Beooidecliug' van de vóór eu tegen landnationalisatie aangevoerde gronden.
i/A l
LANDHATIONALISATIE.
P
EOORDEELING
VAN DK
eii tegen Laiidiiiiiioiiiilisïitie aangevoerde gronden.
DOOR
Mr. A. K. VAN DE LAAR.
Dit geschrift, beantwoording cener door de Lcidsche Faculteit der Rechtsgeleerdheid uitgeschreven prijsvraag, waarop de schrijver 10 Juli 1.1. promoveerde tot doctor in de staatswetenschappen, wordt hierbij aan een ruimer kring aangeboden.
INLEIDING.
Bij een beoordeeling van vóór en tegen landnationalisatie aangevoerde gronden doet zich onmiddellijk de vraag voor, wat wij onder het begrip âlandnationalisatiequot; te verstaan hebben.
De letterlijke beteekenis is duidelijk, de grond wordt //genationaliseerdquot;, d. w. z. wordt het eigendom van den staat; aldns vat ook Mr. N. G. Pieüsont het op (Leerb. der Staath. II bl. 260).
Sommigen hebben dit begrip ruimer opgevat en hebben het in staatshanden overgaan van alle gebouwen er onder begrepen. Natuurlijk zullen voor een dergelijken maatregel geheel andere voor- en tegen-argumenten kunnen worden aangevoerd dan voor nationalisatie alleen van den grond. Daar echter meestal onder landnationalisatie enkel de overgang van den grond in staatshanden bedoeld wordt en de voorstanders van landnationalisatie ook allen nadruk daarop hebben gelegd, zal ik ook in hoofdzaak alleen landnationalisatie in deze beperkte beteekenis bespreken.
Het begrip //landnationalisatiequot; moet overigens niet worden
2
opgevat, alsof de grond hierbij steeds geheel staatseigendom wordt, zooals wij nu privaat grondeigendom kennen. Bij Wai.-i.ace bv., die toch aan zijn werk uitdrukkelijk den naam van «Land nationalisationquot; gaf, vinden wij een tusschenstelsel, waarbij de staat gedeeltelijk eigenaar van den grond is en als zoodanig een zekere pacht eischt, maar aan den anderen kant privaat personen geheel vrij blijven hun rechten op dien grond over te dragen enz. Zelfs H. Geoiige, die alleen door een uiterst hooge grondbelasting zijn theorieën zou willen verwezenlijken, wordt algemeen genoemd ouder de landuationalisten, daar toch feitelijk bij zijn stelsel alle voordeelen, die thans uit het privaat grondbezit aan de eigenaars toevloeien, aan den staat komen.
o '
Aan den anderen kant moeten echter, naar het mij voorkomt, om later tc bespreken redenen, scherp van landnatioualisatie worden gescheiden de vormen van vroeger gemeenschappelijk grondbezit, die men nog hier en daar in Europa aanheft. Dit verhindert echter niet, dat bij landnationalisatie wel de gemeenten en niet de staat eigenaar van den grond kunnen worden, zooals door enkele landuationalisten wordt voorgesteld; ook hier hebben wij dus een uitbreiding van het letterlijk begrip.
Eindelijk moet nog worden opgemerkt, dat de parlieele vormen van landnationalisatie, zooals eigendom van wegen, van bosschen, van mijnen, hier ook buiten bespreking kunnen blijven, daar bij deze zeer speciale argumenten gelden, die voor landnationalisatie in het algemeen niet van toepassing zijn.
Tn de tweede plaats een enkel woord over de wijze van behandeling van het onderwerp.
Wanneer iemand over een bepaalde to verrichten handeling een
3
goed- of afkeurend oordeel wil uitspreken, zal liij die handeling aan een bepaalden maatstaf moeten toetsen. Welke die maatstaf zal zijn, hangt grootendeels af van de subjectieve opvatting van dien persoon; voor sommigeu zal dat oordeel alleen bepaald worden door het meerdere of mindere nut, dat de te verrichten handeling zal afwerpen, anderen zullen, voordat zij oordeelen, in de eerste plaats vragen, of die handeling den toets kan doorstaan van andere beginselen, dan die der utiliteit, hoogere beginselen, daar volgens hen de utiliteit eerst dan gewicht in de schaal mag leggen, wanneer niet die andere beginselen de handeling als noodzakelijk eischen of de handeling positief verbieden.
Zoo ook met elke handeling door liet staatsgezag te verrichten , zoo ook met landnationalisatie.
Voor den utilist zijn zonder meer alle argumenten, hetzij vóór hetzij tegen landnationalisatie aangevoerd, buiten de utiliteit om, van nul en geener waarde. Ook hier moet volgens hem alleen het nut beslissen.
Voor hem echter, die meent, dat elke handeling ook van het staatsgezag in de eerste plaats aan hoogere beginselen getoetst moet worden, zullen ook bij liet bcoordeelen van de argumenten vóór of tegen landnationalisatie aangevoerd die argumenten in de eerste plaats besproken moeten worden, die, afgezien van alle utiliteit, landnationalisatie bepleiten of bestrijden.
Waar ik mij op dit laatste standpunt wensch te plaatsen, is inderdaad hierdoor mijn indeeling reeds in hoofdzaak bepaald.
De aan hoogere beginselen ontleende argumenten vóór en tegen aangevoerd in de eerste plaats besproken, vervolgens de nuttigheidsargumenten onderzocht. Ware het resultaat bij eerstgenoemde argumenten zoodanig geweest, dat landnationalisatie daardoor
4
geboden of verboden werd, de uuttiglieidsargumeiiteu zouden geen gewicht meer in de schaal mogen leggen, al bleken zij bij nader onderzoek ook nog zoo jnist. Nu echter mijn resultaat, zooals zal blijken, is geweest, dat geen hoogere beginselen eischen of verbieden, nu moet de utiliteit beslissen, nu ligt op dit gebied de oplossing van het vraagstuk.
HOOFDSTUK I,
liaiKliiationalisatic uit liet oogpunt van begin-scl.
De stof, die de argumenten in verband met den titel van dit hoofdstuk ons aanbieden, valt in een drieledige bespreking.
In de eerste plaats zullen de argumenten van die schrijvers besproken moeten worden, die het privaat grondbezit met rechtsbeginselen in strijd achten en derhalve min of meer op land-nationalistisch standpunt staan.
In de tweede plaats zal gevraagd moeten worden in hoeverre, in verband met de meeningen van verschillende schrijvers , het privaat grondbezit uit rechtsoogpunt geëischt zou kunnen worden.
Eindelijk rest ons in dit hoofdstuk te onderzoeken, in hoeverre, mocht men tot landnationalisatie willen overgaan, volledige scha-deloostelling door rechtsbeginselen geëischt wordt.
A. Be argumenten tegen privaat grondbezit.
Naast de landnationalisten staat hier een talrijke schaar schrijvers van communistische en socialistische beginselen, die in hun strijd
tegen privaat bezit iu liet algemeen of wel tegeu privaat bezit vau productiemiddelen natuurlijk privaat grondbezit uiet uitsluiten. Het besprekeu hunner argumenten zou ons echter voeren op een ander terrein, dan dat ter beschouwing voor ons ligt.
Ouder de schrijvers, die meer speciaal tegeu privaat grondbezit hunne aanvallen gericht hebbeu , die men in zekeren zin landnationalislen kan noemen, behooren Sïbncek, de Lavei.eye, Hekry George , FiaiascHEiM e. a.
Hun argumenten derhalve achtereenvolgens besproken ; zeer iu het kort gaan de voornaamste dezer vooraf, tot beter overzicht, daar de verschillende aanvallen op het privaat grondbezit weinig of bijkaus uiet samenhangen.
a. //Ieder heeft een gelijk recht op het gebruik van den grond.quot;
b. //Alleen op zakeu , die men zelf heeft voortgebracht, kan men een recht laten gelden; grond is niet door den mensch voortgebracht , dus geen voorwerp van privaat bezit/'
c. //Grondbezit is voor ieder even noodig als de lucht om iu te ademen.quot;
d. //Privaat grondbezit doet de vrijheid te loor gaan.quot;
e. //De grond stijgt iu waarde zonder toedoen van den eigenaar, derhalve mag die waardevermeerdering niet uitsluitend aan hem ten deel vallen.quot;
f. //Landnationalisatie wordt geeischt door den Bijbel.quot;
a. Spencer begint in zijn //Social Statics'' (Chapter IX p. 131) : //Given a race of beings having like claims to pursue the objects //of their desires â given a world adapted to the gratification of //those desires â a world into which such beiugs are similarly born, //and it unavoidably follows that they have equal rights to the use //of tills world. For if each of them ////has freedom to do all that
7
//lie wills provided he infringes not the equal freedom of any otherquot;quot; //then each of them is free to use the earth for the satisfaction of //his wants, provided he allows all others the same liberty.quot; ')
Elk mensch zou dus hebben een recht op het gebruik der aarde, een geschenk der natuur, volgens het beginsel dat âhe has freedom to do all that he wills provided lie infringes not the equal freedom of any other.quot; De zuivere consequentie van dit beginsel voert echter tot volslagen anarchie; Spencer zelf geeft dit volkomen toe, waar hij zegt (Social Statics p. 230) //Nay, //indeed, have we not seen, that government is essentially immoral ? //Is it not the offspring of evil, bearing about it all the marks of //its parentage ?quot; met verwijzing naar vorige bladzijden, waar hij betoogt, dat alle gezag feitelijk in strijd is met //the law of //equal freedomquot;, maar een noodzakelijk kwaad is, //therefore it is quot;that we call government //a necessary evil''.
Hieruit blijkt reeds dat Spencer's //Law of equal freedomquot; nooit een goede maatstaf kan zijn om daaraan door het staatsgezag te verrichten handelingen te toetsen.
Elke regeling voorts is met zijn stelsel in strijd. Wanneer toch ieder een recht van gebruik op de gansche aarde heeft, dan heeft A. geen recht om een stuk grond te bezaaien, want daardoor
!) Hetzelfde argument vinden wij l)ij Henry George , Vooruitgang en Armoede (vertaling Straatman , tweede druk bl. 250 ) //Indien wij hier zijn //door een gelijk verlof van den Schepper , dan zijn wij hier ook met een gelijk //recht op het genot zijner goedheid , met een gelijk recht op het gebruik van al //wat de natuur zoo onpartijdig biedtquot;.
Zoo ook in het Manifest door een afdeeling der Internationale te Genève in 1869 aan de landbouwende bevolking gericht. (Zie Wagner , Die Abschaffung des privaten Grundeigenthums S. 14) : Die Brde ist mit Allem, was darinnen, ein //Gescheuk der Natur und somit unverausserliches Gemeingut der Menschheit.quot;)
8
zuilen B. eu C. uitgesloten ziju om ook dieu groiul voor hun doeleinden te gebruiken en zij hebben er evenveel recht op als A. A. zal dus den grond niet mogen bebouwen, want doet hij het, dan : âhe infriuges the equal freedom of any other.quot; Inderdaad zegt Spkncek dan ook (op. cit. p. 132), dat geen deel der aarde door iemand âmay be held for his sole use and benefit,quot; dus zelfs privaat gebruik verboden.
Welk systeem beveelt Spencer nu aan, na (op. cit. p. 137) het onmogelijke eener gelijke vcrdeeiing in liet licht te hebben gesteld ? //The change required (op. cit. p. 141) would simply be a //change of landlords, separate ownerships would merge into the //joint-stock ownership of the public. Instead of being in the //possession of individuals, the country would be held by the great //corporate body society. Instead of leasing his acres from an //isolated proprietor, the farmer would lease them from the nation.quot; Een dergelijke inrichting zou dan in volkomen harmonie zijn met Spencer's moral law. //A state of things so ordered would be //in perfect harmony with the moral law.quot; Deze bewering is in geenen deele juist; dit alles is in llagranten strijd met âthe right to the use of the earth,quot; dat ieder toekomt. Met welk recht toch verbindt de staat het gebruik van den grond aan het betalen van een zekere pachtsom, met welk recht gebruikt alleen de pachter dat deel van den grond ? Maakt dit alles geen inbreuk op //the right to the use of the earthdat aan ieder meusch toekomt ? Zonder schending van dat recht, kan niemand, dan met toestemming van al zijn medemenschen , van den zuigeling in de wieg lot den grijsaard op zijn sterfbed, eenig stuk grond in//sole usequot; liebben.
Bovendien welk verschil is er, met betrekking lot dit recht, tusschen Spenceu's ideaal toestand en den tegenwoordigen ?
9
Ook tegeuwoordig wordt de pacht der gronden geregeld door vraag eu aanbod, ieder kan grond pachten; indien daardoor voldaan wordt aan âthe right to the use of the earthwelnu , dan is de toestand thans reeds âin perfect harmony with the moral law.quot;
Evenmin als hij , die geen middelen heeft om zich landbouwwerktuigen aan te schaffen , om zaad te koopen , om zich van het noodige vee te voorzien , geen kapitaal om van te leven totdat de grond rendeert, in den tegenwoordigen toestand grond zal kunnen pachten , evenmin zou hij dat kunnen doen in Spencer's ideaal toestand. Zijn //right to the use of the earthquot; komt dan evenmin als thans tot zijn waarde.
Indien dus die ideaal toestand van landnationalisatie inbreuk maakt op dat beweerde oorspronkelijk recht, dan bewijst het geheele betoog van Spencer niets; een toestand met dat recht overeenstemmende is niet te vinden, welnu, dan is elke toestand //a necessary evil,quot; evenals de staat zelf en welk «necessary evilquot; nu de voorkeur verdient, is een vraag van utiliteit, niet van recht.
Ook Spencer's uitgangspunt is in dit opzicht niet juist, dat de aarde wel door God aan den mensch ten gebruike is gegeven, maar aan den mensch collectief opgevat, aan de menschheid nis een geheel. Een dergelijke samenhang is echter natuurlijk aan Spencer's denkbeelden vreemd. ')
') Spencer is later eenigszins teruggekomen van de theorie in //Social Staticsquot; verkondigd, hij schreef toch in de Ninetenth Centuvy: //Ik moet hier nog //bijvoegen dat er, boven en behalve de dejuctiën, die, zooals wij hebben gezien, //door groote groepen van induction worden bewaarheid, nog andere deduction //kunnen worden gemaakt, die niet op zooJanige wijze kunnen geverifieerd worden, //welke laatste deduction uit dezelfde gegevens worden getrokken, maar omtrent //welke de ervaring niets bevestigends of ontkennends te zeggen heeft. Zoodanige
10
h. Alvorens de minder op deu voorgrond tredende argumeu-teu vau Spencer tegeu privaat grondbezit te bespreken, een oogenblik de aandacht gewijd aan het betoog, waarmede Henry George de onrechtinatiglieid vau het privaat grondbezit tracht te bewijzen (Vooruitgang en Armoede, zevende boek bl. 260 en volg.): //Ieder inensch heeft een recht op het gebruik zijner //eigene krachten , op het genot van de vruchten zijnen eigene //inspanning; alles wat de mensch voortbrengt, is derhalve //zijn eigendom, voor alles, wat door menschelijke inspanning //wordt voortgebracht is er een duidelijke en ontbetwistbare
'/rechtsgrond van uitsluitend bezit en genot...... De
//pen, waarmede ik schrijf, is, uit het oogpunt van recht-'/vaardigheid , de mijne, tieen ander menschelijk wezen kan er //rechtmatige aanspraak op maken, want op mij is het recht over //gegaan der voortbrengers, die haar hebben vervaardigd. Voor //het eigenaarschap van geene zaak (bl. 262) kan er een geldige //rechtsgrond bestaan , die niet wordt afgeleid uit het recht van //den voortbrenger en niet op het natuurlijk recht van den mensch //op zich zeiven, steunt. Daar kan geen andere rechtsgrond zijn, //1° omdat er geen ander natuurlijk recht is, waaruit een andere //rechtsgrond kan worden afgeleid, en 2° omdat de erkenning van //een anderen rechtsgrond met dezen onbestaanbaar is en hem te //niet doet. Wie verklaart (bl. 263) dat iemand met recht aan //spraak kan maken op het uitsluitend eigendom van zijnen, «in stoffelijke diugen belichaamden arbeid, die loochent, dat
//deducticn kunnen juist of onjuist zijn en ik geloof, dat er in mijn eerste boek, //dat veertig jaar geleden geschreven eu sinfs lang niet meer in den handel is, //eenige onjuiste deductiën voorkomen.quot; (Zie Flüuscheim: Individualisme en Socialisme, vert. door Duintjeii bl. 171 noot).
11
//iemaud rechtens aanspraak kan maken op het uitsluitend eigen-//dom van den grond.quot;
Ziehier de redeneering van Henry Geouge; een mensch heeft alleen recht van eigendom op wat hij voortbrengt door zijn arbeid, de grond is niet door 's menschen arbeid voortgebracht, grondbezit is derhalve onrechtmatig.
üe conclusie volgt voorzeker consequent uit de praemisse, maar is deze praemisse waar, dan is alle eigendom van stofl'elijke zaken onrechtmatig, dan moet alle privaat bezit worden afgeschaft. Bij vele stoffelijke voorwerpen is zeker arbeid een gewichtige factor, maar zij zijn geen van allen zuiver het product van arbeid , want dan zou de stof zelf door den mensch moeten zijn geschapen, ja, wat meer is, een stuk woeste grond, in een vruchtbaren akker herschapen , zal veel eerder een product van arbeid (al is de uitdrukking natuurlijk steeds verkeerd) genoemd kunnen worden, dan een diamant, waaraan bijna geen arbeid is besteed. En toch treedt Geouge tegen privaatbezit van diamanten, van goud en zilver volstrekt niet in het strijdperk. Later spreekt George van in stoffelijke dingen belichaamden arbeid, een formu-leering om de onjuistheid van zijn betoog te bedekken , maar heeft menschelijke arbeid dan een scheppend vermogen , een vermogen om iets uit niets voort te brengen. Is de grond het eigendom van allen, als niet door arbeid voortgebracht, dan ook alle stoffelijke voorwerpen, want geen mensch heeft het hout van zijn huisraad door arbeid uit het niet voortgeroepeu , geen mensch heeft door zijn inspanning alleen het graan voor zijn brood uit een graankorrel doen voortkomen. ')
') Spencer, wiens geestvenvant Geobge zich in vele opzicliten rekent,
12
Is de praemisse van George op zich zelf juist ? Heeft een meuscli alleen een eigendomsrecht op wat hij zelf voortbrengt ? Een oorspronkelijk eigendomsrecht, d. w. z. een eigendomsrecht, zonder eenige rechtsorde, bestaat niet; bestond het, dan zou het alleen betrekking hebben op zaken enkel door zijn arbeid voortgebracht, m.a. \v., op niet stoli'elijke zaken; daarentegen is de geheele stoilelijke wereld aan den mensch als arbeidsveld gegeven, is zij hel eigendom van de menschheid, collectief opgevat. Welk gebruik elk mensch vau die stoffelijke voorwerpen mag maken, zal bepaald worden door de verschillende machten , die het menschdom in zijn deelen besturen. Die machten zullen rekening moeten houden met den rechtmatigen eisch van elk mensch op vergoeding voor arbeid, besteed aan verbetering van stoffelijke zakeu , waarover later meer. Zij echter moeteu bepalen, hoe elk mensch in 't bizonder de stoffelijke wereld, alle stoffelijke voorwerpen , dus ook den grond zal mogen gebruiken ; dat liet staatsgezag dit moet doen, geeft zelfs Spencer volkomen toe, zooals wij reeds zagen. Bizondere personen zullen dus wel degelijk rechten op den grond kunnen bezitten, rechten aan het staatsgezag ontleend ') 2).
zegt in zijn Social Statics (p. 145) //It may be argued that the real question //is overlooked , when it is said, that bij gathering any natural product , a man ////has mixed his labour with it, and joined to it something that is his own, //and thereby made it his propertyquot;quot; for that the point to he debated is, whether //he had a right to gather, or mil his labour with that which, by the hypothe-//sis , previously belonged to mankind at large.quot;
i) Om nog een enkele conclusie van George (op.cit. hi. 260) tc bespreken: //Al geeft het souvereinc volk van den staat New-York zijn goedkeuring aan het //grondbezit der Astors , toch verkrijgt de zuigeling , die in het smerigst vertrek //van de ellendigste huurkazerne schreeuwend ter wereld komt, op dat oogenblik //daarop hetzelfde recht als de millionairs, en wanneer hem dat recht wordtgc-//weigerd , dan wordt hij bestolen.quot;
Uit de praeraisse, dat privaat bezit van al wat niet geheel product van arbeid
13
c. Zoowel iloor Geouge , als door de Lavet,eye en Fi.ürsciieim wordt nog met nadruk een ander argument gebezigd.
George zegt (Vooruitgang en Armoede biz. 2G5): //Het gelijk * recht van alle menschen op het gebruik van den grond is even «klaar, als hun gelijk recht om de lucht iu te ademen; het is quot;een recht, door het feit van hun bestaan verkondigd. Want wij //kunnen niet onderstellen dat sommige mensehen een recht hebben quot;om in deze wereld te zijn eu anderen dat recht missen.quot;
In dienzelfden geest laat de Lavet.eye zich uit (De la Pro-prieté et de ses formes primitives p. 383). Zich beroepende op een uitspraak van Henouard quot;La souveraine harmonie a placé quot;hors de 1 appréhension du domaine particulier les principales quot;d entre les choses sans la jouissance desquelles la vie deviendrait quot;impossible u ceux qui s'en trouveraient exclus si elles étaient quot;appropriées gaat hij aldus voort: //La terre est évidemment
is, onrechtmatig is, waaruit George deze conclusie trekt, kan men ecliter even goed laten volgen , dat de millionaiv een reclit heeft op de wieg, waarin dat kind ligt en dat hij, wanneer hem dat recht wordt geweigerd, eveneens bestolen wordt.
-) Een dergelijke onjuiste redeneeriog, dat de grond niet, alle andere zaken wel, geheel het product van arbeid zijn en daardoor een principieel onderscheid tnsschen gronde igeudom en ander eigendom zou ontstaan, vinden wij ook bij Mill en Stamm ; Mill: Dissertations and Disenssious (p. 28S): âAU these are frights to things which arc the produce of labour;quot; âbut there is another kind '/of property which does not come under any of these descriptions, nor depend //upon this principle. This is, the ownership which persons are allowed to exercise //over things not made by themselves , nor made at all. Such is property in «land; including in that term what is under the surface as well as what is //upon it. This kind of property, if legitimate, must rest on some other justi-â¢fication than the right of the labourer to what he has created by his labour.quot; Stamm: Die Erlösung der darbenden Menscheit (S. 122).
Tegen hen kan hetzelfde worden aangevoerd, wat hierboven tegen Geobge's betoog in het midden is gebracht.
14
//de ce norabre comme le sont l'air et les eaux ; car rhomme ne //pouvant se nourrir des rayons du soleil et des gouttes de la rosée //la possession d'une part du productif lui est indispensable pour //qu'il en puisse tirer sa nourriture.quot; ')
Volgens deze schrijvers zou dus het bezit van een stuk grond vereischte zijn voor elk mensch, als eisch van zijn bestaan ; het wezen van den mensch heeft het noodig om tot zijn recht te komen, om zich te ontwikkelen, ja, wat meer zegt, het is den mensch even onontbeerlijk als water en lucht.
In de eerste plaats leert de meest oppervlakkige beschouwing, dat dit niet zoo is, dat al mogen voedingsmiddelen ook onontbeerlijk voor den mensch zijn , privaat grondbezit dit niet is, getuige de duizenden, die zich vrij en krachtig ontwikkelen, zonder ooit een duimbreeds grond te hebben bezeten. Zeer te recht zegt dan ook prof. d'Aut.nis de Bourouit,i, (Het Heden-daagsch Socialisme bl. 247) : //Dat de mensch niet werken en //niet leven kan zonder grondeigenaar te zijn, moge waar geweest //zijn in de meest oorspronkelijke maatschappelijke toestanden, toen //jaclit en veeteelt de eenige bedrijven waren, waarin hij zijn be-//staan kon vinden , â in den tegenwoordigen tijd is, dank zij //de verdeeling van arbeid , een eervolle en winstgevende arbeid //mogelijk zonder bezit van grond. Talloos zijn de beroepen, welke //worden uitgeoefend zonder dat daartoe eigendom van grond nood-//zakelijk zij.quot;
i) Zoo zegt oot FtiiRSCiiEiM (Der cinzigc Reltnngswog S. 73): âDer Grnnd /'Und Boden ist zur Existenz des Menscben gerade sou nentberlich , wie die Lnft, //die er atbniet, das Licht der Sonne, das diese Erde bewohnbar macht und das quot;Wasser, das er trinkt. Er ist nicht nur als Anfenthaltsort unentberlieh, sondern nanch als TIrqnell aller Rohproducte, ohne die ein Ausiiben mensrhlicher Thütig-/'keit undenkbar ist.quot;
15
lu de tweede plaats zou een dergelijk betoog nooit tot landnationalisatie kunnen leiden ; is grondbezit voor ieder mensch een noodzakelijk vereischte, welnu, men verdeele dan den grond tusschen alle menschen , een stelsel, juist het tegenovergestelde van landnationalisatie,
d. Bespraken wij reeds liet argument van Spencer , dat '/the law »of equal freedomquot; eischt //the right to the use of the earthquot;, hij gaat nog verder en zegt, dat privaat grondbezit de vrijheid der menschen te loor doet gaan. Henry George drukt het in zijn krachtige taal aldus uit: //slavernij der arbeiders , het laatste ge-//volg van bizonder grondbezit.quot; Steeds noemt George privaat grondbezit een monopolie, een privilege.
Spencer zegt (Social Statics p. 92) : //Supposing the entire //habitable globe to be so enclosed , it follows that if the landowners //have a valid right to its surface , all who are not landowners have '/no right at all at its surface. Hence, such can exist on the earth //by sufl'erance only. They are all trespassers, save by the per-//mission of the lords of the soil, they can have no room for the //soles of their feet. Nay , should the others think fit to deny them //a restingplace, these landless men might equitably be expelled //from the earth alltogether. If, then the assumption that land can //be held as property, involves that the whole globe may become //the private domain of a part of its inhabitants , and if by eouse-//quencc the rest of its inhabitants can then exercise their faculties //â can then exist even â only by consent of the landowners ; «it is manifest that an exclusive possession of the soil necessitates //an infringement of the law of equal freedom. For men who cannot /'/flive and move and have their beingquot; without the leave of others //cannot be equally free with those others.quot;
16
Hetzelfde vinden wij ook bij George (Vooruitgang en Armoede bl. 272): //Plaats honderd menschen op een eiland, waarvan zij //niet kunnen ontsnappen, en of gij één man tot den onbeperkten //eigenaar van de negen en negentig maakt, of tot den onbeperkten «eigenaar van den bodem van het eiland, zal voor hem noch voor //hen eenig verschil uitmaken. In het eene, zoowel als in het andere //geval , zal die ééne de onbeperkte heer en meester der negen en //negentig zijn, zoodat zijn macht zich zelfs over leven en dood //uitstrekt, want hun eenvoudig de vergunning te weigeren om op //het eiland te leven, zou zijn hen in zee te dringen;' Hetzelfde, zegt quot;liij, geschiedt ook thans in onze maatschappij , en argumenteert dan met ziju later te behandelen pachttheorie. Verder zegt hij op bl. 275 , dat de pachtheer zijn pachters tot alles kan dwingen , hij kan alle voorwaarden stellen, hij kan zijn pachters dwingen zich op eene bizondere wijze te kleeden, een bizondere godsdienst te belijden , kortom tot alles.
//Zoolangquot; eindigt George dit hoofdstuk, //één man het, uitfluitend eigendom mag eischen van den grond, waarvan andere //menschen moeten leven , zal de slavernij bestaan.quot;
Eenigszins in dienzelfden geest laten ook Mii.i. eu Plühscheiji zich uit; zoo zegt laatstgenoemde (Individualisme en Socialisme bl 27) ; quot;Nu rijst de vraag : bestaat er inderdaad vrije mede-//din sing , wanneer de grond en alle natuurkrachten , die daarmede //samenhangen, in beslag genomen zijn door enkelen, die tevens //in bezit zijn van het kapitaal â d. w. z. van die productie-//middelen, welke het werk zijn van menschenhanden â terwijl //zij , van wie men wil dat zij zullen concurreeren met dat geluk-//kige kleine aantal menschen , niets anders hebben dan hunne //handen, gepaard aan zekere hongerige magen, die dringend
17
'/eischen gevuld te worden ? Eu dit is voorwaar een onmogelijke //taak, zoolang hun de toegang wordt geweigerd tot de voorraad-//schuur der natuur. Vrije mededinging tusschen zulke ongelijk //toegeruste krachten !quot;
Mill gaat niet zoo ver , maar toch zegt ook hij (Diss. a. Disc, p. 242) : //There are some things which , if allowed to be articles //of commerce at all, cannot be prevented from being monopolized varticles. On all such the State has an acknowledged right to //limit the profits. Railways, for instance, are inevitably a mono-//poly, and the State, accordingly, sets a legal limit to the amount quot;of railway fares. Now, land is one of these natural monopolies.quot;
Is dit alles juist? Vooreerst de dwang op den pachter uitgeoefend , door George en Spencer zoo zwart geschilderd , is in ons vaderland een onbekende zaak ; het uitoefenen van eenige pressie bestaat voorzeker, maar bij fabrikanten en arbeiders is die pressie vaak veel grooter , of liever overal, waar bezit en niet-bezit schril tegen elkander over staan.
Wat is er vervolgens waar van dat kwalificeeren van privaat-grondbezit als monopolie en privilegie ? Wil dit alleen zeggen, het uitsluitend gebruik van een stuk grond, welnu, dan kan men ook spreken van het monopolie van een stoel, een tafel, een jas, dan heeft dit niets geen waarde.
Beteekent daarentegen monopolie, dat het grondbezit zich bevindt in handen van enkelen, die voor het gebruik van dien grond een prijs eischen van hun vrijen wil afhankelijk, dan is privaat grondbezit een onding, dan bestaat werkelijk de toestand van George's eiland met den éénen grondbezitter. Maar grondbezit is geen monopolie in dien zin, de waarde wordt enkel en alleen bepaald door vrije mededinging, door vraag en aanbod,
2
18
de waarde van den grond hangt af van omstandigheden, geheel buiten den wil der grondbezitters.
Voorzeker, wanneer groote opeenhooping van grond in eén hand plaats vindt, wanneer de verschillende grondeigenaren in een streek zich onderling verstaan, dan ontstaat er eenige grond voor George's betoog, daar landverhuizing, men denke aan Ierland, vaak met al te groote bezwaren gepaard gaat, maar dan is de schuld niet aan het privaat grondbezit, maar aan de opeenhooping van grond in één hand.
De staat kan dan maatregelen hiertegen nemen, het meest radicale zou wel zijn zeer groot grondbezit eenvoudig verbieden, met bedreiging van onteigening. Maar, hoe dit ook zij, waar de grond een handelsartikel is, daar is van geen grond-monopolie sprake, daar bestaat die ééne man niet, die, volgens George, het uitsluitend eigendom van den grond mag eischen.
Volgens lYüssciiEiM is er, zoolang privaat grondbezit blijft bestaan, van vrije mededinging geen sprake. Tusschen doorliet privaatgrondbezit zoo ongelijk toegeruste krachten, zou geen vrije mededinging kunnen bestaan. Een eigenaardige opvatting van vrije mededinging. Zulk een vrije mededinging, als Elür-scheim schijnt te wenschen, is onmogelijk; zelfs bij volslagen communisme zou de een met minder, de ander met meer lichaamskrachten bedeeld zijn, zou de een meer, de ander minder geestesgaven bezitten, ook dan zouden er //ongelijk toegeruste krachtenquot; blijven bestaan. Onbewust stelt ïlürscheim , het socialisme bestrijdende, hier eischen van gelijkheid, zelfs door het communisme niet te verwezenlijken.
De oorsprong van het grondbezit wordt door Spencer, door vele anderen, zoo ook door Marx, aangevoerd tegen privaat
19
grondbezit. Dit argument kan natuurlijk echter alleen dienen om de rechten der tegenwoordige grondeigenaren te betwisten, nooit om de instelling van privaat grondbezit op zich zelf te doen afkeuren. Bij de vraag van al- of niet schadeloosstelling komt deze kwestie dus eerst ter sprake.
e. Eindelijk moet de aandacht nog worden gewijd aan de bewering, dat privaat grondbezit uit het oogpunt van billijkheid niet te verdedigen is, daar de grondeigenaren, door het voortdurend in waarde stijgen van den grond, zich zonder eenig werk, zonder eenige moeite, steeds verrijken. Dit argument heeft des te meer waarde, daar ook tegenstanders van landnationalisatie er met nadruk op wijzen,
John Stuart Mill vooral gebruikte dit argument vóór landnationalisatie; artikel 4 van het programma der Land Tenure Reform Association, waarvan Mill president was, luidde aldus: «'To claim, for the benefit of the State, the interception by taxa-quot;tion of the future unearned increase of the rent of land (so far //as the same can be ascertained), or a great part of that increase, //which is continually taking place, without any effort or outlay «by the proprietors, merely through the growth of population and //wealth; reserving to owners the option of relinquishing their //property to the State at the market value which it may have //acquired at the time when this principle may be adopted by the //legislature.quot; (Dissertations and Discussions, Vol. IV, Papers on Land Tenure, p. 239).
Mill argumenteert dit weer van uit zijn reeds besproken standpunt, dat grondbezit een monopolie geeft: de waarde van den grond zal zeker steeds stijgen, dit voordeel moet niet komen aan de grondbezitters, daar zij het krijgen âfrom the mere
20
progress of society and not from their own merits or sacrifices maar het moet vloeien in de staatskas. Het sterkste drukt hij dit uit (op. cit. p. 284); «The labouring classes do not find their «wages steadily rising as their numbers increase; and even capital
â__its interest and profit â instead of increasing, brings a
//less and less percentage as wealth and population advance. The //landlords alone are in possession of a strict monopoly, becoming //more and more lucrative whether they do anything or nothing «for the soil.quot;
Bij Geoege vinden wij dit met nog veel meer kracht betoogd; indien zijn theorie waar was, dat alle verhooging van loon en kapitaalrente als het ware steeds opgeslokt wordt door een voortdurende stijging van de pacht gt;), dan zou hier iets onbillijks in gelegen zijn, maar is deze theorie onjuist, dan valt ook het ^ansche betooquot;. De waarde dier theorie nu zal eerst in het derde
O 0
hoofdstuk behandeld kunnen worden.
De betoogen dienaangaande van FiaLkscheim en Stamm berusten eveneens op voorafgaande economische theorieën, waaruit dan het onbillijke van privaat grondbezit bewezen wordt.
Het argument van Mit.t. wordt door Walker besproken in zijn werk //Land and its llent'' (p. 128/29) en daar zegt hij ,
i) Steeds heb ik naar aanleiding van het betoog dienaangaande van Mr. N. G. PiEItsoN (Leerb. der Staath. I, bl. 79), niet het woord //grondrentequot; maar //pachtquot; gebruikt, wanneer ik bedoelde datgene, wat de grondeigenaar als zoodanig ontvangt, het Engelsche //rent;quot; grondrente bezigde ik daarentegen alleen in de heteekenis van een som, die de eigenaar van den grond moet betalen. In de vertaling van Geoege's werk door Straatman, heb ik derhalve bij aanhalingen steeds grondrente (als vertaling van //rentquot;) in pacht veranderd. Natuurlijk heb ik daarentegen in aanhalingen van ITollandsche schrijvers het woord grondrente in den zin van pacht niet gewijzigd.
31
naar aanleiding van Miu.'s later te bespreken argumenten, ontleend aan den oorsprong van het grondbezit, en ook naar aanleiding van dit argument, naar het schijnt: //From the point //of view of political equity , I know of no answer which can success-//fully be made to Mr. Mill's argument/' Walkeii zelf gaat dan betoogen, dat, mag het al zeer billijk zijn, Mill's plan niet aan te bevelen is //from the point of view of political expediencyquot; ; dit standpunt echter lijkt mij onjuist, want is het billijk, dan moet het worden doorgevoerd , als het ten minste niet geheel onuitvoerbaar is.
Maar is Mill's argument inderdaad , zooals Walker zegt, //inexpugnablequot; ?
In de eerste plaats neemt Mill als een axioma aan, dat de grond een natuurlijke strekking heeft om in waarde te stijgen; in hoeverre dit beweren juist is, zal in het derde hoofdstuk behandeld moeten worden. Alleen zou ik hier kunnen verwijzen naar de woorden van Mr. Pieeson (Leerb. der Staath. 2e dl. bl. 268) //Hoe zonderling het schijne, toch is het waar; men //heeft evenveel recht tot de bewering, dat de grond een natuurlijke //strekking heeft om duur, als tot die, dat hij een natuurlijke //strekking heeft om goedkoop te worden. In het eene geval //onderstelt men een aangroeiende bevolking , dus een toenemende //behoefte aan grond. In het tweede geval onderstelt men een '/bevolking die niet toeneemt in talrijkheid, maar wel in kennis wen daardoor gelijke uitgestrektheden weet dienstbaar te maken //aan de voortbrenging van steeds vermeerderende oogsten.quot;
Is Mill's axioma niet waar, dan valt zijn gansche betoog, hetgeen hij zelf erkent, want, de tegenwerping besprekende, dat kunstwerken even goed als land steeds in waarde stijgen , zegt
22
hij (op. cit. p. 197), dat dit niet juist is, daar hier het in waarde stijgen niet zeker is en de onbillijkheid dus weg valt, want âif //dealers are exposed to the one chance . they must have the benefit //of the other.quot; Dus wanneer eigenaars van den grond ook aan verlies zijn blootgesteld , dan moeten zij ook kans op winst hebben.
Zijn er echter geen andere zaken , die ook rijzen in waarde âindependently of anything done by the proprietor?quot; hetgroote bezwaar tegen grondbezit. Men denke b.v. aan diamanten, goud en zilver; wanneer de grond in waarde stijgt door toename der bevolking, zal ook het ruilverkeer toenemen . daarmede de vraag naar goud en zilver en zullen die metalen derhalve in waarde stijgen , als ten minste niet het aanbod bizonder vermeerdert, of andere ruilmiddelen goud en zilver vervangen. Dit kan het geval zijn , maar even goed kunnen nieuwe verbeterde landbouwwerktuigen het aanbod van landbouwproducten vermeerderen. Bij diamanten is het nog sterker; als de weelde sterk toeneemt, zullen diamanten vrij zeker in prijs stijgen. Hetzelfde is feitelijk het geval met alle stoffelijke voorwerpen ; door bizondere omstandigheden rijzen de graanprijzen sterk en hij, die op dat oogenblik een groeten voorraad bezit, verrijkt zich //independently of anything done by the proprietor.quot;
Mill's //unearned increasequot; hangt geheel af van vraag en aanbod; wanneer dit onrechtvaardig is, dan is alle stijging van prijzen van welke goederen ook onbillijk , ja dan zijn alle prijzen, alle rente , als afhangende van vraag en aanbod, een onbillijkheid.
f. Alvorens deze beschouwing over de gronden uit het oogpunt van recht aangevoerd voor landnationalisatie te eindigen, dien ik nog met een enkel woord te bespreken een zeer eigenaar-
23
dige meeniug, die in ons vaderland, vooral in âPatrimoniumquot;, eenige aanhangers telt, dat nl. de Bijbel landnationalisatie eischt. De vraag, in hoeverre de Bijbel in het beslissen van sociale vraagstukken met dogmatisch gezag bekleed is , blijft hier natuurlijk buiten bespreking, maar al plaatst men zich op dit standpunt, dan toch kan men nooit met goed recht betoogen, dat de Bijbel eischt, wat men tegenwoordig onder landnationalisatie verstaat. Zeer terecht toch wordt, naar ik meen , tegen die meening in het hoofdartikel van de //Standaardquot; van 9 Februari 1894 het volgende aangevoerd : //Doch met even weinig kennis van zaken //spreken zij , die driestweg verkondigen , dat de Heilige Schrift //Landnationalisatie eischt.
//Zij toch beroepen zich dan op het landbezit in Israël en op '/de algemeene ordinantiën over het gebruik der aarde, doch beide //malen zonder dat hun beroep op de Schrift ook maar even den //toets kan doorstaan.
//Ongetwijfeld was in Israël het landbezit anders geregeld ; en //we aarzelen niet te zeggen , beter en verstandiger dan bij ons ; //maar wie ook maar één oogenblik beweert, dat in Israël Land-//nationalisatie bestond , kent bf de beteekenis van dat woord, of //de Schrift niet.
//Landnationalisatie toch beteekent, juist zooals Jozef haar uit-//voerde, dat ;il het land het eigendom wordt van de Overheid ; //en in Israël was elke familie zelve eigenares van een eigen stuk //grond. Er was, zeer zeker, gezorgd, dat op den duur geen //enkele familie kon verarmen, en dat alle opeenhooping van /^grondbezit in ééne hand werd tegengegaan , maar dit doet niets //tekort aan het feit, dat niet de Overheid, maar de familie //eigenaresse was van het haar toegewezen stuk land.
24
quot;Wel leert de Schrift dat heel Israël God als eigenaar van het quot;land had te eeren, gelijk nu nog elk Christen weet, dat al zijn //goed niet van hem, maar van God is; doch in burgerlijken //rechte, had niet de plaatselijke noch de centrale Overheid, //maar alleen het familiehoofd recht van verkoop.
//En hetzelfde geldt van de algemeene ordonnantie Gods over //het gebruik dezer aarde. Daaruit toch zien we zeer zeker, dat //God de Heere de aarde bestemd heeft tot voeding der menschen, //en dat alzoo elke burgerlijke regeling van het landgebruik steeds //dit doel in het oog heeft te houden. Maar hieruit volgt zoo weinig, //dat Landnationalisatie de per se door God gewilde regeling zou //zijn, dat veeleer door God zelf bepalingen zijn gemaakt voor den //verkoop van het land ; iets wat bij Landnationalisatie natuurlijk //niet te pas zou komen.quot;
Als resultaat van al het voorgaande kunnen wij dus aannemen, dat de argumenten uit een rechtsoogpunt tegen het bestaan van privaat grondbezit te berde gebracht, bf onjuist zijn, bf, de juistheid in het midden gelaten, consequent doorgevoerd, tot toestanden zouden leiden, die de schrijvers zelf, als onbestaanbaar moeten verwerpen.
JB. Is landnationalisatie in strijd met de beginselen van het recht ?
Aldus luidt het tweede hoofdpunt in dit hoofdstuk te behandelen, waaraan zich de vraag vastknoopt, of, ingeval landnationalisatie geoorloofd is, al dan niet schadeloosstelling moet worden gegeven.
Wij zullen hier dus te onderzoeken hebben, in de eerste plaats of wellicht privaat grondbezit in het algemeen door rechtsbeginselen geeischt wordt en in de tweede plaats, of
25
er in het bizonder personen zijn, die een oorspronkelijk recht op den grond kunnen doen gelden, dat zelfs niet tegen volledige schadeloosstelling door den staat te niet zou mogen worden gedaan,
In het kort moeten wij derhalve de verschillende eigendomstheorieën in dit licht beschouwen. Deze kunnen wij in drie groepen splitsen, die theorieëu , welke privaat eigendom in het algemeen postuleeren uit het wezen van den mensch, die theorieën, welke het privaat eigendom van bepaalde zaken door bepaalde personen gronden op bepaalde feiten, op welke feiten dan privaateigendom in het algemeen gebaseerd wordt, en eindelijk die theorieën, welke het privaat eigendom beschouwen bloot als een instelling door het positief recht in het leven geroepen, een geheel vrije instelling, waarbij alleen rekening moet worden gehouden met doelmatigheids- en billijkheidsoverwegingen. Zooals Wagnek, het uitdrukt (Grundlegung S. 442 u. 444) : //I. Eigenthumstheorieën, fwelche die Institution auf einen inneren, im Wesen des Menschen //liegenden Grund zurückzuführen oder dadurch wahrhaft zu bergranden suchen,.,. II. Eigenthumstheoriën, welche ein bestiinmtes //Princip axiomatisch hinstellen und darauf die Privateigenthums-//institution begründen wollen,,.. III. Eigenthumstheoriën, welche //behaupten, dass das Eigenthum, eben weil es nicht nach jenen //anderen Theoriën sich begründen lasse, nur eine Institution des //positiven Hechts, und als solche überhaupt nur auf die freie, '/freilich durch Eücksichteu der Zwecktnassigkeit und der Gerechtig-//keit bestimmte Rechtsbildung zu begründen sei.quot;
Bij de behandeling der verschillende theorieën wensch ik dezelfde volgorde te bezigen als Wagner in zijn Grundlegung, tevens de door hem aangevoerde argumenten besprekende.
36
I. De natuurlijke eu de natuurlijk- economische eigendomstheorie.
a. De natuurlijke theorie : //Das Eigenthum ist eine nothwendige //Consequenz der menschlichen Natur und der Selbstandigkeit der //Individuen (Wagnek op. cit. S. 443), elk mensch heeft privaat eigendom uoodig om zijn persoonlijkheid te ontwikkelen, om aan de eischen van zijn levensdoel te voldoen. Deze theorie , die het eerst door Fichte geleerd werd, wordt door Hegel aldus uitgedrukt , dat «Das Eigenthum das Mittel ist, sich die Sphtlre //ausserer Freiheit zu gebenquot;, en zoo zegt Stahl : //Das Eigenthum //ist der Stofl'fiir die Ofienbarung der Individualitiit des Menschen.quot;
In de eerste plaatst wijst Wagnek te recht op het vage dezer theorie, daar de socialisten uit den aard van het menschelijk wezen âeine dem Privateigenthum grade entgegengesetzte Rechts-ordnung für die Vermögungsweltquot; afleiden.
Na vervolgens te hebben toegegeven, dat, âaus dem Wesen //der menschlichen Persönlichkeit die nothwendige Forderung ent-//springt, dass die Eechtsbildung zur Institution eines gewissen //Frivateigenthums an Gebrauchsvermögen führequot;, iets wat echter de meeste socialisten zullen toegeven, onderzocht Wagner of privaat eigendom van kapitaal of grond ook een eisch zij, voortvloeiende uit het wezen van den mensch. Wat het laatste , den grond, betreft antwoordt hij beslist ontkennend door er op te wijzen , dat:
Wanneer de mensch noodzakelijk in de gelegenheid moet worden gesteld, âzur freien Gestaltung seiner Lebensweise,quot; zelf over grond te beschikken, dit even goed kan zonder privaateigendom , maar door hem een recht van gebruik te geven.
/3. Deze theorie wordt weersproken door vroegere en tegen-
27
woordige toestanden. //Denn, wenn wirklich (op. cit. S. 463) die //Institution des Privateigentliums au Productionsmitteln durch //das Wesen der Persönlichkeit uothwendig gefordert würde, so //wiire der unvermeidliche Schlusz, dass vor Allem die Producenten //selbst das Eigentlium au den ihnen zur wirthschaftlichen Bethü-//tiguug erforderlichen Productionsmitteln besitzen müssten. Dies //ist wahrscheinlich das Beste, aber es ist eben, wie bekannte That-//sachen beweisen, nicht das Nothwendige, nicht einmal das all-/'gemeiuer Verbreitete. Denn die meisten freien Arbeiter , wie //ehedem die unfreien , werden mit Productionsmitteln Fremder //beschaftigt, und viele Unternehmer arbeiten in gleicher Weise //mit geliehenen Kapitalieii, gepachteten Grundstiicken, gemietheten //Gebiiuden , was im Wesentlichen ebenso vor sich geheu könnte, //wenn grnndsatzlich nur öffentliches (Staats-Gemeinde) Eigentlium //an Productionsmitteln zugelassen würde. Das Privateigenthum an //Boden und Kapital ist für alle diesen Personen im grossen //Umfange Fremdthum , was wenigstens die Aufiassung des ersteren //als nothwendige Conseqnenz der Persönlichkeit unhaltbar macht.quot;
Dat Wagner's betoog in dezen juist is, dat deze natuurlijke theorie voor bizonder grondeigendom niets bewijst, blijkt ook ten duidelijkste uit het reeds besproken betoog van de Laveleye in âDe la propriété et de ses formes primitives waar hij zich juist beroept op deze natuurlijke eigendomstheorie; een gemeenschappelijk grondbezit eischende, haalt hij de woorden aan van Aheens (p. 392) : //La propriété est pour chaque homine une //condition de sa vie et de sou développement. Elle est basée sur //la nature même de 1'homme et doit done être considérée comme //un droit primitif et absolu , qui ne résulte d'aucun acte extérieur //comme l'occupation, le travail ou le contrat. Le droit resultant
28
//directement de la nature humaine, il sufiït d'etre homme pour //avoir droit a. une propriété.quot; Aan dezen eisch, door Ahrens gesteld meent de Lavei.eye dus, dat even goed voldaan wordt door âein Recht des Gebrauchsquot;, voortvloeiende uit gemeenschappelijk grondbezit.
Eindelijk zou uit deze theorie volgen, dat ware werkelijk privaat grondbezit noodig als «der Stotf für die Ofi'enbarung der Individualitat des Meuschen elk mensch dan ook zelf een stuk grond zou moeten bezitten , niet de staat alleen grondeigenaar zijn. Op deze onvermijdelijke consequentie wijst ook Wagner (op. cit. S. 461), waar hij zegt naar aanleiding van een uitgebreid privaat eigendom van verbruikszaken (de consequentie is echter dezelfde) : //Aus Begriff und VVesen der Persönlichkeit folgtdas-//selbe nicht, oder, wenn er daraus abgeleitet wird, so ergiebt //sich wieder die Consequenz, dass es Allen im gleichen Maasse //zustehen muss.quot;
b. De natuurlijk economische theorie. Evenals bij de vorige theorie wordt ook hier het privaat eigendom verklaard uit het wezen van den mensch, maar op eene andere wijze; zooals Wagneb het uitdrukt (op. cit. S. 443): //Diese Theorie //wird in der Art formulirt, dass eine Seite der menschlichen //Natur, die wirthschaftliche, zur Begründung des Eigenthums dient. //Das Eigenthum überhaupt und speciell auch das Eigenthum //an Productionsmittelu oder das Grund- und Kapitaleigenthum //erscheint hier als nothwendige Consequenz der wirthschaftlichen //Natur der individuellen menschlichen Persönlichkeitquot;.
Wij hebben dus te vragen of inderdaad het privaat grondbezit een //nothwendige Consequenzquot; is //der wirthschaflichen Natur der individuellen menschlichen Persönlichkeitquot;. Welnu, die
29
âNothwendigkeitquot; blijkt, geheel in het midden gelaten of zij voor privaat kapitaalbezit bestaat, in allen geval voor privaat grondbezit niet te bestaan. Keeds bij het behandelen der vorige theorie zagen wij, dat de feiten in strijd zijn met zulk een noodzakelijkheid van privaat grondbezit. //Das wirthschaftliche Selbstinteressequot; voortspruitende uit het menschelijk wezen, //de allen Menschen angeborene Naturtriebquot;, eischt het niet, want hoe zou dan ooit gemeenschappelijk grondbezit kunnen bestaan, hoe zou dan ooit grond verpacht kunnen worden , indien voor de productie alleen privaat grondbezit bestaanbaar ware ? ')
Zeer zeker is het waar, dat een systeem van landnationalisatie zonder pachtstelsel, met bebouwing door staatsambtenaren, in vele opzichten uiterst slechte resultaten zou opleveren door het ontbreken van //das Selbstinteressequot;; zelfs hier echter, al moge een dergelijke maatregel ook nog zoo nadeelig zijn, blijkt toch de //Nothwendigkeitquot; niet, het is zuiver een doelmatigheidskwestie. Bij landnationalisatie met pachtstelsel blijkt dit veel duidelijker, al zou ook hier de productie verminderen , een later te bespreken kwestie, van een //Nothwendigkeitquot; van privaat grondeigendom ter wille der productie geen sprake.
Alles berust hier dus op het nut, de doelmatigheid , nooit is dus het privaat grondbezit volgens deze theorie een eisch van rechtsbeginselen. Als resultaat van het beschouwen dezer beide theorieën
') Zooals Waqnee zegt: //Angesichts der Verbreitung des Bodenanbans ohue quot;die Institateu des Grandeigenthnms z. B. in den liindern mit sog : Gemein-//eigenthum vou Gemeinschaften (Gemeinden u. s. w.) oder endlieh angesichts /'vielfacli verbreiteter Bodenknltur durcb Pachter, kaun mau nicht wohl das «Privateigenthum der Bebaner au Boden als nnbedingte Voraussetzung der «Production bezeichnen und als nothwcndige Consequcnz der wirtachaftlichen quot;Natur des Mensebeu ////begründeaquot;quot;.
30
zien wij dus, dat privaat grondbezit in het algemeen niet uitdrukkelijk geeischt wordt, als voortvloeiende uit het gansche wezen van den raensch. Uit rechtsoogpuut zou dus afschaffing van privaat grondbezit niet laakbaar zijn , altijd indien niet, wat hier in de tweede plaats valt te onderzoeken, bizondere personen op een bepaald stuk grond oorspronkelijke rechten kunnen doen gelden.
Zoo zijn wij dus genaderd tot:
II. De occupatie-theorie en de arbeids-theorie. Deze beide theorieën, hoewel verder zeer uiteenloopend, hebben dit gemeen, dat zij op bloote feiten het privaateigendom als rechtsinstelling willen gronden.
/â¢/Dies istquot;, zegt Wagner (op. cit. S. 472), quot;ein Eehler im Ausgang-//punkte. Von der Thatsache gelangt man nicht unmittelbar zum //Rechte, sondern die Thatsache oder genauer gesagt die Umstande, /rwelche sich an die Thatsache als ürsachliche Momenten knüpfen, //können uur zum Gruude dienen aus Rücksichten der Gerechtigkeit //(Billigkeit) und Zweckmiissigkeit ein Recht der mit der Thatsache //in causaler Beziehung stehenden Person, eventuell auch das //Eigenthumsrecht für sie aus dieser Thatsache hervorgehen zu lassen.quot; Verder zegt hij ; //Wenn Occupation und Arbeit also im concreten //Falie Eigenthum begründen , so wird die Eigenthumsinstitution //als solche schon als bestehend vorausgesetzt. Jene Facta sind //dann nur rechtliche Erwerbsarten des Eigenthums, nicht innerer //Grund der Institution , sondern aussere Ursache des Eigenthums //einer bestimmten Person.quot; Wil men door occupatie of door arbeid iets als zijn eigendom verkrijgen , dan moet eerst in het algemeen het recht van den mensch om zich van bepaalde stoffelijke zaken meester te maken bestaan; bestaat dit recht niet, bestaat er dus
31
in het algemeen geen eigendom, dan kunnen occupatie en arbeid nooit eenig recht geven. Wanneer door den staat het eigendomsrecht op bepaalde zaken gegeven wordt en dientengevolge de rechtsorde geboren wordt, dan zal het de vraag zijn in hoeverre de staat met occupatie of arbeid heeft te rekenen. Voordat de staat echter een recht van eigendom heeft geschapen, kan er nooit een recht door occupatie of arbeid bestaan , m. a. w. deze feiten kunnen nooit een oorspronkelijk, van den staatswil onafhankelijk recht scheppen. Occupatie en arbeid kunnen alleen geven een //Postulat der Gerechtigkeitquot;, waarmee misschien bij de regeling van het eigendomsrecht rekening moet worden gehouden, maar nooit een recht van eigendom , zelfs door den staat te eerbiedigen. Ware dit zoo, dan zou onteigening door den staat van gronden voor den aanleg van spoorwegen, het maken van kanalen, enz. ongeoorloofd zijn, zelfs tegen schadeloosstelling zou zulk een recht niet geschonden mogen worden. Toch is bijna unaniem dit recht tot onteigening erkend en zijn dus hiermee die zoogenaamde oorspronkelijke rechten ontkend. Een middelweg is er niet.1) Omtrent de arbeidstheorie in het bizonder valt nog op te merken, dat zij berust op een voorafgaande occupatie-theorie, want op alle stoffelijke voorwerpen , die men bij zijn arbeid gebruikt, moet
]) Zeer beslist spreett ook Spencer dit uit (Social Statics p. 140): //Moreover «we daily deny landlordism by our legislation. Is a canal, a railway, or a //turnpike road to be made ? we do not scruple to seize just as many acres as //maybe requisite, allowing the bolderacompensation for the capital invested, we do //not wait for consent. An act of Parliament supersedes the authority of title deeds «and serves proprietors with notices to quit, whether they will or not. Either //this is equitable or it is not. Either the public are free to resume as much of //the earth's surface as they think fit, or the titles of the landowners must //be considered absolute and all national works must be postponed until lords nund sqnires please to part with the requisite slices of their estates.quot;
32
men eerst een recht bezitten , om ze te mogen bezigen bij zijn arbeid.
Met het bovenstaande stemt ook prof. d'Aui.nis in (Het Hedendaagsch Socialisme bl. 250): //Hoe rechtsphilosophen //en economisten zich hebben afgesloofd om dien eigendom te «rechtvaardigen, en om den titel te vinden, waarop hij steunt! //Naar mijne meening ligt zijn titel â en onder dit woord versta //ik enkel zijne rechtvaardiging â in de geschiedenis van het //menschdom en in het maatschappelijk belang, dat dien eigendom //gebood. Dikwijls is gemeend, dat men hiermede niet kon //volstaan, en is naar andere gronden gezocht. Maar met //zoodanige andere gronden, welke zich niet zelve laten op-//lossen in het helang der maatschappij , kan ik mij niet ver-//eenigen. Menigwerf is gezegd dat het eigendomsrecht tot titel //heeft de occupatie van een zaak, die aan niemand toebehoorde, //doch dit beweren schijnt mij zoowel feitelijk onjuist als onlogisch. //Want de ingenomen grond was onder de heerschappij van den //geheelen stam, voor dat de enkele zich afscheidde, en was dus //geen zaak, die voor res nullius te houden viel. Ten andere, kan //men van occupatie als titel van eigendom alleen spreken, wanneer //reeds de Eigendom als rechtsinstelling bestaat, terwijl hier juist //de vraag wordt gesteld, hoe deze rechtsinstelling is ontstaan, en //waarom zij ontstaan is. Evenmin gaat het aan den arieid als //titel te noemen in den zin, waarin deze gewoonlijk als grondslag //van eigendom wordt voorgesteld. Want de grond is niet door »arbeid geschapen, hij is hoogstens door arbeid verbeterd.quot;
Prof. d'Aulnis plaatst zich hier dus geheel op het standpunt der derde theorie, der //Legaltheorie.quot; In zijn verder betoog heeft, naar ik meen, prof. d'Aut.nis dit standpunt weder verlaten;
33
met nadruk wordt dit ook betoogd door Stoffel. Op bl, 252 van quot;Het Hedendaagsch Socialismequot; tocli lezen wij een aanhaling uit //Le Collectivismequot; van Paui. Leroy Beaui.ieu , waarin deze o. a. zegt: '/Het feit van de eerste inbezitneming schept een werkelijk recht.... het recht van den eersten bezitter is tegelijk quot;een natuurlijk feit, het enkele bezit, en een voortgezette uiting '/van den wil, de arbeid.... de grondeigendom rust op drie quot;elementen: de daad der inbezitneming, waarbij zich is komen //voegen de arbeid en welke in laatste ontleding geheiligd wordt quot;door het algemeen nut.quot; Hierop laat prof. d'Aulnis dan volgen: //De collectivisten echter geven zich door dergelijke redenen niet quot;gewonnen. Zij blijven er bij , dat de inbezitneming bloot een quot;feit is en beweren, dat een feit op zich zelf nooit een recht kan quot;scheppen. Maar deze nieuwe wijsgeeren vergeten , dat feiten door quot;het verloop van tijd een rechtscheppende kracht bezitten. Het quot;leven van den mensch is kort, en voor de nieuwe geslachten zijn quot;de toestanden, waaronder zij ter wereld komen te eerbiedigen, wil //niet alles tot den chaos terngkeeren, eü wil niet in naam van /'recht, dat lang verjaard, verouderd is, het grootste onrecht ten quot;troon worden geheven. Humani generis patrona praescriptio, â quot;schreven de Romeinen. Hoe dit aan de socialisten te doen ge-//voelen ? De inbezitneming schept toestanden niet alleen voor quot;individuen, maar ook voor geheele natiën. Welk recht heeft een //volk , dat de vruchtbare gronden van Europa bewoont, om zijn quot;grond tegen vreemde indringers, gesteld zij kwamen, te ver-//dedigen, welk ander recht heeft het dan het feit der vroegere //inbezitneming en der stage bearbeiding door zijn voorzaten ?quot;
') Stoffel /'Een Kijkje op liet Hedemlaassche Socialisme enz.quot; bl 21.
3
34
Is dit laatste uu niet in strijd met het eerst aangehaald betoog ? Ten onrechte, zegt prof. d'Aut.nis, beweren de collecti-visten , dat het feit der inbezitneming, als bloot een feit, nooit zelf recht kan scheppen ; wel degelijk geeft het feit der inbezitneming en der stage bearbeiding een recht; zonder dat recht zou een volk zijn vruchtbaren grond tegen indringers niet mogen beveiligen. En op bl. 250 lazen wij, dat de bewering, dat eigendomsrecht tot titel heeft de inbezitneming van een zaak, zoowel feitelijk onjuist als onlogisch is.
Hoe dit zij, prof. d'Aui.nis beroept zich op Leroy BKAüi-tEU en diens argumenten zullen dus thans te onderzoeken zijn. In het begin van âLe Collectivismequot; weerlegt Lbroy Beaumeu de argumenten van Marx, die wijst op den onrecht-matigen oorsprong van het grondbezit. Dan beroept hij zich reeds tegen Marx op verjaring en arbeid. Deze hebben den grondeigenaar een recht gegeven, zoodat van onrechtmatigen oorsprong van het grondbezit geen sprake kan zijn. Later wijst Leroy Beautaeu met nadruk op een recht door inbezitneming geschapen.
Zijn beroep op de verjaring schraagt de Fransche schrijver met de volgende gronden : »Sans la presciption, rien ne tient plus debout
O O
,/en ce monde et les nations ne sont pas plus assurées du territoire //qu'elles possèdent que les particuliers du champ dont ils out hérité //on quils ont acquis.... La prescription est la seule sauvegarde //contre la guerre universelle et permanente. Si l'homme a cesse d ctre //pour l'homme un loup, homo homini lupus, c'est a la prescription //qu'en revient le mérite.quot; (Le Collectivisme p. 34). //La prescription
//sans laquelle le monde entier retomberait dans le chaos----La
//prescription, la seule nature de droit, qui permet aux F rangais de //refuser le partage de leurs terres avec les kalmoucks (op. cit. p. 43).
35
Ts hiermede nu bewezen dat verjaring een recht geeft ? Tk meen van niet. De verjaring moge uit doelmatigheidsoogpunt nog zoo aanbevelenswaardig zijn, daarom schenkt zij immers nog geen recht ?
Zonder haar heeft een volk geen recht op den grond waar het woont, zegt Leroy Beaulieü ; welou, wanneer dat zoo zij, laat een volk dat recht dan niet bezitten, wat beslist dit aangaande de vraag, of hier een recht ontstaat. Hoe kan tijd op zich zelf ooit recht scheppeu; zeker de staat kan aan het een tijd lang voortduren van een toestand een recht verbinden, maar dan schept de staat, niet de tijd, dat recht. De staat bepaalt, hoe lang een bepaalde toestand moet duren , opdat er verjaring ontsta, de staat kan dien tijd kort of lang stellen wel een bewijs, dat de staat, niet de tijd, dat recht schept. ')
Maar heeft verjaring nooit rechtscheppende kracht, aan de verjaring ligt toch ten grondslag een oorspronkelijk in bezit nemen, een occupatie , heeft deze dan wellicht rechtscheppend vermogen ? Dit nu betoogt Leeov Beaulieü in het vervolg van //Le Collectivisme.quot;
') Spencer critiseert de raeening, dat aan verjaring rechtscheppende kracht moet worden toegekend op de volgende wijze : (Social Statics p. 133) ////But Time,quot;quot; say //some is a great legalizer. Immemorial possession must be taken to constitute «a legitimate claiming. That which has heen held from age to age as private //property, and has heen bought and sold as such , must now be considered as //irrevocably belonging to individuals.,,,' To which proposition a willing assent //shall be given when its propounders can assign it a definite meaning. To do //this, however, they must find satisfactory answers to such questions as: How //long does it take for what was originally a wrong to grow into a right ? At //what rate per annum do invalid claims become valid ? If a title gets perfect //in a thousand years, how much more than perfect will it be in two thousand //years ? â and so forth. For the solution of which they will require a new //calculus.quot;
36
T)c aarde is nooit volkomeu res nullius geweest, dit, zegt Beaulieo , kan men niet betwisten, âelle a servi a l1 origine -â /soit de territoire dechasse, soit de territoire de parcoursquot; (op. cit. p. 74). Maar zou men. niet kunnen zeggen, dat de streken, aldus gebruikt, niet inderdaad //légitiment possédéesquot; maar slechts //indftment ou provisoirement occupiesquot; zijn ? Wanneer men het recht van den tegenwoordigen kolonist en van den inboorling vergelijkt, wien zal men dan een âusurpateurquot; kunnen heeten, den kolonist, die van een beperkte oppervlakte grond niet alleen voor zich zelf, maar ook voor tal van anderen voldoende voedsel verkrijgt, of don inboorling, die veel en veel meer grond gebruikt enkel om een ellendig bestaan te lijden. quot;Quand on pretendquot;, gaat Beaülteu voort, //que la terre n'ctantjamais une //chose vacante, il ne peut pas y avoir d'appropriation legitime //rnctne du plus petit coin du sol, quand on répcte le célèbre //anathême de Rousseau, on se livre a un raisonnement qui est //vicieux et en équité et en histoire
Het verdere betoog luidt nu aldus (op. cit. p. 75, 76 , 77): Tn een land van wilden, die het land niet bebouwen, maar het slechts bezigen voor jachtterrein, komt een kolonist, die een betrekkelijk klein deel van den grond gaat bebouwen , een zoo klein deel, dat aan de wilden totaal geen schade wordt toegebracht en die thans zooveel verbouwt, dat hij ook nuttig is voor tal van andere menschen, zou zulk een kolonist dan geen recht hebben op den grond door hem bebouwd ? Bij een stam, bestaande uit jagers, een vijfhonderd in getal, besluit een huisvader herder of landbouwer te worden ; van het jachtterrein heeft hi] voor zijn doel veel minder noodig dan '/sop i ',1 P^^3 van te veel neemt liij dus nog minder dan zijn deel van den grond
37
//il fit douc uu veritable cadeau a la tribuquot; //II s'operait,quot; zegt Beaumku (op. cit. p 77), âune sorte de conversion d'uu droit //de jouissance collective sur un tcrritoire infmiment étendu en uu //droit de jouissance individuelle sur un territoire relativement trés //restreint. La tribu se trouvait, en definitive, avantagée. Cette //conversion, sans donte, ne s'est pas opéree par un contrat //formel. Mais la vie sociale abonde en quasi-contrats. Ces derniers, //quand ils ont la consecration de l'utilité sociale et celle du temps //out droit ii autant de respect que les contrats les plus positifs //et les plus detailles.quot; Is nu de conclusie juist, uit deze voorbeelden getrokken : //Le fait de roccupation première constitue //un veritable droit ?quot;
In het eerste geval was zeer zeker het bebouwen van een bepaald stuk grond door den kolonist zeer nuttig voor de menschheid en hij schaadde er niemand mede, maar hebben hij en zijn nakomelingen daarom een recht dien grond altijd te beschouwen , als met uitsluiting van alle anderen hun toe te be-hooren ? Een recht, dat zij zullen blijven behouden, als later de grond schaarsch en duur is geworden en zij het recht van gebruik van dien grond aan pachters afstaan tegen hooge sommen ; dan kan toch niet meer het argument gelden , dat zij door zoo goed te zijn dien grond te willen bebouwen , de gansche maatschappij ten zegen zijn. Omdat ik, iets doende, niemand schade toebreng, krijg ik toch niet het recht om dit nu altijd te mogen doen met uitsluiting van alle anderen. Zeker zal de aan den grond bestede arbeid een billijken eisch op vergoeding tegen anderen kunnen geven, maar nooit het recht om altijd over dienzelfden grond te mogen beschikken , want met welk recht is die grond gebruikt om er arbeid aan te besteden ?
38
Bij liet tweede voorbeeld zieu wij juist hetzelfde. Maar, zegt Leeoy Beaulieu , is hier dan geeu âquasi-coutrat,quot; dat de kracht heeft vau een âcontrat formel.quot; Quasi-contracten kunnen, dat is waar, door den wetgever d. w. z. den staat met contracten gelijk gesteld worden, maar ook alleen op die wijze de kracht van een contract verkrijgen. Welnu, die autoriteit van den staat ontbreekt hier volkomen, hoe kan dan ooit uit dit zoogenaamde quasi-contract een recht worden geboren ?
Niet alleen, gaat Leroy Beaolieu voort, eischen //1'histoire, //le consentement universel, une sorte de concession réciproque,quot; dat de eerste inbezitneming een recht in het leven roept, maar ook âla raison elle-même et l'équitéquot; eischen het. Zoo even zagen wij reeds , dat die âconsentement universelquot; niet bestaat, wanneer er âtoestemmingquot; met zooveel woorden meê bedoeld wordt; wordt er mede bedoeld de stempel der goedkeuring van den staat, als vertegenwoordigende âle consentement universel,quot; dan schept de staat, niet de occupatie, het recht.
Wat beteekenen hier nu //raisonquot; en //équité?quot;
//La raison ,quot; want, //sans le droit du premier occupant et de la //transmission volontaire ou héréditaire 1'humanité tomberait dans //un chaos indescriptible.quot; Dit is zuiver een nuttigheidsargament, indien dit juist is, dan zal het occupatierecht en het erfrecht in elke wetgeving een onmisbaar vereischte zijn , maar uit dit nuttigheidsargument kan toch nooit een recht ontstaan.
//L'équitéquot; : //Le droit du premier occupant (o. c. p. 77) repré-wsente a la fois un fait naturel, la simple possession, et uu //effort persistant de la volonté, un travail; car pour occuper '/il a fallu défendre , pour défendre efficacemeut il a fallu , dans //les temps anciens surtout ou dans les pays neufs, résider, exploi-
39
//ter, cultiver. Due propriété, dans ces temps rudes, qui auvait //ete abandonnée par le premier occupant, n'aurait pas tardé a //être envahie et prise par un autre. Dans la plupart des pays //qu'on colonise, il en est encore de méme aujourd'hui; celui qui //possède des terres sur les confius de la culture a la Plata ou en //Australië , s'il n'y réside pas, si du moins il n'y va pas souvent, //s'il n'y fonde pas une exploitation ou n'y entretient pas de gardien, //court le plus grand visque de se voir contester sa propriété et //ünalement de la perdre.quot;
Zoo even zeiden wij reeds, dat de aan den grond bestede arbeid een billijken eisch tot schadevergoeding kan geven, maar boe kan ooit die arbeid, waaronder Be au lieu hier zelfs rekent de moeite van zijn grond tegen anderen te verdedigen, een recht schenken ? Voorzeker, wanneer er nog geen wettelijke regeling van den grondeigendom bestaat of een zeer onvolledige, dan zal het vaak gebeuren , dat een bebouwer van een stuk grond met geweld zijn grond tegen anderen moet beveiligen, maar de omstandigheid, dat hij hiertoe in staat was, dat hij hiertoe de macht had , kan toch nooit de bevoegdheid scheppen om nu altijd tegen iedereen zijn grond te mogen verdedigen. Die eerste beveiliging, bewaking van zijn grond tegen anderen, kon uit moreel oogpunt, uit billijkheidsoogpunt, zeer te rechtvaardigen zijn, maar daarmeo heeft de bebouwer nog niet een recht verkregen. In een onbeschaafde maatschappij zal hij, die grond bebouwd heeft zonder schade voor anderen , die n grond tegen anderen mogen verdedigen, omdat bij die anderen geen sprake zal zijn van schadeloosstelling voor den arbeid aan dien grond besteed ; zijn billijke eisch op vergoeding veroorlooft hem tegen die onbillijkheid op te komen, niet zijn onverbreekbaar recht op den grond.
40
//Lu propriete foucière gaat Lkiioy 15eaui.ieu voort,'/repose //sur trois elements : le fait de 1'occupatiou auquelquot; est venu se //superposer le travail, et que coasacre eu dernière analyse l'utilité //sociale générale.''
//Le fait de roccupationquot; is dus de hoofdzaak en met kracht wordt nu nogmaals betoogd, dat werkelijk hier een recht wordt geschapen. Een nieuw argument, vroeger bij de //prescriptionquot; even aangestipt, wordt nu geheel ontvouwd. âUéja dans le cha-pitre précédent nous avons attiré l'attention sur ce point qui est capital, il importe d'y iusister,quot;
//Si Ton admet,quot; zegtLEiiov Bjsaumeu nl, (o. c. p. 79) //quelapro-//priété privée est illégitime parcequ'uu individu n'a pu s'approprier a «tout jamais une chose essentiellement commune comme la terre, ce //principe appliqué a un individu, doit 1'être aussi a une com-//munauté d'habitants, ;i une nation, a la population d'un //continent.quot;
Schijnbaar beslist dit hoofdargument alles ten gunste van Beaulieu's redeneering; wanneer noch occupatie , noch arbeid aan een enkel menscb ooit een recht kan schenken , hoe bezit dan een volk het recht om andere volken van zijn grondgebied te weren, om zijn grondgebied voor zich alleen te houden. Met welk ander recht kunnen de Fransclien hun vruchtbaar land weigeren aan de arme bewoners der Hussische steppen ? Een feit heeft steeds dezelfde rechtsgevolgen of het geldt een enkel individu of een gansch volk. Is //la propriété privée illégitimequot;, dan is ook het bezitten van een bepaald laud door een bepaald volk //illégitime.quot;
//Schijnbaar'quot; is dit beslissend, want bij deze gansche redeneering wordt, naar ik meen, een onjuist uitgangspunt gebruikt, onjuist
41
ten minste, als hier betoogd moet worden het rechtscheppeude der occupatie , zooals Beaulieu wil. Wauueer privaat grondbezit onrechtmatig is , wanneer alle privaat grondbezit een onrecht is den medemenschen aangedaan , dan kan evenmin een volk op een bepaald gebied zijn rechten doen gelden. Maar is alle privaat grondbezit onrechtmatig ? Zeer zeker, wanneer men met Spencer aanneemt, dat de aarde tot gebruik is gegeven aan elk mensch , maar niet wauueer men oordeelt , dat de grond is gegeven aan de menschheid iu haar geheel, dat de menschheid in haar verschillende geledingeu en orgauismeu over dien groud zal hebben te beschikken , dan is privaat grondbezit in het algemeen geen onrecht. Wauueer een huisvader in een onbeschaafd land, waar geen liooger gezag, geen staatsverband bestaat, een stuk land bebouwt , pleegt hij geen onrecht, maar daarom heeft hij uu juist nog geen recht op dat stuk laud. Een volk, dat zijn grondgebied tegen anderen beveiligt, pleegt geen onrecht, want dat volk, die staat heeft een plaats in de noodzakelijke geledingen vau het gansche menschdom, maar eeu recht, een onvervreemdbaar recht, ueen, dat heeft geen enkel volk op het grondgebied, waar het woont. Alleen tegenover die staten , waarmee eeu staat iu volkenrechtelijk verband staat, zal hij een recht hebben op zijn grondgebied. Maar tusschen den Nederlandschen staat eu een niet in de volkenrechtelijke gemeenschap opgenomen volk , bestaat totaal geen rechtsbetrekking, tegenover dat volk heeft Nederland geen recht op zijn grondgebied , maar evenmin pleegt het een onrecht door dat grondgebied te bezitten.
Evenmin als de mensch , die tot geeu staatsverband behooreude in een onbeschaafd land een stuk grond bebouwt, tegen anderen rechten op dien grond kan doen gelden , evenmin kan eeu staat,
42
tegenover andere volken of staten, waarmede hij in geen volkenrechtelijk verband staat, rechten op zijn grond hebben.
Ook dit argument van Beaulieu is dus , naar ik meen, niet voldoende om het rechtscheppende der occupatie te staven. Indien zijn geheele betoog juist ware, dan zou hiervan de onvermijdelijke consequentie zijn , dat geen staat ooit het recht heeft door onteigening inbreuk te maken op die oorspronkelijke eigendomsrechten,') ja , dan ware feitelijk elke beperking van den eigendom ongeoorloofd eu zou zelfs betreden van iemands grond tegen zijn wil onrecht zijn, m. a. w. dan ware een hoogere macht, een staatsgezag , niets dan een ijdel woord. J)
Als resultaat van het voorgaande, verkrijgen wij dus, dat noch occupatie, noch arbeid inderdaad een recht op den grond kunnen schenken.
111. //Legaltheorie.quot; âDas Eigenthum, insbesondere das Gruud- und Kapital-eigenfchum ist (wenigstens in allem Wesentli-chen) nur auf die Rechtsbildung , auf die staatliche Auerkennung zu begründen (Wagner, Gruudlegung S. 487).' Slechts het positief recht kan een eigendomsrecht scheuken, maar dat positief recht zal rekening hebben te houden met de eischen van billijkheid en doelmatigheid; geen willekeur mag hier heerschen.
Over deze theorie kunnen wij kort zijn, reeds in het voorafgaande werd zij herhaaldelijk besproken.
1) Zie boven bl. 31.
2) Door een der voorstanders van landnationalisatie, die zicli plaatst op bet standpunt, dat alle privaat grondbezit onrecht is, wordt tegen Leeoy Beaulieu bet eigenaardig argument aangevoerd , dat, al is landnationalisatie in een wereldstaat bet ideaal, de invoering van landnationalisatie in de versebillende bizon-
ere staten, bet onreebt altbans eenigermate zou verminderen.
43
Als hoofdbezwaar tegen deze theorie wordt aangevoerd, dat dau de staat maar willekeurig allen eigendom zou kunnen beperken of afschaffen. Iets wordt toch niet rechtmatig, doordien de staat er zijn sanctie aan heeft gegeven, zegt de Laveleye (De la Propriété, p. 389) en wijst dan op de slavernij vroeger dooiden staat geantoviseerd. //Cette propriétéquot; (die van een slaaf, vraagt de Laveleye , '/était-elle legitime , et la loi qui la con-vsacrait créait-elle un veritable droit ? âNon, une chose est juste ^ou injuste, une institution est bonne ou mauvaise, avantqu'une //loi le declare, de mcme que deux et deux font quatre, avaut //que cette vcrité soit formulée.quot; Zeer juist, bij slavernij kan geen //droit veritablequot; worden gevestigd, want slavernij is door geen aardsche macht tot recht te stempelen, maar de instelling daarentegen van privaat eigendom is met geen rechtsbeginsel in strijd, is wel //justequot;. //Les rapports des chosesgaat de Laveleye voort, //ne dependent pas de la volonté des hommes; wils peuvent faire de bonnes lois et de mauvaises lois, consacrer //le droit ou le violer, mais celui-ci n'en subsiste pas rnoins. A //moins de soutenir que toute loi est juste, il faut admettre que ,//la loi ne crée pas le droit.quot;
Dat de eene wet goed, de andere slecht is , dat sommige wetten in strijd kunnen zijn met rechtsbeginselen, wie zal het tegenspreken, maar al kan een bepaalde regeling van den eigendom niet in overeenstemming zijn met de eischen door de billijkheid gesteld, dat het staatsgezag den eigendom regelt, privaat grondbezit toekent, is niet met rechtsbeginselen in strijd , is niet //violer le droit.quot;
Geen rechtsbeginselen eischen afschaffing van het privaat grondbezit , maar evenmin is landnationalisatie in strijd met die begin-
44
selen. Alles zal dus afhangen van doelmatigheid, de vraag is hier slechts, zooals Beaumeu (op. cit. p. 43) zegt (zij het dan ook in strijd met zijn occupatie-theorie) ; //Quels sont pour la //communauté tout eutière , les avantages respectifs de la propriété //privée et ceux de la propriété collective ?quot;
C. Behoort de staat hij eventueele onteigening, met het oog op rechtsbeginselen, volledige schadeloosstelling te geven of niet ?
Deze vraag is vau het grootste belaug; verreweg de meeste voorstanders van lauduationalisatie willen , wel is waar, een zekere schadeloosstelling geven , maar geen volledige en op het voordeel, hierdoor door den staat te behalen, is dikwerf een groot deel hunner plannen en voorstellingen gebouwd.
Bij het bespreken van dit vraagstuk komen liet eerst aan de orde de argumenten door verschillende schrijvers gegrond op den volgens hen onrechtmatigen oorsprong van het tegenwoordig privaat grondbezit. ïegen de instelling van privaat grondbezit in het algemeen bewijst dit niets, zooals wij vroeger reeds aantoonden ,, maar hieruit argumenteert men dan, dat natuurlijk van recht op schadeloosstelling geen sprake is, waar op zoo onrechtmatige wijze verkregen is, en dat in allen geval, al moge er dan ook een gedeeltelijke schadeloosstelling gegeven worden, dit slechts bij wijze van groote goedgunstigheid zou geschieden.
Nog verder gaat George, die, betoogende dat privaat grondbezit even onrechtmatig is als slavernij, de gevolgtrekking maakt, dat grondeigenaars evenmin aanspraak hebben op vergoeding als slavenhouders, ja, dat vergoeding onrecht zou zijn.
45
Kart, Maux heeft aan het einde van zijn werk âDas Kapitalquot; betoogd , dat bijna alle privaat grondbezit zijn ontstaan te dankeu heeft aan roof of afpersing. Leroy Beaulieu wijst in zijn bestrijding van Maex (Le Collectivisme p. 38) met recht op het zeer overdrevene dezer voorstelling: //En France, la moitié //du sol environ appartient ti la petite proprieté. Cc n'est pas, //certes, ii main armóe que celle-ci s'en est emparée, ni a la faveur //de lois usurpatrices , c'est par Tépargne patiënte.quot; Verder beroept Beaulieu zich dan tegen Maex op verjaring en arbeid.
Verjaring kan hier echter, naar ik meen, niet gelden, ook niet met het oog op schadeloosstelling; tic staat heeft de verjaring geschapen, zij geeft geen oorspronkelijk recht, de staat kan dus ook haar gevolgen te niet doen , als die gevolgen met de billijkheid of doelmatigheid in strijd zijn.
De aan den grond bestede arbeid zou met meer recht voor een volledige schadeloosstelling kunnen worden aangevoerd , indien Beaumeu's theorie juist ware, dat de grond al zijn waarde aan arbeid ontleent. Hoewel zeer zeker door arbeid aan sommigen grond zeer veel is verbeterd, gaat deze redeneeriug veel te ver. Er is veel kapitaal in den grond gestoken, veel meer dan de grond thans waard is , maar dat kapitaal werd steeds ruimschoots door de opbrengst vergoed. Voor elke oogst moet de grond bewerkt en bezaaid worden, maar de oogst vergoedt meest ruimschoots dat kapitaal. Later moeten deze arbeidstheorie van Beauijeu en de gevolgtrekkingen, die hij er uit maakt, uitvoeriger worden besproken. ')
Tu hoeverre is nu echter, als verjaring en arbeid hier niet of
') Zie bl. 54.
46
slechts ten deele gelden, liet beroep van Makx en andere schrijvers op den OBrechtmatigen oorsprong van het privaat grondbezit juist? Hier wordt met onrechtmatig niet bedoeld, dat in het algemeen alle privaat grondbezit een onrecht is, zooals wij bij George vonden. Marx heeft het oog op concrete gevallen. Dus in elk geval niet onteigening van allen grondeigendom zonder schadeloosstelling , maar slechts van een deel, waut Leiioy Beaui.ieu wees er terecht op, zooals wij vermeldden, hoe overdreven en onwaar de beweriug van Marx is, dat alle grondeigendom door berooving is verkregen , toch zeker niet dat der kleine boeren. Voorts zijn de meeste gronden na dien âonrechmatigen oorsprongquot; toch wel eens in andere handen door koop of anderszins, niet door erfenis , overgegaan, dan is alle onrechtmatigheid natuurlijk weggevallen; een socialistisch argument als van Marx , dat dan het kapitaal, waarvoor de grond gekocht werd, toch gestolen was, kan hier buiten bespreking blijven.
Zeer klein is het getal grondeigenaren derhalve, waarbij men dan met eenig schijnbaar recht van âonrechtmatigen oorsprongquot; kan spreken. Maar wat zou dan hier âonrechtmatigquot; beteekenen of liever wat beteekent âonrechtquot; altijd? Strijd met het recht, wat anders? Welnu, strijd met rechtsbeginselen is er niet, want privaat grondbezit in het algemeen is niet met rechtsbeginselen in strijd; strijd met een concreet recht is er echter ook niet, want niemand anders had een recht op dien grond, toen iemand zich er van meester maakte, het was zuiver een kwestie van macht. Van âonrechtquot; dus geen sprake.
Maar zal men misschien aanvoeren, in zooverre heeft er bij den oorsprong van dat grondeigendom toch een onbillijkheid plaats gehad, dat de vroegere houders van dien grond toch een billijke
47
aanspraak op schadeloosstelling bezaten voor den aan dien grond besteden arbeid. Wat dit betreft houde men echter in het oog, dat dit vooreerst met een recht op den grond niets heeft uit te staan; dit zou alleen kunnen voeren tot den eisch, waaraan natuurlijk onmogelijk te voldoen, dat thans nog door staatsdwang die schadeloosstelling werd uitgekeerd. Voorts was de in vroegere tijden aan den grond bestede arbeid zoo gering, dat hij, die het stuk grond verloren had, daaraan bijkans geen eischen van schadeloosstelling kon ontleenen.
Als slotsom zien wij dus, dat ten onrechte de âonrechtmatige oorsprongquot; van grondeigendom wordt aangehaald om daaruit tot niet-schadeloosstelling bij onteigening te concludeeren.
Thans hebben wij nog te bespreken de argumenten ten opzichte van schadeloosstelling van die schrijvers, die meenen, dat privaat grondbezit in het algemeen een onrecht is en, zooals George, soms tot geen schadeloosstelling concludeeren,
Henry George bedient zich van de volgende redeneering (Vooruitgang en Armoede, bl. 280 v.); Er kan nooit een rechtvaardige aanspraak bestaan op privaat grondbezit, dit is even onrechtvaardig als slavernij, elk privaat grondbezit is diefstal der maatschappij aangedaan, is er dan een reden, waarom ik mij moet laten bestelen van daag of morgen omdat ik gisteren en eergisteren ben bestolen? Het bezit is nu eens onrechtmatig, ook de onschuldige kooper behoort niet te worden schadeloos gesteld. Het zou dus volkomen rechtvaardig zijn om alle privaat grondbezit zonder de minste schadeloosstelling af te schaften, zonder zelfs eenige schadeloosstelling te geven voor verbeteringen enz., want bij onrechtmatig bezit, b. v. wanneer een ander erfgenaam blijkt te zijn, gebeurt dit ook wel volgens de tegen-
48
woordige wet. Maar, zegt George, dit behoeft niet eens, het is voldoende, dat liet volk het eigendomsrecht van den grond terugneemt, de grondbezitters mogen hunne verbeteringen en hun persoonlijk eigendom in vrede blijven behouden. Georoe's voorstel: //de grondbelasting zoo hoog op te voeren dat zij tot op een paar quot;percenten gelijk is aan de geheele pachtquot;, staat echter met geheele onthouding van schadeloosstelling gelijk ').
Dr. Stamm is van oordeel, dat feitelijk geen schadeloosstelling gegeven behoeft te worden, maar: quot;Da aber die jetzigen Usur-//patoren (Die Erlösung der darbenden Menschheit S. 140) un-ffschuldis sind an dem Unrecht der vor ihnen Existirenden, die //durch Gewalt, Anmaszung nnd Unrecht den Grundbesitz an sich '/brachten, so soil den jetzigen Tnhabern eine gerechte Entschiidi-quot;gung zu Theil werden. Durch diesen Edelmuth kann es das quot;Volk vermeiden, sich erst mit Hülfe vonBlutund Grauelscenen quot;seinen legitimen Besitz 7,uriickcrkiimpfen zu mussen.quot; De schadeloosstelling is dus een bizondere goedgunstigheid, die echter ook vrij beperkt is, want Stamm zegt verder (op. cit. S. 140): //Wenn quot;der Einzelne heut zu Tage in vielen Staaten selbst sein Leben quot;fiir den ungerechtfertigsten Kricg opfern muss und im Gefolge quot;eines Krieges oft Hunderttausende durch Verwundungen und quot;Seuchen ihr Leben verlieren, so könuen auch einmal einige Hun-quot;derte von Besitzern, wie in England , Schottland und Irland und quot;einige Zehn oder Hunderttausende, wie in andern Liindern, fiir quot;das Wohl des Volks etwas materiellcn Schaden erleiden.quot;
') Lkroy Beautjeij is van oonlccl (op. cit. p. Ifi7), Jat alle schvijvers, oo!c R'EORaE, nog ecnie;szins scliadeloosstelling willen toekennen , maai' ik gelool met Mr. Gorkoop (Be Staat als Grondeigenaar), dat dit onjuist is.
49
Ook Plürscheim wil wel schadeloosstelling geven, maar is toch ook van oordeel, dat, waar privaat grondbezit en slavernij in onrechtmatigheid gelijk staan, feitelijk niets gegeven behoeft te worden ; alleen pleit de onschuld der tegenwoordige grondbezitters , die niet weten welk gruwelstuk door hen bedreven wordt, vóór schadeloosstelling, al zullen zij door //Progress and Povertyquot;, een helder licht in de duisternis, wel wat wakker geschud zijn.
Dergelijke beschouwingen als van Sïamm en Flüescheim leiden natuurlijk spoedig tot onvoldoende schadeloosstelling, waar het voordeel, dan door den staat te behalen, hun plannen aannemelijker moet maken ').
Bij al deze schrijvers is het hoofdpunt gelegen in het onrechtmatige van het grondbezit; de onjuistheid dezer praemisse hebben wij vroeger reeds betoogd; slavernij is onrechtmatig, heerschappij van den mensch over de stoffelijke wereld is het niet, alle vergelijking tusschen slavernij en privaat grondbezit, ten opzichte van schadeloosstelling, gaat derhalve mank.
Wij zien dus, dat wij uit bovenstaande argumenten van Marx, George e. a. geenszins tot onthouding van volledige schadeloos-
') Ook Spencee, die zoo sterk het onrechtmatige van privaat grondbezit betoogt, wil tocli wel wat schadeloosstelling geven: de kwestie is uiterst moeielijk, zoo zegt hij; hadden wij te maken met hen, die oorspronkelijk de meuschheid beroofden, dan konden wij korte wetten maken. //Bnt, unfortunately most of
//our present landowners are men, who have either mediately or immediately_
//either by their own acts, or by the acts of their ancestors â given for their //estates, equivalents of honestly earned wealth, believing that they were in-//vesting their savings in a legitimate mannerquot;. (Social Statics p. 142). Maar Spencee eindigt toch: //Men having got themselves into the dilemna by diso-//bedieuce to the law, must get out of it as well as they can, and with as little //injury to the landed class as may bequot;; het privaat grondbezit is een onrecht, het moet afgeschaft, dan desnoods maar met niet volledige schadeloosstelling.
4
50
stelling belioeveu te concludeeren. Een andere vraag is echter, of de billijkheid nu uitdrukkelijk schadevergoeding eischt.
Vooraf moet hier besproken een zeer eigenaardig argument, dat door Alfred Wallace wordt aangevoerd voor het niet noodzakelijke van âvolledigequot; schadeloosstelling, een argument, waarop ook Flürscheim wijst. Wallace nl. is van oordeel, dat een klein verlies voor de grondeigenaren niet onbillijk mag geheeten worden, daar toch vaak door het afschaflen van besehermende rechten, dus door indirecte inwerking van den staat, tal van kooplieden geruineerd, tal van werklieden tot werkeloosheid en zoo tot den bedelstaf gebracht werden. In dit geval werd toch nooit schadeloosstelling gegeven, want zeide men, het mag
hard zijn, het algemeen belang maakt dien maatregel noodzakelijk. Welnu, zegt Wallace, zou dan een klein verlies door de grondeigenaren te lijden ook niet gebillijkt zijn door de zegenrijke gevolgen, die volgens hem landnationalisatie zou brengen? (Land
nationalisation p. 200).
Fi.üescheoi heeft dit denkbeeld nog verder uitgewerkt met zijn gewone uitvoerigheid; het geval besprekende, dat een koopman groote verliezen lijdt door opheffing van beschermende rechten, wijst hij er op , hoe in dit geval terecht geen schadeloosstelling gegeven wordt, daar de koopman bij zijn handel met deze mogelijkheid, een mogelijkheid, die hem toch steeds boven het hoofd
hing, rekening had moeten houden.
Wanneer dergelijke verliezen totaal niet te voorzien waren, dan wordt ook tegenwoordig schadeloosstelling gegeven, zoo bijv. schadeloosstelling voor hen, die door tabakmonopolie benadeeld
werden.
Toch, zegt Flüescheim , zal nooit schadeloosstelling gegeven
51
wordeu voor veranderingen in handel en industrie, door niemand te voorzien; wie stelt den armen werkman, door de uitvinding eener arbeidbesparende macliine plotseling werkeloos geworden, schadeloos? Hiertegen zou men kunnen aanvoeren, gaat Fuiu-scHEUi voort, dat de staat, die hieraan geheel onschuldig is, in zulk geval toch geen schadeloosstelling behoeft te geven; maar dit argument gaat niet op, wanneer de staat door zelf spoorwegen aan te leggen of concessie er toe te verleeuen, tal van personen, die bij andere vervoermiddelen geïnteresseerd zijn, benadeelt. (Der einzige Rettungsweg S. 352).
In dit laatste geval is het echter, naar ik meen, niet de staat, die nadeel toebrengt, als wel verandering van aanbod, die de bestaande vervoermiddelen, den arbeid noodig bij die vervoermiddelen , in waarde verminderd heeft. De waarde van allen arbeid, van alle stoffelijke voorwerpen, hangt af van vraag en aanbod. Hierop werkt ook de staat onwillekeurig in, het van staatswege aanleggen van een ijzeren brug zal de waarde van het ijzer, zal de waarde van die soort arbeid, die bij het maken van zulk een brug noodig is, ongetwijfeld doen stijgen, maar de staat doet hier niets anders dan voorzien in een bepaalde behoefte, dan zich richten naar een bepaalde vraag; evenzoo zal de staat alleen een spoorweg aanleggen of de concessie er toe geven, om in een bepaalde behoefte te voorzien, om te handelen volgens een bepaalde vraag. De waarde der bestaande vervoermiddelen, de waarde van die soort arbeid, welke daarbij noodig is, is niet willekeurig door den staat verminderd, maar door de uitvinding van spoorwegen. Bij besehermende rechten geschiedt de waardeverandering willekeurig door den staat, maar, zooals ook Fi.üu-scheim zegt, daar kunnen alle bevoordeelden vooraf weten, dat
52
een intrekking dier rechten, een ontnemen van een vroeger gegeven voordeel, hen steeds boven het hoofd hangt.
Met welke argumenten is daarentegen volledige schadeloosstelling bepleit. Wij zagen reeds , dat verschillende voorstanders van landnationalisatie wel aan de âonschuldigequot; tegenwoordige houders vergoeding willen geven, maar volledige schadeloosstelling wordt door hen meestal niet toegestaan.
Zoo zegt Samtek wel (Gesellschaftliches- und Privat-Eigen-thum S. 198): //Sollte es Personen geben , welche die Ansicht //vertreten, dass das Grundeigenthum von den bisherigen Eigen-//thümern ohne Entschildiging zu reclamiren sei, so verdienen sie //hier keine Widerlegung maar, hoewel de eisch van schadeloosstelling moeielijk krachtiger kan worden geformuleerd is toch ook Samter's stelsel van vergoeding hier feitelijk niet meo in overeenstemming. Eenige bladzijden verder toch is hij van oordeel, dat de gronden naar de grondbelasting getaxeerd kunnen worden en mocht men meenen , dat de taxatie dan te laag zou zijn, welnu , die grondeigenaars, die altijd dus te weinig hebben betaald, moeten dan maar eens wat verlies lijden. Kan men een dergelijke schadeloosstelling volledig noemen ?
Toch zijn er uitzonderingen : zoowel Gossen (Entwickelung der Gesetze des menschlichen Verkehrs) , als Walras (Théorie mathe-matique de la richesse sociale) willen, dat de staat door aankoop eigenaar van den grond zal worden ; van onteigening en een niet volledige schadeloosstelling dus geen sprake.
Wenden wij ons thans tot de niet-voorstanders. Door prof. tTAm.nrs oe Bouuooii.t. wordt volledige schadeloosstelling aldus bepleit: âEr zijn, die pleiten voor eene algemeene onteigening /f zon der schadevergoeding; tot hen behooren liet Baseier Congres
53
//eu Henry Geokge. Dit plan, hetwelk uitmuut door eeuvou-//diglieid, komt neder op berooviug zonder meer van alle grond-//eigenaren. Na hetgeen boven is ingebracht over den rechtma-//tigen oorsprong van den bizonderen eigendom en over het goed /'recht der verjaring, schijnt het niet noodig dit voorstel ernstig //te bespreken.quot; (Hedendaagsch Socialisme bl. 291). Evenzoo acht prof. d'Aulnis het plan van Schüffle , daar deze geen volledige schadeloosstelling wil schenken, geen ernstige bespreking waard.
Leeoy Beaulieu beroept zich vooral op den aan den grond besteden arbeid , hetzelfde argument, dat hij bezigt tegen Marx. Hij noemt geen, of onvolledige schadeloosstelling; âunc injustice, uue spoliation, un veritable vol u main armée.quot; Verder voert hij er tegen aan: //La méthode que nous venous de cri-//tiquer, étant évidemment vicieuse et iujuste, doit être rejetée. //aussi bieu au nom de l'utilité qu' au nom de la justice, car elle //porterait uue telle atteinte au droit, que tous les contrats en //seraient ébranlés; la propriété mobilière et comraerciale s'en trou-//verait immédiatement compromise, par crainte de la contagion.quot; ')
De aan den grond bestede arbeid, de rechtmatige oorsprong-van den bizonderen grondeigendom , de verjaring en de doelmatigheid â zie hier de verschillende voor schadevergoeding aangevoerde gronden. Bij hef bespreken van Leeoy Be a uue u's bestrijding
') Hetzelfde wordt ook gezegd iu een opstel in Ediuburg lleview 1883, aangehaald in de diss, van Mr. Pauw van Wieldreelit (bl. SI): //Slechts de //meest dweepzieke schrijver zal kunnen deuken , dat het eigendomsrecht op den //grond vernietigd kan worden, zonder alle andere eigendomsrechten te ouderinijnen. //Ue titel van den grondeigenaar ontleent zijne kracht aan de ernstigste waar-//horgeu , de oudste tradities en de meest verbindende overeenkomsten. Zoo al //deze bolwerken vernietigd worden door de kracht van verbeurdverklaring, met //welk recht zou de fondsenhouder zich veilig wanen ? enz.quot;
54
van Marx , beliaudelclen wij reeds iu het kort zijn arbeidstheorie eu de waarde van verjaring ten opzichte van schadevergoeding. Deze arbeidstheorie moet hier nog wat uitvoeriger besproken worden.
Het voorstel behandelende van Geokge , dat de grondbelasting gelijk zal worden aan de zuivere opbrengst vau den grond, uit-gezonderd die opbrengst, waarvan de eigenaar kan aantoouen, dat zij de opbrengst en amortisatie is van in den grond gestoken kapitaal, zegt Leroy Beaulieu ; »11 y a un autre vice a cette //méthode. De quel droit limite-t-on 1'indemnité aux frais et aux //dépenses dont la verification est possible, c'est a dire aux //ameliorations qui out etc faites par le proprietaire actuel et les //proprictaires les plus récents?quot; Want, zoo gaat hij voort, bij eiken koopprijs wordt rekening gehouden met alle nuttige uitgaven, besteed aan een stuk grond, tot aan Julius Caesar (tot aan het begin der wereld) toe; gelukkig wordt hieraan toegevoegd ; âdans la mesure de Tutilitc presente de ces depenses.' (Zouden er veel nuttige gevolgen van die uitgaven ouder Julius Caesar uu nog nawerken ?) De eerste eigenaar ontgint het stuk grond , de tweede bemest het, graaft er sloten door, maakt het gelijk, een derde eigenaar , die het koopt vau den tweeden of van zijn afstammelingen, gaat hiermede voort, sommige stukken grond worden van water voorzien, andere worden gedraineerd , er worden boomen geplaut, ja eindelijk plant men er wijnstokken. En al deze verbeteringen verhoogen steeds den koopprijs en aldus: //Le prix de vente , eu ell'et, u'est pas autre chose qu'une indem-//uité payée au proprietaire sortant pour les dépenses utiles qu il //a faites sur la terre et uue restitution en outre de l'indemuité //que ce proprietaire sortant avait payée lui-méme, lors de sou //entree, au proprietaire antérieur .... Dans une ventefaite dans les
55
//dernières auuées du XIXe siècle racquereur tieut compte de toutes //les dcpenses utiles qui ont été faites par le proprictaire coutem-//porain de Jules César, dans la inesure de leur utilité actuelle; /fct il est juste qu'il eusoit aiusi, paree que eliacuu des aequéreurs //suceessifs , depuis les temps les plus auciens , ayant teuu compte //a sou prédécesseur de toutes les dépeuses d'uue utilité durable //qu'il avait faites sur la terre , le dernier acquéreur doit acquitter, //dans la mesure de l'utilité présente, la totalité de ces iudeinnités //successives .... Pourquoi 1'Ãtat ne se conforuierait-il pas a cette loi //uuiverselle , equitable, naturelle?quot; Omdat dan , gaat Beaulieu voort, in de gelieele verandering geen voordeel voor den staat zou liggen , want de waarde vau den grond wordt alleen gevormd door deze vroegere uitgaven. (Le Coll. p. 173â175.)
Dat iu eiken koopprijs begrepen zijn de waarden van de vroeger aangebrachte verbeteringen , voor zoover die nog nuttige gevolgen hebben, is ontegenzeggelijk zeer waar , maar in hoeverre hebben vroegere nuttige verbeteringen nog gevolgen ? De vroegere ontginning zou reeds lang zijn verdwenen en het land weer een woestenij zijn geworden, indien latere eigenaars niet voort waren gegaan met bebouwen, de mest in de Middeleeuwen iu den grond gebracht zal nu toch wel niet meer nawerken, de vroeger gegraven sloten zouden al lang weer verdwenen zijn, als latere eigenaars er niet steeds de hand aan hadden gehouden, de boomen iu overoude tijden geplant zullen al lang weer geveld zijn en door nieuwe vervangen, enz. Men zou het kunnen vergelijken met een stuk zilver, dat, gevonden in een overouden tijd, toen zilver nog bijna geen waarde had, in den loop der tijden voor tallooze doeleinden gebruikt is; steeds zal bij eiken volgenden eigenaar in den koopprijs begrepen zijn
56
de aau het zilver bestede arbeid, die nu uog uuttige gevolgen heeft, b.v. de arbeid om er zilveren lepels van te maken, maar men zal nu toch niet meer betalen voor den arbeid aan dat zilver besteed in de 17de eeuw, om er, nu reeds lang versmolten, kandelaars van te maken ? Kan men nu zeggen, dat die zilveren lepels al hun waarde ontleenen aan den vroeger aan het zilver besteden arbeid? Natuurlijk niet, en zoo is het ook met den grond.
Leroy Beaülieu zegt: âOu est oblige d'avouer qu'en remon-//tant a l'origine même de la mise en culture de la terre, ou de //sa sortie du domaine collectif, il se rencontrerait le plus souvent //qu l'intérêt des capitaux engagés pendant toutes ces generations //dépasserait le revenu même qu'elle donne.quot; (op. cit. p. 173). Hier plaatst hij zich dus geheel op het standpunt van Cakey en geldt ook tegen hem het argument door Walker tegen dezen laatsten schrijver gebezigd: âSuppose the present value of a piece //of land to be represented bij 100 units, while the value of the //labor it has cost to âproducequot; the farms found thereon, is //represented bij 125. Now, says Mr. Carey, inasmuch as the laud //is not worth more than 100, while the labor invested in it was //worth 125 , it is clear that nothing but the labor has entered //to give value to the land! But how so ? W hat has become of the 25 which was in excess of the 100? Lost, says Mr. //Carey, since //as labor is improved in its quality by the aid //of improved instruments, all previously accumulated capital tends //to fall below its cost, in labor.quot; Ah! but if that 25 can be //lost and has been lost, how can you show that another 25 âhas not been lost and still another 25 through the operation of //the same cause? How can you prove that the 100 of the present
57
//value of the laud is due, iu auy part whatever, to the 125 of //the value of the labor in the past ?quot; (Laud and its Eeut p. 77.)
Bij deze redeneeriug plaatst Walker zich eenigszins op het standpunt van Carey, waar hij voor eeu oogenblik toegeeft, dat werkelijk al die aan den grond bestede arbeid, die meer kostte dan nu de grond waard is, thans nog op de waarde van den grond invloed heeft. Van Cakey's standpunt zou men wellicht hier weer tegen in kunnen brengen, dat het te betwijfelen valt of door de inwerking van verbeterde werktuigen deze waarde van den vroegeren arbeid, al is zij ook wat verminderd, zooveel kan dalen.
Krachtiger is dan ook, mijns inziens, een ander argument van Walker tegen Beauueu (op. cit. p. 112); //Now, the //force of this argument has already been sufficiently discussed //while we were dealing with Mr. Carey's attack on Eicardo. //I have sought to show that expenditures upon laud are , in very //large part, made in the expectation that they will be compeu-//sated by the increased yield of a comparatively short term of vears. //It might have been difficult to prove this , were the cultivator //of tho soil always the proprietor; but when we find by far the //greater parts of the lands of England, and uo inconsiderable part //of those of France and Belgium, in the hands of tenants, //and when we see that those tenants , holding under leases for //11, 19, 21, or possibly 33 years, as a maximum, freely make, //in their own interest, nearly every class of improvements known //to agriculture we have what seems te me a sufficient refuta-//tion of the argument by which it is sought to disparage //the importance of rent, â real economic rent, â the com-//pensation that is paid for the natural advantages of the soil,
58
//through maguifying the volume of expenditures made for its //improvement.quot;
Al zal dus bij elk stuk groud eeu deel der waarde door arbeid ontstaan ziju, dit is slechts een deel, en op dezen groud kan men dus nooit, âvolledigequot; schadeloosstelling eischeu.
âVerjaringquot; als argument voor schadeloosstelling, bespraken wij reeds eu ik vermeen, dat ook dit geen voldoendeu groud oplevert ; hij, die door verjaring iets verkregeu heeft, heeft enkel door dat tijdsverloop toch zelf niets verricht, waardoor men hem op billijkheidsgrouden volledig schadeloos zou moeten stellen. Alleen zou men hier kunnen spreken van rechtmatige verwachtingen, die niet zouder vergoeding vernietigd mogen worden, maar ook dit gaat in liet algemeen niet door; bij een vermogensbelastiug b.v. zal iemand, die steeds verwachtte van zijn vermogen een bepaald inkomen te trekken, zijn inkomen plotseling verminderd zien door de som in de vermogensbelasting te betalen.
âDe rechtmatige oorsprong van den bizonderen grondeigendomquot;quot; kan evenmin een voldoenden grond opleveren; ârechtmatigquot; kan hier tweeërlei beteekenis hebben, zooals wij reeds bespraken bij den beweerden onrechtmatigen oorsprong van het grondbezit. ') Wordt hier bedoeld, dat privaat grondbezit in het algemeen niet onrechtmatig is, dan bewijst dit, hoe waar het ook zij, nog niets omtrent het al of niet schadeloos stellen bij het vernietigen van een concreet recht van grondeigendom.
Wordt daarentegen hier met ârechtmatigquot; bedoeld, dat er een oorspronkelijk recht op den grond bestaat, dan meen ik op de vroeger aangegeven gronden, dat dit onjuist is.
') Zie boven bl. 46.
59
Eindelijk nog liet uuttigheidsargument : âbij afsclialling zouder schadeloosstelling zou alles op losse schroeven komen te staan.quot; Hiermede wordt de geheele zaak echter op een ander terrein overgebracht, het hangt dan van ieders appreciatie af, wat zwaarder weegt: het voordeel door afschailing zonder schadeloosstelling , te verkrijgen, of de daardoor aan het verkeer toegebrachte schok. Bovendien bij eene niet volledige schadeloosstelling, wat toch de meesten voorstaan, zou die schok wellicht nog niet zoo groot zijn.
Ook Wagner wijdt in zijn //Grundlegung (S. 717â719) aan de kwestie der schadeloosstelling eenigc bladzijden. Hij onderscheidt twee hoofdsoorten van onteigeningen:
a. //Die Enteignungen, welche eine Abtretung des Hechts //(Kigenthums) voin Berechtigten (Eigenthümer) au einen Dritten //(den Staat, aber nicht nothwendig ihn allein, noch aucli uur //immer ihn zuniichts) erzwingen, damit dieser Dritte das an //sich also bestehen bleibende Recht für seine Zwecke â welche //nach dein Grnnde der Euteignung Zwecke des oflentlichen Inte-vresses sein müssen â ausübe.
h. //Die Enteignungen, welche eine endgiltige Aufliebung eiues //wohlerworbenen, einer berechtigten Person zwangsweise entzogeuen //Privatrechts oder Eigenthumsrechts zu Gunsten des speciell //Verpliiehteten oder des irgendwie durch das Hecht ökonomisch //oder gesellschaftlich Benachtheiligten enthalten.quot;
Deze tweede categorie onderscheidt hij dan ook weder in: x. //Solche Enteignungen, welche in der gruudsiitzlichen Aufhe-//bung einer ganzen Gattung von Rechten bestehen, weil das llechts-//bewusstsein des Volks diese Rechte von jetzt an überhaupt ver-//wirft, einerlei wie sie im einzeluen Falie für Berechtigte uud //Verpflichtete wirken.
60
//Daliin geliören die Aufhebuugen der Sclaverei, Leibeigeuschaft, «Frohnpflicht, der manclierlei ehemaligen Feudalreclite, des Jagd-//rechts auf fremdem Bodeu, des Zelmtreclits, der Erbpacbt, der //gewerblicheu uud mercantileu Monopole uud Privilegieu, der '/Banurechte u. s. w.
///3. Enteignuugen solcher Rechte, welcbe zwar uicbt an sich dem //jetzigen Recbtsbevvusstsein zuwider sind, aber im concreten Falie //als dem üiientliclieu Wobl so widersprecheud gelteu, dass ihre //Aufhebuug für uothweudig gehalten wird.quot; (op; cit; S. 712.)
Het geval, dat wij hier bespreken, outeigening van allen grond, behoort tot de eerste categorie, het eigendomsrecht blijft hier hesiaan-, van opheffiug van het recht geen sprake, vroeger oefende een privaat persoon dat recht uit, thans doet de staat dit.
Duidelijk komt hier aan het licht, hoe oujuist de bewering is //dat alle privaatgrondbezit onrechtmatig isdan toch zouden wij hier te doen hebben met de tweede hoofdcategorie, met de opheffiug van eeu geheele groep van rechten en wel omdat het rechtsbewustzijn van het volk zulk een recht verwerpt zooals slavernij , maar dan zou het grondeigendom van den staat even verkeerd, evenzeer in strijd zijn met het rechtsbewustzijn.
Toen een recht als slavernij, als lijfeigenschap afgeschaft werd, mocht noch een particulier, noch de staat dat recht meer uitoefenen. Gesteld het tiendrecht werd afgeschaft op den mijns inziens vreemden grond, dat het met het rechtsbewustzijn in strijd is, dan zou ook voor het staatsdomein geen tiendrecht meer mogen worden uitgeoefend. ')
1) riürsclieim deelt mede, da( toen op een vergadering aan Geoege gevraagd werd of liet dan niet onbillijk was, wanneer, bij het doorvoeren van de door
G1
Bij de onteigening, vallende onder de eerste categorie, bepleit Wagner volledige schadeloosstelling op de volgende gronden (op. cit. S. 718): âDieser Conflictcrgiebt sich auch uur zufiillig, /nveil grade dieses individnelle Recht (Eigenthumsobject) im ofient-//lichen Interesse entzogen werden muss, z. T5. wegen der Lage //des Grundstücks grade hier, wo die Eisenbahn geführt werden //soli. Dem Berechtigden wird also im üflentlichen Interesse ein //Opfer zugemnthet, welches andere, dasselbe Recht besitzende //Personen (z. B. andere Grundeigenthiimer) nicht trifft, wührend //â voraussetznngsweise â die Gesammtheit des Volks den Vor-//theii dieses Opfers des Einzelnen geniesst. Es ist daher nicht //nur billig, sondern gerecht, dass der Berechtigte für jenes Opfer //voll entschadigt und ihm ein (klagbarer, privatrechtlicher) Rechts-//anspruch auf diese Entschildigung gewührt werde.quot;
In ons geval gaat dit betoog natuurlijk niet geheel door, daar Wagner het oog heeft op het onteigenen van een enkel bepaald stuk grond, maar zijn gronddenkbeeld âalle burgers zijn voor den staat gelijk, van den een mag geen offer geëischt worden zonder vergoeding, terwijl de ander, die in dezelfde positie verkeert, totaal geen schade lijdtquot; vindt ook hier toepassing. Deze grondwaarheid eischt ook in ons geval de meest volledige schadeloosstelling.
hem voorgcslelde maatregelen, iemand, die van zijn zunr verdiendespaarponuingen een stukje grond gekocht had , plotseling hiervan beroofd zou worden, Gkoroe alleen het voorbeeld aanhaalde van eene arme weduwe, die niets dan vier slaven bezat, die zij verhuurde; wie, vroeg hij, had eehter meer rechten op seliade-loosstelling de arme slaven of de arme weduwe ? Zon dan misschien de arme grond, die zoolang gezneht heeft onder het privaat bezit schadeloos gesteld moeten worden? Door eent dergelijke vergelijking, die N. B. volgens Fl.ünscnr.iM met donderend applaus begroet werd, komt het dwaze der gelijkstelling van privaat grondbezit en slavernij nog duidelijker uit.
62
Gaan wij verschillende voordeelen, die men door landnationalisatie meent te verkrijgen een oogenblik na; privaat grondbezit zou een zeer verkeerden invloed op de verdeeling van den rijkdom uitoefenen, welnu, dan eischt het algemeen belang wellicht onteigening, maar met volledige schadeloosstelling, geen financieel voordeel voor den staat toch is het doel, maar alleen afschaffing van het privaat grondbezit; wanneer het blijkt, dat eene dergelijke operatie den staat financieel nadeel zou toebrengen, dan moeten de benoodigde sommen door allen bijeen gebracht worden, door middel van belasting. Is het beoogde doel van landnationalisatie den staat tot den grootsten kapitalist te maken en is grondbezit hiervoor het geschikst, dan moet ook weer ieder hiertoe bijdragen of alleen de rijksten, maar steeds allen , die zich in dezelfde positie bevinden; het ware de grootste onbillijkheid dit kapitaal bijeen te brengen door een deel der inwoners alles te ontnemen eu den schatrijken niet-grondbezitter ongemoeid te laten.
Even toevallig als de onteigening van een bepaald stuk grond voor een spoorweg noodig blijkt te zijn, even toevallig blijkt het in allen geval, dat juist afschaffing van privaat grondbezit in het algemeen belang wenschelijk is. Het zou de grofste onbillijkheid zijn, dat sommigen zonder schadeloosstelling van hun eigendomsrecht ontzet worden, terwijl anderen een zelfde eigendomsrecht (want welk principieel verschil bestaat er tusschen grondeigendom en anderen eigendom ?) ongestoord blijven uitoefenen.
Neem aan: Fi.ürscheim of wie ook heeft gelijk, de economische werking van privaat grondbezit is zeer verkeerd, afschaffing derhalve een dringende eisch in het algemeen belang, maar
G3
bij volledige schadeloosstelling zou de staat verliezen lijden. Die verliezen moeten gedekt worden en nu laat men dit wel betalen dooiden kleinen grondeigenaar, die voor zijn zuur verdiende penningen een stukje grond gekocht heeft, door hem maar niet volledig schadeloos te stellen, maar de millionair betaalt niets.
Grooter onbillijkheid is moeielijk denkbaar, maar dan is ook de meest volledige schadeloosstelling de stelligste eisch. Elke penning, door den staat minder gegeven dan de werkelijke koop-waarde bedraagt, is de meest onrechtvaardige bevoordeeling van den eenen burger ten koste van deu ander. Waarom moet zelfs Spencer erkennen, dat het onbillijk ware, hem, die voor zijn âhonestly earned wealthquot; grond gekocht heeft, zijn eigendom zonder meer te ontnemen? Omdat een ander, die toevallig geen grond gekocht heeft, zijn eigendom wel behoudt. Bij Spencer zou wellicht het zoogenaamd onrechtmatige vau grond te bezitten dit kunnen vergoelijken, vau ons standpunt is het in alle opzichten onverdedigbaar.
Doch niet alleen deze grond, maar ook de eisch dat steeds door den staat rekening moet worden gehouden met de billijke eischen voor besteden arbeid, moet leiden tot volledige schadeloosstelling. De leer van Leuoy Beaut.ieu, dat de waarde van den grond alleen aan arbeid is te danken, is, zooals wij zagen, niet met de feiten in overeenstemming; is slechts een deel vau de waarde van den grond aan arbeid te danken, dan kan dit nooit den eisch tot een volledige schadeloosstelling doen ontstaan. Maar er is meer, die grond kan gekocht zijn voor âhonestly earned wealthbij groote grondeigenaren, zou men wellicht hiertegen kunnen aanvoeren, dat zij het kapitaal, waarmede zij dien grond kochten, toch wel niet geheel aan arbeid
64
zullen te danken hebben en de staat dus slechts een deel terug behoeft te geven, maar bij hem, die datgene wat hij met moeite door hard werken voor zijn ouden dag bijeen gegaard en nu in een stuk grond belegd heeft, kan die bewering toch bezwaarlijk opgaan. Wanneer die man niet volledig, zoo volledig mogelijk, wordt schadeloos gesteld, wordt de billijke eisch, dat de arbeid vergoed moet worden, met voeten getreden. En toch zou Henry George, uit naam van het goed recht van den arbeid, dat afschaffingvan privaat grondbezit eischt, den man van zijn, alleen door handenarbeid verkregen spaarpenningen, willen berooven!
Wij komen derhalve tot het volgende resultaat: geen oorspronkelijk recht, geen theorie van occupatie, verjaring of arbeid rechtvaardigt den eisch van volledige schadeloosstelling; daarentegen wordt zij gevorderd door de onbetwistbare rechtsbeginselen, dat de arbeid vergoed worde en vooral dat de staat tegenover alle burgers, die in dezelfde positie verkeeren, ook op gelijke wijze handele.
HOOFDSTUK II.
Laiulnationalisatie in verband met de vroegere en met tie thans nog bestaande vormen van gemeensehappelijk grondbezit.
Zoowel vóór- als tegenstanders vau landnationalisatie hebben wederzijds voor hun gevoelens bewijzen trachten bijeen te brengen, ontleend aan de historie, aan het gemcerischappelijk grondbezit van vroegere tijden. Natuurlijk knoopten zich daaraan beschouwingen vast over de verschillende vormen van gemeenschappelijk grondbezit, die thans nog gevonden worden : de Russische Mir , de Dessa op Java, de Zwitsersche Allmend.
Bij een beroep op de historie tot het aanbevelen of afkeuren van de een of andere hervorming, zal men tweeërlei weg kunnen inslaan. Men zal kunnen nagaan of de voorgestelde verandering in de lijn der historische ontwikkeling ligt, een nieuwe schakel in een historische keten vormt, of wel het tegenovergestelde het geval is, zoodat er in stede van vooruitgang een schrede achterwaarts gedaan zou worden. Aan den anderen kant kan men zich ook tevreden stellen met te wijzen op vroeger bestaande toestanden, die door de voorgestelde hervorming thans weer in het leven zouden kunnen worden geroepen. Een dergelijk beroep op thans ver-
6G
dwenen toestanden zal dan echter de vraag doen rijzen, waarom dan toch die toestanden verdwenen zijn en hij, die ze aanprees , zal hebben aan te toonen , dat de tusschentoestand, waarin wij thans leven, een achteruitgang geheeten moet worden. Wanneer dergelijke toestanden als die, waarop men zich beroept , ook thans nog gevonden worden , zullen natuurlijk ook die toestanden een hoofdpunt van bespreking vormen. Op beide genoemde wijzen nu heeft men aan het vroeger en aan het nog bestaande Bgemeenschappelijk grondbezitquot; argumenten willen ontleenen.
Onderzoeken wij thans nader de bewijsvoeringen van voor- en tegenstanders.
Tn zijn reeds meermalen hier aangehaald werk â De la propricté et de ses formes primitives'' heeft Emii.e de Laveleye achtereenvolgens de Russische dorpsgemeenschap , de dorpsinstellingen op Java en in Indië , de Germaansche Mark, den grondeigendom bij de Arabieren , de Chiueezen , de Spartanen , de Romeinen , kortom allerlei verschillende vormen van vroeger of thans nog bestaand gemeenschappelijk grondbezit behandeld. Met dit alles heeft hij niet alleen een historisch doel gehad, hij heeft meer willen doen dan enkel de feiten der geschiedenis vermelden , hij heeft tevens uit die feiten gevolgtrekkingen gemaakt omtrent het wen-schelijke van gemeenschappelijk grondbezit en willen bewijzen, dat in onze maatschappij het beginsel van privaat grondeigendom
te scherp is ontwikkeld.
De Laveleye heeft zich ten opzichte van het grondbezit op een collectivistisch standpunt geplaatst, maar in hoeverre hij nu terugkeer zou willen tot de door hem geschilderde toestanden, in hoeverre hij toestanden als van de Russische Mir ook voor West-Europa wenschelijk zou oordeelen, is moeielijk te zeggen. Tn elk
67
geval latere landualionalisten hebben in hem een bondgenoot gezien; laat ons derhalve onderzoeken, in hoeverre dit juist is. Ãén zaak heeft de L vvet.eye ongetwijfeld willen bewijzen, dat n.1. de tegenwoordige vorm van privaat grondbezit (le dominium exclusif personnel et héréditaire) een instelling is van nieuweren datum , daar gemeenschappelijk grondbezit de oudste vorm is en gedurende langen tijd overal gevonden werd. Deze stelling is betwist o.a. door Ross, Seebohm en Inama-Sternegg (zie Mr. N. G. Pierson, Leerb. der Staath., 2« deel bl. 302), maar hoe dit zij, hel gemeenschappelijk grondbezit heeft dan toch oudtijds iu zeer vele streken bestaan, ja het bestaat nog. Dit argument heeft ongetwijfeld waarde voor hen, die afschaffing van privaat grondbezit betoogen. Wanneer afschaffing van privaat kapitaalbezit betoogd wordt, kan men daartegen aanvoeren , dat dit onmogelijk is , dat liet bestaan hiervan in alle tijden en ouder alle omstandigheden noodzakelijk is gebleken. Tegen afschaffing van privaat grondbezit kan men dit niet inbrengen, dit is slechts een historisch verschijnsel (zie Wagner , Grundlegung S. 596). Dit argument heeft echter slechts negatieve en zeer geringe waarde. Wanneer nadere onderzoekingen aan het licht mochten brengen, dat inderdaad in het oude Peru alle kapitaal staatseigendom was , zooals betoogd wordt in âEen Socialistische Modelstaatquot; door C. L. Ram-bonnet (Vragen van den Dag, 2e jaarg. bl. 439 e. v,), dan zal dit voor afschaffing van privaat kapitaalbezit ten onzent nog niets bewijzen, want Peruaansche toestanden zijn de onze niet. Zoo ook hier, het feit, dat gemeenschappelijk grondbezit bestaan heeft, bewijst op zich zelf niets. Is het wenschelijk, dat gemeenschappelijk grondbezit van vervlogen eeuwen thans weer in te voeren ? dat is de hoofdvraag. Heeft de Lavet,eye dit willen betoogen ?
68
Op deze vraag kau , naar ik meen, noch een beslist bevestigend, noch een beslist ontkennend antwoord gegeven worden.
TT ij zegt tocli: (De la Propriété etc. Preface p. XII) âSans //revenir aux institutions des temps primitifs , je crois qu'on peut //emprunter au système de la possession germanique et slave, //des principes mieux en rapport que le droit remain avec //les nécessités des démocraties, paree qu'ils reconnaisscnt a //chacun le droit individuel et naturel de propriété.quot; Even-zoo (op. cit. Pref. p. XXII): âJe n'ai voulu faire dans ce //volume qu'un essai historique sur les formes primitives de la //propriété, sans en déduire uue théorie nouvelle de ce droit. Je //ne crois point que l'histoire nous révèle le droit. Paree qu'une //institution a existé, même de tout temps, il ue s'ensuit pas //qu'elle soit legitime et qu'elle doive être conservée ou rétablie. //On peut toutefois conclure du fait de sa longue durée qu'elle //répondait aux sentéments et aux nécessités des hommet pendant //les siècles ou elle s'est maintenue. â Cependant si tous les argu-//meuts invoqués par les juristes et les économistes de la propriété //quiritaire, la condamuent au contraire et justifient la propriété //primitive telle que 1'ont concue et pratiquée les sociétés anciennes, //sous l'empire d'un sentiineut universelle de justice instinctive, il //y a lieu , semble-t-il, de réfléchir sur ce reinarquable accord; //d'autant plus que la propriété considérée ainsi comme un droit //naturel appartenant a tous, est seule conforme aux sentiments //d'égalité et de charité que le christianisme fait naitre dans les //ames et aux réformes des lois civiles que le développement de //1'organisation industrielle parait commander.quot;
Verder lezen wij (op. cit. p. 282, note) : âM. le pasteur Becker //a cru trouver dans 1'Allinend la solution du problèine social et
69
//je suis complètemeut de sou avis ; non qu'on puisse partout comme //a Stanz //assurer a chacun la jouissance de 1400 klafter de bonne //terrequot; , mais parceque 1'Allmend uous oft're le type antique du //vrai droit de propriétc qui doit servir de base ïl la société de ravenir.quot;
De Laveleye wil geen volkomen teruggang tot liet oude, maar wil de aandacht gevestigen op dat vroeger gemeenscliappc-lijk grondbezit. Het individualistische, de groote tegeustelling tussclien rijk en arm van onze liedeudaagsclie maatschappij, maakt hein bevreesd voor de toekomst; weluu, iu die vroegere tijden voud men een soort vau collectivisme en veel grootere gelijkheid. Zou iu dat vroegere gemeeuschappelijke grondbezit dau wellicht niet de kiem liggen voor eeu toekomstige regeling ouzer maatschappelijke verhoudingen ?
Met zijn beroep op de historie, wil de Laveleye niet uit die historische gegevens een nieuwe eigendoins-theorie, eeu nieuwe regeling van den grondeigendom opbouwen, want de geschiedenis kan ons nooit doen besluiten tot het goed- of afkeuren van die instelling; maar toch die vroegere toestanden zijn zoozeer in overeenstemming met de eischen der gelijkheid door het Christendom gesteld, die toestanden voldoen zoo aan de eischen der hoogere rechtsbeginselen, dat zij een zeer nauwkeurige beschouwing overwaard zijn.
En zoo ziet hij dan in den âAllmendquot; een vorm van grondbezit , die hem zeer geschikt toeschijnt om als uitgangspunt en voorbeeld te dienen voor hervormingen.
Ja zelfs gaat hij zoo ver van aan Australië en Amerika, die gedeeltelijk nog te kiezen hebben, de oudere vormen aan te bevelen boven het volstrekt privaat grondbezit. Soms, wanneer, zooals bij de Germanen, de daar heerschende gelijkheid zich iu
70
al haar aantrekkelijkheid aau liem voordoet eu ziju gevoelig hart sneller doet kloppen, dweept de Lavelf.ye een oogenblik met dien toestand met een totaal voorbijzien van al de ellende, waarmede hij gepaard giug.
Zeer geestig voegt Leeoy Eeaulieu (Le Collectivisme p, 125) //hem dan ook toe: //Nous vanter aujourd'hui le bonheur de /-ces barbares, qui se précipitaient comme des hordes aü'amées //en dehors de leurs vastes territoires sans culture, c'est vouloir ,/lutter de description poétique avec Ovide.quot;
Een dergelijkeu toestand als bij de Germanen wenscht echter be Laveleye zelf niet terug.
Prof. d'AuLNis de Bouiiüuill zegt (op. cit. bl. 275): âPlei-//tende voor een vorm van grondeigendom gelijk aau de Germaan-//sche Mark, berekent de Laveleye met een ouuavolgbare naïve-t,teit, dat, indien men zijn raad opvolgde, in Duitschland, thans //een rijk vau ongeveer 45 millioen zielen, slechts ongeveer 2 mil-//lioeu bewoners hun voedsel zouden kuuneu vinden.quot;
Gaat dit echter niet te ver ? een eenvoudige overname der Germaansche toestanden heeft de Laveleye toch nooit gewild ').
Kunnen nu de Eussische Mir, de Zwitsersche Allmend inderdaad een uitgangspunt, een kiem vormen voor heilzame hervormingen? Tot liet beantwoorden dezer vraag hebben Leeoy Beaulieu en Prof. d'AuLNis in aansluiting met vroegere schrijvers een nauwkeurig onderzoek in het werk gesteld naar die Zwitsersche, llussische en Javaansche dorpsgemeenschappen.
Voordat wij de uitkomst van dat onderzoek nagaan, meteen enkel woord het verband besproken tusschen die dorpsgemeen-
!) Zie Stoffel «Een Kijkje op bet Hed. Social.quot; bl. 23.
71
scliappen en luuduatioualisatie. Hiertussclieu toch is eeu licmels-breed verscliil: de dorpsgemeeuschappen vormeu eeu coramuuaal bezit van de leden dier gemeenschap, die allen den grond bebouwen, ieder heeft recht op een stuk grond voor zijn gebruik, welk stuk hij ontvangt wordt niet aangewezen door het bestuur van de dorpsgemeenschap, maar door het lot. Die loting moet telkens binnen een kort tijdsverloop terugkeeren, opdat anderen, die nu ook rechten gekregen hebben, ook een stuk grond ontvangen. Iemand, die geen landbouwer is, die geen grond bebouwt , heeft ook niet de minste rechten; alles is gebaseerd op den oorspronkelijken toestand van een alleen landbouw en steeds dezelfde soort van landbouw drijvenden stam.
Bij landnationalisatie is dit alles geheel anders; van een gemeenschappelijk bebouwen, van eeu recht op eeu stuk grond van elk lid der gemeenschap, geen sprake; door wie de bebouwing geschiedt, door pachters of door staatsambtenaren, doet niets ter zake. Bij landnationalisatie is de hoofdzaak een krachtig ver ingrijpend staatsgezag, dat bf zelf de bebouwing ter hand neemt, of die bebouwing overlaat aan de meestbiedende pachters. Dat staatsgezag zal bepalen , wat gedaan moet worden met de mogelijke baten uit die bebouwing of uit die verpachting voortvloeiende. Ieder staatsburger heeft hier wel eeu ideëel genot, ieder zoowel de koopman als de boer, maar dit genot is geheel ideëel, hij heeft uergeus recht op, zooals een lid van een dorpsgemeenschap; hij heeft alleen de kans, de verwachting, dat de maatregelen door den staat te nemen, die bekostigd worden uit de in de staatskas gevloeide baten, ook hem ten goede zullen komen.
In dorpsgemeenschap ligt een communistische gedachte, in landnationalisatie een socialistische, ziedaar het groote verschil.
72
Bij de dorpsgemeenschap wordt door de verloting steeds eeu zekere gelijkheid bewaard, al krijgt ook soms de een meer dan de ander; door landnationalisatie op zich zelf wordt in geen enkel opzicht de gelijkheid bevorderd; of landDationalisatie de gelijkheid in de hand zal werken zal afhangen van de vraag, hoe de baten, altijd als de te betalen interesten deze niet overtreffen, worden aangewend.
Door dit groote verschil tusschen landnationalisatie en dorpsgemeenschappen kunnen de argumenten tegen de laatste instelling in geenen deele eveneens tegen de eerste gelden. Zoo zegt P. Lehoy Beaulieu , ten onrechte naar ik meen (Repartition des llichesses p. ^l): âLa pretention de âcominunaliserquot; et de ânationali-//serquot; le sol est contraire aux deux principes de la civilisation moderne, ////la division dn travail et le perfectionnement incessant des métho-//des et des procédés de production.quot;quot; Hier worden âcommuna-//liserquot; en ânationaliserquot; in één adem genoemd, de ingebrachte bezwaren nu gelden zeer stellig tegen dorpsgemeenschappen, maar volstrekt niet tegen landnationalisatie.
Mocht het blijken, dat de Russische Mir of de Zwitsche All-mend (de Javaansche Uessa lieb ik ook bij de bovenstaande beschouwing over dorpsgemeenschappen buiten rekening gelaten , daar de Oostersche toestanden zoozeer van de onze verschillen, dat hier van geen vergelijking sprake kan zijn), werkelijk zoo verkieslijk zou zijn, dan is daarmee de wenschelijk-heid bewezen van dorpsgemeenschappen, niet van landnationalisatie. De uitslag van het onderzoek omtrent die dorpsgemeenschappen zou dus buiten bespreking kunnen blijven, indien niet daaruit bleek, dat de veranderingen, waardoor de gebreken van een dorpsgemeenschap eenigszins zijn weg te nemen, die
73
dorpsgemeenschap juist in eeu soort vau landuatioualisatie zouden veranderen.
Het hoofdbezwaar tegen de dorpsgemeenschappen, o. a. bij de Russische Mir, bij het gemeenschappelijk grondbezit in Baden (bij de zeer eigenaardige Zwitsersche toestanden valt dit minder in liet oog) is gelegen in het telkens wisselen van bebouwing, waardoor van verbetering meestal geen sprake is. Hierin is alleen verandering te brengen door de periodieke verdeelingeu over een grootere tijdsruimte te stellen en dan vergoeding te geven voor verbeteringen. Du Laveleye zelf stelde voor een verdeeling elke 19 of 20 jaar.
Dan zullen echter tal van leden der gemeenschap, hoewel zij volwassen zijn, van hun recht op eeu stuk grond verstoken blijven. Hierin zou misschien kunnen worden voorzien door een zekere pacht te betalen, die dan ten goede zou komen aan hen, die nog geen stuk grond hadden ontvangen.
Wat de schadeloosstelling voor verbeteringen betreft, wie zou deze moeten betalen ? Natuurlijk hij, aan wien dat verbeterd stuk grond door het lot wordt toegewezen; is hij daar niet toe in staat, dan zal hij van dat stuk grond moeten afzien. Ook de gemeenschap zal de schadevergoeding kunnen betalen, maar dan moet voor het verbeterde stuk grond een zekere pacht ge-eischt worden.
Op deze wijze zal al meer en meer een soort van pachtstelsel ontstaan en de oorspronkelijke gelijkheid, het ideaal van de Laveleye, al meer en meer op den achtergrond wijken. De gewijzigde dorpsgemeenschap begint dan meer en meer het karakter te dragen van landnationalisatie. Wanneer de verdeeling bij lot tusschen allen, een verdeeling, die met de eischen der arbeids-
74
verdeeliug totaal gecu rekeuing houdt, verandert in eeu gewone verpachting aan den meestbiedenden en het gemeentelijk grondeigendom ter wille van eeu algemeen financieel beheer overgaat in staatshanden, is de overgang tot //landnatioualisatiequot; voltooid.
Aan de beschouwingen van de Laveleye over het gemeenschappelijk grondbezit kunnen dus door laudnationalisteu geen argumenten ontleend worden. De dorpsgemeenschap ongewijzigd invoeren zou zeker een niet heilzame hervorming zijn, een hervorming bovendien, die niet met den naam van landnationalisatie bestempeld kon worden. Eeu geheel gewijzigde invoering van die dorpsgemeenschappen zou m. a. w. zijn âlandnatioualisatie,quot; maar voor het verkieslijke van landnationalisatie boven onze tegenwoordige inrichting is hiermee nog niets gebleken.
Wel heeft de La vei,eye iu het einde van zijn werk in hoofdstuk XXIII //L'etat propriétaire foucier et le régime de la pro-priete dans 1'Indequot; eenigszins landnationalisatie verdedigd; zijn denkbeelden zijn hier, naar ik meen, vrij verward. De toestanden in Britsch-Indië besprekend, wijst hij er op (p. 357), dat in de provinciën Madras en Bombay het stelsel van staatseigendom geheel gehuldigd wordt, daar hier tusschen regeering en bebouwers geen tusschenpersoneu bestaan.
Dit stelsel komt hem zeer gewenscht voor: âLe cultivateur n'est pas ti la merci d'un propriétaire avide. Tja rente qu'il doit payer est fixée en raison du prix des deureés, et il a une sécu-rité absolue pour trente années consécutives, tandis qn'en Europe le locataire est ordinaircment sous le conp d'une augmentation de de loyer tous les six ou neuf ans.quot;
Zooals ik vroeger reeds zeide, dergelijke Oostersche toestanden
75
kau men niet met de ouze vergelijken, grootendeels wordt hier bovendien aan ieder zijn stuk toegewezen; in een noot (p. 157) vermeldt de Laveleye zelf, dat in verscheiden dorpen het gemeentebestuur tusschenpersoon is, die de grondrente betaalt en de verdeeling regelt. Hoe zou ooit een dergelijke toedeeling van grond door de regeering mogelijk kunnen zijn bij onze West-Europeesche toestanden ?
Onmiddellijk hierop vermeldt de schrijver een ariikel van Stuart Mill in de Examiner van 11 Jan. 1873, waarin deze het stelsel in Indie roemt, waar de staat zich in het bezit van den grond heeft gehandhaafd. De opbrengst, die daardoor den staat toekomt, zou voldoende zijn om alle belastingen te ontvangen. Een dergelijke inrichting, een dergelijke ânationalisation de la terrequot;, bij ons ingevoerd , laat de La vele ye, hierop volgen, zou weinig verandering brengen in onze hedendaagsche maatschappij, het zou alleen de zuivere opbrengst van den grond aan den staat, de provinciën, de gemeenten brengen in plaats van aan een zeker aantal particulieren, die geen diensten bewijzen in ruil voor wat zij ontvangen.
Weinig verandering brengen? Wanneer plotseling alle grondeigenaren geruineerd werden door een grondbelasting gelijk aan de opbrengst na aftrek van werkloon en kosten van verbeteringen, zou men dat dan N. B. kunnen noemen een geringe wijziging in de maatschappij ?
De Lavej.eye verzuimt dan ook te vermelden bij het aanhalen van het artikel van Stuart Mill , waarvan ik een afdruk vond in // Dissertations and Discussions,quot; dat Milt, in datzelfde artikel zegt (Diss. a. Disc. p. 275), dat thans nu de staat zich niet in de voordeelige positie bevindt van allen grond te bezitten, dat grond-
76
bezit door de te geveu sclmdeloosstelling voor den staat eeu zeer twijfelachtig voordeel zou opleveren.
Hoewel de Lavki.eye hier dus voorstaat een zeer hooge grondbelasting, bespreekt hij even verder (p. 359) de tegenwerping van Fawcett tegen landnationalisatie, dat de aankoop van alle gronden een zeer slechte finantieele operatie voor den staat zou zijn; Welnu, zegt de Laveleve, breng door verandering in erfrecht en successierechten de sommen, voor den aankoop be-noodigd, bijeen.
Hier dus weer zuiver landnationalisatie, geen hooge grondbelasting; zoo toch gaat hij voort met te betoogen, dat de administratieve inoeielijkheden van geen beteekenis zullen zijn, de ontvangers zullen dan pacht ontvangen in plaats van vroeger belasting , derhalve landnationalisatie met pachtstelsel.
Invoering van dorpsgemeenschappen als bij de Allmend, invoering van een zoo hoog mogelijke grondbelasting, invoering van landnationalisatie met pachtstelsel, van dat alles vinden wij de wenschelijkheid door de Laveleye betoogd, zonder dat eenigszins het verschil in het oog wordt gehouden.
Thans zijn wij genaderd tot het onderzoek der argumenten tegen landnationalisatie , aau de historie ontleend. De tegenstanders volgen deze wijze van betoog: het privaat grondbezit heeft zich natuurlijkerwijze ontwikkeld uit het gemeenschappelijke, terugkeer tot het gemeenschappelijke zou dus in strijd zijn met de lijn der historie, een schrede achterwaarts op den weg der ontwikkeling.
Vooral Wagner heeft aldus uit de historische argumenten, door de voorstanders van landnationalisatie aangevoerd, een wapen tegeu hen zoeken te smeden. Na er op te hebben gewezen dat
â
77
privaat grondbezit ongetwijfeld slechts een historisch verschijnsel is , vraagt hij , welke dan toch de oorzaak is geweest, die dat ^ gemeenschappelijk grondbezit in privaat bezit deed overgaan.
In die oorzaak nu ligt misschien het sterkste bewijs voor behoud van privaat grondbezit (Grundlegung S. 597): «In dieser //Beziehung bildet nun das rechtsgeschichtliche Argument gegen //das private Grundeigenthum vielleicht von allen Beweisgründen den //stiirksten für diese Institution,quot; want die oorzaak ligt in een bepaald economisch beginsel: niet alleen in zijn eigen, maar ook in het belang van de gemeenschap //im Volkswirthschaftlichen //Interessequot; wordt aan den landbouwer in steeds grooteren omvang en met steeds absoluter macht een recht van privaat eigendom op den bebouwden grond toegestaan om //sein Sebstinteresse, sein //einzelwirthschaftliches Interesse zu moHiclist tüchtiger Bebauuns?
o o o
, //anzuspornen.quot; Derhalve, zoo gaat Wagner voort, zal ieder,
die afschaffing van privaat grondbezit voorstaat, moeten bewijzen of dat die historische ontwikkeling onrechtmatig en ondoelmatig was, of dat de vroeger inwerkende factoren tegenwoordig geen invloed uitoefenen, of dat zij door andere factoren goed te vervangen zijn.
Het eerste nu heeft men gepoogd te bewijzen, maar zonder voldoende gronden, zegt Wagner te recht, met een beroep op zijn vorige //Abschnitt,quot; waarin hij betoogde, dat o. a. een groot deel van het privaat grondbezit is ontstaan, doordien men het stuk, dat men oorspronkelijk in gebruik had, in privaat \ eigendom kreeg. Noch het tweede, noch het derde is ooit door
hen, die afschaffing van privaat grondbezit voorstonden, bewezen. Dezelfde oorzaak, die vroeger tot privaat grondbezit voerde, moet ons thans tot behoud daarvan doen concludeeren.
Bij Leroy Beauueu vinden wij met denzelfden nadruk hierop
78
gewezen. Waarom toch , zoo vraagt ook hij, is dat gemeenschappelijk grondbezit, indien het zoo volmaakt is, toch verdwenen ? Iets gebrekkigs, iets verkeerds in de geheele organisatie moet hier de oorzaak vau zijn. âCequi n'a pas su se dófendre contre la mort peut malaisément renaitre.quot; (Le Coll. p. 87). Dat gebrekkige in het vroegere gemeenschappelijk grondbezit, waardoor een verandering dringend noodzakelijk was, heeft de Laveleye, zoo gaat Beaumei; voort, zelf zeer goed ingezien, waar hij zegt: //Les procédés d'exploitation se sont modifies, a //mesure que la propriété s'est dégagée de la communauté. D'ex-wtensive, la culture est devenue intensive, c'est a dire que le //capital a contribué ii produire ce que Ton ne demandait originai-//rement qu' a l'éteudue.quot;
In âRépartion des Uichessesquot; spreekt Leroy Beaui.ieu nog uitvoeriger over deze zaak (p, 69) : twee oorzaken hebben medegewerkt tot het verdwijnen van gemeenschappelijk grondbezit, twee oorzaken, die onverbreekbaar samenhangen met de beschaving //la division du travail et le progrès des cultures.quot;
//La division du travail qui entraine 1'emploi de toutes les faculties a une occupation toute spéciale, a un détail de la production, afiu //d'augmenter la quantité et le bon marché des produits et de nourrir //dans la plus grande aisauce possible leplus grand nombre d'humains, wla division du travail impose a une partie de rhumanité Tabandon //de la culture du sol, crée les métiers industriels, les profes-
//sions commerciales et fait sortir de terre les grandes villes.....
//Comment pourrait on concilier l'industrie et les grandes villes //avec la propriété communale collective ?quot; Stel u eens voor, gaat hij voort, dat de bewoners van Parijs een gemeenschappe-ijk grondbezit hadden; om 20 are per hoofd te hebben, zou
79
de oppervlakte 500.000 hektare moeten zijn, tot Orleans en Rouaan zouden de te bebouwen velden liggen.
âLe progrès des culturesindien na 5 of 6 jaar door een nieuwe verloting het stuk grond weer aan een ander wordt toebedeeld , wie zal dan op duurzame wijze den grond verbeteren ?
Deze oorzaken moesten dus leiden tot verandering van gemeenschappelijk in privaat grondbezit. Onbetwistbaar, boven besprak ik dit reeds, maakten intensieve bebouwing en verdeeling van arbeid het gemeenschappelijk grondbezit op den duur onmogelijk. Maar, eu ook hierop wees ik reeds, die bezwaren gelden tegen landnationalisatie niet.
Een der oorzaken van het ontstaan van het privaat grondbezit is ongetwijfeld geweest het economisch beginsel, dat door //Selbst-intercssequot; de grond beter bebouwd , de grond verbeterd wordt, men had tot verkrijging van dat //Selbstinteressequot; geen anderen weg dan privaat grondbezit. Omzetting van gemeenschappelijk grondbezit in landnationalisatie met pachtstelsel met zeer langen termijn zou èu aan den eisch van arbeidsverdeeling, èn, in allen geval voor dien tijd zeer voldoende, voldaan hebben aan den eisch , dat door //Selbstinteressequot; de grond verbeterd werd, intensieve bebouwing werd gedreven. Hoe zou echter bij de toenmalige toestanden landnationalisatie met pachtstelsel op lange termijnen hebben kunnen worden ingevoerd ? Hoe zou deze primitieve staats- en gemeente-iurichting de daaruit voortvloeiende baten ten nutte van het algemeen hebben kunnen aanwenden? ja, hoe zou in een dergelijke primitieve maatschappij de gemeenschap hebben moeten handelen met de pachten, die haar natuurlijk in natura uitbetaald werden ? In onze ontwikkelde maatschappij met al haar uitstekend geregelde ruilmiddelen, met haar
80
zoo uitgestrekt ruilverkeer, met al de takken van staatszorg, waardoor de staat het algemeen nut bevordert, maar waarvoor de grootste sommen noodig zijn, zou de opbrengst dier pachten zeer goed zijn te gebruiken , kortom , zou landuationalisatie met pachtstelsel, geheel afgezien van de wenschelijkheid, wel uitvoerbaar zijn.
In vroegere tijden was het privaat grondbezit het eenige middel, ik wil het gaarne toegeven, maar de mogelijkheid, de uitvoerbaarheid van landnationalisatie bestond toen niet. Deze bestaat thans wel; die mogelijkheid is een nieuwe factor. De toestanden zijn niet dezelfde gebleven en daardoor rijst de vraag of aan den eisch van betere bebouwing, aan den eisch der arbeidsverdee-ling thans niet op een andere wijze kan voldaan worden dan uitsluitend door privaat grondbezit.
De verandering van toestanden, die de Lavèi.eye's beroep op vroegere vormen van dorpsgemeenschappen onjuist deed zijn, ontneemt tevens aan het argument tegen afschaffing van het privaat grondbezit aan de historie ontleend, een groot deel van zijn kracht. Het kan zeer goed mogelijk zijn, dat pachtstelsel op lange termijnen toch nooit zoo goed als privaat grondbezit ten opzichte der productie werkt, doordien het eigenbelang hier minder groot is; de historie heeft echter niets bewezen, want vroeger waren zulke lange verpachtingen door de gemeenschap niet mogelijk.
Aan de historie kunnen dus, naar ik meen, geen krachtige argumenten omtrent de al of niet wenschelijkheid van landnationalisatie ontleend worden.
HOOFDSTUK HI.
liandiiatioualisatie met betrekking tot de verdeeling: van den rijkdom.
Zoowel Leroy Be au i.ik u als Mr. N. G. Pierson wijzen er herhaaldelijk op, dat de collectivisten meest alleen het oog hebben gevestigd op de verdeeling van den rijkdom en totaal voorbi jzien, welke gevolgen de verwezenlijking hunner plannen voor de voortbrenging van dien rijkdom met zich zal brengen. Zij bezien de maatschappelijke inrichting slechts van ééne zijde, betere verdeeling der inkomsten is hun eenige leus, maar of bij hun maatregelen de bron dier inkomsten ook gevaar loopt te verminderen, zoodat hun voorgespiegelde gouden bergen slechts droombeelden zouden blijken te zijn, daar deuken zij niet aan. âTudien het //eens bleekzegt Mr. Pierson van het socialisme, âdat het ge-//lijkheid zou scheppen, maar gelijkheid in de allerdiepste ellende.quot;
Zoo is het ook met de voorstanders van landnationalisatie. Het is waar, de meesten hebben in hun geschriften den invloed hunner voorstellen op de productie wel in het kort besproken, maar wijziging van de ongelijke verdeeling der inkomsten is toch zoozeer hun drijfveer, dat ook zij niet van groote eenzijdigheid zijn vrij te pleiten.
De meeste landnationalisten maken zich schuldig aan dezelfde fout. Van waar de ellende ? vragen zij. Van waar die schrille
82
contrasten tnsschcn rijk en arm, die elk weldenkend mensch treffen en bedroeven? Waarom worden er steeds menschen gevonden, wier leven kommer- en smartvol daarheen gaat, wier deel in de genietingen dezer aarde zoo uiterst, uiterst gering is? Waarom? Ts het de schuld van een te geringe voortbrenging, die niet allen kan voorzien? Onmogelijk, het kenmerk dezer eeuw is juist een vermeerdering der rijkdomscheppende macht, die ons aau wonderen doet denken; een enkele machine verricht thans met de hulp van een enkel kind den arbeid, waar vroeger tal van arbeiders zich voor afsloofden. En toch ... armoede en gebrek blijven nog steeds deze aarde met jammerklachten vervullen; diep droevig klinken ons de woorden toe , waarmede George zijn werk aanvangt:
wYe build! ye build! but ye enter not in,
/'Like the tribes whom the desert devoured in their sin;
//From the land of promise ye fade and die,
quot;Ere its verdure gleams forth on your wearied eye.quot;
Overal is gebrek, zoowel daar waar groote legers duizenden verslinden, als daar waar staande legers slechts bij naam bekend zijn, zoowel daar waar bezwarende tarieven den handel belemmeren , als daar waar het beginsel vau vrijhandel heeft gezegevierd, zoowel daar waar een eenhoofdig bestuur wordt gevonden, als daar waar het volk zelf de macht in handen heeft gekregen. Overal gebrek; er moet dus een algemeene oorzaak zijn, die verhindert, dat de zegeningen der vergroote voortbrenging zich bij allen doen gevoelen; die oorzaak, die ziekte moet weggenomen worden, welk is het geneesmiddel ? het geneesmiddel, dat plotseling de zieke maatschappij in al haar deelen weer gezond zal maken, het geneesmiddel, dat onze aarde in een paradijs zal herscheppen.
83
Dat geneesmiddel is gevonden ; privaat grondbezit is de bron van al dat kwaad, schaf het af en gij zijt gered. De gevolgen van het geneesmiddel zullen heerlijk zijn, hulde aan hem , die het gevonden heeft; maar dan moeten ook alle vooroordeelen wijken, dan niet angstig gevraagd of een niet volledige schadeloosstelling wel met de beginselen van het recht is te rijmen , dan niet gevraagd of de productie wat minder zal worden. Het te bereiken einddoel is zoo schoon, zoo heerlijk, dat alle hinderpalen doordien glans als verdwijnen!
Zoo Heney Geoüge, zoo IYüiischeim, zoo zelfs de veel meer beredeneerde Wallace. Daargelaten dat de ellende door hen met veel te schrille kleuren gemaald is, dat de bewering, alsof de vermeerderde voorbrengiug niet aan de minder bedeelden ten goede is gekomen, met de feiten in strijd is, er is voorzeker veel ellende; is het geneesmiddel te rechtvaardigen en zal het goede gevolgen hebben, dan ongetwijfeld het toegepast, al moge het ook in geenen deele een algelieele verbetering met zich brengen. Maar helaas! de landnationa-listen doen denken aan kwakzalvers, die met één enkel middel duizenden ziekten heeten te genezen. Er is maar één oorzaak, alle andere oorzaken, hoezeer ook door feiten bevestigd, zijn dwaas en onwaar, en voor die éene oorzaak hebben zij het onfeilbare geneesmiddel gevonden. Indien het eens bleek, dat dat geneesmiddel slechts den zieke zou verzwakken, in stede van verlichting, in stede van volkomen herstel te brengen ?
Aan dergelijke overdreven voorstellingen hebben zich natuurlijk niet schuldig gemaakt die schrijvers, welke alleen landnationalisatie bepleiten om zoodoende in de volgens hen steeds stijgende pacht een nieuwe en ruime bron van inkomsten voor den staat tc vinden.
84
Eveuzoo wordt een gunstige uitzondering gemaakt door Samtèr, die wel op afschaffing van grondbezit aandringt met andere motieven dan het stijven der staatskas door de vermeerderende pacht, zonder zich echter voor te stellen, dat door een dergelijken maatregel alle ellende zou zijn weggenomen. Hij neemt dan ook onder de voorstanders van landnationalisatie een zeer eigenaardige plaats in.
Achtereenvolgens wensch ik thans de verschillende gronden , waarop landnationalisatie voor een betere verdeeling van den rijkdom wordt aanbevolen, te onderzoeken, zooveel mogelijk die schrijvers, die zich hierbij op een zelfde standpunt plaatsen, gelijkelijk besprekende. Een kort overzicht van den invloed, dien de verschillende schrijvers in dezen op elkander gehad hebben, ga hier vooraf.
Het werk van Henuy George âProgress and Povertyquot;, verschenen in 1879 , heeft den grooten stoot aan de hedendaagsche beweging voor landnationalisatie gegeven; zooals wij reeds in de âInleiding'1 bespraken, heeft George aan het einde van zijn werk geen bepaalde landnationalisatie voorgesteld, maar zijn boek, zijn argumenten worden voortdurend aangehaald door de meeste voorstanders en uit de gronden, waarop hij de stelling bouwt, dat de grondbelasting moet worden opgevoerd, totdat zij nagenoeg met de geheele pacht gelijk staat, kan men evengoed de gevolgtrekking maken, dat alle grond staatseigendom behoort te worden. Het is niets anders dan een verschil van uitvoering. George zelf toch zegt (Vooruitgang en Armoede bl. 316): //Wij //zouden aan de wet der rechtvaardigheid voldoen en alle econo-//mische eischen bevredigen, als wij met een pennestreek alle //bizondere eigendomsrechten afschaften, als wij allen grond vooi
85
//publiek eigendom verklaardeu , en hem iu genoegzame hoeveel-//hedcu aan de hoogste bieders verpachtten.quot;
Door middel van zijn plan van hooge grondbelasting schijnt hem echter de hervorming op kalmer, gemakkelijker manier tot stand te zullen komen , dan wanneer alle gronden plotseling verbeurd verklaard werden. De staat zal dan immers toch feitelijk landheer zijn; het is dus niets dan een verschil van politiek. Veilig kan men hem dus onder de landna-tionalisten rekenen; van het in 1880 te Parijs gehouden congres vau landnationalisten bekleedde hij dan ook het eerevoorzitterschap.
Al heeft Geokgi; tot de tegenwoordige beweging van landnationalisatie den stoot gegeven, reeds vóór hem zijn er verscheiden werken verschenen, die een dergelijke hervorming beoogden. John Stuart Milt. betoogde, zooals wij zagen, in verscheiden geschriften, dat het âUnearned Incrementquot; niet aan de grondeigenaren, maar aan den staat behoorde te komen en om dit te verwezenlijken zou de staat dan ook van gedeelten van den grond eigenaar kunnen worden, dus een soort van landnationalisatie; voorts wordt Mill's betoog door latere landnationalisten bij voorkeur aangehaald.
In Duitschland vinden wij het wenschelijke vau aankoop van alle gronden door den staat betoogd door Herman Heineich Gossen, in zijn in 1854 verschenen werk âEntwickelung der Gesetze des menschlichen Verkehrs und der daraus flieszenden Ilegeln für menschliches Handeln;quot; zijn hoofdargument is evenals bij Mill het steeds stijgen der pachtwaarde. Later (in 1880) werden zijn denkbeelden nader uitgewerkt en gekritiseerd door wa leas.
86
lu 1871 verscheen het werk vau Dr. Stamm; âDie Erlösung der darbeuden Menschheitook hij meeut iu de afschaffing van privaat grondeigendom het reddende geneesmiddel te hebben gevonden, een geneesmiddel, dat de volslagen âErlösung der darbeuden Menschheitquot; ten gevolge zal hebben '). Men ziet, Stamm doet iu overdrevenheid niet voor zijn geestverwanten onder; toch staat hij, geloof ik, dichter bij Samter dan bij Fi.ürscheim. Zoowel bij Stamm als bij Samxer toch is de hoofdgedachte, dat tot bescherming der armere klasse de staat in het bezit moet komen van een groot deel van den rijkdom, de staat grondeigenaar moet worden. Bij Stamm is dit slechts in vage bewoordingen betoogd, vermengd met allerlei andere theorieën, die vaak zeer doen denken aan de ideeën van Maux , voor wien Stamm dan ook groote vereering heeft. Bij Samteii daarentegen vinden wij een zuiver logischen samenhang; wetenschappelijk staat hij, naar ik meen, dan ook veel hooger dan Stamm. Al moge bij beide schrijvers eenigszins dezelfde hoofdgedachte gevonden worden, toch geloof ik niet, dat Stamm's boek eenigen invloed op Samter heeft gehad, daar deze in zijn werk //Ge-sellschaftliches- und Privat-Eigenthumquot; geen enkele maal Stamm aanhaalt, ja, zijn naam zelfs niet genoemd wordt in de inleiding, waarin enkele schrijvers worden opgegeven, die het tot staatseigendom maken van den grond voorstonden. Samter noemt daar vooral Miu, en de Laveleye, die echter beide op de in zijn werk verkondigde denkbeelden slechts geringen invloed gehad kunnen hebben. Samter staat dus vrij wel alleen; ook op latere
i) In 1885 verscheen no? van denzelfden schrijver een brochure, getiteld : /â Die social-politisehe Bedeutuug der Boden-Reform,quot; waarin hij een plan van uitvoering zijner denkbeelden geeft.
87
geestverwanten, als Flürsciieim, schijnt hij weinig invloed te hebben gehad. Zijn werk âGesellschaftliches und Privat-Eigen-tlmm als Grundlage der Social Politikquot; verscheen iu 1877.
Twee jaar later zag //Progress and Povertyquot; het licht, de daarin verkondigde hoofdtheorie is geheel oorspronkelijk, al volgt op rechtsphilosophisch gebied George eenigszins Spencer '); Mill's denkbeelden zullen wellicht eenigen invloed hebben gehad; met Stajiji en met Samter (zoo vermeldt Flürscheui) was Geokge denkelijk geheel onbekend. Wel vermeldt Dr. Huhland (Zeitschrift fiir die gesammte Staatswissenschaft 1887, S. 295), dat in //die Zeitquot; van 1 Nov. 1886 vermeldt wordt, dat George de statuten van Stamm's vereeniging llumanitas in handen gekregen en daarin de eerste beslissende aanleiding tot zijn sociaal optreden gevonden zou hebben; aan Dr. Huuland zelf schijnt dit echter vrij onzeker toe.
Na Hknhy George heeft de landnationalisatie-bewegiug, zooals ik reeds zoo even vermeldde, een grooter vlucht genomen; in Engeland werden George's denkbeelden vooral verdedigd door Alfred 11. Wallace, die in zijn in 1882 verschenen werk, getiteld //Landnationalisationquot;, George's theoriën geheel volgde. Na een deel van genoemd werk reeds geschreven te hebben, zoo vermeldt hij (Landnationalisation p. 165), maakte hij kennis met het werk van George , met wiens denkbeelden hij zich in hoofdzaak zeer goed kon vereenigen en wiens stelling: //Low //wages and pauperism the direct consequences of unrestricted //private property in landhij aanstonds overnam als opschrift voor zijn zevende hoofdstuk. Wallace is wel in dit opzicht
') Zie boven bl. 7 en 15).
88
een volgeling van George , maar zijn werk kan tocli ook op oorspronkelijkheid aanspraak maken , vooral wat betreft zijn voorstellen omtrent de invoering van landnationalisatie.
In Engeland worden de denkbeelden van Geokge voorgestaan door de //English Land Eestauration League,quot; met het tijdschrift //The Democrat.quot; Natuurlijk ligt het buiten mijn bestek een getrouwe opsomming te geven van al dergelijke organen, vooral daar de argumenten van propaganda-geschriftea meest van niet zeer wetenschappelijk gehalte zijn.
In Duitschland vond George een vurig vereerder in Ei.üu-scHEiM, die, reeds door Sïamm voor het denkbeeld van //landnationalisatie'' gewonnen, door het lezen van George's werk zich plotseliug sterk tot dergelijke studie aangetrokken voelde. Bij het schrijven van zijn eerste werk âAuf friedlichem Wegequot; in 1884 verschenen, veranderden zijn inzichten echter vooral door een nader onderzoek van George's rente-theorie en zoo begon hij toen reeds meer een eigen standpunt in te nemen. In zijn volgende werken neemt hij met nog meer beslistheid een geheel oorspronkelijk standpunt in, al blijft zijn vereering voor George groot; zoo zijn zijn theorieën een geheel ander karakter gaan dragen dan de in ,/Progress and Povertyquot; verkondigde en is Elürscheim de vader geworden van de Duitsche richting der landnationalisatie. De uitvoerigste ontwikkeling zijner denkbeelden heeft hij gegeven in zijn in 1888 verschenen werk //Der einzige Rettungswegquot;, waarvan in 1890 een geheel omgewerkte uitgave verscheen; in de inleiding dezer uitgave wijst bij er uitdrukkelijk op, hoever zijn denkbeelden en die van George nit-eenloopen: //Hat schon mein erstes Buch wesentliche Differenz-//punkte zwischen meiner Aufl'assung und der geqrge'schen er-
89
//gebeu, so liabeu sicli solche im Laufe der Zeit noch vermehrt, '/so dass schlieszlich uur das gleiche Ziel uud eiuigc der Begrüu-//dungeu die selben geblieben sind wie bei Geoege. Die Auil'assuug //der wirkliclieu direkteu Ursaehe der sociaieu Noth uud der mit //ihr identischen Absatzkrise ist bei mir cine total verschiedeue //uud weuu aucli die sclilieszliche Gruudursache die gleiclie ist, so //erreicheu wir sic doch auf total verschiedeueu Wegeu.quot;
In het Engelsch verscheen van Flükscheim's hand //llent, Interest and Wagesquot;, in het Nederlandsch vertaald ouder den titel van //Tudividnalisme en Socialismequot; door J. J. Duintjee, met aanteekeuingeu van J. Sïoffei,. Ook dit werk geeft Fi.iii!,-scheim's hoofddenkbeelden in hun geheel weer, maar in minder uitvoerigen vorm dan //Der einzige Eettuugswegquot;. Nog in enkele kleiue geschriften behandelde Fi.ühsciieim hetzelfde vraagstuk, o. a. in //Das Staatsmonopol des Grundpfandrechtesquot;, waarin hij een wijze van practische ten uitvoerlegging zijner plannen geeft.
In verscheiden Duitsche werkjes wordt de landnationalisatie door Fi.ürscheim's aanhangers van uit zijn standpunt verdedigd met slechts enkele detail-wijzigingen. ]u de eerste plaats moeten daarbij genoemd worden de geschriften van von Hell-douff-Baumeksrode : //Das Hecht der Arbeit uud die Land-fragequot; en //Verstaatlichung des Grund uud Bodeus oder Schutz-zöllequot;. Verder worden in een weekblad //Frei Landquot; en in tal van andere bladen Flükscheim's denkbeelden verdedigd en verbreid. In Duitschland gaan de laudnatioualisten geheel met Fi.üescheim mede en de groote //Deutsche Laudligaquot;, in 1886 opgericht, moet dus in geen geval beschouwd worden als een uitvloeisel der richting van George.
90
Fuiescheim's deukbeeldeu hebben ook in Nederlaud iugaug gevoudeu; de Nederlaudsche //Bond voor Landnationalisatiequot; geeft twee bladen uit, waarvan het voornaamste is het tweemaandelijksch propaganda tijdschrift //De Grond aan Allen''; deze Bond ver-eenigt zich geheel met de denkbeelden van IYükscheim. Zoo werd ook door den hoofdleider dezer richting in ons land, den heer J. Stoffel, herhaaldelijk de landnationalisatie in tijdschriften en afzonderlijke geschriften verdedigd, bet uitvoerigst in zijn brochure //De oplossing der sociale kwestie door opheffing van het privaat grondbezitin al deze geschriften volgt hij Fi.ürscheim geheel, alleen is zijn plan van uitvoering oorspronkelijk.
In Frankrijk vond het plan van landnationalisatie weerklank bij Chaeles Gide , aan wiens hevig protest tegen de overheer-sching der orthodoxe school in Frankrijk, besproken in //The Politica] Science Quarterlyquot;, door Prof. d'Aui.mis de Bouuouiix in de Economist van 1891 een opstel werd gewijd. De wijze, waarop Gide zijn plannen wil ten uitvoer leggeu, is zeer eigenaardig en oorspronkelijk.
Door Ludwig Feankl worden in zijn brochure //Die Verstaat-lichuncr der Grundrentequot; als de stichters eener nieuwe school in
o
Frankrijk op het gebied van hervormingen in den grondeigendom, genoemd A. Tombeau en Eug. G. Simon. De eerste wil een grondbelasting heffen, die onafhankelijk van de waarde van den grond met het toenemen der volkswelvaart verhoogd zou worden. Zijn voorstel is geheel gebaseerd op de meening, dat een dergelijke belasting, met afschaffing van alle andere, het meest gelijk zou drukken en heeft dus feitelijk met landnationalisatie niets te maken. Sijion ontwikkelt zijn denkbeelden in //La cité chiuoise.quot; In
91
Ghiua wordt alleen grondbelasting gelieven, die eenigszins naaide min of meer gunstige ligging der landerijen in klassen verdeeld is, maar grootendeels alleen van de oppervlakte der gronden afhangt. Naast deze grondbelasting staat een bizondere verdeeling van den grond, iedere familie bezit 3/-t hectare met het privilege van onvervreemdbaarheid en bezit bovendien gedurende een zekeren tijd liet recht van terugkoop van verkochte gronden. Uit alles zou dan de heerlijke uitwerking hebben, dat het ge-heele land bijna één tuin is vol gelukkige menschen. In elk geval zou een dergelijke maatregel niet met den naam van landnationalisatie zijn te bestempelen en moet dus hier buiten bespreking blijven; bovendien zijn Chineesche en Europeesche toestanden nog niet dezelfde, en wat die heerlijke tuinen vol gelukkige menschen betreft, daarover is geen eenstemmigheid, het resultaat der onderzoekingen van Prof. de Giiout was althans geheel anders.
Uit dit overzicht blijkt, dat een volgorde van behandeling der verschillende schrijvers geheel naar tijdsorde niet uoodig is. Derhalve wensch ik in de eerste plaats te bespreken de meeningen van die schrijvers, die aan landnationalisatie de vèrst strekkende gevolgen, den meesten invloed ten opzichte van de verdeeling van den rijkdom hebben toegekend, om dan later hen te bespreken, die er veel bescheidener gevolgen aan toeschrijven en als hoofdargument aannemen, dat daardoor de steeds toenemende paciit in de staatskas zal vloeien met al de daaraan verbonden voor-deeleu, van welke voordeden dan de eene schrijver zich meer, de andere zich minder voorstelt. Natuurlijk zal ik steeds in zooverre de historische volgorde behouden, als dit wegens den invloed door den eeneu schrijver op den anderen uitgeoefend noodzakelijk is.
93
Bij de argumenten vau Henky George weusch ik dau in de eerste plaats stil te staan. Hiervoor is liet voldoende alleen âProgress and Povertyquot; te bespreken; wel schreef George in 1884 nog âSocial Problemsmaar hij zelf verwijst hierin voor uitvoeriger behandeling naar âProgress and Poverty.quot;
Inrichting en inhoud van dit zoo algemeen bekende werk kunnen in weinige woorden worden weergegeven: de vele ellende in een groote stad gezien bracht den schrijver tot nadenken ; vanwaar die ellende, terwijl toch het voortbrengings-vermogen zoo sterk is toegenomen , waarom zijn de Iconen zoo laag en niet, in verhouding met de vermeerderde voortbrenging, gestegen ?
Dat de loonen van het kapitaal worden genomen en te weinig kapitaal cr aldus de oorzaak van is , kan niet waar zijn, want deze leer is onjuist; dat de vermeerdering van het voortbrengend vermogen zou worden geneutraliseerd door de vermeerdering der bevolking, dat daardoor de loonen niet gestegen zouden zijn is even onwaar. Wat is dan wel de oorzaak ?
Alle vermeerdering van productie komt slechts ten goede aan de pacht'), loon en kapitaalrente genieten er niet het minste voordeel van. De waarde der gronden zal bij dezen vooruitgang der maatschappij al meer en meer stijgen, maar de arbeider zal zich niet in de minste verhooging van zijn hongerloon kunnen verheugen. Dit voortdurend in waarde stijgen van den grond doet bovendien een geweldige speculatiezucht ontstaan , een speculatiezucht, die tengevolge heeft, dat tal van gronden worden opgekocht en braak blijven liggen,
!) Zie omtrent liet gebruik van het woord ,(paehtquot; de noot op bl. 20.
93
zoodat ten koste der voortbrenging slechtere gronden moeten worden bebouwd , een speculatiegeest, die tengevolge heeft de crisissen , welke op industrieel gebied zoo verlammend werken. Privaat grondbezit is dus de kanker, die knaagt aan de welvaart der maatschappij, schaf dat privaat bezit dus zoo spoedig mogelijk af of, nog beter uit politiek oogpunt, verhef de grondbelasting zoodanig, dat hetzelfde resultaat wordt bereikt. Het verdere gedeelte van het werk is dan gewijd aan het rechtmatige vau het geneesmiddel, de beste middelen van uitvoering en de zegenrijke gevolgen ook teu opzichte der productie.
Zijn de loonen niet gestegen met de vermeerderde voortbrenging, is de toestand van den werkman inderdaad niet verbeterd? Is de leer, dat de loonen vau het kapitaal genomen worden, werkelijk onjuist? Mag men aan de leer van Malthus, zooals George beweert, niet de minste waarde toekennen ? Tal van vragen, tal van punten van aanval op George's werk; maar dit alles raakt de kern niet, wij zouden liet een inleiding op de hoofdgedachte kunnen noemen. George's pachtleer is het middelpunt van //Progress and Povertyquot;, waarmede zijn geheele werk valt of staat. Die theorie doet hem tot de scevoktrekking
O O O
komen, dat afschaffing van het privaat grondbezit gewenscht is en is derhalve van groot belang voor onze beschouwingen. Hoe is George tot de conclusie gekomen , dat alle vermeerdering van productie slechts de pachtwaarde doet stijgen en steeds ten goede komt aan de grondeigenaren? ')
') Een enkele opmerking over het woord ârent,quot; Hknev OEonoE wil hieronder verstaan de vergoeding voor liet gebruik van den grond , terwijl de vergoeding voor de verbeteringen aan den grond dan kapitaalrente door hem worden
94
In het derde boek van //Vooruitgang en Armoedequot;, getiteld âde Wetten der Verdeelingquot; , begint George eerst zijn hoofddenkbeeld te ontwikkelen. De gelieele voortbrenging wordt in drieën verdeeld, zoo luidt het betoog, kapitaal, arbeid en grond ontvangen elk hun deel onder de namen rente, loon en pacht. De opbrengst wordt verdeeld tusschen die drie; daaruit volgt, dat, als er twee zijn gegeven, de derde uit die twee kan gevonden worden, de wetten van verdeeling moeten derhalve onderling samenhangen (bl. 125). Als de pacht een grooter deel ontvangt, dan moeten loon en rente een kleiner deel verkrijgen. Als Dick, Harry en Tom deelgenooten zijn in een zaak en de winst moeten deelen , zal, wanneer Harry 35% en Dick 40 % krijgt, Tom een aandeel van 25 % ontvangen. De wetten voor de verdeeling des rijkdoms zijn klaarblijkelijk wetten van evenredigheid.
In een tweede hoofdstuk gaat George nader de pacht bespreken. Hij begint een beroep te doen op de pachtleer van Rt-cardo; bewijs oordeelt hij hier onnoodig, hij formuleert Ricakuo's theorie aldus: âde pacht van land wordt bepaald door zijn meer-//dere opbrengst boven hetgeen met dezelfde werkzaamheid van den //minst vruchtbaren grond, die in gebruik is, kan worden verkregen.quot; George heeft dit omgezet in het volgende (bl. 132): âHet eigen-//domsrecht van een natuurlijken faktor van voortbrenging zal de /â¢/macht schenken om zooveel van tien rijkdom voortgebracht door den //aan dien faktor besteden arbeid eu kapitaal zich toe te eigenen,
genoemd. Op het vcvkeerdc cener dergelijke ondcrseliciding is gewezen door Mr. N. G. Pieiïson. (Leerb. der Staatli. I. bl. 82.) Deze geheele onderscheiding is echter van weinig belang voor Geoeok's verder betoog.
95
//als de opbrengst te bovengaat, welke dezelfde arbeid en kapitaal //zon kunnen bekomen van de minst vruchtdragende werkzaam-quot;heid, die zij vrijwillig ondernemen.quot; Het min of meer juiste dier formnleering, de alleronjuiste bewering, tot verdediging dezer formuleering aangevoerd , dat er geen werkzaamheid bestaat, waarbij gebruik van grond geen vereischte is, kunnen wij als van minder belang ter zijde laten. Na deze formnleering verder besproken te hebben, eindigt George aldus: De wet der //pacht is feitelijk slechts een afleiding uit de wet der mededinging, //en komt eenvoudig neer op de bewering dat, aangezien loonen //en rente naar een algemeene gelijkheid streven, het geheele ge-//deelte van de algemeene voortbrenging van rijkdom, hetwelk //overschrijdt wat gebruikte arbeid en kapitaal voor zich zeiven //hadden kunnen bekomen bij toepassing op den armsten natuur-//lijkeu factor in gebruik, in deu vorm van pacht aan de grond-//eigenaars zal komen,quot;
Zoowel prof. d'Aui.nis (lied. Soc. bl. 195) als Mr. Pauw van Wiet.drecht (Diss. bl. G2) hebben, doordien in de vertaling van Straatman //common levelquot; verkeerd is oversezet in //ire-
o o
meenschappelijk peilquot;, in dat //gemeenschappelijk peilquot; een zeer onjuiste uitdrukking gezien, waarmee George zou bedoeld hebben, dat loon en rente steeds op een //onveranderlijk peilquot; blijven. Vertaalt men //common levelquot; door //algemeene gelijkheidquot;, dan is, naar ik meen , de zin zeer duidelijk ; rente en loon streven naar een algemeene gelijkheid (a common level) d, w, z,, wanneer b,v. door aanwending van kapitaal en arbeid op den grond betere resultaten worden verkregen dan door ze te besteden aan fabrieksnijverheid, zal een verplaatsing van kapitaal en arbeid naar den landbouw plaats vinden. Dit meen ik, heeft George
96
bedoeld en derhalve niet reeds hier betoogd, dat de loonen altijd naar een minimum streven. ')
Deze leer van Ricardo , zegt George vervolgens, is algemeen aangenomen , maar haar gevolgen , die onafscheidelijke gevolgen , heeft men niet erkend. Op die vérstrekkende gevolgen zal hij nu het volle licht laten vallen; thans begint zijn eigenaardige, verwarde theorie (bl. 133); //En toch is het niet klaar als het //eenvoudigst meetkunstig bewijs, dat een onafscheidelijk gevolg //van de wet der pacht de wet der loonen is, waar de deeling //van de opbrengst eenvoudig plaats heeft tusschen pacht en loonen, //of de wet van rente en loonen te zamen, waar de deeling //geschiedt in pacht, loonen en rente ? Omgekeerd uitgedrukt //is de wet der pacht noodwendig de wet van loonen en rente //te zamen, want de stelling luidt, dat onverschillig welke de //voortbrenging is, die uit de aanwending van arbeid en kapitaal «voortspruit, deze beide faktoren slechts in loonen en rente //zulk een deel der opbrengst zullen ontvangen , als zij hadden //kunnen voortbrengen op voor hen zonder betaling van pacht //toegankelijkcn bodem, d. i. den minst vruchtbaren grond, //of het minst vruchtbaar stuk daarvan in gebruik. Want //als van de opbrengst al wat het bedrag der loonen overschrijdt, //hetwelk arbeid en kapitaal zouden kunnen verkrijgen van grond //waarvoor geen pacht betaald wordt, aan de grondeigenaars moet //komen als pacht, dan is al wat arbeid en kapitaal als loon //en rente kunnen vorderen, het bedrag dat zij zouden hebben //verkregen van grond die geen pacht afwerpt. Of, om de //zaak in een algebraïschen vorm te kleeden; daar de opbrengst
i) Zie /'Een Kijkje op het Hedendaagscli Socialismequot; door J. Stoffel, bl. 8.
97
nâ pacht loonen rente, zoo is opbrengst â pacht = quot;loonen -|- rente.
//Derhalve hangen loon en rente niet at van tie opbrengst van //arbeid en kapitaal, maar van hetgeen overblijft na aftrek der //pacht, of van de opbrengst, die zij zouden kunnen maken //zonder pacht te betalen , d. i. van het schraalste land in gebruik. //En daarom kunnen , onverschillig welke de vermeerdering zij der //voortbrengende kracht, wanneer de vermeerdering der pacht //daarmede gelijken tred houdt, loonen noch rente stijgen.quot;
Duidelijkheidshalve citeerde ik dit gedeelte geheel, omdat hier de kern van het betoog ligt. De opbrengst van rente loonen hangt af van de opbrengst van den schraalsten grond, die in gebruik is. Wanneer de pacht stijgt, is dit een gevolg van bebouwing van minder vruchtbare gronden, loonen -|- rente zullen dan dus slechts de opbrengst van nog minder vruchtbare gronden ontvangen. De wet van loonen en rente is op deze wijze afhankelijk van de wet der pacht. Al vermeerdert de voortbrengende kracht nog zoo, als de pacht in gelijke verhouding stijgt, zullen , zegt Geouge , loonen noch rente stijgen , dat wil dan altijd zeggen, zij zullen geen grooter deel krijgen van de opbrengst dan vroeger; steeds wanneer George van stijging en daling van loonen en rente spreekt, bedoelt hij er niet mede stijging of daling in hoeveelheid, maar stijging of daling in evenredigheid tot de geheele opbrengst. Zoo zegt hij verder (bl. 135), //En waar het voortbrengend vermogen //toeneemt, gelijk het in alle vooruitgaande landen stijgt, //daar zullen loonen en rente den invloed ondervinden niet van //de stijging, maar van de wijze, waarop de pacht daardoor //wordt aangedaan. Rijat de waarde van den grond ia even-
7
98
quot;redige verhouding, dan zal de gansche vermeerderde voort-wbrenging door de pacht worden verzwolgen, en loonen en //rente zullen dezelfde blijven als vroeger.quot; //Dezelfde blijven als vroeger,quot; d. w. z. de verhouding der loonen tot de geheele opbrengst is dezelfde gebleven, Geoege stelt dus hier volstrekt niet de vraag, of de loonen in hoeveelheid stijgen of dalen , m. a, w. of de toestand van den werkman beter of slechter wordt; hij onderzoekt alleen of de vermeerdering der voortbrenging meer aan de loonen en de rente, of wel meer aan de pacht ten goede is gekomen.
//De opbrengst van loonen -f- rente = de opbrengst van den schraalsten grond in gebruik,quot; deze stelling gaat George thans nog nader bewijzen. In hoofdstukken III, IV en V wordt thans een rente-theorie ontwikkeld, die wij als bijzaak niet nader zullen bespreken en, hoewel zij onjuist is, als waar kunnen aannemen, daar dit niets verandert voor het geheele betoog. Als resultaat van dit betoog wordt dan door Geoiige gevonden, dat rente en loonen in gelijke verhouding dalen en stijgen. Wanneer derhalve de loonen door vermeerdering der pacht dalen, zal de rente ook dalen , loonen en rente kunnen dus als één factor beschouwd worden tegenover pacht. Welke is nu de wet der loonen? vraagt George, hoofdstuk VI. Na een heftigen, maar zeer slecht geargumenteerden aanval op de voorstelling der economie, dat ook hier de wet van vraag en aanbod ten opzichte der arbeidskrachten geldt, komt hij tot het resultaat, dat de loonen afhangen van hetgeen de arbeid kan voortbrengen op het laagste punt van natuurlijke voortbrengingskracht, waaraan hij gewoonlijk ten koste wordt gelegd. Onwillekeurig vraagt men George hier af, hoe en waardoor dat laagste punt van natuurlijke voortbren-
99
gingskraclit, waaraan nog arbeid besteed wordt, dan bepaald wordt? Of kleiner, of grooter aanbod van arbeidskrachten niet van invloed hierop zou kunnen zijn? Maar, al is George's betoog hier ook onjuist, het eindresultaat, dat de opbrengst van den arbeid verkregen op den minst vruchtbaren grond, die nog bebouwd wordt, het algemeen peil der looneu doet kennen, is juist, hoe verkeerd het door George gebezigde woord âafhangenquot; ook zij.
George s uitdrukking : «dat de loonen afhangen van den zoom //der voortbrenging, of van de opbrengst, welke de arbeid kan //bekomen op het hoogste punt van natuurlijke voortbrengings-//kracht, dat zonder betaling van pacht voor hem openstaatquot;, is dus onjuist; toch kunnen wij zonder gevaar deze uitdrukking een oogeu-blik overnemen, daar de looneu inderdaad aan die opbrengst gelijk zijn en het niets beteekenende zijner theorie toch even duidelijk in het oog valt.
De ware opvatting der wetten van verdeeliug is volgens George aldus; (bl 173)
//De pacht hangt af van den zoom des landbouws, rijzende en //dalende, naarmate deze valt of stijgtquot; (niet zooals in //Vooruitgang en Armoedequot; verkeerd is vertaald, '/rijzende en dalende, naarmate deze stijgt of valtquot;). //De loonen hangen af van den //zoom des landbouws, rijzende en dalende, naarmate deze stijgt
'/of valt..... De rente hangt af van den zoom des land-
//bouws, rijzende eu dalende, naarmate deze stijgt of valt.quot;
Bij stijging der pacht dalen de loonen, d. w. z. de evenredige verhouding der loonen met de geheele opbrengst daalt, volstrekt niet de hoeveelheid, zooals George zelf uitdrukkelijk erkent (bl. 171): âDeze verhouding kan verminderen, terwijl de hoeveelheid «dezelfde blijft of zelfs toeneemt.quot;
100
Wat beteekent dus deze geheele theorie tot het verklaren van den volgens George zoo allertreurigsten toestand van den werkman ? Al is de toestaud van den grondeigenaar in meerdere mate verbeterd dan die van den werkman, deze laatste kan toch ook verbeterd zijn.
Niet alleen is deze theorie van geen beteekenis, maar ook komt George zelf tot er mede strijdende conclusies, waar hij zegt : quot;Bij voorbeeld, laat de grens van den landbouw zijn op '/20, dan zullen verbeteringen, die in staat stellen dezelfde opbrengst //met een tiende minder arbeid en kapitaal te verkrijgen, den zoom //niet naar 18 brengen, als de oppervlakte, die een voortbrengings-//vermogen van 19 bezit, groot genoeg is voor het gebruik van al quot;den arbeid en al liet kapitaal, die aan de bebouwing der vrucht-fbaarder gronden zijn onttrokken. In dat geval zou de zoom quot;des landbouws op 19 blijven, en de pacht stijgen met het quot;verschil van 19 en 20; loonen en rente met het verschil tusschen
quot;18 en 19quot; (bl. 197).
Geouge's formule luidt: opbrengstâ pacht = rente-|- loonen, rente 4- loonen is toegenomen van 18 :19, pacht maar van 19 ; 20, de opbrengst zal dus toenemen in een verhouding minder dan 18: 19, m. a. w. de loonen rijzen in verhouding tot de geheele opbrengst en toe It is de zooïïi van 'Ic/i landbouw (jedaald.
Geen wonder dat Geouge hier tot tegenstrijdige conclusies moest komen, want, de onjuistheid van George's betoog, dat rente en loonen altijd gelijkelijk dalen en stijgen , dat rente en loonen zouden '/afhangenquot; van den zoom des landbouws, ter zijde gelaten, zijn toch zijn stellingen omtrent het verband van pacht, loon en rente met den zoom van den landbouw geheel onjuist. Eén van beide toch, of bij de wet der verdeeling voor pacht is
101
bedoeld rijzen of daleu iu verhouding tot de gelieele opbrengst, maar dau is die stelling geheel onwaar en in geenen deele Ricardo's theorie, of bij pacht is bedoeld een rijzen of dalen iu hoeveelheid, maar dan vervalt daarmee ook geheel het verband tusschen de wetten der verdeeling onderling, het verband, waarop George alles doet steunen.
Prof. d'aulnis is in zijn kritiek van het werk van George van oordeel, dat deze reeds dadelijk uitgaat van het standpunt, dat kapitaal-rente en loonen onveranderlijk zijn. Zooals ik reeds zeide, is dit naar mijn meeniug niet het geval, daar George steeds bedoelt met dalen vau de looneu, verminderde verhouding tot de geheele opbrengst. Naar mij voorkomt heeft hij met zijn arithmetische formule uiet willen aanduiden , dat, waar opbrengst â pacht = loonen -|- rente is, loonen en rente onveranderlijk zijn en alle vermeerdering van de opbrengst slechts aan de pacht ten goede zal komen. George heeft in Boek III alleen bedoeld te bewijzen, dat bij stijging ^ der pacht de voordeelen der voortbrengende kracht aan loonen en route iu mindere mate dan aan dc pacht ten goede komen en dat, daar bij daling van den zoom des landbouws de pacht stijgt en mitsdien loonen en rente dalen, bij alle vermeerderde voortbrenging , die den zoom des landbouws doet dalen, loonen en rente in evenredigheid daarmede afnemen. De strekking, het verband van George's werk schijnt mij aldus toe: eerst tracht hij dit te bewijzen in boek III, vervolgens betoogt hij in boek IV, dat alle verbeteringen de pacht doen stijgen. Dat steeds stijgen vau de pacht is dus oorzaak, dat de loonen en rente uiet toenemen iu verhouding tot de grootere voortbrengiug. Welnu, daar
D. w. z. stijging in cvonrcdiglicul met de gelieele opbrengst.
102
pacht zoo sterk stijgt, zal dat wel de oorzaak zijn , dat de looneu zelfs hi hoeveelheid volstrekt niet stijgen - dat dit toch inderdaad het geval is , was immers reeds aau George gebleken (?) uit de ervaring, uit de praktijk. Het theoretisch bewijs geeft George echter niet, maar in boek V heet het: het stijgen vau de pacht is dus oorzaak van het steeds uaar een minimum streven der loouen. Dus eerst in het vijfde boek noemt George dit als de zoogenaamde gevolgtrekkiug uit zijn voorgaande theorieën.
Dezen draad heb ik gemeend in het werk van George te vinden, wellicht heb ik mij daarin vergist, waar zelfs prof. d'Aulnis verklaart: //In dit Amerikaansche werk een draad te //vinden is onmogelijk.quot; (Hed. Soc. bl 203, noot).
Keeren wij thans terug tot het nader onderzoek van George's betoog; wij zijn genaderd tot boek IV, waarin âDe invloed van stoffelijken vooruitgang op de verdeeling van den rijkdom'' besproken wordt.
In dit vierde boek zal George onderzoeken, welke oorzaken de pacht doen stijgen. De beschouwing van George over den invloed van vermeerdering der bevolking op de stijging der pacht zullen wij stilzwijgend voorbijgaan , daar wij zijn beoordeeling van de leer van Malthüs, als bijzaak in //Progress and Poverty,quot; evenmin bespraken.
Zeer eigenaardig en hoogst belangrijk echter is zijn betoog, dat verbeteringen in de voortbrenging steeds de pacht doen stijgen; hij betoogt dit als volgt: //Vraag is geen vaste //hoeveelheid , die enkel met de aangroeiende bevolking toeneemt. «Bij ieder individu stijgt zij met zijn vermogen om de gevraagde
«zaken te bekomen____ De som van rijkdom staat nergens en nooit
//gelijk met de begeerte naar rijkdom, en de begeerte klimt met iedere
103
//nieuwe gelegenheid tot hare vervulling. Daar dit zoo is, zullen arbeid «besparende verbeteringen strekken tot verhoogde voortbrenging van '/rijkdom. Nu zijn echter voor het voortbrengen van rijkdom twee quot;dingen noodig arbeid en grond. Daarom zullen arbeid besparende quot;verbeteringen de vraag naar grond vergrooten, en overal waar de //grens der hoedanigheid van den in gebruik zijnden grond is //bereikt, gronden in bebouwing brengen van geringere natuurlijke //vruchtbaarheid, of op dezelfde gronden de bebouwing uitbreiden tot //een lager peil van natuurlijke productiviteit. En terwijl derhalve //het eerste gevolg van arbeid besparende verbeteringen is ver-'/meerdering van het arbeidsvermogen, is het tweede en zijde-//lingsche gevolg, dat de bebouwing van den grond zich uit-quot;breidt, en daar, waar de uitbreiding den zoom des landbouws //doet dalen, de pacht stijgt. Waar de grond geheel bizonder quot;eigendom geworden is; gelijk in Engeland, of waar hij hetge-quot;deeltelijk reeds geworden is, gedeeltelijk daartoe gemaakt kan quot;worden, zoodra hij voor het gebruik benoodigd is, gelijk in de quot;Vereenigde Staten, zal daarom het laatste gevolg van arbeid be-//sparende werktuigen of verbeteringen hierin bestaan, dat de pacht '/rijst zonder verhooging van loonen of rente.quot; (bl. 192).
Na hierover nog breed te hebben uitgeweid, eindigt George aldus: //Daar rijkdom in al zijn vermogen het product is van quot;arbeid, besteed aan grond of de voortbrengselen van grond, zal quot;iedere vermeerdering van het arbeidsvermogen, bij de nooit be-//vredigde begeerte naar rijkdom, ten nutte wordeu gemaakt ter '/bekoming van meer rijkdom, en daardoor de vraag naar grond //vergrooten.
Dit betoog van George is in alle opzichten onjuist. De behoeften van den mensch in het algemeen mogen oneindig zijn,
104
zijii behoefte aan bepaalde zakeu is wel degelijk begrensd; wauneer zijn behoefte aan de noodigste levensmiddelen bevredigd is, vraagt de mensch naar weelde-artikelen; dit heeft Geokge volkomen over het hoofd gezien.
//Voor het voortbrengen van rijkdom zijn twee dingen noodig, //grond en arbeiddan zou er alleen landbouw gedreven worden; George ziet de onjuistheid hiervan zelf in en spreekt later van âgrond en voortbrengselen van grondwaaraan arbeid besteed wordt. Rijst dan echter niet onmiddelijk de vraag, hoeveel arbeid er wel aan die voortbrengselen zal besteed worden ; waarom kan de arbeid, die door arbeid besparende werktuigen vrijkomt niet tot zorgvuldiger behandeling van die grondstoffen aangewend worden? Geuege schijnt zich voor te stellen, dat wij in een maatschappij leven , waar alle menschen landbouwers zijn en niets dan b. v. aardappels verbouwen; er bestaat bij elk mensch een oneindige behoefte aan aardappels: al heeft hij nog zoo veel aardappels , als hij door een uur langer werken er meer kan krijgen, dan blijft hij doorwerken. Nu wordt er een arbeid besparende uitvinding gedaan, waaraan thans de overblijvende arbeid besteed ? Die arbeid moet weer aan aardappels worden besteed, ander werk is er niet, dus er is meer grond noodig. Aangezien wij nu niet in zulk een aardappel-maatschappij leven, maar er tal van verschillende voortbrengselen gevraagd worden, waarvan de voortbrenging bij de eene soort veel meer tijd neemt dan bij de andere, voortbrengselen, die door middel van zeer veel arbeid in allerlei fijnere vormen omgezet worden, heeft George's betoog niet de minste of geringste waarde.
Geouge heeft dit laatste zelf ingezien, waar hij zegt: âOok //is het strikt genomen niet waar, dat de arbeid, die met
105
//elke verbetering vrijkomt, geheel zal worden gedwongen om //werk te zoeken bij de voortbrenging van meer rijkdom. Het //vermeerderd vermogen van bevrediging, dat elke nieuwe verbe-//tering aan een zeker gedeelte van den staat verschaft, zal wor-//den verbruikt zoowel voor de vraag naar genoegens of diensten, //als voor de vraag naar rijkdom. Daarom zullen sommige arbei-//ders leegloopers worden, en anderen uit de rij der voortbrengende //tot de klasse der niet voortbrengende arbeiders overgaan, die, //zooals de ervaring bewijst naar verhouding trachten toe te nemeu //met de ontwikkeling der maatschappijquot;, (bl, 197), George's //woorden doen hier denken aan de âclasses productives1' en de //classes stérilesquot; der Physiocraten,
Al heeft George dit zelf moeten erkennen, aan de omstandigheid, dat, al mag de pacht in laudhouwvoortbrengselen uitgedrukt, even hoog blijven of zelfs rijzen, de prijs dier land-bouwvoortbrengselen wel kan dalen en dus de werkelijke pacht inderdaad afnemen, heeft hij volstrekt niet gedacht.
Walker schrijft dan ook aaugaaude George's betoog omtrent den invloed van verbeteringen; //A pretty piece of reasoning //this! A monograph by Mr, George upon the significance of //the word //thereforequot; is really a desideratum of systematic logic. //Two things are needed for the production of wealth, land and '/labor; therefore an increase of production will increase the quot;demand for land, forsooth! But tvhy not also for labor, since //both are concerned iu productiou ? Was there ever a more senseless blunder?quot; (Land and its llent p, 170).
Walker toont vervolgens aan, hoe een pond katoen onbewerkt zeer weinig waarde heeft, maar ten koste van veel arbeid zoo fijn bewerkt wordt, dat het in de kostbaarste zaken is ver-
106
anderd. Hier is dau tocli, zoo zegt hij, een vermeerdering in de productie: //with no additional demand, or drain, upon the //soil/' Niet alleen bij katoen, bij alle zaken bijna is dit het geval; het huisraad van den werkman is misschien f 75 waard, terwijl dat van den ambtenaar van eenzelfde hoeveelheid hout gemaakt misschien f 500, dat van een bankier ook van een zelfde hoeveelheid vervaardigd f 5000 waard is. Met tal van voorbeelden toont Walker nog verder de verregaande onjuistheid van George's redeneeriug aan.
Maar, gaat deze schrijver in zijn bestrijding van âProgress and Povertyquot; voort, niet alleen is het onjuist, dat alle verbeteringen en uitvindingen de vraag naar land vermeerderen, maar zelfs doet een groot deel dier verbeteringen en uitvindingen de vraag naar land zeer verminderen. (Land and its Rent p. 175).
Wai.kek onderscheidt hierbij dan; verbeteringen en uitvindingen 1°. op industrieel gebied, 2°. ten opzichte van vervoermiddelen, 3U. in zake landbouw. De eerste soort doet een grootere vraag naar landbouwvoortbrengselen, dus naar grond ontstaan. De oorzaak echter van die grootere vraag. Walker's betoog een oogenblik ter zijde gelaten, is gelegen in de vermeerderde welvaart door die verbeteringen in het leven geroepen. Men zal tarwe gaan verbruiken in plaats van rogge, dierlijk voedsel in meerdere mate dan te voren, men zal de grondstofl'en, die men thans met minder tijd en inspanning in fabrikaten kan omzetten, in grootere hoeveelheden willen verwerken. De stijging der pacht heeft hier dus het stijgen der andere inkomsten in verhouding tot de aangewende moeite als tot voorwaarde. Voor George's bewering, dat alleen de pacht stijgt, dus geen schijn van grond (Zie Mr. N. G. Pierson Leerb. der Staath. 1°. dl. bi. 262).
107
De tweede soort, verbeteriugeii in zake vervoermiddelen, moeten natuurlijk de vraag naar grond doeu verminderen. Dit spreekt zoo van zelf, zegt Walker, dat uitvoerige bewijsvoering niet noodig is. Gemakkelijker aanvoer van voortbrengselen uit verafgelegen landen zal den zoom van den landbouw doen stijgen, m. a. w. de paclit doen dalen. ')
Bij de derde soort van verbeteringen, die welke den landbouw betreflen, blijft Wai.kek langer stilstaan; hier is de invloed op de pacht niet zoo eenvoudig; hij volgt dan geheel het betoog van Mn.i., daar, naar zijn meening, de zaak niet beter kan worden voorgsteld, dan deze gedaan heeft.
Daar deze kwestie niet alleen bij de weerlegging van Geoegk , maar in het algemeen voor ons onderzoek vau het hoogste belang is , komt het mij wenschelijk voor Mn.i.'s argumenten nader te beschouwen -). Deze nu luiden aldus: //Suppose that the «demand for food requires the cultivation of three qualities of «land, yielding, on an equal surface, and at an equal expense '/100, 80, and 60 bushels of wheat. The price of wheat will, //on the average, be just sufficient to enable the third quality //to be cultivated with the ordinary profit. The first quality, '/therefore, will yield 40 and the second 20 bushels of extra quot;profit, constituting the rent of the landlord.
//And, first, let an improvement be made, which , without //enabling more corn to be grown, enables the same corn to be
') Natuurlijk geldt dit alleen voor dicht bevolkte landen, waar de pacht hoog is; in landen met ongunstig gelegen gronden zal juist een tegenoïergestclde werking plaats hebben, de ongunstige ligging is verbeterd en er zal pachtwaarde ontstaan, waar men die vroeger niet vond.
J) J. S. Mill quot;Principles of political Economy.quot; B. IV. Ch. Ill § 4.
108
grown with oue fourth less labour. ') The price of wheat will fall oue fourth , aud 80 bushels will be sold for the price for which 60 were sold before. But the produre of the land, which produces 60 bushels is still required, and, the expenses being as much reduced as the price, the land cau still be cultivated with the ordinary profit. The first and second qualities will, therefore, continue to yield a surplus of 40 and 20 bushels, and corn-rent will remain the same as before. But, corn having fallen in price one fourth, the same corn-rent is equivalent to a fourth less of money, aud of all other commodities.
If the improvement is of the other kind, rent will fall in a still greater ratio. Suppose that the amount of produce which the market requires, can be grown not only with a fourth less of labor, but on a fourth less of land. If all the laud already in cultivation continued to be cultivated, it would yield a produce much larger than necessary. Land equivalent to a fourth of the produce must now be abandoned; and as the third quality yielded exactly one fourth (being 60 out of 240), that quality will go out of cultivation. The 240 bushels can now be grown on land of the first and second qualities only; being, on the first, 100 bushels plus one third, or 133^ bushels; on the second, 80 bushels plus one third, or 1062/., bushels; together, 240. The second quality of land, instead of the third , is now the lowest, and regulates the price. Instead of 60. it is sufficient if 106^ bushels repay the capital with the ordinary profit. The price of wheat will consequently fall, not
!) Mill spreekt hier van //one fourt less labour,quot; juister ware de vroeger door hem gebezigde uitdrukking «expense of production//if one tenth of the //expense of production has been saved , the price of produce will fall one tenth.quot;
109
in the ratio of GO to 80, as in the other case, but in the ratio of GO to 1062/3. Even this gives an insufficient idea of the degree in which rent will be affected. The whole produce of the second quality of land will now be required to repay the expenses of production. That land, being the worst in cultivation, will pay no rent. And the first quality will only yield the difference between 133'/., bushels and lOG^, being 2G2/, bushel instead of 40. The landlords collectively will have lost SS'/^ out of GO bushels in corn-rent alone, while the value and price of what is left will have been diminished in the ratio of 60 to lOGVjquot;.
In het eerste geval neemt Mill als vaststaand aan, dat de prijs '/, zal dalen, dit nu is niet geheel juist. Wanneer n.1. door verbeteringen slechts 3li van den vroegeren arbeid (alle productiekosten) voor een zelfde hoeveelheid landbouwvoortbrengselen behoeft te worden aangewend, zal ieder voor een zelfde hoeveelheid landbouwvoortbrengselen een kleiner deel van zijn inkomen behoeven te geven; zal nu echter dat, als het ware, vrijkomend deel van ieders inkomen geheel aan nict-landbouwproducten besteed worden? Dit is niet denkbaar, daar de behoefte aan landbouwproducten zeker niet geheel bevredigd zal zijn. Bij groote vermeerdering van landbouwproducten moge de Final Utility verminderd zijn, bij een kleine vermeerdering zal de Final Utility even groot, zoo niet grooter zijn dau de Final Utility van andere zaken, die men met denzelfden arbeid van den vroegeren) verkrijgen kan, m. a. w. er zullen meer landbouwproducten voortgebracht worden dan vroeger, minder vruchtbare gronden zullen dus bebouwd, meer arbeid zal voor een zelfde hoeveelheid moeten aangewend worden, en zoo zullen de prijzen wel dalen, maar niet een vierde van den vroegeren prijs.
110
Hiertegen kan men aanvoeren, dat, zooals Ricardo zegt, de vraag naar koren geen elasticiteit bezit; dit is reeds onjuist, omdat zoowel de goedkoopere rogge als de duurdere tarwe onder het begrip koren valt. In elk geval dus kan het alleen van rogge gezegd worden en al is nu bij rogge de elasticiteit gering, dit verhindert toch nog niet, naar het mij voorkomt, dat bij daling van den prijs der landbouw-voortbrengselen, er meer vraag zal komen naar duurdere landbouw-voortbrengselen, dan men tot nog toe gebruikte. Men zal tarwe gaan gebruiken in plaats van rogge (ook naar rogge zal echter bij daling van prijs wel degelijk meer vraag komen, daar men dan meer roggebrood voor veevoeder gaat gebruiken), meer dierlijk voedsel dan vroeger, en voor die tarwe en dat dierlijk voedsel zal meer grond noodig zijn dan vroeger, m. a. w. de vraag naar grond zal stijgen. Zoodoende zal de werkelijke pacht toch niet een vierde dalen.
Het tweede betoog van Mn.i,, waarin hij het geval bespreekt, dat de grond bij denzelfden arbeid meer producten oplevert dan vroeger, is eveneens, naar ik meen, niet geheel juist. Alles hangt af van de groepeering der cijfers, of liever van de geheel willekeurig aangenomen oppervlakten en opbrengsten der bebouwde gronden. Stellen wij ons nl. voor, verder Mii.l geheel volgende, dat er niet 1/4, maar '/s minder land noodig is. Dan zullen de eerste en tweede categorie samen opbrengen 225 bushels koren, de derde categorie zal derhalve niet vervallen; de eerste categorie levert nu op 125, de tweede 100, de derde 75 bushels. De prijs is gedaald in de verhouding van 60 tot 75, het verschil tusschen eerste en derde categorie is 50, tusschen eerste en tweede 25 bushels, dus in het geheel voor de pacht 75 bushels; de prijs dezer 75 bushels is 4/5 va11 ^en vroegeren prijs, zij zijn dus
Ill
evenveel waard als vroeger 60 bushels, m. a. w. de pacht in koren uitgedrukt is in dit geval gestegen, de werkelijke pacht dezelfde gebleven. Op dergelijke becijferingen kan men dus geen algemeen betoog opbouwen ; ook om een andere reden is Mill's becijfering hiervoor niet geschikt. Om te weten in hoeverre verbeteringen in den landbouw, die een grooter productie doen ontstaan, invloed zullen uitoefenen op de pacht, moet nl. eerst vaststaan, in welke verhouding die verbeteringen de opbrengst van vruchtbare en die van minder vruchtbare gronden vermeerderen. Vele verbeteringen toch zullen meer aan de minder vruchtbare gronden ten goede komen, zoo wijst Marshall (Principles of Economics p. 217) er op , dat de uitvinding van Coke om, door eerst klaver te zaaien, de lichte gronden voor het verbouwen van tarwe geschikt te maken, de pacht dier gronden zeer verhoogde, ten koste van de pacht der kleigronden.
Deze zelfde schrijver heeft eveneens in '/Principles of Economicsquot; door een zeer duidelijke graphische voorstelling aangetoond, welk een groot verschil het geeft voor den invloed op het totaal der pachtwaarden, of verbeteringen de opbrengsten overal met gelijke hoeveelheden vermeerderen (by equal amounts), of wel met een hoeveelheid, die in evenredigheid staat met de kleinere en grootere opbrengsten. Daar het betoog van Marshall en zijn graphische proef, die door Mr. N. G. Piekson in een artikel in de Economist van 1891 (bl. 182) als zeer juist erkend worden ') , een helder licht werpen op Mill's redeneering, wensch ik in liet kort dit betoog na te gaan.
i) De hoogste lof wordt door Mb. Piebson aan Marshall's werk toegezwaaid: //Men zal voortaan geen onderwerp willen behandelen, waarover //Marshall gesclireven heeft, zonder hem te raadplegen en gewoonlijk zalmen quot;hein raadplegen met vrneht,quot; zegt hij op hl. 178.
112
Tn een noot aan het einde vau het negende hoofdstuk van het zesde boek, welk hoofdstuk gewijd is aan âDemand and Supply in relation to Landquot;, bespreekt Marshall Eicakdo's theorien omtrent grondbelasting en den invloed van verbeteringen in den landbouw. Het eerste gedeelte van deze noot is dus voor ons van geen belang, in het tweede deel vinden wij bovengenoemde beschouwing.
Vooraf een enkel woord over Marshall's «law of diminishing returnquot;, die hij ook hier toepast. Wanneer een gegeven hoeveelheid kapitaal en arbeid , waarmede een zeker quantum voortbrengselen wordt verkregen, op de plaats, waar men die aanwendt, wordt verdubbeld, verdrievoud, vervijfvoud, dan zullen de opbrengsten in zwakker, in sterker of in gelijke evenredigheid klimmen. Bij steeds toenemend aantal hoeveelheden (doses) zullen eindelijk de opbrengsten in evenredigheid dalen. Zoo zal men zoo lang voortgaan met nieuwe hoeveelheden kapitaal en arbeid aan den grond te besteden, totdat de vermeerdering in opbrengst door een nieuwe hoeveelheid ontstaan, niet meer de aangewende arbeid en kapitaal
voldoende beloont.
Na deze korte uitweiding Marshall's graphische proef over Ricardo's theorie omtrent verbeteringen in den landbouw nader besproken.
Ricardo !) neemt vooraf aan, dat de vraag naar koren geen elasticiteit bezit en dat een verbetering geen verandering brengt in de verschillen tusschen de opbrengsten door de opeenvolgende toepassingen van kapitaal en arbeid verkregen; hij verwaarloost derhalve voor zijn algemeen betoog het feit.
') RicaUDO âPrinciples of Political Economy 1817, p. 71.
113
dat, zooals wij boven zagen, iedere gegeven verbetering van grooter nut kan zijn voor het eene bizondere stuk grond dan voor het andere. Dit alles aangenomen, betoogt Ricardo , dat, daar of de slechtste gronden in gebruik thans onbebouwd zullen blijven, of, indien '/successive portions of capital are employed on the same landquot;, //the portion which gives the least result should be withdrawnquot;, de pacht in koren uitgedrukt zal dalen, //for a different and more productive portion will be that which //will form the standard from which every other will be reckoned.quot;
De juistheid van lliCAuno's betoog bewijst Marshall nu met de volgende graphische voorstelling:
In deze teekening duidt boog AC aan de //returnquot;, die de grond van het geheele land, als één boerderij beschouwd, geeft bij de daaraan bestede hoeveelheden kapitaal en arbeid. OD stelt het aantal hoeveelheden voor, waarna een
| ||||||||
|
d' | ||||||||
âreturnquot; DG juist voldoende is om, naar den prijs van het koren, de bestede arbeid en kapitaal genoegzaam te beloonen. Het geheele bedrag van het gekweekte koren wordt voorgesteld door het vlak AODC, terwijl AHC voorstelt de hoeveelheid //corn surplus.quot;
Nu zal een verbetering, zooals door Ricardo bedoeld is, de //returnquot; bij de hoeveelheid onder de gunstigste omstandigheden aangewend vermeerderen van OA tot OA' en de âreturnsquot; bij andere hoeveelheden niet in gelijke verhouding, maar met gelijke bedragen vergrooten. Hierdoor zal de nieuwe boog A'C', die de opbrengsten aangeeft, een herhaling zijn van den ouden boog AC, maar met een afstand AA' hooger dan AC loopende. Als er nu een onbegrensde vraag naar koren was , zoodat het vroegere aantal hoeveelheden OD voordeelig kon worden toege-
8
114
past, dan 7,ou het âcorn surplusquot; hetzelfde blijven als voor de verandering. Ricardo neemt echter aan , dat de productie totaal niet vermeerdert; slechts OD' hoeveelheden zullen worden toegepast , OD' n.1. zoo genomen zijnde, dat A'OD'C' gelijk is aan AODC , het âcorn surplusquot; zal dus dalen tot A H'C. Dit resultaat is onafhankelijk van de lijn AC,
Milt, nu heeft opgemerkt, dat het waarschijnlijker is, dat een verbetering de âreturnsquot; bij den arbeid en het kapitaal, besteed aan verschillende klassen van land, zal vermeerderen in gelijke verhouding, dan met gelijke bedragen. Hij bemerkte niet, dat hij zoo de basis wegnam van Ricaedo's argument, dat nl. de verbetering geen wijziging bracht in de verschillen der voordeden van verschillende toepassingen van arbeid en kapitaal. Zoo kwam Mii.l slechts tot hetzelfde resultaat als Ricardo door de bizondere cijfers , die hij koos.
Met de volgende figuur bewijst Marsiiat.l dit: ')
AC heeft dezelfde beteekenis als iu de vorige figuur, maar de verbetering doet de âreturnquot; bij elke hoeveelheid kapitaal en arbeid met Vs vermeerderen, d. w. z. in een gelijke verhouding en niet met een gelijk bedrag, zoo staat de nieuwe lijn A'C' veel hooger boven AC aan den linker kant, dan aan den rechter kaut.
i) Deze figuur, evenals figunv 1, werd gelieel van Marshall overgenomen, de afstand üisschen de lijnen AC en AC' is niet geheel juist, hetgeen aan het hetoog echter geen afbreuk doet.
115
De bebouwing wordt nu beperkt tot OD' hoeveelheden, daar A'OD'C' gelijk is aan AODC; A'H'C1 is evenals vroeger het //corn surplusquot;. Of nu A'H'C' grooter of kleiner is dan AHC hangt geheel af van de gedaante van AC. Is AC een rechte of bijna rechte lijn, dan zal A'H'C' kleiner zijn dan AHC, maar in onze figuur zal A'H'C' grooter zijn dan AHC.
Marsham, toch maakte AC ongeveer volgens een verdeeling van het gansche land in drie gelijke deelen, die opleveren GO, 65 en 115 bushels. De berekening van Mill volgende, krijgt men ook bij een dergelijke verdeeling een stijging vau de pacht in koren uitgedrukt van 60 tot C6-/., ; Mill's resultaat was dus geheel afhankelijk van zijn bizondere cijfers 60 , 80 en 100.
Uit het bovenstaande blijkt dus duidelijk, welk groot verschil het maakt op den invloed van verbeteringen op het totaal dei-pachtwaarde , of deze verbeteringen de opbrengsten met gelijke hoeveelheden of in evenredige verhouding vergrooten; in het laatste geval zagen wij, dat de totale pachtwaarde in koren uitgedrukt soms kan stijgen, maar al mag dit het geval zijn, desniettemin zal de werkelijke pacht toch dalen. â Dit gansche betoog is natuurlijk slechts juist in de aangenomen onderstelling van niet-elasticiteit der vraag. â Nemen wij nogmaals Marshall's voorbeeld, het land verdeeld in gelijke deelen met opbrengsten 60, 65 en 115; de totale pachtwaarde in koren uitgedrukt stijgt van 60 tot 662/3, maar de prijs van het koren zal gedaald zijn van 60 tot SG2/3, de daling in prijs is dus grooter dan de stijging in hoeveelheid. Nooit kan de hoeveelheid meer in verhouding stijgen dan de prijs daalt, in het allergunstigste, reeds besproken geval, dat nl. nog een deel van
116
den onvruchtbaarsten grond bebouwd blijft (GO, 80 en 100 met een verbetering, die de opbrengst met Vi vermeerdert) zal wel de pacht in koren uitgedrukt juist in dezelfde verhouding vermeerderen als de verbetering de opbrengst vergroot, maar de prijs zal ook in juist diezelfde verhouding dalen (in ons bovenstaand voorbeeld van 7 5 : GO). Derhalve zal de werkelijke pacht dan dezelfde blijven.
Wanneer wij echter de elasticiteit van de vraag naar koren of liever naar landbouwvoortbrengselen in het algemeen, hierbij in aanmerking nemen, dan blijkt, dat in dit laatste geval, daar de prijs van het koren dan niet in de volle verhouding, waarmee de verbetering de productie vergrootte, daalt, niet alleen de totale pachtwaarde in koren uitgedrukt stijgt, maar ook de werkelijke totale pachtwaarde toeneemt. Alleen in dat zeer speciale geval zal een verbetering de totale werkelijke pachtwaarde doen stijgen.
Tot nog toe spraken wij steeds van verbeteringen, die aan alle gronden ten goede komen, het zij dan, dat de opbrengsten in evenredige verhouding, of wel met een gelijk bedrag vermeerderen. Verbeteringen, die slechts aan een deel der gronden ten goede komen, hebben natuurlijk een geheel andere uitwerking; verbeteringen nu, die alleen aan de zeer vruchtbare gronden voordeel opleveren, zullen de totale pachtwaarde doen stijgen, maar dit komt zelden misschien nooit voor, verbeteringen in den landbouw betreften bijna altijd betere resultaten op schrale gronden.
Als resultaat van deze beschouwingen over den invloed van verbeteringen in den landbouw op de pacht, zien wij dus, hoe geheel onjuist George's bewering is. Als algemeenen regel toch kan men aannemen, dat verbeteringen in den landbouw de werkelijke totale pachtwaarde doen dalen.
117
Waar Geokge zelf moet toegeven, zooals ik reeds vermeldde, dat alle verbeteringen toch niet zoo onvoorwaardelijk de pacht in evenredigheid meer dan de loonen zullen doen stijgen , zegt hij echter, dat het niet de moeite loont op deze kleinigheden te letten, aangezien de pacht toch steeds blijft stijgen door een andere oorzaak, die voortdurend den zoom des landbouws zoekt te verlagen. Deze oorzaak nu ligt volgens hem in het verbazende speculeereu in grond, waardoor tal van gronden door den eigenaar onbebouwd worden gelaten en derhalve steeds meer gronden, die in ongunstiger conditie verkeeren voor de bebouwing opgezocht moeten worden. Hieraan wijdt George het vierde hoofdstuk van zijn vierde boek, getiteld //Invloed van de verwachting door stoffelijken vooruitgang gewekt.quot;
Ongetwijfeld zou een dergelijk onbebouwd blijven van goede gronden, zooals dit door George als een veel voorkomende zaak wordt voorgesteld, uit economisch oogpunt zeer nadeelig zijn. In hoeverre stemmen nu echter de feiten met George's betoog overeen? Walker in //Land and its Rent1' (p. 164, 165) noemt George's bewering, wat betreft gronden voor landbouw te gebruiken, geheel ongegrond, een bewering, waarvoor geen enkel statistisch bewijs kan worden aangevoerd en die geheel in strijd is met de regelen van het gezond verstand. x\l heeft iemand gronden gekocht op speculatie, zou er daarom cenige reden bestaan, waarom hij dien grond niet zou willen verpachten voor één of twee jaar, om op die wijze toch nog zooveel mogelijk van dien grond te trekken, al krijgt hij niet meer dan noodig is voor zijn belasting en voor een deel van de rente van het geld, opgenomen om den grond te koopen. //Every financier knows how difficult it isquot;, gaat Walker voort,
118
//to secure a loau 011 the mortgage of uiiimprovecl property, at //auytliiug approaching the value at which the owner holds it. //What is this but testimony to the unwillingness of most men, //circumstanced as they find themselves, to put their wealth into //forms which imply that there is to be, for a number of years, //all outgo and no income, however great the final profit antici-//pated? How unreasonable, then, to assume that men owning //good productive laud will refuse to allow it to be cultivated //now, simply because they cannot get for it a rent which corres-'/pouds to what they look forward ultimately to realize as its //capital price!1'
Wat speculatie in bouwterreinen betreft, dat daardoor een zekere oppervlakte groud buiteu gebruik blijft, dit geeft Wai.ker gaarne toe, maar, uitgenomen bij een razernij als in 1868 te San Francisco heerschte, schijnt het hoogst onwaarschijnlijk, dat die oppervlakte van dien aard zal zijn, dat zij nadeelige gevolgen kan uitoefenen. Met feiten of statistische gegevens heeft WAiiKER George dus niet trachten te weerleggen, alleen de onwaarschijnlijkheid heeft hij betoogd.
Dit betoog nu komt mij niet geheel afdoend voor; wauueer iemand nog onontgonnen gronden op speculatie heeft gekocht, zal hij die gronden niet voor langen tijd willen verpachten en wie zal onontgonnen grond voor een of twee jaar willen pachten? Dan is het dus niet ondenkbaar, dat die gronden ougecultiveerd blijven en gronden, die in slechtere conditie verkeeren, wel bebouwd worden.
Prof, d'Atii.Nis heeft in âHet lledeudaagsch socialismequot; (bl. 210 v.) meer in het bizonder George's bewering weerlegd, dat de spoorwegmaatschappijen de bearbeiding der landstreken, die
119
zij doorsnijdeu, liebbeu tegengewerkt. De oujuistlieid hiervan wordt dau door hem bewezen met bepaalde feiten, die doen zien, dat spoorwegondernemingeu juist de bebouwing van gronden zeer in de hand trachten te werken, lu het algemeen echter is George's betoog hier niet weerlegd.
Tn die //Verstaatlichung der Grundrentequot; door Frank r, vond ik daarentegen een feit aangehaald, dat George's bewering staaft. Frankl vermeldt toch aldaar (S. 12) naar aanleiding van een wet iu den geest van Henry George , in Adelaide in Zuitl-Australië uitgevaardigd: //In Süd-Australiën werden ungeheure '/Flachen Urland von Speculanten festgehalten, um höhere Preisen //zu erzielen.quot; Volgens die wet zonden nu de speculanten van die gronden evenveel belasting moeten betalen, als de eigenaar van een naburig, gecultiveerd stak land, en zoodoende zouden zij , om die belasting te ontgaan, hun grond verkoopen.
De meeningeu zijn dus zeer uiteenloopend; maar de vraag, in hoeverre de speculatie in gronden in dit opzicht nadeelige gevolgen heeft, heeft alleen betrekking op landen als de Vereenigde Staten en Australië; voor Europeesche Staten kan dit nooit een argument vóór landnationalisatie zijn.
Aan die speculatie in gronden is echter volgens George nog een ander gevolg verbonden, daarin toch moet de hoofdoorzaak van crisis en verlamming op industrieel gebied gezocht worden, Geokge's betoog in dezen uitvoerig te onderzoeken komt mij niet wenschelijk voor. Walker toch heeft (op. cit. 162, 163) George, naar ik meen, overtuigend weerlegd.
Dat grond, evenals andere zaken aan speculatie onderhevig kan zijn, is natuurlijk, zegt hij, maar Geokge's bewering bc-teekent niets, indien hij niet kan bewijzen, dat grond
120
iu bizoudere mate aan speculatie onderhevig is. Het tegendeel juist is waar: //of all species of property, land, especially /agricultural land, starts latest and stops earliest in auy upward //movement of prices, as induced, for instance, by a papermouey //iuflation, which perhaps allbrds the best opportunity for the study //of purely speculative impulses.''
De verbazende speculatie in grond te San-l'rancisco in 1868, gaat Walker voort, schijnt Geoiige bizouder te hebben getroffen. Deze speculatie droeg ceu gelieel plaatselijk en toevallig karakter, Geokge echter wil iu haar de oorzaak zien van de vreeselijke crisis iu 1873. Het oujuiste hiervan blijkt, doordien in verreweg het grootste deel der quot;Vereenigde Staten voor 1873 niets van speculatie in grond was te bespeuren, ja, integendeel de waarde van boerderijen met betrekking tot andere zaken , gedrukt was.
Heeft Walker aldus zelfs voor Amerikaansche toestanden Geokge's bewering geheel weerlegd, voor Nederland en andere Europeesche landen, waar van speculatie in grond voor den landbouw bestemd geen sprake is, zal die speculatie toch moeielijk de oorzaken van crisissen kunnen zijn.
Na deze theorie omtrent crisissen op industrieel gebied komt Geokge tot zijn eindresultaat in het tweede hoofdstuk van het vijfde boek, getiteld: //Het voortdurend bestaan van armoede //te midden van toenemenden rijkdom.quot; Dat voortdurend bestaan van armoede heeft George gezien en, zooals ik reeds vroeger zeide, bij ziju theoretisch onderzoek naar de oorzaak is hij tot het besluit gekomen, dat hoe meer de pacht stijgt, hoe minder de loonen stijgen in verhouding tot de vermeerderde voortbrenging en dat alles meewerkt om de pacht te doen stijgen; dan is zeker dat stijgen van de pacht de oorzaak, dat de loonen
121
ook ia hoeveelheid uiets zijn toegeuomen. Geen direct bewijs (hier en daar maar een zwakke poging er toe), slechts waarschijnlijkheid. Nu echter Geokgk's betoog, dat alle vooruitgang de pacht doet stijgen, gebleken is onjuist te zijn, nu bezit zijn eind-resultaat, dat toch reeds niet door zijn betoog was bewezen, niet de minste waarde meer.
Dat eindresultaat luidt aldus (bl. 221 )\ '/De reden, waarom in //weerwil der vermeerdering van het voortbrengend vermogen de //looneu bestendig tot een minimum trachten te dalen, dat slechts »eveu tot het iu leveu blijven voldoende is, ligt hierin dat met //de toeneming van het voortbrengend vermogen de pacht tot een //nog snellere en grootere verhooging geraakt, en aldus de duur-//zame verlaging der looneu voortbrengt.quot; Eigenaardig voegt George er dau nog een soort van bewijsvoering aan toe. De beschaving gaat vooruit, het voortbrengend vermogen van den arbeid neemt steeds toe, maar: //de arbeid kan de zegeningen door //vooruitgaande beschaving gebracht niet inoogsten, omdat zij //hem worden afgesneden. Daar de grond voor den arbeid //noodig, maar tot bizonder eigendom gemaakt is, verhoogt //elke vermeerdering van het voortbrengend vermogen des arbeids //slechts de pacht, d. i, den prijs dien de arbeid moet betalen voor //de gelegenheid om zijne krachten te gebruiken, en zoo komen '/al de voordeden door den loop der beschaving gewonnen, aan //de groudeigenaren ten goede, en de looneu stijgen niet. De //loonen kunnen niet stijgen, want hoe grooter de verdiensten van '/den arbeid zijn, zooveel te hoogerisde prijs, welken de arbeider //moet betalen voor de gelegenheid om iu het geheel iets te ver-//dienen.quot;
Een weerlegging zou mij slechts iu herhalingen doen vervallen ,
122
dit betoog is alleen uog wat sterker gekleurd en daardoor nog onjuister.
In deze richting gaat Geouge door, de invloed der paclit wordt met steeds scliriller kleuren gemaald. Aan liet einde van zijn werk toch heet het: //Al zou de zou met krachtiger gloed stra-z/len, nieuwe wonderkrachten de lucht vervullen, nieuwe levcns-//maclit den bodem doordringen, de pachten zouden stijgen, //maar de loonen zouden hunne daling naar het hongerpeil voort-//zetten. Dit is niet alleen (//not merelyquot;, iu ^Vooruitgang en nvAruioedequot;, naar ik meen, onjuist vertaald door //minder//)een //staathuishoudkundige gevolgtrekking, liet is een feit der erva-
'/ring.// (bl. 433).
Wij hebben echter gezien, dat die //staathuishoudkundige gevolgtrekkingquot;, slechts een waarschijnlijkheid is afgeleid uit een onjuist gebleken pachttheorie. Uit die staathuishoudkundige gevolgtrekking kwam George tot het besluit, dat landnationalisatie noodzakelijk was. Nu die basis met zijn gansche pachttheorie is weggevallen, heeft George's bewijsvoering niets omtrent de wenschelijkheid van landnationalisatie bewezen.
Over de argumenten voor landnationalisatie uit het oogpunt van betere verdeeling van den rijkdom, die wij vinden bij Ae-fued R. Wallace: //Land Nationalisation, its Necessity and its Aims//, kan ik kort zijn. Zooals ik reeds in mijn overzicht der verschillende schrijvers vermeldde, sluit hij zich geheel bij George aan. Het doel van zijn werk is (op. cit. p. 19): het geven van een schets van den toestand in de verschillende deelen van Groot-Brittannië, in vergelijking met den toestand in andere landen, om zoodoende tot een conclusie te geraken op
123
welke wijze de slechte toestand in dit land het meest radikaal verbeterd kau worden. Het werk draagt geheel een inductief karakter, het vermeldeu van feiten is hoofdzaak. //But there is «â another and a most important mode of discussing the same //question as a strictly scientific problem, deducing results from //the admitted principles and data of political economy,'/ Dit nu heeft George gedaan. //His conclusions support and his //mode of argument supplements my own.//
Toch zijn er groote verschilpunten tusschen Wallace en George. Wallace is bij uitstek praktisch; hij wil den werkman in een betere positie brengen tegenover den kapitalist, hij wil hem onafhankelijker maken , hij wil, dat de werkman in tijden van crisis zelf iets zal bezitten. Dit stelt hij zich voor (op. cit. p. 17) tc verkrijgen door coöperatie, maar vooral door aan ieder werkman de gelegenheid te geven om een stuk van zijn geboortegrond te kunnen bebouwen, dit nu is het doel zijner landnationalisatie-plannen. Eigen bebouwing van den grond is zijn ideaal; derhalve is zijn gelieele betoog speciaal tegen Eugelsclie toestanden gericht, toestanden in andere landen, waar de grondeigendom meer in handen is van kleine boeren, worden zeer door hem geroemd.
Bij het bespreken van Duitsche toestanden haalt hij aan (p. 141) een uitspraak van een Engelsch schrijver, William Howitt , die van den landbouw in de Rijnstreken zegt:
//The peasants are themselves the proprietors. It is perhaps, //from this cause that they are probably the most industrious //peasantry of the world.quot; Van Frankrijk, dikwijls aangehaald als een voorbeeld van de slechte resultaten van zeer kleine eigen boerderijen, zegt Wallace, dat dit juist de grootste zegen voor
124
dat land geweest is; daarin lag de oorzaak, dat Frankrijk de vele rampen van zijn verschillende oorlogen zoo goed heeft kuuuen doorstaan. Kortom, zijn boek is alleen tegen Engelsche toestanden geschreven. Zonder landnationalisatie is naar zijn oordeel iu Engeland niet de veel gunstiger toestand te verkrijgen, die in andere landen bestaat; vrije handel in grond zou niets verbeteren in den Engelschen toestand, de groote grondeigenaren zouden de te koop komende stukken grond toch opkoopen.
Aan Wam.ace's pleidooi voor landnationalisatie in Engeland kan men derhalve eenigszins een argument outleeneu tegen landnationalisatie in landen, waar de Engelsche toestanden niet bestaan. Later hoop ik terug te komen op Wallace's plannen van uitvoering van landnationalisatie en te onderzoeken, in boeverre die plannen Wallace's ideaal, de onafhankelijkheid van den werkman tegenover den kapitalist, zouden verwezenlijken.
Gaan wij thans over tot het bespreken van de argumenten der üuitsche landnationalisten, voor zoover ze op dit onderwerp betrekking hebben.
In de eerste plaats wensch ik dan Stamm te behandelen, daar â wij, zooals ik reeds vermeldde, vooral bij Samïek en ook eenigszins bij Elübscheim, zij het ook zonder bepaalden invloed door Stamm's werk uitgeoefend, een meer gemotiveerde uitwerking vinden van denkbeelden, die reeds door Stamm in zijn âErlösung der darbenden Menschheitquot; verkondigd werden.
De mensch heeft zich in den loop der tijden al meer en meer ontwikkeld, aldus luidt Stamm's betoog, maar die ontwikkeling gaat met grooten strijd gepaard; het dierlijke, het lage in den mensch is voortdurend een hinderpaal. Maar toch nadert 's menschen
125
geest al meer en meer de volkomenheid; het ideaal, al ligt het nog ver, komt steeds nader. Het dierlijke, het lage in den mensch was vroeger geheel overheerscheud, maar langzamerhand overwint de geest. Het dierlijke openbaart zich vooral in de hebzucht (Selbstgier) van den mensch , die hebzucht vindt meu duidelijk terug in de denkbeelden over eigendom. De kannibalen beschouwen hun medemenschen zoozeer als hun eigendom , dat zii hen dooden en opeten; dit is de laagste trap van minachting en âAusbeutungquot; van een medemensch. Daarop volgt de slavernij, in de oudheid zoo algemeen als goed erkend; die slavernij is in een zachteren vorm, in lijfeigenschap overgegaan, maar eindelijk heeft âde geestquot; gezegepraald en zoowel slavernij als lijfeigenschap zijn verdwenen. Alle menschen zijn nu vrij, de toenemende ontwikkeling heeft de voortbrenging ontzettend vergroot, maar toch is de ideaal-toestand niet bereikt, die vrijheid is slechts een vrijheid in naam, de arbeider is thans de slaaf geworden van het kapitaal. Ook die âAusbeutungquot; door het kapitaal, eveneens een gevolg van de hebzucht van den mensch, moet verdwijnen; bij den tegenwoordigen toestand kan de arbeider zijn geest niet ontwikkelen ; maar, evenals vroeger de slavernij werd afgeschaft, kan ook hier verandering in komen , de arbeiders moeten zich vrij makèn van de macht van het kapitaal, âsie müssen das richtige Gleichgewicht zwischen Kapital und Arbeit herstellen.quot;
Dit nu is alleen mogelijk, doordien het geheele volk, de natie âals zoodanigquot; eigenaar wordt van het deel der aarde, waarop het leeft. De grond kan nu wel in pacht , in tijdelijk gebruik, maar nooit aan iemand in voortdurend privaat bezit gegeven worden.
Een dergelijk grondbezit van het volk zal de zegenrijkste ge-
126
volgen hebben //Ist das Volk durch den Grundbezitz gröszter /'Kapitalist geworden,quot; zegt Sïamm (Erlösung, S, 131) //so //brauclit es sich nicht mehr durch üeberschuszarbeit ausbeuten //zu lassen, â es kann die arme erfinderische Tntelligenz belohnen, â /rder Zinsfusz liegt in seiner Hand, er gleieht sich dadurch aus //und gereicht ihm nicht mehr nur zum Nachtheil, â die Eut-«wicklung der für das Volk wichtigsten Industriezweige hangt //dann vom Volke selber ab, es giebt daim eine ehrliche Konkurrenz.
Hoe zullen deze gevolgen nu uit dat volks-grondbezit voortvloeien ? Het bezit van den grond zal zeer voordeelig zijn voor den staat, want alles ook verbetering in den landbouw (Stamm staat hier eenigszins op het standpunt van George) doet de pacht stijgen en bovendien zal de staat zich zeer verrijken, daar volgens Stamm's plannen van schadeloosstelling de grondeigenaren volstrekt geen volledige vergoeding zullen ontvangen. He groote staatsinkomsten zullen dus aan iets besteed moeten worden, welnu, de staat zal industrieel worden en zijn arbeiders dan natuurlijk niet uitzuigen. Met de voordeden, welke den staat uit die ondernemingen toevloeien, zullen weer nieuwe ondernemingen worden begonnen, en zoo zal de privaat industrie, wil zij niet ten ondergaan, gedwongen zijn haar arbeiders geheel anders te behandelen dan vroeger. ')
i) Aangaande belooningen aan uitvinders enz., zegt Stamm (S. 164): «Alle //BeBoldungen für Nittu norse lier dürfen aber, um deren Unabhiingigkeit znsichevn, onnv aus Volkakassen flieszen, nicht aus Despotenkassen. diesem hocbmachtigen //Corruptionsmittel. Die groszen Entdecker in den Naturwissensebaften, die //groszen teubniseben Erfinder welcbe die Naturwissensebaften una fur's Leben ver-//wevtben lebven , diese Wobltbater der Mensebbeit nnd niebt die Despotlinge âaller Art mussen im Triumph über die Erde reisen koimeu.quot; Een klein staaltje van zijn gewonen stijl, een stijl, die geheel in overeenstemming is met den klin-kenden titel van zijn boek.
127
Wat de kapitaalrente betreft, hierover geeft Stamm in Hoofdstuk XXIV een zeer duistere beschouwing van den volgenden aard: Daar, 50 jaar nadat de staat grondeigenaar is geworden , alle schulden zullen zijn afbetaald en alle grond vrij van schuld aan het volk zal toebehooren, en na 100 jaar ook alle huizen staatseigendommen zullen zijn , zullen de rentegevende hypotheken vervallen. Deze wijze om geld zeker te beleggen vervalt dus en evenzoo zal het zijn met spoorwegen, die ook staatseigendom worden. Aldus zal men zijn kapitaal in industrieele ondernemingen moeten beleggen en zoodoende zal de rente dalen.
Dit betoog doet denken aan den later te bespreken rente-theorie van Fi.übschejm.
Zooals ik in mijn overzicht reeds vermelde, verscheen in 1885 nog van Stamm's hand een brochure, getiteld; //Die social-poli-//tischo Bedeutung der Bodenreform.quot; Tn dit werkje vinden wij hoofdzakelijk de denkbeelden terug, verkondigd iu zijn vroeger werk , uitgezonderd een geheel nieuw plan van uitvoering, dat ik later hoop te bespreken. ')
Voorloopig zal ik Stamm's betoog niet kritisecreu , daar ik bij de bespreking van Samter's argumenten en , wat het laatste ge-
i) BucnENBEKQEK zegt in zijn //Agrarwesen und Agrarpolitik (S. 231) : '/Einer Kritik der von Flürscheim mit der ihm eigenen diinkellmften, absprechenden //Pomphaftigkeit vorgetragenen Krisenthcorie, die übrigens vor ihm schon von //Stamm vertretoa worden ist, glanbt sicli der Verfasser in diesem Handbuch //entschlagen zu dürfen.quot; Noch in oErlösung der darbenden Menschheit,quot; noch in //die social-politische Bedeutung der Bodenret'ormquot; heb ik echter een spoor van een //Krisentheoriequot;, zooals wij die bij Flürscheim vinden , aangetrott'en. Wellicht was hiervan de oorzaak, dat het mij , door uitverkoop van het werk, niet mogelijk is geweest anders dan den eersten, in 1871 verschenen druk van van «Erlosung der darbenden Menschbcitquot; te raadplegen,
128
deelte betreft, ook bij Fi.üescheim , gelegenheid heb er op terug te komen.
Onderzoeken wij thans Fi.ürscheim's argumenten, Ei.ürscheisi toch wensch ik voor Samïek te behandelen, daar hij aan landnationalisatie veel verder strekkende gevolgen toekent, dan deze laatste.
Voor de beoordeeling van IYürsciieim's theorieën meen ik te kunnen volstaan met een bespreking van de denkbeelden, verkondigd in âIndividualisme en Socialismequot;, en vooral in âDer einzige Eettungswegin dit laatste werk toch vinden wij de uitvoerigste uitwerking van zijn stelsel met de wijzigingen, die dit langzamerhand oudergaan heeft. Voor de beoordeeling van Plükscheim raadpleegde ik; Ru hl and âüie Agitation zur Verstaatlichung von Gruud uud Boden in Deutschland (Zeitschrift f. d. ges. Staatswissenschaft 1887 S. 292â342), Diehl âZur neuesten Litteratur über die Verstaatlichung des Grund uud Bodens (Jahrb. f. Nationalökonomie, 1887 Bd. Ill, S: 151 167), Schmidt Soziale Frage und Bodenverstaatlichungquot;, 1890, waarin Fi.ür-scheim's theorieën uit socialistisch oogpunt worden beschouwd, Frankl âDie Verstaatlichung der Grundrentequot;, 1891 , Conrad âZur neuesten Litteratur über die Verstaatlichung des Gruud und Bodensquot; (Jahrb. f. Nationalökonomie, 1892 S. 516â529).
Steeds, zoo begint Flüescheim in //Der Einzige Rettungs-wegquot;} gaat de ontwikkeling van het menschdom voort, maar evenals er oogenblikken zijn, waarop zich een schijnbare teruggang vertoont, zijn er ook oogenblikken in de wereldgeschiedenis, waarop de wereld zoo snel vooruit gaat, dat de grijsaard, terugdenkende aan zijn jeugd, zich moeielijk kan voorstellen, dat het dezelfde wereld is, waarin hij thans leeft.
129
Zulke oogeublikkeu zijn reeds herhaaldelijk in de wereldgeschiedenis voorgekomen , maar nooit heeft de ontwikkeling in zoo korten tijd zulk een vlucht genomen als thans. De beschaafde menschheid moet nu echter leeren , hoe te handelen in die nieuwe toestanden, hoe zich te schikken in die nieuwe verhoudingen. De sociale kwestie toch is van een gansch anderen aard geworden, vroeger was zij een //Mangelfragequot;, thans is zij een '/üeberflusz-fragequot; geworden. Werkelijke overvloed bestaat er op het oogenblik niet, want de statistieken , die ons aanwijzen, hoe weinig het lot van elk individu zou verbeteren, indien alles gelijkelijk verdeeld werd , zijn juist. Feitelijk bewijzen deze statistieken echter niet, dat er steeds te weinig productie zal zijn, want indien al de krachten, die thans door het militairisme, door den tusschen-handel, door verkeerde inrichting van productie , door bedelen en misdaad verknoeid worden, productief werden aangewend, zou er wel overvloed voor allen zijn. Die verknoeiing van productieve krachten nu is het gevolg van de onmogelijkheid om productieven arbeid te kunnen verrichten, liet militairisme doet geen gebrek aan arbeiders , maar de overtollige arbeiders doen het militairisme ontstaan.
Het groote sociale vraagstuk bestaat derhalve hierin (Individualisme en Socialisme bl. 34) : //Hoe komt liet dat bij toene-//menden rijkdom en bij grooter gemakkelijkheid om ieder soort //van werk te verrichten, de armoede toeneemt, dewijl het moeielijker
//is om werk te krijgen ?quot;..... «Waardoor worden willige en bekwame
//arbeiders over de geheele wereld belet om aan het werk te gaan //en onderling hunne arbeidsproducten te ruilen, welke zij weder-//zijds noodig hebben.quot;
Het is geen kwestie van productie meer, het is een kwestie
9
130
van verdeeling van den rijkdom geworden. Tal van oorzaken, zegt Flürscheim , heeft men voor deze ziekte der maatschappij willen aanvoeren, doch dit waren slechts lokale verschijnselen. Dc overbevolking heeft men als oorzaak aangewezen, maar ten onrechte, want de leer van Mat,thus is onjuist; Ierland, waar de bevolking verminderd is en de toestand even slecht bleef, leert,
dat dit niet de oorzaak is.
Het militairisme heeft men willen beschuldigen de treurige toestanden in het leven te hebben geroepen , het müitamsme is een zegen, want anders zou de overproductie nog grooter worden.
Evenmin kunnen aan beschermende rechten of de regeling der ruilmiddelen zulke gevolgen worden toegeschreven, want op welke wijze dit ook in de verschillende landen geregeld is, overal bestaat
dezelfde slechte toestand.
Neen, de oorzaak van al dc ellende is gelegen in een snel toe-ncmenden rijkdom eener minderheid, naast verarming der massa.
Die minderheid toch gebruikt het geheele deel van het volksinkomen , dat haar in den vorm van pacht en van rente toevloeit, niet hetzij productief, hetzij consumptief, d. w. z. of voor het aankoopen van goederen bestemd voor verdere productie, of voor het knopen van levenbehoeften en weeldeartikelen, neen, een deel van het overgespaarde wordt belegd in veilige, rentedragende fondsen. Die rente nu wordt hoofdzakelijk opgebracht door de volksmassa, die derhalve verhinderd wordt om door een voldoende consumptie hare behoeften te bevredigen. Die verminderde consumptie der grootc volksmassa wordt in geenen deele aangevuld door het verbruik van een meer dan verzadigde minderheid.
Wanneer de kapitalisten hun geld belegden in productiemiddelen, dan zou deze toestand niet ontstaan, dit toch zou aan
131
de gansche maatschappij ten goede komen, maar dit doen zij zelden, daar dergelijke beleggingen te gevaarlijk zijn; die ondernemingen laten zij over aan hun schuldenaren, aan wie zij de middelen verstrekken tegen een bepaalde rente, terwijl meestal die schulden door grondbezit gedekt zijn.
De schattingen (want wat is rente anders ?), die zoo drukken op de massa, worden steeds grooter, waardoor natuurlijk het onverteerde inkomen der kapitalisten stijgt en de massa nog minder in staat is door eigen verbruik de consumptie gelijken tred met de productie te doen houden.
Ware het echter den kapitalisten niet mogelijk het niet verteerde deel van hun inkomen te beleggen in veilige fondsen, die voor de gevaren van den handel gevrijwaard zijn, dan zouden werkelijk , zooals de heerschende economische school beweert, vraag en aanbod elkander dekken, dan zou de tegenwoordige werkeloosheid niet bestaan. Maar zooals het nu is, wordt de toestand steeds erger. Zij, die de rente moeten opbrengen, trachten hun verminderd inkomen door grootere inspanning te vergrooten, de nieuwe machines en fabrieken doen de prijzen dalen, vergrooten de productie, maar het inkomen van de groote kapitalisten, dat niet afhangt van het rendeeren van die machines en fabrieken, wordt niet minder, maar vermeerdert steeds rente op rente. Aanleg van nieuwe spoorwegen, groote staatsleeningen voor oorlogstoerustingen , waardoor veel geld der groote kapitalisten onder de menschen komt, kunnen een oogenblik den toestand verbeto ren, het is slechts voor een tijd; inderdaad is het inkomen der groote kapitalisten slechts toegenomen. Het gevolg laat zich niet wachten, kooplieden en fabrikanten ontslaan een deel van hun arbeiders, schulden die men heeft aangegaan in de hoop, dat de
132
goede tijd nog wel wat zou aanhouden, moeten betaald wordeu, wissels worden geprotesteerd, banken staken hunne betalingen. Nu ontstaat er een paniek, de crisis vangt aan. Vreeselijke oorlogen, die millioenen arbeiders aan het werk onttrekken en tal
van goederen vernielen, mogen nog eenige verademing geven, evenals de reeds genoemde staatsleeningen en aanleg van spoorwegen, maar het is slechts een opflikkering.
Met steeds korter tusschenpoozen zullen de crisissen, die voortdurend in kracht en omvang toenemen , terugkeeren en eindelijk zal een ontzettende sociale revolutie losbarsten. De algemeene werkeloosheid en malaise, de overproductie zal steeds grooter omvang aannemen, want de minderheid wordt steeds rijker, de massa armer. Het gevaar is dreigend! //Immer weiter rollt er, âdieser Juggernautwagen unserer Zivilisation, Millionen armer //Menschenwesen unter seinen Eüdem zermalmend und edle Men-//schen versammlen sich in gesetzgebenden Versammlungen und «Vereineu aller Art und sprechen von ïreiheit, llumanitat, Brü-//derlichkeit und anderen schonen Dingen, wenn nicht die Discussion //über Parteigezilnke und Nebendinge aller Art ihre volle Zeit âund ihren ganzen Geist in Anspruch nehmen, und sehen nicht, âdas/, das Ungethüm immer niiher und nüher rückt, bis es zu âspiit ist.quot; (Der Einzige Rettungsweg S. 69).
De wijze, waarop deze ellendige toestand te verbeteren is, waarop die vreeselijke catastrophe voorkomen kan worden, behandelt Plüuscheim in het derde hoofdstuk. De oorzaak dei-sociale kwestie is gelegen in de groote opeenhoopmgen van kapitaal door middel der kapitaalrente; de kapitaalrente draagt de de schuld van den treurigen toestand. Het grootste deel tocli van het kapitaal der groote kapitalisten is zoogenaamd imaginair
133
kapitaal; dit bestaat slechts uit de waarde, die het recht om vau zijn medemensch zekere rente, schatting te kunnen eischen, op de markt bezit. Het is niets dan een fictie en is dikwijls zonder een cent werkelijk kapitaal ontstaan b.v. staatsschuldbekentenissen, die zijn afgegeven voor vervallen rente. Het grondbezit nu vormt door hypotheken en andere door grond gedekte schuldbekentenissen de hoofdbron van het imaginaire kapitaal. //Da der //Zins die hauptsilchlichc Grundlage des dieses imaginaire, falsche //Kapital bildenden Tributrechtes oder Tributerhebungsrechtes //bildet, â denn auch der weitaus gröszte ïheil der Grundrenle //wird in Form des Hypothekenzinses erhoben, â so ist es vor w-Allem wichtig, den Urspruug des Zinses zu untersuchen.quot;
Bij dat onderzoek naar de rente, ontwikkelt Fi.ükscheim twee rente-theorieën, die in zijn werk dooreenloopen, maar die door ons scherp gescheiden moeten worden. Voordat hij tot hei behandelen zijner theorie overgaat bestrijdt Flüescheim de meening van hen, die de rente als //Entberungslohnquot; â juister schadeloosstelling voor onthouding â voor den uitleener, of als vergoeding voor een bewezen dienst verklaren.
Een zoodanig loon, zegt hij, is niet noodig, want het vroegere of latere genot van het bespaarde is een voldoende belooning. Daarom is het ook dwaas te beweren, dat er zonder rente niet gespaard zou worden, de bijen sparen immers ook. Neen, ware er geen rente, er zou, zonder twijfel, veel meer gespaard worden, omdat er dan een grooter kapitaal noodig zou zijn om zich een onbekommerde toekomst te verzekeren. Ook zonder rente zouden er verzekeringen gesloten kunnen worden, want de rente heeft niets te maken met het beginsel der verzekering. Juist door het verdwijnen van de rente, de eigenlijke
134
oorzaak der crisissen, zullen millioeuen voor hun toekomst kunnen zorgen, die tegenwoordig vol zorgen den dag van morgen te gemoet zien.
Bij het bespreken van de diensttheorie, zegt Ii.üescueiu, dat hij, die liet geleende ontvangt, even goed ecu dienst bewijst aan den uitleener en dat liet de vraag maar is, welke dienst liet meest waard is. Deze waarde nu zal afhangen van vraag en aanbod. Hoe stellen deze nu de waarde vast ? Hierbij zijn twee gevallen te onderscheiden;
lu. al de grond is gemeenschappelijk eigendom;
2°. de grond is privaat eigendom.
In het eerste geval zullen er steeds meer productieve werktuigen gemaakt worden, dan er noodig zijn ; zoodra er een verbeterd werktuig uitgevonden wordt, zal men spoedig zooveel zulke werktuigen kunnen maken, dat de vraag overtrollen wordt door het aanbod. Alles wat bespaard is, moet echter bij voorkeur den vorm van produktieve werktuigen aannemen, omdat die werktuigen ten minste het meest de mogelijkheid van kostelooze bewaring, zoo niet van eenige huur, opleveren. Het verwerven en bewaren van verbruiksartikelen, om er zoo later het genot van te hebben, is de primitieve methode, die wij ook bij de dieren vinden Ze uit te leenen om ze later weer terug te krijgen, als men ze noodig heeft, geeft een voordeel, dat gemiddeld gelijk zal zijn aan het voordeel, dat men hem, aan wien men ze uitleende, verschafte. De waarde dezer wederkeerige diensten moet gemiddeld op gelijke hoogte blijven, omdat, wanneer er slechts een kleine hoeveelheid voorhanden is en dus het voordeel van den leener grooter is, ook het gevaar van bewaren grooter is en omgekeerd.
Deze theorie heeft echter slechts waarde voor vroegere tijden
135
eu het is de vraag, hoe de toestand iu ouzeu tijd zou zijn bij gemeenschappelijk grondbezit; dan zou zonder twijfel het aanbod van kapitaal verre de vraag overtrell'en. Ieder producent zou tal van jareu goederen opsparen, om later vrij van zorgen te kunnen leven, terwijl enkele jaren voldoende zouden zijn om den begiuner in staat te stellen het geleende kapitaal terug te geven. Zoodoende zal hij , die leent, iu plaats van vergoeding te betalen, eerder een vergoediug ontvangen voor het veilige bewaren. Aan den anderen kant moet de leener echter een risicopremie aan den uitleener betalen. Zoo zal toch de leener steeds iets betaleu, maar volstrekt geen rente eu het is best mogelijk, dat die risico-premie niet teu volle door hem betaald wordt, door dien zij verminderd wordt met de vergoeding voor het bewaren door den uitleener te betalen.
In het tweede geval, wanneer er privaat grondbezit bestaat, is de toestand echter geheel auders. Dan toch kan men voor zijn kapitaal grond koopen. Dc grond nu verschilt in verscheiden opzichten van het kapitaal. Hij is geen product van arbeid, kan niet vernietigd ot gestolen worden, zoodat vau bewaren geen sprake is, kan uit zich zelf waarde voortbrengen, wat voortbrengselen van meuschelijkeu arbeid niet kunnen en is niet, zooals deze, naar verkiezing te vermeerderen.
Door deze eigenschappen van den grond, ontvangt de grondeigenaar pacht, zonder zelf iets te verrichten. Dit nu, op zich zelf reeds een onrecht, heeft de rneest treurige, meest verreikende iudirekte gevoigen. //Folgen,quot; zegt Eüikscheim, '/die aus quot;jener Wirkung des Erbdiebstahls entstehen, zu der wir nun //kommen und die deuselben zur ursprünglichen Ursache der //groszen Weltkrise macht, der Wirkung, die sich in fol-
136
quot;gendem Satz zuzammeufassen liiszt, den ich beinahe für deu wichtigsteu einer wahreu Natioiial-ökouoraie halte uud der da lautet: Die Grundrente (d. h. der Bodenzins) isl die Mutter des Kapiialzinsesquot; (Rettungsweg S. 106).
Deze waarheid, gaat Ej.ürscheim voort, is overoud, reeds bij Calvijn vinden wij haar; deze toch laat zich aldus uit: «Das «Geld erzeugt nicht das Geld, das ist untbestreitbar; aber mit //Geld kauft man Liindereien, welche inehr erzeugen, als den //Gegemverth der darauf verwaudten Arbeit und welche dem '/Eigenthümer ein Mehreinkommen übrig lassen, nachdem alle //für Haudarbeit und Sonstiges gemachten Ausgaben bestritten //sind. Mit Geld kauft man ein Haus, welches Miethen ein-//briugt. Nun kann aber die Sache, mit der man Gegenstande âkaufeu kann, die aus sich selbst Eiukoimnen erzeugt, betrachtet //werden, als ob sie selbst Einkommen erzeugte.quot;
Zoolang men met geld grond kan koopen, voegt Fj.ürscheim hieraan toe, zoolang men kapitaal in grondbezit kan omzetten, zoolang zal men voor het uitieenen van geld, van kapitaal minstens zooveel rente kunnen verkrijgen, als men van het daarvoor iu te ruilen stuk grond pacht verkrijgt.
//Das Gesetz des einfachen Tausches bestimmt, dasz ein Gegen-//stand, mit dem ich einen anderen eintauschen kann, dessen //Werth besitzt und wenn ich mit Kapital Grundzins kaufen kann, «so hat das Kapital einen neucu Werth erlangt, der unabhangig //von seinem eigenen Gebrauchswerth ist, einen Werth, der aus quot;der Kapitalisirung des Zinstributs entsteht, den ich damit kau-'/fen kan.quot; Wanneer de grond staatseigendom zal zijn geworden, /.al die mogelijkheid om voor zijn kapitaal een stuk grond te koopen niet meer bestaan en zal dus de rente verdwijnen en
137
daarmee het imaginaire, liet valsche kapitaal, dat nu niets meer zal zijn dan een //Güterbezugsbereclitigiingsschein;'quot; elko toename van kapitaal zal slechts bestaan in overgespaarde goederen, die weer voor nieuwe productie aangewend kunnen worden. (Ret-tungsweg S. 108).
Naast deze eerste rentetheorie, dat de rente alleen ontstaat door het privaat grondbezit, vinden wij nog een tweede.
Na de afschaffing van het privaat grondbezit zullen tal van kapitalen los komen en zal er veel nieuw kapitaal gevormd worden, zoodat het aanbod de vraag zal overtreffen. In het voorgaande zagen wij reeds, hoe Plürscheim er op wijst, dat, indien er gemeenschappelijk grondbezit bestond, er zooveel kapitaal aan de markt zou komen, dat de rente tot een risico-premie zou dalen. Hierbij komt thans nog, zoo meent hij , een nieuwe faktor, die het aanbod van kapitaal zeer vermeerdert n.1. de groote imaginaire kapitalen , die, wanneer de staat langzamerhand zijn schuldbrieven aflost, spoorwegen enz. staatseigendom worden, eveneens aan de markt komen. Dat Flürscheim het aan de markt komen van de besparingen der groote kapitalisten door het verdwijnen van het imaginaire kapitaal als een zeer gewichtige faktor voor het dalen van de rente beschouwt, blijkt ook uit het volgende : //Het quot;valsche kapitaal gaat geleidelijk te niet, omdat de grond niet meer //op de markt kan gekocht worden en de schuldbrieven , waarmede //de grond is betaald, zoowel als de bestaande staatseffecten, snel quot;worden afgelost door de winst, die de gemeenschap verkrijgt uit de quot;stijgende pacht, die zij ontvangt, tegenover den dalenden intrest, quot;dien zij heeft te betalen. De geleidelijke afbetaling van die //schuldbrieven zal gevolgd worden door den aankoop van spoor-quot;wegen en andere monopolies, die kapitaal-waarde hebben. Wanneer
138
«op die wijze liet valsche kapitaal begint te verdwijnen, dau //moeten de besparingen, zoowel van de echte als van de valsche «kapitalisten, belegging zoeken in echt kapitaal, en de intrest //van dat echt kapitaal zal daardoor snel dalen.quot; (Individualisme en Socialisme bl. 192).
Hiermede meen ik iu hoofdtrekkeu de denkbeelden van Flürscheim te hebbeu weergegeven; gaan wij er thans toe over de juistheid zijner theorieëu uader te onderzoekeu.
Tu de eerste plaats Plüescheim's uitgangspunt: de toenemende armoede in weerwil vau het zoo vermeerderde voortbrengingsver-mogeu en de algemeene werkeloosheid. Wat het eerste betreft, moet ik kort zijn; deze bewering staat in verband met de door I'Yürscheim vermeende verarming der massa naast steeds grooter opeeuhooping van kapitaal bij enkelen; een onderzoek van zijn argumenten zou mij te ver voeren en bovendien, al had Plürscheim gelijk, hetgeen ik zeer zou betwijfelen, wat bewijst dit op zich zelf dan nog voor het deugdelijke van zijn oplossing?
Wat de beweerde algemeene werkeloosheid betreft, hier overdrijft Fi.ürscheim schromelijk; algemeene werkeloosheid, zooals hij die bedoelt, d. w. z. werkeloosheid overal en in alle mogelijke vakken en ambachten kan er nooit zijn. Bij vermeerderd aanbod van werkkrachten en bij verminderde vraag naar werkkrachten (zelfs, zooals IYükscheim zich die voorstelt, door te geringe consumptie) zal geen algemeene werkeloosheid outstaan, maar zullen de loonen dalen, totdat alle werklieden, bizoudere oorzaken buiten rekening gelaten, werk hebben. Op de geheele wereld, zegt Pi.ünscHEia, viudt men werkeloosheid , derhalve moet er één algemeene oorzaak zijn; alle bizoudere oorzaken geven derhalve geen voldoende oplossing en bovendien zijn die oorzaken van werke-
139
loosheid, die men heeft aangevoerd, alle eveu onlogisch en onhoudbaar (Ind. enquot; Socialisme bl. 55).
Op beide punten faalt dit betoog. Vele bizondere oorzaken, die dan hier dan daar, dan in deze industrie, dan in gene werken, zullen tengevolge hebben, dat werkeloosheid een veelvuldig verschijnsel is in verschillende landen. Werkeloosheid als algemeen verschijnsel postuleert niet één algemeene oorzaak. En wat het tweede betreft, in spijt van Flübscheim's bewering kan men tal van onbetwistbare oorzaken aanwijzen voor de tegenwoordige werkeloosheid.
De steeds toenemende verdeeling van den arbeid, de zich voortdurend ontwikkelende industrie heeft honderden verschillende vakkeu in het leven geroepen. I)c uitvindingen, die telkens plaats vinden, doen het aantal arbeiders voor een bepaalden tak van industrie benoodigd soms plotseling sterk verminderen. De lagere prijzen doen wel eenigszins het debiet vermeerderen, maar niet voldoende om zooveel arbeiders aan het werk te houden. Die arbeiders, meestal slechts speciaal met dat vak bekend, kunnen zeer moeielijk ander werk vinden, omdat zij dit niet verstaan en zoo worden zij werkeloos.
Evenzoo wanneer bij overproductie in een bepaalden tak van industrie de reactie volgt en vele fabrieken en ondernemingen gestaakt worden; tal van arbeiders zullen dan hun werk verliezen en vaak gedeeltelijk tot de werkeloozen gaan behooren.
Uit de vele bizondere oorzaken van werkeloosheid, ook deze nog genoemd ; de bevolking is in de meeste landen steeds toenemend , steeds meer werklieden bieden zich aan, alleen de loonen zullen hierdoor dalen (natuurlijk kunnen tegen-oorzaken , als vermeerderde voortbrenging, dit voorkomen) zonder dat werkeloos-
140
heid ontstaat. M aar dit geschiedt langzamerhand en zoo kan een tijdelijke werkeloosheid wel het gevolg eener vermeerderde bevolking zijn. De werkgevers b.v. in een bepaalde plaats willen hun zaken niet uitbreiden, juist in die plaats worden geen nieuwe ondernemingen op touw gezet, en daar het vertrek naar andere plaatsen voor hen, die geen werk hebben, hoogst bezwaarlijk is, ontstaat er werkeloosheid.
Een andere mogelijkheid: de waarde van het goud (bij den enkelen gouden standaard) stijgt, zoodat de loonen nu te hoog zijn, de werklieden echter zullen door werkstaking en andere middelen het dalen der loonen trachten tegen te houden en zoodoende zullen de ondernemers in den moeielijkeu toestand, waarin zij zich bevinden , geen nieuwe werklieden aannemen, evenmin zullen bij den gedrukten toestand licht nieuwe ondernemingen op touw worden gezet.
Wanneer de wet van vraag en aanbod steeds zuiver gold bij de loonen , wanneer alle werklieden alle vakken verstonden , wanneer elk ondernemer, zoodra hem dit voordeel kan opleveren, nieuwe werklieden aannam, wanneer geen verschil van talen, geen vrees voor onbekende streken de werklieden weerhield om van een plaats, waar op het oogenblik geen werk is, te gaan naar een plaats , waar veel werkkracht gevraagd wordt, dan zou het verschijnsel van werkeloosheid slechts groote uitzondering zijn, maar de toestanden zijn anders.
Dan vergete men ook niet, dat, zooals de statistiek aanwijst, zich onder de zoogenaamde werkeloozen tal van personen bevinden , die volstrekt geen ambacht verstaan, of wel personen, die een korte tijd van werkeloosheid en daardoor van bedelen aldus gedemoraliseerd heeft, dat //werkeloosheidquot; hun vrij
141
wat aangenamer is geworden dan hard werken, terwijl toch dergelijke //werkeloosheidquot; voor het inroepen der weldadigheid steeds een zeer gewenscht voorwendsel blijft en dergelijke werke-loozen in betoogen als van Fi.ürscheim ook onder het aantal der //willige'' en //bekwamequot; arbeiders, die geen werk kunnen vinden, worden opgenomen.
In geen enkel opzicht; men begrijpe dit wel, zou ik hiermee de ellende der echte werkeloozen willen wegcijferen.
Hoe komt het, vraagt FiaIrscheim voorts, dat die werkeloozen over de geheele wereld hun arbeidsproducten niet onderling kunnen ruilen?
Om dezelfde reden, zou ik willen antwoorden, waarom het zeer wel kan gebeuren, dat in Nederland gebrek is aan een bepaald artikel, waarvan men in Amerika overvloed heeft, aangezien de transportkosten te hoog zijn; zoo kan ook een werkelooze schoenmaker in de een of andere Amerikaansche stad de door hem gemaakte schoenen niet ruilen met de manden, te maken door een Nederlandschen werkeloozen mandemaker.
Maar zelfs in dezelfde plaats, dit moet men Fi.üksoheim toegeven , kunnen werkelooze arbeiders van verscliilleude ambachten zijn, waarom kunnen deze niet huu producten onderling ruilen ? Wie zal hun echter het daarvoor beuoodigde kapitaal voorschieten in een plaats, waar oogenblikkelijk door te weinig ondernemingsgeest werkeloosheid ontstaat? Ook dit verschijnsel is zeer verklaarbaar en bovendien van tijdelijken en plaatselijken aard.
In het bovenstaande zagen wij , hoe in spijt van Fi.ükscheim's bewering, tal van omstandigheden werkeloosheid kunnen veroorzaken, dat er volstrekt niet een algemeene, overal werkende oorzaak behoeft te bestaan.
142
Gaan wij thans over tot de hoofdzaak ul. tot de vraag, in hoeverre te geringe consumptie, zooals onze schrijver beweert, een reden van armoede, lage loonen, malaise en werkeloosheid kan zijn. De aanval van Fi.ürscheim op de leer van Malthus om te betoogen , dat overbevolking de oorzaak niet kan zijn, meen ik met stilzwijgen te kunnen voorbijgaan. Alleen zij hier opgemerkt, dat de toestanden in Ierland van zoo geheel specialen aard zijn, dat nooit aan Ierland het bewijs ontleend kan worden, dat overbevolking niet de oorzaak van slechte toestanden kan zijn, omdat daar toch de bevolking vermindert; bovendien kan een dergelijke bewijsvoering; in Ierland is de toestand slecht, de bevolking vermindert, dus kan vermeerdering van bevolking niet de oorzaak van slechte toestanden zijn, niet gcheeten worden op zeer deugdelijke gronden te berusten.
Het onderzoek naar Fi.ükscreim's theorie van te geringe consumptie door kapitaal-ophooping in enkele handen en de daaruit voortspruitende handelscrisissen is des te gewichtiger, waar zelfs Feanki., die overigens de beweging der Landliga niet gewensclit oordeelt, zegt: //Er, Fi.ürscheim , geht von einer Reihe nach //unserer Ansicht volkommen richtiger Grundanschauungen //aus; insbesondere seiner Krisentheorie steht die herrschende //nationalöconomische Doctrin ebcnso rathlos gegenüber als dem //Probleme selbst.quot; (op. cit. S. 64).
Ruiit.and bestrijdt in zijn genoemd artikel Fi.ürscheim's theorie omtrent handelscrisissen door aan te toonen, hoezeer deze theorie met de feiten in strijd is. In de eerste plaats, zegt hij , (op. cit. S. 315) is het al zeer onwaarschijnlijk, dat, terwijl in de Vereenigde Staten van 18G0â1880 de waarde der nijver-heidsproducten van 8.014.912.123 Mk. tot 22.820.711.574 Mk.
113
is gestegen, terwijl in dienzelfden tijd de buitenlandsche handel over de gelieele aarde van 12 tot 36 milliard gulden toenam, hier tegenover het uiet verteerde inkomen der Rothschilds en consorten een zaak van eenige beteekenis kan zijn.
Niet alleen dit, gaat hij voort, pleit tegen de theorie der Landliga. Hoe kan men van uit haar standpunt de veranderingen, die de geschiedenis ons doet kennen, verklaren? De gedrukte toestand in het einde van '40, de verbetering in '50, die tot ongeveer '65 duurde, kortom al die afwisselingen blijven bij Plürscheim's theorie onbegrijpelijk. Maar er is meer, hoe kunnen zoo sterke dalingen en stijgingen in prijs van verschillende waren daarmede in overeenstemming worden gebracht? Hoe is het te verklaren , dat sommige artikelen in prijs stijgen ? Zelfs wat betreft prijsdalingen zal men toch niet in ernst durven beweren , dat het in prijs dalen van de hop, van sommige graansoorten, van suiker een gevolg is van het niet verteerde inkomen der groote kapitalisten?
Tegen dit betoog van Huiit.and voert Frankl het zwakke, nietszeggende argument aan, dat liet dan toch nog altijd de vraag blijft, waardoor de productie niet aan de behoefte evenredig is en dat in allen geval Ruhi.and niet bewezen heeft, dat het mei de door Fuuischeim aangevoerde oorzaak is.
Dieht, bespreekt Plürscheim's crisis-theorie slechts zeer kort, terwijl Conrad er het stilzwijgen over bewaart; Diehl voert alleen aan, dat de ware oorzaak der handelscrisissen ligt in de ânngeregelte, planlose Productionsweisequot; en Flürscheim: dus ongelijkt heeft, daar ook bij doorvoering van zijn stelsel de crisissen even goed zouden blijven bestaan.
lletoogde Ruhi.and de onwaarschijnlijkheid van Flürscheim's
144
theorie, Schmidt heeft in zijn genoemde brochure duidelijk haar onwaarheid aangetoond, hij zegt (Sociale Frage und Bodenver-staatlicliuEg S. 25) ; //Ob die 100 Millionen Mark Rothschild /'gehören oder sich iin Besitze einer Menge Industrieller befinden, wdas macht für den Güterumlauf keineu Unterschied. Die 100 //Millionen, welche Rothschild nicht konsumirt, werden doch »darum dem Markte nicht entzogen. Sie werden von neuem //'/zinstragendquot;quot; angelegt, d. h. an industrielle oder Handelskapi-//talisten verliehen, die mit dem Gelde Nachtfrage nach Arbieteru, //Produktionsmitteln und Handelsartikeln erheben. Dieseu Herren «wiire es sicher sehr angenehm, hiitten sie die 100 Millionen //in eigener Tasche â sie brauchten dann vou ihnen muthmasz-//lichen Gewinnen keineu Tribut an den Glaubiger zu entrichten. //Die Nachfrage aber, die sie auf dem Alarkte nach neuen Pro-/'duktionsmittelu und tobeits kniften erheben, bleibt ganz gleicli, //welches immer der Geburtscheiu der 100 Millionen sein mag.quot;
Hier nu is, naar ik meen, de groote fout aangetoond. Elürscueim zelf zegt, dat de toestand , zij het ook voor korten tijd, door de groote staatsleeningen is verbeterd, omdat dat geld voor oorlogstoerustingen werd aangewend; welnu, wanneer een groot kapitalist zijn geld uitleent, wanneer hij dit bv. op hypotheek geeft, dan zal degene, die hypotheek op zijn grond heeft genomen, dat geld toch ook op de eene of andere wijze aanwenden. Niemand leent geld tegen rente, wanneer hij dat niet noodig heeft, hetzij om verbruiksartikelen voor te koopen, hetzij om er handel meê te drijven of het op andere wijze bv. door verbetering van den grond productief te maken. De groote kapitalist, die zijn inkomen niet verteert, maar een deel er van bespaart, handelt integendeel in het belang der maatschappij , waut meestal
145
zal het door hem uitgeleende kapitaal niet verbruikt worden, maar den kapitaal voorraad vermeerderen. Juist de staatsleeningen, die volgens Flürscheim den toestand tijdelijk verbeteren, hebben slechte gevolgen, want dan wordt het aan den staat geleende kapitaal wel verbruikt. Zoo zegt Mr. Pierson (Leerb. d. Staath. 2« dl. bl. 264): âKapitaliseeren staat niet tegenover koopen van //voortbrengselen; koopen doet hij, die spaart, en koopen doet hij, //die verbruikt; maar de eerste koopt iets anders dan de tweede: //werktuigen, productieve diensten. Het is waar, hij kan ook //eöecten koopen, maar dan treedt degeen, die hem de effecten //levert, in zijne plaats. In een land , waar veel gespaard wordt, //is wegens dat sparen de afzet van goederen niet minder dan //elders; maar de aard der voortgebrachte zaken zal er gedeelte-//lijk anders zijn.quot;
Als resultaat van het bovenstaande vinden wij dus, dat de geheele crisistheorie vau Flürsciteim berust, zooals Mr. Piekson zegt, //op grof misverstand.'1
Maar al mogen nu de groote kapitalisten niet oorzaak zijn van de handelscrisissen, de bewering van Ei.ürscheim, dat die groote kapitalen verdwijnen zouden, wanneer het privaat grondbezit werd afgeschaft, daar dat alleen de bron van alle rente is , blijft even belangrijk.
Flürscheim zelf beroept zich in dezen op Cat.vijn , doch hij had zich op een nog ouderen verdediger dezer theorie kunnen beroepen , op Gabribi, Biet,, die haar reeds in 1501 verkondigde; diezelfde theorie is later uitgewerkt door Turgot in /'Réliexions sur la formation et Ia distribution des richessesquot; en eveneens vindeu wij haar bij Christiaan Wolff en bij Hütcheson, zij wordt door ton BöhmâBawerk en ook door Diehl met den naam van //Fruktifikationstheoriequot; bestempeld.
10
146
Van de genoemde Duitsclie schrijvers , heeft alléén Diehl , Flürscheim's vPruktifikationstheoriequot; bestreden. Deze theorie, zegt hij , ontgaat de moeielijkheid in plaats van ze op te lossen; in plaats van te komen van het uitgeleende tot het oorspronkelijke kapitaal, wijst deze theorie op een der wijzen om kapitaal te beleggen, op het koopen van grond : evenals die grond jaarlijks vruchten opbrengt, moet ook het kapitaal rente opbrengen. Uit de werking der natuurkrachten kan echter de rente niet verklaai d worden, want die krachten werken slechts mede bij de productie, zij zijn zelf niet productief, zij moeten gesteund worden door
arbeid en kapitaal.
Bij deze weerlegging wordt er wel opgewezen dat de //Frukti-tikationstheoriequot; de rente volstrekt niet verklaart, maar haar onjuistheid wordt veel duidelijker en onweerlegbaar aangetoond door von Boiimâ.Bawerk in het eerste deel van zijn uitgebreid werk //Kapital und Kapitalzins.quot; Von BöhmâBawerk bespreekt aldaar de theorie van Türgot , maar deze stemt geheel overeen met die van Elüsscheim ; nooit, zegt hij , heb ik van deze theorie een bepaalde weerlegging gelezen //zur Widerlegung seinen ,/sie zu plausibel, zur Beruhigung zu seicht.quot; Men heeft eenvoudig de onderzoekingen naar de ware oorzaak der rente voortgezet. Toch , zegt v, Böhm Bawerk, is een kritiek dezer theorie ook uit praktisch oogpunt noodig, daar H. George onlangs een leer verkondigde, die veel punten van overeenkomst met haar vertoonde ; natuurlijk noemt hij Flürscueim niet, daar zijn werk eerder verscheen dan dat van dezen schrijver. Zijn kritiek luidt: //Turgot's Erklürung des Kapitalzinses ist ungenügend, weil r/sie im Zirkel erklart. Der Zirkel wird nur dadurch ver-âhüllt, dass Turgoï seine Erklilrung an demjenigen Punkte
147
//abbricht, dessen â uneilüssliche â weitere Erklilruug wieder quot;zum Ausgangspunkte zurückkehren würde.
'/Die Saclie steht so. Turgot sagt : Ein bestimmtes Kapital //muss einen bestimmten Zins trageu, weil man damit aucli ein //Grundstiick von bestimmter Rente erkaufen könnte. Um uns ei-//ues konkreten Beispieles zu bedienen: ein Kapital von 100.000 //fr. muss 5000 fr. Zins tragen, weil mau dafiir ein Grundstiick //mit 5000 fr. Rente kaufen könnte. Diese Kaufmögliclikeit ist /'indess selbst noch keine letzte, unmittelbar einleuclitende That-//sache; deshalb müssen wir weiter fragen : warum kann man mit //einem Kapital von 100.000 fr. eiu rententragendes Grundstiick //überhaupt, und eiu Grundstiick mit 5000 fr. Reute iusbesoudere //kaufen ? â aucli Turgot fiililt, dass diese Frage gestellt wer-//den kann und muss, demi er versacht eine Antwort darauf zu //geben. Er beruft sich auf das Verhültniss vou Angcbot und /'Nachfrage , das jedesmal ein bestimmtes Preisverhültniss zwischen //Kapital und Boden begrtinde.quot; (Kapital und Kapitalzius I S. 75).
Dit beroep op de wet van vraag cn aanbod, gaat von Böhm Ba werk voort, beteekent echter niets: het geeft tocli een schaal in plaats van een kern, want wat is de ware oorzaak er van, dat men regelmatig voor een kapitaal van fr. 100.000 een stuk groud kan koopen , dat fr. 5000 opbrengt ? Dit nu hangt geheel af van de percenten, die men anders van zijn kapitaal zou ontvangen ; hetzelfde stuk grond zal bij ecu rentestand van 5 quot;/o fr. IGG.OOO, bij een rentestand van 10 quot;/0 fr. 50.000, bij een rentestand van 21/2 0/o 200.000 waard zijn. In plaats dat dus het bestaan en de hoogte van de kapitaalrente door de ruilverhouding van grond en kapitaal verklaard kan worden , moet
148
omgekeerd die verhouding zelf juist door het bestaan en de hoogte van de kapitaalrente verklaard worden, ')
Hoewel v. BöiimâBa werk hierdoor reeds het onjuiste der theorie bewezen heeft, gaat hij voort dit nog duidelijker te betoo-gen. Een stuk grond , zoo zegt hij , verzekert, toevallige omstandigheden buiten rekening gelaten, den eigenaar en zijn erfgenamen een zekere pacht, niet gedurende een zeker aantal jaren , maar gedurende honderden, gedurende een oneindig aantal jaren. Waarom heeft nu een stuk grond toch maar een waarde, gelijk aan het 20â40 voudige van de jaarlijksche opbrengst ? Dat kan men niet verklaren uit de omstandigheid , dat het leven van een mensch en dus zijn genot van beperkten duur is, want dan moest die verhouding altijd dezelfde zijn gebleven en vroeger was de waarde van den grond het 10â15 voudige van de opbrengst.
De ware oorzaak hiervan is //dass wir bei der Schützung eines //Grundstückes eine eskomptirende Thatigkeit vornehmenquot;, de waarde op dit oogenblik van de toekomstige opbrengsten berekenen wij naar een bepaalden rentevoet. Is dit zoo, gaat hij voort, en wie zal het betwijfelen ? //So ist die von Tuvgot zur Erklarung //des Zinsphiinomens berufene Kapitalschiitzung der Grundstücke //selbst nichts anderes als eine der vielen Formen , in denen jenes
') FlükscheiM zelf stemt dit feitelijk toe , waar hij zegt, sprekende van de koopwaarde van liet zoogenaamde valsche kapitaal: «Dieaer Kanfwerth vermelirt sicli aus dem in Folge der Konknrrenz der Anlage sneuenden Kapita-lieu herabgedrüekten Zinsfusz. Wenn Mk. 5 Arbeitstribntleistnng zn 5 % 100 Mk. werth sind, so steigt ilir Werth bei 4 % anf 125 Mk., bei 21/3 % anf 200 Mk. n. s. w.quot; (Der einz. Rettungsweg S. 93).
Flüescheim gaat hier dus uit van het kapitaal tot bepaling der rente, het vele kapitaal doet de rente dalen.
149
//Phanomeu uus im Wirtlischaftslebeu begeguet. Dasselbc ist //cbeu vielgestaltig. Es begegnet uus bald als ausdriickliche //Zahluug eines Darleliensziuses , bald als Zalilung eiues Mieth-//zinses, der nach Abzug der Abnützuugsquote dem Eigeutliümer //uocli eine //reiue Niitzuugquot; iibrig liisst; bald als Preisdillerenz //zwiscbeu Produkt uud Kosten, die dem Uuterueluner als /â /Kapitalgewiuu zufilllt; bald als Vorausabzug des Gliiubigers au «der dem Schuldner bewilligteu Darleheussumme; bald als //Erliöhuug des Kauf'preises bei liiuaus geschobeuer Zahluug; //bald als llestriugiruug des Kaufpreises für uoch uicht 1'iillige //Forderuugeu, Gerechtsame, Vortheile; bald endlich â dem //uahe verwandt, ja im Wesen mit ihm zusammeufalleud â als //Erniedrigung des Kaufpreises für die im Gruudstück verkorperleu //Nutzuugeu eiuer spateren Zeit,
//Den Kapitalgewinn iu Handel uud Gewerben auf die Mog-//liclikeit zurückfiilireu, für begrenzte Kapitalsummeu Boden zu //erwerben, heisst also niehts , als von einer Erscheinuugsform //des Kapitalziuses auf eine andere verweisen, welche niclit minder //erkliirungsbediirftig ist als die erste.quot;
Naar ik meen, zou men uit liet bovenstaande eveneens de volgende conclusie kunnen trekken : wanneer rente iets onnatuurlijks is, alleen door privaat grondbezit ontstaan, wanneer het feitelijk hetzelfde is, of men het overgespaarde over één jaar of over twee jaren krijgt, zooals Flürscheim zegt, dan is de opbrengst, de pacht, van een stuk grond over twee jaren , evenveel waard, als de pacht over één jaar, m. a. w. de waarde van het land is gelijk aan de som van alle toekomstige opbrengsten , m a. w. is oneindig. Dan zou voor geen kapitaal ter wereld ooit eenig stuk grond zijn te koopen. Zoo is dus,
150
naar ik uieeii, onbetwist gebleken, dat de gelieele //Eruktifikations theoriequot;, volgens Fj.üescheim, een der grootste economisclie waarheden , geheel onjuist is en niet de minste wetenschappelijke waarde bezit.
Thans rest ons nog de tweede rentetheorie te bespreken, dat nl. bij afschaffing van het privaat grondbezit liet aan de markt komen der kapitalen van de langzamerhand door den staat afgeloste schuldbrieven een groote daling in den rentestand te weeg zou brengen.
Diehi, zegt hieromtrent (op. cit. S. 521): //Auch diese zweite //Zinstheorie ist ebenso wenig stichhaltig begründet als die erste. //Selbst angenommen , die grosse Vermehrung des Kapitalangebots //wiirde zn einer grossen Erniedrigung, selbst Beseitigung des //Zinses fiihren, so könnte diesc quot;Wirkung doch uur eine ganz //voriibergehende sein , deun die mit Hilfe des umsonstdargelieheuen //Kapitalien erzielten Gewiune würden eine solche Nachfrage nach //Kapitalien, eine solche Vermehrung der industriellen Thiitigkeit //hervorrufeu, dass binnen kurzer Zeit wieder der Zinssatz auf //das übliche Niveau gebracht sein würde.quot;
Deze bestrijding scliijnt mij onjuist toe, wanneer het tocli inderdaad geschiedde, dat de kapitaalrente daalde door het groote aanbod van kapitaal, ja tot het uulpunt daalde, dan zou er zooveel kapitaal moeten ziju en dan zal er door dat kapitaal telkens weer zooveel kapitaal geschapen worden, dat dan ' de rente wel zeer laag zou blijven.
Maar zal de kapitaalrente dalen ?
Naar het mij toeschijnt, heeft Schmidt in zijn genoemde brochure voor het beantwoorden dezer vraag zeer duidelijk verschillende gevallen gesteld :
151
Waimeer de staat liet privaat grondbezit afschaft zonder eeuige schadevergoeding, dan zal er geen sprake zijn van gvoot aanbod van kapitaal ; wanneer de staat aan de grondeigenaren in betaling geeft rentedragende staatsschuldbekentenissen , dan kan dit natuurlijk ook niet het geval zijn. De derde mogelijkheid, waarmede wij alleen rekening hebben te houden , is , dat de staat de grondeigenaren in klinkende munt betaalt; bovendien zal volgens Fi-ürsoheim de staat door de té behalen voordeelen zijn efiekten langzamerhand aflossen, ook in geval hij daarmede de grondeigenaren betaalde.
Schmidt nu brengt tegen I'lürscueiji in, dat dan wel in den eersten tijd wellicht de rente zal dalen, wanneer al die kapitalen aan de markt komen; maar wanneer dc rente is gedaald beneden het voordeel, dat men met productief kapitaal kan behalen , zal het geld toestroomen aan de industrie en zal zoodoende de rente weer stijgen. Ook deze voorstelling komt mij onjuist voor om de volgende redenen. Wanneer de staat de grondeigenaren in klinkende munt betaalt, zal hij natuurlijk een leening moeten sluiten even groot als de te betalen schadeloosstellingen. Dan zal vraag en aanbod van kapitaal dus juist dezelfde als vroeger blijven. Gesteld nu dat de staat b, v. door het in prijs stijgen der landbouwproducten hoogere pachten kan bedingen en zoodoende tot aflossing zijner schulden kan overgaan; dit voordeel zal b. v. een millioen bedragen, de afgeloste efiekten dus een gelijke som. Nu zal dit afgeloste millioen op de kapitaalmarkt worden aangeboden, maar aan den anderen kant is er ook een millioen meer noodig voor liet betalen der verhoogde pachten, bf voor liet betalen vau de thans een millioen in waarde gestegen totale opbrengst der landbouwprodukten , hoe men het
152
stelleu wil. Van grooter aanbod vau kapitaal dus geen sprake, m. a. w. de geheele afscKaffiug van het privaat grondbezit zal op deze wijze niet den minsten invloed op de rente uitoefenen.
Hiermede hebben wij Plürscukim's hoofd-theorieën besproken; ten onrechte beweert hij, dat de handelscrisissen het gevolg zijn vau opeenhooping van kapitaal; dus al zou deze opeeuhooping door afschaffing van het privaatgroudbezit verdwijnen, de crisissen zouden blijven bestaan; eveneens beweert hij ten onrechte, dat door afschaffing van privaat grondbezit, op welke wijze dan ook, de rente tot een minimum zou dalen. Derhalve heeft Flür-scheiai voor de weuschelijkheid van landnationalisatie in zijn gansche betoog geen enkel argument bijgebracht; al de schitterende gevolgen, die hij zich voorstelt als: groote stijging der loonen, afschaffing van alle belastingen, kosteloos onderwijs, de uitstekendste verkeerswegen, kortom een toestand, waarbij //der //heutige, wilde Daseiuskampf wird zu einem gemüthlichen, //zufriedenen Arbeitenzijn alle gevolgtrekkingen uit zijn hoofdtheorieën en vallen onherroepelijk met deze.
Niet ten onrechte noemt Mk. Pierson de argumenten, waarmede Flürscheim landnationalisatie heeft willen verdedigen, âallergebrekkigst.quot; Later hoop ik de vraag te bespreken, in hoeverre de afschaffing van het privaat grondbezit werkelijk invloed zou uitoefenen op groote opeenhooping van kapitaal. â
Onder de Duitsche geestverwanten van Flürscheim neemt, zooals ik reeds vermeldde, von Heli.dueffâBaumerskode een eerste plaats in. Het eigenaardige, landnationalisatie te hooren verdedigen door een groot grondeigenaar, heeft in zekere mate de aandacht op zijn brochures doen vestigen. Alleen in //Das Recht der Arbeit und die Landfragequot; wordt landnationa-
153
lisatie op bepaalde grondeu bepleit; aau zijn andere brochure '/Verstaatlichung des Grund und Bodensquot; toch werd het verwijt gemaakt eu, zooals hij zelf moet toegeven, vrij terecht, dat alleen de titel over landnationalisatie spreekt. Een paar aanhalingen, om te doen zien, hoe hij geheel op het standpunt van ÃYükscheim staat (Das Recht der Arbeit S. 44); «Heute '/verbreitet sich doch wohl in immer weiteren Kreisen die '/Ueberzeugung, dasz nur die Prodnktion einen Werth für '/die menschliche Gesellschaft hat, der auch eine Konsnmtion quot;gegenüber steht, und dasz der Thatsache gegenüber, dasz wir '/heute fast jedes Gut in unbegrenzter Menge schallen können , '/wenii wir wollen, es nicht Gegenstand unseres Nachdenkens sein quot;kann, welche Einrichtuug die Produktion fürdert, sondern quot;welche Einrichtung die Konsuration vermehrt.... Der Lohn /-der Arbeit (op. cit S. 61) steigt aber auch indirekt, je mehr quot;das Privateigenthum au Grund und Boden aufhort â demi «Scliritt für Schritt musz das Kapital auderweite //Beschaftigung '/suchenquot; â der Zinsfusz musz sinken.quot;
Een bizonder gewicht legt von Hetj.dorffâBaumerseode op de door hem zelf op zijn landgoed verzamelde gegevens, waarmee hij tracht aan te toonen (Verstaatlichung des Grund und Bodens S. 31, 32), dat de loonen gedaald zijn, aangezien in 1860â1863 het deel der arbeiders in de opbrengst percentsgewijze grooter was dan van 1881â1884. Conrad toont echter aan, hoe onjuist dit betoog is, daar iu dat tijdsverloop de opbrengst zeer was toegenomen door toepassing van kunstmest, welke bemesting natuurlijk, groote kosten aan den eigenaar veroorzaakte, (op. cit. S. 164).
Tan verdere kritiek op von HelldorffâBaumersrode's argu-
154
inenten meen ik mij te kunnen onthouden, daar ik slechts in herhaling zou vervallen. Hetzelfde is het geval met de brochure van onzen landgenoot Stopfei, âDe Oplossing der Sociale kwestie1', die ook slechts een beknopte herhaling geeft van IYükscheim's argumenten.
Derhalve kan ik nu overgaan tot de bespreking van argumenten van geheel anderen aard , die n. 1., welke door Samter in zijn âGesellschaftliches und Privat-Eigenthum,quot; vóór landnationalisatie zijn aangevoerd.
Op de volgende wijze bouwt Samter daarin zijn stelsel op: de mensch bezit een zelfbewuste individualiteit; doordien hij zijn individualiteit voelt en kent, doordien hij persoon is, wil hij die persoonlijkheid laten gelden, zoowel tegenover de hem omringende stoffelijke wereld, als tegenover zijn medemenschen. De persoonlijkheid van den mensch voerde tot privaat eigendom en moest daartoe voeren ; evenzoo wil de mensch tegenover zijn medemenschen zijn eigen wil, zijn eigen meeningen doorgevoerd zien. De mensch wil de stoffelijke wereld in zijn bezit, zijn medemenschen in zijn sfeer trekken, overal wil hij zich laten gelden, overal wil hij handelend optreden. Zoo is de heerschappij ontstaan van menschen over menschen; oorspronkelijk heerschte slechts het ruw geweld, de laagste vorm van heerschappij over den medemensch vinden wij in de anthropophagie, zoo kunnen wij de slavernij reeds een vooruitgang noemen. Door de slavernij, de lijfeigenschap, het heerschen van den eenen mensch over den anderen, ontstond langzamerhand de scheiding tusschen bezit en arbeid; toen alle slavernij en lijfeigenschap werd afgeschaft, alle menschen vrij verklaard werden, bleven de gevolgen echter bestaan; het bezit van de stoffelijke wereld was in handen van een klein
155
aantal personen, en zoo trad macht iu de plaats vau geweld. De macht vau het bezit is bovendien toegenomen door het meer absolute eigendomsrecht en de zekerheid, die de tegenwoordige maatschappij deu bezitter geeft. Tegenover die macht vau het bezit staat de macht van den arbeid; zoowel stoffelijke wereld als arbeid zijn onontbeerlijk, maar toch is de positie vau deu arbeid veel slechter, is deze niet opgewassen tegeu de macht vau het bezit. Nieuwe, arbeidbesparende uitvindingen hebben boveu-dien die onontbeerlijkheid vau deu arbeid verminderd. De arbeiders hebben slechts van meester gewisseld, vroeger stonden zij onder het geweld, nu staan zij onder de macht van het bezit. Geheel onafhankelijk vau hooger of lager loon, staat de arbeider door zijn gemis aan zelfstandigheid, de onzekerheid van zijn eco-nomischeu toestand, het hopelooze vau ooit in ecu beteren toestand te geraken, op eeu geheel audereu bodem dan dc bezitter.
Hoe kan nu hierin verandering komen?
Opheffing van het privaat bezit is niet mogelijk, daar dit door het wezen van den mensch geëischt wordt; verdeeling van alle stoffelijke voorwerpen zou geeu doel treffen, daar de ongelijkheid berust op natuurlijke verhoudingen en dus niet weg te nemen is; het eenige middel is gelegen in eeu groot //gesellschaftliches Eigen-thumquot;: //Dem Privateigeuthum muss (op. cit. S. 70) eiu gesell-//schaftliches Eigenthum zur Seite gesetzt werden, das machtig '/und umfassend genug ist, der unumschrankten Herrschaft des //Privateigenthums die Spitze zu bicten, ohne demselben deu //Boden zu entziehenquot;, want //mit dem nackteu Individualitats-//prinzip ist nicht auszukommen.quot;
Dat maatschappelijk eigendom zal dan een tegenwicht vormen tegeu het privaat eigendom; dat maatschappelijk eigendom zal
156
even goed in staat zijn de //Ausschmtungenquot; van het privaat eigendom tegen te houden, als de staatsmacht de persoonlijke //Ausschreitungenquot; van elk individu beteugelt. Hierdoor zal het quot;Socialprinzipquot; met gelijke krachten aangegord staan tegenover het //Individualpriuzip.quot;
Voor dit //Gesellschal'tliches Eigenthumquot; uu is groudeigendom het meest geschikt, In dit grondbezit toch is de productieve kracht der natuur werkzaam, de grond is niet naar believen te vermeerderen, de grond heeft de neiging bij een zich ontwikkelende maatschappij in waarde te stijgen. Bij roerend goed vinden wij de twee laatste eigenschappen niet; iutegeudeel schijnt de waarde hiervan te dalen, terwijl ook bij roerend goed de faktor van den arbeid veel sterker is. Voor gebouweu maakt Sajiter een scheiding in: gebouwen bestemd voor fabrieken, woonhuizen in de stad en gebouwen op het land; alleen de laatste categorie moet maatschappelijk eigendom worden. De gevolgen van dit maatschappelijk eigendom van den grond zullen zeer voordeelig zijn; ieder, die geboren wordt, al krijgt hij zelf geen stuk grond, komt in een maatschappij, die een gemeenschappelijk grondeigendom bezit; het is een groot onderscheid, of men geboren wordt in een land met groote staatsschulden, of daarentegen in een land, waar een groot gemeenschappelijk eigendom bestaat. Vervolgens zal de stijging der gronden den staat ten goede komen en eindelijk zal de staat veel hoogere loonen aan de boerenarbeiders kunnen uitbetalen, daar hij, wanneer de voor de verkrijging van den grond geleende sommen zijn afbetaald, de geheele zuivere opbrengst van den grond, na aftrek natuurlijk van de vergoeding voor het aan den grond bestede kapitaal, voor loonen kan aanwenden. Als nog gewichtiger dan deze stijging der loonen moet
157
echter beschouwd worden de mogelijkheid, die er nu ontstaat, om eiken arbeider een stukje grond te geven voor eigen gebruik. De staat zal tevens kunnen zorgen voor betere woningen. Deze verbetering in den toestand der boerenarbeiders zal dan weer terugwerken op dien der fabriekarbeiders.
Deze korte schets van Samteh's denkbeelden doet zien, dat er veel punten van overeenstemming zijn met de door Stamm verkondigde. Bij beiden is het kapitaal een macht, waaraan de arbeid onderworpen is, de tegenwoordige toestand is dus slechts een schijnbare verandering van de vroegere heerschappij van men-schen over menschen. Al gebruikt Samter hierbij, zooals in zijn gansche betoog, veel bezadigder uitdrukkingen, ook hij gaat veel te ver, o. a. als hij geheel ten onrechte beweert, dat alle arbeid besparende uitvindingen den arbeid ten nadeele komen. Veel te veel stelt hij bezit en niet-bezit tegenover elkander; in plaats van de inderdaad langzaam ineenvloeiende klassen der maatschappij stelt hij het voor, alsof er slechts twee klassen zijn, die als twee vijandige machten tegenover elkander staan. Even verkeerd als Bastiat's voorstelling, die in de gansche maatschappij niets dan harmonie wilde zien, is een dergelijk oordeel.
Aan den invloed van een maatschappelijk eigendom wordt door Samtek een veel te groote waarde toegekend; het is, alsof enkel het bestaan van zulk een staatseigendom reeds een tegenwicht vormt, alsof in den strijd tusschen bezit en arbeid thans een hulpbende voor den arbeid komt aanrukken. Op zich zelf bewijst een maatschappelijk eigendom niets; de groote vraag zal zijn, of daardoor de toestand van de lagere klassen der maatschappij verbeterd kan worden. Toch is Samter's betoog veel wetenschappelijker, dan die van Flüesoheim en Stamm, hij stelt zich niet
158
voor, dat liet doorvoeren zijner plaunen de aarde in een paradijs zal herscheppen en stemt zelfs toe, dat nooit door landnationalisatie alle belastingen zullen verdwijnen, (op. cit. S. 145).
Buchenberger , die ook Samter verre boven Fi.ürscheim stelt, is van oordeel, dat, al is Samter's meening: //dem Pri-/â /vateigenthum sei ein gesellschaftliclies Eigenthum zur Seite zu //setzen, das machtig und umfassend geuug ist, der unum-//schrilnkten und schadlichen Herrschaft des Privateigenthums die //Spitze zu bieten, ohne demselben den Boden zu entziehenquot; juist, toch in geenen deele hiervoor het grondbezit moet gekozen worden. Fabrikatie van genotmiddelen (brandewijn, bier, tabak), banken, gasfabrieken, waterleidingen enz. schijnen hem veel geschikter toe, daar hierbij niet te duchten is de nadeelige invloed op de productie, dien landnationalisatie zou uitoefenen.
Buchenberger ziet hier echter over het hoofd, dat het grondbezit door de volgens Samter steeds stijgende pacht zekere voordeelen aan den staat zal opleveren en daarom, altijd als dat juist is, de voorkeur verdient. ')
De groote vraag, waar feitelijk alles in Samter's betoog op berust, is dus het al of niet juiste zijner bewering, dat de opbrengst der gronden steeds zal stijgen; al de gevolgen, die hij aan de door hem voorgestelde hervorming toeschrijft, hangen hiervan af, de wijze van schadeloosstelling en de daaruit voortspruitende gevolgen een oogenblik geheel buiten rekening gelaten. Alleen dan toch zal het voordeelig zijn burger te wezeu van een staat met een groot maatschappelijk eigendom, wanneer
l) In hoeverre het wenschelijk zou zijn, dat, zooals Buchrnbergeu wil, tie staat als industrieel zon optreden, moeten wij buiten bespreking laten.
159
die staat niet evenveel schulden heeft als eigendom , alleen dan zal er sprake kunnen zijn van het uitbetalen van hoogere loonen. Samter heeft deze verschillende gevolgen achtereenvolgens opgesomd , alsof zij niet van elkander afhankelijk waren, alsof, wanneer de staat het behaalde voordeel aanwendt voor hoogere loonen, het voordeel van in dien staat geboren te zijn dan nog in iets anders bestaan kan, dan in de omstandigheid, dat in dien staat de loonen hooger zijn. Het uitbetalen van hoogere loonen, indien hoogere opbrengsten dit mogelijk maakten, zou zeker een zeer gelukkig gevolg zijn, maar hoe kan dit ooit mogelijk wezen, zooals ook Buchenberger opmerkt, waar Samter zelf een pachtsysteem voorstelt, geen bebouwing door den staat zelf. Bij een pachtstelsel is het zeer de vraag, al mogen er baten in de schatkist vloeien, in hoeverre die baten aan de lagere klassen ten goede zullen komen.
Bij Stamm vinden wij hetzelfde als bij Samter; ook bij hem is de bron van alle voordeel de grootere opbrengst, welk voordeel nog vergroot wordt door zijn voorstel om geen volledige schadeloosstelling toe te kennen.
Wanneer de veronderstelling, dat de pacht steeds zal stijgen onjuist mocht blijken te zijn, ja, er integendeel meer kans op daling bestaat, zoodat de staat dan door hoogere belastingen zijn verliezen zou moeten dekken, dan zou Samter's //Gesell-schaftliehes Eigenthumin plaats van een tegenwicht te scheppen tegen de macht van het bezit, den toestand der lagere klassen wellicht verminderen.
Thans kom ik derhalve tot het door alle landnationalisten aangevoerde argument, dat de pacht de neiging heeft steeds te stijgen en dat het derhalve wenschelijk is dit '/unearned
160
increment,quot; dat de grondeigenaars thans verkrijgen , in het vervolg in 's lands schatkist te laten vloeien.
Op mathematische wijze is dit argument uitgewerkt door Gossen en op zijn voetspoor door den Zwitserschen hoogleeraar Wat,ras. Gossen's betoog vinden wij aan het einde van zijn werk: //Ent-//wickelung der Gesetze des menschlichen Verkehrsquot; (S. 250). Gossen gaat uit van het denkbeeld, dat, wanneer ieder dat stuk land kan pachten, dat hem voor zijn doel het meest geschikt voorkomt, de productie het grootst zal zijn; landnationalisatie met pachtstelsel, waarbij dit mogelijk is , komt hem dus gewenscht voor. Dit zal bovendien voor den staat zeer voordeelig zijn, want de pacht stijgt steeds en de grond zal, met het oog op dit stijgen der pacht, voor den staat meer waard zijn dan voor een particulier, omdat deze laatste onmiddellijke voordeden zal willen behalen wegens zijn korten levensduur, wat van den staat, die steeds blijft bestaan, niet geldt. De stijging der pacht berekent Gossen naar de Duitsche domeingronden , waar de pacht elke 18 jaar met 10 0/0 verhoogd wordt (altijd in den tijd van Gossen), een stijging dus elk jaar van ongeveer quot;Z,. 0/0, en naar de goederen van Hendrik VITT van Engeland, die in 250 jaar in opbrengst toenamen van 273.000 tot 6.000.000 pond sterling, dus met 10/0 jaarlijks; de pacht der Duitsche domeingronden werd dus, naar hij meent, veel te weinig verhoogd. Hij neemt nu aan een stijging der pacht met 1 0/o jaarlijks en berekent zoo , de rente , die men maakt van ecu stuk grond, en de rente, waarvoor de staat geld kan leenen , gelijkstellende , dat de geheele som door den staat voor den aankoop geleend, in 47 jaar zou zijn afgelost.
Gossen heeft deze berekeningen nog verder voortgezet, zij
161
zijn echter, naar ik meen, van weinig belang, daar zij geheel steunen op een willekeurig aangenomen, zeker stijgen der pacht met een bepaald percentage. Als voordeelig gevolg van de groote sommen , die ua de aflossing den staat zullen toevloeien, noemt Gossen het afschaffen van alle belastingen. ')
wl alras heeft in zijn //Théorie mathématique de la Richesse socialequot; Gossen's berekeningen nader uitgewerkt en gekritiseerd. Hij toont aan (p. 186), dat Gossen , hoeveel lof zijn theorie verder ook verdient, één ding over het hoofd heeft gezien nl., dat, wanneer eens het stijgen der pacht vast staat, de normale prijs van den grond ook met die voortdurende stijging in overeenstemming zal zijn ; derhalve , zegt hij , zijn er slechts twee mogelijkheden: wou 1'Etat paiera les terres au prix normal, de //fagon a ne faire aucun tort aux propriétaires, et en ce cas il //n'amortira pas; au il paiera les terres k un prix inférieur au prix //normal, de manière a amortir, et alors il fera tort aux propriétaires.quot;
Gossen heeft deze moeielijkheid niet opgelost; de staat zal echter, betoogt Wat.iiah verder (p. 246), toch kunnen aflossen, al betaalt hij den normalen prijs, want het percentage, waarmede de pacht elk jaar stijgt, zal in den loop der tijden toenemen, de normale prijs der gronden echter wordt berekend naar het percentage, waarmeê tegenwoordig de pacht jaarlijks stijgt; zoo zal de staat toch voordeel behalen.
Al moge Wat/ras' kritiek op Gossen zeer juist zijn, wanneer
i) Ook noemt Gossen als argument vóór landnationalisatie, dat hierdoor de rechtsverhoudingen zoo eenvoudig zullen worden , dat twijfel over de grenzen van het recht tot de uitzonderingen zal Lehooren. Als dan echter de rechtskwesties tusschcn deu staat en zijn pachters over verbeteringen enz. maar niet al te zeer daarvoor in de plaats zouden treden.
11
162
men zich plaatst op het standpunt van Walras en Gossen, dit standpunt zelf is geheel onjuist. De voortdurende stijging der pacht is niets dan een fictie, zooals door het dalen der pacht in de laatste jaren voldoende bewezen is. Wie zal tegenwoordig bij het koopen van grond, zooals Wai.eas beweert, het zeker stijgen der pacht in aanmerking nemen ? Deze mathematische beschouwingen, zoowel van Wai.kas als van Gossen, hebben dus niet de minste waarde. Met zekerheid is mets te zeggen omtrent de stijging der pacht; maar is nu de kans op stijging groot ?
Zij , die van oordeel zijn, dat een stijging als vrij zeker kan worden aangenomen, beroepen zich op de pachtleer van Ricardo welke, zooals wij zagen, George als uitgangspunt voor zijn eigenaardige beschouwingen nam. Volgens Ricardo nu is de pachtwaarde van een bepaalde uitgestrektheid lands het verschil tusschen de opbrengst van dat land zelf en de opbrengst van een gelijke uitgestrektheid van het slechtste land, welks bebouwing noodzakelijk is geworden. Ricardo betoogt dit aldus; In een onbewoonde streek vestigt zich een kolonie. Er is land in overvloed ; voor het gebruik er van betaalt dus niemand eenige pacht. Deze toestand zal echter veranderen bij aanwas van bevolking. Laat ons aannemen, dat er drie soorten van gronden zijn ; de beste noemen wij n0. 1. Natuurlijk begint men met alleen deze te bebouwen; tot het bewerken van nquot;. 2 gaat men eerst over, als n0. 1 niet meer kan voorzien in alle behoeften. Doch zoodra dit het geval is, krijgt n0. 1 een pachtwaarde, welker bedrag zich nauwkeurig laat aanwijzen. Stellen wij, dat het beste land over een bepaalde uitgestrektheid oplevert 100 mud tarwe; land van de tweede soort niet meer dan 90 mud. Nu zal het voor een boer hetzelfde zijn , land van de tweede soort om niet in
163
gebruik te ontvangen, of wel land van de eerste soort in huur te nemen en daarvoor een pacht te voldoen van 10 mud.â Andermaal breidt de bevolking zich uit; de gronden n0. 1 en n0. 2 leveren te weinig op en tot de bebouwing van land n0. 3 moet worden overgegaan. Men stelle, dat van dit laatste over de tot maatstaf aangenomen uitgestrektheid 80 mud wordt verkregen. Nu stijgt de pachtwaarde van n0. 1 tot 20 en nquot;. 2 erlangt een pachtwaarde van 10 mud. Want grond van 80 mud om niet, grond van 90 voor 10, of grond van 100 voor 20 mud pacht in gebruik te ontvangen levert dezelfde voordeden op.
Naast ongelijkheid van vruchtbaarheid wijst Ricardo ook nog op een tweede oorzaak van pachtwaarde. De eene grond ligt vlak bij de markt, de ander op een grooten afstand daarvan. De huurder van het eene stuk grond moet zich dus veel meer arbeid getroosten, of veel meer arbeid bezoldigen, om zijn oogst ter markt te brengen dan de huurder van het andere. Zal nu de pachtwaarde van die beide gelijk zijn? Immers neen. Zoo hangt dan de pachtwaarde der gronden niet alleen van hunne vruchtbaarheid , maar ook vau hunne ligging af ').
Bastiat heeft tegen de leer van Rtcatsdo aangevoerd, dat alle waarde slechts door arbeid ontstaat, een argument, waarvan de onjuistheid dadelijk in het oog springt, als men bedenkt, hoezeer grootere of minder groote natuurlijke vruchtbaarheid, verschil in ligging onbetwistbaar invloed op de pachten heeft.
De Amerikaan Cauey heeft betoogd, dat in de vroegste tijden juist niet het eerst de vruchtbaarste gronden bebouwd werden, een argument eveneens vau weinig waarde; Carey heeft de uit-
,) Zie: Mr. N. G. Pikrson //Leerb. der Staatsh.quot;, T. 1)1. 84).
164
drukking //vruchtbaarquot; te eng opgevat, zooals Prof. Greven zegt in zijn dissertatie: //Nu deed Ricardo verkeerd, dit feit zóó uit //te drukken, dat steeds minder vruchtbare landen in gebruik //genomen zullen worden. Dit zal dikwijls, maar niet altijd het //geval zijn. Ook landen, even vruchtbaar, zelfs vruchtbaarder //dan de vroeger gebruikte, kunnen toch eerst later in kuituur //gebracht worden, omdat de kosten van ontginning te groot zijn. //Dit is de verklaring van het feit, dat de kolonisten zich meestal a vestigen in de hoogere, onvruchtbaarder streken. De oever der //rivier moge vruchtbaarder zijn, wanneer zij poogden demoeras-//sen te vervormen tot bebouwbaren grond, zouden zij minder //producten verkrijgen in verhouding tot den besteden arbeid. Het //zou ook kunnen zijn, dat de grond, eenmaal ontgonnen, den /'arbeid aan de ontginning besteed, ruimschoots zou vergoeden, //maar dat gebrek aan kapitaal belet, te werken voor een doel, //dat eerst na jaren bereikt kan worden. Dit zal zeker dikwijls //het geval zijn, maar men lette er op, dat het hier niet het //gebrek aan handen, de dunne bevolking, maar het gebrek aan «kapitaal is, dat de ontginning tot een latere periode doet uitstellen....
//Het gebruik door Eicardo van de uitdrukking vruchtbaar-
//heid gemaakt..... moge dus aanleiding tot misverstand kunnen
//geven, opgevat van al de voordeelen, die het eene land boven »het andere kan bezitten, is zijne theorie onweerlegbaar,quot; (De Ontwikkeling der Bevolkingsleer, bl. 32).
De juistheid van Ricardo's leer is ook zeer bestreden door twee economen der Oostenrijksche school Menger en vos WiesEr; de juistheid hunner meening werd ook hier te lande nog onlangs betoogd door Mr. Verrijn Stüarï in de //Economistquot; van 1892. Deze economen nu meenen, dat Ricardo's pachtleer in strijd
165
is met de nieuwere waardeleer, gegrond op het beginsel, dat de marginale nuttigheid de waarde der goederen bepaalt, of liever nog dat Ricardo's leer onvolledig is en daardoor volstrekt geen waarde bezit. Zoo zegt Mr. Verrijn Sïuarï : vIIicardo //vergat de voorwaarde te noemen, die moet vervuld zijn om '/werkelijk de pachtwaarde te doen overeenstemmen met de waarde //van het verschil in opbrengst tusschen het stuk land waar-//van pacht wordt betaald, en het minst bevoorrechte welks //bebouwing noodzakelijk is geworden. Die voorwaarde noemde //vün Wie ser. Zij is dat naast een beperkte hoeveelheid //vruchtbaren, een overvloed van min vruchtbaren grond beschik-//baar moet zijn.quot;
Deze beschouwingen zijn echter krachtig weerlegd door Marshall in //Principles of Economicsquot; (I, p. 210). In overeenstemming met de door hem gebruikte term //a dose of capital //and labourquot; '), noemt Marshall die //dose,quot; welke den be-bouwer van den grond juist schadeloos stelt //marginal dosequot; en de daardoor verkregen opbrengst (return) «marginal return.quot;
Indien nu een stuk grond niets meer opbrengt dan vergoeding van kapitaal en arbeid en dus geen pacht oplevert, dan kunnen wij veronderstellen, dat daaraan de //marginal dosequot; besteed is; wij kunnen dus zeggen, dat de daaraan bestede dosis besteed is aan land op de //margin of cultivation,quot; en zoo drukken wij het 't eenvoudigst uit. Maar nu is het volstrekt niet noodig te veronderstellen, dat er zulk land bestaat; alleen de//returnquot; bij //the marginal dosequot; is voor ons van belang, of die //marginal dosequot; wordt besteed aan slecht of goed land, doet niets ter zake;
t) Zie boven bl. 113.
166
liet is alleeu noodzakelijk, dat liet de laatste dosis is, die met voordeel aau dat laud kau besteed worden. Daar nu, gaat Marshall voort, de //returnquot; bij de grens van bebouwing den bebouwer juist schadeloos stelt, volgt hieruit, dal hij juist zal worden schadeloos gesteld voor al zijn kapitaal en arbeid door zooveel malen de quot;marginal returnquot;, als hij in het geheel dosissen aan zijn grond heeft besteed. Alles wat hij meer dan dat verkrijgt is het //surplus produce,quot; van het land. Dit //surplus //producequot; nu is onder zekere voorwaarden de pacht, die hij van zijn grond kan verkrijgen. In een noot voegt Marshall hieraan toe: '/Eicardo was wel aware of this; though he did not quot;emphasize it enough. Those opponents of his doctrine who //have supposed that it has no application to places where all //the land pays a rent, have mistaken the nature of his argu-//ment.quot;
Met een enkel woord moet nog besproken worden de meeuiug van Leroy Beaulieu, die wel niet de leer van Ricardo bepaaldelijk verwerpt, maar haar toch alle beteekenis ontzegt. Zooals wij reeds zagen , is hij van oordeel, dat de tegenwoordige waarde van den grond grootendeels te danken is aan de daaraan bestede kapitaal en arbeid. Ricardo nu, haalt Leroy Beaulieu aan, noemde de pacht âcette portion du produit de la terre que //l'on paie au propriétaire pour avoir le droit d'exploiter les //facultcs productives et impérissables du solquot;, derhalve is, meent Beaulieu, daar de tegenwoordige pacht bijna geheel beschouwd moet worden als belooniug voor kapitaal en arbeid, dat deel van de pacht, waarop Ricardo het oog heeft, tot een minimum gedaald. (Rép. des Richesses p. 80â102).
Bij een dergelijke redeneering, Beaulieu's verder reeds vroe-
167
ger ') besproken betoog, iu 't midden gelateu, stelt meu het, naar 't mij toescliijut, voor, alsof de werkelijke pacht uit twee gescheiden deelen bestaat. Op het onjuiste eeuer dergelijke scheiding wees Me. N. G. Pierson1), maar bovendien blijft de leer van Ricardo hierom haar waarde wel degelijk behouden: de pacht voor den verbeterden grond wordt even goed betaald om het recht te hebben de productieve kracht van den grond te kunnen aanwenden. Die productieve kracht is alleen vermeerderd door de verbeteringen van den grond.
Veilig kan dus RicardcTs leer als uitgangspunt worden genomen bij de vraag, of de pacht al dan niet zal stijgen.
Zooals wij zagen, hangt de pachtwaarde af van twee zaken : van de meerdere opbrengst boven die van den slechtsteu grond in gebruik cn in de tweede plaats van de ligging. Wanneer de vraag toeneemt en daardoor nieuwe gronden bebouwd worden, of, wat hetzelfde is, een nieuwe dosis arbeid en kapitaal aan reeds bebouwden grond besteed wordt, dan zal, altijd als die nieuw bebouwde gronden, als de nieuwe aan den grond bestede dosis, minder opbrengt dan de vroeger bebouwde gronden, dan de vroeger bestede dosissen, de pachtwaarde stijgen. Wij nemen hierbij dan aan, dat geen arbeidbesparende verbeteringen den prijs der landbouw-voortbrengselen hebben doen verminderen, daar het in dat geval mogelijk is, zooals wij vroeger 2) zagen , dat de pachtwaarde in voortbrengselen uitgedrukt wel stijgt, doordien slechtere grond bebouwd wordt, maar toch de werkelijke pachtwaarde daalt.
1
) Leerb. der Staath. I bl. 82, zie ook boven bl. 93 ^ noot 1.
2
) Zie boven bl. 109.
168
Hoe kan nu de vraag toenemen. J. S. Mill onderscheidt drie gevallen, waarin dit zal gebeuren: 10. vermeerdering van bevolking met stationair blijven der hoeveelheid kapitaal; 2°. bevolking stationair, vermeerdering van kapitaal; 3°. vermeerdering van bevolking en kapitaal.
In de eerste plaats derhalve vermeerdering van bevolking. Dit is de voornaamste oorzaak, waardoor de pacht stijgen kan, een oorzaak, waarvan het gewicht zeer zeker niet gering geacht moet worden. Mn. N. G. Piekson zegt: //Wil men de natioua-//lisatie van den grond bepleiten, men bepleite haar met argu-'/menten aan John Stüarï Mill ontleend. Dat wil zeggen ; //men herinnere aan de beperktheid van den grond, de toeneming //van het cijfer der bevolking en de zekerheid, die daaruit voort-//vloeit, dat op den duur de pachtwaarde moet stijgen. Die zekerheid â tenzij de waarschuwende stem van Malthus eindelijk //gehoor vinde â schijnt ons vrij groot.quot; Al mag schaarschte van landbouwproducten voorkomen worden, zoo gaat Mn. Pierson voort, door verbetering van vervoermiddelen , door verbeteringen in den landbouw, op den duur zal bij steeds toenemende bevolking schaarschte moeten ontstaan. Wanneer de bevolking van Europa, die van 1800 tot 1886 meer dan verdubbeld is, andermaal verdubbelt van 1887 tot 1972 en men rekent, dat per jaar en per hoofd ongeveer 2'/2 hektoliters tarwe (of tarwe en rogge) worden verbruikt, dan zal in het jaar 1972 de behoefte aan tarwe met 2i/ï X 346 millioen of 865 millioen hektoliters zijn gestegen. Een belangrijk cijfer, als men bedenkt, dat de geheele tarweoogst van Amerika 170 a 180 hektoliters bedraagt. En, voegt Mr. Pierson hieraan toe, hoeveel andere producten dan tarwe heeft het menschdom niet noodig! (Leerb. der Staath. II bl. 264.)
169
Door andere economen van naam is aan die toenemende bevolking veel minder gewicht in dezen toegekend. Leroy Beaulieu is hierin wel liet verst gegaan, zooals van hem als Franschman dan ook het meest was te verwachten. Sedert gebleken is, zegt hij, dat de Fransche bevolking en de bevolking van Nïeuw-Engeland bijna niet meer toeneemt, //il n'est plus permis de quot;parler a ce sujet avec le ton catégorique de Malthus.quot; Wanneer in die twee landen, gaat hij voort, de bevolking bijna stationair blijft, wie kan dan verzekeren, dat ook in andere landen, âquand Ie bien-être se sera partout développé et les idees demo-//cratiques répanduesquot;, de bevolking niet stationair kan blijven ? (Le Collectivisme p. 191) Ook Mr. Pierson geeft gaarne toe, dat voor dit laatste mogelijkheid bestaat, maar toename van bevolking is waarschijnlijker.
Op geheel andere feiten heeft Marshall gewezen: in de eerste plaats (op. cit. p. 224), dat het zeer de vraag is of bij zeevis-scherij de //law of diminishing returnquot; reeds geldt; vermeerdering van bevolking zou dus in dat opzicht misschien de produktie doen toenemen, een omstandigheid, waarop ook reeds gewezen werd door Prof. Greven (diss. bl. 37.)
In de tweede plaats merkt Marshall op, dat vermeerdering van bevolking zal veroorzaken, dat in verhouding slechtere gronden in betere positie komen dan betere. //Land,quot; zegt hij (op. cit. p. 218) âthat was at one time entirely neglected, is made bij much labour //to raise rich crops; its annual income of light and heat and air is probably as good as those of richer soils: while ist faults can be much lessened bij labourquot; (op. cit. p. 218.) Marshall haalt hierbij aan een door Passy gegeven schema, te vinden bij Leroy Beaulieu (Repartition des Richesses p. 97), waarbij wordt
170
aaugegeveu de stijging der pachten van 1829 tot 1852 van 5 verschillende soorten van grond, berekend in francs naar het gemiddelde van elke hektare.
lc klasse 2quot; klasse 3° klasse 4° klasse 5e klasse 1829 58 48 34 20 8
1852 80 78 60 50 40
Een groot verschil derhalve, bij den grond van de eerste klasse slechts stijging van 58 tot 80 tegen een stijging van 8 tot 40 bij de vijfde klasse. Hierbij moet men echter wel in aanmerking uemen de reeds vroeger ') besproken omstandigheid, dat verbeteringen in den landbouw meestal veel meer ten goede komen aan de slechtere gronden dan aan de betere; maar ook afgezien hiervan blijft Maksham/s betoog, dat dit ook gebeurt //independently of //any change in the suitability of the prevailing crops and methods //of cultivation for special soilsquot; desniettemin waar; derhalve zal hierdoor een vermeerdering van bevolking niet in zoo sterke mate de totale pachtwaarde doen stijgen.1)
Naar het mij voorkomt, is er nog een reden, waarom dit niet in zoo sterke mate het geval zal zijn. Wanneer nl. de bevolking toeneemt en de prijzen der landbouwvoortbrengselen daardoor stijgen, zal dit op het verbruik wel degelijk invloed uitoefenen. Op het verbruik van een artikel als rogge bv. kan weinig bezuinigd worden, maar er zal minder dierlijk voedsel worden ge-
1
) Waar het namelijk Wijkt, dat de «law of diminishing returnquot; tij de minder vruclitljarc gronden veel minder sterk werkt dan bij Truchtbaarder gronden, moet men dit wel in het oog houden bij de vraag, in hoeverre vermeerdering van bevolking de totale pachtwaarde doet stygen. Hoe minder de //law of diminishing returnquot; werkt, hoe minder de totale pachtwaarde bij vermeerdering van bevolking zal stijgen.
171
bruikt, waarvoor meer groud uoodig is dau voor plantaardig voedsel eu derhalve zal dit een sterke stijging iu de vraag naar grond temperen. Vooral zal dit in den tegenwoordigen tijd het geval zijn, waar de zucht naar uiterlijke weelde zoo sterk is, dat men liever op levensmiddelen zal willen bezuinigen dan op andere artikelen, wier minder gebruik meer in het oog zou vallen.
In de tweede plaats zal de vraag naar landbouwvoortbrengselen, zooals Mnx zegt, toenemen door vermeerdering van het kapitaal. Groote vermeerdering van kapitaal zal dikwijls het gevolg zijn van uitvindingen, zooals tallooze uitvindingen in den laatsten tijd de industrie zulk een verbazend hooge vlucht deden nemen, lleeds vroeger bespraken wij, dat ook zonder vermeerdering van kapitaal dergelijke uitvindingen op het gebied der industrie de pacht kunnen doen stijgen.
Toen wij zeiden, dat door stijging der vraag naar landbouwvoortbrengselen nieuwe gronden zullen worden bebouwd. nieuwe dosissen besteed en zoodoende de pachtwaarde zal stijgen , stelden wij daarbij als voorwaarde, dat die nieuwe grond, die nieuwe dosis een opbrengst zou geven minder dan de slechtste vroeger nog bebouwde grond, minder dau de opbrengst van den //marginal dosequot; vroeger. Dat dit steeds het geval zal zijn, is bestreden door Carey en door Leküy Heaiiueu. Cakey heeft hieruit ten onrechte eeu wapen gesmeed tegen Ricaudo's theorie, maar aan den andereu kant is zijn opmerking, dat vaak de meer vruchtbare gronden eerst later bebouwd worden , juist. Prof. Grevkn' , die verder Carey bestrijdt, stemt toe, dat in Amerika de loop der zakeu werkelijk zoo is, als Carey beschrijft, (op. cit. bl. 32.)
Lekoy Beaumeu gaat iu dezen nog verder en is van oordeel, dat het zelfs in de oude wereld, die toch zoo dicht bevolkt is,
172
nog voorkomt, dat de bewoners geen partij weten te trekken van gronden met groote natuurlijke vruchtbaarheid. Als bewijs haalt hij aan de Romeinsche Campagna, terwijl de Toscaansche heuvelen hoewel veel minder door de natuur begunstigd, uiterst zorgvuldig bebouwd worden (Rep. des Richesses p. 93.) In ieder geval zullen dit in Europa dan toch zeer exceptioneele gevallen zijn, zoodat, al moge dit bij toename van bevolking veranderen, de invloed toch slechts zeer gering zal zijn.
Het feit, dat dit iu Amerika in sterke mate het geval is, is echter van veel meer gewicht; wanneer door sterke toename der Amerikaansche bevolking gronden zullen worden bebouwd, die nog grooter opbrengsten zullen opleveren dan de tegenwoordig be-bebouwde, is de kans voor geringer uitvoer door steeds toenemende bevolking in Amerika voor nog langen tijd verschoven.
Zullen vermeerdering van bevolking en kapitaal de totale pachtwaarde doen stijgen, daarnaast staan andere factoren, die een tegenovergestelde werking uitoefenen.
Verbeteringen in den landbouw zullen bijna steeds de totale pachtwaarde doen dalen; de invloed dier verbeteringen werd reeds vroeger besproken. De omstandigheid vooral, dat verbeteringen meestal aan goeden grond minder te stade komen dan aan slechten, doet den invloed op de daling zeer toenemen. Aan den anderen kant echter zullen verbeteringen in den landbouw uit den aard der zaak nooit zulk een hooge vlucht kunnen nemen, als die in de industrie en bovendien zullen die verbeteringen ook minder spoedig dan in de industrie worden toegepast; sterke gehechtheid aan vroegere wijze van bebouwing, gedurende langen tijd volkomen onbekend blijven met de nieuwere resultaten der landbouwwetenschap, doen zich hier op geheel andere wijze gevoelen
173
dan bij de industrie, waar zich de invloed der groote concurrentie zoo veel meer direct laat gevoelen en waar bovendien, ten minste bij groote takken van industrie, kundige vakmannen de leiding hebben. Ware er geen andere faktor, die rerlagenden invloed op de pachtwaarde der West-Europeesche gronden uitoefende, dan zou zeker de invloed van de vermeerdering der bevolking verre die van verbeteringen in de productie overtroffen hebben.
Zooals wij zagen, hangt de pachtwaarde echter in de tweede plaats af van de ligging. Door de tallooze verbeteringen in de vervoermiddelen is dit voordeel van ligging zeer verminderd, een sterke mededinging van de verst gelegen streken der wereld met onzen landbouw is door de lage transportkosten mogelijk geworden.
Door den eenen schrijver wordt die vermindering van het voordeel in ligging echter veel hooger geschat dan door den anderen. Leroy Beaut.ieu is van oordeel, dat het voordeel van ligging thans //minimequot; is geworden. Hij berekent, dat, aangezien de transportkosten van een hektoliter koren van Minnesota naar Havre 3 fr. 50 amp; 4 fr. bedragen en de gemiddelde opbrengst in Frankrijk van een hektare 14 hektoliter koren bedraagt, het voordeel van ligging slechts 50 francs voordeel per hektare kan geven, (Rép. des Eichesses p. 100).
Tegen deze berekening heeft Wai.ker in //Land and its Rentquot; (p. 115) ernstige bezwaren ingebracht; hij beroept zich hier op het oordeel van Sir James Caird, die berekende, dat door de kosten en de risico van vervoer, die op zijn minst een penny-bedragen voor elk pond levend vleesch, de Engelsche producent op eiken os gemiddeld een voordeel van £ 4 boven zijn over-zeeschen mededinger heeft; een vrij aardig voordeel, meent hij. Versch vleesch, uit Amerika aangevoerd, zal door de kostbare
174
wijze ora het te bewaren 40 shillings kosten voor transport op de productie van een acre. Evenzoo beweert Caird, dat van een hoeveelheid koren, die een acre opbrengt, eveneens de transportkosten 40 shillings bedragen. //Certainlyquot;, voegt Wat.ker hieraan toe, //this does not look like a statistical minimum. Forty «-shillings an acre is a very pretty rent, neither to be despised //by the landlord nor to be neglected by the economist in dis-//cussing the distribution of wealth.quot;
De berekeningen dezer twee autoriteiten loopeu dus nog al uiteen, f 25 voordeel van ligging per hektare volgens Lekoy Beauliku , f 60 per hektare volgens Caird.
Dit is echter vrij zeker, dat de nog steeds meer verbeterde vervoermiddelen en aan den anderen kant de groote oppervlakten vruchtbaar, nog onontgonnen land in Amerika, ook voor de toekomst een vermindering vau het voordeel in ligging voor de West-Europeesche gronden zal veroorzaken.
Bij het onderzoek naar de vermoedelijke stijging of daling van de totale pachtwaarde in de komende jaren is het van gewicht, dat in de tweede helft dezer eeuw de pachten vrij sterk zijn gestegen. De oorzaak dezer stijging is dan ook door verschillende schrijvers onderzocht.
Door Prof. d'Aulnis is in zijn //Hedendaagsch Socialismequot; (bl. 300 e. v.) het volgende betoogd: /rStel dat een hectare //kleigrond in de voorgaande eeuw Æ 1000 en thans f 2000 //waard is, daar hij toen voor f 40 en thans voor f 80 pleegt //te worden verhuurd. Ts zulks dan zonder meer een bewijs, dat //de eigenaar een dubbele onverdiende winst geniet? Dit is alleen //het geval, indien de producten van dien grond, zonder in hoe-//danigheid te zijn verbeterd, verdubbeld zijn in prijs. Doch dit
175
//is niet het geval, indien de pvijs dezelfde is gebleven, doch //de producten verdubbeld zijn in hoeveelheid of in hoedanigheid. //Dit kan het gevolg zijn van jaarlijksche uitgaven, die deeige-//naar tot blijvende verbetering van zijn grond zich heeft ge-//troost; of het gevolg van betere landbouwkennis, waardoor hij //zijn grond heeft gemaakt tot een veel rijker bron van voort-//brenging, tot een economisch gesproken heteren grond, dan //voorheen. In één woord, alleen een statistiek der prijzen van //landbouwproducten kan ons licht geven. Toont deze geen //belangrijke stijging aan, dan moet de stijging van de pacht-//waarde der gronden aan iets anders te wijten zijn dan aan de //meerdere navraag naar levensmiddelen; maar dan is er ook geen //stijging der gmulrente in den waren zin.quot;
Dit betoog is, naar het mij voorkomt, onjuist; wanneer de opbrengst zeer vergroot is, de prijs daarentegen dezelfde gebleven, dan moet juist de vraag naar landbouwvoortbrengselen zeer zijn vermeerderd. Aan deze vermeerderde vraag is wel degelijk de stijging der pachten in vroegere jaren te danken, zonder haar toch zouden de grootere opbrengsten daling in den prijs hebben veroorzaakt.
Mr. Piekson zegt: //Men heeft gepoogd deze uitspraak te //wederleggen met opgaven van graanprijzen uit vorige eeuwen, //waaruit blijkt, dat het graan niet duurder is geworden. Maar //de pacht kan wel stijgen, al stijgen de graanprijzen niet. Zij stijgt //ook, wanneer de opbrengsten toenemen en de prijzen niet dalen. //Eu juist dat is gebeurd.quot; (Leerb. der Staath. II, bl. 265, noot).
Leroy Beauueu heeft de sterke rijzing der pachten in deze eeuw vooral zoeken te verklaren uit de verbazende kapitalen, die tot verbetering van den grond zijn aangewend. De stijging der pachten was belangrijk, in Frankrijk van 1851â1874 een stij-
176
ging van 1.900 millioen francs tot 2 milliard 750 millioen; maar zegt Leroy Be au lieu , wij kunnen zeer goed veronderstellen, dat elk jaar 500 millioen francs, nauwelijks 10 fr. per hektare, voor verbeteringen wordt aangewend. De rente van een dergelijke som, elk jaar aan den grond besteed, zou in 1874 na 23 jaren 575 millioen francs bedragen, terwijl de pachten zijn toegenomen met 850 millioen francs, waarvan echter om andere redenen, belastingen enz., zooveel kan worden afgetrokken, dat dit vrij wel gelijk staat. (Répartition des Richesses p. 110.)
Dit gansche betoog schijnt mij op geheel onzekere, willekeurige gronden te rusten; bovendien houdt Leroy Beaumeu veel te weinig in het oog, zooals wij vroeger 1) reeds bespraken, dat bijna alle verbeteringen slechts een tijdelijke werking hebben, dat men toch moeielijk kan zeggen dat //plantationsquot; nog rente opleveren, wanneer de geheele aanplanting reeds weder door andere beplanting is vervangen. Een gemiddelde uitgave van f 5 per hektare elk jaar voor //blijvendequot; verbeteringen is zeer veel, ja, zal slechts bij uitzondering door iemand aan zijn grond worden besteed.
Cairo berekent dan ook dat //the capital wealth of the owners *of landed property has been increased, in Great Britain and //Ireland, by £ 331.000.000 in 20 years, at a cost to them which //probably has not exceeded £ 60.000.000.quot; (Walker, //Land //and its Rentquot; p. 117).
Vrij zeker kunnen wij dus aannemen, dat de pachten in de tweede helft dezer eeuw in sterke mate zijn gestegen onafhankelijk van de verbeteringen van den grond, maar hier staat tegenover, dat in de laatste jaren een daling der pachten valt waar te nemen.
gt;) Zie boven bl. 55 e. v.
177
Bij de vraag, of de pachten al dan niet zullen stijgen, is de tegenwoordige kolonisatie, naar het mij toeschijnt, al moge zij dan niet van veel invloed zijn, toch niet geheel voorbij te zien.
Eindelijk kunnen de verbeteringen in den landbouw voor eiken staat in het bizonder verschillende gevolgen hebben. Staten toch, waar het grondgebied grootendeels uit onvruchtbaren grond bestaat, zullen bij de waarschijnlijke verbeteringen in de toekomst meer voordeel hebben dan staten, die thans reeds door hun bizonder vruchtbare gronden zich in een bevoorrechte positie bevinden. Ook dit kan dus bij landnationalisatie van invloed zijn; in de staten met onvruchtbaar grondgebied zal toch hierdoor de totale pachtwaarde stijgen, in andere staten daarentegen dalen.
Als resultaat van het bovenstaande verkrijgen wij dus, dat toekomstige daling of stijging der pachten geheel onzeker is , maar dat in weerwil der toenemende bevolking, een faktor, die wel zeer veel invloed heeft, maar toch niet zooveel, als men soms meent, daling der pachten waarschijnlijker is dan stijging wegens de steeds toenemende vermindering der transportkosten en de voortdurende verbeteringen in den landbouw.
Aan den anderen kant is het echter onjuist een daling te voorspellen gedurende eeuwen, zooals Leuoy Bkaui.if.u doet; integendeel in een verre toekomst doet de steeds toenemende bevolking stijging verwachten; op het oogenblik echter zou landnationalisatie voor den staat een speculatie zijn , die meer slechte dan goede kansen aanbood. Aan de beweerde toekomstige stijging der pachten wordt dus ten onrechte een argument vóór landnationalisatie ontleend, eerder is het tegendeel het geval, zeer terecht toch wordt door Prof. d'aüi.nis en Leuoy Beaulieu
12
178
er opgewezen, hoe gevaarlijk bij mogelijke daling der pachten zulk een speculatie voor den staat zou kunnen zijn.
Aan het einde van dit hoofdstuk moet thans nog besproken worden, in hoeverre de verschillende plannen van uitvoering, door de landnationalisten voorgesteld, op de verdeeling van den rijkdom van invloed zouden zijn.
Over de beste wijze, waarop hun plannen verwezenlijkt kunnen worden, loopen de meeningen der voorstanders van landnationalisatie zeer uiteen; tal van denkbeelden vinden wij in hun geschriften, ja zelfs vaak wijzigingen van denkbeelden na verloop van tijd of verschillende voorstellen bij denzelfden schrijver.
Bij het bespreken van die verschillende plannen en van de daartegen ingevoerde argumenten, meen ik het voorstel van Hen ry George met stilzwijgen voorbij te kunnen gaan. Alleen plannen, die een volkomen volledige schadeloosstelling inhouden, mogen in
aanmerking komen.
In dc eerste plaats zal ik behandelen de plannen van J. S. Mill. Reeds vroeger heb ik Mitj.'s denkbeelden in dezen met een enkel woord besproken. ') Het stijgen van de pacht wordt als zeker door hem aangenomen wthe fact of an //increase of rent is easily ascertainedop welke wijze kan nu dat //unearned incrementquot; aan de grondeigenaren ontrokken en aan den staat worden gebracht ? Mili. wil geen landnationalisatie in den striksten zin des woords; de pachtwaarde van alle gronden moet worden geschat, na verloop van 20 jaar wordt zij weêr geschat en dan wordt berekend, alle verbeteringen van den
Zie boven bl. 85.
179
grond door toedoen van den eigenaar in aanmerking genomen , hoeveel die pachtwaarde dus door //unearned ver
meerderd is. Die vermeerdering zal door de eigenaars als belasting aan den staat moeten worden afgestaan
Wanneer een grondeigenaar, liever dan zich te onderwerpen aan de latere taxatie van de vermeerdering der pacht, zijn grond geheel aan den staat wil afstaan, zal hij daarvoor ontvangen de volle verkoopwaarde, die de grond op het oogenblik bezit. Ook later zal steeds elke eigenaar, indien hij dit verkieslijker vindt dtm om de belasting te betalen, zijn grond nog aan den staat kunnen afstaan tegen die hem oorspronkelijk aangeboden som, de verkoopwaarde van den grond op het oogenblik, waarop de maatregel werd ingevoerd, en wel met bijrekening van de verbeteringen, die de grond in dat tijdsverloop ondergaan heeft.
De bezwaren, die een dergelijke taxatie oplevert, zullen, zegt Mii.t., niet groot zijn, want het is niet noodzakelijk, dat de staat van zijn recht tot het uiterste gebruik maakt. //A large //margin should be allowed for possible miscalculationquot; (Diss, and Disc, p. 245); in liet eerst zal alle grond geschat worden en vervolgens zal er aanteekening worden gehouden van de latere verbeteringen door den eigenaar gemaakt. Als een eigenaar kan bewijzen, dat door bizondere omstandigheden, zijn grond niet in de algemeene rijzing in waarde gedeeld heeft, zal hij van dc belasting worden vrijgesteld. Ook vermindering van de waarde van het geld moet in aanmerking worden genomen ; de grondeigenaar moet de //benefit of every doubtquot; genieten.
Mru/s voorstellen benadeelen dus in geen enkel opzicht de grondeigenaren, hij wil de meest volledige schadeloosstelling geven. Een andere vraag is echter, in hoeverre zijn plan praktisch uit-
180
voerbaar is en welke finantieele gevolgen het voor den staat zal hebben.
Op al de moeielijkheden, die zich bij de uitvoering zullen voordoen, is vooral door Wat.keii in //Land and its Rent1' (p. 130â137J de aandacht gevestigd. Hoe toch zal de waarde der verbeteringen van den grond geschat worden? Thans reeds bestaat er groot verschil van meening bij de groote economen, in hoeverre de verbeteringen de pacht verhoogd hebben, Paul Leroy I5eaut,ieu , Carey aan de eene zijde, Walker en Caird aan de andere; hoe zal dit dan voor elk bizonder stuk grond beslist moeten worden? Walker zegt; //Many, if not most, //agricultural improvements are made in the expectation of an //increase of the produce, the enjoyment of which for a term of //years, greater or less , answers both for interest on the investment //and for the principal of the investment itself; but how impro-//vements should be classified for this purpose, what should be the //term of years for any one class of investments how the first cost should //be computed, how the State should check and prove the owner's //accounts of work done , how secure that the work charged should //be real, effective work, such as would be given to the planting and //harvesting of the annual crop , of which the State would take //no accountdoor al deze ingewikkelde kwesties, die zich telkens zullen voordoen, zal bf de staat met rechtvaardige, rechtschapen ambtenaren, daar deze geen vasten maatstaf hebben en de eigenaar natuurlijk alles ten zijnen gunste voorstelt, altijd en op elk punt verliezen lijden , bf zullen met minder nauwgezette ambtenaren , die de belangen van den staat tot het uiterste behartigen, alle grondeigenaren gebruik maken van hun recht om hun grond aan den staat af te staan tegen den vroeger bepaalden prijs. (op. cit. p. 132).
181
De moeielijkheid , zoo uiet onmogelijkheid om verbeteriugeu te schatten daar, waar de boereu zelf eigenaren ziju , wordt dau ook door Mii.l zelf erkend: //It would really be very difficult, if not '/impossible , to determine how much the proprietor and his family //had done in any given number of years , to improve the pro-//ductiveness or add to the value of land.quot; (Diss. a. Diss. p. 299). Maar , zegt Mill , wanneer de verbeteringen door rijke landheeren worden gemaakt, staat de zaak geheel anders; wat zij voor hun land doen, gaat door middel van tusschenpersonen, die daarvoor geld ontvangen, zoodat dit zeer wel te controleereu valt.
Ook in dit laatste geval blijft echter veel van het bovenstaande, door Walker aangevoerd, gelden eu bovendien geeft Mill hiertoe, dat zijn stelsel alleen voor speciaal Engelsche toestanden kau geldeu.
Ook uit finantieel oogpunt voor den staat, verdient Mill's stelsel geen aanbeveling; al steeg de pachtwaarde, dan nog zou het finantieel voordeel gering zijn, wanneer //a large margin //should be allowed for possible miscalculation'', en hoe ruim die grens genomen moet worden, blijkt ook uit een faktor, waarmee volgens Mill en zeer terecht rekening moet worden gehouden, nl. verandering in de waarde van het geld; hoe is dit nu eenigszins nauwkeurig te schatten ?
Indien nu echter de pachtwaarde daalt, wat zal dan het geval zijn? Walker is van oordeel, dat de staat, die alle toekomstige voordeden der grondeigenaren , die niet voortspruiten uit eigeu verdiensten, voor zich opeischt, verplicht is om evenzeer alle verliezen , die aan oorzaken buiten de grondeigenaren om zijn toe te schrijven, te vergoeden, want; //Heads, I win, tails, you lose, //is no fair gamequot;, (op. cit. p. 135). In dienzelfden geest laat ook Gide zich uit; wanneer, zoo zegt deze schrijver, de staat
182
het recht heeft op elke vermeerderiug vau waarde, die niet door deu eigenaar zelf ontstaan is, dan moet hij ook alle verliezen vergoeden niet door eigen toedoen ontstaan en aangezien door verandering van vraag en aanbod alle goederen voortdurend in waarde rijzen en dalen zonder toedoen van den eigenaar, zal de staat met ieder in voortdurende rekening-courant moeten staan. gt;)
Naar mij echter voorkomt, heeft Mill hierin wel degelijk voorzien, hij denkt wel aan mogelijke daling der pacht, maar beschouwt die mogelijkheid alleen als een zeer bizonder lokaal verschijnsel. Want, zegt hij, tegen hen, die beweren, dat zij, die kans op waardevermindering hebben, ook de kans op waardevermeerdering niet behooren te verliezen, //the answer is that //the power of giving up the land at its existing price, in which //both chances are allowed for, makes the matter even.quot; (op. cit. p. 295). Zoodra dus de pachten dalen, zal elk eigenaar tegen deu oorspronkelijk vastgesteldeu prijs, zijn grond aan den staat overdoen. Beschuldigden dus Walker en Gidis Mill's stelsel ten onrechte van onbillijkheid, het middel, waardoor Mill alle onbillijkheid wil wegnemen, doet voor den staat gevaar ontstaan van zeer groote verliezen te lijden, een gevaar door Mill geheel over het hoofd gezien, waar hij de daling der pacht slechts als een zeer lokaal verschijnsel mogelijk acht.
Met een bijomstandigheid heeft Mili, bovendien geen rekening gehouden; gesteld , dat de rente na verloop van tijd stijgt, dan zal elk grondeigenaar, al is de pacht even hoog gebleven, in zijn voordeel handelen met zijn grond aan den staat over te doen voor den oorspronkelijken prijs, die dooi- deu veranderden rentevoet hooger
!) Zie Mr. Goekoop , diss. bl. 26.
183
is dau de thaus te bediügeu prijs. De mogelijkheid voor elkeu grondeigenaar om later nog zijn grond aan den staat te kunnen overdoen tegen den oorspronkelijk vastgestelden prijs, zou dus al zeer gevaarlijk zijn.
De staat zou, mijns inziens, dit laatste echter niet behoeven te bepalen zonder daarom onbillijk te zijn, daar toch elk grondeigenaar in den aanvang tegen den vollen koopprijs zijn grond kan overdoen en hij dus niet gedwongen wordt zich aan latere belastingen te onderwerpen. Maar ook dat verbetert de zaak weinig. Dau toch zouden vele grondeigenaren liever tegen dien prijs hun grond afstaan, daar de grond, wanneer zij dien behouden , zeer zeker in waarde beneden den koopprijs zal dalen; bij dien koopprijs toch was zoowel de kans op stijging als op daling van den prijs begrepen, valt dus de eerste factor weg, dan moet de waarde verminderen. Het grootste deel van den grond zou dus onmiddellijk aan den staat worden overgedaan en Mill's stelsel zou grootendeels uitloopen op landnationalisatie met aankoop van alle gronden.
Bovendien zou deze maatregel indirekt onbillijk werken: de meeste kapitalisten, die hun kapitaal in grond belegd hebben , zouden hun grond overdoen en hun geld in eflekten of anderszins beleggen, de boeren op eigen grond daarentegen, voor wie die geldbelegging veel bezwaarlijker is, zouden hun grond maar liever behouden en zoo feitelijk nadeel lijden.
Mill zelf zou een overgang van bijna allen grond in staats-handen niet wenschelijk geoordeeld hebben, daar hij in zijn openingsrede van de //Land Tenure Reform Associationquot; den tegen-woordigen tijd nog niet rijp oordeelde voor volledige nationalisatie van den grond. Mill kan dan ook, zooals ik reeds vroeger zeide,
184
slechts onder zeker voorbehoud lauduatioualist genoemd worden, al moet hij toch zeer zeker onder de mannen dier richting worden gerekend. Wai.keb noemt zelfs zijn stelsel //a system of '/'/Nationalizing the Land.quot;quot; (op. cit. p. 134), â
Bij Wallace vinden wij een plan van uitvoering, dat eenige punten van overeenkomst met Mill's stelsel vertoont, al mogen er verder ook groote verschilpunten bestaan.
Wallace stelt in het kort het volgende voor: De staat wordt eigenaar van allen grond , maar aan den anderen kant moeten zij, die den grond van den staat in bezit hebben, dien grond voortdurend kuuneu houden, moeten zij geheel vrij zijn om met den grond te doen, wat zij willen, en in staat zijn om dien te verkoopen of over te dragen met de minst mogelijke moeite en kosten. Om dit resultaat te verkrijgen, moet de waarde van elk stuk grond geschat worden en wel met dien verstande, dat er een splitsing gemaakt wordt tusschen de inherente waarde en de vermeerdering, welke die inherente waarde heeft ondergaan door verbeteringen enz., aangebracht door den arbeid en het kapitaal der eigenaren of houders. Het eerstgenoemde deel van de waarde van den grond wordt eigendom van den staat, die voor het gebruik er van een zekere »quit-rentquot; eischt, het andere blijft het eigendom van den houder van den grond en kan genoemd worden het «tenant-right.quot; Dit âtenant-rightquot; is dus voor overdracht vatbaar en de houder kan haudelen met zijn grond, zooals hij wil. Teder, die op het oogenblik, waarop de wet in werking treedt, houder van' den grond is, zal het recht hebben houder van dien grond te blijven onder den staat tegen betaling van een bepaalde //quit-rentquot;; eerst moet hij dan ecliter het //tenant-rightquot; koopen of op een andere wijze verkrijgen; hij zal in staat zijn
185
dit te doeu, bf doordat hij het met onderlinge schikking van den landheer koopt, bf wel, doordat, indien partijen het niet eens kunnen worden, een schatter of «a landcourtquot;, door den staat benoemd, kan worden ingeroepen om de waarde te bepalen. Wanneer een houder niet in staat is de koopsom voor het //tenant-rightquot; te betalen, moeten er voorzieningen worden getroffen, dat hij die som langzamerhand kan afdoen.
Alle onderhuur is behalve in zeer speciale gevallen verboden; het nemen van hypotheek op den grond zal zooveel mogelijk beperkt worden door te regelen, tot welke verhouding hypotheek mag worden opgenomen, en door alleen hypotheken toe te staan op voorwaarde, dat deze zullen worden afgelost door jaarlijksche afbetalingen.
Eindelijk zal onder dit stelsel aan eiken onderdaan de gelegenheid worden gegeven om eenmaal in zijn leven een stuk grond te kiezen voor zijn persoonlijk bezit. Dit recht om te kiezen zal natuurlijk beperkt zijn tot voor den landbouw gebruikten of woesten grond; het zal beperkt zijn tot een oppervlakte van niet minder dan één en niet meer dan vijf acres, terwijl van een hoeve gedurende het leven van den houder nooit meer dan een bepaalde verhouding b. v. 10 0/0 door middel van dit recht van grond kiezen zal kunnen worden afgenomen. De //Land-Courtquot; zal bepalen, hoeveel //quit-rentquot; voor het gekozen stuk betaald moet worden en hoeveel voor het //tenant-rightquot; moet worden gegeven aan den vroegeren houder. Door dit aldus geregelde recht om een stuk grond te kiezen zou dan groote onafhankelijkheid van den werkman in het leven worden geroepen.
Volledige schadeloosstelling voor de inherente waarde wil Wallace aan de tegenwoordige grondeigenaren niet geven; hij wil
186
hun slechts vergoeding verleenen door eeu tijdelijke jaarlijksche uitkeering gelijk aan de som vroeger door hen van den grond verkregen; die uitkeering zal plaats hebben aan den tegenwoor-digen eigenaar en aan zijn erfgenaam of erfgenamen, die leefden, toen de wet werd aangenomen, of die geboren zijn een bepaalden tijd vóór den dood van genoemden eigenaar.
Deze wijze van vergoeding is niet volledig; de uitkeering gedurende een bepaalden tijd is gekapitaliseerd op verre na niet gelijk aan de waarde van den grond, welke argumenten W aij.ace ook moge aanvoeren, dat het feitelijk voor den eigenaar toch hetzelfde is en dat, al moge de schadeloosstelling niet geheel volledig zijn, dit geen zoo groot bezwaar is; het onjuiste der argumenten door hem voor dit laatste aangevoerd, bespraken wij vroeger ') reeds. Wallace's plan van schadeloosstelling behoeft dus niet nader besproken; de resultaten zijner plannen voor de staatskas stelt hij zeer schoon voor; na verloop van tijd zal de staat de zuivere inkomsten trekken van al de //quit-renf', belastingen zullen kunnen worden afgeschaft enz.; resultaten even goed te verkrijgen door zoo nu en dan een reeks van groote kapitalisten een deel van hun vermogen te ontnemen, de onbillijkheid zou dan alleen wat meer in het oog springen.
Hoe moet Wallace's voorstel nu beoordeeld worden, wanneer men daarbij niet zijn stelsel van schadeloosstelling volgt, maar een volkomen volledige vergoeding toekent ?
Een zuivere grens tusschen //quit-rentquot; en //tenant-rightquot; is onmogelijk te trekken; Wallace zelf geeft niet duidelijk aan, hoe hij die grens wil getrokken hebben. Eerst zegt hij:
gt;) Zie boven bl. 50.
187
//These portions are-firstly, the inherent value, and, secondly, '/the improvements or additions added to the inherent value quot;by the labour or outlay of the owners or occupiers . . . //The inherent value depends on such natural conditions as geo-//logical formation, natural drainage, climate, aspect, surface, and //subsoil or on such general facts and conditions as density of //population, vicinity of towns, ports, railroads, or public high-'/ways, none of which were created or are capable of being //much altered by the individual action of the landholderquot;; (op. cit. p. 194), later heet het daarentegen: //This estimate of the '/annual value of each plot of land as it stands must then be quot;divided into two parts, the one the value of the landlord's own quot;portion â the future ntenani-riyht-quot; the other the inherent //value, including that given by the community as well as by the quot;cultivation of preceding generations of tenants.quot; (op. cit. p. 195). Eerst is dus //the inherent valuequot; dat deel der waarde van den grond, waarop geen houder invloed heeft gehad; later wordt de waardevermeerdering door bebouwing van achtereenvolgende //tenantsquot; toch bij de inherente waarde gerekend en is deze laatste dus wel degelijk door menschelijken arbeid vergroot. Dit laatste stelsel is echter meer uitvoerbaar dan het eerste, want, zegt Wallace, hoeveel de //landlord'' aan den grond verbeterd heeft, is gemakkelijk te vinden door de verschillende, op dit punt bestaande lokale gebruiken. De uitvoerbaarheid van dit stelsel zou dan ook blijken in Ierland, waar het door verschillende quot;land-courtsquot; wordt toegepast. Bij een dergelijke splitsing is echter van een zoogenaamde inherente waarde geen sprake meer, zij wordt feitelijk willekeurig vastgesteld. Hoe zal nu deze splitsing gemaakt worden bij boeren op eigen grond, hoe zal daar ook
188
maar eenigszins nauwkeurig een grens zijn te trekken ? Dit geval wordt niet aangeroerd door Wallace.
Feitelijk heeft echter de maatstaf, waarnaar die splitsing geschiedt, op zich zelf niet veel te beduiden. Gesteld eeu stuk grond brengt op f 1000 'sjaars, deze opbrengst wordt gesplitst in f 800 //quit-rentquot; en f 200 opbrengst van het //tenant-right,quot; dan zal de staat in het vervolg f 800 moeten ontvangen als //quit-rent,quot; maar eveneens zal de grondeigenaar volledig schadeloos gesteld moeten worden, d. w. z. hij zal die f 800 gekapitaliseerd moeten ontvangen, berekend naar de rente, die op dat oogenblik vau grond gemaakt wordt.
Een veel belangrijker kwestie is, of die //quit-rentquot; later veranderd zal kunnen worden? Hierover laat Wallace zich bijna niet uit, zoodat zelfs Mr. Goekocp (diss. bl. 60) tot het besluit komt, dat Wallace van oordeel is, dat die //quit-rent,quot; door hem eeu //perpetual quit-rentquot; genoemd, steeds dezelfde zal blijven, hoezeer dit ook in strijd moge zijn met de verdere denkbeelden van Wallace , die zich immers geheel bij George aansluit en dus in de eerste plaats bij zijn stelsel er op bedacht zou moeten zijn om de steeds stijgende pacht aan de gemeenschap te brengen. Deze meening is onjuist, Wallace heeft wel degelijk een verhooging van de //quit-rentquot; in evenredigheid met de vermeerderde pachten op het oog; in zijn Appendix II toch zegt hij van den //State-tenant//His rent would never be raised //on account of any improvements made by himself, but only on //account of increased value of ground-rent, due to the growth of //population or other general causes which would aflect all the ground //around as well as his.quot; (op. cit. p. 243). De ^quit-rentquot; zal dus wel kunnen verhoogd worden , maar over de wijze, waarop
189
die stijging van de pacht berekend moet worden, bewaart Wai.t.ace volkomen het stilzwijgen ; de moeielijkheid wordt dus in zooverre door hem ontweken. Bij het bespreken van Mill's stelsel zagen wij toch, hoe moeielijk zoo niet onmogelijk zulk een schatting is.
Wat nu echter, indien de pacht daalt en de //quit-rentquot; dus te hoog is? wanneer de staat dan niet de //quit-rentquot; verlaagt, zal een algemeene ontevredenheid ontstaan en tal van gronden, waarvan het «tenant-rightquot; zeer gering is, zullen niet meer bebouwd worden, daar de zuivere opbrengst lager is dan de aan den staat op te brengen, //quit rent.quot; De staat zal dus gedwongen zijn om bf die gronden zelf te gaan beheeren of verpachten, een stelsel, waartegen Wallace hevig te velde trekt, bf zijn //quit-rentquot; te gaan verlagen. In elk geval dus dezelfde schade, als wanneer de staat alle gronden in eigendom had gekregen.
Aan den anderen kant verkrijgt de staat bij stijging der pacht weinig voordeel door //the large margin,quot; die bij Wat,lace's stelsel zoo goed als bij Mn.ï, aangewend zal moeten worden, wil men niet onrechtvaardig zijn. Bij Wallace's stelsel dus voor den staat slechts kans op geringe voordeelen en daarnaast kans op groote verliezen, terwijl even goed een zeer groote leening gesloten zou moeten worden, al mag die leening minder groot zijn dan bij overname van allen grond. Uit het oogpunt van finantieel voordeel voor den staat, is Wallace's plan dus allerminst aanbevelenswaardig , ja nog veel gevaarlijker dan overname van allen grond door den staat.
In andere opzichten echter is het stelsel van Wallace merkwaardig ; het door hem beoogde doel ; zooveel mogelijk aan ieder de mogelijkheid te openen om desnoods met een klein kapitaal toch
190
grondeigenaar te worden, ja, zelfs ieder in de gelegenheid te stellen eenmaal in zijn leven een stuk grond te kunnen kiezen, is alle bespreking waardig.
Door voor een betrekkelijk geringe som een //tenant-rightquot; te koopen kan ieder, die lust en energie heeft, zelf grondeigenaar worden. Alle pachters zullen in grondeigenaren veranderen, zegt Wallace; ook hier is hij, het valt niet te ontkennen, wat al te optimistisch in zijn voorstelling. Wanneer n.1. een pachter geen voldoend kapitaal bezit tot het koopen van het //tenant-rightquot; van den door hem bebouwden grond, dan zullen er, zegt Wallace , voorzieningen moeten worden getroffen om hem in staat te stellen die som langzamerhand af te doen, daar anders het door hem beoogde doel: te voorkomen , dat iemand tegen zijn wil uit zijn huis of van zijn grond verdreven zou worden, slechts zeer ten deele bereikt zou worden. Hoe zal nu echter die betaling in termijnen geschieden? Wallace stelt voor, dat door middel van //Loan Societiesquot; of gemeentelijke besturen de be-noodigde som voorgeschoten zal worden om in termijnen te worden terugbetaald, zonder dat hij dit plan echter eenigszins nader uitwerkt. Bij de uitvoering van dit plan zouden zich groote moeielijkheden voordoen, daar de risico voor hen, die dit geld voorschieten zeer groot is. Door verwaarloozing toch kan vooral dat gedeelte van de waarde van den grond, dat Wallace met den naam van //tenant rightquot; bestempelt, zeer in waarde dalen; men denke slechts aan slecht onderhoud der gebouwen, enz. W anneer de staat derhalve die sommen leent of garandeert, (want welke particuliere maatschappij zou dit anders durven ondernemen of de te betalen rente moest uiterst hoog zijn, in welk geval de maatregel al zeer weinig doel zou treffen) zal dit een groote bron
191
van verliezen geven, die men wel bij de beoordeeling van het geheele stelsel in aanmerking mag nemen.
Bovendien kan het zeer wel gebeuren, dat de pachter, thans eigenaar, ook op den duur niet in staat is de af te lossen som te betalen, ja zelfs in gebreke blijft de rente te voldoen. In dat geval zal verdrijven van den grond toch noodzakelijk worden. Slechts in zeer beperkte mate, dit houde men hierbij in het oog, zal, volgens de bepaling op de hypotheken in Wallace's stelsel, op het //tenant-rightquot; geld op hypotheek kunnen worden opgenomen.
Dit bezwaar, dat de pachter het //tenant-rightquot; niet zal kunnen betalen, telle men niet te licht. Weinig pachters bezitten zooveel kapitaal, dat zij behalve hun bedrijfskapitaal nog geld zullen kunnen besteden voor het koopen van het //tenant-rightquot;. Vele pachters zullen derhalve niet in staat zijn grondeigenaar of liever houder van het tenant-right te worden of te blijven en zoo zal hun positie verminderen in plaats van te verbeteren. Wallace zelf zegt, naar aanleiding van de verbodsbepaling van hypotheken boven een bepaald bedrag, dat zij, die zonder die hypotheken den grond niet kunnen bebouwen den grond maar moeten afstaan aan hen, die meer kapitaal hebben. Dit is echter in strijd met het doel, dat hij tracht te bereiken.
Aan den anderen kant zou Wallace's stelsel een groot voordeel opleveren voor die pachters , die door bekende soliditeit en een flink bedrijfskapitaal, zoo zij al niet in staat zijn met eigen kapitaal het //tenant-rightquot; te koopen, dan toch tegen niet te hooge rente het kapitaal kunnen opnemen. In zooverre zou dus die maatregel voor een deel der pachters voordeelig /rijn, al leende de staat ook niet tegen lage rente het voor het tenant-right
192
benoodigde geld, een bijna niet door te voeren maatregel wegens de genoemde kans op groote verliezen.
Is nu echter een zeer wenschelijke overgang vau pachters in grondeigenaren alleen door middel van een soort van landnationalisatie te verkrijgen? De plannen door prof. Mot,tzee voorgesteld in quot;Landbouw en Kapitaalbeleggingquot; bewijzen het tegendeel. In vele opzichten wordt hiermee hetzelfde doel beoogd.
Elk pachter ontvange, volgens prof. Moltzer , het recht om -den eigendom van het gepachte goed op zich te doen overgaan tegen een daarop ten behoeve des verpachters te vestigen grondrente , gelijk aan de gemiddelde netto opbrengst in geld, welke het goed den eigenaar in de laatste 20 jaren bij verpachting heeft kunnen opleveren, terwijl bij het betalen der grondrente zal gelden het beneficium competentiae.
Of een grondeigenaar een //quit-rentquot; aan den staat moet betalen of wel een grondrente aan den vroegeren eigenaar is inderdaad hetzelfde , alleen zal hier de boer niet het //tenant-rightquot; behoeven te koopen en zal de lastige scheiding in twee deelen van de waarde van den grond wegvallen, terwijl van een groote finantieele risico voor den staat, zooals bij het stelsel van Wallace , geen sprake is. Het plan van prof. Moi.ïzer , een principieele tegenhanger van landnationalisatie, kan dus grootendeels dezelfde resultaten geven als, Wallace wenscht te bereiken, natuurlijk geheel in het midden gelaten, in hoeverre de plannen, in //Landbouw-en Kapitaalbeleggingquot; verdedigd, wenschelijk zijn en in hoeverre een grondrente, gelijk aan het gemiddelde van de opbrengst gedurende 20 jaren, een eenigszins volledige vergoeding mag hceten. (Ook hieruit blijkt weder, dat de groote voordeden, welke voorstanders van wijziging in het grondbezit voorspiegelen, vaak
193
voortvloeien uit een onbillijke benadeeling der grondeigenaren ten voordeele van den staat of van niet-grondeigenaren).
Wat hypotheken betreft, verdient het stelsel van Wallace verre de voorkeur boven de in //Landbouw en Kapitaalbeleggingquot; verdedigde overgang van hypotheek in grondrente. Door de uitbetaling van den staat (natuurlijk niet Wallace's schadeloosstelling maar volledige vergoeding), zullen zij, die hun grond bezwaard hebben, hun schulden grootendeels, zoo niet geheel kunnen afdoen; hier dus niet de zoo moeielijke regeling van den overgang van hypotheek in grondrente met //beneficium cotn-petentiaequot;, een regeling, die bovendien uit billijkheidsoogpunt raoeielijk te verdedigen is.
Het zou mij te ver voeren nog verder een parallel te trekken tusschen beide plannen. Duidelijk blijkt echter uit het bovenstaande, dat het plan van Wallace in veel opzichten een goede zijde heeft, maar dat feitelijk landnationalisatie liet middel is om een toestand te verkrijgen, die met landnationalisatie, zooals men die gewoonlijk opvat, met landnationalisatie als een soort van collectivisme, niets gemeen heeft, ja, die daarvan feitelijk een tegenhanger vormt. Boeren op eigen grond is Wallace's doel en het zwakke van zijn stelsel is juist gelegen in het land-nationalistisch karakter, waardoor een zoo lastig te regelen staatsinmenging ontstaat en zulke zware finautiëele lasten op de schouders van den staat worden gelegd.
Bespreken wij thans nog met een enkel woord Wallace's verdere plannen om elk burger liet recht te geven eenmaal in zijn leven een stuk grond te kiezen.
Ook. dit recht tot het kiezen van een stuk grond van 1 tot 5 acres onder de reeds genoemde voorwaarden is, de wensche-
13
194
lijklieid in het midden gelaten, volstrekt niet alleen door landnationalisatie te verwezenlijken. Waarom zou ook bij onze toestanden niet bepaald kunnen worden, dat ieder zich zulk een stuk grond kou kiezen en dat dan , wanneer partijen het niet eens konden worden, de staat het stuk aanwees en de te betalen koopsom bepaalde. Hier, dit moet erkend worden, heeft echter de betaling van de //quit-rentquot; aan den staat dit voor, dat de werkman, die een stukje grond wil hebben , slechts het //tenant-rightquot; behoeft te koopen.
Wallace stelt zich echter de gevolgeu van dat recht veel te verreikend voor. Niemand zal ontkennen, dat het weuschelijk is, dat elk werkman een eigen stukje grond bezit, 't welk hij iu zijn vrijen tijd kau bewerken, maar zal nu daardoor de werkman zooveel onafhankelijker zijn? In zekeren zin, ja, want door het bezit van dat stukje grond is hij eenigszins kapitalist; daarin ligt echter alle oorzaak van meerdere onafhankelijkheid; een werkman, die wat overgespaard heeft, is daardoor onafhankelijker, onverschillig of hij voor zijn spaarpenningen een stukje grond koopt, of wel ze in een spaarbank brengt; inderdaad zal hij bij voorkomende werkeloosheid of ziekte nog meer profijt er van hebben, wanneer hij zijn geld in de spaarbank heeft gebracht, daar hij het in dat geval onmiddellijk tot zijn beschikking heeft. Op de meerdere onafhankelijkheid van den werkman zal Wallace's plan dus direkt geen invloed uitoefenen. Alleen in een land, waar geen kleine stukjes grond te koopen of te huren zijn, zou zijn maatregel, alle daaraan verbonden bezwaren een oogenblik buiten rekening gelaten, veel voordeel opleveren, en overal, dit valt niet te ontkennen, zooals ik boven reeds zeide, dit voordeel ; dat men voor de koopsom van het gekozen stukje grond slechts
195
weinig kapitaal noodig zou hebben, daar alleen het '/tenant-right1' gekocht behoeft te worden.
In de steden echter zal dit den toestand niet verbeteren, daar toch is de hooge prijs van den bouwgrond het groote bezwaar; welnu, wanneer de staat volledige schadeloosstelling geeft, dan zal de aan hem te betalen /â /quit-rentquot; toch ook hoog moeten zijn en zullen dus de huizen even hoog in prijs blijven. Een werkman in de stad zal van zijn recht om buiten een stuk grond te kunnen kiezen zeer weinig voordeel hebben.
In de twee volgende hoofdstukkeu zal ik, in verband met het daar te behandelen, nog op Walt,age's plannen terugkomeu.
Wenden wij ons thans tot de plannen van uitvoering der andere vooral der Duitsche landnatioualisten.
Het meest eenvoudige stelsel, aaukoop der gronden door den staat en verpachting, vormt bij bijna al huii plannen den grondslag ; Gossex en Wai.uas hebben dit stelsel zonder meer aangenomen , anderen hebben meer ingewikkelde stelsels aanbevolen.
Zal nu echter de staat kunnen leenen tegen een dusdanige rente, dat hij met de opbrengst der pacht de interesten der schuldbrieven kan betalen ? Deze vraag is van het hoogste belang ook voor het stelsel van Wallace , waarbij de staat de grondeigenaren zal moeten vergoeden door de //quit-rentquot; te kapita-liseeren naar de rente, die van grond gemaakt wordt; ook hier zal dus de staat, wil hij geen schade lijden, geld moeten kunnen leenen tegen een rente niet hooger dan de rente, die men van den grond maakt. Ook bij Mill's stelsel is dit van belang, daar door het recht aan de grondeigenaren toegekend om den grond aan den staat over te doen , deze hiervoor eveneens leeningen zal moeten sluiten.
196
Leroy Bea.ui.ieu en prof. d'Aui.nis hebben beiden deze vraag besproken en zijn tot de conclusie gekomen, dat een dergelijke operatie zeer nadeelig voor den staat zou zijn. Leroy Beaut.ieu schat (Le Collectivisme p. 168) de zuivere opbrengst van den grond op 21/2 a 23/4 0/o van den koopprijs , terwijl, uitgenomen Engeland, de meeste landen slechts geld kunnen leenen tegen 33/4 , 4, 472 , 5 , ja tot 6 quot;/o ; Leroy Beaulieu schreef dit in 1884. Prof. d'Aulnis (Hedend. Soc. bl. quot;292) schat de zuivere opbrengst van den grond op 3 amp; S1/^ % , de rentevoet, waaronder zelfs de meest soliede staten kunnen leenen neemt hij op 4%, Engeland alleen tegen 30/,,. Dit werd echter geschreven in 1886. De rentevoet, waaronder soliede landen kunnen leenen is, na dien tijd aanmerkelijk gedaald. Op het oogenblik kan men rekenen, dat de Nederlandsche staat geld kan leenen tegen 3 0/0 en eveneens België, terwijl Frankrijk tegen ± 3,/10 0/0 Duitschland tegen ± S'/j % , Pruissen tegen ± 3,/2 % , Rusland tegen ± 40/0, geld kunnen verkrijgen 1). Voor een land als Nederland zou aankoop van den grond dus geen verliezen opleveren , andere finantieele nadeelen ter zijde gelaten , indien het al het benoodigde geld tegen dienzelfden rentevoet kan leenen; zal nu echter deze laatste voorwaarde vervuld worden ? Zoowel Leroy Beaut.ieu als prof. d'Aut.nis antwoorden hier beslist ontkennend op; wanneer toch, zoo meenen zij, een staat een leening tot een zoo kolossaal bedrag zou sluiten, zou dit het krediet van dien staat zeer schokken en derhalve den rentevoet doen stijgen.
Dat er stijging zou ontstaan is vrij zeker, maar in hoeverre
1
Aldus was de rente-stand, toen het bovenstaande aiesclireven werd ; thans
197
dit het geval zou zijn , is a priori zeer inoeielijk te bepalen, een stijging van '/2 0/o zou echter, zelfs voor een land als het onze, de operatie nadeelig doen zijn, daar men amper kan rekenen, dat op het oogenblik van grond een zuivere opbrengst van S1/) % verkregen wordt. Op den stand van den rentevoet, waaronder de nieuwe groote leeningen gesloten zouden kunnen worden, zullen verschillende zaken van invloed zijn. Wanneer vele landen te gelijk dien maatregel nemen , zal de stijging niet zoo aanzienlijk zijn ; gaat echter één land en vooral een klein land tot landnationalisatie over, dan zullen velen hun geld in buitenlandsche eliecten gaan beleggen en zal het veel moeie-lijker voor den staat zijn geld te leenen. Dit zal echter ook grootendeels afhangen van de wijze, waarop het besluit tot landnationalisatie is tot stand gekomen. Wanneer het plan bij de groote grondeigenaren en groote kapitalisten in het algemeen veel tegenstand heeft gevonden en hoe licht zal dit het geval zijn, dan zullen deze allerminst geneigd zijn om, wanneer de mannen der landnationalisatie de zege behalen, hun steun in dezen aan den staat te verleenen; integendeel zullen zij uit een soort van revanche naar alle waarschijnlijkheid hun kapitalen in geen geval in staatsfondsen willen beleggen, daar, naar zij meenen en niet ten onrechte, de staat zich heeft gewaagd in een zeer gevaarlijke onderneming.
Dit zou men dan eenigszins kunnen noemen wegvloeiing van het kapitaal naar het buitenland, echter volstrekt niet met dien verstande, dat het meerder kapitaal, dat, zooals Flurscheiii leert, door de landnationalisatie aan de markt komt en de rente doet dalen, nu naar het buitenland gaat; het onjuiste dezer leer zagen wij: vraag naar en aanbod van kapitaal veranderen hier-
198
door niet. De staat, die de laudnatioualisatie invoerde, zal dau moeten tracliteu zijn leeningen in liet buitenland geplaatst te krijgen en meest slechts tegen veel liooger rente. Feitelijk heeft er dus geeu wegvloeiing van kapitaal plaats; de staat stelt de grondeigenaren schadeloos met in het buitenland geleend geld en deze beleggen dat geld weer in het buitenland; alleen is de soliditeit van dien staat in het oog van velen verminderd en dus ook de rentevoet, waarop geld geleend kon worden, gestegen.
Aan deze finantieele operatie kan voor deu staat een voordeel zijn verbonden, een voordeel, waarop ook Fi.ükscheim de aandacht vestigt, al heeft hij het ook geheel verward met zijn vreemde rente-theorie. Wanneer ul. de rente daalt na het invoeren der landnationalisatie, dan zal de opbrengst van den grond even groot blijven, de staat daarentegen zijn schuldbrieven kunnen converteeren; de gronden zullen m. a. w. door de daling dei-rente een hoogere waarde hebben gekregen, die aan den staat ten goede komt. Natuurlijk heeft dit niets te maken met 1'Yürscueim's bewering, dat de rente zoo uitermate zal dalen, een bew.ering, waarvan wij de grove onjuistheid zagen. Of de rente zal dalen, is een a priori nooit met zekerheid te stellen feit. Voor die economen, welke een toekomstige daling van den rentestand verwachten, zou dit dus de nadeelige gevolgen voor den staat gedeeltelijk opheffen. In elk geval blijft het een voordeel, want de kans bestaat en stijging der rente kan nooit nadeeligen invloed uitoefenen, daar de staat eeus zijn leeningen tegen een bepaalde rente heeft gesloten.
Tegenover dit mogelijke voordeel staan tal van nadeelen , waarmee wij nog geen rekening hebben gehouden, nadeelen waarop ook Mr. N. G. Piersojj wijst (op. cit. II bl. 267); nadeelen,
199
die tot fiuautieele ofiers zoudeu voeren ; al uain men aau dat de opbrengst uit de pacht voldoende zou zijn om de te betalen rente te dekken.
//In ieder gevalquot;, zegt Mr. Pieiison, //zou ceu leger van be-/'kwame en volkomen betrouwbare ambtenaren aangesteld moeten //worden om toeziclit uit te oefenen op de pachters, om te zor-'/gen dat zij liet land niet bedierven, niet uitputten; de kosten //daardoor veroorzaakt zouden niet gering wezen. Meent men //die kosten te kunnen ontgaan door de gronden uit te geven in //erfpacht voor 100 jaar? Ze aldus uit te geven zou inderdaad ,/verstandig zijn, maar het financieele offer werd dan waarlijk niet '/kleiner, want na de jongste ervaringen zoudeu geen soliede erf-'/pachters zich aamneldeu, tenzij tot pachtprijzen ver beneden //die, waarvoor thans de meeste gronden zijn verhuurd; wie, die '/iets te verliezen heeft, wil zich verbinden voor 100 jaar, '/tenzij de slechte kansen, die hij loopt, ten volle in reke-//ning zijn gebracht? Om zich op het belang der erfpach-//ters bij een goede exploitatie geheel te kunnen verlaten, //zou de staat alleen met welgestelde eu eerlijke lieden over-//eenkomsten moeten sluiten. Hij zou kieskeurig moeten zijn //ten aanzien van de personen, maar dan ook niet veeleischend //met betrekking tot de pacht.quot;
Toch zou erfpacht uit het oogpunt van productie, zooals wij later zullen bespreken, verre boven pacht dc voorkeur verdienen. Men kan het verschil in opbrengst bij verpachting of bij erfpacht minstens rekenen op ^ 0/o 5 telken jare zou dus de staat staan voor een verlies van millioenen.
Wat zou er bij een dergelijk stelsel van erfpacht overblijven vau het voordeel, dat de staat zou kuuneu behalen van stijging
200
van de opbrengst der gronden, gesteld eens, dat dit werkelijk gebeurde. De staat kan bepalen, dat de pachten elk jaar in verhouding met die vermeerderde opbrengst, verhoogd zullen worden. Gossen o. a. stelt dit voor bij zijn stelsel van verpachting, waarbij de pachter, wanneer hij de pacht steeds betaalt, tot zijn dood den grond kan behouden. Dit zal echter op de prijzen der pachten grooten invloed uitoefenen; wie wil grond pachten, wanneer hij volkomen in het onzekere verkeert omtrent de pacht, die hij na eenige jaren zal moeten betalen, waar, bovendien door de zoo moeielijke berekening, hoeveel de waarde der opbrengst gestegen is, willekeur van den staat volstrekt niet is uitgesloten. Gossen stelt voor, dat de pachter steeds vrij zal zijn de pacht op te zeggen; dit baat echter weinig: de pachter, die den grond goed bebouwt, zal niet dan met verlies dezen plotseling kunnen verlaten en zal dus rekening houden met de mogelijke stijging der pacht; voor den slechten pachter daarentegen is door de mogelijkheid van telkens de pacht op te kunnen zeggen de deur geopend voor een allerverderfelijksten roofbouw.
Alleen wanneer de staat op korten termijn verpacht, een stelsel uit productie-oogpunt allernadeeligst, zal hij eenigszins het voordeel uit vermeerderde opbrengst kunnen realiseeren, maar ook dan nog niet volkomen. Hoe zal nl. vermeden worden , dat de pachters afspreken bij de publieke verpachting geen hoogere pacht te bieden, dan zij vroeger betaalden, ook al is de opbrengst gestegen? Dat dergelijke afspraken niet tot de onmogelijkheden behooren, bewijzen de tiendverpachtingen, waarbij in soimnige deelen van ons land herhaaldelijk dergelijke praktijken worden aangewend. Indien werkelijk in een deel van het land de pachters aldus de pachten kunstmatig laag hielden, zou men wellicht
201
meeueu, dat vreemde pachters uit audere deeleii des lauds aldaar pachten zoudeu en de aaneengesloten pachters dus bedrogen zou-deu uitkomen. Een soort van boycotten zou dan echter zeker op den vreemden pachter worden toegepast en een vreemde, die bovendien zou moeten komen in een streek hem weinig bekend, zou vrij zeker daardoor weerhouden worden. Dit euvel ware alleeu te voorkomen, wanneer er naamlooze vennootschappen ontstonden, die den grond exploiteerden en die in zulk een streek zonder gevaar voor boycotten de geheele afspraak in duigen zouden doen vallen, üe zoo nadeelige gevolgen van dergelijke vennootschappen, waarbij de vroegere pachters niets dan werklieden worden, zonden aan den anderen kant den staat moeten drijven tot maatregelen om dergelijke landbouwondernemingen te voorkoment zij toch zouden een der slechtste gevolgen van landnationalisatie zijn, een slecht gevolg, waarop ook prof. d'Aulnis te recht met nadruk wijst.
Dit alles in aanmerking genomen zou dus de overgang van allen grond in staatshanden reeds onmiddellijk een nadeelige operatie zijn, het gevaar voor de toekomst hij mogelijke daling der pacht buiten rekening gelaten.
Verschillende landuationalisten hebben dan ook andere stelsels uitgedacht of hebben middelen bedacht, die finantieele voordeden aan den staat zouden opleveren, welke voordeden dan voor den aankoop van grond zouden kunnen worden aangewend.
De meeste dier andere stelsels geven geen volledige schadeloosstelling en mogen dus niet in aanmerking komen. Zoo het plan van Schüffi.e , ook door Leroy Beaui.ieu besproken , om een uitkeering te geven gedurende 99 jaar, een plan, dat ons aan Wallace's voorstel doet denkeu, maar even onbillijk is als dit.
202
Schadeloosstelling door deu staat uiet in geld maar met schuldbrieven wordt eveneens door sommigen, o. a. door Stamm voorgesteld; ook dit plan behoeft, daar het geen volledige schadeloosstelling geeft, niet besproken te worden. De waarde der betaalde schuldbrieven hangt geheel af van den koers en de grondeigenaar, die aldus schuldbrieven ontvangt, minder soliede dan zijn vroeger grondbezit en dus minder waard, lijdt een zeer onbillijk nadeel,
Tn de //Oplossing der Sociale kwestiequot; door J. Stoffei. is eveneens een plan voorgesteld, waarbij evenmin volledige vergoeding wordt gegeven (bl. 29). Alle gronden worden getaxeerd naar den maatstaf van 25 maal de gemiddelde zuivere jaarlijksche opbrengst gedurende de laatste 25 jaar; dit is reeds onbillijk, want grond brengt minder dan 4 0/o op. De staat sluit uu een leening van 1000 millioen gulden ongeveer Vs vau de waarde van den grond in Nederland. Van de opbrengst dier leening wordt aan iederen grondbezitter '/s uitbetaald van de waarde van zijn grond, en tot dekking van de rente der leening wordt 1 0/0 van de waarde als jaarlijksche belasting gelegd op allen grond. De belasting brengt nu op 50 millioen, de pandbrieven kosten aan rente 35 millioen, zoodat de staat een winst maakt van 15 millioen. Deze zoo voordeelige maatregel zou dan worden voortgezet en in verband met de daling der rente, zooals Flürscheim die voorspelt, zou dit een ware goudmiju voor den staat worden.
Deze operatie komt echter feitelijk op niets anders neer dan op een verbloemde, maar zeer onbillijke, sterke verhooging dei-grondbelasting. Elk grondeigenaar ontvangt voor '/s vau zÃa grond een bepaalde som, maar in plaats dat nu, zooals rationeel
203
zou ziju, de staat '/5 vau de opbrengst vau deu grond ontvangt, krijgt deze 1 0/0 van de gelieele waarde , of, de opbrengst tegen 3'l1 0/o dus hoog berekend, 2/7 van de opbrengst. De staat ontneemt dus in strijd met alle billijkheid ^ van de opbrengst aan den grondeigenaar.
Keereu wij terug tot de plannen , welke wel een vollledige schadeloosstelling beoogen.
In de eerste plaats dient hier vermeld te worden het zeer eigenaardige plan van Gide, dat door Lèroy Beaulieu (ie Coll. p. 176) het meest vernuftige wordt genoemd. Gide stelt voor , dat de staat aan alle grondeigenaren zou aanbieden om hun grond aan hem te verkoopeu tegen kontant geld , leverbaar na 99 jaar. Ieder, meeut Gide , zal gaarne hiervan gebruik maken; de kosten daarentegen zullen voor den staat betrekkelijk gering zijn; 100 milliard franc, de waarde, die Gjde stelt, dat de grond in Frankrijk bezit, over 99 jaar te betalen , zijn op het oogenblik volgens hem slechts waard 798.500.000 franc.
Leroy Beaulieu voert hier zeer terecht tegen aan, dat bijna niemand tegen een kleine som ziju eigendomsrecht in tijdelijk gebruiksrecht zou willen veranderen. Verder zou een groot bezwaar zijn, dat de eigenaars, wanneer de tijd van den overgang naderde, hun grond niet meer zouden verbeteren , geen boomen meer aanplanten enz. Dit zegt Leuoy Beaulieu , ware wel te voorkomen door contrakteu dienaangaande met den staat te sluiten, maar het levert groote bezwaren op. Ongetwijfeld zou dit laatste moeielijkheden opleveren, maar deze moeielijkheden bestaan evengoed bij in erfpacht geven van den grond door den staat bij landnationalisatie; in het algemeen echter zouden bij landnationalisatie bosschen, venen, enz.
304
niet verpacht, maar door deu staat zelf geadministreerd moeteu worden.
Voorts valt het te betwijfelen of de schadeloosstelling volledig kan genoemd worden , daar zij toch berekend wordt naar de tegenwoordige waarde, niet, zooals behoorde , naar de waarde over 100 jaar. Eindelijk zou de leening door den staat te sluiten, een leening, waarvan de staat de eerste 99 jaar volstrekt geen voordeel zou genieten, niet zoo klein zijn bij de rente, die men tegenwoordig van den grond maakt, als Gide berekent. Die rente, waarnaar billijkheidshalve gerekend moet worden, kan men op zijn allerhoogst berekend stellen op 3J quot;/q. Dan zal de te betalen som = x, de totale waarde de gronden = 100
log. x = log. 100â99 (log. 1035 â log. 1000)
log. x = 2â99 (3.01494035-3)
log. x = 2â1.47909465 log. x = 0.52090535 x = 3.3182
dus de te betalen som bedraagt 3.3182 0/0 van de geheele waarde.
Stelt men dus voor Nederland de waarde van den grond op 5000 millioen gulden, dan zou de leening bedragen 159millioen, een zeer belangrijk bedrag derhalve.
Ook bij dit plan zal stijging der belastingen een onvermijdelijk gevolg zijn en een niet geringe stijging; wanneer toch die leening tegen 3 % gesloten wordt, dan zal dit de jaarlijksche uitgaven met 4.8 millioen verhoogen.
//De nationalisatie van den grond blijkt nooit een maatregel //te kunnen zijn in het belang van hen, die thans leven; zij is
205
//een offer van hen, die thans leven en hunne kinderen en kinds-//kinderen, ten behoeve van de nakomelingschapzegt Mr. Pieuson terecht (op. cit. II, bl. 267). «Mag zulk een ofler //gevergd worden? Is het terechtvaardigen?quot; vraagt hij verder. Al zou men hierop een bevestigend antwoord geven, dan is het nog de vraag of geen betere vormen te kiezen te zijn voor de uitvoering van dit denkbeeld. //Waarom, bijvoorbeeld, de staats-//schuld niet in weinige jaren gedelgd, publieke werken uit de //opbrengst van belastingen bekostigd, of een schat gevormd en «ia soliede fondsen belegd?quot;
Wanneer Mr. Pierson, die stijging der pacht op den duur waarschijnlijk vindt, waarschijnlijker, zooals wij zagen, dan andere economen, wanneer hij tot dit resultaat komt, op grond dat het stijgen der pacht toch niets meer dan waarschijnlijkheid is en de staat derhalve, wanneer er maar eenige twijfel bestaat, geen lasten op het tegenwoordige geslacht mag leggen ten voordeele der nakomelingschap , dan is dit bezwaar tegen landnationalisatie ingebracht, voorzeker van het meeste belang te achten.
Wanneer landnationalisatie werkelijk de voordeden opleverde, die Fi.ürscheim en andere landnationalisten ons voorspiegelen, dan ware in weerwil vau de oogenblikkelijke finantieele offers, de maatregel toch zeer gewenscht, maar waar die voordeden niet bestaan, waar, zooals we later zien zullen, landnationalisatie ten minste bij de meeste plannen van uitvoering ook in andere opzichten zeer nadeelig zou zijn, daar valt alle reden om tot dien maatregel over te gaan, weg.
Uit dit oogpunt, de zoo even aangehaalde meening van Mr. PtEiisoN, moet, naar het mij voorkomt, ook een plan als dat van de Lavet,eye beschouwd worden, om n.1. het erfrecht ab intestato
20C
tot veel minder gradeu van bloedverwantschap te beperken, dan waartoe het thans is uitgestrekt, met dien verstande, dat de openvallende boedels aan den staat zouden komen, of, wanneer men er bij testament over beschikte, aan een zeer hoog successierecht zouden worden onderworpen. Afgezien van de bezwaren , die een dergelijke wijziging met zich brengt, blijft het dan ook hier weêr de vraag, of het wenschelijk is zulk een offer van de burgers te eischen en de verkregen finantieele voordeden nu juist voor den aankoop van grond aan te wenden. Bovendien bestaat er zeer veel gevaar voor, dat, al werd zulk een maatregel met landnationalistisch oogmerk genomen, toch, zooals Prof. d'-Aut.nïs opmerkt (op. cit. bl. 296) de zelfbeheerschiug van regeering en volk al zeer groot zou moeten zijn om die sommen niet aan te wenden voor afschaffing van belastingen, aflossing van schuld, of tot den aanleg van produktieve werken.
In denzelfden geest als het plan van de Lavei.eye is Fi.iiii-scheim's voorstel, in '/Das Staatsmonopol des Grundpfandrechtsquot; verdedigd. Fi.ükscheim stelt hierin voor, dat de staat alleen het recht zal hebben om hypotheek op onroerende goederen te verkenen ; de staat zal dan pandbrieven uitgeven en op die wijze door het renteverschil groote voordeden behalen, waarmee de pandbrieven afgelost zouden kunnen worden en langzamerhaud de grond aangekocht zou worden. Flürscheim is van oordeel (op. cit. S 35), dat het Duitsche rijk, dat nu tegen SVjVo kau leenen, zijn pandbrieven tegen nog lager rente zou kunnen plaatsen door het onderpand, dat de staat bezit in de hypotheken. Dit laatste zal zeker niet het geval zijn, zooals wij vroeger reeds bespraken. Fi.ürscheim zelf schijnt dit dan ook te hebben ingezien, zooals Mr. Goekoop vermeldt (diss. bl. 53) en zou in dezen op zijn
207
denkbeelden teruggekomen zijn in âDeutschlundquot; n0. 6, Augustus 1887. i)
In ieder geval is Fi.ükscheim wel bij zijn hoofddenkbeeld, dat de staat het monopolie zal hebben van het leenen van geld op hypotheek, gebleven; in âDer einzige llettungsweg1', uitgegeven in 1890, noemt hij ouder de wenschelijke maatregelen om den aankoop van den groud te bespoedigen; (S. 404) âEin Hypothe-/rkenmouopol des Staates ruit feststeheudem Zins, der dem Staat //nach und nach einen Zinsnutzen ergübe, könnte nebenhergehen.quot;
Het is moeielijk te zeggen, in hoeverre eeu dergelijk monopolie van den staat om op hypotheek te leenen, voordeel zou opleveren. Op het oogenblik geven b. v. in ons land soliede hypotheken ±4 0/u, ten minste te oordeelen naar de statistiek, daar er iu verhouding slechts zeer weinig hypotheken beneden 4 % bestaan; de hypotheekbanken geven pandbrieveu 3'/2 611 4 0/o uit, een bewijs dat, wanneer de staat tegen 3'4 % pandbrieven kan plaatsen, hier wel voordeel in kan zijn gelegen. Het zal de vraag zijn, of bij het sluiten eener groote leening de rentevoet, waaronder de staat kan leenen, zeer zal stijgen ; zeker zal dat hier niet zoo licht het geval zijn als bij aankoop van alle gronden, daar dc staat, wanneer hij alleen zeer soliede hypotheken wil nemen en alleen hypotheken op grond , niet de veel minder soliede op huizen, zich iu een weinig gevaarlijke onderneming waagt veel minder gevaarlijk dan de aankoop van allen grond; bovendien zou deze maatregel niet zulk een tegenstand verwekken en de groote kapitalisten eerder genegen zijn hun geld in zulk een staatsleening te steken.
') Tot mijn spijt ia het mij niet mogelijk geweest deze aflevering van //Deutscii Landquot; te raadplegen.
208
Daar het een dringend vereischte is, dat de staat alleen bij groote overwaarde geld op hypotheek leent, is het denkeeld van monopolie, naar het mij voorkomt, in vele opzichten niet wen-schelijk, omdat daardoor de gelegenheid tot tweede hypotheek opnemen geheel wordt afgesneden.
Wellicht zou de staat ook zonder monopolie met voordeel als concurrent der hypotheekbanken kunnen optreden, maar, hoe dit ook zij, het geheele plan is niets dan een middel om den staat geld te verschaffen en staat geheel los van landnationalisatie. Men vergete niet, dat al deze plannen: verandering in het erfrecht, hoogere successierechten, staatshypotheken, niets zijn dan doekjes voor het bloeden: landnationalisatie komt op finantieele oflers te staan, dit kan niet ontkend worden en nu tracht men op andere wijze finantieele voordeden voor den staat te verkrijgen, die dan tegen de nadeelen zullen opwegen. Die voordeelen echter zijn even goed te verkrijgen zonder landnationalisatie en het feit, dat landnationalisatie finantieele oflers eischt, blijft bestaan.
Ft.ürscheim zegt in quot;der einzige Rettingswegquot; (S. 386) omtrent de onteigening der gronden, dat, al onteigent de staat niet onmiddellijk alle gronden, toch de waarde van alle gronden vastgesteld moet worden en de staat later steeds bevoegd zal zijn tegen die waarde te onteigenen. Een dergelijke wijze van handelen zou zeer onbillijk zijn, daar de grondeigenaren, wier grond niet onteigend werd en die hem niet aan den staat konden verkoopen (zooals bij Mill's stelsel) alle kans op stijging der waarde verloren.
Door Dr. Stamm is in //Die social-politische Bedeutuug der //Bodenreformquot; een stelsel verdedigd, dat veel overeenkomst met dat van Fi.ürsoheim vertoont. âFür Deutschlandquot;, zoo zegt hij.
209
(S. 26) quot;führt auf allerfriedlichstem Wege die Grundkredit-//Verstaatlichung zur Grundzins-Verstaatlichung.quot; Dit plan heeft Stamm ook reeds verdedigd iu den derden druk van zijn //Erlösung /â /der darbenden Menschheit'quot;, zooals Mr. Goekoüp vermeldt, welken druk ik echter , zooals ik reeds mededeelde, tot mijn spijt niet heb kunnen raadplegen. Sïamii stelt evenals Flür-scheim voor, dat alleen de staat op hypotheek zal kunnen leenen, welke hypotheken dan nooit meer afgelost zullen kunnen worden; //so kommt der Staat auch hierdurch graduell in den faktischen //Besitz aller Grundzinsenquot; (op. cit. S. 26) Wat Staaim hiermede bedoelt is, mijns inziens, zeer duister. Wanneer nl. de grond, waarop de staat hypotheek heeft, grooter pachtwaarde krijgt, dan zal dit voordeel toch den eigenaar, nooit den hypotheekhouder toevloeien; hoe kan dus door dit stelsel van hypotheek eenigszins het denkbeeld van landnationalisatie verwezenlijkt worden ?
Wel zegt Stamm : //Die wenigen Hüuser - und Grund -//Eigenthümev, die mit gar keinen Hypotheken belastet sind, //oder deren Hypotheken nicht die Höhe der kapitalisirten Grund-//zinsen erreichen, werden mit einer Grundzins-Besteuerung /'belastet, die jührlich derjenigen Quote gleich zu setzen ist, quot;die sich der Staat im Fall sic bis zur Ilöhe der kapitalisirten '/Grundzinsen belastet wiiren , für sich amortisiren würdequot; (op. cit. S. 28). Ieder , die dus geen hypotheek op zijn grond heeft, zal daarom belasting moeten betalen, een fraai plau ! een dergelijke grove onbillijkheid behoeft niet nader besproken te worden.
Enkele punten moeten nog in dit hoofdstuk behandeld worden. Het argument tegen landnationalisatie, dat de vroegere grond-
14
210
eigenaren het land zullen verlaten en aldus veel kapitalisten zich elders zullen vestigen , een argument, dat Samïer bespreekt en waaraan hij zelfs waarde toekent, komt mij voor van weinig belang te zijn. Een enkele groot grondeigenaar, die zelf zijn goederen bestuurt, moge in een ander land zijn landbouwbedrijf op eigen grond gaan voortzetten , voor het meerendeel zou dit veel te bezwaarlijk zijn. Wel kan er eenig meer gevaar bestaan, dat de vroegere groote grondeigenaren nu in andere landen grond zullen aankoopen eu langzamerhand verhuizen om dichter bij hun goederen te zijn.
Nog sprak ik niet over het argument van sommige land-nationalisten, ook van Fi.ürscreim , dat de grond zich al meer en meer in enkele handen ophoopt met de daaraan verbonden bezwaren. De statistiek doet echter zien, dat in de meeste landen de vrees voor opeenhooping van grond in enkele handen geheel hersenschimmig is.
Ook zij hier nog vermeld een zeer eigenaardig argument tegen landnationalisatie van ür. Ruhi.and in zijn meergemeld ') artikel in het //Zeitschrift für Staatswissenschaftquot;, dat nl. door landnationalisatie de overbevolking in de hand wordt gewerkt. //Das Tn-//stitut des privaten Grundeigenthums repriisentiert eine miichtige //preventive Potenz.quot; De kracht van dit argument, dat kleine boeren steeds trachten hun grond bijeen te houden en daarom groote gezinnen zullen trachten te voorkomen, zal veel afhangen
o o
van de speciale toestanden in elk land, maar overal zal deze omstandigheid zich eenigszins, zij het dan ook slechts weinig, doen gevoelen.
') Zie lioven VI. 158.
211
Eiudelijk moeten wij nog de vraag stellen, welken invloed de onteigening van den grond met volledige schadeloosstelling zou uitoefenen op het fortuin van groote en kleine kapitalisten en zoodoende op den kapitaalvoorrraad en dc verdeeling van den rijkdom.
Bij kleine grondeigenaren zal over het algemeen de uitwerking zeer nadeelig ziju, de kleine sommen, die worden uitbetaald, zullen vaak niet belegd worden, maar verkwist; zoo zal juist bij den tusschenstand verarming plaats viuden en veel kapitaal teu nadeele der gelieele maatschappij vernietigd worden. In dit opzicht zal landnationalisatie, naar het mij voorkomt, uiterst nadeelig werken. Groote grondeigenaren zullen daarentegen de ontvangen sommen dadelijk weer beleggen in staatsfondsen en andere ondernemingen, zij zullen in denzelfden toestand blijven; dat de groote kapitalisten geen middelen van soliede belegging meer zouden vinden, zooals FuIrscheim zegt, is natuurlijk geheel onjuist, omdat in de plaats van grondbezit tal van staatsleeningen zullen treden, die in weerwil van Fi.ürsgheim's voorspellingen zullen blijven bestaan. Zelfs al had Fi-ürscheim gelijk en verdwenen alle staats-effekten, voor de groote kapitalisten, die in tal van vennootschappen hun geld kunnen beleggen, zou dit weinig bezwaar opleveren; de kleine rentenier daarentegen zou in groot gevaar verkeeren zich in speculaties te wagen en zoo zijn geld te verliezen.
Bij bovenstaande beschouwingen heb ik, zooals ik in mijn inleiding zeide, uitsluitend het oog gehad op nationalisatie alleen van den grond. Vóór en tegen nationalisatie van gebouwde eigendommen zijn uit het oogpunt van verdeeling van den rijkdom geheel andere argumenten aan te voeren en aangevoerd.
212
Hierbij valt de bewering van een algemeen steeds stijgende pachtwaarde geheel weg, daarentegen zal de in prijs stijging van huizen en bouwgrond in de groote steden, een stijging, die van geheel andere oorzaken afhankelijk is, ten voordeele van nationalisatie kunnen worden aangevoerd.
De stijging in waarde der huizen geschiedt meestal buiten toedoen van den eigenaar; die stijging kan soms plotseling zeer aanzienlijk zijn, waardoor koop en verkoop van gebouwde eigendommen in de steden al meer en meer een voorwerp van speculatie wordt en sommigen groote kapitalen bijeen garen zonder veel inspanning.
Dit alles maakt overgang in gemeente- of staatseigendom in vele opzichten wenschelijk; bij Wagnee wegen deze argumenten zoo zwaar , dat hij een dergelijken maatregel in zijn //Grundlegungquot; aanbeveelt. Tal van bezwaren staan hier tegenover; in de groote steden zou zulk een operatie wellicht voordeel voor den staat opleveren (//wellichthoeveel groote steden toch zijn niet achteruitgegaan en wat verzekert, dat de trek naar de groote steden een blijvend karakter zal dragen), op het platte land en in kleine steden daarentegen dikwijls groot nadeel; hoe dan een scheiding te maken? Welk een leger van ambtenaren zou ook hier noodig zijn, met de daaraan verbonden kosten, hoe lastig zou het zijn te bepalen, of de staat al dan niet nieuwe woningen moet
bouwen,......maar genoeg hierover, wij bevinden ons hier
op een geheel ander terrein met geheel andere voor- en nadeelen en het zou mij te ver voeren die nader te bespreken.
HOOFDSTUK IV,
liandnationalisatie uit bet oogpunt van sociale verhoudingen en overwegenden staatsinvloed.
Aau de vrageu in hoeverre lauduatioualisatie inwerkt op de bestaande sociale verhoudingen, afgezien van de verdeeling van den rijkdom, in hoeverre de grootere staatsbemoeiing, die landnationalisatie met zich brengt, afkeuring verdient en gevaarlijk voor de individueele vrijheid kan genoemd worden, meende ik een afzonderlijk hoofdstuk te moeten wijden.
Wat toch, zoo heeft men gevraagd, zal uit sociaal oogpunt het gevolg zijn van het verdwijnen van den boerenstand d. w. z. van boeren op eigen grond? Sommige economen hebben die gevolgen zeer pessimistisch geschilderd; meestal is men bij deze beschouwingen uitgegaan van een pachtsysteem, aangezien voor exploitatie door den staat de landnationalisten zelf terug schrikken.
Het aantal dier staatspachters nu, zoo meenen prof. u'Autats en Leeoy Beaui.ieu , zal betrekkelijk gering zijn; deze laatste schat dat aantal voor Frankrijk, dat tegenwoordig zeven of acht millioen grondeigenaren bezit, op slechts veertig - a vijftig-misschien honderd duizend (Le coll. p. 165.) Zij, die vroeger grondeigenaren waren, d. w. z. de helft of twee derden (?) dei-bevolking, houden op dat te zijn. //Ce seront des salaries, rien
214
vque des salaries. Ou se plaiguait qu'il y eut des prolctaires, '/ou fera eu sorte que tout le moude, a de tres rares exceptious '/prés, soit prolétaire.quot; Het salariaat wordt algemeeu gemaakt, liet proletariaat uitgebreid. //Waar vroeger duizeuden grondeigenaars,quot; zegt prof. d'Aui.nis , //met elkauder dougeu om deu //arbeid der werkzoekeudeu tot zich te trekken, zouden thans quot;deze staan tegenover de gesloten phalanx van een betrekkelijk quot;gering getal pachters der staatsdomeinen : een nieuwe eu ge-//duchte macht in den staat.'1 (Hcd. Soc. bl. 285).
Deze voorstelling uu schijnt mij zeer overdreven toe, waarom toch zouden er zoo weiuig pachters zijn? Dit gaat volstrekt niet onvermijdelijk met landnatioualisatie gepaard , integendeel , even veel groudeigenareu als er thans zijn, evenveel pachters kunnen er desnoods dan bestaan. Hiermee valt het gansche bezwaar, dat het salariaat zoo verbazend zou worden uitgebreid.
Naast dit bezwaar staat echter een auder, dat wel degelijk veel gewicht in de schaal moet leggen, zal u.1. de onafhankelijke, zelfstandige boerenstand voldoende door de pachters vervangen worden ?
Bij liet beantwoorden dier vraag moet een scheiding gemaakt worden, of liever is die reeds gemaakt tusschen landen met bijna uitsluitend groot grondbezit als Engelaud en landen, waar een krachtig ontwikkeld klein grondbezit bestaat. Natuurlijk geldt de vraag alleen voor laatstgenoemde laudeu. Zoowel Leroy Beaui-ieu en prof. d'Aulnis, als Wagner en Buchenberger zijn vau oordeel, dat in dit opzicht een pachtsysteem, ten minste met tijdelijke pacht, in geeueu deele voldoende plaatsvervangend kan werken. quot;Das private kleine laudliche //Grundeigeuthumquot;, zegt Wagner, quot;bildet eine durch keiue andere Einiichtung vollstiiudig zu erset-quot;zeude ökonomische Basis für eiueu hochwichtigen Theil der
215
'/Bevölkerung, eiueu uiiabliilugigen, selbstandigeu Bauerstand, wuud dessen eigeutliüinliclie sociale uud politische Stelluug und quot;Fuuktion.quot; Landnationalisatie met een systeem vau tijdelijke pacht kan hiervoor niet in de plaats treden, want die pachters zijn niet onafhankelijk genoeg en ânicht im guten, social-politi-schen Sinne des Worts an die Scholle gebunden.quot; Een systeem van erfpacht zou echter, zoo meent Wagner, ongeveer dezelfde uitwerking hebben als privaat grondbezit. (Grundlegung S. 643).
In dienzelfden geest zegt Leroy Be au lieu ; '/Cette parcelle '/qu'ils détiennent en propre et tjui crée entre eux et la terre uu //lien si fort et si touchant d'intérêt et d'atiection, ils ne Tauraient plus.quot; Maar behalve dat die band verloreu gaat, moet men niet vergeten, dat het tegenwoordig pachtstelsel een geheel ander karakter vertoont dan zulk een pachtsysteem van den staat. '/Onder het tegenwoordige pachtstelsel heerscht er een persoonlijke '/baud tnsschen eigenaar en pachterquot; zegt prof. d'Aulnis. Nijvere, eerlijke gezinnen, zoo gaat hij voort, worden niet verdreven , omdat men wellicht van een ander een wat hooger pachtsom zou kunnen bedingen. Er is een gehechtheid , die zich vaak van geslacht tot geslacht overplant. Dit alles valt weg, wanneer de staat de gronden aan den meestbiedende verpacht. Alles wordt op losse schroeven gezet, alles hangt af van den wisselvalligen uitslag der openbare verpachting. //Het ////ote-toi de la ////afin que je m'y mette'1quot; wordt tegenover elke gevestigde groep '/van ingezetenen het parool van speculanten.quot; (op.cit. bl. 288).
Deze bezwaren zijn ongetwijfeld zeer gewichtig; het is ecu bekende zaak, dat een krachtige boerenstand een der beste weermiddelen vormt tegen revolutionaire bewegingen; men vergete echter niet, dat bij volledige schadeloosstelling de nieuwe pachters,
216
vroeger zelf groudeigenaars, iu zekereu zin kapitalisten zullen zijn eu dat hoe grooter liet aantal bezitters is, boe grooter waarborg er tegen revolutie bestaat. De gunstige uitwerking van een krachtigen boerenstand is dan ook grootendeels een uitvloeisel van dezen algemcenen regel. Toch zullen ongetwijfeld de boeren op eigen grond een betere kern der bevolking uitmaken, dan een gelijk getal staatspachters in het bezit van een zeker kapitaal; het vreedzame, het kalme, het konservatieve in den gunstigsten zin van het woord, wordt bij hen niet gevonden, het pachten van den grond wordt een soort van handelsonderneming. Daarom is het in de tweede plaats vermelde bezwaar zoo belangrijk : van bet organische element, dat wij vinden in ons tegenwoordig pachtstelsel, geen spoor. Winstbejag wordt de voornaamste prikkel , de maatschappij, in plaats van een organisme te zijn, krijgt daardoor al meer en meer een atomistisch karakter.
Deze bezwaren gelden echter niet, of slechts zeer ten deelebij erfpacht-systeem. De erfpachter nl. verkeert in vele opzichten in dezelfde positie als de eigenaar, die zijn eigen grond bebouwt; ook hij is aan zijn grond verbonden, ook hij heeft een zekere mate van onafhankelijkheid, al valt het niet te ontkennen, dat de erfpachter toch nooit in dezen geheel den eigenaar kan vervangen.
Het stelsel van Wallace geeft een volkomen ander resultaat; bij dit stelsel toch worden pachters in eigenaars omgezet en wordt zoodoende vooral in landen, waar veel pachters zijn, een vermeerdering van boeren op eigen grond in het leven geroepen, een vermeerdering, die uit sociaal oogpunt zeer zeker toe te juichen zou zijn. Natuurlijk zullen Wallace's grondeigenaren door de te betalen //quit-rentquot; nooit de onafhankelijkheid of liever den welstand bezitten van boeren op eigen grond bij onzen toestand;
217
zij zullen niet in zoo sterke mate de kern der bevolking uitmaken ; maar men vergete niet, dat boeren, die gebukt gaan onder zware hypotheken, al zijn zij eigenaar, toch vaak in nog mindere positie verkeeren dan Wallace's grondeigenaren Uit het oogpunt van betere sociale verhoudingen zou Wallace's plan dus voor verscheiden landen aanbevelenswaardig zijn.
Naast deze eerste vraag, in hoeverre een boerenstand uit sociaal oogpunt wenschelijk is, staat een andere, nl. deze: welke sociale plaats nemen in die landen, waar groot grondbezit verre overheerschend is en ook daar waar naast boeren op eigen grond groote grondeigenaren gevonden worden, die groote grondeige-genaren in?
Dit nu is natuurlijk naar tijd en plaats geheel verschillend. Waar, zooals Wagneu zegt, //dieser Stand die guten Seiten //einer tüchtigen Aristokratie zeigt,quot; waar hij als de goede leider van het volk beschouwd kan worden, die al zijn tijd en moeite geeft voor het algemeen welzijn, die geschikt is en bereid bij een stelsel van zeKregeering tal van eereambten goed te vervullen, een stand, die steeds de belangen van het volk in alle opzichten behartigt //da liegt der Grossgrundbesitz im nationalen Interesse.quot; Zoo is, gaat Wagner voort, in vele opzichten de toestand in Groot-Brittannië, welke economische bezwaren ook aan het groote grondbezit aldaar verbonden mogen zijn. (Grundlegung S. 648.)
ijerotf 15e au lieu geeft toe, wat Fransche toestanden betreft, dat de groote grondeigenaren //n'exercent plus sur 1'ensemble //de la population rurale le róle de direction et de protection //qui leur incombait autrefois,quot; maar zegt hij: //sciemment //ou nou, le grand propriétaire reste un éducateur et un
218
quot;iuitiateur; qu'il soit att'able ou hautaiu, tout ie moude aux ''â environs profite de ses experiences; et celles-ci devienneat quot;de plus en plus uombreuses.quot; Groote groudeigendommen toch komen in handen van industrieelen en kooplieden, die hun vreugde en hun trots er in vinden om den grond te verbeteren. Onverschillig of de uitgaven de inkomsten naar verhouding doen toenemen, gaan zij er meê voort zeer ten nutte der maatschappij, want anders: wcette dépeuse, s'ils n'avaient pas eu la terre '/comme une sorte de maitresse, ils l'eussent probablement consa-quot;crée a des jouissanees de luxe.'1 De nieuwe eigenaren zijn een weldaad voor de landelijke bevolking; '/Ils se disputent les fermiers wet les fermiers a leur tour se disputent entre eux les ouvriers.quot; (op. cit. p. 201â 203.)
Deze voorstelling schijnt mij wel wat al te fraai, de liefde van den eigenaar voor zijn grond wat al te sterk gekleurd, maar toch ook hierin ligt een kern van waarheid en in landen, waar overigens het kleine grondbezit de overhand heeft, kunnen groote grondeigenaren, die het eerst allerlei verbeteringen toepassen, enz., een zeer nuttig sociaal element zijn. â
Als tweede hier te behandelen onderwerp moeten wij vragen, in hoeverre de vermeerderde staatsinmenging gevaarlijk geoordeeld moet worden, vooral ook voor de individueele vrijheid.
Wij bevinden ons hier op een zeer moeielijk terrein; elke uitbreiding der staatsbemoeiing brengt haar bezwaren mede, vermindert in zekeren zin de vrijheid der individuën, In hoeverre dit nu bij een bepaalden maatregel het geval zal zijn is a priori uiterst moeielijk te schatten. Vandaar reeds veel verschil van meening; bovendien zullen natuurlijk de denkbeelden van eiken schrijver omtrent staatsbemoeiing iu het algemeen, hier veel ge-
219
wicht iu de schaal leggeu Wij beviudeu ons hier op een terrein, waar het beoordeelen der argumeuten, daar zij eeu diepere basis hebben dan dit speciale geval, zeer moeielijk is.
Sommige schrijvers zieu iu een dergelijke uitbreiding der staatsbemoeiing groot gevaar. Bedenk eens, zegt W ai.kek : //what '/the civil service of a city like Boston, a State like Massachusetts, //a nation like the United States, would become, if, instead of //an annual pay-roll of a half million , or two millions, or thirty '/millions, the control and manipulation of income to the amount '/of tens or hundreds of millions, of wealth to the amount of hundreds '/or thousands of millions, were to become the object of political '/intrigue, the spoil of political victory !quot; (Land and its Rent p. 139.)
Zoo ook prof. d'Aui.Nis. quot;Be eigendom van een alomvattend quot;rechtspersoon, den Staat, is heel wat anders dan de gesplitste //eigendom van duizenden eigenaren. De Staat ondervindt den //invloed van de deining der openbare meening, van partijstrijd //en van verkiezingsmauoeuvres.quot; Wanneer men aan den staat den eigendom van allen grond schenkt, zoo gaat hij voort, aan den staat, in wiens bestuur zoo licht gunstbetoon en oogen-dienarij insluipen, wanneer men hem doet beslissen over de ver-deeling des bodems, over de termijnen , waarin ieder perceel zal worden verhuurd, over de voorwaarden, waaronder de bebouwing zal mogen plaats hebben, «wat is dat anders dan de geheele //natie te stellen onder één reusachtig monopolie , met vernietiging der individueele vrijheid ?quot; (op. cit. bl. 286 en 287.)
Leroy Beaulieu heeft aan dit bezwaar eveneens zeer zijn aandacht geschonken naar aanleiding van de opmerking van de Laveleye , dat de staat even goed den grond kan verpachten als thans de markies van Westminster. Om het onjuiste dezer
320
opmerking aau te tooneu, wijst hij ook op het gevaar, dat de staat, iu stede van onpartijdig te zijn, zal handelen volgens den wil en de belangen van een meerderheid. //Plus 1'on s'eloigne /'de l'absolutisme des anciens temps, plus l'on s'engage dans le //parlementarisme , dans la démocratie, dans les fonctions électives //et de breve durée , plus 1'Etat devient impropre a la fonction »uouvelle qu'on vent lui faire remplir.quot; *L'intérêt immédiat de '/cette partie de la nation qui forme la majcrité des volantsquot; zal bij den staat den doorslag geven. Men kan den staat niet bij den markies van Westminster vergelijken; deze laatste is veel zekerder van zijn ambtenaren, hier niet dat groote gevaar voor omkooperij in alle mogelijke vormen. Bovendien de taak van den verpachter is veel meer omvattend, dan men zich voorstelt; die taak strekt zich veel verder uit dan //de toucher ses fermages et de '/renouveler ses bauxquot;, hoewel ook deze zaken reeds minder eenvoudig zijn, dan zij schijnen. De hoofdtaak van den verpachter is om te waken voor blijvende en toekomstige belangen van het eigendom; te zorgen voor noodige verbeteringen enz., een zaak, waarop ik in mijn laatste hoofdstuk zal terugkomen. (Le Coll. p. 194, 195).
De ingebrachte bezwaren zijn zeker niet licht te tellen; de wijze, waarop sommige landnationalisten zich hiertegen verdedigen, is wel wat al te lichtvaardig. Fi.ÃRscnEiM o, a. voert argumenten aan, als: de toestand zal zoo veranderen, zoo verbeteren, dat alle reden voor ambtenaren om oneerlijk te zijn, is weggenomen. (Rettungsweg S. 416). De grootere macht van den staat is evenmin gevaarlijk (S. 421), want het volk zal op geheel andere wijze voor het staatsbestuur waken, wanneer daardoor zijn voornaamste materieele belangen bestuurd worden.
221
Samter heeft op geheel andere wijze dit bezwaar besproken (op. cit. S. 149). Hij komt tot de conclusie, dat de mogelijkheid, dat die grootere slaatsbemoeiing gevaarlijk zou worden, niet is te ontkennen, maar dat het volstrekt geen noodzakelijkheid is wDas Kann muss bejaht, das Muss verneint werden,quot; In sterke tegenstelliug met Leroy Beaut.ieu meent hij, dat in staten met volkomen volksregeering het gevaar het geringste zal zijn.
Zooals vau hun standpunt als katheder-socialisteu te begrijpen is, hebben Wagner en Buchenberger weinig oog voor dit bezwaar, dat zij geheel buiten bespreking laten.
Zijn de iugebrachte bezwaren niet te licht te tellen, aan den anderen kant is het gevaar, naar mij voorkomt, wel wat sterk geschilderd. Hier toch hangt zeer veel af van de wijze van uitvoering en van den toestand van een bepaalden staat. Wanneer bij pachtstelsel nauwkeurig door de wet is bepaald, hoe de verpachting geschieden moet, in hoeverre van de pachters zekerheid kan geëischt worden bij het gunnen, zal het gevaar voor gunstbetoon veel geringer zijn geworden. Men bedenke, dat tegenwoordig aan personen en colleges, die door schatting den aanslag voor de belasting bepalen, toch ook een zekere macht is gegeven, waarbij gunstbetoon niet uitgesloten is en dat deze inrichting, al moge hier en daar soms over partijdigheid geklaagd worden, in het algemeen toch geen zeer ernstige klachten verwekt. Hier heeft men beroep op andere autoriteiten, zal wellicht hiertegen aangevoerd worden, maar zou een dergelijk beroep bij klachten over de verpachting niet even goed zijn te regelen ?
Bij een goede regeling der verpachting kan in dit opzicht wellicht het gevaar voor gunstbetoon grootendeels worden weggenomen ; maar om andere redenen zal zulk een regeling, die alle
222
gunstbetoon uitsluit, zeer moeielijk ziju. Wanneer n.1. door een hoogere pacht te betalen ieder bij elke nieuwe verpachting een vroegeren pachter kan verdrijven , zouden de grootste onbillijkheden het gevolg wezen. Fiürscheim wijst hier zelf op (op. cit. S. 535), maar meent, dat dit voorkomen kan worden door te bepalen, dat de vorige pachter de voorkeur heeft weer te pachten, al wordt ook door een ander een hooger bod gedaan, indien hij slechts meer betaalt het gemiddelde, dat de pachten van gelijk gelegen landen zijn gestegen. Bij zulke moeielijke berekeningen van speciale gevallen is gunstbetoon volstrekt niet uitgesloten. De daarvoor aangewezen ambtenaren, zegt Fi.ürscheim , zullen in bepaalde gevallen ook langer termijnen mogen vaststellen gedurende welke de pachtsom niet verhoogd mag worden. Bij een dergelijke bevoegdheid bestaat er eveneens gevaar voor partijdigheid bij die ambtenaren.
T)e bepalingen, hoe groot de pachthoeven zullen zijn en hoe de grond bebouwd moet worden, zouden , naar men meent, een sterke inbreuk maken op de individueele vrijheid. Het eerste kan echter mijns inziens grootendeels voorkomen worden; door nl. in kleine perceelen, onder-massa's en massa's te verpachten zal niet door den staat maar door de geboden pachtsommen de verdeeling grootendeels geregeld worden.
De invloed vau den staat op de bebouwing is daarentegen uiterst moeielijk zoo niet onmogelijk weg te nemen; elkegewich-verandering toch, bv. van bouw- in weiland of omgekeerd, zal door den staat als eigenaar moeten worden goedgekeurd. Hierbij zullen de ambtenaren, die in dezen beslissen moeten, steeds kunnen protegeeren of aan den anderen kant onredelijk weigeren ; dit bezwaar is mijns inziens van meer belang dan de beweerde
223
inbreuk op de iiidividueele vrijheid; elk pachter toch zal ook thaus met het oordeel vau deu eigenaar rekening moeten houden en niemand zal dit een inbreuk op de individueele vrijheid kunnen noemen.
Het gevaar voor gunstbetoon en vermindering der individueele vrijheid is minder groot bij erfpacht, ja valt daar bijkans geheel weg. Bij erfpacht doen geen voortdurende verpachtingen gevaar voor gunstbetoon ontstaan en de pachter zal veel vrijer kunnen zijn in de wijze, waarop hij den grond bebouwt; aan den anderen kant echter zal de staat veel kieskeuriger moeten zijn wat betreft de soliditeit en bekwaamheid der erfpachters, hetgeen weer gevaar voor gunstbetoon veroorzaakt.
Bij het stelsel van Wallace bestaat het bezwaar, dat, wanneer de staat in finantieele moeielijkheden verkeert, hij er toe kan overgaan, om, al is feitelijk de pachtwaarde niet gestegen, toch de //quit-rentquot; te verhoogen, vooral waar hier de maatstaf zoo lastig is. Maar al moge hiervoor eenig gevaar bestaan en slechts een gering gevaar, voorzeker zijn bij Waixace's stelsel bovengenoemde gevaren voor gunstbetoon en inbreuk op de individueele vrijheid niet te duchten.
Tn de tweede plaats zal bij dit alles veel afhangen van den toestand van een bepaalden staat. Waar knoeierijen van staatsambtenaren en volksvertegenwoordigers aan de orde van den dag zijn, is het gevaar bij landnationalisatie natuurlijk veel grooter dan waar dat niet het geval is. Leroy Beaui.ieu's bezwaren zijn dan ook met het oog op Frankrijk veel meer gegrond, dan met het oog op een land als het onze.
Ãén gevaar blijft echter voor alle landen en voor alle stelsels bestaan, dat nl. de staat, wanneer het hem blijkt, dat de pachten
224,
dalen en derhalve verliezen geleden zullen worden, in groote verleiding zal komen om door middel van beschermende rechten de prijzen der landbonwvoorthrengselen kunstmatig hoog te houden met al de daaraan verbonden nadeelen.
Na al deze, uit het oogpunt van sociale verhoudingen en van overwegenden staatsinvloed tegen landnationalisatie of liever tegen de meeste stelsels van landnationalisatie, in te brengen, voorwaar niet te licht te stellen bezwaren moeten wij in dit hoofdstuk nog behandelen een argument met betrekking tot de individueele vrijheid , dat eenigszins ten voordeele van landnationalisatie kan worden aangevoerd.
In het eerste hoofdstuk zagen wij reeds, hoe op zeer overdreven wijze door de landnationalisten de macht van den verpachter over den pachter geschilderd wordt, een macht, die volgens hen alle individueele vrijheid te niet doet. Dit nu moge zeer overdreven zijn, het valt niet te ontkennen, dat de verpachter een zekeren invloed op den pachter kan uitoefenen. Weg te moeten gaan van den grond is voor den pachter meest moeielijk en nadeelig, het is niet gemakkelijk dadelijk weer een pachthoeve van dezelfde grootte enz. te vinden en dus is dreigen met vertrek een middel, waardoor soms de individueele vrijheid van den pachter vermindert. Men denke aan verkiezingen.
Van veel gewicht mag dit argument echter niet heeten, in geen geval ten minste in een land als het onze, waar die dwang zoo weinig merkbaar is. Landnationalisatie zou dit euvel weg nemen, dat is waar, maar ook hiertegen is het meest radikale middel; boeren op eigen grond.
HOOFDSTUK V.
Laiulnatioiialisatie met betrekking: tot de prodnktie.
Over het algemeen hebben, zooals wij reeds bespraken, de landnationalisten op dit punt maar al te weinig hun aandacht gevestigd en al gaan zij nu niet allen even ver als Fi.ürscheim door te beweren, dat te groote produktie de ramp van onzen tijd is, toch vindt men bi jna bi j allen weinig appreciatie van de toch zoo gewichtige vraag, in hoeverre landnationalisatie op de produktie een voor- of nadeeligen invloed zou uitoefenen. Met des te meer nadruk hebben echter de tegenstanders op dezen belangrijken faktor gewezen.quot; Onmogelijk is het op deze vraag een algemeen antwoord te geven en wel om twee redenen: in de eerste plaats de bizondere positie, waarin elke staat zich bevindt, wat betreft de bebouwing van den grond en in de tweede plaats de zeer uiteenloopende plannen van uitvoering van landnationalisatie, daar elk plan zijn eigenaardige voor- en nadeelen bezit.
Wanneer ;n een staat zeer veel groote grondeigenaren worden gevonden, die volstrekt geen prijs stellen op vermeerdering hunner inkomsten, maar des te meer op onbelemmerde uitoefening van liet jachtbedrijf, zoodat zij groote oppervlakten vrucht-
15
22G
bare gronden onbebouwd laten, dan zou daarin een reden kunnen zijn gelegen, dat de staat overging tot onteigening van een deel dier gronden, maar dit zou nog niet tot algeheele landnationalisatie behoeven te leiden (zie Mn. N. G. Pierson, Leerb. der Staath. II bl. 262.) Mr. Pieiison voegt echter hieraan toe, dat in een land zonder fideicommissen, entails en eerstgeboorte-recht zulk een toestand bezwaarlijk kan ontstaan; de zeer groote landgoederen toch zijn nooit talrijk in staten, waar geen inbreuk wordt toegelaten op het beginsel der legitieme portie. Bij ons in Nederland gebeurt zoo iets dan ook slechts bij hooge uitzondering, zoodat dit voor ons land nooit een reden van landnationalisatie kan zijn.
Voor eiken staat in het bizonder zal verder zeer in aanmerking moeten worden genomen, hoeveel grond door pachters en hoeveel door eigenaars bebouwd wordt, of het groote landbouwbedrijf dan wel kleine boerderijen de overhand hebben.
Bij de verschillende plannen van uitvoering kunnen wij voor ons doel: de voor- en nadeeleu voor de produktie de volgende splitsing maken:
1°. Exploitatie door den staat.
2°. Verpachting met tijdpacht.
3°. Verpachting met erfpacht.
4°. Het stelsel van Wam,ace.
Bij al deze stelsels, behalve bij het laatste, verdwijnen de boeren op eigen grond.
In de eerste plaats zal dus onderzocht moeten worden, in hoeverre eigen bebouwing voordeelen oplevert. Deze uiterst belangrijke zaak is door zooveel economen uitvoerig besproken, dat ik, hoezeer zij ook voor ons onderwerp van belang is, toch, deze
227
uitvoerige behandeling in aanmerking genomen, beknopt zal moeten ziju.
Hij, die zijn eigen grond bebouwt, is geheel vrij in de wijze, waarop hij dat doen wil, iiij is vrij weiland in bouwland, bouwland in weiland te veranderen, zoodra hem dit met liet oog op zijn grond of met het oog op vermoedelijke veranderingen in de prijzen der landbouw-artikelen wensclielijk voorkomt. Het is zijn eigen grond, dien hij bebouwt; alle verbeteringen door hem gemaakt zullen hem en zijn nakomelingen ten goede komen; zijn ijver wordt daardoor als verdubbeld; hij kent bovendien zijn grond beter dan ieder ander, hij weet, hoe elk veld het beste bebouwd wordt, welke gewassen hier, welke daar het beste resultaat opleveren. Hij zal alles in het werk stellen om zijn grond te verbeteren en daarbij is hij het best in staat te weten, hoe zijn grond het best verbeterd kan worden. Dit laatste, zegt Buoiien-bekgeh, leert de ervaring: //Die Erfahrung zeigt demi auch, «dass die künstliche Bereieherung des Bodens mit Nührstoff'en //(z. B. dureh Beifuhr von Mergel oder Kalk), die wirksamere //Nutzbarmaehung des Wassers fflr die Rodencultur dureh Ent-oder //Bcwasserungseinrichtungen, die bessere Zuganglichmaehung der //Grundstücke dureh Wegeanlagen und entsprechende Arrondirung, //die mit Kapitalvorauslagen verknüpfte Einführung der Tiefcultur, //die Anpflanzung von Obstbiinmen, die Schaflung perennirender //Culturen überhaupt (Weinbergs-, Hopfen-, Weiden-, Waldan-//lagen) und vieles Andere bei den in Eigenbewirthschaftung '/befindliehen Gütern sich leichter und rascher vollzieht als bei den /'sonstigen verbreitesten Bewirthschaftungsformen.quot; (Agrarwesen und Agrarpolitik S. 159).
Bkchen berger komt dan ook op bovenstaande gronden tot
228
het resultaat, dat de voordeelen aan //Selbstverwaltuugquot; verbonden zeer groot zijn. ')
Wagneu heeft echter zeer terecht een onderscheiding gemaakt (Grundlegung S. 642) voor kleine boerderijen of boerderijen van gemiddelde grootte en daar naast het groote grondbezit. Reeds eerder onderzocht hij in zijn jGrundlegung,quot; in hoeverre landbouwbedrijf op kleine schaal beter of minder goed is dan groot landbouwbedrijf, Aangaande deze zoozeer betwiste kwestie kwam Wagnek tot de conclusie , dat in het algemeen niet gezegd kan worden , wat de voorkeur verdient, //Grossbetriebquot;, zegt hij (S. 584), heeft technische en economische voordeelen : //rationellere '/Leitung , starkere Verweudmig von Maschinen , leichterer und '/wohlfeilerer Credit (auch für Meliorationen, welche das Kapital //lilnger fixireu), bessere Gelegenheit, die günstigeu Conjuncturen wauszunutzen , sich den Wirknngen der Schlechten zu entziehen quot;u. dgl, ra,quot;; maar de voornaamste voordeelen van //Grossbetriebquot; gelden bij den landbouw in lang zoo groote mate niet als bij de industrie: betere arbeidsverdeeling is hier van minder belang, omdat het meeste werk aan de wisseling der jaargetijden verbonden is; voorts //wegen der unvermeidlich langeren Dauer der //Productionsbetriebe liisst sich der Credit auch beim Ackerbau //nicht so leicht verwerthen, die Conjunctur nicht so leicht aus-'/nutzen, als bei der Industrie.quot;
Het '/Grossbetriebquot; heeft daarentegen ook nadeden en mist
1) Tn dienzelfden geest laat prof. d'aulnis zich nit: //Niemand, die den //grond bebouwt met de zorg, den ijver, de oplettendheid, de ondernemingszucht, //de persoonlijke gehechtheid en genegenheid, welke door het bewustzijn van //eigendom worden opgewekt en gekweekt.'* (Hed. Soc. bl. 280).
229
voordeeleu , welke het //Kleiubetnebquot; oplevert. Het //ürossbetiiebquot; toch heeft te kampen //init der Schwierigkeit der Beaafsichtiguug //der Arbeitskrafte , mit deu Zeitverlusteu uud dauiit deu grosseren //Kosten der Feldbestellung bei weiterer Eatferiiuiig der Eelder //vom Wirtlischaftshofe.quot; De kleine grondbezitter, die zijn eigen grond bebouwt //wendet notorisch oft einen Fleiss und eine //Tjiebe uud Aufmerksamkeit an , welche im höheren volkswirth-//schaftlichen Eeinertrage für die Volkswirthschaft und im höheren //eiuzelwirthschaftlicheu Reinertrag auch für ilm selbst ihren //ökonomischen Ausdruck linden , olme doch im letztereu Falie //als Productionskosten angerechnet werden zu mussen. Deun es //handelt sich bei der vermehrten Arbeit urn sonst miissige Stunden, //die freiwillig dein Beruf gewidmet werden.quot; Zulk een vlijt, gaat Wagner voort, kan geen groot grondbezitter zich voor loon koopen. Die vlijt, die ijver nu worden juist zoo uiterst gewichtig, wanneer bij dichter bevolking, bij steeds vermeerderende vraag naar laudbouwprodukteu en vooral naar velerlei soorten van produkten, de bebouwing van den grond steeds meer intensief, steeds zorgvuldiger wordt. Vooral bij fijne produkten, handels- en tuinbouwgewassen, groenten en wijn is dit zeer belangrijk. Wagneu komt dan tot dit resultaat: //Deshalb siegt //hier die Kleincultur uud der Kleiubesitz eher über die Gross-kultur und den Grossbesitz, als diese über jeue, wenu die Grosswirthschaft auch beim Körnerbau uud zum Theil bei der Viehzucht überlegeu bleibt.quot; (S. 586) ').
*) Leeoy Beaulieu is tot voor het klein grondbezit nog beter resultaten gekomen. (Repartition des Rieliesses p. 160): hij het groot grondbezit zullen //les //céreales et l'élevage du hétailquot; zeer goede resultaten opleveren, dus in zooverre //dezelfde meening als bij Wagnee; //tous les produits perfeetionnés, les légu-
230
De groote voordeeleu dus vau eigeu bebouwing, dit blijkt uit liet boveustaaude, doeu zicli iu sterker mate gevoeleu bij kleiu-dan bij groot grondbezit. De voordeeleu van liet klein grondbezit, zoo even opgesomd, vallen in vele opzichten weg, wanneer hier geeu eigenaar maar eau pachter den grond bebouwt. ')
Bij het groot grondbezit, waar die voordeden niet bestaau, is eigeu bebouwiug dan ook voor de produktie laug niet zoo uoodig. Over het algemeen, meeut Wagner (S. 64(3), dat hier een goed geregelde tijdelijke verpachting dezelfde resultaten zal hebben als bebouwing door den eigeuaar zelf. //Es lassen sich sogarquot;, zegt
'/mes, les fruits, le vin, la volailie, Ie beurre, le fromage, s'accoimnodent quot;inieux de petites ou de moyennes exploitation que de trop vastesquot; en wel om de onbetwistbare reden : //L'importance de Toeil du maitre sur tons les détails //de la production devient d'autant plus grande que l'agriculture se fait plus //intensive et plus variee.quot; In zooverre dus grooteudeels dezelfde argumenten als bij Wagner, maar Leuoy Beaulieu gaat veel verder, daar hij meent, dat ook wat betreft granen en vee //Ia petite et la moyenne culture peuvent tres /'aisément lutter contre la grande quand la période du défricbement et du peu-//plement est p^lS3ée;,, terwijl omgekeerd bij andere gewassen groot-grondbezit nooit met klein bedrijf kan wedijveren.
!) Wat die voordeden betreft, nog een enkele aanhaling van een bekend econoom, van Walker, die zoo juist ze samenvat (Land and its Rent p. 204): //On the other hand, there is a virtue in the mere ownership of land by the //actual laborer, which goes far, very far, to outweigh the advantages which //great capitals bring to the cultivation of the soil. The «magic of propertyquot; //in transmuting the bleak rock into the blooming garden , the barren sand of quot;the seashore into the richest mould, has been told by a hundred travellers and quot;economists since Arthur Young's day. In his tireless activity //from the rising /'of the lark to the lodging of the lambquot;; in his unceasing vigilance against every //form of waste; in his sympathetic care of the drooping vine, the broken bough, //the tender young of the flock and the herd; in his intimate knowledge of the //character and capabilities of every field, and of every corner of every field, //within his narrow domain; in his passionate devotion to the land which is all quot;his own, which was his father's before him, which will be his son's after him, /the peasant, the small proprietor holds the secret of an economic virtue which /even the power of machinery cao scarcely overcome.quot;
231
hij zelfs, '/allgemeiue Grimde a priori fmtlen , welche für eiue ''nicht uur privat-, souderu volkswirthscliaftlicli grössere Pro-'/duclivitat, oder m. a. W. nicht uur für eiue grössere eiuzel-quot;vvirthschaftliche Rentabilitat, souderu für die Gewiuuung eiues '/grosseren volkswirthschaftlichen Reiuertrags uuter Umstandeu '/grade beim Pachtbetrieb sprecheu. Auch dafür siud Erfahrungs-'/belege vorhauden.quot; Wagner haalt ul. als voorbeeld aan de domein-verpachtingen iu Pruisen.
Men vergete hierbij niet, een omstandigheid, waarop ook Buchenbeuger wijst, dat bij landbouwbedrijf op groote schaal groote landgoederen, meestal door rentmeesters bestuurd worden , een stelsel, dat zeer slechte resultaten oplevert: '/Die quot;iu solchen Pallen früher übliche Admiuistratiou durch quot;eiugestellte besondere Beamte (Gutsverwalter, Gutsdirec-quot;toreu) kaun natürlich uur ausuahmsweise dasselbe wie die quot;Selbstverwaltuug leisten, weil dritte Persouen, auch bei quot;vollster Befiihigung für ein solches Amt, niemals in diesem '/Maasse wie der wirthschaftende Eigenthümer selber, jenes durch-'/greifende Interesse, dessen uuuuterbrochenes Vorhandensein die quot;unerlassliche Voraussetzung für die Erzieluug höchster Rentabilitüt quot;ist, bethiitigen werden ; weil ferner der vollen Entfaltung der Per-quot;sönlichkeit eiues tüchtigen Administrators die mit dem Wesen '/der Administration untreuubar verbuudeue Eiuengung durch //zahlreiche Instvuctionen , Geuehmiguugsvorbehalte, controlirende quot;Vorkehrungeu eiue Nachtheilige Pessel aulegeu , weil insbe-'/sondere der dem uumittelbareu Gutsbetriebe ferner stellende ''Eigenthümer oft uur schwer von der Nothweudigkeit vou quot;Gutsverbesserungeu , von tiefgeheudeu Aeuderuugcu im Betricb quot;zu überzeugen ist uud weil aus allen diesen Grimden erfahrungs-
232
quot;gemilss adiniuistrirte Güter deu Ermugenscliafteu der ïechuik quot;iiur laugsatn folgen , ohue immer uach der Seite der Oekouomik '/des Betriebs iiiii (durcli sparsamste Verwaltuug, uamentlich in '/Bezug auf Einstelluug von Gespaunthieren uud Arbeiteru und quot;auf bauliclie Reparatureu) ein eutsprecheudes Aequivalent zu '/bietenquot; (op. cit. S. 163). Zeer belangrijk is ook de mededeeling van Rüschek , door Bucuenbeugeu aangehaald iu een noot, dat de geadministreerde vorstelijke Esterhazysche goederen omstreeks -1805 nauwelijks een rente van 2/2 % van hun koopprijs opbracliten, terwijl door de eigenaren zelf bestuurde privaat eigendommen 80/o opbrachten.
Hoe moeten nu naar aanleiding vau het voorgaande de verschillende plannen der lauduationalisten beschouwd worden?
1°. Exploitatie door den staat zelf; dit verdient in bijna alle opzichten afkeuring. Geen der voordeden van eigen bebouwing wordt bij dit stelsel gevonden; daarentegen is de ondervinding aangaande rentmeesters of administrateurs zeer kenschetsend voor dit stelsel. Ja, zelfs zullen staatsambtenaren dikwijls nog minder ijverig zijn dan privaat rentmeesters, die toch steeds in een andere verhouding tot den eigenaar staan. De groote prikkel van eigen belang is hier geheel verdwenen. Zou staatsexploitatie dus reeds nadeelig zijn voor landbouwbedrijf op groote schaal (granen en vee), voor meer intensieve bebouwing, voor kuituur van fijnere gewassen, van gewassen , die onophoudelijke zorg en oplettendheid vereischen , is zij ten eenenroale ongeschikt.
Ãén voordeel zou men wellicht meenen, dat staatsexploitatie toch aanbood, u.1. de groote kapitalen, die aan den grond besteed zouden kunnen worden eu daardoor talrijke verbeteringen en sterker intensieve bebouwing daar waar het besteden van meer
kapitaal aan den grond nog voordeden zou kunnen opleveren (iets wat, zooals Marshall zegt, ook in onze beschaafde
staten nog herhaaldelijk voorkomt dikwijls door onkunde en gebrek
aan energie bij de bebouwers). Het grootendeels onjuiste eener dergelijke bewering heeft Mr. N. G. Pieuson echter duidelijk in het licht gesteld (Leerb. der Staath. II bl. 261). Meestal, zoo Zegt llijJ zal de «geuaar zijn land niet verbeteren, omdat hij er geen voordeel in ziet of zijn voordeel niet begrijpt; wel kunnen er bizondere gevallen zijn, waarin de eigenaar door hooge verhypothekeering van zijn goed zich geen geld meer kan verschaffen vooi vei beteringen, al ziet hij er ook voordeel in. //Doch hier quot;staat tegenover,quot; gaat hij voort, //dat het land, wanneer het quot;nationaal eigendom is, wordt overgelaten aan de zorgen van een quot;departement van bestuur; dat de Minister en de ambtenaren,
quot; llet beheer vau dat departement zijn belast, verant'
quot;woording schuldig zijn van hunne daden en niet licht zullen quot;overgaan tot belangrijke uitgaven, tenzij het boven allen twijfel quot;verheven is, dat die uitgaven ruimschoots vergoed zullen worden ⢠quot;dat zij daarenboven geen geld kunnen besteden zonder voorafgaande toestemming van het Parlement. Vermoedelijk zal het quot;beloop aldus zijn: jaarlijks zal voor verbeteringen vau den grond quot;een post op de begrooting worden uitgetrokken, en uu zal het quot;Departement van landbouw moeten beslissen over het gebruik quot;van dien post. Dat onder zulk een stelsel alle redelijke behoef-
quot;teu bevredigd zullen worden, beter bevredigd dan thans, nu elke quot;eigenaar kan doen wat hem goeddunkt, wie durft het gelooven?quot; Het eemge voordeel van staats-exploitatie zou dus kunnen zijn
't ^ ^ - betoog niet weerlegd, datdestaj
eter het voordeel van verbeteringen zou begrijpen dan privaat
234
eigenaren; dit is ongetwijfeld eeu voordeel, maar het is zeer beperkt, doordien de staat, zooals Mr. Pierson tereciit zegt, tocli geen zeer groote kapitalen aau den grond zal besteden.
3°. Verpachting met tijdpacht, â De nadeelen van dit stelsel zagen wij reeds, waar wij de voordeelen van eigen bebouwing bespraken. Niet al de voordeelen van het kleine landbouwbedrijf vallen weg bij verpachting, de ijver, de vlijt van den kleinen pachter zal meestal ook grooter zijn dan die van den grooten pachter; maar die zorg voor zijn grond, die lust om hem steeds te verbeteren, dat alles vindt men bij den pachter niet, kortom al die voordeelen vallen weg, die Buchenbeuger en andereu zeer terecht aanvoeren voor quot;Selbstverwaltuugquot;. Hier moet men echter twee zaken zeer in aanmerking nemeu: de tijd van de pacht en de verhouding tusschen pachter en verpachter. Op hoe langer termijn de pacht gesloten wordt, des te meer gaat deze het karakter van erfpacht dragen, des te meer wordt de positie van den pachter gelijk aan die van den eigenaar.
De verhouding tusschen pachter eu verpachter is ook van het grootste belang; al is de pacht op een betrekkelijk korten termijn gesloteu, dan zal toch tusschen den pachter en den grond, wanneer hij reeds lang dien grond heeft gehad, wanneer wellicht reeds zijn vader eu grootvader dieuzelfden grond bebouwd hebben, een band bestaan; hij zal er een geheel ander belang in stellen dan een andere pachter; de band, die hem eu zijn familie bindt aan den verpachter, geeft hem de zekerheid, dat hij op dien grond zal blijven wonen.
Hoe zal het nu ecliter zijn bij verpachting door den staat ? vau een baud geen sprake; de staat is niet iemand, die wat geven en nemen kan, die zorg voor zijn pachters heeft, die
235
hua in een slecht jaar een deel vau de pacht kwijtscheldt, die met lieu overlegt, welke verbeteringeu gemaakt moeten worden, die geeu in alle kleiuigheden omschreven en toch steeds te ontduiken pachtkontrakt noodig heeft, omdat pachter en verpachter elkander vertrouwen. Neen, bij verpachting door den staat is het een handelsonderneming geworden, waarbij elke partij ziet, hoe zij het meest mogelijke voordeel zal behalen. Roofbouw is bij verpachting op korten termijn niet te voorkomen en bijna geen pachter zal zich van dien roofbouw laten weerhouden, men huurt immers na atloop der pacht weer anderen grond. De pachters zullen nog meer een fzugvogelartigen Charakterquot; krijgen , iets, waar Buchenbeiigek minder met het oog op landnationalisatie meer in het algemeen zoo tegen waarschuwt en met recht. (op. cit. S. 169)
In den tegeuwoordigen tijd is vooral door absentiïsme in het algemeen de band tusschen eigenaar en pachter wel wat verzwakt, maar deze bestaat overal nog in meerdere of mindere mate.
Op een andere zaak eveneens voortvloeiende uit het groote verschil tusschen een privaat grondbezitter en den staat als grondeigenaar heeft vooral Leroy Beau meu de aandacht gevestigd , waar, zooals wij vroeger reeds met enkel woord bespraken, hij de bewering der landnationalisten bestrijdt , dat de staat evengoed als de Markies van Westminster zijn gronden kan verpachten (Le Collectivisme p. 196). De ware taak van den eigenaar, zegt Leroy Beaui.ieu , //c'est celle d'agent chargé de '/veiller et de pourvoir aux intéréts permanents et futurs de la quot;propriété; c'est d'efiectuer des améliorations en vue du lointain '/avenir; c'est de decider les changements organiques dans la quot;destination des pieces de terre , défricher un bois , planter une «lande , convertir une terre arable en prairie, faire une vigne d'une
236
quot;garrigue, mettre dans les bous terrains des arbres lïuitiers; quot;tous ces soius, c'esfc au propriétaire qu'ils iucombeut et non pas
'/au ferinier..... Le propriétaire est l'ageut des intéréts perpétuels
et des améliorations lentes.quot; Zou de staat uu , vraagt Lekoy Beaui.ieu , in staat zijn zulk eeu taak op ziju schouders te nemen , een taak , die zoo zorgvuldig moet worden waargenomen, een taak, die niet onderworpen kan worden //aux régies lourdes, quot;pédantesques, nécessairemeut uniformes de la bureaucratie.quot; Onmogelijk , de beambten van den staat zullen steeds dezen of geneu begunstigen , hier toch zijn geen algemcene regels te stellen, quot;des difficultés de comptabilité énormes, des facilités singulières quot;pour le favoritisme, la corruption et la collusionquot; zullen in ruime mate hiervan het gevolg zijn.
Ongetwijfeld is Lekoy Beaulieu, vooral wat het laatste betreft, niet van overdrijving vrij te pleiten , maar zeer zeker zal de wijze, waarop de staat als verpachter moet handelen, groote moeielijk-heden kunnen opleveren en in dat opzicht heeft Leroy Beauijeu's betoog groote waarde; het sluit zich aan bij Mr. Pierson's opmerking, dat de regeering steeds beperkt zal zijn in de middelen voor verbeteringen beschikbaar door een voortdurende controle der vertegenwoordigers.
De landnationalisten hebben niet nagelaten hun pachtsysteem ook wat de produktie betreft te verdedigen, vooral met beroep op Engelsche toestanden. Saiitek (op. cit. S. 156) en Flürscheim llettungsweg S. 160) doen hun stelsel vooral op de omstandigheid steunen, dat er nu toch ook reeds zooveel pachtland is en Samter beroept zich tevens op het veel gewichtiger argument, dat bij pachtstelsel meer kapitaal aan den grond besteed zal kunnen worden. Welke is uu de waarde dezer argumenten?
237
In Engeland is zeer zeker verreweg de meeste grond verpacht, maar is daar nu de toestand zoo bizonder goed ? Tegenover het beroep van Fiürscheim en Samteb op Engelsche toestanden, zou men kunnen stellen de klachten van Wallace over den uiterst slechten invloed op de produktie uitgeoefend juist door het uitgebreide pachtstelsel tegenover de groote voordeden, die eigen bebouwing in andere landen oplevert. Daarentegen heeft James Caird , zooals Walker mededeelt (op. cit. p. 202) berekend, dat in verhouding in Engeland eea acre opbrengt 20 bushels tarwe, tegen 16 in Frankrijk, 16 in Duitschland en 13 in Eusland en in de Vereenigde Staten; deze berekeningen doen Caird besluiten, dat de toestand in Engeland zeer voor-deelig voor de produktie is. Ongetwijfeld is dit van veel gewicht, maar al mogen deze berekeningen geheel juist zijn, dan is het nog de vraag of niet in een zoo rijk land als Engeland het vele aanwezige kapitaal hierop een gunstige uitwerking heeft, een uitwerking dus speciaal aan den toestand van dat land te danken, zoodat, wanneer in Engeland meer eigen bebouwing plaats vond met hetzelfde kapitaal, de resultaten nog veel beter zouden zijn; in de tweede plaats moet men vooral ook in aanmerking nemen, dat door Caird juist vee en graan genoemd worden, waar, zoo als wij zagen, groot landbouwbedrijf het meest geschikt voor is. Hoe is het echter met fijnere gewassen gesteld? In den laatsten tijd na 1880 is, zooals Buciienuerger vermeldt, in Engeland de slechte zijde van de meer extensieve bebouwing, het gevolg van groot-landbouwbedrijf en pachtstelsel, aan den dag gekomen ; nu toch door de groote koukurrentie met Amerika de produktie van granen minder voordeelig werd, is men tot nog extensiever bebouwing gekomen door de bouwgronden in groote hoeveelheid
238
in weidegronden te veranderen, een maatregel in vele opzichten zeer nadeelig. In andere landen daarentegen heeft men van dergelijke maatregelen bijna niets gemerkt.
Bovendien hebben de landnationalisten met hun beroep op Engeland geheel uit het oog verloren het groote verschil tusschen privaat grondeigenaren en den staat als grondeigenaar. Ook Warner heeft hier geen aandacht aan geschonken ; wel vermeldt hij, zooals wij reeds zagen, dat de Pruisische domeingoederen , hoewel verpacht, goede resultaten opleveren ; men zou hier een bewijs in kunnen zien, dat verpachting door den staat toch niet zoo nadeelig is, maar men heeft hier met een zeer speciaal geval te maken en, zooals Wagner zelf zegt, met landbouwbedrijf op groote schaal; het goede resultaat dezer verpachtingen kan van zeer bi/ondere omstandigheden afhankelijk zijn vooral ook hiervan, dat dit resultaat vergeleken werd met landgoederen, die door rentmeesters bestuurd slechte resultaten opleverden
In de tweede plaats beroepen de landnationalisten zich op de reeds zoo uitgestrekte pachtgronden ook in andere landen , waar dus feitelijk de toestand dezelfde zou blijven. Ook dit argument is niet van belang ontbloot; in een land, waar reeds veel pachtland is , zal landnationalisatie met pachtstelsel, wat de productie betreft, veel eerder kunnen worden doorgevoerd, dan in een land, waar veel eigen bebouwing wordt gevonden en wel met klein landbouwbedrijf.
De verhouding tusschen pachtland en eigen bebouwd land is in de volgende landen aldus: (zie Buohenberger op. cit. S. 170)
Duitschland 14.G800 pachtland.
Frankrijk 27.240/0 pachtland (12.29')C) verpacht voor een deel der opbrengst.)
239
België 76.150/0 pachtland.
Engeland zesmaal zooveel pachtland als land met eigen bebouwing.
Nederland 44.7°/,, pachtland (volgens de laatste statistische opgaven, gerekend van het bouw- en weiland en alleen van pachters en eigenaars meer dan 1 H.A. exploiteerende.)
Deze verhouding is dus voor ons land uiet gunstig; hier staat echter tegenover, dat in ons land over het algemeen veel meer dan in üuitschland de bebouwing van niet verpachten grond door den eigenaar zelf en niet door ondergeschikten geschiedt.
In de meeste landen is verpachting van den grond dus volstrekt niet overheerschend en zou landnationalisatie met pachtstelsel, ook in ons land, in geenen deele, zooals Samteu zegt, zich aansluiten bij bestaande toestanden.
Het laatste argument voor pachtstelsel is liet sterkste: bij ver-pachting der gronden zijn de pachters in staat hun geheele kapitaal in hun landbouwbedrijf te steken, terwijl eigenaars dikwijls geen voldoend bedrijfskapitaal bezitten. Dit argument voor pacht van Roscher, door Samter overgenomen, zou echter dan alleen veel waarde bezitten, indien de pachter werkelijk zijn kapitaal aan verbeteringen van don grond besteedde. Alleen bij pacht op zeer langen termijn of erfpacht zal dit eenigszins het geval zijn, maar ook dan nooit in die mate als op eigen grond. Ongetwijfeld blijft het argument in weerwil hiervan toch waarde behouden, want al wordt het kapitaal niet voor verbeteringen aangewend , een groot bedrijfskapitaal levert vele voordeden op.
Hoeveel nadeelen aan pachtstelsel verbonden staan echter niet tegenover dit enkele voordcel, nadeelen, die veel zwaarder moeten wegen en die een bewering als van Samter, dat daarom alleen pachtstelsel te verkiezen ware, zonder eenigen grond van waarheid doen zijn.
240
3°, quot;Verpachting met erfpacht. âLandnationalisatie met erfpacht zou, zooals wij reeds zagen, lang niet de nadeelen opleveren van gewone verpachting; de lange termijn, gedurende welken de erfpachter zeker is zijn grond te behouden, brengt hem in bijna dezelfde positie als de eigenaar. Van erfpacht wordt echter tereeht gezegd, dat het einde de last draagt; wanneer de tijd begint te naderen, waarop de erfpacht eindigt, zal de erfpachter den grond niet meer verbeteren; natuurlijk zijn er dienaangaande wel .kon-traktueele bepalingen te maken, maar het //Selbstinteresse1' is verdwenen.
Moge de erfpachter bijna in dezelfde positie verkeeren als de grondeigenaar, er is toch onderscheid; nooit zal er tusschen erfpachter en grond die band bestaan, die er is tusschen een eigenaar en zijn grond.
Bij erfpacht treedt het reeds bij gewone pacht vermelde voordeel //meer bedrijfskapitaalquot; sterker op den voorgrond; erfpacht zal derhalve bij een overgang van extensieve in meer intensieve bebouwing goede resultaten kunnen opleveren.
Moeielijkheden, groote moeielijkheden omtrent de regeling van het pachtkontrakt, vooral wat verbeteringen aangaat, en het gevaar van roofbouw bij het ânaderen van den vervaltijd zouden ook hier niet uitblijven, zij het dan ook alles in veel mindere mate dan bij gewone pacht.
Uit productieoogpunt zou erfpacht geen onoverkomelijke bezwaren opleveren, maar uit finantieel oogpunt, zooals wij vroeger opmerkten, zou dit wel het geval zijn. Waar met betrekking tot produktie en sociale verhoudingen dit stelsel dragelijk zou zijn, meer niet, zouden groote finantieeie oilers volstrekt niet gemotiveerd zijn.
241
4°. Het stelsel van Wat.lace. â In stede van bezwaren met betrekking tot de produklie op te leveren, zou dit stelsel veeleer in dit opzicht aanbeveling verdienen: boeren op eigen grond toch is Wallace's doel. Waar wij reeds zagen, dat ook uit het oogpunt van sociale verhoudingen dit stelsel, vooral in een land als Engeland, in een land met veel pachters, zeer aanbevelenswaardig mag worden geheeten, verdienen de plannen van W ai.i.ace van alle stelsels verre de voorkeur; maar juist het landuationalistisch karakter is hier de groote fout. Gaarne wil ik erkenuen, dat Wallace's ideaal zonder die staatsinmenging moeielijk te bereiken zou zijn; die staatsinmenging echter met al de daaraan verbonden risico, al de daaraan verbonden moeielijkheden wegen zwaarder dan de voordeelen van zijn stelsel.
Alleen dus bij een stelsel, waar landnationalisatie feitelijk slechts doel is om een toestand in het leven te roepen, die juist een tegenhanger vormt van collectief bezit van den grond, daar zou die landnationalisatie naast groote nadeelen groote voordeelen opleveren; bij landnationalisatie in haar gewonen vorm, d. w. z. een stelsel, dat een zuiver collectivistisch doel beoogt, waarbij de staat inderdaad grondeigenaar wordt, zijn de nadeelen zeer sterk overheerschend. Veel waarheid ligt er in de woorden van Roscher-. //Gegendie Ungeheuerlichkeiteu der Landreformbewegung '/(Nationalisation) ist der sicherste, auf die Dauer vielleicht einzig //sichere Damm das Vorhandensein eines Standes von Grund-//eigenthümern, deren Besitz klein genug ist, um von ihnen selbst //gut bestellt und meliorirt zu werden, und deren Zahl gross genug //um eine betriichtliche Quote des ganzen Volks zu bildenquot;.
Lijst van geraadpleegde boeken.
Behalve tijdsclu'ifl-iiitikcleii en kleinere geschnfteu reeds in den
tekst vermeld heb ik iu hoofdzaak geraadpleegd de volgende
werken :
Mr. J. d'Aulnis de Bourouill, liet liedendaagsehe Socialisme, 1886.
E. V. Böhm-Bawerk, Ku])ital uud Kapitalzins, P10 Abth. 1884.
A. Blichenberger, Agrarwesen und Agrarpoliük (Lehr-und ilaud-buch der politisclien Oekouomie), 181)^.
M. Fiürscheim, Das Staatsmonopol des Gruudpfaudrechtes, 1885.
---Der Einzige fiettuugsweg , 1890.
â â Individualisme en Socialisme, 1892.
L. Frankl , Die Verstaatlichung der ürundrente , 1891.
H. George, Vooruitgang en Armoede, vert, door J. W, Straatman, 2° druk , 1893.
Mr. A. E. H. Goekoop, De staat als grondeigenaar, 1888.
H. H. Gossen, Entwickelung der Gesetze des menschlichen Verkehrs , 1889.
C. V. Heildorf-Baumersrode, Verstaatlichuug des Grund und Bodens oder Schutzzölle, 1885.
--- Das Recht der Arbeit, 1886.
E. de Laveleya, De la propriété et de ses formes primitives , 3quot; edit. , 1882.
244
P. Leroy Beaulieu, Répartitiou des Richesses, 2e edition , 1883. --Le Collectivisme, 1884,
A. Marshall, Principles of Ecouoinics, Vol. 1, a11 edition, 1891. J. S. Mill, Dissertations and Discussions, 2d edition , 1875. Mr. J. P. Moltzer, Landbouw en Kapitaalbelegging, 1892. Mr. M. J. PailW van Wieldrecht, Beoordeeling van het werk van den Socialist Henry George '/Vooruitgang en Armoedequot;, 1885. Mr. N. G. Pierson, Leerboek der Staathuishoudkunde, Dl. 1 en
II, 1884 en 1890.
A. Samter, Gesellschaftliches und Privai-Eigenthum , 1870. C. Schmidt, Soziale Erage und Dodeuverstaatlichung, 1890. H. Spencer, Social Statics, 1868.
Th. Stamm, Die Erlösung der darbenden Meuschheit, 1871.
--Die Sozial Politische Bedeutung der Bodenreform, 1885.
J. Stoffel, De Oplossing der Sociale Kwestie , 1889. A. Wagner, Die Abscliaflung des privaten Grundeigentlmms, 1870.
--Gmndlegung (Lehrbuch der politischeu Oekonomie.)
F. A. Walker, Land and its Reut, 1883.
A. R. Wallace, Land Nationalisation , 1892.
L. Walras, Théorie mathématique de la Richesse sociale, 1883.
I N H O U D.
Bladz.
Inleiding................. 1.
HOOFDSTUK I.
Laiidiiiitimialisiitic nit liet oogpunt van beginsel.
A. i)e argumeiiteu tegen ])i-ivaat grondbezit ... 5. I?. Is lauduatioualisatie iu strijd met de beginselen van het recht ?........24.
C. Behoort de staat bij eventueele onteigening ,
niet het oog op rechtsbeginselen, volledige schadeloosstelling te geven of niet? . . . 44.
HOOFDSTUK 11.
Landnationalisatie in verband met de vroegere en met de thans
nog bestaande vormen van gemeenseiiappelijk grondbezit... 64.
HOOFDSTUK III.
Landnationalisatie met betrekking tot de verdeeling van den rijkdom.
Overzicht vau verschillende landnationalistische
schrijvers..............81.
Henry George.............92.
A. R. Wallace.............122.
Th. Stamm..........................124.
M Fliirscheim.................128.
246
Bladz.
Vou llelldoi'ltquot;âBaumersrode........152.
A. Saint er..............154.
Gosseu eu Walras............160.
Toekomstige daling of stijging der pacht .... 162. Plannen van uitvoering der lauduatioualisteu . . . 178.
HOOFDSTUK LV.
Liiudiiatiuiialisiitic uit liet oogpunt van sociale verkondingen
en overwegenden staatsinvloed..........213.
HOOFDSTUK V.
Landnationalisatie met betrekking tot de produktie..... 225.
Ljjst van geraadpleegde boeken..........243
VERBETERIN G.
Tijdens het afdrukken bemerkte ik, dat mijn betoog op pag. 116 al. 1 (//Wanneer wij echterquot; enz.) 07ijuist is. In het hier aangenomen geval zal n.l. in weerwil van de elasticiteit der vraag naar landbouwvoortbrengselen de prijs toch dalen in de volle verhouding, waarmede de verbetering de produktie vergrootte, daar nog gronden beschikbaar zijn even vruchtbaar als de minst vruchtbare grond, die nog bebouwd wordt.
ém-m '.^,r V.â:v ; '
^
^'quot; 1§M
K â¬% fe
m
h
m
y;wÃÃ
- - , .
. -;; â
' â â â .quot; â . - . v - ï.,- ; â ^ : i'- .......
' â *quot; 'gfljlli -â¢â¢- â¢â¢'= -
^00mm Mmr'iamp;Vi