinkels had gehangen, en dat de Stadhouder bijna elke maand eens in het logement de âZwarte Raafquot; ging eten, enkel, om het genot van deze pastei te smaken, en dat juffrouw van der Blaken zich noch door bevelen en bedreigingen, noch door bidden en geschenken had laten ovei halen het recept af te geven, of op het kasteel te komen om daar zelve de pastei te maken. Zij zegt, dat deze pastei het schoonste eigendom van de âZwarte Raafquot; is, en wie het geluk wil hebben dit genot te smaken, moet juist naar de âZwarte Raafquot; komen en haar aan hare tafel gebruiken.quot;
âBalby, Balby, haast u en haal ons deze pastei!quot; riep de Koning haastig; âHoe gelukkig zijn wij in de âZwarte Raafquot; te logeeren! Spoed u dus, naar de groote juffrouw van der Blaken!quot;
En Balby snelde lachend heen, om juffrouw van der Blaken op te zoeken en zich bij haar te laten aanmelden.
Juffrouw van der Blaken ontving hem in haar kabinet, waarheen zü zich begeven had, om een weinig uit te rusten van het werk van den dag, die voor haar intusschen weder eene zegepraal en vermeerdering van haar roem was; want niemand in Amsterdam kon bogen op schooner tafel en keuriger gerechten, dan de eigenares van het hotel de âZwarte Raaf.quot; Zij was in groot toilet, want zij had juist
142
de eetzaal verlaten, waar zij als vrouw des huizes voorgezeten, â en de lofspraken van hare gasten ontvangen had. Die lofspraken weergalmden nog als eene verwijderde melodie in hare ooren? en zij liet zich met een zeker welbehagen op de canapé glijden, om er naar te luisteren. Toen ging de deur open en de Oberkellner meldde zijne meesteres den heer Zollern. â Het gelaat van julTrouw van der Blaken betrok, en zij was op het punt een weigerend antwoord te geven. Maar het was te laat, want de onbeschaamde heer von Zollern had de vermetelheid gehad, den bediende op de hielen te volgen, en maakte voor de alvermogende dame eene zeer eerbiedige buiging.
JulTrouw van der Blaken antwoordde slechts met eene lichte beweging van het hoofd en beschouwde den vreemdeling in zijne eenvoudige, alles behalve voorname kleeding, met een glimlach van minachting. Deze man scheen ook slechts bij vergissing in haar hotel verdwaald te zijn; hij had door rang, rijkdom of vermaardheid geen recht in het eerste logement van Amsterdam zijn intrek te nemen, en julTrouw van der Blaken verweet den Oberkellner met een blik, dat hij zich vernederd had, menschen van dat slag: zulke âheeren van Habenichtsquot; in haar huis toe te laten.
âMijnheer,quot; zeide zij op een scherpen, koelen toon: âgij komt u zonder twijfel verontschuldigen, dat gij heden niet met uw broeder, zooals alle dagen, aan mijne table d'hote geweest zijt; want men zal u stellig gezegd hebben, dat het onfatsoenlijk is in liet logement, waar men zijn intrek neeml, niet aan tafel te komen. Stel u evenwel gerust, mijnheer; ik ben volstrekt niet beleedigd, want als ik u aanzie, begrijp ik volkomen, waarom gij niet bij mij gegeten hebt, en liever ergens anders uw bescheiden maal hebt gebruikt. De table d'hóte in de Zwarte Baaf is stellig de duurste in geheel Amsterdam, en alleen voorname en rijke lieden zetten hunne voeten onder mijne tafel, en eten van mijnequot; borden.quot;
Dit zeggende, liet zij hare blikken vol minachting en onderzoekend op Balby rusten, die dit intusschen niet scheen op te merken, en hare honende taal niet scheen te begrijpen.
âJulTrouw,quot; zeide hij; âik ben zoo vrij u te doen opmerken, dat wij heden nog geen middagmaal gebruikt heb-
143
s
ben. Mijn broeder, â wiens wil ik gewoon ben in alle dingen te volgen, â mijn broeder boudt er niet van aan de table d'bóte te eten, maar verkiest liever het middagmaal op zijne kamer te bouden, waar men zich genoege-lijker en met meer rust aan het genot van uwe uitmuntende spijzen kan overgeven. Hij is het, die mij tot u zendt, jultrouw. Men heeft hem overal van de overheerlijke patrijzen-pasteien verhaald, die gij, juiïrouw weet toe te bereiden, en ik moest u dus uit zijn naam vragen, de goedheid te willen hebben, hem voor zijn middagmaal van heden er een te bezorgen.quot;
Juftrouw van der Blaken lachte luidt,,,Waarlijk,quot; zeide zij: ,,dat is geen verkeerde inval van mijnheer uw broeder. Ongetwijfeld zijn mijne patrijzen-pasteien in geheel Holland beroemd, en gewoonlijk heb ikeene pastei in voorraad, wanneer de een of ander aanzienlijkeen rijkectastereen verlangen mocht. Maar zul k eene pastei is niet voor iedereen.''
âDaarom verlangt mijn broeder ze ook niet voor iedereen, maar slechts voor hem zeiven, juiïrouw.quot; zeide Balby op vasten toon, die op de hoogmoedige logementhoudster wel eenigszins indruk maakte.
âMijnheer,quot; zeide zij, na een korte poos: âvergeef mij, zoo ik openhartig met u spreek. Gij verlangt eene van mijne beroemde pasteien te eten, en gij verlangt die daarenboven nog op eene geheel afzonderlijke kamer te gebruiken, zoo als de Stadhouder-generaal of de aanzienlijke Vorsten, die bij mij logeeren, dit gewoon zijn. Welnu, ik heb dezen morgen eene patiijzen-pastei met truffels en Indische vogelnestjes gereed gemaakt, maar, â gij kunt die niet krijgen; want, om u de waarheid te zeggen, is deze pastei ontzettend duur, en nóch gij, noch uw broeder zien er mij naar uit, dat gij die betalen kunt.quot;
Nu was de beurt aan Balby om luid te lachen, en hij deed dit met de ongedwongenheid en opgeruimdheid van iemand, die zich volkomen zeker, en volstrekt nietbelee-digd of verlegen gevoelt.
Juiïrouw van der Blaken gevoelde zich door dit ongedwongen lachen niet zeer op haar gemaak. âGij lacht mijnheer.quot; zeide zij driftig: âmaar ik geloof wél reden te heb-ben, wanneer ik geene schatten bij u veronderstel. Gij zijt in bestoven kleederen, te voet in mijn logement gekomen,
144
alleen vergezeld door een bediende zonder livrei, die oen zeer kleinen reiszak droeg. Gij hebt dus geen équipage, geen bedienden of pakkage medegebracht. Gij ontvangt geene bezoeken en er schijnt ook geene af te leggen, maar blijft steeds in uw eentonig, onaanzienlijk, bruin gewaad. Gij hebt nog geen enkele maai des middags bij mij gegeten; gij brengt den geheelen dag buiten'shuis door, en wanneer gij des avonds terugkeert, vordert gij niets meer, dan een kop thee en eenige broodjes. Dit is niet de manier, m'ijn-heer, waarop aanzienlijke en vermogende lieden gewoon zijn te reizen, en ik heb dus wél het recht te vragen, of gij mijne pastei kunt betalen; wantik weet zelfs nog niet eens wie en wat gij zijt, en welke betrekking uw broeder, die mijne pastei verlangt, eigenlijk in de wereld bekleed.quot;
âO,quot; zeide Balby, die vermaak schiep in de drift der lo-gementhoudsler; âmijn broeder boteekent nog al wat in de wereld, en ik verzeker u, juffrouw, dat hij iemand is, wiens roem geheel Duitschland vervult.quot;
âOch mijnheer!'' zeide de logementhoudster, de schouders ophalende; ,,Zollern is voor ons hier een geheel onbekende naam. Wat is uw broeder dan, en waardoor is hij beroemd geworden ?quot;
âDoor zijne fluit,quot; antwoordde Balby met den meesten ernst.
Juffrouw van der Blaken stoof op en zag Balby met een toornigen blik aan. âGij waagt het dus den spot met mij te drijven?quot; vroeg zij op dreigenden toon.
âVolstrekt niet, juffrouw. Ik zeide u de meest ernstige waarheid. Mijn broeder is een beroemd virtuoos.quot;
âKen virtuoos,quot; herhaalde de Hollandsche vrouw, het hoofd schuddend. âDat is een woord dat ik niet versta! Wat is een virtuoos?quot;
âEen virtuoos, juffrouw, is een kunstenaar, die muziek maakt, en wel eene muziek, zooals buiten hem niemand die kan uitvoeren. Daarom geeft hij dan concerten en verkoopt de toegangskaarten tot hooge prijzen, en de lieden komen van alle kanten om zijne muziek te hooren, en er verbaasd over te staan. Mijn broeder is een virtuoos op de fluit, en ik verzeker u juffrouw, hij bespeelt haar zóó meesterlijk, dat alle menschen naar zijn pijpen moeten dansen. Hij ontvangt dus zeer veel geld door zijne fluit, en wanneer
145
hij hier een concert geeft, zult gij zien, dat alle aanzienlijke lieden gaarne zullen komen, om den beroemden virtuoos Frederik Zollern, te hooren spelen. Gij kunt hem dus gerust uwe pastei geven, want hij is wel bij machte die te betalen.quot; .
Juffrouw van der Blaken stond zonder een woord te zeggen van hare canapé op en ging naar de deur.
âKom, mijnheer,quot; zeide zij toen; âkom mee naar uw broeder.
En zonder antwoord af te wachten ging zij de deur uit, en den gang door, aan welks einde zich de deur bevond, die naar de kamers van den âvirtuoosquot; geleidde. Zij klopte even aan, en wilde toen de deur dadelijk openen. Ontsteld hield Balby hare hand tegen.
âJuffrouw,quot; zeide hij ; âveroorloof mij eerst binnen te gaan, en verlof te vragen of gij moogt binnenkomen.quot;
Hij wilde haar zacht van de deur verwijderen, maar de logementhoudster van de âZwarte Raaf' was geene vrouw die zich liet afwijzen.
âVerlof vragen of ik mag binnenkomen ?quot; herhaalde zij de schouders ophalende: âIk zal dat verlof in mijn eigen huis toch wel hebben!quot;
En met vaste hand klopte zij nog eens aan de deur, die zij dan ook dadelijk opende, waarop zij bij den virtuoos binnentrad, gevolgd door Balby, die zich haastte den Koning door teekenen vergiffenis voor deze onvoegzaamheid te vragen.
De Koning, sloeg er geen acht op; zijne groote blauwe oogen staarden slechts op die vrouw, die met een trotsch glimlachend gelaat op hem toekwam, en hem met Hollandsche rondborstigheid hare groote ruwe hand ten groet toestak.
âMijnheer,quot; zeide zij op hare driftige besliste manier: âik kom zelve om mij te overtuigen, of hetgeen uw broeder mij van u gezegd heeft, de waarheid is.quot;c
âWelnu, juffrouw, wat heeft mijn broeder u van mij gezegd ?quot; vroeg Frederik met een opgeruimd, goedhartig glimlachje.
âHij zeide mij, dat gij zoo meesterlijk kunt pijpen, dal alles naar uw pijpen dansen moet.quot;
âFluiten, juifrouw, ik heb lluiten gezegd,quot; riep Balby ontsteld uit.
10
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. V.
446
âNu, Ãuiten of pijpen is hetzelfde,quot; zeide juffrouw van der Blaken hoogmoedig: âwees zoo goed, mijnheer, en blaas mij iets voor, dan zal ik omtrent de pastei mijn besluit nemen.
Met vragende en verbaasde blikken zag de Koning Ralby aan. âWilt gij zoo goed zijn, broeder,quot; zeide hij; âmij te verklaren, waarover de juffrouw spreekt, en wat zij van mij verlangt ?quot;
âSta mij toe, u dit zelve te verklaren,quot; zeide de logementhoudster: âdeze heer komt bij mij, en vraagt uit naam van zijn broeder eene pastei, die den roem en het aanzien van mijn huis gevestigd heeft. Ik heb wel is waar er eene gereed gemaakt, maar ik wilde haar uwen broeder nietgeven. Weet gij waarom? Omdat mijne pastei zeer duur is, en ik volstrekt geone reden heb te gelooven, dat gij in staat zijt dure dingen te betalen. Dit heb ik uw broeder gezegd, en ik had er nog bij â¢kunnen voegen, dat het mij waarlijk leed doet, u in mijn logement te zien. Niet om uwe personen; integendeel, gij schijnt mij beiden zeer goedhartige en bescheiden lieden te zijn; maar om uwe beurs, die waarschijnlijk met de rekeningen der eerste logementen nog nimmer kennis maakte, en wel eenigszins verwonderd zijn zal, wanneer gij van hier vertrekt. Maar uw broeder verzekerde mij, toen ik hem mijne bedenkingen mededeelde, dat gij zeer goed in staat waart, mijne dure pastei te betalen, en dat gij veel geld verdient, omdat gij een groot virtuoos zijt, en concerten geeft, waarvan de toegangskaarten tot hooge prijzen verkocht worden. Nu wil ik mij zelve overtuigen of hij gelijk heeft, en of gij inderdaad een groot muzikant zijt, die in staat is iets te verdienen. Pijp mij dus iets voor, en dan zal ik beslissen, of gij de pastei kunt krijgen.quot;
Met een vroolijk lachje had de Koning haar aangehoord, en gaf nu aan Balby een beteekenisvollen wenk. âBreng mij de fluit, lieve broeder,'' zeide hij: âik wil eens beproeven, juffrouw van der Blaken te overtuigen, datik inderdaad een virtuoos ben, die geld kan verdienen.quot;
âLaat ons dus luisteren,'' zeide juffrouw van der Blaken, terwijl zij zich op haar gemak op de canapé plaatste, waarvan de Koning juist was opgestaan.
De Koning nam de fluit ter hand en maakte op de ern-
147
stigste wijze een' diepe buiging voor de kasteleines. Toen bracht hij de lluit aan zijne lippen en begon te spelen. Maar niet op zijn gewone, meesterlijke wijze, niet in die bezielende, verhevene en indrukwekkende melodie, niet met die zachte, slepende, wegstervende, klagende, jubelende tonen, zooals hij anders speelde. Het was een schitterend, afwisselend allerlei; een verbindend heen en weder rollen van tonen, het waren de rijkste trillers en fiorituren, de heerlijkste dubbele trillers en toonladders, bet was eene verwonderlijke verzameling van alle overwonnen moeielijk-heden op zijn instrument; alleen ontbrak aan het bonte, schitterend geheel, geest en gedachte, alleen de melodie ontbrak er aan. Het was enkel een schitterend kunstenaarsstuk, maar geene muziek.
Maar juffrouw van der Blaken luisterde intusschen met steeds toenemende verrukking naar deze verwonderlijke oefeningen; die trillers, die van octaaf tot octaaf sprongen, ontlokten haar luide uitroepen van bijval; die toenemende, volkornene toonladders deden haar van genot sidderen, en toen de Koning nu met eene schitterende cadence eindigde, klapte zij met een luiden jubelkreet in de handen.
Toen stond zij op, en zich vol eerbied voor den kunstenaar in het onaanzienlijke bruine gewaad buigende, zeide zij plechtig: âMijnheer, uw broeder heeft gelijk. Gij zijt wel in staat met uw pijpen geld te verdienen, want gij pijpt nog fraaier dan mijne vink. Gij zult dus mijne pastei hebben, ik ga om ze u te laten brengen.quot;
Zij knikte de beide heeren Zollern vriendelijk en welwillend toe, en verwijderde zich toen haastig.
âNu,quot; zeide de Koning lachend: âdat was toch waarlijk een alleraardigst tooneel, waar ik ,u, broeder Hendrik, inderdaad dankbaar voor ben. Het is ontegenzeglijk toch een trotsch en gelukkig gevoel, te weten dat men in staat is op zijne eigene beenen te staan, en zelf zijn onderhoud te verdienen. Al gaat nu Duitschland ook te gronde, dan zal ik evenwel niet van honger omkomen, want door mijne lluit zal ik het brood kunnen verdienen. Juffrouw van der Blaken zegt, dat ik het kan, en zij is eene bevoegde beoordeelaarster. Maar zeg zelf eens, broeder Hendrik, heb ik niet meesterlijk gespeeld?quot;
448
âJa, het was het schitterendste concertstuk, dat men hooren kan,quot; zeide Balby: âen heer Frederik Zollern kan er inderdaad op reizen; maar ik zoude hem niet raden, het aan Koning Frederik van Pruisen te laten hooren, want die zoude zeggen, dat het geen muziek, â maar een nietsbeduidend toongerinkel was!quot;
âBrave, vriend,quot; riep de Koning, zijn boezemvriend de hand toestekend: âja dat zoude hij zeggen! De heer Zollern heeft gespeeld als een echt virtuoos; dat is te zeggen, zonder geest of ziel, hij heeft geen muziek, maar kunststukken doen hooren. â O, ziedaar de pastei, en ik zeg u, zij zal mij kostelijk bevallen, want het is voor het eerst, dat ik met mijne tluit iets verdiend hebt. Laat ons nu gaan eten, broeder Hendrik!quot;
XV.
DE KONING ZONDER SGMOENEN.
De pastei voldeed inderdaad geheel aan den roem die van haar was uitgegaan, en de Koning gebruikte haar met dat vroolijk welgevallen, dat men steeds gevoelt, wanneer men aan de moeielijkheden, die zich er voor opdeden, een genot heeft afgedwongen. Hij was opgeruimd en spraakzaam, en vermaakte zich met de herinnering aan al die kleine avonturen, welke dit incognito-reisje van vijf dagen hem reeds had aangeboden.
âMaar spoedig zullen het tempi passati z\]n, Aeze (jiorni felici,quot; zeide hij zuchtend; âheden is de laatste dag van onze vrijheid en van ons geluk, en morgen moeten wij reeds weder ons juk opnemen, en het fraaie bruine vir-tuozengewaad met de ijdele uniform van onze heerlijkheid verwisselen.quot;
âNu, ik weet ten minste iemand, die er gelukkig door zijn zal,quot; zeide Balby lachend; ,,dat is de ongelukkige
149
Deesen, die mij straks mot plechtigen ernst verzekerde, dat hij zich in het IJ zal werpen, wanneer hij nog langer deze onwaardige rol van een bediende zonder livrei, van een bediende van twee gewone muzikanten moet spelen. Onder het storten van tranen klaagde hij mij, dat geen fatsoenlijk mensch hier in huis hem met een woord ver-. waardigde; dat geen der lieve meisjes op zijne teedere verzuchtingen en zijne gevoelige woorden acht geeft; alleen de werkmeid en de stalknecht hebben hem gisteravond Liilgenoodigd thee tej drinken in den paardenstal en deze uitnoodiging heeft hem nog meer gegriefd, dan de verachtende hoogmoed van de overigen!quot;
De Koning lachte. âDe kleeren maken den man,quot; zeide hij: âindien Deesen zijne livrei als kamerhuzaar droeg, zouden deze hoovaardige schoenen, die hem nu versmaden', hem met smachtend verlangen te gemoet zien, en de arme werkmeid en de stalknecht zouden het uit louter eerbied niet durven wagen, hem aan te spreken. Hoe zonderling is de wereld toch samengesteld! Men zou somtijds op het denkbeeld komen, dat onze hooggeroemde menschelijke waarde niets te beteekenen heeft, maar dat God slechts schertsende een hooger apengeslacht schiep, dat zich mensch noemt, en zich verbeeldt iets hooger te staan, dan alle overige levende schepselen. Wij verschillen van de apen daardoor, dat wij niet naakt gaan ;en onze kleeding noemen wij beschaving. Maar door de kleederen vergeten wij dikwijls de menschen die ze dragen, en wanneer het kleed maar door fraaie kleuren schittert, valt het domme volk aanbiddend ter aarde, en ziet van louter verrukking niet, dat er een baviaan, en geen godheid in het fraaie, vergulde, met orde-teekenen versierde gewaad steekt. Nu, wij zullen door zulke gedachten heden onze goede luim niet laten bederven, maar de weinige uren van vrijheid nog bekoorlijk gebruiken en ons ten nutte maken. Wij moeten nogeenige verzamelingen bezichtigen, waar heerlijke stukken van Rembrandt en Rubens te koop zijn, en waarover wij met den tegenwoordigen eigenaar onderhandelen moeten. Dan heb ik eindelijk nog eerie zeer belangrijke zaak te behandelen met den vermogenden en grooten bankier Witte, bij wien ik het bedrag van een wissel moet ontvangen. Want gij weet, julfrouw van der Blaken is duur, en de kunslkoo-
150
pers hier zullen ons ook op ons eerlijk gezicht geen schilderstukken alle vieren, wanneer wij hun geen geld toonen!quot;
âVerkiest uwe â verkiest gij niet, dat i/c naar den bankier ga en het geld ontvang?' vroeg Balby.
,,Volstrekt niet! Het is zulk een heerlijk genot zich zei ven te bedienen cn zijn eigen meester en dienaar te zijn. Laat het mij nog eenige uren genieten, Balby!quot;
En de Koning nam den arm van zijn vriend en begon zijn tocht weder naar die talrijke schilderstukken en kunstschatten, welke de Koning voor zijne galerij in Sanssouci en Berlijn wilde aankoopen. â Met de meest voorkomende vriendelijkheid en eerbiedigste beleefdheid kwam men hem overal te gemoet, want men wist dat zij niet enkel a!s kijkers, maar als koopers kwamen, en dat men dus niet enkel kunstliefhebbers, maar ook goed gevulde beurzen begroette.
De Koning begreep deze kruipende beleefdheid der kunsthandelaars en oudheidkoopers zeer goed, en toen zij nu het huis van den laatsten rijken handelaar verlieten, zeide hij adem scheppende: âIk ben blijde, dat het voorbij is! De lompheden van den postmeester te Grave waren mij liever, dan de beleefdheden dezer lieden. Gene beschouwde ten minste nog mijn gelaat, mijn eigen ik, dat hem als dat van een misdadiger voorkwam: maar deze menschen zien niet naar mij, maar naar mijne beurs, en dat is walgelijk. Er bestaat slechts ééne mogendheid op aarde, wier macht onwankelbaar is, en wier heerlijkheid niemand betwijfelt; deze mogendheid is het geld; maar vraiment, die kan zich niet door Gods genade noemen. Kom, Balby, wij hebben genoeg schilderstukken gekocht; wij zullen nu nog slechts schilderstukken bezichtigen, en ons zonder eigenbaat in de kunst verheugen. De rijke bankier Abramson moet eene scboone verzameling van schilderstukken bezitten ; die willen wij nu nog gaan zien, en dan zullen wij den wissel incasseeren.quot;
Het scboone, prachtige huis van den bankier Abramson was spoedig gevonden ; de beide broeders Zollern traden vol zelfvertrouwen het voorportaal binnen, en eischten van den zich daar bevindenden, rijk gegaloneerden bediende, hen naar de galerij te geleiden
âliet is heden de dag niet,quot; zeide de van goud blinkende
151
bediende, met een verachtelijk schouderophalen de beide vreemdelingen opnemende.
âNiet de dag, welke dag niet?quot; vroeg de Koning barsch.
âNiet de dag, waarop de galerij voor ieder toegankelijk is. Gij moet tot aanstaanden Dinsdag wachten.quot;
âOnmogelijk! wij vertrekken morgen. Ga naar uw meester en zeg hom, dat twee vreemdelingen zijne galerij wen-schen te bezichtigen, en hom verzoeken, dat hij haar voor hen opene.quot;
Er lag zóó veel verhevenheid en onweerstaanbaars in de woorden en houding van den vreemdeling, dat de bediende, bijna verbaasd over zijne eigene toegevendheid, het niet waagde hem tegen te spreken, maar zich verwijderde om het zijn meester te berichten.
Na verloop van eenige oogenblikken keerde hij terug om den vreemdelingen mede te deelen, dat de heer Abram-son zelt zoude komen, om met hen te spreken.
Dadelijk daarop werd de deur geopend, en de heer Abramson trad het voorportaal binnen. Zijn gelaat, dat eerst vriendelijk en glimlachend was, werd donker, toen zijne zwarte schitterende oogen deze vreemdelingen ontwaarden, die daar in het midden van het voorportaal stonden.
âGij wenscht mij te spreken?quot; vroeg hij op dien hoogmoedigen toon, welke rijkje worden kooplieden dikwijls [ilegen aan te nemen: âWat verlangt ge van mij ?quot;
Het heldere voorhoofd des Kon in gs verduisterde een igs-zins, en een toornige blik uit zijne oogen trof den over-moedigen geldman, die met het hoofd trotsch opgeheven, met de beide handen in de zakken van zijn pantalon, tegenover hem stond, en zich achteloos op de hielen heen en weder bewoog. Zijn gelaat werd echter terstond weder opgeruimd, en met de meeste bedaardheid zeide hij: âMijnheer, wij wenschen, dat gij ons uwe galerij laat bezichtigen.quot;
De toon, waarop hij sprak, was wel is waar minder verzoekend dan gebiedend, en wekte dus den licht ontvlambaren toorn van den trotschen parvenu op.
âMijnheer,quot; zeide hij: âik heb eene galerij van kunstschatten tot mijn vermaak aangelegd, en haar met mijn geld betaald. Ik hen ook volgaarne bereid, haar aan diegenen te toonen, die geen geld genoeg bezitten om derge-
152
lijke kunstschatten te koopen, en ik heb, om lt;le nieuwsgierigheid der vreemdelingen te bevredigen, elke week een dag vastgesteld, waarop mijne galerij voor hen geopend is. Maar ik denk er zelfs niet aan, mij voor twee onbekende, geringe muzikanten moeite te doen.quot; J)
âDat wil zeggen, dat gij ons uw museum niet toonen wilt?quot; vroeg de Koning glimlachend, terwijl hij zacht zijne hand op Balby's arm legde, als het ware om hem te weerhouden, en de uitbarsting van zijn toorn te voorkomen. âDat wil zeggen, mijn museum is heden gesloten, enâquot; Juist rolde met donderend geraas een rijtuig voor het huis, de buitendeur van het voorportaal werd driltig geopend, een rijk gegalonneerde livrei-bediende trad binnen en zeide, recht op den heer Abramson toegaande: âLord Middlestone uit Londen verzoekt de eer te mogen hebben, uwe galerij te bezichtigen.quot;
Het gelaat van den bankier straalde van genoegen. âDat Zijne Edelheid de goedheid hebbe uit te stappen,quot; zeide hij: âik gevoel mij vereerd hem mijne kleine kunstvoorwerpen te mogen toonen. Mijne galerij is heden wel gesloten, maar voor lord Middlestone, â en slechts voor hem alleen, â zal ik haar openen.''
Zijn minachtende blik viel daarbij op de arme muzikanten, die ter zijde traden en sprakelooze getuigen vati dit tooneel geweest waren.
En nu werden de beide vleugeldeuren met gedruisch geopend. Op de armen van twee bedienden leunende, waggelde eene kleine, gekromde menschelijke gedaante, â een kleine, bevende, in bont gewikkelde grijsaard, â binnen. Dat was Zijne Edelheid lord Middlestone! En mijnheer Abramson snelde hem met diepen eerbied te gemoet, en ging achterwaarts voor hem uit, naar de deur die tot de galerij geleidde.
Aller oogen waren op deze droevige grootheid gevestigd; elk gevoelde, dat aan het huis van den heer Abramson eene hooge eer te beurt viel; want lord Middlestone, de gezant van den Koning van Elngeland, was tot hem gekomen, om zijne kunstschatten te bezichtigen 1 Dat was
1) 's Bankiers eigen woorden. Zie Tbiébault; Vol. 1, p. 217,
153
eene voldoening, die het hart van den bankier verheugde, en een nieuwen luister aan zijn huis verleende.
Terwijl de deuren der galerij nu \\ijd geopend werden, en de heer Abramson zijne Lordschap onderdanig daarheen geleidde, verliet de Koning met Balby onopgemerkt het huis van den Bankier.
Zijn voorhoofd was bewolkt; zwijgend en in zich zeiven gekeerd liep hij een poos langs de straat voort. Toen bleef hij eensklaps stilstaan, en Balby aanziende, barstte hij in zulk een luid, hartelijk lachen uit, dat de voorbijgangers er van ontstelden, en verwonderd naar hem omkeken.
âBalby, vriend,quot; zeide de Koning, nog steeds lachende: âik zal u iets grappigs bekennen. In mijn geheele leven heb ik mij niet zoo vernederd en beschaamd gevoeld, als op het oogenblik, toen Zijne Edelheid in triomf de galerij binnentrad, en wij beiden deemoedig het huis uitslepen. Waarlijk, ik ben zulk een dwaas, dat ik mij geërgerd heb, en tóch geVoel ik nu, dat dit tooneel iels onweerstaanbaar grappigs had. O, o, Balby, lach toch mede. Denk eens aan: wij beiden, die ons verbeelden een paar deftige, welgemaakte mannen te zijn, â wij, die dwepen] met het denkbeeld, niet door onzen titel en naam, maar door onze hooge waarde, door onze edele menschelijkheid iets te be-teekenen, â wij worden de deur uitgewezen, terwijl men dezen kleinen, uitgedroogden, walgelijken grijsaard met de diepste eerbewijzen ontvangt. Hij rook als een zalf-kistje, ons omgeeft de liefelijke geur der Am bra; alles te vergeefs; voor mijnheer Abramson heeft, hij den geur van manna!quot;'
âMijnheer Abramson heeft geen fijne neusquot; lachte Balby; âanders ware hij zeker flauw gevallen uit verrukking over den reuk van het koningschap. Maar in ernst, die mijnheer Abramson is een onbeschaamde vlegel, en ik verzoek Uwe Majesteit, den heer Zollern op hem te wreken.quot;
âDat zal ik, en ter wille van uw verzoek, zal ik u hel ongepaste âMajesteitquot; op onzijdigen bodem, vergeven. Ja, deze Abramson is een onbeschaamde vlegel, die eene bestraffing verdiend heeft. Hij heeft mij als man en als mensch beleedigd, daarvoor zal de Koning hem bestralTen. Dat kunnen wij beiden van hem als schadeloosstelling voor
154
onze vernedering vorderen. 1) â En nn onze laatste boodschap. Nu zullen wij^bij'den heer Witte geld incasseeren. Nu, ik wed, dat deze ons niet afwijst; want mijn wissel bedraagt tienduizend thaler, en hij zal dus wél ontzag hebben,â niet voor pns, maar voor het geld!quot;
De deftige en welvarende mevrouw Witte was juist met het stolTen en schoonmaken van hare pronkkamer gereed, en overzag nog eens met den blik van een kenster het geheele vertrek. Toen glimlachte zij tevreden, en moest bij zich zelve bekennen, dat er niets te wenschen over bleef. De spiegels en vensterruiten waten helder als een brand, de ingelegde vloer glom als een bruine ijsbaan; geen stofje lag op de zijden meubelstukken, noch op de gladgewreven tafels en kostbare kleinigheden, die hier en daar op marmeren tafeltjes en consoles stonden. Het vertrek was onberispelijk, en zelfs eene^indelijke Hollandscbe vrouw, kon over deszelfs netheid tevreden zijn. Mevrouw Witte daarentegen gevoelde er zich bijna treurig over, en de zucht, waarmede zij het vertrek verliet *en de deur achter zich sloot, werd haar niet door een gevoel van welgevallen, maar door leedwezen afgeperst. Zij moest nu voor de eerstvolgende dagen van hare geliefkoosde bezigheid afstand doen; er was niets meer af te stollen en schoon te maken in de pronkkamer, zij moest dus wel wachten; want alleen de pronkkamer mocht het vfeld van hare huishoudelijke bedrijvigheid zijn; alleen daar mocht zij hare geliefkoosde neiging den teugel vieren en zelve stollen en schoonmaken; alleen dai'ir had haar echtgenoot haar veroorloofd, voor dienstbode te spelen; daar buiten vorderde hij van baar, dat zij de vrouw des huizes, de aanzienlijke vrouw van den vermogenden bankier zoude voorstellen, en dat was eenc rol, die de goede Hollandsche vrouw weinig behaagde. Zij sloot dus, zooals gezegd is, met een zucht de
1
L)e Koning hield woord. Nooit schonk hij den bankier Abramson â die later vol schrik vernam, dat het de Koning was geweest, dien hij zoo onbetamelijk had afgewezen, â vergiffenis. Nooit stond de Koning toe, datdeze man behoorde onder degenen, waarmeden hel Prnische gouvernement in Holland onderhandelde; onverschillig of dit in hank- of handelszaken was; en mijnheer Abramson werd dus zwaar genoeg gestraft voor zijne onbetamelijkheid. (Thiébault; Vol. 1, pag. 216.)
155
deur van het pronkvertrek, en deed in de voorzaal hare schoenen, die zij bij het binnentreden der pronkkamersleeds uitdeed, weder aan,om zich voorzichtig, over den tapijtlooper, die door de voorzaal lag, naar de andere deur te begeven. â Op dit oogenblik hoorde men driftig aan de huisdeur schellen; mevrouw Witte snelde zoo spoedig hare gezetheid dit veroorloofde voort, om, volgens den aandrang van hare vrouwelijke nieuwsgierigheid, te zien, wie op zulk een ongewoon uur nog verlangde toegelaten te worden.
Het waren twee vreemdelingen, die het voorportaal reeds binnengetreden waren, en van den kantoorbediende, â die tevens de werkzaamheden van portier waarnam, â verlangden bij den heer bankier Witte toegelaten te worden.
âDe heer Witte is niet tehuis, en zoo uwe zaken niet dringend zijn, heb dan de goedheid morgen terug te komen.quot;
âMaar mijne zaken zijn wèl dringend,quot; zeide de heer Fre-derik Zollern schielijk : âik moet den heer Witte nog heden noodzakelijk spreken.quot;
âZoude hij mogelijk geld van hem willen leenen ?quot; dacht mevrouw Witte, die door de half geopende deur de beide vreemdelingen waarnam; âLeenen of crediet vragen zullen wel zijne zaken zijn.quot;
âEn is het geoorloofd te vragen, welke uwe zaken zijn?quot;' vroeg de kantoorbediende: âWant om den heer Witte, die zich in het casino bevindt, te durven halen, moet ik eerst weten wat gij van hem verlangt.quot;
âIk wenschte een wissel van tienduizend thaler l)ij hem in te casseeien,quot; zei Frederik Zollern barsch.
Nu werd de deur haastig geopend cn mevrouw Witte trad te voorschijn, om de vreemdelingen te begroeten. âHebt de goedheid, mijneheeren, binnen te komen,quot; zeide zij beleefd: ,,en mijn echtgenoot af te wachten. Ga, Andries, en haal hem.quot;
Andries snelde heen, en mevrouw Witte geleidde de beide vreemdelingen zwijgend over den tapijtlooper van de voorzaal. Voor de deur van het pronkvertrek gekomen, ontdeed zij zich met eene vlugge beweging van hare schoenen, en bleef toen staan, terwijl zij de beide vreemdelingen vol verwachting aankeek.
âWelnu, mevrouw?quot; vroeg de Koning: âMoeten wükhier
156
voor deze deur den heer Witte afwachten, of wilt gij uns soms in deze kamer lalen?''
âVoorzeker wil ik dat,quot; zeide zij welwillend: âmaar om dat te doen, wacht ik slechls op u !quot;
âOp ons? Wat moeten wij dan doen?quot;
âWelnu, hetzelfde wat ik deed; u van uwe schoenen ontdoen!quot;
De koning lachte luid. âMen betreedt dit vertrek dus niet met schoenen aan de voeten?quot;'
âNooit, mijnheer. Zoo is het gebruik hier sedert mijns grootvaders tijd. Hij liet het huis bouwen, en nooit heeft men sedert dien tijd dit vertrek anders dan op sokken betreden. Wees dus zoo goed u van uwe sfchoenen te ontdoen !quot;
Balby haastte zich aan haar afdoend bevel te gehoorzamen. âIk vertrouw, mevrouw,quot; zeide hij : âdat het voldoende is, wanneer ik het gebruik der familie van uw huis opvolg. Gij zult mijn broeder zeker van deze plechtigheid ontslaan kunnen?quot;
âEn waarom zoude ik dit doen?quot; vroeg mevrouw Witte verbaasd: âZijne schoenen zijn niet zindelijker en fraaier dan de uwe, ot die van een ander. Wees dus zoo good, mijnheer, u insgelijks van uwe schoenen te ontdoen.quot;
âGij hebt gelijk, mevrouw,quot; zeide de Koning ernslig; âmen moet immers wel om in den hemel te geraken, eerst den geheelen ouden mensch afleggen; het is dus niet te veel gevergd, dat men, om in uwe pronkkamer toegelaten te worden, slechts zijne schoenen behoeft achter te laten!quot;
Hij bukte zich om de gespen zijner schoenen los te ma ken; toen Balby hem hierbij behulpzaam wilde zijn, weerde hij hem af. âVolstrekt niet,quot; zeide hij: âgij zult mijne schoenriemen niet los maken, broeder Hendrik; want gij zijt meer waard dan dat, en mevrouw Witte mocht anders denken, dat ik mij vrij wat aanmatig, en een tiran voor mijn broeder ben. Zoo, mevrouw7, de gespen zijn los, daar liggen mijne schoenen, en nu zijn wij dus waardig in het heiligdom, uw pronkvertrek, toegelaten te worden.quot;
Met defügen ernst opende mevrouw Witte de deur en liet hen binnentreden, en terwijl zij zich toen naar baar eigen vertrek begaf, zeide zij opgeruimd bij zich zelve: âNu zal ik morgen wel weder iets af te stollen hebben.
157
want de kleederen dezer vreemdelingen waren zeer bestoven, en alle meubels zullen gewis met stof bedekt worden.quot;
De beide heeren Zollern wachtten intusschen in de pronkkamer op de komst van den heer Witte. De Koning ver ⢠maakte zich met een vroolijk lachje over hun kluchtigen toestand, terwijl Balby zuchtend op de ongeschoeide voeten des Konings zag, en oordeelde, dat de Koning aan de zonderlinge gril van deze Hollandsche vrouw niet had moeten toegeven om de schoenen uit te trekken, want de vloer was kaal, en de Koning liep gevaar er eene verkoudheid door op te doen.
âWel neen,quot; zeide Frederik: âmen wordt niet zoo licbt ziek. De menschelijke natuur in mij kan een goeden stoot verdragen, en wij mogen nog van geluk spreken, dat wij er zoo goedkoop afkwamen. Want zulk een rijk bankier, als mijnheer Witte, beteekent hier zooveel als de Paus te Rome, en het schijnt mij niette veel gevergd, dat wij, om den Hollandschen Paus te zien, ons van de schoenen moeten ontdoen. Bedenk eens, waarvan Keizer Hendrik de Vierde zich niet ontdoen moest, eer hij den Roomschen Paus te zien kreeg. Niet enkel van zijne majesteit en keizerlijke waardigheid, niet enkel van zijne schoenen, â maar ook van zijne kousen en nog eenige andere dingen. In het bloote hemd en barrevoets moest hij den Paus afwachten. Mevrouw Witte is inderdaad wel zeer goed, dat zij niet van ons vergt, ons in zulk een costuum voor haren Amster-damschen Paus te vertoonen.quot;
âMaar later kreeg de Keizer daarvoor ook, behalve Paus Gregorius, de schoone Mathilda te zien,quot; zeide Balby lachend: âen mij dunkt, mevrouw Witte is eene slechte schadeloosstelling voor ons boetelinggewaad. Zij is âquot;
De deur achter hem werd haastig geopend, en de bankier Witte trad binnen. In het begin naderde hij met een kalm lachje, toen bleef hij als door schrik versteend staan, en zag den Koning aan.
âMijn God, Zijne Majesteit de Koning van Pruisen,quot; stamelde hij: âO, Majesteit, welk eene buitengewone gunst schenkt gij mijn huis, door het met uwe tegenwoordigheid te vereeren.'
âGij kent mij dus ?quot; vroeg de Koning glimlachend; âWelnu ^ dan, ik verzoek u mijn incognito te bewaren, en den
158
heer Frederik Zollern op dezen wissel hier tienduizend thaler te willen uitbetalen.quot;
Hij naderde den bankier om hem den wissel te overhandigen; maar nu uitte de heer Witte een kreet van ontsteltenis en stortte handenwringend op zijne knieën neder.
Eerst nu had hij gezien, dat de Koning zonder schoenen was.
âO, Majesteit, genade, genade!quot; smeekte hij met gevouwen handen; âvergiffenis voor mijne ongelukkige vrouw, die niet vermoeden kon, welk eene misdaad zij beging. Maar, mijn God, waarom gaf Uwe Majesteit ook aan haar ongelukkigen hartstocht toe? Waarom hebi gij niet geweigerd u van uwe schoenen te ontdoen?quot;
âWaarom ik dit niet deed? Nu, ma foi, omdat ik den Koning van Pruisen voor eene vernedering wilde bewaren; want ik geloof, dat mevrouw Witte, mij eer de deur had doen uitwerpen, dan mij te veroorloven, dat ik met mijne schoenen dit pronkvertrek betrad.quot;
âNeen, Majesteit, neen, zij zoude âquot;
Op dit oogenblik werd de deur geopend en mevrouw Witte, door de luide jammerklachten van haren echtgenoot opmerkzaam gemaakt, trad binnen.
âVrouw,quot; riep haar echtgenoot uit, terwijl hij opstond; âkom hier, kniel neder en vraag vergiffenis.quot;
âWenu, wat heb ik dan gedaan?quot; vroeg zij verwonderd. âGij hebt van dezen heer verlangd, dat hij zich van zijne schoenen zoude ontdoen.quot;
âWolnu, verder?quot;
âWelnu,quot; zeide de heer Witte plechtig, terwijl hij zijn arm op den schouder zijner vrouw legde, en beproefde haar te doen nederbuigen: âwelnu, vrouw; deze heer is Zijne Majesteit de Koning van Pruisen!quot;
iVlaar dit woord zoo rijk aan beteekenis, had niet die uitwerking, welke haar echtgenoot er van hoopte. Mevrouw Witte bleef kalm glimlachend op hare beide ongeschoeide voeten staan, en zag den Koning slechts nieuwsgierig en verbaasd aan.
âSmeek nu den Koning om vergiffenis wegens uw onbetamelijkheid,quot; gelastte haar echtgenoot: âbedenk toch, dat hij zich op uw bevel van zijne schoenen heeft moeten ontdoen!quot;
159
,,Welnu, waarom is dit dan eene onbetamelijkheid?quot; vroeg zijne wakkere wederhelft; âOntdoe ik zelve mij niet telkens van mijne schoenen, wanneer ik hier binnentreed? En het is toch mijne kamer, en niet die van den Koning van Pruisen!quot;
Met een gebaar van ontsteltenis sloeg de heer Witte de handen boven zijn hootd ineen. Maar de Koning barstte in luid en hartelijk lachen uit.
âHa, gij ziet dus, dat ik gelijk had, mijnheer,quot; zeidehij; âalleen door dat ik mijne gehoorzaamheid bewees, kon ik den Koning van Pruisen voor eene vei'nedering bewaren! 1) Maar laten wij nu naar uw kantoor gaan en onze geldzaken regelen. Daar zult gij mij wel veroorloven, mevrouw, mijne schoenen weder aan te doen.quot;
Zondèr een woord te spreben snelde de heer Witte naar het voorvertrek en haalde de schoenen des Konings, die hij haastig â niet voor den Koning, maar voor de deur, die naar zijn kantoor leidde, nederzette.
Driftig het hoofd schuddende ging de Koning over den tapijtlooper naar zijne schoenen, en liet ze zich door Balby aantrekken.
âMevrouw,quot; zeide hij: âik zie, dat gij inderdaad meesteres in uw huis zijt, en dat men u niet meer gedwongen, â maar reeds uit instinct gehoorzaamt, zelfs wanneer men er zich tegen schijnt te verzetten. God spare uw krachtigen wil, en uw â goeden man! Vaarwel!quot; â
âEn nu,quot; zeide de Koning, toen zij met hun geld den bankier Witte verlaten hadden en in hun logement teruggekeerd waren: ânu zullen wij toebereidselen maken, want ons incognito is verloren. Mijnheer Witte gaf ons wel is waar zijn woord, te zullen zwijgen, maar mevrouw Witte niet; aldus weet morgen geheel Amsterdam, dat de Koning van Pruisen hier is. Gelukkig weet de heer Witte niet waar ik woon, en dus hoop ik heden nog rust te hebben, maar morgen is het gedaan!quot;
De voorspelling des Konings was juist. â Mevrouw Witte had zich gehaast, hat-e vriendinnen de belangrijke
1
's Konings eigen woorden. Zie: Nicolai, aneodoten en karaktertrekken uit het leven van Frederik de Groote, 5de Verz., bladz. 31.
460
tijding mede te deelen, dat de Koning van Pruisen in persoon haren eclitgenoot bezocht had, en te A msterdam vertoefde. Als een sneeuwbal wentelde deze tijding zich van huis tot huis, van straat tot straat, en bereikte 'zelfs de deur van den eersten burgemeester van Amsterdam, die niettegenstaande het vergevorderd avonduur nog de ma-gisstraatsleden deed bijeenroepen, en hen over eene belangrijke zaak raadpleegde, tengevolge waarvan politieagenten naar alle logementen snelden, om de lijst van alle in de laatste dagen daar aangekomen vreemdelingen te vragen; want om den Koning te begroeten, moest men immers vóór alles vernemen, waar hij logeerde.
Den volgenden morgen vroegtijdig hield eene eenvoudige calèche, slechts met twee postpaarden bespannen, voor het logement, âde Zwarte Raaf/' stil. De gebroeders Zollern zouden vertrekken, en hadden juist, tot groote verwondering van juffrouw van der Blaken, niet alleen hunne rekening, zonder aanmerking er op te maken, voldaan, maar ook nog eone zeer milde gift voor de bedienden geschonken. De logemerithoudster was dus zelve op de stoep gekomen, om de beide achtenswaardige heeren Zollern vaarwel te zeggen, en knikte hen vriendelijk toe, toen zij juist de trappen afkwamen. Achter hen ging de bediende met het reiszakje en de beide muziekkistjes. Toen deze de logementhoudster en den achter haar staanden eersten bediende ontwaarde, naderde Deesen den Koning.
âMajesteit, mag ik nu?quot; fluisterde hij zacht.
âNu nog niet,quot; antwoordde de Koning glimlachend: âniet voor wij in het rijtuig zijn.quot;
Hij ging de trappen af; met een vriendelijk knikje groette hij de hótelhoudster, en trad met Balby de deur uit.
âZiet gij, vriend, hoe juist ik voorspelde?quot; zeidehij,met opgeheven vinger de straat op wijzende; âLaat ons instappen, het is hoog tijd te vertrekken, want zie slechts daarheen, hoe de zwarte raven komen aanvliegen, omdat zij de lucht van een lekker hapje voor hun snavel kregen.quot; â
Het was zoo! Aan het einde der straat naderde een plechtige, lange stoet van menschen. Voorop de beide burgemeesters in zwarte, met breede roodo opslagen voorziene tabbaarden, versierd met den zwaren gouden ambtsketting, en de groote, gepoederde allongepruiken
161
Op hen volgden in soortelijk gewaad de heeren raadsleden, aan wien zich een onafzienbare stoet derrijksteen aanzienlijkste burgers der stad had aangesloten.
Juffrouw van der Blaken was naar buiten op de kleine, zich voor het huis bevindende stoep getreden, en keek verbaasd naar den naderenden optocht. Terwijl zij nog met bare bedienden en dienstmaagden overlegde, wat dat beduiden zoude, warende beide heeren Zollern in de calèche gestapt en had de bediende naast den koetsier op den bok plaats genomen.quot;
âMag ik nu?quot; vroeg Deesen, zich weder tot den Koning wendende.
âNu - moogt gij,quot; zeide de Koning: âmaar haast u, want anders komt de stoet daar aanrollen en de allongepruiken kopen uw geheim iveg.quot;
âJulirouw van der Blaken,quot; riep Deesen van zijn zetel af: juffrouw van der Blaken 1 Weet gij wat de stoet daarginds beteekent?quot;
âNeen,quot; zeide zij op hoogen toon; âik weet het niet.quot;
âWelnu, ik zal het u zeggen, en let wel op. De magistraat komt hierheen om den Koning van Pruisen te begroeten.quot;
âDen Koning van Pruisen!quot; riep juffrouw van der Blaken buiten zich zeiven: âwaar is hij?quot;
âDaar is hij!quot; riep Deesen met een grijns van verrukking, terwijl hij op den Koning wees: âEn ik ben de kamerhuzaar van Zijne Majesteit. Nu voort,postiljon,snel voort!quot;
De postiljon sloeg op de paarden, en het rijtuig rolde voort, dicht langs den heer burgemeester en zijne raads-heeren, die met plechtig ambsgelaat voortgingen, om den Koning van Pruisen in de âZwarte Baafte begroeten, en niet vermoeden konden, dat hij hen juist met een spotten-den glimlach voorbijreed.
Twee dagen later stond de Koning met Balby en zijn kamerhuzaar weder naast den Pruisischen grenspaal, waar hij bij den aanvang der reis in en door den regen weeken kleigrond de woorden: âSire, Majesteit!quot; met zijn krukstok had geschreven.
âZie,quot; zeide hij, op den grond wijzende: âde beide zoo veel beteekende woorden zijn niet uitgewischt. De zon heeft den grond verhard, en zij bleven staan. Nu moet ik ze weder opnemen, en op mijne schouder laden, Beik mij
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. V. 11
162
de hand, Calby. De arme muzikanl Fredrik Zollern wil van zijn broeder afscheid nemen. Maar ik neem hier niet alleen van u afscheid, maar ik vrees óók van mijne jeugd. Deze reis was mijn laatste jeugdige trek! Nu zal ik oud en ookâkoud worden. Maar iets moet ik u nog zeggen, eer ik weder Koning word; â Zoo geheel ontevreden ben ik er niet over, want, in vertrouwen gezegd, het schijnt mij tamelijk moeielijk, een gewoon mensch te zijn, en mij dunkt, dat menige vernedering en menige onvermijdelijke heleediging daaraan verbonden zijn. De menschen beminnen en vertrouwen elkander niet bijzonder, dunk mij, en de een wreekt zich op den ander over de beleediging, die hij zelf door een derde ondervond. â Buitendien ben ik niet rechtop de hoogte van de beleefdheden in het dagelij ksch leven, en men heeft mij daarom, zooals u bekend is, menigen neus gegeven. Dan komt het mij toch over het geheel gemakkelijker voor, een neus te geven dan te krijgen, en zoo zal ik dan maar weder besluiten Koning te zijn!quot;
âWil Uwe Majesteit mij nog. een enkel woord veroorloven?quot; vroeg Deesen vooruittredende.
âSpreek, Deesen.''
âWelaan, dan dank ik den heer Zollern, dat hij mij het leven redde: want zoo waar God leeft, ik zoude van ergernis gestikt zijn, indien ik die trotsche Hollanders niet had mogen zeggen, wie de heer Zollern en wie ik zelf was.quot;
Het laatste was zeker wel de hoofdzaak,quot; zeide de Koning glimlachend : âde Koning diende sleclits om den kamerdienaar beter te doen uitkomen. Nu voorwaarts! Vaarwel, blauwe hemel, vrijheid en jeugdig genot! Vaarwel, Frederik Zollern ! â Zoo! Nu sta ik op Pruisischen grond; de blijde uren zijn voorbij en ik vrees. Bal by dat de ernst van het leven ons weldra krachtig zal boeien. Het zij zoo! ik neem mijn lot weder op. Ik ben weder Frederik von Hohenzollern!quot;
âEn ik heb de eer de eerste te zijn, die Uwe Majesteit op Pruisisch grondgebied begroet,'' zeide Balby, terwijl hij diep voor den Koning boog.
tvvkkdk: boek:.
DE OORLOG.
I.
V
DE NOODLOTTIGE TIJDING.
Prinses Amalia lag eenzaam, in diep gepeins verzonken, op de canapé; zij hield hare oogen ten hemel geslagen, terwijl hare sidderende lippen nu eens eene klacht, en dan weder eene bede lluisterden.
Amalia was ziek; zij was dit voortdurend, sedert die rampzalige dagen, toen zij opzettelijk haar gelaat verminkte, om zich daardoor van het gehate huwelijk te bevrijden. ^ llare oogen hadden nimmer hun vorigen gloed, hiin vorig vuur herkregen; zij waren steeds rood en als door tranen beneveld. Hare stem had voor altijd den zilverklank en de jeugdige frischheid verloren; als dolle graftonen drong zij uit hare kreunende en hijgende borst. Nijpende smarten doortrilden somtijds haar geheele lichaam, en deden hare leden in hevige kramptrekkingen ineenkrimpen.
Zij zag er uit als eene vrouw van zestig jaren, die het graf nadert. Maar in dit zoo vervallen, gebrekkig, sidderend lichaam woonde nog steeds eene sterke, krachtige, gezonde ziel; in de ingevallen, hijgende borst woonde een vurig, jeugdig, hartstochtelijk hart.
1) Zie: Frederik de Groote en zijne vrienden, door L. Miihlbach. 2 deelen.
164
En dit hart had zich met eene standvastige en ziekelijke kracht aan de liefde harer eerste jeugd gehecht. Zij had in wild verzet tegen haar ei^en noodlot, bij zich zelve de gelofte afgelegd, van die liefde nimmer afstand te doen; nimmer de trouw te breken, maar daarvoor alles te dulden, alles te lijden, en onder de stormen en smarten van een eenzaam en niet begrepen, veel gelaakt leven, met onwankelbare gelatenheid, met een steeds onbuigzamen moed, haar weg te vervolgen. â Zij was de martelares van hare geboorte en liefde geworden, en zij had haar matelaarschap met fiere vastberadenheid, met bezielde, blijde gelatenheid op zich genomen,
Sedert zij Trenck voor het laatst gezien had, waren jaren verloopen, maar nóg beminde zij hem. Zij wist, dat hij zijne liefde niet met die getrouwheid, welke zij elkander weder-kecSg beloofd hadden, bewaard had, âmaar evenwel beminde zij hem nog! Zij had haar koninklijken broeder plechtig beloofd, voor altijd afsland te doen van dien dwazen en dweependen wensch eener vereeniging met den geliefde; maar tóch beminde zij hem. Zoo zij niet voor hem leven mocht, wilde zij ten minste voor hem lijden; daar zij hem persoonlijk niet bezitten konde, wilde zij hem ten minste met hare ziel en gedachten toebehooren. En in hare gedachten behoorde zij hem toe, was zij geheel de zijne; hij bezat een heilig, onvergankelijk recht op haar, want voor God had zij beloofd, voor het geheele leven en in den dood zelfs, zijne gade te worden; wel is waar was er geen priester bij tegenwoordig geweest, maar God zelf was de priester, die hen vereenigde! Wel is waar hadden geene menschelijkegetuigen hunne heilige eeden vernomen, maar de sterren waren hunne getuigen geweest; zij hadden met schitterende liefdeblikken op hen nedergezien, en de heilige eeden der liefde gehoord, die zij eenmaal met Trenck wisselde. â Zij was dus de zijne, onveranderlijk, voor eeuwig! Hij had dus een recht op haar, op hare getrouwheid, hare liefde, ja, zelfs op hare lijdzaamheid en hare vergiiTenis. Zoo hij ook al van haar mocht afdwalen, zij mocht het niet doen; zij moest steeds gereed zijn,naar zijne stem te luisteren en hem de hulp, die hij verlangde, te verleen en.
Die liefde was haar godsdienst, hare levenskracht, haar
165
levensdoel geworden; als een talisman had zij haai' op hare gewonde borst gelegd, om er kracht door in te ademen; zonder die liefde zoude zij gestorven zijn, en slechts om haar te dienen leetde zij en beproefde zij hare smarten te bestrijden.
Maar het was een smartelijk, treurig leven, eene nimmer â¢eindigende marteling, een voortdurende strijd. Eenzaam en onbemind stond zij daar te midden harer bloedverwanten; gevreesd en ontweken door de lichtzinnige, verstrooiing en genot najagende hovelingen, die zich in hare sombere nabijheid steeds als door eene onwillekeurige huivering, â als door den adem des doods bevangen voelden; voor hare omgeving en dienaren een voorwerp van last en moeite, voor niemand een voorwerp van liefde, vrijwillige gedienstigheid en verkleefdheid. De eenige, die haar getrouw en oprecht bemind had, hare hofdame Ernestine von Haak, had haar óók verlaten en was met haren echtgenoot ver heengetrokken. Prinses Amalia was nu geheel alleen. Zij had niemand waaraan zij hare klachten, hare zorgen en angsten kon toevertrouwen; niemand, die den gesmoorden angstkreet van haar hart begreep, die voor hare smartelijke zuchten een woord van troost en mededoogen had.
Zij was geheel alleen; maar dit bewustzijn verhoogde hare kracht, en omgaf hare ziel als met een ondoordringbaar pantser. In dit bewustzijn gaf zij zich geheel aan hare gedachten, aan hare droomen over. Zoo bracht zij een wonderbaarlijk, vreemd, tweezijdig leven door. Uitwendig oud, vol hartzeer, ziekelijk en vervallen, was zij innerlijk jeugdig, vol levenskracht, vuur en geestdrift, uitgerust met onwankelbare kracht en gehard in het vuur van hare eigene smarten.
Zij lag op de canapé en zag peinzend naar den hemel op. Een vreemde, onverklaarbare â¢angst vervulde haar, en deed haar eene geheimzinnige huivering gevoelen. Altijd had zij het gevoeld, wanneer hèm een ongeluk dreigde, wanrieer zij van Trenck kwade tijding ontving. Het was, alsof hare ziel als door een electrieke keten aan hem verbonden was, en zij door den electrieken stroom op hetzelfde oogenblik den slag gevoelde, die hem getroffen had-Amalia geloofde aan zulke voorteekenen; zij geloofde aan drooomen en voorspellingen, zooals allicht diegenen doen.
lüü
aan wie het noodlot de ondervinding van het geluk weigerde, en die hel dus alleen in hunne droomen en verbeelding kunnen opzoeken. Zij hield er dus van, zich door waarzeggers en kaartleggers de toekomst Ie laten voorspellen, en zich op de duistere en droevige gebeurtenissen die haar wachtten, te doen voorbereiden.
Gisteren had de beroemde sterrenwichelaar Pfannenstiel haar voor een naderend onheil gewaarschuwd, en haar gezegd, dat eene wolk van droefheid op het punt was op haar neder te dalen. Prinses Amalia schonk geloof aan zijne woorden en verbeidde met vastberaden moed het losbarsten dier wolk, waardoor zij zich nu reeds als in een grijzen sluier gewikkeld voelde.
In zulke gedachten verzonken, werd zij door een zacht kloppen aan hare deur gestoord en hare hofdame trad binnen, om haar te berichten, dat de opper-kamerheer baron von Pöllnitz, ten gehoore verzocht toegelaten te worden. Amalia ontstelde en richtte zich met ongewone krachtinspanning uit hare rustende houding op.
âLaat hem binnen treden,quot; zeide zij schielijk. De hofdame verwijderde zich, om hem te halen. Dit korte oogen-blik van verwachting scheen Amalia eene eeuwigheid van angst; zij drukte hare hand op het hart, dat met zijn op-stuimig kloppen hare borst vaneen dreigde te doen springen. Met wijd geopende oogen onbeweeglijk naar de deur starende, waardoor hij moest binnentreden, overviel haar eene huivering toen zij het steeds glimlachend, eeuwig onveranderlijk gelaat van denonverstoorbaren hoveling ontwaarde, die nu met de freule von Marwitz haar boudoir binnentrad.
âWeet gij, Pöllnitz,quot; zeide zij op haar ruwen, gezagheb-benden toon: âdat ik geloof, dat uw gelaat niet uit vleesch en bloed bestaat, maar uit steen is gehouwen, of ten minste op zekeren dag versteend is?! Mogelijk sloeg de klok juist toen gij om de eene of andere boosheid lachtet, en toen is uw lach versteend, en. ontdooit nu nimmer weder; en gij moet steeds glimlachen met dien versteenden glimlach, dien ik nu ken, zoo lang ik leef, en die steeds het meest op uw gelaat schittert, wanneer gij het een of ander ongeluk hebt aan te kondigen!quot;
âNu, dan moet hij heden ten minste zeer droevig zijn,
167
die versteende glimlach,quot; zeide Pöllnltz lachend: âwantik kom volstrekt niet als Jobsbode, maar wanneer Uwe Koninklijke Hoogheid het veroorlooft, alseen soorf posLillond'amour.quot;
Prinses Amalia ontstelde, terwijl zij een enkelen blik op hare hofdame, freule von Marwitz, wierp; daar zij zeer goed wist, dat deze haar door hare moeder als opzichteres en bespiedster was toegevoegd en dal zij verplicht was, eiken dag aan de Koningin-moeder te berichten, wat in de vertrekken der prinses was voorgevallen. Zij zag zeer goed, dat freule von Marwitz met de grootste belangstelling op Pöllnitz lette, en zoowel zijne gebaren bespiedde,als zijne woorden met de grootste oplettendheid opving.
Pöllnitz vervolgde intusschen volkomen bedaard: âUwe Koninklijke Hoogheid is verbaasd? Het komt u voor, dat dit versteend gelaat weinig voor een posiillon cVamour geschikt is; en tóch ben ik er een, en ik moet de toestemming Uwer Koninklijke Hoogheid vragen, u onmiddelijk mijne boodschap te mogen voordragen.quot;
âMaar ik geef u die toestemming niet,quot; zeide Amalia ruw: âik heb niets met Amor te maken en ik vind hem even vervelend en oud, als den bode dien hij mij zond. Keer dus tot uwe godheid weder en zeg lïfem, dat mijne ooren doof waren voor zijn liefdegroet, en dtit het schorre gekras der raaf mij welluidender klinkt, dan de teederste woorden der liefde, die Pöllnitz kan kweelen!quot;
De prinses zeide dit op de haar eigene scherpe terugstoo-tende wijze, en met die (ierheid, waarmede zij, als met een afwerend pantser, hare gewonde borst omgeven had, ten einde zich daardoor voor elke aanraking en iedere toenadering te vrijwaren. En zij had dit doel volkomen bereikt; men kende en vreesde hare stekelige nabijheid en ontweek gaarne elke aanraking met haar, die steeds wondde: men verhaalde elkander hare scherpe en bijtende bonmots; ja, niet zelden gaven hare geestige, doch altijd bijtende gezegden eene welkome stof tot vroolijk onderhoud en vermaak; en niemand vermoedde of wist, dat Amalia enkel zulke scherpe en kwetsende pijlen om zich heen schoot, om alléén op den isoleerstoel van haar kommer te zetelen, en allen zóó ver van zich verwijderd te houden, dat niemand haar zuchten en kermen hooren, âof den kommer in hare gelaatstrekken zou kunnen lezen.
-108
âEn evenwel, allergenadigsle prinses, vraag ik om gehoor,quot; zeide Pöllnilz in onverslooi baar goede luim : âindien mijne stem scherper is dan die der raaf, welnu, dal Uwe Koninklijke Hoogheid mij dan suiker geve en zij zal zoo zacht worden als die van een onsclmldig meisje.quot;
âIk geloof dat een dukaat u liever ware, Pöllnitz,quot; zeide Amalia scherp: âmetsuiker is Pöllnitz niet te winnen, maar voor geld volgt hij den duivel zelfs in de hel.
âDaaraan heeft TJwe Koninklijke Hoogheid gelijk. Ik verlang buitendien niet in den hemel, maar in de hel te komen, want daar zal ik steeds in het beste en belangwekkendste gezelschap zijn. Menschen van genie zijn allen geboren galgenbrokken en eene zekere genialiteit heeft Uwe Koninklijke Hoogheid mij immers steeds toegekend. Hetzij dus zoo; ik neem den dukaat aan, dien Uwe Koninklijke Hoogheid mij aanbiedt en neem nu de vrijheid, miine boodschap mede te deelen. Ik kom namelijk als bode van Zijne Koninklijke Hoogheid prins Hendrik. Hij zendt aan de prinses, zijne beminde zuster, zijne hartelijke groeten, en verzoekt, dat hare Hoogheid hem de eer bewijze, heden over acht dagen, op een feest dat hij te Reinsberg geven zal, tegenwoordig te zijn.
âIs de heer opper kamerheer des Konings nu Hof-fourier van prins Hendrik geworden?quot; vroeg Amalia.
âNeen, Koninklijke Hoogheid; ik speel heden voor beunhaas van den Hof-fourier; want deze uitnoodiging is niet het hoofddoel mijner zending, maar om slechts de gelegenheid te hebben iets te kunnen bedingen.quot;
âIk wist het wel,quot; zeide Amalia met een spotachtig lachje; âmijn broeder bemint mij niet zoo zeer, dat hij mij tot zijne feesten zoude uitnoodigen, wanneer bij er geen bijoogmerk aan verbond. Welnu, wat verlangt prins Hendrik van mij ?quot;
âEene dienst. Koninklijke Hoogheid. Hij wenscht op den geboortedag van zijne gemalin, door zijne Fransche tooneel-spelers Voltaire's Rome sauvée te doen vertoonen, waarin Uwe Koninklijke Hoogheid voor eenige jaren geleden zulk een grooten opgang maakte. De prins herinnerde zich, dat Voltaire toen de rol van Amalia voor u inrichtte, en met bijvoegsels en veranderingen voorzag, en verzo ekt dus door mij, â den tegen woordigen Directeur des Spectacles de Rheins-
4üO
her-y, â ol gij de goecftieul wilt hebben hem deze rol voor zijne actrice af te staan.quot;
âWaarom noodigt hij mij niet liever uit, zelve deze rol te spelen?'' vroeg de prinses, aldus wreedaardig den spot met zich zelve drijvende; âMij dunkt ik zoude als Amalia zeer goed voldoen en mijn lieve nachtegaalstem zoude zeer veel indruk op het publiek maken. Het is zeer wreed van mijn broeder mij eene rol af te vragen, in wier bezit ik nog ben. Dat heeft de« schijn mij te willen bewijzen, dat ik oud en leelijk ben geworden.quot;
âNeen, Koninklijke Hoogheid; dat beteekent slechts, dat ditmaal dit treurspel door werkelijke tooneelspelers, â en niet gelijk toen door liefhebbers, gespeeld zal worden.quot;
âGij hebt gelijk,quot; zeide Amalia, eensklaps ernstig wordende: âtoen werd het door liefhebbers vertoond. Dat is nu voorbij, onze droomen zijn uit; wij zijn geene lief hebbers meer. â Freule von Marwitz heb de goedheid mij de rol te halen, die mijn broeder vraagt. Het is een manuscript, gedeeltelijk door Voltaire zelve geschreven.Gij vindt het in de lessenaar die in mijne kleedkamer staat.quot;
Freule von Marwitz verwijderde zich om het gevraagde te halen, maar terwijl zij dit deed, keek zij vol argwaan nog eenmaal naar Pöllnitz om, en liet, als bij toeval, de deur van het zijvertrek, â dat zij door moest om de kleedkamer te bereiken, â open.
Nauwelijks was de hofdame echter door de tweede deur verdwenen, toen Pöllnitz met jeugdige vlugheid naar de deur snelde en haar dicht sloot.
âPrinses,quot; zeide hij toen schielijk; âdeze last van den prins was slechts een voorwendsel; ik heb den kamerheer van den prins deze boodschap afgenomen, om zonder opzien te haren tot u te kunnen komen en de spioneerende hofdame te kunnen verwijderen. Luister nu wel toe. De Oostenrijksche legatieraad von Weingarten was heden bij mij.quot;
,,0, Weingarten,quot; fluisterde de prinses en hare geheele gestalte sidderde; âhij gaf u dus een brief voor mij ? Spoedig, spoedig, geef hem mij!quot;
âNeen, Koninklijke Hoogheid; hij gaf mij geen brief, want het schijnt dat hij die hem vroeger brieven zond, niet meer in staat is dit te doen.quot;
170
âIs hij dood?quot; riep Amalia vol schrik, terwijl zij als door den bliksem getrolTen op de sofa terugviel.
âNeen prinses, hij is niet dood, maar in groot gevaar. Hel schijnt dat de heer von Weingarten groot geldgebrek heeft; want voor honderd louis d'or die ik hem beloofde, vertrouwde hij mij, ilat men Trenck bij den Koning verdacht had zoeken te maken en hem gezegd had, dat Trenck van plan was hem te vermoorden.quot;
âLage lasteraars en leugenaars!quot; riep Amalia vol verachting uit.
âDe Koning heeft, naar het schijnt, aan dezen laster geloof gehecht; want hij heeft aan zijn gezant te Dantzig gelast, bij den senaat van Dantzig de uitlevering van Trenck aan' te vragen.quot;
âTrenck is niet tc Dantzig, maar te Weonen.quot;
âTrenck is te Dantzig, of beter gezegd: was te Dantzig.quot;
âEn nu?quot;
âNu,quot; zeide Pöllnitz op plechtigen toon; ânu wordt hij overgebracht naar Koningsbergen, en van daar verder naar eene of andere vesting; maar eerst naar Berlijn.quot;
De ongelukkige prinses uitte een kreet, die dof en akelig als de doodskreet van den nachtuil klonk. â âHij is dus gevangen?quot; steunde zij.
âJa, gevangen, Koninklijke Hoogheid, maar nog op het transport. Zoolang hij den drempel van zijne gevangenis nog niet overschreden heeft, bestaat er nog kans hem te redden. De heer von Weingarten, die, naar het schijnt. Uwe Koninklijke Hoogheid zeer is toegedaan, heeft mij voor u de geheele route dien het transport volgen moet, opgeschreven. Hier is zij.quot;
Hij overhandigde de prinses een blaadje papier, dat deze met bevende hand aannam, terwijl hare blikken haastig den inhoud overzagen.
âHij komt door Cöslin,quot; zeide zij toen bijna verheugd: âer is dus nog uitzicht op redding. Te Cöslin bevindt zich de vriend mij her jeugd, de hertog van Wur temberg, hij zal mij bijstaan om hem te redden. Pöllnitz, Pöllnitz, schielijk; bezorg mij een koerier, diedadelijk kan vertrekken en den hertog een brief van mij kan ter hand stellen.quot;
âDat zal moeielijk, zoo niet onmogelijk zijn,quot; zeide Pöllnitz bedenkelijk.
171
Met jeugdige vlugheid vloog zij van haar stoel op. Hare oogen hadden hun vroeger vuur, â hare gelaatstrekken de vroegere veerkracht en beweeglijkheid herkregen. De gloed harer ziel had de zwakheid van haar lichaam overwonnen, zij had hare g-eheele geestkracht en sterkte wederge vonden.
âWelnu dan,quot; zeide zij vastberaden, en zelfs hare stern was nu krachtig en welluidend: âdan zal ik zelve gaan, en wee dengene, die het wagen durft mij tegen te houden. Men heeft mij de zeebaden voorgeschreven; ik vertrek nog in dit uur om ze in Göslin te gebruiken. Maar neen, neen; ik zal niet spoedig genoeg kunnen reizen. Pöllnitz, gij moet mij een koerier bezorgen.quot;
âIk zal het beproeven,quot; zeide Pöllnitz: âvoor geld kan men alles in de wereld verkrijgen, en ik denk dat het Uwe Koninklijke Hoogheid op eenige louis d'or meer of minder niet zal aankomen.quot;
âBezorg mij een bode, en ik zal hem elk uur dat hij aflegt, met een goudstuk betalen.quot;
âDan zal ik een bode bezorgen; ik zal mijn eigen bediende zenden, Koninklijke Hoogheid. In een half uur zal hij reisvaardig zijn.quot;
âGod zij gedankt!quot; zuchtte Amalia; âhet zal dus misschien nog mogelijk zijn, hem te redden. Laat mij nu spoedig den brief schrijven, en zend dan uw bode af. Hij moet zich spoeden alsof hij vleugels had, alsof de wind hem op zijne schouders nam. Hoe vroeger hij mij het antwoord van den hertog brengt, des te grooter zal zijne belooning zijn. O, ik zal hem beloonen, alsot ik eene fiere Koningin, en niet eene arme, door smart ternedergedrukte prinses ware!quot;
âSchrijf slechts, prinses, schrijf slechts,quot; drong Pöllnitz aan: âof neen; wees zoo goed mij, eer de freule von Mar-witz'wederkeert, de honderd louis d'or te geven, die ik den heer von Weingarten voor zijn bericht beloofde, en dan mag Uwe Koninklijke Hoogheid, wanneer gij wilt, er voor mij den dukaat bijvoegen, waarvan gij de goedheid had te spreken.quot;
Prinses Amalia antwoordde niet. Zij ging naar hare schrijftafel en schreef met vaste en zekere hand eenige regelen, die zij toen aan Pöllnitz overhandigde.
âNeem dit,quot; zeide zij bijna met verachting: âhet is eene
172
aanwijzing op mijn bankier, den heer Orquelin; hij zal u voor dit papier het geld van den heer von Weingarten en den beloofden dukaat voor u uitbetalen. Ik dank u, dat gij u uwe diensten laat betalen, want dit ontheft mij van den last der dankbaarheid. Dien mij ook in het vervolg getrouw, en gij, zult mijne hand steeds geopend en mijne beurs steeds gevuld vinden. En laat mij nu tijd, om aan den hertog te schrijven en hem âquot;
,,Prinses, ik hoor de hofdame komen,quot; fluisterde Pöllnitz.
Amalia verwijderde zich haastig van de schrijftafel en ging naar de deur, waardoor de freule von Marwitz moest binnentreden.
âO, zijt gij daar eindelijk,quot; zeide zij, toen de hofdame de deur opende: âik was reeds op het punt zelve te gaan, daar ik vreesde dat gij de papieren niet zoudt kunnen vinden.quot;
âHet was ook wel moeielijk ze uit de menigte van andere boeken en papieren 'te vinden,'' zeide freule von Marwitz, wier argwanende blikken door de kamer zwierven: , eindelijk is het mij toch gelukt. Hier zijn de papieren. Koninklijke Hoogheid.quot;
De prinses nam ze aan en doorbladerde ze. âO, ik dacht het wel,quot; zeide zij toen: âer ontbreekt eene alleenspraak, die Voltaire voor mij geschreven heeft. Ik gaf het manuscript aan den Koning en heb het nog niet weder terug ontvangen. Maar ik geloof dat mijn geheugen het eenige is, dat gezond is gebleven en zijne kracht niet verloren heeft; mogelijk is dit het eenige ongeluk waaraan ik lijd: dat ik niet kan vergeten, maar een goed geheugen heb. Nu, ik zal het heden nog eenmaal beproeven en dezeschoone alleenspraak volgens mijn geheugen opschrijven. Maar daartoe moet ik alleen zijn! Ik verzoek u dus freule von Marwitz, met Pöllnitz in het salon te gaan. Daar kan hij u wat van de Cronique scandaleuse van ons deugdzaam Hof verhalen, terwijl ik hier de alleenspraak opschrijf.quot;
âEn nu,quot; zeide zij, toen zij zich alleen bevond: ânu, mijn God! geef mij de juiste woorden, om de ziel van den hertog te treffen en hem voor mijn plan te winnen!quot;
Met vaste en zekere hand schreef zij : âOmdat gij, hertog, gelukkig zijt, zult gij u over het ongeluk erbarmen; omdat gij sedert eenige dagen aan de zijde
173
van uwe jeugdige echtgenoote het reine geluk der vereenigde liefde leerdet kennen, zult gij de wanhoop van hen kunnen beseiïen, die beminnen en elkander nimmer kunnen toebehooren. In dat vertrouwen herinner ik u aan den dag, waarop ik u bij den Koning, mijn broeder, eene dienst kon bewijzen. Toen hebt gij mij beloofd, wanneer het eenmaal in uwe macht zoude zijn, mij die te vergelden; en ik moest u beloven, wanneer ik ooit in de eene of andere zaak uwe hulp behoefde, mij alleen tot u te wenden. Het oogenblik, om deze belofte gestand te doen, is daar! Ik heb hulp noodig. Niet voor mij! Mij kan alleen God helpen, en de dood! Ik heb hulp noodig voor een man, die met mij den zelfden slavenketen van het ongel uk; tor scht. Gij kent hem, erbarm u over hem. Mogelijk zal hij tegelijk met mijn brief bij u zijn. Hertog, wilt gij de cipier van een ongelukkige zijn, die alleen daarom lijden moest, omdat ik de dochter van een Vorst ben? Vriend, moeten uwe officieren de beulen zijn, die het slachtoffer van rampzalige, â en door mij dag en nacht beweende omstandigheden, naar een eeuwigdurenden kerker geleiden ? Ã, mijn God, mijn God. Gij gaaft den vogel vleugelen, het ros een snellen loop; Gij hebt gezegd, dat de- mensch koning der schepping zoude zijn. Gij hebt hem het zegel der vrijheid op liet voorhoofd gedrukt. Het is zijn heilig eigendom! Vriend, zult gij het toestaan, dat men een edel mensch dit eigendom, deze zijne laatste bezitting ontroove? O, hertog, wees gij voor mijn ongelukkigen vriend nu de Godheid, die den mensch vrij maakt, en ik zal er u mijn geheel leven voor zegenen en vereeren!
Amaija.quot;
âWanneer hij dezen jammerkreet mijner ziel niet hoort en niet verstaat,quot; fluisterde Amalia, terwijl zij het papier toevouwde en verzegelde: âwanneer hij den wieeden moed heeft, mij vergeefs te laten smeeken, dan zal ik hem eenmaal in mijn stervensuur nog vloeken en hem als den moordenaar van mijne laatste hoop aanklagen!quot;
Zij riep Pölliiitz weder terug en gaf hem met een heteeke-nisvollen blik den brief.quot;
âMijn geheugen heeft mij inderdaad niet bedrogen,quot; zeide zij met een flauw glimlachje tot hare hofdame, die na Pöllnitz
174
was binnengetreden en wier scherpe blikken zich op het papier dat de baron in de hand hield, vestigden: âIk ben in staat geweest de geheele alieenspraaK op te schrijven. Breng dit papier dus aan mijn broeder, Pöllnitz. Ik heb er eenige vriendelijke, verontschuldigende woorden bijgevoegd, want ik kan zijne uitnoodiging niet aannemen en zal de uitvoering van het drama niet bijwonen. Ga dus naar mijn broeder, heer opper-kamerheer!quot;
âNu, ik geloof, dat ik daar een tamelijk winstgevenden handel gedaan heb,quot; zeide Pöllnitz tot zich zeiven, toen hij de prinses verlaten had; âvijltig Fredrik d'or heb ik Wein-garten beloofd, er blijven dus voor mij vijftig over, behalve de dukaten die prinses Amalia nog buitendien voor mij bepaalde en wier getal ik zelfs nog niet ken. ünarbij zalik niet zoo aartsdom zijn, om mijn schelmachtigen bediende, â die mij ieder^n dag besteelt,- â met de belooning bekend te maken, die prinses Amalia voor hem bepaalde; hij is mijn slaaf en wanneer ik hem voor anderen laat werken, zoo is dit mijne zaak, en het daarvoor bepaalde loon behoort mij!quot;
âLuister, Johan,quot; zeide hij, toen hij in zijn woning was teruggekeerd, tot zijn kamerdienaar, â die intusschen tevens zijn rijknecht, jockey en koetsier was: âluister, Johan; weet gij nauwkeurig hoeveel gij mij in het geheel hebt voorgeschoten?quot;
âZeer nauwkeurig, heer baron,quot; antwoordde de bediende, terwijl zijne oogen glinsterden, daar hij geloofde, dat het uur van betalen eindelijk gekomen was; âUwe Edelheid ismij drie en vijftig thaler, vier grosschen en vijf pfenningen schuldig.''
âLage ziel, die in staat is zich zulk een beuzeling tot den laatsten penning te herinneren!quot; riep Pöllnitz verachtelijk de schouders ophalende: âWelnu,luister; ik heb een dringenden en belangrijken last voor u. Gij zadelt dadelijk uw paard en bezorgt dezen brief aan zijn adres, namelijk aan den hertog van Wurtemberg te Cöslin. Gij rijdt dag en nacht door en rust niet eer, voordat gij u daar bevindt en den brief eigenhandig aan den hertog heb overgegeven. Dan veroorloof ik u een rustdag voor uw paard en u. Uwe terugreis volbrengt gij even schielijk als uwe heenreis, en wanneer gij heden over acht dagen weer hier zijt, zal ik u koninklijk beloonen.quot;
175
âDat wil zeggen, Uwe Edelheid?quot; vroeg Johan in do grootste spanning.
âDat Wil zeggen, dat ik u do helft van uwe voorschotten terug geef, wanneer gij in acht dagen weder hier zijt. Blijft gij een dag langer, dan krijgt gij slechts een derde.quot;
âEn wanneer ik een dag vroeger kom?quot; vroeg Johan zuchtend.
âDan geef ik u nog een'thaler extra tot belooning,quot; zeide Pöllnitz met plechtigen ernst.
âMaar Uwe Edelheid zal mii buitendien ten minste nog wel reisgeld toestaan!quot; vroeg Johan bedeesd.
âEllendige, onbeschaamde bedelaar, die steeds meer vraagt, hoe meer men hem toestaat!quot; riep Pöllnitz met edele verontwaardiging: âLeer van uw meester, dat er niets lager en ellendiger bestaat dan het geld, en dat alleen/(y waarlijk edele gevoelens bezit, die nimmer ter wille van het geld, â maar slechts om de eer, aan anderen diensten bewijst.quot;
âMaar Uwe Edelheid; daar ik de eer had, al wat ik bespaarde aan Uwe Edelheid voor-te-schieten, bezit ik niets meer, om daarvan op reis voor mij en mijn paard levensmiddelen aan te schaffen.quot;
âWat uwe opgespaarde gelden betreft,quot; zeide Pöllnitz âzoo zijn deze in elk geval beter bij mij, dan bij u bewaard. Gij zoudt ze verkwist hebben, terwijl ik ze voor u bijeen houd. Bovendien bestaat er helaas geen ander middel meer, om zich van de trouw en gehechtheid der bedienden te verzekeren, dan dal hunne meesters hen door den laagsten en ellendigsten band: door de eigenbaat, aan zich verbinden. Gij zoudt mij reeds honderd maal ontloopen zijn, zoo de eigenbaat u niet aan mij boeide; want gij weet zeer goed dat, wanneer gij u zonder mijne toestemming van mij verwijderdet, ik u daarvoor zoude straffen, door u uw geld niet terug te geven, maar het aan de armen te schenken. Maar nu genoeg van dat nietsbeteekenend gepraat. Maak u reisvaardig; binnen een half uur moet gij Berlijn achter u hebben. Ik sta u een thaler reisgeld voor eiken dag toe. Haast u nu! En bedenk, dat, wanneer gij langer dan acht dagen uitblijft, ik u slechts een derde gedeelte van uwe spaarpenningen die gij mij te bewaren hebt gegeven, uitbetaal!quot; â
Deze vreeselijke bedreiging moest wel bij den armen
176
Johan hare werking gedaan hebben; want juist acht dagen later, kon Pöllnitz met een zegevierend gelaat op bedekte wijze aan prinses Amalia een klein briefje in de hand drukken, dat aldus luidde;
âIk dank u, prinses, dat gij u mijner herinnerd hebt, en m'j in de gelegenheid steldet, om een ongelukkige behulpzaam te zijn. Gij hebt gelijk; God schiep de menschen om vrij te zijn. Ik ben ook geen cipier, en mijne officieren zijn geene beulen. Zij zijn wel is waar verplicht, den on-geiukkigen man, die zich sedert gisteren hier bevindt en dien ik voor drie dagen als mijn gast ontving, van hier uit verder te geleiden; maar zijne voeten zullen vrij zijn even als zijne handen, en wanneer hij van de vogels het vliegen, en van het ros den snellen loop leerde, zal zijne vlucht hem ditmaal minder moeite kosten, dan eenmaal de vlucht uit de citadel van Glatz; want mijne officieren waken niet altijd, en Gods wereld is zóó groot, dat zij deze onmogelijk geheel kunnen bewaken. Mijne regimenten étaan tot aan het vlek Berlijn. De ofücier, die ontslagen wordt omdat hij niet waakzaam genoeg was, beveel ik in uwe genade!
Ferdinand.quot;
âHij zal niet enkel mijne genade, maar ook mijne eeuwige dankbaarheid bezitten,quot; zeide prinses Amalia zacht, terwijl zij met hartstochtelijk vuur den lakonieken brief van den hertog aan de lippen drukte; âO, mijn God, nu gevoel ik, wat ik nimmer voor mogelijk hield, dalt; mew oo/c zo?ïderlt;/lt;?-luk, gelukkig kan zijn! â Nu zal ik nimmer meer morren, mij nimmer meer beklagen, wanneer het noodlot ditmaal genadig is; wanneer de edele pogingen van den hertog niet verij-deld worden; wanneer Trenck gered wordt. Verder vraag ik niets meer van het noodlot. Ik verlang hem zelfs niet weder te zien, noch brieven van hem te ontvangen. Ik verlang niets, dan dat bij vrij, en mogelijk ook gelukkig worde!quot;
En in de vreugde van haar hart vervulde zij niet slechts de aan Pöllnitz gedane belofte, om den bode voor elk uur afstand een louis d'or te geven, maar zij voegde er voor Pöllnitz nog een kostbare juweelen speld bij, die de in zulke zaken zeer bedreven baron, â terwijl hij aan de
177
prinses met sidderende stem zijn dank betuigde, â in gedachte toch onmiddelijk waardeerde, dat zij wel eene waarde van vijftig louis d'or kon hebben.
Mijnheer de baron keerde dus volkomen tevreden met zijn juweeien speld en zijne beurs vol louis d'ors in zijne woning terug en beval met zekere deftige waardigheid aan Johan hem in zijn spreekvertrek te volgen.
âJohan,quot; zeide hij; âik ben over u voldaan. Gij hebt mijne bevelen trouw en stipt opgevolgd. Gij waart op den zevenden dag reeds weder hier, en heb dus den thaler verdiend, dien ik u als buitengewone belooning beloofde. Uwe schuld bedroeg, â hoeveel?quot;
âDrie en vijttig thaler, vier groschen en vijf pfenningen, Uwe Edelheid.quot;
âEn de helft daarvan is?quot;
âZes en twintig thaler, veertien groschen, twee en een halve pfenning,quot; zeide Johan met hoog kloppend hart en een zalig glimlachje; want hij zag, dat zijn meester eene welgevulde beurs voor den dag haalde, en daaruit eenige geldstukken nam.
âGij ontvangt dus met uwe buitengewone gift, zeven en twintig thaler, veertien groschen, twee en een halve pfenning,quot; zeide Pöllnitz, terwijl hij eenige goudstukken op de tafel legde: âHier zijn zes louis d'or of dertig thaler in goud, want het agio te berekenen, is beneden mijne waardigheid. Neem ze, ze behooren u!quot;
Johan uitte een kreet van verrukking en snelde met uitgestrekte handen naar de tafel, om zijne goudstukken bijeen te rapen. Reeds had hij twee goudstukken opgenomen, toen de krachtige hand van den baron hem tegenhield.
âJohan,quot; zeide hij: âik lees in uwe begeerige trekken, dat gij een roekeloos verkwister zijt en dit geld, dat gij zoo moeielijk verworven hebt, met onbegrensde lichtzinnigheid spoedig verspillen zoudt. Het is mijn plicht, dit als uw getrouwe meester te verhinderen en voor uw belang te waken. Gij zult dus de geheele som niet in uwe lichtzinnige handen hebben, maar slechts de helft; niet meer dan drie louis d'or, de overige drie zal ik bij uwe andere spaarpenningen leggen en ze voor u bewaren.quot;
Met deftigen ernst nam hij de drie louis d'or weder op,
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. V. 12
178
terwijl Johan zuchtend zijne door tranen benevelde blikken op de drie louis d'or vestigde, die hij veroverd had.
âHoeveel bedraagt nu de som van uwe spaaarpenningen die gij mij te bewaren gegeven hebt?quot; vroeg Pölluitz deftig.
âTwee en veertig thaler, veertien groschen en vijt pfenningen,quot; zeide Johan na een kort beraad; âdaarbij bedraagt het agio van de drie louisd'or nog een thaler en acht groschen bovendien.quot;
âEllendige schurk,quot; riep Pöllnitz toornig: âgij durft het wagen aan uw meester, van de goudstukken die hij u in zijne edelmoedigheid schenkt, het agio te berekenen? Dit is eene laagheid, die voorbeeldig gestraft behoort te worden!'
En hij greep zijne bamboesrotting, om haar dapper op den rug van zijn armen, bedrogen bediende te laten ronddansen.
II.
TRENCK OP HET TRANSPORT.
Voor het paleis, dat de hertog van Wurtembergle Cöslin bewoonde stond een open rijtuig, dat de hertog somtijds op zijne tochtjes gebruikte, wanneer hij lust gevoelde zelf eens de teugels ter hand te nemen, en zonder etiquette van Gods vrije Natuur te genieten. â Heden echter was het rijtuig niet tot een wandelrit, maar voor het transport van een gevangene bestemd, en deze gevangene was niemand anders dan Frederik von Trenck, dien de lafhartige magistraat van Dantzig, â bevreesd door de bedreigingen van den Pruisischen Koning, â aan de tot dit doel gezondene Pruisische politie-soldaten had uitgeleverd, en die zich nu op transport naar Berlijn bevond. De mare van zijn rampzalig lot ging hem als een heraut vooraf, en overal
179
waar hij met zijn treurig gevolg van twaalf huzaren aankwam, vond hij de liefderijkste deelneming; men beijverde zich hem de ondubhelzinnigste bewijzen van mededoogen en deelneming te geven. Zelfs de officieren die hem vergezelden en van station tot station afwisselden, schenen door zijn lot getroffen; en naast hem in het gesloten rijtuig gezeten, onderhielden zij zich met hem, niet als met een gevangene, maar als met een beminden wapenbroeder. Maar terwijl allen voor hem vreesden, allen om hem zuchtten, was Trenck alleen opgeruimd, was zijn gelaat alleen vastberaden en moedig, en gedurende de drie dagen die hij in het paleis van den hertog had doorgebracht, waren zijne jeugdige, fraaie trekken geen enkel oogenblik door eene donkere schaduw bewolkt; geen oogenblik had zijnvroo-lijke luim, waarmede hij aller harten veroverde, hem verlaten. Aan de tafel des hertogs was hij deopgeruimd-ste, geestigste makker, en zijne vroolijke geschiedenissen en grappige invallen deden niet enkel den hertog en zijne hovelingen, maar ook de jeugdige hertogin en hare dames hartelijk lachen. Des avonds had hij in het salon der hertogin het geheele aanzienlijke gezelschap verbaasd door zijne improvisaties over opgegeven onderwerpen en door de bevallige en smaakvolle wijze, waarop hij de allerliefste liederen zong, die hij op zijne reizen in Italië, Duitschland en Rusland geleerd had. Op andere tijden had de hertog ernstige, wetenschappelijke gesprekken met hem aangeknoopt, en was verwonderd geweest over de diepe kennis en de degelijke en veelzijdige kundigheden van den jongen man, die een oven bekwaam krijgsman, als geslepen diplomaat, â een even diepdenkend wijsgeer, als geleerde engeschiedkundigescheen te zijn, en die door zijne schitterende voordracht zijne toehoorders wist te boeien en hunne belangstelling op te wekken.
Maar het was niet mogelijk zijn verblijf nog langer te rekken. Drie rustdagen waren reeds het uitevste dat men, zonder achterdocht op te wekken, kon toestaan. Zuchtend had de hertog dus tegen Trenck gezegd, dat zijn plicht vorderde, hem nu verder op zijne treurige reis te doen geleiden ; maar Trenck had dit bericht met kalme vastberadenheid vernomen en met de meeste ongedwongenheid en vol blijde donkbaarheid voor de heusche ontvangst, van den hertog en zijne gemalin afscheid genomen.
180
âIk hoop dat mijne gevangenschap niet van langen duur zal zijn,quot; zeide hij, toen hij van den hertog afscheid nam; âen dan zal Uwe Doorluchtigheid de goedheid moeten hebben mij te veroorloven dat ik tot u terugkeer, om u als een vrij man mijne dankbaarheid te betuigen.quot;
âIk hoop dat wij elkander spoedig wederzien,quot; zeide de hertog, en zijne doordringenden blik scheen op het gelaat van Trenck diens verborgenste gedachten te willen lezen: âZoodra gij vrij zijt, komt gij, tot mij ; ik zal u niet verlaten, onder welke omstandigheden gij uwe vrijheid ook verkregen moogt hebben.quot;
Had Trenck de beteekenis van deze laatste, nadrukkelijk geuite woorden van den hertog verstaan, en begreep hij de juiste beteekenis er van?
De hertog wist het niet! Geen oogwenk, geen teeken, hoe gering ook, verried, dat Trenck zijne aanwijzing begrepen had. Hij boog glimlachend en verliet toen met vaste schreden en een opgeruimd gelaat het vertrek, om in het rijtuig te stappen, dat hem moest vervoeren.
De hertog riep den ordonnans-officier, die hem tot het naastbij gelegen station vergezellen moest, terug.
âGij hebt mijn bevel niet vergeten?quot; vroeg hij.
âNeen, Doorluchtigheid, ik heb het niet vergeten en het is mij een aangename plicht, dat bevel getrouw op te volgen.quot;
âGij zult het uit mijn naam op het naaste station aan den officier herhalen en hem opdragen, dat dit mijn bevel op elk station, zoo ver de standplaats van mijn regiment zich uitstrekt, herhaald worde. Ieder moet er op bedacht zijn, aan Trenck stilzwijgend, âen natuurlijk zonder hem eene verklaring te geven, â de gelegenheid tot ontvluchten aan de hand te doen. Het zal dan van hem afhangen, van het meest gunstige oogenblik gebruik te maken. Ik herhaal dat het van zelve spreekt, dat men hem met woorden niets van mijne goede bedoeling jegens hem zegt, hij moet de handelwijze begrijpen; zoodoende zal hij, die het ongeluk heeft zijn gevangene te verliezen, slechts een berisping wegens onachtzaamheid verdiend hebben, en op mij alleen zal de verantwoording tegenover den Koning neerkomen. Er moeten dagelijks slechts vijf of zes mijlen afgelegd worden, dan zal hij op den vierden dag de
181
laatste standplaatst van mijn regiment bereikt hebben, en deze vier dagen voeren hem door bosscben en onbewoonde landstreken. Ga nu, en dat God met u zij!quot;
En de hertog trad aan het venster om nog een laatsten afscheidsgroet aan Trenck toe te wenken en te zien, hoe hij aan de zijde van den ordonnans-officier in de kleine calèche wegreed.
âNu, zoo hij in deze dagen niet vrij wordt, is het waarlijk niet mijne schuld,quot; zeide de hertog tot zich zeiven : âen kan de prinses mij niets verwijten.quot;
Terwijl hij zich, in gedachten verdiept en ondanks zich zeiven door sombere en onheilspellende voorgevoelens gekweld, naar zijne gemalin begaf, reed Trenck met zijn metgezel de poort uit. Voor Trenck was deze tocht in het lichte, open rijtuig, dat, als ware het gevleugeld, over den weg snelde, een wezenlijk en heerlijk genot. Met volle teugen dronk hij de warme zomerlucht in, met een verrukkelijk glimlachje liet hij zijne blikken ronddwalen over de golvende korenvelden of de geurige, bloeiende weiden die zij voorbij reden; hij wedijverde met den leeuwerik, die zich met vroolijk gezang en gejuich tot de wolken verhief; hij gevoelde zich gelukkig, onschuldig en zorgeloos gelijk een kind, De natuur, wier genot hij,âin de duistere, gesloten koets zittende, â zoo smartelijk had moeten ontberen, begroette hem nu met haar vriendelijksten glimlach, met hare lieflijkste bekoorlijkheden; het scheen hem toe,alsof zij zich voor hem met hare geurigste bloemen, met den schitterendsten zonneschijn getooid had; alsof zij den zoelen wind zond, om zijne wangen te kussen en hem zoete lief-detonen toe te fluisteren. Met droomende, zalige blikken volgde hij de snelle vlucht der vogelen en der drijvende witte wolkjes. Hij was zóó gelukkig onder dezen schijn van vrijheid, dat hij dien met de vrijheid [zelve verwarde.
Het rijtuig reed nu over den zandweg langzaam het bosch in. De frissche geur der door de zon gedroogde dennen ontlokte aan Trenck een kreet van verrukkingen met innig genot liet hij het hoofd rnsten onder de donkere schaduwen van het bosch, nadat hij zoolang den gloed der zon had moeten verduren.
âWij zullen vex^scheidene uren noodig hebben, eer wij
182
dit bosch achter ons laten,quot; zeide de ordonnans-officier; âhet is een der dichste bosschen uit deze streek, en do schrik, der politie. Want vluchlelingen, aan wie het gelukt zich hier te verbergen, zijn hier, â wanneer zij het verstandig en voorzichtig overleggen, â voor elke ontdekking veilig. Het is onmogelijk hen hier in deze dichte struiken te vervolgen, en aan de andere zijde van dit woud is men nog slechts een uur van het strand der zee verwijderd, waar steeds visschersschuiten gereed liggen, om de vluchtelingen op te nemen en hen aan boord van een der voorbijvarende schepen te brengen. Maar vergeef mij, mijnheer. De zon, die ons zoo heet op het hootd brandde, heeft mij vermoeid en ik zal het voorbeeld van onzen koetsier volgen. Zie slechts, hij slaapt gerust, en de paarden kruipen van zeiven in het dikke zand verder. Goeden nacht, mijnheer vonTrenck.quot;
Hij sloot de oogen, en spoedig gaf zijn luid snorken en het heen en weder zwaaien van zijn hoofd te kennen, dat hij vast en gerust was ingeslapen.
Rondom heerschte nu diepe stilte; met welbehagen gaf Trenck er zich aan over. Deze kalme rust van het woud, somtijds slechts door het zachte gekweel van een in de donkere takken rustende vogel, het hijgen der paarden, of het zacht ruischen der hoornen afgebroken, vervulde zijn hart met een diep gevoel ^an geluk.
âHet is duidelijk,'7 zeide hij tot zich zeiven: âdie geheele gevangenneming te Dantzig was slechts een kunstgreep, waarmede men mij schrik wilde aanjagen. Daar ik het aanzoek van den Pruisischen gezant te Weenen, om weder naar Berlijn en in Pruisischen dienst terug te keeren, weigerde, wilde de Koning mij daarvoor straffen, door mij schrik en angst aan te jagen. Maar het is slechts coraedie-spel; eene scherts, die de Koning met mij voor heeft. Zoude men het anders durven wagen, mij op deze wijze te transporteeren, indien men mij inderdaad als een gevangen staats-misdadiger en deserteur beschouwde! In het begin behandelde men mij met ernst en gestrengheid, om mij te misleiden en bevreesd te maken; en waarlijk, die twaalf huzaren, die steeds het rijtuig omgaven, â dat alles had zulk een ernstig en somber aanzien, dat ik er volkomen door misleid werd. Maar nu is het masker gevallen en daarachter zie ik wel het glimlachend, goedhartig gelaat van den Koning. Een-
183
maal beminde hij mij waarlijk en was hij goed voor mij gelijk een vader; de oude genegenheid is weder in hem ontwaakt en spreekt ten mijnen gunste. Hij wil mij weder te Berlijn hebben, flat is alles; en bovendien weet hij zeer goed, dat ik hem van nut kan zijn, want hij, â die overal zijne spionnen heeft,, â weet óók, dat niemand hem zoo goed als ik, omtrent de inzichten en plannen van Rusland kan inlichten; dat niemand zoo nauwkeurig weet, wat de toerustingen te beduiden hebben, die in het geheele Russische Rijk plaats hebben. Ja, ja, zóó is het! Frederik wil mij in zijne dienst nemen, omdat hij mijne betrekking met de alvermogende kanseliersvrouw Bestuschew kent; omdat hij weet dat ik met tiaar in drukke briefwisseling sta en door haar aangaande alle plannen der Russische regeering onderricht word.,1) Mogelijk is de Koning zelfs van plan, mij als geheim onderhandelaar naar Petersburg te zenden. Dat zoude mij eene loopbaan openen, die mij tot hooge eer bracht; dat zou zaken verwezenlijken kunnen, die mij nu nog slechts als vreemde droombeelden omzweven. O, Amatia, trouwste en edelste der vrouwen ! Indien de droomen onzer jeugd vervuld konden worden, indien het noodlot, door uwe tranen en uwe stille heldengrootheid verteederd, u eindeliik toch met hem vereenigde, dien gij zoo lang en getrouw bemint, en die, â hoe dikwijls jeugd, overmoed en lichtzinnigheid hem jegens zijne heilige herinneringen deed zondigen en ontrouw zijn, â evenwel de liefde tot u als een talisman op het hart draagt, waartoe hij steeds terugkeert; tot wie hij zijne gebeden richt, waarop hij hoopt, en waaraan hij noggelooven zal, wanneer hij aan al het overige twijfelt! O, Amatia, beschermengel van mijn leven, ik zal dan tot u wederkeeren! Ik zal u wederzien, in uwe schoone oogen staren en aan uwe voeten knielende, vergiffenis voor mijne begane zonden ontvangen, â die echter slechts zonden naar het vleesch waren, waaraan mijne ziel geen deel had. Ja, ik zal tot u wederkeeren, om vrij, gelukkig en geëerd aan uwe zijde te leven! Ik zie het aan de vriendelijkheid van den hertog; ik zie het aan de zorgelooze en in 't oogvallende wijze, waarop men mij nu transporteert; ik ziet het aan de onge-
1
Frederik von Trenck's gedenkschriften. I). I, bl. 294.
484
dwongen manier, waarop mijn reismakker- mij juist vóór hij insliep verhaalde, hoe veilig men zich in dit bosch verscholen kan houden. Ik heb echter niet noodig mij te verbergen; mij dreigt geen onheil, maar geluk en eer wenken mij' toe. Ik zal dus niet dwaas genoeg zijn te ontvluchten terwijl het leven mij weder nieuwe wegen openstelt en mij weder met nieuwe hoop begroet!quot;1)
En geheel door deze gedachten vervuld, leunde Trenck in de kussens van het rijtuig en gaf zich aan zijne droo-men aangaande eene gelukkige toekomst over. Langzaam stapten de paarden door het diepe, mulle zand, dat elk geraas van het rollen der raderen belette en geen spoor achterliet van de voetstappen der menschen. De officier zat nog steeds slapende naast hem; de koetsier had de teugels op het lederen voetkleed van het rijtuig laten vallen en zwaaide, als in zalige bedwelming, heen en weder. â Het bosch was eenzaam en verlaten. Geen menschelijk wezen was te zien, geen spoor van een menschelijke woning in den omtrek. Wanneer Trenck had \villen vluchten, was er slechts een sprong uit dit open, lage rijtuig noodig, â slechts honderd vlugge schreden, om zich in de struiken te verbergen en het rijtuig zoude met de slapers bedaard verder gereden zijn, die bij het ontwaken zelfs niet zouden hebben kunnen aanwijzen, op welk gedeelte van het woud Trenck ontvlucht was, en het losse zand zoude zijne voetstappen niet behouden, â en de ruischende boomen hem niet verraden hebben.
Maar Trenck wilde niet vluchten! Hij was vol geloof, vertrouwen en hoop! Zijn hartstochtelijke aard schilderde hem de toekomst met de verleidelijkste kleuren af.
Neen, hij wilde niet vluchten, want nóg geloofde hij aan zijne gelukster! Het ernstige spel des levens had voor hem nog een lachend gelaal, en de bittere waai'heid beschouwde hij slechts als eene tergende misleiding!
De koning wilde hem slechts bepioeven, â zoo meende hij; â de Koning wilde slechts zien, of hij inderdaad zoo vervaard en beangst was, dat hij zou trachten hem te ontvluchten. Hij stelde hem daartoe in de gelegenheid, maar wan-
1
ïreuck's gedenkschriften, ü. ], blz. 'Mi.
185
neer hij er gebruik van maakte, was hij in de oogen des Konings voor altijd verloren, en was zijne toekomst voor altijd vernietigd. Maakte hij er geen gebruik van, en kwam hij voor de leus als gevangene te Berlijn, dan bleef den Koning de aangename verrassing over, en Trenck had hem dan bewezen, dat hij met vertrouwen en zonder vrees op zijne genade rekende; hij had hem dan overtuigd, dat zijn geweten door geene schuld bezwaard was, en dat hij zich moedig aan de uitspraak des Konings onderwerpen kon.
Neen, Trenck wilde niet vluchten! In Berlijn wachtte hem de vrijheid, de liefde en Amalia! Dat alles zou hij door de vlucht verliezen; dat alles was hem weggelegd, wanneer hij bleef, en zich door de verleidelijke godin : de gelegenheid, die hem van achter eiken boomstam, elke struik met lachenden groet toewenkte, liet verlokken! Hij weerstond hare verzoeking en haar groet drie dagen lang; hij liet zich met zorgeloozen glimlach door deze woeste, verlaten streken leiden, en lette in zijne dwaze verblindheid niet op de bezorgde en angstige blikken der officieren die hem vergezelden, en luisterde niet naar de bedekte gewaagde toespelingen, welke zij hem deden hooren.
âHier is uw laatste rustdag,quot; zeide de officier die hem naar zijn laatste station gebracht had: âgij zult heden hier blijven, en morgen in de vroegte zal u de ritmeester von Halber naar Böslin brengen, waar de standplaats van ons regiment dragonders ophoudt. Daar begint de infanterie-dienst, welke voor uw verder transport moet zörgen.quot;
âEn ik zal het ook deze niet moeielijk maken,' zeide Trenck opgeruimd; âgij ziet wel, ik ben een zeer goedaardig gevangene, voor wien men geene Argus-oogen behoeft te hebben, en die volstrekt niet van plan is te ontvluchten.quot; ,
De officier beschouwde met schrik dat bedaard, glimlachend gelaat, en ging heen, om met den ritmeester von Halber, aan wiens huis zij afgestegen waren, te overleggen en hem zijne bezorgdheid mede te deelen.
âMisschien was de gelegenheid welke men hem tot nu toe geboden heeft, niet gunstig genoeg,quot; zeide de ritmeester: âwellicht ook heeft hij haar niet opgemerkt, of haar niet voor veilig gehouden en vreesde hij eene mislukking. En daarin heeft hij gelijk; eene mislukte poging zou veel
186
erger en nadeeliger zijn, dan wanneer hij zich goedwillig en zonder tegenstand in zijn lot schikt. Maar nu zal ik er voor zorgen dat hij eene zekere en onfeilbare gelegenheid tot ontvluchten heeft, en geloof mij, hij zal slim genoeg zijn om er gebruik van te maken. Zeg dit aan Zijne Koninklijke Hoogheid, den hertog.quot;
âMaar vergeet niet, dat de hertog gelastte, aan Trenrk door geen woord oi teeken te verraden, dat hem de gelegenheid door ons voorbedachtelijk bereid is; dit zoude den hertog en ons allen compromitteeren.quot;
,,Dut beiirijp ik volkomen,quot; zeide de ritmeester: âwij zullen dus niet door woorden, â maar door daden met hem spreken.quot;
En getrouw aan dit plan, verliet de ritmeester, nadat hij met Trenck en eenige officieren vroolijk het middagmaal gebruikt had, zijn huis, vergezeld van zijn geheel dienstpersoneel. âDe paarden moeten afgereden worden,quot; zeide de ritmeester, en daar hij ongehuwd was, bleef niemand, dan Trenck alleen, in het kleine huis achter.
âGij moet voor eenige uren mijn huis bewaren,quot; zeide de ritmeester te paard stijgende, terwijl hij Trenck, die in de huisdeur stond, tot afscheid groette; gij zult mijn huisbewaarder zijn, maar ik hoop, dat niemand komen zal om uwe eenzaamheid te storen; want alle officieren rijden met mij uit, en verder heb ik in dit stadje geene bekenden. Grij zult dus geheel alleen zijn, en mocht gij bij mijne terugkomst in damp en nevel verdwenen zijn, dan zal ik ge-looven, dat de verveling u doodde en in een ijdel niets oploste!quot;
âNu, ik denk dat hij dit toch wel verstaan zal,quot; bromde de ritmeester bij zich zeiven, toen hij door zijne bedienden gevolgd, door de straten galoppeerde: âHij moet waarlijk-doof en blind zijn, zoo hij zich nu niet schielijk uit de voeten maakt!quot;
Maar Trenck had hem niet verstaan. Hij kon hem niet verstaan, omdat hij aan geen gevaar geloofde, en het dus ook niet beproefde te ontkomen. Alleen gevoelde hij eene ondragelijke verveling in dit stil, verlaten huis, waarvan hij de vertrekken doorwandelde, zoekende naar een boek of eenig ander middel om zich te onderhouden, of zich eenige verstrooiing te verschaffen. Maar de ritmeester von Halber,
487
was meer een degelijk en kundig soldaat dan een vlijtig geleerde, en met boeken was hij nooit bizonder druk geweest. Trenck's zoeken was dus te vergeefs; knorrig en ontstemd, door verveling en onrust geplaagd, vervolgde Trenck zijne wandeling door de eenzame kamers. Toen hem dit niet meer beviel, ging hij naar buiten op de kleine binnenplaats, die aan de tegenovergestelde zijde door de paardenstallen was ingesloten. Uit dit gebouw klonk nu aan Trenck een gedruisch in het oor, dat zijn hart blijder deed kloppen. Hij was dus niet geheel alleen; het een of ander levend wezen was dus daar, dal hem gezelschap kondg. houden. Met snelle schreden ging hij de plaats over en trad den stal binnen.
Daar stonden aan de krib twee fraaie, moedig snuivende en trappelende paarden. Blijkbaar waren het rijpaarden, want naast hen tegen den muur hing 'het volledig zadel-tuig. De fraaie dieren schenen vol ongeduld het oogenblik af te wachten, waarop zij uit het schemerlicht van den stal in de open lucht, in de vroolijk, groene Natuur zouden gelaten worden. Zij trappelden van ongeduld; hunne neusgaten zetten zich uit, met achterover geworpen kop ademden zij de lucht in, die door de geopende staldeur tot hen doordrong, en het scheen Trenck toe, alsof hunne glinsterende oogen met eene smeekende uitdrukking op hem gevestigd waren.
âArme dieren,quot; zeide Trenck, hen naderende en hunne halzen streelende; , arme dieren gij verlangt naar vrijheid en hoopt van mij, dat ik u die brengen zal. Maar ik kan het niet, en ik mag het niet, even als gij, ben ik een gevangene, maar ook als gij, slechts een gevangene van mijn wil. quot;Wanneer gij van uwe kracht wildet gebruik maken, zoude één ruk van uwe spieren voldoende zijn om deze lederen riemen die u binden, te verscheuren en uwe voeten zouden u als vleugelen door de lucht voeren. Indien ik van de gelegenheid gebruik wilde maken, behoefde ik u nu slechts los te laten, om mij te bevrijden ; slechts de teugels en het zadel op uwen rug te leggen, zelf er op te springen, de poorten te openen en weg te rijden. Dan hadden wij beiden ons doel bereikt; wij zouden beiden vrij zijn, en tóch waren wij beiden dan verloren; op zekeren dag zoude men ons weder vangen, en de kortstondige vrijheidsdroom
188
zou ons bitter berouwen. Het is dus voor ons beiden beter, dat wij blijven wat wij zijn: gevangenen van onzen wil; geboeid, niet door ketenen waarin men ons lichaam, â maar waarin men ons bewustzijn geklonken heeft, en waaraan wij ons niet durven onttrekken!quot;
Zacht streelde hij den glinsterenden hals der dieren, en hun vroolijk, opgewekt gehinnik vervulde zijn hart met een zonderling weemoedigen angst.
âIk moet u verlaten,quot; zeide hij huiverend: âwant uw gehinnik klinkt zoo verlokkend en vroolijk; het herinnert mij aan groene weiden en geurige bosschen, aan de scljoone opene wegen, en het heerlijk gevoel van vrijheid, dat men geniet, wanneer men op den rug van een fraai en moedig ros door de wereld jaagt. Neen, neen, ik mag u niet langer zien, want gij zoudt in staat zijn, al mijne wijsheid en beradenheid ten gronde te richten en mij te verleiden, om mij nu reeds door u de vrijheid te verschaffen, die ik toch eerst te Berlijn door den Koning ontvangen kan!quot;
En met snelle schreden verliet Trenck den stal en keerde in het verlaten huis terug, om zich in het woonvertrek van den ritmeester op den divan uit te strekken en zich aan zijne droomen der toekomst over te geven.
De avond was reeds gevallen toen de ritmeester von Halber met zijne manschappen van den langen wandelrit terugkeerde.
âAlles is stil en rustig,quot; zeide hij toen hij in huis trad: âde vogel is gevlogen; ditmaal scheen hem de gelegenheid dus wèl gunstig toe!quot;
Met een tevreden glimlachje ging hij het portaal door, en betrad zijn woonvertrek. Maar nu veranderden zijne gelaatstrekken en zijne sidderende lippen prevelden een krachtigen soldatenvloek.
Daar lag Trenck in genisten, aangenamen slaap op den divan uitgestrekt. Zijn fraai, jeugdig gelaat was opgeruimd' en zorgeloos, en wèl moesten het schoone droomen zijn, die hem voor den geest zweefden, want in den slaap glimlachte hij.
âArme vent,quot; zeide de ritmeester zijn hoofd schuddende: âhij moet waanzinnig zijn, of met blindheid geslagen, dat hij zijn ongeluk niet' zien kan ! Hij wekte Trenck om hem zijne terugkomst aan te kondigen.
489
âEn waarmede hebt gij de vervelende uren, die gij alleen waart, doorgebracht?quot; vroeg de ritmeester.
âIk heb uw huis bezichtigd, en toen ik daarmede gereed was, ben ik in uw stal gegaan en heb mij met uwe schoone rijpaarden vermaakt.quot;
âDrommels, gij hebt mijne rijpaarden gezien?''vroeg de ritmeester verblijd: âKwam de wensch volstrekt niet bij u op, er een van te bestijgen en daarmede frank en vrij de schoone, vrije wereld in te rijden?quot;
Frederik von Trenck glimlachte. â âDie wensch rees wel bij mij op,quot; zeide hij: âmaar manhaftig trachtte ik hem te onderdrukken. Want zeg zelf, beste heer ritmeester: zoude het niet zeer ondankbaar en onridderlijk geweest zijn, u op zulk eene slinksche en lafhartige wijze te misleiden, terwijl gij mij zoo edelmoedig vertrouwdet?quot;
âWaarlijk, gij zijt een man van eer!quot; riep de ritmeester getroffen uit: âDaar heb ik volstrekt niet aan gedacht; maar het is waar, het zoude niet edel geweest zijn, uit mijn huis te ontvluchten.quot;
âMaar morgen zal hij het doen,quot; dacht de goedhartige soldaat: âmorgen zal Trenck ontvluchten, en i/c zal hem de gelegenheid er toe verschaffen.quot;
Den anderen morgen vertrok de ritmeester von Halber vroegtijdig met zijn gevangene, om hem naar Böslin te transporteeren. Niemand anders vergezelde hem; niemand dan de koetsier was bij hem, die stil en bewegingloos op den bok zat en nimmer omkeek naar de beide heeren die achter hem zaten.
De weg leidde weder door een uitgestrekt woud, en de ritmeester deed even als de luitenant die Trenck op den eersten dag transporteerde. Hij verhaalde zijn gevangene van de merkwaardige ondoordringbaarheid van dit dichte houtgewas, en van de vele vluchtelingen,^ die zich reeds met goed gevolg daarin verborgen hadden.
Vervolgens noodigde hij Trenck uit, met hem het rijtuig te verlaten en eenigen tijd te voet er naast te gaan: en toen Trenck, bereidwillig aan dit verzoek gehoor gevende, ongedwongen en zorgeloos naast hem liep, ontdekte de ritmeester eensklaps dat de grond van het woud met de schoonste champignons bedekt was.
âLaten wij er eenige van bijeenzoeken,quot; zeide hij: âde
190
jonge vrouw van een mijner vrienden weet uit deze champignons eon zeer smakelijk gerecht te bereiden en het zoude wel eene aardige oplettendheid zijn, indien ik haar eene aanzienlijke hoeveelheid er van medebracht. Laten wij dus onze zakdoeken en petten er mede vullen. Gij gaat rechts het woud in, ik links; binnen een uur trelïen wij ons hier weder aan het rijtuig.quot;
Zonder het antwoord af te wachten, ging de brave ritmeester links het bosch in, en spoedig was hij, steeds de champignons volgende, in het dichte houtgewas verdwenen.
Toen hij intusschen na verloop van een uur weder bij het rijtuig terugkeerde, vond hij er Frederik von Trenck glimlachend op zijne terugkomst wachtend.
De goedhartige soldaat verbleekte van schrik, en met eene uitdrukking van wezenlijke ontsteltenis vroeg hij : âGij zijt dus niet verdwaald? Gij hebt den weg hierheen spoediger dan ik-teruggevonden?''
âIk ben niet verdwaald,quot; zeide Trenck bedaard : âen ik heb een groot aantal champignons medegebracht.'' â Hij ^reikte den ritmeester zijn met fraaie, kleine, ronde champignons gevulden zakdoek over, die ze evenwel met verkropte woede in het rijtuig wierp, dat hij zonder iets te zeggen weder beklom, terwijl bij Trenck een wenk gaf hem te volgen.
âWij zullen nu onze reis voorzetten,quot; zeide hij toen kortaf; âRijd voort, koetsier!quot;
Hij leunde achterover in het-rijtuig en staarde met somber gefronste wenkbrauwen naar den hemel. Langzaam bewoog zich jiet rammelende rijtuig door het zand; het scheen, alsof (ïe hijgende paarden zelve draalden om het doel van hunne reis te bereiken en aan het grensstation der Wurtembergsche dragonders te komen.
Trenck leunde even als zijn reisgezel in het rijtuig achterover; maar terwijl deze treurig en vol sombere voorgevoelens voor zich heen zag, was Trenck's gelaat vroolijk 'en onbekommerd, en geen spoor van angst of zorg was op zijn gelaat te lezen.
Zoo ging de tocht langzaam en zwijgend verder. De Jucht
was helder en onbewolkt, en toch zweefde eene donkere wolk van onheil over het hoofd van dezen verblinden jonk-
191
man ; de vogels zongen in de lakken, maar Trenck verslond hen niel. Mij verstond niel, dat zij van vrijheid en geluk zongen niet, dat zij hem riepen, om hun voorbeeld te volgen, en zijne voeten tot eene snelle vlucht te reppen. Het woud ruischte mot krachtige orgeltonen, en Trenck waande, dat liet de heilige lofzangen der rustende goddelijke wereld waren; hij hoorde niet dat de boomen hem met waarschuwende stem toelluisterden : âVlucht! vlucht! Kom onderonzeschaduwen! Wij zullenuverbergen! Vlucht! Vlucht; want het onheil zweeft gelijk de verscheurende gier boven u, en zijne klauwen zijn reeds uitgestrekt'om ute grijpen!quot; â En toen de wind metzonderlinge snelheid kwam en het ongelukskind in eene wolk van stof hulde, (luisterde hij hem zacht in het oor; Vlucht! vlucht! Neem een voorbeeld aan mijne snelheid! Want het ongeluk komt u te gemoet en de beek der tranen stroomt u langs den weg tegen. Wend dus uw hoofd om en vlucht, eer zij u inhalen,quot; â En in de rollende raderen klonk het steunend en kermend: âVlucht! Vlucht! Wij rollen u naar den duisteren kerker. Hoort gij het rammelen der ketenen niet ? Ziet gij den grafsteen niet aan uwe voeten? Dat zijn uwe ketenen, en het is uw graf, dat men daar groef. .,Vlucht dus, vlucht! Nog zijt gij vrij!quot; âInde wolken, die zich in plechtige majesteit aan den hemel voortbewogen, had het avondrood met vurige, purperen letters geschreven; Vlucht! Vlucht! Of gij ziet ons voor het laatst!quot; â En op het bezorgde gelaat van den ritmeester stondhet weder te lezen: âVlucht! Vlucht! Nu is het de hoogste tijd ! Ginds is reeds het einde van het woud, en de eerstehuizen van Böslin zijn reeds zichtbaar! Vlucht dus, vlucht! want het is de hoogste tijd!quot;
Maar Trenck's oogen waren met blindheid geslagen, en zijne ooren waren doof.
Hen, die de duivel ten gronde wil richten, slaat hij het eerst met blindheid! â De duivel had de oogen van Frederik von Trenck met blindheid geslagen; hij had zijn verderf besloten, voor hem was er geen ontkomen meer! â
Het rijtuig had het einde van het woud reeds bereikt, hel rolde reeds rammelend over het ongelijke plaveisel van Böslin.
En wat heteekent dat gedrang daar voor dat deftige
192
huis, dat boven de deur het Pruisische wapen draagt? Wat beteekent die troep soldaten, die daar met somber gelaat, de donkere, met gesloten jalousiën voorziene koets omringen, en de nieuwsgierige menigte, â die dit treurig rijtuig gaarne meer van nabij beschouwen wil, â zoeken af te weren! â
âHier zijn wij te Böslin,quot; zeide ritmeester, op die groep wijzende: âDat gebouw daar is het posthuis, en zoo als gij ziet, verwacht men u reeds.quot;
Nu voor het eerst verbleekte Trenck, en zijn gelaat kenmerkte schrik en ontzetting.
âIk ben verloren,quot; stamelde hij, als verpletterd in de kussens terugvallende; en terwijl hij een woesten blik om zich heen wierp, greep hij krampachtig den arm van den ritmeester.
âWees barmhartig, mijn heer. Beveel dat men langzamer rijde; laat omkeeren, slechts tot aan het einde van het bosch ; o, slechts tot aan het einde van deze straat!quot;
âGij ziet wel, dat het onmogelijk is,''zeide de ritmeester treurig; âmen heeft ons reeds gezien, en zoo wij nu zouden omkeeren, zou men ons met geweerschoten begroeten.quot;
,.Het ware beter voor mij te sterven, dan ginds die duistere kist, dat open graf te moeten bestijgen!quot; klaagde Trenck.
âEn tóch wlldet gij niet vluchten; gij hebt mij niet willen begrijpen! Wij hebben u dikwijls de gelegenheid aangeboden, en gij hebt geweigerd er gebruik van te maken.quot;
âOmdat ik waanzinnig was,quot; jammerde Trenck: âomdat ik mij veilig achtte; omdat ik aan den zegen van een gelukkig gesternte geloofde, terwijl slechts de vloek van mijn duivel mij vervolgde. O, mijn God! Ik ben verloren; want nu zie ik, dat mijne hoop ijdelwas! De Koning is mijn onverzoenlijke vijand, en nu zal hij mijn verleden aan mijne toekomst wreken. Maar dit is alles nu te laat! O, laat toch langzamer rijden, langzamer, ritmeester ! Ik moet u mijn testament nog opgeven. Geef wel acht, want het zijn de laatste woorden van een man, die er erger aan toe is dan een stervende. Luister. O, het is slechts eene kleine dienst, die ik van u vraag, maar mijn geheele leven hangt er van af. Rijd dadelijk naar den bevelhebber van uw regiment,naar den hertog van Wurtemberg, en zeg hem dit: âFrederik von Trenck zendt den hertog zijn laatst vaarwel! Hij is gevangen.
493
en in levensgevaar! Dat de hertog zich zijnet'erbarme, en haar, die hij kent, mededeelen, dat Trenck gevangen is, en alleen op haar nog hoopt ! Wilt gij mij zweren, dit te doen?quot;
,,Ik zweer het u,quot; zeide de ritmeester diep ontroerd. Het rijtuig hield stil; de ritmeester sprong er uit en begroette den olïicier, die met het verder transport van den gevangene belast was.
Do soldalen schaarden zich aan weerszijden \ an de koets, waarvan het portier reeds geopend was,
Trenck wierp een laatsten, wanhopigen, smeekenden blik naar den hemel, toen verliet hij met een vaste, kalme houding het rijtuig, en ging naar de geopende koets.
Alvorens er in te stappen, keerde hij zich nog éénmaal naar den ritmeester om, wiens heldere vriendelijke oogen door iets, dat naar tranen geleek, verduisterd waren,
âZult gij het niet vergeten, mijnheer?'7 vroeg Trenck; en te midden van het plechtig en somber stilzijgen dat hen omgaf, maakte deze zoo eenvoudige, zoo (droevig geuite woorden een vreemden, diepen indruk, en deden zélfs de harten van deze strenge, ei nstige krijgslieden trillen.
âNeen ik zal het niet vergeten,quot; antwoordde de ritmeester.
Trenck knikte even en stapte toen schielijk in de koets. De oificier volgde hem en sloeg het portier van het rijtuig achter zich dicht. De jalousiën werden opgehaald, en langzaam en plechtstatig gelijk een lijkstoet, reed de koets door de soldaten omringd, verder.
Treurig zag de ritmeester hem na. âHij heeft gelijk,quot; prevelde hij: het is erger met hem gesteld, dan met een stervende! Ik zal mij haasten, zijn testament ten uitvoer te brengen.'' â
Acht dagen later ontving prinses A malia, door tusschen-komst van Pöllnitz, een brief van den hertog van Wurtem-berg. Toen zij hem gelezen had, stortte zij met een hart-verscheurenden kreet bewusteloos en in vreeselijke zenuwtoevallen ter neder,
De brief van den hertog behelsde niets dan de woorden : âAlle pogingen waren te vergeefs Hij wilde niet vluchten en hechtte geen geloof aan den ernst van zijn ongeluk. â Mühlbaoh, Frederik de Groote en sijn Hof, V. 13
494
In de kasematten van Maagdenburg zit nu een arme gevangene, wiens testament, dat hij aan mij richtte, uit deze woorden bestaat: Zeg haar, die u bekend is, dat ik gevangen ben, en alleen op haar nog mijne hoop gevestigd heb!quot;
III.
PRINS HENDRIK EN ZIJNE GEMALIN.
Prins Hendrik liep onrustig, met gefronst gelaat in zjjn studeervertrek op en neder, terwijl een somber vuur in zijne oogen schitterde. Hij wasontstemd en wrevelig, en tóch wist hij zich zei ven er bijna geen reden voor te geven Er was niets sgebeurcL wat zijn goede luim verstoorde, â of aanleiding tot zijne mismoedigheid kon geven. Alles om hem heen had het gewone, vroolijk en feestelijk aanzien. Men was heden, even als bijna eiken dag, â sedert de prins met zijne hothouding te Rheinsberg woonde, â met de toebereidselen tot het een ot ander klein feest, tot eene vroolijke avondbijeenkomst bezig; er zou in het bosch een landelijk feest gegeven worden, waarbij men in een denkbeeldig herdersgewaad zoude verschijnen. De prins had zich dus in zijne vertrekken afgezonderd, om zich in het fraaie en smaakvolle gewaad te kleeden. dat hij voor heden, naar zijn eigen teekeningen had doen vervaardigen. â Maar dit voornemen had hij volkomen vergeten. Kleermaker en kapper wachtten hem te vergeefs in de kleer-kamer; de prins dacht er volstrekt niet aan dat zij daar waren; nog altijd liep hij met groote schreden zijn studeervertrek .op en neder, en zijne dicht opeengesloten lippen openden zich slechts somtijds, om eenige haastige, onverstaanbare woorden te uiten.
Waar dacht de prins aan? Mogelijk wist hij het zelf niet; of zoo hij het wist, wilde hij het zich zeiven niet bekennen. Mogelijk vreesde hij een blik in zijn hart te
195
werpen, en op den bodem daarvan geheel nieuwe wen-schen, geheel nieuwe gevoelens te vinden.
Somtijds bleef hij stilstaan, en zag met zonderlinge vragende blikken ten hemel, also! deze hem antwoorden moest op de een of andere geheimzinnige vraag, die zijne ziel hem toefluisterde. Dan weder schudde hij het hoofd, en streek haastig met de hand over het voorhoofd, alsof hij de gedachten verjagen wilde, die hem gelijk een lastig insect verontrustten. â Hij hoorde niet, dat men na verloop van eenigen tijd zacht aan de deur klopte; hij zag niet, dat deze nu geopend werd en de meest vertrouwde vriend van den prins, graaf Kalkreuth, in volmaakt herdersgewaad binnentrad.
De graaf echter deed niets om den prins, die juist aan het venster stond, zijne tegenwoordigheid aan te kondigen. Hij bleef naast de deur slaan en zag naar den prins. Ook zijne gelaatstrekken waren donker; ook in zijne oogen gloeide een somber vuur, en de blik, dien hij op den prins vestigde, scheen bijna vol haat te zijn. Toen deze zich echter' omkeerde veranderden de gelaatstrekken van den graaf schielijk, en'met de meest opgeruimde, uitdrukking op hem toetredende, zeide hij; âGijquot;ziet wel. Koninklijke Hoogheid, dat de verbazing over uw nog niet voltooid toilet en uw diepzinnig gepeins mij waarlijk verstomd deed staan; ik stond daar, even als Lot's zalige vrouw, op uwen drempel versteend. Gij vergat dus prins, dat gij ons allen bevolen hebt, precies ten vier ure gereed te zijn? Welnu, luister slechts Koninklijke Hoogheid, juist slaat de klok van het kasteel vier uur ; alle dames en heeren verzarnelen zich in de muziekzaal, die Uwe Koninklijke Hoogheid als de plaats van bijeenkomst bestemde, en nu zijt gij nog niet gekleed!''
âHet is waar,quot; zeide de prins verstoord; âik had er niet aan gedacht; ik zal mii nu haasten om miine fout te herstellen.quot;
Hij ging het vertrek door om zich naar zijne kleedkamer te begeven; evenwel niet haastig, maar langzaam en met gebogen hoofd. Bij de deur gekomen, bleef hij staan, en zag nog eenmaal naar den graaf om.
âGij zijt reeds gekleed, vriend?quot; vroeg hij, nu eerst de phantastische kleeding van den graaf bemerkende: âInder-
196
daad, dit staat u voortreffelijk, en het zeegroene satijnen buis doet uwe gestalte even goed uitkomen, als uwe kapiteins-uniform. Maar wat beteekent die strik, dien gij daar op den schouder draagt?quot;
âHet is de kleur mijner herderin,quot; antwoordde de graaf met een gedwongen lachje.
âEn wie is uwe herderin, vriend
âDat vraagt Uwe Koninklijke Hoogheid, die haar zelf voor mij bestemde?quot; vroeg de graaf verwonderd.
âOch het is waar; ik was het vergeten,quot; zeide de prins schijnbaar verstrooid: âuwe herderin is de prinses, mijne gemalin. Nu, ik wensch voor u, dat gij haar vroolijker en vriendelijker moogt vinden, dan hare Koninklijke Hoogheid voor mij dezen morgen was, en dat gij de schoonheid der roos zien moogt, die mij slechts hare doornen laat gevoelen.quot;
Terwijl de prins dus sprak, was het gelaat van den graaf bleek als van een doode geworden, en hij wierp een snellen wantrouwenden blik op den prins.
âHet is zoo,quot; zeide hij toen: âde prinses is zeer zonderling en achterhoudend jegens haar gemaal. Maar ongetwijfeld doet zij het slechts, om Uwe Koninklijke Hoogheid niet. lastig te vallen, en om ook van hare zijde de betrekking streng binnen de grenzen te houden, die gij, mijn prins, een jaar geleden bij uw huwelijk, dadelijk vaststelde!. Mogelijk weet de prinses maar al te goed, dat de uitdrukking Van haar gelaat voor haren echtgenoot volmaakt onverschillig is, zoodat zij zich in uwe tegenwoordigheid geheel ongedwongen aan hare ontstemming overgeeft.''
âHet is'waar,5' zeide de prins treurig: âzij is mij volkomen onverschillig, en ik zelf heb haar dit gezegd. Maar laten wijv er niet meer over spreken. Wat deert mij de mismoedigheid der prinses. Ik ga mij kleeden; ga gij intusschen naar de muziekzaal en verzoek het gezelschap uit mijn naam vergeving voor rnijn vertraging. Binnen eenige minuten ben ik gereed om mijne gemalin uit hare vertrekken af te halen, en haar bij u te brengen.'
Hij wrenkte den graaf vriendelijk toe, en verliet het vertrek. Deze echter zag hem met een donker, bezorgd gelaat na.
âHoe zonderling is hij heden,quot; fluisterde hij : âzoude hij
197
mogelijk argwaan koesteren,- en^deze schijnbaar argiooze vragen en opmerkingen, dat verstrooide, haastige voorkomen, â maar neen, neen, het is immers onmogelijk; hij kan niets weten, en niemand kan hem iets verraden hebben. JJet is slechts de angst van mijn geweten, die mij schrik aanjaagt. En dit moet ik dragen, want het is de tol, dien het geluk mij doet betalen!quot;
Hij zuchtte diep, en verwijderde zich om den hem opgedragen last ten uitvoer te brengen.
Na verloop van een kwartier was het toilet van den prins gereed, en ging hij naar den tegenovergestelden, door de prinses bewoonden vleugel van het paleis, om zijne gemalin af te halen en naar de muziekzaal te geleiden.
Met snelle, haastige schreden ging hij de zalen door, en zijn vroeger zoo droevig en ontstemd gelaat was nu vol gespannen verwachting; zijne oogen schitterden van een stout, gloeiend vuur, en zijn geheel voorkomen kenteekende ongeduldige haast. Hij had een heerlijken ruiker van witte camelias in de hand, waarop hij somtijds, terwijl hij ,de zalen doorging, de oogen met eene bijna teedere uitdrukking vestigde, en toen hij nu aan het voorvertrek zijner gemalin gekomen was, verbleekte hij, en leunde sidderend en naar adem hijgend, een oogenblik tegen den wand.
Toen bedwong hij zich met inspanning; en de deur van het voorvertrek openende, trad hij binnen en gelastte de daar vertoevende hofdame, hem onmiddelijk bij zijne gemalin aan te melden.
Prinses Willielmina ontving haar gemaal met een stijve, hoofsche buiging, welke strenge hof-etiquette slecht voegde bij het gewaad dat zij droeg, en dat de trotsche, schoone prinses in eene bekoorlijke, niet minder schoone herderin veranderde. En inderdaad, het zoude moeielijk te beslissen zijn, of de prinses schooner was, wanneer zij zich fleren van hare macht bewust vertoonde, in haar vol hofgewaad, met diamanten getooid, een schitterende diadeem op het hooge, blanke voorhoofd dragende, â of nu in deze schilderachtige kleeding, welke bare verschijning minder trotsch, maar mogelijk des te bekoorlijker maakte. Zij droeg over een rok van wit satijn, een lichtrood gazen kleed, dat rondom met festons opgenomen, door bouquetten van witte rozen werd vastgehouden Het witte, met zilver geborduurde
198
satijnen lijfje omsloot haj;e welgevormde, en toch tegelijkertijd tengere gestalte, en deed hare sierlijke, weelderige vormen in hunne geheele schoonheid uitkomen. Een bou-quet van roode rozen was op eiken schouder bevestigd, en hield het dunne zilvergaas, dat den half onthlooten boezem en den trotschen hals bedekte, aan het lijfje vast. Het ongepoederde, zwarte haar, viel in lange krullen over den sneeuwwitter! hals neder en omgaf als met eene schitterende, donkere lijst, haar bekoorlijk, van gezondheid, jeugd en bevalligheid stralend gelaat. Op het hoofd droeg zij een vollen krans van witte en roode rozen, terwijl een dergelijke ruiker voor, de borst was vastgehecht.
In dit gewaad was zij inderdaad betooverend schoon, en waarschijnlijk wist zij dit; quot;want hare donkere oogen schitterden van ee» tieren gloed, en een zacht glimlachje speelde om hare lippen, terwijl zij den prins aanzag, die sprakeloos en verlegen tegenover haar stond, en naar het scheen geene woorden kon vinden, om zijne verrassing of zijne tevredenheid uit te drukken.
âWanneer het u goeddunkt, prins, zoo laat ons naar het gezelschap gaan,quot; zeide de prinses eindelijk, om aan dit sprakelooze tooneel een einde te maken.
Met eene koele uitdrukking reikte zij haar echtgenoot de hand. Hij nam die en hield haar vast, maar hij bleef staan en staarde zijne gemalin doordringend aan.
âMevrouw,quot; zeide hij eindelijk zacht en beschroomd: âik heb een verzoek aan u.quot;
âGij hebt slechts te bevelen, prins,quot; antwoordde zij koel: âwat wenscht gij, dat ik doen zal?quot;
âIk zeg u immers, dat ik niets beveel, maar slechts verzoek,quot; zeide de prins.
âWelnu dan, prins, verzoek dan!quot;
De prins overhandigde zijne gemalin den ruiker witte camelia's, en zeide met eene beschroomde en tevens smee-kende stem: âIk verzoek u, dat gij dezen ruiker van mij aanneemt, en dien heden voor de borst draagt, ofschoon het niet uw herder is, die hem u aanbiedt.quot;
âNeen, niet mijn herder, maar/nijn echtgenoot,quot; zeide de prinses, terwijl zij met eene bijna toornige uitdrukking den ruiker van rozen van hare borst losmaakte : âik zal dus de bloemen moeten dragen, die hij mij geeft.quot;
199
Eu zondor den ruiker slechts met een blik te verwaardigen, wilde zij hem aan haar boezem vasthechten.
âZoo gij het niet om mijnentwil doet, mevrouw,quot; zeide de prins smeekend: âwelnu, doe het dan ter wille der bloemen; want gij kunt ten minste verzekerd zijn, dat geen der overige herderinnen een dergelijken ruiker zal dragen.quot;
âHet is waar,quot; zeide de prinses, den ruiker beschouwende: âdit zijn geene witte rozen; het schijnen bovendien geene natuurlijke bloemen te zijn. De bladeren zijn hard en doorschijnend gelijk albast, en daarbij verblindend wit als sneeuw. Welke bloemen zijn het, prins?quot;
âliet zijn camelia's, prinses. Onlangs hoorde ik u van deze nieuwe bloemsoort, die nu eerst naar Europa kwam, spreken, en toen dacht ik, dat het u aangenaam zoude zijn, ze te leeren kennen.quot;
âZeker, prins. Maar ik wist niet dat deze nieuwe bloem reeds hier bij ons bloeide.quot;
âDat doet zij ook niet,quot; zeide de prins: âdeze ruiker komt uit Schwetzingen; want nergens in geheel Duitsch-land, dan alleen in de vermaarde broeikassen van den markgraaf van Baden, zijn deze bloemen te zien.quot;
âEn hoe hebt gij ze dan gekregen?quot; vroeg de prinses verbaasd.
âIk zond een koerier naar Schwetzingen om ze te halen, en gij ziet, de bloemen zijn in haar omhulsel van vochtig mos, zeer goed bewaard gebleven, want zij zien er nog zeer frisch uit, ofschoon zij zes dagen onder weg zijn geweest.quot;
âEn hebt gij ze voor mij laten komen?quot; vroeg de prinses.
âHebt gij niet gezegd, dat gij verlangend waart deze zeldzame bloem te leeren kennen?quot; vroeg de prins op zijn beurt, en zijne blikken rustten met zulk een verterenden gloed op zijne gemalin, dat zij blozend hare blikken ter aarde sloeg, en stil en beschroomd tegenover hem stond.
âEn gij hebt geen enkel woord van dank voor mij over ?quot; vroeg de prins na eene pauze: âGij hecht den ruiker niet op uw boezem, opdat de bloemen daar een zaligen dood kunnen sterven? O, gij zijt zeer wreed, zeer hard jegens mij, prinses; en mij dunkt, dat uw gemaal wel op een
200
weinig meer vriendelijkheid en goedheid aanspraak mocht hebben!quot;
âPrins!quot; riep zijne gemalin met spotachligeu nadiuk; en terwijl zij met een verwonderden, zoekenden blik hare oogen door de kamer liet ronddwalen, vervolgde zij: âhet komt mij voor, dat wij hier alleen en onopgemerkt zijn, wij hebben dus niet noodig comedie te spelen en elkander met die namen .te noemen, waarmede wij ons voor de wereld tooien, en die gij mij geleerd hebt als nietsbetee-kende titels te beschouwen. Het kan zijn, dat eene vrouw vriendelijker en voorkomender jegens haren echtgenoot zijn moest; maar ik geloof niet, dat eene dame vriendelijker omtrent een lieer zijn mag, dan ik jegens Uwe Koninklijke Hoogheid ben!quot;
âEn tóch zijt gij jegens alle overige heeren vriendelijker dan jegens mij!quot; riep de prins driftig uit; âGij,_die voor elk een vriendelijk woord, een betooverenden blik, eene wei-willende voorkomendheid hebt, gij zijt jegens mij alleen koel en hard; uw gelaat betrekt, zoodra ik u nader; do glimlach verdwijnt van uwe lippen, dit steeds zoo heldere voorhoofd wordt bewolkt, en uwe oogen vestigen zich met een minachtende uitdrukking op mij. Ik zie het wel, mevrouw, gij haat mij. Welnu, haat mij dan, maar uwe verachting verdien ik niet, en wil die ook niet verdragen. Het is genoeg, wanneer gij mij in het verborgen en onopgemerkt met uwe snijdende koelheid, met uwe verpletterende onverschilligheid ter dood martelt. De wereld zal het ten minste niet zien dat gij mij haat, en in hare oogen wil ik niet door u vernederd worden. Wat, bijvoorbeeld, deed ik u heden, dat gij mij zoo koud en terugstootend behandeld hebt? Waarom verdween uw vroolijke lach, toen ik de kamer betrad? Waarom hebt gij mij het bloempje geweigerd, dat gij in de hand hieldt en dat gij later evenwel achteloos hebt weggeworpen?quot;
Met schitterende, toornige blikken zag prinses Wilhel-mina hem aan. âGij vraagt veel, mijnheer, en velerlei,quot; zeide zij scherp: âik geloof niet, dat ik u hiervan rekenschap behoef Ie geven Laten wij ons, zoo gij het goedvindt, bij het gezelschap voegen.quot;
Zij maakte eene lichte, trotsche buiging, en wilde verdergaan, maar de prins hield haar tegen. âGa nog niet,quot;
201
zeide hij srneekeud: âga nog niet. Zeg eerst, dat gij mij vergeven hebt, dat gij niet meer boos op mij zijt? ü, Wil-helmina, gij weet niet wat ik lijd; gij hebt geen denkbeeld van de kwalen die mijne ziel folteren!quot;
âIk weet bet wèl,quot; zeide zij koel: âwant gij hebt het mij immers reeds op den dag van ons huwelijk gezegd, en het was onnoodig, er op terug te komen, want ik heb uwe toe» geuite woorden niet vergeten.quot;
âWat bedoelt gij dan?quot; vroeg de prins, baar met verwarde blikken aanziende: âHoe zoude ik u op den dag-van ons huwelijk reeds bet lijden hebben kunnen klagen, dat ik toen nog niet kende, en waarvan ik de mogelijkheid volstrekt niet geloofde?quot;
âHet kan zijn, dat dit lijden nog heviger geworden is, als gij toen geloofdet,quot; zeide de prinses koel: , maar toen reeds hebt gij mij toevertrouwd dat het bestond, en ik mag wel zeggen, dat het sedert ons huwelijk de éénige maal was, dat wij elkander iets toe te vertrouwen hadden. Ons eenig geheim is: dat wij elkander niet beminnen, en nooit beminnen zullen; dat wij slechts voor de wereld, â maar niet met ons hart gehuwd zijt!quot;
âO, gij wilt mij dus dooden!quot; zeide Hendrik, geheel uitgeput op een stoel nedervallende.
De prinses zag hem met een koelen blik en onbewogen gelaat aan. âIJ dooden?quot; zeide zij: âEn waarom zoude ik dat doen? Men doodt slechts diegenen, die men bemint of haat, en beide is bij ons niet het geval.quot;
âIk ben u dus volmaakt onverschillig?quot; vroeg de prins met een treurigen lach.
âIk geloof, dat het dat was, wat gij op den dag van ons huwelijk van mij eischtet, en ik heb mij beijverd uwen wensch te vervullen en u daardoor ten minste te bewijzen, hoezeer ik aan uw wil poog te gehoorzamen. O, ik zal dat uur nimmer vergeten,quot; vervolgde de prinses: âik kwam vreemd, alleen, en ziek van angst en heimwee te Berlijn aan: ik had geen vriend, waarop ik steunen, â niemand, die mij raden of bijstaan kon. Men had mij uitgehuwd, ja, zoo als men Vorstinnen gewoonlijk uithuwelijkt, dat is te zeggen: zonder mij te vragen, zonder dat ik den man kende, dien ik eeuwige liefde en getrouwheid moest zweren. Evenzoo heeft men u met mij vereenigd; wij waren elkander beiden
202
vreemd; voor het eerst zagen wij elkander op den dag, waarop wij voor Gods altaar traden, om onder het gelui der klokken en het gebulder van het geschut onze handen ineen te leggen. Ik verbeeld mij altijd, dat men bij zulke vorstelijke huwelijksplechtigheden slechts daarom zoo veel ge-druisch maakt, opdat God en de menschen ons ja! niet hooren, dat op onze weigerende lippen bijna gelijk een neen! â als een wanklank, als eene gebroken snaar weergalmt. De klokken luidden toen zóó harmonisch, en de kanonnen bulderden zóó hard, dat niemand ons weigerend ja! hoorde; niemand, dan wij alleen. Maar gij waart grootmoedig; gij hadt voor het altaar eene gedwongene onwaarheid kunnen uitspreken; toen wij echter des avonds in onze vertrekken alleen waren, bekendet gij mij vrijwillig de waarheid. De waarheid: dat wij beiden elkander niet beminden en ook nimmer beminnen konden, juist omdat wij door dwang vereenigd waren. Gij waart goedhartig genoeg, mij te vragen, eene vriendin, eene zuster voor u te zijn; en om mij onmiddelijk een blijk van uw broederlijk vertrouwen te schenken, verhaaldet gij mij, dat gij met al het vuur en de geestdrift van uw jeugdig hart eene vrouw bemind hadt, die u bedroog, en die daardoor voor altijd de liefde in uw hartge-dood had. â Ik, prins, kon uw vertrouwen niet met een gelijk bewijs van vertrouwen beantwoorden, want ik had niets te vertrouwen; ik had nimmer bemind en beminde niet, en dus was ik u zeer dankbaar toen gij mij zeidet, dat gij geene liefde van mij eischtet, maar dat wij in kalme onverschilligheid met elkander leven, en ons slechts voor het oog der wereld met de nietsbeleekenende titels van gemaal en gemalin zouden tooien. Blijmoedig nam ik dit voorstel aan: om voor u een geheel onverschillig wezen te blijven en u evenzoo te beschouwen; en ik begrijp dus niet, hoe gij mij dit nu tot een verwijt kunt aanrekenen!quot;
âGij hebt gelijk; ik heb dat alles gezegd, ik heb dat alles gedaan!quot; riep de prins bleek en bevende van innerlijke ontroering, âmaar toen ik dit deed, was ik waanzinnig, ja, meer dan dat: een Godloochenaar! Want de liefde is, even als God, heilig, onzichtbaar en eeuwig, en wie aan hare jeugd, haar onsterfelijk leven en hare almachtige tegenwoordigheid niet gelooft, die is gelijk aan de woeste neidenen, die slechts aan dien God gelooven, wiens heel-
203
tenis zij voor zich zeiven uit hout sneden, en wier oog te zwak is, om de onzichtbare heerlijkheid te begrijpen. Op dat tijdstip had mijn hart zijne eerste wonde ontvangen, en daar het bloedde en trilde, waande ik dat het dood was, en wilde het in mijne wreede herinneringen, als in een ijzeren doodkist, waaruit geen ontkomen meer mogelijk was, begraven. Maar een engel naderde deze doodkist en legde er zijne hand op; de kist opende zich, en mijn hart, rees daaruit op, niet alleen genezen van zijne wonden, maar verjongd, vol vertrouwen en vol hoop op het geluk en de toekomst. In het begin wilde ik mij zeiven dit niet bekennen; ik beproefde zelfs deze verjongde, heerlijke wedergeboorte van mijn hart opnieuw in den droevigen sluier mijner ondervinding te wikkelen. Maar mijn hart had reuzenkrachten ; het wierp alle omhulsels van zich af, en verscheurde, even als Hercules in de wieg, de slangen, die er om heen sisten. O, het was een smartelijk, zalig gevoel, te weten dat ik weder een hart had; dat ik nog eens in staat was die verrukkingen en smarten, dat verlangen, die bezieling en geestdrift, dat alles te gevoelen, waardoor de liefde zich kenschetst. En dit gevoel, aan wie ben ik dit anders verschuldigd, dan aan Aan u, Wilhelmina, aan u mijne gade! Gij wendt uw hoofd af, Wilhelmina, en een spottende glimlach zweeft op uwe lippen? Het is zoo, ik heb het recht niet u mijne gade te noemen; het staat u vrij, mij van u af te stooten en mij tot de koele, vreemde betrekking, die waanzin en verblinde wanhoop mij eenmaal deed eischen, ook verder te veroordeelen. Maar bedenk, prinses, dat gij daardoor een somberen rouwsluier over mijn geheel leven zoudt uitspreiden; bedenk, dat het mijne geheele toekomst is, die ik aan uwe voeten nederleg; eene toekomst, waarvoor het lot mogelijk groote plichten en groote daden bestemde. Welnu, ik zal deze plichten niet kunnen vervullen, deze daden nietten uitvoer brengen, wanneer yij mij daartoe niet den zegen van het geluk schenkt. Ik zal een roemlooze, overtollige, onbeduidende prins zijn, â een treurig en nutteloos aanhangsel van den troon, de verachte en onbeminde last van een volk, wanneer gij mijne ziel, die gekluisterd en deemoedig voor u ligt, niet de vrijheid en de kracht hergeeft om zich te verheffen. Wilhelmina, laat die vreeselijke marteling der laatste maanden eindigen;
204
ontsla mij vun dien banvloek, die mijn geheel leven gekluisterd houdt; spreek slechts één woord, en ik zal de kracht bezitten, de geheele wereld te verdringen, om u te bewijzen, dat ik uwer waardig ben; ik zal de sterren noodzaken van den hemel af te dalen, om ze als een diadeem op het voorhoofd mijner Wilhelmina te leggen. Zeg, dat gij het beproeven wilt, mij te beminnen, en ik zal aan u gelukzaligheid en liefde, ik zal aan u eene roemvolle toekomst te danken hebben!quot;
Hij was zóózeer door zijn eigen vuur en geestdrift vervuld, dat hij volstrekt niet bespeurde, hoe hel straks zoo gloeiend gelaat der prinses, nu door eene doodelijke bleekheid overtogen werd; dat hij de uitdrukking van angst en ontzetting niet zag, waarmede zij voor een oogenblik hare oogen op zijn gelaat liet rusten, en ze toen als het ware beschaamd ter aarde sloeg.
De prins vatte hare beide, machteloos neerhangende handen en drukte ze vast aan zijne borst. Zij liet het bewusteloos toe, zij was als het ware bedwelmd en versteend.
â Wees barmhartig, Wilhelmina,quot; bad hij op smeekenden, vleienden [toon: âzeg, zeg, dat gij mij vergeven hebt, dat gij mij beminnen zult!quot;
Zijne gemalin kromp huiverend ineen, en zag beschroomd tot hem op. âMoet ik dat zeggen,quot; stamelde zij: âen gij zelf hebt mij nog niet gezegd, dat gij mij bemint!quot;
De prins juichte luid van verrukking, en voor haar neder-lÃ-lelende, zeide hij: âIk bemin u, Wilhelmina; neen, ik aanbid u! Ik wil niets, verlang niets, begeer niets, dan slechts it alleen. Gij zijt mijne liefde, mijne hoop, mijne toekomst. Wilhelmina, zoo gij niet wilt dat ik aan uwe voeten sterf, zeg dan, dat gij mij niet verstoot, open dan uwe armen en hef mij tot uw hart omhoog!quot;
Een oogenblik stond zij bleek en onbeweeglijk, wankelend en sidderend jnet gesloten oogen. Hare lippen openden zich als tot een kreet, en eene pijnlijke trilling was in haar gelaat te bespeuren.
De prins zag het niet; hij had zijne lippen op hare nederhangende handen gedrukt, en zag niet tot haar op.
Hij zag niet dat zijne gemalin hare lippen vast op elkander knelde, om den kreet te weerhouden; dat zij de oogen nu opende en met een wanhopigen blik naar den hemel opzag.
205
De strijd was voorbij, De prinses boog zich voor haar echtgenoot neder, en hare handen hieven hem zacht op.
âSta op,quot; lluisterde zij zóó zacht, dat slechts het oplettend oor van den prins haar verstaan kon: âSta op! Ik mag ii zoo niet aan mijne voeten zien, want gij hebt een recht op mij en jnijne liefde. Gij zijt mijn echtgenoot.quot;
De prins sprong op on sloot haar vast en innig in zijne armen
IV.
HET FEEST IN IIEl1 liOSCll.
Nog nooit was er een heerlijker feest te Rhein'sberg gevierd. Wel had de hofhouding zeer lang op den aanvang er van moeten wachten, en waren er uren verloopen, eer hel vorstelijk paar zich bij zijne gasten in de muziekzaal gevoegd had; maar daarvoor had het zich ook als de schitterende zon van het geluk aan hen vertoond ; daarvoor had men de prinses ook nimmer schooner, bevalliger en beminnelijker, enden prins nimmer fierder, vroolijker en schitterender gezien, dan juist heden. Zijne stralende, vurige blikken s, henen de geheele wereld ten strijde tegen zijn geluk te willen uitdagen; zijn glimlach was zegevierend en toch vriendelijk en goed; de geheele uitdrukking van zijn gelaat was tegelijkertijd schitterend en zacht, en nooit had hij voor elk zijner gasten zulk een weiwillenden groet,â zulk eene minzame vriendelijkheid over gehad, dan juist heden.
Men was quot;dus algemeen zeer opgewekt, gelukkig en vroolijk; men gaf zich geheel aan het liefelijke, idyllische feest over, waarvoor men zich heden onderde schaduwen van het nabij het paleis gelegene, geurige bosch verzameld had; ja, zelfs in Arcadië konden geen gelukkiger herders en herderinnen geweest zijn, dan heden te Rheinsberg bij-
206
een waren. Men lachte en dartelde; men vertoonde kleine bevallige herderspelen, en in de gelukkigste stemming gat men zgt;ch aan het bevallige spel en de zorgelooze scherts van het oogenblik over. Hier wandelde een herder met zijne herderin in vroolijke gesprekken op en neder. Daar rustte een herder onder de schaduw van een eik, en zong bij zijne cither verliefde klachten over zijne wreede herderin, terwijl deze in de nabijheid op een klein grasperk twee witte lammeren aan een lint leidde, en des herders klachten met vroolijken luimigen, spot beantwoordde. Op het kleine meer in de nabijheid wiegelden witte zwanen op en neder, en bevallige herderinnen stonden aan den oever en lokten de zwanen tot zich, en bespotten de afgewezen herders, die op met vlaggen versierde bootjes rondroeiden, en overal door de herderinnen verjaagd, geene plek konden vinden om aan wal te komen.
Prins Hendrik beminde zulke feesten, en had reeds menigmaal te Rheinsberg soortgelijke gegeven. Maar nooit had men hem bij een der vorige zoo opgeruimd en gelukkig gezien als heden.
Terwijl allen zich over deze opmerking verheugden, was er toch ééne, die slechts zuchtend en met een bitter smartelijk gevoel, deze zichtbare verandering van den prins opmerkte. ,
Deze eene was Louise du Troussel, eenmaal Louise yon Kleist, â eenmaal de aangebedene geliefde van den prins!
Zij was gehuwd; naast haar stond een jong, beminnens-waardig, geestig en schoon echtgenoot; maar nog altijd brandden de oude wonden in haar hart, en haar hoogmoed bloedde nog steeds wegens de verachting van den prins; wegens het bewustzijn, dat hij niets vermoedde van het onmetelijke offer, dat zij hem gebracht had; daar hij haai minachtte, in plaats van haar te bewonderen en te beklagen. , ,
De pinns had, â om haar zijne volmaakte onverschilligheid en verachting te bewijzen, â haar met haren echtgenoot aan zijn Hof verbonden. In de lierheid van zijn gekrenkt en gewond hart was het hém alleen te doen, om aan de wereld
1) Thiébault. Vol. II, pag. 140.
207
te toonen, hoezeer deze zich bedroog, toen zij geloofde, dat hij door de schoone Louise von Kleist versmaad en afgewezen was, terwijl hij haar en haren echtgenoot aan zijn Hof noodigde, terwijl hij in hare tegenwoordigheid zijne gemalin met de levendigste bewondering huldigde, wilde hij zijne trouwe-looze geliefde toonen, dat hij haar niet beklaagde, noch ontvluchtte, maar dat hij haar volkomen vergeten had.
Louise du Troussel liet zich echter door dit spel niet misleiden. Beter dan de prins zelf had zij op de bodem van zijn hart gelezen; beter dan hij zelf, wist zij,dat zijne onversc' dlligheid, zijne verachting en spot, â dat dit alles slechts sombere rouwsluiers waren, die hij over zijn doode-lijk krank, verraden en gewond hart had geworpen, opdat zij zijn lijden en zijne smarten niet zoude zien, opdat zij niet zou vermoeden, dat hij nog steeds om haar leed.
Zij had den moed gehad, de nabijheid van den prins niet te vermijden, maar zijne uitnoodigingen aan te nemen en met haar jeugdigen echtgenoot de feesten bij te wonen, die de prins sedert zijn huwelijk, met een zekere tentoonspreiding van zijn geluk, te Rheinsberg gaf. Zij had den moed gehad zijne snijdende koelheid, zijne wreede spotternijen, zijne koude verachting, met glimlachende bedaardheid en vriendelijke onderdanigheid te verduren. Met een stoïcijnschen lach had zij hare weerlooze borst aan de kwetsende pijlen \an zijne honende spotternijen blootgegeven, en de smarten en kwellingen, die zij daarbij gevoelde, waren haar nog heerlijk en zoet voorgekomen; want zij waren toch altijd het bewijs voor haar, dat de prins haar nog altijd niet had opgegeven en vergeten, dat zijne voorgewende onverschilligheid en verachting niets anders was, dan het verbergen eener nog steeds voortdurende liefde.
Sedert eenigen tijd echter was dit anders geworden ; en het was aan den scherpen, en geoefenden blik der sluwe coquette niet ontgaan, dat er eene verandering in het wezen van den prins had plaats gehad. Vroeger had hij den schijn aangenomen, van haar niet te zien, âthans zag zij haar inderdaad niet. Vroeger had hij haar de eenvoudigste dingen nooit anders dan op een gejaagden, scherpen toon toegevoegd, â nu was hij volkomen rustig en kalm, en kon hij haar zelfs zacht en vriendelijk aanspreken.
208
âDe wonden zijn genezen,'' liad Louise du Troussel lol zich zelve gezegd: âhij is niet meer vertoornd op mij,omdat hij mij niet meer bemint!''
Maar zij had er niet aan gedacht, dat hij niet alleen kon ophouden haar te beminnen, maar dat hij ook lietde voor eene andere kon opvatten.
Heden was dit denkbeeld voor het eerst bij haar opgekomen. Aan zijn vergenoegd voorkomen, aan den vroo-lijken glimlach, de gelukkige, fiere en zalige blikken die hij op zijne gemalin vestigde, had Louise geraden, dat de prins zijne oude liefde slechts in zich zeiven begraven had, om eene nieuwe in zich te taten opkomen.
Dit bewustzijn trof Louise's hart als met een vergiftigen pijl; de toorn der ijverzucht deed haar alle ontzag, alle vrees voor den Koning uit het oog verliezen. Zij had van den prins moeten afzien, maar zij wilde hem niet verliezen. Mogelijk keerde hij tot haar weder, wanneer hij inzag, welk een vreesdijk offer zij hem gebracht had, hoe onverdiend hij haar ditgeheelejaar gekweld en gemarteld had.
Dit wilde zij beproeven; haar laatsten troef wilde zij uitspelen, en alles wagen om hem weder te herwinnen!
Daar ginds stond de prins. Tegen een boom leunenden, staarde hij glimlachend en peinzend, naar zijne gemalin, die juist met eenige herderinnen en haren herder, den graaf Kalkreuth, aan den oever van het kleine meer stond, en de zwanen voederde.
De prins was alleen. Louise du Troussel nam een spoedig besluit en ging recht op hen aan.
Prins Hendrik begroette haar met eene lichte buiging, en naar zijn gemalin ziende, vroeg hij onverschillig; âZijt gij óók hier. Mevrouw du Troussel!quot;
âUwe Koninklijke Hoogheid heeft mij de eer bewezen mij uit te noodigen,quot; zeide Louise: âendaar ik gewoon ben altoos de bevelen van Uwe Koninklijke hoogheid te volgen ben ik hier gekomen.quot;
âDat is zeer vriendelijk,quot; hernam de prins verstrooid, altijd den blik op zijne gemalin gevestigd houdende.
Louise du Troussel zuchtte diep, en den prins naderende, vroeg zij fluisterend: âZijt gij nog altijd boos op mij, prins'? Kunt gij mij nog vergeven?quot;
âWat'dan?quot; vroeg prins Hendrik bedaard: â1 k kan mij
200
volstrekt niet herinneren, dat ik u iets zou moeten vergeven.quot;
âAch, ik zie wel, dat gij mij nog altoos veracht!quot; riep Louise op heftigen toon; âMaar ik wil het niet langer dragen; ik wil niet langer, door smart verteerd, mijn leven voortslepen, beladen met den vloek van uwe verachting en toorn. Gij moet ten minste weten, hoeveel het mijn hart gekost heeft, deze verachting te verdienen, en s welk een vreeselijk offer men mij gedwongen heeft aan uw verondersteld geluk te brengen. Ik heb het hoogste geluk mijns levens moeten opofferen, maar ik kan en wil in uwe herinnering niet langer beschimpt voortleven, en wanneer gij nog soms aan mij mocht denken, moge het dan ook zonder toorn zijn.quot;
âfk denk ook niet meer met toorn aan u, âzeide de prins glimlachend: âdie smarten zijn reeds lang doodgebloed.quot;
âIn uw hart, prins, maar niet in het mijne. Mijne wonden bloeden en zullen dat eeuwig doen, tenzij gij mij vergeeft en mij weder acht. Hoor dus, en zoo waar er een God is, die ons hoort, â ik heb u niet bedrogen, ik ben u niet trouweloos geworden. Mijne ziel en mijn hart had ik, vol zaligheid en in dankbaarheid jegens God voor de overmaat van geluk, aan uwe voeten neergelegd. Mijn ge-heele leven en denken, mijne geheele toekomst was aan u verbonden, prins; ik had geen eigen wil, geene wenschen meer ! Ik was geheel de uwe, wilde slechts door u bemind worden!quot;
âEn toen kwam monsieur du ïroussel, en gaf it de vrijheid, en uw gekluisterd hart zijne vleugelen terug,quot; zeide de prins spottend.
âNeen; toen kwam de Koning en beval mij u op te geven,quot; lluisterde Louise: âToen kwam de Koning en eischte van mij, dat ik mij zelve en mijne liefde, aan uw geluk en welzijn zoude opofferen. O, mijn prins, herinnert gij u nog dat vreeselijk uur, toen ik u zeide, dat ik uit vrije keuze, uit reine liefde de zijne wilde worden?quot; '
âIk herinner mij dat uur.quot;
âNu dan, wij waren toen niet alleen! De Koning stond achter de portière en hoorde mij. De Koning had mij bevolen zóó tot u te spreken; hij had mij met zijn vreese-lijksten toorn bedreigd, wanneer ik het wagen durfde, u
Mühlbaohf Frederik de Groote en zijn Hof. V. 14
'210
met een wenk, met een blik, met een woord zijne tegenwoordigheid te verraden, of u te bekennen, dat ik mij niet vrijwillig en uit liefde âmaar na den vreeselijksten strijd, en nadat ik den Koning tevergeefs op mijne knieën en onder duizend tranen om medelijden gesmeekt bad, met dezen niet beminden, ik zou haast zeggen, gehaten man verloofd had!quot; â¢
âEn welke middelen kon de Koning aanwenden, â welke bedreigingen waren er te vinden om u tot zulk een slap te dwingen?quot; zeide de prins ongeloovig het hoofd schuddend; âDreigde bij u te dooden, wanneer gij nietgehoor-zaamdet? Welnu, als men bemint, vreest men den dood niet! Zeide hij u, dat hij mij zoude dooden, als gij mij niet vrij liet? Gij wist dat ik een sterken arm en een vasten wil heb, en gij hadt op beide moeten vertrouwen en uw lot in mijne handen leggen, en u door geen ander mensch wetten of bevelen laten geven, behalve door mij. â Moet ik li overigens de waarheid zeggen ? Ik geloof niet aan het offer; want indien gij dat zoudt gebracht hebben, zoude het niet alleen een bovenmenschelijk, â maar bovendien ook van uwe zijde een wreed geweest zijn. Gij zaagt, wat ik leed; welke vreeselijke smarten mijn binnenste verscheur-dqn. Neen, neen, mevrouw, óf, gij hebt dit offer niet gebracht, óf, als gij het deedt, bemindet gij mij niet. Want hadt gij mij bemind, dan zoudt gij de kracht niet gehad hebben, mij te zien lijden; gij zoudt mij de waarheid gezegd hebben, zelfs met gevaar, dat de Komng u hoorde en ons bedreigde. In ware liefde gaat geene macht boven den menschelijken wil; hij leeft slechts uit zich zclven en neemt van niemand wetten aan! â Neen, mevrouw, ik geloot niet aan dit ofler! Gij hebt het verzonnen, om daarmede mijn ziek hart te beelen; óf, omdat het uw trots belee-digde, door mij niet zoo hoog geacht te worden, als gij het anders door ieder ander verdient!quot;
âO, mijn God, mijn God, hij gelooft mij niet!quot; zuchtte Louise smartelijk.
âNeen, ik geloof u niet,quot; zeide de prins; âmaar evenwel moogt gij niet denken, dat ik nog boos op u ben. Neen, ik heb u niet alleen alles vergeven; ik dank u er zelfs voor. Want gij zijt het toch eigenlijk, die ik voor mijn tegen-waardig geluk, voor al die edele en kostelijke geneugten,
211
welke eene echte liefde schenkt, moet bedanken. U en den Koning! O, het was zeer wijs van den Koning, mij datgene te weigeren, wat ik toen voor mijn geluk hield, en dat later tóch tot ons beider wanhoop, ongeluk en schade zou zijn geworden! Immers de liefde, die het daglicht moet schuwen en zich in schuilhoeken moet verbergen, sterft spoedig uit en verbleekt en verwelkt; want liefde heeft behoefte'aan het zonnelicht en den zegen Gods! Aan de onze zou dat alles ontbroken hebben; en het was daarom, dat gij, dit inziende, boven een onzeker geluk aan mijne zijde, de voorkeur gaaft aan het zekere, aan de zijde van den heer du Troussel. Ik bedank u daarvoor van ganscher harte; want, zie eens, welk eene kostelijke bloem voor mij uit het graf onzer verbroken liefde ontloken is! Zie die schoone, jonge vrouw daar ginds, die, â ofschoon zij eene herderin schijnt te zijn, â tóch als eene gebiedende Koningin te midden van alle andere vrouwen staat: eene Koningin van schoonheid, bevalligheid en beminnelijkheid. Nu, deze zoo aanminnige, schoone, onschuldige en kuische vrouw behoort mij, is mijne gemalin, en aan itwe onstandvastigheid dank ik het, dat zij het is. O, mevrouw, ik heb dus wèl reden u alles te vergeven; grondige reden, u mijn geheele leven daarvoor dankbaar te zijn; want gij alleen waart de aanleiding, dat ik de prinses trouwde. Wat geene bedreigingen, geene verzoeken, geene bevelen konden doen, dat vermocht uwe trouweloosheid. Ik trouwde! â ü, mevrouw. God heeft u in Zijne goedheid tot middelaarster in mijn lot gekozen; Hij heeft gewild, dat ik uit wwehand mijn schoo-ste geluk en mijne zaligste vreugde mocht ontvangen. Gij moest mij eerst genezen van den logen eener dwalende liefde, om mij de waarheid eener reine en gezegende liefde te laten gevoelen; eene liefde, zooals thans mijn ziel en hart, mijn leven en denken voor mijne gemalin gevoelt!quot;
âO, gij zijt wreed,quot; fluisterde Louise, nauwelijks in staat de tranen te weerhouden, die in hare oogen drongen.
âHet is alleen de waarheid, mevrouw,quot; zeide de prins glimlachend: âgij wildet van mij weten, of ik nog boos op u ben, en ik zeide u, dat ik niet slechts vergeven heb, â maar dat ik uwe trouweloosheid zegen. En daarmede, verzoek ik u, laat ons dit gesprek eindigen, dat wij nooit weder willen aanknoopen. Wij hebben beiden een nieuw leven begonnen,
212
onder den zonneschijn eener nieuwe liefde, die wij doorgeene wolken van droeve herinneringen willen laten verduisteren. Zie maar, de schoone herderinnen zoeken bloemen op de kleine weide, en mijne gemalin staat alleen aan den rand van het meer! Sta mij dus toe, tot haar te gaan, om te zien of het meer haar beeld even bekoorlijk en schoon weerkaatst, als het in de werkelijkheid is! '
En haar even toeknikkende, ging hij glimlachend met haastige schreden het pad op, dat naar het meer voerde.
Louise du Troussel zag hem vertoornd na. â âHij veracht mij,quot; prevelde zij: âen hij bemint haar. Maar zij ? Bemint de prinses hem? 0, volstrekt niet! Hare blikken zijn koud en ongevoelig als zij hem aanziet, en heden nog zag ik haar verbleeken, toen de prins haar naderde. Neen, zij bemint hem niet! Maar wien dan ? Wien dan? Zij is te jong, te vurig, â en ook, zooals mij dunkt, te gevoelig, om geheel zonder liefde te kunnen zijn. O, ik zal dit doorgronden, en er zal een dag komen, waarop ik voor dit uur 'wraak zal nemen! Dien dag zal ik afwachten!quot;
Terwijl Louise haar gelaat tot vroolijkheid dwong, om haar gemaal geheel ongedwongen te gemoet te gaan^en de prins zijn weg naar het meer vervolgde, stond de prinses, van hare dames verwijderd, nog altijd met graaf Kalk-reuth, â dien haar echtgenoot haar zelf voor heden tot cavalier gegeven had, â aan den oever van het meer. Zij scheen hare geheele oplettendheid op de zwanen gericht te hebben, die voor haar heen zwommen en haar de slanke halzen toestaken, om altijd weder nieuw voedsel uit hare hand te ontvangen.
Maar zich buigende als om de zwanen te voederen, fluisterde zij zachtjes: âHoor graaf, wat ik u moet zeggen. Wanneer gij kunt, lach dan zóó luide, dat mijne dames het kunnen hooren; zie wat vroolijker uit, want daar ginds zie ik mijn echtgenoot naderen, en hij ziet naar mij. In tien minuten zal hij bij ons zijn. Verstaat gij mij wanneer ik zoo zacht spreek?quot;
âIk versta u, prinses,quot; fluisterde de graaf: âoch, ik vrees, ik versta u ook zonder woorden. Ik heb in de oogen van uw gemaal mijn vonnis gelezen. De prins heeft achterdocht
opgevat.quot; .
âNeen,quot; zeide zij treurig, zich al dieper op het gras bui-
213
gende en oenige viooltjes plukkende om ze aan de zwanen toe te werpen: ,,neen, hij heeft geen achterdocht opgevat, maar â hij bemint mij!quot;
De graaf sprong op, alsof hij door den beet eener adder gewond was. âHij bemint u!quot; riep hij op luiden, bijna dreigendèn toon.
âOm Gods wil, spreek zacht!quot; lluisterde de prinses: âZie, de ,dames wenden zich naar ons, en zouden gaarne nieuwsgierig luisteren; de zwanen zijn verschrikt van den oever geweken. Mijn hemel, lach toch, spreek luide eenige vroo-lijke, schertsende woorden!
âIk kan niet,quot; zeide de graaf, zich geheel vergetende : âbeveel, dat ik mij in het meer zal storten, ik zal het met vreugde doen, en al stervende, ^zal ik uw naam uitspreken en u zegenen. Maar verlang niet dat ik lachen zal, wanneer gij mij zegt, dat de prins u bemint.quot;
âJa, hij bemint mij; hij heeft het mij heden bekend,quot; zeide de prinses huiverend: ,,o, het was een verschrikkelijk, vreeselijk oogenblik; want hij maakte tot eene zonde, wat tot nog toe onschuldig en rein geweest is. Zoo lang .mijn gemaal mij niet beminde en mijne liefde niet verlangde, was ik vrij haar weg te schenken aan wien ik wilde; zoodra hij mij bemint, en liefde van mij eischt, ben ik misdadig, wanneer ik ze hem weiger.''
âÃn ik pleeg verraad aan de vriendschap,quot; prevelde de graaf.quot;
âWij moeten dus scheiden,quot; fluisterde zij: âwij moeten eene liefde, die rein en schoon in onze harten leefde, er in begraven, en dit hier moet hare begrafenis zijn. Gij ziet wel, ik ben er reeds mede begonnen het graf met bloemen te tooien, en geloof mij, dat het niet zonder tranen geschied is.''
Zij wees met hare van fluweelen vonkelende hand op den ruiker van witte camelia's welke hare borst versierde.
âZóó wreed zijt gij, van niet eens meer mijne bloemen te dragen!quot; klaagde de graaf: âwas het niet voldoende mij zelven te verpletteren, moest gij ook mijne arme bloemen, die ik onder kussen en zuchten gewijd had, onder uwe wreede voeten vertrappen!quot;
âDe roode rozen welke gij mij gegeven hebt,quot; zeide zij zaclit: âzal ik tot. herinnering bewaren; lot herinnering
214
aan een schoonen en heerlijken droom, dien de ruwe en koude werkelijkheid verstoord heeft. Deze bloemen hier zijn prachtig, maar zonder geur of kleur, even als mijne geheele toekomst. Ik moet ze dragen, want mijn gemaal heeft ze mij gegeven, en ik zeide u immers, ik heb het graf mijner liefde er mede getooid. Vaar dan wel; voortaan mag ik slechts voor mijne plichten leven; daar ik uwe liefde niet meer mag aannemen, wil ik ten minste uwe hoogste achting verdienen. Vaarwel, en wanneer wij van heden koud en vreemd tegenover elkander moeten staan, vergeet dan nooit, dat onze zielen elkander behooren, en dat wanneer ik niet meer aan u denken mag, ik toch voor u bidden zal!''
,,0, gij hebt mij nooit bemind,quot; fluisterde de graaf, met bleeke, sidderende lippen : âzoo gij dat gedaan hadt, zoudt gij mij niet zoo spoedig hebben kunnen opgeven; zoudt pij de wreedheid niet gehad hebben mij zoo te verstoeten. Maar gij zijt mij moede, en sedert de piins u bemint, versmaadt gij dit arme, nederige hart, dat zich zoo vol vertrouwen aan uwe voeten nederlegde, en dat zich ootmoedig en onderworpen door u zal laten vertrappen. O, stellig; ik kan niet wedijveren met dien man, die een prins en de broeder eens Konings is, die âquot;
âDie mijn echtgenoot is!quot; riep zij fier: âen die, nu hij mij bemint, eischen kan, dat ik zijne liefde aanneem!quot;
âAch, nu zijt gij op mij vertoornd,quot; klaagde de graaf, nu âquot;
âStil,quot; fluisterde zij zacht: âziet gij dan niet, dat mijn gemaal reeds nadert? Mijn hemel, lach toch, buk u, geef die bloem aan zwanen.quot;
De graaf nam de bloem op, en haar aan den zwaan reikende, fluisterde hij: âPrinses, geef mij ten minste een teeken, dat gij niet vertoornd op mij zijt, en de liefde van den prins niet beantwoordt. Werp den hatelijken ruiker, welke den mijnen verdrongen heeft, in het water. Mij dunkt, hij ziet mij als met gitpijlen aan.quot;
âStil,quot; fluisterde de prinses nogmaals, en zich omkee-rende heette zij den prins met de vriendelijkste woorden welkom.
Prins Hendrik was zóó gelukkig haar te zien, en zóó door haar voorkomen geboeid, dat hij het neergeslagen
215
en treurig gelaat van den graaf niet eens opmerkte, maar hem vroolijk en opgeruimd aansprak,
Terwijl de graaf zich inspande hem even vroolijk te antwoorden, boog zich de prinses weder naar de zwanen, die zij door liefkozingen en lekkernijen dicht bij zich lokte. Plotseling stiet zij een kreet uit, en zag hulproepend naaide beide heeren om.
De groote, witte zwaan had den schoonen, witten ruiker van camelia's van hare borst gerukt, en zwom nu, hem trotsch in zijn bek dragende, op den helderen waterspiegel van het meer voort!
V.
KUIPERIJEN.
Terwijl prins Hendrik zich te Rheinsberg geheel aan het geluk zijner liefde overgaf en herderfeesten vierde, leefde de Koning in stille afzondering te Sanssouci, vanwaar hij slechts zelden naar Berlijn kwam, om de altoos zieker wordende Koningin-moeder te bezoeken, of de eene of andere vergadering van ministers bij te wonen. Nog nooit had de Koning zoo stil en eenzaam geleefd; nog nooit had men zoo weinig gasten op 'Sanssouci gezien, en bad de wereld in het algemeen zoo weinig stof tot spreken over den Koning van Pruisen gehad, als juist nu. Het scheen dat de Koning voldaan was mei de lauweren, welke de beide Silezische oorlogen om het hoofd van den held gevlochten hadden, en dat bij nu geen anderen wensch koesterde, dan in Europa, dat door langdurige en aanhoudende oorlogen uitgeput was, den rust en vrede te bewai en, waarover men zich overal met zooveel blijdschap scheen te verheugen. Diegenen, welke in de gelegenheid waren den Koning te zien, en die met eene uitnoodiging naar Sanssouci vereerd waren, wisten slechts te vertellen van bet overheerlijke, stille verblijf des Konings; van zijne onscbul-
216
(lige genoegens, van de vreedzame stilte welke in geheel Sanssouci heerschte, en die op elks gelaat te lezen was. Do Koning bemoeit zich volstrekt niet meer met de staatkunde, â zoo vertelden de staatkundige tinnegieters van Berlijn elkander: de Koning wil in het vervolg slechts voor de wetenschap en de kunsten, en boven al voor het welzijn zijns volks leven. Zoo zeide men ook, dat de buitenlandsche betrekkingen hem volstrekt niet ter harte gingen, en hij nocli aan krijg, noch aan verovering dacht. Des morgens hield hij zich met een of ander wetenschappelijk werk bezig, schreelquot; zijne Histoire de rnon temps, 01 brieven aan zijne vrienden, en hield zich slechts met de noodzakelijke, dagelijks terug-keerende werkzaamheden, met zijne ministers en secreta rissen bezig. De overige tijd van den dag werd met het bezichtigen der tuinen van Sanssouci, wandelen, aangename gesprekken, en eindelijk met muziek doorgebracht. lederen avond hadden er in de vertrekken des Konings concerten plaats, waarbij de Koning steeds zelf medewerkte; en eiken dag bestudeerde de Koning buitendien eenige uren, onder de leiding van Quanz, enkele der moeielijkere concertstukken van hem zelve, of van de compositie van Quanz. Ook aan zijne galerij van schilderstukken liet de Koning zich veel gelegen liggen, en de koopman Gotzkonsky moest opzettelijk naar Italië reizen, om voor de galerij des Konings schilderstukken der beroemdste, Ilaliaansche meesters aan te koopen.
De Koning scheen dus zijn ideanl bereikt te hebben ; ten minste datgene, wat hij in de woelingen van den krijg dikwijls zijn ideaal genoemd had. Hij kon op zijn schoon, bekoorlijk Sanssouci het stille en afgezonderde leven van een wijsgeer leiden; hij kon ongestoord voor de kunsten en wetenschappen leven; om de wereldsche zaken bekommerde hij zich volstrekt niet, of liever, er bestonden'geene wereldsche zaken meer voor hem. Geheel Europa verheugde zich in de volmaaktste rust. Maria Theresia was door do laatste Dresdener vredestractaten gebonden. Buitendien hadden de beide Silezische oorlogen haar land zulke diepe wonden geslagen, dat zij deze noodzakelijk eerst moest laten genezen, vóór zij er aan denken kon, den Koning van Pruisen, dien zij, â niettegenstaande hare vrome, christelijke gezindheid, â van ganscher harte haatte, op
217
nieuw aan fe lasten, om hern het fraaie Silezische juweel, dat hij aan hare kroon ontroofd had, weder te ontrukken. Engeland had met Rusland een nauw vriendschapsverbond gesloten, en Frankrijk had voor hel oogenhlik te veel te doen met de bekooilijke hetooverende feesten, die de schoone markiezin de Pompadour te Versailles gaf, om niet te wenschen met elk in vrede en eendracht le leven ; zelfs met zijn doodvijand. Oostenrijk, â wiens gezant, graaf Kaunilz van het Hof van Parijs, door zijn wijsmensch-kundig gedrag, de wolken van wantrouwen wist Ie doen verdwijnen, die zich zoo lang tusschen Oostenrijk en Frankrijk opgestapeld hadden.
Zoo was het gebleven tot aan het einde van het jaar 1755. Toen werd deze vreedzame stilte voor het eerst door de verwijderde echo van een kanonschot afgebroken. Europa onlstelde en richtte zich luisterend uit zijne gemakkelijke houding op, om naar de oorzaak van dit dreigend gedruisch te vernemen. Die oorzaak was wel was waar vrij verwijderd ; die kanonschoten, waarvan men slechts de echo vernomen had, waren volstrekt niet in Europa, maar in Amerika gelost ; evenwel door eene Europeesche macht, door Engeland, dat zich in zijne Amerikaansche handelsbelangen door Franrijk bedreigd achtte, en dat in zijne berekenende eigenbaat het altijd gaarne als cene prijzenswaardige en eerlijke politiek zou willen doen doorgaan, en ook van verlangen brandde, om niet enkel eene Oostindiscbe, â maar ook eene Westindische compagnie te bezitten. De Fransche koloniën in Amerika hadden reeds lang den nijd en de hebzucht van Engeland opgewekt, en daar het Engeland aan een geschikt voorwendsel lot den oorlog ontbrak, was het vermetel genoeg den oorlog zonder verwijl aan te vangen. Te midden des vredes, en zonder voorafgaande ooilogsver-klaring tastte het dus de op de grenzen van Fransch Canada, aan den oever der Ohio gelegen plaatsen aan, leverde een slag tegen driehonderd Fransche koopvaardijschepen, die onder geleide van twee oorlogschepen de Ohio opzeilden, en nam deze als goeden buit.1)
1
Charakteristik der wicliligsten Kreignisse des Siebenjiihrigen Krieges-Von einem Zeitgenossen (von Retzow.) Th. I. S. ^0.
218-
Dat waren de kanonschoten geweest, die geheel Europa nit zijne doffe stilte, uit zijne zoete sluimering gewekt hadden en nu was het met zijne genotvolle rust gedaan!
De Keizerin van Oostenrijk begon groote toebereidselen in Bohemen, en aan de Saksisch-Ãoheemsche grenzen aanzienlijke strijdkrachten bijeen te trekken.
De Keizerin van Rusland staakte hare dartele feesten en weelderige orgiën, om insgelijks troepen uit te rusten en ze-aan de grenzen van Coerland bijeen te trekken; tegelijkertijd sloot zij met Engeland een verbond, waardoor zij zich verplichtte de Duitsche landen van George den Tweede te beschermen, wanneer hetFrankrijk soms mocht invallen, om, onder mogelijken bijstand van den Koning van Pruisen, wraak te willen nemen wegens de in Amerika buit gemaakte driehonderd schepen, door de wegneming van Hanover. Voor deze beloofde bescherming ontving Rusland van Engeland de som van 150,000 pond sterling onderstandsgelden, die natuurlijk den praalzieken minister van Keizerin Elisabeth, den machtigen Bestuschew, zeer te stade kwamen.
Ook Saksen rustte zijne troepen uit en trok zich aan de Saksisch-Pruisische grenzen bijeen, waarvoor het van Oostenrijk ïijne onderstandsgelden ontving, die den alver-mogenden en pronkzuchligen graaf Brühl, minister van Koning August den Derde van Polen en Saksen, evenzeer te stade kwamen, :ils de Engelscho onderstandsgelden den Russischen minister.
Alleen de Koning van Frankrijk scheen op zich zeiven te staan, evenals de Koning van Pruisen; en het was dus zeer natuurlijk, dat aller oogen zich nu op deze beide Staten richtten, die door het noodlot er toe gebracht schenen, elkander de hand te reiken en zich met elkander te verbinden, evenzeer als Rusland het met Engeland, â en Oostemijk het met Saksen gedaan had. Deze handdruk van Frankrijk en Pruisen zou het teeken geweest zijn tot een algemeenen oorlog, waartoe reeds alle mogendheden den met het zwaard gewapenden arm opgeheven hadden.
Maar, â Frankrijk strekte zijne hand niet vroeg genoeg uit, om de vriendschap van Pruisen te vragen. Frankrijk koesterde even goed wantrouwen togen Pruisen, als Oostenrijk, Rusland, Engeland en Saksen dit deden ten aanzien
219
van den jeugdigen, stouten parvenu, die zich eerst sedert eene halve eeuw in de rij der groote mogendheden geplaatst had, en vermetel genoeg was, onder deze reeds eene machtige, zelfstandige plaats te willen bekleeden.
Frankrijk, â dat is te zeggen: Lode wijk fle Vijftiende, Frankrijk, â dat is te zeggen: de markiezin de Pompadour,â koesterde een wrok jegens den Koning van Pruisen, die in zijne geestige vrijmoedigheid den toestand van het Fransche koninklijke Hof dikwijls genoeg gegeeseld had.
Oostenrijk, - dat is te zeggen: Maria Theresia en haar minister graaf Kaunitz, â gevoelde geen minderen wrok jegens den Koning van Pruisen, die Silezië veroverd had.
Rusland, â dat is te zeggen: Elisabeth en haar minister Bestuschew, â haatte den Koning van Pruisen om dezelfde redenen als Frankrijk; omdat de geestige, bijtende taal varr Frederik het Russische Hof evenmin verschoond had, als het Fransche.
â Saksen, â dat is te zeggen: August de Derde en zijn minister graaf Brühl, â haatte den Koning uit instinct, uit nijd, uit een afgunstig voorgevoel, dat deze eenmaal zoo kleine, onbeduidende nabuur zich zóó hoog en schitterend verheffen zoude, dat Saksen daardoor in de schaduw ge^ plaatst, â en klein en onbeduidend schijnen zoude!
Engeland haatte niemand, maar het vreesde Pruisen en Frankrijk; en deze vrees deed het den ouden, ingewortel-den volkshaat overwinnen, en een verbond met Rusland sluiten. Maar het volk scheen de vrees van zijn Koning niet te deelen; het morde over dit Russisch verbond, en dit morren, dat in de zittingen van het parlement weerklank vond, werd spoedig zóó luid, dat de Koning van Pruisen het wel hooren â en daaruit zijne gevolgtrekking maken moes^
Of hoorde hij het niet? Klonk zijne fluit zóó luid, was zijn studeervertrek zóó hcrmetisch gesloten, dat geen gerucht van hetgeen daar buiten Voorviel, tot zün oor doordrong?
Hij staakte'zijn kalm, wijpgeerig stil leven niet. Hij alléén haatte niemand; hij alléén rustte zich niet ten strijde toe. Zijne soldaten exerceerden nu niet meer dan vroeger, maar â voorzeker zij exerceerden: en op zijn eersten wapenkreet zouden IG0?0Ãà man onder de wapenen treden. Maar de Ko-
220
riing scheen niet genegen hen op te roepen; volstrekt niet genegen de stilte van Sanssouci met liet gedruisch van het legerkamp le verwisselen. Hij scheen in de beste verstandhouding met alle mogendheden te leven, en alle mogendheden aan zich te willen verplichten. Daarom was hij bijzonder vriendelijk en voorkomend jegens hetOostenrijksch gezanlschaps-personeel; dit bleek niet alleen daaruit, dat de graaf van Puebla, de Oostenrijksche gezant, dikwijls ter koninklijke tafel genoodigd werd, âmaar ook de gezantschaps-secretaris baron von Weingarten moest dikwijls te Potsdam en Sanssouci verschijnen; zelfs scheen de Koning hem bijzonder genegen te zijn en hem te vergunnen, zoo dikwijls hij te Sanssouci kwam, vrij in de koninklijke tuinen te wandelen. Zóó ver zelfs ging de voorkomendheid van den Koning jegens de dienaren en onderdanen van andere Duitsche mogendheden, dat hij zich ook jegens de mindere ambtenaren van het Saksische ^ezantschapspersoneel ten uiterste vriendelijk vertoonde, en toen de vrouw van een hunner, den secretaris Reichert, te Potsdam beviel, was het op uitdrukkelijk verlangen van den Koning, dat zijn geheimkabinetsraad Kichel, het kind ten doop hield. ^ Om met Saksen op een goeden voet te blijven, zond de Koning bovendien een zijner schoonste, behendigste en vleiendste ho-velingen, graaf Maltzahn, naar het üresdensche Hof; en deze durfde het zelfs wagen in verkwistende pracht met graaf ümhl le wedijveren. Aan Saksen scheen de Koning 'bovendien eene bijzondere waarde te hechten, en met geen zijner afgezanten hield hij zulk een levendig, schriftelijk verkeer, als met den graaf von Maltzahn. Wel is waar verhaalde men elkander, dat deze briefwisseling van een zeer onschuldigen en genoegelijken aard was, en dat zij over niets anders handelde, dan over schilderslukk*i, die de graaf uit de koninklijk Saksische galerij moest aankoo-pen, â over muziekstukken, die de Koning uit de nalatenschap van den overledene Haf;se wilde overnemen, â ot over een llaliaarischen zanger, dien de Koning aan het Dresdensche looneel wilde ontvoeren.
1) Charakteristik der wichtigsten Ereignisse des siebenjahrigen Krieges' Tb. I, s. 23.
221
De overigens zoo dappere, heldhaftige en krijgszuchtige Koning van Pruisen, scheen gelijk Hercules zijne wapenrusting afgelegd, â en het zwaard met het spinnewiel verwisseld te hebben. Maar het was geene Omphale, die hem overwonnen had; daar hij vrijwillig en uit eigen vrije beweging de stilte en den vrede van zijn âkloosterquot; boven het gewoel der wereld verkoos, en liever als abt van Sans-souci, dan als Koning van Pruisen scheen te willen leven.
Maar de wereld gunde hem deze rust en stilte niet. Zoo Frederick zich ook al niet met de politiek scheen te bemoeien, zoo deden Maria Theresia, Elisabeth van Rusland, - August van Saksen , en â de markiezin van Frankrijk (!) het des te meer. Frankrijk had het niet vergeten, dat het alliantie-tractaat, dat tot nu We tusschen Frankrijk en Pruisen bestaan had, weldi azoude eindigen, en buitendien wist het, dat het onderstands verdrag tusschen Rusland en Engeland, door het parlement nog niet was goedgekeurd. â Het was dus mogelijk, uit deze beide zaken nog voordeel te trekken. Dientengevolge zond Frankrijk een buitengewoon gezant, den 'hertog van Nivernois, naar Rerlijn, om met den Koning van Pruisen over de vernieuwing van het alliantie-tractaat te onderhandelen.
De hertog van Nivernois kwam dus met een schitterend gevolg te Rerlijn aan, en werd aan het Pruisische Hof met alle aan zijn rang verschuldigde eer, en overeenkomstig de officiëele vaardigheid die hij bekleedde, ontvangen. â De opper-ceremoniemeester baron von Pöllnitz moest hem eenige uren ver te gemoet rijden, en hem uit naam van zijn Vorst uitnoodigen, op het Prinsenhof, een der koninklijke gebouwen te Rerlijn, zijn intrek te nemen. Hier waren alle vertrekken tot de ontvangst van den Franschen gezant prachtig in orde gebracht, en nauwelijks was de hertog van Nivernois aangekomen, toen men twee schildwachten voor het Prinsen hof plaatste, eene onderscheiding, die de Koning anders slechts aan regeerende Vorsten ten deel liet vallen.
De hertog nam al deze gunstbewijzen met levendige en dankbare blijdschap aan, en verzocht vóór alles om de gunst eener plechtige audiëntie, teneinde den Koning zijne geloofsbrieven te kunnen overhandigen. Aan Pöllnitz was het opgedragen met den hertog de noodige afspraken te
222
maken, en met hem dag en uur der plechtigheid te bepalen; want de Koning wilde, â om den Franschen gezant zijne achting te bewijzen, â deze eerste voorstelling zoo schitterend mogelijk doen zijn; en geheel Berlijn moest getuige zijn van de vriendschappelijke verstandhouding, die nog steeds tusschen het Fransche en Pruisische Hof heerschte.
Men zag dus op den bepaalden dag van het Prinsenhof een plechtigen, schitterenden stoet van rijtuigen zich naqir het koninklijk paleis begeven. Het waren de koninklijke gala-rijtuigen, waarin de leden van het Fransche gezantschap gezeten waren, en daarop volgde eene lange reeks van rijtuigen, die de hooge beambten van het Hof bevatte.
âLangzaam en plechtstatig bewoog de deftige stoet zich door de straten, en werd aan den ingang van het koninklijk paleis door de in het gelid geschaarde gai'de ontvangen.
Rijkgekleede pages, aan wier spits zich de opper-ccre-moniemeester met den gouden staf bevond, geleidden den Franschen gezant en zijn gevolg in de witte zaal, waarde Koning, in koninklijk gewaad op den troon gezeten en door alle prinsen van zijn huis omgeven, hem ontving.
De plechtige ceremonie nam een aanvang. De hertog van Ntvernois naderde den troon en de knie buigende, overhandigde hij den Koning zijne geloofsbrieven, welke deze met een vriendelijke hoofdbuiging aannam. Toen begon de hertog zijne aanspraak; zij was bloemrijk en vol fraaie gezegden, geheel overeenkomstig de plechtigheid. Frederik hoorde haar met ernstige oplettendheid aan, en toen zij geëindigd was, antwoordde hij zeer kort, maar op waardige afgemetene wijze.
Hiermede was de pleciitige voorstelling geëindigd, en nu volgde het belangrijkste gedeelte der audiëntie: het vertrouwelijk onderhoud. Juist'dit had de hertog met vurig ongeduld te gemoet gezien ; hiervoor bovenal was hij te Berlijn gekomen!
De Koning verliet zijn troon, en nude verhevene, plechtige waardigheid der etiquette met het aangenaamste en welwillendste voorkomen verwisselende, naderde hij den hertog, om hem vriendelijk en hartelijk te verwelkomen en hem te zeggen, dat hij zich innig over zijne komst verheugde.
223
âAch, sire,quot; antwoordde de hertog levendig; âhoe gelukkig zal mijn Vorst zijn, te vernemen, dat zijn afgezant bij Uwe Majesteit zulk eene welwillende ontvangst te beurt viel.quot;
De Koning glimlachte. âIk dacht,quot; zeide hij : dat de plech ⢠tigheid nu voorbij was, en ik sprak nu niet meer tot den afgezant, maar tot den hertog van Nivernois, dien ik ken en vereer, en wiens geestige gesprekken te kunnen genieten, mij inderdaad verheugt. Laat ons dus genoegelijk praten, hertog, en dit ceremonieel vergeten, waarvan wij immers heden beiden genoeg last ondervonden. Verhaal mij van Parijs, monsieur; van hetschoone, coquette, overmoedige Parijs, dat men bemint, terwijl men het beschimpt en dat men nabootst, terwijl men het berispt.quot;
â0, sire, indien ik u van Parijs moet verhalen,quot; zeide de hertog: âdan moet ik het eerst van den Koning spreken, â van mijn Koning, die niets vuriger wenscht, dan dat de vriendschappelijke betrekkingen tusschen hem en Uwe Majesteit op nieuw bevestigd mogen worden, en van langen duur mogen zijn, die âquot;
âDat is zeer vriendelijk van Zijne Majesteit,quot; viel de Koning hem in de rede: âen ongetwijfeld deel ik in de welwillende wenschen van mijn verheven broeder van Frankrijk. Maar verhaal mij nu wat van het geleerd Parijs. Hoe gaat het met uwe academie? Weigert men Voltaire nog steeds eene plaats, terwijl men toch zoo vele nietsbeteekenende onbekenden tot leden der academie benoemde?quot;
âJa, sire; die heeren der academie zijn nog steeds even onverzettelijk in hunne eenmaal genomen besluiten, en daar de academie eene soort van republiek van geleerden uitmaakt, heeft de Koning er niet de minste macht. Ware dit het geval niet, dan zoude mijn verheven meester. Koning Lodewijk, om Uwe Majesteit genoegen te doen, al zijn invloed gebruiken, om âquot;
âO, monsieur,quot; zoo viel de Koning hem in de rede: âhet is evenwel zeer schoon, dat de academie van wetenschappen eene republiek is, die zich niet van den wil des Ko-nings afhankelijk wil maken; want de wetenschap heeft voor haren bloei vrijheid van gedachten en woorden noodig, en ik, dien het noodlot als Koning deed geboren worden, gevoel mij, wanneer ik alleen in mijn studeervertrek, â
224
alleen met mijne boeken ben, volkomen als een republikein in het rijk der wetenschappen, en orn u de waarheid te zeggen: wanneer ik zoo eens als een wetenscliappelijk republikein in de geschiedboeken lees, gebeurt bet mij wel somwijlen, dat ik de Vorsten, â in den vrijen Staat wiens burger ik dan ben, â als tamelijk overtollige weelde-arti-kelen beschouw, die mij een medelijdend glimlachje ontlokken !quot;
âEn tóch, sire, hebben de wetenschappen zoo zeer de bescherming der Vorsten noodig; en dat de republiek der geesten zeer goed in het land eens Konings bestaan en bloeien kan, is hier in Pruisen bewezen, waar een koninklijk republikein en een republikeinsch Koning tegelijkertijd zijn volk regeert en de wetenschappen vrij laat. Frankrijk mag er er zeer trotsch op zijn en zich gelukkig achten, dat Uwe Majesteit zoovele zijner zonen als burgers in uwe republiek der geesten opnam, en wij wagen het daaruit de gevolgtrekking af te leiden, dat Uwe Mnjesteit dit verbond voor de belangen van den geest niet enkel tot de wetenschappen zal bepalen, maar dat dit verbond tusschen Frankrijk en Pruisen, dat mijn Koning zoo vurig wenscht, ook âquot;
âOngelukkigerwijze,quot; viel de Koning hem weder levendig in de rede; âzijn de Franschen, waarmede ik, zooals gij zegt, een verbond van den geest sloot, juist diegenen, die door hunne strenggeloovige moeder, laFrance, als ontaarde zonen van haren boezem versboten werdon. Voltaire leeft te Fer-ney, Jean Jaques Rousseau, âdien ik bewonder, ofschoon ik hem niet bemin, â moest te Geneve een toevlucht zoeken, en zooals men mij verhaalde, heeft men aan d'Alembert het pensioen, dat men hem in een gelukkig oogenblik had toegestaan, weder ontnomen. Of heeft men mij verkeerd ingelicht, en is mijn vriend d'Alembert werkelijk niet in ongenade gevallen, en beschouwt men mijne vrienden, de Encyclopedisten, werkelijk niet als boosdoeners en hoogverraders, omdat zrj voor zich het vrije recht van onderzoek vorderen, en niet blindelings gelooven, maar met open oogen zien en onderzoeken willen ?quot;
De hertog van Nivernois antwoordde eenige verwarde en verlegen woorden, en eene wolk ovcrtoog zijn straks zoo opgeruimd gelaat- Driemaal was de Koning hem in de rede
225
gevallen, zoodra hij van den Koning van Frankrijken van diens vriendschap jegens den Koning van Pruisen had willen spreken. De hertog durfde het dus niet wagen, voor de vierde maal dit onderwerp aan te roeren, dat den Koning blijkbaar mishaagde. Hij zag zich dus genoodzaakt, voor heden aan de begeerte des Konings toe te geven, en in plaats van over zaken, â slechts over wetenschappen en kunsten te spreken.
En nadat de hertog dit besluit schielijk genomen had, helderde zijn voorhoofd weder op, en met de meeste beminnenswaardigheid, scherpzinnigheid en levendigheid antwoordde hij nu op de vragen des Konings en vervolgde het gesprek, dat nu met onafgebroken bevaligheid en opgewektheid werd voortgezet.
u^Ã.de volgende audiëntie zal ik wel gelegenheid hebben, over politiek te spreken,quot; zoo troostte de hertog zich zeiven, toen hij van deze eerste audiëntie terugkeerde: âde Koning zal niet altijd zoo ontoegankelijk als heden zijn!quot;
Maar de tweede en derde audiëntie volgde, en de Koning bleef even ontoegankelijk als de eerste maal. Hij onderhield zich levendig en ernstig met den hertog; hij betoonde hem de meeste welwillendheid en de minzaamste vertrouwelijkheid ; maar zoo dikwijls de hertog beproefde over politiek en de belangen, die hem herwaarts gebracht hadden, te beginnen, viel de Koning hem in de rede en wist het gesprek dadelijk eene onverschillige en onbeduidende wending te geven.
Dit duurde bijna twee weken, en intusschen wachtte het Fransche Hof met ongeduld de tijding van den hertog, dat de ratificatie van het vernieuwde alliantie-trac-taat gesloten was, en men dus van Pruisen niets te vreezen had.
Deze onzekere toestand begon ondragelijk te worden, en de hertog van Nivernois besloot, er met één slag een einde aan te maken. Hij schreef aan den Koning en verzocht eene geheime audiëntie. â Tot zijne groote vreugde werd dit verzoek niet afgeweztin, maar de Koning noodigde hem uit, des anderen daags naar Sanssouci te komen.
âEindelijk,quot; zeide de hertog verheugd : âeindelijk !quot; En
Mühlbach, Frcdcrik de Groote en sijn Hof. V. 15
'226
met het trolsche zelfvertrouwen vaneen Franschman voegde hij er bij; âmorgen dus zullen wij het alliantie-tractaat vernieuwen, dat Pruisen de handen bindt, terwijl het ons vrije speelruimte laat!1'
A. vi.
DE GEHEIME AUD1ENTIE.
â
Ditmaal ontving de Koning den Franschen gezant geheel zonder plechtigheid en koninklijke slaatsie, met de eenvoudigheid en ongedwongenheid van een privaatpersoon. Er waren geene gardes, geene pages, geen drom van nieuwsgierige en loerende hovelingen; er waren slechts enkele vertrouwde vrienden van den Koning, die den hertog verwelkomden en zich met hem onderhielden, terwijl Pöllnitz zich in het naaste vertrek begaf, om den Koning, die zich daar bevond, de komst van den hertog te melden.
âZijne majesteit verzoekt den hertog binnen fe treden,quot; zeide Pöllnitz terugkeerende, en de deur van de bibliotheek des Konings wijd openende.
En nu verscheen op den drempel van het vertrek de Koning zelf. Hij was heden niet in feestgewaad, maar in de eenvoudige uniform zonder verdere kenteekenen, zelfs zonder de goudgeborduurde ster op zijn rok, die hij anders gewoonlijk droeg.
âKom binnen, heer hertog,'' zeide de Koning met een vriendelijken lach: âkom binnen in mijn ïusculum.quot;
Hij trad zijne bibliotheek weder binnen, waar de hertog hem volgde.
âWelnu, mijnheer,quot; zeide de Koning, zich tot hem wendende: ânu zijn wij in het vertrek, waarvan ik u onlangs zeide, dat het mij in een republikein doet verkeeren. Gij hebt den drempel van de republiek der geesten overschreden.quot;
âMaar ik zie toch een Koning voor mij 1quot; riep de hertog
227
zich diep buigende: âeen Koning, die deze republiek overwon, en alle groote geesten aan zich onderwierp!quot;
De Koning liet zijne groote, schitterende oogen ovelde kasten dwalen, die vol boeken stonden, waarvan de ruggen, met gulden letters de beroemdste namen van alle tijden droegen.
Tacitus, Homerus, Livius, Petrarca, en hoe uwe namen allen zijn, gij groote geesten mijner republiek,quot; riep hij glimlachend uit: âhoort gij hoe deze verrader u lastert?''
âHoe ik u vereer, sire! Want voorzeker is het eene groote eer, zich aan zulk een Koning, als Frederik de Tweede is, te onderwerpen en hem door vereering en toewijding dienstbaar te worden!''
De Koning wierp een snellen, doordringenden blik op hem. â âGij wilt mij door vleijerijen bedwelmen, hertog,quot; zeide hij: âgij weet, dat vleierij een zeer zoet opium is, dat de Vorsten gaarne inademen en waaraan zij gewoonlijk ook te gronde gaan. Maar weet, hertog, hier in dit vertrek ben ik voor dergelijke opium-dampen bewaard; en hier in mijne republiek zullen wij beiden nu de zwarte Spartaanscbe soep der waarheid nuttigen. Geloof mij, monsieur, dat die somtijds eene zeer gezonde spijs is, al is zij ook voorde, door suikergoed verwende magen van het verwijfde men-schengeslacht, wel eens wat bitter en min gemakkelijk te verteren. i7c kan haar goed verdragen, en daar gij nu eenmaal bij mij zijt, zult gij haar heden mèt mij moeten nuttigen.quot;
,,En ik ben er wèl op uitgehongerd, sire; uitgehongerd gelijk iemand, die sedert twee weken vastte,quot; zeide de hertog.
âSedert twee weken!quot; riep de Koning glimlachend uit ; âHet is waar; juist zóó lang zijt gij hier.quot;
âEn zóó lang liet Uwe Majesteit mij na die kostbare zwarte soep der waarheid verlangen,quot; zeide de hertog met een zweem van verwijt.quot;
âDat komt, omdat mijne soep nog niet gereed was!quot; riep de Koning vroolijk uit: âZij borrelde nog in den pot; nu is zij gereed, en zullen wij haar te zamen eten. Laat ons dus gaan zitten, hertog!''
Hij nam op een der beide armstoelen plaats, die voor zijn schrijftafel stonden, en wenkte den hertog den anderen te nemen.
228
Toen de hertog van Nivernois ch'aalde, en zoekend naar een gewonen stoel omzag, glimlachte de Koning. â ,,Heb ik u niet gezegd, dat wij hier ineene republiek zijn?quot; vroeg hij; âGebruik dus dien armstoel, en laat de eer der tabourets voor uwe nieuwbakken Fransche hertoginnen en markiezinnen over.quot; v
De hertog boog zich en nam zwijgend plaats. Er volgde eene korte panze. De hertog scheen bescheiden te willen afwachten, dat de Koning het gesprek begon; en de Koning was ondeugend genoeg, den Franschen gezant doorgeene inleiding te hulp te komen Door de geopende deur zag men de hovelingen in hunne goudgeborduurde uniformen, die met gespannen aandacht en de levendigste nieuwsgierigheid hunne blikken onafgewend op de bibliotheek vestigden, en ia hunne ongeduMige verwachting de gewone onverschillige, glimlachende hovelingstronie geheel vergaten. Indien de Koning zich op dat oogenblik had omgekeerd, zou hij gezien hebben, dat de opper ceremoniemeester baron von Pöllnitz het zelfs durfde wagen, zacht naderbij te sluipen en zich dicht bij de geopende deur te plaatsen, om beter te kunnen hooren en zien.
Maar de Koning had zijne blikken slechts op den gezant gevestigd en wachtte nog steeds op zijne aanspraak. Toen hij nog eenige minuten tevergeefs gewacht had, en de hertog nog steeds bleef zwijgen, vroeg de Koning glimlachend: âDunkt u, heer hertog, dat onze soep nog te heet is om gegeten te worden?quot;
âNeen, sire,quot; zeide hertog, zich buigende: âmaar ik wacht, dat Uwe Majesteit er den eersten lepel van gebruikt. Of gelast gij, dat ik eerst ginsche deur sluite?quot;
âVolstrekt niet,quot; zeide de Koning haastig: âik liet haar opzettelijk voor u open, opdat uwe oogen hier in mijne weinig schitterende republiek niet te zeer ontsteld mochten worden, maar zich somtijds door het gezicht mijner hovelingen, in de ijdele praal van het koningschap verkwikken zouden.quot;
âHij liet haar open,quot; dacht de hertog; âopdat zijne hovelingen alles hooren zouden wat hier gezegd wordt, en de geheele wereld het verneme, dat hij de vriendschap van Frankrijk afwijst!quot;
Maar terwijl hij dit dacht, boog hij zich en glimlachte
229
âWelaan dan,quot; zeide de Koning vastberaden: âIk zal mijn lepel vol nemen. Laten wij dus beginnen, en wel zon-dei' verdere omwegen: Mijnheer de hertog van Nivernois, gij zijt gekomen, omdat het in het jaar 1744 tusschen Frankrijk en Pruisen gesloten alliantie-tractaat nu ten einde loopt, en omdat Frankrijk mij zoude willen diets maken, dat het zich veel aan de vernieuwing er van, en aan de vriendschap van Pruisen laat gelegen liggen.quot;
âNiet omdat Frankrijk het Uwe Majesteit wil diets maken, maar er u van wenschte te overtuigen, sire!quot;
âOvertuigen!quot; riep de Koning spottend uit; âEn waardoor dan?quot;
âDoor dat Koning Lodewijk van Frankrijk aan Uwe Majesteit voorslaat, niet alleen het alliantie-tractaat te hernie-wen, sire, maar ook de vrienschapsbanden die Frankrijk met Pruisen verbinden, nóg hechter toe te halen.quot; .
âEn met welk doel?quot; vroeg de Koning: âWant gij weet Vel, hertog: in de politiek mag men nimmer persoonlijke neiging in de weegschaal werpen; ware dit het geval, dan zoude het mij zonder verdere bedenking geoorloofd zijn, de mij zoo vriendelijk aangeboden hand van mijn broeder van Frankrijk aan te nemen; want degeheele wereld weet, dat ik Frankrijk liefheb en trotsch ben op de genegenheid uwer groote geesten. Maar daar hier, ongelukkigerwijze, niet van sympathiëu, maar van politiek sprake is, herhaal ik mijne vraag: met welk doel zoekt Frankrijk de vriendschap van Pruisen? Wat moet ik hiervoor doen? O, gij ziet wel hertog; ik ben een slecht diplomaat en maak geene omwegen, maar ga recht op het doel aan!quot;
âEn dit is mogelijk juist de lijnste diplomatie,quot; antwoordde de hertog zuchtend: âeenediplomatie,dieonmid-delijk alle sluiers verscheurt en op den bodem zien wil.quot;
âOmdat zij daar mogelijk p:mrlen hoopt te vinden!quot; riep de Koning uit: âZeg mij dus, heer hertog, wat Frankrijk zoo zeer naar de vriendschap van Pruisen doet verlangen ?quot;
âDe wensch, sire, in u een bondgenoot te hebben, en uw bondgenoot te zijn. Daardoor zal Frankrijk in Duitsch-land een machtige hulp, een werkdadigen bijstand hebben, wanneer het de Duitsche landen van den Koning van Engeland aantast; maai1 daardoor zal Uwe Majesteit ook
230
wederkeerig een machtige hulp en een werkdadigen bijstand bezitten, wanneer Pruisen door Rusland of Oostenrijk wordt aangevallen.quot;
âLaat ons dus eerst van het eerste spreken,quot; zeide de Koning bedaard: âFrankrijk is dus voornemens den krijg met Engeland nu op Duitschen grond over te brengen?quot;
âOveral, sire, waar de Engelsche kleuren heerschen. Op Engeland alléén komt al de verantwoordelijkheid van dezen oorlog neder. Het heeft ons op eene schandelijke wijze in onze Amerikaansche koloniën overvallen; het eerbiedigde zelfs het bijzondere eigendom van onze kooplieden niet, maar op roofzuchtige, onbeschofte wijze overviel het hunne' vaartuigen «en beschimpte de vlag der Fransche oorlogschepen, welke deze vergezelden.quot;
âHet is waar,quot; zeide de Koning: âEngeland was de aanvallende partij. Maar Frankrijk heeft zich toch, zooals mij voorkomt, voldoende gewroken. Is Engeland als alleenheer-^ scher op de Ohio opgetreden. Frankrijk heeft hem daarop* met een gelukkigen zet geantwoord; want het heeft zich door de verovering van het eiland Minorka van de heerschappij op de Middellandsche Zee meester gemaakt en verzekerd. Het bracht Engeland daardoor zulk een diepe wonde toe, dat het in de wanhoop zijner smarten zijn wapen, dat Frankrijk overwonnen had, tegen zich zelf keerde. Admiraal Bing moest het met den dood boeten, dat hij door uwen admiraal, markies de la Gallissionaire overwonnen werd.1) Mij dunkt, Frankrijk kon met deze boete tevreden zijn.quot;
âFrankrijk zal zijne beschimping in Engelsch bloed af-wasschen, en Minorka is geene schadevergoeding voor Canada en den Ohio! Engeland is ons genoegdoening schuldig, en wij zullen die in Hanover halen!quot;
âWanneer gij die daar krijgen kunt!quot; riep de Koning met een snelle, toornige flikkering in zijne oogen.
1
Admiraal Bing werd in een beslissenden zeeslag door den markies de la Gallissionaire overwonnen, en Engeland verloor daardoor Minorka en de heerschappij op de Middellandsche Zee. Dit verlies trof de Engelschen zeer. De natie morde, en gelijk eenmaal Mdrjo aan de woede der Carthagers, zoo werd nu Bing aan het oproerig gepeupel opgeofferd. Hij werd op het schip doodgeschoten, waarop hij kort te voren nog als admiraal het bevel voerde. (Cha-rakteristik des siebenj. Krieges Th. I, s. 30.)
231
âHanover zalin onze macht zijn, sire, wanneer Engeland in Duilschland geene bondgenooten heeft; het zal in onze maclit zijn, wanneer Uwe Majesteit ons als bondgenoot fer zijde staat. Engeland zal, tusschen twee vuren staande, zich moeten onderwerpen, en geen ontkomen zal meer mogelijk zijn. â Dit is het naaste voordeel, dat Frankrijk van het verbond met Pruisen te wachten heeft. Maar nu veroorloof ik mij van de voordeelen te spreken, die Uwe Majesteit door onze alliantie aangeboden worden. Het is Uwe Majesteit beter dan ons bekend, dat Pruisen rondom door vijanden bedreigd wordt; dat Oostenrijk en Rusland met een boos doel zijne grenzen naderen, en dat de dag mogelijk niet ver meer verwijderd is, waarop Maria The-resia dat Silezië, â dat zij in haar hart nog steeds het hare noemt, â zoude willen heroveren. Welnu dan; op dien dag zal Uwe Majesteit niet alléén zijn, want uw bondgenoot, Frankrijk, zal u ter zijde staan; het zal u door krachtdadigen en getrouwen bijstand vergelden, wat Uwe Majesteit in Hanover voor hem deed, en het zal er een goed recht op hebben. â Want wanneer Uwe Majesteit Frankrijk bijstond om Hanovèr te veroveren, wordt Frankrijk de nabuur van Pruisen, en het is niet meer dan billijk, dat de eene nabuur den anderen beschermend ter zijde staat. Maar niet alleen door zijne hulp en bijstand zal Frankrijk aan Pruisen zijne dankbaarheid betuigen, maar het zal Pruisen ook deel laten nemen aan de voordeelen zijner overwinning. Hanover is een rijk land; niet alleen rijk aan voortbrengselen, maar tevens aan schatten van anderen aard. De Keurvorsten van Hanover hebben in hunne resi-dentiën niet alleen hunne met goud gevulde schatkisten, hunne edelgesteenten enjuweelen, maar ook de heerlijkste schilderstukken en kunstvoorwerpen van allerlei soort. Welnu; het is immers natuurlijk, dat wij ons in Hanover doen betalen voor de kosten, die wij voor dezen, â door Engeland moedwillig aangestookten, â krijg, gemaakt hebben; dat wij als goeden buit beschouwen wat wij vinden, en wat ons door het recht der overwinning toebehoort. ^ Daar Uwe Majesteit ons zal helpen veroveren, zult gij ook de
11 V. Dohn. Denkwiirdigkeiten meiner zeit. Th. IV. s. 235.
232
voordcelen der veroveriiilt;f met ons deelen. Maar ook dü kan voor de dankbaarheid van Frankrijk tegenover Uwe Majesteit niet voldoende zijn, en wij weten zeer goed, dat Frankrijk, wanneer het met de hulp van Pruisen Hanover verkregen heeft, aan Pruisen eene andere belooning, dan slechts de verdeeling van den buit, moet aanbieden. Frankrijk biedt dus aan Pruisen als eene verdere schadeloosstelling eene zijner koloniën aan; het biedt hem het eiland Ta-bago als een pand zijner vriendschap en genegenheid aan.quot; 1)
âWaar ligt het eiland Tabago?quot;' vroeg de Koning lakoniek.
âIn West-Indié, sire!quot;
âEn waar ligt Hanover?quot;
De hertog keek den Koning verwonderd aan en zweeg.
De Koning herhaalde zijne vraag.
âWelaan dan,quot; zeide de hertog aarzelend; âHanoverligt in Duitschland!quot;
âEn voor dit Duitsche land, dat ik Frankrijk moet helpen veroveren, biedt men mij tot belooning in West-Indiën het eilandje Tabago aan, dat mij zelfs niet het voordeel eener prise de contenance aanbiedt. Want dit ïabago is zóó ver verwijderd, dat mijn arm te kort is, om het te bereiken. â Zijt gij nu gereed, hertog, of hebt gij mij nog verdere voorstellen te doen?quot;
âSire, Wanneer Uwe Majesteit het goed vindt, ben ik ten einde, en wacht het antwoord van Uwe Majesteit.quot;
âEn dit antwoord zal u geworden, hertog, op eene wijze, meer duidelijk en openhartig misschien, dan de vraag was. Vooreerst, hertog, moet ik u op het slot uwer redevoering antwoorden en u zeggen, dat* ho3 gering de Koning van Pruisen, -- dien gij in uwen overmoed somtijds goed vindt den markgraaf van Brandenburg te noemen, â aan uwe verblinde oogen ook moge toeschijnen, hij u evenwel nimmer veroorloofde, hem voor een spadassin of struikroover te houden, en dat hij deze schitterende rol zonder afgunst aan Frankrijk alléén zal overlaten. Wanneer ik mij aan eene mogendheid als bondgenoot aansluit, zoo zullen nimmer laag eigenbelang en schandelijke hebzucht mij daartoe brengen, maar ik zal mij daartoe alleen laten leiden door de beweeg-
1
V. Dohn. Denkwürdigkeiten nieiner Zeit. Th. IV. s. 235.
233
redenen der politiek, het verstand en het goed recht. Uw West-Indisch Tabago kan dus voor mij geene aanlokkelijkheid bezitten; en in geval ik er in toestemde de bondgenoot wan Frankrijk te zijn, zoude ik er in elk gevalloch van moeten afzien, aan de plundering der Hanoversche landen deel te nemen. Mijne soldaten zijn gewoon strenge krijgstucht te houden, en marodeurs werden bij mij steeds doodgeschoten. Gij kunt dus wel denken, dat ik mijn geheele leger niet tot marodeurs vernederen wil. Dit is mijn antwoord op het slot uwer woorden, mijnheer; ik ga er niet toe over om het begin to beantwoorden. Frankrijk biedt mij een verbond aan. Maar, heer hertog, sedert dezen morgen ben ik niet meer in staat, zulk een bondgenootschap aan te nemen. Want sedert dezen morgen is het tractaat getee-kend, dat mij tot bondgenoot van Engeland maakt!quot;
âDat is niet mogelijk, sire!'' riep de hertog uit, met alle kenteekenen van de diepste ontsteltenis een stap achterwaarts doende.
De Koning vermaakte zich een oogenblik met zijne ontsteltenis. Hij hield zijne groote, schitterende oogen op het verbleekt gelaat van den hertog gevestigd, terwijl het zijne van fierheid en geestkracht straalde.
,,Niet mogelijk, zegt gij?quot; hernam de Koning; âen toch is het zoo. Ik heb met Engeland een alliantie-tractaat gesloten. Nu zult gij begrijpen, mijnheer, waarom ik zooveel met u over de kunsten, over de academie,â en zoo weinig over politiek, sprak. De zwarte soep, waarvan wij spraken, was nog niet gereed. Mijn koninklijke broeder van Engeland moest er eerst een droppel inkt uit zijn pen bijvoegen, waarmede nu het alliantie-tractaat geteekend is. Dit is nu geschied. Dezen morgen heeft een koerier mij het geratificeerde verdrag teruggebracht. Dit alliantie-tractaat is dus een afgedane zaak. De omstandigheden hebben er mij toe genoodzaakt. Gij weet wel, dat wij die zelden gebieden kunnen. Wij leiden de gebeurtenissen niet, maar wij worden door hen geleid. Ik was bondgenoot van Lodewijk de Vijftiende; ik had mij niet over hem te beklagen, en heb hem lief. Evénwel ben ik nu toch zijn vijand! Er blijft mij nog slechts eéne hoop over, namelijk: dat de gebeurtenissen weldra mogen veranderen ; dat er voor mij eene gelukkiger toekomst nadere, waarop ik mij weder met den Koning van
234
Franki'yk kan vereenigen. Zeg hem, â dil verzoek ik u,â hoe zeer ik naar dien tijd verlang; zeg hem, hoe zeer ik aan hem gehecht ben en het steeds was!quot;
En terwijl de Koning dit zeide, reikte hij meteengoe-digen glimlach den hertog de hand, om hem als het ware door de vriendelijkheid als mensch, schadeloos te stellen voorde onvriendelijkheid, die hij hem als Koning had moeten zeggen.
De hertog raakte de aangeboden hand slechts vluchtig aan; de schrik, van zichT zoo deerlijk bedrogen te zien, deed nog geene andere gewaarwording bij hem opkomen.
âOch, sire,''zuchtte hij: âwelk een ramp is dit! Hoe zal ik het wagen, zulk een onverwachte en bedroevende tijding aan mijn monarch mede te deelen; â aan mijn monarch, die Uw Majesteit zoo teeder bemint en die mij slechts tot u zond, om de banden eener vriendschap, die tusschen u beiden zoo innig scheen, nog vaster te knoopen; die niets vuriger wenscht, dan dat Frankrijk in Pruisen een bondgenoot hebbe!quot;
âO, mijnheer,quot; zeide Frederik glimlachend: âFrankrijk heeft slechts schepen tot bondgenooten noodig!1) Deze kan ik hem niet aanbieden. Maar Engeland kan ze mij aanbieden, en zal ze werkzaam doen zijn, wanneer Frankrijk Hanover mocht aantasten.''
âHet is dus eene bepaalde vijandschap?quot; vroeg de hertog droevig.
âHet is een noodwendig kwaad, waar, helaas, geene verzachting voor is ! Maar Lodewijk de Vijitiende kan gemakkelijk andere verbonden sluiten,quot; vervolgde de Koning met een zweem van spotternij in zijne stem: âhij kan bijvoorbeeld zijne belangen met die van het Huis van Oostenrijk vereenigen!quot;
De hertog verbleekte en sloeg voor de doordringende, spottende blikken des Konings de oogen neder. â âUwe Majesteit spreekt niet in ernst,quot; zoide hij verward.
âWaarom niet, hertog?quot; vroeg de Koning ter loops:
âEen verbond tusschen Frankrijk en Oostenrijk is zeer
1
's Konings eigen woorden. Charakteristiek des siebenjahrigen Krieges. Th. I, s. 28.
235
natuurlijk '). Tn uwe plaats, zoude ik aan mijn Hof dit denkbeeld voorstellen. Geloof mij, wij kunnen somtijds zelfs van onze vijanden goeden raad ontvangen, en de wijze man zal niet in gebreke blijven, er gebruik van te maken.quot;
âO, Uwe Majesteit beschouwt Frankrijk dus reeds geheel bepaald als uw vijand?quot;
âIk moet wel, daar Engeland mijn bondgenoot is, en gij met Engeland in openbaren oorlog zijt,quot; antwoordde de Koning, terwijl hij opstond en daardoor den hertog het teeken gaf, dat de audiëntie afgeloopen was.
âIn dit geval,quot; zeide de hertog afscheid nemende: âmoet ik onmiddelijk een koerier naar mijn Hof zenden, en ik zal niet in gebreke blijven te berichten dat Uwe Majesteit zelf ons den raad geeft, ons met Oostenrijk te verbinden.quot;
âDaar zult gij zeer wel aan doen; â dat is te zeggen,quot; vervolgde de Koning met een scherpen .blik en een be-teekenisvollen glimlach: âdat is te zeggen, wanneer gij gelooft, dat uw Hof nog zulk een raad noodig heeft, en het buitendien niet reeds gedaan had. En wanneer zult gij vertrekken, hertog?quot;
âMorgen vroegtijdig, sire.quot;
Met een vriendelijken hoofdknik reikte de Koning hem do hand. â âVaarwel dan, hertog, en vergeet niet, dat ik in mijn hartsteeds de vriend van Frankrijk ben, zelfs wanneer wij in den slag als vijanden tegenover elkander zullen staan!quot;
De hertog boog stilzwijgend en verliet zuchtend de koninklijke bibliotheek: âde republiek der geesten,quot; om zoo spoedig mogelijk naar Berlijn terug te keeren.
De Koning zag hem peinzend na. â âDe teerling is dus geworpen,quot; zeide hij zacht bij zich zeiven; âwij zullen dus oorlog hebben. De dagen van rust zijn voorbij en de dagen van gevaar en strijd naderen ons weder met hunne neder-hangende, bloedende rouwsluiers!quot; Hierop verzonk hij in diep gepeins en zag nadenkend voor zich. Toen hief hij plotseling het hoofd op, en terwijl zijne schitterende blikken op de kast rusten bleven, waarvan de rijen boeken, met groote
1) 'sKonings eigen wourden. Thiébault. Vol. IV, p. 241.
23t)
gulden letteren de namen van Tacitu?, Julius en Livius droegen, zeide hij vroolijk en vol vertrouwen: âWelaan dan, gij verwacht, van mij, dat ik mijn plicht zal doen! Ik zal uwe verwachting niet teleurstellen!quot;
Hij ging naar zijn schrijftafel en nam de fluit op, en terwijl hij haar aan den mond bracht en begon te spelen, verhelderde een gelukkige glimlach zijn gelaat.
EINDE VAX HET EERSTE DEEL.
INHOUD.
Bladz.
Hoofdst. I. De Koning als huisvader..... 3.
II. Prins Hendrik..........11.
â III. Louise von Kleist.........20.
â IV. Het gemaskerd bal........27.
â V. Een onbekende kapitein......40.
â VI. De nalatenschap van den overste der Pandoeren,
von Trenck..........45.
â VII. De afschaffing der pijnbank.....59.
â VIII. De bruidegom tegen wil en dank ... 76.
â IX. De eerste teleurstelling.......85.
,, X. De overwonnene.........'99.
â XI. De reizende muzikanten......111.
â XII. Reis-avonturei)..........120.
â XIII. In de trekschuit.........1R0.
,, XIV. Te Amsterdam..........139.
â XV. De Koning zonder schoenen.....148.
Bladz.
Hoofdst. I. De noodlottige tijding.......163.
â II. Trenck op het transport......178.
III. Prins Hendrik en zijne gemalin . . . 194.
â IV. Het feest in het bosch....... 205.
â V. Kuiperijen...........215.
â VI. De geheime audiëntie..........226.
GEBR. E. amp; M. COHEN, te Nijmegen en te Arnhem,
T-wee am-a-sa-nte, l^odd-ig-e en g'eestig'e -werHsei^..
DE JOBSIADE.
(ÃUet prtntperfieefbtngen pan QSuecl}.
Derde goedkoope uitgave, herzien en vermeerderd met een kapittel over den dood, hoogst gezellig om te lezen.
UILENSPIEGEL
Zijn kluchtig leven en bedrijf in knittelverzen naverteld door den bewerker van âDE JOBSTADE,quot; met printverbeeldingen van J. H. RAMBERG.
iBtF Prijs per afzonderlijk werk met fraai gesteendrukt omslag in goud en kleuren, oblong formaat, f 0.90.
DE JOBSIADE is het grappigste boek dat ooit verscheen. Het is een boek voor gezonden om zich halfdood en voor halfdooden om zich gezond te lachen.
Van TUL UILENSPIEGEL zegt âHet Vaderlandquot; in zijn No. van 21 Maart: âGoed nieuws: Er is een nieuwe Uilenspiegel, een echte Tijl, die zijn naam eer aandoet. En de oude Tyl â ook dat is merkwaardig â is een weinig op de hoogte gebracht van onzen tijd, maar overigens dezelfde gebleven, luimig grappig. En in onzen, wel wat al te ernstigen tijd, waarin over al de problemen der wereld zoo verbazend diep wordt nagedacht, mogen we wel eenige afleiding hebben.
Op verzoek van de uitgevers heeft do vertaler-dichter van de Jotsiade zich aan het werk gezet, om de oude verhalen yan Tijl weer geest en leven in te blazen â wat hem uitstekend gelukt is. Hamberg teekende hierbij grappige plaatjes en do uitgevers zorgden voor een keurige uitvoering.quot; ~
Uitgave van CfflBB. E.
EXTEA FRAAIE UITGAVE.
Kompleete Werken van quot;r p Tpr qi Af 4 quot;Vf S met prachtige Platen J. J. UlJiiiLAliö
2 deelen in gr. kwarto formaat slechts f 4.50, in fraaie Prachtbanden f S.30.
Deze prachlige geïllustreerde, volledige uitgave van OI.TMAXS WERHEK, met Hinke sprekende letter gedrukt, bestaat uit:
Een verhaal uit den Utrechtschen Oorlog (1481â1483).
T^r-nT1 SXjOrrquot; XjOE^ESTEIl^r I3ïT ISTO. Een geschiedkundig verhaal uit den Tachtigjarigen Oorlog.
â ft-FT-P 2i-cris quot;v^-isr het 7^1
ew (illa andere Novellen van degen vermaarden Ned er l. Romanschrijver.
Deze uitgave van de werken van J. F, OI/rMAXS is vermeerderd met inleiding en verklarende aanteekeningen op verouderde woorden door den zoo gunstig bekenden Nederlandse lien letterkundige TACO H. UK BEEK. , . . i. T.
Geïllustreerd met prachtige Platen naar teekeningen in Histonschen
stijl van H. Leeuw Jr. ^ .
Van deze zoo beroemde en boeiende historische Romans zegt I»e Imds:
âOnder alle hier te lande verseheneu romans en geschiedverhalen verdienen OL'I-hlANS' WERKEN den lauwerkrans.quot;
De voortreffelijke stijl van deze boeken is éénig.
Het is niemand minder dan IIAKHVIZEN VAM DE* BRINK die verklaard heeft, dat âDE SCHAAPHEEDERquot; onderde Historische Romans van den eersten rang kan gesteld worden. , ,
Ook JONCKBLOET erkent, dat O ET MA MS een buitengewoon talent heeft ten toon gespreid; dat zijne Romans niet in vergetelheid zijn geraakt en met genoegen worden gelezen en herlezen. Hij plaatst hem naast VAN
OETMAMS besteedde groote zorg aan taal en stijl; dit wordt door alle
letterkundigen erkend. . . ,
POTCJIETER noemt hem den ernstigen schrijver, die niet veel, maar
noed wilde schrijven.
TWO B. DE BEER besluit zijne Inleiding dezer werken met de woorden: Ãn hiermede beveel ik OETMAMS in deze nieuwe uitgave bij het lezend publiek aan, hij vinde een nieuwen kring van lezers, die â daaraan valt niet te twijfelen â in dankbare erkenning van het genot, dat hij hen deed
smaken, nieuwe bewonderaars zullen worden.quot;____â ,
Over deze prachtige editie van ULTMANS' WERKEN zegt de Prov. Oehl.
en Nijm.'Courant: , ,, , . ,
Deze uitgave iri royaal formaat, met inleiding en verklarende aanteekeningen op verouderde woorden van Taco de Beer, en versierd met een groot aantal platen naar teekeningen in historischen stijl van onzen stadgenoot den heer H. Leeuw Jr., waren wij in de gelegenheid te zien en moeten volmondig bekennen, dat hpt werk van den heer Leeuw van grondige studie en groot talent getuigt en de uitvoering, ook wat den fraaien druk betreft, niets te wenschen overlaat. Wat den inhond aangaat zal wel elke aanbeveling overbodig zijn. Het is toch van algemeene bekendheid, dat onder de oorspronkelijke historische romans De Schaapherder en liet Slot Loevestem een eerste plaats innemen en dat Bakhuizen van den Brink, Jonckbloet, Potgieter en zooveel andere bevoegde beoordeelaars geen lof genoeg hebben voor OLTMANS' WERKEN.quot;
OLTMANS' VOLLEDIGE WERKEN, _
|p^r Groote fraaie druk, uitgave Gebr. COHEN,
kosl slerhls J' 4.SO kompleet In S flinke deelen. â in ü prarlitrolle Hlempellandeuf6.30.