ocr page 1
ocr page 2

\

ocr page 3

DE VERTELLER.

VERHALEN EN VERZEN

DOOR

A. J. HOOGENBIRK.

MET PLATEN, EN TEEKENINGEN VANquot;

A. H. DE HARTOG Jr.

AMSTERDAM, HÖVEIvER amp; ZOON.

ocr page 4
ocr page 5

*

ocr page 6
ocr page 7

Eens ging een rijke Farizeeuw.

Met tgjcsten op zijn kleed,

De markt langs, waar hij vaak — elk zag'

gt; Gebed of almoes deed.

* ■

Hij vond, ook bij al 't marktgewoel

Wel ruimte voor zijn voet;

Elk, die al buigend voor hem week.

Sprak ; ,Rabbi, wees gegroet!quot;

Daar schoot een kleine, jgpeébjche hond,

Niet^wetend wat hij deed, » -Op d'achtbfeft Farizeëf af, A

En hapte naar zijn kleed. ■

DE FAEIZEEB EN DE HOND.

ocr page 8

Toen werd des Farizeërs hart Met toorn en nijd vervuld;

Toch bleef hij gansch bedaard, maar dacht „Ik krijg hem wel! geduld!quot;

Snel liep reeds 't volk van allen kant Om man en hond bijeen :

„De rabbi is in doodsgevaar:

Een hond vliegt hem naar 't been!quot;

„Sla dood dat onbeschaamde beest,

Het is niet beter waard!quot;

Toen sprak de Farizeër luid:

„Mijn vrienden ! weest bedaard !

Dien hond te dooden en om mij

Die mensch noch beest ooit kwel.., . !

Dat niet; — hoe valsch het dier moog zijn 'k Doe ook dien vijand wel.

Maar, en dat 's gansch een andre vraag, (De markt is overvol)

Wat doet zoo'n felle bijter hier ?

01'.... is het dier soms dol ?quot;

Toen riep al 't volk: „Dat moet het zijn ! Dol is die hond! Zoo kwaad

En snood te bijten! Weg met hem!quot; — Straks lag hij dood op straat.

„Achquot;, riep de Farizeër, „ach!

't Doet in de ziel mij zeer!quot;

Maar toen hem straks geen mensch meer za Sprak hij met een tevreden lach :

„'t Was de eerste en laatste keer :

Nu doet hij 't vast niet weer!quot;

ocr page 9

TE LAAT KOMEN.

Daar heeft zeker al deze of gene mijner lozers op school al de jammeren van ondervonden. Maar 't is beter, dat men het vroeg afleert, dan later tot zijn schade te ondervinden hoeveel ongeluk er uit ontstaan kan. In den Bijbel lezen wij telkens, dat de menschen, die een groot en goed werk te verrichten -hadden „vroeg opstonden.quot; En diezelfde Bijbel spreekt ook van een Telaat, wanneer „de deuren zullen gesloten zijnquot;, en waarvoor ons de Heer genadig moge bewaren.

Koningin Victoria, die thans al vijf en vijftig jaar op den troon van Engeland zit, was reeds in haar jeugd bekend als iemand, die zeer stipt op haar tijd pastte. Groote heeren en vrouwen doen dat juist niet altijd, en de koningin had dan ook dikwijls gelegenheid, om zich boos te maken op sommige heeren en dames van haar hof, die meenden dat de klok zich naar hen moest regelen, en zij niet naar de klok.

Vooral een aanzienlijke hofdame, een hertogin, had dit gebrek. Zij was „Mistress of the Bobesquot;, een hooge post onder die der eeredames van de vorstin, en moest daarom bij feesten en dergelijke groote gelegenheden altijd koningin Victoria verzeilen. Dat kwam nu al zeer ongelukkig, want de koningin wTas, zooals ik zeide even nauwkeurig als de hertogin slordig op quot;den tijd. AI dikwijls had de vorstin er over gesproken, maar het hielp weinig.

Nu gebeurde het, dat er te Londen een groot feest zou worden gegeven, waar de koningin bij moest zijn. Alles en ieder was gereed ; de vorstin in haar prachtgewaad klaar om te vertrekken,, het geheele hof ook. Alleen de hertogin was er niet er) zonder'• haar kon men niet wel uitgaan.

De rijtuigen hadden reeds een half uur voor het paleis ^o^taan,-en de langverwachte dame ontbrak nog. Koningin Victoria werd ongeduldig, en besloot in vredesnaam maar weg te rijden. Daar kwam eensklaps de hertogin driftig binnenloopen, buiten adem door den gemaakten haast.

„Uw Majesteit vergeve het mijquot;, sprak zij hijgend tot de koningin, „het was mij wezenlijk onmogelijk eer te komen, door allerlei...quot;

ocr page 10

c

„Waarde hertoginquot;, antwoordde koningin Victoria, „gij hebt zeker een zeer slecht horloge.quot;

Meteen maakte de vorstin snel haar horloge-ketting met het uurwerk er aan los, ea hing den prachtigen keten met het fraaie horloge om den hals van de hertogin, die nu twee horloges tegelijk droeg, een slecht en een goed. 't Was zeker een beleefde manier om iemand te berispen, maar de hertogin gevoelde het toch zeer diep, evenzeer als de omstanders. Zij zeide niets, en stapte achter de koningin in het rijtuig. Maar zij had een kleur als bloed, terwijl ze op haar lippen beet van spijt, en een traan uit haar oog sprong.

Of de hertogin een aangenamen dag had weet ik niet, maar betwijfel het. Zeker is het, dat zij den volgenden dag een brief schreef, waarin stond, dat zij voor haar post bedankte. Maaide koningin, die veel van de hertogin hield, wilde daar niets van hooren. Zij beduidde de dame, dat zij haar slechts een welverdiende les had willen geven, en haar gaarne bij zich hield. Zoo is het ook geschied, maar de hertogin kwam na dien tijd nooit meer te laat.

ETCN SCHRANDER ANTWOORD.

De Bijbel leert ons, dat de Heere God rijken en armen gemaakt heeft, dat H ij arm en rijk maakt. Er zijn echter altijd menschen geweest, die 't beter wilden weten, en tegenwoordig vooral, vindt men er heel veel zoo. Al het geld moet gelijk verdeeld worden onder allen, zeggen zij, dan gaan de dingen goed.

In quot;t jaar 1848, toen er in Duitschland haast overal oproer ■was, kwamen twee zulke waanwijze menschen, die zichzelf „volksleidersquot; noemden, eens aan het huis van den grooten Rothschild te Frankfort. Rothschild is, zooals gij wel eens zult gehoord hebben, een zeer rijk man, of liever er zijn in verschillende steden groote bankiers van het geslacht Rothschild, allen onnoemelijk rijk. Zij zijn baronnen, en hun geld kan in heel de wereld veel doen.

ocr page 11

De twee mannen nu schelden aan, en vroegen den baron te spreken. Dit werd toegestaan, en een oogenblik daarna stond hij voor hen.

„Wel heeren, wat wilt gij?quot; vroeg de bankier den twee vreemden gasten.

„Baronquot;, antwoordde de een, „gij bezit raillocnen bij milli-ounen en wij hebben niets. Gij moest uw geld met het volk deelen.quot;

„Heel wel, heerenquot;, antwoordde Rothschild, „hoeveel denkt ge wel, dat ik zoo ongeveer bezit?quot;

„Dat zal wel een veertig millioen daalders zijn.quot;

„Veertig millioen!quot; riep de bankier uit. „Welnu er zijn in Duitschland ook ongeveer veertig millioen menschen zooals de vrienden weten. Dat maakt dus net een daalder voor elk. Hier is er eenquot;, ging hij voort in zijn zak tastend, „voor elk uwer. Gij hebt nu, dunkt mij, niet te klagen. Meer komt u eerlijk niet toe.quot;

De twee vrienden stonden verbluft, ieder met zijn daalder in de hand. De bankier opende de deur, en was blijde zoo zijn gasten kwijt te zijn. Of hij echter ook zoo vrijgevig zou geweest zijn, als de overige 40 millioen, min 3, elk om een daalder waren gekomen, is wel een weinig te betwijfelen. Maar toch had hij een goede les gegeven.

HET KOFFIE-OPKOER.

Een eeuw geleden heerschte over de stad Paderborn bisschop Wilhem Anton als vorst, 't Was een goed heer, die voor zijn volkje meer deed dan menigeen zijner voorgangers. Vooral was 't hem er oin te doen de lieden te wennen aan spaarzaamheid, en hun af te lecren hun geld onnoodig uit te geven.

De Paderborners vonden het echter alles behalve aangenaam, dat hun vorst en bisschop allerlei wetten maakte om te zorgen, dat men zijn gold niet verkwistte maar in den zak hield. Want, zeiden de burgers, daar heeft onze landheer zich niet mee te bemoeien. Doch in allen ernst boos werden zij, toen de bisschop

ocr page 12

8

nog verder ging, en in Februari van 't jaar 1777 allen gewonen burgers en allen boeren streng verbood koffie te drinken. Die is voor hen niet noodig, zei vorst Anton, koffie deugt alleen voor mij, mijn hooge dienaars, de adellijke heeren, en de geestelijken. En om 't zoover te krijgen, wees de bisschop aan welke handelaars koffie mochten verkoopen. Deed een ander het, dan was hij, als 't ontdekt werd, zijn koffie kwijt en beliep nog 5 of 10 gulden boete.

Natuurlijk hadden de burgers en boeren, die ook wel lusten wat goed smaakt, daar veel tegen, en deden alles om in stilte wat koffie in huis en in de keel te smokkelen. Ook de winkeliers konden moeilijk aan iemands neus zien of hij van adel of een groote heer, dan wel een gewoon mensch was. Al spoedig dacht geen mensch meer om 't gebod, en dronk men koffie naar hartelust en zin.

Doch bisschop Anton kreeg al spoedig de lucht van al die koffie, zoowel in de zinnebeeldige als in de letterlijke beteekenis. Heel verstoord, liet hij — 't was toen juist vier jaar geleden, dat het gebod was gfgeven — de wet vernieuwen. Om te toonen dat het nu ernst was, liet de bisschop eenige winkels, waar koffie werd verkocht, sluiten, en sommige koopers werden lot hun schrik beboet.

Als een loopend vuurtje liep het bericht van wat gebeurd

was rond, en allen koffiedrinkers

sloeg de schrik om de leden. Weldra echter veranderde de ontsteltenis in boosheid. Spotboekjes en spotr liederen op den bisschop kwamen uit; doch deze

stoorde zich daar niet aan. Toen be-. ' quot; l' J sloten eenige aanzienlijke lieden,

ocr page 13

9

die 't den bisschop moeilijk willen maken en het dorstig volk zijn zin geven, iets anders te beproeven.

Op zekeren avond werden onverwacht op de markt eenige groote vuren aangestoken, en overal aan palen brandende lichten gehangen. Daarop kwamen mannen aandragen met zakken en ketels. Natuurlijk kwam nu alles op de been om te zien wat Ir aan de hand was. Dat behoefte men niet lang te vragen. De ketels werden te vuur gezet, de zakken geleegd, en weldra kreeg ieder een heerlijken geur in de neus van... koffie! Een gejuich ging op toen de mannen vertelden dat ieder vrij aan 't drinken kon gaan, zooveel hij lustte.

In een ommezientje liep de markt leeg, maar ook even gauw weer vol, met mannen, vrouwen en kinderen, die op de straten en thuis het groote nieuws vertelden, en zorgden dat zij 't een of ander kregen om uit te drinken. De een kwam met een kopje, de tweede met een pot, de derde met een kan, en weldra stonden allen hijgend en blazend te slorpen en te drinken als Arabieren bij de put in de zandwoestijn. In breedegt;4gt;ruine stroomen vloeide koffie en nog eens koffie overal. Al 't volk zong en sprong, met de kannen en potten zwaaiende, over de markt. De koffie werd luid geprezen evenals zijn schenkers, maar den bisschop verwenschte men naar het land, waar de koffie groeit. Wel werden de lieden van al het vocht niet dronken, maar zij gingen te keer alsof zij't waren. De geheele stad was in rep en roer. Overal werd op den bisschop gescholden die den menschen geen kopje koffie gunde, en dan dronk men weer tot lafenis een volle kan leeg.

Bisschop Anton woonde niet in de stad en zoo kwam het, dat hij van de drinkpartij niets hoorde vóór den volgenden morgen, toen de menschen, wier hoofden en magen evenzeer vervuld waren, rustig lagen te slapen. De vorst dacht eerst dat heel Paderborn in opstand was, en zond een afdeeling soldaten in allerijl naar de stad. Doch hoe verbaasd stonden deze te kijken, toen zij in plaats van een oproerige, een stiller stad vonden dan gewoonlijk, waar niets te doen viel dan ijverig kopjes en kannen wasschen. Dat konden echter de krijgslieden moeilijk gaan doen, en dus trokken zij maar weer weg.

De bisschap hoorde al spoedig wat er eigenlijk gebeurd was.

ocr page 14

10

Wel was hij in zijn hart erg boos, maar heel wijs hield hij zijn toorn in. Wat de wet betreft, daarover sprak hij ook maar niet meer. Want, dacht hij, als mijn onderdanen met alle geweld hun geld verkeerd willen besteden, moeten ze maar zelf weten wat er van komt.

Sedert dien tijd kon ieder te Paderborn zooveel koffie drinken als hij betalen en verdragen kon, en 't is zoo gebleven tot op dezen dag toe.

IIOE DniE STEDEN VERGINGEN.

Die drie steden werden al voor 1S00 jaar onder de asch en de lava van den Vesuvius begraven. Ik wil u thans vertellen hoe die ontzettende gebeurtenis plaats had. Wel is het lang geleden, maar toch weten we het heel nauwkeurig, omdat iemand die het alles heeft bijgewoond het voor ons heeft opge-teekend. Het was een geleerd en daarbij geloofwaardig man ; anders zou ons zijn verhaal ook niet veel waard zijn.

Omstreeks 't jaar 80 na de geboorte van onzen Heer, regeerde over do Romeinen Keizer Titus, dezelfde die Jeruzalem heeft ingenomen en verwoest, schoon hij dat laatste deed zeer tegen zijn zin. Titus was een zeer goed vorst. Doch onder zijn regeering troffen het groote rijk, dat hij bestuurde, zware onheilen. Rome werd voor een groot deel vernield door een hevigen brand. Een geweldige pest raapte duizenden menschen weg, en eindelijk had ook onder Titus' regeering de uitbarsting van de Vesuvius plaats, van welke we nu gaan spreken. Laat ik u nog even herinneren, dat de Vesuvius ligt bij Napels in Italië. In den omtrek lagen toen drie steden, Pompeji, Herculanuni en Stabia.

Sedert onheugelijke tijden had in die dagen de Vesuvius niet gewerkt, en zoo men er van tijd tot tijd geen rook uit had zien opstijgen, zou men wellicht gedacht hebben, dat de vulkaan uitgebrand was. Doch dat het anders was zou men met schrik gewaar worden op den 24en Aug. van het jaar 79. Des namiddags 1 uur zagen de bewoners van de rondom den berg

ocr page 15

11

gelegen steden, dat zich een wolk van bijzondere gedaante boven den krater verhief. Bij nader onderzoek bevond men dat het een zuil van rook was, die recht uit den krater in de hoogte steeg, en zich nu eens wit, dan donker of verschillend gekleurd aan het oog vertoonde.

't Spreekt vanzelf, dat de bewoners des lands, die zoo iets nog zelden gezien hadden, uit nieuwsgierigheid en ongerustheid van alle kanten toeliepen. Onder hen was ook een zeer wijs man, Plinius (de oude bijgenaamd), een bekwaam natuurkundige, die juist in den omtrek, te Misenum, vertoefde, waar hij het bevel voerde over de vloot in de golf van Napels, 't Spreekt vanzelf, dat hij dit merkwaardig natuurverschijnsel van nabij beschouwen wilde. Hij liet zich daarom naar de andere zijde van de golf, in de nabijheid van den Vesuvius roeien, zonder zicli te laten weerhouden door den raad en de smeekingen der beangstigde zeelieden die alles in 't werk stelden, om hem van zijn gevaarlijk plan te doen afzien. Hij kwam trouwens reeds onderscheiden vaartuigen met vluchtelingen tegen, die zich verbaasden over den onverschrokken man, die zonder noodzaak het gevaar tegemoet ging, alleen om zijn kennis te verrijken.

Hoe meer het schip den oever naderde, des te heeter en dichter werd de aschregen ; gloeiende steenen slingerden dooide lucht, en stortten van weerkanten in het water. Een oogenblik aarzelde Plinius, of hij niet liever zou terugkeeren. Maar „neen!quot; riep hij uit, „wie niet waagt, wie niet wintquot;, en beval aan den naastbijgelegen oever te landen. Hier lag de stad Stabia, waar een goed vriend van hem woonde, en bij dezen hoopte hij den nacht door te brengen. Maar bij zijn komst vond hij reeds het geheele huis in verwarring. Vaartuigen waren met goederen beladen, om, zoodra de wind een weinig gunstig werd en de rook en de aschregen wat bedaarden, huis en hof te verlaten, zich dadelijk aan boord te begeven en te vluchten. Plinius echter sprak zijn vrienden moed in, vroeg een bad om zich wat op te frisschen, at met smaak, en was vroolijk en welgemoed.

Ondertusschen was het nacht geworden, en zag men op verscheiden plaatsen uit den berg lavastroomen nederdalen, en de vlammen naar den duisteren hemel opstijgen. Hoewel hel gevaar

ocr page 16

12

▼

toenam, en de vuurgloed steeds grooter werd, legde Plinius zich toch rustig te bed; maar de anderen hadden rust noch duur en zagen vol angst het schouwspel aan. Na eenige uren moest men hem echter wekken, daar de regen van asch en steenen zoodanig toenam, dat men vreesde, dat deze hem weldra beletten zou zijn kamer te verlaten. Nu werd er beraadslaagd, wat men verder zou doen. De grond begon meer te dreunen; ieder oogenblik was men bevreesd, dat het huis zou instorten, en toch waagde men liet niet zich daarbuiten te begeven, uit vrees voor de gloeiende steenen, die steeds in een dichten regen nedervielen.

Eindelijk werd er toch besloten om naar buiten te gaan. Ieder bond een kussen op het hoofd om zich te beschutten, en zoo begaf men zich in den pikdonkeren nacht op weg, door slaven met fakkels zoo goed mogelijk voorgelicht. Voor Plinius, die lang niet jong meer was en daarbij nog al zwaarlijvig, werd het nu moeilijk, vooral wijl het buiten zoo vreeselijk benauwd was. Want in plaats van frissche lucht ademde men bijna niets dan rook en asch in. Toen hij dan ook, door twee slaven op de schouders gedragen, zich inspande om het gevaar te ontkomen, werd hij plotseling door een beroerte getroffen, denkelijk veroorzaakt door den benauwenden stikdamp en viel dood op den grond neder. De overigen zett'en intusschen den tocht voort, om zich aan het gevaar te onttrekken, en eerst eenige dagen later was het mogelijk Plinius' lijk op te sporen en te begraven.

Nu moet gij weten, dat de oude Plinius een neef had, eveneens een geleerd man ook Plinius geheeten, met den bijnaam den jonge. Hij as in de stad, waar zijn oom woonde, met zijn moeder ach' /gebleven, en aanschouwde daar het ontzettend natuurtooneel. Hoewel de plaats door de golf van den vuur-spuwenden berg gescheiden was, begon de aarde met ieder uur toch sterker te dreunen, en dit werd eindelijk des nachts zoo hevig, dat al het huisraad waggelde, en het huis dreigde in te storten. De oude moeder snelde vol angst naar de kamer van haar zoon, die zich ter rust had begeven, doch reeds opgestaan was, en nu begaven beiden zich naar het strand, waar zij zich het veiligst waanden, om den dag af te wachten.

ocr page 17

V

13

Maar het werd geen dag. Te zes uur 's morgens kon de zon nog niet door den aschregen heendringen, en men werd slechts een flauwe schemering gewaar. Hier en daar stortten huizen in, de zee sloeg haar bruisende golven over het strand, en wierp allerlei zeedieren ver landwaarts in. De onheilspellende wolk bleef nog altijd pikzwart boven den berg hangen, en werd nu en dan verlicht door vuurvlammen, aan bliksemstralen gelijk.

Toen gebeurde er iets, dat verschrikkelijk moet geweest zijn. De rookkolom van den berg sloeg namelijk eensklaps naar beneden, en overdekte de golf als met een zwarte sluier, zoodat men noch het eiland Capri, noch den tegenoverliggende!! oever meer kon onderscheiden. Nu smeekte de moeder haar Plinius om zich toch door een spoedige vlucht te redden, en haar achter te laten, daar zij te oud en te machteloos was, om hem te volgen. Maar natuurlijk wilde de jongeling den tocht niet zonder haar ondernemen. Half vrijwillig, half met geweld liet de goede, oude vrouw zich door hem voortslepen, terwijl zij zichzelf steeds verwijtingen deed, dat zij hem in zijn vlucht belemmerde. Nadat zij nu een gedeelte van den groo.ten weg hadden afgelegd, zag Plinius even achterom. Maar hoe hevig ontstelde hij op dit gezicht! Een dikke duisternis scheen op hen af te komen; zij bedekte reeds de landstreek achter hen, kwam al nader en nader, totdat zij eindelijk ook de plek bereikte, waarop zij zich bevonden. Het nachtelijk donker breidde zich over den geheelen omtrek uit. Gij begrijpt hoe schrikwekkend dit zijn moest, daar het voormiddag was, en de zon dus hoog aan den hemel moest staan.

Onbeschrijfelijk was dan ook de verwarring en de ontzetting, die ontstond door deze duisternis. Men hoorde vrouwen kermen, kinderen schreeuwen, mannen roepen. Ouders zochten hun kinderen, kinderen hun ouders. Men trachtte elkander aan de stem te herkennen, uaar 't onmogelijk was iemand voor of achter zich te zien. Hier jammerde iemand over zichzelf, daar beklaagde een ander zijn huisgenooten, elders hoorde men zelfs den dood te hulp roepen. Velen moven wanhopig de handen ten hemel, om de goden, die zij meenden, dat hen verlaten hadden, om ontferming te smeeken. De meesten dachten niet anders, dan dat de wereld verging.

ocr page 18

Eindelijk nam de duisternis langzamerhand af en werd door een dikken nevel vervangen, waartusschen de zonneschijf, als de volle maan bij mistig weder, lot aller vreugde zichtbaar werd. Maar hoe werd alles in dien korten tijd veranderd! De streek, waarin men zich bevond, was nauwelijks te herkennen. De schoonste korenvelden en rijkste wijnbergen waren met een dikke laag asch overtogen, de geheele natuur scheen gestorven te zijn. Eerst eenige dagen na de uitbarsting, dorst men den Vesuvius naderen. De geheele streek was onkenbaar geworden, er werd geen spoor van planten en gewassen meer aangetroffen.

Wat echter het verschrikkelijkste was, de drie steden in de nabijheid, Herculanum, Pompeji en Stabia waren geheel verdwenen. Men wist niet of zij door de aardbeving verzwolgen of door de asch begraven waren. Wie van de inwoners niet had kunnen vluchten was omgekomen. Later zijn die steden weergevonden en zijn niet zoo lang geleden weder diep uit de aarde uitgegraven.

AFGETROKKÉIVHEID.

Daar weet ik niet van, zult gij misschien zeggen. Nu, ik hoop het, schoon het wel eens anders kon zijn.

Een poos geleden stond een schoolmeester voor de klas te vertellen, en merkte dat een van de meisjes volstrekt niet luisterde, en telkens de hand in haar zak stak. Nu sprak de móester over landen waar men goud vindt, en vertelde, dat het ook in Australië wordt opgedolven. Opeens echter hield hij op en vroeg: „Zeg mij nu eens, Jansje, waar is ook weer die streek, waar zooveel goud vandaan komt?quot;

Maar Jansje was ni' -inist wat men- üut.Tit ,afgetrokken.quot; Want weet gij wat zij antwoordde? „Het is... het is in mijn Zondagsche jurk!quot;

Gij moet weten, dat zij in die jurk haar beursje had laten zitten, en daar, terwijl de meester sprak, aldoor in haar daagsche jurk naar gezocht had. Toen nu de meester vroeg: „waar is het?quot; waren haar gedachten zoo afget rokken van wat

ocr page 19
ocr page 20
ocr page 21

17

Er was brand uitgebroken in een schouwburg. Gelukkig bad men 't gauw gemerkt en liepen geen menschen gevaar. Doch zie, terwijl de vlammen al heviger uitsloegen, ontdekte men eensklaps een gevlekte poes, die met groot geschreeuw recht naar de plaats liep waar 't vuur 't ergst was. De blusschers wilden haar wegjagen, maar, jawel, de kat was hun tc vlug en weldra sprong zij door den dikken rook midden in den vuurgloed.

Het duurde echter niet lang oi' daar kwam poes weerom, en wel met een klein katje in den bek. Nu begreep ieder water aan de hand was. De kat had jongen en die lagen juist waaide brand was.

Zoodra het eerste katje op een veilige plaats was neergelegd, keerde de trouwe moeder terug. De brand was nog erger geworden, maar zij gaf er niet om, sprong door de vlammen heen en kwam spoedig met een tweede van haar kinderen terug. Toen beproefde zij 't voor de derde maal en ook dat ging goed. Doch nu zij het voor den vierden keer wou ondernemen, was de hitte zoo groot geworden, dat de brandweermannen al hun best deden om uit medelijden de goede poes tegen te houden. Maar vergeefs, de kat ontsprong hun, liep op hot vuur toe, en — kwam niet weerom.

Na eenige dagen werd het puin opgeruimd. Toen vonden de werklieden onder de zwarte balken de kat. Zij was dood, half verbrand. Naast haar lag de jonge kat, ook bijna geheel in 't vuur verteerd.

Beschaamt die kat niet menigeen die meer is dan een dier?

„KUNT GIJ ZWIJGEN £

Wie Willem de Zwijger was behoeft zeker aan geen lezer verteld te worden. Hij ontving zijn bijnaam denkelijk van zijn vijanden, en wel omdat hij zoo goed de kunst verstond, datgene voor zicli te houden wat hij niet wilde dat een ander zou weten. En dat is zulk een zeldzame kunst, dat de naam lot een eernaam is geworden, evenals 't gegaan is met het in 't eerst verachtelijke „Geuzenquot; (Gueux, d. i. landloopers, bedelaars.)

2

ocr page 22

18

Er zijn echter meer Oranje-vorsten geweest die zwijgen konden, en ook verlangden dat anderen hun voorbeeld zouden volgen. Zulk een was de achterkleinzoon van Willem den Zwijger, prins Willem III, stadhouder der Nederlanden en Koning van Engeland.

Toen hij in 16S8 dien laatsten titel had verkregen, wilde de Koning van Frankrijk hem niet als vorst over Brittannië erkennen. Er ontstond een oorlog tusschen Engeland en Nederland aan de eene en Frankrijk aan de andere zij. Die oorlog werd voor een groot deel gevoerd in de Zuidelijke Nederlanden.

Nu gebeurde het, terwijl het leger eens onder aanvoering van prins Willem den vijand tegentrok, dat een der voornaamste officieren gaarne weten wilde waarheen de tocht eigenlijk ging. Koning Willem had dit echter om goede redenen slechts aan een paar personen, die 't weten moesten, gezegd. Niemand anders wist er iets van.

De officier, die tot het gevolg van den prins behoorde, dorst natuurlijk niet zoo ronduit vragen : „Waar gaan we heen?quot; Maar zoodra hij met den vorst in gesprek kwam, begon hij te praten over den veldtocht, over de plaats waar de Franschen nu zouden zijn, en trachtte zoo iets uit le visschen.

Maar Willem, die even scherp van verstand als van oogen was, begreep dadelijk wat, de officier wilde en sprak:

„Gij schijnt verlangend te zijn te vernemen waar we heen gaan, niet waar!quot;

„Vergeef mij,quot; sprak de officier, een weinig verschrikt, dat, men zijn bedoeling had geraden, „maar ik zou....quot;

„Hoor eens,quot; zei de Koning: „Kunt gij zwijgen?quot;

„O zeker,quot; hernam de officier, in de hoop iets te vernemen.

„Ik ook,quot; sprak Willem op zijn gewone, droge manier, en reed meteen weg.»

VAN' DEN DOOD GEBED.

In 't laatst der vorige eeuw woedde er 7 jaren lang een krijg tusschen Engeland en de Britsche bezittingen in N.-Amerika,

ocr page 23

19

die daarmee eindigde dat de laatste een vrij land werden, de Vereenigde Staten van N.-Amerika geheeten. Een van de dapperste veldheeren der Amerikanen in dien oorlog was generaal Scbuyler. Naar zijn naam te oordeelen was hij van Hoilandsche at komst, wat bovendien zeer wel zijn kan, daar er in de Vereenigde Staten vele oude en aanzienlijke Nederlandsche geslachten wonen. Deze beroemen zich nog steeds op hun afkomst, en daarop dat hun voorvaderen New-York') dat eerst Nieuw-Arnsterdam heette, gesticht hebben.

Hoe het zij, generaal Schuyler was een geducht vijand voor de Engelschen. Zij hadden het dan ook volstrekt niet op hem begrepen, niet alleen wijl hij een tegenstander was, die hun veel afbreuk deed, maar ook nog om een andere reden. De En-geische veldheeren gebruikten namelijk in den oorlog tegen de volkplanters in Amerika soms Indianen, die gehuurd werden om in het Britsche leger te strijden. Nu ging het echter zeer moeielijk om de Indianen of Roodhuiden te bewegen dit te doen, en wel omdat generaal Schuyler een man was, van wien de Indianen veel hielden, waar ze ook reden voor hadden.

De Engelschen vonden dat echter zeer hinderlijk, en begrepen zeer goed, dat er op de Indianen niet viel te rekenen zoolang Schuyler leefde. Men beproefde daarom hem het leven te benemen en daar dit nu in den strijd niet gelukte, vormden eenige booze menschen het plan, hem op een eenzame plek op te wachten

en daar te dooden. Met dezen sluipmoord zouden zich twee mannen belasten. De een was eenEngelsch-man, de ander een Indiaan, die zich beiden hadden laten overhalen de daad te bedrijven.

De twee mannen gingen op den bepaalden dag naar een

(

ocr page 24

20

groot bosch, waar een weg door liep, dien Schuyler langs moest komen, zooals men wist,' om zich naar huis te begeven. Zij verscholen zich achter de oude, dikke boomen, haalden den haan van 't geweer over, en wachtten zoo de komst af van den veldheer, die geen kwaad vermoeden kon. Een poos hadden ze in hun hinderlaag gelegen, toen in de verte de hoefslag van een paard gehoord werd. Zij loerden door de struiken en waarlijk het was de generaal, die geheel alleen kwam aanrijden.

„Daar is hij,quot; fluisterde de Engelschman, terwijl hij zijn geweer aanlegde, „houd u klaar.quot;

Maar op hetzelfde oogenblik greep de Indiaan het wapen van zijn makker en slingerde het tegen den grond, terwijl hij tegelijk zijn eigen geweer liet zakken.

„Wat doet gij?quot; riep de ander.

„Ik kan hem niet doodschieten, en gij zult het ook niet doen,quot; fluisterde de Roodhuid, „ik heb te dikwijls zijn brood gegeten.quot;

Wat de Engelschman zeide, weten we niet, doch wel dat er geen schot werd gelost. De generaal reed, onbewust van 't gevaar, voorbij. Hij was gered.

„Werp uw brood uit op het water,quot; zegt de Schrift, „want gij zult het vinden na vele dagen.quot;

DE GEWASSCHEN POMPOEN.

Eenigen tijd geleden trok door Indië een man, die het volk een nieuwen godsdienst wilde verkondigen. Dat gebeurt daar te lande wel meer, en meestal gelukt het zulken menschen eenige lieden te vinden, die hun leer aannemen. De man, waarvan ik spreek, bracht echter aan de vele Heidensche inwoners van Indië niets beters, eenvoudig omdat hij een godsdienst verkondigde, dien hij zelf had bedacht. Want van hetgeen de Heere God ons in zijn Woord heeft geopenbaard, wist hij niets, of als hij 't wist, wou hij er niet van hooren. Evenwel was hij een schrander man, die goed nadacht, zooals gij zien zult.

Er is in Indië een groote rivier, de Ganges, die de Hindoes voor heilig houden, evenals de Egyptenaren vroeger den Nijl

ocr page 25

21

deden. Alle jaren gaan honderdduizenden pelgrims naar den stroom om er in te baden, en, gelijk zij dwaselijk meenen, zoo hun zonden af te wasschen. Ja, zoozeer gelooven zij aan den kracht en do heiligheid van het water, dat de ouders er soms hun kleine kinderen, rijk versierd, als offers in werpen. Ook brengt men oude lieden naar de oevers van de rivier om daar te sterven.

Op zekeren dag, toen de man van wien ik sprak, de nieuwe hervormer, zich in een dorp bevond, kwam hij eenige mannen tegen, die op reis waren naar den heiligen vloed. Hij begreep dit daaruit, dat het er juist de tijd van't jaar voor was. Zoodra zij bij hem gekomen waren hield hij stil, en vroeg waar ze heen gingen.

„Naar de Ganges,quot; was het antwoord.

„Waarom?quot; vroeg de profeet.

,Om ons te baden.quot;

.Dat kunt ge thuis toch ook wel doen. 't Is onnoodig zoo'n verre reis daarvoor te maken.quot;

,Ja maarquot;, was 't antwoord, „het water van de Ganges alleen kan de zonden afwasschen en geen ander.quot;

„Zoo,quot; sprak de man, „wanneer denkt gij weêr hier te zijn?quot;

„Over twee maanden.quot;

„Goed. Doet mij dan het genoegen en neemt dezen pompoen meè. Gij moet hem doopen in elke rivier waar gij aankomt en ook vooral in de Ganges. Wilt gij dat doen?quot;

De reizigers beloofden het, namen den pompoen, dien den prediker hun gaf, en togen weg.

Op den afgesproken tijd waren de pelgrims op hun terugweg weer in het dorp, waar de hervormer hen zou wachten. Ook hij had hen niet vergeten, maar kwam hun tegemoet.

„Nu,quot; sprak hij, „hebt gij ook gedaan wat ik u gevraagd had?quot;

„Ja zeker,quot; antwoordden zij, „wij hebben don pompoen overal in het water gewasschen en ook in de heilige rivier. Hier hebt ge hem terug.quot;

De prediker haalde een mes uit zijn zak, en sneed een stuk van den pompoen af, daarna nog een, reikte die een paar der reizigers toe, en zoo voort tot elk zijn deel had.

ocr page 26

22

„Wel, vrienden,quot; zeide hij, „eet nu, en ik twijfel niet of het zal u smaken.quot;

„Neen!quot; riepen de lieden, „dat gaat niet. Wie heeft ooit zoo iets gehoord? Een pompoen op te eten, die zoo bitter is, dat geen dier zelfs er de tanden in zet.quot;

„En gij hebt hem toch zoo dikwijls gewasschen!quot;

„Ja wel, maar dat maakt alleen de buitenzij rein; het binnenste blijft daarom even bitter.quot;

„Juist,quot; hernam de prediker, „zoo is het ook met u. Gij hebt u telkens gebaad en gewasschen in water, dat alleen van buiten kan reinigen. Begrijpt gij dan niet, dat het u, evenmin als den pompoen, van binnen anders kan maken dan ge zijt?quot;

De reizigers moesten erkennen dat de man gelijk had, en wij die gelukkig meer weten dan de knapste heiden, zien er uit, dat de apostel Paulus zich/niet vergiste, toen hij uitsprak wat wij lezen in Romeinen 1 vs. 19 en 20.

EEN SCHRANDERE KAT

heeft gewoond in zekere stad van Engeland, namelijk in Colchester. Dat zal ieder toestemmen die verder leest.

In die stad woonde een dame, een weduwe, met verscheiden kinderen in een groot huis. Behalve de menschen woonde er ook een kat. Nu gebeurde het op zekeren nacht, dat de weduwe ontwaakte door een geweldig geschreeuw van de poes. Het dier had met veel moeite de deur, die niet gemakkelijk bewoog, open weten te duwen en maakte nu een ontzettend geweld. De weduwe, die juist de klok drie uur had hooren slaan, vond het nog wat vroeg om reeds gewekt te worden. De kat mauwde echter zoo luid, terwijl zij tegen het bed opsprong, dat de dame wel op moest staan, om den schreeuwer buiten de kamer te brengen. Daarna sloot zij de deur, en ging weer ter rust.

Doch o wee! een kwartier daarna werd zij al weder wakker. Ditmaal schreeuwde de poes, die in de kamer had weten te komen zonder dat iemand begrijpt op welke manier, nog erger

ocr page 27

23

dan zooeven. Zoo sterk was het geluid, dat niet alleen de dame wakker werd, maar ook haar oudste zoon, die in de naaste kamer sliep. Hij sprong op, greep vrij onzacht de poes aan, en wilde haar in een andere kamer werpen, die op den tuin uitkwam. Doch zoodra opende hij niet de deur, of een geweldige vlam sloeg hem tegemoet. Het achterhuis stond in vlam !

Gelukkig was de jonkman zoo wijs dadelijk de deur weêr te sluiten. Tegelijk riep hij zijn moeder en de kinderen toe op te staan en zich te redden, 't Was hoog tijd. Reeds vertoonden zich de vlammen aan alle kanten. De huisgenooten moesten in hun nachtgewaad uit de vensters klimmen, en zich met touwen naar heneden laten. Weibehouden kwamen zij op den grond. De kat sprong eenvoudig het venster uit, en keek toen alles bedaard aan.

Buiïon, de groote dierenkenner, die vóór 100 jaar in Frankrijk leefde, zegt, dat de kat „de schelm onder de dierenquot; is. Gij ziet echter uit wat hier verteld wordt, dat ook de grootste geleerde 't wel eens mis heeft.

HOE EEN TROTSCH MENSCH GESTBAET WEED.

Een goede honderd jaar geleden leefde er een beroemd Italiaansch zanger, Cafïarelli geheeten. Hij zong zoo prachtig, dat geen nachtegaal het zou verbeterd hebben. Waar hij maar kwam gingen duizenden hem hooren, en als hij zijn lied uit had, was het een gejuich zonder einde. Bovendien betaalde men den zanger ontzaglijk veel geld voor eiken avond, dien hij zong. Zoo werd Cafïarelli op 't laatst zoo rijk, dat hij wel een heel graafschap had kunnen koopen. Hij bezat zooveel diamanten en kostelijke steenen, dat die tezamen ruim 2 millioen gulden waard waren.

Door al den lof, dien de menschen hem brachten, door al het geld, en het fraais dat ze hem gaven, werd onze zanger ongelukkig uitermate trotsch en ijdel. Hij bedacht niet, dat leeuwerikken en nachtegalen, die toch kostelijk zingen, maar

ocr page 28

24-

con grauw pakje dragen. Ook wist hij wellicht niet wat de Schrift zegt: dat God den hoovaardige wederstaat, en dat we alles, ook onze stem, hebben ontvangen om niet. Integendeel, de man was, als ik zeide, hoogmoedig en dikwijls vol onver-di agelijke grillen, 't Scheen wel dat, naar hij wilde, de geheele wereld draaien moest om hem.

Zoo gebeurde het eens, dat Calïarelli te Parijs was, waar toen koning Lodevvijk XV regeerde. De koning noodigde den zanger uit, om zich eens te laten hooren voor het hof, en was zoo over het gehoorde tevreden, dat hij zijn Italiaanschen kennis een gouden snuifdoos zond.

De knecht, die dat fraaie voorwerp brengen moest, had natuurlijk op een goede fooi gehoopt. Maar dat was mis. Want toen Caffarelli het pakje had opengemaakt, en de gouden snuifdoos zag, haalde hij verachtelijk den neus op, en sprak :

„Wat, stuurt de koning mij zoo'n ding! Houd dat zelf maar, man. Kijk eens hier, in die kast liggen meer dan dertig zulke doozen of liever veel mooiere. Er staat niet eens het beeld van den koning op.quot;

„Mijnheer,quot; sprak de knecht, „de koning zendt zijn beeltenis alleen aan afgezanten van andere koningen.quot;

„Zoo,quot; hernam den zanger, grimmig, terwijl hij de doos op den grond wierp, „zeg dan maar aan den koning, dat hij ook om gezanten moet sturen, als er iemand voor hem moet zingen. Verstaat gij ?quot;

1 oen de koning dit hoorde, was hij wijs genoeg om over dezen dwazen trots niet boos te worden. Hij vertelde de geschiedenis aan de kroonprinses. Deze zeide niets maar verzocht don zanger heel beleefd, om ook eens bij haar te komen zingen. Dit geschiedde, en Caffarelli ontving tot loon een zeer prach-tigen diamant.

„Ik heb er nog iets bij te voegen,quot; sprak de prinses, haar gast een papier toereikende, „zie eens hier. Dit papier heeft de koning met eigen hand onderteekend, en dat is zeker een groote eer voor wie het ontvangt.quot;

Cafferelli nam het blad op, las het, en schrikte. — 't Was een bevel des konings om Frankrijk binnen tien dagen te verlaten !

ocr page 29

25

Zoo had dan de trotschheid van den zanger gemaakt, dat hij verbannen werd uit een land, waar hij gehoopt had zeer veel geld en roem te oogsten. Toch werd hij er niet wijzer door maar alleen toornig. Hij reisde naar Rome, om te zien of men hem daar beter zou verdragen. Daar waren ten minste geen koningen.

Nog niet lang bevond hij zich in de stad, of kardinaal Albani liet den kunstenaar uitnoodigen eens een avond bij hem te komen zingen of spelen. De dag werd bepaald, en de kardinaal noodigde allerlei aanzienlijke mannen en vrouwen uit, om Calïarelli te komen hooren. Deze zond van zijn kant reeds eenige muziekstukken vooruit, welke men dien avond spelen zou. Die hij zelf gemaakt had, zou hij zingen, terwijl de muziek van eenige goede spelers hem begeleidde.

Het uur was aangebroken; al de aanzienlijke gasten zaten met verlangen te wachten, doch de zanger was er nog niet. De tijd ging voort, en de kardinaal zond haastig een paalmannen naar het huis van Caffarelli, om te vragen wat er aan scheelde. Zij vonden den gewachte rustig in zijn kamer zitten, met een huisjapon en pantoffels aan, heel verwonderd wat ze kwamen doen.

„Zijn Eminentie ') en de aanzienlijkste familiën uit de stad wachten u,'? sprak een knecht.

„Och, dat's ongelukkig,quot; riep Caffarelli uit. „Ik had de afspraak glad vergeten. Weet ge wat, vrienden, ge moet uw meester zeggen, dat ik nu niet komen kan, wel een anderen keer. Ik ben niet aangekleed, en eer ik mij wat heb opgeknapt, zou de avond om wezen. Doet nu maar gauw die boodschap. Hierna beter!quot;

De boden kwamen met dit lompe antwoord terug. De kardinaal werd toornig en nam een kort besluit. Dadelijk liet hij zijn hofmeester komen en vier kloeke ruiters. Dezen gaf de kardinaal zijn bevelen, en zij reden onmiddellijk naar het huis waar Caffarelli woonde, en traden binnen.

„Mijnheer,quot; sprak de hofmeester bedaard, „gij moet met ons mede gaan, zijn Eminentie wacht u.quot;

1) Dat is tie titel van een kardinaal, evenals van een koning: „Zijn Majesteit.quot;

ocr page 30

••x '

26

„Wat denkt gij,quot; riep de zanger driftig, „dat uw meester over mij te gebieden heeft. Pak u weg!quot;

De hofmeester wendde zich om, en wees op de vier gewapende mannen, die achter hem stonden. Er was niets aan te doen, dat zag Gaffarelli wel. Zoo stapte hij dan in vredesnaam met kamerjapon en pantoffels aan maar in het rijtuig, en weldra trad hij de fraaie, schitterend verlichte zaal binnen. Daar zaten de kardinaals, graven, baronnen en edelvrouwen, allen prachtig gekleed. Menigeen lachte heimelijk toen onze man daar zoo in zijn huispakje binnentrad.

Beschaamd en verlegen wilde de kunstenaar eenige woorden zeggen, om zich te verontschuldigen, maar niemand lette er op; schoon anders alle hoorders hem toejuichten. De vijf barsche geleiders gingen op zij. Gaffarelli trad naar den lessenaar waar de muziek lag. Eenige stukken, door hem vervaardigd, waren opengeslagen, muzikanten stonden gereed te spelen. Het was duidelijk: hij moest er bij zingen, zooals was afgesproken.

Hoeveel lust hij er in had, kunt gij wel begrijpen. Hij zag rond, maar ook een armstoel waarin, zooals ieder wist, hij gewoon was te rusten, stond er niet. Hij moest blijven staan, de muziek begon, en hij — zong, zong even mooi als altijd, en lang achtereen.

Een luide toejuiching klonk door de zaal. „Bravo Gaffarelli!quot; riepen de hoorders in de handen klappend. Toen werd het plotseling weêr doodstil.

De vijf mannen verschenen opnieuw. Ze wenkten den zanger hen te volgen in een kamer daarnaast. De hofmeester trad vooruit, haalde een fraaie snuifdoos tevoorschijn, die vol goudstukken was, en sprak: „Zijn Eminentie heeft mij verzocht u dit te geven tot loon voor het genoegen, dat ge hem hebt aangedaan, en voor uw groote bekwaamheden.quot;

Cafferelli wilde het geld in zijn huisjas steken, toen de hofmeester vervolgde:

„En dit,quot; zegt Zijn Eminentie, „is de belooning voor uw lomp gedrag.quot;

Meteen greep de hofmeester een rieten stok, en liet dien met kracht neerkomen op den rug van den zanger, die ontsteld schreeuwend wegsprong. Maar de hofmeester was hem te vlug,

ocr page 31

en sloeg er duchtig op los, wel een paar minuten lang. Caffarelli gilde en tierde, vrij wat minder welluidend dan hij straks gezongen had, en wat het ergste was, uit de zaal klonk een luid, spottend gelach. Telkens als er een smartkreet gehoord werd, riep men sarrend uit de zaal; „Bravo Caffarelli! Bravo!quot; — net als eerst bij 't gezang. Doch het duurde niet lang, want de zanger nam zijn kans waar, en rende de openstaande deur uit, en op zijn pantoffels naar huis.

Of de les, de gevoelige les, hem van zijn hoogmoed heeft genezen, weet ik niet. De lieden van Borne zeiden later, dat de kardinaals beter hun ontzag wisten te bewaren dan de koningen. Ik geloof echter, dat de kardinaal wel wat beters had kunnen doen. Maar bovendien meen ik, dat iedere lezer of lezeres, vooral de knappe en de vlugge, maar eens knap en vlug moet bedenken waarvoor dit verhaal hier verteld is. Dat kan hun nog goed doen, ook al kunnen ze heel den 119den Psalm achtereen zonder haperen opzeggen, of al weten ze in een ommezientje hoeveel anderhalf maal anderhalf maal anderhalf is.

ocr page 32

28

KEIZER AUGUSTUS EN DE VLEIERS.

Die naam Augustus is al den lezers wel bekend, wijl zoo de keizer van Rome heette, onder wien onze Heer geboren is. 't Was een man, die groote daden verricht, en de meeste zijner vijanden overwonnen heeft. Ongelukkig was hij daar ook erg trotsch op. Dat zien wij reeds daaruit dat hij, toen hij eenmaal im perator, dat is keizer was geworden, zijn eigenlijken naam Octavianus veranderde in Augustus, wat zeggen wil: de heerlijke of verhevene. En ook al tot zijn eer is die naam aan een der maanden van het jaar gegeven.

Keizer Augustus regeerde over een ontzaglijk groot gebied. Al de landen die in Europa, Azië of Afrika aan de Middelandsche Zee liggen, stonden onder hem. Daarom kon hij ook bevelen dat, gelijk we in Lukas 2 lezen „de geheele wereld zou beschreven worden.quot; Want over bijna heel de wereld, die men toen kende, was hij keizer.

Zooals ik zei, was de keizer een hoogmoedig man, en zijn onderdanen die dat zeer goed gemerkt hadden, deden er hun voordeel mee. Gij moet weten, dat Octavianus eerst recht hel gezag in handen kreeg tegelijk met den titel: .keizerquot;, na den grooten slag bij Actium, 30 jaren vóór des Heeren geboorte. Na de zegepraal, welke hij daar behaald had, keerde hij naar Rome weder, deed er een schitterenden intocht, en werd er heer en meester van alles.

Het was bij die gelegenheid, dat Augustus onder anderen bezoek kreeg van een handwerksman, want hoe trotsch de vorst ook was, ieder kon hem vrij naderen. De man had een spreeuw bij zich, zette die op een tafel, en daar begon de vogel opeens te roepen :

„Gegroet, zegevierende keizer!quot;

Heel verrast natuurlijk keek Augustus op. Hij glimlachte, want het streelde hem, dat ook de vogelen geleerd waren hem te prijzen. De slimme handwerksman had wel geweten, wat hij deed, want de keizer kocht dadelijk de spreeuw voor ongeveer negen duizend gulden.

't Spreekt vanzelf, dat de gelukkige verkooper heel de stad rondbazuinde wat hem gebeurd was. Do vrienden en buren,

ocr page 33

29

die het hoorden, vonden het heel mooi, maar deze en gene dacht bij zichzelf; Ik wou ook wel eens zulk een buitenkansje hebben. Hot duurde niet lang of Augustus kreeg weer bezoek, en nu van iemand die hem een ekster bracht. Ook dit beest riep aanstonds: „Gegroet! zegevierende keizer !quot; De vorst begreep wel wat er achter zat, maar hij zei dat hij 't heel aardig vond, en zond ook dezen man goedbeloond weg, schoon met minder dan de eerste had gekregen. De ander was echter nog best tevreden, en vertelde ook aan elk die 't hooren wou, hoe goedgunstig de keizer jegens hem was geweest, 't Gevolg was, dat er al spoedig een derde kwam, die 't met een papegaai beproefde. Weder betaalde Augustus voor dezen nieuwen lof-zegger een goeden prijs, doch lang zooveel niet als voor nummer twee.

Dat alles hoorde een schoenmaker die, hoe hard hij ook werkte, het toch bitter arm had. Hij dacht: ik ben zoo goed als de overigen; ik zal ook eens mijn best doen. Daar andere vogels echter niet gemakkelijk of goedkoop te krijgen waren, ving hij een raaf, en zette dien in een kooi, naast zich. En nu begon hij, al werkende, den heelen dag dit beest voor te spreken : „Gegroet, zegevierende keizer !quot;

Maar de raaf had weinig trek om te praten. Hij riep maar niet dan „kras! kras!quot; den heelen dag. De arme schoenmaker

werd er verdrietig bij, en dikwijls riep hij uit: „Ik heb al mijn tijd en moeite verloren!quot; Doch zie, eindelijk na eenige weken, ging 't beter. De raaf begon te

praten, eerst stootig en krom, toen vlot en duidelijk. Op 't laatst deed hij 't zoo mooi dat het een lust was den zwarten Gerrit te hooren. Toen wachtte de man ook niet lang, maar stapte met de kooi naar 't paleis.

Gelijk de vorigen werd hij bij. den keizer toegelaten, die misschien wel wat wat zuinig keek, toen daar al weer een man, een kooi en een vogel voor zijn bogen kwamen, 't Duurde

ocr page 34

30

niet lang of Augustus hoorde de rauwe woorden van den raaf: ,Gegroet, zegevierende keizer!quot; Tegelijk keek de schoenmaker met hoop en vrees zijn vorst aan, als wachtte hij op 't geen volgen zou.

Maar dat viel bitter tegen. Dc keizer namelijk had er nu lang genoeg van, en zei:

„Goede man, ik heb al drie van die begroeters in mijn paleis. Neem den vierden maar weer mee.quot;'

De arme man stond natuurlijk bedroefd te kijken, toen hij dat hoorde. Zoo iets had hij niet verwacht. Doch er was tegen den keizer niet te redeneeren. Juist wou hij de kooi opnemen, toen opeens de raaf luide begon te roepén, wat de schoenmaker al stil bij zichzelf had gezegd: „Ik heb al mijn tijd en mijn moeite verloren!quot;

Hoe de raaf aan die woorden kwam behoef ik u niet te zeggen, doch Augustus, die er niets van begreep, barstte in een schaterend gelach uit. Even blij lachte de schoenmaker toen hij straks 't paleis verliet, want de keizer had hem voor zijn vogel nog meer gegeven dan een van de vorige onderwijzers gekregen had.

Nog wat erger dan die vier hebgrage vleiers maakten het de inwoners van een stad in Spanje. Om den keizer eens heel hoog te eeren, maakten zij hem tot een god, bouwden een tempel en richtten daarin een altaar voor Augustus op.

Van Spanje naar Rome was in dien tijd een heele reis. Do lieden van de stad vreesden daarom, dat de keizer soms niet spoedig hooren zou, hoeveel zij van hem hielden. Daarom zonden zij een paar gezanten. Toen deze bij Augustus kwamen betuigden zij hem eerst dat hij geen trouwer onderdanen had dan in Spanje, en verhaalden tot bewijs wat ik zooeven vertelde.

Nu was de keizer, hoe graag ook gevleid, toch veel te verstandig om niet in te zien, dat die lieden een groote dwaasheid hadden begaan. Hij zei dat echter niet maar hoorde geduldig toe. Dat gaf den gezanten moed, om 't nog wat mooier te maken, en wel door er bij te vertellen, dat op het altaar des keizers een fraaie rozenstruik was gegroeid, die heerlijke bloemen droeg.

ocr page 35

31

Nu werd het Augustus toch wat erg. Hij zag de gezanten, die misschien wel een goede belooning of een loftuiting althans verwachtten, ernstig aan en sprak:

„Dat is wel een bewijs, dat ge heel weinig op mijn altaar offert.

En daarmee konden de vleiers aftrekken.

TUSSCHEN DE BOOFDIEREN IN SLA4P.

Eenige jaren geleden stierf te Jeruzalem een man, die Samuel Gobat heette. Hij was een godvreezend en verstandig man, in Zwitserland geboren en vandaar als zendeling naar Afrika gegaan. Later werd hij bisschop ') van de Protestantsche kerk te Jeruzalem, en is dat gebleven 33 jaar lang, tot hij op SO-jarigen leeftijd in vrede ontsliep.

Nu moet gij niet denken dat Gobat, omdat hij bisschop was, niet meer te doen had dan met een groote muts op en een krommen staf in de hand, rustig in een paleis te zitten. Neen, hij had geen paleis, maar werk in overvloed, want zijn bisdom, dat is het land waar de kerken zijn die hij bestuurde, was misschien 't grootste in de wereld. Het omvatte Palestina, Syrië, Ghaldea, Arabië, Egypte en Abessynië. Ge moet op de kaart maar eens nazien welk een uitgestrektheid dat is.

Het spreekt dus wel vanzelf, dat Gobat, wilde hij alles nagaan zooals 't behoorde — en hij was een zeer trouw mensch in het werk des Heeren — gedurig op reis moest. Nu eens kon men hem vinden aan den Nijl, dan weer in de heete woestijnen van Arabië, een andermaal weer op de bergen van den Libanon. En men zou een heel boek kunnen schrijven over al de ontmoetingen, welke hij op die reizen gehad, over al de gevaren, die hij uitgestaan, en over al de uitreddingen die hij ondervonden heeft.

1) Het woord bisschop bcteekent Opziener. In het N. Testament lezen we dikwijls van opzieners en bisschoppen, en een dominè is eigenlijk niet anders. Men vindt bisschoppen in de Rootnsche kerk en ook in de Protestantsche, b.v. in Zweden en Engeland.

ocr page 36

32

't Gebeurde eens dat Gobat met een wegwijzer reisde dooiden Libanon. Nu is dat geen pleiziertochtje. Spoorwegen en voertuigen voor reizigers zijn in den Libanon onbekend en zouden ook van geen groot nut zijn, wijl men er geen wegen maar enkel bergpaden vindt. Ieder moet maar zien, dat hij er over komt. Herbergen treft men er evenmin aan, en de reizigers moeten tenten meevoeren of onder den blooten hemel overnachten.

Zoo ging het ook bisschop Gobat. Ongelukkig wist zijn wegwijzer het rechte pad niet te houden, en zoo verdwaalden ze allebei. Toen de nacht aanbrak bevonden zij zich nog midden in de bergen, ver van huizen en menschen, omringd door geboomte, waarin allerlei wilde dieren scholen. Toch verloor de zendeling den moed niet. Wel wist hij dat de roofdieren tegen den nacht uitgaan om hun prooi te zoeken, maar hij wist ook, hoe er geschreven staat, dat de Heere machtig is te bewaren allen die op Hem vertrouwen, en in staat om ook uit den muil van leeuw en beer te verlossen.

Onder een boom zochten de reizigers, die van al het dwalen doodmoe waren, een rustplaats, en weldra sliepen zij in. Doch nog geen uur had Gobat daar gelegen, of plotseling werd hij wakker. Hij hoort een akelig gebrul en gehuil dicht bij zich. Hij richt zich op, maar om hem heen is 't stikdonker. Daar klinkt weêr het gebrul, en nu ziet hij duidelijk in den nacht twee vlammende oogen, als vurige kolen, naar hem gericht. Hij begreep, dat een hyena op hem loerde.

Met schrik wachtten de bisschop en zijn gids, die ook ontwaakt was, wat volgen zou. Maar verbeeldt u hun ontzetting toen zij ook van den anderen kant een gehuil hoorden, dat al nader kwam. „Dat is een luipaard! riepen beiden, die het geschreeuw van dat dier kenden. De reizigers waren nu ingesloten tusschen twee roofgierige dieren, die dorstten naar hun bloed.

't Was een benauwd, hachelijk oogenblik. Gobat dorst niet eens naar den luipaard zien, want hij had dikwijls gehoord, dat dit beest woedend word als men 't aankijkt. Zoo wendde hij dan zijn oogen van het dier af en — meteen zijn hart ook. Hij vergat hyena en luipaard om alleen zijn ziel te verheffen

ocr page 37

lot God, die de eenige, maar ook de machtige was om te redden. En — ge kunt het gerust gelooven, want Gobat verhaalt het

zelf, — hij werd toen zoo gerust, dat hij weder, door vermoeienis uitgeput, vast insliep. Zoo lag hij, gelijk Daniël in den leeuwenkuil, maar ook als Daniël werd hij bewaard.

Anderhalfuur later maakte de gids den /bisschop wakker. De roofdieren zaten daar nog elkaar aan te grimmen, terwijl zij woedende blikken wierpen op de reizigers. Doch het eene beest dorst niet verder komen uit vrees voor 't ander. De, dag brak aan. De zendeling en zijn gids stonden op en vervolgden hun weg, denkende, dat de twee ongenoode gasten wel zouden afdruipen. Maar dat was niet zoo. Dicht achter hen bleven de luipaard en de hyena. Nu eens sprongen zij in de struiken, dan weer over 't pad. Kwam de een wat dicht bij de twee mannen, dan begon de ander vervaarlijk te brullen en joeg hem weg. Zoo was quot;t hun geluk dat zij twee vijandep hadden. Ware er maar één geweest, dan had die hen zeker aangevallen en wellicht verscheurd.

Gelukkig vonden de reizigers spoedig It pad weer, dat hen uit het dichte bosch leidde. De hyena en de luipaard bliezen toen den aftocht. Maar Gobat hief een psalm aan om God te danken, die hem zoo wonderlijk had behoed, en Zijn engel gezonden had om hem op weg te bevrijden.

GELUKKIG WORDEN.

Dat willen alle menschen en alle kinderen, en dat wilde ook eens een rijk en machtig koning.

De vorst, waarvan ik spreek, was het dus nog niet. Nu had

3

ocr page 38

34

hij gehoord, dat ergens in zijn land een wijs en vroom rnan woonde. Hij besloot tot hem te gaan en te vragen, wat hij doen moest om gelukkig te worden.

Xa een lange reis kwam de koning waar hij wezen moest, en zijn eerste woord was: ,Wijze vader, zeg mij toch als gij kunt, hoe ik gelukkig kan worden!

De ander gaf geen antwoord, maar wenkte den koning hem te volgen. Beide gingen nu een ruw bergpad op, dat hen voor een hooge rots bracht. Op den top van die rots had een arend zijn nest gebouwd.

„Weet gij wel,quot; vroeg de man, „waarom die vogel juist daar •zijn woning heeft gemaakt ?quot;

„Zeker,quot; sprak de koning, „om buiten bereik van alle gevaar te wezen.quot;

„Nu,quot; was het antwoord, „volg gij dan dien vogel na. Bouw uw huis in de hoogte, dat is in de hemelen, en gij zult waarlijk gelukkig zijn.quot;

EEX ONTZAGWEKKENDE KINDERMEID.

In Indië worden de olifanten voor allerlei diensten gebruikt. Zij vervoeren menschen en vrachten, trekken wagens voort, doen dienst in het leger — en passen ook op kleine kinderen.

ocr page 39

Een Indische vrouw moest eens haar huis verlaten om boodschappen te doen. Zij had een kindje dat nog niet goed loopen kon. Dat zette zij in het gras, en wie denkt ge dat er op passen moest ? Een wijfjes-olifant, die door den man des huizes, welke een post bij het leger had, al jaren achtereen voor zwaar werk werd gebruikt. Het dier kende ook de vrouw en den kleine zeer goed.

Nu weet gij dat kleine kinderen niet altijd even zoet en stil blijven zitten. Dat deed het Oostersch jongentje ook niet, hij maakte het integendeel den olifant erg lastig. Soms kroop het kind tusschen de zware pooten van de viervoetige kindermeid, dan weer raakte het verward in het booge gras, waar de olifant van stond te eten. Doch die paste goed op. Netjes wist het dier langs den kleine heen te stappen, of tilde hem met den snuit voorzichtig uit het struikgewas. Soms schoof het de grashalmen op zij, zoodat het jongentje er tusschen uit kon kruipen.

Het lastigste voor het goede beest was, dat het zich niet vrij kon bewegen. Met een ketting om den poot, had men hot vastgemaakt aan een paaltje in den grond. De olifant had dat er gemakkelijk uit kunnen trekken en op den loop gaan. Maar hij was tam, en bleef rustig staan. Doch als de kleine woelwater soms zoo ver kroop, dat de reusachtige kindermeid vreesde hem niet meer te kunnen bereiken, dan strekte de olifant in eens zijn snuit uit, sloeg die om het knaapje heen, en zette het heel zoetjes weer neer op een plek vlak bij 't huis. Zoo hield het geduldige, trouwe dier de wacht, tot na een paar uren de vrouw weerom kwam, recht in haar schik, dat over den kleine zoo goed was gewaakt.

Dc Bijbel zegt, dat God den mensch heerschappij gegeven heeft over de dieren des velds, en daaraan worden we herinnerd, als wc zien hoe zoo'n logge, zware olifant zich laat vasthouden door een vrouw, en regeeren door een kind. Hij kon ze allebei in een oogenblik dooddrukken, maar doet het toch niet evenmin als het paard den kleinen boerenjongen afwerpt, die 't naar het land brengt.

ocr page 40

3(3

Wat gij echtei- denkelijk nog niet weet, vrienden, is, dat er ook olifanten zijn, die, schoon volwassen, niet grooter zijn dan middelmatige honden. Een poos geleden kwamen er een paar uit het land waar ze gevonden worden, Malakka in Azië, naar Amerika over. Het waren aardige beestjes, heelend'al met borstelig haar of wol bedekt. Zij speelden telkens met elkaar, en deden niemand kwaad. Eén ding was echter nog al onaangenaam voor wie hen voorbij moest. Zij liepen namelijk nooit recht uit op den weg, maar zwaaiden als dronken lieden steeds van rechts naar links, ja soms liepen ze plotseling achteruit zonder te vragen of dat ook kwaad kon.

Overigens waren het dieren, waar iedereen van hield. Zij hadden de gewoonte om, als er vele kijkers kwamen in den dierentuin, waar hun perk was, plotseling met hun snuit een der heeren of dames bij de hand te grijpen, üie hand brachten ze bij hun bek en begonnen dan op hun manier zoo hard mogelijk te trompetten, ledereen vond dat vermakelijk behalve — nu ja, ge kunt wel raden wie.

EEN VBEEMD DBIETAL.

De Weichsel, die Polen doorstroomt, is een der gevaarlijkste rivieren voor de scheepvaart. Vaak ook zwelt de stroom zoozeer dat hot water over 't land loopt, en al wat niet zeer stevig staat, meêsleurt.

Eenigen tijd geleden had dit weer plaats. Het water kwam over de velden, ja, tot in de bosschen, en wierp alles omver. Nu gebeurde het in dien tijd, dat een boer, wiens pachthoeve zoo hoog lag, dat zij van het water weinig te lijden had, eens des morgens, toen hij nog te bed lag, een vreemd geluid hoorde. Hij sprong op en luisterde. Duidelijk vernam hij het gehuil van een wolf, zoo klagelijk, alsof het dier in grooten nood zat. Onder het gebrul door kon men echter ook nog geluiden van andere dieren onderscheiden, zoodat de landman niet begreep wat er aan de hand was.

Hij nam zijn geweer, laadde het, en stapte toen, door twee

ocr page 41

37

sterke honden vergezeld, naar buiten. De morgen was reeds aangebroken, en bij het flauwe licht zag de man hoe het water heinde en ver alles had overstroomd. Opeens begonnen de honden woedend te blalïen, en renden vooruit. De boer ijlde hen achterna en wat zag hij nu ?

Een hooiberg was door 't water ingesloten, en dreef recht tegen het hek van zijn land. Op het hooi zaten twee dieren, of, zooals dp boer merkte toen hij naderbijkwam, drie, Maar

verbeeldt u zijne verbazing toen hij bespeurde, dat er een wolf op het hooi-eiland stond. Naast hem zat een vos, en zoover mogelijk van die twee af was een konijn dicht ineen gedoken. De drie dieren waren door

't water overvallen, op den hooiberg gevlucht, die zeer vast ineen gepakt was, en zoo door 't water meegevoerd. Hoe lang de reis geduurd had, konden ze niet vertellen. Maar het spreekwoord ; „Gemeene nood maakt vijanden tot vriendenquot; kwam ook hier uit. Want de verscheurende wolf had er niet aan gedacht den vos aan te grijpen, en deze op zijn beurt had het konijntje met rust gelaten. Zoozeer was elk benauwd voor zijn eigen leven.

De landman was zoo bewogen door het vreemde gezicht van die drie beesten, welke vreedzaam bijeen op den hooiberg zaten, dat hij zijn honden — met groote moeite — wegbracht en toen weerom keerde om naar de reizigers te zien. Maar deze hadden hem niet afgewacht, en waren verdwenen in het met bosch begroeide hoogland, dat zich achter de boerderij uitstrekte.

ocr page 42

38

DE OUDE EIKENBOOM.

We weten uit onze geschiedenis, hoe de strijdhaftige hertog-Karei de Stoute eens, dwaas genoeg, besloot den Zwitsers den oorlog aan te doen, al was daar veel bij te wagen maar niets bij te winnen. Karei ontmoette de Zwitsers bij Morgarten. Vóór hij echter den strijd begon, hield hij met zijn veldheeren raad onder een grooten eikenboom, dicht bij de poorten der stad. Men besloot toen de Zwitsers aan te vallen.

De slag eindigde voor Karei en zi jn Bourgondisch leger zeer noodlottig. Hij werd volkomen verslagen, en onder denzelfden boom, waar hun aanvallers tegen hen hadden raad gehouden, kwamen nu de Zwitsers bijeen om God te danken voor de behaalde zegepraal. Dit gebeurde in 1476.

Terwijl de overwinnaars in vreugde en dankbaarheid onder en om den boom gelegerd waren, had een hunner zich gehaast de blijde tijding der overwinning naar de stad Freiburg over te brengen. Als een zegeteeken zwaaide hij een tak in de hand,

dien hij van den eikenboom had gesneden. Zoo groot was zijn drift om het heugelijk nieuws te brengen, dat hij, hoe vermoeid ook door den strijd als een hert zoo vlug voortijlde, en niet ophield voor hij Freiburg bereikte.

Oud en jong stond daar in bange verwachting nabij de poorten. Daar kwam een bode aanijlen. Van verre zwaaide hij het zegeteeken. „We hebben overwonnen!quot; riep hij uit en — viel op hetzelfde oogenblik dood ter neder. De overspanning had hem 't leven gekost.

Men nam den wakkeren krijgsman op, die zoo droevig temidden van de vreugd der zegepraal was weggenomen. Den groenen eikentak klemde hij nog in de handen. Toen zeiden de burgers tot elkander: „Wat de bode gedaan heeft mag niet vergeten worden. Daarom zullen we dezen tak, dien

ocr page 43

30

hij nog stervend in de hand hield, planten. Misschien zal er een boom uit opschieten.quot;

Zoo gezegd zoo gedaan. De lak sproot uit, en thans nog staat op de plek waar de bode der overwinning is gestorven een zware boom, die nu reeds meer dan vier eeuwen telt, als een gedenkteeken aan den trouwen krijgsman, die zijn leven niet achtte, om de blijde boodschap, die hij te brengen had.

HOE EEN KNAAP DEN VIJAND VERDREEF.

Zooals ik hoop weten de meeste lezers en lezeressen wie de Waldenzen waren, die trouwe belijders van het Evangelie, welke door de Roomsche kerk en de koningen die haar dienden zoo bitter zijn vervolgd. Zij woonden en wonen nog in het noorden van Italië in de dalen van het land Piemont. Gelukkig worden zij thans niet meer vervolgd, maar kunnen vrij het Evangelie prediken en belijden tot in Rome toe.

't Gebeurde eens, twee eeuwen geleden, dat gelijk al meer geschied was, een leger tegen de Waldenzen optrok, om die ketters, zooals men hen zeer verkeerd noemde, uit te roeien. De Waldenzen echter verdedigden zich dapper, waarbij hun veel hielp, dat ze tusschen steile bergen woonden, waar de wegen zeer nauw en oneffen waren, en een klein getal mannen velen konden tegenhouden.

Nu echter hadden zij al twee dagen gestreden, en besloten ver in de bergen terug te trekken. De vijand, meenende dat zij bevreesd werden, vervolgde hen met allen spoed. Doch hoe verwonderd waren de soldaten, toen zij zagen hoe de Waldenzen daar in de verte op de hoogten allen neerknielden, om God den Heer te vragen, dat Hij hen mocht bewaren en helpen. De soldaten begonnen luidkeels te lachen en te spotten, en den bidders allerlei scheldwoorden toe te schreeuwen, wijl zij meenden dat de Waldenzen bang waren geworden.

Doch plotseling hield het spotten op. Aan de andere zij van den berg, dien het leger langs ging', hoorde men eensklaps het geluid van een trom. Wat was dat? Angstig zagen de

ocr page 44

40

soldaten elkaar aan. In de bergen wisten ze den weg niet. „We zijn in een hinderlaag gelokt!quot; riepen ze uit, ,de Waldenzen vallen ons van ter zij aan!quot; In een oogenblik raakte heel de bende in verwarring.

De Waldenzen hadden ook de trom gehoord. Wat beteekendc dit geluid? Geen van hen wist het. Doch dit zagen ze, dat hun vijanden er doodelijk van verschrikten. Snel daalden zij de bergen af. De vijanden die reeds in grooten angst verkeerden, wachtten niet tot de bergbewoners beneden waren, maar sloegen wild op de vlucht. De Waldenzen behaalden een grooto zegepraal. Hun gebed was verhoord!

En wie was nu de onbekende trommelslager geweest'? Niemand dan een jongen uit het naburige dal. Hij had in den kaatsten tijd zooveel soldaten gezien, dat hij ,zijn ouders om een trommel gevraagd had en ook eens soldaatje wilde spelen. In de hergen nu heeft elk geluid een ontzaglijk zwaren weerklank. Zoo kwam 't dan ook, dat toen onze vriend voor zijn genoegen de trom sloeg, de soldaten het hoorden. Dus was een kind het middel om de vromen te redden.

HET BEKEERDE HINDOMEISJE.

In de stad 1 innewelli in Indië stierf eenige jaren geleden een meisje, dat zeker menig Christenkind tot voorbeeld had kunnen zijn, al was zij ook uit Heidensche ouders geboren, en in haar jeugd als heidin opgevoed.

Tien jaar was Granavadewoe — dezen langen naam droeg zij — oud, toen haar ouders den Heere leerden kennen en gedoopt werden. Zij begonnen nu ook hun kinderen in de vreeze des Heeren op te voeden. Hun tienjarig dochtertje betoonde al spoedig grooten lust, om van den Heiland telkens meer te

ocr page 45

41

hooren. Op 't laatst was zij daarmee niet tevreden, maar wilde ook zelf den Bijbel lezen. Dat ging echter niet gemakkelijk, want zij woonde midden onder de heidenen, en de eenige Christelijke school was anderhalf uur ver. Toch zag Granavadewoe niet tegen den langen weg op, maar ging naar de school, en wandelde trouw eiken dag dien verren afstand heen en terug. Zoo goed maakte zij het op de school en leerde er met zooveel ijver, dat men haar, toen zij eenige jaren ouder was, naar een andere en hoogere wou zenden. Dit geschiedde ook, maar toen onverwacht haar oudere zuster stierf, moest zij weder tehuis komen.

„Zij hield,quot; zoo verhaalt de man die dit mededeelt, ,vooral veel van den Zondag, en bezocht trouw ook de prediking gedurende de week, de Zondagsscholen, en de samenkomsten om te bidden. Tehuis bad zij veel in zichzelf, doch liet het daar niet bij, maar wekte ook haar moeder en zuster op, met haar te zingen en de Schrift te lezen, en toen zij ouder werd leidde zij soms zelf de huiselijke godsdienstoefening.

„De heidensche vrouwen rondom haar zocht zij door woord en werk voor Christus en zijn gemeente te winnen. Zij scheen als een licht in do heidensche duisternis, die haar omgaf. Zij haatte den leugen, en zelden kwam een onvriendelijk woord uit haar mond. Zij bleef niet alleen trouw aan het goede, dat zij op school geleerd had, maar wies op in de kennis van God en de gehoorzaamheid aan Hem.

Toen dit meisje den leeftijd van 22 jaren had bereikt, kreeg zij plotseling een koorts, die naar geen geneesmiddelen luisteren wou. Zij werd ontrust en bedroefd, en van dag tot dag zwakker. De predikant, de onderwijzer der school en vele goede vrienden uit de Christenen kwamen haar bezoeken. Zij spraken met haar en baden voor haar. Toen werd haar vertrouwen op den Heere weer sterk, en zij verblijdde zich in den Heiland, haar Zaligmaker.

„Houdt vast aan het geloof in Christus,quot; sprak zij tot haar ouders. „Ik ben bereid om te sterven, ik zal Jezus zien, en bij Hem geheel zalig wezen. Christus is mijn leven; het sterven is mij gewin. Draagt gij zorg, dat gij niet afvalt, maar blijft bij Hem 1quot;

ocr page 46

42

De ouders waren diep bedroefd. Zij hielden veel van zulk een dochter, waren daarbij rijke lieden, en hadden gehoopt dat zij weldra in 't huwelijk zou treden, waar reeds alles toe voorbereid was. Zoo werd er dan nu veel geweend en geklaagd, maar zij troostte zelf de treurenden met de woorden: ,'t Is wel droevig, dat ik van u moot scheiden, maar als ik u verlaat is het toch maar om des te eerder tot den Heiland te gaan. Als gij ook sterft en tot Hem komt, zullen wij elkaar wederzien en gelukkig zijn. Daarom treurt niet, gelooft in Jezus en hebt goeden moed!quot;

Met deze woorden ontsliep zij in den Heer.

De man die dit mededeelt is de predikant van Tinewelli. Hij is zelf een geboren Indiër en heeft het meisje lang gekend, dat evenals hij den Heiland liefhad en den dienst des Heeren evenzoo. Zulke predikers uit do beidenen zelf, zijn er tegenwoordig vele, en er komen steeds meer. Het is zeer wel mogelijk, dat zij ten slotte nog veel beter geschikt zullen zijn om het Evangelie aan hun landgenooten, die nog heidenen zijn, te brengen, dan de blanken die toch altijd maar vreemdelingen blijven. Dat zulke „inlandschequot; leeraars en onderwijzers even ijverig kunnen zijn als de zendelingen, ja, soms nog meer, bleek nog een poos geleden, cn ik wil u nog vertellen hoe.

Eenige zendelingen waren met een aantal onderwijzers, die bekeerde heidenen waren, bijeen op het Darnleyeiland, dat ge vinden kunt in de Australische zee, in de Torresstraat, dicht bij N.-Guinea. Men sprak er over, om leeraars en zendelingen te laten vertrekken naar het Murray-eiland,1) dat daar dichtbij ligt.

Nu waren er echter eenige weinige Christenen,, die op dat eiland woonden, ook tegenwoordig. Zij vonden het zeer ongeraden zoo iets te doen, „wantquot;, zeiden ze, „ons eiland is zeer gevaarlijk en al wat men daar wil doen zal toch niets geven.quot;

„Maar wat voor groote gevaren zijn er dan ?quot; vroeg men hun.

„Welquot;, was 't antwoord, „er zijn alligators cn slangen en gevaarlijke duizendpooten.quot;

„Stil eens,quot; sprak nu een der inlandsche onderwijzers, opslaande, „zijn er ook menschen?quot;

') Spreek uit Mun-ee.

amp;

ocr page 47

43

„Ja zeker, menschen genoeg! Maar 't zijn zulke vreeselijke wilden, dat gij er niet aan kunt denken onder hen te gaan wonen.quot;

En wat zei nu de bekeerde heiden? „'t Is genoeg. Waar maar menschen zijn, daar moeten ook zendelingen heengaan.quot;

En daarbij bleef het. Tepeso, zoo heette de man, die aldus sprak, had begrepen wat de Heere zegt: Predikt het Evangelie aan alle schepselen!quot;

DE KONING EN DE BULTENAAR.

Prins Willem 111, de stadhouder der Nederlanden en later ook koning van Engeland, was, gelijk de lezers hoop ik weten, een der grootste veldheeren van zijn tijd, wat van vele Oranjevorsten kan gezegd worden. Wel behaalde hij zelden een schitterende overwinning, maar zijn roem was, dat het den mach-tigsten vijanden nooit gelukte hem beslissend te verslaan, zoodat hij steeds hen tegenhield, en hun ontwerpen daardoor wist te doen mislukken.

De grootste tegenstander van den Prins was Lodewijk XIV, de machtige koning van Frankrijk, die de meest beroemde veldheeren tot zijn dienst had, zooals Condé, Turenne en Luxemburg. (In 1672 maakte ons land met die generaals kennis.) De laatste dier drie ') zag er volstrekt niet uit als iemand, die over groote legars bevel voeren en de dapperste daden verrichten kon, want hij was zoo ineengegroeid, dat hij een groeten bochel op den rug had. *

Verscheiden malen hadden de prins, die toen reeds koning van Engeland was geworden, en Luxemburg tegenover elkander gestaan in do veldslagen bij Fleurus, Steenkerken en Neerwinden. Geen enkele maal kon Willem zijn vijand overwinnen. En toen nu de laatste slag (in 1093) was geleverd, riep de stadhouder toornig uit; „Zal 't mij dan nooit mogelijk zijn dien bultenaar te verslaan ?quot;

') Zijn naam was eigenlijk Hendrik Montmorenei, hertog van Luxemburg. Hij leel'de van 1028 tot 1095.

ocr page 48

44

De bultenaar hoorde een poos daarna wat de prins gezegd had, doch hij toonde, dat hij niet alleen over soldaten, maar ook over zijn geest heerschen kon, wat wel zoo inoeielijk is. Want hij zei eenvoudig: „Hoe weet de prins dat ik een bochel heb? Hij heeft nog nooit mijn rug gezien.quot;

Eenige jaren gingen voorbij. Op zekeren dag sprak Willem, die toon in Engeland was, met eenige buitenlandsche officieren, die hem bezochten, onder anderen ook van Luxemburg. Een der officieren, die wel wist hoe dikwijls de koning en de veldheer elkaar fel bestreden hadden, sprak, om Willem te vleien, gedurig er van, dat Luxemburg in den oorlog veel geluk had gehad. Van des veldheers groote bekwaamheden zeide hij echter niets.

Nu haatte Willem de vleiers zeer. Toen daarom de anderen evenzoo begonnen te praten, richtte hij zijn scherpe blikken op hen en sprak :

.Mijnheeren! de hertog van Luxemburg is al te lang gelukkig geweest, om niet nog iets moer dan alleen gelukkig geweest te zijn.quot;

De heeren zwegen dadelijk. Zij begrepen dat Willem wel in wrevel tegen zijn vijand iets zeggen, maar ook diens groote gaven naar waarde erkennen kon.

HET GESTRAFTE ZONDAGSPAK.

De hooggeleerde doctor Busch

Moest op een verren tocht;

Dus had hij zich een nieuwen rok. Een doctorshoed en wandelstok Met gouden knop gekocht.

Zoo kwam hij in een vreemde stad : —

't Was voor bezoek te laat —

,Dan wil 'k wat wandlen,quot; dacht heer Busch, En ging met praalrok, nieuwe muts En wandelstok op straat.

ocr page 49

45

En elk, die zoo hem tegenkwam,

Boog groetend, bijna krom.

De kindren, — hoe het mooglijk zij? — Die lieten hem beleefd voorbij:

In 't kort, 't was eer alom.

Dat deed den goeden doctor Busch

Ontzaglijk veel pleizier.

B'k Dacht, dat 'k hier vreemd was,quot; riep hij uit, „Maar 'k zie, mijn roem ging me al vooruit: Ik blijf nog langer hier!quot;

Den andren dag was 't donker weer,

En Busch, die uit wou gaan.

Keek naar de lucht, en zuchtte en sprak: „Ik waag 't niet in mijn Zondagspak;

'k Trek de oude reisjas aan.quot;

Weer wandelt hij langs markt en straat Met statelijken tred,

^ Maar, waar hij ook zijn schreden wendt 't Is of hem nu geen mensch meer kent.

Geen stervling op hem let.

ocr page 50

46

Schoon gistren elk eerbiedig boog

Thans groette man noch vrouw, De jeugd ging voort met haar gejoel, En Busch kreeg in het marktgewoel Zelfs meen'gen bons en douw.

Van toorn en bitt'ren spijt vervuld

Ging hij naar 't logement. „Wat scheelt dat volk?quot; riep hij verwoed, „Nog gisteren heeft mij elk begroet.

Nu is 't of geen mij kent!quot;

„Daar viel zijn oog op 't Zondagspak,

Ik zie 't! Ik zie 't!quot; riep hij,

„Ik was een zot! Mijn nieuwen rok.

Mijn doctorshoed, mijn wandelstok Heeft 't volk gegroet, niet mij!quot;

Hij rukte 't pronkkleed van den wand.

Greep toen den wandelstok En sloeg — waar drift toe leiden kan! — Er als een rechte dolleman Mee los op hoed en rok.

ocr page 51

47

En schreeuwde, als had zijn pak de schuld,

Tot aller buren schrik;

„Ben ik niet zelf toch wel zoo goed,

Als ooit de beste rok of hoed?

Zijn zij dan Busch of ih ?

Maar toen de buurt vernam wie 't was.

Die daar zoo ging te keer,

Sprak elk: „Wie had dat ooit geloofd!

Het scheelt dien man bepaald in 't hoofd....quot;

Busch ging en kwam niet weer.

Dat Busch heel dwaas deed is gewis;

Maar had hij 't wel in alles mis?

DE REIZIGER, DTE NIET NAAR BED WILDE.

Een reiziger reed eens te paard door een dorp in een bergachtige, woeste streek. Hij was een predikant, die de menschen

ocr page 52

48

ging bezoeken, welke hier en daar verstrooid woonden, 't Was echter te laat om de naaste boerderij te bereiken, en daarom keek hij het dorp eens rond, om daarna terug te keeren.

Wat de dominé zag beviel hem niet bijzonder. De weinige huizen van het gehucht zagen er wel niet slechter uit dan die op andere plaatsen, maar er was, hoe hij ook keek, nergens een kerk, ja niet eens_ een school te zien. Hij vroeg of die er niet waren, en de menschen zeiden; neen! Wel was er een herberg, waar een bord uithing, met „de Zwarte Leeuwquot; er op. Toen de reiziger dat zag, zuchtte hij en dacht: „De lieden denken hier zeker alleen aan eten en nog meer aan drinken. Maar voor des Heeren dienst hebben zij geen lust een huis te bouwen en om wat te leeren evenmin.quot;

Juist wilde hij vertrekken, toen hij bemerkte dat de lucht plotseling was betrokken, en dat er denkelijk een zware regen kwam opzetten. Dat nu is nooit pleizierig voor wie er in wezen moet, maar vooral niet als men in een eenzame bergstreek is. De predikant wist dat bij ondervinding, en daarom wendde hij, zoodra er eenige regendroppels begonnen te vallen, zijn paard om, en keek, hoe weinig 'them ook in het dorp beviel, naar een schuilplaats uit. „De Zwarte Leeuwquot; was dichtbij. Hij steeg dan af, stapte naar binnen en nam plaats, afwachtende dat het weer bedaren zou. Er was niemand in de kamer dan een klein meisje, met wie de leeraar een poosje sprak, tot zij heenging om haar vader te roepen.

Het duurde lang eer de herbergier kwam, en nog langer duurde de regen. Tegen den avond werd het zelfs erger, en de leeraar moest nu besluiten daar dien nacht te blijven. Men gaf hem de fraaiste kamer in het huis, de eenige die het huis behalve de gelagkamer en het woonvertrek bevatte, en onze reiziger stak daar een licht aan, en begon brieven te schrijven.

Tegen tien uur werd er aan de deur geklopt. De knecht van den herbergier trad binnen, en vroeg of mijnheer ook naar bed zou willen gaan; dan kon het licht meteen uit.

„Goed' ', zei de dominé, „ik heb eigenlijk al lang zitten wachten, dat ik geroepen zou worden voor het avondgebed.quot;

„Avondgebed?quot; sprak de ander, „wat bedoelt gij?quot;

„Wel, gij bidt toch zeker wel, als gij tezamen 's avonds eet,

ocr page 53

49

vóór gij gaat slapen. Ik zou er liever bij zijn als er gebeden en gelezen wordt.

Do knecht zette groote oogen. .Dat is hier nog nooit gebeurdquot;, sprak hij. „Ik zal 't mijn meester zeggen.

„Goed,quot; zei do dominé, „want gij kunt er op rekenen, dat ik niet naar bed ga of mijn licht uitdoe, vóór ik liet avondgebed hei) bijgewoond.quot;

De knecht ging heen, en een oogenblik later kwam de herbergier binnen.

„Mijnheerquot;, zei hij, „zoudt gij 't licht willen uitdoen? Ik ga nooit slapen vóór alle lichten uit zijn. Er komt zoo licht brand.quot;

„Dat is heel verstandigquot;, was 't antwoord, „maar ik heb zitten wachten op het gezamenlijk avondgebed.quot;

„Dat hoor ik,quot; sprak de herbergier, „maar daar kan in een herberg niets van komen!quot;

quot;Niet?quot; antwoordde de dominé! „Laat dan dadelijk mijn paard zadelen. Want ik kan niet slapen in een huis, waar niet vóór den nacht gebeden wordt.quot;

Dat beviel den waard niet. Er kwamen in dat arme dorp zelden zulke voorname gasten als de predikant. Hij wou hem graag behouden. Daarom zei hij; „Nu, mijnheer, ik heb er niet tegen, maar ik weet niet hoe het gaan zal.quot;

„Roep maar uw huisgezin bijeen, en al uw volk hier in huis en wij zullen zien,quot; hernam de dominé.

Dat gebeurde: weldra zaten allen vereenigd om de tafel, en

ocr page 54

50

de leeraar vroeg nu aan den herbergier of hij, die liet hoofd van het huis was, voor allen wilde bidden.

„Maar dat kan ik niet,quot; antwoordde de atnxe man verlegen. .Ik heb 't nog nooit gedaan.quot;

„Vraag dan den Heere het u te leeren,quot; zei de gast.

Toen vouwde de waard de handen en sprak niets meer dan: ,o, Heere, leer ons hoe wij bidden moeten!quot; — daarna hield hij stil.

„Dit is bidden, vriendquot;, sprak de dorainé, „ga nu voort.quot;

„Ik weet waarlijk niets meer, mijnheer!quot;

„Dat weet gij wel,quot; sprak de reiziger. „De Heere God heeft u te minste doen zien wat bidden is. Daarvoor kunt gij Hem danken!quot;

De herbergier kon niet meer dan een paar woorden uitbrengen. Toen verhief de p. 'iker zijn stem , en bad luid voor allen die in het huis waren, dat het den Heer mocht behagen hun bidden te leeren en danken bovendien. Daarna werden de lichten uitgedaan en ging men ter ruste. Den volgenden dag was het mooi weêr, en de leeraar reisde weg.

Twee jaar later kwam Rowland Hill — zoo heette de predikant — weer door het dorp, en wat zag hij ? Er was een kleine houten kerk, maar op dat oogenblik — 't was in de week — werd die kerk meteen voor school gebruikt. De waard uit „de Zwarte Leeuwquot; woonde niet meer in de herberg. Hij wist nu wat bidden was, en dat hij ook danken kon was duidelijk te zien, want de kleine kerk was door hem gebouwd op zijn eigen stuk land, om er den Heere te loven en tc prijzen, die hem bidden geleerd had.

ïgt;«3 ZENDELING EN DE LEEUWEN.

Welltèfu leest de een of ander dit op Oudejaarsavond, terwijl hij warm en wel en gezellig thuis zit. Dat is dan de beste gelegenheid om eens een vergelijking te maken, en te vragen: Zou ik, indien de Heere het van mij vroeg, het voor Hem over hebben, zoo ver van huis te zwerven, en zoo groote gevaren te loopen, als waar de zendelingen gedurig aan zijn blootgesteld?

ocr page 55

Een zendoling ;,ing eens op reis naar de Barroloes, bij de rivier Molapo ii Afrika, hoofdzakelijk om hun laai le leeren. Hij ondcrvo ^ daar de beteekenis van Paulus'woorden: „ingevaren in de woestijn.quot; Vau zijn reis die twee of drie maanden duren zou, verhaalt hij ons iets waaruit gij zien kunt, dat een zendeling nog altijd, gelijk die eerste en groote zendeling onder de Heidenen, zooeven genoemd, allerlei nood heeft uit te staan, en zijn leven vaak niet zeker is.

„Ik vertrok,quot; zegt hij, „met een wagen, een gids, een jongen om de ossen te drijven, en twee Barroloes, die zich naar dezelfde plaats begaven. De weg dien zij moesten volgen, liep door een wilde en woeste streek, welke slechts wilde inwoners had. Des avonds van den derden dag hielden wij rust bij een vijver, genaamd Khokhole. Rondom ons heerscgt;'e de diepste stilte, en de duisternis belette ons te zien of er '..ok voetsporen bij den vijver waren. Wij lieten onze van vermoeienis uitgeputte ossen in vrijheid weiden. Maar dewijl ons onbekend was in welk gezelschap wij nog wel konden worden geroepen dien nacht door te brengen droegen wij zorg bij het licht van een fakkel, de zijden van den vijver te onderzoeken, üil onderzoek deed ons, tot onzen grooten schrik, een goed aantal sporen van leeuwen ontdekken.

Spoedig verzamelden wij de ossen, die zoo hecht mogelijk aan den wagen vast werden gebonden. Hun uitzicht was reeds eenigszins verwilderd, hetwelk scheen aan te duiden, dat zij begrip hadden van het naderend gevaar. De twee Barroloes hadden bij zich een jonge koe, welke ik hun raadde eveneens vast [te binden. Maar zij antwoordden, dat het rund te veel verstand had om den wagen en de ossen te verlaten, al zou hel ook een leeuw ruiken.

Na het avondeten hadden wij als naar gewoon^:«gebeden en ons avondlied gezongen. Er waren nauwelijks cv : -e minuten verloopen, dal ik in den wagen was geklommen, om er den nacht door te brengen, toen wij al de ossen hoorden stampvoeten van ontsteltenis. Een leeuw kwam het jonge rund dicht bij hen weghalen. Hij sleepte het op een afstand van dertig ellen, en wij hoorden hem duidelijk de beenderen van de jonge koe verbrijzelen, welke op de jammerlijkste wijs loeide. Ik nam

ocr page 56

52

mijn geweer, en naardien het Ie duister was om de voorwerpen te kunnen onderscheiden, maakte ik vuur aan, op onderscheiden plaatsen, in de richting waar ik het geluid en geklaag had gehoord. De leeuw antwoordde door vreeselijk gebrul, en naderde tevens onzen wagen, tot grootcn angst der ossen. De heide Rarroloes namen brandhout, dat zij naar hem wierpen, teneinde mij het noodige licht te verschaffen om goed te kunnen mikken.

Maar het gezicht der vlam verdubbelde de woede van het dier, dat zich dra op de beide mannen wierp. Nauwelijks had ik tijd om de richting van mijn geweer te veranderen, om aan te leggen tusschen hen en den leeuw. Onder Gods bestier nam de kogel een richting naar den grond, juist onder den kop van het monster, en deze omstandigheid deed hem achterwaarts gaan, steeds op vreeselijke wijze brullende. Wij waren het toen allen eens, dat het best zoude zijn hem maar met vrede te laten, indien hij ons niet meer verontrustte.

Dewijl wij slechts zeer weinig hout hadden om ous vuur te

onderhouden, verwijderden wij ons in twee verschillende richtingen van den vijver, om in de doornbosschen wat te vinden. Ik was nog niet ver, toen ik vier dieren gewaar werd, welker aandacht scheen opgewekt te zijn door het gedruisch, dat ik maakte bij het breken van droge takken. Hen naderbij beschouwende, bespeurde ik, dat deze nieuwe bezoekers weer geen andere dan leeuwen waren, ik nam den terugtocht aan, en kroop op handen en voeten naar den vijver, om onzen gids het gevaar mede te dcelen, waarin wij verkeerden. Ik vond hem niet minder verschrokken dan mij zelf: en nauwkeurig in een tegenovergestelde richting ziende, zagen we daar waarlijk nog twee andere leeuwen met een jong, die ons met hun blik ver-

ocr page 57

53

slonden, en onze gangen schenen na te gaan, om daarnaar de hunne te richten.

Wij haastten ons om weder in den wagen te komen, en deden ons best het vnur te onderhouden, terwijl wij op eenige treden afstands den eersten leeuw zijn prooi hoorden verslinden en verscheuren. Toen een van de andere uitgehongerde dieren in den omtrek heen en weder liep, en ons scheen te willen naderen, vervolgde de eerste liem eenige oogenhlikken met zoo vreeselijk gebrul en gehuil, dal het onze arme ossen en ons zelf deed beven. Wij hadden alle reden tot vrees dat er van de zes leeuwen een zich op ons zoude werpen, zonder door ons vuur te worden verschrikt. Do Barroloes intusschen benijdden het dier zijn (linken maaltijd, en lieten van tijd tot tijd een zucht van spijt hoeren, bij de gedachte over het verlies van hun koe en van al de melk, welke zij hun zoude gegeven hebben.

Een weinig voor den dageraad vertrok de leeuw, nadat hij zijn prooi geheel ingezwolgen had, en liet slechts eenige verbrijzelde beenderen achter. Toen het dag was geworden onderzochten wij de plaats, en erkenden aan de sporen van den leeuw, dal hij van de grootste soort was, en dat hij alleen hel jonge rund had verslonden. De sporen van de andere leeuwen waren niet verder dan dertig ellen van deze plaats; twee jakhalzen slechts waren gekomen om do overblijfselen weg te halen. Veel was mij verhaald van de onbegrijpelijke hoeveelheid voedsel, welke een uitgehongerde leeuw in eens kan nemen. Ik kon nu mij overtuigen, dat een enkel dier in staat is om hel vleesch van een vaars te verslinden, zonder het gebeente te rekenen, waarvan nauwelijks een paar ribben overbleven. De beenderen om het merg waren als met een hamer verbrijzeld.

GERED DOOR DE WALVISSCHEN.

Eenige jaren geleden ging een zendeling met een schip uit naar de eilanden van de Stille Zuidzee, Reeds drie weken had men gevaren, toen nabij de Kaap de Goede Hoop een geweldige storm opstak, die het schip dreigde te verslinden. Toen

ocr page 58

54

gebeurde de wonderlijke geschiedenis, die ik u liefst ongeveer met de eigen woorden van den zendeling wil vertellen.

„De storm,quot; zoo zegt liij, „woede fel en voortdurend. Schielijk opkomende windbuien, weerlicht en een overvloedige regen duurden den geheelen nacht voort; de zee verhief zich tot een verschrikkelijke hoogte en het dek van het schip werd menig-malen overstroomd. Het geheele schip was door de geweldige stooten cn schokken zoodanig gescheurd, dat het water, door een menigte kleine reten onze bedden nat maakte, en ons drong die te verlaten.

Vroeg in den morgen bracht een grootere zee nog veel meer water binnen. Toen een dezer zware watergolven tegen ons schip had gestooten, maakte ik van den tusschentijd, die volgde eer een tweede kwam, gebruik om op het dek te klimmen en eens rond te zien. In dat oogenblik scheen de zee een lan.'.'e rij van waterbergen, die voortliepen om de een op den ander te dringen. Eenige der hoogste schenen mij toe gereed te zijn om op ons kleine schip te breken, en het te verslinden.

Ik bleef het alles aanzien zonder iemand te zeggen wat ik dacht of vreesde. Daarna ging ik vergezeld van mijn zoon naar beneden, om — als het mogelijk was — eenig voedsel te gebruiken.

Daar kwam een man uit het scheepsvolk beneden. Hij noo-digde ons uit op het dek te komen, om een zonderling schouwspel te zien. Wij gingen haastig, en wat zagen we V Een groote menigte walvisschen waren komen zwemmen rondom het schip. Er waren er ten minste twee honderd zeer dicht bij ons, ieder omtrent twaalf voeten lang. Toen wij hen zagen hielden zij zich voor het schip, zwemmende dicht aan elkander gesloten.

Wij begrepen in 't eerst niet wat dit voor ons beteekende, doch de stuurman zei het. Hij legde ons uit, hoe die groote visschen den dienst bewezen van een voormuur en havenhoofd in zee, om de kracht der golven te breken, die zich op ons kwamen werpen. Verscheiden personen, die meê waren gegaan bespeurden dat eveneens, en ook mijn oogen werden eindelijk geopend om de bescherming te zien, die deze visschen kwamen brengen aan ons kleine schip, dat tegen de golven worstelde. Zij besloegen namelijk een aanzienlijk deel van de oppervlakte

ocr page 59
ocr page 60