ocr page 1

i Vak 152

il I

LOUISE MÜHLBACHS

li

historische Jtomans

Bewerkt door IVÏ. K,

P

Frederik de Groote en ziju Hof.

FREDERIK DE GEOOTE Elf ZIJNE BROEDERS M ZÏÏSTERS.

quot; quot;All '-tl

' '«•Ati-1 '

* * *

NIJMEGEN—ARNHEM.

GEBRs. E. amp; M. COHEN.

188

i 7§

ijjl

m 'quot; quot;

é' X

, lil

ocr page 2
ocr page 3

FREDER1K DE GROOTE EN ZIJN HOF.

FREDERIK DE GROOTE EN ZIJNE BROEDERS EN ZUSTERS.

III.

ocr page 4
ocr page 5

Val» 152

m ]

FREDERIK DE GROOTE EN ZIJN HOF.

HISTORISCHE ROMAN

door

LOUISE MÜHLBACH.

Bewerkt door M. K.

9

FREDERIK DE GROOTE EN ZIJNE BROEDERS EN ZÜSTERS.

DERDE DEEL.

8IBU0T*CA CONV. WÜCH£«S 0*0. r*t«in.

derde veel verbeterde druk.

Nijmegen amp; Arnhem. Gebr. E. amp; M. COHEN.

ocr page 6
ocr page 7

VIERDE BOEK.

DE FRANSCHE GEVANGENEN IN BERLIJN.

ocr page 8
ocr page 9

VXERJDE BOEJ3L. DE FRANSCHE GEVANGENEN IN BERLIJN.

I.

DE KONING MET ZIJNE OUDE EN NIEUWE VIJANDEN.

Sedert het begin van den vreeselijken strijd, — waarin de Koning van Pruisen zonder eenige bondgenooten, behalve het ver afgelegen Engeland, tegenover gansch Europa had gestaan, dat zich op schrikwekkende wijze tegen hem ten strijde had toegerust, — waren thans drie verschrikkelijke jaren verloopen. Deze drie jaren hadden intusschen de fiere en aan zege gewende vijanden van Frederik tot de overtuiging gebracht, dat de Koning, dien de Paus nog altijd den „Marquis de Brandehourgquot; noemde, tegen wien hij den banbliksem had geslingerd, en dien de Duitsche Keizer in den rijksban had verklaard, — dat die Koning, ondanks de gevaren welke hem van alle kanten bedreigden, toch nog altijd een geduchte en onverschrokken tegenstander bleef, dien men bijna begon te vreezen, nadat men zich zoolang verbeeld had, hem geheel en al te verpletteren en den Koning van Pruisen weder in den kleinen Keurvorst van Brandenburg te kunnen veranderen. Uit alle veldslagen, uit alle drukkende omstandigheden en gevaren was de Koning altijd weder met helder voorhoofd, schitterend oog en onverschrokken moed te voorschijn gekomen, en zelfs de verloren veldslagen hadden den luister van zijne behaalde overwinningen niet kunnen doen tanen; want in deze, zoowel

ocr page 10

4

als in gene. had de Koning zich steeds als held getoond, — grooter nog na den verloren slag dan na eene overwinning, — door zijne rust eh beradenheid, door zijne onwrikbare zielskracht, door zijn helderen blik, waarmede hij zijn toestand overzag en daardoor de nadeelige gevolgen wist te voorkomen. Zijne vijanden konden daarom na een gewonnen veldslag wél zeggen, dat zij gezegevierd, — maar niet; dat zij den Koning van Pruisen overwonnen hadden. Want altoos stond de Koning weder toegerust en strijdvaardig tegen hen over, wanneer zij zulks het minst vermoedden, terwijl hij van elke hunner zwakheden gebruik maakte, en met elke hunner misslagen zijn voordeel deed. De sneuvelende scharen zijner krijgers schenen slechts drakentanden te zijn, om daaruit nieuw-gewapende strijdvaardige soldaten te doen opgroeien; en terwijl in de legers der verbonden Oostenrijkers, Saksen en Russen honger en ziekten heerschten, — terwijl men in Weenen, Petersburg en Dresden de kosten van den oorlog als een drukkende, nauwelijks te dragen last begon te beschouwen, was het Pruisische leger gezond, ruim van levensmiddelen voorzien, en schenen de koninklijke kassen, dank zij de Engelsche subsidiën en het in gehalte verminderde geld, onuitputtelijk te zijn.

Zoo waren, gelijk gezegd is, reeds drie jaren in nooit rustenden strijd verloopen. Zoo was het voorhoofd van den heldenkoning met steeds nieuwe lauweren omwonden, en deze waren zóó vol en schitterend, dat de verloren slagen daarop geene schaduw konden werpen. De veldslagen van Lowositz, Rossbach, Leuthen en Zorndorf waren zulke schitterende overwinningen geweest, dat zij niet door de nederlagen van Gollin en Hochkirch konden verduisterd worden, hoe ook zijne vijanden getracht hadden hunne zegekreten door geheel Europa te doen weergalmen, hunne overwinningen als beslissende slagen te roemen, en alle middelen aangewend hadden, dit ook hunne legers en volken te doen gelooven.

Rij deze vijanden des Konings die met het zwaard tegen hem streden, had zich nu nog een nieuwe, vreeselijke vijand gevoegd, die met de heilige banier der Kerk, met de heilige woorden des Rijbels tegen hem lostrok. Deze nieuwe vijand was Clemens de Dertiende, die sedert Mei van het jaar

ocr page 11

5

1758 den apostolischen zetel beklommen had, en zich luide en zonder terughouding als den onverzoenlijken vijand van dezen kleinen markies van Brandenburg verklaarde, wijl deze het waagde, in zijne landen het geloof en de vroomheid aan bespotting prijs te geven, de geheiligde leer dei-Kerk met het licht van het vrije onderzoek te doen beschijnen en daardoor voedsel gaf aan het ongeloof; wijl hij de priesters verachtte, en zelfs reeds hèn, die de heilige Katholieke moederkerk wegens ketterij en ongeloof gestraft had, in zijne landen ontving en ondersteunde. Be-nedictus de Veertiende, — de voorganger van den tegen-woordigen Paus, — had zich óók wel als vijand van den Koning verklaard, maar was toch wijs genoeg geweest om te zwijgen; om de vele Katholieke onderdanen des Konings, de vele kloosters en stichtingen niet aan den toorn des Konings bloot te stellen. Doch dit was voor Paus Clemens in zijn ijver niet voldoende. Hij wilde met hand en mond tegen den ketter-koning strijden, en nam dus tegen hem den banbliksem ter hand en slingerde tegen hem woorden van vervloeking, terwijl hij integendeel kwistig was met woorden van zegen en heilbeloften jegens hen, die legen den Koning streden. Aan deze gedragslijn van Paus Clemens had Oostenrijk een nieuwen titel en eene nieuwe waardigheid te danken, want wegens zijne vijandschap tegen den ketterschen Koning van Pruisen, en ter belooning van de groote en voortreffelijke verdiensten, welke Oostenrijk zich in dezen strijd tegen den kettervorst bij den Roomschen stoel verworven had, schonk de Paus aan de Keizerin van Oostenrijk, voor haar en hare nakomelingen, den titel en de waardigheid van „Apostolische Majesteit.quot; — Maar niet enkel het Keizerhuis van Oostenrijk, ook zijne veldheeren en het geheele leger van vrome en geloo-vige Christenen zouden ondervinden, dat de zegen van den Paus op hunne wapenen rustte, en hen tegen alle gevaren en nederlagen beschermde. De schitterende zege bij Hochkirch moest derhalve door den Paus op eene bijzonder plechtige wijze gevierd worden en het leger der verbondenen tot nieuwe, roemvolle wapenfeiten aanvuren. Daarom zond de Paus den veldmaarschalk Daun, die den slag bij Hochkirch gewonnen had, een gewijden hoed en degen, en maakte daardoor den staatkundi-

ocr page 12

6

gen strijd tot een godsdienstoorlog, waarbij het niet langer het bezit van landen, — maar den heiligen strijd tegen den dreigenden en ketterschen vijand der Katholieke kerk gold, en waarbij de priester vergat, dat volgens een oud, historisch gebruik, de Pausen deze gewijde geschenken slechts aan zulke veldheeren verleenden, die of de ongeloovigen overwonnen, óf barbaarsche volken onderworpen hadden. 1)

Maar Koning Frederik van Pruisen had voor deze onbesuisde aanvallen van Gods stedehouder slechts een glimlach over. Zijnen met het zwaard omgorde vijanden stelde hij het zwaard tegenover, en tegen hen, die hem met de tong en de pen bestreden, bediende hij zich van soortgelijke wapenen. En wanneer hij den eersten moedig in het veld durfde tegenstaan, — van uit zijne winterkwartieren bestreed hij de anderen, met de bijtende, scherpe en geestige „Fliegende Blatter,quot; — vlugschriften, welke toen den lachlust van geheel Europa opwekten en de groote daden van den Paus, onder den vloek van het belachelijke als kaf deden verstuiven. Want de gewijde hoed en degen verloren hunne wijding door den: „Brief van dankbetuiging van den veldmaarshalk Daun aan den Paus,quot; dien de Koning gesteld had, en die in Oostenrijk zelfs zijne lachers en bewonderaars vond, alsmede door den „Gelukwensch van den prins Soubise aan den veldmaarschalk L)aun.quot;En wanneer de Paus den Koning van Pruisen als den ketterschen „Marchese di Brandenburgoquot; bestempelde, noemde de Koning hom daarvoor „den Groot-Lama,quot; en liet zich in bijtenden spot uit over de erkende onfeilbaarheid van den stedehouder Gods. Maar niet alleen den Paus geeselde de pen des Konings; nóg scherper trof zij de kuische, en streng zedelijke Keizerin Maria ïheresia in den „Brief dei-markiezin de Pompadour aan de Koningin van Hongarije,quot; waarin het ongehoorde vriendschapsverbond tusschen de deugdzame Keizerin en de weelderige, koninklijke bijzit ten toongesteld wordt. 2) — En niet alleen las men deze

1

Oeuvres posthumes. Vol. III, p. 344.

2

In dezen brief beklaagt zich de markiezin, dat de Keizerin het haar onmogelijk had gemaakt tot baar te snellen, en haar in Weenen de hulde harer

ocr page 13

7

brieven, welke bij duizende exemplaren verspreid werden, maar men was naïf genoeg om aan hunne echtheid te ge-looven; zoodat het Oostenrijksche Hof tot de verklaring genoodzaakt werd, dat al deze brieven ondergeschoven waren; dat de veldmaarschalk Daun geen gewijde pruik, maar een gewijden hoed van den Paus had gekregen, en dat de Keizerin nooit een dergelijken brief van de markiezin de Pompadour had ontvangen.')

Deze „Fliegende Blatterquot; waren de wapenen waarmede de Koning zijne vijanden bestreed, wanneer het ruwe jaargetijde het onmogelijke maakte, hun in het open veld te gemoet te treden. In het winterkwartier van 1758 ontstonden de meeste dezer' vlugschriftenj en niemand, behalve de meest vertrouwde vriend des Konings: de markies d'Argens, vermoedde, wie de schrijver dezer hatelijke en gevreesde pamlletten was.

Ook de vijanden des Konings maakten zich de winterrust tot allerlei aanvallen en vijandelijkheden ten nutte. Hunne spionnen en verspieders verspreidden zich door geheél Duitschland; onder de meest verschillende vermommingen wisten zij zich overal in te dringen, en zelfs te Berlijn in de aanzienlijkste kringen toegang te verkrijgen. Door alle middelen der vleierij, door omkooping en schitterende be-lolten wisten zij zich aanhangers en vrienden, — en het Hof te Weenen, midden in Pruisens hoofdstad, verspieders en berichtgevers te verschaffen.

Maar daarmede alléén stelden zij zich niet tevreden; hunne hoogvliegende en vermetele plannen beoogden zelfs: in het hart van het land bondgenooten en strijders te verwerven, en den krijg verraderlijk in de vestingen en binnen de steden over te brengen. Men wist de Oostenrijksche en Bussische gevangenen, die zich in de Pruisische vesting Küstrin bevonden, een plan tot eene samenzwering te doen

liefde en vriendschap te komen betuigen; omdat Maria Theresia te Weenen eene lechtbank der deugd had ingesteld, die haar moeielijk zoude kunnen vrijspreken. De markiezin bezweert dus de Keizerin hare gestrengheid te laten varen; deze vreeselijke rechtbanken over de deugd af te schaffen en zich liever voor de almacht der voortreffelijke godin Venus te buigen. Al deze brieven en geschriften zijn verzameld in: Supplements des Oeuvresposthumea; Vol. III, 222—565.

1) Lebensgeschichte Laudon's van Johann l'ezzl. S. 102.

ocr page 14

8

toekomen, waardoor men deze vesting in het bezit der bond-genooten brengen, — en hunne legers nieuwe strijdkrachten toevoeren moest. Het aantal der in Küstrin gevangen Russen, die men na den slag bii Zorndorf daarheen gebracht had, was stellig meer dan de helft sterker dan de bezetting der vesting; en wanneer zij er in geslaagd waren zich meester te maken van de honderd en drie kanonnen, welke als schitterende zegeteekenen op de markt aldaar tentoon^ gesteld waren, zou het hun gemakkelijk zijn, het Pruisische garnizoen te overvallen en te overwinnen, en de vesting te nemen. Dit was het plan dat men verzonnen had, en dat men voornemens was uit te voeren. Maar op den dag dei-uitvoering werd het ontdekt; de Pruisische commandant liet de wachten voor de kazematten, waarin drieduizend Russische soldaten gevangen lagen, verdubbelen en de Rus-sche officieren in arrest brengen. Hun aanvoerder, de luitenant von Lüders uit Koerland, werd aangeklaagd, door den krijgsraad veroordeeld, en op bevel des Konings geradbraakt. Maar dit afschrikkend en vreeselijk voorbeeld had nochtans geene vruchten gedragen. Vele nieuwe pogingen werden er gedaan, altijd nieuwe samenzweringen ontdekt, en wanneer de legers der verbonden vijanden Pruisen van buiten aanvielen, voerden de gevangenen in het binnenste van het Rijk een niet minder gevaarlijken guerilla-strijd, die des te dreigender was, omdat hij niet met open visier en bij dag, — maar in de schaduw van den nacht en onder den sluier der samenzwering gevoerd kon worden.

Nergens was intusschen deze kleine guerilla-strijd op grooter schaal gevoerd, dan te Berlijn. Hier had de Koning al de bij Rossbach gevangen Fransche, bij Leuthen gevangen Oostenrijksche en bij Zorndorf gevangen Russische officieren en hoofd officieren te zamen doen brengen. Zij konden vrij rondwandelen, de geheele stad was hunne gevangenis, en slechts hun woord van eer verplichtte hen, zich niet buiten de ringmuren der stad te begeven. Bovendien beijverde zich elkeen het leed der „arme gevangenenquot; te verlichten, en hun door gezellige verstrooiingen en feesten het lijden der gevangenschap te do^n vergeten. De deuren van de eerste en voornaamste huizen stonden voor deze vreemde heeren open; overal waren zij welkome gasten, en zelis aan het Hof gaf men kleine feesten en par-

ocr page 15

9

tijen waarop zij genoodigd werden. Ja; aan het Hof gaf men feesten en partijen! Men verschool zijne treurende en bekommerde trekken onder een vroolijk uiterlijk: men overstemde zijne zuchten en klachten met het luide geschetter der dansmuziek, en terwijl wellicht op verren afstand Oostenrijkers, Russen en Pruisen in bloedigen strijd tegenover elkander stonden, dansten de Berlijner dames met de gevangen Oostenrijksche en Russische officieren de bevallige Fransche dansen, zooals die aan het vijandelijke Hof te Versailles in de mede waren. Wél waren er treurigen en ongelukkigen genoeg in dit uiterlijk zoo vroolijk en opgeruimd Berlijn; maar alleen het stille vertrek was getuige van hunne tranen en van hun leed; geene door droefheid betrokken gelaatstrekken mochten eene donkere schaduw werpen op de schitterende en levenslustige aangezichten der schoone dames, aan wie de krijg broeders, minnaars en echtgenooten ontnomen had en aan wie hij in de gevangen oiticieren, zoo al niet een plaatsvervanger,, dan toch een middel tot afleiding had gezonden. Bovendien is het onmogelijk altijd te treuren, altijd te klagen, altijd in kloosterachtige afzondering te leven! Wél was men begonnen met de eeden van trouw, welke men elkander bij het afscheid had toegezworen, te willen houden, — en Berlijn had in den beginne geheel het uiterlijk gehad van een schoone, treurende weduwe, die geheel van de genoegens des levens heeft afstand gedaan; maar langzamerhand toch had men de wetten der Natuur, welke ons leert te vergeten, moeten volgen. De tranen waren allengs opgedroogd en de zuchten verstomd; men had zich in het leven leeren schikken onder gretig verlangen naar een lichtstraal, die deze barre woestijn van hopeloosheid een weinig mocht verlichten; men had ingezien, dat men tóch zeer op zijn gemak kon leven, al woedde en tierde de krijg daar buiten; dat de zwakke natuur des menschen onmogelijk altijd in spanning en opgewektheid, — altijd in vei wachting van groote gebeurtenissen, welke daar ginds voorvielen, kon blijven; het leven zelf, het tegenwoordige oogenblik had zijne eischen, waaraan men moest voldoen. In den loop van het jaar leerde men weder schertsen, lachen en vroolijk zijn, ondanks den daarbuiten woedenden krijg; en hoezeer men ook het vaderland lief had, en de

ocr page 16

10

zegepralen des Konings met gejuich, — en zijne nederlagen met rouw vernam, tóch kon de haat tegen den vijand des vaderlands niet zóó ver gaan, dat men dien ook uitstrekte tegen de gevangen officieren, die te Berlijn hun verblijf hadden gekregen. Men had dus zóó lang zijn best gedaan om hun niet te laten misgelden dat zij vijanden waren, tot men inderdaad zóó ver was gekomen van het te vergeten, en men deze schoone levenslustige en spraakzame heeren niet meer als gevangenen beschouwde, maar als reizigers, die uit vrije verkiezing naar Berlijn waren gekomen en voor wien men dus door vriendelijkheid en beleefdheid de eer der stad moest ophouden. 1) Bovendien had de Koning zelf bevolen, dat men de te Berlijn gevangen officieren zeer beleefd moest ontvangen; en wanneer het Hof zelf om deze feesten gaf, geschiedde zulks volgens den uitdrukkelijken wil des Konings, die der wereld bewijzen wilde, dat zijne familie volstrekt niet bevreesd of bezorgd, — maar integendeel vroolijk en onbezorgd was.

II.

DE DRIE OFFICIEREN.

Zoo brak de lente van het jaar 1759 aan, en men vertelde elkander reeds dat de rust geëindigd was, dat de Koning zijn winterkwartier te Ereslau had verlaten, en den vijand weder moedig tegen trok. Ook bevatten de Ber-lijner dagbladen reeds weder berichten van enkele schermutselingen en gevechten, welke hier en daar tusschen de Pruisische en vijandelijke troepen hadden plaats gehad, en

1

„De krijgsgevangenenquot; schrijft Sulzer: „behandelt men hier als vreemde reizigers. Zij staan bij het schoone geslacht ïeer hoog aangeschreven,quot; Zie • Briefwechsel der Shweizer Sulzer, Bodmer, Gleim u. a.

ocr page 17

11

waarbij de Pruisen, naar het scheen, altijd ongelukkig waren geweest.

Over deze berichten spraken de drie officieren, die in een keurig vertrek in zeker huis op het Slotplein zaten, en op een dagblad staarden dat voor hen op tafel lag.

„Mag ik u verzoeken, monsieur,quot; zeide een van hen in het Fransch: „om mij dezen volzin hier eens te vertalen ? Er is, geloof ik, sprake van prins Hendrik; maar het is mij onmogelijk om dit barbaarsch Duitsch koeterwaalsch te begrijpen.quot;

Dit zeggende reikte hij den aan zijn rechterhand gezeten officier de courant over, en wees met zijn van juweelen fonkelenden vinger op eenige regels in het dagblad.

„Daar staat stellig iets van prins Hendrik,quot; hernam deze met het eigenaardige accent, dat den Rus verried; „en er staat nog wel iets, dat u, monsieur de Belleville, ongetwijfeld zeer veel belang zal inboezemen.quot;

„O, lees het mij dan eens voor!quot; riep de Franschman ongeduldig; en zich met eene beleefde buiging tot den derden heer wendende, die onverschillig en zwijgend naast hem zat, vervolgde hij: „Maar er dient eerst gevraagd te worden of onze vriendelijke gastheer, monsieur le comte de Ranuzi, er óók belang in stelt, en deze lectuur wil toestaan'?quot;

„Ik stel in alles belang, messieurs,quot; zeide de Italiaansche graaf onverschillig: „wat van andere dingen spreekt, als ^ran dit verlaten en vervelend Berlijn!quot;

„ Vraiment, gij hebt gelijk,quot; zuchtte de Franschman: „het is hier eene vervelende, stijve plaats. Men is hier zoo ongehoord deugdzaam en preutsch, met zulke ouderwetsche gemoedsbezwaren en zulke kleingeestige vooroordeelen overstelpt, dat men er waarlijk om moest lachen, indien men niet onder deze eentonigheid en verveling gebukt ging. Hemel, wat zou de bekoorlijke gebiedster van Frankrijk, — de markiezin de Pompadour zeggen, wanneer zij mij, den vroolijken. levenslustigen Belleville — dien zij zoo dikwijls om zijne grappige invallen met den titel van Hofnar vereerd heeft, — kon zien; hoe ernstig ik mij met die zoogenaamde Koningin van Pruisen onderhoud; welk een ernstig gezicht ik trek, wanneer men van de Pucelled' Orleans spreekt, en zij zich houdt, alsof zij Crébillon volstrekt niet gelezen had. -- Zeg eens, mijnheer von Giurgenow; gaat

ocr page 18

12

net aan uw Petersburger Hof even stijf en afgemeten toe, als hier aan het Pruisische?quot;

Mijnheer von Giurgenow schaterde van lachen. — „Onze Keizerin Elisabeth,quot; zeide hij: „is een engel van schoonheid en goedheid; grootmoedig en welwillend jegens iedereen, zich zdve steeds opofferende om anderen genoegen te schenken. Verleden jaar gaf zij haar lijfrégiment een bal. Zij danste met eiken soldaat en proefde uit elk glas: en wanneer de door zooveel genade in geestdrift gebrachte soldaten soms de eene of andore vrije scherts waagden, glimlachte de goedige Keizerin er over, en vergaf het hun. Zij danste den geheelen nacht door, en betooverde elkeen door hare minzaamheid en bevalligheid; en van dien dag af aan schonk zij hare genade aan den gelukkigen Rustuschew, die tot nog toe een arm onderofficier geweest was, en thans een Vorst en de rijkste heer in geheel Rusland is.quot;

„O, het schijnt dat uw Rusland eenige overeenkomst heeft met mijn schoon Frankrijk!quot; riep mijnheer de Belleville verheugd : „Maar hoe staat het bij u, mijnheer de graaf Ranuzi ? Gelijkt het Oostenrijksche Keizershof op het onze, of op dit vervelende Pruisische?quot;

„Het gelijkt slechts op zich zelf!quot; riep de Italiaan trotsch : „Wij hebben te Weenen een gerechtshof der kuischheid en der deugd, en Keizerin Maria Theresia is de eerste presidente.quot;

„Diable,quot; riep de Franschman: „hoe zou het uwe Russische Keizerin en mijne schoone markiezin gaan, wanneer deze beide voor dat gerechtshof van hare edele bondgenoote moesten verschijnen. Maar, mijnheer von Giurgenow; gij vergeet, dat gij ons iets uit deze courant over prins Hendrik wildet mededeelen.quot;

„Het is intusschen van weinig belang,quot; zeide de Rus op onverschilligen tuon: „Prins Hendrik, — zoo luidt het: — is thans weder geheel van zijne wonden genezen, en heeft zich in zijn winterkwartier te Dresden met hetver-toonen van Fransche tooneelspelen bezig gehouden. Ja; hij zelf is daarin als acteur opgetreden, en heeft in Voltaire's Enfant prodigue de rol van den verloren zoon gespeeld. Nu echter, — staat er verder: — is hij weder uitgetrokken, om, na het vroolijke tooneelspel, weder het ernstige wapenspel te beproeven.quot;

ocr page 19

13

„Als hij maar de rollen niet verwisselt,quot; riep mijnheer de Belleville lachend;quot; en het speelt, alsof

hij den held vertoonen moet. In welke rol zou hij grooter zijn? Weet gij het, mijnheer de Ran uzi?quot;

Deze trok glimlachend de schouders op. „Dat diende men zijne vrouw te vragen,quot; zeide hij.

„Of aan mijnheer von Kalkreuth, die zich sedert zeven maanden ten gevolge zijner wonden hier ophoudt,quot; zeide mijnheer von Giurgenow luid lachende: „overigens, messieurs, is prins Hendrik in zijn hart zeer tegen dezen krijg, en al zijne sympathie is aan onze zijde. Indien het lot van den krijg den tegen woord igen Koning van Pruisen het leven deed verliezen, zouden wij allen spoedig vrede hebben, en dit afschuwelijk Berlijn, — deze doode zandwoestijn, waar wij nu als krijgsgevangenen moeten versmachten, — kunnen verlaten.quot;

„Maar de god des krijgs is niet altijd eene gedienstige godheid,quot; zei de Franschman somber: „hij doodt niet altijd diegenen, die wij zoo gaarne zagen vallen; de kogels vliegen dikwijls langs het doel!quot;

„Gewis; een dolk treft beter en zekerder,quot; merkte graaf Ranuzi geheel onverschillig aan.

De Rus wierp hem een snellen, zijdelingschen blik toe. — „Ook niet altijd,quot; zeide hij: „men vertelt immers, dat reeds tweemaal met dolken gewapende mannen in de Pruisische legerplaats geslopen, — en in de tent des Konings zijn gevonden. Hunne dolken hadden, — evenmin als de kogels, — de borst des Konings getroffen.quot;

„Zij, die deze dolken droegen, waren Duitschers,quot; zeide Ranuzi koel: „en die verstaan dit handwerk niet. Dit moet men in mijn vaderland geleerd hebben!quot;

„Hebt gij het geleerd?quot; vroeg Giurgenow scherp.

Ranuzi lachte. — „Ik heb zoo wat van alles geleerd, en ben een liefhebber in alles,quot; zeide hij.

„Maar in uwe minnarijen zijt gij een meester!quot; riep mijnheer de Belleville lachend: „Men vertelt elkander veel van uwe intriges in de liefde.quot;

„Dan vertelt men elkander onwaarheden,quot; hernam de Italiaansche graaf bedaard: „ik houd niet van intriges, en het allerminst in de liefde; terwijl gij, mijnheer, als een echte Don Juan bekend staat. Heeft men mij niet verteld.

ocr page 20

14

dat gij smoorlijk verliefd zijl op de schoone Hoffreule van prins Hendrik?quot;

„O, gij bedoelt de schoone freule von Marschall ?quot; vroeg mijnheer von Giurgenow: „Dat heeft men mij óók verteld, en ik heb den smaak van den heer de Belleville bewonderd en benijd.quot;

„Mijn hemel,quot; zeide deze achteloos: „de kleine is zeer aardig, en ik vind er pleizier in haar het hof te maken. Wij moeten toch die eenvoudige Duitsche meisjes óók eens leeren, wat galanterie is.''

„Dit is dus de éénige reden, waarom gij de schoone freule het hof maakt? vroeg Giurgenow met loerenden blik.

„Ik verzeker u, de éénige! riep mijnheer de Bélleville lachend, terwijl hij opstond en zich naar het venster begaf. — „Maar ziet eens.quot; riep hij toen haastig: „welk een menigte menschen zich daar in de straat verdringt, en hoe zij tieren en schreeuwen, alsof er een ongeluk gebeurd is.quot;

De beide andere heeren snelden aan zijne zijde, en het raam openende zagen zij op het plein, op eene groote volksmenigte neder. En nog altijd stroomden er uit de aangrenzende straten nog meer menschen toe, en verzamelden zich op het ruime plein. In het midden daarvan vertoonde zich op eene uitsteenen bijeengeraapte verhevenheid,oene vreemde groep. Daar stond een lang, mager man, in een zwarten tabbaard, met lang grijs haar, dat van zijn hoofd neêrgolfde en in weelderige krullen zijn bleek gelaat om gaf. In zijne rechterhand hield hij een Bijbel, dien hij met opgeheven hand aan het volk vertoonde, terwijl zijne groote, diep in hunne kassen verscholen oogen ten hemel geslagen waren, en zijne lippen zachte, onverstaanbare woorden prevelden. Naast hem stond eene vrouw in zwart gewaad, met loshangend haar, dat langs haar rug nederviel. Haar gelaat was kleurloos als dat van een lijk, en hare dunne, bloedelooze lippen waren vast op elkander gesloten als die eenerdoode. Alleen in hare oogen was leven ; daarin brandde een sombere, woeste en dweepachtige gloed ; en hare blikken, die als dwaallichtjes rondwaarden, verwekten bij allen op wie zij rustten, eene akelige, onaangename gewaarwording. Toen zij nu toevallig naar het venster opzag, waar de drie hee-

ocr page 21

45

ren stonden, vloog de schaduw van een glimlach over haar gelaat, en hewoog zij even haar hoofd. Niemand lette daar wellicht op; niemand zag, dat mijnheer von Giurgenow dien groet beantwoordde en deze vreemde, raadselachtige vrouw daar beneden een teeken van verstandhouding gaf.

„Weet gij, messieurs, wat dit alles moet beteekenen?quot; vroeg de Fransche officier verwonderd.

„Dat beteekent,quot; zeide de Rus lachend: „dat het volk daar beneden van zijn grooten profeet den afloop, — ot liever het einde van den krijg wil weten. Het goede volk verlangt, zoo het schijnt, naar rust, en wil weten wanneer het die krijgen zal. Die man daar weet het; want hij is, zooals men zegt, een groot profeet en al zijne voorspellingen zijn uitgekomen.quot;

„En gij vergeet ten eenenmale van de vrouw melding te maken?quot; vroeg Ran uzi met een eigenaardigen glimlach.

„Die vrouw is, geloof ik, eene kaartlegster, die veel invloed heeft op prinses Amalia,quot; zeide mijnheer von Giurgenow onverschillig, „maar laat ons eens hooren, wat die profeet daar verkondigt.quot;

Zij zwegen en luisterden met gespannen aandacht. En nu verhief zich boven de luisterende menigte de stem van den profeet, schel en galmend als eene bazuin, en niemand ontging een woord van hetgeen hij sprak.

„Broeders,quot; zoo klonk het: „waarom houdt gij mij op, en waarom stoort gij mij op mijn vreedzamen weg? Mij en deze vrouw, die met mij dezen nacht in de sterren heeft gelezen, en wier ziel nog treurt, even als de mijne, over hetgeen wij gezien hebben.quot;

„En wat hebt gij gezien?quot; schreeuwde men uit de menigte.

„Bleeke, spookachtige gestalten, die in bloedig gewaad rondwaarden en zich klagend en kermend neerzetten bij duizend geopende graven, om een klaaglied te zingen, dat luidde: „Krijg! Krijg! Wee den krijg! Hij doodt onze mannen, hij verslindt onze jongelingen. Hij maakt onze vrouwen tot weduwen en onze meisjes tot nonnen! Wee den krijg!quot; — om een gebed tot God te krijten, dat luidde: „Vrede! Vrede! Schenk ons, o God, den vrede, opdat deze opene

ocr page 22

10

graven gesloten worden ; opdat wij onze wonden heelen, en een einde zien komen aan ons lijden!quot;

De profeet vouwde zijne handen en zag smoekend ten hemel. Maar nu verhief de vrouw hare stem. —„Maar de hemel,quot; sprak zij : „verduisterde toen de geesten zoo baden; en een bloedroode stroom schoot er over heen, kleurde de sterren bloedrood en maakte van de maan eene zee van bloed, en klagende steumen riepen uit de wolken en in de lucht: Strijdt voort en sterft, want uw Koning wil het zoo! Hem behoort uw leven! Hém behoort uw bloed!quot; — Entusschen deze stroomen bloeds verschenen plotseling witte, doorschijnende gestalten, en op het hoofd van de voorste las ik een jaartal: — ons jaartal 1759. En deze gestalte opende hare lippen en zeide: „Krijg breng ik, krijg en altijd nieuw bloedvergieten! Uw Koning vordert het bloed uwer zonen, geeft het hem; hij eischt uw geld, geeft het hem ; hij eischt uw leven, geeft het hem ! Want de Koning is de heer van uw lichaam en uwe ziel, en wanneer hij gebiedt, moet gij gehoorzamen!quot;

„Dat is bijna al te Russisch gedacht,quot; zeide graaf Ranuzi halfluid; „het zou mij niet verwonderen, of dejpolitie zal aan deze voorspellingen, welke wel wat naar ophitsing gelijken, — spoedig een einde maken.quot;

„Dit tooneel is zóó grappig,quot; zeide mijnheer von Giurge-now levendig: „dat ik het eens van meer nabij wensch te zien. Met uw verlof, messieurs, ik ga u even verlaten. Het is altoos van belang te hooren wajït het volk zegt, en hoe het de voorspellingen van een profeet opneemt. Wij kunnen daarnaar afmeten, of wij kans hebben spoedig den vrede en de vrijheid te herkrijgen, want de stemming van het volk is in de staatkunde meestal beslissend.quot;

Hij nam zijn steek, en de heeren groetende verliet hij haastig het vertrek.

ocr page 23

\

17

III.

RANUZI. -

T

Weet gij, monsieur de Belleville, waarheen hij gaat?quot; vroeg graaf Ranuzi, terwijl hij den Rus met een spóttenden glimlach nastaarde.

„Naar het plein daar beneden; dat heeft hij immers ook gezegd.quot;

„Ja; maar hij heeft ei niet bij gezegd, wat hij daar doen wil; ik raad het evenwel. Hij wil naar beneden gaan om de waarzegster te naderen, en haar een teeken te geven, dat zij in haar ijver wat te ver gegaan is, en dat zij daardoor haar spel zou kunnen verraden.quot;

„Houdt gij het er dan voor, dat mijnheer von Giurgenow deze waarzegster kent?quot;

„Daar ben ik zeker van! Mijnheer von Giurgenow heeft deze kwakzalvers gehuurd, om het volk op te hitsen en het tegen dezen krijg stemmen. Intusschen is dit middel zóó alledaagsch en versleten, dat het hier in Pruisen niets baten kan. Want hier bemoeit zich het volk met geene staatkunde; dat doet de koning alléén; het volk is niets anders dan eene massa onderdanen, die gehoorzaam alles doen wat hun Koning beveelt; zelfs dan nog, als zij weten, dat zij hun ondergang tegemoet gaan. Mijnheer von Giurgenow heeft zich daarin misrekend, en dat had hij kunnen weten. Wanneer gij, monsieur, dat middel te baat hadt genomen, dan zou zulks begrijpelijk geweest zijn; want bij u in Frankrijk speelt het volk eene rol mede in de politiek, — en om daar het gouvernement te bestrijden, moet men het volk in den arm nemen; ik had u dus die fout kunnen vergeven, maar aan mijnheer von Giurgenow niet!''

„Gij gelooft dus, dat hij hier voor zijne regeering werkzaam is? ' vroeg mijnheer de Belleville verbaasd.

Graaf Ranuzi lachte. — „Dat is eene zeer fijne en diplomatieke uitdrukking voor zijne handelingen,quot; zeide hij : „ja;

Sühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VII. 2

ocr page 24

18

hij is hier voor zijne regeering werkzaam; maar wanneer het gouvernement hier het ontdekt, zal het zeggen, dat hij zijne regeering als spion heeft gediend. Wanneer hij ontdekt wordt zal men hem ophangen; wordt hij daarentegen niet ontdekt en komt hij weder vrij, dan heeft hij dank en belooning van zijne regeering te wachten. Maar zie eens 01 ik ook goed voorspeld heb ! Daar staat mijnheer von Giur-genow reeds dicht bij de profetes, en ik meen zelfs hier de woorden te kunnen hooren, welke hij haar toelluistert. Zij zal nu weder beginnen te voorspellen, maar op eene minder dweepachtige en buitensporige wijze. Maar neen, zij behoeft niet weder te beginnen; want ziet gij die geharnaste mannen, die zich daar met geweld een weg.banen door de menigte en geen acht geven op de klachten van hen, die zij eenigszins onzacht op zijde stooten. Dat zijn politiedie-naas, en deze zullen spoedig een einde aan de voorspellingen maken. Reeds stuift het volk naar alle kanten uiteen. O, hoe behendig weet mijnheer von Giurgenow in het gedrang weg te sluipen; hij heeft geen enkelen blik meer over voor de arme profetes, die hij alleen toch bezield heeft. Mijn hemel, die ruwe politiemannen hebben ook volstrekt geen eerbied voor die door God bezielde profeten. Zij grijpen ze met ruw geweld aan en slepen ze weg. De arme lieden worden minstens met vierentwintig uren arrest gestraft, omdat zij voorspeld hebben j want hier in Pruisen zijn alle volksoploopen verboden. Kom, monsieur, laat ons het ven-ster sluiten ; de comedie is uit, de profeet gaat naar de wachtquot;

„En hunne rol is waarschijnlijk voor goed uitgespeeld,'' zeide mijnheer de Belleville lachend.

„Volstrekt niet; morgen beginnen zij weder op nieuw; want deze profeten hebben hier hooge en machtige be-schformers; en men zal het niet wagen hen langer in arrest te houden, omdat prinses Amalia wellicht naar hare kaartlegster zou kunnen verlangend

„ Vraiment, monsieur le comtc,quot; riep de Franschman verwonderd uit; „gij zijt buitengewoon goed op de hoogte van de intriges, welke hier gespeeld worden!quot;

„Ik merk veel op,quot; zeide mijnheer de Ranuzi met een fijnen glimlach: „en daar ik veel zwijg, hoor ik veel, en heb des te meer tijd om op te letten.quot;

ocr page 25

19

„Nu, ik raad u niet, ook mij de eer van uwe waarneming te gunnen,quot; zie Belleville lachend: „Want mijn leven biedt u daartoe al zeer wienig gelegenheid. Ik leef, eet, slaap, babbel, minnekoos en zoek mij, — zoo goed als dit hier kan, — te vermaken. Somtijds betrap ik mij zelfs op bidden, om God zeer deemoedig om vrede te smeeken; wel is waar niet uit staalkundige inzichten, maar uit eigenbaat, — om toch maar verlost te worden. Gij ziet dus, ik ben een onschadelijk, geheel onschuldig bon enfant, dat zich volstrekt niet met politiek bemoeit.quot;

„Neen,quot; zeide Ranuzi: „gij bemint freule Marschall volstrekt niet om staatkundige redenen, maar alléén om hare schoonheid, bevalligheid en beminnelijkheid. Dit is het resultaat van mijne opmerkingen.''

„Zoo; gij hebt mij dus óók waargenomenzeide Belleville blozend.

„Ik zeide u immers, dat ik altijd aan het waarnemen ben. Het is hier mijne eenige verstrooiing en uitspanning en ikquot; weet waarlijk niet, wat ik hier met mijn tijd moest beginnen, als ik hem zóó niet wist te dooden.quot;

„Nu, gij bedient u tusschenbeide ook wel van andere middelen,'' zeide de Franschman achteloos: „de liefde is óók eene aangename uitspanning.''

„Gij schijnt dus mij óók waar te nemen?quot; riep mijnheer Ranuzi met spotachtigen lach: „Nu ja; de liefde is een aangenaam tijdverdrijf; en wellicht zal ik, - als ik mij geheel en al aan hare droomen overgeef, — ophouden met waarnemingen te doen. Maar hoe, mijnheer de Belleville, gij zoekt naar uw hoed; wilt gij mij nu reeds verlaten?quot;' „Ik moet. Want door ons aangenaam gekout zoude ik haast vergeten hebben, dat 'ik freule von Marschall beloofd heb een wandelrit met haar te doen. En gij weet wel, men moet bij de dames altijd z'jn woord houden; ten minste zoolang men er bewijzen van heeft, door haar bemind te worden!quot;

Hij reikte den graaf lachend zijne hand, en een Fransch liedje neuriënde, verliet hij de kamer.

De Italiaan zag hem met een langen, somberen blik na. — „Armzalige dwaas,'' prevelde hij toen: „hij denkt zijn spel al zeer fijn te spelen, en mij te kunnen misleiden. Maar het masker van lichtzinnigheid en beuzelachtigheid, dat hij

ocr page 26

20

over zijn gelaat heeft gelegd, is toch dun en doorschijnend genoeg, om daarachter zijn wezenlijk gezicht te erkennen. Het zijn de trekken van een vrij sluwen, en berekenden intrigant. O, o, ik ken zijn spel van buiten; ik begrijp elke beweging van zijn hart, en weet zeer goed, wat deze liefde voor freule Marschall beteekent. Zij is de staatsdame van prinses Hendrik, — daar schuilt het geheim zijner liefde. Zij is bovendien de vertrouwde van prinses Hendrik; en daar deze elke week van haar teederen gemaal brieven uit de legerplaats ontvangt, — lange vertrouwelijke bueven, — kent freule von Marschall natuurlijk den inhoud. Stellig spreekt de prins in deze brieven, behalve over zijne liefde, ook nog van zijne plannen en die zijns broeders, en freule von Marschall kent deze dus óók. Wanneer dan Belleville in staat is, hare liefde en haar vertrouwen te verwerven, kan hij stellig langs dezen weg altijd de nauwkeurigste berichten ontvangen van hetgeen in de legerplaats voorvalt en in den raad des Konings besloten wordt, en daardoor vrij gewichtige dépêches aan zijne markiezin de Pompadour doen toekomen, waarvoor men hem later met eereposten zal beloonen. — Dit is het geheele plan van den Franschman. Ik doorgrond hem even goed als den Rus Giurgenow. Zij zijn beide handlangers, die door hunne gouvernementen betaald worden; spionnen en verspieders, anders niet. Men zal hen betalen óf omhangen, al naai-rnate de fortuin hun gunstig is of niet?quot;

Hij zweeg en liep haastig in het vertrek op en neer. üp zijn hoog, wit voorhoofd lagen sombere trekken, en als een bliksemstraal van toorn fonkelde het in zijn oog. ^

„En ik,quot; zeide hij na eene lange pauze: „ben ik dan iets anders dan deze beiden? Zal men ook mij niet eens een betaalde spion, een ellendige verspieder noemen, en mijn naam met dezen titel brandmerken? —Neen, neen, weg met dat sombere spook, dat zich als een donkere wolk tusschen mij en mijn doel wil dringen! Mijn doel is de hemel, en wat ik doe, verricht ik in naam der Kerk; in de dienst der groote, goddelijke Kerk, wier dienaar en priester ik ben. Neen, men zal mij geen spion noemen; men zal myn naam niet brandmerken; want God zal mijne daden zegenen, zooals de Heilige vader te Rome die gezegend heeft, en ik zal mijn doel bereiken!quot;

ocr page 27

21

Hij zag er fraai uit, met die heldere, bezielde uitdrukking, welke zijn edel, sprekend gelaat bestraalde en verheerlijkte; schoon als de engel der duisternis, wanneer een straal van het goddelijk licht hem treft!

„Het is een verheven groot doel,quot; vervolgde hij na eene poos; „dat ik mij voor oogen stel, en dat de heilige vaders mij toevertrouwd hebben! Ik moet en zal het bereiken ter eere Gods en der heilige Maagd. De godlasterende strijd moet eindigen; en vernederd en veracht moet deze kettersche en ongeloovige Koning het tooneel verlaten, dat hij met snoevende grootspraak betreden heeft. Silezië moet aan de handen van den roekeloozen roover weder ontrukt, — en aan de kroon van hare apostolische Majesteit van Oostenrijk teruggebracht worden. En dan moet hij gestraft worden voor den overmoed en den hoon, waarmede hij zich tegenover den Heiligen vader te Rome heeft durven plaatsen. De beleedigingen welke hij de Koningin van Polen heeft aangedaan, moeten gewroken worden; en wij'willen niet rusten, yóór dat wij hem gebroken en vernederd hebben; vóór dat hij om een schandelijken vrede bedelt, zooals eens Hendrik de Vierde te Canossa in boetgewaad om genade smeekte. Maar waar, en welke zijn de middelen om dit groote doel te bereiken?quot;

En weder stapte hij haastig en zwijgend op en neder, met opgeheven hoofd en den blik ten hemel gericht.

„Hem te dooden ?quot; vroeg hij plotseling, als gaf hij antwoord aan de stem, welke in zijn binnenste (luisterde: „Dat zou een ellendig en schandelijk middel zijn, en het zoude niet tot ons doel leiden; het zoude hem niet vernederen, maar bij zijne lauweren nog de martelaarskroon voegen; althans het is er nu nog de tijd niet toe. Maar wanneer hij uitgeput is, wanneer wij bij den slag van Hochkirch nieuwe overwinningen gevoegd hebben, wanneer wij hem Silezië ontnomen, — en Saksen gewroken hebben, dan mag het geschieden ! Dan zullen wij eene vaste hand zoeken^ die een dolk kan voeren, en dan zullen wij die vinden! Tot dien tijd zwijgen, en voorzichtig zijn ! Tot dien tijd moet de strijd voortgezet worden met alle wapenen, welke overleg en list ons in de hand spelen, — O, ik verbeeld mij toch, dat mijne wapenen scherp en goed zijn, en wel in staat een krachti-gen stoot toe te brengen. En zij vallen ook niet in het oog,quot;

ocr page 28

18

hij is hier voor zijne regeering werkzaam; maar wanneer het gouvernement hier het ontdekt, zal het zeggen, dat hij zijne regeering als spion heeft gediend. Wanneer hij ontdekt wordt zal men hem ophangen; wordt hij daarentegen niet ontdekt en komt hij weder vrij, dan heeft hij dank en belooning van zijne regeering te wachten. Maar zie eens ot ik ook goed voorspeld heb ! Daar staat mijnheer von (riur-genow reeds dicht bij de profetes, en ik meen zelfs hier de woorden te kunnen hooren, welke hij haar toelluistert. Zij zal nu weder beginnen te voorspellen, maar op eene niin-der dweepachtige en buitensporige wijze. Maar neen, zij behoeft niet weder te beginnen; want ziet gij die geharnaste mannen, die zich daar met geweld een weg,banen door de menigte en geen acht geven op de klachten van hen, die zij eenigszins onzacht op zijde stooten. Dat zijn politiedie-naas, en deze zullen spoedig een einde aan de voorspellingen maken. Reeds stuift het volk naar alle kanten uiteen. O, hoe behendig weet mijnheer von Giurgenow in het gedrang weg te sluipen; hij heeft geen enkelen blik meer over voor de arme profetes, die hij alleen toch bezield heeft. Mijn hemel, die ruwe politiemannen hebben ook volstrekt geen eerbied voor die door God bezielde profeten. Zij grijpen ze met ruw geweld aan en slepen ze weg. De arme lieden worden minstens met vierentwintig uren arrest gestraft, omdat zij voorspeld hebben; want hier in Pruisen zijn alle volksoploopen verboden. Kom, monsieur, laat ons het venster sluiten ; de comedie is uit, de profeet gaat naar de wacht.quot;

„En hunne rol is waarschijnlijk voor goed uitgespeeld, zeide mijnheer de Belleville lachend.

„Volstrekt niet; morgen beginnen zij weder op nieuw; want deze profeten hebben hier hooge en machtige beschermers; en men zal het niet wagen hen langer in arrest te houden, omdat prinses Amalia wellicht naar hare kaartlegster zou kunnen verlangen.''

„Vraiment, monsieur le comtc,quot; riep de Fran sch man verwonderd uit; „gij zijt buitengewoon goed op de hoogte van de intriges, welke hier gespeeld worden!quot;

„Ik merk veel op,quot; zeide .mijnheer de Ranuzi met een fijnen glimlach: „en daar ik veel zwijg, hoor ik veel, en heb des te meer tijd om op te letten.quot;

ocr page 29

19

„Nu, ik raad u niet, ook mij de eer van uwe waarneming te gunnen,quot; zie Belleville lachend: „Want mijn leven biedt u daartoe al zeer wienig gelegenheid. Ik leef, eet, slaap, babbel, minnekoos en zoek mij, — zoo goed als dit hier kan, — te vermaken. Somtijds betrap ik mij zelfs op bidden, om God zeer deemoedig om vrede te smeeken; wel is waar niet uit staatkundige inzichten, maar uit eigenbaat, — om toch maar verlost te worden. Gij ziet dus, ik ben een onschadelijk, geheel onschuldig bon enfant, dat zich volstrekt niet met politiek bemoeit.quot;

„Neen,quot; zeide Ranuzi: „gij bemint freule Marschall volstrekt niet om staatkundige r edenen, maar alléén om hare schoonheid, bevalligheid en beminnelijkheid. Dit is het resultaat van mijne opmerkingen.quot;

„Zoo; gij hebt mij dus óók waargenomen?''zeide Belleville blozend.

„Ik zeide u immers, dat ik altijd aan het waarnemen ben. Het is hier mijne eenige verstrooiing en uitspanning en ik.^ weet waarlijk niet, wat ik hier met mijn tijd moest beginnen, als ik hem zóó niet wist te dooden.quot;

„Nu, gij bedient u tusschenbeide ook wel van andere middelen,'' zeide de Franschman achteloos: „de liefde is óók eene aangename uitspanning.''

„Gij schijnt dus mij óók waar te nemen?quot; riep mijnheer Ranuzi met spotachtigen lach: „Nu ja; de liefde is een aangenaam tijdverdrijf; en wellicht zal ik, - als ik mij geheel en al aan hare droonien overgeef, — ophouden met waarnemingen te doen. Maar hoe, mijnheer de Belleville, gij zoekt naar uw hoed; wilt gij mij nu reeds verlaten?'

„Ik moet. Want door ons aangenaam gekout zoude ik haast vergeten hebben, dat 'ik freule von Marschall beloofd heb een wandelrit met haar te doen. En gij weet wel, men moet bij de dames altijd z;jn woord houden; ten minste zoolang men er bewijzen van heeft, door haar bemind te worden!quot;

Hij reikte den graaf lachend zijne hand, en een Fransch liedje neuriënde, verliet hij de kamer.

De Italiaan zag hem met een langen, somberen blik na. — „Armzalige dwaas,'' prevelde hij toen: „hij denkt zijn spel al zeer fijn te spelen, en mij te kunnen misleiden. Maar het masker van lichtzinnigheid en beuzelachtigheid, dat hij

ocr page 30

20

over zijn gelaat heeft gelegd, is toch dun en doorschijnend genoeg, om daarachter zijn wezenlijk gezicht te erkennen. Het zijn de trekken van een vrij sluwen, en berekenden intrigant. O, o, ik ken zijn spel van buiten; ik begrijp elke beweging van zijn hart, en weet zeer goed, wat deze hetde voor freule Marschall beteekent. Zij is de staatsdame van prinses Hendrik, — daar schuilt het geheim zijner helde. Zij is bovendien de vertrouwde van prinses Hendrik; en daar deze elke week van haar teederen gemaal brieven uit de legerplaats ontvangt, - lange vertrouwelijke blieven, — kent freule von Marschall natuurlijk den inhoud. Stellig spreekt de prins in deze brieven, behalve over zijne hetde, ook nog van zijne plannen en die zijns broeders, en freule von Marschall kent deze dus óók. Wanneer dan Belleville in staat is, hare liefde en haar vertrouwen te verwerven, kan hij stellig langs dezen weg altijd de nauwkeurigste berichten ontvangen van hetgeen in de legerplaats voorvalt en in den raad des Konings besloten wordt, en daardoor vrij gewichtige dépêches aan zijne markiezin de 1 om-padour doen toekomen, waarvoor men hem later met eereposten zal beloon en. — Dit is het geheele plan den Franschman. Ik doorgrond hem even goed als den Rus Giurgenow. Zij zijn beide handlangers, die door hunne quot;•ouvernementen betaald worden; spionnen en verspieders, anders niet. Men zal hen betalen óf ophangen, al naai-mate de fortuin hun gunstig is of niet?quot; ,

Hij zweeg en liep haastig in het vertrek op en neer. Up zijn hoog, wit voorhoofd lagen sombere trekken, en als een bliksemstraal van toorn fonkelde het in zijn oog. ^

„En ik,quot; zeide hij na eene lange pauze: „ben ik dan iets anders dan deze beiden? Zal men ook mij niet eens een betaalde spion, een ellendige verspieder noemen, en mijn naam met dezen titel brandmerken4? — Neen,neen, weg met dat sombere spook, dat zich als een donkere wolk tusschen mij en mijn doel wil dringen 1 Mijn doel is de hemel, en wat ik doe, verricht ik in naam der Kerk; in de dienst der groote, goddelijke Kerk, wier dienaar en priester ik ben. Neen, men zal mij geen spion noemen; men zal mijn naam niet brandmerken; want God zal mijne daden zegenen, zooals de Heilige vader te Rome die gezegend heelt, en ik zal mijn doel bereiken!quot;

ocr page 31

21

Hij zag er fraai uit, met die heldere, bezielde uitdrukking, welke zijn edel, sprekend gelaat bestraalde en verheerlijkte; schoon als de engel der duisternis, wanneer een straal van het goddelijk licht hem treft!

„Het is een verheven groot doel,quot; vervolgde hij na eene poos; „dat ik mij voor oogen stel, en dat de heilige vaders mij toevertrouwd hebben! Ik moet en zal het bereiken tereere Gods en der heilige Maagd. De godlasterende strijd moet eindigen; en vernederd en veracht moet deze kettersche en ongeloovige Koning het tooneel verlaten, dat hij met snoevende grootspraak betreden heeft. Silezië moet aan de handen van den roekeloozen roover weder ontrukt, — en aan de kroon van hare apostolische Majesteit van Oostenrijk teruggebracht worden. En dan moet hij gestraft worden voor den overmoed en den hoon, waarmede hij zich tegenover den Heiligen vader te Rome heeft durven plaatsen. De beleedigingen welke hij de Koningin van Polen heeft aangedaan, moeten gewroken worden; en wij'willen niet rusten, vóór dat wij hem gebroken en vernederd hebben; vóór dat hij om een schandelijken vrede bedelt, zooals eens Hendrik de Vierde te Canossa in boetgewaad om genade smeekte. Maar waar, en welke zijn de middelen om dit groote doel te bereiken?quot;

En weder stapte hij haastig en zwijgend op en neder, met opgeheven hoofd en den blik ten hemel gericht.

„Hem te dooden ?quot; vroeg hij plotseling, als gaf hij antwoord aan de stem, welke in zijn binnenste (luisterde; „Dat zou een ellendig en schandelijk middel zijn, en het zoude niet tot ons doel leiden; het zoude hem niet vernederen, maar bij zijne lauweren nog de martelaarskroon voegen; althans het is er nu nog de tijd niet toe. Maar wanneer hij uitgeput is, wanneer wij bij den slag van Hochkirch nieuwe overwinningen gevoegd hebben, wanneer wij hem Silezië ontnomen, — en Saksen gewroken hebben, dan mag het geschieden! Dan zullen wij eene vaste hand zoeken^ die een dolk kan voeren, en dan zullen wij die vinden ! Tot dien tijd zwijgen, en voorzichtig zijn ! Tot dien tijd moet de strijd voortgezet worden met alle wapenen, welke overleg en list ons in de hand spelen, — O, ik verbeeld mij toch, dat mijne wapenen scherp en goed zijn, en wel in staat een krachti-gen stoot toe te brengen. En zij vallen ook niet in hel oog,quot;

ocr page 32

22

vervolgde hij lachend: ,,eene geslepen kaartlegstsr, eene verliefde zottin, eene aanzienlijke coquette, en een arme gevangene, — dat zijn mijne wapens, en met deze wil ik het beproeven tegen den man te strijden, wiens vleiers hem de „Heldenkoning van Pruisenquot; noemen!quot;

Hij lachte luid, maar het was een grimmig, dreigend gelach, dat hem zeiven deed schrikken. — „Weg, weg, gij booze geesten !quot; riep hij ; „dringt u niet zoo vermetel op mijne lippen, die slechts teedere woorden en verliefde zuchten mogen kennen. Zwijgt, gij duivels ! Verschuilt u in mijn hart, en daar in dat hart verscholen, moogt gij luisteren en nagaan, of ik mijne rol goed speel. — Het is tijd! Het is tijd! Ik moet mijne wapenen eens weder onderzoeken, of zij nog deugdzaam zijn!quot;

Hij trad voor den spiegel en beschouwde oplettend zijne trekken ; onderzocht zijne oogen en lippen, of zij niets verrieden van hetgeen in zijn binnenste omging, en streek zijn zwart, glanzig haar in golvende lijnen om zijn hoog, gewelfd voorhoofd. Toen schelde hij zijn bediende en liet zich door hem zijne Oosten rij ksche kapiteins-uniform aantrekken en den degen aangorden ; want de al te groote goedheid van den Pruisischen Koning had den gevangen officieren, die hij naar Berlijn gezonden had, het dragen van hunne degens vergund, nadat zij op hun woord van eer beloofd hadden, zich daarvan in dezen krijg niet meer te zullen bedienen. Toen graaf Ranuzi, — de gevangen üostenrijk-sche kapitein. — zijn toilet geëindigd had, zette hij zijn met pluimen versierden steek op en ging uit.

Zijn gelaat droeg nu eene zorgelooze, onverschillige uitdrukking en met vriendelijken glimlach groette hij de bekenden die hij ontmoette, en die hij, hen voorbijgaande een vriendelijk woord of eene geestigheid toeriep.

Zoo kwam hij eindelijk aan dat kleine, onbeduidende huisje in de Friedrichstraat, dat voor deze keer het doel van zijne wandeling scheen te zijn. Langzaam opende hij de voordeur, die niet gesloten was, en trad in de gang. Maar nu werd haastig eene zijdeur geopend, en eene dame vloog met open armen den graaf tegemoet.

„O, mijn engel,quot; zeide zij in die zoete, Italiaansche taal, welke zoo bijzonder geschikt is de verzuchtingen der liefde in woorden te kleeden: „mijn engel, zijt gij eindelijk daar!

ocr page 33

Uit het venster zag ik uw schoon, edel gelaat, en ik verbeeldde mij, dat een zonnestraal mijn vertrek verlichtte, en mijn hart werd weder warm en gloeiend!quot;

Ranuzi antwoordde niets op deze vurige woorden; hij liet zich zwijgend door de dame in het vertrek leiden en eerst toen beantwoordde hij hare vurige betuigingen met eenige vriendelijke, maar koele woorden.

„Gij zijt dus heden alleen tehuis, Marietta,quot; vroeg hij : „en uw man zal ons niet storen?quot;

„Mijn man?quot;' riep zij op verwijtenden toon: „Tagliazuchi is mijn man niet meer, sedert gij er zijt. Ik ken hem niet meer; ik weet niets meer van hem, en het is mij volkomen onverschillig, of hij hel weet en mijne liefde raadt!quot;

„O, vrouwen, vrouwen,quot; zeide Ranuzi glimlachend: „hoe gevaarlijk is het toch zich met u in te laten. Wanneer gij bemint, zijt gij als de Anaconda, wier giftige beet men slechts dan niet behoeft te vreezen, wanneer zij verzadigd is en naar geen nieuw voedsel verlangt; maar wanneer gij opgehouden hebt te beminnen, zijt gij als eene tijgerin, die uit den slaap ontwaakt om hém te verscheuren, die haar slaap gestoord heeft. Kom, mijn Anaconda, kom; nu gij verzadigd zijt, laat ons een weinig praten en droomen.quot;

Hij trok haar onder teeder kozen naar den divan en ging zitten. Zij nam echter niet naast hem plaats, maar liet zich aan zijne voeten neerglijden.

„Laat mij zoo,quot; zeide zij; „aan uwe voelen liggen, u aanbidden, en in uw gelaat de geschiedenis van de drie vreeselijke dagen lezen, waarin ik u niet gezien heb? Waar waart gij toch, Carlo, en waarom hebt gij mij vergeten ?quot;

„O,quot; riep hij lachend : „mijne Anaconda begint zich reeds te bewegen, en honger naar mijn hartebloed te gevoelen. Hoe lang nog, en zij zal gereed zijn om mij te verslinden of te vermoorden.quot;

„Noem mij niet uwe Anaconda,quot; zeide zij, zacht haar hoofd schuddende: „want gij zegt, alleen als wij in de liefde verzadigd zijn, gelijken wij vrouwen op de rustende Anaconda. Ik echter, mijn Carlo,— ik word nooit verzadigd! Wanneer ik u aanzie, dan smacht ik naar uwe blikken, uw glimlach, uwe kussen, en mijne ziel haakt naar uwe woorden, naar de betuigingen uwer liefde. En is het

ocr page 34

24

niet zoo mijn geheele leven lang geweest? Heb ik u niet bemind, Carlo, sedert ik heb kunnen denken en gevoelen ? O, herinner u toch een weinig den schoonen tijd onzer jeugd. Carlo; die dagen vol zonneschijn, bloemengeur en kinderlijke onschuld. Weet gij nog, hoe vaak wij daar hand aan hand onze campagna doorzwierven, pratende van God, de sterren, de engelen en de bloemen; droomende van een tijd, waarin de engelen en de sterren uit den hemel zouden nederdalen in onze harten, en de wereld voor ons in een paradijs zouden herscheppen?quot;

„Maar het was een bitter ontwaken uit onze droomen.quot; zeide Ranuzi als in gedachten verzonken: „mijn vader zond mij naar het Jezuïten collegie en uwe moeder u naar het klooster, om u bij de nonnen tot eene zangeres te vormen. Wij moesten beiden ons fortuin zoeken, Marietta; gij op de planken, en ik in den biechtstoel. Wij waren immers beide kinderen van arme lieden, en zoo zoude voor ons de wereld voor altijd gesloten zijn gebleven, indien niet elk onzer den voor hem eenigen weg hadde ingeslagen, namelijk: iA: door de Kerk, en yij over het tooneel. Achter beide lag voor ons de wereld, en dat wisten onze verstandige bloedverwanten.quot;

„En zij scheidden ons!quot; zuchtte Marietta: „Zij versmoorden de eerste, kuische vlammen onzer liefde, en maakten ons tot berekeningspunten van hunne hebzucht. Ach, Carlo, gij weet niet hoe veel ik om u geweend en geleden heb; want, ofschoon ik toen eerst twaalf jaar oud was, beminde ik u toch met de geheele kracht eener vrouw, en verlangde naar u, als naar een verloren paradijs. De nonnen leerden mij zingen; en wanneer mijne stem statig door de gewelven der kerk weergalmde, vermoedde wel niemand, dat niet God, maar uw beeld in mijn hart was, en dat ik in mijne lofzangen niet Hém, maar «prees, met het vuur eener vrome liefde. Daar ik wist, dat wij voor altijd gescheiden waren en nooit elkander konden toebehooren, bad ik God slechts, den tijd vleugelen te geven, opdat wij beiden vrij en zelfstandig mochten worden ; ik eene zangeres, gij een gewijd priester, dien niemand kon beletten bij mij te komen en mijn biechtvader te zijn, — daar hij niet mijn echtgenoot mocht worden!quot;

Ranuzi lachte luid. — „Mij dunkt,quot; zeide hij: „dat dit

ocr page 35

25

vrome gebed toch wel een gevaarlijke nevengedachte had, en ik geloof bijna niet, dat wij ons altijd herinnerd zouden hebben, dat ik uw vrome biechtvader was. Maar het noodlot wilde ons voor zulk een dubbelzinnig gevaar behoeden. De vrome ouders ontdokten, dat ik te weinig welsprekendheid voor een priester bezat, maar wellicht meer geschiktheid om de heilige Kerk op het slagveld te dien. Zij verschaften mij dus, — toen ik volwassen en geleerd genoeg was, — eene officiersplaats bij de lijfwacht van den Paus, en lieten mij het zwarte ordekleed met de met goud geborduurde uniform verwisselen.quot;

„En gij vergat mij,quot; zeide Marietta verwijtend: „gij liet mij niet eens weten, waar gij waart; en eerst na vijfjaren, toen ik te Florence als zangeres geëngageerd was, vernam ik wat er van u geworden was. Ik beminde u nog altijd, maar het zoude mij weinig gebaat hebben, het U te bekennen ! Wij stonden zoo ver van elkander, en de armoede hield ons nog altijd gescheiden. Ik moest eerst rijk worden ; gij moest eerst fortuin maken, dan eerst konden wij er aan denken elkander toe te behooren 1 Ik zweeg dus en wachtte.quot;

„Gij wachttet en zweegt zóólang, tot gij mij vergeten hadt!quot; riep Ranuzi, achteloos hare lange, donkere lokken door zijne vingers latende glijden; ,,En toen gij mij vergeten hadt, vondt gij, dat signor Tagliazuchi een man was schoon genoeg, om te kunnen liefhebben!quot;

„Tagliazuchi verstond de kunst mijne ijdelheid te stree-len,quot; zeide zij somber: „hij schreef ter mijner eere scboone, gloeiende gedichten, welke geheel Florence, ja geheel Italië las. Vervolgens liet hij die in het dagblad van Florence afdrukken, en schreef daarin ook over mijn zangen spel. Toen hij mij zijne liefde bekende en mij zijne hand aanbood, dacht ik dat hij mij, wanneer ik die weigerde, met zijn haat zoude vervolgen; en geheel Italië, dat nu zijne bezielde hymne op mij las, zou dan schimpdichten en aanklachten tegen mij lezen, en Tagliazuchi zou mij dan evenzeer berispen, als hij mij nu prees. Ik was te eerzuchtig om dit te kunnen dulden, en had den moed niet hem af te wijzen. Zoo werd ik zijne echtgenoote, hoewel ik hem verfoeide, en zwoer bij mij zelve hem eens te laten boeten, omdat hij mij gedwongen had, zijne vrouw te worden.quot;

ocr page 36

2«

„Deze dwang bestond inlusschen slechts in lofdichten en beoordeelingen, welke hij op u gemaakt had,quot; merkte Ranuzi aan.

„Ik heb mijn eed gehouden,quot; vervolgde Marriëtta: „ik heb hem laten boeten voor hetgeen hij mij gedaan heeft; en ik denk er dikwijls over, dat hij, — wanneer hij latei-gedwongen werd op mij een zijner hoogdravend gedichten te maken, — mij dikwijls in zijn hart vervloekt heefl, en mij nooit weder bezongen zoude hebben, wanneer niet mijn roem voor hem eene onuitputtelijke bron van geld geweest ware, welke hij niet verstoppen wilde. Maarmijne stern was tegen de vele inspanningen niet bestand; zij begon langzaam te verminderen, en daarom moest ik het bijna nog voor een geluk rekenen, dat mij graaf A Igarotti het voorstel deed, als tweede zangeres naar Berlijn te komen, en wij moesten dit aanbod des te eer aannemen, daar de graaf tevens Tagliazuchi eene plaats als opera-dichter bezorgde. Zoo verliet ik mijn schoon Italië; zoo verliet ik u, om in het koude Noorden geld te verdienen. En nu berouwt het mij niet meer, dat ik het gedaan heb; want ik moest u hier wedervinden; tt, den geliefde mijner jeugd, u, mijne jeugd zelvo. O, mijn God, nooit zal ik dien dag vergeten, toen ik u zag voorbijgaan. Ik herkende u, ondanks uwe uniform; ondanks de vele jaren, waarin ik u niet gezien had; ik herkende u, en niet mijne lippen, maar mijn hart uitte dien luiden kreet, die u deed naar boven zien. En gij herkendet ook mij en gij hieft uwe handen naar mij op; en ik zoude uit het venster gesprongen zijn om in uwe armen te snellen, indien Tagliazuchi mij niet tegengehouden had. Maar ik schreeuwde; „Het is Ranuzi! Het is Carlo! Ik moe/naar hem heen!quot; —Toen ging de deur open; gij traadt binnen, ik zag u aan, ik hoorde uwe stem, en nooit is een men-schelijk wezen in zaliger zwijm toevallen, dan ik in dat oogenblik deed!quot;

„En Tagliazuchi stond er bij en glimlachte.quot; merkte Ranuzi aan: „het was ook inderdaad een zeer aardig tooneeltje voor een opera-dichter; en dat scheen hij óók te denken en dadelijk te willen opteekenen, want hij ging heen en liet ons alleen, en gij ontwaaktet in mijne armen.quot;

„En sedert dien tijd ontwaak ik slechts, wanneer ik in

ocr page 37

27

uwe armen rust!quot; riep Marietta hartstochtelijk: „Wanneer gij niet bij mij zijt, slaap ik; gij zijt de zon, die mij doet ontwaken en wanneer gij heengaat, wordt het nacht en donker om mij heen, en treurige, sombere gedachten bekruipen mij dan.quot;

„Welke gedachten, Marietta?quot; vroeg hij, zijne hand onder hare kin leggende en haar hoofd zacht opbeurende.

Zij zag met een vreemden, droomerigen glimlach naar hem op, doch antwoordde niet.

„Nu; welke gedachten hebt gij dan, als ik niet bij u ben?quot; herhaalde Ranuzi.

„Dan denk ik er aan, dat er een dag zou kunnen komen, waarop gij mij niet meer zoudt lief hebben.quot;

„En gij denkt, dat gij dan bij Tagliazuchi troost zoudt moeten zoeken?quot; vroeg Ranuzi lachend.

„Neen,quot; zeide zij langzaam : „ik denk, of liever ik vrees, dat ik mij dan op u zou wreken voor uwe ontrouw.quot;

„O, de tijgerin dreigt!quot; riep Ranuzi: „Nu, Marietta, gij weet wel, dat ik nooit zal ophouden u te beminnen. Maar tóch zal er een dag komen, waarop wij moeten scheiden.quot;

Zij sprong met een wilden kreeet op, en sloot hem hartstochtelijk in hare armen. — „Neen,quot; riep zij sidderend; „niemand moet het wagen u mij te ontrukken. Wij zullen nooit weder scheiden!''

„Gij meent dus, dat ik voor geheel mijn leven niet enkel uiv gevangene moet blijven, maar ook die van den Koning van Pruisen?quot; vroeg Ranuzi, haar zacht tot zich trekkende.

„Neen; gij moet vrij zijn; maar ik wil het mèt u zijn. Carlo. Waar gij heen gaat, ga ik óók heen. Wanneer gij Rerlijn verlaat, ga ik mèt u, en niets zal in staat zijn mij hier te houden en te binden. Tagliazuchi zal mij niet terughouden, wanneer ik hem mijn klein vermogen overlaat; en ik zal het doen, ik zal niets medenemen; arm en zonder have of goed zal ik u volgen, en niets verlangen, niets eischen, dan bij u te zijn.quot;

Zij drukte hem hartstochtelijk in hare armen, en zóó groot was hare opgewondenheid, dat zij de donkere wolk niet zag, die zijn voorhoofd benevelde, toen zij zoo sprak. Ook verdween deze spoedig genoeg en zijne trekken namen weder hunne heldere en schitterende uitdrukking aan.

„Zóó moet het zijn, Marietta,quot;' zeide hij; „de vrijheid

ocr page 38

28

moet ons voor eeuwig vereenigen, en slechts de dood kan ons dan weder scheiden!quot;

„Maar wanneer zal die heuglijke, die goddelijk schoone tijd komen? Wanneer zal de gezegende dag aanbreken, waarop ik u in mijne armen zal kunnen nemen en zeggen: kom, Marietta, kom! De wereld behoort ons en onze liefde! O, mijne geliefde, wanneer gij mij waarachtig bemint, help mij dan dien gelukkigen dag van het noodlot te verkrijgen. Sta mij bij met uwe liefde, opdat ik vrij worde.quot;

„Zeg mij wat ik daarvoor kan doen, en ik zaZhet doen!quot; riep zij vastberaden: „Er bestaat niets, wat ik niet voor u zoude wagen en ondernemen!quot;

Hij nam haar hoofd in zijne beide handen en zag haar lang en glimlachend in het gloeiend gelaal. „Is dat zeker?quot; vroeg hij.

„Het is zeker. Carlo! Zeg mij wat ik doen moet, en ik doe het!quot;

„Maar indien het gevaarlijk mocht zijn, Marietta!quot;

„Ik ken slechts één gevaar!quot;

„En dat is?quot;

„Uwo liefde te verliezen, Carlo!quot;

„Dan bestaat er voor u geen gevaar.quot;

„Spreek, spreek. Carlo, waarmede kan ik u helpen? Waarmede kan ik er toe bijdragen om uwe vrijheid to verkrijgen?quot; Ranuzi wierp een vluchtigen, onderzoekenden blik dool' het vertrek, als wilde hij zich overtuigen dat zij alleen waren. Toen boog hij zich dichter bij haar oor. „Hoor dan,'' fluisterde hij; „ik kan slechts vrij worden, wanneer de Koning van Pruisen voor altijd onderdrukt en overwonnen is; alleen dan, wanneer ik daartoe naar mijne krachten heb bijgedragen, mag ik hopen dat ik niet alleen vrij, —maar ook tot eereposten bevorderd worde. De Koning van Pruisen is mijn vijand; want hij is oen vijand der Kerk, een vijand mijner meesteres, de Keizerin van Oostenrijk die ik den eed van trouw gezworen heb. Men moet zijne vijanden op alle mogelijke wijzen trachten afbreuk te doen, ook met list. Wilt gij mij daarin helpen?quot;

„Ja.quot;

„Zoo wees dan oplettend op alles; luister naar alles en vorsch overal uit. En alles wat gij hoort en verneemt, deelt gij mij mede. Geef u het voorkomen, alsof gij eene

ocr page 39

29

vurige vereerster van den Koning van Pruisen zijt; men zal u dan des te meer vertrouwen, en gij zult des te eer gewaar worden wat er omgaat. Toon u liefderijk en openhartig jegens uwen man, want hij is een wezenlijk aanhanger des Konings; hij verkeert met zeer veel aanzienlijke personen, en is aan het Hof gezien. Hij hoort daar zeer veel, en hij zal het u mededeelen, wanneer gij u den schijn geeft, als of gij in zijne gevoelens deelt. Wanneer gij op de concerten des Konings aan het Hof komt, let dan op alles; op eiken glimlach, eiken blik, elk onbeduidend woord, en bericht mij alles wat gij hoort en ziet! Begrijpt gij mij. Marietta, en wilt gij dit doen?quot;

„Ik begrijp u. Carlo, en zal het doen. En verder hebt gij mij niets te zeggen? Is dat het éénige, waarmede ik u helpen kan?quot;

„Neen, Marietta; er is nog iets anders; maar het is moeilijker en gevaarlijker.quot;

„Des te beter. Carlo; want dan zal het meer geschikt zijn om u mijne liefde te bewijzen, — spreek 1quot;

„Het is den gevangen officieren verboden, gesloten brieven van hier uit aan hunne bloedverwanten of vrienden te zenden. Al onze brieven moeten open zijn, en wanneer er slechts één woord over staatkunde in staat, worden zij achtergehouden. Maar alle andere lieden hebben het recht overal heen te schrijven, en nog wel in gesloten brieven, en niemand denkt er aan, ze te lezen; en zulke bezorgt de post ongeopend naar de plaats hunner bestemming. Hebt gij geene bloedverwanten, aan wie gij nu en dan schrijft ?quot;

„Ik heb bloedverwanten en vrienden, waarmede ik correspondeer, Carlo; en van nu af aan zullen ook uive vrienden de mijne worden, en wil ik met hen briefwisseling houden.quot;

Toen zij dit met schalkschen glimlach zeide, schitterde een vreugdestraal in Ranuzi's oogen, en hij drukte Marietta hartelijk m zijne armen.

„Gij hebt mij begrepen, geliefde,quot; zeide hij : „O, uw geest is even vlug, als uw hart edel is. Maar bedenk wel, wat gij doen wilt en welke gevaren u bedreigen. Want ik zeg u. Marietta: het is niet om gewone brieven van vriendschap te doen, maar om ernstige, gewichtige aangelegenheden.quot;

ocr page 40

30

Zij boog zich dichter aan zijn oor en fluisterde: „Alles, wat gij hier verneemt, — alles wat gij door mij ontdekt, en wat gij hier opmerkt, — zult gij aan deze brieven toevertrouwen. Dan zult gij daarin ook afspraken maken met uwe vrienden, plannen^ ontwerpen en samenzweringen beramen. En ik zal deze brieven adresseeren en op de post werpen, en niemand zal u wantrouwen; want mijne brieven zullen aan de eene of andere mijner vriendinnen te Weenen, — of, waarheen gij overigens wilt, gericht ziin. Heb ik u begrepen. Carlo, en is het zóó goed?quot;

Dezen keer omhelsde Ranuzi haar met werkelijke, niet geveinsde verrukking; en de woorden van teedere dankbaarheid welke hij nu uitte, waren in dit oogenblik niet geheel zonder waarheid en oprechtheid.

Marietta lag met een lach van zaligheid en genot in zijne armen, en luisterde met stralenden blik naar de betuigingen zijner liefde.

Maar toen Ranuzi eindelijk na een langdurig en gelukkig samenzijn opstond en haar vaarwel zeide, hield zij hem terug. Hare beide handen op zijne schouders leggende, zag zij hem met eene vreemde uitdrukking half glimlachend, half dreigend in het gelaat.

„Nog een laatste woord. Carlo,quot; zeide zij; „ik bemin u grenzenloos. Om u mijne liefde te bewijzen, verraad ik nu den Koning, die voor mij steeds een goedig meester is geweest, wiens brood ik eet, en die mij onderhoudt en voedt; om u mijne liefde te bewijzen word ik eene verspiedster, eene spion. De menschen zeggen, dat het een eerloos werk is; maar ik gevoel mij trotsch en gelukkig, het voor u te kunnen ondernemen, en voor alle schatten en rijkdommen der wereld zou ik u niet verraden. Maar, Carlo; wanneer gij eens zoudt kunnen ophouden mij lief te hebben, — wanneer gij mij misleiden, mij ontrouw worden en mij verraden zoudt, — dan, zoo waarachtig helpe mij God, verraad ik u en mij!quot; —

,,En ik geloof waarachtig dat zij het zoude doen,quot; prevelde Ranuzi toen hij Marietta verlaten, en de straat bereikt had: „zij is eene gevaarlijke vrouw, en heeft in hare liefde, even als in haar hart, iets van eene tijgerin. Ik zal dus zeer omzichtig met haar moeten zijn, en wanneer zij woedend wordt, haar óf de tanden uitrukken, dat zij niet

ocr page 41

31

meer bijten kan, óf haar woedenden sprong ontvluchten. Maar daarvoor is het nog tijds genoeg, be hoofdzaak is, dat ik mij het middel tot eene briefwisseling met Weenen verschaft heb, en dit is voor mijne plannen «en ontzaglijke aanwinst, waarvoor ik mijne teedere Marietta wel met eenige liet kozingen ma^ bedanken!

IV.

LOUISE DU TROUSSEL.

„Hij komt niet, hij komt niet!'' fluisterde Mevrouw dii Troussel, terwijl zij onrustig in haar salon op en neder liep: „Hij heeft dus mijne spotternijen van gisteren voor ernst opgenomen en schijnt er gevoelig over te zijn. O, ik word dan wèl oud! Ik bezit niet meer de ki'acht om de mannen aan mij te boeien. Mijn hemel, is het dan werkelijk zoo? Ben ik reeds oud en leelijk? Neen, neen; ik ben nauwelijks vierendertig jaar oud, en wat de leelijkheid betreft, zoo. —quot;

Hier brak zij plotseling hare alleenspraak af, en snelde naar den spiegel, om lang, met vorschenden blik, haar gelaat te aanschouwen. Ja, zij moest het zich zelve bekennen; hare schoonheid was aan het verwelken, en zelfs meer dan met hare jaren overeenkwam. Reeds vertoonde zich om haar mond de verraderlijke trek, waarmede de ouderdom de verloopen jaren in ons gelaat grift; reeds begon haar voorhoofd met een paar zachte lijnen getee-kend te worden, en in beur haar glinsterde het hier en daar als van een zilverdraad.

Mevrouw du Troussel zuchtte. — „Men heeft, mij te vroeg laten trouwen,quot; zeide zij: „en bovendien ben ik ongelukkig gehuwd. En dan was ik op mijn achttiende jaar reeds moeder. Dit alles maakt oud, en niet de jaren, —

ocr page 42

32

maar de stormen des levens hebben deze vreeselijke lijnen op mijn gelaat geteekend. En dan; hoe kan men voor mij nog belangstelling hebben, wanneer men naast mij eene bijna volwassene, fiere dochter ziet. O, het is stuitend, nog geen vierendertig jaar oud te zijn, en eene bijna huwbare dochter naast zich te bebben, die spoedig met mij om de hulde der mannen strijden, — en mijne mededingster zijn kan. O mijn God, mijn God, er kan een dag komen, waarop ik jaloersch op mijne eigene dochter zou kunnen zijn. Dat verhoede de hemel! Geve God, dat ik mij steeds zonder wrok over hare ontluikende schoonheid verblijde; dat ik Camilla's geluk hooger schat dan mijne ijdelheid!quot;

En als wilde zij zich in deze goede voornemens versterken, verliet Louise du Troussel haar vertrek en snelde naar de kamer barer dochter.

Camilla lag op den divan. Hare slanke, heerlijk gebouwde gestalte was in een ruim, wit gewaad gehuld; haar zwart haar golfde in lange lokken aan weerszijden van haar bloeiend gelaat en kronkelde zich als slangen over de volle, bloote schouders, wier, helder blank daardoor nog meer uitkwam. Camilla was bezig met lezen, en zóó geheel in haar boek verdiept, dat zij hare moeder volstrekt niet bad liooren binnenkomen.

Louise du Troussel naderde onhoorbaar den divan en bleef als in bewondering verloren staan, om dit liefeliike schoone beeld, deze rustende Hebe, op haar gemak te beschouwen.

„Camilla,quot; vroeg zij toen op teederen toon: „wat leest gij toch met zooveel inspanning?quot;

Camilla schrikte, en zag snel op. Toen brak zij in luid gelach uit. — „O, mama,quot; zeide zij met zilverheldere, weeke stem: „wat hebt gij mij doen schrikken. Ik dacht waarlijk dat mijne dwingelandes, de gouvernante, reeds van hare wandeling teruggekeerd was en mij bij deze lectuur verrast had!quot;

„Zonder twijfel heeft zij het u dan verboden?quot; vroeg hare moeder streng, hare hand naar het boek uitstekende. Maar Camilla trok bet haastig terug.

„Ja, zeker;quot; zeide zij; „mademoiselle Brunon heeft mij verboden het boek te lezen; maar dat is geene reden, mama, dat gij mij het daarom zoudt afnemen.

ocr page 43

33

Gij zult toch, hoop ik, tegen uwe arme Camilla niet óók den dwingeland spelen?quot;

„Maar ik wil slechts weten wat gij leest, Camilla?quot;

„Nu; Voltaire's Pucelle d'ürléans en ik verzeker u mama het bevalt mij uitmuntend.quot;

„Mademoiselle Brunon heeft volkomen gelijk, u dat boek te verbieden,quot; riep mevrouw du Troussel driftig: „en ik verbied het u óók!quot;

„En als ik niet gehoorzaam, mama?quot;

„O, dan zal men u wel leeren gehoorzamen!quot; riep hare moeder streng.

„Heeft men u kunnen dwingen, uwe moeder te gehoorzamen?quot; vroeg Camilla met snel ontvlamden toorn: „Of gaf uwe moeder óók hare toestemming, toen gij met den tuinmansjongen wegliept? (lij zijt altijd uw eigen weg gegaan, en dat wil ik óók doen. Ik wil niet meer dulden, dat men mij als een klein kind behandelt; ik ben dertien jaar oud; gij waart niet ouder, toen gij die historie met den tuinman hadt en u met mijn vader moest laten trouwen. Waarom wilt gij mij dan nog altijd in dwang en afhankelijkheid houden en mij als een kind behandelen, daar ik reeds een volwassen meisje ben?quot;

„Gij zijt geen volwassen meisje, Camilla,quot; riep hare moeder: „want als gij dit waart, zoudt gij het niet wagen zóó tot uwe moeder te spreken; dan zoudt gij weten, dat dit niet past, maar gij zoudt bovenal uwe moeder eerbied en gehoorzaamheid bewijzen. Neen Camilla, gij zijt nog geen volwassen meisje. God dank; maar een dwaas kind, en daarom vergeef ik u?quot;

Zij trad dichter naar hare dochter en wilde haar teeder in de armen sluiten. Maar Camilla verzette zich daar driftig tegen. — „Gij moogt niet zeggen, dat ik een kind ben!quot; riep zij heftig: „Ik wil het niet langer hooren; het ergert mij, en wanneer gij het weder doet, mama, zeg ik aan elkeen, dat ik reeds zestien jaar oud ben!quot;

„En waarom wilt gij dit zeggen, Camilla?quot;

Camilla keek haar met schalkschen glimlach aan. „Waarom?quot; vroeg zij: „Gij denkt wellicht dat ik niet weet, waarom ik altijd een kind moet blijven? — Opdat (/y altijd eene jonge vrouw kunt blijven. Daarom zegt gij ook tot iedereen, dat ik eerst twaalf jaar oud ben. Maar niemand Uuhlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VII. 3

ocr page 44

34

gelooft het, niemand! Zij lachen er om, dat gij mij jonger maakt. Maar ik zeg u, dat ik het niet langer dulden wil! Ik wil een volwassen dame zijn; ik wil mij óók kunnen opschikken en in gezelschappen schitteren. Ik wil niot langer in de kinderkamer met de gouvernante opgesloten zitten, terwijl gij in het salon schittert en uwe aanbidders door uwe schoonheid in verrukking brengt. Ik wil óók mijne aanbidders en courmakers hebben; ik wil óók minnebrieven ontvangen, en eindelijk wil ik óók mijne kleine minnarijen hebben, zooals elk ander meisje heeft en zooals gij van af uw twaalfde jaar gehad hebt en nog

hebt!quot; J

„Zwijg Camilla, of ik laat u voelen dat gij nog een kind zijt!quot; riep mevrouw du Troussel, met opgeheven arm op hare dochter toegaande.

Maar deze ontweek de neêrvallende hand door eene vlugge beweging en vloog met van toorn gloeiende blikken van den divan op.

„Wildet gij mij slaan, moeder?quot; vroeg zij met bevende lippen; „Ik waarschuw u, doe dat nog eens; hef nog eens de hand tegen mij op; maar bedenk dan ook, wat volgen zal! Dan loop ik weg, — dan ga ik naar mijn armen, lieven vader, dien gij ongelukkig, — dien gij tot een dronkaard gemaakt hebt! Dan blijf ik bij hem; want hij bemint mij teeder, en wanneer ik bij hem ware, dan zou hij niet meer drinken, maar zou weder een ordelijk man

worden.quot;quot; ' .

„O, mijn God; hij is het geweest, die dezen haat in haar hart geprent heeft!quot; riep de moeder onder een vloed van tranen; „Hij alleen heeft schuld aan mijn yreeselijk ongeluk. Zij bemint haar vader, die haar nooit iets goeds deed, en zij haat hare moeder, die haar nooit anders dan liefde heeft betoond!quot;

En met een luide weeklacht sloeg zij hare beide handen voor het gelaat en weende bitter.

Camilla trad nu dichter tot haar, verwijderde vastberaden de handen barer moeder van het gelaat, en zag haar met vollen, toornigen blik aan.

Zij was inderdaad geen kind meer, toen zij daar zoo bleek en groot, met diep ontroerd gelaat tegenover hare moeder stond. Uit hare donkere, schitterende oogen sprak

ocr page 45

35

verstand; om haar mond speelde een trek van diep, smartelijk gevoel, waarin niets kinderlijks meer gelegen was.

„Gij zegt dat gij mij steeds liefde betoond hebt?quot; sprak Camilla op snijdend koelen toon. „Moeder, wanneer zoudt gij dit gedaan hebben? Gij hebt mijn vader ongelukkig gemaakt, en mijne eerste kinderjaren zijn onder den vloek van een ongelukkigen echt verloopen. Ik heb mijn vader zien schreien, terwijl gij lachtet; ik heb hem dronken, en als tot een dier vernederd voor mij op den grond zien liggen, terwijl gij in onze opgesmukte salons met vroolijke onbezorgdheid uwe gasten ontvingt! Gij zeidet, dat gij mij steeds liefde betoond hebt? — Gij hebt mij niet bemind, moeder, nooit! Want als gij dit gedaan hadt, zoudt gij medelijden met mijne toekomst gehad hebben; gij zoudt mij geen stiefvader gegeven,— mij niet gedwongen hebben, een vreemd man vader te noemen, terwijl ik nog mijn armen, lieven vader heb, die niets ter wereld bezit, dan mij alleen. En verbeeldt gij u soms, dat ik niet ongelukkig ben; denkt gij, omdat ik lach en alle dolle streken doe, dat ik tevreden en gelukkig ben? Ach, moeder; ik heb een inwendigen angst voor de toekomst, — een angst, welke mij nooit verlaat. Het is mij, alsof sombere geesten om mij heen zwierven, alsof zij mij betooverden door vreemde, verlokkende liederen. Ik weet, dat zij mijn verderf bedoelen, maar ik kan hen toch niet weerstaan; ik moet naar hen luisteren, en mij aan hen onderwerpen. Ik zou gaarne anders en beter worden, ik zou gaarne een deugdzaam en zedig meisje willen zijn; maar ik kan mij aan dien tooverkring niet ontrukken, waarin mijne moeder mij gebannen heeft. Ik heb te veel beleefd, te veel ondervonden ; ik ben geen kind meer, ik ben eene vrouw, rijk aan ondervinding! De wereld roept mij met duizend verleidelijke stemmen; ik zal haar volgen en mij in het verderf storten, zooals mijne moeder gedaan heeft, want ik ben hare ongelukkige dochter, en haar bloed is in mijn hart!quot;

En bijna machteloos, gebroken door zooveel opgewektheid en gloed, zonk Camilla neder. Hare moeder zag haar met koude, droge oogen aan. Het was haar alsof beur haar van schrik te berge rees, alsof eene kille nand zich op haar hart legde en het deed stilstaan.

ocr page 46

36

„Dat heb ik verdiend,quot; prevelde zij; „en God straft mij en mijn kind voor de lichtzinnigheid mijner eigene jeugd.quot;' — Toen boog zij zich naar hare dochter en hief haar zacht tot zich op.

„Kom. mijn kind,quot; zeide zij teeder: „wij willen dit uur vergeten en beproeven in liefde en eensgezindheid samen te leven. Gij hebt gelijk; gij zijt geen kind meer, en ik zal er over denken, u in de wereld te brengen.quot;

„En gij zult mademoiselle Brunon afschaften?quot; vroeg Camilla snel en met verhelderden blik; „O, mama, gij kunt niet gelooven, hoe zij mij met hare Argus-oogen martelt en kwelt, eji mij dag en nacht bespiedt. Nietwaar, gij laat haar immers gaan, en neemt geene gouvernante weder aan?''

„Ik zal er over denken,quot; zeide hare moeder treurig:

„Nu echter . . . .quot;

Een bediende kwam binnen en meldde graaf Ranuzi.

Mevrouw du Troussel bloosde even, en beval den graaf in de zaal te laten.

Toen de bediende vertrokken was, zag Garnillahare moeder-met eene schalksche uitdrukking aan. — „Wanneer gij mij inderdaad als volwassen meisje wilt beschouwen, neem mij dan mede naar de zaal,quot; zeide zij.

Mevrouw du Troussel weigerde het. — „Gij zijt niet gekleed, en dan — ik moet met graaf Ranuzi over zaken spreken.quot;

Camilla keerde haar met honenden lach den rug toe. „Zaken!quot; riep zij: „Ik zoude wel eens willen weten, of mijnheer mijn stiefvader yók met dit antwoord tevreden zou zijn. Het is zeer gelukkig voor u, mama, dat de krijg hem ver verwijderd houdt!quot;

Hare moeder gaf geen antwoord en verliet zichtbaar getroffen de kamer. Camilla keerde naar hare sopha en naar hare lectuur terug. Maar mevrouw du Troussel begaf zich naar de zaal. Beide hadden spoedig in de lichtzinnigheid barer harten het treurig tooneel uit het drama van een zedeloos familieleven vergeten, en bovendien herhaalden zich deze tooneelen ook te dikwijls, om een duurzamen indruk op haar gemoed achter te laten. —

Toen mevrouw du Troussel de zaal binnentrad kwam graaf Pianuzi haar met zulk een blijden groet te gemoet.

ocr page 47

37

dat zij zich er door gevleid gevoelde, en hem glimlachend hare hand aanbood, zegevierend bij zich zelve denkende, dat de macht barer schoonheid nog geenszins verminderde, daar de schoone en overal gezochte graaf Ranuzi er nog door geboeid werd.

De graaf had haar gisteren om een onderhoud gevraagd, en had dit met zulk een geheimzinnig en treurig gelaat gedaan, dat de vroolijke en spotzieke Louise du Troussel hem ridder Toggenburg genoemd, — en gevraagd had, of hij ook soms bij haar wilde komen om aan hare voeten te sterven?

„Wellicht,quot; had hij ernstig geantwoord; „wanneer gij namelijk wreed genoeg zoudt kunnen zijn, om mij het verzoek dat ik u zal voordragen, te weigeren.quot;

Deze woorden hadden de behaagzieke vrouw veel slof tot nadenken gegeven, en haar den geheelen nacht bezig gehouden. Zij hield zich overtuigd, dat Ranuzi, door hare schoonheid bekoord, haar een ernstige liefdesverklaring zou doen en zij had lang overlegd, of zij hem afwijzen, dan wel aanmoedigen zou.

Maar toen hij haar nu zoo glimlachend en schoon te ge-moet trad, had zij vast besloten hem aan te moedigen en alle spot en schimp te lalen varen.

„Mevrouw,quot; zeide hij : „ik kom u mijn excuus maken, en aan uwe voeten om vergiffenis smeeken.quot;

Hij boog even zijne knie voor haar en zag smeekend tot haar op.

Louise du Troussel vond, dat zijne zoowelsmachtende als vurige oogen zeer schoon waren, en was volkomen bereid hem de afgebeden vergiffenis te schenken, hoewel zij niet wist. wat hij tegen haar misdaan had.

„Sta op, graaf,quot; zeide zij: „laat ons verstandig met elkander spreken. Wat hebt gij misdaan, en wat moet ik u vergeven ?quot;

„O, gij verplettert mij door deze edelmoedigheid,quot; zuchtte Ranuzi: „Gij zijt edel genoeg mij mijne stoutheid te vergeven, en er niet meer aan te willen denken, dat de arme gevangen soldaat, door uwe schoonheid betooverd, medege-sleept door uwe bevalligheid en beminnelijkheid,hetgewaagd heeft, u te beminnen en het u te bekennen. — Maar ik zweer u mevrouw, ik zal deze stoutheid niet herhalen ; uwe

ocr page 48

38

scherpe spotternij van gisteren, de geestige scherts waarmede gij mij straftet, heeft mij diep geschokt; en ik verzeker u, mevrouw, gij hebt mij daarmede een grooter dienst bewezen, dan de meest preutsche dat met hare boetpredikatiën had kunnen doen. Ik heb mijne misdaad ingezien en nooit weder zullen mijne lippen het wagen te bekennen, wat er in mijn hart leeft en gloeit.quot;

Hij nam hare hand en kuste die eerbiedig. — Louise du Troussel scheen op eene zonderlinge wijze verrast, zij was van meening, dat de' graaf volstrekt niet noodig had, zijne liefde zulk een onverbiddelijk stilzwijgen op te leggen. Maar zij moest wel den schijn aannemen, alsof zij er over voldaan was, en zij deed het ook met al de bevalligheid en gemakkelijkheid van haren omgang.

„Ik dank u,quot; zeide zij glimlachend: „dat gij mij van een minnaar bevrijd hebt, dien de gemalin van den majoor du Troussel uit haar huis had moeten verbannen, terwijl zij den graaf Ranuzi met genoegen mag welkom heeten, en ten allen tijde bereid zal zijn hem van dienst te zijn, waar zij slechts kan.quot;

Hij zag haar diep in de oogen. „Wilt gij dat wezenlijk?quot; vroeg hij smachtend; „Wilt gij belang stellen in een armen gevangene, die niemand heeft, wien hij zijn verdriet en leed kan klagen T'

Louise reikte hem hare hand. „Deel mij uw leed mede, graaf/' zeide zij met een opwelling van haar beter ik: „en wees verzekerd dat ik er belang in stel. Daar gij zoo verstandig zijt, van niet mijn aanbidder te willen zijn, wil ik uwe vriendin zijn Hier hebt gij mijne hand; ik bied u mijne vriendschap aan. Wilt gij haar aannemen?quot;

„Of ik haar wil aannemen?quot; riep de graaf in verrukking: „Gij biedt mij het leven aan, en vraagtofikhet wil aannemen!quot;

Louise glimlachte. Zij vond, dat de graaf zijne vriendschap op eene gloeiende wijze uitte, en dat hij voor deze een even vurigen toon had, als voor zijne liefde.

„Gij hebt dus verdriet?quot; vroeg zij: „Gij hebt leed, dat gij niemand klagen durft?''

„Ja, maar mijn leed betreft mij zeiven niet; en wanneer ik lijd, is het voor anderen, niet voor mij.quot;

„Dat klinkt raadselachtig,quot; riep Louise glimlachend: „voor wien lijdt gij dan toch?quot;

ocr page 49

39

„Voor een armen gevangene, die ver van de wereld, ver van de menschen in ketenen en ellende versmacht, en die niet enkel door de menschen, maar ook door God verlaten is; want Hij zendt hem niet eens den dood, om hem uit zijne ellende te verlossen. Ik mag, ik kan u niet meer zeggen; want het is niet mijn geheim, en ik heb gezworen het niemand te verraden; niemand, behalve ééne enkele persoon,quot;

„En deze is?quot;

„Prinses Amalia van Pruisen,quot; fluisterde Ranuzi.

Louise schrikte, en zag den graaf doordringend aan. „De zuster des Konings! En gij zegt, uw geheim betreft een armen gevangene?quot; vroeg zij ademloos.

„Ik zeg het, en het is zoo. O, mijne edelmoedige vriendin, verg niet, dat ik u meer zegge. Ik mag niet. Maar ik bezweer u; help mij, sta mij bij! Ik moet prinses Amalia spreken. Gij zijt de vertrouweling, de vriendin der prinses; gij alléén kunt mij bij haar brengen.quot;

„Dat is onmogelijk! Onmogelijk!quot; riep mevrouw dii Troussel, zich oprichtende en driftig het vertrek op en neêr-gaande. Ranuzi volgde haar met zijne oogen, lette op elke barer bewegingen, en las op haar gelaat elke aandoening har er ziel.

„Ik zal zegevieren,quot; zeide hij bij zich zeiven, en een trotsch gevoel van triomf vervulde zijne borst.

Mevrouw du Troussel naderde hem en bleef voor hem staan, —„Hoor,quot; zeide zij zacht: „het is eene gevaarlijke en gewaagde onderneming, waarin gij mij daar zoekt te wikkelen; dubbel gevaarlijk voor mij, want de Koning voedt achterdocht tegen mij en hij zoude het mij nooit vergeven, wanneer hij vernam, dat juist ik het gewaagd had, tegen zijne bevelen te handelen en prinses Amalia had bijgestaan in hare pogingen, om een ongelukkige te redden, dien de toorn des Konings reddeloos verpletterd heeft. Want ik weet zeer goed, wie de gevangene is, van wien gij spreekt. Noem mij zijn naam niet; ik wil hem niet weten, niet hooren. Het is gevaarliik hem uit te spreken, hem zelfs te denken. Ik behoor in deze zaak niet tot de vertrouwelingen der prinses, en begeer zulks ook niet. Laat ons nu niet meer over den gevangene, maar over u spreken. Gij wenscht aan de prinses voorgesteld te worden. Waarom

ocr page 50

40

wendt gij u niet tot den opper-kamerheer von Pöllnitz?quot;

„Ik heb geen geld genoeg h(!rn om te koopen, en bovendien is hij praatziek en valsch. Hij zoude mij morgen wellicht verraden.quot;

„Gij hebt gelijk, en bovendien zou hij u onmogelijk een ge heim onderhoud kunnen verschaffen; want de étiquetteeischt, dat ten minste ééne hofdame er bij tegenwoordig zij, en de prinses is door te veel spionnen des Koning omgeven, om niet altijd eenig verraad te moeten vreezen. Maar evenwel is er een middel, u een onderhoud met de prinses alleen en zonder getuigen te verschaffen, en dit middel ligt in mijne hand! Luister!quot;

Louise du Troussel boog zich dicht aan zijn oor, en fluisterde langen tijd met. hem; de graaf luisterde met gespannen aandacht, en zijn gelaat schitterde van vreugde.

Toen Ranuzi na een langdurig geheim gesprek afscheid nam, fluisterde hij: „Tot morgen dus, edele vriendin!quot;

„Tot morgen,quot; zeide zij; „wacht mij voor de Slotpoort, en pas stipt op uw tijd.quot;

V.

DE WAARZEGGER.

Een sombere schemering heerschte in het groote vertrek, waarvan de gordijnen waren neergelaten, en waar de stilte door niets gestoord werd, dan door het eentonig getik eener pendule, welke op den mantel van den vergulden schoorsteen stond, en door het zuchten en kreunen, dat van den anderen kant in het vertrek, van gindschen divan klonk. Daar lag in een hoekje gedoken, onbewegelijk en roerloos, de gestalte eener vrouw. Hare handen waren op hare borst gekruist, en met hare oogen ten hemel geslagen lag zij daar onbewegelijk, nu eens kreunend van pijn, dan

ocr page 51

41

weder enkele woorden van toorn en wrevel lluisterend. Zij was alleen met hare smart en haar leed; zij was altoos alleen; zij was dit reeds sedert vele jaren geweest, en langzamerhand had het verdriet haar hart ongevoelig en onverschillig gemaakt voor het lijden van anderen en van haar zelve. Zij haatte de menschen; zij haatte de geheele wereld; zij was vertoornd op hen, die vroolijk en gelukkig waren, en zij had geen medelijden met hen, die weenden en treurig waren. Want zij had meer geleden dan deze allen; zij leed nog altijd, en wie had medelijden met haar, wie erbarmde zich over hare smart?!

Zie die arme, kermende vrouw eens aan! Herkent gij deze door verdriet en ziekte misvormde trekken, die met bloed beloopen oogen, die kleurlooze, dunne lippen, die altijd krampachtig op elkander gedrukt zijn, om den kreet, haar door de pijn ontrukt, te smoren, en die zich slechts openen om koude en harde woorden te uiten ? — Herkent gij haar? Heeft dit arm ongelukkig misvormd wezen nog wel eenige gelijkenis met de vroolijke, schoone en geestige prinses Amalia, die wij vroeger gekend hebben? En toch is zij het; toch is het prinses Amalia. Maar wat heeft het verdriet, — wat hebben de jaren van haar gemaakt ? — De zuster van den machtigen heldenkoning wat is zij meer dan een arm, ziekelijk schepsel, dat de menschen ontvliedt en door hen vermeden wordt ? En zij weet dat men haar vermijdt, en dit wil en wenscht zij ook. Zij wil eenzaam en alleen in de wereld staan, even eenzaam en alleen, als hij in zijn donkeren en eenzamen ker-ker. Zij noemt de geheele wereld haar kerker, en zegt dikwijls in zich zelve, dat hare ziel achter de ijzeren traliën van haar lichaam ligt opgesloten; dat haai- hart op den gloeienden rooster der wereld ligt, en dat zij het niet kan verlossen; want dat het met ketenen er aan vastgesmeed is, — met dezelfde ketenen, waarin men hèm heeft geslagen en die zijne gestalte gekluisterd houden!

Maar zij zegt dit niemand anders, dan zich zelve. Zij wik door niemand beklaagd worden en zij weet ook, dat niemand den moed zou hebben haar te beklagen. Haar lot heeft haar o]gt; eene eenzame hoogte geplaatst, en eenzaam wil zij blijven en moet zij blijven, want hare klachten zou-

ocr page 52

42

den wellicht hem slechts nieuwe gevaren aanbrengen; hèm, dien zij alléén bemint, aan wien alléén zij denkt, om wien alléén zij het leven draagt. Ja, slechts voor hèm alleen leeft zij; maar, wat is dat voor een leven ?

Een bestendig hopen, en toch zoo hopeloos; een aanhoudend zoeken en smachten naar een gelukkig oogenblik, dat nooit komt!

Zij heeft niet voor hem mogen leven, zij heeft niet zonder hem willen sterven; want zoolang hij leeft, kan hij haar noodig hebben ; en zij sterft niet, omdat hij haar eens kon roepen en hare hulp behoeven!

Neen, zij sterft niet; maar hare jeugd, haar hart, hare vreugde, hare uitzichten en hare hoop zijn gestorven. Zij heeft een weerzin tegen alles wat leeft, tegen de geheele wereld, tegen alle menschen! Zij bemint op de wereld slechts twee menschen; den eenen, die in een kerker versmacht en door haar ongelukkig is geworden, dat is Fre-derik von Trenck, — den anderen, door wien zij ongelukkig geworden is, maar die de macht heeft Trenck te bevrijden en hen beide te verlossen, — dat is de Koning. Wellicht had zij ook hare moeder bemind, maar die is dood; het verdriet wegens den verloren slag van Collin had haar gedood. Zij had ook hare zuster bemind, maar de markgravin van Baireutb is dood; haar had het verdriet wegens den slag van Hochkirchen gedood, — evenals het verdriet wegens den toorn des Konings, haren broeder, den prins van Pruisen : August Wilhelm gedood had. En daarom is zij alléén, geheel alleen! Want hare beide zusters die nog leven, zijn ver van haar verwijderd, en gelukkig; en met de gelukkigen heeft Amalia niets gemeen, met hén kan zij niet gevoelen. Hare drie broeders staan te velde, en geen van hen denkt aan haar. Slechts één denkt aan haar, en die ligt onder den grond; en tóch is hij niet dood, die hoewel begraven, toch nog leeft. Duisternis en nacht omgeven hem, en tóch is hij niet blind; en de zon schijnt dag aan dag, maar hij kan haar niet zien!

Al deze vreeselijke denkbeelden hebben het gebouw van Amalia's jeugd, haar leven en gedachten doen vervallen ; en slechts als eene verlatene ruïne staat zij daar onder de puinhoopen van het verleden. De storm des levens giert om haar, zij lacht er om ; want haar kan

ocr page 53

43

hij niet deeren, haar niet meer; en wanneer hier een eik valt en daar eene bloem geknakt wordt, dan verheugt dit haar hart; want haar ongeluk doet haar genoegen smaken bij het leed van anderen, of, — wellicht verbergt zij hare deelneming onder deze schijnbare ongevoeligheid; — wellicht doet zij het slechts voorkomen alsof zij de men-schen ontvliedt, omdat zij weet, dat zij haar ontvlieden!

Want wie haar nadert, wordt in het oog gehouden en wekt achterdocht. De spionnen des Konings omgeven de prinses, en houden elkeen van haar verwijderd.

Wellicht zou Amalia minder ongelukkig zijn, indien zij hare toevlucht genomen had tot Hem, die de toevlucht voor alle harten is; — indien zij zich tot God gewend had. Maar zij had niet zulk een vroom en geloovig gemoed, als bij voorbeeld de edele lijderes Elisabeth Christine, de versmade gemalin van Frederik de Groote. Prinses Amalia was de echte zuster des Konings en eene leerlinge van Voltaire, die met de kerk den spot dreef en de vertroostingen der godsdienst versmaadde. Maar zij moest het geslacht, waartoe zij behoorde, hare schatting betalen; zij miste de sterke, zelfbewuste onafhankelijkheid van geest, die den Koning bezielde; zij bezat de kracht niet op zich zelve te steunen, en hare handen, die sidderend in den blinde rondtastten, vonden niet het geloof om haar op te beuren, maar in des-zelfs plaats, helaas, het bijgeloof.

Het ongeluk had de arme prinses niet vroom gemaakt, zooals de Koningin, — maar bijgeloovig. Terwijl Elisabeth Christine bad, legde Amalia de kaart; terwijl de Koningin vrome geleerden en predikanten om zich verzamelde, riep de prinses kaartleggers en waarzeggers tot zich; terwijl Elisabeth Christine troost vond in het lezen der Heilige Schrift, vond Amalia ten minste verstrooiing in de verklaringen der geheimzinnige en raadselachtige woorden, welke hare profeten haar gezegd hadden; terwijl de Koningin leerredenen in het Fransch vertaalde en vrome liederen dichtte, schreef Amalia met veel zorg al de voorspellingen uit de kaarten, het koffie-dik en de sterren op; en zoowel hare manuscripten als die der Koningin werden den Koning medegedeeld.

En de Koning ontving beide met een goedigen, medelijdenden glimlach; de vrome geschriten der Koningin legde

ocr page 54

44

hij ter zijde, maar de papieren van Amalia, vol bijgeloof en voorspellingen, las hij.

Wellicht deed hij het slechts uit medelijden met die arme, door het verdriet zoozeer benevelde zuster, die verzachting en verstrooiing vond in zulke geheimzinnige beuzelarijen, zeker is het, dat de Koning, als hij aan de prinses schi eet, haar altoos voor hare voorspellingen bedankte, en haar uit-noodigde er mede voort te gaan. 1) Maar terwijl hij dit deed, eischte hij voor deze vreemde correspondentie de striktste geheimhouding; want hij wilde niet, dat zijne vijanden zijne toegevendheid voor het leed dezei aime prinses verkeerd zouden uitleggen en, soms zouden kunnen denken, dat hij om te overwinnen, zijne profeten, — evenals zijne tegenstanders een gewijden degen, noodig

had! . .

Het was heden weder een van die dagen, waarop prinses Amalia hare waarzeggers ontving, en zij had dus met groote verbittering vernomen, dat men hare kaartlegster gistei en gevangen genomen had. Noch deze, noch de profeet waren tot heden ontslagen, en zelfs de voorspraak der prinses had hen niet kunnen bevrijden. De prinses zoude dus heden avond bijna genoodzaakt zijn geweest, zonder profeet te moeten doorbrengen, wanneer mevrouw du Troussel haar niet toevallig te hulp gekomen ware.

Des morgens had zij aan de prinses geschi even en hare toestemming gevraagd, haar heden een waarzegger te mogen voorstellen, wiens voorspellingen elk verbaasden, omdat zij altijd uitkwamen en zich bevestigden.

Amalia had dat voorstel met vreugde aangenomen, en verwachtte nu met ongeduld den nieuwen proteet, dien mevrouw du Troussel haar zoude voorstellen.

Maar nu was zij nog alleen, en had dus nog niet noodig hare smarten te verbergen en hare klaagtonen te smoren, welke langzaam en diep, als de verzuchtingen des doods, uit hare borst stegen. Want Amalia leed niet alleen onder de smarten van den geest, — haar lichaam was even krank als hare ziel, en de worm, die aan haar hart knaagde verteerde ook haar lichaam. Maar noch voor hare ziel, noch

1

ïhiébault. Vol. II, pag. 279. Scq.

ocr page 55

45

voor haar lichaam wilde zij de hulp van een arts inroepen en evenmin wegens de smarten van hare ziel, als over die van haar lichaam beklaagd worden.

Zij leed dus en zweeg, en slechts dan, als zij zich overtuigd had, dat zij niet beluisterd kon worden, gaf zij aan hare weeklachten lucht.

Toen er nu zachtjes aan de deur geklopt werd, zweeg zij dadelijk en richtte zich op. Het was hare hofdame, die haar meldde, dat Mevrouw du Troussel was gekomen en den waarzegger had medegebracht.

„Laat hen binnenkomen,quot; zeide de prinses met die krassende heesche stem, welke zij van den noodlottigen drank had gekregen, en waarom men haar aan het hof „graf kik-vorschquot; noemde: „laat hen binnenkomen, en blijf ook gij hier, freule von Lettrow; de profeet moet u óók waarzeggen.quot;

De hofdame boog, en opende even de deur om mevrouw du Troussel binnen te laten. Zij verscheen, vroolijk en schoon als altoos, en naderde met bevalligen glimlach de prinses.

Deze knikte haar langzaam toe. — „Hoeveel uren hebt gij aan uw toilet doorgebracht,quot; zeide zij schor: „en waar koopt gij dat blanketsel, waarmede gij uw wangen beschilderd hebt?',

„Koninklijke Hoogheid,quot; antwoordde Louise lachend; „de Natuur zelve is zoo goed geweest het op mijne wangen te leggen.quot;

„Dan staat de Natuur met u in verband, en helpt u liegen dat gij nog jong zij t,quot; prevelde de prinses; „maar men verhaalt mij, dat uwe dochter geheel volwassen en buitengewoon schoon is, en de menschen beweren: dat men, wanneer gij naast haar staat, eerst aan hare schoonheiden jeugd bemerkt, hoe oud en leelijk (jij zijt!quot;

Mevrouw du Troussel kende de vreemde manieren der ongelukkige prinses; zij wist, dat niemand haar naderen kon zonder eerst door hare stekels gewond te worden, en dat de treurige worm, die aan haar hart knaagde, eerst met het bloed dat zij had doen vloeien, tot bedaring moest gebracht worden.

De harde woorden der prinses kwetsten haar dus niet, —„Als ik werkelijk oud word,quot; zeide zij; „ontluik ik weder in mijne dochter; want men zegt, dat zij mijn evenbeeld

ocr page 56

40

is, en men prijst nii( dus, wanneer men haar prijst.quot;

„En men zal u ook laken, wanneer men haar laakt.quot; bromde Amalia. Toen vroeg zij na een kleine pauze: „En heden hebt gij mij een bedrieger gebracht, die zich voor een profeet uitgeeft?quot;

„Ik geloof met, dat hij een bedrieger is; hij heeft mij overtuigende bewijzen zijner vriendelijke bekwaamheid gegeven,quot;

„Welke bewijzen? Wie kan die menschen, die ons de toekomst voorspellen, dadelijk bewijzen dat zij ons beliegen?quot;

„Ik heb mij daarom ook niet de toekomst, — maar het verleden laten waarzeggen,quot;

„En hij heelt den moed gehad u een stukje uit uw verleden op te disschen ?quot; vroeg de prinses met een hee-schen lach.

„Vele en zeer vroolijke stukjes, prinses; zij waren helaas, allen waar,quot; zeide Louise met een koddig, armzon-daars gelaat.

De prinses wees driftig naar de deur — „Laat die profeet binnenkomen, freule von Lettrow. Hij moet om te beginnen u waarzeggen; want ik denk, dat gij niet, evenals mevrouw du Troussel, het verleden behoeft te vreezen!quot;

De hofdame opende de deur en de waarzegger trad binnen. Zijne gestalte was gehuld in een lan^, zwart gewaad, dat om het slanke midden door een breeden, met vreemde figuren bedekten gordel werd saamgebonden.

Om zijn bleek, smal gelaat kronkelden koolzwarte krullen; zijne oogen gloeiden van een somber vuur en wierpen fonkelende blikken door het vertrek.

Met opgeheven hoofd en fier gelaat naderde/ hij de prinses, en eerst toen hij dicht bij haar was, boog hij zich en vroegop eenzachten, welluidenden toon, wat haar verlangen was en waarom zij hem had laten roepen.

„Wanneer gij inderdaad een profeet zijt, dan weet gij dit!quot; riep de prinses.

„Gij wilt van mij eerst het verleden vernemen,'' zeide hij plechtig.

„En waarom niet eerst de toekomst?quot;

„Omdat Uwe Koninklijke Hoogheid wantrouwend is, en

ocr page 57

47

mij eerst op de proef wil stellen. Heb dus de goedheid mij toe te staan mijne kaarten te nemen, en ik zal, met verlof van Uwe Hoogheid, de hofdame het eerst waarzeggen.quot;

Hij haalde eene menigte wonderlijk beschilderde kaarten voor den dag, en spreidde die op tafel uit. Toen nam hij de hand der hofdame en scheen er vlijtig in te lezen. En nu begon hij met eene zachte, welluidende stem haar enkele trekken uit haar verleden te verhalen. Het waren vrij aardige geschiedenisjes, welke men aan het Hof elkander wel eens in het geheim omtrent freule von Let-trow vertelde, maar die niemand luide waagde te zeggen, omdat freule von Lettrow als een voorbeeld van strenge deugd en vroomheid gold.

Ue freule nam deze onthullingen van den profeet met blijkbaren toorn op; in plaats van te lachen en door hare onverschilligheid hunne waarheid tegen te spreken, werd zij boos, en schonk daardoor de prinses een vermakelijk oogenblik.

„Ik waag niet te beslissen,quot; zeide de prinses, toen de waarzegger zweeg: „of hetgeen gij daar verhaald hebt, waarheid bevat of niet. Freule von Lettrow alléén kan dit weten. Maar zij zal niet zoo wreed zijn, u voor een leugenaar uit te maken; want daardoor zoude zij mij beletten, mij óók door u te laten waarzeggen. Zij zal mij dus wel toestaan te gelooven dat gij de waarheid gezegd hebt. En nu neem uwe kaarten, en schud ze goed door elkander.quot;

„Beveelt Uwe Koninklijke Hoogheid, dat ik u óók iets van het verleden verhaal ?quot; vroeg de waarzegger op scherpen toon. Prinses Amalia zag verwonderd op. „Ja,quot; zeide zij; „van mijn verleden; — of neen, ik wil liever eerst nog wat uit het leven mijner kuische du Troussel hooren. — Nu, nu, Louise, gij hebt niets te vreezen; gij zijt onschuldig en rein, en bij deze onthullingen zullen wij ons verbeelden, dat wij een hoofdstuk uit de Pucelle d'Orléans hooren lezen.quot;

„Maar ik waag het mij tegen deze voordracht te verzetten,quot; riep mevrouw du Troussel lachend: „er zijn boeken, welke men slechts alléén lezen, kan, en de boeken van ons verleden behooren stellig tot die soort. Ik ben bereid, om in tegenwoordigheid van Uwe Hoogheid mijne toekomst

ocr page 58

48

te laten voorspellen, maar van mijn verleden begeer ik niets te hooren. Daar weet ik genoeg van!quot;

„Ware ik met freule von Lettrow alleen geweest, ik zoude haar nog geheel andere dingen verteld hebben, en dan zoude zij bekend hebben, dat ik de waarheid sprak! Want, wanneer vier oogen zich alléén op deze kaarten vestigen, dan eerst wordt mijn geest helder.quot;

„Dientengevolge moest ik, om de geheele waarheid van u te vernemen, óók alleen zijn?quot; vroeg de prinses.

De profeet boog zwijgend. De prinses liet haar scherpen blik lang op hem rusten; toen gaf zij een wenk aan hare dames.

„Gaat in de naaste kamer,quot; zeide zij; „maar zoodra ik roep, treedt gij weder binnen.quot;

De dames bogen zich en gingen heen.

„En nu,quot; zeide de prinses: „kunt gij beginnen.quot;

Maar in plaats van zijne kaarten te nemen, boog de waarzegger eerbiedig zijne knie voor de prinses, en kuste den zoom van haar kleed.

„Ik smeek om genade en vergiffenis,quot; zeide hij: „ik ben niets dan een arme bedrieger. Om tot de persoon van Uwe Koninklijke Hoogheid te geraken, heb ik mij onder dit masker verscholen; dit alleen stelde mij in staat onopgemerkt hier te komen. Maar ik zweer u, prinses: niemand vermoedt het geheim dezer vermomming en niemand zal het kunnen verraden. Ik heb alles alléén voorbereid, en ik alleen ben de schuldige. Genade dus, prinses; genade voor dit stoute waagstuk. Maar ik moest naar u heen; ik moest uwe knieën omvatten en u smeeken, mij met uwe grootmoedigheid en uw medelijden bij te staan; ik moest dit doen, want ik had het onder een vreeselijken eed beloofd!quot;

„Wien hadt gij dit beloofd T vroeg de prinses op strengen toon: „Wie zijt gij, en wat wilt gij van mij?

„Ik ben graaf Ranuzi, krijgsgevangen Oostenrijksch kapitein. Uwe Hoogheid vraagt, wat ik wil? Ik wil de edele Vorstin om medelijden smeeken voor een hulpeloozen, eenzamen, in verdriet en smart verzonken gevangene. God en de wereld hebben hem verlaten; maar hij heeft toch nog ééne beschermengel, op wie hij hoopt; tot deze beschermengel alléén bidt hij, en hij noemt haar: Amalia! — Men heeft hem als een wild dier in ketenen gesmeed; een harde

ocr page 59

49

steen is zijn legerstede, en onder dezen steen delft men zijn graf. Hij is een levend begravene; maar zijn hart leeft nog, en dit hart schreit tot u, prinses, om redding!quot;

Prinses Amalia was sidderend en kermend in de kussens van den divan gezonken, en staarde met wijd geopende oogen naar boven. Na eene lange pauze zeide zij: „Noem mij zijn naam!quot;

„Frederik von Trenck!quot; fluisterde Ranuzi.

Zij kromp ineen en uitte een zachten kreet. „Trenck!quot; herhaalde zij toen zacht: „Welk eene treurige melodie ligt in dit woord; het is als de doodsklacht mijner jeugd, en ik verbeeld mij, dat de lucht zelve moest weenen, wanneer deze naam haar doet trillen. Trenck! Hoe schoon en liefelijk klinkt dit? Het is een heerlijk, schoon lied. Het zingt van het eenige geluk mijns levens! Ach, hoe lang, — hoe lang reeds is dit lied verstomd, en daarom was het zoo eenzaam in mij; alle snaren van mijn hart zijn gesprongen, alle! O, zoo zwijgend, zoo vreeselijk alles!quot;

Zij had zacht, in gedachten verzonken, zoo gesproken: zij had vergeten, dat zij niet alleen was met hare herinneringen, welke zij als met eene rozenkleurige wolk bedekt had, en zoo voor ieder verborgen hield. Ranuzi waagde het niet, haar daaraan te herinneren ; hij lag nog altijd geknield aan hare voeten en wachtte.

Plotseling vloog het als een bliksemstraal door hare ge-heele gestalte; krachtig en snel richtte zij zich op, — „Mijn God,quot; zeide zij: „en ik lig te droomen, terwijl hij roept; ik blijf werkeloos, nu hij mij noodig heeft. Spreek, mijnheer, spreek ! Wat weet gij van hem? Hebt gij hem gezien ? Heeft hij u tot mij gezonden?quot;

„Hij heeft mij gezonden. Koninklijke Hoogheid, maar ik heb hem niet gezien. Wil Uwe Hoogheid mij aanhooren ? Terwijl ik thans tot u spreek, stel ik het leven en de veiligheid van geachte vrienden en kameraden onder uwe bescherming. Eén woord van u, en zij worden als verraders aan den krijgsraad overgeleverd, en men zal hen ter dood brengen. Maar Uwe Koninklijke Hoogheid zal dit woord niet spreken, want gij zijt grootmoedig als een engel, gij zult medelijden hebben!''

„Spreek, spreek!quot; zeide Amalia ademloos; „Mijn God, ziet gij dan niet, dat ik van verlangen sterf?quot;

Uühlbaoh, Frederik de Groote en sijn Hof. Vil. 4

ocr page 60

50

„Welnu prinses, Trenck leeft; hij is in ketenen gesmeed maar hij leeft; hij woont in een hol onder een grond maar hij leeft! En zoo lang hij leeft, hoopt hij op u, denkt hij aan zijne bevrijding, en zijne vrienden hopen en denken het met hem. Hij heeft vrienden, die bereid zijn voor hem hun leven te wagen. Een van deze vastberaden vrienden bevindt zich zelf in de vesting Maagdenburg; hij is de luitenant van de wacht; een tweede vriend leeft onder de krijgsgevangen officieren, het is een zeker kapitein Kimsky; en de derde vriend ben ik. Ik ken Trenck sedert mijne jeugd, en in een schoon en opgewonden uur, hebben wij gezworen, elkander in elk gevaar en onheil bij te staan. Thans is voor mij het oogenblik gekomen om mijn eed gestand te doen. Trenck is gevangen, en ik moet hem helpen bevrijden. Maar onze krachten zijn gering en verbrokkeld. Ons ontbreekt een middelpunt; wij hebben geene bondge-nooten in de vesting en nog minder in de stad. Ons ontbreken de middelen en wegen om hem voort te helpen en te verbergen. Wij hebben een machtige hulp noodig, en niemand dan Uwe Koninklijke Hoogheid is in staat ons die te verschaffen.quot;

„Ik heb in Maagdenburg vele en vertrouwde vrienden, waarop ik rekenen kan,quot; zeide de prinses: „zij zullen op mijn wenk gereed zijn hem bij te staan; —quot;

Plotseling zweeg de prinses en zag Ranuzi met een scherpen, doorborenden blik aan. Zij was reeds te dikwijls bedrogen, te dikwijls misleid geworden; men had haar te vaak reeds lagen gelegd en strikken gespannen, dan dat zij niet wantrouwend zoude zijn.

„Neen,quot; zeide zij eiudelijk; „ik houd mij met deze dwaasheid niet meer op. Ga, mijnheer; gij zijt een slecht waarzegger, en ik wil er niet meer van hooren.quot;

Ranuzi glimlachte en haalde zwijgend een opgevouwen papier voor den dag, dat hij met eene diepe buiging aan de prinses toereikte.

Zij ontvouwde het met sidderende handen. Het papier bevatte niets dan de woorden; „Graaf Ranuzi is een eerlijk mensch, die men onvoorwaardelijk vertrouwen kan.'^Daar-onder stond; nei tuoi giorni felici ricordate da me.quot;

De prinses beschouwde lang en diep ademend deze woorden; eindelijk schoten hare oogen vol tranen, eindelijk

ocr page 61

51

moest haar hart wel overvloeien van die smartelijke en hartstochtelijke gevoelens, welke zij zoolang onder bitter lijden had verborgen.

Zij drukte het papier, dat zijne met bloed geschreven letters bevatte, aan hare lippen, en een heete tranenvloed stroomde uit hare oogen, die sedert zoo vele jaren niet hadden kunnen schreien.

„Nu, mijnheer,quot; zeide zij; „thans geloot ik u. Ik vertrouw u; zeg mij nu wat ik doen moet.quot;

„Er ontbreken ons drie zaken. Ten eerste: een huisin Maagdenburg, waar Trenck's vrienden kunnen bijeenkomen, en ten allen tijde de noodige afspraken maken, en waar wij hem na zijne bevrijding kunnen verbergen. Ten tweede: eenige trouwe en onomkoopbare vrienden, welke zich met ons verbinden en ons bijstaan; en ten derde ontbreekt ons geld. — Wij moeten de wachten omkoopen en paarden aanschaffen; wij moeten Trenck zeiven handlangers inde vesting bezorgen. Buitendien moet ik zelf verlof hebben,, om voor eenige dagen naar Maagdenburg te mogen gaan, om op de plaats zelve de noodige afspraken te kunnen maken. Aan een voorwendsel zal het niet ontbreken. Kapitein Kimsky is mijn naaste bloedverwant. Hij zal doodelijk ziek worden, en dan als zijn laatste wensch zijn best doen, mij vóór zijn dood nog te mogen zien. Een zijner kameraden zal dien wensch hier heen berichten, en dan zal ik mij om hulp tot Uwe Koninklijke Hoogheid wenden.'quot;

„En ik zal u een pas verschaften,quot; zeide Amalia vastberaden.

„Te Maagdenburg zal ik dan zelf alle voorbereidselen tot de vlucht maken.quot;

„En gij gelooft, dat zijne ontvluchting deze keer gelukken zal?quot; vroeg de prinses met een glimlach, welke haar arm, misvormd gelaat als met een zonnestraal verlichtte.

„Ik geloof het niet alleen, maar ik ben er zeker van, mits Uwe Koninklijke Hoogheid ons behulpzaam wil zijn.quot;

De prinses antwoordde niet. Zij snelde met jeugdige drift naar hare schrijftafel, waaruit zij eenige rolletjes geld nam. Toen ging zij haastig zitten en schreef met vlugge hand op een stuk papier: „Gij kunt brenger dezes volkomen vertrouwen. Hij is mijn vriend. Sta hem bij in al-

ocr page 62

52

les, wat hij onderneemt.quot; Toen vouwde zij het papier dicht en ver zegelde het.

Ranuzi volgde elke harer bewegingen met fonkelende oogen en luid kloppend hart. Toen zij de pen opnam om het adres te schrijven, verhelderde een straal van zegepraal zijn gelaat, en een fiere glimlach speelde om zijne lippen. Maar toen Amalia zich omkeerde, was alles weder verdwenen en zijn gelaat even eerbiedig en ernstig als te voren.

„Neem aan, mijnheer,quot; zeide zij, hem het papier overreikende; „gij ziet, dat ik u vertrouw; want ik lever u daar een trouwen vriend over, en wanneer gij hem verraadt, is hij verloren. Zoodra gij te Maagdenburg komt, begeeft gij u tot hem, en hij zal u met andere vrienden en bondgenooten bekend maken, die in de vesting zelve zijn, evenals hij.quot;

„En mag ik mij van dit adres bedienen, om daaronder aan mijn vriend Kimsky te schrijven!quot;

„Dit kunt gij zonder gevaar doen. Ik zal hem heden nog langs een anderen weg laten berichten, dat hij dergelijke brieven te wachten heeft.quot;

„En hier is geld,quot; vervolgde de prinses; „het zijn twee rolletjes, elk van vijfhonderd dukaten. Het is voorloopig alles wat ik bezit. Zoodra deze som uitgeput is, wend u dan tot mij, en ik zal dan wel weder in staat zijn, u opnieuw geld te bezorgen.quot;

Zij reikte hem de beide rolletjes over; Ranuzi stak ze in zijn borstak, terwijl hij glimlachend zeide: „Dit is het toovermiddel, waardoor 'wij zijne ketenen willen doen springen.quot;

Toen nam Amalia eene kostbare juweelen speld, die op tafel lag, en op het met bloed geschreven papier wijzende, dat zij altijd nog in hare hand hield, zeide zij;

,,Gij hebt mij daar een kostbaar juweel gegeven; laat ons ruilen, — neem gij dit van mij,quot; waarbij zij hem de speld overreikte.

Ranuzi boog zich voor haar op eene knie en kuste de hand, welke hem het fonkelend juweel reikte.

„En nu, mijnheer, ga heen,quot; zei de prinses; „mijnehofdame is eene bezoldigde spion, en een langer alleenzijn met u kon licht hare achterdocht wekken. Men zoude u

ocr page 63

53

dan in het oog houden en alles kon ontdekt worden. Ga dus! Wanneer ik aan de kracht van het gebed geloofde, zoude ik van nu af aan dag en nacht op mijne knieën liggen en tot God smeeken, dat hij uw werk zegenen moge. Zooals het nu is, kan ik u slechts met mijne gedachten en mijne zorgen volgen! Vaarwel!quot;

„En Uwe Koninklijke Hoogheid geeft mij volstrekt geen antwoord op die regels, welke Trenck met zijn hartebloed geschreven heeft?quot;'

Amalia trad weder naar de schrijftafel, schreef vluchtig eenige regelen op een stukje papier, dat zij daarop Ranuzi overreikte.

Deze regels luidden: „Ovunque tu sei, vicina ti sono!!quot;

„Geef hem dit!quot; zeide de prinses; Wel is het niet met mijn hartebloed geschreven, maar mijn hart bloedt toch om hem, — maar het bloedt naar binnen! — en nu, neem uwe rol weder aan. Ik moet de dames roepen!quot; —

Op den avond van dien dag schreef Ranuzi aan zijn vriend, den gevangen Kapitein Kimsky te Maagdenburg: „Het plan is gemaakt en zal gelukken. Wij zullen de vesting in onze macht krijgen. Zulk een romantisch vrouwenhart is toch eene heerlijke zaak; men kan het stoutste er mede wagen. Spoedig zal Maagdenburg vrij zijn! Rereid alles voor, word dan ziek, en roep mij! Ik zal een pas krijgen, want ik heb eene machtige beschermster, en daarmede, weet gij wel, kan men op deze wereld alles doen.quot;

Dezen brief zond hij intusschen niet aan het adres, hem door de prinses opgegeven, — maar door tusschenkomst der schoone Tagliazuchi, posie restante, aan een onschuldig adres te Maagdenburg.

ocr page 64

54

VI. -

EENE RECEPTIE AAN HET HOF TE BERLIJN.

De opper-ceremoniemeester, de lieer von Pöllnitz, was heden reeds zeer vroeg in den morgen buitengewoon druk bezig; en geen veldheer kon de toebereidselen voor een slag met meer ernst en gewicht behandelen, dan hij dit deed met de toebereidselen tot het feest, — dat het Hof heden avond in de groote vertrekken van het koninklijk Slot te Berlijn, — op uitdrukkelijk bevel des Konings, ter eere van den geboortedag van prins Hendrik, op buitengewoon plechtige wijze, wilde vieren. En gewis was dit eene zeer gewichtige zaak; want men wilde heden niet alleen eene groote gala-receptie houden, maar daarna zoude een concert plaats hebben, waarop de weinige nog in Berlijn aanwezige Itali-aansche zangers en zangeressen zouden optreden. En eindelijk, na afloop daarvan, zoude men tot een nóggrooter genot overgaan; tot het genot van een fijn, met alle weelde toebereid souper, waaraan niet enkel het Hof, maar ook alle vreemde, krijgsgevangen officieren zouden deelnemen.

Dat souper was voor den heer von Pöllnitz het middelpunt en de hoofdzaak van het feest; want het behoorde tot de zeldzaamheden van het Hof te Berlijn, en er konden maanden verloopen, eer de Koning er aan dacht om na eene receptie een souper te houden. Mijnheer von Pöllnitz moest zich dus, wanneer hij soms belust werd op een keurig maal, dit op eigen kosten verschaffen, en alleen de gedachte aan die kosten kon hem doen rillen. Want de waardige opper-kamerheer was tegelijk verkwistend en gierig; hij had in elk kwartaal drieofvier heerlijke dagen van genot, waarop hij als grand seignenr leefde, en zich alle mogelijke uitspanningen en genietingen veroorloofde. Dat waren de drie of vier eerste dagen van het kwartaal, waarin mijnheer von Pöllnitz zijn tractement ontving, en met volle handen het overschot van zijn geld, dat hij aan de heb-

ocr page 65

55

zuchtige handen zijner schuldeischers door list had weten te onthouden, om zich heen wierp en zich weder jong, gelukkig en rijk gevoelde. Maar op deze dagen van heerlijkheid en genot volgden weken en maanden van treurige bekrompenheid, waarin von Pöllnitz genoodzaakt was de rol der lichte en schoone klimop-planten te aanvaarden, die zelve zonder kracht en inhoud, — zich om den een of ander krachtigen stam slingeren, en er merg en sap uitzuigen. In deze maanden placht mijnheer von Pöllnitz gelijk een zee-roover te loeren op hen, die in staat waren eene goede tafel te houden; en zoodra hij vernomen had, dat men ergens het een of ander diner dacht te geven, wist hij er zich van eene plaats meester te maken. Ook placht de waardige hoveling op zulke tijden een hartstochtelijk speler te zijn; en het grootste bewijs van zijne behendigheid was, dat hij altijd wist partij te krijgen, ofschoon iedereen wist, dat het hem altijd geld kostte, als hij met von Pöllnitz speelde. Want de opper-kamerheer bezat geheel en al de verhevene beginselen van Koning Lodewijk den Vijftiende van Frankrijk, die óók een hartstochtelijk kaartspeler was, en eiken avond eene som van duizend Louis d'or op het spel zette. Als de Koning won, dan vloeide het geld in zijne bijzondere kas; verloor hij echter, dan werd het verlies uit de schatkist gedekt. Dit koninklijk voorbeeld volgende, placht mijnheer von Pöllnitz ook slechts het gewonnen geld in zijn zak te laten glijden; verloor hij echter, dan leende hij het geld; maar niet van hém, aan wien hij het verloren had, maar van een ander medespeler, en vergat dan niet alleen de ge-, leende som te betalen, maar liet ook dit geld in zijn zak rollen. Zoo was mijnheer von Pöllnitz verzekerd bij elk spel te winnen, en deze winsten maakten zijn zakgeld uit.

Heden echter behoefde hij geen vreemde tafel te zoeken, maar moest zelf de eer van de tafel ophouden, en hij had de toebereidselen voor het souper met eene volleerdheid en zaakkennis geleid, welke zelfs den hertog de Richelieu tot bewondering zouden genoopt hebben. — Hij behoefde deze keer zijn vindingrijk vernuft volstrekt niet aan banden te leggen en de spaarzaamheid in het oog te houden; de eer eischte, dat het Hof zich heden in al zijn luister vertoonde, en ten volle bewees? dat de lasten van den lang-

ocr page 66

56

durigen krijg noch de koninklijke schatkist, noch de koninklijke zilverkarner hadden uitgeput, en dat men zeer goed den krijg konde voortzetten, zonder het bijzonder vermogen van het koninklijke Huis of de juweelen aan te spreken. Heden waren dus, — hetgeen anders nooit gebeurde, — uit de koninklijke schatkamer al de gouden serviezen genomen, welke na de verdeeling van de nalatenschap der Koningin-moeder, uit het beroemde „gouden kabinet,quot; den Koning ten deel gevallen waren. Dit gedeelte was in den laatsten tijd door eene treurige omstandigheid nog vermeerderd; namelijk, door den dood van de markgravin van Baireuth, welke haar aandeel in de gouden serviezen uitdrukkelijk aan haren broeder, den Koning, vermaakt had.1)

Ook wilde het Hof heden en grande parade verschijnen; de Koningin en de prinsessen in den vollen tooi barer brillanten. Door uitgelezen pracht wilde men de trotsche en hoogmoedige officieren, die het lot van den krijg als gevangenen te Berlijn hield, ontzag inboezemen, en deze zouden niet nalaten, hunne Hoven alles te berichten, wat zij beleefd en gezien hadden. — Dit feest zou dus in ze-keien zin eene verklaring zijn, welke de Koning van Pruisen aan zijne overmoedige vijanden deed en waarmede hij bewijzen wilde, dat, wanneer hij naar vrede haakte, zulks niet geschiedde uit gebrek aan de middelen om den oorlog voort te zetten, maar omdat hij Europa, dat uit duizend geslagen wonden bloedde, de rust wilde teruggeven, waaraan het zoozeer behoefte had, om te kunnen genezen.

Bovendien wilde de Koning met de plechtige viering van den geboortedag zijns broeders, zijne eigene onderdanen het bewijs leveren, hoe hoog hij zelf den prins schatte; hoe geneigd hij zelf was dezen veldheer te eeren en te beminnen, die gedurende den geheelen krijg geen enkelen slag verloren had, maf r bijna altijd door zijne meesterlijke bewegingen den Koning in de gevaarlijkste en moeielijkste

1

Toen het Hof na den slag bij Künersdorf naar Maagdenburg vluchtte, werd het gouden servies des Konings, dat hij van zijne moeder geërfd bad, medegenomen. De erfenis van de markgravin van Baireuth bleef in Berlijn, van waar de Russen het in het volgende jaar (1760) als buit mede naar Petersburg namen. (König: Geschichte Berlins, T. V., S. 2.)

ocr page 67

57

oogenblikken reddend te hulp was gekomen. Dit feest moest dus ook de geruchten logenstraffen, welke de vijanden des Konings verspreidden, aangaande den nijd en de ijverzucht, waarmede de Koning den gunstigen uitslag, het geluk en de veldheerstalenten zijns broeders beschouwde.

Er waren dus vele redenen, waarom mijnheer von Pöll-nitz zorgen moest, het familiefeest van bet koninklijke Huis met al den luister en de weelde van het koningschap te tooien; en het werd voor hem eene zaak van des te grooter gewicht, omdat prins Hendrik eene zeer nauwkeurige en uitgewerkte beschrijving van dit feest zoude ontvangen. Want de adjudant dos prinsen, de graaf von Kalkreutb, die zich tot herstel van gezondheid eenige maanden te Berlijn had opgehouden, zoude na het feest vertrekken, en naar het leger terugkeeren.

En nu was het gewichtig oogenblik van het feest gekomen. Mijnbeer von Pöllnitz doorliep nog eens met onderzoekenden veldheersblik de zalen, en zag met stil genot, dat alles in orde was. Overal verspreidden arm- en kroonluchters een glans als die der zon; overal heerschte luister en weelde, en wanneer men de eetzaal betrad, werd men bijna verblind door het schitteren van de gouden en zilveren serviezen, die daar op bet kostbare buffet opgestapeld waren, en in wier spiegelende oppervlakte bet licht van de kaarsen der kroonluchters terugkaatste.

Langzamerhand begonnen de zalen met de genoodigden gevuld te worden, en weldra blonk en fonkelde het overal van met goud geborduurde rokken, ordesterren en juweelen, en een bont en vreemd gewoel bewoog zich in deze door duizend kaarsen verlichte, — en met den geur van bloemen gevulde zalen. Naast de rijke, zonderlinge uniform van den Russischen bojaar zag men de slanke en vlugge gestalte van den Franschen chasseur; hier prijkte de rijk geborduurde uniform van den Hongaarschen huzaar, wiens bonte en smaakvolle dracht vreemd afstak bij de eenvoudige, donkere uniform van den Spanjaard, die naast hem stond en zich fluisterend met een Italiaan onderhield, die de witte, keurige Oostenrijksche uniform droeg. Het scheen, alsof alle natiën van Europa in het koninklijk Slot te Berlijn waren samon gekomen, of dat de Koning aan zijn Hof eenige staaltjes van al die volkeren had gezonden,

ocr page 68

58

waarmede hij den reuzenstrijd had ondernomen, en die hij zijne vijanden noemde. Er warea niet enkel Duitschers uit alle provinciën en landen der Duitsche Vorsten, — maar er waren ook Italianen en Spanjaarden, Russen en Zweden, Zwitsers en Hongaren, Nederlanders en Franschen; en al deze waren krijgsgevangenen, en de zwaarden, welke aan hunne zijde hingen, waren gekleurd geweest met het bloed van Pruisen, totdat het lot van den krijg ze in de schede had gebannen en de vijanden des Konings in gasten aan zijn Hof veranderd had. Maar, terwijl het aantal der krijgsgevangen vijandelijke officieren, die daar in de koninklijke zalen de aankomst dei-Koningin afwachtten, meer dan honderd bedroeg, was het Pruisische leger slechts zeer gering vertegenwoordigd. De strijdbare officieren waren te velde, en alleen invaliden, of door den ouderdom gebukte krijgers waren in de hoofdstad achter gebleven; want ook zelfs de jongelingen, die de voor de krijgsdienst bestemde jaren nog niet bereikt hadden, waren naar het leger gesneld, door hun moed en geestdrift zich boven hunne jaren verheffende, en door het voorbeeld hunner vaderen vroeg voor den dienst geschikt geworden. De fonkelende uniformen der gevangen officieren zetten dus den meesten luister bij aan het gezelschap in de koninklijke zalen vergaderd, en vormden het eigenlijke contingent dor mannenwereld, die overigens slechts vertegenwoordigd werd door eenige oude Pruisische generaals, en door kamerheeren en hovelingen, die het wegens hun dienst en betrekking belet was helden te zijn.

Ook mijnheer von Giurgenow en zijn vriend, kapitein de Belleville, waren op het feest genoodigd, en hadden zich bereidvaardig laten vinden om Hare Pruisische Majesteit hunne hulde aan te bieden, en tevens hnnne gewichtige aan- en opmerkingen te maken.

Graaf Ranuzi, die zwijgend en terughoudend als altoos, de zalen doorliep, had zich bij hen gevoegd, en was nu met de beide heeren in eene nis van de groote zaal getreden, om van dit standpunt het bont gewoel, dat zich voor hunne oogen bewoog, bedaard te kunnen overzien.

„Weet gij,quot; zeide graaf Ranuzi lachend; „dat mij dit tooneel hier toeschijnt als het dolle gedrang in de voorportalen der hel, dat Dante ons zoo meesterlijk geschilderd heeft. Wij dragen allen onze schitterende vermommingen

ocr page 69

59

en maskers, waaronder slechts onze lijken verborgen zijn. Één woord van onzen meester, en deze verkleedingen vallen af, en de doodshoofden grijnzen elkander aan. Het ligt in de macht van den Koning van Pruisen, dit woord te spreken ; want hij is inderdaad onze heer, en wanneer hij wil, moeten wij onze zwaarden overgeven en onze schoone uniformen met het arme zondaarspak verwisselen.quot;

„Maar hij zal het niet wagen, dit te willen,quot; zeide mijnheer von Giurgenow; „geheel Europa zoude hem voor eon barbaar uitmaken, en hem wegens zulk een overmoed rekenschap vragen.quot;

„Dan moet eerst geheel Europa er toe in staat zijn hem rekenschap te vragen,quot; merkte graaf Ranuzi lachend aan: „en helaas, daarnaar ziet het nog niet uit.quot;

„Niet?quot; vroeg mijnheer de Belleville: „Gij weet dus niets van de roemrijke overwinning, die onze heldhaftige veldheer Broglio bij Bergen op den hertog Ferdinand van Brunswijk behaald heeft? Geheel Frankrijk juicht over de heilmare, en de markiezin, of liever Koning Lodewijk heeft onzen tweeden Turenne, den edelen Broglio, daarvoor tot maarschalk benoemd.quot;

„Ik weet er van,quot; zeide Ranuzi: „maar ik weet óók, dat het lot zeer veranderlijk is, anders waren wij allen niet hier.quot; 4

„Maar wij zullen, hoop ik, niet lang meer hier blijven,quot; antwoordde Giurgenow mismoedig: „en zegt eens; staat het niet in onze macht heden nog heen te gaan ? Hoe denkt gij er over? Hebben wij niet onze zwaarden? Men heeft het niet gewaagd ze ons af te nemen, want men siddert altijd nog voor ons: en men wil in onze personen de volken eeren, welke wij vertegenwoordigen. Ziet eens de voorkomendheid en achting, waarmede men ons bejegent; hoe de Koning van Pruisen zijne machtige vijanden vreest, en hoe hij alles tracht to vermijden, wat hen zou kunnen belee-digen. Verbeeldt u eens, wat het gevolg zou zijn, als wij heden, zoodra de koninklijke familie in ons midden verschenen is, onze zwaarden trokken, en het geheele Pruisische Hof gevangen namen? Ik verbeeld mij toch, dat wij hier de overhand hebben, en het zoude eene gemakkelijke overwinning zijn. Wij zouden ons dan in het Slot als in eene vesting verdedigen, en men zoude het niet eens wagen, 'ons

ocr page 70

60

ernstig aan te tasten, omdat wij de Koningin en de prinsessen in onze macht zouden hebben. Wat denkt gij van dit plan, graaf Ranuzi ?quot;

Ranuzi beantwoordde den scherpen en vorschenden blik van den Rus met volkomen bedaardheid. — „Ik houd het voor een stout plan,quot; zeide Ranuzi: „dat alleen het gebrek heeft onuitvoerbaar te zijn. Wij zouden onze zege geen uur kunnen behouden, want het garnizoen van Rerlijn is altijd nog groot genoeg om ons in bedwang te houden; en er zijn hier niet, zooals in Küstrin, duizende Russische krijgsgevangenen in de kasematten, op wier hulp wij zouden kunnen rekenen.quot;

.,De graaf heeft gelijk,quot; zeide Relleville op zorgeloozen toon; „het baat niets, of wij hier zulk eene grootscheen stoute samenzwering maken. Wij moeten ons op eene andere manier op de verveling wreken, waartoe men ons hier veroordeelt: en ik en mijne vrienden zijn er vast toe besloten. Wij willen de kluisters der étiquette, welke men ons hier oplegt, niet langer dragen; wij willen ons van dezen lastigen dwang, welke elk onzer bewegingen belemmert, bevrijden. Deze dames willen ons wijs maken, dat zij deugdzaam en kuisch zijn, omdat zij een verheven voorkomen aannemen, en bij elke dubbelzinnige aardigheid een ernstig gelaat zetten; maar wij willen haar toonen, dat wij ons door dezen schijn niet laten verblinden, en dat wij niet van plan zijn, als Duitsche zuchtende ridders aan de voeten der onverbiddelijke schoonen te versmachten. Onze dappere broeders hebben de Pruisische mannen bij Hochkirch en nu bij Rergen overwonnen, en daar wij niet naast hen in het veld kunnen staan, willen wij ten minste hier de Pruisische vrouwen overwinnen en verootmoedigen.quot;

„O, ik verbeeldde mij,quot; fluisterde mijnheer von Giurge-now: „dat gij reeds tevreden kondet zijn, met de schoone freule von Marschall te kunnen overwinnen.quot;

„Och, monsieur,quot; zeide Ranuzi lachend: „gij treft daar de gevoeligste plaats in de wonde van mijn armen vriend. Gij begrijpt dan niet, dat het juist freule von Marschall is, die zich den toorn van mijnheer de Belleville op den hals gehaald heeft? Zij is inderdaad eene fiere en overmoedige schoonheid, want zij heeft het gewaagd niet alleen de liefdesverklaringen van mijnheer de Relleville af te wijzen, —

ocr page 71

61

maar heett hem zelve óók aan de deur afgewezen; en toen hij daarop een teeder en hartstochtelijk minnebriefje zond, heeft zij het hem door haar bediende teruggezonden, met de woorden; dat hij dit briefje aan hare kamenier, voor wie het zonder twijfel bestemd was, moest laten bezorgen.quot;

„Eh bien, wat zegt gij van dezen overmoed?quot;' zeide de Franschman vertoornd: „Maar zij zal er voor boeten; ik heb reeds met mijne vrienden de noodige afspraken gemaakt. Ik acht het niet alleen eene persoonlijke zaak, maar zij treft de eer van ons allen. Het geheele Fransche leger, ja zelfs geheel Frankrijk is in mijn persoon belee-digd geworden; en daarom is het noodzakelijk, dat wij voldoening nemen, niet enkel op deze fiere dame alléén, maar op alle dames van het gansche Hof alhier. En dit zal nog dezen avond gebeuren. Wij willen die vervelende dames bewijzen, wat wij van hare preutschheid gelooven, en mevrouw de Koningin zal ondervinden, dat wij volstrekt niet van plan zijn ons naar deze étiquette te schikken, welke zij wil in acht nemen. Zij is in onze oogen geene Koningin, — maar de vrouw van onzen vijand, over wien wij willen zegevieren!quot;

„Ik raad u tóch met uwe wraak te wachten, totdat wij hem volkomen overwonnen hebben,quot; fluisterde Ranuzi: „want uw plan zou voor ons allen de noodlottigste gevolgen kunnen hebben. De Koning van Pruisen is altijd te vreezen, zoolang hij nog niet dood is; en eene beleediging aan zijne vrouw zoude hij op ons allen verhalen. Gij hebt eene per-soneele zaak met freule von Marschall; welnu, maak die persoonlijk af, maar trek ons niet in uwe zaken; men zou ons anders licht ook den schijn van vrijheid kunnen ontnemen, welken men ons nu nog gelaten heeft.quot;

„De graaf heeft gelijk,quot; zeide Giurgenowernstig: „men zou ons uit Berlijn kunnen verwijderen, en dit zoude een bitter lot voor ons allen zijn.'

„Maar zie, de deuren van de vertrekken der Koningin worden geopend. Het Hof zal verschijnen.quot;

„En dientengevolge zult gij het geluk hebben uwe wreede schoone te zien,quot; fluisterde Ranuzi den Franschman toe.

„Zij moet heden nog voor hare wreedheid boeten, dat

ocr page 72

62

verzeker ik u,quot; zeide mijnheer de Belleville landeknarsend, en met eenige niet ver van hem staande Fransche officieren een teeken van verstandhouding wisselende, trad hij meer in de zaal vooruit en in het eerste gelid van de rij, die men aan weerszijden van de zaal gevormd had. Nu verscheen op den drempel der deur de opper-ceremonie-meester met den gouden staf, en achter hem trad de Koningin naast prinses Amalia in de zaal. Beide verschenen zij in den vollen luister van haren rang; een kleine kroon van hrillanten schitterde in het blonde haar der Koningin; en haar verblindend witte, schoon gevormde hals prijkte met het prachtige collier van diamanten en smaragden, waarvan de baron von Bielefeldt eens verklaarde, dat men er een souverein vorstendom voor zou kunnen koopen. Een met zilver doorwerkt wit gewaad, waarover een donkerroode fluweelen shawl met hermelijn omzet nederviel, omgaf de slanke en edele gestalte der Koningin, wier rustig en bescheiden gelaat, en bevallig gebogen hoofd een vreemde tegenstelling vormde met den glans, die haar omgaf. Een niet minder groot contrast vormde prinses Amalia, die naast de Koningin te voorschijn trad. Evenals hare koninklijke schoonzuster was zij in groot toilet gekleed. Hare armen, haar hals, beur haar en hare handen fonkelden van diamanten; met juweelen waren de festons van haar zilvergazen kleed opgenomen, om daaronder het groene, met zilver doorwerkte onderkleed te laten zien. Maar de prinses wist zeer goed, dat deze prachtige kleederen en die schitterende iuweelen hare ongelukkige, gebogene, ziekelijke gestalte, en haar treurig, vertrokken gelaat nog meer deden uitkomen; zij wist, dat aller blik met hoongelach, met kouden, bitteren spot op baar zoude rusten; dat men hare verschijning als eene alleraardigste grap zoude begroeten, en dat men, zoodra men haar den rug had gekeerd, hartelijk om haar zoude lachen. Daarom had zij dan ook hare snijdende en koude gelaatsuitdrukking aangenomen; zij wilde den hoon door haar bijtenden spot voorkomen, en zich met bittere geestigheid op die smadende blikken wreken, welke duidelijk verkondigden, wat de lippen niet waagden te uiten. Daarom was zij nauwelijks in de zaal, of zij riep hier en daar hare bekenden woorden van begroeting toe, waarbij telkens een giftige zet, of eene bitter

ocr page 73

63

beleedigende aardigheid gevoegd was, en welke hen, op welke zij gemunt waren, diep moesten wonden. En als Amalia dan in de gelaatstrekken der aangesprokenen zag, dat hare scherpe woorden haar doel getroffen hadden, dan gloeide een boosaardig vuur in haren blik en speelde een bittere lach om de dunne lippen.

A.chter de Koningin en de prinses zag men prinses Hendrik verschijnen; ook zij had een verblindend toilet aan, schitterend van diamanten; maar als men haar aanzag, dacht men niet aan hare pracht, maar men gevoelde zich verkwikt door hare zoo jeugdige, frissche, vroolijke en natuurlijke schoonheid, door de goedheid en onschuld, welke uit haar blozend gelaat spraken.

Heden intusschen was het oog der prinses minder helder; een waas van treurigheid bedekte haar hoog, effen voorhoofd, en om hare volle purperen lippen speelde een pijnlijke trek. Wellicht was het verlangen naar den afwezigen gemaal, — wiens geboortedag haar heden bijzonder smartelijk aandeed, — daarvan de oorzaak; wellicht waren het de herinneringen aan de schoone en gelukkige dagen van voorheen, welke haar de eenzaamheid van den huldigen dag zoo smartelijk deden gevoelen, en veroorzaken, dat zij zoo verstrooid en in gedachten verzonken voortstapte, en volstrekt niet lette op de prachtige rijen aan beide zijden ; op die talrijke, door bloemen, borduursels, ordelinten en goud schitterende menigte, die haar onder eerbiedig buigen begroette.

Maar nu hieven zich de gebogen hoofden weder op; want het Hof was voorbij, en met onbeschaamde en bijna tartende blikken zagen de jonge Fransche officieren op de nu naderende hofdames der Koningin en der prinsessen neder, die hier en daar ter sluiks, met kwalijk verborgen glimlach en stille begroeting den bewonderenden blik van hare aanbidders beantwoordden.

Alleen freule von Marschall scheen volstrekt niet te vermoeden, dat de blikken dezer vermetele en overmoedige lt; officieren op haar rustten Fier en met opgeheven hoofd, hare groote hemelsblauwe oogen recht op de prinses vóór haar gericht, ging zij voorbij, zonder een enkelen glimlach of blik te gunnen aan wien het ook ware. Haar edel, schoon gelaat had eene bijna strenge, vastberaden uitdruk-

ocr page 74

64

king; hare lippen waren fier opgetrokken en in haar anders zoo zichtmoedig oog gloeide soms de uitdrukking van hare toornige stemming. Hare verschijning maakte een indruk als die van Juno; fraai en aanvallig, maar tóch koud en streng was hare schoonheid.

Toen zij nu voorbij den heer de Belleville ging, zeide deze .zuchtend tot zijn buurman. — „Ach, zie deze schoone Galathea eens; dit fraaie, marmeren beeld, waaraan men slechts door kussen leven kan geven.quot;

Freule von Marschall maakte eene krampachtige beweging; een gloeiend rood bedekte hare wangen en verspreidde zich zelfs over hare schouders en haren hals ; maar zij keerde zich niet om; zij ging bedaard verder, ofschoon zij hoorde, hoe de officieren lachten en fluisterden, en hoewel zij de onbeschaamde blikken voelde, waarmede zij haar volgden.

De Koningin en de prinsessen maakten de grande tournée door de zaal en mengden zich toen onder het gezelschap. De strenge dwang der étiquette had opgehouden, en men gaf zich tot aan het begin van het concert aaneen vroolijk en ongedwongen onderhoud over. Maar dit scheen weldra bij de Franse he officieren in eene verachtelijke, dolle uitgelatenheid te zullen ontaarden. Zij lachten en spraken buitengewoon luid; men zag hen gearmd langs de dames gaan, en hoorde, hoe zij elkander hunne opmerkingen mededeelden, welke dikwijls een gloeiend rood, of een plotseling verbleeken ten gevolge hadden.

Zelfs de Koningin bespeurde deze zonderlinge en ongewone opgewektheid der vreemde gasten, en om er een einde aan te maken, begaf zij zich met het Hof naar de concertzaal, en gaf aan de muziek bevel om te beginnen.

Maar ook dit middel scheen heden zonder gevolg te blijven. De koninklijke kapel speelde met meesterlijke nauwkeurigheid eene ouverture door den Koning gecomponeerd, en de zangers wedijverden in de kunstige voordracht van Ita-liaansche liederen ;dit alles deed echter de luide en levendig gevoerde gesprekken der Franschen niet verstommen. Zij babbelden lachend en vrij door, en noch de verbaasde blikken der prinsessen, noch de wenken van den opper-cere-moniemeester schenen eenigen indruk op hen te maken.

Ploiseling, terwijl er eene pauze inviel, hoorde men prinses

ocr page 75

05

Amalia, die van haar stoel was opgestaan en mijnheer von Pölinitz met haren waaier een wenk gegeven had om bij haar te komen, met een luide en schelle stem roepende: „Heer opper-ceremoniemeester, ik verzoek u deze schreeuw-wende papegaaien van de markiezin de Pompadour tot zwijgen te brengen. Men kan door hun getier de schoone muziek niet hooren! Zulke vogels passen wél in het galante boudoir van eene zekere markiezin, maar niet in het koninklijke paleis te Berlijn!quot;'

Mijnheer von Pölinitz ontstelde en sloeg een smeekenden blik op de prinses; maar onder de groep der Fransche officieren verhief een gemor van ontevredenheid, dat al luider en dreigender wordende, bijna de muziek, welke juist weder begon, dreigde te overstemmen.

De Koningin boog zich met een goedigen glimlach naar de prinses. — „Ik verzoek u zuster,quot; zeide zij: „denk er om, dat wij arme, weerlooze vrouwen zijn, en weinig in staat om ons te verdedigen. Houden wij ons alsot wij hunne ongemanierdheid in het geheel niet opmerkten, en vergeten wij niet, dat de Koning, mijn gemaal, ons de verplichting heeft opgelegd, deze Fransche heeren vriendelijk en met onderscheiding aan ons Hof te bejegenen.quot;

„En gij zijt altijd de slavin van de bevelen des Konings, dien gij veel juister uw „meester'' dan uw „gemaalquot; kon-det noemen!quot; riep de prinses verstoord.

„Gij hebt gelijk,quot; antwoordde de koningin; „en mijne ziel heeft hem tot haar meester aangenomen. Laat mij dus begaan, en beknor mij niet, wanneer ik hem gehoorzaam ben.quot;

,,Dat wil zeggen: gij wilt de lompheden dezer overmoedige Fransche heeren geduldig dragen T'

„Dat wil zeggen: ik zal mij moeite geven, ze niet op te merken,quot; zeide de koningin, hare aandacht weder aan de muziek schenkende.

Achter freule von Marschall stond intusschen mijnheer de Belleville, en terwijl het concert voortging, boog hij zich nabij haar oor, en sprak lang en levendig met haar. — Maar freule von Marschall antwoordde hem niet; noch zijne vurige liefdesbetuigingen, zijne heftige verwijten, zijn hartstochtelijk smeeken, of zijn stoute en beleedigende overmoed waren in staat haar * een woord, zelfs een Muhlbaoh, Frederik de Groote en sijn Hof. VII. 5

ocr page 76

66

blik te ontlokken. Toen echter het concert geendigd was en men zich naar de danszaal begaf, waar tot aan het souper zoude gedanst worden, keerde zich de schoone freule kalm en onverschillig naar mijnheer de Belleville.

„Mijnheer,quot; zeide zei: „ik verbied u mij langer met uwe nabijheid lastig te vallen en ik raad u, mij niet langer met deze ongepaste praatjes, welke gij wellicht op de straat te Parijs geleerd hebt, te beleedigén. Wanneer gij het evenwel mocht wagen, omdat gij mij wellicht voor hulpeloos en weerloos houdt, zeg ik u, dat mijn vader zoo even aangekomen is, en dat hij wel genegen zal zijn, mij van een lastig en onaangenaam gezelschap te bevrijden.

Zij had dit met zulk een luide en volle stem gesproken dat niet enkel mijnheer de Belleville, maar de geheele groep Fransche officieren die achter haar stonden, hare woorden gehoord hadden. Nu ging zij volkomen bedaard en rustig langs hen heen, en wendde zich tot een groot, reeds eenigszins bejaard heer die haar glimlachend beide handen toestak.

„Vader,quot; zeide zij : „God heeft u heden de gedachten ingegeven naar de stad te komen. Nu gij er zijt vrees ik niet meer, want ik weet dat gij mij beschermen zult.quot;

Intusschen had de muziek de ernstige en tevens bevallige melodie eener menuet begonnen, en de dansers naderden de dames om haar uit te noodigen. Maar zij deden dit op zulk een ongedwongen wijze en met zulk eene in het oog loo-pende achteloosheid, — zij mengden in de uitnoodiging zulke lichtzinnige en weinig eerbiedige woorden, dat de dames ontsteld terugweken, en slechts zwijgend en schuw hare dansers volgden.

Prinses Amalia had intusschen freule von Marschall bij zich laten roepen. Zij had de woorden van de freule vernomen, en was, terwijl de Koningin en de prinsessen aan de speeltafel gezeten waren, in de danszaal gebleven, om hare opmerkingen te maken, en den verderen afloop van het voorval met de freule na te gaan.

Zij reikte met goedigen lach de hofdame hare hand.

„Mijn kind,quot; zeide zij: „het verheugt mij, dat gij moed genoeg bezit, om die onbeschaamde dwazen te trotseeren. Ga zoo voort, en gij kunt op mijne bescherming en bijstand rekenen. Waarom danst gij niet?quot;

ocr page 77

67

„Gij ziet wel, dat men mij niet vraagt,quot; zeide de freule glimlachend.

Juist op dit oogenblik zag men eenige officieren met geveinsde haast de freule naderen, om haar ten dans te leiden; doch, toen zij op het punt waren haar de hand te bieden, maakten zij eene beweging, alsof zij de dame nu eerst herkend, — en zich vergist hadden ; haar daarna den rug toewendende, verwijderden zij zich, zonder een enkel woord van verontschuldiging te uiten.

De oogen der prinses gloeiden van toorn. „Ik beloof u,quot; zeide zij: „dat ik deze onbeschaamdheid bestralTen zal.quot; Toen wendde zij zich tot mijnheer von Marschall, die achter zijne dochter stond. — „ITeer baron,quot; zeide zij: „als het hier tot een duel komt, ben ik uwe secondante!quot;

VII.

IN DE VENSTERNIS.

Intusschen stond prinses Wilheltnine, de gemalin van prins Hendrik in een der groote vensternissen van de balzaal en onderhield zich met den graaf von Kalkreuth, den vriend en adjudant van haren echtgenoot, naar wien de graaf,— nu zijne wonden genezen waren en hij weder geheel hersteld was, — op het punt stond terug te keeren.

Zij waren in een levendig gesprek gewikkeld, en behandelden blijkbaar een gewichtig onderwerp; maar de muziek overstemde hunne woorden en maakte ze zelfs voor de naast-bijstaanden onverstaanbaar. Oogenschijnlijk was het over onbeduidende en onverschillige zaken, maar hunne woorden hadden wellicht eene diepe en geheimzinnige beteekenis; want zoowel het gelaat der prinses, als dat van den graaf was ernstig en somber, en de glimlach was van de bevallige trekken der prinses verdwenen. Zij spraken beide over overschillige zaken, omdat zij beide den moed niet hadden het groote woord: het woord van afscheid, uit te spreken.

ocr page 78

68

.„Uwe Koninklijke Hoogheid heeft mij dus geen anderen last op te dragen voor den prins?quot; vroeg de graaf na eene pauze.

„Neen,quot; zeide de prinses zacht: „ik heb hexn eerst gisteren geschreven, en mijn brief met een kourier verzonden. Gij zult den prins het feest van heden afschilderen, en hem mededeelen, hoe gij ons allen, — hoe gij mij gevonden hebt.quot;

„Dan zal ik hem ook mogen zeggen, dat Uwe Koninklijke Hoogheid volkomen tevreden, gelukkig, blakend van gezondheid en schoonheid waart, toen ik u verliet,quot; zeide de graaf.

Dit waren zeer eenvoudige, voor het oogenblik zeer gepaste bewoordingen, en tóch werden zij op een scherpen, bitteren toon geuit, en tóch sloeg de prinses hare groote oogen met bijna smeekende uitdrukking op den graaf. Toen maakte zij met haastige beweging eene bouquet van witte rozen, welke zij op hare borst droeg, uit den diamanten haak los, en reikte haar den graaf over.

„Als een teeken, hoe gelukkig en opgeruimd gij mij bevonden hebt,quot; zeide zij: „moet gij mijn gemaal deze bloemen brengen, en hem zeggen, dat ik mij op zijn feester mede getooid had.quot;

De graaf drukte zijne lippen op elkander, als wilde hij een kreet van toorn bedwingen en wierp een vlammenden blik op de prinses. Maar hij stak de hand niet uit, en scheen volstrekt niet te merken, dat zij hem de bouquet voorhield.

„Nu, mijnheer,quot; vroeg prinses Wilhelmine; „neemt gij mijne rozen niet aan'? ♦

„Neen,quot; zeide hij opstuivende: „ik neem ze niet aan!quot;

De prinses schrikte en zag angstig rond, als vreesde zij, dat iemand dit driftige „neenquot; mocht gehoord hebben. Maar met een diepe zucht overtuigde zij zich, dat geen luisteraar in de nabijheid was geweest. Hare hofdame, freule von Marschall, stond nog altijd bij prinses Amalia, en haar kamerheer sprak meteenige vreemdeofficieren. Daarenboven hield de eerbied een tamelijk groote ruimte om de prinses vrij, en plaatste haar zoodanig, dat zij haar gesprek gerust kon vervolgen.

„Waarom neemt gij mijne bloemen niet aan?quot; vroeg zij fier.

ocr page 79

69

De graaf trad dichter tot haar. — „Ik zal het u zeggen, prinses,quot; (luisterde hij: „ik moet het u zeggen, opdat de pijnlijke smart, welke als vuur in mijne borst brandt, mij niet doode. In neem uwe bloemen niet aan, omdat ik geen liefdebode tusschen u en uw gemaal wil zijn; omdat ik de vernedering en den smaad, welke in zulk eene boodschap voor mij liggen, niet kan ondergaan. Want, prinses, gij hebt hem vergeten, — maar ik herinner mij nog zeer goed dien heerlijken tijd, waarin ik, en niet de prins door u met zulk een kostbaar geschenk begiftigd werd. Toen liet gij mij hopen, dat dit gloeiend en onuitbluschbaar vuur, dat mijn geheele ziel, mijn geheele hart doet vlammen, in u eenigen weerklank vond; dat gij mij ten minste niet daartoe zoudt veroordeelen, onverhoord en onbegrepen te sterven!quot;

„Ik wist toen nog niet, dat mijn gemaal mij lief had,quot; lluisterde de prinses: „ik dacht dat ik vrij was, en het recht had om mijn hart, waarop niemand aanspraak maakte, weg te schenken aan wien ik goed vond.quot;

„Maar nauwelijks hadt gij vernomen dat de prins ubo-mindet, of gij wenddet u trotsch en koud van mij af,quot; vervolgde de graaf bitter: „zonder verschooning, zonder medelijden, zonder erbarming vertraptet gij mijn hart; en niet één blik, één woord heeft mij getoond, dat gij u ook slechts het verledene herinnerdet. O, ik zal u niet zeggen, wat ik toen geleden heb. Gij hebt een koud hart, en mijne smarten schijnen u slechts te kunnen verblijden. Maar ik zeg u, ik beminde u zóózeer, dat ik u bijna haatte; dat ik ia fle razernij mijner smarten u verwenschte en vervloekte; dat ik God dankte, toen de krijg kwam en mij dwong te doen, waartoe mij tot nog toe den moed en de zedelijke kracht ontbroken hadden: mij van u te verwijderen, om niet meer dagelijks uwe betooverende, uwe gehate trekken te zien; om niet gedoemd te zijn, er dagelijks getuige van te wezen, hoe uw gemaal u aanbad, en hoe gij hem met den glimlach der liefde aanmoedigdet. Ja, ik dankte God voor dezen krijg, want. nu kon ik hopen te sterven, zonder mijn naam door een zelfmoord te onteeren. Ik was dapper, omdat ik het leven verachtte ; ik stortte mij in de gelederen der vijanden, omdat ik onder hen den dood zocht. Maar de doodsengel des vredes versmaadde mij, zooals gij mij

ocr page 80

70

versmaad hebt. Men droeg mij nog levend van het slagveld, men bracht mij naar Berlijn, om hier genezing te vinden. Men wist niet, dat ik dagelijks nog nieuwe en smartelijker wonden zou ontvangen. Want gij zijt wreed geweest, — wreed tot op dit laatste oogenblik. Gij hebt gezien wat ik leed, maar gij waart onverbiddelijk. O, prinses, het ware beter geweest, dat gij mij van u ge-stooten hadt; dat gij mij den toegang tot uwe vertrekken geweigerd, — uit uwe nabijheid verbannen hadt; beter, duizend maal beter, dan dat gij mij veroordeeldet, het paradijs van uwe nabijheid als eene hel te gevoelen, en mijn hart te laten verstijven onder uwe vriendelijke, koude blikken, welke mij altijd aanlokten, en mij toch tevens op eerbiedigen afstand hielden. O, prinses, gij hebt wreedaardig met mü gespeeld, en wilt dit volhouden tot het laatste oogenblik! Gij wilt mij tot uwen pastilion d'amour bij den prins maken. Gij weet zeer goed, dat ik mijn har-tebloed er voor geven zoude, slechts ééne dezer bloemen te bezitten, en gij geeft ze mij, om ze aan een ander te brengen. Prinses, hier eindigt mijn ootmoed en onderworpenheid. Gij hebt als vrouw tegen mij misdaan, ik heb dus het recht u als man te antwoorden: ik neem deze bloemen niet aan, en zal ze niet aan uw gemaal overbrengen. En nu prinses, nu ik u alles gezegd heb, verzoek ik mij te mogen verwijderen.quot;

De prinses had hem bevend aangehoord; haar gelaat was allengs bleeker geworden, en afgemat leunde zij tegen den kant der nis. Toen nu de graaf zweeg, richtte zij zich met moeite weder op.

„Vóórdat gij nu gaat,quot; fluisterde zij : „hoor nog één woord van mij. Het kon gebeuren, dat de dood dien gij, zooals gij zegt, zoekt, door u op het slagveld gevonden werd, en dan zoude dit. ons laatste gesprek op deze wereld zijn. In zulk een oogenblik mag men wel elkander de waarheid zeggen, en de zielen, welke als in dichte sluiers gehuld tegenover elkander staan, mogen zich wel een oogenblik vrij en open vertoónen. Wat ik u zeggen wil, moet gij, indien gij valt, als mijn geheim mede in het graf nemen; maar, wanneer God mijne gebeden verhoort, en gij eens terugkeert, eisch ik van u, dat gij het vergeet, en er mij nooit aan herinnert. — Gij hebt gezegd, dat ik een koud hart

ocr page 81

71

heb; maar ik smoorde slechts zijne vlammen, welke in mij brandden, omdat ik niet wilde, dat zij door haren gloed mijne eer en mijn plicht tot asch zouden doen verteeren. Gij hebt gezegd, dat mijn blik nooit somber is geweest, dat mijne oogen nooit geweend hebben; doch geloof mij, ik heb innerlijk geweend en de tranen, welke men ongezien naar het hart laat terugvloeien, zijn bitterder dan duizend, welke men naar buiten weent. Gij verwijt mij, dat ik nu, terwijl gij ziek en gewond bij mij kwaamt, u niet van mij gestooten, — niet mijne deur voor u gesloten heb. Ach, ik wist wel dat het mijn plicht was; ik heb God duizendmaal op mijne knieën gesmeekt mij de kracht te ver-leenen het te doen; maai1 God heeft mijne bede niet verhoord, en wilde Zich mijner niet erbarmen. Ik kon u niet bevelen heen te gaan, want hadden mijne lippen het gedaan, dan zou de luide, wanhopende kreet mijns harten u teruggeroepen hebben; mijne hand heeft de kracht niet gehad, om mijne deur voor u te sluiten, want mijne ziel hield haar gekluisterd en verlamde haar. Mijne lippen konden wél weigeren te antwoorden op uwe vragen, welke ik op uw gelaat, in uwe zuchten, in uwe zwaarmoedigheid las. maar mijn hart heeft u evenwel geantwoord; want helaas, evenmin als gij, heb ook ik kunnen vergeten; gelijk gij, herinnerde ik mij dat schoon en heerlijk verleden en zal het nooit mijn gemaal kunnen vergeven, dat hij zich als een scheidsmuur tusschen u en mij heeft geplaatst. Nu weet yii alles, ga nu heen; en daar gij deze bloemen niet aan mijn gemaal wilt geven, behoud ze dan voor u; want ik wil het wel bekennen, deze bloemen waren voor u bestemd, en ik heb ze in mijne tranen gedoopt. Vaarwel!quot;

Zij reikte hem de bloemen over, en toen trad zij zonder hem verder aan te zien, zonder hem tijd tot antwoorden te laten, — uit de nis en wenkte haar kamerheer.

„Mijnheer von Saldow,quot; zeide zij: ,,vergezel, als het u belieft, mijnheer den graaf, en geef hem de boeken en papieren welke mijn echtgenoot gevraagd heeft.quot;

Toen ging zij verder, fier en rustig, en met een glimlach op de lippen, waarvan niemand vermoedde, wat deze haar hart kostte. Niet éénmaal zag zij om, en toch had graaf von Kalkreuth er een jaar levens voor gegeven, slecht nog met één blik van dit schoone, edele gelaat af-

ocr page 82

I

72

scheid te nemen; met een blik vergiffenis te vragen voor de harde en ruwe woorden, welke hij gewaagd had tot haar te spreken. Maar prinses Wilhelmine had met opzet den scheidsmuur, welke de wereld tusschen hen had opgetrokken, en welke de liefde voor een kort oogenhlik had doen vallen, weder tusschen hem beide geplaatst. Haar hart bezat nog den zedigen schroom der deugd, en na de bekentenis, waagde zij het niet, hem weder aan te zien.

De graaf moest zich erin schikken, den kamerheer volgenen zich tot het vertrek voorbereiden; maar hij deed dit alles in een'e soort van verdooving, in eene verwarde en verrukkende bedwelming, en het Slot verlatende, en uitzijn rijtuig voor het laatst naar de verlichte ramen opziende, achter welke zij vertoefde, fluisterde hij ; „Ik zal niel sterven ; ik zal terugkeeren en haar aan dit uur herinneren !quot;

Toen drukte hij de bloemen, welke hij tot nog toe aan zijne borst onder zijne kleederen had verborgen, aan zijne lippen, en leunde droomend in de kussens van het voortrollend rijtuig.

VIII.

DE NOTENDOPPFN ACHTER DEN LEUNINGSTOEL DER KONINGIN.

Er was geen spoor van het doorgestane zieleleed op het schoon gelaat van prinses Wilhelmine zichtbaar, toen zij nu door de danszaal schreed, om zich naar prinses Amalia te hegeven. Een oogenhlik toefde zij nog achter de paren, welke juist eene francaise dansten, die de Fransche officieren aan de dames, als den nieuwsten dans uit Parijs, geleerd hadden. Het was een bevallig tegemoetkomen en ontvlieden, een toenaderen en vermijden in dezen dans,

ocr page 83

73

waarin de dames tegenover hare cavaliers stonden, en hen nu eens in aanvallige bewegingen te gemoet gingen, hen dan weder in lokkenden haast schenen te ontvluchten, om vervolgens door hen in kunstige toeren achtervolgd te worden, totdat bij het einde van den dans de handen der damés en die hunner dansers zich in elkander voegden, en zij nu paarsgewijze in den aanvalligen menuet-pas de zaal rondgingen.

Prinses Wilhelmine had slechts droomend, en zonder op den dans te letten, er bij geslaan. Zij zag nauwelijks, dat de dans nu geëindigd was, en merkte niet dat de muziek verstomde. In hare ooren klonk eene geheel andere, eene schoonere melodie; zij meende altoos nog zijne stem te hooren, welke haar woorden van vertoornde liefde en wanhopige drift toesprak. Maar de stilte, welke op den dans en de muziek volgde, deed haar uit hare droomen ontwaken en zij stapte verder. Plotseling werd deze stilte door de welbekende, schrille stem van prinses Amalia gestoord.

„Hoe bevalt u die dans, baron von Marschall?quot; zeide zij: „De Fransche olïicieren hebben dien onze dames geleerd, als een tegengeschenk voor den anderen dans, welken deze heeren van de mannen dezer dames bij Rossbach geleerd hebben. Bij Rossbach evenwel ging die dans in een veel sneller en vlugger tempo, en wanneer de Fransche heeren dezen avond altijd zooveel en avant commandeerden, was het zeker, omdat zij bij Rossbach zooveel en arriére hadden geschreeuwd!quot;

Eene doodsche stilte volgde op deze bijtende woorden der prinses, en men kon in eiken hoek van de zaal het heesche hoongelach hooren, waarmede zij, haren uitval besloot. Toen stond zij op, en op den arm van baron von Marschall leunende, ging zij prinses Wilhelmine tegemoet, daarbij haar scherpen, stekenden blik op de groepen officieren slaande, die hier en daar bijeengekomen waren en fluisterend en druk met elkander spraken.

Plotseling trad mijnheer de Belleville aan den arm van een ander officier uit eene dezer groepen te voorschijn, en

Jing lachend en snappend, zonder op de tegenwoordigheid er prinsessen te letten, met hem heen en weêr. Toen naderde hij liet orkest, en riep op vroolijken toon; „Messieurs, hebt de goedheid eene duitsche wals te spelen.ing lachend en snappend, zonder op de tegenwoordigheid er prinsessen te letten, met hem heen en weêr. Toen naderde hij liet orkest, en riep op vroolijken toon; „Messieurs, hebt de goedheid eene duitsche wals te spelen.

ocr page 84

74

maar in een vlug tempo, zooals de Oostenrijkers bij Hoch-kirch gespeeld hebben, toen zij de Pruisen voor zich uitdreven, — of zooals de veldmaarschalk Broglio bij Berlijn speelde, toen hij de Pruisen verjoeg. Speelt op, messieurs; komt aan, speelt op!quot;

Dit gezegd hebbende, snelde hij al huppelende naar freule von Marschall, die naast haren vader stond. Zonder eenige buiging, greep hij haar bij de hand.

„Kom, ma toute bellequot; zeide hij: „gij hebt heden reeds lang genoeg voor marmerbeeld gespeeld. Nu is het tijd, om in mijne armen tot het leven te ontwaken. Kom dus, en laat ons uwe onzedelijke duitsche wals dansen, iets dat bij ons geene fatsoenlijke vrouw zou wagen te doen! Kom dan !quot;

Hij wilde de freule met zich trekken, maar plotseling legde zich eene hand zwaar en krachtig op de zijne, en slingerde die terug.

„Ik heb u laten uitspreken,quot; zeide baron von Marschall koud en bitter: „ik verwachtte van u een weinigje van de geroemde galanterie, waarop de heeren Franschen zoo trotsch zijn. Het schijnt intusschen, alsof nu te Parijs een vreemde toon heerscht; een toon, welke wel voor de boudoirs der maitressen, — maar niet voor de ooren van fatsoenlijke dames past. Ik verzoek u dus, dezen toon hier niet aan te slaan, omdat ik vast besloten heb dit niet te dulden!''

Mijnheer de Belleville barstte in schaterend gelach uit, en zag den baron met onbeschaamden blik van zeer nabij aan.

— „En wie zijt gij dan, monsieur,quot; vroeg hij: „hoe komt gij aan de onbeschaamdheid, mij, die de eer heb u niet te kennen, iets te verzoeken?''

„Ik ben baron von Marschall, de vader dezer dame, die gij hebt durven beleedigen!quot;

Mijnheer de Belleville lachte nu nog luider dan vroeger.

— „Wel, dat is een aardig sprookje, dat gij mij daar vertelt!quot; zeide hij; „Hoe, mijnheer; gij, die de ïeelijkheid van een baviaan en de oogen van een bunsing geleend hebt, gij wilt de vader van de schoone freule Marschall zijn ? Och, mijnheel', maak dat anderen wijs. Ik kan aan zulk afdwalingen der Natuur niet gelooven, en ik herhaal dus mijne vraag; Wie zijt gij, en hoe is uw naam, mijnheer?,,

„En ik herhaal u; ik ben baron von Marschall, de vader dezer dame.quot;

ocr page 85

75

Mijnheer de Belleville boog spottend. — „Welaan, mijnheer,'' zeide hij glimlachend: „als mevrouw von Marschall in staat is geweest, u dit te doen gelooven, bewijst dat, dat zij eene zeer verstandige en bespraakte dame is, en dat (jij een lichtgeloovig echtgenoot zijt!quot;

„Wellicht ben ik minder lichtgeloovig dan gij denkt,quot; zeide mijnheer von Marschall bedaard: „het zoude mij, bij voorbeeld, moeielijk, — ja .onmogelijk zijn te gelooven, dat (jij wezenlijk een edelman zijt; terwijl ik u van mi/verzekeren kan, dat ik niet enkel een edelman, —maar ook een man van eer ben!quot;

Mijnheer de Belleville was op het punt een toornig en passend antwoord te geven, toen de deuren van de eetzaal geopend werden, en eene zee van lichten een welriekende geur zich in de zaal verspreidden.

In hetzelfde oogenblik trad de Koningin met de prinsessen en haar geheele gevolg uit de speelzaal in de zaal, en bracht door hare verschijning elk gesprek en elke luide uitdrukking tot zwijgen.

Zwijgend en met een zachten glimlach stapte de Koningin door de zaal, om zich naar de tafel te begeven, en voor hare stille, reine grootheid bogen alle hoofden, en vestigde zich elke blik op den grond.

Nadat de Koningin was gezeten, gaf de opper-ceremonie-meester het teeken, dat het ook alle overige gasten vrij stond plaats te nemen, en nu schetterden de trompetten; nu vlogen de bedienden in hunne gouden livreien op en neder, om op zilveren borden den gasten der Koningin de uitgezochte, geurige spijzen te reiken, welke het vindingrijke hoofd van mijnheer von Pöllnitz voor heden avond had gekozen.

Niets is meer in staat de gemoederen tot bedaren te brengen, dan een kostelijk, keurig maal, en de overmoedige Fransche heeren hadden spoedig bij de heerlijke gerechten hun toorn en hunne geknakte ijdelheid vergeten, en deden zich te goed aan de tafel des Konings, en aten en dronken ter eere van den dapperen en stoutmoedigen prins, die hen van Rossbach hier heen had gezonden. — Maar hoewel de lekkere spijzen hen hun toorn had doen vergeten, bezielde echter weldra de vurige wijn hun licht-zinnigen overmoed nog sterker en deed hen vergeten, dat

ocr page 86

76

zij zich aan de tafel der Koningin bevonden. Al luider en uitgelatener werd hunne vroolijkheid; al luider enachte-loozer hun onbeteugeld gelach, en in hun^ dolzinnigen overmoed waagden het zelfs eenige van hen die kleine puntige, dubbelzinnige liedjes half luid te neuriën, welke het volk in Parijs placht te zingen, en welke de markiezin de Pompadour, — wanneer zij door de heeren van haar hof werden voorgedragen, — niet kon aanhooren zonder tranen te storten van lachen.

Het was tevergeefs, dat de hofmaarschalk hen zacht en met alle vormen van beleefdheid verzocht aan tafel niet te zingen.

„Wij hebben zoolang het onaangename en vervelende gekras van uwe zangers moeten hooren, dat wij ons nu wel een weinig mogen schadeloos stellen. Bovendien,quot; zeide mijnheer de Belleville: „behoort het nu tot den hon ton aan tafel te zingen, en de heeren en dames moesten ons bedanken, wanneer wij hier de nieuwe modes van Parijs invoeren.quot;

Zij zongen, praatten en lachten, zoodat zij door hun luid gesnap de muziek, wier schetterende tonen door de zaal weergalmden, overstemden. Hoe langer de tafel duurde, des te meer steeg de overmoed der Fransche officieren, en zelfs hunne lotgenooten, de Üostenrijksche en Russische officieren, zagen hen ontsteld aan, en verzochten hun eindelijk bijna luide, hunne dolle en ongepaste vroolijkheid te beteugelen.

Maar de Franschen sloegen er geen acht op; ja, mijn-beerde Belleville en eenige zijner vrienden waagden het zelfs, gedurende het dessert van tafel op te staan, en naar de tafel te gaan, waaraan de Koningin met de prinsessen zat, en die van de overige tafels gescheiden, midden in de zaal stond. Met stouten en onbeschaamden blik zagen zij de prinsessen aan, en zich achter den zetel der Koningin plaatsende, begonnen zij met groot geraas noten te kraken, waarvan zij de doppen achteloos naast de Koningin op den grond lieten vallen. ^

De Koningin bleef glimlachend en vriendelijk met de

[_ 1) Thiébault. Vol. II, p. 90.

ocr page 87

77

naast haar zittende prinses Wilhelmine doorspreken, en scheen volstrekt geen vermoeden te hebben van de onbetamelijkheden, welke achter haar rug plaats vonden; alleen was haar gelaat bleeker dan gewoonlijk, en hare oogen waren als door tranen beneveld.

„Ik bid Uwe Majesteit,quot; fluisterde prinses quot;Wilhelmine: „om de tafel ^p te helfen, want zie slechts het van toorn gloeiende gelaat van prinses Amalia. Er is een onweder in aantocht.quot;

„Gij hebt gelijk; het is het beste middel om aan deze folteringen een einde te maken,quot; zeide de Koningin zacht, van tafel opstaande en daarmede het teeken tot algemeen vertrek gevende.

Terwijl de Koningin met haar Hof de zaal verliet naderde baron von Marschall den heer de Belleville.

„Mijnheer,quot; zeide hij; „ik heb reeds vroeger gezegd, dat ik mijne lichtgeloovigheid niet zóóver dreef, u voor een edelman te houden. Gedurende de tafel hebt gij bewezen, dat ik gelijk had dit te betwijfelen; want gij en uwe vrienden hebt voldoende bewezen, dat u de plichten van een edelman en cavalier, waarnaar men zich in gezelschap moet gedragen, vreemd zijn.quot;

„Zoo? riep Belleville, bevend van toorn; „dezebeleedi-ging vordert voldoening!quot;

„En ik ben bereid ze u te geven,quot; zeide mijnheer von Marschall; „heb de goedheid den tijd en de plaats onzer samenkomst te bepalen.quot;

„Gij weet immers wel,quot; riep mijnheer de Belleville; „dat ik een arm gevangene ben, die zijn woord van eer gegeven heeft, zijn zwaard niet te zullen gebruiken.quot;

„En gij waart dus zoo overmoedig en onbeschaamd,quot; zeide mijnheer von Marschall; „omdat giju volkomen beveiligd kondet achten, daar gij wist, dat men u, dank zij uw woord van eer, er niet voor tuchtigen kon.quot;

„Mijnheer,quot; schreeuwde Belleville; „gij vergeet, dat gi] niet enkel met een edelman, - maar ook met een soldaat spreekt!quot;

„Neen; ik weet, dat ik met een Fransch soldaat van Bossbach spreek, die daar zijn poedermantel en pomade-potjes verloren heeft!quot;

Nu greep Belleville, buiten zich zeiven van toorn, naar

ocr page 88

78

zijn zwaard, dat hij half uit de schede trok. — „God zij dank, ik heb een zwaard om zulke beschimping te wreken!quot; schreeuwde hij: „Ik heb mijn woord van eer gegeven, mijn degen niet in den strijd tegen de Pruisen te trekken, maar wij zullen hier man tegen man, en niet in een veldslag tegenover elkander staan, en ik zal daardoor mijn woord niet breken. Ik daag u dus uit, mijnheer; ik daag u uit! Ik wil voor deze beleodiging voldoening hebben. Gij hebt mij beleedigd als edelman, als soldaat en als Franschman; gij zijt mij voldoening schuldig, en niets zal mij zulks beletten. Ik mag mijn zwaard niet gebruiken, — welnu, nemen wij dan pistolen; en wat tijd en plaats betreft,zal ik u morgen te acht uur in den Thiergarten verwachten.quot;

„Ik neem uwe voorwaarden aan, en verwacht u met uwe secondanten,quot; zeide mijnheer von Marschal, buigende.

„En wanneer mijnheer de baron nog geen secondant gekozen heeft,quot; zeide een zachte stem achter hem: „verzoek ik hem, mij daarvoor aan te nemen.quot;

Mijnheer von Marschall keerde zich om, en zag een officier in Oostenrijksche uniform voor zich staan.

„Graaf Ranuzi!quot; riep Belleville verbaasd: „Hoe, monsieur, gij biedt u mijn tegenstander als secondant aan ? Ik dacht er juist over u te kiezen!quot;

„Dit vermoedde ik,quot; zeide Ranuzi met zijn gewonen, fijnen lach: „en daarom wilde iku voorkomen. Het recht is volkomen aan de zijde van mijnheer den baron von Marschall; en wanneer ik mij als diens secondant aanbied, doe ik zulks in naam van alle hier aanwezige Oostenrijksche officieren, die, even als ik, met een pijnlijk gevoel de tooneelen van dezen avond aanschouwd hebben. Zonder twijfel zal de wereld er van gewagen, en daarom willen wij door een openlijke verklaring toon en, dat wij het gedrag der heeren Franschen volkomen afkeuren. De notendoppen achter den zetel der Koningin hebben ons tot uwe tegenstanders en tegenpartij gemaakt, mijnheer de Belleville!quot;

„Maar wij vechten niet om deze beleediging, maar om die, welke mijnheer von Marschall zich tegen mij veroorloofd heeft!quot; riep mijnheer de Belleville: „Blijft gij dan óók nog den secondant van mijn tegenstander?quot;

„Ik moest u wel beleedigen,quot; zeide mijnheer von Marschal : „omdat gij mij wegens de notendoppen geene vol-

ocr page 89

79

doening wildet geven; maar wees overtuigd, dat ik niet met u vecht, opdat gij met mijn bloed deze beleediging zoudt kunnen uitwisschen, maar enkel en alleen daarom, opdat uw bloed de notendoppen bij de zetel der Koningin uitwissche.quot;

En zich toen tot graaf Ranuzi wendende, vervolgde hij : „Ik neem uw aanbod aan, mijnheer, en verheug mij in u met een waarachtig edelman kennis te maken. Heb de goedheid met den secondant van mijnheer de Belleville de noodige afspraken te maken, en sta mij toe, u morgen te mogen athalen. Ik heb er slechts bij te voegen, dat, wanneer de heeren soms voorstellen tot minnelijke schikking mochten willen doen, ik volstrekt niet genegen ben daarin toe te stemmen. Pruisen en Frankrijk zijn met elkander in krijg, en nu mijn koning geen vrede gemaakt heeft, wil ik er óók niet van hooren. De notendoppen liggen nog achter den zetel der Koningin, en slechts het bloed van mijnheer de Belleville kan de sporen van deze laaghartige beleediging wegspoelen.quot;

Hij boog zich glimlachend voor Ranuzi en verwijderde zich tqen, om zich naar zijne dochter te begeven, die hem bleek en sidderend in de naaste zaal wachtte.

„O, vader!quot; riep zij, in tranen uitbarstende; „om mij wilt gij uw leven in gevaar stellen, — om mij den dood te gemoet gaan!quot;

Haar vader legde goedig glimlachend zijn arm op haar schouder. — „Neen, mijn kind,quot; zeide hij: „niet om m ! Uw naam zal, Gode zij dank, in deze zaak nietgenoemd worden ; en wanneer ik duelleer, zijt gij niet de aanleiding, en niemand zal kunnen zeggen, dat de gekrenkte vader de beleediging zijner dochter moest wreken. De wereld zal daarvan niets vernemen; en wanneer ik morgen met mijnheer de Belleville vecht, geschiedt zulks volstrekt niet om u, maar alleen om de notendoppen achter den zetel dei-Koningin!quot;

ocr page 90

80

IX.

f

BET DUEL EN ZIJNE GEVOLGEN1.

De zon was den volgenden morgen nog niet geheel opgegaan, toen men twee ruiters de Linden zag afrijden. Hun luid gesprek en vrooljjk, overmoedig gelach wekte de nieuwsgierigheid der portiers, die geeuwend in de huisdeuren stonden, en ook de meiden, die met het schoonmaken der vertrekken bezig waren, openden de ramen en keken met verbazing die beide fraaie, keurig gekleede Fransche officieren na, die op zulk een ongewoon vroeg uur reeds een wandelrit naar den Thiergarten deden.

Mijnheer de Belleville wierp de meisjes, als zij er jong en bevallig uitzagen, in het voorbijrijden kushandjes toe, met verzoek, die met zijne hartelijkegroete aan hare schoo-ne meesteressen af te geven,

„Gelukkig inderdaad,'' merkte zijn begeleider aan; „verstaan die goede Berlijnsche meisjes onze taal niet genoeg, om hare meesteressen de jongste onbeschaamdheid van mijn heer de Belleville te kunnen overbrengen,quot;

„Zy verstaan onze taal niet, maar bare meesteressen wel en gij verbeeldt u toch soms niet, dat zij dezen morgen nog slapen? Neen; ik ben stellig overtuigd, dat zij beden vroeg genoeg zijn opgestaan, om achter hare bedienden verscholen, ons te zien voorbijrijden. Want gij weet wel, wie hier in deze straat en in deze buizen wonen? Het zijn de grooten der wereld, zooals men ze hier noemt; en deze waren natuurlijk gisteren op het Slot, en weten dus ook van ons duel.

O, ik verbeeld mij, dat onze goede markiezin mij eens schitterend voor dat duel beloonen zal; en als ik haar vertel, dat ik achter den leunstoel der Koningin als een gamin, als een straatjongen, in het Palais royal noten heb gekraakt, en dat ikom de doppen geduelleerd heb, zal zij tranen lachen; tranen, die ik in brillanten zal trachten te veranderen.quot;

ocr page 91

81 •

„Gij zijt dus stellig overtuigd, ongedeerd uit het duel te komen ?quot; vroeg de secondant.

„Och, hoe kan ik daar aan twijfelen? Ik, die bij ons heerlijk schijfschieten te Versailles den prijs behaald heb, en dan die domme Duitsche landjonker, die zonder twijfel reeds ontstelt bij de gedachte van niet op musschen, maar wel op menschen te moeten schieten. Neen, waimeni; ik twijfel volstrekt niet aan mijne overwinning, en verheug mij reeds op het déjeuner dinatoire, waarmede onze vrienden onze overwin ning denken te viei'en.quot;

„Maar,quot; zeide zijn secondant: „stellen wij eens het ongelukkig geval, dat gij niet overwint. Men moet toch in deze slechte, door toeval bestuurde wereld altijd op het ergste voorbereid zijn, — zoudt gij mij, in dit geval, niets hebben op te dragen?quot;

Mijnheer de Belleville hield zijn paard in, dat juist den weg naar den Thiergarten wilde inslaan. „Gij blijft er dus bij, mij volstrekt te willen begraven ? Nu, ik zal u voor dit geval mijn testament bekend maken. Gij begeett-u dadelijk naar mijn kwartier, opent met dezen sleutel mijn lessenaar, treH er het onderste laadje links uit, en drukt op een knopj^ dat gij daar zult vinden. Daardoor zult gij eene andere lade zien uitspringen, waarin brieven en papieren liggen. Deze pakt gij met zorg in en zendt ze, langs den u bekenden weg, aan den graat Bernis te Parijs. — Wat mijne nalatenschap betreft, weet gij, dat ik nooit geld, — maar altijd schulden heb. Mijne kleederen en goederen kan mijn trouwe knecht Franpois behouden, dien ik reeds sedert een jaar geen loon meer betaald heb. Hiermede is mijn testament gemaakt. Maar de hoofdzaak had ik bijna vergeten. Mocht het onwaarschijnlijke en schier onmogelijke geval gebeuren, dat die duitsche domme duivel mij doodde, dan vermaak ik aan de Fransche officieren de verplichting om mij te wreken, en mijne wraak op de overmoedige dochter van mijn tegenstander, evenals op al deze preutsche en vervelende beautés, tot de hunne te maken. Zij moeien dan ten uitvoer brengen, wat ik heden doen wilde, en waarvan ik u gisteren avond het plan mede-d'eelde. Ik heb dezen nacht de lijst opgemaakt en er eenige aanmerkingen bijgevoegd. Er moeten nog zóóveel afschriften gemaakt worden als noodig zijn om op de geschikte Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Sof. VII. 6

ocr page 92

8'2

plaatsen aangeplakt te kunnen worden. Indien ik sneuvel, dan moet het den volgenden nacht geschieden, opdat mijne dwalende schim in het bewustzqn der wraak rust moge vinden. Mocht de kogel van mijn tegenstander mij trelfen, dan snelt gij dadelijk naar mij toe, en voor dat iemand het waagt de hand aan mij te slaan, neemt gij eerst uit mijn borstzak het papier, dat gij daarin zult vinden, en steekt het bij u. Het bevat genoemde lijst en ook mijn legaat aan mijne vrienden. Zweer mij, juist zoo te handelen als ik u gezegd heb ?quot;

„Ik zweer het u!quot;

,,En nu, mon ami, laat ons deze vervelende gedachte aan den dood vergeten, en het leven vroolijk en stout onder het oog treden; want het leven zal niet den moed hebben om van den dapperen zoon van la helle France te scheiden!quot;

Hij trok de teugels aan en vloog door de poort naar den Thiergarten. Zich vervolgens links wendende reed hij met zijn geleider een tijdlang in de schaduw der boomen, sloeg toen eene zijlaan in, welke naar eene opene plaats, door hooge eiken ingesloten, voerde.

Toen hij nu het ratelen van een rijtuig vernam, keerde hij zich om, en begroette met vroolijken lach de beide heeren, die in eene opehe kales kwamen aanrijden.

Hij hield zijn paard in om aan hunne zijde te rijden, en toen het schoone en fiere dier de sporen in de zijde drukkende, liet hij het allerlei moeielijke]en kunstige bewegingen maken, welke den stouten ruiter in al de schoonheid van zijn laffen overmoed vertoonden.

Op de afgesproken plaats aangekomen, sprong hij vlug uit den zadel, en bond zijn paard aan een der boomen vast. Toen naderde hij baron von Marschall, die juist achter graaf Ranuzi uit het rijtuig steeg.

„Men kan inderdaad niet voorzichtiger zijn, dangijzijt, mijnheer,quot; zeide hij lachend: „zich in een rijtuig naar een duel te begeven, — inderdaad dat is eene zeer wijze voorzichtigheid, vooral in het tegenwoordig geval.quot;

„Eene voorzorg,. welke ik nu om genomen heb,quot;

zeide mijnheer von Marschall ernstig; „gij zult een rijtuig noodig hebben, en begrijpende, dat gij als vreemdeling in Berlijn geen rijtuig hier hadt, heb ik het mijne

ocr page 93

83

medegebracht. Gij kunt er u dus straks van bedienen.quot;

„O, zoo! Gij zijt al te goed; ik hoop van deze goedheid geen gebruik te maken!quot;

Nu naderde Ranuzi den baron, om volgens bet gebruik, eene laatste poging tot verzoening te doen.

„Mijnheer de graaf,quot; zeide deze ernstig: „gij weet wel, dat ik de schuldige niet ben, en daarom geen stap tot verzoening doen kan, en ik denk dat mijnheer de Belleville dat evenmin zal willen doen.quot;

„Ik denk mijnheer den baron te bewijzen, dat ik een edelman ben, en nog wel een dapper edelman,quot; zeide mijnheer de Belleville lachend: „en wat de noten betreft welke ik achter den zetel der Koningin gekraakt heb, betreur ik het slechts in zóóverre, dat zij voos waren, zooals alles hier in uw afschuwelijk Berlijn is!quot;

„Neen, mijnheer, allen waren zij niet voos,quot; zeide mijnheer von Marschall, den haan van zijn pistool spannende: „in één dier noten zat een doodworm, wélke spoedig aan uw vleesch zal knagen.''

Dit zeggende boog hij even voor mijnheer de Belleville, en ging op de door zijn secondant aangewezen plek staan.

Nu naderde de secondant mijnheer de Belleville en geleidde hem naar het uiterste gedeelte van de kampplaats.

De Franschman barstte in luid gelach uit. „Hoe,quot; zeide hij: „wilt gij mij aan het einde der wereld plaatsen, om voor den kogel van mijn tegenstander beveiligd te zijn!quot;

„Mijnheer,quot; riep de ernstige en plechtige stem van mijnheer von Marschall; ,.gij staat altoos nóg te dicht bij.quot;

„Nu dan, heer baron,quot; zeide Belleville glimlachend, op zijn hiel ronddraaiende: „ik laat u het eerste schot, ofschoon ik wel weet, dat ik u het eerst uitgedaagd heb. Den ouderdom echter komt de voorrang toe. Schiet!quot;

Neen jonkman,quot; zeide mijnheer von Marschall bijna treurig: „ik wil u nog een oogenblik den aanblik der zonen der frissche Natuur gunnen. Gij moet dus het eerste schot hebben, en ik raad u, laat uwe lichtzinnigheid varen; schiet met vaste hand en mik goed, want wanneer gij mist, zijt gij verloren. Ik ben een goed schutter, en ik zeg u, ik zal geen medelijden hebben!quot;

Er lag zóó veel overtuigends, en onheilspellends in zijn toon, dat mijnheer de Belleville er ondanks zich zei ven

ocr page 94

84

door geroerd werd. Voor het eerst betrok zijn voorhoofd en eene bleeke kleur bedekte zijn gelaat. Maar hij bedwong dit huiverig voorgevoel en hief zijn arm op.

Ver door het park dreunde de knal van het schot, maar ginds aan de andere zijde stond zijn tegenstander vast en rechtop als te voren, met zijn ernstigen blik op hem gevestigd.

Mijnheer de Belleville wierp zijn pistool weg en met een vroolijk glimlachje zijn gouden snuitdoos uit zijn borstzak halende, speelde hij met zijne blanke, met kanten manchetten omgeven vingers op den gouden deksel der doos. Toen opende hij haar langzaam en bedaard en voorzichtig een snuifje nemende, zeide hij: „Ik verwacht uw kogel!quot;

Mijnheer von Marschall hief het pistool op en mikte recht op het hoofd van zijne tegenpartij, die hem vast en glimlachend aanzag. Maar de aanblik van dat jonge, frissche en fiere gelaat, roerde ondanks zich zeiven, het edel en grootmoedig hart van den Duitscher.

Hij liet zijn arm weder zakken. — „Mijnheer,quot; zeide hij: „gij zijt nog zoo jong, het leven kan u nog beter maken; ik zal u daarom niet dooden. Intusschen, omdat gij voor uw leven eene doortastende les en vermaning behoeft, zal ik u die geven. Ik zal u door het rechterbeen boven de knie schieten.quot; ^

En het pistool snel opheffende, schoot hij.

Toen de kruitdamp was opgetrokken, lag mijnheer de Belleville bloedend aan de andere zijde op den grond. -Mijnheer von Marschall had woord gehouden; alleen was zijn schot niet boven de knie, maar door de knie zelve gegaan en had zijne knieschijf verpletterd.

Toen zijn secondant zich over hem heenboog, fluisterde mijnheer de Belleville met gebroken oog en flauwe stem : „Het testament! Vergeet mijn testament niet; want ik geloof dat ik sterf! De pijnen zijn ondragelijk!''

De Franschman nam het papier uit den borstzak van den gewonde, en stak het bij zich.

„Ik zal gewroken worden!quot; prevelde Belleville met een stuiptrekkenden lach; toen zonk hij bewusteloos neder.

1) Eigen woorden van baron von Marschall. Zie Thiébault. Vol. III, p. 259.

ocr page 95

85

Men bracht hem in het rijtuig van mijnheer von Mar-schall, en reed langzaam naar de stad terug.

Mijnheer von Marschall begaf zich dadelijk naar den commandant van Berlijn, om hem het gebeurde te berichten en zich als arrestant te melden.

De commandant reikte hem glimlachend zijne hand. „De wetten verbieden het duel,quot; zeide hij; „en ik moet u natuurlijk tot op hooger bevel als arrestant aannemen. Dat is te zeggen; ik geef u huis-arrest, en gij belooft mij op uw woord van eer voorloopig uw huis niet te verlaten. Intusschen zal ik onmiddelijk een koerier naar den Koning zenden. Ik was gisteren op het Slot getuige van de aanleiding tot dit duel; getuige van het gedrag van die heeren Franschen, en ik kan u de verzekering geven, dat ik in uwe plaats evenzoo zou gehandeld hebben.quot;

De Fransche heeren vervulden de belofte, welke zij hun gewonden kameraad gegeven hadden. Hij had hun ais zijn testament de verplichting opgelegd, zijne wraak op freule von Marschall en de overige dames van het Hof en van de groote wereld, over te nemen, en zij deden het.

Op den morgen na het duel zag men op alle hoeken van de hoofdstraten van Berlijn groote beschreven plakkaten aangeplakt, waarbij zich spoedig eene menigte menschen verzamelden, die met verbazing en toorn, met hoongelach, met woede of met innerlijk genoegen de ongehoorde dingen lazen, welke daar op die plakkaten geschreven stonden.

Zij bevatten eene volledige lijst van alle jonge en schoone dames van het Hof en de stad; bij eiken naam was een be-leedigd signalement der dame gevoegd; verder de namen van die Fransche officieren, die zij hare gunsten geschonken hadden, en tevens was de prijs opgegeven, waarvoor deze dames hare gunsten aan de Franschen verkochten! ^

Een kreet van verontwaardiging en toorn ging door geheel Berlijn. Elkeen was verbitterd wegens dien smaad, wegens de grenzen looze onbeschaamdheid der Fransche gevangenen, en zelfs het volk trok partij voor hèn, die het anders placht te benijden en te haten, — voor de aanzienlijken en rijken. Zelfs het volk voelde zich beleedigd wegens den hoon, dien

1) Thiébault. Vol. II, p. 90.

ocr page 96

86

de Fransche officieren aan de edele dochters van Pruisische mannen hadden aangedaan, en men had geene politie noo-dig om deze plakkaten van de muren te verwijderen. Het volk zelf trok ze af, vertrapte ze, of verscheurde ze met van woede bevende handen in snippers en verstrooide die naar alle kanten. Waar soms een Franschman het waagde zich op de straat te vertoonen, werd hij met verwenschin-gen en gejouw vervolgd, en het was in het belang der Fransche officieren zeiven, dat men hun voor eenige dagen verbood op straat en op publieke plaatsen te verschijnen, om hen tegen de algemeene woede te beschermen. Bovendien had de onbetamelijke handelwijze der Franschen hun de deuren van alle huizen gesloten, waar zij vroeger met zooveel gastvrijheid en beleefdheid ontvangen waren.

De Fransche officieren hadden hun woord jegens hun gewonden kameraad gehouden; maar de commandant van Berlijn had zulks ook jegens baron von Marschall gedaan. Hij had een uitgebreid bericht van de algemeene verontwaardiging over het gedrag der Fransche gevangenen aan den Koning gezonden, en er was onmiddelijk een antwoord op ontvangen. Nog geen acht da^en waren verloopen, sedert het volk de plakkaten der Fransche officieren van de hoeken der straten had afgescheurd, of men zag in de vroegte, juist op dezelfde hoeken, nieuwe, groote plakkaten aangeslagen, waarbij zich het volk ook nu weder spoedig begon te verzamelen.

Deze plakkaten waren echter niet door de Fransche officieren aangeplakt, maar het was een groet van den Koning aan zijne Berlijners niet alleen, maar aan zijn geheele volk, aan geheel Europa, dat de Koning reeds zóóver had weten te brengen, dat het luisterde, wanneer hij sprak.

Deze groet des Konings luidde aldus:

„Het is geheel Europa bekend, dat Ik alle gevangen officieren, zoowel Zweden, Franschen en Oostenrijkers, alsook Russen alle mogelijke gemakken heb bezorgd. Te dien einde heb Ik hun toegestaan den tijd hunner gevangenschap in Mijne residentie door te brengen. Daar intusschen verscheidene van hen de hun toegestane vrijheid, — hetzij door ongeoorloofde briefwisseling, hetzij door onbetamelijk gedrag, dat Mij zeer moest mishagen, — grovelijk misbruikt hebben,

ocr page 97

87

heb Ik mij genoodzaakt gezien, hen naar de stad Spandau te zenden; welke stad echter niet met de vesting van denzelfden naam moet verwisseld worden, en waar zij evenmin beperkt zullen zijn als in Berlijn, maar meer in het oog zullen worden gehouden. Het is een besluit, dat niemand zal kunnen wreken. Zoowel het volkenrecht, als het voorbeeld der tegen Mij verbonden mogendheden, geeft Mij daartoe volkomen het recht. Het Hof te Weenen heeft geen van Mijne officieren, die in zijne handen gevallen zijn, vergund naar Weenen te komen; het Russische heeft zelts eenigen hunner naar Kassau gezonden. Intusschen, nu Mijne vijanden geene gelegenheid laten voorbijgaan om Mijne onschuldigste handelingen verkeerd uit te leggen, heb Ik het noodig geacht bekend te maken, wat Mij tot deze verplaatsing der krijgsgevangen officieren bewogen heeft.

Frederik.quot;

Den 28 April 1759.

Intusschen waren twee otticieren, die wij kennen, van dit vonnis uitgesloten.

De een was baron de Belleville, die op den dag waarop zijne kameraden, wien men nu ook hun degen ontnomen had, Berlijn verlieten, mede buiten de poort gebracht werd; — maar, het was slechts zijn lijk. Het ongelukkige schot van mijnheer von Marschall had eene amputatie noodig gemaakt, die door den dood van den ongelukkige gevolgd was. Terwijl zijne vrienden, wier verbanning hij veroorzaakt had, treurig en terneergeslagen de poort uittrokken, droeg men hem naar het kerkhof, en het lijk had men gegund, wat men den levende geweigerd had: men had hem het zwaard laten behouden, om daarmede nog zijne kist te versieren.

De tweede was de Oostenrijksche officier, graaf Ran uzi, wien, uit hoofde van zijn verstandig en uitstekend gedrag, en wegens de hulp, door hem aan mijnheer von Marschall bewezen, vergund werd te Berlijn te blijven.

Ranuzi ontving deze vergunning met zegevierende vreugde, en toen hij uit zijn venster de naar Spandau marcheerende officieren zag, zeide hij met fieren glimlach tot zich zeiven; „Er staat geschreven: „wees voorzichtig als de slang.quot; Die arme windbuilen hebben geen acht geslagen op dat wijze

ocr page 98

88

woord der Schrift, en daarom straft het noodlot hen, terwijl het mij zegenen zal. Ja, mijn werk zal slagen, en God schenkt mij blijkbare gunst. Geduld dus, geduld! De dag zal komen, waarop ik mij op dezen overmoedigen vijand der Kerk zal wreken! Op dien dag zal ik de banier der Apostolische Majesteit van Oostenrijk op de wallen van Maagdenburg planten!quot;

X.

DE VIJF KOERIERS.

De dertiende Augustus van het jaar 1759 was aangebroken. De straten van Berlijn waren nog eenzaam en stil, en slechts hier en daar zag men een koopman zich langzaam naar zijn kantoor begeven, een ambachtsman met zijn gereedschap op den schouder naar zijn werk gaan, of de knechten en meiden uit de bakkerswinkels het ontbijt voor hunne meesters halen. De aanzienlijken, zoowel als de groote massa des volks te Berlijn sluimerden nog, of herstelden zich door een aangename rust van de vermoeienissen van den vorigen dag. Want gisteren was het een feestdag geweest; de Berlijners hadden het bericht ontvangen van de groote en schitterende overwinning, die de erfprins Ferdinand van Brunswijk bij Minden op het Frnn-sche leger, onder Broglio en Contades, behaald had. De erfprins had zich dat groote oogenblik bij het begin van den krijg herinnerd, waarop zijne moeder, afscheid van hem nemende en hem ten aanzien van het geheele Bruns-wijksche garde-regiment voor de laatste maal omhelzend, tot hem zeide: „Ik verbied u weder voor mijn aangezicht te verschijnen, wanneer gij niet daden verricht hebt, die uw stand en'afkomst tot eere verstrekken!quot; ^

1) Briéfe des Schweizer: Boomer, Su-Dzee, Gessnek, etc. S. 306.

ocr page 99

89

Haar zoon, de eerwaardige neef van Frederik, had bij Minden het recht van zijne moeder verkregen, „weder voor haar aangezicht te verschijnen.quot; Hij had door de slagen bij Gohfeld en bij Minden de nederlaag van Bergen weder uitgewischt, en de lauweren welke Brissac zich daar verwierf, waren met diens naderenden dood verwelkt.

En eerst gisteren had Berlijn die vreugdemare vernomen ; na zoovele treurige berichten, na zoovele vernederingen en smarten kon het zich ook nu eens weder een dag van leestviering en vreugde gunnen, en door publieke vertooningen en plechtige afkondigingen aan de geheele wereld bewijzen, hoe dierbaar het de zegepralen zijns Ko-nings en van zijne veldheeren waren, en hoe innig het daarin deelde. Men had dus niet gewerkt, maar feest gevierd; het volk was bij scharen uitgetogen naar de Hazenheide en het Spreewald, om daar te jubelen en te juichen, te spelen en te dansen : en de rijken en aanzienlijken hadden er zich bijgevoegd, om de geheele wereld te bewijzen, dat in zulke groote oogenblikken alle onderscheid van stand ophoudt, en dat elk in het bijzonder zich slechts als een lid van het volk beschouwt, en evenzeer in zijne vreugde als in zijne smarten deelt.

Men sliep dus heden langer, omdat men nog uitgeput was van de blijde opgewondenheid van gisteren. De straten waren nog ledig, de vensters gesloten.

Maar zie; daar rent door de Frankforterpoort een ruiter binnen, met stof bedekt en ademloos; maar met een gelaat, dat van vreugde schittert. En terwijl hij door de straten vliegt, zwaait hij met een witten doek en roept met luide, krachtige stem: „Victorie! Victorie! Zege! Zege!quot;

En als een tooverslag werkt dit woord; de ramen vliegen kletterend open, de huisdeuren eveneens, en juichend en schreeuwend loopen de menschen den ruiter na. Op een dei-hoeken houden zij hem aan en omringen zijn paard.

„Wie heeft gezegevierd ?quot; schreeuwt men.

„De Koning heeft gezegevierd! De Koning heett bij Ku-nersdorf de Russen verslagen!quot;

En als één enkele kreet van verrukking weergalmt het van aller lippen: „De Koning heeft gezegevierd! De Koning heeft de Russen geslagen!quot;

De koerier jaagt verder, naar het Slot. Hetjubelende volk

ocr page 100

90

stormt hem na: — „De dagen van rouw zijn voorbij! Het bloed onzer mannen en zonen is niet te vergeefs, niet roemloos vergoten. Zij hebben met hun dood de zege voor het vaderland gekocht; zij hebben met het bloed van den vreemden, barbaarschen vijand den grond van het land gedrenkt! Zij hebben de Fransehen bij Minden, de Russen bij Kuners-dorf geslagen, en nu zullen zij het ook de Oostenrijkers doen, en hun de bij Hochkirchen op ons veroverde zegetee-kenen weder ontnemen!quot; —

Zoo juichte en jubelde het volk en bestormde het Slot, want daarheen had zich de koerier begeven, om de Koningin, — die gisteren van Schönhausen was gekomen, en in het paleis den nacht had doorgebracht, — de eerste blijde boodschap te brengen. En weldra vliegen koninklijke koeriers naar alle hoeken en einden der stad, om de ministers en hoogwaardigheidsbekleeders op het Slotte ontbieden. Te voet en in rijtuigen snellen zij er heen en het volk ontvangt hen met' gejuich, en schreeuwt hun te gemoet: „De Koning heeft gezegevierd! De Russen zijn geslagen!quot;

Nu wordt bovenop het balkon eene deur geopend, welke ^ op het Slotplein uitziet. De minister von Herzberg treedt naar buiten en groet onder vroolijk zwaaien met zijn hoed het volk, dat hem als een juichende leeuw zijn groet tegemoet brult. Toen gebood hij met een beweging der hand stilte. De leeuw zwijgt en ziet luisterend naar hem op.

De minister spreekt. Hij verhaalt aan de Eerlijners, hoe de Koning gisteren, niet ver van Frankfort, een slag had aangeboden. De Russen, in getalsterkte ver hoven de Pruisen, ontvingen deze meteen verschrikkelijk vuur, maar ondanks den doodelijken kogelregen, stormden de Pruisen steeds voorwaarts, namen alle versterkingen,' en dreven het Russische voetvolk onder een ontzettend bloedbad tot op het kerkhof te Kunersdorf terug. „Te vijf uur,quot; zoo eindigde de minister zijne toespraak: „zond de Koning den koerier hierheen. De overwinning was verzekerd!quot;

„De overwinning was verzekerd!quot; klonk de echo van het volk, en met van vreugde schitterenden blik zag de een den ander aan, reikten menschen elkander de hand, die elkander volstrekt niet kenden, nooit elkander gezien hadden, maar zich heden als broeders van één volk, als zonen van één vaderland gevoelden, en wenschten elkander geluk.

ocr page 101

91

Op eens schreeuwde en juichte het volk weder luider, en aan het einde van het plein zag men boven de hoofden dezer golvende menigte de gestalte van een ruiter verschijnen. Hij komt al nader en nader; het is een tweede koerier, een tweede bode des Konings aan zijn gezin en zijne residentie.

Het volk ziet hem met wantrouwenden blik aan.

— Wat beteekent deze tweede koerier? Wat mag hij brengen ?

Maar zijn gelaat was opgeruimd en helder; met een schitterenden blik begroet hij het volk, want hij bericht de zege, de volkomene zege!

Even als de eerste koerier rijdt hij het Slot binnen, om de Koningin en de ministers zijne boodschap te brengen.

— Het volk belegert vreugdedronken het kasteel. Van alle kanten komen de rijtuigen van den adel aanrijden; want elk die door zijn rang en zijne betrekking het recht er toe heeft, 'wil de Koningin persoonlijk zijne gelukwen-schen aanbieden. En nu nadert uit de Koningstraat eén eerwaardige stoet. Het is het gemeentebestuur van Berlijn. Vooruit, de beide burgemeesters met de deftige allonge-pruiken en de gouden kettingen, achter hen de rijen der statige raadsheeren. Ook de overheid wil aan de Koningin hare gelukwenschen brengen; ook zij ijlt naar het paleis, om in naam der stad van hare vreugde te getuigen!

De menigte, wijkt voor de eerwaardige vaderen der stad, en maakt hun plaats door het gewoel. Maar nu richten zich weder aller blikken naar boven, [want daar is weder de minister Herzberg verschenen, en wenkt het volk tot stilzwijgen.

Hij brengt de berichten van den tweeden koerier.

„De zege is onfeilbaar. De Russen zijn overwonnen! Onder dapperen tegenweer waren zij naar Kunersdorf teruggeweken, met het doel, zich in het dorp staande te houden. Maar onophoudelijk vervolgden hen de Pruisen. Zeven redouten, het kerkhof, de Kuhgrund, de Spitsberg en honderdentachtig kanonnen waren genomen. De vijand had ontzaglijke verliezen geleden en week in verwarring terug. Het pleit van den dag scheen beslist, en dit enkel door den heldenmoed van het voetvolk, dat zich noch door het ongehoorde bloedige werk, noch door de bran-

ocr page 102

92

dende zon had laten tegenhouden. ^ Te zes uur des avonds, toen de Koning dezen koerier afzond, had de vijand achter zijne laatste schans op den Judenberg zijne toevlucht genomen !quot;

Een luid hoerah! klonk uit de tnenschentnassa, toen de minister geeindigd, — en het balkon verlaten had. Nu valt er niet meer te twijfelen. De vijand is volkomen geslagen ! Achter zijne laatste schans heeft hij zijne toevlucht^ezocht! Zal de Koning hem daar laten? Zal hij den gehaten vijand ook van daar verdrijven?

Terwijl zich hier en daar groepen volks vormen, om het gewichtig vraagstuk te bespreken; terwijl eenige mannen vol vuur en dronken van vreugde wegens de heerlijke overwinning op den Russischen erfvijand, het woord tot het volk richten, kornt een derde koerier aanrennen.

De menigte, ademloos van verwachting, gunt hem den tijd niet aan het paleis te komen. Men moet eerst weten, welk bericht hij brengt! Heden komt geen aarzelen, geene geheimhouding te pas. Het volk is één groot gezin; het verwacht de boodschap van zijn vader; het verwacht bericht van zijne verwijderde zonen en broeders!

Het is een nieuwe vreugdeboodschap, welke de koerier brengt: „De Russen zijn volkomen geslagen. De koning wil hun in de laatste verschansing óók geen rust gunnen. Met zijn geheele leger, met ruiterij en voetvolk, met alle kanonnen is hij juist op het punt om den Judenberg te bestormen.quot;

Dat is de boodschap van den derden koerier, dien men nu voldaan naar het Slot laat gaan.

Het volk is dronken van genot, hoogmoed en vreugde. Niemand denkt er aan naar huis te gaan; men heeft geene andere woning dan het plein; elk ander huis zoude te klein zijn voor dit groote gezin, dat zulk een behoefte gevoelt zijne vreugde en verrukking jegens elkander lucht te geven.

En dan — wie kon naar huis gaan, daar het toch mogelijk was, dat de Koning nog meer koeriers zou zenden? Wie kon naar huis gaan, zonder dat hij zeker bericht had

1) Preuss. Priedrich der Grosse. T. II, S. 212.

ocr page 103

93

gekregen, dat de vijand ook uit zijne laatste verschansing was verdreven, en den Judenberg met Russen bloed gedrenkt had!

Niemand twijfelde er aan, dat dit bericht komen zou, komen moest; ook niet de minste vrees, de geringste onrust stoorde de reine, trotsche vreugde van dit oogenblik! — De zege is gewis; maar het is zoo schoon, het nogmaals te hooren bevestigen! Iedereen bleef dus, en wachtte.

Het plein wordt steeds voller met menschen: Elkeon wilde zelf zien, zelf hooren. Niemand was heden te aanzienlijk, te tenger, te zwak om op het harde plaveisel onder het gewoel der golvende menigte te staan. Naast den ambachtsman in zijn linnen buis zag men elegante dames in zijden kleederen; naast den in lompen gehulden bedelaar den met ridderorden bedekten rok van den hoofdambtenaar, of den rijken bankier.

Meer dan vijftigduizend menschen waren nu op het Slotplein verzameld en wachtten. Waarop zij wachtten, wisten zij zeiven niet. Op nieuwe tijdingen betreffende de overwinning, op nieuwe Koeriers, die de bijzonderheden van den roemrijken strijd zouden overbrengen. Het was niet voldoende, dat de Koning gezegevierd had. — men wilde ook de bloedige offers weten, welke de overwinning gekost had.

Het middaguur is lang vervlogen. Maar wat gaat dit het hoogst gelukkige volk aan! Het heeft geen honger naar lichamelijk voedsel; het dorst niet naar stolTelijken drank. Het wil niets anders genieten dan de verhevene vreugde van den gewonnen slag.

De klok sloeg drie. Daar komt nog eens een ruiter aansnellen, met lossen teugel en met stof bedekt. Maar hoe? Wat beteekent dit? Zijn gelaat is bleek als de dood; zijne oogen zijn somber en zien bijna beschaamd en angstig rond; geen gelukkige tijding siaat op zijn betrokken voorhoofd te lezen!

Wat beteekent die bode des doods te midden van de vreugde, de zege, en de heerlijkheid der overwinning? — Men wil hem aanhouden, maar hij geeft geen antwoord; hij drukt zijn paard de sporen in de zijden, zoodat het steigerend in de hoogte vliegt en de verschrikte menigte

ocr page 104

94

in plotselinge ontsteltenis doet uiteen stuiven. Hij geeft geen antwoord. Zwijgend rijdt hij door de juichende, lachende, en pratende menigte. Maar, waar hij komt, verstomt het gelach en gejuich, zwijgt het vroolijk gekout. Het is alsof de engelen des doods zijn voorhoofd heeft aangeraakt, en alsof de gelukkige huiverde in zijne onheilspellende nabijheid.

Nu heeft hij het kasteel bereikt, — nu stijgt hij van het paard. In ademloos zwijgen, bleek en bevend, — zij weten zeiven niet waarom, —staren zij, die den onheilspellenden bode gezien hebben, naar het balkon. — Eindelijk, na lang wachten, wordt hunne verwachting voldaan. De minister von Herzberg verschijnt weder op het balkon.

Maar hoe? Zijn gelaat is bleek, zijne oogen vol tranen; nu hij den mond opent om te spreken, begeven hem zijne krachten, en hij moet zich aan de leuning van het balkon vasthouden om te bekomen. Eindelijk raapt hij zijne krachten bijeen. Dezen keer behoefde hij geene stilte te bevelen, want het zwijgen des doods heerschte onder de verschrikte menigte. En nu hij eindelijk spreekt, is üjne stem zóó zwak en trilt zij zóózeer, dat slechts de voorste rijen hem kunnen verstaan.

„De slag is verloren!quot; klinkt het dof van het balkon; „De Russen hebben gezegevierd, want de Oostenrijkers zijn hun te hulp gekomen. De Oostenrijkers, wiér nabijheid de onzen niet vermoedden, waren in eene bergengte gelegerd Toen ons voetvolk kwam aanstormen, om de laatste schans, waarvan zij geen honderd pas meer verwijderd waren, te nemen, trad Loudon met zijne scharen onze troepen, door de buitengewone inspaning uitgeput, tegemoet, en ontving de Pruisen met een moorddadig vuur, zoodat hunne gelederen aan het wankelen raakten, en in woeste vlucht uit-elkander stoven, door den woedenden, strijdlustigen vijand vervolgd. Het geluk van den dag is gekeerd; de onzen hebben den slag verloren. Maar nog zijn wij niet verloren, want de Koning leeft. Hij is niet gewond; drie paarden , zijn onder hem doodgeschoten, maar hij leeft! En zoolang hij leeft, is niet alle hoop verloren! Ook in de verte en te midden van het vreeselijke onheil, dat hem en zijn leger getroffen heeft, denkt hij aan zijne Berlijners. Hij zendt u zijn vaderlijken groet, en vermaant elk uwer, aan

ocr page 105

95

de redding van zijn have en goed en zijn vermogen te denken. Hun, die zich in Berlijn niet veilig genoeg wanen, en die den aanrukkenden vijand vreezen, raadt de Koning, zich zoo mogelijk met hun vermogen te verwijderen en zich naar Maagdenburg te begeven, waarheen de koninklijke familie nog heden avond vertrekken zal!quot; 1)

Toen de minister nu zweeg, brak het volk, — dat tot nog toe door ontsteltenis verstomd was, — in een luiden jammerkreet, in wanhopend klaaggeschrei los. Schi'ik en ontsteltenis lag op al die gelaatstrekken, welke straks zoo vroolijk en opgeruimd geweest waren; tranen vulden de oogen, welke zoo even nog van vreugde geschitterd hadden ; weeklachten klonken van de lippen, welke pas slechts woorden van gejuich en fiere voldoening hadden geuit.

En als kon men het ongehoorde, het onbegrijpelijke niet gelooven, — als was er nog eene nadere bevestiging van de verschrikkelijke tijding noodig, wilden eenigen den koerier, die het bericht gebracht had, spreken ; en de menigte, door eene nieuwe gedachte, eene nieuwe hoop bezieldj schreeuwde en brulde al luider en luider: „De koerier! De koerier! Wij willen den koerier spreken!quot;

Het geschreeuw en geroep werd zóó heftig, dat men eindelijk moest toegeven. De minister trad weder naar huiten op het balkon, en kondigde aan, dat de koerier terstond beneden op het plein zoude verschijnen.

Nu volgde eene adeuilooze, angstige stilte. Aller oogen waren gevestigd op het portaal van het Slot, waaruit de koerier komen moest. Toen men nu hem zeiven zag ver-schijnen, drong en golfde de menigte hem tegemoet. Angstgeschreeuw, weeklachten en gekerm weergalmden aan alle kanten. Het volk, razend van smart, buiten zich zeiven door den verschrikkelijken overgang van gejuich over de zege, tot gejammer wegens eene vernederende, schandelijke nederlaag. — ontzag niets meer. Razend stormde het den ongeluksbode tegemoet, niet lettende op hen, die het in het woeste gedrang onder den voet trapte, en die luid klagend en kermend om hulp en medelijden smeekten.

Nu naderden twee sterke, vastberaden mannen den

1

Von Archenholtz. Gcschichte des siebenjahrigen Krieges. Th. I, S, 263.

ocr page 106

06

koerier. Gelijk eene veer lilden zij hem in de hoogte en plaatsten hem op hunne schouders Toen gelastten zij hem te spreken en den volke de ontzaglijke ramp te verhalen.

En de bode'van schrik en ontsteltenis begon zijn treurig bericht. Hij herhaalde alles, wat de minister von Herzberg reeds verkondigd had. Hij vertelde van den moorddadigen strijd, van het woedend voorwaarlsdringen der Oostenrijkers, van het wraakgeschrei der zich herstellende Russen. Hij vertelde, hoe de kogels der vijanden geheele gelederen der Pruisen nedervelden : hoe meer dan twintigduizend doode en gekwetste Pruisen het slagveld bedekten, hoe alle kanonnen en vaandels in de hand des vijands waren gevallen.

En het volk ontving elk dezer berichten met luid gejammer en geklaag.

En ook van den Koning verhaalde de koerier.

Hij zelf had tot de bedekking des Konings behoord, en was dus altijd in zijne nabijheid geweest. Hij had gezien, hoe de Koning te midden van het hevigste vuur had gestaan, ook toen zijne beide vleugel-adjudanteu aan zijne zijde vielen. Eindelijk was een kogel gekomen, en had het paard des Konings, den „vogel,quot; zóó zwaar gewond, dat het dier onmiddelijk was neergestort. De Koning had een ander paard bestegen, en was op dezelfde plaats blijven staan; en toen nu een tweede kogel ook dit paard trof, had de Koning bedaard het paard van zijn vleugel-adjudant, kapitein von Götz bestegen. Op hetzelfde oogenblik echter trof een geweerkogel de borst des Konings; maar het gouden étui, dat hij in den zak droeg, had den kogel doen afstuiten, en met de grootste bedaardheid bleef hij op dezelfde gevaarlijke plaats staan. Te vergeefs hadden de generaals en zijne adjudanten hem bezworen, deze plaatste verlateN en aan zijne eigene veiligheid te denken. De Koning had hun echter geantwoord : „Wij moeten hier alles beproeven om den slag te winnen, en ik moet hier even goed mijn plicht doen als ieder ander.quot; 1)

Toen de koerier in zijn verhaal, dat dikwijls door ge-

1

's Konings eigen woorden, Preuss. Th, II, S, 214.

ocr page 107

97

schrei en klachten werd afgebroken, zoo ver gekomen was, vroegen verscheidene stemmen: „En waar is de Koning nu? Waar is de Koning gebleven?quot;

De koerier antwoordde niet; — maar toen deze viaag al angstiger en onstuimiger herhaald werd, vertelde hij verder, hoe de Koning hem te midden der verwarring en ontsteltenis der vlucht tot zich gewenkt en bevolen had, dadelijk naar Berlijn te snellen, en de treurmare en het mondelinge bericht des Konings, —waarbij hij nog een met potlood beschreven briefje voor den minister von Herzberg gevoegd had, — over te brengen. Toen was de Koning hem voorbij gerend, den vijand te gemoet, als wenschte hij, dat diens kogels hem mochten trelïen. Eene kleine schaar getrouwen was hem gevolgd.

„De Koning is verloren! De Koning is gevangen, gewond, wellicht reeds dood!quot; schreeuwde en kermde het volk wanhopig.

Op eens werden deze jammerkreten door een luid vreug-, degesclirei, een roepen van „vivat!quot; en gejuich gestoord, dat als eene lawine al krachtiger, al donderender aangroeiend, van de andere zijde van het plein kwam aanstormen. Een nieuwe, vijfde koerier was gekomen — en hij had het bericht van de algeheele nederlaag der Russen, van de schitterende zegepraal des Konings en zijn leger overgebracht! ^

Nu had een dier wonderbare, ongehoorde, grootsche too-neelen plaats, zooals geene menschelijke verbeelding ze kan verzinnen of voorbereiden, en welke slechts de Voorzienigheid kan doen geboren worden. Als door den storm der tegenstrijdigste en hevigste hartstochten gedreven, golfde de volksmassa op en neder. Terwijl men hier nog klaagde en treurde over de ontvangen berichten, schreeuwde en juichte men niet ver van daar over de blijde tijding, welke de vijfde koerier gebracht had. Terwijl zij, die dicht genoeg bij den vierden koerier hadden gestaan om zijne woorden te vernemen, zich omkeerden om de meer verwijderd staanden de treurmare mede te deelen, — kwam van de andere zijde van het plein de juichende menigte hen tegen, welke

1) Briefe der Schweizer etc. S. 317.

Uühlbaoh, Frederik de Ghroote en sijn Hof. VII.

ocr page 108

98

met gejuich de berichten der zege van den vijfden koerier meldde. Hier zag men mannen nunne handen ten hemel heffen en God danken voor de behaalde zege, en niet ver van hen anderen, die als verstompt en met gebogen hoofd wezenloos rondstaarden; hier jubelende vrouwen met een van vreugde schitterenden blik wegens den heldenkoning, terwijl ginds het volk met duizend stemmen treurde en klaagde, en niemand lette op anderen, maar in eigen leed verzonken was.— Als in twee vijandelijke leger-afdeelingen gescheiden, drong het volk op en neder, en elke dezer afdeelingen had haren aanvoerder, die haar leidde en bestuurde. En toen deze duizenden dichter bij elkander kwamen, elkander begonnen te begrijpen en elkander hunne tegenstrijdige gewaarwordingen mededeelden, toen riepen zij hunne aanvoerders, de beide koeriers, tot beslissing bijeen ; toen droegen mannen van de verschillende partijen de beide boden op hunne schouders midden door het gedrang heen. naar elkander. Toen zij dicht tegenover elkander stonden, volgde er eene diepe ontzagwekkende stilte. Het geschreeuw, geklaag en gejuich verstomde. Iedereen gevoelde dat men het vreeselijke of heerlijke oogenblik der beslissing tegemoet ging, en ademloos, ais aan den grond genageld, stonden thans meer dan vijftigduizend menschen bij elkander.

Het was een kort, lakoniek gesprek, dat deze beide soldaten, — die daar op de schouders der mannen van het volk stonden, — met elkander voerden.

„Wanneer zijt gij door den Koning afgezonden ?quot; vroeg de vierde koerier den vijfden.

„Des avonds te zes uur,quot; zeide deze; „de Koning zelf heeft mij de boodschap opgedragen.quot;

„Waar stonden toen de onzen ?quot; vroeg de vierde koerier.

„Die stonden toen voor den hollen weg, en de Russen waren achter hunne laatste verschansing op den Juden-berg teruggetrokken. De slag was gewonnen! Wij hadden honderd en twintig kanonnen veroverd, en reeds wandelden velen van de onzen op het slagveld rond, om de veroverde batterijen te bekijken.quot; 1)

1

Briefwechsel der Schweizer, etc. S. 318.

ocr page 109

09

„Ja,;quot; zeide de vierde koerier treurig: „dat was te zes uur. Maar om zeven uur waren de onzen op de vlucht; want Loudon was uit den hollen weg gedrongen, en de Russen hadden zich weder hersteld. Gij zijt te zes uur uit het leger gereden, en ik om half acht, en ik heb sneller gereden dan gij. Ongelukkig heb ik gelijk; de slag is verloren 1quot;

„De slag is verloren !quot; schreeuwde en huilde het volk: „De Koning is verloren! Wee ons! Wee!quot;

Op dit oogenblik zag men de voorrijders der koninklijke rijtuigen met moeite door de volksmenigte dringen, den menschen verzoekende den weg open te laten om de reiswagens van het Hof voor het Slot te kunnen brengen.

Deze woorden verspreidden nieuwe ontsteltenis. — „Wij zijn verloren!quot; schreeuwden allen: „Laat ons vluchten! Ook het Hof, ook de Koningin en de prinsessen vluchten ! Laat ieder trachten zich te redden, want de Russen zullen naar Berlijn komen en ons allen vernielen! Wij zijn verloren en verlaten, en niemand weet waar de Koning is!quot;

En als door waanzin gedreven vlogen de menschen uiteen als een zee, die verdeeld wordt, en zich in golvende stroomen hier en daar verspreidt; en het klaaggeschrei, dat eerst slechts op het Slotplein had weergalmd, vond spoedig weerklank langs alle straten en in alle huizen!

ocr page 110

vijfde BOJKK:.

NA DEN SLAG VAN KUNERSDORF.

I.

NA DEN SLAG.

Het kanongebulder was verstomd; het geknetter der salvo's was gestaakt. Rust en stilte heerscht op de groote vlakte van Kunersdorf, waar eenige uren te voren nog de moorddadige slag werd gevoerd. Maar welk eene rust is het, en hoe huiveringwekkend is de stilte, welke zich op het van bloed rookende slagveld heeft gelegerd! Het is de rust des doods, en de stilte, welke de engel des doods, als zegel Kijner liefde op de bleeke lippen der rnenschen drukt! Heil hun, die deze kus snel heetl weggevoerd; die niet zoo behoeven te lijden als zij, die daar levend en don dood reeds toebehoorende, nog onder de duizende lijken verstrooid liggen. Het koude lichaam van hun evenman is het kussen, waarop zij hun bloedig hoofd laten rusten; het gesteun der stervenden is de akelige melodie geweest, welke hen uit hunne bedwelming deed ontwaken, en de met sterren bezaaide hemel van dezen helderen zomernacht is het éénige oog der liefde, dat op hen neder-ziet.

Heil hun, die het moordend zwaard en de verpletterende kogel dadelijk van hier heeft weggevoerd! Wee hun, die daar in pijn en smart, levend, in het bewustzijn van hun ongeluk en hun pijn op het slagveld liggen, want nu is het met hen gedaan; nu hoort men het trappelen en hinneken van paarden al nader en nader komen. De maan werpt de lange scliaduwen der aanrennende ruiters over

ocr page 111

101

het slagveld. Het is akelig om te zien hoe zij voortjagen over de gevallen scharen der lijken, niet lettende op de stervenden, die onder de hoeven hunner paarden den laatsten adem uitblazen! Maar de kozak heeft geen medelijden; hij gruwt en ijst niet te midden van dit ontzaglijke, geopende graf, dat duizende menschen als één enkel lijk in zich heeft opgenomen! De kozak is gekomen om te plunderen en te rooven; onverschillig, óf vriend óf vijand. Hij is de erfgenaam der gestorvenen, zoowel als der stervenden, en hij is gekomen om zijne erfenis te halen. Waar er een ring aan de hand van een lijk fonkelt, daar springt de kozak van zijn paard en rukt hem af en Iaat hem in den afgrond van zijn zak vallen. Waar een geborduurde uniform zijn oog lokt, scheurt hij ze hem, die ze diaagt, — om het even of hij gestorven is of niet, of hij nog ademt en reutelt, — van het bloedende, door wonden verscheurde lichaam af.

Ziet daar dien krijger, die kermend van pijn, met in stukken geschoten leden, bloedend uit verscheidene wonden, in de sloot ligt. Hij is doodelijk gewond, maar het zwaard houdt hij nog in zijne hand, — in zijne linkerhand, want zijne rechter is hem door een kogel afgescheurd. Een kartetskogel had zijne leden verpletterd, en nu hebben zijne soldaten hem in de sloot gedragen, opdat hij niet door de hoeven der paarden zou vertrapt worden. Daar hebben zij hem niet alleen aan de genade Gods, — maar ook aan de genade der menschen overgegeven.

Maar de kozak kent geene genade! Dit is een woord, dat hij in zijn Russisch vaderland nooit gehoord heeft. Hij vreest zijn god: hij vreest zijn Czaar en zijn hetman, hij vreest bovenal den knoet. Hij kent geene genade! Nooit is die jegens hém geoefend, hoe zal hij die dan jegens anderen oefenen? — Zoodra de kozak de met goud geborduurde uniform ziet, springt hij van zijn paard; eon schel gefluit onderricht het vernuftig dier, de betere helft van den kozak, te blijven staan. De kozak weipt het de teugels over; hij daalt in de sloot neder, op welker moerassigen bodem de Pruisische krijger — de Duitsche dichter — terneder ligt! — Want hij, die daar ligt, is een Duitsch dichter, een dichter door Gods genade. Geheel Duitschland kent dien zanger der „Lente;quot; geheel Duitschland heeft zijne

ocr page 112

102

heerlijke liederen gelezen, en is er met geestdrift door bezield geworden. De Saks en de Oostenrijker noemt den Pruisischen majoor Ewald von Kleist zijn vijand, maar den Duilschen dichter Ewald von Kleist bewondert en bemint hij ; want tegenover zijne zangen bestaat geene vijandschap, en de staatkunde zwijgt voor de welluidende stem der poëzie.

Daar ligt hij, de dappere Pruisische majoor, de edele Duitsche dichter, met gebroken oogen ten hemel starende, de blauwachtige, koude lippen geopend, en met moeite eenige woorden stamelend. Wellicht denkt hij in dit uur aan de laatste woorden van zijn laatst gedicht; —wellicht prevelen zijne lippen de woorden, welke zijne nu vermor-selde hand nog vóór den slag geschreven heeft:

„De dood voor het vaderland is de onsterfelijkheid waard!

Hoe gaarne stierf ook ik dien,

Den edelen dood, wanneer mijn noodlot! roeptquot; 1)

Die dood zou schoon geweest zijn, maar het noodlot is den dichters, — vooral den Duitsche dichters, — zelden gunstig geweest. Schoon zou het geweest zijn in het gewoel van den slag, onder het schetteren der trompetten, onder de zegekreten der vrienden te vallen, en zóó, met een glimlach op de lippen den geest te geven.

Maar het noodlot is den Duitschen dichter nooit gunstig geweest!

Ewald von Kleist, heeft op het slagveld zijne doodelijke wonden ontvangen, maar is er niet aan gestorven! Hij leeft, en weet, dat de slag verloren, —dat zijn bloed te vergeefs vergoten is!.

De kozak is nu in de sloot. Met hebzuchtigen blik beziet hij den rijken buit. Want deze bloedende, verpletterde man is voor hem geen menseh maar slechts eene uniform, welke hij wil hebben en welke nog aan een lastig, nutteloos lichaam kleeft. Met gretige hand scheurt hij den geborduurd en rok van de bloedende, ineengezonken gestalte. Niet lettende op zijn kermen, op zijn smartelijk kreunen, op zijne van pijn trekkende leden, plundert de

I) De laatste woorden „Cissides und Pachesquot; van Ewald von Kleist.

ocr page 113

103

kozak den edelen Pruisischen krijgsman; zelfs het van bloed druipende hemd wekt nog de hebzucht van den barbaar, en ook dit laatste bekleedsel van het doodelijk gewonde lichaam ontrukt hij hem. Nu stijgt hij vroolijk weder uit de sloot op, en zijn roof in den grooten linnen zak, welke aan den zadelknop Tiing, stoppende, vertelt hij zijn paard, dat met opgestoken ooren naar hem luistert, van den rijken buit, welken hij zoo even behaald heeft. Het kleine paard hinnikt, alsof het hem begrepen bad; bij werpt zich er op, en voort gaat het in vliegenden haast naar nieuwen roof en buit.

En daar lag de Duitsche dichter, de Pruisische held, naakt en van alle bedekse) beroofd, behalve dat, waarmede het bloed uit zijne wonden de ontbloole, rillende leden omgeeft. Zijn bloed alleen bekleedt hem als met een purperen mantel; een waardige krans, welke de dichtkunst om zijn voorhoofd heett gelegd!

Maar Ewald von Kleist is in dit oogenblik niet meer de dichter en niet meer de held; een arm, ellendig menschen-kind ligt daar in het slijk, kermend van pijn, smeekend om eenige lompen om zijne wonden er mede te bedekken, waarin het modderwater van de sloot binnendringt.

En dezen keer is het noodlot hem gunstig. Eenige Russische huzaren rijden voorbij; zij hebben medelijden met den kermenden, naakten man, met de gapende wonden. Zij werpen hem een ouden soldatenmantel, een stuk brood en een halven gulden toe. ^

De Duitsche dichter neemt dankbaar de aalmoes van den Russischen soldaat aan; hij wikkelt zijne ledematen in den mantel en tracht vervolgens het stuk brood te eten, dat de milddadigheid van den Russischen soldaat hem toegeworpen heeft.

Maar het noodlot is den Duitschendichternooiïgunstig geweest! De kozakken zwerven nog altijd op het slagveld rond, en w7ederom nadert er een den kermenden krijgsman, die daar in de sloot-ligt. Hij heeft geene schitterende uniform meer, maar de kozak neemt alles, wat hij krijgen kan, — ook de oude, gescheurde soldatenmantel lokt zijne

1) V. Archenholtz. Geschichte des Siebenjahrigen Krieges. Th. I. S. 263.

ocr page 114

104

hebzucht. Hij ontrukt den weerloozen gewonde alles, en toen liij zijne geslotene handen onderzoekt, vindt hij ook den halven gulden — de aalmoes, die Evvald von Kleist van den Russischen huzaar had gekregen.

Wederom ligt de Duitsche dichter, de Pruisische held naakt en van alles ontbloot; het modderachtige water dringt in zijne wonden en prikkelt onder gruwzaam lijden den stervende tot een nieuw smartelijk leven! Zoo ligt hij tot den volgenden dag, totdat de vijand zich zijner erbarmt en hem als gevangene naar Frankfort brengt. —^

Ja; heil hun, die een gunstig lot onmiddellijk op het slagveld gedood had! Zij waren gelukkiger dan degenen, die achter bleven; en alhoewel ook niet allen het wreede lot van den edelen dichter ondergingen, toch hadden al die duizenden, welke men bloedend van het slagveld droeg, het bewustzijn van hunne smarten en hunne nederlaag.

Het geheele dorp üetscher, in de nabijheid van Kuners-dorf gelegen, was in een lazaret veranderd. Reeds lang vóór den slag waren de bewoners gevlucht. Nu hadden de gewonden de hutten ingenomen, en met groote haast snelden de wondheelers van huis tot huis, om dengenen hunne hulp te bieden, bij wie nog hoop op herstel was. Maarnietnand van hen trad in de hut, welke eenigszins afgelegen van de overigen, aan het einde van het dorp lag. En tóch lagen ook daar twee gewonden. Zij waren reeds vóór het einde van den slag daarheen gebracht; toen had de geneesheer hunne wonden onderzocht, en was zwijgend heengegaan om niet terug te komen.

Zwijgend, nu en dan luid kermend, lagen de beide gewonden op het stroo, waarop men hen gelegd had; hunne oogen strak op de deur gevestigd, verlangend uitziende naar den wondheeler, die hun hulp, — of ten minste eenige verlichting zou verschaffen.

En nu ging de deur werkelijk open en een officier trad binnen. Was het de schemering van den avond, of had het

1) Ewald von Kleist stierf weinige dagen na zijne gevangenschap te Frankfort aan de Oder, den 24 Augustus. De Russen gaven hem eene eervolle begrafenis en daar op zijne kist de degen ontbrak, nam de overste von Bulow, chef van een Russisch regiment lichte dragonders, zijn eigen degen en legde dien op de kist: „opdat,quot; zooals hij zeide; „zulk een waardig officier niet zonder dit eereteeken mocht bêgraven wordenquot; Zie v. Archenholtz. Th. I, S. 262.

ocr page 115

105

bloed en de smarten de oogen der beide arme gewonden verblind, dat zij den binnentredende niet herkenden? Wel is waar droeg zijn anders zoo helder, edel gelaat eenetint van buitengewonen ernst endroefheid;zijne wangen waren doodsbleek, en zelfs de glans zijner groote oogen was heden minder helder dan anders. Maar er lag iets ontzagwekkends, buitengewoons in zijne verschijning. Hoewel verslagenen treurig, bleef hij toch altoos de held, de Koning ; nog altijd Frederik de Groote!

Hij was hier gekomen om in deze eenzame, afgelegen hut zijn kwartier te nemen; om hier alleen met zijne smarten te zijn. Maar toen hij de beide gewonden ontdekte, namen zijne sombere trekken spoedig eene uitdrukking van deelneming aan.

Met haastigen tred naderde hij het armzalig leger zijner officieren, en toen hij zich over hen heenbuigende naar hun toestand vroeg, toen herkenden zij zijne stem; die slem, w-elke hen zoo dikwijls aangevuurd had otn den dood moedig onder de oogen te zien, en die nu zoo zacht en deeb nemend was.

„De Koning!quot; riepen beide in blijde verrassing, en hunne wonden en hulpeloosheid vergetende, trachtten zij zich op te richten, maar zonken onder dof gekreun weer neder, en het bloed stroomde op nieuw uit hunne wonden.

De Koning boog zich over hen heen. — „Arme kinderen,quot; zeide hij: „gij zijt zwaar gewond.quot;

,,Ja,quot; steunde de luitenant von Grohow: „zwaar gewond. Maar dit is het minste. Als wij maar wisten of gij gezegevierd hebt, sire? Wij hadden reeds twee schansen achter ons, en waren bij de derde, toen het ongeluk ons trof. O, zeg ons, sire, niet waar, de zege is ons?quot;

Een treurige nevel bedekte het gelaat des Konings, maar verdween spoedig weder. — „Gij moet nu slechts aan u zei ven denken, „zeide hij: „gij hebt bewezen, dat gij dappere mannen zijt; het overige is toeval! Verliest den moed niet, alles komt weder terecht, en ook gij zult herstellen. — Zijt gij reeds verbonden?quot;

„Och, sire, geen duivel wil ons verbinden!'' kermde de tweede gewonde, de luitenant von Stubenfall.

„Hoe,quot; riep de Koning driftig : „men heeft u hier zonder verpleging en hulp gelaten?quot;

ocr page 116

10(3

,,Ja. Sire; er zal voor ons wel geene hulp meer zijn!quot;

De Koning wilde juist op deze smartkreet antwoorden, toen de deur geopend werd, en eenige mannen, meteene draagbaar, vergezeld door een wondheeler binnentraden.

„Wat wilt gij hier?quot; vroeg de Koning driftig.

„Sire,quot; hernam de wondheeler: „wij willen de gewonden hier weghalen, omdat Uwe Majesteit hier het nachtkwartier wil nemen.quot;

De Koning wierp hem een toornigen blik toe. — „En denkt gij, dat ik zal toestaan?quot; vroeg hij; „De gewonden blijven hier; ik zal wel ergens anders een onderkomen vinden! Maar zorg eerst voor deze beide officieren en verbind hen onmiddelijk.quot;

De chirurgijn naderde hen, onderzocht zorgvuldig hunne wonden, en trad toen weder naar den Koning.

„Sire,quot; zeide hij schouderophalend: „daar helpt geen verbinden meer. Een kanonkogel heeft den een den ge-heelen rechterarm afgescheurd en het koude vuur zal hem dooden. De andere heeft een schot schroot in het gelaat en in het lichaam gekregen. Het is onmogelijk al deze wonden te verbinden!quot;

De koning gaf hem geen antwoord; hij trad naar hun leger en nam elk der gewonden bij de hand; zich toen tot den arts wendende, zeide hij: „Zie eens ! zij zijn beide nog zoo jong en krachtig; zij hebben beide ook nog geen koorts. Bij zulk jong bloed en een gezond hart kan de Natuur wonderen doen. Doe hen eerst een aderlating ondergaan en verbind dan hunne wonden! En zorg vervolgens vooral voor verfrisschen; want die zullen zij ten zeerste noodig hebben!quot;

„Och ja, sire; wij hebben reeds zoo lang honger en dorst geleden! fluisterde luitenant von Grobow.

De Koning glimlachte. — „Ziet gij wel,quot; zeide hij: „gij zegt, zij zijn verloren, en zij hebben nog eene gezonde maag. Zoolang men honger heeft, sterft men niet!''

De wondheeler gaf geen antwoord, maar haalde zijn tasch met de noodige instrumenten en windsels voor den dag om hen te verbinden.

De Koning bleef een tijdlang toezien. Toen boog hij zich over de gewonden, die slechts met moeite de kreten van smart onderdrukten, 'welke hun het leggen van het

ocr page 117

107

verband veroorzaakte. — „Kinderen,quot; zeide hij liefderijk: „weesl maar niet bezorgd ; Laat het met u gaan zooals het wil, ik zal het wel hooien; en als gij niet meer dienen kunt, zal ik voor u zorgen. Rekent er op, ik zal u niet vergelen!quot; !)

Hij wenkte hun vriendelijk toe en verliet de hut. Voor de deur stond een zijner adjudanten, die hem opwachtte. De Koning gaf hem zwijgend een teeken om hem te volgen, en staple verder het dorp in, langs de hutten, uit elke waarvan men een luid gekerm en geklaag vernam.

„Ach,quot; prevelde de Koning: „Dante heeft niet alle martelingen der hel gekend, of bij heeft vergeten die te schilderen, welke ik nu lijd!quot;

Hij ging haastig verder, in de schemering van den zomernacht, altoos achtervolgd door de klachten, het gekerm en gesteun der gewonde soldaten. Eene diepe, onbeschrijflijke treurigheid lag op zijn gelaat, een pijnlijke trek om zijne lippen; zijn bleek voorhoofd was met een koud zweet bedekt; zijne groole oogen staarden nu eens naar het roo-kende slagveld, en dan weder met een vragenden, verwijtenden blik naar den hemel.

Reeds lag het dorp achter hem, maar de Koning stapte nog steeds voort. Hij dacht niet aan het doel van zijn zwerven; hij wilde slechts dat gehuil en geklaag der stervenden ontvluchten. Zijn adjudant waagde het eindelijk hem te naderen, en hem uit zijn droevig gepeins te doen ontwaken.

„Sire,quot; zeide hij; „de kozakken zwerven hier rond, en wanneer Uwe Majesteit zich nog verder waagt, kan er licht een vreeselijk ongeluk gebeuren. De kozakken schieten op ieder, die een goeden rok draagt.''

De Koning schudde treurig bet hoofd. — „Voor mij hebben zij geen kogel,quot; zeide hij als tot zich zeiven: „ik heb den dood te vergeefs geroepen; ik heb om de genade van

1) 's Konings eigen woorden, zooals overigens dit geheele verhaal trouw volgens de geschiedenis is. De beide officieren, die de Koning op deze wijze redde, herstelden inderdaad. Na hunne herstelling namen zij beide opnieuw deel aan den strijd, werden bij Kolberg weder zwaar gewond en herstelden weder. Beide dienden zij tot aan den vrede; toen invalide verklaard, werden zij, op uitdrukkelijk bevel des Konings, zeer goed verzorgd. Zie: Nicolaï Characterzüge nnd Anécdoten,

ocr page 118

108

een kogel gesmeekt; hij kwam slechts om mijne borst te schrammen. Voor mij is er goen kogel !''

Hij stapte verder. Maar de adjudant waagde hot, hem nog eens aan te spreken.

„Sire,quot; zeide hij: „wil Uwe Majesteit niet naar een nachtkwartier omzien?quot;

De Koning keerde zich vertoornd om, en was op het punt een driftig antwoord te geven. Toen evenwel bedacht hij zich, en zijn gelaat nam weder eene goedige uitdrukking aan.

„Het is waar,quot; zeide hij: „ik moet nog een nachtkwartier hebben!quot; Hij bleef slaan, en zag rond. Toen vestigde zich zijn blik op een eenzame, verlaten boerenwoning, die aan den weg stond, en daar stapte de Koning heen.

11.

EEN HELDENZIEL.

„Het schijnt,quot; zeide hij: „dat deze barak geheel ledig is, en wij zullen er niemand sloren! Daar wil ik dus overnachten quot;

De Koning had gelijk. Dit ellendig, door de kozakken vernielde gebouw was ledig. De ramen, — welker verbrijzelde ruiten door den wind bewogen, kletterden, - stonden open, en in het kleine, morsige vertrek was niets achtergebleven dan een weinig stroo, een matten stoel en een ruwe houten tafel.

De Koning zeide met treurigen glimlach: „Dit is genoeg voor mij; hier wil ik overnachten. Hebt gij mijn schrijfgereedschap medegebracht?quot;

„De adjudant von Golz brengt het mede, sire; ik wilde niet gaarne voor den tweeden keer teruggaan, maar achtte het beter Uwe Majesteit te vergezellen.quot;

ocr page 119

109

Juist trad de tweede adjudant, die de schrijfportefeuille des Koning droeg, binnen, met het bericht, dat hij twee grenadiers had medegebracht, om de wacht voor de deur te houden.

„Ach,quot; fluisterde de Koning met sidderende stem: „heb ik nog grenadiers?quot; — Hij boog zijn hoofd voorover, en bleef lang in gedachten verzonken staan.

„Mijneheeren,quot; zeide hij, na een lange pauze: „ziet eens in het rond, of er hier of daar nóg een vertrek is; zoo niet, dan zullen wij ons hier moeten schikken. Nu moet ik echter alléén zijn; ik moet werken. Een der grenadiers moet mij eenige huzaren opzoeken, om als estafetten dienst te doen.quot;

De adjudanten verwijderden zich. — Eindelijk was de Koning dan alleen. Eindelijk kon hij zich aan zijne wanhcop, aan zijne grenzenlooze droefheid overgeven; eindelijk mocht hij gehoor geven aan de stemmen, welke in zijne ziel fluisterden, en welke hem zulke treurige, onheilspellende woorden toespraken.

Alles is verloren! Alles!quot; prevelde de Koning; en de stemmen in zijn binnenste fluisterden: „Wanneer alles verloren is, is de dood het eenige redmiddel! Het is onwaardig, een roemloos leven nog langer voort te slepen. Het graf alleen biedt rust aan voor een schandelijk, vernederd bestaan!quot;.

En de Koning luisterde naar deze stemmen. Hij had tot nog toe alles moedig gedragen en geleden; hij had met onbezweken moed jaren van zorgen, ontberingen en rustelooze inspanning doorleefd, maar den ondergang van zijn land, — dien wilde hij niet overleven. En zijn land was verloren! Er was geen middel meer het te redden. Zijn eigen leger was vernield, gedood of in woeste vlucht uit elkander gejaagd. De zegevierende vijand had de provincies bezet. Nu konden de Russen ongestoord naar Berlijn marcheeren, en ook daar was aan geen tegenweer te denken, want het garnizoen bestond slechts uit invaliden en verminkten. Berlijn was verloren, geheel Pruisen was verloren!

De Koning wilde dus sterven, want hij was een Koning zonder kroon, een held zonder lauweren! Hij wilde sterven, want hij wilde den ondergang van zijn land niet overleven! Als een trouwe scheepskapitein, wilde hij het staatsschip, dat hij tot nog toe zoo voorzichtig en behendig door de

ocr page 120

110

branding had gestuurd, nu het gestrand was, niet verlaten, — maar er mede te gronde gaan!

Maar vóór hij aan sterven mocht denken, moest hij eerst zijne zalmen regelen; moest hij eerst zijn testament maken, en afscheid nemen van zijne wereld, dat is: van zijne vrienden.

Toen de Koning daaraan dacht, ging hij buiten de deur, en riep, dat men hem licht zoude brengen. — Dit was zeker eene zeer moeielijke taak in dit verwoest en verlaten dorp; maar eindelijk toch slaagden de adjudanten er in van eene marketentster eenige ellendige vetkaarsen te krijgen, welke zij op flesschen in plaats van op kandelaars staken-en den Koning brachten. De Koning sloeg er geen acht op; hij stond met over elkander geslagen armen, en staarde naar den met sterren bezaaiden hemel. Het flikkerend licht der kaarsen deed hem uit zijn gepeins ontwaken ; hij keerde zich om en trad naar de tafel.

„De laatste brieven!quot; prevelde hij, op zijn biezen stoel nedervallende en de portefeuille openslaande.

Hoe zouden zijne vijanden gejubeld hebben, als zij een blik in het vertrek hadden kunnen werpen; in dit ellendige vertrek, met de morsige, half van kalk ontdane wanden; op die waggelende tafel, waaraan de Koning zat, met die beide op flesschen gestoken vetkaarsen voor zich, die haalflauw licht wierpen op het papier, waarop de Koning zijne laatste beschikkingen wilde schrijven! —

Eerst schreef hij aan generaal von Finck, aan wien hij het leger wilde overdragen. Want alvorens hij aan zijne vrienden mocht denken, — vóór hij zich aan menschelijke aandoeningen mocht overgeven, wilde hij eerst, als een trouw dienaar van den Staat, zijne plichten vervullen. Hij schreet dus geen brief, maar slechts eene „Instructie voor den generaal von Finck,quot; en deze luidde:

, Generaal von Finck, gij ontvangt een zwaren last. Het ongelukkige leger, dat ik u overgeef, is niet meer in staat zich met de Russen te meten: Haddeck zal naar Berlijn snellen, en wellicht Loudon ook. Indien gij deze beiden volgt, komen de Russen u in den rug; blijft gij aan den Oder staan, dan hebt gij Haddeck in de flank. Intusschen geloof ik, dat, wanneer Loudon naar Berlijn wil, gij dezen onderweg

ocr page 121

141

kunt aanvallen en slaan. Wanneer dit gelukt kan het ongeluk tot staan komen en de zaken rekken. Tijd gewonnen is; in wanhopige omstandigheden, veel gewonnen. De berichten uit Torgau en Dresden zal u Kóper, mijn secretaris, overbrengen. Gij moet mijn broeder, dien ik tot generalissimus benoem, van dit alles in kennis stellen. In-tusschen moet dat, wat mijn broeder bevelen zal, geschieden ! Het leger moet trouw aan mijn neef zweren!

Dit is de eenige raad, dien ik in deze ongelukkige omstandigheden in staat ben te geven. Indien ik nog uitkomst geweten had zou ik er gebruik van gemaakt hebben.

Frederik.quot; *)

„Ta, ik zou er gebruik van gemaakt hebben,'quot; fluisterde de Koning, het papier dichtvouwende en het adres erop schrijvende: „Ik zou dit leven van leed en ontbering nog langer dragen ter wille mijner eer; maar nu moetik om diezelfde reden sterven!quot;

Daarop nam hij een ander vel papier; doch nu was hét geene instructie, maar een laatst vaarwel, dat hij aan zijn vriend, den generaal Finkenstein schreef.

„Dezen morgen te elf uur.quot; schreef de Koning: „heb ik den vijand aangetast. Wij hadden hem reeds tot den Juden-berg teruggedreven, en al mijne soldaten hadden wonderen van dapperheid verricht maar de bestorming van den Ju-denberg kostte ons een groote massa menschen ; mijne lieden geraakten daardoor in verwarring, en hoewel ik hen driemaal verzamelde, werd toch ten laatsten het geheele leger in eene algemeene vlucht ontbonden; ik zelf was op het punt van gevangen genomen te worden en moest den overwinnaar het slagveld overlaten. Mijne kleederen zijn door kogels doorboord; twee paarden zijn onder mijn lijf gedood, maar ik zelf heb den dood niet kunnen vinden; mijn grootste ongeluk is: dat ik nog leef! Ons verlies is aanzienlijk ! Van een leger van achtenveertigduizend man heb ik op dit oogenblik nog nauwelijks drieduizend over, en

1) Deze „Instructie voor genei aal Finckquot; heeft; de Koning — bij uitzondering, — in het Duitsch gesteld, en ik heb slechts eenige schrijlTouten er in verandert- Zie: Tbeüss. Th. II, 3. 215.

ocr page 122

112

nog vlucht alles; ik ben geen meester meer van mijne lieden. Het is een vreeselijk ongeluk, en ik wil het niet overleven. De gevolgen van dezen slag zullen nog vreese-lijker zijn dan de slag zelf. Ik heb volstrekt geene hulp bronnen meer, en om de waarheid te zeggen, houd ik alles voor verloren. Ik zal en wt7 den ondergang van mijn vaderland niet overleven. Vaarwel dus voor altijd!quot;

Nadat de Koning ook dezen brief geadresseerd en gesloten had, zeide hij zacht: „Ik ben ten einde! De aard-sche aangelegenheden zijn afgedaan! Nu sla ik aan het einde van mijn lijden, en mag ik eindelijk aanspraak maken op dien langen en diepen slaap, diende Natuur ons allen aan hare borst vergunt! Ik heb genoeg gedaan, genoeg geleden ; en wanneer ik na zoovele stormen ook een weinig naar rust verlang en met mijn ongeluk ten grave wil dalen zal toch niemand kunnen zeggen, dat ik laf en moedeloos het leven ontvloden ben. Neen; het leven heeft zich met zijne geheele zwaarte op mij gestort, en mij zóódanig ter neder gedrukt, dat de grond, onder mijne voèten barste de, mij tot een graf werd! Ik heb lang gehoopt, maar helaas, hoelang reeds is de zon van het geluk voor mij verduisterd; hoelang reeds heb ik niets dan kommervolle dagen en treurige nachten gekend! Ik heb het moedig gedragen, denkende, dat ook het ongeluk zou moede worden ; de stormen moeten toch eens uitrazen, en de heldere hemel mij bestralen! Nu is het ergste geschied : mijn vaderland is verloren! Wie zal durven zeggen, dat ik dit verlies overleven moet. Ter rechten tijd te slerven is ook mijn plicht! Dit wisten de groote Romeinen, en zij stierven, wanneer hun leven een puinhoop werd. Ik ben een leerling der Ouden, en ik zal mij hunner waardig toonen. Wanneer iemand alles ontnomen is, moet hem ten minste de vrijheid gelaten worden te kunnen sterven. De wereld heeft niets meer met mij te doen, en ik bespot hare zwakke, van vooroordeelen samengestelde wetten. Als Tiberius wil ik leven en sterven! — Vaarwel dan,gij leugenachtig bestaan! Vaarwel, gij laffe menschenzielen ! Ach! er zijn zoovele dwazen, — en zoo weinig menschen onder u ; ik heb zoovele trou-welooze vrienden, — zoovele verraders, en zoo weinig oprechte menschen gevonden ! In het uur des ongeluks hebben zij mij allen verlaten, allen ! —Maar neen,' vervolgde de

ocr page 123

113

Koning, en nu vloog een glimlach over zijn gelaat: „één is mij trouw gebleven. D'Argens heeft zich nooit verloochend. en ik had bijna vergeten van hem afscheid te nemen! Nu moge de dood nog een uur op mij jachten;ik moet nog aan d'Argens schrijven.

En toen de Koning nu weder zijne pen opnam, schitterde zijn gelaat van hemelschen glans, en zijne oogen fonkelden als sterren. De heilige muze was nedergedaald om den wanhopenden held te troosten, en hem schoone en heilige woorden toe te fluisteren. Aan de poorten des doods staande, schreef Frederik aan d'Argens zijn schoonst en meest verheven gedicht, den brief: „Ami, Ze sor^ en esf/efó.quot; Zijne geheele ziel uitte zich in klachten, en de smarten en den kommer, welke hij tot nog toe niemand verraden had, beleende hij nu in treffend schoone woorden aan den veraf zijnden vriend. Hij schilderde hem, hoe hij guleden en geworsteld, gehoopt en gestreden had, en hoe hij eindelijk na zoo veel en zoo langdurig leed besloten had te sterven. 1) En nadat hij hem met de gloeiendste kleuren alles geschilderd, — nadat hij hem zijne opene en bloedende wonden getoond had, voegde hij een laatst en roerend vaarwel aan zijn vriend er bij:

Adieu d'Argens; dans ce tableau

De mon tiépas tu vois la cause.

Au moins ne pense pas dn néant du caveau

Que j'aspire k l'Apothéose,

Tout ce que 1'amitié par ces vers propose

C'est que tant qu'ici-bas le céleste flambeau

Eclairera tes jours, tandis que je respire

Et lorsque le printemps paraissant de nouveau

De son sein abondant t'offre les fleurs écloses,

Chaque soir d'un bouqet de myrthes et de roses

Tu daignes parer mon tombeau.

„Ach,quot; fluisterde de Koning met een diepen zucht, het adres op dezen dichterlijken brief zettende: „hoe schoon zal het in mijn lief Sanssouci zijn. Nu, ik zal daar ten minste een graf vinden, en d'Argens, — ja d'Argens zal mijn wensch vervullen, hij zal mijn graf met bloemen versieren. En nu — heb ik nog niet eenige trouwe vrienden

1

Epitre de Prédéric au Marquis d'Argens. Oeuvres. Vol. VII p. 179. Mühltaoh, Frederik de Oroote en zijn Hof. VII. 8

ocr page 124

414

op Sanssouci? Zijn daar niet mijne oude, lieve honden, mijne oude invaliden, die mij niet meer vergezellen kunnen? Nu, als ik bij hen kom, zullen zii op mijn graf gaan liggen en daar bij hun meester sterven!quot;

Toen stond de Koning op, en bedaard naar de deur gaande, opende hij die en vroeg den adjudant, of de ordonnansen gereed waren. Toen dit bevestigd werd, gaf de Koning den adjudant de drie brieven over, om ze naar hunne bestemming te laten bezorgen.

„En nu is mijn dagwerk volbracht,quot; zeide de Koning, toen hij weder alleen was: „nu mag ik sterven!quot;

Hij nam uit zijn borstzak het gouden étui, dat hij altijd bij zich droeg, en dat voor weinige uren zijne borst als schild gediend, — en de vijandelijke kogels had afgeweerd. De kogel had de oppervlakte van het kokertje bijna geheel ingedrukt, en vreemd genoeg, ditzelfde étui, dat den dood des Konings had tegengehouden, zou haar hem nu aanbrengen; want er was een fleschje in verborgen, dat drie gifpillen bevatte, en dat hij, sedert het begin van den krijg, altijd bij zich droeg. 1)

Peinzend beschouwde de Koning het. — „Hiertegen is de dood teruggedeinsd,quot; zeide hij: „en tóch, hoe schoon zou het geweest zijn op het slagveld te vallen, toen ik nog geloofde overwinnaar te zijn!quot;

Hij haalde het fleschje uit den koker, hield het tegen het iicht, schudde het peinzend, en toen die drie zwarte, onheilspellende pillen heen en weêr sprongen, zeide hij met treurigen glimlach : „De dood is vroolijk! Hij wil mij met zijne lustige sprongen ten dans noodigen. Welaan, vroolijke eavalier, ik dans mede!quot;

Hij opende het fleschje en liet de pillen in de holte van zijn hand vallen. Toen stond hij op eri trad naar het venster, om nog éénmaal den hemel met zijne helder flikkerende sterren en het bleeke licht der maan te aanschouwen, om nog één blik te werpen op het slagveld, waarop duizende zijner onderdanen heden den dood hadden gevonden.

1

V. Retzow. Characteristik Th. I, S. 363. Dit fleschje werd na zijn dood onder zijne nalatenschap gevonden.

ocr page 125

115

Toen bracht hij zijne hand naar den mond. — Doch, wat was het, dat hem zoo plotseling stuitte? Wat deed zijne hand neervallen? Waarom staarden zijne oogen zoo gloeiend en onbewegelijk in de verte, als twee adelaars, die op het punt staan zich op hunne prooi te werpen?

De Koning zag nu niet naar den hemel op, niet naar de sterren en niet naar de maan, maar ginds in de verte richtte hij zijn blik, naar de uiterste grenzen van den gezichteinder; naar die donkerroode stippen, gloeiende als uit den hemel gevallen sterren. — Dat waren de legerplaatsen der Russen en Oostenrijkers. Daar stonden zijne overwinnaars; daar stonden Soltikow en Laudon met hunne scharen.

De Koning had reeds, eer hij de tent betrad, die vuren gezien. Nu was hun aantal toegenomen; een teeken, dat de vijand nog niet verder getrokken was, dat hij daar wenschte uit te rusten!

Hoe? Zou dat mogelijk zijn ? Zouden de overwinnaars zóó weinig gebruik maken van hunne zege, dat zij nu den overwonnen vijand niet verder vervolgen, maar hem tijd gunnen om zich weder te verzamelen, en met versnelden marsch de overwinnnaars te voorkomen, om wellicht de Spree, — wellicht zelfs Berlijn te bereiken?—

Toen de Koning dit bedacht, vloog er een zonnestraal over zijn gelaat, en met luider stem riep hij uit: „Als de vijand nu verzuimt mij den genadeslag te geven, dan is nog niet alles verloren! Dan mag ik niet sterven, en heeft mijn vaderland mij nog noodig; want dan is er nog redding mogelijk, en is het, mijn plicht, alles te beproeven om die te verkrijgen!quot;

Hij staarde nog eens naar de legervuren; hij zag, hoe hier en daar nieuwe ontstoken werden, en toen hij dit ontdekte, speelde een glimlach om zijne lippen.

„Als deze yuurteekenen gelijk hebben,quot; zeide hij toen: „dan zijn mijne vijanden grootmoediger — óf dommer, dan ik gedacht had; en dan geven zij mij gelegenheid hun alle behaalde voordeelen te ontnemen. Dan moet ik naar mijn oud devies terugkeeren: „Het leven is een plicht.quot; En zoolang er voor den mensch nog degelijk en eervol werk is, heeft hij niet het recht zich aan de trage rust des doods over te geven. Ik moet zekerheid omtrent de bedoeling des

ocr page 126

116

vijands trachten te krijgen! De dood kan ook nog wel een weinig op mij wachten; en het moet hem onverschillig zijn, of hij mij een uur vroeger of later in zijne beenige armen sluit. Zoolang het nog noodig is te leven, mag ik niet sterven!quot;

Hij liet de drie pillen weder .in het fleschje glijden, en verborg het met het gouden kokertje in zijn borstzak. Toen haastig de deur openstootende, snelde hij naar buiten. Zijne beide adjudanten zaten naast elkander op de bank voor de hut en waren in slaap gevallen. De beide grenadiers stapten met afgemeten tred op eenigen afstand heen en weêr; eene diepe stilte heerschte in het rond; het woest getier en geschreeuw, gevloek en gekerm was nu verstomd, als het ware uit eerbiedigen schroom voor die fiere, goddelijk verhevene Koningin van den nacht, die, in een fonkelenden sterrenmantel gehuld, met rustig bedaard gelaat en versierd met den gouden kroon, verschenen was, om door haren glimlach al die duizende, door smart gedrukte zielen een weinig rust en verademing te schenken!

De Koning stond op den drempel der deur, en liet als verbaasd zijn blik varen over dit door de maan beschenen landschap. Met verrukking ademde hij de zoele zomerlucht in; hij meende, dat zij nooit zoo geurig, zoo vol versterkende kracht was geweest; met bijna vrome bewondering zag hij naar den sterrenhemel op, en verbeeldde zich, dat hij den hemel nooit met zulke heldere sterren, — nooit zoo verheven, zoo schoon gezien had. Met eene lichte huivering voelde hij den adem van den nachtwind, die streelend met zijn haar speelde, en als het ware den eersten groet, den eersten kus van het herboren leven op zijn voorhoofd drukte! De Koning kon zich aan dit gezicht niet verzadigen; het was hem, alsof hij plotseling een dierbaren vriend, dien hij sinds lang dood had gewaand, weder vol levenskracht en bloeiend voor zich zag staan; alsof hij hem zijne armen toestak en tot hem zeggen moest; Wees welkom, gij wedergeborene! Het noodlot had ons gescheiden; nu wij elkander hebben wedergevonden, willen wij elkander niet weder verlaten, maar trouw bij elkander blijven, en vasthouden in nood en dood, in geluk en ongeluk!quot; —

Ja, het leven was die teruggevonden vriend, die tegenover den Koning stond, en nu eerst gevoelde hij, hoe hij

ocr page 127

117

hem bemind had. In een soort van koortsachtige verrukking zijne handen ten hemel helTende, fluisterde de Koning; „Ik zweer alleen dan den dood te zoeken, wanneer er geen middel, geen enkel meer overig is, om eene zekere gevangenschap te ontkomen! Ik zweer te leven en te lijden, zoo lang ik de vrijheid van mijn persoon kan behouden !quot;

Toen hij zijne armen liet zinken, haalde hij diep adem, en een heerlijk gevoel doortintelde zijn borst. Het was hem, alsof de kluisters, welke hem geketend hielden, waren gevallen. Hij had het harnas des levens weder aangetrokken, en was weder bereid als een moedig strijder te worstelen.

III.

DE BEIDE GRENADIERS.

Thans naderde hij als verjongd, met veerkrachtigen stap de beide grenadiers, die, toen zij hem herkenden, als aan den grond genageld bleven staan.

„Grenadiers,quot; zeide hij: „waarom zijl gij niet bij uwe kameraden gebleven?quot;

„Omdat onze kameraden gevlucht zijn,quot; antwoordde de een.

„Omdat het eerloos is te vluchten,quot; zeide de ander.

De Koning bleef verwonderd staan. Deze stemmen kwamen hem bekend voor; hij moest ze meermalen gehoord hebben.

„Ik meen u te kennen,quot; zeide hij: „en het is heden niet de eerste keer, dat wij met elkander spreken. Hoe heet gij, mijn zoon?quot;

„Ik heet Frits Kober,quot; zeide de grenadier.

„En gij?quot;

„Mijn naam is Karei Hendrik Buschmann,quot; zei de tweede.

ocr page 128

118 quot;

„En gij vergist u niet, heer Koning; wij hebben elkander reeds eenmaal gesproken; het was óók des nachts, maar het was een betere nacht dan die van heden.quot;

„Waar was het dan ?quot; ,

„Het was in den nacht vóór den grooten en schoonen slag bii Leuthen,quot; zeide Frits Kober ernstig: „toen zat gij heer Koning, bij ons legervuur, en at mede van de knoedels, welke Karei Hendrik zoo lekker kon klaar maken.quot;

„O, nu herinner ik het mij,quot; riep de Koning met een glimlach: „ik moest toen óók mijn portie in het gelag betalen 1quot;

„En gij deedt dit echt koninklijk,quot; zeide Frits Kober: „later kwaamt gij weder terug en toen moest Karei Hendrik Buschmann u sprookjes vertellen. Geen mensch in de wereld kan dit beter dan Karei Hendrik, en gij vielt er ook netjes bij in slaap.quot;

„Neen, neen,quot; zeide de Koning ernstig: „ik viel niet in slaap, want ik weet heden nog, wat Karei Hendrik mij verteld heeft.

„Nu, wat was het dan ?quot; vroeg Frits Kober hoogst gelukkig.

De Koning dacht een oogenblik na, toen zeide hij met ontroerde stem: „Hij vertelde mij van een Koning die door een schoone toovergodin zóózeer bemind werd, dat zij zich, als de Koning ten strijde trok, in zijn zwaard veranderde, en hem al zijne vijanden hielp overwinnen. Was het niet zoo?quot;

„Ongeveer was het zoo,quot; zeide Frits Kober; „ikhadge-wenscht, heer Koning, dat gij heden óók zulk eene toovergodin aan uwe zijde gehad hadt:quot;

„Stil, Frits,quot; fluisterde Karei Hendrik: „onze Koning behoeft de hulp der toovergodin niet. Onze Koning helpt zich zeiven, en in zijn zwaard is God!''

„Denk gij dit inderdaad, mijn zoon?' vroeg de Koning geroerd: „en hebt gij nog dat goede vertrouwen in mij, dat ik mij zeiven helpen kan, en God met ons is?''

„Ja, wij hebben het nog, en zullen het nooit verliezen !quot; riep Karei Hendrik levendig: „Die daar ginds hebben geen Frederik, die hen aanvoert; geen veldheer-, die met hen honger en nood, gevaar en moeite deelt, en daarom kunnen zij ook hun veldheer niet zoo lief hebben, als wij den onze.quot;

ocr page 129

449

\

„En dan,quot; zeide Frits Kober peinzend: „dan verbeeld ik mij altijd, het is met dezen krijg, als wanneer hond en kat met elkander vechten. Soms schijnt het wel, alsof de kleine kat den grooten bullebijter overwinnen kon; dat komt, omdat zij zulke scherpe klauwen heeft en den bullebijter daarmede in het gezicht slaat, dat hem hooren en zien vergaat, en hij terug wijkt. Maar als hij zich dan eens (link geschud heeft en zijne oogen weer open kan krijgen, dan wordt hij door woede nog eens zoo sterk, en hij springt vooruit en pakt de kat in den nek en bijt haar met zijn groote, mooie tanden tóch dood, hoe zij ook met hare klauwen mocht slaan. Neen, heer Koning, op den duur kan de kat het tóch niet tegen den hond uithouden; de klauwen houden het niet zoo goed uit als de tanden.quot;

„Ja,quot; zeide de Koning glimlachend: „maar hoe weet gij, dat die daar ginds niet de hond, — en loij de kat zijn?quot;

„Hoe?quot; schreeuwde Frits Kober toornig: zouden de kat zijn? Volstrekt niet, heer Koning; wij zijn de hond!quot;

„Maar hoe wilt gij dit bewijzen?quot;

„Hoe ik dit bewijzen wil?quot; vroeg Frils Kober verlegen. Toen riep hij na een poos vroolijk uit: „Ik heb 't! Ik wil het bewijzen! Die daarginds zijn de katten, want het zijn Russen en Oostenrijkers; en zij dienen geen Koning of Keizer, zoo als wij, — maar zij hebben twee Keizerinnen, twee vrouwen. Nu, heer Koning, en heb ik nu niet gelijk: vrouwen en katten, dat is precies hetzelfde, en dus zijn die daarginder de kat en wij de hond!

De Koning lachte luide. - - „Pas maar op,quot; zeide hij : „dat die daarginds niet hooren, dat gij hunne Keizerinnen met katten vergelijkt!quot;

„En al zijn zy ook Keizerinnen,'' zeide Frits Kober droog: „zij blijven toch altijd vrouwen . . . en vrouwen zijn katten!quot;

De Koning lette niet meer op hen. Hij zag weder naar de legervuren, die nog steeds den gezichteinder verlichtten.

„Hoe ver zouden die vuren van hier zijn?'' vroeg hij toen.

„Wel een uur gaans,quot; antwoordde Karei Hendrik.

„Een uur gaans,quot; herhaalde de Koning zacht: „in een uur kon ik dus mijn noodlot weten! Hoort, kinderen,quot; zeide hij toen haastig: „wie van u wil voor mij er heengaan?quot;

Beide riepen op hetzelfde oogenblik: „ik wil het doen!quot;

ocr page 130

120 /

„Maar het is een gevaarlijke tocht,quot; vervolgde de Koning; „de kozakken zwerven rond, en wanneer gij hun ontkomt, dan hebt gij nog kans, dat zij u in de eerste legerplaats herkennen en doodschieten.quot;

„Ik zal wel zorgen, dat zij mij niet als vijand herkennen,quot; zeide Karei Hendrik hedaard.

„Ik ook!quot; riep Frits Koher driftig: „Gij blijft hier. Karei Hendrik. Beide mogen wij den Koning niet verlaten; want gij weet immers, dat wij nog heden avond elkander onder eede beloofd hebben, — toen wij hier de wacht betrokken, —- onzen Koning niet te verlalen; en, al marcheerde het geheele vijandelijke leger tegen ons aan, hier op onzen post te blijven staan, zoo lang nog een droppel bloeds in onze aderen, en eene zucht in onze borst is.quot;

De Koning legde zijn beide handen op de schouders dei-twee soldaten, en zag hen lang met eene uitdrukking van diepe onti'oering in het gelaat. De maan, die groot en vol aan den hemel stond, bescheen deze groep, en wierp de drie lange, zwarte schaduwen van hunne gestalten over de verlichte vlakte.

„Dat hebt gij dus gezworen, kinderen?quot; vroeg de Koning na eene lange pauze: , Ach, als allen zoo gedacht hadden als gij, zouden wij heden niet overwonnen zijn!quot;

„Heer Koning, zij denken allen zoo als wij. Maar de fortuin was tegen ons.quot;

„Het was zoo als ik zeide,quot; riep Frits Kober lachend: „de kat heeft ons vandaag er een opgegeven, maar den volgenden keer zullen wij haar in den nek pakken. En zeg mij nu, heer Koning, wat moet ik daarginds in de legerplaats doen?quot;

Vóór dat de Koning evenwel kon antwoorden, legde Karei Hendrik haastig zijn hand op den arm des Konings. — „Laat mij gaan, heer Koning,quot; zeide hij smeekend: „Frits is alijd zoo dol en onverschrokken; hij gaat er maar dade-op los. Zij zullen hem zeker doodschieten, en dan verliest gij den besten soldaat uit uw leger.quot;

„Zoo? Aan u is zeker niets gelegen?quot; riep Frits Koher driftig: „u kan de Koning zeker eerder missen dan mij?quot;

„Hoort, kinderen,quot; zeide de Koning: „het beste is, dat gij te zamen gaat, dan kan de een den ander beschermen; en vier ooren hooren altijd nog meer dan twee!''

ocr page 131

421

„De Koning heeft gelijk; dat is het beste,quot; zeide Frits Kober; „wij gaan beide.quot;

„En laten den Koning hier geheel alleen en onbewaakt?quot; vroeg Karei Hendrik peinzend.

„Nu,quot; zeide de Koning, glimlachend op de beide slapen-den wijzende; „ik heb daar nog mijne beide adjudanten; die zullen mij bewaken. Hoort nu, wat ik u te zeggen heb! Daarginds staat de vijand; het is voor mij van belang te weten, wat hij nu doet, — en waarheen hij zich wenden wil. Gaat er dus heen en tracht dit af te luisteren. Hunne veldheeren en generaals zullen daar wel het kwartier be trokken hebben. Gij moet dit trachten te ontdekken, en dan het kwartier zoeken te naderen. Alles, wat gij daar hoort en ziet, bericht gij mij, en komt zoo schielijk mogelijk terug.quot;

„Is dat alles?quot; vroeg Frits Kober.

„Dat is alles,quot; antwoordde de Koning: „gaat nu ; maar nog iets: als gij uwe opdracht met overleg volbrengt, en frisch en gezond terugkomt, zult gij beide onderofficier worden.quot;

Frits Kober begon luid te lachen. — „Nu ja,quot; zeide hij heer Koning; dat kennen wij al!quot;

„Het is ook volstrekt niet noodig, dat gij ons iets belooft, sire,quot; zeide Karei Hendrik: „wij doen het niet om loon, maar uit eerbied en liefde voor onzen Koning.quot;

„Maar zeg mij eerst, waarom gij gelachen hebt?quot; vroeg de Koning.

„Wel, omdat het de eerste keer niet is, dat Uwe Majesteit ons beloofd heeft ons onderofficier te maken. Voor Leuthen zeidet gij ook; als wij ons goed hielden en heldendaden deden, zouden wij onderofficier worden. Nu, wij hebben ons goed gehouden; Karei Hendrik heeft negen, en ik zeven gevangenen gemaakt, maar onderolficier zijn wij tóch nog niet geworden.quot;

„Morgen zijt gij het,quot; zeide de Koning; „haast u nu, en , komt spoedig terug.quot;

„Onze geweren laten wii hier,quot; zeide Karei Hendrik: „want in Pruisische uniform kunnen wij er niet heen gaan.''

Zij plaatsten beide hunne geweren tegen de hut, en vervolgens elkander de hand gevende, en na den Koning op

ocr page 132

122

militaire wijze te hebben gegroet, snelden zij te zamen heen.

De Koning zag hen peinzend na, tot hunne slanke gestalten in de verte verdwenen. —.,Met vijfligduizend zulke soldaten zoude ik de geheele wereld veroveren,quot; zeide hij : „dat zijn echte soldatenharten.quot;

„Vervolgens keerde hij zich om en stapte naar de beide slapenden. Toen hij hen even aan den schouder raakte, sprongen zij verschrikt overeind, daar zij den Koning herkenden.

„ Verontschuldigt u niet,quot; zeide de Koning goedig; „ gij hebt van daag vermoeienissen genoeg doorstaan, en ik kan begrijpen, dat gij moedezijt. Komt binnen, messieurs; de nachtlucht kon u schaden. Wij willen binnen gezamenlijk slapen quot;

„Maar waar zijn de beide grenadiers?quot; vroeg mijnheer von Goltz.

„Ik heb ze met eene commissie weggezonden-quot;

„Dan zal Uwe Majesteit mij vergunnen, dat ik hier blijve en de wacht doe. Ik heb geslapen en ben weder geheel verkwikt.quot;

„Ik ook,quot; zeide de tweede adjudant: „datUwe Majesteit zich ter ruste begeve; wij zullen de wacht houden.quot;

„Toch niet,'' zeide de Koning glimlachend: „de maan houdt de wacht voor ons. Komt binnen!quot;'

„Maar het is onmogelijk. Uwe Majesteit hier onbewaakt te laten slapen. De eerste de beste kozak, die hier voorbij komt, zou zijn pistool op Uwe Majesteit kunnen afschieten.quot;

De Koning schudde ernstig zijn hoofd. — „De kogel, die mij treffen moet, komt van boven,quot; zeide hij :1) „ook zoudt gil dit nauwelijk kunnen. Neen, het is beter geene wacht voor de deur te hebben, en de oplettendheid der rondzwervende kozakken niet op dit huis te leiden. En ik geloof, dat niemand zonder aanleiding vermoeden zal, dat deze ellendige, vervallen barak, waardoor de wind huilt, de residentie van een Koning is! Komt dus, messieurs.quot;

Hij ging in de hut, en de beide adjudanten volgden hem, het niet wagende hem langer tegen te spreken.

„Blusch de kaarsen uit,quot; zeide de Koning, „de maan is onze fakkel, en beschijnt vriendelijk ons uitlokkend stroo-leger.quot;

X) 'sKonings eigen woorden. Nicplai. Heft, V. S, 118,

ocr page 133

123

Hij trok zijn degen en dien vast in de rechterhand nemende, legde hij zich op het stroo. — „Er is nog plaats voor u beiden,quot; zeide hij; „gaat dus ook hier liggen. Goeden nacht, mijneheeren.quot;

Hij nam groetend zijn steekje af, en legde het toen als bescherming tegen het maanlicht en de koude nachtlucht op zijn gelaat.

De adjudanten legden zich zwijgend aan zijne zijde, en weldra hoorde men in dit vertrek niets meer dan het luide ademhalen der slapenden.

rv.

DE NACHTELIJKE BERAADSLAGING.

Intusschen stapten de beide grenadiers hand aan hand over het met lijken als bezaaide slagveld voort; want eer zij er aan konden denken zich naar de vijandelijke leger-t plaats te wagen, moesten zij zich eerst van twee üostenrijksche unilormen voorzien. Het was niet moeielijk, onder de vele lijken, welke het slagveld bedekten, twee Oostenrijksche officiers-uniformen te vinden, en de beide Pruisische grenadiers haastten zich de beide dooden van hunne overkleederen te ontdoen, en die zei ven aan te trekken.

Maar te midden van dit werk hield Kar ei Hendrik plotseling op. —„Ik weet niet,quot; zeide hij huiverend; „er loopt mij een koude rilling over het lijf bij de gedachte, dat ik den rok, dien ik een lijk ontnomen heb, moet aantrekken. De doodelijke koude zal mij in de leden trekken, en ik zal volstrekt niet warm kunnen worden.quot;

Frits Kober zag hem met wijdgeopende oogen aan, en zeide: „Welke vreemde gedachten hebt gij altijd, waarop een ander mensch nooit komt. Maar gij hebt gelijk. Karei Hendrik, het is om van te rillen,quot;

ocr page 134

124

Hij was nu met zijn werk gereed, en zich met eene buitengewone overhaasting van zijn eigen buis ontdoende, trok hij den netten officiersrok van den Oostenrijker aan.

„Het is gelukkig, dat wij geene andere broeken behoeven aan te trekken,quot; zeide hij: „een beetje donkerder of lichter grijs maakt in den nacht geen onderscheid.quot; —

.Tuist was Karei Hendrik met zijn werk gereed, en op het punt om óók den rok' van een doode aan te trekken, toen Frits Kober hem bij den arm greep en vasthield.

„Wacht eens, gij moet mij een pleizier doen,quot; zeide hij: „deze rok is mij te eng en spant mij vreeselij-k. Gij zijt veel slanker dan ik, en hij zal u dus wel passen. Neem dien, en geef mij den andere.quot;

Hij trok haastig zijn rok weder uit, en reikte hem zijn vriend over. Maar deze wees hem zacht terug. „Neen, Frits Kober,quot; zeide hij met eene zóó zachte en teedere stem, dat Frits Kober er geheel door verward en verlegen werd; „neen. Frits, ik begrijp u zeer goed. Gij hebt een hart als een engel, en gij houdt u maar zoo, alsof de rok u te benauwd is, omdat gij mij dien geven wilt, nu gij hem reeds verwarmd hebt.quot;

Het was gelukkig, dat Frits Kober zijn rug naar de maan gekeerd had, anders zou zijn vriend gezien hebben, dat een diepe blos zijn gelaat bedekte, alsof hij op een slechte daad betrapt geworden was. Schielijk echter rukte hij zijn vriend bijna ruw den anderen rok uit de hand en haasttef zich hem aan te trekken.

„Gekheid!quot; zeide hij: „de rok knelt mij, dat is alles! En ovei igens mogen wij hier den tijd niet met praten verbeuzelen. Kom, laat ons verder gaan!quot;

„Recht over het slagveld heen?quot; vroeg Karei Hendrik aarzelend.

„Ja, want dat is de naaste weg.quot;

„Kom dan maar,quot; zuchtte Karei Hendrik, zijn vriend de hand reikende.

Het was toch een huiveringwekkende tocht dien zij doen moesten. Zij gingen langs scharen van lijken, kermende stervenden, en minder zwaargewonden,die met jammerkreten de voorbijgangers om medelijden en erbarming smeekten. Dikwijls aarzelde de voet van Karei Hendrik, en wilde hij stilstaan om de ongelukkigen te troosten. Maar Frits Kober

ocr page 135

125

trok hem verder. — „Helpen kunnen wij hen toch niet,quot; zeide hij: „en onze weg is nog ver!quot;

Dikwijls naderden den wandelaars de hier en daar op hunne kleine paarden rondzwervende kozakken, die hun reeds in de verte hun barbaarsch werda! toeriepen. Maar, wanneer zij naderbij komende de Oostenrijksche uniform herkenden, verwonderden zij zich niet, dat zij geen antwoord hadden gekregen.

Eindelijk waren zij het slagveld overgetrokken, en kwamen zij op de vrije opene vlakte, aan welker einde men de legervuren der Oostenrijkers en Russen ontdekte. Hoe nader zij kwamen, des te levendiger werd het hier. Juichen en lachen, roepen en schreeuwen, waartusschen enkele commando's weergalmden; en te midden der dolle verwarring van de rennende soldaten, van schreeuwende marketentsters, die hare waren aanboden, en juichende soldaten, die zich om de legervuren schaarden, hoorde men soms den afgemeten stap der patrouilles, welke de legerplaats doortrokken en overal een waakzaam oog moesten houden.

„Zooveel is zeker,quot; zeide Frits Kober zacht tot zijn vriend, toen zij arm in arm onopgemerkt door de legerplaats slenterden: „dat deze hier er volstrekt niet aan denken, van nacht verder te marcheeren, maar bij hunne legervuren op een rustigen nacht hopen.quot;

„Ik geloof het ook,quot; fluisterde Karei Hendrik: „maar laat ons voorzichtig verder gaan en luisteren, of wij niet gewaar kunnen worden, waar hunne generaals hun kwartier hebben.quot;

„Zie, zie, daar ginds zal het zijn,quot; zeide Frits Kober haastig: „daar branden geen legervuren, maar in de boèrenhutten is het helder licht, en ik verbeeld mij, dat daar eenige soldaten op en neer gaan. Daar zullen de generaals wel hun kwartier hebben!quot;

„Laat ons dan daarheen gaan,quot; zeide Karei Hendrik: „maar laat ons een omweg maken, opdat wij de schildwachten niet vlak in het gezicht loopen, maar van achteren de huizen naderen.quot;

Met haastigen tred snelden zij verder, in een groote bocht de hutten naderende, die het doel van hunne nasporingen moesten zijn.

ocr page 136

120

Er heerschte eene diepe stilte en rust, maar het was de stilte van den eerbied en de ondergeschiktheid, zooals de tegenwoordigheid van hoofdofficieren, bij hunne minderen pleegt te veroorzaken. Hier stonden groepen officieren fluisterend naast elkander; daar leidden rijknechten de paarden hunner meesters heen en weder; ordonnansen te paard stonden op een kleinen afstand, en schildwachten met het geweer op schouder stapten op en neêr. Aller aandacht scheen intusschen op deze heide boeren-wo-nineton gevestigd, en elk oor en oog wendde zich met luisterende spanning altoos weder naar de helder verlichte ramen.

„Wij hebhen het juist getrolfen,quot; fluisterde Frits Koher, dien het gelukt was met zijn vriend tusschen de donkere ruimte, welke de beide hutten scheidde, door te sluipen: „wij zijn hier bij het kwartier der generaals. Zie maar; hier loopt een Oostenrijksch schildwacht heen en weêr, en dichter bij zie ik een schildwacht^met een berenmuts. Zij zijn beiden hier, de Oostenrijksche en de Russische generaal.quot;

„Laat ons beproeven, om bij den Rus eens door de ramen te zien,quot; fluisterde Karei Hendrik, vooruit sluipende. Maar terwijl zij juist voorzichtig om den hoek slopen, — achter den stam van een boom verscholen, welke hier de hut beschaduwde, — deed een luid commando en eene alge-meene beweging onder de gelederen der op het plein verzamelde soldaten, hen stilstaan.

De officieren schaarden zich, de schildwachten schouderden het geweer, de soldaten traden in het gelid, want uit de hut links was juist de Oostenrijksche generaal Laudon, door zijne staf-officieren omgeven, op het plein gekomen. Vriendelijk groetende stapte hij langs de officieren, en naderde met zijn gevolg het tweede huis. De soldaten, die voor de deur op den grond hurkten, stonden op en presenteerden het geweer. Maar de generaal bleef slaan, en fluisterde zijn adjudant eenige woorden tos. Terwijl deze in de hut trad, bleef Laudon wachten, en de maan, welke juist helder en vol zijn gelaat bescheen, liet zeer duidelijk de donkere wolk zien, welke het voorhoofd van den Oostenrijker beschaduwde, die het als eene vernedering beschouwde, dat hij het zijn moest, die den Russischen bondgenoot de honneurs maakte.

ocr page 137

427

Terwijl Laudon wachtte, waren onze beide Pruisische grenadiers voorzichtig naar de tweede hut geslopen.

„Laat ons naar den achterkant gaan,quot; fluisterde Karei Hendrik: „daar staan geen schildwachten, en wellicht vinden wij een deur, waardoor wij in huis kunnen komen.quot;

De achterzijde dezer boerenwoning grensde aan een kleinen tuin, waarvan het dichte struikgewas de beide grenadiers voldoende beschermde. Stil en zonder gedruisch sprongen zij over de lage planken schutting, welke den tuin omgaf, en zich toen in de struiken verbergende, verkenden zij het terrein. Geen enkele schildwacht stoorde hen in hunne beschouwing, en ongezien en zonder gevaar konden zij het wagen, het huis nog meer te naderen.

Toen zij nu uit de struiken te voorschijn kwamen, greep Frits Kober driftig den arm zijns vriends en slechts met moeite onderdrukte hij den vreugdekreet, welke uit zijne borst drong. Hetgeen zich nu aan hun blik vertoonde, was wél geschikt om het hart dor beide dappere soldaten te verblijden, want zij hadden hun doel bereikt, en waren nu in staat den wensch van hun Koning te vervullen.

Zij bevonden zich inderdaad voor het kwartier van den Russischen generaal. Daar in dat groote vertrek, dat blijkbaar de danszaal van de dorpsherberg was, en tot verzamelplaats van de boeren gediend had, — daar aan die lange eiken tafel in het midden van het vertrek, zat de generaal Soltikow, en om hem heen zaten en stonden de Kussische generaals en officieren in hunne rijke, schilderachtige uniformen. — Aan de deur zaten een half dozijn kozakken op hunne hurken, en staarden met een slaperigen blik naar de tafel, waarop verscheiden zilveren kandelaars met waskaarsen stonden, welke het vertrek even helder als de dag verlichtten, en aan de beide Pruisische grenadiers een vrij gezicht op de geheele ruimte gaven. Bovendien scheen het toeval hen op elke wijze te willen begunstigen en hun de gelegenheid te geven, niet alleen te zien, maar ook te hooren. —- De ramen, die op den tuin uitzagen, waren geopend om het zoele, dompige vertrek een weinig met de trissche avondlucht te vullen, en onder een daarvan stonden dichte struiken, wa,arin men zich gemakkelijk verschuilen kon.

„Ga gij daarginds,quot; fluisterde Karei Hendrik: „ik wil mij

ocr page 138

128

daar achter gindschen boomstam verbergen; wij willen van verschillende standpunten onze opmerkingen maken. Wellicht hoort of ziet de één, wat den ander ontgaat. Laat ons goed oppassen, opdat wij den Koning alles kunnen vertellen.quot;

Zonder het antwoord van zijn vriend af te wachten sloop Karei Hendrik heen. Frits Kober kroop zachtjes naar de struiken; een oogenblik hoorde men eenig geritsel, het zacht geluid van voetstappen, en toen was alles stil. Niemand in het vertrek kon vermoeden, dat daar in dien stillen, kleinen tuin, vier schitterende oogen waarnamen, wat hier gebeurde.

Aan de tafel zat dus de Russische veldheer in den kring zijner generaals en officieren. Vóór hem lagen papieren en brieven, landkaarten en plannen, waarin hij somwijlen een blik sloeg, terwijl hij den tegenover hem zittenden officier het bericht van den slag dicteerde, dat hij aan zijne meesteres, Keizerin Elizabeth, wilde afzenden.

Eenige schreden van hem af stonden in stijve, militaire houding de officieren, die den veldheer hun rapport hadden gebracht, en wier bericht juist een droevige wolk op bet voorhoofd van den overwinnaar te voorschijn had geroepen.

Met een driftige beweging van het hoofd zich tot den kleinen heer wendende, die in zijn met goud geborduurden rok, en getooid met de stijve, keurig opgemaakte allonge-pruik, in zijne nabijheid stond,—zeide de generaal schouderophalend ; „Hebt gij het gehoord, mijnheer de markies? Tienduizend mijner dapperen liggen op het slagveld, en even zooveel zijn gewond!quot;

„iJaaruit volgt,quot; zelde demarkies Montalembert, de Fran-sche ambassadeur en onderhandelaar tusschen de Hoven van Weenen, Petersburg en Parijs: „dat de Koning van Pruisen wellicht veertigduizend dooden en gewonden heeft, en dat daardoor zijn klein leger bijna geheel is ontbonden en vernietigd !quot;

„Wie weet!quot; riep Soltikow: „De Koning van Pruisen pleegt zijne nederlagen altijd zeer duur te verkoopen, en het zoude mij in het geheel niet verwonderen, als hij minder soldaten verloren had, dan wij.quot; ^

1) Soltikow's eigen woorden; v. ArchenhoUz. Th. I, 8. 208.

ocr page 139

120

„Hij zal nu niets meer te verkoopen hebben,quot; zeide de markies glimlachend; „het hangt slechts van zt af, den vluchtenden, overwonnen Koning den genadeslag te geven en hem voor altijd te vernietigen, want — quot;

Het binnenkomen van een officier' stoorde den markies.

„Mijnheer de generaal Laudon,quot; meldde de officier.

Soltikow stond op en ging naar de deur, om den binnentredende welkom te heeten. Een fiere glimlach stond op zijn gelaat, en toen hij den Oostenrijkschen generaal zijne hand gaf, deed hij het met eene uitdrukking, waarmede soms een minzaam meester zijne ondergeschikten genade bewijst.

De snelle, vaste blik van Laudon scheen intusschen de trotsche en overmoedige gedachten van den bondgenoot op diens gelaat gelezen te hebben, en zonder twijfel was het daarom, dat hij de hand van Soltikow nauwelijks aanraakte, en met trotsch opgeheven hoofd tot in het midden van de kamer stapte.

„Ik heb liever bij u willen komen, Excellentie,quot; zeide Laudon op ietwat scherpen, geraakten toon: „gij hebt bier-een grooter vertrek, terwijl ik in mijne hut nauwelijks ruimte zou gehad hebben, om u met uwe adjudanten welkom te heeten.quot;

„Ook komt gij juist ter gelegener tijd, heer generaal,quot; zeide Soltikow met een trolschen glimlach: „want gij ziet wel, wij wilden juist een krijgsraad houden en overleggen, wat er nu verder moet gedaan worden.quot;

Eene uitdrukking van toorn en een vlammende blik trof het glimlachend gelaat van Soltikow.

„Gij kondt toch onmogelijk krijgsraad houden zonder mij, generaal,quot; zeide hij driftig.

„O, wees daarover onbezorgd, generaal,quot; riep Soltikow: „ik zoude u, zonder twijfel, dadelijk van onze besluiten kennis gegeven hebben!quot;

,Jk meen evenwel, dat gij zonder mij volstrekt geen besluit kunt nemen,quot; zeide Laudon, wiens aderen op het voorhoofd begonnen te zwellen.

Soltikow boog .zich met zijn on veranderlijken, o vermoedigen glimlach. — „Laat ons niet twisten, generaal, over zaken die nog niet gebeurd zijn. De krijgsraad is nog niet begonnen; maar nu gij er zijt, kunnen wij een

Uühlbaoh, Prederik de Qroote en zijn Hof. 711. 9

ocr page 140

130

begin maken. Sta mij evenwel toe deze dépêcriè'te teekenen, waarin ik mijne genadige Keizerin de overwinning gemeld heb, welke de troepen heden over het leger van den Koning van Pruisen behaald hebben.quot;

„O, generaal, dan ben ik u vóór geweest,quot; riep Laudon fier: „de dépêche, waarin ik mijne Keizerin de zege meld, welke de Oostenrijksche troepen heden op den Pruisischen Koning behaald hebben, is reeds verzonden.

Soltikow hief zijn hoofd fier omhoog, en zijne kleine, grijze oogen schoten toornige blikken op den Oostenrijk-scben generaal. Maar deze ontving ze met een lachend, rustig oog en vervolgde: „Ik verzeker Uwe Excellentie, de geestdrift over onze roemrijke zege heeft mijne anders weinig bespraakte tong geheel welsprekend gemaakt; ik heb zeer schilderachtig het oogenblik geschetst, toen de zegevierende Pruisen vooruit stormden, om de door de vluchtende Russen verlaten batterijen in den Duhgrund te bezetten, en hoe nu plotseling de Oostenrijksche ruiters uit den Duhgrund stortten, de overwinnaars ophielden en terugdrongen, en door hun leeuwenmoed het lot van den dag beslisten.quot;

Terwijl Laudon schijnbaar zonder nevenbedoeling zoo sprak, was het gelaat van den Russischen generaal van toorn verbleekt, en met moeite naar lucht hijgende, drukte hij zijne gebalde rechterhand op de tafel, zoodat de papieren onder zijne vuist kraakten. Allen zagen in ademlooze spanning en ontsteltenis naar Soltikow, wiens opbruischende en niets ontziende drift men kende.

Maar de markies de Montalembert haastte zich de uitbarsting van dien toorn te voorkomen, en vóór dat nog Soltikow zijn adem had terug bekomen om te spreken, wendde hij zich met eene vroolijke en beleefde uitdrukking tot Laudon. — „Wanneer gij den slag van heden zoo too-neelmatig en in bijzonderheden geschilderd hebt, zult gij ook gewis niet vergeten hebben de roemrijke dapperheid der Russische troepen te vermelden, en het waarachtig verheven oogenblik te schetsen, waarop de Russen zich voor de aanstormende Pruisen bij gelederen als dood op den grond wierpen, de Pruisen over zich heen lieten trekken, en toen spoedig opspringende, hen in den rug vielen.quot; *)

1) V. Archenholtz. Geschichte des Siebenjahrig en Krieges. Th. I, S. 257.

ocr page 141

131

„Stellig heb ik dat niet vergeten,quot; zeide Laudon, wiens edel hart reeds berouw gevoelde over de oogenblikkelijke opwelling van drift: „zeker zal ik niet zoo laf en gewetenloos zijn, om het groot en hoogst gewichtig aandeel te loochenen, dat het Russische leger aan de eer van dezen slag heeft; maar gij zult tevens begrijpen, dat ik mij ook mijn aandeel niet geheel en al mag falen ontnemen. Wij hebben samen gestreden, samen gezegevierd, laten wij ons nu ook te zamen over den gelukkigen uitslag verblijden!quot;

Hij reikte Soltikow met zulk eene vriendelijke uitdrukking zijne hand, dat deze geen weerstand kon bieden. — „Gij hebt gelijk, generaal,quot; zeide hij, de aangeboden hand-van den wakkeren Oostenrijker hartelijk drukkende: „ja, gij hebt gelijk; wij willen ons te zamen over den gelukkigen uitslag verblijden! Mijnheer, wij willen eerst een glas op de zege van den dag drinken, en op de vriendschap van Oostenrijk en Rusland een flesch van uwen kostelijken Duitschen rijnwijn ledigen. Wijn hier! De nacht is nog lang genoeg om te beraadslagen; laat ons eerst de zege vieren!quot;

De kozakken waren op een wenk van een van Soltikow s adjudanten van den grond opgesprongen, en sleepten nu vroolijk en vlug uit een hoek van het vertrek de groote reisnécessaire van den generaal aan, die een toereikend aantal vuile llesschen en zilveren bekers bevatte, welke zij haastig begonnen uit te pakken en op tafel te zetten. De secretaris haastte zich niet minder om papieren en brieven bijeen te pakken, en de tafel, welke zoo even nog het voorkomen had, alsof men vele zaken behandelen zoude, was spoedig genoeg in een bevallig buffet herschapen, versierd met eene batterij llesschen en zilveren bekers.

Terwijl Soltikow met genoegen deze verandering beschouwde, wierp de markies den Oostenrijkschen generaal een angstigen en veelzeggenden blik toe, dien deze met een licht schouderophalen beantwoordde. — Beide wisten zij, dat de dappere generaal Soltikow naast het donderen van het-geschut en het gewoel der slagen, niets meer beminde dan het springen der kurken en den geur van den wijn; dat de generaal een even dapper en onvermoeid soldaat, — als een dapper en onvermoeid drinker was, die bij den wijn zeer genegen scheen al het overige te vergeten, om zich slechts aan het genot over te geven.

ocr page 142

132

De markies wilde daarom nog een zwakke poging aanwenden om den Russischen generaal aan zijne meer ernstige plichten te herinneren.

„Zie eens, Excellentie,quot; zeide hij : „mijnheer de secretaris is zeer treurig en terneêrgeslagen, omdat hij zijn deftig schrijfgereedschap voor deze batterij tlesschen heeft moeten ruimen. Wil Uwe Excellentie hem niet eerst helpen, en den aangekondigden krijgsraad houden, opdat wij ons des te ongestoorder aan de vreugde kunnen overgeven ?quot;

„Waartoe hebben wij toch een krijgsraad noodig?quot; vroeg Soltikow. zich op een stoel latende glijden en den achter hem staanden kozak zijn zilveren beker overreikende, om dien ten tweedenmale te vullen: „Waartoe die zaken en dat geschrijf? De dépêche aan mijne Keizerin is gereed! Maak haar dicht, Pietrowitch en zend den koerier ei dadelijk mede weg. Al het overige heeft tijd tot morgen! Kom, heer generaal, laat ons op het welzijn van onze verhevene Keizerinnen klinken!quot;

Laudon nam den hem aangeboden beker, en deed den veldheer wakker bescheid. Doch nadat hij den beker geledigd had, zeide hij; „Ik bedoel. Excellentie, wij moeten onze Keizerinnen niet enkel het bericht van de huidige overwinning zenden. Het ligt in onze macht, haar het bericht eener volkomene, en onherstelbare vernieling van den vijand te melden.quot;

„Hoe dat?quot; vroeg Soltikow, zijn beker weder latende vullen.

„Wel, als wij thans, — in plaats van eene gemakkelijke rust te genieten, en den vijand tijd te gunnen zijn verstrooid leger weder te verzamelen, — de Pruisen met onze troepen gingen vervolgen; wanneer wij den Koning den terugtocht afsneden, en hem beletten, weder over de Oder te gaan, en zijne oude legerplaats van Reitwen weder te betrekken, dan zouden wij in staat zijn den vijand geheel en al te vernielen, en aan dezen krijg met één slag een einde te maken.quot;

„Gij bedoelt dus, dat wij dadelijk weder moesten optrekken?quot; vroeg Soltikow: „Wij zouden onze uitgeputte troepen niet eens een uur slaap gunnen, maar dadelijk weder het gewoel van den slag en den dood Ie gemoet gaan? Neen, neen, heer generaal; het bloed mijner dappere Rus-

ocr page 143

133

sen is evenveel waard, als elk ander menschenbloed, en ik wil niet, dat zij de muur zullen zijn, waarachter de goede, edele Duitschers zich in rust en veiligheid kunnen scharen, terwijl wij voor hen ons bloed en leven in de waagschaal stellen. Ik verbeeld mij, dat wij Russen nu genoeg gedaan hebben, en wij hebben geen nieuwe overwinning noodig, om te bewijzen dat wij dapper zijn. Wanneer ik nog ééne overwinning behaal als die van heden, zal ik met mijn stok in de hand, alléén het bericht er van naar Petersburg kunnen brengen; want ik zou geene soldaten meer over hebben om mij te vergezellen. 1) Ik spreek hier niet tegen u, heer generaal Laudon, want gij zijt heden voor mij een trouw bondgenoot geweest; wij hebben samen gebloed en samen gezegevierd, hoewel wij niet door een gewijden hoed en degen beschermd waren, zooals de veldmaarschalk Daun is, die van ons altijd overwinningen eiscbt, terwijl hij zelf besluiteloos en werkeloos blijft!quot;

„Uwe Excellentie schijnt inderdaad verbitterd op den veldmaarschalk Daun te zijn?quot; zeide Laudon met een glimlach, dien hij niet kon onderdrukken.

„Ja,quot;' riep Soltikow: „ik ben verbitterd op dezen modernen Fabius Cunctator, die met zoo weinig beroemd geworden is, en die in Weenen eerbewijzingen oogst, welke niet hém, maar u, generaal Laudon, toekomen. Want gij handelt, terwijl hij aarzelt; gij zijt altijd slagvaardig en gereed om te handelen, terwijl Daun altijd afwacht, altijd schroomvallig is, altijd nadenkt of hij toeslaan zal, en daardoor de gelegenheid om het te doen laat voorbijgaan.quot;

„De Keizerin, mijne verhevene gebiedster, heeft hem in-tusschen met haar bijzonder vertrouwen vereerd,quot; zeide Laudon zacht: „en dus zal hij het ook wel verdienen!quot;

„Ja, en u en ons heeft men in Weenen met een bijzonder wantrouwen vereerd!quot; riep Soltikow opvliegend zijn beker wijn naar binnen gietend: „U schenkt men, — dat weet ik, — slechts geld en een karigen lof, want men moet alles voor Daun bewaren; en ons beschouwt men altijd met vijandige, afgunstige blikken; ons tracht men altoos

1

Soltikow's eigen woorden. Tempelhof: Th. Ill, S, 194.

ocr page 144

134

in verdenking te brengen, niettegenstaande onzen ijver en goeden wil.quot;

„Het is waar,quot; zeide Laudon glimlachend : „het valt ons altijd moeielijk aan de oprechtheid der Russische vriendschap te gelooven, wellicht echter slechts daarom, omdat wij die zoozeer wenschen en verlangen.quot;

„Woorden, schoone woorden!quot; riep Soltikow driftig: „De Duitscher heeft allijd een geheimen afkeer van den Rus, en gij verbeeldt u altijd, dat wij verkleede tijger-katten zijn, die elk oogenblik gereed zijn, u uwe heerlijke beschaving en fijne opvoeding te rooven en te verslinden. Daarom zoudt gij ons gaarne onder een glazen stolp zetten, wanneer wij in uwe nabijheid zijn, en ons uwe heerlijkheid altijd achter een doorschijnenden wal toonen, opdat wij u benijden en bewonderen kunnen. Wanneer gij in vrede en eendracht leeft, dan mijdt gij ons; dan is de Duitscher in zijne verbeelding veel 'e fijn beschaafd, en te verheven boven den barbaarschen Rus, maar, wanneer gij met elkander kijft, en niet meer weet waar gij u keeren of wenden moet, dan valt u plotseling in dat de Rus uw buurman is, en dat hij eene goede kling heeft en er wakker op in durft slaan; dan roept gij hem te hulp en biedt hem uwe vriendschap aan, dat wil zeggen: altoos slechts zóó lang, tot dat uwe vijandschap onder elkander uit is, en gij ons niet meer behoeft.' Maar zelfs, terwijl gij ons uwe vrienden noemt, wantrouwt gij ons en verdenkt gij onzen goeden wil. Klaagt men in Ween en niet bestendig over ons? Apraxin smacht in ketenen en boeien, omdat Oostenrijk hem van verraad en gebrek aan dienstijver beschuldigt; ook over Fermor en Rutturlin heeft men uit Weenen ernstig geklaagd, en bij onze Keizerin nu eens hun goeden wil, dan weder hunne bekwaamheden in verdenking zoeken te brengen en hun verwijtingen op den hals gehaald, welke zij volstrekt niet verdiend hadden. Ook over mij, ik weet het, heeft men zich reeds beklaagd, en mij van werkeloosheid en afkeer om de bondgenooten te ondersteunen beschuldigd en over het algemeen mijn ijver voor de algemeene zaak in verdenking gebracht. Dus zit bij ons kwaad bloed, mijneheeren, en hadt gij niet zulken voortreffelijken wijn in uw schoon Duitschland, onze vriendschap kon waarlijk niet lang gezond en krachtig blijven.

ocr page 145

135

Neem daarom uw beker, heer generaal, en laat ons met uw iheerlijlcen Duitschen wijn op onze vriendschap drinken! Klinkt allen mede, mijneheeren, en opdat mijnheer dege-'neraal ziet, dat wij het eerlijk met onzen toast meenen, •drinkt uwe bekers in één teug ledigquot;

Allen deden zooals Soltikow bevolen had, en dronken in lange teugen den vurigen, ouden rijnwijn, waarvan Soltikow zoo veel hield; hunne oogen begonnen helderder te schitteren, en hunne wangen werden met een donkerder gloed bedekt. Laudon zag dit met ontsteltenis, en hij wendde den bezorgden blik naar Montalembert, die hem met een treurig schouderophalen antwoordde.

„En nu. Excellentie, nu wij den Duitschen wijn gedronken hebben,quot; zeide Laudon: „laat ons nu nog een weinig aan Duitschland denken en aan den vijand die Duitschlands rust bedreigt, en zulks niet meer doen zal, wanneer vrij dat miet willen. Onze troepen hebben nu eenige uren rust igenoten, en zullen wel in staat zijn weder op te ruk-fisen.quot;

„Altijd hetzelfde liedje!quot; riep Soltikow met vroolijken glimlach; „Maar het zal mij niet meer in mijne behagelijke rust storen. Ik heb genoeg gedaan, en mijne troepen óók.quot;

„Ik ontving zoo even een koerier van Daun,quot; fluisterde Laudon: „hij legt mij den last op Uwe Excellentie te bezweren, dat wij met al onze krachten de zege zullen vervolgen, om den overwonnen vijand geheel en al te verpletteren.quot;

„En dat zal een licht werk zijn,quot; zeide Montalembert, op zijn vleiendsten toon; „het leger des Koningsis verstrooid en op de vlucht. Men moet beletten, dat het zich weder verzamelen kan; men moet de verstrooide troepen al meer en meer uit elkander iagen, en den Koning eiken terugtocht afsnijden.quot;

„Nu, als dit dan zijn moet,quot; zeide Soltikow onverschillig, zijn op nieuw gevulden beker aan den mond zettende: „als dat dan geschieden moet, kan immers de veldmaarschalk Daun dat wel op zich nemen. Ik van mijn k ant zal mij volkomen rustig houden. Ik heb twee slagen gewonnen, en wacht nu nog slechts, om verdere bewegi'ogen te doen, op het bericht yfW twee zegepraleïi yan Dfain; want het is

ocr page 146

136

niet billiik. dat de troepen mijner Keizerin alleen handelen moeten.quot; 1)

„Maar,'' hernam de markies Montalembert op fluisterenden toon, den schijn aannemende van door Laudon niet gehoord te willen worden; .,maar, wanneer Uwe Excellentie nu werkeloos blijit en niet voorwaarts rukt, zult gij den Oostenrijkers geheel alleen de vruchten van uwe overwinningen overlaten!quot;

„Daar ben ik volstrekt niet ijverzuchtig op !quot; riep Solti-kow lachend; „Ik wensch den Oostenrijkers nog meer geluk, dan ik gehad heb. Ik heb voor mijn deel genoeg gedaan. En daarmede voor heden genoeg van de zaken! Schenk in, Iwan, en gij, mijneheeren, vult uwe glazen. De godin Bellona heeft ons heden een gelukkig uur geschonken, wij zullen het dus genieten en alle zorgen vergeten! Drinkt nog eens, mijneheeren! Leve onze bekoorlijke meesteres, de Keizerin Elizabeth!quot;

„Zij leve!quot; riepen de Russische officieren in koor, en de bekers klonken, en de geurige rijnwijn parelde als schuimend goud in de zilveren bokalen: Soltikow en zijne generaals slurpten hem met toenemend genot en hunne opgeruimdheid klom al hooger. Met gloeiende gelaatstrekken zaten zij om de tafel en luisterden naar hun aangebeden veldheer, die hun in gulle opgeruimdheid eenige vroo-lijke grappen uit zijne jeugd verhaalde, en zijne toehoorders zóó luid en hartelijk deed lachen, dat de wanden er van dreunden, en dat Fritz Kober, die daar buiten in de struiken verscholen zat, onwillekeurig er mede moest instemmen.

Al onstuimiger en onbedwongener werd nu de uitgelatenheid der Russen. Zij droomden in hun vaderland te zijn; hier en daar begon een der zalige heeren het een of ander Russisch minneliedje te zingen, en de kozakken die aan de deur zaten, grijnsden van pret toen zij het hoorden, en bromden zachtjes het refrein mede. De wijn begon reeds zijne beginselen van vrijheid en gelijkheid in de gemoederen te prenten, en het onderscheid tusschen rang en stand verdween. Aller gelaat straalde van genot. Iedereen lachte en schertste, dronk en zong, en niemand dacht nu nog

1

Soltikow's eigen woorden. V. Archenholtz. Th. I, S. 263.

ocr page 147

137

aan den Koning van Pruisen en zijn vluchtend leger. Men herinnerde zich alleen de zege die men behaald had, maar bij den heerlijk geurigen wijn vergat men de overwonnenen. 1)

Alleen Montalembert en Lauden namen geen deel aan de algemeene vroolijkheid. Zij hadden zich weldra van de tafel met zijne luidruchtige gasten verwijderd, en stonden nu, de uitgelaten groep beschouwende, te zamen voor het venster. — „Het is vergeefs,quot; fluisterde Laudon; „wij zullen hem niet kunnen bewegen op te rukken. De Duit-sche wijn ligt Soltikow meer aan het hart dan de Duitsche bondgenooten!quot;

„Maar gij heer generaal,quot; fluisterde Montalembert: „gij moest doen wat Soltikow verzuimt. Gij moest met het dralen van den Russischen generaal uw voordeel doen, en den Koning vervolgen.quot;

„Alsof ik nog hier zoude zijn, als ik wat doen kon!quot; riep Laudon smartelijk ; „Men heeft mij de handen gebonden, en ik mag niets ondernemen, wat niet in overleg met onzen bondgenoot is. Als Soltikow niet wil, mag ik alléén niet oprukken, maar moet mij schikken ; want zoolang wij vereenigd zijn, moeten en kunnen wij slechts gemeenschap-pelijk handelen.quot;

Een luid brullend gelach van de vroolijke dischgenooten deed nu de beide heeren verstommen. Soltikow had juist weder een van zijne grappige historietjes verteld, zoodat zelfs de kozakken luide mede gelachen hadden, en een der Russische generaals, die dat gemerkt had, had hen daarvoor beloond, door twee vetkaarsen van een kandelaar te nemen, en ze den kozakken toe te werpen, die deze kostelijke lekkernij met gejuich ontvingen.

„Laat ons gaan,quot; fluisterde Montalembert: „dit tooneel wordt toch — al te Russisch!quot;

„Ja, laat ons gaan,quot; zuchtte Laudon : „wanneer wij hier toch werkeloos moeten blijven liggen, kunnen wij ten minste den tijd met slapen besteden.quot;

Niemand lette er op, dat de beide heeren zich verwijderden. Het vroolijk gelach, het drinken en zingen ging

1

Preuss. Th. II, S, 217.

ocr page 148

138

ongestoord voort, en veranderde weldra in een verward getier, in een dronken stamelen en juichen.

„Nu kunnen wij óók wel gaan,quot; fluisterde Karei Hendrik, die voorzichtig naar den schuilhoek van Früs Koher geslopen was: „kom, kom, gij weet wij worden gewacht!quot;

Frits Koher kroop uit de struiken te voorschijn, en met de grootste omzichtigheid snelden heiden heen. Eerst toen zij de zwijgende en stille legerplaats der Oostenrijkersen Russen achter zich hadden, en weder over het slagveld gingen, brak Frits Koher het stilzwijgen af dat zij tot nog toe in acht genomen hadden, uit vrees van den een of ander der bij de nog glimmende legervuren slapende soldaten te doen ontwaken.

„Nu,quot; zeide Frits zuchtend: „wat zullen wij den Koning zeggen?quot;

„Wel, alles wat wij gehoord hebben,quot; zeide Karei Hendrik lachend. i

„Ja, maar wij hebben immers niets gehoord,'' bromde Frits: „ik heb mijne ooren zoover opengespalkt als ik maar kon, maar ik heb toch niets begrepen. Is het geen schandaal, naar Duitschland te komen, en zulk een afschuwelijk koeterwaalsch te spreken, dat men er geon woord van verstaan kan. Wanneer men in Duitschland is, moet men Duitsch spreken, en geen Russisch!quot;

„Zij hebben geen Russisch gesproken, maar Fransch; ik heb alles goed verstaan,quot; zeide Karei Hendrik.

Frits Kober bleef staan en staarde zijn vriend bijna ontsteld aan. — „Gij verstaat Fransch?quot;

„Ik behoor aan de Fransche grenzen tehuis,quot; zeide Karei Hendrik: „en mijne moeder was uit den Elzas; daardoor leerde ik Fransch.quot; f

„Gij kent alles!quot; riep Frits Kober hoofdschuddend: „Maar ik — ik ben een echte domkop, en de Koning zal mij uitlachen, want ik heb hem niets mede te deelen. Er komt weder niets van den onderofficier.quot;

Wanneer gij het niet wordt, word ik het óók niet Frits. En overigens, wat het vertellen betreft: gij zult dén Koning evenveel weten te zeggen, als ik. Gij hebt met de oogen gehoord en ik met de ooren; en de hoofdzaak, waarop het aankomt, kunt gij hem even goed berichten als

ocr page 149

139

ik. De hoofdzaak is : „dat de Russen en Oostenrijkers slapen en er volstrekt niet aan denken, ons te vervolgen!quot;

„Ja, dat is waar; dat kan ik óók den Koning bprichten !quot; riep Frits Kober: „en dat zal hem wel het liefst zijn. Zie, Karei Hendrik, de morgen begint reeds te schemeren, laten wij ons haasten om bij den Koning te komen. Wanneer hij hoort dat de Oostenrijkers en Russen slapen, zal hij zeggen, dat het dan voor de Pruisen juist de tijd is om te waken

V.

EEN HELD IN HET ONGELUK.

De eerste straal van het morgenrood bescheen de ellendige hut, toen de beide grenadiers behouden dit hoofdkwartier des Konings bereikten. Rondom was alles stil; niet het minste geruisch stoorde de vreedzame stilte van den morgen, als hadde de Natuur zelve eerbied voor den slaap van den held; de vogels zelfs zwegen, en de morgenwind blies met zacht gedruisch langs de kleine venster, als wilde hij den Koning een vreedzaam wiegelied toezingen. Daar er geene wachters voor de hut des Konings stonden, scheen de zon de wacht te willen overnemen, en bestraalde en begroette met hare eerste stralen de heilige plek, waar de door het ongeluk vervolgde held rustte.

Zacht en met ingehouden adem slopen de beide grenadiers naar de opene hut. De diepe stilte door geen geluid afgebroken, maakte hen bijna beangst. Het scheen hun volstrekt onmogelijk, dat zij hier, in dit ellendig huis, zoo geheel alleen en onbewaakt, den Koning zouden vinden. Zij dachten a;m de rondzwervende kozakken; twaalf van deze zouden voldoende geweest zijn, de kleine hut te bezetten en den Koning met zijne beide adjudanten gevangen weg le voeren.

„Ik weet niet,quot; fluisterde Frits Kober, toen zij op den

ocr page 150

140

drempel der hut stonden; „ik heb geen courage om de deur te openen. De Koning is er zeker niet meer in. De kozakken hebben hem voortgesleept.quot;

„Dat zal God niet dulden,quot; zeide Karei Hendrik plechtig; „God heeft den Koning met Zijne maan en Zijne sterren bewaakt, terwijl wij er niet waren, geloof ik. Kom, laat ons naar binnen gaan.quot;

Zacht openden zij de deur en traden binnen. Maai'toen bleven zij beide, als door eerbiedigen schroom bevangen, slaan en waagden het niet, verder de kamer in te gaan.

Daar op het stroo, — dat slechts karig den onzindelijken leemgrond der hut bedekte, — lag de Koning, met den hoed half op'het gelaat, den ontblooten degen in de rechterhand, en sliep zóó vast en rustig, alsof hij tehuis in zijn schoon, prachtig Sanssouci lag; aan zijne voeten lagen de beide adjudanten te snorken.

„Ziet gij,quot; fluisterde Karei Hendrik: „zóó sluimert een koning, dien God bewaakt,quot; en naast hem nederknielende, zeide hij: „heer Koning, wij zijn terug! Wij brengen bericht van de Oostenrijkers en Russen!quot;

De Koning richtte zich langzaam op en schoot zijn hoed van het voorhoofd. — „Goede of slechte lijdingen?'' vroeg hij.

„Goede tijdingen!quot; zeide Frits met een gelukkigen lach : „De Oostenrijkers zijn naar bed gegaan en de Russen ook. Zij willen slapen!''

„Ja; en zij denken er in het geheel niet aan om Uwe Majesteit te willen vervolgen,quot; zeide Karei Hendrik: „Lau-don wilde het wel doen, maar Soltikow niet; die wil volstrekt niets doen, totdat Daun iets gedaan heeft.quot;

„Zoo? Dan zijt gij stellig in den krijgsraad geweest,quot; vroeg de Koning glimlachend.

„Bijna,quot; riep Frits Kober gelukkig; „ik heb den krijgsraad gezien, en Karei Hendrik heeft hem gehoord.quot;

De Koning stond op. — „Gij spreekt te luid,quot; zeide hij : „gij zult die beide heeren wakker maken, en zij slapen nog zoo rustig. Komt, laat ons naar buiten gaan, en daar kunt gij mij alles vertellen.quot;

-Zacht en op de teenen stapte hij door het vertrek naar buiten. Daar ging hij op de bank zitten, en liet zich door de voor hem staande grenadiers zeer nauwkeurig en uitvoerig verhalen, wat zij gehoord en gezien hadden.

ocr page 151

144

Lang nadat zij geëindigd hadden, zat de Koning nog zwijgend en in gedachten verzonken. Zijne groote, vurige oogen waren ten hemel geslagen, en hij scheen in een heilig gesprek met God, zijne toekomst na te gaan en te overwegen.

Toen hij langzaam zijn blik liet zakken, trof deze de beide grenadiers, die in eerbiedig zwijgen vóór hem stonden.

„Ik ben over u tevreden, kinderen,quot; zeide hij: „en deze keer wordt woord gehouden. Gij zijt beide onderoiïïcieren.''

„Maar toch in ééne compagnie?'' vroeg Frits Kober haastig.

„In ééne compagnie; dat wil zeggen,quot; vervolgde de Koning met een zachten en pijnlijken zucht; „als ik nog compagniën en regimenten bijeenbrengen kan !quot;'

„O, het ziet er lang zoo slecht niet uit, als Uwe Majesteit zich verbeeldtquot;' zeide Frits Kober bemoedigend; „onze soldalen zijn van den eersten schrik bekomen, en straks, toen wij van ginds kwamen, hebben wij ze bij groote troepen het dorp zien binnenrukken. In eenige uren zal zich het leger kunnen formeeren.quot;

„God geve, dat gij gelijk heb, mijn zoon,quot; zeide de Koning goedig: „gaat nu naar het dorp, en vertelt overal aan de soldaten wat gij daarginds gehoord hebt. Het zal hun moed geven, wanneer zij hooren dat de vijand slaapt, en er niet om denkt ons te vervolgen. En wat uwe beide onderofficiers-patenten betreft, ik zal die heden nog laten uitvaardigen! Vaartwel, kinderen!quot;

Hij knikte hun toe en ging in de hut om zijne beide adjudanten te wekken. Met volkomen kalme stem beval hij hun naar het dorp te gaan, en alle hoofd-officieren en generaals uit te noodigen, hunne troepen te verzamelen, en daarmede naar de vlakte te marcheeren, welke zich voor de hut uitstrekte.

„Laat de trompetters den terugtocht blazen en de tamboers dien slaan,quot; zeide de Koning; „de frissche morgenlucht zal dien klank ver henen dragen door de lucht, en wanneer hunne soldaten het hooren, keeren zij wellicht onder mijne vanen terug. Gaat dus, mijneheeren.quot;

„Alles is verloren, alles,quot; prevelde hij: „maar tóch moet ik nog volhouden en afwachten! Wanneer de domheid of de overmoed van den vijand nog ééne maas in het net.

ocr page 152

442

waarmede zij mij omgeven hebben, heeft opengelaten, is het mijn plicht mijn leger er door te laten glippen en aan deszelfs spits vol te houden.

Ach, ach! Hoe zwaar drukt deze kroon op mijn hoofd; deze kroon, welke mij niet eens vergunt, mijn arm hoofd ter ruste te leggen! Welk een zware plicht is het leven, en hoe bitter stelt het niijne heerlijke begoochelingen, waarmede het begonnen is, te leur!quot; —

Buiten vernam men nu het schetteren der trompetten en het geroffel der trommen. De Koning schrikte, als door eene koortshuivering getroffen, en fluisterde: „Vraiment, ik gevoel nu, wat ik nog nooit gevoeld hebl Ik gevoel vrees, en mijn hart beeft n a deze slag, zooals het nog nooit vóór een slag gesidderd heeft! De trompetten en trommen roepen mijne soldaten, maar zij zullen niet komen! Zij liggen óf daarginds op het slagveld, óf zij dwalen vluchtend rond! Zij zullen niet komen, en de zon zal mijne schande en mijn ongeluk verlichten!quot;

En geheel overstelpt, geheel ontmoedigd, zonk de Koning op een stoel, en sloeg zijne beide handen voor zijn gelaat. Zóó bleef hij lang, zeer lang zitten. —Daar buiten voor de deur werd het allengs levendiger, maar de Koning gaf er geen acht op. Hij hield altijd nog zijne handen voor de oogen; hij zag niet, hoe daar buiten voor het venster zich een bont gewoel van uniformen en schitterende épauletten vertoonde; hij zag niet, hoe van alle kanten soldaten toestroomden; hij hoorde het trommelen en blazen, de toegeroepen bevelen en militaire seinen niet.

Hij hoorde ook niet, hoe de deur zacht geopend werd en zijne adjudanten verschenen, terwijl daar buiten voor de deur de generaals en stafolficieren, dicht op elkander gedrongen, even eerbiedig en zwijgend stonden, als bevonden zij zich in de schitterende voorzaal van het koninklijke paleis.

„Sire,quot; fluisterde eindelijk een der beide adjudanten; „de bevelen van Uwe Majesteit zijn uitgevoerd. De generaals wenschen Uwe Majesteit hun eerbied te betuigen.quot;

De Koning liet zijne handen langzaam van het gelaat glijden. — „En de troepen?quot; vroeg hij.

„Die beginnen zich juist op de vlakte te scharen!quot;

ocr page 153

143

„Ook zijn wij juist bezig,quot; zeide de tweede adjudant; „onze kannonnen op te rijden.quot;

De Koning keerde zich driftig en met bijna vertoornd gelaat om. — „Mijnheer, gij liegt!quot; riep hij luide: „Ik heb geene kanonnen meer!quot; ^

„Uwe Majesteit heeft, Gode zij dank, nog meer dan vijftig kanonnen,-' zeide de adjudant op vasten toon: „enik laat ze juist oprijden.quot;

Een lichtstraal vloog over het gelaat des Konings en zijne bleeke wangen kleurden zich met een lichten blos. Hij stond snel op, trad naar buiten, waar de generaals zich eerbiedig voor hem bogen en met moeite opeendron-gen, om den Koning oen weg te openen.

De Koning stapte met opgeheven hoofd, maar zwijgend tusschen hunne rijen door, en bleef voor de deur slaan.

„Messieurs,quot; zeide hij, met opgerichten hoofde: „laat ons zien, wat de dag van gisteren ons nog overgelaten heeft! Laat ons de troepen monsteren!quot;

De generaals en stafofficieren snelden zwijgend heen, om zich aan het hoofd hunner regimenten te plaatsen en ze langs den Koning te geleiden.

De Koning leunde tegen de deur van de hut en trok den degen als op eene plechtige staatsie-parade. De marsch der troepen begon. Maar het was een treurig gezicht, en eene hartbrekende pijn vervulde de borst des Konings! —Hoe weinig was hem gebleven van dat schoone, strijdlustige leger, dat hij gisteren ten strijde gebracht had. Meer dan twintigduizend man waren óf gedood, óf gewond! Verstrooid en vluchtende dwaalden duizenden rond; met moeite had men uit de bonte verwarring der verschillende troepen enkele regimenten kunnen vormen, en nauwelijks vijfduizend man defileerden nu voor den Koning.

De Koning zag hen met een rustig oog en kalm gelaat voorbijtrekken. Alleen had hij zijne lippen op elkander gedrukt, en zijn adem kwam moeielijk en hijgend uit zijne borst.

Plotseling wondde hij zich tot den naast hem staanden

1) Historisch. V. Retzow. Th. 11, 8. 117.

ocr page 154

144

graaf Dohaa, den adjudant van den hertog Ferdinand van Brunswijk, die voor eenige dagen in de legerplaats gekomen was, om hem het bericht van de overwinning te Minden over te brengen. De Koning had hem uitgenoodigd bij hem te blijven. „Ik ben van plan,quot; had hij gezegd; „de Russen aan te vallen; blijf dus /oolang hier, tot ik u een tegen-compliment kan medegeyen.'' ')

Dit herinnerde de Koning zich nu, toen hij den adjudant naast zich zag staan. — „O,'' zeide hij, met gedwongen, glimlach; „gij wacht nog altijd op het tegen-compliment, dat ik u beloofd heb. Flet doet mij leed, dat het antwoord op zulk een goede boodschap niet beter is uitgevallen. Wanneer gij echter op uw terugweg nog kunt doorkomen, en Daun niet reeds in Berlijn en Contade in Maagdenburg vindt, kunt gij hertog Ferdinand van mij de verzekering geven, dat niet veel verloren is. Vaarwel, monsieur.''

Hij wenkte hem met eene lichte beweging den afscheidsgroet toe, en stapte toen met fleren tred naar zijne generaals, die op eerbiedigen afstand geschaard stonden.

Zijn oog fonkelde en vlamde nu weder, en zijn geheele voorkomen had weder zijne bezielde en stoute uitdrukking aangenomen. — „Messieurs,'' sprak hij, met volle en heldere stem: „het noodlot is ons gisteren niet gunstig geweest. Maar er is geene reden om te vreezen; en ik denk, er zal een dag komen, waarop wij den vijand met bloedige rente terug zullen geven, wat hij ons gisteren gedaan heeft. Ik ten minste hoop op dien dag; ik wil leven om hem af te wachten, en al mijne gedachten, plannen en pogingen zullen strekken, om hem spoedig te doen aanbreken. Ik streef naar geen anderen roem dan Pruisen te redden van den ondergang, waartoe geheel Europa zich verbonden heeft. Ik wil voor mijn vaderland den vrede veroveren; maar een eervollen, krachtigen vrede, welke Pi'ui-sen geëerd en machtig doet blijven. Een anderen vrede kan en mag ik niet aannemen; en liever wil ik mij onder de puin-hoopen mijner laatste batterij begraven, dan eene vrede sluiten, die mijn vaderland geen voordeel, en ons geen roem aanbrengt! De eer toch is het hoogste en edelste goed der

1) V. Retzow. Th. II, S. 116.

ocr page 155

145

bijzondere personen,zoowel als der volkeren; en Pruisen, dat zijne eer in onze handen heeft gesteld, moet haar rein en vlekkeloos van ons terug ontvangen. Als dit ook uw gevoelen is, messieurs, roept mij dan na; leve Pruisen, leve Pruisens eer!quot;

„Leve Pruisen! Leve Pruisens eer!quot; riepen de generaals en officieren met geestdrift, en als eene lawine rolde de kreet van mond tot mond; ook de verbrokkelde regimenten hadden hem gehoord en riepen hem na, en de veldmuziek viel schetterend in, en de trommels roffelden mede. De vaandeldragers ontrolden hunne vaandels, en lieten de in stukken geschoten en met Harden omhangen Pruisische adelaars in de lucht wapperen, en met duizend kelen, zich in een enkelen toon vereenigende, rees de kreet ten hemel: „Leve Pruisen! Leven Pruisens eer!quot;

Daar stond de Koning met een schitterend gelaat, en in zijne groote, heldere oog en blonk een traan. Hij sloeg den blik ten hemel en zacht fluisterden zijne lippen: „Ik zweer te leven zoo lang er nog hoop is! Ik zweer te leven zoo lang ik nog vrij ben! Ik zweer slechts dan den dood te zoeken wanneer gevangenisschap mij bedreigt!quot;

Langzaam wendde hij den blik weder naar omlaag en met luide en krachtige stem sprak hij nu: „Voorwaarts! Voorwaarts! is altijd de leus der Pruisen geweest, en moet betook altijd blijven! Voorwaarts, mijneheeren! Wij hebben een groot doel voor ons, wij moeten trachten het te bereiken. Wij moeten den vijand die ons omsingeld heeft uiteen drijven. Wij moeten alles wagen, om de Russen uit Berlijn te houden. Het palladium van ons geluk mag niet in de handen der vijanden vallen. Wij moeten de Rijks-année uit Saksen verdrijven, en vooral moeten wij de Oostenrijkers en de Russen van de Spree verwijderd houden en hun den weg over den Oder afsnijden! Voorwaarts dus, voorwaarts! Trekken wij op; wij gaan eerst over den Oder naar onze oude legerplaats Reitwen terug. De Oder en de Spree moeten ons blijven, en wat de vijand ons gisteren ontnomen heeft, willen wij hem morgen weder ontrukken! Voorwaarts, Voorwaarts!quot; s

„Voorwaarts! Voorwaarts!quot; riepen en brulden de scharen hem na, en overal brachten de woorden des Konings Mühlbaoh, Frcderik de Groote en zijn Hof. VII. 10

ocr page 156

446

weder moed en geestdrift. Elk hoopte weder op de toekomstquot; elk was weder blijde den Koning te volgen; want hoe dónker en beneveld de gezichteinder zich ook aan alle kanten vertoonde, elk geloofde aan de ster des Komngs en wist, dat /mar glans nimmer uitgedoofd kon worden!

ocr page 157

ZESDE BOEK..

EINDE VAN DEN ZEVENJARIGEN OORLOG.

J.

DE TERESIANI EN PRUSSIANI.

Voor het aan het Canale grande gelegen prachtig hotel „de Witte Leeuwquot; te Venetië had juist een gondelier zijn vaartuig vastgemeerd. De portier trok aan de groote huis-schel en dadelijk snelde de kastelein persoonlijk toe om den vreemdeling te begroeten, die bedaard uit de gondel de kleine, wit marmeren trap bestegen had, die naar het fraaie voorportaal van het beroemd hotel voerde.

De vreemdeling beantwoordde de diepe en eerbiedige buigingen van den kastelein met een stijven, militairen hoofdknik, en vroeg in uitheemsch klinkend Italiaansch, of hij nog eenige kamers kon krijgen.

Signor Montardo keek den vrager met een weifelenden blik aan, en in plaats van zijne vraag te beantwoorden, vroeg^hij : „Signor is, zooals het schijnt, een buitenlander?quot;

„Jaquot;, antwoordde de vreemde met een glimlach: „mijn Italiaansch heeft het u ontdekt; ik ben een buitenlander. Maar ik hoop dat zulks niet belet, mij eenige kamers aan te wijzen, waarin men gemakkelijk en goed kan wonen?quot;

„O zeker niet, signor, en de prachtigste en schoonste vertrekken staan ten dienste van Uwe Genade,quot; zeide de kastelein, zonder evenwel de plek waar hij stond te verlaten, terwijl hij nu eens den vreemdeling, en dan weder de groote kotters, welke de gondeliers binnen gebracht hadden, met verlegen en angstigen blik beschouwde.

ocr page 158

148

Welnu; geef mij dan eindelijk mijne kamers!quot; riep do vreemdeling ongeduldig, dieper het portaal ingaande .

De kastefein slaakte een zucht en wierp ^ 2 vragenden blik op zijn eersten bediende, dien deze me

kastelein, en snelde toen den vreemdeling na, die zich verdrietig en bijna vertoornd had omgekeerd.

Wees zoo goed hier binnen te gaan, ^eide de kasl lein onder diepe buigingen de breede vleugeldeur openend en deiT vreemdeling in de groele, prachtige .aal leidende, die teeeliik tot bal- en eetzaal diende. j j

En nu, Eccellenza,quot; vervolgde de kastelein, de deur achter zich in het slot drukkende en zich met een vlug0en

blik overtuigende, dat hij niet den vreemdeling alleen was.

gii zult mijne nieuwsgierigheid ten goede houden, wanneei rfV vóoTdat ik de eer heb u kamers aan te wijzen, twee

vragen doe. Denkt Uwe Eccelenza hier lang te ver-

t0eVEenige dagen, mijnheer! — Nu uwe tweede vraag?

De kastelein aarzelde een weinig, toen vroeg hij me neênreslagen blik; „Eccelenza is een Duitscher!

Ja een Duitscher,quot; zeide de vreemdeling ongeduldig.

''ik' dacht het reeds,quot; zuchtte de kastelein.

Wilt gii mii nu kamers aanwijzen of niet? nep de vreemdeling; „Beslis nu maar spoedig; want er zijn, zoo ver ik weet, nog meer goede hotels aan het Canale grande, en ik denk overal een goede ontvangst te vmden. _ ^ De kastelein boog zich met treurige g'jbaren. ?

zeide hij: „ik zal u kamers aanwijzen! Wees zoo goed mij

16 Hii stapte, als iemand die een wanhopig besluit had genomen, door de zaal en stiet eene andere deur open, welke op een lange gang uitkwam, waarin aan weers-ziiden genommerde deuren waren. Haastig vloog de kastelein langs deze deuren en trad door den vreemdeling gevolgd in een donkere zijgang, welke zeer afstak bij de keurigheid van het overige gedeelte van het gebouw. De wanden waren hier niet, zooals in de groote gang, met ziiden behangsels bedekt, maar vertoonde een met zeer zindelijk kalkwit. Geen kleed bedekte den vloer, en de deu-

ocr page 159

149

ren, welke van hier naar de kamers leidden, waren klein en laag.

De kastelein opende eene dezer deuren en bracht den vreemdeling in een klein, eenvoudig gemeubeld vertrek, waarnaast zich eene kleine, sombere alkoof bevond.

„Signer,quot; zeide hij met eene buiging: „deze zijn helaas, de beide eenige vertrekken, welke ik Uwe Genade nog kan aanbieden.quot;

„Zij zijn klein en slecht!quot; riep de reiziger verdrietig.

„Maar zij liggen stil en afgezonderd,quot; zeide signor Mon-tardo haastig,quot; „en gij hebt het voordeel heden avond volstrekt niet door het bal gestoord te worden, dat de club der Prussiani heden in de groote zaal geven zal.quot;

Hij sloeg bij deze woorden een vluchtigen en onderzoekenden blik op het gelaat van den vreemdeling, om te zien welken indruk zij op diens gelaat zouden maken.

Deze zette dan ook een zeer verbaasd en verlegen gezicht. — „De club der Prussiani?' vroeg hij: „Zijn er hier dan zooveel Pruisen? En vieren deze hier dan vroo-lijke feesten, terwijl zij, naar mij dunkt, alle reden hebben over het ongeluk van hun Koning te treuren.quot;

Nu was het de vreemdeling, die den kastelein met onderzoekenden blik beschouwde, er verlangend zijn antwoord tegemoet zag.

„Gij vraagt, signor, of er hier veel Pruisen zijn?quot; riep de kastelein met nadruk: „Ja, signor, er zijn vele Pruisen in la helle Venezia, want, Eccelenza, chi non è buon Prussi-ano, non è buon Veneziano. Gij verbeeldt u ook, dat de Pruisen geene redenen hebben om vroolijke feesten te vieren, maar veeleer om het ongeluk van hun Koning moesten treuren? Neen, Eccelenza; de Prussiani hebben nooit redenen bevreesd te worden, want een held als de groote Frederik kan nooit bezwijken! De zon van zijn geluk is een oogenblik verduisterd, dat is alles; maar zij zal weder zegevierend en schitterend uit de wolken verrijzen en al zijne vijanden verblinden! Daarom juist is bet, dat de Prussiani een feest geven om de Teresiani te trotseeren. Deze hebben daarginds in het „Gulden Vlies'' hunne club, en hebben daar gisteren avond een groot feesthal gegeven, ter eere der overwinning, welke de Oostenrijkers, helaas, bij Maxen op den heldenkoning be-

ocr page 160

150

haald hebben. ^ Het is wel is waar niet te ontkennen, dat de Koning nu twee groote slagen, bij Kunersdort en bij Maxen verloren heeft, maar dat is altoos nog geen reden voor de Prussiani om bevreesd te zijn; want al heeft de Koning twee slagen verloren, zoo zal hij daarvoor vele slagen winnen, en de Oostenrijkers, Russen en Franschen zullen voor hem gaan loopen, zooals zij bij Leuthen, Zorndorf en Rossbach gedaan hebben. Daarom, zooals gezegd, willen de Prussiani heden een feest geven; zij willen den Tere-siani bewijzen, dat het schijnbare ongeluk des Konings hen volstrekt niet verontrust heeft, maar dat zij nu reeds de overwinningen vieren, welke de groote Koning eerstdaags behalen zal!quot;

Het gelaat van den vreemdeling schitterde van genoegen, en hij was reeds op het punt een toestemmend antwoord te geven, maar hield het terug. — „Dit is inderdaad een groot vertrouwen, dat de Prussiani hebben,quot; zeide hij met gedwongen bedaardheid: „maar gij hebt mij nog altijd niet gezegd, hoe het komt, dat zich hier zoovele Pruisen ophouden?quot;

De kastelein lachte. — „Mijnheer,quot; zeide hij: „houdtgij u nooit met staatkunde bezig?quot;

„Neen, signor,quot; antwoordde reiziger aarzelend.

„Zoo; anders zoudt gij weten, dat er thans overal vele Pruisen zijn, en dat de geheele wereld belang stelt in dezen krijg, welke één enkele held tegen zoovele en machtige vijanden voert. Maar nergens is die belangstelling grooter, dan in ons schoon Italië; en nergens in Ralië grooter, dan in ons schoon Venezia. Hier neemt de nobile zoowel als de gondoliere partij vóór of tegen, — en Venezia is in twee groote legerkampen verdeeld: in Prussiani en Teresiani. De eersten dwepen met den Koning van Pruisen, de laatsten met de Keizerin Maria Theresia. Maar ik verzeker u, het zijn ellendige, erbarmelijke wezens, omgekochte geestdrijvers en lafhartige dwazen, die Teresiani, anders niet!quot;

' 1) Den 21 Nov. 1759. Bij deze nederlaag leden de Pruisen denzelfdan smaad, welken zij vroeger den Saksers bij Perna hadden aangedaan. Twaalfduizend Pruisen met negen generaals moesten de wapens nederleggen, en zich aan de Oostenrijkers krijgsgevangen geven.

ocr page 161

151

„Dientengevolge behoort cjij niet tot hen, signor?quot; vroeg de vreemdeling lachend: „Gij zijt stellig een goede Prus-siano?quot;

„Dat zou ik denken !'' riep de kastelein trotsch : „ik ben een goed patriot, en ik zeide u reeds onze leus: c/ii non è Imon Prussiano, non è huon Vcneziano!quot;

„Nu, als dat zoo is,quot; zei de vreemdeling vroolijk, den kastelein vriendelijk zijne hand reikende: „dan wensch ik mij geluk bij u aangeland te zijn; en zullen deze kleine, ellendige vertrekken mij niet beletten bij u te blij ven! Ook i/c ben een huwn Prussiano, en even als gij zeg ik: wat deren ons de slagen van Kunersdorf en Maxen; Frederik de Groote zal over al zijne vijanden zegevieren!''

„O, signor, gij zijt een Prussianolquot; riep de kastelein met echt Italiaansche uitgelatenheid: „Wees dan van harte welkom en wees verzekerd, dat ik alles doen zal om uwe tevredenheid te verdienen. Kom, mijnheer, voor een aanhanger van den grooten Frederik zijn deze kamers veel te klein en te armzalig. Ik zal de eer hebben u op de eerste verdieping twee schoone salons met het uitzicht op het Cnnale grande te wijzen, en gij zult er mij niet meer voor betalen dan voor deze vertrekjes. Kom, mijnheer, en vergeef mij, dat ik u niet dadeliik naar behooren bediende; maar ik wist niet, dat gij een Prussiano waart, en het zoude voor mij zeer gevaarlijk en onstaatkundig geweest zijn, een vreemdeling, dicsoms een Teresiano kon zijn, in mijn hotel te ontvangen. Daardoor zoude ik de klandisie van al de Prussiani kunnen verliezen. Wees zoo goed, mij te volgen,quot;

Hij geleidde den vreemdeling weder over de gangen dooide groote zaal naar het voorportaal. Daar stonden de opper-kellner benevens de gargons in een levendig gesprek met de gondeliers, die de kofters van den reiziger in het voorportaal hadden neergezet, — en vloekend en schreeuwend hunne vracht verlangden, terwijl de oberkellner hun verzekerde, dat het nog niet uitgemaakt was, of de vreemdeling hier bleef, en of zij niet soms zijne koffers nog verder moesten brengen.

De kastelein wenkte glimlachend den oberkellner, en op den vreemdeling wijzende, zeide hij trotsch: „Eccelenza is niet slechts een Duitscher, maar een Prussiano.quot;

ocr page 162

152

En dadelijk helderden de gelaatstrekken der kei Iners en gondeliers, op, en met een glimlach van welwillendheid vestigden allen hun blik op den reiziger, die intusschen naast den kastelein de breede, prachtige trap beklom.

„Hij is een Pruis!quot; riepen de gargons.

„Evvivael Re di Prussia!quot; schreeuwden de gondeliers, terwijl zij de koffers op hunne schouders namen en ze vlug de trap opdroegen.

De salons, waarin de kastelein zijn gast nu voerde, verschilden veel van de kleine, onzindelijke vertrekken, welke hij hem eerst had aangewezen. Hier heeischte de grootste pracht, en met een trotsch gevoel van vreugde bracht de kastelein den vreemdeling op het groote balkon vanwaar men een heerlijk gezicht had over het indrukwekkende, heerlijke bassin van het Canale grande met zijne trotsche kerken en paleizen

„En nu, signor,quot; zeide de kastelein ootmoedig: „beschik over mij. Kan ik u op de een of andere wijze van dienst zijn, dan doe ik het met vreugde! Elke inlichting ben ik bereid u te geven! Wellicht heeft Uw Eccelenza hier zaken, en kan ik u behulpzaam zijn.quot;

„Wel stellig heb ik hier zaken,quot; zeide de reiziger: „maar zij zijn niet van belang. Ik moet slechts een brief van aanbeveling afgeven, en wel aan den prior van het klooster van San Giovanni e Paole.quot;

„Zoo, zoo; dat is een echte Pruis,quot; riep de kastelein zich verheugd de handen wrijvende: „het is jammer dat de wetten van zijne orde hem verbieden op het feesthal te komen, anders zou hij er stellig aan deelnemen. Wanneer gij in betrekking staat met mijnheer den prior van San Giovanni, dan hebt gij zonder twijfel eene politieke zending, en ben ik dubbel trotsch u mijn gast te kunnen noemen.''

„Volstrekt niet,quot; zeide de vreemdeling haastig: „ik heb geen staatkundige zending, en mijn aanbevelingsbrief aan den prior is van een geheel onschuldigen aard. Ik ben koopman, en daar ik door toeval in het bezit van verscheidene kostbare reliquiën ben gekomen, hoop ik, dat de eerwaarde heer prior ze mij wellicht voor zijn klooster zal afkoopen.quot;

„Ach,quot; zei de kastelein met verachtelijk schouderop-

ocr page 163

153

halen: „weet gij, mijnheer; men is thans niet meer zoo bijzonder ingenomen met zulke dingen! De politiek laat ons geen tijd om vroom te zijn, en zelfs de Paus heeft geen invloed op de gemoederen. Zelfs de Romeinen zijn buoni Prussiani, en storen er zich niet aan, of de grnote Frederik een keiter is. De Paus zegent de wapenen zijner vijanden, en viert hunne zegepralen met prachtige missen en kostbare offeranden. Doch de Romein stoort er zich niet aan, maar bidt voor den heldenkoning, den grooten Frederik, en wenscht heil en zegen aan zijne wapenen en trotseert den Paus.quot; *)

„Dan ^ zal ik stellig slechte zaken met mijne reliquiën maken,quot; zeide de vreemdeling schijnbaar bedroefd: „maar des te betere, naar ik hoop, met mijne waaiers, en daarvoor heb ik uw raad noodig. Gij zult wel zoo goed willen zijn mij eenige groote handelshuizen op te geven, welke eenige mijner schoone waaiers willen koopen. Maar het moeten goede Prussiani zijn.quot;

Hij trad naar een koffer, opende dien en haalde er een koker uit, waarin zich verscheidene waaiers bevonden.

„Zie eens, mijnheer; deze waaiers zag ik te Geneve, en mij verbeeldende, dat ik in Italië er wellicht goede zaken mede kon doen, kocht ik er een half dozijn van. Zie dat schoone en zinrijke schilderwerk eens.quot;

Hij opende den waaier. Daarop was op wit satijn, met vrij wat kunst, een groote Pruisische adelaar, die eene lelie verslindt, geschilderd.

De waard klapte van verrukking in zijne handen. „ cioso/,' riep hij lachend: „De Pruisische adelaar, die de Fransche Lelie verorbert! Dit is een heerlijke voorspelling, een geestige spotternij. En deze waaiers hebt gij te Geneve gekocht? Men is dus ook te Geneve Prussiani?quot;

„Er is in Geneve geone dame, die niet zulk een waaier draagt,quot; zeide de vreemdeling: „en te Berlijn kan men niet meer Pruisischgezind zijn dan te Geneve.quot; 1)

1

_-) Voltaire, die toen in het geheim tegen Frederik werkte, terwijl hij desniettegenstaande in eene levendige briefwisseling niet den Koning stond, schreef na den slag van Maxen aan den Kardinaal graaf de Bernis: Jenesnis pas comine les troits quarts des Allemands: j'ai vu partout deséventails, ou 1'on

ocr page 164

154

«

„Dat verheugt mij, dat verheugt mij inderdaad!quot; riep de Italiaan met geestdrift: „Het zal nog zóóver komen, dat alle volken van Europa Prussiani worden, en de Vorsten alleen Teresiani zijn!quot;

„Maar desniettemin zullen de volken toch hunne Vorsten gehoorzamen! En wanneer deze het hevelerj, zullen zij tegen den grooten Koning te velde trekken.quot;

„Wij niet, — de Italianen niet!quot; riep de kastelein driftig: „Onze doge zal het niet wagen, de partij der Teresiani op te nemen,,ot zich zelfs met hen te verbinden; want hij weet zeer goed, dat er in Venetië eene omwenteling zou ontstaan, waarbij zijn eigen troon in gevaar zou komen. Neen, neen, signor; onze verhevene Regeering is te verstandig om niet openlijk eene onzijdige stelling in te nemen, terwijl zij in het geheim even goed Pruisischgezind is als wij allen.quot;

„Maar de Lombarden en Sardiniërs?quot; vroeg de vreemdeling vol verwachting.

„Ook die zijn goed Pruisischgezind; en al zegt men ook van den Koning van Sardinië, dat hij een Terosiano is, zijn volk is eveneens gezind als wij.quot;

„En de Napolitanen ?quot;

„Och, de Napolitanen !quot; antwoordde de kastelein lachend; „de Napolitanen zijn, zooals gij weet, juist niet bekend om hunne dapperheid, en zoo zij al den grooten Frederik niet beminnen, vreezen zij hem ten minste. De Napolitanen zijn de kinderen van Italië; zij weten niets anders, dan dat Napels eene schoone stad is, en zijn allijd in angst, dat de eene of andere barbaar haar zal komen opslokken. In hun angst vergeten zij geheel en al, dat niemand aan hen denkt, en dat zi] door geheel Italië en de Alpen van de krijgvoerende volken gescheiden zijn. De Koning van Napels hield het voor mogelijk, dat de Koning van Pruisen eens met zijn zegevierend leger den Vesuvius beklimmen, — en Napels innemen kon. Sedert de laatste zegepralen des Konings heeft Ferdinand van Napels daarom het aantal zijner troe-

peint l'aigle de Prusse, mangeant une fleur de lis. Mes nièces n'auront pas assurénient de tels évenlails. On est Prussien k Génève corume aillenrs et plus qu'aileurs. (Oeuvres completes de Volt. Vol. 85, 370.)

ocr page 165

155

pen vermeerderd, en de wachten in de hoofdstad verdubbeld.quot;

De kastelein lachte bij dit verhaal zóó hartelijk, dat de vreemdeling onwillekeurig moest mede lachen. „Nu, de Koning van Napels is ook nog maar een knaap van negen jaren!quot; zeide hij.

„Maar hij heeft ministers, die ouder zijn dan hij, en wel iets meer van de aardrijkskunde zullen weten, signor.

Maar corpo di bacco! ik praat en praat hier van staatkunde, en vergeet geheel en al, dat Eccelenza zonder twijfel honger heeft, eri naar iets versterkends verlangt.quot;

„Dat is waar, ik heb honger,quot; zeide de vreemdeling glimlachend.

„En in een kwartier zal het heerlijkste diner, dat de wereldberoemde Witte Leeuw in staat is te geven, voor u gereed zijn!quot; riep de kastelein, ijlings de deur uitvliegende.

De vreemdeling zag hem peinzend na. — „Het schijnt,' duisterde hij: „dat het toeval mij gelukkig geleid heeft; want deze staatkundige tinnegieter van een kastelein schijnt inderdaad een echte Prussiano te zijn, en ik heb in één kwartier meer door hem vernomen, dan ik op eene lange reis door geheel Italië wellicht van de gezindheid der Italianen had kunnen ontdekken; dat dient mij uitmuntend en komt mij zeer te stade. Ik zal nu met meer kracht en nadruk kunnen optreden en handelen. Vooral mag ik mijn rol niet vergeten! Ik ben een koopman, handel in waaiers, reliquiën, rariteiten en curiositeiten, en verlang zeer mijne waar aan den man te brengen!quot;

En terwijl de vreemdeling zoo sprak, lachte hij luid en liep met haastigen tred op en neder. Vervolgens bleef hij na eene lange pauze staan en keek in gedachten naar den grond. — „En is liet dan niet de waarheid ?quot; zeide hij ernstig: „Ben ik inderdaad geen koopman, die rondreist om zaken te doen en verlangt zijne waren aan den man te brengen'? 't Is waar, in plaats van in zijde en linten, handel ik in purper, kronen en landen; en de firma, voor welke ik reis, heett niet alleen in den koopmans-stand, — maar in de geheele wereld een goeden naam. Ja, ja de

1) V. Archehonltz. Geschichte des Siebenj abri gen Krieges. Th. I, S. 240.

ocr page 166

156

firma voor welke ik reis, heet Hohenzollern, en zij zal langer bestaan en schitterender crediet behouden, dan alle firma's van de Fuggers en de Hanza tezamen. Dat heeft.quot; vervolgde hij plechtig: „wanneer het noodlot ons den groo-ten koopman, voor wien ik nu reis en voor wiens firma ik kronen en landen veilen moet, nog lang laat behouden en ons over zijne vijanden doet zegevieren. Ja, waarlijk; de firma Hohenzollern is roemrijk en groot, maar Koning Frederik heeft haar daartoe verheven, en wanneer zij het blijven moet, moeten zijne nakomelingen hém gelijken!quot;

Het binnenkomen der bedienden, die de tafel kwamen dekken, stoorde hem in zijne alleenspraak, en spoedig noo-digden de dampende schotels den reiziger fot een ver-kwikkond maal.

II.

HET PORTRET VAN FREDERIK DE GROOTE.

♦

y

Nadat de reiziger zijn maaltijd geëindigd had, zeide hij op levendigen toon. „Welaan, aan het werk! Het is hoog tijd om, te beginnen, opdat ik, zoo mogelijk, nog heden verder trekken kan!quot;'

Hij spoedde zich naar zijn koffer en haalde er verscheidene pakken en rolletjes uit, welke hij deels in de zakken van zijn rok stopte, deels als een koopman onder den arm nam. Vervolgens zette hij zijn vilten hoed met breeden rand op, en maakte zich gereed te vertrekken. Maar toen hij voor den grooten spiegel trad en zich zeiven beschouwde, brak hij in een luid en vroolijk gelach uit.

„Waarlijk,quot; zeide hij; „ik zie er volkomen uit als een echte winkelier, en wie mij voor iets anders dan een eer-zamen koopman houdt, die moet een nóg fijner, staatkundiger neus hebben, dan mijnheer de kastelein, signor Montardo, de Prussiano!''

ocr page 167

157

Hij keerde zich lachend op zijne hielen om en verliet het vertrek, om naar beneden te gaan en den kastelein om eenige adressen van kooplieden en een gids te vragen.

Signor Montardo moest echter in eigen persoon zijn gast geleiden, en zelf hem bij zijne zaken behulpzaam zijn.

„Anders kon somwijlen de een of andere koopman u aanroepen,quot; zeide hij; „die niet van onze partij is, en wanneer gij hem dan een uwer waaiers toondet, kon dat licht tot een verschrikkelijk rumoer aanleiding geven ; want de Te-resiani zijn even driftig als wij, en er hebben hier al een menigte vecht- en kloppartijen tusschen de Teresiani en Prussiani plaats gehad. Kom dus, mijnheer, ik zal u vergezellen en u den weg wijzen. Wij willen niet door de kanalen varen, maar door de kleine calli gaan, welke ons snel naar de Riva di Schiavoni en op de Rialto brengen; want daar moeten wij zijn.quot;

„Brengt ons dat ver van het klooster San Giovanni e Paolo? ' vroeg de vreemdeling, terwijl zij het hotel aan de achterzijde uitgingen en zich door die kleine, enge straten begaven, welke in Venetië achter de huizen loopen, en een tamelijk moeielijken weg voor voetgangers vormen.

„Gij blijft er dus nog altijd bij, mijnheer den prior uwe reliquién te willen aanbieden?quot; vroeg de kastelein lachend.

„Ik blijf er bij, en hoop dat hij ze koopen zal!quot;

„Nu ik wensch u veel geluk. In elk geval is het van hier niet ver naar de Rialto. Ik geleid u tot aan het klooster, maar niet verder!quot;

„En waarom niet?quot;

„Omdat de broeder portier een woedende Teresiano is, en u zonder twijfel de deur voor den neus zal dichtslaan, als hij u aan mijne zijde ziet.quot;

„Maar zeidet gij mij niet, dat mijnheer de prior een Prussiano is ?quot;

„Ja, de prior wel, maar de portier niet, en, — helaas, ik moet er bijvoegen, — vele monniken ook niet?'

„Dus zelfs de heeren kloosterbroeders houden zich óók met de politiek bezig?quot;

„Signor,quot; riep de kastelein hartstochtelijk : „elkeen houdt zich hier met de politiek bezig; en wanneer ik u zeg, dat reeds onze kleine kinderen in Teresiani en Prussiani verdeeld zijn, zult gij wel begriipen, dat iedereen er mede bezig

ocr page 168

158

is. Gisteren hebben wij in de Riva Peschiera een klein oproer gehad; dat kwam daar vandaan, omdat eene visch-vrouw weigerde mij eene heerlijke zalmforel te verkoopen, bewerende, dat de lieve God ze niet voor hen geschapen

had, die Prussiani, dat is: ketters en ongeloovigen zijn. Mijn

kok stond er op den visch te willen hebben, en daar ongelukkig ook onder de vischvrouwen vele Prussiani zijn, kwam het spoedig tot een hevig gevecht en gekijf, waarbij in plaats van kanonkogels rotte visch tegen de hoofden vlogen, en dat daarmede eindigde, dat de sbirren de belhamels naar de gevangenis brachten.quot;

Zij sloegen nu uit de kleine straat den hoek om, en kwamen in de groote en prachtige Riva di Schiavoni, en de praatzieke siynor Montardo wilde juist weder met een zijner grappige* vertellingen beginnen, toen hij door een luid schreeuwen, roepen, schelden en lachen gestoord werd, en een volks-gedrang, dat elk oogenblik toenam, hun weg belemmerde.

„Gelukkig zijn wij nu, waar wij wezen moeten, zeicle signor Montardo: „want hier is het huis van mijn waarden vriend, den galanterie-koopman Gicerachie, bij wien ik u brengen wilde. Laat ons dus een weinig vooruitdringen om te zien, wat er gaande is; want mij dunkt, dat mvjn vriend Gicerachi de goede burgerij weder eene verrassing bereid heeft.quot;

Hij schoof met zijne breede schouders krachtig door de golvende menigte vooruit, en voerde den vreemdeling door het volk, dat zich voor den winkel verdrong.

Op eens uitte de vreemdeling een zachten kreet, en wees naar den ingang van den winkel — „Zie daar eens,'' zeide hij: „dat is het sprekend gelijkend portret van den groo-ten Frederik.quot;

Inderdaad; daar bij den ingang der deur van den winkel stond het prachtige, in keurige gouden lijst gevatte portret van den Pruisischen heldenkoning, van Frederik den Groote, en daaronder stond een brandende kaars, welke het schoone, edele gelaat van Frederik als met eene rozentint kleurde.

„Zoo, nu begrijp ik het,quot; fluisterde de kastelein: „Gicerachi legt het er op toe de Teresiani woedend te maken. Zie maar; hij heeft, om zijn grenzenloozen eerbied voorden Koning te toonen, een eeuwige lamp voor zijn portret ge-

ocr page 169

151)

plaatst: eene eerbewijzing, welke men bij ons slechts aan de heiligen van den eersten rang bewijst. Laat ons eens hooren, wat de menschen zeggen.quot; ^

Juist was een Karthuiser broeder, door nieuwsgierigheid gedreven, in de voorsto rijen gedrongen, en begon nu met woedende gebaren tegen deze bespotting der heilige Kerk te ijveren.

„Hoe kunt gij het dulden, dat men u dien ketter als een heilige voorstelt?quot; schreeuwde hij woedend: „Weet gij dan niet, dat de Paus den ketterschen Koning van Pruisen in den ban gedaan heeft? Weet gij dan niet, dat hij de vijand van God, van de Kerk en van de vrome Katholieke Christenheid is? Weg dus met deze lamp; het vuur der hel zal den ketter verteren, maar geen eeuwige lamp van heil mag zijne donkere ziel verlichten!quot;

„Hij heeft gelijk, hij heeft gelijk!quot; schreeuwden eenigen uit de menigte: „Maakt de lamp uit! Slaat bij Gicerachi de glazen in, want hij is een Prussiano! Hij maakt een ketter tot een heilige! Maakt de lamp uit!quot;

En met dreigend opgeheven vuist stortten de mannen vooruit. Maar dadelijk plaatsten anderen zich tegen hen over en drongen hen met krachtigen arm terug.

„Niemand zal het wagen deze lamp uit te maken. Terug, terug, of onze vuisten zullen op uwe oogen neerkomen, zoodat gij noch de lamp, noch den grooten Frederigo zien kunt!quot;

„Maakt de lamp uit, in naam van God!quot; schreeuwde de woedende Karthuizer, en een troep dweepzieke Tere-siani schreeuwde het hem na, terwijl zij met geweld naar de deur drongen.

Maar daar hadden de Prussiani, en onder hen signor Montardo en de vreemdeling, reeds eene muur gevormd, en weerden met woedend geschreeuw en dreigend opgeheven vuist de aanranders af. Nu ontstond er een van die hartstochtelijke tooneelen, zoo als men die slechts in Italië ziet. Men hoorde niets dan woest geschreeuw, luide vervloekingen en dreigende verwenschingen; men zag niets dan- van drift fonkelende oogen, gebalde vuisten, en hier

1) V. Archenholtz, Th. I, S. 214.

ocr page 170

160

en daar blonk reeds het lemmet van een mes of een dolk.

Op eens, als door een tooverspreuk versteend, verstomde het woest geschreeuw en eene diepe stilte volgde. Al deze schreeuwende en tierende menschen zwegen plotseling en weken schuw en angstig terug voor die sombere, stomme gestalten, die plotseling in hun midden verschenen, als waren zij uit den grond opgekomen. Niemand had hen zien komen, die hooge in lange zwarte mantels verscholen mannengeslalten, wier gelaatstrekken door den breedge-randen hoed geheel en al bedekt en overschaduwd werden; niemand hoorde van hen een dieigend woord, en tóch week elkeen schuw en angstig voor hen terug; en tóch was alleen hunne zwijgende tegenwoordigheid voldoende om de woedende menigte te doen bedaren en verstommen.

Zelfs signor Montardo had spoedig zijn dreigende en uitdagende houding voor het beeld met de lamp opgegeven, en keek beschroomd de zwarte gedaanten na, die langzaam en zwijgend door de terugwijkende menigte voortstapten.

„De Rbirri!'' fluisterde hij den vreemdeling loe: „De dienaren van den raad der Tienmannen! Wien zullen zij medenemen ?quot;

Maar het scheen, alsof deze gevreesde gestalten de menigte slechts aan hunne tegenwoordigheid wilden herinneren ; slechts dreigen, niet straffen wilden. Zij wilden de menigte slechts toonen, dat de Wet over haar waakte, en elk oogenblik gereed was, hare dreigende klauwen naar haar uit te strekken. Diep in hunne mantels gedoken, en zonder ook slechts één enkelen keer hunne handen uit te steken, stapten zij met gebogen hoofd door de menigte. Zonder iemand aan te spreken of op iemand acht te geven, verdwenen zij ginds in het straatje, dat naar de Piazetta liep.

Toen de laatste van hen achter den hoek der straat verdwenen was, scheen de betoovering, welke zich zooeven van de menigte meester gemaakt had, op te houden, ledereen haalde weder adem, en als van een drukkenden last bevrijd, namen de verbleekte wangen hunne kleur weder aan, de saamgeperste lippen glimlachten weder, en hier en daar begon men reeds weder te babbelen, en over den nieuwerwetschen heilige, dien Cicerachi tentoongesteld had spreken.

ocr page 171

161

„Gij ziet,quot; fluisterde Montardo diep ademhalend: „ook onze Regeering houdt zich volstrekt neutraal. Zij wil noch de Teresiani noch de Prussian! hestrafïen; zij wil ons slechts waarschuwen, in onzen ijver niet te ver te gaan; ons slechts herinneren, dat de dolken en messen op straat verboden zijn. Maar laat ons nu in den winkel gaan, opdat ik u aan Cicerachi kan voorstellen!quot;

Hij nam den vreemdeling hij den arm en trad met hem in den winkel, waar een groot, slank man hun tegemoet trad. Zijn zwart haar hing als golvende manen aan weerszijden van zijn bleek, sprekend gelaat; zijne oogen schoten vonken, en op zijne volle, donkerroode lippen lag een trot-sche zegevierende glimlach.

„Nu, Montardo,quot; zeide hij : „gij komt zonder twijfel, om mij met mijne zege over deze ellendige Teresiani geluk te wenschen ?quot;

„Zeker, Cicerachi, daarom kom ik,quot; riep Montardo lachend: ,,gij hebt daar een drommels aardigen inval gehad. Een eeuwige lamp voor het portret van den Koning van Pruisen aan te steken, is inderdaad eene heerlijke de-monstrantie.quot;

„Weet gij, waarom ik het gedaan heb?quot; vroeg Cicerachi: „De Teresiani hebben gisteren voor de deur van hun koffiehuis de Bul van Paus Clemens den Elfden, — welke Paus Clemens de Dertiende nu bevestigd en vernieuwd heeft, — met groote pracht tentoongesteld. Zij hebben deze Bul op wit satijn laten drukken, in een prachtige gouden lijst laten zetten, en daaronder brandde een eeuwige lamp.quot;

„En hoe luidde dan deze Bul?quot;' vroeg Montardo. „Ik zal u het begin zeggen,quot; riep Cicerachi driftig:,,want het geheel heb ik natuurlijk niet kunnen onthouden. Het begin der Bul luidde: Gij hebt sedert lang vernomen, dat Frederik markgraaf van Brandenburg, met verachting van het gezag der kerke Gods, zich openlijk den naam en de onderscheidings-teekenen van een Koning van Pruisen heeft aangematigd; een gebruik ten eenenmale heiligschennend en bij de Christenen ongehoord. Daardoor heeft hij zich onvoorzichtig onder het getal dergenen gesteld, van welke de heilige Schrift getuigt: „Zij hebben genegeerd, maar niet door mij; zij waren Vorsten, maar ik kende Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VII. 11

ocr page 172

162

ze niet.quot; ') — Begrijpt gij nu, Montardo, waarom ik het portret des Konings heb tentoongesteld. Ik verbeeld mij, dat dit schoone portret even goed eene eeuwige lamp verdient, als de onzinnige Bul van don Paus!quot;

„En stellig hebt gij gelijk, signor,quot; zeide de vreemdeling naar Gicerachi gaande en hem de hand reikende : „sta mij toe, dat ik u in naam van den edelen en grooten Koning mijn dank brenge, omdat gij hem heden zoo dapper en zinrijk tegen de snoode aanvallen zijner vijanden verdedigd hebt. Ik geef u mijn woord van eer, dat de Koning uwe schoone en geestige handelwijze door mij zal vernemen, en dat hij zich van harte er over verheugen zal.quot;

„Ach, signor,quot; riep Montardo lachend en met fijne spotternij ; „gij vergeet, dat gij u volstrekt niet met de staatkunde bemoeit, maar een eenzaam, reizend koopman zijt!''

„Maar ik vergeet nooit, dat ik een Pruis ben,quot; zeide de vreemdeling met eenigszins gedwongen bedaardheid; .,en hoe kon ik dat ook vergeten,quot; vervolgde hij lachend : „daar ik in echt Pruisische handelsartikelen zaken wil doen.quot;

„En signor heeft een zeer schoon artikel bij zich,quot; zeide Montardo, den vreemdeling toeknikkende: „ik zeg u, Gicerachi, gij zult er over verrukt zijn, en er .wordt u eene nieuwe gelegenheid aangeboden, om de Teresiani een ge-voeligen slag toe te brengen. Zie de waaiers van mijnheer den koopman eens!''

De vreemdeling opende een zijner waaiers, en Cicera-chi's oogen schitterden van verrukking bij het gezicht van het schilderwerk.

„Hoeveel zulke waaiers hebt gij, signor?quot; vroeg hij.

„Ik heb er twaalf.quot;

„Ik houd ze allen, en betreur het, dat gij er niet meer hebt.quot;

„Maar, Gicerachi,quot; riep Montardo: „gij vergeet geheel uwe voorzichtigheid als koopman. Gij hebt nog niet eens naar den prijs gevraagd. Of denkt gij, dat deze heer ze u voor niet zal geven?quot;

„Volstrekt niet; ik vergat het inderdaad,quot; zeide Gicerachi, met blijkbare verrukking de waaiers, welke de vreemde

1) Eihenschinidt Römisches Bullarinm. Bd. 2, S. 305.

ocr page 173

1G3

koopman hem vertoonde, beschouwende: „Zeg raii uw prijs, signor.quot;

De vreemdeling zweeg een oogenblik, en zeide toen aarzelend en met neergeslagen blik: „Ik betaalde te Geneve twaalf francs voor het stuk.quot;

„Ik geef u het dubbel,quot; zeide Cicerachi bedaard.

De vreemdeling schrikte en keek hem blozend van toorn aan. — „Mijnheer,quot; zeide hij driftig: „ik neem van niemand hoogere prijzen, dan ik vraag!quot;

„Signor, signor, gij vergeet weder, dat gij koopman zijt!quot; riep Montardo lachend : „Geen koopman verkoopt zijne waren voor den prijs, dien hij er zeil voor betaald heett; onthoud dat!quot;

„En buitendien denk ik toch nog goede zaken met deze waaiers te maken,quot; zeide Cicerachi: „ik betaal u vierentwintig francs en zal er vijftig voor vragen. Want de dames van onze Nobili, die bijna allen Prussian! zijn, zullen verrukt zijn, hare tegenstanders op zulke eene elegante wijze te kunnen ergeren. Gij zijt dus met den u geboden prijs tevreden?

„Ja,quot; zeide de vreemdeling verlegen en blozend.

„En is dit het éénige artikel, dat gij mij hebt aan te bieden?quot;

„Volstrekt niet; ik heb nog wat anders,quot; zeide de vreemdeling glimlachend een nieuw pakket openende: „daar gij Prussiano zijt, zullen u, hoop ik, deze allerliefste gedenkpenningen en plaatjes, welke in Holland vervaardigd zijn, en waarop alleraardigste spotschriften op de vijanden van den grooten Koning voorkomen, ook niet onwelkom zijn.quot;

„U, laat ons die eens zien, signor?quot; riepen de beide Italianen. Toen beschouwden zij met blijkbaar genot de Hol-landsche gedenkpenningen, welke zeer grove eii platte geestigheden op de vijanden van Frederik bevatten, en waarop zich in zeer koddige toonëeltjes de welgelijkende portretten der Keizerinnen Maria Theresia en Elisabeth, alsmede der cou-sine Pompadour en van den Vorst van Soubise bevonden.

„Ik houd al die penningen, allen!quot; riep Citerachi verrukt.

De vreemdeling lachte. — „Volstrekt niet,quot; zeide hij: „ik kan toch mijn geheelen voorraad niet verkoopen, maar behoor nog wat over te houden! Ik zal u van elk dezer penningen een exemplaar geven, en deze moet gij als een

ocr page 174

164

blijk mijner achting aannemen, en er mij niet voor willen betalen.quot;

„Signor,quot; riep Montardo op smeekenden toon: „blijf in mijn hotel, zoolang het u goeddunkt; en wanneer ik u de rekening breng, leg dan één exemplaar van elk dezer penningen er op, en ik zal meer dan rijkelijk betaald zijn!quot;

De vreemdeling beloofde het met een glimlach, en nadat hij vervolgens met zichtbare verlegenheid van Cicerachi het geld voor de waaiers in ontvangst had genomen, verwijderde hij zich met zijn geleider om den prior van het klooster Giovanni e Paolo een bezoek te brengen.

III.

DE KLOOSTERBROEDERS VAN SAN GIOVANNI E PAOLO.

De tweede mis in de prachtige kerk van het klooster San Giovanni e Palo, — de bepraafplaats van den grooten Ti-tiano Vicelli, — was geëindigd, en de prior keerde juist naar zijne kamer terug. Met de handen op den rug, liep hij langzaam en peinzend op en af, bleef toen voor de groote tafel staan, waarop een monnik bezig was eenige landkaarten en papieren te regelen.

„Dit hier, Hoogeerwaarde,'' zeide de monnik, een nieuw papier ontrollende: „dit hier is een nauwkeurig plan van Maxen; wij hebben het heden morgen ontvangen; de stelling der verschillende legers is er nauwkeurig op aangetee-kend. Als Uw Hoogeerwaarde het goed vindt, zal ik de bulletins nog eens voorlezen, en gij kunt dan de marschen nauwkeurig op het plan volgen.quot;

De prior schudde zacht met het hoofd. — „Neen, broeder Anselmo,quot; zeide hij bedaard: „laat ons die zegeberich-ten der Oostenrijkers en Russen niet voor den tweeden keer lezen! Zij doen mijn oor en hart zeer! Laat ons liever op

ocr page 175

165

deze kaat t de tegenwoordige stellingen en de uitkomsten, waarop men hopen kan, nagaan.quot;

„Ik heb de stellingen nauwkeurig met spelden aangetee-kend.quot; zeide pater Anselmo: „de zwarte spelden beteekenen het leger der verbondenen, de witte het leger van den Koning van Pruisen.quot;

De prior boog zich over de kaart en volgde met pein-zenden blik de lijnen, welke pater Anselmo hem aanwees.

„Uwe spelden zijn een treurig voorteeken,quot; zeide hij toen hoofdschuddend: „zij omgeven als met een kerkhofsmuur de weinige witte spelden, welke hier en daar als grafkruisen te midden der zwarte omheining uitsteken.quot;

„En deze witte spelden zullen tóch door deze omheining heen breken,quot; zeide pater Anselmo met Vertrouwen: „de groole Koning. —quot;

Pater Anselmo verstomde, want juist werd de deur geopend en de pater guardiaan vroeg of hij binnen mocht komen.

De prior bloosde vluchtig en ging van de tafel terug, terwijl het scherp, doordringend oog van den pater de kamer rondvloog en met bittere uitdrukking op de tafel met de kaarten gevestigd bleef.

«Gij zijt welkom, broeder Theodoor,quot; zeide de prior met eene lichte buiging van het hoofd.

„Ik stoor Uw Hoogeerwaarde toch niet in uwe lievelingsbezigheid ?quot; zeide de pater guardiaan scherp, op de kaarten wijzende; „Uwe Hoogeerwaarde overdacht de treurige sidling van den ketterkoning, dien God, zooals het schijnt nu spoedig in het stof zal slingeren, en verpletterd voor de voeten der zegevierende Kerk zal neerstorten!quot;'

„Deze beslissing moeten wij in elk geval aan God overlaten,quot; zeide de prior goedig; „Hij heeft den Koning van Pruisen intusschen reeds zoo dikwijls en zoo herhaaldelijk Zijn bijstand verleend, dat ik niet weet, of ik van diens ondergang verzekerd ben.quot;

„De heilige Vader te Rome heeft de wapenen zijner te-gestanders gezegend, bijgevolg zullen zij zegevieren!quot; riep pater Theodoor op zal venden toon: „Maar Uw Hoogeerwaarde vergeve mij; ik vergat, waarom ik hier gekomen ben. Een vreemdeling wenscht mijnheer den prior van ons klooster te spreken! Hij heeft zeldzame en schoone

ocr page 176

460

reliquiën te koop, welke hij intusschen, zooals hij mij zeide slechts aan Uw Hoogeerwaarde wil toonen.quot;

„Onze kerk is riik genoeg aan reliquiën,quot; zeide de prior hoofdschuddend.

„En Uwe Hoogeerwaarde stelt er geene bijzondere waarde in,quot; merkte de pater guardiaan met een spottenden glimlach aan: „maar het zij mij vergund te herinneren, dat de heilige Vader nog onlangs bij rondgaanden brief, aan alle klooster-opzieners het aanschaffen van schoone en zeldzame reliquiën, tot opwekking van het waar geloof, bevolen heeft.quot;

„Dat moet de pater guardiaan zelf het beste weten,quot; zeide broeder Anselmo, vier nieuwe spelden in zijne kaart stekende: „het was immers broeder Theodoor, die deze breve medebracht, toen hij voor een half jaar uit Rome hierheen gezonden werd, om de betrekking van guardiaan op zich te nemen.quot;

De pater was op het punt een driftig antwoord te geven maar de prior voorkwam hem, en langzaam naar de^deur wijzende, zeide hij: „Breng de vreemdeling met de reliquiën binnen!''

Weinige minuten later trad de reiziger uit het hotel van signor Montardo, in het vertrek van den prior.

De prior heette hem beleefd welkom, en noodigdehem uit, hem zijne reliquiën te toonen.

De vreemdeling aarzelde, en wierp een blik op de beide monniken.

„Ik had verzocht, Uw Hoogeerwaarde alléén mijne reliquiën te mogen toonen,quot; zeide hij.

„De beide paters zijn gewijde priesters, en dus wel gerechtigd hunne oogen op de heiligste reliquiën te slaan,quot; antwoordde de prior met een fijnen glimlach.

„Tóch heb ik hem, die mij deze reliquiën verkocht, met eene plechtige gelofte moeten beloven mijne reliquiën slechts aan de grootste en hoogste waardigheidbekleeders der kloosters te toonen. Het was een vroom man, en toen de bittere nood hem dwong, weende hij en smeekte hij tot God, zijne schatten eene waardige plaats te geven, en ze nooit door ongewijde handen of oogen te laten ontwijden. Daar echter voor de eerste bedieningen in de kloosters slechts de waardigste en heiligste broeders gekozen

ocr page 177

467

worden, liet hij mij zweren slechts hun mijne reliquiën te toonen! Uw Hoogeérwaarde zal wel niet verlangen, dat ik mijn eed zal breken.quot;

l)e prior gaf in plaats van te antwoorden, een wenk aan de beide monniken, waarop deze zwijgend het vertrek verlieten.

„Nu, mijnheer, laat mij uwe reliquiën zien,quot; zeide de prior, toen de deur achter de monniken gesloten was.

„Uw Hoogeerwaarde,quot; zeide de vreemdeling nu zacht en haastig; „ik heb geene reliquiën. Ik heb niets dan een brief van mijnheer den abt Bastiani, dien ik in uwe handen moet afgeven.quot;

Hij haalde een brief uit zijn borstzak te voorschijn en reikte hem den prior over. Deze nam den brief met ang-stigen spoed en verborg hem onder zijn gewaad, stapte toen met vluggen, maar ■ onhoorbaren tred door de kamer en stiet met een snellen ruk de deur dicht. Er klonk een zachte kreet en een zwarte gestalte struikelde voor de deur.

„Ach, zijt gij het pater guardiaan,quot; zeide de prior op medelijdenden toon: „ik hoop toch niet, dat ik u zeer gedaan heb!quot;

„Volstrekt niet, Uw Hoogeerwaarde! Ik kwam slechts terug om Uw Hoogeerwaarde te zeggen, dat het etensuur gekomen is en dat de vrome broeders reeds in de eetzaal verzameld zijn.quot;

„En ik opende de deur om u te roepen, pater guardiaan, om heden aan tafel mijne plaats in te nemen. Daar ik op het punt ben heilige reliquiën te beschouwen, mag ik niet later mijne handen met dierlijk voedsel bezoedelen. Gij zult mij dus bij den maaltijd vervangen, en eei'st bij het avondeten zal ik als gewoonlijk iets nuttigen. Ga dus, waarde broeder, en moge de Heer uw maal zegenen!quot;

Hij boog zijn hoofd, en maakte met opgeheven rechterhand het teeken des kruises, terwijl de pater guardiaan langzaam en met gefronst gelaat door de ruime voorkamer

ging-

Aan de tegenovergestelde deur gekomen, keerde hij zich haastig om, maar toen hij zag, dat de prior nog met opgeheven arm op den drempel van zijn kamer stond en hem nazag, stiet hij de deur open en verdween uit de voorzaal.

ocr page 178

168

„Nu, mijnheer,quot; zeide de prior, in zijne kamer terugkomende en de deur zorgvuldig achter zich sluitende; „riu zijn wij alleen en ben ik bereid u aan te hoeren.quot;

„Dan verzoek ik Uw Hoogeerwaarde eerst den brief van mijnheer den abt Bastiani, uwen broeder, te lezen,quot; zeide de vreemdeling zacht.

„O, hij heeft u gezegd, dat ik zijn broeder ben!''riep de prior levendig: „Hij stelt dus groot vertrouwen in u! Sta mij toe, dat ik eerst zijn brief leze!''

Hij opende den brief en las hem met levendigen, ongeduldiger! blik door. — „Dit is intusschen een vrij lako-niek en raadselachtig schrijven,quot; zeide hij toen: „mijn broeder verwijst mij geheel en al naar u, en terwijl hij mij bezweert, dat ik van uwe bescheidenheid en stilzwijgen kan verzekerd zijn, verzoekt hij mij u te vertrouwen, en u bij te staan in het bereiken van uw doel. Signor, wilt gij mij dus zeggen, waarmede ik u dienen kan, en welk doel gij zoekt te bereiken.quot;

„Ten eerste wil ik Uw Hoogeerwaarde het bewijs geven, dat ik u volkomen en onvoorwaardelijk vertrouw, terwijl ik u zeg, wie ik ben en wat mijn doel is. Uw Hoogeerwaarde zal dan zelf kunnen nagaan en bepalen, in hoeverre gij mij met uw raad en uwe hulp zult kunnen bijstaan !quot; —

„Laat ons naar gindsche vensternis gaan,quot; zeide de prior: „daar vinden wij stoelen, en zijn wij zeker niet gehoord te zullen worden,quot;

Hij ging den vreemdeling voor naar de vensternis van het hooge, gebogen raam, en gaf hem een wenk om op den met leder overtrokken leunstoel met de kunstig gesneden armen plaats te nemen.

„Nu, signor, ben ik bereid u aan te hooren.quot; De vreemdeling boog. — „Eerst moet ik Uw Hoogeerwaarde om verschooning vragen, dat ik het gewaagd heb u te misleiden. Ik ben geen koopman en handel niet in reliquiën, maar ik ben soldaat en heet von Cocceji; ik heb de eer vleugel-adjudant van den Koning van Pruisen te zijn. Mijn Koninklijke meester heeft mij eene geheime en gewichtige zending toevertrouwd, en daartoe moet ik Uw Hoogeerwaarde in naam van mijnheer uw broeder Bastiani om uwe hulp verzoeken.quot;

„En waarin bestaat uwe zending?quot; vroeg de prior bedaard.

ocr page 179

169

De baron vun Gocceji glimlachte. — „Het is moeielijk, ja onmogelijk dit in eenige woorden te zeggen. Uw Hoogeerwaarde zal mij dus vergunnen, ter bevordering der duidelijkheid iets vvijdloopiger en uitvoeriger te mogen spi eken.quot;

„Spreek,quot; zeide de prior met eene lichte beweging van het hoofd.

„Uw Hoogeerwaarde kent, zooals ik uit de kaarten en de spelden merk, zeer nauwkeurig den toestand en de stelling van mijn koninklijken meester, den koenen, onverschrokken held, dien geheel Europa bewondert, en dien zijne vijanden het meest vreezen, als zij hem overwonnen hebben; omdat zij weten, dat de Koning nooit grooter, nooit krachtiger en stouter in het handelen is, dan wanneer hij schijnbaar door eene nederlaag of een ongeluk getroffen is! Want de adelaarsblik des Konings weet altijd nieuwe hulpbronnen te ontdekken; hij put uit zich zeiven zijne kracht en sterkte, en wanneer zijne vijanden meenen den koenen leeuw in hun net gevangen te hebben, heeft bij reeds met een enkelen blik de plaats ontdekt, waar het net het zwakst is; met één stouten ruk scheurt hij het vaneen en werkt zich er uit om zijne door schrik en verbazing bedwelmde vijanden voor zich uit te jagen. Het is waar, de Koning heeft nu reeds drie veldslagen verloren. De Oostenrijkers en Russen hebben hem bij Hochkirchen, Kunersdorf en Maxen overwonnen. Maar welk voordeel hebben zij er mede behaald? Zij hebben in deze slagen meer verloren dan de Koning; zij hebben hunne hulpbronnen uitgeput, en hunne eigene landen en die hunner bondgenooten uitgezogen. De Koning echter staat nog even machtig en onverzwakt in volle kracht tegen hen over. Zijn leger is voltallig; want van alle kanten stroomen juichende scharen onder de vanen van hun Koning toe. De geestdrift maakt de grijsaards tot jongelingen, de knapen tot mannen. Elk hunner wil zijn deel hebben in den roem en de gevaren des Konings, en eischt dit als een heilig recht. De kassen des Konings zijn niet uitgeput; want zijn volk heeft met hartelijke bereidwilligheid zijne have en goed, zijne juweelen en schatten, zijne gouden kleinoodiën op het altaar des vaderlands geofferd ; het onderwerpt zich met geestdrift aan elke ontbering en bekrimping, welke de oorlog het oplegt. Het wil niets dan zijn Koning zien zegepralen, en om hem daartoe

ocr page 180

170

te helpen, heeft het zijn have en goed, zijn leven en bloed veil. liet is deze hartstochtelijke liefde, welke den Koning voor zijne vijanden zoo geducht maakt; zij is het ook, die hem met een diamanten pantser omgeeft, hem verstaalt tegen de kogels zijner tegenstanders, en zijne fiere, heldhaftige ziel met geestdrift vervult. En geheel Europajuicht den held toe, die aan vele, zoo machtige vijanden het hoofd biedt niet alleen, maar hen reeds zoo dikwerf overwonnen heeft, en dien zij nog niets hebben knnnen afwinnen; geen enkel strookje lands, dat zij met hun bloed gemest hebben en waarop de reusachtige graven hunner gevallen strijders zich verheffen; dit alles heeft hem de deelneming van Europa, de liefde en bewondering der volken doen verwerven. Zelfs in Frankrijk, — dat zelfde Frankrijk, welks krijgers bij Rossbach zulk eene schandelijke nederlaag hebben geleden, en welks Regeering met woede en wraak legen den heldenkoning is vervuld, — in Frankrijk zelfs wordt Frederik bewonderd en aangebeden. Ja, zelfs tot het paleis van Frank-rijks Koning is reeds de onmiskenbare heldenmoed van Frederik doorgedrongen; want toen onlangs de hertog van Relle-isle de markiezin de Pompadour vermaande, bij Koning Lodewijk er op aan te dringen, den strijd met nadruk door te zetten, omdat Koning Frederik met zijn leger wel eerstdaags Parijs zou kunnen binnenrukken, riep de markiezin glimlachend: „Goed! Dan zal ik toch eindelijk eens een Koning zien!quot; — In Duitschland tracht men te vergeefs de dweepzucht tegen den ketterkoning op te wekken. Het Katholieke Reieren, de Patz en Mainz trekken slechts met tegenzin en morrend tegen den Protestantschen Koning op, hoewel zij den rozenkrans in den zak, en het scapulier op de schouders dragen. Moge Frederik de Tweede nu al door zijne vijanden overwonnen worden, — in de publieke opinie is hij de overwinnaar gebleven, en de geheele wereld gevoelt deelneming voor hem. Maar, — de publieke opinie is zijn eenige bondgenoot, en de deelnening der volken is, behalve de geldelijke ondersteuning der Engelschen, die wellicht spoedig zal ophouden, het eenigste hulpmiddel des Konings. Frederik moet derhalve naar andere bondgenooten naar andere vrienden omzien; naar vrienden, die hem ten minste in zóóverre hulp verleenen, dat zij niet het zwaard tegen hem trekken, en in staat zijn, zijne tegenstanders

ocr page 181

171

eenige moeielijkhedeu te berokkenen, en hunne aandacht bezig te houden. Zulke vrienden hoopt de Koning in Italië te vinden, en daarvoor moet ik den raad en den bijstand van Uw Hoogeerwaarde verzoeken.quot;

„In hoe verre denkt men, dat ik in deze zaak van dienst kan zijn?quot; vroeg de prior peinzend.

„Uwe Hoogeerwaarde heeft nog een tweeden broeder; den minister van den Koning van Sardinië; en het is u bekend, dat deze de bijzondere vertrouweling en gunsteling zijns Konings is.quot;

En mijn edele broeder Giovanni verdient de gunst des Konings volkomen,quot; zeide de prior met nadruk: „hij is de edelste, getrouwste en oprechtste dienaar van zijn meester.quot;

„Hij gelijkt in alle goede en groote hoedanigheden op zijn ; Hoogeerwaarden broeder, mijnheer den prior van San Giovanni e Paolo; ik houp daarom, dat ook/wj'een vriend des konings van Pruisen is.quot;

„Maar ik vrees, dat noch de vriendschap mijns broeders Giovanni, noch de mijne, den Koning van Pruisen zullen kunnen baten. Ik ben een arme, machtelooze monnik, dien-men verdenkt en onder toezicht'houdt, ofschoon ik niets anders gedaan heb dan dat ik mij onthield den grooten Frederik ondergang en dood toe te wenschen, zooals de dweepzieke priesters en leeken onzer Kerk dit deden. Mijn broeder is wel is waar, de minister eens Konings, maar wiens land geen goud genoeg bezit om onderstandgelden te verleenen, en geen menschen genoeg om hulptroepen in het veld te brengen.quot;

„Men moet er dus aan denken, om bet land van den Koning van Sardinië te vergrooten,quot; zeide de baron von Cocceji snel: „men moet hem zulke groote bezittingen verschaffen, dat hij een gevroesd en gevaarlijk nabuur van Frankrijk en Oostenrijk wordt. Dit is juist het oogmerk en de bedoeling des Konings, en daarop hebben de plannen betrekking, welke ik in Turijn wil voorstellen, en waarbij ik uwe voorspraak verzoek. Sardinië heeft gegronde, — door den vrede van Aken hem toegekende rechten op Milaan, Mantua en Bologna. Waarom laai de Koning van Sardinië zijne troepen niet binnen rukken in deze hem naar recht toegekende landen, welke zich gaarne en gewillig aan hem willen onderwerpen? Waarom maakt hij zich niet tot den Ko-

ocr page 182

172

niog van Lombardië? Het ongelukkige Ilalië is, evenals het ongelukkige Duitschland, verscheurd en vaneengerelen in vele kleine stukjes land; in plaats van één meester te gehoorzamen, moet het zich aan velen onderwerpen. De bewoners van Italië heeten, in plaats van zich Italianen te kunnen noemen: Milanezen, Veaetianen, Sardiniërs, Toskanen, Romeinen, Napolitanen, en ik weet niet, wat al meer? Dit verzwakt het nationaal gevoel, en ontneemt het volk het blijde bewustzijn zijner grootheid. Italië moet één in zich zelf zijn, om weder groot en machtig te worden. Laat de Koning van Sardinië zich daarom van Opper-Italië meester maken, en hij zal als Koning van Lombardië en van zijne erfsta-ten een machtig Vorst zijn, gevreesd als vijand, welkom als bondgenoot.quot;

„En denkt gij, dat Napels deze uitbreiding van grondgebied zoo bedaard zal toezien?quot; vroeg de prior glimlachend.

„Men moet Napels ingelijks gelegenheid geven zich te vergrooten. De jonge Koning van Napels heeft dat bewezen, doordien hij zich, — toen zijn vader, don Carlos van Napels, door successierecht op den Spaanschen troon geroepen werd, — tot Koning van Napels gemaakt heeft, geen acht slaande op de rechten van den hertog van Parma, wien, volgens het gedrag van Aken, de vacante troon van Napels toekwam. Koning Ferdinand is reeds een usurpator; laat hem op den door hem zoo gelukkig ingeslagen weg voortgaan. Hij heeft Napels genomen; laat hij den Kerkdijken Staat en Toskane er bij nemen, en hij zal als Koning van Beneden-Italië een even machtig Vorst zijn, als de Koning van Sardinië, wanneer deze zich tot meester van Opper-Italië maakt. En opdat beide zich zonder gevaar en ongestoord in het bezit van deze landen kunnen stellen, zal Koning Frederik van Pruisen de Huizen van Oostenrijk, Frankrijk, Duitschland en Vlaanderen zóódanig bezig houden, dat het hun onmogelijk zal worden, Napels en Sardinië in hunne ondernemingen te storen.quot; ^

„Bij den hemel, een grootsch en stout plan; geheel in den koenen geest van Frederik!quot; riep de prior met geestdrift uit; „Als de beide Italiaansche Koningen op den groo-

1) Preuab. Th. II, S. 232.

ocr page 183

173

ten Frederik gelijken, zullen zij dit plan met vuur omhelzen !quot;

Hij was opgestaan en liep met haastigen tred heen en weder, nu en dan enkele woorden prevelende, of met ernstige oplettendheid voor de tafel met landkaarten blijvende staan.

Mijnheer von Gocceji waagde het niet door een enkel woord of geluid het diep gepeins, de driftige, onverstaanbare alleenspraak van den prior te storen, maar sloeg hem oplettend en in groote spanning gade.

Eindelijk scheen de inwendige strijd van den prior ten einde te zijn. Hij bleef voor den baron von Gocceji staan, en zijne groote, donkere oogen met een peinzende, ernstige uitdrukking op hem vestigende, zeide hij haastig: „Gij hebt mij daar tot vertrouwde van een groot en gevaarlijk plan gemaakt. Wanneer ik mijn plicht als onderdaan van den Paus te Rome, als priester der heilige Kerk, — wier tegenstander Koning Frederik is, — doen wilde, moest ik u, als een gevaarlijk onderhandelaar en vijand, hier vasthouden, en het opperhoofd onzer Kerk spoedig in kennis stellen van d^ze plannen, welke niet alleen Glemens als vorst der Kerk, — maar ook als Vorst van den Kerke-iijken Staat bedreigen. Maar, wat zal ik er aan doen; ik ben niet voor priester geboren, en mijn hart en geest hebben zich niet geheel naar de regelen en de tucht van de Orde kunnen schikken. — Ik ben,quot; vervolgde hij glimlachend: „altijd nog een weinig de echte broeder van mijn vrijzinnigen broeder, den abt Bastiana gebleven; en, zooals het schijnt, ligt het in ons bloed, dat wij den grooten en geestigen Koning van Pruisen moeten liet-hebben en aanbidden. — Ik wil dus de stem van mijn bloed en mijn hart volgen, en een weinig vergeten, dat ik een priester van de alleenzaligmakende Kerk ben! Ik zal, zooverre mijne krachten dit toelaten, uwe plannen ondersteunen. Ik zal u brieven van aanbeveling naar Turijn geven; niet alleen aan mijn broeder Giovanni, maar ook aan pater Tomasco, den biechtvader des Konings. Hij is mijn meest vertrouwde vriend, en deelt mijne gevoelens. Wanneer gij hem en mijn broeder Giovanni kunt overhalen, dan hebt gij den wil des Konings gewonnen, en hij zal uwe plannen een genegen oor leenen. Uwe plannen zijn

ocr page 184

174

stout; maar mijn broeder Giovanni en Pater Tomasco zijn stoutmoedige mannen, en het welzijn van Italië en de grootheid van hun Koning ligt hun na aan het hart. Zij stellen beide eenig belang in mijn oordeel, en wanneer gij hun brieven van mij brengt, zult gij hun ten minste een welkome gast zijn.quot;

Hij reikte den baron zijne hand, en luisterde met een glimlach van genoegen naar de luide en vurige dankbetuigingen van den hoogstgelukkigen krijgsman, wiens eerste stoutmoedige zending een zoo gunstig en veelbelovend begin had.

„Maar wees toch vooral voorzichtig en beraden, signor,quot; zeide de prior glimlachend: „blijf uwe rol als koopman spelen, en laat dit masker geen oogenblik in Turijn van uw gelaat vallen. Verlaat Venetië zoo spoedig mogelijk; want zonder twijfel heeft de broeder guardiaan, — de uit Rome hier geplaatste spion en bespieder van al mijne handelingen, woorden en gedachten, - - reeds argwaan en vermoedens opgevat, omtrent ons langdurig gesprek; hij zal elke uwer schreden laten nagaan, en daar hij een fijnen neus heeft, kon hij spoedig een gedeelte van uw geheim ontdekken. Kom dus ook niet weder in het klooster terug. Jk zal u door een vertrouwden broeder nog in den loop van den dag de beloofde brieven zenden, en zoodra gij die hebt, vertrekt gij ! Zonder twijfel zijt gij, even als uw groote Koning, een ketter, en ik mag u dus niet aan de bescherming van moeder Maria en de Heiligen aanbevelen, maar ik zal God bidden, dat hij u bescherme, en —quot;

De prior zweeg plotseling stil en luisterde. Een luid geschreeuw en getier drong tot hem door. Het scheen onder zijne voeten, als uit een graf op te komen, en nam in steeds luider en woedender accoorden toe.

„Het is in de eetzaal,quot; zeide de prior verbaasd: „volg mij, mijnheer; wellicht hebben wij uwe hulp noodig. Het is een geweld, alsof een troep moordenaars mijne monniken heeft aangevallen. Laat ons zien, wat er te doen is.quot;

Hij snelde haastig uit het vertrek en gaf Cocceji een wenk hem te volgen. Met gevleugelden tred liepen zij door de voorzaal en de lange gang. Toen zij nu de trap af-

ocr page 185

175

vlogen, werd het gedruisch, geschreeuw en getier, gehuil en schelden al duidelijker en luider.

„Ik vergiste mij niet,quot; prevelde de prior; „het is inde eetzaal. Kom, mijnheer, men vermoordt mijne monniken, laat ons hen bijstaan.quot;

Hij snelde naar de deur van de eetzaal en stiet die open. Toen bleef hij als vastgenageld op den drempel staan, en staarde met ontstelden blik op het woest en ongehoord tooneel, dat zich aan hem vertoonde.

Er waren geene moordenaars, die de monniken vermoordden, maar de eerwaarde vaders alleen hadden dit woeste getier veroorzaakt, dat den prior met ontsteltenis vervuld had. De zaal geleek niet meer op de ernstige, kloosterachtige eetzaal van vreedzame broeders; zij was in een slagveld veranderd, waarop twee strijdlustige partijen tegenover elkander stonden. Men had de tafel, waarop de flesschen en glazen, borden en schotels in woeste verwarring door elkander verspreid lagen, op zijde geschoven; in de daardoor ontstane vrije ruimte stonden de monniken in dreigende houding, met van woede fonkelende oogen, vloeken en verwenschingen uitbrakende, tegenover elkander.

Geen hunner had gemerkt dat de deur van de zaal geopend werd; niemand zag, dat de prior en Gocceji daar stonden, als verbaasde toeschouwers van het ongehoorde schouwspel, dat de monniken juist van plan waren te ver-toonen. ,

„Zwijgt, zeg ik!quot; schreeuwde juist de pater guardiaan, met woedende gebaren de tegen hem over staande monniken bedreigende: „Zwijgt! Niemand wage het in deze geheiligde kloosterwanden den naam van den Pruisischen ketterkoning anders dan met vervloeking uit te spreken. Wie zijne wapenen geluk toewenscht, die is zelf een afvallige, een verrader en ketter. God heeft het zwaard van Zijn toorn reeds tegen hem opgeheven, en zal hem verpletteren; Hij zal zegenen de wapenen zijner tegenstanders, zooals het Clemens reeds gedaan heeft. Leve Keizerin Theresia, de Apostolische Majesteit!quot;

Met luid gebrul schreeuwden de monniken, die naast hem stonden, hem na; „Leve Keizerin Theresia, de Apostolische Majesteit!quot;

„Zij zal nooit Frederik van Pruisen overwinnen!quot; riep

ocr page 186

176

pater Anselmo, de aanvoerder van de tegenpartij : „De Paus heeft de wapenen van Daun gezegend, maar de wapenen van Frederik heeft God zelf gezegend. Leve de Koning van Pruisen! Leve de groote Frederik!quot;

„Leve de groote Frederik!quot; schreeuwden en brulden zijne monniken hem na.

De monniken van de tegenpartij antwoordden slechts met een kreet van woede, en met dreigend opgeheven arm drongen zij op hunne tegenstanders aan Deze volgden hun voorbeeld, en dadelijk traden zij met gebalde vuist, vooruit.

„Leve Theresia!quot; schreeuwden deze.

„Leve Frederik!quot; brulden de anderen, en hunne vuisten vielen neder op de schouders hunner tegenpartij, en van deze ontvingen zij rijkelijk de slagen en stooten terug, welke zij met verkwistende mildheid uitdeelden.

Het was te vergeefs, dat de prior onder hen trad en hen met luider stem tot rust en vrede vermaande; zij letten niet op hem. Zij hoorden volstrekt niet wat hij sprak; in hunne onstuimige drift drongen en schoven zij hem hier en daar heen, en in de hitte van het gevecht trof hem een krachtige vuistslag zóó hevig Op de borst, dat de prior, ineenkrimpend, weder naar de deur vluchtte en zich weder naast Cocceji plaatste, die lachend het bonte gewoel aanschouwde.

En terwijl de vrome vaders hunne, anders slechts tot het gebed opgeheven handen, tot duchtige vuistslagen in de lucht hieven, brulden deze er bij: „leve Theresia!quot; — gene: „leve Frederigo!quot;

En dat geschreeuw was voor beide partijen, wat de trompet voor het strijdpaard is. Het vuurde steeds op nieuw hun moed aan, en deed hun met kracht op den vijand aandringen.

„Leve de groote Frederik!quot; schreeuwde juist pater Anselmo: „Leve de overwinnaar van Leuthen en Zorndorf!quot;

De pater guardiaan uitte een kreet van woede, en zijn vlammend oog dwaalde door de kamer rond, naar een wapen zoekende om den verrader te tuchtigen, liet vestigde zich op de blinkende tinnen bekers, welke naast hem op de tafel stonden. Met een verschrikkelijken vloek nam hij er een op, en slingerde hem vlak in het gelaat van pater Anselmo, zoodat het bloed uit diens neus stroomde.

ocr page 187

477

Dit was het sein tot een nieuwen strijd. Doch deze werd nu niet met de vuist of met de tong gevoerd, maar met de wapenen, welke daar ginds op tafel lagen. Allen stortten met woedend getier er op los om wapenen, te halen, en de bekers snorden als bliksemende kogels door de lucht en troffen al juister en pijnlijker de hoofden, waarop zij gemikt waren. Hier en daar vernam men luid geklaag en gejammer, vermengd met schrikkelijk vloeken en razende krijgskreten; „Leve Theresia! Leve Frede-rigo!quot; — hier en daar zag men reeds een gewonde uit het gewoel in den een of anderen hoek vluchten, om het bloed zijner wonden te stelpen, en dan met vernieuwde woede naar den strijd terugkeeren. Eenige lafhartigen echter zochten zich onder de tafel tegen het woedende beker-spel en de krachtige vuistslagen te bergen.

Pater Anselmo ontdekte hen, en met luid hoongelach op hen wijzende, schreeuwde hij; „Leve de Teresiano onder de tafel! Geen Prussiano heeft zich nog verscholen, zooals Teresiani gaarne doen wilden, en reeds dikwijls gedaan hebben!quot;

Een woest spotachtig gelach der Prussiani vergezelde deze woorden van hun aanvoerder.

De pater guardiaan beefde van woede. Met beide handen greep hij den grooten schotel van het gebraad en slingerde dien naar Anselmo. Maar deze had het geduchte wapen door de lucht zien aankomen, ontweek het en vloog toen ook naar de tafel om een schotel te grijpen, en hem met gelijke kracht naar zijn tegenstander te slingeren. De worp was zeer goed gemikt, en de zware tinnen schotel trof den pater guardiaan zóó hevig in den rug, dat deze, het evenwicht verliezende, op den grond nederstortte.

Een zegekreet der Prussiani begroette deze heldendaad van hun aanvoerder.

„Zoo zullen alle Teresiani vallen!quot; juichten zij zegevierend. — Maar de woedende Teresiani zochten de nederlaag van hun aanvoerder te wreken. Zij grepen naar de borden en schotel en slingerden ze als werptuigen naar den vijand, en dekten hun gelaat met de schotels als met een schild, om zich tegen de vliegende bekers der Prussiani te beschutten.

„Zij willen elkander vermoorden!quot; riep de prior, zich

ICühlbaoh, Frederik de Gr on te en sijn Hof. VII. 12

ocr page 188

178

met ontstelden blik tot Gocceji wendende, die naast hem stond.

„Volstrekt niet, Hoogeerwaarde; zij zullen er wel met eenige bonte plekken en dikke neuzen afkomen, anders niets,quot; zeide Gocceji lachend.

„O, gij lacht, jonkman ; gij lacht bij dit treurig tooneel!quot;

„Vergeef mij, Hoogeerwaarde; maar ik zweer u, dat ik nooit hartstochtelijker krijgers gezien heb, dan deze hier, en nooit nieuwsgieriger naar den afloop van een slag geweest ben, dan naar dezen.quot;

„Maar gij moogt dien niet zien, signor,quot; zeide de prior beraden, naar de voorplaats terugtredende en mijnheer von Gocceji zacht met zich trekkende, terwijl hij de deur toedrukte, achter welke de monniken den strijd met bekers, borden en schotels nog bleven voortzetten.

„Neen, signor,quot; vervolgde hij ; „gij moogt dit onwaardig en schandelijk gedrag mijner dweepzieke monniken niet langer aanzien. Ik verzoek u veeleer, u dadelijk te verwijderen. Binnen eenige uren zend ik u de beloofde brieven. Wanneer gij echter gelooft, dat ik u daarmede eene kleine dienst bewezen heb, wacht ik van u daarvoor als wederdienst, dat gij niemand zult verhalen, wat gij zoo even hier gezien hebt,quot;

„Ik beloof het Uw Hoogeerwaarde,quot; zeide mijnheer von Gocceji met gedwongen ernst: „en wanneer de menschen buiten mij mochten vragen, wat dit geschreeuw be-teekent, zal ik zeggen; de vrome vaders in het klooster San Giovanni e Paolo zingen hun Hora.quot; 1)

Hij hoog zich diep voor den prior, dié hem met een vromen groet heenzond, en keerde vroolijk en met blijde uitzichten op de toekomst, naar het hotel „de Witte Leeuwquot; terug.

De prior van San Giovanni e Paolo hield woord. Eenige

1

De baron von Gocceji schijnt intusschen geen woord gehouden te hebben, öf de vrome vaders zeiven moeten gebabbeld hebben; want deze strijd is geen geheim gebleven, maar in de boeken der geschiedenis opgeteekend geworden. Archenholtz verhaalt zeer uitvoerig dezen strijd, dien de kloosterbroeders met borden, schotels en bekers ter eere van Maria Theresia en den Koning van Pruisen gevoerd hebben. Zie: Geschichte des Siebenjahrigen Krieges. Th. I, S, 241.

ocr page 189

179

uren later verscheen een monnik in het logement van signer ^Montarclo en vroeg den vreeraden koopman te spreken, ten einde nog eens over de reliquiën met hem te onderhandelen.

Cocceji herkende in den vromen monnik, die hem de brieven van den prior overbracht, den waardigen pater Anselrao, den overwinnaar van den pater guardiaan.

„Wilt gij mij een genoegen doen, eerwaarde vader?quot; vroeg hij, en toen de monnik zich daartoe bereid verklaarde, vervolgde hij: „Zeg mij dan, wie van u is in den grooten slag overwinnaar gebleven ?quot;

Een uitdrukking van trotsche vreugde blonk in de oogen van pater Anselrao. — „De Prussiani zijn overwinnaars gebleven,quot; zeide hij: „en ik denk, dat de Teresiani het niet weder wagen zullen met ons den strijd te beginnen; want vier hunner monniken liggen met gekneusde wangen in hunne cellen, en de pater guardiaan zal in de eerste weken niet in staat zijn, het ambt van spion waar te nemen. Hij is geheel veriarad en stijf, en zijn mond is van eenige tanden beroofd geworden. Mogen zoo ook alle vijanden van den grooten Frederik omkomen, en moge (lod den Koning van Pruisen en al zijne vrienden behulpzaam en genadig zijn!quot;

Hij groette den baron met het teeken des kruises, en verwijderde zich, om naar zijn vroom klooster, dat nu in een Janustempel scheen veranderd te zijn, terug te keeren.

De baron von Cocceji echter, gedachtig aan den raad van den prior, haastte zich zijn vertrek uit Venetië te bespoedigen, en reeds den anderen morgen bevond hij zich op den grooten weg, welke naar Turijn loopt. 1)

1

Deze diplomatieke zending, waarmede de Koning ziju vleugel-adjudant, den baron von Cocceji, belast had, mislukte intusschen, door de beschroomdheid van den Koning van Sardinië en zijne omgeving. Ofschoon de Engel-sche gezant in Pruisen, sir Mitchell, den baron von Cocceji een zeer dringenden aanbevelingsbrief aan den Engelschen gezant, lord Mackenzie, had medegegeven, waarin hij dezen het plan van den Pruisischen diplomaat, die onder het masker van een Saksisch koopman reisde, mededeelde en op het nadrnkkelijkst aanbeval, wilde toch lord Mackenzie, die tot de tegenstanders des Konings behoorde, dit plan niet ondersteunen, en het leed schipbreuk, zooals gezegd is, bovenal door de beschroomdheid van den Koning van Sar-

ocr page 190

178

met ontstelden blik tot Cocceji wendende, die naast hem stond.

„Volstrekt niet, Hoogeerwaarde; zij zullen er wel met eenige bonte plekken en dikke neuzen afkomen, anders niets,quot; zeide Cocceji lachend.

„O, gij lacht, jonkman ; gij lacht bij dit treurig tooneel!quot;

„Vergeef mij, Hoogeerwaarde; maar ik zweer u, dat ik nooit hartstochtelijker krijgers gezien heb, dan deze hier, en nooit nieuwsgieriger naar den afloop van een slag geweest ben, dan naar dezen.quot;

„Maar gij moogt dien niet zien, signor,quot; zeide de prior beraden, naar de voorplaats terugtredende en mijnheer von Cocceji zacht met zich trekkende, terwijl hij de deur toedrukte, achter welke de monniken den strijd met bekers, borden en schotels nog bleven voortzetten.

„Neen, signor,quot; vervolgde hij ; „gij moogt dit onwaardig en schandelijk gedrag mijner dweepzieke monniken niet langer aanzien. Ik verzoek u veeleer, u dadelijk te verwijderen. Binnen eenige uren zend ik u de beloofde brieven. Wanneer gij echter gelooft, dat ik u daarmede eene kleine dienst bewezen heb, wacht ik van u daarvoor als wederdienst, dat gij niemand zult verhalen, wat gij zoo even hier gezien hebt,quot;

„Ik beloof het Uw Hoogeerwaarde,quot; zeide mijnheer von Cocceji met gedwongen ernst: „en wanneer de menschen buiten mij mochten vragen, wat dit geschreeuw be-teekent, zal ik zeggen: de vrome vaders in het klooster San Giovanni e Paolo zingen hun Hora.quot; ^

Hij boog zich diep voor den prior, die hem met een vromen groet heenzond, en keerde vroolijk en met blijde uitzichten op de toekomst, naar het hotel „de Witte Leeuwquot; terug.

De prior van San Giovanni e Paolo hield woord. Eenige

1) De baron von Cocceji schijnt intusschen geen woord gehouden te hebben, öf de vrome vaders zeiven moeten gebabbeld hebben; want deze strijd is geen geheim gebleven, maar in de boeken der geschiedenis opgeteekend geworden. Archenholtz verhaalt zeer uitvoerig dezen strijd, dien de kloosterbroeders met borden, schotels en bekers ter eere van Maria Theresia en den Koning van Pruisen gevoerd hebben. Zie: Geschichte des Siebenjahrigen Krieges. Th. I, S, 241.

ocr page 191

179

uren later verscheen een monnik in het logement van signor ^Montardo en vroeg den vreemden koopman te spreken, ten einde nog eens over de reliquiën met hem te onderhandelen.

Gocceji herkende in den vromen monnik, die hem de brieven van den prior overbracht, den waardigen pater Anselmo, den overwinnaar van den pater guardiaan.

„Wilt gij mij een genoegen doen, eerwaarde vader?quot; vroeg hij, en toen de monnik zich daartoe bereid verklaarde, vervolgde hij : „Zeg mij dan, wie van u is in den grooten slag overwinnaar gebleven ?quot;

Een uitdrukking van trotsche vreugde blonk in de oogen van pater Anselmo. — „De Prussiani zijn overwinnaars gebleven,quot; zeide hij: „en ik denk, dat de Teresiani het niet weder wagen zullen met ons den strijd te beginnen; want vier hunner monniken liggen met gekneusde wangen in hunne cellen, en de pater guardiaan zal in de eerste weken niet in staat zijn, het ambt van spion waar te nemen. Hij is geheel verlamd en stijf, en zijn mond is van eenige tanden beroofd geworden. Mogen zoo ook alle vijanden van den grooten Frederik omkomen, en moge (rod den Koning van Pruisen en al zijne vrienden behulpzaam en genadig zijn!quot;

Hij groette den baron met het teeken des kruises, en verwijderde zich, om naar zijn vroom klooster, dat nu in een Janustempel scheen veranderd te zijn, terug te keeren.

De baron von Gocceji echter, gedachtig aan den raad van den prior, haastte zich zijn vertrek uit Venetië te bespoedigen, en reeds den anderen morgen bevond hij zich op den grooten weg, welke naar Turijn loopt. 1)

1

Deze diplomatieke zending, waarmede de Koning zijn vleugel-adjudant, den baron von Gocceji, belast had, mislukte intussehen, door de beschroomdheid van den Koning van Sardinië en zijne omgeving. Ofschoon de Engel-sche gezant in Pruisen, sir Mitchell, den baron von Cocceji een zeer dringenden aanbevelingsbrief aan den Engelschen gezant, lord Mackenzie, had medegegeven, waarin hij dezen het plan van den Pruisischen diplomaat, die onder het masker van een Saksisch koopman reisde, mededeelde en op het nadrukkelijkst aanbeval, wilde toch lord Mackenzie, die tot de tegenstanders des Konings behoorde, dit plan niet ondersteunen, en het leed schipbreuk, zooals gezegd is, bovenal door de beschroomdheid van den Koning van Sar-

ocr page 192

180

IV.

DE TERUGKEER VAN HET LEGER.

Het was een heerlijke zomerdag; — een van die dagen welke het hart met vroomheid, en de ziel met vreugde en aandoening vervullen. In de steden heeft men echter het ware genot van zulke dagen niet; neen, wie ze genieten wil, moet zich naar huiten op het land begeven; hij moet ze opzoeken in de stille dalen en in de geurige bosschen, wier kalmte slechts door het ruischen der boomen en het gezang der vogelen wordt gestoord. Wie de heilige sabbath-stilte van een schoonen zomerdag genieten wil, moet het welsprekend zwijgen der Natuur begrijpen, en de zoete en verhevene verborgenheden, welke zij uit de kelken der bloemen ademt, in het suizen van den wind bruischt, in het ruischen der boomen fluistert, of in het gekweel der vogelen zingt, kunnen beluisteren.

Weinigen bezitten dat vermogen; weinigen heeft God de oogen van het hart zóó ver geopend, dat zij zien, wat voor de meesten met een ondoordringbaren sluier bedekt is; dat zij zien, de kuische en goddelijke schoonheid der Natuur, en de sprookjes verstaan, welke zij verhaalt. Het zijn zoete herders-sprookjes; niets van het boekenstof der geleerden, niets van het gerimpeld voorhoofd der staatkundigen kleeft er aan. Het landschap vertelt van de kevers, van de rozen, van de huppelende Elfen, van de klagende krekels, van de treurende wolken, van de droomende viooltjes en van de dansende dwaallichtjes.

dinië. Deze verwierp de stoute voorslagen van Prederik geheel en al, tot zijne rechtvaardiging opgevende: „dat hij, sedert de verbintenis der beide mogendheden Frankrijk en Oostenrijk, zijn hoofd als het ware tusschen eene knijptang gevoelde, welke altijd dreigde toegeknepen te worden en hem te verpletteren.quot; — Niet gelukkiger slaagde baron von Cocceji met zijne plannen in Napels en moest dus onverrichterzake, na vele vergeefsche pogingen, weder naar huis terugkeeren. (Dutens: Memoiren eines Gereisten, der ausruht. Kap. 97. S. 132.)

ocr page 193

181

Wel hun, die naar deze sprookjes kunnen luisteren, en die niet door de vermanende, ernstige woorden van de rampen des levens tot zich zeiven geroepen worden; voor wie de donder van het geschut en het gebrul van den krijg niet al deze zoete en heilige liederen en sprookjes der Natuur overstemt!

De krijg, de alles vernielende krijg hield nog altijd zijn brandfakkel over het ongelukkige Duitschland opgeheven; hij verwoestte steden en dorpen; hij ontnam niet alleen den vrede aan de menschen, maar ook aan de Natuur! Door de anders zoo stille dalen weergalmde nu vaak genoeg de donder van de kanonnen. De akker bleef onbebouwd, de weide ongemaaid; want het ontbrak aan de tot den arbeid geschikte handen; het ontbrak aan jongelingen en mannen; slechts de grijsaards met de vrouwen waren tehuis gebleven in de dorpen, en onder hunne sidderende handen wilde het werk niet spoedig meer gedijen. Ongeluk en gebrek, zorg en kommer heerschte op het land en in de steden; de krijg had niet alleen den vrede aan de menschen, maar ook aan de Natuur ontnomen.

Ook het vroeger zoo vreedzame en gelukkige dorp Brünen aan den Rijn, niet ver van Kleef, werd nu door het ongeluk bezocht. Daar zaten de door zorg en verdriet verkwijnende moeders Aet de verlaten en treurende bruiden, de zwakke grijsaards met de verminkt terugkeerende krijgers voor de deuren hunner hutten, en vertelden van de drukkende tijden, die zij reeds doorworsteld hadden, van de nog drukkender, welke hun de toekomst nog had voorbehouden; spraken van de verwijderde vaders, zonen en mannen, welke nu wellicht met verpletterde ledematen op het sla^ veld lagen, of wellicht reeds in de met bloed gedrenkte aarde bedolven waren.

Het was eene warme, zonnige zomerdag, maar niemand lotte er op; want een nieuw verdriet drukte zwaar op de harten van de arme en ongelukkige bewoners van Brünen : het verdriet van niet meer de onderdanen van den grooten heldenkoning te zijn, dien zij allen zoo liefhadden, en onder wiens vanen hunne vaders en zonen streden I Het Fransche leger, onder aanvoering van den hertog de Broglio en den graaf de St. Germain had den geheelen Neder-Hijn en het gaubche gebied van Kleef, in naam van hun Koning bezet

ocr page 194

182

en onder beslag gelegd! — Het geheele Kleefsche land was nu tot eene Fransche provincie verklaard, en als onbetwiste en rechtmatige bezitters bielden de Franscben buis in de Duitscbe gewesten, wier bewoners zicb tand-knarsend, maar zwijgend naar den nieuwen meester moesten schikken, want zij waren hulpeloos en verlaten; zij konden slechts in het geheim de trouw aan hun Koning bewaren, en moesten er zich met schijnbare berusting in schikken den Franschman de belasting te betalen en hém als hun meester te erkennen.

Maar bet was eene bittere en smartelijke noodzakelijkheid ! Niemand gevoelde dat meer dan de oude herder Buschmann, de vader van Karei Hendrik! — Hij zat daar, evenals toen wij hem het eerst leerden kennen, aan den kant van eene groene weide, waarop zijne kudde graasde, welke gelijk vroeger door den getrouwen Phylax in tucht en orde werd gehouden. Doch niet zooals toen was zijn oog helder en vroolijk, maar droevig en bezorgd, en een diep verdriet sprak uit zijn oud, eerwaardig gelaat.

En hij had niemand, wien hij zijn verdriet kon klagen; niemand, die hem troosten en opbeuren kon. Hi] was alléén, geheel alléén! Ook zijn jongste zoon, ook Karei Hendrik, — de echte Karei Hendrik Buschmann, — had hem nu moeten verlaten! De wervers des Konings Waren voor eenige maanden, toen de Franscben de provincie nog niet bezet hadden, in het dorp gekomen en hadden van de arme Bewoners van Brünen hunne laatste strijdbare mannen, hunne laatste zonen gevraagd. Maar dezen keer hadden de dorpelingen niet met blijdschap en bereidwillig aan de oproeping voldaan, en zelfs de oude Buschmann bad ge-wenscht, zijn zoon, zijn Karei Hendrik te mogen behouden. Het van smart verscheurde vaderhart klemde zich met alle kracht der ouderliefde aan hem vast, om nieuwe kracht, nieuwen moed voor het leven van hem te ontvangen. Hem af te staan, scheen hem nu bitterder dan de dood, en met huivering dacht hij aan de troostelooze eenzaamheid; aan de lange, koude, stille winteravonden, welke hem nu wachtten, wanneer Karei Hendrik hem ontrukt werd.

Toen dus de werf-oflicier in de hut vaw den ouden Buschmann trad en Karei Hendrik opriep, als soldaat onder de vanen des Konings te treden, scholen de oogen van den

ocr page 195

183

ouden man vol tranen, en met angstige gebaren, als vreesde hij, dat de zoon hem nw reeds ontrukt werd, legde hij zijne beide handen op Karei Hendrik's arm.

„Heer kapitein,quot; zeide hij met bevende stem: „ik heb den Koning reeds zes zonen gezonden, en zij zijn alle voor hem gestorven! Zeg mij dus openhartig: heeft de Koning zóó groote behoefte aan soldaten? Als dat zoo is, neem dan mijn zoon en mij er bij; maar is dit niet het geval, laat mij dan mijn zoon behouden.quot;1)

De officier glimlachte en reikte den ouden man geroerd zijn hand. „Nu dan,quot; zeide hij; „behoud uw zoon Wanneer gij reeds zes zonen door den oorlog verloren hebt, is het billijk dat men u den zevenden late behouden.quot;

, De oude Buschmann uitte een vreugde kreeten wilde den wedergeschonken zoon omarmen. Maar Karei Hendrik weerde hem zacht af, en uit zijn gelaat sprak vastberadenheid en wilskracht, zooals zijn vader in lang niet bij hem gezien had.

„Neen, vader,quot; zeide hij: „laat mij gaan; laat mij soldaat worden, zooals mijne zes broeders óók geweest zijn. Ik had het reeds voor vier jaar moeten doen, toen men mij weder terugzond en Anna Sophie, — laat mij soldaat worden, vader!quot; viel hij zich zeiven in de rede: „Alle jónge mannen uit het dorp gaan heen, en ik schaam mij, alléén terug te blijven.quot;

De oude man liet treurig zijn hoofd zinken. „Ga dan, mijn zoon,quot; zeide hij; „en moge God u zegenen!quot;

En Karei Hendrik was heengegaan, niet uit geestdrift voor het soldatenleven, niet uit liefde voor zijn Koning; hij was gegaan, omdat hij zich schaamde, alléén achter te blijven!

Nu ook stond hij reeds verscheidene maanden in het veld, en de oude Buschmann had altijd nog geen bericht van hem ontvangen. Maar de mare van de onlangs verloren slagen was ook tot het dorp doorgedrongen, en men vertelde elkander, dat de erfprins van Brunswijk, bij wiens leger-afdeeling Karei Hendrik stond, tegen de Franschen onder den markies de Castres, een slag verloren had. —

Daaraan dacht de oude herder Buschmann, toen hij he-

1

Thomas Abt. Vom Heldentode fur das Vaterland. S. 33.

ocr page 196

484

den op den helderen zomermorgen aan den kant der weide zat, niet lettende op de schoonheden der Natuur, noch op de schitterende zon, die zijn kalen schedel bestraalde. Zijne gedachten waren in de verte bij zijn zoon; en toen hij zijn blik naar den hemel sloeg, was het niet om diens schitterend blauw, zijne onmetelijke diepte te bewonderen, maar om God te vragen: of Hij hem ook dezen laatsten, dezen zevenden zoon ontrukt had?!

Maar niets antwoordde op deze zoo dikwijls, zoo smartelijk herhaalde vraag. De zon aan den blauwen hemel straalde even schitterend als vroeger op hem neder; het landschap had dezelfde liefelijke, zachte en vroolijke uitdrukking; de vogels kweelden hunne liederen, en jubelend steeg de leeuwerik uit het nabijzijnde korenveld in de lucht.

Deze heldere, kalme stilte der Natuur beangstigde den ouden, in kommer verzonken man. Dit zwijgen scheen hem zoo eenzaam, zoo troosteloos; want de Natuur spreekt slechts tot hén, die een oor hebben om te hooren, en wie haar niet. zijn geheele hart geeft, dien zegt zij niets.

De grijsaard stond op en stapte naar het dorp. Hij verlangde menschen te zien; een blik van liefde en deelneming te ontvangen van menschen, die zijn leed begrepen; die evenals hij leden, evenals hij smachtten en verlangden, en niet eeuwig glimlachten, niet eeuwig hunne vroolijkheid openbaarden, zooals de Natuur!

Hij ging dus naar het dorp en liet aan Phylaxdezorg over, zijne kudde te bewaken. En hoe goed deed het zijn hart, toen hij, den weg naar Brünen opgaande, overal uit de hutten vriendelijke woorden en hartelijke groeten ontving. Hoe gevoelde hij zich getroost en gelukkig, wanneer hier en daar de boeren (want het was middag, en zij waren allen thuis om te eten en van het werk uit te rusten,) hem uit hunne hutten tegemoet snelden, en hem dringend verzochten binnen te komen, aan hunne tafel plaats te nemen, en mede te eten, en het bijna kwalijk namen, als hij het weigerde, omdat te huis zijn middagmaal hem wachtte dat hem eiken dag door een pachter van het dorp gezonden werd.

Deze menschen beminden hem; zij hadden medelijden met zijne eenzaamheid; zij vertelden hem van hunne eigene zorgen, van hun eigen kommer, en terwijl hij hen troostte

ocr page 197

185

en hun moed insprak, voelde hij zich zeiven meer gesterkt, meer geschikt om te hopen en te dragen, wat God zenden zoude.

En zoo vertelden zij elkander van de verwijderde zonen en vrienden, wier terugkeer zij allen zoo verlangend tegemoet, zagen; zoo klaagden zij elkander hun verdriet, omdat zij nu de onderdanen van den overmoedigen Franschman waren, en niet meer den grooten Frederik hun Koning mochlen noemen, en hem niet meer hun zuur verdiend geld mochten betalen, maar het nu dien Franschman moesten geven, dien zij slechts uiterlijk hun heer, — in het hart echter hun vijand noemden.

„Zoo laat ons ten minste in liefde en eendracht elkander bijstaan,quot; zeide vader Buschmann; „laat ons gemeenschappe-lijk dragen, wat wij dragen moeten. Morgen is het Zondag, en wanneer wij des morgens in de kerk God onze geheime en stille gebeden, — welke wij niemand behalve Hém durven laten hooren, — toegefluisterd hebben, dan willen wij allen des namiddags op het plein onder de groote linde samenkomen, en daar willen wij elkander vertellen van verleden lijden, en van hen, die niet meer zijn. Gij weet wel: onder de groote linde vernamen wij de eerste zege des Koning in dezen schrikkelijken krijg; onder deze linde las ons Anna Sophie Detzloflquot; de couranten Voor, en wij juichten over den slag van Losowitz, en ook ik juichte mede, en dankte God, hoewel deze slag mij twee zonen gekost had! Maar zij waren den heldendood gestorven, en ik mocht trotsch zijn op hun dood, en Anna Sophie las ons uit de couranten hun lof voor. Ach, als Anna Sophie nog leefde, dan had ik ten minste eene dochter, die —quot;

Hij kon niet verder spreken, de ontroering verstikte zijne woorden. Hij wenkte zijne vriendenden afscheidsgroet toe, en stapte verder naar zijn eenzaam huisje.

Daar was de tafel reeds voor hem gedekt; het kleine meisje, dat de pachter hem tol bediening gegeven had. en dat des nachts ook in de hut van den grijsaard moest slapen, kwam juist met een schotel dampende spijs van de pachthoeve.

De grijsaard ging aan zijn eenzamen disch zitten, en gebruikte het maal zonder vreugde of genot; hij at slechts, omdat zijn lichaam voedsel noodig had, maar zijne gedachten

ocr page 198

186

waren afwezig; en hij at, zonder te weten wat hij gebruikte.

Maar te midden van zijn gepeins vloog hij verschrikt op; hij verbeeldde zich, dat eene schaduw langs het venster was gekomen, alsof twee oogen, twee lieve, welbekende oogen met een snellen bliksemstraal het vertrek verlicht hadden. De oude man liet, als door een plotselingen schrik van vreugde verlamd, den lepel vallen en staarde naar de deur. — Ja, de klink bewoog zich, de deur ging open, en de slanke gestalte van een Pruisisch soldaat verscheen op den drempel.

De grijsaard uitte een kreet en stak hem zijne beide armen te gemoet. — „O, mijn zoon, mijn geliefde zoon, zijt gij daar weder!quot;

„Ja, vader, ik ben er weder; en met Gods hulp,zullen wij niet weder scheiden!quot;

En Karei Hendrik snelde in de open armen zijns vaders en kuste hem hartelijk, en drukte hem vast en innig aan zijn hai't.

„Uw beeld, vader, heeft mij weder hierheen gebracht,quot; zeide Karei Hendrik; „en waart gij er niet geweest, ik zoude nimmer weder naar Brünen gekomen, — maar de wijde wereld zijn ingetrokken, welke ik nooit had gedacht, dat zoo schoon en groot was. Maar uwe oude, lieve oogen zagen mii altcos aan; altijd verbeeldde ik mij. dat ik uwe stem hoorde, welke mij riep en tot mij sprak: „Karei Hendrik, kom naar huis! Ik ben alleen en verlang naar u! Karei Hendrik, kom naar huis! — En zoo kwam ik dan, en ben weder hier!quot;

„En God zij geloofd, dat gij er weder zijt!quot; zeide zijn vader, zijne handen vouwende, en met dankbaren blik ten hemel opziende: „Ach, hoe genadig en goed is God jegens mij, ouden man, dat hij mij den eenigen, den laatsten zoon, den steun van mijn ouderdom, de vreugde mijner oogen wedergeeft! Want, niet waar Karei Hendrik, nu gaat gij niet weder heen? Gij komt niet enkel met verlof, maar gij hebt uw atscheid gekregen ? De Koning heelt eindelijk vrede gesloten, en de krijg is ten einde?quot;

De oogen van den ouden herder waren door vreugdetranen beneveld; hij zag dus niet, hoe Karei Hendrik schrikte, en dat een donker rood diens gelaat bedekte.

„Neen, vader,quot; zeide hij met neergeslagen blik: „ik ver-

ocr page 199

187

laat u nu niet weder, ik blijf nu bij u! Wij zijn allen teruggekeerd; al de jongelingen, die bij de laatste lichting in dienst kwamen. Het zal nu weder vroolijk en prettig in het dorp worden, en ook het werk zal flink en vlug van de hand gaan; want het is altijd nog een onderscheid, of twaalf jonge borsten mede aanpakken, of alleen de oudere mannen. Maar het is ook hoog tijd, dat wij terugkomen; dat hebben wij gezien, toen wij op onze velden kwamen. Het koren is overrijp, en moest al lang aan schooven staan. Nu, wij zullen er achter heen zitten, en het verzuimde werk inhalen. En morgen, vader, morgen willen wij het geheele dorp een vroolijken dag geven; degeheele omtrek zal merken, dat de twaalf jongens uit Brünen weder te huis zijn. Op weg hebben wij een speelman ontmoet, dien hebben wij dadelijk op morgen besteld. Op het plein onder de groote linde moet hij voor ons spelen, en dan willen wij onze vaders en moeders, onze zusters en broeders uitnoo-digen, en er moet gedanst en gezongen, gegeten en gedronken worden, en wij zullen u allen vrijhouden, en gij allen zult onze gasten zijn!quot;

„Nu, dat treft heerlijk,quot; zeide de oude man, met gelukkigen lach: „wij hadden al plan gemaakt, — wij, vaders, en ouden van dagen, — om morgen namiddag onder de linde bijeen te komen. Wij zouden daar bijeen gaan zitten, om elkander ons gemeenschappelijk leed te klagen, elkander van onze zonen te vertellen, en elkander te troosten. Nu zal het stellig beter uitvallen, en er zal gedanst en gezongen worden, en wie weet, of wij oudjes in de vreugde van ons hart ook nog niet een deunlje meêdansen.quot;

„Ik vraag u al, vader,quot; riep Karei Hendrik lachend; „inderdaad, ik vraag u al, en gij moogt mij geen blauwtje laten loopen!quot;

„Dat doe ik ook niet, mijn jongen, — dat doe ik ook niet. De vreugde heeft, mij weder jong gemaakt, en als Phylax, de oude grijskop, het niet kwalijk neemt, — want gij weet, hij is altijd jaloersch op u, — als hij er niets tegen heeft, dans ik met u, on het geheele dorp zal u benijden om uwe keurige en flinke danseres!quot;

Hoe weltevreden lachte nu de oude man; hoe weinig geleek dit opgeruimde, van geluk schitterend gelaat op de sombere trekken, van den grijsaard van zoo even!

ocr page 200

188

„Maar nu, mijn zoon,quot; zeide hij toen, weder ernstig wordende: „vertel mij nu van onzen Koning, en hoe het komt, dat hij op eens vrede gesloten, — en of hij daarbij gewonnen of verloren heeft?quot;

„Van onzen Koning weet ik niets te vertellen,quot; zeide Karei Hendrik ontwijkend: „ik ben immers niet in zijne nabijheid geweest, maar bij de legerafdeeling van den hertog van Brunswijk.quot;

„Dat weet ik wel, mijn zoon; maar de hertog zal natuurlijk niet eer vrede maken, voor dat de Koning hem zulks vergunt, en óók doet.quot;

„Och, vader; zij zullen den koning van Pruisen wel dwingen vrede te sluiten!quot; riep Karei Hendrik op onverschilligen toon : „en wat den hertog Ferdinand van Brunswijk betreft: deze heeft niet alleen het beleg van Wezel opgegeven, maar is met zijn leger naar Westphalen teruggetrokken, terwijl nu de Franschen reeds meester van den geheelen Beneden-Rijn zijn, en het, zooals ik hoop, ook wel zullen blijven.quot;

„Zooals gij hoopt?quot; vroeg zijn vader met verbaasden blik.

„Wel ja, vader; de Franschman is immers nu, en wellicht voor altijd meester van het land van Kleef en als zijne onderdanen mogen wij hem toch ook geluk en voorspoed toewenschen en hopen, dat hij tegen den Koning van Pruisen overwinnaar blijve.quot;

„Wat spreekt gij daar, mijn zoon?quot; zeide de oude man, alsof hij zijne ooren niet gelooven kon: „Ja, waarlijk, gij hebt gelijk; de Franschen zijn nu onze meesters, endaar de Koning nu vrede met Frankrijk gesloten heeft, treft ons ook hel ongeluk, Fransche onderdanen te blijven. Maar dit verhoede de goede God! Het zoude treurig en verschrikkelijk zijn, wanneer wij niet meer met trotschheid den grooten heldenkoning onzen Koning mochten noemen, en wanneer wij het wellicht zelfs eens zouden moeten beleven, dat onze zonen als Fraosche soldaten tegen hun Koning in het veld moesten rukken ! Verbeeld u eens. Karei Hendrik; men zoude u niet eens vergunnen, op Zondag in uwe keurige Pruisische uniform te verschijnen, en dit zou toch inderdaad jammer zijn, want zij staat u zoo voortreffelijk en is nog zoo goed als nieuw. Maar hoe komt het, mijn zoon, dat men u die uniform heeft laten behouden, daar anders

ocr page 201

489

de soldaten, die hun afscheid bekomen, haar moeten afleggen, om in de Koninklijke kleeder magazijnen te worden bewaard ?

„Wij zijn alle twaalf met onze Pruisische uniform in het dorp gekomen,quot; zeide Karei Hendrik; „maar het spreekt van zelf, dat wij die dadelijk, vandaag nog moeten uittrekken.quot;

,.Waarom dan zoo spoedig?quot;

„Wel, omdat wij nu Fransche onderdanen zijn, en het ons volstrekt niet past, de uniform van den vijand, den Koning van Pruisen, te dragen. Dit is ook de reden, waarom wij met ons twaalven weder teruggekeerd zijn. Toen wij vernamen, dat het land van Kleef nu Fransch geworden was, waren wij niet meer onderdanen van den Koning van Pruisen, en mogen niet meer onder zijne vanen tegen de Franschen vechten, wier landgenooten wij nu zijn. Dit bespraken wij onder elkander en dachten, hoe het u allen hier in Brünen tot nadeel zou kunnen wezen, wanneer men vertelde, dat uwe zonen nog bij het leger van den Koning van Pruisen stonden. Daarom besloten wij naar huis terug te keeren; en zoo verlieten wij dan gisteren ochtend het regiment, waarbij wij stonden, en dat juist naar Minden marcheerde; wij liepen den gan-schen dag en den halven nacht door, sliepen een paar uren in een bosch en trokken toen met zonsopgang verder, totdat wij hier aankwamen. En nu, vader, nu wij elkander gegroet hebben, en gij alles weet, nu wil ik eens naar mijne kamer gaan om de uniform uit te trekken, en mij weder in een boerenjongen te veranderen?''

Hij wilde zich spoedig verwijderen, want de strakke, ontstelde blik, waarmedede oude man hem aanzag, maakte, hem angstig en ongerust. Maar zijn vader legde zijne hand met zulk een krachtige beweging op zijn schouder, dat hij wel blijven moest.

„Zeg, dat gij het voor de grap gezegd hebt. Karei Hendrik!quot; riep de grijsaard op haastigen, gejaagden toonwant het is immers niet mogelijk, — neen, niet mogelijk, dat mijn zoon, de broeder mijner zes heldenzonen, zóó kon spreken! Niet waar. Karei Hendrik, het was slechts eene aardigheid, om uwen ouden vader te plagen? Het is niet waar, dat gij de vanen van onzen Koning verlaten hebt;

ocr page 202

190

het is niet waar, dat gij gekomen zijt, omdat de Fransch-man nu het land van Kleef bezet houdt; het is niet waar dat gij de Pruisische uniform wilt uittrekken, zonder van uw regiment uw verlof of ontslag gekregen te hebben! — Maak een einde aan de grap. Karei Hendrik; toon mij spoedig uw verlofpas, dien elk eerlijk soldaat krijgt wanneer hij den dienst verlaat. Hoort gij, Karei Hendrik, spoedig uw verlofpas!quot;

Hij stak zijn zoon de magere, sidderende rechterhand toe, terwijl de linkerhand nog altijd met kracht op Karei Hendrik's arm drukte en hem vasthield.

„Vader,quot; zeide Karei Hendrik somber: „ik heb geen pas. Het is, zooals ik u zeide; wij hebben het Pruisische leger verlaten, omdat wij niet meer onderdanen van den Koning van Pruisen zijn, en nu niet behoeven te dienen, maar weder boerenjongens kunnen worden.quot;

„Gij liegt, gij liegt,!quot; riep zijn vader; „gij zijt een deserteur; het is niet mogelijk, dat mijn zoon een deserteur is!quot;

„Neen, vader; ik ben ook geen deserteur!''riep de zoon bijna driftig, onstuimig zijn arm van de hand zijns vaders losrukkende: „ik ben geen deserteur; maar ik heb slechts eerlijk mijn plicht gedaan als onderdaan van den Koning van Frankrijk; ik heb de vanen van den vijand verlaten, en ben nu gekomen om gaarne en gewillig, mijn nieuwen meester als een trouw onderdaan te dienen. Dat is alles, wat ik weet te zeggen, vader; en ik verbeeld mij, dat gij, wanneer gij nadenkt; zult inzien dat ik gelijk heb, en tevreden zult zijn, dat ik de Pruisische uniform uittrek om weder bij u te leven!quot;

Hij wachtte het antwoord van zijn vader niet af, maar verliet haastig, alsof hij vreesde weder tegengehouden te worden, het vertrek.

De grijsaard stond op om hem te volgen; maar zijne voeten weigerden hem hun dienst. Luid steunende viel hij op zijn stoel neder, en heete tranen ontvielen zijne oogen, terwijl hij prevelde: „O, mijn God, mijn zoon is een deserteur! Waarom laat gij mij deze schande beleven, mijn God; waarom hebt Gij mijne oude oogen niet gesloten, opdat zij deze schande niet behoefden te zien!quot;

ocr page 203

191

V.

DE DAPPERE VADERS EN DE LAFHARTIGE ZONEN.

Over het dorp Brünen klonk de heldere klok van de dorpskerk, en riep de vrome bewoners tot het vieren van den Zondag in den tempel des Heeren. Overal werden de deuren der hutten geopend, en vrouwen en mannen traden in hun Zondagsgewaad, en het gebedenboek in de hand, naar buiten, om in plechtige stilte den weg naar de kerk in te slaan. Zij werden gevolgd door hunne kinderen;de jonge, volwassen meisjes, met zedig neergeslagen blik en vroom gelaat, de knapen met helderen, vroolijken blik om zich heen ziende.

De klok luidde steeds door. Van de meer afgelegen pacht- , hoeven kwamen de knechten en meiden, twee aan twee naast elkander, de breede kastanjelaan af en groetten hier en daar de hun bekende kerkgangers, en vervolgden in stil gefluister hun weg. Daarna bleven zij allen nog een oogenblik op de plaats onder de groote linde staan, om te wachten tot de klok zou ophouden met luiden, tot de groote kerkdeur geopend werd, en de pastoor met den koster en de vier koorknapen zouden komen. Eerst als deze in de kerk waren, mochten zij het Godshuis betreden.

Het was een bont gewoel op het plein onder de linde; alle bewoners van het dorp waren, naar het scheen, daar verzameld; allen hadden heden behoefte gevoeld het huis Gods te bezoeken. Wellicht wilden zij God danken voor de gelukkige terugkomst hunner dierbare zonen; wellicht had hun vol gemoed behoefte aan een stil woord tot God, eer zij hunne vreugde voor de menschen uitspraken, en diegenen van harte verwelkomden, voor wie zij Gods zegen wilden afsmeeken.

Daar stonden zij onder de linde; daar stonden de teruggekomen jongelingen in hun schoonste Zondagspak. Maar waarom stonden zij zoo alleen? Waarom had men een zoo groote ruimte tusschen hen en de overige kerkgangers

ocr page 204

492

opengelaten? Waarom vermeden de mannen hun blik op de jongelingen le slaan; waarom weken de meisjes schuw terug en antwoordden zij niet, wanneer een van de borsten haar naderde en haar trachtte aan te spreken ? Waarom fluisterden zij onder elkander en wezen zij met de vingers naar de jongelingen, en keerden hun den rug toe, wanneer zij naar haar toe wilden komen?

„Laten wij ons nu niet met haar bemoeien,quot; fluisterde een der jongelingen den overigen toe: „heden namiddag, als de viool begint, en de wijn en de koek verschijnt, zullen zij wel vriendelijker worden.quot;

„Maar daar is mijn vader! Dien moesik tegemoet gaan!quot; zeide Karei Hendrik, naar den grijsaard snellende, die juist op het plein gekomen was.

Elk week voor Karei Hendrik uit; en toen hij tegenover zijn vader stond, bevonden zij zich beide alleen te midden der toeschouwers, die hen in ademlooze verwachting met nieuwsgierige blikken aanstaarden.

„Goeden morgen, vader,quot; zeide Karei Hendrik met gedwongen vroolijkheid, zijn vader de hand reikende; „gij hebt heden lang geslapen, en zijt gisteren nog al vroeg te bed gegaan, zoodat ik u gisteren noch heden, sedert onze eerste ontmoeting, weder zien en spreken kon. Goeden morgen dus, vader!quot;

De grijsaard zag hem bedaard aan; maar hij legde zijne hand niet in de aangeboden hand van den zoon, en wilde langs hem heengaan.

„Vader,quot; vervolgde Karei Hendrik: „gij zult wel vermoeid zijn, want onze hut ligt aan het einde van het dorp, en dat is een verre weg voor uwe oude beenen. Leun dus op mij, vader, en laat uw zoon u naar de kerk geleiden.quot;

Hij stak zijne hand uit om den arm van den grijsaard te ondersteunen; maar de oude Buschmann wees hem bedaard terug en stapte verder, langs zijn zoon heen, zonder hem aan te zien, of ook slechts één enkel woord tot hem te richten.

Karei Hendrik vloog hem na. — „Vader,quot; riep bii: „hoort gij mij niet; kunt gij —quot;

De oude scheen hem inderdaad niet te hooren; want hij ging met een bedaard, strak gelaat verder en naderde spoedig den dorpsschout die hem eenige stappen tegemoet kwam.

ocr page 205

193

„Vriend,quot; zeide de oude Buschmann met luide, vaste stem: „ik ben vermoeid van den langen weg. Wilt gij mij niet uw arm geven, opdat ik er op leune?quot;

Hij leunde vast op den aangeboden arm en stapte snel verder. Iedereen had zijn woorden gehoord, maar niemand, behalve de schout, zag de twee tranen in zijne oogen, welke nu langzaam over de ingevallen, bleeke wangen van den grijsaard rolden.

„Gij zijt zeer ongevoelig geweest, vader!quot; fluisterde de schout, terwijl zij haastig voortgingen.

„Zijt gij zachtmoediger geweest?quot; vroeg de grijsaard met sidderende stem: „Stond uw zoon daar ook niet onder de twaalf borsten, zonder dat gij hem aanzaagt of tot hem spraakt?quot;

„Hij heeft van nacht niet in mijn huis geslapen; ik heb hem de deur gewezen,quot; zeide de schout somber.

„Ach, ach,quot; zuchtte de grijsaard; „welk een bitter leed ! En hoe grenzenloos beminnen wij onze kinderen, juist wanneer zij ons het meest bedroeven! Maar het woei zijn; wij kunnen en mogen niet anders handelen! Laat ons naar de kerk gaan en God bidden, dat Hij ons kracht geve te doen, wat wij moeten doen!quot;

Aan den arm van den dorpsschout trad de grijsaard naar de kerk, terwijl van den anderen kant juist de geestelijke, door den koster en de koorknapen gevolgd, aankwam.

„Och, zie eens,quot; fluisterde de schout: „onze oude, goede pastoor komt heden zelf niet om dienst te doen, hij zendt ons zijn adjunct. Zeker moet er de eene of andere slechte boodschap van mijnheer den Aartsbisschop afgekondigd worden, en gij weet wel, dat de pastoor dit niet gaarne doet, want hij is goed Pruisisch gezind, en bemint, evenals wij, den grooten Koning.quot;

De jonge geestelijke stapte met glimlachend gelaat recht op de beide mannen toe, die nu op het midden van het kerkhof gekomen waren, terwijl de overige inwoners juist door de poort drongen.

„Nu, goede vrienden quot; zeide de geestelijke met zalvende vriendelijkheid, de beide mannen zijne hand reikende: „ik wensch u van harte geluk.quot;

„Waarmede?'' vroegen beide verwonderd.

„Welnu, met de groote vreugde, die u gisteren gewor-

Uühlbaoh, Frederik de Groote cn zijn Hof. VII. 13

ocr page 206

494

den is. Want welke grootere vreugde kon er voor u, vaders, wel bestaan, dan dat uwe zonen gezond en ongedeerd uit het strijdgewoel terugkeeren? Uwe zonen zijn teruggekeerd! In trouwe plichtsvervulling jegens hun nieuwen meester, — de rechtgeloovige, Katholieke Majesteit van Frankrijk, hebben zij de vanen van den ketterkoning verlaten, en zijn uniform uitgetrokken, om'weder als eenvoudige boeren hunne vaders in hun werk bij te staan! Och, daar staan zij immers, die edele, beste jongens; daar komen zij juist de poort in! Komt hier, vrienden, opdat ik u den lof der Kerk brenge voor uwe moedige plichtvervulling !quot;

Hij stak den jongelingen, die juist met verlegen, sombere gezichten het kerkhof betraden, beide handen toe, en zij volgden zijne uitnoodiging des te bereidwilliger, daar hij hun de eerste welkomsgroet, — de eerste vriendelijke woorden, welke zij sedert hunne terugkomst vernomen hadden, had toegesproken.

Maar zoodra de jongelingen den geestelijke naderden, traden de overige mannen terug en gingen, door hunne vrouwen en kinderen gevolgd, haastig in de kerk.quot;

„Gij zult zien, vader,' fluisterde de schout, toen zij naast elkander in de kerkbank zaten: „gij zult zien, dat er beden weder kwade boodschappen zijn! Als mijnheer de adjunct zoo vriendelijk en vroolijk is, dan is het nooit pluis; dan moet er altijd de eene of andere slechte streek tegen Koning Frederik uitgevoerd worden, en daarom is de pastoor ook niet hier.quot;

De schout had het geraden ; de adjunct had inderdaad eene slechte tijding omtrent den Koning over te brengen. Na geëindigden godsdienst, toen de gemeente zich gereed maakte om de kerk te verlaten, betrad hij op nieuw den kansel en noodigde degemeente uit nog wat te toeven, om aan te hooren, hetgeen hij haar in naam van hun kerkvoogd, den heer Clemens Augustus, hertog van Beieren melden moest. „Zijne Eminentie, de Aartsbisschop en hertog,quot; zeide hij: „biedt u, zijne lieve en trouwe kinderen, den zegen en den groet der heilige kerk, en dus luiden zijne woorden; „Wij Clemens Augustus, Aartsbisschop van Keulen, berichten en bevelen onze kinderen in Christus, dat zij trouw moeten zfjn aan de nieuwe Regeering en aan hunnen nieuwen heer, Ko-

ocr page 207

495

ning Lodewijk den Vijftiende van Frankrijk, die het zwaard des Heeren onzer Kerk in de gezegende hand heeft genomen, om den vijand der Kerk, den afvalligen kettervorst, die zich eigenmachtig Koning van Pruisen noemt, te tuchtigen en te straffen. De toorn Gods is tegen hem, en zal dezen overmoedige verpletteren, dezen bespotter des Heeren in het verderf storten. Wee dus hun, die de stemme Gods niet willen hooren, en in razende verblindheid den ketter-koning aankleven. Wee u allen, wanneer gij in de verblindheid van uw hart hem nog met liefde en trouw wilt aanhangen. Gij zijt van uw plicht als onderdanen jegens hem ontslagen, en de Kerk schenkt u haar zegen er op. Ik, uw opperste herder en meester, door den heiligen Paus te Rome aangesteld, beveel u daarom: Weest trouw; eert uwen nieuwen meester! Bidt God, dat Hij zijne wapenen zegene en hem ook in het vervolg de zege moge verleenen over den goddeloozen vijand! Maar wee u, wanneer gij tegen dit gebod handelt; dan zal mijn toorn u treffen en mijne straf u bereiken. Wie het waagt den kelterkoning aan te hangen, die is zelf een ketter, een afvallige der Kerk! Wacht u dus; eene zware straf zal hém treffen, die woorden van vreugde over den zoogenaamden roem en de grootheid van Frederik den Tweede waagt te uiten: want zulke vreugde is een hoon voor de heilige Moederkerk, die hem uitgestooten heeft. Waagt het dus niet, u in zijne zegepralen te verheugen, want mijn straffende toorn is gereed u in te halen. Overigens blijven wij uw zeer toegenegen meester, en zenden u, mijne lieve kinderen in Christus, onze genadige christeliike groete en liefde.quot; *)

1) Clemens August van Beieren, Aartsbisschop van Keulen, die in zijn ge-bod alle uitingen van vreugde over Frederik's roem en grootheid onder zware straf verbood, — zooals Koning Frederik zelf verhaalt: Oeuvresposthumes. Vol. Ill, p. 346) — moest daarvoor ook een zware straf vanwege den Koning ondergaan; want toen hertog Ferdinand van Brunswijk spoedig daarna de Rijnlanden weder veroverd, en de Franschen verdreven had, schreef hem de Koning: Comme aussi les Electeurs de Cologne et Palatin ont fait voir dans tons les cours de la presente guerre une animosité déraisonnable et trés deplacée contre mol et même contre le rol d'Angleterre, en usant de tons les mauvais procédés contre nous, dont ils ont été capables, et qu'ils méritent bien de sentir k 1'occasion présente notre ressentiment, je vous prie bien que

ocr page 208

196

Mel sombere gelaatstrekken en neêrgeslagen blik hadden de mannen de boodschap van den dweepzieken Aartsbisschop van Keulen aangehoord; alleen de twaalf jongelingen, die tot nog toe alleen en afgezonderd in de tusschengangen gestaan, — en het niet gewaagd hadden, zich bij de overigen op de kerkstoelen .te plaatsen, zagen nu stout en verheugd in het rond, en hunne zegevierende blikken schenen den anderen te vragen, of zij nu begrepen, dat zij goed gehandeld hadden met terug te komen.

Met nieuwen moed en in het gevoel van eigenwaarde verlieten zij het eerst de kerk, en zich in twee rijen aan weerszijden van de kerkdeur scharende, — zoodat de uit de kerk komenden tusschen hen door moesten gaan, — verzochten zij „hunne lieve bloedverwanten en vriendenquot; heden namiddag, op de plaats onder de linde te komen, waar zij, om hunne behouden terugkomst te vieren, een klein feest wilden geven.

„Wij zullen komen!quot; antwoordden de mannen met eene ernstige, bijna plechtige stem; „Wij zullen komen!quot; zeiden de vrouwen met treurige, door tranen benevelde blikken, toen zij hare oogen op de lachende zegevierende gezichten barer zonen sloegen; en de jonge meisjes, die door de jongelingen ten dans gevraagd werden, gingen hen zwijgend met neêrgeslagen blik en smartelijk zuchtend voorbij.

Alleen de oude Buschmann gaf geen antwoord op de uitnoodiging van zijn zoon; hij alleen sloeg den weg naar het dorp niet in, gelijk de overigen; maar hij wendde zich naar het kerkhof, waar het graf zijner vrouw was. Op haar grafheuvel ging hij zitten, met gevouwen handen en zijn oog ten hemel geslagen, met sidderende lippen onverstaanbare woorden prevelende, en dan weder in diep gepeins verzinkende. Somtijds verhief het zich uit zijne borst als een zacht snikken, en dan weder stroomden de tranen langzaam uit zijne oogen; dan hief hij zijne handen wringend tot God omhoog, als wilde hij Hém zijn leed klagen dan eindelijk wischte bij met eene verdrietige beweging

dês que vous serez approché des environs des pays de Bergues et de celni de la domination de l'Electeur de Cologne, d'y détacher alors mes hussards et mes dragons pour rafier ce pays-la. (Wagner's Denkwürdigkeiten. VI, S. 72).

ocr page 209

497

de tranen uit zijne oogen, alsof hij boos op zich zeiven was, dat hij zoo zwak was.

Zoo zat hij lang, zeer lang, worstelende met zijne smart en God om kracht biddende, om de zware taak te kunnen volbrengen. Zoo zat hij vele uren eenzaam en zwijgend, alleen met zijn God en zijne smart.

Het naderen van voetstappen deed hem uit zijn gepeins ontwaken, en hij zag op. Vóór hem stond de dorpsschout en knikte hem met een weemoedigen glimlach toe. — „Ik wist wel, dat ik u hier vinden zoude, vader Buschmann,quot; zeide hij: „en ik kom u halen. Het is tijd. Wij zijn allen op het plein verzameld en wachten slechts op u!quot;

„Kom dan!quot; zeide de grijsaard vastberaden, terwijl hij opstond en met een laatsten blik vol liefde van het graf zijner vrouw afscheid nam.

Thans behoefde de oude man niet op den arm zijns vriends te leunen. Zijn stap was krachtig en mannelijk; zijne gestalte hoog opgericht, en op zijn eerwaardig gelaat, straalde beradenheid en zielskracht.

Zóó stapte hij naast den dorpsschout voort, zóó trad hij op de plaat onder de groote linde. Daar zag het nu vroo-lijk en prettig genoeg uit. De jongelingen hadden zich gedurende de middaguren bezig gehouden met toebereidselen voor het feest van hunne terugkomst te maken, ten einde het op eene waardige wijze te vieren. Zij waren naar het bosch gegaan en hadden daar van frisch groen zware kransen' gevlochten, welke nu in sierlijke bochten van boom tot boom prijkten. Ook de grond was keurig met bloemen en bladeren bestrooid, en om de bank onder de linde liep een prachtige krans van de schoonste veldbloemen. Aan deneenen kant van de plaats stonden verscheidime tafels, waarop fles-schen bier en wijn, en borden met brood en koek prijkten, en niet ver van daar, op eene met kransen versierde ton, zat de man met de viool, en zag fier als een koning in het rond; als een die weet, dat hij het middelpunt en de kroon van het feest is.

En waarlijk; het was lang geleden, sedert men in het dorp Brünen het liefelijk geluid eener viool gehoord had; lang geleden, sedert men, door hare vroolijke tonen opgewekt, onder de grooto linde gedanst had. Daarom stonden de kleine knapen en meisjes om den troon van den vede-

ocr page 210

198

laar in verbaasde verwondering en verrukking, en luisterden naar de zachte tonen, welke hij nu en dan aan de snaren ontlokte. Doch de volwassen meisjes stonden op een afstand, en keken geen enkele maal naar den lokkenden vedelaar. maar verborgen zich schuw achter de vrouwen en moeders, die met een ernstig gelaat er bij stonden, en haar blik op de mannen gevestigd hadden, die daar ginds in stille verwachting bijeenstonden.

Deze stilte en dit algemeene, eindelooze zwijgen, begon toch eindelijk den jonge mannen, de aanleggers van net feest, te verontrusten. Zij hadden te vergeefs gepoogd de mannen in een gesprek te wikkelen; men had hun op hunne vragen geen antwoord gegeven, en toen zij zich vervolgens tot de vrouwen en meisjes gewend hadden, hadden deze evenzeer gezwegen. Dus hadden de borsten zich naar den anderen kant van de plaats bij den vedelaar en de kinderen begeven. Maar toen zij met deze begonnen te stoeien en te praten, hoorde men de ernstige stemmen der moeders en vaders, die de kinderen bij zich riepen en hun bevalen, bij hen te blijven.

De jonge mannen zagen elkander vragend en verwonderd aan. — „Ik ben nieuwsgierig te weten, wat daarvan worden moet, en of wij hier tot middernacht zullen moeten staan?quot; bromde de een.

„Het schijnt, dat, zij iemand verwachten,quot; fluisterde de ander.

„Zij wachten mijn vader,quot; zeide Karei Hendrik: „en ziet maar, daar kom hij van het kerkhof. De schout heeft hem gehaald.quot; _

Toen de grijsaard nu het plein naderde, traden de mannen hem tegemoet, voerden hem onder plechtig zwijgen naar de bank onder de groote linde en plaatsten hem er op, zoodat hij, op de bank staande, boven alle hoofden uitstak en zijn eerwaardig, bleek, met grijze haren omgeven gelaat, overal kon gezien worden.

Aller oogen wendden zich naar hem; eene diepe adem-looze stilte volgde. De grijsaard hief zijn arm op, en wenkte naar de zijde, waar de twaalf jonge mannen stonden. .

„Karei Hendrik Buschmann,quot; zeide hij plechtig: „kom bij mij!quot; En toen de zoon met snellen tred bij hem kwam, vervolgde hij: „Ik vraag u in den naam van God;

ocr page 211

499

is het waar, wat gij mij gisteren gezegd hebt? Is het waar, dat gij u heimelijk van de vanen van uwen Koning, onzen meester, den Koning van Pruisen, verwijderd hebt! Is het waar, dat gij in Pruisische uniform heimelijk uw regiment en uw vaandel, waaraan gij trouw gezworen hebt, verlaten hebt?quot;

„Het is waar,quot; zeide Karei Hendrik, op trotschen toon: „wij hadden toch niet alleen het recht, — maar waren zelfs verplicht het te doen; want wij zijn geen Pruisische onderdanen meer, maar onderdanen van den Koning van Frankrijk. Gij allen hebt gehoord, wat onze geestelijke ons heden in de kerk heeft voorgelezen, en hoe de Aartsbisschop bevolen heeft, dat wij onzen nieuwen meester trouw en gehoorzaam moesten zijn. Wij mogen de Pruisische uniform niet meer dragen: niet langer Pruisische soldaten zijn, en daarom zijn wij naar ons dorp terug gekomen.quot;

„Gij kwaamt terug als eervergeten, trouwlooze soldaten!quot; riep de grijsaard met een vlammenden, vertoornden blik op zijn zoon: „Gij kwaamt terug als met smaad beladen, ellendige deserteurs; gij kwaamt terug tot schande van uw dorp, tot schande uwer vaders, moeders, broeders en zusters, bekenden en vrienden! Gij kwaamt terug, — gij deserteerdet van uwe vanen, van de vanen van uwen wettigen Koning, dien gij, zooals wij allen, den eed van trouw hebt gezworen: den eed, dien God gehoord heeft, en waarvan u het woord eens menschen niet ontslaan kan! Mannen van Brünen, willen wij dezen smaad dulden, welke onze zonen over ons brengen? Willen wij dulden, dat de geheele wereld ons met vingers nawijzen, en van ons zeggen kan : Daar zijn de ouders der soldaten, die hun regiment ontliepen, en den eed van trouw jegens den Koning braken?quot;

„Neen!quot; riepen de mannen als uit één mond : „Neen, dat willen wij niet dulden; wij willen geene deserteurs tot zonen hebben!quot;

De grijsaard knikte hun zwijgend toe, en wendde zijn hoofd toen langzaam naar den kant, waar de vrouwen en meisjes stonden.

„Gij, vrouwen en maagden van Brünen; wilt gij dulden, dat uwe zonen en broeders met schuld en schande beladen onder u wandelen? Wilt gij de deserteurs weder in uw

ocr page 212

200

huis en aan uwe tafel opnemen? Wilt gij voor deserteurs uwe armen openen, en hen weder uwe zonen en broeders noemen?quot;

„Neen, neen !quot; riepen de vrouwen en meisjes als uit één mond: „Neen, dat willen wij niet dulden. Wij willen de deserteurs niet weder in ons huis en aan onze tafel opnemen. Onze zonen en broeders mogen geene deserteurs zijn !quot;

De grijsaard richtte zich op, en als door eene buitengewone geestdritt vervoerd, hief hij zijne armen ten hemel, en zijn gelaat schitterde als dat van een verheerlijkte

„Zij moeten terugkeeren naar hunne vanon!quot; riep hij op bevelenden toon: „Zij moeten met hun bloed de schande van hun voorhoofd en van het onze wasschen; en wanneer God hen dan spaart, wanneer zij hunne eer rein gewas-schen hebben als dappere soldaten van den Koning van Pruisen, dan eerst willen wij hen weder bij ons opnemen ; dan eerst zijn zij weder onze zonen en zullen zij in ons dorp welkom zijn!quot;

„Zóó moet het zijn!quot; riepen de mannen, en de vrouwen en meisjes spraken en fluisterden het na.

De grijsaard klom nu van de bank, en stapte langzaam vooruit naar de plaats, waar de twaalf jonge mannen met. verbleekt gelaat en ontstelden blik stonden, en hem angstig aanstaarden.

„Keert terug vanwaar gij gekomen zijt!quot; riep de grijsaard, zijne armen naar hen uitstrekkende: „Keert terug naar de vanen uws Konings! Wij willen geene deserteurs onder ons dulden! Weg met u!quot;

„Weg met u!quot; riepen de mannen, den grijsaardquot;volgende, terwijl zij eveneens hunne armen naar de jonge mannen uitstrekten: „Wij willen geene deserteurs onder ons dulden! Weg met u!quot;

„Weg met u!quot; riepen de vrouwen en meisjes, achter en naast de mannen aankomende: „Weg met u uit ons dorp!quot;

En de kinderen stemden mede in het algemeen geroep en schreeuwden met schelle stem het na: „Weg met u uit ons dorp!quot;

De jongelingen stonden in den beginne als van schrik verlamd.quot; Met wijd opengespalkte oogen staarden zij op deze

ocr page 213

201

voortdringende menigte, die met vertoornde aangezichten, fonkelende oogen, vervloekende lippen en dreigende armen, al nader en nader kwam en hen dreigde te verslinden, te verpletteren, evenals zij, welke op eene eenzame rots gestrand zijn, door de donderende golven dreigen verslonden en verpletterd te worden. Toen, als door afgrijzen bevangen, keerden zij zich om, en namen de vlucht.

„Weg met u, weg met de deserteurs!quot;donderde het hun achterna. — „Weg met u!quot; schreeuwden hunne vaders en moeders, hunne broeders en zusters, hunne bruiden en vrienden.

Deze vreeselijke kreet trof hunne ooren even als de donder van het laatste oordeel. Met doodsbleek gelaat, met sidderende knieën vlogen zij de groote straat van het dorp af.

Maar achter hen aan kwamen allen, allen. Achter nen klonk het steeds, als het huilen van den storm, al weder en weder: „Weg met u! Weg met u! Weg met de deserteurs !quot;

En zij liepen verder, als door de wraakgodinnen vervolgd verder, al verder de straat af, maar nog altijd werden zij achtervolgd. De vertoornde, donderende golf rolde hen na.

Eenmaal slechts waagde Karei Hendrik het, naar zijne vervolgers om te zien. Het was een vreeselijk gezicht, die menigte vertoornde gelaatstrekken, en van woede fonkelende oogen te zien. En daar zag hij zijn ouden vader, al de overigen vooruitloopende, met doodsbleek gelaat, zijne grijze haren vliegende in den wind, zijne armen dreigend naar hén opgeheven, en met luider stem roepende: „Weg met u! Weg met de deserteurs!''

Karei Hendrik wendde zich af, door een diep afgrijzen bevangen; een kreet van ontsteltenis klonk van zijne lippen, en als waanzinnig vloog hij verder. Zijne kameraden hem na, en achter hen het geheele dorp, schreeuwend en brullend: „Weg met u! Weg met de deserteurs!quot;

Reeds lag het dorp achter hen; maar al verder en verder ging de wilde jacht; al verder en verder ging het in razen-den loop den weg af. Daar was geen rusten of stilstaan, geen adem-scheppen of zwijgen. Zij moesten vluchten, voorwaarts, voorwaarts I

Nu hadden zij in hun loop de grenzen van het dorp lang overschreden. Achter hen was het stiller geworden. Zij

ocr page 214

202

waagden het achter zich te zien. Zij waren alleen. Maar daarginds aan de sloot, welke de grens van het dorp Brünen is, daar stonden zij allen; allen, met hun gelaat naar de vluchtenden gekeerd, en als verwijderd ravengekras dreunde het door de lucht: „Weg met u! Weg met de deserteurs!quot;

Hijgend, met waggelende knieën zonken de jonge mannen neder, met doffen blik elkander aanstarende, sprakeloos van woede, smart en vernedering. Maar naar het dorp waagden zij niet meer terug te keeren; en zoo deden zij dan, wat men van hen verlangd had. Wellicht om den toorn der hunnen te verzoenen, wellicht door berouw bevangen, keerden zij naar hun regiment terug, om vrijwillig hunne schuld te bekennen, om vergiffenis te smeeken en te verkriigen. —

Zoo straften de dappere.vaders van het dorp Brünen hunne lafhartige zonen, en joegen de eervergeten trouwe-loozen naar hun plicht, — wellicht in de armen des doods, terug!1)

1) Ter herinnering aan deze hooghartige daad der bewoners van Brünen, liet in het jaar 1791 de luitenant-generaal Schlieffen in de kerk van het dorp een gedenkteeken oprichten, met het volgende opschrift:

Eere aan de wakkere inwoners van Brünen.

Want

toen in den zevenjarigen krijg de Franschen het land van Kleef innamen,

en de ontaarde zonen van die rechtschapenen zich ntet schaamden Frederik's vanen, waaraan zij trouw gezworen hadden, schandelijk te verlaten,

en roemrijke gevaren trouweloos op den, ook onder het vijandelijke juk getrouwen geboortegrond, te willen ontvlieden,

terwijl hunne betere broeders als helden vochten,

als helden stierven,

gevoelden de huisvaders en huismoeders van Brünen slechts de grootte van de schande,

slechts gehechtheid voor den Koning,

geene liefde voor zulke kinderen,

en dreven de lafaards het dorp uit • , •

Onvergetelijk blijve eene daad,

waarop de Oudheid roem zon hebben gedragen.

Haar wijdde in de kerk van het dorp dezen steen ter gedachtenis

ocr page 215

203

VI.

HET VERRAAD.

Graaf Ranuzi zat voor zijn schrijftafel en herlas de brieven, welke hij zoo even geschreven had, en een zegevierend lachje vloog daarbij over zijn gelaat.

„Alles zal goed gaan,quot; fluisterde hij in zich zei ven: „wij zullen dit Maagdenburg zonder slag of stoot veroveren, en den Koning van Pruisen eene vesting ontnemen! Het plan kan volstrekt niet mislukken, denk ik; en het komt er slechts op aan, om mijne meerderen en de Keizerin te bewijzen, dat ik de ziel van deze onderneming was, en dat ik de leiding van de geheele zaak gehad heb. O, zoo zal ik dan toch eens mijn doel bereiken! Ik zal de plaats be-kleeden welke mij toekomt, en als generaal onzer Orde zal ik de geheele wereld beheerschen! In Maagdenburg zal ik mijn generaalstitel verdienen; daar wil ik mij een troon vestigen, boven de geheele wereld verheven, en welke haar beheerschen moet! — Maar laat ons nog eens nagaan, of er geen fout in mijne berekening is geslopen; of alles zóó moet uitkomen, als ik mij voorgesteld heb!

Ik heb mij eerst met dien krijgsgevangen Oostenrijkschen officier Kimsky in verbintenis gesteld, omdat deze mij het

Schlieffen.

Commandant van Wezel.

1761

Op den geboortedag van Friederik Wilhelm.

Bij deze gelegenheid hield Schlieffen tot de in de kerk verzamelde inwoners van Brünen, de volgende aanspraak; „VriendenI Dit gedenkteeken wijd ik aan uwe vaderlands-liefde in den vorigen krijg betoond. Gaat voort het ook in het vervolg te verdienen, en leert uwen kinderen hetzelfde te doen. — Gij echter, eerwaardige grijsaards, die nog in leven zijt van de helden, die toen voor het vaderland streden: Schabes, Hoddick, Thalmann, komt, dierbare wapenbroeders, helpt mij het gedenkteeken inwijden, en vergunt uwen ouden aanvoeder op de baan des roems, — den eenigen hier tegenwoordigen von Spitael, — de hand mede aan het werk te slaan, (Preuss. Th. II, S. 318.)

ocr page 216

204

voordeel verschafte, tevens door hem betrekkingen in de stad en in de citadel van Maagdenburg aan te knoopen. Kimsky moest op mijn bevel vrienden in de stad zoeken, en met de officieren der citadel vriendschapsbetrekkingen sluiten. Dan kwam het er voornamelijk op aan, om deze door ons gewonnen vrienden een doel aan te wijzen, dat hun hoegenaamd geen argwaan verwekken, — en het eigenlijke plan verbergen kon. Ik koos dus Trenck voor het schild, waarachter ik mijne onderneming kon verschuilen. Om hém vertrouwen in mijne agenten in te boezemen, wist ik mij van prinses Amalia een soort van geloofsbrief voor Trenck te verschaffen, en haar in mijne zaak belang te doen stellen. Zij voorzag mij van geld, en voegde nog bovendien bij den brief aan Trenck, eene aanbeveling aan een vertrouwden vriend in Maagdenburg. Daardoor kwam ik mijn doel aanmerkelijk nader, en onder het voorwendsel van slechts voor Trenck te handelen, handelde ik voor mij zeiven ; voor mijne plaats als generaal der Jezuïten en voor mijne Keizerin, voor wie ik eene vesting veroveren wilde. En al mijne plannen zijn geslaagd. Trenck heeft zich met drie Pruisische officieren in de citadel in gemeenschap gesteld. Deze, — door medelijden met den rampzaligen toestand van den ongelukkigen gevangene bezield, — wilden alles voor diens redding wagen, en hebben zich derhalve in betrekking gesteld met hén, die Trenck hun als zijne vrienden aanwees. Maar deze zijn mijne handlangers en ondergeschikten ; zij handelen voor mij, terwijl zij voor Trenck schijnen te handelen; de Pruisische officieren vermoeden niet, dat zij, terwijl zij Trenck de vrijheid verschaffen, voor de Keizerin van Oostenrijk een vesting veroveren! Maar zoo is het, zoo is het tóch! Er is geene fout in mijne berekening; het moet gelukken. Op Trenck kan ik vertrouwen; hij is een onderdaan van Maria Theresia, de dorst naar wraak bezielt hem. Hij zal Maagdenburg voor zijne Keizerin veroveren. Uit de diepte van een onderaardschen kerker zal de bewerker te voorschijn komen, dien God heeft uitverkoren, om door hem den overmoed van den ketterschen Koning te bestraffen en zijne macht te breken. — Er blijft dus niets over, dan het bericht van deze onderneming naar Weenen over Ie brengen, opdat van daar uit kan gezorgd worden, dat eenige Oostenrijksche

ocr page 217

205

regimenten ter juister tijd in den omtrek van Maagdenburg gelegerd zijn, en op een gegeven teeken de stad bezetten; opdat de Koning van Pruisen ons niet door kracht van wapenen ontneme, wat wij door list verkregen hebben. En voor al deze dingen is juist nu het gunstigste tijdstip ge- • komen. Frederik, — de bij herhaling vernederde en geslagen Koning, — is ver van Maagdenburg; hij heeft de belegering van Dresden moeten opgeven, en Ooslenrijksche troepen zijn daar gelegerd, evenals de Russische bij Frankfort. Ook de Franschen zijn niet ver af, en deze verschillende legers zijn bereid ons te hulp te snellen. Alles komt er nu slechts op aan om het bericht van onze onderneming-veilig en zonder gevaar naar Weenen te bezorgen. Maar dit is stellig een moeielijk punt. Het beste ware, als ik zelf kon gaan. Maar ik ben een krijgsgevangene; en zoolang Maagdenburg nog niet in onze handen is, rammelt deze keten aan mijn voet. Er moet dus een ander heengezonden worden: een vertrouwde bode, die moed, beradenheid en onverschrokkenheid bezit. — Dat heb ik in dezen brief aan kapitein Kimsky geschreven; hij moet onder de samen-gezworenen aldaar zulk een man opzoeken, en hem dan dit kleine blaadje, dat ik hem zend, overgeven. Och, hoe schuldeloos en kinderlijk ziet er dit blaadje uit; en tóch zoudo het den Koning van Pruisen, als het in zijne handen viel, eene schoone vesting en verscheidene millioenen doen behouden: want de krijgskas is van Dresden naar Maagdenburg overgebracht, en die zal dus óók de onze worden. Wel, wel; wat zou de Koning van Pruisen wel willen betalen voor deze paar regels cijferschrift, en hoe zou hij wel dengenen beloo-nen, die hem den sleutel tot dit schrift bezorgde! — Dezen sleutel zal ik weder door een anderen bode naar Weenen zenden, daartoe dient deze tweede brief! Opdat wij echter geheel veilig mogen handelen, — en zelfs voor het geval, dat mijne beide boden verongelukten, heb ik Trenck overgehaald, zich van zijn kant ook tot Weenen te wenden, en daar om hulp en geld te vragen. Zoo moet hij altijd het schild zijn dat ons dekt, en waarachter wij ons verschuilen ! Mislukt de geheele onderneming, dan schuiven wij het den dwazen dolkop Trenck in de schoenen; gelukt zij evenwel, dan is het mijne verdienste, en ik zal wel zorgen mijn loon in te palmen. De generaal onzer Orde is oud.

ocr page 218

206

en zou hij desniettemin uog lang willen leven, dan moet moet men de taaie natuur met —quot;

Hij waagde het niet zijn volzin te eindigen, maar een woeste, duivelsche lach vloog over zijn gelaat, en gaf aan de half uitgesproken woorden de beteekenis, welke zijne lippen niet durfden uitspreken. — Hij stond op, en liep eenige keeren driftig en diep ademend op en neder; geheel verzonken in de eerzuchtige droomen zijner toekomst, tot welker verwezenlijking hij voornemens was geene middelen te ontzien.

Hij zag reeds zijn hand versierd met dien gewichtigen ring; dien ring, waarvoor Koningen zelfs vaak genoeg gebogen hadden, en welke voor de Jezuïtenorde datgene is, wat de kroon voor den Koning is; het heilige teeken der macht en heerlijkheid, het onbetwistbare teeken eener onzichtbare macht, welke de geheele wereld beheerscht! — Hij zag zich reeds met dezen ririg aan den vinger, voortgaande, om volken onder het juk te brengen, tronen te doen vallen en weder te verhellen. — Maar plotseling ontwaakte hij met schrik uit dit gepeins en herinnerde zich het tegenwoordige.

„Ach,quot; zeide hij zuchtend: „men mag om de droomen eener heerlijke toekomst het tegenwoordige niet uit het oog verliezen, — het tegenwoordige, dat deze toekomst moet voorbereiden! Er zijn gewichtige dingen, welke heden nog moeten gedaan worden! Ik moet deze brieven aan Marietta brengen, opdat zij het adres er op zette en ze op de post bezorge; en dan moet ik naar mevrouw du Troussel gaan, en haar trachten te overreden, dat zij verlof voor mij verwerve, om voor eenige dagen een zieken vriend te Maagdenburg te mogen bezoeken. Dat zal stellig eene moeielijke onderneming zijn, want zij zal niet gaarne in eene scheiding toestemmen; maar ik zal haar wel weten te overreden. Mijne woorden hebben een grooten invloed op haar, en voor eene verliefde vrouw is het onmogelijk, het voorwerp harer genegenheid iets te weigeren. Ik zal dus door mevrouw du Troussel, de naaste en invloedrijkste bloedverwante van den commandant van Berlijn, verlof tot eene reis naar Maagdenburg krijgen, en evenzoo zal ik door Marietta Tagliazuchi mijne beide gewichtige brieven laten bezorgen.quot;

ocr page 219

207

Hij lachte luid, bij de gedachte aan deze twee vrouwen, die hem beide zoo genegen, — beide zoo gaarne bereid waren, zich door hem te laten bedriegen.

„Intusschen beminnen beide mij toch op zeer verschillende wijze,quot; zeide hij lachend, zijn toilet makendé om uit te gaan; „Maria Tagliazuche bemint mij met den ootmoed eener dwepende slavin; Louise du Troussel met het dankbare vuur eener oud wordende coquette. Het zoude een aardig vraagstuk voor een rekenmeester zijn, om te berekenen, welke van deze liefde het meeste gewicht heeft. In elk geval is Marietta's liefde aangenamer en gemakkelijker, omdat zij deemoediger is. Gelijk een trouwe hond ligt zij - zich aan mijne voeten, en wanneer ik haar van mij stoot, kruipt zij weder ootmoedig naar mij toe, en likt de voeten, welke haar trapten! Voort dus, naar haar; naar mijne tee-dere Marietta!quot;

Hij stak de beide brieven bij zich, nam zijn hoed,en de straat afgaande, sloeg hij den weg naar Marietta's woning in.

Zij ontving hem met hare gewone hartstochtelijkheid ; zij was welsprekend als altijd in het schilderen van hare liefde. Zij klaagde hem, wat zij door die eeuwig lange scheiding van hem, geleden bad, en met welk een ontzettende smart haar de gedachte vervuld had, dat hij haar ontrouw kon zijn en eene andere beminnen!

Ranuzi lachte. ,,Altijd nog het oude liedje, Marietta,quot; zeide hij; „altijd twijfel en wantrouwen? Dorst de tijgerin altijd nog naar mijn bloed, en zou zij gaarne het trouwe-looze hart verscheuren?''

Zij knielde, zooals zij steeds placht te doen, aan zijne voeten, en met hare beide armen op zijn knieën, en met haar hoofd op hare handen leunende, zag zij naar hem op.

„Kunt gij mij zweren, dat gij mij trouw zijt?quot;' vroeg zij op vreemden, scherpen toon: „Kunt gij mij zweren, dat gij geene vrouw bemint behalve mij?quot;

„Ja, dat kan ik u zweren,quot; zeide hij lachend.

„Doe het dan,quot; riep zij ernstig.

„Zeg zelve mij den eed voor, en ik zal hem u naspreken.quot;

Zij zag hem eenige minuten zwijgend en strak in het gelaat, en eene zonderlinge schaduw trok over hare sprekende trekken. Kanuzi lette er niet op; hij was tezorge-

ocr page 220

208

loos, te zeker van de zege, dan dal hij twijfel of wantrouwen kon koesteren.

„Hoor den eed,'' zeide zij, na eene pauze; „Ik, graaf Carlo Ranuzi, zweer, dat ik geene andere vrouw bemin, behalve Maria Tagliazuchi alleen; ik zweer dat, sedert ik haar bemin, mijne lippen den mond van geene andere vrouw hebben aangeraakt, tot geene andere woorden van liefde hebben gesproken, en nooit spreken zullen. Moge de toorn Gods mij straffen, wanneer mijneed eene onwaarheid bevat!quot;

Zij liet de woorden van dezen eed langzaam, één voor één over hare lippen komen, en zag Ranuzi daarna met een strakken, fonkelenden blik aan.

Geen spier in zijn gelaat vertrok zich, geen trek veranderde. Glimlachend en rustig sprak hij hare woorden na; toen boog hij zich tot haar en kuste haar zwart, glanzig haar.

„Zottin,quot; zeide hij lachend: „zijt gij nu tevreden en gerust gesteld'?quot;

„Ik ben tevreden, want gij hebt gezworen,quot; zeide zij, van hare knieën opstaande.

„Gij zijt dus voor altijd gerustgesteld, Marietta?quot;

„Ja, voor altijd!quot;

„Nu, laat ons dan een oogenblik over zaken spreken! Hier zijn twee gewichtige brieven, mijn schoon kind! Gij ziet, hoe grenzenloos mijne liefde is; wantik vertrouw u deze brieven, en verzoek u, ze aan het gewone adres te Maagdenburg te bezorgen. Gij hebt mijn bait, even als mijne geheimen in uwe schoone hand.quot;

En haar de brieven overgevende, kuste hij hare handen. Marietta trilde als van schrik, en zag met schuwen, ontstelden blik naar de beide brieven.

„Zij bevatten dus gevaarlijke geheimen?quot; vroeg zij.

„Zeer gevaarlijke, mijn schoon kind quot;

„Wanneer men ze onderschepte, waartgij verloren, en zou men u dooden?quot; vroeg zij gillend.

Ranuzi hoorde in dezen kreet slechts den angst barer teedere liefde. — „Stellig was ik verloren en den dood overgegeven,quot; zeide hij: „als men deze brieven ontdekte. Maar vrees niets, mijne schoone Marietta; men zal niets ontdekken, en niemand zal op den inval komen, deze onschuldige

ocr page 221

209

letteren, welke gij op de post bezorgd, en die aan uwe vriendin te Maagdenburg geadresseerd zijn, te openen. Bovendien vermoedt niemand iets van de nauwe betrekking tusschen ons. Wij hebben bet heilige geheim onzer liefde even zorgvuldig bewaakt, als de priesteressen van Vesta het heilige vuur, en zoo zal het óók veilig en zonder gevaar blijven. Wanneer uw echtgenoot van zijne reis naar Italië terugkomt, zal hem de booze wereld geen kwade geruchten van ons beiden kunnen verhalen, en hij zal u als zijne getrouwe gade in de armen sluiten. Wanneer komt hij?quot;

„Eerst over drie weken verwacht ik hem.quot;

„O, dan zullen wij tot dien tijd nog menigen heerlijken, stillen avond kunnen genieten. Marietta; en daarom doe ik mij des te minder verwijtingen, wanneer ik u heden spoedig moet verlaten.quot;

„Gij wilt mij verlaten?quot;

„ïk moet, Marietta.quot;

„En waar gaat gij heen?quot; vroeg zij, hem diep in de oogen ziende.

„Reeds weder jaloersch ?quot; vroeg hij lachend : „Stel u gerust, Marietta. Ik ga naar geene vrouw; en bovendien, hebt gij mijn eed niet, en moet die u niet volkomen gerust stellen ?quot;

„Waar gaat gij heen?quot; vroeg zij met haar scherpen, onderzoekenden blik.

„Ik ga naar eene vergadering met eenige vrienden,quot; zeide hij: „en deze vergadering zal in de woning van een Katholiek geestelijke gehouden worden. Zijt gij nu tevreden. Marietta? En vreest gij nu niet meer, dat een of ander rendez-vous mij van u wegroept?quot;

„Ik vrees niet meer,quot; zeide zij glimlachend : „gij hebt mij in alles gerust gesteld.quot;

„Dan, geliefde, verzoek ik u mij te bevelen heen te gaan, en u te verlaten; want, indien gij dit niel doet, wordt het mij onmogelijk, hoewel ik weet, dat ik gaan moet! Maar neen, laat mij eerst zien, hoe gij mijne brieven adressee-ren wilt!quot;

„Dat zult gij zien,quot; zeide zij, naar hare schrijftafel gaande en de adressen schrijvende.

Ranuzi nam de brieven en las het opschrift. —„Ziet gij,

Kühlïaoh, Frederik de Oroote en zijn Hof. VII. 14

ocr page 222

210

Marietta, deze kleine, vluchtige figuurtjes bevatten de talisman, welke mij beschermt en mijn geheim verbergt. En dat heb ik u te danken, mijne geliefde, it alleen! Maar zult gij nu het werk uwer goedheid voltooien, en de brieven dadelijk naar de post brengen?quot;

„Ik zal het doen. Carlo, dadelijk.quot;

„Dat zweert gij mij?quot; vroeg hij schertsend: „Zweer het bij onze liefde.quot;

„Ik zweer het bij onze liefde!quot;

„En nu vaarwel. Marietta; vaarwel voor heden. Morgen hoop ik u weder te zien.quot;

En hij trok haar tot zich, kuste haar innig, en fluisterde haar woorden van liefde, van gloeienden hartstocht in het oor, en merkte in zijn ongeduld om weg te komen volstrekt niet, dat zij koud en zwijgend in zijne armen lag. Toen nam hij zijn hoed, en haar nog eenmaal feeder toeknikkende, verliet hij het vertrek.

Zij bleef midden in de kamer staan; hare armen hingen slap langs hare gestalte, baai- hoofd lag op hare borst. Zoo luisterde zij naar zijne zich verwijderende schreden; zoo luisterde zij naar eiken stap, welke hij zette op de treden van de trap, die hij langzaam af ging. Nu was hij beneden, nu op de kleine voorplaats, als hij deze over was, was hij aan de voordeur! Met een wilden kreet vloog zij nu uit de kamer en snelde naar de trap.

„Carlo, Carlo, wacht nog een oogenblik!quot;

Hij had juist zijne hand op de klink van de deur gelegd; nu bleef hij staan en zag om. — Daar kwam zij, bleek, met vlammende oogen, met trillende lippen de trap afvliegen; daar stormde zij met geopende armen naar hem toe, en sloot hem met hartstochtelijken gloed in hare armen.

„Vaarwel, mijn Carlo, vaarwel geliefde mijner ziel! Licht mijner oogen, vaarwel!quot;

Zij kuste zijn mond, zijne oogen, zijne handen; zij klemde hem zóó vast aan zich, dat hij meende te stikken; toen stiet zij hem op eens van zich af, en zeide ruw en koel; „Ga! Ga heen!quot;

En zonder hem ook slechts nog éénmaal aan te zien, keerde zij zich om en vloog de trap op, terwijl Ranuzi, hoofdschuddend en lachend over de hartstochtelijke zottin, het huis verliet.

ocr page 223

VII.

DE AANKLACHT.

Weder stond Marietta midden in hare kamer, bleek, hijgend, met fonkelende oogen, bewegingloos, met strakke gelaatstrekken, alsof zij naar iets luisterde.

Waarnaar luisterde zij? Wellicht naar zijne voetstappen, welke in de eenzame, stille straat weergalmden; wellicht naar hare herinneringen, die nu als krassende, den dood voorspellende vogels om haar hoofd vlogen en haar verdwenen geluk verscheurden! Wellicht luisterde zij naar de fluisterende stemmen, welke in hare borst spraken, en Ra-nuzi van verraad en trouweloosheid aanklaagden.

En was hij dan inderdaad schuldig? Had hij werkelijk eene misdaad, welke den dood verdiende, begaan ? Zij stond nog steeds roerloos en luisterde naar de stemmen in haar binnenste.

„Ik wil er nog eens over nadenken,quot; fluisterde zij, langzaam door de kamer gaande en op den divan plaats nemende: „ik wil hem nog eens voor de vierschaar dagen, en mijn hart, dat hem in de woede zijner smarten, nog steeds blijft beminnen, — mijn hart zal de rechter zijn!quot;

En nu riep zij zich alles nog eens weder voor den geest. Nu zweefde nog eenmaal als een gouden lichtstraal de tijd harer jeugd, en de heerlijke, zalige dagen barer reine, onschuldige lietde voor haro verbeelding. Daarop herinnerde zij zich alle smarten, welke zij om de liefde had geleden, op welke zij altijd was teruggekomen, welke zij nooit in haar hart had kunnen dooden. Toen dacht zij, hoe zij Ra-nuzi hier te Berlijn had teruggezien, boe hunne harten elkander hadden gevonden, hoe de oude liefde weder op een schitterende Phoenix geleek, en uit de asch van het verleden was verrezen, om hun beiden den hemel of de hel te openen. Zij herinnerde zich, bevend van toorn, de gelukkige dagen van den wedergevonden lieveling harer

ocr page 224

212

jeugd; zij herhaalde de vurige eeden van eeuwige liefde en trouw, welke Ranuzi haar ongevergd gezworen had. Zij herinnerde zich, hoe zij hem gewaarschuwd en gezegd had, dat zij zijne trouweloosheid op hem zeiven zoude wreken, en^hoe zorgeloos hij er om gelachen, — en haar zijne tijgerin, zijne Anakonda genoemd had. — Tóen dacht zij, hoe zij allengs de verkoeling zijner liefde gevoeld had; hoe angstig zij had rondgezien, om te ontdekken, wat hem zoo plotseling had doen veranderen! Zij had niels kunnen ontdekken! Een toeval, een verraderlijk, boos toeval was haar te hulp gekomen. Daar er sedert den oorlog te Berlijn geene opera meer werd opgevoerd, en Marietta dus geheel en al zonder bepaalde bezigheid was, was zij sedert eenigen tijd begonnen zangles te geven, wellicht om zich te verstrooien, wellicht om hare inkomsten te vermeerderen. Dit had zij zorgvuldig voor haren minnaar verzwegen, omdat zij in de onbaatzuchtigheid barer liefde niet wilde, dat hij gelooven zou dat zij geld noodig had, en haar bijstand zou willen ver-leenen. Een van hare eerste leerlingen was de dochter van mevrouw du Troussel, de jonge Camilla von Kleist geweest, en weldra waren de leerling en de meesteres nader bevriend geworden. Camilla, steeds door hare moeder in de kinderkamer en de eenzaamheid gedrongen, had aan hare nieuwe vriendin het huiselijk leed.en de verveling, waaronder zij gebukt ging, geklaagd. Toen, door Marietta's deelneming en vleiende vriendschap al meer medegesleept, be-

fon zij aan de vreemdelinge over hare moeder te klagen, ij had, terwijl zij zich als een belangwekkend slachtofter der moederlijke dwingelandij poogde voor te doen, hare moeder onbarmhartig tentoongesteld. Zij had mevrouw 'Tagliazuchi verteld, dat zij slechts daarom steeds als kind door hare moeder behandeld werd, omdat die zelve nog jong wilde schijnen; dat zij daarom nooit in de zaal en bij de avondpartijen mocht verschijnen, omdat hare moeder vreesde, dat hare dochter haar de aanbidders en minnaars zou ontnemen. En eenmaal zóó ver met hare vertrouwelijkheid gegaan zijnde, had Camilla, —de beklagenswaardige dochter eener lichtzinnige moeder, — zich niet ontzien, hare vriendin van de aanbidders barer moeder te verhalen. Als den laatsten, den gevaarlijksten dezer minnaars, — als dengene, dien zij het meest haatte, omdat hij het vaakston zij aan de vreemdelinge over hare moeder te klagen, ij had, terwijl zij zich als een belangwekkend slachtofter der moederlijke dwingelandij poogde voor te doen, hare moeder onbarmhartig tentoongesteld. Zij had mevrouw 'Tagliazuchi verteld, dat zij slechts daarom steeds als kind door hare moeder behandeld werd, omdat die zelve nog jong wilde schijnen; dat zij daarom nooit in de zaal en bij de avondpartijen mocht verschijnen, omdat hare moeder vreesde, dat hare dochter haar de aanbidders en minnaars zou ontnemen. En eenmaal zóó ver met hare vertrouwelijkheid gegaan zijnde, had Camilla, —de beklagenswaardige dochter eener lichtzinnige moeder, — zich niet ontzien, hare vriendin van de aanbidders barer moeder te verhalen. Als den laatsten, den gevaarlijksten dezer minnaars, — als dengene, dien zij het meest haatte, omdat hij het vaakst

ocr page 225

213

verscheen en hare moeder het meest bezig hield, noemde Camilla eindelijk den graaf Ranuzi!

Dit was het begin van de vreeselijke martelingen, welke Marietta Tagliazuchi sedert eenige wekon verduurde; martelingen, welke steeds aangroeiden, hoe meer zij zich had moeten overtuigen, dat er werkelijk eene nauwe betrekking tusschen Ranuzi en mevrouw du Trousselbestond; en dat, wanneer Ranuzi, onder het voorwendsel van met dringende bezigheden overladen te zijn, aan Marietta weigerde den avond bij haar door te brengen, hij dit slechts deed, omdat hij eiken avond geregeld naar mevrouw du Troussel ging.

Marietta had dit verdriet in zich zelve gesmoord. Zij had zich den troost geweigerd, den een of ander haar leed te klagen; zij had zelfs den moed gehad met lachenden mond de kleine Camilla de waarheid barer bewering te betwisten, en haar van laster te beschuldigen. Zij wilde zekerheid, zij verlangde bewijzen; en Camilla, door bare tegenspraak aangevuurd, beloofde haar die te geven. Eens reikte zij Marietta met zegevierend gelaat een brielje over, dat zij van de schrijftafel barer moeder genomen had. Het was een in Fransch geschreven gedicht, waarin Ranuzi vol ootmoedige liefde, vol gloeienden hartstocht, de schoone Louise verzocht, hem te vergunnen dezen avond bij haar te komen, voor hare voeten te knielen en haar te aanbidden, zooals de vrome de Moeder Gods aanbidt.

Marietta las het gedicht herhaaldelijk over, en gaf het toen volkomen bedaard aan Camilla terug. Maar hare wangen waren doodsbleek en hare lippen trilden tusschenbeide zoo hevig, dat Camilla haar deelnemend vroeg of zij ergens pijn had. Zij antwoordde bevestigend, er bij voegende, dat het beter ware de zangles tot een volgenden dag uit te stellen. Zij wilde naar huis en naar bed gaan. Maar Marietta was niet naar huis gegaan. Ruiten zich zelve, bijna radeloos van smart en woede, had zij in de straten rondgedwaald, zoekende en peinzende, hoe zich te wreken wegens den hoon haar aangedaan, wegens de trouweloosheid van haren minnaar! — En eindelijk had zij een middel gevonden; en met vasten tred, gloeiende wangen en een vreemden lach op de vast gesloten lippen, was zij naar het slot gegaan. — Daar had zij naar den markies d'Ar-gens gevraagd, en Ranuzi's ongeluk wilde, dat deze zich

ocr page 226

'214

inderdaad te Berlijn bevond, daar hij anders gewoonlijk op Sanssouci placht te zijn. Marietta kende den markies niet persoonlijk, maar haar echtgenoot, die sedert eenige maanden op reis was, had met haar dikwijls over den geestigen en beminnelijken Franschman gesproken, met wien Tagli-azuchi in zijne betrekking als opera-dichter des Konings dikwijls in aanraking was geweest. Marietta wist, dat de markies de boezemvriend des Konings was, en ook nu nog in drukke briefwisseling met hem stond. Daarom had zij zich tot markies d'Argens gewend, wetende, dat dit de snelste en gemakkelijkste wijze was, om hare mededeelingen den Koning onmiddelijk zeiven te doen toekomen. De markies d'Argens ontving haar, en vroeg minzaam wat zij wenschte. In den beginne zweeg Marietta, en had zij een gevoel, alsof zij berouw had wegens hetgeen zij doen wilde; alsot het beter ware te zwijgen en weder heen te gaan.

Maar daarop ontwaakte haar toorn op nieuw, en wapende haar met den moed der wanhoop. Hijgend, met eene zonderlinge, verwarde drift, zeide zij den markies, dat zij gekomen was, om hem een geheim mede te deelen, — een geheim, dat den Koning betrof!

De goede markies was verbleekend een stap terug getreden, en had angstig gevraagd, of hetgeen zij hem zeggen wilde, ook een aanslag op het leven des Konings was.

Zij had hem geantwoord, dat het wel niet zijn leven betrof, maar tóch een geheim van het grootste gewicht. Terwijl de markies haar nu uitnoodigde, hem beter in te lichten, had zij zich weder verbeeld, dat het schoone gelaat van Ranuzi plotseling voor haar verscheen, en hij haar mot die groote denkende oogen, wier blik zij steeds het diepst gevoeld had, had aangezien. Zij rilde inwendig, de oude Üefde ontwaakte weder in haar en drong de wraak weder in haar hart terug. Een angstig aarzelen en vreezen overviel haar, en stotterend en verward zeide zij nu: dat zij haar geheim slechts den Koning zei ven toevertrouwen kon, of dengene, dien de Koninguitdrukkelijk er toe aanwijzen zoude.

Toen de markies met vragen bij haar aandrong, toen hij op zijne levendige wijze zijne vermoedens wegens den aard van haar geheim in alle bochten gewend, — en Marietta in een net van vragen en tegenstrijdige antwoorden had gevangen, had zij eindelijk tot een schuw en voorzichtig

ocr page 227

215

zwijgen besloten, en had zij den markies gezegd, dat zij over acht dagen terug zou komen, om dan van hem te vernemen, wien de Koning had uitgekozen, om hare tne-dedeelingen te ontvangen. ^

De acht dagen waren dus heden verioopen. Marietta had gedurende dezen tijd genoeg met haar hart gestreden; hare altoos weder ontwakende liefde had naar dikwijls genoeg willen overreden, de wraak op te geven en vergiffenis te schenken. Bijna was zij besloten niet weder naar den markies te gaan, of, als deze tot haar mocht komen, te zeggen, dat zij gedwaald had, en dat haar geheim niets anders was dan eene aardigheid, waarmede men haar geplaagd had.

Maar nu waren al die zachtere aandoeningen verteerd in het felle vuur van wraak en toorn, dat hare geheele gestalte deed gloeien.

„Hij is een verrader, een schandelijke leugenaar,''zeide zij, hare tanden van woede op elkander drukkende: „hij is een lafaard, die niet eens den moed heeft eene vrouw in het aangezicht te zien, en de waarheid, welke zii van hem vraagt, te bekennen. Hij is een meineedige, want hij heett den eed gezworen, dien ik van hem eischte. Hij heeft gezworen, mij, slechts mij alléén, en geene andere vrouw te beminnen. Hij heelt de onbeschaamdheid gehad de straffe Gods op zijn hoofd te roepen, wanneer hij onwaarheid mocht spreken!quot;

1) De markies d'Argens schilderde den Koning het bezoek van mevrouw Tagliazuchi in een zijner brieven op eene zeer uitvoerige en levendige wijze, en deelde hem zijne vermoedens mede, die alleszins zeer nabij de waarheid komen, en bewijzen, dat de markies een goed inquisiteur kon zijn, wanneer het belang van zijn aangebeden Koning er in betrokken was. Hij bezweert den Koning de zaak niet op te geven, want er was hier vermoedelijk een verraad in het spel, welks vertakkingen zich tot Weenen uitstrekten. Uat mevrouw Tagliazuchi in Berlijn veel met hare landslieden, de gevangen Italiaan-sche officieren verkeerd had, en wellicht kon een der officieren door middel dezer vrouw eene gevaarlijke correspondentie met Weenen gevoerd hebben. Enfin, sire, eindigt de markies zijn brief: quand 11 serait vrai, que tout ceci ne fut qu'une tête italienne, qui se serait échauffée et qui aurait pris des chimères pour des vérités, ce qui pour rait encore bien être, car cette femme parait rien moins que prudente et tranquille, je crois cependant, que la peine, qu'on aurait prise de «avoir ce qu'elle veut declarer serait si légere, qii'on ne la regretterait pas, quand même on découvriraite que'cette femme n'est qu'une folie. (Oeuvres de Frédéric le Grand. Vol. 19, p. 91).

ocr page 228

216

„Waarom aarzel ik nog langer ?quot; riep zij zich plotseling in haar volle lengte oprichtende: „De trouwelooze, tnein-eedige verrader verdient, dat mijn misleid en vertrapt hart op hem gewroken worde. Hij heeft bij de straffe Gods gezworen, en deze moet hem verpletteren!quot;

Nu getuigde alles in haar vastberadenheid en moed, wilskracht en overleg. Zij nam de beide brieven, welke Ranuzi haar ter bezorging had gegeven en verborg ze in hare borst, kleedde zich en verliet hare woning, welke zij aan het toezicht van hare dienstbode overliet.

Met vasten tred en volkomen bedaarde houding volgde zij den weg, welke naar het Slot liep, en tóch, - - nu zij voor het huis van mevrouw du Troussel kwam, nu aarzelde haar voet, en zij bleef staan om een blik op de vensters te slaan.

Als hij haar nu nog maar niet bedrogen had! Als hij maar niet bij haar was; als hij haar eens de waarheid had gezegd? Zijn gelaat was zoo kalm, hij glimlachte zoo vriendelijk, bij de woorden: dat hij bij den Katholieken geestelijke eene samenkomt met eenige vrienden had;hij had zoo bevallig schalksch gevraagd, of zij daarop óókjaloersch konde zijn?

Neen, neen, het was onmogelijk; hij kon zóó niet liegen, zóó bedriegen met den glimlach der kalmta op de lippen ! — Nauwelijks bewust van hetgeen zij deed, beklom zij den trap naar de woning van mevrouw du Troussel. Den bediende, die toevallig naar beneden kwam, vroeg zij, of freule Camilla tehuis was en toen dit bevestigd werd, snelde zij den zijgang in naar de deur, welko naar Camilla's kamer voerde.

Het jonge meisje kwam haar met luiden welkomstgroet tegemoet. — „O, het is zeer goed, dat gij komt,quot; zeide -zij: „want zonder u zoude ik weder veroordeeld zijn, den geheelen avond hier in mijn vertrek opgesloten te zitten, en mij met mijne boeken te vervelen. Maar ik weet ook reeds wat ik doen moet. Als mama blijft volhouden, dat ik altijd nog een kind zijn moet, en niet in de zaal komen mag als er gezelschap is, loop ik weg, of verzoek in het

feheim óók gezelschap, waarmede ik mij vermaken kan. lijn neef, luitenant Kniephausen, is weder te Berlijn. Hij is aan den rechter arm gewond, en de Koning heeft hemeheim óók gezelschap, waarmede ik mij vermaken kan. lijn neef, luitenant Kniephausen, is weder te Berlijn. Hij is aan den rechter arm gewond, en de Koning heeft hem

ocr page 229

217

- daarom met verlof weggezonden, om zich te laten genezen; dien zal ik vragen, en hij moet mij gezelschap houden, als mama in de zaal is.quot;

Zij begon luid te lachen, en trok Marietta al huppelend mede. „Nu heb ik gezelschap,quot; riep zij: „nu zullen wij vroo-lijk zijn en zingen en praten.quot;

„Maar wie is dan in de zaal,quot; vroeg Marietta: „en om wien heeft uwe moeder u voor heden verbannen?quot;

„Och, om wien anders dan om dien Italiaanschen graaf, om dien onuitstaanbaren man. Hij is al een uur hier, en mama beval niemand toe te laten, want zij had gewichtige zaken met mijnheer don graaf te behandelen.quot;

„En denkt gij, dat hij den geheelen avond blijven zal?quot; vroeg Marietta.

„Dat weet ik zeker, want hij doet het eiken avond.quot;

Marietta gevoelde zich. alsof eene koortskoude haar lichaam deed rillen, maar uiterlijk bleef zij volkomen onverschillig.

„Arm kind,quot; zeide zij : „het is waar, gij zijt te beklagen; wanneer gij mij hebben wilt, zal ik u gezelschap houden. Maar vooraf heb ik nog eene gewichtige zaak te bezorgen ; vervolgens zal ik nog wat muziek halen om met u te zingen, en dan kom ik bij u lerug.quot;

Zij kuste Camilla even op het voorhoofd en vertrok.

De laatste termijn was afgeloopen; voor Ranuzi was geene genade meer in Mariclta's hart. Driftig vloog zij verder, had weldra het kasteel bereikt en liet zich bij den markies aanmelden.

De markies ontving haar in zijn studeerkamer, en trad haar glimlachend met een open brief in de hand, te gemoet.

„Gij komt juist van pas, mevrouw,quot; zeide hij: „vooreen uur ontving ik dezen brief van Zijne Majesteit, den Koning.quot;

„En de Koning heeft iemand aangewezen, dien ik mijn geheim kan toevertrouwen?quot; vroeg zij haastig.

„Ja, Zijne Majesteit heeft goed gevonden mij er toe te benoemen.quot;

,',Laat mij den brief zien!quot; riep Marietta, de hand er naar uitstekende.

De markies trok hem terug. — „Met uw verlof,quot; zeide hij: „ik geef nooit de brieven des Konings uil mijne ban-

ocr page 230

218

den, en niemand, behalve ik, mag ze lezen. Maar ik zal de vrijheid nemen, u de woorden des Konings voor te lezen, welke op onze aangelegenheid betrekking hebben, en gij zult mij wel op mijn woord van eer gelooven, dat zij er zoo geschreven staan. Hoor dus, wat Zijne Majesteit schrijft: Soyez, marquis, le dépositaire de mes secrets, le confident des mystères de madame Tagliazuchi, Voreille du tróne et le sanctuaire, oü s'annonceront les complots des mes ennemis. 1) Ge ziet dus, mevrouw, dat de Koning mij volmacht heeft gegeven, uw vertrouwen te mogen deelen, en ik ben bereid te hooren, wat gij de goedheid zult hebben mij te willen mededeelen.quot;

Hij leidde mevrouw Tagliazuchi naar den divan, en nam op een armstoel tegenover haar plaats.

„Ik heb den Koning te zeggen, dat hij op zijne hoede moet zijn,quot; zeide Marietta plechtig; „eene samenzwering, welke hare vertakkingen ver uitstrekt, bedreigt hem. Men heeft mij tot het werktuig gemaakt; onder valsche voorspiegelingen, onder logen en bedrog heeft men mijn vertrouwen verkregen. O, mijn God,quot; riep zij, met een kreet, .plotseling opspringende: „nu wordt mij alles duidelijk! Ik was niets dan het werktuig zijner lagen; niets dan het middel, waarvan hij zich bediende om zijn doel te bereiken! Hij stal mijne liefde en gebruikte deze als het schild, waarachter hij zijne staatkunde verborg! Helaas, ik ben zijn lon de politique geweest!''

En met een luiden wilden lach, zonk zij weder op den divan, terwijl heete tranen langs hare wangen rolden.

De markies was ontsteld opgesprongen en naderde een weinig de deur. — „Gij schijnt inderdaad in een zeer lij-

1

Het vervolg van dezen brief, dat de beleefde markies niet voorlas, luidde; Pour quitter le style oriental, je vous avertis que vous aurez 1'oreille rebatue de misères et de petites intrigues de prisionniers obscur», et qui ne vandrout pas le terns, que vous perdrez ü les entendre. Je connais ces espêces de per-sonnes dn genre de madame Taglia'.uchi; elles envisagent les petites choses comme tres importantes; elle sont charniées de figureren politique, dejouer un róle, de faire les oapables, d'étaler avec faste le zêle de leur fidelité. J'ai vu souvent, que ces beaux sécrets révélés, n'ont été que des intrigues pour nnire au tiers ou au quart, a des gens, auxquelles ces sortes de personnes veulent du mal. Ainsi, quoique cette femme vous puisse dire, gardez-vous bien d'y ajouter foi; et que votre cervelle provengale ne s'êcbauffe pas au premier bruit de ces récits. (Oeavres, Vol. 19, p. 92.)

ocr page 231

219

denden en opgewonden toestand te zijn, en het zoude zonder twijlel voor u veel beter zijn, wanneer gij al de staatkundige zaken zocht te vergeten, en iets meer aan uwe gezondheid dacht!quot;

Marietta had intusschen reeds hare rust en bedaardheid teruggekregen, en zag met een matten glimlach het bezorgde gelaat van den markies aan. — „Vrees niets, mijnheer,quot; zeide zij: „ik ben niet krankzinnig. Ga dus gerust weder zitten; ik heb geene wapens bij mij, en zal niemand wonden. De dolk, dien ik bij mij draag, zit in mijn eigen hart, en de wonde wordt soms pijnlijk, dat is alles! Ik beloof u nu, deze smart te onderdrukken, en volkomen bedaard en rustig te zijn! Kom dus!quot;

De markies keerde schuw en angstig naar zijn leunstoel terug, welken hij intusschen iets verder van de sig-nora schoof.

„Ik zeide u dan,quot; vervolgde Marietta naar lucht snakkend: „dat men mijne lichtgeloovigheid misbruikt, — en mij tot het werktuig van staatkundige lagen gemaakt heeft, welke, zoo al niet het leven des Konings, dan toch de landen des Konings in gevaar brengen. Men is voornemens eene dér gewichtigste vestingen in de handen der Oostenrijkers te spelen.quot;

„En gij zijt overtuigd, dat dit geene hersenschim is ?' vroeg de markies ongelocvig.

„Ik ben er van overtuigd en heb de bewijzen bij mij!quot; Zij haalde de beide brieven, welke Ranuzi haar gegeven had, voor den dag en gaf ze den markies over: „Neem deze papieren en zend ze den Koning, maar niet morgen of bij gelegenheid, maar heden, — nog in dit oogenblik. Wanneer gij het niet doet, mijnheer de markies, zal de Koning binnen acht dagen eene vesting verloren hebben. Zeg bovendien aan Zijne Majesteit, dat hij een oog houde op de gevangen officieren te Berlijn, en op zijne hoede zij, vooral tegen mijn landsman, den graaf Ranuzi. Hij is de ziel van de geheele samenzwering; van hém gaat deze ge-heele, gevaarlijke onderneming uit, en als deze schipbreuk lijdt, zal hij eene andere ondernemen. Hij is een gevaarlijk vijand; eene slang, wier gif men het meest'moet duchten, wanneer zij het bedaardst en het rustigst schijnt te zijn. Zeg den Koning, dat hij op zijne hoede zij voor den ver-

ocr page 232

220

rader, den Oosten rij kschen spion Ranuzi! Zend den Koning deze brieven, en hij zal zien, dat mijne woorden de waarheid bevatten.quot;

Zij stond op en zich vluchtig voor den markies buigende, stapte zij naar de deur. De markies hield haar terug.

„Mevrouw,quot; zeide hij: wanneer de toestand inderdaad zoo is, ais gij zegt, dan is deze graaf Ranuzi een zeer gevaarlijk mensch, dien men wel in verzekerde bewaring diende te houden!quot;

„Ja, hij is een zeer gevaarlijk mensch,quot; zeide Marietta met vreemden lach: „vraag dat maar aan de schoone mevrouw du Troussel. Zij zal het u bevestigen.quot;

De zwarte, gloeiende oogen van den markies vestigden zich met eene bespiedende uitdrukking op het gelaat der signora. Hij herinnerde zich, dat hij bij de vertrouwelijke mededeelingen van mevrouw Tagliazuchi op zijn hoede moest zijn. Dikwijls waren ontdekte geheimen niets anders dan verzonnen intriges, waarmede de uitvinder een derde persoon wilde benadeelen.

„O, signora, nu begrijp ik u!quot; riep de markies: „Gij kwaamt hier niet uit liefde voor den Koning van Pruisen, maar uit ijverzucht; niet om den Koning te beschermen, maar om den heer Ranuzi te benadeelen!quot;

Zij trok daarop met eene uitdrukking van verachting hare schouders op. „Ik ben eene Italiaansche vrouw,quot; zeide zij lakoniek.

„En de Italiaansche vrouwen houden er van zich te wreken !quot; riep de markies.

„Wanneer men het waagt haar te beleedigen, ja!''

„Heeft graaf Ranuzi het gewaagd u te beleedigen?quot;

Als een bliksemstraal schitterde de toorn een oogenblik in hare oogen, doch verdween toen even snel. „Zoude ik hem anders verraden vroeg zij: „Ik ben eene Italiaansche vrouw, en gij kunt dus van mij niet vergen, dat ik voor den Koning van Pruisen liefde gevoel. Graaf Ranuzi is mijn landsman; oordeel dus, hoe diep hij mij moet beleedigd hebben, dat ik hem verraad en aan den dood overlever!quot;

„Den dood! Het is dus eene halsmisdaad, die de Koning in deze papieren ontdekken zal? Gij bedriegt u niet? Uwe begeerte om u te wreken, laat u de dingen niet zwarter en gevaarlijker inzien, dan zij zijn?''

ocr page 233

221

„Neen, ik bedrieg mij niet; en mijne woorden bevatten de waarheid.quot;'

„Maar dan,quot; riep de markies ontsteld: „dan is het immers gevaarlijk, dien Ranuzi vrij en ongestoord te laten loopen! Dan zal ik mij tot den commandat van Berlijn wenden en hem verzoeken Ranuzi onmiddelijk op mijne verantwoordelijkheid te laten arresteeren!quot;

Marietta stond reeds bij de deur om heen te gaan, maar deze woorden van den markies hielden haar staande. Met hare hand op de klink leunende bleef zij staan, en keerde haar bleek gelaat naar d'Argens.

„Dat zoude stellig het veiligste zijn, hem dadelijk te arresteeren,quot; zeide zij, en haar hart sprong op van vreugde, bij de gedachte, dat hij dan niet meer bij mevrouw du Troussel kon komem.

Ue markies antwoordde niet. Hij liep peinzend en driftig de kamer op en neder. Marietta's oogen volgden met gespannen, vurigen blik al zijne bewegingen.

Eindelijk zeide de markies, voor haar blijvende staan: „Ik kan de verantwoording niet op mij nemen, hem te laten arresteeren; want ik weet niet, of deze papieren, welke ik den Koning moet overgeven, inderdaad zulke gevaarlijke dingen bevatten, als gij zegt. De Koning zelf moet daarover beslissen: ik zal deze papieren met den nog heden vertrekkende koerier afzenden. Intusschen dient die Ranuzi toch in het oog gehouden te worden, en gij moet zijn bewaakster zijn! Gij moet zorgen, dat hij niet ontvlucht. Ik stel u verantwoordelijk, dat Ranuzi Rerlijn niet verlaat, en dat wij hem, wanneer het antwoord des Konings komt, kunnen vinden 1).quot;

„Gij zult hem bij mij vinden,quot; zeide zij; „en als hij niet bij mij is, zal ik ten minste kunnen zeggen, waar hij is.

1

„Si votre Majesté,quot; schrijft d'Argens aan den Koning: „ne m'avait point éorit en propres termes: Quoique cette femme puisse yous dire, gardez-vous bien, d'y ajoutér foi, j'aniai prie le commandant de faire arrêter le nomme Ranuzi, jusqu' amp; ce qu'elle eut mandé ce qu'elle veut qu'on fasse, eet homme me paraissant un espion des plus avéiés. Mais je me suis contenté de dire amp; Madame Tagliazuchi que si eet homme sortait de Berlin avant Ia reponse de votie Majéste, elle en repondrait, et elle m'a assuré qu'elle le retiendrait.quot; (Oeuvres. Vol. 19. p. 93.)

ocr page 234

222

/

Vrees niets, hij zal niet kunnen ontvluchten, want ik zal hem bewaken! Zoodra het antwoord des Koningsis aangekomen, zult gij mij er wel van willen onderrichten. Dit is de eenige belooning, welke ik vraag.quot;

„Dat zal ik doen, mevrouw,quot; zeide de markies, de deur voor , haar openende: „en wat den graaf Ranuzi betreft, — ik lees in uwe trekken, dat gij hem genoeg haat, om hem niet te laten ontvluchten!quot;

VIII.

VENDETTA.

Er waren,, sedert het in het vorig Hoofdstuk beschreven onderhoud van Marietta met den markies, reeds vijf dagen verloopen. Zij hadden in Marietta's hart geen verandering teweeg gebracht, en geen enkel oogenblik was hare dorst . maar wraak verminderd. Veeleer scheen haar haat tegen Ranuzi nóg gloeiender, nóg hartstochtelijker geworden te zijn, sedert zij zijn plan doorzag, sedert zij begrepen had, dat zij niets anders geweest was, dan het werktuig zijner lagen, dat hij haar nooit bemind, — maar slechts als middel gebruikt had. — Nadat zij tot dit bewustzijn gekomen was, had zij al zijn doen en laten bespied; zelfs zijne geheimste gedachten zoeken te doorgronden, ten einde al zijne plan-men op het spoor te komen. Zij had daartoe geene middelen ontzien; terwijl hij bij haar was, terwijl zij hem mét schijnbaar vuur omhelsde, lang aan zijn hart rustte en hem gloeiende woorden van liefde in het oor fluisterde, had zij in het geheim uit den zak van zijn rok een toegevouwen brieije gehaald, dat hij kort te voren, dooreen vreemden bediende, die hem in zijn huis had opgezocht en hem hierheen gevolgd was, ontvangen had. Toen had zij onder een of ander voorwendsel de kamer verlaten, om den inhoud van het papier te onderzoeken; maar vóór dat zij zich er mede verwijderde, sloot zij eerst zacht en

ocr page 235

223

voorzichtig de kamerj waarin Ranuzi zich bevond. Daarop las zij het briefje, en een glimlach stond op hare lippen, toen zij het gelezen had.

Snel beraden haalde zij uit haar zak eene portefeuille te voorschijn, en er een blaadje uitscheurende, schreef zij er met een potlood op: „Wanneer gij niet wilt, dat hij ontvluchten zal, haast u dan. Hij heeft heden door tusschen-komst van mevrouw du Troussel verlof, — en een pas gekregen voor eene reis naar Maagdenburg. Ik zal nu niet meer bij machte zijn, hem hier te houden. Wat dus geschieden moet, moet spoedig geschieden.quot;

Nu vouwde zij het briefje dicht en vloog snel door de voorkamer naar de keuken, waar zich hare dienstbode bevond.

„Hoor, Sophie,quot; zeide zij haastig: „neem dit briefje en loop er mede, zoo snel gij kunt, naar het Slot, en vraag naar den markies d'Argens. Gij moet hem in eigen persoon het briefje ter band stellen, en wanneer gij binnen een uur met een antwoord terug zijt, zal ik u er voor be-loonen, alsof ik eene Koningin ware! Spreek verder geen. woord, en haast u.quot;

De meid vloog de trappen af, en Marietta keerde met een yroolijken glimlach naar de kamer terug, waarin Ranuzi was, die haar met teedere verwijtingen over hare langdurige afwezigheid ontving.

„Ik heb een klein souper voor ons besteld, en de meid uitgezonden om het noodige te halen,quot; zeide zij glimlachend ; „want gij zult mij toch heden niet, zooals altoos, verlaten, om naar uwe hoogst gewichtige conferentie met den Katholieken geestelijke te gaan?quot;

„Ik wil niet, Mariette, maar ik moet!quot; zuchtte Ranuzi: „Geloof mij, mijn kind; als ik mijn hart volgde verliet ik dit vertrek nooit, dat ik altoos in mijne gedachten mijn paradijs noem, en waarin ik mijne schoonste uren doorleef. Maar wat valt er aan te doen, mijn engel! Het is den mensch niet gegeven, ongestoord het genot van dit paradijs te smaken. Moeder Eva heeft dat verbeurd, en wij moeten er voor boeten. Zoo moet ik u dan ook heden verlaten, en naar die vergaderingen gaan, welke bij u zoo gehaat zijn.quot;

„Maar nóg blijft gij bij mij, niet waar?quot; vroeg zij feeder.

ocr page 236

'224

hem met beide armen omhelzende: „Nóg zult gij mij niet verlaten ?quot;

Hij beloofde het haar met de uitdrukkingen van de innigste liefde! Nooit was hij beminnenswaardiger, geestiger, oplettender en teederder geweest; nooit was Marietta levendiger, opgewekter, voorkomenderen liefderijker geweest, dan heden.

Beide hadden daarvoor hunne redenen; beide hadden hunne oogmerken! De liefde glimlachte van hunne lippen, maar zij was niet in hun hart, en beiden wilden zij elkander misleiden. Ranuzi wilde door zijne teederheid haar eiken argwaan ontnemen, en haar niet laten vermoeden, dat het heden hunne laatste ontmoeting was; dat hij dezen nacht nog Berlijn voor altijd wilde verlaten. Marietta wilde hem door hare liefde aan zich kluisteren en hem beletten te vertrekken.

Zoo verliep onder vroolijke gesprekken, onder teedere scherts de tijd, en nu hoorde Mariette beneden de huisdeur openen; nu kwamen zachte haastige stappen de trap op.

Het was de meid, die teruggekeerd was! Marietta's hart klopte zóó hevig van verwachting, dat zij nauwelijks hare onrust kon verbergen.

„Daar is de meid met hare inkoopen terug,quot; zeide zij haastig: „ik zal even gaan zeggen, dat gij ook heden weder niet hier bij mij blijven wilt.quot;

Zij knikte hem toe en ging naar buiten. Daar kwam Sophie, door het snelle loopen, naar adem hijgende, haar tegen, en reikte haar een brietje over. Marietta opende het met bevende handen. Het bevatte slechts deze woorden: „Houd hem nog eenige minuten bij u; dan zullen zij komen; dan zullen zij komen, die u het bewaken van uwen gevangene zullen aflossen, en u voor altijd van hem bevrijden, door hem naar de gevangenis te geleiden. Het antwoord van hem, dien ik uwe papieren gegeven heb, is gekomen. Hij heeft hem veroordeeld!quot;

„Het is goed, Sophie,quot; fluisterde Marietta, het papier in hare borst verbergende; „zoodra de graaf vertrokken is zult gij uwe belooning ontvangen. Hoor nu: er zullen soldaten en politiedienaars komen. Zoodra zij de trap opkomen, klopt gij aan mijne deur, opdat ik weet, dat zij er zijn.quot;

ocr page 237

225

Zij spoedde zich weder naar Ranuzi; maar nu glimlachte-zij niet meer, nu trad zij hem niet met wijd geopende armen te gemoet, maar bleek, met opgeheven hoofd, hare armen over de borst gekruist, haar oog fonkelend van toorn; zóó stapte zij op hem toe.

„Ranuzi,quot; zeide zij : „het uur der vergelding is gekomen ! Gij hebt mij schandelijk misleid en bedrogen. Gij hebt mij onder honend gelach vertrapt, en met mijne liefde gespot. Leugen was op uwe lippen, leugen in uw hart, en terwijl gij mij zwoert, dat gij geene andere vrouw behalve mij lief hadt, hadt gij mij reeds lang aan eene andere vrouw verraden. Ik ken mevrouw du Troussel, en ik weet, dat gij eiken avond bij haar komt; dat zijn de conferentiën bij den Katholieken geestelijke, waarvoor gij mij verlaat. O, ik weet alles, alles! Ik wil u geene verwijtingen doen; ik wil u niet verhalen van de folteringen, die ik verduurd heb, van de bittere nachten, van de treurige dagen, welke ik met zuchten en weenen heb doorgebracht, tot dat het mij gelukte, met mijne opdrogende tranen mijne liefde voor u, in mijn hart te dooden! Dat alles is doorworsteld en uitgestreden. Maar herinner u, wat ik u eens zeide, — dat ik, wanneer gij u trouweloos van mij wendet en mij verliet, mij zoude wreken!quot;

„Dat herinner ik mij,quot; zeide Ranuzi bedaard: „en ik weet ook, dat gij woord zuit houden. Maar eer gij dit doet, — eer gij heengaat, om mij wellicht bij het gouvernement alhier als een gevaarlijken spion aan te geven, zult gij ten minste mijne verdediging hooren, en eerst dan, wanneer deze u niet mocht voldoen, — eerst dan zult gij mij ver-oordeelen en u wreken.quot;

Zij schudde driftig haar hoofd. — „Ik heb voldoende bewijzen,quot; zeide zij; „ik heb ze dag aan dag, van uur tot uur ingezogen, zooals de veroordeelde den gifbeker drinkt, waaraan hij sterven moet. Mijne liefde is gestorven met mijn geluk; maar ook gij moetsterven; ook ^ri/moet lijden, zoo als ik geleden heb; en daar mijne liefde niet voldoende was om mijne gedachtenis in uw hart levendig te houden, zal ik beproeven of de wraak dit vermag te doen. Wanneer gij lijdt en ongelukkig zijt, zult gij aan mij denken, zult gij berouw hebben!quot;

„Waarover berouw hebben ?quot; vroeg hij trotsch: „Ik deed Uühlïaoh, Frederik de Oroote en zijn Hof. VII. 15

ocr page 238

226

niets, waarover ik berouw behoef te hebben, of mij zou moeten schamen. Ik heb mijn geheele leven, al mijn doen en laten aan een heilig en verheven beginsel gewijd; dit alléén heeft mijne handelingen bestuurd. Daaraan moeten alle gevoelens, wenschen en verwachtingen in mij, zich onderwerpen ; en wanneer dit beginsel spreekt, zou ik het liefste wat ik bezit, zonder traan of klacht er aan opofïe-ren. Eens eischte dit groote beginsel, — waarvoor ik leef en waaraan ik gehoorzaam — dat ik mij schijnbaar in mijne liefde jegens u moest bezondigen. Het gold de uitvoering van een plan, waartoe alleen de vrouw, die gij zoo even genoemd hebt, mij behulpzaam kon zijn. Ik mocht mijn hart niet vragen, wat het leed, want mijn verstand zeide mij, dat ik haar noodig had, en dat ik dus verplicht was, mij door alle middelen van hare hulp te verzekeren. Zoo ging ik dagelijks mevrouw du Troussel bezoeken, zoo —quot;

En zacht tikken aan de deur stoorde hem, en deed hem op eene onverklaarbare wijze huiveren.

Marietta brak in een luid gelach uit. — „Dat beteekent,quot; zeide zij langzaam en met van toorn fonkelenden blik: „dat gij morgen niet naar Maagdenburg gaat ; dat gij geen gebruik van den pas maakt, dien uwe geliefde du Troussel voor u heeft weten te verkrijgen. O, gij wildet mij heimelijk verlaten, gij wildet mij niets van uwe reis laten vermoeden ? Gij hebt u vergist, Ranuzi; gij zult in Berlijn blijven, maar gij zult niet weder bij haar komen, omdat het niet hebben wil!''

Juist werd er luide aan de deur geklopt, en zonder een „binnen!quot; af te wachten, traden twee politiedienaars in het vertrek, terwijl men door de opengelaten deur in de voorzaal zien, — en daar de soldaten ontdekken kon, die met het geweer op schouder den toegang bewaakten.

Ran uzi had in den beginne op het gezicht vande dienaren der gerechtiglreid gebeefd, en een doodelijk bleek had zijn gelaat bedekt. Maar toen zij al nader bij hem kwamen, kreeg hij spoedig zijne vorige kalmte en bedaardheid terug, en trad hun fier en koel te gemoet.

„Zijt gij graaf Ranuzi?quot; vroeg een der gerechtsdienaars.

„Dat ben ik,quot; antwoordde hij bedaard.

„Dan arresteeren wij u in naam des Konings. Gij zijt onze gevangene en moet ons onmiddelijk volgen.quot;

ocr page 239

227

„En waarvan ben ik beschuldigd?quot; vroegRanuzi langzaam zijne hand in zijne borst stekende.

„Dat zal u de krijgsraad verklaren.quot;

„Ik word dus voor een krijgsraad terechtgesteld!quot;' „Gevangen officieren, die spionnen zijn en samenzweringen maken, komen altijd voor den krijgsraad.''

„Laarvan ben ik dus beschuldigd! quot; riep Ranuzi, en zich toen langzaam tot Marietta wendende, vroeg hij:

„En dit is uw werk?quot;

„Ja, mijn werk!quot; zeide zij zegevierend. „Kom, mijnheer!quot; riep de politiedienaar ruw, Ranuzi nadertredende en zijn makker een wenk gevende hetzelfde te doen: „Kom dadelijk en goedwillig. Dwing ons niet geweld te gebruiken!quot;

„Geweld?quot; riep Kanuzi schouderophalend en zijne hand uit zijne borst halende en den dienders een pistool voor houdende, waai voor zij verschrikt terug weken : „Gij ziet wel, dat ik geen geweld behoef te vreezen,quot; vervolgde hij: „zoo gij het waagt mij te naderen en de hand naar mij uit te steken, zal ik u beiden neerschieten; want gelukkig heeft mijn pistool meer dan een loop en het weigert niet. Gij ziet, wij spelen hier een gevaarlijk spel, waarbij het evenzeer om uw leven als om het mijne te doen is. Ik kan u neêrschieten, als ik er lust toe heb; ik kan ook op mijn eigen hoofd dit wapen richten, om een onderzoek en. de gevangenschap te ontgaan. Maar ik beloof u nóch het eene, nóch het andere te doen, wanneer gij mij zóóveel tijd gunt, om eenige woorden met deze dame te wisselen.quot;

„Maak het dan kort,quot; riep de politiedienaar: „want, bij den hemel, ik roep de soldaten binnen, en laat u neerschieten, even als gij ons wildet doen!quot;

Ranuzi trok even met de schouders. — „Gij zult het wel laten mij te doen doodschieten. Den doode kan men niet verhoeren, en het zal den heeren rechters wel aangenaam zijn van mij iels gewaar te kunnen worden. — Ga terug tot aan gindscbe deur; ik geef u mijn woord van eer, dat ik u dadelijk volgen .zal.''

Hij stak bij deze woorden zijn pistool weder op, en beide mannen gingen grommend en dreigend tot aan de deur terug.

Nu wendde zich Ranuzi tot Marietta, die met eene

ocr page 240

228

vreemde uitdrukking van toorn en verwondering, van haat en verbazing hare groote, gloeiende oogen op hem gevestigd hield.

„Marietta!quot; zeide hij zacht en fluisterend.

Zij schrikte op, en trilde over haar geheele lichaam. Hij zag het en glimlachte. — „Marietta,quot; vervolgde hij: ,.gij hebt mij dus verraden. Gij hebt uwe liefde op mij gewroken. Ik doe u daarover geene verwijten, mijne Anakonda, maar ik bid u, zeg mij dit slechts: hebt gij de brieven, welke ik u het laatst gaf, nog op de post bezorgd?quot;

„Neen!quot; riep zij met gi'oote inspanning, het niet wagende hem in de oogen te zien.

„Ongelukkige, wat hebt gij er dan mede gedaan?quot;

„Ik heb ze den Koning van Pruisen gezonden!quot;

Ranuzi uitte een kreet, en deed wankelend een slap achteruit. — „Dan ben ik verloren,quot; preveldehij:„en met mij die ongelukkige, die onder de aarde naar vrijheid en licht smacht! Arme Trenck! Arme Amalia! Alles is verloren! Alles door de ijverzucht van deze rampzalige vrouw! Ik zeg u, Marietta,quot; vervolgde hij luider, zijne hand zwaar op haar schouder leggende: „ik zeg u, ik behoef u niet te vloeken, gij zelve zult het doen. Dit uur werkt in uw hart als een doodelijk gif, en gij zult er aan sterven. Het is waar, gij hebt u gewroken; heden verheugt, gij er u nog over, want gij denkt, dat gij mij haat; maar morgen zal het u reeds berouwen; morgen reeds zal de ellende uovervallen, en aangroeien met eiken dag; want gij zult gevoelen, dat gij mij immer en eeuwig moei beminnen ; Juist daarom mij beminnen, omdat gij de schuld van mijn ongeluk draagt. Ja, gij hebt gelijk; gij hebt een middel gevonden om mij u eeuwig te herinneren. Ik zal in den kerker aan u denken; ik zal het doen, terwijl ik u vloek; maar ook gij zult mij gedenken, en als gij dit doet, zult gij handenwringend u zelve vloeken ; want de wraak zal de liefde in uw hart niet kunnen dooden! Dit zij uwe straf! Vaarwel!quot;

Hij ging langs haar been, en trad kalm en bedaard naar de politiedienaars. — „Komt, mijneheeren, ik ben bereid u te volgen; en opdat gij volkomen gerust en onbezorgd moogt zijn, zal ik mijn pistool hier achterlaten. Zij is mijn legaat aan déze dame, — mijn laatste aandenken ! Zij zal het wellicht eens kunnen gebruiken!quot;

ocr page 241

229

Hij legde de pistool op hare schrijftafel en stapte toen snel naar de deur. — „Komt, mijneheeren ik bén uw gevangene!quot;

Hij wenkte hen hem te volgen, en stapte fier en vlug door de voorzaal.

Marietta bleefstaan, sidderend en doodsbleek; hare oogen wijd opengespalkt, met geopenden mond, als tot een kreet; zóó staarde zij hem ademloos na, als van schrik aan den grond genageld. Nu zag zij hem de deur van de voorzaal openen; nu keerde hij zijn bleek, fier gelaat nog éénmaal naar haar; nu zag hij haar met een kouden, van toorn fonkelenden blik aan, en trad toen verder; de soldaten en politiedienaars volgden hem; de deur werd gesloten. 1)

„Hij is weg, weg,quot; prevelde zij, als in een soort van verdooving: „zij brengen hem naar de gevangenis, wellicht ter dood! O, ter dood! En ik ben het,die hem vermoord heb! Hij heeft gelijk! Ik ben eene verdoemde, een go-vloekte! Ik heb hem vermoord en — ik bemin hem !quot;

En met een woesten kreet zonk zij machteloos neder.

1

Rannzi, of, zooals anderen hem noemen, Renuzi, werd, benevens zijn bediende, naar Spandau gebracht, waar hij onder strenge bewaking bleef, ook nog, nadat de oorlog geëindigd was. Eerst in 1787 gelukte het, op de dringende en herhaalde voorspraak van het Oostenrijksche Keizershof, om Rannzi weder de vrijheid te verschaffen, dns na eene zevenentwintigjarige gevangenschap. (Preuss. Th. II, S. 105).

ocr page 242
ocr page 243

INHOUD.

Bladz.

Hoofdst. I. De Koning met zijn oude en nieuwe vijanden.............3.

„ II. De drie officieren.........10.

„ III. Ranuzi............17.

„ IV. Louise du Troussel.........31.

„ V. De waarzegger..........40.

„ VI. Eene receptie aan het Hof te Berlijn . . 54

„ VIL In de vensternis.........67.

„ VIII. De notendoppen achter den leuningstoel

der Koninigin...........72.

, IX. Het duel en zijne gevolgen......80.

„ X. De vyf koeriers..........88.

Bladz.

Hoofdst. I. Na den slag...........100.

„ H. Een heldenziel..........108,

„ III. De beide grenadiers........117.

„ IV. De nachtelijke beraadslaging.....123.

„ V. Een held in het ongeluk.......139.

Hoofdst.

n

Bladz.

I. De Teresiani en Prussiani......147.

II. Het portret van Prederik de Groote . . 156.

ocr page 244

292

Hoofdst. UI Do i. , Bladz.

e Pa^o quot;8 Van San Giovanni

IV. De terugkeer van het leger. ^

VII. De aanklacht .......... 203,

i VIII. Vendetta . ..........

........... 222.