Vak 152
m
LOUISE MÃHLBACHS
historische Jlomons.
Frederik de Qroote en zijn Hof.
PREDERIK DE GROOTE ETJ ZIJIE BROEDERS M ZUSTERS.
187
* *
NIJMEGENâARNHEM.
JEBRs. E. amp; M. COHEN.
ISS I
| %'
t:
ï
M
rr
jji
mm
Va!-: J 52 i
li
i
u â
FREDER1K DE GROOTE EN ZIJN HOF.
il = |;i
HISTORISCHE ROMAN
door
LOUISE MUHLBACH.
FREDERIK DE GEOOTE EN ZIJNE BROEDERS EN ZUSTERS.
derde veel verbeteede druk.
Nijmegen amp; Arnhem. Gebr. E. amp; M. COHEN,
1
TWEEDE BOEK.
DE OORLOG.
(Vervolg).
T WKKDK BOEKl.
DE OORLOG.
(Vervolg.)
VIL
DE VERRADER.
De zon was juist aan de oosterkim verrezen en verspreidde hare zachte stralen over den tuin van Sanssouci, en kustte de toppen der hoornen, die haar met hun morgengroet tegemoet ruischten; zij tooide de juist ontwakende bloemen met vonkelende dauwpaarlen, die in de zich openende kelken als diamanten schitterden. Rondom heerschte diepe stilte; alleen de Natuur scheen tot nu toe ontwaakt te zijn; geen mensch vertoonde zich in die uitgestrekte lanen en schaduwrijke paden van den koninklijken tuin, en er was geen ander geluid waar te nemen, dan het ruischen dor boomen, het gemurmel der watervallen, en het droomerige, halfluide gekweel van een ontwakenden vogel. De ongeschonden Godsvrede rustte nog op dit ontwaken der Natuur, dat nog niet door de tonen van menschelijke weeklachten, lijden en hartstochten werd gestoord.
De tuin Sanssouci ^had in zijne maagdelijke schoon-neid en kalmte, iets zóó heiligs onschuldigs en oorspronkelijks, dat men gelooven zoude, hier in een gespaard gebleven hoekje van het paradijs te zijn, dat voor bet overige reeds lang door tranen der menschen overstroomd, â eu als in eene zee begraven was. Tot hier schenen de menschen nog niet te zijn doorgedrongen, â hier heerschte nog vrede en rust, â hier had de slang bare verleidingskunsten nog niet aan de zwakke menschheid beproefd! â
4
Maar neen! Het is slechts een schoone droom; eene door de Kalmte van den ontwakenden morgen, â door de heilige, oorspronkelijke schoonheid van de opkomende zon veroorzaakte hersenschim. Er zijn menschen, maar zij zijn nog niet ontwaakt. Zij rusten nog uit van de zorgen en moeiten van den vorigen dag, en droomen op hunne legersteden van vrede en geluk, die zij wakend zoo weinig kunnen vinden. Er zijn menschen! Zij komen reeds, om de heilige stilte der Natuur met hun luid getier te storen, en in de harmonische gezangen der Schepping, de wanklanken van hunne klachten te mengen.
Daar wordt het kleine traliehek aan het uiterste einde der laan geopend; er treedt iemand binnen! En het hoekje van het paradijs verdwijnt in de zee van tranen, en de droom is geëindigd, en Sanssouci is nog slechts een fraaie tuin, maar geen paradijs meer, want de voet der menschen heeft hem ontheiligd!
Daar snelt hij voort langs het pad, dat naar het terras leidt, waarop het koninklijk paleis staat. Hijgend en gejaagd ijlt hij voort. Zijn gelaat is kleurloos en bleek, zij haar is door den morgenwind verward, zijne oogen zien niets van de heerlijke morgenschoonheid van den tuin. Zij zijn strak, vol angst en ontsteltenis. Zijne kleeding is bestoven en in wanorde; zijn schoeisel draagt blijken van eene ver afgelegde wandeling op den stoffigen straatweg; en tóch schijnt hij pas zijne woning verlaten te hebben, want zijn hoofd is onbedekt, en hij is ook niet in reisgewaad, maar in sierlijke feestkleeding.
Er is iets ongewoons, schrikwekkends in de plotselinge verschijning van dezen man. Sedert hij zich vertoonde,schijnt de Natuur niet meer te glimlachen; de boomen ruischen niet meer, nu hij onder hunne schaduw voortgaat; het welluidend gezang der vogelen verstomt, nu zijn verwarde, beangste blik hen trof, â De rust der Natuur is verstoord; want de mensch, â dat is te zeggen: armoede, ongeluk, teleurstelling, â de mensch, dat is te zeggen: zonde, schuld en ellende verscheten, en schudde den vernielenden gifdroppel in den van goud schitterden vreugdebeker der Schepping! , ,
Haastig, buiten adem snelt hij voort; rechts noch links om zich heen ziende, niet rustende van het vermoeiend
beklimmen der terrassen, zich niet vergastend aan den geur der hooge oranje- en laurierboomen, die gelijk trot-sche krijgslieden in volle uniform met liunne bloesems en vruchten op het plat van het terras geschaard staan. Al hooger en hooger snelt hij het terras op. Nu is hij boven; hij staat een oogenblik stil om adem te scheppen. Van het heerlijke panorama, dat zich daar beneden aan zijne voeten uitbreidt, ziet hij niets, evenmin van den hemel, die zich in zuiver blauw boven zijn hoofd welft; zijn oog is blind voor alles buiten hem,--hij is alléén in de wereld, alléén met zijne smart en zijn lijden!
Nu snelt hij weder voort, verder naar de achterzijde van het paleis. De schildwachten die daar op en neder gaan, kennen hem en weten waarheen hij gaat; ter nauwernood zien zij hem na. Met krachtige vingers klopt hij driftig en hevig op de ruiten van het hoekvenster, en houdt zóó lang daarmede aan, tot het eindelijk geopend wordt.
Een Jong meisje, met een nachtmutsje op, nog geheel door schrik en verbazing verward, verschijnl, en toen zij nu het bleeke, door angst misvormde, menschelijk gelaat ontwaarde, dat te vergeefs poogde haar toe te lachen, uitte zij een luiden kreet en vouwde de handen als tot een gebed te zamen.
âStil,quot; zegt hij ruw en koel: âstil, Rosa, laat mij binnen!quot;
âIs u een ongeluk overkomen?quot; vroeg zij ontsteld,
âJa, Rosa, een groot ongeluk. Maar laat mij binnen, zoo gij niet wilt dat ik verloren ben!quot;
Het jonge meisje verlaat ijlings het venster, en de man snelt naar de nabijgelegene zijdeur van het paleis, en nadat deze geopend was, sloop hij binnen.
Er heerscht nu weder diepe stilte in den tuin van Sans-souci; de Natuur herneemt weder haar glimlach en hare kalmte, want zij is weder alleen met hare onschuld; â de mensch is er niet meer!
Maar daar binnen in het paleis, daar binnen in de woning van den slotvoogd, daar binnen in het vertrek van diens schoone, beminnelijke dochter Rosa wordt het nu levendig; daar hoort men fluisteren en klagen, en-zuchten en jam-
6
meren; daar staat de schoone Rosa vol angst en sidderend, met een door tranen besproeid gelaat, tegenover haar verbleekten, ontstelden geliefde.
âIk heb den geheelen nacht geloopen,quot; zegt hij op afge-matten, doffen toon: âik wist niet dat Berlijn zoo ver van Potsdam verwijderd is, maar al had ik het ook geweten, zoo zoude ik het toch niet hebben durven wagen, een paard of rijtuig te nemen. Heimelijk, zeer zacht en zonder ge-druisch moest ik wegsluipen. Terwijl graaf Puebla het vertrek, waarin ik mij bevond, liet bewaken, en waande dat ik mij er in bevond, ben ik langs het latwerk van den wijngaard, dat tot aan mijn venster reikte, in den tuin afgeklommen. De tuinier vermoedde niet, hoe ik in den tuin gekomen was; hij glimlachte sluw, toen ik hem verzocht, mij de kleine! deur, die in den stadsmuur is aangebracht, te openen; hij meende dat ik naar het een of ander rendezvous ging. Zoo kwam ik buiten, en liep vol angst en smart, in wanhoop en woede steeds verder, en het scheen mij toe, alsof de weg zich tot in het oneindige verlengde. Dikwijls stond ik stil, omdat ik mij verbeeldde, achter mij geschreeuw en woeste verwenschingen, het trappelen van paarden en het rollen \an raderen te hporen. Maar het was slechts mijn eigen angst, die dit alles hoorde, en de verwenschingen raasden slechts in mij, niet buiten mij. O, het was een vreeselijke weg; een weg als door het vuur der hel. Maar dit is nu voorbij! Nu mag ik niet zwak meer zijn, want nu geldt het mijn naam, mijn leven, mijne eer! â Waarom lacht gij, Rosa?quot; riep hij, plotseling van de uiterste afmatting tot woeste drift overgaande: âDurft gij het wagen te lachen, omdat ik van mijn naam en van mijne eer spreek ?quot;
âAch, ik lach immers niet,quot; zeide Rosa ontsteld en bijna beangst,.bij het zien van het verwilderde, ontstelde, gelaat des geliefden.
âJa!quot; riep hij met een smartelijken kreet: âgij lacht, en wél hebt gij reden tot lachen, wanneer ik van mijne ee r spreek. Ik, die de eer verried en mijn naam schandvlekle! Ik, op wiens voorhoofd het Kaïn's-teeken van broedernjoord gedrukt staat; want ik ben schuldig aan het ongeluk van een mensch, en de ketenen, die aan zijne handen rammelen, vervloeken mijn naam!''
7
âMijn God, hij is krankzinnig geworden!' fluisterde Rosa vol angst.
âNeen, ik ben niet krankzinnig,quot; zeide hy met een hart-verscheurenden lach: âik weet alles, alles! O, ware ik krankzinnig, ik zoude niet zoo rampzalig zijn; wanneer ik mijn bewustzijn verloren had, zoude ik minder lijden! Maar ik weet alles, en herinner mij alles. Ik weet hoe de ziekte ontstond, hoe zij toenam, hoe zij van lieverlede gelijk een onherstelbare kwaal in mijn hart voortwoedde en eindelijk mijn geheel gemoed vergiftigde. Die kwaal was mijne armoede en mijne hebzucht, of mogelijk ook mijne eerzucht. Ik wilde er niet toe veroordeeld zijn, eeuwig den keten dei-dienstbaarheid met mij voort te slepen; ik wilde mij van de armoede bevrijden ; ik wilde niet altijd sidderen op het denkbeeld, dal eene onbescheidene hand de veelkleurige, pronkende lompen, waaronder ik mijne armoede en die mijner familie verborgen hield, vaneen zou rijten Ik wilde niet, dat men nog steeds zoude kunnen zeggen: âde zusters van den baron von Weingarten moeten door handenarbeid haar brood verdienen, en terwijl hij aan de koninklijke tafel eet, lijdt zijne moeder honger en koude!'' â Dat was het, wat mijne ongeluk veroorzaakte. Die vreeselijke woorden gonsden zóó lang in mijne ooren, totdat ik in mijne wanhoop besloot, ze tot eiken prijs tot zwijgen te brengen, al zoude het ook door eene misdaad zijn! Zoo beging ik mijn eerste misdrijf en ontving het gouden loon voor mijn verraad. Mijne zusters behoefden nu niet meer te werken en mijne moeder geen honger te lijden.â Ik kocht een huisje voor haar, en gaf haar alles wat ik ontvangen had. Ik huiverde van dit bloedgeld, en geen enkel goudstuk er van wilde ik voor mij behouden. Ik gaf haar alles. Ik was weder de arme legatie-secretaris von Weingarten, â maar mijne familie was niet hulpeloos meer, en ik behoefde geen 'vrees meer te hebben, dat een dier trotsche, aanzienlijke lieden mij de armoede en de eerlijke vlijt mijner zusters als schandvlekken van het voorhoofd konden lezen; daarom had ik het met het Kaïn's-teeken van het verraad bedekt!quot;
Aan wien verhaalde hij dit alles? Toch niet aan dat jonge meisje, dal bleek en bevend naar hem luisterde, en wier landen koortsachtig klapperden? Hij zelfwas koorsig,
9
8
en op dit hoogste toppunt van smart wist hij ternauwernood, dat hij sprak; dat hij overluid dacht, en dat er nog iemand hij tegenwoordig was! â Hij had het jonge meisje â dat hij vroeger, in de dagen van zijn geluk, zijne geliefde noemde, â geheel vergeten.
Toen zij nu schreiend en zacht klagend zijn naam fluisterde, â toen zij voor hem, die op een stoel nedergevallen was, neerzonk en haar gelaat op zijne handen drukte, die zij met hare tranen bevochtigde, rees hij ontsteld uit zijne bedwelming op, en herinnerde zich, dat hij niet alleen was; dat nog iemand behalve hij zijne gedachten of zijne woorden gehoord had.
Met eene onstuimige beweging trok hij zijne handen van haar gelaat. âWat heb ik gezegd?quot; vroeg hij woest; âWaarom weent gij0''
âIk ween, omdat gij mij vergat,quot; zeide zij zacht: âIk ween, omdat gij. terwijl gij u beschuldigt, niets tot uwe verontschuldiging zegt, â zelfs niet de liefde voor uwe arme Rosa.quot;
âHet is waar,quot; zeide hij treurig: âik had uwe liefde vergeten. En toch is zij mijne verontschuldiging, dat ik ten tweedenmale viel. Ik had mij voorgenomen een braaf mensch te blijven, en deze ééne misdaad door mijn geheel volgend leven weder goed te maken. Maar ik zag u, en uwe schoonheid bekoorde mij, en uwe coquetterio trok mij aan. Ik beminde u, â of verborg ik mogelijk mijne schraapzucht en hebzucht onder dezen nieuwen, van goud schitterenden sluier'? Bedekte ik wellicht mijne baatzucht slechts met den sterrenmantel der liefde, om mij zeiven te misleiden? Ik liep met open oogen in den strik, dien gij, Rosa, mij gespannen had en deed alsof ik blind was. Ik liet mij door uwe sirenenzangen verlokken, en tóch wist ik, dat het mij in den afgrond moest storten!quot;
âAch, ach!quot; klaagde Rosa: .,hoe koud en wreed spreekt gij over onze liefde!quot;'
âOver onze liefde?quot; herhaalde hij, de schouders ophalende: âKind, in dit uur vallen alle sluiers weg, en wij kunnen eerlijk jegens elkander zijn. Wij hebben elkander nimmer oprecht bemind. Gij hebt mij om mijn aanzienlijken naam bemind, en om mijn stand, die voorzeker voor
9
de dochter van een slotvoogd wel schitterend en begee-renswaardig zijn kan. Ik beminde u om uwe jeugd, uwe schoonheid, uwe bevallige coquetterie; ik beminde u met mijne zinnen, zooals gij mij met uwe ijdelbeid bemindet. Maar onze zielen verstonden clkandor niet, en onze harten hadden, nieis luet oikander gemeen, dan de eigenbaat. Gij gaaft u aan mij, niet omdat gij mij bemindet, maar omdat gij mij verleiden wildet, en er geen ander middel toe had, dan juist uwe liefde. Ik liet mij verleiden, omdat, â omdat gij zoo verleidelijk schoon waart, en ik het gouden loon zag, dat uwe verleidelijke liefde mij kon bezorgen quot;
âGij zijl wreed en onrechtvaardig jegens ons beiden,quot; zeide Rosa treurig: âgij hoont onze liefde en veronderstelt voor onze edelste gewaarwordingen lage beweegredenen. Het is treurig genoeg, zoo gij de waarheid zegt; indien het waar is, dat gij mij nimmer bemind heb; ik echter, ik heb u bemind, ik heb u mijn hart onverdeeld geschonken.''
âEn dit doende,quot; viel hij haar ruw in de rede : âen u geheel aan uwe schoone liefde overgevende, hadt gij toch beradenheid genoeg aan uw doel te denken, en het oogmerk uwer teederheid niet Ie vergeten. Terwijl uwe armen mij vast omklemden, zocht uwe kleine hand naar den sleutel, welken ik altijd in mijn vestzak droeg, en van welken ik u kort te voren gezegd had, dat het de sleutel van mijn lessenaar was, waarin ik de gewichtigste documenten van het gezantschap bewaarde. Gij vondt dien sleutel, en een trilling van verrukking deed uwe geheele gestalte beven. Waarom zoudt gij ook niet ? Gij laagt immers in mijne armen en ik kuste u^! â Gij vond dien sleutel, en ik voelde dat gij hem wegnaamt, maar ik lachte er slechts om, en opdat gij dien honendcn lach niet zien zoudet, drukte ik« vaster aan mij en kuste u des te inniger.quot;
âVreeselijk, vreeselijk!quot; lluisterde Rosa metbleekelippen; âHij wist alles en liet het geschieden.quot;
âJa, ik liet het, geschieden,quot; zeide hij: âwant ik wenschte niet beter te zijn dan gij, die ik beminde; en daar gij mij wildet verleiden, zoo liet ik mij verleiden. Ik liet het geschieden ; want de geldduivel had reeds weder macht over mij gekregen, en ik wik, dat zij, die u aangespoord had-
10
den mij den sleutel te ontrooven, ook bereid zouden zijn, mij mijne geheimen met goud te betalen. En ik had mij niet bedrogen! Ik nam de belangrijke papieren uit den lessenaar, waarvan gij mij den sleutel ontroofd badt, en verborg ze op eene andere plaats. En nu kwamen zij en fluisterden van eene gouden belooning en eeuwige dankbaarheid, van toekomstige eerbewijzen, en van een rijken bruidschat voor u, en deze duivelsche inblazingen verlokten mijne ziel, en ik verkocht mijne eer en werd een verrader! O, o ! Was ik niet van hooge geboorte, en daarbij arm geweest, zoo zoude ik een deugdzaam mensch geworden zijn; maar de armoede lluisterde mijn hoogmoed zulke vernederende woorden toe, dat ik het niet kon verdragen, en mij verkocht, alleen om mijn hoogmoed te bevredigen ! Zoo werd ik, wat ik nu ben. Ik verwijt u niets, Rosa; zonder ït,zoude ik er mogelijk óók toe gekomen zijn: want hebzucht en dorst naai' goud en vrijheid woonden in mijn ziel, en vroeg of laat zouden zij mij tóch verleid hebben.''
âMaar wat is het dan, dat u nu bedreigt? 'vroeg Rosa.
âDe billijke straf voor den verrader,quot; zeide hij somber; âmaar gij herinnert mij ter rechter tijd, dat bet gevaar mij op de hielen is, en dat het van den wind vleugels zal ont-leenen om mij in te halen. Geef mij een glas wijn, Rosa opdat ik mij weder versterken kan,en genoeg bedaardheid verkrijge om naar den Koning te gaan.quot;
âNaar den Koning! Op dit vroege morgenuur wilt gij naar den Koning gaan?quot;
âWaarom niet? Ik ben immers reeds zoo menigmaal vroegtijdig tot hem gegaan, wanneer ik hem eene belangrijke tijding of eene depêche moest overbrengen? Lieden van mijne soort weigert men, â zoolang men hen noodig heeft, â nimmer den toegang, onverschillig, op welken tijd zij komen; eerst dan, wanneer zij overbodig en nutteloos zijn, wijst men hen de deur en keert hen vol verachting den rug toe. De Koning weet echter nog niet, dat hij mij niet meer gebruiken kan, en zal mij dus heden nog ontvangen. Geef mij dus een glas wijn, opdat ik mij versterke en naaiden Koning ga!quot;
Rosa spoedde zich heen om het gevraagde te halen ; Weingarten wachtte in dof gepeins verzonken hare terugkomt af, dronk toen met haastige teugen het aangeboden
11
glas ledig, en vulde het nog eenmaal om het op nieuw te ledigen.
âZoo,'' zeide hij adem scheppende; ânu gevoel ik weder dat ik leef; het bloed kruipt niet meer ijskoud door mijne aderen, en mijn hart staat niet meer stil. Nu zal ik naar den Koning gaan.quot;
Hij ging naar den spiegel, om zijn haar en gewaad eenigs-zins in orde te brengen, drukte toen een koelen kus op Rosa's bevende lippen en ging heen. Met vaste schreden snelde hij door de gangen en vertrekken. Niemand weerhield hem, want er was niemand die hem zien kon. Alleen in het voorvertrek des Konings zat Deesen en dronk zijne chocolade uit het ontbijtservies des Konings, dat hij juist uit diens slaapvertrek gebracht had.
âIs de Koning reeds op ?quot; vroeg Weingarten.
âDe zon is reeds meer dan een uur op, dus is de Koning óók op!quot; zeide Deesen trotsch.
âDien mij bij zijne Majesteit aan. Ik heb hem belangrijke tijdingen mede te deelen!quot;
Het was niet voor het eerst, dat de Oostenrijksche ge-zantschaps-secretaris hem zulk een last opdroeg, en Deesen weigerde dus niet dien te vervullen.
Hij ging in het vertrek des Konings en keerde terstond terug, om den heer-von Weingarten binnen te laten.
De Koning zat op een armstoel aan het venster, dat hij geopend had om de frissche, zoele zomerlucht te kunnen inademen. Zijn wit hazewindhondje, Amalthea, lag aan zijne voeten en keek met zijne zachte, zwarte oogen tot hem op. In de rechterhand, die op de leuning van den stoel rustte, hield de Koning zijne fluit, waarop hij juist, als naar gewoonte, den dag en de zon met het een of ander schoon, welluidend adagio begroet had. Toen hij nu het hoofd omwendde, om den binnentredenden heer von Weingarten te begroeten, trof een straal der morgenzon zijn gelaat en omgaf het als met eene glorie.
âGij komt vroegtijdig, monsieur,quot; zeide de Koning: âgij hebt dus wel zeer belangrijke tijdingen?quot;
âJa, sire, zeer belangrijke,quot; zeide Weingarten, nader tredende.
De Koning st!ik de hand uit. âGeef hier!quot; zeide hij.
âSire, ik heb geene depêche!quot;
12
âDus een mondeling bericht? Spreek!quot;
âSire, alles is verloren! Graaf Puebla vermoedt wat ik gedaan heb.quot;
De Koning ontstelde, maar hernam terstond zijne kalme houding. â âHij vermoedt, of weet het dus aog niet zeker ?quot;
âNeen, sire. Maar zijn vermoeden is bijna reeds zekerheid. Ik was gisteravond bezig, eene depêche, die des nachts verzonden moest worden, en die voor Uwe Majesteit van het grootste belang was, â over te schrijven. Eensklaps stond de graaf naast mijne schrijftafel. Hij was zacht en zonder gedruisch mijne kamer binnengeslopen. Dit bewijst, dat hij reeds vroeger argwaan koesterde en mij had gadegeslagen. Met een snellen ruk greep hij de papieren en onderzocht den inhoud. âVoor wien hebt gij deze copie bestemd?quot;' vroeg hij op dreigenden toon. Ik prevelde eenige woorden van verontschuldiging; ik zeide, dat ik voor een geschiedkundig werk, dat ik ondernemen wilde, van alle depêches afschrift nam, om er voor mijn werk gebruik van te maken. Hij liet mij niet uitspreken.ââGij zijt een verrader!quot; zeide hij met donderende stem: âReeds lang vermoedde ik uw verraad. Nu is het bevestigd! Morgen zal ik het onderzoek beginnen. Dezen nacht blijft gij als gevangene op uwe kamer.quot; â Toen sloot hij mijn lessenaar, waarin zich mijne papieren bevinden, en stak den sleutel bij zich, en terwijl hij zich van de depêche en mijn copie meester maakte, ging hij, zouder een woord meer te zeggen, heen. Ik hoorde, dat hij mijne deur sloot enden grendel er voor schoof. Ik was dus inderdaad een gevangene.quot;
âEn gij zijt ontvlucht?'' vroeg de Koning.
âIk ontkwam door het venster en vluchtte hierheen, om mij aan de voeten Uwer Majesteit te werpen en om genade, om bescherming en hulp te smeeken!quot;
En dit zeggende wierp hij zich aan de voeten des Konings neder, en wilde diens knieën omvatten. Maar het windhondje richtte zich nu met een dreigend gebrom op en zag hem met vertoornde blikken aan.
âSla op,quot; zeide de Koning: âgij ziet wel, Amalthea is ja-loersch en wil zijne plaats met niemand deelen. Sta op. Er is geen voetval noodig, om mij aan (Te vervulling van mijn woord te herinneren. Zeg mij dus, wal gij verlangt.quot;
13
âVooreerst smeek ik Uwe Majesteit mij eene veilige schuilplaats toe te staan, waar ik voor de vervolgingen van graaf Puebla veilig ben.quot;
âGij zult u hier in mijn huis, in de woning van den slotvoogd verbergen, tot wij eene geschikte woning voor u gevonden hebben,quot; zeide de Koning; âVerder! Welke plannen hebt g'j voor uwe toekomst gevormd?quot;
âVervolgens wilde ik Uwe Majesteit nederig verzoeken, mij in uwe Staten, eene met mijn stand en rang overeenkomende betrekking toe te staan, zooals Uwe Majesteit mij beloofd heeft.quot;
âO, gij beroept u te veel op beloften!quot; riep de Koning de schouders ophalende uit; âweet gij dan niet, dat men het ijzer, dat men wil aanlokken, den schitterenden magneet voorhoudt om dien te volgen? Gij hebt den magneet gevolgd, mijnheer, anders niet!quot;
âUwe Majesteit weigert mij dus de beloofde plaats?quot; vroeg de heer von Weingarten bevend.
âIk herinner mij niet u zoo iets beloofd te hebben,quot; zeide de Koning; âlieden van uw bedrijf betaalt men, maar men beloont hen niet. Uw verraad was mij nuttig, maar daarom blijft gij in mijn oog toch steeds een verrader, en een dusdanig persoon kan ik niet in mijne dienst nemen Iquot;
âTk ben dus verloren'.quot; stamelde Weingarten mét tranen n deoogen; âMijne eer, mijn goede naam, mijne toekomst zijn vernietigd!''
âUwe eer hebben wij met goud betaald,quot; zeide de Koning gestreng: âen ik geloof haar duurder betaald te hebben, dan zij waard is. Uw goede naam, zeker, die zal nu voor altijd in een slechten veranderen, en uwe moeder zal blozen, wanneer zij hem moet uitspreken, en de maatschappij zal hare deuren sluiten, wanneer hij genoemd wordt. Ik raad u dus hem te laten varen, en onder een anderen naam een nieuw leven te beginnen en u eene nieuwe toekomst te vormen.quot;
âEene toekomst zonder eer, zonder naam, zonder betrekking!quot; zuchtte Weingarten wanhopend.
De Koning richtte zijne gloeiende blikken vol verachting op den berouwhebbenden zondaar; âZoo zijn de menschen,quot; zeide hij zacht; âonbeschaamd en trotsch, wanneer zij zich
44
veilig wanen, â laf en wankelend, wanneer zij in gevaai zijn. (iij waart dus vermetel genoeg te gelooven, dat uwe daden altijd onder den sluier des geheims verborgen zouden blijven? Hebt gij volstrekt niet aan de mogelijkheid eener ontdekking gedacht en u voor dit geval gewapend ? Wanneer men de wegen bewandelt, die gij betreden hebt, moet men eiken stap dien men aflegt, wantrouwen; overal verborgene afgronden en onzichtbare klippen, â en in elk mensch een verrader vermoeden! Gij hebt dit,zoo het schijnt, niet gedaan! Gij hebt de vruchten van uw verraad in ongestoorde rust willen genieten, maar hebt den moed niet voor een verrader te willen doorgaan. Leg dus dien naam, die u voortdurend aan gevaar en schimp blootstelt, af. Ontvlucht de plaats, waar men u en uwe handelingen kent. Zoek onder een aangenomen naam ergens in mijne Staten een landelijk toevluchtsoord. Aan geld, om u eene bezitting te koopen, zal het u niet ontbreken, en wanneer dat, wat gij bij mij verdiend hebt, niet toereikend is, zoo wend u tot mij, dan zal ik u nog meer leenen en u behulpzaam zijn. Ik zal het niet vergeten, dat uw verraad mij van groot nut was, en daarom zal ik u niet verlaten, ofschoon ik ook den verrader veracht. En hiermede, vaarwel, mijnheer. Dit is de laatste maal, dat wij elkander spreken. Meld u dezen namiddag bij mijn kamerdienaar aan. Hij zal u nog tweehonderd louisd'or ter hand stellen Wanneer gij in het vervolg iets van mij verlangt of zoudt willen verzoeken, zoo vervoeg u tot den slotvoogd, die het mij zal mededee-ling. Ga!quot;
Met een blik van verachting op deze berouwvolle, wankelende, menschelijke gedaante, keerde de Koning zich om, en trad aan het venster.
Weingarten sloop heen Zijne voeten waren ter nauwer-nood in staat hem te dragen: hij voelde zich doodelijk afgemat, verpletterd en vernietigd. Zoo wankelde hij de gangen door, opende langzaam en zacht de deur van Uosa's vertrek, en trad bij zijne geliefde binnen.
Zij las in zijn doodelijk bleek gelaat, in zijne troostelooze blikken en zijne gebogen gestalte, dat hij haar slechts ongeluk had mede te deelen;
âWas alles te vergeefs?quot; vroeg zij angstig.
âTevergeefs?quot;' riep hij met een honenden lach uit:
45
âNeen, niet te vergeefs! De koning heeft mij goedbetaald, beter dan Judas Iscarioth betaald werd. Neen, niets was te vergeefs! Ik Leb veel geld verdiend, en ik zal nog duizend thaler halen Stel u gerust, Rosa, wij zullen zeer gelukkig zijn, want wij hebben qeld . Maar nu is de vraag, of de hoogmoedige dochter van den koninklijken slotvoogd zich verwaardigen zal om aan den man, die haar geen stand en naam en eer kan bieden, nog de hand te reiken. Rosa, ik waarschuw u! Redenk wel, wat gij doet; bedenk, dat u een erger lot wacht dan Pylades, toen hij Orestes ter zijde stond. De furiën vervolgen mij overal, maar hare slangenbeten zullen ook u treffen want gij zijt niet onschuldig, gelijk Pylades het was. Redenk, dat ik een met schande beladen man ben, wien het licht een verrader, en alleen de duisternis een beschermster kan zijn. Gij hebt mij bemind omdat ik een baron was, en u een rang kon aanbieden. Welnu, van heden af bezit ik rang noch naam, eer noch familie meer; van heden af ben ik een verworpeling, een verlatene, vervloekte en geschandvlekte. Gelijk Ahasverus moetik steeds voort door de geheele wereld; gelukkig en God dankende, wanneer ik ergens een verborgen plekje vind waar men mij niet kent en mijn naam nimmer hoorde. Daar zal ik mij neerzetten en het toeval om een naam vragen, om in eenzame rust, â maar van vrede beroofd, â mijn treurig leven door te worstelen. Rosa, wilt gij dil leven zonder zon, zonder eer, zonder naam met mij deelen?quot;
Met strakke oogen staarde zij hem aan; zij sidderde zóó hevig, dat hare lippen nauwelijks in staat waren een woord te uiten â ,,Mij blijft geene keus over,quot; stamelde zij eindelijk: âik moet u volgen, want mijne eer vordert, dat ik uwe gade worde. Ik moet met u gaan, ons noodlot wil het dus!quot;
Met een pijnlijken angstkreet zonk zij bewusteloos neder. Weinyarten hief haar niet op. Hij liet zich naast haar op een stoel nedervallen, en staarde met verwarde blikken op die bleeke, roerlooze vrouw, die daar aan zijn voeten lag.
âWij zijn beiden vervloekt,quot; prevelde hij: âbeiden verloren wij onze eer, en met dit Kaïn's-teeken op het voor-
10
hoofd, moeten wij rusteloos door de wereld zwerven!quot; â
De koning bleef intusschen, nadat Weingarten hem verlaten had, nog langen tijd in zijn vertrek heen en weder wandelen. Somtijds hiel hij het hoofd op en blikte met een trotschen, vragenden blik naar den hemel; dan weder bleef hij staan en staarde met gefronst voorhoofd en vast opeen gesloten lippen voor zich heen. Grootsche denkbeelden en gewichtige besluiten verdrongen elkander in zijn geest; en de wereldgeschiedenis heeft later deze zijne gedachten in woorden doen overgaan, en ze met diamanten stift in haar gulden boek opgeschreven, om zijn naam bij de rijen der onsterfelijken te voegen. â
Plotseling hief het hoofd fier omhoog, zijne oogen schitterden en gloeiden.
âDe tijd is gekomen,quot; zeide hij met luide stem: âde tijd van dralen is voorbij. Dat het zwaard nu tusschen mij en mijne vijanden beslisse!quot;
Hij schelde driftig en beval den binnentredenden kamer-huzaar, onmiddelijk een koerier naar'Berlijn te zenden, en de generaals von Winterfeld en von Retzow, alsmede den veldmaarschalk von Schwerin naar Sanssouci te ontbieden.
VIII.
DE OORLOGSVERKLARING.
Na verloop van eenige uren kondigde het snelle naderen van rijtuigen den Koning, â die reeds lang aan het venster had gestaan en vol verwachting op elk gedruisch gelet had, â de aankomst der verwachten aan.
Toen kort daarop de kamerhuzaar binnentrad en de
1) Baron von Weingarten ontsnapte gelukkig. Hij liuwde zijne beminde, de dochter van den slotvoogd, vertrok naar de Altmark, waar hij eene bezitting aankocht en onder den naam van von Weiss nog vele jaren leefde. (Charak-teristik des Siebenjahrigen Krieges. Th. I, s. 37.)
17
generaals aandiende, knikte de Koning driftig en ging haastig naar de deur om de heeren te begroeten.
âMa,quot; zeide de Koning glimlachend, terwijl hij hun tot groet de hand reikte: âik zie, dat ik toch niet zoo geheel zonder vrienden ben, als mijne vijanden gelooven. Ik behoef slechts te roepen en de veldmaarschalk von Schwerin, â dat is te zeggen: de wijsheid en de overwinning, â is aan mijne zijde, en de generaals Winterfeldt en Retzow,â dat is te zeggen: jeugd, moed, stoutheid en bedaarde dapperheid, â zijn bereid mij hulp te verleenen. Ik dank u, messieurs, dat gij zoo stipt en spoedig aan mijne roepstem gevolg hebt gegeven. Laat ons gaan zitten, en boort wat ik u te zeggen heb, en omtrent welke ernstige en belangrijke zaken ik uwen raad verlang.quot;
En de Koning begon hun in korte en juiste trekken den toestand van Europa en in 't bijzonder van zijne eigene Staten te schetsen, om zijne toehoorders op de meer gewichtige en beslissende dingen die hij hen nog had mede-te deelen voor te bereiden.
âGij weet nu,quot; zoo eindigde hij zijne rede; âwaarom ik zoo spoedig besloten was, dit mij door Engeland aangeboden bondgenootschap aan te nemen. Daardoor mocht ik hoop voeden, ook Rusland, dat met Engeland verbonden is, op mijne zijde te krijgen. Maar in deze hoop ben ik bedrogen. Rusland beeft uit haat wegens het Britsch verbond met mij, het Engelsche bondgenootschap verbroken. Bestuschew heeft wel een oogenblik tusschen zijn hartstocht voor het Engelsche goud en zijn haat jegens mij gewankeld, maar de haat heeft hem medegesleept. Keizerin Elisabeth, sedert het gezantschap van de Ia Chetardie, de vijandin van Frankrijk, verkoos toch nog liever zich met dit vroeger zoo gehate Hof te verbinden, dan slechts de schaduw van een bondgenootschap te behouden met eene mogendheid, die zich tot den bondgenoot van Pruisen verklaart, het Hot van Weenen, â- dat aan alle Europeesche Hoven zijne bekwame onderhandelaars en verspieders heeft, â wist overal de hartstochten der Souvereinen en van hunne ministers te gebruiken, om hen te lokken en hen naar zijne voorgeschreven doeleinden aan te wenden.quot; ^
1) 'a Konings eigen woorden. Zie: Oeuvres de Frédéric le Grand. Histoire de la gnerre de sept ans. Vol. I, p. 33.
Mühltach, Frederik de Groote en zijn Hof. VI. 2
18
âMaar Frankrijk tot zich te trekken zal hem niet gelukken,quot; zeide de generaal Retzow driftig : âwanneer het aan de wijsheid en bedrevenheid van Uwe Majesteit gelukken mag, Frankrijk met Engeland te verzoenen en zich tot bondgenoot van deze beide machtige mogendheden te maken, dan mogen Oostenrijk, Rusland en Saksen zich vrij verbinden, wij zullen hen weerstand kunnen bieden.quot;
' âWij zullen hen, hoop ik, ook zonder het verbond met Frankrijk, weerstand kunnen bieden!quot; riep de Koning on-stuiming uit: âWant van de hulp van Frankrijk moeten wij afzien, messieurs. Frankrijk is de bondgenoot van Oostenrijk geworden. Wat het verstand van Kaunitz begon, heeft de pas aangewende vleierij van Maria Theresia gelukkig voleindigd. De onderrok heerscht nu in de wereld-po litiek, en vrouwelijke boosheid is sterker en sluwer dan mannelijke wijsheid. Frankrijk vergeet zijn driehonderdjarigen haat en reikt aan Oostenrijk de hand tot een verbond, omdat de Keizerin van Oostenrijk haar hoogmoed boog, en de trotsche. overmoedige markiezin de Pompadour in een eigen handigen brief, â waarin zij deze dit verbond voorstelt, â met de vleiende woorden van âma chère cousinequot; begroet.Dit verbond is tot stand gekomen, mijne heeren;te Versailles is het alliantie-tractaat geteekend. De wil eener ijdele minnares heeft aan de vijandschap, die sedert Karei den Vijfde en Frans den Eerste tusschen Frankrijk en Oostenrijk bestaat, een einde gemaakt. Ãén pennestreek van den spilzieken en wellustigen Koning heeft hetslaatsgebouw van den grooten Richelieu vernield; en de trotsche Pompadour, die, â terwijl zij Frankrijk's lot op harerooskleui ige vingertoppen laat zweven, â overmoedig uitroept; âaprès mus le déhtgequot; diezelfde Pompadour kan zich er ten minste op beroemen, door haar tractaat van Versailles geheel Europa verbaasd te hebben. Frankrijk heeft zich dus aan mijne vijanden aangesloten en het is gereed aan den strijd, die zich spoedig van alle zijden tegen mij verhellen zal, deel te nemen. Reeds maken mijne vijanden allerwege voor dit doel hunne toebereidselen. Russische'regimenten naderen (ie grenzen van mijn land. Saksen heeft een wel toegerust leger aan de Silezische grenzen geplaatst, en de Keizerin-Koningin is niet alleen voldaan met teedere brieven aan de Fransche markiezin en de Russische Keizerin te schrijven, maar zij rust ook
19
haar leger uit, zij werft troepen aan en zendt een geheele armee naar Eohemen. Mijne vijanden hebben besloten, mij zoodra zij gereed zijn, aan te vallen. Maar ik ben steeds toegerust en tot den aanval gereed, en vast besloten, om met de wapenen in de hand, het doel mijner vijanden te verijdelen. Ik heb alles in stilte voorbereid en alles geregeld; de voorbereidingen voor den marsch van het leger zijn gereed, en nu komt het er nog slechts op aan, met u te raadplegen, op welke wijze de oorlog het best gevoerd kan worden.quot;
De koning zweeg, en liet zijne schitterende blikken in den kring rondgaan, om uit het gelaat zijner generaals hunne gedachten en gevoelens te raden.
De veldmaarschalk von Schwerin zag zwijgend en het hootd zacht schuddende voor zich; eenesombere wolk bedekte het voorhoofd van den generaal von Retzow, en alleen het jeugdige, fraaie gelaat van Winterfeldt schitterde van denzelfden vastberaden, krijgshaftigen moed, die op het voorhoofd van den Koning blonk.
âWelnu, heer veldmaarschalk,quot; zeide de Koning ongeduldig: âwilt gij, mijn getrouwe, mij niet uwe meening zeggen ?quot;
âMijne meening, sire?quot; vroeg de grijze veldheer zuchtend: ,,lk zie mijn Koning door dreigende en machtige vii-anden omringd ; ik zie hemalleen staande te midden van zijiie verbondene, en tot den strijd toegeruste tegenstanders. Ik zie, dat hunne wapenen, gelijk een metalen slang, om hem heen kronkelen en hem in hunne vrceselijke knelling zullen versmoren! Tegenover zoo velen zie ik mijn Koning alleen, zonder één enkelen machtigen bondgenoot; want Engeland kan ons mogelijk geld, â maar zeker geene troepen zenden; integendeel zullen wij het moeten helpen, om Hannover te verdedigen. Ik kan tot dezen oorlog niet raden, want rondom staan machtige vijanden, en Pruisen slaat alleen.quot;
âNeen,quot; riep de Koning uit, den bezielden blik ten hemel slaande: âneen, Pruisen staat niet alleen! Zijn goed recht, zijn zwaard en het geluk zijn zijne bondgenoq^n, en met hén zal het zegevieren. â Spreek gij nu, generaal von Retzow; zeg ons nu ook mve meening?quot;
âZij stemt met die van den heer veldmaarschalk over-
20
een,quot; sprak generaal von Retzow plechtig: âevenals hij, geloof ik, dat Pruisen dezen strijd niet mag wagen, omdat het te zwak is, aan al zijne vijanden het hootd te bieden. Het is dus beter niet met overhaasting te werk te gaan, maar zich op alle gevallen voorbereid te houden, want er kunnen zich gelukkige veranderingen voordoen, die niemand in staat is te voorzien. Den strijdbijl het eerst op te heiïen is te gevaarlijker, daar deze stap de jaloezie van alle Eurn-peesche Hoven, â ook van hen, die nu nog onzijdig zijn, â zoude opwekken; want allen zien met afgunst en schrik de toenemende grootheid van het Huis van Brandenburg. Het kabinet van Weenen zoude een gelukkig voorwendsel hebben, om dezen krijg als een bewijs van de veroveringszucht van den Koning van Pruisen uit te krijten; het zoude de alarmklokken luiden, geheel Europa in beweging brengen en alle mogendheden, die den Westfaalschen vrede onderteekend hebben, uitnoodigen, zich voor de instandhouding der Duitsche rijksconstitutie te wapenen. Zoodoende zoude Pruisen een aantal vijanden te bestrijden hebben, waarvoor de uitstekeridste dapperheid eindelijk moet en zal bezwijken.quot; ^
âGij spreekt zóó verstandig en wijs, als ooit Fabius Cunc-lator het doen zoude,quot; zeide de Koning na eene pauze: âdralen en afwachten, laveeren en hopen, onzijdig blijven en toezien is uwe krijgskunst. De leeuw moet in een mui-zeval kruipen en in plaats van zijne manen te schudden ze in het water dompelen, om er visch mede te vangen! â Welnu, emiwe meening, Winterfeldt, is die óók voor dralen en afwachten?quot;
âNeen, sire,quot; riep Winterfeldt uit: âneen ! Mijne meening is voor bet aanvallen, en nooit waren de omstandigheden er gunstiger voor, dan juist nu. Men moet van de werkeloosheid waarin Rusland thans verkeert, gebruik maken, om het Oostenrijksche Huis uit te putten. Oostenrijk is met zijne oorlogstoebereidselen nu nog niet gereed; zijne legers zijn nog verspreid, zijne finantiën nog niet geregeld. Nu is het dus gemakkelijk het tooneel desquot; oorlogs op Oostenrijks gebied te brengen, de overrompelde vijandelijke
1) Von Ketzow. Oharakteristik, u. s. w. Th. I, S. 40.
21
troepen te slaan, de door hem bezette landen te nemen, en dan aan allen die het wagen durven als vijanden van Pruisen op te treden, het hoofd te bieden. Buitendien komt het mij voor, dat zoowel de toestand van ons leger, als de slaat der Pruisische monarchie ons veeleer dringen om aan te vallen, clan om aangevallen te worden, en uit dien hooide ben ik voor een spoedigen, bepaald aanvallenden krijg.quot;
Glimlachend knikte de Koning hem toe, en zich toen weder tot de beide voor zich starende generaals wendende, zeide hij bedaard: âWij zullen ons door het jeugdig vuur van dezen vermetelen waaghals niet laten medeslepen. Hij is de jongste van ons, en waar hij voorw'aarts zoude willen stormen, betaamt ons wijze bedachtzaamheid. Ik zal u bewijzen, messieurs, dat het mij daaraan niet ontbrak; dat ik alles beproefde om den vrede en het evenwicht van Europa le bewaren. Toen ik de toerusting van Oostenrijk en Bo-hemen zag, gaf ik mijn gezant von Klinggraf te Weenen last, van de Keizerin-Koningin eene bepaalde verklaring te vragen, wat het doel van deze toerustingen was. Zij liet mij antwoorden: âIn de groote crisis, waarin geheel Europa zich nu bevond, vorderde haar plicht en de waardigheid van hare kroon passende maatregelen te nemen, zoowel voor hare eigene veiligheid, als van die barer vrienden en bondgenooten.quot; â Maar dit antwoord luidde mij te veel als eene orakelspreuk, en ik liet om de juiste en duidelijke verklaring verzoeken, en meer bepaald: of de Keizerin-Koningin het plan koesterde mij in dit, of in het aanstaande jaar aan te tasien, en of er geen verbond tegen mij tusschen haar en Rusland bestond.
Maria Theresia oordeelde het noodig, het antwoord op deze vraag door haren minister graaf Kaunitz te doen ontwerpen. Dit antwoord, (de Koning las het van het papier voor,) luidde: Haar verbond met Rusland was slechts een defensief verbond; zij had geen offensief verbond gesloten : ofschoon de benarde toestand van Europa haar gedwongen bad zich toe te rusten, had zij toch niet het voornemen, den vrede van Dresden te verbreken, maar wilde zich evenwel door geen belofte verbinden, niet naar gelang der omstandigheden te zullen handelen!quot; ^ Gij ziet, mijne heeren.
1) Friedrichs des Grossen Lebensgeschichte, von Preuss. ïh. II, S. 5.
22
dat men op eene openhartige vraag geen meer ontwijkend en verdraaid antwoord zou kunnen geven. Ik was er ook niet tevreden mede, en bedwong mij in zóó verre, dat ik nog eens ' om een duidelijk, bepaald antwoord verzocht. â Maar, â men weigerde mij dit antwoord; men weigerde het mij op eene beleedigende, trotsche, ja, ik mag wel zeggen, op eene onder gekroonde hoofden zeer onwelvoege-lijke en vreemde wijze. Ziedaar Oostenrijks dank voor mijne gematigdheid en vredelievendheid; voor dat ik mij zoo lang hij vertoogen bepaalde, en mij aan het hoofd van eene geduchte macht verwaardigde, als het ware om veiligheid voor mijne Staten te vragen.quot; ^
âNu is het tijd, om het verzoek in een bevel te veranderen!quot; riep Winterfeldt met vonkelende oogen: âNu is het tijd, om den loomen Oostenrijkschen dubbeladelaar te bewijzen, dat de jonge Pruisische arend volwassen is, en dat zijne klauwen sterk genoeg zijn, al zijne vijanden aan te grijpen en in den afgrond te slingeren!quot;
âEn wanneer de jonge arend, ondanks zijne stoutmoedigheid, nochtans voor de overmacht moest bezwijken?quot; vroeg de maarschalk Schwerin treurig. âWanneer de kogels zijner vijanden zijne vleugelen verlamden en hem daardoor voor altijd zouden beletten, zich hooger te verhellen? Zoude het niet beter zijn deze kans te vermijden, en zich te wachten voor het verwijt der geheele wereld: dat Pruisen, uil veroveringszucht een krijg had begonnen, dien het met eere had kunnen vermijden; zou het niet beter zijn, door verstandig berusten den vrede voor de wereld te behouden ?quot;
âBovendien zou het een strijd zijn, dien men zonder genoegzaam erkende redenen, zonder voldoende oorzaak moestbegin-nen,quot; zeide generaal von Retzow: âwant de vijandige stemming van Oostenrijk, Saksen en Rusland is altoos nog geene daad van vijandschap; en wanneer Oostenrijk door zijn verbond met Frankrijk de wereld verrast heeft, dan heeft Pruisen door zijne alliantie met Engeland zulks reeds vroeger gedaan. De soldaten zullen nauwelijks weten, waarvoor zij' vechten; derhalve zal er ook geene geestdrift ofblijd-
1) 's Konings eigen woorden. Zie: Gestiindnisse eines Oesterreichischen quot;Veterans (v. Cogniazo.) Th. I, S. 193.
23
schap zijn, welke vereischt worden om een legor tot heldendaden en blijde zelfopoffering aan te vuren.quot;
âDeze geestdrift zal niet achter blijven, en het leger,â zoowel als gij zei ven, messieurs, â zal vernemen, welke redenen er voor dezen krijg bestaan!quot; riep de Koning: âMijne redenen hebben u tot nu toe niet voldaan. Welnu,ik zal u andere geven, en bij den hemel, daarmede zul t gij tevreden kunnen zijn! Gij verbeeldt u, dat de vijandige gezindheid van Oostenrijk nog geene daad van vijandschap in zich sluit? Ik zal u de bewijzen leveren, dat zij op het punt is dat te worden.quot;
Kn eenige documenten en papieren, welke op de schrijftafel lagen, opnemende, vervolgde de Koning: âDeze papieren zullen u bewijzen, wat gij nog niet schijnt te willen gelooven: dat Oostenrijk, Saksen, Uusland en Frankrijk gewapend zijn, om met vereende macht Pruisen aan te vallen en het Koninkrijk Pruisen weder in het, kleine markgraafschap Rrandenburg te veranderen. Deze stukken bevatten de authentieke bewijzen van het gevaar, dat als een gier boven onze hoofden zweeft en dat wij slechts kunnen afwenden, door den gier te dooden. Eerst wil ik u zeggen, hoe ik aan deze papieren kwam, om u van hunne echtheid en waarheid te overtuigen! Sedert lang vermoedde ik, dat er onder mijne vijanden een verbond, tegen mij bestond; dat zij een tractaat hadden gesloten, waarin zij zich plechtig en schriftelijk tot de vernietiginlt;; van Pruisen verbonden hadden. Nu moest ik mijn vermoeden tot zekerheid trachten te brengen en de bewijzen van dit verbond â dat lijnrecht met het volkenrecht in strijd is,â in handen hebben. De bewijzen lagen in de archieven van Saksen en bij de depêches van het Oostenrijksch gezantschap. Ik moest dus den sleutel tot deze archieven en de copie van deze depêches hebben. In beide ben ik geslaagd Een toeval, of zoo gij liever wilt, de goddelijke Voorzienigheid moest ons hierbij te hulp komen. De secretaris van de kanselarij in Saksen, Reinitz, vroeger in dienst van generaal Winterfeldt, kwam eens van Dresden naar Potsdam, om Winterfeldt te bezoeken en hem in vertrouwen mede te deelen, dat een zijner vrienden, de kabi-nets-secretaris Menzel te Dresden, hem in het geheim had medegedeeld, dat de nota's, gewisseld tusschen de Hoven van Weenen, Dresden en Petersburg, in het archief van
Dresden, waarvan hij den sleulel had, bewaard werden. â Winterfeld brachl mij deze gewichlige boodschap, en Reinitz rnoest de eerste onderhandelingen met Menzel beginnen, welke ik vervolgens aan mijn gezant te Dresden, den graaf Maltzahn overdioeg. Menzel was arm en heb-zuchtig. Het gelukte dus hem om te koopen. Sedert drie jaren ontving Maltzahn door zijne tussch en komst een afschrift van elke depêche, welke de drie Hoven met elkander wisselden,en wat men alleen mondeling verhandelde, vernam Maltzahn van de gravin Brühl. De gravin Brühl is zeer gevoelig, zoo wel voor mannelijke schoonheid als voor kostbare geschenken, en beide kon Maltzahn haar aanbieden. Op mijn raad knoopte hij eene liefdebetrekking met deze lis tige, eerzuchtige en verkwistende vrouw aan, en ik kan zeggen, dat wij daaraan de gewichtigste en geheimste berichten te danken hebben. ^ â Wat nude onderliandelingen tus-schen Oostenrijk en Frankrijk, en de Oostenrijksche kuiperijen betreft; deze kon ik even nauwkeurig nagaan; want de secretaris van de Oostenrijksche legatie alhier, baron von Weingarten, gaf mij voor beloften en geld de afschriften van alle depêches, welke uit Weenen kwamen en daarheen verzonden werden. Gij ziet, messieurs, de verdorvenheid der rnenschheid heeft goede vruchten voor mij gedragen, en het geld is een tooverstaf, welke alle sloten opent. â Laat ons nu eens een blik op deze papieren slaan, in wier bezit ik door verraad en omkooping geraakt ben!quot;
Hij haalde onder de stukken een geelachtig blad tevoorschijn, en ontvouwde het voor de verbaasde en in spanning wachtende generaals.
âHier ziet gij den grondtekst,quot; vervolgde hij: âvanalle verhandelingen. Het is eene copie van het tractaat van verdeeling, dat de Hoven van Weenen en Dresden reeds in 1745 met elkander hebben gesloten, en waarin de overgang van Pruisen als zulk eene ontwijfelbare zaak wordt beschouwd, dat men reeds de deelen bepaalde, welke ieder der beide mogendheden zich wilde toeëigenen. Oostenrijk zoude Silezië en Glatz, â Saksen echter Maagdenburg, Crossen, de Schwiebusser Kreits en de Lausitz ontvangen. Tot dit tractaat van verdeeling, â dat men, ondanks den vrede
1) Charakteristik des Siebenjahrigen Krieges. Th. I, S. 23.
25
van Dresden, uls geldig liet besluan, â trad in 17iG Rusland tue, zooals uit dit tweede stuk zal blijken; daarin wordt vastgesteld, dat de beide grootste mogendheden, zoodra het oogenblik gunstig zoude zijn, den Koning van Pruisen den oorlog verklaren, â en âdat tot deze conquêle elk der gemelde lloven zestigduizend man zoude leveren.quot; â Om Saksen te ontzien had men het voorloopig ontslagen van officiéél tot het verbond toe te treden, wegens het gevaar, waaraan Saksen bij een oorlog tusschen Pruisen en Oostenrijk het eerst zoude blootgesteld worden.
Gij behoeft slechts dit stuk in te zien, en gij zult de duidelijkste inlichtingen hebben. Het is een bericht van den Saksischen gezant in Petersburg, den heer von Funck, aan zijn Hof gezonden. â Och, Winterfeldt, lees den heeren deze plaats eens even voor.quot;
Winterfeldt nam het aangeboden blad uit de handen des Konings en las; âIk bleef niet in gebreke, de oude door mij reeds zoo menigmaal te berde gebrachte waarheden te herinneren; dal onze bekende toestand ons bez(vaarlijk zoude gedoogen, ons in zulk een groot en gevaarlijk spel te wagen en ons met een overmoedigen nabuur in te laten, vóór en alleer deze buiten staat is gesteld, ons zeiven eenmaal te verpletteren. Men was billijk genoeg, aan dit vertoog onmiddeiijk gehoor te verleenen, en bekende zelf;
ââDat wij stellig de eersten niet moesten zijn, die zich op het tournooiveld waagden, maar dat wij zóólang moesten wachten, tot de ridder in den zadel wankelde en op het punt was er af te storten.quot;quot; ^
De Koning leunde, terwijl Winterfeldt las, achterover in zijn stoel en beschouwde met opmerkzame, scherpe blikken het gelaal van Schwerin en Retzow. Een vroolijk lachje verhelderde zijne trekken toen hij zag, hoe Schwerin, om een uitroep van toorn te weerhouden, zijne lippen vast op elkaar sloot; hoe Retzow's ernstig gelaat met een donkeren blos overtogen werd en zijne vuist zich onwillekeurig balde.
1) Frédcric le Grand. Histoire de la guerre de sept ans. Vol. I, pag. 65. â Mémoires raisonnés sur la conduite des cours de Viennet de saxe. et sur leurs desseins dangereux contre Sa Majeste le Roi de Prusse, avec les pièces originales et juatificatives, qui en fournissent les preuves. Berlijn 1756.
26
Toen Winterfeldt geëindigd had, en Schwerin de lippen tot spreken opende om zijn zichtbaren toorn door woorden lucht te geven, viel de Koning hem haastig in de rede.
âdoor mij eerst geheel ten einde,'' zeide hij : âalvorens gij mij uwe meening zegt. Gij kent de besluiten nog niet, die men te Petersburg nam en waartoe men vooral door Saksen werd aangezet, dat^ â te laf om zelf te handelen,â zich sterk op intrigeeren schijnt toe te leggen. Ziehier dit papier; hef is het verslag van eene senaatsbijeenkomst te Petersburg-van het Jaar 1734. De Saksische intriges en lasteringen hebben, zoo als gij er uit ontwaren zult, de rijkste vruchten gedragen ; want in deze Russische senaatszilting werd voor eens en altijd tot grondslag genomen: âdatRusland zich niet alleen tegen alle verdere u itbreiding der Pruisische macht zoude ver-zetleu, maar cok de eerste, gcschikle gelegenheid te haat moest nemen, om het Huis Brandenburg met overheerschende kracht te onderdrukken'' *) Dit besluit werd niet allen voor eenige maanden vernieuwd, maar in een onlangs gehouden zitting-van den Russischen staatsraad, voegde men bij de vroegere bepalingen nog deze nieuwe: âdat Rusland den Koning van Pruisen zelfs dan zoude aanvallen, wanneer hij door den een of anderen zijner Duitsche bondgenooten aangetast zoude worden.quot; Nu, messieurs, zult gij de toerustingen van Rusland en Oostenrijk beter verstaan; nu zult gij de beteekenis v-an het Oostenrijksch-Fransch verbond beter kunnen begrijpen, en de beleedigde antwoorden van liet Hof van Weenen zullen u bewijzen, dat Oostenrijk de overtuiging heeft, dat het vroeger uitgestrooide zaad thans tot rijpheid gekomen is, en het met zijne bondgenooten gereed staat, Pruisen aan te vallen. Wanneer u deze bewijzen nog niet voldoende zijn, zal ik er nog bijvoegen, dat ik, niettegenstaande deze woeste vijandschap van Rusland, evenwel aan het Russische Hof een hooggeplaatst vriend heb,] die, ofschoon voor het oogenblik nog zonder invloed, echter alles verneemt, wat de drie Hoven beslissen, al vermag hij er ook niets aan te veranderen. Deze hooggeplaatste en getrouwe vriend 1) zond mij voor eenige dagen langs geheime wegen het be-
1
Peter III, op dat tijdstip Grootvorst, en een vurig vereerder van Frederik.
27
richt: dat de Hoven van Petersburg en Weenen vast besloten hadden mij aan te tasten; dat de uitvoering echter tot de volgende lente was uitgesteld, daar het Rusland aan rekruten, matrozen en magazijnen ontbrak. ^ Nu messieurs, zult gij inzien, welk gevaar boven mijn hoofd zweeft.quot;
En terwijl de Koning zijn hoofd fier omhoog hief en zijn stouten blik op zijne toehoorders vestigde, vervolgde hij; âOnder deze omstandigheden ben ik het aan mij zei ven, aan mijne eer en de veiligheid van mijn land verplicht de Oostenrijkers en Saksers te overvallen, en zoodoende hunne afschuwelijke plannen in de kiem te vernietigen, vóór hunne bondgenooten nog in staat zijn hun bijstand te ver-leenen. Ik ben gewapend en zal niet verzuimen mijn leger te doen oprukken, zoodra de vraag beslist zal zijn, op welke wijze de veldtocht het voordeeligst geopend kan worden. Tot deze beslissing, messieurs, deed ik u ontbieden. Thans ben ik ten einde' En nu, veldmaarschalk Schwerin, spreek!quot;
De grijze veldheer stond van .zijn zetel op, en het zij, dat hij inderdaad door de nadrukkelijke woorden des Konings overtuigd was, of dat hij wèl inzag dat do Koning reeds onherroepelijk besloten was, en elke tegenstand dus nutteloos was, â hij scheen nu de krijgshaftige stemming van den Koning en Winterfeldt volkomen te deelen.
âZoo er dus oorlog zaZ en woei gevoerd worden,quot; riep hij vol geestdrift uit: âlaat ons dan morgen opbreken, Saksen in bezit nemen, en in dit aan koren zoo rijke land, voor-raadschuren aanleggen, om onze aanstaande bewegingen in Bohemen te bevestigen!quot;
âHa, daaraan herken ik mijn ouden Schwerin!quot; riep de Koning verheugd uit, terwijl hij den veldmaarschalk de hand reikte: âWij hebben genoeg gedraald; er moet een einde aan de besluiteloosheid komen ! Het afwachten ligt niet in mijn aard; het voorkomen is mijne grondstelling on zal, zoo God wil, steeds Pruisens grondstelling blijven!quot;
âEn het Pruisische leger is het sedert eeuwen gewoon, zich niet alleen te verdedigen, maaj- ook aan te vallen!quot; riep Winterfeldt met schitterende blikken ; âO, eindelijk zal het ons dan vergund zijn, onze doodvijanden aan te tasten;
1) Fischer. Geschiehte Friedrichs II. ïh. I, S, 39.
28
dat voiruderlijko Oostenrijk, dat intrigeerende Saksen, dal bafbaarsche Rusland, en eindelijk het bedriegelijke en wellustige Frankrijk in een openlijken strijd ontmoeten, en hun te bewijzen, dat wij hun toorn niet vreezen, en hun haal van ganscher harle deelen!quot;
âEn gij, generaal von Relzow?quot; vroeg de Koning op strengen toon, zich lol hom wendende, die nog zwijgend en met gebogen hoofd bleef zitten: âDeelt gij de gevoelens van Schwerin niet? Meent gij nog altijd, dat hel beter is af te wachten en te dralen?quot;
De generaal glimlachte treurig. â âUwe Majesteit heeft mij reeds vroeger een Fabius Gunctalor genoemd,quot; zeide hij: âwelnu, ik wil dus mijn karakter getrouw blijven. Ik houd hel er voor, dal afwachten en dralen onder deze dreigende, en gevaarlijke omstandigheden nog altijd de wijste partij is, dal âquot;
liet binnentreden van een kamerheer, die flen Koning naderde en hem iets in het oor lluisterde, deed den generaal verslommen. De Koning wendde zich glimlachend tot hem. â âGij kunt uwe voortreffelijke redeneeringen ook aan mijne broeders mededeelen,generaal,quot; zeide hij: âde prinsen zijn zoo even aangekomen. Ik had hen op dit uur hier bescheiden, om hun den uitslag van onze beraadslagingen mede te deelen, en naar het mij toeschijnt, komen zij juisl van pas. Verzoek dus de prinsen binnen te komen!quot;
V.
DE KONING EN ZIJNE BROEDERS.
Op een wenk des Konings opende de kamerheer de deur van hel kabinet en traden de beide prinsen binnen. Eerst de prins van Pruisen, wiens bleek zwaarmoedig gelaal heden nóg bleeker en treuriger scheen te zijn dan gewoonlijk; vervolgens prins Hendrik, wien scherpe, heldere
29
oogen zich met een vragenden blik op den generaal von Retzow vestigden. â Deze haalde bijna onmerkbaar de schouders op en maakte eene ontkennende beweging. Prins Hendrik scheen hem begrepen te hebben, want op zijn voorhoofd werden eenige lichte rimpels zichtbaar, en een gloeiend rood overdekte een oogenblik zijne wangen.
De Koning, die alles gezien, en opgemerkt had, glimlachte spotachtig; hij liet de beide prinsen de geheele zaal doorgaan en hen dicht, lot zich naderen, alvorens iiij ben toesprak.
âMessieurs,quot; zeide hij: âik heb u verzocht hier te komen, omdat ik u eene gewichtige tijding heb mede te deelen. De tijd van vrede en feesten is voorbij. De oorlog-zal beginnen!quot;
âDe oorlog, â met wien ?quot; vroeg de prins van Pruisen ernstig.
âDe oorlog met onze vijanden; de oorlog met hen, die Pruisen's ondergang gezworen hebben!quot; riep de Koning met vlammende blikken:. âDe oorlog met Oostenrijk, Frankrijk, Saksen en Rusland!quot;
âDat is niet mogelijk, broeder!quot; riep de prins heftig: âGij kunt er niet aan denken den strijd met zulke machtige, â en ons in kracht overtrelïende vijanden te beginnen. Gij kunt zelfs niet aan de mogelijkhed gelooven zulk eene overmacht te overwinnen. Hoe groot en krachtig uw geest ook moge zijn, gij zult toch voor de stofCeiijko overmacht, moeten bukken en aan de ruwe meerderheid de zege moeten afstaan. O, mijn broeder en Koning-heb medelijden met u zeiven, met ons, met ons vaderland. Waag niet het onmogelijke! Stort u niet in de stormachtige zee van den krijg, om in eene kleine, niet gedekte schuit, tegen die groote sterke oorlogschepen waarin zich uwe vijanden tegen u ovei stellen, te strijden! Het is onmogelijk in dezen strijd te zegevieren, en onze grootste triomf zoude slechts deze zijn: dat wij, evenals Leonidas en zijne krijgers, man voor man Voor de verdediging van ons vaderland vielen. Spaar voor ons vaderland uw eigen, kostbaar leven en dat zijner zonen, hetwelk nutteloos en zonder roem, in dezen vreeseliiken striid zou verloren gaan!quot;
liet gelaat des konings gloeide van toorn, en zijne groote
30
oogen waren met eene uitdrukking van diepe veracnting op liet gelaat des prinsen gevestigd.
âWaarlijk, broeder,quot; zeide hij op een kouden en snijdenden toon: âde vrees heeft u welsprekend gemaakt; ik hoorde u nooit met zooveel geestdrift het woord voeren, dan juist nu. âquot;
De prins uitte een zachten kreet, en sloeg onwillekeurig zijne hand aan hel gevest. Een doodelijk bleek bedekte zijn gelaat, en zijne lippen trilden zóó hevig dat hij nauwelijks in slaat was te spreken.
âVrees!quot; bracht hij met moeite uit: âDit is'eene beschuldiging, welke niemand, behalve de Koning, zou wagen uit te spreken, en waarvan ik mij zuiveren zal, als het inderdaad tol dezen ongelukkigen krijg moet komen, dien Uwe Majesteit wil beginnen, en tegen welken ik protesteer in naam van mijn recht, mijne kinderen en mijn vaderland;quot;
âEn ik,quot; riep prins Hendrik; ik vereenig mij met het protest van mijn broeder. O, Majesteit, heb medelijden met ons allen. Hoezeer ik naar roem en sti-ijd dorst, hoezeer ik dikwijls God gebeden heb, mij gelegenheid te verschalfen om uit te munten en mijn onbekenden naam met den stralenkrans van dén roem te versieren, â tóch bezweer ik u, liever voor altijd mijne roemzucht te smoren en mijne eerzucht te beteugelen, wanneer ik hen slechts door dezen vreeselijken en nutteloozen krijg voldoen kan. Gun ons land den vrede, sire! Will gij de lauweren welke uw hoofd versieren, aan het gevaar blootstellen, dat ze u door den storm der veldslagen worden ontrukt? Gij slaat alleen en zonder bondgenooten ; de zege is onmogelijk! Waarom wilt gij dan den strijd tegen de overmacht wagen? Waarom met geweld hel noodlot een zekeren ondergang afpersen?quot;
Het gelaat des Konings gloeide van toorn; zijne oogen scholen bliksemstralen, en toen hij nu sprak, klonk zijn slem als de ratelende donder.
âGenoeg!quot; zeide hij: âGij zijl hier geroepen, messieurs, niet om raad te geven, maar om mijne bevelen te ontvangen. Uw broeder heeft u geduldig aangehoord. Nu slaat gij voor den Koning van Pruisen, die gehoorzaamheid en onderwerping van u eischt. De krijg is onherroepeliik besloten, en uwe klachten en bezwaren zullen mijn besluit niet doen wankelen. Maar elk die vreest mij op het slagveld te vol-
31
gen, geef ik de vrijheid tehuis te blijven en herderspelen te vieren, zijne grillige en verliefde droomerijen voort te zetten, terwijl wij zullen zegevieren! Wie van u allen daaraan de voorkeur geeft, mag spreken en zal zijn zin hebben!quot;
âNiemand onzer zal dit doen!quot; riep prins Hendrik hartstochtelijk : âWanneer de Koning van Pruisen zijne krijgers roept, zullen zij allsn komen en blijde hun aanvoerder Volgen, al ging men ook een wissen dood tegemoet! Ik heb u mijn gevoelen gezegd als individu en ais man. Nu blijft mij niets over, dan u te gehoorzamen als soldaat en als onderdaan, en ik zal dit met blijdschap en zonder morren doen.quot;
âEn ik eveneens,quot; zeide prins August Wilhelm plechtig: âeven als mijn broeder, zal ik mijne persoonlijke bezwaren en bekommeringen weten te smoren, en in zwijgende gehoorzaamheid mijn Koning en aanvoerder volgen, waarheen hij ons moge leiden.quot;
De Koning sloeg een somberen en hatelijken blik op het bleek, ontroerd gelaat van den prins. - âGij zult mij slechts daiirheen volgen, waar ik door u vergezeld zijn!quot; zeide hij scherp, en, om als het ware zijn broeder alle gelegenheid tot antwoord te benemen, wendde hij zich haastig tot den veldmaarschalk Schwerin.
âNu, veldmaarschalk, wilt gij soms verlof vragen, gedurende den tijd dat deze krijg mocht duren? Ik zeide u immers, dat ik dit niemand zoude weigeren.quot;
âIk heb gfien ander verzoek, dan dat Uwe Majesteit mij aan den eersten slag tegen uwe vijanden late deelnemen.'quot;' zeide Schwerin: âik vraag niet meer wie uwe vijanden zijn, want het uur van beraadslagen is voorbij en dat van handelen is gekomen. Laat ons dus handelen, sire, en wel zoo snel mogelijk.quot;
Ja, laat ons handelen, sire!quot; riep generaal von Retzow plechtig; âZoodra Uwe Majesteit zegt dat de oorlog onvermijdelijk is, bestaan er voor uwe soldaten geene'zwarigheden meer en zullen wij met vreugde ten strijde trekken, om te overwinnen of te sterven!quot;
âEn gij, Winterfeldt?'' vroeg de Koning, zijn boezemvriend met vriendelijken blik de hand reikende: âZegt gij in het geheel niets? Of hebben de bezwaren van den prins
32
van Pruisen ook u besmet, en uwen moed aan het wankelen gebracht?quot;
âO, sire,quot; zeide Winterfeldt, de aangeboden hand des Konings aan zijn hart drukkende: âwanneer het Pruisen's helden koning is die ons ten strijde voert, hoe kan dan mijn moed wankelen. Zoude ik niet blijde en met vertrouwen op de zege optrekken, wanneer Frederik ons roept, om tegen de scharen van zijne arglistige, snoode, en overmoedige vijanden te strijden'? âNeen, ik vrees niets! God en ons goed recht zijn met ons!quot;
Prins Hendrik trad nu dichter naar den Koning en zijn blik vast en fier op diens gelaat vestigende, zeide hij ; âSire, gij vraagt den generaal Winterfeldt. of bij óók de bezwaren van den prins van Pruisen deelt? Ik verzoek Uwe Majesteit zich te herinneren, dat ik, â zoo al niet de generaal Winterfeldt, â de bezwaren van mijn dierbaren en dapperen broeder volkomen deel. Ik zeg,'van mijn dapperen broeder ; want stellig behoort er in dit uur meer moed toe, om zijne vrees te uiten en te bekennen dat men dezen krijg voor een gevaarlijk waagstuk houdt, dan met geestdrift er aan toe te geven en overwinningen te voorspellen, welke buiten het veld der menschelijke berekening liggen !
Terwijl de prins zoo sprak, sloeg hij opWinterfeldt een somberen en toornigen blik, welke den generaal deed ver-bleeken. Hij opende reeds zijn mond tot een heftig antwoord, maar de Koning hield hem tegen.
âZwijg, Winterfeldtquot;'zeide hij: âwij hebben den oorlog nog niet verklaard; laat ons tot zóólang ten minste in vrede in'ons eigen huis leven.quot; Daarop prins Hendrik meer naderende en zijne hand op diens schouder leggend, zeide hij goedig: âwij willen ons niet tegen elkander verbitteren, broeder. Gij zijt een edele en hooghartige ziel, en niemand ' zal het wagen uwen moed te betwijfelen. Dat gij mijne denkbeelden omtrent den oorlog welken Pruisen nu staat te beginnen, niet deelt, spijt mij; maar ik weet, dat ik nochtans in dezen strijd in u een vasten en trouwen steun zal vinden en dat gij mijne gevaren en moeielijkheden, â en zoo God wil, ook mijne overwinningen, â met mij zult deelen!quot;
âEn niet ik alleen zal dat doen,quot; riep prins Hendrik uit; âmaar ook mijn broeder August Wilhelm; de prins van
,33
Pruisen, wiens hart niet minder dapper, wiens moedâquot;
âStil Hendrik, ik verzoek er u om,quot; viel de prins van Pruisen hem met een treurigen glimlach in de rede; âspreek niet van mijn moed. Dien te willen verdedigen, zou tot het vermoeden leiden, dat men er aan twijfelen kon, en dit zoude eene vernedering zijn, die ik van niemand zou dulden!quot;
De Koning scheen deze woorden volstrekt niet gehoord te hebben. Hij was naar de tafel gegaan waarop de papieren lagen, en terwijl hij ze bijeen zocht en opnam, zeide hij: âWij zijn nu ten einde, messieurs. Er blijft nog slechts over u te zeggen, dat ik van de meening van den maarschalk Schwerin ben. Laten wij eerst Saksen aanvallen, al zoude het ook slechts zijn, om liet origineel van deze papieren uit het archief te Dresden te halen; opdat wij aan de wereld de oorspronkelijke bewijzen kunnen overleggen, dat. Prnisec, terwijl het schijnt aan te vallen en den oorlog te veroorzaken, toch alleen uit noodzakelijkheid en ter zijner verdediging het zwaard trok! Naar Saksen dus, mijne heeren! Maar tot op den dag dat wij opmarcheeren, zwijgen wij er van es blijft de aanstaande veldtocht een geheim!quot;
Hij groette de heeren met een vriendelijk knikje en ging toen, de papieren onder den arm houdende, de zaal door, om zich naar zijn bibliotheek te begeven.
Nadat de Koning de zaal verlaten had, volgde er eene lange pauze. De prins van Pruisen had zich, geheel afgemat door de aandoeningen die zijne ziel bewogen, bij een der vensters afgezonderd en zag zwijgend en met somberen blik naar den hemel op. Prins Hendrik, die niet ver van de generaals in het midden der zaal stond, keek naar zijn broeder, en een pijnlijke zucht ontsnapte aan zijne borst. Toen wenkte hij den generaal von Retzow tot zich.
âGij hebt dus niet aan ons verzoek gedacht?quot; vroeg hij zacht: â(.tij hebt aan het verlangen van mijn broeder en mij niet kunnen voldoen?quot;
âIk heb alles beproefd wat in mijn vermogen was, prins,quot; antwoordde de generaal zuchtend; âUwe Koninklijke Hoogheden wenschten, dat ik, zoo er mogelijkheid toe was, dezen ongelukkigen oorlog beletten zoude; dat, wanneer de Koning mijn raad inriep, ik het daarheen zoude brengen Mühltaoh; Frederik de Groote en zijn Hof. VI. 3
34
dat wij te zwak tot den aanval zijn, en dus op vrede bedacht moeten zijn. Welnu, ik heb dat alles gezegd; met alleen om aan den wensch der Koninklijke prinsen te voldoen, maar omdat ik volmaakt uwe inzichten deelde en dezen oorlog als een groot onheil beschouw. Maar de wil des Konings was onverzettelijk. Sedert jaren denkt hij reeds
over dezen oorlog. Sedert jaren heeft hij met Winterfeldt de voorloopige maatregelen er toe genomen en met hem zijne plannen beraamd.quot; ...
âWinterfeldt,quot; prevelde de prins bij zich zeiven: âja, Winterfeldt is de booze geest, wiens inblazingen den Koning verleid hebben! Wij beiden vermoedden het reeds lang en moesten toch zwijgend laten geschieden, wat wij niet konden tegengaan.quot;
En aan zijn hartstochtelijken en heftigen aard toegevende, ging de prins recht op den generaal von Winterfeldt toe, die in een fluisterend gesprek met den maarschalk Schwerin aan de tafel stond, waarop de papieren lagen.
âGij kunt u verheugen, generaal,quot; zeide de prins driftig; âuw doel is nu bereikt en gij kunt nu aan de Keizerin van Rusland uwe persoonlijke wraak koelen!quot;
Winterfeldt beantwoordde den toornigen blik van den prins met een bedaarden, bijna vroolijken oogopslag. âUwe Koninklijke Hoogheid bewijst mij waarlijk tc veel eer,quot; zeide hij: âzoo gij gelooft, dat een arm soldaat als ik, met eene verhevene Keizerin eene persoonlijke vijandschap zou kunnen hebben. Wat zou de Russische Keizerin mij wel kunnen gedaan hebben, dat mij het recht gaf, mij op haar te wreken?quot;
..Wat zij u gedaan heeft?quot; vroeg de prins met een spot-achtigen glimlach: âZij deed u twee zaken, die de men-sciien wel het allerminst vergeven kunnen. Zij heeft u verschalkt. en u uw vermogen ontnomen. Maar, heer generaal, ik vrees dat deze oorlog tóch te vergeefs zal zijn; en dat gij niet in staat zult. zijn, de juweelen uwerecht-genoote, die de Keizerin Elisabeth nog onder hare berusting heeft, van Petersburg terug te halen!quot; 1)
1
lletzow verhaalt nopens den persoonlijken haat, dien Winterfeldtte^en Keizerin Elisabeth koesterde, het volgende; Toen de Koning van Pruisen, Fre-derik Wilhelm I, ten gevalle van czaar Peter I, eenige onderofficieren naar
35
Winterfeldt verbleekte en een toornige gloed flikkerde in zijne oogen; maar hij bedwong zich dadelijk weder. â âUwe Koninklijke Hoogheid gelieft mij een alleraardigst sprookje te verhalen,quot; zeide hij: âeen sprookje uit de Dui-zend-en-Een-Nacht, waarin óók van schatten enjmveelen gesproken wordt: met dit onderscheid echter, dat in plaats van de bekende draak, eene Keizerin deze schatten bewaakt. Ik verklaar U we Koninklijke Hoogheid niette begrijpen'quot;
âMaar ik begrijp u des te beter, generaal!quot; riep de prins: âIk begrijp uwe eerzucht en uwe stoute plannen. Gij wilt uw naam in de jaarboeken der geschiedenis overbrengen, al moest dit ook ten koste van het bloed der ongelukkige zonen van mijn vaderland geschieden. Gij, generaal, hebt gedeeltelijk schuld aan dezen ongelukkigen krijg; want gij waart de vertrouweling des Koning en gij betaaldet overal uwe verspieders en verraders, die u voor goud, berichten moesten brengen, waarmede gij den Koning wist op te winden!''
âWanneer het in uw oog een onrecht isquot; zeide Winterfeldt trotsch: âzijn geld te besteden om de lagen van vijanden van Koning en vaderland te leeren kennen, beken ik gaarne dat ik stratbaar ben. Ja, ik heb overal mijne spionnen gehad, en hun zij dank, dat de Koning de lagen van Saksen, Oos-
Petersburg zond, om de in de krijgskunde nog onervaren Russen te leeren exerceeren, moest Winterfeldt die daarheen brengen. Bij deze gelegenheid leerde hij de stiefdochter vanjden veldmaarschalk Münich, freule von Maltzahn, de hofdame der toenmalige prinses Elisabeth kennen. Wederkeerige genegenheid vereenigde weldra hunne harten en zij vatten het voornemen op elkander te huwen. Maar, daar van zijne zijde Winterfeldt niet zonder toestemming van den Koning in het huwelijk mocht treden, en van hare zijde zijne verloofde de moeielijkheden voorzag, die hare meesteres haar in den weg zoude leggen, besloten zij een voorwendsel te baat te nemen, om het Hof op eene welvoegelijke wijze te kunnen verlaten. Dit geschiedde spoedig daarop. Freule von .Maltzahn vroeg voor eenige maanden verlof, om hare bloedverwanten in Silezië te bezoeken. Waarschijnlijk vermoedde Elisabeth iets, want zij zeide ronduit tot hare hofdame: âIk ben bijna overtuigd, dat gij niet terugkeert.quot; â De treule beproefde het tegendeel te beweren; maar de prinses gaf haar eenmaal opgevat vooroordeel niet op, en om de freule op de proef te stellen, zeide zij ; âWanneer gij er zoo zeker van zijt, laat mij dan uwe juweelenen kostbaarheden tot onderpan i.quot; â De freule was nu we\ genoodzaakt, een schat van meer dan honderd duizend roebels waarde, ac hter te laten, die haar, als de gemalin van Winterfeldt niettegenstaande alle opeischingen, nimmer werd terug gegeven, (v. lletzow Charakteristik des Siebenjahrigen Krieges. Th.
3Ã
tenrijk en Rusland heeft ontdekt. Ik heb deze spionnen met mijn eigen geld betaalt; Uwe Koninklijke Hoogheid zietdus wel, dat ik nog niet geheel en al beperkt ben tot de ju-weelen mijner echtgenoote, welke de Keizerin van Rusland in onderpand heelt, zooals men verkiest te zeggen.quot;
Op dit oogenblik trad de prins van Pruisen, die tot nog toe een zwijgend getuige van dit tooneel geweest was, uit de vensternis te voorschijn, en met driftige stappen de zaal doorgaande, ging hij vlak voor generaal Winterfeldt staan.
âHoe generaal,quot; zeide hij met luide plechtige stem ; âgij hebt dus schuld aan dezen rampzaligen krijg, die weldra de velden van ons vaderland verwoesten zal ? Op u en uw hoofd kome de verantwoording, wanneer deze strijd, door uwe eerzucht aangeblazen, verderfelijk mocht worden. Indien er op aarde geene straf voor zulk eene zware schuld bestond, zoude ik u voor God aanklagen en het bloed van de ter slachtbank geleide zonen mijns vaderlands â het bloed mijner toekomstige onderdanen, zoude om wraak over u ten hemel schreien!''
âWee uwer, wanneer deze oorlog voor Pruisen noodlottig mocht zijn,quot; hernam prins Hendrik: âook ik zoude hetu nimmer vergeven; ook ik zoude uwe eerzucht er voor verantwoordelijk stellen; want gij bezit het oor en het hart des Konings, en, â in plaats van zijn wantrouwen tegen de overige Staten te verdrijven, hebt gij getracht het levendig te houden en op te wekken, â in plaats van zijn toorn te doen bedaren, hebt gij hem steeds op nieuw aangevuurd !''
âWat ik deed,quot; riep Winterfeldt op plechtigentoon uit, â terwijl hij de rechterhand ten hemel hief: âwat ik deed, geschiedde uit plichtgevoel, uit liefde tot mijn vaderland en in onwankelbaar geloof aan de gelukster mijns Konings, die niet verdooven, âmaar al hooger en schitterender zal stralen! Moge God mij straffen, zoo ik mij door andere, onedele beweegredenen liet leiden!''
âJa, moge God u stralïen,quot; zeide prins August Wilhelm : âmoge hij uwe schuld echter niet aan ons arme vaderland wreken. â Dit is mijn laatste woord in deze treurige zaak! Voortaan zal ik mijne persoonlijke gevoelens geheel onderdrukken en slechts de bevelen van mijn Koning opvolgen
37
Wat hij van mij verlangt, zal ik doen en waarheen hij mij zendt, zal ik gaan, zonder te vragen, zonder na te vor-schen en te overleggen, â maar gehoorzaam en blijmoedig, gelijk het een echt soldaat betaamt. Jk verzoek u, broeder, ik verzoek u, heer maarschalk von Schwerin en ook u, heer generaal von Retzow, dat gij daarin mijn voorbeeld wilt volgen. De Koning beval, wij zullen hem gaarne gehoorzamen!quot;
âDe Koning beval, wij zullen hem gaarne gehoorzamen!quot; herhaalde prins Hendrik, en de beide generaals zeiden het hem na.
Toen nam de prins van Pruisen den arm van zijn broeder, en de heeren met een vriendelijken glimlach groetende, verlieten beide prinsen de zaal, om naar Berlijn terug te keeren.
X.
DE LAUWERTAK.
Inmiddels had de Koning zich naar zijne bibliotheek begeven, waar hij met de handen op den rug gevouwen, een geruimen tijd op en neder ging. Zijn gelaat was ernïjtig en bezorgd, een donkere wolk bedekte zijn voorhoofd, de lippen waren vast gesloten en de blos zijner wangen en het schitteren van zijn oog, verrieden de innerlijke en diepe aandoening die zijn geheel wezen in oproer bracht.
Opeens bleef hij stilstaan, en het hoofd lier omhoog heffende, scheen zijn scherpe en doordringende blik als het ware naar de gedachten en fluisteringen zijner ziel te hooren.
âJa,quot; zeide hij: âdat waren zijne woorden : âIk protesteer tegen dezen oorlog uit naam van mijn recht, van mijne kinderen en mijn vaderland!quot; âO, liij denkt er dus wel degelijk aan, dat hij mijn opvolger zal zijn; hij gelooft
38
rechten te hebben, die buiten mij zijn, en die hem liet recht geven te protesteeren tegen dat wat ik doe! Hij is een rebel, een hoogverrader. Hij durft het wagen aan den tijd te denken, wanneer hij of zijne kinderen deze kroon zullen dragen. Ik gevoel, dat ik hem haat zooals mijn vader mij haatte, omdat ik zijn opvolger was en omdat hij, mij ziende, steeds aan zijn dood herinnerd werd. Ja, ik haat hem; want deze zachtaardige, weekmoedige knaap zal het werk vernietigen, dat ik denk te volbrengen; ónder zijne zwakke handen zal dit Pruisen, dat ik groot en sterk wil maken, weder verbrokkeld worden, en mijne oorlogen en mijne veroveringen zullen tevergeefs geweest zijn; want hij zal er geen gebruik van weten te maken! Ik wil mijn Pruisen tot een grooten, machtigen en gevreesden staat verhetfen; ik wil het van de vrees voor Rusland en de onderdanigheid jegens Oostenrijk bevrijden; ik wil, dat het in den raad der Vorsten gelijk sta en zich voor niemand zal buigen en voor niemand achterstaan! En zoo ik dat met een rusteloos leven, met den arbeid en het nadenken van mijn geheel bestaan en met het bloed mijner onderdanen gekocht heb, dan zal mijn broeder komen, om mijn werk, waar ik zooveel moeite aan besteed heb, waaraan ik mijne rust, mijn genoegen en mijne neigingen heb opgeofferd, te vernietigen. Pruisen heeft een krachtigen en tot handelen vaardigen Koning noodig; geen weekhartigen knaap, die zijn geheele leven om het verloren geluk zijner liefde treurt en tegen het noodlot mort, omdat het hem als een Koningszoon deed geboren worden. Ach, ik gevoel dat ik hem haat; want ik voorzie in hem den verwoester van mijn werk, den Herostratus, die den tempel vernielt, dien ik gebouwd heb! â Maar neen, neen!quot; vervolgde de Koning na een pauze: âik doe hem onrecht, en mijn ergdenkend hart ziet de toekomst mogelijk te somber in. Och, het is reeds zóó ver gekomen, dat ook ik den tol moet betalen, dien het noodlot van de Vorsten voor hunne armzalige heerlijkheid vordert! Ik verdenk mijn opvolger, en zie in hem mijn verborgen vijand! Het wantrouwen wierp reeds zijne sombere schaduw over mijne ziel, en verduisterde haar. En nóg donkerder zal het in die ziel worden. Ik voel reeds, hoe de worm in mij klopt eti knaagt; de worm van menschenhaat en wantrouwen! Ik
39
zie de sluiers reeds van lieverlede neerdalen, en de zon van liefde, die weleer zoo helder en stralend in mij gloeide, bedekken. O, eenmaal zal het koude en duistere nacht in mij zijn, en te midden mijner heerlijkheid zal ik alleen staan.quot;
Hij liet het hoofd op zijne horst zinken en stond langen tijd zwijgend en onbeweeglijk. â âEn ben ik dan nu niet reeds alleen?quot; vroeg hij toen zacht, en zijne stem klonk nu teeder en droevig; âSta ik nu niet reeds alleen en verlaten? Mijne broeders zijn tegen mij, en omdat zij mij niet begrijpen, gispen zij mijne handelingen en mijne wenschen; mijne zusters vreezen mij, en omdat de oorlog hare genoegens en hare rust verstooft, zullen zij mij vloeken. Het hart mijner moeder is verkoeld, omdat ik haar geen invloed op mijne regeering wilde toestaan, en Elisabeth Christina, â die de wereld mijne gade noemt, â weent in de eenzaamheid over de zware ketenen, die haar aan mij verbinden. Niemand van hen bemint mij; niemand van hen gelooft aan mij en mijne toekomst! Wat ik wil, wordt door hen een waagstuk genoemd, en over den oorlog dien ik begin, roepen zij wee! Is het dan een onrecht? Verdien ik dan, dat men mij van de zucht naar veroveringen beschuldigt, omdat ik mij niet te gronde wil doen richten; omdat ik de strikken zie, die men mij spande, en die ik verscheuren wil? Zoude ik niet veeleer aanspraak hebben op hunne blijmoedige toestemming, op hun liefderijken troost? Zouden zij ten minste niet mijn moed en mijne onverschrokkenheid moeten erkennen, daar ik te midden van mijne machtige en sterke vijanden, stoutmoedig voorwaarts ga en naar niets anders luister, dan naar de roepstem van mijne eer en van mijn koninklijken plicht? Maar, in plaats van mij door hunne liefde op te beuren, willen zij mij door hun kleingeostigen tegenstand buigen; in plaats van zich om mij heen te scharen, ontvluchten zij mij en laten mij alleen! Helaas, die het groote wil, is steeds alleen, en de kleinen lasteren hem!quot;
Terwijl de Koning zoo klaagde, en zich aan zijne treurige en zwaarmoedige denkbeelden overgaf, had hij het zachte kloppen aan de deur, dat reeds dikwijls herhaald was geworden, niet gehoord. Nu klonk het op nieuw, en ditmaal zóó luid en krachtig, dat de Koning het moest hooren.
40
Hij ging naar de deur en opende die. Buiten stond Win-terfeldt, in de hand een verzegeld pakket houdende, terwijl hij zich verontschuldigde den Koning gestoord te hebben.
âMogelijk is het goed dat gij mij gestoord hebt, vriend,quot; zeide de Koning, in het vertrek terugkeerende en den generaal wenkende nader te komen: âik was juist in gezelschap van zeer droeve makkers, in gezelschap van kwade en verdrietige denkbeelden; het is zeer goed, dat gij gekomen zijt, om ze te verjagen.quot;
âEn beter dan ik, sire, zal dit deze brief wel vermogen,quot; zeide Winterfeldt, den Koning het pakket overhandigende; âer is een koerier uit Berlijn aangekomen, die hem bracht.quot;
âBrieven van mijne zuster Wilhefmina ^ uit Italië!quot; riep de Koning verheugd uit, terwijl hij het zegel openbrak en de papieren uiteenvouwde. Het waren verscheidene losse, dicht beschreven bladen, waartusschen een wit saamge-vouwen papier, dat iets anders scheen te bevatten. De Koning hield dit in de hand en begon toen haastig de]andere bladen te lezen.
Terwijl hij las, verdween allengs de donkere en strenge uitdrukking van zijn gelaat; zijne trekken werden helder en opgeruimd, de donkere wolk verdween van zijn voorhoofd, en om zijne dunne lippen speelde weder het zachte, aangename lachje, dat altijd den ernst van zijne doordringende blikken verzachtte, waardoor men met vertrouwen dit schoon, koninklijk gelaat beschouwde. Eensklaps echter vloog er een heldere straal van vreugde over zijn aangezicht, zijn oog schitterde als in blijde verrukking en haastig den brief op de tafel leggende, nam hij,het witte papier en opende het.
Het bevatte een lauwertak; een tengeren en toch krach-tigen tak met fraaie bladeren, die het vertrek met een aangenamen geur vervulden en met het frissche, levendigste groen prijkten, alsot de tak pas geplukt was.
De Koning hief dezen lauwertak in de hoogte en liet zijne verrukte blikken er op rusten. â âO, vriend,quot; zeide hij in geestvervoering en met een lach van genoegen; âzie
1) De markgravin von Bajreuth.
41
eens, hoe genegen het noodlot mij is. Op dezen moeielijken dag zendt het mij een heerlijk teeken, een lauwertak! Mijne zuster heeft dien op mijn geboortedag voor mij geplukt. Weet gij waar, vriend? Buig uw hoofd met mij, en stem uw geest tot nadenken? Want weet: dit is een tak van den laurierboom, die boven de urne van Virgilius slaat en zijn graf overschaduwt. O, vriend; een heilige huivering doet mij trillen en het is mij, alsof de groote en verhevene geesten der Ouden mij groeten en mij toewenken met dezen lauwertak, die op het graf van een hunner voortreffelijkste dichters gegroeid is. Mijne zuster von Baireuth zendt mij dien onder geleide van een schoon en zinrijk versje, dat zij zelve gemaakt heeft!quot;
Het gedicht, dat de markgravin den Koning bij den lauwertak zond, luidde:
Sur l'urne de Virgile un immortel laurier,
De l'outrage du temws seul a sü se défendre,
Toujours vert et tonjours entier.
.Te voulais le ceuillir, et n'osais Tentreprendre.
Prevenant mon effort, je 1'ai vu se plier,
Et cetle voix se fait entendre :
..Approclie, auguste soeur du moderne Alexandre!
Frédéric de ma lyre est le digne héritier.
I'y joins un nouveau don, que lui seul peut prétendre.
Déja son front par Mars fut cinq fois couronné!
Qu'aujourd'hui par sa main il soit encore orné
Du Laurier, qu' Apollon fit naitre de ma cendre.quot; â
âDeze lauweren op het graf van Virgilius, â zegteene schoone en zinrijke fabel, â zijn van zelve gewassen en onvergankelijk. Moge dat voor mij een ^oed voorteeken zijn ! Wees gegroet, gij heilige schim van Virgilius; ik buig mijn hoofd voor u, en kus in ootmoed uwe assche, welke in een lauwer veranderd is!quot;
En dus sprekende, met tranen in de oogen en met een gelaat, schitterend van geestdrift, drukte de Koning zijne lippen met vuur op den lauwertak. Toen reikte hij hem aan Winterfeldt over.
âKus ook gij hem, vriend,quot; zeide hij: âuwe lippen verdienen dezen heiligen tak aan te raken en den geur in te ademen dezer bladeren, welke op het graf van Virgilius hem den lofzang der Natuur toelluisterden. Kus dezen tak en zweer mij, dat wij ons dezen kus waardig willep maken.
42
Zweer met mij, dat wij in den krijg dien wij te gemoet gaan, óf den lauwer op ons voorhoofd, of op ons graf zullen verwerven!quot;
Mij hield den lauwertak in de hoogte; Winterfeldt stak zijne rechterhand op en raakte met zijne vingers den tak aan. â âIk zweer in dezen krijg óf den lauwer op ons voorhoofd óf op ons graf te dragen!quot;
âAmen!quot; zeide de Koning: âGod en Virgilius hebben ons gehoord!quot;
XI.
HET FEEST BIJ DEN GRAAF BRÃHL.
In zijn prachtig paleis te Dresden gaf graaf Brühl, do eerste minister van den Koning van Saksen, een schitterend feest ter eere zijner gemalin, die heden haar geboortedag vierde. Het feest zou des te prachtiger worden, doordien de Koning van Polen en (ie Keurvorst van Saksen, August de Derde, met zijne gemalin, Marie Josephine, het met hunne tegenwoordigheid zouden vereeren. Dit was eene gunst, welke de trotsche Koningin den alvermogenden gunsteling heden voor de eerste maal bewees; want zij, die aan het Hof de' strenge étiquette had ingevoerd, zooals die aan het Hof van Keizer Joseph den eerste, haar vader, in zwang was, â had nog nimmer aan de tafel van een harer onderdanen gegeten; en zóó heilig achtte zij hare koninklijke persoon, dat zij zelfs aan de gezanten der vreemde mogendheden niet toestond, met haar aan dezelfde tafel te zitten. Bij alle feesten aan het koninklijke Hof te Dresden, zag men de koninklijke familie dus in de strengste afzondering te midden van hare talrijke gasten aan eene kleine tafel alleen eten, en slechts aan den eersten minister graaf Brühl en zijne gemalin mocht, de eer ten deel vallen, met den Koning en zijne gemalin aan dezelfde tafel te eten.
Dat was eene étiquette, die aan niemand meer welkom was; dan aan den graaf zelven; want zij behoedde hem
43
voor het gevaar, dat de een of ander onbevoegde liet koninklijke paarkonde naderen, en het zaken mededeelen, die de graaf liever wenschle, dat niet gezegd wierden. Er waren zoo vele lasteraars in dit booze koninkrijk,-â zoo vele be-nijders, die durfden beweren, dat de eerste minister do gunst des Konings slechts tot zijn eigen voordeel, en niet tot welzijn van het land aanwendde. Er waren zoo vele ontevredenen, die niet schroomden te zeggen, dat graaf Brühl in fabelachtige weelde in zijne woning de inkomsten van een geheel koninkrijk verteerde; dat in zijne paleizen de spilzucht van een Lucullus en de ongehoorde pracht van eenen Sardanapalus heerschten, terwijl het Hof karig leefde, het volk gebrek leed, en het leger volstrekt niet â of slechts schijnbaar met aanwijzingen op de schatkist, die geene waarde hadden, â betaald werd. Kwaadwillige benijders beweerden hem na gerekend te hebben, dat hij jaarlijks voor zijne huishouding meer dan een millioen thaler gebruikte; anderen zeiden, dat hij des niettemin in de banken van Rotterdam, Venetië en Marseille meer dan vijf millioen thaler belegd had, en nóg anderen berekenden, dat de door hem aangekochte landgoederen ten minste zeven millioen thaler gekost hadden. ^ â Een van deze benijders en lasteraars zoude tot den Koning kunnen doordringen en zijne boosaardige kwaadsprekendheid aan het koninklijke oor doen vernemen; een van deze kwaadwilligen zou de stoutheid kunnen hebben, zelfs zijn onrechtvaardige klachten voor de Koningen uit te kriiten ! Dat was het waarvoor graaf Brühl steeds sidderde ; dat was het, wat hem den slaap in zijne nachten en de rust van zijne dagen roofde; dat was het, dat steeds als een bittere alsemdroppel op den bodem van dezen van edelgesteenten schitteremlen, gouden, vreugdebeker,â dien hij eiken dag opnieuw aan zijne lippen zette en ledigde, â achterbleef: de vrees voor den verrader! de vrees voor een mogelijken val!
De geschiedenis van graaf Lerma, den minister van den Spaanschen Koning Philips den Vierde, was hem maar.al te goed bekend. Ook was Lerma de beheerscher van een
1) Leben und Character des Grafen Brühl. In vertrauliohen Briefen ent-vvorfen. Th. S. 46 l'ulgd,
44
Koning geweest, en even als Brülil over Saksen, had hij over Spanje geregeerd. Aan zijne macht en zijne invloed had zich alles onderworpen ; en zelfs de Koninklijke familie sidderde, wanneer graaf Lerma zijn voorhoofd fronste, en gevoelde zich gelukkig door zijn lachje. En wat was het, dat dien al vermogenden minister, dien onaan tastbaren gunsteling ten val bracht? Een eenvoudig briefje, dat Koning Philips eens onder het servet op zijn bord vond! Op dit briefje stond niets dan een adres. Het Adres luidde: âAan Philips den Vierden, voorheen Koning van Spanje en Heer van de beide Indien, thans in dienst van graaf Lerma,quot;â Dit briefje was het ongeluk van graaf Lerma; Koning Philips gevoelde zich door dit briefje als door een dolksteek getroffen, en graaf Lerma viel in ongenade. â
Die geschiedenis was aan graaf Brühl bekend, en zij deed hem op zijn hoede zijn. Hij wist dat de lucht die hij in ademde, verpest was door de verwenschingen van zijne benijders; dat de lieden, die op straat stilstonden om hem eerbiedig te groeten, hem in hun binnenste vervloekten, wanneer hij in zijne vergulde koets voorbijreed; dat de vrienden, die zijne hand drukten en zijn lof bezongen, in zijne hevigste vijanden zouden verkeeren, zoodra hij ophield, hen voor hunne vriendschap met posten, pensioenen, eerbewijzen en ordeteekens, kortom, met alles, wat de hebzucht verleiden, en de eerzucht verlokken kan, te betalen. Jaarlijks besteedde hij honderdduizenden om zich vrienden en lofredenaars te verwerven, en toch moest hij voortdurend sidderen; tóch kon het gebeuren, dat een kwaadwillige die nog niet omgekocht was, den persoon des Konings naderde en hem een briefje onder het servet legde, zooals eenmaal aan den Koning van Spanje gewerd. Erwasimmers reeds iels dergelijks met hem geschied ! Men had immers reeds ten tijde, toen hij de gunst des Konings nog met graaf Sulkowsky en Hennicke moest deelen, bij een onschuldig kaartspel den Koning een geldstuk gegeven, waarop de kroon van Polen voorgesteld was, rustende op de schouders van drie mannen, en het opschrift dragende:
âWij zijn met ons drieën, twee pages en een lakei.quot; En Koning August van Polen was over dit spotachtig geldstuk even vertoornd, als de Koning van Spanje over hel spotzieke briefje. Maar graaf Brühl had den toorn des Konings
45
zóódanig weten te leiden, dat hij niet hém verpletterde, maar wel de beide andere schouderdragers der kroon; â wèl den vroegeren page, graaf Sulkowsky en den voormaligen lakei, graaf Hennicke. Beiden vielen in ongenade en werden van het Hof verbannen; âde voormalige page, graaf Brühl bleef, en heerschte over Saksen, ja zelfs over Polen, als onbeperkt heer en meester.
Maar terwijl hij heerschle, sidderde hij toch, en daarom begunstigde hij de geneigdheid der Koningin naar de strengste Spaansche étiquette, en daarom was het hem zoo welkom, dat het aan niemand dan aan graaf Brühl geoorloofd was, met de koninklijke familie aan dezelfde tafel te eten, en daarom nam de graaf steeds ze//quot; de servetten van de borden, en overhandigde ze aan het koninklijke paar; daarom mocht niemand de Vorsten naderen, die niet dooiden minister, â die tevens opper-ceremoniemeesler, opperhofmaarschalk en opper-kamerheer was, en voor al deze betrekkingen waarlijk vorstelijke bezoldigingen ontving,â was voorgesteld.
De étiquette en de angst van den alvermogenden gunsteling hielden het koninklijke paar als het ware gevangen, en nimmer was het hun geoorloofd zelfs hunne vertrekken te verlaten, zonder dat de beide kamerheeren voor hen uitgingen, om uit de overige vertrekken en gangen diegenen te verwijderen, aan wie de graaf niet geoorloofd had, daar te vertoeven.
Maar heden zou de étiquette wat minder streng zijn; heden zou het koninklijke paar van zijne hoogte nederdalen, om aan het huis van een trotschen gunsteling een nieuwen luister te verleenen. Heden mocht de graaf onbezorgd en gerust zijn, want hij Behoefde niet te vreezen, dat onder zijne gasten een verrader konde binnensluipen. Hij zelf had met zijne gemalin de lijst er van opgemaakt, en zoo er ook al onder hen eenigen mochten zijn, die den eersten minister haatten en gaarne bereid zouden zijn hem te bena-deelen, zoo had de minister aan ieder van deze verdachten toch een van zijne getrouwste en hoogst bezoldigde vrienden toegevoegd, die in last had, hem geen oogenblik zonder opzicht, â en geen van zijne woorden of blikken onopgemerkt te laten. Bovendien sprak het van zelf, dat de graaf en zijne gemalin zich geen oogenblik van het koninklijke
46
paar verwijderden en dat ieder, die het koninklijke paar wenschte te spreken, hun eersl door den graaf moest worden voorgesteld.
De graaf kon dus heden geheel onbezorgd, geheel vroo-lijk zijn, en hij was het dan ook. Hij had Juist de toebereidselen tot dit feest in oogenschouw genomen, en moest zich zeiven met welbehagen bekennen, dat het tot eer van zijn huis zoude strekken. Het zou een zomerfeest zijn, en de graaf had dus zijn geheele paleis in eene oranjerie doen veranderen, die intusschen voor de eigenlijke feestzaal slechts als voorzaal diende. Deze eigenlijke feestzaal was de uitgestrekte tuin. Daar waren, te midden der zeldzaamste en kostbaarste bloemperken, uitgestrekte tenten van zilverstof opgericht, waarvan de zijwanden met gouden kwasten en festons opgenomen waren en een blik vergunden op de lange tafels met de schitterende, zilveren ser-viesen en het heerlijk geschilderde Meissner porselein.Te midden van al deze tenten bevond zich een kleinere, die in uitgezochte en verfijnde pracht alle andere overtrof. Het dak van deze tent rustte op acht gouden zuilen en was van donkerrood fluweel vervaardigd, waarover dun zilvergaas, dat met gouden sterren doorweven was en door gouden, zwevende amouretten in sierlijke festons werd opgehouden. De onder dat verhemelte geplaatste tafel stond op een kostbaar Turksch tapijt en was met zware gouden schotels en het heerlijkst Venetiaansche glaswerk bedekt, enhetgroote gouden middenstuk, dat den val der Titanen voorstelde, was een meesterstuk van Benvenuto Cellini, dat de graaf voor honderdduizend thaler in Rome gekocht had. Slechts zeven couverts waren op deze tafel geplaatst, want niemand dan het koninklijke paar, de Keurvorst met zijne gemalin, prins Xavei' en de graaf en gravin Brühl zouden aan deze tafel plaats nemen. Dit was een nieuwe triomf dien de eerste minister zich bereidde, en waardoor hij tegenover zijne gasten, de uitsluitende koninklijke waardigheid ook op zich zei ven toepaste. En niemand kon van dezen triomf on kundig zijn; want van elke plaats onder de overige tenten had men het gezicht op de koninklijke tent, die op eene kleine verhevenheid stond, van waar men weder de rondom liggende tenten in den geheelen tuin overzien kon, wiens betooverende pracht aan de sprookjes der Rozenfee her-
47
innerde. Overal ruischten watervallen en stonden heerlijke marmeren groepen; in boschjes en priëelen van de zeldzaamste heestergewassen hoorde men het kwelen en kirren, het duiten en tjilpen der in de rijkste kleurenpracht prijkende vogels, wier kooien uit zulk lijn zilverdraad gevlochten waren, dat men ze nauwelijks ontdekte. Achter eene groep hooge hoomen, en door deze geheel verborgen, verhief zich een hoog gebouw; een door reusachtige tritons en zeepaarden gedragen schelp, waarin een koor van vijftig muzikanten geplaatst was, om de lucht met welluidende tonen te vervullen, die echter nimmer zóó luid mochten worden,⢠dat zij het oor hinderden, â of het zachtste gesprek konden storen. En wanneer dit volmaakt geheel van den tuin, de tenten, de ruischende watervallen, de kostbare planten en de schitterende vogels, nu reeds bij het helder daglicht een betooverend gezicht opleverde, hoe moest de avond het dan niet nog verhoogen; ja eerst dan, wanneer die duistere schaduwen van den nacht voor het verblindende licht van duizende en duizende lampen, zwevende ballons en schitterende girandolen zouden zwichten, dan eerst zou het feest zijn hoogste toppunt bereiken!
Graaf Brühl had dus nog eenmaal, gevolgd door zijn hofmeester en de officieren van zijn huis, alle toebereidselen in oogenschouw genomen en was nu in zijne vertrekken teruggekeerd, om met behulp van zijne twaalf kamerdienaren en van zijn garderobe-meester zijn toilet te maken, zooals de gravin zich reeds sedert eenige uren met hare vrouwen en hare Parijsche kappers en garderobiers, daarmede bezig hield. De graaf droeg heden een gala-gewaad van blauw fluweel. De waarde van het zilveren borduurwerk en van echte paarlen, die den kraag en de opslagen aan de mouwen versierden, had honderden van de armoedige huisgezinnen in het kwijnende Ertzgebergte, die om brood kermden, gelukkig kunnen maken;dejuweelen op zijne schoenen zouden voldoende geweest zijn, om aan het leger, dat reeds sedert eenige maanden te vergeefs op soldij wachtte, ten minste een gedeelte van het achterstallige te voldoen; en de groote, met paarlen omzette diamanten, die de knoopen van zijn rok vormden, waren mogelijk het bedrag der weeshuisgoederen, die de graaf in beslag had genomen, onder voorwendsel, dat hij als eerste minister
48
de natuurlijke voogd van alle weezen ia het koninkrijk was, en dus verplicht was hunne goederen te besturen.
Toen het toilet voltooid was, begaf de graaf zich naar zijn kabinet, om nog een vluchtigen blik op de regeerings-zaken te werpen en ten minste de brieven te lezen, die de koeriers hem uit alle ooi-den der wereld heden gebracht hadden, en die zijn geheim-secretaris op dit uur steeds in het kabinet van den graaf moest nederleggen. Driftig brak hij de zegels open, en wanneer hij de brieven met een vluchtigen, verstrooiden blik had doorloopen, liet hij ze achteloos op den grond vallen, om een nieuw zegel te openen, en opnieuw de klachten en verzoeken, de vleierijen en liefdesbetuigingen van zijne briefschrijvers te lezen. Maar deze allen waren zeer weinig in staat om de aandacht van den eersten minister te boeien. Voor klachten, vertoo-gen en verzoeken was zijn hart reeds lang versteend, en wat de vleierijen en betuigingen van genegenheid betreft, die hadden voor hem geene andere waarde, dan naarmate der uitgaven, die zij hem aan pensioenen, ambten, titels en ordeteekenen gekost hadden.
Maar het scheen, alsof niet alle brieven van zulken gewonen en alledaagschen inhoud waren, want het onverschillig gelaat van den graaf nam nu, terwijl hij den brief, dien hij juist geopend had, doorlas, eene geheel andere uitdrukking aan.
De brief was van den Saksischen gezant von Flemming te Berlijn, en bevatte uiterst vreemde en avontuurlijke geruchten. De Koning van Pruisen, â zoo heete het, â had den vorigen dag Berlijn met alle prinsen en zijnge-heelen generalen staf verlaten en niemand wist nauwkeurig te zeggen, waarheen hij zich begeven had. Onder het volk verhaalde men elkander, dat de koning met zijn leger in snelle marschen tegen Saksen optrok.
Toen graaf Brühl dit las, barstte hij in een luiden, vroolijken lach uit. â âNu,quot; zeide hij: âmen moet ten minste dit dichterkoninkje Frederik het recht later wedervaren, dat hij zijn volk allerliefste sprookjes weet diets te maken en aan ieder van zijne daden eene groote belangrijkheid weet te verleenen. Ongetwijfeld trok hij uit, om eene van die nietsbeteekenende en dwaze troepenbewegingen uit te voeren, die, zooals bekend is, bij de heeren
49
von llohenzollern de eenige holTeeslen uitmaken, en om aan dit kinderachtig oorlogspel eene romantische kleur te geven, brengt hij zijn dom volk, â dat naar opgewonden-lieid haakt, â in den waan, dat hij uittrok, om als Don Quicliotte tegen windmolens te vechten, ü, heer markgraaf van Brandenburg, wij zullen spoedig het vermaak hebben, u die overweldigde kroon weder van het hoofd te nemen, en de zegevierende held zal weder veranderen in een geslagen en ten gronde gericht ridder zonder land. Houd nu maar parages, en laat de wereld gelooven dat uwe kinderspelen eene ernstige beteekenis hebben, en dat uwe voorgewende bewegingen ernstige aanvallen zijn; spoedig zal de dag komen, waarop wij uw kinderspel in bloedigen ernst verwisselen, â en u de lauweren van Striegau weder zullen afvorderen!''
Met een zegepralenden lach wierp de graaf den brief van den gezant ter zijde en greep naar een anderen. âNog een bericht van Flemming,quot; zeide hij verwonderd, terwijl hij het papier opende: ,,de goede graaf is wél schrijtlustig geworden, naar het schijnt. âO,quot; vervolgde hij, nadat hij het vluchtig had doorgezien: âdit zijn waarschuwingen! Flemming beweert, zeer nauwkeurig te weten, dat de Koning een inval in Saksen wil doen; hij is, zegt hij, reeds aan onze grenzen. Verder, voegt -hij er hij, is de Koning bekend met het verbond, dat wij met onze vrienden tegen hem sloten en weet hij, dat wij besloten hebben hem aan te tasten. Nu, goede Flemming; er behoort niet veel scherpzinnigheid toe om te berekenen, dat, wanneer de Koning met ons bondgenootschap bekend is, hij des te meer op zijne hoede moet zijn en afwachten, en toebereidselen tot de verdediging maken moet. Want hij zal toch wel nimmer zóó vermetel zijn, een aanval tegen onze vereenigde legers, â die hem driewerf in sterkte overtreffen, â te willen beproeven. Neen, neen, wij kunnen onze regimenten gerust in Polen laten; ons leger van zeventienduizend man is volkomen voldoende ! O, het ontbrak er nog aan, nog meer van die nielsdoende schreeuwers aan te halen, die altijd om brood en soldij roepen en altijd honger hebben!quot;
Hij wilde den brief ter zijde leggen, maar terwijl hij hem weg wierp, viel er een tweede beschreven blad uit, Mühlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. VI. 4
50
en kwam juist voor de voeten van graaf Brühl neder.
De graaf bukte zich en hief het op. â âHoe,quot; zeide hij lachend; âdit zijn immers verzen. Wordt Flemming in zijn angst voor den Pruisischen Koning zelf een dichter?quot;
Hij opende het papier en las overluid: âEen gedicht, dat mij gisteren door een vriend, den baron von Pöllnitz, werd medegedeeld, en waarvan de Koning van Pruisen de maker is.quot;
âO, waarlijk,quot; riep de graaf nog steeds lachend uit: âhet is een vers aan mij gericht. Nu, de dichterlijke Koning bewijst mij een groote eer, door mij te bezingen. Wij zuilen eens zien. Mogelijk verdienen deze woorden heden aan tafel voorgedragen te worden, om ons er mede te vermaken. Laat zien. Ode au comte de Brühl. Met het opschrift: 11 ne faut pas sinquiéter de Vaverdr! Nu, dit is een zeer wijze stelregel, die echter niet in het dichterlijk brein van Zijne Pruisische Majesteit ontstond. Laat ons eerst eenige verzen lezen.quot;
En het blad hoog opgeheven houdende, las de graaf;
Esclave malheureux de ta haute fortune,
D'un roi trop indolent souverain absolu,
Surehargé de travaux, dont le soin t'iraportnne,
Brühl, quitte des grandeurs l'embarras superflu.
Au sein de ton opulence Je vois le Dieu dee ennuis,
Et dans ta magnilicence,
Le repos fait tes nuits.
Descend de ce palais, dont le superbe falte â
Domine sur Ia Saxe, en s'élévant aux cieux,
Dont ton esprit craintif conjure la tempéte. '
Que soulève a la cour un peuple d'envieux;
Vois cette grandeur fragile,
Et cesse enfin d'admirer L'éclat pompeux d'une ville,
Oü tout feint de t'adorer. 1)
De graaf had in het begin met luide, pathetische stem, met een spottend lachje gelezen, maar van lieverlede was zijn toon ernstiger en zachter geworden, en eindelijk in een
1) Wie deze Ode, uit tien verzen bestaande, verder wil lezen, vindt haar in de Oeuvres de Frédéric le Grand. 'j;ome X, p. 45.
51
zacht gefluister overgegaan. Het lachen was voor somberen ernst geweken en een toornige blos bedekte bij tusschen-poozen zijn gelaat, terwijl hij halfluid het koninklijke gedicht vervolgde. Langzamerhand verhief zich zijne stem weder, en met zekere geestdrift las hij nu de beide laatste coupletten;
Connalssez la Fortune inconamp;tante et legére:
La perfide se plait aux plus cruels revers,
On la yoit abuser le sage, le vulgaire,
Jouer insolerument tout ce faibie univers;
Aujourd'hui c'est sur ma tête Qu'elle repand ses faveurs,
Dès demain elle s'apprête A les emporter ailleurs.
Fixe-t'-elle sur moi sa bizarre inconstance,
Mon coeur lui saura gré du bien qu'elle m'a fait;
yeut-e.le en d'autres lieux marquer sa bienvieillance Je lui remets ses dons sans diagrin, sans regret.
Plein d'une vertu plus forte J'épouse la pauvreté,
Si pour dot elle m'apporte Ij'honnenr et la probité.
De graaf liet de hand waarmede hij het papier vasthield zinken, en zag peinzend voor zich heen. Eene uitdrukking van zeldzame ontroering overtoog zijn gelaat dat niettegenstaande zijn vijftigjarigen leeftijd, toch nog altijd traai genoemd kon worden, en met zachte, sidderende stem herhaalde hij:
l'épouse la pauvreté Si pour dot elle m'apporte L'honneur et la probité.
De zon, die door de hooge ramen scheen, verlichtte juist zijne gestalte en deed de vele edelgesteenten van zijn gewaad schitteren, zoodat zij als groote sterren op den licht-blauwen grond fonkelden, en hem als bet ware met luister en pracht omkleedden. De groote juweeleu ring aan den vinger der hand, waarmede hij het'papier vasthield, en die een geschenk der Keizerin Elizabeth van Rusland was, schitterde als in duizend stralen, wier levendige kleuren op het papier weerkaatsten.
Voor de derde maal herhaalde de graaf peinzend :fépouse
52
la pauurelé, â toen de deur, die naai' de vertrekken van zijne gemalin voerde, haastig geopend werd en de gravin, in den vollen luister van een vorstelijk toilet, schitterend van diamanten, binnentrad. Zij droeg een lang slepend gewaad van wit met goud doorwerkt fluweel; de juweelen diadeem die op haar voorhoofd rustte, fonkelde gelijk een sterrenkroon.
De graaf schrikte toen zij binnenkwam. Nu barstte hij in een luid, spottend gelach uit. â â Vraiment, comtesse,quot; riep hij opgeruimd; âgij hadt geen geschikter oogenblik kunnen kiezen om mij te verrassen! Verbeeld u eens, ik was in een overgevoelig gepeins verzonken en de wonderlijkste droomen dwarrelden als in wilde jacht door mijn hoofd. Gij hebt u weder als mijn beschermengel getoond, Antonia, die de booze geesten verdrijft.quot;
Dit zeggende nam bij de hand zijner gemalin, en drukte er een hartelijken kus op. Daarop zag hij haar aan, en zijne trekken kregen weder eene uitdrukking van vreugde. â âMijn hemel,quot; riep hij als het ware verwonderd: âhoe schoon zijt gij weder, Antonia! Men zou zich verbeelden, dat gij u eiken morgen in den geheimzinnigen stroom dom-peldet, welke de eeuwige jeugd verleent en dat gij daaraan uwe schoonheid en uwe bekoorlijkheid ontleent, die alle dagen een nieuwen glans verkrijgen!quot;
De gravin lachte. â âNu,quot; zeide zij: âmen weet het immers, dat graaf Brühl een meester in schoone woorden is, en dat niemand zoo fijn weet te vleien als hij.quot;
âMaar men betaalt mij niet altoos met gelijke munt, Antonia,quot; zeide de graaf somber: âZie dit vers eens, dat de Koning van Pruisen op mij gemaakt heeft. Dit is toch waarlijk geene vleierij.quot;
De gravin nam het aangeboden papier en las het. Geene enkele zenuw van haar fier gelaat vertrok onder het lezen; geene enkele wolk benevelde haar helder, elfen voorhoofd.
âEn vindt gij dit een schoon, vers?quot; vroeg zij toen volkomen onverschillig.
âNu, er i» een zekere gloed in, die, â ik beken,â mijn eigen hart een weinig deed ontvonken.quot;
âIk vind er niets daii onzin in,quot; zeide zij ernstig: âhet eenige wat mij er in bevalt, is het opschrift: 11 ne jfaut pas sinquiéter de Vavenir. De kleine Koning van Pruisen
53
mag dit wol tul zijn devis nemen; als hij dat niet deed, zoude hij al sedert lang geene rust meer hebben; want mij dunkt, zijne toekomst zal nog al vernederend zijn.quot;
De graaf lachte. â âO, gij hebt toch altijd gelijk; en welk een kostelijk antwoord op dit beuzelachtig vers! Laten wij er niet meer over spreken; het is de moeite niet waard er notitie van te nemen!quot;
Hij scheurde het papier in kleine stukken, welke hij met een bevallige beweging voor de voeten der gravin neder-legde. â âEen klein offer,quot; zeide hij : âdat ik aan mijne godin breng. Plaats uw voet er op, en vertrap de woorden eens Konings met den tred eener too vergodin. Och, wat gaat ons ook de Koning van Pruisen aan. Hij boezemt ons geen ander belang in, dan het winterkoninkje aan de slang die het verslinden wil. Vertrap dus het versje van het winterkoninkje, betooverende godin!quot;
De gravin plaalste lachend haar voet op het papier. â âMaar nu, graaf,quot; zeide zij toen: âwillen wij nog een oogen-blik van ernstige dingen spreken. Ik heb brieven van onzen zoon uit Londen ontvangen. De arme Karei Joseph zit in nood en wanhoop; hij heeft mij verzocht als bemiddelaarster tusschen hem en zijn vader op te treden. Gij waart altijd zeer streng tegen hem, mon ami, en daarom vreest hij uwen toorn, nu hij eene kleine onbezonnenheid begaan heeft.quot;
âNu, wat heeft hij dan gedaan?quot; vroeg de graaf: âIk hoop toch niet, dat hij zich in moeielijkheden gewikkeld, wellicht geduelleerd heeft? Dit zoude mij inderdaad boos maken, want hij weet wel, dat ik van die vechtpartijen niet houd.quot;
âZoo iets is ook niet het geval, mijn gemaal. Zijne onbezonnenheid is van- een geheel anderen aard. In één woord; het ontbreekt hem aan geld.quot;
âAan geld?quot; vroeg de graaf verbaasd; âAls ik mij goed herinner, heb ik hem nauwelijks éen maand geleden, eene som van zes maal honderd duizend thaler gezonden. Dit bedraagt met hetgeen hij van hier medenam een aardig sommetje; bijna een millioen thaler!quot;
âMaar wat wilt gij toch? Het is in Engeland zeer duur,quot; zeide de gravin achteloos: âen om met die rijke Lords te kunnen mededoen en hun eenigen eerbied in te boezemen.
54
moet hij inderdaad buitengewone onkosten maken. Hetschij ut dat onze Karei Joseph daar op eene lady verliefd geworden is, die door geheel Londen wordt aangebeden, en die, even als Helena, alle mannenharten betoovert. Maar de schoone schijnt een zeer koel hart te hebben, en niemand te willen verhooren. Zij spot met de vleierij, en alle geschenken wijst zij onverschillig af. Zij scheen eene onneembare vesting te zijn, maar onze zoon heeft haar, dank zij eene krijgslist, tóch veroverd.quot;
âIk ben inderdaad nieuwsgierig te hooren, hoe hij dat heeft aangelegd.quot;
âHij speelde eene partij écarté met haar. Zij speelden om banknoten van tien pond; inden beginne won Joseph, tot ergernis der trotsche lady, die zelfs in het kaartspel voor niemand wil onderdoen. Joseph merkte dit, en wist de fortuin te herstellen. Hij liet de lady winnen, en wel zóó lang, tot zij hem tachtigduizend pond afgewonnen had. T
âTachtigduizend pond sterling!quot; riep de graaf: âMaar dit is immers een half tnillioen thaler?quot;
âMeent gij soms dat dit te veel geld is, om daarvoor de gunst van eene schoone dame te koopen?quot; vroeg de gravin vertoornd.
âVolstrekt niet, het is niet te veel, maar â toch in elk geval, genoeg. Men kan daarvoor een geheel leger koopen. Ik hoop ten minste, dat hij het niet te vergeefs verloor. De vesting welke hij belegerde, gaf zich toch over?''
âZij gaf zich over; en geheel Londen spreekt nu met geestdrift van den genialen en gelukkigen zoon van den üuitschen graaf Brühl? Ik hoop, mijn gemaal, dat gij zult zorgen dat Joseph weder geld krijgt, om den rang zijns vaders met eere te kunnen ophouden.quot;
âIk zal de algemeene belastingkas weder moeten aanspreken, zeide de graaf schouderophalend: âmaar weet gij wel, gravin, dat het niet goed zoude zijn, als de Koning iets van deze geschiedenis vernam. Gij weet, de Koning houdt van spaarzaamheid, en |jij. is tot mijn geluk overtuigd, dat ik zelf een zeer spaarzaam man ben. Onze vij-
1) Leben und Charakter des Grafen Brühl. Th. II. S. 38.
auden, die het niet meer wagen ons zwart te maken, zullen ten minste beproeven, onzen zoon bij den Koning te belasteren; zij zullen hem de geschiedenis van de tachtigduizend pond sterling vertellen.
âLaat ons dit dan voorkomen,quot;-zeide de gravin: âLaat ons zeiven de geschiedenis vertellen en verzekeren wij tevens aan Hunne Majesteiten, dat het een zeer dwaas verzinsel van onze vijanden is; en dat onze zoon doer u aanhoudend berispt wordt, omdat hij volstrekt niet wil leven met die pracht, zooals het den zoon van een man betaamt, die de eer heeft eerste minister van den Koning van Saksen te zijn.quot;
âO, gij zijt eene voortreffelijke vrouw, Antonia!quot; riep haar man ; âUw raad is wijs, en wij zullen hem opvolgen.quot;
Op dit oogenblik hoorde men een zacht getik aan de deur, en op het gebiedend âbinnenquot; van den graaf, trad do geheimsecretaris met een verzegelden brief in de kamer.
âEen koerier uit Torgau brengt zooeven dezen brief van den commandant van Torgau,quot; zeide hij.
De graaf fronste verdrietig het voorhoofd. â âZaken, en altoos weêr zaken!quot; zeide hij: âIk begrijp niet hoe gij het wagen durft, mij zelfs op dezen feestdag van mijne gemalin, er mede lastig te vallen.quot;
âVergeving, Uwe Excellentie,quot; stamelde de secretaris: âmaar de koerier bracht zulke vreemde en ongehoorde berichten, dat ik meende ze Uwe Excellentie te moeien tne-dedeelen; want â
Een schetterend trompetgeschal en het luide gebulder van het geschut stoorde hem.
âDe Koning en de Koningin gaan in hun rijtuig om hierheen te komen!quot; riep de graaf: âVandaag niets meer van zaken, vriend; bewaren wij ze voor morgen! Kom, Antonia, gaan wij Hunne Majesteiten tegemoet.quot;
Hij nam de hand zijner gemalin, en wenkte den secretaris de deuren van de voorzaal te openen.
56 XII.
HET GESTOORDE FEEST.
Hij, die een blik in deze voorzaal had kunnen werpen, zou onwillekeurig gedacht hebben, dat de graaf en zijne gemalin het koningspaar was,'dat gereed stond om de hulde van het Hof te ontvangen. Want alles, wat in Dresden door rang of betrekking het recht had aan de feesten van het Hof deel te nemen, was daar verzameld. Daar zag men do met goud geborduurde uniformen der generaals en gezanten ; daar fonkelden orde-slerren op ieders borst; daar waren de schoonste en fierste dames der aristocratie, de schitterendste namen van den Saksischen adel; daar waren Vorsten en graven, baronnen en starosten, en alles boog zich diep en eerbiedig voor den alvermogenden eersten minister en zijne gemalin; eerbiediger wellicht, dan men het voor den Koning zeiven deed. En nu traden, op een wenk van 's graven opperhofmeester, uit eene tweede zaal, de in witte met zilver geborduurde kleeding uitgedoste pages der gravin, om achter haar gaande, den sleep van haar kleed te dragen. Aan weerszijden de gravin schaarden zich de officieren van haar huis; achter hen volgde de geheele stoet van aanzienlijke gasten, in plechtigen en zwijgenden optocht. Zóó ging men door de derde zaal, waar een leger van livreibedienden, â tweehonderd in getal, â als militairen geschaard stonden, en zóó trok men al verder tot in de ruime vestibule, welke voor heden in een tempel van Flora herschapen was.
Juist hield het koninklijk rijtuig voor de poort stil. Het grafelijk paar trad tot onder de portière, om de koninklijke gasten te ontvangen; de kanonnen verkondigden met luiden donder den bewoners van Dresden de aankomst van het koninklijke paar bij den graaf Brühl, evenals straks het vertrek van het koninklijk paleis was aangekondigd. Uit den tuin schetterde het trompetgeschal.
De Koning trad glimlachend groetend binnen deze met
57
bloemen versierde ruimte; waarin het schitterend gezelschap in de rondte geschaard, zich bijna knielend boog, ter eerbiedige beantwoording van den koninklijken groet.
De Koningin, schitterend van juweelen, plaatste zich. -haar trotsch gelaat tot een vriendelijken lach plooiende,â aan zijne zijde, en toen de beide Majesteiten tot de hier en daar verzamelden eenige vriendelijke en genadige woorden richtten, scheen het, alsof de zon thans reeds over deze fiere, voorname, rijke en machtige menschenkinderen was opgegaan. Op ieders gelaat lag een weerschijn van de-stralende koningszon; en helderder nog dan dejuweelen, vonkelden de oogen der gelukzaligen, wie de straal van den koninklijken groet had beschenen.
De goden der aarde warefl van den Olympus nedergedaald, om den verrukten stervelingen de bezielende gunst van hunne tegenwoordigheid te schenken, en het zich in den kring der menschen te laten welgevallen!
Kn wél mocht het zells den Koning welgevallig zijn in dezen heerlijken tuin, omiel' deze even prachtige als sierlijke tent, die nu door de tegenwoordigheid der Majesteit voor de hovelingen als in een tempel veranderd was. De lucht was zoo zoet en zoo zacht, en droeg zulke heerlijke geuren van alle bloemen; de watervallen klaterden zoo liefelijk en volgden met haar zacht gemurmel de ruischen-de tonen der muziek, die hoog in de lucht als de wieken der engelen scheen te zweven. Overal, waar de blikken van het koninklijk paar rondwaarden, ontmoetten zij schoone trotsche, gelukkige en voldane gelaatstrekken; en van deze eeiste en aanzienlijkste vertegenwoordigers van zijn volk het oog slaande op geheel zijn volk, mocht de Koning zich wel aan den zoeten waan overgeven, dat zijn geheele volk even gelukkig en tevreden was, als de keurbende die hem omringden!
Verheugd door deze gedachte en zeer tevreden over de inrichting van dit feest, gaf zich de Koning geheel aan dit genot over, dat, zoo het al een weinig met zijne goddelijkheid in tegenspraak was, toch den mensch in hem genoegen deed. De Koning gaf zich aan het genot van eten over! Hij verslond met eene soort van goedhartige verbazing de vreemde en uitgelezen gerechten, welke zelfs voor zijn verwend en ervaren gehemelte, als een belangrijk en on-
58
doordi ingbaai' geheim versclieneii; en welke men niet alleen uit Londen en Parijs,â maar ook uit verafgelegen wereld-deelen voor dezen dag had laten overkomen. Hij dronk met verbazing die gulden en purperen wijnen, wier vaderland hij niet kende, en wier verwonderlijk bouquet voor hem veel heerlijker geur had, dan de kostbaarste bloemen des tuins. In zijne onschuldige goedhartigheid schiep hij er zelfs vermaak in, naar de namen der wijnen te vragen, en zich door den graaf hunne afkomst te laten verhalen. De graaf deed dit met die eerbiedige bescheidenheid, welke hij tegenover den Koning altijd placht in acht te nemen, en welke toch vrij van alle schroom en kruiperij was.
Do Graaf was in verrukking bij het verhaal van al de moeite die het gekost had, om bijvoorbeeld dezen wijn van de Kaap de Goede Hoop te krijgen, welke tweemaal de linie had moeten passeeren om zijne hoogste volmaaktheid te bereiken. Hij vertelie, dat hij sedert twee jaren reeds op den gelukzaligen dag van heden hopende, al dien tijd een schip op zee had gehad, dat dezen wijn tot zijne rijpheid had moeten brengen, dan weder maakte hij de oplettendheid gaande, door op deze vreemde kreeften te wijzen, welke slechts in de zeeën van China gevonden werden, en vond daaruit weder aanleiding om van de vreemde en wonderlijke zeden en gewoonten der Chinezen te gewagen, en deed zelfs de trotsche Koningen door zijn grappige en scherpe schilderingen lachen.
De graaf werd echter te midden van deze gesprekken op eene vreemde en buitengewone wijze gestoord. Zijn geheim secretaris, de raad van legatie Willmar, naderde plotseling de koninklijke tafel, en zonder zelfs den Koning met een woord van verontschuldiging te begroeten, reikte hij den graaf een verzegelden brief over.
Dat was een ongehoord, onbegrijpelijk vergrijp tegen dè étiquette; zoodat de graaf in zijne ontsteltenis niet eens een woord van verontschuldiging jegens den Koning wist te vinden, en slechts eenwoedenden, verpletterenden blik op den secretaris sloeg. Maar toen hij het bleeke, ontstelde gelaat van den armen Willmar ontdekte, overviel hem onwillekeurig eene huivering, en sloeg hij zijne oogen op den brief dien deze in de hand hield, en die zonder twijfel den sleutel tot dit raadsel moest bevatten.
59
âVan den Commandant van Leipzig,quot; duisterde de secretaris: âik bezweer Uwe Excellentie te lezen!quot; â
Maar eer de graaf nog den tijd had een besluit te nemen, had er een nieuw, â nóg buitengewoner tooneel plaats. De Pruisische gezant, die voor de uilnoodiging van graaf Brühl op het feest van heden, onder voorwendsel van ziekte, bedankt had, verscheen plotseling, door zijne vier legatie-secretarissen vergezeld, inden tuin, en naderde de koninklijke tent. Zijn gelaat droeg intusschen geene sporen van ongesteldheid of ziekte; het'was veeleer helder en opgeruimd, en eene uitdrukking van trotsche tevredenheid sprak uit zijne trekken.
Terwijl hij zijn weg naar de koninklijke tent nam, verstomde plotseling het vroolijk gekout aan alle tafels, zweeg het gekletter der borden en het gerinkel der glazen; elks mond verstomde en aller blikken richtten zich verbaasd naar dezen vermetelen indringer, die het waagde, dit heerlijk vreugdefeest door zijne sombere verschijning te storen, liet geklater der watervallen, dat vroeger zoo welluidend geweest was, maakte nu een bijna huiveringwekkenden,on-aangenamen indruk; het klonk als het spookachtig gefluister van kwaad voorspellende geesten. De muziek, welke met hare jubelende tonen de lucht vervulde, had nu iets be-leedigends, dat het oor kwetste. Iedereen gevoelde dat er iels buitengewoons zoude gebeuren; dat achter dezen gezant van den Pruisischen Koning, de wereldgeschiedenis volgde naar den Koning van Saksen, om de woorden welke zouden gewisseld worden, in hare eeuwige jaarboeken op te teekenen.
De graaf von Brühl stond nu op, en den Pruisischen gezant eenige stappen tegemoet gaande, begroette hij dezen met eenige koele, deftige woorden. Maar graaf Maltzahn beantwoordde ze slechts met eene stomme buiging; daarop zeide hij, luid genoeg om door Hunne Majesteiten zeiven gehoord te worden: âHeer graaf, ik verzoek Uwe Excellentie, krachtens mijne betrekking als gezant van Zijne Majesteit den Koning van Pruisen, onmiddelijk voor mij eene audiëntie bij zijne Majesteit denjKoning van Saksen te verzoeken. Ik moet eene gewichtige depêche, welke geen uitstel lijden kan, voorlezen, en verzoeken, dat zijne Majesteit de Koning en Keurvorst mij dadelijk gehoor verleene!quot;
60
Graaf Bt ühl, als het ware door ontsteltenis en schrik verlamd, staarde hem aan en vond niet dadelijk de kracht om te antwoorden. Maar Koning August stond een oogenhlik van zijn zetel op, en beide heeren met de hand wenkende, zeide hij: âGraaf Brühl, ik verzoek u den afgezant van mijn koninklijken broeder van Pruisen hierheen te geleiben. Ik ben bereid hem deze, op zulk eene buitengewone wijze gevraagde audiëntie, â welke dus ook een buitengewoon doel moet hebben, â toe te staan.quot;
Dadelijk traden de beide graven onder de koninklijke tent. â âIk weet niet,'' zeide de graaf Maltzahn plechtig: âof Uwe Majesteit ook bevel \yü geven, dit schitterend gezelschap uit Uwe tegenwoordigheid te verwijderen. Ik kreeg van mijn koninklijken meester bevel, Uwe Majesteit om eene geheime audiëntie te verzoeken.quot;
âSluit de voorhangsels!quot; beval de Koning. â Graat Brühl drukte met bevende hand op eene veer, en dadelijk vielen de voorhangsels, in wier midden zich een gouden traliewerk bevond, om lucht en licht in te laten.
âNu, mijnheer de graaf,quot; zeide de Koning, weder naast de trotsche en zwijgende Koningin plaats nemende: ânu kunt gij spreken!quot;
Graaf Maltzahn boog eerbiedig, haalde een papier te voorschijn, en begon met luide en plechtige stem te lezen.
Het was een manifest van den Koning van Pruisen, dat aan alle Hoven van Europa gericht, â en door Frederik zelf gesteld was. Daarin verdedigde de Koning zich met nadruk tegen de beschuldiging van oorlogzuchtige wenschen te koesteren, als haakte hij naar veroveringen. Veeleer verklaarde hij door den nood en tegen zijn wil tot den oorlog gedrongen te worden, door Oostenrijks overgroote toerustingen op zijne grenzen en door de beleedigende houding tegen Pruisen. Ten slotte voegde hij er bij, dat het van zijn kant geen aanvallende, â maar een verdedigende krijg was; daar hij uit de nauwkeurigste en stelligste bronnen het verbond der Duitsche en buitenlandsche mogendheden tegen hem vernomen had, en daarom door een verdedigenden aanval, alleen den uitdagenden aanval zijner belagers wilde voorkomen!
Nadat de graaf dit manifest gelezen had, ontstond eene pauze. Het goedhartige, volle gelaat des Konings had eene
G1
onaangename, mismoedige uitdrukking aan genomen; het bleeke gelaat der Koningin was, als altijd, onverschillig, koud en trotsch. Zij scheen het lezen van den gezant nauwelijks. gehoord te hebben, en zich nu tot de naast haar zittende Keurprinses wendende, deed zij deze eene volstrekt onverschillige vraag, welke echter mei een zachte, nauwelijks hoorbare stem beantwoord werd. De gravin Brühl had intusschen hare oogennedergeslagen, wellicht om haren trouweloozen minnaar, graaf Maltzahn, â wiens sluwe, staatkundige liefdesbetrekking zij nu eerst volkomen doorzag, â hare verwarring en smart niet te doen blijken. De beide Keurprinsen stonden ernstig en het gewicht van het oogenblik volkomen inziende, achter den Koning, en naast hen bevond zich graaf Brühl, wiens schoon, vroeger zoo schitterend gelaat, nu met een doodelijk bleek overdekt was. Tegenover deze geheele in zich zelve gekeerde, diep bewogen groep, stond de Pruisische gezant, wiens trotsche, rustige houding eene vreemde tegenstelling met de overigen vormde. Zijn bedaarde, heldere blik vestigde zich opmerkzaam op elk dezer gezichten, en scheen tot op den bodem van ieders gedachte te willen doordringen. Zijne hooge, indrukwekkende gestalte was fier opgericht, en eene uitdrukking van edele zelfvoldoening lag in zijne sehoone, sprekende oogen.
Nadat hij een tijdlang gezwegen, â en te vergeefs op eenig antwoord gewacht had, legde hij het manifest mot eene diepe buiging voor den Koning op tafel neder.
âIk heb er nog eenige woorden bij te voegen,'' zeide hij toen: âWil Uwe Majesteit mij daartoe verlof ver-leenen ?quot;'
âSpreek,quot; zeide de Koning kortaf.
âZijne Majesteit, mijn koninklijke meester,quot; vervolgde graaf Maltzahn nu met verheffing van stem: âheeft mij opgedragen, Uwe Majesteit van zijn kant de meest geruststellende verzekering te geven en te betuigen, dat zijn marsch door Saksen volstrekt niet met een vijandelijk doel geschiedt, maar dat hij daartoe alléén genoodzaakt wordt, om naar Bohemen te kunnen trekken.quot;
Nu verloor het gelaat-van den Koning geheel en al zijne vroolijke engoedhartige uitdrukking, en zelfsde Koningin kon hare trotsche, onverschillige houding niet geheel bezwaren.
62
âHoe?quot; riep de Koning: âde Koning van Pruisen wil ons de eer van een doortocht door ons land gunnen, zonder daartoe vooraf onze toestemming gevraagd te hebben? Hij wil naar Saksen komen?quot;
âSire,quot; zeide graaf Maltzahn met een spotachtigen, fijnen glimlach: âZijne Majesteit is reeds gekomen! Zijn leger is sedert gisteren in drie kolonnes de grenzen van Saksen overgetrokken.quot;
De koning uitte een zachten kreet en rees onwillekeurig van zijn zetel op. Het gelaat der Koningin werd doodsbleek, en hare lippen trilden; maar zij zweeg en slingerde een blik van doodelijken haat op den afgezant van haren vijand. Graaf Brühl leunde met eene uitdrukking van de diepste radeloosheid en bevend van schrik tegen den leunstoel des Konings, die zich nu omkeerde en hem met een wenk aan zijne zijde riep.
âIk vraag mijn eersten minister, of hij weet, %oe ver de Koning van Pruisen in mijne landen gerukt is?''vroeg de Koning. '
âSire, ik weet volstrekt niets van dit ongehoord geval,', zeide de graaf: âDe Koning schijnt ons te willen ver rassen, zooals dat alleen de beste goochelaar doen kan Of wellicht is alles slechts een Aprilgrapje, waarvan' zooals men ons verteld heeft, de Koning van Pruisen nu en dan schijnt te houden!quot;'
âUwe Excellentie is het best in slaat te beoordeelen,' hernam graaf Maltzahn ernstig: âof het innemen van stede'n en vestingen voor eene grap te houden is! Als ik goed onderricht ben, heeft Uwe Excellentie heden reeds twee koeriers ontvangen, welke u over de marsch-route van mijn koninklijken meester konden inlichten.quot;
âHoe, heer graaf,quot; riep de Koning verbaasd: âgij wist van dien avontuurlijken doormarsch en zeidet mij er niets van ? Gij ontvingt de daarop betrekking hebbende depêches?quot;
âSire, het is waar; ik ontving twee koeriers,quot; antwoordde de graaf verward: âde eene depêche werd mij overhandigd op het oogenblik dat Uwe Majesteit de genade had mijn huis te betreden; de andere ontving ik, toen mijnheer de gezant, hier binnenkwam. Ik heb dus geen der beide depêches gelezen.quot;
âWanneer Uwe Majesteit het vergunt,quot; zeide graaf Malt-
63
zahn glimlachend: âzal ik de eer kunnen hebben, u den inhoud mede te tleelen; want, daar ik weet vanwaar de koeriers kwamen, zal ik den inhoud kunnen raden.quot;
âDan verzoek ik u ze mij mede te deelen,quot; sprak de Koning ernstig.
âNu dan, sire; de eerste depêche kwam uit Torgau en bracht het bericht, dat Zijne Majesteit de Koning van Pruisen met zijne kolonne deze vesting, alsmede de vesting Wittenberg, â zonder den minsten tegenstand te ontmoeten, â had ingenomen.'
Een zacht gefluister van verbazing liet zich hooren. De Koning was met een diepen zucht in zijn leunstoel teruggezonken. Graaf Brühl hield zich met krampachtig gesloten hand aan den koninklijken zetel vast en zijne overmoedige, (iere houding had voor eene moedelooze en verslagene plaats gemaakt.
âVerder,quot; zeide de Koning op doffen toon.
âDe tweede depêche, sire,'' vervolgde graaf Maltzahn glimlachend: âbracht mijnheer den eersten minister het bericht dat de Koning van Pruisen, mijn genadige en zcAjevierende meestor, met zijn leger verder gerukt was, en ook Leipzig zonder slag of stoot had ingenomen.quot;
âHoe?quot;' riep de Koning: âhij is reeds te Leipzig?'
âSire, ik geloof hij ivas daar,quot; hernam graaf Maltzahn steeds glimlachend: âwant het schijnt, dat de Pruisen onder . aanvoering van hun Koning, de snelheid en de vleugelen van den wind geleend hebben. De Koning was te Leipzig toen de koerier vertrok; nu echter zal hij reeds op weg naar Dresden zijn. Maar, daar de Koning spoedig hier zal zijn, heeft Zijne Majesteit mij opgedragen de -verzekering ' te herhalen, dat hij slechts een doormarsch bedoelt, en Uwe Majesteit wil verzoeken, in dezen krijg van mijn Koning tegen Oostenrijk, de striktste neutraliteit te willen in acht nemen.''
âZoo? neutraliteit! ' riep de Koning vertoornd ; âNeutraliteit, wanneer men zonder vraag of verontschuldi ging mijn land binnenrukt, en dus op eene ongehoorde wijze den rijksvrede waagt te schenden! â flebt gij nog iets anders mede te deelen, heer graaf?''
âNeen, sire, ik ben ten einde; en neem alleen de vrijheid onderdanig te vragen, of ik ook eenigantwoord op het ver-
(34
\
zoek mijns Konings, van wege Uwe Majesteit heb over te brengen?quot;
âZeg clan den Koning, uwen meester, dat ik mijne stem verhellen zal, om in het Duitsche rijk mijne aanklacht te doen tegen zulk eene ongehoorde en willekeurige schending van den rijksvrede; dat ik mijne klachten voor den troon des Duitschen Keizers zal brengen en vragen met welk recht de Koning van Pruisen het wagen mag, met zijn leger in mijn Rijk te dringen en mijne steden te bezetten ! Ga, miinheer de graaf, ik heb geen ander woord voor Zijne Majesteit!quot;
Graaf Maltzahn boog zich diep voor den Koning en zijne gemalin, en verliet zwijgend de koninklijke tent.
Toen hij vertrokken was, vestigden zich aller blikken op den eersten minister, die in zekeren zin, de ziel van het Saksisch koninkrijk was; van hem alleen \erwachtte men nu ook hulp en raad. Men was gewoon bèm in alle dingen le zien handelen en beslissen, zoodat men nu ook de beslissing alleen van zijne lippen verwacbtte
Maar de alvermogende gunsteling, die bij alle andere kuiperijen altijd raad wist te geven, stond nu tegenover meer vermogende feiten, volkomen radeloos en moedeloos. Buitendien wist hij beter dan de Koning en de Keurprinsen, dat hel volstrekt onmogelijk was aan dezen plotselingen overval van den Koning van Pruisen weerstand te bieden. Men had op papier alle toerustingen voor den krijg tegen den Koning van Pruisen voorbereid, maar tot de uitvoering dezer kuiperijen ontbrak nog zeer veel. Het ontbrak vooral aan een ten strijde toegerust leger. Waartoe zoude men het leger ook nu reeds op voet van oorlog brengen, daar men eerst in de volgende lente den krijg mèt de bondgenooten tegen Pruisen beginnen wilde? Mijnheer de eerste minister had dus niet alleen de in Polen gelegen regimenten niet teruggeroepen, maar, â daar zijne kassen ledig waren en zijne weelde veel geld vereischte, â had hij nog voor eenige maanden hel aantal kriigers verminderd. ^ Graaf Brühl wist dus het best, hoe weinig Saksen vermocht om krach-tigen weerstand te bieden aan de aanvallen van den Ko-
1) V. Archenholtz. Geschichte des Siebenjarigen Krieges. ïb. 1, S. 7.
05
ning van Pruisen, en de vredelievende verzekeringen van den Pruisischen gezant liadden voor hem niets geruststellends.
âWelnu, graaf,quot; vroeg de Koning eindelijk na eene lange pauze; âhoe zullen wij deze zonderlinge onzijdigheidsvraag van Frederik den Tweede beantwoorden?quot;
Maar eer de graaf nog tijd tot antwoorden had, riep de Koningin uit; âMet eene oorlogsverklaring, mijn gemaal! Dit alleen is overeenkomstig uwe eer! Wij zijn beleedigd, en u betaamt het dus, uwe overmoedige tegenpartij den handschoen toe te werpen. Terwijl hij dien opneemt, zullen onze* bondgenoolen reeds aan onze zijde zijn en met ons de beleediging wreken!quot;
De Koning knikte levendig. â âWij zullen deze beraadslaging in mijne vertrekken voortzetten,quot; zeide hij opstaande; âdeze plaats is er niet toe geschikt. Ons schoon feest werd op eene zeer onbeschofte wijze gestoord. Laat ons vertrekken, mijne gemalin. En gij, lieer graaf, roep de ministers bijeen; binnen een uur wensch ik u allen op het paleis te ontvangen!quot;
âDit uur behoort mij,quot; dacht de Koningin, terwijl zij opstond; âin dit uur zal ik het zachtzinnige hart van mijn gemaal tot een dapper en krijgshaftig besluit trachten te bewegen, en zal hij wel genoodzaakt zijn aan mijne smee-kin^en en mijn toorn toe te geven!quot;
Met een zeldzaam vroolijk lachje nam zij den arm van haren echtgenoot en trad met hem, door de prinsen en het grafelijke paar gevolgd, buiten detent. Met zwijgende en haastige groeten gingen Hunne Majesteiten de feestelijke tafels voorbij, waar de gasten opgestaan waren, om het Koninklijke paar te begroeten. Allen trachtten uit de blikken van de vorstelijke personen de oplossing van het raadsel te lezen, waarmede het schitterend gezelschap zich reeds sedert de komst van den Pruisischen gezant bezig hield, en waarover men elkander fluisterend en bezorgd zijne opmerkingen had medegedeeld.
Maar de gelaatstrekken van den Koning en der Koningin droegen reeds weder den gewonen stempel der onverschilligheid. De Koning glimlachte wel is waar niet zoo als gewoonlijk, maar zijn goedhartig gelaat gaf volstrekt geen zorg of angst te kennen. De Koningin had weder hare ge-Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof, VI. 5
66
wone, koele houding aangenomen en er schoen niets voorgevallen te zijn, wat haar hoog opgeheven, fier hoofd vermocht te buigen.
Nadat de koninklijke gasten zich in hunne vergulde koetsen verwijderd hadden, keerde de graaf tot zijne overige genoodigden terug. Ook hij had zijne gewone opgeruimdheid reeds weder gevonden. Met openhartige vriendelijkheid wendde hij zich hier en daar tot zijne gasten en terwijl hij hen met vleiende woorden uitnoodigde, het feest zijner gemalin nog langei1 met hunne tegenwoordigheid op te luisteren, verzocht hij tevens verlof zich voor eenigen tijd te mogen verwijderen. Toen gaf hij hier en daar aan de ministers die hij voorbijkwam een teeken, en duisterde hun eenige woorden toe; ook met de Russische, Oosten-â¢rijksche en Fransche gezanten wisselde hij heimelijk en zacht eenige woorden. Toen zag men, dat deze zich even als de ministers verwijderden, waarna ook graaf Brühl verdween. » , ⢠i I
Het feest duurde echter ongestoord voort; de muziek begon weder hare vroolijke, welluidende tonen; de watervallen ruischten weder; de bontgekleurde vogels zongen en kweelden; de bloemen waren weder even geurig en schitterend, â en de juweelen aan de prachtige gewaden der heeren en dames vonkelden nog even schitterend. Alleen hunne oogen waren minder helder, en van hunne lippen was het vroolijk lachje verdwenen. Zij allen vermoedden het onheil, dat boven hunne hoofden zweefde.'
XII.
HET ARGHIRF TE DRESDEN.
De voorspelling van Graaf Maltzahn had zich bevestigd. De Koning van Pruisen was inderdaad naar Dresden gekomen en had hier, evenmin als in Saksen tegenstand ont-
07
moet. De schrik en de ontsteltenis der verrassing waren hem voorafgegaan, en hadden eiken tegenstand ontwapend en elke kracht verlamd. â De Koning-Keurvorst was reeds sedert lang niet meer gewoon een wil te hebben, en graaf Brühl, de gunsteling der fortuin, toonde zich in het uur van gevaar afgemat en krachteloos. De onwrikbare geestkracht der Koningin, de krachtige vertoogen van den Franschen gezant de Broglio waren noodig, om hem uit deze verdooving tot moedige, of ten minste tot beslissende handelingen op te wekken. En wat de vertoogen van den heer de Broglio, de bevelen en het verzoek der Koningin begonnen hadden, voleindigde de haat. Graaf Brühl richtte zijn zinkenden moed weder op bij de gedachte, dat hot nog zoude kunnen gelukken, den Koning van Pruisen te vernietigen en dat men aan zijne zegevierende loopbaan hier eindelijk perk zoude kunnen stellen. Het kwam er op aan, den Koning zóólang op te houden, tot het Oostenrijksche leger slagvaardig tegenover hem kon staan; tot de Fran-sche troepen tijd zouden hebben, van eene andere zijde in de Pruisische Staten te vallen. Graaf Brühl zond dus koerier op koerier aan de bondgenooten, die den hulpkreet van Saksen naar alle bevriende Hoven moesten overbrengen. Toen riep hij de regimenten bijeen en liet hen bij Pirna, niet ver van de Boheemsche grenzen, een kamp opslaan; en daar dit kamp aan de eene zijde door de Elbe, aan de andere door de hooge rotsen beschermd was, en volstrekt onneembaar scheen, â steeg de moed van den graaf zóó zeer, dat hij besloot, zelf als oorlogsheld op te treden en mét den Koning aan het Saksische leger het bezielend bewustzijn te geven, dat in het uur van gevaar de Koning in zijn midden zoude zijn. De Koning begaf zich dus, om zich te midden van zijn leger te bevinden, naar de vesting Königstein en daarheen vergezelde hem graaf Brühl; terwijl hij den generaal Butowski opdroeg, zijne tent aan den voet van den Königstein: dus werkelijk te midden van het zeventienduizend man sterke leger, op te slaan. Hier te Königstein achtte men zich veilig; hier vreesde men niet door den gehaten Koning van Pruisen overvallen te worden; hier gaf men zich weder geheel aan het onbezorgde leven, â aan de genietingen van vroegere dagen over. Men was slechts van woonplaats, maar niet van karakter veranderd; men droomde slechts van
08
toekomstige zegepralen; van de gewesten, die men op den Koning van Pruisen veroveren zoude, en met het voonaitzicht op deze winst, vervolgde men de weelderige, praalzieke en ijdele levenswijze. Wat bekommerde graaf Brühl er zich om, dat het leger slechts voor veertien dagen van levensmiddelen voorzien was en dat deze veertien dagen weldra verloopen waren, zonder dat het mogelijk was geweest, nieuwen toevoer van levensmiddelen voor het leger te bezorgen! Want de Koning van Pruisen had al de uitgangen van de bergengte bezet en liet geene wagens, â behalve den fouragewagen des Konings, â passeeren. Beter dan de generaals van het Saksische leger kende Fredel ik den vreeselijken, onverzoen-liiken vijand, die op het leger van Pirna aantrok. Wat hielpen tegen dien vijand de verhakkingen, hellingen en palissaden, waarmede men allerwege het leger tegen den vijand versterkt had. Die vijand was in heileger, en niet er buiten! Hij behoefde de pallissaden en verhakkingen niet te beklimmen; hij kwam door de lucht zweven, en liet op elke tent als een spookachtige doodsvogel zijn huiveringwekkend gekras hooren! Die vijand was de honger, âde ontzenuwende, ontmoedigende, demoraliseerende honger!â De veertien dagen waren verloopen, en in het leger van Pirna versmachttenzeventienduizend menschen. Reeds werden de portiën brood al kleiner, reeds werd nog slechts het derde gedeelte der gewone vleeschrantsoenen uitgedeeld, en ook het voeder der paarden met een derde verminderd. Droefheid en ellende heerschten in het leger. â Doch, wat deerde dat daar den graaf Brühl? Hij leefde daar boven in weelderige pracht met den Koning; en wanneer hij uit een derv schitterende zalen in het dal neêrzag, dan zag hij daar beneden aan den voeten van den berg, op de kleine weide aan de Elbe, de kudde van koeien en kalveren, van schapen en runderen, die leefden om, â even als de Saksische soldaten, â voor hun Koning te sterven! Deze kudden waren voor de koninklijke tafel bestemd en men behoefde dus niet te vreezen dat de vijand, die deze soldaten belegerde, zijn weg ook tot in de pronkzalen van de koninklijke vesting zoiide vervolgen. Bovendien was het op straffe des doods verboden, een van deze dieren, die voor de koninklijke tafel bestemd waren, aan deze edele
69
roeping te onttrekken, om er soms de hongerige krijgslieden mede Ie voeden, en graaf Brülil kon dus gerust afwachten, tot het Oostenrijksche leger, â waarvan een gedeelte onder bevel van den generaal Brown reeds met versnelde marschen naderde, â zoude zijn aangekomen, teneinde het Saksische leger schadeloos te stellen.
Terwijl de Koning van Polen dus mei zijn minister gelukkige en weelderige dagen op de vesting Koningstein sleet, was de Koningin met de prinsen van het koninklijk Huis te Dresden achtergebleven ; en ofschoon zij het wankelbare en besluitelooze karakter van haar gemaal kende en wist, dat de Koning van Pruisen daarop rekenende, met hem in briefwisseling was getreden, teneinde den Keurvorst tot de striktste onzijdigheid te bewegen, â zoo vreesde de Koningin ditmaal toch niet, dat haar gemaal zoude toegeven. Graaf Brühl, de verbitterde en onverzoenlijke vijand van Pruisen, stond hem ter zijde en de Koning had immers aan zijne gemalin, vóór hij naar het leger vertrok, met plechtigen handslag beloofd : âliever alle onheil le verdragen dan de partij van hun vijand te kiezen.'quot; ')
De Koningin gevoelde zich dus van deze zijde volkomen gerustgesteld. Om twee redenen was zij te Dresden achtergebleven : vooreerst, om den Koning van Pruisen in het oog te houden en ten andere, om het archief voor elke aanranding te bewaren; bet archief, dat de kostbaarste schatten der Saksische diplomatie, â de belangrijkste geheimen van hare bondgenooten bevatte. Hooger dan de in het groen gewelf bewaarde kroonjuweelen, schatte de Koningin van Polen de papieren van het archief; en terwijl zij de bewaring van de eerste aan de daartoe aangestelde beambten overliet, zoo scheen haar niemand vertrouwd genoeg om de laatste te bewaken. Niemand dan -(ylalleen,kon gelijk een ouoverwinnelijken draak, dezen kostbaren schat veilig behoeden, en aan niemand anders wilde zij dit dus toevertrouwen ! Het Staatsarchief werd in drie vertrekken van hel paleis bewaard, die geen anderen uitgang hadden, dan alleen dien, welke tot een der vertrekken der Koningin voerde. Dit vertrek nu koos zij tot haar voortdurend verblijf; daar
X) Charakterigtiek des Siebenjiihrigen Krieges. Th. I, S, 52.
70
woende zij, daar arbeidde en sliep zij, daar gaf zij audiëntie en ontving de bezoeken van de Keurprinsen en vreemde gezanten; steeds de heilige deur bewakende, waarvan zij alleen een sleutel had en dien zij aan een gouden ketting om
den hals droeg.
En tóch sidderde zij nog steeds voor dien kostbaren
schat; en de vriehdelijkheid en schijnbare genegenheid van den Koning van Pruisen was niet in stasit, haar argwaan te doen insluimeren. De Koning had haar wel is waar door den maarschalk Keith doen begroeten en haar van zijne welwillende gezindheid verzekerd; maar desniettegenstaande had hij toch de kanselarijen doen verzegelen, de collegezalen laten sluiten, de munt opheffen, de geheele artillerie, benevens de krijgsbehoeften naar Maagdenburg doen overbrengen en eenige der eerste en meest vertrouwde ambtenaren der kroon afgezet; bij had de voor den dienst aan quot;het paleis bestemde Saksisch-Zwilsersche gardes doen ontwapenen en op alle keurvorstelijke landskassen beslag gelegd. i) _ Dit alles kwam slecht met de vriendschapsbetuigingen van den Koning overeen, en was wèl geschikt om den haat zijner trotsche vijandin op nieuw voedsel te geven. En toch had zij haar toorn bedwongen, en den Pruisischen Koning, die in de voorstad in het paleis der gravin Mors-zinska, â niet ver van zijn legerkamp, â zijn intrek had genomen, aan hare tafel genoodigd. Maar Frederik had deze uitnoodiging, even als de aanbieding om hem koninklijke kamerheeren tot zijne bediening te zenden, afgewezen. Hij bleef rustig in het grafelijk paleis, waarvan de poorten voor olk open stonden en waar hij elk die hem wenschtete spreken, bereidwillig audiëntie verleende, en aan de klachten herstelling, â aan de smeekingen voldoening beloofde.
Dit alles vernam de Koningin van Polen met bitteren toorn; en hoe liefderijker de Koning zich jegens de Saksers betoonde, des te meer werd daardoor het hart der Keurvorstin misnoegd en verbitterd.
âHij zal door zijne tooneolspelerskunsten ons volk nog tegen zijne rechtmatige beheerschers opzetten,quot; zeide zij tut de gravin Ogilva, hare opper hofmeesteres, die met haar op
l) Archenholtz. Geschichte des Siebenjiihrigen Krieges. Bd. I, S. 10.
71
den divan naast de deur van het archief zal: âDeze huichelachtige en tegen alle etiquette aandruischende vriendelijkheid, moet slechts dienen om de genegenheid van onze onderdanen te verwerven en hen van hun plicht afvallig te maken.quot;
âEn dit is hem ook reeds vrij wel gelukt,quot; zeide de gravin zuchtend: âde geheele Saksische adel is nu in de voorzalen van dien ketterschen Koning te vinden ; en gisteren hebben de gezamenlijke overheden der slad, alsmede de vreemde gezanten hem hunne opwachting gemaaktquot;
âEn heeft hij hen ontvangen?'
âHij ontving ze! Hij ontvangt ieder; hij geeft eiken avond partijen, waar het vroolijk toegaat en waarop de Koning met een ieder schertst en lacht. Ook houdt hij open tafel, en de mindere standen stroomen in scharen toe, om hem te zien eten.quot;
Maria Josephine zuchtte diep, en leunde met het hoofd in de kussens van den divan.
âIk haat dit ellendige, onbestendige volk,quot; prevelde zij.
âEn Uwe Majesteit doet er wel aan,quot; zeide de gravin, wier geel, gerimpeld gelaat nu van een hatelijk vuur gloeide: âGods toorn rust op dit kettersche volk, dat zich van zijn heil afkeerde en dat in zijn verwaten hoogmoed van de heilige moederkerk afviel, en zich te vergeefs door zijne verhevene beheerschers tot terugkeer laat vermanen. O, ol Is het geene schande wanneer men bedenkt, dat de Koning van Polen zelfs niet het recht heeft, rechtzinnige katholieke Christenen tot zijne ambtenaren te benoemen ; dat alle openlijlie ambten en betrekkingen slechts door ketters vervuld worden? Maar er zal een zondvloed komen en dit zondige volk vernietigen!quot;
De Koningin kruiste zich en lluisterde zachte gebeden.
Gravin Ogilva vervolgde: âEn ook in dit helscbe ongeloof verstei-kt deze kettersche Koning het even kettersche volk der Saksers. Hij, van wien het bekend is, dat hij met eiken godsdienst, â zelfs met zijn eigenen den spot drijft, hij bezocht gisteren de Protestantsche kerk, om aan bet geheele volk te toonen, dat hij een beschermer van -hun godsdienst is!quot;
âWee, wee over hem!quot; steunde de Koningin.
âMet de rneeste oplettendheid luisterde hij naar de voor-
1gt;
dracht van hun zoogenaameien predikant, en gaf toon luid zijne tevredenheid over deze redevoering te kennen. Daar hij bovendien wel wist, dat deze predikant een lieveling van het kettersche volk te Dresden is, wilde de sluwe Koning hem nog een bijzonder bewijs van zijne genade geven. Wil Uwe Majesteit weten, wel geschenk hij dezen predikant gaf?quot;
âWel,quot; riep Marie Josephine met een honenden lach: âmogelijk een Bijbel met kantteekeningen van zijne slecljte vrienden Voltaire en La Mettiie!quot;'
âNeen, Majesteit, üe Koning zond den weisprekenden kanselredenaar een half dozijn llesschen Champagne!quot;
âHij is een godlasterlijke spotter, die den draak steekt zelfs met datgene, wat hij zelve voor heilig verklaart!' riep de Koningin: âMaar hij zal zijne straf niet ontgaan; reeds zweeft die gelijk een roofvogel boven zijn hoofd en heeft hare klauwen naar hem uitgestrekt; reeds weergalmt de slem van mijn verheven neef, de Keizer van Duitschland, door het geheele rijk; reeds wordt in alle Duitsche steden het dehortatorium van den Keizer verkondigd, dat den naar veroveringen begeerigen Koning vermaant, van zijnonge-hoorden, hoogst misdadigen en strafbaren opstand af te zien, den Koning van Polen alle onkosten te vergoeden en stil en bedaard naar huis te gaan. Het kan zijn dal de Koning in zijn overmoed er geen acht op geeft; maar een meer geopend oor zal, naar ik hoop, de Duilsche Keizer bij de generaals en legerhoofden van den overweldiger vinden. A.an dezen beveelt de Keizer door Avocatoria âhun god-deloozen meester te verlaten en aan zijne ontzettende misdrijven geen deel te nemen, zoo zij zich niet aan eene be-stiaffing van 's Rijks Opperhoofd willen blootstellen.quot; 1)
âIk vrees,quot; zuchtte gravin Ogilva, de oogen ten hemel slaande: âIk vrees, dat zij in hun overmoed de heilige st-em van den rechtzinnigen Keizer niet hooren.quot;
âDan zullen zij de slem van zijne kanonnen moeien hooren!quot; riep Marie Josephine onstuimig uit: âdan zal de donder van ons geschut met Gods toorn op hen neerdalen
1
21 Preuss. Lebensgeschichte Friedricbs des Grossen. ïh. II, S. 9,
73
en hen verbrijzelen; en als door den bliksem getrotren, zullen- deze kellersche scharen ter aarde zinken voor de zwaarden, die de heilige vader, Gods stedehouder, gezegend heeft!quot;
Op dit oogenblik word de deur van de voorzaal haastig geopend, en de dienstdoende kamerheei'der Koningin verscheen aan den ingang.
âUwe Majesteit,quot; zeide hij ; âeen afgezant van den Koning van Pruisen vraagt om de genade eener audiëntie.''
De Koningin fronste het voorhoofd en werd rood van toorn. â âZeg den heer afgezant,'' beval zij; âdat ik volstrekt verhinderd ben zijn bezoek te ontvangen. Ik verzoek hem dus de goedheid te hebben, aan u zijn last mede te deelen.quot;
âHet zal weder eene van zijne gehuichelde vriendschapsbetuigingen zijn,' zeide de Koningin, toen de kamerheer zich verwijderd had: âongetwijfeld voert hij weder iets kwaads in het schild, en wil ons dus streelen alvorens hij krabt!''
Juist keerde de kamerheer terug, maar zijn vroeger glimlachend gelaat was nu bleek en ontsteld.
âWelnu?quot; vroeg de Koningin; âwelke boodschap brengt mij de afgezant van den Koning van Pruisen?quot;
âO, Majesteit, ' stamelde de sidderende hoveling;âmijne lippen zullen het niet wagen zijne woorden te herhalen, en nimmer zal ik den moed hebben te zeggen wat hij eischt!''
âHij eischt iets ?quot; riep de Koningin woedend; âIs het reeds zóó ver gekomen, dat een vreemde Vorst in onze landen in plaats van te verzoeken, durft eischen ? Mevrouw de gravin, ik ken u ; ga uit mijn naam en door mij gevolmachtigd de boodschap van den Koning van Pruisen vernemen, en ik beveel u mij de waarheid te zeggen!quot;
De opper hofmeesteres, gravin Ogilva, verliet nu met den kamerheer het koninklijk vertrek. Ma.-ie Josephine bleef alleen, en nu had zij niet meer noodig het masker van trotsche bedaardheid, van verhevene rust te behou-, den; alleen zijnde mocht de Koningin zich veroorloven vrouw te zijn! Zij drong de tranen, die hare oogeh verduisterden, niet meer terug; zij smoorde de zuchten,die hare borst beklemden, niet langer; zij weende en klaagde, zij vreesde en beefde, gelijk eene vrouw. Toen zij echter gerucht
74
in de voorzaal vernam, droogde zij schielijk hare tranou en hernam het trolsche masker van haar koningschap.
Het was de gravin, die terugkeerde. Zwijgend en langzaam ging zij het vertrek door. Haar geel, kleurloos gelaat had eene sombere toornige uitdrukking en een trek van woeste spot speelde om haar bleeke, dunne lippen.
âOe Koning van Pruisen,quot; zeide zij met zachte lluiste-rende stem, toen zij dicht bij de Koningin stond; âde Koning van Pruisen verlangt, dat aan zijn afgezant, den majoor von Wangenheim, de sleutels van het keurvorstelijk Staatsarchief zullen worden uitgeleverd!quot;
De Koningin uitte een kreet, en van haar zetel oprijzende richtte zij zich trotsch en statig op.
,,Zeg aan den executeur van den markgraaf van Brandenburg, dat hij dezen sleutel nimmer verkrijgen zal!quot; riep zij met gebiedende stem.
Ue gravin boog en ging weder naar buiten. Nadat zij teruggekeerd was, zeide zij tot de Koningin, dat de afgezant was heengegaan, doch zijn vrees had te kennen gegeven, dat hij, óf een ander zoude terugkeeren.
âLaat ons dan nu beraadslagen wat ei' gedaan moet worden,quot; zeide de Koningin: âroep pater Guarini, opdat hij ons ook zijn raad mededeele.quot;
Het gevolg van deze beraadslagingen van Marie Josephine met haren biechtvader en hare opperhofmeesteres was, dat zij den afgezant van den Koning van Pruisen, toen hij na verloop van een uur audiëntie vroeg, nielt; afwees. Ditmaal was het niet de majoor von Wangenheim, maar degene-raai von Wijlich, de Pruisische commandant van Dresden, dien de Koning zond.
Marie Josephine ontving hem in liet vertrek, dal aan het archief grensde. Zij zat op den- divan naast de noodlottige deur en hoorde met trotsche onverschilligheid den generaal aan, die den vroegeren eisch herhaalde, en uit naam zijns Konings de sleutels van het Staats-archief opeischte.
De Koningin wendde zicii tot hare opper-hofmeesteres. âHoe, mevrouw de gravin? 'zeide zij: âzijt gij zoo nalatig in uwe betrekking? Heb ik u niet gelast, op deze boodschap des Konings, â die intuschen waarlijk geene koninklijke boodschap is, â te antwoorden, dat ik deze sleutels, die het eigendom van den Keurvorst van Saksen zijn, en
75
die hij mij heeft toevertrouwd, â in niemands handen zal overgeven, dan in die van mijn heer en gemaal?quot;
âMajesteit, ik had de eer uwe bevelen te vervullen,quot; antwoordde de gravin eerbiedig.
De Koningin wendde haar fier opgeheven hoofd naaiden generaal von Wijlich. â âHoe komt het dan, mijnheer,quot; zeide zij: âdat gij het waagt mij nog eens een verzoek te doen, waarop ik reeds afwijzend en weigerend antwoordde ?quot;
âO, Uwe Majesteit gelieve mij genadig te verschoonen,quot; riep de generaal von Wijlich diep ontroerd uit: âmaar Zijne Majesteit, mijn heer en Koning, heeft mij de meest stellige bevelen gegeven, om mij van de sleutels van het archief te verzekeren en hem de papieren ei- van over te brengen. Ik ben dus in de treurige noodzakelijkheid, Uwe Majesteit te smeeken, aan den wil van mijn Koning gehoor te verleenen.quot;
âDit zal nimmer geschieden!quot; riep de Koningin, zich fier oprichtende uit: âNooit zal die deur zich voor u openen; nooit zal ik u den toegarng daarheen veroo-loven!quot;
âO, majesteit, wees barmhartig,quot; smeekte de generaal; âik mag niet van hier gaan, zonder het bevel des Konings vervuld te hebben. Heb medelijden met mijn kommer. Majesteit. Wees zoo genadig mij den sleutel van deze deur te geven'quot;
âLuister,quot; zeide de Koningin, bleek van toom en met schitterende oogen: âik zal u dien sleutel niet geven; en zoo gij de deur met uw zwaard wilt openen, zal ik haar met mijn lichaam dekken! Nu, mijnheer, wanneer gij de Koningin van Polen dooden wilt, zoo open de deur!quot;
En hare trotsche, indrukwekkende gestalte hoog oprichtende, plaatste de Koningin zich met uitgestrekte armen voor de deur.
âGenade, genade. Koningin !quot; riep de generaal uit:, Noodzaak mij niet tot het vree.-elijkste. Majesteit. Wil mij toch niet tot een misdadiger jegens de geheiligde Majesteit maken. Ik man quot;iet zonder de papieren van het archief tot mijn Koning wederkeeren. Ik smeek uwe Majesteit dus op mijne knieën, mij dezen sleutel over te geven!quot;
Zoo sprekende boog de generaal zijne knieën voor de
7(3
Koningin die nog altijd hoog opgericht tegen de deur van het archief leunde.
âIk zal u dezen sleutel niet geven,quot; zeide zij met een zegeprnlenden glimlach : ,,ik wijk niet van deze deur en zal haar niet voor u openen!quot;
Generaal von Wijlich richtte zich uit zijne knielende houding op. Zijn doodsbleek gelaat had nu eene vastbe-radene uitdrukking. Wanneer men op dit moedig gelaat vol geestkracht, staarde, gevoelde men dat de generaal een vast, on wan kei b,nar besluit genomen had ; dat de ridderlijke edelman voor den gehoorzamen soldaat had moeten plaats maken.
âMevrouw de Koningin van Polen, Mevrouw de Keurvorstin van Saksen,quot; zeide hij met krachlige, vaste stem : âik heb de meest bepaalde bevelen mijns Konings, om hem de papieren van het archief te brengen. Beneden vuor het portaal van uw paleis staan de wagens reeds gereed, die er toe bestemd zijn, die papieren weg te brengen. Een délachement soldaten is er bij. Ik behoef slechts het venster te openen en hun een wenk te geven, en zij komen boven. In de voorzaal staan vier officieren, die mij hierheen- vergezelden. Ik behoef deze deur slechts te openen, om hen aan mijne zijde te zien.quot;
âWat wilt gij daarmede zeggen?quot; vroeg de Koningin op minder vasten toon, terwijl zij hare armen, die zij boven de deur opgeheven hield, liet nederzinken.
^Ik wil daarmede zeggen, dat ik deze deur tot eiken prijs moet openen; dat, zoo men voor mij de deur niet opent, ik mijne soldaten zal roepen om haar open te breken, even als zij geleerd hebben de muren eener vesting open te breken; dat, bijaldien de Koningin van Polen haar verheven stand niet zóó hoog schat, om dien 4egen eiken aanval te behoeden, ik eene misdaad aan Hare Ma jesteit moet begaan en de hand slaan aan de geheiligde persoon eener Vorstin, om haar van die deur te verwijderen, eer mijne soldaten komen om die open te breken. Maar eer ik dat doe, buig ik nog eenmaal mijne knie en smeek Uwe Majesteit, mij voor deze misdaad te bewaren en genade uit te oefenen!quot;
En voor de tweede maal boog de generaal zijne knieën en herhaalde plechtig; âGenade, Majesteit, genade!quot;
77
âGenade! genade!quot; riepen de opper-hofmeesteres en de biechtvader, die op liet gelaat van den generaal gelezen hadden, dat hij alles zoude ten uitvoer brengen, wat hij gezegd had; terwijl beide naast hem voor de Koningin nederknielden; â âUwe Majesteit heeft alles gedaan, wat uwe eer en uwe waardigheid u geboden. Thans is het de plicht van Uwe Majesteit uwe geheiligde persoon voor smaad te behoeden. Genade, genade dus voor uwe bedreigde Majesteit.quot;
âNeen, neen,quot; tluisterde de Koningin; âik kan het niet. O, te sterven ware zoet, vergeleken bij deze vernederende behandeling!quot;
Nu verhief zich de biechtvader der Koningin, de pater der Jezuïten, Guaritü, uit zijne knielende houding en den arm tegen de Koningin uitstrekkende, riep hij op gebiedenden toon uit: âMijnedochter, uit kracht van mijn ambt, als dienaar der heilige moederkerk, die gij gehoorzaam -heid en trouw verschuldigd zijt, fteyee/ik u, den sleutel van deze deur aan dien man te overhandigen!quot;
De Koningin zuchtte diep en liet het hoofd op de borst zinken, waaruit een dof, krampachtig gesteun opsteeg. Toen trok zij met eene schielijke beweging den sleutel uit haren boezem en maakte dien van den ketting los.
âIk gehoorzaam u, mijn vader,quot; zeide zij: âheer generaal, hier hebt gij den sleutel. Het staat u vrij het archief te openen.quot;
Generaal von Wijlich nam nog steeds knielende, den sleutel aan, en kuste eerbiedig de hand, die hem denzelven aanbood. Toen stond hij op en zeide met ontroerde stem, zich diep voor de Koningin buigende: âNu heb ik Uwe Majesteit nog om eene laatste gunst te verzoeken, en wel: dit vertrek te willen verlaten, opdat ik mijne soldaten kan roepen om de papieren weg te brengen.quot; 1)
1
Deze papieren, lt;ie oorspronkelijke stukken van al de brieven en dépêches, â die de Koning door her verraad van den Saksischen kanselarijschrijvér Menzel ontving, âgingen naar Berlijn, en uit deze moest de minister von Herts-berg binnen acht dagen het beroemde âméruoire raisonnéquot; opstellen, dat onmid-delijk gedrukt, en niet alleen naar alle Hoven,âmaar ook in alle steden verspreid werd, om aan de wereld te toonen, dat Prederik dezen krijg niet moedwillig iiad aangevangen, maar door zijne intrigeerende, verbonden vijanden er toe genoodzaakt was geworden. (Preuss. Priedrich der Grosse. Th. II, S. 11.)
78
De Koningin antwoordde niet; zij wendde zich af, en zonder den generaal ook verder slechts met een blik te verwaardigen, verliet zij, door gravin Ogilva en pater Gu-arini gevolgd, het vertrek.
âNu,quot; zeide zij tot hare opper-hofmeesteres, toen zij de kleine ontvangzaal der Koningin binnentraden: âzendnu dadelijk boden naar alle gezanten der vreemde mogendheden en doe hen uitnoodigen bij mij te komen!quot;
VIV.
HET VERNEDERDE SAKSEN.
Het duurde dan ook niet lang, ol de gezanten van Frankrijk, Oostenrijk, Holland, Rusland en Zweden hadden zich in de ontvangzaal der Koningin verzameld.
De Koningin stond bleek en sidderend van toorn in hun midden. Met de trotsche verhevenheid van het ongeluk en gekwetste Majesteit, schilderde zij hun de ondergane be-leediging en noodigde hen uit, onmiddellijk aan hunne Hoven te schrijven en den be vrienden heerschers om bijstand voor het zwaar beproefd keurvorstelijke Huis te verzoeken.
âEn terwijl Uwe Vorsten ons tegen dezen overweldiger hulp zenden,quot; riep zij met schitterende oogen uit; âterwijl zij mij verdedigen, zullen zij hunne eigene rechten, hunne eigene eer verdedigen. Want mijne zaak is nu^ de zaak van alle Koningen, en de misdadige hand, die zich tegen mijn hoofd verhief, verhief zich tegen de kronen van alle Vorsten.1) De naar veroveringen hakende markgraaf van Rrandenburg, die zich Koning van Pruisen noemt, zal ons allen vernietigen, wanneer wij hem niet weten te voorkomen, en hèm vernietigen. Ik van mijne zijde, zweer hem een eeuwigen tegenstand, eene eeuwige vijandschap! Al
1
V. Archenholtz. Geschichte des Siebenjahrigen Krieges. Th. I,Seitel2.
79
moge ik in dezen strijd bezwijken, â wanneer mijne be-leediging slechts gewroken wordt, wanneer mijne eer slechts onaangetast blijft! Haast u dus mijneheeren, en verkondigt aan uwe Hoven wat hier geschied is!quot;
âIk zal de eerste zijn die zulks doet,quot; zeide de Fransche gezant, graaf Broglio, terwijl hij de Koningin naderde; âik zal den Koning, mijn verheven meester, de woorden herhalen, die Uwe majesteit zooeven sprak; ik zal aan de dauphine van Frankrijk, de doorluchtige dochter Uwer Majesteit, het lijden schilderen, dat hare koninklijke moeder hier moet verduren, en ik weet, dat zij alles zal aanwenden, om bijstand te zenden. Wil Uwe Majesteit mij veroorloven te vertrekken? Ik begeef mij nog heden naar Parijs.quot;
âHoe?quot; riep de Koningin: âgij vertrekt? Gij verlaat mijn Hof in het uur van het gevaar?quot;
âO, Majesteit, ik zoude de laatste zijn, die zulks deed, maar de noodzakelijkheid dringt er mij toe. De Koning van Pruisen gaf mij mijn afscheid en zond mij mijne passen.quot;
âUwe passen gezonden, uw afscheid gegeven?quot; riep de Koningin met vlammende oogen : âHeb ik wel goed gehoord? Spreekt gij niet van den Koning van Pruisen ? Heeft hij zich dan tot Koning van Saksen verheven?''
Eer iemand nog tijd had deze smartelijke vraag der Koningin te beantwoorden, werd de deur geopend en de ministers van den Keurvorst-Koning traden binnen; achter hen ontwaarde men het angstige, bleeke gelaat van graaf von Lenke, den kamerheer van den Koning van Polen.
Langzaam en zwijgend gingen deze heeren het vertrek door, en naderden de Koningin.
âWij komen,quot; zeide graaf von Hoymb, zich diep buigende: âom afscheid van Uwe Majesteit te nemen!quot;
De Koningin trad verbaasd eene schrede achteruit en keek de vier ministers, die treurig, en met ter aarde gebogen hoofd voor haar stonden, ontsteld aan.
âHeeft de Koning, mijn gemaal, u ontboden,quot; vroeg zij: âen wilt gij afscheid nemen, om u lot hem naar König-stein te begeven?quot;
âNeen, Majesteit; wij komen afscheid nemen, daar wij
80
zoo even door den Koning van Pruisen van onze ambten zijn ontzet.quot; ')
De Koningin antwoordde niet. Zij kromp slechts even ineen en liet hare verwarde blikken over het gelaat dei-tegenwoordig zijnde personen ronddwalen. Nu vestigde zij ze op het bleeke gelaat van den koninklijken kamerheer.
âWelnu?' vroeg zij: âen gij? Brengt gij mij tijding van mijn gemaal ? Komt gij van Königstein ?quot;
âJa, Majesteit, ik kom van Königstein, maar ik breng geen goede tijding. De Koning van Polen en keurvorst van Saksen zond mij naar Dresden, om aan den Koning van Pruisen passen te vragen voor den Koning en graaf Brühl. Passen voor eene reis naar Warschau, waarheen de Koning zich, wegens den te openen rijksdag, moet begeven.quot;
âO, steunde de Koningin: ,,te denken, dat mijn gemaal passen noodig heeft om in zijn Koninkrijk te reizen, en dat hij deze pass.en van onzen vijand moet vragen! â En hebt gij de bevelen van mijn gemaal ten uitvoer gebracht, heer graaf von Lenke? Zijt gij reeds bij den Koning van Pruisen geweest om die passen te halen?quot;'
âIk ben bij den Koning van Pruisen geweest, Uwe Majesteit!quot; zeide de graaf met onvaste stem.
âWelnu, en verder?quot;
âHij weigerde mij de passen! Hij wil jle reis naar Warschau niet toestaan.quot;
De Koningin uitte een kreet, en de armen bezwerend ten hemel heffende, riep zij op woesten toon uit; âHoort gij, hoort gij wat hij zegt! Hoort gij die nieuwe, honendebe-leediging, welke deze naar landen hunkerende veroveraar onze kroon aandoet! En God hoort het, en zendt niet zijne bliksems, om dezen ketterschen tiran te verpletteren! -- O, ik zal mijne stem verheffen, dat zij als een jammerkreet door geheel Europa weergalmt; dat zij tot alle tronen doordringt, en dat elke Vorst mijn woorden hoort; Weelwee over ons allen! Onze kronen wankelen op onze hoofden en zij zullen er afvallenrwanneer wij dezen misdadiger, die ons allen bedreigt, niet vernietigen!quot;
1) V. Afchenholtz. Geschichte des Siebenjatirigen Krieges. Th, I, Seite 12.
81
En met eene gillende weeklacht zonk de Koningin bewusteloos in de armen der toesnellende gravin Ogilva.
Maar de vernederingen en smarten van dezen dag waren nog niet de laatste, die de trotsche'Marie Josephine van haren zegevierenden vijand zoude ondervinden.
Wél klonk de hulpkreet door geheel Europa, en het âwee! wee!quot; der Koningin van Polen weergalmde tot voor alle tronen; wèl rustte men zich overal te strijde, om tegen dien vijand op te trekken, wiens eersten aanval op . Saksen men als eene Don Quichotterie bespot had en dien men nu, daar hij met zijne honderd-en-zestigduizend soldaten steeds verder voortdrong en even als in Saksen, ook in de Lausitz en Bohemen gevallen was als de algemeene en vreeselijke vijand van allen moest aanzien. â Maar den ver-schikkelijken slag, die Saksen zoude verpletteren, waren de bondgenooten toch niet in staat af te wenden! Ofschoon de dauphine van Frankrijk, de dochter der ongelukkige Keurvorstin van Saksen, de moeder van den ongelukkigen Koning van Frankrijk, Lode wijk den Zestiende, zich aan de voeten van Koning Lodewijk den Vijftienden wierp en hem om hulp vóórhaar bedreigd vaderland smeekte: de legers van den Franschen Koning kwamen toch te laat, om het onheil te verhoeden! Ofschoon Maria Theresia, de Keizerin van Oos-tenriik en nicht der Keurvorstin van Saksen, â daar het haar leger nog aan paarden ontbrak, â de paarden van hare eigene stallen afstond, om de kanonnen te vervoeren, en alhoewel de Oostenrijksche en Boheemsche adel zich beijverden om dit verheven voorbeeld te volgen, de Oostenrijksche kanonnen, zoo min als de Fransche troepen, konden dit onheil verhoeden.
Hoe machtige bondgenooten Saksen ook had in Oostenrijken Frankrijk, in Ruslanden Zweden, â een veel machtiger bondgenoot had Pruisen in den honster, die in het Saksische leger nóg luider dan de Keurvorstin vanSaksen, zijn ivee! wee! liet uitgalmen.
Het was de honger, die den dapperen Saksischen generaal Rutowski tot de capitulatie dwong; de honger was het, die den Keurvorst van Saksen noodzaakte, de smadelijke en verschrikkelijke voorwaarden aan te nemen, welke de zegevierende Koning van Pruisen, â nadat deze te vergeefs getracht had in Saksen een bondgenoot te ver-Mühlbach, Frederik de Oroote en zijn Hof. VI. 6
82
krijgen,â zijn hardnekkigen en Irotschen vijand had voorgeschreven.
In het dal bij Liliënstein ontwikkelde zich het eerste bedrijf van dit drama, waarvan de tooneelen met bloed in de boeken der geschiedenis staan opgeteekend, en dat tot zijne ontknooping vele en treurige jaren behoefde.
In het ongelukkige dal bij Liliënstein legde het Saksische le^er, door honger en ellende in zijne trouw en standvastigheid geschokt, de wapenen neder; en terwijl die trouwe en dappere soldaten, weenend en in het gevoel hunner vernedering en schande, de zwaarden nederlegden, staken zij naar hunnen vijand de handen uit, en smeekten hem om een stnk brood.
Weeklachten en snikken, wanhoop en tranen vervulden het dal van Liliënstein; en boven, aan een venster van zijn burg op Koningstem, stond de Keurvorst van Saksen met zijn gunsteling, den graaf Brühl, om getuige te zijn van de ellende en wanhoop van zijn ontwapend leger. De lucht droeg het klaaggeschrei zijner krijgers naar hem over; die klaagtonen welke zij slaakten, omdat zij, van den eed der getrouwheid jegens hun aangeboren heer ontslagen, den Koning van Pruisen den gedwongen eed van trouw moesten zweren op het slagveld, waar zij zooeven nog als soldaten van den Keurvorst gestaan hadden â Hij stond aan het venster geleund en moest zien, hoe de Pruisen door de gelederen zijner ontwapende soldaten rondliepen, om onder hen, die zooeven nog hunne vijanden geweest, âen nu hunne gedwongene kameraden geworden waren, en op wier lippen vloeken en zegenwenschen elkander afwisselden, â brood uit te deelen!
En na deze vreeselijke vernedering, waarmede Frederik de veeljarige kuiperijen van het Saksische Vorstenhuis bestrafte, waarmede hij zich over de hardnekkige vijandschap en den trotsclien overmoed van het arglistige Saksen wreekte, â na deze vreeselijke vernedering en volkomen neder-laas, kon de Koning van Pruisen zich niet langer verzetten tegen het vertrek van den Keurvorst van Saksen. Hij gat hem passen tot zijn vertrek naar Warschau; maar hij strekte deze passen verder uit, dan de Koning van Polen het zelf gewenscht had; hij zond niet alleen den graaf Brühl, maar ook de gravin Pgt;rühl een pas, mei het strenge bevel haren
83
man te vergezellen; hij zond ook een pas aan de gravin Ogilva, en dwong deze bijgeloovige en arglistige opper-hofmeesteres der Koningin, zich van hare meesteres te verwijderen.
En toen de Koningin weder hare stem verhief om âwee! wee!quot; te roepen; toen zij weder hare hondgenooten tot eene spoedige redding opriep, toen antwoordde de Koning met de donderende mare van de zege bij Lowo.sitz: de eerste slag, welke in dien krijg geleverd werd, en waarin de Pruisen, onder aanvoering van hunnen Koning, wonderen van dapperheid verrichtten en op het drievoudig sterkere Oostenrijksche leger onder den generaal Brown, de overwinning behaalden.
âNooit hebben de Pruisische troepen, sedert ik de eer heb hen aan te voeren, zulke wonderen van dapperheid verricht, als heden,quot; getuigde Koning Frederik van zijn leger. De Oostenrijkers echter zeiden met betrekking tot hunne wonden: âwij hebben de oude Pruisen wedergevon-den.quot; En tóch hadden zij zulk een dapperen tegenstand geboden, dat de Pruisen hadden uitgeroepen : âdat zijn de oude Oostenrijkers niet meer!quot; x)
Dit was het eerste bedrijf van het groote drama, dat door de volken van Europa zoude vertoond worden en waarin Koning Frederik de Tweede de heldenrol zou vervullen !
1) V. Archenholtz. Gesclmhte des Siebenjiihrigen Krieges. Th. I, S. 20.
DERDE BOEJKL. IN DEN ZEVENJARIGEN OORLOG.
I.
DE LANDLIEDEN VAN BRÃNEN.
De ondergaande zon kleurde de golven van den Rijn met purperen tinten, zoodat zij zich als een bloedstroom voortslingerde tusschen de geurige en groene weiden, welke zich langs zijn© oevers uitbreidden. Van uit het nabij ge-leo-en dorp Brünen, welks roode daken tusschen de omringende eiken, beuken en bloeiende struikgewassen zicht-baar waren, klonk het geluid der avondklok en noodigde de vrome landlieden, die het rijpe koren met blinkende zeisen maaiden, naar de kerk of tot vrome overpeinzingen. Dit feluid vermengde zich met dat der welluidende schelletjes van de kudden koeien, welke juist den dichtbijge-legen heuvel afgedaald waren en zich in schilderachtige groepen neervlijden. In de kleine weide op den voorgrond, fiepen de schapen der gemeente, streng bewaakt door den grooten, witten herdershond, aan wiens verstandigen blik ook niet de geringste wanorde tegen de voorgeschreven tucht in zijn leger ontging. Zoodra een der hem toever-trouwde schapen slechts een weinig buiten de linie kwam, en zich van de weide naar het daarnaast gelegen korenveld wendde, waar de maaiers aan het werk waren en de flinke meiden de schooven samenbonden, â vloog de gestrenge Phylax met driftig geblaf, afgebroken door dreigend gebrom, naar het vermetele schaap, dat zich door eéne snelle vlucht naar zijne kudde, aan de woede van den onverbiddelijken opzichter trachtte te onttrekken.
85
De oude herder met zijn lang, zilverwit haar, die ruidden in de weide op een biezen stoeltje zat, en zich bezig hield met een keurig mandje uit wilgenrijs te vlechten, zag telkens als het geblaf van Phylax weergalmde, van zijn werk op, en gaf door een glimlach zijn ijverigen plaatsvervanger zijne goedkeuring te kennen. Nu en dan sloeg hij ook een blik naai' het korenveld, op de maaiers en de meisjes, en zijn eerwaardig gelaat droeg dan telkens eene uitdrukking van opgeruimde tevredenheid.
En hij kon wèl tevreden zijn met hetgeen hij zag; want die slanke, krachtige borst, die daar boven op den met schooven beladen wagen stond en juist de armen uitstak om de hem behendig toegeworpen schooven op te vangen, â die jongeling met dat volle, blozende gelaat, die van vroolijkheid schitterende oogen, die roode lippen, welke zich zoo vaak tot een glimlach openden en dan twee rijen schitterend wille tanden lieten zien, â die jonkman was zijn zoon, zijn geliefde Karei Hendrik. En dat meisje, dat niet ver van den wagen bezig was met schooven binden ; dat meisje met die fiere houding, welke ondanks de eenvoudige boerenkleeding die zij droeg, iets indrukwekkends bezat, â het boerinnetje met dat jeugdig, schoon en blozend gelaat, â was de bruid van zijn zoon die men in het geheele dorp de schoone Anna Sophie noemde, en om wier liefde, alle jonge lieden in het dorp Karei Hendrik benijdden. Wel is waar was zij eene arme weeze, maar in hare vlijtige handen lag een grooter en zekerder schat, dan eene gevulde geldbeurs; en met haar arbeid en hare bekwaamheid bracht zij haren uitverkorene een beteren uitzet aan, dan» een gevulde geldkist. Want Anna Sophie Detzlolïquot; kende nagenoeg van alles, en de dorpelingen wisten niet, of zij haar meer moesten vereeren om hare vele kundigheden, of meer beminnen wegens haar goed en trouw hart. Anna Sophie kon lezen en schrijven als een schoolmeesteiquot;. Voor alle vrouwen in het dorp schreef zij brieven, welke deze aan hare mannen of zonen, die in het leger van den Koning van Pruisen stonden, wilden zenden, en las haar het antwoord voor, hetwelk van daar in het dorp terugkwam. En zóó schoon en met zulk eene uitdrukking van hartelijkheid kon zij lezen, dat de getroffen en gelukkige vrouwen zich verbeeldden, de geliefde en hartelijke stemmen van hare
86
welbeminden te hooren, daar elk geschreven woord leven en uitdrukking door hare lippen ontving. Maar ondanks al deze geleerdheid, bezat Anna Sophie vooral de bekwaamheden, welke eene vrouw passen. Niemand in het dorp kon smakelijker koken, en niemand evenaarde haar in vlug en tevens goed naaien en breien. Al deze zaken had Anna Sophie van hare ouders geleerd, die vele jaren in Brünen geleefd en gewerkt hadden. Want Anna Sophie's vader was schoolmeester in het dorp geweest, en aan zijne vlijt en werkzaamheid hadden de vrouwen het nu te danken, dat zij brieven van hare mannen en zonen konden ontvangen. Hij had de jongens schrijven en lezen geleerd ; en zoo al de vrouwen en meisjes dat niet kenden, bewees het voorbeeld zijner dochter toch, dat het niet aan zijne bekwaamheid, â- maar aan hun onwil of gebrek aan tijd had gelegen. Van hare moeder had Anna Sophie hare vrouwelijke talenten verkregen; door haar was zij in alle plichten onderwezen, welke eene vrouw behoort te kennen; door hare moeder was zij tot dat vlijtig, eerbaar en deugdzaam meisje gevormd, dat zij nu was. Hai'e moeder had haar geleerd behulpzaam en gedienstig, vriendelijk ondeelnemend te zijn, en zich door goede daden de liefde barer evenmenschen te verwerven.
Het was een zeer tevreden en gelukkig gezin geweest, dat daar in dat kleine, half vervallen schoolgebouw had geleefd; en al moesten zij ook dikwijls met allerlei zorgen en ontberingen worstelen, toch haddA deze drie gelukkige menschen dit nooit als een ongeluk, maar als een noodzakelijk kwaad van het leven beschouwd. Zij beminden elkander, en wanneer de ouders hun blozend en heerlijk ontwikkeld kind beschouwden, merkten zij in het geheel niet, dat het brood, dat zij juist aten, zwaar en moeielijk verdiend werd en misten zij de boter en kaas niet, zonder welke de rijkere bewoners van het dorp het* hunne niet zouden eten. En wanneer Anna Sophie des Zondags met hare ouders naar de kerk ging, gekleed in een verschoten rokje met een wit lijfje er over, beide door haar zelve van den uitzet harer moeder gemaakt, dan hoorde zij wel, hoe de jongelingen onder elkander Huister-den en van hare schoonheid en beminnelijkheid spraken; raaar omdat zij dan beschaamd en blozend hare oogen
87
nedersloeg, zag zij de spottend lachende gezichten der overige meisjes niet, die zich, omdat zij fraaier gekleed,â en kinderen van rijke lieden waren, verre veiiieven waanden boven het kind van den armen schoolmeester.
Maar dit bescheiden, en toch wezenlijk geluk had de dood weldra op eene onverbiddelijke wijze verstoord. Binnen één jaar tijds had hij den schoolmeester Detzloll' en zijne vrouw uit het kleine huis weggesleept, dat elk ander eene ellendige iiut, â hun echter een paradijs toegeschenen had. â En de dood had Anna Sophie als weeze, eenzaam in de wereld achter gelaten en nadat zij hare geliefde dooden den tol der tranen en der smarten had gebracht, moest zij zich wel oprichten, om, â nu haar alles was ontvallen, nu haar heden en verleden verwoest waren â zich in het leven te schikken en eene nieuwe toekomst te scheppen.
De gemeente, die, â zooals dit gewoonlijk het geval is, wanneer de dood doet gevoelen hoe groot de waarde van den levende was, â eerst nu de groote verdiensten van den armen schoolmeester erkende, wilde nu ten minste aan de dochter vergelden, wat zij bij den vader verzuimd had.
Men wijdt immers zoo gaarne aan hen, die men meé-doogenloos mishandeld heelt, een schitterend gedenkteeken; voor hem, dien men gedurende zijn leven slechts de doornenkroon op het bloedende voorhoofd gedrukt heeft, vlecht men bij zijn dood zoo gaarne en lauwerkrans. Daar de schoolmeester grootendeels ten gevolge van ontbering, zorgen en moeiten gestorven was, wilde men zich mild jegens de dochter toonen, en haar tegen de zorgen voor onderhoud en tegen ellende beschermen, waaraan men den vader onachtzaam had laten sterven.
Maar Anna Sophie weigerde van de weldaden der gemeente te leven; hun, die bij haar kwamen, om haar in naam der gemeente te berichten, dat men haar door eene maandelijksche ondersteuning, â waartoe een ieder in de gemeente het zijne wilde bijdragen, â onderhouden wilde, toonde zij hare krachtige, aan den arbeid gewende handen, hare volle, door de zon gebruinde en door zwaar werk gespierde armen; en met helderen bük en üeren glimlach die armen voor den schout en den nieuwen schoolmeester opheffende, zeide zij; âvan deze alléén wil ik ondersteuning
88
aannemen, en deze armen en handen alléén mogen mij kleeding en voedsel verschaHen; hun alléén wil ik dankbaar zijn!quot;
Zoo was Anna Sophie uitgegaan om zich als werkster te verhuren, en de rijke pachter van het dorp had gaarne het vlijtige en verstandige meisje voor rijkelijk loon in zijn huis willen opnemen Maar Anna Sophie verklaarde trotsch, dat zij wél wenschte te werken, maarniet dienstbode wilde zijn; dat zij wél hare handen, â maar niet hare vrijheid wilde verkoopen. Daar men voor den nieuwen schoolmeester een nieuw schoolhuis had gebouwd en ingericht, omdat het oude, waarin de arme DetzlolT met zijn gezin gewoond had. zóó vervallen en bouwvallig was, dat men eiken dag vreesde Jiet te zien instorten, -- had Anna Sophie voor de opbrengst van den verkoop van hare weinige kostbaarheden en het overtollige huisraad, deze hut voor zich van de gemeente aangekocht. Daar leefde zij voor hare herinneringen, haar schoon en gelukkig verleden; daar voelde zij zich niet eenzaam en verlaten, maar temidden van hare ouders en haar geluk. Vóór zij des morgens hare hut verliet, om naar het huis te gaan van hem, wien zij voor dien dag haar arbeid verkocht had, ging zii in het tuintje, achter de hut gelegen, waar, in het met donkerroode bloesems van boonenplanten als bezaaide prieel, nog de drie stoelen stonden, welke haar arme vader in zijne ledige uren gevlochten had en waar nog de ruwe houten tafel stond, die hij met mes en bijl vervaardigd had. Dan ging zij een oogenblik op den middelsten stoel zitten en legde op eiken der naast haar staande stoelen eene hand, welke zij vroeger op den schoot barer ouders gelegd had. En de Rijn ruischte in de verte nog even welluidend, de boomen hadden nog hetzelfde schoone lommer, de hemel schitterde nog met hetzelfde heldere blauw, of werd nog door dezelfde statig voortjagende wolken verduisterd! Niets was veranderd; alles om haar heen was nog als vroeger. Alleen de beide stoelen naast haar waren ledig! Maar Anna Sophie behoefde slechts hare oogen te sluiten, om de geliefde gestalten der overleden ouders naast zich te zien; om te gevoelen, hoe zij hare hand drukten; om te hooren, hoe zij op zulk een toon en met zulke uitdrukkingen, welke slechts de liefde kent en slechts de
81)
liefde begrijpt, lol liaur spraken. Dan zeide zij luid : âGoeden morgen, vader! Goeden morgen, moader!quot; En met gesloten oogen van haar stoel opslaande, verliet zij het prieel, waar zij in hare verbeelding hare ouders, die haar nazagen, achterliet. â Maar Anna Sophie blikte dan ook niet een enkel maal naar dit prieel om; want dan zoude zij gezien hebben dat hel ledig was en zij wilde hare zoete begoocheling behouden, om gedurende den dag moediger en blijder bij het werk te zijn, om geene smartelijke aandoening te gevoelen wanneer zij de pachtersvrouw in den kring harer bloeiende dochters zag; maar tol zich zelve te kunnen zeggen; âik heb óók vader en moeder tehuis, en zij verwachten mij.quot; â Evenzoo keerde zij dan, wanneer haar dagwerk afgeloopen was, met haastige schreden naar hare hut terug, wier eenzame stilte voor haar met de heldere stem der liefde en der herinnering bevolkt was. De deur van de vroegere slaapkamer harer ouders openende, riep zij: âgoeden nacht, vader! goeden nacht, moeder!quot; En dan klom zij n^ar haar dakkamertje, waar haarvader altijd zoo gaarne vertoefd had en dat hij, wanneer Anna Sophie bij hem was, steeds zijn stukje paradijs noemde. Daar stond de tafel, waarop hij geschreven had; daar hing aan den wand nog het boekenrekje, dat de kostbaarste schatten van haren vader: zijne weinige boeken, bevatte. Uit het venster van het kamertje zag men den Rijn, die zich groen en helder door de vlakte kronkelde en tusschen de verwijderde heuvelen verdween, en in het verschiet de bergen met hun violetkleurigen nevel, en de torens van de stad Cleef. Daar hoorde men [het geluid 'der 'schelletjes van de terugkeerende kudden der pachters; de zachte tonen der avondklok en het vroolijk gefluit der knapen, die uit wilgentakken fluitjes gesneden hadden, en het gezang van den leeuwerik, dat uit het nabijgelegen korenveld opsteeg. Daar'kon men ook den uitgestrekten hemel zien; hetzij bezaaid met vonkelende sterren, of schitterend in de stralen der zon, die den groenen Rijn in vloeiend zilver veranderde en de ge-heele Natuur verfraaide .en bezielde.
Dit âkleine plekje paradijsquot; had haar vader haar achtergelaten, en daarheen vluchtte Anna Sophie, wanneer de moeielijke, dagelijkscho arbeid volbracht was en zij van haar werk mocht uitrusten. Daar stond zij des avonds aan-
90
het venster eu zag peinzend en droornend op het allengs duister wordende landschap; daar zat zij_ des morgens, en begroette de zon, en las overluid, âgelijk zij het des morgens voor haar vader gewoon was, â een morgengebed. Dan greep zij haastig een der drie versleten bundels, die den voornaamsten rijkdom der bibliotheek uitmaakten, en die zulke won dei baarlijke voorstellingen en geschiedenissen bevatten: geene verdichte of gedroomde verhalen, maai wezenlijke geschiedenissen, zooals zij hier en daar bij de volken zijn voorgevallen. Uit deze boeken putte Anna feopnie al hare kennis, uit deze leerde zij niet alleen de groote gebeurtenissen der wereldgeschiedenis en de groote uitvindingen der menschen, maar ook vele nuttige raadgevingen en ondervindingen, toepasselijk op het landleven en den omgang met de Natuur, waren daarin medegedeeld, eu menige wijze les en menige vertroosting voor haar gemoed was zij aan deze eerwaardige boekdeelen van haren vadei verschuldigd. En in de lange winteravonden verhaalde zij aan de meisjes in het spinvertrek wat zij gelezen had, en bij deze verhalen vloog de vlasdraad nog eens zoo vlug dooi de vingers der meisjes, en elk was Hink en vlug bij net werk, niemand worstelde tegen den slaap, of hel de vei-moeide handen neerzinken. â Aan kennis der nuttige 10-cepten, die zij aan hare boeken ontleend had, had Anna Sophie het te danken, dat men haar in het geheele dorp als een beschermengel prees, die de boomen en tuinen, alsmede het vee behoedde, daar zij van gene de scuadelij k.e insecten, â van deze de ziekten wist verwijderd te houden. Maar niet alleen voor de gewassen en het vee, maar ook voor de menschen was des schoolmeester s docntei een helpende engel. Zij wist middelen tegen de koorts en pleuris en uit de kruiden, die zij op de weide en in net bosch zocht, wist zij bloedstillende middelen, heelende za_l-ven en versterkende drankjes le bereiden, waarmede zij de gewonde en zieke dorpelingen in hare blii moedige dienstvaai-lligheid steeds hulp en bijstand. â Ook verstond niemand het zoo goed als zij, om de zieken het hootdkussen op te schudden, met liefderijke woorden hun moedeloozen feest op te wekken en hen te troosten. Wanneer er een gevaarlijke zieke in het dorp was, wanneer eene huisvrouw door ziekte verhinderd was voor haar man en kinderen net
91
raid dag maal gereed le maken, dan bood Anna Sophie zich ongevraagd tot hulp aan ; dan deed zij afstand van het ruime dagloon bij den rijken pachter en ging naar de hutten der zieken, om ze te verzorgen en in hare plaats voor raan en kinderen zorg te dragen.
Het geheele dorp zegende en beminde haar dus, en alle knapen wedijverden om den voorrang harer liefde. Maar langen tijd scheen het, alsof de beschroomde, schuwe Anna Sophie voor het teedere en hartstochtelijke gevoel der liefde geheel ontoegankelijk was; met ontstelde blikken ontvlood zij hen, die om hare liefde aanzoek deden, en gaf aan de opgeruimde vrijers veelal een bijna vertoornd, 'weigerend antwoord.
Hoe het kwam, dat de jongste zoon van den ouden herder LJuschmann eindelijk haar hart won, en de belofte van hare liefde verkregen had, wist zij zelve niet. Wel is waar was hij de schoonste en knapste jongeling in het dorp, maar daarom beminde zij hem toch niet; want zóó had zij hem reeds lang gekend, en tóch was hij haar volkomen onverschillig geweest; en eerst sedert eenige weken beminde zij hem. Om welke reden en waardoor0 Omdat hij haar zoo teeder beminde en haar gezworen had, te zullen sterven wanneer zij hem afwees? Maar dat had reeds menigeen der overige knapen insgelijks gedaan, en haar hart was er volmaakt onverschillig onder gebleven en de bedreiging-had haar volstrekt geen schrik aangejaagd. Wat was het dan, dat haar koud en trotsch hart overwonnen had?âDe ouder herder, Karei Hendrik's vader, was de aanleiding geweest, dat zij elkander dikwijls zagen en spraken. Sedert eenige weken was zij des avonds, â wanneer zij uit de pachterswoning huiswaarts keerde, steeds tot hem gegaan om hem de nieuwsbladen en andere berichten te brengen, die de goedhartige pachter den ouden man altijd zond, omdat hij zes zonen bij het leger des Konings had, en dus aan zijn vaderland zes soldaten had gegeven. â Anna Sophie had zich dan naast den ouden man in het gras neergezet, hem deze nieuwsbladen en vlugschriften voorgelezen, en beiden hadden dan over den oorlog gesproken, die hun Koning tegen zijne overmoedige vijanden had begonnen, en elkander de oorzaken er van toegelicht en verklaard en de waarschijnlijke gevolgen er van berekend en
92
voorspeld. â Wanneer Karei Hendrik, die even als Anna Sophie op de pachthoeve arbeidde, â dan t' huis kwam, voegde lüj zich bij hen en praatte met hen, en was even als zij vol geestdrift over den grooten en heldhaftiger! Koning, die zoo onverschrokken en stoutmoedig de menigte zijner vijanden tegemoet was getrokken, en die geene andere bondgenooten had dan zijn recht, zijn moed en zijn goed zwaard. In hunne vurige liefde voor den grooten Koning hadden hunne harten elkander het eerst ontmoet, en dat Karei Hendrik zes broeders bij Frcderik's leger had, maakte ook hèm in Anna's oogen tot een held, en steeds zag zij zijn hoofd met de lauweren getooid, die zijne broeders op het slagveld verwerven zouden. â Zij beminde hem om zijne broeders, en omdat zij er trotsch op was, de bruid van een jongeling te zijn, dien ieder met de oogen volgde, wanneer hij voorbijging, terwijl men zacht tluisterde; âhij is de lieveling van den ouden man. God spare hem voor zijn vader, wiens eenige steun hij is!quot;
Aan dit alles dacht nu de oude herder, toen hij te midden zijner schapen op de groene weide zat en naar het korenveld van den pachter keek, waar zijn zoon en diens verloofde met de overige knechten en meiden arbeidden.
âGod zij geloofd,quot; prevelde de oude man: âdat is de laatste vracht die zij opladen, en spoedig zal Anna Sophie bij mij zijn. Ik heb den postbode straks reeds naar het dorp zien gaan, en de pachter zal de nieuwsbladen nu al wel gelezen hebben, en hij zal ze aan Anna geven, opdat zij er mij uit voorleze.quot;
En eindelijk was dit gelukkig oogenblik gekomen, eindelijk zette de zwaar beladen oogstwagen zich naar de pachthoeve in beweging, en de knechten en meiden gingen er juichend achter. De zeisen, die zij over hunneschouders droegen, schitterden in het licht der ondergaande zon, en flikkerden als dansende dwaallichtjes heen en weder. In de verte hield het juichen en lachen der maaiers op, en de kalmte van den avond daalde vriendelijk en vreedzaam over de geheele landstreek neder,
De oude herder vouwde aandachtig de handen en herdacht in een stil gebed de afwezige zonen, die hij in Gods hoede aanbeval. Toen stond hij van zijn stoel op en gaf door een schel gefluit aan zijn Phylax het teeken, dat hij
93
de kudde naar het dorp op de pachthoeve moest bijeen drijven, en stapte toen zelf met krachtige schreden den weg op naar het dorp. Phylax had hem met zijne schapen spoedig ingehaald, en daar hij mogelijk vond, dat zijn meester heden haastiger dan gewoonlijk voortstapte, duldde hij zelfs de minste vertraging der schapen niet, maar dreef ze met toornig geblaf tot haastig loopen aan.
Zoo kwamen zij, â nadat hier en daar eenige schapen voor de huizen der boeren, wier eigendom zij waren, staan bloven en zich van de groote kudde des pachters gescheiden hadden, â op de pachthoeve aan, en Phylax dreef met groote drift de schapen door de openstaande deuren van de groote schaapskooi, waarbinnen men het blijde geblaat der lammetjes hoorde, die met verlangenden honger de komst der moeders tegemoet zagen.
Vader Buschmann wachtte vol ongeduld op het oogenblik, waarop het laatste schaap de deur der schaapskooi was binnengetreden ; toen ging hij haastig naar de groote pachterswoning, die zich ginds, aan de andere zijde van de groote schuren verhief.
Juist werd de huisdeur geopend en Anna Sophie trad, het nieuwsblad in de band houdende naar buiten, en ging vroolijk wenkende, recht op den ouden herder aan.
âVader,quot; zeide zij: âdaar heb ik de nieuwsbladen, en wij zijn de eersten, die ze lezen. De pachter en zijne vrouw zijn uitgereden, en de rentmeester heeft mij veroorloofd ze te lezen. En luister eens, vader; hij zegt, dat hij ze vluchtig heeft doorgezien, en dat er zoo iets van eene overwinning door de Pruisen in staat.quot;
Het gelaat van den ouden Buschmann gloeide van blijdschap, en met levendige aandoening zijne hand op Anna's arm leggende, wilde hij haar met zich voorttrekken. â âKom, kom, kind,quot; zeide hij ; âlaat ons naar mijne hut gaan. Daar is het stil en rustig; daar zullen wij het verhaal van de overwinning van onzen Koning lezen!quot;
Maar Anna Sophie schudde opgewonden haar fraai hoofdje. âNeen, vader,quot; zeide zij: âvandaag hébben wij geen recht dit nieuwsblad voor ons alléén te lezen. De zegepralen van den Koning behooren aan zijn volk; behooren aan elk zijner onderdanen, en ieders hart zal blijder kloppen, Wanneer het er van hoort; en zij zullen God loven, dat
94
Hij de wapenen van onzen Koning zegende, en hem niet door de overmacht van zijne boosaardige vijanden liet ten onder brengen. Wij hebben het recht niet vader, aan onze mannen en vrouwen deze vreugde te onthouden; het ge-heele dorp moet er aan deel nemen. Kare' Hendrik is met toestemming van den rentmeester reeds naar het dorp, en roept de huisvaders en huismoeders bijeen, opdat zij op het dorpsplein onder den grooten lindeboom bijeenkomen. Zie slechts, ook de knechts hebben zich gehaast de paarden uit te spannen en zich gereed te maken; daar komen zij reeds uit de stallen, om óók naar den lindeboom te gaan. Kom dan, vader; laten wij er ook heengaan, en aan de buren en vrienden van de overwinning des Konings voorlezen. De zegepraal behoort aan het geheele dorp; maar kwam er integendeel tijding van een verloren veldslag, dan, (vader Buschmann, behouden wij de nieuwsbladen voor ons alléén!quot; â¢
âMaar God verhoede, dat wij dit ooit zouden noodig hebben,quot; zeide de oude herder, terwijl hij met Anna Sophie rustig voortstapte.
II.
HET BERICHT VAN DEN VELDSLAG.
Spoedig waren de dorpsbewoners op het plein onder den grooten lindeboom verzameld, en toen nu de oude Buschmann op Anna Sophie's arm geleund, naderde, werd hij met luid vreugdegejuich begroet.
Anna Sophie zwaaide het blad gelijk een witte vaan omhoog, en in haar vroolijk ongeduld den grijsaard haastiger doende voortgaan, riep zij uit.: âOnze Koning heeft een veldslag gewonnen!quot;
Deze mededeeling werd met luid vreugde gejuich beantwoord.
95
âHeeft hij de Franschen of de Oostenrijkers geslagen?quot; vroeg een der boeren, dichter bij Anna Sophie dringend en schielijk naar het blad grijpende.
Maar met eene snelle beweging onttrok Anna het hem weder. â âMijnheer de rentmeester zond mij hierheen, om aan de gemeente het bericht voor te lezen,quot; zeide zij: âen ik zal het doen!
âZeg toch, Anna,'' riep een ander: âheeft hij de Russen £.reslaLren, of die listige Saksers? Ik wilde, dat hii ze allen verpletterd had!quot;
âDat zal hij wel doen, kinderen, zoo het nog niet geschied is,quot; riep de oude Buschmann: âgelooft toch maar, onze Koning zegeviert over al zijne vijanden, want hij is een held, en alleen dappere kerels strijden met hem. Denkt slechts aan de dertig dappere knapen, die ons dorp alléén hem schonk!quot;
âLees op, Anna Sophie, lees op!quot; riep nu het koor van nieuwsgierigen uit. En Anna Sophie, bereidwillig aan hun verzoek voldoende, trad onder den grooten lindeboom en ging op de houten bank slaan, die den boom omgaf.
Vader Buschmann zette zich aan hare voeten op de bank neder; eenige moeders en grijsaards volgden zijn voorbeeld, terwijl de jongere mannen zich in dicht opeengedrongen groepen tegenover hen plaatsten, en verlangend naar het jonge meisje opzagen, dat daar boven stond, en wier schoon en stoutmoedig gelaat door de gloeiende avondzon als in een stralenkrans schitterde. De kleine knapen, die nieuwsgierig hunne ouders gevolgd waren, vermaakten zich in de verte op het plein met luchtsprongen te maken, en van den nabij gelegen eendenvijver klonk het vroolijk gekwaak der ganzen en eenden.
Maar nu verhief Anna Sophie hare stem, en op helderen, vroolijken toon begon zij to lezen. Het was een levendige, bezielende schildering van den grooten slag bij Lowositz ;en Anna Sophie las met steeds blozender wangen, met steeds toenemender geestdrift. En toen zij nu las van de aanvankelijke nederlaag der Pruisen, van de sterkere macht van den oostenrijkschen generaal Brown, wiens verderfelijke vnur-Oonden dood en verwoesting in de rijen der Pruisische dat men verspreid hadden, toen snikten en kermden de vrou-
96
wen zacht, en zelfs de mannen onderdrukten ter nau-wernood hunne zuchten. Maar zij schepten op nieuw adem, toen zij vernamen, hoe de Koning, â eene geheel nieuwe tactiek volgende,â tot bescherming zijner verzwakte infanterie, te midden van dezen ontstane ruimte een gedeelte zijner ruiterij liet binnenrukken.quot; ^
Maar hun moed zonk weder, toen het bericht luidde; dat het aanvankelijk voordeel spoedig weder verloren ging; dat. de vijand, in steeds sterker colonnes aanrukkende, de Pruisen bijna reeds begon terug te drijven; dat de linker vleugel der infanterie, waarover de hertog von Beveren het bevel voerde, en die zes uren onafgebroken gevuurd had, gebrek aan krijgsbehoeften begon te krijgen, terwijl de Oostenrijksche generaal Wied, die Lowositz verdedigde, met zijne ontvangen versterking het vuur des te levendiger onderhield en de moedelooze Pruisische soldaten luid jammerden, en om kruit en patronen riepen !
Anna Sophie zweeg ; haar hart klopte zoo luid van angst, dat de stem haar begaf. Zij leunde met het hoofd tegen den boom en sloot vol ontzetting en afgrijzen de oogen. De grijsaards en oude vrouwtjes die aan hare voeten gezeten waren, baden en weenden zacht, en uit de menigte van mannen en vrouwen steeg een dof weeklagen op.
In hun schrik hadden de goede lieden vergeten, dat Anna Sophie geene nederlaag, maar eene overwinning moest mededeelen, en dat de zaken dus eindelijk toch eene meer gunstige wending genomen moesten hebben.
âLees verder, Anna Sophie,quot; zeide de oude herder na eene lange pauze: âZouden wij zoo lafhartig zijn, om zelfs het bericht van dezen moorddadigen slag niet te kunnen hooren, waarin onze zonen den moed hadden te strijden ?quot;
âLees verder, lees verder, Anna Sophie!quot; riep men hier en daar, en Anna Sophie opende de oogen weder en hief den neêrgezonken arm met het nieuwsblad weder op.
Op nieuw heerschte eene ademlooze stilte. Anna Sophie las: âIn dit vreeselijk oogenblik gevoelde de hertog von Beveren, dat er een afdoend besluit genomen moest worden. Terwijl hij met ontblooten degen voor het front der
1) Oliarakteristik des Siebenjührigen Krieges. Th. I. S. 52.
. 97
moedelooze troepen reed, riep hij: âSoldaten, gij hebt geen krijgsvoorraad meer? Bekommert u daarover niet! Met welk doel heelt men u dan geleerd, den vijand met geveld geweer aan te tasten?quot; â Deze woorden, door een beminden en dapperen aanvoerder gesproken, hadden op de soldaten de gewenschte uitwerking. Dadelijk sloten zij hunne gelederen, en aangemoedigd door het voorbeeld van hunne officieren, drongen zij met geweld op den vijand in. Te vergeefs snelde graaf Stahrenberg met zes bataillons toe; te vergeefs trachtte graaf Wied zich in de huizen van Lowositz, âwaarin zijne grenadiers de wijk namen, â staande te houden! Niets was in staat aan de Pruisen weerstand te bieden. Gelijk een snelvlietende stroom stortten zij van de hoogten van den Lowos, en alles moest voor iiunne ontembare dapperheid wijken. Een gedeelte der Oostenrijkers stortte zich in de Elbe, en poogde zwemmende het leven te redden. Lowositz werd in brand gestoken, en alles wat dezen post moest verdedigen, vluchtte. De Pruisen hadden eene volkomene overwinning behaald!quot; ^
Anna Sophie was niet in staat verder te lezen. De al-gemeene verrukking barstte in luide jubelkreten en uitroepen van blijdschap en geluk los. De vrouwen omhelsden met vreugdetranen hunne mannen; de grijsaards dankten God met luider stem, en de knapen, die een tijd lang luisterend hunne spelen gestaakt hadden, maakten nu nog stoutere en hoogere luchtsprongen.
Alleen Anna Sophie zeide niets. Hare hooge, slanke, en toch gevulde gestalte leunde tegen den boom. Haar gelaat was met een hoogen blos bedekt, een-bezield lachje zweefde op hare half geopende lippen, en hare ten hemel geslagen oogen schitterden en vonkelden gebjk sterren. Daar stond zij als in verrukking; zij hoorde zelfs niet, dat de oude Duschmann haar naam noemde, en haar uitnoodigde verder te lezen. Toen hij zijn geroep herhaalde, ontstelde zij en liet hare blikken zacht van den hemel op de vroolijk woelende menigte, die haar omringde, neerdalen.
âWat wilt gij, vader?quot; vroeg zij, als uit een droom ontwakende.
1) Charakteristik des Siebenjiihrigen Krieges. Bd. I S. 03. Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VI.
98
t)e oude herder stond op, en terwijl hij zijn mutsje van het grijze hoofd nam, zeide hij plechtig; âGij hebt ons nu van de overwinning voorgelezen, Anna Sophie, lees ons nu ook van hen, die de overwinning met hun leven kochten. Lees ons de lijst der gesneuvelden voor!quot;
âJa, lees ons de lijst der gesneuvelden voor !quot; riepen de overigen met hem, terwijl zij eerbiedig hunne hoofden ontblootten.
Anna voldeed aan hun verlangen en zocht in het nieuwsblad naar deze lijst, en las. Langzaam en trillend klonken de namen der gesneuvelden van hare lippen, en al meer en meer verhelderden de gelaatstrekken, want â niemand der hunnen was er onder!
Eensklaps zweeg Anna Sophie, en slaakte een zachte kreet. Toen keek zij met eene uitdrukking vol schrik naar den ouden Buschmann. â Mogelijk had de grijsaard haren blik begrepen, want hij ontstelde en liet het hoofd op de borst zinken. Toen echter richtte hij hel weder fier op en een bijna gebiedenden blik op Anna Sophie werpende, zeide hij: .,Lees verder, mijne dochter!quot;
Maar Anna Sophie was er niet toe in staat. Het nieuwsblad beefde in hare hand, en haar gelaat was doodelijk bleek.
âLees verder!quot; herhaalde de grijsaard, terwijl hij gebiedend den arm naar haar uitstrekte; âLees, zeg ik. \V.wil het; ik, uw vader!quot;
Anna zuchtte diep. â âWelaan dan, ik zal gehoorzamen!quot; zeide zij, en een blik vol onuitsprekelijken jammer op den grijsaard slaande, noemde zij snikkend twee nieuwe namen.
âAnton Buschmann; â Frederik Buschmann!quot; las zij en toen van de ademlooze stilte gebruik makende, voegde zij er schielijk bij: âBeide broeders waren de eerste, die met geveld geweer op den vijand indrongen. Zij stierven den heldendood!quot;
Zij zweeg; het blad ontviel aan hare bevende handen en fladderde als met een zachten zucht voor de voeten van den ouden herder neder. Er volgde eene doodsche stilte. De door tranen verduisterde oogen der menigte waren op den ouden Buschmann gevestigd. Hij had zich wankelend, en als door den storm gebroken weder op de bank laten neervallen. Zijn hoofd diep op de borst gebogen, zoodat
99
niemand de uitdrukking van zijne gelaatstrekken kon onderscheiden, de bevende handen in den schoot gevouwen, zat hij daar, als een treffend beeld van sprakelooze smart. Zijn zoon, Karei Hendrik, die onder de menigte stond, was hem zacht genaderd, en zich tot hem nederbuigende en de armen op de schouders van den grijsaard leggende, fluisterde hij op zachten en teederen toon, het woord: âVader!quot;
De oude herder keek ontsteld op. Hij liet zijne blikken van den zoon op het gelaat der omstanders dwalen, en ontmoette overal deelnemende blikken en kommervol me-dedoogen.
âWelnu,quot; vroeg hij nu op doordringenden toon; âwaarom weent gij? Hebt gij niet gehoord, dat mijne zonen den heldendood stierven? Sneuvelden zij niet voor hun vaderland en hun Koning? Het zoude ons voegen te weenen, wanneer zij als bloodaards uit den slag ontvloden; maar Anna Sophie las het; âZij stierven den heldendood.quot; â Laat ons dan met liefde en hoogmoed aan hen denken en voor hen bidden. Zalig zijn de gestorvenen, want zij zullen den Heer zien!quot;
Hij viel op zijne knieën en tluisterde zacht vrome gebeden voor de rust der gestorvenen, en nu eerst vloeiden de tranen gelijk paarlen over zijne wangen. Aan zijne zijde knielden zijn zoon en Anna Sophie, en de menigte door aandoening en deelneming overweldigd, volgde hun voorbeeld, en O]) de knieën neergezonken, tluisterde zij de vrome gebeden hunner kerk.
Plotseling werd deze plechtige stilte door het geroffel der trom en het naderen van paarden gestoord. Eene compagnie infanterie, met den tamboer en pijper aan het hoofd, kwam de groote straat van het dorp op, en naderde de dorpelingen, die schielijk van hunne knieën opgerezen waren en in gespannen verwachting den naderenden troep te gemoet zagen.
âHet zijn Pruisen!quot; zeide de dorpsschout, die zich óók onder de menigte bevond.
âHet zijn Pruisen!quot; herhaalde de menigte met verhelderd gelaat; en de mannen, met den schout voorop, gingen hun te gemoet en geleidden hen tot midden op het plein, waar de troep bleef staan.
100
Toen naderde de schout den officier, en zijne waardigheid bekend makende, vroeg hij naar zijn verlangen.
De officier gaf den tamboer een teeken, en deze sloeg op nieuw een krachtigen roffel, Toen haalde hij eene rol papier te voorschijn en ontvouwde haar.
De dorpelingen drongen in ademlooze stille naar voren. Dicht bij den officier stond de oude herder, en naast hem zijn zoon en Anna Sophie, die bleek en ademloos den officier aanstaarde. Deze. begon nu te lezen.
Het was eene oproeping aan de dienstplichtige onge-Viuwde mannen van het dorp, om zich onder de vanen van den Koning te scharen, en hunne plaatsen in te nemen onder de rijen van hen, die het vaderland dienden. De oogst was afgeloopen, â zoo luide de oproeping,â en nu kon de Koning vorderen, dat de weerbare mannen van alle steden en dorpen zich bij hem aansloten, om zijne gevaren en overwinningen met hem te deelen. De officier droeg dus den dorpsschout op, hem morgen vroegtijdig eene lijst op maken van al de ongehuwde mannen in het dorp, opdat hij die zou kunnen oproepen, en ter verdere beslissing en bestemming naar Kleef geleiden.
Een dof gemompel liep door de rijen der toehoorders, toén de officier geëindigd had. De blijde en levendige opgewektheid van straks, had nu voor eene algemeene moedeloosheid plaats gemaakt. Ieder was vol geestdrift bereid geweest, de behaalde overwinning mede te vieren,â maar overwinningen te helpen behalen, scheen een minder ge-wenschte zaak!
De oude herder zag met toornige blikken den moedeloo-zen kring rond, en eene uitdrukking van diepe verachting overtoog een oogenblik zijn eerwaardig gelaat. Toen wendde Vlij zich tot den officier, en met luider stem zeide hij; âIk had zes zonen bij het leger ; twee van hen vielen in den slag van Lowositz, en mijn arm oud hart weent nog om de dooden; maar toch verheugt het mij, dat ik den Koning, ingevolge zijne oproeping, nog een nieuw offer kan brengen. Ik heb nog één zoon; hij is ongehuwd en heeft voor niemand te zorgen, voor vrouw noch kind, noch voor zijn ouden vader, die, Gode zij dank, nog genoeg kracht in zijn gebeente heeft, om voor zich zeiven te zorgen. Ga dus, mijn 'zoon Karei Hendrik, uw Koning roept u; ga, en zoo het
101
zijn moet, volg dan uwe broeders in hel heldengraf!quot;
Hij zweeg en legde zegenend zijne handen op liet hoofd zijns zoons. Maar Karei Hendrik scheen de geestdrift van zijn vader niet te deelen. Zijn gelaat was doodsbleek eigt; zijne geheele gestalte sidderde.
Anna Sophie zag het, en nu verbleekte ook haar vroeger zoo schitterend en vroolijk gelaat, nu sloeg ook zij beschaamd den blik ter aarde. â De officier, wier de neerslachtigheid der boeren niet ontging, wilde hun tijd laten om zich te herstellen en te bekomen. âLaat ons dit alles tot morgen laten rusten,quot; zeide hij: âmorgen, heer schout, zuil gij mij de lijst overhandigen en dan zullen wij de ongehuwde knapen uitzoeken, die,- â ik ben er van overtuigd, â met blijmoedige dapperheid aan den wapenkreet van hun Koning gehoor zullen geven. Nu, heer schout, verzoek ik u, mij te geleiden waar ik overnachten wil, en er zorg voor te dragen, dat mijne soldaten op de pachthoeve en in hel dorp goed kwartier vinden.quot;
Hij knikte den lieden vriendelijk toe en trok met zijne soldaten, en door den dorpsscbout geleid, verder. De menigte volgde hen sprakeloos en verbaasd, en de blijde dorpsjeugd sprong juichend en zingend om den stoet.
III.
DE MAAGD VAN BRÃNEN.
Peinzend en in zich zei ven gekeerd was Anna Sophie naar hare eenzame woning teruggekeerd, en zelfs in haar âplekje van het verloren paradijsquot; mocht het haar niet gelukken, hare kalmte en opgeruimdheid terug te vinden. Hare gedachten zweefden met onstuimig verlangen uit dit kamertje, dat haar nu voor het eerst, niet gelijk een plekje van dat paradijs, maar dompig en eenzaam als een gevangencel, als een zwijgend graf toescheen. Voor het eerst spraken hare herinneringen niet tot haar; heden voor het eerst ver-
102
gat zij, toen zij zich eindelijk op haar legerstede wierp, den avondgroet aan hare ouders.
Maar ook op hare legerstede kon Anna Sophie de gewone rust niet vinden. Zonderlinge beelden zweefden voor hare wakende oogen; vreemde droomen hielden hare opgewekte gedachten bezig. Somtijds scheen het haar toe, alsof de zegepralende, met lauweren getooide Koning voor haar stond, en haar met glimlachende blikken tot zich riep; dan weder waande zij zich zelve te zien, met de wapperende banier in de hand, de borst omgord met het schitterend pantser, terwijl zij de dappere krijgslieden die haar jubelend toejuichten, voorging. Dan weder zag zij zich verlaten en eenzaam, met eene geopende wonde in de borst, aan den rand van een graf liggende, de brekende oogen ten hemel geslagen, en met verstijfde lippen fluisterend: âtóch is het schoon voor het vaderland te sterven.quot; â Dan meende zij de broeders van haren bruidegom van het slagveld en uit de rijen der dooden te zien oprijzen, en haar met bloedende handen toewenken. Zij meende te hooren, hoe zij op hollen toon tot haar zeiden: âwreek gij onzen dood, daar onze broeder te laf is om het te doen !quot;'
âEn bij dit denkbeeld richtte zij zich op, en ging overeind op hare legerstede zitten. âHij is laf,quot; prevelde zij: âik zag hem verbleeken en sidderen.quot; â Toen was het haar, alsof een koud zwaard haar borst doorvlijmde en het met oen scherpe snede scheidde van het hart, dat zij bemind had; âO, hij is laf; en in plaats van den slag juichend te gemoet gaan, siddert hij er voor!quot;
Zij bedekte het gelaat met hare handen, alsof zij zelfs voor den nacht den blos van schaamte wilde verbergen, die hare wangen deed gloeien. Zoo zat zij langen tijd zonder beweging en als verstijfd naar de stemmen te luisteren, die in haar binnenste weergalmden en haar met wonderbare tonen betooverden en lokten. Zoo zat zij uren lang, tot de morgenschemering eindelijk aanbrak, tot de zon hare eerste stralen door het geopend venster van hare kamer zond, en haar uit hare half wakende droomen en mijmeringen wekte.
Anna Sophie ontstelde, en sprong van hare legerstede. Met bevende handen kleedde zij zich. De zon was reeds opgegaan, en Karei Hendrik wachtte haar ongetwijfeld
1ÃJ
reeds aan den zoom van hel woud, waar zij hem, volgens afspraak van den vorigen avond, heden morgen vroegtijdig zoude ontmoeten. â Toen zij hem tot deze bijeenkomst had uitgenoodigd, wist zij zelve nog niet, wat zij hem eigenlijk te zeggen had en waarover zij hem wenschte te spreken. Alleen dit wist zij, dat zij daartoe niet was genoopt geworden door het verlangen om een ongestoord uur met den geliefde alleen te zijn. Anna Sophie kende dit verlangen niet; daartoe was haar hart te kuisch, hare liefde te koel. Zij had slechts het bewustzijn, dat zij Karei Hendrik iets had mede te deelen. Wal het was, dat wist zij gisteren avond zelve nog niet!
Maar heden morgen wist zij het; heden morgen was het haar duidelijk, wat zij wilde en wat zij te zeggen had, en daarom gevoelde zij zich nu ook zoo opgeruimd en verlicht; daarom vervulde haar zulk eene opgewekte vastbe-radenheid, zulk eene moedige wilskracht. Het was, alsof hare ziel vleugelen had, alsof luide jubelliederen in haar binnenste klonken; en als door geestdrift gedragen, verliet zij hare woning en snelde het pad over, de weide langs, dat naar het woud voerde.
Aan den zoom van het woud stond Karei Hendrik, en toen hij zijne bruid zoo fier en glimlachend, zoo schitterend van jeugdigen moed en schoonheid het pad zag afkomen, scheen het hem toe, dat zij grooter en schooner was geworden. En toen zij haren bruidegom, die haar nu glimlachend tegemoet kwam, aanzag, scheen het haar toe, dat hij kleiner en minder schoon was geworden.
Toen zij tegenover elkander stonden en elkander de hand gaven, zagen zij elkander bijna met verbazing aan. Beiden kwamen elkander vreemd en veranderd voor.
âAnna Sophie,quot; zeide Karei Hendrik eindelijk treurig: âgij hebt iets tegen mij.quot;
âJa,quot; antwoordde zij: âja, ik heb iets tegen u. Anders zoude ik u niet hierheen hebben bescheiden, waar niemand ons hooren kan. Indien het wat goeds of aangenaams ware, wat ik u te zeggen heb, zoo mocht de ge-heele wereld er bij zijn en het hooren; daar het echter iets onaangenaams is, moeten wij alleen zijn.quot;
Zij zweeg en liet zich zacht op het- mos aan den zoóm van het woud nederglijden, terwijl zij Karei Hendrik stil-
104
zwijgend wenkte naast haar plaats te nemen. Hij deed het met eene zekere beschroomdheid; hij ging niet dicht naast haar zitten, zooals hij het vroeger menigmaal op deze plaats gedaan had, en zij, â wanneer zij des Zondags met vader naar het bosch gingen, en de oude man zich tot eene verkwikkende sluimering onder een büom had neder-gelegd, â hier teeder met elkander gefluisterd en geminnekoosd hadden.
âHier was het, Karei Hendrik,quot; zeide Anna Sophie haastig: âwaar gij mij voor het eerst gezegd hebt, dat gij mij bemindet.quot;
âJa, hier was het, Anna Sophie,'' antwoordde hij: âen toen hebt gij mij óók gezegd, dat gij mij bemindet, en dat gij mijne vrouw wildet worden, zoodra wij beiden genoeg bespaard zouden hebben om eene huishouding te kunnen beginnen. Maai- ik heb toch altijd gevoeld, dat gij mij niet zóó genegen waart, als de andere meisjes in het dorp het hare minnaars zijn. Gij hebt mij nog nimmer toegestaan des avonds onder uw venster te komen; ik heb u nog nimmer in de armen mogen sluiten én zoo hartelijk kussen als de andere knapen het hunne meisjes doen, en nooit, neen nog nooit hebt gij mij vrijwillig en ongevraagd een' kus gegeven, en het mij ook nog maar alleen dan vergund, wanneer mijn oude vader en zijn Phylax erbij waren.quot;
âHet ligt niet in mijn aard, om teeder te zijn,quot; zeide Anna de schouders ophalende: âin mijne boeken heb ik eens een sprookje gelezen; daar komt. een meisje in voor, waarvan gezegd wordt, dat eene booze too vergodin een band om haar hart had gelegd, zoodat het niet vrij kon kloppen, en daarover weent het meisje en klaagt steeds: âik kan slechts liefhebben, maar ik kan niet beminnen.quot;
- Zoo is het mogelijk ook met mij; maar ik ween er niet om, zooals dat dwaze meisje in mijn boek.quot;
âWas het dat, wat gij mij wildet zeggen ?quot; vroeg Karei Hendrik bijna spottend.
Zij zag hem met een vasten blik aan, die spoedig het spotachtig lachen van zijne lippen verdreef. âNeen, Karei Hendrik.quot; zeide zij : âdat was het niet, wat ik u zeggen wilde''
âZoo zeg dan het overige, want dit hindert mij, Anna . Sophie,quot; riep hij ongeduldig uit.
105
âMogelijk zal het overige dit óók wel doen, Karei Hendrik,quot; zeide zij treurig: âmaar ik moet het toch zeggen, en ik kan het niet verduren. Hoor, Karei Hendrik, vergeef mij, wanneer hetgeen ik zeg, niet waar is; luister naar wat ik u te zeggen heb. Ik vrees, dat gij niet gaarne naaiden oorlog gaat cn dat uw hart niet hoog klopt van vreugde bij het denkbeeld, dat gij spoedig soldaat zult zijn.quot;
âNeen, zeker, daar hebt gij gelijk in; ik ga niet gaarne naai' den oorlog!quot;' riep Karei Hendrik lachend uit; âEn hoe zoude ik dat ook? Het is een woest, ongeregeld leven, het krijgsleven; en het komt mij volstrekt niet Christelijk voor, dat de menschen, waar de heer pastoor toch van zegt, dat zij elkander als broeders moeten beminnen, in plaats daarvan, elkander armen en beenen afhouwen on zonder medelijden of erbarming op elkander losgaan, alsof de een de slachter en de ander de arme os ware, die zich slechts verdedigt, omdat hij het leven niet wil verliezen. En omdat elkeen de slachter, en niemand de os wil zijn, daarom alleen is het immers, dat ieder er dapper op inhouwt en zijne huid verdedigt!quot;
âHet zoude treurig zijn. Karei Hendrik, indien het zoo ware, gelijk gij zegt!quot; riep Anna Sophie het hoofd schuddend: âMaar het is niet zoo. De dappere soldaat denkt niet, neen volstrekt niet aan zijn eigen luttel leven; maai' hij denkt aan zijn vaderland, waarvoor hij blijmoedig zijn bloed wil storten; hij denkt aan den Koning, dien hij trouw zwoer en aan den roem, dien hij zich wil verwerven!quot;
Verbaasd staarde Karei Hendrik op het bezield en gloeiend gelaat van Anna. â âVanwaar weet gij dat alles?quot; vroeg hij: âWie zeide u, dat de soldaat zoo denkt?quot;
âIk las het in mijne boeken. Karei Hendrik. Daarin staat de geschiedenis van een man, Leonidas geheeten. Deze verdedigde met zijne achlhonderd soldaten eene bergengte tegen vele duizenden vijanden. Hij wist wel dat hij niet kon overwinnen, en al zijne soldaten wisten het evenzeer; maar liever wilden zij den heldendood voor het vaderland sterven, dan laf en ootmoedig hunne wapenen nederleggen en om genade smeeken; en zoo stierven zij man voor man, en deden het blijmoedig en juichend!quot;
âNu, dan moet ik zeggen, dat, hetgroote dwazen waren!quot; riep Karei Hendrik verstoord: âIk zou het in hunne plaats
106
niet gedaan hebben, maar had dadelijk om genade gesmeekt.quot;
âJa, ik geloof gaarne,quot; zeide Anna peinzend: âdat gij dit gedaan zoudt hebben. Karei Hendrik. En daarover heb ik den geheelen nacht gedacht, ot gij nu wel gaarne en blijmoedig ten oorlog trekt?quot;
âIk, volstrekt niet; ik doe het niet blijmoedig, en ik doe het ook in 't geheel niet. Ik ga heden nog naar den heer pastoor, opdat hij mij een getuigschrift geve, dat ik volstrekt niet naar den oorlog gaan kan, daar ik mi]n ouden, zwakken en ziekelijken vader moet onderhouden en hij, zoo ik er niet was, zoude moeten verhongeren.quot;
âKarei Hendrik, uw vader is niet ziekelijk en niet zwak ; en hij zal niet van honger omkomen, al zijt gij er ook niet, want hij kan zeer goed voor zich zei ven zorgen.quot;
âMaar op zijne hooge jaren kan hij elk oogenblik zwak en ziekelijk worden en mijne hulp behoeven. Ik zou dag noch nacht rust hebben, wanneer ik daarbuiten in den oorlog was en dacht, dat mijn oude vader mogelijk ziek en ellendig in zijne hut lag, en niemand had die hem verzorgde.quot;
âWees daarover onbezorgd. Karei Hendrik,quot; zeide Anna plechtig: âik zweer u, dat ik hem lief heb en als eene dochter voor hem zal zorgen. Hij zal aan niets gebrek lijden, en wanneer hij niet meer werken kan, welnu, dan heb ik gezonde handen, om voor ons beiden te kunnen werken. Ga dus gerust naar den oorlog, ik blijf in uwe plaats hier.quot;
âNeen, neen!quot; riep Karei Hendrik verbleekend; âIkzuil niet naar den oorlog gaan. Ik kan van u niet scheiden, Anna Sophie, en ik wil het ook niet. Gij hebt mij gezworen, dat gij mijne vrouw zult worden, en dus wil ik nog heden den heer pastoor vragen, dat hij ons voreenigt. Dan kunnen zij mij niet van hier wegnemen; want dan ben ik gehuwd en moet voor mijn vader en mijne vrouw zorgen!quot;
âNiet voor mij, Karei Hendrik, want ik zal u nu nog niet huwen. Hebben wij dan reeds zooveel bespaard om onze huishouding te kunnen opzetten? Is het dan nu een tijd om bruiloft te houden en zich een nest te bouwen, terwijl storm en oorlog gelijk ccn doodsengel door het land ruischen en overal ongeluk en verderf verspreiden?
107
Neen, neen, Karei Hendrik, wij kunnen nu niet huwen 1quot;
âOmdat gij niet wilt, Anna Sophie. Maar gij moet willen ! Ik heb eenmaal uw woord, en gij moet het houden! Ach, Anna Sopliie, ik verlang er zoo naar u mijne vrouw te kunnen noemen!quot;
âMaar ik verlang er volstrekt niet naar,quot; zeide zij koel, terwijl zij bedaard zijne armen, die haar omvatten wilden, afweerde: âNeen, Karei Hendrik, volstrekt geen verlangen om te huwen, en, â ik zal u iets zeggen; indien gij mij gaarne wilt huwen, en wel lieden nog, zoo geschiedt dit niet uit liefde tot mij, maar omdat gij u gaarne wilt redden!quot;
Hij sloeg voor hare groote, doordringende oogen, die zoo uitvorschend op hem rustten, den blik ter aarde. â âRedden'? Waarvoor redden, Anna Sophie?quot;
âDaarvoor, Karei Hendrik, dat gij soldaat moet worden! Want gisteren las ik op uw gelaat, dat gij geen moed hebt!quot;
âDit hebt gij gelezen?quot;
âJa, Karei Hendrik; ik las op uw voorhoofd, dat gij bevreesd zijt.quot;
âWelnu dan,quot; zeide hij na een pauze; âja, Anna Sophie, gij hebt goed gelezen! Ik heb geen moed, en ik ben be-; vreesd ! Ik ben het niet gewoon slil te blijven staan, wonneer iemand zijn geweer op mij aanlegt; ik houd er niet van, te schreeuwen; âleve de Koning!quot; wanneer de kanonkogels om mij heen suizen; ik heli den moed niet,opmen-schen in te houwen, die mij nimmer iets misdeden en die ik evenmin ooit kwaad zou willen doen. Wanneer ik er slechts aan denk, Anna Sophie, dat men mij wilde noodzaken dit te doen, sidder ik en mijn hart houdt op te slaan. Dwing mij dus niet om soldaat te worden, want ik zeg u, wanneer ik ten oorlog moet trekken, dan loop ik in den eersten veldslag weg en kom hierheen. Laten zij mij naderhand gevangen nemen en als deserteur doodschieten; ik wil liever zóó sterven, dan op andere menschen schieten!quot;
Anna Sophie uitte een kreet van ontzetting en sprong op. â âIk heb het wel gedacht,quot; zeide zij zacht, en dlt;3 armen op de borst vouwende, liep zij langzaam en peinzend op en neder.
Karei Hendrik zag haar met verbaasde en uitvorschende blikken na; maar hij had den moed niet haar aan te
lOS
spreken, want zij kwam hem heden zoo veranderden vreerad voor; en zoo het niet belachelijk geweest ware, zoude hij bijna geloofd hebben, bevreesd voor haar te zijn. Haar voorkomen kenmerkte heden zulk eene mate van ernst en trotschheid, hare schoonheid was heden zóó fier, dat hij inderdaad eerbied voor haar gevoelde; hij geloofde, dat eene Vorstin, wanneer ztj zich eens als boerin verkleedde, er zóó moest uitzien.
Juist toen hij dit dacht, bleef Anna Sophie voor hem slaan en zag met een zachten, bijna genadigen blik op hem neder. â â âKarei Hendrik,quot; zeide zij : âgij moogt niet naar den oorlog gaan. Ik zal het niet toestaan.quot;
Karei Hendrik schreeuwde luid van verrukking en sprong op. â âGij wilt dus met mij huwen, Anna Sophie? riep hij juichend uit: âGij wilt mijne vrouw worden, opdat ik hier kan blijven? Gij hebt mij dan toch zóó lief, dat gij niet van mij wilt afzien?quot;
Hij wilde haar omhelzen, maar zij weerde hem af. â âNeen,quot; zeide zij: âik wil niet met u huwen, maar gij moogt evenwel niet ten strijde trekken ; want wanneer gij als deserteur terugkeerde!, zou dat uw vader het hart breken en het zoude schande zijn, niet alleen voor mij, maar voor het geheele dorp. Overleg dus wel, wat gij zegt en wat gij denkt! Mogelijk misleidt gij u zeiven; mogelijk verbeeldt gij u slechts, dat gij niet len oorlog kunt gaan, omdat gij aan uw ouden vader en mij denkt, en ons niet zoudt willen verlaten. Raadpleeg uw geweten en uw hart, en denk dat God uw antwoord hoorl. Karei Hendrik! Gelooft gij inderdaad geen moed te hebben, en dat gij uit den slag zoudt-wegloopen?quot;
âIk geloof het, zoo waarlijk belpe mij God, Anna Sophie. Neen, ik geloof het niet, ik weet het zeer zeker! Het is tegen mijne natuur, dapper te zijn. Ik ben een llinke boer, maar ik zoude een zeer slecht soldaat zijn, en de Koning zou geen vreugde aan mij beleven.quot;
Anna Sophie zuchtte diep en bedekte haar gelaat met beide handen. Zoo stond zij langen tijd snikkend en zacht klagend tegenover haar verloofde, en hij zag hoe groote tranen van tusschen hare vingers op het mos en gras aan bare voeten neder vielen.
âWaarom weent gij toch, Anna Sophie?quot; vroeg hij verwonderd: âWat maakt u eens zoo treurig?quot;
109
Zij nam hare handen van het gelaat en schudde driftig liet hoofd, ââik schrei niet meer,quot; zeide zij ; âhet is reeds voorbij. Het waren rnijne laatste tranen. Laat ons nu bedaard overleggen en bedenken, wat er gedaan moet worden. Gij moogt geen soldaat worden!quot;
âMaar zij zullen er mij toe dwingen, want ik ben een gezonde, sterke knaap, en zij hebben groote en sterke lieden voor het doodschieten noodig!quot;
Anna Sophie richtte zich lier op, en zich schouder aan schouder met hem metende, zeide zij: âIk ben even groot als gij!quot;
âÃat is zoo,quot; zei Karei Hendrik meteen zorgeloos lachje: âgij zijt van mijne grootte. Nu, ik denk, Anna Sophie, dat wij eens tlinke en slanke kinderen zullen hebben!quot;
Zij haalde even de schouders op, en zag hem met een zonderlingen blik van ter zijde aan.
âIk ben even gezond en sterk als gij,quot; zeide zij; âen mijne oogen zien even scherp en mijne hand is even vast! Indien ik Karei Hendrik Buschmann was, zoude ik een zeer goed soldaat zijn; want ik, ik heb moed, en wanneer de kanonkogels om mij heen suisden, zoude ik niet sidderen.quot;
âMaar gelukkig zijt gij geen man,quot; zeide Karei Hendrik lachend: âmaar de schoone Anna Sophie, die mijne vrouw wordt, en dat nog wel heden, om mij daardoor van den oorlog en den soldatenstand te redden 1quot;
âNeen, Karei Hendrik; eerst moet de oorlog geëindigd zijn en Karei Hendrik Buschman moet als een dapper soldaat teruggekeerd zijn, vóór ik bruiloft met hem zal houden.quot;
âGij gelooft?quot; â vroeg hij met bevende lippen: âGij gelooft, dat ik tóch soldaat moet worden?quot;
âZij zullen het u niet kwijtschelden, want gij hebt het zelf gezegd: gij zijt een tlinke knaap, sterk en gezond; gij zijt ongehuwd en hebt voor niemand te zorgen, want uw vader heeft u niet noodig. Waarom zouden zij u dus niet nemen, daar de Koning soldaten noodig heeft?quot;
âHet is waar,quot; prevelde Karei Hendrik geheel moedeloos; âwaarom zouden zij mij niet nemen!quot; âToen riep hij na een pauze wanhopend uit: âMaar ik wil geen soldaat worden, ilgt; kan het niet! Want het is zoo; ik ben laf, ik heb
110
geen moed. Moed is een aangeboren iets, dat niemand zich kan verschairen. Niemand kan dat zich zei ven geven, en ik heb het niet! Ik kan dus geen soldaat worden!quot;
âEn gij zuW het ook niet!quot; zeide Anna Sophie vastberaden.
âWat kunt gij daaraan doen?quot;
âIk zal in uwe plaats soldaat worden!quot;
Karei Hendrik staarde haar met groote oogen aan. Eerst gevoelde hij lust tot lachen; maar toen hij in haar ernstig, gloeiend gelaat zag, â toen hij daarin een vast, onherroepelijk besluit las, werd ook hij ernstig.
âGij wilt soldaat worden?quot; vroeg hij.
âIk wil het en ik kan het, want ik heb veel moed; en wanneer ik aan den oorlog denk, dan klopt mijn hart; evenwel niet van angst, maar van vreugde en ik geloot, dat er geen schooner en zaliger dood bestaat, dan te sterven onder het gebulder van het geschut, onder de zegeliederen der voorwaarts-stormende vrienden; te sterven met het vaandel in de hand, en terwijl het bloed uit de wonden stroomt, uit te roepen:
âLeve het vaderland! Leve de Koning!quot;
Zij zag er zoo buitengewoon schitterend en bezield uit, hare gestalte verhief zich zóó majestueus en er straalde zulk een vermetel vuur uit hare oogen, zij scheen zóó volkomen veranderd in houding en uitdrukking, dat Karei Hendrik ontsteld voor haar terugweek.
âAnna Sophie, gij doet mij ijzen,quot; zeide hij huiverend; âuw voorkomen is geheel anders dan vroeger; gij zijtniet meer dezelfde, die gij gisteren waart!quot;
âNeen,quot; zeide zij: âdat ben ik ook niet. Gisteren was ik Anna Sophie Detzloff, en heden zal ik Karei Hendrik Busch-mann zijn. Zeg er niets tegen, het moet en het zal zoo zijn! Gij zult uwen vader het hart niet breken, gij zult het dorp geen schande aandoen. De Koning riep u, en aan die roepstem moet voldaan worden; maar zóódanig, dat ik in uwe plaats zal gaan; dat gij rustig uw koren zult dor-schen, uw hooi binnenhalen, uwe akkers bebouwen en uw beminden, ouden vader verzorgen, terwijl ik in uwe plaats naar het slagveld ti'ek en voor u vecht.quot;
âAnna Sophie!quot; riep Karei Hendrik met de oogen vol tranen uit; âbemint gij mij zóó, dat gij voor mij uw leven wilt wagen?quot;
Ill
Zij schudde langzaam en peinzend het hootd. â âIk zeg niet dat ik het uit liefde doe,quot; zeide zij; âik doe het alleen, omdat ik het moet, en omdat er geen andere uitweg is om ons allen te helpen. Laat ons er niet verder over spreken. Zeg slechts, dat gij het aanneemt?quot;
âHet is onmogelijk, Anna Sophie!quot;
âZeg slechts, dat gij het aanneemt, en alles zal mogelijk worden.quot;
âIk kan het niet aannemen, het zoude schande voor mij zijn!quot;
Zij drukte hare tanden vast op elkander en hare oogen schitterden van toorn. â âHoor slechts dit ééne woord,quot; zeide zij: âof gij gaat of niet, ik blijf niet hier. Ik trek uit om mijn fortuin te beproeven. Ik heb mij tot nog toe nooit gelukkig gevoeld; wellicht word ik het in den krijg. Daar ik niets te verliezen heb, kan ik slechts winnen. Spreek nu: wilt gij mij voor u soldaat laten worden of niet?quot;
âAls gij het volstrekt verlangt, zal ik het doen, Anna Sophie,quot; zeide Karei Hendrik treurig: âgij zegt, gij hebt niets te verliezen, maar ik, ik moet u verliezen, en dat wil ik niet. Omdat gij boos op mij zoudt worden en ik u wellicht verliezen zou, wanneer ik âneenquot; zeide; welnu, daarom zal ik liever âjaquot; zeggen.quot;
Anna Sophie uitte een kreet van vreugde en voor de eerste maal omarmde zij Karei Hendrik ongevraagd, en drukte vrijwillig een kus op zijne lippen.
âIk dank u. Karei Hendrik,quot; zeide zij: ânu zullen wij allen gelukkig worden!quot;
Karei Hendrik zuchtte; hij had weinig hoop dat hare voorspelling ooit bewaarheid zoude worden.
âNu echter, vervolgde zij haastig: âlaat ons nu overleggen, wat wij te doen hebben!quot;
112
IV.
AFSCHEID VAN HET DORP.
In den loop van den voormiddag begaf zich Karei Hendrik met de andere jongelingen naar den schout, waar de officier hen inspecteerde en de jongelieden uit,zocht, die voor deze lichting bestemd waren. Toen de officier den naam van Karei Hendrik uitriep on hem mededeelde, dat hij onder de opgeroepenen behoorde, was deze volstrekt niet verwonderd en zijn gelaat bleef opgeruimd en lachend, terwijl de overigen zwijgend en nadenkend voor zich heen zagen. En toen nu de officier elk een gedrukt briefje ter hand stelde en beval, daarmede nog heden avond naar 'Kleef te vertrekken, verzocht Karei Hendrik voor zich nog één dag verlof, wijl hij nog vele beschikkingen had te maken om voor zijn vader te zorgen, en omdat hij van zijn beetje have en goed en van een stukje bouwland, dat hij van zijne moeder geërfd had, een behoorlijke acte wilde laten opmaken.
De officier gaf hem voor dezen dag verlof, maar de overige jongelieden, die voor niemand te zorgen hadden en niet in het dorp geboren waren, kregen bevel nog heden te vertrekken.
Karei Hendrik verliet met opgeruimd gelaat de woning-van den schout, maar in plaats van naar het huisje te gaan dat hij met zijn vader bewoonde, liep hij naar de oude school, waar zijne bruid woonde.
Zij stond reeds voor de deur en wachtte hem op.
âNu,quot; vroeg zij gejaagd: âhoe slaat het?quot;
âAlles ging goed,quot; zeide hij treurig: âik moet soldaat worden, iïier is mijn biljet.quot;
Hij hield het haar voor, maar zij greep het haastig aan en verborg het in haren boezem. â âNu,quot; zeide zij: âhebt gij niets anders te doen, dan mij morgen avond een volkomen pak kleêren van u te bezorgen.quot;
âMijn zondagspak, Anna Sophie. Het is nog splinter-
113
nieuw; ik wilde het met de kermis voor het eerst aan-tvekken.quot;
âIk zal u niet ongelukkig maken,quot; zeide zij glimlachend: âgij kent het adres van den koopman te Kleef, waar ik uw pak bezorgen zal. Het zijn eerlijke menschen en zij zullen u niets onthouden. Den volgenden Zondag gaat gij naar de stad en haalt alles weder af.quot;
âGij wilt het pakje dus niet tot aandenken van mij behouden?quot; vroeg Karei Hendrik treurig.
âHet aandenken ligt niet in den rok; het ligt in mijn hart, Karei Hendrik, en daardoor zal het beter bewaard blijven dan door een rok, die afgedragen wordt en verslijt. Ook is het volstrekt onmogelijk u te vergeten, want ik zal uw naam toch moeten dragen 1quot;
âGij zult dien van nu af aan uw geheele leven dragen, Anna; want wanneer gij terugkeert, dan houdt gij uw woord en wordt mijne vrouw. Gij hebt het mij immers beloofd, Anna Sophie, niet waar? en daar ginds in den krijg zult gij het niet vergeten? Gij zult terugkeeren en mét mij trouwen ?quot;
âHoe kan ik weten of ik terugkom?quot; zeide zij ontwijkend: âDe dood gaat achter eiken soldaat, en op het slagveld verzamelt hij zijn oogst. Van trouwen kan dan eerst gesproken worden, als de oorlog ten einde is! Maar nu. Karei Hendrik, is het tijd om te gaan slapen. Gij hebt morgen veel te doen en ik ook. Wij moeten beiden voor ons huis zorgen; gij voor de leus, ik in vollen ernst. Goeden nacht dus. Karei Hendrik!quot;
âNiet eens een zoen geeft gij mij tot een goeden nacht, Anna Sophie?quot; vroeg hij treurig, toen zij hem bijna boos ontweek.
âEen soldaat kust geen man,quot; zeide zij glimlachend : âof het moest een kameraad zijn, die stervend naast hem op het slagveld ligt. Dien mag hij kussen, maar niemand anders. Goeden nacht. Karei Hendrik!quot;
En Anna ging het oude huis binnen, waarna zij de deur achter zich sloot. Toen stak zij een licht aan en stapte naar haar dakkamertje, naar het âplekje van het verloren paradijs.quot;
Hier ging zij voor de schrijftafel haars vaders zitten, en een blad papier nemende, begon zij te schrijven.
Mhlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VI. 8
114
Het was haar testament dat zij maakte, en zij deed het met eene vaste en rustige hand. Eerst nam zij afscheid van alle lieden uit het dorp, en bad hen om vergeving, dat zij hun verdriet moest aandoen. âMaar,quot; zoo schreef zij: âzij kon liet niet langer uithouden in de hut, waar zij zich zonder hare lieve ouders, zoo eenzaam en verlaten gevoelde. Dat het leven haar tegenstond, en daar nu haar bruidegom óók naar het leger vertrok, wist zij volstrekt niet meer, wat te beginnen.quot; â Vervolgens verdeelde zij haar beetje have en goed, en bestemde voor elk harer vriendinnen een klein aandenken, een doek of een lintje van haar zondagspak. Hare kleederen verdeelde zij onder de moeders van het dorp; haar huis echter, met alles wat daar in was, vermaakte zij aan den ouden Buschmann, en verzocht hem ten minste des zomers er in te wonen.
Toen, nadat zij hare zaken bezorgd had, legde zij zich bedaard op haar leger, om na zoo veel inspanning te rusten en te slapen. â In den droom verbeeldde zij zich, dat hare oudere haar toewenkten, haar kusten en zegenden.
Gesterkt en opgeruimd door dezen droom, ontwaakte Anna Sophie den volgenden morgen, en sprong vroolijk van haar leger. Zij wist nu, dat hetgeen zij doen wilde, goed en braaf was, want anders zouden haar vader en hare moeder niet met haar tevreden geweest, â en haar niet verschenen zijn. â Zoo ging zij welgemoed aan het werk van den dag, die de laatste zijn zoude, welke zij in hare geboorte-teplaats beleefde. â Eerst bezorgde zij hare kleine huiselijke bezigheden; pakte haar weinigje linnengoed bijeen en maakte het geheele huis schoon, zoodat het er zindelijk en keurig, als voor een feest uitzag. Toen kleedde zij zich zorgvuldig zooals gewoonlijk, en haar testament opvouwende, stak zij het in haren boezem en verliet hare woning. Met een vriendelijk en vroolijk gelaat stapte zij den weg op, door het dorp heen, en de vrouwen, die haar zoo haastig en zwijgend voorbij zagen gaan, vroegen elkander verwonderd hoe het toch komen zou, dat de vlijtige Anna Sophie vandaag vierdag hield en niet aan het werk was gegaan op de pachthoeve. Doch toen zij haar den weg naar de pastorie zagen inslaan, verwonderden zij zich niet meer; want zij hadden Anna Sophie er alzoo dikwijls zien
115
heengaan, om voor den een of anderen zieke of arme in het dorp de hulp van een pastoor in te roepen.
Maar heden was Anna Sophie voor zich zeivenaarden vromen, ouden pastoor gegaan, om voor de laatste maal bij hem te biechten. Hij kende haar zoolang zij leefde. Ilij had haar gedoopt en haar voor den eersten keer het Avondmaal toegediend. Hem had zij altijd hare geheimste gedachten gebiecht, en hij had haar altijd met liefderijken glimlach, voor hetgeen zij hare zonden noemde, absolutie geschonken. Van hèm behoefde zij niet te vreezen, dat hij het heilig geheim der biecht zoude veriaden, en voor hem stortte zij zonder terughouding, haar geheele hart uit. â De oude pastoor was diep bewogen over hetgeen hij vernam, en haar zegenende, vloeiden de tranen uit zijne oogen.
Nadat Anna Sophie een lang en roerend afscheid van den ouden pastoor had genomen en de sporen haver tranen had weggevaagd, verliet zij de pastorie en begaf zich naar den ouden vader Buschmann, die heden zijne schapen op de weide aan den kant van het woud hoedde. Hij zat naast het kleine voetpad, op dezelfde plaats, waar Anna Sophie gisteren met zijn zoon had gezeten, en waar het lot van haar geheele leven was beslist geworden. Toen de grijsaard haar zag komen, wenkte hij met zijne hand en knikte haar vriendelijk een welkomstgroet toe.
âIk heb u gisteren den geheelen dag niet gezien, Anna Sophie,quot; zeide de grijsaard, toen zij nu voor hem stond; âik was er geheel zwaarmoedig door geworden; het was mij altijd of ik iets miste.quot;
âDaarom zal ik heden den geheelen dag bij u blijven,quot; zeide zij, terwijl zij naast hem ging zitten en hem hartelijk kuste: âik ben heden niet naar mijn werk gegaan, want mijn hart is vol verdriet en ik wil bij u uitrusten.quot;
âGij hebt verdriet omdat Karei Hendrik weg moet, nietwaar?' vroeg de grijsaard, haar tersluiks aanziende: âGij zoudt liever willen, dat hij tehuis bleef en geen soldaat werd, niet waar?quot;
âNeen, vader, dat wil ik niet,quot; riep zij levendig; âzoudt gij dit wenschen?quot;
De oude man keek peinzend eene poos voor zich heen. Daarop zeide hij: âHet doet mij stellig leed, dat hij gaat; want, ziet ge, Anna Sophie, hij is het laatste licht, dat mij
116
van uit den tijd mijner jeugd beschijnt, en als hij weg is, zal het zeer donker om mij heen zijn, en zeer eenzaam en stil. Het deed mij goed, zijn schoon, krachtvol gelaat te zien; hem nu en dan des avonds ^n des morgens een vroolijk liedje te hooren zingen ; en wanneer ik u beiden dan hand in hand naast mij op de bank van mijne hut zag zitten, scheen het mij toe, alsof ik zelf weder jong was geworden en met mijn dierbaar oudje daar zoo teeder hand aan hand zat, zooals wij plachten te doen, toen wij beiden nog jong waren. Karei Hendrik zal al mijne schoone herinneringen mede nemen en wanneer hij heengaat, verlies ik niet alleen hèm, maar ook mijn geheel verleden!quot;
âGij wenschtet dus liever dat hij hier bleef, vader?quot; vroeg Anna dringend.
âIk zeg u, dat ik dit gaarne zou hebben, als het maar kon; maar het kan toch niet! Zijn Koning heeft hem geroepen en dus moet hij gehoorzamen.quot;
âMaar wellicht was er toch iets aan te doen, dat hij kon blijven, vader. Als gij wildet zeggen, en ik het voor u opschreef, dat gij te oud en te zwak zijt om voor u zei ven te zorgen, en verzoekt om uw eenigen kostwinner en den steun van uwen ouderdom te mogen behouden, wellicht zouden de groote heeren te Kleef zich dan laten bewegen.quot;
De grijsaard schudde langzaam en bedaard zijn hoofd. âNeen,quot; zeide hij : âdit willen wij niet beproeven, want het zou bedrog zijn en ons geene eer geven. Ik ben niet zoo zwak, dat ik zelf mijn brood niet verdienen kan; en voor Karei Hendrik zoude het schande zijn, wanneer ik hem vrij bedelde. De menschen zouden kunnen denken dat hij een lafaard was en geen moed genoeg bezat naar den krijg te gaan!''
âHoudt gij het dan voor zulk eene groote schande voor een man, wanneer hij geen moed heeft'?quot; vroeg Anna Sophie met eene vreemde uitdrukking van angstige spanning.
âJa, stelllig,quot; zeide de grijsaard bedaard: âdat is even erg voor een man, als het voor eene vrouw is, wanneer men zegt, dat zij geene deugd bezit!''
Het gelaat van Anna Sophie schitterde ; zij sloeg hare groote, zwarte oogen met eene uitdrukking van vreugde en dankbaarheid ten hemel.
117
Toen, hare innerlijke ontroering den vrijen leugel latende, sloeg zij hare armen om den hals van den grijsaard, en met haar hoofd tegen zijn schouder leunende, weende zij bitter.
De grijaard liet haar bedaard uitweenen. Hij drukte haar teeder aan zijn borst en fluisterde haar nu en dan eenige woorden van troost en liefde toe. Hij meende haar kommer te begrijpen en de bron van hare tranen te kennen. Hij dacht, dat zij weende, omdat zij nu hare laatste hoop op het behoud van den bruidegom verloren had en nu geen kans meer zag, om hem aan het gevaarlijke krijgsmansleven te'onttrekken.
âWeen niet meer, Anna Sophie,quot; zeide hij eindelijk: âuwe uogen worden geheel rood en dit zal Karei Hendrik treurig maken, als hij ziet, dat wij hem het afscheid moeie lijk maken. Zie daar komt hij juist over de weide naar ons toe. Ween dus niet meer mijn kind.quot;
Anna richtte zich met een zenuwachtige beweging van zijn schouder op en droogde haastig hare tranen quot;Ik ween niet meer vadei',quot; zeide zij; âen ik bid u, zeg toch vooral aan Karei Hendrik niet, dat ik geschreid heb. Zeg het niet, als gij mij eene liefdedienst bewijzen wilt. Ik wil u ook beloven, dat ik in het geheel niet meer treurig, â maar met geheel mijn hart te vreden zal zijn.quot;
âNu,ik zal zwijgen; maar houd dan ook uw woord en wees tevreden, opdat wij den armen jongen niet bedroeven.quot;
âDat zal ik doen, vader!quot;
En Anna Sophie hield woord. Zij zette een vroolijk en opgeruimd gelaat, heette Karei Hendrik met blijden groet welkom en praatte en schertste met den ouden man, terwijl Karei Hendrik al treuriger en stiller werd, hoe nader de avond kwam en hoe lager de zon achter de groene heuvel-keten aan den overkant van den Rijn nederdaalde.
Endelijk was het tijd de kudde naar huis te drijven; want de zon was reeds onder gegaan en Phylax had reeds al de schapen bijeengedreven. De oude man stond op, en zijne blikken vroom ten hemel slaande en zijne handen vouwende, zeide hij: âNeemt nu afscheid, kinderen! Gij zult in langen tijd geen zonsondergang met elkander beleven! Neemt dus afscheid, en zweert hier voor het aan-
418
schijn van God en van zijne schoone wereld, dat gij elkander altijd trouw zult blijven en voor elkander zult leven!quot;
Karei Hendrik keek met beschrooinden, smeekenden blik naar Anna Sophie op, maar zij wendde haar oog van hem af.
âWij hebben elkander alles, wat wij op het hart hadden, reeds gezegd, vader,quot; hernam zij bedaard; âlaat ons elkander nu niet onnoodig het afscheid moeielijk maken.''
âO, mij wordt het afscheid gemakkelijk, als ik u zweren kan, dat ik u trouw zal blijven en u eeuwig zal beminnen !quot; riep Karei Hendrik levendig: âMogen ook vele jaren ver-loopen eer wij elkander wederzien, Anna Sophie, ik zal noöit ophouden u lief te hebben en aan u te denken 1quot;
.,üat zal ik óók doen, Karei Hendrik,''zeide Anna Sophie plechtig: .,ik zal eiken dag en elk uur aan je denken! Uw naam zal altijd op mijne lippen zijn !quot;
Karei Hendrik verbleekte. Hij begreep het dubbelzinnige van deze belofte en het viel als het koude, scherpe staal op zijn hart.
âGoeden nacht nu, Anna Sophie,quot; zeide de grijsaard, wiens gebed ten einde was; âmorgon avond, wanneer gij van het werk komt, wacht ik u hier. Wij hebben elkander veel te vertellen en veel te troosten. Goeden nacht, Anna Sophie!quot;
âGoeden nacht, vader,quot; lluisterde z^ mef eene door tranen gesmoorde stem, eene vurige kus op zijne lippen drukkende.
De oude man omarmde haar hartelijk en lluisterde haar toe: âWeen nu niet, AnnaSophie,morgen avond zullen wij te zamen schreien.quot;
Anna Söphie rukte zich uit zijne armen los. â âGoeden nacht, vader,quot; zeide zij en zich onder het heengaan nog eenmaal tot haren bruidegom wendende, vroeg zij: âWanneer gaat gij naar Kleef, Karei Hendrik âVan avond om tien uur,quot; zeide hij: âik zal vannacht doorstappen, want de morgens zijn al heet, en morgen vroeg om acht uur moet ik te Kleef zijn. Ik kom bij u voor de deur en neem dan het laatste afscheid.quot;
En eindelijk was het duister. De nachtwacht in het dorp had reeds tien uur geroepen; achter de kleine groene ruiten der boerenhutten waren de lichten reeds lang uitge-
119
bluscht, en het drukke gewoel van den dag had voor de diepste stilte plaats gemaakt. Het geheele dorp rustte van het dagwerk uit. Nu kwam Karei Hendrik Buschmann met een pakje aanstappen en sloeg den weg in naar het eenzame, afgelegen schoolgebouw. Niemand zag het dan de maan, die schitterend en helder aan den hemel stond en den weg van den eenzamen wandelaar verlichtte.
Karei Hendrik behoefde niet aan te kloppen ; heden voor het eerst was Anna's deur niet voor hem gesloten. Hij mocht ongehinderd met het pakje binnentreden, waarin zich het begin van Anna Sophie's toekomst, hare eerste mannenkleeding bevond.
Een halfuur later, nadat Karei Hendrik het schoolhuis was binnengetreden, werd de deur weder geopend en eene hooge, slanke mannelijke gestalte trad naar buiten, door eene tweede gevolgd.
De maan zag alles. Zij zag, dat die man, met den hoed op het hoofd, het witte, ronde pakje aan den wandelstok over den schouder hangende, niemand anders was dan Anna Sophie Detzlolï, des schoolmeesters dochter!
De maan zag alles. Zij zag ook, dat die andere man, die achter haar stond en wiens gelaat zoo bleek was, niet omdat de maan hem in het aangezicht scheen, maar omdat hij zoo treurig en vol bitter hartzeer was; â dat deze andere de bloode Karei Hendrik was, die moedig genoeg was om zijne bruid, in zijne plaats naar den krijg te laten gaan !
De maan zag, hoe deze twee elkander nu voor het laatst de hand reikten en vaarwel zeiden.
âLaat mij u nog een eind weegs geleiden, Anna Sophie,quot; zeide Karei Hendrik: de nacht is zoo eenzaam, en spoedig komt gij aan een groot bosch. Het is beter, dat wij dit met ons beiden doorgaan, want het is er zoo duister en akelig. Laat mij u tot door het bosch vergezellen, Anna Sophie.quot;
âIk ben niet bevreesd voor het bosch. Karei Hendrik,quot; zeide zij zacht: âde sterren staan boven mij en bewaken mij, en de maan zal mij beschijnen, zoodat het bosch niet zoo donker is. Voortaan moet ik mijn weg alléén gaan, en niets ter wereld mag mij schrik aanjagen, ook de dood niet. Blijf dus hier achter, Karei Hendrik, en draag wèl zorg, dat u niemand morgen gedurende den dag in mijne hut
120
ziet. Er zal morgen niemand komen, want ik heb gezegd, dat ik een dag naar buiten, naar mijne tante ga. Ik heb voor den geheelen dag het eten voor u gereed gemaakt. De tafel is voor u gedekt en boven in mijne kamer vindt gij fraaie boeken, om te lezen. Een dag kunt gij het wel uithouden, na morgen zijt gij verlost. Vaarwel dus. Karei Hendrik!quot;
âAnna Sophie, ga niet heen,quot; bad hij weenend en sidderend : âlaat mij liever zelf gaan. Ik zal mijn hart dwingen moedig te zijn, ik zal zelf gaan. Blijf gij hier!quot;
âHet is te laat,quot; zeide zij; âen gij kunt het ook niet. Karei Hendrik. Gij zijt reeds bevreesd voor het donkere bosch, en gij denkt er niet aan, dat datgene, wat achter het bosch volgt, nog veel erger is. Laat het nu genoeg zijn. Karei Hendrik. Wij hebben afscheid genomen, en het is voorbij ! Kus uwen vader voor mij; en wanneer gij somtijds des avonds voor de deur op de bank zit, herinner hem dan aan mij.quot;
âIk zal het doen, Anna Sophie, snikte Karei Hendrik.
Maar Anna Sophie lette er niet op. Zij had zich afgewend, en stapte bedaard den weg op.
De maan zag alles! Zij zag de tranen, die langzaam aan Anna's oogen ontvloeiden en zonder dat zij het bemerkte over hare wangen rolden, terwijl zij met snelle schreden hare woonplaats verliet, en een leven vol gevaar, ontbering en nood te gemoet ging.
De maan zag alles! Zij zag Karei Hendrik, die tegen de deur van hare hut leunende, haar met wijd starende oogen en met een sidderend hart ademloos nazag, tot hij niets meer van haar zien kon, zelfs het witte pakje niet,dat haar over den schouder hing en dat zich nog langen tijd als een wit dwaallichtje heen en weder had bewogen, toen hij Anna's gestalte niet meer kon onderscheiden.
Toen keerde Karei Hendrik Buschmann in het huis zijner bruid terug en sloot de deur achter zich dicht. Zijn hart was beklemd en bedroefd; bet meest nog, omdat hij gevoelde, dat hij zich voor zich zeiven moest schamen. Hij had berouw over hetgeen hij gedaan had, en tóch ontbrak hem de kracht om het te veranderen; en terwijl hij er berouw over gevoelde en om Anna weende, verheugde het hem toch innerlijk dat hij tehuis kon blijven en
421
niet noodig had naar den woeslen, vreeselijken krijg te gaan.
Op den morgen van den tweeden dag na het vertrek van Anna Sophie waren alle bewoners van het dorp Brünen in een staat van buitengewone opgewondenheid. Tweeërlei nieuws hield uud en jong bezig. â Karei Hendrik Busch-mann was uit Kleef teruggekeerd. Men had hem geantwoord, dat men hem ditmaal nog niet noodig had en dat men hem tot de volgende oproeping terug zond. â Het tweede nieuws was: dat Anna Sophie nog niet van het bezoek bij hare tante was teruggekeerd.
Men wachtte haar verscheidene dagen, en toen zij nu nóg niet terugkeerde, ging Karei Hendrik naar het dorp waar hare tante woonde. â Maar met een treurig gelaat keerde hij terug. Anna Sophie bevond zich er niet, en hare tante had haar zelfs niet gezien!
Wat was er van haar geworden? Waar was zij gebleven? Niemand wist het zich te verklaren! Velen spraken van zelfmoord. Zij had zich, zeide men, uit droefheid over het vertrek van haren bruidegom, in den grooten vijver, niet ver van haar dorp, verdronken. âDe heer pastoor ijverde er sterk tegen. Toen de tanle echter kwam om de nalatenschap van Anna Sophie in beslag te nemen, toen was hij wel genoodzaakt het testament te voorschijn te brengen, dat Anna Sophie hem gegeven had en dat den ouden Buschmann tot haar erfgenaam benoemde.
En nu twijfelde niemand er meer aan, dat Anna Sophie Detzloff zich van het leven had beroofd. Zij was weg en bleef weg, en ieder beklaagde den armen Karei Hendrik, die sedert dien tijd altijd zoo stil en treurig was en zijne vroegere opgeruimdheid, uit droefheid om zijne bruid, de schoone Anna Sophie Detzloff, geheel scheen verloren te hebben!
122
V.
â jf
DE GEVANGENE. U
Reeds twee jaren smachtte Frederik von Trenck in de vesting van Maagdenburg. Twee jaren! Wat beteekenen die voor hem die arbeidt, leeft, worstelt en strijdt? Een kort tijdsbestek, op snelle vleugelen voorbijgaande on voor de herinnering in weinige belangrijke oogenblikken samengevat !
Twee jaren! Wat beteekenen die voor den gevangene? Eene grauwe, ondoordringbare eeuwigheid, waarinde traag neêrvallende waterdroppel der vergankelijkheid slechts zeer langzaam en slaperig den harden steen des levens uitholt, om hem tot een grat te veranderen voor dit wezen, dat zich van tijd noch aanwezen bewust is, en dat nauwelijks nog den moed bezit zich mensch te noemen!
Twee jaren van vergeefs wachten, van vergeefs hopen, van steeds nieuwe teleurstellingen, van steeds verijdelden arbeid. Ziedaar het leven dat Trenck leidde, sedert hij voor het eerst de poorten der citadel van Maagdenburg binnentrad, en als gevangene er in werd opgenomen!
Sedert had' hij vele bittere teleurstellingen, veel geheimen kommer ondervonden.Tlij had de menschelijke natuur in hare geheele boosheid en laagheid, in hare gelddorst en omkoopbaarheid, â maar ook in hare grootheid en verhevenheid, in hare goedheid en trouw leeren kennen. â Er waren onder die vesting-commandanten en officieren, die met bet toezicht over hem belast waren, wreede en versteende harten geweest, die zich heimelijk in zijn lijden verheugden en waanden, hun Koning, â wiens persoonlijke vijandschap jegens Trenck men maar al te goed kende, â welgevallig te zijn, wanneer zij den weerloozen gevangene met uitgezochte wreedheid behandelden; maar ook had hij mannen ander hen'aangetroffen met medelijdende, warme, menschelijke harten, die zich over zijn ongeluk erbarmden en gaarne bereid waren, hem tersluiks
V23
eenige verlichting in zijn treurig lot te verschalïen. En bovenal, hooit was de nacht van zijn lierker geheel duister en ondoordringbaar geweest; want altijd had eene ster dei-hoop, der liefde en trouw hem verlicht. Deze ster, die hem de schoonste en heiligste herinnei'ingen zijner jeugd, zijner vrijheid en van zijn geheele leven voor den geest bracht, deze ster heette Amalia!
Nimmer had zij opgehouden aan hem te denken, voor hem te zorgen en aan zijne bevriiding te arbeiden. Steeds vond zij middelen om hem van geld, hulp en dienstvaardige \rienden te voorzien. Maar dit alles had slechts gediend om zijn ongeluk nog te vergrooten, de muren van zijn kerker nog te vernauwen en zijne ketenen nog zwaarder te maken. â Want het verraad en het booze toeval hadden alle pogingen tot ontvluchten verijdeld, en inéén oogenblik den moeielijken en treurigen arbeid van vele maanden vernietigd.
Door het verraad van den trouweloozen baron von Wein-garten, die de rol van onderhandelaar tusschen Trenck en de prinses op zich had genomen, was de eerste en zekerste poging tot ontvluchten mislukt. Zes maanden lang had Trenck met rusteloozen ijver, met ongehoorde krachtsinspanning aan een onderaardschen gang gewerkt, die tot zijne bevrijding moest leiden. Alles was voorbereid en geregeld. De trouwe grenadier Gefhardt, dien prinses Amalia voor Trenck had gewonnen, had hem van het noodig gereedschap voorzien en hem heimelijk door de traliën (van zijn kerker versterkende spijzen toegeworpen, opdat hij zich voor zijn reusachtigen arbeid versterken kon. Er ontbrak nu niets meer aan dan geld, om eene boot te huren, die hem, zoodra hij zijn kerker verlaten had, over de Elbe zou brengen; niets dan geld, om dan ijlings en snel zijne vlucht te kunnen voortzetten! Gefhardt had op zich genomen , den brief, waarin Trenck prinses Amalia om de middelen tot zijne vlucht smeekte, te bezorgen. Deze brief was in plaats van op papier, op een stukje linnen van het verscheurde beddelaken van Trenck, â en in plaats van met inkt, met het bloed uit Trenck's aderen geschreven. Gefhardt had dezen vreemdsoortigen brief door middel zijner geliefde, de Jodin R.ebekka, naar Berlijn en aan Weingarten gezonden. En Weingarten had de door Pöllnitz van de
124
prinses ontvangene tweeduizend thaler niet aan Uebekku gegeven, maar ze voor zich behouden en aan den Koning van Pruisen ïrenck's poging tot ontvluchting verraden.
Dit was korten tijd vóór de vlucht van Weingarten zeiven geschied, en terwijl deze de vruchten van zijn verraad in volle vrijheid genoot, moest Trenck van de citadel nóg dieper in de vreeselijke en ijzingwekkende gevangenis,
â die op bevel des Konings in de benedenkasematten voor Trenck afzonderlijk gebouwd en ingericht was geworden,
â nederdalen. â Want, getergd door Trenck's aanhoudende pogingen ter ontvluchting, welke hem voor de ge-heele bezetting van Maagdenburg tot een belangwekkenden en bewonderden martelaar maakten wilde de Koning aan deze bezetting en aan al zijne soldaten een afschrikkend voorbeeld geven, hoe onverbiddelijk en streng het vergrijp tegen de subordinatie gestraft werd, en hoe alle list en alle geestkracht te vergeefs werden aangewend, om zich aan de wrekende hand der koninklijke gerechtigheid te onttrekken. â Trenck, die in den beginne te Glatz slechts tot een halfjaar vestingstraf veroordeeld was geweest, had het door steeds vernieuwde pogingen tot ontvluchting, door gewelddadigheden en woeste uitbarstingen van zijn toorn zóó ver gebracht, dat hij tot levenslange gevangenschap veroordeeld was geworden! Hij versmachtte in een onderaardse hen kerker, die op uitdrukkelijk bevel des Konings zóódanig was ingericht, dat tot zijne bewaking volstrekt geene schildwachten en soldaten, â maar slechts één gevangenbewaarder noodig was, om de vier deuren van den gang te sluiten, die naar het vreeselijk, dompige hol leidde, waarin Trenck verkwijnde. â En het was voor den gevangenbewaarder evenmin gevaarlijk dezen gevangene te bewaken, als het gevaarlijk is, den leeuw, dien men geketend heeft, zóó ver te naderen, dat hij, door zijne ketenen weerhouden, ons niet genaken kan!quot;
Gelijk een wild dier had men Trenck in ketenen geklonken. Een ketting rammelde aan zijn voet, een ijzeren gordel omgaf zijn lichaam, en daaraan was de keten verbonden, die aan de dikke beweegbare, in den muur gemetselde ijzeren stang was vastgemaakt. Eene andere ijzeren stang, aan wier beide einden handboeien bevestigd waren, hield zijne handen geketend.
125
Een dier zoude men niel zoo wreed gemarteld en geboeid hebben; men zoude mededoogen met zijne ellende gevoeld, â en uit erbarmen met een genadeslag zijn leven geëindigd hebben! â Maar dit schepsel, dat deze folteringen onderging en steunend met zijne ketenen rammelde, â dit schepsel was een mensch, en men gevoelde dus geen mededoogen met hem; men zoude het als eene misdaad beschouwd hebben, aan zijn leven heimelijk een einde te maken; maar men beschouwde het als geene misdaad, hem langzaam, dag aan dag ter dood te martelen! âDe Koning had den commandant Bruckhausen tot de strengste bewaking van ïrenck verplicht; hij had hem gezegd, dat, indien het den gevangene gelukte te ontsnappen, de commandant niet alleen van zijn rang en betrekking vervallen verklaard zoude worden, maar dat hij ook de ledige plaats in Trenck's gevangenis zoude innemen. Dit was eene te vreeselijke bedreiging voor den eerzuchtigen en hardvochtigen commandant Bruckhausen, dan dat hij niet de strengste voor-zichtigheidsmaatregelen zoude nemen. â Hij was het dus geweest, die hem in ketenen had laten slaan; hij had de kunstige samenstelling van deze boeien verzonnen en zoo dikwijls hij tot onderzoek van den gevangene in zijn kerker kwam, verheugde hij zich met trotsche zelfvoldoening over zijn werk, wanneer hij zag, dat de gevangene ter nauwer-nood in staai was, zijne zware ketenen te torschen ; hoe hij nauwelijks ter linker- of rechterzijde twee schreden ver koude gaan, of de tinnen drinkbeker met zijne door ijzeren stangen vaneen gescheidene handen aan den mond kon brengen. En zoo dikwijls de wreede man den kerker van den gevangene verliet, droeg zijn gelaat den stempel van spotachtige vreugde, en met woeste blijdschap prevelde hij: âDie zal mü niet ontsnappen. Hèm heb ik voor altiid tam gemaakt!quot;
Maar Trenck was niet tam gemaakt, zijn moed was we/ gebroken! In die vervallen, verbrijzelde en uitgemergelde gedaante woonde nog steeds een jeugdige, krachtige, vurige geest; onder dat grove hemd, waarvan het ruwe linnen zijn huid bloedig kwetste, klopte nog steeds een gloeiend hart vol levenskracht! â Men had hem in ketenen geklonken, die men waande onverbreekbaar te zijn! Trenck alléén geloofde er niet aan. Hij geloofde aan de tooverkracht van
126
zijn wil en van zijn gelukkig gesternte, dat hem nog nimmer verlaten had!
Men had in den muur, waaraan de keten bevestigd was, met roode tichelsteenen zijn naam gemetseld; men had ile plaats, die zijne voeten betraden, met eene groote grafzerk gekenmerkt, waarop een doodshoofd en de naam âTrenckquot; waren uitgehouwen. Onder deze zerk bevond zich zijn graf; en wanneer men deze vochtige muren, waarlangs het water neersijpelde, deze donkere spelonk, die gedurende zes maanden door geen lichtstraal verhelderd werd, beschouwde, dan moest men wel gelooven, dat deze grafzerk spoedig opgenomen en de groeve geopend zoude worden, om den armen gevangene op te nemen, op wiens graf geene andere tranen zouden vloeien, dan de droppels van deze vochtige muren, die zachter en medelijdender schenen te zijn dan de wreede menschen!
Maar Trenck geloofde er niel aan. Het doodshoofd en de met zijn naam geteekende grafzerk schrikten hem niet af; zij waren voor hem niets anders, dan eene steeds vernieuwde waarschuwing om kalm te blijven, en aan deze bedreiging van den dood het onwankelbare vertrouwen en het leven tegenover quot;te stellen.
Was zijn kerker duister en door geen lichtstraal verhelderd, dan leunde hij tegen den muur en sloot de oogen, en zijne vurige vei beelding gehoorzaamde dadelijk aan zijn wil, en schilderde hem betooverende beelden uit zijn verleden. De gevangene in den groven, wollen kiel met de ketenen aan handen en voeten, veranderde dan in den door geluk en liefde verheven gunsteling van Vorsten en groeten; in den lieveling der schoonste en beminnelijkste vrouw, in den bewonderden cavalier, in den benijden hoveling!
Wanneet de honger hem dwong zich met bet zware harde brood, dat zijn eenigst voedsel uitmaakte, te verzadigen en met het troebele, slechte water, dat zich in de tinnen kruik bevond, zijn dorst te lesschen, dan dacht Trenck aan de Lucullische maaltijden, waaraan hij aan de tafels der Russische grooten, aan de zijde van den alver-mogenden Russischen minister Bestuschew had deelgenomen; dan herinnerde hij zich de fabelachtige pracht, die hem daar had omgeven, en den diepen eerbied, dien men
127
hem, â don gunsteling van den gunsteling eener Keizerin â toen betooiïd had!
Wanneer echter thans niemand hem een vertroostend en deelnemend woord toeiluisterde, omdat elk nog de strenge waakzaamheid van den commandant vreesde, â wan neer de gevangenbewaarder dagelijks zwijgend kwam, om hem met norsche gebaren zijn water en brood te brengen en zonder woord of groet hem weder verliet, dan herinnerde Trenck zich de schoone, heilige uren, waarin de liefde hem hare zoetste woorden en hare teederste namen had toegefluisterd! En deze liefde leefde nog! Zij bewaakte en verlichtte hem als zijne schoonste en laatste ster. Waarom zoude Trenck dus wanhopen, daar de liefde nog leefde, voor hém leefde?!
Neen, hij wilde niet sterven, hij wilde onder dezen grafzerk niet begraven worden. Buiten deze dikke vochtigt muren lag de wereld, de schoone, bloeiende wereld! Hij behoefde slechts deze ketenen af te schudden, die me-zware grendels gesloten, vijf deuren, welke den toegang tot zijn kerker afsloten, te openen, en het leven, de vrijheid, de wereld, eer en liefde behoorden hem weder!
En is de menschelijke wil niet slerker dan ketenen en grendels? Heeft de geest geene vleugelen, die hem, als van alle boeien ontslagen, met alle kerkers en alle folteringen doen spotten?
In den geest was Trenck vrij, want hij geloofde aan de vrijheid! Wanneer de ketenen om hem heen rammelden, dan was dit voor hem slechts een gelui l, alsof zij'hem zacht het lied der spoedige verlossing voorzongen ! Alsof zij hem met welluidend fluisteren vermaanden, ze af te schudden en weder een vrij, gelukkig mensch te worden!
En eindelijk, op zekeren dag vermocht hij aan dit gefluister on deze verlokkende en vermanende stemmen niet langer weerstand te bieden. Wanneer het hem gelukte die ketenen af te schudden, dan was de eerste schrede tot zijne bevrijding reeds gedaan, en bleef er nog slechts over de vijf deuren te openen.
Door lang beschouwen en opmerken had hij gezien, dat de binnenste deur van zijn kerker van hout was, en de getrouwe Gefhardt, die gisteren buiten voor het getraliede schietgat, dat het venster van zijn kerker uitmaakte, op
128
wacht stond, had hem op zijne vraag zacht geantwoord, dat ook de overige deuren slechts van hout waren. Aan hem had Trenck buitendien dit kleine, scherpe zakmes te danken, â den kostbaarsten schat dien hij nu bezitten kon, want daarmede moest hij beproeven zich te bevrijden.
Maar de ketenen! Eerst moest hij van de ketenen verlost zijn. Eerst moest de rechterhand vrij zijn! En zij werd het ook! Of het bloed hem al onder de nagels heendrong, toch gelukle het Trenck, zijne hand door de breede ijzeren handboei te wringen. De vrijheid had hem met haar eersten glimlach begroet. Maar de handboei der linkerhand was te nauw, om ook deze hand er doorheen te wringen. Dit moest op eene andere wijze geschieden! Met zijne keten, gelukte het hem, eenige stukken tichelsteen uit zijne gemetselde zitplaats los te breken. Zij dienden hem tot vijl, waarmede hij zóólang aan de slechts onachtzaam gesmede stiften dei' handboei sleep, tot hij deze er kon uithalen en zoo ook zijne linkerhand bevrijdde.
De ring om zijn lichaam was slechts met een haak aan de keten, die in den muur hing, bevestigd. Zich met de voeten tegen den muur steunende en zich met alle kracht naar. voren buigende, gelukte het hem dezen haak zóó veropen te buigen, dat hij de keten er met de handen kon uitnemen.
Nu ontbrak nog slechts, de zware houten keten te openen, die zijne voeten gekluisterd hield en beneden in den muur bevestigd was. Met beide voeten draaide hij deze ineen, toen slingerde hij zich met de kracht van een Hercules van den muur af, en twee schakels der keten sprongen tegelijk!
Hij was vrij! Ten minste om zich op te richten, om in zijn kerker rond te gaan. Met een gevoel van onuitsprekelijk genoegen richtte hij zijne reusachtige gestalte op; het verrukte hem zijne armen te kunnen uitbreiden, en hij deed het zóó ver, zóó sterk, alsof hij de geheele wereld die hem daar buiten wachtte, aan het hart wilde drukken. Indien de commandant Bruckhausen nu een blik in deze dompige, doffe spelonk had kunnen werpen, dan zoude hij van toorn en ontsteltenis gesidderd hebben, wanneer hij dien ongeboeiden bevrijden man gezien had, die daar met glinsterende oogen, met een gelukkigen glimlach in zijn
m
kerker stond, en met opgeheven armen de geesten der benedenwereld, die hier waarschijnlijk toefden, smeekte, hem hun bijstand te verleenen.
Maar de commandant lag in zorgelooze rust op zijn zachte legerstede; zijn oog was gesloten, en kon dus niet doordringen in dit hol, waar een man met luid kloppend hart maar zwijgend de vrijheid te gemoet juichte, en zich gereed maakte in hare armen te snellen.
Rondtastend en op de teenen voortsluipende, bereikte hij de deur van zijn kerker, en voor deze nederknielende, nam hij zijn mes en beproefde beneden aan de zich naar binnen openende deur een stukje uit te snijden, om hare dikte te onderzoeken. Het was slechts een korte arbeid; de deur bestond slechts uit eenvoudige eiken planken, en het kon dus niet moeielijk zijn, de plaats, waar zich het slot bevond, uit te snijden en dit er uit te lichten.
Zoodra hij hiervan eenmaal de overtuiging had, sloop Trenck voorzichtig naar zijne legerstede, om te rusten. Want nog heden het werk der bevrijding te beginnen, was onmogelijk. De nachl was reeds ver gevorderd, en eiken morgen te acht uur kwam de cipier om onderzoek te doen, en hem zijn brood en zijne kruik water te brengen. De tijd was niet toereikend, om het werk der bevrijding te volbrengen.
Trenck moest dus het uur van het eerstvolgende onderzoek laten voorbijgaan, eer hij zijn werk kon aanvangen. Hij moest wachten! Maar wat waren voor hem, die jaren lang gewacht had, wat waren voor hem die weinige uren ! Slechts een kort oogenblik, nauwelijks toereikend om aan zijn geluk te gewennen, om bedaard het denkbeeld te bevatten ; âik zal vrij zijn! Dit is de laatste nacht van mijne gevangenschap!quot;
Maar daar hij nog eenige uren in den kerker moest doorbrengen, kon hij ten minste een lang ontbeerd genot hebben. Hij kon zich op zijne legerstede uitstrekken; hij kon zijne leden er op uitrekken en ontspannen, zonder door de zware boeien gefolterd en gedrukt te worden, zonder bij elke beweging het gerammel der vreeselijke ketenen te hooren!
Met welk een genoegen, met welke verrukking liet hij zich nu op de matras neêrglijden; hoe dankte hij God voor dit lang ontbeerd geluk! Hoe zoet was zijn slaap en hoe heerlijk zijne droomen!
Mhlbaoh, Frederik de Qroote en sijn Hof. VI. 9
i3Ã
Versterkten verkwiktontwaaktehij den volgenden morgen vroegtijdig. Nu was het tijd zich tot het onderzoek voor te bereiden, de ketens weder aan te doen, en de plaats op den grafzerk weder in te nemen.
Zijne aan de duisternis gewende oogen ontdekten spoedig de gebarr.ten schakels der keten, die hij in zijne matras verborg. Toen bond hij met de helft van zijn haarband de beide einden der keten, die zijne voeten verbond, aaneen, hing de tweede keten weder aan den ijzerên lijfring, en nu bleef hem nog slechts over, de ijzeren stang met de handboeien aan te doen. De linkerhand, â waarvan hij de handboei geopenden de stift had uitgevijld, âwas gemakkelijk vast te maken, maar de rechterhand wilde zich niet weder door de handboei laten insluiten. Gisteravond in de vreesdij ke opgewondenheid was het hem gelukt, haar met geweld er door te schuiven, maar zij was tengevolge daarvan zeer gezwollen, en bood aan alle pogingen weerstand.
ïrenck nam weder zij,n stukje tichelsteen ter hand en poogde ook van deze boei de stift uit te vijlen, om zoodoende gemakkelijk de handboei te kunnen aandoen.
Maar alle pogingen waren vergeefs. De stilt was te vast gesmeed; het was onmogelijk haar er uit te trekken.
En al nader en nader kwam hel uur van het onderzoek. Wanneer de gevangenbewaarder binnentrad vóór zijne hand weder in de boei was, dan was alles ontdekt, en zijn ge-heele plan verijdeld. Reeds scheen het hem toe, dat hij buiten de grendels der eerste deur hoorde kraken. Meteen laatste vreeselijke inspanning klemde hij zijne hand door de boei. Zijne vingers kraakten alsof zij verbrijzeld werden; nauwelijks was Trenck in staat een kreet van smart te bedwingen; maar het gevaar dreigde, en de vrijheid kon door de vreeselijkste folteringen niet-te duur gekocht worden!
Hij verdroeg ze standvastig, en al trilde ook zijne geheele gestalte van pijn, hij overwon zei De hand werd er doorgedrongen, en toen hij nu ademloos en bijna bewusteloos tegen den muur leunde, hoorde hij de grendels van zijne deur knarsen.
De gevangenbewaarder, â gelijk altijd door den wacht-hebbenden officieren twee schildwachten vergezeld, â trad binnen.
IJ et onderzoek begon. Maar dit was in dezen kleinen,
131
lagen kerker, die volstrekt geene andere meubelen bevatle, dan een bed, den in den muur gemetselden zetel, en eene tafel, â zeer gemakkelijk. Met een enkelen gang langs de muren om te zien, of zij nergens beschadigd waren, met een vluchtigen blik op de ketenen van Trenck, die nog allen aan zijn lichaam rammelden, was het onderzoek afgeloopen, en met. een zwijgenden hoofdknik verliet de officier met de soldaten en den cipier weder den kerker.
In ademlooze spanning luisterde Trenck naar het sluiten der deuren, tot hij de grendels der vijfde deur hoorde knarsen. Nu kwam er weder leven en beweging in zijne gestalte, want nu was het tijd om aan bet werk te gaan.
Maar ach! Het was onmogelijk de gekwetste, bloedig-roode, kloppende hand, nog eens door de handboei te dringen!
Nogmaals moest hij er zich in schikken te wachten, en geduld te hebben. Maar hij deed het blijmoedig, in de volle overtuiging van den goeden uitslag zijner bevrijding.
Eindelijk na verloop van drie dagen was de zwelling ver--dwenen, en de hand had hare vroegere buigzaamheid weder herkregen. Nu was het gemakkelijk haar door de boei te schuiven, en nauwelijks was de deur na het onderzoek gesloten, of Trenck deed dit. Nu vielen de ketenen van hem af. Voor het laatst, â God geve voor het laatst, â had hij ze hooren rammelen!
Het was een reuzenwerk, dat hem nog overbleef, maar buiten voor de citadel stond de vrijheid en wachtte Trenck. Hij mocht niet langer op zich doen wachten, want hij zelf zag haar met smachtend, gloeiend verlangen te gemoet.
Zijn zakmesje grijpende, ging hij naar de deur en begon zijn werk. Deze eerste deur te openen was niet moei el ijk, want zij opende zich binnenwaarts, en de dwarsstang en het slot bleef dus bij hare opening buiten hangen.
In een half uurtje was het volbracht. Trenck kroop onder de stang door, en ging in de diepe duisternis, de armen als voelhorens voor zich uitstrekkende, verder, tot zijne handen tegenstand ontmoetten. Deze tegenstand was de tweede deur, die doorgesneden moest worden.
Maar dit was een veel moeielijker arbeid; want hier was het niet genoeg, het slot alleen af te snijden, omdat de deur naar buiten geopend werd, en dus aan den anderen
132
kant werd tegengehouden door de mede in het slot bevestigde ijzeren stang.
Het was dus noodig, de geheele deur boven de stang door te snijden, zich dan aan de stang op te heffen, en zoo het benedenste gedeelte der deur over te klimmen.
Maar Trenck wanhoopte niet. Moedig en onversaagd ging hij aan het werk. Het zweet gudste van zijn voorhoofd, en vermengde zich met het bloed, dat van zijne handen droop.
Hij lette er niet op. Hij gevoelde geen pijn, geene inspanning; want buiten voor de citadel stond de vrijheid en wachtte hem!
Eindelijk was het gelukt! Met handen, sidderend van blijdschap, hief hij bovenste gedeelte van de deur uit hare duimen en slingerde zich over de stang in de buitenste opening. Hier begroette hem de zon en het licht. Het was vele maanden geleden, sedert hij de zon, den hemel en liet frissche groen der aarde, gezien had, en nu behoorde hem dit alles weder! Er was een venster aan den rand van de gewelfde zoldering van dit voorvertrek, waarin hij zich thans bevond. Het was niet zoo hoog, dat hij er niet door kon zien.
Hij liet zijne door de zuiverste vreugdetranen verduisterde blikken op den helderen, onbewolkten hemel rusten; met een verlangend oog volgde hij de vlucht der duiven, die gelijk eene zwarte wolk langs den hemel trokken, en toen aan den horizon verdwenen. Blakend van genot dronk hij de zuivere, frissche lucht in, die voor hem den geur van alle bloesems der wereld scheen te bevatten. Nadat hij zich geheel aan het eerste wederzien der vrije wereld had overgegeven, bedwong hij met geweld zijne vreugde, om nu niet meer met een verrukt, â maar met een kalm oog de omgeving te onderzoeken.
Hij zag, dat zijn kerker in de voornaamste gracht van den eersten wal gebouwd was; hij zag zich juist tegenover den opgang tot dezen wal, en vóór deze de hooge paliisa-den, die hij eerst moest overklimmen, eer hij op den wal kon kruipen. Maar de nacht was lang, en de schildwacht, die daar boven op den wal schilderde, verdween gedurig meer dan vijf minuten uit zijn gezicht. Deze moest dus altijd een groote ruimte doorloopen, eer hij op dezelfde
133
plaats terugkeerde, en gedurende zijne afwezigheid moest de paliisade beklommen, en de wal bestegen worden.
Met een verheugd en gelukkig hart daalde Trenck weder op den grond neder. Wat hij daar buiten gezien had, had zijn moed versterkt en hem met nieuwe kracht bezield. Met vastberadenheid ging hij op de derde deur toe.
Deze bood, even als de eerste, minder moeielijkheden, en wederom was het slechts noodig, het slot uit te snijden, om dan de naar binnen openende deur te ontsluiten, en onder de stang door te kruipen.
üe zon ging onder, en de avondschemering begon te vallen, toen Trenck ook dit volbracht had, maar nu voelde hij zijne krachten uitgeput, en zijne dik opgezwollene bloedende handen, waarvan de huid met stukken neêrhing, weigerden hem hun dienst.
Met diepé moedeloosheid beschouwde hij de vierde deur, die hem, even als de tweede, weder een ontzettenden arbeid kostte, want even als deze, ging zij naar buiten open, en het was dus weder noodig, de geheele breedte der. deur boven het slot door te snijden, om haar te kunnen openen.
Geheel uitgeput en hijgend van inspanning, zette Trenck zich naast deze deur neder, en leünde met zijn nat bezweet hoofd tegen het kille hout, om het te verkoelen. Zoo zat hij een geruimen tijd, tot hij voelde dat het bloed weder kalmer door zijne aderen stroomde, dat de pijn zijner handen en de afmatting van zijne leden bedaarde, en hij weder nieuwe krachten had opgedaan.
Nu stond hij weder van den grond op, nam zijn mes in de hand en ging opnieuw aan het werk!
Langzaam, gelijk straks, vorderde het, maar â het vorderde toch! Het kon ternauwernood middernacht zijn, en de helft van de deur was reeds doorgesneden!
De maan, die helder door het venster scheen, verlichtte hem bij zijn werk en toonde hem, wat nog gedaan moest worden.
Binnen twee uren kon hij gereed zijn! Dan ontbrak nog slechts de vijfde, op den wal uitkomende deur, die, zoo als Gefhardt hem gezegd had, aan de buitenzijde met een ijzeren stang voorzien was en waarvan dus enkel het slot behoefde uitgesneden te worden.
134
Binnen drie uren kon alles afgeloopen zijn; binnen drie uren kon hij buiten, in de vrije, frissche, goddelijke Natuur wezen; kon hij een vrij, gelukkig mensch zijn!
Met vernieuwden moed, met vernieuwde kracht ging Trenck na eene korte rust weder aan het werk. Met een krachtigen ruk schoof hij zijn mes weder in de doorsnede van de deur, en drong met kracht in het hout door.
Daar bleef plotseling zijne hand steken; â aan de andere zijde der deur hoorde men een zacht rinkelen en met een dollen kreet van smart zonk Trenck neder!
Het lemmet van het mes was gebroken, en aan de andere zijde der deur nedergevallen!
Nu was hij verloren, nu was geene redding meer mogelijk!
Yol schrik vluchtte hij weg van de deur en snelde naar het venster! Was er dan geen kans daar op te klimmen en van daar te ontvluchten?
Neen, neen! Er was geen middel daar op te komen, geene mogelijkheid zich door die kleine opening heen te wringen.
Hij was verloren! Geene redding meer! â
Nu zonk hij voor dit venster op de knieën en staarde naar den hemel, terwijl zijne lippen onverstaanbare woorden fluisterden.
Waren het gebeden, waren het verwenschingen, of was het slechts de zachte doodsklacht der stervende vrijheid, der wegstervende hoop? â
Eindelijk stond hij weder op; zijn gelaat, dat doodelijk bleek was, toonde eene vastberaden, onverzettelijke uitdrukking. Wankelend, en langs den muur tastend, keerde hij naar zijn kerker terug, dien hij straks zoo hoopvol verlaten had. Met het afgebroken mes in de hand tastte hij naar zijn legerstede rond, en liet zich daar op nederglijden.
Niet om te rusten, om te slapen, maar om te sterven. Hij kon'aan niets anders denken, niets anders overleggen, dan alleen: âik wilsterven!'' Zijn levenslust was uitgeput, zijn geestkracht verbroken! Met het leven had hij afgedaan!
Langzaam hief hij zijne hand met het gebroken mes op, en al zijne krachten tot eene laatste beslissende daad ver-kamelendè, boog hij zich voorover en doorsneed met een zrachtigen ruk de aderen van zijne linkervoet; toen richtte
135
hij het hoofd meteen zegevierenden glimlach weder op, en den linker arm uitstrekkende, stiet hij den stomp van zijn mes .diep in den grooten polsader van het ellebooggewricht.
Nu was het gedaan! Nu voelde hij het bloedwarm en vol uit zijne aderen vloeien; hij voelde hoe daarmede ook het laatst, ellendig overblijfsel van zijn somber, levend begraven aanwezen verdween.
Hij verloor zijn bewustzijn; eene weldadige onmacht daalde op zijn doodsbleek hoofd neder! Nu zweefde zijn zalige geest vrij en onbeteugeld buiten dezen eenzamen kerker; nu was alle smart en onheil overwonnen!
Maar wat was dat? Wie riep daar buiten aan de venster-staven van zijn kerker zacht zijn naam, en deed de lucht van dit graf door deze vreemde klanken trillen?
Toen dit roepen voor de tweede maal herhaald werd, deed eene lichte huivering ïrenck's gestalte sidderen. Dit uitspreken van zijn naam had den ontvloden geest weder in zijn omkleedsel teruggebracht.
De goddelijke droom van vrijheid was voorbij; Trenck ⢠leefde weder, en was weder een ellendig, rampzalig mensch.
En ten derde male, â ditmaal luider en dringender â hoorde hij zijn naam noemen; ten derde male riep deze als ware het van den hemel klinkende stem; âTrenck! Baron Trenck!quot;
Trenck verzamelde al zijne krachten; het gelukte hem, quot; de nog door de kramp der onmacht gesloten lippen te openen, en de vraag te uiten: âWie roept mij?quot;
âIk ben het,quot; zeide de stem;,, ik, uw getrouwe Gefhardt! Heb ik u op den citadel niet hulp en bijstand gezworen? Nu ben ik over uwe gevangenis op den wal geslopen, alleen, om u te zeggen, dat ik aan u denk, dat gij den moed niet moet opgeven, want de hulp is nabij. Een onbekend heer droeg mij gisteren weder een groet voor u op en gaf mij eene rol geld, dat gij tot uwe vlucht gebruiken moet. Geef dus acht, ik zal u die door het venster toewerpen.quot;
âHet is te laat, Gefhardt, alles te laat,quot; steunde Trenck âik lig hier badende in mijn bloed; morgen vindt gij mij dood!quot;
âEn waarom sterven?quot; vroeg de frissche, krachtige stem van den grenadier; âHoe kunt gij thans naar den dood
136
verlangen, â nu het u veel gemakkelijker valt te ontvluchten, dan op de citadel? Hier hebt gij volsti'ekt geen schildwacht, en ik zal wel middelen vinden om u werktuigen en instrumenten te verschaffen. Tracht slechts uit te breken, voor het overige laat gij mij zorgen!quot;
âMaar ik beb het dezen nacht beproefd, Gefhard, en het is mij mislukt,quot; zeide Trenck, terwijl enkele tranen aan zijne oogen ontvielen en langzaam over zijn ingevallen wangen rolden.
âEen volgenden keer zal het beter gelukken, heer baron Trenck. Zoo dikwijls ik hierop wacht ben, zal ik gelegenheid zoeken u te spreken, en dan zullen wij alles overleggen. In de geheele sterreschans staat slechts een soldaat voor de wacht en een aan den sluitboom. Wanhoop dus niet! Ik moëtfnu weg, want de zon komt op en men zoude mij hier kunnen zien. Wanhoop niet! God zal u helpen! quot;Verlaat u op mij !quot; 1)
De stem zweeg reeds laug en nog luisterde Trenck naar deze klanken, die hem gelijk een engelengroet verkwikt,â en zijn kerker bestraald hadden!
Neen, nu wenschte hij niet meer te sterven! Nu had hij weder moed om het noodlot te trotseeren, en het met zijne veerkrachtige natuur weerstand te bieden!
VI.
DE BARRICADE IN DE GEVANGENIS.
Neen, nu wilde hij in den dood geen redding zoeken! Met bevende handen verscheurde hij het ruwe hemd, dat zijn lichaam bedekte, en verbond met de afgescheurde strooken zijne wonden; de geopende aderen, waaruit het bloed gestroomd had, terwijl het een plas op den grond vormde
1
Friedrich von Trenok's merkwürdige Lebensgeschichte. Th. II, S. 47.
137
En nadat hij vour den dood zoodoende de poorten had afgesloten, zette hij zich neder om te overleggen, om een middel te bedenken, hoe hij ten minste een nog grooter onheil, nog zwaardere ketens, een nog vreeselijker kerker van zich konde afweren, ora te verhinderen, dat niet nog nieuwe, vernederende straffen bij zijn lijden gevoegd werden.
Eindelijk richtte hij zich weder van zijn leger op en ging aan het werk. Met zijne ijzeren armstang stiet hij zoolang tegen zijn zitbank, tot de steenen, â waarvan de kalk door de vochtigheid van den kerker week was geworden, â loslieten.
Deze steenen hoopte hij in het midden van zijne gevangenis op, en haastte zich toen om de tweede, doorgesneden deur van zijn kerker te barricadeeren. Het benedenste gedeelte er van hing nog vast in het slot; en voor de opening daar boven spande hij zijne eigene ketens heen en weder, zoodat zij, als hel ware een traliewerk vormden, dat elk binnendringen onmogelijk maakte.
Nadat hij aldus zijne toebereidselen gemaakt en zich tot den strijd had toegenist, zette hij zich op zijne zonderlinge barricade neder; en nu, â na zulk een vreeselijken arbeid, na zooveel smart en inspanning, â sloot een verkwikkende slaap zijne oogen.
Een luid gedruisch en verwarde stemmen deden hem eindelijk ontwaken. Trenck sprong op. Achter de ketentraliën der tweede deur, zag hij de verbaasde, ontstelde aangezichten der wachters, die zich gereed maakten de ketenen los te maken.
Met een enkelen sprong stond Trenck naast de binnenste deur, en in de rechterhand een steen zwaaiende, en in de linkerhand den stomp van zijn mes houdende, riep hij met woedende gebaren: âTerug! terug! Dat niemand het wage hier te komen. Mijne steenen treffen elk zeker, die het waagt hier binnen te dringen. Zeg het den commandant, heer majoor, dat ik niet langer in ketenen wil leven. Ik wil, dat hij mij hier laat doodschieten; voor mijn dood zal ik hem danken, maar ik zal hem verwenschen en vloeken, wanneer hij mij noodzaakt een moordenaar te worden. Want ik zweer het, ik steenig al degenen, die mij willen overmeesteren!quot;
Het was een vreesclijk gezicht, dien man te zien; die vermagerde, naakte, van bloed druipende gedaante, die uit
138
het graf scheen opgestaan te zijn, om met zijne akelige, spookachtige verschijning wraak te nemen op de levenden, voor het lijden hetn in zijn graf berokkend. Zijn gelaat was doodsbleek; het lange haar hing hem los en verward, als slangen om zijn ontblooten hals; zijn lange,verwarde baard, die het geheele benedenste gedeelte van zijn bleek, mager gelaat bedekte en ver over de borst nederhing, gaf hem een woest, waanzinnig aanzien, dat nog door het vuur en het schitteren van zijne groote, diep in hunne kassen liggende oogen, verhoogd werd.
Met wezenlijken schrik en huiverend mededoogen staarden allen op den ongelukkige, wien de wanhoop nu tot het uiterste gebracht had, en die, doof en ontoegankelijk voor alle voorstellingen en beden, aan ieder den dood zwoer, die het zoude durven wagen hem te naderen.
Te vergeefs was het, dat de officieren hem bijna smeekend bezwoeren toe te geven en te bedaren; te vergeefs, dat men den veldprediker riep, en deze hem in Gods naam bezwoer, van iederen nutteloozen tegenstand af te zien.
Gods naam had op dezen wanhopenden, tot het uiterste gebrachten man geene uitwerking meer! Wat bekommerde hij zich over den naam van God, â hij, over wien niemand zich meer erbarmd had, noch God, noch menschen, â hij, dien men lot een dier vernederd had, dat men in eene kooi opsluit!
Te vergeefs was het ook, dat de toegesnelde commandant den grenadiers beval, de verschanste deur te bestormen. Trenck ontving hen met steenworpen, wierp de beide voorsten ter aarde, en de overigen weken ontsteld terug.
Juichend hief Trenck de met een nieuwen steen gewapende hand weder op, en zijn woesten, zegevierenden blik op den commandant vestigende, riep hij uit: âGij ziet, het is te vergeefs, mij levend ie willen vangen en weder in ketens te klinken. Geef dus bevel mij dood te schieten! Laat mij sterven!quot;
Maar daartoe ontbrak den commandant, â hoezeer hij het mogelijk ook vvenschte te doen, â toch de macht. In plaats van dus verder te dreigen en den aanval op de verschansing op nieuw te gelasten, begaf hij zich naar het voorvertrek en wenkte den majoor hem to volgen.
139
Trenck stond nog altijd met opgeheven arm, met gewapende hand, toen de majoor terugkeerde.
En thans, nu de strenge en gevreesde commandant zich verwijderd had, bedwong niemand de smartelijke deelneming, die aller hart bewoog. Trenck las haar op aller gelaat, in al deze op hem gevestigde blikken; en hij, wien het zoo lang aan eenig goed woord, aan eenig blijk van deelneming ontbroken had, â hij was er diep door ge-trolTen.
Zijne trekken werden zachter, zijn woeste blik werd kalmer; en toen hij nu hoorde, hoe de majoor, dien hij reeds op de citadel gekend had, hem met liefderijke woorden aansprak en bad, hem te sparen en hem niet in het ongeluk te storten, â toen deze hem zeide, dat de ge-heele schuld op hém zoude neerkomen, daar Trenck alleen door zijne onvoorzichtigheid het mes uit de citadel had kunnen medebrengen, â toen liet Trenck den arm met het vreeselijke wapen zakken, en een vloed van tranen stroomde uit zijne oogen.
âNeen,quot; zeide hij ontroerd; âdoor mij zal niemand ongelukkig worden, want het is zoo vreeselijk ongelukkig te zijn! Ik zal niemand meer tegenhouden hier binnen te dringen; zweer mij slechts, dat men mij geen zwaarder boeien zal aanleggen, dat men mij geen zwaarder straf zal opleggen.quot;
De majoor zwoer hem dit uit naam van den commandant, die hem de verzekering liet geven, dat hij, ingeval Trenck zich bedaard hield, volstrekt geene verdere melding van dit voorval zoude maken.
âWelaan dan,quot; fluisterde Trenck, den droevjgen blik naar boven slaande: âwelaan dan, dan zal ik op nieuw lijden, op nieuw dulden!quot;
Hij ging naar de deur en nam de ketens weg. âMu, cipier,quot; zeide hij: âopen gerust deze deur. Het wilde dier is weder getemd.quot;
Toen zonk hij met eert droevigen glimlach bewusteloos neder.
Men hief hem op en bracht hem op zijne legerstede. Tranen van mededoogen stonden in aller oogen; maar Trenck zag ze niet; hij hoorde die zachte deelnemende woorden, die betuigingen van vriendschap niet. De dood,
140
aan wien Trenck nog eenmaal ontrukt was, had zijne weldadige tweelingzuster, de onmacht gezonden, opdat deze hem, al ware het slechts voor korten tijd, ongevoeligheid voor zijn lijden zoude aanbrengen!
VII.
DE SLAG BIJ COLLIN.
âDe slag is verloren!quot; â Zoo klonk de smartkreet, die door de rijen der soldaten weergalmde; dat was het verschrikkelijk woord, dat hen, die nog den vermetelen moed hadden verder te willen strijden, ontwapende en hunne handen verlamde.
De Pruisen, die den vijand bij Lowositz en Praag overwonnen hadden, werden nu bij Gollin genoodzaakt, de eer van den dag aan den Oostenrijkschen veldmaarschalk Daun over te laten. Met heldenmoed hadden zij gestreden, met heldenmoed om de overwinning geworsteld; en toen deze dappere, aan de overwinning gewende Pruisen zagen, dat zij ditmaal het onderspit moesten delven, wilden zij liever sterven, dan zulk een hoon van de gehate Oostenrijkers verdragen.
âBroeders, wij hebben genoeg eer verworven! Nu is het onze beurt om te sterven!quot; Dat was de kreet, waarmede de bataljons elkander van de plek verdrongen, waarop de vuurmonden der Oostenrijksche kanonnen op nieuw dood en verwoesting aanbrachten.
De Pruisen moesten het onderspit delven, niettegenstaande de Koning en de dappere Ziethen en Maürits van Dessau zich bij hen bevonden, en hoewel deze allen wonderen van dapperheid verricht hadden.
Toen eenmaal het geloof aan de mogelijkheid der overwinning verloren was, verspreidde zich een panischen schrik door het geheele leger!
141
âWij zijn verloren!quot; Dat was de kreet van smart, die door de gelederen der soldaten gierde, die oorzaak was, dat zij de geweren wegwierpen en zich als door furiën gegeeseld, wegspoedden, om, wijl eer en overwinning verloren waren, ten minste het leven te redden!
Het was te vergeefs dat hunne generaals hen bezwoeren, zich te verzamelen en op nieuw tegen den vijand op te rukken. Zij sloegen geen acht op hen. Te vergeefs reed de Koning zelf door de gelederen der uiteenstuivende bataljons, en met het ontbloote zwaard op den vijand wijzende, riep hij uit: âVoorwaarts! Voorwaarts! Kerels, wilt gij dan eeuwig leven?quot;
Uittartend zagen zij hem aan; zij vreesden zijn schitterenden adelaarsblik en zijn koninklijk aangezicht niet meer.
Uittartend zagen zij hem aan, en antwoordden: âFrits, voor acht grosschen is er vandaag genoeg gewerkt!quot; en vervolgden hunne vlucht. Maar de Koning kon nog maar altijd aan de waarheid geen geloof hechten! Nog altijd hoopte hij op de mogelijkheid eener overwinning, en aan die mogelijkheid hechtte hij zich met de wanhoop van een drenkeling, die de golven over zich voelt heenrollen, en naar de wankelende plank grijpt, die hem redden moet! â Hij deed zijne stem weergalmen, die stem, die vroeger zooveel macht over zijne soldaten had; hij riep hen tot zich en wees op de vijandelijke batterij daar voor hen. Hij wenkte de regimentsmuziek, voor hem uit te gaan en met schetterende tonen zijne soldaten tot den aanval aan te vuren. â En nog éénmaal bracht zijne roepstem eenige getrouwen om hem heen, en een hoopje van veertig dappere soldaten was gereed, den Koning te volgen.
âVoorwaarts, laat ons de batterij bestormen!'' riep de Koning, en rende vooruit, midden door den kogelregen der vijanden heen. Wat bekommerde dit den held; wat ging hem de dood aan, â die hem slechts aan de eer en den krijgsroem van zijn leger dacht! Zoo het gelukte deze batterij te nemen, dan moest dit zijne verjaagde soldaten moed geven; dan moesten zij weder vertrouwen stellen in de gelukster van hun Koning en zich op nieuw om hem heen verzamelen!
Dat was het, wat de Koning hoopte en dacht. Dat was het, wat hem geen acht deed slaan op de fluitende en los-
442
barstende kogels. Geen enkel maal achterwaarts ziende, maar steeds de batterij in het oog houdende, die hij veroveren wilde, joeg hij voort.
Daar trof eensklaps, te midden van het schetteren der trompetten en het donderen der kanonnen, deze vreeselijke vraag zijn oor: âSire, wilt gij de batterij dan alléén veroveren V
De Koning hield zijn paard in en keek om.
En ja, hij was alleen! Niemand was bij hem, dan zijn adjudant, de majoor von Grant, die de vraag tot hem gericht had.
Ja, hij was alleen! Zij hadden hem allen verlaten, allen ! Een zware zucht ontsnapte hem; hij boog zijn hoofd op de borst, en gaf zich geheel aan de bitterheid van zijn leed over.
Een kanonskogel sloeg naast hem in den grond en woelde het zand om, en wierp liet hem in het gelaat.
De Koning gaf er geen acht op; hij was te zeer in zijn droefheid verdiept, om voor iets anders oogen te hebben.
Maar toen een kanonskogel het paard des Konings licht verwonde, zoodat het van schrik en pijn hoog steigerde, â toen greep de majoor von Grant het met geweld in de teugels.
âSire,quot; riep hij ontsteld: âwilt gij u dan volstrekt doen doodschieten? Doe het dan, maar sta mij dan toe, dat ik mij verwijder!quot;
De Koning hief het hoofd op en zag den stoutmoedigen adjudant met een droevigen glimlach aan.
âWij zullen ons beiden verwijderen,quot; zeide hij zacht, terwijl hij het paard omwendde, en de generaals tegemoet reed, die hem overal gezocht hadden en niet wisten, waarheen hij zich begeven had.
Met een lichte hoofdknik begroette de Koning hen en reed hun, zonder een woord te zeggen, voorbij. Waarheen? Dat wist niemand der generaals, maar zij volgden hein zwijgend. De Koning reed op de kleine hoogte aan, vanwaar zich zijne soldaten des morgens, als eene schitterende lawine op den vijand hadden nedergestort; nu had deze lawine zich in een stroom van bloed opgelost, en lijk aan lijk bedekte den grond.
Te midden der lijken hield de Koning stil, en overzag
143
het slagveld; hij zag hoe de Oostenrijkers juist in gesloten gelederen, met luid klinkende muziek en vroolijk gejuich van het rookende slagveld trokken, om in hun legerkamp van hunne roemrijke zegepraal uit te rusten; en toen zag hij om naar zijn loger, dat in ongeregelde vlucht wegsnelde.
Op nieuw ontsnapte een diepe zucht aan zijne horst; toen richtte hij het hoofd' vastberaden op, en riep met luide stem den Vorst Maurits van Dessau en den hertog von Bevern aan zijne zijde.
âMessieurs,quot; zeide de Koning met vaste slem; âhet lot van dezen dag is beslist. Wij hebben den slag verloren. Wij moeten nu slechts trachten, den vijand zooveel mogelijk de voordeelen der overwinning te betwisten. Verzamelt de verstrooide regimenten, en geleidt het leger door de bergengte van Plamen terug naar Nimburg. Daar zullen wij bepalen, wat ons verder te doen staat Ik ga u daarheen voor, en niemand uwer volge mij.quot;
Hij wendde zijn paard om reed langzaam den heuvel weder af, en sloeg den weg naar Nimburg in. Met gebogen hoofd, in diep gepeins verzonken, reed hij voort. Achter hem kwamen zijne getrouwe gardes du corps, die zich op een stommen wenk van den hertog van Bevern bij hem aan-slooten, en treurig en diep bekommerd tot hun heer opzagen. Eene menigte van vluchtende ruiters en rijknechten sloot zich aan de gardes du corps aan. Dit was thans het gevolg van den aan zegepralen gewenden Koning van Pruisen.
Maar eensklaps werd dit gevolg door een panischen schrik uiteengejaagd; doodsbleek kwam een ruiter met lossen teugen aanjagen en verhaalde, dat hij een troep vijandelijke huzaren ontmoet had, die hierheen snelden. Een gemompel van ontsteltenis ging onder de soldaten op, en plotseling, als op een afgesproken leoken, renden allen in ademlooze vlucht weg.
De Koning reed langzaam en bedaard verder, en langzaam en bedaard volgden de gardes du corps. Zoo trokken zij gelijk een zwijgende lijkstoet, door de vlakte vanPlaman en be reikten eindelijk Nimburg, dat de Koning aan zijne generaals als verzamelplaats had aangewezen.
De Koning hield zijn paard in, en omziende bespeurde hij nu voor het eerst zijn gevolg. Hij gaf zijn adjudant een wenk,
144
en beval hero, aan de soldaten in deze plaats huisvesting te verschalïen en aan de generaals te zeggen, dat hij hen hier verwachtte.
âWaar?quot; vroeg de verbaasde adjudant.
âHier!quot; zeide de Koning, op de omgevallen pomp wijzende, die aan den weg lag.
De Koning steeg af en wenkte de adjudanten zich te verwijderen ; en toen zij vertrokken waren, liet de Koning zich langzaam op deze oude pomp neervallen, en ondersteunde zijn hoofd, door de gouden kruk van zijn stok tegen zijn mond te drukken.
Zoo zat hij geruimen tijd in smart verzonken, â verdiept in de herinnering van den jongst verloopen dag.
Hij dacht er aan hoe hij de slagorde heden zonder de goedkeuring van zijne ervaren generaals had bepaald; hoe Mau-rits van Dessau hem bezworen had, het leger, vóór het den vijand aantastte, eene andere stelling te doen innemen. Hij herinnerde zich, dat deze Vorst had geroepen: âEen aanval van deze zijde kan onmogelijk gelukken!quot; Dat hij den Koning bezworen had, het leger verder te doen voortrukken en het dan eene meer doelmatige stelling te doen innemen.'â Hij herinnerde zich ook, hoe hij den Vorst met toorn bejegend had; dat hij met ontblooten degen naar hem heen gereden was, en met dreigende stem gevraagd had, of hij gehoorzamen wilde of niet ? ^
En vorst Maurits van Dessau had gehoorzaamd, en zijne voorspelling was vervuld geworden; â de slag was verloren!
âO,quot; fluisterde de Koning zacht voor zich heen: âhoe armzalig en nietig is toch de menschelijke geest! Het geluk van één uur bedwelmt hem en doet hem het volgende uur óók trotseeren, terwijl hij toch weten moest, dat het geluk een zeldzame gast, â het ongeluk echter de voortdurende metgezel van den mensch is! Ik heb mij door het geluk laten verblinden, en nu keert het mij den rug toe. Ik had het moeten vermoeden,quot; vervolgde hij met een treu-rigen glimlach: âFortuna is een vrouw, en iA: ben niet galant. Fortuna is het eens met de dames, die tegen mij oorlog voeren. Zij loerde op mij, en maakte gebruik van mijne mis-
1) Charakteristik des Siebenjahrigen Krieges. Th. I, S. 129,
O
145
slagen! Want het was een misslag, dat ik met drie en twintig batalljons voetvolk, zestig duizend man uit eene gunstige stelling hoopte te verdrijven! â 0, mijn groote stamvader Frederik Wilhelm, wat zegt gij van uw armen nazaat, die met de Russen, Oostenrijkers, met bijna geheel Duilschland en honderdduizendFranschen handgemeen'is ? ^ â Gij zult, ja, yij zult mij bijstaan, wannneer ik mij zeiven help, en mij zeiven niet verlaat! Indien ik heden in den slag gesneuveld ware, zoo zoude ik nu in eene haven zijn, waar ik geene stormen meer behoefde te vreezen. Maar nu moet ik nog verder zwemmen op de onstuimige zee, tot ik eindelijk onder een hoop aarde de rust en het genoegen vind, die ik over igens nergens in deze wereld heb kunnen verwerven.1) Dit is een vertroostend denkbeeld, en dit zal mij voor het leven opbeuren. Ja, inderdaad; het is goed dat ik heden nog niet gestorven ben! Nu kan ik mijn mis-slaag nog weder herstellen en de schande afwasschen. Want op mij zullen zij alle verantwoordelijklieid werpen, en slechts van mijne misslagen zullen zij spreken; niemand zal zoo rechtvaardig zijn te zeggen, dat de slag, zonder den misslag van Mannstein 2) toch nog gewonnen zoude zijn! Maar het zij zoo! Het is eene onloochenbare noodzakelijkheid voor een veldheer, dat hij voor datgene, wat zijne dienaren doen, moet instaan! Ik ben het, die den slag vei'-loren heb; en de wereldgeschiedenis zal dit in hare boeken opteekenen. Maar zij zal er later ook nog menige overwinning bij te voegen hebben, en zoo zij nu verzuimt Mannstein en Bevern ter mijner verontschuldiging aan te halen, zoo zal zijkan van mijne generaals ook niets tot mijne verkleining mogen zeggen! Ik zelf alleen wil op mijne schouders de eer en den roem van Pruisen dragen. Heden
10
1
's Konings eigen woorden. Zie; Correspondance avec le marpuis d' Argens.
2
Generaal Mannstein, die van den Koning bevel ontving, niet voort te rukken, maar met zijne regimenten in de achterhoede te blijven, liet zich door zijn strijdlust medeslepen, zoodat hij met drie bataljons het centrnmder linie verliet, om het daarvoor gelegen dorp'Chozemitz aan te tasten, doch bij welke onderneming hij de meeste zijner manschappen verloor, Charakteriatik n.S. W. Th. I, S. 134.
BlühHaoh, Frederik de Oroote en zijn Hof. VI.
446
zijn zij met mij gevallen! Met my alleen zullen zij zich ook weder verheffen!quot;
En het stralend oog ten hemel geslagen, scheen het, alsof de bezielde blik van den Koning daar boven de trot-sche zegepralen der toekomst zag schitteren.
Van lieverlede maakte daarop zijne opgewondenheid voor eene meer ernstige, kalme overpeinzing plaats; van lieverlede werd de glans van zijn aangezicht beneveld, en wendden zijne blikken zich van den hemel weder op de aarde.
Hij had op den verloren slag zijne lijkrede gehouden, nu dacht hij aan de aanstaande veldslagen, waarin hij overwinnaar wilde zijn!
Den blik vast op den grond gevestigd, teekende hij met zijn stok lijnen en figuren in het zand. Was het eene aan-teekening aangaande den verloren, âof mogelijk de regeling van den volgenden veldslag?
üe Koning was zóó zeer in deze teekeningen verdiept, dat hij volstrekt niet bespeurde, hoe zijne generaals, die hem met het overschot van zijn leger gevolgd waren, zich om hem verzameld hadden en hem op een eerbiedigen afstand omringden.
De Koning teekende steeds voort. Tn diep stilzwijgen staarden de generaals op hun Koning, vol aandacht het oogenblik te gemoet ziende, waarop hij uit zijn gepeins zoude ontwaken.
Plotseling zag de Koning op. Hij scheen volstrekt niet verrast, zijne generaals daar om zich heen verzameld te zien. Den hoed even oplichtende, begroette hij hen met een lichten hoofdknik en stond toen van zijn onaanzienlijke zitplaats op.
âHet is goed, messieurs,quot; zeide hij: âdat gij er zijt. Wij moeten nu onze maatregelen voor de toekomst nemen; want nu zullen de vijanden, â daar wij eenmaal geslagen werden, â gelooven, dat wij niet meer in staat zijn, hun krachtigen weerstand te bieden, en met des te meer woede zullen zij op ons aanvallen. Wij zullen hunbewijzen, messieurs, dat zij ons wel voor een oogenblik ternederwierpen, maar dat zij ons niet verplettei'd, niet gedood hebben. Wij zullenhunbewijzen,dat wij leven; leven om hun de lauweren weder te ontrukken, die zij ons heden ontnamen â â Heer Vorst van Dessau, spoed u terstond naar ons leger te Praag. De prins van Pruisen
147
ontvangt van mij het bevel, onmiddelijk de belegering van Praag op te heffen. Hij moet onverwijld alle generaals bijeenroepen, en met hen krijgsraad houden over de beste wijze van den terugtocht. Hij moet met hen beslissen, op welke wijze de Pruisen de belegering kunnen ophelïen, zonder den schijn te geven, alsof zij vluchtende vijanden waren, die niet vrijwillig, â maar uit nooddwang zoo handelen. Met klinkende muziek zullen zij dus de loopgraven en verschanste posten verlaten en aftrekken. Evenwel moet hun aftocht niet gelijktijdig, â maar in enkele, verdeelde partijen plaats hebben; dat zal de vijanden op een dwaalspoor brengen, en hunne oplettendheid verdeelen Zoo, met enkele afdeelingen, zal ook de terugtocht van het leger door Bohemen naar de Lausitz bewerkstelligd worden; omdat de bergachtige streek het vereenigde leger groote zwarigheden aanbiedt. Men moet echter zooveel mogelijk ver-eenigd blijven, en er op bedacht zijn, de gemakkelijkste en kortste wegen te kiezen. Dit zijn de voorschriften, die gij mijn broeder, den prins van Pruisen en den overigen generaals moet overbrengen. Aan den prins draag ik het. opperbevel over dit gedeelte van mijn leger op, en ik verwacht van hem, dat hij het omzichtig en verstandig zal weten te leiden, en het zonder het aan gevaar bloot te stellen naar de Lausitz zal brengen. In Bautzen zal ik mij met mijn legercorps met hem vereenigen, en dan, messieurs, zullen wij eene gelegenheid zoeken, om onzen vijanden, wat zij ons heden deden, te vergelden!quot;
In ademlooze spanning en met zwijgende opmerkzaamheid luisterden de generaals. Toen hij nu zweeg en hen met een vriendelijk lachje ontsloeg, herhaalden zij vol geestdrift zijne laatste wooz'den: âWij zullen onzen vijanden vergelden, wat zij ons heden deden!quot;
En als het ware door dezen uitroep der generaals me-degesleept, barstten de soldaten der kort tevoren aangekomen lijfwacht van den Koning, die niet ver van deze groep op het marktplein van het stadje gelegerd waren, in een luid en vroolijk; âHoezee! leve de Koning!quot; uit.
Langzaam wendde de Koning zijn hoofd naar hen om, en toen hij hun gering aantal overzag, verbleekte hij en drukte zijne lippen op elkander, alsof hij een kreet van smart wilde weerhouden.
148
Toen snelde hij driftig recht op de soldaten toe, die afgemat en met bloedige wonden overdekt, nauwelijks in staat waren zich staande te houden. De generaals waren den Koning gevolgd en stonden achter hem.
âKinderen,quot; riep de Koning uit: âzijn dat allen, die van u overbleven?quot;
âJa, vader, wij zijn de laatsten,quot; zeide de oude onderofficier met grijzen baard, die naast den Koning stond, âwij waren duizend in getal, en nu nog tweehonderd en vijftig!quot;
âTweehonderd en vijftig!quot; herhaalde de Koning smartelijk.
âEn het is niet onze schuld,'' vervolgde de onder-officier: âniet onze schuld, heer Koning, dat ook wij niet sneuvelden. Wij streden even dapper, als de anderen, maar de dood wilde ons niet. Mogelijk dacht hij, dat het goed was, dat er eenige van ons overbleven, om onzen Koning te beschermen. En.zoo denken wij allen! Erquot;moesten eenige overblijven, om het uur van heden aan die afschuwelijke Saksers te vergelden!quot;
âWaarom juist alleen aan de Saksers?quot; vroeg de Koning.
âOmdat zij het waren, heer Koning, â die ellendige Saksische dragonders, die ons regiment vernield en verwoest hebben. Als duivels vielen zij op onze gelederen aan, en wanneer hunne vervloekte sabels op ons neervielen, riepen zij brullend van woede:
âDat is voor Striegau!quot;1)
âO, ziet gij wel,quot; riep de Koning: âtoen zij u sloegen, dachten zij er nog aan, dat zij gewoon zijn door u overwonnen te worden'quot;
âEn zij zullen er nog menigmaal aan denken, vader,quot; zeide een oud soldaat, zich met moeite oprichtende: âLaat onze wonden maar eerst genezen zijn, dan zullen wij het hen wel vergelden!quot;
âZijt gij óók gewond, Hendrik?quot; vroeg de Koning.
1
V. Archenholtz; Geschichte des Siebenjahrigen Krieges. Th. I, S. 65, zegt van hen: âDe lijfwachten vochten, toen alles om hen heen het veld reeds geruimd had, tot zij den geest gaven; toen bedekten zij met hunne foruche gestalten, in rij en gelid uitgestrekt, liet bloedige slagveld. Evenals Pyrrhus, toen hij voor het eerst de Romeinsche legioenen bestreed, de verslagene Romeinen met verbazing beschouwde, zoo zagen Theresia's veldheeren op de Pruisische lijken, wier gelaat naar den vijand gekeerd was.
449
âJa, hier aau den arm, Majesteit.quot;
âEn de oude Klaas?''
âIs dood!''
âEn de vechtersbaas. Frits Werder?quot;
âIs dood! Hij ligt met de overigen in rij en gelid, heer Koning, en ziet met hen naar den hemel, daar zij den vijand niet meer kunnen aanzien. Zevenhonderd en vijftig van ons zijn nu in den hemel, en slechts tweehonderd en vijftig op aarde. Maar die daar boven, even als wij hier, roepen nog: âLeve de Koning!quot;
âLeve de Koning!quot; riepen allen, terwijl zij opstonden.
De Koning antwoordde niets; hij liet zijn blik treurig en zwijgend van het eene bleeke, afgematte gelaat op het andere rusten, en een onuitsprekelijke weemoed overviel hem.
âDood! Mijn beminde, getrouwe garde dood,quot; prevelde hij zacht: âzevenhonderd en vijftig mijner beste mannen gevallen!quot;
En geheel door dit droevig en pijnlijk denkbeeld over- . weldigd, weerhield de Koning de tranen niet, die in zijne oogen opwelden. Langzaam rolden zij langs zijne wangen neder, en hij schaamde er zich niet over. Hij schaamde zich niet, dat zijne soldaten hem zagen weenen!
âKinderen,quot; riep de oude onderofficier na eene pauze uit, terwijl hij zelf zich de tranen uit den baard veegde: âvan nu af zal het schoon zijn te sterven, want wanneer wij dood zijn, weent onze Koning om ons, maar, vader, gij moet niet denken, dat wij, nu wij slechts zoo weinig in getal zijn, ook nog slechts weinig eer bezitten. Zevenhonderd der onzen zijn gesneuveld, maar onze vaandels hebben wij behouden. Zij zijn in flarden gescheurd en van kogels doorboord, maar wij hebben ze!quot;
âJa, wij hebben ze!'quot; herhaalden allen als in koor, en de vaandeldragers hieven de aan flarden gescheurde, van kogels doorboorde vaandels op, en zwaaiden ze hoog in de lucht en herhaalden met vroolijk gejuich: âLeve de Koning!quot; ')
1) Mauritg van Dessau had zonder bevel des Konings de lijfwacht bevolen op te rukken. Het verlies zijner dappere garde trof den Koning zóó zeer, en hij was zóó vertoornd over het eigenmachtig bevel van den Vorst, dat hij aan de overgeblevene bataljons bevel gaf van niemand, dan van hom alleen, â onverschillig in welk geval, â bevelen aan te nemen. V. Warnery; Feldzüge Friedrich's II. Th. I, S. 144.
450
VIII.
DE VIJANDELIJKE BROEDERS.
âDe Koning komt! Fredorik trekt daar juist Rautzen binnen!quot; â Dat was het schrik-aanjagend woord, dat heden de prinsen en generaals deed verbleeken. Zij, die zoo menigmaal verheugd de roepstem des Konings gevolgd hadden, sidderden nu voor zijne blikken; want zij kwamen, om liet treurige en vernielde overschot van het leger, â dat onder het opperbevel van den prins van Pruisen, den terugtocht naar de Lausitz volbracht had tot hem te geleiden. Het was de treurigste terugtocht geweest, dien de Pruisische troepen ooit ondernomen hadden en hij had hun meer gekost, dan de bloedigste veldslag; zij hadden meer vermoeienissen en ongemakken uitgestaan, dan vroeger in een geheelen veldtocht. Over hooge, smalle en steenachtige bergpaden hadden zij den marsch gedaan; voortdurend tusschen bergen en ontzettende afgronden, â nu eens op,-dan weder nederdalende, â waren duizenden door afmatting neêrgezonken, duizenden door de voorsten tegengehouden, door de volgende voortgedrongen, in de afgronden nedergestort, die als geopende graven langs den weg gaapten. Wanneer een wagenrad brak, moest men den wagen verbranden, daar men geen tijd tot herstellen had, en men hem ook niet kon laten staan, daar zulks den voortgang van het geheele leger zou verhinderen. Eindelijk, om nóg sneller voort te komen, verdeelde men het nog voorhanden zijnde brood onder de soldaten en vei'brandde de bakkerijwagens, even als de equipage- en pontonwagens. â Ontzet wegens dit ongehoorde lijden, buiten zich zelve gebracht door al deze ongewone kwellingen, werd het geheele leger dooreen panischen schrik bevangen. De soldaten hadden niet alleen het vertrouwen op het geluk, maar ook op hunne aanvoerders verloren. Bij duizenden deserteerden zij; bij duizenden vluchtten zij, om een dood te ontgaan, die achter elke
151
rotspunt en in iedere kloof scheen te loeren.') En terwijl een gedeelte van het leger deserteerde of van honger en afmatting bezweek, streed een ander gedeelte in de berg-engte van Gabel drie dagen lang onder den generaal von Puttkarner met heldenmoed tegen den veel sterkeren vijand, voor wien men eindelijk tóch moest wijken, en zich met tweeduizend man en zeven kanonnen moest overgeven. â Uitgeput door zoo vele verliezen, doodelijk afgemat door zoo vele inspanningen, trok het leger verder naar Zittau. Eéne gedachte richtte de vermoeiden nog op, gaf den hongerigen nog nieuwe krachten. Te Zittau waren de meel- en brood-magazijnen; te Zittau de rijke Saksische stad, die men in geheel Saksen de âgoudmijnquot; noemde mocht men hopen rust te vinden, en van het lijden te bekomen. Maar eer het ongelukkige leger zóó ver gekomen was, kwam hertog Karei van Lotharingen hun voor, trok over puin en lijken de onversterkte, open stad binnen, verwoeste de Pruisische magazijnen, en legde met moedwillige wreedheid de nijvere stad geheel in de asch. Het rampzalig leger, dat nu zijne laatste hoop verloren had, sloeg nu een open kamp bij Löbau op, en trok toen na een korte rust verder naar Bautzen, dat de Koning als punt van samenkomst voor de beide legerkorpsen bepaald had.
En nu, een dag na de aankomst van de ongelukkige legerafdeeling, was ook de Koning en het leger te Bautzen aangekomen. Nu was het noodlottig oogenblik daar, waarop men den Koning onder de oogen moest komen.
Het waren dappere generaals: deprins van Pruisen, von Beveru, van Würtemberg en van Dessau; de heeren von Wintferfeldt. Golz, Ziethen, Krockow en Schwettau, â dapper en onversaagd hadden zij in alle veldslagen gestreden, maar nu voor den Koning te verschijnen, was erger dan een veldslag, en dit pijnlijk oogenblik tegemoet gaande, was het wel geoorloofd moedeloos te zijn.
Zwijgend, met sombere gelaatstrekken stegen de generaals te paard en reden den weg op; vooraan reed de prins van Pruisen, en aan zijne zijde de hei tog van Würtemberg.
1) Warnery; Feldzüge Friedrich des Grossen. Th. I, S. 170.
152
Toen zij nu op het open plein den Koning te paard ontwaarden, die hen met een duister gelaat zag naderen, kromp de prins van Pruisen ineen, en onwillekeurig zijn paard een oogenblik inhoudende, boog hij zich met een Hauwen glimlach naai' den hertog.
âIk heb een gevoel,quot; zeide hij zacht: âalsof het mijn noodlot is, dat mij daar ginds in de gedaante van mijn broeder te gemoet komt, en het staart mij met blikken aan, die mij mijn doodvonnis aankondigen. Zie slechts, hertog, mijne veroordeeling staat op het vertoornde gelaat des Ko-nings te lezen.quot;
âMaar niet u alleen zal de toorn des Konings treffen,quot; lluisterde de hertog; âmaar ons allen. Het is een storm, die ons allen bedriegt.
âEen storm, ja! De donder rolt over ons allen; maar de verpletterende bliksemstraal treft slechts één, en dat zal ik zijn,quot; zeide de prins plechtig: âik ben het offer, dat de Koning uitkoos; waardoor hij de sombere goden van het noodlot zal trachten te verzoenen!quot;
âDat verhoede God!quot; riep de hertog treurig uit; âDe Koning zal rechtvaardig zijn, hij zal inzien, dat deze vree-selijke ramp ons buiten onze schuld trof. Hij zal aan onze verklaring gehoor geven, â quot;
âIk zeg u,quot; zoo viel August Wilhelm hem in de rede: âhij moet een offer voor zijn toorn hebben, en dit offer zal ik zijn! Het zij zoo! Moge het mijn vaderland ten minste nuttig wezen. Laat ons voortrijden, hertog.quot;
Hij trok de teugels van zijn paard weder aan en zij reden voort.
De Koning stond nog op dezelfde plek, het fiere hoofd opgeheven, en de naderenden met een ijskouden blik tegemoet ziende. Toen zij dicht bij hem waren, toen zij er niet meer aan konden twijfelen, dat hij hen inderdaad gezien had, wendde de Koning zich langzaam naar eene andere zijde en keerde den aankomenden den rug toe.
Met sombere, vragende blikken zagen zij elkander aan, besluiteloos en radeloos, wat hun nu te doen stond; hun blik bleef eindelijk op den prins van Pruisen rusten, in de hoop, dat hij vooruit zoude rijden en zich bij den Koning zou aanmelden, ten einde hem zoodoende te nood zaken, acht op hem te slaan.
153
Maar prins August Wilhelm deed dit uiet. Stijlquot; en onbeweeglijk, gelijk oen metalen beeld, stond hij stil; geen trek van zijn gelaat bewoog zich, alleen om zijne bleeke opeengesloten lippen was eene lichte siddering te bespeuren.
De generaals volgden zijn voorbeeld. Zwijgend onbeweeglijk stonden zij achter hen, den blik op den Koning gevestigd houdende, die voor hen stond en hen nog steeds den rug toekeerde.
Er volgde eene lange, vreeselijke pauze. Niemand in het gevolg des Konings sprak een enkel woord. Alleen de fouriers, die voor de troepen des Konings de linie afbakende, gingen bedrijvig heen en weder. Nu naderden zij bij hunne afmetingen juist de plek, waar de Koning stond; nu moest hij wel eene andere plaats opzoeken, om ruimte voor hen te maken.
Hij wendde zijn paard om, en stond weder tegenover de generaals. Maar nu was zijn gelaat niet koel en bedaard meer, maar het gloeide van toorn.
De prins van Pruisen had evenwel den moed, dien toorn weerstand te bieden, en zijn broeder naderende, boog hij eerbiedig.
De Koning beantwoordde zijn groet niet, en scheen hem volstrekt niet te bespeuren. Een donkere wolk bedekte zijn voorhoofd, die nog donkerder werd, toen de overige generaals het insgelijks waagden, hem te naderen en hem hun eerbied te betuigen.
Eensklaps riep de Koning, met die stem, die men steeds bij veldslagen, of wanneer hij in hevige gemoedsbeweging was, van hem hoorde- âGolz! Kom hier!quot;
De generaal reed in stijve, militaire houding uit de rijen der overigen en naderden den Koning.
âGolz,quot; riep de'Koning luid, en zijn gloeiende blik scheen den ongelukkigen generaal te willen verpletteren: âGolz, zeg aan mijn broeder en alle overige generaals, dat, indien ik billijk wilde handelen, ik hen allen moest doen onthoofden;â allen, uitgezonderd Winterfeldt!quot; ^
1) 'sKoning( eigen woorden. Charakteristik des Siebenjahrigen Krieges. Th.
154
Een lichte kreet van verontwaardiging en toorn klonk uit de gelederen der generaals, en aller oogen vestigden zich misnoegd op Winterfeldt. Deze was doodsbleek geworden, en zag voor zich neder, alsof hij zich schaamde voor de onderscheiding, die de Koning juist hèm alleen liet wedervaren ; alsof hij het niet waagde diegenen aan te zien, wier schuld hij deelde, zonder nu ook hunne bestraiïing te ondergaan.
De Koning echter vestigde zijne blikken met zulk eene gloeiende, doorborende uitdrukking op de misnoegde generaals, dat zij het op hun gelaat voelden zonder dat zij het echter wagen durfden hem aan te zien.
Alleen de prins van Pruisen naderde nogmaals den Koning.
âSire,quot; zeide hij met volkomen bedaarden stem ; âmijn dienstplicht vordert, dat ik Uwe Majesteit de lijst van het leger overhandige. Wilt gij de goedheid hebben die van mij aan te nemen?quot;
Hij nam de bedoelde papieren uit zijn borstzak en overhandigde ze den Koning. Deze ontrukte ze hem driftig en keerde hem den rug toe.
âVerwijdert u, messieurs,quot; zeide hij toon: âhet hindert mij u te zien, want het herinnert mij aan de schandelijke ramp, die mijn leger door de schuld van zijne opperhoofden trof./
âSire,quot; riep nu de hertog von Bevern uit; âwil Uwe Majesteit de goedheid hebben naar onze rechtvaardiging te luisteren ?quot;
âRechtvaardiging?quot; riep de Koning, en zijne oogen schitterden van toorn: âIndien het ongehoorde onheil,dat gij allen over mijn leger bracht, gerechtvaardigd kon worden, zoude ik u beklagen, terwijl ik u allen moet verwenschen! Ga, heer hertog ! ik wil u niet zien!quot;
En met jeugdige drift van zijn paard stijgende, begaf de Koning zich met somberen wrok in zijne juist voltooide tent.
De generaals waren nu alleen ; met doodsbleeke gezichten zagen zij elkander aan, en weerhielden met moeite den toorn op de sidderende lippen en de tranen van woede in hunne oogen.
âMoeten wij dezen hoon stilzwijgend verdragen ?quot; vroeg er een.
155
âMoeten wij ons als schooljongens laten berispen ?quot; vroeg een ander.
âMoeten wij het dulden, dat men ons aanklaagt, zonder ons te mogen rechtvaardigen?quot;
Toen het gemompel der generaals steeds luider en sterker werd, trad de prins van Pruisen, die in diep gepeins verzonken ter zijde had gestaan, in hun midden.
Eene uitdrukking van geestdrift bezielde zijn gelaat, en een aandoenlijk, weemoedig lachje speelde om zijne lippen.
âNeen, mijne heeren,quot; zeide hij; âdat moogt gij niet verdragen. Ik neem het op mij ons bij den Koning te rechtvaardigen!''
âWaag het niet, prins,'' riep de hertog van Wurtem-berg; âten minste nu niet. De toorn des Konings zou u verpletteren!quot;
De prins sloeg zijn blik ten hemel. â âIk sta in Gods hand,quot; zeide hij: âen bovendien, ik wil liever door den toorn des Konings verpletterd, - - dan door zijne verachting gespaard worden! De Koning heeft mij tot opperbevelhebber van het legercorps benoemd; en wanneer hij mij in deze hoedanigheid beschuldigt, dient hij ook v/el mijne rechtvaardiging aan te hooren. Ik zal die eischen als zijn broeder, als Hohenzollern en als generaal, die het recht heeft en verplicht is rapport te geven!quot;
Hij naderde met snelle schreden de tent; de hertog van Bevern hield hem tegen.
âUwe Koninklijke Hoogheid vergunne mij u te vergezellen. Ook mij heeft de toorn des Konings persoonlijk getroffen; ik verlang dus óók mij te, kunnen rechtvaardigen.quot;
âNiemand,quot; zeide de prins ernstig; âniemand zal mij vergezellen. Gij kunt u later rechtvaardigen. Wat ik den Koning te zeggen heb, mag niemand hooren; God alleen zal mijn getuige zijn! Wacht mij dus hier mijneheeren, ik kom spoedig terug!quot;
Hij wenkte de generaals vriendelijk toe,'en trad in de tent des Konings.
âMeld mij bij den Koning,quot; beval hij den dienstdoenden kamerhuzaar, en toen deze na weinige oogenblikken terugkeerde, stapte de prins met vasten tred en hoog opgeheven hoofd de tent binnen.
De deur achter hem viel dicht en de beide broeders
156
waren alleen. De Koning zat op zijn veldstoel, die voor eene met papieren overdekte tafel stond. Hij hield de leger-lijst, die de prins hem gegeven had, in zijne hand en scheen er druk in te lezen.
De prins bleef een poos in militaire houding bij de deur staan; eindelijk echter het wachten moede, stapte hij dooide tent, en trad dicht voor den Koning.
Deze sloeg zijne groote oogen met een uitdrukking van grimmigen toorn op zijn broeder.
âIk heb u een legercorps van dertigduizend man overgegeven, en gij brengt mij er nauwelijks zestienduizend terug!quot; zeide de Koning: âWaar hebt gij mijne soldaten gelaten!quot;
âZij liggen in den bergpas van Gabel, in de afgronden van het Ertzgebergte; zij zijn van honger en dorst omgekomen, gedeeltelijk ook gedeserteerd,quot; antwoordde August Wilhelm plechtig.
âEn gij waagt het mij dit te zeggen?quot; riep de Koning met vlammenden blik.
âIk waag u te zeggen, wat het noodlot ons gedaan heeft!quot; zeide de prins.
âHet noodlot!quot; riep de Koning schouderophalend; âHet noodlot is altijd de verontschuldiging van de dwalingen misslagen der menschen. Uwe stijfhoofdigheid, uwe ongehoorzaamheid noemt gij het noodlot. Prins August Wilhelm van Pruisen, met welk recht kunt gij het wagen, tegen mijne instructiën te handelen en den terugtocht door het gebergte te nemen, in plaats van den rechten weg te houden?quot;
âUwe Majesteit heeft mij geene instructiën gegeven,quot; riep de prins levendig: âUwe Majesteit heeft mij slechts bevolen, bij alle besluiten met mijne overige generaals te raadplegen, en dit heb ik gedaan. Ik zou niet door het gebergte getrokken zijn, indien zij, â wegens de nabijheid van den vijand. â zulks niet aangeraden hadden! Maar ik zeg dit niet om mij te verontschuldigen en de anderen aan . te klagen, maar slechts o.n miin broeder te bewijzen, dat hij wellicht verkeerd heeft gehandeld met ndj onder voogdijschap van mijne generaals te stellen, dat hij verkeerd heeft gedaan, door mij een mentor ter zijde te stellen, die mijn vijand is, die mij haat en mijn ondergang zoekt!quot;
157
âGij waagt het mij vervvijtingen te doen?quot; riep de Koning met donderende stem.
âIn dit uur waag ik allesquot; hernam de prins ernstig: âwant het is het uur der beslissing tusschen u en mij, broeder! Het is een tweestrijd van den geest, en hoewel ik gevoel en weet, dat ik te zwak ben om tegenover u te zegevieren, wil ik ten minste nog met eer, en met het zwaard in de hand vallen. Ik zal vallen, maar gij zult mij niet voor een vuigen lafaard durven houden, die het niet eens waagt zich te verdedigen! Jk weet broeder, dat men mij bij u belasterd heeft; ik weet, dat zij, die de genade van uwe vriendschap ondervinden, dit beantwoorden, door zich tot spionnen van uwen broeder te maken en Uwe Majesteit overbrengen, wat zij gehoord, â en niet gehoord hebben, wat waar â en niet waar is. Ik weet, dat men mij de liefde mijns broeders onttrokken heeft, maar ik mag niet dulden, dat men mij ook zijne achting ontnemen wil! Sire, wanneer Winterfeldt u geschreven heeft, â en ik weet dat hij het gedaan heeft, â dat ik eigenzinnig en eigenmachtig ben te werk gegaan, dat ik alleen het ongeluk van het leger veroorzaakt heb,1) dan roep ik God tot getuige, dat zulks laster is. Wanneer Uwe Majesteit van instructiën spreekt, welke ik zou ontvangen hebben herinner ik slechts, dat ik u te vergeefs bezworen heb, mij die te laten toekomen; dat ik, hetgeen Uwe Majesteit mij mondeling heeft gezegd, heb opgeschreven en u gesmeekt heb, om er óf uwe goedkeuring, óf uwe aanmerkingen bij te voegen. Maar Uwe Majesteit gaf mij het papier terug, zonder uwe handteekening of de minste aanmerking er bij te voegen.2) Ik moest alléén de verantwoording op mij laden; en nu deze treurige terugtocht mislukt is, moet de geheele wereld kunnen zeggen; âDit heeft de prins van Pruisen gedaan!quot; âZiet gij, broeder, dit wist ik! De slag bij Collin eischt een offer, en men heeft mij tot dit offer bestemd!quot;
De Koning uitte een kreet van woede en vloog met opgeheven arm op den prins toe. Maar plotseling zijne zelf be-
1
Warnery; FelJzüge Priedrioh II. Th. I, S. 184.
2
Recueil des lettres du Hoi de Prusse et du prince de Prusse. P. 11.
158
heersching herkrijgend, kruiste hij zijne armen en zag den prins met een kouden, strakken blik aan.
âIk heb u bedaard laten uitspreken,quot; zeide hij : âhopende dat het mij mogelijk zou zijn, ten minste een schijn van verontschuldiging voor uwe misdaden in uwe woorden te vinden. Ik vraag u daarom: of gij ten einde zijl,en of'gij er nog iets hebt bij te voegen?quot;
âDit slechts, sire: ik verzoek u, dat gij mijne daden, welke gij misdaden noemt, zult laten onderzoeken.quot;
âWee u, wanneer ik dit doen wilde, wanneer ik aan uw doldriest verlangen gehoor gaf,quot; riep de Koning, en dicht voor den prins tredende, vervolgde hij; âgij hebt gehandeld, niet alsof gij een prins, â niet alsof gij een generaal van Pruisische troepen, â maar alsof gij een vijand, een bondgenoot van Oostenrijk en Frankrijk waart, en slechts op middelen bedacht waart om mijn leger te vernielen en èen einde aan den krijg te maken, die, ik weet het immers, uwe goedkeuring niet heeft, omdat die tegen uw welbemind Frankrijk gericht is!quot;
âAch, broeder, gij wantrouwt mij!quot; riep de prins ontsteld.
âJa, ik wantrouw u,quot; zeide de Koning heftig: âik wantrouw u, en gij verdient het! Gij zeidet zoo even, dat dit oogenblik een beslissend uur zou zijn. Welnu, het zij zoo! Ik neem dien tweestrijd der geesten aan, welke gij mij durfdet aanbieden. Maar het was niet verstandig, niet voorzichtig van u gehandeld; want gij zelf hebt mij de wapenen in handen gegeven, en die wapenen zijn vrij scherp. Ik heb door u, broeder, zoolang ik leef, veel leeds ondervonden , het begon in de dagen mijner kindsheid, en zal naar het schijnt, slechts met mijn dood eindigen. Gij waart de lieveling mijns vaders, en ik herinner mij zeer goed, dat hij mij eens voorstelde van den troon afstand te doen, en u mijne plaats over te laten. Ik bood weerstand, en ik heb dien weerstand,- zoo al niet met mijn leven, â dan toch met mijn geheele levensgeluk moeten boeten. â Ik wil u dit niet toerekenen; wellicht was het geheel buiten uwe schuld, maar het schijnt, alsof gij de wenschen van mijn vader niet vergeten hebt; alsof gij mij voor een overweldiger aanziet, die den u toekomenden troon heeft bezet, en alsof dit u een recht gaf, al mijne handelingen te be-oordeelen en te bedillen, en u tot rechter over mijne han-
159
delingen op te werpen. Toen ik dezen krijg ondernam in het bewustzijn van mijn plicht en recht als Koning, waagdet gij het er tegen te protesteeren,en in tegenwoordigheid mijner generaals van uwe rechten en die uwer kinderen te gewagen! O, mijnheer, gij dacht toen reeds aan den tijd, waarop gij dit hoofd hoopt in het graf te leggen, om over mijn lijk naar den koningstroon te stappen. In dat uur stondt gij tegen mij over niet meer als onderdaan, als broeder en vriend, â maar als de eerzuchtige Kroonprins, die zijn Koning haat, omdat hij hem van den troon afhoudt, en die door den Koning gehaat wordt, omdat hij hem aan zijn dood herinnert. En geen enkel oogenblik hebt gij sedert dien tijd uw haat verloochend!quot;
âO, broeder,quot; zeide de prins smartelijk: âuw eigen haat verblindt u en maakt u onrechtvaardig. âIk heb u altijd bemind, altijd bewonderd, zelfs dan nog, wanneer ik uwe ondernemingen niet kon billijken.quot;
âEn tóch waart gij het dleen,'' riep de Koning driftig: âgij alléén, die het waagde, over den ramp van Collin in luide weeklachten uit te breken. In plaats van den moed mijner soldaten te versterken, hen te troosten en hun vertrouwen op hun veldheer in te boezemen, toen de koerier aan u, aan de generaals en aan het geheele leger de treurmare van den verloren slag bij Collin bracht, â in plaats van dit te doen, waagdet gij het, in tegenwoordigheid van alle generaals in luide weeklachten uit te barsten, niet tfver het noodlot, niet over de onstandvastigheid van de fortuin, â maar over het gedrag van uwen broeder en Koning. In plaats van mij tegenover uwe zwijgende en verlegen generaals te rechtvaardigen, beschuldigdet gij mij en maaktet mijn ongeluk tot eene misdaad!quot; ^
âHet is waar,quot; prevelde de prins: âde smart en de verslagenheid hadden mij overmeesterd en ontnamen mij de beradenheid.quot;
âMaar, daar gij toen toch zoo wijs en krijgskundig waart,quot; vervolgde de Koning met bitteren lach; âwilde ik u gelegenheid geven, zulks aan het geheele volk, â wiens Koning gij eens zoudt worden, â te bewijzen. Omdat gij
1) V. Rfitzow. Charaoteristik. Th I. ö. 142.
100
in bijzijn mijner generaals over mijne misslagen als veldheer geklaagd en gejammerd hadt, wilde ik, dat gij hun bewijzen van uwe eigene bekwaamheid en ervarenheid zoudt geven. Ik vertrouwde u dus mijn derde legercorps toe, opdat gij het veilig en behouden zoudt geleiden, nadat i/c het in een bloedigen en heilloozen slag in gevaar had gebracht. Ik gaf u gelegenheid, om u tot den aangebeden god mijner soldaten, â tot het bewonderde voorbeeld mijner generaals te maken. Hoe hebt gij van deze gelegenheid gebruik gemaakt? Gij brengt mij verslagene, verhongerde, wanhopige soldaten; gij brengt mij generaals, die zich over hun eigen schuld schamen en blozen, die ik, wanneer ik naar dequot; gestrengheid der wet wilde handelen, aan den krijgsraad moest overleveren, en die krijgsraad zou hen veroordeelen!quot;
âEn nochtans heb ik geen bewustzijn van schuld in mij,quot; riep de prins: ânochtans waag ik het te zeggen; het noodlot was tegen mij, maar het is buiten mijne schuld!quot;
âEn ik herhaal u, dat gij gehandeld hebt, alsof gij een bondgenoot van Frankrijk waart; alsof gij mijn leger wildet vernielen, om aan dezen door u gehaten krijg een einde te maken!quot;
âDan zou ik een verrader zijn?quot; vroeg de prins heftig.
âEn wie zegt, dat gij het niet zijt?quot; riep de Koning; âWie zegt, dat hij geen verrader is, die terwijl ik met Frankrijk in oorlog ben, met den voormaligen Franschen gezant Valori in stilte briefwisseling houdt, en zich bij dezen over de hoofdigheid zijns broeders, â die zijn Koning is, â beklaagt ? Of zeg, broeder, was het u niet bekend, dat toen gij aan Valori schreeft; de Franschen reeds in Westfaalsche provinciën gerukt waren? Dat was u bekend, en nochtans waagdet'gij het aa neen Franschman t eschrijven, dat gij van den ondergang van mijn Staat overtuigd waart; nochtans waagdetgij hetmij ook tegenover hém te bedillen, en te zeggen; âCe seront mes enfants, qui seront les vie times des fautes pass ces.quot; â Wist gij niet, dat de markiezin de Pompadour dezen krijg veroorzaakt heeft? Gij wist het en nocVitans verzocht gij Valori, de markiezin over te halen, zich voor u te laten portretteeren. 1) Nu, mijnheer, ik
1
Memoires du marquis de Valori. Vol. II, pag. 204 et p. 3-10.
lül
vraag u, zijn dit geene handelingen van één verrader?quot;
De prins uitte eene kreet en sloeg zijne hand aan het zwaard. â âGij waagt het mij te beschimpen sire?quot; vroeg hij.
âIk waag het u de waarheid te zeggen,quot; zeide de Koning plechtig: âneem de hand van uw zwaard; de waarheid is een vijand, die men niet met wapenen, â maar met daden moet bestrijden, en uwe daden getuigen tegen u!quot;
De prins ademde diep, en een doodelijk bleek bedekte zijn gelaat. â âIk geloof,quot; zeide hij afgemat: âdat de tweestrijd geëindigd is; want Uwe Majesteit strijdt met wapenen, die ik niet bezit, niet begeer te bezitten, en waartegen ik mij niet verdedigen wil. Gij laat mijne brieven openen, en uit onschuldige ontboezemingen der vriendschap schept gij verraad. Wanneer men het wagen mag mij een verrader te noemen, dan is dit eene belee-diging die mij onteert, en met een eerlooze zal Uwe Majesteit niet willen strijden. Ik ga dus heen. Niemand zal de wonden, die mij hier geslagen zijn, en die tot in het binnenste mijns harten drongen, zien, â maar ik zeg u, broeder dat het doodelijke wonden voor mij zijn!quot;
âOm mij daarboven als uw moordenaar aan te klagen ?quot; vroeg de Koning bitter.
âNeen; om daarboven voor mijn vaderland te bidden, dat God het genadig moge zijn,quot; zeide de prins met zacht-moedigen glimlach. â Toen boog hij zich diep en eerbiedig, en zonder zijn afscheid af te wachten, keerde hij zich om en verliet de tent.
Buiten stonden de generaals nog altijd in ernstig zwijgen bij elkander. Toen zij nu den prins van Pruisen zoo bleek als een doode, en met zulk eene uitdrukking van smart, uit de tent des Konings zagen treden, werden allen door een smartelijk voorgevoel bevangen; het scheen hun toe, alsof hot een stervende was, die daar tot hen kwam, en hun met een glimlach van onuitsprekelijken weemoed de hand drukte.
âHet is voorbij,quot; zeide hij: âde strijd is ten einde.quot;
Op dit oogenblik trad een adjudant des Konings uit diens tent, en eenige generaals naderende, die in de nabijheid van den prins stonden, zeide hii: âZijne Majesteit beveelt te zorgen, dat de soldaten.van het derde legercorps
Uühlbaeh, Frederik de Groote en zijn Hof. VI. 11
m
üoo ver mogelijk van het overige gedeelte van het legér verwijderd blijven. Er zal aan de koninklijke soldaten tevens een bevel des Konings medegedeeld worden, waarin hun de omgang met het derde legercorps verboden wordt, omdat dit laatste alle moed en eergevoel schijnt verloren hebben !quot; ^
âDe bevelen des Konings zullen volvoei'd.worden,quot; zeiden de generaals koel, en de adjudant ging verder.
De prins van Pruisen had, als verpletterd door dezen nieuwen ^slag, een oogenblik op den arm van den hertog van Wurtemberg geleund. Nu richtte hij zich weder op, en zich tot den generaal Schulz wendende, zeide hij: âGa en haal voor het derde legercorps, dat door mij gecommandeerd wordt, het parool van den Koning.quot;
De generaal verwijderde zich zwijgend, maar keerde spoedig, bleek en somber, uit de tent des Konings terug.
âNu,quot; vroeg de prins: âhebt gij het parool?quot;
âNeen, Koninklijke Hoogheid. De Koning zeide, dat hij voor vuige lafaards en deserteurs geen parool had, en beval mij naar den duivel te loopen!quot;
Een gemompel van toorn verhief zich in de rijen der generaals. De prins liet zijne oogen van het eene donkere gelaat naar het andere waren.
âMijne heeren,quot; zeide hij : âde storm zal spoedig voorbij zijn, en de zon zal weldra weder voor u schijnen.//gt;: alleen ben de wolk, die haar voor u verduistert, en ik zal heengaan.quot;
âHoe, wilt gij ons verlaten'?quot; vroegen de generaals treurig.
âBehoor ik niet bij het derde arméecorps?quot; vroeg de prins met smartelijken glimlach: âHet zou kunnen zijn, dat de Koning aan al zijne soldaten bevel gaf, met den aanvoerder van het derde armeécorps geen omgang te houden, en gij begrijpt wel, dat ik dit moet voorkomen.quot;
âUwe Koninklijke Hoogheid vergunne mij dan u te volgen, en mede het leger te verlaten,quot; zeide de hertog van Bevern: âook ik wensch niet uitgescholden en veracht te worden, zonder mij td kunnen rechtvaardigen.quot;
1) ('haracterziige aus dem Leben Friedrich des Grossen, Küstrin 1788. Erste Sammlung, S. 98.
103
De prins schudde driftig het hoofd. â âGij zult en moet blijven, hertog,quot; zeide hij: âhet leger kau geene bekwame generaals missen: gij moet er dus bij blijven, i/c echter, ik moet gaan! Laat mij het olïer voor u allen worden. Waarschijnlijk zal de Koning, mijn broeder, daarmede genoegen nemen.quot; 1)
âUwe Koninklijke Hoogheid zal mij ten minste vergunnen u te vergezellen,quot; zeide de generaal von Schmettau, den prins naderende: âde Koning heeft mij door zijn adjudant laten weten, dat ik mij moet verwijderen, en het niet weder raag wagen, hem onder de oogen te komen. Ook ik moet dus het leger verlaten!quot;
De Prins reikte hem zijne hand. â âDan zijt gij mij een lieve én welkome begeleider. Laat ons dus dadelijk vertrekken en naar Bautzen rijden, waar wij ons zullen gereed maken om onmiddelijk naar Dresden te vertrekken.quot;
âHoe, Uwe Koninklijke Hoogheid wil ons dadelijk verlaten?quot; vroeg de hertog van Wurtemberg treurig.
âWildet gij] dan, dat ik nog meer beleedigingen zou afwachten?quot; riep de prins: âNeen, het is genoeg; veel meer dan ik met mijne eer overeenkomstig acht. Mijn paard, mijn paard! Generaal, laat ons opzitten!quot;
De beide paarden werden voorgebracht en de prins besteeg het zijne. De generaals maakten front voor hem, om hunnen voormaligen bevelhebber met krijgseer te laten vertrekken.
Prins August Wilhelm reed langzaam en zwijgend langs het front. Overal ontmoette hij treurige gezichten, en door tranen verduisterde gogen. Ookin zijne oogen stonden tranen, maar hij wi^chte ze weg. Hij wilde nu niet weenen, hij had er nu geen tijd toe; gedurende zijn geheel overig leven zoude hij er tijd genoeg voor hebben!
Hij dwong zijne stem, zoodat zij vastklonk, en den overigen generaals en officieren met getrokken degen zijn afscheid toewenkend, zeide hij: âVaartwel, vrienden! Ik hoop, dat niemand uwer mij voor een lafaard zal aanzien, al word ik ook door den Koning gedwongen het leger te verlaten!quot;2)
1
's Prinsen eigen woorden. Characteristik. Th. I, S. 162;'
2
's Prinsen eigen woorden. Warnery. Feldzüge Friedrich II. Th. I, S. 184.
164
Hij wendde zijn paard om, en door von Schmettau gevolgd reed hij langzaam, met Irotsch opgeheven hootd heen.
De generaals en officieren zagen hem zwijgend en treurig na. â âNu, bij den hemel,quot; bromde Ziethen; âhij mag niet als een banneling het leger verlaten! Ik wil hem vergezellen. Moge ook de Koning mij daarvoor uitschelden. Ik zal het voor lief nemen!quot;
Hij wenkte een zijner huzaren officieren. â âHoor eens, mijnheer von Wendt,quot; zeide hij ; âneem dadelijk eene halve compagnie, en vorm u tot patrouille. Sla deö weg naar Bautzen in, en houd'u dicht achter den prins van Pruisen.quot; ^
Weinige minuten daarna reed de officier mei zijne huzaren den weg naar Bautzen op, en spoedig hadden zij den prins ingehaald, die hen met een vriendelijken wenk begroette.
Toen zij tot aan de poort van Bautzen gekomen waren, wendde de prins zich nog eenmaal om, en staarde met een blik van eindelooze droefheid nog eens naar het kamp.
âSchmettau,quot; zeide hij: âde dood heeft mij gespaard zoolang ik bij het leger was, maar nu ik het verlaat, draag ik den dood met mij mede, en dit zal ik zóólang doen, totdat hij mij wegdraagt!quot;
Hij wendde zijn oog van het Pruisische leger ai en reed langzaam Bautzen binnen.
IX.
DE BBIEVEN.
Eenige uren later rende een koerier uit Bautzen naar de legerplaats; hij bracht een brief van den prins aan zijn koninklijken broeder.
1) Warnery, Th. I, S. 183.
165
De Koning was nog steeds in zijne tent en met het nazien der iegerlijsten bezig, Hij nam den brief zijns broeders, en hem met een duisteren blik openende, las hij:
âDe kabinetsbevelen, welke ik van Uwe Majesteit ontvangen heb, maar vooral de laatst geleden smaad, hebben mij voldoende bewezen, dat ik mijne eer en mijn naam verloren heb. Daar ik mij niets te verwijten heb, wekt dit slechts droefheid, geene vernedering in mij. Ik ben overtuigd, noch met eigenzinnigheid gehandeld, â noch den raad gevolgd te hebben van hen, die niet bij machte waren, mij goeden raad te geven. Dit zullen alle generaals van het derde legercorps, onder mijn bevel, moeten getuigen. Ik houd het nochtans voor overbodig. Uwe Majesteit te verzoeken, mijn gedrag te laten onderzoeken; Uwe Majesteit zou mij daardoor eene genade bewijzen, en bijgevolg mag ik daarop niet rekenen. â Mijne gezondheid is door de vele vermoeienissen, âmaar nog meer door verdriet ondermijnd, en ik heb mij dus naar Bautzen begeven, tot herstel van mijn ziek lichaam. Ik heb den hertog van Bevern alles overgedragen, opdat hij alle inlichtingen aangaande het leger kunne verstrekken. Moge Uwe Majesteit de verzekering aannemen, dat ik, â ondanks het mij diep smartend, onverdiend ongeluk, ânooit mijne gehechtheid aan den Staat zal opgeven; dat het mij, als een trouw lid van dien Staat, steeds een onuitsprekelijk genoegen zal zijn, al de ondernemingen van Uwe Majesteit met eene gelukkige uitkomst bekroond te zien.
Uw ongelukkige broeder
August Wilhelm.quot;
De Koning las den brief herhaalde keeren. Toen greep hij spoedig papier en pen, en schreef;
âWaarde broeder! Uw onhandig gedrag heeft al mijne plannen verstoord. Niet de vijanden, â maar uwe slecht gekozen maatregelen zijn het, die mij al deze rampen op den hals halen. Mijne generaals kunnen niet verontschuldigd worden; óf zij hebben u slechten raad gegeven, of zij hebben aan de uitvoering van uwe slechte plannen toe-
166
gegeven, en beide is even strafbaar. âHelaas, mijn broeder, uwe ooren zijn enkel aan vleitaal gewoon; Daun heeft u niel gevleid, en gij ziet er nu de gevolgen van. In dezen toestand blijft mij niets over dan het uiterste te wagen. Ik zal aanvallen, en wanneer wij niet kunnen zegevieren, willen wij ons allen laten doodschieten. Ik beklaag mij niet over uw hart, maar wel over uwe onbekwaamheid en te zwak beoordeelingsvermogen bij de keuze om de best mogelijke besluiten te nemen. Ik zeg u dit; want hij, die evenals ik, slechts nog weinige dagen te leven heeft, behoeft niet meer te veinzen. Ik wensch u meer geluk, dan ik gehad heb; en dat al het ongeluk en al de wederwaardigheden, welke gij ondervonden hebt, u mogen leeren, om zaken van gewicht met meer zorgvuldigheid, doorzicht en beradenheid te behandelen. Het grootste gedeelte der tegenspoeden, welke ik te gemoet zie, moet aan u geweten worden. Maar gij en uwe kinderen zullen er meer door getroffen worden dan ik. Wees intusschen overtuigd, dat ik u ten allen tijde heb liefgehad, en dat ik in deze gezindheid zal sterven.
Uw broeder.
Frederik.quot; ^
Toen de Koning dezen brief geëindigd had, las hij hem nog een maal over, en zag in gedachten verzonken voor zich heen. â âIk kan geen enkel mijner woorden weder intrekken,quot; zeide hij zacht: âware hij niet mijn broeder, mijn opvolger, ik zou hem voor een krijgsraad gesteld hebben. Maar ik wil niet, dat de geschiedenis der Hohenzollern meer dan één van zulke gevallen kunne aanwijzen. De nakomelingschap zal in mijn levenslot genoeg stof voor meer dan één familie-drama vinden, en ik wil er geene nieuwe aanleiding toe geven. Laat mijn broeder zich dus maar stil verwijderen. Laat hij bidden, terwijl wij strijden; laat hij de kunsten des vredes kweeken, terwijl wij in het veld staan en
1) Deze beide brieven bevinden zich in: Recueil de lettres du Roi de Prusse et du Prince de Prusse. Leipzig 1772, S. 34 u. 35.
107
aan god Mars onze bloedige olVers brengen. Wellicht gelukt het ons, voor de wereld, â en vooral voor Pruisen een eervollen en duurzamen vrede te bevechten, en dan zal A ugust Wilhelm voor mijn vaderland een beter Koning zijn dan ik. Maar nu heeft Pruisen mij nog noodig; nu moet het nog met al zijne kracht en liefde zich aan mij, mij aWmi houden!quot;
Hij verzegelde haastig zijn brief, en riep iijne kamerhuzaar om hem onmiddelijk te laten bezorgen*. Toen deze zich verwijderd had, werd het gelaat des Konings weder ernstig en treurig. â âHet leven maakt den mensch toch zeer arm,quot; zeide hij zacht: âen hoe langer hij leeft, des te eenzamer wordt hij. Hoe rijk was ik niet, toen ik in het leven trad; hoe rijk ook, toen ik den troon besteeg, O, de geheèle wereld met al hare vreugde en genietingen behoorde mij! En nu? Waar zijn mijne vrienden? Ik heb ze verloren, óf door den dood, ófdoor trouweloosheid. Waar zijn mijne broeders en zusters? Hünne harten zijn jegens mij verkoeld; zij willen mij niet meer kennen. Waar zijn mijne idealen en begoochelingen ? Alle in den wind vervlogen, en hunne gestalten hebben zich opgelost in een Fata Morgana, dat mijne oogen misleidde? O, ik ben een arm, bedrogen man; en zoo mij al eens de wereld toebehoorde, willen zij mij nu niet eens dit stukje wereld gunnen, dat het mijne is, en dat ik met mijn bloed gekocht heb. Maar dit zullen zij mij moeten laten behouden. Al moge mijn hart voor alle droombeelden verkoeld zijn, één is er nog over; het droombeeld van roem. Ik heb van geluk en liefde afstand gedaan, maar ik geloof nog aan den roem; en ik wil ten minste nog één ongeschonden lauwerkrans op mijne kist medenemen. Moge dan de dood mij trefien, wanneer hij wil; liefst zeer spoedig, eer mijn hart geheel ongevoelig is geworden; want weldra zal dit toch wel het geval zijn!quot;
Op dit oogenblik werd de dour van de tent zachtjes geopend en Le Catt, zijn voorlezer en geheimschrijver, dien hij vroeger op zijne reis naar Amsterdam had leeren kennen, trad met verscheidene brieven in de hand, binnen.
De Koning ging hem driftig te gemoet. â âNu, Le Catt?quot; vroeg hij; âIs er een koerier uit Berlijn aangekomen?quot;
âJa sire, die is gekomen,quot; zeide Le Catt zuchtend ; âmaar ik vrees, dat hij geene goede berichten brengt.quot;
168
âGeen goede berichten? Is de vijand reeds zóó ver voor-uitgerukt?quot;'
âWel een vijand, sire, maar niet de vijand die Uwe Majesteit bedoelt.''
âHoe weet gij, welken vijand ik bedoel?quot; riep de Koning ongeduldig: âZijn het Russen of Franschen?''
âGeen van al uwe sterfelijke vijanden, sire; en de rouw, die nu in Berlijn heerscht en weldra door geheel Pruisen heerschen zal, is niet het werk uwer vijanden, maar van het noodlot.quot;
De koning zag hem met zijne groote, blauwe oogen een oogenblik zwijgend en uitvorschend aan. â âIk begrijp u,'' zeide hij zacht: âÃen lid van mijne familie is gestorven. Is het niet zoo?quot;
âJa, sire, het is zoo! Uwe âquot;
âZwijg,quot; zeide de Koning heftig: âik wil nog niet welen, wie. Ik heb de kracht nog niet het te vernemen. Wacht nog wat!quot;
Hij kruiste zijne -handen over de borst en liep haastig, luid kreunend en naar lucht snakkend eenige keeren op en neer. Toen bleef hij aan den anderen kant van de tent, met zijn gelaat tegen een groot raam geleund, slaan.
âNu, Le Catt,quot; zeide hij: âNu ben ik op alles voorbereid. Spreek dus, wie is gestorven?quot;
Sire, het is Hare Majesteitâquot;
âMijne gemalin?quot; viel de Koning hem in de rede.
âNeen, sire. Hare Majesteitâquot;
âMijne moeder,quot; riep de Koning met zulk een schellen kreet van smart, dat Le Catt er van trilde: âMijne moeder!quot;
Hij sloeg zijne beide handen voor zijn gelaat en bleef zoo snikkend en waggelend, â als een door den storm gebogen eik, â staan. De tranen stroomden tusschen zijne vingers door en vielen langzaam op den grond; smartelijke zuchten drongen uit zijne borst.
Le Catt kon het niet langer verdragen. Hij waagde het, hem eenige woorden van troost en bemoediging toe te fluisteren.
âO,quot; zeide de koning: âtroost mij niet. Gij weet niet, welke smart en welk leed mij dit groot verlies veroorzaakt!quot;
169
âEn tóch, sire, gevoel ik het mede,quot; zeide Le Calt: âwant de Koningin-moeder was eene der edelste en verheyenste Vorstinnen. Ik kan derhalve uwe smart begrijpen.quot;
âDat kunt gij nietquot; zeide (ie Koning, zijn bleek in tranen badend gelaat ophefTend: âgij draagt uwe smart op uwe tong; ik draag haar hier in mijn hart. ^ De Koningin was eene der braafste vrouwen, en mijn geheele land zal haar betreuren. Het zal geen gewone rouw zijn, maar eene al-gemeene weeklacht; want hare deugden en hare groote eigenschappen worden door allen, die het voorrecht hadden haar te kunnen naderen, bewonderd en bemind. De grooten zullen haar betreuren om haar beminnelijken omgang; de geringeren om hare goedhartigheid; de armen zullen hunne toevlucht missen, de ongelukkigen eene helpster, de geleerden eene beschermster, en elk van hare kinderen en bloedverwanten zal het beste gedeelte van zijn eigen ik verloren hebben, en nooit ophouden haar te betreuren.1) En ik gevoel het, ik weet het: zij is gestorven van verdriet over mijn tegenwoordig ongeluk, over dat van haar land. Zij was eene te verheven Vorstin, eene te teedere moeder, om den ondergang van Pruisen, den val van haren zoon te kunnen dragen; zij zocht redding in het graf, om het leed van beiden niet te moeten overleven!quot;
âMaar Uwe Majesteit weet immers, dat de Koningin aan eene ongeneeslijke kwaal leed, die de kunst der genees-heeren niet kon herstellen.quot;
âHet is waar, dit wist ik,quot; zeide de Koning, afgemat op een veldstoel zinkend: âik wist, dat ik haar wellicht niet weder zou zien, en nochtans treft mij dit bericht nu als een onverwacht, vreeselijk ongeluk!quot;
âUw Majesteit zal het overwinnen, zooals gij reeds zooveel, als wijsgeer en als held, overwonnen hebt.quot;
âAch, mijn vriend zeide de Koning treurig: âde philoso-phie is goed om verledene of toekomstige rampen te verzachten; maar door de tegenwoordige wordt zij altijd overwonnen. En dan denk eens, dat ook i/c eindelijk krachteloos
1
's Konings eigen woorden, die hij in zijn: Histoire de la guprredesept ans aan de nagedachtenis zijner moeder gewijd heeft. S. Oeuvres posthumes. Vol, III, p. 26'J, '
170
en zwak moet worden. Sedert twee jaren ben ik als een muur, waarin het ongeluk bres schiet, en reeds begin ik aan alle kanten te waggelen. Huiselijk leed, geheime smarten, openlijk ongeluk, steeds aangroeiende ongelegenheden, dit alles is mijn voedsel! Wat ontbreekt mij nog, om mij geheel in den toestand van den armen Job te bevinden! Wanneer ik deze heillooze tijden zal moeten weerstaan, dien ik mij van stalen ingewanden en een ijz'eren hart te voorzien,1 om alle vatbaarheid voor gevoel te verliezen. Het is voor mij een tijdperk van stoïcisme. De arme volgelingen van Epicurus zouden voor dQze tijden ook niet één enkelen volzin in hunne wijsbegeerte kunnen vinden om mij te troosten. Maar,quot; vervolgde de Koning, en nu verdween de treurige neerslachtigheid uit zijne trekken, en zij hernamen de vaste en heldere uitdrukking: ânochtans wil ik niet bezwijken! Al zouden ook alle elementen ineenstorten, zoo zoude ik mij bedaard en koelbloedig onder hunne puin-hoopen laten begraven!quot; ^
âO, nu is mijn Koning weder de held,quot; riep Le Catt: âde held, die niet alleen het ongeluk, â maar ook zijne vijanden overwinnen zal!quot;
âGod geve, dat gij een waarzegger mocht zijn,quot; zeide de Koning levendig; âwij gaan groote gebeurtenissen tegemoet; de eerstkomende maanden zullen voor mijn arm land beslissend zijn. Ik zal het óf redden, óf er mede omkomen.quot;2) âGij zult het redden!quot; zeide Le Catt met geestdrift. âEn wanneer ik het gered heb,quot; zuchtte de Koning, weder in zijne vroegere treurigheid vervallende; âwanneer ik het gered heb, zal mijne moeder er niet zijn, om zich in mijne zege te verblijden. Elk mijner terugkeerende soldaten zal eene moeder, eene geliefde hebben, die hem met vreugdetranen ontvangt en hem in hare armen sluit. Ik echter zal alleen zijn!quot;
âUw geheele volk zal u jubelend te gemoet trekken, uw geheele volk zal u met vreugdetranen begroeten!quot;
âO ja,quot; zeide de Koning met bitteren lach; âzij zullen mij juichend te gemoet trekken, maar wanneer ik denzelfden
--4
1) 's Konings eigen woorden. Oeuvres de Fiédéric le GrandV. XIX. p -14.
2) Ibid.
171
dag kwam te sterven, zouden zij roepen: Le roi est mort! Vive le roi! en mijn opvolger even jubelend tegemoetkomen. Er is niets persoonlijks in de lieïde des volks jegens zijn Vorst, en mijn volk bemint mij immers niet om mij zeiven, maar slechts den Koning. Mijne moeder echter, â die heeft mij bemind, niet den Koning, niet den veldheer â maar haar zoon, die zij onder het harte heeft gedragen, en die. God weet het, in zijn leven geen ander hart gevonden heeft, waarop hij kon vertrouwen! Ga, Le Catt, zoek mij niet te troosten! Ik zal spoedig weder Koning zijn! Nu ben ik enkel de zoon, die gaarne met zijne moeder alleen wenschle te zijn! Ga!quot; â
En als vreesde hij Le Catt te kwetsen, reikte hij hem tot afscheid met goedigen lach zijne hand. Deze bracht haar geroerd aan zijne lippen en besproeide haar met zijne tranen.
De Koning trok zacht zijne hand terug, en wees hem zwijgend naar de deur. Le Catt ging heen.
Nu was de Koning alleen. Alleen met zijne smart en met zijn rouw. Alleen met zijne moeder! En in dit uur was hij werkelijk enkel de zoon, en geene andere gedachten hielden hem bezig, dan die aan zijne moeder!
Hij sprak met haar en beweende haar. Maar, nadat zijne smart bedaard was, nam de Koning zijne fluit, die in ,de legerplaats even als op Sanssouci en overal zijne trouwe gezellin was. Nu loste zich zijne smart in heiligen weemoed op; nu uitte zich het innerlijk leed in smeltende melodiën, en naarmate de tonen zacht zwellend en wegstervend door zijne tent zweefden, scheen het den Koning, alsof hij de stem zijner moeder hoorde, die hem vriendelijke woorden van liefde en vertroosting toefluisterde, als voelde hij den kus van haren geest op zijn voorhoofd.
En langzamerhand, terwijl hij op de fluit spelende zijne tent op en neer ging, droogden zijne tranen; zijn oog hernam den gewonen glans, en zijn gelaat de uitdrukking van koelheid en kracht.
De zoon was weder de Koning. Toen hij nu weder in de legerplaats het vroolijk geschetter der trompetten en het roffelen der trommen hoorde, â toen hij het schreeuwen en juichen der troepen vernam, die hunne legerplaatsen betrokken, vonkelde het oog des Konings; hij legde de fluit
172
weg, en luisterde een oogenblik naar het vroolijk rumoer; toen hief hij zijne hand als tot een eed in de hoogte.
âVaarwel, moeder!quot; zeidehij: âGij zijt gestorven uit verdriet over mijne nederlaag hij Collin, maar ik zweer u, ik zal uwen dood en deze nederlaag op mijne vijanden weten te wreken, en wanneer ik slagvaardig tegen hen over sla, zal ik zegevieren of sterven. Hoor mij, geest mijner moeder, en geel uwen zoon uwen zegen!quot;
En vervolgens met een van, geestdrift stralend gelaat naar de tafel gaande, nam hij de pen en schreef:
Malgré moi de vos bras, ó ma mere, entrainé,
Que ce dernier congé dans ces njomens d'alarmes Par mes pressentimes fut arrosè de larmes!
Mon coeur, mon triste coeur, facille :i s'attendrir, Ne m'annonroit que trop ce cruel avenir.
J'espérois qu'Atropos, flexible A ma priêre,
Contente de mon sang respecteroit ma mère.
Helas! Je me trompois, la mort fuit mes malheurs Pour étendre sur vous ses livides horreurs.
Ce sombre momument est done ce qui conserve Vos restes précleux, mon Auguste Minerve?
Je vous devois les jours, je vous devois bien plus; Votre exemple m'instruisoit a suivre vos vertus; Malgré 1'affreux trépas je les respecte encore,
Votre ombre est pour moi le lieu saint que j'honore.
Si tout n'est pas détruit, si sur les sombres bords, Les soupirs des vivans pénètrent chez les morts, Si la voix de mon coeur de vous se fait entendre, Permettez que mes pleurs arrosent votre cendre, fit qu'emplissant les airs de mes tristes regrets, Je répande des fleurs aux pieds de vos cypres. ')
1) De Koning nam geen ander uiterlijk teeken van rouw over zijne moeder aan, dan dat hij, in plaats van de gouden keten aan zün horloge een zwart bandje liet maken, en dit teeken van rouw droeg hij zijn leven lang. Toen het eerste zwarte lintje versleten was, vroeg hem de kamerdienaar, of hij nu weder de ketting aan zijn horloge moest bevestigen. Maar de Koning antwoordde, dat hij nooit weder eene ketting, â maar altijd een rouwbandje aan zijn horloge, dien aanwijzer des tijds, zou dragen. Elk klein aandenken en elke herinnering aan zijne moeder bewaarde de Koning zorgvuldig; onder anderen een porseleinen vaas, waaronder de Koningin zelve haar naam geschreven had. Opdat de letters niet zouden uitgaan, liet hij een glazen stolp over de vaas maken, en haar in zijne kamer plaatsen. De Koningin-moeder een voorgevoel van haren dood hebbende, had alle brieven en papieren, welke op de ongelukkige poging tot ontvluchting van Frederikals kroonprins, en opde toenmalige familietwisten betrekking hadden, in een pakket samengebonden
173
IV.
IN HET SLOT TE DRESDEN.
In groole opgewondenheid liep Marie Josephine, Koningin van Polen en Keurvorstin van Salfsen, in haar salon op en neêr. Met angstige spanning luisterde zij naar elk gedruisch, naar elke stem, â die een oogenhlik de diepe stilte, welke haar omgaf, stoorde.
âAls hij eens ontdekt was,quot; prevelde zij : âals deze brief eens opgevangen werd, dan is alles verraden en ik ben verloren Iquot;
Zij kromp ineen van schrik, en zelfs het blanketsel kon de bleekheid niet verbergen, welke plotseling bare wangen bedekte. Maar weldra richtte zich de fiere Keizersdochter gerustgesteld op, en hare oogen namen weder de gewone strenge uitdrukking aan.
âKom aan, verloren!quot; zeide zij schouderophalende: âWie zou het durven wagen, eene Koningin gevangen te nemen en te veroordeelen, die voor haar geschonden recht, voor hare eer en het vaderland strijdt! Alleen die onbeschaafde en onbeschaamde markgraaf van Brandenburg zou de stout
en aan haren zoon geadresseerd. Toen de Koning uit den zevenjarigen krijg terugkwam, vond hij dit pakket in zijn kabinet in het slot te Berlijn, op een tafeltje, waarop het de Koningin zelve gelegd had. De Koning nam het en beschouwde het lang, en zijne oogen schoten vol tranen. Hij kuste de woorden, welke zijne moeder geschreven had, en legde het pakket weder op de plaats waar het gelegen had, en daar bleef het op zijn uitdrukkelijk bevel liggen, zoolang hij leefde. Nog in zijne laatste levensjaren dacht hij aan zijne moeder met de teederste liefde. Toen hij zich in 1779 te Breslau ophield, en bij deze gelegenheid Garve bij zich liet komen, beweerde de Koning in zijn gesprek met dezen wijsgeer, dat hij in zijn leven het grootste harteleed ondervonden had, en voegde er, zooals Garve zegt, op een goedigen en vertrouwelijken toon bij: â op een toon. die in zijne latere gesprekken met mij nooit zoo roerend weder terugkwam: âWanneer, gij wist, wat mij bijvoorbeeld de dood mijner moeder gekost heeft, zoudt gij zien, dat ik ongelukkig geweest^ben, zooals elk ander, en ongelukkiger dan anderen, omdat ik gevoeliger geweest ben.quot; (Zie:Garve, Fragmente zur Schilderung des Gelstes und Characters Priedrichs II. Ph. I, S. 286.
174
heid durven hebben de Vorstin en de vrouw in mij te be-leedigen; maat' hij is, Gode zij dank, verpletterd, en zal het nooit weder wagen zich te verheffen!
âMaaa1 waar blijft Schönberg toch,quot; viel zij zich zelve met blijkbare ongerustheid in de rede: âals hij heden niet komt is hij verloren, dan,âquot;
Luide stemmen in de voorkamer stoorden de alleenspraak der Keurvorstin! zij boog ademloos haar hoofd voorover en luisterde.
âHij is het,quot; lluiterde zij loen: âhet is Schönberg. De officier weigert hem den toegang. O, mijn God, die toon is verschrikkelijk. Men behandelt mij als gevangene in mijn eigen kasteel, en betwist mij zelfs het recht mijne eigene dienaren te ontvangen!quot;
Zij zweeg en luisterde weder naar de stemmen in de voorkamer, die al luider en heftiger klonken.
âHet is duidelijk,quot; zeide zij toen: âhij spreekt zoo luid om mijne aandacht te trekken. Ik zal hem te hulp komen !quot;
Met haastigen tred stapte zij het vertrek door, en opende de deur, welke naar de voorzaal leidde.
âWat beteekent dit geraas?quot; vroeg zij verwonderd; âen met welk recht waagt men het zulk een ongepast getier in mijne voorkamer te maken.quot;
Eene diepe stilte volgde op hare vra^ig. De beide heeren die vroeger zulk eene hevige woordenwisseling hadden gehad, waren beide verstomd, en naderden haar onder diepe buigingen.
âUwe Majesteit vergeve,quot; zeide de Pruisische officier: âik had van mijn commandant de striktste bevelen, heden morgen niemand bij Uwe Majesteit toe te laten, vóór dat mijnheer de commandant de eer had gehad zijne opwachting bij Uwe Majesteit te maken.quot;
âUwe Majesteit,quot; zeide de kamerjonker von Schönberg: âik wilde bij uwe Majesteit komen om te melden, dat ik van mijn uitstapje naar mijne goederen ben teruggekeerd en om de genade verzoeken, mijn dienst bij Uwe Majesteit weder te aanvaarden. Deze heer hier weigerde mij echter den toegang.quot;
De Koningin wendde haar hoofd met eene uitdrukking van trotsche verachting naar den officier. â âMijn-
475
heer,quot; zeide zij toen; ,,ben ik dan eene gevangene hier, die niemand dan haar kerkermeester mag ontvangen ?quot;
âUwe Majesteit bewijst mij de eer, eene vraag tot mij te richten, die ik niet kan beantwoorden,quot; zeide de officier ;
â âIk ben soldaat en volg de bevelen mijner meerderen, dit is alles! Of Uwe Majesteit eene gevangene is, is mij niet bekend!quot;
De Koningin bloosde, want zij begreep, dat zij in de vervoering van hare drift hare waardigheid een oogenblik vergeten had.
âHet is waar,quot; zeide zij : âhet staat m niet vrij, deze vraag te beantwoorden; dit zal het Duitsche rijk moeten beslissen. â Gij zijt slechts een werktuig, dat door een vreemden wil geleid wordt; maar zóó ver, denk ik, zal deze vreemde wil zijn macht niet willen uitstrekken, dat hij het wagen zoude mijne dienaren van mij verwijderd te houden.quot;
En zonder den verlegen en onthutsten officier tijd tot antwoorden te laten, wendde zij zich tot den kamerjonker
â âMijnheer von Schönberg,quot; zeide zij : âik verheug mi] u weder te zien. Gij kunt uwe plaats, zooals gij verlangt, dadelijk weder aanvaarden. Volg mij dus in mijne kamer; ik moet u al dadelijk eenige gewichtige brieven in de pen geven.quot;
Zij ging over den drempel en gaf den kamerjonker een wenk haar te volgen. Maar toen deze de deur naderde, versperde de Pruisische officier hem den weg.
âVergeef mij,quot; zeide hij op bijna smeekenden toon : âik heb strenge bevelen, niemand, behalve de gewone omgeving der Koningin, â begrijpt gij, mijnheer, niemand,â heden morgen toegang bij Hare Majesteit te verleenen. Ik mag dus geene uitzondering maken.quot;
âNu, ik behoor immers tot de gewone omgeving van Hare Majesteit,quot; zeide de kamerjonker: âdat ik acht dagen verlof gehad heb, en dus toevallig niet hier geweest ben, kan immers geene uitzondering heeten.quot;
âMijnheer de kamerjonker, gelastte ik niet uwen dienst weder te aanvaarden, en mij naar mijne kamer te volgen?quot; vroeg de Koningin: âWaarom komt gij dan niet?quot;
âUwe Majesteit ziet, dat men mij dat beletten wil.quot;
âGenade, Majesteit genade!quot; riep de officier nu bijna smartelijk: âIk weet wel, dat ik den eerbied jegens de ge-
176
heiligde persoon der Koningin te kort doe, maar ik kan niet anders handelen.quot;
Marie Josephine richtte zich fier en gebiedend op; hare oogen schoten bliksemstralen van toorn, en met luide, krachtige stem riep zijf: âMijnheer, ik beveel u dezen mijn dienaar bij mij toe te laten. Hoort gij, ik, de rechtmatige gebiedster in dit huis, beveel het u!quot;
De otficier trad terug. â âGa, mijnheer,quot; zeide hij; âik zal den moed niet hebben mij langer tegen dit bevel te verzetten.''
Een straal van vreugde verlichtte een oogenblik het bleeke gelaat der Koningin, maar zij onderdrukte snel deze plotselinge gewaarwording en wenkte haren kamerjonker, met een trotsch gevoel van eigenwaarde, haar te volgen.
Deze ging nu den officier voorbij, en volgde de Koningin.
âEindelijk,quot; zuchtte Marie Josephine, nadat de deur achter hen gesloten was: âeindelijk is er een einde aan dit lijden, en schep ik weder adem! Spreek nu, baron, en deel mij alles mede.quot;
Uitgeput en door innerlijke ontroering geschokt, zonk zij op een leunstoel en zag in ademlooze spanning naar den kamerjonker.
âAlvorens ik spreek,quot; fluisterde hij : âmoet uwe Majesteit mij vergunnen, eerst eens te onderzoeken of wij wel geheel alleen zijn, of ons niemand beluisteren kan ?quot;
Hij sloop op de teen en de kamer rond, keek achter elke gordijn en onder elk meubel. Toen ging hij naar de deur van de voorzaal en boog zich aan het sleutelgat, om te zien, of er ook buiten iemand stond te luisteren. Hij zag den officier onbewegelijk aan den anderen kant van de voorzaal bij de deur staan. Van deze zijde gerustgesteld, sloop hij naar de tweede deur van het koninklijk vertrek en wilde die openen.
Doch de Koningin riep hem terug. â âDaar behoeft gij niet heen te gaan,quot; zeide zij: âdaar kan niemand verborgen zijn. Laat mij nu eindelijk eens hooren, wat gij mij te zeggen hebt.quot;
âO, Majesteit, veel en velerlei,quot; zeide de kamerheer met zegevierenden lach: âeerst moet ik berichten, dat al onze pogingen geslaagd zijn, en dat wij mogen hopen, ze door de schoonste gevolgen bekroond zien.quot;
177
%
âGoloofd zij God en Zijne heiligen,quot; prevelde de Koningin. âSpreok! spreek! verhaal mij alles nauwkeurig! .
âNadat ik voor acht dagen van Uwe Majesteit afscheid had genomen, begaf ik mij eerst naar mijne goederen, die zooals Uwe Majesteit weet, bij Bautzen liggen en dicht bij de streek, waar de Koning van Pruisen heeft goedgevonden zijne legerplaats op te slaan. â Als boer verkleed kon ik ongehinderd met mijne kleine kudde schapen in het Pruisische kamp trekken en handel drijven. O, hadde Uwe Majesteit de voldoening mogen smaken van te zien, hetgeen i/c gezien heb. Uw verheven hart zou zich verheugd hebben bij het gezicht van die afgematte, uitgehongerde, moedelooze krijgslieden, welke prins August Wilhelm naar zijn' broeder te Zittau bracht, en gij zoudt het blijde bewustzijn hebben verkregen, dat mijnheer de markgraaf van Brandenburg met zulke ontzenuwde, moedelooze troepen niet lang aan deze voortreffelijke, aan de zege gewende soldaten zal kunnen weerstand bieden. De slag bij Gollin heeft zijn graf gedolven; in de bergengte van Gabel is zijne doodkist getimmerd!quot;
âEn het waren Saksische dragonders, die den slag bij Gollin beslisten,quot; riep de Koningin met schitterenden blik : âVerder, verhaal verder! Spraaktgij ook den kamerdienaar des Konings, Anderson?quot;
âJa, Uwe Majesteit, ik heb hem gesproken en hem volkomen trouw bevonden Ik gaf hem den juweelen ring, dien Uwe Majesteit zoo goed was hem te zenden; hij was verrukt wegens het kostbaar geschenk en zwoer, dat hij geene gelegenheid zou laten voorbijgaan om Uwe Majesteit van dienst te zijn. Ik heb hem eenige veilige adressen gegeven, waaraan hij schrijven zal, en op deze wijze zullen wij steeds berichten ontvangen van alles, wat in het Pruisische kamp omgaat, en van alle gewichtige besluiten des Konings.quot;
âEn gij zljt van zijne trouw verzekerd ?quot; vroeg de Koningin.
âVolkomen zeker; hij is hebzuchtig en dient ons uit eigenbaat. Hij is tot eiken dienst bereid, dien wij met goud opwegen !quot;
In de oogen der Koningin schitterde een heilloos vuur, en eene vreemde, dreigende en harstochtelijke uitdrukking lag op hare bleeke trekken. Het Spaansche bloed sprak in
Mühlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. VI. 12
178
haar, en vloog in een gloeienden vuurstroom naar haar hart.
âHij is tot hike daad bereid,quot; herhaalde zij: âO, wij konden van deze bereidwilligheid wellicht eene beslissende proef nemen! â Maar daarvan later! Ga voort.quot;
âVan Anderson vernam ik, dat de Koning volstrekt een beslissenden slag tegen de verbondenen wilde wagen. Toen ik het kamp verliet, was de Koning met de proviandeering van zijn leger gereed, en men zeide, dat hij den volgenden morgen tegen Daun en Nadasdy wilde optrekken.quot;
De Koningin brak in een luid, honend gelach uit. â âHij begeert dus eene herhaling van den slag bij Collin,quot; zeide zij: ânu zijn graf geopend en zijne kist getimmerd is, wil hij de doodgravers halen, om herö ter aarde te bestellen. Nu, wij zullen hem dezen laatsten liefdedienst niet weigeren!quot;
âNadat ik de Pruisische legerplaats verlaten had,quot; vervolgde de kamerjonker: âwierp ik mijne vermomming af, en ijlde met postpaarden naar de streek, waar Daun en Nadasdy stonden.quot;
âEn gij hebt hen ontmoet?quot;
âJa, Ãwe Majesteit. Ik was zoo gelukkig den generaal Nadasdy de brieven van Uwe Majesteit te kunnen overgeven, en ben nog gelukkiger, nu ik Uwe Majesteit het antwoord van den generaal, alsmede eenige andere gewichtige documenten raag ter hand stellen!quot; â Dit zeggende haalde hij uitzijn borstzak een kokertje voor den dag, waaruit hij een pennemes nam, en daarop zijn met goud geborduurdenhoed'afnemende, sneed hij vlug de gouden galons af, en den hoed schuddende scheidde hij 'den rand van den bol. Toen haalde hij papieren er uit, welke tusschen het vilt. en de voering verborgen waren, en reikte ze met eene eerbiedige buiging aan de Koningin over.
Terwijl de Koningin met ongeduldigen haast de brieven opende en las, was de kamerjonker druk bezig met zijn hoed weder den vorigen vorm te geven. Met eenige spelden maakte hij den bol aan den rand vast, legde er met bedreven hand de galons weder om, welke hij met een gouden gesp vasttrok, stak zijn pennemes weder in het kokertje en verborg het in zijn borstzak.
De Koningin hield zich intusschen ijverig met het lezen der brieven en papieren bezig; baar gelaat helderde
179
al meer en meer op, en verkreeg weldra eene trötsche, zegevierende uitdrukking.
Nu zag zij van hare papieren op, en keek den kamerjonker met blijden glimlach aan. â âGij zijt mij werkelijk een bode der vreugde,quot; zeide zij: âen ik hoop, dat er een tijd zal komen, waarin ik in staat zal zijn uw trouw en ijver in onzen dienst beter te ^beloonen, dan met woorden. Nu verzoek ik u, maak gindsche deur van mijn kabinet open, en laat pater Guarini binnenkomen.quot;
De kamerjonker voldeed aan haar bevel, opende de deur, en pater Guarini trad binnen. Met genadigen, zwijgenden knik begroette hij den jonker, en sloeg zijne donkere, doorborende blikken op het gelaat der Koningin, die opgestaan was en hem glimlachend, bijna ootmoedig te gemoet ging.
âIk hoop, eerwaarde vader, dat gij gehoord hebt wat onze trouwe baron en kamerjonker ons bericht heeft?quot; vroeg de Koningin op bijna vleienden toon.
âIk heb alles gehoord,quot; antwoordde de Jezuït plechtig; âik heb gehoord, dat God dien ketter in onze hand gegeven, â en ons uitverkoren heeft, de wereld van dezen misdadigen tegenstander der Kerk te verlossen.quot;
âHoe meent gij dat,quot; vroeg de Koningin met eenige bevreemding.
Pater Guarini liet zijn scherpen blik met eene zonderlinge uitdrukking op baar gelaat rusten, en een wreede glimlach speelde om zijne dunne, bleeke lippen.
âMijne dochter, gij weet, wat ik meen,quot; zeide hii op een zachten, fluisterenden toon: âmeent gij, dat de geest den geest niet begrijpt? Gelooft gij, dat ik het lichamelijk oog behoef, om in uwe ziel te kunnen lezen, mijne dochter? Toen de jonker zoo straks verslag van zijne zending gaf, toen hij Uwe Majesteit zeide, dat de kamerdienaar van den zoogenaamden Koning van Pruisen onze heilige zaak trouw genegen, â en tot eiken dienst bereid was, toen was ik door eene dikke, niet doorzichtige deur van u gescheiden; en tóch, mijne dochter, heb ik in uwe trekken de gedachten uwer ziel gelezen; tóch zag ik uwe oogen schitteren en uwen-mond glimlachen, en begreep het onstuimig kloppen van uw hart!quot;
De Koningin deed huiverend een stap terug. â âVader,quot; fluisterde zij; âheb medelijden met eene zondige gedachte,
180
die ik snel zocht te onderdrukken, en waaraan ik nooit weder gehoor zal geven.quot;
âEn waarom wilt gij dit eens zondige gedachtige noemen?quot; zeide de priester zacht met een duivelschen glimlach: âAlle wapenen, welke tegen dezen godloochenaar en vrijgeest gebruikt worden, zijn door God gezegend en geheiligd. Ook het gif, dat in de dolle kervel en de opium-plant geboren wordt, is een gedeelte van de heilige schepping Gods; Hij heeft het geschapen, opdat het een wapen worde der rechtvaardigen tegen de onrechtvaardigen, en wanneer het tot een edel doel gebruikt wordt, is het een gezegend en geheiligd middel! Schaam u dus niet over uwe gedachten, mijne dochter! Wanneer Anderson werkelijk zoo trouw is, als mijnheer de kamerjonker zegt, zal het ons met Gods hulp spoedig gelukken, een einde aan dezen krijg te maken en den godloochenaar te verpletteren!quot;
âZwijg, o ik bezweer u, zwijg, vader!quot; fluisterde de Koningin: âMijne geheele ziel is bij deze vreeselijke gedachte. Laat ons er niet meer over spreken! Zoeken wij het te vergeten.quot;
âSpreken wij er niet meer over, maar vergeten wij het niet!quot; prevelde de Jezuït met valschen grijns.
De Koningin vervolgde levendig: âWij hebben zulke vreeselijke wapenen niet noodig, om mijn vijand te verpletteren. Hij zal zich niet weder verhellen; want nu staat hij geheel alleen, en heeft geen enkelen bondgenoot meer in Duitsch-land. Dit zijn de gewichtige berichten, welke mij de baron gebracht heeft, en die ik u beiden nu mededeelen zal. Een ontzaglijk, bewonderenswaardig werk hebben wij volbracht; het gewichtig verdrag is in het klooster Zeven door ons en onze bondgenooten gesloten. De vrome graaf Lynar, onze gevolmachtigde, heeft het gelukkig tot stand gebracht, en daarmede heeft onze zaak de schitterendste, â geen bloed kostende overwinning behaald. Al de Duitsche Vorsten, die nog aan de zijde van den verrader stonden, zijn op het dreigend bevel van het opperhoofd van het-Duitsche rijk van hem afgevallen, en zullen hem geene hulp of bijstand meer verleenen. Zoo zijn de Hessen, Bruns wij kers, Bücke-burgers en die van Gotha, de eenige Duitsche troepen, welke het nog met Pruisen hielden, en nu met de Hannoveranen legen Soubise en Richelieu vochten, naar huis gegaan, en
181
hebben zich bij hot verdrag in het klooster Zeven plechtig verbonden, niet meer de wapenen op te vatten voor den ketterschen, oproerigen Koning, dien de Keizer in den rijksban, â en de heilige Paus te Rome in den geestelijken ban gedaan heeft. Ook de strijd der Hannoveranen tegen onze Fransche bondgenooten is ten einde; en een wapenstilstand is gesloten voor een onbepaalden tijd, terwijl de Hannoveranen werkeloos aan de Elbe blijven staan. De aan voerder der Engelsche troepen, de hertog van Cumberland, is naar Londen teruggekeerd, en zijn tegenstander, de hertog van Richelieu, naar Parijs. ^ De Fransche troepen, welke nu nog in Duitschland zijn, hebben geen anderen vijand meer aan te tasten, dan ons aller aartsvijand! De koning van Pruisen staat nu geheel alleen, en heeft geene bondgenooten meer!quot;
âGeene bondgenooten, dan zich zeiven!quot; onderbrak eene luide, krachtige stem het verhaal der Koningin, en toen zij zich omkeerde, zag zij den generaal von Fink, den Pruisischen commandant te Dresden. Hij had zacht en zonder gedruisch de voorzaal geopend, en de laatste woorden der Koningin vernomen.
Marie Josephine verbleekte van toorn, en den generaal lier te gemoet gaande, scheen zij hem met haren blik te willen verpletteren.
âMijnheer,quot; zeide zij, nauwelijks hare ontsteltenis kunnende verbergen; âwie heeft u verlof gegeven, deze kamer te betreden?quot;
âMijn meester, de Koning van Pruisen,quot; zeide de commandant, zich in militaire houding voor de Koningin plaatsende: âik kom niet hier uit ijdele nieuwsgierigheid, maar wegens dienstzaken, en Uwe Majesteit zal mij moeten vergeven, indien ik haar eenige onaangename oogenblik-ken moet bereiden.
Hij gaf een wenk naar de voorzaal, en onmiddelijk ver-
1) Toen na het verdrag in het klooster Zeven, de hertog van Cumberland naar Engeland terugkeerde, ontving hem zijn vader. Koning George de Tweede, â wiens lieveling hij tot nog toe geweest was, â met groote koelheid, en zeide in tegenwoordigheid van alle ministers; âHere is my son, who has ruined me, and disgraced himself.quot; De hertog moest al zijne krijgswaardigheden nederleggen, en stierf weinige jaren later, door het geheele volk veracht. (Preuss. Th. II, S. 80 und 81).
182
schenen vier soldaten met eeu officier op den drempel dei-zaal.
De commandant von Fink slak zijn arm uit, en wees op den kamerjonker von Schönberg, die zich bleek en sidderend achter den hoepelrok der Koningin trachtte te verschuilen.
âArresteert dien heer daar, en brengt hem dadelijk weg!quot; beval de generaal.
âHoe, mijnheer,quot; riep Marie Josephine ontsteld: âgij waagt het tot in mijne eigene vertrekken door te dringen, en mijne dienaren en ambtenaren gevangen te nemen?quot;
De generaal trok even de schouders op. â âWij leven in krijg,'' zeide hij : âen een ieder verdedigt zich tegen zijne vijanden, zooals hij kan. Mijnheer de kamerjonker heeft wel is waar eenige zeer goede schapen aan ons leger verkocht, maar het schijnt tóch, dat deze handel niet geldig is bevonden, want juist daarom moet. ik hem gevangen nemen en tot verder verhoor naar Berlijn laten transporteeren, waar het hem stellig moeielijk zal vallen, zijne correspondentie met den verraderlijken kamerdienaar des Konings verder voort te zetten,quot;
De generaal zweeg en zijn blik over de kleine, ontstelde groep latende waren, verlustigde hij zich een oogenblik in hun schrik en verbijstering.
Zelfs de Koningin scheen geheel radeloos en verlegen; zij drukte hare lippen vast op elkander, als wilde zij een angstkreet, die zich uit hare luid kloppende borst scheen te willen verheffen, met geweld onderdrukken. Naast baarstond pater Guarini, wiens gelaat nu met een vaal bleek overtogen was, en wiens donkere,scherpe blik zich als een giftige dolksteek op den gehaten vijand vestigde. Achter de Koningin zag men het angstig gelaat van den ongel ukkigen kamerheer, wiens kleine, magere gestalte bijna geheel achter den hoepelrok der Koningin verscholen was.
âMijnheer de kamerjonker von Schönberg,quot; zeide de generaal von Fink gebiedend; âik beveel u onmiddelijk voor den dag te komen, en u goedwillig in uw arrest te schikken. Gij zult uit eerbied voor Hare Majesteit de aanwezige Koningin en Keurvorstin alle geweld wel willen vermijden, dat ik anders helaas zoude moeten gebruiken, indien gij u zeiven niet uitlevert.quot;
De kamerjonker trad nu bleek, maar vastberaden van
183
achter de Koningin te voorschijn, en zich diep en eerbiedig voor deze buigende, zeide hij inet bevende stem: âIk verzoek Uwe Majesteit mij uit haren dienst te ontslaan, opdat ik aan het bevel van dien heer, die, zooals het schijnt thans hier meester is, kunne voldoen.quot;.
De koningin was buiten staat dadelijk te antwoorden. Zij voelde de woorden in haar keel stikken en de tranen in hare oogen schieten.
âO, mijnheer,quot; zeide zij met moeite na eene lange pauze: âgij wilt mij dus van al mijne dienaren berooven? Gij hebt mij de gravin Brühl en de gravin Ogil va ontroofd, en beiden naar Warschau gesleept en nu wilt gij mij nog den dienst van dezen trouwen en beproefden vriend onttrekken?quot;
,,lk handel op bevel mijns Konings,quot; zeide de generaal: âen ik geloof, dat dit bevel door Uwe Majesteit zelve niet anders dan rechtvaardig kan genoemd worden. Ware de baron in de legerplaats gearresteerd geworden,] men zoude hem onmiddelijk als spion hebben gefusileerd, overeenkomstig het krijgsrecht bij alle volken. Daar echter zijne handelingen eerst nu zijn ontdekt geworden, arresteer ik hem en zend hem naar Berlijn, opdat hij zich daar tegen de beschuldiging van verraad moge verdedigen.quot;
De Koningin slaakte een diepe zucht. Zij was zich zelve weder meester, en zich met eene goedige uitdrukking tot den kamerjonker wendende, zeide zij op een toon, zooals men zelden van haar gehoord had; âGa, mijn vriend; en wanneer men uwe trouw daar met verraad bestempelt, vergeet dan niet, dat uwe Koningin zich uit dankbaarheid uwer herinneren, â en voor u bidden zal!quot;
Zij reikte den kamerjonker hare kleine witte hand, welke deze, op zijne knieën vallende, met kussen en tranen overdekte.
âGa, mijn zoon,quot; zeide pater Guarini, zijne handen op het hoofd van den knielende leggende-âga! DeHeerheett u uitverkoren om een martelaar voor de heilige en rechtvaardige zaak te zijn 1 De Heer zal met u zijn, en de heilige moederkerk zal voor u bidden!quot;
De kamerjonker stond op. â âIk ga, mijn vader,quot; zeide hij : âen mocht het mij gegeven worden, voor mijne Koningin te mogen sterven!quot;
184
âEn zich (oen mei eene zekere looneelveriooning tot den generaal wendende, gat hij dezen zijn staatsiedegenIje over, en verklaarde zich bereid hem te volgen.
De commandant wenkte den officier en gaf hem den degen. â âBreng dezen heer naar beneden, waar het rijtuig gereed staat, en zend hem onder de noodige bedekking naar Berlijn!quot;
XI.
HET TE-DEUM.
Met diepe verslagenheid staarde de Koningin den kamerjonker na, tot hij in de voorzaal verdween, waarna zij zich tot den generaal wendde.
âNu, hoop ik, zijn uwe zaken hier ten einde,quot; zeide zij: âen zal het mij vergund zijn alleen te zijn.quot;
âUwe Majesteit vergeve, want ik heb eerst het kleinste gedeelte van de bevelen mijns Konings uitgevoerd,quot; zeide de generaal zich diep buigende.
âHoe? Is er dan nóg iemand hier, dien gij moet arresteeren?quot; vroeg de Koningin.
âNeen, mevrouw, maar wel iemand, dien ik wilde waarschuwen.quot;
âMijnheer de generaal schijnt nog van mij te willen spreken,quot; zeide de pater bedaard.
âJuist, van u, mijnheer. Ik wil u waarschuwen, uwe vrome handen niet in de wereldlijke dingen der-staatkunde te steken, en u enkel bezig te houden met aan uwe biechtkinderen wijze lessen der godsdienst en der christelijke liefde te geven; maar niet zulke, welke voor de rechtbank van den wereldlijken rechter als ophitsing tot verraad en moord konden worden aangemerkt.quot;
De pater trok even zijn schouders op, en een glimlach van verachting speelde om zijne dunne lippen. âDe woor-
185
den âgodsdienst en christelijke liefde,quot; zeide hij âklinken al zeer vreemd in den mond van een Pruisisch soldaat; ook weet ik niet, of zij, die uls roovers en met geweld in een vreedzaam land vallen en duizenden menschenlevens aan hunne eerzuchtige en snoode lusten hebben opgeoll'erd, niet moordenaars genoemd worden. In alle geval héb ik met uwe wijze lessen niets te rr.aken, en tegen de eene of andere gemeenschap met uwe zoogenaamde wereldlijke rechters beschermt mij mijn heilige stand. Ik ben slechts onderworpen aan het oordeel Gods en aan dat van den Paus te Rome quot;
âDat kan zijn in uwe landen, maar niet in die van den Koning van Pruisen,quot; zeide generaal von Fink, met de meeste bedaardheid: , daar is elkeen aan de wet onderworpen, en noch titel, noch priesterkleed beschermt den misdadiger. Voor twee dagen heeft men in het Pruisisch kamp een spion ontdekt, die óók een priester was; men heeft hem gelijk alle overige spionnen opgehangen; hoewel hij, wellicht om zijn leven te redden, beweerd heeft, dat hij een vriend van den koninklijken biechtvader Guarini was. Zijne Majesteit de Koning van Pruisen, heeft mij opgedragen, u het doodbericht van dezen uwen vriend mede te deelen,quot;
âEn ik dank Zijne Majesteit er van ganscher harte voor,quot; zeide de pater: âik zal voor mijn dngelukkigen vriend, dien hij tot martelaar gemaakt heeft, missen laten lezen.''
De Koningin zag hem met schitterende oogen aan en reikte hem hare hand. â âO, vader, ik dank u voor dit edel voorbeeld,dat ookmijaltijd zal aanmoedigen, om ondanks alle bedreigingen en beschimpingen, de heilige zaak en de getrouwe vrienden, die voor haar gevallen zij, niet te verloochenen. Nu, heer generaal, hoop ik, is uwe commissie ten einde, en zult gij ons verlaten!''
âIk verzoek Uwe Majesteit te gelooven, dat ik het niet wagen zoude, één oogen blik langer hier te vertoeven,quot; zeide de generaal eerbiedig: âmaar het bevel mijns Koningsdwingt er mij toe. Ik heb in last Uwe Majesteit onderdanigst te verzoeken, dat het mij vergund worde, u eenige brieven en een historisch document voor te lezen, welke voor Uwe Majesteit niet zonder belang zullen zijn.quot;
âLees ze maar voor,quot; zeide de Koningin onverschillig:
186
âdaar de Koning van Pruisen in elk geval nog mijne ooren niet verrneesterd heelt, zal het mij vrij staan er naar te luisteren of niet.quot;
-Zij liet zich langzaam op den divan neder, terwijl de pater, op den rug er van leunende, zich achter haar plaatste.
âIk geloof toch, dat Uwe Majesteit mij de genade zal bewijzen naar mij te luisteren,quot; zeide de generaal, terwijl hij naar de vensternis ging, die niet ver van den zetel dei Koningin verwijderd was.
âVooreerst heb ik hier het verhaal van een vrij kluchtige gebeurtenis,quot; vervolgde hij toen : âdat, zooals de Koningin zich voorstelt, nid zonder belangstelling door Uwe Majesteit zal worden aangehoord, omdat het uwe dappere bond-genooten, de Franschen, betreft. Uwe Majesteit weet, dat de prins van Soubise een dapper generaal is. Mevrouw de Pompadour zegt het, bijgevolg moet het wel zoo zijn! Voor acht dagen meende die dappere Vorst wel een weinig van zijne heldendaden te kunnen uitrusten, en ook een groot gedeelte van zijn leger daartoe de gelegenheid te moeten gunnen. De dappere Vorst begaf zich dus met zijn geheelen staf en achtduizend man naar het bekoorlijke en lieve stadje Gotha, om het kunstlievend en edele vorstenpaar een bezoek te brengen. â De hertog en zijne gemalin besloten den Franschen Vorst en zijn staf met vele eerbewijzen te ontvangen. Het geheele Hof zou in gala verschijnen, en er werden grootsche toebereidselen tot een prachtig diner op het slot gemaakt, waarmede men den verheven Vorst ontvangen wilde, die niet enkel van lauweren, â maar ook van lekker eten houdt. Het diner was gereed, de tafels waren gedekt, de Fransche generaals hadden hun toilet gemaakt, en prins Soubise wilde juist de hertogin de hand reiken om haar naar tafel te geleiden, toen men van de straat de schrikkelijke kreet vernam; âDe Pruisen zijn voor de poort!quot; â Prins Soubise liet de hand der VorstRi los, en alleen het fraai Parijsch blanketsel verhinderde, dat zijne wangen verbleekten. De deuren der eetzaal werden geopend, men zag er de schitterende tafel, de dampende schotels, de blinkende buffetten, maar â de veldheeren en generaals van den prins stormden naar binnen en bevestigde het gerucht, dat de Pruisen zoo even de stad bin-
187
nengerukt waren. â Eu hel gerucht loog niet; de generaal von Seidlitz was er met vijftienhonderd dappere ruiters. Be Franschen zijn bekend om hunne beleefdheid, en zij bewezen dit ook bij deze gelegenheid! â De Vorst van Soubise maakte ongevraagd met zijn achtduizend man plaats voor den generaal von Seidlitz met zijne vijftienhonderd ruiters; en zóó haastig verliet hij met zijne troepen Goth a en het hertogelijk slot, dat de schotels nog niet koud waren, toen Seidlitz met zijne officieren aan de'hertogelijke tafel plaats nam, en met genoegen de heerlijke spijzen kon gebruiken, die voor de Fransche heeren bereid waren. â De Pruisische generaal maakte na het diner nog vele gevangenen en grooten buit. Niet, dat de Fransche veldheer soldaten hadden achtergelaten, â neen, deze waren alle met hem medegeloopen; maar er was nog een ander kleinjlcger, dut de Fransche armee pleegt te vergezellen. Het waren lakeien, kamerdienaars, koks, kappers, danseressen, tooneelspelers, veldpredikers, die allen niet zoo hard konden loopen als de Fransche soldaten. De buit bestond in de rijtuigen van den Vorst en van de overige generaals; deze rijtuigen bevatten vele kisten en kasten met kostelijken inhoud. Er waren ge-heele kisten vol welriekende wateren en geurige zalfjes; koffers vol poedermantels, haarzakken, slaapjaponnen en parasols. Ook verscheidene zeer geleerde papegaaien, die men had leeren roepen: â Vivent les Francais! A has les Prus-siens/quot; maakte men buit. â De goedhartige Seidlitz wilde het dappere Fransche leger niet van zijne noodzakelijkste behoeften berooven; hij zond daarom de koks, kamerdienaars, lakeien, alsmede de danseressen, tooneelspelers en priesters aan den prins Soubise terug, en nog wel zonder losgeld. De pomade, zalfjes en welriekende wateren echter gaf hij aan zijne soldaten. 1) Zij moesten zich óók eens met welriekende geuren omgeven, dftarzij al zoo lang bij de Franschen in een slechten reuk gestaan hadden!quot;
âO, gij wordt geestig,quot; zeide de Koningin, achteloos mot haren waaier spelende.
âDat komt. Uwe Majesteit, omdat ik niet vermoedde, dat gij mij de gunst zoudt bewijzen naar mij te luisteren,quot; zeide de generaal met een glimlach.
1
V. Archenboltz. Geschichte des Siebenjahrigen Krieges. ïh. I, S. 198.
188
De Koningin gaf geen antwoord, doch opende haai' groeten waaier, waarachter zij haai- gelaat verborg.
De generaal vervolgde; âPrins Soubise vond intusschen na rijp overleg, dat hij toch al te beleefd was geweest, met den Pruisen zijne plaats aan de hertogelijke tafel af te staan ; hij besloot den Pruisen zijne pomade, poedermantels en slaapjaponnen te ontnemen en hen weder uit Gotha te verdrijven. De rijks-veldmaarschalk, prins von Hildburg-hausen, vereenigde zich met hen en uit beide legers koos men nu de kerntroepen om de Pruisen te verdrijven, daar men vernomen had, dat slechts twee regimenten binnen Gotha stonden. Men trok dus vol vertrouwen op de zege naar Gotha; doch tot hun schrik vonden zij voor de stad niet twee regimenten, maar zoo als het scheen, het ge-heele Pruisische leger in slagorde geschaard, en nog wel in zóó groot aantal, dat hunne troepen het heuvelachtige terrein eene halve mijl ver bedekten. Dit was zóó vreemd en verrassend voor de Fransche en Duitsche veld-heeren, dat zij besloten eerst van hun schrik te bekomen en het groote Pruisische leger niet aan te tasten. Zij trokken af én lieten den Pruisen het veld behouden. Waren zij ook nu niet zoo overhaast teruggetrokken, zijn zouden gezien hebben, dat dit geheele Pruisische leger slechts uit vijftien bataljons bestond, die, dank zij de krijgslist van den generaal Seidiitz, een ontzagwekkend gezicht aanboden. Hij had zijne huzaren in een lange slagorde geschaard; daarachter in het tweede gelid de Meinecke-dragonders, en â eene halve mijl daarachter bij een bergpas, de dragonders van Gettritz.1) â De ledige ruimte die er tusschenbeide was, konden de Franschen door de uitgestrekte linie der huzaren niet opmerken; en zóó zegevierde Seidiitz zonder een enkelen slag of stoot,
niet door hen die er waren,.....maar door hen, die er
niet waren!quot;
âHet is genoeg,quot; zeide de Koningin opstaande: âik ben uwe geestige berichten omtrent den slag, die geen slag is, moede. Al mocht de Koning van Pruisen voor een oogen-blik zegevieren en zich met onbeduidende scherts over
1
Preuss, Fried, d. Gr. Th. I, S, 83.
189
zijne nederlagen troosten, het uur van zijn ondergang heelt geslagen, en God, die rechtvaardig is en de overmoedigen verplettert, zal hem straffen en de rechtvaardige zaak doen zegepralen. De slag bij Collin was voor Frederik de Tweede het eerste dreigen van den goddelijken toorn; nu zal zich de arm Gods steeds machtiger tegen hem verhelfen, en de stormwind zal de vroegere lauweren des Konings van Pruisen tot stof verwaaien!quot;
âIk weet, dat dit de inzichten van Uwe Majesteit zijn, en mijn Koning weet het óók,quot; antwoordde generaal vonFink glimlachend: âhet staat ongeveer zoo in de brieven, welke Uwe Majesteit eigenhandig aan den Oostenrijkschen generaal heeft geschreven!quot;
Do Koningin beefde een oogenblik van schrik, en een donkere blos bedekte haar gelaat. Zelfs pater Guarini, die tot nag toe met onverschillig gelaat er bij gestaan had, verried nu door zijne trillende lippen en zijne doordringende, gespannen blikken, dat het tooneel hem belang begon in te boezemen
âWat weet gij van mijne brieven aan Nadasdyvroeg de Koningin: âWie zegt u, dat ik hem geschreven heb ?quot;
âGenadige Koningin, uw eigen handschrift zegt het.quot; hernam de generaal: âde Koning, mijn verheven meester, vernam in Bernstadt, dat de generaal Nadasdy bij Ostritz was, en zond den generaal von Wener op hem at. Nadasdy ontsnapte, maar zijne bagage werd buit gemaakt, en daaronder bevonden zich de eigenhandige brieven van Uwe Majesteit.quot;
Hij wees op eenige papieren, die hij in zijne.hand had, en hield de Koningin hare handteekening voor, om haar van de echtheid te ovei tuigen.
Marie Josephine wilde hem met eene vlugge beweging de papieren ontnemen, maar de generaal trok ze snel terug.
âVergeving, genadige vrouw ; aan de teruggave dezer papieren is eene voorwaarde verbonden, die ik, op uitdrukkelijk bevel van mijn Koning, aan Uwe Majesteit moet me-dedeelen.quot;
âSpreek,quot; zeide de Koningin moedeloos.
âZijne Majesteit de Koning van Pruisen wenscht, dat de Keurvorstin van Saksen mij vergunne, haar uit één dezer
190
brieven eene phats, welke do Koning zelf uitgezocht heeft, voor te lezen.quot;
âEn gij zult mij dan al mijne brieven teruggeven?''
âAlle, Uwe Majesteit!quot;
âLees dan maar voor!quot; zeide de Koningin, weder op den divan plaats nemende, en den pater een wenk gevende zijne vorige plaats in te nemen.
De generaal trad weder naar de nis, maar eer hij begon - te lezen, keek hij eenige minuten uit het venster. Wellicht ging daar iemand voorbij, dien hij kende, want hij knikte tweemaal driftig met het hoofd en stak zijn arm in de hoogte, alsof hij iemand een wenk gaf.
Na dit kleine intermezzo, dat de Koningin en haar biechtvader met opmerkzaamheid gevolgd hadden, wendde zich de generaal weder naar zijne brieven, en ze openende begon hij te lezen.
Het was eene even hartstochtelijke als welsprekende uit-noodiging der Koningin Marie Josephine aan den Oosten-rijksche generaal, om den gehaten vijand met alle kracht en macht aan te vallen en door inspanning van alle mogelijke middelen te verpletteren.
âWanneer wij krachtig handelen,quot; zoo las de generaal met luide stem: âWanneer wij een groot en verheven doel voor oogen hebben, en dit met aanhoudenden ijver en rus-telooze kracht pogen te bereiken, zullen wij den boozen vijand verpletteren, die niet enkel onze vijand, â maar ook de vijand van God en van onze heilige Kerk is. Bij Collin heeft God hem geteekend, en hij zal zich niet weder van zijn val verheffen; nooit zal Pruisen weder zegevieren, en nooit zal de overmoedige beheerscher van Pruisen weder een Te-üeum laten zingen.quot;
Op dat oogenblik begonnen de klokken der nabijzijnde torens met een vol, plechtig gelui te weergalmen en van de achter de kerk gelegen wallen vernam men het gedonder der kanonnen.
De Koningin vloog verschrikt van haar zetel op en snelde naar het venster. â âWat beteekent dat?quot; vroeg zij ademloos: âWaarom luiden de klokken? Waartoe dat schieten? Watâquot;
Het herhaalde gebulder der kanonnen, hetwelk nu niet enkel achter de Katholieke kerk, maar ook achter het slot weergalmde, verstikte hare woorden.
191
Marie Josephine stiet het raam open, om te zien wat daar beneden voorviel, en nu hoorde men het eenparig, plechtig gelui der klokken van alle kerktorens van nabij en in de verte, waartusschen het jubelend gedonder van het geschut dreunde.
En nu verhief zich onder de vensters der Koningin een plechtig gezang, en als op onzichtbare vleugelen van geesten gedragen, galmde in de ooren der Koningin, een Te-Dcum laudamus!
Met vlammende oogen vroeg der Koningin: âWien geldt dit Te-Deum?quot;
âHet geldt mijn meester,quot; zeide de generaal plechtig: âhet geldt den Koning van Pruisen, den zegevierenden held, die gisteren bij Rossbach met zijn tweeëntwintigduizend man, zestigduizend Franschen geslagen en op de vlucht gejaagd, â en op zijne machtige vijanden eene schitterende zege heeft behaald!quot;
Marie Josephine uitte een schellen kreet, en van het venster terugwaggelende, zonk zij machteloos neder,
Door de open ramen hoorde men nog altijd het gelui der klokken, den donder der kanonnen en daartusschen de luide, jubelende stemmen, welke de heerlijke en roemrijke zege van den weder verrezen held prezen, en ter eere van God en van liet Te-Deum zongen!
VI.
EEN TOONEEL UIT DE LEGERPLAATS.
In de legerplaats der Pruisen achter Neumark waren de soldaten overal ijverig in de weer om vuren te ontsteken, teneinde daarbij hunne door de strenge winterkoude verkleumde leden te verwarmen,
âSleept maar wakker wat hout aan,quot; zeide een vroolijk uitziend, slank, jong soldaat tot zijne kameraden: âHeden
492
mogen onze ledematen niet verslijven, want ik denk dat liet er morgen wakker op los zal gaan, en wij zullen de Oostenrijkers terdege op het jak zitten en hun een heet polje soep voordienen.quot;
âEn in plaats van de balletjes zullen wij hun kanonkogels er in brouwen,quot; zeidede naast hem staande makker: âmaar hoor eens, kameraden; daar wij toch van avond er niet op losgaan, moesten wij, dunk mij, den tijd besteden om voor ons zei ven een soepje te koken. Als wij maar genoeg hout hebben om een vuurtje te maken, zetten wij den ketel er op, en eer gij omziet is de boel klaar. Wie doet mede? Voor elk man maar een grosche, en Karei Hendrik moet de meelballetjes maken.
âJa, Buschmann moet de balletjes maken. Dat kan niemand zoo goed als hij. Buschmann! Waar steekt de kerel? Anders zit hi] altijd achter Frits Kober om met hem te babbelen, alsof het twee verliefden waren! Karei Hendrik waar zit je toch ?quot;'
âHier!quot; riep oene heldere frissche stem en een Hink soldaat van het regiment Prins Hendrik trad te voorschijn: âWat is er? Wat moet ik doen?quot;
âGij moet balletjes in de soep maken, Buschmann. Ieder betaalt een grosche, en eet zooveel hij lust. Gij eet voor niet mede, als gij het werk doet.quot; t
âIk wil niets voor niet hebben, kameraden,quot; zeide Karei Hendrik lier: âik kan even goed betalen als gij, en heb meer geld dan gij allen te zamen. Want als gij onder het gelag zit en speelt en tabak rookt, houd ik mijne gros-scben in den zak, en zorg dat ik wat heb als er slechte tijden komen.
âJa, dat is waar; Buschman is de fatsoenlijkste en knapste soldaat van ons allen,'' zeid(j Frits Kober, zijn jongen vriend hartelijk toeknikkende; âhij drinkt niel, rookt niet,speelt niet, en naaien kan hij als de beste jonge juffrouw. Hij heeft mij van morgen een hemd versteld, waar onlangs bij Bossbach een kogel doorheengegaan was, die mijn linkerarm doorboorde; en ik zeg u, het hemd ziet er uit alsof het de knapste vrouw versteld had.quot;
âNu dan is het jammer dat hij er geene is,quot; zeide een kameraad onder vroolijk gelach: âHebt gij ook soms eene zuster t'lmis, die gij aan Kober geven kunt, Buschmann ?quot;
193
âNeen, kameraad,quot; zeide Karei Hendrik bijna treurig: âik heb geen vader of moeder, geen broeder of zuster. Ik ben geheel alleen op de wereld, en heb ook geen ander vriend dan mijn kameraad hier. Frits Kober. Wilt gij mij dien niet gunnen, broeders? Wilt gij hem altijd plagen, omdat hij de vriend is van een armen jongen borst, tegen wien gij niets anders hebt in te brengen, dan dat hij eerst zeventien jaar oud is, geen baard heeft, en zijne stem nog wat schel en dun is, en niet zoo'n leven kan maken als de uwe? Zegt, wilt gij Frits niet meer plagen, omdat hij voor mij, een armen, verlaten knaap een beetje genegenheid heeft? Als gij hem blijft plagen, wordt hij ten laatste disperaat en loopt nog weg, en wanneer ik dan in den slag sneuvel, drukt hij mij de oogen niet toe, zoo als hü mij beloofd heeft.quot;
âIk loop nooit of nimmer weg, beste broeder,quot; zeide -Frits Kober hartelijk: âwij beiden blijven bij elkander in de legerplaats en in den slag. Als gij mij met uwe zwarte ⢠oogen aanziet, kijkt gij mij net aan, als mijn goede, trouwe Phylax.quot;
âEn wij zullen Frits Kober niet meer lastig vallen,quot; zeide een der kameraden: âmaar er is nu al genoeg gebabbeld; laat ons nu voor wat hout zorgen.quot;
âHout, hout!quot; schreeuwde de schaar door elkander en verstrooide zich naar alle kanten om het bijeen te zoeken.
Karei Hendrik Buschmann bleef alleen op de plek staan, waar het vuur zou aangelegd worden. Haastig greep hij naar den ketel, dien de soldaten reeds aangesleept hadden, snelde naar de marketentster en kocht voor eenige gros-schen spek, om de balletjes smakelijk te maken, en ijlde welgemoed met zijn voorraad naar de stookplaats, om het spek fijn te snijden en het meel te roeren.
Maar eenige uitgezonden manschappen keerden treurig terug. Nergens was het hout te vinden; de soldaten, die er vóór hen geweest waren, hadden alles al weggesleept.
âDat zou toch rampzalig zijn, als ^ij heden avond geen balletjes meer te eten kregen,quot; zeide Frits Kober op ver-drietigen toon: âWie weet, of het niet de laatste zijn, welke wij in ons leven kunnen eten, en of ons morgen de kogels het hoofd niet afrukken, zoodat wij dan geen balletjes meer kunnen eten.quot;
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof, VI. 13
m
âDaarom zeg ik; wat gij heden doen kunt, moet gij niet tot morgen uitstellen,quot; zeide een der soldaten: âwij willen heden balletjes eten, en hout moeten wij hebben, al zouden wij het uit de keuken van den duivel stelen!quot;
En toen hij nu vol woede om zich heen zag, viel zijn oog op eene kleine boeren-stulp in de verte, aan de andere zijde van de legerplaats.
âJongens,quot; riep hij verheugd: âziet gij die hut daar ginds?quot;
âZeker! Daar heeft de Koning zijn kwartier opgeslagen.quot;
âDat kan waar zijn. Maar de oude stulp is met hout gedekt, en dat heeft de Koning niet noodig. Komt, jongens, daar hebben wij hout voor onze meelballetjes.
Onder vroolijk hoera stormden zij heen, recht op de oude vervallen herdershut aan, waarin de Koning zijn kwartier betrokken had.
quot;Vlug als de katten \ logen zij de lage stulp op, en nu kraakten en dreunden de planken; nu vlogen de balken als splinters naar beneden, en werden door de beneden-staande soldaten juichend aangenomen.
Maar plotseling trad de wachthebbende garde-officier uit de hut te voorschijn, en met. ontsteltenis de verwoesting ziende, welke de soldaten gemaakt hadden, beval hij hun dadelijk de planken weder in orde te leggen en zich stil te verwijderen.
De soldaten lachten er om en gingen bedaard met hun werk voort. â âWij willen balletjes eten,quot; zeiden zij; âechte balletjes van meel en spek, opdat wij courage hebben, om morgen de ijzeren balletjes te slikken.quot;
âVoor die balletjes hebben wij hout noodig, en nu wij het hier vinden, nemen wij het.quot;
âHoe?quot; schreeuwde de luitenant; âik verbied het u, en gij wilt niet gehoorzamen? Wacht, voor!quot;
De vier mannen der wacht, die tot nog toe stil en achteloos voor de hut op en neer gewandeld hadden, traden nu onder het geweer voor de deur.
âOp den eerste, die het waagt nog een stuk hout af te breken, geeft gij vuur!quot; zeide de officier gebiedend.
Maar de overmoedige soldaten sloegen geen acht op dit bevel, dat zij enkel voor eene bedreiging hielden.
âVuur?quot; riep er een lachend: âvuur, dat is het juist,
195
wat wij hebben moeten. Zonder vuur geene balletjes, en om vuur te kunnen maken, moeten wil hout hebben.quot;
âHè, daar heb ik net een splinter in mijn vinger gekregen,quot; schreeuwde een ander, die boven op een der daksparren reed, en juist een der brooze, dunne balken afgebroken had: âdien splinter mag ik toch eerst er uithalen en weggooien. Niet waar luitenant!''
En bij deze vraag brak het vroolijke koor in een luid geschater uit, dat spoedig door de vertoornde scheldwoorden van den officier gestoord werd.
Plotseling vroeg een zachte stem: âWat beteekent dat leven toch?'' â Bij het eerste geluid van die stem schrikten de soldaten, als door den bliksem getroffen; zij hielden met hun werk op, en hunne lachende gezichten kregen eene ernstige en verlegen uitdrukking. Stijf en onbewegelijk bleven zij op de daksparren zitten, met luid kloppende harten hunne straf verwachtende. â Zij kenden deze stem maar al te goed; zij hadden haar dikwijls onder den donder van het geschut en onder het schetteren der trompetten, welke den aanval bliezen, vernomen. Zij wisten, dat het de Koning was, die daar buiten de deur der stulp gekomen was.
Toen de Koning nu zijne vraag herhaalde, naderde hem de officier.
âSire,quot; zeide hij: âhet zijn dragonders; zij breken overal hout af van het kwartier van Uwe Majesteit. Alle vermaningen zijn vruchteloos: ik heb daarom de wacht in het geweer laten komen.quot;
âNu,quot; vroeg de Koning: âwat moet dan die wacht doen ?quot;
âEr op los schieten, wanneer de kerels zich niet met goede woorden laten beteugelen, sire.quot;
âHebt gij het dan wel met goedheid beproefd?quot; vroeg de Koning gestreng: âDenkt ge dan, dat ik den dag vóór den slag zooveel dragonders over heb, om ze om een paar stukjes hout. te laten doodschieten?quot;
De officier prevelde eenige verlegene, onverstaanbare woorden; maar de Koning sloeg er geen acht op. Hij wendde zijn hoofd naar de soldaten, die nog stijf en onbewegelijk op de sparren zaten.
âHoort eens, dragonders,quot; zeide de Koning: âalsgij zóó
496
voortgaat, valt de sneeuw van nacht in mijn bed, en dat* zult gij toch wel niet begeeren ?quot;
âNeen, dat in het geheel niet, mijnheer de Koning,quot; zeide Frits Kober beschaamd, zich langzaam en zonder gedruisch van het lage dak op den grond latende glijden. De anderen volgden zijn voorbeeld, en maakten zich, met een weemoedigen blik op het hout, gereed om af te druipen.
De Koning zag hen peinzend ria en prevelde : âArme kerels! Ik heb hun zeker van een pretje beroofd! Hé, dragonders,'' riep hij toen luid; âhoort nog eens!quot;
De soldaten keerden angstig en verlegen terug. âZegt mij toch eens,quot; vroeg de Koning; âwaartoe moet gij dit hout zoo noodzakelijk gebruiken?quot;
âOm meelballetjes in de soep te koken,' zeide Frits Kober; âHendrik Buschmann heeft ons beloofd meelballetjes te maken, en het spek is al gesneden, maar wij hebben geen hout.quot;
âNu, als het spek al gesneden is,quot; zeide de Koning glimlachend; âen als Hendrik Buschmann het beloofd heeft, moet hij ook zijn woord houden, anders komt hij in de hel. Neemt dus het hout dat gij al afgebroken hebt, maar op, en maakt dan dat gij weg komt.quot;
âHoera, leve de Koning, leve onze goede Frits!quot; riepen de soldaten, jubelend met het opgeraapte hout wegsnellend.
De Koning trad glimlachend in de hut, in het kleine, lage vertrekje terug. Maar toen hij weder alleen was, verdween de glimlach van zijn gelaat, en nam het weder een bezorgde, treurige uitdrukking aan. Wat hij geen zijner vrienden of vertrouwelingen wilden toegeven, dat bekende hij zich zeiven; het was eene gewaagde en gevaarlijke onderneming, en groot was de vermetelheid om met een leger van tweeëndertigduizend man zich tegenover zeventigduizend Oostenrijkers te stellen.
âEn wanneer het eens mislukte,quot; zeide de Koning bij zich zeiven; âwanneer ik die dappere en onverschrokken scharen eens in den dood jaagde, zonder het vaderland te baten; wanneer zij eens een roemloozen dood stierven, en wij, in plaats van te overwinnen, overwonnen werden ! O, het geluk der veldslagen ligt in de handen van het toeval, en de wijste schikkingen, de scherpzinnigste berekeningen kunnen door een niets beteekenf nd toeval verstoord worden.
197
Mag ik dan mijn leger aan het spel van dit toeval wagen? Mag ik zoo veler leven in de waagschaal stellen, om wellicht alleen mijne eerzucht, mijn trots te voldoen? Het ware verstandiger, zeiden mijne generaals, niet aan te vallen, maar den aanval af te wachten! O, Winterfeldt, Winter-feldt, waart gij nog bij mij; gij zoudt zoo niet spreken, ffij niet! Waarom heeft het noodlot mij u ontnomen, mijn vriend? Waarom heht gij mij alleen gelaten te midden mijner vijanden? Ach, ik weet het; ik zal wel middelen vinden tegen deze menigte vijanden, â maar ik zal geen Winterfeldt terug krijgen!quot; ^
De Koning liet treurig het hoofd hangen, en twee groote tranen vielen langs zijne wangen. â âHoe eenzaam en treurig maakt ons het leven,quot; zeide hij: âhoe rijk was ik vroeger, en hoe arm ben ik nu! En wie weet,hoe arm ik morgen op dit uur zal zijn! Wie weet, of ik dan nog eene plaats zal hebben om mijn hoofd neder te leggen, om van mijne zorgen uit te rusten; of ik dan niet een gevlucht, vervolgd Koning zonder land ben! Waarlijk, mijn lot is aan dat van Mithridates gelijk ! Mij ontbreekt niets dan een zoon en eene Monima. 2) Nu,quot; vervolgde de Koning: âdit is in elk geval nog wat; want hij die alleen staat, heeft het voorrecht, dat zijn ongeluk slechts hèm alléén treft! Maar sta ik dan alleen? Is er niet een geheel volk dat tot mij opziet, en van mij verwacht dat ik mijn plicht zal doen? Heb ik geene wakkere soldalen, die mij hun vader noemen, en welgemoed den dood onder de oogen zien, en hun leven voor mij in de waagschaal stellen? â Neen, ik ben niet alleen, en als Mithridates twee zonen had, ik heb er twee-
11 's Konings eigen woorden. Zie v. Retzow. Th. I, S. 220. â Winterfeld was in een gevecht bij Görlitz, door de kogels der Oostenrijkers doorboord gevallen. Volgens v. Retzow werd zijn dood veroorzaakt, doordien de hertog van Bevern Winterfeldt niet tijding de verzochte en dringend gevraagde ondersteuning zond, en Winterfeldt, woedend van drift, zich wanhopig op den vijand wierp. Ue hertog van Bevern haatte Winterfeldt, en wel sedert den-dag, dat de prins van Pruisen het leger verlaten moest er. de Koning alle generaals, âWinterfeldt uitgezonderd,quot; het hoofd voor de voeten dreigde te laten leggen. Deze haat van den hertog had nog meer voedsel gekregen, omdat hij vernomen had, dat Winterfeldt de rol van opzichter bij den prins had gekregen, welke betrekking hij vroeger had waargenomen. Daarom, zegt men, liet de hertog den generaal in het. nauw, en zond hem niet de vereischte hulp. V. Retzow. S. 217.
2) 's Konings eigen woorden. Correspondance avec le Marquis d' Argens, p.46.
498
endertigduizend. â Ik zal hun goeden avond gaan wen-schen; en ik verbeeld mij, het zal mijn treurig hart wat opbeuren, wanneer ik hun vroolijken groet verneem.quot;
Dit zeggende wierp de Koning zijn mantel om en verliet het kwartier, om zooals hij dikwijls placht te doen, eene wandeling door de legerplaats te maken. Niemand volgde hem dan de dienstdoende officier, die zijne blikken gehoorzamende, hem op eenigen afstand volgde.
Buiten begon het te schemeren, en overal brandden nu vuren, welke de duisternis een weinig verlichtten en tevens tegen de scherpe koude moesten beveiligen. Het was een schilderachtig gezicht deze uitgestrekte vlakte metdietal-looze, helder flikkerende vuren te zien, en daar omheen gelegerd die vroolijke scharen soldaten, wier onbezorgde, onverschrokken gelaatstrekken een tint der roode vlammen overnamen, terwijl aan den verren gezichteinder de maan juist helder en vol opkwam, en met haar bleeken, zilveren glans de geheele streek bescheen, en den gloed van het vuur temperde.
De Koning stapte bedaard door de straten van het kamp voort, en overal waar de soldaten hem herkenden, juichten en begroetten zij hem met hartelijke woorden van liefde.
Toen hij nu juist een groot vuur naderde, waarboven een reusachtige, dampende ketel hing, die de lucht met een vreemden, smakelijken geur vervulde, hoorde hij eene heldere stem roepen: âNu, kameraden, hierheen en aan den gang! De balletjes zijn klaar!quot;
âHoera! hier zijn we!quot; riepen de kerels, die op een kleinen afstand onder vroolijk gesnap bij elkander hadden gestaan, en snelden naar het vuur, om zich er om heen te scharen en de zoo verlangde âknoedelsquot; te eten.
De Koning, die de soldaten welke hem zijn dak geruïneerd hadden, herkende, stapte glimlachend dichter bij hot vuur.
âMag ik óók mede-eten?quot; vroeg hij vriendelijk.
De soldaten zagen van hunne tinnen borden, waarin de meelballetjes dreven, op, en knikten den Koning vriendelijk toe.
âJa, mijnheer de Koning,quot; zeide Frifs Kober opspringende, en den Koning naderende: ,.ja, gij moet mede-eten,
199
Hier hebt gij mijn lepel en mes, en wanneer gij het nu versmaadt, en ons slechts gefopt hebt, dan word ik, bij mijn ziel, bitter kwaad!quot;
De Koning lachte en zich tot den officier wendende, zeide hij, als om zich te verontschuldigen: âIk moet wel eten, want anders maak ik dien man kwaad! Geef mij uw lepel, maar hoort ge, dit zeg ik u, als de meelballetjes niet deugen, word ik óók bitter kwaad!quot;
Hij nam bet bord en begon te eten.
Alle soldaten echter hadden opgehouden met eten, en zagen in gespannen verwachting naar den etenden Koning. Toen hij de eerste bete naar binnen had, kon Frits Kober zijne nieuwsgierigheid niet langer bedwingen.
âNu, mijnheer de Koning?quot; vroeg hij met triomfantelijken lach: âWat zegt gij er van? Kan Buschmann niet evengoed heerlijke balletjes maken, als uw beste en knapste kok?quot;
âWaarlijk,quot; zeide de Koning glimlachend : âdie heeft mij nog nooit zulke lekkere balletjes gemaakt en ik moet zeggen, zij smaken goed. Maar nu ben ik voldaan en ik bedank u hartelijk.quot;
ny wilde Frits Kober het bord teruggeven, maar deze schudde driftig zijn hoofd. â âHoor eens. Majesteit, met een enkel dankje komt niemand vrij, en het allerminst gij, mijnheer de Koning. Ieder moet betalen.quot;
âGoed,'' zeide de Koning: âhoeveel komt er dan op mijne portie ?quot;
âWel, het kost elk van ons een grosschen, maar de Kö-ning betaalt naar believen.quot;
âWilt gij mij wel borgen, dragonder?quot; vroeg de Koning die te vergeefs in zijn zak naar geld gezocht had.
âO ja, mijnheer de Koning,quot; riep Frits Kober lachend; ,,ik wil u wel borgen, maar niet langer dan tot morgen vroeg. Want als het morgen een kanonskogel mocht invallen mijn hoofd mede te nemen, dan kon ik Uwe Majesteit volstrekt niet manen, en gij moest tot in eeuwigheid mijn schuldenaar blijven.quot;
âDan zal het maar beter zijn, dat ik u nog heden betaal,quot; zeide de Koning glimlachend, terwijl hij de soldaten toeknikte en heenging.
200
XIII.
BIJ HET WACHTVUUR.
Kort daarop verscheen de adjudant des Konings weder bii het legervuur der dragonders, en gaf Frits Kober vijf blinkende goudstukken, welke de Kojaing hem zond om zijn gelag te betalen. Zonder den dank der verraste soldaten af te wachten verwijderde zich de officier onmiddelijk.
Frits Kober beschouwde lang en peinzend de goudstukken, welke in den glans van het flikkerende vuur helder in zijne hand schitterden.
âHet is toch zeer goed,quot; zeide hij tot den naast hem zittenden Karei Hendrik Buschmann, die met een peinzen-den blik zijn vinend beschouwde; âhet is toch zeer goed van den Koning dat hij woord gehouden, â en dadelijk betaald heeft.quot;
âEn waarom is dat zeer goed. Frits?quot; vroeg Karei Hendrik Buschmann.
âDat zal ik u zeggen, Karei Hendrik. Omdat ik, wanneer ik morgen kom te vallen, toch iets in mijn zak heb, wat gij van mijn erven kunt. Want, dit zeg ik u, niemand dan gij alleen mag mijn erfgenaam zijn, en alles wat ik heb moet u toekomen. Sakkerloot, nu ik rijk ben is het beter dat ik mijn testament maak, voor het geval dat het morgen mis met mij loopt. Omdat ik geen pen en papier heb, zal ik het mondeling doen; ik zal dus mijne kameraden wakker maken, en zij moeten getuigen zijn, hoe ik mijn testament maak.quot;
Hij stak zijne hand naar de slapende kameraden uit, die naast hem op den grond lagen. Karei Buschmann hield hem echter terug.
âLaat hen slapen,quot; zeide hij zacht: âhetis niet noodig dat wij getuigen hebben. Het is voldoende, wanneer God en de sterren en de maan, die daar zoo statig opkomt, hooren, wat wij elkander te zeggen hebben. En wat spreekt gij van testament cn erfenis, vriend? Gelooft gij dan, dat
201
ik naar zulk armzalig goed begeerig ben, en dat gij niet meer voor mij zijt? Denkt gij dan, dat ik het ooit tot iets anders zou besteden, dan om u een grafteeken met een gouden opscbrift te laten zetten?quot;
âVoor mij een grafsteen?quot; zeide Frits Kober met verwonderden blik: âWaarom wilt gij voor een armen, een-voudigen en onbekenden kerel, zooals ik ben, een grafsteen zetten, Karei Hendrik? Er vallen toch zoovele generaals en officieren; de aarde drinkt bun bloed en zuigt het op,en niemand weet waar zij gebleven zijn. En met gouden letters, zegt gij? Wel, ik ben toch nieuwsgierig te weten, wat gij op mijn graf zoudt willen zetten.''
âDat zal ik u zeggen. Frits. Op uw grafsteen zou staan: âHier rust Frits Kober. De trouwste vriend, de beste ziel, het eerlijkste hart. Goed als een kind, dapper als een held, zonder valscbbeid als de duiven, en trouw als een hond.quot;
âMaar ben ik dan dat alles?quot; vroeg Frits verbaasd.
âJa, mijn vriend, dat alles zijt gij,''zeide Buschmann met diep bewogen stem: âgij hebt dit aan mij bewezen, en ik zal het nooit vergeten, ik was een arme, beschroomde jongen, toen ik bij bet leger kwam; ik wist niets en kende niets, en mijne kameraden, die dit merkten, wilden mij bedotten en allerlei dwaasheden met mij beginnen. Zij bespotten mij, omdat ik geen baard had; praatten mij na, omdat mijne stem nog niet vast is, en zij meenden, dat ik een zeer ellendig soldaat zou worden, omdat ik soms bij het exerceeren en oefenen wat bleek werd. Wie bad toen medelijden met mij en nam mijne partij tegenover de anderen? Wie bekeef hen om hunne plagerijen, en dreigde hen te slaan, als zij mij niet met rust zouden laten? Wie gaf zich moeite met mij en leerde mij het reglement en het paardrijden? â Dit alles deedt gij, vriend, lt;7?}'alleen! Gij stondt mij ter zijde, wanneer anderen mij bedreigden ; gij waai t geduldig met mij als eene moeder, die haar kleinen jongen het a h leert, en hem vriendelijk aanziet en genegen is, al is hij nóg zoo dom; Zonder u, Frits Kober, zoude ik ongelukkig geworden, â en er niets goeds van mij gekomen zijn; en wanneer zij nu zeggen, dat ik een wakker dragonder ben, heb ik bet u alleen te danken, omdat gij zooveel geduld en vriendschap voor mij gehad hebt.quot;
âNu,quot; zei Frits Kober nadenkend: âhel zegt niet veel
202
iemand genegenheid te betoonen, die het verdient, en die zelf zóó goed en wakker is, dat men zich voor hem moet schamen, als hij iemand aanziet. Want ik moet het u toch zeggen: er is iets in uwe oogen, waaraan ik geen weerstand kan bieden. Ik verbeeld mij altijd, dat de engelen inden hemel even zulke oogen moeten hebben als gij; en wanneer gij mij dan zoo goedig en vriendelijk aankijkt, dan springt mijn hart in mijn lijf van pleizier; en ik heb zelfs al gedroomd van uwe schoone oogen, en in den slaap heb ik mij geschaamd, dal ik droomde; en ik had haast zoo'n echt hartigen vloek uitgestooten, en toen hadt gij mij aangekeken, want ik weet wel, gij kunt het vloeken niet uitstaan, evenmin als het drinken, en gij wilt niet eens pruimen!quot;
âMijn vader was een arme schoolmeester.quot; zeide Karei Hendrik; âwij leefden stil en eenzaam met elkander, en ook hij kon het vloeken niet dulden. Hij zeide altoos: âwanneer de menschen vloeken, doet het God in de ooren zeer alsof hij tandpijn had, en God,quot; zeide hijheeft het koren niet laten groeien om er jenever,âmaar wel om er brood van te maken.quot; Daarom dronk hij geen jenever; bier en wijn konden wij niet betalen ; wij dronken dus water en waren er zeer tevreden bij.quot;
âUw vader heeft gelijk gehad,quot; zeide Frits Kober naden-' kend: âik geloof óók, dat het niet is om tot jenever gestookt te worden; ook smaakt die mij in het geheel niet meer, en ik wil er mij geheel afwennen. Weet gij wat. Karei Hendrik ; als wij den krijg gelukkig hebben doorstaan en goeden buit gemaakt hebben, willen wij ergens een stukje grond koopen, en daar bouwen wij ons zeiven een klein huisje, wonen, er in, bewerken ons land, verbouwen ons koren, en des avonds als het werk afgeloopen is, gaan wij op de bank voor de deur zitten, en gij vertelt mij dan uwe fraaie geschiedenissen, en zoo leven wij te zamen, tot wij oud, stok-oud worden en sterven.''
âMaar iels hebt gij vergeten. Frits Kober!quot;
âNu, wat dan, Karei Hendrik ?quot;
âGij hebt vergeten, dat gij ook eene vrouw moet nemen, die uwe huishouding moet besturen, en dat, als zij er in is, zij mij spoedig er uit zal bannen.quot;
âDat moet zij durven doenlquot; schreeuwde Frits Kober in drift opstuivende en de gebalde vuist heftig opstekende;
203
âDat moet zij eens wagen, u de deur te wijzen, Karei Hendrik, dan zou ik haar zelve er uitsmijten en haar nooit weêr er in laten. Maar,quot; vervolgde hij toen meer bedaard; âhet is volstrekt niet noodig er over te spreken; want ik zal geene vrouw nemen, omdat er voor mij geene is die ik hebben wil. Wij beiden zullen met elkander leven, en wat behoeven wij nog een derde persoon. Zij zou alleen twist tusscben ons brengen.quot;
Karei Hendrik antwoordde niets; hij zag glimlachend in het uitdoovend vuur, en toen naar Frits Kober met zulk een vreemden, teederen en vromen blik, dat diens âhart weder van pleizier in zijn lijf zou gedanst hebben,quot; als hij het gezien had. â Maar hij was te veel met eigen gedachten bezig om daarop te letten.
âHoor, Karei Hendrik,quot; vervolgde hij : âals er nu niets van komt met ons stukje grond en ons huisje en wanneer morgen in den slag mijn laatste kogel komt en mij on-haalt, âquot;
âDan zal ik mijn hoofd er naasthouden, opdat hij mij tegelijk trefle,quot; viel Karei Hendrik hem driftig in de rede.
âAls gij dat doet, zal ik zeer boos op u worden!quot; riep Frits: âGij zijt nog veel te jong om te sterven, en ik zal mij nog onder de aarde verheugen, als het u hier op aarde goed gaat. En zal het u goed gaan, dan moet gij geld hebben, en daarom wilde ik slechts zeggen, dat gij mijn erfgenaam moet zijn, en daarom moeten u, wanneer ik val, de mooie goudstukken toebehooren, en daarom wil ik niet, dat gij een grafsteen voor mij zet.quot;
Karei Hendrik reikte hem zijne hand en in zijne oogen stonden groote tranen. â âSpreek niet meer van sterven. Frits,quot; zeide hij aangedaan: âik zou er zoo zwaarmoedig van worden en morgen in den slag de echte courage niet hebben, als ik denk aan hetgeen gij heden al gezegd hebt, Brr, wat wordt het koud; ik ril tot in mijne ziel!quot;
âWeet gij wat, Karei Hendrik?quot; riep Frits opspringend: âIk zal nog wat hout zoeken, om het vuur wat beter te doen branden; dan zult gij wel weder warm worden.quot;
En zonder antwoord af te wachten, was hij weg. Karei Hendrik bleef bij het vuur zitten, zag peinzend in den gloed, glimlachte soms zoo vreerad en zoo gelukkig, en
204
zuchtte dan weder zoo benauwd, alsof een geheim zijn hart zou doen barsten.
Op eens zeide eene stem naast hem. â âDan heb ik tóch het vuur teru^ gevonden! Goeden avond, kinderen!quot;
Toen Karei Hendrik zijn hoofd opbeurde, keek hij in het schoon en vriendelijk gelaat des Konings, die hem met zijne groote, vonkelende oogen beschouwde.
âGoeden avond, mijnheer de Koning!quot; riep Karei Hendrik opspringend : âKameraden, wordt wakker, daar is de Koning!quot;
âVolstrekt niet; laat uwe-kameraden maar rusten,quot; zeide de Koning hem zacht tot bedaren brengende; âik wil mij hier bij het vuur een weinig te goed doen. Het is juist gegaan, zooals ik gezegd heb ; gij dragonders hebt mij van mijn dak beroofd, en nu blaast de wind er zóódanig doorheen, dat het water in de kamer bevriest. Dan is bet beter hier bij het vuur te zitten en zich te warmen.quot;
Hij wilde op het uitgespreide stroo gaan zitten, toen eene barschen slem achter hem riep; âMarsch, weg daar! Elke luie gast gaat maar bij het vuur zitten, en niemand wil een brokje hout halen!quot;
Het was Frits Kober, die met wat hout, dat hij met moeite hier en daar had bijeengegaard, terugkeerde en zich boos maakte, dat een vreemd soldaat zijne plaats naast Karei Hendrik had ingenomen.
De Koning keerde zich bedaard om. â âGij hebt gelijk, mijn zoon,quot; zeide hij; âkom hier! Ik zal plaats voor u maken!
âHeere God,quot; stamelde Frits Kober geheel ontsteld, en wilde vluchten, doch de Koning hield hem terug.
âGij blijft hier mijn zoon,quot; zeide hij; âgij hebt hout gehaald, en hebt dus het oudste recht! Ik wil mij hier maar een weinig warmen, en ik verbeeld mij, er zal wel plaats voor ons allen zijn!quot;
Hij ging op het stroo zitten en wenkte Frits Kober naast hom plaats te nemen. Deze gehoorzaamde verlegen, terwijl Karei Hendrik Buschmann zijn best deed om het hout netjes opeen te stapelen, teneinde een mooie heldere vlam te krijgen.
De Koning staarde zwijgend en in diepe gedachten verzonken in het llikkerende vuur, dat nu helder uit het droge
'203
rijshout opvlamde, en zijn gelaat als met een stralenkrans omgaf. Naast hem zaten de beide soldaten, die in eerbiedig zwijgen den Koning en de omliggende slapende dragonders beschouwden.
Na eene lange pauze beurde de Koning zijn hoofd op, en wierp een blik op zijne omgeving.
âNu, dragonders,quot; zeide hij vriendelijk: âmorgen zal het een heete dag worden, en wij zullen het den Oostenrijkers ter dege warm maken.quot;
âEvenals den Franschen bij Rossbach,quot; zeide Frits Kober opgeruimd: âhet zal er prettig toegaan, en als wij met de Oostenrijkers klaar zijn, marcheéren wij verder naar Kon-stantinopel!''
âWat moet gij te Konstantinopel doen ?quot; vroeg de Koning verwonderd.
âNiets, Uwe Majesteit; enkel met u er heen marcheeren, de Turken verslaan en veel geld halen.quot;
âDat gaat zoo spoedig niet, mijn zoon!quot;
âWaarom niet, mijnheer de Koning? Wij hebben nu de Franschen geranseld, morgen zullen wij het de Oostenrijkers doen, en zoo zullen wij ten laatste de Turken óuk wel klaar kunnen krijgen!quot;
De Koning glimlachte. â âMaar eerst moeten wij de Oostenrijkers geklopt hebben!quot;
âBij mijne ziel, dat zullen wij doen!quot; riep Frits welgemoed: âUwe Majesteit mag mij gelooven; ik marcheer met u tot aan het einde van de wereld, en mijn vriend Busch-mann daar ook. En als wij maar wat te eten hebben, â te drinken vindt men overal, â laat het dan maar loopen, zoo als het wil!quot;
Des Konings oogen schitterden helderder. â âBij den hemel! zulke soldaten in het veld te brengen is een genot!quot; prevelde hij in zich zeiven, en zich toen met eene uitdrukking van goedheid tot Frits Kober wendende, vroeg hij hem zijn naam en zijne geboorteplaats.
âKunt gij schrijven?quot; vervolgde hij met vragen.
âNiet zoo goed. Majesteit; Karei Buschmann hier schrijft beter dan ik. Hij is een geleerde.quot;
âIs het waar. Karei Hendrik Buschmann?quot; vroeg de Koning lachend.
âHij zal âneenquot; zeggen, mijnheer de Koning!quot; riep
200
Frits driftig; âHij wil volstrekt niet, dat men hem prijst; maar wat waar is, moet waar blijven. Hij is de dapperste en dé verstandigste soldaat uit het geheele leger, en wanneer er nog gerechtigheid in de wereld is, dan moet Karei Hendrik nog eens onderofficier worden!quot;
âEerst moet gij het worden. Frits,quot; zeide Karei Hendrik bedaard: âGij hebt het al lang verdiend;en wist mijnheer de Koning maar, wat gij al bij Rossbach gedaan hebt, dan waart gij het al.quot;
âWat heeft hij dan gedaan?quot; vroeg de Koning.
âNiets, Majesteit.quot;
âWel zeker. Majesteit?'' riep Karei Hendrik snel: âHij heeft er op ingeslagen, dat de vonken er uitvlogen, omdat die afschuwelijke Franschen, â volgens het zeggen van mijn heer de ritmeester, â ons onze winterkwartieren wilden afnemen, en zelfs toen de sabel van Frits al over hen heen snorde, nog altijd door schreeuwden: âKwartier! Kwartier!quot;
- maar waarop Frits zoo woedend werd, dat hij ze allen in de pan hakte, roepende: âJa, ja, kerels, ik zal u kwartier geven, maar dan zal het in de hel zijn!quot; 1)
âJa, verbeeld u eens; de kerels wilden ons nog bespotten, toen wij ze al op de vlucht joegen, en spraken als wij er een pakten, spotachtig, zoo geheel op zijn Fransch, nog van de kwartieren welke zij ons wilden afnemen. Toen moest ik ze wel neêrsabelen!quot;
âMaar hèn, die om pardon vroegen, heeft hij niet neergesabeld,quot; zeide Karei Hendrik: âdie heett hij gespaard en enkel gevangen genomen. Ja, negen gevangenen heeft Frits Kober geheel alleen gemaakt.quot; 2)
âEn uwe vuisten waren zeker van stroo, daar gij vol-
1
Men had den dragonders, die grootendeels uit de Mark Brandenburg waren, verteld, dat de Franschen van plan waren in de Mark Brandenburg hunne winterkwartieren te maken. Het denkbeeld van zulk een bezoek stond hun geweldig tegen. Toen dus de voor de ruiterij vluchtende Franschen âkwartierquot; riepen, en dit om zicli verstaanbaar te maken op Duitsche manier uitspraken, hielden de Pruisen dit voor eene spotternij op de bedoelde winterkwartieren in hun vaderland. Zij schreeuwden onder hunne slagen: âJa, wij zullen u kwartier geven!quot; Velen verloren door dit misverstand hun leven, tot dat anderen, met de Duitsche taal bekend, eindelijk het woord âpardonquot; gebruikten, dat dan ook bij de ruiters de gewenschte uitwerking had. V. Archenholtz. Geschichte des Siebenjtihrigen Krieges. Th. I, S. 113.
2
Nicolai. Oharacterzüge und Anecdoten. Heft III, S. 50.
fc07
strekt niets van u zeiven weet te vertellen?quot; vroeger Frits driftig.
âHet waren er maar vijf; en gij hebt er negen gemaakt,quot; zei Karei Henderik ernstig.
De Koning zag mei blijkbaar genoegen van den een op den ander, â âMij dunkt,quot; zeide hij : âgij zijt beiden wakkere soldaten, en wel te wakkerder, omdat gij u niet op uwe daden beroemt. Zijt gij beiden dan zulke goede vrienden, dat. gij altijd elkander iets goeds gunt en toewenscht?quot;
,,Ja, mijnheer de Koning; Karei Hendrik is mijn beste vriend, en wanneer gij mij een grooten'liefdedienst wilt bewijzen, moet gij hem onderofficier maken.quot;
âMaar hij zegt immers, dat hij het niet worden wil, wanneer gij het óók niet wordt ? Dan zal het wel niet anders kunnen, dan u beiden te bevorderen. Wanneer gij morgen in den slag er wakker op inhouwt en flinke heldendaden doet, wordt gij beiden onderofficier; en nu stil,kinderen,laat mij wat rusten! Opdat ik echter niet in slaap val moet gij mij wat vertellen. Weet niet een van u eene heele mooie geschiedenis ?quot;
âKarei Hnderik weet er zeer vele, en als Uwe Majesteit het beveelt, vertelt hij ze zeker.quot;
âNu, vertel dan, mijn zoon,quot; zeide de Koning, zich gemakkelijk uitstrekkende en met zijn hoofd op zijne elleboog-leunende; âweet gij wat moois?quot;
âO ja. Majesteit; ik'heb verscheiden mooie sprookjes gelezen, en ook eene geschiedenis van eene toovergodin, die een dapperen koningszoon .beminde, en zich, als hij ten strijde trok, in zijn zwaard veranderde, opdat zij altijd haren geliefde op zijde kon blijven!quot;
, âVertel mij deze geschiedenis, mijn zoon!quot;
En Karei Hendrik Buschmann begon te vertellen. Rondom in de legerplaats heerschte de diepste stilte; hier en daar hoorde men een in den slaap gesproken woord, een luid snorken, of het slaperige knorren van een paard. De wacht-vui-en begonnen overal ^uit te gaan en schitterden nog slechts als roode glimwormen op den donkeren grond. De maan stond groot en vol boven de legerplaats en kleurde het bonte tafereel met allerlei tinten; hier deed zij een geweer vonkelen, en weerkaatste daar op den loop van een kanon, terwijl de verlichte voorwerpen hunne verlengde
208
schaduwen op de naaste omgeving wierpen, en daardoor de zonderlingste tegenstellingen en lichtspelingen veroorzaakten. Geheel in de verte, aan den gezichteinder zag men eenige roodgloeiende stippen, als purperen sterren opkomen.
Dit waren de legervuren der Oostenrijkers, welke daar . achter Leuthen met hunne ontzaglijke macht lagen.
Daarheen wendde de Koning somwijlen zijn blik en zijne gelaatstrekken drukten dan de grootste spanning, de meeste oplettendheid uit.
Maar daar ginds bleef alles stil, even als in de legerplaats zelve; en wanneer de Koning zich telkens weder op nieuw er van overtuigd had, verviel hij weder in zijne rustende houding, en luisterde naar de vertelling van Karei Hendrik Buschmann.
Het was een heerlijk en vreemd sprookje, dat Karei Hendrik vertelde; zóó wonderbaar en raar, dat Frits Kober bijna ademloos en met wijd opengespalkte oogen luisterde. Eindelijk in de geestdrift zijner vervoering, en toen Karei Hendrik juist vertelde, hoe de schoone toovergodin, nadat de koningszoon stervende gevallen was, uit zijn zwaard te voorschijn zweefde en den stervende met een kus in het leven had teruggeroepen, viel hij den verteller met een luiden kreet van verrukking in de rede.
âEn het is eene heele ware geschiedenis, mijnheer de Koning!quot; riep hij hartstochtelijkquot;. âElk woord er in is waar; en die het niet gelooft, is een hondsvot!quot;
âNu, nu,quot; zeide de Koning lachend: âik geloof het immers dragonder.quot; ^
Karei Hendrik ging met zijn sprookje voort, maar welke vreemde en ongehoorde dingen er ook gebeurden, eindelijk overmeesterde de slaap toch de oplettendheid van zijn vriend, en Frits Kober kon niet langer weerstand bieden. Zijne oogen sloten zich van zelve; maar nog in den slaap prevelde hij: âHet is alles, alles waar!quot;
En, â- óf dat Karei Hendrik Buschmann alles, wat zijn vriend deed, navolgenswaardig vond, óf dat ook hij zich door de vele vermoeienissen van devorigedagenafgematgevoelde,â
1) Anecdoten und Characterziige, Neue Folge. Heft II, S. 89.
209
ook hij voelrle de slaap zwaar als lood op zijne oogen nederdalen, de woorden kwamen al langzamer over zijne lippen, en verstomden ten laatste geheel en al.
De Koning beschouwde glimlachend de sluimerende soldaten, en keek dan weder naar den verren gezichteinder en naar de legervuren der Oostenrijkers.
Daar ginds, even als hier in het Pruisische kamp, was alles rustig en stil. Niets bewoog zich; de maan vertoonde de verwijderde voorwerpen in het helderste licht, en nergens deed zich iets voor, dat tot bezorgdheid aanleiding kon geven.
âHet was een yalsch bericht, dat men mij gebracht heeft,quot; prevelde de Koning: âhet is niet waar, dat de Oostenrijkers in aantocht zijn en ons overvallen willen. Zij slapen, en eerst met den dag zullen wij hen zien. Ik kan dus gerust weder naar mijn kwartier gaan.quot;
En voorzichtig en stil stapte de Koning door de rijen der slapende soldaten, met opgeheven vinger den officier en de vier man van de wacht, â die hem ongevraagd gevolgd waren, en zich niet ver van de stookplaats der dragonders geschaard hadden, â gebiedende, dat zij zeer zacht gaan, â en de slapenden niet storen moesten.
XIV.
DE SLAG BIJ LEUT1IEN.
Den volgenden morgen trad de Koning reeds zeer vroeg builen de deur van zijn kwartier, waar de generaals en stafofficieren op zijn bevel verzameld waren en hem in gespannen verwachting verbeidden. Zijn gelaat gloeide van zielskracht en vastberadenheid, en een wonderbaar vuur straalde uit zijne groote oogen. En als werden zij 'bezield door den blik op dit helder gelaat, helderden ook de aangezichten der generaals en hunne betrokken voorhoofden op.
Iedereen gevoelde, dat dit hooge voorhoofd als met een stralenkrans schitterde door de kracht van het genie, en Mühlbaoh, Frecïerik de Groote en zijn Hof. VI. 14
210
dat de lauweren, waarmede het getooid was, nooit ontwijd konden worden. Iedereen voelde zich vol vertrouwen, moedig en slagvaardig; en hoe schroomvallig men ook vroeger geweest was, en met welk een hoofdschudden de dappere generaals het besluit des Konings ook vernomen hadden, om den driemaal sterkeren vijand aan te tasten, â thans, nu de Koning in hun midden was, werd ieder met vertrouwen en met de hoop op zege vervuld.
Spionnen waren in de legerplaats teruggekeerd en hadden bericht, dat de Oostenrijksche armée met zonsopgang de legerplaats had verlaten en tot Leuthen was voort-gerukt; zij hadden ook veel verteld van de sterkte des vijands en van het ongeduld der soldaten, om het kleine Pruisische leger, dat de Oostenrijksche generaal Lucchesi spottend âde Berlijner wachtparadequot; had genoemd, in de pan te hakken.
Op een wenk des Konings was Seidlitz hem genaderd, en had hem de laatste berichten der spionnen medegedeeld.
âHet is een ontzaglijk leger, dat wij daar tegemoet trekken,quot; vervolgde Seidlitz; âeen leger, dat tweemaal zoo sterk is als het onze.quot;
Een bliksemstraal uit de oogen des Konings trof den generaal. â âIk weet het,quot; zeide hij toen bedaard: âikken de overmacht en de sterkte mijner vijanden. Maar er blijft mij geen ander middel over, dan te overwinnen of te sterven. Ik wil hen aanvallen, al stonden zij op de kerktorens van Breslau!quot; 1)
En toen te midden der generaals en stafolfiieren tredende, vervolgde de Koning met luider stem; âHet is u bekend, messieurs, dat prins Karei von Lotharingen Schweid-nitz heeft veroverd, den hertog van Bevern geslagen, en zich meester van Breslau heeft gemaakt, terwijl ik genoodzaakt was, het verdere voortdringen der Franschen en der rijkstroepen tegen te gaan. Een gedeelte van Saksen, mijne hoofdstad en de krijgsvoorraad, welke zich daarin bevond, zijn daardoor verloren gegaan, en mijn ongeluk zou ten top gestegen zijn, indien ik geen onbegrensd vertrouwen op uwen moed, uwe standvastigheid en vaderlandsliefde stelde, welke gij mij bij zoovele gelegenheden bewezen hebt.
1
'b Konings eigen woorden. Preuss. Geschicbte Pr. d. Gr. Th. II, S. 104.
211
Er is bijna niemand onder ü, die niet door eene groote, eervolle daad heeft uitgemunt; en ik weet, dat gij ook heden niet zult achterblijven, in hetgeen de Staat van uwe dapperheid kan verwachten. Ik zoude gelooven niets gedaan te hebben, indien ik de Oostenrijkers in het bezit van Si-lezië liet. Hoort nu ééns voor al: Ik zal tegen alle regelen der kunst de bijna driemaal sterkere macht van prins Karei aantasten, waar ik haar vind. Er is hier geen sprake van het aantal vijanden ot van het gewicht hunner voordeelige stellingen; dit alles, hoop ik, zal ik door de dapperheid mijner troepen en het nauwkeurig opvolgen mijner bevelen en beschikkingen te boven komen! Ik moet dezen stap wagen, of alles is verloren. Wij moeten den vijand overwinnen, of ons allen door zijne batterijen laten doodschieten! Zoo is mijn plan, zoo zal ik doen! Maakt dit besluit aan alle officieren van mijn leger bekend. Bereidt de soldaten voor op de tooneelen, welke volgen zullen; en kondigt hun aan, dat ik recht heb onbepaalde gehoor-zaamheid van hen te eischen! Bedenkt allen, dat gij Pruisen zijt, en toont u dit voorrecht waardig. Mocht er echter iemand onder u zijn, die vreest alle gevaren met mij te deelen, hij kan nog in dit uur zijn afscheid van mij krijgen, zonder van mij het geringste verwijt te ontvangen!quot;
De Koning zweeg, en zag met verwachting in den kring zijner toehoorders rond. Op aller gelaatstrekken las hij vastberadenheid, moed en geestdrift; maar hier en daar zag hij het gelaat der oude, dappere generaals treurig worden bij deze veronderstelling, en in de oogen van den ouden generaal Bohr, dien de Koning juist aanzag, blonken tranen van droefheid.
De Koning reikte hem bijna gevoelig de hand. â âO, beste generaal,quot; zeide hij ; heb ik niet bedoeld. Maar ik herhaal het; wie van u zijn»afscheid vragen wil, hij kan het onmiddelijk verkrijgen.quot;
Een diepe, plechtige stilte volgde op deze woorden. Niemand der generaals en officieren trad voor; niemand stoorde door een enkel woord dit stilzwijgen; men hoorde niets dan het roepen, schreeuwen en juichen der soldaten, die zich vol moed en jubelend tot den strijd toerustten.
flet gelaat des Konings schitterde, en opgetogen vervolgde hij: âIk was reeds overtuigd, dat niemand uwer
212
mij verlaten zou! Ik reken dus geheel op uwe trouwe hulp en op eene gewisse zege! Mocht ik vallen en u voor uwe bewezen diensten niet kunnen beloonen, dan moet het vaderland dit doen. Gaat nu naar de legerplaats en verhaalt uwe regimenten, wat gij van mij gehoord hebt. Vaartwel, mijneheeren; na korten tijd hebben wij den vijand geslagen, of wij zien elkander nooit weder!quot; ^
Toen de Koning nu zweeg, barstten de verzamelde generaals en stafofficieren in een luiden jubelkreet van geestdrift uit. â .,Wij overwinnen of sterven!quot; riep Seidlitz, wiens moedig, jeugdig gelaat van geestdrift schitterde, en allen riepen hem blijde na: âWij overwinnen of sterven!quot;
En uit den kring der generaals en stafofficieren deelde zich deze kreet aan de officieren mede, en als eene lawine voortrollende, steeds aangroeiende, steeds zwellende, brulde hij door de legerplaats en donderde het weldra uit dertigduizend keelen; âWij overwinnen of sterven!quot; Geestdrift en strijdlust schitterden uit ieders blik; de grijze krijgers, die zoo dikwijls reeds den Koning in den slag gevolgd en met hem gezegevierd hadden, reikten elkander de hand, beloofden elkander trouw bij te staan, en vermaanden toen de jonge soldaten, den vijand niet te yreezen, en ondanks zijn tegenstand moedig voort te gaan.quot; 1)
De Koning had deze algemeene geestdrift vernomen, en te paard stijgende overzag hij het bont gewoel der krijgers, die zich voor den marsch gereed maakten. In dit oogen-blik kwam een troepje soldaten van vijftig man naar den Koning toerijden. De officier, die vooruit reed, naderde eerbiedig den Koning, die hem vriendelijk begroette.
âZijt gij luitenant von Frankenberg?quot; vroeg de Kompg, en toen deze dit bevestigde, vervolgde hij: âGeneraal von Kleist heeft mij u als een dapper en vertrouwd officier aanbevolen; ik zal u een geheel bijzondere commissie op-
1
Characteristik des Siebenjahrigen Krieges. Th. I, S. 243â44.
*
213
dragen, waartoe gij met uwe vijftig man hier gecommandeerd zijt. Luister aandachtig en let op elk woord. Kom wat nader, niemand behoeft te weten, wat ik u te zeggen heb.quot;
De luitenant reed op een wenk des Konings dichter naar hem toe, zoodat zij naast elkander reden, en de koppen dei-paarden elkander raakten.
âHoor eens, luitenant von Frankenberg,quot; zeide de Koning fluisterend: âik zal mij in den slag van heden meer moeten blootstellen, dan anders. Gij moet mij met uw vijftig man tot bedekking dienen. Gij verlaat mij niet, en zorgt, dat ik niet in handen des vijands val. Mocht ik sneuvelen, dan dekt gij mijn lichaam dadelijk met'uw mantel toe, en laat een wagen halen, dien gij achter het eerste bataljon der garde kunt vinden. Gij legt het lijk op den wagen en zegt niemand een enkel woord. De slag gaat voort en ^de vijand â welnu, die wordt geslagen!quot; ')
Nadat de Koning zoo zijn testament gemaakt had, gaf hij den luitenant met een vriendelijken wenk zijn afscheid, en reed vooruit naar de gardes du corps, die zich juist in slagorde schaarden.
âGoeden morgen, gardes du corps!quot; riep de Koning vroolijk.
âGoeden morgen, vader,quot; klonk het uit aller mond, en een oude snorbaard, die bet naast bij den Koning stond, ' wenkte hem vriendelijk toe, en herhaalde nog eens: âGoeden morgen, vader! Het is heel koud van daag!quot;
jiMaar het zal warm worden, man,quot; zeide de Koning: âwij krijgen van daag veel te doen. Houdt u wakker, kinderen, ik zal voor u zorgen als een vader!quot;
Op dit oogenblik reed een oude garde du corps met een sneeuw witten baard, het gelaat vol naden en misvormd door breede litteekens, langzaam uit bet gelid en nade'de den Koning.
âSire,quot; zeide hij luid en plechtig: âals wij nu lam geschoten worden, wat gebeurt er dan?''
âAls u dit van daag gebeurt,quot; antwoordde de Koning plechtig met luider stem: âdan zult gij voortrelTelijk verzorgd worden.quot;
1) 's Konings eigen woorden.
211
âEen man, een woord!quot; riep de oude soldaat, en den Koning zijne hand toestekende, vroeg hij: âWilUwe Majesteit mij de hand er op geven, dat gij voor ons zult zorgen?quot;
Eene diepe stilte Volgde op deze vraag. Aller oogen waren met gespannen verwachting op den Koning en den ouden soldaat gericht. Ieder hield zijn adem iu, om geene syllabe van het antwoord des Konings te verliezen.
De Koning stak zijne hand uit, en legde haar in die van den soldaat. â âIk geef u mijne hand er op,quot; zeide hij; âwie van u heden verlamd wordt, zal voortreffelijk verzorgd worden.quot;
De grijze krijgsman wendde zich met betraande oogen tot zijne kameraden. â âNu,quot; zeide hii: âhebt gij het allen gehoord? Hij is en blijft de Koning van Pruisen en onze vader! Een schurk, die hem verlaat! Leve onze Frits!quot;
En nu vervulde een eindelooze jubelkreet de lucht, en van gelid tot gelid weergalmde het: âLeve onze Frits! Leve de Koning!quot;
âVoorwaarts! Voorwaarts!quot; brulde nu de kreet door de legerplaats, want ginds, aan het einde dezer lange vlakte, had men reeds de eerste colonnes van het vijandelijke leger ontdekt.
âVoorwaarts! Voorwaarts!quot; schreeuwden de soldaten, hunne plaatsen innemende en in een luid gejubel uitbarstende, toen de Koning, door den luitenant von Frankenberg met zijn vijftig man gevolgd, langs de gelederen voortjoeg om zich aan de spits der colonnes te plaatsen.
En voorwaarts! voorwaarts! ging het nu den vijand te gemoet, wiens ontzaglijke massa's zich aan den tegenover-gestelden kant begonnen te ontwikkelen.
Een oogenblikkelijke, diepe stilte volgde bij dit gezicht in het Pruisische leger. Plotseling begonnen enkele stemmen luid en krachtig een geestelijk gezang aan te heffen, en nu viel met schetterenden groet de veldmuziek in, en stemde mede in eöne bekende melodie, en door geestdrift ontvonkt, rukten de zingende scharen vooruit.
Een der generaals reed naar den Koning. â âSire,quot; zeide hij: âbeveelt Uwe Majesteit, dat de troepen zullen zwijgen?quot;
Ontevreden schudde de Koning het hoofd. â âNeen,quot;
215
zeide hij: âlaten zij maar zingen. Met zulke mannen zal mij God heden zeker de overwinning schenken.quot;')
En al dichter naderden de vijandelijke colonnes elkander. In ontzaglijke, onafzienbare liniën schaarden zich de Oostenrijkers op de mijlen lange vlakte, en zagen op de Pruisen neder, wier leger van tweeën-negentigduizend man hun te klein en te onbeduidend toescheen, om aan demogelijkheid van het waagstuk te gelooven, dal de Pruisen zich met hen wilden meten! Maar de Oostenrijksche veldheeren, die met een blik van minachting naar de aanrukkende Pruisen zagen, en nauwkeurig hunne overmacht en de zwakheid des vijands konden berekenen, vergaten toch iets hij hunne berekeningen, en wel; het verschil der beide legers! Zij hadden niet overdacht, dat, terwijl de Oostenrijkers zeer bedaard en in het vertrouwen op hunne overmacht met den gewonen krijgsmoed aantogen, de Pruisen in het volle bewustzijn van hun gevaar, maar vol vertrouwen op hunne slagvaardigheid, met opolferende liefde voor hun Koning, met echten moed en gloeiende geestdrift voor waarts rukten.
Nu stonden de legers in slagorde tegenover elkander. De Koning bevond zich aan de spits der colonnes; de generaals joegen hei - en derwaarts om de bevelen dos Konings over te brengen, en ten gevolge van deze bevelen, zag men nu het Pruisische leger een nieuwe positie aannemen, zich in nieuwe stellingen scharen, welke den verbaasden en verwonderden vijand zóó vreemden buitengewoon toeschenen, dat de generaal üaun tot den prins van Lotharingen kon zeggen: âde Pruisen marcheeren weg, wij moeten ze maar stil laten trekken.quot; En zóó zeker van den afmarsch dei-Pruisen waren de Oostenrijkers, dat verscheidene regimenten hunne kleine bagage, hunne broodzakken, ja zelfs hunne ransels achter het front brachten en op hoopen wierpen, om zich, zooals zij zich verbeeldden, voor eenige uren van dezen nutteloozen last te bevrijden.1)
Maar, plotseling veranderde deze gerustheid in schrik, toen men de Pruisen in eene ongewone, haastige positie
1
V. Arcbenholtz Geschichte des Siebenjahrigen Krieges. ïh. I, S. 137.
210
za^ aanrukken, de beide vleugels van den vijand tegelijk bedreigende. Van beide vleugels renden boden op boden van Nadasdy en Luccbesi naar de in het centrum bevelvoerende generaals Daun en Karei van Lotharingen, dringend om ondersteuning verzoekende, want als de donderende golven der zee stroomden de Pruisen aan, wierpen zich juichend op den vijand, alles neersabelende, het aantal der vijanden niet achtende, evenmin als de verpletterende kogels, welke hun uit vijfhonderd vuurmonden tegenbrulden.
Daun snelde eindelijk met een groote ruiterafdeeling den graaf Lucchesi te hulp, tegen âde Berlijner wachtparadequot;; reeds was Lucchesi gevallen, en schrik en verwarring begon zich op den rechter vleugel der Oostenrijkers te verbreiden, terwijl van den linker vleugel Nadasdy reeds tien koeriers aan den Vorst van Lotharingen gezonden, â en hem bezworen had, hém het eerst hulp te zenden, daar de eigenlijke aanval der Pruisen op den linker vleugel was, terwijl zij op den rechter vleugel slechts schermutselden. Karei van Lotharingen, in radelooze verlegenheid over de tegenstrijdige berichten der veldheeren, besliste voor den rechter vleugel, waar de gelederen begonnen te wankelen.
En nu stortten zich op den linker vleugel der Oostenrijkers de bruischende golven van het Pruisisch leger. Met zulke razende geestdrift stormden zij aan, dat de gelederen begonnen te wankelen en de regimenten terugweken. Tevergeefs snelden nieuwe regimenten aan; zij hadden niet eens den tijd zich te scharen; en waar zij zich vertoonden, werden zij teruggeworpen. En zulk een panische schrik maakte zich van allen meester, dat de vluchtende regimenten elkander inhaalden en omver wierpen; de vluchtenden vielen over de vluchtenden, en de geheeleslagorde loste zich op in een afgrijselijk verwarden hoop; onuitsprekelijke wanorde, vreeselijke ontsteltenis verspreidde zich overal. Nog eens beproefden de keizerlijke geharnaste troepen zich inslagorde te scharen, maar eene batterij vijandelijke kanonnen deed hen uit elkander stuiven, en de door hunne overwinning bedwelmde, en van geestdrift bezielde Pruisische ruiterij, wierp zich juichend opderijendergeharnasten en joeg ze uit elkaar. Ja, bedwelmd door de overwinning en in dweepende woede drongen de Pr uisen vooruit! On verschillij onbedaard zagen zij hunne kameraden en vrienden naast zich wankelen en vallen;
'217
zij beklaagden zich niet over hun verlies, maar zochten eiken gevallen kameraad dubbel op den vijand te wreeken. En zelfs zij die vielen, behielden nog hunne geestdrift en hun alles trotseerenden moed. Hunne wonden niet tellende geen acht slaande op hunne verminkte of afgehouwen ledematen, zagen zij hunne voortrukkende broeders na, en vereenigden hun gejuich zóó lang met de zegekreten hunner kameraden, totdat de dood hun gejubel op hunne lippen deed verstommen. Een Pruisisch grenadier, wien bij het oprukken het linker been was afgeschoten, hielp zich alleen weder op van den grond, en op zijn geweer als op eene kruk steunende, strompelde hij tot aan eene plaats, waaide legermassa's voorbij moesten trekken, en zijne kameraden, die met medelijden naar zijn bloedend been zagen riep hij met luider stem toe: âBroeders, vecht als wakkere Pruisen! Overwint of sterft voor uwen Koning!quot; â Een ander grenadier, wiens beide beenen afgeschoten waren,, lag in zijn bloed badende op den grond en â rookte bedaard zijn pijpje. Een voorbij-rijdend vijandelijk generaal verbaasd over dit gezicht, hield zijn paard in, en beschouwde met bewonderenden schrik den in eene zee van bloed lig-genden krijger.
âKameraad,'' riep hij: âhoe is het mogelijk, dat gij in uw vreeselijken toestand nog kunt rooken? De dood is u immers reeds op de lippen!quot;
De grenadier nam bedaard zijne pijp uit den mond, en gaf met reeds verstijfde en verbleekte lippen ten antwoord: âWat doet dat er toe! Sterf ik niet voor mijn Koning?quot;
Maar overal, ook te midden zijner voortrukkende troepen, â overal zag men den Koning; waar de kogels der vijanden het dichtst vlogen, daar rende hij heen om den moed zijner krijgers aan te vuren, en door zijn koelbloedig trot-sejren van het gevaar ook zijne soldaten tot koelbloedig volhouden aan te sporen. Waar soms een colonne aan het wankelen raakte, daar snelde de Koning heen, en zijne bemoedigende stem bezielde de troepen, en zijn heldenblik vuurde ieder in het bijzonder aan, en wees hem in de gelederen der vijanden den weg ter overwinning. 1) â Fre-
1
V. Archenholtz. Th. I, S. 130.
218
derik was de ziel van zijn leger, en omdat deze ziel groot en heldhaftig was, daarom zegevierde zijn leger. âCette hataillc de Leut hen est propre d immortaliser Ie caractére moral de Frederic, et met a jour ses talents militair es,quot; zeide Napoleon van dezen slag bij Leuthen, en ergens anders laat hij volgen: âCette bataille était un chef-d'oeuvre de mouvemens, de manoeuvres et de resolution; seule elle suf fir ai t pour immortaliser Frédéric et lui donner un rang panni les plus grands généraux.quot;')
De zege was bevochten; de overwonnen Oosrenrijkers trokken in overijlde en ongeregelde vlucht terug, lieten over de honderd kanonnen vijftig vaandels en meer dan twintigduizend gevangenen in de handen der Pruisen, terwijl op het slagveld ruim zesduizend dooden en gewonden, tusschen tweeduizend doode en gewonde Pruisen lagen.
De zege behoorde aan de Pruisen. Allen hadden uitgemunt; van den Koning tot den geringsten soldaat had elk zijn plicht gedaan!
De Koning reed met zijn gevolg, â waartoe nu niet meer de luitenant von Frankenberg met zijn vijftig man behoorde, â over het slagveld. Zijn gelaat schitterde van vreugde; zijne oogen vonkelden als sterren. Hij scheen iemand te zoeken; zijn dankbaar, geroerd hart wenschte bovenal zich zeiven te voldoen.. Hij, die het meest tot de overwinning had bijgedragen, was de generaal Vorst Moritz van Dessau, dezelfde, dien Frederik vóór den slag bij Collin mst den degen gedreigd, â en op wien hij sedert dien tijd een wrok had behouden, omdat de Vorst en generaal in zijne waarschuwing gelijk had gehad. â Nu was er geen wrok meer in 's Konings hart, en even als hij hom toen in bijzijn van alle generaals gedreigd en gescholden had, zoo wilde hij hem nu voor alle generaals beloonen en bedanken.
üp een afetand stond de Vorst, generaal Moritz van Dessau, bevelen gevende, en zóó geheel inden dienst verdiept, dat hij den Koning niet bemerkte, voor dat deze reeds zeer dicht bij hem was.
âTk féüciteer u met den gewonnen slag,quot; zeide de Koning met luide stem : âIk féliciteer u, veldmaarschalk!quot;
1) Oeuvres de Napoléon. Mélanges historiques. Vol. III, p. 200 et 331.
219
De generaal boog zich zwijgend en verstrooid, en ging voort niet het geven van bevelen
De Koning verhief zijne stem nog luider: âHoor gij niet, dat ik u féliciteer, heer veldmaarschalk?quot;
De vorst heelde van verrukking. â âHoe, Uwe Majesteit?quot; zeule hij nog twijfelend; âGij noemt mij âquot;
âIk noem u veldmaarschalk,quot; viel de Koning hem in de rede: âen gij hebt deze onderscheiding ruim verdiend. Gij hebt alles zoo nauwkeurig uitgevoerd en mij bij den slag geholpen, zooals mij dit nog niemand ooit gedaan heeft!
Hij reikte den Vorst met een vriendelijken glimlach zijne hand, en toen deze haar vast en innig in de zijne drukte, blonken niet alleen tranen van ontroering in de oogen van den nieuwen maarschalk en de generaals, maar ook in die des Konings! â
Een zwaar, ontzaglijk werk was volbracht, en hoe moeielijk het was geweest, daarvan getuigden de achtduizend, die met verminkte ledematen, bloedende wonden, of met reeds verstijfde dolTe blikken en gebroken oogen het slagveld bedekten; het huiveringwekkende zegeteeken van den huidigen dag!
Maar die dag was nu voorbij; in de verte verstomde het geraas en geschreeuw van den vluchtenden vijand. Het slagveld en de zege behoorde aan do Pruisen. Afgemat en doodmoede zonken de leuenden en niet-gewonden tusschen de dooden en gekwetsten neder. Datgene, waarnaar men het meest verlangde, was een uur rust, een uur van verkwikking.
Over het bloedig slagveld, over de kermenden 'en zuchtenden ging nu de maan op, zóó heerlijk en statig, als wilde zij de stervenden troosten en de levenden vermanen, hun dankbaren blik ten hemel te slaan.
En dankend wendden zich vele harten naar boven; dankend voor het eigen leven en dat der vrienden, en meer dan ooit waren aller harten tot gevoel en godsdienstzin gestemd.
Fluisterend, onder nauw hoorbare gesprekken lagen de kameraden naast elkander; want zóó plechtig scheen hun dit uur, dat niemand het waagde een luid woord te spreken. Maar geen hart was zóó vol dankbaarheid, geen hart zoo
220
gelukkig, als dat van Karei Hendrik Buschmann en dat van Frits Kober. Het gewoel van den slag had hen van elkander gescheiden, en gedurende den strijd hadden zij elkander niet teruggezien. Lang reeds had de een den ander te vergeefs gezocht, te vergeefs geroepen, en met een kloppend hart had elk hunner bijna aan de schrikkelijke mogelijkheid gedacht, dat de andere gevallen was, tot een gelukkig toeval hen beiden bij elkander bracht.
Met luiden vreugdekreet hadden zij elkander begroet, en angstig had de een eerst naar het welzijn van den ander gevraagd.
âGij zijt ongedeerd en gezond, Frits Kober ?quot; had Karei Hendrik Buschmann met kloppend hart gevraagd.
âIk ben ongedeerd. Maar gij, vriend?quot;
âO, ik ben licht gewond; een kleine schram over de hand, dat is alles. Hoeveel gevangenen hebt gij gemaakt?quot;
âZeven Karei Hendrik!'
âDan wordt gij onderofficier.quot;
âIk wil niet, als gij het ó«k niet wordt. Hoeveel gevangenen hebt gij gemaakt?quot;
âIk weet het niet, Frits, geloof, dat het er negen waren, de ritmeester weet het!quot;
âDan worden wij beiden onderofficier. De Koning heeft het beloofd! Maar nu neem ik het ook aan.''
âWat kan ons dit nu schelen, vriend.quot; riep Karel4Hen-^ drik: âwat gaat ons al het overige aan! Wij hebben elkander ' wedergevonden; al het overige is mij onverschillig!quot;
âGij hebt gelijk. Karei Hendrik, het ts ook onverschillig. Maar het was een moeielijke en vreeselijke dag; mijne beenen trillen onder mij. Laat ons wat rnsten!quot;
Hij liet zich op den grond glijden en rekte zijne leden uit. Karei Hendrik knielde naast hem; met zijne hand op den schouder des vriends geleund, zag hij naar den hemel en begroette met zaligen glimlach de maan, en een onuitsprekelijk gevoel van aandoening en dankbaarheid bekroop zijn hart. Hij dacht terug aan het vaderland, aan de graven der geliefde ouders, waarop de maan in ditoogenblik even helder scheen, als nu hier op het groote open graf, dat heden zooveel bloed had gedronken. Hij dacht, hoe goed en barmhartig God jegens hem geweest was, door hem den vriend te laten behouden, â den eenigen troost, het
221
eenigste steunpunt in zijn een/aam, verdwaald, uit zijn kring gescheurd leven! De plechtige, diepe stilte welke hem omgaf, het heldere maanlicht, dat het slagveld verlichtte, de herinnering aan de moeielijke uren van den dag, dat alles had een invloed op hem, die hem geheel overmeesterde. De dappere soldaat Karei Hendrik Buschmann veranderde weder in het weekhartig, zachtmoedig meisje Anna Sophie Detzloff, en na het gevaar doorstaan te hebben, gevoelde en dacht zij weder als vrouw \
Eene onuitsprekelijke ontroering, een innig gevoel van dankbaarheid vervulde Anna's borst. Op hare knieën liggende, met hare hand op den schouder des vriend leunende, zag zij naar den hemel op, en hare lippen openden zich van zelve, en zonder het te weten gaf zij woorden aan hare dankbaarheid, en met eene krachtige, volle altstem weergalmde het op plechtigen toon; âDankt nu allen God!quot;
Frits Kober richtte zich op, en van hetzelfde gevoel doordrongen, hief bi] mede het roerend lied aan. Hier en daar bewogen zich eenige kameraden, en hier en daar stemde men mede in het vrome gezang; al sterker en krachtiger steeg de melodie; als een stroom van innigen dank bruischte zij over het slagveld, vermaaande allen tot dankbaarheid jegens God, en vond overal een open ooien weerklank in aller hart. En toen nu van duizend lippen het vroom gezang weergalmde, toen viel ook de krijgsmuziek met hare schitterende tonen in, en speelde luid en jubelend de heilige melodie.
De maan stond hoog en helder boven het slagveld, waarop achtduizend dooden en gekwetsten lagen. Maar zelfs de gewonden, die pas te voren nog de stilte met hun weeklagen en kermen gestoord hadden, vergaten een oogen-blik hunne smarten, en richtten zich op om het heilige lied mede aan te heffen, dat nu niet meer van honderd en nog eens honderd, van duizend en duizend lippen weergalmde, â maar als een ontzaglijke, krachtige, welluidende stroom over de bloedige vlakte ruischte door dertigduizend krijgers gezongen, â door dertigduizend helden, die na den bloegen strijd wel het recht hadden te zingen:
âDankt nu allen Godl''
ê
222
XV.
HET WINTERKWARTIER TE RRESLA.U.
De Koning had zich zooeven uitgeput en vermoeid naar zijne kamer begeven. Hij was alleen. Het was liedenden vierentwintigsten .fanuari, dal is: de geboortedag des Ko-nings, en hoëwel hij voor alle félicitatiën en feestelijkheden bedankt had, moest hij toch de voornaamste overheidspersonen der stad Breslau ontvangen, en ook aan eenige deputaties van de burgers zijner op nieuw veroverde stad gehoor verleenen.
Maar deze bezoeken hadden den Koning uitgeput, omdat zij hem verveelden, en omdat hij zich ontstemd en treurig gevoelde. En nu was hij weder alleen; nu kon hij weder aan zijn treurige gedachten toegeven, die hem ondanks zich zeiven bekropen, en die juist hier te Breslau, waai' hij voor weinige weken, spoedig na den slag bij Leuthen, als overwinnaar was binnen getrokken, bijzonder levendig wei den. Want hier te Breslau had zijn hart onlangs eene bittere teleurstelling ondervonden; en alles in dit Slot herinnerde hem den verraderlijken vriend, dien hij zoo lief gehad, â en die hem zoo schandelijk verloochend had.
Aan dezen vriend, aan den bisschop von Schaffgotsch, dacht de Koning nu, en een trek van diepe droefheid benevelde zijn gelaat. Hij gevoelde zich eenzaam en alleen; hij rilde in deze koude, zwijgende vertrekken, en de sneeuw, welke de wind huilend tegen de ramen joeg, maakte hem zoo treurig en moedeloos, als hij zich nog nooit voor den aanvang van een veldslag had gevoeld.
âBij zulk weder zal de markies niet reizen,quot; zeide hij zuchtend: âen ook mijne muzikanten zullen wel niet op weg zijn. Zij zullen zeggen, dat de sneeuw de wegen onbegaanbaar heeft gemaakt en dat het onmogelijk was er door te komen. Zoo zullen zij te Berlijn blijven en het zi|h niet aantrekken, dat ik hier in Breslau de uren zit 'te
'223
tellen tot zij komen! Ja, ja, dat is een bewijs van de almacht der Koningen! Eenige sneeuwvlokken doen die almacht verstuiven, en veranderen den Koning in den mach-teloozen zoon van het stof! Wat helpt het mij, dat ik de Oostenrijkers en Franschen overwonnen heb; het zijn gezaaide drakentanden, waaruit nieuwe vijanden, nieuwe veldslagen, en wie, weet? â ook nieuwe nederlagen zullen opgroeien! Wat baat het mij, dat ik mijnen vrienden mijn hart toewijd; het zijn maar slangen, welke ik aan mijne borst koester, en die mij eens zullen bijten, wanneer ik dat het minst vermoed; zelfs zij, die ik nog vertrouwde, verlaten mij nu, en op het oogenblik, dat ik hen het meeste behoef, zijn zij van mij verwijderd.quot;
Juist sloeg de storm nieuwe sneeuwvlagen tegen de vensterruiten en gierde met onaangenaam gefluit door den schoorsteen.
âNeen,quot; zeide hij; âd'Argens zal niet komen; hij zal rustig in zijn bed gebleven zijn, en vandaar uit mij gevoelige brieven over de vriendschap schrijven. Dat ken ik!. Wanneer het gevoel den mensch niet uit het hart vloeit, laten zij tenminste den inkt vloeien! â Maar, vervolgde hij na een kleine pauze; âhet is alles dwaasheid! De eenzaamheid maakt mij, naar het schijnt, tot een dweeper,die naar zijne vrienden smacht als een minnaar naar zijne geliefde. En ben ik dan zoo geheel eenzaam? Hebikgeene boeken? Kom, Lucretius gij beste vriend in goede en kwade dagen, gij wijsgeer, die mij nog nooit zonder raad en troost heb gelaten, â kom en vroolijk uw leerling wat op, en leer hem over deze armzalige wereld te glimlachen, zooals zij het verdient!''
Ilij nam Lucretius van zijne werktafel, en zich op den divan uitstrekkende, begon hij te lezen. Eene diepe stilte omgaf hem nu; slechts uit de verte vernam men het geluid der klokken, die ter eere van 's Konings geboortedag weei'galmden; ^ want de Breslauërs, â die nog kort geleden de zegevierende Oostenrijkers met gejuich ontvangen hadden, â wilden nu, daar de Koning van Pruisen Breslau veroverd had, den overwinnaarhunne vurige vaderlandsliefde toonen; daarom lieten zij alle klokken luiden;daarom wilden zij heden avond in eene schitterende illuminatie de vreugde van hun.hart doen fonkelen !
224
De Koning las al verder, en was zóó geheel in zijne lectuur verdiept, dat hij volstrekt niet hoorde, dat de deur, naar welke hij zijn rug gekeerd had, zachtjes geopend werd,
In de deur verscheen nu de groote blanke gestalte van den markies d'Argens; en als ware hij door ontroering en vreugde overstelpt, bleef hij op den drempel staan en zag met door tranen benevelde oogen naar den Koning.-Ver-volgens, zich met kracht bedwingende, trok hij zachtjes de deur achter zich dicht.
âSire,quot; zeide hij toen; â/uit gij mij vergeven, dat ik onaangediend binnen kom?quot;
De Koning sprong op en reikte den vriend zijne beide handen. âWelkom, welkom,quot; zeide hij; âik dank u, dat gij gekomen zijt.quot;
De markies kon niet antwoorden. Hij bracht zijne lippen op de handen des konings, die hij met tranen besproeide.
âMijn God,quot; zeide hij eindelijk met bevende stem: âhoe lang heelt mijn hart dit oogenblik smachtend tegemoet gezien! Koevele olTers heb ik den hemel niet beloofd, wanneer hij mij dit liet beleven!
âEn gij hebt het niet bij geloften gelaten, vriend, maar gij hebt den hemel, en juist den hemel een. olïer uwer vriendschap gebracht,'' zeide de Koning glimlachend ;, ,en welk een olfer! Gij hebt zijn storm en zijn sneeuwvlokken gebraveerd ; gij hebt uw bed, dat gij sedert acht maanden bewoondet, en dat u het paleis van Semiramis toescheen, verlaten; gij hebt uw goddelijke luiheid ten offer gebracht, en op u zeiven eene zege behaald, die waarlijk meer waard is, dan zes gewonnen veldslagen!
âAch, sire,'' riep de markies, wiens zwarte oogen nu weder van genot en genegenheid schitterden en door geene tranen van ontroering meer beneveld werden; âach, nu gevoel ik eerst, dat mijn hart toch gelijk had, toen het beweerde, altoos bij Uwe Majesteit te zijn en volstrekt geene scheiding te willen erkennen. Wij zijn inderdaad nooit gescheiden geweest, en Uwe Majesteit begint heden waar gij gisteren mede opgehouden zijt,â namelijk; met mij en mijn ongelukkig bed den spot te drijven, dat toch sedert een jaar alleen de zuchten en klachten, welke ik uitte, gehoord heeft, omdat ik van Uwe Majesteit gescheiden moest zijn. Zoo is het mij dan ook volstrekt niet moeielijk
gevallen mijn bed te verlaten, en de vriendelijke uitnoodi-ging van Uwe Majesteit volgende, naar Breslau te komen. Als gij dit nu eene zegepraal over mij zeiven noemt, welke meer waard ife dan gewonnen veldslagen, bewijst het slechts, hoe gemakkelijk den held van Rossbach en Leuthen de gewonnen veldslagen gevallen zijn!quot;
âVolstrekt niet, markies. Maar gij weet immers, wat de zoo hoog geprezen Vorst der Hebreërs, de zoo wijze Koning, die duizend vrouwen had, gezegd heeft: âHij, die zich zeiven overwint is sterker dan hij, die steden verovert.quot; En gij, markies, zijt die sterke zelfbeheerscher. - Maar vriend, gij zult er ook koninklijk voor beloond worden. Ik heb hier kamers laten in orde brengen, zóó warm en gemakkelijk, als de markiezin ze u bij mogelijkheid kan bezorgen. De ramen zijn voortreffelijk voorzien; om de kachel ligt bont; ook zijn er jassen, voetzakken, enz.; opdat uwe trouwe La Pierre u goed inrollen en instoppen kan; kortom, geen tochtje mag u hinderen, en voor alle.gemakken zal met zulk een eerbied gezorgd worden, alsof gij het heilige vuur, in den tempel van Vesta waart, en ik de priesteres, die het bewaken moet!quot;
De markies zuchtte. â ^A-ls echter het vuur soms wat flauw brandt,quot; zeide hij ; âverzoek ik mijne verhevene priesteres, haren blik slechts op mij te richten, en mij te vergunnen, dat ik met dezen hemelschen gloed mijne vonk moge bezielen. â Maar nu, sire, mag ik u nu mijn geluk-wensch aanbieden met het vreugdefeest van heden; de dag, welke is aangebroken ten zegen voor allen, die gevoel hebben voor het groote, schoone en verhevene, en die âquot;
âGenoeg, genoeg, markies,quot; riep de Koning lachend; âals gij zóó begint, dan loop ik weg; want dan verbeeld ik mij, dat gij óók eene van die vervelende deputatiën zijt, waarmede de étiquette den Koning begroet. Hier, in deze kamer is er geen Koning, vriend, en wij beiden zijn er alleen; dan zijn er twee vrienden, waarvan de een den ander de band geven en geluk wenschen moet, dat hij weder zulk een moeielijk jaar heeft doorworsteld, en tóch nog kracht behouden heeft,om nog andere moeielijke jaren vastberaden tegemoet te gaan. En wanneer gij dan toch volstrekt wat wenschen wilt, markies, wensch dan, dat de heete oorlogskoorts, welke nu geheel Europa heeft aan-
Bühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VI. 15
22ö
getast, moge verdwijnen; dat het driemanschap van Frankrijk, Rusland en Oostenrijk verbroken worde, en dat de tyrannen van het heelal er niet in mog^i slagen, de wereld in de boeien te klinken, welke zij voor haar gereed houden.quot; ^
âNu, Uwe Majesteit zal hen wel weten te dwingen deze ketenen over te leveren, en wanneer zij het niet willen, zal de held der beide vijven, de drie ook wel weten te verpletteren!quot; 1)
âGod geve het,quot; zuchtte de Koning: âik verlang naar vrede, hoewel mijne vijanden de wereld willen wijsmaken, dat ik de booze geest ben, die den strijd in de wereld heb gebracht; hoewel zij zeggen, dat als ik er niet ware, de geheele wereld dan reeds van het paradijs zoude genieten. Maar ik kan hun zeggen, even als Demosthenes tot de Atheners zeide: âAls Philippus dood ware, zoude het niet anders zijn, Atheners, dan dat gij u spoedig een anderen Philippus maaktet!quot; Zoo zeg ik; Oostenrijkers! uwe eerzucht, uw verlangen om alles te beheerschen, zouden u spoedig weder andere vijanden bezorgen; en de vrijheid van Duitschland, zoowel als die van geheel Europa zal wel altijd haar verdediger vinden. 2) Doch laat ons nu niet meer over deze ongelukkige dingen spreken; zij behooren tot het verleden en de toekomst, met het tegenwoordige hebben zij echter niets te maken. Nu zijn er geene vijanden, en de winter is de vrede appel geweest, welke alle zwaarden in de schede gebracht, â en alle twisten gestaakt heeft, zoolang hij meester over onze rivieren en straatwegen is. Laat ons trachten te vergeten, vriend, dat wij ons hier slechts in onze winterkwartieren te Breslau bevinden, en verbeelden wij ons op ons lieve Sanssouci te zijn.quot;
âIn ons schoon klooster,quot; zeide de markies: âwaaraan sedert lang de abt ontbreekt, en welks monniken naar alle kanten verstrooid zijn.quot;
1
De overwinningen bij Rossbach en Leuthen werden beide op den 5 November en 5 December behaald.
2
's Konings eigen woorden. Zie; Correapondance avec Voltaire. Oeuvres Posthumes. Supplément. Vol. II, p. 390.
227
âHet is waar,quot; zeide de Koning treurig; âzij zijn allen weg, en als de abt op Sunssouci terugkomt, zal het zeer eenzaam om hem heen zijn. O, markies, ik heb veel verloren, sedert wij elkander gezien hebben!quot;
âEn veel gewonnen, sire,quot; zeide d'Argens: âhoevele nieuwe lauweren versieren uw schitterend hoofd!quot;
âO, gij spreekt van mijne overwinningen,quot; riep de Koning hoofdschuddend; âmaar geloof mij, mijn hart heeft nederlagen geleden, die het nooit te boven zal komen. Tk spreek niet eens van mijne moeder, ofschoon het eene wonde is, welke nooit heelen zal. Maar het was het noodlot, dat mij deze wonde sloeg, en tegen zulke slagen mag de mensch niet morren. Ik spreek van andere bittere en wreede nederlagen, welke mij het leven en de boosheid der menschen hebben toegebracht.quot;
âO, Uwe Majesteit denkt nog aan den onwaardigen abt de Prades,quot; zeide d'Argens treurig.
âNeen, markies; ofschoon deze mij zeker veel leed heeft berokkend. Ik mocht hem gaarne, maar ik beminde hem niet, â hij was mijn vriend niet. Zijn verraad heeft mij bedroefd, maar niet verrast; want ik wist dat hij zwak was. Zijne verleiding heeft te Dresden plaats gehad; hij heeft mij schandelijk verkocht, en toen hij bij mij in de legerplaats was, heeft hij van de gelegenheid gebruik gemaakt, den vijand alles over te brengen, wat hij te weten kon komen. Het was een lage en kleingeestige ziel, waarover men niet zoo streng oordeelen kan. ^ â Maar van een ander is mij bitter leed wedervaren; en geloof mij, markies, zulk leed legt zich als gloeiend staal om ons hart, en omgeeft het als met een ondoordringbaar pantser. Ik heb den bisschop Schaffgotsch bemind, markies; ik noemde hem mijn vriend, en mij dunkt, ik heb
1) De abt de Prades, dien Voltaire den Koning had aanbevolen, en die sedert 1752 als lecteur bij den Koning was aangesteld, en zijn vertrouwen en gunst genoot, verried den Koning aan de Oostenrijkers, en diende hen ter zelfde tijd als spion bij Frederik daarhij van hen de toezegging gekregen had van âeene vette prebende bij den dom te Berlijn te krijgen.quot; Frederik vernam het verraad; liet den abt gevangen nemen, en naar Maagdenburg brengen. Op voorspraak van den markies d'Argens schonk de Koning hem de vrijheid, en wees hem Plogau tot verblijf aan, waar hij tot aan zijn dood, 1782, van de genade des Konings leefde. (Preusa. Bd. II, S 115.)
228
hem wel bewijzen mijner vriendschap gegeven; ik had wél reden op zijne trouw te bouwen, en geloof te slaan aan zijue vriendschap, welke hij mij zoo dikwijls had gezworen. De mijne was ten minste onbaatzuchtig, en verdiende niet op zulk eene wijze verraden te worden. Maar hij verried mij in het oogenblik van gevaar, even als Petrus zijn Heer, en nauwelijks trokken de Oostenrijkers in Breslau, oi hij verloochende mij niet alleen; neen, hij ging nog verder; hij trapte de orde van mijn Huis onder zijne voeten, en liet een Te-Deum ter eere van de overwinningen der Oostenrijkers bij Gollin zingen!quot;
De Koning zweeg en wendde zijn gelaat af, om de markies de tranen niet te laten zien, welke zijne oogen benevelden.
âO, sire, vergeet den ondankbare, wiens lage ziel de vriendschap van een held niet verdient,quot; zeide d'Argens diep bewogen.
âIk zal hem vergeten,quot; zeide de Koning; âmaar er zal toch een litteeken in mijn hart overblijven, en daaraan zal ik ondanks mij zeiven nu en dan smart lijden.1) En nu genoeg; gij zijt er vriend, en in « geloof ik nog altoos; gij en de goede lord Marschal, gij zijt de eenige steunpun-
1
De Koning had de benoeming van den graaf van Schaffgotsch tot bisschop van Silezië en Moravië eerst na vele bemoeiingen bij den Paus, en tegen het advies van het Domkapittel van Breslau doorgedreven, en den graaf bijna met geweld in het bisdom gebracht, om deaanzienlijke Ãilezische familie van den graaf Schaffgotsch een nieuw bewijs van zijne genade te geven. De nieuwe vorst-bisschop werd vervolgens in 17 49 te Berlijn door den Koning met groote pracht met de vorstendommen Neisse en Grotkau beleend; en ofschoon de Koning met het schenken zijner huisorde anders zeer zuinig was, begiftigde hij Schaffgotsch toch met de orde van den Zwarten Adelaar. In 1756 liet de Koning te Sanssouci nog drie vertrekken voor den bisschop prachtig in orde brengen, en Schaffgotsch hield zich toen eenigen tijd aldaar op. Maar reeds in 1757, zoodra de Oostenrijkers zich van Breslau hadden meester gemaakt, verried hij den Koning. Doch voor zulk een verraad viel hem zelfs van de Oostenrijkers slechts verachting ten deel, en toen hij, â nadat Frederik Breslau heroverd had, â naar Weenen vluchtte, werd hij aan het Hof aldaar niet ontvangen. Hij begaf zich toen naar Moravië, en schreef aan Frederik, hem om vergiffenis smeekende. De Koning antwoordde hem: âIk zal u aan uw eigen lot overlaten, overtuigd, dat gij door uw onverantwoordelijk gedrag ongetwijfeld de u toekomende straf niet ontgaan kunt. Noch de goddelijke wraak, noch de verachting der menschen kunt gij ontkomen; want hoe bedorven deze ISatsten ook zijn mogen, tóch zijn zij het niet in dien graad, dat zij verraders en ondankbaren niet verfoeien.quot; (Preuss. Th. II.)
229
ten, waarop ik nog rusten kan, wanneer de boosheid en de kleingeestigheid der menschen mijn hart al te zeer drukken.quot;
âEn deze steunpunten, sire, zullen u nooit ontbreken,quot; zeide de markies geroerd; âwant gij zijt het, die hen sterk gemaakt heb.quot;
De Koning stak hem met een blik van innige gene-negenheid zijne hand toe. â âNu willen wij het verleden begraven,quot; vervolgde hij opgeruimd: âen daar wij beiden ons in onze zwakke uren dichters noemen, zullen wij droomen, en ons verbeelden dat wij in ons lief Sanssouci zijn, en te zamen in de bibliotheek zitten.quot;
âMaar als wij dan toch nu in Sanssouci zijn, sire,quot; zeide de markies met schalkschen glimlach: âdan is het nu niet de tijd van studiën en boeken, maar het uur, waarop Uwe Majesteit met Quanz en eenige andere leden van de kapel de repetitie voor de avond-concerten pleegt te houden.quot;
âJa, stellig; maar die zullen wij hier moeten missen,quot; zeide de Koning treurig; âik heb een gedeelte mijner kapel hier ontboden, en die zullen binnen acht dagen ook wel hier zijn, maar Graun en Quanz zullen wel niet komen.quot;
Plotseling zweeg de Koning en luisterde. Hij had zich verbeeld, dat hij in het naaste vertrek iets, als de toon ecner viool had gehoord, en alsof eene fluit heel zacht eenige gamma's had geblazen.
Het was toch waar; hij hoorde het weder. Het was duidelijk; men stemde eene viool, en tusschen het zachte gekweel der fluit ontwaardde men als tersluiks de diepe tonen der violoncqj.
Een straal van vreugde vloog over het gelaat des Konings; hij wierp een vragenden en onderzoekenden blik op den markies, die hem glimlachend toeknikte. Toen stapte de Koning haastig door de kamer, en nu klonk een kreet van blijde verrassing van zijne lippen. Daar waren zij, de deel-genooten zijner avond-concerten; daar was Graun, met zijn zacht, droomerig kunstenaarsgelaat; daar was Quanz met zijn brommig gelaat en breed voorhoofd, wiens grommen zelfs den Koning eerbied placht in te boezemen; daar was ook de jonge Fasch, dien de Koning eerst sedert kort voor de kapel had aangenomen, en die op de avond-concerten de violoncel placht te spelen.
230
Toen de Koning hen met een gelukkigen glimlach tege moet trad, begroetten zij hem met een vroolijk: âLeve de Koning! Onze Frederik!quot; En zelfs Quanz vergat voor een oogenhlik zijn knorrig, verdrietig gelaat, en glimlachte even breed en gelukzalig als een volle maan.
âHoor eens, sire,quot; zeide hij; âwanneer gij heden boos op ons zijt, omdat wij zonder uw bevel gekomen zijn, dan zou dit zonde zijn; want het is heden in geheel Pruisen een heerlijke feestdag, en dien mag niemand door kijven en brommen ontheiligen, â zelfs de Koning niet!quot;
,.0, ik ben volstrekt niet boos,quot; zeide Frederik zacht, opdat zij niet zouden hooren, hoe zijne stem trilde: âik brom ook niet; ik dank u veeleer, dat gij gekomen zijt.quot;
âWij hadden niets beters, om Uwe Majesteit op uw geboortedag te schenken, niets beters dan ons zeiven,quot; zeide Graun : âdaarom komen wij voor de voeten des Konings om hem te zeggen : Sire, neem onze harten aan, en versmaad de gave niet; .want een volhart blijft toch altijd het beste geschenk, dat de eene mensch den anderen brengen kan en Uwe Majesteit is zulk een groot Koning, dat men het ook wagen kan hem als mensch hartelijk tegemoet te komen.quot;
âEn gij, Graun, zijt zulk een groot componist, dat elkeen zich moet vereerd achten, door u bemind te worden,quot; zeide de Koning getroffen.
âMaar ik,quot; zeide Quanz, den Koning iets in een papier gewikkeld overreikende: âik breng op uw geboortedag nog wat anders mede, dan alleen een hart; en ik verzoek Uwe Majesteit het wel van mij te willen aannemen.quot;
De Koning opende haastig het papier. âEene fluit,quot; riep bij verheugd : âen stellig eene fluit, welke de groote meester Quanz voor mij gemaakt neeft.quot;
âJa, sire. Zoo lang gij te velde waart, heb ik er aan gewerkt, en toen de koerier ons het bericht van den slag bij Leu-then bracht, en geheel Berlijn jubelde, en vlaggen en wimpels van alle huizen en uit alle ramen wapperden, heeft de fluit voor het eerst haar stilzwijgen verbroken, en haar eerste geluid was een jubelzang voor onzen grooten Koning.
âEn nu durft men nog zeggen, dat de veldslagen te vergeefs geleverd worden,quot; zeide de Koning glimlachend: âik heb door den slag bij Leuthen eene fluit van Quanz verdiend, en dit is inderdaad eene grootere zeldzaamheid,
231
dan eene behaalde overwinning in onze krijgszuchtige dagen.quot;
âSire,quot; zeide de markies, eenige brieven te voorschijn halende; âook ik moei nog eenige geschenken overbrengen. Hier is een brief van Algai'otti uit Genua, en hij heeft het gewaagd een vaatje caviaar als een blijk van zijne vreugde over de zege er bij te voegen.quot; ^ Hier is een brief van Voltaire, en een van lord Marschall.quot;
âVan alle ver verwijderde vrienden, en zij hebben allen aan mij gedacht,quot; zeide de Koning met blijden glimlach de brieven aannemende: âmaar nu is het geen tijd om brieven te lezen. Het is hoog tijd voor de repetitie; en met uw welnemen, mijneheeren, zullen wij heden dadelijk een quartet onder handen nemen, dat ik hier dezer dagen in mijne eenzaamheid gecomponeerd heb.quot;
âDoen wij dat,quot; zeide Quanz op zijne gewone, eenigszins ruwe wijze, terwijl hij onder zijn minst onaangenaam gemompel naar de piano ging en haar opende.
De Koning stapte altijd met het oog op de brieven, door de zaal naar zijne woonkamer, om ze op zijne schrijftafel-te bergen en zijne muziek te halen. Maar voor hij terugkeerde, riep hij dén markies d'Argens.
âMarkies,quot; zeide hij: âhebt (jij hun ginds het denkbeeld ingegeven, om mij tè verrassen?quot;
âSire, het is waar; ik gaf er aanleiding toe, en nam de verantwoording op mij. Wanneer Uwe Majesteit er niet over te vreden is, moet ik alleen de schuld dragen.quot;
âEn waarom hebt (jij mij juist al deze brieven bezorgd, markies?''
âSire, omdat âquot;
âIk zal het u zeggen, markies,quot; zeide de Koning hartelijk, zijne hand op den schouder van d'Argens leggende: âgij hebt het gedaan, omdat gij wist, dat mijn hart eene zware wonde had ontvangen, en omdat gij er een balsem op wildet leggen. Gij wenschtet mij heden met zóó vele vrienden te omgeven, dat ik daardoor den eenen, die mij ontbreekt en die mij verraden heeft, niet zoude missen! Ik dank u, markies; gij hebt een groot en edel hart, en ik
1) Preuss. Fr. d. Gr. ruit seinen Verwandten und Freunden. S. 241.
232
geloof, uw. balsem heeft inderdaad reeds iets geholpen. Dit uur heeft mij goed gedaan, en dat heh ik u te danken ! Ik zal dat nooit vergeten; hoe de menschen er ook in mogen slagen, mijn hart door wantrouwen te vergiftigen,
â u, markies, zal ik nooit wantrouwen!quot;
Hij knikte den markies hartelijk toe, en stapte met zijne muziek naar het vertrek, waar de muzikanten op hem wachtten.
âNu, mijneheeren, willen wij beginnen,quot; zeide hij, Quanz de muziek gevende, die haar dadelijk verdeelde, en zich voor de piano plaatste.
Het concert begon. De Koning stond met zijne nieuwe fluit achter de piano, voor welke Quanz zat. Graun en Fasch waren in eene vensternis gaan staan, want daar de Koning eerst eene fluit-solo met eenvoudig accompagnement van piano voordroeg, konden zij zich geheel aan het genot van te luisteren overgeven. â En het was heden inderdaad een genot naar den Koning te luisteren; hij speelde met zulk een vuur, met zulk een alles medeslepend gevoel, dat de markies buiten zich zeiven van verrukking was, en Graun zich niet onthouden kon een zacht bravo te mompelen.
Op eens echter maakten beide luisterende muzikanten eene beweging als van schrik, Quanz liet een diep gebrom en gekuch hooren. Zij hadden in de compositie des Konings eene fout gehoord; de groote sext, welke de Koning daar berekend had, was geheel tegen de strenge regelen der kunst. De Koning speelde bedaard door, alleen zeide hij toen de passage uit was; âDa capo,quot; en begon haar weder van voren af aan. En weder kwam de gevreesde plaats, maar deze keer schrikten Graun en Fasch volstrekt niet, want Quanz bad de muziek niet gevolgd, en een ander interval gegrepen.
De Koning hield op. â âDe groote sext, Quanz!'' riep hij opgewekt, de fluit weder aan den mond brengende.
Quanz wierp hem een knorrigen blik toe. â âZooals Uwe Majesteit beveelt,quot; zeide hij, en nu sloeg hij de sext zóó hard aan, dat Graun en Fasch eene koude rilling overviel, en Quanz zelfs luid kuchte om het geluid te dempen.
â Alleen de markies, die volstrekt geen kenner was, zag met een gloed van verrukking naar zijn koninklijken vriend, wiens schoone muziek hem tranen in de oogen bracht.
233
Toen de passage geeindigd was, legde de Koning de fluit neder. â âNu, Quanz, zeg mij eens: gelooft gij, dat de sext hier verkeerd is?quot;
âJa, sire, die is valsch.quot;
âEn geloof gij beiden het ook.''
âJa, sire,quot; zeide Graun en Fasch tegelijk.
âMaar als de componist het zoo hebben wil?quot;
âDan blijft de sext'tóch valsch,quot; zeide Quanz brommig.
âMaar als zij mij nu bevalt, en ik vind, dat zij daar goed klinkt?quot;
âDat kan Uwe Majesteit nooit of nimmer vinden,quot; riep Quanz in drift opstuivende: âwant deze sext hier is eene fout, en eene fout ter! Uwe Majesteit nooit goedvinden.quot;
âNu, nu,quot; zeide de Koning, hem met een glimlach sussende : âwees maar niet zoo boos! Het is toch geen verloren slag. ^ Als de sext onmogelijk is, dan moeten wij haar schrappen.quot;
âEn als Uwe Majesteit dat doet,quot; zeide Quanz; âdan zal het eene zeer schoone compositie worden, en ik zelf zou trotsch zijn haar gemaakt le hebben.quot;
De Koning glimlachte : en men kon het aan de schoone en gelukkige uitdrukking van zijn gelaat zien, dat de lof van zijn trotschen meester den held van Rossbach en Leu-then buitengewoon goed'had gedaan.
XVI.
HET GEBROKEN HART.
Voor het lustslot Gharlottenburg hield een rijtuig stil. De dame, die er inzat, sloeg een angstig vragenden blik naar
1) 'sKonlngs eigen woorden.
Uahlbaob, Frederik de Groote en zijn Hof. VI.
15*
'234
de vensters van het Slot, en eene diepe zucht rees uit hare borst, toen zij achter de neergelaten jalousiën ontdekte, dat in het geheele Slot noch leven, noch beweging te bespeuren was.
Uit het groote portaal snelde intusschen een officier toe om de dame te begroeten en haar bij het uitstijgen behulpzaam te zijn.
âNiet waar, hij leeft nog?quot; vroeg zij ademloos en in grooten angst.
âHij leeft nog, gravin, en hij verwacht u met verlangen,quot; antwoordde de officier, de gravin zijn arm aanbiedende en haar naar het Slot leidende.
Zij gaf geen antwoord, maar sloeg hare groote, bezielde oogen met eene uitdrukking van dankbaarheid ten hemel, en hare lippen bewogen zich alsot zij bad.
Zóó stapten zij haastig en zwijgend voort door eene reeks van schitterende zalen, welke nu allen eenzaam en ledig waren, en wier praal iets huiverigs en pijnlijks had, omdat die zoo weinig paste bij de stemming van hen, die er doorheen snelden.
âHier zijn wij er, gravin,quot; zeide de 'officier, toen zij nu voor eenen met groote vilten bladen belegde deur stonden:
âDe prins is in deze eetzaal.''
De dame leunde een oogenblik met luid kloppend hart en doodsbleeke lippen tegen de deur, en scheen met hare ontroering te worstelen.
âIk ben gereed,quot; zeide zij toen, zich weder oprichtende: ânu kunt gij mij bij den prins aanmelden;
âDat is niet noodig,quot; zeide de officier: âde prins, wiens zenuwen zóódanig overspannen zijn, dat het kleinste gerucht hem zelfs niet ontgaat, heeft het ratelen van uw rijtuig vernomen, en weet dat gij hier zijt. Hij verwacht u, en heeft uitdrukkelijk bevolen, dat gij onaangemeld bij hem zoudt komen. Wees dus zoo goed binnen te treden. Gij zult geheel alleen met hem zijn.quot;
Hij tilde de gordijn op, en de gravin legde de hand op de kruk van de deur, om haar zachtjes te openen. Maar vóór zij dit deed, zag zij nog eens naar haren geleider om.
âIs er geene hoop op herstel?quot; vroeg zij.
âGeene! de geneesheeren zeggen, dat hij den dag van heden niet overleven zal.quot;
235
Nu opende de gravin de deur, en zóó zacht en met zóó weinig gedruisch deed zij dit, dat niet het minste gerucht hare komst kon verraden.
Nn zonk zij op een stoel naast de deur, en hare door tranen verduisterde blikken vestigden zich met eene onuitsprekelijke uitdrukking op de gestalte, die daar met het hoofd op de kussens leunde, op een rustbed lag, dat naast de deur stond.
Hoe? Deze bleeke, uitgeteerde gestalte, dit gelaat met die doodsbleeke, ingevallen wangen, met die bloedlooze lippen, met die diepe, onheilspellende groeven aan de slapen, de slechts schaars door de dunne, glans- en kleurlooze haren beschaduwd werden, â was dat August Wilhelm, de geliefde barer jeugd, het aangebeden droombeeld van haar geheele leven, het nooit verbleekte ideaal van haar trouw hart? Toen zij hem aanzag, kwam het geheele smartelijk, en toch zoo heerlijk verleden weder voor haren geest, en zij gevoelde dat haar hart nog even jeugdig, even vurig klopte voor hèm, die nu als een stervende voor haar lag, als toen hijnn den bloei der jeugd, schoonheid en kracht voor het laatst tegen over haar stond.
Voor het laatst! Toen waren zij elkander afgestorven; toen was hunne jeugd, hun geluk, hun hart begraven; maar thans, nu zij weder tegen over hem stond, nu opende zich het deksel van het graf, en hunne geesten konden elkander met dezelfde liefde en hetzelfde vuur begroeten, als vroeger de jeugdige en glimlachende minnenden hadden gedaan.
En nu weende Laura niet meer! Haar oog schitterde van een zalig vuur; zij gevoelde geeneaardsche smart, maar slechts vreugde, â de hemelsche vreugde van het wederzien.
Zij stond met een zaligen glimlach op, en zweefde door de kamer tot hem. Hij zag haar niet, want zijne oogen waren gesloten; wellicht sluimerde hij ; wellicht had de dood reeds zijn eersten, bedwelftienden kus op zijn voorhoofd gedrukt.
Laura boog zich over hem heen en zag hem aan;hare lange lokken vielen neder en slingerden zich aan weerszijden om zijn gelaat als een zwarten rouwsluier. Zij luisterde naar zijne zachte ademhaling, en zich al dieper buigende, kustte zij zacht zijne lippen.
236
Nu sloeg hij zijne oogen op; kalm, zonder eenige verrassing, alleen met de innigste, zaligste vreugde zag hij naar haar op. Nu vroeg zij niet meer, of die bleeke, stervende gestalte de geliefde harer jeugd was. In zijne oogen vond zij hem weder, in zijne oogen was de liefde, de jeugd, de ziel gebleven.
Langzaam hief hij zijne armen op en trok haar tot zich, en zij zonk aan zijne borst en leunde met haar hoofd legen zijne kille wang, en de gloeiende adem van haren mond beaielde hem met een nieuwen levensstroom en scheen hem de reeds verdwijnende levenskracht terug te geven.
Een geruimen tijd bleven beiden sprakeloos. Wat zouden zij elkander ook zeggen in dit eerste, heilige oogenblik van het weêrzien ? Zij hadden elkander te veel te zeggen, dan dat zij het in woorden konden vatten.
Zij lagen hart aan hart en God alleen begreep hunne gesmoorde zuchten, hunne niet uitgesproken gebeden, hunne ingehouden tranen; God alleen was bij hen. Hij zond door de geopende tuindeuren de frissche geuren der bloemen tot hen. Hij ruischte in het lommer der hooge boomen van den tuin, zoodat dit, als met de heilige tonen van het orgel, den laatsten lofzang der liefde accompagneerde. Hij
liet in de verwijderde struiken den nachtegaal zijne klagende en smeltende tonen tot een afscheidslied aanheffen, waarmede de eeuwig levende Natuur het stervende men-schenkind wilde begroeten.
Gód was bij hen, en hnnne gedachten waren gebeden, en hunne blikken, welke tot nog toe op elkander gevestigd waren, verhieven zich nu ten hemel.
âSpoedig zal ik daar zijn,quot; zeide prins August Wilhelm eindelijk na eene lange pauze; âspoedig zal ik weder leven, en zal deze lang doodstrijd ten einde zijn. Sedert zestien jaren sterf ik langzaam dag voor dag, uur voor uur. â Niet waar, Laura, het is zestien jaren geleden, dat wij elkander niet gezien hebben.quot; . ,
Zij knikte zwijgend. â âNeen,quot; vervolgde hij glimlachend: âhet was gisteren, Laura; wanneer ik u aanzie, weet ik dat het gisteren was! Want gij zijt nog dezelfde, die gij toen waart! Dat is hetzelfde schoone engelengelaat, dat ik hier in mijn hart draag. Het is niets veranderd, en ik dank er God voor; want het zoude mij smartelijk gevallen zijn,
237
mijne Laura met een voor mij vreemd gelaat terug te zien. Neen, dit is nog dezelfde Laura, die mij voor zestien jaren verliet. En nu, zie mij aan, zie, wat het leven van mij gemaakt heeft! Zie, hoe het mij verscheurd heeft; hoe het mij heeft dood gemarteld met speldeprikken, met duizend wonden, waarvoor ik niemand als mijn moordenaar kan aanklagen, maar waaraan ik tóch sterf! O Laura, Laura, waarom verliet gij mij? Waarom wildet gij niet met mij deze ellendige, huichelachtige, verschrikkelijke wereld der beschaving verlaten, en mij volgen naar de Nieuwe wereld, waar ons de liefde, het geluk en de waarheid des levens wachtlen?quot;
âIk mocht het niet doen,quot; zeide zij: âGod vorderde dat olfer van mij'; en alleen omdat ik u grenzenloos beminde, was ik sterk genoeg, het te brengen. Maar God weet ook wal het mij gekost heeft, en hoe ik al deze jaren te vergeefs met mijn hart gestreden heb, om het te leeren vergeten.quot;
âNu moogt gij niet meer strijden, Laura,quot; zeide hij ; ânu moogt gij mij niet willen vergeten, want nu sterf ik.quot;
Zij omhelsde hem met teederheid. â âNeen neen,quot; fluisterde zij: âGod zal zich erbarmen; God zal mij den eenigen troost, de eenige vreugde van mijn arm, eenzaam en vreugdeloos leven niet ontrukken. Ik had geen ander geluk dan de gedachte: hij leeft, hij ademt met mij dezelfde lucht in, hij ziet met mij naar denzelfden hemel op, en dezelfde sterren begroeten hem en mij. tn er zal een dag komen, waarop millioenen menschen hem met luid gejuich zullen begroeten en hem hun Koning noemen; en wanneer ik hem in trotsche praal, met dat verheven schoon gelaat,â dat God met zijn schoons'ten glimlach gezegend heeft, â te midden van zijn volk zal zien, dan kan ik tot mij zelve zeggen: âDat is mijn werk! Omdat ik hem meer bemind heb, dan mij zelve, draagt hij de kroon; omdat ik den moed had, niet alleen voor- hem te sterven,maar ook zonder hem te leven, daarom is hij nu Koning!quot; O mijn geliefde, zeg niet, dat gij sterft! Gij zult herstellen, gij moet herstellen!quot;
âWanneer gij mij waarlijk bemint, moogt gij dit niet wenschen, Laura,quot; zeide hij: âik sterf reeds zoo lang. Sedert zestien jaren knaagt de doodelijke worm onophoudelijk in mijn binnenste. Ik wilde bèm wel dooden, ik wilde wel
238
leven, wilde het leven dragen, omdat ik het tt beloofd had. Ik wilde een man zijn; â ik gaf de liefde, welke gij met ons bloed en onze tranen gedrenkt aan mijne voeten had neergelegd, aan mijn vaderland. Men zeide mij, dat het vaderland van mij eischte dat ik trouwde, en ik deed het; legde een masker voor mijn gelaat, een masker over mijn hart; ik wilde mijne rol in het tooneelspel des levens moedig, zooals het een man betaamt, uitspelen. Ik wilde mijne prinsenrol, waartoe mij het lot bestemd had, eere aandoen; maar het schijnt, dat ik een slecht tooneelspeler was, men joeg mij uit den dienst; men scheurde mij de schitterende kleederen van het lijf en de vorstelijke ster van mijne borst, en hém, die als prins was uitgetogen, zond men als een vernederden, beschimpten, in lompen gehulden bedelaar weder naar huis. En ik, ik verschool mij met mijne ellende en schande hier in dezen hoek, en niemand volgde mij hierheen; niemand had voor den verstooten en ge-brandmerkten ook maar ééne enkele liefdevonk, welke alles trotseert, en hare lasteringen met een moedigen glimlach het hoofd biedt! Men heeft mij mijne schande alléén laten dragen, geheel alléén. Niemand heeft dezen vreeselijken last met mij willen torschen. Ik heb eene vrouw, ik heb kinderen, en tóch ben ik alléén; zij leven ver van mij, en in het oogenblik dat ik stert, lachen zij wellicht! Ik ben de erfgenaam van een troon, en tóch een arme bedelaar, die te vergeefs jaren lang het noodlot om een weinig liefde, een weinig medelijden gesmeekt heb. Maar het had geen medelijden; het laat mij als bedelaar sterven, en alleen als ik dood ben zal ik een Vorst zijn, en zullen zij mijn lijk met eerbewijzen overladen, terwijl zij mij gedurende mijn leven vernederd en geschandvlekt hebben! O, Laura, Laura, hoe brandt het daar in mijne borst; hoe vreeselijk is dit heischo vuur der smaad! Het merg mijner beenderen verteert, mijne hersenen verschroeien, en mijn hoofd, mijn arm hoofd is zoo pijnlijk!quot;
Met een luid gesteun zonk hij in de kussens; groote zweetdroppels stonden op zijn voorhoofd, de ademhaling in zijne borst werd moeielijk.
Laura hoog zich over hem heen; zij wischte met heur haar zijn vochtig voorhoofd af, en hare heete tranen vielen als schitterende parelen op zijn gelaat.
239
Door deze tranen ontwaakte hij, en sloeg zijne oogen weder op. â âIk wil u nog iets zeggen,quot; fluisterde hij: âik voel, dat ik heden weder gezond word, en dat ik, als zij zeggen zullen, dat ik gestorven ben, eerst uit den dood ontwaak. Want daarginds begint eerst het eigenlijke leven, en wat zij hier zoo noemen, is slechts een armzalig, treurig voorspel. Men leeft hier slechts, opdat men leere wenschen te sterven, en dan te leven! ü, Laura, Laura, ik zal spoedig leven, beminnen en weder gelukkig zijn!quot;
âO, neem mij mede, mijn geliefde,quot; riep zij, radeloos van smart en badende in tranen voor hem nederknielende: âLaat mij niet alleen achter! Het is zoo treurig, zoo eenzaam hier in deze koude, vreeselijke wereld! Neem mij mede, mijn geliefde!quot;
Maar hij hoorde haar niet! De dood begon reeds zijn sluier over hem uit te spreiden, en had hem reeds met de punten zijner vleugelen aangeraakt. Zijn geest worstelde reeds met het afgematte lichaam en trachtte het te ontvlieden.
Hij «hoorde niet meer, dat Laura hem riep, en tóch leefde hij nog, en tóch had hij zijne oogen weder wijd geopend, en toch sprak hij weder. Maai- het waren losse, onsamenhangende volzinnen; woorden, welke aan droombeelden en visioenen behoorden, die zijn wegvliedende geest aanschouwde. â âEn,quot; zeide hij met luider stem, terwijl hij zijne blikken met bewustzijn op Laura vestigde; âik besluit mijn leven, een leven, dat mij zooveel kommer verschaft heeft; Winterfeldt heeft het mij verkort. Maar ik sterf veel geruster, nu ik weet, dat er een zoo boos en gevaarlijk man minder in het leger is!quot; 1)
J) 's Prinsen eigen woorden. (Zie v. lletzow's Zusütze und Berichtigungen zur Charakteristik des Siebenjahrigen Krieges. S. 22',).) â l'rins August Wilhelm stierf den 12den Juni 1758, in den ouderdom van nog geen 3() jaar. Toen zijn adjudant von Hagen den Koning, zijn broeder, het doodbericht van den prins in het Pruisische kamp bracht, vroeg de Koning: âAan welke ziekte is de prins gestorven?quot; â âHet verdriet heeft zijn leven verkort,quot; hernam de officier. Frederik keerde hem den rug toe, en sprak verder geen woord met hem. Ook werd deze oflicier nooit bevorderd. (Charakteristik des Siebenjahrigen Krieges. Th. I, S. 140.) We Koning, die voor Winterfeldt, Ziethen en Schwerin een gedenkteeken oprichtte, liet zijn broeder, prins Hendrik, de zorg over om aan den prins van Pruisen, â den meest beminden broeder van Hendrik, â
240
Toen dwaalde zijn geest weder af, en verbeeldde hij zich midden in het gewoel van den slag te zijn en riep hij met luider stem; âVoorwaarts! voorwaarts! In den dood!
Toen werd alles stil, en men hoorde weder het ruischen der hoornen en het gekweel der vogels daarbuiten.
Laura lag op hare knieën en bad. Toen zij haar blik van den schitterenden, onbewolkten hemel weder op haren geliefde sloeg, was zijn gelaat geheel veranderd. Erlageene uitdrukking van rust over, en zijne groote, wijdgeopende oogen schitterden als van zaligheid.
Hij richtte zijn hoofd op en zag naar den hemel, en begroette de boomen en de bloemen met een laatsten blik
van liefde. â .,
Hoe schoon is de wereld, wanneer men stertt. zeicle hij'met verheerlijkten glimlach; âVaarwel, wereld! Vaarwel, Laura! Kom, neem mij in uwe armen! Laat mij in de armen dei- liefde sterven. De haat behoort aan de wereld, maar de liefde volgt tot in het graf! Vaarwel!quot;
En nu boog hij zijn doodelijk afgemat hoofd tegen haren schouder, â toen nog een laatste zucht, een laatste snik,â en van den erfgenaam eens troons, den toekomstigen be-
óók een publiek gedenkteeken te wijden. Deze deed zulks te Eeinerz; waar hij ter herinnering aan de helden van den zevenjarigen krijg eene pyramide Het oprichten, waarop de namen van alle generaals en van alle gewonnen veldslagen gegraveerd werden, en die met het borstbeeld van August Wilhelm, den bet-overgrootvader van den tegenwoordigen Keizer van Duitschland, versierd was. Had de Koning voor Winterfeldt een standbeeld gezeten zijn broe-der verereten, nu vergat de prins den naam van Winterfeldt onder de helden van den krijg te vermelden. Bij de onthulling van het gedenkteeken hield de prins eene redevoering, die van den lof des veel geliefden en te vroeg verscheiden broeders gloeide, en in vele uitdrukkingen de onderlinge ontevredenheid verried, welke tnsschen prins Hendrik en Fredenk den Groote altoos bestond, en die de prins ook daardoor aan den dag legde, dat hij in zijne redevoering den Koning volstrekt niet noemde, en hem ook niet onder de helden van den zevenjarigen oorlog geteld had. Terwijl hij de verplichting om den geliefden Vorst een gedenkteeken te plaatsen, deed uitkomen, liet hij met betrekking tot het standbeeld van Winterfeldt volgen: 1'abus des nchesses et du pouvoir élöve des statues de marbre et de bronze u ceux, qm n étaient pas dignes de papser il la postérité sous l'emblème de I'honnenr (Rouille. Vie du Prince Henry de Prnsse. Pag. 275.) ,,
Ook in onze dagen heeft prins August Wilhelm eene schitterende voldoening ontvangen: want zijn standbeeld is het, dat de voornaamste plaats in het gedenkteeken voor Frederik den Groote te Berlijn inneemt, en tot de schoonste en meest geslaagde figuren van het geheele monument behoort!
241
heerscher van millioenèn menschen, den fieren Voi'stenzoon, is niets meer over dan een armzalig lijk!
En de boomen ruischen weder vroolijk; geen wolk verduistert den hemel; de vogels zingen en de bloemen bloeien voort, en tóch is zoo even een Vorst gestorven en eene ziel ten hemel gestegen!
Maar de liefde drukt den laatsten kus op zijne lippen; de liefde drukt hem de oogen dicht, de liefde weent om hem, de liefde bidt voor hem.
De haat behoort aan de wereld; de liefde volgt tot in h^t graf!
EINDE VAN HÃT TWEEDE DEEL.
INHOUD.
Bladz.
Hoofdst. VII. De verrader ....................3.
â VIII. De oorlogsverklaring........16.
â IX. De Koning en zijne broeders.....28.
X. De lauwertak...........37.
â XI. Het feest by den graaf Brühl .... 42.
â XII. Het gestoorde feest........56.
â XIII. Het archief te Dresden.......66.
,, XIV. Het vernederde Saksen.......78.
Bladz.
Hoopdst. I. De landlieden van Brünen......84.
â H. Het bericht van den veldslag .... 94.
â III. De maagd van Brünen.......101.
â IV. Afscheid van het dorp .......112.
â V, De gevangene..........122.
â VI. De barricade in de gevangenis .... 136.
â VII. De slag Bij Collin.........140.
â VIII. De vijandelijke broeders......150.
â IX. De brieven...........164.
'244
Bladz.
Hoofdst. X. In het slot te Dresden.......173.
â XI. Het Te Deum..........184.
â XIL Een tooneel uit de legerplaats .... 191.
â XIII. Bij het wachtvuur..................200.
â XIV. De slag by Leuthen................209.
â XV. Het winterkwartier te Breslau .... 222.
â XVI. Het gebroken hart................233.