Vak 152
L
LOUISE MÃHLBACHS
h
historische Romans
Bewerkt door ÃVÃ, K.
l Frederik de Groote en 2ijn Hof
ÃREDEBIK DE GROOTE EI ZIJIE BROEDERS Eïf ZÃÃSTERS.
189
* * * *
'M
NIJMEGENâARNHEM.
BRs. E. amp; M. COHEN.
I SS I
-
II;
FREDER1K DE GROOTE EN ZIJN HOF,
FKEDERIK DE GEOOTE EN ZIJNE BROEDERS EN ZUSTERS,
IV.
Vak 152
' j
FREDER1K DE GROOTE EN ZIJN HOF.
HISTORISCHE ROMAN door
LOUISE MÃHLBACH. Bewerkt door M. K.
MEDE1UK DE GEOOTE EN ZIJNE BROEDERS EN ZUSTERS.
LCA
VIERDE DEEL.
f B'
bibuot COHV. WUCHEHS
mtm.
o«n
derde veel verbeterde druk.
Nijmegen amp; Arnhem. Gebr. E. amp; M. COHEN.
ZESDE BOEK.
EINDE VAN DEN ZEVENJARIGEN OORLOG.
(Vervolg.)
ZESDE BOEK.
EINDE VAN DEN ZEVENJARIGEN OORLOG
(Vervolg.)
IX.
TRENCK.
De ongelukkige Trenck leefde nog altijd. Noch de ketenen, noch de jaren van eenzaamheid hadden zijn kracht gebroken, of zijn geest doen bukken. Zijn reuzengestalte was tot een geraamte ineengekrompen; zijn haar was verbleekt en hing als een uit asch geweven sluier om zijn vermagerd gelaat, Zware ketenen hingen aan zijne voeten en aan zijn hals; een breede ijzeren gordel omsloot zijn midden en was met eene korte keten aan een wand vastgemaakt; een dikke ijzeren stang, met ijzeren ringen aan de handboeien, hield zijne armen van elkander; â maar hij leefde nog. Sedert jaren had hij met dien korten, on-rustigen tred, â zooals gevangenen en opgesloten dieren der woestijn dien hebben, â heen- en weèrgeloo-pen op de steenen plaat, welke zijn graf bedekte; maar hij had met dit graf, onder hem gedolven, gespot; â hij leefde nog altijd!
Hij leefde nog altiid! Hij leefde, omdat hij een bepaalden wil, een groot doel had. En dat willen en dat doel was
de vrijheid!
Trenck kon niet sterven, want daar buiten was de vrijheid, de zon, het ieven en de eer Hij kon niet sterven, want om te kunnen sterven, moet men eerst geleefd hebben!
En hij had nog zoo weinig geloefd! Weinige jaren
4
van jeugd, strijden en genot; eene fladderende droom, uit liefde, eerzucht en lichtzinnigheid geweven, was zijn leven geweest!
Hij had het met zware, lange kerkerschap geboet! Het leven, dat hij niet meer kende, was tot hem in den kerker gekropen, en had met wreede hand de jaren, welke hij niet doorleefd, â maar sleclits geleden had, op zijn voorhoofd geteekond, en op zijn ingevallen gelaat geprent. En tóch was hij jong gebleven in zich zeiven, ondanks zijn haar, dat vóór den tijd vergrijsd was, ondanks zijn gerimpeld en vervallen aangezicht. Hij was jong gebleven, omdat de hoop hem deed gloeien; omdat zij dag aan dag zijn bloed, dat door de muffe kerkerlucht verstijfde, met nieuwe verwachtingen en uitzichten verwarmde, en hem heerlijke beelden van geluk voor de toekomst voorspiegelde.
En deze hoop bleef altijd jong en glimlachend. Hoe dikwijls zij ook teleurgesteld was geworden, hoe vele vergeef-sche pogingen ter ontvluchting ïrenck ook gedaan had,â hij hoopte nog altijd op vrijheid. Hoe dikwijls men ook de onderaardsche gangen, welke hij met zijne handen gegraven had, â de doorgebroken muren, waartoe hem de ijzeren stang, welke zijne armen van elkander hield, als werktuig gediend had, â hoe dikwijls men ook zijne pogingen om te ontvluchten ontdekt had, altijd begon hij weder opnieuw! Als men zijn onderaardsche gangen met'puin vulde, groef hij nieuwe; als men zijne doorgebroken muren dichtmetselde, brak hij op andere plaatsen door; als men de schildwachten, die hij door geld, vleierijen, en groote beloften gewonnen had, en wier verstandhouding men ontdekte, bestrafte, verzon hij nieuwe middelen om zich andere vrienden te verwerven.
En inderdaad, het ontbrak hem niet aan vrienden. De levend begravene, de verlatene, de in ketenen gesmede gevangene had vrienden, die hem nooit verlieten, die hem steeds met zorgende, hulprijke liefde nabij waren, en die hun leven voor hem waagden. Zijn ongeluk was de welsprekende voorspraak, die hem vrienden verwierf. De soldaten, die in zijn kerker kwamen om hem te bewaken, huiverden van medelijden op het gezicht van den jongen grijsaai'd, wiens magere gestalte hun den dood herinnerde, â den akeligen
5
beenderman met de zeis, die op de schildei ij in de dorpskerk den zandlooper vasthield; en Trenck wist van dit medelijden gebruik te maken. --De officieren, die eiken dag in zijn kerker kwamen en alles onderzochten, werden aangetrokken door de frischheid van zijn geest, zijne vroo-lijke gesprekken, en zijne scherpe opmerkingen; een on derhoud met hem veraangenaamde het eeuwig eentonige en vervelende van hun garnizoensleven; zij zochten hunne toevlucht bij hem om zich te verstrooien; zij brachten hem licht, om niet bij hem in den donker te zitten, zij openden de deuren van zijn kerker, om niet bij hem in de mulle kerkerlucht te moeten zijn. Zij bewonderden zijne standvastigheid en zijn moed; zij bekla igden zijne jeugd en zijne eenzaamheid; en het medelijden maakte hen tot vurige, dienstvaardige vrienden, die met de gedachte dweepten, Trenck's altijd vernieuwde pogingen terontvluchtigeindelijk met een gelukkig gevolg bekroond te zien, en hem te helpen zijne vrijheid te herkrijgen.
Het was de avond voor een grooten dag! Morgen, ja, morgen zoude hij weder in het leven treden, morgen zou hij vrij zijn! En deze keer was het geene hersenschim, geene misleiding; dit maal moest zijn plan gelukken!
âJa, mijn plan moet gelukken!quot; fluisterde Trenck, toen hij nu op zijn steenen stoel zat, en naar de zware, ijzeren deur staarde, welke de commandant Bruckhausen juist gesloten had: âDezen keer heeft mijn wreede kerkermeester niets kunnen ontdekken, hoe nauwkeurig hij ook mijne gevangenis doorzocht heeft, want nu heb ik geene gangen gegraven, geene muren doorgebroken; dezen keer zal ik door gindsche deur vertrekken, en jubelend zullen mijne kameraden mij begroeten, en de arme gevangene zal de commandant eener vesting worden! Slechts nog één nacht, nog één enkele nacht geduld, en het leven, de wereld, de liefde behoort mij weder! O, o, ik voel het, de vreugde zou mij krankzinnig kunnen maken! Ik heb de kracht gehad het ongeluk te dragen, maar ik zal wellicht geen kracht bezitten, het geluk te genieten. Mijn God, mijn God, als ik eens krankzinnig werd! â Als het licht der zon mijne hersenen verschroeide, en het gewoel der wereld mijn geest eens verwarde!quot;
Ontsteld tastte hij met zijn hand aan zijn hoofd; het
6
was hem, alsof het ia vlam stond, alsof vuur uit zijne hersenen flikkerde. Zijne ketenen kletterden en rammelden mei een akelig gekras, en deden de echos van het geweifont-waken, die als met diepe zuchten antwoordden: âIk wil bedaard zijn, ik bedaard zijn. Het kleinste verzuim, de minste onoplettendheid ware voldoende, mijn geheele plan te verijdelen; ik luil bedaard zijn. Om het te worden, zal ik mij zeiven alles, wat afgesproken is, nog eens voor den geest roepen! â Maar eerst weg met u, gij slavenketenen! Morgen ben ik een vrij man, en ik wil het heden reeds zijn!quot;
Met eene behendige vlugheid schoof hij zijne handen uit de boeien, maakte toen met de vrije rechterhand den ijzeren gordel los, waaraan de smid, die hem had aangesmeed, hem de plaats had gewezen, waar hij door den druk op eene veer openging. Ook uit het breede halsijzer trok hij een stiftje, dat de scharnieren vasthield, waaraan hij jaren werk en moeite besteed had, om ze door te vijlen.
Nu was hij weder vrij, en rekte en strekte zijne magere gestalte, verteerd door de kerkerlucht, de ontberingen en inwendige stormen, met eindeloos welbehagen en genot uit, en zwaaide met zijne armen vrij in de lucht, alsof hij de kracht hunner spieren beproeven wilde.
O, dat was een zoet, onovertreflelijk voorspel van vrijheid! Vele maanden en weken had hij er aan gewerkt, deze ketenen door te vijlen, om het oogenblik van vrijheid voor te bereiden. Nu waren de ketenen afgevallen! Hij was nu reeds een vrij man. Wat bekommerden hem deze vochtige, sombere kerkerwanden ? Hij zag ze niet; hij was reeds daar buiten, waar de zon schijnt, en de vogels zingen; waar de hemel zijn blauw en schitterend gewelf over de groene en bloeiende aarde uitbreidt. Wat ging hem die stilte als van een graf aan, welke hem omgaf! Hij hoorde reeds het gedruis op straat; hij zag de menschen in bezige drukte heen en weder loopen; hij hoorde hunne vroolijke gesprekken, hun hartelijk gelach; bij wandelde onder hen met blijden groet, en deelde in hunne vroolijkheid en zorgen.
Op eens greep hij weder angstig naar zijn voorhoofd en riep weder: âIk zal krankzinnig worden! Het leven dwarrelt reeds met duizend door elkander vliegende gezichten en beelden om mij heen! Ik zal krankzinnig worden!quot;
7
âMaar neen, ik luU het niet worden!quot; zeide hij toen, en hief zijn hoold weder met de gewone fierheid op: âIkwil de vrijheid in de oogeri zien, en mijne oogen zullen er niet door verduisterd, â en mijn hart zal er niet door geschokt worden! â Ik wil bedaard en beraden zijn ; en opdat ik dat worde, wil ik nog eens alles overleggen. Hoor yy mij aan, mijn vriend; gij, die al mijne zuchten, mijne wanhoop en leed kent; hoor mij aan gij sombere kerker; gij zijt mij altijd trouw gebleven, gij hebt mij nooit willen begeven of verlaten, en wanneer ik u ontvlieden wilde, hebt gij mij altijd weder bij u teruggeroepen. Maar heden willen wij voor het laatst bij elkander zijn; gij zult mijne laatste bekentenissen vernemen, en ik wil u verhalen, hoe ik het aanleggen wil, om hier weg te komen en u te verlaten, mijn al te trouwe vriend, mijn sombere kerker!
Eerst moet gij weten, dat het geheele garnizoen van Maagdenburg slechts uit negenhonderd man beslaat, die bovendien allen ontevreden zijn, want hunne soldij wordt slechts karig en iu licht geld betaald. Het zal niet moeie-lijk vallen hen te winnen, vooral wanneer men ze goed betaalt. Bovendien staan twee majoors en twee luitenants met mij in verstandhouding, en deze zullen hunne soldaten bevelen wat zij doen moeten. De wacht aan de sterrenschans bedraagt slechts vijftien man, en wanneer deze niet goedwillig volgen, zal men hen wel weten te dringen. Aan het einde van de sterrenschans is de stadspoort, en â deze wordt slechts door twaalf man met een onderolTicier bezet. Deze zullen wij zonder moeite vermeesteren; want van den anderen kant, dicht bij de poort, wacht mij de Oosten-rijkschen kapitein Kimsky, in een huis met voordacht lot dat doel gehuurd, en met hem de overige krijgsgevangene officieren, die zich allen verbonden en vereenigd hebben, mijne onderneming te steunen. Op het eerste door mij gegeven teeken zullen zij uit dat huis te voorschijn komen, en de wacht aanvallen, vervolgens, als wij deze genomen hebben, zullen wij de stad intrekken. Daar wachten ons andere vrienden; een hunner bewaart in zijn kwartier, onder een valsch voorwendsel, geweren en patronen voor zijne compagnie, en zal op mijne stem zich met de gewapende manschappen bij mij voegen. Voor het minst kan ik veilig op vierhonderd geweren rekenen, en dit is meer dan voldoende
8
om mijn plan uit te voeren. O mijn God, ik zie alles duidelijk en helder voor mij; ik zie mij zei ven juichend over de zege, de straten doorvïieoen ; ik zie, hoe ik in de kasemattcn kóm, waar vierduizend Kroaten gevangen zitten. Ik roep hun toe: âOp, kameraden! Op! Ik ben Trenck, uw kapitein en aan voerder. Neemt uwe wapenen en volgt mijIk hooi', hoe zij mij juichend toeroepen, en hoe zij schreeuwen: âLeve Trenck!quot; â En zij nemen hunne wapenen en stormen naar builen! Al verder naar de andere kasematten, waar nog zevenduizend Oostenrijksche en Russische gevangenen zitten! Wij bevrijden ook deie, en ik sta aan het hoofd van een klein leger van zestienduizend man. Maagdenburg behoort mij; de vesting, het magazijn van het leger, de koninklijke schatkamer, het tuighuis, alles valt in onze macht, alles zal ik voor Maria Theresia veroveren. O, Koning Frederik, ik zal dan op u gewroken worden voor de marteling van zoovele jaren, voor de folteringen van déze vreeselijke gevangenschap! Trenck zal niet meer noodig hebben uit Maagdenburg te vluchten; want hij zal de Pruisen er uitjagen en hij zal meester van Maagdenburg zijn.quot; ') Hij lachte zóó luid, dat de wanden dreunden, en de gewelven boven hem als met een zacht gegier en gekreun antwoordden. Trenck rilde er van en zag schuw en angstig rond.
âIk ben toch alleen,'' prevelde hij: âniemand heeft mijne woorden gehoord? Neen niemand,quot; vervolgde hij weder gerustgesteld: âniemand, dan (jij mijn oude zwijgende vriend; niemand dan gij mijn trouwe gevangenis? Morgen ^toeg zal ik u verlaten. Morgen vroeg treedt de wachthebbende olTicier bij mij binnen, en beveelt de beide buiten in den gang staande schildwachten in mijn kerker te gaan, om mijn bed naar buiten te brengen. Zoodra de schildwachten binnen zijn, spiing ik naar buiten, en sluit de deur achter hen dicht. Nu zijn de schildwachten ingesloten, en ik trek de kleeren aan, en neem de wapens, welke in de tweede gang gereed liggen. En voorwaarts gaat het, voorwaarts naar mijne Kroaten! âIk zal met volle handen geld onder hen uitstrooien, want heden avond moet mijn vriend, dien ik naar Weenen gezonden heb om aan
1) Memoiren Friedrich's von Trenck. Th. II. S. 145.
9
de Regeering aldaar mijn geheele plan mede te deden en hare ondersteuning te vragen, â heden avond moet hij terugkeeren. In het huis van kapitein Kimsky wacht hij op mij; daar moet hij mij het geld geven,en wanneer hij niets van de Regeering medebrengt, moet hij mij tóch tweeduizend dukaten medebrengen, welke ik van de rentmeesters der Trencksche eifenis ontvangen moet. En bovendien, heb ik nog niet geld genoeg? Heeft Amalia mij niet rijkelijk er mede voorzien? Komt te voorschijn, mijne geheime schatten ; komt uit uw graf te voorschijn!quot;
Hij ging op de hurken tegen den muur zitten, en nam voorzichtig den mortel en de kalk weg, welke hij met gekauwd brood had vastgekleefd. Toen haalde hij een steen eruit, en nam uit de holte, welke hij er achter gemaakt had, eene volle beurs met goudstukken.
Zijne aan de duisternis gewende oogen zagen het goud in het net schitteren, en hij knikte het toe en lachte van genot, toen hij het nu op zijn schoot uitstortte, en met zijne handen er in woelde.
Maar plotseling werd zijn gelaat weder ernstig en nam eene uitdrukking van treurigheid aan. âArme Amalia,quot; fluisterde hij ; âgij hebt mij uw leven, uwe schoonheid, uwe jeugd opgeolTerd. Gij hebt steeds met onwankelbare trouw als mijn beschermengel over mij gezweefd, en hoe zal ik het u nu danken? Immers ik ga uwen broeder, Koning Frederik, zijne schoonste vesting, zijn geld, zijn voorraad ontnemen; terwijl ik hem en de zijnen dwing, eene stad te ontvluchten, welke niet meer hèm, maar zijne vijandin, de Keizerin van Oostenrijk zal toebehooren, voor welke ik haar met tm geld, Amalia, veroveren zal. Gij weet het niet; en wanneer gij het verneemt, zult gij mij wellicht vloeken, en de liefde verwenschen, welke uw geheele leven vergiftigd heeft. O, Amalia, Amalia, vergeef mij, dat ik ook jegens « een verrader moet worden! Mijn ongelukkig lot drijft mij voorwaarts, en ik moet het volgen.
âJa,quot; zeide hij : âik moei het volgen, want ik moet weder vrij, ik moet weder een mensch zijn! Ik kan niet langer als een wild dier in een hok zitten, en mijne ellende in werkeloos gekerm aan de wanden van den killen kerker klagen. Ik moet het leven weder veroveren, ik moet de zon weder zien; ik moet weder leven, handelen, lijden en werken!quot;
10
Hij liep met driftigen tred heen en weder, nu eens in zich zeiven onverstaanbare woorden prevelende, dan weder in woeste dritt met zijne armen zwaaiend, en luid lachend over de verrukkende beelden en gezichten, die voor zijn geest waarden. â Zijn geheel wezen was in eene koortsige spanning; toen bleef hij op eens staan, en zijne beide handen tegen de kloppende hoofdslapen drukkend, riep hij weder: âIk word krankzinnig! De vreugde over mijne bevrijding verwart mijn geest! Ik zal trachten te slapen, opdat mijn hoofd tot rust kome, opdat ik krachten voor morgen verzamele!quot;
Hij wierp zich op zijn ellendig leger en dwong zich om bedaard te blijven liggen; dwong zich om te zwijgen, en niet meer, zooais hij zich in den kerker had aangewend, luid en met zich zeiven te spreken. En langzamerhand verminderde de spanning zijner opgewekte zenuwen; allengs daalde de slaap op zijne oogen neder, en een weldadige rust overviel hem.
Nu werd alles stil in den somberen kerker; men hoorde niels meer dan de luide ademhaling van den slapende; maar zelfs in den slaap schenen heerlijke beelden der toekomst hem te verheugen, want eene uitdrukking van hemel-sche vreugde sprak uit zijne trekken, en met een zaligen glimlach lluisterde hij: âIk ben vrij! Eindelijk vrij!quot;
De uren verliepen. Altijd sluimerde Trenck nog op zijn leger; altijd nog omgaf hem eene diepe, onafgebrokene stilte; en tóch moest de wereld daar buiten reeds lang ontwaakt zijn ; toch moest de zon reeds lang zijn opgegaan; want zelfs in deze eenzame en treurige ruimte zond zij door het kleine ijzeren tralievenster een heldere staal barer heerlijkheid, en veranderde de duisternis in eene matte, droeve schemering.
11
X.
TRENCK, ZIJÃ GIJ DA All?
Doch hij, die daar op zijn ellendigstroo-leger ligt uitgestrekt, en wiens lippen zich van tijd tot tijd met een zaligen glimlach bewegen, â de arme Trenck sliep nog altijd. Slaap, slaap door, ongelukkige gevangene; want in den slaap zijt gij vrij, zijt gij gelukkig en blijde! Wanneer gij ontwaakt zullen de heerlijke droomen u ontvlieden, en het oude ongeluk en de oude wanhoop zullen weder uw eenige gezellen zijn! â
Luister! Daar klinken voetstappen in den gang. Trenck hoort het niet! Hij slaapt rustig door.
Maar nu! Hoe rammelt het aan het slot; hij hoort hoe de deur open gaat! Nu springt hij op. â âZijt gij daar vrienden? Is alles gereed?quot;
Doch daar bliift hij met een luiden, verschrikkelijkon kreet als aan den grond genageld staan, en zijne oogen staren verschrikt naar de deur. Daar slaat de commandant von Bruckhausen, en naast hem nog eenige andere officieren, en achter hen in de gang, hoofd aan hoofd gedrongen, een geheele schaar soldaten.
Dit gezicht zegt Trenck alles, alles! Het zegt hem, dat zijn plan verijdeld, â dat alles tevergeefs is geweest! Het zegt hem, dat hij blijven zal, wat hij was: een arme, rampzalige gevangene!
Neen, rampzaliger nog dan hij geweest was; want nu moest men ontdekken, dat hij zich van zijne boeien wist te ontdoen, en wanneer hij alleen was, den last der ketenen kon afwerpen. Nu moest men het goud vinden, dat hij vroeger uit zijn schuilhoek had gehaald, en dat hij zorgeloos op den grond had laten liggen!
âIk ben verloren!quot; kreunde Trenck, en zijne handen voor zijn gelaat slaande, viel hij op zijn leger terug.
Een glimlach van helsche vreugde verhelderde de som-
12
here trekken van den commandant Bruckhausen, toen hij een blik sloeg op de op den giond liggende ketenen, op de verspreide, blinkende goudstukken, en op den van smart en wanhoop ineengekrompen gevangene.
Met een wenk beval hij eenige achter hem staande soldaten de ketenen op te nemen, en ze den gevangene weder aan te leggen.
Trenck verweerde zich niet. Hij liet het rustig toe, dat men den ijzeren gordel weder om zijn lichaam, â het ijzer weder orn zijn hals legde. Hij was als vernietigd, verpletterd; hij had geen kracht, geen bewustzijn meer! Deze ongehoorde slag had hem geheel en al verbrijzeld, en den r eus in een weerloos, zwak en bevend kind veranderd! Toen men hem beval op te staan, opdat de keten van zijn gordel weder in den muur kon vastgemaakt worden, deed hij het; toen men hem gebood, de ketenen en de ijzeren stangen weder aan zijne armen te laten vast maken, stak hij gehoorzaam zijne armen uit, en liet toen de gekluisterde armen krachteloos langs zijn lichaam neêrglijden.
Nu eerst waagde het de commandant Bruckhausen vooruit te komen, en Trenck te naderen. Ue geboeide leeuw boezemde hem geene vrees meer in ; hij kon hem ongestraft honen en schelden; en hij deed dit met al de drift van een meedoogenlooze, hardvochtige ziel; hij deed dit met den feilen haat van een onverzoenlijken vijand. Want Trenck was zijn vijand, zijn gevreesde vijand. Deze verdreef den slaap uit zijne oogen en vervolgde hem zelfs nog in zijn droomen. Dikwijls sprong Bruckhausen te midden van den nacht, verschrikt van zijn leger op, omdat hij gedroomd had, dat Trenck zich uit zijn kerker had bevrijd, en dat hij nu in dat donkere, vreeselijke graf moest nederdalen. Dikwijls voelde hij, te midden van een vroolijk gezelschap, als de greep van een lijk aan zijn hart, en een angstige siddering overviel hem; want kon Trenck in dit oogenblik niet ontvloden zijn? Trenck, voor wien hij den Koning met zijn hoofd moest instaan; wiens vreeselijke kerker voor hèm bestemd was, wanneer Trenck er in slaagde te ontvluchten! â Deze eeuwige zorg en angst maakte, dat de commandant in Trenck niet meer den gevangene des Konings, â maar slechts zijn eigen vijand zag, tegen wien hij strijden moest met al de wapens, welke hem
13
ten dienste stonden, met al den angst en den toorn eener lafhartige ziel!
Met vertoornde stem overlaadde de commandant Bruck-hausen den weder geboeiden gevangene, met bittere smaadredenen. Met een kouden, spotachtigen glimlach verhaalde hij hem, dat zijn geheele komplot ontdekt was, dat men zijn waanzinnig plan kende, dat men wist, dat hij Maagdenburg had willen veroveren, en op de Pruisische vesting de Oos-tenrijksche vlag planten.
Met honenden blik hield hij hem den brief voor, waarmede Trenck zijn vriend naar Weenen had gezonden, en waarin hij, â wel is waar zonder namen te noemen en het nadere van zijn plan op te geven, â de verovering van Maagdenburg had beloofd.
âWilt gij loochenen, dat gij dit geschreven hebt?quot; riep de commandant op dreigenden toon. Trenck het papier voorhoudende.
Trenck antwoordde niet. Zijn hoofd was op zijne borst gezonken en hij staarde zwijgend voor zich heen.
âO, men zal u wel weten te dwingen uwe medeplichtigen te noemen!quot; schreeuwde de commandant, woedend geworden door het zwijgen van zijn vijand: âVoor den verrader beslaat geene toegevendheid meer, en als gij niet goedwillig wilt bekennen, welnu, dan zal ik u laten tuchtigen !quot;
Een woeste kreet klonk van Trenck's lippen en toen hij zijn hoofd in de hoogte wierp, droeg zijne gelaat de uitdrukking van zulk een wilden, gloeiend en toorn, datRruckhau-sen onwillekeurig eenige stappen achteruit trad. â Trenck was uit zijne verdooving ontwaakt; hij had zijne kracht, zijn wil teruggevonden; hij was weder Trenck, â die Trenck dien Bruckhausen vreesde, hoewel hij in ketenen lag; die Trenck, dien niets kon buigen, niets ontmoedigen.
âDengene, die het wagen zal mij te tuchtigen, vermoord ik!quot; zeide Trenck met vlammenden blik, zijne gebalde vuist naar den commandant uitstekend : âMet mijne nagels, met mijn tanden verscheur ik hem!quot;
âNoem uwe medeplichtigen!quot; schreeuwde Bruckhausen, van woede op den grond stampende.
Nu was de beurt aan Trenck om te lachen. â âOch,quot; zeide hij: âdenkt gij mij vrees in te boezemen met uwe
14
stem, zoo als men de kleine kinderen met den klepperman dreigt? Verbeeldt gij u, dat uw commando voldoende is, om van mij te vernemen, wat ik niet zeggen wil. Denkt gij, dat ik mijne vrienden verraden zal ? Och, zie nu eens, wat een onbeduidend, machteloos menschenkind gij zijt; want niets van alles, wat gij wilt, zal geschieden. Neen; ik zal niet zoo armzalig zijn, mijne vrienden Ie verraden! Deed ik dat, dan zou ik een verrader zijn; dan verdiende ik hier in dezen ellendigen kerker, in deze vreeselijke boeien als een wild dier gekluisterd te liggen; dun zou de eerste, de heiligste deugd der menschen; de dankbaarheid mij vreemd zijn! Maar, ik doe het niel! Onschuldig ben ik in boeien gesmeed, â onschuldig wil ik er in blijven!quot;
âOnschuldig?quot; riep de commandant: âgij, die de dolle gedachte gevoed hebt, de vesting van uwen Koning aan den vijand te verraden; noemt gij u onschuldig?quot;
Trenck richtte zijn hoofd fier op.
âIk ben niet meer de onderdaan van den Koning van Pruisen,quot; zeide hij; âhij is mijn meester niet meer. Ik ben zonder verhoor, zonder krijgsraad, zonder wettig proces, voor jaren geleden naar Glatz gebracht. Toen ik ontvluchtte, heeft de Koning mij gecasseerd en mijn vermogen in beslag genomen. Ik had moeten verhongeren en te gronde gaan, wanneer ik niet ergens anders mijn brood en mijne eer! gevonden had. Maria Theresia benoemde mij tot ritmeester in haar leger, en haar heb ik den eed van trouw gezworen. Zij alleen is mijne meesteres! Jegens den Koning van Pruiseu heb ik geen verplichting van trouw; hij heeft mij onverhoord veroordeeld; hij heeft, door de machtspreuk van een tiran, mij brood, eer, vaderland en vrijheid ontrukt; hij heeft' mij als een overtuigden misdadiger in boeien laten werpen, en op mijn voorhoofd het brandmerk der schande gedrukt! Hij heeft mij tot een dier vernederd, dat brullend in eene kooi ligt, en slechts leeft om te eten, slechts eet om te leven!
Ik zeg dat niet tot u, heer commandant,quot; vervolgde hij : âik zeg dat u, soldaten, tot u, die eens mijne kameraden en wapenbroeders waart. Ik wil niet, dat gij Trenck een verrader noemt. Ziet mij aan; ziet, wat de Koning uit mij gemaakt heett, en zegt mij dan, of ik het recht had, deze folteringen te willen ontvlieden; zegt mij dan, of ik een
15
verrader ben, wanneer ik mij tot eiken prijs bevrijden wilde, al zou Maagdenburg daarbij te gronde gaan, en al hadden duizend menschen er het leven bij verloren! Zegt, of ik een verrader ben, omdat ik verkrijgen wilde, wat gij allen, â wat ieder mensch van God als zijn heilig menschenrecht ontvangen heeft; omdat ik een vrij mensch zijn wil?''
En terwijl hij zóó sprak schitterde zijn ingevallen gelaat van geestdrift, en eene verhevene zielskracht lag over zijn gelaat verspreid. Zelfs de soldaten werden er door geroerd en medegesleept. Een dof gemompel van goedkeuring klonk uit hunne rijen en overtuigde den commandant, dat hij een misslag had begaan, door het verhoor van den algemeen bewonderden gevangene, in tegenwoordigheid van zoovele getuigen te doen plaats vinden. â âGij wilt dus uwe medeplichtigen niet noemen ?quot;vroeg hij.
,.Neen,quot; zeide Trenck:âik wil u mijne vrienden niet verraden. En wat zoude het u baten, wanneer gij hunne namen wist? Gij zoudt hen straffen, maar toch daarmede slechtsdra-kentanden zaaien, waaruit nieuwe geharnaste vrienden voor mij zouden opgroeien. Want het onverdiend ongeluk en de onverdiende schande wekken in den hemel en op aarde vrienden, en bezielen met den tooverstaf van het medelijden zelfs harten, die vroeger ongevoelig en hardvochtig waren. Zie hen aan, heer commandant, zie uwe soldaten ! Zij zijn gekomen als onverschillige menschen, doch zij gaan als mijne vrienden; en als zij niets anders voor mij kunnen doen, zullen zij fen minste voor mij bidden!quot;
âHet is genoeg, genoeg!quot; schreeuwde de commandantwoedend ; âZwijg! En gij allen naar buiten! De smid moet binnenkomen, en de doorgevijlde ketenen wedei soldeeren en deze ijzers weder aansmeden! Gaat terug naar de tweede gang, en laat den smid alleen binnenkomen!quot;
De soldaten traden terug, en de smid met zijne pan gloeiende kolen, zijn gloeiend ijzer en gesmolten lood, trad binnen.
De commandant leunde tegen de deur van de gevangenis, en met gekruiste armen zag hij naar het afschuwelijk werk van den smid, terwijl Trenck onverschillig naar de donkere zoldering opzag, en zich verheugde in het schijnsel der gloeiende vlammen en kolen tegen het gewelf.
10
âDat zijn de dwaallichten mijner vrijheid,'' zeide hij, met droeven glimlach: âhet is reeds de vierde maal, dat zij daai'boven tegen den zolder dansen; want ten vierden male reeds staat hier die gloeiende pan en worden mijne ketenen aangesmeed. En ik zeg u, heer commandant: ik zal mijne keienen tóch weder verscheuren, en de dwaallichten mijner vrijheid, welke daarboven langs het gewelf vliegen, zullen eens in de zonder vrijheid veranderen. Zij zal mijn kerker met het reine, goddelijke licht bestralen, en mij voorlichten op de onderaardsche paden, langs welke ik dezen kerker ontvlieden wil, waarin ik niets zal achter laten dan mijn vloek voor u wreede kerkermeester!quot;
âGij geeft het dus altijd nog niet op,quot; zeide de commandant met wreeden lach: âGij wilt dus nog altijd nieuwe pogingen doen om te ontvluchten ?quot;
Trenck sloeg zijn stout en vlammend oog met een vollen en vasten blik op het gelaat van Bruckhausen, en den smid zijn voet toestekende, om de keten er weder aan te smeden, zeide hij: âHoor, mijnheer de commandant, wat ik u nu zeggen zal, en mogen mijne woorden als dood-dend gif in uwe aderen sluipen! Hoor; zoodra gij mijn kerker verlaat, begin ik opnieuw aan het werk mijner verlossing. Gij hebt mij in een kerker onder de aarde bedolven ; gij hebt den vloer, waarvan ik de planken eens doorgezaagd had, nu met steenen laten plaveien; gij komt alle dagen mijn cel onderzoeken, of gij niet ergens een opening, of het een of ander werkluig kunt vinden, waarmede ik mijne redding beproeven kon. Maar desniettemin zal ik ontvluchten. God heeft den mol geschapen, en van hém zal ik leeren, hoe men den grond ondermijnt, en zich uit de diepte naar het licht doorwoelt. Gij zult er wel voor zorgen, dat ik geene werktuigen en wapens heb; maar God heeft mij gegeven, wat Hij den mol gaf; Hij heeft mijne vingers met nagels, mijn mond met tanden voorzien, en als mij geen ander middel overblijft tot mijne bevrijding, zal ik mij met mijne nagels, met mijne tanden bevrijden!''
âZoo? Het is ten minste goed, dat gij mij dit mededeelt!quot; riep de commandant met boosaardigen lach : âWees verzekerd, ik zal uwe woorden niet vergeten en er mij naar gedragen. Beproef yij te ontvluchten; ik zal beproeven u
17
vast te houden; en ik denk wel, dat ik er in slagen zal een middel te vinden, om mij elk kwartier te overtuigen, of uwe nagels en uwe tanden u bevrijd hebben! De smid is, zoo als ik zie, nu gereed, en zoo zullen wij voorloopig nog wel de blijde overtuiging koesteren, dat gij bij ons blijft. Of gij moest al dadelijk met uwe tanden deze ketenen doorbijten!quot;
âGod gaf Simson de kracht om de zuilen met zijne armen te verbrijzelen, en den tempel te verpletteren,quot; zeide ïrenck, den smid naziende, die juist met zijn kolenpan den kerker verliet: âzie maar, de dwaallichten verdwijnen reeds uit mijn kerker; spoedig zal de zon er in schijnen.quot;
âTrenck, wees verstandig,quot; zeide Bruckhausen op bijna smeekenden toon: âvergroot niet moedwillig uwe ellende: dwing mij niet om nog wreeder middelen ^an te wenden ! Beloof mij, geene pogingen ter ontvluchting meer te doen, en ik geef u mijn woord, dat ik uw toestand niet verergeren zal, en dat ik u voor uw snood plan niet zal straffen.quot;
Trenck barstte in luid gelach uit. â âGij geeft mij uw woord, dat gij mijn toestand niet verergeren zult? Heeft uwe wreedheid niet voor mij ketenen en ringen verzonnen, om wier uitvinding de duivel zelf u benijden zou? Leef ik niet in den diepsten en slechtsten grafkelder, welke er in de geheele vesting is? Is brood en water niet mijn voedsel? Laat gij mij niet in duisternis en werkeloosheid mijne verschrikkelijke nachten, mijne afgrijselijke dagen slijten? Wat wilt gij nóg erger doen, en waarmede kunt gij mij stralfen voor mijne pogingen om te ontvluchten? Neen, neen, heer commandant; ik zeg u, dat zoodra de deur achter u gesloten is, de mol zal beginnen te graven, en eens zal hij, ondanks uwe voorzorgen, tóch ontsnapt zijn!quot;
âIs dit uw laatste woord ?quot; riep Bruckhausen, gloeiende van toorn: âGij wilt mij niet beloven, uw pogingen ter ontvluchting op te geven? Gij wilt de medeplichtigen van uw misdadig complot niet noemen?quot;
âNeen, en nog eens neen!quot;
âNu, vaar dan wel! Gij zult aan dit uur denken, en ik beloof u, dat het u rouwen zal!quot;
Bevend van woede, verliet de commandant den gevangene,
Muhlbaoh, Frederik de Groote en zijn Ho/. VUL 2
18
die lachend, met zijne ketenen rammelend, tegen den wand leunde.
De ijzeren deur viel krakend in het slot; toen klonken in de gang de afgemeten stappen der vertrekkende soldaten; nu hoorde hij de deur aan het andere einde van de gang afsluiten.
Eene stilte als van het graf heerschte nu weder in den kerker; geen geluid stoorde de vreeselijke, vei schrikkelijke rust! â Trenek huiverde;een gevoel van eindelooze smart, van troostelooze wanhoop overviel hem. Nu kon hij er zieli aan overgeven. Er was niemand, voor wien hij zijn leed behoefde te verbergen; niemand, die zich in zijn verdriet kon verheugen!
Nu behoefde hij de zuchten niet meer te smoren, welke zoolang zijne borst beklemd hadden; nu kon hij het uitschreeuwen, uitgieren; nu kon hij de tranen den vrijen loop laten, welke zoolang als verterend vuur in zijne oogen gebrand hadden; nu kon hij op zijne knie zinken, zich krommen in zijne smart, de litteekens niet achtende, welke de ketenen en het ijzer in zijn vleesch groeven. â Vreeselijker dan alle andere smarten was het lijden zijner ziel, en evenals de mensch met huivering terugdeinst voor den dood, zoo beefde Trenek nu voor het leven, â voorliet leven des grafs, dat hem weder in zijn kouden armen had gesloten. '
Hoe lang hij zoo geweend en geklaagd, geschreeuwd en gekreten had, dat wist hij niet. Voor hem was er immers geen tijd, geen uur, geen nacht, geen dag; langzaam, in eeuwige eentonigheid kropen de uren voorbij. En nochtans waren er voor den gevangene uren van genot, van zaligheid! Dat waren de uren van den slaap, de uren der droomen!
Gelukkiger dan menig Koning, menig machtig heerscher; gelukkiger dan duizenden rijken, die in schitterende paleizen wonen, en op de zijden peluw rusten, was de gevangene van dit graf op zijn hard strooleger. Hij kon slapen! Zijn geest, die den geheelen dag rusteloos bezig was, en gedachten en plannen ter bevrijding ontwierp, behoefde en vond de rust van den slaap; zijn lichaam, waaraan hij, hoewel in ketenen gesmeed, beweging wist te verschaffen, door uren lang de twee stappen te doen, welke zijne boeien hem
19
vergunden, âdoor uren lang zich in kunstige bewegingen en bochten heen en weer te bewegen, â zijn lichaam had rust noodig, en het vond die.
Ja, hij kon slapen! â De menschen waren meedoogenloos en wreed jegens hem, maar God had hem nog niet verlaten; want Hij had in den nacht in zijn kerker een engel gezonden, die hem troostte en verkwikte. â Deze engel was de slaap!
En ook heden, na zoovele uren van leed en kommer, na zooveel wanhoop en somber gepeins, âook heden, zoodra de nacht aanbrak, daalde de troostende engel in den kerker neder, en plaatste zich met vriendelijken glimlach aan het leger van den gevangene, die daar als verpletterd was ineengezonken. Ook heden kuste hij zijne oogen en legde zijne verzachtende vleugelen op het hart van den gevangene, opdat het rustiger mocht slaan; ook heden fluisterde hij den gevangene nog heerlijke droomen in het oor, en spiegelde voor het oog van den geest bekoorlijke beelden uit de schoone, lang ontbeerde wereld. En een blos dekte de wangen van den sluimerende, en een lachje speelde op zijne lippen; op die lippen, welke in wakenden toestand slechts de uitdrukking van onbeschrijfelijke ellende teekenden.
Stil dus, gij wachters daar buiten, stil! De gevangene slaapt! Heilig is de slaap van den mensch; maar het heiligst die van den ongelukkige. Laat dus niemand het wagen hem te storen; sluipt zacht op uwe teenen langs het tralievenster, gij schildwachten daar buiten; slapt zacht open neer, gij, wachten daar binnen! Stil, stil, de gevangene slaapt! Hebt eerbied voor zijn sluimer!
Een luid geroep stoorde plotseling deze stilte. â âTrenck, Trenck,quot; riep eene schelle stem; âTrenck, slaapt gij?quot;
Hij vloog op uit zijne zoete droomen, en richtte zich verschrikt overeind. Hij verbeeldde zich, dat de stem van het laatste oordeel hem geroepen had, zoo schetterde het nog als de toon eener trompet in zijn oor. Rillend en huiverend luisterde hij, of de vreeselijke kreet zou herhaald worden.
En ja, voor den tweeden keer gilde het luid en schril ten tweedenmale riep het: âTrenck, zijt gij daar?quot;
Hij tastte ontsteld met zijne hand aan het koortsig brandend voorhoofd. â âIk ben krankzinnig,'' prevelde hij âik
'20
hoor daar in mijne hersens eene stem, welke mij toeroept eene stem âquot;
De grendels der gevangenis rammelden en de commandant Bruckhausen, door een fakkeldragenden cipier gevolgd, verscheen op den drempel.
âWaarom hebt gij niet geantwoord, Trenck?quot; vroeg hij.
âGeantwoord? Waarop geantwoord?''
âWel, op het aanroepen der schildwachten! Daar gij gezworen hebt altoos nieuwe pogingen tot ontvluchten te doen, moest ik wel voorzorgen nemen, en ik heb het gedaan. De schildwachten voor de deur hebben bevel, u elk kwartier van den nacht aan te roepen, en wanneer gij niet dadelijk antwoordt, zich onmiddelijk met eigen oogen te overtuigen, of de mol er nog is, en of hij in de aarde woelt. Gij moet u er naar schikken, Trenck! Wij moeten nu eens zien, of uwe nagels en tanden nóg in staat zullen zijn u te bevrijden!quot;
Hij ging weder heen en de deur werd achter hem gesloten. Het was weder nacht in den kerker van den gevangene. Maar hij sliep niet meer. Hij zat op zijn leger en vroeg zich zeiven, of het eigenlijk waarheid was geweest, of dat een kwade droom hem misleid, â en hem zulk een akelig gezicht had voorgespiegeld ? Neen, neen, het was immers niet mogelijk, dat dit de werkelijkheid was geweest; niet mogelijk, dat men hem nog dit laatste, dit éénige genot, â dat men hem den slaap ontrooven wilde!
Maar luister! Daar riep het weder van buiten; âTrenck, zijt gij daar?quot;
Hij antwoordde met een vreeselijken kreet, en als door afgrijzen bevangen, vloog hij van zijn leger op.
âNeen, ik heb mei gedroomd! Het is waarheid! Zij willen mij mijn laatste geluk, mijn slaap niet meer gunnen! Lafhartige roovers, moge God u vloeken, zooals ik u vloek; moge Hij geen medelijden met u hebben, zooals gij geen medelijden met mij gehad hebt. O, gij, ellendige, wreedaardige menschen. Gij wilt mijn leed met eeuwen vermeerderen ! Gij wilt zelfs mijn slaap moorden! Vloek over u!quot;
21
XI.
I)K KONING EN DE DUITSCHE GELEERDE.
De winter van het jaar 17(30 was aangebroken. Het zoo bloedig geteisterd Duitschland was weder voor eenige maanden van den geesel des oorlogs bevrijd, en kon dus adem scheppen van zijne zorgen en lasten, om weder nieuwe krachten voor nieuwe oorlogen te verzamelen. Want alleen de winter met zijne koude en barheid had voor korten tijd den vrede geschonken. De bondgenooten wilden altijd nog den krijg, en hunne winterrust diende slechts om zich tot den nieuwe strijd voor te bereiden. Want altoos nog had men er niet in kunnen slagen den kleinen Koning van Pruisen te overwinnen. Hoevele wederwaardigheden hem ook overstelpten, hoe hem het geluk ook voor altijd scheen verlaten te hebben, hij bleef standvastig en onversaagd, en zijn moed en vertrouwen schenen met de grootte van het gevaar toe te nemen.
En toch scheen zijn toestand zóó treurig en hopeloos, dat zelfs een held, als de broeder des Konings, prins Hendrik, wanhoopte; â zelts toen nog wanhoopte, nadat de Koning-de ongelukkige slagen bij Kunersdorf en Maxen, door de groote overwinningen bij Leignitz en vervolgens bij Torgau weder verellend had. Maar de toestand des Konings was zóó treurig, en hij werd zóózeer van alle kanten bedreigd, dat zelfs de zegepralen, welke intusschen zijne vijanden uit Saksen hadden verdreven, en den Koning ten minste veilige winterkwartieren hadden bezorgd, hem geene wezenlijke voordeelen meer aanbrachten en het gevaarlijke van zijn toestand volstrekt niet verminderden. Want, otschoon ook de Koning de kunst verstond zijnen vijanden de pas verworven lauweren weder te ontrukken, tóch stonden zij nog altijd rondom hem, brandende van woede en verlangen om hem geheel en al te vernietigen, en door zijne volkomene nederlaag eindelijk de vurige geestdrift te ver-
22
stikken, waarmede geheel Europa hem toejuichte. De Rns-sen hadden voor den eersten keer hunne winterkwartieren in Pommeren betrokken: de Oostenrijkers lagen in Silezië en Bohemen, en aan den Rijn stond het opnieuw voltallig gemaakte Fransche leger en de Rijksarmee. En terwijl de bondgenooten van Oostenrijk elkander trouw bleven in den strijd tegen Frederik, had deze nu zijn eenigen en laatsten bondgenoot verloren. Koning George de Tweede van Engeland was gestorven, en de zwakke George de Derde moest zich naar den machtigen wil zijner moeder en van lord Bute schikken, het verbond met Pruisen ontbinden, en de tot nog toe verleende subsidies doen ophouden.
Zoo stond Pruisen alléén, zonder geld, zonder soldaten, zonder vrienden, te midden zijner machtige en strijdlustige vijanden ; â alléén en schijnbaar hopeloos tegenover zoovele tegenstanders.
Dat was het, wat zelfs prins Hendrik versaagd en moedeloos maakte, want zijn moed verlamde en hem den wensch inboezemde het leger te verlaten en de eenzaamheid te zoeken, om daar over het ongeluk van zijn geschokt vaderland te treuren. Hij schreef dan ook aan den Koning en vroeg om zijn afscheid.
De Koning antwoordde hem: âHet is niet moeielijk, broeder, in gelukkige en heldere dagen menschen te vinden, die den Staat willen dienen. Maargoede burgers zijn slechts zij, die den Staat bereidwillig in moeielijke en ongelukkige tijden dienen ; de ware roem van den mensch wordt dan eerst gevestigd, wanneer men hem onversaagd moeielijke zaken ziet uitvoeren, en hoe moeielijker deze zijn, des te meer eer verschalTen zij. Ik geloof daarom ook niet, dat gij in ernst meent, wat gij mij schrijft. Het is zeker, dat gij, evenmin als ik zelf, voor den gelukkigen uitslag der gebeurtenissen en van onzen tegen woord igen toestand kunt instaan; maar, zoodra wij alles zullen gedaan hebben, wat in onze macht stond, zal ons geweten en de publieke opinie ons recht laten wedervaren. Wij strijden voor het vaderland en de eer, en wij moeten het onmogelijke mogelijk maken, om te slagen. De menigte vijanden schrikt mij niet af; des te grooter ook de roem hen overwonnen te hebben.quot; ')
1) l'reuss. Geschichte Fr. d. Gr. Th. II. S. 240.
23
Prins Hendrik ,â beschaamd over zijne moedeloosheid, â gaf zijn broeder op dezen brief het antwoord vaneen held; hij vervolgde de Russen, dreef hen uit Silezië, en verloste het belegerde Breslau, dat door de Oostenrijkers onder Laudon was ingesloten, en waarin Tauentzien zich met drieduizend Pruisen, met al de zielskracht van een held, tegen den overmachtigen vijand verschanst had.
Zoo was bij het begin van de winterrust ook de hoofdstad van Silezië hernomen, en bij Torgau bad de Koning de twaafde slag om het bezit van Silezië tegen zijne machti geen onverzoenlijke vijanden gewonnen.
En dit alles was tevergeefs en zonder gevolgen; de uil-zichten op vrede lagen nog in eene verre toekomst, en daarmede voor Frederik ook de uitzichten op geluk.
Maar nu was de winter gekomen; nu had deze barre engel des vredes de zwaarden in de schede doen steken, en een einde aan den strijd gemaakt. â Terwijl de vrome Maria Tberosia met hare hofdames in hare schitterende zalen pluksel maakte voor de gewonde soldaten, endaar-door in geheel Weenen voor dezen winter het plukselmaken tot eene mode verhief terwijl de Russische veldheer Soltikow zijn winterkwartier in Polen nam, en daar woeste drinkgelagen en braspartijen gaf, trok Koning Frederik naar Leipzig, â naar de stad, waar toen Duitsche wetenschap en geleerdheid het meest bloeide, en dat zich beroemde, eene schuilplaats aan de wetenschap en de dichtkunst gegeven te hebben.
De krijgsheld veranderde voor eenige schoone, gelukkige maanden weder in den wijsgeer, den dichter en den geleerde; het door zorgen gegroefde voorhoofd des Konings werd weder elfen; zijn oog kreeg weder zijn gewoon, schitterend vuur; zijn mond glimlachte weder. De hand, welke zoolang het zwaard gevoerd bad, nam nu weder de pen ; de lippen, welke zich slechts tot commando-woorden en bevelen hadden geopend, bogen zich weder om de fluit, en wisten haardesmeltendste tonen en melodiën te ontlokken. Ook de avond-concerten werden weder met opgewektheid gegeven; want de muziekliefhebbers en vrienden desKo-
]) Arclienholtz. Geschicbte des Siebenjahrigen Kriege». Th, II, S. 1^0.
24
nings waren op zijne roepstem uit Berlijn gekomen, en opdat niets aan het hart des Konings zou ontbreken, had hij ook zijn trouwsten en beproefdsten vriend, den markies d'Argens, aan zijne zijde geroepen.
D'Argens moest den Koning van de belegering van Berlijn door de Russen, van de standvastige verdediging dei-burgers, van hunne vaderlandsliefde en hun moed verbaleden de oogen des Konings schitterden van vreugde en ontroering, en in zijn dankbaar hart beloofde hij den trouwen Berlijners met geld en hulp bij te staan. Maar toen d'Argens den Koning verhaalde van de verwoestingen, welke de Russen in de kunstschatten te Cbarlottenburg hadden aangericht, hoe zij in ruwe woede alles bedorven en vernield hadden, toen betrok het voorhoofd des Konings, en in diepe droefheid riep hij uit: âO, de Russen zijn barbaren, die aan den ondergang der menschheid arbeiden! Als het ons niet gelukt hen te overwinnen, en hunne ruwe kracht te breken, zullen zij ons telkens opnieuw verontrusten! Intusschen,quot; vervolgde de Koning met goedigen glimlach; âmag het wandalisme der Russen onze schoone winter-rust niet storen- Als zij mijne schilderijen in stukken gesneden, mijne standbeelden verpletterd hebben, moeten wij zorgen nieuwe kunstschatten te verzamelen. Gotzkow-ky heeft mij verhaald, dat hij in Italië, het onuitputtelijke moederland der kunst, nog vele heerlijke schilderijen van groote meesters kent; die moet hij mij bezorgen, en ik zal trachten spoedig een einde aan den krijg te maken, om mijne nieuwe schilderijen terug te zien, en in mijn schoon Sanssouci van dezen verschrikkelijken strijd te kunnen uitrusten. Och, markies, laten wij er niet meer van spreken; trachten wij ten minste in deze kamer den krijg te vergelen! Hij heeft mijne haren verbleekt, en mij vóór den tijd in een grijsaard veranderd. Mijn rugis gekromd, mijne tanden vallen uit, mijn gelaat is even vol plooien, als de falbelas aan een vrouwenrok. Dat alles is het werk van den krijg. Maar mijn hart en zijne neigingen zijn onveranderd gebleven, en ik mag mij wel vergunnen, daaraan nu ook een weinig toe te geven. ^ â Kom, markies, ik heb
1) 's Konings eigen woorden. Oeuvtes Th 18 p. 103.
25
daar een nieuw gedicht vanVultaire, dal hij mij voor eenige dagen gezonden heeft; wij zullen eens zien, of het voor uwen strengen rechterstoel óók genade kan vinden! â Ook ik moet u nog eenige van mijne laatste zonden biechten, dat is: u eenig werk ea dichtstukjes mededeelen, die ik in de ledige uren van den veldtocht gemaakt hebt. Gij zijt nu eenmaal mijn letterkundige biechtvader, en wij zullen zien, of gij genadig genoeg zult zijn om mij absolutie le schenken.quot;
Maar niet enkel aan de muziek, aan Fransche dichters, aan het vroolijke onderhoud met zijne vrienden, of aan de ernstige studie der Ouden, was de ledige tijd van den winter gewijd. Voor de eerste maal trachtte de Koning nu aan de Duitsche geleerdheid, en de pogingen der Duit-sche geleerden en dichters zijne belangstelling te toonen. â Quintus Icilius, de geleerde vriend des Konings, had hem zoo dikwijls herhaald, dat de geestigheid en de dichtkunst thans in Huitschland, â en het meest te Leipzig hare vertegenwoordigers hadden, zoodat de Koning eindelijk nieuwsgierig werd, om deze groote mannen te zien, van welke Quintus Icilius beweerde, dat zij in geleerdheid de Franschen verre overtroffen, en in verstand en geest zich gerust met hen konden meten.
De Koning had bij deze woorden glimlachend de schouders opgehaald, maar tóch had hij Quintus uitgenoodigd, hem eenige der Leipziger geleerden en dichters voor te stellen.
âIk zal Uwe Majesteit den beroemdsten Leipziger geleerde en taalvorscher, professor Gottsched, en den grootsten dichter, Gellert, voorstellen,quot; zeide'Quintus Icilius zeer verheugd: âwién van beide beveelt Uwe Majesteit het eerst te komen0quot;
,.Breng mij eerst den geleerde en taalvorscher,quot; zeide de Koning glimlachend: âwellicht heeftde man in de barbaar-sche, Duitsche taal reeds eenige zachtere klanken en buigingen ontdekt, en ik ben zeer nieuwsgierig die te hooren. Ga mij dus professor Gottsched halen. Ik heb reeds dikwijls van hem hooren spreken, en weet, dat zelfs Voltaire hem eene ode heeft gewijd. Ik wil intusschen wat in Lucretius lezen, en mijne ziel op de verschijning van dezen grooten Duitschen man voorbereiden.quot;
'26
En Quintus Icilius sneldequot; heen om den beroemden pro-lessor Gottsched naar den Koning te brengen.
Gottsched, die toen door geheel Duitschland gehuldigd werd, en al den trotsch en den hoogmoed van een Duitsch geleerde bezat, vond den wensch des Konings om hem te leeren kennen, zeer natuurlijk, en nam de uitaoodiging met een genadig lachje aan. In het volle gevoel zijner waardigheid, in den stijfsten opschik van eene keurige allonge-pruik, begaf zich de Duitsche professor naar den Koning, die hem op zijne eenvoudige, beleefde wijze ontving, en met een fijnen glimlach de trotsche manieren van den beroemden man beschouwde.
Zij spraken eerst van de vorderingen der Duitsche wijsbegeerte, en de Koning luisterde met den meesten ernst naar de geleerde stellingen van den Duitschen professor, maar dacht bij zich zeiven, dat Gottsched de kunst niet verstond, zijne wetenschap smakelijk te maken, en dat hij wellicht een zeer groot geleerde, â maar in elk geval, een weinig belangwekkend man was. â Intusschen werd het gesprek al levendiger, toen men van dichtkunst en geschiedenis sprak, en de Koning behandelde dit onderwerp met de meeste belangstelling.
âOver de Duitsche geschiedenis, gelool ik, is nog weinig licht verspreid,quot; zeide de Koning: âverscheidene gewichtige documenten zullen voorzeker nog in de kloosters verscholen liggen.quot;
Gottsched zag den Koning met een trotschen blik aan. âVergeving, sire,quot; zeide hij op pedanten toon; âik houd het er voor, dat dit slechts weinig beteekenende stukken kunnen zijn. Mij ten minste is geen tijdstip uit de Duitsche geschiedenisquot; onduidelijk of verborgen, en ik geloof alles te kunnen oplossen.quot;
De Koning knikte met een spottenden lach. âMaar (jij zijt ook een groot geleerde, mijnheer; een vttorrecht, waarop ik mij niet beroemen kan. Ik ken van de boeken over de Rijkshistorie slechts Pêre Barre.quot;
âHij heeft de Duitsche geschiedenis geschreven, zooals een buitenlander die kan schrijven,quot; riep Gottsched schouderophalend : âhij heeft daarbij gebruik gemaakt van Struve, â een werk in het Latijn over de Duitsche geschiedenis geschreven, â en dit vertaald, anders niets. Had Barre
27
Duitsch verstaan, dan zou zijn werk beter zijn uitgevallen, dan had hij zich tot betere bronnen kunnen wenden.quot;
âMaar Barre was een Elzasser, en hij verstond Duitsch !quot; zeide de Koning levendig; âdoch gij, die een geleerde, een dichter en een taalvorscher zijt, â zeg mij, kan er van de Duitsche taal nog iets worden?quot;
âNu ik denk, dat wij er al veel, on veel schoons van gemaakt hebben!'' riep Gottsched in het volle bewustzijn van zijn roem.
âMaar gij hebt haar altijd nog geene melodie, geene gratie kunnen geven,quot; vervolgde de Koning opgewekt: âde Duitsche taal is eene reeks van barbaarsche klanken en geluiden, maar er is geene muziek in. Het klinkt alles ruw en hard, en die vele stuitende klanken maken haar ten eenenmale ongeschikt voor de dichtkunst en welsprekendheid. Zoo noemt gij bijvoorbeeld een m'rtZ in het Duitsch : Nebenbuhler! (mededinger). Wat een akelige, hinderlijke klank is dat Bubler.quot; ^
âO, sire, dit is intusschen een klank, welk de Fransche taal óók heeft, en dat zal Uwe Majesteit wel het beste weten; want niemand verstaat de kunst om beter en krachtiger met de boules (kogels) om te gaan dan juist gij!quot;
De Koning glimlachte, en deze geestige woordspelling van den geleerden professor verzoende hem een weinig met diens opgeblazen verwaandheid.
âHet is waar,quot; zeide hij: âik moet u dezen keer gelijk geven, maar over het geheel zult gij mij moeten toestemmen, dat de Fransche taal veel zachter en aangenamer klinkt.quot;
âDit geef ik volstrekt niet toe!quot; zeide Gottsched heftig: âIk beweer integendeel, dat het Duitsch veel aangenamer klinkt. Hoe hard en afschuwelijk klinkt bijvoorbeeld het Fransche woord amour; hoe week en leeder, jaik zoude haast zeggen karakteristiek, het woord: Liebe.''
âO,quot; zeide de Koning: âgij zijt zeker zeer gelukkig getrouwd, dat gij zoo met de Duitsche Liebe dweept, die stellig geheel wat anders is, dan de Fransche amo u r! â Overigens blijf ik het er tóch voor houden, dat de Fransche
1) 's Konings eigen woorden. Zie Preass. Th. II, S. 272.
28
taal nog vele voorrechten boven de Duitsche heeft. Men kan bijvoorbeeld in het Fransch dikwijls een woord in verschillende beteekonissen gebruiken, terwijl men in het Duilsch daarvoor dikwijls verscheidene uitdrukkingen moet hebben.quot;
âDat is waar; daarin heeft Uwe Majesteit gelijk,quot; zeide Gottsched peinzend: âde Fransche taal/tee/Ydat voorrecht. Evenwel, dat moet niet lang meer duren! Ja, ja, dat zullen wij óók wel maken! Ja, dat zullen wij óók wel maken!quot;
En hij wreef zich van genoegen de handen, en stak zijn hoofd fier in de hoogte, ten derdemale verzekerende: âDat. zullen wij wel maken!quot;
De Koning zag hem verbaasd en spottend aan. Deze aanmatiging van den geleerden man, dat nog le willen maken, trof hem door hare overdrevenheid.1)
âDoe dat,quot; zeide de Koning, zich vermakende; âzwaai uw veldheerstaf en geef aan de Duitsche taal, wat zij niet heeft. Geef haar bevalligheid, veelzijdigheid en vlugheid. Beziel haar bovendien met de geschiktheid om zachte hartstochten en teedere gevoelens te uiten, en gij zult voor de Duitsche taal zijn, wat Julius Cesar voor de Duitschers was,â gij zult haar overwinnen en de barbaarschheid beschaafd hebben.quot;
Gottsched merkte den fijnen spot niet, welke in de woorden des Konings lag, maar nam die met een glimlachenden hoofdknik, als eene hem streelende vleierij aan.
âOverigens is de Duitsche taal zeer goed geschikt om zachtere gevoelens uit te drukken,quot; zeide hij; âik durf aannemen, elk Fransch gedicht, getrouw en vloeiend schoon te vertalen.
âDan zal ik u op de proef stellen!quot; riep de Koning, haastig een boek van de tafel nemende: âZie eens hier; daar zijn de Oden van Rousseau ; wij zullen opslaan, zooals het toeval dit aan de hand geeft. Hoort eens dit couplet:
âSous iin plus heureux auspice
La déesse des amours
Vent, qu'un nouveau sacrifice
1
Nog na jaren vertelde de Koning aan de hertogin van Gotha dit gezegde van Gottsched, en herhaalde dikwijls: âdat willen wij nog maken.quot;
20
Lui consaore vos beaux jours Déju le bucher s'allume. L'autel brille, 1'encens fume. La victlme B'embellit, L'amour raême la consume, Le mystère s'accomplit!quot;
Moudt gij het inderdaad voor mogelijk dit heerlijk couplet te vertalen ?quot; vroeg de Koning, toen hij het gelezen had.
âAls Uwe Majesteit het vergunt, zal ik het dadelijk doen,quot; zeide Gottsched gevoelig: âmag ik slechts om een stukje papier en potlood verzoeken, en ik zal de vertaling opschrijven.quot;
De Koning gaf hem beide met het boek over. â âNeem aan, het zal ons genoegen doen, een zangerswedstrijd te vertoonen. Terwijl rjij de verzen van den Franschen dichter in Duitsche verzen overbrengt, zal ik beproeven den lof des Duitschen dichters in Franschen rijm te brengen,quot;
Hij trad in eene vensternis, en bracht zonder zich te bedenken of te aarzelen eenige verzen op papier. Toen wachtte hij glimlachend, totdat ook de geleerde had opgehouden te schrijven.
âIk ben gereed, mijnheer,quot; zeide de Koning, uit de nis tredende.
âEn ik óók,quot; zeide Gottsched plechtig; âindien Uwe Majesteit wil hooren, en het boek in de hand nemen om mij te volgen.quot;
Hij reikte het den Koning over en las toen mat eene luide, neusstem:
âMit ungleich glücklicherm Geschioke Gebeut die Güttinn zarter Pein,
Ibr Deine schonen Augenblicke,
Zum Opfer noch einmal zu weih'n.
Der Holzstoss hebt an aufzugehen,
Der Altar gliinzt, des Weihrauchs Düfte Durchdringen schon die weiten Lüfte,
Das Opfer wird fjedoppelt schön;
Durch Amor's Gluth ist es verflogen,
Und das Geheimniss wird vollzogen.quot; 1)
1) Onder een gelukkiger voorteeken beveelt de godin der min, uwe schoone dagen haar nog eenmaal ten offer te wijden. Reeds vlamt de brandstapel; het
30
âNu, sire,quot; vroeg Gottsched fier; âvindt gij nu nog, dat de Duitsche taal niet schoon is, en ongeschikt om Fransche verzen terug te geven?quot;
De Koning glimlachte. â âIk ben verbaasd,quot; zeide hij; âdat gij dit schoone couplet van Rousseau hebt kunnen vertalen. Ik betreur het zeer, dat ik te oud ben om Duitsch te leeren, en ik beklaag het inderdaad, dat ik er in mijne jeugd geene gelegenheid toe vond. noch er toe opgewekt ben; ik zoude stellig vele van mijne vrije uren ter vertaling-van goede Latijnsche en Fransche schrijvers besteed hebben. gt;) Maar men kan het verlorene niet inhalen, en men dient dus wel tevreden te zijn, met hetgeen men heeft. Al kan ik zelf geen Duitsch dichter zijn, mag het mij toch wel vergund zijn den grooten en geleerden regenerator, den herschepper der Duitsche taal, in Fransche verzen te bezingen. Terwijl gij vertaaldet, heb ik beproefd w te bezingen. Luister maar!quot;
En de Koning las den verrukten professor eenige verzen voor, welker overdreven lof hem betooverde, en waarvan hij in het gevoel zijner trotschheid de fijne spotternij niet merkte. Met verheven stem en een aanvallig, schalksch lachje eindigde de Koning;
C'est tl toi, Cygne des Saxons,
D'arracher ce secret a la nature avare:
ü'adoucir dans les chants d'une langue barbare Les durs et détestables sons. 2)
âO, sire,quot; riep Gottsched, wien de vreugde over de hem toegebrachte loftuitingen dezen keer zijne ergernis over de âlangue barbarequot; deed vergeten : âhoe wreed en hoe goedig zijt gij in hetzelfde oogenblik. Gij beschimpt onze arme taal, en zwaait mij tevens een zoo grooten en echt koninklijken lof toe. Cygne des Saxons! Dat is een epitheton ornans, dat evenzeer ttj den koninklijken gever, als mt}', den gelukkigen ontvanger eer aandoet, en dat, zooals ik vertrouw, tot ons beider onsterfelijkheid zal dienen. Want voor een
altaar flikkert, de wierook stijgt, het slachtofler is getooid; de liefde zelve verteert het, en de verborgenheid is volbracht.
1) 's Konings eigen woorden.
2) Oeuvres posthumes. Vol. VII, p. 216.
31
Koning en held bestaat er geen grooter roem, dan wanneer hij eerbied toont voor de mannen der wetenschap, â voor de uitverkoren zonen van Apolio en de Muzen; en den geleerden, kunstenaars en dichters strekt het evenzeer tot den hoogsten roem, den eerbied der Koningen en helden verdiend te hebben! â Sire, ik maak u in de diepste en dankbaarste onderworpenheid mijn compliment. Gij hebt daar een meesterlijk dichtstukje voortgebracht, en wanneer eens de Cyyne des Saxons zijn zwanenlied zingt, zal hij zingen tot roem en lof van den grooten Frederik, den Cesar van zijn tijd!quot;
âNu, beste Quintus,quot; zeide de koning lachend, toen Golt-sched vertrokken was: âzijt gij tevreden met den grooten Duitschen geleerde.
Quintus haalde zuchtend zijne schouders op. â âSire,quot; zeide hij; âik moet helaas bekennen, dat de groote Gott-sched zijn hoofd een weinig te veel met het stof der geleerdheid bedekt heeft, en meer een pedant is, dan een mensch die weet te leven.quot;
âHij is een opgeblazen dwaas!quot; riep de Koning wrevelig; âEn nu kan ik ook volstrekt niet aannemen, dat hij een zoo groot genie is, als gij mij wilt doen gelooven. Het echte genie is bescheiden; en omdat het zich een groot doel voor oogen stelt, is het nooit met zich zelf tevreden. Maar lieden, zooals deze Gottsched, â die zich zeiven op het altaar plaatsen en zich zei ven aanbidden, â hebben hun loon reeds verkregen, en zullen nooit iets wezenlijks groots leveren.quot;
âMaar Gottsched heeft inderdaad groote en onvergankelijke verdiensten,quot; zeide Quintus Icilius met nadruk: âhij is inderdaad een herschepper der Duitsche taal; hij heeft haar werkelijk uit de barbaarschheid verlost, en haar tot de taal der beschaving en wetenschappen verheven. Geheel üuitschland verheerlijkt hem daarom; en wanneer de wierook, welke men hem overal toezwaait, zijn hoofd een weinig in de war heeft gebracht, dan is zulks bij zijne overgroote verdiensten te vergeven.quot;
âEn evenwel geloof ik niet, dat deze Gottf ched een groot man is, en het allerminst, dat hij een dichter is,quot; zeide de Koning glimlachend: â1en minste, als de Duitsche dichters en geleerden er zoo uitzien, kan men het niemand kwalijk
32
nemen, wanneer men zich'niet ondei'den drop^hunner geleerdheid wil plaatsen. Heeft deze man niet de vermetelheid gehad mij te verhalen van een gouden eeuw der letterkunde, welke in Duitschland reeds onder mijn grootvader Koning Frederik den Eerste moet gebloeid hebben, en was hij niet zoo onbeschaamd, eenige Duitsche schrijvertjes uit dien tijd, â wier barbaarsche namen niemand kent, en die ik heden voor de eerste maal hoor, â met Gorneille, Racine, ja zelfs met Virgilius te vergelijken! Noem mij denamen van die onbekende groote mannen nog eens, opdat ik toch óók de mededingers der groote dichters leere kennen!quot;
âHij sprak van Besser en Neukirch,quot; zeide Quintus half binnensmonds: âen ik moet bekennen, dat het stellig een weinig vermetel is, dezo met Racine of Gorneille te willen vergelijken. Maar wellicht deed hij het slechts, om de oplettendheid van Uwe Majesteit op dit punt te vestigen; want het is, helaas, bekend, dat de groote Frederik, die voor geheel Duitschland als een halfgod schittert, en dien Duitschland aanbidt, den Duitschers wel misschien alle mogelijke deugden, â maar toch zeer weinig vernuft, geleerdheid en geestigheid toekent.quot;
De Koning wilde juist antwoorden, toen een lakei binnentrad en den Koning een brief overreikte, welken professor Gottsched zoo even had gezonden.
De Koning nam den brief, en zeide lachend tot Quintus; âIk vind, dat Gottsched, mijn broeder in Apollo, mij ten minste de eer bewijst mij vertrouwelijk te behandelen. Inderdaad. als ik aanmatigend was, kon ik mij ten laatste nog verbeelden zijns gelijke te zijn! Nu, laat ons eens zien, wat de Cygne des Saxons ons schrijft.quot;
Hij opende den brief en las, en onder liet lezen toonde zijn gelaat een altoos spottenden glimlach, en eindelijk brak hij in luid schateren uit.
âGuichard,quot; zeide hij: ânu moet ik u toch dit poëem van den grooten Duitschen taalzuiveraar, dichter en geleerde voorlezen Gij moet mij dan zeggen, of dit nu het zuivere, edele Duitsch, of echte poëzie is. Luister maar!quot;
En de Koning trad met de gemaalde houding van een tooneelheld eenige stappen vooruit, en las op gemaakten neustoon, â juist zooals Gottsched dit gedaan had, â een gedicht voor, waarin de professor zich zeiven als den Pin-
33
dus van het Duilsche muzenkoor voorstelt, en hij de goedheid zal hebben den Koning aan de verzen van de late nakomelingschap aan te bevelen!
âZeg mij nu eens, Quintus,quot; zeide de Koning na de voorlezing : âof dat geene echte poëzie is, en of gij door dit verheven dichtstuk niet tot in uwe ziel getrolTen zijt?quot;
Hij zag daarbij Quintus met zulk een schalksche uitdrukking aan, dat deze zich niet langer ernstig kon houden.
âSire,quot; zeide hij lachend; âik moet u mijn beroemden Duitschen geleerde prijs geven, en vrijmoedig bekennen, dat Uwe Majesteit, helaas, gelijk heeft. Hij is een onuitstaanbare gek, een verwaande kwast!quot;
âVolstrekt niet, hij is een Dnitsch geleerde !quot; riep de Koning met nadruk; âEen der groote zuilen, welke den tempel der Duitsche wetenschap steunen!quot;
âSire, ik olfer u den Duitschen geleerde,quot; zeide Quintus ; âik leg hem neder op het altaar van uwen rechtmatigen spot. Moge uwe scherpe geestigheid hem verscheuren. Ik olfer Uwe Majesteit den geleerde, maar heb daarvoor ook de goedheid, sire, mij te beloven, den Duitschen dichter te zullen ontvangen.''
Ik zal het doen,quot; zeide de Koning: âlaat mij dit exemplaar ook eens leeren kennen. Maar, Guichard, ééne zaak moet gij mij óók beloven: als de Duitsche dichter op den Duitschen geleerde gelijkt, doe mij dan geene verwijlingen meer, wanneer ik van den geheelen Duitschen geleerde-en dichter-winkel niets meer weten wil!quot;
XII.
GELLERT.
De alom beminde en gevierde dichter Gellert keerde zooeven van de academie terug, waar hij in de groote aula zijne lezingen âover zedekundequot; geopend had. Een buitengewoon talrijk publiek had, als altijd, deze lezing bezocht Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VIII. 3
34
en de wegslepende voordracht van den geliefden meester met gespannen aandacht gevolgd. Toen hij het spreekgestoelte verliet, had de geheele vergadering in strijd met de gewoonte van de academie, een luid âvivat!quot; aangeheven, en allen hadden zich beijverd om den geliefden leeraar, die juist van eene ziekte hersteld was, op zijn leerstoel in hun midden dankbaar welkom te heeten.
Deze talrijke bewijzen van liefde hadden Gellert, den fijngevoeligen dichter zeer diep getroffen, en zijn zwak, steeds lijdend zenuwgestel zóódanig geschokt, dat hij zeer bleek en met waggelenden tred in zijne woning kwam, en uitgeput in den ouden leunstoel, â het eenige artikel van weelde van zijne meer dan eenvoudige studeerkamer, â nederzonk.
De oude man, die aan een der ramen in de kamer zat, en druk aan het lezen was, sloeg geen acht op hem, en alhoewel Gellert verscheidene keeren kuchte en voorbedach-teliik naar hem omzag, scheen deze diens tegenwoordigheid volstrekt niet te merken, maar las bedaard verder.
âKoenraad?quot; riep Gellert eindelijk op zeer vriendelijken, verzoekenden toon.
âHeer professor?quot; vroeg de oude, verdrietig van zijn boek opziende.
âKoenraad, mij dunkt gij kondet wel opstaan, als ik tehuis kom. Niet zoo zeer uit respect voor uwen meester als wel, omdat hij zwak en ziekelijk is, en uwe hulp van noode heeft.quot;
âHeer professor,quot; zeide de oude man bedaard : âik wilde alleen het hoofdstuk, waaraan ik juist begonnen was, uitlezen, en dan wilde ik ook opslaan ; gij kwaamt een weinig te vroeg. Het is dus uwe eigen schuld, als ik nog verder lezen moet.quot;
Gellert glimlachte. â âEn welk boek leest gij dan zoo ijverig, oude vriend?quot;
âDe Zweedsche gravin, heer professor. Gij weet wel, het is mijn lievelingsboek; ik lees het nu voor de twaalfde maal, en ik verbeeld mij altoos nog nooit zoo iets schoons, treffends en verstandigs gelezen te hebben. Ik kan volstrekt niet begrijpen, mijnheer, hoe gij dat gemaakt hebt, en hoe gij al die schoone geschiedenissen in uw hoofd hebt kunnen houden. Wie heeft u dat dan toch eigenlijk verteld?quot;
35
âDie heeft mij niemand verteld; ik heb ze uit mijn eigen hoofd en hart genomen,quot; zeide Gellert vriendelijk: âdoch neen; dat is een zeer aanmatigemle gedachte! Ik heb dat niet van mij zeiven ontvangen, maar van den groo-ten geest, die den dichteren genegen is, en hun soms genadig eene vonk van zijn goddelijk licht schenkt, om ons hart en onze verbeelding er mede te verwarmen.quot;
âNu begrijp ik u weder niet,quot; zeide Koenraad wrevelig: âwaarom spreekt gij dan niet, zooals in het boek staat? Wat de Zweedse he gravin zegt, dat begrijp ik alles zeer goed, want zij spreekt als elk ander mensch. Het is bovendien eene allerliefste, schoone en verstandige vrouw, en ik lieb menigmaal gedacht, heer professeor. âquot;
De oude Koenraad bleef steken en zag zijn meester verlegen aan.
âNu, Koenraad, wat hebt gij gedacht'?quot;
âIk heb menigmaal gedacht, wanneer gij met de Zweed-sche gravin trouwdet,âquot;
Gellert schrikte, en een lichte blos bedekte zijne wangen. â âIk, trouwen?quot; riep hij ontsteld; âDehemel verhoede, dat ik mij onder zulk een juk zou buigen, en mij aan de heerschzucht van zulk een luimig, ijdel, zonderling, hoogmoedig, eigenzinnig, behaagziek, ongevoelig schepsel, als eene vrouw is, zou onderwerpen. Koenraad, hoe komt gij aan die dolle gedachte, mij te willen uithuwelijken, daar gij toch weet, dat ik de vrouwen haat; neen, niet haat, maar er even bang voor ben, als het lam voor den wolf, die het verslinden wil!quot;
âWel zeker, mijnheer!quot; riep Koenraad driftig: âWas uwe moeder dan soms óók geene vrouw?quot;'
âJa.quot; zeide Gellert na eene pauze, en op innigen toon: âja, zij was eene vrouw, â eene edele, goedhartige vrouw. Zij was de gouden ster mijner kindsheid, het heilige ideaal van den jongeling, zooals zij nu daar boven in den hemel de beschermengel van den man is. Er bestaat geene vrouw, welke op haar gelijkt, Koenraad. Zij was de liefde, de opolfering, de goedheid, de zelfverloochening in persoon !quot;
âHet is waar,quot; fluisterde Koenraad: âzij was eene brave vrouw, de vrouw van onzen dominé. Het geheele stadje beminde en eerde haar^ omdat zij zoo goed, milddadig en
30
vroom was; en toen zij stierf, verbeelden wij ons, dat wij allen eene moeder verloren hadden.quot;
âToen zij stierf,quot; zeide Gellert met eene stem, die van aandoening trilde: âwas met haar mijn geluk en de vreugde mijner jeugd gestorven, en toen ik de eerste schop aarde op haar graf wierp, had ik een gevoel, alsof er iels in mijn hart sprong, en dit gevoel heeft mij nog nooit verlaten 1quot;
âGij hebt uwe moeder te zeer bemind, heer professor,quot; zeide Koenraad; âen daardoor komt het zeker, dat gij geene andere vrouw beminnen en trouwen wilt!quot;
âMensch, praat mij toch niet weder van trouwen!quot; riep Gellert ontsteld: âWat heeft dit rampzalige woord hier in mijn studeervertrek te maken?quot;
âVeel heeft het er te maken, mijnheer; zie maar eens rond, hoe kaal en ellendig het hier uitziet. Volstrekt niet schoon, netjes of zindelijk, zooals het bij zulk een geleerd en beroemd heer moet uitzien, en zooals het er uitziet, als eene jonge, zindelijke vrouw in huis is, die fraaie meubels en keurig linnengoed meebrengt. Gij moet stellig trouwen, mijnheer, en nog wel met eene rijke vrouw! Zóó gaat het niet langer, en zoo mag het ook niet langer gaan! Gij moet eene vrouw nemen, want van uwe beroemdheid kunt gij niet leven.quot;
âMaar toch wel van mijn post,'' zeide Gellert, bijna angstig ; âheb ik als buitengewoon professor niet een inkomen van bijna tweelionderd en vijftig thaler? Denk toch eens tweehonderd en vijftig thaler! Dat is zeer veel voor een Duitsch dichter, en ik zeg i', Koenraad, ik mag er mij gelukkig mede noemen. Het is immers toereikend om in mijne behoeften te voorzien, en mij tegen gebrek te beschermen.quot;
âHet kon toereikend zijn, heer professor, wanneer wij niet zoo buitengewoon verkwistend en overmoedig waren. Ik ben een oud man; gij moogt mij een enkel woord niet kwalijk nemen. Ik heb vijftien jaar bij mijnheer uw vader, den dominé, als knecht gediend, en gij hebt mij, in zekeren zin, van hem geërfd. Ik mag dus óók medespreken! Als het er op aankomt, wil ik met u honger en dorst lijden; maar honger en dorst lijden als het niet noodig is, dat ergert mij. Hebt gij bij voorbeeld van middag al gegeten?quot;
âNeen, Koenraad,quot; zeide Gellert verlegen; âik had toe-
37
vallig geen geld bij mij, toen ik van de voorlezing kwam; en gij weet, dat ik niet gaarne in een restauratie ga,] als ik niet dadelijk betalen kan.quot;
âGij hadt toevallig geen geld bij u? Gij hadt het zeker hier tehuis vergeten?quot;
âJa, Koenraad; ik had het hier tehuis vergeten!quot;
âNeen, mijnheer; gij hebt heden morgen uw laatsten thaler aan dien student gegeven, die hier kwam en u zijn nood klaagde, en u vertelde, dat hij in drie dagen geen warm eten had gehad, en die zoo akelig lleemde en klaagde. Dien hebt gij uw geld gegeven, en daar hadt gij zeer ongelijk aan, want nu hebben wij zei ven niets!'
âNeen, Koenraad; daar had ik geen ongelijk aan, want het was mijn plicht. Hij had honger, en ik was verzadigd ; hij was arm en in nood, en ik had geld en zat in mijne warme en gemakkelijke kamer; bijgevolg moest ik hem helpen.quot;
âJa, dat zegt gij altijd, mijnheel', en zoo gaat altijd ons geld naar de maan,quot; pruilde Koenraad: âwaarmede moeten wij ons bijvoorbeeld heden verzadigen?quot;
âNu,quot; zeide Gellert, na eene poos: âwij zullen koffie gebruiken met eene boterham. Koffie is een heerlijke drank, en vooral voor de dichters, want zij bezielt hunne verbeelding.quot;
âEn laat de maag ledig,quot; voegde Koenraad er bij.
âOm dien te vullen hebben wij boterhammen! Och Koenraad, ik verzeker u, dat wij tehuis, in de pastorie mijns vaders, soms al heel blijde zouden geweest zijn, als wij koffie en brood voor ons middagmaal kregen. Wij waren met ons dertienen broeders en zusters, behalve vaderen moeder; en het inkomen van mijn vader bedroeg uiet meer dan tweehonderd thaler. Koenraad, hij had minder dan ik, en moest daarvan dertien kinderen onderhouden!quot;
âAlsof gij van af uw elfde jaar niet reeds voor u zeiven gezorgd hebt; alsof ik niet gezien heb, hoe gij nachten achtereen bleeft copieeren, om wat geld te verdienen, â en dat op een leeftijd, waarop andere kinderen nauwelijks weten, wat geld, â veel minder, wat werken is!quot;
âMaar als ik mijne goede moeder dan ook later het geld bracht, dat ik met schrijven verdiend had, kuste zij mij ook hartelijk, en noemde mij haar moedigen en braven
;38
zoon, en dat was een beter loon voor mij, dan al het goud der wereld. En dan, toen het eerstvolgende kerstfeest kwam, en wij allen met ons dertienen vroolijk om de tafel bij den kerstboom stonden, en ons over het bordje met appels en noten en andere kleine geschenken, welke een ieder ontving, zoo recht van harte verheugden, â toen lag op mijne plaats een fonkelnieuwe rok. Het was de eerste keer, dat ik een rok van nieuw laken, en niet uit de afgelegde kleederen van vader ontving. En de stof voor den rok had moeder mij van het geld, dat ik verdiend had, gekocht. Zij had het bewaard en gespaard; en nu was het schrijfloon in een nieuwen rok veranderd, dien ik met vreugde en trotschheid dragen kon. Geen rok zit zoo warm, als dien men door zijn werk verdiend heeft. Het zelf verdiende pak is de purperen mantel van den armen man!quot;
âMaar wij behoefden niet arm te zijn!quot; bromde Koen-raad: âEn dit is juist, wat mij hindert. Wanneer wij fatsoenlijk huishielden zoudt gij met uwe tweehonderd en vijftig thaler heerlijk en onbezorgd kunnen leven. Maar alles wordt weggegeven en door anderen besteed tot er ten laatste voor ons niets meer overblijft!quot;
âMaar wij zijn toch nog nooit hongerig naar bed gegaan, Koenraad; en ook heden behoeven wij geen gebrek te lijden. Er is nog koffie, brood en boter, en morgen 'vroeg krijg ik mijn salaris van den uitgever voor de vierde uitgave mijner fabelen. Het is niet veel; maar ik denk, dat het toch wel twintig thaler zal zijn, en daarvan kunnen wij een tijd lang leven. Wees dus maar tevreden, Koenraad, en hoort gij,â ga nu naar de keuken en bezorg de koffie, want ik heb inderdaad wat honger! Nu, Koenraad; gij kijkt nog altijd even zuur. Is er nog meer ergernis, waarover gij u moet beklagen?quot;
âJa, mijnheer, het moet er uit; ik kan het niet uitstaan! De pedel heeft mij verteld, dat de universiteit u nog eene hoogere betrekking heeft aangeboden; is dat waar?quot;
,Ja, Koenraad, dat is waar. Zij wilde mij tot gewoon professor maken.quot;
âEn gij hebt het niet aangenomen?quot;
âNeen Koenraad; ik heb het niet aangenomen. Ik had dan meer colleges moeten geven; ik zou er veel moeite en last van gehad hebben, en als mij dan eens het ongeluk getroffen had van rector te worden, zou ik een ver-
39
loren man geweest zijn; want dan moet men partijen geven, om de waardigheid van de academie op te houden, en zelfs, als vorstelijke personen hier komen, hen in naam der universiteit begroeten en aanspreken! Neen, ik moet voor die eer bedanken! Ik heb geen lust, om met groote lieeren om te gaan, en ik williever als buitengewoon professor met een klein inkomen op mijn gemak en vrij in mijne studeerkamer zitten, dan als gewoon professor met een groot inkomen in de voorkamers der grooten rondslenteren. Bovendien ben ik ziekelijk; en dat zou mij beletten, zoovele voorlezingen te houden, als de Regeering van een gewoon, hoog bezoldigd professor kan eischen. Men mag evenwel nooit geld aannemen voor hetgeen men niet gedaan heeft, en niet doen kan. â Ziet gij Koenraad ; dit zijn mijne redenen, waarom ik de mij opgediagen betrekking voor de tweede maal geweigerd heb; zijt gij nu tevreden, en wilt gij mij nu heel lekkere koffie gaan zetten?quot;
âTóch blijft het altijd schande.quot; bromde Koenraad: âdat men van u zegt, dat gij geen gewoon professor zijt. Maar dat komt er van, als men geene vrouw heeft! Als de Zweedsche gravin hier was, dan zou het er zeker overal prachtig en keurig uitzien; dan zou uwe studeerkamer netjes opgeruimd zijn, en gij zelf zoudt altoos mooi en zindelijk gekleed zijn, zoodat niemand het wagen zou te zeggen, dat gij geen gewoon professor zijt!'' 1)
âMaar dat is immers geene beleediging, Koenraad!quot; riep Gellert lachend; âen volgens uwe opvatting moet ik thans immers meer zijn, dan ik zijn zoude, wanneer ik de plaats aangenomen bad. Want nu ben ik geen yetvocw, maar een âbuitengewoonquot; professor!quot;
âHet doet mij in elk geval genoegen, dat de menschen ten minste inzien, dat gij inderdaad een/wi7e/M/CTlt;/00« professor zijt,quot; zeide Koenraad tevreden gesteld; âen nu ga ik naar de keuken koffie zetten. Maar wacht eens, daar valt mij in, dat ik u nog een brief moet overgeven.quot;
1
De woordspeling gaat hier in de vertaling geheel verloren. Koenraad begrijpt dat zijn meester geen fatsoenlijk professor is; hij was immers niet âordentlicherquot; Professor 1 De knecht verstaat dit woord niet als âgewoonquot; maar als âfatsoenlijk.quot;
Vert.
40
Hij nam een brief van de tafel en reikte hem zijn meester over. Terwijl deze hem opende, ging Koenraad langzaam naar de deur blijkbaar nieuwsgierig om den inbond van den brief te vernemen. HU had de deur ook nog niet bereikt, toen zijn heer hem reeds terug riep.
âKoenraad,' zeide Gellert met trillende stem : âhoor eens wat er in dezen brief staat!''
âWel, daar ben ik nieuwsgierig naar,quot; zeide Koenraad, met vriendelijken lach: âlees maar voor!quot;
Gellert nam den brief en begon; âMijn waarde en ge-eerde heer professor! Vergun een âquot;
Hier bleef hij steken, en een hoog rood bedekte zijne wangen. â âNeen,'' lluisterde hij: âdat is al te veel, al te overdreven lof voor mij. Lees gij zelf!quot;
âMijnheer professor,quot; zeide Koenraad, den brief nemende; âgij zijt waarlijk zoo verlegen als'eene jonge julïrouw._Zijn lof te lezen, is toch waarlijk geen schande! Luister dan maar;
âMijn waarde en geëerde heer professor! Vergun een uwer leerlingen, die u grenzenloos vereert, u eene bede voor te stellen, en eene beleefdheid van u te vragen. Ik ben rijk aan stolfelijke goederen; God heeft u met de rijkste gaven van geest en hart bedeeld, maar omdat hij u zoo rijk van geest maakte, heeft hij verzuimd, u stoiï'elijken rijkdom te schenken. Uw inkomen is niet groot; maar uw hart is zóó groot en edel, dat gij het weinige dat gij hebt, nog den armen en lijdenden geeft, en anderen verpleegt, terwijl gij zelf verpleging noodig hebt. Gun, geëerde en aangebeden meester, ook anderen het geluk, dat gij u zoo rijkelijk verschaft; het geluk van behulpzaam te zijn; gun mij de vreugde, u, die met den armen zijn brood, en met den lijdenden zijn laatsten thaler deelt, een kleine bijdrage bij uw inkomen aan te bieden, en u de vergunning te vragen, u, zoolang de goede God u tot vreugde uwer leerlingen, tot roem van geheel Duitschland het leven schenkt, eene jaarwedde van tweehonderd thaler uit te betalen. De bankier Farenthal beeft last gekregen, u elk kwartaal uit te keeren, en zal er morgen een begin mede maken.
Uw dankbare en hoogachtende leerling.'' ^
1) Graaf Moritz von Brühe, Gellert's meest geliefde leerling, betaalde deze jaarwedde van 1759 tot aan (iellert's dood, zonder dat deze ooit geweten heeft, van wien hij haar ontving.
41
âHij leve! Hij leve!'' juichte Koenraad, liet papier hoog in fle lucht zwaaiende; âNu zijn wij rijk; nu kunnen wij lekker leven, en hel er eens van nemen. O, nu zal ik wel voor u zorgen; en gij moet nu alle dagen een glas wijn drinken, opdat gij weder bij krachten komt; en in de beste restauratie ga ik u abonneeren, en laat alle dagen het eten aan huis komen, opdat gij het op uw gemak in uw kamerjapon kunt gebruiken!quot;
âBedaard, bedaard, Koenraad!quot; riep Gellert lachend âUit louter vreugde over het geld, vergeet gij den edelen gever. Wie kan het wezen? Wie onder mijne leerlingen is rijk, edelmoedig en kiesch genoeg, om zooveel en zoo te geven ?quot;
âHet is iemand, die niet wil, dat gij zijn naam weet, heer professor!quot; riep Koenraad verheugd: âMaar nu, mijnheer, komt er niets van de koffie en de boterhammen. Wij zijn nu rijk, en behoeven nu niet zoo armzalig te leven. Ik ga naar de restauratie, en haal er een lekker gebraden kippetje, met wat gestoofde vruchten en een glas wijn!quot;
âHet is waar,quot; zeide Gellert verheugd; âeen kippetje zou mijne zwakke maag goed doen, en een glas wijn ook. â Maar neen, Koenraad, het moet bij de koffie blijven; wij hebben geen geld om zulk een middagmaal te betalen.quot;
âWelnu, dan borgen wij het. Morgen komt het eerste kwartaal van uwe nieuwe jaarwedde, en dan ga ik het eten dadelijk betalen.quot;
âNeen, Koenraad, neen,quot; zeide Gellert vastbesloten; âmen moet nooit eten, wat men niet dadelijk betalen kan. Ga dus naar de keuken en zet de koffie.quot;
Koenraad was juist op het punt, brommend en wrevelig het bevel van zijn meester te volvoeren, toen er luid en heftig aan de voordeur van de nederige professors-woning gescheld werd.
âWellicht zendt de bankier vandaag het geld al!quot; riep Koenraad verheugd, en vloog haastig heen, terwijl Gellert den brief opnam en nauwkeurig het schrift bestudeerde.
Maar nu kwam Koenraad met een hoogst deftig gelaat terug. â âDe Pruisische majoor Quintus Icilius wenscht mijnheer den professor uit naam van den Koning van Pruisen te spreken!quot; zeide Koenraad plechtig.
âUit naam van den Koning van Pruisen!quot; riep Gellert
42
verschrikt terugtredende: âWat kan de groote krijgsheld van den armen Gellert verlangen?quot;
âDat zal ik de eer hebben u te zeggen, mijnheer,quot; riep eene stem aan de deur; en toen Gellert zich omkeerde, stond de hooge en schitterende gestalte van den Pruisischen majoor Quintus Icilius voor hem .,Vergeef mij, dat ik zonder verlof hier binnenkom; maar uw bediende had de deuren opengelaten, en toen dacht ik âquot;
âToen dacht gij, hoop ik, dat Gellert zich verblijden zou een majoor, die bovendien zulk een sehoonen en beroemden naam draagt, in zijne nederige woning te mogen ontvangen,'' zeide Gellert vriendelijk, Koenraad een wenk gevende het vertrek le verlaten,5waaraan deze slechts schoorvoetend voldeed, met het stellige voornemen, buiten alles af te luisteren.
âEerst moet gij mij vergunnen u te zeggen, hoe verheugd ik ben met zulk een geleerd en beroemd man kennis te maken, als pofessor Gellert is,quot; zeide Quintus met eene eerbiedige buiging voor den dichter, wiens kleine en schrale gestalte ^nauwelijks tot aan den schouder van den majoor reikte; âen nu zal ik u de reden van mijne komst zeggen. Zijne Majesteit de Koning van Pruisen wenscht u te leeren kennen, en zendt mij hierheen om u dadelijk tot hem te geleiden.quot;
âDadelijk?quot; riep Gellert ontsteld âMaar, mijnheer; gij zult het mij wel kunnen aanzien, dat ik ziek en zwak ben. Wat heeft de Koning met een ziekelijk man, die niet spreken kan, te maken?quot;
Quintus haalde zijne schouders op en zag den armen professor met deelneming aan. -â âHet is waar,quot; zeide hij: âgij ziet er niet wèl uit, en ik kan u natuurlijk niet dwingen, reeds terstond met mij te gaan. Maar ik moet u toch eene opmerking maken- wanneer gij denkt, met die verontschuldiging vrij te komen, dan vergist gij u. De Koning koestert den wensch om u te spreken, en mijne taak is het, u bij hem te brengen. Kunt gij dus van daag niet, dan moet ik morgen, â en wanneer gij dan nog ziek zijt, overmorgen terugkomen, en zoo vervolgens alle dagen, tot gij kunt medegaan.quot;
âMaar dat is immers verschrikkelijk!'' riep Gellert ontsteld.
43
Quintus haalde glimlachend zijne schouders op. â.Besluit dus, mijnheer,quot; zeide hij; âik geef u een uur lijd! Om vier uur kom ik terug om u te vragen, of gij heden, â ot op een anderen keer gaan wilt.quot;
âJa, doe dat mijnheer,quot; zeide Gellert herademend: âik zal intusschen mijn middagmaal gebruiken, en dan zien, hoe ik mij gevoel.quot;
âKoenraad, Koenraad,quot; riep Gellert, toen Quintus Icilius hem verlaten had, en zijn bediende binnentrad; âKoenraad, hebt gij de noodlottige boodschap gehoord! Ik moet bij den Koning van Pruisen komen!quot;
âIk heb het gehoord,quot; zeide Koenraad; ^en kan er niets noodlottigs in vinden, maar wêl eene zeer groote onderscheiding. De Koning heett voor eenige dagen ook professor Gottsched bij zich laten komen, en zich lang met hem onderhouden. Sedert verbeeldt zich zijn geheele huis, dat mijnheer Gottsched, de lieve God in persoon is, en dat zij allen op zijn minst de heilige aarts-engelen zijn. Daar om verheug ik mij, dat de Koning u óók de eer aandoet, en u wil leeren kennen.quot;
âOch wat, eer!quot; bromde Gellert; âDie groote mijnheer wil de Duitsche geleerden ook eens bekijken, evenals andere menschen in eene menagerie gaan, om de apen te zien, en zich met hunne wonderlijke kuren te vermaken. Het is enkel nieuwsgierigheid, die deze heeren drijft, om óók eens zulk een wonderdier van een professor zijne kunsten voor hen te laten vertoonen ; van onzen geest begrijpen ze niets. Het is hun voldoende, wanneer zij ons gezien hebben. Koenraad, ik ga er niet heen, en ik zal van daag en morgen en alle dagen ziek zijn! Wij zullen eens zien, of die moderne Quintus Icilius het niet eindelijk zal moeten opgeven!quot;
En de anders zoo zachtmoedige en toegevende dichter liep in hevige opgewondenheid met fonkelende oogen en hoogroode wangen in zijn kamer heen en weder, telkens herhalende; âIk ga niet! ik ga niet!quot;
âGij gaat wèl, heer professor,quot; zeide Koenraad, zijn heer in den weg tredende, en hem half biddend, half dreigend aanziende; âgij gaat wel! Gij zult uwen ouden Koenraad de vreugde gunnen, den opgeblazen bediende van den heer Gottsched te kunnen zeggen; âmijn heer is óók bij den
44
Koning van Pruisen geweest.quot; Gij zult mij niet de beleedi-ding aandoen, dat ik een heer moet dienen, die niet bij den Koning kwam, terwijl mijnheer Gottsched er wvl geweest is!quot;
âMaar, Koenraad !quot; riep Gellert op klagenden toon; âwat helpt het mij nu, dat ik geweigerd heb gewoon professor Ie worden, om het gevaar te ontloopen, van rector te moeten zijn, en den een of anderen dag met Koningen en Vorsten te moeten spreken?quot;
âDat helpt,quot; zeide Koenraad plechtig: âdat helpt om de wereld te toonen, dat een echt dichter volstrekt niet noodig heeft een echt professor te zijn, om bij Koningen en Vorsten geroepen te worden! Mijnheer, gij moei gaan, de Koning verwacht u; en wanneer gij mei komt, dan heeft het er zoo iets van, dat gij het maakt als de Oostenrijkers, die óók bang zijn voor den Koning van Pruisen!quot;'
âDat is waar,quot; zeide Gellert, wiens weerzin reeds lang voor de vermanende woorden van Koenraad geweken was: âhet zou schijnen, alsof ik bang voor hem was.quot;
âEn een beroemd man moet voor niets bang zijn,quot; riep Koenraad: âzelfs niet voor een Koning!quot;
âHet zij zoo,quot; zeide Gellert glimlachend: âik zal u het genoegen doen, en heden nog naar den Koning gaan. Maar eerst moet ik koffie drinken en eene boterham eten. Want als ik met zulk een ledige maag naar den Koning ging, kon ik wel tlauw vallen, en dat zoude toch inderdaad schande voor u zijn Koenraad!quot;
âik loop al om de koffie te balen!quot; riep de brave oude bediende, verheugd naar de keuken snellende.
45
XIII.
DE KONING EN DE DICHTER.
Nauwelijks had Gellert zijn sober maal genuttigd, en zijn toilet een weinig in orde gebracht, toen de majoor Quintus Icilius reeds weder terugkwam en den dichter vroeg, ot hij zich nog altoos niet wel genoeg gevoelde, om hem naaiden Koning te volgen.
âWel ben ik nog niet,quot; hernam Gellert met treurigen glimlach: âdoch daar mijne ziekte van dien aard is, dat zij mij morgen en overmorgen en alle dagen niet verlaten zal, en gij alle dagen terug wilt komen, is het maar beter, dadelijk aan het bevel des Konings te voldoen. Ik ben dus bereid u te vergezellen, mijnheer; laat ons gaan!quot;
Mij nam zijn steekje, dat Koenraad hem] met een hoogst gelukkigen glimlach overreikte, en volgde den majoor naar het prachtige Apelische huis, waar de Koning voor dezen winter zijn kwartier betrokken had.
âHoorquot; eens, mijnheer,quot; zeide Quintus, toen zij de prachtige trap opgingen: âvergeef mij eene bede! De Koning bezit eene soort van ingenomenheid tegen de Duitsche dichters en geleerden, en het zou zeker voor de Duitsche geleerde- en dichterwereld van onberekenbaar voordeel zijn, als dit vooroordeel verdween, en de groote Koning zijne deelneming en aanmoediging, âwelke liij nuaandeEran-schen en Italianen schenkt, â op de Duitschers'overbrdcht. Bedenk dat mijnheer, en tracht door een vriendelijk en innemend gedrag den Koning te winnen.quot;
âAch, mijn hemel,quot; zuchtte Gellert: âik versta volstrekt de kunst niet om met de grooten dezer aarde om te gaan, hen te vleien en vol lof en bewondering voor alles te zijn. Mijn hart en mijne manieren zijn eenvoudig en zonder vertooning.''
âEn dat is juist goed,quot; zeide de majoor glimlachend: âde Koning kan die verwaande en opgeblazen geleerdheid volstrekt niet uitstaan. Wees dus geheel u zelf. Verbeeld u, dat gij in uwe studeerkamer zijt, en open en vrijspreekt
4ü
met een hoog geplaatst vriend, dien gij eenige beleefdheid en oplettendheden schuldig zijt.quot; â
De Koning liep, op zijne fluit fantaseerend, in zijne kamer heen en weder, toen de deur geopend werd en de majoor Quintus met Gellert binnenkwam. Dadelijk legde de Koning de fluit neder, en ging met zijn vriendelijken en innemenden glimlach den dichter te gemoet, wiens zacht en verstandig voorkomen de uitdrukking van de volmaakte rust en bedaardheid toonde, en die door den helderen en doordringenden blik des Konings volslrektniet verlegen werd.
âZijt gij professor Gellert?'' vroeg de Koning met eene lichte buiging van het hoold.
âJa, Uwe Majesteit, die ben ik,quot; zeide Gellert, zich diep buigende.
âDe Engelsche gezant heeft mij veel goeds van u verhaald,quot; zeide de Koning als terloops: âhij heeft vele van uwe geschriften gelezen.quot;
âDat bewijst, dat hij een zeer toegevend en welwillend lieer is, die zelfs op Duitsche schrijvers nog eenige hoop heeft,quot; hernam Gellert met geestige gevatheid.
De Koning glimlachte, en wellicht om hem nog meer te plagen, vroeg hij haastig: âZeg mij toch eens, hoe komt bet, dat wij geene goede Duitsclie schrijvers hebben?quot;
Quintus zag den blos, welke de wangen van den dichter kleurde, en wilde eenig scherp en bitter woord voorkomen.
âO, sire,quot; zeide hij: âgij ziet hier juist een Duitschen dichter voor u, waarover de Franschen zelfs verbaasd staan, en dien zij den Duitschen La Fontaine noemen!quot;
âDat is veel, zeer veel!quot; zeide de Koning, wiens groote oogen nu nog oplettender op het edel en sprekend gelaat van Gellert gevestigd bleven: âMen noemt u dus den Duitschen La Fontaine! Hebt gij La Fontaine gelezen?quot;
âJa, sire; maar ik heb hem niet nagevolgd,,quot; zeide Gellert vrijmoedig: âik ga mijn eigen weg.quot;
De Koning knikte hem vriendelijk toe. De bedaarde vrijmoedigheid van Gellert beviel hem buitengewoon. âWelnu,quot; zeide hij: âgij zijt dus een goed dichter, maar waarom hebben wij er niet meer?quot;
Gellert haalde zijne schouders op. âUwe Majesteit is nu eenmaal tegen de Duitschers ingenomen!quot;
âNeen, dat kan ik niet zeggen!quot; riep de Koning levendig.
47
âTen minste tegen de Duitsche schrijvers,quot; vulde Gel-lert aan.
âJa, dat is waar, dat kan ik niet loochenen! Waarom hebben wij geene goede geschiedschrijvers?quot;
âDaaraan ontbreekt het ons volstrekt niet, sü'e,quot; zeide Gellert, met edelen trots: âwij hebben een Maskow, een Kramer, die Bossuet vervolgd heeft.''
âHoe?quot; riep de Koning verwonderd: âBossuet? Och, mijnheer, hoe is dat mogelijk, dat een Duitscher Bossuet vervolgd heeft?quot;
âKramer heeft gedaan,quot; zeide Gellert: âen bovendien zeer gelukkig. Een uwer geleerdste profossoren van de academie heeft gezegd, dat Kramer Bossuet met dezelfde welsprekendheid, en met diepe historische kennis vervolgd heeft.quot;
De Koning schoen inderdaad verbaasd, en liep eenige keeren in gedachten heen en weer. Toen bleef hij vlak voor Gellert staan, en zag hem scherp in het gelaal. â âHeeft de man, die dat gezegd heeft, het ook begrepen?quot;
âDe wereld gelooft het, sire!quot;
âMaar waarom waagt zich niemand aan Tacitus? Dien moest men goed vertalen.quot;
âTacitus is moeielijk te vertalen,quot; zeide Gellert glimlachend ; âer bestaan ook slechts 1' ransche vertalingen van dien schrijver!quot;
âDaarin hebt gij gelijk!quot; riep de Koning.
âEn bovendien,quot; vervolgde Gellert; âkan men verscheidene redenen opgeven, waarom de Duitschers in alle soorten van goede geschriften nog niet uitgemunt hebben! Toen de kunsten en wetenschappen bij de Grieken bloeiden, voerden de Bomeinen nog oorlogen. Wellicht is het nw de eeuw der oorlogen voor de Duitschers. Wellicht heeft het hun óók aan een Augustus, of een Lodewijk den Veertiende ontbroken, die de geleerden en dichters van zijn land beschermde en ondersteunde.quot;
Dit was eene stoute en vrij scherpe toespeling, welke de Koning intusschen glimlachend opnam.
âGij hebt twee Augustussen in Saksen gehad,quot; zeide hij.
âEn wij hebben ook in Saksen een goed begin gemaakt! Maar er ontbreekt een Augustus voor uitschland!quot;
âHoe ?quot; riep de koning levendig en met fonkelende
48
oogen: âWilt gij dan één Augustus voorgeheel Duitschland hebben ?quot;
âDat juist niet,quot; zeide Gellert: âmaar ik zou wenschen dat elk Duitsch Vorst in zijn land de wetenschap beschermde. Het genie heeft aanmoediging noodig; en wanneer het die niet in zijn land en door zi/'n Vorst vindt, hoe zal het dan de noodige kracht tot scheppen behouden?quot;
De Koning gaf geen antwoord, maar liep in gedachten hel vertrek op en neder; van tijd tot tijd een vluchtigen, onderzoekenden blik op Gellert slaande, die volkomen bedaard tegen hem over stond.
âZijt gij nooit buiten Saksen geweest?quot; vroeg/le Koning eindelijk.
âJawel, sire; ik ben ook eens te Berlijn geweest.
âGij moet daar weder komen!quot; riep de Koning, en toen, als het ware berouw hebbende, dat hij den Duilschcn dichter zooveel beleefdheid betoond had, vervolgde hij; âGij moet in het algemeen reizen.quot;
âSire, daartoe ontbreekt het mij aan gezondheid en geld.'
âZijt gij ziek?quot; vroeg de Koning op zachten, deelne-menden toon: âWelke ziekte hebt gij dan? Soms die der geleerden?quot;
Gellert glimlachte. â âAls Uwe Majesteit haar zoo verkiest te noemen, heb ik er vrede mede. In mijn mond zou het verwaand geklonken hebben.quot;
âIk heb deze ziekte óók gehad!quot; riep de Koning lachend; âIk zal u genezen. Gij moet wat beweging nemen; alle dagen uit rijden gaan, en elke week eens rhaharber gebruiken.quot;
,,0, sire; deze kuur zou voor mij allicht eene nieuwe ziekte worden,quot; zeide Gellert ontsteld : âals het paard gezonder ware dan ik, zou ik het niet kunnen berijden, en als het zoo ziek als ik ware, zouden wij beide niet ver komen.quot;
âDan moet gij een rijtuig nemen,quot; merkte de Koning lachend aan.
âDaartoe heb ik geen geld, sire.quot;
âJa, dat is waar,quot; zeide de Koning: âhet ontbreekt den geleerden in Duitschland altijd aan geld! Het zijn ook slechte tijden.quot;
âJa, wél slechte tijden; maar het ligt in handen van Uwe
49
Majesteit ze te verbeteren!quot; Och, mocht Uwe Majesteit aan Duitschland den vrede schenken!quot;
âKan ik dit dan doen?''riep de Koning heftig: âHebt gij dan niet gehoord, dat zij met hun drieën tegen mij zijn!quot;
âIk bekommer mij meer om de oude, dan om de nieuwe geschiedenis,quot; hernam Gellert, die geen lust gevoelde, den Koning op de gladde baan der staatkunde te volgen.
âGij kent dus de Ouden zeer nauwkeurig?quot; vroeg de Koning: âWat dunkt u er van; wie is schooner in het heldendicht, Homerus of Virgilius ?quot;
âHomerus schijnt de voorkeur te verdienen, omdat bij oorspronkelijk is.quot;
âMaar Virgilius is toch veel beschaafder en fijner.quot;
Gellert schudde driftig met het hoofd. Nu bet om de Ouden te doen was, liad de Duitsche geleerde alle schroom afgelegd. â â Wij zijn veel te ver van Virgilius verwijderd, dan dat wij zijne taal en zeden nauwkeurig genoeg zouden kunnen beoordeelen,quot; zeide hij levendig: âik vertrouw op Quintilianus, die Homerus den voorrang geeft.quot;
âMen moet echter ook geen slaaf van het oordeel dei-Ouden zijn!quot; riep de Koning geraakt.
âDat ben ik ook niet, sire; ik volg hen slechts dan, wanneer ik, door den afstand, niet zelf oordeelen kan.quot;
âDaarin hebt gij stellig gelijk,quot; zeide de Koning vriendelijk: âgij schijnt mij, over het algemeen, een zeer verstandig en vernuftig man te zijn. Ik hoor, gij hebt veel voor de Duitsche taal gedaan. Hebt gij dan niet tegen den kanselarijstijl geschreven ?quot;
âO ja, sire; maar het heeft, helaas, niet veel geholpen.quot;
âWaarom wordt het dan niet anders?quot; vroeg de Koning: âGij wilt allen, dat ik belang in het Duitsch zal stellen; en het is zulk eene bai'baarsche taal, dat ik dikwijls geheele vellen schrifts ontvang, waarvan ik geen woord begrijp!quot;
âDat komt, omdat het in den kanselarijstijl geschreven is.quot;
âMaar waarom wordt het dan niet anders?quot;
âWanneer Uwe Majesteit dat niet veranderen kan, kan ik het stellig niet,quot; antwoordde Gellert glimlachend: âik kan slechts raden, waar (jij beveelt.quot;
âMaar uwe gedichten zijn toch niet in dat stijve, afschuwelijke Duitsch geschreven, niet waar? Kent gijniet eene van uwe fabelen van buiten?quot;
Uührbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VIII. 4
50
âIk twijfel er aan, sire. Mijn geheugen is mij zeer ontrouw.quot;
âKom; bedenk u eens even,quot; zeide de Koning: âik zal intusschen eens heen en weêr loopen!â âNu, â hebt gij er een?quot;
âJa, sire,quot; zeide Gellert na kort bedenken: âik geloof, ik heb er een!quot;
âLaat hooren,quot; zeide de Koning, terwijl hij op een leunstoel ging zitten, en zijne oogen onafgewend op Gellert vestigde, die in eene losse, bevallige houding midden in de kamer stond, zijn helder oog op den Koning gevestigd hield, en nu begon:
DER MALER.
Ein kluger Maler in Athen,
Der minder, weil man ihm bezahlte,
Als weil er Ehre suchte, malte,
Liess einen Kenner einst den Mars im Bilde seli'n,
Und bat sich seine Meinung aus.
Der Kenner sagte ihm frei heraus,
Dass ihm das Bild nicht ganz gefallen wollte
Und dass es, um recht schön zu sein.
Weit minder Kunst verrathen sollte.
Der Maler wandte Vieles ein :
Der Kenner stritt mit ihm ans Gründen,
Und konnte ihm doch nicht überwinden.
Gleich trat ein junger Geek herein Und nahm das Bild in Augenschein.
Oh, rief er bei dein ersten Blicke,
Ihr Götter, welch ein Meisterstücke!
Ach, welcher Fuss! Oh, wie geschickt Sind nicht die Niigel ausgedrückt!
Mars lebt durchaus in diesem Bilde.
Wie viele Kunst, wie viele pracht 1st in dem Helme und in dem Schilde Und in der Rüstung angebracht.
Der Maler ward beschamt, gerübret,
Und sah den Kenner klaglich an.
âNun,quot; sprach er, âbin ich überführet!
Ihr habt mir nicht zu viel gethan!quot;
Der junge Geck war kaura hinaus.
So strich er seinen Kriegsgott aus.
âEn de moraal?quot; vroeg de Koning levendig, toen Gellert een oogenblik zweeg.
âIs deze sire:
51
Wenn deine Schrift dein Kenner nicht gefallt, So ist das schon ein böses Zeichen,
Doch wenn sie gar des Narren Lob erhalt So 1st es Zeit, sie auszustreichen. 1)
1) J. Lublink, de Jonge, heeft deze fabel gelukkig in het Nederlandsen overgebracht;
DE SCHILDER.
Een schilder in Alheai', die altoos min naar voordeel.
Dan roem en glorie in zijn oefning had getracht.
Maalde eens den oorlogsgod, en vroeg een' man van oordeel.
Wat hem van dit taf'reel en zijn behand'ling dacht. De kenner, overtuigd, dat hij 't uit leerzucht vraagde, Zei ongeveinsd: dat hem dit stuk niet zeer behaagde. Omdat, naar 't geen hij van de kunst verstond.
Hij 't veel te uitvoerig en niet meesterachtig vond. De schilder, van zijn' kant, zocht dit te wederleggen,
Eu liet zich door de reên des kenners niet gezeggen.
Gedurende hun kunstgesprek.
Vertoonde zich een jonge gek.
Die, op het eerst gezicht, zijn vonnis stout dorst strijken. Nooit vond hij een tafereel zoo schoon:
'tWas onverbeterlijk, dit zwoer hij bij de Goón; Het was een meesterstuk, waar alles voor moest wijken, âó Hemel, riep hij, welk een voet!
Wat zijn die nagels dun! en hier, hier ziet men 'tbloed Door de opgezwollen ad'ren zweven.
Mars zelf schijnt in dit beeld te leven, 't Is ongeloofelijk, hoe groot een kunst en pracht Hier in den helm en schild en 't harnas zijn gebracht.quot;
De schilder, op dien lof, van schaamte schier bezweken.
Zag nu bedrukt den kenner aan;
âAch!quot; zegt bij: âlieve vriend! ik zal geen woord meer spreken
âGij hebt mij waarlijk recht gedaan.quot;
En nauwelijks was de gek ter huisdeur uitgegaan.
Of onze schilder had zijn' Mars reeds doorgestreken.
Indien uw schrift aan kenners niet behaagt,
Dan hebt gij reên om 't af te keuren;
Maar zegt een gek, dat gij gelukkig zijt geslaagd, Dan moogt gij 't vrij in stukken scheuren.
52
âDat is schoon, zeer schoon!''riep de Koning levendig:
âEr is zoo iets hoffelijks in uwe vormen, en ik versta alles, wat gij zegt. Daar heeft men mij eene vertaling van Iphi-genia door Gottsched gebracht, en Quintus heeft haar mij voorgelezen! Ik heb het Fransch er bij gehad en geen woord verstaan. Zij hebben mij ook een poëet Pitsch gebracht, dien heb ik weggesmeten.quot;
âSire, dat heb ik óók gedaan,quot; zeide Gellert glimlachend.
De Koning knikte hem vriendelijk toe. â âAls ik hier blijf,quot; zeide hij ; âmoet gij mij dikwijls komen bezoeken, en uwe fabelen medebrengen, en mij er uit voorlezen.quot;
Gellert's voorhoofd betrok. â âIk weet niet, of ik een goed voorlezer ben,quot; zeide hij verleden: âik heb zulk een zingerigen toon uit de bergstreken.quot;
âJa, evenals de Sileziërs,quot; riep de Koning met een glimlach: âmaar dat klinkt heel lief. Gij moet uwe fabelen zelf lezen, anders verliezen zij. Bezoek mij dus dikwijls en breng uwe fabelen mede!quot; â ^
âVergeet het verzoek van den Koning niet,quot; zeide Quintus Icilius, toen hij Gellert naar huis geleidde: âbezoek hem spoedig weder, en wees overtuigd, dat gij nooit te vergeefs zult komen. Ik zal wel zorgen, dat de Koning u telkens ontvangt, als gij komt.quot; ,
Gellert zag den majoor glimlachend aan. â âWaarde heer,quot; zeide hij : âik ben in vele opzichten een zeer ouder-wetsch man, en lees bijvoorbeeld, tot mijne leering, veel gt; in de Heilige Schrift. In Jezus Sirach heb ik gelezen: âDring u niet in bij de Koningen,quot; en dit woord schijnt mij zóó wijs te zijn, dat ik de vrijheid zal nemen het letterlijk op te vatten, en er mij naar te regelen.quot;
Hij nam haastig afscheid en snelde naar huis, waarop de majoor langzaam naar den Koning terugkeerde, terwijl hij Gellert in zijn binnenste bijna benijdde om zijn schoon en tevens bescheiden gevoel van onafhankelijkheid.
âQuintus,quot; zeide de Koning vriendelijk: âdezen keer ben ik u dankbaar voor eene nieuwe Duitsche kennismaking. De dichter was beter dan de geleerde. Gellert is de verstandigste van alle Duitsche geleerden en dichters. Een geheel ander man dan Gottsched, die met zoo veel vertoon van geleerdheid optrad. En tóch zal Gellert hem overleven, en wellicht de eenige Duitscher zijn, die tot het nageslacht
53
overkomt. Hij werkt wel is waar in een klein genre, maar daarin ook met zeer veel geluk en talent.quot; ')
XIV.
DE KONING EN DE DOUPSSGHOUT.
Niet ver van het Silezische stadje Strehlen ligt een klein en onaanzienlijk dorp, Woiselwitz genaamd, waar het heden lot schrik en ontsteltenis der bewoners buitengewoon levendig was. En geen wonder! Immers, de kwartiermakers van het koninklijke leger waren in het dorp gekomen, en hadden de spoedige aankomst van den Koning gemeld. Toen waren zij verder getrokken, om in de naastbij gelegen dorpen kwartier voor het leger te maken, dat na zoovele en velerlei vermoeienissen en rampen, wel rust en verkwikking behoefde. Want moeielijke en treurige tijden had het beleefd ; en in het kamp van Bunzelwitz had de honger den moed der meest onversaagden gebroken; de meest geduldige was moedeloos geworden. Slechts de Koning had zijn moed, zijne beradenheid, zijne werkzaamheid en zielskracht behouden; hij alleen had zonder klacht den nijpendsten nood, de bitterste ontbei'ingen verduurd. Door overmachtige vijanden omsingeld, had zijn groote en stoute geest die verschansingen verzonnen, waarmede hij zijne uitgestrekte legerplaats omgaf, en welke den vijand met verbazing en bewondering vervulden. Noch Daun, noch Laudon, noch Tschernitschew en Butturlin hadden het durven wagen deze verschanste legerplaats aan te tasten, welke tot hunne verbazing bijna onder hunne oogen plotseling als door tooverkracht in eene ongenaakbare vesting verrezen was. Werkeloos en bewonderend stonden zij tegenover dien stouten, nooit te overwinnen
1) 's Konings eigen woorden; evenals overigens het geheele gesprek met Gellert, trouw naar de geschiedenis gevolgd is.
54
vijand, dien zij zoo dikwijls reeds dachten le verpletteren, en die altoos weder met leeuwenmoed de strikken verscheurde, welke zij hem gespannen hadden. â Otschoon de verbondenen het alzoo niet waagden den Koning in zijne verschanste legerplaats, met hunne kanonnen en zwaarden, aan te tasten, tóch beproefden zij het met een ander, niet minder verschrikkelijk wapen; den honger. Een reusachtige kring van geharnaste vijanden omsingelde dus van nabij de verschanste legerplaats te Bun-zelwitz, sneed den Koning allen toevoer van levensmiddelen voor zijn leger af, en loerde met rustelooze waakzaamheid op elke beweging der belegerden, â gereed om van elk verzuim gebruik temaken, met eiken misslag zijn voordeel te doen.
Maar ook de Koning was waakzaam en ten strijde gerust. Hij veranderde den nacht in den dag, den dag in den nacht, om altijd gereed, altijd slagvaardig te zijn. Want daar men bij dag nauwkeurig de bewegingen] der verbondenen kon nagaan, waren eenige aan het uiterste einde der verschansingen geplaatste schildwachten voldoende, om den vijand in het oog te houden; en het Pruisische leger kon zich dan onbezorgd aan den slaap en de rust overgeven. Maar bij nacht moest men waken; zoodra de avond inviel, werden de tenten afgebroken, de bagage onder de kanonnen van Schweidnitz gebracht, en achter de verschansingen schaarden zich alle regimenten in slagorde onder het geweer, in ademlooze spanning naar elk gedruisch luisterende, of dit hun ook soms het naderen van den aanrukkenden vijand aankondigde. Voetvolk, ruiterij en geschut stonden gereed hem te ontvangen, en elkeen had vast besloten, in dien slag den roemvollen dood boven de onderwerping en overgave te kiezen. En ondanks deze vermoeienissen en het gebrek; bleef het leger onversaagd; want de Koning deelde in het gevaar en den nood, hij bracht de nachten wakend met hen door 1); hij was altijd
1
De Koning bracht eiken nacht zonder eenige gemakken in een der schansen bij de groote batterijen door, aan de koude van den nacht blootgesteld, als de geringste soldaat. Slechts éénmaal, â toen hij juist op het punt was naar eene der schansen te rijden, â hoorde men hem zeggen; âBreng van avond een bos stroo mede, opdat ik niet op den natten grond behoef te liggen.quot; Preuss. Th. II, s, 288.
5quot;)
onder hen, leed koude en honger mèt hen. IMoesten de soldaten de warme spijzen eri het vleesch missen, zij hadden ten minste den troost, dat de Koning die evenzeer ontbeerde ; dat hij niet aan eene goed voorziene tafel zwelgde, terwijl zij gebrek leden; en dat versterkte hun moed en maakte hen standvastig en opgeruimd te midden der ontberingen.
Paarden alzoo de Pruisen geduld, lijdzaamheid en volharding aan heldenmoed, âmet hunne tegenstanders was dit geenszins het geval. Butturlin, de nieuwbenoemde llus-sische bevelhebber, trok, â het lange wachten moede.â van Bunzelwitz in de richting van Polen terug, en Laudon, zijne eenzame stelling niet meer vertrouwende, deed hetzelfde naar het gebergte.
Na vier weken van lijden en ondergang was het Pruisische leger weder verlost; kon het de verschansingen verlaten, en uitrusten van zijne vermoeienissen. Daarom moest het de kantonnementen in de nabijheid van Strehlen betrekken, en daarom bewif zich de Koning met ziin staf naar Strehlen.
Het huis van den schout van Woiselwitz was gekozen, om den hoogen gast te ontvangen; en de schout, trotsch op deze buitengewone eer, bracht in haastige drukte zijne kamers in orde; spoorde zijne dienstboden aan, en liep met veel getier en gekijf hier en daar, om alles zoo fraai en statig mogelijk voor den koninklijken gast in orde te brengen.
âDenkt er maar aan,quot; zeide hij tot hen: âdat het de Koning is, die hier wonen moet; en dat hij woedend zal zijn, als er op de deel hier of daar een smetje, â of op de glazen een spatje vuil zal gevonden worden. Want hij draagt natuurlijk allerprachtigste kleederen, bezaaid met paarlen en juweelen, en met goud en zilver geborduurd. Welk eene vreeselijke schade zou het nu zijn, als hier zulk een pak bedierf of bestoof; of wanneer zijne met goud geborduurde zijde schoenen op den onzindelijken vloer morsig werden! Hij zou natuurlijk woedend worden; want het geld is bij hem tegenwoordig óók niet dik, en de kleermakersrekeningen vallen hem tegenwoordig al even zuur als ons gewone aardwormen!quot; â
Eindelijk, dank zij zijn kijven en tieren, was het huis
56
van den schout geheel gereed en in orde, om den Koning en held te ontvangen. De voorkamer was voor het laatst geschrobd en met helderwitte gordijnen voorzien. De geboende tafel was keurig met een wit damasten kleed bedekt, en voor het met eenige bloempotten versierde raam, prijkte zelfs een met leder overtrokken voorvaderlijke stoel, dien de schout met den meesten ernst âden koningstroonquot; noemde. De gewitte wanden waren versierd met eenige portretten van de Pruisische koninklijke familie, en het volstrekt niet gelijkende portret des Konings was door de vindingrijke beleefdheid van den schout met palm en asters, de laatste bloemen van den vergevorderden herfst, versierd. In de alkoof naast de kamer stond het ontzaglijke ledikant met grooten hemel, zindelijke gordijnen en witte, volle kussens, geheel gereed den Koning te ontvangen.
Nadat de schout nog eens de schitterende woning had onderzocht en nagezien, of alles in orde was, ging hij in de deur van zijne woning staan, en keek met gespannen blik naar den straatweg. ^Zijn hart klopte van verwachting en vreugde; zijn geheele gestel was geschokt en in beweging, want hij zoude heden voor het eerst in zijn leven een Koning zien; en in de ongeduldige nieuwsgierigheid van zijn hart vroeg Mi zich zeiven af: âHoe mag zoo'n Koning er toch wel uitzien? Hoe groot en krachtig moeten zijne oogen niet zijn? Ik verbeeld mij, hij moet er uitzien als eene zon, en schitteren en fonkelen van al die heerlijkheid, dat iemand de oogen overloopen, als men hem aanziet!quot;
Geheel in deze gedachten verdiept, had hij geen acht geslagen op den kleinen stoet, die juist den straatweg kwam oprijden, en slechts uit drie ruiters bestond. Hij, die voor de beide anderen uitreed, was dicht in een ouden, bijna kalen blauwen mantel gewikkeld. Het vale steekje was diep op het voorhoofd gedrukt, en overschaduwde zijne oogen en zijn bleek, vervallen gelaat. De voeten, welke hij los en achteloos door de stijgbeugels gestoken hield, waren met laarzen bedekt, welke groote behoefte aan herstelling hadden, en scheef en slordig om de beenen hingen. Zijne beide geleiders vormden intusschen eene aangename tegenstelling met deze weinig in 'toog vallende gestalte. Zij droegen de schitterende uniform der Pruisische stafofficieren; alles aan
57
hen was netjes en keurig, en beviel zeer aan de oogen van den schout.
Deze drie mannen maakten nu voor het huis halt, en tot groote verwondering van den schout stegen de prachtig ge-kleede officieren haastig van hunne paarden en snelden naar den man met den blauwen mantel, om hem bij het afstijgen behulpzaam te zijn. Maar hij wenkte hen met de hand terug te treden, sprong vlug uil den zadel, en stapte toen bedaard, als iemand, die er het recht toe heeft, naar de huisdeur. Maar de schout versperde hem den weg, en den vreemdeling uit de hoogte opnemende, zeide hij trotsch; âVermoedelijk behoort gij tot de bedienden des Konings, en wilt derhalve zoo stout in mijn huis komen. Maar dit zal niel gebeuren; want hier bij mij woont de Koning geheel alléén. Als gij tot de bedienden behoort, moet gij bij mijn buurman gaan, daar is voor hen kwartier gemaakt!quot;
De vreemdeling glimlachte, en toen hij nu zijne groote oogen met een vlammenden blik op den schout sloeg, trad deze bijna verschrikt oen stap achteruit, en het scheen hem inderdaad, als ware hij door de zon verblind.
âIk behoor niet tot de bedienden des Konings,quot; zeide de vreemdeling lachend: âmaar ik ben bij hem ten eten gevraagd.quot;
âDan is het goed,quot; zeide de schout: âga dan maar in huis; doch niet in de mooie kamer, maar links in deze; borstel daar uwe laarzen wat af, want de Koning zou zeker kwaad worden, als gij met bestoven laarzen bij hem kwaamt!''
De vreemdeling lachte luid en trad in huis. â âVergun mij maar in de mooie kamer te gaan,quot; zeide hij ; âde Koning zal zich aan mijne bestoven laarzen niet ergeren.quot;
Hij wenkte de beide officieren hem te volgen, en ging in de kamer, waarvan de deur wijd open bleet staan.
De schout sloeg geen acht op hem; hij ging weder in de deur staan, en zag den weg op naar den Koning, wiens glans en heerlijkheid hem verblinden zou, als dezon.ln-tusschen kwam de Koning nóg niet; zijn glans schitterde nog altijd niet op den straatweg. Maar in zijne plaats kwamen generaals met hunne gouden epauletten, en schitterende orde-sterren op de borst; zij gingen in huis en stapten, zonder te vragen, de mooie kamer binnen.
58
âZij wachten allen op den Koning,quot; bromde de schout bij zich zeiven: âmaar ik zal hem het eerst zien! Hoe heerlijk en schitterend zien al die heeren er uit, en hoe prachtig moet dan de Koning er uitzien! â De Koning komt nog altijd niet, hoe ver ik ook de straat afzie; ik zal intusschen, tot uitspanning, de fraai gekleede heeren daar binnen eens gaan bekijken.quot;
Hij sloop zachtjes naar de deur, en zag om den hoek in het vertrek. Toen kromp hij door plotselingen schrik bevangen ineen, en staarde met strakke oogen op het tooneel, dat zich voor hem vertoonde.
Hij zag al die groote heeren in hunne met goud geborduurde uniformen, met ongedekt en eerbiedig gebogen hoofd langs de wanden staan; maar in het midden van de kamer stond de vreemdeling met de bestoven laarzen. Hij alleen was gedekt; hij alleen droeg geene epauletten en geene ordesterren; zijn uniform-rok was zeer eenvoudig en zonder eenig versiersel; en toch â het was merkwaardig en onbegrijpelijk! â toch verbeeldde zich de schout nu, alsof die vreemdeling de voornaamste en voortrellelijkste van al de overigen was. Hij was kleiner dan zij allen, en scheen tóch veel grooter te zijn; want zij allen stonden gebogen om hem heen; hij alleen stond fier, rechtop en verheven. Er lag iets heerlijks en prachtigs in zijn gelaat; en toen zijn fonkelend oog door de kamer schitterde, toen dacht de schout opnieuw, dat het was, alsof hij door de zon verblind werd, en wilde hij verschrikt en met neergeslagen blik van de deur wegsluipen.
Maar het oog van -den vreemdeling rustte nu op hem en hield hem als gekluisterd. â âBlijf toch zoolang.hier, totdat de Koning komt,'' zeide de vreemdeling glimlachend.
De schout beantwoordde den glimlach met een verlegen grijns. â âIk zie wel, mijnheer,quot; zeide hij: âdat gij mij voor den gek wilt houden. Mijnheer is toch de Koning zelf!quot;
De Koning knikte en keerde zich glimlachend tot den naast hem staanden Vorst van Anhalt, â âZie eens, welk eene kostbare zaak de gelijkenis met God en de schitterende stralenkrans is, welke de Koningen door Gods genade omgeeft! Die man hield mij voor een bediende des Konings, en zijne verblinde oogen ontdekten niets van de ons aangeboren heerlijkheid!quot;
50
âUwe Majesteit heeft volkomen gelijk,quot; hernam de Vorst glimlachend : âde oogen van den boer werden verblind, zoodat hij niet zien kon?'
De Koning knikte hem vriendelijk toe, en knoopte toen een ernstig gesprek met hem aan; en de generaals stonden met gebogen hoofd er omheen, en luisterden met eerbiedige oplettendheid naar elk zijner woorden.
De schout stond nog altijd aan de deur, en hij verbeeldde zich nu, dat hij nooit iets heerlijkers gezien had, dan dezen man met zijn bestoven laarzen, zijn eenvoudi-gen rok en den afgedragen steek, wiens gelaat echter zoo heerlijk was, en wiens oogen als sterren fonkelden.
âZeg eens,quot; zeide hij, tot een der lakeien, die juist binnentrad: âis dit inderdaad de Koning? De Koning, die ons van de Keizerin wil afnemen, en nu reeds vijf jaren om ons vecht?quot;
âJa, dat is de Koning.quot;
âVan heden af aan ben ik goed Pruisisch gezind,quot; zeide de schout vastberaden: âja waarlijk; goed Pruisisch gezind. De Koning van Pruisen gaat zeer slecht gekleed, dat is waar; â maar ik verbeeld mij, dat hij dat doet, om zijne boeren niet veel te belasten.quot; ^
Hij veegde met zijne mouw een traan van aandoening uit zijne oogen, en volgde toen den lakei naar de keuken, om hem bij het opdragen der spijzen behulpzaam te zijn.
1) Nicolaï. Anecdoten, H. II, S. 8G.
(30 XV.
HET HUWELIJKS VOORSTE
i L il; I I
De Koning woonde reeds eenige dagen in het liuis van den schout, te Wolselwitz, terwijl de generaals in de boerenwoningen van het dorp, of met hunne regimenten in de naburige dorpen waren ingekwartierd. â De Koning leefde stil en afgezonderd in zijn huis, overgegeven aan zijn verdriet en zijne zorgen; hij at geheel alleen in zijne kamer, en sprak met niemand; en als hij het deed, waren het enkele, ernstige opmerkingen. De scherts was op zijne lippen verstomd; men zag hem niet meer glimlachen, men hoorde hem niet meer op de fluit spelen. Het verdriet, dat aan hei hart des Konings knaagde, was te bitter, te smartelijk, dan dat hij het aan de zachte, en smeltende tonen der lluit had kunnen toevertrouwen, â dan dat zij hem troost hadden kunnen verschaflen.
Een vreeselijke ontzettende tijding had de Koning uit het kamp van Strehlen ontvangen. Zij had zijne lang ontbeerde rust verbitterd; zij had de duistere toekomst met nüg donkerder rouwfloers omhuld. Schweidnitz, de sterke, zoolang met zooveel inspanning bewaarde vesting, de sleutel van Silezië, had zich aan de Oostenrijkers overgegeven, en daarmede had de Koning de gewichtigste verovering van het laatste jaar weder verloren, daardoor kon hem Silezië weder betwist worden. Hij zag met droefheid terug op het tevergeefs vergoten bloed, op de tevergeefs gewonnen slagen; hij zag treurend op de jaren van bloed en opoffering, welke nu volgen moesten. En hij verlangde zeer hartelijk naar rust, naar vrede; hij was het bloedvergieten en den krijg zoo moede; als een schitterend beeld van zalig genot zweefde zijn geliefd Sanssouci voor zijn geest, en hij droomde van zijne stille bibliotheek, van zijnesclioone verzameling schilderijen; maar nochtans bleef zijn moed onverwrikt; nochtans wilde hij liever sterven,en de foltering der rustelooze dagen nog langer verduren, dan den ongun-
01
stigen en vernederenden vrede sluiten, dien zijne trotsclie,
â en door de laatste overwinningen overmoedige vijanden, hem dorsten aanbieden.
Zij stonden krachtig en met overgroote macht tegen hem over; maar nochtans bleef de Koning onwankelbaar.
â âMet eene kleine macht en zonder bondgenooten vernielde Alexander de Groote den Perzischen slaat,quot; zeide hij : âmaar gelukkig staat geen Alexander aan het hoofd mijner vijanden!quot;
Hij bleef onversaagd, en toch geloofde hij niet meer aan de zege; â maar hij gaf de voorkeur aan een eervollen dood, boven een vernederenden vrede. Hij wilde liever met het roemrijke, groote Pruisen, dat hij zoo groot gemaakt had, onder deszelfs puinhoopen begraven worden, dan met hetzelve tot vroegere nietigheid en onbeduidendheid terug-keeren. Men bood hem den vrede, waarbij al het veroverde land teruggegeven, â en den zegevierenden vijand de krijgs-kosten vergoed moesten worden. De Koning achtte het beneden zich op deze vernederende aanbiedingen een weigerend antwoord te geven; maar beval den gezant, dien hij benoemd had, om te Augsburg met de gezanten der vijanden over de vredesvoorwaarden te onderhandelen, dadelijk te vertrekken.
âHet is waar,quot; zeide de Koning, tot zijn vertrouweling; Le Catt; âgeheel Europa heeft zich tegen mij verbonden; alle groote mogendheden hebben mijn ondergang gezworen, en de eenige vriend dien ik nog bezat: Engeland, heeft zich óók van mij afgewend. Maar één is mij getrouw gebleven: dat is mijn degen; en zoo al de verhevene Keizerinnen mijne vriendinnen niet zijn, istócht/e eer eene mij getrouwe vriendin, die mij nooit verlaten, -- mij tot in het graf volgen zal! En al zijn er voor mij in Europa geene vrienden en bondgenooten meer overgebleven, wellicht zal Azië mij de hulptroepen zenden, welke Europa mij weigert. Wanneer Rusland mijn vijand is, kan Turkije daarvoor mijn vriend worden; en wie weet of een verbond met de zoogenaamde ongeloovigen, voor Pruisen niet meer waard is, dan een verbond met de rechtzinnige Russen zou zijn! Deze noemen zich Christenen en zijn ruwe barbaren, die even goed met logen en lagen, bedrog en verraad, als met andere wapenen strijden. De Moslem echter is ten minste
02
een eerlijk man, en bovendien een dapper soldaat. Wanneer hij zijn God Allah en zijn Christus Mohamed noemt, moge God met hem daarover rechten; ik heb er niets mede te maken; want welk verband is er tusschen het geloof en deze wereldsche zaken! Overigens zijn de Turken en Tartaren wellicht betere Christenen dan de Russen!quot;
âUwe Majesteit denkt dus in vollen ernst over een verbond met de Turken en Tartaren?quot; vroeg Le Catt verwonderd.
âIk denk er zóó ernstig aan,quot; zeide de Koning met vuur: âdat ik sedert jaar en dag aan zulk een verbond werk; en geene kosten, geen goud en geene moeite gespaard heb, om het te bereiken. Eens was het mij bijna gelukt; dePorte scheen het verbond genegen, en mijn gezant, Rexin, was met toestemming van den groot-vizier Mustapha, vermomd, en in het geheim te Konstantinopel gekomen. De onderhandelingen waren reeds afgeloopen, toen de gezanten van Frankrijk en Oostenrijk mijn plan ontdekten, en het door ontzaglijke omkoopingen, logen en kuiperijen van allerlei aard, wisten te doen afspringen. Mustapha nam zijne beloften terug, en men antwoordde mij, dat de Verhevene Porte tot bevestiging van de goede verstandhouding met den Koning van Pruisen, een ander gelukkig jaar zou afwachten, zoo het God, den Almachtige behaagde. 1)
Het heeft lang geduurd, eer dat jaar gekomen is; maar nu, hoop ik, dat het lang gewenschfe verbond eindelijk gesloten zal worden. De laatste berichten van mijn gezant te Konstantinopel luiden gunstig; de verstandige en moedige groot-vizier Raghib, de eerste zelfdenkende Turksche staatsman, die de baan breken zal, heeft Rexin beloofd, dit verbond met den Sultan door te drijven ; ik ben dus eiken dag een koerier te wachten, die mij de beslissende tijding, â zoowel van den Sultan als den Khan der Tartaren overbrengt.quot;
Le Catt zag met eerbiedige bewonderinquot; in het edele, sprekende gelaat des Konings. - âO, sire,quot; zeide hij diep geroerd; âvergeef mij, wanneer mijn overkropt hart eens overvloeit van vreugde en verrukking; wanneer ik het waag,
1
Hammer. Geschichte Jes Osraanischen Reiches. Th. VIII. S. 190.
63
u mijne liefde, mijne bewondering in woorden uit te drukken. Het is voorzeker een goddelijk schoon gezicht, in het woeden van den storm den fleren eik te zien, die onwrikbaar vast blijft staan; zijn kruin niet buigt onder den toorn der elementen, maar dien met fierheid en kalmte trotseert. Maar een nog verhevener, grootscher schouwspel is het, een mensch te zien, die met helderen blik den storm van het ongeluk braveert; die, in het bewustzijn van eigen kracht, alleen op zich zeiven steunende, het noodlot het hoofd biedt, en het ongeluk in de oogen durft zien. Het ongeluk toch is als de leeuw der woestijn. Wanneer een mensch hem met een helder oog en vasten tred te ge-moet treedt, verstomt hij, en vlijt zich nederig aan de voeten van den mensch, in wiens blik hij de Godheid herkend beeft! â Zulk een verheven schouwspel van den goddelijken mensch, die den leeuw: het ongeluk, temt, vertoont mijn Koning aan de verbaasde wereld! Wat wonder, dat ik, die het van nabij beschouw, door aanbidding en eerbied bezield, eindelijk woorden moet zoeken voor mijne geestdrift, uitdrukkingen voor mijne verrukking! Ik heb Uwe Majesteit gezien Ie midden van den zegevierenden slag, in het volle gevoel der zege; maar zelfs toen straalden de lauweren op uw voorhoofd niet met zulk een verheven glans, als in de dagen van verlies en ongeluk. Nooit is de Koning van Pruisen een grooter held, een schitterender overwinnaar geweest, dan in deze laatste weken van ongeluk en nood ; toen hij met de hongerigen honger, â met de verkleumden koude leed; toen hij de nachten op een kanon of op den grond doorbracht, en den laatsten droppel wijn met zijne soldaten deelde. En dit hebt gij gedaan, sire! Ik was in uwe tent tegenwoordig, toen gij het deedt, ik alleen. â Gij zoudt juist aan uw middagmaal gaan, uit niets anders bestaande, dan een stuk brood en een glaasje Hongaarsche wijn, het laatste, dat in de legerplaats was, toen een officier een rapport bracht. Uwe Majesteit vroeg hem, of hij reeds gegeten had. Hij antwoordde: ja! maar zijn bleek gelaat zeide: neen! Toen braakt gij de helft van uw brood af, dronkt de helft van uwen wijn en reikte het den officier, u verontschuldigende met de woorden: âhet is alles wat ik heb!quot; â Sire, op dien dag deed ik, wat ik sedert mijne jeugd niet weder gedaan had: âop dien dag
04
weende ik als een kind, en toen ik u aanzag, dacht ik, dat mijne blikken gebeden waren!quot;
âDweper,quot; viel de Koning hem in de rede, hem vriendelijk zijne hand reikende, welke Le Catt aan zijne lippen drukte: âerg genoeg, dat de wereld zóózeer bedorven is, dat het eenvoudigste en natuurlijkste den mensch als iets wonderbaars en verhevens toeschijnt, en men verbaasd slaat, als men zich slechts als mensch gedraagt! â Maar zie eens, daar komt juist een koerier; hij houdt stil voor de deur van ons boerenpaleis! Spoedig, Le Catt, spoedig. Laat mij weten, wat hij brengt!quot;
Le Catt snelde naar buiten en keerde dadelijk met de dépêche, welke de koerier hem gegeven had, terug. Met ongeduldige haast opende de Koning baar, en onder het lezen, helderde zijn gelaat al meer en meer op, en een langdurige, sedert lang niet geziene glimlach speelde om zijne lippen.
âO, Le Catt,quot; riep hij: âik ben inderdaad een profeet geweest; mijne verwachtingen worden niet teleurgesteld. Nu Europa tegen mij is, zal Azië zich met mij verbinden; en wanneer de barbaarsche Russen mijne vijanden zijn, moet ik wel met Turken en Tartaren vriendschapsluiten. Deze dépêche is van mijn gezant Rexin. Hij komt, vergezeld van een Tartaarsch gezant hier in de legerplaats, en kan binnen weinige uren reeds hier zijn.quot;
âMaar waar zal Uwe Majesteit hem dan ontvangen?quot; vroeg Le Catt.
âIk zal hem hier ontvangen,quot; zeide hij toen: âhier in mijn koninklijk paleis te Woiselwitz; want ik zou toch denken, dat een echte Koning door zijne tegenwoordigheid elke nederige hul tot een paleis kan verheerlijken, en elke stoel wordt, zoodra hij er slechts op zit, een koningstroon! â Maar allicht konden de oogen van den Tarlaarschen gezant even kortzichtig zijn, als de oogen van den waardigen eigenaar van dit mijn tegenwoordig paleis, en het kon wel gebeuren, dat ik niet dadelijk herkend werd als het zichtbare evenbeeld Gods, als den Koning door Gods genade! Wij moeten daarom zijne kortzichtigheid een weinig te gemoet komen, en ons in den glans onzer heerlijkheid aan hem vertoonen. Wij moeten bier een troon uitvinden, en zooals het mij toeschijnt, isdieleêren, grootvaderlijke stoel
65
daar uitmuntend voor geschikt. Het is eene gepaste zinspeling op mijn troon, welke óók een grootvaders-stoel is; want mijn grootvader heeft hem gemaakt, en van dezen heb ik hem geërfd. Laat ons dus een troon in het midden van de kamer schuiven, behangen wij hem met eenige Russische vaandels, welke wij bij Zorndorf veroverd hebben, en spreiden wij het tapijt uit mijne tent over den vloer, en mijn troonzaal is gereed. Le Catt, laat ons dit spoedig in orde maken. Wij zijn hier in het veld, en moeten ons dus weten te helpen. Roep de lakeien en zeg hun, wat zij moeten doen. Ik zal intusschen mijn toilet maken, om den waardigen gezant van den Khan opeeneniet geheel onwaardige wijze te ontvangen.
De Koning schelde driftig, en zijn kamerdienaar Deesen snelde binnen. â âDeesen,quot; zeide de Koning opgeruimd; âwij moeten ons vandaag eens verbeelden, dat wij in Sans-souci zijn, en een groote gala-receptie honden. Laat mij dus eens doen, wat ik in langen tijd niet gedaan heb: Laat mij groot toilet maken. Ik wil het groot tenue aantrekken, en de Orde van den Zwarte Adelaar aandoen. Ook moet ik gekapt worden, en eene keurige straartprnik hebben. â Nu, Ueesen, waarom kijkt gij mij zoo verbaasd aan?quot;
âSire,quot; stamelde de kamerdienaar: âde generaalsrok is er wel, maar âquot;
âNu, wat riep de Koning ongeduldig.
âDe pantalon is er niet,quot; stotterde Deesen verbleekend: âzij zijn allen gescheurd, en die, welke Uwe Majesteit aan heeft, is uwe laatste en eenigste!quot;
âWelnu!quot; zeide de Koning glimlachend; âdan zal ik mijne laatste en eenigste aanhouden, en den generaalsrok aantrekken, voüa toutlquot;
âMaar dat is volstrekt onmogelijk, sire!quot; riep Deesen ontsteld; âWanneer Uwe Majesteit groote receptie houdt, kunt gij deze pantalon niet aanhouden.quot;
âWaarom niet, waarom niet?quot; vroeg de Koning driftig.
âSire,quot; prevelde Deesen sidderend; âomdat het uwe pantalon gaat, zoo als het u bij Torgau gegaan is!quot;
âDat is te zeggen?quot; vroeg de Koning' verwonderd.
âDat is te zeggen; âdat zij gewond is!quot; zuchite Yieesen. De Koning keek hem verbaasd aan, en volgde toen den blik van den kamerdienaar, die strak op zijne knie gevestigd was.
Mühlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. VIII. 5
66
âDeesen,quot; zeide hij glimlachend: âgij hebt gelijk; het is met mijne broek gegaan, zooals het mij bij Torgau ging. Zij is gewond, en behoeft de hulp van den wondheeler.quot;
âUwe Majesteit zal dus de goedheid moeten hebben, de gala-receptie tot morgen uit te stellen. Wellicht kan ik in een der naaste dorpen, onder de soldaten een kleermaker vinden; die moet dan vannacht doorwerken, en morgen vroeg is alles in orde.quot;
âHet moet volstrekt vandaag nog gebeuren, en zelfs dadelijk gedaan worden!quot; riep de Koning: âBinnen weinige uren moet de wond onderzocht en genezen zijn!quot;
âMaar sire,quot; duisterde Deesen verschrikt: âhoe zal dat kunnen? Uwe Majesteit heeft die ééne pantalon aan, en als zij moei versteld worden, dient zij toch uitgetrokken te worden.quot;
âDan zal ik haar uittrekken,quot; zeide de Koning; âga maar dadelijk heen en zoek een kleermaker; ik zal haarintus-schen uittrekken, en zoo lang in bed wat uitrusten, totdat het gewichtige werk volbracht is. Haast u; want mijn pantalon moet zoo spoedig mogelijk hersteld zijn!quot;
Deesen vloog naar buiten, en terwijl de Koning zich ontkleedde, hoorde hij glimlachend, hoe Deesen met een stentorstem schreeuwde: âEen kleermaker! âIs hier onder de soldaten een kleermaker? Een kleermaker!quot;
De Koning had nauwelijks den tijd in bed te komen, of Deesen kwam reeds met een van vreugde stralend go-laat terug.
âSire,quot; zeide hij: âik heb al een soldaat gevonden, die ons helpen kan. Hij ik wel is waar geen kleermaker, maaibij verzekert, dat hij heel goed naaien en lappen kan, en het op zich wil nemen, de pantalon van Uwe Majesteit te verstellen.quot;
* âEn nu zegt men nog, dat geen hoogere macht de wereld regeert!quot; prevelde de Koning, toen hij weder alleen was: âHadde ik onder mijne soldaten nu geen kleeren-lapper gevonden, dan zou de Koning van Pruisen heden niet den Khan der Tartaren hebben kunnen ontvangen, en daardoor zouden wellicht de onderhandelingen hebben kunnen afspringen!quot;
De deur werd juist geopend en Le Catt trad binnen, gevolgd door eenige lakeien, die vlaggen en tapijten aan-
67
sleepten. Toen hij den Koning in bed zag liggen, bleef hij vóór hem staan, en keek hem met een bezorgden en vragen-den blik aan.
âUwe Majesteit is toch niet plotseling ziek geworden?quot; vroeg hij.
âNeen,quot; zeide de Koning: âik ben maar met mijn toilet bezig.quot;
âUw toilet, sire?quot;
âJa, Le Gatt; hebt gij daar buiten geen soldaat zien zitten?quot;
âJa, sire!quot;
âWat doet hij?quot;
âHij scheen te naaien, sire.quot;
âDat doet hij ook; en hij is vandaag mijn eerste ka-rnerdienaar, en kleedt mij aan! â Och, och, met betrekking-tot dien kleerenlapper die mijne pantalon verstelt, herinner ik mij, wat een wijs man gezegd heeft: Tegenover zijn kamerdienaar is elke Koning slechts een rnensch! â Maallaat u door mijne tegenwoordigheid niet storen, om mijn troon te bouwen. Ik zal het in aangename rust en met genoegen aanzien.quot;
Terwijl de Koning in zijn bed lag en op de gezondheid van zijne pantalon wachtte, zat buiten voor de deur op de bank de soldaat, die met de genezing belast was. 'lij zat met drukken ijver over zijn werk gebogen, zag geen enkelen keer op, en keek niet eens naar zijn kameraad, die naast hem tegen den grooten eik voor het huis stond te leunen, en hem strak en onafgewend beschouwde.
In zulke strakke, onafgewende blikken ligt eene wonderlijke aantrekkingskracht, waaraan de soldaat óók geen weerstand kon bieden. Hij hief zijn hoofd een oogenblik op, en nu herkende men het zacht en edel gelaat van Karei Hendrik Buschmann.
âFrits Kober,quot; zeide hij: âwaarom kijkt gij mij toch zoo aanhoudend aan, en waarom zijt gij mij gevolgd?quot;
âIk ben zoo gewoon daar te zijn, waar (jij zijt;quot; antwoordde Frits Kober bedaard: âtoen ik Deesen hoorde roepen; Fen kleermaker! en gij antwoordet: Hier, hier! kwam ik uit mijne hut en ging heen, waar gij gingt! Anders niets! Wilt gij weten, waarom ik u aanzie? Wel, omdat het mij bevalt u te zien naaien, en ik daarbij invallen krijg.quot;
68
âEn wat dacht gij dan Frits?quot; vroeg Karei Hendrik, zich weder over zijn werk buigende en druk doorwerkende.
âIk dacht,quot; zeide Frits met bevende stem: âik dacht, dat, wanneer ik ooit in mijn leven eene vrouw zou nemen, zij er juist zoo moest uitzien, als gij; dat zij juist zulke kleine nette handjes moest hebben, welke zoo goed met de naald kunnen omgaan, als gij. Toen dacht ik verder, dat er op de geheele wereld geen mensch is, die zoo goed en wakker, zoo zacht en verstandig is, als gij; en ik peinsde, wal er van mij worden moet, als de krijg over is, en gij mij weder- verlaat, om naar uw dorp terug te keeren. Ik nam mij voor, u door de geheele wereld te volgen, en u zóólang te bidden, totdat gij mij beloofd hadt, met mij naar mijne boerderij te gaan, en alles te nemen wat het mijne is, en mij te vergunnen, dat ik u mijn geheele erfgoed vermaak; maar slechts onder de voorwaarde, dat gij mij altijd bij u hieldt, â ten minste als uw knecht, en mij beloofdet, mij nooit te verstoeten. Toen dacht ik verder, dat, als gij âneenquot; zeidet, en niet met mij naar mijn huis, â neen, naar uw huis, wildet komen, ik dan wanhopig zou wegloopen, en in den angst van mijn hart een ellendig en slecht mensch zou worden; omdat er zonder u geen geluk, geene vreugde voor mij op aarde zou zijn, â omdat gij mijn goede engel zijt. Karei Hendrik Busschmann, wilt gij dat ik een slecht mensch, wellicht een dronkaard worde ?quot;
âHoe kan ik dat willen. Frits Kober?quot; duisterde Karei Hendrik: âMaar gij kunt nooit een slecht mensch worden, wdnt gij hebt het beste en edelste hart; geen kind zou u beleedigen, en wie u om iets vraagt, dien geeft gij ; wie lijdt, dien helpt gij; wie in nood is, dien ondersteunt gij. En tóch zijt gij geheel en al een man! Gij durft uwen man te staan in alle omstandigheden, en wie u te nabij komt, weet gij wel ontzag in te boezemen, en niemand zal het ooit wagen. Frits Kober te beleedigen. Gij zijt krachtig als een man, en goedig Ws een onschuldig lam, en dit verheugt mij in u!quot;
âA.1 het goede, dat ik moge bezitten, komt van u,quot; zeide Frits Kober; âik was een eenvoudige kerel, die over niets nadacht, en zoo dom weg bij den dag voortleefde. Maar sedert ik u ken, heb ik van u geleerd mijne oogen te openen, om mij heen te zien, en een beetje nate denken. Doch
69
dal alles gaat weder verloren, als gij mij zondt willen verlaten, Karei Hendrik, â wanneer gij mij zoudt willen verstouten. En ik merk wel, dat gij dit wilt; dal gij mij gaat verlaten! Sedert drie weken bekommert gij u in het geheel niel meer om mij ; gij wildel in Bunzelvvitz niet meer met mij in mijne tent wonen, maar karnpeerdel zonder tent; gij wildel hier in hel dorp mei mij niet in ééne tent blijven, maar zijl bij eene oude boerin in huis gegaan. Zoo ben ik u dan heden nageloopen, en wilde u vragen, of gij den moed hebt om mij le verlaten, of mij verstoeten wilt? Zie mij aan. Karei Hendrik; zie mij aan en zeg mij, of gij van mij een ellendig en ongelukkig mensch zult maken?quot;
Karei Hendrik keek van zijn werk op en zag in het bleeke, ontroerde gelaal van zijn vriend, en toen hij dit deed, rolden twee groote, heldere tranen langs zijne wangen.
âDat verhoede God, Frits Kober,quot; fluisterde hij: ,,ik u ongelukkig maken?quot; Ik zou eerder mijn harlebloed geven om u gelukkig le zien.quot;
âHoeiah!quot; juichte Frits Kober; âNu, als dat dan zoo is, hoor mij dan aan, en antwoord mij! Karei Hendrik Busch-mann, wilt gij mijne vrouw worden?quot;
Een gloeiend rood bedekte het gelaal van Karei Hendrik, en hij boog zich over zijn werk, en naaide met buitengewone haast.
Friels Kober trad dichter naar hem toe, en boog zich zóó diep, dat hij bijna knielde. â âKarei Hendrik Buschmann,quot; herhaalde hij: âwilt (jij mijne vrouw worden!quot;
Maar Karei Hendrik antwoordde niel. Tranen en snikken smoorden hare stem, en bevende van aandoening drukte zij haar hoofd tegen Frits Kober's schouder.
âReleekent dat ja?quot; vroeg deze ademloos.
âJa!quot; fluisterde zij nauwelijks hoorbaar.
Nu stiet Frits Kober een jubelkreet uit, en sloeg zijne beide armen om den hals van den soldaat, en kuste hem met onstuimige hartelijkheid. â âGoddank, dal bel eruit is: Goddank, dat ik mij niet bedrogen heb; âdat gij werkelijk een meisje zijl! Voor drie weken, toen gij ziek waart, en de chirurgijn u aderliet, heb ikhet gemerkt; toen dacht ik bij mij zei ven; dat is niet de arm van een man! En toen paste ik op, en des avonds badt gij en zeidet: âLieve ouders in den hemel, hebt medelijden met uwe arme doch-
70
Ier!quot; â Ik had het wel van verrukking willen uitschreeuwen, maar ik hield mij in, en wilde eerst nog afwachten, of gij mij inderdaad óók genegen waart.quot;
âMaar, uwe oogen zagen mij ook geheel anders aan dan vroeger, en ik moest altijd mijn blik afwenden, wanneer gij mij aanzaagt; daaraan merkte ik, dat gij mijn geheim kendet, en daarom vermeed ik met u samen te blijven.quot;
âOnderofficier Buschmann,quot; riep Deesen uit het buis; âis het werk gereed?quot;
âDadelijk, nog maar een paar steken,quot; antwooi'dde Karei Hendrik en ('luisterde toen; âzwijg nu, en laat mij werken.quot;
Maar Frits Kober zweeg niet. Hij ging naast den onderofficier zitten, en lluisterde hem vele en nieuwe dingen in het oor; en Karei Hendrik, die druk voortwerkte, bloosde dikwijls, en antwoordde slechts fluisterend en verlegen.
Eindelijk was het werk voltooid, en de pantalon des Ko-nings aan de knieën met twee nieuwe lappen hersteld.
âNu zal ik zelf de pantalon naar den Koning brengen, en hem daarbij iets verzoeken,quot; zeide Frits Kober, het kleeding-stuk opnemende en vastberaden naar de deur stappende: âgij moet medegaan. Karei Hendrik, en hooren wat de Koning zegt.quot; â Maar daar stond Deesen en belette hem den toegang; hij beval hem de pantalon af te geven, om haar aan den Koning te brengen.
âNeen, dat doen wij zeiven,quot; zeide Frits Kober vastberaden ; âwij hebben den Koning een groot verzoek te doen, en hij heeft ons eens voor al vergund, onze verzoeken tot hem zeiven te richten.quot;
Hij schoof Deesen op zijde en trad met Karei Hendrik in het vertrek. De Koning zat in zijn bed te lezen, en was zóó verdiept, dat hij de binnentredenden niet bemerkte.
Maar Frits Kober stapte moedig naar het bed, en legde de pantalon op den stoel. â âHeer Koning, hier is de gelapte broek,quot; zeide hij.
âHebt gij haar versteld, 'mijn zoon?quot; vroeg de Koning.
âNeen, die daar: Karei Buschmann. Maar i/c kom mede, omdat ik Uwe Majesteit iets te vragen heb. Gij herinnert u nog wel wat gij zeidet, toen wij van dat tochtje naar de vijandelijke legerplaats, na den slag van Kunei'sdorf, terugkwamen, en Karei Hendrik u zoo mooi mededeelde, wat wij gehoord hadden? Gij zeidet; van nuafzijtgijbeidentotonder-
71
officier bevorderd, en als gij mij eens nuodig hebt, wendt u dan tot mij.quot;
âEn dat wilt gij heden doen, nietwaar?quot; vroeg de Koning.
âJa, sire; ik wil u om iets verzoeken.quot;
âEn wat dan?quot;
Frits Kober plaatste zich eerst in de vereischte positie. â¢ââ âIk wil Uwe Ma:esteit verzoeken, mij te vergunnen, om met den onderofficier Karei Hendrik Buschmann heden nog te mogen trouwen.quot;
âTrouwen!quot; riep de Koning verbaasd: âJs dan de onderofficier â ?quot;
âEene vrouw, sire,quot; viel Frits Kober in zijne opgewondenheid hem in de rede: âhij is eene vrouw, en heet Anna Sophie Detzloff, geboortig uit Brnnen!quot;
Het scherpe en dooi'dringende oog des Konings rustte een oogenblik vragend op het gelaat van Karei Hendrik, toen knikte hij verscheidene keeren glimlachend met het hoofd. â âNu,quot; zeide hij: âuwe bruid is een knappe jongen, en bovendien een dapper onderofficier, en kan zelfs onder den soldatenrok nog blozen. Onderofficier Karei Hendrik Buschmann, wilt gij de vrouw van den onderofficier Frits Kober worden ?quot;
âAls Uwe Majesteit het vergunt, wil ik het worden,quot; lluisterde Anna Sophie.
âGaat dan naar den veldprediker en laat u trouwen,quot; zeide de Koning glimlachend: âzeg hem maar, dat ik mijne toestemming reeds gegeven heb. En nu gemaakt dat gij weg komt, ik moet mij kleeden!quot;
âEindelijk,quot; zeide de Koning, toen Le Gatt binnen kwam : âeindelijk zal het geluk mij toch weder gunstig worden! Er geschieden teekenen en wonderen; het gaat mij, zooals het Karei den Zevende van Frankrijk ging. Toen hij in den grootsten nood, â en door vijanden geheel omsingeld was, zond hem de Heer de Maagd van Orleans. Ook mij heeft de Heer nu eene .leannc d'Arc gezonden ; eene maagd van Brünen, en met hare hulp zal ik al mijne vijanden overwinnen!quot; 0
1) Anna Sophie Detzloff was inderdaad een dapper soldaat; zij vocht onder den naam van Karei Hendrik ]5uschniann in de slagen van Leuthen, Kuners-dorf en ïorgau. De Koning schreef omtrent haar aan Voltaire: âIk zal mij uit dit alles wel redden, omdat zich in mijne legerplaats een echte heldin, een meisje bevindt, dat nóg dapperder is dan Jeanne d'Arc.quot; Preuss. Th. II, S. 316.
12
XVI.
DE GKZANÃ VAN DEN KUAN DER TARTAREN.
Zoo was dan het pronkvertrek van den schout, dankzij den vindingrijken geest des Konings, in een troonzaal herschapen ! De met kleeden behangen grootvaderlijke stoel, vertoonde onder zijn hemel van buitgemaakte Russische vaandels, een prachtig gezicht; de niet zeer zindelijke vloer was onder een kostbaar Turksch tapijt verborgen; de buitendeur was uitgehaakt en de toegang met vlaggen versierd, terwijl de open ruimte vóór de deur door kleeden, vlaggen en standaarden, in eene keurige voorzaal herschapen was.
De Koning had het groote generaals-tenue aangetrokken niet de keten van de Orde van den Zwarte Adelaar, en om hem heen stonden de generaals en stafofficieren in hunne schitterende uniformen, liet eenvoudig vertrek was inderdaad in eene vorstelijke zaal veranderd, en schitterde van luister en heerlijkheid.
En nu naderde een buitengewoon deftige stoet het uit den grond gerezen paleis. Eerst kwamen twee ruiters in goud geborduurde tabbaarden, welke tot op de voeten golvende, het lijn gevormd lichaam der Arabische paarden geheel bedekten, en slechts den sir nken, met vliegende manen bedekten hals, en de dunne pootjes lieten zien. Deze ruiters zouden ook zonder den rooden fez, welke hun hoofd bedekte, â aan hunne bruine gelaatskleur, aan hunne gloeiende, fonkelende oogen, aan den geheelen vorm van hun gelaat, als buitenlanders, als kinderen van het Zuiden, als zonen der steppen herkend worden. Uit de kostbare Turk-sche shawls, welke hunne slanke gestalten als gordels omgaven, schitterde de met diamanten versierde greep van een dolk en de kolven der pistolen; de roodfluweelen met edelgesteenten versierde schede van een Turschen sabel hing aan hunne zijde, terwijl zij de fijne Damascener kling
73
in de rechterhand hielden, en haar salueerend schouderden. Op deze beide krijgers volgden twee andere ruiters in soortgelijk, maar minder rijk costuum; achter doze reden vier mannen in lange, zwarte tabbaarden, met gesloten oogen, in hunne rechterhand een in goud en tluwoel gebonden boek dragende, dat zij eerbiedig tegen Imnne borst drukten. In hun gordel stak, in plaats van wapenen, eene gouden pen; op hun fez prijkte in plaats van de reigerveêren, een uit edelgesteenten kunstig samengesteld pauwen-oog. Nu volgden j meer andere ruiters; maar deze geleken niet, zooals de
vorigen, op elkander, maar vormden eene vreemde en in , het oog vallende tegenstelling. De een was geheel naar de
3 nieuwste Fransche mode gekleed; hij droeg een blauwen
r met zilver geborduurden, lluweelen rok, korte broek van
dezelfde stof, welke onder de knie met een kostbaren diamanten band op de witzijden kous was vastgemaakt. , Den voet bedekte een glimmende schoen, met roode hAk
en diamanten gesp. Op zijn hoofd droeg hij een steekje met witte veer, dat los en netjes op de deftige, gepoederde, stijve krulpruik zweefde. Kanten lubben be-i I dekten zijne borst, en uit de mouwen staken de kanten i manchetten, en lagen over de met witte handschoenen be
dekte hand. Het was een onberispelijk, volkomen gala gewaad, i zooals men toen aan het Hof droeg, en zooals door de
gezanten op de plechtige audiënties voor de Vorsten, ge-i dragen werd. Naast dezen man in zijne keurige en luchtige
hofkleedij, zag men een ruiter, die geheel en al zijn tegenbeeld vormde. Was gene voor een warmen zomerdag gekleed, â deze scheen zich voor den ruwsten winterdag te hebben toegerust; was gene voor het salon getooid, deze scheen zich voor de woeste steppen van Siberië, â waaide noordewind om strijd met de wolven huilt, â te hebben
J toegerust. Zijne lange, magere gestalte was omhuld met een wijden pels van Laplandsch wit wolfsvel, met bruin bont gevoerd en afgezet; om zijn midden sloot een kostbare, met goud doorwerkte gordel, waaruit geene wapens, â maar een klein gouden bekken, en een dichtgeslagen scheermes, in eene gouden schede geborgen, half te voorschijn kwamen; aan zijne zijde hing in plaats van den Turkschen sabel, eene met goud en paarlen geborduurde, en in gouden ketens hangende tasch; zijn hoofd was be- toegerust. Zijne lange, magere gestalte was omhuld met een wijden pels van Laplandsch wit wolfsvel, met bruin bont gevoerd en afgezet; om zijn midden sloot een kostbare, met goud doorwerkte gordel, waaruit geene wapens, â maar een klein gouden bekken, en een dichtgeslagen scheermes, in eene gouden schede geborgen, half te voorschijn kwamen; aan zijne zijde hing in plaats van den Turkschen sabel, eene met goud en paarlen geborduurde, en in gouden ketens hangende tasch; zijn hoofd was be-
74
dekt met een fez, waarop boven hot huoge, smalle, geelbruine voorhoofd, een gouden bekken geborduurd was. Achter deze vreemde ruiters volgde eene schaar Turksche, Tartaarsche en Europeesche livrei-bedienden met gouden tressen, zijden kaftans, wolfsvellen pelzen, en op deze wederom volgde eene vergulde koets, waarvan de glazen met groene jalousiën gesloten waren, die eiken nieuwsgierigen blik het naar binnen zien beletten. Naast deze koels reden vier Tartaren, in lange, witte pelzen, met ge-schouderden sabel, den schitterenden blik onafgewend op de koets gericht; en achter de koets volgde eene onatzien-bare rij nieuwsgierigen, bestaande uit Pruisische soldalen van elk regiment en elke uniform, uit boeren en boerinnen, grijsaards en kinderen, die allen stom van verbazing en bewondering dezen vreemden en zeldzamen stoet,â welke juist voor het verblijf des Konings stil hield, â aanstaarden.
De schildwachten kwamen in het geweer, en uit het huis kwamen de generaals en slafoflicieren, en naderden zwijgend en met eerbiedig groeten de beide reeds vermelde tegen elkander sprekende ruiters, die blijkbaar de hoofdpersonen van den geheelen stoet uitmaakten. Zij stegen vlug van hunne paarden, en beantwoordden de beleefde groeten der generaals; de een in zeer vloeiend Duitsch, de ander in een wellicht even vloeiende taal, doch die door niemand werd verstaan, zoodat men zich tevreden moest stellen mot hem te antwoorden door eenige woorden te prevelen, een glimlach en een handdruk.
De eerste was baron von Rexin: een man, door de fortuin op eene zeldzame wijze bedeeld; zijn naam was eigenlijk Handen, en vroeger was hij als kantoorbediende bij den koopman Hübsch te Breslau werkzaam. Na eene reeks van buitengewoon gelukkige lotswisselingen, werd hij door den Koning van Pruisen in baron Rexin veranderd, en als zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigde naar den Sultan, en den Khan van Tartarije gezonden.
De tweede was de gezant van den Khan der Tartaren, Krimgeray; de edele en groote Mustapha Aga, de gunsteling en vertrouweling zijns meesters, door dezen gezonden, om den Koning van Pruisen de groeten en wenschen van zijn meester over te brengen. â
Zoodia. zij van het paard gestegen waren, naderde hun
75
de page des Konings, hen uitnoodigende in het huis te komen, waar Zijne Majesteit bereid was, hun dadelijk gehoor te verleenen, Baron von Rexin, die gedurende zijn langdurig verblijf in Turkije, in de gelegenheid geweest was de Tursche taal te leeren, deelde dit den Tartaarschen gezant mede, en onmiddelijk vloog een glimlach over het bleeke, magere gelaat van Mustapha Aga; hij wendde zich tot de mannen in de zwarte tabbaarden, met de gouden pen in hunne gordels, en beval hun hem te volgen; toen nam hij den heer Rexin onder den arm,' en trad met hem in huis; achter hen stapten de vier ïartaarsche geschiedschrijvers en tolken, â bij de Tartaren taaiknapen genoemd ; eindelijk volgden de generaals en stafofficieren des Konings, elk zich volgens zijn rang aan weerszijden van den troon, of in de voorzaal scharende.
De Koning ontving het gezantschap zittende op zijn troon. Zijn fonkelend oog rustte met glimlachenden blik op de vreemde figuur van Mustapha Aga, die zich juist voor den troon tot op den grond boog, en zich weder oprichtende, een der vier taaiknapen wenkte vooruit te komen.
Deze opende het kostbare boek, dat hij in de hand had, en reikte den gezant een groot mot vele zegels voorzien geschrift over, dat Mustapha Aga eerbiedig aan zijne lippen bracht, en vervolgens knielend den Koning overgaf.
âMustapha Aga, de gezant van den verheven en machtigen Khan van Tartarije, Krimgeray, heeft de onuitsprekelijke eer den verheven en machtigen Koning van Pruisen zijne geloofsbrieven ter hand te stellen,quot; zeide de taai-knaap in zuiver en vloeiend Fransch.
De Koning brak het zegel, en overzag vluchtig den brief. â â âMustapha Aga,quot; zeide hij toen met vriendelijken wenk; âik heet u welkom, en begroet in u uwen meester, den held Krimgeray, dien ik trotsch ben mijn vriend te kunnen noemen.
Mustapha Aga wierp zich, nadat de tolk hem de woorden des Konings had overgebracht,op Oostersche wijze voor den troon neder, en sprak spoedig eenige woorden op smeekenden toon.
âMustapha Aga, de verbeven gezant van den verbeven Khan,quot; zeide de tolk : âverzoekt van Uwe Majesteit de vergunning, u te mogen begroeten met het hoogste teeken van zijnen eerbied, zooals hij alleen, in het groote en schoone Rijk
76
van Tartarije, het recht heeft den Khan te begroeten.quot;
âIk sfa zijne bede toe,quot; zeide de Koning.
Dadelijk haalde Mustapha Aga het gouden bekken uit zijn gordel, opende de tasch, nam een gouden fleschje eruit, waaruit hij eene vloeistof in hel bekken goot, en unrnidd'e-lijk verspreidde zicii een liefelijke, bedwelmende geur door hel geheele vertrek. Toen nam Mustapha Aga een gouden kokerlje uit zijne tasch, greep met de punt van zijn vinger een weinig van het witte poeder, waarmede het gevuld was, en strooide het in het bekken. Toen haalde hij een penseeltje voor den dag, waarvan de steel mei drie solitairs van buitengewone grootte versierd was, en roerde er den inhoud van het bekken mede om; nu verhief zich een dik, melkwit schuim.
De Koning had in den beginne nieuwsgierig toegekeken, en wendde zich toen tot zijn gezant.
âWal beleekent dat alles?quot; vroeg hij in liet Duitseh, wel-ligt om niet door de tolken verslaan te worden.
âSire,quot; zeide Rexin glimlachend: âdal beleekenl, dat de edele Maslapha Aga Uwe Majesteit de hoogste eer wil bewijzen ; dat hij Uwe Majesteit scheren wil 1quot;
âScheren!quot; riep de Koning verbaasd: âWie en wat is dan de edele Maslapha Aga?quot;
âSire, hij is een der grootwaardigheidbekleeders van Tartarije: de barbier van den Khan.quot;
De Koning kon ondanks hel plechtige oogenblik een glimlach niet weerhouden. â âNu,quot; zeide hij: âhet denkbeeld is niet kwaad, om een barbier tot gezant en diplomaat te maken. Gij heeren diplomaten scheert de politiek op eene vreemde wijze, en smeert haar zeep in de oogen!quot;
Mustapha Aga naderde nu met plechtslatigen Ired den Koning, en zich voorover buigende, doopte hij zijn langen wijsvinger in hel schuim van het gouden bekken, en streek er zachtjes mede over de kin des Konings, nam toen het gouden scheermes uit den gordel, en zijn oog vroom ten hemel slaande, sprak hij luid en plechtig eenige woorden.
âAllah is hel licht des hemels en der aarde. Moge hij mij bestralen bij mijn groot werk!quot; zeide de tolk, de woorden van Mustapha vertalende.
En nu begon de gezant zijn verheven werk, en bracht
77
het schitterend lemmet langs de kin, en streek vlug en be-hendig er het schuim weder af.
Do Koning was nauwelijks in staat deze plechtigheid met de noodige waardigheid te ondergaan, en hier en daar zag men de generaals zich glimlachend omkeeren, en hun blik op den grond slaan, om de lachspieren, door het aanschouwen van dit kluchtig tooneel, niet in beweging te brengen.
Nadat Mustapha Aga zijn werk volbracht bad, wenkte hij met stijve deftigheid een zijner vier tolken, en nadat deze voor hem geknield had, veegde hij op diens rug het schuim van bet mes af, stak het toen weder in zijn gordel, en maakte voor den Koning eene diepe, plechtstatige buiging.
âMoge Allah de ziel van dezen Koning rein houden, zooals ik zijne kin gedaan heb,quot; zeide hij : âmogen de messen, waarmede Allah bet leven des Konings van zijn uitwas bevrijdt, even zacht en zonder smart of bloedvergieten er over heen gaan, als het mes van uwen onwaardigen dienaar en knecht! â Grootmachtige Koning en heer! De alvermogende Khan Krimgeray, de leeuw der woestijn, de schrik zijner vijanden, zendt mij tot u, en biedt u door mij zijne hulp en vriendschap aan. De faam van uwe daden is tot hem doorgedrongen, en hij is van bewondering opgetogen, dat een Vorst, wiens bestaan en wiens Rijk de groote Khan niet vermoedde, â wiens naam en leven nooit tot de volken van bet Oosten was gekomen, â dat die het wagen durft, de groote Duitsche Sultane, wier macht wij kennen, maar niet vreezen, â zoolang weerstand te bieden, zonder door haar overwonnen te worden. Mijn verheven meester Krimgeray echter is nu blijde, dat hij weet, wat hij vroeger niet geweten heeft. Want staat er niet inden Koran, dat heilige Roek der boeken, geschreven: âZeg, zijn zij, die iets weten, en zij, die niets weten, elkander gelijk?quot; En zingt niet Wassif, de groote dichter; âWelen-schap is het licht, dat den geest tot waarheid leidt; daar zij, even als het licht der oogen, helderheid verspreidt!quot; Helder dus ziet het arendsoog van mijn meester; en het ziet, dat hij een groot man is, die zóó klein was, dat men hem niet zag, en nu zoo groot is als een reus; dat hij het land der groote Duitsche Sultane overschaduwt en de Ir ot-sche en onbuigzame Gzarin van het Noorden doet sidderen.
78
Hij zendt mij let u, om zijne bewondering in woorden te uiten; en het allereerst, vóórdat woorden van ernst gesproken worden, de geschenken zijner vriendschap aan uwe voeten te leggen. Wilt gij mij vergunnen, koninklijke adelaar van het Noorden, dat ik zulks doe?quot;
âIk zal mij over die geschenken verheugen,quot; zeide de Koning glimlachend: âwant zij zijn voor mij liet teeken der vriendschap van den grooten Khan.quot;
Mustapha Aga wenkte naar de deur, en riep luid eenige woorden. Dadelijk verschenen de beide rijk en prachtig gekleede begeleiders van den gezant, die vóór den stoel hadden gereden, en plaatsten zich met getrokken sabel aan weerskanten van de deur; toen kwamen twee aan twee de bedienden en mindere ambtenaren van het gezantschap, in keurig gevlochten, met kleeden behangen korven de geschenken dragende.
Mustapha Aga wenkte de beide voorsten nader te komen, en alvorens hij de mand opende, wendde hij zich tot den Koning. â âSire,quot; zeide hij: âwanneer de Tartaar zich met iemand in liefde en vriendschap verbindt, noodigt hij hem in zijn huis en verzoekt hem, met hem te eten van zijn brood, zijn vleesch en zijne vruchten; met hem te drinken van zijn wijn. Sire, mijn groote en verheven Vorst bedient zich van mijn onwaardigen mond. Uwe Majesteit te bidden, van uwen troon neder te dalen, en bij hem in zijn huis te komen, waarin hij in den geest tegenwoordig is, en met vroolijk hart den koninklijken adelaar van het Noorden welkom heet.quot;
âIk zou gaarne bereid zijn het verzoek van den verheven Khan te vervullen,quot; hernam de Koning glimlachend: âmaar het is een weinig te ver, van mijn huis naar dat van den Khan.quot;
âSire; het huis van mijn verheven meester staat voor de deur,quot; zeide Mustapha Aga, zich diep buigende: âop den dag van mijn vertrek betrad het de Khan en begroette de wanden, en riep naar alle windstreken: âWees gegroet, verheven koninklijke broeder! Wees gegroet, adelaar van het Noorden! Mijne ziel buigt zich naar u, en geeft u den broederkus. Weesgegroet, heldenkoning, gehate vijand der Czarin; Krimgeray biedt u zijn hart en zijne ziel aan, en wil uw vriend zijn voor alle lijden!quot; â âSire, zóó sprak mijn
79
(
meester, de Khan, en de lucht van zijn huis is vol van zijne woorden; zij zijn gevestigd tegen de wanden, en zijne blikken schitteren van de zoldering. Sire, wilt gij nederdalen van uwen troon en mijn verheven meester, den Khan Krimgeray, den leeuw der steppen, uw tegenbezoek brengen ?quot;
De Koning stond haastig op. ââDaar ben ik volkomen toe bereid,quot; zeide hij; âbreng mij naar het huis van den Khan. Ga voor, en wijs mij den weg.quot;
Mustapha Aga wenkte de korfdragers, de bedienden en de ambtenaren naar buiten te gaan, sprak toen haastig en dringend eenige woorden met de tolken, en ook deze verwijderden zich. Nu boog hij zich tot op den grond voor den Koning, en zich toen fier en boog weder oprichtende, stapte hij door de kamer over de open plaats voor de deur heen.
Builen vertoonde zich aan den verwonderden blik des Koning een verrassend schouwspel. Vlak tegenover het huis op de open plaats, verhief zich een tent van aan-merkelijken omvang, rondom door een soort van vilten muur omgeven; zeer geschikt om het indringen der lucht en koude te weren. Van de nu nog gesloten deur der tent lag een kostbaar tapijt tot aan het huis des Konings, en uit het binnenste van de tent vernam men de zachte tonen van eene, in maat en geluiden vreemde muziek.
âWaarlijk,quot; zeide de Koning, zich glimlachend tot zijn gezant, den baron von Rexin wendende; âhet is mij, alsof ik hier een sprookje uit de Duizend en een Nacht beleven moet. Er ontbreekt niets aan, dan dat de schoone Scherzerade mij binnen op den divan zit te wachten!quot;
âSire, wellicht is het zoo!'' zeide Rexin: âop weg volgde ons een gesloten koets, door vier gesnedenen van den Khan bewaakt.quot;
De Koning lachte. ââWelnu,quot; zeide hij: âwij zullen zien.quot;
De Koning stapte naar de tent. Zoodra hij die bereikt had, vloog de deur van de tent open, en Mustapha Aga ontving den Koning met eene kniebuiging, terwijl tie lieden van zijn gevolg zich naast de deur op den grond geworpen hadden, en met het voorhoofd den grond aanraakten.
De Koning trad binnen, en keek nieuwsgierig en onderzoekend rond âin het huis van den Khan.quot;
80
Het binnenste van deze reusachtige tent was geheel met purperrood laken behangen, waarvan de draperiëndoorkun-stig vergulde stangen, welke de tent droegen, werden opgehouden, en aan wier uiteinde een andere gouden stang rondom de tent liep. Aan deze stang waren van onderen met gouden ringen de behangsels vastgemaakt; van boven waren twintig andere gouden stangen aangebracht, welke schuin samenloopende, zich in het midden in één punt ver-eenigden, en zoo den koepel van de tent vormden. Hier hing een gouden reukvat, waaruit blauwe wolkjes opstegen, die zich door de ruimte verdeelden, en een aangenamen geur verspreidden. Een reusachtig Turksch tapijt bedekte den vloer, en langs de wanden stonden eenige van die vierkante Turksche divans, welke het voornaamste meubel in de huizen der Turksche on Tartaarscbe grooten uitmaken. In het midden van de tent stond eene vergulde, lage tafel, met een kleed van glinsterend purper. Een gedeelte van de tent was door een zwaar voorhangsel van kostbaar weefsel afgescheiden, en daarachter klonk de muziek, welke nu met luide en schetterende tonen den Koning ontving.
De Koning stapte lot in het midden van de tent, terwijl zijn gevolg zich aan weerszijden schaarde, en Mustapha Aga met zijne dienaren en de vier tolken, zich op eenigen afstand van den Koning plaatsten.
Nu nam Mustapha den sabel, welke op tafel lag, en nadat hij hem gekust had, reikte hij hem den Koning over.
âSire,quot; zeide hij : âde verheven en groote Khan van Tar-tarije, Krimgeray, zendt u eerst zijn zwaard, als teeken van zeldzame liefde en genegenheid. Hij verzoekt u op den dag van den grooten slag, welken gij beide, zoo Allah het ons toestaat, de gehate Gzarin van het Noorden, met vereende krachten zult leveren, dit zwaard om uwe heup te gorden. Een dergelijk zwaard, in hetzelfde vuur gehard, en met dezelfde spreuk versierd, draagt ook de Khan, en wanneer deze beide zwaarden de lucht doorklieven, zal gelieel Rusland beven, en evenals bij een goddelijke aardbeving zal het tot een puinhoop ineenstorten!quot;
De Koning nam den sabel, welken hem Musapha Aga overreikte, en beschouwde hem oplettend. Toen wees hij op de vergulde letters, welke over de geheele lengte van
81
de kostbare met keurige versierselen prijkende damascener kling liepen.
âWat beteekent deze spreuk!quot; vroeg hij.
âHet zijn,quot; antwoordde Mustapha plechtig: âde woorden waarmede de Tartaar naar den slag trekt, om de eer van zijn huis en zijn gezin te verdedigen en te wreken; om zijn land tegen den vijand, en de hem dreigende slavernij te beschermen. Het is de leus der Tartaren: Den brand, den brand, maar geene schand! De wraak, de wraak, maar geen smaad!quot;
âIk neem dit zwaard aan,quot; zei de Koning levendig: âwant dit opschrift bevalt mij zeer. Het bevat in weinige woorden eene geheele krijgsgeschiedenis; en zegt tevens meer van de barbaarschheid van den strijd, dan alle geleerde en vrome verklaringen. Ik breng den Khan mijn dank voor dit schoon geschenk.quot;
âDe Khan hoort uwe woorden, sire; want zijn geest is onder ons!quot; riep Mustapha Aga, en vervolgens den Koning verzoekende op den grootsten divan plaats te nemen, stapte hij naar de deur van de tent, om die te openen. Nu verschenen weder de bedienden met de bedekte korven, en schaarden zich twee aan twee in dubbele rijen in de tent. Mustapha Aga nam den beiden eersten den korf af, en openden het kleed, waarmede hij gedekt was.
âSire,'' zeide hij: âgij zult de genade hebben met den Khan te eten, en te drinken van zijn lievelingsdrank en zijn wijn, opdat de band uwer vriendschap onverbreekbaar worde. De Khan zendt u hier een kostbaren ham, als bewijs zijnef hartelijke vriendschap. Want om u dien ham te kunnen zenden, heeft hij zijn lievelingspaard, dat hij sedert vele Jaren bereden had, â âhet hert der steppequot; laten dooden, om voor u van dit paard van onvermengd, edel ras in zijn huis den ham te kunnen laten rooken.quot;
Toen de tolk deze woorden van Mustapha in het Fransch herhaalde, zag men de Pruisische heeren en generaals glimlachen enelkanderspottende en ontstelde blikken toewierpen.
De Koning alleen bleef ernstig, en zich tot de generaals wendende, zeide hij in het Duitsch: âO, mijneheeren, hoe zouden wij ons verheugd hebben, wanneer men ons in het kamp van Bungelwitz dezen ham gebracht had, en hoe gretig zouden wij dien gegeten hebben!quot;
Milhlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VIII. 6
82
t)aarop wendde hij zich met vriendelijken blik tot den gezant, die hem uit de andere manden caviaar, butarga en zibeben, dadelen en amandelen in zilveren schalen overreikte, en ze voor de voeten des Konings plaatste.
Toen begaf hij zich weder onder luid roepen naar de deur van de tent; deze werd geopend ener verscheen een Tartaar in witten wolfspels, met een gouden schaal in de hand, waarin zich eene dampende vloeistof bevond.
Mustapha nam haar over en knielde voor Frederik neder. â âSire,quot; zeide hij: âmijn verheven meester Krimgeray verzoekt u, met hem zijn lievelingsdrank te drinken. Hij heeft, vóór hij u deze schaal zond, met de lippen den rand gekust, en wanneer gij nu de uwen aan de schaal brengt, vind de groote adelaar en de held van het Noorden daar den broederkus van den adelaar en den held van het Zuiden.quot;
âWat is dat?quot; vroeg de Koning zacht aan Rexin, die naast hem stond.
âSire, het is paardenmelk,quot; fluisterde Rexin.
De Koning gaf even een licht teeken van tegenzin en bijna zoude de inhoud der schaal, die hij juist van Mustapha quot;had aangenomen, gestort zijn geworden. Maar toen overwon de Koning zijn afkeer en hief bedaard èn glimlachend de schaal in de hoogte. Nadat hij zijne lippen aan den rand gebracht had, reikte hij haar weder aan den gezant over.
âIk heb van den rand der schaal den kus van mijn vriend gedronken,quot; zeide hij : âmoge onze vriendschap van langen duur zijn!quot;
âDat geve Allah!quot; riep Mustapha met nadruk; âSire, mijn verheven Khan zendt u zijne groete; en daar hij hopen mag, dat u even als hem de bedwelmende lievelingsdrank van eiken echten Tartaar goed moge smaken, zendt hij u het edel, vurig dier, de Arabische merrie, die in staat is, u dezen drank te bieden.
Hij wierp de deur van de tent open; buiten stond een paard van het edelst Arabisch ras; gezadeld en getoomd, met kostbaar zadeltuig en onder het zadel versierd met een purperen deken, welke met edelgesteenten en kostbare paarlen geborduurd was.
's Koning oogen schitterden van vreugde, en toen hij nu driftig de tent doorstapte en naar het paard ging, scheen
83
het dier zijn nieuwen meester te willen begroeten; want het hinnikte luid, en krabde rnet den fijnen poot in den grond.
De Koning streelde vriendelijk den glanzigen en ranken hals, streek diens volle, golvende manen en zag het in de groote, fonkelende oogen.
âWees mij welkom, mijn strijdros,quot; zeide hij : âmocht gij mij in den eersten slag de overwinning of den dood te ge-moet dragen!quot;
Toen ging hij terug in de tent, om weder op den divan plaats te nemen, en de overige geschenken van den Khan, in kostbare wapens en pelzen bestaande, in ontvangst te nemen.
âEn nu, sire,quot; zeide toen Mustapha; ânu verzoekt u de Khan in zijne tent uit Ie rusten, en de muziek aan te hoo-ren, welke hij bemint, en de dansen te zien, welke zijn oog verlustigen. Mijn meester weet, dat de groote Koning van Pruisen de muziek evenzeer bemint als hij, en dat het gezang uw hart verblijdt gelijk het zijne. Wanneer hij ten strijde trekt, â dat heet ter overwinning, â neemt hij zijne muzikanten en zangers mede, en zijne Baladinen moeten voor hem den zegedans dansen. Ook bemint hij, even als gij, het tooneel; des avonds moet men hem vroolijke grappen vertoonen. ^ De Khan verzoekt u zijne zangei's en muzikanten te vergunnen voor u te zingen en te spelen, en aan zijne dansers, voor u te dansen. Wil Uwe Majesteit zijn bede toestaan ?quot;
âIk ben bereid te hooren en te zien,quot; zeide de Koning. Dadelijk werd, op een wenk van Mustapha, het voorhangsel dat de tent verdeelde, geopend, en vier meisjes in lichte, doorschijnende kleeding, â schoon en liefelijk van gelaat, met oogen schitterend als vuur, met lippen bloeiend als purperrozen, â zweefden te voorschijn, en voerden met accompagnement van de mandolines, bevallige dansen uit.
Nadat deze geëindigd waren, gingen zij op de hurken naast het voorhangsel zitten, en zagen met groote. verbaasde oogen naar de Pruisische krijgers.
Onmiddelijk volgden van achter het voorhangsel vier jon-
1) Hammer, Geschiclite des Osraanischen Eeiches, B. 8. S. 124.
gelingen en plaatsten zich tegenover de meisjes. De muziek achter de gordijn hiel eene zachte, teedere melodie aan, en nu begon de beurtzang der meisjes en jongelingen. Eerst zong de voorzanger elk vers van het lied, en dan herhaalden het allen in koor, het gezang met handgeklap en allerlei schommelende bewegingen van het lichaam vergezellende.
Toen stonden twee meisjes op, en den teruggeslagen sluier over haar gelaat werpende, zoodat alleen de schitterende oogen zichtbaar bleven, zweefden zij naar het einde van de tent, en huppelden al dansende den jongelingen tegemoet, die nu met neergeslagen blik, ootmoedig en schuw, het lied der liefde aanhieven; het niet wagende het schoone voorwerp hunner liefde bij den naam te noemen, maar het aansprekende als; .,het jonge kameel, het schip der woestijn van het harte,quot; en toen overgaande tot het avondgezang der liefde: ,,De ruiters komen, o Kieba, de ruiters komen als dieven, de ruiters van Kieba, o geliefde.quot; â Maar toen hieven zij op dezelfde melodie het strijdlied der Tartaren aan. âGij vogels met den kalen kop! Gij gier en worm! Moge menschenvleesch uw maag vullen; mengt u in de gelederen van den strijd!quot; ^ Op deze regelen volgde een tafereel uit den slag; men hoorde het krijgsgeschreeuw, de leus der Tartaren, en dadelijk na de behaalde zege, het luid gillende, krachtige Lili der vrouwen. (Het halleluja van Lilith.)
Toen het gezang geëindigd was, bogen zich de zangers en zangeressen tot op den grond, en verdwenen weder achter het voorhangsel.
De muziek verstomde; de Koning stond van den divan op, zeggende; âIk heb den Khan, uwen verheven meester, een schoon uur te danken, en terwijl ik zijn huis verlaat, om naar het mijne terug te keeren, neem ik eene aangename herinnering met mij mede.quot;
âSire,quot; zeide Mustapha Aga; âde Khan verzoekt u deze tent de uwe te noemen, en haar aan te nemen als een teeken zijner vriendschap.quot;
De Koning boog glimlachend met zijn hoofd, en verliet
I) Mémoires du baron Tott. Vol II, p. 112.
85
de tent, Rexin bevelende, nu met den Tartaarschen gezant voor oen meer ernstig gesprek in zijn huis te komen.
Vervolgens ontsloeg de Koning, aan de deur van zijne woning gekomen, de generaals en zijn schitterend gevolg, en trad, slechts door Rexin, den Tartaarschen gezant en diens tolk vergezeld, weder in zijne kamer.
âLaat ons nu van zaken spreken,quot; zeide de Koning: âwelke berichten brengt gij mij van den Khan der Tartaren? Welk antwoord zendt hij op mijn voorstel?quot;
âSire, hij is bereid alles te doen, wat Uwe Majesteit kan wenschen, en u alle hulp te verleenen, mits gij geen vrede sluit met onzen gehaten vijand, met Rusland; maar onvermoeid en onophoudelijk den krijg zóólang zult voortzetten, tot Rusland vernederd aan onze voeten ligt.''
âOch,quot; riep de Koning: âden Khan van Tartarije kan de Keizerin van Rusland niet vuriger haten, dan zij mij haat; hij behoeft dus geen vriendschapsverbond tusschen mij en Rusland te vreezen. Ook verlang ik volstrekt niet de viiend-schap van die ruwe barbaren.quot;
âWanneer de Keizerin van Rusland Uwe Majesteit haat, dan doet zij u hetzelfde, wat zij Krimgeray doet. Rusland haat alles, wat hooghartig, edel en vrijzinnig is. Rusland haat de verlichting en beschaving; want de verlichting is het licht, en de beschaving is de vrijheid, en beide zijn erfvijanden van Rusland! llusland haat Krimgeray, omdat hij zijn volk zedelijk ontwikkeld heeft; omdat hij de ruwe horden zijner strijdbare mannen^ tot een leger van krachtige, stoute en beschaafde krijgslieden heett veranderd; omdat hij zijne onderdanen menschelijk regeert, â voor hen een vader, maar voor den vijand een schrikbeeld is. â Krimgeray haat Rusland, omdat hij al het slechte, lage en ruwe haat; en daarom is hij gereed, u bij te staan tegen Rusland; hij wil zich met een leger van zestienduizend man bij u voegen, en ook, wanneer gij dat wilt, een aanval in Rusland doen.quot;
âEn welke voorwaarden stelt de Khan voor dit hulpbetoon?quot;
âHij verzoekt, dat gij zijne troepen dezelfde soldij zult betalen, welke gij aan uwe eigen soldaten geeft.quot;
âEn voor zich zeiven?quot;
8ü
âVoor zich zeiven vraagt hij u, hem een bekwaam geneesheer te zenden., die hem van een, wel is waar niet gevaarlijk, â maar toch smartelijk lijden kan herstellen. â Verder bidt hij om uw vertrouwen en uwe vriendschap.quot;
âDie schenk ik hem gaarne!quot; riep de Koning verheugd ; âMaar zeg mij nog iets. Is de Khan nog altijd niet met zijn opperheer, den Sultan van Turkije verzoend?quot;
âSire, de Sultan gevoelde, dat hij zijn dapperen Khan niet missen kan. Hij riep hem dus, zijne genade verkondigend, tot zich, en Krimgeray's edel hart, dat geen wrok kent, vernam de oproeping en volgde haar. Een week vóór ons vertrek heeft de groote Khan in het Serai van den Grooten Heer zijn plechtigen intocht gehouden. Tot bijzondere onderscheiding had men voor het Serai veertig juist aangekomen hoofden der oproerige Montenegrijnen opgestoken, en in tegenwoordigheid van den Grooten Heer zelf, werd de Khan opnieuw met sabel en gordel, met pijlkoker en boog, kolbak en rijger en een heerlijk paard, in zijne waardigheid als Khan bevestigd. Ook gaf hem de Groote Heer zeil in eene brieventasch een eeregesclienk van veertigduizend dukaten. Gij ziet dus, sire, dat ook de Groote Heer de deugden van uwen bondgenoot erkent en waardeert.
âEn hoe staan wij met de Porte?quot; vroeg de Koning, zich tot Rexin wendende.
âSire, ik ben er in geslaagd in naam van Uwe Majesteit een vriendschapsverbond met de Porte te sluiten,quot; zeide Rexin: âik zal de eer hebben het Uwe Majesteit ter onder-teekening aan te bieden.quot;
's Konings oogen schitterden van vreugde, en een opgeruimd lachje speelde weder om zijne lippen.ââHet doel van jaren lang werk is dus eindelijk bereikt; en ondanks geheel Europa, heb ik nu óók mijne bondgenooten!quot; zeide hij als tot zich zeiven.
Toen wendde hij zich weder tot Mustapha Aga, om hem voor heden te ontslaan, en hem te vergunnen, gedurende zijn verblijf in de legerplaals, het schoone huis van den Khan, de tent, als eene herinnering aan zijn geboortegrond, te bewonen.
Muslapha Aga verwijderde zich met den tolk, en de Koning bleef alleen met den heer von Rexin, die hem nu
87
do papieren betreffende dit vriendscliapsverbond.â waarnaar hij sedert jaren gestreefd had en dat telkens weder afsprong, â voorlegde, en zijn goedkeuring en onder-teekening verzocht. Dat verdrag verzekerde Pruisen alle voorrechten, welke Turkije aan de overige mogendheden toestond: vrije vaart, het recht van gezanten en consuls, rechtsgebied in zaken van Pruisische onderdanen, cn de persoonlijke vrijheid van alle Pruisen, die aan geen boord lot slaven konden gemaakt worden.
De Koning onderteekende dit verdrag, en benoemde baron von Rexin tot zijn gevolmachtigd minister, met den last om weder met den Tartaarschen gezant te vertrekken, en den Sultan in plechtig gehoor de ratificatie van het verdrag te overhandigen. ^ â
âZoo moge dan de strijd opnieuw beginnen,quot; zeide de Koning, toen hij alleen was: âik zal met het nieuwe jaar een aanvang maken; en ik zal strijden, zooals ik gestreden heb; met dit ééne groote doel voor oogen mijne eer en de eer van Pruisen! Nooit zal ik hel oogen-blik zien, dat mij tot een nadeeligen vrede kan dwingen! Er is geene overreding, geene welsprekendheid, welke mij zal kunnen overhalen, mijne schande te onderleekenen. Ik zal mij óf onder de puinhoopen van mijn vaderland begraven, of' ik zal, â wanneer het mij vervolgende noodlot
1) Baron von Rexin had inderdaad met vele moeielijklieden en wederwaar-digiieden geworsteld, voordat hij er in slaagde dit vriendschapsverbond met de Porte te sluiten; hetwelk hem eindelijk slechts door omkooping gehikt was. Door den geneesheer en den secretaris van den grootvizier, bereikte hij eindelijk zijn doel; maar het kostte den Koning de aanzienlijke son-, van twintigduizend piasters. â De Russische gezant te Konstantinopel en de Oostenrijksche Internuntius, bericht van dit verbond met Pruisen gekregen hebbende, deden aan hunne Hoven den voorslag, er honderdduizend dukaten aan te wagen, om het tractaat nog vóór de latilioatie te vernietigen; maar eer die Hoven daaromtrent beslist hadden, waren de stukken reeds gewisseld ; ofschoon de Pruisische koerier, die bet Turksche bericht overbracht, door den hem vergezellende Janitsaar te Aidos doodgeschoten werd, omdat Rexin hem, zooals hij beweerde negenhonderd piasters was schuldig gebleven. Intusschen kwam het verdrag toch niet tot stand; want de vrijzinnige vizier Raghib stierf spoedig daarna, en zijn opvolger Hamet Hamsa wist den Sultan Mustapha III, â die bovendien meer tot een vrede met Oostenrijk genegen was, â over te halen, het verdrag, als onwettig en slechts door omkooping verkregen, weder te ontbinden. De geneesheer werd, onder voorwendsel dat hij twee zijner slavinnen gegeeseld had, opgehangen, en de secretaris, âom zijne te groote gedienstigheidquot; naar Cyprus verbannen. Zie: Hammer, B. 8, S. 205.
88
rnii fok nog dezen troost niet gunt, â zelf een einde aan mijn ongeluk maken. De eer alléén heeft mijne schreden tot hiertoe geleid, en moet ze ook verder leiden. â Ir heb mijne jeugd aan mijn vader, â mijn mannelijken leeftijd aan mijn vaderland geofferd, en zal nu wel het recht hebben over mijnen ouderdom te beschikken. Er zijn menschen,die zich gedwee aan hun lot onderwerpen; dat kan ik niet! Indien ik voor anderen geleefd heb, wil ik tenminste voor mij kunnen sterven; mij niet bekommerende om hetgeen men er van zeggen zal. Niets zal mij weerhouden, om een snellen en moedigen dood, boven een krachteloozen ouderdom te verkiezen; â een ouderdom vol verdriet en smaad, vol droefheid over vervlogen geluk, en vol beleedigingen. â Ik zal alles wagen; ik zal tot bereiking van mijn doel de stoutste dingen ondernemen, of een eervollen dood sterven!quot; 1)
âMaar neen, neen!quot; vervolgde de Koning na eene poos: âIk wil niet meer zulke sombere en wanhopige gedachten koesteren op een dag, waarop mij na lange onweersstormen een eerste zonnestraal verschijnt. Wellicht zal het jaar tweeënzestig gelukkiger zijn, dan het ver-loopene. 2) Reeds sta ik niet meer alléén; ook ik heb nu mijne vrienden en bondgenooten.
âWat gaat het mij aan, of de wereld mijne nieuwe vrien-
1
's Konings eigen woorden. Oeuvres de Fr. Vol. 19, p. 130.
2
Het voorgevoel des Konings bedroog hem niet. Want reeds in het begin van het jaar 1762 stierf de Keizerin Elizabeth van Rusland, en haar opvolger Peter 111, een hartstochtelijk vereerder van Frederik de Groote, werd nu bondgenoot van Pruisen, en zijne troepen, die tot nog toe tegen den Koning gestreden hadden, moesten mr voor hem te velde trekken. Katharina veranderde deze beschikkingen van haren echtgenoot niet, maar bleef de bondgenoote van Pruisen, en toen nu Frankrijk óók van het oorlogstooneel trad, zag Oostenrijk zich eindelijk in 1763, â nu zijne middelen uitgeput waren, â genoodzaakt, den vrede met Pruisen te sluiten. â Door de veranderde omstandigheden in Rusland, had Frederik nu ook zijn Tartaarschen bondgenoot niet noodig; en Krimgeray, die reeds in aantocht was, keerde met zijn leger naar zijn vaderland terug. In 1769 riepen de Polen hem te hulp tegen Rusland; Krimgeray trok met een aanzienlijk leger naar hen heen, maar werd onderweg door den Griekschen geneesheer Siropulo, door Rusland daartoe omgekocht, vergeven. Toen hij zijn dood voelde naderen, beval hij zijne muzikanten te spelen. Opdat hij, zooals hij tot baron Tott zeide, âvroolijk en zacht kon inslapen.quot; Dit geschiedde. Onder de smeltende tonen eener wegstervende muziek, gaf Krimgeray den geest, in Februari van het jaar 1769. Zie: Mémoires du baron de ïott, sur les ïures et les Tartares. Vol. II, p. 206.
89
den ongeloovigen noemt, en met trotschen christelijk en eigenwaan op hen neder ziet. Ik heb Christenen elkander zien verscheuren, beleedigen en verraden. Wellicht zijn de ongeloovigen betere Christenen dan de geloovigen ! Beproeven wij het eens met hén! Nu alles mij verlaat, bieden zy mij de hand van vriendschap. Dit is de eerste zonnestraal, die mij toelacht! De hemel zij daarvoor gezegend! Wellicht volgen op de onstuimige vlagen, nu de schootie dagen! God geve het!quot; ')
's Konings eigen woorden.
XKV KNDK BCJKK.
NA DEN ZEVENJARIGEN OORLOG.
I.
DE TERUGKOMST DES KONINGS.
De oorlog was geëindigd, en Berlijn had zich in schitterend feestgewaad gedost, om den Koning dien het sedert zeven jaren niet binnen zijne muren gezien had, jubelend en juichend te ontvangen. â De krijg was ten einde, en in llubertsburg hadden de mogendheden eindelijk, na zevenjarigen strijd, vrede gesloten. Niemand had bij dezen vrede gewonnen; niet ééne stad of vesting van Silezië was den Koning van Pruisen ontnomen geworden; maar hij had zich met zijne vroegere veroveringen moeten tevreden stellen, en geene nieuwe gewesten bij de vroeger veroverde kunnen voegen De strijd was geëindigd, en nu was alles weder, zoo als het vóór den krijg geweest was. De gevolgen van den oorlog konden niet naar het voordeel, â maar veeleer naar het verlies berekend worden; niemand wist op te geven, wat hij gewonnen, â maar elk wèl, wat hij verloren had.
Pruisen had in deze zeven jaren aan slrijdbare mannen honderdtachtigduizend, de Franschen tweemaalhonderdduizend, de Russen hondordtwintigduizend, de verbonden Engelschen en Duitschers honderdzesligduizend, de Saksen negenduizend, en de Zweden en Rijkstroepen eindelijk, zestigduizend verloren.
Deze zeven jaren hadden aan het ongelukkige Europa bijna een millioen mannen gekosi, wier bloed den grond van Duitschland gedrenkt had; wier gebeente in Duitschen
01
grond bedolven was, terwijl in geheel Europa treurende moeders, vrouwen en kinderen een van leed doorgroefd gelaat naar het land wendden, dat haar het dierbaarste ontroofd, â en hen zelfs den smartelijken troost ontnomen had, op de graven harer dooden te weenen en te treuren.
Maar niet alleen berekenden de Staten en volken hoe veel bloed er vergoten was, maar ook, hoe veel bloed van liet Staatslichaam, dat is; hoeveel geld daarbij verspild was.
Engeland had gedurende dezen oorlog zijn schuldenlast met zeventig millioen pond sterling vermeerderd, zoodat het nu jaarlijks alleen voor de rente zijner schulden, vier en een haltquot; millioen thaler moest betalen ; Oostenrijk schatte nu zijne staatsschuld op vijfhonderd millioen gulden; Frankrijk op tweeduizend millioen livres; aan Zweden wachtte een staatsbankroet, en het ongelukkige Saksen had gedurende den krijg, aan lasten en leverantiën, ruim zeventig millioen thaler moeten betalen.
Pruisen had strikt genomen geene schulden gemaakt, maar het bevond zich toch in geen beteren toestand dan de overigen; want het had geld beneden de waarde, dat alleen de dwang van den krijg in koers had gehouden, maar dat nu niemand wilde aannemen. Met deze munt was Pruisen overstroomd; men had de ambtenaren er mede betaald, de rente voldaan en zaken aan de beurs verhandeld, zoodat het nu bij het einde van den krijg hun allen, die in hunne zakken het schoone, blinkende geld van Ephra'im droegen, ging, zooals het den rijken in liet sprookje ging; de blinkende goudstukken, welke zij gedurende den nacht bijeengegaard hadden, waren des morgens in doofkolen veranderd. Men was rijk in geld zonder wezenlijke waarde. Van dit geld alleen was nog onder de bewaring van den betaalmeester van het leger, na het einde van den krijg, tweehonderdduizend thaler, en in de bijzondere kas des Konings
1) De bankier Ephraïm, aan wien Frederik voor een liooge som de munt verpacht had, sloeg in de laatste krijgsjaren zulk een slechte geldsoort, maar tevens zóó goed bewerkt en schitterend, dat het volk, dal deze thalers slechts Kphramüten noemde, er van zeide:
âVan buiten schoon, van binnen slim.
Van buiten Frederik, van binnen Ephraïm,quot;
9'i
nog achthonderd thaler. Het slechte geld was overal overvloedig, maar het goede was als verdwenen. Dit laatste was in de landen des vijands overgegaan, of met geweld uit het land genomen; want honderd vijfentwintig millioen thaler had de vijand uit de landen des Konings aan brandschatting afgeperst. En bovendien had men geen zilver, om dadelijk nieuw geld te laten slaan. Bijzondere personen hadden reeds lang hun zilver en goud op het altaar van het vaderland gebracht; de Koning had niet alleen zijne geheele zilverkamer, maar zelfs het gouden servies, dat hij van zijne moeder geërfd had, weggegeven, om daaruit geld voor zijn leger te laten slaan; en toen dit niet meer voldoende was, had hij de juweelen van zijn huisschat: de beroemde bril-lanten knoopen van den prachtlievenden eersten Pruisischen Koning, voor hetzelfde doel opgeoiferd. â De kassen en de middelen des Konings waren dus voor het oogenblik even-uitgeput als die zijner onderdanen. De velden lagen onbebouwd, omdat het niet alleen aan vee en zaad, maar ook aan menschenhanden ontbrak, om ze te bewerken; alle toestanden waren uit hun verband gerukt, hopeloos en treurig; overal moest men worstelen met gebrek, strijden met ontbering en moedeloosheid.
Deze alleen waren de vruchten van den strijd, die zeven jaren lang de volken van Europa als met een geesel ten bloede toe had geslagen, en die als een verderf-engel had rondgewaard door alle landen, met zijn gloeienden adem alle welvaart, alle rust verzengende, en aan aller lippen klachten, uit aller oogen tranen ontlokkende.
En nochtans had Pruisen aan dezen strijd zooveel groots en goeds te danken. Hoewel bloedend uit duizend wonden. hoewel uitgeput en doodelijk afgemat, kon men het toch eene snelle en spoedige herstelling beloven. Die genezing lag in zijne jeugd, in zijne frissche, onbedorven levenskracht. Terwijl alle overige Staten de wonden, welke de krijg hun had geslagen, lang en pijnlijk in hunne oude, afgesleten lichamen moesten dragen, kon Pruisen hopen, ze spoedig te zien genezen; want het was, zooals gezegd is, nog vol jeugdige kracht; het was gedurende deze zeven jaren van den krijg, zedelijk gegroeid: het was groot geworden onder zijne nooden, en plaatste zich in de rij der groote mogendheden, als de jongste, maar ook als
03
de meest levenskrachtige. â De lauweren, welke het hoold van den Koning versierden, wierpen den glans van hunne stralen over geheel Pruisen ; en onder den zonneschijn des roems moesten de wonden van het verleden zich spoedig sluiten, de genezing spoedig volgen, en in haar gevolg welvaart en voorspoed met zich brengen.
Deze blijde overtuiging, dit wellicht onbestemd gevoel, doordrong aller harten; en daarom bande men, zoodra zich het bericht van den gesloten vrede verspreidde, overal in Pruisen de tranen uit de oogen; daarom rukte men het rouwlloers van den arm, om het met vreugdestrikken te verwisselen, en er den Koning en het terugkeerende leger, zijn blijden groet mede tegemoet te wuiven.
En daarom ook had Berlijn, na jaren langen rouw, weder het feestgewaad aangetrokken; daarom vergat het al zijn doorgestaan lijden, al zijn ongeluk en leed, omdat het nu op welvaart en geluk in de toekomst kon hopen. Berlijn kon weder met blijden lach en gerust geweten den Koning tegemoet gaan, want het had zich trouw en dapper betoond in de tijden van gevaar, het had zich nooit kleinmoedig onderworpen; het had nooit, zooals Koningsberg, den zegevierenden vijand, dien het binnen zijne muren zag, als zijn rechtmatigen heer erkend, noch zich, met den verschuldigden plicht, als onderdaan voor hem gebogen. De Oostenrijkers en Bussen waren als overwinnaars binnen de muren en door de straten van Berlijn getrokken, maar den trouwen, onwrikbaren moed der bewoners hadden zij niet kunnen overwinnen. Overal had men een hardnekkigen tegenstand geboden; en hadden in Koningsberg zelfs de predikanten van den kansel voor de Keizerin van Busland, als voor hunne Keizerin en meesteres, gebeden opgezonden, â te Berlijn had men niet slechts van alle kansels gedurende de tegenwoordigheid des vijands voor het welvaren en het geluk des Konings gebeden, maar de Vossische en Spenersche dagbladen, die te Berlijn de organen der publieke opinie waren, bevatten zulke krachtige en stoute artikelen, dat de toorn der vijandelijke overwinnaars daardoor ten hoogste werd opgewekt, en de schrijvers van deze stukken slechts met moeite de smadelijke bestraffingen ontkwamen.1)
1
Zoo ik mij hier tot deze korte aanmerkingen over Berlijn en de Ber-
94
Maar al deze nood en ellende was nu vergeten; men zag nu te Berlijn slechts opgeruimde gezichten, slechts glimlachen en blijdschap. De geheele stad scheen onder de zonnestralen van het geluk te herleven, en niemand scheen nu te treuren, niemand te lijden. En tóch waren er onder de achtennegentigduizend bewoners van Berlijn, meer dan dertigduizend menschen, die wekelijks bedeeld werden, zoodat bijna het derde gedeelte der bewoners bedeelden waren
Maar heden leed men geen gebrek; heden was er geen lichamelijke nood, heden was ieder vroolijk van hart en opgeruimd van geest. Heden zou de Koning eindelijk na eene afwezigheid van zeven jaren weder naar Berlijn terug-keeren, terwijl de koninklijke familie reeds voor eenige dagen uit Maagdenburg aangekomen was.
Elk was dus op het bepaalde uur op straat, om den Koning te zien, die bij zijn vertrek uit Berlijn reeds Pruisen's heldenkoning was, en die nu als Europa's heldenkoning terugkeerde; dien alle volken toejuichten, wiens naam in Tartarije en Afrika, in alle deelen der beschaafde en onbeschaafde wereld met bewondering en verbazing genoemd werd. 1) â In alle straten heerschte een vroolijk gewoel. Alles drong naar de Frankforter poort, waardoor de Koning zijn intocht moest doen. Daar had men de grootste der eerepoorten, â waarmede bovendien al de straten van Berlijn versierd waren, âgeplaatst; daar waaiden de vaandels en standaarden van alle Pruisische provinciën van het kunstige, uit bloemkransen en vergulde zuilen bestaande gebouw; van daar af vormde de burgerij van Berlijn als eere-wacht te paard, een dubbele rij, tot ver op den straatweg, dien de Koning moest afkomen, en aller blikken waren op den weg gevestigd; een ieder wachtte met luid klop-
1
Napoléon zeide in de gedenkschriften van zijn kamerdienaar Las Casas: âNiet het Pruisische leger was het, dat Pruisen zeven jaren lang tegen de drie grootste mogendheden van Europa verdedigde, manr Frederik de Groote!quot;
95
pend hart op de verschijning van den held, wiens voorhoofd zoovele en kostbare lauweren versierden. Maar niemands liart sloeg zóó luid, niemands blikken staarden met zulk een innig verlangen den weg op, als die van den markies d'Argens, die aan hel hoofd der burgerij, vlak naast de eerepoort had post gevat. Hij was het, die de Berlijnsche burgers tot deze feestelijke ontvangst had georganiseerd ; hij had alle toebereidselen geregeld, aan alle eereposten hunne plaats en doelmatige versierselen gegeven; voor zijn geliefden koninklijken vriend had hij zijne zoo zeer beminde rust opgeolferd; voor hém had hij zich, â niettegenstaande zijne gewone angstige bezorgdheid voor zijne gezondheid, â in de ruwe en scherpe Maartsche lucht gewaagd; voor hem had hij gedaan, wat hij sedert verscheidene jaren had opgegeven: voor hém was hij te paard gestegen, en toen hij aan hém dacht, vond hij zelfs den tijd niet meer om op den rug van het dier bevreesd te zijn, of voor zijne levendige verbeelding al de schrikbeelden te spiegelen, waarmede een door een hollend paard afgeworpen en medegesleurd ruiter bedreigd wordt!
Wel is waar gaf zijn paard weinig aanleiding tot zulk eene bezorgdheid; het had reeds lang zijn weelderig, jeugdig vuur verloren, en stond geduldig als een lam, uren lang naast de eerepoort; het stond zelfs toen nog geduldig, toen zijn berijder reeds lang het geduld verloren had, en bijna toornig begon te worden, over het lange wegblijven van den Koning, en op zijn kluchtig knorrige wijze eindelijk in luide klachten uitbarstte over den wree-den held, die aan zijne bewonderaars niet wilde toestaan, hem in triomf te kunnen inhalen.
Toch had de markies zeer goed kunnen weten, dat den Koning niets lastiger was, dan zulke openlijke vertooningen; dat hij niets liever vermeed, dan deze plechtige huldebetooningen, die voor den gever even lastig zijn, als voor den ontvanger. Maar het hart van den goeden markies was heden zoo vol; het vloeide over van geluk en vreugde, hij had er behoefte aan het uit te jubelen, en luid zijn âhoezee, hoezee!quot; te schreeuwen. In de eigenbaat zijner liefde en geestdrift vergat hij dus acht te slaan op de neigingen des Koning, en volgde slechts zijn eigene.
Mogelijk vermoedde de Koning den triomf, dien dö goede
96
Berlijners hem bereidden, en mogelijk vond het zijnedel en fijngevoelig hart niet passend, dat de huiswaarts kee-rende levenden toegejuicht werden, daar men zoovele duizenden te betreuren had, die niet wederkeerden! â Mogelijk wilde hij Berlijn niet in feestgewaad zien; Berlijn, waar gedurende zijne afwezigheid zijne moeder gestorven was.
Uur op uur verliep; de zon begon te dalen, de bloemen, uit de oranjerïën in de ruwe Maartsche lucht en bij de eerepoorten geplaatst, lieten treurig het hoofd hangen; de wind blies onstuimig door de draperiën, en verschoof de kunstige plooien; de burgers begonnen, niettegenstaande hunne geestdrift, tóch eetlust te bespeuren en verlangden zeer naar het einde der ontvangst-plechtigheden, â en nog altijd kwam de Koning niet!
Men wachtte nog eenigen tijd geduldig, doch toen begonnen langzamerhand enkele burgers den trein te verlaten, en lieten hunne paarden omkeeren, om naar de stad terug te keeren; hot kwade voorbeeld vond ijverige navolgers, en de dubbele rij der burgerij te paard werd allengs kleiner. Toen het duister begon te worden, waren nog slechts eenige honderde burgers bij de eerepoort achtergebleven, en ook de aangezichten dezer Spartaansche mannen, vertoonden nog slechts weinige sporen van de opgewonden blijdschap van den morgen.
De markies d'Argens was wanhopend, en ware de Koning juist nu gekomen, hij had, in plaats van juichende woorden van begroeting, wellicht, â zooals reeds meermalen gebeurd was, â van den driftigen markies eene ernstige philippica moeten hooren. Maar de Koning gaf zijn vriend niet eens de gelegenheid zijn hart daarmede te verlichten. Hij kwam nog altijd niet.
De markies deed nu aan de burgers het voorstel, fakkels te halen, om daarmede het pad van den Koning te verlichten, en zijn intocht, ondanks de duisternis, een feestelijk aanzien te geven. Men volgde bereidwillig, en de meesten spoedden zich naar de stad om fakkels te halen.
Weldra schitterde nu de straat van den bloedrooden glans der fakkels, wier flikkerend schijnsel vreemde lichtstrepen over deze donkere, golvende zee van rnenschen wierp, die de geheele uitgestrekte ruimte van den triomfboog innam, en waaruit hier en daar de glans der fakkels een mensche-
07
lijk gelaat, een paar gloeiende oogen of een lachenden mond in schfUle verlichting dee l uitkomen.
En nu zag men in de verte het dikkeren van twee lichten, welke al nader en nader kwamen. Dat warende lantarens aan liet rijtuig des Konings! Nu hoorde men van het uiterste einde van den stoet het gejuich en vivat-ge-sclireeuw; als eene lawine rolde het al nader en verspreidde zich over de op het plein verzamelde menigte; het vervulde de lucht als met den donder van het geschut.
âLeve de Koning! Leve Frederik de groote!quot;
liet rijtuig kwam al nader; nu zweefden er honderdelichten omheen; want de burgers met de fakkels sloten er zich bij aan, omringden het rijtuig en reden er achter, zoodat nu het rijtuig des Konings als in eene zee van licht voortrolde.
[Iet bleef bij den triomfboog staan. De Koning richtte zich in het rijtuig op en wendde zijn gelaat naar het. volk, dat hem uit duizend en duizend monden toejuichte. De fakkels beschenen zijn gelaat, en gaven door hun roodachtigen glans aan zijne trekken de trissche, schitterende uitdrukking der jeugd en toonden het volk het fonkelende, groote oog des Konings, waarin nog dezelfde zielskracht, dezelfde wilskracht als vroeger schitterde, en loonden hun ook den zachten, goedigen glimlach, die om den schoonen mond des Konings speelde.
En een onbeschrijfelijk gejuich vervulde de lucht bij deaan-schouwing van dit lang ontbeerd gelaat. Het volk weende, jubelde, schreeuwde en lachte van verrukking;het stak zijne armen uit, als wilde het den Koning, die daar zoo schitterend en schoon boven hen straalde, in ééne omhelzing aan het hart drukken; het wierp hem kushandjes toe,en zijn naam noemende, scheen het God voor diens behoud te bidden. Maar één stond er aan den wagen, die niet sprak, en tóch waien zijne sidderende lippen welsprekender dan alle woorden; want welke woorden zouden datgene wel kunnen uitspreken, wat de markies d'Argens in dit oogenblik gevoelde; welke woorden hadden het gejuich, de ontroering en de vreugde kunnen schilderen, welke zijne ïiel vervulden, en tranen in zijne oogen brachten!
Nu zag de Koning hem, en noodigde hem in zijn rijtuig tegenover hem, naast den generaal Lentulus, plaats te ne-
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VIII. 7
98
men. Hij zelf slak zijn vriend de hand loe, om hem behulpzaam te zijn van het paard in dan wagen te komen. Toen groette hij nog eenmaal met eene beweging zijner hand het juichende volk. â âEn nu voorwaarts, voorwaarts, naar Charlottenburg, midden door Berlijn heen!quot; riep de Koning weder in het rijtuig gaande zitten.
In snellen draf reed het rijtuig Berlijn binnen. Zij, die den moed of de kracht verloren hadden, den Koning buiten af te wachten, waren nu op straat gekomen om hem met hun vivat! te begroeten. Maar de Koning hief zich met weder op uit het donkere hoekje van zijn rijtuig; hij liet het den hertog van Brunswijk over het volk te groeten en te bedanken. Hij zelf echter zat geheel bewegingloos, geheel zonder deelneming; hij scheen het gejuich en geroep van het volk volstrekt niet te hooren; geen enkel woord kwam over zijn lippen; niet éénmaal verhief hij zijn hand om te groeten. Maar toen zij nu over de Koningsberg op het slotplein kwamen, toen stond de Koning weder op. Maar niet om de huizen rondom het plein te beschouwen, die schitterend verlicht waren, en zich in eene zee van licht baadden, maar alleen op het Slot richtte zich de blik des Konings; op dien zwarten, zwijgenden steenklomp, welke zich rechts verhief, en die in tegenstelling met de stralende, feestelijk getooide huizen, ernstig en somber op een ontzaglijke, door licht omgeven doodkist geleek, üp het Slot alléén richtte zich de blik des Konings, en nu hief hij zijne hand op, doch niet om het volk te groeten, maar om ze voor zijn gelaat te brengen, en terwijl hij dit deed, hoorde de markies hem zuchten; âo, moeder, zuster!quot;
Het volk begroette met luid gejuich den terugkeerenden Koning; maar de Koning begroette in dit plechtige oogen-blik met diep, smartelijk gevoel hen, die nooit zouden terug-keeren; â hen, die de dood hem voor eeuwig ontrukt had!
Al verder reed men door de feestelijk verlichte straten, door de scharen van het juichende volk. Alle inwoners van Berlijn schenen op den weg des Konings samen te dringen allen wilden den terugkomenden held een wmi/toejuichen.
Het was een onmetelijken triomftocht, wél in staat om zelf het hart eens Konings met trotsche vreugde te vervullen ; want men kon aan deze van vreugde schitterende aan-
99
gezichten, aan dat gejuich, dat uit volle borst weergalmde, zoo duidelijk bemerken, dat het geen bestelde, gekochte ontvangst was, maar een die uit het harte kwam. â Berlijn juichte zijn held tegemoet; het zag niet dat deze geen oog, geen blik meer voor zijn volk had. De duisternis had haar somberen sluier over het treurende gelaat geworpen, en niemand vermoedde, dat de Koning, dien men jubelend door de straten geleidde, in dit uur een weenende zoon, een treurende broeder was! 'c
Eindelijk lag de in luister en vreugde prijkende stad achter hem, en het rijtuig rolde langs de donkere laan door den Thiergarten naar Charlottenburg. De Koning sprak nog altijd niet; niemand waagde het dus deze sombere stilte te storen. De triomftocht des Konings scheen nu in een lijkstoet veranderd te zijn; de overwinnaar van zoovele slagen scheen nu door zijne eigene herinneringen overwonnen te zijn!
Nu stond het rijtuig voor het verlichte Slot te Charlottenburg stil, waarvan het ruime plein gevuld was met de bewoners van de kleine stad, die den Koning met dezelfde geestdrift als de Berlijners begroetten.
De Koning groetle hen met eene vluchtige beweging van de hand, en trad toen snel het voorhof van het Slot binnen.
Men had dit tot ontvangst des Konings als het ware in een tempel der vreugde veranderd. De zuilen, welke het plafond droegen, waren met prachtige bloemkransen en bekleeding omvlochten; van goud schitterende vlaggen en zinnebeelden versierden en verborgen de wanden; kostbare turksche tapijten bedekten den vloer; talrijke kaarsen wierpen van vergulde kandelabres een schitterend licht, en bestraalden de glinsterende, met fonkelende Orde-sterren versierde cavaliers, alsmede den rijken tooi der dames, die in de zaal langs de wanden geschaard stonden.
In het midden van de ruimte stonden twee vrouwen; de eene in schitterenden koningstooi, stralende in den glans van gouden borduurwerk en fonkende diamanten; de andere in somber rouwgewaad, en in plaats van met juweelen, slechts met paarlen, de zinnebeelden der tranen versierd. De eene met een vroolijk, gelukkig gelaat, den Koning met helderen blik en gelukkigen lach aanziende; de andere met
100
een somber gelaat, waarin het verdriet, het leed en de ziekte hunne onheilspellende lijnen getrokken hadden, hare groote oogen met roode leden, met eene uitdrukking van kwallik gesmoorden toorn op den Koning gevestigd houdende, die nu deze beide vrouwen, de Koningin en prinses Amalia, met eene lichte buiging van het hoofd tegemoet trad.
De Koningin - bij het zien van dit geliefde, lang ontbeerde gelaat al hare gewone terughoudendheid en gelatenheid vergetende, â deed eenige stappen vooruit, en stak levendig haar gemaal hare beide handen toe. Hare geheele ziel, de lang bedwongen gloed van haar hart lag in haar vochtigen, en tevens schitterenden blik; haar mond, welke zoolang gezwegen, zoolang haar smartelijk zielsgeheim bewaard had, scheen zich eindelijk te willen openen, om woorden van liefde, van vurige genegenheid, die in haar hart gloeide, uit te storten. De Koningin, hoewel nu niet meer jong, niet meer schoon, â hoewel door kommer verteerd, en door lange jaren van lijden en vreeselijken sti ijd in zich zelve gekeerd, â de Koningin was in dit oogenblik weder schoon, vol leven en vuur; de eeuwige jeugd der ziel straalde van haar voorhoofd, de heldere vlam van haar geluk in haar oog.
Maar de Koning zag dat alles niet; zijn hart had geene erbarming met deze Koningin, die daar vol leven en blijdschap voor hem stond, daar de andere, de meer geliefde Koningin, was neergezegen in de eenzame, koude groeve!
Met een koelen groet nam hij voor een kort oogenblik de beide handen der Koningin in zijne rechterhand. âMevrouw,quot; zeide hij toen: âhet is een treurig weerzien voor ons beiden; want de Koningin, mijne moeder mis ik aan uwe zijde!quot;
De Koningin kromp pijnlijk ineen, en liet hare handen, welke de Koning nu weder losgelaten had, krachteloos en mat nederzinken. De zoo harde en wreede woorden des Konings hadden haar hart als met een dolkstoot getroffen, en de vreugdetranen, welke in hare oogen blonken, in tranen van smart veranderd.
De Koningin had geene kracht haar gemaal te antwoorden; prinses Amalia deed het voor haai'.
âAls mijn broeder,quot; zeide zij; âwanneer hij ons begroet, niet om ziet, maar slechts hen, die er niet zijn, zal hij
101
naast de prinses vooral mijn ongelukkigen broeder August Wilhelm missen, die even als onze moeder van verdriet gestorven is!''
De Koning liet een oogenblik zijn groot, vurig oog met een vreemde eu weemoedige uitdrukking op het gelaat dei-prinses, â dat gelaat zoo doorgroefd van ziekte en smart, â rusten.
âNeen, zuster,quot; zeide hij toen met zijn gevoeligen, zach-tcn glimlach; âik zie niet enkel hen, die er niel zijn, maar ook hen, die mij gebleven zijn; en ik verheug mij, uzuster, heden weder te kunnen begroeten.quot;
Hij reikte haar vriendelijk zijne hand, en toen de hovelingen met eene zwijgende buiging begroetende, ging hij langs hen heen, en trad in zijne vertrekken, alleen door den markies d'Argens gevolgd, dien hij met eene beweging zijner hand bevolen had hem te volgen.
De eerste vertrekken stapte de Koning snel door, nauwelijks een vluchtigen blik werpende op de nieuwe schilderijen, welke de wanden versierden, en die Gotzkowsky op last des Konings eerst onlangs uit Italië had medegebracht. Maar toen hij nu in zijn studeervertrek trad, toen hij een langdurigen, peinzenden blik door geheel het vertrek liet waren, waar elk meubel en elk boek, waar elke plaats hem met dierbare en schoone herinneringen begroette, â waar alles nog juist stond zooals hij het voor zeven jaren verlaten had, â toen gevoelde de Koning voor het eerst eene aandoening van vreugde, dat hij weder teruggekeerd was; dat hij weder in zijn huis was opgenomen, dat het hem met armen van liefde en zoete herinneringen omgeven had.
Met schitterenden blik wendde hij zich tot den markies, die achter hem tegen de deur leunde, en hem met een glimlach van zaligheid beschouwde.
âO, markies,quot; zeide hij: âde terugkeer in het eigen huis en in den vrede van den huiselijken kring is toch iets schoons. De oude meubels schijnen mij toe te knikken als oude vrienden; en steekt niet gindsche leunstoel zijne armen zoo stijf en vriendelijk uit, als wilde hij mij aan zijne welgevulde borst drukken, om in zijne omhelzing in te sluimeren in zalig genot, en mij de wiegeliedjes van zoete herinneringen voor te zingen. Ja zeker, ik moet dien ouden.
102
trouwen leunstoel zijn zin geven, ik moet mij in zijne armen werpen!quot; Dit zeggende ging hij naar den leunstoel en liet zich met eene uitdrukking van eindelooze behagelijkheid er op neêrglijden. â âOch,quot; zeide hij; ânu voel ik eerst, dat ik tehuis ben!quot;
âEn vergunt mij Uwe Majesteit óók iets te zeggen?quot; riep de markies met diep bewogen stem: âIk ben óók een stuk meubel uit dit vertrek, en in naam van al mijne met kussens voorziene broeders hier roep ik; Welkom thuis. Grooter dan gij heengegaan zijt, keert gij hier terug; het edele, geliefde voorhoofd met onvergankelijke lauweren getooid ; door een roem bestraald, welke als een zegezang door de ge-heele wereld weergalmt.quot;
âNu, nu,quot; zeide de Koning glimlachend: âals men dezen roem een weinig van nabij beschouwt, verliest hij veel van zijne pracht; men ziet dan, dat het toeval eigenlijk alles gedaan heeft, en dat ik daaraan het grootste gedeelte van het welslagen mijner pogingen te danken heb; meer dan aan al mijne wijsheid in den krijg, en aan al de dapperheid mijner troepen. Het toeval is mijn beste bondgenoot in den geheelen strijd geweest; zonder dat zoude ik nimmer uit het kamp bij Bungelwitz gekomen zijn, zonder dat zoude ik nimmer over mijne vijanden gezegevierd hebben. Spreek mij dus niet van roem, markies; ten minste niet hier in deze heilige ruimte; â niet hier, waar Cicero en Cesar, Lucretius en Thucydides van de wanden op ons neêrzien ; waar de boeken daarginds met hun gouden titels ons verkondigen, dat de grootste geesten uit alle tijden om ons verzameld zijn! Spreek mij dus niet van mijn roem, wanneer ik daar ginds op den rug van een boek den naam âAthaliaquot; zie blinken! â Ik wil u iets zeggen, markies; ik zoude mij veel trotscher en gelukkiger gevoelen, wanneer ik de dichter van âAthaliaquot; ware, dan ik mij over den geheelen roem van dezen krijg gevoel.quot; ^
Daaraan erken ik den zachtmoedigen, edelen zin van mijn Koning,quot; riep d'Argens geroerd: âde jaren der slagen en zegepralen hebben hem niet veranderd, en de zegevierende held is altijd nog de bezadigde wijsgeer gebleven I Ik wist
1) s' Konings eigen woorden.
-103
het wel; ik kende liet edele hart mijns Konings, en was overtuigd, dat hij de dagen zijner bloedige overwinningen niet als de heerlijkste zou beschouwen; maar dat hij den dag, waarop hij zijn volk een roemvollen en zegenrijken vrede zou geven, den schoonsten dag zijns levens zou noemen!quot;
De Koning schudde zachtjes met het hoofd, en sloeg zijn blik met do uitdrukking van diepe droefheid op het opgewekt gelaat zijns vriends. â ,,llelaas, mijn vriend,quot; zeide hij fluisterend: âde schoonste dag des levens is die, waarop men het verlaat!quot;1)
En toen hij nu vervolgens zijn oog van den vriend afwendde, viel zijn blik zeer toevallig op de groote vaas van Japansch porselein, die ginds naast zijne schrijftafel op een marmeren voetstuk stond. De Koning stond haastig van zijn leunstoel op. â âHoe komt deze vaas hier?quot; vroeg hij op angstigen, bovenden toon.
âSire,quot; 'zeide de markies: âde Koningin-moeder beval kort voor haren dood, deze vaas, welke een van hare lievelingsgeschenken, en een aandenken van haar edelen broeder George den Tweede was, hier in dit vertrek te plaatsen, opdat zij Uwe Majesteit eens bij uwe terugkomst, als eene herinnering aan uwe moeder mocht begroeten. Op haar last is ook een pakket brieven daar op het voetstuk van de vaas gelegd, nadat de Koningin-moeder het eigenhandig verzegeld en geadresseerd had.quot;
De Koning antwoordde niets. Hij bracht zijn voorhoofd bij de vaas, als wilde hij tegen de koude, gepolijste oppervlakte zijn gloeiend gelaat verkoelen; wellicht ook om den vriend de beide tranen niet te laten zien, welke langzaam over zijne wangen rolden en op het kruislint, dat om de brieven gewikkeld was, neervielen.
De Koning nam het pakket op en beschouwde met diepen zucht de sidderende letters eener geliefde hand, welke het adres geschreven had. âAan mijn zoon, den Koning,quot; las hij fluisterend. â âO, mijne dierbare moeder, hoe arm hebt gij mij gemaakt; want nu ben ik niet meer de zoon, maar slechts nog de Koning!quot;
11 's Konings eigen woorden.
lOi
Hij boog zijn hoofd dieper op liet papier en drukte een vurigen kus op hel handschrift zijner rnoerler; toen legde hij het pakket zwijgend op het voetstuk van de vaas, en bleef in gedachten verzonken er voor staan.')
Kene lange pauze volgde. De Koning stond nog altijd met gekruiste armen en gebogen hoofd voor de vaas; achter hem tegen de deur leunde de markies, met ontroerd gelaat naar den Koning ziende.
Plotseling keerde de Koning zijn hoofd om. â âMarkies,quot; zeide hij: âik moot u eene beleefdheid verzoeken. Spoed u heden nog naar Berlijn, en zeg aan Benda, dat hij morgen ochtend te negen uur, hier in de slotkapel het Te-Deum van mijn braven Graun late uitvoeren. Ik weet, dat de zangers van de kapel het kunnen zingen, want zij hebben het reeds vroeger gedaan, na den slag bij Leignitz. Zeg den orkestmeester Benda, dat hij geene zwarigheden raoet maken ; want hot is mijn uitdrukkelijke wensch, morgen die muziek te hooien. Ik draag u op, waarde markies, voor de voldoening van mijn wensch te zorgen; en ik weet, dat uw ijver het onmogelijke mogelijk zal maken. Noem het nu maar eene luim, dat ik deze muziek zoo spoedig wil hooren; maar ik heb zoo lang onder den dwang der feiten gestaan, dat ik nu wel aan eene luim mag gehoor geven.quot;
Hij slak den markies zijne hand toe, welke deze met vuur kuste. âSire,quot; zeide hij: âmorgen vroeg te negen uur zal het Te-Deum in de slotkapel uitgevoerd worden, al moest ik den geheelen nacht rondloopen, en alle zangers en zangeressen uit het bed halen.quot;
En de markies hield woord. Hij had alle moeielijkheden overwonnen, alle zwarigheden uit den weg geruimd. Tevergeefs had Benda verklaard, dat het orgel in de slotkapel ontstemd was, en dat er dus aan geene uitvoering te denken
1) Deze vaas bleef jaren lang op dezelfde plaats in het studeervertrek des Konings staan; op het voetstuk had de Koningin zelve met inkt haar naam geschreven; en opdat deze niet uitgewischt zonde worden, liet de Koning er een zilveren deksel over maken. Ook het pakket papieren, dat de correspondentie van de Koningin met haren zoon, en van prinses Frederik tijdens zijne ongelukkige poging om naar Engeland te vluchten, (die met de terechtstelling van Katte eindigde) bevatte, bleef altijd hij de vaas liggen. De Koning, den inhoud k«nnende, brak het niet open, maar 'liet het pakket in den staat, zooals de stervende Koningin het opgevouwen en verzegeld had.
105
viel. De markies was naar den organist gesneld, en deze had den geheelen nacht moeten besteden om het noodzakelijkste in urde te brengen. Tevergeefs hadden de zangers geweigerd, onvoorbereid en zonder repetitie het moeilijk stuk voor den Koning te zingen. D'Argens had in naam des Konings bevolen, des nachts nog eene repetitie te houden; hij zelf had de muzikanten en zangers bijeengeroepen, en, dank zij zijn rusteloozen ijver, â zijn reuzenwerk zou men kunnen zeggen, - te middernacht waren de zangers en muzikanten in de concertzaal van het operagebouw verzameld, en stond Benda voor den lessenaar, om de algemeene repetitie te dirigeeren.
Met klokslag negen waren alle voorbereidselen gemaakt, alle zwarigheden overwonnen. De organist zat voor het orgel, dat geheel weder in orde was, om zijne partij le spelen; de muzikanten stemden hunne instrumenten ; vóór hen, aan den kant van bet koor, stonden de zangers met de muziek in de hand, en voor zijn lessenaar in hun midden, de kapelmeester Benda met zijn maatstok.
Aller oogen waren op de deur tegenover het koor gevestigd, waardoor het Hof moest binnenkomen; elks hart klopte van blijde verwachting naar den Konins; iedereen verlangde hem weder in den kring der zijnen, in den kring van zijn gezin te zien ; iedereen wenschte de Koningin, na het zoo lang ontbeerde genot, weder door de hand des Konings geleid, haar Hof te zien voorgaan, en uit den weduwstaat en het eenzame leven, weder naast den teruggekeerden gemaal te zien verschijnen.
Eindelijk werd de deur geopend; â in ademlooze spanning richtten de zangers en muzikanten hun blik er heen. â Ja, daar trad hij binnen, de Koning; daar stapte hij bedaard voort, zijn hoofd een weinig voorover gebogen, en bij de diepe stilte, die in de kerk heerschte, weergalmde zijn tred luid en plechtig door de wijde ruimte.
Ja, het was de Koning, maar hij was geheel alleen! Niemand vergezelde hem; geen schitterende Hofstoet, geen rijk gevolg: omgaf hem; maar tóch was hij de Koningin den glans der majesteit, bestraald door het heerlijkst gevolg: door zijne heldendaden en zegepralen!
En nu, nadat de Kuning op een zetel, in bet schip der kapel geplaatst, was gaan zitten, richtte hij zijn levendigen,
â¢106
vurigen blik naar het koor, eu wenkte met zijne hand.
Benda hief zijn maatstok in de hoogte en gaf het toeken om te beginnen, en nu ruischte de stroom der harmonie in krachtige jubeltonen door de kerk; nu viel het orgel met zijne zware, majestueuze tonen in, de pauken lieten hunne donderende slagen hooren, de bazuinenscnetterdenjuichend hunnen groet, en de teedere, smeltende tonen der fluiten en violen vereenigden zich met het geheel.
De Koning luisterde met. opgeheven hoofd en ingespannen gelaat naar de schoone en welluidende introductie. Hij scheen geheel verrukt te zijn, en zich zonder eenige nevengedachte, geheel in het hooren van deze voor hem nieuwe, en onbekende muziek te verliezen. â Nu, met een krachtig accoord, met eene verrassende, schoone wending verbonden zich plotseling met de klanken der instrumenten de luide, jubelende menschenstemmen, en het koor zong unisono zijn vér weergalmend Te Deum laudamus.
De Koning verbleekte; en toen het gezang krachtig en vol al verder zweefde en ruischte, boog zich zijn opgeheven hoofd voorover, en ook zijne groote, schitterende oogen waren neergeslagen.
Al verder juichte en bruischte het gezang, en boven het volle, krachtige koor verhief zich een enkele, zachte wegsmeltende tenor, en zon^ met zoete, roerende stem : Tuba
7 D 'Tj /
mirum spar yens sonum! X ;
's Konings hoofd zonk al dieper op zijne borst, en eindelijk niet langer in staat zijne tranen te weerhouden, drukte hij zijne handen voor het gelaat.
Al verder klonk het gezang; majestueus rolden de lonen door de gewelven der kerk, welke lot nog toe als in eene grijze schemering was gehuld. Op eens drong de zon, tot nog toe achter wolken verscholen, met hare schitterende stralen door de vensiers, en hulde de geheele ruimte in gulden glans. De Koning, die tot nog toe in de schaduw gezeten had, scheen zich plotseling in eene zee van licht te baden, en iedereen zag nu, hoe hij daar zal, mei gebogen hoofd, zijn gelaal met de handen bedekkende, en iedereen zag zijne tranen, welke tusschen zijne vingers rolden, en welke ide zonnestralen in diamanten veranderden.
Het was een zóó verheven en tevens zóó treffend gezicht, dat niemand aan dat sprekend zwijgen kon weerstand bie-
107
den. De oogen der zangers schoten vol tranen, en slechts in zachte, gebroken, van ontroering snikkende tonen klonk de stem van den zanger verder. Maar Benda vond geene kracht om boos op hem te worden; hij waagde het niet hem aan te zien, opdat men niet zien zoude, dat zijne anders zoo droge, koude oogen, heden óók met een gloeiend vocht gevidd waren.
De Koning verzonk al dieper in zich zeiven. Maar toen het jubelende Hosanna weergalmde, en hem uit zijn somber gepeins deed ontwaken, stond hij langzaam van zijn zetel op, en verliet stil en zwijgend, zooals hij gekomen was, de kerk. ^
11.
PRINS HENDRIK.
Evenals de Koning, was ook Prins Hendrik geen enkele keer gedurende dezen zevenjarigen strijd naar Berlijn teruggekeerd, dat hij als jeugdig echtgenoot verlaten had, ten einde zijn broeder in den strijd tegen diens vijanden bij te staan. Evenals de Koning, had hij zich op het slagveld roem en lauweren verworven, en gelukkiger zelts dan zijn koninklijke broeder, had hij vele kleine en groote overwinningen behaald, en geen enkelen keer met zijne legeratdee-ling eene nederlaag geleden. Gelukkiger in al zijne ondernemingen dan Frederik, wellicht ook beradener en bedaarder, had hij altijd het juiste oogenblik gekozen, om den vijand aan te tasten, was hij altijd en overal met zijn leger ter juister tijd gereed geweest; zijne verstandig berekende marschen, zijne groote vastberadenheid, zijn bedaard overleg hadden meer dan eenmaal den Koning uit moeielijke en
1) Anecdoten u. s. w. aus dem Leben Frledrichs II. Nicolaï Hft. I. S. 46.
108
gevaarlijke toestanden verlost, waarin een ül te stout voorwaarts trekken, of een verkeerd inzicht der zaken den Koning gewikkeld had. Alleen aan den meesterlijken raarsch, waardoor prins Hendrik na den slag bij Kunersdoiffzijn leger met dat zijns broeders had kunnen vereenigen, had de Koning het te danken, dal hij zijnen vijanden, die hem omsingeld hadden, kon ontsnappen; en evenzoo kwam den prins de eer van den schitterenden vrede toe, dooi' de tgt;roote en luisterrijke zege, welke hij bij Freiburg op de Rijkstroepen en de Oostenrijkers behaald had. *) Want die slag brak eindelijk den vermetelen overmoed der Oostenrijkers, en vervulde de veldheeren der Oostenrijkers en der Rijkstroept n met zulk een panischen schrik, met zulk eene volslagen moedeloosheid, dat zij verklaarden niet langer aan dezen krijg te willen deelnemen, maar met hunne troepen huiswaarts keerden.
De slag bij Freiburg was de laatste in den zevenjarigen oorlog; hij verwierf prins Hendrik even schoone en onvergankelijke lauweren, ah de Koning bij Liegnitz en Torgau behaald had; hij stelde hem op dezelfde lijn met zijn broeder. De Koning zag het zonder nijd en bitterheid; met de rust van eene waarachtig groote ziel verheugde hij zich over den roem en de lauweren zijns broeders. Toen hij na den zevenjarigen oorlog voor het eerst in het Slot te Berlijn de prinsen en generaals om zich verzameld had, ging hij met vroolijken glimlach naar zijn broeder, en zacht de hand op diens schouder leggende, zeide hij luide: âZiet hier, messieurs, den eenigen onder ons allen, die gedurende den ge-heelen oorlog geen enkelen misslag begaan heeft!quot;
Zeven jaren waren verloopen, sedert prins Hendrik zijne jonge gemalin, prinses Wilhelmine, voor het laatst gezien had. Nu eindelijk kon hij bij haar terugkeeren naar zijn geliefd Rheinsberg, om bij de geliefde uit te rusten van de stormen en gevaren dezer lange, rustelooze jaren. Hij had de prinses schriftelijk verzocht, niet naar Berlijn te komen om hem te ontvangen, maar onder een of ander voorwendsel te Rheinsberg te blijven, en hem daar af te wachten. Zijne trotsche en eerzuchtige ziel kon de gedachte
1) De slag bij Freiburg had plaats op den 20 October 1762.
409
niet verdragen, dat deze vrouw, die hij beminde, en die zoozeer geboren scheen, om op den eersten troon der wereld te schitteren, âdat deze vrouw zich aan het Hof te Berlijn met de tweede plaats moest tevreden stellen, dat zij bij de Koningin moest richter staan. Wellicht had hij den Koning de kroon nooit benijd en nooit diens plaats gewenscht maar der Koningin benijdde hij de kroon, welke hij zich verbeeldde, dat veel schooner op het hoofd zi/wer gemalin zoude schitteren; dat de prinses meer geschikt was de rol eener Koningin te spelen, dan de zachte, treurende en beschroomde Elisabeth Christine.
Prinses Wilhelmine was dus, overeenkomstig den wensch van haar gemaal, te Rheinsberg gebleven; zich bij de Koningin met eene hevige ongesteldheid verontschuldigende, welke zij tengevolge van een val uit het rijtuig op een wandelrit had gekregen.
Het was avond. -- Het kasteel te Rheinsberg schitterde weder in den glans der kaarsen, waarmede men zijn gevel versierd had, om den prins reeds in de verte den groet van het tehuis over te brengen. Alle zalen waren feestelijk ge tooid; in de prachtig versierde vertrekken bevond zich een schitterend gezelschap.
Want prinses Wilhelmine had allen, die tot den vriendenkring van Rheinsberg behoorden, aldaar genoodigd, om de terugkomst van den prins door hunne tegenwoordigheid op te luisteren; alle vrienden en bekenden van den prins en zijne gemalin waren dus heden te Rheinsberg verzameld.
Alles in dat Slot droeg het vooikomen van geluk en vreugde; de zalen waren evenals de menschen teestelijk getooid; alles scheen te glimlachen, opgeruimd en vol genot te zijn. En toch was er één hart dat bang en angstig het naderende uur tegemoet zag; dit was het hart van Wilhelmine. Zij was prachtig gekleed; juweelen fonkelden op haar voorhootd en op hare borst; op haai' vollen zwoegenden boezem prijkten heerlijke, geurige bloemen; een glimlach speelde om hare purperen lippen; maar niemand wist, wat deze glimlach aan de geprangde ziel kostte; niemand vermoedde, dat die blos, welke op hare wangen gloeide, niet door het hartkloppen der vreugde, â maar doordat van den angst was te voorschijn geroepen.
110
Ja, zij was angstig! Zij vreesde de terugkomst van den prins, dien zij ontvangen moest als haar geliefden gemaal, en die in deze bange jaren van scheiding geheel en al een vreemdeling, een onbekende geworden was; voor wien zij geene sympathie gevoelde, met wien zij niet eens door den sleur van het dagelijksch leven verbonden was; die voor haar nooit anders geweest was, dan de haar door de harde wet der noodzakelijkheid opgedrongen gemaal, die haar zelfs eens versmaad had, en haar schroomvallig, beklemd hart, dat zij wellicht bereid was geweest hem te schenken van zich had gestooten!
En dezen vreemden, niet beminden man moest zij nu met alle teekenen van liefde ontvangen; omdat hij het eens had goedgevonden, haar, die hij vroeger verwaarloosde, zijne opmerking en liefde waardig te keuren; nu moest zij haar plicht doen, hem daarom weder beminnen, hem den rijken schat van dat hart wijden, dat hij vroeger niets be-geerenswaardig had geacht!
Hare ziel streed als eene beleedigde leeuwin tegen deze gedachte, en zij voelde iets van den gloeienden haat, dien de leeuwin voor haren meester moet gevoelen, die haar met de ijzeren roede van den plicht temmen wil.
Voor haar was de prins niets meer, dan haar meester, die haar in boeien geslagen had ; die met een ijzeren vuist haar hart vasthield, opdat het niet mocht vluchten.
En tóch gevoelde zich dat hart nu zoo krachtig; het had in deze zeven jaren van vrijheid den stouten moed der jeugd weder gekregen; het gloeide en brandde van een vuur dat de prinses zelve veroordeelde, maar dat zij niet in slaat was te blusschen.
Rusteloos sidderend van angst, zwierf zij de zalen door; glimlachend, terwijl zij het van angst en pijn had willen uitschreeuwen, uitgedost en in schitterenden tooi, terwijl ^ij haar hart wel in een rouwsluier had willen begraven.
Elk gedruisch vervulde haar met schik, want het kon haar gemaal aankondigen; het kon haar veroordeelen tot de vernederende en schandelijke huichelarij om eene vreugde te toonen, welke zij niet gevoelde!
O, ware het haar slecbls vergund geweest, haar toorn, en onverschilligheid vrij en open te mogen uiten! Maar de wetten der étiquette, der hoUelijkheid hielden haar in
Ill
ijzeren boeien, waaruit zij zich niet kon losmaken. Zij was eene prinses, en kon zich dus aan de harde noodzakelijkheid van haren stand niet onttrekken.
Zij vond in zich zelve er geen moed toe! Wel verlangde zij dikwijls in hare dwepende droomen, verre, zeer verre van dien gehaten iogenachtigen glans te zijn; ver naar een stil dal, waar zij onbekend en ongehinderd naast haren geliefde leven mocht, waar geen hofdwang het zalig bijeenzijn kon storen; waar zij vrij wilde ziin als de vogel in de luclit, die juichend ten hemel stijgt; als de roos, welke haar geurigen kelk voor den zonneschijn opent. Maar die droomen verbleekten spoedig, wanneer de werkelijkheid ze met haar ruwen, kouden vinger aanraakte; achter de dwepende geliefde verhief zich weder de trotsche prinses, die den glans en den luister, welke haar omgaf, niet missen kon; die niet den moed of den wil had, van haren troon neder te dalen, om als een gewoon menschenkind, met andere menschenkinderen te leven.
Er was een tweestrijd in hare ziel; een tweestrijd tus-schen de hooggeboren dame en de beminnende, vurige vrouw. Zij zoude in staat geweest zijn, hare liefde elk olTer te brengen, zelfs met smaad en zonde, haar hart er voor te bezwaren; maar zij had nooit openlijk die liefde willen bekennen; ook niet in hare dwepende droomen dacht zij er aan, haar naam en rang met den eenvoudigen naam van haren geliefde te willen ruilen. Zij zoude wel in slaat geweest zijn, met haren geliefde te ontvluchten, en zich in een gelukkig dal te verbergen, maar altoos toch als prinses, die hare liefde alles ten offer had gebracht, en haar eiken dag nieuwe olfers schonk.
Wellicht gevoelde de prinses dien tweestrijd in haar binnenste; wellicht was het daarom, dat zij, sidderende van angst, de terugkomst van haren gemaal te gemoet zag. Dit
dit
weerzien moest over haar
?elieele toekomst beslissen;
weerzien kon haar wellicht nog redden!
Ue. prins, in den glans van zijn roem en zijne lauweren tot haar terugkeerende, kon wellicht in staat zijn haar hart te veroveren, en eens anders beeld er uit te verdringen. Maar als hij daartoe niet in staat was; wanneer zijne verschijning den ban niet kon bezweren, die haar gekluisterd hield, dan was zij verloren! Dan was zij aan die vreeselijke
i
112
macht overgegeven, welke haar reeds door haar bedwelmend gelluister, tot aan den met bloemen bedekten rand van den afgrond gelokt had.
Dit dacht prinses Wilhelmine, toen zij nu in de vensternis van de schitterende balzaal stond, waarin zij liare toevlucht gezocht had, om eens adem te scheppen, om eens den glimlach van hare lippen te laten verdwijnen, en aan de lang bedwongen zuchten te kunnen lucht geven.
Zij had zich naar het raam gekeerd, en zag in den duisteren nacht op naar den met sterren bezaaiden hemel. Hare lippen bewogen zich tot een zacht gebed; hare gemartelde ziel smeekte God om hulp en bijstand tegen hare eigene zwakheid.
âO, Heor, mijn God,quot; fluisterde zij; âslamij bij: bewaar mij voor de zondige gedachten, die mijn hart bestormen! Geef, dat ik mijn gemaal beminnen kan, dat mijne ziel rein blijve van schuld en zonde!quot;
Een ongewoon gedruisch, luide, krachtige stemmen stoorden haar in hare droomerijen; de prinses keerde zich driftig om; zij zag overal slechts glimlachende, blijde gelaatstrekken, en ginds, ginds naderde haar gemaal, de prins! Met helderen, open lach stapte hij naar haar toe, en etiquette en omgeving vergetende, sloot hij de prinses hartelijk in zijne armen, en kuste haar teeder op beide wangen.
Prinses Wilhelmine trilde van plotselingen schrik; een wrevelige toorn beving haar. Had zij den prins bemind, dan zoude deze openlijke en vrije betuiging zijner liefde haar wellicht verrast, â of zij zoude ze hem in elk geval vergeven hebben; maar nu meende zij in deze twee klappende kussen eene beleediging, eene minachting te zien, welke te dulden haar de dwang van het huwelijk had opgelegd, en waarvoor zij bij zich zelve de gelofte deed om wraak te nemen.
Prins Hendrik was zóó oprecht in zijne vreugde, zóó gelukkig zijne gemalin weder te zien, dat, hij haar verlegen zwijgen, hare terughoudende koelheid volstrekt niet opmerkte, maar argeloos zijne overtuiging uitte, dat zij vooi'-zeker zijne vreugde deelde.
Dit vertrouwen scheen der prinses zeer aanmatigend en beleedigend, en zij vond, dat de prins uit zijne veldtocht zeer slechte en burgerlijke manieren had medegebracht.
113
welke den glans der lauweren op zijn voorhoofd zeer verduisterden.
Hij nam haar zeer vertrouwelijk, als een echte huisvader bij de hand, leidde haar naar den divan, om naast haar te gaan zitten; toen sprong hij op eens weder op, om haar te verlaten, en na weinige minuten met zijn vriend, den graaf Kalkreuth aan de hand, naar de prinses terug te keeren.
âVergun mij, geliefde Wilhelmine,quot; zeide de prins: âu ook dadelijk mijn dierbaren vriend en wapenbroeder weder voor te stellen. De menschen zeggen, dat ik mij een weinig roem verworven heb, maar ik verzeker u, als dit het geval is, heeft Kalkreuth er het grootste deel aan; en hij is de tuinier geweest, die met bekwame en voorzichtige hand mijne lauweren gekweekt heeft. Ik beveel hem dus in uwe vriendschap en goedheid, Wilhelmine; en ik bid u, op hem een weinig van de genegenheid oyer te dragen, welke gij mij wijdt, en welke mij zoo gelukkig maakt!quot;
Er lag iets zóó edels, openhartigs en ridderlijks in de handelwijze van den prins, dat graaf Kalkreuth er diep door getroffen en geroerd werd, en in eene opwelling van beter gevoel, bij zich zeiven de gelofte deed, het edele vertrouwen van den prins niet te misleiden, en deze zoo reine, zoo vertrouwelijke vriendschap, niet door trouweloosheid en verraad te bezoedelen.
Maar, geheel anders werkten de woorden van haren echtgenoot op de prinses. In plaats van haar te treffen, beleedigde haar zijn edel vertrouwen. Zij vond, dat het zeer veel aanmatiging, zeer veel eigenwaan verried, zoo geheel onbezorgd om hare liefde te zijn ; zoo volstrekt geen gevaar te zien, maar haar zelf den vriend te brengen, en hem in hare genegenheid aan te bevelen. Het beleedigde haar, dat de prins zoo vol vertrouwen van hare genegenheid sprak, als van eene zaak, welke men onmogelijk kon verliezen, en zij besloot hem er voor te straffen.
Met goedigen glimlach slak zij daarom den graaf hare hand toe, en zeide hem eenige vriendelijke woorden van welkomst. Hoe had zij voor dit weder/den gesidderd; hoe diep beschaamd had zij zich gevoeld bij de gedachte, wanneer zij weder tegenover den graaf zoude staan, wetende, dat hij geen barer woorden zou vergeten; en dat de be-Mühlbaoh. Frederik de Groote en zijn Hof. YIII. 8
114
kentenis harer liefde, welke zij vroeger den vertrekkenden, dus wellicht den dood gevvijden krijgsman had gedaan, nu den terugkeerenden, den levende behoorde. â Maar het ongelukkige noodlot van haar gemaal, had haar licht over deze pijnlijke ontmoeting doen heenstappen, en haar den weg gemakkelijk gemaakt, dien zij nu bewandelen wilde.
De graaf boog zich en drukte zijne lippen op hare hand. Zij beantwoordde even zijn handdruk, en toen hij zich oprichtte, en zijn bijna schroomvalligen blik op het gelaat der prinses vestigde, ontmoetten hare oogen de zijne met een snellen, helderen straal, en een glimlach vol hoop zweefde om hare lippen.
De hovelingen stonden in enkele groepen er omheen, en beschouwden met koude, nieuwsgierige blikken dit belangwekkend tooneel, dat het argelooze en vrije gemoed voor hunne boosaardigheid en nieuwsgierigheid had vertoond, en dat voor allen een heerlijke uitspanning, eene alleraardigste grap was. Zij allen wisten, wat alleen de prins niel vermoedde, dat graaf Kalkreuth de prinses aanbad; en hunne loerende nieuwsgierigheid bleef slechts gespannen, om te doorgronden, of de prinses deze genegenheid deelde als vrouw, of alleen als coquette duldde.
Niemand intusschen had dit tooneel met zulk eene gespannen deelneming, met zulk een wreede vreugde aangezien, als mevrouw du Troussel. De prinses had haar, als tot den vertrouwden kring te Rheinsberg behoorende, mede op dit welkomstfeest genoodigd, en Louise had het zeer aardig gevonden, haar eigen man niet in haar huis, â maar hier in het kasteel van haar voormaligen minnaar, voor het eerst terug te zien. Want de majoor du Troussel behoorde tot den staf van den prins, en 'was nu in zijn gevolg te Rheinsberg gekomen.
Louise had intusschen geen tijd gevonden haren man te begroeten. Haar blik was onatgewend op de prinses gevestigd; zij lette op elke harer bewegingen, op eiken harer trekken; zij beluisterde eiken glimlach, elk woord, elke trekking der lippen. Haar man stond reeds lang aan hare zijde, en had haar reeds lang woorden van begroeting toegelluis-terd, maar Louise had het niet opgemerkt. Zij scheen hem volstrekt niet gezien te hebben; hare geheele ziel lag in haar oog, en dit beschouwde onafgewend de prinses. Plot-
115
seling wendde zij zich met schitterenden blik tot haar go-maal, hem met boosaardigen lach toelluisterende. â ;,Hij is verloren! De lauweren zullen niet in staat zijn het andere uitwas te bedekken, dat zich van heden af, met kracht aan zijn voorhoofd ontwikkelen zal!quot;
Haar gemaal zag haar met vragenden en verbaasden blik aan. â ,.Is dat uw welkomstgroet, na zeven jaren van scheiding, Louise?quot; vroeg hij smartelijk.
Zij legde driftig hare hand op zijn arm en lluisterde: âStil! Stil!quot;
Toen luisterde zij weder naar de prinses, welke juist levendig met haar gemaal en den graaf Kalkreuth sprak.
âHoe gloeien hare wangen, en welk een vlammenden blik werpt zij op hem!quot; prevelde Louise: âAch, ach, de ongelukkige prins is aan zijn noodlot overgegeven. Hij piijst al weder met geestdrift de verdiensten van zijn vriend. Hij vertelt haar, hoe hij hem van den dood gered, â en den slag voor hem heeft opgevangen, welke anders zijn hoofd zou getroffen hebben. Arme prins, gij zult de wonde, welke Kalkreuth voor u ontving, duur moeten boeten! Ik zeg en herhaal het u: hij is verloren!quot;
Haar gemaal zag baar aan, alsof hij vreesde, dat mevrouw du Troussel gedurende deze lange jaren van scheidingen droefheid, ietwat in haar hoofd had geleden.
âMaar Louise,quot; fluisterde hij: âvan wien spreekt gij toch? En wat moet dat alles beteekenen? Wilt gij mij eindelijk-welkom heeten, en mij zeggen, dat gij mij 'ook inderdaad herkent, en dat ik u niet, zoo als het schijnt, geheel vreemd geworden ben?quot;
Juist stond de prinses op, en op den arm van haar gemaal leunende, wandelde zij door de zaal; terwijl graaf Kalkreuth aan hare andere zijde ging, en zich levendig met haar scheen te onderhouden.
âZij gaan naar de oranjerie,quot; zeide Louise, haastig den arm van haren man vattende: âwij willen er ook heengaan, en daar zullen wij wel het een of ander stil, afgelegen plaatsje vinden, waar wij met elkander kunnen keuvelen.quot;
116
III.
MOEDER EN DüCHTKR.
Louise du Troussel volgde nu zwijgend met haar gemaal den stroom van het gezelschap, dat zich naar de prachtige, schitterend verlichte oranjerie begaf. Als door tooverkracht gevoelde men zich plotseling uit de statige Hofzaal, in de vrije, geurige en bloeiende Natuur verplaatst; met verrukking ademde men de geur van die merkwaardige, vreemde bloesems in, welke zich schilderachtig gegroepeerd, tusschen de hooge mirten en oranjeboomen vertoonden, en waarmede de ramen en het plafond van het gebouw geheel overdekt waren, en die een zóódanige begoocheling teweegbrachten, dat men zich inderdaad verbeeldde in eene opene, vrije bloemenlaan te wandelen. Veelkleurige Chineesche ballons, welke aan fijne kettinkjes van de zoldering hingen, en als fladderende kapellen tusschen de boomen en bloesems schenen te zweven, wierpen hun mat, met alle kleuren spelend licht door de bekoorlijke zaal, langs wier wanden men hier en daar uit mirten, palm, en andere geurige planten, kleine grotten gebouwd had; deze grotten bevatten kleine, zwellende, groene divans, welke er als banken van graszoden uitzagen, en zóódanig geplaatst waren, dat de palmtakken laag over de zetels neerhingen, en dengenen, die er in uitrustten, als met een scherm bedekten en verborgen.
Naar eene dezer grotten leidde Louise du Troussel nu haren echtgenoot.
âHier willen wij een weinig blijven,quot; zeide zij; âdeze grot heeft het voordeel, dat zij in oen hoek van den wand ligt; dus slechts één open zijwand heeft, en deze is met dichte struiken begroeid. Wij hebben dus hier geene luistervinken te duchten, en kunnen vrij en open met elkander praten. Maar eer wij over iets anders spreken : welkom, mijnheer, welkom tehuis!quot;
âGoddank, Louise!quot; zeide de majoor, diep ademhalend ;
117
âGoddank, dat gij eindelijk een hartelijk woord spreekt, en mij aan uwe zijde welkom heet. Geloof mij, dat ik mij gedurende deze lange jaren eiken dag op dit oogenblik Verheugd heb; dat dit mijn troost en mijne verkwikking was. Ik geloof waarlijk, dat die gedachte aan u, en dat hartelijk verlangen naar u, de talisman geweest is, die den dood van mij verwijderd heeft gehouden. Ik verbeeldde mij, dat ik onmogelijk kon sterven, voor dat ik u terug had gezien; en ik was volkomen overtuigd, dat ik den strijd zou overleven, en tot u terugkeeren moest. Dit vertrouwen heeft mij geholpen, en de kogels van mij verwijderd gehouden; en zoo keer ik dan tot u terug, mijne geliefde vrouw, om aan uw hart uit te rusten van al die stormen en gevaren, om u vast in mijne armen te sluiten, en u nooit weder te verlaten!'
Hij sloot zijn arm hartelijk om haar midden, en drukte zijne lippen lang en innig op de hare.
Louise duldde een oogenblik zijne teederheid, toen gleed zij zachtjes uit zijne armen, en deed een stap achteruit.
âWeet gij wel, mijnheer,'' zeide zij met een lijnen glimlach; âdat dit slechts een zoen van een getrouwd man was? Zoo zonder eenig vuur of kracht? Niet te koud en niet te warm; zoo juist van de lauw-war me hartelijkheid van een echtgenoot, die zijne vrouw innig lief heeft, en geheel verzot op haar zou zijn, als zij niet juist het ongeluk had, zZ/hc vrouw te zijn!quot;
âO, altijd nog de oude,quot; zeide de majoor opgetogen : âaltijd nog mijne vroolijke, behaagzieke, lladderende vlinder; die met hare heldere, bont llikkerende vleugels altoos iemand nog weet te ontglippen, al meent men ook, dat men haar goed tusschen de vingers heeft. Ik bemin u, zooals gij zijt, Louise; ik verheug mij, u weder te vinden, zooals ik u verlaten heb. Gij moet mij weder jong maken, kind; aan uwe zijde zal ik weder leeren lachen en vroolijk zijn; want dat alles hebben wij daar buiten in onze veldtochten, vermoeienissen en gevaren geheel en al verleerd.''
âJa, ja,quot; zeide Louise âwij hebben u als schoone, goed gedresseerde cavaliers laten vertrekken, en gij komt als lompe, brommende beren tot ons terug; zoo geheel als goedhartige, verwilderde dansberen, die alle kunstjes vergeten hebben. Het is nu slechts de vraag, of de vrouwen
118
er zich toe willen leenen, berenleidsters te worden, en voor dansmeesteressen van de heeren beren te spelen.quot;
,.Nu, dat zullen zij wel moeten doen,quot; zeide haar gemaal lachend: âhet is immers haar plicht!quot;
âLieve vriend, als gij begint met ons aan onzen plicht te herinneren, dan vrees ik, zijt gij geheel en al verloren! Kom, laat ons wat op die zoogenaamde zodenbank gaan zitten, en eens praten!quot;
âJa, dat is goed; laat ons gaan zitten, maar ik zieniet in, waarom wij praten moeten. Ik wil u liever met kussen den schoonen mond sluiten.quot;
Hij trok haar weder aan zijne zijde, en wilde zijne woorden met daden bevestigen. Maar Louise weerde hem af. â âWanneer gij niet bedaard en ernstig naast mij wilt zitten, mijnheer,quot; zeide zij, âdan open ik onmiddelijk mijne vlindervleugelen, zooals gij daareven zeiclet, en lladder heen.quot;
âNu, dan zal ik ernstig en bedaard zijn. Maar wil mijne preutsche meesteres mij ook eens zeggen, waarom ik dat doen moet?quot;
âOmdat ik mijn besten, teruggekeerden heer de eerste les wil geven. Deze les luidt dus: waaneer een man zeven jaar van zijne vrouw is verwijderd geweest, moet hij niet als een geruste, van de zege verzekerde echtgenoot met zijne portie oudbakken teederheid terugkomen ; maar enkel en alleen als een teeder en oplettend, verliefd cavalier, die naar de geliefde dingt; haar deemoedig, beschroomd en onderdanig nadert, en in haar niet zijne echtgenoote ziet, maar slechts de dame, wier liefde hij wenscht te verwerven.quot;
âMaar waarom zouden wij tot zulk eene vermomming onze toevlucht moeten nemen, daar wij immers weten, dat quot;ii ons bemint?quot;
âGij weet niets! Hoe kunt gij op het denkbeeld komen, te gelooven, dat die zeven jaren onopgemerkt voor ons voorbij zouden gaan, en dat wij nog heden dezelfde gevoelens zouden koesteren als toen? Wanneer men den vogel, dien men in eene kooi tam maakte en de vleugels afknipte, weder de vrijheid geeft, en hem uit zijn kooi weder los laat in Gods frissche, vrije wereld, in de juichende, lachende Natuur, zal hij dan na verloop van jaren, wan-
119
neer het u goeddunkt, hem weder in uwe kooi te willen opsluilen, vrijwillig en blijmoedig dadelijk tot u weder-keeren! Ik geloof, dat gij hem lang zult moeten lokken, hem eerst met vele zoete woorden vleien, en hem heerlijke lekkere beetjes in uwe kooi moet leggen, eer hij er toe besluiten zal, weder van zijne gulden vrijheid afstand te doen, en u weder als zijn meester te hescliouwen. Wanneer gij het echter beproeven wildet, hem met bedreigingen en harde woorden, of met wijze spreuken over plicht en getrouwheid te vangen, dan zou hij wegvliegen op een tak, zóó hoog, dat gij hem niet zoudt kunnen volgen, en hij zou u uitlachen!quot;
âGij hebt, geloof ik, gelijk,quot; zeide haar echtgenoot peinzend, âgij leert mij heden zelfs een nieuwe hoedanigheid van u kennen; gij zijt eene philosofe geworden.quot;
,Ja, en ik heb lust, van mijne wijsheid wat aan den man te brengen,'' zeide Louise glimlachend, âopdat gij er uw nut mede kunt doen. Mogelijk gelukt het u dan beter gelukkig te worden, en uw vogel weder op te sluiten; en zult gij niet op die klippen stooten, waarop de goede prins zich heden reeds zóó bloedig wondde, dat hij er voortdurend een litteeken van op het voorhoofd zal behouden?quot;
âMaar wat deed hij dan, dat gij hem zulk eene donkere toekomst voorspelt?''
âWat hij deed? Hij keerde niet als minnaar, maar als echlyenoot tot zijne vrouw terug! Hij kuste haar niet nederig de hand, en beproefde niet beschroomd en smeekend uit hare blikken op te maken, of zij hem nog genegen was, maar hij naderde haar met het voorkomen van een overwinnaar, vol zelfvertrouwen, en gaf haar in elks'bijzijn zijne luide, klinkende kussen, die als het bazuingeschal der overwinning weergalmden. De goede prins denkt, nu daar buiten de oorlog geeindigd is, en gij met uwe vijanden vrede hebt gesloten,â dat nu alle krijg heeft opgehouden, en het, tijdperk van eeuwige gelukzaligheid een aanvang heeftge-nomen, om aan de zijde van uwe beminnende, getrouwe echtgenooten uwe vredespijpen te rooken. Maar dit is eene groote en ernstige dwaling, die de mannen duur zullen moeien boeten. Want ik zeg het u vriend: de krijg, dien gij daai buiten gevoerd hebt, was minder moeielijk en minder gevaarlijk, dan deze krijg zal zijn, dien gij in
m
den schoot uwer huisgezinnen zult moeten voeren. De booze vijand liet u het slagveld over, maar hij zet zich nu aan uw huiselijken haard neder, en hij wacht u aan de zijde uwer echtgenooten en volwassen dochters af.quot;
âInderdaad, Louise,quot; viel haar echtgenoot haar in de rede; âik word akelig van uwe woorden,en mijn hart,dat steeds zoo verheugd klopte, schijnt nu stil te staan, alsof het vreesde voort te slaan.quot;
Louise lette volstrekt niet op zijne woorden, maar vervolgde; âGij zegt, de oorlog is ten einde, â maar ik zeg, hij ' begint eerst! In elk bijzonder huis, in elk huisgezin wordt hij voortgezet; en er zullen nog vele harten beven, vele wonden geslagen worden, vele tranen vloeien, eer ook in de huisgezinnen vrede zal heerschen. Al de banden, die mannen en vrouwen, ouders en kinderen met elkander verbonden, zijn in die zeven jaren losgemaakt en verscheurd; alle betrekkingen zijn vernield en ondermijnd. Om die vree-selijke jaren te kunnen doorkomen en verduren, moest zich ieder aan de lichtzinnigheid overgeven; het gevolg daarvan was. dat ieder inderdaad lichtzinnig is geworden, en het leven met geheel andere oogen dan vroeger beschouwde. Men wilde slechts van het oogenhlik genieten; slechts van het kortstondige uur van genot gebruik maken, daar men niet zeker was, of het volgende oogenhlik het niet zou vernietigen en doen wegsterven. De liefde is een vermaak, â de getrouwheid een spook geworden, waaraan niemand meer geloof schenkt, en waaraan nog slechts in kindersprookjes sprake is. De vrouwen hebben ondervonden, dat hare mannen niet van verlangen naar haar gestorven zijn; dat zij zelve, â nadat de tranen van het afscheid, zoo ook al wat langzamer, gedroogd waren, â zeer goed alléén konden leven, en dat de onafhankelijkheid toch óók veel aangenaams en gemakkelijks heeft! De geschiedenis der weduwe van Ephese, mijn vriend, wordt eiken dag herhaald. De vrouwen hebben, nadat zij van hare mannen gesclieiden werden, langen tijd geweend en getreurd; maar eindelijk konden zij hare ooren niet meer voor de zoete vertroostingen, die men haar toelluisterde, sluiten. Kindelijk zagen zij in, dat het treuren toch ook zijn vervelende en eentonige zijde had; en dat de tijd veel schielijker voorbijging, wanneer men beproefde zich te vermaken en gelukkig te
121
zijn. Zij lieten zich door hare aanbidders over de afwezigheid der mannen troosten, en haar geweten deed haar daarover volstrekt geene verwijten; want zij waren overtuigd, dat hare beminde echtgenooten evenzoo handelden, en zich óók bij andere sehoonen, over de scheiding van hare beminde vriendinnen, zouden troosten.quot;
âHebt gij dat óók gedacht, Louise?quot; vroeg de majoor du Troussel op treurigen, beklemden toon, zijne echtgenoote scherp in de oogen ziende.
Maar Louise glimlachte geheel vrij en open. â âMijn vriend,quot; zeide zij; âzou ik u dan dat alles zeggen, wanneer ik in dezelfde fout vervallen ware, welke ik in anderen laak'? In plaats van te handelen, heb ik opgemerkt; dat is mijn vermaak, mijne uitspanning geweest; en mijne waarnemingen hebben mij dikwijls met zulk een schrik en afschuw vervuld, dat ik er zeer diepe en wijsgeerige lessen voor mij zelve uit putten kon. Ik heb de menschen nagegaan en ze bestudeerd, mijn vriend; en daarom kan ik u nu met volle overtuiging zeggen; de krijg is nog niet ten einde; en in plaats van de palmtakken des vredes, zal de tweedracht nog lang hier hare zeis zwaaien. De menschen ge-looven niet meer aan trouw en eerlijkheid; de een verdenkt den ander, en houdt dien voor even schuldig als hij zelf is. Iedere vrouw bespiedt met boosaardige nieuwsgierigheid de handelingen van andere vrouwen; zij verbeeldt zich, dat zij zelve minder schuldig is, wanneer zij ziet, dat anderen niet beter zijn dan zij zelve is; en wanneer zij ongelukkig er niet in slagen mocht in hare vriendin eene schuld of feil te ontdekken, zal zij die verzinnen; en in plaats van de waarheid te huldigen, den laster tot dekmantel van hare eigene zonden maken. Nooit is zooveel gelogen en bedrogen, zooveel verzonnen en gelasterd geworden, als thans. He laster staat voor de deur, en zal eiken terugkeerenden man zw/fce slechte en vreeselijke dingen in het oor fluisteren, dat hij razend moet worden van toorn, en zijne gade zal wantrouwen, hoe onschuldig deze ook zijn moge.quot;
âNu, ik zal niet in die fout vervallen, Louise,'' zeide majoor du Troussel; âen wanneer ik den laster voor myne deur mocbt vinden, zoude ik hem met een vuistslag van mij afstooten, en bedaard en glimlachend bij u binnen-
422
treden, zonder naar zijn gelluister te hooren; of wanneer ik hem ondanks mij zeiven had gehoord, zonder eraan te gelooven!quot;
âNu, dan zal er ten minste één huis in Berlijn zijn, waar werkelijk vrede heerscht,'' zeide Louise glimlachend; âen dat huis zal het onze zijn, mijn vriend. Ik heet u welkom in naam onzer luiisgenooten, die u reeds lang tegemoet zagen, en u eene aangename verrassing hebben voorbereid.quot;
âEn welke verrassing zal dit zijn, Louise?quot;
âZeidet gij mij niet dikwijls, dat mijne dochter Camilla uw huiselijk geluk verstoorde? Dat zij als de donkere schaduw van mijn verleden, â dat u niet toebehoort, â tus-schen ons stond?quot;
âDat is waar! Ik heb mijn hart niet kunnen dwingen haar te beminnen; want zij herinnerde mij altoos, dat gij een ander vóór mij bemind hebt, â een ander hebt toebehoord, door wien gij veel leed en ongelijk ondervonden hebt.quot;
âWelnu mijn vriend, deze schaduw zal niet meer tus-schen ons staan; en dit is de verrassing, welke ik vour uwe terugkomst bespaard heb: Camilla is sedert een jaar gehuwd.quot;
âGehuwd!quot; riep haar gemaal verheugd: âEn wie is de gelukkige, die de kunst heeft verstaan, dit eigenzinnig kind te temmen, en haar koud hart te verwarmen?''
âZeg liever: wie is de ongelukkige, die op haar schoon gezichtje verliefd is geworden, en den duivel voor een engel houdt!quot; zuchte Louise treurig: âHet is de jonge, voorname, rijke Engelschman, Lord Elliot, die als attaché aan liet hoofd van het Engelschgezantschap stond, terwijl de gezant, mijnheer Mitchell, zooals gij weet, zich altijd in het hoofdkwartier bij den Koning bevond. Lord Elliot is bovendien een jong, beminnelijk, geestig man, die Camilla met de vurige dweepzucht eener eerste liefde bijna aanbidt.quot;
âEn Camilla? Bemint zij hem?quot;
Louise haalde de schouders op. âZij heeft zich, zoodra hij haar vroeg, dadelijk bereid verklaard, alhoewel ik geloof, dat zijn persoon bij deze gelegenheid haar minder belang inboezemde, dan de kostbare geschenken, welke hij aan zijne bruid gaf.quot;
123
âMaar bet was toch hare vrije keuze zich met hem te verhinden? Gij hebt haar toch niet overgehaald ; gij hebt toch niet, mij ten gevalle, haar met beden bestormd, en gedrongen tegen haar zin te trouwen?quot;
âMijn vriend,quot; zeide Louise met den trots van gekrenkte moederliefde: âhoezeer ik u bemin, zou ik toch niet in staat zijn, u het geluk van mijn eenig kind op te olieren. Camilla verzocht mij om mijne toestemming, en ik gaf haai- die, nadat zij de toestemming van haren vader ontvangen had. Reeds drie dagen na de verloving had het huwelijk plaats en het jonge paar maakte een huwelijksreisje naar Engeland, vanwaar het eerst sedert eenige maanden is teruggekeerd.quot;
âEn waar zijn ze nu ?quot;
âZij wonen in Berlijn in de Dorotheastraat, op eene bekoorlijke villa, welke de Lord voor zijne jonge gemalin in een echt tooverpaleis heeft laten veranderen. Overigens kunt gij hen van avond nog begroeten, want zij zijn beide hier enquot; â Louise verstomde, en luisterde naar de stemmen, welke plotseling de stilte stoorden, en al nader en nader kwamen.
âOch,quot; lluisterde zij, het spreekwoord wordt een waar woord, âals men van den duivel spreekt, staat hij voorde deur.quot; Lord Elliot en Camilla komen' daar juist aan, en voeren een levendig gesprek. Luister maar!''
Het paar was al nader gekomen, en stond nu voor de grot, waarin zich Louise en haar gemaal bevonden.
âMaar ik vind het wreed, zeer wreed, mij elk onschuldig genot te moeten ontzeggen,quot; hoorde men nu Camilla op harden, wreveligen toon zeggen: âik moet leven als eene non, die hare gelofte gedaan heeft, en dat alles om een schepsel dat ik niet ken, en wiens aanzijn mij slechts tot last en hindernis is quot;
,,üat alles ter wille van een engel, waarmede God onze liefde zegenen wil,quot; hernam de zachte, welluidende stem van haar gemaal: âdat alles om een lief klein schepsel, dat spoedig mijne Camilla met zijn kleine, lieve armpjes omhelzen, en haar zijne moeder zal noemen. O, mijne lieve Camilla, hoe kunt gij li zelve zoo belasteren met te zeggen, dat u deze gelukkige vooruitzichten, welke mij met verrukking vervullen, geheel onverschillig zijn. Ik ken mijne Ca-
m
rnilla beter, dan zij zich zelve kent; uw hart dat zoo helder en doorschijnend als kristal is, ligt altijd geheel voor mij open en ik luister met vrome liefde naar elk zijner slagen. Zoo weet ik ook, dat mijne Camilla zich alleen door maagdelijke schaamte, die zij zoo rein en ongeschonden heett behouden, hoeft laten aansporen, deze uitnoodiging aan te nemen, omdat gij niet wilt, dat iemand uw zoet geheim zou ontdekken, wilt gij heden als een jong meisje dansen.''
âIk wil dansen omdat mij zulks genoegen geeft!quot; riep Camilla wrevelig.
âOmdat gij zijt als de kinderen en als de engelen,quot; zeide haar gemaal innig: âomdat gij zulk een opgeruimd en onschuldig hart bezit, als een lladderende liefdegod, die in bloemkelken sluimert, van sterren en zonnestralen droomt, en volstrekt geene aardsche, prozaische gedachten kent. Maar, mijne lieve! Ik moet wel uwe schitterende kapel-lenyleugels binden, en u een weinig vasthouden in het stof, en bij het onaangename van deze arme, lage wereld. Doch wacht slechts; wacht, mijne schoone vlinder, nog maar-korten tijd; dan zult gij verlost zijn van deze boeien, en in plaats van één engel, zal ik er twee aan mijne zijde hebben. Dan zal ik u schadeloos stellen voor de geleden ontberingen van heden, en eiken dag zal u nieuwe feesten, nieuwe genietingen aanbrengen, en gij zult dansen op bloemtapeeten en rozen, als eene Elfen-koningin.quot;
âBelooft gij mij dat ?quot; riep Camilla, spoedig weder in vroolijken luim gebracht: âwilt gij mij dan ook niet beletten te dansen, zooveel ik wil, en zoo vroolijk te zijn, als ik verlang?quot;
âDat beloof ik u, Camilla. Gij moet me dan ook den dans van heden ten offer brengen.quot;
âNu dat zal ik doen; hoewel ik vrees, dat mijn neef von Kniephausen het zeer kwalijk nemen zal, als ik nu op eens den dans weiger, dien ik hem reeds beloofd heb.quot;
âHij zal u wel verontschuldigen, als ik hem er om verzoek,quot; zeide haar gemaal glimlachend: âook duurt het nog lang eer de dans begint, en ik zal dadelijk tot hem gaan, en hem uw besluit mededeelen. Wees zoo goed mij hier te wachten, ik ben dadelijk weder terug.quot;
Hij kuste haar teeder op het voorhoofd, en verwijderde zich haastig.
125
Camilla zag hem zuchtend na, en daarop de breede palmbladen terugslaande, trad zij in de grot. Op bet geziclit van bet paar, dat daar op de zodenbank zat, schrikte zij en wilde zich haastig verwijderen, maar hare moeder hield haar tegen, baar met hartelijke woorden begroetende.
Camilla barstte in luid gelach uit. â âOch, moeder.quot; zeide zij: âhet schijnt, dat ik u altijd nog in den weg ben; en ofschoon ik niet meer in uw huis woon, stoor ik toch altijd nog uwe rendez-vous. Maar wees niet bezorgd, ik ben bescheiden. Laat uw vriend gerust beengaan; ik wil hem volstrekt niet zien, en begeer ook zijn naam niet te weten, en alb mijn hoogst deugdzame gemaal terugkomt, zal hij niets vinden dan twee eerbare, schroomvallige vrouwen. Ga, mijnheer, ik zal mij omkeeren, om u niet te zien.quot;
âEn ik verzoek, mijne lieve Camilla, mij veeleer baar gelaat toe te wenden en mij vriendelijk te begroeten,quot; zeide de heer du Troussel, uit de schaduw der palmen tevoorschijn treilende, en Camilla met hartelij ken groet zijne hand toestekende.
Zij zag hem verwonderd en vragend aan, en nadat zij hem berkend had, brak zij in een luid, vroolijk gelach uit. â âInderdaad,quot; zeide zij; âmijne moeder heeft een rendez-vous aan haar beer gemaal gegeven, enik heb hier een betooverend huwelijksgekweel gestoord. Gij hebt daarentegen het onze beluisterd, dat mijnheer gemaal zijnzoet geheim geliefd te noemen. Nu, wat zegt gij er van, dierbare stiefvader, dat mama mij zoo vroeg heeft laten trouwen, en uwe kleine, dolle Camilla tot de ecbtgenoote van een Lord gemaakt heeft?quot;
âIk wensch u van harte geluk, lieve Camilla, en verbeug mij van uwe moeder te hooren, dat gij zulk eene gelukkige keus gedaan hebt, en de gemalin van een even beminnelijk, als verstandig man geworden zijt.quot;
âZoo? Heeft mama u gezegd, dat Lord Elliot dit was ! Zij kan gelijk hebben, maar ih begrijp het niet. Ik weet alleen, dat ik mij bij zijne lordschap verschrikkelijk verveel; dat ik van al zijn geestige gesprekken volstrekt niets begrijp, hoewel mijnheer gemaal denkt, dat ik alles weet, alles versta, en van alles bet grootste verstand heb. Och hemel, stiefva-dertje, het is een verschrikkelijk ongeluk, zoo aangebeden
126
en bewonderd te worden, als een engel des hemels, die sleclits bij vergissing op de aarde is terecht gekomen.quot;
âInderdaad, een ongeluk, waarom u alle vrouwen benijden zullen!quot; riep de majoor lachenrl.
âDan weet gij niet, wat gij zegt,'' zuchtte Camilla; âik ten minste ben deze aanbidding moede. Ik wil volstrekt geen bovenaardsche engel zijn, maar als eene schoone, rijke, jonge vrouw mijn leven genieten. Maar ik mag het aanleggen, hoe ik wil, mijnheer gemaal ziet in al mijn doen steeds iets hemelsch, en vindt steeds nieuwe stof tot aanbidding. Hij zal het nog zóó ver brengen, dat ik zeer dolle en dwaze streken begin, om hem te bewijzen, dat ik geen engel, â maar een gewoon menschenkind ben.quot;
âHeden avond waart gij immers reeds op het punt zulk eene streek te doen,'' zeide hare moeder op strengen toon; âen u aan uw gemaal als een hoogst lichtzinnig menschenkind te toonen.quot;
âO, gij meent, dat ik wilde dansen! Maar denk eens, moeder, met tuien ik dansen wilde. Met mijn neef, dien de geheele wereld âden schoonenKniephausenquot; noemt, en die zoo heerlijk danst, dat het een lust is, met hem rond te zweven. Hij is óók heden avond eerst teruggekeerd, en toen hij [mij zag, kwam hij dadelijk naar mij toe, en begroette mij zoo hartelijk en teeder, â want gij weet wel, mama, wij hebben elkander altijd lief gehad, â en toen ik hem nu zeide, dat ik getrouwd was, verbleekte hij, en zag mij zóó treurig aan, dat mij de tranen in de oogen schoten. Ach, mama; waarom moest ik toch den lord trouwen, die zoo ernstig, zoo geleerd, zoo verstandig en deugdzaam is, en bij wien ik mij zoo verveel? Waarom konden wij niet wachten, tot dat Kniephausen terug kwam, die zoo schoon, zoo vroolijk en zoo weinig geleerd is ; voor wien ik mij nooit behoef te schamen, al heb ik nóg zulke domme streken gedaan, en bij wien ik mij nooit zou verveeld hebben!quot;
âMaar gij weet toch niet eens, of de schoone Kniephausen u bad willen trouwen?'' riep bare moeder lachend.
âWel zeker weet ik dat, mama. Hij beeft het mij dikwijls gezegd, toen ik nog een klein meisje, en hij kadet was. Die akelige oorlog is van alles de schuld ; want die heeft gemaakt, dat mijn schoone neef zoo spoedig officier werd en
127
naar het regiment moest vertrekken, en dat ik gedurende dien tijd met een ander trouwen moest.quot;
âMaar met een edel, verstandig cavalier, die uwe keus eer aandoet,quot; zeide du Troussel ernstig.
âLord Elliot heeft rood haar, ziet scheel met beide oogen, en is zóó lang en mager, dat hij meer op een uitroepteeken, dan op een mensch gelijkt. Als hij in zijn geelachtig grijs rij-costuum verschijnt, moet ik telkens aan dien grooten windhond denken, dien gij mij eens geschonken hebt, en die zulke lange en hooge pooten had, dat ik er onderdoor kon kruipen. En als de lord, juist als de windhond, aan mijne voeten ligt, en mij zoo aanziet, dan trekken zijne oogen zich zóó vreemd tegen elkander, dat ik nooit weet, of hij mij aanziet, of op het punt is flauw te vallen, en dat hij daarom zijne oogen zoo verdraait. Vindt gij nu nog, dat Lord Elliot mijn smaak eer aandoet?quot;
âZeker, en wel te meer, omdat gij door uwe keus bewijst, in slaat te zijn, de echte beminnelijkheid en schoonheid van een man te waardeeren, en dat u het uiterlijke, eene onbeduidende bijzaak loeschijnt.quot;
âO, nu begint gij mij zulke groote en verhevene beweegredenen toe te kennenriep Camilla lachend: âNeen, neen, stief vadertje: ik ben inderdaad niet zoo verheven, als gij denkt, en ik zoude den Lord niet getrouwd hebben, als wij beide, mama en ik, niet den hartelijken wensch gekoesterd hadden, van elkander bevrijd te worden, omdat wij elkander zeer tot last waren. Mama is nog veel te schoon en te jong, om eene volwassene dochter, die niet leeiijk is, naast zich te kunnen dulden; en ik was reeds veel te oud, om mij in de kinderkamer te laten opsluiten. Zoo ging ik dan uit de kinderkamer naar het trouwaltaar, en werd de gemalin van den Lord. Hiermede waren mama en ik van elkander verlost, en ik dacht, dal nu voor mij een tijd van vreugde en vrijheid zou beginnen; maar helaas, ik heb slechts van kooi veranderd! Vroeger was ik in de kinderkamer opgesloten, omdat mama zeide, dat ik een dol en ondeugend kind was ; nu ben ik in een tempel opgesloten, omdat mijn gemaal zegt, dat ik een verheven, onschuldige engel ben, die met de gewone, lage wereld in het geheel niet in aanraking mag komen. Ach, en ik verlang toch zoozeer naar de wereld, smacht zoo naar hare genietingen, en zou
128
zoo gaarne met volle teugen uit den gouden beker der vreugde drinken. Maar mijne gemaal biedt mij altijd slechts een kristallen schaal met hemelschen dauwennectaraan,zooalszulks voor een bovenaardschen engel betaamt, en hij merkt volstrekt niet, hoe ik van honger en dorst versmacht, even als de ongelukkige koning Midas,'lt;Voor wiens dorstige lippen zich alles in goud veranderde, en die te midden zijner heerlijkheid den hongerdood moest sterven. O, ik bidu, stief-vadertje, neem gij toch de rol van barbier op u; boor een gat, en roep er in, dat ik ezelsooren heb, ezelsooren, zoolang als Koning Midas ze ooit gehad heeft. Wellicht schiet er dan óók riet op, en verkondigt zijne lordschap het geheim, dat hij van mij niet gelooven wil; hij zou dan eindelijk inzien, dat ik geen engel ben; hij zal dan ophouden mij te aanbidden en mij vergunnen, vroolijk en opgeruimd op de aarde te zijn, als elke andere vrouw. Maar kom, kom. stiefvadertje; ik hoor daar mijn gestrengen heer gemaal, in gesprek met mijn vroolijken, schoonen neef, aankomen. Laten wij hem te gemoet gaan, en gun mij het genoegen, u mijn gemaal niet hier, â maar in de zaal bij het volle licht van den kroonkandelaar voor te stellen; dan zal ik u later op uw woord van eer afvragen, of gij nog vindt, dat ik eene gelukkige keus gedaan lieb, en dat mijn windhond van een echtgenoot meer waard is, dan mijn schoone neef Kniephausen!''
Zij nam onder vroolijk gelach den arm van den majoor, en wilde hem mede trekken.
âMaar uwe moeder?'' vroeg du Troussel: âVergeet gij dan uwe moeder?quot;
âHoor eens, mama,quot; riep Camilla: âhoe wreed hij is, u altijd te herinneren, dat gij mijne moeder zijt; hetgeen met andere woorden zooveel beteekent, als dat gij spoedig grootmoeder zult zijn. O, mama, het is om zich ziek te lachen, te deuken, dat gij grootmoeder zij t. Ik verzeker u : bij al mijn lijden en verdriet is dit het éénige, wat mij verrukt en vermaakt: dat ik u spoedig tot eene eerbare grootmoeder zal maken. Zeg, grootmoeder, gaat gij mede?''
âNeen, ik zal hier blijven,quot; zeide hare moeder: âuwe vroolijkheid maakt mij treurig, en ik ben nu in geene stemming voor gezelschap. Ik zal hier de terugkomst van mijn gemaal afwachten, en dan met hem naar Berlijn rijden.quot;
120
âAdieu, mama,'' zeide Camilla, den majoor haastig met zich mede trekkende.
Louise du Troussel bleef alleen in de grot. Zij leunde met haar hoofd tegen den stam van den palmboom, en keek strak en onder treurig hoofdschudden de gestalte van hare dochter na. Eene huivering trilde door hare ziel; het scheen haar, alsof een koude, doodsche hand zich op haar hart legde, alsof een schim tot haar doordrong, alsof eene stem lluisterde: Dat is uw werk, vloekwaardige moeder! Gij alleen draagt de schuld van de bedorvenheid uwer dochter; door u is deze ziel verloren gegaan, welke God ii had toevertrouwd, en waarin Hij de kiemen tot groote en heerlijke eigenschappen had gelegd, opdat gij ze kweeken en ontwikkelen zoudt. God zal eens rekenschap van u vragen voor deze ziel, welke gij door uw slecht voorbeeld vergiftigd hebt, en die door u verloren is gegaan; dooru alléén!
Louise rilde en schudde zich, als wilde zij deze kwellende gedachten van zich afwerpen; als wilde zij zich bevrijden van deze stemmen, die haar met hun gelluister martelden. Zij had ze reeds dikwijls gehoord; zij hadden haar reeds dikwijls midden in den nacht doen ontwaken, den slaap van haar leger verdreven, en haar hart gefolterd met bittere verwijtingen en aanklachten. Zij kende zeer goed dat grijze spookbeeld, dat altijd achter haar sloop, en altijd aan hare zijde stond; dat haar met sombere, ernstige trekken aanstaarde, hoe uitgelaten en vroolijk zij ook mocht zijn; dat dikwijls zóó luide sprak, dat Louise er als bedwelmd door werd, en dat haar belette de stemmen der vreugde en van het genot die om haar ruischten, te vernemen. Zij wist, dat dit grijze spook het geweten was, dat zich altoos weder aan haar opdrong, hoe zij ook meende het verjaagd te hebben.
Maar zij wilde niet hooren; â altijd stortte zij zich opnieuw in verstrooiingen, in andere genietingen; zij verdoofde het vermanend geweten onder de jubelzangen der vreugde; zij vlood voor het grijze spook in de armen der lichtzinnigheid en wellust, en dikwijls slaagde zij er in, maanden lang de sombere schim niet te zien, die met opgeheven vinger dreigend achter haar stond, maar zij zocht te ontvluchten in nieuwe zonde en nieuwe schuld.
9
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VIII.
180
Soms had zij een gevoel, alsof de dood haar in zijne armen hield; alsof hij onder wild gejuich in vazenden dans met haar ronddraaide, niet lettende op haar smeeken, of op liet hijgen van hare borst. Zij zoude gaarne gerust,â zich gaarne in een afgelegen hoek aan deze woeste vroo-lijkheid onttrokken hebben, maar zij kon de armon van het spook niet ontvluchten, die haar als met ijzeren banden omklemden, en haar den doodendans der zonde door het leven deden dansen. Zij moest voort, altijd voort op de baan der ondeugd; zij moest zich steeds opnieuw met den opium der zonde bedwelmen, om niet te bezwijken onder de kleurlooze nuchterheid, die haar met de vreeselijkste kwelling, de verveling, bedreigde; die de oud wordende coquette de schrikbeelden der toekomst voorspiegelde, waarin zelfs de zonde haar niet zoude troosten, waarin de ouderdom met wreede hand de bloemen uit beur haar en den blos van bare wangen zou rooven, om aan de spottende wereld de rimpels op haar voorhoofd en de asch op beur haar te toonen.
âHet is koud hier,quot; tluisterde Louise, huiverend en snel van de zodenbank opstaande; âhet is koud hier en eenzaam; ik wil naar de zalen terug keeren. Wellicht âquot;
Juist naderden haastige voetstappen en eene stem tluisterde haar naam.
Mevrouw du Troussel schrikte, en een gloeiend rood bedekte hare wangen. Toen zij nu met haastigen tred uit de grot kwam, was zij weder de vroolijke, schitterende, overmoedige coquette; de scboone vrouw met het elfen, onbewolkte voorhoofd en heldere oogen, welke nooit door een traan beneveld waren. De moeder, gefolterd door gewetens-knagingen en smartelijk zelfverwijt, was weder in de behaagzieke dame veranderd.
De stem fluisterde voor de tweede maa! Louise's naam, en haar hart beefde en trilde bij dien toon; zij wist niet, of het van vreugde, of van ontsteltenis was.
âOm 's Hemelswil, hoe durft gij het wagen, mij hier op te zoeken?quot; fluisterde zij: âWeet gij niet, dat mijn gemaal hier is, en dat hij elk oogenblik hier kan komen?quot;
âUw gemaal is juist in gesprek met prins Hendrik, terwijl de prinses met graaf Kalkreuth de eerste wals danst,quot; zeide de jonge man, Louise met gloeienden blik aanziende:
131
âelkeen was in de zalen met dansen, spelen, en kwaadspreken bezig, en heeft, terwijl men het oog op de prinses en haar gemaal gevestigd houdt, zelfs voor een oogenblik de schoone en betooverende Louise du Troussel kunnen vergeten. Ik alleen kon het niet; en daar ik van lady Elliot hoorde dat gij hier waart, waagde ik het, u hier op te zoeken, om mij door een blik, een handdruk schadeloos te stellen voor de lange ontberingen, waartoe ik veroordeeld ben. Ach, zeg mij, aangebedene, zal dit nu eeuwig zoo blijven ? Zal ik nu voor altijd veroordeeld zijn, u slechts uit de verte te bewonderen, zonder mij ooit in uwe zalige tegenwoordigheid te mogen verheugen, en mij in uwe blikken te mogen koesteren?quot;
Hoe opgesmukt en overdreven deze taal van den jonkman ook moge schijnen, vervulde zij het hart van mevrouw du Troussel met trotsche vreugde; want zij gaven haar de zekerheid, dat zij nog altijd schoon, nog altijd in staat was, de bewondering en aanbidding der mannen op te wekken.
âHet zal alles goed gaan, Emilius,quot; zeide zij met zegevierenden glimlach; âlaat ons nog een korten tijd geduldig en omzichtig zijn. Mijn gemaal vermoedt niets; ik heb met hem gesproken zoo wijs als Cato, en zoo deugdzaam als Lucretia. Hij gelooft mij, en voedt niet de minste achterdocht; den laster zal hij van de deur wijzen, en daai-door zai zij open blijven, en gij kunt er veilig ingaan en u voorstellen. Hij zal u onder zijne bescherming nemen, en u argeloos als huisvriend erkennen; want hij is voorbeschikt om echtgenoot te zijn. Maar voorzichtig, Emilius! Het geheim is de goede geest van het geluk! Blijf hier, en laat mij alleen naar het gezelschap terugkeeren! Au revoir, mon ami!''
Zij wierp hem vlug met hare vingertoppen een kushand toe, en snelde heen.
132
IV.
DE KONLNCt EN SANSSOUGI.
Eindelijk waren de welkomst-feesten, die men aller-wege den teruggekeerde krijgshelden had aangeboden, afge-loopen, en kon de Koning zich aan het genot der stilte en rust overgeven, waarnaar zijn hart zoo lang te vergeefs gesmacht had. Eindelijk kon hij, die sedert zoo vele jaren alleen voor zijne plichten als Koning en voor zijn vaderland geleefd had, er aan denken, ook voor zich zeiven te mogen leven, en na zoo vele zorgen en moeiten uit te rusten. Eindelijk kon de krijgsman en held weder de wijsgeer worden, die met zijne vrienden en boeken weder voor het heilige genot der wetenschap en kunsten kon leven.
Met helder schitterenden blik besteeg de Koning het rijtuig om naar Sanssouci te rijden, â naar dat geliefde Sanssouci, dat hem in de jaren van den krijg altijd als een zalige droom, als een heerlijk doel voor den geest had gezweefd; er aan te denken, was dikwijls zijn éénige troost, zijn éénige opbeuring geweest. Nu zou hij het wederzien; nu zou die schoone, stille ruimte hem weder opnemen, en het zoo vurig gekoesterd verlangen verwezenlijkt worden.
Met welk een verrukten blik zag hij rond op den weg, welke naar Sanssouci voerde; elke boom, elke steen, waar zij langs reden, scheen hem een welkomstgroet toe te knikken, en toen, te midden van eene laan van nog groene boomen het Slot van Sanssouci zichtbaar begon te worden, ging de Koning, door zijn gevoel overmeesterd, achterin quot;het rijtuig liggen en sloot zijne oogen, alsof zij, door hetgeen zij gezien hadden, verblind waren geworden.
Maar de markies d'Argens, de eenige die den Koning op dezen tocht had mogen vergezellen, sprong van zijne zitplaats op, en met al de levendigheid van zijn vurig gestel zijne beide armen in de hoogte heffende, en met zijne handen als ter begroeting zwaaiende, riep hij: âWeesge-
133
groet, Sanssouci; wees gegroet, gij tempel van wijsheid en van het geluk des wijsgeers. Open uwe poorten, want uw heer wil weder lot u terugkeeren. Laai uwe wanden klinken en weergalmen, als de Memnonszuil, wanneer de zonnestraal na een langen nacht haar treft. Ook ulu nacht is voorbij Sanssouci; en de zonnestralen uit de oogen uws meesters zullen u weder trelfen. Weergalmt dus, gij wanden, en zingt; Heil den koninklijken wijsgeer, die terugkeert, om in onze armen op zijne lauweren te rusten! Heil den grooten Frederik!quot;
De Koning trok glimlachend zijn opgewonden vriend op diens plaats. â âGij zijt, en blijft altijd toch een kind,'' zeide hij: ,,een groot kind.quot;
âSire,quot;' riep d'Argens; âdat komt, omdat ik vroom geworden ben. Er staat geschreven; âZoo gij niet wordt als de kinderen, zult gij geenszins in het Kouinkrijk der hemelen ingaan.quot; Nu is Sanssouci mijn hemelsch koninkrijk; ik ben dus geworden als de kinderen, om naast mijn Koning te worden opgenomen, en de dagen der gelukzaligheid weder te kunnen beginnen.quot;
De Koning schudde langzaam zijn hootd. â âAch, ik vrees zeer, mijn vriend, dat die gelukkige dagen niet weder terug zullen komen, en dat de zon, welke eens Sanssouci bestraalde, is ondergegaan. Onze lippen hebben den glimlach afgeleerd, en in onze harten is de vreugde voor altijd gestorven! Hoe vele droombeelden, hoe vele verwachtingen, hoe vele wenschen had ik nog, toen ik den eersten keer de trappen van Sanssouci besteeg; hoe arm en teleurgesteld, hoe afgemat en zwak zal ik ze weder bestijgen,quot;
, Hoe, Uwe Majesteit noemt zich arm ? En tóch keert gij teiug zoo rijk aan roem, met een hoofd overdekt met onvergankelijke lauweren.quot;
âO, markies, die lauweren zijn nochtans met veel bloed gedrenkt! en bitter en smartelijk met het bloed van vele mijner onderdanen gekocht! Nóg bloeden de wonden welke de krijg mijn ongelukkig land heeft geslagen, en het zal vele jaren van rust behoeven, om die weder te heelen. Spreek mij dus niet] van mijne lauweren; en wat mijn roem betreft: hij is een koud en smakeloos gerecht, een ellendig vergoedingsmiddel voor het geluk. Om den roem begeerlijk
134
te vinden, moet men bovenal nog prijs stellen op het oordeel der menschen, en hen gelooven. Maar ik, markies, ik heb dit geloof voor altijd verloren. Te veel en te bittere ondervinding heeft mijn vertrouwen en/nijn geloof eindelijk voor altijd vernietigd; ik kan de menschen niet meer liefhebben, want ik heb hen altijd slechts als kleingeestig, armzalig, en arglistig leeren kennen. Juist zij, die ik de meeste weldaden heb bewezen, hebben mij het ergst misleid en bedrogen. Denk maar aan Schafgotsch, dien ik mijn vriend noemde, en die mij in het uur van gevaar verliet; denk eens aan Warkotsch, dien ik boven zoovele anderen voortrok; dien ik met bewijzen mijner genegenheid overlaadde en die mij tot dank daarvoor verraden en dooden wilde; denk aan de herhaalde aanslagen op mijn leven, welke altijd door hèn ondernomen werden, die ik vertrouwde, en niets dan goeds gedaan had! Denk aan dat alles, markies, en zeg.mij dan, of ik de menschen nog beminnen, nog vertrouwen kan!quot;
âHet is waar,quot; zeide de markies treurig: âUwe Majesteit heett menige treurige ondervinding gehad, en de menschen moesten u des te kleingeestiger toeschijnen, omdat gij zelf zoo groot zijt. Den adelaar, die steeds zegevierend en trotsch naar de zon stijgt, moet de wereld, hoe hooger hij stijgt, des te kleiner toeschijnen, en hij moet alles voor nietige armzaligheid en ellendigen pronk houden, wat ons arme aardbewoners in verrukking brengt; ons, die in het stof ronddwarrelen, en het in de zoo blinkende stofdeeltje voor de zon zelve aanzien.quot;
âVlei mij niet, markies,quot; zeide de Koning bijna wrevelig: âlaat er tusschen ons beiden ten minste eenige waarheid bestaan, die zoo zelden onder de menschen gevonden wordt, en die de Koningen slechts bij naam kennen! Gij naamt uwe toevlucht tot vleierij, omdat gij den moed niet hadt, mij op mijne vraag te antwoorden, en mij gelijk te geven, toen ik zeide, dat ik de menschen niet meer beminnen, niet meer vertrouwen kan. Maar gij gevoelt dat ik gelijk heb, en gij zult mij ten minste kunnen verontschuldigen, wanneer ik mij nu voor de wereld als een hardvochtige, ongevoelige egoïst vertoon. Het is waar, mijn hart is verstaald in het vuur van veel en velerlei lijden, en de zorgen en ontberingen der laatste jaren hebben zich als een pant-
ser om mijn hart gesloten, zoodat. de zonnestraal der liefde het nauwelijks verwarmen kan. Ik heb de menschen zeer lief gehad, markies; en wellicht is het juist daarom, dat ik hen thans veracht, omdat ik inzie, dat zij mijne liefde onwaardig waren!quot;
âEn nochtans, sire, bemint gij hen : want uw hart bezit de goddelijke kracht der ontferming, welke de kleingeestigheid der menschen overwint, hunne feilen vergeeft, â juist omdat zij menschen zijn! Onverdraagzaamheid ligt niet in het verheven karakter mijns Konings, en op zijne lippen zal steeds vergiffenis en medelijden zweven.''
âNu, ik zal trachten, uwe woorden tot waarheid te maken,quot; zei de Koning, den vriend zijne hand reikend: âen als ik er soms niet in mocht slagen, wees gij dan toegevend voor mij, vriend, en zoek mij te verontschuldigen, bij de gedachte, hoeveel ik geleden heb, en dat het alleen de wonden zijn, waarvan ik de litteekens nog draag, die mijn hart verstaald hebben. Maar weg nu met deze gedachten. Zie, daar schittert reeds Sanssouci voor ons, en elk venster dat daar inde zon blinkt, schijnt mij met vriendelijken blik te groeten, en de boomen ruischen mij hun welkom tegemoet. Ziet gij, daar zijn de ramen van mijne bibliotheek, en daarachter wachten de groote geesten mijner onsterfelijke vrienden op mij, en schudden medelijdend hunne grijze hoofden over liet zwakke menschenkind, dat oud en gebogen tot hen terugkeert; en Gesar ziet met een glimlach op de dorre lauweren welke ik medegebracht heb, en Virgilius schudt zijn krulkop en neuriet zachtjes een zijner goddelijke liederen, onsterfelijker en grooter dan al mijne zegepralen! Kom, markies, kom; wij willen in ootmoed en bescheidenheid aan de groote godenzonen onze hulde brengen, en hen verzoeken ons niet te verachten, omdat wij zoo weinig op hen kunnen gelijken.quot;
Toen het rijtuig nu voor het benedenste terras stil stond, sprong de Koning met jeugdige vlugheid eruit, en begon haastig de hooge terrassen te beklimmen, zoodat de markies ter nauwernood kon medekomen.
Van tijd tot tijd bleef hij echter staan en zag om zich heen, en een glimlach van genot vloog over zijne lippen, en zijne oogen schitterden in den glans der vreugde. Daarop stapte hij driftig verder, en vestigde zijn blik op
136
liet huis, flat hem daarboven zoo rustig en stil tegen blonk, en welks geopende poorten hem met een liefdegroet schenen te verwelkomen.
Nu had hij de hoogte bereikt; nu liet hij zijne oogen schitterend van vreugde, om zich heen waren, en begrootte met zijn glimlach het liefelijke landschap, dat zich in weelderige schoonheid aan zijne voeten uitstrekte; slapte toen haastig het huis en de schoone zaal in, waarin hij zoo vaak met zijne vrienden zulke vroolijke en gelukkige uren bij het geurige maal beleefd had.
Nu weergalmde zijn stap weder luid door de eenzame ruimte; er was geen enkele vriend, om den terugkeerenden Koning te begroeten; niemand dan d'Argens, de trouwste en meest vertrouwde van allen!
Tot dezen wendde zich de Koning nu, en een nevel trok over zijn pas zoo vroolijk gelaat. â..D'Argens,quot; zeide hij: âwij zijn zeer arm geworden; want de meesten onzer vrienden zijn van ons heengegaan, en hebben ons voor altijd verlaten. D'Argens, de prior van Sanssouci keert terug, maar zijne monniken zijn allen weggeioopen, -â allen, behalve gij, markies.quot;
âEn zal Uwe Majesteit den edelen lord Marschall vergeten, den geestigen en beminnelijksten uwer monniken? Er is slechts één wenk van zijn geliefden prior noodig, om den lord uit zijn gouvernement van Neufchatel terug te roepen.quot;
âliet is waar,quot; riep de Koning glimlachend: âik ben niet zoo verlaten, als ik dacht; lord Marschall moet bij ons terugkeeren, en hij moet even als gij, in Sanssouci wonen. Ik moet mij omringen met hen, die verdienen dat ik hen vertrouw; wellicht vergeet ik dan de anderen, die mij zoo hitter teleurgesteld hebben. Kom, markies, geef mij uw arm en laat cns een kijkje in de zalen nemen.quot;
Hij legde zijne hand in den arm van den markies, en doorwandelde met hem de stille, eenzame ver trekken, welke den Koning met duizend herinneringen schenen te begroeten. Wellicht was het juist om des te beter naar de stem der herinnering te kunnen hooren, dat de Koning bevolen had, dat niemand hem in Sanssouci ontvangen, â en dat geen der huisbedienden ongeroepen voor hem verschijnen zou. Zonder eenig gedruisch, zonder plechtigheden wilde hij bezit nemen van dit huis, waarin hij niet de Koning,â
137
maar de wijsgeer en de dichter was; stil en zonder opzien wilde de abt in zijn klooster terugkeeren!
Maar de zeven jaren van zorgen en misleidingen kwamen tóch mede; zij slopen achter hem door de stille, verlatene vertrekken; zij zagen hem aan van de verkleurde meubels en do bestoven wanden, van de verbleekte Gobelins en do donker geworden schilderijen; zij waren niet enkel om hem heen, maar ook m hom, en hij gevoelde weder, onder treurig zuchten, dat hij geheel anders terugkwam, dan hij gegaan was.
Toen zij nu de kamer betraden, waarin Voltaire gewoond had, helderde Frederik's gelaat weder op in een glimlach, terwijl dat van den markies eene verdrietige en sombere uitdrukking aannam.
âO, markies; ik zie reeds aan uw gelaat, dat gij alle kleine apenkuren van mijn onsterfelijken vriend kont, en het doet uwe schoone ziel leed, dat een zoo groote geest als Voltaire, tevens eene zoo armzalige, kleingeestige ziel kon hebben. Gij vindt het zeer trouweloos, niet waar, dat Voltaire met mijne vijanden kon heulen toen het mij slecht ging, en mij zijne gelukwenschen toezong, als ik toevallig een slag gewonnen had.quot;
âUwe Majesteit weet het dus?quot; vroeg de markies verwonderd .
âWaarde markies, wanneer zal de lijd komen, dat ergeene gediensiige, goede vriendenen bedienden gevonden worden, die er een genoegen in vinden, iemand het onaangename te vertellen, en hem dienstvaardig die zaken mede te deelen, welke zij weten, dat hem smarten? Ook de Koningen hebben zulke goede vrienden; en die hebben mij in hun ijver alles overgebracht: hoe Voltaire zijn goeden vriend Luc, zooals hij mij gelieft te noemen, al het mogelijke leed en kwaad toewenscht. Heeft hij niet eens aan d'Argental geschreven, âdat hij niets hartelijker wenschte dan mijne geheele verandering en de grootste straf voor mijne zonden,quot; ') en
1) âJe n'aitne point Luc, il s'en faut beaucoup. je ne lui pardonnerai jamais ni sou infame procédé avei; ma niese, ni la hardiesse. qu' il a de ra'écrire deux fois par mois dos choses flatteuses, fans avoir reqaré ses torts. â¢Te désire beaucoup sa profonde humilialion, le chatiment du pécheur.quot; Oeuvres dc Vollaire. Vol. 85, p 405.
138
dal nog wel op denzelfden dag, waarop hij mij eene vurige Ode, ter viering van mijne zege bij Leuthen toegezonden had? Heeft hij niet op een ander keer aan Richelieu geschreven, dat het de gelukkigste dag van zijn leven zoude zijn, waarop de Franschen zegevierend Berlijn zouden binnenrukken, en de hoofdstad van dien verraderlijken Koning zouden vernielen; dezelfde, die het waagde, mij alle maanden tweemaal de vleiendste en hartelijkste dingen te schrijven, zonder nochtans zijn misstap jegens mij weder goed te maken, en mij den kamerheers-sleutel en het pensioen van duizend thaler terug te geven. Heeft hij mij niet la damnation êtcrnelle gewenscht, en er1 trotsch bijgevoegd : â Vous voyez, que clans la tragédie jè veux toujours, que le crime soit puni.quot;
âJa,quot; riep d'Argens; âen terzelfder tijd heeft hij aan Forney geschreven: Votri Roi cd toujours un homme unique, étunnant, inimitable; il fait des vers charmans dans des temps, on un autre ne pourrait faire une ligne de prose, il mérite d'etre heureux?
De Koning lachte luid. â âNu wat bewijst dat anders, dan dat Voltaire de geestigste en gekste aap, de grootste en meest onbevooroordeelde dichter is, dien de zon ooit beschenen heeft?quot;
âHet bewijst, Sire, dat hij een huichelachtig, trouweloos , mensch, een ondankbare, valsche vriend, een man zonder eer en trouw is. Al zijne groote gaven als dichter wegen niet op tegen de zwakheid en armzaligheid van zijn karakter; en wat mij betreft; ik kan den dichter niet meer bewonderen, dien ik als mensch veracht.quot;
âGij zijt inderdaad te streng, markies,quot; zeide Frederik glimlachend: âVoltaire bezit een groeten geest en een klein hart, en dit is toch inderdaad meer de schuld van Hèm, die bem schiep, dan van hem zeiven. Waarom moeten wij hem nu laten misgelden, waaraan hij geen schuld heeft? Waarom eischen wij van den grooten dichter, dat hij ook een goed mensch zij? Ik, van mijn kant, heb deze overdreven eischen reeds lang opgegeven; en ik vergeef Voltaire van ganscher harte, zulke springerskunsten van zijn genie. Laat. hem zijn slecht hart behouden, dat moge hij bij mevrouw Denis verantwoorden; ons moet het voldoende zijn, dat hij een groot dichter is, en wanneer wij
130
hem al niet kunnen beminnen, moeten wij hem toch bewonderen. Men moet in het algemeen vele slechte eigenschappen ten goede houden, wanneer men overigens door groote hoedanigheden schadeloos wordt gesteld.quot;
âAch, sire, dat is een treurig woordquot; riep d'Argens: âeen woord, dat alleen de grootste menschlievendheid, of de grootste verachting der menschen, kan doen uitspreken !quot; â
âWellicht is er van beiden iets in mij,quot; zeide de Koning met weemoedigen glimlach : âevenals Christus van Magda-lena zegt; âZij heeft veel bemind, daarom zal haar veel vergeven worden,quot; zoo laat ons ook van Voltaire zeggen : âhij heeft veel geleerd en gedicht, daarom zal hem óók veel vergeven worden.quot; â Hij heeft zich in den laatsten tijd weder een onsterfelijken naam verworven, waarvoor ik hem bijna weder beminnen kan, al is dit ook bijna onmogelijk. Hij heeft met stoutmoedigheid de verdediging van den onge-lukkigen, door de dweepzieke priesters van Frankrijk vermoorden Jean Galas op zich genomen; hij alléén heeft zich tegenover deze ellendige priesters gesteld. Terwijl men in Toulouse door prachtige optochten en vreugdevuren den dag herinnerde en verheerlijkte, waarop voor twee eeuwen vierduizend Hugenooten tot schande voor den christelijken godsdienst vermoord geworden waren, zooals heden Jean Galas, heeft Voltaire later zijne stem verheven, en zijne meesterlijke verhandeling; Sur Ia Tolcrance geschreven. De priesters en de vromen mogen hem daarvoor verdoemen, maar wij willen hem er om vereeren!quot;
âEn heeft Uwe Majesteit niet hetzelfde gedaan?quot; vroeg d'Argens: âHebt gij u niet evenzeer als Voltaire over de ongelukkige familie van Jean Galas ontfermd? Hebt gij haar niet aanzienlijke ondersteuning in geld gezonden, en haar in uwe landen eene schuilplaats aangeboden?quot;
âDat heb ik zeker gedaan; maar wat is dat in vergelijking met hetgeen Voltaire gedaan heeft? Hij gaf haarde vrucht van zijn geest en zijn werk, zijn schoonst eigendom; ik kon haar slechts het laagste en geringste van mijn bezit geven: â cjeld. Voltaire gaf dus wat beters en schooners, en daarom wTillen wij hem dankbaar zijn; en daarom wil ik hem hier beloven, den vervolgden en verdrukten in mijne landen steeds bescherming en hulp le
140
verleenen, en zoolang ik leef, de vrijheid van den geest heilig in mijne Staten te bewaren. Laat hen, die door de dweepzucht der priesters en het onverstand van kortzichtige Regeeringen vervolgd en gebi-andmerkt worden, hunne toevlucht naar mijne Staten nemen; in Pruisen zullen zij bescherming en bijstand vinden! Vrijheid van denken zij het recht van al mijne onderdanen, en wanneer de dweepzucht der huichelende priesters haar âwee!quot; over de vrijdenkers uitroept, zal ik deze vrijdenkers tot mij roepen en lot hen zeggen: weest welkom in mijne landen, want alleen de vrijheid der gedachte schept de vrijheid van den wil; en ik wil liever over een volk regeeren, dat denkt, dan over eene kudde gedachtenlooze slaven, welke mij uit stompe gehoorzaamheid volgen. Pruisen moet het land der vrijheid van gedachten en der verlichting zijn. De geloo-vigen en ongeloovigen moeten gelijke rechten hebben; met heizelfde recht mogen de Piëtisten als de Atheïsten spreken, en de geest der vervolging zij voor eeuwig uil Pruisen verbannen!quot;
âAruen!quot; riep d'Argens plechtig, terwijl hij met vreugde hel opgewonden, schitterend gelaat van den Koning beschouwde: âDe geest der wereld, der liefdeen der vrijheid heeft uwe woorden gehoord, en hij zal ze met diamanten stift in de boeken der geschiedenis opleekenen, zoodat zij gelijk de glans der sterren van Pruisen zullen schitteren.quot;
âEn nu, markies,quot; zeide de Koning: âlaat ons nu nog een groet aan mijne bibliotheek brengen; daarna willen wij wat uitrusten, om met opgeruimden geest en kalme gemoedsrust ons maal te gebruiken. Van avond echter noodig ik u op het concert. Mijne muzikanten zullen van Berlijn overkomen, en wij willen eens zien, of mijne lippen, welke zoolang de ruwe commando-woorden uitriepen, nog in staat zijn, aan de fluit eenige zoete en smeltende tonen te ontlokken.quot;
Zoo sprekende nam de Koning weder den arm van den markies en wandelde zwijgend met hem door de vertrekken, wier eenzame stilte hen weemoedig en treurig stemde.
âDe wereld is toch inderdaad niets dan een groot open graf, aan welks rand wij met onbezonnen tred voorslappen,quot; lluisterde de Koning, als tot zich zeiven: âelk oogen-blik struikelt er een naast ons en stort in de diepte, en wij
141
hebben nog den moed verder te stappen, totdat ook onze voet struikelt, en wij op de overigen in den akeligen afgrond nederzinken, om voor anderen plaats te maken. Bijna allen die in deze vertrekken wandelden, zijn reeds in de diepte verdwenen. Hoe lang nog, en ik zal hen volgen!quot;
âMoge dat noodlottige oogenblik nog zeer vei1 verwijderd zijn!quot; riep d'Argens met bevende stem: âUwe Majesteit is nog zoo jong en krachtig. Gij hebt nog niets met den dood Ie maken.quot;
âNeen,quot; zeide de Koning hoofdschuddend: âik ben oud, want ik ben onverschillig omtrent de wereld geworden. Zaken, welke mij vroeger diep Irolfen, maken geen indruk meer op-mij. Ik verzeker u, markies; ik heb aanzienlijke vorderingen in do prachtige philosophic gemaakt. Ik ben werkelijk oud; ik sta aan de grenzen van het leven, en mijne ziel ontbindt zich langzamerhand van de wereld, welke ik, zooals ik hoop, spoedig verlaten zal! En wie zou dan ook altijd in deze armzalige wereld willen rondzwerven? Ik heb dikwijls een gevoel van walging tegen haar. De gevoeligheid mijner ziel is uitgeput, en heeft zich tot een gezwel van onverschilligheid en gevoelloosheid gevormd ; en mij dunkt, dat ik tot niets meer geschikt ben dan om te sterven.quot; ^
âOch, sire,quot; zeide d'Argens glimlachend: âgij zijt tien jaren jonger dan ik, en daarom ben ik telkens, wanneer Uwe Majesteit van zijn voorgewenden ouderdom spreekt, geheel in de war, en vraag mij zeiven af, hoe het mogelijk is, dat een man, die twee lustra minder telt dan ik, zich over den ouderdom beklagen kan. Wacht maar eens, sire; hier temidden der rust van Sanssouci zult gij in weinige maanden Hen, en wel vijftien jaren jonger worden. In de vreugde en het genot van dit leven, zult gij zoolang als Abraham, en ik zoolang als Jacob leven. Sanssouci zal voor ons het klimaat van Arabiê hebben.quot;
âMaar ik ben mei jonger dan gij,''zeide de Koning lachend: âik heb gedurende deze laatste jaren niets gehad dan teleurgestelde verwachtingen, onverdiend ongeluk, kortom alles, wat het grillige spel en de luimen van het toeval
1
's Konings eigen woorden. Oenvres 10, p. 353.
142
slecht verzinnen konden, om mij te kwellen. Na zulke lotwisselingen mag men wel zeggen, als men vijftig jaar telt, dat men oud,is; dat men niet langer een speeltuig van het geluk wil zijn, dal men van de eerzucht en jvan alle dwaasheden afziet, welke de wereld kweekt en voortplant. Maar laat ons nu die sombere gedachten verdrijven; want wij staan eindelijk voor de poort van mijn Tusculum Vouw uwe handen, ongeloovige zoon der kerk; de goden en halfgoden verwachten ons in hun tempel, en daarbinnen zult gij ten minste gelooven!quot;
Zij traden in de bibliotheek, en toen nu de deur achter hen gesloten was, en zij als van de wereld gescheiden waren, â toen zij nu midden in het vertrek stonden, waarvan het eenige sieraad bestond in de rijen kasten met boeken, wier gouden letters de namen van alle tijden noemden; waarvan de eenige praal bestond in de marmeren busten van Cesar, Virgilius, Cicero en Alexander, zeide de Koning met schitterenden blik; âNu ben ik eindelijk weder in de republiek der geesten aangeland, en weder een ootmoedig burger der verhevene presidenten, die mij hun eerwaardig gelaat toonen en met genade op mij neerzien!quot;
En terwijl de Koning nu in zijn leunstoel voor de schrijftafel ging zitten, kwam hij weder in zijn goeden luim, en vond hij zijne fijne geestigheid, zijn fonkelenden humor terug; en met helderen blik vertelde hij den markies, hoe hij zich voorgenomen had, vlijtig te arbeiden, en vooral de geschiedenis van den krijg te schrijven, dien hij nu ten einde had gebracht; en hoe hij altijd op Sanssouci dacht te wonen welks behagelijke rust en stilte hem veel aangenamer schenen, dan het bedrijvige gewoel der groote stad.
Toen zond hij den markies weg, om vóór het eten, een oogenblik te gaan rusten.
Maar hij zelf nam geen rust. Te vele en te groote gedachten bestormden zijne ziel. In zijn stoel leunend, dacht hij over de toekomst, maakte hij met vasten en stouten blik een plan voor zijn eigen leven, effende en baande in zijne gedachten den weg, welken hij voortaan bewandelen wilde.
Toen hij een tijdlang zoo gezeten had, stond hij met een vaste, krachtige uitdrukking in zijn gelaat, op. âJa, zóó moet het zijn !quot; zeide hij luid : âIk wil de vader van mijn
143
volk zijn; niet voor mijzelven, maar slechts voor mijn volk levende, wil ik de boosheid der menschen vergeten, of mij slechts met speldeprikken op hen wreken. Ik heb geene familie, dus moet mijn volk mijne familie zijn; ik heb geen kinderen, dus moet ieder, die mijne hulp noodig heeft, mijn kind worden, en wil ik jegens hen mijn plicht als vader doen. Mijn land bloedt uit duizend wonden; deze wonden te heelen, moet de taak van mijn geheel leven zijn!''
En getrouw aan dit voornemen, riep de Koning reeds vroeg in den volgenden morgen zijne ministers te Sanssouci bijeen, hen verzoekende, hem nauwkeurige rapporten over den toestand van al zijne provinciën te leveren; hem hare schade en behoeften mede te deelen, en door zaakkundigen plannen tot herstel en verbetering te laten opmaken. â Getrouw aan zijn voornemen, was de Koning onvermoeid werkzaam voor het welzijn zijns volks. Hij zelf wilde alles zien, alles onderzoeken en overleggen; hij zelf wilde de bron zijn, waaruit zijne onderdanen kracht en moed, bijstand en hulp moesten putten. Daartoe moest hij al hunne bezwaren kennen, aan al hunne vragen een willig oor leenen. Zijn eerste bevel was daarom, iedereen, die hem wenschte te spreken, toe te laten; en toen een zijner ministers het waagde daarover zijne verwondering te kennen te geven, en op het lastige en tijdroovende van zulke dagelijksche, vrije audiënties wees, zeide de Koning: âHet is de plicht des Konings, iedereen, ook den geringsten zijner onderdanen, zelf aan te hooren. Ik ben Regent, om mijn volk gelukkig te maken; ik mag mij dus aan hunne klachten nooit onttrekken, noch mij voor hen afsluiten.quot;1)
En hij hoorde met deelneming de klachten van zijn volk aan, en al zijn denken en doen bepaalde er zich toe, het verlichting te verschalfen. Overal was de Koning zelf bereid met raad en daad te helpen. Onvermoeid in het werk, las hij eiken brief, elk request, en onderzocht elk antwoord, dat zijne kabinets-secretarissen schreven. Hij, hij alleen was de ziel van het geheele
1
Nicolai. Cliaracterzüge. H. 7, S. 4.
444
bestuur; van hem ging alle leven en beweging uit.
De weldadige ondersteuningen, welke hij aan zijn ongelukkig land verschafte, â hier in geld, daar in graan om te zaaien; nu eens om brood, dan weder om trekvee te koopen, ontrukten vele onderdanen aan ,de wanhoop. En zoo werden de akkers weder bebouwd ; de dorpen en steden herrezen uit de asch; de nijverheid vatte weer moed; orde en veiligheid beschermden het handelsverkeer, en in het gevolg van alle kunsten des vredes, vonden ook eerbaarheid, eerlijkheid en goede zeden de oude plaats terug.
Een nieuw leven begon zich in alle takken van bestuur te ontwikkelen, en de Koning was de ziel van dit leven. Meer dan al zijne ministers en dienaren werkte hij zelf, en de muziek en de wetenschap waren de éénige uitspanningen en genietingen des Konings, die evenzeer in den vrede als in den süijd, een roemrijk held Ideef. Niet zooals vroeger had Frederik behoefte aan verstrooiing of vermaken; de wetenschappen waren zijne schoonste afleiding; het onderhoud met zijne vrienden was zijn grootst vermaak, en zelfs de jacht, dit zoogenaamd âridderlijk genot.quot; bekoorde hem niet meer.
âDe jacht,quot; zeide de Koning; âis een dor zinnelijkste genoegens, dat wel is waar het lichaam versterkt, maaiden geest onvoldaan laat. Het is een heftige begeerte om een dier te vervolgen, en eene wrecde vreugde liet te dooden. Het is een tijdverdrijf, dat wel is waar het lichaam hardt, en het vlug en wakker maakt, maar het hoofd ledig laat. Ik weel zeer goed, dat wij wreeder en wilder dan verscheurende dieren zijn; dat wij als tirannen van de ons verleende macht over deze arme schepsels gebruik rnaken. Wie koelbloedig een onschuldig dier kan vermoorden, kan onmogelijk met het lot zijner evenmenschen begaan zijn. Is dus de jacht voor een denkend wezen wel eene gepaste bezigheid? Dat een Vorst ook jagen gaat, is hem alleen in zóóverre te vergeven, wanneer het slechts zelden geschiedt, en wanneer hij het slechts doet om zich van zijne ernstige, dikwerf droevige bezigheden te ontspannen. Het zoude onbillijk zijn den Regent alle genoegens te weigeren. Maar is er voor een Vorst wel een grooter genoegen, dan: goed te regeeren,
445
zijn Staat te doen bloeien, en nuttige kunsten en wetenschappen te bevorderen? Hij, die nog andere genoegens behoeft, is te betreuren!quot;
V.
DE GEGRAVEEJIDE BEKER.
Prinses Amalia lag eenzaam op den divan in haar kabinet, en staarde, in diepe moedeloosheid wegens haar ellendig lot, peinzend naar het plafond. Met welk verlangen had zij niet jaren lang naar het einde van dezen nootlottigen strijd verlangd, die Oostenrijk en Pruisen als vijanden tegenover elkander had gebracht, en welke Trenek in zekeren zin tot krijgsgevangene maakte. Als de krijg ten einde is, had zij gedacht, zullen de krijgsgevangenen uitgewisseld worden; dan zal Maria Theresia de uitwisseling van den ritmeester Frederik von Trenek eiscben, â dan zal hij eindelijk vrij zijn!
Maar er waren reeds vier maanden verloopen sedert de vrede gesloten was, en Trenek zat nog altijd in zijn onder-aardscben kerker te Maagdenburg. Geheel Europa werd van de boeien van den krijg bevrijd, â Trenek alleen droeg de ketenen der gevangenschap.
Dit was het, wat Amalia zoo doodelijk smartte; wat des nachts den slaap uit hare oogen hield, en haar bij dag in wanhoop rusteloos deed rondwaren.
Nu had zij geene hoop meer, nu was de laatste straal verdwenen. De vrede was gesloten, en Trenek was vergeten geworden. God die baar het geluk bad geweigerd, hem door hare hand de vrijheid te verschalTen, wilde haar niet eens den troost schenken, hem door anderen te zien bevrijden!
Sedert negen jaren smachtte Trenek in den kerker; sedert negen jaren had Amalia geene andere gedachte,
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VIII. 10
liö
geene andere hoop, geeuen anderen wensch, dan hem te kunnen bevrijden. Haar geheele leven was aan dit streven gewijd geweest. Zij dacht er niet aan, hoe vele duizenden zij tot dit doel besteed had; zoodat zij om het te bereiken, niet alleen haar geheel bijzonder vermogen opgeoll'erd, maar ook schulden gemaakt had, welke zij nauwelijks in staat was, uit hare inkomsten af te betalen. â Het geld had voor haar, vergeleken bij dat groote doel haars levens, volstrekt geene waarde; â zij dacht er slechts aan, dat haar hart gebroken was door ijdele, nuttelooze pogingen, dat zij in hare verwachtingen bedrogen was, dat haar leven geene waarde meer voor haar had.
Voor haar was de wereld niets dan een groot, akelig graf; zij haatte een ieder, die de dwaze stoutmoedigheid bezat, aan den rand van dat graf te dansen en gelukkig te zijn. Zij wreekte zich op de menschen, die haar ontvloden; hen met bittere schimpredenen en kwaadaardigen spot vervolgende, om hen daardoor altijd meer van haar te verwijderen. Zij wilde alléén zijn, geheel alléén. Verlaten en eenzaam was het om haar heen, en zou het om haar blijven! Voor haar bestond geene vreugde, geene uitspanning meer; als eene gevangene leefde zij in hare vertrekken. En wanneer zij gedwongen was, bij een of ander feest aan het Hof hare eenzaamheid te verlaten en in gezelschap te verschijnen, wreekte zij zich door scherpe aanmerkingen en bittere scherts, welke in zekeren zin een verzachtenden balsem op hare wonde legde, en waarin zij hare smart koelde.
Zij was dus ook heden, zooals altijd, alleen. Hare hofdame, die haar heden eene van de bijtende, spottende tooneel-spelen van Molière, welke de prinses gaarne hoorde, had voorgelezen, had voor een paar uren tot etenstijd verlof gekregen, en was uitgereden om eenige bezoeken af te leggen, en zich in het onderhoud met hare vriendinnen, van haren lastigen dienst bij de prinses te ontspannen.
Ook den kamerheer had de prinses laten weten, dat zij vóór het diner niets meer noodig had; ook hij had dus het kasteel verlaten; alleen de beide pages wachtten in de voorkamer, welke door twee vertrekken van het kabinet der prinses gescheiden was.
Amalia had dus het volle genot van ongestoorde eenzaam-
147
heid; zij kon luide klagen en zuchten, schelden en krijten ; zij kon haar toorn even als hare smart in woorden lucht geven, zonder dat zij behoefde te vreezen, door iemand anders beluisterd te worden, dan door deze doode, zwijgende wanden, welke reeds zoo lang de vertrouwelingen Van haar leed geweest waren.
Op eens werd deze stilte om haar heen door een zacht likken aan de deur gestoord, en op haar antwoord trad een der pages binnen. Met angstig gelaat om verschooning vragend, dat hij hel gewaagd had de prinses te storen, berichtte hij, dat daar buiten een vreemdeling was, die dringend verzocht bij haar aangemeld te worden.
âEn wat wil hij van mij hebben?quot; vroeg de prinses op ruwen toon: âIk heb geene posten te vergeven, geene waardigheden te schenken, geen geld uit te deelen! Zeg hem, dat hij maar heen moet gaan.''
âHij zeide, dat hij een vreemde juwelier was,'' hernam de page: âdat het voor hem van het hoogste belang was, wanneer Uwe Koninklijke Hoogheid hem de eer wilde bewijzen, zijne kostbaarheden en zeldzaamheden te bezien, want hij hoopte, dat zij Uwe Koninklijke Hoogheid zouden bevallen, en u dan de genade zoudt hebben, eenige aan-koopen te doen.quot;
âHij is een gek, zeg hem dat!quot; riep Amalia met heeschen lach: âIk wil niets van zijne kostbaarheden en schatten weten. Hij moet maar heengaan, en het niet meer wagen mij lastig te vallen. Nu, gaat gij nog niet, waarom aarzelt gij ?quot;
âKoninklijke Hoogheid, de man bad en smeekte zoo dringend. Hij zegt, Uwe Koninklijke Hoogheid kent hem reeds van Maagdenbui-g uit, en mijnheer de gouverneur van Maagdenburg, de landgraaf van Hessen, ha l hem uitdrukkelijk opgedragen, naar Uwe Koninklijke Hoogheid te gaan, en u zijne kostbaarheden te laten zien.quot;
Prinses Amalia was op deze woorden als door een too-verslag uit hare gevoelloosheid opgewekt geworden ; met eene vlugge beweging was zij van den divan opgestaan; haar geheele aanzijn had weder leven en vuur gekregen. Zij deed driftig eenige stappen naar de deur, toen bleef zij zich bedenkend, staan.
âLaat den vreemdeling binnen komen,quot; zeide zij : âik wil zijne schatten zien!quot;
148
Toen de page de kamer verlaten had, zag zij met ingehouden adem, en luid kloppend hart naar de deur. Het scheen haar eene eeuwigheid, eer die geopend werd en de vreemde binnentrad.
Hij was een groot, slank man, in eenvoudige, doch smaakvolle burgerkleeding, die nu haar vertek binnentrad, maar in de deur staan blijvende, de prinses eerbiedig groette.
Amalia sloeg een scherpen, doordringenden blik op hem, en zuchtte toen diep. Zij kende dien man niet; hare hoop was teleurgesteld.
,,Gij hebt gezegd, dat de landgraaf van Hessen u tot mij gezonden heeft?quot; zeide zij.
âDat heb ik gezegd, en zoo is het ook,quot; zeide de man: âhij heeft mij zelfs bevolen, om, zoodra ik te Berlijn mocht komen, mij dadelijk en het eerst met mijne schatten naar Uwe Koninklijke Hoogheid te begeven, en ze utetoonen, opdat gij boven allen het eerst in de gelegenheid zoudt zijn, om er van te koopen.quot;
Prinses Amalia sloeg weder een scherpen en vorschen-den blik op hem, maar de vreemdeling bleef geheel onverschillig.
âToon mij uwe voorwerpen, heer juwelier!quot; beval Amalia.
Hij boog zich en opende de deur, om spoedig daarop met eene groote casette terug te komen, welke hij op de tafel midden in het vertrek plaatste.
Toen sloot hij haar open en lichtte het deksel op. Er lagen in vakjes heerlijke sieraden van zeldzame schoonheid en kunstige bewerking: ringen, spelden, arm- en halsbanden.
âJuweelen,quot; zeide Amalia verachtelijk; âniets anders dan juweelen!quot;
⢠âMaar juweelen, van zeldzamen gloed en prachtig gezet,quot; merkte de vreemde juwelier aan: âUwe Koninklijke Hoogheid moest eens de goedheid nemen, ze van meer nabij te bezien.quot;
âIk houd er niet van; ik draag geen juweelen,'' zeide Amalia; âals gij slechts zulke dingen hebt, maak dan het dekbel maar dicht; ik koop ze niet.quot;
âIk heb nog eenige andere en zeldzame schatten; heerlijk ciseleerwerk van Cellini, ivoren snijwerk uit de middel-
149
eeuwen, eenige zeer schoone antieke cameën, welke Uwe Koninklijke Hoogheid stellig bevallen zullen.quot;
Hij lichtte de eerste lade uit zijne cassette, en haalde toen eene menigte kostbaarheden voor den dag, welke hij op de tafel uitspreidde, en de prinses tevens de waarde van elk stuk verklaarde, terwijl hij haar op deszelfs schoonheid oplettend maakte. â Prinses Amalia luisterde verstrooid naar zijne woorden; al deze kostbare en zeldzame dingen wekten zeer weinig hare belangstelling. Haar blik vestigde zich steeds weder op hetzelfde voorwerp: op een rond in papier gewikkeld pakket, dat de juwelier onder andere kostbaarheden uit de cassette genomen had. Dit moest al een bijzonder en kostbaar stuk zijn; want dit alleen was zorgvuldig in zijdepapier gerold, terwijl allo overige voorwerpen vrij dooreen op elkander lagen, en toch scheen de juwelier juist dit stuk niet te willen loonen. Maar Amalia scheen gemerkt te hebben, dat hij verscheidene malen dit geheimzinnig pakket, dat hem in den weg scheen te liggen, had opgenomen en verplaatst maar altijd dichter bij de prinses, tot het nu.vlak bij haar lag.
âWat hebt gij daar in dat papier?quot; vroeg zij nu.
âO, dat is niets voor Uwe Koninklijke Hoogheid,quot; zeide de juwelier glimlachend: âeen voorwerp van luttel waarde. Wil Uwe Koninklijke Hoogheid dit cachet eens hozien? Het verbeeldt St. Michael, den draak doodende, het is een der meestei stukken van Benvenuto Cellini.quot;
Hij reikte haar het cachet over, maar Amalia lette er niet op. Hare hand strekte zich naar het geheimzinnige pakket uit, dat voor haar lag, en met een scherpen blik op den juwelier, nam zij het op en opende het.
âEen beker, een tinnen beker!quot; riep zij verwonderd.
âZooals ik Uwe Koninklijke Hoogheid de eer had te zeggen ; een voorwerp van luttel waarde, tenzij men de schoonheid van het snijwerk voor waarde wilde laten gelden. Het werk is stellig bewonderenswaardig ; te meer, wanneer men bedenkt; dat het slechts met een eenvoudigen spijker is uitgevoerd, en niet eens bij helder daglicht maar in de duisternis van een onderaardschen kerker.quot;
Amalia schrikte zóó hevig, dat de beker bijna aan hare hand ontviel. De juwelier lette er niet op en vervolgde bedaard: âUwe Koninklijke Hoogheid gelieve eensop te merken
150
hoe fijn en juist desniettemin de omtrekken geteekend, en de lijnen getrokken zijn. Het is even kunstig bewerkt als de besle gravure, en het is inderdaad jammer, dat men van dezen tinnen beker geene afdrukken kon maken; men zoude er allerlietste beeldjes van krijgen; want de teeke-ningen zijn niet alleen schoon uitgevoerd, maar ook zinrijk en fijn bedacht, en met lieve versjes versierd, welke men op elk albumblaadje kon overschrijven. Als Uwe Koninklijke Hoogheid in zulke dingen belang stolt, behoeft zij slechts de goedheid te hebben, het stuk nader bij liet licht te beschouwen; het is inderdaad een meesterstuk.quot;
Prinses Amalia antwoordde niet; zij trad haastig naar het venster, en den juwelier den rug toekeerende, beschouwde zij den tinnen beker.
Hij was inderdaad met bewonderenswaardige volharding en zeldzame kunstvaardigheid bewerkt. De geheele oppervlakte was door keurige, kleine arabesken in tien velden verdeeld, waarvan ieder een klein beeld van allerliefste teeke-ning, on de fijnste en zuiverste bewerking bevatte. Geen graveerstift kon de lijnen fijneren zuiverder trekken,ofkun-stiger en met meer effect, door het aanbrengen van licht en schaduw, doen uitkomen. â Onder elk van deze beeldjes waren eenige verzen geplaatst, wier schrift zóó fijn was, dat het slechts met de grootste inspanning kon gelezen worden.â Maar Amalia's oogen schenen heden de kracht en de sterkte van vroegere dagen herkregen te hebben; hare geheele ziel lag in haren blik, dien zij met smartelijke, doch zoete vreugde op den beker sloeg. Zij kon alles zien, alles begrijpen ! Daar, op dit veld, is een vogel in eene kooi voorgesteld, waaronder deze regelen:
Ce n'est pas un moineau Gardé dans cette cage,
Cest un de ces oiseaux,
Qui chantent dans 1'orage!
Ouvrez, amis des sages!
Brisez fers et verroux!
Ses chants dans vos bocages Rejailleront peur vous!
Vlak daarnaast is weder een vogel, in eene kooi zittende afgebeeld, terwijl op een tak van den boom, waaronder de
151
koui staat, een andere vogel met lladderende vleugels en geopenden snavel zit; daarondei' staat;
Le rossignol chante; voici la raison Pourqnoi il est pris : pour chanter en prisonl Voyons le moineau, qui fait tant lt;le dommage,
Jouir de la vie, sans traindre la cage.
Voilil un portrait,
Qui montre 1'effet
Uu bonheur des fripons, du désastre des sages. ')
Amalia moest ophouden; zij was niet in staat verder te lezen; liare oogen, welke zoo zelden weenden, waren nu door tianen beneveld; deze vielen op den beker,als wilden zij de letters kussen, welke Amalia met zoovele schoone en treurige herinneringen begroetten.
Maar zij wilde niet weenen; zij wilde verder lezen. Zij wischte met eene beweging van wrevel de tranen uit hare oogen, en draaide den beker verder om. Daar slaat een ander beeld. In een kerker ligt een menschelijke gestalte,alseen geraamte vermagerd en uitgeteerd, aan handen en voeten met zware ketenen beladen. De gestalte heeft zich halt'opgericht van het strooleger, waarop zij ligt, en ziet met treurige gebaren naar het tralievenster in den muur, waarachter het grimmige gelaat van een gebaarden soldaat gezien wordt, die met toornigen blik en wijdgeopenden mond den gevangene iets schijnt toe te roepen. Daaronder staan weder verzen, doch nu in het Puitsch, welke aldus beginnen ;
Weckt mich nur. Ihr meine Wachter,
Wenn die quot;Viertelstunde schliigt:
Treibt init mir ein Spottgelacliter,
Lauscht nur, ob mein Fuss sich regt 1 Um den grausen, starren Willen Eurer Obern zu erlüllen.
1) Zie: Memoiren Friedrich's von Trenck. Th. TI, S. 136, waar Trenck eenige dezer bekers nauwkeurig afschildert, en ook hunne lotgevallen vertelt. Een derzelve, dien hij voor den landgraaf van Hessen oewerkt had, kwam door dezen in handen van Joseph 11, die hem in zijn kunstkabinet bewaarde; een andere, dien de gemalin van Krederik den Groote in bezit had gehad, vond Trenck later in Parijs terug. In eenige kunstkabinetten van UuitschlanJ, vooral te Berlijn, worden deze bekers van Trenck nog vertoond.
45'i
Weckt mich alle Viertelstunden Ruft nur meinen Namen laut,
Kifzt luir stets die alten Wanden, Wenn euch vor der ïhut nicht graut. Doch so oft Ihr mich stört,
Glaubt, dass Gott Eu'r Briillen hort!
Allen die in Fesseln liegen,
Wird der Schlaf ja noch erlaubt.
Niemand stört dem sein Vergnügen,
Der sich traumend glücklich glaubt.
Mir allein wird en verhindert,
Dass der SchU'f mein Leiden lindert!
Jeder Rul', der hier erschallet,
Spricht: Mensch. denk' dem Schicksal nachl Und wenn mir das Herzblut wallet,
Regt den Schmerz die grosse Schmach.
Kaum erquickt der Schlaf die Glieder,
Weckt midi schon die Schildwacht wieder.
â0, vreeselijk, vreeselijk!quot; kreunde Amalia, geheel door smart overstelpt, haar hoofd op hare borst latende zinken. Wat ging het haar aan, ot die vreemde juwelier daar stond, hare tranen kon zien, en den wanhoopskreet uit hare horst kon hooren; zij vreesde niets, zij had niets meer te verliezen, de geheele wereld mocht haar leed kennen ! â Maar neen, neen! Men zou zijne martelingen nog kunnen vergrooten, men kon zijne folteringen nog verergeren, om door hem, ook haar te straifen!
Zij mocht dus niet weenen, niet klagen ! Nóg leefde ïrenck, hoewel in ketenen en in den kerker; maar hij leefde toch nog! Zoo lang bij leefde, moest zij de wanhoop in haar hart smoren, mocht zij niet kermen en klagen!
Bij deze gedachte droogden hare tranen, en richtte zij haar hoofd vastberaden op. Zij wilde stil en bedaard zijn; wellicht was deze man, dien de landgraaf haar gezonden had, nog met een bijzonderen last voorzien.
Zij^ wendde haar hoofd half naar hem om. Hij scheen in het geheel niet op haar te letten, maar was druk bezig zijne kostbaarheden weder in te pakken.
âKunt gij mij zeggen, wie dezen beker gemaakt heeft?quot; vroegf zij.
âWel zeker, kan ik dat. Uwe Koninklijke Hoogheid,quot; zeide de juwelier op onverschilligen toon: âeen gevangene,
153
die sedert negen jaren in den onderaardschen kerker van de vesting Maagdenburg versmacht, heeft hem gemaakt. Hij heet Frederik von Trenck. Uwe Koninklijke Hoogheid heeft wellicht dien naam nooit gehoord; maar in Maagdenburg kent ieder kind hem, en spreekt hem met bewondering uit. Niemand in de stad heeft hem gezien; maar iedereen weet te vertellen van zijne heldendaden, zijne stoutmoedigheid, zijn onwrikbaren moed, zijne herculische kracht, zijne aan het ongeloofelijke grenzende pogingen ter ontvluchting. Hij is de held geworden, zoowel der kinderkamers, als der salons, en hoewel geene dei-dames te Maagdenburg hem kent, dwepen zij alle methem. De officieren echter in de vesting, die hem kennen, beminnen hem, en velen van hen, zegt men, zijn bereid voor hem hun leven te wagen.quot;
Prinses Amalia haalde diep adem; er vloog eene schemering van vreugde over haar gelaat, en met ingehouden adem luisterde zij naar de woorden van den juwelier, welke haar als muziek in de ooren klonken.
De juwelier vervolgde: âVoor eenigen tijd begon ïrenck, om de verveling uit zijn kerker te verdrijven, met een spijker, dien hij in zijne gevangenis, bij zijne laatste poging tot uitbreken, in do door hem ondermijnde vloer had gevonden, op zijn drinkbeker kleine figuren en versjes te teekenen. Bij eene visitatie vond de commandant den beker. De teekeningen bevielen hem. Hij nam den beker mede en zond Trenck een anderen, opdat hij met zijne kunst zoude kunnen voortgaan. Trenck deed het met vreugde, en sedert heeft hij niet opgehouden bekers te graveeren. Elke majoor, iedere wachthebbende officier wil zulk een beker tot aandenken hebben ; elke dame in Maagdenburg verlangt er naar, als naar een kostbaar kleinood. Deze bekers zijn de nieuwste mode; ja zelfs zijn zij een gewichtig handelsartikel geworden, want men betaalt twintig louis d'or en meer, wanneer men den een of ander officier kan overhalen, zijn beker te verkoopen.
Wel is waar krijgt de arme Trenck niets van dit geld ; maar zij hebben hem toch een ander voordeel aangebracht. Zij hebben den gevangene de gelegenheid gegeven aan de wereld zijne ellende te vertoonen; zij hebben hem de taal teruggeven; zij geven hem de middelen aan de hand om
154
te schrijven, die hem anders verboden zijn. Zij hebben ook nog een grooter voordeel gehad,quot; vervolgde de vreemdeling fluisterend: âzij hebben hem lucht en licht verschaft! Want, opdat hij bij dag zou kunnen zien, laten de officieren de beide deuren op den eersten gang open, waar een groot raam is, waarvan de bovenste kleine ruit eiken morgen geopend wordt, en omdat de dagen in de kasematten slechts kort zijn, iaat de commandant oogluikend toe dat de officieren den gevangene licht brengen, zoodat hij ten minste nu niet meer in het donker zit, en zijn eenzame, treurige kerker in het atelier van een kunslenaar is veranderd.quot;
Amalia antwoordde niets, maar zij bracht den beker, dien zij nog altijd in de hand hield, aan hare lippen en kuste hem. â De juwelier merkte dit volstrekt niet, en vervolgde zeer bedaard; âEen officier van het garnizoen heeft mij dit alles zelf verteld, toen hij mij dezen beker verkocht. De heeren maken er ook volstrekt geen geheim van, dat zij Trenck zeer genegen zijn; en hoewel zij weten, dat zij van hooger hand zware straf zouden heloopen, als men het daar mocht vernemen, dat zij Trenck zulke verlichting ver-schaffen, â beroemen zij zich er op, als op eene goede daad!quot;
âEn God moge het hun loonen!quot; fluisterde Amalia in zich zelve; waarop zij luide liet volgen: âIk koop u dezen beker af, mijnheer! Ik wil niet achterstaan bij de Maagdenburger dames, en daar het nu eenmaal mode is, zulk een beker te bezitten, wil ik er óók een hebben. Zeg mij dus den prijs, mijnheer!quot;
De juwelier zweeg een oogenhlik. â âVergeef mij. Koninklijke Hoogheid,quot; zeide hij toen: âik mwj u dezen beker niet verkoopen; of liever, ik verzoek u daarop niet aan te dringen. Deze beker moet als het mogelijk is, tot de bevrijding van Trenck gebruikt worden.quot;
âEn hoe wilt gij dat aanleggen?quot; vroeg Amalia opgewonden.
âIk wil met don beker naar den generaal Riedt, den nieuwen Oostenrijkschen gezant alhier, gaan. Daarelkeen in den ongelukkigen Trenck belang stelt, zie ik niet in, waarom hij het óók niet doen zou, en waarom ik geene moeite doen zou, om hem, zoo mogelijk, zijne vrijheid te verschaffen. Ik zal dus naar den generaal Riedt gaan en
155
hem den beker toonen. Generaal Riedt, zegt men, is een edel man; en buitendien een verre bloedverwant van mijnheer von Trenck. Als hij den beker ziet, zal hij stellig in het lot van zijn ongelukkigen neef belang stellen; wanneer hii zijne treurige, wreede gevangenschap verneemt, zal hij den levendigsten wensch koesteren, hem te bevrijden. De generaal is bovendien de man om zijne wenschen door le zetten. Hij kent aan het Weener Hof alle middelen en wegen, alle achterdeuren en sluipwegen, welke hem tot het doel kunnen leiden, en Keizerin Maria ïheresia telt hem onder hare vertrouwde vrienden. Wie Trenck bevrijden wil, moet zich met den generaal Riedt verslaan, en hem zoeken te winnen. Zóó alleen is het mogelijk op de Keizerin te werken en haar over te halen, haar invloed voor Trenck te doen gelden.quot;
Prinses Amalia richtte haar hoofd op, en zag den vreemdeling aan, wiens oog nu met een doordringenden, sprekenden blik op haar rustte. Hunne oogen ontmoetten elkander, en bleven eene poos scherp op elkander gevestigd. Toen vloog, een onmerkbare glimlach over zijn gelaat, en de prinses knikte even met haar hoofd. Reide gevoelden dat zij elkander begrepen hadden.
âAnders hebt gij mij niets te zeggen ?quot; vroeg Amalia na eene poos. â âNeen, Koninklijke Hoogheid; alleen moet ik nog om vergiffenis vragen, dat ik den beker niet ver-koopen kan, omdat ik, zooals reeds gezegd is, er mede naar den generaal von Riedt wil gaan.quot;
âLaat mij dezen beker hier behouden,quot; zeide Amalia na zich een korte poos bedacht te hebben: âik zal hem den generaal von Riedt toonen, en hem voor het lot van zijn ongelukkigen bloedverwant belang trachten in te boezemen. Gelukt mij dat, dan is de beker mijn, en gij hebt niet noodig hem aan den generaal le verkoopen; stem dus toe hem mij heden te laten behouden. Kom dan morgen vroeg op hetzelfde uur terug, dan zal ik u het geld voor den beker betalen, ot hem u teruggeven, als het niet andeis kan.quot;
De juwelier boog zich eerbiedig. âIk zal de bevelen van Uwe Koninklijke Hoogheid stipt vervullen,quot; zeide hijen morgen op hetzelfde uur ben ik weder hier.quot;
Hij nam zijne cassette en verliet het vertrek,
150
âDit is een even vertrouwd als bescheiden man!quot; prevelde de prinses: âIk geloof,dat men hem vertiouwen kan. Maar nu moet ik dadelijk aan den generaal von Riedt schrijven. Hij moet omniddelijk bij mij komen!quot;
VI.
DE PRINSES EN DE DIPLOMAAT.
Ken uur nadat Amalia haren brief aan den generaal von Riedt, den Oosten rij kschen gezant aan het Hof te Berlijn, verzonden had, werd deze bij haar aangediend. Amalia ging hem haastig tegemoet, en beschouwde den generaal, die zich glimlachend en eerbiedig voor haar boog, met scherpen, doordringenden blik.
âIk heb u laten verzoeken bij mij te komen, generaal, omdat ik eene onbeleefdheid wilde goed maken,quot; zeide de prinses; âgij hebt u tweemaal bij mij laten aanmelden, en ik heb u telkens afgewezen.quot;
.,Dat was volstrekt geene onhoffelijkheid. Koninklijke Hoogheid,quot; hernam de diplomaat glimlachend : âik waagde het u een bezoek te brengen, omdat hel volgens de étiquette is, dat de nieuw geaccrediteerde gezanten zich bij de leden van het Koninklijke Huis presenteeren. Uwe Koninklijke Hoogheid wees mij af, omdat ik ongelegen kwam, en gij waart volkomen in uw recht.quot;'
âEn nu verwondert het u stellig, dat ik nog zoo laat om uw bezoek vraag.quot;
,,Ik neem nooit de vrijheid mij te verwonderen. Uw bevel om hier te komen heeft mij gelukkig gemaakt, dat is alles.''
âEn gij vermoedt volstrekt niet waarom ik u verzocht heb, bij mij te komen?
âUwe Koninklijke Hoogheid waart immers reeds zoo goed het mij te zeggen. Omdat gij mij wildet schadeloos stellen voor mijne tweemaal teleurgestelde verwachting.quot;
157
âO, gij zijt een behendig diplomaat; gij draait handig in den kring rond, en zijt zoo glad als een aal!quot; riep de prinses: âMen kan u nergens vasthouden of krijgen; gij glipt iemand altijd uit de hand. Ik ben gewoon reclit op mijn doel af te gaan, en kan niet voor diplomate spelen. Ziehier de reden, waarom ik u roepen liet. Ik wilde u dezen beker toonen.''
Zij nam haastig den beker van de tafel, en reikte hem den gezant over. Deze beschouwde hem lang en oplettend. Hij draaide hem in zijn hand rond, beschouwde elk beeld en las elk vers.
Amalia sloeg hem met een onderzoekenden, vorschen-den blik gade: maar zijne trekken verrieden niets. Zelfs niet de kleinste verandering had bij hem plaats; hij bleef even glimlachend, even vrij als te voren. Nadat hij alles bezien had, plaatste hij hem met een diepe buiging op tafel.
âNu, wat zegt gij van dit werk?quot; vroeg Amalia levendig.
âHet is uitstekend, en de hand eens kunstenaars waardig. Koninklijke Hoogheid.quot;
âEn weet gij wie de kunstenaar is, die het vervaardigd heeft?quot;
âIk vermoed het Koninklijke Hoogheid.quot;
âNoem zijn naam . . .quot;
âIk geloof, hij heet Frederik von Trenck!quot;
âZoo is het; en als ik mij niet vergis, is hij uw bloedverwant?quot;
âEen verre bloedverwant; ja, Koninklijke Hoogheid.quot;
âEn gij kunt het dulden, uw bloedverwant zoo in boeien en ketenen te zien smachten? Uw hart lijdt niet bij de gedachte aan zijne martelingen en ellende ?quot;
âIk verbeeld mij, dat hij rechtvaardig zijne straf ondergaat, anders zou men hem er niet toe veroordeeld hebben !quot;
âAl had hij de grootste misdaad begaan, mijnheer, blijft het tóch eeuwig zonde hem zóódanig te folteren, als men hém doet! De slaap des menschen is heilig, zelfs al ware deze mensch een misdadiger, ja, een moordenaar! Laat men den misdadiger dooden ; maar men mag zijn slaap niet moorden! En zie nu dit beeld eens aan, generaal; dezen op een weinig stroo slapenden gevangene, dien de ruwe
158
stem van gindschen soldaat uit zijn slaap, wellicht uit zijne droomen van geluk en vrijheid doet ontwaken. Lees de verzen, welke er onderstaan. Is het niet, alsof eik woord in tranen gebaad is? Ligt er niet een kreet van wanhoop in, zóó vree-selijk, zóó ongehoord, dat hij in de borst van eiken mensch weerklank vinden moet? En (/«J, zijn bloedverwant, wilt hem niet hooren? Gij doet niets, om dezen ongelukkige uit zijn kerker te bevrijden? Gij, de gezant van Oostenrijk, (jij duldt het, dat men een officier van uwe Keizerin tegen alle volkenrecht, zonder vonnis en verhoor, in een vreemd land gevangen houdt?quot;
âMijne Keizerin heeft mij toen zij mij hierheen zond, bepaalde instructies gegeven; zij heeft den omvang van mijn werkkring nauwkeurig afgebakend en voorgeschreven. Zij heeft mij niet opgedragen voor de bevrijding van den ongelukkigen gevangene werkzaam te zijn; dit ligt dus geheel buiten mijn werkkring, en ik moet mij er buiten houden!quot;
âGij moet u er buiten houden? En het is te doen om een mensch, om een bloedverwant! Gij hebt dus volstrekt geen medelijden met hem?quot;
âIk beklaag hem diep, Koninklijke Hoogheid, maar ik kan niets voor hem doen!quot;
âGij niet,quot; vroeg Amalia haastig: âmaar wellicht een ander? Wellicht ik?quot;
âIk weet niet, of Uwe Koninklijke Hoogheid zoo veel belang stelt in den gevangene, om voor hem te willen handelen!quot;
âGij weet niet, of ik zooveel belang in den gevangene stel, om voor hem te willen handelen?quot; riep Amalia met heeschen lach: âGij weet het wel, de geheele wereld weet het! Niemand waagt het luide er over te spreken, omdat men den toorn des Konings kent en vreest; maar den een tluistert het den ander in het oor, waarom Trenck in den kerker smacht, en gij zoudt het niet weten? Nu, als gij het niet weet, zal ik het u zeggen! Trenck versmacht in den kerker, omdat ik hem lief heb. Ja, generaal; ik bemin hem! Waarom lacht gij niet, mijnheer ? Is het niet grappig, een oud vervallen, versleten schepsel te zien, dat van liefde spreekt? Eene ge-brokene, sidderende gestalte, welke op de liefde als op een staf leunt, waarop zij naar het graf wankelt ? Beschouw eens
159
mijn misvormd, verwrongen gelaat; luister toch naar de schorre paddestern,die het waagt, van liefde te spreken, en dan moet gij lachen, niet waar, generaal? Gij juoc/lachen, want ik zeg u: ik bemin Trenck! Ik bemin hem met de kracht en het vuur van een jong meisje; het ongeluk en de ouderdom hebben een ijzingwekkend masker over mijn gelaat geworpen; maar ik ben toch jong gebleven; in mijn hart gloeit een onvergankelijk, heilig vuur; mijne gedachten en wenschen zijn vurig en jong, en met al mijne gedachten en wenschen, bemin ik Trenck! Ik zou u kunnen verteilen van alle smarten en folteringen, die ik om deze lietde geleden heb ; maar wat baat het ? Het is immers niet om mij te doen, maar om hèrn; om hem, die door mij lijdt; wiens jeugd, wiens levensgeluk door mij verwoest is! Negen jaren smacht hij in den kerker; negen jaren heb ik geen anderen wensch, geene andere taak mijns levens gehad, dan hem te redden, hem te bevrijden ! Mijn aanzijn, mijne ziel, mijn hart, zijn dus verpletterd tegen de ruwe wanden zijns kerkers! Ik leef alleen nog, omdat ik hem eruit bevrijden moet; omdat ik, zoo ik al niet aan menschelijk medelijden geloof, toch nog op de goddelijke ontferming vertrouw, en mij verbeeld, dat zij ons een weg tot bevrijding moet toonen! Wanneer gij zulk een weg kent, generaal, wijs mij hem; ik zal hem bewandelen, blootvoets, al zou hij met doornen en gloeiende spijkers bezaaid zijn;want het is immers om hèm te bevrijden!''
Zij strekte hare beide handen smeekend naar den generaal uit, die haar onbewegelijk, met gebogen hoofd had aangehoord. Toen zij nu zweeg, richtte hij zijn hoofd op, en zag de prinses aan. Amaüa had het wel van vreugde willen uitschreeuwen, want zij zag, hoe twee groote tranen over de wangen van den generaal rolden.
âO,quot; riep zij ; âgij weent óók! Gij hebt dus óók medelijden!quot;
De generaal greep hare hand, en dit doende, boog hij eerbiedig zijne knieën voor haar. â âJa,quot; zeide hij; âik ween; maar niet om u, en niet uit medelijden, maar van ontroering over uwe groote zelfopofferende ziel. Ik heb geen medelijden met u; want uw ongeluk is zóó groot en edel, dat het boven medelijden verheven is. Ik buig met eerbied voor u mijne knieën; want eerbied verdient uw smartelijk
lüü
lijden, en gij verschijnt ei' schooner door, dan al die glimlachende vrouwen, die in lichtzinnige vroolijkheid het leven verbeuzelen. Het is niet de diplomaat, maar de mensch, die zich voor u buigt, en u met den diepsten eerbied zijne hulde brengt!quot;
Amalia wenkte hem op te staan, met een'glimlach, welke zóó zacht en vriendelijk was, als men in jaren niet van haar gezien had. â âSta op generaal,'' zeide zij goedig: âlaat ons als goede vrienden bijeen zijn, en bewijs mij uwe deelneming, door mij te raden en te helpen hem te bevrijden.quot;
De generaal zweeg langen tijd, en zag nadenkend voor zich heen. â âMen moet op de Keizerin werken,quot; zeide hij toen: âzij moet hare voorspraak voor Trenck bij den Koning gebruiken. Hij zal Maria Theresia haar eerste verzoek niet weigeren.quot;
âWilt gij het op u nemen op de Keizerin te werken?quot; vroeg Amalia haastig: âWilt gij haar over uw ongelukkigen neef spreken?quot;
âWare dit mogelijk geweest, ik had het reeds lang gedaan,quot; zeide de generaal schouderophalend: âmaar ik durfde het niet wagen. Trenck is mijn bloedverwant, en mijn verzoek zou daarom niet als uit onpartijdig medelijden voortspruitende, â maar als een baatzuchtige wensch, kunnen aangemerkt worden. Mijne verhevene Keizerin bezit zulk een streng gevoel van recht, dat het bij haar een onwrikbaar beginsel is geworden, nooit de verzoeken in te willigen, die haar door dezen of genen ten believe van bloedof aanverwanten gedaan worden; en vooral dan het minst, wanneer de verzoeker tot hare naaste omgeving, of zelfs tot hare vertrouwelingen behoort. De Keizerin zou mij dus bepaald afgewezen hebben, wanneer ik bij haar voor Trenck gesproken had. Buitendien zou ik mij daardoor eene machtige en invloedrijke partij aan het Hof tot vijand gemaakt hebben; â eene partij, die niet wenscht, dat Trenck ooit bevrijd worde; omdat hij dan komen kon, om rekenschap te vragen omtrent zijn vermogen, en de schatten en goederen hem door zijn oom, den overste der Pandoeren, nagelaten; en omdat zulk een eisch voor vele, zelfs zeer hooggeplaatste personen, zeer lastig kon worden. Deze personen zouden het oor der Keizerin bestor-
161
men met klachten legen den ongelukkige, voor wien zij zicli, dil weten zij, niet zullen kunnen rechtvaardigen. Men moet dus den schijn aannemen, alsof men, even als zij, den armen Trenck hadde vergeten, die in den kerker versmacht, terwijl zijn vermogen dooi'eene commissie beheerd wordt, die zich voor hare moeite en haar werk met het vermogen van den Pandoeren-overste laat betalen. Het is zeer gevaarlijk in dit wespennest te tasten; men zoude licht door deze verraderlijke wespen kunnen gedood worden. â Wil men derhalve voor Trenck werken, dan moet het op eene niet in het oog loopende, onmerkbare wijze geschieden; door iemand, die zóó onschuldig en onbeduidend is, dat niemand het der moeite waard acht op hem te letten, zoodat de vijanden van ïrenck hem volstrekt geene moeielijkheden in den weg leggen, omdat zij niet vermoeden, dat hij hun benadeelen kan.quot;
âBestaat er dan zulk een persoon?quot; vroeg de prinses. âJa, Uw Koninklijke Hoogheid.quot;
âEn waar is hij? Hoe heet hij? Wal is hij0quot;
âHel is dc kachelstoker en zilverpoetser in de vertrekken der Keizerin. Een arme Savoyaard, zonder aanzien, zonder naam, zonder rang of stand, maar niet zonder invloed.''
âEen kachelstokerVquot; riep de prinses verbaasd en twijfelend.
âEen leelijke, oude, misvormde kerel, dien de overige bedienden hel aardmannetje noemen, omdat hij altijd knorrig en stil is, met niemand eenige gemeenschap houdt, ruw van zeden en stem is, zich om niets dan om zijn dienst bekommert, welke hij met de nauwkeurigheid van eene machine waarneemt. Eiken morgen te zes uur treedt hij in het vertrek van Hare Majesteit, legt vuur aan, haalt de gordijnen op, om een weinig daglicht te laten binnendringen, plaatst de meubels in orde, en trekt zonder gedruisch weder af. En dat alles geschiedt zonder hel minste teeken van onbescheidenheid; altijd op dezelfde wijze, nooit langzamer, nooit vlugger. Het is eene klok, die altijd dezelfde beweging, denzelfden klank heeft. De Keizerin, sedert dertig jaar gewoon, hem zoo alle dagen in hare kamer te zien komen, is zóódanig aan zijn persoon gewoon geraakt, dat zij in hare minzaamheid, zich dikwijls in een gesprek met hem heeft ingelaten. Zijne antwoorden zijn altoos lakoniek, Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VUL 11
162
dikwijls op den toon der volmaaktste onverschilligheid, soms grof en ruw uitgesproken, maar zij hebben altijd eene gezonde beteekenis, dikwijls een dieper inzicht getoond. Wanneer de Keizerin met hem spreekt, blijft hij geene minuut langer dan gewoonlijk; maar gaat heen, zonder te vragen of de Keizerin nog iust heeft met hem te praten. Sedert dertig jaar is hij op denzelfden post, en neemt hem op dezelfde wijze waar. Hoe dikwijls is hij niet op de proef gesteld; dikwijls zonder dat men het wilde, alleen door de omstandigheden. Maar nooit heeft men hem van eene misgreep kunnen overtuigen, of de minste kuiperij kunnen verwijten. Zoo heeft de Keizerin eindelijk een groot, onwrikbaar vertrouwen in hem gekregen. Zij is van zijne trouw, onbaatzuchtigheid en eerlijkheid zóó vast overtuigd, dat hij daardoor zelfs een zekeren invloed op de Keizerin verkregen heeft; en daar zij weet, dat hij nóch door geld, nóch door vleierij, beloften of eereposten te winnen is, vraagt zij hem soms in de hoogste en gewichtigste aangelegenheden om zijn gevoelen, en zijn altijd gezond en onpartijdig oordeel heeft bij haar een zeker gewicht.quot;
âMaar wanneer deze man zoo eerlijk en onbaatzuehtig is, hoe zullen wij hem dan kunnen winnen?quot;
âWij moeten trachten zijn hoofd en zijn hart voor ons te winnen. Hij moet belang stellen in het lot van den ongelukkige gevangene, en den wensch koesteren, om tot zijne bevrijding te kunnen bijdragen. Dan eerst, wanneer men dit bereikt heeft, kan men er over denken zijn belangstelling in de zaak op te wekken, en hem geld aanbieden.quot;
âGeld? Dit wonder van eerlijkheid en trouw is dan tóch aevoelig voor geld?''
âHij' was het nooit, en zal het wellicht nooit weder zijn. Hij zelfheeft volstrekt geene behoefte, en maar hij heeft één enkelen hartstocht: de liefde tot zijne dochter. Het is een jong, schoon meisje, dat hij, omdat hij een innig wantrouwen koestert tegen alles, wat met het Hof in betrekking staat en mannenkleeding draagt, ver van Weenen in een klooster heeft laten opvoeden. Vervolgens heeft hij haar bij eene deftige burgerfamilie besteed; maar zij mag hem nooit bezoeken, nooit op het Slot komen en naar hem vragen, opdat geen der hovelingen haar te^zien krijge. Nu heeft dit meisje een liefdebetrekking mef een jong dokter aange-
Iü3
knoopt. Zij zouden gaarne trouwen, maar hij heeft geene practijk, en haar vader heeft niets gegaard, omdat hij al zijn geld voor de opvoeding en het onderhoud zijner dochter heeft besteed, en haar niet eens een uitzet kan geven.quot;
âEn waarom denkt hij er niet aan om zich tot de Keizerin te wenden, om haar om een uitzet te vragen?quot;
âAls deze gedachte bij hem opkwam, zou hij haar met verachting afwijzen; want zijne eenige eerzucht bestaat in zijn besluit, nooit iets van de Keizerin te willen aannemen. Alleen om het geld zou hij ook nóg niet doen, wat met zijne overtuiging strijdt, al zou ook zijne dochter van verdriet er onder bezwijken. Men moet dus, zooals ik reeds gezegd heb, zijn hart en zijn hoofd winnen, en dan eerst mag men het wagen van geld te spreken.quot;'
âO, zoo deze man een hart heeft,quot; zeide de prinses; âzullen wij hem vertellen, wat ïrenck geleden heeft, en hoe vreeselijk hij nog, lijdt. De ellende en het leed, op het hoofd van den ongelukkige gestapeld, moeien hem roeren, moeten zijn hoofd en hart winnen. Dan, als wij dit bereikt hebben, zullen wij hem goud, schatten,â o, alles, wat ik bezit, aanbieden; wij zullen zijne dochter een uitzet, een rijke huwelijksgift beloven. God heeft gewild, dat ik nu juist rijk ben, en in staat om mijne beloften te houden. Mijn jaargeld als abdis, alsmede mijne inkomsten als prinses zijn mij gisteren uitbetaald geworden. Een klein vermogen ligt daar in mijne secretaire; ik zal er nog meer bijvoegen. Denkt gij, dat vierduizend louisd'or voldoende zijn, om het hart van den Savoyaard te winnen?quot;
âAch, Koninklijke Hoogheid, bij ieder ander zou bette veel zijn; maar om dit eerlijke hart te winnen, heeft men groute lokmiddelen noodig, en daarom zeg ik niet, dat uw aanbod te groot is.quot;
âMaar het is toch voldoende, niet waar?quot;
âVolkomen!quot;
âNu ontbreekt ons nog een vertrouwd, behendig en listig persoon, dien wij aan dezen zilverpoetser zenden kunnen. Een man, die hart en hoofd, en liefde en ingenomenheid voor de zaak heeft, welke wij hem willen opdiagen. O, generaal, waar vinden wij zulk een man?quot;
Mijnheer von Riedt glimlachte. â âIk geloof. Uwe Koninklijke Hoogheid heeft hem reeds gevonden.quot;
104
âDe prinses zag hem verwonderd aan. â âO,quot; riep zij: âde juwelier, de juwelier! De man, die mij den beker bracht, en mij op eene even behendige als bescheidene wijze naar u verwees.quot;
âIk meen gehoord te hebben, dat gij hem morgen vroeg bij u besteld hebt.quot;
âGij weet het dus? Gij kent hem dus?quot;
Mijnheer von lliedt boog zich glimlachend. â ,,lk nam de vrijheid hern naar Uwe Koninklijke Hoogheid te zenden.quot;
âO, nu begrijp ik alles, en ik moet bekennen, dat deze man een even bekwaam onderhandelaar is, als (jy een bedreven diplomaat zijt; de beker, dien bij mij toonde, kwam dus van uT
âIk ontving hem van den gouverneur van Maagdenburg, den landgraaf van fjessen; en daar ik het zelf niet durfde wagen handelend op te treden, nam ik de vrijheid mij lot Uwe Koninklijke Hoogheid te wenden.quot;
âIk dank u, dat gij het gedaan hebt, generaal; en ik moet u gerechtigheid laten wedervaren, dat gij het op zulk eene bescheidene en voorzichtige wijze gedaan hebt. Wellicht gelukt het ons de zaak geheim te houden, zoodat mijn broeder er niets van ontdekt, en ons niet tegenwerken kan. Haast u dus, mijnheer; geef mijnheer den juwelier, of wie hij anders zijn moge, de noodige inlichtingen, en zend hem morgen vroeg bij mij, opdat ik hem het gel i eigenhandig kan ter hand stellen, en met hem over zijne eigene belooning spreken kan. 1)
1
De afgezant van de prinses vond bij den kachelstoker een genegen oor, en deze nam op zich, bij de Keizerin voor Trenck te werken. Hoe liet hem gelukte, en hoe hij in zes verschillende morgengesprekken met de Keizerin eindelijk zijn doel bereikte, kan men lezen in: ïhiébault. Souvenir de vingt ans. Vol. IV, p. 220.
165
VII.
DE KONINKLIJKE HUISSPION.
0[) den morgen van den volgenden dag hield een rijtuig voor den tuin van Sanssouci stil en een heer in schitterende, rijk geborduurde uniform kroop er met moeite uit. Hoestend en knorrend sloop hij in zich zeiven mompelend de laan op, welke naar de terrassen leidde; zijn rug was gebogen, en onder het met gouden kwasten versierde steekjes kwamen slechts karig hier en daar eenige grijze haren te voorschijn. Wie had in deze ineengekrompen, vervallen gestalte, die nu met waggelende knieën kuchend de terrassen opkroop, den eens zoo vroolijken, zorgeloozen en opgeruimden opper-ceremoniemeester baron von Püllnitz kunnen herkennen? Wie had kunnen denken, dat dit oude, 'ingevallen, door tallooze rimpels misvormd gelaat dat van den eens zoo schitterenden Hof-cavalier was? En tóch was dit het geval! Mijnheer von Pöllnitz was oud geworden ; ook zijn nek had zich moeten buigen onder het vreeselijk juk, waarmede de zegevierende ouderdom eiken mensch belast. Maar zijn geest was nog onveranderd gebleven ; hij had nog dezeltde levendigheid, dezelfde boosheid, dezelfde baatzucht behouden. Mijnheer von Pöllnitz had nog denzelfden hartstocht: geld; om veel geld bijeen te schrapen, maar niet om het te bezitten, â neen, om het te verspillen. Zijn geest zweefde nog altijd tusschen lage hebzucht en onzinnige verkwisting, en wanneer hij in de eerste dagen van de maand zijn geld met zwelgen had doorgebracht, was hij daarvoor ook in de laatste weken van elke maand genoodzaakt honger en kommer te lijden, of van hèn te borgen, die nog lichtgeloovig of goedhartig genoeg waren, mijnheer von Pöllnitz te willen leenen. Ook waren er nog eenige andere hulpbronnen, waaruit de geslepen Hot-cavalier zeer handig wist te putten. Hij speelde uitstekend écarté, en daar hij als opper-ceremoniemeester de partijen van het Hof moest regelen, en ook de plaatsen
166
aan de speeltafeltjes bepalen, wist hij het altijd zóódanig te schikken, dat hij zelf h'j rijke en hartstochtelijke spelers kwam te zitten, van wie hij eenige louis d'or leenen of tuinnen kon. Buitendien had mijnheer von Pöllnitz sedert de terugkomst des Konings weder zijne bediening als opmerker en spion des Konings vrijwillig op zich genomen, en wat hij aan het Hof uitvorschte en alloerde, bracht hij den Koning over, om er nu en dan eene kleine, bi jzondere belooning voor te ontvangen.
âEen vreemde inval,quot; prevelde hij, hoestend en proestend de terrassen beklimmend: âeen vreemde inval om hier in deze vervelende eenzaamheid te wonen, terwijl men toch eenige fatsoenlijke en gemakkelijke kasteelen midden in de stad en op den vlakken grond heeft. Men zou waarlijk denken, dat de Koning zulk een verlangen naar den hemel heeft, dat hij reeds op aarde er nader bij wenscht te zijn, dan de overige menschenkinderen, aan wie hij zich onttrekt om te bidden, en zich voor den hemel voor te bereiden.quot;
De baron lachte luid; het kwam hem zoo grappig voor, zich den Koning als een biddenden kluizenaar voor te stellen. Deze inval bracht hem in zulk een vroolijke stemming, dat hij daardoor kracht verkreeg wat spoediger te gaan, en zich ook weldra op het bovenste plat van de terrassen bevond.
Zonder verdere verhindering kwam hij tot in de voorkamer des Konings; maar daar stond Deesen, de kamerlakei des Konings, en belette hem den toegang tot diens vertrek.
âZijne Majesteit werkt met de kabinetsraden,quot; zeide hij: âde Koning is zeer druk bezig, en ik heb het bepaald bevel, niemand aan te dienen.quot;
âMaar ik moet Zijne Majesteit spreken; ik heb hem zaken van het grootste gewicht mede te deelen.quot;
âGij zult toch wel geene gewichtiger zaken te verhandelen hebben, dan die, waarmede zich Zijne Majesteit nu bezig houdt,quot; zeide de onverzettelijke Deesen: âde Koning heeft bevolen niemand aan te melden, en dus laat ik niemand binnen.quot;
âDan zal ik mij met geweld den toegang moeten ver-schalïen!quot; riep Pöllnitz zeer luid, en stapte op de deur
167
toe. Maar Deesen kwam hem voor, en plaatste zijn breede gestalte dreigend en strijdvaardig voor de deur.
Nu volgde er eene hevige woordenwisseling, waarbij mijnheer von Pollnitz zóó luide zijne krijschende stem liet weergalmen, dat hij hopen kon, door den Koning gehoord te worden.
En deze hoop had hem niet bedrogen. De deur ging plotseling open, en de Koning verscheen op den drempel.
âPöllnitz,quot; zeide de Koning: âgij zijt en blijft een onbeschaamde zot. Gij schreeuwt daar als de Gallische haan, die mijn geheeie huis wel den oorlog zou willen verklaren. Ik heb met den Gallischen haan vrede gesloten, onthoud dat, en waag het niet meer hier zoo luid en onbeschaamd te kraaien. Wat moet gij van mij hebben, Pöllnitz? Willen uwe schuldeischers u gevangen zetten, of komt gij mij vertellen, dat gij Jood zijt geworden, om eene voordeelige plaats als Piabbijn te krijgen?''
âNeen, sire; ik ben altijd nog gereformeerd Christen, en mijne schuldeischers denken er niet aan om mij te laten zetten, want zij weten zeer goed, dat hun dat weinig baat. Ik kom wegens eene zeer ernstige en dringende aangelegenheid, en verzoek Uwe Majesteit mij terstond eene geheime audiëntie toe te staan.''
De Koning zag hem met een doordringenden blik aan.â
âHoor eens, Pöllnitz,'' zeide hij: âgij zijt nog altijd de oude windmaker, ondanks uwe zeventig jaren. Bedenk het wel; wanneer hetgeen gij mij te zeggen hebt, inderdaad niet gewichtig en dringend is, zal ik u er zwaar voorstraden, dat gij het gewaagd hebt, mij in mijn werk met de kabinetsraden gestoord te hebben. Ik zal dan uw tractement voor de volgende maand niet uitbetalen.quot;
âSire, de aangelegenheid is gewichtig en dringend. Ik waag er mijn tractement aan.quot;
âKom dan in mijn kabinet. Maar maak het kort,quot; zeide de Koning, de voorzaal doorgaande om naar het kabinet te gaan.
âSpreek nu, Pöllnitz,quot; zeide hij toen zij in het kabinet waren.
âSire, eerst vraag ik om verschooning, dat ik over eene zaak wil spreken, welke reeds zóó oud is, dat haar de tanden in den mond rammelen, en haar gelaat vol rimpels is geworden.quot;
168
âGij wilt dus van u zeiven spreken?quot; viel de Kuning hem in de rede.
âNeen, sire; ik wil over eene zaak spreken, welke vóór den krijg reeds bloeide, en thans in een onderaardschen kerker verwelkt en vergaan is. Maar deze zaak dreigt opnieuw uit te loopen en nieuwe bladeren te schieten, en ik vrees, dat Uwe Majesteit dit niet wenscht.quot;
âSpreek duidelijk en zonder omslag en beelden. Gij wilt eene of andere lasterpraat of oude-vrouwen-sprookjes aanbrengen, dat begrijp ik wel; gij komt als mijn welbekende huis-spion, en hebt ergens iets opgevangen; want uwe oogen schitteren weder van die boosaardige vreugde, zooals zij altijd doen, als gij iets kwaads in den zin hebt. Dus voor den dag er mede!quot;
âVan prinses Amalia en van Trenck.quot;
De Koning keek hem een oogenblik met vlammenden blik aan, keerde zich toen om, en liep zwijgend eenige keeren heen en weder.
âNu, wat is dat dan vigt;or eene geschiedenis ?quot; vroeg hij toen Pöllnilz zijn rug toewendende, om uit het venster te kunnen zien.
âSire, als Uwe Majesteit het niet belet, zal prinses Amalia heden nog een onderhandelaar naar Weenen zenden, belast met de taak, om de Keizerin over te halen, bij Uwe Majesteit de vrijlating van Trenck te verzoeken. Deze afgezant. is ruim van geld en andere middelen voorzien, en de Oos-tenrijksche gezant heeft de prinses den zekersten weg aangewezen, om het verzoek ter oore der Keizerin te brengen, en hare voorspraak te verwerven. Zij willen zich tot den kachelstoker der Keizerin wenden, en deze invloedrijke man moet het, op zich nemen, om Maria Theresia over te halen, bij Uwe Majesteit de vrijlating van Trenck te vragen. Wanneer Uwe Majesteit den onderhandelaar wil ophouden en deze kuiperijen tegenwerken, moet het dadelijk geschieden; want voor een uur geleden heeft hij van den generaal Riedt zijne instructie, â en voor een kwartier van de prinses vierduizend louis d' or ontvangen, waarmede de kachelstoker moet omgekocht worden; terwijl de onderhandelaar, wanneer de onderneming slaagt, voor zich zeiven duizend louis d'or zal ontvangen.''
âVenier!quot; riep de Koning, toen Pöllnitz zweeg.
109
âVerder?quot; herhaalde Pöllnitz verbluft: âMaar mij dunkt, de geschiedenis is belangrijk genoeg.quot;
âEn mij dunkt, dat gij daar een tooversprookje verteld hebt!quot; zeide de Koning, zich omkeerende en den opperkamerheer zijn vertoornd gelaat toonend: âMeent gij mij nu met zulke malle fabelachtige praatjes geld af te persen, dan zijt gij bij den verkeerde gekomen. Geen penning geef ik voor deze dwaze logens. Denkt gij dan, dat Oostenrijk aan Tartarije grenst? Daar is een barbier minister, en nu wilt gij een kachelstoker tot vertrouweling der Keizerin maken. Dat is nog erger dan een baardschrapper, en Scher-zerade zou het niet eens wagen haren slaapdronken Sultan zoo iets op de mouw te spelden, zooals mijnheel'van Pöll-nilz mij doen wilde.quot;
âMaar, sire, het is geen sprookje!''riep Pöllnitz haastig: âHet is de zuivere waarheid. Een der pages van de prinses heeft het afgeluisterd en mij de geschiedenis overgebracht.quot;
âHebt gij den page al beloond en betaald voor het sprookje, dat hij voorgeeft beluisterd te hebben?quot;
âNeen, sire.''
âSpoed u dan naar Pgt;erlijn , beloon den page voor zijne dwaze logens met een paar (iksche oorvijgen; ga dan zelf naar bed, en laat wat camillen zetten, want mij dunkt, uw hoofd is zwak.quot;
âMaar sire, het is inderdaad de zuivere waarheid, hoe vreemd het ook moge klinken.quot;
Hot oog des Konings trof hem met een vertoornden blik. â âHet is een dwaas sprookje!quot; riep hij op luiden, gebiedenden toon: âSpreek er geen woord meer over, en waag het niet, met anderen er over te spreken. Ga been en vergeet uw dommen zet!quot;
Pöllnitz kroop zuchtend met gebogen hoofd naar do deur. Maar vóór hij die opende, wendde hij zich nog eens naaiden Koning.
âSire,quot; zeide hij; âhet zijn de laatste dagen van de maand, en deze ongelukkige October heeft eenendertig dagen. Uwe Majesteit moest ten minste mijn ijver erkennen, al is ook de zaak, zooals de wijsheid des Konings beslist, onwaar.quot;
âIk moest u belooncn voor uw ijver om kwaad te stichten?'' zeide de Koning hoofdschuddend: âMaar stellig; zoo
170
is hel in de wereld. Het slechte wordt beloond, en het goede vertrapt men; gij dient dus óók beloond te worden! Laat u door mijn kamerdienaar tien louis d'or geven, maar onder ééne voorwaarde!quot;
âEn deze is?quot; vroeg Pöllnitz verheugd.
âGij gaat, zoodra gij te Berlijn komt, naar het Slot; laat den page der prinses roepen, en geef hem twee liksche oorvijgen tot straf, dat hij u zulke praatjes voorgelogen heelt. Ga heen, adieu!quot; .
Lang nog, nadat Pöllnitz het kabinet verlaten had, stond de Koning in diepe gedachten verzonken inde vensternis. Hij scheen geheel vergeten te hebbon, dat zijne kabinetsraden op hem wachtten, en de ministers tot eene vergadering geroepen waren. Hij dacht aan het lang en treurig lijden zijner zuster, en een diep, smartelijk medelijden vervulde zijn hart.
âIk mag haar eigenlijk wel den armzaligen troost gunnen, tot zijne bevrijding te hebben bijgedragen,'' II uister de hij; âzij is zóó zwaar en zóó lang voor de noodlottige lielde gestraft geworden, dat ik haar nu wel de treurige genoegdoening mag verschaffen, op het graf dezer lielde eenige verwelkte bloemen te plukken. Laat zij zich dus tot den kachelstoker der Keizerin wenden, opdat hij mijne vrome tante wat opstoke met voorstellenen verzoeken. Ik zal het niet beletten; en wanneer tante Maria Theresia bij mij tot voorspraak van Trenck dient, zal ik er niet aan denken, dat hij een oproerig onderdaan, ja een verrader geweest is, die den dood verdiend heeft, â maar ik zal mij alléén herinneren, dat Amalia om zijnentwil onuitsprekelijk veel geleden heeft, dat haar leven eenzaam en treurig is, gelijk een huiveringwekkende nacht, waarin wel eens een zonnestraal vallen mag!quot;
En toen de Koning uit de vensternis trad en het kabinet verliet om naar zijne kabinetsraden terug te keeren, fluisterde hij ; âEen groot menschenhart is toch een schoon iets. Beter is het, wanneer de smart het doodt, dan wanneer de verachting het ongevoelig maakt, en tot een steen verhardt!quot;
174
vin.
HET ONGELUK NADERT.
Terwijl de Koning eenzaam en rustig op Sanssouci zijne dagen sleet en zich alleen met zijne studiën en de ernstige aangelegenheden des Rijks bezighield, werden te Rheinsberg onophoudelijk feesten en uitspanningen gegeven. Het scheen, alsof prins Hendrik volstrekt geene andere gedachte, geene andere wenschen koesterde, dan zijne gemalin steeds nieuwe verrassingen te schenken, haar steeds nieuwe huldebewijzen te geven. Had hij zoo vele jaren aan den ernst en de bezwaren des levens moeten opofferen, nu wilde hij door een onafgebroken genot de lang ontbeerde genietingen inhalen, en zijn tijd even druk aan genoegen en verstrooiing wijden, als hij dit vroeger aan de vermoeienissen en gevaren van den krijg had gedaan.
Feesten volgden op feesten, en allen,'die in het elegante en voorname Rerlijn, op jeugd, schoonheid, vernuft en beminnelijkheid konden aanspraak maken, waren steeds welkome gasten op het Slot van den prins, dat in een schitterenden tempel der vreugde scheen veranderd te zijn.
Het was nu laat in den herfst, en prins Hendrik had besloten, met een eigenaardig, zinnebeeldig feest de lange reeks der zonnige en geurige bosch- en tuinfeesten te besluiten. Voor men zich naar de salons, â het winterkwartier voor de uitspanningen, â terugtrok, wilde men op eene plechtige wijze afscheid nemen van de Natuur. De nimfen van het woud, van de bronnen, en van de hoornen, de faunen en saters, de goden der. bosschen en velden zouden nog éénmaal in het woud heerschen, vóór zij den scepter in de ruwe handen des winters nederlegden. De gasten van Rheinsberg moesten nog ééns in vrije en zorge-looze vreugde een dag van geluk genieten, vóór zij zich naar de winterzalen begaven, op wier drempel de étiquette hen met haar gedwongen glimlach en stijve pronkgewaden, ridderorden en titels, ontving.
172
De dames ea heeren moesten zich daarom in goden en godinnen, beek- en bosch-nimfen, faunen, saters en boschgeesten veranderen. De jachthoorn van Diana weergalmde door het woud, hetwelk de godin met hare bekoorlijke jageressen doortrok, vergezeld door Endyraion, die Actaeon vervolgde. Daar was Apollo en de schoone Daphne, de Echo en de Narcissus, en aan den rand van het meer, dat te midden, van het woud zijne spiegelgladde oppervlakte vertoonde, dansten de bron-nimfen met de Tritons den vroo-lijken rondedans.
Het was, zooals reeds aangemerkt is, een zinnebeeldig, vreemdsoortig feest, dat de prins had voorbereid. Hij zelf had alle schikkingen gemaakt; hij zelf had de rollen verdeeld en ieder zijne plaats aangewezen, en opdat 'het zonderlinge, vreemde feest ook den stempel der volkomen-ste vrijheid en natuurlijkheid zou dragen, kon ieder naar welgevallen zijne uitspanning, avonturen en vermaken uitkiezen, of zich in de eenzaamheid verschuilen, om te lezen, te peinzen, te droomen of te slapen. Alleen tegen den middag moesten allen zich op den roep van Diana's jachthoorn op de groote vlakte bij het meer verzamelen, waar men onder enkele kleine tenten, op de groene zoden, of aan de groote tafel, welke daar onder eene tent met bloemkransen en behangsels versierd was aangericht, een even degelijk als weeldering maal kon genieten.
Voor het overige was 'de tijd geheel gewijd aan vrije genoegens, welke een ieder zich kon scheppen of opzoeken, en de geestigheid der cavaliers en de moedwil der dames toonde zich vindingrijker dan ooit. Overal zag men stoeiende godinnen, die in het bosch rondslopen, om de vervolging van den een of anderen god te ontkomen, of naar een gewenscht rendez vous te verdwalen. Aan den oever van het'meer lagen sierlijke gondels gereed voor hen, die zich op de wiegende golven wilden ontspan nen of uitrusten; voor de jagers en jageressen waren hier en daar tegen de hoornen doelen geplaatst, en daarbij allerlei schietgereedschap, bogen en pijlkokers met licht gevleugelde pijlen. Bovendien waren er door het geheele bosch enkele hutjes geplaatst, van buiten met boomschors bekleed, en van binnen van even aangename als gemakkelijke voorwerpen voorzien. Elk dezer hutjes droeg een nom-
173
mer, en bij hot bsgin van het feest had elke dame uit eene bus een lot getrokken, dat het nommer aanwees, dat aan de hut behoorde. Het toeval alleen had daarbij beslist, en elke dame had haar woord als godin verpand, niemand het nommer van hare hut te verraden. Daardoor ontstond een vroolijk zoeken en bespieden, een vorschen en uitvragen, dat het feest eene eigendommelijke bekoorlijkheid gaf. Elke nimf en godin kon zich in hare hut aan hare vervolgers onttrekken, en zij behoefde dan slechts den krans van groene eikenbladeren, welken zij in de hut vond, aan den ingang op te hangen, om zich tegen eiken vervolger te vrijwaren; want deze krans moest het teeken zijn voor eiken cavalier, dat de meesteres der hut er zich in bevond, en in hare eenzaamheid niet wenschte gestoord te worden.
Opdat niets de harmonie en de eenheid van dit feest zou storen, hadden de prins en zijne gemalin zich met het overige gezelschap volkomen op gelijken voet geplaatst, en volgens den uitdrukkelijken wensch der prinses wilde zij in dit godenfeest geene in het oogloopende rol aannemen, maar zich slechts in het eenvoudige en bevallige costuum eener bosch-nimf in het vroolijk gewoel mengen, terwijl de prins een zinnebeeldig jachtcostuum had gekozen. Ãok bij de keus eener hut in het bosch had prinses Wilhelmine elk voorrecht afgewezen, en zich even als de andere dames door het lot hare hut laten aanwijzen, wier nommer zij zelfs aan de dringende bede van haar gemaal geweigerd had te openbaren. Zoo sciieen dan deze dag slechts aan het geluk en de vreugde gewijd; elkeen vertoonde een glimlachend, vriendelijk gelaat; overal weergalmde gejuich en luid gelach door het bosch, en daartusschen hoorde men liet geschal der jachthorens, het knallen der schoten, het geblaf der honden, welke de godin Diana in haar gevolg had, ol den klank van zoete liederen, welke Virgilius voor de Arcadische herderinnen gedicht had. âEn tóch, â op hoevele van deze gelaatstrekken kon de glimlach slechts gemaakt zijn; hoevele zuchten mengden zich in die vreugdeklanken; hoevele zorgen en bekommeringen vervulden de harten der goden, die uiterlijk met zooveel vroolijkheid schitterden!
Zelfs op het fiere voorhoofd der godin Diana zetelde niet die verheven rust, waarvan Homerus ons zooveel verhaalt;
174
haar gelaat is onrustig en bezorgd, en in hare groote zwarte oogen brandt een onrustig, gloeiend vuur, zooals men het nooit in de oogen der kuische godin heeft gezien.
Ziet, daar komt zij juist uit het woud, de godin Diana; ademloos en driftig, met angstigen blik omziende, als vreesde zij de nabijheid van den een of anderen vervolger: toen zij zich nu verzekerd heeft, dat niemand achter haar is, snelt zij met haastigen tred naar gindsche hut, welke daar in de struiken staal. De eikenkrans hangt er voor; maar zij let er niet op; zij weet, wat dit beteekent, en buitendien heeft niemand het recht in deze hut te treden, dan zij alléén, want het is hare hut, haar door het lot toegekend, en bijgevolg moest zij dus alleen haar nommer kennen.
Maar toen zij nu in de hut treedt, beweegt zich iets op den achtergrond, en Endymion, de schoone jager, treedt haar met glimlachenden groet tegemoet.
âEindelijk komt gij, Camilla,quot; duisterde hij : âeindelijk gunt gij mij het geluk u alléén, en zonder getuigen te zien. O, mijn hemel, het, is eene eeuwigheid geleden, dat ik u gezien heb. Gij zijt zeer wreed tegen mij, mij elke samenkomst met u te weigeren en mij altijd op grooten afstand naar een uwer blikken te laten smachten.quot;
âAlsof het van mij afhing u nader te laten.komen;quot; zeide zij, met benenden glimlach: âalsof ik niet altijd met Argus-oogen bewaakt werd, als eene gevangene, die men elk oogenblik vreest te zullen zien uitbreken en wegloopen. Hoeveel moeite en list heb ik moeten aanwenden, om hier te komen. Het was een afschuwelijke inval van den prins mij de rol van Diana te geven ; want daardoor heb ik eene geheele bende van spionnen achter mij, en ik verzeker u, mijne sehoone jageressen zijn zóó schrikbarend kuisch, dat reeds het gezicht van een man haar met ontsteltenis vervult, en zij voor hem in het dichtst van het woud vluchten!quot;
âWellicht omdat zij in het dichte woud een minnaar verscholen vinden,quot; zeide Endymion lichtzinnig.
Camilla lachte luide. âGij kunt gelijk hebben,quot; zeide zij: âmaar al vluchten mijne jageressen, dan blijft voor mij toch altijd de verschrikkelijke Argus over, die mij inderdaad met duizend oogen bewaakt, en volstrekt niet van
175
mijne zijde wijkt. [Iet is enkel boosaardigheid van den prins, dat hij mijn onuitstaanbaren, zedeprekenden stiefvader die rol heeft gegeven, en hem geheel en al op mij heeft afgericht.quot;
âEn hoe zijt gij er in geslaagd aan de waakzaamheid van uwen Argus te ontsnappen, en hier te komen?quot;
âIk ben hem ontglipt, op het oogenblik dat hij de prinses aansprak, en mijne schoone jageressen juist eene kleine jacht op den vroolijken Actaeon maakten, dien de heer von Kaphengst inderdaad alleraardigst voorstelt. Ik moest u volstrekt spreken, want ik heb u zooveel te vertellen, en moet voor u mijn gefolterd, ongelukkig hart eens uitstorten. Gij zijt immers mijn,lieve, trouwe neef Kniephausen, en zoo hoop ik, dat gij uwe arme nicht niet verlaten, â maar naar uw beste vermogen met raad en daad zult bijstaan.quot;
Mijnheer von Kniephausen boog zich over de hem aangeboden hand, en drukte er zijne gloeiende lippen, op â âReken op mij als op uw trouwsten slaaf, die zich gelukkig zou achten ten minste voor u te mogen sterven, nu hij niet voor u leven kan.quot;
âHoor dus, beau cowsm,quot; lluisterde Camilla glimlachend: âgij weet, dat mijn deugdzame, gestrenge Vieer gemaal Berlijn heeft verlaten, om de betrekking van gezant te Kopenhagen te aanvaarden. Ik kou hem niet dadelijk vergezellen, omdat ik eiken dag de geboorte van mijn kind verwachtte, en dit schepselt je den verstandigen inval had van niet eerder ter wereld te komen, vóór haar vader gelukkig was vertrokken, nadat hij nog eene groote preek over zijne trouw en lietde, en over mijne plichten als eenzameecht-genoote en jonge moeder had gehouden. Ik moest hem onder anderen bij eede beloven, nooit mijn beau cousin in mijn huis te zullen ontvangen.quot;
âEn gij deedt deze belofte?quot; viel haar Kniephausen verwijtend in de rede.
âIk moest die wel doen, anders zou hij of in het geheel niet vertrokken zijn, óf mij medegesleept hebben. Bovendien heeft hij zijn ouden vertrouweling, den huishofmeester, bij mij achtergelaten, en dezen het strenge bevel gegeven, u nooit bij rnij te laten aanmelden. Om zijne barbaarsche jaloerschheid echter nog de kroon op te zetten, heeft hij mijn stiefvader óók nog in het geheim getrokken, en van
170
hem den liefdedienst gevraagd, mij in zijne plaats op alle feesten en partijen te vergezellen, en u te beletten mij te kunnen naderen.quot;
âMijn hemel,quot; zeide mijnheer von Kniephausen met Hauwen lach; âben ik dan zoo gevaarlijk?quot;
âDie heeren schijnen het ten minsfe er voor te houden, en als ik u niet zoozeer genegen ware, moest ik u inderdaad haten, zooveel heb ik om uwentwil moeten lijden.quot;
Mijnheer von Kniephausen bedekte, in plaats van te antwoorden, hare hand, welke nog altijd in de zijne rustte, met gloeiende kussen.
âWees verstandig, heaa cousin, en luister naar mij,quot; zeide Camilla, hare hand terugtrekkende: âmijn gemaal bevindt zich dus sedert acht weken te Kopenhagen en heeft mij reeds verscheiden malen verzocht, hem, nu ik weder hersteld ben, met het kind te volgen.quot;
âDie barbaar! Die onmensch!quot; prevelde Kniephausen.
âIk heb telkens onder een of ander voorwendsel geweigerd nu reeds te komen. Verbeeld u eens; gisterochtend ontving ik een brief, waarin mijn heer gemaal niet verzoe/i;/, â maar zich verstout, mij, zooals hij zich uitdrukt, âhet strenge bevel'' te geven, twee dagen na de ontvangst van zijn brief, uit Berlijn te vertrekken en tot hem te komen.quot;
âMaar dit is immers eene dwingelandij, welke alle grenzen te buiten gaat!quot; riep Kniephausen met nadruk: âHoe ? gelooft de hoogdravende, wijze Lord dan, dat zijne gemalin hem moet gehoorzamen als een slavin, welke hij voor zijne ponden in Amerika koopen kan! Ach, Camilla; gij zijt het aan uwe eer verplicht hem te bewijzen, dat gij eene vrijgeborene, edele vrouw zijt, die niemand bevelen kan geven, niemand zelfs niet uw gemaal.quot;
âEn hoe zal ik hem dat bewijzen?'' vroeg Camilla.
âDoor hier te blijven,quot; lluisterde mijnheer von Kniephausen, zóó dicht aan haar oor, dat zij zijn gloeienden adem op hare wang voelde: âdierbare, geliefde Camilla, gij kunt, gij moogt er niet aan denken, Berlijn te willen verlaten; want gij weet wel, dat het uur van uw vertrek, het uur van mijn dood zou zijn. Gij weet het, ja gij weet bet immers lang, dat ik u grenzenloos bemin, en gij zijt mij wel eenige vergoeding schuldig voor de wreede smart, welke gij mij door het huwelijk met een ander hebt aangedaan.quot;
177
,,En waarin moet deze vergoeding bestaan?quot; vroeg Camilla met coquetten glimlach.
Mijnheer von Kniephausen waagde het zijn arm zacht om haar midden te slaan. â âDaarin moet zij bestaan, aangebeden Camilla, dat gij hier blijft, en wel om mijnentwille ! Daarin, dat gij uwen gehaten gemaal bepaald verklaart, dat gij onder geene voorwaarde Berlijn verlaat; dat tegenover zijn onbeschaamd hevel, uwe eer vorderde, te bewijzen, dat er voor u geene bevelen bestonden, en dat gij slechts uw eigen zin en wil zult volgen.quot;
âWilt (jij mij dezen brief schrijven?quot; vroeg Camilla.
âWanneer ik dat doe, stemt gij dan toe hier te blijven, en ondanks de bevelen van uw gemaal en de Argus-oogen van uwen stiefvader, uwe deur niet meer voor mij te sluiten ?quot;
âSchrijf mij eerst den brief, het overige zal zich wel vinden,quot; zeide Camilla lichtzinnig.
âIk schrijf hem van avond; mag ik hem dan morgen vroeg zelf brengen, en aan uwe voeten neerleggen ?quot;
âAls ik neen zeg, zult gij dan de goedheid hebben, hem aan mijne kamenier te geven ?quot;
âIk zweer bij mijne eer, dat ik den brief, slechts n zelve zal overgeven.quot;
âNn mijne tirannieke heer neef; dan dwingt gij mij immers, u mijne deur te openen, ondanks mijn gemaal, mijn stiefvader en dien Cerberus van een hofmeester, die mijn drempel bewaakt. De brief, dien gij voor mij wilt schrijven, in een talisman, die u alle gesloten poorten van rnijn huis opent.quot;
âMaar wat helpen mij al deze opene poorten, daar de poorten van uwe hart voor mij nog steeds gesloten blijven, Camilla, ü, gij lacht, Camilla; gij drijft den spot met mijne smarten. Gij zijt dus geheel en al zonder medelijden of ontferming! Gij ziet, wat ik lijd, en gij lacht!quot;
Camilla boog zich tot hem. ,.Jk lach,quot; fluisterde zij: âik lach, beau cousin, omdat gij zoo vreeselijk dom zijt. Maar luister, daar klinkt het halali mijner jageressen. Ik moet naar haar heen, anders omringen zij mijne hut, en zouden in staat zijn er binnen te dringen! Vaar dus wel. Morgen verwacht ik u met den brief! Adieu, beau cousinlquot;
I i
Zij wierp hem een kushandje toe, en verliet haastig de hut.
12
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VIII.
178
Mijnheer von Kniephausen zag haar met een vreeraden glimlach na. â âZij is de mijne,quot; lluisterde hij: âwij zullen daar inderdaad een allerliefsten roman in hel klein beleven, die echter niet met een huwelijk, â maar met eene echtscheiding zal eindigen. Ik denk er niet over, om op deze scheiding een huwelijk te laten volgen! De hemel beware mij, deze schoone, eigenzinnige, en drommels coquette vrouw te moeten trouwen!''
Terwijl dit in een gedeelte van liet woud voorviel, had het feest een steeds vroolijker wending genomen. Men zong en lachte, men schertsteen juichte, en niemand vermoedde, dat over dit zonnige feest, de duisternis minnende en vernederende zonde, hare sombere en verstijvende schaduw had geworpen; dat de vurige misdaad van het verraad reeds met zijn gifadem de zuivere lucht van het woud verpest had!quot;
Niemand vermoedde dit minder, dan prins Hendrik zelf. Hij was gelukkig en tevreden, dat dit feest zoo wel geslaagd, â dat de zonnige herfstdag zijne toebereidselen zoo heerlijk te hulp was gekomen. De zon daar buiten scheen lot in zijn hart, en verwarmde en verblijdde het. Hij had juist met eenige cavaliers van zijn Hof eene kleine wandeling door het bosch gemaakt, en keerde nu naar de groote tent aan den oever van het meer terug. Daar had hij de prinses bel laatst in den kring der nimfen gezien, maar nu was zij er niet meer, en geene der dames wist te zeggen, waarheen zij was gegaan.
âZij zal zich naar hare hut begeven hebben,quot; zeide de prins in zich zelven, weder naai- het dichte woud terug-keerende: âhet is er nu slechts om te doen hare hut to vinden, want zij is er stellig, en wacht, totdat ik haar kom zoeken. Nu dan, gij goede geesten van het toeval, staat mij bij, en wijst mij de hut, waar mijne geliefde zich verscholen heeft. Ik wil en moet haar vinden, om haar te bewijzen, dat mijne liefde groot en sterk genoeg is, om alle hinderpalen te kunnen overwinnen, en elk geheim te doorgronden! Er zijn vierentwintig hutjes gebouwd, en ik weet de plaatsen, waar ze staan. Ik zal ze dus alle bezoeken, en het zou al heel vreemd zijn, wanneer ik mijne geliefde Wilhelmine niet eindelijk ontdekt!quot;
Hij stapte haastig voorwaarts, in de richting waarin de
â 179
hutten geplaatst waren. Een zeldzaam toeval wilde, dat al de hutten ledig waren, daar voor geene enkele de beteeke-nisvolle krans hing, en de prins het daarom kon wagen, in de hutten te gaan, en zich te overtuigen, dat er niemand in was. â Drieëntwintig der hutten had de prins nu reeds gezien, zonder haar te vinden, die hij zoo verlangend zocht.
âIk zal ook nog naar de laatste hut gaan,quot; zeide de prins opgeruimd: âWellicht hebben de goden mij slechts zoo ver laten dwalen, om mij aan het einde van mijn wen: het quot;o-luk te laten vinden.quot;
Daar zag hij in de verte de laatste hut. In het midden van dichte struiken verscholen, lag zij daar zoo eenzaam en rustig, en toen de prins nader kwam, zag hij met een hart, luid kloppende van vreugde, dat de eikenkrans boven de deur der hut was opgehangen.
âDaar is zij: ik heb haar dus gevonden,quot; prevelde do prins met blijden glimlach, en met haastigen tred naar de hut snellende. Op eens echter bleef hij slaan.
âNeen,quot; zeide hij ; âik mag het niet wagen, haar te overvallen. Ik moet de wet, welke ik zelf gemaakt heb, heilig houden; de eikenkrans hangt er voor; niemand mag het dus wagen de deur te openen. Maar ik zal mij als een trouwe hond voor-de deur neerleggen, achter welke mijne geliefde toeft, en wanneer zij eindelijk buiten komt, zal zij óf over mijn lichaam moeten heenstappen, ófinmiine armen zinken.quot;
Zachtjes en zonder eenig gedruisch te maken, sloop de prins er heen. Toen hij haar bereikt had, vlijde hij zich voorzichtig in het gras, den glimlachenden blik naar de deur gekeerd, achter welke zijne geliefde zich verscholen had.
Een diepe stilte heerschte in het rond. Het was een heerlijk, afgelegen plekje; geheel geschikt voor een feeder rendez vous, en vervuld met die aangename stilte, die zoo l uide en welsprekend tot de harten der minnenden spreekt. In de verte vernam men het geschal der jachthoorns, en het vroolijk gezang der jagers zweefde in volle accoorden er heen, terwijl de groote hoornen in het rond nu en dan met grooter gedruisch hunne statige kruinen bewogen, als wilden zij óók met het algemeene vreugdelied instemmen. Hier en daar tusschen de takken liet een late woudvogel
180
zijne welluidende stem verlangend hoorcn, die dan van een anderen boom beantwoord werd. Somwijlen ritselde het ook in het gele loof, hetwelk de herfst reeds aan den voet der boomen had gespreid, en een eekhoorntje sloop met keurig gebogen staart onder de lommerrijke takken, om in vliegende haast in een anderen boom te klauteren, of eene pad kwam langzaam en met kluchtige sprongen uit de gele bladeren te voorschijn, wellicht jacht makende op een of ander kevertje, dat voor hem vluchtte.
De prins gaf zich met innerlijk genot aan de streelende genoegens der eenzaamheid over, en ademde dikwijls diep, als wilde hij met volle teugen de heerlijke, reine bosclilucht opslurpen; zijn heldere blik zwierf rond, nu naar den hemel, waar enkele witte wolkjes voorbij dreven, dan naar de aarde, waar het een of ander schitterend insect zijne aandacht trok.
Eene uitdrukking van kalme tevredenheid en zalig genot lag op zijn gelaat verspreid ; zijn hoog voorhoofd was helder en elfen, en om zijne lippen speelde een zorgelooze, gelukkige glimlach.
Maar, â wat was het, dat hem plotseling, als van een doodelijken schrik deed trillen; wraarora verbleekte hij op eens, en wendde hij zijn vlammend oog met eene onuitsprekelijke uitdrukking van ontsteltenis naar de hut? Waarom richtte hij zich uit zijne rustende houding op, als een jager, die het slachtoffer ziet arnsluipen, dat hij dooden wil? Wat was het, dat zijne lippen zóó vast op elkander deed knijpen, als wilden zij een kreet van wanhoop, of eene vervloeking van toorn terugdringen ? Efi waarom luisterde hij nu met ingehouden adem, den blik strak op de hut geslagen, zijne gebalde vuist er naar uitgestoken, als hief bij haar dreigend tegen den naderenden vijand op?
Op eens springt hij overeind; ziedend van woede stormt hij naar de deur, â maar, reeds op het punt haar met een vuistslag ineen te slaan, treedt hij waggelend terug, doodsbleek en kreunend, als had hij voor den drempel dezer deur op eene slang getrapt. Zoo steeds achteruitstappend, met wijd geopenden, ontstelden blik, met half ontsloten lippen, die onder een kreet schenen verstijft te zijn, waggelde hij al verder van de hut, en toen, â als ware hij niet langer in staat het afgrijselijke te zien, â
181
keerde hij zich om, en vloog in razende vlucht heen, als werd hij door de furiën vervolgd.
Verder, en al verder vloog hij, totdat zijne kracht, totdat de adem in zijne borst uitgeput was. Toen zonk hij hijgend ineen. â âHet was laf te ontvluchten,quot; prevelde hij bij zich zeiven; âmaar ik voelde, dat ik beiden zou vermoord hebben, als zij voor mijne oogen uit de hut gekomen waren. Eene stem fluisterde mij toe; âVlucht, of gij zult een moordenaar worden!quot; Ik heb er gehoor aan gegeven, tegen mijn wil! Het was lafheid, een onvergeefelijke misslag; maar ik zal hem weder goed maken. Ik zal naar de hut terugkeeren.quot;
Hij sprong op, als een tijger, gereed om zich op zijne prooi te werpen. Zijne hand greep onwillekeurig naar zijne zijde, om den dolk of het zwaard te vatten.
âAch, ik heb niet eens wapens bij mij!quot; riep hij toen tandeknarsend: âIk zal hem dus met mijne vuisten moeten dooden!''
Nu keerde hij met hoog opgeheven hoofd, trotsch als oen overwinnaar, â ot als iemand, die den dood overwonnen heeft, en niets meer vreest, â- terug, ai sneller, al haastiger, alsof hij vreesde, dat het monster, dat hij nu als eene slang onder zijne voeten vertrappen wilde, hem in het bosch zou kunnen ontkomen.
Daar lag zij weder voor hem, die noodlottige hut, maatniet meer, zooals vroeger, ging hij haar glimlachend tegemoet; nu vervulde haar aanblik hem met ontsteltenis en toorn.
Thans heeft hij haar bereikt; met een kreet doet hij de deur open, maar â de hut was ledig! De prins had niet gemerkt, dat de eikenkrans niet moer voor de deur hing, en de toegang aan een ieder vergund was.
âZij zijn heen,quot; prevelde hij; âditmaal zijn zij nog aan de straf ontkomen; want ik kan hen niet overtuigen ! Maar ik zal wachten ; ik zal hem in bet oog houden, en wee hen, wanneer ik hen schuldkf vind!''
o
182
IX.
BKOEDEJR. EN ZUSTER
Het was reeds eene maand geleden, sedert prinses.Amalia liaar onderhandelaar tot den kachelstoker der Keizei'in liad gezonden, en nog altijd had zij geen bepaald antwoord ontvangen. Alleen was generaal Riedt bij haar geweest, om haar to verhalen, dat men er in geslaagd was den Savoyaard aangaande Trenck's lot belang in te boezemen, en dat hij op zich genomen had, de Keizerin aan den ongelukkigen gevangene te herinneren. Maar dat hij de voorwaarde erbij gevoegd had, dat niemand bij hem zoude komen, om met hem over deze aangelegenheid te spreken, daar hij wikle, dat zijne bemoeiing in deze zaak als een streng, on-schendbaar geheim zoude bewaard blijven. Eerst wanneer hij het doel bereikt had, â als Trenck inderdaad vrij zou zijn, â moest men weder bij hem komen, om hem de tweede helft van de beloofde som te betalen, óf, wanneer hij niet slaagde, de eerste helft, welke hij reeds gekregen bad, terug te ontvangen. 1)
Dat was het eenige bericht, dat de prinses uit Weenen had ontvangen; haar hart was daardoor vol kommer en leed. Trenck bevond zich nog steeds in zijne onderaardsche gevangenis te Maagdenburg, en Amalia waagde het nauwelijks op zijne bevrijding te hopen.
Het was een stormachtige en sombere Novemberdag. De prinses stond aan het venster, en keek naar de dwarrelende sneeuwvlokken, en luisterde naar het geloei van den Huilenden storm, dat haar als het gegrijns van booze geesten in het oor klonk, en haar hart met bitteren wrok vervulde.
âHeden zullen weder veel schepen in zee te gronde gaan, en hoeveel have en goed der menschen zal niet verloren raken!quot; prevelde zij met heeschen lach; âGod zendt weder
1
Thiébault. Vol. IV, p. 21!gt;.
183
eens zijne lievelingskinderen, de stormen, opdat zij den menschen een liedje van hunne nietigheid en armzaligheid mogen voorzingen, en opdat zij hen een weinig strallen in datgene, waarvoor zij allen gevoel hebben,'namelijk in hun eigendom. Daarom verblijdt mij het razen en bulderen van den storm; het is de stem van den grooten wereldgeest, die in den donder weergalmt, en de lalïe menschen doet sidderen. Zij verdienen niet beter, want zij zijn toch zoo nietig en verachtelijk, .la ik veracht en haat hen allen, allen; en slechts wanneer ik hen zie lijden, gevoel ik mij met hen verzoend! O, daar heeft de storm eene fraai opgeschikte dame aangegrepen. Ei, wat draait zij in het rond, en hoe vliegen hare kleederen in de hoogte, en drijven met hare gelogene en gekunstelde zedigheid ^len spot. Ellendige, glinsterende vlinder; dacht gij soms, lat gij eene godin der schoonheid en bevalligheid waart? NTu leert u de storm, dat gij een armzalig insect zijt; een machteloos stofdeeltje, dat in het wereldruim ronddwarrelt, evenals elk ander ellendig wezen! En de storm grijpt nog slechts uwe kleederen en kostelijken hoed aan! Maar ivacht maar, wacht maar; eens zal hij uw hart aangrijpen, en het ronddwarrelen en verbrijzelen, en niemand :al medelijden met u hebben, en iedereen zal u honen en smaden. Want het ongeluk is eene schande, die men geen sterveling vergeeft! Hij moge een misdadiger, een moordenaar en dief zijn, de wereld zal hem vergilfenis schenken, ;,ls hij maar het geluk heelt zijn eigen hoofd bijtijds te bergen. De wereld vergeeft den misdadiger, maar nooit den ongelukkige! O, het is een dolle, kluchtige wereld; en dwazen zijn zij, die de wereld ernstig opvatten, en niet met haar lachen en spotten zooals ik doe!quot;
Zij lachtte luid, maar het was een koud, schor gelach, vaarvoor Amalia zelve schrikte.
,.Het is koud hier,quot; zeide zij huiverend ik geloof dat ik nooit weder warm zal worden. Ik henallijd koud, en deze afschuwelijke kilheid heeft mijne ziel en mijn hart reeds lang doen verstijven. Ik zou wel eens willen weten, ofik ii het grat weder ontdooien zal!quot;
Zij ging langzaam van het venster terug, en sloop door iet ruime, eenzame vertrek naar den schoorsteen, waarin jroote blokken hout brandden, en die nu eens in heldere
484
vlammen hoog op flikkerden, en dan weder met helderen gloed ineenzakten.
Amalia nam de pook, en vermaakte zich met in het vuur te stooten, en de springende en knappende vonken gade te slaan. Het vuur wierp gloeiende lichtstreepen over 'haar geheele gestalte, en bescheen haar vervallen, bleek gelaat met roodachligen glans. Zij staarde in den gloed, en prevelde enkele afgebroken woorden; soms zweefde een spotachtige lach om hare lippen, en dan weder stegen dieps zuchten uit den geprangden boezem. Vertelde zij het vuu:-wellicht van de wreede vlammen, welke in haar binnenste gloeiden, of was zij eene tooverheks, die de likkende vuurtongen begreep, en haar antwoord gaf op de brandende vragen ?
Het haastig openen der deur wekte haar uit hare droo-men. Haar page verscheen op den drempel, en riep met luide, plechtige stem: âZijne majesteit, de Koning!''
Prinses Amalia boog toestemmend haar hoofd, en stapte langzaam en met een bijna streng gelaat den Koning tegemoet, die juist op den drempel verscheen.
âMag ik binnen komen, zuster, of beveelt gij mij wede' te vertrekken?quot; vroeg de Koning glimlachend.
âDe Koning behoeft nooit verlof te vragen,quot; antwoordde Amalia ernstig: âhij is overal meester, en voor hem worden de deuren aller gevangenissen geopend, dus ook ch mijnelquot;
Frederik wenkte den page heen te gaan en de deur b sluiten; toen stapte hij levendig naar zijne zuster, en haai' zijne hand reikende, geleidde hij haar naar den divan, waai-op hij naast haar plaats nam.
âGij beschouwt mij dus als een soort kerkermeester'?' vroeg hij toen met de uitdrukking van zachtmoedige liefde, haar aangevangen gesprek vervolgende.
âIs een Koning dan wat anders, sire?quot; vroeg Amalii met rauwen lach: âHen, die hem mishagen, laat hij in de gevangenis werpen, en geen zijner onderdanen is verzekerd dat dit zelfde hem óók niet eens gebeuren kan.quot;
âNu, zuster; (jij ten minste hebt dat niet te duchteï en tóch noemdet gij zooeven uwe kamers een gevangenis.quot;
âZij zijn het ook, sire.quot;
-185
âEn ben ik uw kerkmeester?quot;
âNeen broeder; het leven is mijn kerkermeester!quot;
âDaarin hebt gij gelijk, Amalia,quot; zeide de Koning treu-rig; âhet leven is ons aller kerkermeester, van wien alleen de dood ons kan bevrijden. De wereld is inderdaad niets, dan eene groote gevangenis, en alleen dwazen verbeelden zich vrij te zijn. Maar daar zijn wij in een ernstig wijs-geerig gesprek verdwaald, en ik kwam toch bij u, om een weinig uit te rusten van alle bezigheid; om eens vroolijk met u te praten, zooals in vroegere, gelukkige dagen. Laat ons dus praten! Vertel mij iets van uw leven/van uw welzijn, van uwe bezigheden, van uwe vrienden!quot;
âDat is gemakkelijk en spoedig gedaan,quot; zeide Amalia bitter: âvan mijn leven heb ik u reeds gezegd, wat er van te zeggen valt; het is mijn kerkermeester, â en ik verwacht met verlangen, dat mij de dood spoedig ervan bevrijde. Van mijn welzijn valt niets te zeggen, want het gaat mij niet wel, maar zeer slecht. Wat mijne bezigheden betreft, deze zijn al eentonig genoeg. Ik slaap altijd, dag en nacht, en waarom zou ik ook waken? Er is voor mij niets te doen, niets te verrichten; ik ben een overtollig stuk meubel in dit Slot, en gij allen zult blijde zijn, als gij mij eens in de rommelkamer zult kunnen overbrengen. Ik hen eene oude jongejullfrouw, of als gij het goed vindt, als eene oude padde, die niets anders te doen heeft, dan in het gat in den muur te zitten, en geen andere vreugde heeft, dan soms, wanneer zij welgemoed is, haar gif op de voorbijgangers te spuwen. En wat eindelijk mijne vrienden betreft, van hen kan ik volstrekt niets vertelien, â want ik heb geene vrienden Ik haat alle menschen, en zij haten mij; en wanneer iemand den schijn aanneemt van mij te beminnen, ben ik telkens op mijne hoede, want dan weet ik, dat ik met een booswicht of verrader te doen heb, dien een baatzuehtig doel tot mij brengt.quot;
âArme zuster,quot; zeide de Koning: âhoe ongelukkig moet gij zijn, om zóó te kunnen spreken! En kan ik niets doen, om uw ongeluk te verzachten?'
Amalia brak in een luid gelach uit. âVergeef mij,quot; zeide zij toen: âmaar uwe vraag herinnert mij een allerliefst, kluchtig sprookje, dat ik on langs gelezen heb. Daarin wordt gesproken van een menscheneter, die juist op het punt is,
186
een jong meisje te verorberen. Het arme kind smeekte kermend om haar leven, maar dit was natuurlijk tevergeefs. âHet leven kan ik u niet schenken,quot; zeide de menschen-eter: âmaar ik wil u wel eene gunst toestaan. Bedenk u dus spoedig, en wees verzekerd, dat ik haar vervullen zal. Het arme meisje kon van angst en smart niet zoo spoedig iet; uitvinden. Toen zeide de menscheneter: âik kan niet langer wachten. Ik heb grooten honger! Maar om u don tijd te laten, nog langer over de gunst, welke gij van mij vragen wilt, na te denken, zal ik niet, zooals ik anders gewoonlijk doe, eerst het hoofd verteren, maar ik zal met de beenen beginnen.quot; Bij deze woorden hakte bij de beenen af en at ze op, en hij elk lid, dat hij later afsloeg, vroeg hij het kermend schepsel; âBedenk u toch! Is er geene gunst, die ik u kan toestaan?'' Zeg zelf, sire, was dat geen grootmoedige menscheneter?quot;
De Koning lachte luid, en scheen de bittere bedoeling zijner zuster volstrekt niet begrepen te hebben. â âGij hebt gelijk,quot; zeide hij; âdat is een koddig sprookje, waarbij iemand de tranen in de oogen komen, liet zij van lachen of van schreien? Waar hebt gij toch dit sprookje gelezen !quot;
âDe vuurrnannekens, die daar in den schoorsteen op en neer dansen, hebben het mij verteld. O, dat zijn vroolijke maatjes, sire; en dikwijls als het hier zoo eenzaam is, en ik daar op den grooten leunstoel bij het vuur zit, buigen zij zich naar mij toe, en praten met mij van vervlogen tijden, en van dagen, die komen zuilen .quot;
,,lk vrees, dat zij u dan niet veel vroolijks te vertellen zullen hebben,quot; zeide de Koning zuchtend: âternauwernood iets belangwekkends. Wie, zooals wij beiden, de hoogte van het leven bereikt heeft, en reeds berg af gaat, voor dien wordt de streek al vlakker, en hij heeft geene groote verrassingen meer te wachten. Hoe verder hij komt, des te eenzamer en stiller wordt het om hem heen, en hij is ten laatste blijde, als bij in het dal gekomen is, waar een stil graf hem wacht. Maar, zoolang men nog aan het zwerven is, moet men do handen niet in den schoot leggen, maar werken en scheppen! En werken en scheppen moet ook gij, mijne zuster. De gelegenheid daartoe biedt zich nu nog meer aan dan vroeger, want de abdis van Quedlinburg is
-187
gestorven, en gij, die tot nu toe hare coadjutorin waart, 'moet hare plaats innemen.quot;
âEn Uwe Majesteit verbeeldt zich, dat het eene waardige betrekking voor mij is, naar Quedlinburg te gaan, om de herderin te worden van die vreeselijke schaar van oude jongejunVouwen, die naar liet Stift geloopen zijn, omdat zij daarbuiten geen man konden vinden? Neen, sire; veroordeel mij niet om naar Quedlinburg te gaan. Om de edele Stiftdames tot heiligen te vormen, ben ik zelve nog te onheilig, en om ze van hare ondeugden te genezen, daartoe voel ik geene roeping.quot;
âOok zou dat eene moeielijke taak worden,quot; zeide de Koning glimlachend; âen stellig zoudt gij er u niet door bemind maken. Want de menschen beminnen doorgaans niets vuriger dan hunne ondeugden, en zij haten hèm, die hen er van bevrijden wil. Blijf dus maar te Berlijn; maar neem desniettemin de plaats aan, welke eens de schoone Aurora von Köningsmark zoo roemrijk bekleed heeft. Koning Augustus had haar ten minste in dit weduwenverblijf zijner liefde, een rijk weduwen-pensioen gegeven, en zoo zuil'/y óók nog de vruchten dezer liefde genieten, waarvan eens geheel Europa sprak. Het inkomen als abdis bedraagt zeventienduizend thaler, en ik verbeeld mij, dat de vermeerdering van uwe kas u welkom zal zijn, zoodat gij nu in het geheel eene jaarlijksche rente van veertigduizend thaler hebt.quot;
âBehalve vrije woning en vrij brand,quot; zeide Amalia op scherpen toon; âgij ziet dus, sire, ik heb mij over niets te beklagen; mijne plaats in het gesticht is rijk genoeg, en wanneer ik er wellicht eens toe komen mocht om gierig te worden, kon liet inderdaad wel gebeuren, dat ik jaarlijks nog wel eenige thalers bijeen kon schrapen en overleggen.quot;
âIk zou gaarne zien, dat gij dan nog iets meer dan eenige thaler kunt overleggen, en ik verzoek u, mij te vergunnen, van lieden af uw jaarlijksch inkomen als prinses, met zesduizend thaler te verhoogen.quot; 1)
Prinses Amalia zag hem wantrouwend en met een don-
1
König. Schildermig von Berlin. V. V 2, S. 43,
-188
keren blik aan. â âGij zijt heden zeer genadig, broeder,quot; zeide zij : âgij staat reeds toe, vóór ik om iets gevraagd heb. Komt gi j mij ook soms de eene of andere noodlottige tijding brengen, en vreest gij wellicht, dat die mij zóózeer verpletteren zou, dat gij dit voorkomen wilt, door bij voorraad een balsem op de wonde te leggen?''
De Koning zag haar met een blik vol treurig medelijden aan. â âArme Amalia, gij gelooft dus nooit aan mijne wezenlijke genegenheid?quot; zeide hij zachtmoedig: âGij wantrouwt zelfs uwen broeder? Ach, Amalia; hoe heeft de tijd en het leven toch ons beiden veranderd en verstijfd ? Met welke groote droombeelden zijn wij niet in het leven getreden, welke ons zoo goddelijk toeschenen, en die wij nu met wakende oogen beschouwen? Waar zijn onze idealen gebleven, Amalia, en wat is er van de begoocheling onzer jeugd geworden?quot;
De storm heeit ze verbrijzeld!quot; riep Amalia lachend; âde booze geest is er over heen gevaagd, en heeft hel bouwland onzer jeugd in een aschhoop veranderd. Mij is het wèl, dat het zoo is; want ik houd er meer van, tusschen puinhoopen en bouwvallen te wandelen, dan tusschen gebouwen, waarvan ik de spleten en scheuren niet zie, en welke toch eiken dag boven mijn hoofd kunnen instorten. Wanneer men tusschen puinhoopen wandelt, is men ten minste verzekerd, niet verpletterd te worden. Maar dat zeg ik slechts van mij zelve, sire, niet van u; niet van den met roem gekroonden Koning, die de wereld dooi' zijne zegepralen heeft doen verbazen, door de wijsheid waarmede hij zijn land en zijne onderdanen regeert, hare bewondering wekt.quot;
âMijn kind,quot; zeide de Koning neerslachtig: âde roem heeft voor mij geene bekoorlijkheid meer. Nero is óók een beroemd man geworden, hoewel hij steden en tempels verbranden liet, en Seneca dood martelde; en Herostratus is het^óók gelukt, zijn naam onsterfelijk te maken. Of de wereld over mijne wijsheid en regeeringskuust in verbazing is geraakt, is mij ook geheel onverschillig. Ik doe slechts mijn plicht als Koning. Maar ik zal u iets zeggen, mijn kind; in een hoekje van zijn hart blijft ook de Koning nog altoos een mensch, en somtijds spreekt in hem ook hel arme schepsel, en verlangt hij voor zich zeiven een weinig
löü
persoonlijk geluk en voldoening. Men kan als Koning zeer rijk wezen, en tuch ah mensch arm zijn eu gebrek lijden. Maar niets meer van deze sombere gedachten. A mal ia. Wij spraken van uwe geld-aangelegenheden; laat ons tot dat onderwerp terugkeeren. Ik kan niet beletten, dat uw hart gebrek lijdt, maar ik wil ten minste niet, dat gij dit ook uiterlijk zult doen. Uwe inkomsten zijn tot nog toe gering geweest. Zeg mij dus, hoevele schulden ge gemaakt hebt, ik wil ze betalen.quot;
âWel, sire, gij valt waarlijk als de gouden regen in dit vertrekriep Amalia: âdoch er is hier geene Danaë, maar wel de oude vrouw, die zeer genegen is, den gouden regen op te vangen. Intusschen stelt zich Uwe Majesteit mijn geheugen veel te sterk voor, wanneer gij denkt, dat ik de som mijner schulden uit mijn hoofd weet. Ik weet wel de som, welke daar in mijne kas ligt.quot;
âEn hoe hoog is deze?''
âPrecies nul; want Uwe Majesteit weet zonder twijfel wel, dat wij aan het einde van de maand zijn.quot;
âDat weet ik wel, Amalia, en daarom juist wilde ik u verzoeken, heden een klein voorschot van mij aan te nemen. Ik droomde dezen nacht, dat gij voor de eene of andere zaak onlangs vierduizend louis d'or hadt uitgegeven. Die droom scheen mij te gewichtig; hij scheen mij eene waarschuwing om u deze 'som te geven, derhalve heb ik dadelijk een aanwijzing op mijne staatskas afgegeven, om u deze vierduizend thaler- uit te betalen.quot;
Amalia zag hem met verbaasden, ontstelden blik aan. âEn weet gij ook, waarvoor ik deze som besteed heb?quot; vroeg zij sidderend.
âDaarvan heeft de droom mij niets gezegd,quot; zei de Koning opstaande; âhij zeide mij slechts, dat gij deze som gebruikt hadt, anders niet. Indien ik nieuwsgierig ware, zou ik het wellicht uwen page hebben kunnen vragen, die een zeer (ijn gehoor heeft, en voor wien geen sleutelgat te klein is.quot;
âAch, die verraadt mij dus,quot; prevelde Amalia in zich zelve.
De Koning gaf er geen acht op. Hij nam zijn hoed en reikte zijne zuster tot afscheidsgroet zijne hand. Amalia scheen het niet te zien; zij stond als verstijfd midden in
190
hef vertrek, en sloop toen, terwijl de Koning naar de deur ging, hem langzaam en werktuigelijk na.
Plotseling, toen hij bijna de deur bereikt had, bleef de Koning staan, en keerde zich nog eens naar zijne zuster.
â âA prospo, ik had het haast vergeten, u nog eene tijding mede te deelen,quot; zeide hij achteloos; âeenetijding, waarin gij wellicht belang stelt, Amalia. Juist in dit uur, waarin wij samen spreken, wordt een gevangene uit zijn kerker ontslagen, en aan de vrijheid teruggegeven. Keizerin Maria Theresia is zijne voorspraak bij mij geweest, en zoo als men zegt, moet zij daartoe door haren kachelstoker zijn overgehaald geworden.
Prinses Amalia gaf een luiden kreet, en naar den Koning vliegende, greep zij hem met beide handen aan den arm vast.
â âBroeder,quot; zeide zij : âwees barmhartig, scherts niet zoo wreed mot mij. Ik heb mij lot den kachelstoker der Keizerin gewend, en hem de vierduizend louis d'or geboden, als hij vooi' mij bij de Keizerin tot voorspraak wilde dienen. Ik zie, dat gij alles weet, het baat dus niet het te ontkennen. Ja, ik heb het gedaan; en als er iets strafbaars in ligt, veroordeel mij dan ter dood, maar laat mij niet eerst zulke vreeselijke martelingen ondergaan. Beschimp mijn leed niet, maar heb eindelijk eens een weinig medelijden met mij. Zie mij aan, broeder! Zie mijn verdorde leden, mijn misvormd gelaat. Ach, ik ben genoeg gestraft, martel mij niet langer! Gij geeft mij de som terug, welke ik naar Weenen heb gezonden, âdat beteekent, datgij inijnonderhan(lelaarontdekt,enzijne plannen vernietigd hebt. is liet zoo, broeder? Hebt gij den moed, zulk een wreeden spot met mij te drijven, en mij nu, nadat gij mijne laatste poging verijdeld hebt, te zeggen, dat Trenck vrij is?quot;
Zij hield altijd nog den arm des Konings vast, en voor hem op de knieën vallende, staarde zij liem ademloos aan,
âNeen, Amalia,'' zeide de Koning, en zijne stem trilde van ontroering: âneen; dien wreeden moed bezit ik niet. Ik zeide u de waarheid! De klok op uw schoorsteen wijst twaalf uur. Op dit oogenblik verlaat Trenck in een gesloten rijtuig met twee gendarmes naast hem. Maagdenburg. Overmorgen zal hij te Praag aankomen; dan kan hij liet rijtuig verlaten, en gaan waar hij heen wil, slechts niet in mij Staten. Trenck is vrij!quot;
101
âTrenck is vrij !quot; herhaalde Amalia, en mei luiden jubelkreet uit hare geknielde houding, opspringende, sloot zij den Koning vast in hare armen, om aan zijn hals te weenen, â tranen, zooals Amalia sedert vele jaren niet geweend had; tranen van geluk, van vreugde, van de zaligste verrukking. Toen liet zij iiem op eens weder los, rende de kamer op en neer, midden onder het schreien in luid gelach uitbarstende, dat even frisch en heerlijk klonk, als de echo uit de dagen barer jeugd.
âTrenck is vrij!quot; riep zij dan weder: âen ik ben het, die hem bevrijd heb. Neen, ik niet, maar een arme Savo-yaard, die het alleen deed, omdat hij zijne dochter uithuwen wilde. O, gij grooten der aarde; spreekt mij niet meer van uwe macht en heerlijkheid, een arme Savoyaard was machtiger dan gij allen. Maar neen, neen, wat praat ik toch! Gij, mijn broeder, gij hebt hem bevrijd! U dankt Trenck zijne vrijheid, zijn leven; u dank ik, dat deze vreese-üjke ketenen, welke mijne ziel gekluisterd hadden, mij ontvallen zijn; dat ik weder vrij ademhalen kan, en niet behoef te denken, dat elke mijner ademhalingen in een diepen kerker hare eciio vindt! Gij hebt mij bevrijd, broeder, en daarvoor zal ik u nu liefhebben met alle krachten, welke mij nog gebleven zijn. ,1a, ik wil u liefhebben,quot; vervolgde zijn levendiger: âu liefhebben en met onwrikbare trouw aan u gehecht zijn. Bij alles, wat gij doet, zult gij in mij eene trouwe bondgenoote vinden. En ik kan u ook van dienst zijn, broeder! Ik wil uw spion worden, Frede-rik; ik kan niet voor u handelen, maar ik kan voor u luisteren en loeren, en d;it zal ik doen! Ja, uwe familie-spion wil ik worden ; en alles, wat zij zeggen, zal ik u terugvertellen, en elke hunner gedachten zal ik u verraden. En al dadelijk, Frederik, zal ik u iets zeggen: Vertrouw uwe broeders niet! Vertrouw vooral Hendrik niet! Hij haat u, ter wille van onzen broeder, van wien hij zegt: dat hij van verdriet over u gestorven is! Vertrouw hem niet; hij is eerzuchtig en benijdt u de kroon! Hij haat u, en mij haat hij óók. Ik weet het wel, dat hij mij nooit anders dan de âfée malfai-sante noemt 1) Hij zag gelijk krijgen; ik wil voor hem eene
1
ïhiébault. Vol. II, pag. 311.
192
fée malfaisanle , zijn! Ik wil hem stralTen voor zijn haat. Ha! ha! Hij zal buitendien spoedig genoeg gestraft worden! De schoone Wilhelmine zal de taak op zich nemen, om mij op hem te wreken!quot;
Zij barstte in een luid, zenuwachtig gelach uit, en herhaalde toen met zuchtende stem: âDe schoone Wilhelmine zal hem ervoor stralïen, dat hii mii een oude heks noemt!quot;
De Koning voelde zich onaangenaam getroffen en treurig in hare nabijheid; hij huiverde bij haar honend gelach, dat hem akeliger toescheen, dan haar luid geween. Hij knikte zijne zuster een stommen afscheidsgroet toe, en als van een schrikbeeld vluchtende, ijlde hij de kamer uit. Prinses Ama-lia hield hem niet tegen. Zij was op een stoel neêrgezonken en staarde voor zich uit en hare sidderende lippen prevelden zacht; âTrenck is weder vrij! Het leven behoort hem weder toe. Trenck is weder vrij! Ik wil en zal leven, tot dat ik hem heb wedergezien. 1) Dan, als mijne oogen hem nog eens aanschouwd hebben, dan kan ik sterven!quot;
Nadat zij zóó lang in gepeins gezeten had, vloog zij plotseling op. â âIk moet weten, hoe het Trenck gaan
1
Deze wensoli der Prinses werd vervuld. Na den dood van Koning Frederik kreeg Trenck van diens opvolger Frederik Willem II verlof, naar Berlijn terug te keeren. Trenck ging er dadelijk heen, en werd zeer beleefd aan het Hof ontvangen. Zijn eerste bezoek, vóór hij zich aan den Koning presenteerde was bij prinses Amalia. Zij ontving hem in hetzelfde vertrek, waarin zij voor zeven en veertig jaren zulke zalige uren te zamen gesleten hadden Op dezelfde plaats waar zij elkander toen eeuwige liefde en trouw gezworen hadden, stonden zij nu in hoogen, grijzen ouderdom tegenover elkander, in hunne vervallen en gerimpelde trekken tevergeefs het schoone, jeugdige gelaat zoekende, dat zij eens zoo lief gehad hadden. Trenck bleef verscheidene uren bij haar. Hij had haar zooveel te vertellen; hij moest haar zijn geheel wonderlijk en avontuurlijk leven opbiechten. Amalia hoorde hem aan met goedigen glimlach, en uit haar blik sprak vergiffenis voor al zijne afdwalingen en zonden. Bij het afscheid moest hij de prinses beloven, haar zijne oudste dochter voor te stellen, voor welke Amalia als eene moeder beloofde te zullen zorgen. Maar de dood belette de vervulling deze belofte. Het scheen, alsof dit weerzien de laatste krachten van haar slepend leven hadden uitgeput. AVeinige dagen na deze samenkomst met Trenck, stierf prinses Amalia (1786). Trenck overleefde haar eenige jaren. Hij ging naar Frankrijk, en stierf in 1793 onder de guilottine. Toen hij met zijne lotgenooten op de kar zat en naar de rechtsplaats reed, zeide hij tot de gapende menigte: âEh bien, eb bien! De (juoi vous émer-veillez-vousl? Ceci n'eet qu' une coméde a la Uobespierre.quot; â Dit waren zijne laatste woorden. Weinige minuten later viel zijn hoofd onder de valbijl in de noodlottige mand, (Thiébault. Vol. IV, p. 236).
103
zal,quot; zeide zij: âwij moeten zijne horoscoop trekken; ook moeten wij de kaarten raadplegen, hoe zijne toekomst zijn zal, en of hem geluk of ongeluk te wachten staat! Ja, ja, mijne waarzeggers en profeten moeten heden komen ; zij moeten mij zeggen, wat het toekomstig lot van Trenck zal zijn!quot;
X.
ÃE KINDERROOF.
Met was een stikdonkere, stormachtige December-nacht. De storm dreef groote wolken sneeuw, welke hij van de straten en daken opgewoeld had, door de eenzame straten van Berlijn. Een diepe stilte heerschte op straat, waarin de duisternis slechts van tijd tot tijd werd afgebi'oken door het flauwe en zwakke licht eener olielamp, waarin de wind nu en dan eenige flikkering teweegbracht. Bij het schijnsel van een dezer lantarens kon men een man zien, die met zijne ranke gestalte diep in een grooten reismantel gewikkeld, zijn hoed diep in de oogen gedrukt, tegen den muur van een huis leunde, en naar de tegenover gelegen woning staarde. De storm dreef de sneeuwvlokken in zijn gelaat, maar hij lette er niet op; de strenge winterkoude deed zijne leden verstijven, zijne tanden klapperen, maar hij merkte er niets van. Zijngeheele ziel, zijn geheel leven scheen slechts door ééne gedachte vervuld, door één wil beheerscht te worden; wat ging het hem aan of zijn lichaam er onder leed, of het wellicht bestierf!
Toen nu aan de overzijde eene donkere schaduw in de huisdeur verscheen, kwam er leven en beweging in de gestalte van den man, on hij deed eenige stappen vooruit, den man tegemoet, die hem van daarginds tegen kwajxi. âNu, dokter?quot; vroeg hij zacht: Wat hebt gij vernomen?quot; âliet is zoo, mylord, zooals uw bediende meldde. âLady Elliot, uwe echtgenoote, is niet tehuis. Zij is op een bal Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. VIII. 13
194
bij graaf Werther, en wordt eerst tegen middernacht terug verwacht.quot;
âMaar het kind, mijne dochter?quot; vroeg lord Elliot met bevende stem.
âDie is natuurlijk tehuis, mylord. Zij is in de kamer naast uw vroeger slaapvertrek; niemand is bij haar dan hare min.quot;
âHet is goed, ik dank u, dokter! Wees nu nog zoo good, om mijn bediende, dien ik gezegd had mij bij u af te wachten, te zeggen, dat hij met mijn bagage naar den postwagen moet gaan. Vaarwel, dokter!quot;
Hij wilde heengaan, maar de dokter hield hem tegen.
âMylord,quot; fluisterde hij dringend: âoverleg toch eerst vóór gij handelt. Bedenk, dat op deze wijze geheel Berlijn de geschiedenis van uw ongelukkigen echt moet vernemen; dat gij, mylord, u aan de bespotting, aan de boosaardige aanmerkingen van den zoogenaamden âfom/o?iquot; bloot stelt, en bet treurspel van uw huis tot een onderwerp der gesprekken maakt.quot;
âDat moge zijn,quot; zeide de lord fier: âik heb niets te vreezen. Mijne eer is bevlekt, de geheele wereld weet het, en daarom wil ik die bevlekking ook voor deze gansche wereld afwasschen.''
âMaar als gij dit doet, geeft gij uwe echtgenoote aan de schande prijs, mylord.quot;
âICn gij verbeeldt u soms, dat ik zulks niet met recht doe?quot; vroeg Elliot ruw.
âMaar gij moest medelijden met hare jeugd hebben.''
âDokter, wanneer men geleden heeft, zoo als ik, dan heeft men in zijn gebroken hart geene plaats voor het medelijden meer. Daarbinnen in mijn borst is alles dood, alles uitgebrand. Daar ik van smart niet gestorven ben, wil ik mij trachten gezond te maken door eene rechtmatige wraak. Mijn besluit is vast en onwrikbaar. Om het uit te voeren ben ik met postpaarden van Kopenhagen hierheen gekomen. Ik wil mijn kind terug hebben; ik wil het aan den slechten invloed harer moeder ontrukken, en dan zal ik de schuldigen straffen!quot;
âEn nochtans waag ik het, mijne bede te herhalen: Wacht mylord! Overleg het slechts dezen nacht! Gij komt op het oogenblik van eene haastige, vermoeiende reis, welke uw
195
bloed in eene koortsige gejaagdheid heeft gebracht; en zonder uwe overspannen zenuwen ook slechts eene korte verademing te gunnen, wilt gij, nu gij nauwelijks een uur geleden uw rijtuig verlaten hebt, uw treurig werk beginnen.quot;
âIk wil mijn kind hebben, dokter; en gij weet, dat zij, als moeder, het recht heeft mij het bezit ervan te betwisten, omdat het een meisje is, en de wetten in dit land bij scheidingen de dochters aan de moeders laten behouden. Maar ik wil het niet aan hare moeder laten.quot;
âGij moest het door minnelijke schikking zien te krijgen!quot;'
âEn wanneer Camilla het mij niet geven wil, â al ware het ook maar om mij te kwellen en te martelen; â wanneer zij het mij weigert, wat. dan? Och, zwiis?, dokter; ini ziet, ik kan niet anders!quot;
âMaar nog iets, mylord ! Ik vrees, dat men u het kind niet goedwillig zal overleveren. Lady Elliot heeft in den laatsten tijd de door li aangestelde bedienden weggezonden; geen enkele mocht hier blijven. Het ismogelijk, dat niemand van het tegenwoordige personeel kent, en dat men u daarom de gehoorzaamheid zal weigeren.quot;
âDie zal men mij niet weigeren, want ik zal mijne maatregelen nemen.quot;
âMaar, wanneer men u zelfs den toegang weigert?''
âOch, dien behoeft men mij niet te weigeren; want ik heh, als een goed, zorgvuldig huisheer, de noodige sleutels van mijn huis bij mij. Toen ik vertrok heeft Camilla zelve ze schertsend in mijn kolfer gelegd; nu heb ik ze medegebracht, echter niet uit scherts! Gij ziet al uwe bezwaren zijn weerlegd! Wanneer gij mij echter eene vriendschapsdienst wilt bewijzen, wees dan binnen een uur aan de post. Gij zult mij daar met mijn kind vinden!quot;
Hij drukte den dokter nog haastig de hand, en stapte toen vastberaden naar het huis. Zonder gedruisch snelde hij de trap op. Nu stond hij voor de groote gesloten glazen deur, welke naar zijne woning voerde. Een oogen-blik leunde hij ademloos met luid kloppend hart tegen den wand; een oogenblik overviel hem een aarzeling en weifeling, en als eene schaduw zweefde het bekoorlijk beeld van Camilla voor zijn inwendig oog, als wilde zij om erbarming, om medelijden smeeken.
196
âNeen, neen, geen erbarmiug!'' prevelde hij: âVooruit! Vooruit!quot;
Hij haalde den sleutel voor den dag en opende de deur, welke hij zacht achter zich in het slot liet vallen. Binnen in de gang brandde eene lamp; achter de gesloten deuren hoorde men het luide gepraat en gelach der bedienden, daartusschen een schreiend kind en een sussend wiegeliedje. Niemand hoorde of zag de donkere gestalte van den terugkeerenden meester, toen hij nu zachtjes op de teenen de gang door sloop, en dan zonder gedruisch den sleutel in de' laatste deur liet glijden. Niemand zag, hoe bij de deur opende en in bet vertrek trad, dat vroeger zijne zit- en werkkamer was geweest. Hij was nauwkeurig bekend in dit vertrek, en vond zonder moeite in de duisternis den weg naar zijne schrijftafel. Al tastende greep bij naar het vuurgereedschap, met de kaars er naast. Met een enkelen druk had hij vuur, en de kaarsbrandde. Toen liet bij zijn blik in bet vertrek rondgaan. Alles was nog even als vroeger; geen enkel meubel was verschoven, geen enkele stoel verplaatst. Op den vloer lagen nog de enkele strookjes van de papieren, welke hij op den dag van zijn vertrek verscheurd en vernietigd had. Zelfs bet boek, waarin hij dien dag gelezen had, lag nog opengeslagen op de ronde tafel voor den divan, en op deze tafel stonden de beide zilveren kandelaars met de half afgebrande kaarsen. Alles was onaangeroerd, alles onveranderd gebleven, behalve bij; den meester van dit vertrek had bet ongeluk-met zijne vernielende hand getroffen; hij alleen was veranderd en verteerd! Met bitteren lach beschouwde Iiij nu al deze voorwerpen om zich heen, welke vroeger getuigen van zijn geluk geweest waren, en welke hem nu des te gevoeliger aan zijne schande en ellende herinnerden. Toen nam hij het licht op, en stapte naar de tafel, waarop de kandelaars stonden; hij stak de eene kaars na de andere op; al helderder werd het in dit zwijgend, eenzaam vertrek; al fonkelender kwamen de vergulde lijsten der schilderijen langs de wanden, de gouden kwasten aan de zware zijden gordijnen, de zware bronzen armen van den kroon-kandelaar te voorschijn; al schitterender zag men al die rijke, kostbare sieraden, die prachtige meubels, de rijk bezette tafel, met kostbare en zeldzame kleinigheden over-
197
laden; de Japansche vazen, welke aan weerszijden eener fraaie, reusachtige pendule op den schoorsteenmantel stonden. Alles had een vroolijk en feestelijk aanzien, dat den ongelukkigen man, die daar midden in de kamer stond, deed rillen, en den toorn, die in zijn binnenste brandde, nog heviger deed ontvlammen. Hij had zijn oog overal laten rondgaan, maar geen enkelen keer had'hij ze naar den wand, naar gindsche portretten boven den divan, opgeslagen. Het eene vertoonde hem zeiven, met vroolijk gelaat, met een glimlach op de lippen, met heldere, schitterende oogen, zooals hij eenmaal, â zooals hij altijd geweest was, en nu toch niet meer zijn kon. Het andere was dat van Camilla in bruidsgewaad, zoo schoon, zoo lieftallig en beminnelijk als eene toovergodin; met dat onwetend, onschuldig kinderlachje, waaraan hij zoo lang geloofd, â waarom hij haar zoo onuitsprekelijk lief had gehad, omdat het hem als de weerkaatsing van hare reine, onbevlekte ziel had toegeschenen. Hij had zijn rug naar deze beide portretten gewend, en zelfs geen enkelen keer, toen hij nu treurig en in gedachten het vertrek overzag, wendde hij zijn blik er heen.
Op eens richtte hij zich fier en moedig op, en zijn gelaat, dat zooeven nog somber en afgemat scheen, nam nu eene uitdrukking van kracht en stoutheid aan.
âHet is tijd,quot; prevelde hij, en met vaste hand greep hij naar de gouden schel, welke als een stuk van voortreife-lijken arbeid op de tafel tusschen de twee kandelaars stond. Met luiden, schrillen toon verbrak de schel de diepe stilte, en deed het hart van lord Elliot trillen van bange smart, â Alles bleef sül. â Lord Elliot luisterde een poos, toen slapte hij naar de deur, welke op de gang uitkwam en opende die.
âNu zullen zij mij wel moeten booren,quot; zeide hij, naaide tafel terugkeerende, om de schel heftiger en luider te doen klinken.
De deuren aan de gang werden' geopend; verwonderde gezichten vertoonden zich en verdwenen toen weder, als door ontsteltenis bevangen bij die vreemde, onverklaarbare verschijning, die zich aan hen vertoond had
Lord Elliot schelde voor den derden keer. Nu kwam een bediende haastig en met bijna vertoornden blik aanvliegen, en daar de sehel steeds doorluidde, volgde een tweede;
198
loen werd een anJere deur geopend, en eene neüe kamenier huppelde binnen; daarop weder een andere meid, zelfs de keukenmeid moest op dit vreemde, ongehoorde geluid volgen, en kwam met een rood gelaat de gang op; en al deze verschillende gestalten vlogen naar de deur, welke vroeger nooit voor hen geopend was, en welke zij lot hunne groote verwondering thans open vonden; allen staarden zij, op de gang voor de deur blijvende staan, geheel verbluft den vreemden heer aan, die daar te midden van dit zoo feestelijk verlicht vertrek, trotsch en fier voor hen stond, en hen met den ernstigen blik van den meester beschouwde.
Toen zij hem nu sprakeloos en besluiteloos aanstaarden, trad de lord een stap nader.
âKent gij mij ?quot; vroeg hij.
âNeen, wij kennen u niet,quot; zeide na eenig aarzelen de eerst aangekomen kamerdienaar: âen wij wenschten te weten, met welk recht âquot;
âEr is hier geen sprake van wenschen,quot; viel de lord hem in de rede: âmaar van de bevelen, welke gij van mij ontvangen zult! Kent gij het portret daar boven den divan naast dat van uwe meesteres?quot;
âMen heeft ons gezegd, dat dit het portret van onzen meester, lord Elliot, is.quot;
De lord deed eenige stappen achteruit naar het. portret, ook nu nog zag hij er niet heen, maar met den rug er naar gekeerd terugwijkende, plaatste hij zich er onder, zoodat het kaarslicht op zijn gelaat viel.
âKent gij mij nu?quot; vroeg hij toen.
De bedienden zagen hem eene poos onderzoekend aan, schenen toen zacht met elkander te overleggen, en knikten toestemmend met hunne hoofden.
âKent gij mij nu?'1 herhaalde de lord.
âWij denken, dat wij de eer hebben. Zijne Genade lord Elliot voor ons te zien'quot; zeide de kamerdienaar met een eerbiedige buiging, en de lakei, de kamenier, de dienstmeiden en de keukenmeid herhaalden : âJa, het is Zijne Genade, lord Elliot!quot;
Hij wenkte hun met de hand naderbij te komen; zij volgden sidderden het zwijgend bevel, en traden in hot vertrek.
190
âZijn dit alle bedienden, of zijn er nog meer?quot; vroeg de lord.
âNeen, Uwe Genade;'' antwoordde de kamerdienaar: âer is niemand anders, behalve de min, die bij de kleine freule, â en de koetsier, die in den stal bij de paarden is.quot;
âHet is goed! Komt allen binnen, kom nog verder in het vertrek!quot; â Toen zij dit gedaan hadden, stapte de lord naar de deur en liet haar in het slot vallen; vervolgens sloot hij haar, en stak den sleutel bij zich. De bedienden zagen hem met verbaasden en ontstelden blik aan, en durfden nauwelijks ademen. Alhoewel zij den lord nooit gezien hadden, konden zij toch in zijne gebiedende, krachtige trekken lezen, dat hier iets buitengewoons plaats had, en daar hun, zoowel als aan de beide andere bedienden, de geheimen en de betrekkingen hunner meesters bekend waren, vermoedden zij wel, dat het hunne meesteres betrof.
âLaat niemand het wagen van de plaats te komen, of ook maar het minste geluid te geven!quot; beval de lord, een der kandelaars van de tafel nemende, en naar de andere deur stappende! âGij blijft allen hier; ik zal u roepen, als ik u noodig heb!quot;
De bedienden stonden dicht op elkander gedrongen midden in het vertrek, toen lord Elliot reeds in de naaste kamer gekomen was. Hij sloeg nog een vluchtigen blik op hen, haalde toen de deur achter zich dicht, sloot haar, en schoof er den grendel voor.
âZoo,quot; prevelde hij: nu heb ik ze gevangen; nu kan niemand van hen ontloopen; niemand Camilla waarschuwen, of haar gaan halen.quot;
Met den kandelaar in de hand ging hij de kamer door, noch rechts, noch links ziende, wellicht omniet op te merken, dat hij zich in Camilla's kamer bevond; in het vertrek, waarin hij zoo gelukkig geweest was^ en dat hem nu met zoovele smartelijke herinneringen begroette. Nu trad hij in een tweede kamer; snel ijlde hij verder, al sneller als door helsche geesten vervolgd, langs die beide groote, achter zijden gordijnen verscholen bedden; maar de kando â laar trilde in zijne hand, en een zacht gekreun drong uit zijn borst.
200
Nu stond hij voor de deur van het naaste vertrek. Uier hield hij een oogenblik op, om adem te scheppen, om nieuwe krachten te verzamelen. Toen stiet hij met driftige beweging de deur open, en trad in het vertrek. Maar als het ware gekluisterd door het beeld van vrede en rust, dal zich aan hem vertoonde, bleef hij op den drempel staan. Het was een eenvoudig vertrekje, waarin hij zich bevond. Een donker eenvoudig tapijt bedekte den vloer; de ramen waren met groene gordijnen behangen; langs de wanden met licht behangsel bekleed, hingen geene kostbare schilderijen ; geen schitterende kroonkandelaar hing aan het plafond ; geene prachtige meubels stonden langs de wanden, en tóch bevatte dit vertrek een kostelijk sieraad, een rijken schat; want daar in die wieg, welke op eene kleine verhevenheid midden in de kamer stond, lag z«/h zijn eerstgeborene, het pand van zijne lietde en zijn kortstondig geluk!
Hij voelde aan de onuitsprekelijk zalige gewaarwording, die op eens zijn geheel aanzijn vervulde, aan het luide kloppen van zijn hart, aan den glimlach, die ondanks hem zeiven om zijne lippen speelde, aan de tranen, welke zijne oogen benevelden, â dat dit zijn kind was; en toen hij aan de deur staande, zijne armen ernaar uitstrekte, zegende hij het in zijne gedachten, en zwoer het eeuwige trouw en onveranderlijke liefde.
Langzamerhand herstelde hij zich van den diepen schok, welke zijne geheele gestalte had doen trillen; langzamerhand vond hij kracht om vooruit te treden naar dat kleine, sluimerende schepseltje, welks nabijheid hem mei een zoet genot vervulde, ofschoon hij deszelfs gelaat nog nooit gezien had.
De min zat naast de wieg en was vast ingeslapen. Zij zag niet, hoe de lord naast de wieg nederknielde ; hoe hij nu met sidderende hand de kussens terugschoof, om dit kleine, slapende wezen met een blik van zaligheid te aanschouwen ; zij zag niet, hoe hij nu een kus op het kleine voorhoofd drukte; hoe hij vervolgens het handje van het kind nam, en zich bukkende, het op zijn hoofd legde,als wilde hij, dat zijn kind hem zou zegenen, en dour zijne aanraking hem sterken mocht. â Maar op eens werd zij door eene krachtige hand wakker geschud, en eene vreemde.
'201
gebiedende stem beval haar te ontwaken, en hare oogen op te slaan.
Ontsteld vloog zij op, meenende, dat een benauwde droom haar bevangen had; maar hij stond altijd nog voor haar, die vreemde man, en met luide, gebiedende stem herhaalde hij: âSta op en maak u gereed, want wij moeten dadelijk vertrekken!quot;
Zij wilde schreeuwen, en om hulp roepen, maar toen zij haar mond opende, legde hij zijne hand zwaar en drukkend op haren arm.
âWanneer gij een geluid, geeft, laat ik u hier achter en neem alleen het kind mede. Ik heb het recht hier te bevelen, want ik ben de vader van dit kind!quot;
âLord Elliot!quot; riep de min verbaasd.
De lord glimlachte. De onwillekeurige erkenning van zijn vaderschap deed hem oneindig goed, en stemde hem zachter en gevoeliger.
âWees niet bevreesd,quot; zeide hij vriendelijk; âik zal u geen kwaad, maar veeleer goed doen. Ik neem u en het kind mede. Wanneer gij het wilt liefhebben en er voor zorgen, zult gij voor geheel uw leven een inkomen krijgen; voorloopig zal ik uw tractement verdubbelen. Daarvoor eisch ik niets, dan zonder verdere tegenspraak of vraag, de noodzakelijkste kleedingstukken van u en het kind in een pakje bijeen te knoopen. Als gij in een kwartier gereed zijt krijgt gij dit goudstuk.quot;
Hij zag naar de klok aan den wand, en haalde eene beurs te voorschijn, waaruit hij een goudstuk nam, welks aanblik eene wonderbare tooverkracht op de min uitoefende, en hare voeten in vleugels scheen te veranderen.
âHebt gij alles, wat gij noodig hebt, in deze kamer?'' vroeg de lord, en toen de min dit bevestigde, nam hij den kandelaar en verliet het vertrek. Vooraf echter sloot hij de deur in de gang, welke tot het vertrek van zijn kind voerde en toen eerst, nadat hij zich verzekerd had, dat de min niet ontvlieden kon, keerde hij naar het vertrek terug, dat hij vroeger zoo overhaast was doorgeloopen.
Toen hij nu in het boudoir van Camilla trad, had zijn gelaat weder de sombere uitdrukking van haat aangenomen, en alle zachtere gevoelens van verzoening, welke de aanblik van zijn kind in hem hadden opgewekt, waren uit
202
zijn hart geweken. â Nu was hij niets meer dan de he-leedigde echtgenoot, de in zijne eer gekrenkte man, die gekomen was om te straffen en wraak te nemen, die naar de bewijzen van schuld zocht, om alsdan deze schuld op de schuldige te wreken.
Hij ^plaatste den kandelaar op de schrijftafel zijner gemalin, en nam de portefeuille, welke daar lag, en waarin zij vroeger den sleutel tot de lade placht te bewaren. Zij was deze gewoonte getrouw gebleven, de sleutel lag er nog. â Lord Elliot schrikte bijna, toen hij hem in de hand had; het was alsof hij zich brandde, als vielen er bloeddroppels af.
âHet is de sleutel tot een graf,''prevelde hij bijna huivering: âwat hij mij nu ontdekt, opent ook de kist van mijn vijand!''
Vastberaden stak hij den sleutel in het slot, opende de lade, en nam de papieren en brieven, welke er in lagen, er uit. Het waren zijne eigene brieven vol teederheid en liefde, welke hij haar uit Kopenhagen had geschreven, en tusschen deze, vond hij andere brieven, â vond hij de gloeiende, onreine betuigingen eener eerlooze liefde en echtbreuk, â om welke te straffen hij gekomen was. Camilla had zóó weinig fijn gevoel gehad, dat zij niet eens de brieven van haren echtgenoot en die van haar minnaar had gescheiden; zij had ze achteloos en gedachteloos in dezelfde lade geschoven, zooals zij wellicht even zorgeloos de gedachten aan de beide mannen, die haar deze brieven geschreven hadden, verwarde.
Lord Elliot lachte luid bij deze ontdekking; een gevoel van onuitsprekelijke minachting maakte zich van zijne ziel meester, en deed de nijpende smart bijeen verstommen.
Hij kon haar niet meer beminnen, die hem niet enkel verraden, â maar zelfs het lijne gevoel voor hare schuldige liefde niet eens meer behouden had.
Een enkelen der brieven van denâteai( cousin'quot; las de lord toon wierp hij dien achteloos ter zijde. Hij had geen smaak om de malle praat van dien Hauwen minnaar nog verder te lezen, die verzekeringen zijner lichtzinnige, niets beleekenende liefde nog verder na te gaan.
Hij zocht slechts naar één papier, hij wilde slechts bet origineel van dien laatsten brief hebben, dien Camilla hèm
203
geschreven bad. Want hij kende haai- lc goed, om niel te 'weten, dat die brief niet uit haar brein was ontsproten; dat zij die woorden vol koelen hoon, vol mannelijke vastberadenheid en opzettelijke boosheid niet geschreven had. Hij wilde dus den schrijver van dien brief kennen, die met elk woord zijn hart als met dolkstooten gekwetst had, en die hem in het begin bijna razend van smart en schrik had gemaakt.
Nu uitte hij een kreet van triomt, die akelig, in het eenzame, stille vertrek weergalmde. Hij had het origineel van [den brief gevonden; daar hield hij het in zijne krampachtig bevende handen, en las met een woesten, toornigen lach de eerste regels. Het was dezelfde band als van de overige brieven, â het was de hand van zijn medeminnaar', den heer von Kniephausen, den beau cousin!
Zorgvuldig vouwde lord Elliot het papier dicht en verborg het op zijne borst; toen wierp hij de brieven weder in de lade, sloot haar, en legde den sleutel weder op zijne plaats.
âZoo is het goed,quot; zeide hij: ânu heb ik alles wat ik noodig hebrDeze brief is zijn doodvonnis.quot;
Hij nam het licht op, en verliet het vertrek weder.
Er was juist een kwartier verloopen, toen hij de deur van het vertrek van zijn kind weder opende. De min trad hem geheel gereed, met het in dekens goed bezorgde kind tegemoet, en ontving daarvoor van den lord het beloofde goudstuk.
âNu moeten wij ons haasten,quot; zeide hij, naar de gang gaande. Zij gingen zwijgend het portaal over, de trap af en begaven zich naar de binnenplaats. Lord Elliot ging deze schielijk over, en de min volgde hem nieuwsgierig en verbaasd, toen hij den naar stal ging, om met luider stern den koetsier te wekken, en hem te bevelen aan te spannen.
De koetsier, die ten twaalf uur zijne meesteres moest afhalen, was in groot livrei en had zich slechts tot een kort slaapje nedergelegd. De paarden waren opgetuigd, en op de binnenplaats stond het rijtuig reeds gereed.
âSpan in!quot; riep de lord op bevelenden toon.
De koetsier hief zijn dofschijnende stal-lantaarn op, en verlichtte daardoor het gelaat van den man, dien hij niet kende, en die het waagde hier te bevelen.
204
âIk ken u niet,quot; zeide hij norsch: âen ik heb van niemand dan van mijne meesteres bevelen te ontvangen.quot;
Lord Elliot stak, in plaats van te antwoorden, de hand in de borst, en haalde een zakpistool te voorschijn.
âWanneer gij binnen vijf minuten niet ingespannen hebt, jaag ik u een kogel door de hersens,quot; zeide hij volkomen bedaard, tewijl hij den haan spande.
âOm 's hemels wil, Johann, gehoorzaam toch!quot; riep de min; âHet is immers Zijne Genade, lord Elliot, die het gelast.quot;
Binnen vijf minuten was inderdaad ingespannen, maar zonder twijfel was het geladen pistool, dat de lord nog steeds in de hand hield, meer oorzaak, dan de overtuiging, dat deze vreemde, toornig en woest uitziende man. Zijne Genade Elliot was.
âNaar het posthuis!quot; beval mylord, nadat hij de min en het kind zorgvuldig in het rijtuig had geholpen, en hot nu zelf besteeg: âNaar het posthuis, en wel zoo spoedig mogelijk!quot;
De koetsier legde de zweep op de paarden en het rijtuig vloog heen.
Binnen weinige oogenblikken was het gebouw der posterijen bereikt. Daar stonden de paarden reeds gereed, en daarnaast de bedienden van den lord met zijne bagage.
Lord Elliot sprong uit het rijtuig, en terwijl hij den koetsier gelastte, de paarden uit te spannen en met deze terug te keeren, gaf hij hem een aanzienlijk drinkgeld.
âMaar, Uwe Genade,quot; stamelde de koetsier: -Mioe moet ik het nu maken om mylady af te halen, wanneer gij het rijtuig mede neemt?quot;
âMylady moet er zich dan maar in schikken,'' zeide de lord met spottenden glimlach: âals zij terugkomt en u verwijtingen doet, zeg haar dan het volgende; Lord Elliot laat u zijn compliment maken, en hij zou binnen acht dagen terugkomen, om u het rijtuig terug te brengen.quot;
âMaar mylady zal mij uit haar dienst jagen, mylord!quot;
âDan moet gij geduldig acht dagen wachten, en in mijn dienst overgaan. Ga nu heen!quot;
De koetsier durfde niet langer tegenspreken, en verwijderde zich met de paarden. De postpaarden werden voorgespannen, en de knecht sprong op den bok.
205
Lord Elliot stond voor de deur van de posterij, en naast hem zijn vriend, dokter Belitz.
âAlles is juist gegaan, zooals ik wenschte,quot; zeide de lord; âik neem mijne dochter mede, en zoo God wil, zal zij nooit gewaar worden, dat het niet de dood is, die haar hare moeder ontrukt heett. Arm kind, zij zal nooit eene moeder hebben; maar ik zal haar beminnen met de gestrengheid eens vaders en de liefde eener moeder, en ik bezit eene edele zuster, die de taak op zich wil nemen, de verzorgster van mijn kind te zijn. Zij verwacht mij te Kiel. Tot zóó ver zal ik mijn kind geleiden; maar dan, als ik het in de veilige armen van mijne zuster heb overgegeven, wanneer ik het op het Engelsche schip gebracht heb, dat haar naar Kopenhagen moet brengen, keer ik hier terug.quot;
âMaar waarom wilt gij terugkomen, mylord ?quot;vroeg de dokter ontsteld: âIs het niet wraak en strat genoeg, dat gij der moeder haar kind ontneemt, dat gij uwe vrouw voor de geheele wereld brandmerkt en vernedert ? Wat moet er nog meer gebeuren, mylord?''
De lord legde zijn hand met een zonderlingen lach op den arm des dokters. â âMan,quot; zeide hij: âvloeit door uwe aderen melk, in plaats van bloed? Of hebt gij vergeten, dat ik door een vergiftigden pijl gel rollen ben, en ik dien uittrekken en verbrijzelen moet, wanneer ik er niet aan sterven zal?''
âLaat uwe wonde bloeden, mylord. Maar waartoe de pijl uitgerukt, die u wondde? Zult gij daardoor weder herstellen? Zal uwe wonde clan minder pijnlijk zijn?quot;
âMaar, ik vraag u nog eens, of gij in uwe aderen melk, in plaats van bloed hebt? Mijne eer is bevlek!, en ik moe£ haar rein wasschen met het bloed mijns vijands.''
âGij wilt dus een tweegevecht, mylord. Gij wilt dus een ellendig toeval, een gedachteloos lot over uwe heiligste, dierbaarste belangen, over uwe eer en uwe leven laten beslissen? En wTanneer dit toeval nu eens tegen u besliste? Wanneer gij, in plaats van te dooden, gedood wierdt?quot;
âDan, mijn vriend, hoeft God beslist, en zal ik Hem danken, dat Hij mij van mijn leven verlost, dat mij voortaan toch altijd tot last zal zijn! Vaarwel, dokter. Over acht dagen zal ik weder bij u zijn, en u verzoeken, mij op een ernstigen weg te vergezellen.quot;
20G
âHet is dus onheiToepelijk, mylord?quot;
âOnherroepelijk, dokier!quot;
âNu dan, mylord. Gij zult mij bereid vinden, en wanneer tóch het einde van dit treurspel bloedig moet worden, geve God, dat niet uw bloed vergoten worde!quot;
De beide mannen drukten elkander hartelijk de hand; toen sprong lord Elliot in het rijtuig; de postiljon sloeg op de paai'den, en de wagen, waarin zich de ongelukkige man met zijn kind bevond, rolde onder het vroolijk geschetter van den posthoorn door de eenzame straten.
XI.
DE ONTDEKKING.
Prins Hendrik stond achter de gordijnen van zijn raam verscholen, en keek naar beneden in den tuin. Daar ontdekte hij zijne gemalin, die van een helderen, schoonen winterdag gebruik maakte, om met hare dames eene wandeling in het park te doen. Hij hoorde tot in zijne kamer haar vroolijk gelach en gesnap, en tóch snelde hij niet naar beneden om aan hare vroolijkheid deel te nemen, en met haar (e schertsen en te lachen.
Sedert dien dag in het woud had bet-karakter van den prins eene verandering ondergaan. Eene sombere, wanhopige droefheid beheerschte hem, en tóch waagde hij het niet haar te toonen; tóch dwong hij zich tot vroolijkheid, welke des te luidruchtiger scheen, omdat zij minder natuurlijk was; tóch scheen hij tegenover zijne gemalin dezelfde tee-dere, toegenegene, voorkomende minnaar te zijn.
Maar het masker, waarachter hij zijn toorn en zijn verdriet verborg, was voor hem een gruwzame marteling, een verschrikkelijke ramp. Wanneer hij haar hoorde lachen, had hij een gevoel, alsof hij het moest uitschreeuwen van smart en toorn; wanneer hij de hand der prinses aanraakte, gevoelde hij zich als door een dolksteek gewond. En tóch
207
bleef hij zich zei ven meester; tóch verkropte hij zijn verdriet en toorn in zijn hart, want â het was immers mogelijk, dat hij zelf in eene dwaling vervallen was; het was toch mogelijk, dat zijne gemalin onschuldig, â dat zijn vriend hem trouw was!
Zijn eigen hart wenschte het zoo; zijne edele, grootmoedige ziel verlangde zoozeer, haar niet te moeten verachten, die hij zoo lang met zooveel vertrouwen bemind had! Hij wilde liever gelooven, dat hij een benauwden droom had gehad, dat een oogenblikkclijke waanzin zijne hersenen beneveld had; hij wilde liever al zijne zintuigen wantrouwen, dan aannemen, dat deze vrouw, die hij bemind had met al de kracht zijner ziel, â dat de vriend, dien hij onvoorwaardelijk vertrouwd had, dat deze beiden iiem verraden konden. Het was zoo verschrikkelijk, aan het edelste en schoonste, het heiligste en reinste te moeten twijfelen; zoo misleid te worden in zijne beste en edelste gevoelens. En tóch wilde de twijfel nog maar niet uit zijn hart wijken, en voelde hij dien als een doodworm, die aan zijne beste levenskrachten knaagde, tóch verbitterde die hem elk uur van den dag, en vervulde zelfs zijne droomen met zijn schampere, honende woorden!
Hij had sedert dat feest in het woud, haar altijd in het oog gehouden, eiken blik, elk woord van haar beloerd. Maar hij had niets kunnen ontdekken! Zij schenen beide geheel onschuldig en vrij. Maar wellicht hielden zij zich slechts zoo; wellicht hadden zij hem op dien dag, toen hij voor de hut in het woud lag opgemerkt; wellicht wisten zij, dat hij hun bespiedde en vervolgde, en wilden zij nu door hun ongedwongen toon zijn argwaan krachteloos maken, zijn wantrouwen in slaap wiegen!
Dit was het, wat hij dacht; dit was het, wal hem altoos op zijne hoede deed zijn! Hij wilde, hij moes/ het weten, of hij verraden en bedrogen werd; hij moest zekerheid hebben!
Daar stond hij in de vensternis verscholen en zag naar beneden in den tuin. Zijn blik was met een gloeiend, verzengend vuur op de prinses gericht, die nu juist weder met hare dames voorbij het venster kwam en naar hem opzag. Maar zij kon hem niet zien; want hij had zich geheel achter de zware zijden gordijnen verscholen, en zijne
208
oogen gluurden siechls door eene opening aan den kanl van het raam. De prinses ging dus voorbij, overtuigd, dat haar gemaal niet in dat vertrek was; want anders zou hij voor den dag gekomen zijn, om haar te groeten.
Dat was het, wat de prins gewenscht had. Nu meende hij, zou zij zich veilig achten, en denken, niet door hem bespied te worden. Nu eindelijk, zou hij wellicht in de gelegenheid gesteld worden, zekerheid te verkrijgen! Want ook graaf Kalkreuth was er; ook hij was naar beneden in den tuin gegaan. Daarginds gaat hij de prinses tegemoet, geheel op de gewone, aangenomen wijs: hij, de graaf, vol eerbied en hoffelijk; zij, de prinses, achteloos minzaam en goedig.
Nu gingen zij naast elkander, pratende, lachende, opgewekt en opgeruimd door het gesprek. â De prins stond ademloos, met een hart luid kloppend van angst, achter de gordijnen. â Zij kwamen meer naar hem toe. Zij sloegen den weg in naar den kleinen vijver, waarvan de gladde, bevroren oppervlakte als een spiegel blonk. De graaf wees naar dien vijver, en scheen de prinses iets te vragen. Zij wenkte toestemmend met het hoofd, keerde zich naar eene Hofdame, tot wie zij eenige woorden sprak; deze boog zich en ijlde heen.
âZij wil schaatsen rijden,quot; prevelde de prins; âzij zendt de gravin weg, onder voorwendsel om hare schaatsen te halen. Zij wil dus met den graaf alleen zijn.quot;
Ademloos en bijna in doodsangst zag hij naar hen heen; zij stonden nog altijd aan den oever van den vijver, en schenen bedaard met elkander te spreken. De uitdrukking hunner gelaatstrekken bleef onveranderd, rustig en vriendelijk; zij spraken stellig over onverschillige zaken.
De prins haalde verlicht adem. Het was hem, alsof een steen van zijn hart gevallen was, als werd hij van eene gruwzame foltering bevrijd. Zij waren stellig onschuldig; hij had slechts gedroomd. Want zij waren nu alleen, en toch was hun doen geheel onveranderd en bedaard!
Maar wat was dat! De prinses liet schijnbaar achteloos haar zakdoek vallen ; de graaf nam hem op en reikte hem haar over. Toen, na eenige minuten, stak zij hare hand met eene vlugge beweging onder den met pels omzoomden mantel, waarin zij gehuld was.
209
De prins liet een luirle kreet hooren. Hij had in hare hand iets wits gezien; hij had gezien, hoe zij het in hare horst verborg.
âEen brief! Een brief!'' riep hij op hartverscheurenden loon, en als een razende, door de wraakgodinnen vervolgd, vloog hij heen.
Prinses Wilhelmine was juist op het punt hare schaatsen door hare hofdanfie te laten aanbinden, toen prins Hendrik met haastigen, gejaagden tred de laan, welke naar den vijver liep, opkwam. Graaf Kalkreuth snelde hem tegemoet om hem met een vroolijk woord van scherts te begroeten; maar de prins vond geene woorden voor hem, ging zwijgend, met een blik van verachting langs hem heen, en stapte recht op de prinses toe, die hem met vriendelijken glimlach aanzag.
âMevrouw,quot; zeide hij: âhet is heden te koud en te guur, om schaatsen te rijden. Ik zal de eer hebben, u naar uwe kamers te geleiden.quot;
Prinses Wilhelmine begon luid te lachen.ââHet is immers een heerlijke, frissche winterdag, mijn gemaal, en als gij koud zijt, dan ligt de schuld niet aan het weêr, maar aan uwe luchtige kleeding, prins. Och, laat uw pels halen, en dan zullen wij om strijd op het ijs loopen, opdat gij warm kunt worden.quot;
De prins gaf geen antwoord, maar 'greep driftig den arm der prinses, en schoof dien in den zijnen. â âKom. mevrouw,quot; zeide hij: âik wenscb u naar uwe kamers te geleiden!quot;
De prinses zag hem verbaasd aan, maar zij las in zijn betrokken gelaat, dat zij het niet langer wagen kon hem legen te spreken.
âVergun mij dan, dat ik ten minste eerst mijne schaatsen laat los maken,quot; zeide zij kortaf, hare hofdame een wenk gevende. Deze knielde voor haar, om de gespen van de schaatsen los te maken. De prins stond naast zijne gemalin, niet ver van hen graaf Kalkreuth.
Niemand hunner brak ook slechts met een enkel woord de drukkende stilte af. Op eens uitte de prins een kreet van toorn. Hij had den blik gezien, dien de prinses met den graaf had gewisseld, een blik van verstandhouding en geheime waarschuwing.
Mühlbaoh. Frederik de Groote en zijn Hof. VIII. 14
210
âMaar wat deert u, prins?quot; vroeg de prinses ontsteld.
âIk ben koud,quot; zeide hij ruw, terwijl het zweet met groote droppels op zijn voorhoofd parelde.
Toen de hofdame haar werk gedaan had, trok de prins zijne gemalin met zich mede, zonder een enkelen groet of blik voor zijn vriend over te hebben. â Deze stond bleek en ontsteld op dezelfde plek, en staarde in gedachten op de schitterende ijsvlakte.
âIk vrees dat hij alles weet!quot; prevelde hij : âO, mijn God, mijn God, waarom opent de aarde zich niet om mij te verslinden. Ik ben een ellendeling, en voor zijn blik moet ik beschaamd mijne oogen neerslaan! Ik heb hem verraden en bedrogen, en tóch heb ik hem lief! Wee mij!quot;
Hij sloeg zijne handen voor zijn gelaat, als wilde hij de zon en het daglicht den blos der schaamte niet laten zien, welke op zijne wangen brandde, en verliet langzaam en met gebogen hootd den tuin.
De prins was intusschen met zijne echtgenoote haastig heen gespoed. Geen woord was tusschen hen gewisseld ge worden, slechts éénmaal, toen de prins voelde, dat haar arm in den zijne trilde, wendde hij zich tot haar.
âWaarom beeft gij ?quot; vraag hij haar ruw.
âHet is koud,quot; fluisterde zij.
Haar gemaal lachte luid. â âEn toch is het zulk een schoone winterdag,quot; zeide hij spottend. Toen gingen zij verder. Zwijgend traden zij in het Slot, en stegen de trappen op naar de vertrekken der prinses.
Nu waren zij in haar kabinet, â in dat vertrouwelijk, stille kamertje, waarin de prins eens zulke gelukkige oogen-blikken met zijne geliefde Wilhelmine had gesleten.
Nu stond hij met kouden, bijna minachtenden blik tegenover haar, naar lucht snakkende, en door de verschrikkelijke gejaagdheid buiten staat om te spreken,
Prinses Wilhelmine was verbleekt, en uit haar oog sprak angstige ontsteltenis. Zij waagde het niet het stilzwijgen af te breken, en scheen slechts bezig met haar toilet in orde te brengen. Zij legde haar hoed af, en liet den flui-weelen mantel op den grond glijden.
âMevrouw,quot; zeide de prins, haastig elk woord uitstoo-tende: âik ben hier gekomen, om u een verzoek te doen.quot;
214
De prinses boog koel en hoofsch. âGij hebt te bevelen, mijn gemaal.quot;
âWelnu!quot; riep hij, niet langer in staat zijnen geveinsde bedaardheid te bewaren; ânu, dan beveel ik u mij het briefje te geven, dat gij daar in uwe borst verborgen hebt!quot;
âWelk briefje, prins?quot; stamelde zij, ontsteld terugtredende.
âHet briefje, dat u graaf Kalkreuth zooeven in den tuin gegeven heeft! Loochen het niet, mevrouw; waag het niet te weigeren, want, bij God, gij ziet wel dat ik in eene stemming ben, waarin ik niets ontzien zou!quot;
Toen hij nu met fonkelenden blik, bevende lippen, en dreigend opgeheven hand tegen haar over stond, gevoelde de prinses, dat hier inderdaad elke tegenstand gevaarlijk en onmogelijk was. Zij begreep, dat zij beiden tot het beslissende oogenblik gekomen waren, waarin alle sluiers moesten vallen, waarin bedrog of veinzerij niet meer mogelijk was.
âHet briefje! Geef mij het briefje!quot; schreeuwde de prins met dreigende stem, terwijl hij vlak voor haar ging staan.
Zij zag hem met gloeienden blik, vol toorn en haat aan. â âHier is het,quot; zeide zij toen, het briefje uit hare borst nemende en het den prins overreikende.
Hij greep het aan, als een tijger, die zich op zijne prooi werpt om haar te verscheuren. Maar toen hij het geopend had, toen hij het voor zich hield, trilde het blad in zijne hand, en zijn verblinde blik was nauwelijks in staat het schrift te lezen.
Een enkelen keer prevelde hij. âO, hij waagt het haar met het gemeenzame du aan te spreken. Hij noemt haar zijne aangebeden Wilhelmine!'
Toen las hij kreunend verder, nu eens een luiden kreet, dan een woesten vloek uitstootende.
De prinses stond doodsbleek, over alle leden bevende, voor hem. Hare tanden klapperden als van koortskoude, en zij moest zich aan de leuning van den stoel vasthouden om niet neer te zinken.
Toen de prins het briefje gelezen had, frommelde hij het ineen en stak het in zijne borst. Vervolgens sloeg hij
212
zijne oogen met een blik van eindelooze smart, van onuitsprekelijk leed op, zoodat de prinses tot in het diepst van haar hart er door geschokt werd.
â0, mijn gemaal,quot; zeide zij: âvermoord mij, vloek mij, maar zie mij niet met dien blik aan!quot;
En toen zij dit zeide, viel zij, als door eene onzichtbare hand nedergedrukt, op hare knieën en stak hare handen smeekend naar hem uit.
Hij lachte luid en deed een stap achterwaarts. â âSta op, mevrouw,quot; zeide hij: âwij zijn hier niet in de comedie en niet op een liefhebberij-tooneel. Het is hier alleen uw gemaal, die tot u spreekt! Sta op en geef mij den sleutel van uwe secretaire. Want gij zult begrijpen, dat ik, nadat ik dit biljet gelezen hebt, ook de andere brieven wensch te lezen. Als uw gemaal heb ik ten minste het recht, om te weten hoe ver het met de vertrouwelijkheid van uwen minnaar gekomen is, en welke aanspraken hij op uwe persoon heeft.quot;
âAch, gij veracht mij!quot; riep de prinses in tranen uitbarstende.
âIk meen, dat ik daartoe wel het recht heb,quot; zeide hij koel: âsta op en geef mij de sleutels.quot;
Zij stond op en waggelde naar de tafel. â âHier zijn de sleutels,quot; zeide zij, ze hem overgevende.
Hij ging naar de secretaire en opende die. â âWaar zijn de brieven, mevrouw?quot;
âIn de bovenste lade, â links.quot;
âO,quot; zeide hij met heeschen lach; âgij hebt die kostelijke letteren niet eens in eene geheime lade bewaard. Gij waart dus zóó zeker van mijn vertrouwen, dat gij niet eens uwe kleinooden voor mij verborgt!quot;
Prinses Wilhelmine antwoordde niet. Toen de prins nu de brieven nam, en ze een voor een las, zonk zij weder op hare knieën. â âMijn God, mijn God!quot; prevelde zij; âheb medelijden met mij! Zend een bliksemstraal om mij te verpletteren! O, mijn God, waarom kan ik mij niet in de aarde verbergen, alleen om zijn blik niet meer te ontmoeten!quot;
Tranen ontrolden hare oogen, en hare armen ten hemel helfende, tluisterde zij zacht gebeden van angst en berouw tot God.
213
De prins las al verder en verder in die noodlottige brieven. Up eens gaf hij een luiden gil, en vloog met een brief in de band naar de prinses.
âIs het waar?quot; vroeg hij: âIs het waar, dat gij hem dit geschreven hebt?quot;
âWat dan?quot; vroeg zij langzaam opstaande.
âHij bedankt u daar in dezen brief, omdat gij hem geschreven hebt, dat gij op aarde nooit iemand bemind hebt, â niemand dan Kalkreutb alleen!quot;
âIk heb het geschreven, en het is de waarheid!quot; zeide de prinses, die nu hare bedaardheid en wilskracht herkregen had: â,1a, mijnheer; ik heb niemand bemind,dan hèm alleen. Ik kon mijn hart niet dwingen u lief te hebben, u, die mij vroeger versmaadde, en toen op eens de gril kreeg om mij te beminnen, en mij den zakdoek zijner gunst toe te werpen. Ik was geen slavin, die men op zijde schuift; die zich gelukkig gevoelt, als men haar toch ten laatste een blik waardig keurt. Ik was eene vrijgeboren vrouw; en daar ik hem, dien ik lief had, mijne hand niet geven kon, gaf ik hem ten minste mijn hart. Mijne persoon behoort u, mijn hart echter niet!quot;
âMaar gij leendet mij soms uw hart, dat hem behoorde, en hem soms uwe persoon, die mij behoorde!quot;' riep de prins met woesten lach.
Zij liet een kreet hooren, alsof een dolksteek haar getroffen had, on een donkere blos brandde op hare wangen.
âGij hebt het recht mij te dooden, maar niet om mij te beschimpen!quot; zeide zij.
âO, gij noemt dat eene beschimping, wanneer ik u de waarheid zeg!quot; riep de prins.
âNeen, dit is niet de waarheid, prins. Ik heb mij zwaar tegen u bezondigd; want ik heb uwe liefde geduld, hoewel ik haar niet beantwoord heb. Ik heb den moed niet gehad, toen gij voor mijne voeten laagt, en mij, die gij zoo lang versmaad hadt, zeidet, dat gii mij lief hadt, u toen te bekennen, dat ik nooit of nimmer deze liefde beantwoorden kon, omdat mijn hart niet meer vrij was. Dit is mijne misdaad, dit alleen. Ik kon mijn hart niet dwingen u te beminnen, maar wél getrouw aan mijn plicht te blijven; en dat heb ik gedaan! Ik behoef, mijn gemaal, niet voor u te blozen en de oogen neer te slaan, want mijne liefde is rein
214
van zonde gebleven, en mijne persoon en mijne deugd zijn onbevlekt. Ik ben voor mijn geliefde nooit iets anders geweest dan zijne vriendin; ik heb nooit de trouw als gade jegens u gebroken.quot;
âEllendig, armzalig woordenspel!quot; zeide de prins; âAls bet zoo is, zooals gij zegt, â en volgens de brieven schijnt dit het geval te zijn, â dan is uwe schuld tweevoudig; want gij huichelt dan ook tegen u zelve en tegen uwe liefde, als een vuige lafaard, daar gij niet eens den moed gehadt hebt, u aan het gevoel van uw hart over te geven. Gij zijt dan eene ellendige boeleerster, die hare gunstbewijzen weet af te meten, en zich slechts in zóóverre overgeeft, als met hare berekeningen uitkomt. Gij maakt uw plicht tot het aflaat-geld uwer zonde, en zijt niet eens onschuldig genoeg om te kunnen vallen met hèm, dien gij bemint. De vriendin van uw minnaar! Welk eene ellendige, lafhartige gedachte; eene verachtelijke uitvlucht, waarmede gij u tegen uw geweten zoekt te verschansen! En wat beteekent het, dat gij nooit de trouw als gade geschonden hebt? Hadt gij dat liever gedaan; waart gij, medegesleept door uw vurig bloed, in een onbewaakt uur mij met uwe persoon ontrouw geworden, bet ware, bii God, u lichter te vergeven, dan die volgehouden huichelarij en logen! Wanneer men bemint, bemint men met lijf en ziel; het eene is niet te scheiden van het andere; het lichaam gaat verloren mét de ziel, en zoo ook omgekeerd. Zóó mevrouw, zóó heb ik u bemind. Maar gij, wat hebt gij voor mij gedaan ? Gij hebt met mij gehandeld als een ellendige woekeraar. Wanneer gij in mijne armen laagt, geheel aan mijne liefde overgegeven, hebt gij u uwe ziel voorbehouden, en uwe trouweloosheid jegens mij er mede bedekt, omdat alleen uw lichaam mij toebehoorde. Wanneer gij tegenover hèm stond, en de gloeiende betuigingen eener eerlooze liefde aanhoordet, hebt gij u zelve verontschuldigd met de gedachte, dat gij geene trouw jegens mij schondt, omdat gij uwe persoon niet aan uwen minnaar overliet, maar enkel uwe ziel en uw hart! Zoo hebt gij eene dubbele echtbreuk begaan. Gij hebt den echt der zielen en dien der lichamen geschonden. En mij hebt gij eene vrouw, die ik lief had, en een vriend, dien ik vertrouwde, ontstolen! Moge God u vloeken, zooals ik het doe ! Moge de straf des hemels u treffen, zoo-
215
als u de mijne doen zal!quot; En zijne gebalde vuist tegen haar opheffende, als wilde hij zijn vloek op haar hoofd slingeren, keerde hij zich om, en verliet het vertrek.
XII.
EEN VOORMIDDAG IN SANSSOUGI.
Allerwegen heerschte nog de diepste stilte en rust: de bedrijvigheid des levens was nergens te bespeuren.
Het was dan ook eerst vijf uur in den morgen. Maar terwijl geheel zijn volk nog sliep, waakte de Koning te Sans-souci, om voor zijn volk te arbeiden en te denken.â Daarbuiten huilde de wind, en dreef groote sneeuwvlokken tegen zijn venster, en deed zelfs het vuur in zijn schoorsteen onrustig llikkeren; doch de Koning lette op dat alles niet. Hij had zijn toilet geëindigd, zijn chocolade gebruikt, en nu werkte hij. Hij merkte niet, dat het nog koud in zijn vertrek was, dat de kaarsen op tafel slechts een somber licht door het donker vertrek wierpen, en deszelfs somberheid nog vergrootten ; zij brandden helder genoeg, om de menigte brieven te lezen, welke daar op tafel voor hem lagen, en welke allen in den loop van den vorigen dag ingekomen waren. Al sliepen zijne ministers en kabinets secretarissen nog, de Koning waakte en werkte; hij bereidde de werkzaamheden voor, welke hij later aan zijne âschrijversquot;: dat is aan zijne ministers en kabinets-secretarissen wilde opdragen. Hij las alle ingekomen brieven en verzoekschriften, en schreef op den kant de antwoorden, welke de ministers in hunne departementen, of de kabinets-secretarissen moesten geven.
Eerst nadat hij alle brieven en requesten over zaken gelezen en onderzocht had, nam de Koning de brieven tei' hand, die aan hèm persoonlijk gericht waren, en van verwijderde vrienden kwamen. â Zijn gelaat, dat tevoren ernstig en streng geweest was, kreeg nu eene zachte
216
vriendelijke uiidrukking, en een goedig lachje zweefde om zijne lippen.
De oogst was heden intusschen slechts klein. Er waren maar weinige van deze brieven, en de meeste kwamen van de bloedverwanten des Konings ot van verwijderde kennissen.
âGeen brief van d'Argens!quot; zeide de Koning glimlachend: âMijn brief aan den Aailsbisschop zal toch wel gevolg gehad hebben, en wellicht komt de goede markies nog heden aan, om mij terdege te bekijven en daarna vergiffenis te schenken. â O, maar daar is een briet van d'Alem-bert! Nu, dat is stellig een goede tijding; want hij zal mij berichten, dat hij mijn voorstel aanneemt, om president van mijne academie van wetenschappen te worden.quot;
Haastig brak hij het zegel, maar onder het lezen betrok zijn voorhoofd al meer en meer. â âHij weigert mijn aanbod,quot; zeide hij wrevelig: âhij stelt er hoogmoedig prijs op dat hij Vorsten ontberen kan, en hoopt, dat de nakomelingschap hem voor zijne belangeloosheid zal schadeloos stellen. O, dan kent hij de nakomelingschap niet! Of zij zal er geheel over zwijgen, óf als zij het vermeldt, er van spreken als de domste streek, welke d'Alembert in zijn leven begaan heeft. ') Hij is een hoogmoedig en verwaand mensch ; hij is zooals zij allen zijn!quot;
Hij nam den brief weder ter hand, en las hem nóg eens; dezen keer langzamer en bedaarder dan te voren. Allengs verdween nu de sombere wolk van zijn voorhoofd, en zijne oogen straalden in helderen glans van vreugde.
âNeen,'' zeide hij; âik heb d'Alembert verongelijkt. De wrevel over mijne teleurgestelde verwachting heett mij verblind. D'Alembert is geen kleingeestig, ijdel mensch, maar een vrije, trotsche menschenziel. Hij weigert, mijne plaats ais president met zes-duizend thaler inkomen, evenals hij verleden jaar de betrekking van opvoeder hij den Russi-schen troonopvolger, met een inkomen van honderdduizend francs van de hand gewezen heeft. 1) Hij wil liever arm en
seinen Verwandten und Freunden.
1
Preuss. Friedrich der Grosse met S. 304.
217
behoeftig vijf verdiepingen hoog wonen en zijn eigen meester wezen, dan in een schitterend paleis de dienaar van Vorsten zijn. Inderdaad, ik mag daarover niet boos zijn, want hij heeft gehandeld en gedacht als wijsgeer en als ik geen Frederik ware, wenschte ik d'Alem-bert te zijn! Ik zal hem daarom niet minder liefhebben, omdat ik een blauwtje bij hem geloopen heb. Och, liet is een wezenlijk geluk, dat er nog menschen zijn, die onafhankelijk en helder genoeg denken, om tegenover een Koning hun vrijen wil te kunnen behouden. De Vorsten zouden beter zijn, wanneer zij, met wie zij omgaan, minder kleingeestig en armzalig waren. D'Alembert zal mij tot les en troost verstrekken; er zijn dus nog menschen, die geene huichelaars on vleiers, gekken en bedriegers zijn, maar inderdaad mensc/iCH/quot;
Hij vouwde den brief langzaam dicht, en knikte hem, vóór hij hem in zijne portefeuille legde, zóó vriendelijk toe, alsof het d'AIembert zelf was, dien hij begroeten wilde. Toen nam hij een anderen brief ter hand.
âDit schrift ken ik niet,quot; zeide hij, het adres beschouwende: âhij komt uit Zwitserland en is persoonlijk aan mii gericht. Van wien toch?quot;'
Hij opende den brief en zag eerst naar do handtee-kening.
,,He!quot; zeide hij toen: âvan Jean Jacques Rousseau! Het is waar, ik heb hem eens een toevluchtsoord beloofd. De vrije Zwitsers vervolgen den ongelukkigen wijsgeer, en mijn goede lord Marschal is zijne voorspraak bij mij. Nu is lord Marschal echter in Schotland, en hij zal er niets aan hebben, of zijn vriend hier komt. Maar wellicht brengt het hem terug, als Jean Jacques hier eene schuilplaats vindt; ja, dan komt hij zeker uit Schotland hierheen, om met hem in den tuin van Schönhausen te wandelen. 1)
1
Lord Marchall bad zich bij den JJoning beklaagd, dat Rousseau uit Zwitserland aan bittere vervolgingen was blootgesteld, en niet wist, waarheen hij gaan zoude, daar men hem óók uit Frankrijk verdreven had. De Koning had hem geantwoord: âSchrijf uwen vriend, dat hij bij mij moet komen ; ik zal hem een veilig toevluchtsoord en een inkomen van tweeduizend thalcr jaarlijks geven. Hij moet bij Pankow, dicht bij den Slottuin van Schönhausen, een uur van Berlijn, een ruim huis met tuin en weide hebben, zoodat hij
218
Laat ons een zien, wat de wijsgeer schrijft:quot;
De brief bevatte slechts eenige regels, welke de Koning met klimmende bewondering en met de hoogste bevreemding las: âVraiment!quot; riep hij toen luid; ,/lie wijsgeeren zijn toch duivelskinderen! Deze Jean Jacques stelt zich niet tevreden met mijn voorstel van de hand te wijzen, maar hij doet het bovendien op eene geheel nieuwe en ongehoorde manier. Het is een merkwaardig stuk, en ik moet het inderdaad nog eens overlezen!quot; En met luidde, gevoelige stem las de Koning: â VotreMajesté m'offre unasyle, et m'y promet la liberté, mais Vous avez unc épée, et Vous i'tes Hoi! Vous moffrez une pension, a moi, qui n'ai rien fait pour Vousl Mais, en avez-vous donné d tons les braves cjens, qui out perdu bras et jambes en vos services?quot;
âNu,quot; zeide de Koning; âdat is een brief, die veel heeft van een roffel; en al is men wijsgeer, al is men een lom-pert, tóch heeft Jean Jacques gelijk, zich den eersten wijsgeer te noemen. Waarlijk, bet toeval speelt mij heden al rare parten, en schijnt er opuit to zijn, mijn koninklijken hoogmoed was te doen dalen Twee bedatikjes op eens; twee philosofen, die ik uitgenoodigd heb, en van beiden een refus! O, niet iwec philosofen! D'Alembert is een phi-lesoof! Maar Jean Jacques Rousseau is inderdaad een rjek! l)
. Hij verscheurde den brief, en wierp de snippers in het vuur. Toen tastte hij naar een anderen, maar vóórdat hij hem nog geopend had, legde hij hem weder neder. Hij had de groote klok in de voorzaal juist acht uur hooren slaan. Dat was het uur, waarop de werkzaamheden met zijne dienaren moesten beginnen, zoodat de Koning nu geen tijd had, zich met zijne bijzondere correspondentie bezig houden,
daar eene koe en toereikend gevogelte houden, en groenten verbouwen kan. Daar kan hij in rust en zonder zorg voor zijn onderhoud leven, en niets zal zijne eenzaamheid storen. Uit zijn tuin kan hij naar dien van Schönhausen gaan, en de lommerrijke lanen rondwandelen, want de Koningin houdt er zich slechts weinige zomermaanden in het jaar op.quot;
Lord Marschall zond den brief van uitnoodiging, welken hij aan Rousseau schreef, eerst aan den Koning, en deze voegde er eigenhandig de woorden bij; âVenez, mon cher Kousseau, je vous oll're maison, pension et liberté.quot;
1) De gewone bijnaam, dien de Koning na dien tijd altoos aan Rousseau placht te geven.
219
De laatste klokslag was nauwelijks weggestorven, of er werd ook reeds een zacht getik aan de deur gehoord, welke op het antwoord des Konings geopend werd.
De Koning behoefde volstrekt niet om te zien; hij wist, dat de binnenkomende niemand anders was, dan mijnheer von Kircheisen, de stedelijke president van Berlijn, die heden, daar het de laatste dag van de week was, zijn rapport kwam brengen. Hij ontving hem heden niet met zijne gewone minzaamheid, maar beantwoordde zijne eerbiedige groete met een donkeren zijdelingschen blik, en hoorde, in de kamer heen en weder gaande, met zichtbaar ongenoegen den Berlijner stadspresident aan.
âEn dat is alles, wat gij mij te berichten hebt?quot; vroeg de Koning, toen de president zijn rapport geëindigd had : âGij zijt het hoofd der Berlijner politie, en gij weet mij van eene geheele week niet anders te berichten, dan hetgeen mij elke nachtlijst of de politiebediende van eene wijk óók zeggen kan. Gij vertelt mij, wie in Berlijn aangekomen, en er uit vertrokken is; hoeveel menschen gestorven en geboren zijn; hoeveel diefstallen er hebben plaats gehad, en daarmede is het rapport afgeloopen?quot;
âMaar ik kan Uwe Majesteit toch niets anders mede-deelen, dan hetgeen voorgevallen is?quot; merkte dc president beschroomd aan.
âZoo! Is er verder niets in Berlijn voorgevallen? Berlijn is dus eene buitengewoon stille, zedige, vreedzame en onschuldige stad, waarin men zoo eensgezind leeft als in het paradijs, en waar men op zijn hoogst door eenige deerniswaardige personen, die bij vergissing het eigendom van anderen voor het hunne hebben aangezien, in den slaap des rechtvaardigen gestoord wordt? Gij weet niet dat Berlijn de stad van lichtzinnigheid, dwaasheid, pronkzucht, opge-blazene, winderige domheid, zedeloosheid en huichelarij is? Gij weet mij niets te zeggen van die misdaden, die wel is waar niet zóózeer aan den dag komen, dat de Wet ze stralfen kan, maar die toch verwoestend van huis tot huis sluipen, geheele gezinnen verpesten, en ongeluk en schande in alle standen der maatschappij verspreiden. Gij weet niets van de vele echtbreuken, van de tweespalt der huisgezinnen, van de lichtzinnigheid der jonge lieden, die zich aan het spel overgeven? En tóch kon menig ongeluk verhoed
220
worden, wanneer gij beter uw plicht deed, en de men-schen op den gepasten tijd waarschuwdet!
âSire, vergeet mij; dat is niet de taak van de gewone politie, maar daarvoor moest men eene geheime politie hebben!''
âNu, waarom hebt gij dan geene geheime politie? Waarom neemt gij geen voorbeeld aan den nieuwen minister van politie te Parijs, den heer Sartines? Die man weet alles, wat in Parijs geschiedt; kent de geschiedenis van elk huis, van elk gezin, van eiken persoon. Hij waarschuwt soms de mannen, wanneer hunne vrouwen hun ontloopen wilden; fluistert de vrouwen den naam in het oor van haar, die hare mannen zoeken te verleiden. Hij toonl de ouders, waar hunne lichtzinnige zonen hun geld aan de speelbank verspillen, en helpt, al nadat het hem goeddunkt, den wanhopende aan een strop, om zich op te hangen, of biedt hem de hand tot redding. Dat is een goede, llinke politie, en men moet bekennen, dat de uwe weinig overeenkomst er mede heeft!quot;
âAls Uwe Majesteit het goedvind, kan ik in Berlijn even goed zulk eene politie oprichten, als de heer Sartines in Parijs gedaan heeft. Maar Uwe Majesteit moet mij dan daarvoor ook twee zaken verschaffen. Ten eerste: een millioen thaler jaarlijks!'
âWat, een millioen? Uwe geheime politie is wat duur. Ga voort; wat verlangt gij nog meer, behalve dat millioen!quot;
âTen tweede: âhet verlof, om het geluk der huisgezinnen van uwe onderdanen te verstoren; den zoon tot spion over zijn vader, de moeder tot verklikster harer dochters, de bedienden tot bewakers hunner meesters, en de leerjongens en knechten tot spionnen en verraders van hunne bazen te maken. Wanneer Uwe Majesteit mij toestaat; wanneer ik het vertrouwen der menschen onder elkander, â van den broeder jegens den zuster, van den vader jegenamp;zijne kinderen, van den echtgenoot jegens zijne vrouw, van den eenen vriend jegens den andere ondermijnd heb, terwijl ik de menschen door geld omkoop; wanneer ik den een tot spion over den ander geworven heb; wanneer ik verraad betalen en verspieders beloonen mag, â dan, sire, zullen wij eene even goede geheime politie hebben, als mijnheer Sartines te Parijs; maar ik geloof niet, dat daardoor
221
de zedelijkheid bevorderd, en de misdaad voorkomen wordt.quot;
De Koning had hem met toenemende belangstelling aangehoord; zijn voorhoofd was al helderder geworden, en zijn blik had zich met blijkbare welwillendheid opdenkoenen spreker gevestigd. Toen deze geëindigd had, bleef de Koning, die altijd nog heen en weer geloopen had, voorden heer Kircheisen staan, en zag hem vast en lang in het opgewonden gelaat.
âHet is dus uwe vaste en stellige overtuiging, dat eene geheime politie zulke rampen na zich sleept, als gij daar 'geschilderd hebt?''
âJa, sire; dat is mijne vaste overtuiging!quot;
âGij kunt gelijk hebben,quot; zeide de Koning peinzend: âniets ontzenuwt de menschen meer, dan een spionnen-en verklikkers-stelsel ; en eene goede, edele Regeering moest zulke ellendige spionnen en aanbrengers, die hunne mede-menschen voor ellendig geld en uit lage, kwaadaardige oogmerken aangeven en in het ongeluk storten, streng straffen, in plaats van hen te beloonen'en zich van hen voor hunne bedoelingen te bedienen. Een goede Regeering moest nooit het Jezuïtenstel volgen: het doel heiligt de middelen.quot;
âDan zal Uwe Majesteit ook wel geene geheime politie invoeren ?quot;
âNu goed; het moet alles blijven, zooals het is, en laat mijnheer Sartines zijne politie voor zich behouden. Zij past niet voor ons, en Berlijn moet door zulk een spionnen-en aanbrengers-stelsel niet nóg meer bedorven worden, dan het nu reeds is. Dus niets van de geheime politie meer! Als de misdaad aan het licht komt, zullen wij haar straffen; waar zij in het verborgen rondsluipt, zullen wij het aan de Voorzienigheid overlaten, haar aan den dag te brengen. Bericht mij dus voortaan even als vroeger, wie geboren en gestorven, wie aangekomen en vertrokken zijn, wie gestolen, of goede zaken gemaakt hebben! Ik wil tevreden zijn, met hetgeen eene goede politie/ccm leveren. Overigens ben ik heden zeer over u tevreden. Gij hebt moedig en wakker gesproken, en mij open en vrij gezegd, wat gij denkt. Dat bevalt mij! Ik zie gaarne, dat mijne ambtenaren den moed der waarheid hebben, en mij ook, als het te pas komt, durven tegenspreken. Blijf daarbij !quot;
Hij knikte den gelukkigen president vriendelijk toe en
222
reikte hem de hand. Toen zond hij hem heen, en liet de ministers binnenkomen, om hunne rapporten en voorstellen te doen. Na deze kwamen de kabinets-secretarissen, en eerst nadat de Koning met hen allen, drie uren onafgebroken en met inspanning gewerkt had, dacht hij er over, zich een weinig te ontspannen en uit te rusten van de bezigheden, waaraan hij zich van zes uur des morgens tot bijna het middaguur gewijd had.
Hij was op het punt zich naar zijne bibliotheek te begeven, toen een luid gesprek in de voorkamer zijne aandacht trok.
âMaar ik zeg u, dat de Koning heden geene audiëntie geeft!quot; hoorde hij een lakei roepen.
âDe Koning heeft gezegd, dat een ieder, die hem spreken wilde, bij hem gehoor kan krijgen,quot; zeide een andere stem: âik moet den Koning spreken, en hij zal mij aan-hooren!quot;
âWanneer gij hem spreken wilt, dan moet gij het schriftelijk aanvragen, dan wordt gij toegelaten ; want de Koning-geeft wél iedereen audiëntie, maar hij bepaalt den tijd.quot;
âHet ongeluk en de wanhoop kan niet op een bepaald uur wachten !quot; riep de ander; âWanneer de Koning het ongeluk niet aanhooren wil, als het tot hem schreit, maar slechts dan, wanneer het hem goeddunkt, dan is hij geen goed Koning!quot;
âDe man heeft gelijk,quot; fluisterde de Koning: .,ik zal hem dadelijk gehoor geven.quot; â Hij stapte driftig naar de deur en opende die. â Daarbuiten stond een oudachtig man in armoedige kleeding, met een bleek, vermagerd gelaat, uit welks trekken wanhoop en verdriet maar al te duidelijk spraken, om niet door iedereen begrepen te worden. Toen nu zijne groote, diepliggende oogen den Koning ontdekten, riep hij verheugd; âGoddank: daar is de Koning!quot;
De Koning gaf hem een wenk nader te komen, en de man vloog hem met een kreet van vreugde tegemoet.
âKom in de kamer,'' zeide de Koning; âen zeg mij, wat gij van mij verlangt!quot;
âRechvaardigheid, sire!quot; riep de man: âRechtvaardigheid, anders niets. Ik heb gedurende den geheelen oorlog gediénd, en ben nu zonder brood. Ik heb niets, waarvan ik leven kan, en heb Uwe Majesteit tweemaal schriftelijk om de
223
betrekking van commies verzocht, welke nu open is.quot;
âEn ik heb u die geweigerd, omdat deze plaats reeds aan een ander beloofd was.quot;
âMen heelt mij gezegd, dat Uwe Majesteit mij deze plaats weigert!quot; riep de man wanhopend: âMaar ik kan het niet gelooven; want Uwe Majasteit is mij die schuldig, en gij zijt immers een rechtvaardig Koning. Haast u dus, sire, te doen, wat rechtvaardigheid en plicht van u eischen, en u te zuiveren van een vermoeden, dat uw Koninklijken roem slechts benadeelen kan.quot;
De Koning mat hem met toornigen blik, dien de bleeke, wanhopende man intusschen bedaard en stoutmoedig beantwoordde.
âWie geeft u het recht,quot; riep de Koning met donderende stem, met dreigend opgeheven arm den man naderend: âwie geeft u het recht, op zulk een toon tot mij te spreken, en waarop grondt gij uwe onbeschaamde eischen?quot;
âDaarop, sire, dat ik van honger omkomen moot, als gij mijn verzoek weigert. Dit is de heiligste van alle aanspraken. Tot wien op aarde moet ik mij dan anders wenden, dan tot mijn Koning?quot;
Er lag zulk een hartverscheurend verdriet, zulk eene wanhopige klacht in de woorden, in de stem van den armen man, dat de Koning er ondanks zich zei ven door getroffen werd. Hij liet den opgeheven arm zakken en de uitdrukking van zijn gelaat werd al zachter, al goediger.
âIk zie wel, dat gij zeer ongelukkig en wanhopend zijt,quot; zeide hij vriendelijk; âgij hebt dus wèl gedaan, u tot mij te wenden. Gij zult de plaats hebben, waarom gij vraagt. Meld u morgen bij den kabinets-secretaris Muller. Maar opdat gij vóór dien tijd niet \an honger moogt sterven, zal ik u wat zakgeld geven.quot;
Hij wees de luide vreugdebetuiging van den overgelukkigen man met eene beweging van zijne hand af, en schelde driftig om zijn kamerhuzaar Deesen, die de bijzondere kas van den Koning hield, om den man een goudstuk te geven.
Maar Deesen verscheen niet, en de tweede hamerhuzaar meldde met verlegen gelaat, dat hij in het geheel niet op het Slot was. De Koning beval hem den man het beloofde zakgeld te geven, en dan bij hem terug te komen.
224
âWaar is Deesen?'' vroeg de Koning toen de kamei huzaar terug kwam.
âSire, ik weet het niet!quot; stamelde de bediende, voor den doorborenden blik des Konings zijne oogen neerslaande.
âGij weet het wél,quot; zeide de Koning ernstig: âDeesen heeft van mij het strenge bevel, altijd in de voorkamer te zijn, omdat ik hem kon noodig hebben. Wanneer hij het waagt, tegen mijne bevelen te handelen, moet hij eene gewichtige reden hebben, en gij kent die! Voor den dager mede, ik wil die weten!quot;
âAls Uwe Majesteit beveelt moet ik wel gehoorzamen,'' zuchtte de huzaar: âUwe Majesteit verbiedt ons kamerhuzaren te trouwen; maar wij kunnen het niet helpen, dat wij óók een hart hebben, en soms verliefd worden.quot;
âDeesen is dus óók verliefd?'' vroeg de Koning glimlachend.
âJa, sire; hij bemint een buitengewoon schoon meisje te Potsdam, Marie Siegert genaamd; en daar hij haar niet trouwen mag, heeft zij er in toegestemd zijne minnares te zijn. Hij heett eene allerliefste woning in de Jonkerstraat, en zij leven gelukkig en tevreden. Omdat het hedenmorgen groot rapport was, meende Deesen, dat Uwe Majesteit hem niet zoude roepen, en hij wel een klein uitstapje naar Potsdam zou kunnen doen. Maar hij heeft zich toch verlaat, zooals het schijnt. Dat is de reden, waarom Deesen niet in de voorkamer is.quot;
âHet is goed,'' zeide de Koning; âzoodra Deesen komt, moet hij bij mij in de bibliotheek komen. Ik beveel u echter, met geen enkel woord te verraden, wat wij zooeven gesproken hebben.''
âÃ, sire, dat verheugt mij; want Deesen is zeer driftig, en als hij vernam, dat ik zijn geheim verraden had, kreeg ik een duchtig pak slaag van hem.quot;
âDat u wellicht eens weder opfrisschen zou,quot; zeide de Koning lachend, naar de bibliotheek gaande.
Een kwartier later trad Deesen met een verhit en verlegen gelaat in de bibliotheek. De Koning, altijd heen en weer gaande ouder het lezen van zijn geliefden Lucretius, sloeg zijn groot, doordringend oog met eene vragende uitdrukking op het angstig gelaat van den huzaar.
âIk heb u laten roepen, en gij waart er niet,quot; zeidedeKoning.
225
,.Tk vraag Uwe Majesteit nederig om vergeving,quot; starnel-de Deesen.
âWaar waart gij dan?quot;
âIk was op mijne kamer en schreef een brief, sire.quot;
âZoo, oen brief! Stellig aan die overmoedige, schoone dienstbode uit liet logement de Zwarte Raaf te Amsterdam, die den bediende van mijnheer Zollner niet tot minnaar wilde hebben1?quot; vroeg de Koning.
Deesen's gelaat helderde een weinig op. Deze zinspeling op de reis naar Amsterdam bewees hem, dat de Koning niet ernstig boos was. Mij waagde het dus zijn blik naar den Koning op te slaan, en hem smeekend aan te zien.
âGa zitten,quot; zeide de Koning, naar de schrijftafel wijzende : âik heb u laten roepen, omdat ik u óók een brief dicteeren wilde. Ga zitten en neem een pen.''
Deesen gehoorzaamde en maakte zich gereed om te schrijven. De Koning begon, zijne handen met het boek op den rug houdende, weder in het vertrek op en neêr te gaan.
âZijt gij gereed?quot; vroeg de Koning.
â.Ta, sire,quot; antwoordde de huzaar, zijne pen in den inktkoker doopende.
âSchrijf dan!quot; beval de Koning, vlak tegenover Deesen gaande staan; âSchrijf dan eerst het opschrift: âMijn schatje!''
Deesen verschrikte en keek den Koning vragend aan.
De Koning bleef ernstig en streng, en herhaalde: âMijn schatje!quot;
Deesen zuchtte en schreef.
âHebt gij het?quot; vroeg de Koning.
âJa, sire, ik heb bet!quot; âMijn schatje!quot;
âNu dan spoedig verder! âMijn schatje, de oude brombeer, de Koning,quot; â schrijf!quot; riep de Koning, ziende dat Deesen bleek en ontsteld begon te beven, en nauwelijks in staat was de pen te houden: âSchrijf zonder bedenken of aarzelen, of verwacht eene ernstige en gevoelige straf.quot;
âAls Uwe Majesteit de goedheid wil hebben te dicteeren, ben ik bereid alles te schrijven,quot; kreunde Deesen, zich het angstzweet van het voorhoofd wisschende.
âDus vlug wat!quot; beval de Koning, en heen en weder wandelende, dicteerde hij: âDe oude brombeer, de Koning,
Muhlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. VIII. 15
226
rekent mij elk uur na, dat ik zoo heerlijk bij u slijt. Opdal nu mijne afwezigheid van u in het vervolg niet zoo lang moge duren, en ik door mijn kijvenden baas des te minder worde opgemerkt, huur hier in de Brandenburger voorstad dicht bij ons een kamertje, waar wij met meer gemak elkander kunnen zien en omhelzen, dan in do stad. Ik ben tot in den dood uw hartelijk toegenegen
Deeskn.''
âZijt gij gereed?quot; vroeg de Koning.
âJa, sire, ik ben klaar,quot; antwoordde Deesen bevend.
âVouw nu den brief en maak hem dicht, en schrijf het adres: âAan mejuffrouw Marie Siegert, Jonkerstraat te Potsdam.''
âGenade, sire, genade!quot; riep Deesen opspringende en zich voor de voeten des Konings werpende: âIk zie wel, dat Uwe Majesteit alles weet; men heeft mij bij u verraden en aangeklaagd.quot;
âGij zelf hebt u verraden en aangeklaagd, want het is heden de tiende keer, dat ik u laat roepen en gij niet te vinden zijt. Zend nu den brief weg en zorg, dat juffrouw Siegert hier komt wonen. Maar als ik u nu nog eens niet in de voorkamer vind, zend ik de mooie Marie naar Spandau en jaag u weg. Marsch, en bezorg dadelijk den brief!''
Deesen spoedde zich heen; de Koning zag hem glimlachend na. Vervolgens wilde hij weder met zijne lectuur beginnen, toen het luide geratel van een rijtuig zijne aandacht trok.
âAch,quot; fluisterde hij bijna angstig: âik vrees dat ik reeds weder gestoord word, en een mijner neven of nichten mijn kostelijken tijd met nuttelooze betuigingen van geveinsde liefde komt bederven!quot;
Hij zag angstig naar de deur. Deze werd geopend en de binnentredende lakei meldde prins Hendrik.
's Konings gelaat helderde op, en met blijden glimlach ging hij den binnentredenden broedertegemoet. Maar deze beantwoordde die begroeting ternauwernood, en scheen volstrekt niet te merken, dat de Koning hem zijne hand toestak. Eene zware wolk lag op zijn voorhoofd, zijne wangen waren vaal bleek, zijne lippen vast op elkander gesloten als wilden zij de toornige en wrevelige woorden terugdringen, wier zin toch uit zijn somberen, fonkelenden blik sprak.
âA.ch, broeder, het schijnt, dat gij komt om mij een ongeluk aan te kondigen.quot;
âNeen,quot; zeide de prins; âik kom alleen om Uwe Majesteit een gesprek te herinneren, dat wij voor tien jaren met elkander gehad hebben, hier in hetzelfde vertrek, op dezelfde plaats.quot;
âVoor tien jaren,quot; zeide de koning: âtoen ziit gii, geloof ik, getrouwd; Hendrik?quot; 0
âJa, er was toen sprake van mijn huwelijk, sire. Gij hadt inij zóólang vervolgd, gemarteld en gekweld, tot ik eindelijk, â moede gejaagd, en mijzelven vergetende door zoovele wederwaardigheden, â besloot toe te geven, en mij in het juk te smeden, alleen om van die onwaardige en vernederende plagerijen, waaraan gij mij prijs gaaft, bevrijd te worden.quot;
âIk vind, dat gij uwe woorden beter moest kiezen!quot; riep de Koning met toornigen blik: âGij â vergeet, dat gij tot uwen Koning spreekt!quot;
âMaar ik herinner mij, dat ik tot mijn broeder spreek, tot mijn broeder, die wél verplicht is mij aan te hooren, en de klachten te vernemen, welke ik tegen den Koning moet inbrengen.quot;
âSpreek,quot; zeide de Koning na eene kleine pauze: âuw broeder alleen zal u aan hooren.quot;
âIk kom, om u het uur te herinneren,quot; zeide de prins op plechtigen toon: âhet uur, waarop ik hier in dit vertrek er in toestemde te trouwen. Terwijl ik dit deed, zeide ik u, dat ik u verantwoordelijk stelde voor dit huwelijk, dat niet de liefde, maar de staatkunde gesloten had; dat ik u eens voor den troon van God om rekenschap zou vragen: met welk recht gij mij van mijne vrijheid beroofd, met welk recht gij ketenen om mijn hart en mijne hand hebt geslagen, welke de liefde mij niet hielp dragen. Ik zeide u verder, dat, wanneer de last dezer ketenen mij te zwaar werd, en deze onnatuurlijke verbintenis van een echt zonder liefde en zonder overeenstemming, mij martelen en tot wanhoop drijven zou, ik op uw hoofd dan den vloek van mijn ongeluk slingeren, âen u verantwoordelijk stellen zou voor mijn verstoord levensgeluk en mijne teleurgestelde verwachtingen!quot;
âEn ik,quot; zeide de Koning plechtig: âik nam deze verant-
228
woordelijkheid op mij. Als uw Koning en uw oudere broeder herinnerde ik u aan uwen plicht jegens den Staat en jegens ons Huis, hun zonen te geven, welke den mannen voorgingen als toonbeelden van dapperheid en eer; â dochters, om der vrouwen tot voorbeeld van zedigheid en deugd te strekken. Krachtens deze uwe plichten als koningszoon en als man, eischte ik van u dat gij huwen zoudt!quot;
âEn ik kom u nu rekenschap vragen van dezen onna-tuurlijken dwang!quot; riep de prins plechtig: âIk kom u ; zeggen, dat mijn hart wordt verscheurd door pijn en smart dat ik de rampzaligste onder de menschen ben, en dat gij mij dit gemaakt hebt, gij, die mij tot dit huwelijk dwongt, ofschoon gij zelt de wanhoop en den smaad van een huwelijk zonder liefde kendet? O, gij hadt door dit, uw eigen huwelijk, reeds eene zware verantwoording op u geladen, en wanneer gij het moest dulden, zoolang uw vader leefde, hadt gij het moedig moeten afwerpen, zoodra gij vrij, dat heet: toen gij Koning werdt. Maar gij wildet liever in uwe onnatuurlijke betrekking voortleven ;gij wierpt de ketenen van uwe hand, en liet ze achteloos aan uwe voeten liggen. Om de wereld door uwe scheiding geen ergernis te geven, gaaft gij haar door uw onnatuurlijken echt een slecht voorbeeld. Gij gaaft u alleen de vrijheid, en maaktet daardoor uwe gemalin tot eene slavin uwer luimen, tot eene martelares van uwe wreedheid. Gij ont-wijddet door uw huwelijk de geheele instelling van den echt, gij gaaft aan al uwe onderdanen een slecht en gevaarlijk voorbeeld; en slecht en gevaarlijk heeft het gewerkt. Zie rond in uwe landen, sire; overal zult gij ongelukkige, door hunne mannen verlaten vrouwen, â gebrand merkte, door hunne vrouwen onteerde mannen vinden. Zie rond in uwe eigen familie, sire; onze zuster te Baireuth is gestorven van verdriet wegens de vernederingen, die zij van de matres van haar gemaal verduren moest; onze broeder August Wilhelm is eenzaam gestorven. Hij had zich voor zijne smart een toevlucht in Oraniënhurggezocht, en zijne gemalin bleef te Berlijn. Zij was niet eens bij hem, toen hij stierf; vreemden hebben zijne laatste zuchten ge boord vreemden hebben zijne oogen gesloten. Onze zuster, de markgravin van Anspach, heeft zóólang met haar man geworsteld, totdat zij eindelijk moest toegeven, en de ma-
220
tressen van haren man onder hare vriendinnen moest opnemen. En ik eindeliik, sire; i/c eindelijk sta voor u, met het brandmerk der schande op mijn voorhoofd, want ook ik ben ven-aden en bedrogen! En dit alles is uw werk, sire. Uw kwaad voorbeeld heeft gewerkt in uw land en in uw gezin ! Wanneer de Koning met het huwelijk en met de heiligste plichten spot, hoe kan hij dan vergen, dat zijne fa-milib en onderdanen er eerbied voor zullen hebben. Het is mode geworden in uw land, dat de echtgenooten elkander misleiden en verraden; en gij zijt het, die ons deze mode gegeven hebt!quot;
âIk heb u laten uitspreken, Hendrik,quot; zeide de Koning, toen de prins nu zweeg, en zijne oogen ontmoetten met eene zachte, medelijdende uitdrukking den somberen, vertoornden blik zijns broeders: âIk heb u laten uitspreken; maar al uwe hatelijke en onrechtvaardige verwijten heb ik niet gehoord. Ik heb slechts gehoord, dat mijn broeder Hendrik ongelukkig is; en den ongelukkigen is het eigen dat zij in andere menschen, en niet in zich zeiven de bron van hun lijden zoeken. Ik vergeef u dus alles, wat gij tegen mij gezegd hebt; en wanneer igt;ij de noodlottige gevolgen van dezen krijg, die jaren lang de mannen uit hunne gezinnen verwijderd hield, en de familiebanden verslapte, â wanneer gij mij dat alles toerekenen wilt, bewijst dit juist, dat uw blik beneveld is en niet duidelijk onderscheiden kan. Ik heb den strijd niet lichtzinnig begonnen, maar ik heb hem op mij genomen als een zware last. Hij heeft mij tot een oud man gemaakt, en de kracht mijns levens vóór den tijd verteerd. Ik zie al zijne slechte gevolgen, en ik heb het mij -tot eene heilige taak gesteld, de wonden van mijn land, welke de krijg het geslagen heeft, te hee-len. Ik werk er dag en nacht aan; ik besteed al mijne gedachten aan deze poging, en breng mijne persoonlijke neigingen daaraan ten offer. Maar vooreerst moet ik mij er toe beperken, de wonden te wbincZew; ik kan het ongeluk cn het leed niet terstond doen verdwijnen, niet dadelijk in geluk doen veranderen. Wilt gij mij desweyens ter verantwoording roepen, broeder?quot;
âAch, sire; gij zoekt de vraag te ontwijken, en in plaats van over mijn bijzonder ongeluk te spreken, gaat gij tot dat van het algemeen over. Dèswegens vraag ik uwe ver-
230
antwoording niet; maar omdat gij mij gedwongen hebt-, tot gemalin te nemen, eene vrouw, die ik niet kende) eene vrouw, die mij tot den ongelukkigsten mensch gemaakt heett, die mij in mijne eer gekrenkt en mijn hart verraden heeft. Och, sire, wat hebt gij gedaan! Gij hebt mij eene gemalin gegeven, die mij in alles bedrogen heeft, wat ik op aarde lief had en hoogschatte; want zij ontnam mij de vrouw, die ik beminde, en den vriend, dienikalb een broeder vertrouwde!quot;
En luid snikkend sloeg de prins zijne handen voor het gelaat.
De Koning stond naast hem met een bleek, treurig gelaat. âArme broeder,quot; fluisterde hij: âgij lijdt een weinig van die smarten, die ik geleden heb, eer mijn hart verstaalde, zooals het nu is. Ja, ja; het is eene vreeselijke smart, den vriend te moeten verachten, dien men vertrouwde; door hén verraden te worden, die men beminde. Ik heb dat alles óók geleden! De mensc/i heeft veel moeten verdragen, eer hij zijn geheele aanzijn aan den Koning kon offeren.
âSire,quot; zeide de prins met eene snelle beweging de tranen uit zijne oogen wisschende en zijn hoofd weder oprichtende; âsire, ik kom bij u, om gerechtigheid en straf te eischen. Ik klaag voor Uwe Majesteit mijne gemalin, prinses Wilhelmine van trouweloosheid en verraad aan; ik klaag voor Uwe Majesteit den graaf Kalkreuth aan, dat hij het gewaagd heeft, met mijne vrouw eene liefdesbetrekking aan te knoopen, waardoor hij hoog-verraad tegen uw koninklijk Huis heeft gepleegd. Ik eisch van Uwe Majesteit, dat gij mij de scheiding van mijne gemalin toestaat, en den verrader zult straffen, zooals hij verdient. Dit is de voldoening, sire, die ik van u vraag voor het ongeluk mijns levens, waarvan gij de aanleidende oorzaak zijt!quot;
âGij wilt mij dus verantwoordelijk stellen voor de wankelmoedigheid der vrouwen en voor de trouweloosheid der mannen?quot; vroeg de Koning met treurigen glimlach: âGij wilt dat doen, omdat ik u, volgens mijn plicht als Koning, genoodzaakt heb te trouwen. Het is waar, gij bemindet haar toen niet, omdat gij haar niet kendet. Maar gij leer-det haar liefhebben, toen gij haar leerdet kennen. Dit bewijst dus, dat ik geene slechte keus gedaan had. Zelfs
231
in uwe tegenwoordige smart ligt mijne rechtvaardiging. Want gij zijt ongelukkig, omdat gij de vrouw, die ik u gegeven heb, met al de kracht uwer ziel bemind hebt. Maar voor de wankelmoedigheid der vrouw kunt gij mij niet verantwoordelijk stellen, en den vriend, die u zoo schandelijk en op zulk eene eerlooze wijze verraden heeft, heb ik niet voor u gekozen. Gij eischt nu van mij, dat ik beiden stralTen zal? Hebt gij dit wèl doordacht, broeder? Hebt gij wel ingezien, broeder, dat, als ik beiden straf, ik uwe schande en uw ongeluk aan de wereld prijs geef; dat wij dan in de wereld rondbazuinen, wat tot nog toe het geheim van ons Huis is; dat wij de treurige doodsklacht van uw geluk tot een gemeen straatdeuntje vernederen, dat de jongens op straat jouwend zingen, en waarmede de ge-heele, ellendige wereld van kleingeestige menschen zich vermaken zal. Geloot toch niet, Hendrik, dat de menschen medelijden met onze smart en ons ongeluk hebben Terwijl zij ons schijnen te beklagen, gevoelen zij toch een innig genot; terwijl zij een traan van medelijden schijnen te onderdrukken, juicht hun hart. En dit des te meer, wanneer de lijder een Vorst is! Het doet den menschen goed, dat het lot, hetwelk ons eene verhevene plaats heeft gegeven, ons toch niet boven het gewone lijden der menschen verheven heeft, en dat wij schreien, lijden en ontberen moeten, evenzeer als de geringste der menschen. Nóg bestaat er niemand, Hendrik, die het recht heeft u te beklagen, ot zich over uw ongeluk te verblijden; niemand, die het recht heeft u te honen, omdat gij de goddelijke dwaasheid der engelen bezeten hebt, aan liefde te gelooven en op vriendschap te vertrouwen!quot;
âGij weigert mij dus mijn verzoek?quot; vroeg de prins levendig: âGij wilt mijne scheiding niet toestaan, en den verrader niet stralTen?quot;
âNeen, ik weiger u uw verzoek niet, maar ik bid u, nog drie dagen lang uw verzoek terug te nemen en te overleggen, wat ik u gezegd heb. Wanneer gij na drie dagen nog van hetzelfde gevoelen zijt, en hier komt om mij hetzelfde verzoek te doen, dan zal ik het vervullen. Dat heet: ik zal u openlijk en gerechtelijk van uwe gemalin laten scheiden; ik zal den graaf Kalkreuth als een echtbreker straffen, en zal den menschen het recht geven, zich dood te lachen
232
over den held van Freiberg, dien zijne gemalin tot hoorndrager heeft gemaakt, en wiens met roem gekroond hoofd door een verraderlijk vriend met een zeer vreemd tooisel versierd is geworden. Wanneer gij dat wilt, kom dan, zooals ik gezegd heb, na drie dagen terug en herhaal uwen eisch. Ik geef u mijn koninklijk woord, dat ik toestaan zal, wat gij na drie dagen van mij zult vragen.quot;
âHet is goed sire,quot; zeide de prins: âik zal komen om u uwe belofte te herinneren, en verzoek u nu, mij verlof te geven om mij te verwijderen ; want gij ziet wel, dat ik heden niet géschikt ben den philosoof van Sanssouci gezelschap te houden; ik ben een arme zieke, die van wijsbegeerte niets begrijpt!quot;
Hij boog voor den Koning, die hem hartelijk vaarwel zeide, en verliet toen zwijgend het vertrek. De Koning zag hem met een blik van eindeloos medelijden na.
âDrie dagen is een lange tijd,quot; lluisterde hij: âzij zullen zijne smart bedaren, en wanneer hij aan de rede gehoor geeft, zal hij een ander besluit nemen!quot;
xm.
DE WRAAK VAN DEN ECHTGENOOT.
Camilla luisterde in ademlooze spanning naar het verhaal, dat haar heau cousin, mijnheer von Kniephausen,â aan hare zijde op den divan gezeten, â baardeed betrelfende de avonturen en gebeurtenissen van de laatste achtdagen.Zij zag hem met een schitterenden blik aan, toen hij haar op zijne koddige, geestige wijze, die haar zoozeer beviel, zijn duel met lord Elliot schilderde. Zij gevoelde zich inderdaad trotsch op haar schoonen minnaar, toen hij haar uitvoerig beschreef, hoe bij lord Elliot, die hem altijd ontweken had en hem ontvlucht was, eindelijk tot een duel genoodzaakt, en gedwongen had, knielend te bekennen, dat hij zijne gemalin bet schreeuwendst onrecht had aangedaan, en dat hij
233
berouw had, den heer von Kniephausen zoo zwaar belee-digd te hebben, omdat hij hem voor den minnaar zijner reine, deugdzame vrouw hield.
âEn heeft hij dat gedaan?quot; riep Camilla juichend: âIlij heeft voor u geknield en u om vergiffenis gesmeekt4?quot;
âDat heeft bijgedaan?quot; bevestigde mijnheer von Kniephausen.
âDan is hij nóg ellendiger en armzaliger, dan ik ooit had kunnen denken,quot; zeide Camilla: âdan ben ik voor aller oog gerechtvaardigd, wanneer ik hem haat en veracht. Want wat is er verachtelijker, dan een man, die om vergiffenis smeekt; die, om een duel te ontgaan en zijn ellendig leven te redden, voor een man nederknielt! Ik zou het niet doen, hoewel ik slechts eene vrouw ben; en wanneet-ik een man had, die zóó handelde, zou ik hem vanaf dat oogenblik verachten.quot;
Camilla had zóó druk en opgewekt gesproken, dat zij in het geheel niet zag, hoe mijnheer von Kniephausen ineenkromp, hoe hij verbleekte en zijn oogen nedersloeg. Zij was zóó vol van den heldenmoed en de dapperheid van haren beau cousin, dat zij zich volkomen gelukkig en trotsch gevoelde. Haar lichtzinnig, oppervlakkig gemoed had ton minste dat aangeboren gevoel der vrouw, dat zij in den man bovenal persoonlijken moed en kracht hoogschatte, en zijne waarde ten minste van zijne lichamelijke kracht verlangde ; daar geestkracht voor haar iets was, dat zij niet in staat was te waardeeren.
Zij legde nu met eene beminnelijke, innige uitdrukking, zooals die haar vroeger nooit eigen geweest was, hare beide handen op de schouders van haren neef en zag hem met een schitlerenden blik aan.
âGij zijt schoon als een god en als een held,quot; zeide zij : âen naar het mij toeschijnt, bemin ik u van heden af aan eerst recht, nu gij fier voor mij staat, als de trotsche overwinnaar van mijn lafhartigen gemaal. O, ik had u willen zien, hoe gij fier en groot voor hem stondt, en hij, die leelijke, sidderende hazewind, voor uwe voeten knielde, en de woorden van boete en berouw herhaalde, die gij hem voorzeidet!quot;
âHet was een heerlijk gezicht,quot; zeide heau cousin mei een gedwongen glimlach: âmaar laat ons nu van iets ge-
234
wichtigers spreken, Camilla. Gij moet lieden nog Berlijn verlaten, en ten minste voor eenige weken naar uw landgoed gaan, totdat de eerste storm bedaard is. Wij zijn hier, zooals gij denken kunt, het onderwerp der gesprekken van geheel Berlijn, en wanneer het ook voor mij zeer vleiend en aangenaam is, met eene zoo schoone en jon^e vrouw als gij zijt, te zamen genoemd te worden, en als het vrec-selijke en gevaarlijke schrikbeeld van alle echtgenooten te worden aangeduid, is het toch voor niet aangenaam, zoo door elke lastertong besproken te worden, en door elke oude jonge-juffrouw, elke preutsche huichelaarster en voorzichtige coquette (want dit zijn toch de elementen, waaruit de vrouwen zijn samengesteld), als eene welkome gelegenheid aangegrepen te worden, om hare eigene deugd en eerbaarheid te prijzen en u te veroordeelen. Verlaat dus zoo spoedig mogelijk Berlijn, mijne schoone beminde; ontvang, zoolang gij hier zijt, volstrekt geene bezoeken, opdat de boosaardige vrouwen, geen gelegenheid vinden, u ook maar met één enkel woord te beleedigen.quot;
,,Neen,quot; zeide zij trotsch; âIk zal blijven! Ik bezit don moed, om de geheele wereld om uwentwil te trotseeren; ik zal blijven, om haartetoonen, datik mij niet wegens mijne liefde schaam; maar ik zal aan de geheele wereld bekendmaken, dat de schoone Kniephausen, dien alle vrouwen beminnen, mijn geliefde is. O, ik ben u wel deze voldoening schuldig, u mijn redder, die mijne eer zoo dapper tegen mijn echtgenoot verdedigd hebt, en hem tot zulk eene be-leedigende herroeping gedwongen hebt!quot;'
âHeeft misschien von Kniephausen zich daarop bei'oemd?quot; vroeg eene stem achter haar; en toen Camilla zich met een zachten kreet van schrik omkeerde, zag zij haar echtgenoot, die in de geopende deur stond, en haar met een vreemden, kouden en verachtelijken blik aanzag; meteen blik, zooals hij haar vroeger nooit had aangezien, en die haar dieper kwetste, dan eene uifgesprokene beleediging.
âWat wilt gij hier, mijnheer!'' riep zij opspringende: âMet welk recht waagt gij het mij te naderen?quot;
Lord Elliot barstte in een luid, schel gelach uit, dat tranen van woede in Camilla's oogen bracht.
.,Cousin,quot; zeide zij, zich tot Kniephausen wendende: âbevrijd mij toch van dien lastigen man, die het waagt mij te be-
235
leedigen, diequot; â Doch plotseling verstomde zij, en zag haar sclioonen neef verbaasd aan. Hij was in dit oogenblilc in het geheel niet schoon; want zijn gelaat bad eene vaal-bleeke keur aangenomen, en hij stond daar sidderend en met neergeslagen oogen.
âNu?quot; vroeg Elliot, zijn hoofd met eene uitdrukking van (iere minachting naar mijnheer von Kiephausen wendende: ânu, mijnheer von Kniephausen? Hoort gij wel, wat uw nichtje u vraagt? Wilt gij dien lastigen man niet vei wijderen, die hier eene teedere rencontre komt storen?quot;
âIk ben bet, die zich moet verwijderen,quot; stamelde mijnheer von Kniephausen; âik ben de lastige, die hier onbevoegd een onderhoud tusschen lord Elliot en zijne gemalin stoort. Ik verwijder mij dus!quot;
Hij nam zijn hoed en wilde haastig langs den lord de deur uitloopen. Maar diens gespierde vuist hield hem tegen. â âVolstrekt niet, mijn scboone mijnbeer,'' zeide hij met heescben lach: âik wensch veeleer, dat gij hier blijft, om de aardige en kluchtige historie aan te hooren, die ik lady Elliot vertellen zal. Ik ben gekomen, mevrouw, om u óók eene geschiedenis te verhalen! De geschiedenis van eene drijfjacht; met dit onderscheid echter, dat hier geen sprake is van een hert of ree, maar van een schoonen, uiterst bevalligen cavalier, die intusschen de vlugge voeten van het hert en de lafheid van den haas scheen geleend te hebben, om zich voor mij te verschuilen en mij te ontvluchten! Voor mij, zeg ik; want gij zult reeds lang begrepen hebben, mevrouw, dat ik van mij en vanden6ea«t cousin, dien betooverenden cavalier daar, vertellen wil.quot;
Camilla had, onder bel spreken van den lord, onafgebroken in ademlooze angst, naar haren neef gestaard. Het scheen, alsof zij op zijn bleek gelaat de oplossing van een vreeselijk raadsel zocht; alsof zij in bevenden doodsangst er op wachtte, dat bij eindelijk haar gemaal bet stilzwijgen bevelen, en hem opnieuw vernederen zou. Maar toen mijnheer von Kniephausen bleef zwijgen, nam Camilla een laatst, wanhopig besluit; zij wilde weten, waarom hij zoo bleek, zoo ontsteld was; zij wilde hem tot eene verklaring dwingen.
âGij hebt dat volstrekt niet noodig, mylord,quot; zeide zij derhalve op trotschen toon; âgij behoeft mij die geschiede-
236
nis niet meer te vertellen! Ik weet, dat gij even onbeschaamd als lafhartig zijt; dat gij u voor mijnheer von Kniephausen vernederd, en hem geknield om vergiffenis gesmeekt hebt, toen hij kwam om u ter verantwoording te roepen.quot;
âZoo, zoo? Ik zie, dat de beau cousin mij de rol heelt gegeven, die hij zelf gespeeld heeft!quot; riep de lord: âDal is al te goed; want daar uw minnaar stellig altijd de meest vereei ende rol spelen kan, meent hij mij te vereeren, door mij zijne daden op den hals te schuiven. Dezen keer echter wil ik niet met hem verwisseld worden, en ik zal dus eenige kleine vergissingen in zijn verhaal moeten verbeteren.quot;
âSpreek, spreek, mylord,quot; zeide Camilla in spanning, haar blik strak op haren minnaar vestigende.
âNu gij het mij vergunt, mevrouw, zal ik u de geschiedenis van onze drijfjacht mededeelen. Eerst moet ik mij bij u van een vermoeden zuiveren, mevrouw, âvan het vermoeden namelijk, dat ik mijnheer von Kniephausen lot een tweegevecht had uitgedaagd, omdat hij de minnaar mijner vrouw geweest is. Neen, mevrouw; dit was een toeval, anders niets. Deze heer was toevallig de eerste, die het naar liefde smachtend hart mijner vrouw ontmoette, en zoo nam zij hem aan, omdat zij hem het eerst vond. Maar hij zal de laatste niet zijn ! - Het geschiedde niet uit ijverzucht, dat ik den heau cousin vervolgde. Ik ben een zoon van deze verlichte tijden; dat heet: ik ben phiolosoof genoeg, om de vooroordeelen van den ouden tijd te verachten, en om niet dadelijk den hemel te willen bestormen, omdat mijne vrouw een minnaar heeft. Wellicht had ik verdiend eene edele vrouw te ontmoeten, die mij door hare liefde gelukkig gemaakt zou hebben. Maar daar ik met eene kleine, gevoellooze zottin getrouwd was, zou het dwaas geweest zijn, om harentwil met een grooten zot erom te vechten!quot;
âAch, neef!quot; riep Camilla buiten zich zelve van toorn, naar den heer von Kniephausen snellende en hare beide handen op zijne schouders leggende: âspreek dan toch! Hoort gij dan niet, dat die man het waagt, u en mij doo-delijk te beleedigen?''
Mijnheer von Kniephausen prevelde zacht eenige on-
237
verstaanbare woorden, en maakte eene beweging, als wilde hij Camilla's handen van de schouders schudden,
âHij hoort het wel,quot; zeide lord Elliot: âmaar hij is beleefd genoeg te zwijgen, nu ik wil spreken! Hij zal ook zoo goed zijn mij nog langer zwijgend aan te hooren.quot;
Camilla liet langzaam hare handen van zijne schouders glijden, en tandeknarsend van verbeten smart wendde zij zich van hem af, om weder op den divan plaats te nemen. De beide mannen stonden voor haar, de een, als een geknakt riet, bevend tegen de wand leunende.'; de andere fier, hoog, vrij, in het volle bewustzijn zijner waarde.
âIk zeide, dat ik er niet over gedacht zou hebben,'' vervolgde lord Elliot: âom ter wille van eene kleine, gevoel-looze gekkin met een grooten zot te vechten. Maar die zot had ook iets anders misdreven ; hij was niet alleen de verleider mijner vrouw, maar ook de steller van een schandelijken, beleedigenden brief,dien mevrouwde onbeschaamd lieid gehad heeft mij te schrijven.quot;
âVanwaar weet gij, dat hij dezen brief gesteld had?quot; vroeg Camilla.
âDaar van daan, mevrouw, dat gij niet in staat zijt, ook slechts zulk een brief te schrijven! Ik nam uit deze schrijftafel, mevrouw, het orgineel van dezen brief, en daarmede gewapend wilde ik den beau cousin opzoeken, om hem wegens zijne onbeschaamdheid rekenschap te vragen. Een vi-oeyere vriend van dezen mooien heer, de luitenant von Kaphengst, vergezelde mij; want wanneer men met dat soort van heeren iets te verhandelen heeft, begrijpt gij, dient men getuigen te hebben, anders loochent hij later de ge-heele geschiedenis, of verwisselt de rollen. Wij vonden mijnheer von Kniephansen niet tehuis; hij was naar Mecklenburg vertrokken. Zonder twijfel vermoedde hij niet, dal ik alléén naar Berlijn gekomen was, om hém op te zoeken; anders zou hij stellig de beleefdheid gehad hebben te blijven, en mijn bezoek af te wachten. Mijn verlangen naar hem was zóó groot, dat ik zijne terugkomst niet kon afwachten. Ik volgde zijn spoor, als een teeder minnende, zooals mijnheer von Kniephausen het uwe gevolgd heeft, mevrouw. Eindelijk had ik het geluk hem in een logement in een klein stadje te vinden. Hij had, zooals alle dwepende minnaars, de eenzaamheid gezocht, en zelfs alle kamers van het kleine hö-
238
tel voor zich besproken, om verzekerd te zijn, van niet in zijne zoete droomerijen gestoord te worden. Maar ik was noch lans stont genoeg, tot hem te gaan en mijne degens en pistolen mede te brengen, ten einde hèm de keuze der wapens te laten, om zich met mij te meten. Mijnheer von Kniephausen wilde degens nóch pistolen van mij aannemen, en toen nam ik mijn derde wapen, den stok. O, het was een echte bamboes, en hij brak niet, hoewel ik duchtig op den rug van denschoonen cavalier roste. Ja, mevrouw; ik sloeg hem, zooals men een hond slaat, die het durft wagen, zijn meester niet te volgen; ik sloeg hem zóólang, tot hij om genade bad!''
âDat is niet waar, dat is een logen!''schreeuwde Camilla buiten zich zelve.
Lord Elliot hief langzaam zijn arm op en wees op mijnheer von Kniephausen. âVraag het hem dan, mevrouw, of het eene logen is, die ik daar verteld heb?quot;
Camilla wendde zich levendig tot hem; maar toen zij hem aanzag, gevoelde zij, dat zij het niet behoefde te vragen. Mijnheer von Kniephausen stond leunende tegen den wand, bleek en sidderend, als een terugstootend beeld van lafhartige angst en ontsleltcnis. Camilla kreunde luid, en wendde haar blik met eene uitdrukking van onuitspreke-lijken afkeer, van hèm weder naar haar gemaal. Voor de eerste maal vond zij, dat haar man volstrekt niet zoo lee-lijk was, als zij zich vroeger verbeeld had; voordeeersle maal boezemde hij haar ontzag in door zijne hooge, fiere houding, door den adel van geest en mannelijke waardigheid, welke over zijne geheele gestalte verspreid lag. Zij had hem altijd slechts als den teederen, zachtmoedigen minnaar gezien; nu voor de eerste maal zag zij hem als den vertoornden, gestrengen man, en zóó beviel hij haar â beter dan von Kniephausen, die vroeger zoo schoon geweest was, en er thans zoo leelijk uitzag.
âSpreek verder,quot; zeide Camilla, als verpletterd in de kussens van den divan zinkende.
âIk roste den beau cousin zoolang, totdat hij toestemde met mij te schieten,quot; vervolgde lord Elliot: âWij hadden het tooneel onzer wederzijdsche kennismaking een weinig te luid gespeeld, zoodat de lieden van het logement een ongeluk vreezende, ter redding toesnelden, en vervolgens tot
239
bescherming van dien mooien mijnheer, bij hem bleven. Wij besloten dus het duel tot den volgenden morgen uit te stellen, maar den anderen morgen was de heau cousin gevlogen! Zonder twijfel had hij onze afspraak vergeten, en wellicht was liet verlangen naar m, mevrouw, er de schuld van; want hij was regelrecht naar Berlijn teruggekeerd.â Wij waren barbaarsch genoeg hem ook daarheen te volgen, en zwoeren, hem neder te schieten als een dolle hond, als hij niet mot mij vechten wilde. Deze gelijkenis, mevrouw, beleedigde hem zonder twijfel; hij wilde dus liever als een dapper man handelen, en nam het duel aan.quot;
,,0, hij nam het duel aan!quot; herhaalde Camilla herademend, en zij wendde zich met een zachte uitdrukking naar den heer von Kniephausen. Maar zoodra zij hem aanzag, scheen hij haar nóg kleiner, nóg leelijker, nóg erbarmelijker toe; zij sloot hare oogen om hem niet meer te zien, en toen zij ze weder opsloeg, vestigde zij ze slechts op haar gernaal.
âWij vertrokken dus,quot; vervolgde lord Elliot: âwij begaven ons met de getuigen en onze wapenen naar het kleine Saksische grensstadje Bernau, waar hel duel zou plaats hebben. Maar, mevrouw, ik had zeer wel gezien, dat mijnheer von Kniephausen geene bijzondere genegenheid voor dit duel koesterde. Bovendien dacht ik aann; welk een smart het voor u zijn zoude, als ik hem doodschoot, en u van dit allerliefste speelgoed beroofde, vóórdat ik u een ander bezorgd had. Gij weet, mijn hart neigde altijd tot eene zekere zwakke goedheid, en zoo wilde ik dan ook nu met u en den ^ea« cowsin medelijden hebben. Op de strijdplaats aangekomen, deed ik mijnheer von Kniephausen het voorstel, om in plaats van met mij te schieten, eene verklaring te onderteekenen, welke ik opgesteld had, waarin hij zich zeiven voor een nietswaardigen schurk en leugenaar verklaarde, en pUchtig beloofde, dat alles, wat hij in dien brief, dien, hij voor u had opgesteld, over mij gezegd had, ten eenenmale gelogen was; dat hij mij veeleer voor een onberispelijke cavalier erkende, die door hem en lady Elliot op de schandelijkste wijze bedrogen was. Mijnheer von Kniephausen bevond, dat deze verklaring in wat al te sterke bewoordingen was gestold, en wilde dus liever, in plaats van te teekenen, mot mij schieten.quot;
240
âGoddank!quot; prevelde Camilla zacht.
âWij schoten dan,quot; vervolgde de lord: âen ik was beleefd genoeg mijnheer von Kniephausen het eerste schol te laten. Hij nam het aan ; ik moet bekennen, dat hij scherp mikte, maar -- zijne hand trilde tóch een weinig. Nu was de beurt aan mij; ik hief mijn arm met het pistool op, en ik zweer u, mevrouw, ik trilde niet! Wellicht merkte dit mijnheer von Kniephausen; wellicht dacht hij aan u, en wenschte hij te leven, om in uwe armen schadeloosstelling voor den angst der laalste dagen te vinden. Genoeg, hij riep mij toe, mijn wapen op te steken; daar hij bereid was te teekenen. En hij deed het, mevrouw; hij onderteekende mijne verklaring, die^ hem tot een eerloozen schoft, tot een gemeenen leugenaar stempelde; hij onderteekende haar voor mijne voeten knielende en mij om vergilïenis smee-kende. Nadat hij dit gedaan had, liet ik hem vrij, en veroorloofde hem naar u terug te keeren. Tk echter reed naaiden Koning, en verzocht Zijne Majesteit, mij onmiddelijke scheiding toe te staan; en daar ik, zooals gij weet, een gevoelig hart heb, en u nooit een wensch kon weigeren, verzocht ik den Koning ook om zijne toestemming, dat gij u met dien mijnheer von Kniephausen daar, in den echt moogt begeven.quot;
âNooit, nooit zal dit gebeuren!quot; riep Camilla van den divan opspringende, en haren neef met eene uitdrukking van de diepste verachting beschouwende.
âHet zal gebeuren, mevrouw Iquot; zeide de lord vast en gebiedend : âGij zult hem huwen, want gij bemint hem immers ! Gij hebt om zijnentwil mij verraden. Hij is een vuige lafaard ; elkeen veracht hem! Maar gij zult hem huwen, want de Koning heeft daartoe zijne toestemming-gegeven en onze acte van scheiding geteekend. Hier is een afschrift. Wij hebben nu niets meer met elkander te doen, mevrouw; gij zijt van dit oogenblik de bruid van mijnheer von Kniephausen, en als bruidsgeschenk neem ik de vrijheid, u hier de door mijnheer von Kniephausen ge-teekende verklaring, welke hem het leven gered heeft, aan te bieden.quot;
Hij legde het papier op tafel; toen boog hij zich diep voor Camilla, die hem bleek en onlsteld aanstaarde, en wier tanden koortsachtig klapperden.
âMevrouw,quot; zeide hij; âik heb de eer u te groeten, en wensch u een langdurigen en gelukkigen echl.quot;
Toen keerde hij zich om en stapte recht op de deur aan. Zonder ook slechts een enkelen keer om te zien, ging hij er uit; met hoog opgeheven hoofd stapte hij lier door de vertrekken, naar die kamer, welke vroeger de zijne geweest was. Nu had hij alles, wat er vroeger in stond, laten weghalen; het vroeger zoo schitterend vertrek was eenzaam en leeg; de fraaie meubels waren verdwenen, ook de portretten van de wanden. Slechts één portret hing er nog; het portret, dat Camilla in haar bruidsgewaad voorstelde. Lang en met onafgewenden blik staarde hij er op, als wilde hij dit beeld diep in zijne ziel prenten; als wilde hij er tevens afscheid mede nemen van zijn jeugd, zijn geluk, van alle begoochelingen zijns levens.
âVaarwel!quot; zeide hij foen luid; âvaarwel Camilla, mijne bruid! De droom is uit. Vaarwel!quot;
Hij trok een dolk uit zijn zak en sneed het portret midden door, zoodat het met twee lappen bleef hangen: toen keerde hij zich om, ging langzaam naar buiten, over de gang en de trap af naar het gereed staande rijtuig, waarin zijn vriend, de dokter hem zat te wachten.
âNu, dokter,quot; zeide hij; ânu ben ik gereed. Mag ik u nu verzoeken mij voor eenige dagen een bed in uw huis te leenen, want sedert tien dagen woedt in mij een hevige koorts.quot; ')
Terwijl de lord met den geneesheer naar diens woning reed, stonden Camilla en de beau cousin altijd nog zwijgend iegenover elkander. Geen van beiden waagde het de stilte te storen; geen van beiden waagde het zijn oog naar den ander op te slaan om elkander aan te zien. Op eens verbrak een gerucht daar buiten dit akelig zwijgen: de deur werd geopend en generaal von Saldern, de adjudant des Konin^s trad binnen.
Camilla had de kracht niet om hem tegemoet te gaan; zij beantwoordde met eene zwakke buiging van het hoofd den groet des generaals, die mijnheer von Kniephausen volstrekt niet scheen te zien, en zijne diepe, eerbiedige buiging volstrekt niet beantwoordde.
1) Thiébault. Vol. Ill, p 200â310.
Mühlbaoh, Prederik de Groote en zijn Hof. VIII.
16
242
Mevrouw,' zeide de generaal plechtig; âik kon uit naam en op hevel van zijne Majesteit den Koning. Hij heeft, krachtens zijn macht als Koning en rechter, en tevens als opperhoofd der Kerk, zonder vorm van proces uw huwelijk met lord Elliot ontbonden. Hij heeft het gedaan, om den lord een bewijs van zijne welwillendheid te geven, en met het oog op uwe eigene familie. Uit ditzelfde oogpunt staat Zijne Majesteit ook toe, dat gij u onmiddelijk met den heer von Kniephausen, â die intusschen uit den dienst des Ko-nings ontslagen is, â in den echt zult begeven.quot;
âNeen, neen, ik wil niet'nuwen!quot; riep Camilla ontsteld: âlaat mij gaan. Ik zal nooit de vrouw van dit mensch worden!quot;
âHet is het uitdrukkelijk bevel van Zijne Majesteit, dat gij nog in dit uur met den heer von Kniephausen zult trouwen,quot; zeide de generaal von Saldern: âverder heeft Zijne Majesteit mij bevolen, u te zeggen, dat hij niet wenscht, dat er van deze ergerlijke, de goede zeden kwetsende geschiedenis nog langer gesproken worde. Hij beveelt daarom, dat gij beiden onmiddelijk na de voltrekkingvan uw huwelijk Berlijn verlaten moet, en het niet zult wagen u er weder te ver-toonen. De Koning verbant u beiden van zijn Hof, alsmede uit Potsdam en Berlijn, en wil, dat gij u naar uw landgoed zult begeven,] om daar in stilte en eenzaamheid te leven. Dit is de eenige straf, welke hij u beiden oplegt, en verder heb ik u niets te melden. Als het u nu belieft, mevrouw, dan gaan wij!quot;
âWaarheen?quot; riep Camilla, ontsteld van den haar naderenden generaal terugwijkende.
âNaar de naaste kamer, mevrouw; waar de predikant, dien ik op uitdrukkelijk bevel van Zijne Majesteit heb medegebracht, gereed staat, om onmiddellijk het^ huwelijk te voltrekken.quot;
Camilla stiet een kreet uit, en zonk machteloos in de armen van den heau cousin, die op een wenk van den generaal nader gekomen was. ^
1) Nadat de gescheiden lady EUiot, op bevel des Konings, met den heer von Kniephausen getrouwd was, verlieten zij dadelijk Berlijn, en gingen naar hunne goederen. Daar doorleefden zij in volstrekte afzondering, eenige jaren van boete
243
XIV.
DE BESLISSING.
De drie dagen bedenktijd, welke de Koning voor zijn broeder bepaald bad, teneinde een beslissend besluit te riemen, waren verstreken. â Prins Hendrik had een besluit genomen. Op den avond vóór den derden dag had iiij twee koeriers afgezonden; den een naar den Koning, den ander naar zijne gemalin te Rlieinsberg. Hij zelf was te Berlijn gebleven, en had het prachtig paleis betrokken, dat de Koning op het plein tegenover de Opera, voor zijn broeder had laten bouwen en in orde brengen.
Hij had den huis-hofmeester belast een schitterend diné gereed te maken, omdat hij ter eere van zijn intocht in het nieuwe paleis, zijn Hof en allen, die in Berlijn ten Hove verschenen, een feest wilde aanbieden.
Dit feest zou heden, op den derden dag na het gesprek met don Koning, plaats vinden, en de koerier, dien de prins den vorigen dag naar Rheinsberg had gezonden, moest prinses Wilhelmine een brief overbrengen, waarin haar gemaal haar in korte bewoordingen, geheel in den
en ongeluk. De eenzaamheid was weinig geschikt, om de stem van berouw en schaamte te smoren, welke luid in hunne harten sprak. Bij de eenzaamheid voegde zich de verveling; toen kwamen de verwijtingen, de oneenigheden, de onderlinge verachting, welke tot steeds heviger tooneelen van twist leiden. Het was een treurig, verschrikkelijk leven, waaronder zij beiden reeds na weinige jaren bezweken; hun verleden beklagende, terwijl zij zei ven door niemand beklaagd werden, stierven zij eenzaam en verlaten. (Thiébault. Vol. III, p. 341). Niet minder treurig was het uiteinde van Camilla's moeder, mevrouw du Troussel. Haar man, die haar eens in de armen van haren minnaar vond, had niet den moed het verraad der vrouw, die hij zoolang bemind had te overleven. Hij schoot zich dood; en daar men de reden van zijn zelfmoord kende, veroordeelde een ieder zijne gemalin als zijne moordenares, en trok zich van haar terug. Men deed dit des te eerder, omdat mevrouw du Troussel, na den dood van haren man, slechts een matig inkomen had en geen hoogen staat meer konde ophouden. Zij leefde nog ongeveer een jaar eenzaam en vergeten, en stierf toen plotseling, zooals men vermoed, door vergif. (ïhiébault. Vol. III, p. 129).
244
stijl van een uitnoodigingsbiljet, vroeg, met haar Hof naar Berlijn te komen, en bij het diné en het daarop volgende concerl voor te gaan.
Deze uitnoodiging was voor de prinses een bevel geweest, waaraan zij zich niet durfde onttrekken. Zij was des morgens vroeg vertrokken; en een uur vóór den tijd van het dinè, door den prins bepaald, hielden de rijtuigen vooi' het nieuwe paleis stil.
De prins ontving zijne gemalin in het groote portaal van het paleis. Hij ging haar glimlachend tegemoet, en reikte haar, die bleek en met neêrgeslagen blik tegen hem over stond, zijn arm, en leidde haar do groote, breede trap op, haar opmerkzaam makende op alle bijzonderheden van hol gebouw en de inrichting van zijn nieuw verblijf. Hij sprak luid en opgeruimd, en scheen met voordacht langzaam te gaan, opdat het geheele gevolg, dat nog gedeeltelijk bij de rijtuigen bezig was, zich om het vorstelijk paar kon verzamelen en getuige zijn van de goede verstandhouding, welke tusschen den prins on zijne gemalin heerschte.
Op de laatste trede van de trap aangekomen, wees de prins glimlachend naar de zijgangen, welke zich aan weerszijden van de trap bevonden. â âHier, mevrouw,quot; zeide hij; âloopen onze woningen uiteen, waarheen verschillende trappen leiden. U behoort de rechter-, mij de linkervleugel van het paleis. Ik vraag u verlof, u heden naar tav vleugel te geleiden en u in uwe vertrekken te brengen, welke gij van nu af aan als meesteres bewonen kunt.''
De prinses wierp een vragenden, beschroomden blik op hem. Zij was zoo zeker geweest, dat haar gemaal eene scheiding van haar vragen zoude; zij had hare gedachten zóózeer op dezen, zooals het haar scheen, eenig mogelijken uitweg gericht, dat zij door de woorden van den prins als door een huiveringwekkend raadsel, onwillekeurig trilde.
âWellicht,quot; dacht zij, aan den arm van den prins de lange gang afgaande: âwellicht wil hij mij vermoorden, zooals de hertog van Orleans zijne gemalin heeft gedaan, omdat zij den graaf Guiche beminde.''
Zij aarzelde dus, toen de prins de laatste deur van de gang opende en haar verzocht binnen te gaan. Met een angstigen blik zag zij om naar haar gevolg, dat wei-
245
lelend aan het einde van de gang was achter gebleven.
âZult gij mij vergunnen, dat mijne dames ons volgen?quot; vroeg zij zacht.
âVolstrekt niet, mevrouw,quot; zeidede prins ruw; âwij zullen ulléén gaan.quot;
Hij schoof haar bijna met geweld in het vertrek, en haar volgende, grendelde hij de deur achter zich.
Prinses Wilhelmine uitte een luiden kreet en week ontsteld voor den prins terug. ââWaarom sluit gij de deur?quot; vroeg zij bevend: âWilt gij mij vermoorden, mijn gemaal? '
He prins lachte luid. â âÃ, gij verwacht dus een tragisch einde aan uwen roman?quot; zeide hij; âVolstrekt niet; het zal alles zeer gewoon en prozaïsch alloopen, en gij zult nóch de rol eener heldin, nóch die eener martelares spelen. Ik zal u geen verwijtingen doen, evenmin u straffen. Dat laat ik aan God en uw geweten over. Ik wil slechts met u onze toekomst regelen, en de voorwaarden bepalen, waarop ons leven in het vervolg zal gesleten worden. Daarom sloot ik de deur, opdat niemand ons kunne storen.quot;
âEn welke zijn uwe voorwaarden?quot; lluisterde prinses Wilhelmine.
âDaarvan zullen wij later spreken, mevrouw. Wees eerst zoo goed dit biljet te lezen, dat ik zooeven als antwoord van den Koning ontvangen heb. Heb de goedheid mij den inhoud luid voor te lezen, opdat wij beiden tegelijkertijd elk woord kunnen hooren.quot;
De prinses nam het papier, dat hij haar met eene eerbiedige buiging overreikte, en las:
âMijn broeder ! Uw brief heeft mij een grooten troost verschaft; want hij bewijst mij, dat gij weder een man geworden zijt en uwe smart overwonnen hebt. Gij zijt niet enkel bestemd om denteederen, âmaar ook om den wre-kenden echtgenoot te spelen; gij zijt bovenal een prins en een man; en heide hoedanigheden leggen u de verplichting op, u voor de wereld te behouden en u barer waardig te toonen. Er is voor ons beiden op aarde nog veel te doen; en een degelijk man iaat zich op zijn weg niet ophouden door eene lichtzinnige vrouw, die hem eenige doornen onder de voeten werpt. Hij stapt over de doornen heen, verbergt zijne smart en gaat door. Het verheugt mij,
246
dat dit ook uw gevoelen is, en dat g\j de gedachte aan een openlijk schandaal en algemeene ergernis hebt laten varen.- Daar dit nu het geval is, geef ik u voltnachl om uwe betrekking met de prinses geheel en al naar eigen goedvinden te regelen, en die maatregelen te nemen, welke u het meest gepast schijnen. Wat uw verzoek aangaande den graaf en luitenant-kolonel Kalkreuth betrefl, dit wordt u toegestaan. Ik benoem den graaf tot generaal-commandant van het derde legerkorps, dat in Pruisen staat. Hij moet onmiddelijk vertrekken. U, mijn prins, verzoek ik, hem zijne benoeming mede te deelen en hem te zeggen dat hij, zoodra hij door u ontslagen is, naar Sanssouci moet komen om afscheid van mij te nemen. Gij schrijft mij, dat gij een feest wilt geven. Dat is heerlijk. Het is altijd beter onze smart onder bloemen en vroolijk gezang te smooren, dan ons van haar af te scheuren, den monnikspij om te hangen en vrome klaagliederen te galmen. Ik hoop, dat uw feest recht vroolijk zal zijn, en moge duren zoolang gij leeft.
Frederik.quot;
De prinses had ten einde gelezen en reikte haar man het briefje over. ââIk zie,quot; iluisterde zij nauwelijks hoorbaar; âdat gij zeer grootmoedig zijtgeweest, mijn gemaal. Gij wilt met weldaden in plaats van met rechtvaardigen toorn straffen.'
âIk wil nóch het eene, nóch het andere,quot; zeide de prins koel: âik wil slechts mijn leven rust en vrede schenken, en ik wil bovenal niet, dat de wereld het recht bebbe mij als een ongelukkige te beklagen ; want ik ben niet ongelukkig en wil het niet zijn!quot;
De prinses sloeg een beschroomden blik op zijn gelaat, dat met zijne woorden zoozeer in tegenspraak was, en waarop deze drie dagen eene vreeselijke verandering hadden teweeg gebracht. Zijne wangen waren ingevallen en bleek, zijn voorhoofd betrokken en somber, en om zijn mond had het verdriet die eigenaardige, scherpe trekken geteekend, waarmede het ongeluk zijne slachtolfers stempelt; â trekken, welke nooit weder uitgewischt kunnen worden, zelfs wanneer het lot weder een zonnestraal op het aldus geteekend gelaat werpt. Toen prinses Wilhelmine deze
247
verandering bespeurde, welke weinige dagen op het gelaat van haren echtgenoot hadden teweeg gebracht, werd haar hart door een onuitsprekelijke, rouwvolle smart bevangen.
âMijn gemaal,quot; zeide zij zacht, hare handen smeekend tot hem opheffende: âheb medelijden met u zeiven en met mij. Hoor mij aan, voor dat gij een besluit neemt. Ik gevoel, dat ik mij zwaar jegens u bezondigd heb; maar ik zal trachten het weder goed te maken. Als ik u aanzie en in uw gelaat lees wat [gij geloden hebt, gevoel ik aan de smart, die op dit gezicht mijne «-eheele ziel gelijk een vlijmend zwaard verscheurt, hoe dierbaar gij mij zij t! Ik heb berouw en zal het weder goed maken. Ik zal mijn hart dwingen ; ik wil u liefhebben en slechts u alléén. Ik zal voortaan eene trouwe gade wezen, en de taak van mijn geheele leven zal zijn, u gelukkig te maken. Ik beloof hier, als voor Gods altaar, u lief te hebben en te gehoorzamen als mijn heer en gemaal. Wilt gij mijn hart, dat berouwvol u tegenklopt, â wilt £;ij het aannemen, Hendrik?''
Zij reikte hem met een vollen, helderen blik hare hand, maar hij nam haar niet aan.
âNeen,quot; zeide hij: âhet is te laat! Ik bouwde u een tempel in mijn hart. Gij hebt dien vernield, en wilt nu uit de verbrijzelde brokken een woonhuis bouwen? Neen, prinses! Laat in puinhoopen liggen, wat de bliksem vernield heeft. Ik zoude toch nooit op de hechtheid van het gebouw vertrouwen, maar elk oogenblik do ineenstorting tegemoet zien. Wij willen aan onze betrekking niet lappen en knoeien, en met schoone woorden niet bepleisteren, wat de bliksem uitgebrand heeft. Ik vergeet u wat gij mij gedaan hebt, maar ik kan u niet meer beminnen. Wij zijn gescheiden voor God en onze harten. Maar voor de wereld zijn en blijven wij getrouwd. Wij zullen gemeenschappelijk dit paleis bewonen; maar wij zullen ons best doen elkander nooit er in te ontmoeten. Gij zult de ééne helft bewonen, ik de andere. Wij zullen op groote gala-dagen, wanneer de étiquette het eiscnt, samen dineeren; maar wij zullen aan verschillende tafels voorzitten, en gij zult mij vergeven, dat ik nooit het woord tot u richt. Wij zijn voor elkander dood, en de dooden spreken niet met elkander. Des zomers zal ik te Rheinsberg wonen. Hot behoort mij ; de Koning heeft het mij bij mijn huwelijk met u geschonken, en mij
248
dunkt ik heb het duur genoeg gekocht, om bet geheel alleen voor mij in gebruik te nemen. Gij zult mij echter niet naar Rheinsberg volgen, maar hier in Berlijn achter blijven, of, als gij het goed vindt, op reis gaan. Neemt gij deze voorwaarden aan, mevrouw?quot;
âIk neem ze aan, mijnheer,quot; zeide de prinses lier: âik zal er niet het geringste aan veranderen of van verzuimen. Wij zullen naast elkander gaan, als een paar galeislaven, die door geen innerlijken band, door geene gedachte, door geen gevoel aan elkander verbonden zijn, maar door een ijzeren, onverbreekbaren keten, die hen dwingt naast elkander te blijven. Het is eene harde straf, welke gij voor mij verzonnen hebt, prins ; alleen vrees ik, dat ik het niet alléén zal zijn, die er onder zal lijden, maar dat ook u er een deel van te beurt valt.quot;
,,Ik zeide u reeds, dat ik niemand straffen,â maar dat ik mij enkel rust en vrede bezorgen wil, en beide loo-pen gevaar door uwe tegenwoordigheid in dit paleis gestoord te worden; want gij, mevrouw, zijt zeer genadig jegens mij geweest; gij hebt niet enkel de liefde gedood, maar ook alle herinneringen aan haar. â En nu, mevrouw, nu gij mijne voorwaarden hebt aangenomen en onze weder-zijdsche betrekkingen, waaronder wij naast elkander zullen gaan, geregeld zijn, nu hebben wij elkander niels meer te zeggen, dan een vaarwel voor het geheele leven! Vaar dan wel, mevrouw, en moge uw bestaan gelukkig zijn!quot;
âVaarwel, prins,quot; fluisterde de prinses met eene door tranen verstikte stem ; âvaarwel, en moge God uw hart leiden, dat gij mij eens vol erbarming vergeeft!quot;
âMevrouw,quot; zeide de prins, zich diep buigende; ânu zult gij wel de goedheid hebben uw toilet een weinig maken, en u dan met uw gevolg naar de groote receptie-zaal te begeven. Wij zullen heden een groot gala diné geven, en met dit feest afscheid nemen van ons verleden. Het zal heden de laatste keer zijn, dat wij aan dezelfde tafel eten. Ik verwacht u dus, mevrouw, vaarwel!quot; 1)
1
De prins bleef zijn voornemen getrouw. Hij sprak nooit weder reet zijne gemalin ; zij scheen inderdaad voor hem gestorven te zijn. Des zomers leefde hij te Rheinsberg waar zijne gemalin nooit kwam; des winters leefden zij bei-
249
Hij boog zich nog eens voor haar en wendde zich toen naar de deur. De prinses zag hem ademloos na, en de tranen, welke zoo lang in hare oogen gestaan hadden, rolden nu langs hare wangen.
Op eens, toen de prins reeds op den drempel stond, riep zij op luiden, smeekenden toon: âHendrik! o, Hendrik!quot;
Maar de prins keerde zich niet om ; hij opende iets haas-liger de deur en was buiten.
Een kwartier later was in de groote receptie-zaal een schitterend gezelschap vergaderd. De prins ontving zijne gasten geheel op die vroolijke, beminnenswaardige wijze, zooals hij dikwijls placht te doen. Maar de bespiedende, altijd oplettende hovelingen meenden heden bij de prinses eene verandering op te merken. Zij vonden, dat de prinses heden minder spraakzaam en stiller dan anders was: dat hare oogen niet den gewonen, vriendelijken glans hadden; dat hare wangen ondanks het blanketsel, zeer bleek waren; zelfs hare stem scheen veranderd, niet helder, maar mat; en de glimlach, welke op hare lippen zetelde, bleef voortdurend koud en gedwongen. Nog meer in het oogvallend scheen allen de verandering, welke met graaf Kalkreuth had plaats gehad. Hij, die anders van vroolijkheid en geest over-
den te Berlijn in het tegenwoordige academiegebouw; maar nooit betrad de prins die helft van het paleis, die door de prinses bewoond werd, en evenmin kwam de prinses ooit in den door den prins bewoonden vleugel, üe eigenaardige trap maakte deze scheiding gemakkelijk, en bevrijdde den prins ten minste van de onaangenaamheid, ooit zijne gemalin te ontmoeten. Met betrekking hierop zeide de graal'von Lehndorf eens tot den prins; âMonseigneur, de Koning heeft u inderdaad een bewonderingswaardig paleis laten bouwen; men kan er zijn geheele leven in doorbrengen, zonder ooit gevaar te Iooigt;en, eene vrouw te ontmoeten.quot; De prins hield intusschen niet van die zinspelingen op zijn treurigen echt, en toen de gravin Kamele het waagde met hem erover te spreken, wees hij haar met barsche en strenge woorden af. â Wilhelmine scheen voor hem volstrekt niet te bestaan. Zelfs in zijn testament maakte hij van haar met geen enkel woord melding, en liet haar niet de kleinste gedachtenis na, terwijl de Koning haar in zijn testament zesduizend thaler vermaakte, maar behalve dit geene gedachtenis, zooals hij dit aan al zijne overige bloedverwanten gedaan had. Prinses Wilhelmine sleet, sedert hare scheiding van den prins, een treurig en verlaten leven. Zij kwam zelden met de overige leden der koninklijke lamilie bijeen, en toen de Koningin van Zweden in 1770 een bezoek aan liet Hof baars broeders bracht, was Wilhelmine de eenige, die haar noch bezocht, noch uitnoodigde. Tóch bereikte de prinses een zeer hoogen ouderdom, en overleefde haar gemaal, â die in 1804 stierf, â nog verscheidene jaren. Tbiébault. Vol. II, p. 139â144.
250
vloeide, wiens grappige invallen altijd een genot voor het geheele Hof geweest waren; hij, die als de schaduw van den prins altijd aan diens zijde werd gevonden, of de prinses als de meest nauwgezette cavalier volgde, â hij was heden sprakeloos en stil; hij stond eenzaam en verlaten in eene vensternis, en zag met treurigen blik naar den prins, die lachend en in gesprek met anderen langs hem heen was gegaan, zonder hem gegroet, of slechts een enkelen keer te hebben aangezien. â En tóch zagen de hovelingen, â hoewel het veranderde voorkomen van den graaf hun in het oog viel, â slechts de uiterlijke sporen van de pijn, die in het hart van den graaf woelde; tóch vermoedden zij de wanhopende smart niet, welke hem sedert vierdagen rusteloos verteerde.
Sedert vier dagen, sedert die laatste ontmoeting in den tuin te Rheinsberg, had de graaf den prins niet gesproken. Tevergeefs had hij schriftelijk om audiëntie verzocht; de prins had zijn brief ongeopend teruggezonden. Tevergeefs had hij zich onderscheidene malen gednrende deze folterende dagen bij den prins laten aandienen. Prins Hendrik had hem nooit ontvangen, maar zich telkens onder een of ander voorwendsel laten verontschuldigen. En tóch gevoelde de graaf, dat het eene onvermijdelijke noodzakelijkheid was met den prins tot eene verklaring te komen; tóch verlangde zijn hart er naar, als een stervende, die naar de laatste vertroosting zijner godsdienst smaclil. Want de vriendschap van den prins, hoe hij haaiquot; ook geschonden en bedrogen had, was nochtans de éénigste en heiligste godsdienst van den graaf geweest; hij had er tegen gezondigd uit lichtzinnigheid en overmoed, maar hij was ten laatste tot het bewustzijn zijner schuld gekomen, en gevoelde er een innig berouw over. Niet céne gedachte aan de prinses was meer in zijn hart; naar den prins was al zijne begeerte, al zijn verlangen gericht. Hij moest hem spreken; hij moest zich met hem verzoenen! Hij beminde hem thans vuriger dan ooit te voren; en nu de prins zich wellicht van hem had afgewend, gevoelde hij eerst, wat hij in hem verloor! â En hij had de hoop op een gesprek met den prins nóg niet opgegeven, en om dit te verkrijgen, was hij op het feest verschenen. âMaar hoe dikwijls hij het ook beproefd had den prins te naderen, altijd had deze hem ontweken.
altijd had hij zich met een der naastbij staanden in een gesprek gewikkeld.
Nu echter, op dit oogenblik stond de prins daar alléén in gindsche vensternis; nu of nooit moest het den graaf gelukken hem te spreken. Met haastigen tred snelde hij door de zaal, en eer nu prins Hendrik tijd had uit de nis te komen, stond graaf Kalkreuth voor hem.
âPrins,quot; fluisterde de graaf: âheb medelijden met mij! Sta mij een kwartier gehoor toe.quot;
De prins sloeg zijn groote, doorborende oogen met eene onuitsprekelijke uitdrukking op hel ontroerde, bleeke gelaat van den graaf, â maar hij sprak geen woord. â Met fiere kalmte stapte hij vooruit, langs den graaf, om toen met vroolijken scherts prins Frederik Wilhelm, die juist naderde te begroeten.
En nu werden de deuren naar de groote eetzaal geopend, en men begaf zich aan den rijk bezetten disch, aan wier boveneinde de prins naast zijne gemalin zat. Niet ver van hen vond de graaf zijne plaats. Meer dan twee uren had hij de worsteling te doorstaan van zoo nabij den prins te zijn, en geen enkele maal het woord tot zich gericht te zien; meer dan twee uren zag hij zich aan de nieuwsgierige, bespiedende blikken der hovelingen blootgesteld, die in stille verrukking dit stomme tooneel tusschen den prins en zijn vorigen vriend, deze vernedering van den trotschen graaf, schenen op te merken.
liindeliik zou deze foltering eindigen; eindelijk was men aan het dessert gekomen, en men verwachtte nu liet teeken van het vorstelijk paar, om van tafel op te staan. Maar vóór dat de prins dit gaf, nam hij zijn glas, en het in de hoogle hellende, zeide hij met luider stem; âNu heb ik mijne gasten nog eene aangename tijding mede te deelen ; want daar gij allen vrienden van graaf Kalkreuth zijt,zal het gewis uwe belangstelling wekken, eene voor hem verblijdende tijding te vernemen. Zijne Majesteit de Koning heeft den luitenant-kolonel graaf Kalkreuth tot generaal-commandant van het regiment prins Frederik, dat in Pruisen staat, benoemd, en mij heeft de Koning uit bijzondere gunst, en omdat hij mijne innige en trouwe vriendschap voor u kent, mijn lieve graaf, vergund, u deze benoeming aan te kondigen. Nu zullen wij u door deze verhooging van rang uit
252
ons midden verliezen, en gij moet heden nog naai' uw legerkorps vertrekken; en Zijne Majesteit beveelt, dat gij u, zoodra wij de tafel hier verlaten hebben, naar Sanssouci zult begeven, om van Zijne Majesteit afscheid tc nemen. En nu, mijne heeren, neemt uwe glazen en klinkt op de gezondheid van mijnheer von Kalkreuth!''
Alle heeren namen hunne glazen; alleen graaf Kalkreuth zelf had er de kracht niet toe. Hij zat geheel ineengezonken, met zijn hoofd voorover gebogen, als schaamde hij zich zijn bleek, ontsteld gelaat te toonen. Het kletteren der glazen klonk in zijne ooren als het hoongelach van spottende geesten, en hij ware gaarne gestorven, om het niet te hoo-ren. Tegen hem over zat prinses Wilhelmine. Zij had hem tot nog toe geen enkelen keer aangezien; maar mt zag zij naar hem op, met een blik van onuitsprekelijke smart; toen biet zij snel haar glas in de hoogte, maar het was geen wijn, dien zij dronk ; het waren hare eigene tranen, welke in het leêge glas druppelden. De prins hief de tafel op en geleidde zijne gemalin weder naar de groote zaal. Hij stond nog naast haar, toen graaf Kalkreuth hem naderde. De hovelingen stonden er omheen, en de blikken van allen waren in groote spanning op de groep gericht, welke daar midden in de zaal stond.
Graaf Kalkreuth was nog altijd bleek en geheel verslagen; hij naderde met wankelenden tred het vorstelijk paar.
Prins Hendrik barstte in een luid gelach uit, en zich toen naar de overige gasten wendende, riep hij: âZiet eens, welk eene vreemde uitwerking de vreugde kan hebben. Zij heeft onzen vroolijken graaf geheel veranderd, en hij is plotseling zóó ernstig geworden, alsof zijne benoeming geene nieuwe waardigheid, maar eene vernedering ware!quot;
Niemand had eenig antwoord op de aanmerking van den prins, en te midden der algemeene, diepe stilte zeide de graaf eindelijk ; âIk kom van Uwe Koninklijke Hoogheden afscheid nemen, om naar de ballingschap te gaan, waarin de genade Zijner Majesteit mij gezonden beeft. Want ofschoon het eene verhooging van rang is, prins, zult gij mij wel vergunnen te zeggen, dat ik in ballingschap ga, daar ik in Koningsberg u, mijn prins niet meer zien zal. Ik zal intusschen uw beeld in mijn hart medenemen, en daar zal het eeuwig leven !quot;
253
âWij willen ons het afscheid niet moeielijk maken door schoone ivoorden!quot; zeide prins Hendrik, den klemtoon op het laatste woord zettende: âKus de hand mijner gemalin tot afscheid, en dan zij God met u!quot;
Terwijl de prinses, eenige onverstaanbare woorden prevelde, die de graaf zelf niet verstond, stak zij hem hare hand toe, welke koud en kleurloos als die van een lijk was. De graaf boog zijn hoofd er over en raakte haar met zijne lippen aan, wier ijzige koude de prinses deed huiveren, alsof de dood ze gekust had.
Dit was hunne laatste ontmoeting; een koud, huiveringwekkend vaarwel voor het leven! Nu wendde zich de graaf tot den prins en deze reikte hem glimlachend zijne hand.
âVaarwel, graaf,quot; zeide hij, en zich over hem heen buigende en hem los quot;omarmende, fluisterde hij hem in het oor: âGij hebt mij eens het leven gered, graaf; thans zijn wij kamp, wam gij hebt mijn hart gedood! Vaarwel!quot;
Bij liet zijne armen los, en graaf Kalkreuth, buitenstaat langer zijne tranen te weerhouden, sloeg zijne handen voor zijn gelaat en waggelde uit de zaal. 1)
Eenige uren later stond de graaf te Sanssouci in de voorkamer des Konings. bij wien hij zich om eene audiëntie had laten melden. Hij moest lang wachten; niemand kwam om hem naar den Koning te brengen; alle deuren bleven gesloten. Alles in het rond was eenzaam en stil. Buiten was het donker geworden; de scherpe April-wind sloeg en kletterde tegen de ruiten en loeide door den uit-gedoofden haard. De graaf gevoelde zich onaangenaam getroffen in dit verlaten, stil vertrek; het scheen hem, alsof geesten achter hem heonslopen en hem treurige en bittere verwijtingen in het oor fluisterden. Hij kon het niet langer
1
Over de verhouding van graaf Kalkreuth tot prinses Wilhelraine vindt men aanteekeningen in: Retzow's Geschichte des Siebenjihrigen Krieges. Verder in het; Leben des Prinzen Heinrich von Preussen. Het uitvoerigst wordt deze geschiedenis behandeld door Thiébault, die den graaf als een zeer schoon, geestig en beminnenswaardig man teekent, die bij de vrouwen in even hooge gunst stond als bij de mannen, en die aan een schoon uiterlijk, de heerlijkste gaven van den geest paarde. Hij heeft een zeer hoogen ouderdom bereikt; hij stierf in 1818 als veldmaarschalk in zijn tweeëntachtigste jaar, en is een der weinige helden van den zevenjarigen oorlog, die nog den bevrijdingskrijg van 1814 beleefd hebben.
'254
onthouden en stond reeds op het punt om de zaal te verlaten, toen de deur geopend werd en de adjudant binnentrad, om hem naar het vertrek des Konings te geleiden.
De Koning bevond zich in zijne woonkamer. Toen graat Kalkreuth binnentrad, legde hij het boek neder, waarin hij gelezen had, en stond op.
Met' streng gelaat en somberen blik stapte hij naar graaf Kalkreuth. â âIk heb u op verzoek mijns broeders tot generaal van het derde legerkorps benoemd,quot; zeide de Koning luid en drittig: âgij moet onmiddelijk naar Koningsberg vertrekken. Gij kent uwe plichten! Ga heen, en denk er aan om ze te vervullen.quot; 1)
âSire,quot; zeide de graaf zacht: âsire âquot;
âGeen woord meer, ga!quot;
Graaf Kalkreuth had nauwelijks de kracht de laatste militaire buiging te maken, en verliet langzaam, zijn woede verkroppende, de zaal.
De Koning zag hem peinzend na. â âArme Hendrik,quot; fluisterde hij toen; âhebt gij óók een Judaskus van een vriend moeten ontvangen ? Gij gevoeldet u zoo gelukkig, arme broeder; waarom moest het noodlot u uit uwe zoete droomen rukken! Het is altijd nog iets, in zijne verbeelding gelukkig te zijn. Er bestaat, geloof ik, op aarde geen ander geluk. En wat doet het er toe, of waarheid of droom ons gelukkig maakt en ons leven aangenaam doet voorbijgaan? 2) â Ik ben zóu arm, dat ik niet eens meer den droom van hei (jeluk den mijne noemen kan! En de menschen benijden mij tóch! Dat heet, zij benijden een armen, ontnuchterden, van alle begoochelingen genezen man; zij benijden hem, omdat hij eene kroon draagt! Welk genot heb ik echter van mijn leven! Mijn leven is werken en zwoegen; anders niets! Ik werk voor mijn volk, dat er mij niet dankbaar
1
's Konings eigtn woorden.
2
's Konings eigen woorden. (Zie Thiébault. Vol. II, p. 165.) Graaf Kalkreuth moest dadelijk naar Koningsberg vertrekken, en toen kort daarna prins Hendrik, op zijne reis naar Petersburg, door Koningsberg kwam, moest graal' Kalkreuth met zijne troepen voor den prins parade houden. De prins bleef slechts een oogenblik op de parade, om niet gedwongen te worden met den graaf te sproken, en deze onderging daardoor de vernedering, dat hij voor den achtergebleven adjudant van den prins, mijnheer von Kaphengst, zijn persoonlijken vijand, de militaire eerbewijzingen moest houden.
255
voor is, en dat mijn opvolger, al is hij nóg zoo kleingeestig en armzalig, evenzeer toejuichen zal, als hel mij gedaan heeft. Want de liefde van het volk voor zijn Koning is eene liefde vol baatzucht, en armzalige berekening. Wie heeft mij dan ooit bemind! Ik bracht mijne vrienden een vol hart; ik vergat bij hen, dat ik Koning was; maar zij hebben het nooit vergeten, en niemand van hen, niet één van hen allen heeft in mij ooit den mensch liet gehad. De dwaze, domme menigte noemt mij een held, en spreekt van de lauweren, welke mijn hoofd versieren; maar van de doornen, welke de menschen er doorheen gevlochten hebben, weet niemand iets! O, ik wil met de menschen niets meer te doen hebben; het zijn lage, slaaf-sche zielen, anders niets! Zij bedriegen elkander, en allen bedriegen mij!quot;')
Terwijl de Koning dus sprak, voelde hij iets aan zijne voeten. Een weinig verschrikt sloeg hij er zijn blik heen. Het was de hazewind Diana, die zich voor zijne voeten had gelegd, en met groote, schitterende oogen naar hem opzag.
Een glimlach vloog over het gelaat des Konings en toen iiij zich boog, om het dier, dat vriendelijk kwispelstaartte, te streelen, zeide hij: âGij komt mij herinneren, dat er tóch nog liefde on trouw op de wereld is; alleen moet men niet dwaas genoeg zijn die bij de mensc/im te zoeken. Kom hier, Diana; kom, mijne kleine vriendin. Ik had ongelijk van mij eenzaam te noemen, want gij zijt er immers, en dan â heb ik ook niet mijne lluit? Dat is óók zulk eene lieve, vertrouwde vriendin, die men alles kan zeggen, en die niets venaadt. Gij beiden zult mij lieden avondgezelschap houden.quot;
Zoo sprekende nam de Koning zijne fluit van de tafel, en begon, de kamer op en neder gaande, zacht te spelen. Diana volgde haren meester, en scheen met eerbied naar die lange, klagende tonen te luisteren, welke de Koning aan zijne lluit ontlokte.
Vreemd en treurig klonk deze muziek van den eenzamen Koning, als gesmoorde zuchten en snikken; en toen de wind nu óók fluitend tegen de ramen sloeg, scheen het, alsof ook deze met zijn treurig geluid, het klaaglied van den groeten Frederik mede wilde aanheffen.
1) 's Konings eigen woorden.
c* (Ci 2^7 ( 6
INHOUD.
Blad?.
Hoofdst. IX. Trenck..............!â¢
â X. Trenck, zijt gij daar?........H-
â XI. De Koning en de Duiische geleerde ... 21.
XII. Gellert..............33-
â XIII. De Koning en de dichter.......45.
â XIV. De Koning en de dorpsschout.....53.
â XV. Het huwelijksvoorstel........60.
â XVI. De gezant van den Khan der Tartaren . 72.
Bladz.
Hoofdst. I. De terugkomst des Konings.....90.
â II. Prins Hendrik...........1^7.
â IH. Moeder en dochter.........116-
â IV. De Koning in Sanssouci.......132.
ti V. De gegraveerde beker . â¢.......145.
â VI. De prinses en de diplomaat. . . . . ⢠156.
â VIL De koninklijke huisspion.......165.
,. VHI. Het ongeluk nadert.........171.
â IX. Broeder en zuster.........182.
~ â X. De kinderroof...........193.
â XI. De ontdekking.......... 206.
â XII. Een voormiddag in Sanssouci .... 215.
XIII. De wraak van den echtgenoot .... 232.
K XIV. De beslissing........... 243.
.ft ^ v t r,/ â¢' -
/ / lt; , / w , ^.
;V- -''k » -gt; â¢- â â¢f;
,. ? ⢠.ü V â ' . -Avi
V
f %. - , VV^
^ ' '-f gt; ⢠gt; *'gt;4* '
gt; ⢠,:y ?â¢'- -^' ' i ^
â â t'4 ⢠.quot; k
f â v ^ ^ ' Z
v: v.: ⢠*% '- ^
i \ V, ⢠1 , ^ \ quot;.' - /» 1 i
â ~gt;»j'. « v i % â -lt; S. ' \ »quot;-'
H ^ r~*' ~ V
⢠â¢v-/ t v/. ^ y.' ^ ^
lt;\,--'ti i -1/- -'^W ^ ï'.A , â¢quot; ,quot;â¢â¢Æâ
'A ' lt;^^4 . S? 4 ^ .V. . ^ « â
gt; 'quot; ⢠quot;f â¢gt; 'T quot; ,W r1 v V ' V ^ V ^
; r lt;V ' % ^ V ' ^ V t W â * \ C gt;'
â¢v % gt; â ⢠cr' %v A quot; â . -
'â et,quot;- è',' j ^ .*:
â¢?gt;., V- - â - .lt; k? L lt;amp;'â
gt; . gt; â¢t--. c* ⢠* x gt;â
V- â¢
ï'iv -.,*quot;gt; :-'- .', / . *-⢠quot;-..vu'-.f;.
sW ^ ;« ;gt; â //: -' ^V;'?! !â gt; â ' 'o-li quot;.' - â¢quot; 'quot; ,;;Ã
â - f
;JL : ^-4
- gt; ^ a.
r' vgt;- lt; 7 gt;«â¢â¢ quot; quot;
J ' Ti1 ' ^
. â gt;
â ^quot;4 , 'â » ,
^ ^ ' 40
;â ^ /
4- 'tf
^ So ⢠vquot;: :
X4
/ quot;..â¢â ⢠. ; gt;4.» 1
'V* _« *Tji V
'Vv^v- - â gt; V Jr- ^
JL^l-£