ocr page 1

Val

piiip

k 152

/ Jv

p;-. | 1

l LOUISE MÖHLBACHS

5is^örisc^e j^omans.

Bewerkt door Hl, K,

■

• m

7 De Groote Keurvorst en zijn tijd. /

DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN VOLK. /

|

# i ■ 11

•; ♦ ♦

173 NIJMEGEN—ARNHEM,

EBRs. E. amp; M. COHEN.

11

-»•

:• * •? r li

1 ■ quot;

1. ,

1 m

|

ocr page 2
ocr page 3

DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN TIJD.

DE GROOTE KEURYOEST EN ZIJN VOLK.

ii.

ocr page 4
ocr page 5

Vak 152

fU

O

DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN TIJD.

GESCHIEDKUNDIGE ROMAN

door

l. m; ü h l b a. c h.

Bewerkt door M. K.

TWEEDE DEEL.

DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN VOLK.

BIBtlOfECA

CMV.WUCHtHS

ono. f***'

derde veel verbeterde druk.

Nijmegen amp; Arnhem, Gebr. E. amp; M. GOHEN.

ocr page 6
ocr page 7

EERSTE BOEK,

DE KEURVORSTIN EN DE GUNSTELING.

ocr page 8
ocr page 9

EERSTE BOEK.

DE KEURVORSTIN EN DE GUNSTELING.

I.

DE TERUGKOMST VAN PRAAG.

Geheel Berlijn was heden in opgewondenheid en beweging, overal zag men de huizen feestelijk versiert, de straten waren vol menschen die zich allen naar het kasteelplein en den lusttuin begaven.

Velen hadden zich door den algemeenen stroom laten' meeslepen, zonder te weten wat er te doen was, en staarden verwonderd en nieuwsgierig naar het kasteel, alsot zij van daar de opheldering van deze buitengewone beweging verwachtten. Maar het kasteel lag daar stil en zwijgend, en de werklieden, die bezig waren om een zijvleugel aan het kasteel te bouwen, zetten ongestoord hun arbeid voort, en schenen zich iets meer te reppen om het tront, 't welk zij juist opmetselden, spoediger te voltooien.

„Er is toch iets bijzonders aan de hand,quot;zei de schoenmaker Wendt tot den kleermaker Furberg, die bij hem stond. „Ik zeg en blijf er bij, dat er iets aan de hand is. Zie maar, de metselaars hebben zich zoo net aangekleed, of het Zondag was, en de architect Mommhart, die met hen spreekt, heeft zich heden zoo deftig uitgedoscht, dat men hem voor een voornaam en adellijk heer, wellicht voor een baron of graaf zou houden.quot;

„Alsof dit zoo iets bijzonders is,quot; sprak de kleermaker Furberg de schouders ophalende. „Er zijn thans vele baronnen en graven in het heilige Roomsche Rijk, die gaarne met den architect Memmhart zouden willen ruilen.

ocr page 10

4

want hij heeft werk en een beroep en kan zelf zijn brood verdienen, terwijl de adellijke heeren, door den langdurigen oorlog arm zijn en geen geld hebben, om hun verwoeste goederen weder in goeden staat te brengen of hun verbrande kasteelen weder op te bouwen. Zij leiden een kommervol en sober leven, hebben niets geleerd en kennen niets om zelf iets te verdienen.quot;

„Weet ge, meester, dat gij daar een zeer oproerige rede voert?quot; vroeg de schoenmaker geheel verschrikt. „Heeft men ooit zoo iets gehoord ? Gij spreekt, van baronnen en graven alsof zij onze gelijken waren voor wien wij ons toch ter aarde moeten buigen, wier bevelen wij altijd moeten gehoorzamen.quot;

„Moeten,quot; riep de weerbarstige kleermaker. „Wij doen dat, omdat wij lafhartige, nietswaardige kerels zijn, die niet weten wat ons toekomt, maar van moeten is volstrekt geen spraak meer. De burgers zijn tegenwoordig evenveel in tol als de adellijken, en de handswerkman heeft dezelfde rechten als de edelman. Dat komt, omdat wij een constitutie hebben, rechtvaardige wetten, die de heer keurvorst bekrachtigd heeft en die iedereen moet gehoorzamen. In de constitutie is vastgesteld, dat niets kan en mag geschieden, zonder de toestemming van de steden en stenden. De stenden zijn wel is waar adellijken en beambten, maar de steden zijn wij, wij schoenmakers, kleermakers, smeden, kortom alle handwerkslieden en burgers, en onze stedelijke overheden zijn niets anders dan onze vertegenwoordigers, anders gezegd onze monden, waarmede wij onze meening zeggen en onze stemmen geven. Zoo wij nu tegen datgene stemmen wat de stenden willen, welnu, dan mag het niet uitgevoerd worden. Ik heb dus wel degelijk het recht om te zeggen, dat wij, burgers en handwerkslieden, thans evenveel waard zijn als de edellieden en jonkers.quot;

„Ja, dat kunt gij wel zeggen,quot; antwoordde de schoenmaker, „maar niemand zal u gelooven. Maar bij dit alles hebben wij nog niet vernomen wat hier gaande is waarom de straten zoo schoon en waarom, — zie eens naar de breede straat, meester — daar komt de geheele magistraat in zwarte tabbaarden deftig aan om zich naar het kasteel te begeven.quot;

„Ja, waarlijk daar komen zij,quot; riep de kleermaker. „Ik

ocr page 11

/

ben nieuwsgierig om te weten wat hier gebeuren zal. Mijn hernel! Misschien heeft mevrouw de keurvorstin een zoon ter wereld gebracht, of . . .

„(rekheid,quot; antwoordde de andere lachend, „hiervan is niets bekend en in geen kerk is voor zoo iets gebeden. Sedert de kleine keurprins drie jaren geleden gestorven is, na nauwelijks een half jaar geleefd te hebben, is alle hoop daarop opgegeven; het zou toch schrikkelijk zijn, indien de keurvorst kinderloos stierf, want ... maar zie, meester, daar is de oude bedelaar Klaus, wij zullen hem eens vragen wat er gaande is, want die weet alles.quot;

„Ja, meester, wij zullen het den ouden Klaus eens vragen. Hij hoort immers het gras groeien en moet dus wTeten wat hier te doen is.quot;

De beide handwerkslieden maakten zich baan door het dichter wordende gedrang en naderden den bedelaar, die zich, nabii het portaal, dat naar het kasteel voerde, geplaatst had.

„Klaus,quot; riep de kleermaker Furberg, terwijl hij den bleeken, mageren man in zijn grijzen langen kiel vriendelijk groette, „zeg eens oude, waarom zijt ge hier gekomen en waarom zijn wij allen hier?quot;

„Ik ben gekomen, omdat ik dagelijks kom,quot; antwoorde Klaus bedaard. „Het is hier mijn vaste plaatsen geen gerechtsdienaar, geen schelm heeft het recht mij van hier te verdrijven, dus gij ook niet!quot;

„Wat,quot; riep de kleermaker gebelgd. „Ben ik een schelm ?quot;

„Ja, en wel een zeer slechte,quot; antwoordde de bedelaar Klaus. „Gij hebt slechte en oproerige gedachten in uw dom hoofd, gij wilt over zaken mee praten, waarvan ge evenveel begrijpt als een os van de nieuwe galerij, welke de metselaars daar bouwen.quot;

„Ge hebt gelijk, oude Klaus,quot; riep de schoenmaker lachend.

„Gij zijt allen zoo,quot; zei de bedelaar met vuur, terwijl hij zijn groote treurige oogen over de menigte liet glijden. „Gij zijt allen nieuwsgierig, dom, lui en weerspannig.quot;

„Zwijg, Klaus,quot; riep de kleermaker, „houd uw brutalen mond, of het kon u slecht bekomen en het kon nog wel gebeuren, dat ge van duivelskunstenarij en tooverij werd aangeklaagd, want wij weten immers, dat er iets bijzonders met u is en gij met vreemde dingen omgaat.quot;

.

ocr page 12

O

,,Ja, dat is waar,quot; schreeuwden een paar stenirnen uit de omstanders, die al dichter bij waren gedrongen. „Ja, de bedelaar Klaus is een zonderling. Hij gaat niet met rechte dingen om, hij is misschien wel een toovenaar.quot;

„Of een sterrenkijker,'' schreeuwde de kleerlapper Ewald. „Toen ik gisteren over het kasteelplein ging, stond Klaus naast den dom op een steen en zag mij niet, maar keek bestendig in de lucht en naar den hemel, met hoog opgeheven armen en ik hoorde hetnluid spreken, hoewelgeen mensch bij hem was. Ik dacht, ik wil toch eens hooren, wat de oude Klaus zegt, en sloop dichter bij. Ik hoorde toen, dat hij met de sterren sprak en er een lange redevoering tegen hield; hij fluisterde als de krekels in een poppenkast en sprak zeer verliefd met een vrouwenpersoon met groote zwarte oogen, die ik nergens zag en eens kirde hij zeer teeder, alsof hij een tortel was, haar naam en noemde het onzichtbare vrouwspersoon Reb . .

„Zwijg, of ik verworg u,quot; schreeuwde de bedelaar, terwijl hij op den verhaler toesprong en woedend diens hals omklemde. „Vermeet u niet haar naam te noemen, ge-meene, eerlooze luisteraar.quot;

„Ik wil het toch zeggen,quot; riep de ander, terwijl hij zich uit de handen van den bedelaar poogde te bevrijden, „llij heeft zijn liefje vleiend toegesproken, en zij heette precies als de vrouw van vader Abraham, Rebek . .

„Gij hebt het gewild,quot; schreeuwde de bedelaar met vlammende oogen en woedende gebaren, en met zijn vuist sloeg hij den burger in het gezicht, zoodat deze achteruit tuimelde en het bloed hem uit neus en mond kwam.

Een woedende kreet der menigte klonk, een wild gewoel ontstond. Ieder drong voorwaarts, ieder wilde den bedelaar te lijf, die het gewaagd had een burger te slaan. Honderden gebalde vuisten hadden zich opgeheven en waren gereed deze daad te wreken en den bedelaar neder te slaan.

Maar waar was hij gebleven? Wat was van hem en den geslagen burger geworden?

Beiden bevonden zich op den marmeren trap, dienaar het keurvorstelijk kasteel voerde. Daar zat de arme geslagene, de kleerlapper Ewald, half bewusteloos op de treden, met gesloten oogen tegen de steenen post geleund, waarin het ijzeren hek hing. Zijn gezicht was opgezwollen en het bloed liep nog uit zijn neus.

ocr page 13

7

Voor hem geknield lag de bedelaar met doodsbleek rgelaat en tranen in de oogen. „Vergeef mij, meester, ach, ■vergeef mij,quot; smeekte hij met gevouwen handen. „De booze geest was over mij gekomen en de duivel had weder macht op mij.quot;

„Hoor,quot; schreeuwde men uit den dichten menschendrom. „Hoor, hij heeft met booze geesten te doen, hij zegt het zelf, dat de duivel macht op hem heeft.quot;

„Hij is een heksenmeester! Een toovenaar!quot;

„Ziet toch, menschen,quot; schreeuwde er een, die zich uit den drom een weg baande, „meester Ewald is zoo geweldig geslagen, dat hij er van sterven zal! De heksenmeester heeft hem zeker een ader in de hersens doen springen, want het bloed vloeit met stroomen uit zijn neus.quot;

„Geeft mij een doek, menschen,quot; schreeuwde de bedelaar angstig. „Mijn God! staat daar niet zoo nieuwsgierig te gapen, maar helpt mij liever om het bloed te stelpen. Geeft mij toch een doek, om hem daarmede te verbinden en het stroomende bloed tegen te houden.quot;

„Het zal toch niet helpen,quot; krijschte de oude barbier Kurt, die zich uit de groep vooruit had gedrongen en den half bewusteloozen kleerlapper opmerkzaan beschouwde. „Hij zal er zeker aan sterven, Klaus wil stellig den doek hebben om er de ziel van den kleerlapper in op te vangen en ze aan den duivel te verkoopen. Hij heeft zelf gezegd, dat hij met den duivel in verbond staat, dus moet hij hem nu en dan een arme ziel leveren, opdat de duivel Klaus zeiven niet haalt. Hij heeft daarom den snijder Ewald gekozen, wetende dat Ewald een bloeder is en derhalve aan een vuistslag op den neus moest doodbloeden.quot;

„Ewald is een bloeder,quot; riep de kleermaker Furberg verbaasd, „hoort ge 't menschen, de kleerlapper Ewald is een bloeder.''

„Wat is dat?'' riep men uit de menigte. „Wat beteekent dat: een bloeder?''

„Ja, Kurt, verklaar ons wat een bloeder is,quot; zei de kleermaker levendig.

De barbier Kurt sprong haastig op de treden van de trap en plaatste zich naast den bewusteloozen, nog altijd bloedenden kleerlapper, om wien zich niemand meer bekommerde dan de bedelaar Klaus.

„Wat liefdeloos gepeupel,quot; prevelde Klaus in zich zeiven,

ocr page 14

8

niemand helpt mij. Niemand is zoo medelijdend mij een doek te geven.quot;

Hij zag angstig op zijn slachtolïer, en daar het bloed nog altijd onafgebroken vloeide, scheurde hij met geweldige krachtsinspanning een lap van zijn langen grijzen kiel en drukte dien tegen den neus van den bewustelooze.

„Een bloeder,quot; schreeuwde de barbier Kurt, „een bloeder is een mensch, wiens bloed zoo los in zijne aderen zit, dat, als men zijn huid slechts een weinig openscheurt of hem slechts ergens kwetst, het bloed dadelijk uit alle aderen vloeit en door niets ter wereld te stelpen is, zoodat hij dood moet bloeden. Er zijn fatnilien, bij wie deze kwaal, gelijk de tering, erfelijk is, en wie een bloeder is moet sterven, al heeft hij zich slechts met een speld geprikt. Ewald is een bloeder en zal dus sterven door den slag dien de bedelaar Klaus hem heeft toegebracht.quot;

„Ewald moet sterven!quot; huilde de menigte, „Klaus is zijn moordenaar! Klaus heeft hem bloedig geslagen, de kleerlapper Ewald moet sterven.'' br-

Huilend en tierend drong de meinigte met dreigende en woedende gebaren, scheldwoorden en opgeheven vuisten steeds dichter om den bedelaar Klaus.

Deze lette niet op die tierende menigte, al zijn aandacht was slechts op den armen man gevestigd, die met half geopende, gebroken oogen bleek en levenloos neder-lag, en uit wiens neus nog altijd een bloedstroom vloeide.

„Hij heeft misschien gelijk,quot; mompelde Klaus in zich zeiven, „mijn ongelukkige slag moet een ader hebben doen springen, of hij is werkelijk een bloeder; hij zal sterven en ik zal zijn moordenaar zijn — maar neen, neen,quot; viel hij zich zelf in de rede — „dat nooit. Ik wil geen nieuwe misdaad op mijn ziel laden! Het moet! Ja, het moet!''

En terwijl hij zijn oogen ten hemel hief, zeide hij stil; „Vergeef mij, mijn heilige. Om uwentwille heb ik den spotter gestraft; gij moet hem thans redden!quot;

Haastig schoof hij de hand onder zijn kiel en bracht toen een klein glimmend voorwerp te voorschijn.

„Ziet Klaus eens,quot; schreeuwde de barbier Kurt, die met een gebiedende beweging de toestroomende menigte poogde tegen te houden, en met allerlei teekenen en kluchtige gebaren den menschen te kennen had gegeven,

ocr page 15

9

dal men op den bedelaar moest letten daar er iets buitengewoons zou gebeuren.

De menigte was door deze teekens tot bedaren gebracht en staarde met groote oogen en uitgerekte halzen naaide groep op de trap van het kasteel, en beduidde elkander, dat men Klaus in het oog moest houden.

De bedelaar sloeg er geen acht op en zag volstrekt niet met welke klimmende nieuwsgierigheid de menschen het kunstig Venetiaansch, van gouddraad vervaardigd kistje beschouwden, dat Klaus in de hand hield, hoe hij het, onder het spreken van zachte woorden opende en er een üeschje uitnam. Hij goot daaruit eenige droppels in de palm van zijn hand en wreef er de slapen van den be-wustelooze mede ; vervolgens scheurde hij nog een lap van zijn kiel, bevochtigde dien met den inhoud van het fleschje en legde hem toen over den neus en mond van den bewustelooze.

„Help hem, mijn heilige,quot; prevelde hij, terwijl hij haastig hel lleschje weder in de gouden doos schoot en aan zijn borst verborg. „Help hem, en bevrijd mij van misdaad.quot;

De kleerlapper sloeg de oogen weder op, liet ze met een verwonderden blik rondzweven en wilde zich oprichten.

Maar Klaus drukte hem met beide handen weer neer en drukte den bevochtigden lap weer op neus en mond.

Met verbazing zagen de toeschouwers, dat de lap niet met bloed doortrokken was, en in de voorste rijen vertelde men elkander: „Klaus is waarlijk een heksenmeester. Hij staat met den duivel in verbond. De kleerlapper is een bloeder, en toch heeft Klaus het bloed gestelpt. Ja, hij is een heksenmeester! Hij heeft zich aan den duivel verkocht!quot;

Velen weken schuw en angstig achteruit, anderen moediger, of door nieuwsgierigheid moedig gemaakt, drongen voorwaarts en dreigden hem als heksenmeester te zullen aanklagen.

De barbier Kurt poogde dezen meer en meer op teruien. „Hebt gij ooit gehoord, vrienden,'' riep hij met krijschende stem, „dat een bedelaar, die van de penningen enkreut-zers, welke wij hem geven, moet leven,gouden sieraden onder zijn lompen draagt ? Is hel niet ongehoord, dat zulk een schooier van een bedelaar, die - niets geleerd heeft, in mijn beroep treedt en in mijn tegenwoordigheid zich

ocr page 16

10

vermeet eerst aderen te openen en ze vervolgens met zijn duivelskunsten te stoppen! Ik zeg u, hoedt u voor den toovenaar. Wij moeten hem bij de geestelijkheid en de stedelijke overheid aanklagen, want hij zou ongeluk over onze stad brengen.quot;

„Ja, wij moeten hem aanklagen,quot; riep de menigte. „Wij zijn al ongelukkig en arm genoeg, om niet door een heksenmeester nog dieper in het ongeluk te worden gestort!quot;

Klaus beantwoordde deze beschuldiging slechts met een schouderophalen en een verachtenden blik, en wendde zich bedaard tot den kleerlapper. „Ga naar huis, arme man,quot; zeide hij, „drink eenige glazen frisch water en slaap een paar uren, dan is alles weer in orde. Maar eerst bid ik u van ganscher hart om vergeving voor mijn daad. Het was mijn voornemen niet u te wonden. Ik wist niet wat ik deed, want gi] hadt met mijn heiligste gevoelens gespot, en, zonder dat gij het misschien wildet, mij zeer gegriefd. Vergeef mij, Ewald, ik bid u, vergeef mij.quot;

Maar de kleerlapper stiet de handen, die Klaus smee-kend tot hem uitstak, trotsch terug. „Ik zal het u gedenken,quot; zeide hij, terwijl hij zich door den barbier liet oprichten. „Wees er van verzekerd, dat ik u den slag, dien gij mij gegeven hebt, betaald zal zetten. Er zal wel een dag komen, dat ik hem u met. intrest kan terug geven, reken er op, dat ik het doen zal.quot;

„Neen, den duivel moet men in zijn leven niets schuldig blijven,quot; riep de barbier, terwijl de kleerlapper Ewald zich met. moeite door het gedrang een weg baande, om weer naar zijn woning te gaan. „Hoort ge, lieve menschen, men moet den duivel niets schuldig blijven, en ge zijt hem heden iets schuldig.quot;

„Wat dan, Kurt?quot; riep men van alle zijden. „Watzijn wij den duivel schuldig?quot;

„Dat gij hem van hier verdrijft,quot; krijschte de barbier, op den bedelaar wijzende, die weer zijn gewone plaats had ingenomen en met gebogen hoofd op de treden van de steenen trap zat.

„Ja, wi] zullen den duivel verdrijven! Oude Klaus!Pak u weg! Wij wille» geen toovenaar en heksenmeeester onder ons dulden. Gij moet in onze christelijke stad geen duivelskunsten uitvoeren. Weg met hem !quot;

Met woest gegil en geschreeuw drong de menigte voor-

ocr page 17

11

uit, al dichter en dichter naar den bedelaar, die zich tot op de bovenste trede van de kleine vrije trap, die naar het portaal van het kasteel voerde, teruggetrokken had. Daar stond hij, hoog opgericht, doodsbleek, het hoold tegen den grijzen muur geleund en zag bedaard op de onstuimige menigte neder, die woedend hunne opgehevene vuisten, dreigend tegen hem uitstaken. Toen sloeg hij langzaam zijn oogen ten hemel en een straal van vreugd was op zijn gelaat zichtbaar.

„Zal ik nu verlost worden?quot; vroeg hij zacht. „Is het uur mijner bevrijding daar? Mag ik tot u komen, Re-bekka?quot;

Een slag trof hem op den schouder, waardoor hij voorover viel, en van de treden naar beneden tuimelde, juist in het gedrang der menigte, die zich als een ondoordringbare muur had vastgezet.

Met grinnekend gelach en geschreeuw, met wild getier grepen zij hem; de gebalde vuisten sloegen meedoogenloos op hem en boosaardige stemmen riepen; „ürijtt den duivel uit! Slaat toe tot de duivel verdreven is! Ontrukt hem het duivelsvocht, dat hij op zijn borst draagt. Hij moet het afgeven!'

„Neen,quot; riep Klaus met llauwe stem, „mijn schat krijgt ge niet! Doodt mij, maar zoolang ik leef zult ge . . . .quot;

„Ruimte! [ruimte!quot; riepen eensklaps gebiedende stemmen en men zag boven de hoofden der woelende menigte de hellebaarden der keurvorstelijke lijfgardes blinken.

„Ruimte!quot; herhaalden zij, en stuurden hun steigerende paarden in het menschengewoel. Door schrik bevangen stoof het volk uiteen doch bleef op eenigen afstand staan, nieuwsgierig om te zien, wat nu gebeuren zou. Slechts een was niet gevlucht, maar in de ruimte gebleven, die zich de ruiters voor het portaal van het kasteel hadden gebaand; een arm, geslagen, bloedend man met gescheurde kleederen en verwilderd haar. Hij lag hijgend en kermend op den grond, nog altijd de handen tegen zijn borst gedrukt, mompelende: „Zij hebben toch mijn schat niet kunnen bemachtigen! Gaarne geef ik mijn leven, maar zoolang ik leef dit niet!quot;

„Uit den weg!quot; riep men gebiedend tot hem „uit den weg Klaus, ziet gij niet, dat de keurvorst komt. Spoedig uit den weg!quot;

ocr page 18

12

De bedelaar wilde zich oprichten, om plaats te maken voor den hoogen heer, die met zijn gevolg naderde. Maar zijn voeten weigerden hem hun dienst en zacht kermend zonk hij weder ineen.

Steeds luider en dreigender werd het geroep: „Ruimte! Weg met den bedelaar Klaus!quot;

„Ik kan niet,quot; jammerde hij, „ik kan niet! Weest toch barmhartig! Draag mij weg!quot;

Het volk, dat weder dichter bij was gekomen en aan beide zijden van het portaal van het kasteel tot aan den dom1) een rij had gevormd, antwoordde slechts met scheldwoorden en gelach, en zag de machtelooze pogingen van den bedelaar met boosaai'dige vreugd. Niemand ontfermde zich over hem, niemand wilde den heksenmeester den toovenaar aanraken.

Eensklaps greep een forsche hand hem bij zijn schouder, en Konrad von Burgsdorf riep: „Scheer u weg! Ziet ge niet, dat zijn doorluchtigheid komt?quot;

„Wat is hier te doen? vroeg een zachte, vriendelijke stem. „Wat beteekent dat gewoel en geraas? Wat is hier gebeurd?''

Het was de stem van den keurvorst zelf, die van zijn reis naar Praag terugkwam, waar hij den keizer bezocht had en bij den dom, waar de geestelijkheid en de stedelijke overheid hem verwachtte, het rijtuig had verlaten, om te voet den weg naar het kasteel af te leggen.

„Genadige heer,quot; antwoordde de opperkamerheer, „het schijnt, dat hier een twist onder het volk heeft plaats gehad, die met een kloppartij geëindigd is, waarbij de bedelaar Klaus zoo geslagen is, dat hij zich niet kan verwijderen.quot;

„Waarlijk, 'tis Klaus,quot; riep de keurvorst, zich tot den bedelaar buigende, wien het gelukt was zich op zijn knieën op te richten en met gevouwen handen en smee-kende blikken tot den keurvorst opzag. „Wat is er met u gebeurd, Klaus?'' vroeg de keurvorst. „Hoe ziet gij er zoo mishandeld en gehavend uit?quot;

„Men heeft mij geslagen, heer,quot; zei Klaus zacht; „ik geloof, dat mijn been is gebroken. Ik zeg dat niet om

1

De dom stond in het midden van het kasteelplein, omgeven door een kerkhof vol graven en kruisen.

ocr page 19

13

iemand aan te klagen, maar alleen om mij te verontschuldigen, dat ik niet kan opstaan.quot;

,,Wie heeft dat gedaan?'' vroeg de keurvorst. „Waar zijn ze die de terugkomst van 'hun vorst vieren met het slaan van een armen bedelaar?''

, Terwijl Friedrich Wilhelm dit zeide, richtte zijn blik zich op de menigte, die aan weerszijden van den weg een rij had gevormd. De barbier Kurt, de kleerlapper Fur-berg en de schoenmaker Wendt hadden, dank zij hun krachtige armen en forsche schouders, het geluk tot in de voorste rij te dringen, en achtten zich nu geroepen om de vraag van den keurvorst te beantwoordden.

„Keurvorstelijke genade,quot; zeide de barbier, „de bedelaar Klaus heeft het schandaal begonnen. Zonder eenige reden heeft hij den kleerlapper Ewald zoo vreeselijk geslagen dat deze bewusteloos neerzonk en bijna dood is gebloed.quot;

„Is dat waar, Klaus?quot; vroeg de keurvorst, geheel verwonderd op den bedelaar nederziende.

„Ja, doorluchtigheid,quot; antwoorde hij zacht.

„Hij kan het niet loochenen, keurvorstelij ke genade,quot; riep de kleermaker Furberg. „Maar dat is noch niet alles! Hij heeft vervolgens duivelskunsten uitgehaald en voor onze oogen tooverij uitgeoefend.quot;

„Hij draagt een gouden doosje bij zich,quot; vulde de schoenmaker Wendt aan, „en daarin zit het spook. Ewald was zeker gestorven, maar zoodra Klaus hem de gouden duivelsbezwering onder den neus hield, kwam de kleerlapper weer bij en was weer zoo krachtig, dat hij opstaan en alleen naar huis kon gaan.quot;

„Toen steeg de woede en afkeer in ons op, genadige heer keurvorst!quot; riep de barbier. „Toen wilden wij den duivel uit den bedelaar verdrijven, om niet nog meer ongeluk en jammer, dan er reeds is, over onze lieve steden Berlijn en Keulen te laten komen. Bij zulk een handeling kan het natuurlijk niet zoo fijn en afgemeten toegaan, en wij hebben Klaus misschien een weinig geklopt om den duivel te beangstigen, en om hem uit zijn lichaam te drijven. Dit is de geheele geschiedenis, heer keurvorst, en de bedelaar zal moeten bekennen dat het de waarheid is. Wij zouden hem volstrekt niet hebben geslagen als hij ons goedwillig het gouden kistje, dat hij bij zich draagt, maar gegeven had, want in dat kistje zit de duivel.''

ocr page 20

14

„Is dat waar, Klaus?quot; vroeg de keurvorst.

„Ja, doorluchtigheid, het is bijna de waarheid,quot; antwoordde Klaus. „Echter weet gij wel, dat ik geen heksenmeester en toovenaar ben, maar een arm zondaar, een ellendig, treurig mensch, dal zich weer zwaar bezondigde. In mijn toorn had ik Ewald geslagen, omdat hij mij bespotte en mij beluisterd had, toen ik gisteren avond met de sterren sprak, en omdat hij dit lachend aan iedereen vertelde en hun een naam wilde noemen, dien ik zelf slechts uitspreek als ik met God of met mijn keurvorst spreek. Ik sloeg Ewald, omdat hij dien heiligen naam voor een spottende menigte wilde uitspreken.quot;

„Maar wat is er van het gouden kistje?'' vroeg de keurvorst. „Hoe komt ge er toe zulke kostbare zaken te dragen?quot;

„Buig u tot mij, heer, en ik zal het u zeggen!quot;

De keurvorst boog zich tot den bedelaar en met groote inspannig gelukte het dezen zich een weinig hooger op te heffen, en zijn mond aan het oor van den keurvorst te brengen.

Het was een wonderbare groep, een zonderling tafereel. De keurvorst in zijn prachtig reiskleed van groen fluweel, waarvan de borst bezet was met gouden lissen, op het, met donkerbruine lokken omgeven hoofd, den ronden, aan de linkerzijde opgetoomden hoed met gouden tressen en de lange witte struisveder. Voor hem op de knieën in zijn ouden, gescheurden grijzen kiel, de bedelaar, die zijn bleek en pijnlijk gelaat met sombere oogen tot den keurvorst ophief; aan beide zijden van deze groep het dicht opeen gedrongen volk, in ademlooze stilte, met flikkerende oogen, nieuwsgierig naar beiden ziende. Achter den keurvorst het schitterend reisgevolg, de stedelijke overheid, de geestelijken, allen de balzen uitrekkende, om te zien wat er gebeurde.

„Heer,quot; zei de bedelaar, die zoo zacht sprak, dat tot teleurstelling der omstanders niemand buiten den keurvorst een woord kon verstaan. „Heer, het gouden kistje heeft eens een gelukkig mensch op zijn huwelijksdag van de edelste, schoonste en deugdzaamste vrouw ontvangen. In dit gouden doosje bevond zich een fleschje met levenselixer, dat de vader van deze edele vrovw, die een geleerd alchimist in Venetië was, ontdekt en bereid had, en

ocr page 21

15

waarvan hij beweerde, dat het de menschen van den dood redden en hun de kracht om te leven weer kon geven. De geliefde edole vrouw, welke haar liefde den gelukkigen man had toegewijd, die tiaar op dien dag in zijn huis zou voeren, geloofde aan do kracht van dat elixer en schonk haren geliefde het gouden erfstuk van haar moeder, waarin het tleschje met het wonderbaar elixer van haar vader. Zij liet hem plechtig met de hand op haar hart zweren, dat hij deze beide kleinoodién nooit weggeven of verkoopen, maar ze altijd aan een zijden koord om zijn hals zou dragen zoolang hij leefde. De gelukkige man heeft dien eed nooit geschonden. Thans, nu hij is gestorven, is het kleinood in het bezit van den armen bedelaar die hier in het stof voor u ligt, en die niets het zijne noemt, dan zijn ellende en zijne herinnering. Maar de bedelaar zal toch getrouw blijven aan den eed, dien eens in beter dagen een gelukkig man heeft afgelegd, en hij wil liever van honger sterven dan het gouden sieraad prijsgeven, dat bij hem zal blijven tot hij in het graf nederdaalt. Toen hij in zijn misdadige drift den man had geslagen, die hem getergd had, en hij hem half dood en stervend voor zich zag liggen, gevoelde hij, dat hij goed moest maken wat bij misdaan had, en hoe zwaar hem het offer ook was, om voor de nieuwsgierige menigte zijn kostbaar kleinood te openen, deed hij dit om den man te redden. Het middel redde Ewald het leven en toen riep het volk, dat het tooverij en duivelskunst was en zij wilden mij mijn kleinood ontrukken. Ik verdedigde het met mijn leven en zoo gij niet gekomen waart en uw lijfgarden de lieden niet hadden teruggedreven, hadden zij mij een groote weldaad bewezen, want zij zouden mij gedood hebben. Genadige heer, nu weet gij alles!quot;

„Deze lieden hebben zeer wreed en dwaas gehandeld,quot; riep de keurvorst, zijn hoofd weder oprichtende, terwijl hij een blik van toorn en smart op de menigte wierp. „Drijft den duivel uit uw eigen hart,quot; riep hij luid, „zoekt hem niet op andere plaatsen, nergens is de duivel te vinden dan in de harten der menschen. Dezen armen bedelaar hebt gij gemarteld en geslagen, om een duivel uit te drijven, maar gijlieden hebt daardoor bewezen, dat hij in u woont, want ge waart allen moordenaars geworden zoo deze arme man was gestorven. Ik beveel u.

ocr page 22

40

dat gij den bedelaar Klaus met rust zult laten en dat niemand het waagt hem leed te doen, of beproeft hem van het gouden kistje te berooven, dat hij op zijn borst draagt. Zoo een uwer het waagt hem dit te ontrooven, zal hij dezo misdaad zwaar boeten en schandelijk gestraft worden als een dief. In mijn land zal voor iedereen recht en gerechtigheid zijn, zoowel voor den bedelaar als voor den voorname. Onthoudt dit allen. Gaat naar huis en weest verzekerd, dat ik voor u een genadige landsvader zijn zal, zoo gij ten allen tijde als goede onderdanen en vlijtige burgers uw plichten doet!quot;

Hij groette de menschen vriendelijk en ging verder, nadat hij aan Burgsdorf het bevel had gegeven te zorgen, dat de bedelaar Klaus naar zijn woning werd vervoerd, en dat.de keurvorstelijke lijfarts uit naam van den keurvorst ten spoedigste naar den zieke zou gezonden worden om zijne wonden te verbinden.

II.

DE BEKENTENIS.

„En vertel mij nu eens, mijn dierbare gemaal, hoe het u op reis is gegaan?'' vroeg de keurvorstin, terwijl zij haar man met van vreugd stralende oogen aanschouwde.

„Waarom ziet gij mij zoo lang en vorschend aan, mevrouw?quot; vroeg Friedrich Wilhelm glimlachend.

„Ik zal het u zeggen, Friedrich,quot; zeide zij, haar arm om den hals van den keurvorst slaande, die naast haar op den divan zat en aan haar zijde zijn eerste ontbijt na de reis had gebruikt. „Ik zal 't u zeggen, Friedrich. Gij behaagt mij zoo volkomen en ik verheug mij van ganscher harte u weder te zien. Het was mij in deze acht schrikkelijk lange dagen te moede, alsof de gansche hemel met wolken was bezet; en nu ik u weer zie, vind ik de ontbeerde zonnestralen weder en alles om mij heen is vol licht en leven. Toen ik u aan zag, wilde ik onderzoeken of die zonneglans van uwe oogen, van uw voorhoofd, of van uw lippen straalde, en of * . . .quot;

ocr page 23

17

„Hetquot; slechts een weerschijn is van uw eigen fraai bekoorlijk wszen,quot; viel do keurvorst haar in de rede, „dat even licht is als de zon en helder als de maan. „Ja, waarlijk, mevrouw de keurvorstin, gij zijt een toovenares, want voor u verbleeken alle andere vrouwenbeelden, en ik moet u bekennen, dat de verleidelijkste schoonheden aan het keizerlijk hof te Praag volstrekt geen indruk op mij gemaakt hebben Ik had altijd een gevoel of er iets aan mijne zijde ontbrak, of ik slechts een half mensch was, zoo onuitsprekelijk verlangde ik naar u.quot;

,.Is dat waar, is dat wezenlijk waar riep de keurvorstin juichend en zijn hand aan haar lippend drukkend. „Hebt ge mij zoo lief, Friedrich, verlangt ge zoo naar mij? O, ik dank u, mijn dierbare man, ik dank u voor dit woord! En weet ge, het geeft mij den moed tot een vraag, die mij op het het hart drukt en waaraan ik heel veel gedacht heb in die treurige dagen, toen ik voor het eerst van u gescheiden was.quot;

„Zoo, Louise!quot; zei de keurvorst glimlachende, „ houdtgij u met smartelijke vragen bezig, en martelt gij u zelve zonder reden. Laat ik eens hooren1mijn liefste, wat is uwe vraag?'' „Belooft ge mij, Friedrich, ze naar waarheid, eerlijk en oprecht te beantwoorden?quot;

„Is het zoo ernstig en gewichtig, Louise ? Nu ja, ik beloof het u. Ik zal u vraag naar mijn beste overtuiging oprecht beantwoorden.quot;

Zij sloeg haar beide armen om zijn hals en zag hem lang en teeder aan. „Friedrich,quot; zeide zij zacht, „berisp mij niet en lach mij niet uit om hetgeen ik u vragen wil. Ik kan het waarlijk niet helpen, maar deze vraag houdt mij sinds de vijf jaren, die wij gehuwd zijn, bestendig bezig, en hoe hartelijker en liefderijker gij voor mij zijt, hoe meer ik gevoel, dat gij mij lief hebt, des te vaker en dringender klinkt zij in mijn hart. Daarom moet zij er uit, mijn hart moet eindelijk rust hebben en ik moet weten hoe het is. Zeg mij eens hebt ge mij gekozen uit liefde of om staatkundige redenen ? Hebt gij koningin Christina niet gekozen om mijnentwille, of hebt gij mij genomen, omdat gij koningin Christina niet kondet krijgen?quot;

Het zoo vriendelijk en liefelijk gelaat van den keurvorst werd bewolkt en hij zag met een treurigen blik naar het opgewonden gelaat zijner gemalin. „Zoo zijt gij, Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 2

ocr page 24

18

vrouwen,*' zeide hij zacht, zijn hoofd schuddende; „het is u niet genoeg liefde te bezitten, gij wilt ze ook onderzoeken en ontleden. Gij zijt niet tevreden, dat Gud de rozen laat bloeien en gij u in hare kleuren kunt verheugen en met haar geuren kunt verkwikken. Neen, met uw handen moet ge wreed in den kelk der rozen grijpen, haar blaadjes doorzoeken, om te zien of er ook een van die blaadjes wat verschroeid of minder frisch van kleur is, of alle even schoon en onberispelijk zijn; en om u hiervan te overtuigen plukt gij de schoone roos stuk en ontbladert uw geluk. Louise, ik wilde, dat gij deze vraag niet gedaan hadt, want ze doet mij wee om uwentwille.quot;

„Maar gij hebt ze mij nog niet beantwoord,quot; zei de keurvorstin levendig. „En gij hebt mij uw woord gegeven, dat gij het doen zoudt.quot;

„Zoo ge er op staat, Louise, zal ik hot doen. Herhaal uw vraag, opdat ik er bepaald en juist opkunneantwoorden.quot;

„Hebt gij mij uit liefde of om staatkundige redenen gekozen ? Hebt gij koningin Christina om mijnentwille afgewezen, of mij genomen, omdat gij de koningin van Zweden niet kont krijgen?quot;

„Laat mij het laatste gedeelte der vraag het eerst beantwoorden,quot; zei de keurvorst zacht. „Ik heb u niet genomen, omdat ik koningin Ghristina niet kon krijgen o, neen, ik kon haar wel krijgen, en de Zweedsche heeren zouden het zeer gaarne gezien hebben, dat ik met hun koningin gehuwd was op de voorwaarden, die zij mij stelden. Maar die voorwaarden waren van dien aard, dat het met mijn mannelijke waardigheid niet overeenkwam ze aan te nemen, en toen brak ik de onderhandelingen af, die bij mij alleen een politieke aangelegenheid waren geweest. Daarop dacht ik aan den Haag, en terwijl ik overlegde, dat een nauwere verbintenis met de Staten Generaal en den heer prins van Oranje voor den keurvorst van Brandenburg een zeer nuttige en wenschelijke zaak was, herinnerde uw neef Friedrich Wilhelm zich het allerliefste bekoorlijke nichtje, dat hij daar in den Haag bezat, en waarmede hij als keurprins menig uur gespseld en gepraat had; hij wenschte recht hartelijk, dat de prinses van Oranje, die hij uit staalkundige redenen wilde kiezen, nog altijd het lieve, teedere en onschuldige kind mocht zijn, dat hij gekend en hartelijk

ocr page 25

10

lief gekregen had. Zoo ging de keurvorst dan naar Holland uit staalkundige redenen, maar uw neef was zeer gelukkig toen hij er werkelijk nog hetzelfde lieve onschuldige kind wedervond, dat alleen eenige jaren ouder en een zeer beminnenswaardige, bekoorlijke prinses geworden was. Op deze prinses, om welke de keurvorst aanzoek had gedaan, werd uw neef vervolgens oprecht en hartelijk verliefd, en hij zou wanhopend zijn geworden zoo zij aan den prins van Wales de voorkeur had gegeven. Gij deedt dit echter gelukkig niet; God zegene u hiervoor, en ik dank er u eiken dag en elk uur voor, want zie, mevrouw de keurvorstin, zoo ik mij al niet als een verliefde Seladon aanstelde, is de liefde voor u toch dagelijks dieper in mijn hart gedrongen, en er zijn hiervoor inderdaad geen verzekeringen nopdig. Gij moet dit gevoelen en weten, zonder eenige betuigingen, en zoo gij het niet in uw eigen hart erkend hebt, zouden woorden u toch niet kunnen overtuigen. Maar ik zeg u, Louise, dat ik u met geheel mijn ziel bemin, houd u hieraan vast, en wees er van overtuigd, hoewel ik ook in 't dagelij ksch leven niet altijd den vurigen minnaar speel, en ook vroeger niet uit verliefde dweeperij en niet geheel zonder staatkundige redenen naar den Haag ben gegaan. De jonkvrouwe van Oranje kon wel van mevrouw haar moeder het voorrecht verzoeken, slechts naar haar hart te kiezen en liever ongehuwd te mogen blijven dan een onbeminden man te huwen. De keurvorst van Brandenburg had zich dit niet kunnen veroorloven, maar zijn hart aan de plichten van zijn vorstenschap moeten onderwerpen, en derhalve was het voor hem een heerlijke gunst van het lot, dat zij, die hij uit staatkundige redenen had gekozen, zeer spoedig ook de geliefde zijns harten werd. Ziedaar, mijn liefste, de oprechte en getrouwe beantwoording uwer vraag, en ik hoop, dat ge er mede tevreden zijt, en 't u niet berouwt mij uw hart geschonken te hebben.quot;

„Dat is het nu juist,quot; fluisterde de keurvorstin met tranen in de oogen. „Ik was tegenover u niet trotsch, maar bekende u op dien avond in het paviljoen te schielijk, dat ik u beminde, en verried zelfs mijn grootste geheim, dat ik alleen aan God bekend had: ik bekende u, dat ik u altijd bemind had en nooit had willen huwen met eenig ander man. Zie, mijn dierbare Friedrich, dat ik u toen deze be-

ocr page 26

'20

kentenis deed, heeft mij zeer dikwijls bitter berouwd, ik heb mijn hart gekweld met verwijten, dat ik in dat ougenblik onvrouwelijk en onkiesch gehandeld heb. Ik heb mij dikwijls afgevraagd of gij mij misschien niet minacht om die bekentenis, en daardoor ontstond de vraag, welke gij mij zooeven zoo fraai en toch zoo smartelijk beantwoord hebt. Thans weet ik het, dat ik alleen beminde en dat gij mij zoudt genomen hebben, al ware ik u niet bevallen.quot;

„Neen, Louise,quot; riep de keurvorst ontevreden, „dit hebt gij uit mijn woorden niet kunnen opmaken, en hiermede doet gij mij en u zelf groot onrecht. Zoo gij mij niet bevallen waart, zou het mij niet mogelijk geweest zijn den mensch in mij geheel te overwinnen en tot slaaf van staatkundige redenen te maken. Maar kom aan, laat het nu genoeg zijn over deze pijnlijke vraag, zij doet mij wee, en het is verkeerd, de heilige sluiers trachten te verscheuren, die een eerlijk, trouwen beminnend menschenhartomhullen, om het een weinig te beveiligen voor de ruwe aanraking van menschenhanden. De liefde en het geluk hebben hun verborgenheden, welke men niet met ruwe handen moet aangrijpen. Het is er mede als met de vleugels van den vlinder, hun kleuren verliezen ze als men ze aanraakt. Ik bid u, liefste, laat onze liefde haar vlindervleugels ongeschonden behouden, kwets ze niet met uwe vragen, zelfs niet met uw gedachten. Houd u voor altijd vast aan de overtuiging, dat ik u met geheel mijn ziel, met geheel mijn hart bemin, dat ik u nooit zal kunnen missen, en waar ik ben, gij altijd naast mij zijt!quot;

Hij trok haar aan zijn hart en drukte een langen, teederen kus op haar lippen.

„Ik vraag u om vergeving, Friedrich,quot; fluisterde Louise, haar tranen terugdringende. „Ik had ongelijk om niet alleen mij zelf maar ook u te kwellen, en beloof u, dat ik altijd aan dit uur zal denken, en aan de edele, heerlijke woorden, die gij tot mij gesproken hebt. Gij zult nimmer weer dergelijke vragen van mij hooren. Ik zal voortaan voorzichtiger zijn met het uiten mijner gedachten, en mij er altijd hartelijk over verblijden, dat gij mij ten minste thans bemint en ik niet alleen de gemalin van den heer keurvorst, maar ook de vrouw zijns harten geworden ben. Weg dus met die treurige, kwellende gedachten! Gij zult mij nu vroolijk en gelukkig zien.

ocr page 27

21

Verhaal mij nu eens mijn dierbare, hoe het u te Praag is gegaan, en wat gij er verkregen hebt ? Was zijn keizerlijke majesteit u nog al goed gezind?quot;

„Ja zeer goed gezind,quot; antwoordde de keurvorst glimlachend. „De keizer kwam mij een halve mijl van Praag te gemoet met een statig gevolg. Hij zelf reed in een statiekoets met acht paarden bespannen; naast hem zat de kleine prins van Hongarije. Zestig staatsiekoetsen, elk met vier paarden, volgden het keizerlijke rijtuig, en de keizerlijke lijftrawanten waren in de fraaiste, met goud geborduurde uniformen.quot;

„Nu, mij dunkt, dat ge in pracht niet behoefdet onder te doen,quot; zei de keurvorstin levendig. „Ik verzeker u, het was een zeer fraai gezicht, toen ge voor acht dagen met uw schitterend gevolg Berlijn verliet, en met trotsch zag ik den piachtigen stoet na. Ik heb wel de koetsen niet geteld, en . . . .quot;

„Maak u niet ongerust, mijn allerliefste,quot; viel de keurvorst haar glimlachend in de rede. ,.Wij zijn zekerlijk ook statig heen getrokken, hoewel wij slechts veertig rijtuigen met vier paarden en een gevolg van twee honderd personen medevoerden Dit meende ook de heer graaf Seckendorf, dien zijn majesteit de keizer mij lot aan de Boheemsche grenzen had te gemoet gezonden ter mijner begroeting en om het ceremonieel met mij vast te stellen. Seckendorf zette een zeer verwonderd gezicht over ons gevolg, en zeide, hoofdschuddend, niet te gelooven, dat zijn majesteit op zulk een groot en prachtig gevolg van den keurvorst van Brandenburg zou voorbereid zijn. Ik beduidde ondertusschen den neuswijzen heer graaf, dat het een souvereinen Duitschen vorst wel moest vrijstaan voor den keizer te verschijnen met die pracht, welke hem gepast voorkwam en dat hij daarmede te meer zijn eerbied voor zijn majesteit den keizer te kennen gaf. Seckendorf moest dus nu mijn koetsen, mijn gevolg en paarden onaangerand laten, en toen wij het ceremonieel hadden vastgesteld, zetten wij onze reis naar Praag voort.quot;

„En hoe was het ceremonieel?quot; vroeg de keurvorstin haastig. „Was het voor mijn edelen, fleren vorst gepast, en hadt ge u er niet over te ergeren?quot;

1) Historisch. Zie; Von Orlitz, Der grosse Kurfürsf, I. 8U. -

ocr page 28

22

„Wat zal ik zeggen !quot; antwoordde de keurvorst de schouders ophalende, „de Spaansche grandessa wilde zich aanvankelijk zeer pralend voordoen en zich met pretention en eischen groot maken. Maar ik deed den opperceremo-niemeester begrijpen, dat de tijden een weinig veranderd waren sedert den Westfaalschen vrede, en dat de Duit-sche vorsten, die allen bij het sluiten van dezen vrede een onbegrensd landsbeheer hadden verkregen, volkomen onafhankelijk waren van den keizer en het rijk. De keurvorst van Brandenburg kwam nu niet, gelijk vroeger, als een deemoedig vasal en afhankelijk dienaar voor den keizer, maar als een souverein vorst en onafhankelijk heer, die nooit den eerbied voor de keizerlijke majesteit zou vergeten en zich altoos met betamelijken ootmoed en onderdanigheid voor den keizer van het heilige Duitsche Rijk buigen zou.quot;

„Dat was fraai, moedig en schrander geantwoord, Frie-drich,quot; riep de keurvorstin met glinsterende oogen. „O hoe verheug ik mij over u en uwe fierheid!quot;

„Zacht, Louise,quot; zei Friedrich Wilhelm zuchtend. „Er was evenwel nog iets, dat zich niet liet ter zijde schuiven, dat mij een weinig hinderde en niet geheel enquot; al overeenkwam met mijn fierheid. Ik moest zoodra ik het rijtuig van den keizer in 't gezicht kreeg, het mijne verlaten en den keizer met ongedekt hoofd te gemoet gaan. De keizer verliet het rijtuig eerst, toen ik nog tien schreden van hem verwijderd was en kwam mij met gedekt hoofd tegemoet. Vervolgens, toen wij dicht bij elkanderstonden, maakte ik een kleine kniebuiging en nam eerbiedig de hand, welke de keizer mij reikte.quot;

„Moest gij deze hand kussen!quot; vroeg Louise blozend.

„Het moest zoo schijnen, ik raakte ze althans met de punt van mijn neus,quot; antwoordde de keurvorst de schouders ophalende. „Het was trouwens zoo erg niet als voor veertien jaren, bij de aanvaarding mijner regeering, toen ik op mijn knieën den koning van Polen den huldigingseed moest doen, sinds dien tijd ben ik toch iets verder gekomen. Dat zeide ik mij tot mijn troost, toen ik mij op de keizerlijke hand nederboog, en geloofde dat er wel een dag zou komen, dat de keurvorst van Brandenburg rechtop voor zijn keizerlijke majesteit zou staan, en niet, gelijk hij thans moest doen, op de voorste bank plaats nemen,

ocr page 29

23

terwijl de keizer en zijn zoon tegenover hem zaten. Ik verzeker u Louise, dat ik daarbij vroolijk en welgemoed was, en terwijl ik zoo de beide heeren in hun voorname houding en verhevenheid aanschouwde, dacht ik bij mij zeiven: „Gij kunt op aarde niet grooter worden. Gij staat op den hoogsten top, en daar er op aarde geen stilstand en niets duurzaam is, moet gij van dien top afdalen. Ik sta nu wel beneden, maar ga vooruit en klim op, gij daalt des te meer naar beneden. Ge hebt niets meer te winnen, maar alles te verliezen, terwijl ik slechts weinig te verliezen, maar veel te winnen heb. Want het verledene, en wellicht ook nog het tegenwoordige, behooren u, maar de toekomst behoort mij, en ik dacht terwijl ik zoo op de voorbank zat. Gij zult nog eens plaats voor mij moeten maken op de achterbank. Daar troostte ik mij mede, en was zeer blijmoedig en liet mij bedaard alles welgevallen ; liet het toe, dat de keizer mij op de plechtige audientie met gedekt hoofd te gemoet kwam, zich op een stoel zette en mij eerst daarna veroorloofde op een tabouret tegenover hem plaats te nemen en mijn hoofd te dekken. Langzamerhand werden de hooge heeren toch ook een weinig voorkomender, en verwaardigden zich zelfs bij mij te dineeren, hetgeen, zooals de opper-ceremoniemeester mij te kennen gaf, een zeer bijzondere gunst was van zijne keizerlijke) majesteit.quot;

„Gij hadt den trotschen heer overwonnen door uw beminnenswaardigheid,quot; riep de keurvorstin, met glinsterende oogen haar gemaal aanschouwende. „Hij kon uw edel vorstelijk voorkomen niet wederstaan en moest zich buigen voor uw grootheid.quot;

„O, neen,quot; zei de keurvorst glimlachend, „zulke opwellingen had hij niet, maar hij deed het, omdat hij mij noodig had. Hij zou op den aanstaanden Rijksdag gaarne zien, dat de keurvorst van Brandenburg zijn stem zou geven aan den zoon des keizers bij de verkiezing van een Roomsch koning, opdat hij later de opvolger zou worden van zijne keizerlijke majesteit. Ik doorgrondde de reden van zijn vriendelijkheid volkomen en dacht er ook wederkeerig mijn voordeel uit te trekken. Ik had immers aan de uitnoodiging des keizers om naar Praag te komen, alleen gevolg gegeven, omdal ik het langdurig geschrijf en ^lien hoogdravenden kanselarijstijl moede was en men

ocr page 30

24

in een half uur mondeling meer kan uitvoeren dan door tallooze brieven, omdat het er mij om te doen was mij en mijn land door des keizers machtwoord van de lastige gasten te bevrijden, die er nog altijd in huisvesten en ons het merg uit het gebeente zuigen.quot;

„Gij bedoelt de Zweden, niet waar ?quot; vroeg de keurvorstin.

„Ja, de Zweden,quot; antwoordde de keurvorst warm wordend. „Zij hebben mij vroeger te Munster zeer harde voorwaarden opgelegd en- hoogst onbeschaamde eischen gesteld. Ik zou er nimmer toe zijn overgegaan, zoo ik er niet aan had willen medewerken om het Duitsche rijk, na een dertigjarigen oorlog, eindelijk den vrede te geven. Ik gaf dus toe; de Westfaalsche vrede van '1648 heeft het Rijk den gewenschten vrede gebracht, en ik durf zeggen, dat ik er ruimschoots toe heb bijgedragen en mij veel schade getroost heb ter wille van het algemeen belang. Ik heb er in bewilligd aan Zweden geheel Voor-Pommeren een gedeelte van Achter-Pommeren en het eiland Rugen af te staan hoewel het mij zeer smartelijk is geweest het fraaiste gedeelte van mijn rechtmatig en onbetwistbaar erfdeel weg te geven.quot;

„Maar ge hebt dit toch gelukkig niet zonder vergoeding gedaan!quot; troostte de keurvorstin, „ge hebt daarvoor tot schadeloosstelling het bisdom Halbersladt en Minden, het graafschap Hohenstein en het aarlsstift Maagdenburg verkregen.quot;

„Hoe geleerd is mijn bekoorlijke keurvorstin,quot; riep Frie-drich Wilhelm haar met teedere blikken aanziende. „Gij weet met zulk een vaardigheid ons geheele hebben en houden op te tellen, dat men wel ziet welk een uitmuntende huishoudster ge zijt. De rekening is echter niet geheel juist, want men heeft mij meer afgenomen dan men mij terug heeft gegeven; en dat ik aan de Zweden Stettin en de monden van den Oder heb moeten laten, kan ik niet verdragen, en 't zal mij zoo lang op de ziel branden tot ik mijn erfland Pommeren heroverd, en den Zweden weder ontrukt heb, wat het mijne is. Zoo ik mij dit niet uit den grond mijns harten had voorgenomen, zou ik nooit het vredescontrakt te Osnabrück onderleekend hebben, ik zou het mij als een misdaad toei'ekenen. Maar geloof mij, Louise ik zal mijn oogen niet sluiten vóór dat ik mijn erfland Pommeren voor mijn huis herwonnen heb.

ocr page 31

25

en er zal latei' in de geschiedboeken niet van mij gezegd worden, dat ik, wat het: mijne was, in den steek gelaten en niet met het zwaard teruggevorderd heb, wat ik met de pen gedwongen was af te staan.quot;

„Het staat reeds in uw oogen geschreven, Friedrich Wilhelm, dat gij het duen zult,'' riep de keurvorstin, met bewondering in het bewogen gelaat van haar gemaal ziende, „de geschiedboeken zullen wel iets grootsch en heerlijksch te melden hebben van den keurvorst Friedrich Wilhelm van Brandenburg; dat gevoel ik zoo klaar en duidelijk in mijn hart, als ware het een Goddelijke openbaring.''

„Moogt ge een goede profetes zijn,quot; zei Friedrich Wilhelm plechtig, terwijl hij zijn hand zegenend op het hoofd zijner gemalin legde. „Ja Louise Henriette, gelietde vrouw, moogt gij voor mij een goede profetes zijn! Want ik wil u bekennen, Louise, dat ik u met al de kracht mijner ziel bemin, en als ik, zoo als nu, naast u zit en in een vertrouwelijk gesprek u mijn innigste gedachten en plannen mededeel, dan gevoelt mijne ziel eene reine vreugd en acht ik mij waarlijk gelukkig. Maar den keurvorst ontbreekt nog iets aan zijn geluk, hem ontbreekt het hoogste en schoonste wat de aarde den man kan schenken, namelijk den roem. De onsterfelijkheid der ziel bezit ieder mensch door Gods genade, maar de onsterfelijkheid van zijn naam op aarde, de roem van zijn leven, die meer is dan het leven zelf, die verkrijgen op aarde slechts weinigen, die wordt alleen verkregen door eigen kracht en eigen verdienste. Ik zou tot deze weinigen willen behooren, Louise, ik zou den kleinen keurvorst van Brandenburg willen verheerlijken, omdat hij van de kleine, versnipperde en verbrokkelde landen en provinciën aan zijn nakomelingen een groot, machtig aaneengesloten rijk heeft nagelaten. De roem is het ideaal mijns levens, met moed en kracht, dapperheid en rechtvaardigheid, maar ook met ootmoed en onderwerping aan Gods wil, zal ik pogen dien te verwerven!quot;

„Gij zult hem verwerven, mijn Friedrich! Reeds hebt

Si de eerste schreden op de baan des roems afgelegd.

en Westfaalschen vrede heeft Duitschland grootendeels aan uw ijver, standvastigheid en aan uw bereidvaardige opoffering te danken. Gij waart het, die aan de Lutherschen en Gereformeerden vrijheid van geloof verzekerde, die de erkenning en gelijkstelling der rechten van al degeloofs-

ocr page 32

26

belijdenissen in het Duitsche rijk ^verworven en tegen Oostenrijk, Beieren en alle katholieke vorsten doorgezet hebt; waarlijk een groote verdienste, voor welke al de niet katholieken u danken zullen en waarvoor zij u zullen gedenken in ieder gebed, dat zij tot God opzenden.quot;

„Ach, Louise, gij bedriegt u,quot; zuchtte de keurvorst. „Onder de evangelisten zijn er, helaas! zeer velen, die nog verstoord op mij zijn, dat ik voor de vrijheid vange-loof van al de Augsburgsche geloofsverwanten gestreden heb. Dat de katholieken daarover op mij vertoornd zijn, begrijp ik, maar dat ook de luthersche predikanten hun stem tegen mij verheffen en wraak roepen, omdat ik de gelijkstelling der Gerelormeerden met de Lutherschen heb bewerkt, doet mijn hart zeer! Niet omdat ik zelt, evenals gij, tot de gereformeerde kerk behoor, maar omdat hierdoor ontevredenheid en twist gezaaid wórd door dezulken, die geroepen zijn vrede en verzoening te prediken en een goed voorbeeld te geven. Ik heb stellig besloten in deze geloofszaken streng en ernstig te werk te gaan en de lutersche geloofsijveraars krachtig te bewijzen, dat in mijn landen de vrijheid van geloof geen ij del woord zal zijn, maar dat ik toelating, erkenning en gelijkstelling van alle geloofsbelijdenissen tot waarheid wil maken. Wee de ijveraars, die mij willen bewijzen, dat de Gereformeerden niet tot de Augsburgsche belijdenis gerekend worden, en bijgevolg geen gelijke rechten met de Lutherschen genieten kunnen! Zulk een aanmatiging zal ik niet dulden, maar naar al de gestrengheid der wet straffen! — Vergeef mij, Louise, dat ik hierover voor u zoo in vuur geraak,quot; voer de keurvorst na een korte pauze voort; „maar het komt, omdat ik, toen ik op mijn terugreis hier in de Mark te Burg rustdag hield, een priester sprak, die zich niet ontzag in mijn tegenwoordigheid van den kansel tegen de Gereformeerden te prediken. Ik liet den man bij mij komen en heb hem streng en ernstig bevolen, ja zelfs met afzetting gedreigd, voortaan niet van Lutherschen en Gereformeerden als van tegenover elkander staande geloofsbelijdenissen te spreken, maar dat van evangelische geloofsgenooten in mijn landen sprake moest zijn, die gelijke bescherming en gelijke rechten bezitten. Ik heb nog een anderen priester hier ontboden, om hem

ocr page 33

27

te hooren over een aanklacht tegen een kleermaker, welke zaak bijna grappig kon genoemd worden zoo zij geen ernstige en heilige dingen betrof. — Doch nu genoeg over al deze zaken, Louise. Ik ben weder thuis bij u, en daarover verblijd ik mij zeer. Ook mijn reis is naar mijn genoegen afgeloopen, want zijn keizerlijke majesteit heeft mijn vertoogen en klachten tegen Zweden rechtvaardig bevonden, en zal een besluit uitvaardigen, dat koningin Christina niet als bezitster van Voor-Pommeren erkend zal worden en op den Rijksdag als zoodanig geen zitting en stem zal erlangen, vóór Achter-Pommeren, zoo ver het mij behoort, door de Zweedsche troepen ontruimd is. Dit is voorloopig alles wat ik begeer. Zweden zal zich nu wel naar zulk een ernstige aanmaning voegen en mijn ongelukkig land zal van zijn ergste plaaggeesten bevrijd worden. En nu, allerliefste, kom, laat ons eens zien, wat Memmhart in mijne afwezigheid aan 't kasteel tot stand heeft gebracht en hoe ver het bouwen gevorderd is. Ook zou ik met u wel een wandeling door den lusttuin en uw broeikasten willen doen.quot;

„Dat wil zeggen,quot; riep de keurvorstin verheugd, „gij wilt mij een uur van geluk schenken en mij voor de lange scheiding schadeloos stellen Ja, kom, dierbare Friedrich, laat ons den bouw in oogenschouw nemen en dan naaiden tuin gaan.quot;

111.

DE BOUW VAN 11 KT KASTEEL.

Arm in arm verliet het keur vorstelijk paar het woonvertrek en begaf zich naar de antichambre, waar de ontboden architect zijn heer reeds wachtte.

„Nu, Memmhart,'' riep de keurvorst hem toe, „laat ons eens zien wat ge lot stand hebt gebracht en of het u

ocr page 34

28

gelukken zal een kasleel te bouwen, dat ons waardig is.quot;

„Doorluchtigheid,quot; antwoordde de architect ernsüg, „ik vrees, helaas, dat het mij niet gelukken zal.quot;

„Waarom niet?quot; vroeg de keurvorst haastig. Waarom ziet ge er zoo treurig uit Memmhart, hoewel ge anders altijd zoo opgeruimd en vroolijk zijt? Zeg mij wat er is?''

„Genadige heer!quot; sprak Memmhart mismoedig, „het is juist het ongeluk, dat er niets is. Er kan niets gedaan worden, omdat er geen geld voorhanden is, genadige-heer!quot;

„Wat?quot; riep de keurvorst rood wordend, „is er geen geld? Heb ik dan niet reeds voor twee jaren den intendant van het kasteel gezegd, dat ik jaarlijks voor den bouw van het kasteel een som van duizend thaler heb vastgesteld en dat deze som voor u beschikbaar was!quot;

„De intendant heeft dit gedaan, genadige heer, maar de som is niet toereikend. In het eerste jaar was er een te kort, dat wij met de helft van het tweede jaar dekten; in het tweede jaar was het te kort nog grooter geworden, en wij konden het nauwelijks dekken met de duizend tha-lers, die voor het derde jaar waren bestemd. Nu is er niets meer in kas; wij kunnen de werklieden en kunstenaars hun loon niet betalen; eerst hebben zij gevraagd, toen gemord en vervolgens zijn zij kwaad geworden. Ik ben helaas! gedwongen u dit te zeggen, want nauwelijks was uw doorluchtigheid voor acht dagen op reis gegaan, toen onder de werklieden een soort oproer uitbrak. De schilders, metselaars en andere werklieden verklaarden eenstemmig, dat zij niet langer wilden werken, zoo men hun het achterstallige loon niet betaalde. Vruchteloos poogde ik deze menschen tot rede te brengen. Op al mijn voorstellen antwoordden zij : „Betaal ons eerst, wat wij verdiend hebben, en wij zullen het werk hervatten.quot;

„Dat waren voorwaar harde voorwaarden,quot; zei de keurvorst, „en ik vrees, dat gij ze niet hebt kunnen vervullen?quot;

„Neen, doorluchtigheid, ik kon ze niet vervullen, want waar geen geld is, heeft zelfs de keizer geen recht. Ik moest dit erkennen, en zoo geschiedde het, dat de schilder Hirt, die met hel plafondschildoren der nieuwe kamer bezig was, zijn penseel en palet nederlegde, en de Venus, die hij onder handen had, met één afschuwelijk geblan-

ocr page 35

20

kette en één witte wang, op een stoel zonder poolen liet zitten; dat de koperslagers met dedakbekleedingniet voortgegaan zijn, zoodat het bezijden de koperen platen nog altijd doorregent in de nieuwe kamers, welke wij in den, „groenen hoek,quot; in plaats der gevangenis hebben gemaakt ; dan hebben de metselaars den ouden vleugel van het kasteel, aan de zijde van het kasteelplein, die afgebroken moest worden, onaangetast laten staan en den bouw van den nieuwen vleugel is niets vooruitgegaan.quot;

Maar man,quot; riep de keurvorst levendig, „ik heb toch, toen ik over het kasteelplein ging, de opperlieden op de steigers en de metselaars aan het werk gezien, en gij stondt er bij.quot;

„Ja, doorluchtigheid, dat was heden. Ik heb zoolang gepraat en goede beloften, gegeven lot de lieden er eindelijk in bewilligden, ten minste een halven dag te komen, om u bii uwe terugkomst geen ergenis te geven, en het ten minste den schijn zou hebben alsof zij aan het werk waren.''

„Ik dank u, Memmhart,quot; zei de keurvorstin levendig, terwijl zij den architect de hand reikte. „Dat was goed gehandeld, en het doet mij genoegen, dat gij zijn doorluchtigheid ten minste bij zijne aankomst, een ergernis hebt bespaard.quot;

„Ach, mevrouw, ik wenschte maar, dat ik het nog langer had kunnen doen. Maar de lieden zijn slechts gekomen, nadat ik hun beloofd en er mijn woord op gegeven had dat ik, zoodra uw doorluchtigheid mij bij zich liet ontbieden, terstond den geheelen stand van zaken zou mede-deelen. Ik zeg u echter, doorluchtigheid, dat ik den laatsten tijd in zulk een angst en wanhoop heb doorgebracht, dat ik bijna mijn leven moede werd, en nu ik toch alles wil zeggen wat mij op 't hart ligt, moet ik u bekennen, dat ik het niet langer kan uithouden altijd door de werklieden gemaand te worden over de afrekening, en dan van den intendant te moeten hooren, dat er geen geld voorhanden is. Ik zou uw doorluchtigheid daarom met alle onderdanigheid willen verzoeken, mij voortaan van het geldelijk beheer te ontheffen, en aan de werklieden te laten weten, dat ik de rekeningen niet meer moet betalen, maar de intendant of wien uw doorluchtigheid daarmede wil belasten.quot;

„Dit is inderdaad een erg geval,quot; zei de keurvorst

ocr page 36

30

nadenkend, terwijl hij langzaam op en neder ging en volstrekt niet bemerkte, dat de keurvorstin zich van zijn zijde had verwijderd en naar haar kamer was teruggekeerd. „Ja, inderdaad, een zeer leelijke zaak. Wij kunnen ons huis toch niet in ■ dien toestand laten, waarin het thans is. Hel zou al te gek zijn, dat het keurvorstelijk kasteel er uit zou zien als een vervallen uilennest, dat mevrouw de keurvorstin bij elke regenbui in haar kamers onder den drop zou zitten, dat de oude houten trappen bij elke beklimming zouden kraken, en wij in het geheele huis geen enkele fatsoenlijke zaal zouden hebben om er gasten te ontvangen. Er moest dus gebouwd worden, en toch — ik moet bekennen — er is altijd en eeuwig gebrek aan geld, en de weerbarstige stenden zullen voor den bouw van het kasteel moeielijk een belasting bewilligen. Wat zullen wij dus beginnen, Memmhart, en hoe kunnen wij ons hieruit redden?quot;

„Ik weet het niet, doorluchtigheid! Ik weet slechts,dat wij ijverig moeten werken om nog vóór den winter de nieuwe dakbekleeding aan te brengen en met de nieuwe gezelschapskamers gereed te komen. Maar de werklieden laten zich volstrekt niet meer paaien, vóór alles verlangen zij geld, en het zijn niet. alleen mijn werklieden, die zoo begeerig zijn! Uw doorluchtigheid zal zien, dat het slechte voorbeeld navolging heeft gevonden en er nog anderen door zijn aangestoken. Ik moet, helaas, verklaren, dat, zoo uw doorluchtigheid haar geldkist niet opent en tot betaling overgaat...quot;

„De geldkist te openen, zou wel gaan,quot; viel de keurvorst hem zuchtend in de rede, „maar om daaruit betalingen te doen, is moeielijker. Ik weet dus niet...quot;

„Dan weet ik, wat er te doen is, mijn gemaal,quot; riep de keurvorstin, die weder in de antichambre was gekomen en met beide handen een tamelijk groot kistje droeg. „Heer architect Memmhart, wees zoo goed, en zeg mij hoeveel de som bedraagt, welke gij den werklieden namens den keurvorst schuldig zijt?quot;

„Mevrouw de keurvorstin, wat wilt gij doen?quot; vroeg Friedrich Wilhelm, terwijl hij de hand zijner gemalin, die juist het kistje wilde openen, tegenhield. „Gij wilt toch 'niet het geld geven om deze afschuwelijk wederspannige werklieden te bevredigen?quot;

ocr page 37

31

„Zeker wil ik dal, heer gemaal,quot; antwoordde Louise Henriette glimlachende. „Gij zult mij moeten vergunnen, dat ik als een huishoudelijke vrouw ook wat voor ons huis doe, en een paar lappen geef, om de gaten te stoppen, die de tegenspoed van het land in de geldkist van den grootmoedigen keurvorst gemaakt heeft. Indien alle vorsten en vorstinnen even weldadig voor hunne onderdanen waren als gij zijt, zouden zij allen ledige geldkisten hebben en zelf in geldverlegenheid zijn. Ik schaam mij voor u, dat mijn kas niet ledig is, en ik wil het weder goed maken, door uw voorbeeld te volgen en haar te ledigen.quot;

De keurvorst antwoordde niets, maar zag lang en met een teedere uitdrukking in Louise's bewogen, gloeiend, gelaat. „Louise,quot; zeide hij zacht, „gij zijt niet alleen goed, maar ook grootmoedig. Ik dank u!quot;

Hij nam haar hand en drukte ze aan zijn lippen. Toen hij haar weder losliet, parelde er een traan op, die als een dauwdruppel of als een geslepen diamant fonkelde. — Voor Louise was het een dauwdruppel en diamant te gelijk, en zij drukte een kus op de plek waar de traan van den keurvorst hare hand bevochtigd had.

„Nu, heer architect Menomhart,quot; riep zij toen vroolijk, „zeg mij eens hoeveel gij schuldig zijt?quot;

„Doorluchtigheid, ik weet helaas ! het juiste bedrag niet,quot; zei Memmhart, eenige papieren te voorschijn halende.,, De werklieden zoowel als de schilders en kunstenaars hebben mij hun rekeningen gegeven, en ik heb beloofd ze den heer keurvorst voor te leggen, opdat zijne doorluchtigheid zelf ze kan onderzoeken om zich te overtuigen, dat de lieden niet onhescheiden in hun eischen zijn geweest.quot;

„Hebt gij deze rekeningen dan niet onderzocht, Memmhart?quot; vroeg de keurvorst.

„Zeker, maar het is mijn wensch dat ook uw doorluchtigheid zich zal overtuigen, dat werkelijk niets te hoog berekend en niets onnoodig uitgegeven is.quot;

„Wij gelooven u,quot; zei de keurvorst met waardigheid, „steek dus die rekeningen weder bij u, en . . .quot;

„Vergeving, mijn gemaal,quot; riep de keurvorstin levendig, „dit is gesproken gelijk het een edelen,hooghartigen vorst betaamt, en wat tegenover den heer architect recht en billijk is; maar regel is het niet, men moet den prijs der

ocr page 38

32

dingen kennen, welke men betaald. Zoo gij het mij vergunt, zal ik de rekeningen later eens nazien, om daaruit te leeren wat er toe behoort om een huis te bouwen, hoeveel materialen worden verbruikt, en hoeveel handen werkzaam moeten zijn.quot;

„Goed, mijn edele, zorgvuldige huisvrouw,quot; zei de keurvorst, haar vriendelijk toeknikkende. „Ik ben zeker dat Memmhart er mee gediend zal zijn, als gij u verwaardigd om belang in zulke aangelegenheden te stellen.quot;

„Het maakt mij heel gelukkig, genadige mevrouw,quot; riep de architect verheugd. „Men heeft meer moed tot den arbeid, als men weet, dat een zoo deelnemend oog ons gadeslaat en belang stelt in wat wij doen.quot;

„Laat mij dan spoedig weten hoeveel geld gij op het oogenblik noodig hebt,'' zei Louise Henriette, terwijl zij haar cassette op de eikenhouten tafel zette, die in 't midden der kamer stond, en ze opende. „Laat mij hooren! Zeg mij nu de geheele som, later zal ik de rekeningen nauwkeuriger nazien.quot;

De architect antwoordde niet, maar zag eenigszins verlegen op de papieren in de hand.

„Nu?quot; vroeg de keurvorst. „Hebt ge niet gehoord, Memmhart, wat mevrouw de keurvorstin beveelt?quot;

„Ik heb het wel gehoord, doorluchtigheid, maar ik geloof, dat het beter is, zoo mevrouw zich eiken post afzonderlijk laat opnoemen en voor elk afzonderlijk het geld betaald.quot;

,,lk begrijp u!quot; riep de keurvorst lachend. „Gij denkt, dat, als mevrouw de keurvorstin de geheele som in eens verneemt, zij misschien van schrik haar cassette weder zal sluiten.quot;

„Ja, doorluchtigheid, dat denk ik!quot;

.,Gij vergist u zoo ge dat denkt, haar genade zal het niet zwaarder opnemen, dan als zij het bedrag van iedere rekening afzonderlijk verneemt. Mevrouw de keurvorstin heeft een vlug verstand en is een zeer bekwame rekenaarster. Zoodra gij de laatste som hebt genoemd, zal de optelling reeds in haar schrander hoofd geschied zijn, en zij betaalt u dan misschien de laatste som niet. Het is dus beter. Memmhart, dat ge alles in eens zegt en de geheele som noemt.quot;

„Genadige heer, dit waag ik niet,quot; zuchtte Memmhart, „het moest mij ten minste vergund worden op te geven hoe-

ocr page 39

• gt;•')

oo

veel menschen deze som moeten deelen. Daai' is ten eerste de metselaarsbaas met zijn zes knechts, de timmerman, dien uw doorluchtigheid uit Holland heeft ontboden, vervolgens de slotenmaker, die door uw gezant uit Frankrijk hierheen gezonden is, dan de schilder Hirt met zijn twee gezellen, en . .

„Genoeg,quot; viel de keurvorstin hem in de rede, „ik kan wel denken, dat de som hoog moet zijn. Ik versta wel iets van dergelijke bouwzaken, want in den Haag heb ik er mij veel mede bezig gehouden, toen ik voor mijn boerderij een huis wilde bouwen. Daar gij aarzelt mij de som te noemen, veroorloof mij dan dien te raden. Hoe lang zijt gij dezen lieden hun loon schuldig?quot;

„Vier maanden, genadige vrouw.quot;

„Welnn,'' zei de keurvorstin, na kort beraad, „ 't zal natuurlijk een aanzienlijke som zijn, want de werklieden zijn duur, en dan nog de kunstenaars, de schilders en beeldhouwers!quot;

„Welaan, laat eens hooren, mevrouw de keurvorstin,quot; riep Friedrich quot;Wilhelm vroolijk. „Ik ben waarlijk nieuwsgierig te vernemen hoe ver uw kennis van deze dingen gaat. Welk een som denkt gij wel?quot;

„Ik denk,quot; zei de keurvorstin peinzend, „dat er wel bij de vijfduizend thaler noodig zijn.quot;

„O, neen!quot; riep de architect, ruimer ademende, „zoo hoog is de som niet.quot;

„JNu, dan misschien vierduizend?quot;

„Nog minder, mevrouw de keurvorstin,quot; zei Memmhart wiens gelaat begon te verhelderen.

„Dan slechts drieduizend?quot; vroeg Louise Henriette glimlachend.

„Neen, genadige vrouw slechts tweeduizend vierhonderd!quot;

„O,quot; zei de keurvorstin, zich tot haar gemaal wendende, „gij kunt u waarlijk geluk wenschcn met dezen zuinigen en eerlijken architect. Wie in vier maanden voor zoo vele werklieden slechts tweeduizend vierhonderd thaler uitgeeft, moet het waarlijk verstaan zijn menschen te kiezen en er orde onder te houden. Ziehier, heer architect, de be-noodigde som, en ik geef u nog zeshonderd thaler in voorschot, want het is altijd goed wat geld in voorraad te hebben. Men koopt dan veel goedkooper en de werklieden zijn vlijtiger naarmate men het loon stipter betaalt.

Muhltaoh, De groote Keurvorst en sijn tijd. IV. 3

ocr page 40

34

Hier, neem deze drie rollen, iedere rol bevat duizend thaler in goudstukken.quot;

Memmhart naderde de keurvorstin, om de rollen geld, welke zij op de tafel had gelegd, te nemen, doch vóór hij dit deed boog hij zijn knie voor haar en met diepe aandoening sprak hij :

„Mevrouw de keurvorstin, ik ben slechts een eenvoudig man en heb weinig verstand van de lijne vormen der hofhoudingen. Vergeef mij dus, zoo ik niet spreek, als de hovelingen, en mij niet zoo goed weet uit te drukken, maar ik moet u zeggen, dat uw doorluchtigheid als een engel heeft gehandeld en door uw edele, heerlijke woorden 'jmijn hart heeft opgebeurd en gesterkt. Ik begrijp, dat uw doorluchtigheid slechts uit barmhartigheid zulke hooge sommen genoemd heeft, om den schijn aan te nemen dat uw genade verbaasd was over de geringe som, die toch inderdaad zeer groot en aanzienlijk is. Maar ik dank uw doorluchtigheid uit den grond mijns harten voor deze kieschheid en goedheid, nu zal ik met vreugd en blijdschap mijn moeielijk werk voortzetten, want ik weet, dat het oog eens engels over mij waakt. Veroorloof mij, doorluchtigheid, dat ik uw hand aan mijn lippen drukke en met een eerbiedigen kus bewijze, dat ik voor mijn ge-nadigen en geliefden keurvorst een ü'ouw en ijverig dienaar wil zijn en mijn geheele leven aan zijn dienst zal wijden.quot;

„Ik geloof u gaarne meester, en verblijd er mij over,quot; zei de keurvorstin, „maar vóór ik u mijn hand reik, moet gij opstaan, want het betaamt geen kunstenaar zich voor sterfelijke menschen in het stot te buigen. Neem nu mijn hand en ontvang mijn dank voor uw trouw en ijver.quot;

„En ontvang ook mijn dank, Memmhart,quot; zei de keurvorst, hem vriendelijk toeknikkende. „Gij zijt een zeer bekwaam bouwmeester, en de nieuwe kamers, welke ge voor ons in den „groenen hoekquot; hebt ingericht, waar vroeger de gevangenissen waren, zijn waarlijk zeer deftig en fraai geworden. Ook de nieuwe vleugel naar de zijde van den dom bevalt mij zeer goed; slechts wensch ik, dat de oude vleugel naar den open kant ook afgebroken worde, want die ontsiert het geheele huis.quot;

„O, geëerde keurvorst,quot; riep Memmhart blijmoedig, het

ocr page 41

35

zal geschieden en de bouw zal spoedig voortgaan, daarvan kunt gij verzekerd zijn.quot;

„Het zal een grootsch, heerlijk gebouw worden,quot; zei de keurvorst levendig. „Ik wil er voor mijn tijd en voor mij zeiven een gedenkteeken door oprichten en mijn nakomelingen een vasten burg bezorgen, waarin zij zich veilig zullen gevoelen tegen alle stormen des levens en dankbaar den voorzaat mogen gedenken, die voor hen gewerkt, gebouwd en gestreden heeft. Memmhart, laat ons dus een zeer vast en hecht gebouw daarstellen, dat den storm der tijden kan doorstaan.quot;

De keurvorstin, die de cassette naar haar kamer gebracht had, kwam nu in de antichambre terug en legde haai' hand op den arm van haar gemaal.

„Veroorloof mij u te herinneren, dat gij mij hebt beloofd een kleine wandeling in den lusttuin te doen. Ik wenschte u in mijn kleinen moestuin een paar nieuwe planten te laten zien, die ik gisteren van mijn moeder uit den Haag heb ontvangen.quot;

„Laat ons dan gaan. Maar veroorloof mij nog ééne vraag aan Memmhart. Gij spraakt straks van een Franschen slotenmaker, dien onze gezant u uit Frankrijk gezonden heeft. quot;Wat is dit? Wat heeft die man hier te doen en waarom wordt dat werk niet door inlandsche smeden verricht?quot;

„Ach, genadige heer, onze inlandsche smeden hebben slechts verstand van grof werk. Gewone deurklinken, ijzeren ovendeuren en grove sleutels van ongepolijst ijzer weten zij wel te vervaardigen, maar van fijn werk hebben zij geen verstand, en het zou geen der hier wonende slotenmakers mogelijk zijn geweest, het werk te doen wat de Franschman in zeer korten tijd geleverd heeft.quot;

„En wat zijn dan die bijzonder fijne en kunstige voorwerpen?quot;

„Genadige heer, in het kasteel heeft hij de hoofddeuren van goede klinken en schoten voorzien, die goed inspringen, en de deuren niet bij den minsten tocht heen en weer doen slaan, zooals nu het geval is. Hij heeft buitendien de hoofddeuren van het kasteel van sloten voorzien, welke men met sleutels kan sluiten. Tot heden had men slechts ijzeren grendels aan de deuren, die men wel gebruiken kon als men in de kamer was, maar niet konden dienen

ocr page 42

30

otn bij het verlaten der kamer te sluiten. Ik heb den Franschen werkman sloten met passende sleutels laten maken, en er zijn thans in 't kasteel reeds zes hoofddeuren, die met sleutels kunnen gesloten worden 1).quot;

„Dat bevalt mij,quot; zei de keurvorst levendig, „alle deuren moeten van zulke sloten voorzien worden; en alle sleutels moeten verschillend gemaakt worden, zoodat iedere sleutel slechts op zijn eigen slot past. Men heeft dan ook zoo veel portiers en deurwachters niet noo-dig, en dan zullen de schildwachten voldoende wezen om het kasteel te bewaken. Wees nu zoo goed, mevrouw de keurvorstin, mij uw arm te geven om samen naar den lusttuin te gaan.quot;

Vriendelijk groette hij den architect en begaf zich met zijn gemalin naar den grooten corridor, welken men moest doorgaan om aan de hoofdtrap te komen.

IV.

DE EERSTE BLOEMKOOL.

De keurvorst ging zwijgend en in gedachten verdiept voort; nu en dan bleef hij voor een der deuren staan, die op den corridor uitkwamen, en zag naar de oude, verroeste ijzeren klinken en de zware ijzeren grendels, die er aangebracht waren.quot;

„Inderdaad,quot; zeide hij eindelijk, het hoofd schuddende, „dit ziet er afschuwelijk uit. Ik heb er nooit aan gedacht, maar nu valt het mij op, hoe zonderling het is, dat wij onze deuren niet kunnen sluiten. Zeg mij eens, Louise, is dat ook zoo in het stadhouderlijke hof te 's Hage, heeft men daar ook geen sleutels voor de deuren?quot;

„Wel zeker, Friedrich,quot; riep zij glimlachend, „men heeft er sleutels voor alle deuren, en mijn landgenooten zouden zeer verbaasd zijn, zoo men van hen eischte, dat

1

Zie: Künig, Schilderung von Berlin, Band II, 64.

ocr page 43

37

zij hunne prachtige staatsiezalen en fraaie huiskamers in hun afwezigheid ongesloten lieten.quot;

„Maar gij moest het u toch hier laten welgevallen, geen sleutels voor uwe kamers te hebben,quot; zei de keurvorst met somberen blik.

„O ik,quot; zeide zij glimlachende, „waar had ik sleutels voor noodig! Ik heb geen geheimen, en bovendien ben ik niet meer een Hollandsche, maar een Duitsche vrouw, die wel zeer slecht en gebrekkig Duitsch spreekt, maar als een Duitsche denkt en voelt, en bovenal van ganscher harte een Brandenburgsche is. Ik wil u wel bekennen, dat het mij bij mijn komst alhier zeer verwonderde, dat ik nergens sloten aan de deuren vond, dat alles ongesloten en open stond, zonder dat men verraad en diefstal vreesde. Ik dacht, hoe onschuldig, naief en goedhartig moet het leven in een land zijn, waar de vorst zelf geen sloten aan zijn deuren noodig heeft, en zich niet behoett op te sluiten voor kwaadwilligen of onbeschaamde indringers. Slechts bij een eenvoudig, trouw en eerlijk volk is zulk een toestand mogelijk, met de beschaving en verfijning van zeden verdwijnt deze eenvoud en onschuld.quot;

„Gij weet toch van alles de goede zijde te zien,quot; zei Friedrich Wilhelm, langzaam het hoofd schuddende. „Maar ge moet toch toegeven, dat het ons hier juist aan beschaving en fijne zeden ontbreekt, en dat onze onderdanen daarin nog ver ten achteren zijn. De bloedige oorlog heeft hier alle beschaving verwoest, alle fijnere zeden ondermijnd en alle kunsten en wetenschappen uitgeroeid. Ik zal hierover niet jammeren, maar bedenken, dat mijn taak en mijn doel te grootscher en heerlijker moet zijn. Het is een schoone, een verheven taak, die Ged mij heeft opgedragen, en waarbij gij, als mijn geliefde gezellin en helpster, aan mijn zijde zult staan. Onzen onderdanen beschaving en fijne zeden te leeren, zich de kunsten en wetenschappen deelachtig te maken en in ons land te doen herleven, dit, Louise, is onze roeping, die wel waard is, dat men er al zijn krachten aan wijdt. Ik wil dan ook niet klagen of kleinmoedig zijn, maar met lust en ijver aan 't werk gaan. Ja, mijn Louise, moge God ons daarvoor zijn zegen geven en een langen vrede, want dien hebben wij vóór alle dingen hoog noodig. Zoo wij dien bewaren, denk ik het wel zoo

ocr page 44

38

ver te,brengen, dal mijn Brandenburgsche slotenmakers in tien jaren sloten op de deuren leeren maken, en dal wij niet noodig hebben onze tuiniers en landbouwers, onze kleer- en schoenmakers, en ook onze zijden en wollen stoffen uit het buitenland te laten komen.quot;

„Maar gij zult mij toch moeten veroorlooven mijn knechten en meiden voor de kleine melkerij uit Holland te nemen,quot; . zei de keurvorstin met een lieven glimlach. „Van kunsten en wetenschappen weet men misschien in Duitschland meer, maar van de boerderij en melkerij hebt ge volstrekt geen versland; ook met uw kennis van de tuinbouw is het treurig gesteld, en 'tis voor mij beter hier te zijn gekomen als een Hollandsch mensch dan als een Hollandsche tulpebol, want dan had ik stellig moeten verdorren. Van Hollandsche tulpebollen, hun kweeking en verzorging, hebben ze hier geen begrip, ze weten niet wat buitengemeen kostbare dingen dat zijn. Verbeeld u, toen ik gisteren van mijn moeder een zending nieuwe tuinvruchten en bloemen ontving, had de tuinman ze uitgepakt en mij gebracht. Ik miste twaalf tulpebollen, waarvan mijn moeder mij geschreven had, dat het de nieuwste en schoonste exemplaren waren, en ze vooral goed moesten verzorgd worden daar er een klein vermogen in stak. Ik vroeg den tuinman naar die bollen; hij antwoordde, dat hij ze naar de keuken gebracht en er een geprobeerd had, maar dat ze volstrekt geen bijzonderen smaak hadden, hij vond onze inlandsche uien veel sterker en beter.quot;

De keurvorst lachte. „Waarlijk,quot; riep hij, „dit is een wonderlijke geschiedenis, ik kan mij uw schrik voorstellen. Is het u nog gelukt eenigen te redden, of waren al de bollen al gebruikt?quot;

„Gelukkig, neen. In mijn schrik liep ik terstond zeil naar de keuken, om mijn bollen te redden, en zie een keukenjongen op het punt in een bol te bijten om bij zijn boterham op te eten. Ik snelde op den jongen toe, ontrukte hem den kostbaren bol, en zie gelukkig op de tafel de tien andere bollen nog ongedeerd liggen; ik raapte ze in mijn robe bijeen en verliet de keuken weder, voordat de kok en de jongen tijd hadden zich van hun verbazing en schrik te herstellen.quot;

„Dat is alleraardigst,quot; riep de keurvorst lachend, „ik had u wel eens willen zien, Louise, toen ge als een fee

ocr page 45

iu de keuken allen beloovenle. Maar wat is dat?quot; viel de keurvorst zich zei ven in de rede, terwijl hij met zijn gemalin het groote voorplein betrad, aan welks tegenover gelegen zijde zich de groote hoofdpoort van het kasteel bevond. „Wat is dat? Is er geen portier, en hoe komt het, dat hij niet op zijn post is?quot;

Niemand was er, die op de vraag van den keurvorst antwoord kon geven, en eerst nadat hij verscheiden maal luid had geroepen kwam een lakei.

„Waar is de portier?quot; vroeg de keurvorst. „Hoe komt het, dat de poort onbewaakt is?quot;

„Ik geloof, keurvorstelijke genade, dat de portier ziek is geworden,quot; zei de lakei bedeesd.

„Dan zijn er toch andere die hem kunnen vervangen. Waarom heeft men niet een der vier wachters geroepen?quot;

„Ik weet het niet, keurvorstelijke genade,quot; stamelde de lakei met verlegen houding en nedergeslagen oogen, „ik geloof, dat zij ook ziek zijn geworden, en —quot; voegde hij er zeer zacht bij, „de andere portier is ook ziek.quot;

„Wat?quot; riep de keurvorst. „Is er dan een ziekte uitgebroken onder mijn portiers en deurwachters, en . . . Ha, daar komt onze intendant von Arnim in persoon. Hoor eens Arnim,quot; riep de keurvorst den intendant toe, „geef gij mij opheldering! Hoe komt het, dat hier geen portier is? En wat babbelt Frits? Zijn de vier deurwachters en de portiers allen ziek geworden?quot;

„Ziek geworden, doorluchtigheid?quot; vroeg de heer von Arnim, terwijl de lakei angstig in den uitersten hoek van het voorplein was teruggetreden. „Ik wenschte, dat de kerels werkelijk ziek waren en dit de reden van hun afwezigheid was.quot;

„Zijn zij dus niet ziek? Wat is het dan, Arnim? Zet geen gezicht als een nachtuil, maar zeg moedig wat het is! Waar zijn mijn portiers en deurwachters?quot;

„Genadige heer, zij zijn weggeloopen?quot;

„Weggeloopen? Waarom? Hebt gij ze in uw drift weer met eigen handen geslagen, of hebben zij voor uw rotting het hazenpad gekozen ?quot;

„Neen, doorluchtigheid, daarom loopt het gespuis niet weg, zij zijn hieraan gewoon, dat behoort zoo tot den dienst.quot;

„Wat is het dan, Arnim?quot;

ocr page 46

40

„Doorluchtigheid! De kerels zijn weggeloopen, omdat ik hun in geen half jaar loon heb betaald.quot;

De keurvorst zag hem een oogenblik verbaasd aan; daarop barstte hij eensklaps in een vroolijk gelach uit en wendde zich levendig tot zijn gemalin.

,,Kom, mevrouw de keurvorstin,quot; zeide hij haastig. „Spoeden wij ons naar den tuin, want anders kon uw kas er wel weer door lijden. Het schijnt, of de geheele wereld samenwerkt er een aanval op te doen, nu men weet welk een edel en grootmoedig hart gij bezit. Kom, laten wij ons haasten naar den tuin te gaan, want hier geraken wij onder den drup.quot;

Hij nam den arm zijner gemalin en voerde haar lachend naar de achterzijde van het voorplein, waar zioh de kleine deur bevond, door welke men in den kleinen, achter het kasteel aan de Spree gelegen tuin kwam. Voordat de keurvorst echter de deur inging, wendde hij zich nog eens tot den intendant, die zwijgend het keurvorstdijk paar was gevolgd, terwijl de lakei weder zooveel moed had gevat om de deur voor zijn meester te openen.

„Arnim,quot; zeide de keurvorst, „ik kan u slechts den raad geven om u tot Memmhart te wenden. Die zal u een middel aan de hand doen, om deurwachters te krijgen, die de deuren goed bewaken, zonder dat zij loon begeeren of wegloopen.quot;

Hij groette den intendant vriendelijk en volgde toen zijne gemalin, die reeds de twee graniettreden was afgegaan, die naar den tuin voerden. Den lakei, die zich naast de deur plaatste, gaf de keurvorst met een wenk zijn afscheid, en de keurvorstin dankte hem hiervoor met een vriendelijken glimlach.

„Het is zoo aangenaam met u alleen te zijn, Friedricb,quot; zeide zij, „om met u in onschuldig vertrouwen zich over Gods lieve schepping te kunnen verheugen. O, ik ben zoo hartelijk verheugd en gelukkig! Gij bij mij. God boven mij, en om ons heen de boomen met hunne fraaie bonte herfstbladeren, en de bloemen op de bedden, die als engelen-oogen ons glimlachend begroeten, en u hier gaarne een welkom zouden willen toeroepen.quot;

„Ik dank u, keurige bloemen,quot; zei de keurvorst, vroolijk

1) Historisch; Zie: König, Gescbichte van Berlin, 11. 66.

ocr page 47

41

naar alle zijiien i'ondziende. „Ik dank u, dat gij mij door uw koningin het welkom laat toeroepen. Maar buigt u nu ook allen, en groet met eerbied en bewondering de schoone, levende roos, die voor u gesproken heeft.quot;

En alsof de bloemen zich wilden haasten aan ' t gebod te gehoorzamen, bogen zij eensklaps en wiegelden op heur stengels, door een windvlaag bewogen.

De keurvorstin lachte en Friedrich Wilhelm stemde er vroolijk mede in.

„Gij hebt het gezien,quot; riep Louise Henriette, „de bloemen hebben ooren. Zij hebben uw woorden verstaan en gehoorzamen uw bevelen, als geoefende soldaten! En zie nu eens rond, Friedrich, en zeg of het hier niet prachtig is, veel huiselijker en genoeglijker dan hier naast in den fraaien, voornamen lusttuin

„Ja, waarlijk, 'tis hier heerlijk, en 't wordt hier iemand goed en licht te moede,quot; riep de keurvorst. „Laat mij met voile teugen de frissche lucht inademen en al het wereldsche stof afschudden. Hoe dwaas zijn wij, men-schen, dat wij naar andere dingen trachten en streven, en ons niet tevreden stellen met den goddelijken vrede der natuur en het onschuldig leven in naar midden. Heb ik

1) De lusttuin was na liet huwelijk van den keurvorst hersteld. De paden waren met grint bestrooid, nieuwe beplantingen waren aangelegd. Beelden in den toennialigen smaak, kwamen hier en daar uit het loof te voorschijn. Aan het einde van den lusttuin, waar thans de oude beurs staat, bevond zich een grot van schelpen, waarin het beeld van Venus was geplaatst; vandaar kwam men in de oranjerie, waar later de koninklijke porseleinfabriek werd opgericht. In 't midden van den lusttuin klaterde een fraaie fontein en wierp haar schuimende vlokken hoog in de lucht. De machine voor deze fontein bevond zich bij den uitersten zijvleugel van het kasteel, aan den kant van het plein. Voor deze machine had men een hoogen toren gebouwd, die later den architect Schluter veel onheil veroorzaakte. De bijzondere tuin vandekeurvorstinbevond zich achter het kasteel, aan de Spree, en liep achter het kasteel langs den lusttuin, van welken hij door een hek gescheiden was, tot aan de schelpengrot. Daar kwam men door een deur in 't hek in den lusttuin. De tuin der keurvorstin bevatte benevens de bloembedden, verder naar de schelpengrot heen, eenige lange broeikasten, waarin de keurvorstin mestbedden had laten aanleggen, om er zeldzame groenten en tuinvruchten te kweeken. In een andere kleinere broeikas bevonden zich bloemen, voornamelijk tulpen, voor welke de keurvorstin als een echte Hollandsche vrouw veel liefde had. In 't midden van die tweede kast was een klein paviljoen aangebracht met eenvoudige tuinmeubels Het keurvorstelijk paar gebruikte daar soms zonder eenig gevolg hét ontbijt, en dan bediende de keurvorstin zelf haar gemaal. Zie: König, Berlin II, en Nicolai, Beschreibung von Berlin I.

ocr page 48

42

straks niet gezegd, dat ik eerzuchtig was en naar roem haakte? Hoe dwaas was ik, niet waar? Hier, in den tuin, aan de zijde van mijn allerliefste, voel ik niets meer van het streven van den eerzuchtigen keurvorst. Hij moge ginds boven in zijn donker kasteel plannen ontwerpen en middelen verzinnen, hoe hij tot roem en macht zal opklimmen, hier beneden in den tuin is hij slechts een eenvoudig mensch, die van al deze dingen niets weet en verstaat, en zich verheugt in zonneschijn en in bloemen.quot;

„En dit lieve, argelooze mensch wil ik nu eens de nieuwigheden laten zien, die ik gisteren uit den Haag heb gekregen,quot; zei Louise Henriette. „Kom, Fiiedrich, ik heb alles in het kleine paviljoen op de tafel laten brengen, daar kunt ge al mijn heerlijkheden zien.quot;

Zij legde haar arm in dien van haar gemaal, en met lichten tred en vroolijk lachend ging het schoone, gelukkige paar over het pad tusschen de bloembedden, dat naar de broeikasten aan het einde van den tuin voerde. De eerste afdeeling dezer kasten, waarin de bloemen op planken rekken waren geplaatst, doorwandelden zij haastig en kwamen daarna in het paviljoen. Hier lagen op een ronde tafel allerlei zaden, bloembollen en planten uitgespreid, en de keurvorstin noemde haar gemaal al de hoogklinkende namen der tulpebollen en zeldzame planten.

„Welke zonderlinge bloem is dit? vroeg de keurvorst, op een plant wijzende, die in een papier was gepakt en waarvan slechts eenige witte toppen met groenachtige bladen zichtbaar waren.

„Dit,quot; zei de keurvorstin met een ernstig gelaat, „dit is iets zeer bijzonders, dat mijn moeder mij als een heerlijke groente aanbeveelt. Deze plant is haar uit de over-zeesche koloniën gezonden, en zij heeft die sinds §en jaar in haar kasten en mestbedden laten planten en kweeken. Het is een bloem en een groente te gelijk, en daarom heeft mijn moeder haar den naam van bloemkool gegeven; zij heeft er een voorschrift bij gezonden, hoe men deze plant moet toebereiden om ze smakelijk te maken. Behalve deze drie volwassen struiken heeft ze er nog een menigte jongere planten van gezonden, en schrijft mij, dat deze planten, na vooraf vierentwintig uren in 't water te hebben gelegen, om weder frisch te worden, terstond in mestbedden moeten worden geplant, dan zullen wij in een

ï

ocr page 49

43

half jaar de fraaiste bloemkolen bezitten, want bel is een plant, die zeer goed bij ons groeit.quot;

„Hebben de planten al in bet water gelegen?quot; vroeu de keurvorst.

„Natuurlijk, ik heb ze dadelijk verzorgd. Zij liggen ginds op den grooten schotel, bij den tweeden ingang. Welke fraaie planten!quot;

„Waarlijk, zeer fraai,quot; zei Friedricb Wilhelm, de tweede broeikast binnengaande, waar zich de mestbedden bevonden. „Weet ge, Louise, daar dit een nieuwe plant is, die wij hier te lande willen invoeren, moesten wij haar de eer aandoen, ze zeiven te planten. Wij zijn immers de landsvader en de landsmoeder, en het nieuws, dat het land zal voortbrengen, moet het door ons ontvangen.quot;

„O, Friedricb, wat een heerlijke gedachte! Kom mijn landsvader, u komt de eer toe voor uw land te zorgen, en door uwe hand moet de nieuwe plant in den bodem worden gezet. Ja, wij zullen de bloemkool planten, wij, geheel alleen! Ik heb er reeds gisteren de bedden voor uitgekozen, en zij zijn al in orde gebracht. Kom, ik houd de planten en gij poot ze in den grond.quot;

Zij hurkte naast den schotel, nam er de jonge planten uit en droeg ze behoedzaam naar het mestbed.

De keurvorst volgde haar met een vergenoegd en tevreden gelaat. Louise reikte hem een kleine plant.

„Ziedaar,quot; zeide zij, „thans is het pbichtig oogenblik gekomen, dat de keurvorst Friedricb Wilhelm van Brandenburg in zijn land de eerste bloemkool plant Kom, heer keurvorst, begin uw werk.quot;

„Zeg mij eerst hoe ik doen moet om dat ding goed in de aarde te brengen,quot; zei de keurvorst, terwijl hij zich op een knie nederliet en uit de handen der keurvorstin de plant overnam.

„Boor met den wijsvinger uwer rechterhand een gat in de aarde, steek er voorzichtig den wortel der plant in, druk dan van boven, waar de bladeren beginnen, de aarde dicht om den wortel te zamen, en dan is alles in orde!quot;

De keurvorst volgde nauwkeurig haar voorschrift, en had

1) Historisch. Zie: quot;V. Orlich, Geschiuhte des grossen Kurfürsten, ïh. II.

ocr page 50

er vermaak in toen het eerste plantje met zijn beide fraaie blaadjes boven de aarde uitstak.

„Moogt ge groeien en tieren, kleine plant,quot; zeide hij, „en een sterke groote bloem worden, zaad dragen en vermeerderen, opdat nog vele geslachten er vreugd van beleven. Ge zult den menschen tot voedsel dienen, en dat is voorwaar een groote zaak voor zulk een kleine plant. Geef me weer een tweede, Louise, en zeg mij, waar ik ze planten moet.quot;

„Twee handbreedten van de andere verwijderd, Frie-drich, op dezelfde lijn met de andere. Zij moeten als de soldaten recht in gelid staan.quot;

De keurvorst boorde andermaal met zijn vinger een gat in de aarde, en stak er de plant in, daarna een derde, een vierde, en zoo ijverig was hij bezig, dat hij in het geheel niet sprak, en met een bezweet voorhoofd, op de knieén liggende, rusteloos zijn werk voortzette, terwijl de keurvorstin hem daarbij met de grootste opmerkzaamheid volgde.

„Wel, wel, wat zie ik!quot; klonk het eensklaps achter hen. „De keurvorst op de knieën als tuinier werkzaam.quot;

„Ja, heer kamerheer van Burgsdorf,quot; zei de keurvorst, die met zijn werk voortging, zonder naar Burgsdorf op te zien, die met de grootste verbazing in de deur van het paviljoen stond. „Ja, de keurvorst ligt op de knieën en is als tuinier werkzaam. Vindt ge hierop iets aan te merken oude?quot;

„In 't minst niet, genadige heer,quot; antwoordde Burgsdorf haastig. „Het is een bekoorlijke uitspanning na de reis, zich zoo op de knieën in het zweet te werken. Slechts verzoek ik uw doorluchtigheid om de gunst er geen deel aan te nemen.quot;

„Dat zou ik ook volstrekt niet toelaten,quot; zei de keurvorstin haastig. „De opperkamerheer heeft niets met de planten in mijn tuin uit te staan.quot;

Het gelaat van den opperkamerheer verduisterde een weinig. „Ik verzoek u wel om vergeving, dat ik het gewaagd heb hier binnen te dringen,quot; zeide hij. „Maar ik heb zoo even vernomen, dat zich op de hazenheide een gansche troep reeën heeft vertoond. Daarbij zijn de landbouwers van] het Vorstenhof ginds in de grootste vertwijfeling, want alle nachten komen de hazen van de hazenheide en eten hun kool op. De arme menschen weten zich niet te

ocr page 51

45

helpen en verzoeken, dat eens een flinke hazenjacht gehouden wordt. Het is vandaag prachtig weer en van nacht een heerlijke maneschijn, daarom kwam ik vragen of het uw genade behaagt heden op de hazenweide een weinig te jagen.quot;

,Ja, zeker,quot; riep de keurvorst, terwijl hij schielijk opstond. „Nu wij zelf hier kool hebben geplant, mevrouw de keurvorstin, zullen wij ook zorgen, dat de kool der boeren niet door onze hazen opgegeten wordt.quot;

Op het gezicht der keurvorstin was de zonneschijn des geluks verbleekt, en een lichte wolk verdonkerde haar voorhoofd.

„Ik dank er u niet voor, heer opperkamerheer,quot; zeide zij, „dat gij hier in mijn tuin komt om mijn gemaal weg te halen, die eerst heden na lange afwezigheid tot mij teruggekeerd is, en na velerlei vermoeienis wel een weinig rust en uitspanning behoeft. Waarlijk, mijn gemaal, gij moest heden eens van de jacht afzien en tehuis blijven, om mij dezen enkelen fraaien dag na uwe afwezigheid te schenken!quot;

Zij aanschouwde haar gemaal met zulke zachte smee-kende oogen, dat hij de kracht niet vond ze te weerstaan en haar glimlachend toeknikte.

„Gij zult uw zin hebben, mevrouw de keurvorstin,quot; zeide hij, „ik blijf tehuis en zal heden het jagen aan Burgsdorf en zijn gezellen overlaten. Bovendien heb ik nog veel te doen en moet met mijn kabinetsraden arbeiden.''

„Uw doorluchtigheid wijst mij af?quot; vroeg Burgsdorf geheel ontstemd. „Zal er heden niet gejaagd worden?quot;

„Jagen moogt ge wel, maar ik zal er niet bij zijn.quot;

„Ach,quot; zuchtte Burgsdorf, „zoo uw doorluchtigheid er niet bij is, is het geen jacht, niemand lieeft er dan plei-zier in. Ik zie wel, dat het met den schoonen tijd voorbij is, en onze genadige heer zich van ons wendt! '

„Waaraan ziet gij dat, oude brombeer?quot; vroeg de keurvorst, die langzaam aan de zijde zijner gemalin door het paviljoen en de voorste broeikast in den tuin terugkeerde, terwijl Burgsdorf aan zijn andere zijde ging.

„Ik zie het aan alles,quot; riep Burgsdorf misnoegd. „Alles is anders geworden, evenals ons oud grijs kasteel thans een nieuwen rok aantrekt en een voornaam aanzien verkrijgt, zullen wij allen een nieuwen rok moeten aan-

ocr page 52

40

trekken en netjes moeten verschijnen, willen wij nog genade vinden in de oogen van onzen geliefden keurvorst.quot;

„Behoort gij ook al onder de ontevredenen, oude?quot; vroeg de keurvorst de schouders ophalende, „Mort gij ook al over den nieuwen tijd? Ja, zoo zijt ge oude! Gij meent altijd, dat uw tijd de beste was en gij het alleen bij het rechte eind hadt. Gij begrijpt niet, dat na u anderen komen, die verbeteren en vernieuwen willen! Maar ik zeg u, oude, er moet nog veel veranderen; evenals ik van mijn oud, bouwvallig huis een groot, deftig vorstelijk kasteel wil maken, zoo wil ik ook van het oude bouwvallige keurvorstendom Brandenburg een nieuwen, deftigen, 'krachtig jeugdigen staat maken. Daarvoor zijn nieuwe vormen en verhoogde werkzaamheid noodig, veel wat oud is zal over boord moeten worden geworpen.quot;

„Het is de vraag of het nieuwe, dat men er voor in de plaats brengt, beter en nuttiger is,quot; riep Burgsdorf ijverig. „Ach, genadige heer, als ik zoo het lieve oude kasteel met zijn grijze muren, zijn gevels en uitstekken, dat nu afgebroken zal worden aanzie, word ik weemoedig gestemd, en het is mij of al mijn schoone herinneringen ook afgebroken en opgeruimd worden. Ik zie al die kleine vensters met de in lood gezette glasruiten, en denk aan de vele vroolijke en gelukkige jaren, welke ik met uw heer vader in die kamers heb doorgebracht. En hoewel het daglicht toen minder helder door de kleine ruiten scheen, betreurden wij het nooit, dat wij niet door gvoote vensters in de wereld zagen, want onze oogen zagen even goed door een venstertje als door een groote glazendeur. En uw heer vader heeft er menig uur voorgezeten, en . . .

„En een modderpoel voor zich gehad,quot; viel de keurvorst hem in de rede, „waarin de varkens en straatjongens zich vermaakten, terwijl fatsoenlijke menschen er met levensgevaar door kwamen. Dat noemdet ge een lusttuin, en ge hieldf. het voor een aardig gezicht, dat in de straten voor de huizen varkenshokken waren en het vee zich in het straatslijk wentelde. Dat ik van den modderpoel een wezenlijken lusttuin heb gemaakt, en verbood varkenshokken voor de deuren te houden, beschouwen sommigen als een nieuwigheid en zij jammeren over den ouden tijd Hebben de burgers van Keulen

ocr page 53

47

en Berlijn vroeger niet vreeselijk geklaagd, toen ik beval, dat de stallen en varkenshokken op de straten en voor de huizen moesten opgeruimd worden, en zijn zij niet bijna oproerig geworden, hoewel ik hout en planken gat, opdat zij achter hun huizen stallen en hokken konden bouwen? En toen ik beval het slijk van de straten weg te vegen, deze weken lang op mijn kosten liet reinigen en honderden wagens vuilnis naar den lusttuin liet rijden, riepen zij toen niet, dat het vuil stadseigendom was en naar hun velden en niet naar den lusttuin moest gereden worden? Ik lachte er om en had medelijden met het arme, domme volk, dat voor iedere nieuwigheid terugschrikt en liever in het vuil dan in reinheid wil leven. Het onwetende volk is gelijk een kind, dat men weldoet, zonder er dank voor te krijgen. Maar dat menschen, van wie men oordeel en verstand kan verwachten, ook willen meedoen met dat huilen en jammeren over den goeden ouden tijd, dit is mij een raadsel, en ik had nooit verwacht, dut ook gij daaraan zou meedoen.quot;

„Ik kan bet niet helpen, doorluchtigheid,quot; riep Burgs-dorf wrevelig, „maar ik betreur den goeden ouden tijd, en het spijt mij, dat die met het oude kasteel zal worden afgebroken. O, het was zoo heerlijk, zoo aardig, en wij waren vroeger zoo vergenoegd en vroolijk. Wat een genoe-gelijk leven was het als wij zoo te zamen aan de keurvorstelij ke tafel zaten, elkander vroolijke geschiedenissen vertelden en de groote drinkbekers voor ons stonden, waarin de wijn zoo heerlijk geurde. En wat konden wij drinken! Nog altijd herinner ik mij den dag, toen ik zijn genade moest bewijzen hoe goed ik het drinken verstond, en voor zijn oogen achttien maten wijn dronk, zonder dat het mij buitengewoon naar de voeten of het hoofd was getrokken. De keurvorst lachte, dat hem de oogen overliepen, en tot bewijs van zijn tevredenheid schonk hij mij op dien dag een dorp. Een anderen keer moest ik voor zijn oogen een maat wijn drinken. Ik deed dit in één teug, zonder een enkele maal adem te scheppen, en toen schonk de heer keurvorst mij lot belooning het kasteel Damke.quot; ')

1) Hislorisoh. Zie König, Eeschreibung von Berlijn, T, 237.

ocr page 54

„Gij hebt flus uw rijkdom eigenlijk aan uw drinken te danken, heer opperkamerheer,quot; riep de keurvorstin stekelig. „O, nu begrijp ik, waarom gij den ouden tijd betreurt, toen kon men zonder eenige verdienste, alleen door beestachtig drinken, goederen en kasteelen verkrijgen.quot; *)

Konrad von Burgsdorf waagde het niet te antwoorden; maar zijn donkerrood, gezwollen gelaat werd een oogen-blik bleek en een hatelijke blik viel op de slanke gestalte der vorstin.

De keurvorst lachte. „Nu oude,quot; zeide hij, zijn hand vertrouwelijk op Burgsdorf schouder leggende, „ge zijl door haar genade eens goed getroefd, en dat kan waarlijk geen kwaad. Gij hebt het toen wel wat al te erg gemaakt, en van mijn goedhartigen vader op gemakkelijke wijze aanzienlijke geschenken gekregen. Het was voor u wel aardig keurvorstelijken wijn te drinken, en dan nog keurvorstelijke riddergoederen en kasteelen te krijgen, maar door die manier van handelen, zijn wij arm geworden, en den opvolger van mijn vader is de harde plicht opgelegd niet zoo grootmoedig te zijn en zijn wei-nigje geld bijeen te houden. Ik zal 't mij dus wel moeten laten welgevallen, dat gij mij voor gierig en bekrompen houdt, hoewel ik het niet ben.quot;

„Doorluchtigheid,quot; riep Burgsdorf levendig, „gij hebt daar waarlijk grievende woorden gesproken, en mijn hart heeft er onder geleden. De keurvorst Georg Wilhelm was een zeer genadig, grootmoedig heer, die zijn dienaren als vrienden behandelde, hun gaarne geschenken gaf en zijne onderdanen als zijn kinderen lief had. Hij liet hun zoo min mogelijk belastingen opbrengen en betaalde liever uit eigen middelen. Maar ik kan toch niet toegeven, dat wij, zijn getrouwe dienaren, slechts door beestachtig drinken, zoo als mevrouw de keurvorstin geliefde te zeggen, onze goederen en kasteelen verkregen. Neen, uwe genade, wij hebben ze wel degelijk door onze goede diensten verworven, wij hebben dikwijls ons leven gewaagd en ons bloed vergoten voor onzen meester. In menigen slag hebben wij voor hem gestreden, menigen twist met levensgevaar voor hem beslecht, en de heer keurvorst wist, dat

1) Eigen woorden van de keurvorstin. Zie idem.

ocr page 55

49

hij zoowel in geluk als ongeluk op ons kon rekenen en ten allfin tijde van onze trouw en gehechtheid verzekerd was.quot;

„Ja dat weet ik oude,quot; zei de keurvorst glimlachend; „ik weet ook dat gij mij trouw en genegen zijt; maak u maar niet zoo driftig, weet, dat zoowel mijn gemalin als ik, u een goed iiart toedragen en uw diensten niet gaarne willen missen. Wat het oude grijze kasteel met zijn in lood gezette kleine ruiten betreft, treur daarover niet, heer opperkamerheer. Uw herinneringen zullen wel niet met de muren verdwijnen, want ik hoop, dat zij levendig in u zullen blijven. Toch moet ik u, oude brombeer, waarschuwen, om niet dadelijk in uwe woede zoo ongemanierd en scherp te worden. Het behaagde mij volstrekt niet toen ge spraakt van de liefde, welke mijn vader zijn onderdanen toedroeg, en die bewees door hen zoo min mogelijk belastingen te laten betalen. Dat was een hatelijke en scherpe aanmerking, die gij liever achterwege had moeten laten. Ik zeg u wie het arme volk belast, door van hen te nemen, wat voor hun dagelijks brood noodig is, handelt goddeloos en wreed en verteert zijn eigen levenskracht. IJet arbeidende volk is de levenskracht van een vorst, die het bovenmate uitput,verzwakt zich zei ven. Maar de bezittenden, de rijken en bovenal de heeren grondbezitters en de hoogmogende heeren van den adel en de stenden, die op hun landgoederen en in hun paleizen alsgrooteheeren en kleine dwingelanden leven, belastingen op te leggen, hen een weinig in hun overmoed te fnuiken en te laten gevoelen, dat er, behalve God, nog één, boven hen staat, die hen te gebieden en onderdanigheid van hen te eischen heeft, opdat zij niet alleen de voordeelen, maar ook de lasten van hun stand te dragen hebben, dat is noodzakelijk, wijs en verstandig, en hieraan zal ik mij houden. Hun morren en opstaan zal mij volstrekt niet in den weg slaan. Onthoud dit oude, opdat gij het eens en voor altijd weet en gij u er naar richten kunt. Ga nu, schiet veel hazen, en vertel ons morgen uw jachtavonturen.quot;

Hij groette Burgsdorf, die hem met een somber gelaat had aangehoord, vriendelijk en wendde zich toen tot zijn gemalin. „Kom, mevrouw de keurvorstin, laat ik u naar

Muhlbaoh De groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 4

ocr page 56

50

uwe kamers terugvoeren en mij dan naar mijn kabinet begeven om met mijn raden te arbeiden.quot;

Louise Henriette nam zijn arm, en zonder den opperkamerheer met een groet te verwaardigen, liet zij zich door haar gemaal wegleiden.

V.

DE DAME UIT DEN VREEMDE.

Burgsdorf zag hen na, steeds rooder werd zijn gelaat, steeds toorniger zijn blik. Hij opende de lippen om een bedreiging of een vloek uit te brengen, maar hij sloot ze weer en mompelde slechts zacht: „Niet hier, neen, niet hier!quot; Toen verliet hij haastig den tuin, ging met buitengewonen spoed door den lusttuin en over het kasteelplein, en begaf zich naar zijn, aan den hoek der Broederstraat gelegen huis. Den lakei, die hem tegemoet kwam, gaf hij een luid klinkende oorveeg, noemde hem een ezel, wierp hem zijn hoed met gouden tressen naar 't hoofd en ging toen de trap op. Toen hij aan 't einde van den corridor kwam, had hij het onuitsprekelijk genoegen voor de deur van zijn kabinet een tweeden lakei te vinden, dien hij ook een oorveeg kon geven, omdat hij zich vermeten had hem in den weg te treden, en zoo kwam hij eindelijk in zijn kabinet.

Daar was hij alleen, nu kon hij aan zijn woede en ergernis lucht geven, zonder door iemand beluisterd te worden, want hij wist zeer goed, dat de beide uitgedeelde klappen voor alle dienstboden het sein was om zich ijlings in de verst verwijderde kamers van het huis terug te trekken. Hij was dus alleen en kon nu vloeken en razen, en al zijn toorn in woedende, dreigende woorden uitbulderen.

„Ik heb van den beginne af al begrepen, dat deze vrouw ons zou ruïneeren,quot; zeide hij wrokkende en met grommende stem. „Ik wist het wel, dat zij macht op hem krijgen en hem mij onttrekken zou. Ik ben volstrekt niets meer, zij is alles! Zelfs gaat hij niet meer ter jacht, als zij het niet wil, hoewel het vroeger zijn grootste vermaak en

ocr page 57

51

hevigste hartstocht was. Van drinken is volstrekt geen spraak meer, en aan tafel gaat het zoo zedig en fijn toe, alsof wij minnezangers waren, om onder snarenspel teedere minneliederen te zingen op onze als de maan schitterende vorstin. Het is een nietswaardig, afschuwelijk leven, dat wij thans leiden, en ik zal 't nog beleven dat wij allen naar Boetzow moeten om te leeren melken en boter te maken en bij mevrouw de keurvorstin de melkerij te bestudeeren. Ja, de tijden zijn voorbij toen er voor ons nog iets te halen was. Nu schenkt hij haar de goederen, welke wij anders zouden gekregen hebben. Wij wonnen goederen door wijn te drinken, wat zij schandelijk vindt, maar zij wint ze met melk drinken en boter maken, en daar voor heeft hij haar het fraaie goed en kasteel Boetzow geschonken, en het bovendien galant in Oranjeburg herdoopt. Daar is nu de groote melkerij en de keurvorst zal ook eerstdaags moeten leeren zelf een koe te melken, zooals hij heden heeft geleerd kool te planten. Het is om te huilen, als men ziet wat een suikerzoete huishouding het thans is, en hoe wij ons moeten inhouden en lief zijn, zoo wij nog genade willen vinden. Alles gaat ons den neus voorbij. Boetzow, ik had het zelf gaarne gehad en er reeds lang het oogjop gevestigd. Maar neen, hij geeft het haar, en ik moet toe kijken en van haar nog stichtelijke woorden op den koop toe aanhooren. Ik duld het niet langer! Alle duivels, ik duld het niet langer! Zij zal eens zien met wien zij te doen heeft, de oude Burgsdorf laat zich nog niet verdringen. Ik heb terstond na 't huwelijk wel gemerkt dat het zoo gaan zou, en heb mij toen al voorgenomen, dat ik haar zou wederstaan. Ik zal dat voornemen volbrengen. Er zal wel een middel zijn om die verhevene dame iets in den weg te leggen. Al mijn vrienden, alle dames en hee-ren van het hof zullen mij wel bijstaan, want zij hebben 't geen van alle op haar begrepen en vinden geen vermaak in het fijne, beschaafde leven dat wij thans leiden moeten, en wenschen den ouden, goeden tijd terug. Zij heeft hier volstrekt geen vrienden, uitgezonderd haar fijnen opperhofmeester, mijnheer Otto von Schwerin, die geheel en al door haar betooverd is, en ... ja .., dit zou een kleine voetangel zijn, die ik haar in den weg kon leggen. Hij is zoo verliefd als een tortelduif, dus zal hij ook jaloersch zijn en..quot;

ocr page 58

52

Een luid kloppen stoorde hem in zijn overleggingen en zijn grijze oogen richllen zich naar de deur. Het kloppen herhaalde zich. „Den lompert, die zich vermeet te kloppen,quot; bromde de opperkamerheer, „sla ik tot brij en hij zal het zijn levenlang onthouden.quot;

„Wie daar?quot; vroeg hij luid.

„Ik genadige heer,quot; sprak een fijne stem door het sleutelgat. „Ik wilde uw genade slechts berichten, dat er iemand is die uw genade wenscht te spreken.quot;

„De kerel verandert zijn stem,quot; mompelde de kamerheer, „hij weet reeds wat hem later gebeuren zal en daarom wil hij niet, dat ik hem zal herkennen. „Kom maar binnen,quot; riep hij op vriendelijker toon, „en zeg mij uw boodschap.quot;

Maar de lakei scheen met de gewoonten van zijn meester goed bekend te zijn, want hij wachtte zich wel binnen te komen. „Er is een vreemde dame,quot; sprak hij door het sleutelgat.

„Een dame,quot; bromde Burgsdorf, „ik ben thans juist gestemd om met een dame te spreken. Wat is 't voor een dame? Kom binnen en zeg het mij!quot; riep hij weder luid terwijl hij behoedzaam naar de deur trad.

„Zij wil haar naam niet noemen,quot; fluisterde men door 't sleutelgat. „Maar zij zegt, dat zij den heer opperkamerheer terstond zeiven —.quot;

Nu had Burgsdorf de deur bereikt, rukte ze open en greep naar den vermetelen lakei, — maar deze scheen daarop voorbereid te zijn, want met ontzag-lüke sprongen snelde hij door de voorkamer naar den corridor.

In weerwil van zijn logheid liep Burgsdorf hem na.

De lakei vloog als een beangstigd hert door den corridor naar de trap. De opperkamerheer snelde hem vloekend en dreigend achterna, en had weldra ook de trap bereikt, toen hij eensklaps staan bleef en met verbazing naar het portaal zag waarin de hooge trotsche gestalte van eene dame verscheen. Zij was geheel gehuld in een langen zwarten mantel, en een zwarte sluier, aan een kleinen hoed bevestigd, die terzijde op de weelderige bruine lokken stond, viel over haar gelaat, terwijl haar groote zwarte oogen er door heen fonkelden als sterren. Toen zij den opperkamerheer zag, hief zij haar kleine, in een met goud ge-

ocr page 59

53

borduurden handschoen gehulde hand bevallig op en sloeg den sluier ter zijde.

De opperkamerheer slaakte een kreet van bewondering, bij het zien van dit fraai, bekoorlijk gelaat.

„Zijt gij de opperkamerheer von Burgsdorf?quot; vroeg zij in vloeiend duitsch, met een ietwat vreemd accent.

„Ja,quot; stamelde Burgsdorf, wiens borst nog een weinig van het loopen hijgde.

„Roep dan uw lakeien, opdat zij mijn koffers afladen,'' zeide zij met gebiedende stem. „Spoedig, mijnheer!quot;

De kamerheer scheen betooverd door deze raadselachtige schoonheid, want hij had den moed niet haar bevel te weerstaan, maar verhief zijn stem en riep; „Christiaan, Frits, hier! Spoedig!''

Zij kwamen door den corridor en zoodra de dame hen zag naderen, liep zij de trap op en snelde met uitgebreide armen op den opperkamerheer toe.

„Mijn dierbare, geliefde vader,quot; riep zij, terwijl zij haar armen om zijn hals sloeg, en hem zacht in het oor fluisterde; „Omhels mij toch! Noem mij uw dochter!quot;

Hij was als een automaat, die doen moest wat de too-veres hem beval. Hij hief zijn armen op, sloeg ze om haar hals en riep; „Welkom, mijn dochter, hartelijk welkom!quot;

„Gij heet mij welkom,quot; riep zij verheugd, „gij wilt dus uw dochter, die zoo even van Parijs terugkomt, veroor-looven een paar dagen hij u te blijven? — Zeg ja, om 's hemels wil, zeg ja,quot; fluisterde zij zacht. „Beveel uw bedienden mijn koffers in mijn logeerkamer te brengen.quot;

„Het zal mij aangenaam zijn zoo ge hier een paar dagen blijven wilt, mijn dochter,quot; riep Burgsdorf. „Hei, knapen, gaat naar beneden en brengt de koffers van mijn dochter, mevrouw von Kanitz, Loven. Draagt ze in de beste logeerkamer en zegt aan de huishoudster, dat zij die in orde moet brengen, want dat mijn lieve dochter, mevrouw von Kanitz, een paar dagen komt logeeren.quot;

De bedienden vlogen de trap af, en de opperkamerheer was nu met zijn raadselachtige dochter alleen.

„Geef mij uw arm en voer mij naar uw woonkamer,quot; zei de dame trotsch en gebiedend.

Hij gehoorzaamde nog altijd onwillekeurig, bood de dame zijn arm en ging met haar door den corridor naar

ocr page 60

54

zijn kamer, waarop hij de dame met een stomme handbeweging noodigde binnen te treden.

Zij ruischte hem in haar wijde zijden kleeding voorbij, en trad de kamer binnen, verzocht den oppei kamerheer de deur te sluiten en wierp toen een haastigen blik door het vertrek.

„Zijn wij alleen?quot; vroeg zij.

Nu barstte zij eensklaps in een luid, helder lachen uit.

„Erken, mijn dierbare vader,quot; zeide zij, „dat ge u nog altijd niet herstellen kunt van de verbazing, uw geliefde dochter zoo onverwacht voor u te zien?quot;

„Ja, ik ben wel een weinig verbaasd,quot; zei Burgsdod „en ik ...quot;

,.Ge zoudt willen weten,quot; viel de dame hem in de rede, ,,hoe het komt, uw dochter, de jonge weduwe van den heer von Kanitz, die naar Parijs is gegaan om een weinig haar verdriet te vergeten, reeds weder terugkeert, na er nauwelijks vier weken geweest te zijn?quot;

„Neen, daar wensch ik niets van te weten,quot; antwoordde Burgsdorf haastig. „Ik bemoei mij niet met mijn dochter, ik heb niets met haar te maken, ik wist zelts niet, dat zij naar Parijs was gegaan om haar verdriet te verzetten.quot;

De dame brak op nieuw in vroolijk lachen uit. „Gij behaagt mij uitstekend,quot; riep zij, „juist zooals uw dochter mij u geschilderd heeft. 0, ik ben zeker, dat wij goede vrienden zullen worden en elkander zeer spoedig zullen verstaan.quot;

- „Ik wensch niets liever,'' zei Burgsdorf haastig. „Ik verzoek u dus, mij alles te zeggen.quot;

, Geduld, geduld, mijn lieve opperkamerheer,quot; antwoordde de dame met een glimlach, die tusschen haar purperen lippen twee rijen heerlijke tanden liet zien. „Het gaat niet zoo gauw met ophelderingen, mijnheer. Help eerst mijn hoed en mantel af te doen, want het komt een dochter toch wel toe, het zich bij haar geliefden vader gemakkelijk te maken.quot;

Hij hielp haar haar mantel afdoen, en nam huigend haar hoed aan.

„Zie mij nu aan,'' zeide zij gebiedend. „Zie mij nu nauwkeurig aan; kent ge mij?quot;

Burgsdorf zag haar heel nauwkeurig aan, en hij scheen

ocr page 61

55

in dat zien bijzonder behagen te vinden, want zijnoogen glinsterden sterker en drukten duidelijk de bewondering uit, die hij gevoelde voor deze slanke, heerlijke gestalte, met de volle, weelderige vormen, voor dit rooskleurig, verleidelijk gelaat met de gloeiende zwarte oogen, de glimlachende purperen lippen, het hooge, blanke voorhoofd, omlijst door het zwarte haar, dat in duizende kleine krullen haar hoofd omgaf. Slechts iets stoorde hem in dat genot. Het was het zwart zijden kleed, dat van een bijzondere snede, nauwsluitend de wonderschoone buste omhulde, en aan den hals omgeven was door een stijven witten kraag, die Burgsdorf aan de Fransche kloosternonnen herinnerde. Ten overvloede droeg de dame, alsof zij deze gelijkenis nog grooter wilde maken, om haar hals een zware gouden keten, waaraan een groot gouden kruis was bevestigd. Het haar, dat zij boven 't voorhoofd en langs beide slapen in fraaie lokken had gelegd, was van achter met een zwarte muts bedekt, die volstrekt niet paste bij dit bekoorlijke gelaat.

„Nu hebt gij mij tamelijk nauwkeurig opgenomen,quot; zei de dame na een korte pauze, „kent ge mij ?quot;

„Het doet mij leed, dit met „neenquot; te moeten beantwoorden,quot; hernam Burgsdorf met een buiging.

„Wat ben ik dan veranderd,quot; zuchtte zij, „zeker oud geworden! Er zijn ook al vele jaren verloopen sinds gij mij het laatst gezien heb.quot;

„Ik u gezien?quot; vroeg Burgsdorf verwonderd.

„Ja, heer opperkamerheer, hier te Berlijn, waar wij op onze vlucht uit Praag een schuilplaats vonden, en bij mijnheer onzen oom een paar dagen rust hielden, voor wij ons naar den Haag begaven. Gij hebt mij toen niet alleen als kind gezien, maar gij mocht mijn hand kussen en ... ik vergun u, dit thans weder te doen.quot; Zij trok haar handschoen uit en reikte hem haar kleine hand met de glinsterende juweelen ringen. Hij drukte ze aan zijn lippen, maar terwijl hij dit deed, richtten zijn listige, grijze oogen zich op den grooten zegelring, dien zij aan den middelsten vinger droeg en op wiens donkerrooden robijn een groot wapen was gegraveerd. Hij kon, wel is waar den kus niet zoo lang rekken om het wapen te herkennen, maar hij had toch de vorstenkroon gezien, die boven het wapenschild was aangebracht, en wist nu ten

ocr page 62

56

minste, dat hij met een voorname dame te doen had.

„Nu, heer opperkamerheer,quot; zei de dame, terwijl zij luchtig en ongedwongen de kamer doorging en in een armstoel, op het eenige kussen, dat zich in de kamer bevond plaats nam, „nu willen we met onze ophelderingen beginnen. Neem een stoel, zet u, ik veroorloof het u.quot;

Zij zeide dit met zooveel hoogheid en waardigheid, dat Burgsdorf het werkelijk als een gunst beschouwde in haar tegenwoordigheid te mogen gaan zitten.

„Wie ik ben zult gij spoedig genoeg vernemen,quot; zeide zij. „Het zij u voldoende, te weten wat ik wil, en opdat ge geen oogenblik langer in twijfel over mij moogt zijn, overhandig ik u een briefje van den hier resideerenden Franschen gezant, den heer graat de Chanut, die zich heden, gelijk ge weet, niet hier, maar in Frankrijk bevindt.quot;

Zij nam uit den zak van haar kleed een verzegeld briefje en reikte het den opperkamerheer over.

„Wil uw genade mij veroorlooven, het in haar tegenwoordigheid te lezen?quot; vroeg Burgsdorf, terwijl hij het zegel verbrak en den omslag openvouwde.

„Zeker,quot; zeide zij bedaard, „en opdat wij beiden welen wat de lieve graaf geschreven heeft, veroorloof ik u mij het briefje voor te lezen.quot;

Burgsdorf boog dankend, alsof de dame hem werkelijk een gunst had verleend, en begon toen te lezen: „Mijnheer de opperkamerheer von Burgsdorf! Ik veroorloof mij een verzoek tot u te richten. Neem de doorluchtige dame, die de genade heeft u deze regels te overhandigen, bereid-vaardig aan, wees haar ridder, haar dienstdoende kamerheer en zorg, dat zijn doorluchtigheid de keurvorst zoo spoedig mogelijk een geheime samenkomst met haar heeft. Ik weet, dat wij op u kunnen rekenen, en gij tot de vrienden van Frankrijk behoort. Ook Zijn Majesteit Koning Lodewijk weet dat, en er ligt hem veel aan gelegen u een bewijs van zijn tevredenheid en dankbaarheid te geven. Indien het u gelukt, aan de doorluchtige dame, geheel in 't geheim, met den keurvoist een ontmoeting te bezorgen, en door uw bemiddeling meer samenkomsten bewerkt worden, waardoor deze dame invloed op de besluiten van den keurvorst verkrijgt, zal Zijn Majesteit de koning van Frankrijk u, zooals hij met de meeste Duitsche vorsten

ocr page 63

57

doet, subsidies betalen, en gij zult, zoo lang gij Frankrijks vriend blijft, een jaarlijksche rente van tienduizend louis d'or ontvangen. De doorluchtige dame zal u, na haar eerste samenkomst met den keurvorst, het bedrag van het eerste kwartaal ter hand stellen. Uw dienstvaardige vriend Chanut.quot;

„Nu?quot; vroeg de dame, toen hij het briefje had gelezen. „Zijt ge tevreden?quot;

„Genadige dame, ik . .

„Noem mij hoogheid,quot; viel zij hem in de rede, „dit is de titel, die mij toekomt.quot;

„Genadige hoogheid, ik ben er over verrukt, maar..

„Gij zoudt willen weten, waar het eigenlijk om te doen is? Wees gerust, ik ben niet gekomen om een moordaanslag op uw keurvorst te doen. O neen, integendeel, ik wil beproeven hem voor mij, dat wil zeggen voor Frankrijk, te winnen. Dat is het geheele doel van mijn komst. Men heeft te Parijs vernomen, dat de keizer van Duitsch-land beproeft, den keurvorst geheel in zijn macht te krijgen en hem tot zijn partij over te halen, opdat de keurvorst uit zijn onzijdigheid trede en zich voor den keizer met den Lotharingschen hertog verbinde, die thans aan den Rijn tegen den prins van Condé te veld staat en om zijn zoogenaamd erfland strijdt. De reis van den keurvorst naar Praag heeft te Parijs veel onrust verwekt, en men besloot te beproeven, of men niet ten gunste van Frankrijk op den keurvorst zou kunnen werken.quot;

„Dat zal helaas groote bezwaren hebben,quot; zuchtte Burgs-dorf. „De keurvorstin Louise Henriette verkrijgt dagelijks meer invloed op haar gemaal, en zij is een volslagen tegenstander van Frankrijk en een vurig aanhanger van den keizer. Zoo er iemand was die den invloed der keurvorstin breken en haar ter zijde kon schuiven, dan kon men hopen den keurvorst voor Frankrijk te winnen.quot;

„Ha! het is dan waar wat Chanut heeft bericht,quot; riep de dame verheugd. „De keurvorst is te leiden. Luister, ik wil oprecht met u zijn, en ik verwacht, dat gij dat ook voor mij zijt. Uit Parijs werd aan den graaf de Chanut geschreven, en van hem een karakterschildering van den keurvorst Friedrich Wilhelm verlangd. Hoor, wat hij antwoordde. Ik kan 'tu woordelijk mededeelen, want ik heb

ocr page 64

58

zijn antwoord van buiten geleerd, om daarna mijn handelingen te regelen.quot; „Ik houd den keurvorst van Brandenburg voor een vorst van veel oordeel en goede gezindheid. Maar hij heeft het erfelijk gebrek van zijn huis, zich te veel te laten leiden, en daar hij niet zoo gelukkig is geweest van aan alle zijden uitmuntende mannen te vinden, die zijn zaken helpen regelen, zijn ze in de war geraakt. Ook heeft zijn huis vele schulden en hij is in groote geldverlegenheid. Tot hiertoe oefende de opperkamerheer von Burgsdorf den meesten invloed op hem uit. Maar thans verkrijgt prinses Amalia van Oranje veel macht op haar schoonzoon, en ook zijn gemalin, de jonge keurvorstin, begint invloed op hem te krijgen.quot; Dit zijn Chanut's woorden, en nu zou ik van u willen vernemen of dat waar is.quot;

„Ja, hoogheid, zij zijn de zuivere, oprechte waarheid. Ik moet bekennen, dat mijn ster begint onder te gaan, en de keurvorstin op 't punt is door den raad van hare schrandere moeder, haar gemaal geheel in haar macht te krijgen. Zoo haar dit gelukt, zal de keurvorst spoedig een van Frankrijks vijanden zijn en met den keizer van Duitschland voor Lotharingen te velde trekken.quot;

„Maar dat zal haar niet gelukken,quot; riep de dame levendig. „Daarom ben ik gekomen, ik wil den invloed dei-jonge keurvorstin breken, ik wil hem uit haar netten bevrijden en hem van deze verderfelijke vrouwenregeering verlossen. Ik wil al mijn overredingen en listen aanwenden, om den keurvorst weer voor Frankrijk te winnen en hem aan de strikken van den keizer van Duitschland te onttrekken.quot;

„Zoo u dat gelukt, hoogheid, zult ge mij tot uw ge-hoorzaamsten dienaar maken,quot; riep Burgsdorf. „O, ik bezweer u, dat gij, die weet te betooveren, ook wel mijn geliefden, heerlijken keurvorst zult beheerschen, zoodat hij terugkeert tot mij en zijn herinneringen. Ik heb hem zoo lief, en zoo ik zijn vertrouwen en vriendschap verliezen moest, zou ik van droefheid en ergernis sterven.quot;

„Ge zult niet sterven,quot; riep de dame, „want wij zullen te zamen een verbond sluiten. „Willen wij dit?quot;

„Genadige hoogheid !quot; riep Burgsdorf, „ik ben bereid u onvoorwaardelijk te gehoorzamen en ik beloof u mijn ondersteuning voor uw plannen. Op mijn knieën . . .quot;

ocr page 65

59

„Neen, kniel niet,quot; viel de dame hem in de rede,terwijl zij Burgsdorf, die juist op zijn knieën wilde zinken, tegenhield. „Overweeg toch, dat het u gaat als Falstatï, en dat gij gelijk sir John zoudt moeten zeggen: „Hebt ge hefboomen om mij op te richten, wanneer ik eenmaal lig?quot; Neen, blijf staan, ik geloof u wel, want het geldt hier ook uw belang: een jaarwedde van tienduizend louis d'or is inderdaad geen kleinigheid, en ik ben zeker dat ge al üw ijver zult aanwenden om u die niet te laten ontglippen, 't Is dus in orde, wij zijn vrienden en bond-genooten. Wij vereenigen ons voor Frankrijk tegen de keurvorstin en den keizer van Duitschland.quot;

„Ja, wij zijn bondgenooten,quot; riep Burgsdorf in vervoering, terwijl hij de hand die de dame hem toestak aan zijn lippen drukte.

„Ge bezorgt mij dus een geheime samenkomst met den keurvorst?quot;

„Ik bezorg ze uwe hoogheid. Ik weet nog wel niet hoe, maar het moet mogelijk gemaakt worden.quot;

„En deze samenkomst moet reeds morgen plaats hebben. Stil geen tegenwerpingen. Bedenk, dat gij dan morgen reeds het eerste kwartaal van uw jaargeld ontvangt.quot;

„De samenkomst zal morgen plaats hebben,quot; zei Burgsdorf vast besloten.

„Goed, al het overige zullen we aan 't ontbijt kunnen bespreken; ik zal u dan tevens alles mededeelen wat mij betreft. Ik veroorloof u, uw dochter, mevrouw von Kanitz, naar het dejeuner te voeren; wees zoo goed mij in tegenwoordigheid uwer diensfborlen uw dochter te noemen en geen oogenblik de rol van vader te vergeten. Mijn eigen dienstboden houden mij voor mevrouw von Kanitz. Ik heb te Maintz mijn Fransche dienstboden naar Parijs teruggezonden, en te Frankfort als mevrouw von Kanitz een Duitschen lakei en een Duitsche kamenier gehuurd. Gij ziet dus, dat mijn geheim goed bewaard is en niemand het weten kan. Want van uw dochter weet ik, dat uw dienstpersoneel mevrouw von Kanitz niet kent, wijl zij dit huis nooit betreden heeft. En tot grooter voorzichtigheid heeft, mevrouw von Kanitz haar moeder geschreven, dat zij naar Berlijn ging, waar zij wenschte zich met haar vader te verzoenen.quot;

„Nu, de oude zal er buitengemeen verblijd over zijn,quot;

ocr page 66

60

riep Burgsdorf lachend. „Ik ben zeker, dat het haar zal zijn alsof zij een braakmiddel had ingenomen, zij zal te bed gaan en kamillethee drinken.''

De dame lachte. „Kom, beste vader,quot; zeide zij, „leidt mij naar de eetzaal, want ik verlang iets te gebruiken.quot;

VI.

HET GERAAMTE.

De dag na de terugkomst van den keurvorst heerschte op het kasteelplein en in 't algemeen rondom het kasteel een ongemeene bedrijvigheid; de metselaars en timmerlieden, de schrijnwerkers en opperlieden waren er ijverig bezig. De architect Memmhart ging vergenoegd nu eens daar waar de metselaars aan het nieuwe gebouw werkzaam waren, dan naar de andere zijde, waar men een bouwvalligen zijvleugel van het kasteel wilde afbreken, om dien door een hoogeren en grooteren te vervangen. Deze zijvleugel was naar den kant van het Domplein gelegen, en daar moest later een lange, prachtige facade worden gebouwd, zooals die reeds in het vernuftig hoofd van den architect gevormd was.

Buitengewoon veel werklieden waren heden aan het kasteel bezig, zij lachten, schertsten en zongen vroolijke liedjes, en de voorbijgangers bleven staan om naar deze buitengewone levendigheid te kijken. Er verzamelde zich dan ook langzamerhand een menigte toeschouwers op het kasteelplein, en men verhaalde, dat, als het dak ontbloot was en de timmerlieden de sparren verwijderd hadden, een compagnie soldaten met muurbrekers zou komen om de muren van het oude kasteel om te halen.

De schoenmaker Wendt en de kleermaker Furberg bevonden zich weer onder de nieuwsgierigen, en spoedig vormde zich een kring van bekenden om hen, want beiden waren zeer gezien als wijze mannen en redenaars, die zich door geen keurvorstelijke pracht en heerlijkheid lieten begoochelen, maar met onverbiddelijke strengheid de handelingen van hun keurvorst beoordeelden.

ocr page 67

01

„Hebt ge 'tal gehoord, meester Furberg, dat de keurvorst weder een nieuwe belasting wil uitschrijven?quot; vroeg iemand der omstanders aan den kleermaker, die als,een bijzonder hevig politicus bekend stond.

„Ja, ik heb het gehoord,quot; antwoordde de kleermaker, terwijl hij een ernstig gezicht zette en de wenkbrauwen optrok. „De keurvorst wil zijn militie regelen en de krijgsmacht vermeerderen. Hiertoe heeft hij natuurlijk veel geld noodig, en wie moet het betalen? Wij natuurlijk. Wij burgers, ambachtslieden en boeren, wij zijn, zoö't schijnt, slechts op de wereld om rechten en belastingen te betalen, opdat de keurvorst zich veel soldaten zou kunnen aanschaffen en kleeden. Wij hebben wel geen geld en geen werk, want zoo wij werk hadden, stonden wij niet hier, maar waren in onze werkplaatsen, terwijl wij nu met onzen tijd geen weg weten. Geen werk, bijgevolg ook geen geld, want zoo wij geld hadden en van onze rente konden leven, zouden wij geen werk behoeven.quot;

„Dat is zeer juist,quot; riep men uit den steeds grooter wordenden kring. „Wij hebben geen werk en geen geld; waarvan zullen wij de belastingen betalen?quot;

„Van uw armoede,quot; kraaide de kleermaker. „Ge kunt u immers als handlangers bij den kasteelbouw verhuren en daglooners worden. Misschien is de architect Memm-hart wel zoo goed van u onder de helpers op te nemen en u dagelijks een paar groschen te betalen; als e dan zeer zuinig zijt en u tevreden stelt met een stuk roog brood en een kruik water, dan zult ge wel wat van uw dagloon over kunnen houden om de nieuwe belasting te betalen, welke wij krijgen zullen, opdat de keurvorst zich meer soldaten kan aanschaffen.quot;

„'t Is treurig,quot; riep de schoenmaker Wendt. „Geen verdiensten, geen werk, en altijd nieuwe belastingen. Wat moet er van ons worden?quot;

„Hongerlijders en bedelaars,quot; riep de snijder Ewald. „Zoodra wij bedelaars zijn, kan niemand van ons verlan-

fen, dat wij belasting betalen. Klaus is de wijste van allen; ij werkt niet, betaalt geen rechten of belastingen en leeft toch, is zelfs, gelijk we gisteren zagen, een zeer gewichtig persoon, die bij den keurvorst in bijzondere gunst staat. _Ge hebt immers gezien, hoe lang de vorst zich met den bedelaar onderhield en hoeveel leed heten, dat wij belasting betalen. Klaus is de wijste van allen; ij werkt niet, betaalt geen rechten of belastingen en leeft toch, is zelfs, gelijk we gisteren zagen, een zeer gewichtig persoon, die bij den keurvorst in bijzondere gunst staat. _Ge hebt immers gezien, hoe lang de vorst zich met den bedelaar onderhield en hoeveel leed het

ocr page 68

62

hem deed, dat wij hem een weinig terecht gezet hadden. Zelfs heeft de keurvorst zijn nieuwen lijfarts tot den bedelaar gezonden, om hem te genezen.quot;

„Maar dit was volstrekt niet noodig,quot; krijschte de barbier Kurt, „want toen de lijfarts kwam, was de duivel hem reeds vóór geweest.quot;

„Wat?quot; viel een ander in. „Heeft de duivel Klaus gehaald? Is Klaus dood?quot;

„Klaus is dood! De duivel heeft den bedelaar gehaald,quot; klonk het van mond tot mond.

„Neen,quot; riep de barbier. „Ik zeg niet, dat de duivel hem gehaald heeft. Neen, hij heeft hem een bezoek gebracht. Luister, ik zal u de gansche zaak verhalen, en dan zult ge zien, dat de bedelaar Klaus een heksenmeester en duivelsbezweerder is. Wilt ge er naar hooren?quot;

„Ja, ja!quot; riep men van alle zijden.

„Gisteren hebt ge gezien, hoe de bedelaar Klaus was toegetakeld. Hij kon niet gaan of staan en de opperkamerheer von Burgsdorf liet vier soldaten met een draagbaar komen, om den bedelaar naar zijn spelonk te brengen. Ge weet wel waar hij woont. In het oude vervallen huis achter de oranjerie, waarin vroeger de keur-vorstelijke tuinman woonde; daar heeft hij een kamer gevonden, wier muren nog zonder gaten zijn en waar het niet doorregent, en de heer keurvorst heeft den bedelaar vergund er zijn verblijf op te slaan. Nu, daarheen droegen de soldaten hem en ik ging mee, want ik dacht, dat het misschien noodig kon zijn den kerel bloedzuigers te zetten, of te aderlaten, en daar het voor keurvorstelij ke rekening was, kon ik den bedelaar wel helpen. Ik zou anders uit christelijke liefde en barmhartigheid mij met zulk een heksenmeester niet hebben willen bemoeien. Ik ging dus mee en wilde eens weten hoe het in zijn kamer gesteld was. Maai' wat denkt ge? Klaus had een slot aan zijn deur.quot;

„Wat een slot aan zijn deur?quot; klonk het met de grootste verwondering van alle zijden.

„Ja, verbeeldt u,quot; hernam de barbier, „hij kan zijn deur sluiten, met een behoorlijken sleutel. Toen wij nu aan zijn deur kwamen was zij gesloten, en terwijl wij, de soldaten en ik, er nog over raadpleegden wat wij doen zouden, richt Klaus, die wij bijna dood waanden, zich

ocr page 69

63

eensklaps overeind, kijkt in 't rond en vraagt waar bij is Toen wij het hem zeiden, en vroegen wat wij doen moesten om zijn deur te openen, kroop Klaus plotseling van de draagbaar, zette zich voor de deur en zeide: „Ik gevoel mij weer beter en zal wel alleen in mijn kamer komen Ik dank u, mannen, dat ge mij hier hebt gebracht, maar gaat gerust heen en bekommert u niet verder om mij.quot;

„En wat deed ge?quot; vroeg men van alle zijden.

„Ja,quot; riep de barbier, listig knipoogende, „wij gingen heen, maar ik . . . nu, ik had toch zooveel medelijden met den armen kerel, dat ik mij nog eens omkeerde om te zien hoe het hem ging. Ik sloop voorzichtig nader, gluurde door de reten der huisdeur, die naar het kleine voorhuis voert, en wat zag ik? Ik zag Klaus met bevende handen een der roode steenen, waarmede de grond bevloerd is, oplichten en een sleutel nemen. Ik zag hem met den sleutel naar de deur kruipen, ze opensluiten en op handen en voeten als een kat zijn kamer binnengaan. Nauwelijks was hij er in en had ik mij een weinig van mijn verbazing hersteld, ot ik ging naar de deur en wilde zijn kamer binnentreden. Maar jawel! Hij had ze van binnen gegrendeld, en ik moest met een langen neus aftrekken. Gelukkig viel mij in, dat de heer keurvorst bevolen had, dat zijn lijfarts tot den zieken Klaus moest gaan om hem te genezen. Ha, dacht ik, de lijfarts zal wel spoedig komen, ik zal hier- wachten. Ik bleef dus in de nabijheid en wandelde heen en weder voor de oranjerie. Nu, de heer lijfarts had zich juist niet overhaast, want het begon al donker te worden, vóór hij, begeleid door een der soldaten, die Klaus gedragen hadden, kwam aanwandelen. Nu klopte ik op de deur: „Doe open, Klaus, doe open, ik ben het, de barbier Kurt!quot; — Maar alles bleef stil; de arts wachtte, werd ongeduldig ging eindelijk zelf naar de deur, sloeg er met den grooten gouden knop van zijn Spaan-schen rotting tegen en riep; „Doe open! In naam van den keurvorst! Doe open!quot; Nauwelijks had hij dit gezegd of de grendel werd weggeschoven en Klaus verscheen op den drempel.quot;

„Op handen en voeten?quot; vroeg de kleermaker Furberg, terwijl de menigte met ingehouden adem zwijgend ieder woord van den verhaler opving.

„Neen,quot; riep de barbier plechtig, „Klaus stond weer

ocr page 70

(34

rechtop en scheen volkomen gezond, behalve dat hij er iets bieeker uitzag dan anders. De heer lijfarts vroeg hoe het hem ging. De heer opperkamerheer von Burgs-dorf had hem gezegd, dat zijne doorluchtigheid de keurvorst had gewenscht, dat hij hierheen zou gaan om den bedelaar Klaus, die een been had gebroken, te verbinden, en nu stond hij toch op twee volkomen gezonde beenen en scheen volstrekt geen verband noodig te hebben.— Hierop antwoordde Klaus, dat hij geen verband noodig had; zijn been was slechts een weinig verstuikt, hij had het zelf weder in 't lid gebracht, en alles was weder in orde. Toen de arts dit hoorde bromde hij, dat het dan ook niet noodig was geweest hem uit zijn huis te halen, en ging heen. Maar ik sprong haastig te voorschijn en zei aan Klaus, dat ik slechts wilde zien, hoe het hem ging; ik drong naar de deur, en wilde de kamer binnen gaan. Klaus stootte mij met geweld terug, stak mij de vuist toe en riep; „Wilt ge mij weer den duivel uitdrijven? Kom dan maar. Wij zullen eens zien, of gij een kerel zij t, om den duivel uit te drijven, dan of ik hem in mijn kamer kan houden in weerwil van u en al het dom gespuis. Kom eens hier, en drijf mij den duivel uit.quot; Toen hij zoo met zijn vuist zwaaide, scheen 't wel of er niets dan blauwe vonken uit zijn vuist dansten, en uit zijn kamer kwam een vreeselijke zwavellucht, die mij den adem benam en zoo in mijn oogen prikkelde, dat het water er uitkwam. Toen schrok ik zoo geweldig, dat ik een Onze Vader bad en zoo snel als ik maar kon weg liep.quot;

„Dat is niet waar,quot; riep een krachtige stem, „ge hebt geen Onze Vader gebeden, maar gevloekt en gescholden en godslasterlijke woorden gesproken.quot;

„üe bedelaar Klaus! De heksenmeester! De toovenaar!quot; schreeuwde de menigte, terwijl ze naar beide zijden uitweek en een breeden weg open liet, in wier midden zich nu Klaus alleen bevond. Hij stond op zijn stok geleund en liet langzaam zijn blik over het volk gaan, dat hem met vrees en ontzetting aanzag.

„Wat is het?quot; vroeg hij met kalme stem. „Waarom gaapt ge mij allen aan, alsof gij meendet, dat de duivel in persoon voor u stond? Dom volk, de duivel behoeft u niet zichtbaar te verschijnen, want fyij zit in u allen, gij zijt zijn lieve kinderen op aarde en later wordt gij zijn prooi.quot;

ocr page 71

(35

„Hoort eens, Klaus vermeet zich, om eerzame burgers en ambachtslieden te beschimpen en te smaden,quot; krijschte de kleermaker Ewald. „Hij noemt ons duivelskinderen en roept ons schandelijke woorden toe.quot;

„Hij is zelf een duivelskind, een heksenmeester!quot; riep de schoenmaker Wendt. „Het is anders niet mogelijk, dat hij thans weer op do been en volkomen gezond is. Giste • ren was hij bont en blauw geslagen en een ander christen-mensch zou er vier weken genoeg aan hebben gehad.quot;

„Ja,quot; schreeuwde een ander, hij is een heksenmeester. Hij weet alles. Onlangs heeft hij mij de plaats aangewezen, waar ik mijn hamer kon wedervinden. Drie dagen lang had ik den hamer gezocht, maar kon hem nergens vinden; ik moest hem noodzakelijk bij mijn werk hebben en had geen geld een anderen te koopen. Toen ontmoet mij toevallig Klaus, blijft voor mij staan en zegt: „Zoekt ge uw hamer, smid? Ga maar naar de Weidendammer-poört en zoek bij de brug; daar zult ge hem vinden.quot; Ik ging er heen, en jawel, daar lag mijn hamer.quot;

„Hij is een toovenaar, hij weet alles,quot; brulde een ander.

„Ik heb het ook geprobeerd. Onlangs had ik een pak weefgaren verloren, dat ik op de markt te Kopnich had gekocht. Mijn vrouw zeide, dat ik naar den bedelaar Klaus moest gaan om hem te vragen, waar het garen gebleven was, hij zou het wel zeggen, want hij weet alles. Ik ging dan naar den bedelaar Klaus, die op zijn plaats in den zonneschijn zat, vroeg hom en hij antwoordde, dat ik naar de hazenheide moest gaan en bij de eerste boomen het pak garen zou vinden, en waarlijk het lag er. Maar men zag toch, dat de duivel er de hand in had. Het garen was betooverd, de draden braken telkens en nooit zal er goed linnen van komen.quot;

„Hij heeft het. betooverd.quot; riepen de toehoorders, „hij heeft het met zijn vingers, die van helsch vuur branden verzengd en daarom breekt het. Hij wilde uw ziel winnen en gaf u daarom het garen terug. Maar ge zult er slechts een lijkkleed van kunnen weven, ge badt het niet moeten nemen.quot;

„Neen,quot; riepen anderen, „neem niets van den duivel aan, anders behoort men hem. Klaus is een toovenaar, een heksenmeester, en . . .

Een hevig gekraak en een donderend geluid werd verno-

Mühlbach, Be groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 5

ocr page 72

GO

men en een ontzaglijke stofwolk hulde het gansche plein in een donkeren sluier. Het volk had dit onverwacht, vreeselijk gerucht met een kreet van ontzetting beantwoord, en men hoorde in den grijzen nevel een angstige, bevende vrouwenstem roepen: „Laat ons op de knieën vallen en bidden!quot; Allen waren op de knieën gevallen en men hoorde het gemurmel van gebeden, het jammeren en zuchten van angstige vrouwen, die God om ontferming smeekten.

Langzamerhand was de nevel weggetrokken, de witte stof had zich over de menschen en alles in 't rond verspreid, en nu zag men het volk, nog altijd geknield en op de vrije ruimte, in't midden, den bedelaar Klaus, recht op zijn stok gekund.

De menschen zagen elkander verwonderd aan en van alle zijden klonk de vraag; „Wat was dat? Sprak God tot ons door zijn donder? Wilde hij ons aankondigen, dat wij den duivelbezweerder niet langer onder onü moeten dulden ?quot;

Ziet, onnoozele menschen,quot; riep Klaus, den arm opheffende en met zijn stok naar het kasteel wijzende. „De oude kasteelmuur is ingestort.quot;

En zonder het gapende, verwonderde volk verder een blik te gunnen, strompelde Klaus, op zijn stok geleund, over het kasteelplein naar den puinhoop. De nieuwsgierige menigte, die nu de natuurlijke en eenvoudige verklaring van de schrikkelijke gebeurtenis met luid gelach en vroolijke scherts begroette, volgde den bedelaar naar den puinhoop, bij welken de architect Memmhart met zijn werklieden druk bezig was.

De oude kasteelmuur, dien men voorzichtig had willen afbreken, was, toen de stutten weggenomen waren, eens' klaps van zelf ingestort, en hierdoor waren eenige, daar achter gelegen oude vertrekken, die reeds lang onbewoond waren en afgebroken moesten worden, bloot gekomen. Het volk, dat nooit anders dan de buitenmuren van het keurvorstelijk kasteel had gezien, zag nu eensklaps die muren weggerukt en kon de met bonte tapijten eh stoffen behangen kamers zien, die de een boven den ander gelegen, met beur gescheurde, verwoeste zijwanden een zonderling gezicht opleverden.

Eensklaps riep een stem uit de menigte; „Ziet eens

ocr page 73

07

naar boven! Ziet ge daar in den dikken muur de witte gestalte?quot;

„Ja,quot; antwoordden anderen, „ja, wij zien ze. Daar in den zijmuur, waar een vooruitspringend vak in den muur is, ziet men ze tusschen de steenen door. Ja, het is een groote, witte gestalte!quot;

„De witte vrouw ! Het is de witte vrouw,quot; mompelde de menigte. „Ziet naar boven, hoe het spook daar in den grijzen muur staat! Het is de witte vrouw!quot;

Allen staarden, door ontzetting aangegrepen, opwaarts, en aller gezichten verbleekten. Ook de architect Memm-hart had nu deze zonderlinge gestalte gezien, die tusschen de steenen stond; hij toonde ze aan zijn werklieden en beraadslaagde over de mogelijkheid om die plek te bereiken. Men had aan de andere zijde door het kasteel in het vertrek kunnen komen, maar de vloeren waren gedeeltelijk opengebroken en slechts enkele balken zweefden nog vrij in de ruimte, door ijzeren ankers vastgehouden. Het veiligste was dus, een groote ladder tegen den muur te zetten en zoo naar de plek te klimmen.

Een metselaar had den vermetelen moed het gevaar te trotseeren en verklaarde zich bereid, het waagstuk te ondernemen. De ladder werd voorzichtig tegen den verbrokkelden muur gezet, zoodat het boveneinde juist de plaats bereikte, waar zich de zonderlinge gestalte vertoonde. Aller oogen waren op den metselaar gericht, die behendig als een kat de ladder opklauterde; elk ander gevoel, alle haat, alle tporn was bij de aanwezigen verdwenen; men dacht er niet aan, dat de bedelaar Klaus dicht bij hen stond en men met hem in aanraking kwam, aller gedachten waren alleen op den werkman gericht.

Een ademlooze stilte heerschte op het plein, en te midden van deze stilte hoorde men van boven af de stem van den metselaar die riep: „het is een geraamte! een menschengeraamte in witte kleederen!quot;

Een rilling liep door de leden van alle aanwezigen, aller gezichten waren bleek, aller oogen tuurden naar boven.

1) Het vinden van een geraamte bij liet afbreken van den ouden kasteel-muur is een historisch feit; het volk beweerde, dat 't het geraamte der witle vrouw was. Zie v. Ledebnr, Archiv für preussisohe Geschlchtskunde IV. 100.

ocr page 74

G8

„Een menschengeraatnte in witte kleederen,quot; murmelden de bevende lippen, „liet is de witte vrouw! Wee over ons allen! Het is de witte vrouw! Ons allen kondigt zij dood en ellende aan!quot;

Opnieuw liet zich de stem van den man boven op de ladder hooren „Ik zal een touw neerlaten,quot; riep hij. „Bindt er een mand aan, opdat ik het geraamte er in-pakke en naar beneden late zakken.quot;

Hij nam haastig een dik touw uit zijn zak, bond het aan een sport der ladder en liet het naar beneden vallen. Nu bond men met zorgvuldig gelegde knoopen het touw aan de ooren van een mand vast. Weldra zweefde de mand in de lucht, en aller oogen volgden ze met gespannen verwachting.

„Wees voorzichtig,quot; riep de architect Memmhart naar boven. „Zorg dat ge de gestalte niet breekt, maar ze heel in de mand krijgt. Ga uit den weg, Klaus,quot; zeide hij vervolgens, zich tot den bedelaar wendende, die de ladder dicht genaderd was. „Ga achteruit Klaus, want als iets van boven valt, kan het u treffen.quot;

Maar Klaus luisterde niet naar de waarschuwing van den architect. Hij was dicht bij de ladder gedrongen en keek nu onafgewend, buiten adem, omhoog.

De metselaar had de mand tot zich getrokken, hield ze vast met zijn linkerhand, en greep met zijn rechterhand naar de witte gestalte. Zij scheen tamelijk vast in den muur te zijn geklemd, want hij kon ze er niet dadelijk uittrekken, en moest eerst eenige steenen losmaken.

Nu stak de werkman zijn arm in de opening van den muur en hief triumfeerend een wit rond voorwerp omhoog.

„Het is een doodshoofd,quot; fluisterden de menschen elkander toe. „Zie maar, hij legt het in de mand! Stil! stil! spreekt niet! Laat ons kijken!quot;

Weer stak de werkman zijn arm in de nis. Nu bracht hij een lang wit voorwerp te voorschijn, dat door den wind opgeblazen, een wit zeil geleek.

„Het doodshemd! het doodshemd,quot; krijschten enkele vrouwenstemmen. Toen werd alles weder stil. Men zag hoe de man het witte kleed, dat blijkbaar een gedeelte van het geraamte omhulde, voorzichtig in de mand legde.

Thans klonk een kreet van ontzetting van aller lippen. Men had gezien dat een lang wit been uit het kleed

ocr page 75

G9

los raakte en nederviel. Door een panischen schrik bevangen weken allen achteruit.

Weer klonk een kreet. Het was de bedelaar Klaus, die hem geslaakt had. De onderarm, waaraan zich nog de hand bevond, had zijn hoofd zoo hevig getroffen, dat het bloed met stroomen uit de wonde vloeide.

„De bedelaar Klaus is gewond,quot; riep en huilde het volk „De arm van het geraamte is naar beneden gevallen en heeft hem getroffen. Dat is het gericht Gods! De dooden staan op tegen den toovenaar en heksenmeester en merken zijn voorhoofd met het Kaïnsteeken.quot;

Door afgrijzen en ontzetting aangegrepen drong ieder van den bedelaar af, die met bloedend hoofd naast de ladder neergezegen was. Door dit nieuwe voorval was zelfs de aandacht van den werkman boven afgetrokken,

Hij was met het verzamelen van het gebeente gereed gekomen, en riep naar beneden : „Pas op! Ik zal de mand laten zakken.quot;

Voorzichtig en langzaam liet hij het touw door zijn vingers glijden en de mand met haar vreeselijken ge-heimzinnigen inhoud kwam langzaam naar beneden.

Aan den voet der ladder, stond de architect Memmhart met twee werklieden gereed, om de mand in ontvangst te nemen en de ladder vast te houdeti, opdat de man weder naar beneden kon komen. Achter de ladder, geheel onopgemerkt, zat de bedelaar Klaus op den grond, niemand zag de zielsangst, de ademlooze spanning, die uit zijn bleek gelaat sprak; niemand hoorde hoe hij zacht fluisterde: „God, mijn God! ontferm u mijner! Geef dat ik niet krankzinnig wordt, voor dat ik weet wat dit geraamte te beduiden heeft en of . .

Juist grepen de werklieden de naar beneden glijdende mand. „Een geraamte,quot; zeide de architect, „waarachtig een volkomen menschelijk geraamte en naar 't schijnt, het geraamte eener vrouw, want zie, dit kleed heeft niet den vorm van een doodshemd, het is een vrouwenkleed dat niet voor een doode, maar voor een levende bestemd is geweest. Zie eens dezen witten sluier! Hij is zeer goed bewaard, de fijne kant zit er nog aan!''

Hij nam voorzichtig een lang stuk doek uit de mand, dat rondom met zware Venetiaansche kant. bezet was.

„Houd het hooger, heer architect,quot; riepen demenschen

ocr page 76

70

„clan kunnen wij zien wat ge daar in de hand hebt!quot;

De architect tilde met beide handen den sluier omhoog, en de wind verhief de einden, zoodat zij hoog opwaaiden. Toen zij weder daalden, trof het eene einde het hoofd van den bedelaar en werd rood geverwd door het bloed, dat uit zijn hoofdwonde vloeide . Hij greep naar den sluier en staarde er op, alsof hij op deze kant, op deze doorzichtige stof een plechtig geheimzinnig schrift las, snelde toen op de mand toe, knielde er bij neder en wilde er met zijn handen ingrijpen.

Maar de architect Memmhart hield hem terug. „Laat af, Klaus, raak deze dingen niet aan. Het gaat u immers niets aan.''

„Hij zegt dat het mij niet aangaat!'' prevelde Klaus, die nog altijd naast de mand knielde en ze met begeerige oogen aanstaarde. „Kon ik slechts het kleed zien, het kleed! Maar ze hebben een doek over de mand gelegd en ik kan niets meer zien!quot;

Intusschen was de man van de ladder geklommen en stond nu weder op den grond. De architect Memmhart trad naar hem toe en reikte hem de hand.

„Nu, Ludwig, het doet mij plezier, dat ge weder gelukkig beneden zijt. 't Had gevaarlijk kunnen worden, want zoo de muur was bezweken, waart ge met de ladder gestort en hadt den hals kunnen breken.quot;

„Ik wist wel, dat de muur niet instorten zou,quot; zei de metselaar lachend. „Het geraamte duldde dit niet, heer architect. Het geraamte hield den muur vast, en liet hem niet invallen, want het wilde, dat men zijn geheim vernam. Het wilde zijn moordenaars aanklagen.quot;

„Meent ge, dat het geraamte van een vermoorde is, Ludwig?quot;

„Ja, mijnheer. Waarom heeft men anders deze vrouw in den muur gemetseld, in plaats van ze als een eerlijke christin te begraven. Ja stellig is hier een moord gepleegd, en ge zult zien, dat het nog aan 't licht komt en de vermoorde haar offer eischt. Ik heb hier twee voorwerpen die van belang zijn. Vooreerst dezen gouden ring. Hij zat aan den wijsvinger der rechterhand, die gelukkig eerst nederviel toen ik den ring reeds had. En zie hier een kleine doek, die om den hals heeft gezeten. Hij was zoo vast dichtgeknoopt, dat ik wel moet denken, dat men met

ocr page 77

71

dezen doek de vrouw geworgd heelt. Zie, hier is hij, mijnheer, ik heb hem geknoopt gelaten, juist 5coo als ik hem gevonden heb.quot;

Hij reikte den architect een witte zijden doek, die inéén gedraaid en stevig toegeknoopt was.

„Het gelijkt volkomen een strop,quot; zei Memmhart, den doek beschouwende, „de hals die er in passen moest, heeft zeker geen ruimte om te ademen gehad. Zie! Op deze punt is iets geborduurd. Fraaie ineengeslingerde letters.quot;

„Het zal een naam zijn, mijnheer,'' zei de metselaar, „ik geloof, dat in den ring ook een naam staat.quot;

Memmhart haalde den ring weder uit zijn zak en beschouwde den binnenkant. „Inderdaad, ja het zijn letters, er staat een naam in. Maar het schijnt een andere dan op den doek. Ha nu zie ik het duidelijk, de naam in den ring is : Gabriel!''

„Gabriel,quot; gilde de bedelaar Klaus, terwijl hij opsprong. „Gabriel! Zij heeft mij geroepen zij heeft mijn naam genoemd.quot;

De architect luisterde niet naar hem, daar hij geheel verdiept was in het ontcijferen van den naam, die op den doek was geborduurd. „Nu heb ik het,quot; zeide hij verheugd. „Deze eerste krulletter is een R, hierop volgt een E. De derde letter is een B, zoo 't schijnt, dan weder een E en...quot;

„Rebekka,quot; klonk het achter hem, en een haastige, krachtige hand ontrukte hem den doek, en een luide, jubelende stem riep: „Rebekka! Mijn Rebekka!''

„Wat doet ge, Klaus,quot; riep de architect toornig, „hoe kunt ge u vermeten mij den doek te ontrukken? Geef hem dadelijk terug! Onmiddellijk!quot;

„Neen,quot; riep hij, als verbijsterd van vreugd, „neen, ik geef hem niet terug! Hij behoort mij, want het is Re-bekka's doek. Ik heb hem haar gegeven, het was mijn eerste geschenk Geef mij mijn ring, mijn ring! Ik wil hem weder hebben, want zij zendt hem mij. Zij zendt mij haar verlovingsring als een groet, die mij zegt, dat de tijd der beproeving afgeloopen is, en zij mij tot zich roept, met het gewijde bondsteeken onzer liefde. Geef mij mijn ring, mijnheer, ik moet hem hebben.quot;

„Welken ring?quot; vroeg Memmhart. „ Zijt ge op eens krankzinnig geworden?quot;

„Het is mijn ring! Mijn ring! schreeuwde de bedelaar,

ocr page 78

72

terwijl hij van opgewondenheid bevende, met gloeiende wangen, en starende oogen beide handen op des architects schouders legde.

„Lait mij los, Klaus, of ik roep de wacht en de gerechtsdienaars en laat u in de gevangenis brengen.quot;

„Zie eens! Zie!quot; riep het volk. „De bedelaar vergrijpt zich aan den heer architect. Hij wil hem vermoorden! Roept de wacht, de wacht.quot; Eenigen uit de menigte snelden heen om de wacht te'roepen.

„Mijn ring! Mijn ring!quot; riep Klaus, en toen hij merkte, dat de architect zijn hand vaster samenkneep, greep Klaus met bovenmenschelijke kracht deze hand, opende ze met geweld en nam den ring.

„Ik heb den ring, mijn verlovingsring weder,quot; riep hij juichend van vreugde, terwijl hij hem aan zijn vinger schoof. Nu sprong hij weder op de mand toe, rukte met vlugge hand den doek, die er over lag weg en bracht van onder den afschuwelijken beenderenhoop, liet witte kleed te voorschijn.

„Het is haar kleed!quot; riep hij. „Zij droeg het op den dag toen wij te zamen trouwden. Ik herken het. Zij heeft het gedragen, het is haar bruidskleed en haar doodskleed geweest !quot;

Nu boog hij het hoofd over het kleed en drukte er zijn lippen vast op; zulk een smartelijk snikken en steunen steeg uit zijn borst op dat zelfs de koele, onverschillige harten der omstanders diep bewogen werden. Niemand waagde het, den bedelaar van de mand met haar treuri-gen inhoud weg te trekken, niemand wilde de smart- en jammerklachten, die thans van zijn lippen klonken, verstoren maar met ingehouden adem, met tranen in de oogen luisterden allen naar de woorden van den bedelaar, die in zijn overspanning geheel scheen te vergeten, dat hij niet alleen was, dat menschen hem omgaven, die met nieuwsgierige blikken hem gadesloegen, en met oplettende ooren naar hem luisterden.

„Zoo heb ik u nu weder, mijn geliefde, zeide hij met zachte teedere stem, terwijl hij beide armen om de mand sloeg. „Ge zijt uit uw vreeselijk graf herrezen, om mij bericht van uw dood te geven, om mij het afschuwelijke geheim van uw dood bekend te maken, Ach, mijn Rebekka, moest zoo het zuivere, kuische geluk onzer liefde eindigen!

ocr page 79

73

Moest er niets van overblijven dan deze verbleekte beenderen, niets dan dit verleerd gewaad, dan deze doek, die getuigenis geeft van den op u gepleegden moord? Ja, men heeft u vermoord, mijn Rebekka, en met uw edel, kostbaar leven hebt ge de misdaad van uw lagen echtgenoot betaald. Ik ben het, die u vermoord heeft ik alleen draag de schuld van uw dood! Maar ik heb geboet, Rebekka, ik heb veertien jaren lang berouw gehad en folteringen geleden en ben niet bezweken. Ik wilde niet sterven vóór ik uw lijk gevonden, uw graf ontdekt had. Ach, mijn arme Rebekka, men heeft u een eng, afgrijselijk graf gegeven, en uw lijk is tot een geraamte verteerd voor dat ik u gevonden heb Ge wildet mij niet eerder verschijnen, mij niet vroeger van hier roepen, vóór ik al de ellende en folteringen der aarde in mijn ziel had gevoeld, vóór mijn hart door het vagevuur van allen aardschen jammer gelouterd was van zonde. Maar nu is het uur der ontferming gekomen en ge hebt medelijden met mij Zie van uw hoogte op mij neder, mijn Rebekka, zie het arme, verslagen menschenkind, dat hier in het stof voor u.ligt, zie wat de misdaad, wat het berouw van hem gemaakt heeft. Alle ijdelheid der aarde, alle eerzucht, alle trots en alle zelfgevoel heb ik afgeworpen. In zak en assche heb ik boete gedaan, ik ben een bedelaar geworden voor God en de menschen; ik heb vrijwillig den hoon en de verachting der wereld op mij genomen, heb mijn hart vernederd en mijn hoofd in deemoed gebogen. Ach, zeg nu, dat ge medelijden hebt, dat gij mij tot u wilt roepen. Zeg nu, dat ge uw moordenaar wilt vergeven, uw moordenaar . .

Een hand legde zich zwaar op zijn schouder en een ruwe stem riep: „Klaus! In naam van den keurvorst en der wet neem ik u gevangen!quot;

Het was de door het volk gehaalde gerechtsdienaar met zijn knechten, die den bedelaar was genaderd en het laatste gedeelte van zijn klacht gehoord had.

De bedelaar ontstelde; de aanraking van deze hand riep hem in de wereld terug.

„Wat wilt ge van mij?quot; vroeg hij in verwarring, met droomenden blik tot den man'opziende. „Waarom legt ge de hand op mij ?quot;

„Ik leg mijn hand op u in naam der wet,quot; riep de man

ocr page 80

74

(

op strengen loon. „De menschen zeggen, dat ge een heksenmeester, een toovenaar zijt, die met den duivel in verbond staat. Gij zegt, dat gij een moordenaar zijt, en beschuldigt u zelf, dat ge een moord op uw geweten hebt. Ik neem u in hechtenis op vermoeden van twee vreeselijke misdaden! Ik beschuldig u als duivelbezweerder en als moordenaar.quot;

„Als ■ duivelbezweerder en als moordenaar,quot; riep het volk in woede en ontzetting.

Op den bedelaar maakten deze woorden een geheel anderen indruk. Hij stond op en richtte het hoofd omhoog; zijn gelaat, vroeger doodsbleek, verhelderde als een straal van het morgenrood, zijn oogen, vroeger door tranen verduisterd, glinsterden van vreugd, hij sloeg ze vol vroomheid en aandoening ten hemel.

„Gods wegen zijn groot en wonderbaar!quot; riep hij, zijn armen opheffende. „Ik ken u, almachtige, ik versta de stem uwer genade, die tot mij spreekt door de stem van het gerecht. Door boete zal ik den eeuwigen vrede ingaan, ■ door straf zal de zondaar verzoend worden en plaats nemen in het verblijf der zaligen ! Rebekka, mijn Rebekka, gij wilt mij tot u nemen, gij hebt uw hand naar mij uitgestoken en mijn hoofd gemerkt met het teeken des bloeds. Ja, mijn bloed zal uw dood verzoenen! Ik ben gereed, Rebekka, ik ben gereed!quot;

„Genoeg van die praatjes!quot; riep de gerechtsdienaar; ,,hier mét uw handen, opdat ik ze hinde, zooals het met eiken zwaren misdadiger gebeurt, die naar de gevangenis wordt gebracht!quot;

„Hier,quot; riep Klaus met vroolijke stem, terwijl hij zijn handen uitstak. „Bindt ze, sla ze in boeien. Ik heb alles verdiend, gij hebt gelijk, ik ben een duivelbezweerder! Ik ben een moordenaar! Doe met mij naar de strengheid der wet!quot;

„Hij bekent,quot; mompelde de menigte. „Hij zelf zegt, dat hij een duivelbezweerder en moordenaar is!quot;

„In naam der gerechtigheid en der wet van de steden Berlijn en Keulen, neem ik u in hechtenis,quot; riep de gerechtsdienaar met luide stem. „De stadsvaders zullen u naar recht en gerechtigheid straiïen!quot;

Hij bond de handen van Klaus met koorden te zamen en voerde hem toen tusschen zijne medehelpers weg.

ocr page 81

75

„Laat ons gaan!quot; riep Gabriel blijmoedig. „Voer mij naar de gevangenis! In den dood. In de onsterfelijkheid!quot;

Moedig ging hij tusschen den gerechtsdienaar en zijn knechten. Zijn gelaat was vroolijk, zijn gang vast en zijn hemelwaarts gerichte oogen sti'aalden van geestvervoering.

De menigte volgde hem onder luid getier en woeste verwenschingen tot voor den Ossenkop, de gevangenis buiten de poort, waar de misdadiger werd binnengeleid.

VII.

DE KEUKVORRST EiN HE BURGEMEESTER.

De keurvorst ging met peinzend gelaat treurig op en neder, want zoo even had hij zich door den architect Memmhart het voorval laten vertellen, dat voor eenige uren op het kasteelplein had plaats gehad. Toen Memrn-hai't hem verhaalde, dat de bedelaar Klaus in hechtenis genomen en naar de gevangenis was gevoerd, had de keurvorst een kreet van verrassing geslaakt en den architect bevolen er terstond zelf heen te gaan en in naam van den keurvorst de vrijstelling van den bedelaar te bevelen.

„Aan wien begeert uw doorluchtigheid, dat ik het bevel brengen zal?quot; had Memmhart gevraagd, en over deze vraag dacht de keurvorst na.

„Ga naar den burgemeester Wegelin, Memmhart,quot; had hij gezegd. „Verhaal hem de geheele zaak, zeg hem, dat ik sedert lang den bedelaar ken, en weet, dat hij lijdt aan een onschadelijken waanzin en dat ik zelf borg voor hem wil blijven. Men moet den armen man in vrijheid laten en hem veroorloven weder op zijn plaats voor het kasteel te zitten. Men moet mij mijn armen bedelaar wedergeven en hem met vrede laten! Nog beter, roep den heer burgemeester hier. Ja, Memmhart, ga naar den burgemeester, vertel hem de geheele geschiedenis en zeg hem, dat hij dadelijk bij mij moet komen.quot;

„En het geraamte?quot; had Memmhart gevraagd. „Wat beveelt uw lt;1 oorluchtigheid dat er mede geschieden zal ?quot;

ocr page 82

7(5

De keurvorst had zich omgekeerd en was weder zwijgend op en neder gegaan. Toen was hij in de vensternis getreden en, met den rug naar den architect gekeerd, had hij er lang gestaan met het voorhoofd tegen de glasruiten geleund.

„Men moet het gebeente terstond in een kist leggen,quot; had hij na een lange pauze gezegd. „Bij het aanbreken van den nacht moet men het in alle stilte in een hoek van het domskerkhof begraven.quot; ^

Memmhart was heengegaan, en de keurvorst wachtte nu met ongeduld de komst van den burgemeester. „Zij mogen dien armen man niet folteren en plagen,quot; zeide hij bij zich zei ven. „Hij heeft genoeg geleden. Men mag hem zijn vrijheid en het weinigje lucht en zonneschijn niet ontnemen! Neen, ik wil niet, dat men hem beschuldige, want ten laatste konden er nog zeer erge dingen uit voortkomen. Als het tot een verhoor komt, zal Gabriel Nietzel niet zwijgen, maar de zware misdaad aan de ge-heele wereld bekend maken, waartoe Schwarzenberg hem verleidde. Het zou nog een zeer omvangrijk proces kunnen worden, en ten slotte werd de zoon, de heer Adolf von Schwarzenberg, er nog in betrokken. Dit kon den keizer wel onaangenaam zijn, want Schwarzenberg staat bij hem in hooge gumt, en zijn majesteit heeft den zoon van den voormaligen stadhouder nog onlangs tot den vorstenstand verheven. Het zou een leelijk éclat geven, zoo te Berlijn een beschuldiging van moord tegen den vader van den nieuwbakken vorst werd ingebracht, en dit kan, dit wil ik niet dulden. Gabriel Nietzel moet bevrijd worden, en...quot;

„Keurvorstelijke genade,quot; meldde een binnentredende lakei, „de heer Burgemeester van Keulen en Berlijn, mijnheer Wegelin, is in de voorkamer. Hij zegt, dat uw doorluchtigheid hem ontboden heeft.quot;

„Laat hem binnenkomen,quot; beval de keurvorst, terwijl hij levendig naar de deur wenkte. De lakei opende daarop de deur en de burgemeester Wegelin, in zijn ambtsgewaad, den in plooien vallenden langen tabbaard van zwart

1) Men begroef werkelijk het in den kasteelmuur gevonden geraamte op het domskerkhof, en het volk geloofde, dat de witte vrouw nu niet meer in het kasteel zou kunnen verschijnen. Zie: v. Ledebur, Archiv für preussische Geschichtskunde. IV. 101.

ocr page 83

77

laken, den breedon witten halskraag en de zware gouden keten, die op zijn borst hing, verscheen op den drempel. Met stijve statigheid hief hij den arm op, nam de hooge zwarte baret af, die tot nu toe zijn hoofd had bedekt, en boog.

De keurvorst liep hem levendig te gemoet en groette hem met een haastigen hoofdknik.

„Ik dank u, Wegelin, dat ge zoo spoedig aan mijn oproeping gehoor hebt gegeven,quot; zeide hij haastig. „Er heeft een zonderlinge geschiedenis plaats gehad. De architect Memmhart heeft het u zeker al medegedeeld, niet waar?quot;

„Hij wilde ze mij berichten, doorluchtigheid,quot; antwoordde de burgemeester langzaam, „maar ik was reeds van alles onderricht. Van de verklaringen van den gerechtsdienaar en zgn gezellen, en van verscheidene burgers, die zich vrijwillig als getuigen hadden aangemeld, was reeds procesverbaal opgemaakt, toen de architect Memmhart kwam. Het is een gewichtige strafzaak, die voor ons ligt, en de gerechtigheid Gods heeft een zeer zware en schandelijke misdaad aan het licht gebracht. De beschuldiging betreft tooverij en moord.quot;

„Mijn beste Wegelin,quot; riep Friedrich Wilhelm, de schouders ophalende, „ge zijt te verstandig en te verlicht, dan dat ge den armen bedelaar Klaus voor een toovenaar zoudt houden. Een toovenaar zou niet als een ellendig bedelaar voor de poort van ons kasteel staan, zooals Klaus reeds langer dan zes jaren gedaan heeft.quot;

„Ik wensch hierover niet te oordeelen,quot; zei de burgemeester ernstig. „De wet moet haar loop hebben en zal het vonnis bepalen.quot;

„Maar dit is dwaas en onzinnig,quot; riep de keurvorst ongeduldig. „Het is belachelijk om tegen een armen, waanzinnigen bedelaar zulk een beschuldiging in te brengen, en mij dunkt dat wij in dezen moeielijken en ernstigen tijd er op bedacht moeten zijn ons niet belachelijk temaken. Laat dus den bedelaar Klaus weder vrij. Ik wil het!quot;

Bij dit trotsche bevel van den keurvorst richtte de burgemeester plotseling zijn hoofd op, dat hij tot nu toe eerbiedig had gebogen en zijn glinsterende oogen weerstonden den blik van den keurvorst.

„Het vrijgebied van het kasteel ligt aan de andere zijde,quot; zei de heer Wegelin plechtig, „zoo de bedelaar

ocr page 84

78

Klaus daar in hechtenis was genomen, had hij zijn toevlucht om genade bij onzen heer keurvorst kunnen zoeken, hoewel ik niet kan gelooven, dat zijn doorluchtigheid ze hem zou verleend hebben. De bedelaar Klaus is echter op het Domplein in hechtenis genomen, dat wil zeggen op stads gebied, door den gerechtsdienaar onzer stad, omdat hij zich zeiven van een zware misdaad beschuldigd en van moord beticht heeft. Hij is in den Ossenkop gevangen gezet, en de magistraat, de senatoren en bijzittende raden der steden Berlijn en Keulen zullen morgen dadelijk het verhoor beginnen, de akte van beschuldiging opmaken en een vonnis uitspreken naar recht en geweten, naar kennis en oordeel.quot;

„Het schijnt, heer burgemeester,quot; riep de keurvorst met vlammende oogen, „dat ge niet gehoord hebt, wat ik, uw keurvorst en heer, gezegd en gesproken heb. Ik wil niet, dat men den armen, half waanzinnigen bedelaar van zulk een onzinnige misdaad beschuldigd en hem van een moord beticht, die hij nimmer kan gepleegd hebben. Hoe zou hij in ons kasteel een lijk hebben kunnen inmetselen?quot;

„Het geraamte is aanwezig,'' antwoordde de burgemeester bedaard, „het is uit den muur van het kasteel te voorschijn gehaald, en men heeft aan den ineengedraaiden doek kunnen zien, dat het geraamte van een vrouw was, welke men geworgd en vervolgens in een nis gemetseld heeft. Hij heeft vrijwillig den moord bekend, en is huilend en schreiend naast het geraamte gevallen, heeft luid en met alle teekenen van groote wanhoop zich van den afgrijselijken moord beschuldigd, heeft het witte kleed, waarin het geraamte was gehuld, onderzocht en herkend en met de grootste vlugheid den naam ontcijferd, die in den doek was geborduurd; ook heeft hij zich van den ring meester gemaakt, die aan den vinger van het geraamte zat, en beweerd, dat deze ring een geschenk was, dat hij aan een vrouwspersoon, Rebekka genaamd, gegeven had, vóór dat hij haar vermoordde.quot;

„Maar burgemeester, ik zeg u immers, dat die arme man waanzinnig is. Ik ken hem sinds jaren, toen hij nog geen arme bedelaar Klaus was, en ik sta u borg, dat hij niet de moordenaar is der vrouw, wier geraamte men gevonden heeft. Laat daarom den armen dwaas loopen en maak van een mug geen olifant.quot;

ocr page 85

70

„Ik mag in deze zaak geen borgstelling aannemen, al is hel zelfs, die van den heer keurvorst van Brandenburg en . .

„Ge wilt zeggen van uw heer en gebieder,quot; riep de keurvorst.

„Ik sta hier voor u als burgemeester van Berlijn, en als zoodanig heb ik boven mij geen anderen heer en gebieder dan God en mijn geweten ! De steden Berlijn en Keulen hebben haar constitutie, hare instellingen en wetten. Zij zijn den keurvorst eerbied en onderdanigheid schuldig, maar zij hebben hun rechten en privilegiën, en daarin mogen zij niet gekrenkt en verkort worden. De magis-straat van Berlijn en Keulen wordt niet door den landsheer, maar door de burgerij gekozen en aangesteld, en als de burgemeester zijn ambt aanvaardt, zweert hij met een heiligen eed de rechten en privilegiën der steden te zullen verdedigen tegen iedereen, zelfs, zoo het zijn moet, tegen den landsheer, den keurvorst.quot;

„Ge zijt dan ten minste zoo goed te erkennen, dat ik uw landsheer ben?quot;

„Onze landsheer, ja, maar niet onze stadsheer. Wij zijn verplicht in alle billijke zaken uw wenschen te eerbiedigen en er onderdanig aan te gehoorzamen. Maar in stedelijke zaken zijn wij vrij, en evenmin als uw doorluchtigheid belastingen over ons land en onze stad kan uitschrijven, zonder dat wij ze bewilligen, maar daartoe de toestemming der steden en stenden behoeft, evenmin mag zij ook de wetten en gerechtigheden der stad krenken.quot;

„Ge waagt het, rmj, uw keurvorst en heer, te dreigen ?quot; riep de keurvorst bleek van toorn en drift.

„Heer, ik dreig niet, ik zeg wat waarheid is en recht, en wat ik met mijn leven te verdedigen heb. Wij zijn echter in dezen jammerlijken tijd tot het uiterste gedreven, in onze wanhoop kennen wij geen paal en perk meer. Sinds vele jaren heeft men ons beroofd en geplunderd. Men heeft ons alles ontnomen; wij hebben geen bezittingen meer dan onze stedelijke constitutie en onze vrijheden en hieraan willen wij ons vasthouden, want zij zijn ons laatste goed! Heer keurvorst, ik smeek u uit den grond van mijn hart, ontneem de arme, ongelukkige burgers dezer stad hun rechten niet en maak hen niet tot eerloozen. Laat ons de vrijheid, misdadigers naar recht en wet

ocr page 86

so

te straffen, om ten minste nog een llauwe schemering van macht en aanzien te behouden.quot;

„Gij hebt gelijk, 't is inderdaad treurig,quot; zei de keurvorst de schouders ophalende, „zeer beklagenswaardig, dat ge er zoo naar haakt, een ander in ongeluk en ellende te storten, terwijl ge zelf weet, wat ongeluk en ellende is.quot;

„Wij weten het, doorluchtigheid, maar wij dragen dat onverdiend, onze ellende roept tot u, tot God en wij smeken om hulp. Maar daarom mogen wij een schuldigen niet ongestraft en de misdadigers niet op vrije voeten laten loopen. De man, die zich zeiven van moord beschuldigt, die onze medeburgers duivelskunsten en tooverij ten laste leggen, valt in het bereik van de strafwet onzer stad en geen menschelijke macht kan er hem van bevrijden. Of het moest zijn, dat uw doorluchtigheid ons onze stadsrechten en verordeningen wilt ontnemen en ons ook dat recht wil ontrooven,quot;

„Bij de aanvaarding mijner regeering heb ik gezworen voor al mijn onderdanen een rechtvaardig heer en vorst te zijn. Ik heb toen beloofd de rechten der steden en de onathankelijkheid der overheden te erkennen en heilig te houden; en verx-e is het van mij udat te ontnemen. Neemt dus dien armen, ongelukkigen man, verhoort hem. spant de vierschaar over hem; maar onderzoekt uw hart, of het geen onwaarheid belijdt, geeft wel acht, dat gij geen valsch oordeel velt, want ik zeg u, de keurvorst waakt over u en uw rechterlijke uitspraak, en zal het nooit dulden, dat ge een onschuldige schuldig verklaart en hem veroordeelt naar uw liefdeloos en verstokt hart. Gij zegt, dat ge het recht hebt den misdadiger te veroordeelen en te straffen, zoo ge hem schuldig vindt. Goed, maar ik heb in mijn landen, gelijk ieder onafhankelijk landsheer en vorst, het recht van genade, om de door de rechters toegekende straffen te verzachten, of een doodvonnis niet te bekrachtigen.quot;

„Vergeving, heer,quot; zei de burgemeester bedaard, „ook het recht van genade is aan wetten gebonden. De landsheer mag slechts het uitgesproken oordeel vernietigen indien met gelijkheid van stemmen voor en tegen het vonnis geveld is, maar zoo door een groote meerderheid een veroordeelende uitspraak is gedaan, moet hij ze bekrachtigen.quot;

ocr page 87

„Moet?quot; vroeg de keurvorst streng. „Waar is de wet, die dit beveelt ?quot;

„Het is de wel der gewoonte, doorluchtige lieer, en al uw vorstelijke voorvaderen hebben die opgevolgd.quot;

„Ik zeg u, dat ik het niet doen zal,quot; riep de keurvorst in toorn losbarstende. „Ik ben niet voornemens nog langer de aanmatiging en opgeblazenheid der steden te dulden, ik zal uw overmoed fnuiken en u laten gevoelen, dat er nog een hoogere wet is, dan de wet der gewoonte, namelijk de wet van het verstand. Deze wet zal u verkondigd worden door den mond van uw vorst, ge zult er gehoorzaam voor moeten buigen en u met al uw privilegiën en rechten er aan moeten onderwerpen. Ge zult geen uitzondering maken, maar leeren en moeten erkennen, dat ge niet naast uw vorst staat, maar achter hem en dat zijn wil de eerste wet van den staat is! Ga, heer burgemeester Wegelin, neem dien armen bedelaar Klaus, veroordeel hem in uw bloeddorst, maar wees verzekerd dat ik er aan denken zal, en dat uw meerder of minderheid mij niet zal beletten van mijn recht als vorst, het recht van genade, gebruik te maken!quot;

„Dat uw doorluchtigheid er gebruik van make, zoo het met uw geweten overeenkomt,quot; zei burgemeester Wegelin plechtig. „Genade is natuurlijk een heilig voorrecht van den vorst, maar zij is sedert vele jaren niet door hem aan den ongelukkige, verhongerde en onderdrukte volken betoond, wij hebben verleerd haar in te roepen en ons in haar te verheugen. Gij wilt aan den bedelaar Klaus genade schenken, ingeval wij hem mochten veroordeelen, maar er is nog een ander geval denkbaar, dat gij geen genade zoudt kunnen schenken, uwe doorluchtigheid!quot;

„Welk geval, heer burgemeester!quot;

„Zoo de misdadiger uw genade niet aanneemt en be-geeren mocht, dat de opgelegde straf aan hem voltrokken wordt. De bedelaar Klaus heeft zelf de misdaad bekend, zich zelvén van den moord beschuldigd. Ik heb hem voor mij lal en brengen en de bekentenis uit zijn eigen mond gehoord. Hij schijnt verheugd en tevreden, dat hij deze bekentenis heeft gedaan en op vurigen toon zeide hij tot mij; „Ik wensch op aarde niets meer dan den dood, en gij moet mij doen sterven, ik ben een zwaar misdadiger en heb een moord op mijn geweten;

Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 6

ocr page 88

82

go moet mij naar de strengheid der wet veroordeelen.quot;

„Arm, ongelukkig mensch,quot; mompelde de keurvorst, „hij is verloren, want hij zoekt den dood! Ga, heer burgemeester!quot; zeide hij vervolgens luid, terwijl hij zich tot 'hem wendde, „doe wat ge eens voor God zult kunnen verantwoorden, ik zal hetzelfde doen, gij zult wel op een of anderen dag moeten erkennen, dat de keurvorst uw heer en vorst is, en zoowel de steden als de stenden zich naar zijn wil moeten buigen. Ga, breng den bedelaar Klaus voor uw rechterstoel en handhaaf de rechten uwer stad. Aan mij zal het zijn het recht van het verstand te handhaven!quot;

Hij keerde den burgemeester den rug toe en trad in de vensternis. Eerst toen hij de deur had hooren dichtslaan, trad hij weder uit de nis.

„Ellendige, hoogmoedige menschen,quot; mompelde hij. „Zij pronken met hun armzalige heerlijkheid, evenals de haan op den mesthoop. Zij verbeelden zich heel wat te zijn en zijn slechts kleine, armzalige wezens. Ik zal deze hoogmoedige kleine dwingelanden voor mij doen buigen en niet voor dat geschied is, zal in mijn keurvorstendom werkelijk het souvereine gezag bezitten, dat de Westfaalsche vrede aan alle Duitsche vorsten geschonken heeft en waardoor ze vrijgemaakt zijn van den keizer en het Rijk. Er zal in mijn landen slecht één vorst en één wil zijn, en ik wil geen kleine vorstjes en potentaatjes naast mij zien, die verhinderen wat ik doen wil, en afbreken wat ik opbouw. — Is het geen schande, te moeten dulden, dat zij den armen Gabriel Nietzel van tooverii en moord beschuldigen, terwijl ik weet, dat hij onschuldig is? En toch,quot;ging de keurvorst na kort nadenken voort, ' hoe wonderbaar zijn toch Gods wegen en hoe zonderling knoopt zich vaak de vergelding aan de schuld! Hij wilde eens een moord plegen en zijn vrouw verzoende zijn schuld. Zij redde mij, en werd door den aanlegger van den moordaanslag hiervoor met den dood gestraft. En nu, na vele jaren, herrijst deze arme, vermoorde vrouw uit haar donker, onbekend graf, en hij, voor wien zij in den dood is gegaan, wordt als haar moordenaar aangeklaagd. Maar aan mij wreekt zich de schuld der geheimhouding en der lafheid. Ik had toen den waren moordenaar moeten noemen en beschuldigen, ik had er toen den moed niet toe en zweeg. Thans zal ik weer moeten zwijgen, en het laten geschie-

ocr page 89

83

den, dat zij dien armen, wanhopenden man ter dood ver-oordeelen. Wegelin lieeft helaas gelijk. Zelfs de genade is aan wetten gebonden. Hoe zal ik Gabriel Nietzel kunnen redden, zoo hij niet gered wil zijn. Mijn God! hoe klein en machteloos zijn de aardsche vorsten, en hoe betaamt het ons in ootmoed en onderwerping te denken, dat wij slechts stof zijn in uwe hand.quot;

En met innige vroomheid en aandoening vouwde Frie-drich zijn handen te zamen, en sloeg zijn groote donkerblauwe oogen ten hemel.

' VIII.

DE VERZOEKER.

De keurvorst had zich aan zijn schrijftafel gezet om te arbeiden. Hij nam weder de akte in de hand, die hij vóór Memmharts komst begonnen was te lezen, maar zijn gedachten dwaalden telkens af en een zonderlinge onrust bekroop hem.

„Ik weet niet,quot; zeide hij hoofdschuddend in zich zelf, „maar het is mij of ik droom. Er is iets, dat mij herinnert aan lang verloopen dagen die ik altijd poog te vergeten. Hoe komt dit? 't Is mij — Wat is dit voor een brief?quot; viel hij zich zeiven in de rede, terwijl hij haastig een sierlijk dicht gevouwen brief opnam, die op de tafel naast de akten lag. „Mijn God,quot; fluisterde hij, „uit dit papier stijgen die herinneringen op, die mij bestormen; dit papier is gedrenkt met hetzelfde parfum, dat zij beminde en dat mij toen haar nabijheid aankondigde. Ja, dit is het, dit papier riekt naar reseda, hetzelfde reukwerk wat zij bij zich droeg. Ach, Ludowike, Ludowike, zal ik u dan nooit vergeten? zuHen de herinneringen aan u dan nooit in mijn ziel verblee-ken? — Stil, ik zal dezen brief lezen! maar van wien komt hij ? Wie heeft hem hier gelegd en . . .quot; Eensklaps slaakte de keurvorst een lichten kreet en sprong van zijn stoel op, de oogen strak op den brief gericht, dien hij nog altijd in de hand hield.

Hij had slechts het adres gelezen, maar gloeiende vlam-

ocr page 90

84

men waren door deze weinige woorden op zijn gelaat gekomen. Hij had hel schrift herkend en zijn onstuimig kloppend hart zeide hem van wie de brief kwam.

Langzaam, met bevende handen opende hij hem nu en staarde hem aan. De letters dansten voor zijn oogen, het klamme zweet brak hem uit, en zijn hart klopte zoo luid, dat het hem den adem benam.

Maar met wilskracht rukte hij zich eindelijk uit deze verdooving los. „Ik wil lezen,quot; zeide hij, „ik wil het verle-dene moedig onder de oogen zien!quot;

De brief luidde aldus: „Bij de herinnering aan de dagen van het heiligste, schoonste gevoel, roep ik u aan, Frie-drich quot;Wilhelm! u, wien mijn ziel eeuwig bemind, u, die eeuwig in mijn hart geleefd heeft! Als een stervende, die afscheid wil nemen van de schoonste en heiligste herinneringen baars aardschen levens, voor dat zij in het graf nederdaalt, kom ik tot u, Friedrich Wilhelm! Zult ge den * moed hebben mij af te wijzen? Zal uw hart wreed genoeg zijn den smartkreet van het mijne onverhoord te laten? Friedrich Wilhelm, bij de gelofte van eeuwige liefde en trouw, welke gij mij eens deedt, bezweer ik u, tot mij te komen! Ik ben wel honderd mijlen ver gekomen om u te zien, komt gij mij dus slechts honderd schreden te gemoet, om mij te zien! Slechts honderd schreden! Open heden avond, als het donker wordt, de deur van uw kabinet, en gij zult er iemand vinden, die u tot mij voert. Het is uw trouwste dienaar, gij weet dat ge door hem op veilige, goede wegen geleid wordt. Kom, Friedrich Wilhelm, kom voor een laatste wederzien, voor een eeuwig scheiden!quot;

Hij wist niet hoe vaak hij dezen brief gelezen had, maar hield er nog altijd zijn oogen op gericht, staarde op de kleine, sierlijke letters en zag voor zich de slanke, fijne hand, die ze geschreven had, de vlammende oogen, die zich O]) dit papier gericht hadden. Zij gloeiden hem tegen uit ieder dezer woorden, waarvan hij niet meer wist of zij op het papier stonden of dat een zoet lokkende stem ze in zijn ooren fluisterde. Ja, hij hoorde dezlt;i stem, en zij vervulde zijn hart met een zoete huivering en ontvlamde zijn ziel met een betooverenden gloed.

Zij had zich beroepen op de herinnering aan de dagen van het heiligste, schoonste gevoel, en deze dagen rezen thans voor hem op in al hun heerlijkheid, in al hunne verlei-

ocr page 91

85

delijke schoonheid! Hij zag haar weder, gelijk zij destijds was geweest, zoo bekoorlijk, zoo verleidelijk schoon, en hij erkende, dat hij het was geweest, die haar verlaten, die haar opgegeven had. Hij dacht aan haar tranen, aan haar beden, aan haar smart, hij dacht ook aan 'tgeen zij voor hem geleden had en hoe hij haar bemind had, in weerwil dat hij haar verlaten moest. Hoe vaak had hij haar in zijn droomen voor zich gezien hoe vaak had hij met smartelijk verlangen aan haar gedacht, en nu zou hij haar wederzien, nu zou hij dat bekoorlijk gelaat weder aanschouwen, dat.....„Ha, wat is dat?quot; brak hij eensklaps zelf zijn gedachten af. „Wat beteekent deze hartklopping, deze zoete angst. Wat beteekent het, Friedrich Wilhelm, dat gij hier zit te droomen als een verliefde dweeper, als een zuchtende knaap, zoo als ge waart, toen ge die betooverende prinses be-mindet? Zijt ge dan geen man geworden, Friedrich Wilhelm, hebben de ervaringen u niets geleerd, hebben ze uw borst niet verstaald, uw verstand niet verhelderd ? Hebt ge aan uw zijde niet een vrouw, een bekoorlijke, bevallige vrouw, die u bemint, welke gij bemint, en die gij eeuwige trouw hebt gezworen? Wat zit ge dan hier, Friedrich Wilhelm om te luisteren naar de verleidelijke stemmen uit vroegeren tijd en geheel weemoedig te worden bij de gedachte aan het verleden! Weg met die verlokkingen en sirenenzangen! Wat wil dat zoet gefluister? Ik wil het niet hooren, ik wil mij niet laten verleiden, en mijn plicht, mijn eed vergeten!quot;

Met van toorn glinsterend gelaat, schudde hij het hoofd zoo krachtig, dat zijn lange bruine lokken, als door den storm gezweept om zijn gelaat slingerden.

.,Ontwaak, Friedrich Wilhelm, wees man,quot; riep hij zich gebiedend toe, „open uw oogen en zie! Laat u niet misleiden, maar geef acht. Weg met de wolken van zwaarmoedigheid, die mijn houfd verduisteren; weg met de beelden van het verleden, die mijn hart willen vermeesteren. Ik wil waken, ik wil ze niet zien, ik wil een man zijn, sterk, moedig, aan plicht en eed getrouw.quot;

Terwijl hij zoo luid en opgewekt sprak, fonkelde zijn gezicht meer en meer van energie en vreugde. Hij ademde ruimer en dieper of een last van zijn ziel was gewenteld, en een glimlach speelde om zijn lippen toen hij den brief weer opnam.

ocr page 92

86

„Zij is een Circe!quot; zeide hij zacht, „zij zou den Ulysses Friedrich Wilhelm willen verleiden. Het zal haar niet gelukken, en mijn lieve Penelope zal niet behoeven te treuren. Maar wat wil deze Girce hier? Waarom wil zij mij verleiden? Waartoe dient dat sprookje van een stervende, die komt om afscheid te nemen, dat sprookje van eeuwige, nooit verdoofde liefde ? Zii heeft er zeker een reden voor en ik zal trachten die uit te vorschen. Wilde zij mij vroeger niet reeds met zachte rozenketenen aan Frankrijk binden en mij tot een vasal van koningLodewijk maken? Waarom zou zij het niet andermaal beproeven, nu het den koning van Frankrijk van belang kan zijn den keurvorst van Brandenburg tot bondgenoot te hebben, en hem tegen den keizer en Lotharingen op te ruien? Nu ja, het zou zeer aardig zijn, als de dappere Condé hulptroepen van mij kon krijgen; wij zouden den Lotharinger dan van twee kanten kunnen aanvallen en hem verslaan; de koning van Frankrijk zou daardoor op zeer gemakkelijke wijze Lotharingen en den Elzas winnen, en ik — nu, ik zou veel beloften en loftuitingen ontvangen, misschien ook subsidiên, gelijk zoo menig ander vorst en — ten overvloede zou ik nog op mijn voorhoofd het brandmerk van verraad en schande dragen, dat een Duitsch vorst zich met buitenlanders verbindt, om Duitschland een fraai stuk Duitschen grond te ontrukken. Neen, dat mag niet, van mij zullen de geschied boeken niet vermelden, dat ik een verrader van Duitschland ben geweest! — Ik moet weten, wat die schoone toovenares hierheen voert. Zij komt met een masker voor het gelaat, en wij zullen eens zien wie van ons beiden de slimste is!quot;

„De schoone prinses Ludowike Hollandine is wel honderd mijlen ver gekomen om mij te zien, en ik zou weigeren honderd schreden te doen, om haar te gemoet te gaan ?quot;

„Neen, dat zou wreed, dat zou ongevoelig zijn ! Dat mag niet! Ik mag haar verzoek niet onverhoord laten! Ik zal haar gehoorzamen! . . . .quot;

De schemering van den avond brak aan.

De keurvorst verliet zijn kabinet, waarin hij zich had opgesloten, ging haastig door de verlichte woonkamer en' opende de deur der antichambre.

„Kom binnen,quot; zeide hij tot de vermomde gestalte, die

ocr page 93

87

bij de deur stond. Zwijgend gehoorzaamde deze het bevel, trad binnen en sloot de deur achter zich.

„Ik dacht wel, dat gij het waart, Burgsdorf,quot; zei de keurvorst, hem met een glimlach groetende.

„Doorluchtigheid, ik verzoek u vóór alles om vergeving,quot; riep Burgsdorf, „vergeving voor deze vermetelheid, die. ..quot;

„Stil,quot; viel de keurvorst hem in de rede, „spreek niet zoo luid! men zou ons kunnen hooren!quot;

„Ha,quot; dacht Burgsdorf, „hij wil niet, dat wij gehoord worden! Hij heeft dus toegehapt! De visch zit afn den angel! Hij heeft niets aan zijn gemalin verraden!quot;

„Genadige heer,quot; zeide hij met fluisterende stem,quot; „ik bid u, zeg mij of ik waak of droom?quot;

„Zeg mij vooraf wat gij beleefd hebt?quot;

„Een avontuur, doorluchtigheid, een merkwaardig avontuur. Hoor, wat mij gebeurd is!quot;

En nu verhaalde hij den keurvorst zeer uitvoerig de geschiedenis van de komst der hem geheel onbekende dame, die zich onder den naam zijner dochter had ingekwartierd. Maar hij vergat, hem het doel harer komst mede te deelen, en ook de schets welke hij van de onbekende gaf, kwam niet geheel met de werkelijkheid overeen, want hij verzweeg zeer behendig haar overmoed en ongedwongenheid, en maakte van een Aspasia een Magdalena.

Friedrich Wilhelm had met gespannen oplettendheid naar hem geluisterd.

„Heeft zij u haar naam niet gezegd?quot; vroeg hij, toen Burgsdorf zijn verhaal geëindigd had.

„Neen, doorluchtigheid, zij zeide, dat niemand haar naam mocht weten, dat zij hier te Berlijn voor iedereen mevrouw von Kanit? wilde blijven, en alleen uwe doorluchtigheid haar waren naam kende.quot;

De keurvorst was zoo in gedachten verdiept, dat hij niets van den listigen blik bemerkte, dien Burgsdorf op zijn gelaat sloeg, om er zijn gedachten op te lezen.

„Als hij nu zegt, dat ook zijn gemalin den naam moet weten,quot; dacht Burgsdorf, „zijn wij verloren en alles is vruchteloos geweest.quot;

Maar de keurvorst zeide niets. Hij trad aan het venster en zag over het Domplein.

„Het is reeds donker,'' zeide hij.

ocr page 94

88

*■

„Ja, doorluchtigheid,quot; antwoordde Burgsdorf zacht. „Het is reeds lang donker, en al een uur ten minste verwacht de dame den heer keurvorst.quot;

„Is zij in uw huis?quot;

„Ja, genadige heer. Ik heb den sleutel der tuindeur bij mij, en uw doorluchtigheid zal op den geheelen weg tot de vertrekken der vreemde dame niemand ontmoeten. De dame heeft mij aanbevolen, alle voorzichtigheid in acht te nemen, opdat uw doorluchtigheid door niemand wordt gezien. Zij zegt, dat het haar geheel onverschillig zou zijn, maar zij wilde niet, dat uw doorluchtigheid op-eenigerlei wijze in ongelegenheid zou komen.

„Zij wil zich goed en zorgzaam voordoen,quot; dacht de keurvorst, ik moet gelooven, dat zij niemand eenig leed wil doen. — „Kom, Burgsdorf,quot; zeide hij, laat ons gaan.quot;

„Ik heb een mantel voor u meegebracht,quot; fluisterde Burgsdorf, „want anders mocht iemand ons nog herkennen.quot;

Hij nam den mantel, dien hij bij 't binnenkomen naast de deur had gelegd, en hing hem den keurvorst om; vervolgens haalde hij uit zijn borstzak een eenvoudige laken-sche muts en bedekte er de bruine lokken zijns meesters mede.

„Nu, als uw doorluchtigheid het beveelt, kunnen wij gaan,quot; zeide hij.

„Wij zullen door den kleinen corridor gaan, die uit mijn toiletkamer naar den kleinen zijtrap voert. Maar vooraf heb ik u nog een woord te zeggen, oude. Ge moet van uw keurvorst en heer geen kwaad of onzedelijks denken. De dame, tot wie wij thans gaan, heeft geen aanspraken van welken aard ook op mij, ik heb nooit met haar in eenige betrekking gestaan, die het licht der wereld schuwden moet.''

„Doorluchtigheid.quot; zei Burgsdorf met diepen ernst, „men behoett deze edele, koninklijke vrouw slechts eens gezien te hebben, om te welen, dat men van haar niets onzedelijks en lichtvaardigs denken kan, en als men bovendien het groote geluk heett uw doorluchtigheid en haar vlekkeloos leven te kennen, blijft iedere onzedelijke en lichtzinnige gedachte achterwege. Ik heb mij derhalve wel gewacht, mijn oude domme hersens met gedachten te kwellen, om uit te vorschen wat deze edele dame u te zeggen

ocr page 95

89

mocht hebben. Ik zou er toch niet achter komen, want ik versta mij niet op dergelijke fijnheden en wil er ook niet mee te maken hebben. Ik dien mijn meester als een trouwe hond, volg overal zijn schreden en ben zeer gelukkig en tevreden, als hij mij met een lichten oogwenk zijne bevelen geeft.quot;

De keurvorst legde zijn hand op Burgsdorfs schouder en knikte hem vriendelijk toe. ,,Ik weet, dat gij mij liefhebt, oude,quot; zeide hij, „en gij, niet waar? weet dat ik het u vergeld, want waarlijk, het is heden niet voor het eerst, dal ik u vader Burgsdorf noem.quot;

„God weet, doorluchtigheid,quot; riep Burgsdorf met een door tranen gesmoorde stem, „dat ik u altijd in mijn hart mijn geliefden, mijn aangebeden zoon noem.quot;

„Welnu, kom dan, oude, laat ons zacht den kleinen zijtrap afgaan, heel zacht, opdat niemand ons opmerkt. Nog iets! ge zijt een oude babbelaar en 't is u niet mogelijk een geheim te bewaren. Pas op uw tong, opdat . . .quot;

„Heer,quot; viel Burgsdorf hem in de rede, „ik zou mijn tong uitrukken, zoo zij zich wilde vermeten een enkel woord van deze zaak Ie verraden.quot;

„Goed, ik geloof u! nu voorwaarts. Laten wij ons op weg naar uw huis begeven. Kom!quot;

IX.

HET WEDEBZIEN.

Met snel kloppend hart, bleek van opgewondenheiden in gespannen verwachting toefde Ludowike Hollandine in haar kamer. Een lang en vreeselijk uur was verloopen sinds Burgsdorf haar verlaten had om den keurvorst te halen. Zou het te vergeefs zijn geweest? Zou de keurvorst niet willen komen? Zou het tegenwoordige meer macht op hem hebben dan het verledene?

Deze gedachten trolfen haar als een dolksteek in het hart. ,.Ik vrees, dat ik hem nog altijd bemin, en dat dit spel ten slotte nog zal eindigen met heiligen ernst. Ik ... .quot;

„Ik hoor voetstappen,quot; fluisterde zij overeind springend

ocr page 96

90

„Ja, zij komen. Nu, groöte, machtige god der liefde, sta mij bij, verlicht mijn gelaat, beziel mijn hart . .

„Hij is het. Hij komt,quot; jubelde zij luid, toen de deur werd geopend en de keurvorst binnentrad. Met uitgebreide armen snelde zij hem tegemoet, maar bleef halver wege aarzelend staan, zag met een langen, gloeienden blik in zijn bewogen, bleek gelaat, en sloeg toen met een zachten kreet beide handen voor hare oogen en wankelde.

De keurvorst ving de wankelende in zijn armen, drukte haar, overweldigd door zijn eigen gevoel en medegesleept door zoete herinneringen, aan zijn hart. Doch dit duurde slechts een kort oogenblik, want Friedrich Wilhelm was zich het gevaar bewust, waarin hij verkeerde, en in zijn binnenste fluisterde een stem: „Laat u niet verleiden. Wees sterk als een man. Denk er aan zij is een Circe. Wedersta haar, maar laat haar niet merken, dat gij haar doorziet.quot;

Hij trok haar tot zich, en terwijl zij het hoofd aan zijn borst liet rusten, drukte bij haar een kus op het voorhoofd.

„Rust hier, arme, bevreesde duive,quot; zeide hij zacht met bevende stem. „De storm des levens heeft ons van elkander gescheiden, die storm voert ons weer voor een kort oogenblik te zamen. Geniet dit heilige oogenblik met vroomheid en liefde, en laten wij God danken, dat Hij het ons verleende.quot;

Zij antwoordde niet, maar begon zacht te snikken, en terwijl hare tranen rijkelijk stroomden, vielen zij op zijne handen.

„Ludowike,quot; zeide hij, „de tranen zijn uw welkomstgroet en ook ik roep u met een vroolijk hart het: Welkom, welkom, gij schoone, bekoorlijke, toe!quot;

„Gezegend het uur van dit wederzien,'' riep zij diep bewogen, terwijl zij het hoofd oprichtte en hem aanzag met een bekoorlijken, verleidelijken glimlach, die nog even als vroeger om haar purperen lippen speelde.

De betoovering van haar wezen werkte weer op hem *als in vorige, gelukkigë dagen, zijn geheele hart ging open van liefde en verrukking.

Doch daarbinnen sprak het weer: „Wees man, Friedrich Wilhelm! Laat u niet verleiden. Wees man, houd uw oogen open en zie.quot;

ocr page 97

91

„Zie mij aan, Friedrich,quot; zeidè zij zacht, „zie wat deze schrikkelijke jaren van mij gemaakt hebben! Lees de geschiedenis van smart en teleurstelling in de lijnen, die zij op mijn gelaat hebben getrokken.''

„Neen,quot; zeide hij glimlachend, „zij zijn niet zoo wreed geweest, Zij hebben het niet gewaagd om dit helder voorhoofd, deze rooskleurige wangen aan te raken; geen schaduw heeft ze verduisterd.quot;

„Maar de schaduw viel in mijn ziel en in mijn hart,quot; riep zij smartelijk., „Och, zie mij niet vriendelijk aan,. Friedrich, want door die blikken wordt mij de kracht en de standvastigheid ontnomen, de ijskorst, waarmede ik mij had omkleed, smelt er door. Ik ben gekomen om afscheid van u te nemen, een laatste afscheid.quot;

tT,,Afscheid ?quot; vroeg hij. „Waarheen wilt ge gaan, Ludo-wike Hollandine?quot;

„Wat zeiden de worstelaars, als zij in het strijdperk traden en voor hun meesters bogen1? Zij zeiden; „De stervende groet u!quot; Dat was hun afscheidswoord en niemand vroeg hen waai'heen zij gaan wilden, want ieder wist, dat er voor hen slechts één weg was — die naar het graf. Ik ben zoo'n worstelaar, Friedrich Wilhelm, ik heb gestreden met leeuwen en tijgers, en mijn ziel is door wonden verscheurd en tot den dood bereid. Levensmoede en gebroken wil ik tot God vluchten en Hem dienen in een stille, eenzame cel, in een open graf.quot;

Een wolk trok over Friedrich Wilhelm's gelaat, en hij liet de prinses los.

„'t Is waar,quot; zeide hij op koelen toon, „men heeft mij gezegd, dat prinses Ludowike Hollandine van de Paltz met een Fransch edelman heimelijk het huis van haar moeder verlaten heeft om er nooit in terug te keeren. Men heeft mij ook gezegd, dat de prinses haar geloof ontrouw is geworden en haar godsdienst heeft verzaakt, toen zij net ouderlijke huis verliet.quot;

„Men heeft u de waarheid gezegd,'' riep zij op smarte-lijken toon. „Ja, ik ben een verwoi peling, een afvallige, een verlorene; met deemoed en schaamte buig ik het hoofd en beschuldig mij van zonde. Ik ben tot u gekomen, Friedrich Wilhelm, om boete voor u te doen, om u alles mede te deelen. Ge zult mijn biecht hooien, als die van een stervende! Ach, wend uw hoofd niet af, Friedrich Wil-

ocr page 98

U2

helm, zie, aan uwe voeten lig ik als een berouwhebbende, als een van smart verscheurde.quot;

„Prinses, wat doet gij ?quot; riep Friedrich Wilhelm, toen Ludowike voor hem op haar knieën nederviel, en smee-kend haar gevouwen handen tot hem ophief. „Sta op, Ludowike, het past u niet voor mij op de knieën te liggen.quot;

„Ik wil biechten,quot; zeide zij, „op mijn knieën wil ik God en u mijn eerste, mijn eenige liefde, biechten. Ach Friedrich, gij waart mijn eerste, mijn eenige liefde, en toen gij mij verliet, toen gij op mijn beden en tranen geen acht sloegt, toen was ik — verloren! Het scheen mij,alsof niets meer waar, niets meer heilig op aarde was, want de man. dien ik op aarde zoo vurig beminde, had mij verlaten, had mij opgegeven! Woeste vertwijfeling beving mij ; ik kon niet langer in het zelfde huis blijven, waar alles mij aan u en mijne heerlijke liefde herinnerde. Ik moest weg, naar buiten, in de wereld, mij met mijn zalige herinneringen in de eenzaamheid in den vreemde begraven. Ik ging, en de eenige vriend, die mij was overgebleven, graaf d'Entragues, ontfermde zich over mij. Hij bracht mij bij zijn zuster, de edele, deugdzame prinses Epioles, en daar op een eenzaam bergslot in deCevennes bracht ik lange, eenzame jaren van droefheid en boete door. Ik weet wel, dat de wreede, onbarmhartige wereld mijn vlucht anders uitgelegd heeft en zeide, dat graaf d'Entragues mijn minnaar was en ik hem uit liefde naar Frankrijk gevolgd was! Maar ik vraag u Friedrich Wilhelm, kunt ge gelooven, dat, terwijl uw kussen nog op mijn lippen brandden, uw liefdeëeden nog in mijn ooren klonken, ik toen een ander kon beminnen? Neen, zoo laag zult ge niet over mij denken, zoo diep gezonken zult ge mij niet beschouwen, want gij hebt mij bemind, gij weet, dat ik waanzinnig van smart mijn liefde voor u ontvloden ben, die liefde voor u, die gij zoo wreed en onmeedoo-gend in het stof vertrad. Tocli kon ik niet vertoornd op u zijn, Friedrich Wilhelm, mijn liefde ging met mij in den vreemde; zij fluisterde mij zoete woorden toe gedurende de lange, troostelooze dagen, zij zat aan mijn bed in de eenzame, slapelooze nachten. Ik wilde haar ontvlieden wilde haar vergelen! Ik wilde al de herinneringen dooden, die altijd in mijn hart van uwe liefde spraken, ik wilde de heilige kerk tot rustoord mijner ziel maken, aan haar de

ocr page 99

93]

liefde wijden, welke gij versmaad hadt! Ik werd katholiek. Nu was het, of er vrede in mij kwam, of mijn hart insliep onder de gebeden en tranen, welke ik tot mijn hemel-schen bruidegom weende O, zoo zij mij destijds vergund hadden in een klooster te gaan, mij in een eenzame cel te begraven, was het mij misschien gelukt de wonde te heelen en stil en^eduldig te worden. Maar mijn moeder en mijne familie wilden dat niet. Mijn oom, koning Karei van Engeland, had eigenhandig ain den Heiligen Vader geschreven, dat men mijn opneming in een klooster moest beletten, en toen sloten zich voor mij alle kloosterdeuren en onbarmhartig dreef men mij weer in de wereld. Toen overviel mij een wilde vertwijfeling. Als een razende wilde ik alles trotseeren! In een heilige stilte had ik vergetelheid willen zoeken, maar, nu men mij die weigerde, zocht ik vergetelheid in 's werelds genot, in den woesten maalstroom des levens. Nu ik geen treurige, vrome non kon worden, werd ik een lachende, overmoedige dame van de wereld, spotte ik met mijn smart, hoonde mijn liefde, daar zij nog altijd klaagde en weende over het verloren geluk, wilde die liefde dooden, wilde een nieuwen gloed in mij ontsteken. Vergeefs! alles vergeefs! Ik tooide mijn hoofd met rozen en voelde slechts doornen; ik zette den gouden beker der vreugd aan mijn lippen, en proefde slechts alsemdroppels. Ik bezocht feesten en vermakelijkheden, maar gevoelde slechts een grenzelooze verveling, een doodelijke vermoeidheid, die mij de tranen in de oogen dreef, terwijl ik scheen te lachen, en die mijn hart met droefheid vervulden, terwijl mijn lippen vroolijke woorden spraken.quot;

„Arme Ludowike,quot; fluisterde de keurvorst op hartelijken toon. „Arme, beklagenswaardige vrouw! Ik ween over u, gelijk Jeremias over de puinhoopen van het schoone Jeruzalem weende!quot; En hij legde zijn hand op zijn oogen, om er tranen uit te perseri.

„Gij beklaagt mij, gij weent over mij! Friedrich, deze tranen vergoeden al mijn folteringen! zij verzoenen mij met alles wat ik geleden heb. Ik dank u daarvoor, zij zullen de eenige juweelen zijn, waaraan ik in mijn eenzame cel denken wil, het eenige sieraad mijner herinneringen, want er is nu geen beletsel meer, dat mij uit het klooster houdt. Mijn oom, koning Karei, is niet meer, en over Frankrijk heerscht kardinaal de Mazarin. Van hem

ocr page 100

94

heb ik verlof bekomen in een klooster te gaan, en op zijn voorspraak heeft koningin Anna er in bewilligd mij een abdij te verleenen en mij tot priores te benoemen. Maar vóór ik den sluier aanneem, wenschte ik u nog eenmaal te zien, u, den geliefde mijner jeugd, u, naar wien mijn ziel altijd verlangd heeft. U alleen in de ganscbe wereld wilde ik vaarwel zeggen, voor ik van haar scheide. Daarom ben ik tot u gekomen, Friedrich Wilhelm, heb u mijn verleden gebiecht en lig nu aan uw voeten, gelijk Magdalena eens aan de voeten van haar Heiland lag! Reik mij nu de hand, en zeg, dat gij u mijner herinneren wilt, dat gij mijn vriend wilt zijn, en de herinneringen aan het verledene heilig wilt gedenken, dat ge, zoo God mij van 't lijden dezer aarde verlost, een traan van medelijden, van droefheid voor mij over hebt.quot;

De keurvorst boog zich tot haar en hief haar zacht in zijn armen op. „Rust hier, arm, angstig hart,quot; zeide hij zacht. „Vergeet voor een korte stonde alles wat gij geleden hebt, en weet alleen, dat gij aan de borst van een trouw vriend rust, die u nooit zal miskennen, die nooit opgehouden heeft u te beminnen, ook toen niet, Ludowike, toen hij van u scheiden, u verlaten moest. Nog altijd leeft gij in zijn hart en zelfs toen hij om u treurde, toen men bij hem u belasterde, zelfs toen klaagde zijn ziel nog om u en kon uw bekoorlijkheid niet ,vergeten! Maar thans, Ludowike, thans ben ik de gemaal eener vrouw, welke ik hartelijk liefheb, en die mijn leven gelukkig maakt. De gloeiende liefde, welke ik u, vroeger toedroeg, is nu teedere vriendschap geworden een vriendschap, die alle aardsche leed van u zou willen verwijderen, en zich verheugen zou, zoo zij u een wijkplaats kon geven tegen al de stormen en smarten van het leven. Uw minnaar kan ik niet zijn, maar spreek, Ludowike, wilt gij mii als uw vriend, als uw broeder aannerr en ?quot;

„Ja,quot; riep zij, zich zacht aan zijn borst vleiende, „ja, dat wil ik!quot;

„Kom dan, mijn vriendin,quot; zeide hij, „kom dan mee naar mijn huis. Rust uit van al de stormen der wereld hier in de haven der trouwe vriendschap. Ik voer u tot mijn gemalin, zij zal u, evenals ik, verheugd welkom heeten.quot;

ocr page 101

95

„Neen,quot; riep zij levendig, „dat kan ik niet. Het zien van uw geluk zou mij dooden, en mijn ziel met nijd en toorn vervullen. Gij geeft mij uw vriendschap, en ik dank u voor deze kruimels van uw verleden, maar in mij, Friedrich, straalt nog de zon der liefde mijner jeugd, en nooit zal die ondergaan. Laat mij in haar schitterenden glans sterven, maar verlang niet, dat ik haar late verteeren in een zacht maanlicht. Ik kan uw gemalin niet zien, thans nog niet! Gun mij een paar dagen rust en kalmte, misschien gelukt het mij dan mijn hart te overwinnen en het tot verzoening en welwillendheid te stemmen. Ik wil mij zelve bedwingen, Friedrich, ik wil mij zelve overwinnen, en dit zal het laatste, het grootste offer zijn, 't welk ik der wereld breng vóór ik ze voor altijd verlaat! Maar gun mij nog een paar dagen, Friedrich, en ge zult zien, dat ik van u zal leeren zacht en geduldig te worden. Laat tot zoolang mijn aanwezigheid een geheim blijven, zelfs voor uw gemalin. Ik ben slechts gekomen .om u te zien, heimelijk, onder een vreemden naam. Slechts de getrouwe, oude Burgsdorf weet, dat ik niet degene ben, voor welke ik mij uitgeef, en hij vermoedt wellicht wie ik ben. Beloof mij, Friedrich Wilhelm, dat ge mijn geheim bewaren en het niemand verraden zult.quot;

„Welaan, Ludowike, mijn vriendin, ik beloof het u,quot; zeide hij, en zij zag het spotachtige lachje niet, dat een oogenblik om zijn lippen speelde. „Niemand zal iets van uw tegenwoordigheid vernemen. Ik zal zoolang zwijgen, tot gij zelf het zegel van mijn lippen neemt, tot gij zelf uwe nicht Louise Henriette wilt wederzien.quot;

„Ik dank u, Friedrich Wilhelm, moge mij de kracht worden verleent, dat ik mijn hart overwin en uw gemalin zien kan. Maar ik vrees, dat het niet gaat. Gun mij sleclits een paar dagen rust en kalmte, maar vergun mij bovenal, dat ik in deze paar dagen u zien, u spreken, mij in uw tegenwoordigheid verheugen moge. Ik vraag voor veertien jaren van lijden en smart slechts vier dagen van herinnering en zonneschijn na zulk een langen nacht. Wilt ge ze mij verleenen, Friedrich Wilhelm?quot;

„Ik verleen ze niet alleen u, maar ook mij, Ludowike,quot; zei de keurvorst levendig. „Vier dagen van herinnering, van vriendschap, vier dagen buiten deze wereld van vormen, van beperkingen, van zorgen en politiek. Vier

ocr page 102

00

dagen, in welke de droomen mijner jeugd nog eens tot werkelijkheid worden. Ik zal mij met een zalig, dankbaar hart er in verhengen, en als zij verstreken zijn, zullen deze vier dagen voor mij schitteren als hemelsche sterren en ik zal mij met haar glans troosten, als het om mij heen donker en treurig mocht zijn! Maar waar zult gij deze vier dagen blijven, mijn bekoorlijke?quot;

„Hier, mijn heer, mijn gebieder, mijn vriend en mijn geliefde. Hier, in het huis van den goeden, getrouwen ouden Burgsdorf, bij wien ik mij als zijn dochter heb ingedrongen en die in zijn goedhartigheid den moed niet had, mij te weigeren. O, hij is een zeer trouw en verkleefd dienaar zijns meesters, en ik heb lang moeten smeeken en bidden, vóór hij kon besluiten zijn geliefden keurvorst mijn briefje te overhandigen. Ik moest hem plechtig zweren, dat ik niets kwaads tegen u in mijn schild voerde, en ik niet gekomen was om u te vermoorden of in't minst te krenken. Ik zal het nooit vergeten, dat hij het was aan wien ik de laatste vreugd mijns levens te danken heb, en ik zal hem 's avonds en 's morgens in mijn gebed gedenken. God doe u deze trouwen dienaar en raadgever nog zeer lang behouden, Friedrich Wilhelm, want ik ben zeker, dat hij u trouw dienen, en u altijd ten beste raden zal. Maar thans, mijn heer en keurvorst, thans moet ge gaan. De nacht breekt aan, en ik wil niet, dat door mij een ander hart verontrust worde. Ga, Friedrich, maar beloof mij, mijn geliefde vriend, dat ik u morgen zal wederzien.quot;

„Ik beloof het u, mijn dierbare, geliefde vriendin, of liever, ik wil mij morgen weder een uur van geluk vergunnen. Ik zal komen, wees er van verzekerd.quot;

„En vergeet niet, mijn tegenwoordig verblijf geheim te houden 1quot;

„Ik zal dat niet vergeten, Ludowike Hollandine! Vaarwel, liefdester mijner jeugd, vaarwel!quot;'

Hij nam haar hand en drukte ze aan zijn lippen. Maar zij boog zich en bood hem haar wang aan. „Ik ben nog geen kloostervrouw,quot; zeide zij met een tooverachtigen blik en gloeiend vlammende oogen. Nog behoor ik aan de wereld, en de laatste kussen, welke deze lippen ontvangen, zullen van u zijn, Friedrich Wilhelm.quot;

Zij was zoo verleidelijk, zoo bekoorlijk om te zien, dat

ocr page 103

07

het moeielijk was de betoovering van haar wezen te weder-staan. Onwillekeurig openden zich Friedrich Wilhelm's armen, om deze verrukkelijke gestalte aan zijn hart te drukken, hij boog zijn gloeiend gelaat tot haar neder, om den kus, dien zij hem bood, van haar purperen lippen te nemen, en zij lonkte hem zoo verlokkend toe, zoo — „Neen,quot; lispelde hij, „dat mag niet zijn!quot;

Hij liet haar uit zijn armen en liep naar de deur. „Vaarwel, prinses, tot morgen!quot;

Prinses Ludowike zag hem na met een langen trium-feerenden blik. „Ik zal over vier dagen niet vertrekken,'' zeide zij glimlachend. „Na vier dagen zal ik moed hebben mijn bekoorlijke, deugdzame schoonzuster te naderen en bij haar te blijven. Ik zie wel, dat het niet zoo gemakkelijk zal zijn den lieven, deugdzamen keurvorst te bestrijden, en er zal wel eenigen tijd voor noodig zijn om dien wederstand te overwinnen.quot;

Terwijl de keurvorst met haastigen tred naar het kasteel terugkeerde, zeide, hij bij zich zeiven; „Het schijnt, dat ik op het rechte spoor ben, en 'teen politieke intrigue is, waarbij de oude Burgsdorf een rol moet spelen, want zij prees hem te veel als mijn getrouwsten raadgever! Nu, wij zullen zien! Voor alles wil ik naar den Haag aan prinses Amalia schrijven om nadere inlichtingen aangaande prinses Ludowike! Morgen vroeg vertrekt een koerier naar den Haag om de brieven van rouwbeklag wegens het overlijden van prins Willem over te brengen, die zal mijn brief aan prinses Amalia meenemen, en van haar zal ik wel de noodige inlichtingen ontvangen.

X.

DE BESCHULDIGING.

Drie dagen na de in hechtenisneming van den bedelaar Klaus had voor het gerechtshof van Berlijn en Keulen zijn eerste verhoor plaats.

Het was een plechtige handeling, die geheel Berlijn met

MühlTjaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 7

ocr page 104

98

nieuwsgierigheid en spanning te gemoet zag. Zeer benijd werden degenen, die het geluk hadden, in de groote zaal van het Raadhuis der stad Berlijn, waar de zittingen der crimineele afdeeling van het stadsgerecht plaats hadden, gedagvaard te worden.

De kleermaker Furberg, de schoenmaker Wendt, de snijder Ewald en de barbier Kurt behoorden natuurlijk tot de door de hooge magistraat opgeroepen getuigen, ook de architect Memrahart, benevens eenige zijner gezellen en werklieden waren gedagvaard om getuigenis der zaak af te leggen.

Buiten, op de kleine plaats voor het Raadhuis en de aangrenzende straten, stond het volk in dichte drommen, en hoewel de zitting vele uren duurde, wilde niemand naar huis gaan of tot zijn arbeid terugkeeren voor hij den uitslag van het proces vernomen en gehoord had of de too-venaar bekend had, en welke verklaringen hij had afgelegd.

„Het kan niet anders, zij moeten hem ter dood veroor-deelen,quot; zei een burger tot den naast, hem staande. „Hij is een toovenaar, de geheele stad kan dit getuigen, en dat hij een moordenaar is, heeft hij zelf bekend, bijgevolg is het onmogelijk hem vrii te spreken.quot;

„Ik hoop ook, dat hij ter dood gebracht zal worden,quot; antwoordde de buurman. „Het zou mij buitengewoon aangenaam zijn, want ik zou er eenig voordeel bij hebben. Ge weet, dat mijn vader voor een paar maanden gestorven is en mij een huis in de Spandauerstraat, dicht bij het posthuis, heeft nagelaten. Het is tamelijk bouwvallig en het kan best gebeuren, dat de oude barak op een of andere dag boven mij instort. Ik heb geen geld om het te laten herbouwen en moet dus zien, zoo lang het huis nog staat, er zooveel mogelijk voordeel van te trekken.quot;

„Ge hebt er, meen ik, een tapperij in opgezet,quot; antwoordde de andere.

„Ja, een tapperij, en ik heb veel toeloop. Gij kunt nu denken, hoe aangenaam het mij zou zijn, zoo men Klaus ter dood veroordeelde. De terechtstellingen worden nog altijd voor het Raadhuis gehouden. De goede menschen van Berlijn en Keulen houden van zulke vertooningen, en dus zou ik op zulk een dag stellig heel veel te doen hebben en van mijn oude kast veel winst kunnen trekken. Want, behalve dat de menschen mijn bier en brandewijn

ocr page 105

99

duchtig zouden aanspreken, kon ik aan degenen, die de terechstelling goed wilden zien, plaatsen voor de vensters verhuren. Ik hoop, dat er vele toeschouwers zullen zijn, want het uitoefenen der doodstraf ziet men niet alle dagen. Het is waarlijk zonde en schande, ik heb het huis reeds bijna zes maanden, en in al dien tijd heeft er geen enkele terechtstelling plaats gehad.quot;

„Dat is waar, kameraad,quot; antwoordde de andere nadenkend. „Het zou anders beter voor u zijn, zoo uw huis in de Breede straat stond, daar zijn dikwijls soortgelijke executies te zien.quot;

„Ge meent het spitsroeden loopen der soldaten ?quot; vroeg de andere, de schouder ophalende. „Dat is over't algemeen een afschuwelijk gezicht, veel erger dan een doodsvoltrek-king. Reeds bij de eersté roedeslagen, bloeden en schreeuwen de kerels zoo vreeselijk, dat men er van rilt, en bij eiken tred wordt het akeliger en woester.quot;

„Ik ken echter vrouwen, die dat gaarne zien en er telkens heengaan als er spitsroeden worden geloopen. De vorige week nog was dat het geval, en mijn vrouw had geen rust, of zij moest er heen. Zij had het goed getroffen, want het was even goed, of zij een doodsvoltrekking had gezien, de soldaat die veroordeeld was om driemalen door de spitsroeden te loopen, viel na den tweeden loop neer en gaf den geest1). Maar daar is mijn vriend, de handschoenmaker Lehmann, die viel een betere erfenis ten deel, dan u. Hij heeft van zijn nicht een fraai, deftig huis geërfd, dat op het kasteelplein dicht bij de lange brug staat; van daar kan hij het Domplein en alles wat 't kasteel in- en uitgaat zien, en bovendien is 't er soms zeer vermakelijk.quot;

„Ja, inderdaad, er is veel te zien,'' antwoordde de andere, „en uw vriend, de handschoenmaker Lehmann, mag van geluk spreken; daar zijn rare en lieve terechtstellinggen te zien, want daar worden de slechte en gemeene vrouwspersonen opgehangen, zoo de heer keurvorst ze niet met onthoofding begenadigt.quot;

„De laatste heeft hij niet begenadigd, omdat zij met schan-

1

Het door spitsroeden loopen der soldaten, met zijn doodelijke gevolgen. kwam destijds zeer dikwerf te Berlijn voor en werd in de Breede straat uitgevoerd. Daarentegen hadden de doodsvoltrekkingen op de Molkenmarkt plaats. Zie; Nicolai. Beschreibung von Berlin und Potsdam.

ocr page 106

too

rlelijk overleg haar kind langzamerhand om 't leven heeft, gebracht door vergift dat haar minnaar haar uit de apotheek bezorgde. Vier weken lang zag zij met de grootste kalmte hoe het arme kleine wiclit steeds ellendiger en magerder werd, tot hét eindelijk stierf Toen klaagde en weende zij vreeselijk, en juist hierdoor werden de menschen achterdochtig en merkten, dat alles geveinsd was; terwijl het arme kind ziek was, was zij altijd vroolijk, maar toen het dood was en zij zoo vreeselijk schreide en jammerde, merkte men toch, dat zij geen enkele traan vergoot. Toen klaagden vele personen, inzonderheid haar meester, haar bij den burgemees-Ier en het kamergericht aan; zij werd in hechtenis genomen en beschuldigd, en toen men haar de duimschroeven aanlegde bekende zij ook spoedig wat zij gedaan had. Zij werd veroordeeld om in een zak genaaid en van de lange brug in de Spree geworpen te worden.quot;

„En is dit gebeurd? Ge moet welen, man, dat ik lang op reis ben geweest en eerst sedert een paar dagen terug gekomen ben. Ik ben naar Hamburg geweest en heb er leder gekocht voor het nieuwe rijtuig, dat ik voor den heer keurvorst moet maken, en in dien tijd is hier zeker de zaak met die vrouw gebeurd. Werd zij werkelijk in een zak verdronken?quot;

„Zij werd verdronken. Mijn vriend, de handschoenmaker Lehmann, had mij en mijn vrouw tot de feestelijkheid genoodigd, en wij hebben de geheele zaak gezien. Ik verzeker u, de vrouw wilde volstrekt niet gewillig in den zak kruipen ; de scherprechtersknechts moesten haar bij de handen en voeten vasthouden, tot de scherprechter haar den zak over 't hoofd en 't lichaam had getrokken. Vervolgens toen de knechten den zak dicht naaiden, spartelde de vrouw nog altijd, en stak nog eens de hand uit den zak, maar de knechts prikten haar met de naald, waarop zij dan haastig haar hand terugtrok, wat ons allen hartelijk deed lachen. Toen de vier knechten den zak optilden, om hem over de brugleuning in de Spree te gooien, spartelde de vrouw wederom zoo geweldig, dat de zak bijna uit de handen van de knechts viel. Toen hij in het water plompte, hoorde men een gil, een gil zooals ik in mijn leven niet gehoord heb. Ik werd er akelig van en moest spoedig een paar slokken Rathenower bier drin-

ocr page 107

101

kon, dat ik voor mijn vriend Lehmann uit dankbaarheid voor zijn uitnoodiging had medegebracht. Maar ik zeg u, menigmaal hoorde ik des nachts, als ik te bed lag, den gil nog en werd met schrik wakker.quot;

„Ja, die dingen zijn vreeselijk, men huivert, als men er aan denkt. Maar weet ge, juist zulk een huivering is aangenaam, ik ga ten minste kijken als Klaus ter dood wordt gebracht.quot;

„Als hij ter dood wordt gebracht en niet door den schoorsteen wegvliegt als een echt toovenaar en heksenmeester!quot;

Terwijl de menschen voor het raadhuis over deze dingen spraken, had de zitting binnen een aanvang genomen. De rechters en raden hadden zich op de stoelen met hooge rugleuningen aan de lange, met zwart laken bedekte tafel gezet; de getuigen en beschuldigers hadden zich op de voor hen bestemde plaats gezet, en toen had de burgemeester Wegelin aan den gerechtsdienaar het teeken gegeven, dat hij den misdadiger zou binnenvoeren. Aller oogen richtten zich nu naar een donkere, kleine zijdeur, en hoewel iedereen den bedelaar kende, waren toch allen nieuwsgierig hem te zien.

In een grijzen kiel gehuld trad de bedelaar, aan handen en voeten met ketens geboeid, achter den gerechtsdienaar de lange donkere zaal binnen. Een diepe, plechtige stilte heerschte, terwijl hij langzaam voorwaarts ging, en slechts het rammelen der ketens stoorde deze stilte. Tot dicht bij de tafel, waaraan de rechters zaten, voerde de gerechtsdienaar den beschuldigde en beval hem op het daar staande houten blok plaats te nemen, terwijl hij zich met zijn helpers achter hem posteerde.

Nu stond de ambtsschrijver op en las de akte van beschuldiging voor, waarin de bedelaar Klaus van moord, tooverij en heksenkunsten beticht werd. Ieder richtte den blik op den misdadiger, en men zag met verbazing, dat deze vreeselijke beschuldiging volstrekt geen indruk op hem maakte. Zijn gezicht was bijzonder kalm en helder, zijn houding verried niets van den angst en de foltering van een misdadiger, die voor zijne rechters staat. Hij had de handen over de borst gevouwen, de oogen hemelwaarts geslagen en om zijn lippen zweefde een opgeruimde glimlach.

ocr page 108

102

„Toen de beschuldiging was voorgelezen stond de voorzitter op en vroeg: ,,Klaus, ge hebt de aanklacht gehoord, bekent ge u schuldig aan de misdaden, waarvan men u beticht?quot;

Hij antwoordde niet dadelijk. Langzaam liet hij zijn blik over al de aanwezigen gaan en richtte ze lang en peinzend op de vier burgers, die als aanklagers tegen hem verschenen waren en hem van tooverij beschuldigden. Onwillekeurig bloosden zij voor zijn blik en sloegen de oogen neder. Klaus glimlachte en wendde zijn oogen naaiden architect Memmhart, die hem medelijdend aanzag.

„Beschuldigde,quot; herhaalde de rechter, „geef antwoord. Bekent ge u schuldig aan de misdaden waarvan men u belicht?quot;

„Ik kan hierop niet antwoorden, mijnheeren, vóórdat ge mij vergund hebt een vraag tot den architect Memmhart te richten,quot; antwoordde de bedelaar zacht. „Zoo ge mij deze genade verleent, wil ik u dadelijk antwoorden.quot;

De rechters staken de hoofden bijeen en raadpleegden zacht met elkander.

„Klaus,quot; zei de voorzitter, „daar ge zegt, dat van uw vraag aan den architect Memmhart uw antwoord op de beschuldiging afhangt, willen wij uw verzoek toestaan.quot;

De bedelaar dankte met een lichte buiging en wendde zich toen tot den architect!

„Mijnheer Memmhart,quot; vroeg hij met bevende stem, „wilt ge mij slechts dit beantwoorden: Wat hebt ge gedaan met het geliefde heilige gebeente, dat ge in den muur van het kasteel hebt gevonden en waarheen is het gebracht? Ik smeek u, mijnheer, zeg mij de waarheid.quot;

„Ik zal het u zeggen, Klaus,quot; antwoordde de architect plechtig. „Het gebeente, dat wij in den muur hebben gevonden, is op hoog keurvorstelijk bevel eergisterenavond in een kist gelegd en op het Domkerkhof begraven. Ook heeft zijn doorluchtigheid mij bevolen een steenen kruis te laten maken, met den naam „Bebekkaquot; tot opschrift, en het op den grafheuvel te plaatsen.quot;

. De bedelaar had met ingehouden adem naar hem geluisterd, en langzaam waren een paar tranen langs zijn ingevallen wangen gevloeid.

„Ik dank u, mijn Heer en God,quot; mompelde hij zacht voor zich, „nu mag ik sterven, mijn eed is vervuld, nu

ocr page 109

103

weet ik het graf mijner Rebekka. Zeg den heer keurvorst,quot; riep hij vervolgens met luide stem, „dat ik hem uit het diepst mijner ziel voor deze goedheid dank, die hij niet alleen de doode heeft bewezen, maar ook den beklagens-waardigen man, die niet eerder mocht sterven, dan wanneer hij haar graf gevonden had.quot;

,,Klaus,'' zei de voorzitter met luide stem, „ten derde-male vraag ik u: Bekent ge u schuldig aan de misdaad waarvan men u beticht?quot;

„Ja,quot; riep Klaus blijmoedig; ik beken mij schuldig! Straf mij naar de gestrengheid der wet! Ik ben een moordenaar! De vrouw, wier geraamte men in den muur van het kasteel heeft gevonden, is door mijn schuld gestorven. Ja, ik alleen draag schuld aan haar dood. Ik ben een duivelbezweerder en heksenmeester, en het is gelijk de snijder Ewald onlangs zeide: Ik bezit een geest in een llescbje, die mij alles zegt wat ik weten wil. Veroordeel mij, breng mij ter dood, nu weet ge alles wat ge weten wilt; ge weet, dat ik den dood heb verdiend. Laat mij sterven, uit het diepst mijner ziel smeek ik eruom! Laat mij sterven, opdat mijn misdaden verzoend worden!quot;

„Wij laten niemand sterven,quot; zei de voorzitter streng, „tenzij hij door een rechterlijke uitspraak gevonnisd en door de wet veroordeeld is. Maar ook de wet ontfermt zich over den misdadiger, en wil dat de rechters al de verklaringen der getuigen onderzoeken, en dat dan voor den beschuldigde een verdediger verschijne, die zijn zaak tegen de rechters bepleit. Deze genade der wet zal ook u, den vagebond en bedelaar Klaus, deelachtig worden! Wij zullen dus nu de verklaringen der getuigen hooren, en dan moge de aangestelde verdediger spreken. Heer architect Memmhart, treed voor en geef ons bericht omtrent de ontdekking van het geraamte en wat er bij deze gelegenheid gebeurd is.quot;

De architect gehoorzaamde het bevel en verhaalde met duidelijke, verstaanbare stem; men merkte echter bijzijn verklaring zeer goed, dat hij den beschuldigde niet door zijne woorden wilde bezwaren.Hij vergat dus ook te melden, dat Klaus hem aangegrepen en hem met geweld den ring ontrukt had, en dat hij zich met geweld den sluier had toegeëigend, dien men bij het geraamte had gevonden. Klaus zelf herinnerde hem er aan, en wat Memmhart

ocr page 110

104

verschoonend had weggelaten, vulde hij zelf met groote nauwkeurigheid aan.

„Is het zoo als Klaus verklaart?quot; vroeg de voorzitter. „Heeft hij werkelijk bij die gelegenheid nog openlijken straatroof gepleegd en u met geweld den ring en den sluier ontroofd?quot;

„Ja,quot; antwoordde Memmhart zuchtend. „M aar ik geloof, dat hij dit niet heeft gedaan om te rooven, maar omdat die voorwerpen, naar 't scheen, voor hem zeer dierbare gedachtenissen waren.quot;

„Neen,quot; riep Klaus heftig, „ik heb het gedaan om te rooven. De ring was van zuiver goud en aan den sluier zaten kostbare kanten. Ik wilde die voorwerpen later ver-koopen. Ik ben niet alleen een moordenaar en toovenaar, maar ook een straatroover!quot;

„'t Zal alles te vergeefs zijn,quot; mompelde Memmhart voor zich. „Hij wil niet gered worden.quot;

„De ring is ook bij den beschuldigde gevondtn,quot; zei de voorzitter. De gerechtsdienaar heeft hem ons ter hand gesteld, hier is hij. Mijnheer de architect Memmhart,herkent gij dezen ring als dengene, dien Klaus u ontrukken wilde?quot;

De gerechtsdienaar reikte den gouden ring aan den architect. „Ik weet het niet,quot; zeide deze, den smallen ring beschouwende, „ik zou niet kunnen zweren, dat het dezelfde ring is, want ik heb hem nauwelijks gezien.quot;

„Laat mij den ring zien, mijnheeren,quot; riep Klaus, zijn hand uitstekende. „Ik zal u zeggen of het dezelfde ring is!quot;

Op een teeken van den rechter bracht de gerechtsdienaar den ring aan den beschuldigde. Deze greep hem met sidderende handen en bezag hem. „Ja, het is de ring,quot; riep hij met verheugde stem, „het is de ring van mijn Rebekka. Het is mijn ring en niemand zal hem mij weder ontnemen.quot;

En voor de gerechtsdienaar het verhinderen kon, had Klaus den kleinen gouden ring in zijn mond gestoken en ingeslikt.quot;

„Neemt nu mijn ring, mijn eigendom,quot; riep hij triom-feerend. „Het lijk mijner Rebekka is op het kerkhof begraven, en haar ring rust in mijn ingewanden. Veroordeelt mij nu, veroordeelt mij, want ik heb nogmaals een misdaad bedreven, nogmaals een roof gepleegd.quot;

ocr page 111

105

„Gij zijt een woeste, onhandelbare kerel,quot; zei de rechlei-streng, „als ge zoo voortgaat zal men u tarn weten te maken, door u op de pijnbank te leggen! Denk er aan en wees eerbiedig en onderworpen. Laat ons nu de andere getuigen hooren!quot;

De andere getuigen waren minder verschoonend en redelijk in hun verklaringen. Zij beschuldigden den bedelaar Klaus van tooverij. Zij verklaarden, dat hij hun de plaats had aangewezen, waar zij de voorwerpen konden weder-vinden, welke zij verloren hadden, zonder dat hij dit op natuurlijke wijze weten kon. Zij verhaalden ook, dat zij Klaus gevraagd hadden, van waar hij die kennis verkreeg, en dat hij toen had geantwoord, dat hij in een fleschje een geest bezat, die hem al deze dingen zeggen moest.quot; ^

„Is dat waar? Hebt ge dat waarlijk gezegd?quot; vroeg de voorzitter.

„Hebt gij de bewijzen niet in handen?quot; vroeg Klaus met een spottenden lach. Heeft de gerechtsdienaar u niet alles gegeven, wat hij mij zoo onrechtvaardig ontnomen heeft, toen hij mijn kleederen onderzocht? Heeft hij mij niet het gouden kistje ontroofd, dat aan een koord om mijn hals hing? Zoo hij dat gouden kistje niet aan de hoogedele, gestrenge rechters gegeven heeft, is hij een dief en roover, en verdient even als ik als misdadiger aangeklaagd te worden.quot;

„Zwijg, beschuldig geen eerlijk, trouw man,quot; beval de voorzitter. „De gerechtsdienaar heeft ons wel degelijk het gouden kistje gegeven en als bewijs ligt het voor ons op de tafel.quot;

„Wees dan zoo goed het te openen, gestrenge heer, en gij zult er een fleschje in vinden. De geest, die mij alle dingen openbaart, zit in dat fleschje.quot;

„Het betaamt een christen niet dergelijk duivelswerk te onderzoeken, of met zijn handen aan te raken, uw bekentenis, dat de duivel in dat fleschje zit is voldoende. Wij zullen ons over dit heksenkunststuk niet langer verontrusten. Gerechtsdienaar, hebt ge gedaan wat ik u bevolen heb en den hamer gereed?quot;

„Ja, hoogmogende heer, ik heb hem gereed,quot; antwoordde de gerechtsdienaar, eerbiedig buigende.

1) Dit was werkelijk de hoofdbeschuldiging tegen den bedelaar Klaus. Zie : König, Schilderung von Berlin, II, 67.

ocr page 112

106

„Haal hem dan, leg dit gouden kistje op het blok naast den beschuldigde en sla het in stukken, terwijl gij daarbij den drieëenigen God aanroept.quot;

De gerechtsdienaar liep naar den hoek der zaal en haalde er een grooten ijzeren hamer uit, dien hij daar had neergezet.

Toen naderde hij het houten blok, plaatste het gouden kistje er op en hief reeds den arm op.

In datzelfde oogenblik greep Klaus zijn arm en hield dien vast. „Om Gods wil,quot; zeide hij, „zoo uw leven u lief is, en ge niet wilt, dat de duivel met donder en bliksem, met pek en zwavel onder u lieden zal varen. Iaat dan at' van uw vermetel werk, om dit kistje en het fleschje stuk te slaan. Zoo ge het fleschje stuk slaat, maakt ge den duivel vrij, die dan in u allen vaart. Hoogwijze heeren, ik bezweer u bij uw eigen zieleheil, beveelt uw gerechtsdienaar, meester Krüger, dat hij zulk een misdadig en gevaarlijk werk niet onderneme.quot; 1

De gerechtsdienaar was van schrik en ontzetting een weinig achteruit geweken; de rechters zagen elkander met bleeke gezichten aan en fluisterden toen heimelijk te zamen.

„Gerechtsdienaar,quot; beval de voorzitter met luide stem, „leg den hamer voorloopig ter zijde, wij willen het stuk slaan van het kistje nog wat uilstellen.quot;

In dit oogenblik werd de deur geopend, en de deurwaarder kondigde met luider stem aan; „Een afgevaardigde van zijn doorluchtige genade, den heer keurvorst!quot;

„Hij moge voor ons verschijnen,quot; sprak de voorzitter, waarop de kamerdienaar Kunkel de zaal binnen trad.

„Ik heb den hoogen raad een eigenhandig schrijven van zijn doorluchtigheid te overhandigen,quot; zeide hij, diep buigende, terwijl hij een grooten verzegelden brief op de groene tafel nederlei.

Vervolgens liet hij langzaam zijn oogen door de zaal gaan, en toen hij Klaus zag, knikte hij even met het hoofd.

Een straal van vreugde vloog over het gelaat van den bedelaar. „Nu wil ik bewijzen, mijnheeren, dat ik de waarheid heb gezegd, toen ik zeide, dat ik een toovenaar en duivelbezweerder ben. Laat mij het gouden kistje in de hand nemen en dan wil ik u zeggen, wat in den brief van den heer keurvorst geschreven staat.quot;

ocr page 113

407

„Neem dat duivelswerk en geef ons de proef van uwe helsche kunst.quot;

Klaus nam het kistje van het blok en drukte het hartstochtelijk aan zijn lippen. „Luister, gestrenge heeren,quot; zeide hij toen, „het volgende staat in den brief zijner doorluchtigheid te lezen: „De keurvorst verzoekt de hoogmogende heeren, dat zij den bedelaar Klaus het gouden kistje, dat hij aan een koord om zijn hals draagt, laten behouden omdat de heer keurvorst eens de genade heeft gehad hem te beloven, dat niemand hem het kistje zou ontnemen en hij het tot aan het einde van zijn leven bij zich mocht dragen! Ziet nu, mijnheeren, of dat niet de inhoud is van dezen brief.quot;

„Waarlijk, het is zoo,quot; riep de voorzitter verbleekende. „Ja, zoo staat het in den keurvorstelijken brief: „De bedelaar Klaus heeft door onzen lijfarts, dien wij gisteren tot hem in de gevangenis zonden, om zijn gezondheidstoestand te onderzoeken, een zeer dringend en smeekend verzoek tot ons gericht en wij gevoelen ons hierdoor bewogen u het volgende kenbaar te maken en te doen weten: De bedelaar Klaus draagt aan een koord om zijn hals een gouden kistje, dat zijn eigendom is. Ik heb hem mijn keurvorstelijk woord gegeven, dat niemand hem hiervan zou berooven, maar hij het tot aan het einde zijner dagen bij zich mocht dragen. Mitsdien draag ik u op, en beveel ik u hiernaar te handelen, en Klaus het gouden kistje, zijn onbetwistbaar eigendom, niet te ontnemen of er hem van te berooven. De gerechtigheid en de wet moeten voor allen gelden, zelfs voor den bedelaar en den misdadiger. Dit zeg ik u, opdat gij u zoudt in acht nemen, en verblijf uw genegen keurvorst en heer.quot;

Nadat de voorzitter den brief met luide stem had voorgelezen, reikte hij hem den naast hem zittende, deze gaf hem, na inzage, aan zijn buurman, en terwijl de briefde ronde deed, verbleekten aller gezichten en allen prevelden verschrikt: „Hij heeft het bewijs geleverd! Hij heeft de waarheid gezegd! Het staat zoo in den brief, en Klaus heeft waarlijk een geest, die hem alle verborgen dingen zegt.quot;

Met afgrijzen en ontzetting richtten zich aller oog op den bedelaar, wiens gelaat vroolijk en rustig was.

„Genadige heeren, mag ik nu mijn eigendom behouden?

ocr page 114

108

Wilt ge het mij laten tot aan mijti dood? Ge weet toch, dat het niet lang meer duren zal, en gij mij spoedig uit dit tranendal zult verlossen quot;

,,Neem het kistje en steek het bij u,quot; zei de voorzitter plechtig. „Gij hebt ons het bewijs geleverd, dat ge verborgen dingen weet. Gij loochent niet, dat gij de moordenaar zijt der vrouw, wier geraamte men in den muur van het kasteel heeft ontdekt, en gij sternt toe, dat deze getuigen, die u beschuldigden, dat ge duivelswerk hebt verricht en hun verborgen dingen hebt aangekondigd, de waarheid hebben gezegd. Gij zijt mitsdien van de vreese-lijkste misdaden overtuigd en hebt ze bekend. De bedelaar Klaus is een heksenmeester, een toovenaar en moordenaar. Ik beschuldig hem van deze misdaden, maar vóór ik het vonnis over hem uitspreek, verzoek ik den verdediger, dien de gunst der wet den misdadiger toestaat, te zeggen wat hij ter verontschuldiging van den aangeklaagde kan aanvoeren.quot;

,.Mijnheeren,quot; riep Klaus met angstig gebaar, „ik wil niet verdedigd worden, ik weiger den advocaat, dien de gunst der wet mij bewilligt.''

„En zelfs zoo Klaus niet weigerde,quot; zei de advocaat, zich van ziin plaats aan de zijde der rechters oprichtende, „zou ik waarlijk niet weten, wat ik tot ziin verdediging zou moeten aanvoeren. Hij heeft zich aan al de misdaden, welke men hem ten laste legt, schuldig verklaard, en ik zie geen indicium hetwelk hem kan verontschuldigen.quot;

„Ik dank u, mijnheer de verdediger, ik dank u,quot; riep Klaus blijmoedig. „Ge zijt in waarheid mijn verdediger door mij niet te willen verdedigen.quot;

Nu stond de voorzitter op en nam het witte houten staatje in de hand, dat voor hem op de groene tafel lag.

„Er blijft niets meer over, dan hel vonnis uit te spreken,quot; zeide hij. „In naam der openbare veiligheid, in naam der wet, spreek ik over den moordenaar, den duivelbezweerder, den heksenmeester den banvloek der stad uit, en acht hem des doods schuldig. Ten teeken hiervan breek ik dezen staf. Rechters en bijzitters van het gerecht, wie uwer van mijn meening is, doe als ik en breek den staf. Die van een tegenovergestelde zienswijze is, geve dit te kennen door den staf niet te breken. Dit is recht, en men handelt zoo in naam van God en de ge-

ocr page 115

109

rechtigheid!quot; De rechters verhieven zich van hun stoelen, en ieder hunner nam het witte staafje in de hand.

Een pauze ontstond. Allen waren ernstig en plechtig, ieder gevoelde in zijn binnenste de gewichtige heteekenis van dit oogenhlik, dat er over een menschenleven werd beslist.

Klaus was op zijn knieën gevallen en had zijn hoofd op zijn saamgevouwen handen neergebogen; de architect Memmhart en de overige getuigen zagen met ingehouden adem naar de rechters, en de kamerdienaar Kunkel, die bevend naar de uitgangsdeur teruggegaan was, had het echter niet van zich kunnen verkrijgen zich te verwijderen, maar stond in spanning de beslissing af te wachten.

Te midden van de ademlooze, plechtige stilte hoorde men het knikken en kraken der staven, die door de rechters gebroken werden.

Toen werd alles weder stil, en deze twaalf mannen in de lange zwarte tabbaarden, met de ernstige, bleeke gezichten, namen weer plaats op hunne zetels.

„Raadsdienaar,quot; beval de voorzitter, „neem de gebroken en de heele staven van de tafel en breng ze mij, opdat ik ze telle.quot;

De raadsdienaar naderde de tatel, nam de witte staven bijeen en legde ze toen voor de voorzitter.

„Mijnheer de president,quot; zeide hij, „hier zijn de staven. Er is geen enkele ongebroken.quot;

De president telde langzaam de staven en legde ze naast elkander op de tafel.

„Er zijn vierentwintig in plaats van de twaalf staven, die vroeger op de tafel lagen. Derhalve zijn al de twaalf staven doorgebroken. De beschuldigde is eenstemmig veroordeeld en des doods schuldig verklaard.quot;

„Rebekka, mijn Rebekka,quot; mompelde Klaus, „gij wilt mij verlossen, gij roept mij tot u!quot;

„Klaus,quot; ging de president plechtig voort, „gij zijt door ons allen den dood schuldig verklaard, en naar recht en wet spreek ik het doodvonnis over u uit. Ge zult door de hand van den scherprechter het leven verliezen, en wel zoo, dat u, voor het raadhuis, met de bijl het hoofd van het lichaam zal worden gehouwen, vervolgens zal uw lichaam verbrand en de asch van den duivelbezweerder, van den heksenmeester en moordenaar in den wind verstrooid worden.quot;

ocr page 116

110

Er ontstond weder een pauze. Uit de blikken, die zich thans op Klaus richtten, sprak menschelijke ontferming en medelijden. Langzaam richtte hij zich op en wendde zich kalm tot zijne rechters.

„Ik dank u voor uw vonnis,quot; zeide hij bedaard. „Ik neem het aan en ben bereid te sterven.quot;

„De wet bewilligt den veroordeelden misdadiger acht. dagen tijd om in beroep te komen,quot; voer de president voort, „of om de genade van onzen landsheer en keurvorst in te roepen, opdat hij het doodvonnis niet bekrachtigen, maar in eeuwigdurende gevangenschap veranderen moge. Overleg, wat. ge doen wilt, en besteed deze acht dagen van nadenken goed.quot;

„Mijnheer de president,quot; riep Klaus angstig, „ik heb niets verder te smeeken dan deze eenige genade: Wilde foltering van mijn leven niet nog acht dagen verlengen, maar mij mijn laatste, mijn eenige bede vergunnen en de doodstraf die gij volgens recht over mij hebt uitgesproken, laten voltrekken.quot;

De president antwoordde hem niet. Hij wenkte den gerechtsdienaar en diens knechten. „Voer den misdadiger naar zijn gevangenis terug en bewaak hem goed.

Zij vatten hem bij beide armen en voerden hem weg. Zwijgend zag men hem na, zelfs de burgers en ambachtslieden, die vroeger met zulk een verbittering en hartstocht tegen Klaus getuigd en hem beschuldigd hadden, schenen, nu het vonnis geveld was, zachter en medelijdender gestemd, ze schenen berouw te gevoelen, want zij gingen stil en met gebogen hoofd heen.

Ook de kamerdienaar Kunkel spoedde zich van het raadhuis en wilde met haastige schreden naar het kasteel terugkeeren. Maar hij kon slechts langzaam door de men-schenmassa voortkomen, die zich bij het raadhuis, in de aangrenzende straten, op de lange brug en op het domplein bevond. Het volk had van de getuigen, die uit het raadhuis waren gekomen, het vonnis vernomen en het met gejubel en vreugde begroet. Men had den barbier Kurt gedrongen de gansche toedracht der zaak te vertellen, en Kurt had zich op een hoogte geplaatst en begon zijn verhaal.

Het volk drong steeds dichter bij, en luisterde met spanning naar den barbier. Met moeite kon derhalve de keurvorstelijke kamerdienaar voorwaarts komen en na veel

ocr page 117

Ill

stooten en duwen bereikte hij eindelijk de kasteelpoort, [lij sprong haastig de trap op en snelde naar de keur-vorsteiijke vertrekken.

Do keurvorst had lietn reeds de antichambre zien binnengaan, en opende de deur van zijn kabinet.

„Kom binnen, Kunkel,quot; beval hij, „en zeg mij dadelijk, of zij Klaus veroordeeld hebben?quot;

„Ja, doorluchtigheid, zij hebben hem tot den dood dooide bijl veroordeeld, en het vonnis was eenstemmig. Daarop hebben zij hem nog acht dagen uitstel gegeven, zoo hij uw doorluchtigheid om genade wilde smeeken. Maar hij verzocht een spoediger dood,quot;

Een donkerrood vloog over het gelaat van den keurvorst. Hij gaf Kunkel een wenk om zich te verwijderen, en liep toen met driftige schreden, en met de handen op den rug, heen en weer.

„Eenstemmig!quot; riep hij toen, midden in de kamer blijvende staan. „Eenstemmig hem ter dood veroordeeld. Zij willen mij trotseeren, mij bewijzen, dat zij onafhankelijke, vrije rechters zijn en mijn wensch en wil volstrekt geen invloed op hen uitoefend! Maar ik zal hen bewijzen, dat ik heer en gebieder ben, wien het goddelijk recht van genade boven allen verheft, en te schande maakt wat hun kinderachtige wijsheid en dwaas bijgeloof verzonnen heeft. Neen, trotsche narren, bijgeloovige dwazen, gij zult den armen, beklagenswaardige!! Gabriel Nietzel niet als moordenaar en duivelbezweerder ter dood brengen. Ik zal den armen man redden, trots u en hem zeiven! Neen, geen onschuldige mag gedood worden, en het onverstand der menschen zal van een armen zondaar, die veertien jaren geboet heeft, geen misdadiger, die den dood verdiend heeft, maken. Ik zal en moet Gabriel Nietzel redden! Ik wil zijn hart zoodanig vermurwen, dat hij de genade aanneemt, die ik hem aanbied! Ik zal Kunkel naar 3oahimsthal zenden en Jakob Uhle hier ontbieden. Gabriel zal zijn zoon zien, zijn zoon zal hem smeeken het leven van mijn genade aan te nemen. Ik denk wel, dat dit zijn hart zal treffen en hij weder zal willen leven als hij zijn zoon ziet! Ja, zoo zal het gaan! Maar hoe treurig en erbarmelijk is toch dit alles,quot; voer de keurvorst voort, terwijl hij langzaam het hoofd schudde en zijn oogen ten hemel richtte, „de menschen

ocr page 118

11'2

tracliten elkander te verscheuren, zij zijn liefdeloos en bloeddorstig en willen elkander in het verderf storten. Eu toch zijn allen kinderen van ééuen God en hebben behoefte aan zijn genade. Acb, God, ontferm u over onze nooden! Wees mij nabij, Heer, en geef mij het grootste geluk van een vorst: het verleenen van genade!quot;

ocr page 119

TWEEDE BOEK.

DE KEURVORSTIN EN DE GUNSTELING.

I.

POLITIEK EN INTRIGUE.

„Heden is het de dag, dat prinses Ludowike een besluit zal nemen,quot; zei de keurvorst bij zich zeiven, toen hij van de morgen-conferentie met zijn ministers en raden in zijn kabinet terugkwam. „Heden zal Ludowike óf van mij at-scheid moeten nemen en vertrekken, of zij zal in het kasteel komen, om eindelijk aan haar nicht te worden voorgesteld. Dat is het ultimatum, 't welk ik haar gisteren gesteld heb, en ik ben nieuwsgierig wat zij doen zal. Zoo zij vertrekt, heb ik haar onrecht gedaan, en het is geen politieke intrigue, die haar hier heenvoerde; zoo zij echter blijft, denk ik wel, dat ik op het rechte spoor ben, en de schoone Ludowike Hollandine minder den geliefde harer jeugd dan den tegenwoordigen keurvorst van Brandenburg wilde zien, en zij hier nog iets anders zoekt dan de herinnering harer liefde. Maar wat zou het zijn, dat zij zoekt? Zou de prinses werkelijk door Frankrijk gezonden zijn? Ligt dan werkelijk iemand er aan gelegen, dat Brandenburg zijn vriend en bondgenoot zij ?quot;

De keurvorst zuchtte en nam plaats voor de met akten en schrifturen beladen schrijftafel. „Het staat slecht met ons,quot; zeide hij hoofdschuddend. „De twist, dien wij met den paltzgraaf van Neuberg hebben gevoerd, is ten onzen nadeele uitgevallen, en toch had ik recht; tegen alle recht en wet wilde deze oude hebzuchtige keurvorst ïühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 8

ocr page 120

114

mij het graafschap Berg ontnemen. Ik zou eerloos zijn geweest, indien ik dezen roof gewillig had toegelaten, en . moest wel het zwaard in de hand nemen om mijn recht te verdedigen. 1) Doch bij deze gelegenheid moest ik ervaren, dat de keurvorst van Brandenburg alleen staat en allen een doorn in het oog is. Al de vorsten wai'en tegen mij, en het onrecht moest recht worden, opdat het ten mijnen nadeele zou uitvallen. Zoo hebben zij er mij zedelijk toe gedwongen het Kleefsche verdrag te sluiten, en ik moest wel toegeven, hoewel ik het als een dolksteek in mijn hart gevoelde.quot;

Een kloppen aan de deur stoorde den keurvorst in zijn gedachten. De deur werd geopend en Konrad von Burgs-dorf trad de kamer binnen met een ernstig, ambtelijk gezicht en een portefeuille met papieren onder den arm.

„Ziedaar, mijn opperkamerheer, geheimraad en minister,quot; zei de keurvorst vriendelijk. „Gij brengt ons, zoo 't schijnt, nog eenigen arbeid, is niet alles in onze zitting afgedaan geworden ?quot;

„Doorluchtigheid,quot; antwoordde Burgsdorf, de portefeuille op de tafel voor den keurvorst leggende, „inderdaad breng ik u nog eenigen arbeid. Gij hebt van ieder uwer geheimraden de meening gevraagd nopens den politieken toestand. Uw doorluchtigheid heeft aan de geheimraden de vraag voorgelegd: Hoe zij zich in de tegenwoordige verwikkelingen gedragen moest, op wien zij vertrouwen, of voor wien zij zich in acht moest nemen, en met wien zij een verbond moest zoeken?quot;

„Ja, zoo luidde mijn vraag,quot; zei de keurvorst, „en ik ben zeer begeerig de antwoorden van de heeren geheimraden te ontvangen.quot;

„Doorluchtigheid, de antwoorden zijn in deze portefeuille

1

De kleine oorlog van den keurvorst van Brandenburg tegen den keurvorst van Paltz-Neuburg, ten jare 1051, verontrustte niet alleen geheel Duitsehland, maar ook Frankrijk, Engeland, Zweden en Holland, ja zelfs Spanje mengde zich in deze zaak, en allen kozen partij tegen den keurvorst \an Brandenburg. Friedrich Wilhelm moest derhalve op's keizers begeerte, ja, zelfs gedwongen door zijn eigen'stenden, een verdrag met Paltz-Neuburg sluiten, waarnaar het status quo werd gehandhaafd. Eerst in 't jaar 1666 werden,' na voortdurende oneenighcden, de toestanden zoodanig geregeld, dat de keurvorst van Brandenburg het hertogdom Kleef en de graafschappen Mark en Ravensberg erlangde, en de keurvorst van Paltz-Neuburg het hertogdom Julich en Berg.

ocr page 121

445

neergelegd; ze zijn gisteren in den loop van den dag ingekomen, en ik hob de eer ze u te overhandigen.quot;

„Dat is mij aangenaam, en wij zullen ze terstond te zamen onderzoeken. Zet u daar, tegenover mij, aan de tafel, open uw portefeuille en neem er de brieven uit. Voorloopig zullen wij er slechts eenige in overweging nemen. Zoek eens den brief van den stadhouder van Pommeren, van Philip von Horn.

,.Hier is hij, genadige heer,quot; antwoordde Burgsdorf, van de zes verzegelde brieven een nemende en dien den keurvorst overhandigende.

„Open hem zelf,quot; beval de keurvorst, „lees en deel mij voorloopig in 't koi't de voornaamste punten mede.quot;

„Doorluchtigheid, hier heb ik terstond zulk een voornaam punt,quot; zei Burgsdorf, die den brief geopend en vluchtig doorloopen had.

„Zoo, laat hooren.quot;

.,Zij luidt aldus: „Uw doorluchtigheid staat,.helaas, thans geheel alleen en ik weet niemand, in of buiten het Rijk dien uw keurvorstelijke doorluchtigheid zoo zou kunnen vertrouwen, dat zij niet in een of ander op haar hoede zou moeten zijn. Zeer velen vermeten zich ontevreden over uw persoon te spreken, en zich afkeurend uit te laten daarover, dat uw doorluchtigheid het ten vorige jare waagdet den zoo duur gekochten vrede te storen en het gevaar van een nieuwen algemeenen oorlog uit te lokken. Het is een algemeene regel, dat hoe minder macht degene heeft, voor wien men te vreezen, heeft, te grooter de veiligheid is, als men hem nog kleiner kan maken. Om deze reden zouden allen, zoowel de zwakken als de sterken, hun toestemming geven, zoo dit met Brandenburg had kunnen geschieden 1).quot;

„Gij hebt gelijk,quot; zei de keurvorst bedaard, dit is werkelijk een belangrijke plaats en een harde korst waarop men lang kauwen moet. Leg dezen brief hier op de tafel en eem dien van Blumenthal, onzen stadhouder van Hol-berstad. Zoek daarin ook een laelangrijlce plaats; ik twijfel niet of gij zult ze wel vinden.quot;

„Ha, doorluchtigheid,quot; riep Burgsdorf na een kleine

1

Droysen, III, 2, 06.

ocr page 122

11(gt;

pauze, waarin hij den geopenden brief had doorloopen, „deze zienswijze is ook al een voornaam punt.

„Welnu, laat hooren !quot;

„Uw keurvorstelijke doorluchtigheid moet er alles aan gelegen zijn vrede te hebben en te behouden. Daarom zou uw doorluchtigheid wel doen, allen twist met vreemde potentaten te vermijden; binnen de grenzen van een strikte onzijdigheid te blijven ; bij oneenigheden met de medeleden van het Rijk zijner keizerlijke majesteits onpartijdige, rechtvaardige beslissing te verwachten, en zoo een goed geweten te hebben en te behouden. Uwer doorluchtigheid is het zeer prijzenswaardig voorbeeld van den keurvorst Joachim aan te bevelen, die zich in het geheele Rijk den roem eens communis pacificator imperri verworven heeft. Want de oorlog is gelijk een gouden angel, die men gebruikt om er een armzalig vischje mee te vangen; hij kost meer dan hetgeen men er mêe vangt; ook krijgt men er een kwaden naam door, of men moet het kwalijk verkregene in nieuwe oorlogen verdedigen en aan de helpers meer betalen dan men gewonnen heeft, want . . .quot;

„Genoeg,quot; viel de keurvorst haastig in, „leg den brief ter zijde, later zal ik hem ten einde lezen. Neem nu den brief'van Konrad von Burgsdorf en lees mij voor welke meening mijn getrouwe, veelvermogende en verstandige minister, geheimraad en opperkamerheer ontvouwt.quot;

„Doorluchtigheid,quot; zeide Burgsdorf lachend, „deze brief staat niet op papier, maar is alleen in mijn hoofd en in mijn hart geschreven. Gij weet wel, dat veel schrijven mijn zaak niet is, en mijn zwakke, oude vingers zijn zoo stijf en ongeschikt, dat zij de ganzenschacht na een paar minuten stuk gedrukt hebben, omdat zij zich verbeelden dat het een zwaard is, dat ik vroeger goed wist vast Ie houden. Ik verzoek u dus verlof, om u zonder veel omhaal mijn meening te mogen mededeelen.quot;

„Nu, doe dat oude,quot; zei de keurvorst glimlachend. „Laat hooren, maar zeg ook nu slechts de voornaamste punten en zoo er te harde korsten bij zijn, kunt ge ze voorloopig wel tot later bewaren.quot;

„Welaan dan, keurvorstelijke genade,quot; zei Burgsdorf, „mijn meening is, onder verbetering, dat het voor u bovenal noodzakelijk is machtige bondgenooten te zoeken en zich met degenen te verbinden, wien er aan gelegen is den

ocr page 123

417

keurvorst van Brandenburg machtig en sterk te laten worden niet zoozeer uit teedere genegenheid, maar wel uit eigenbelang, ten einde van den machtigen keurvorst een voormuur te vormen tegen andere machtige vijanden. Wie. kan nu, vraag ik, de bondgenoot zijn, wien .er veel aan gelegen moet zijn Brandenburg groot en machtig te zien? Zijn majesteit de keizer van Duitschland is het niet; veeleer komt het mij voor, dat juist de keizer de eerste is, die op den hoorn blaast: „men moet Brandenburg niet laten opkomen, maar het onder houden en zoo mogelijk nog kleiner trachten te maken.quot; Want hoe machtiger en grooter de keurvorst van Brandenburg wordt, des te gevaarlijker wordt hij voor den keizer van Duitschland en diens Oostenrijksche landen. Het Oostenrijksche huis is een oud, en het Brandenburgsche een jong huis. Nu gevoelt zich de ouderdom altijd door de jeugd bedreigd, en ziet met scheele oogen haar groeien en gedijen. Hoe zou dus het Oostenrijksche huis niet angstig en bezorgd op mijn heerlijken, statigen keurvorst zien, op wiens gelaat geschreven staat, dat hij een moedig hart heeft en voor groote, roemrijke daden geschapen is? Bovendien is het Oostenrijksche huis het schild en de aanvoeder der katholieke partij in Duitschland, die thans nog de machtigste is, en zeer gaarne den vorst zou willen onderdrukken, aan wiens invloed zij te recht toeschrijft, dat aan de Lutherschen in^ het Duitsche rijk bij den Westfaalschen vrede dezelfde rechten als die der Katholieken en vol-komene vrijheid van geloof is toegekend geworden. Bijgevolg zijn al de Katholieke vorsten in Duitschland,evenals zijn keizerlijke majesteit, tegen u, en stemmen volkomen overeen, dat zij de welvaart van Brandenburg moeten tegengaan of verhoeden, zoo het niet tot hun nadeel zal uitloopen.— Ook de Staten-Generaal van Holland schijnen zich aan de vriendschap van Brandenburg weinig gelegen te laten liggen, hoewel dit inderdaad te verwonderen is, daar toch onze mevrouw de keurvorstin een prinses van Oranje is. Maar de heeren staten bekreunen zich voorwaar minder om, de verwantschap van hun stadhouder dan om eigen voordeel, zij zullen nooit trouwe bondge-nooten zijn, maar den huik naar dien wind hangen, die hun schip het best voortstuwt. Wat nu Zweden betreft, u kent genoegzaam de vijandige stemming, die daar tegen

ocr page 124

118

Brandenburg heerscht, en die van elke gelegenheid gebruik maakt om in troebel water te visschen en zich het verloren gedeelte van Pommeren weder toe te eigenen. Van Polen heeft uw doorluchtigheid, vooral in slechte tijden, geen bijstand te verwachten, want . .

„Burgsdorf,quot; viel de keurvorst hem in de rede, „ik ken zelf mijn tegenstanders en vijanden genoeg, het zal niet noodig zijn mij daaromtrent verder in te lichten.'t Is mij juist daarom van gewicht, om te weten, wie mij helpen wil en wie mijn bondgenootschap aangenaam en welkom zou zijn. Noem dus een vorst of een land, waarvan ik iets dergelijks hopen kan?quot;

Burgsdorf zag niet, met welk een eigenaardig vorschenden blik de oogen van den keurvorst op hem gericht waren, alsof zij in den diepsten grond zijner ziel wilden lezen. Neen, Burgsdorf zag het niet, want hij had het hoofd gebogen en scheen het antwoord op de vraag van den keurvorst behoedzaam bij zich zeiven te overleggen.

Na een pauze hief hij weder langzaam het hoofd open wendde zijn gelaat, dat een zeer ernstige uitdrukking had aangenomen, tot den keurvorst.

„Doorluchtigheid,quot; zeide hij, „mijns inziens is er slechts ééne mogendheid, bij welke gij u kondt aansluiten en die met vreugd bereid zou zijn met den keurvorst van Brandenburg een verbond te sluiten.quot;

„Het verheugt mij, dat er onder de vele mogendheden, naar uw inzien, ten minste nog één is, die den keurvorst van Brandenburg zou willen steunen. Noem mij die mogendheid, Burgsdorf.quot;

„Frankrijk, doorluchtigheid! Ja, Frankrijk is, naar mijne meening, de eenige mogendheid, die er aan gelegen kan zijn, dat uw doorluchtigheid grooter wordt en zich verheft. Want hoe machtiger gij wordt, des te meer zijt gij in staat Frankrijk bij te staan, en hoe grooter gij wordt, des te kleiner wordt do macht van den Duitschen keizer en van de overige vijandig gezinde Duilsche vorsten. Frankrijk zou voor u een zeer nuttig bondgenoot zijn, het kon uw bezittingen aan den Rijn tegen Holland, tegen den keurvorst van den Paltz en alle andere vijanden beschermen, als gij misschien gedwongen werd uw oostelijke landen tegen Polen of Zweden te verdedigen. Men mompelt immers reeds, dat Polen en Zweden zich

ocr page 125

119

willen vereenigen, om u het hertogdom Pruisen te ontnemen, en tegen twee machtige vijanden zou uw doorluchtigheid zich toch bezwaarlijk alleen kunnen verdedigen. Alle üuitsche vorsten zouden laaghartig de handen in den schoot leggen, en toezien, dat u een gedeelte van uw land ontroofd werd. Alleen Frankrijk zou zulk een vergrooting van Polen of Zweden niet dulden, het zou u krachtig steunen, zoowel met troepen als met geld, dat voor de uitgeputte kassen uwer doorluchtigheid zoo hoog noodig is.quot;

„En gelooft gij werkelijk, dat Frankrijk tot een nauwer verbond met mij genegen zou zijn?quot; vroeg de keurvorst.

„Doorluchtigheid, ik ben er van overtuigd,quot; verzekerde Burgsdorf. „Frankrijk is een verklaarde vijand van den Duitschen keizer en zou niets liever zien, dan dat gij u van dezen afwendet. Mij dunkt, dat uw doorluchtigheid hiertoe voldoende reden heeft, want Oostenrijk benijd u alle welvaart en zou gaarne zien, dat gij werd terneer gedrukt. Mijnheer de keizer heeft zich wel heel lief voorgedaan, toen uw doorluchtigheid hem to Praag bezocht, maar dit was alleen, omdat hij de stem van den keurvorst van Brandenburg bij de verkiezing van Boomsch koning voor zijn zoon wilde winnen, anders heeft hij geen gelegenheid verzuimd, zich tegenover u in al zijn grootheid te vertoonen. Indien uw doorluchtigheid zich nu met Frankrijk verbindt, kunt gij uw vijanden in toom houden, en het rijke Frankrijk zal u zooveel geld geven, dat u een grooter getal troepen kan verwerven en een leger oprichten, zonder dat er nieuwe belastingen behoeven te worden uitgeschreven, die uw volk drukken en beangstigen.quot;

„Er is veel in uw redeneering,quot; zei de keurvorst peinzend, „dat waar is. Bijzonder zou het geld voor mij zeer aannemelijk zijn en mijn kas goed te pas komen, want er heerscht een verbazende ebbe in, zonder dal ik weet, wanneer de vloed weer zal komen. Wij moeten dien op kunstmatige wijze zien aan te wenden, daar dit langs den natuurlijken weg niet gaan wil. Wat de Fransche alliantie betreft, ik zal deze zaak in overweging nemen, en ook met u er verder over spreken. De hootdzaak is op middelen te peinzen om in den finantieëlen nood te voorzien en zoo mogelijk dien voor altijd te overwinnen. Voor alles moeten er voor handel en verkeer nieuwe wegen en

ocr page 126

120

bronnen worden geopend, en middelen worden gevonden om industrie en fabriekwezen in onze landen een hoogere vlucht te doen nemen. Zoo dit geschiedt, vermeerderen de rijkdom en de opbrengsten des lands en wij kunnen dan met recht en billijkheid meer belastingen innen. Ons geheele doel moet dus daarop gericht zijn om de industrie en handel te bevorderen en het verkeer gemakkelijker te maken. Daarom zal het noodzakelijk zijn, niet alleen de gemeenschap te land, maar ook die te water te bevorderen en nieuwe waterwegen ter verbetering van het verkeer aan te leggen. Het blijft altijd een groot ongerief, dat de goederen die op de Oder worden ingescheept, niet terstond verder over de Spree kunnen worden vervoerd, maar eerst overgeladen en over land tot aan de Spree gebracht moeten worden. Dit ongerief moet worden opgeheven, en ik kom nogmaals op het plan terug, dat ik onlangs heb medegedeeld ; er moet een kanaal worden gegraven: dat de Oder met de Spree verbindt en dien waterweg zal het binnen-landsch verkeer buitengewoon verbeteren.quot;

„Maar ik, genadige heer,quot; zei Burgsdorf de schouders ophalende, „ik moet, helaas, bij de meening blijven, die ik onlangs reeds de eer had uwe doorluchtigheid te ontvouwen. Zulk een kanaal zou het binnenland weinig baten, want waar handel en industrie zoo is ter neer gedrukt als bij ons, helpt het niet er een kostbare waterweg voor te openen, daar niemand iets te verschepen heeft. Het zou zijn, of men aan een arm man een prachtige huisdeur met slot en grendel schonk, en tot hem zeide: „Ik schenk u deze deur, opdat ge uw huis goed kunt sluiten en al uw have en goed in veiligheid kunt brengen. Bouw nu een fraai en deftig huis, want ge hebt er de deur thans voor.quot; Maar de arme man kan niet bouwen, omdat hij arm is, en hem het geld ontbreekt om bouwmaterialen te koopen en de werklieden te betalen. Wat heeft hij nu aan de kostbare huisdeur, zoo hij geen huis heeft, en wat baten uw kostbare waterwegen, zoo er geen geld is om schepen en schuiten te bouwen, geen geld om ze met goederen te beladen. Voor 't binnenland zou het nutteloos zijn, en zulk een kanaal, dat de Spree met de Oder verbindt, zou ten opzichte van het buitenland uw doorluchtigheid in twist en oorlog kunnen brengen. De Oder behoort uw doorluchtigheid niot alleen,

ocr page 127

121

omdat Stettin niet tot de keurvorstelijke landen, maar, aan Zweden behoort, zoodat dit kanaal u stellig met Zweden in ongenoegen zou brengen.quot; ')

„Is dit uw oprechte meening?quot; vroeg de keurvorst, met de oogeu strak op Burgsdorf gericht.

„Mijn oprechte mcening, doorluchtigheid. Ik spreek mijn innigste overtuiging uit, en er kan mij niets anders toe leiden en dringen dan het belang van mijn geliefden beer.quot;

„Zou echter dezen keer ook uw eigen belang niet een weinig invloed op uw meening kunnen hebben ?quot; vroeg Friedrich Wilhelm even de schouders ophalend. „Gij kondt berekend hebben, dat, zoo ik zulk een kanaal liet graven, dit kanaal het terrein uwer bezittingen doorsnijden zou en gij een gedeelte daarvan zoudt moeten afstaan.quot;

„Neen heer, hieraan heb ik in de verste verte niet gedacht,quot; riep Burgsdorf met vuur, „het doet mijn oud hart bitter leed, dat uw doorluchtigheid zoo iets van mij slechts vermoeden of mogelijk achten kunt. Maar dit komt niet uit uw edel, grootmoedig hart; de booze lastertongen hebben dit in uwe ooren geblazen, want mijne vijanden zouden mij zoo gaarne willen zwart maken en beschuldigen, en mij het vertrouwen van mijn geliefden heer onttrekken. Zoo ik bij dit plan van het graven van een kanaal aan mijn eigen belang had gedacht, zou het blijkbaar in mijn voordeel zijn, zoo dit kanaal door mijn bezittingen liep. In de eerste plaats zou ik van zulk een kanaal voordeel kunnen trekken en het ook doen. Het koorn is te Stettin duurder en wordt daar beter betaald dan bier in 't land; ik zou dus al mijn koorn over 't kanaal kunnen verzenden en te Stettin verkoopen. Maar al mocht ook het kanaal niet in mijn voordeel zijn en al moest ik werkelijk eenige van mijne goederen afstaan, dan heb ik in mijn geheele leven toch wel bewezen, dat ik ten allen tijde bereid ben goed en bloed voor den keurvorst en zijne familie op te offeren.quot;

I

„Konrad, Konrad, wees niet al te vermetel,quot; zei de keurvorst, hem met den vinger dreigend. „Ge hebt soms wel een weinig van uw bloed in onzen dienst geofferd.

1) Burgsdorf eigen woorden. Zie: Droysen, Geschichte der preussischen Politik. III. 3. 60.

ocr page 128

122

want ge waart altijd een dapper soldaat. Maar dat ge ook voor ons uw goed hebt gegeven, hiervan weet ik niets, 't Is niet te loochenen, dat, toen Konrad von Burgs-dorf in dienst van mijn vader trad, hij een onvermogend en met schulden beladen edelman was, terwijl hij nu een rijken vermogend heer is, veel rijker dan de keurvorst van Brandenburg. Stil, 'tis onaangenaam en nutteloos er verder over te spreken. Ik ben er mede tevreden, dat mijn beambten in mijn dienst voordeelen behalen en zich verrijken kunnen, maar dit moet op eerlijke en waardige wijze geschieden, en de gezindheid moet trouw en (iegelijk, het leven eerlijk en onberispelijk blijven.quot;

„Genadige heer,quot; riep Burgsdorf opvliegend, „meent uw doorluchtigheid . . .quot;

„Ik meen,quot; viel de keurvorst hem in de rede, i,dat ge een zeer gevoelige oude knaap zijt. Het gaat u als iemand, die een open wonde heeft en die, zoo iemand ze slechts met een vinger aanraakt, van pijn schreeuwt. Geniet uw rijkdom, mijnheer de opperkamerheer, en schaam er u evenmin over als ik mij over mijn armoede schaam. Ook voor ons zullen wel betere dagen komen.quot;

„Doorluchtigheid, ik ben overtuigd, dat zij reeds nu zouden komen, zoo gij u nauwer aan Frankrijk verbondt. Zeker zou Frankrijk zulk een gewenschten bondgenoot met vreugde aanzienlijke sommen betalen, en gij waart dan uit allen nood en verlegenheid.quot;

„Hiervan moet ik in alle geval eerst zeker zijn,quot; zei de keurvorst nadenkend, „eerst moeten door Frankrijk stappen van toenadering bij mij beproefd worden. Men zal toch niet van mij begeeren, dat ik zelf om de Fransche vriendschap zou vragen?quot;

„Ik ben er zeker van, doorluchtigheid, dat Frankrijk dit niet verlangt, maar zich zou beijveren de eerste stappen van toenadering te doen.quot;

„Zijt gij hiervan zeker?quot; herhaalde de keurvorst. „Ik zou wel willen weten, van waar mijn opperkamerheer en geheimraad zulke nauwkeurige berichten ontvangt?quot;'

„Van niemand,quot; haastte zich Burgsdorf te zeggen. „Het is slechts mijn eigen bescheiden meening, doorluchtigheid.quot;

„Wij spreken er nog wel later over,quot; zei de keurvorst opstaande. „Heden willen wij onze conferentie eindigen.quot;

ocr page 129

123

De opperkamerheer stond op. „Doorluchtigheid,quot; zeide hij, terwijl hij de papieren weder bijeen zocht en in zijn portefeuille deed, „men heeft mij ook nog belast u een boodschap over te brengen. Haar koninklijke hoogheid prinses Hollandine van de Paltz heeft heden morgen voor het aanbreken van den dag mijn huis verlaten.quot;

„Is zij vertrokken?quot; vroeg de keurvorst levendig.

„Zij is uit mijn huis vertrokken, doorluchtigheid, en dit waren haar laatste woorden: „Zeg den keurvorst, mijn heer en neef, dat ik uw huis verlaten moest zonder afscheid van hem te nemen. Zeg hem, dat ik liever alles zou kunnen verdragen dan afscheid van hem te nemen, en geen offer mij zoo zwaar zou zijn als dit afscheid. Daax-om wensch ik, nu de bepaalde tijd verstreken is, mij zonder afscheid te verwijderen.quot;

„Nu, en verder?quot; vroeg de keurvorst, toen Burgsdorf zweeg.

„Verder zeide zij niets, zij steeg in haar met koffers en doozen beladen reiskoets en reed weg, geheel alleen en zonder eenige bediening. Zij had haar dienstpersoneel reeds gisteren avond met den grooten reis- en pakwagen laten vertrekken naar Frankfort aan den Main.quot;

„En waarheen is de prinses vertrokken?quot;

„Dat heeft zij mij niet gezegd, genadige heer. Ik weet alleen, dat zij naar den kant van Spandau is gereden.quot;

„Goed,quot; zei de keurvorst. „De prinses heeft zekerlijk het beste gekozen en met lijnen takt een keuze gedaan. Ik dank u, dat ge mijn lieve nicht zoo gastvrij ontvangen hebt, maar bovenal, dat ge zoo geheimhoudend zij t geweest. Want ik geloof, dat niemand iets van de tegenwoordigheid der prinses bemerkt heeft, maar iedereen meent dat het werkelijk mevrouw von Kanitz is geweest, die bij haar vader gelogeerd heeft.quot;

„Doorluchtigheid, ook dat nog weten zeer weinigen, want ik heb al dien tijd volstrekt geen bezoek ontvangen, en mijn dienstboden op strenge slrai bevolen den mond te houden en niets van het bezoek van mevrouw mijne dochter te laten merken. En die kerels zijn geweldig bang voor mij. Maar ik moet uw doorluchtigheid toch zeggen, dat ik het vertrek der schoone prinses van harte betreur, het is mij of mijn huis eensklaps geheel verdonkerd en ledig is geworden. Het was zoo genoegelijk en verkwikkend

ocr page 130

124

deze verhevene, schoone dame te zien, en als zij mij met haar zwarte oogen aanzag, was het mij of de zon boven mij opging en alles om mij verhelderde. En wat een genoegen was het, haar fraaie stem te hooren, die als muziek klonk, en haar lachen, dat zoo liefelijk en helder klonk. Te meer leed deed het mij, dat zij dezen nacht in haar kamer zoo jammerde en schreide.quot;

„Wat? Heeft de prinses geschreid?quot; vroeg de keurvorst levendig.

„Ja, genadige heer, den ganschen nacht. Ik kon het goed hooren, want de door haar bewoonde kamers liggen juist boven de mijne, en in de stilte van den nacht hoort men alles. Het was ook van morgen zeer goed aan haar roode oogen te zien, dat ze geweend had. Zij gaf zich echter blijkbaar alle moeite om opgeruimd te schijnen en daarom waagde ik het niet, te zeggen, dat ik haar had hooren weenen. Nu, zij is vertrokken en mijn huis is weder even somber, stil en eenzaam als te voren.quot;

„Het is zekerlijk het beste, dat zij uw huis verlaten heeft,quot; zei de keurvorst met een gedwongen glimlach. „Men ziet wel, dat de oude Burgsdorf geheel verliefd is op de schoone prinses, en de oude dwaas zou ten laatste nog 't verstand verliezen, zoo de fee „Wonderschoonquot; hem nog langer met haar blikken betooverd had.quot;

„Zoo zij de fee „Wonderschoonquot; was en zij kon tooveren, doorluchtigheid, geloof ik wel, dat zij haar tooverkunsten op een ander dan op mij, zou hebben aangewend,quot; zei Burgsdorf, treurig het hoofd schuddende. „Dat is het juist, zij versmaden alle tooverkunsten, en ik weet zeer goed waarom de prinses weende en jammerde.quot;

„Zoo gij dit weet,quot; viel de keurvorst hem op strengen toon in de rede, „behoud het dan voor u en laat niemand ter wereld er iets van blijken, ook mij niet. Ik heb mij niet te bemoeien met de geheimen en tranen der dames, want ik ben gehuwd, en als slechts mevrouw de keurvorstin geen geheimen voor mij heeft, ben ik tevreden.quot;

„Doorluchtigheid, er is geen dame, al ware zij zelfs zulk een engel als mevrouw de keurvorstin, die haar geheimen niet heeft, en voor haar gemaal niet veel verzwijgt,quot; riep Burgsdorf de schouders ophalende.

„Zie,quot; zei de keurvorst lachend; „de oude vrouwen-

ocr page 131

ltgt;5

hater komt van achter den aanbidder der prinses toch weder te voorschijn. Wat weet gij dan van de geheimen van mevrouw de keurvorstin?quot;

„Ik, doorluchtigheid/' betuigde Burgsdorl'. ,.ik weet er niets van. Ik sta helaas niet in de gunst van haar doorluchtigheid. Ik ben immers maar een oude, onbeschaafde kerel, en heb volstrekt niet zulke fijne manieren en ben niet zoo innemend als de heer opperhofmaarschalk Otto von Schwerin, de man van iedereen.quot;

„Komt ge weer met uw vijandschap tegen onzen hofmaarschalk ?quot; riep de keurvorst, „Wilt ge weer beproeven ons tegen hem in te nemen?quot;

„Ik haat hem, ja, ik haat hem,quot; riep Burgsdorf met onstuimige heftigheid. „Ik verfoei dat schijnheilig huichd-achtig wezen, met zijn hovelingsmanieren, zijn fraaie woorden en . . .quot;

,,Ik verbied u uw lastertong nog langer tegen dezen man van eer te richten.quot; riep de keurvorst heftig. „Ik verlang niet van u, dat ge een hoveling zijt, maar het is onbetamelijk, kwaad te spreken van iemand, dien wij met onze gunst vereeren, en die ons vertrouwen zoozeer waardig is als de heer opperhofmaarschalk Otto von Schwerin. Geen woord meer, Burgsdorf! Neem mijn woorden wel ter harte en als ge morgen in de zitting van den geheimen raad komt, laat mij dan den ouden, eerlijken en goed geluimden Burgsdorf wedervinden. Ga nu, en vergeet uw droefgeestigheid wegens de fee, die u ontvloden is.quot; —

„Ik heb haar dan toch onrecht gedaan,quot; zei de keurvorst bij zich zeiven, toen hij weder alleen was. „Ludo-wike is vertrokken. Zij heeft niet beproefd heimelijk nog langer hier te blijven, en zij heeft naar 't schijnt niet van zich kunnen verkrijgen, haar nicht weer te zien. Ik had wel gewild, dat zij dit gedaan had,quot; ging de keurvorst zuchtend voort, „ik wenschte, dat ze langer hier was gebleven. Het was zulk een aangename uitspanning met haar te praten. Zij heeft zulk een levendigen geest, zoo'n vurige ziel. Zij is zoo vertrouwd met kunsten en wetenschappen, en men voelt zich door haar geestige woorden en pikant onderhoud steeds geprikkeld zelf het beste te zeggen wat men weet, zijn innigste gedachten uit de diepte zijner ziel op te halen en ze in woor-

ocr page 132

12(5

den te brengen. Ach, Ludowike, Ludowike, ge zijl inderdaad een tooveres, en . .

„Hel is goed, dat gij heen zijl gegaan,quot; viel de keurvorst zich zeiven in de rede, terwijl hij zich haastig oprichtte en met driftige schreden op en neer ging. „Ja, waarlijk, hel is goed, want len slotte zoudt ge mij nog belooverd hebben en zou ik voor de verleidingen der Armida gezwicht zijn. — Ik wil lot Louise gaan,quot; voer de keurvorst na een korte pauze voort. „Ja, lol mijn goede, lieve Louise. Als ik in haar schrandere, onschuldige oogen zie, zullen die kleine insecten, welke de tooveres heeft achtergelaten en die om mijn hoofd gonzen, wel verdreven worden. Want Louise's nabijheid is vrede, helderheid en rust.quot;

En de keurvorst drukte zijn gevederde baret op zijn bruin krullend haar en verliet ijlings de kamer.

II.

HET BEZOEK.

De keurvorstin Louise was juist bezig met hel in orde brengen van haar rekeningen en het nazien van haar kas, toen Friedrich Wilhelm geheel onaangediend, onverwacht bij haar binnentrad. Hij had stil de deur geopend en bleef slaan om zijne gemalin, die hem niet opmerkte, gade te slaan. Zij had reeds toilet gemaakt voor hel middagmaal, dat geregeld om twaalf uur plaats had. Hel lichtblauw, met zwarte kant versierde satijnen kleed omhulde engsluitend haar volle fraaie gestalte en viel in wijde plooien op haar voeten neder. Haar blond haar, op het voorhoofd gescheiden, hing achter de ooien en aan het achterhoofd met dikke lange lokken neder, zeer eenvoudig slechts met een blauw lint samengebonden, dat in een lange sleep eindigde. De hals en de fraaie volle schouders waren met een lichten kanten doek bedekt die

ocr page 133

127

op den boezem met een kleine juweelen speld vastgestoken was. Dit was het eenige sieraad, dat de keurvorstin heden droeg, en toch lag er iets gebiedends, iets voornaams in geheel haar voorkomen en niemand zou het gewaagd hebben dit aanvallig, edel wezen zonder eerbied en achting te naderen.

De keurvorst zag haar nog altijd zwijgend, met teederen, liefdevollen blik aan. Het was of hij dit liefelijk beeld diep in zijn geheugen wilde prenten, opdat het met zijn vroolijke, heldere kleuren een ander beeld zou verduisteren. Hij kon zich niet verzadigen in de aanschouwing der heerlijke gestalte, van het reine, liefelijke gelaat, dat zijdelings naar hem was gekeerd, en hem zijn fraai gevormd, edel profiel liet zien.

Zooals wij zeiden, was zij met het in orde brengen van haar rekeningen bezig. Voor haar op de tafel lagen groote documenten en rekeningen ; daar naast, in kleine afzonderlijke hoopen opgesteld, goud- en thalerstukken. De keurvorstin had haar berekeningen ten einde, zij legde de pen neder en richtte het hoofd op.

„Ja,quot; zeide zij luid en verheugd, „het zal gaan. Er is weer een aardig overschot, dat ik mijn lieven Schwerin kan geven! Immers bij is mijn eenige vertrouwde en..

„Wel zoo, mevrouw de keurvorstin, wat moet ik hoo-ren,quot; riep de keurvorst glimlachend, terwijl hij de kamer verder binnentrad.

De keurvorstin was bij zijn eerste woorden ontroerd, maar toch straalde haar gelaat van vroolijke verrassing, zij richtte zich schielijk van haar stoel op en liep met teederen blik haar gemaal tegemoet.

„Welkom, mijn heer en gebieder,quot; zeide zij, hem beide handen reikende, „welkom, mijn vriend en mijn geliefde! Van waar komt ge zoo vroeg, lieve onstuimige?quot; voer zij voort, terwijl, zij beide armen om zijn schouders legde en hem met van vreugde stralende oogen aanzag. „Ik dacht, dat de keurvorst nog zeer deftig in den geheimen raad zat, en, om zijn voorbeeld te volgen, zette ik mij ook aan mijn schrijftafel om te werken en rekende . . . .quot;

„Dat ge een aardig overschot badt/' viel de keurvorst haar glimlachend in de rede. „Een overschot, dat ge uw lieven Schwerin, uw eenigen vertrouwde wilt geven. Ik roep u ter verantwoording op, mevrouw de keurvorstin

ocr page 134

128

en verlang te weten wat dat beteekenen moet, en hoe uw genade het durft wagen een anderen vertrouAvde te hebben dan uw gemaal?quot;

„Verlang dat niet te weten, Friedrich, want ik kan het u niet zeggen,quot; antwoordde de keurvorstin vleiend, terwijl zij met baar kleine witte hand teederlijk de bruine Wangen van haar gemaal streelde.

„Kunt gij het mij niet zeggen, Louise?quot; vroeg hij, en zijn glimlachend gelaat werd een weinig ernstiger. „Hebt ge dus waarlijk een geheim voor mij ?quot;

„Ja,quot; zeide zij, terwijl zij hem met haar groote, bruine oogen vriendelijk en hartelijk aanzag. „Ja, ik heb een geheim voor u, Friedrich.quot;

„En Otto von Schwerin weet het?quot;

„Hij weet het, maar hij is geheimhoudend, en ik kan mij volkomen op hem verlaten. Vraag nu niet verder Friedrich, want ik mag u niets zeggen, ik ben door een gelofte verbonden. Zoodra de tijd gekomen is — en ik hoop dat die spoedig komen mag — dan, mijn veelgeliefde, zult ge alles vernemen en gij zult u dan zeker met mij verheugen.quot;

„Maar tot zoolang blijft mijnheer Otto von Schwerin uw eenige vertrouwde,' zei de keurvorst op eenigzins harden toon.

Louise Henriette zag verwonderd op. „Hoe zonderling-zegt ge dit, en waarom neemt ge in eens zulk een ernstige houding aan?quot; voeeg zij.

„Wel, mevrouw de keurvorstin, ik betuig u, dat ik het toch wel vreemd vindt, dat er geheimen zijn, die ik niet van u mag weten, maar die wel aan mijnheer Otto von Schwerin worden medegedeeld. Gij houdt het er dus voor, dat ik zeer bedaard en zachtmoedig ben en volstrekt geen iiverzucht bezit.quot;

De keurvorstin ontstelde en een gloeiend rood vloog over haar wangen.-

„Ijverzucht?quot; zeide zij verwonderd, „gij zoudt tot ijverzucht in staat zijn?quot;

„Waarom niet ?quot; vroeg de keurvorst een weinig verstoord. „Gij hebt geheimen voor mij, die een ander kent. Gij vertrouwt aan mijnheer von Schwerin zaken, die ge mij weigert te zeggen. Ik vraag u, mevrouw de keurvorstin, waarom zou ik dan niet ijverzuchtig zijn?quot;

ocr page 135

429

„Ik zal het u zeggen, mijnheer de keurvorst,quot; antwoordde zij met zachte waardigheid, terwijl zij een schrede achteruit trad en haar gemaal met een treurigen blik aanzag. „Ik zal u zeggen, waarom ge niet ijverzuchtig moogt zijn. Wijl ge daarmede uw gemalin beleedigt, omdat ge uw gemalin daarmede de schande aandoet, aan haar deugd, haar eerbaarheid, en wat nog erger is, aan haar liefde te twijfelen. Zoo ge ijverzuchtig waart, zoudt ge toonen, dat ge mij voor een huichelaarster houdt, die haar plichten en huwelijkstrouw zou kunnen vergeten.quot;

„Louise, ge neemt de zaak waarlijk al te streng op,quot; zei Friedrich Wilhelm, wiens vluchtige opwelling reeds verdwenen was. „Het is zeer natuurlijk, dat een man, die zijne vrouw bemint, ijverzuchtig is op elk gunstbewijs, dat zij een ander verleent? Is het zelfs niet zeer vleiend voor een dame, die reeds zes jaren gehuwd is, dat haar echtgenoot ijverzuchtig is?quot;

„Neen, dat is niet vleiend, maar smartelijk,quot; antwoordde de keurvorstin. „De huwelijksliefde is als een heilig evangelie, waaraan men gelooven moet, en dat men niet met twijfelende of spottende gedachten mag lezen, maar met vroom vertrouwen en in het vast geloof aan zijne waarheid.quot;

„Dat doe ik, waarlijk Louise, dat doe ik,quot; zei de keurvorst hartelijk, en zijn gemalin de hand reikende. „Ik heb in u een vast en onwankelbaar vertrouwen; en met blijmoedige overtuiging zeg ik: Gij zijt mijn beter, mijn schooner ik, wat ge doet is good en wat ge wilt is wèl. Want nooit, dat weet ik, zal uw hart de trouw breken, nooit zal Louise Henriette ophouden haar gemaal te beminnen. Niet omdat hij deze liefde zoo volkomen waardig is, want hij is soms tamelijk barsch en onvoldaan en 't gebeurt hem wel, dat zijn opvliegend karakter den hemel voor de hel houdt, en de engel, die aan zijn zijde wandelt, voor een aardsche, wereldsche vrouw. Maar als zijn drift is bedaard en zijn oogen weder helder zien, erkent hij zijne dwaling en bidt berouwvol en deemoedig om vergiffenis. Louise Henriette, wilt ge genade voor recht laten gelden? Wilt ge uw barschen en driftigen echtgenoot vergeven?quot;

Terwijl de keurvorst dit zeide, boog hij de knie voor zijn gemalin en zag met gevouwen handen en smeekenden blik tot haar op.

Mühlbaoh, Be groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 9

ocr page 136

128

en verlang te weten wat dat beteekenen moet, en hoe uw genade het durft wagen een anderen vertrouwde te hebben dan uw gemaal?quot;

„Verlang dat niet te weten, Friedrich, want ik kan het u niet zeggen,quot; antwoordde de keurvorstin vleiend, terwijl zij met haar kleine witte hand teederlijk de bruine Wangen van haar gemaal streelde.

„Kunt gij het mij niet zeggen, Louise?quot; vroeg hij, en zijn glimlachend gelaat werd een weinig ernstiger. „Hebt ge dus waarlijk een geheim voor mij ?quot;

„Ja,quot; zeide zij, terwijl zij hem met haar groote, bruine oogen vriendelijk en hartelijk aanzag. „Ja, ik heb een geheim voor u, Friedrich.quot;

„En Otto von Schwerin weet het?quot;

„Hij weet het, maar hij is geheimhoudend, en ik kan mij volkomen op hem verlaten. Vraag nu niet verder Friedrich, want ik mag u niets zeggen, ik ben door een gelofte verbonden. Zoodra de tijd gekomen is — en ik hoop dat die spoedig komen mag — dan, mijn veelgeliefde, zult ge alles vernemen en gij zult u dan zeker met mij verheugen.quot;

„Maar tot zoolang blijft mijnheer Otto von Schwerin uw eenige vertrouwde,quot; zei de keurvorst op eenigzins harden toon.

Louise Henriette zag verwonderd op. „Hoe zonderling-zegt ge dit, en waarom neemt ge in eens zulk een ernstige houding aan?quot; voeeg zij.

„Wel, mevrouw de keurvorstin, ik betuig u, dat ik het toch wel vreemd vindt, dat er geheimen zijn, die ik niet van u mag weten, maar die wel aan mijnheer Otto von Schwerin worden medegedeeld. Gij houdt het er dus voor, dat ik zeer bedaard en zachtmoedig ben en volstrekt geen ijverzucht bezit.quot;

De keurvorstin ontstelde en een gloeiend rood vloog over haar wangen.-

„Ijverzucht?quot; zeide zij verwonderd, „gij zoudt tot ijverzucht in staat zijn?quot;

„Waarom niet ?quot; vroeg de keurvorst een weinig verstoord. „Gij hebt geheimen voor mij, die een ander kent. Gij vertrouwt aan mijnheer von Schwerin zaken, die ge mij weigert te zeggen. Ik vraag u, mevrouw de keurvorstin, waarom zou ik dan niet ijverzuchtig zijn?quot;

ocr page 137

129

„Ik zal het u zeggen, mijnheer de keurvorst,quot; antwoordde zij met zachte waardigheid, terwijl zij een schrede achteruit trad en haar gemaal met een treurigen blik aanzag. „Ik zal u zeggen, waarom ge niet ijverzuchtig moogt zijn. Wijl ge daarmede uw gemalin beleedigt, omdat ge uw gemalin daarmede de schande aandoet, aan haar deugd, haar eerbaarheid, en wat nog erger is, aan haar liefde te twijfelen. Zoo ge ijverzuchtig waart, zoudt ge toonen, dat ge mij voor een huichelaarster houdt, die haar plichten en huwelijkstrouw zou kunnen vergeten.quot;

„Louise, ge neemt de zaak waarlijk al te streng op,quot; zei Friedrich Wilhelm, wiens vluchtige opwelling reeds verdwenen was. „Het is zeer natuurlijk, dat een man, die zijne vrouw bemint, ijverzuchtig is op elk gunstbewijs, dat zij een ander verleent? Is het zelfs niet zeer vleiend voor een dame, die reeds zes jaren gehuwd is, dat haar echtgenoot ijverzuchtig is?quot;

„Neen, dat is niet vleiend, maar smartelijk,quot; antwoordde de keurvorstin. „De huwelijksliefde is als een heilig evangelie, waaraan men gelooven moet, en dat men niet met twijfelende of spottende gedachten mag lezen, maar met vroom vertrouwen en in het vast geloof aan zijne waarheid.quot;

„Dat doe ik, waarlijk Louise, dat doe ik,quot; zei de keurvorst hartelijk, en zijn gemalin de hand reikende. „Ik heb in u een vast en onwankelbaar vertrouwen; en met blijmoedige overtuiging zeg ik: Gij zijt mijn beter, mijn schooner ik, wat ge doet is goiid en wat ge wilt is wél. Want nooit, dat weet ik, zal uw hart de trouw breken, nooit zal Louise Henriette ophouden haar gemaal te beminnen. Niet omdat hij deze liefde zoo volkomen waardig is, want hij is soms tamelijk barsch en onvoldaan en 't gebeurt hem wel, dat zijn opvliegend karakter den hemel voor de hel houdt, en de engel, die aan zijn zijde wandelt, voor een aardsche, wereldsche vrouw. Maar als zijn drift is bedaard en zijn oogen weder helder zien, erkent hij zijne dwaling en bidt berouwvol en deemoedig om vergiffenis. Louise Henriette, wilt ge genade voor recht laten gelden? Wilt ge uw barschen en driftigen echtgenoot vergeven?quot;

Terwijl de keurvorst dit zeide, boog hij de knie voor zijn gemalin en zag met gevouwen handen en smeekenden blik tot haar op.

Mühlbaoh, Be groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 9

ocr page 138

130

De keurvorstin haastte zich om hem haar handen te reiken en hem met zacht geweld op te richten. „Kom, mijn gemaal,quot; zeide zij hem vriendelijk toeknikkende. „Zet u aan mijn schrijftafel en veroorloof, dat ik u eenige documenten voorleg. Ge zuil het geheim kennen, ik wil u iets mededeelen, dat . .

„Louise,quot; viel de keurvorst haar levendig in de rede, „ik vorder van'u als een bewijs uwer vergilfenis, niet te begeeren, dat ik ook slechts één dezer papieren of documenten inzie ot kennis van uw geheim neem. Ik wil het niet weten, en gij zoudt mij waarlijk bedroeven, zoo ge erop aandrongt het mij te zeggen; hieruit zou ik moeten afleiden, dat ge mij nog niet vergeven hadt, maar nog verstoord op mij waart.quot;

„Ik ben niet meer verstoord op u, Friedrich,quot; zei de keurvorstin, zich aan hem klemmende, „ik dank u hartelijk, dat gij tevreden zijt zonder mijn geheim te kennen, want het betreft een zaak, die mijn hart wee doet, een gelofte, welke ik in een moeielijk oogenblik gedaan heb, en . . .quot;

„Stil, mevrouw de keurvorstin,quot; riep de keurvorst, „wilt gij nu babbelachtig worden en zoo uw geheim verklappen? Ik wil er niets van hooren, mijn Louise, spreken wij er geen woord meer over. Alleen zou met mevrouw de keurvorstin nog wel een woord gewisseld kunnen worden, daar haar genade meent, dat de ijverzucht een onrecht, ja zelfs een beleediging is. Ik meen dat wezenlijke, waarachtige liefde niet zonder ijverzucht zijn kan, en dat slechts koele, onverschillige harten, of opgeblazen dwazen, die zich voor onweerstaanbaar houden, tot geen üverzucht in staat zijn. Ik, mijn lieve schoone, heb op zekeren avond in den Haag voor het Chineesche paviljoen zooveel van deze dwaze ziekte doorgestaan, dat, naar ik geloof, wel een weinig van deze giftstof in mij is achtergebleven, wat gij er wel nimmer uit zult kunnen verwijderen. Louise, beken mij eens heel eerlijk en oprecht, zijt gij nooit ijverzuchtig geweest?quot;

,,A.ls ik eerlijk en oprecht antwoord moet geven,quot; antwoordde de keurvorstin met nedergeslagen oogen, „dan moet ik bekennen, dat er tijden geweest zijn, dat ik zeer ijverzuchtig was, dat de ijverzucht als een dolk mijn hart doorboorde en mij dag noch nacht rust liet. Maar dat

ocr page 139

131

was lang vóór mijn huwelijk, en sedert gij mij op den bewusten avond in het Chinëesche paviljoen gezegd hebt, dat gij mij bemindet, viel eensklaps de dolk aan mijn voeten, en was ik vol van geluk en zaligheid.quot;

„En is dat zoo gebleven, Louise?quot; vroeg de keurvorst met bewogen stem. „Zijt gij nooit weer ijverzuchtig geweest ?quot;

De keurvorstin antwoordde niet dadelijk, maar zag een weinig verlegen naar den grond. Toen hief zij langzaam haar oogen op, en ontmoette met een zachten glimlach den blik van den keurvorst, die strak op haar was gevestigd. „Ik ben ook na dien tijd nog ijverzuchtig geweest,quot; zeide zij, „maar niet op een vrouw!quot;

„Niet op een vrouw? Op wie dan, kleine zottin?quot;

„Ik zal 't u zeggen, Friedrich, want ik wil uw vraag eerlijk en oprecht beantwoorden. Ik ben ijverzuchtig geweest, en ben dit nog op . . .quot;

„Waarom aarzelt ge, Louise? Zeg den naam. Noem mij uw mededinger.quot;

„Friedrich, het was op uw opperkamerheer, Koni'ad von Burgsdorf.quot;

De keurvorst ontroerde en een vorschende, onderzoekende blik zijner gloeiende oogen vloog over het gelaat der keurvorstin. Zou dit misschien een kleine waarschuwing zijn ? Wilde Louise hem op deze wijze te kennen geven, dat zij wist wie mevrouw von Kanitz was, die zich in Burgsdorfs huis had opgehouden?

Maar neen, het gelaat der keurvorstin was volkomen argeloos en helder, geen bitterheid of verwijt was er op te lezen, en met zachte, bevende stem ging zij voort: „Ja, Friedrich, op dezen man ben ik ijverzuchtig, en welke moeite ik mij zelve geef, hoe vaak ik ook bij mij zelve herhaal, dat het onrechtvaardig, ja zelfs zonde is, kan ik toch mijn toorn tegen dezen man niet overwinnen, en ik beken u, dat mij dit dikwijls zeer ongelukkig en ontevreden op mij zelve maakt.quot;

„Arm kind,quot; zei de keurvorst, zijn gemalin dichter tot zich trekkende, en haar hoofd aan zijn borst drukkende, alsof hij haar voor alle verdriet wilde beschermen. „Waarom haat ge dan onzen ouden Burgsdorf zoo, wat hebt ge op hem aan te merken?quot;

„Ik haat zijn ruwheid, zijn onbeschaafde manieren,quot; riep

ocr page 140

132

de keurvorstin met buitengewone heftigheid. „Hij pronkt met zijn ondeugden en roemt schaamteloos op zijn onmatigheid, zijn drinken, zijn lichtzinnigheid. Hij hoontdaarmede de goede zeden en dq welvoegelij kheid, en zoekt degenen belachelijk te maken, die niet zijn zoo als hij, die niet vloeken en razen, en zich niet aan drank te buiten gaan.quot;

„Het is waar,quot; zei de keurvorst glimlachend, „hij heeft slechte manieren en is geen fijn cavalier, maar ge moet bedenken, dat hij nog een man uit den ouden tijd is, toen het hier aan 't hof niet zoo zedig en fijn toeging. Hij heeft in zijne jeugd niets beters gehoord en gezien, en men moet dus door da vingers zien, dat hij in zijn ouderdom die slechte manieren van zijn jeugd niet afleert.quot;

„Dat is het juist wat mij vertooi nt,quot; riep de keurvorstin driftig. „Het geschiedt niet uit onwetendheid, maar opzettelijk, dat hij zich zoo ruw en onbeschaafd gedraagt. Hij verbeeldt zich iets geheel bijzonders te zijn, en in plaats van zich over zijn gedrag te schamen, beroemt hij er zich op, en daagt de jonge edellieden uit, zijn voorbeeld te volgen. En dit alles zou ik hem nog vergeven, maar ik houd hem buitendien niet voor een eerlijk man, niet voor een trouw en oprecht dienaar van zijn meester!quot;

„Louise, gij, die altijd zoo zacht en toegevend zijt, die altijd de menschen tracht te verontschuldigen, gij wilt den ouden Konrad von Burgsdorf beschuldigen en verdenken, hij die meer dan twintig jaren de trouwe dienaar van ons huis en onze familie is geweest?quot;

„God vergeve het mij, zoo ik hem onrecht doe, maar ik kan niet gelooven dat hij werkelijk een trouw en oprecht dienaar van zijn keurvorst is. Ik ben er veel eer van overtuigd, dat hij slechts zijn eigen belangen in 't oog houdt, en dat alles, wat hij doet, er op berekend is om zijn eerzucht en geldgierigheid te bevi-edigen.quot;

„'tïs waar,quot; zei de keurvorst, „gij hebt zijn hoofdgebrek goed opgemerkt en ik bewonder uwe scherpzinnigheid. Het is niet te loochenen, dat Burgsdorf een eerzuchtig en geldgierig man is; wij hebben hiervan, helaas, veel ondervinding opgedaan. Dikwijls was hij gekrenkt en ontevreden als een ander door ons tot rang en waardigheden werd verheven, en hij liet ons dan zijn booze luim zoo ongemakkelijk gevoelen, dat wij, om den

ocr page 141

133

goeden ouden Burgsdorf weder in een goede luim le brengen, hem met rijke geschenken moesten tevreden stellen. Dikwijls is hij ook van zijn zendingen naar vreemde hoven teruggekeerd met groote geldsommen, over welke men in twijfel kan zijn of hij ze ter belooning of ter om-kooping ontvangen had.quot; 1)

„En toch, Friedrich,quot; riep de keurvorstin levendig, „ondanks ge dit alles weet, vertrouwt gij hem en hecht gij waarde aan zijn raad en oordeel!quot;

„Ik heb dit gedaan, omdat ik, ondanks al zijn gebreken en zwakheden, toch van zijn verknochtheid en trouw overtuigd was, en hij tot de nalatenschap behoorde, die ik van mijn vader geërfd heb. Burgsdorf is ook in zaken een zeer bekwaam en verstandig man, een ijverig en voorzichtig arbeider, die op één dag meer tot stand brengt dan de overige heeren geheimraden in twee dagen. Ik kan mij op zijn meeningen en verslagen verlaten, hij heeft hier in de Marken en onder de stenden een grooten aanhang, die stemt zooals hij wil. En ik moet immers de heeren stenden ontzien en voorzichtig met hen omgaan, wantquot; dikwerf zijn zij halstarrig en weerbarstig, en dan heb ik den ouden Burgsdorf als bemiddelaar noodig.quot;

„Maar wie weet hoe vaak hij, in plaats van te bemiddelen, anders handelt,quot; riep de keurvorstin levendig, „hoe dikwerf hij met zijn overmoedige trotsche manieren ontevredenheid zaait, om later den naam te hebben, dat hij het is, die verzoening tot stand bracht! Vergeef mij, Friedrich, dat ik uw gunsteling zoo erg durf berispen, want ik weet wel, dat hij uw lieveling is. Hij vermag meer op u, dan alle anderen, meer zelfs dan mevrouw mijne moeder, laat staan ik!quot;

Friedrich Wilhelm glimlachte en zeide: „naar uw woorden schijnt het alsof er zeer velen iets op mij vermogen, en of de keurvorst in zijn oordeel en meening afhankelijk is van zeer vele andere stemmen. Trouwens, ik kan hiertoe wel aanleiding gegeven hebben. Het ligt zoo in mijn aard, dat ik mijn eigen oordeel mistrouw, en gaarne hoor wat mijn raden en dienaren en andere bekwame lieden over de aangelegenheden denken, die mij bezighouden. Ik laat mij daarom ook vaak over moeielijke politieke kwestiën

1

v. Droysen, Geschichte des Preussischen Politik, III, 3, 68.

ocr page 142

434

door mijn geheimraden memorien indienen en hun meening opschrijven. Ik heb bevonden, dat dit een goed middel is om zijn eigen oordeel op te scherpen en zijn zienswijze en meening te toetsen. Bovendien kan men van ieder leeren, en ik ben een zeer leergierig man, die het ernstig meent, door zulk onderwijs ten laatste voor zijn volk en zijn land een ervaren meester te worden en het naar zijn grondstellingen en oordeel te regeeren. Maar wie denkt, dat ik zulk een deemoedig leerling ben, die zich laat leiden aan den leiband van vreemde inzichten, die afhankelijk is van vreemde meeningen, die bedriegt zich, en zal mettertijd moeten bekennen dat hij zich in den keurvorst Friedrich Wilhelm vergist heeft, 't Is waar, Burgsdorf heeft een zeer invloedrijke en belangrijke stelling naast zijn keurvorstingenomen; hij is mijn eerste minister en geheimraad, ik heb hem lief, ter wille van oude gewoonten en van veeljarige herinneringen. Hij heeft mij op zijne armen gedragen toen ik nog een kind was, heeft als een vader met mij gestoeid en gespeeld, is mijn leermeester in het rijden en vechten en andere ridderlijke kunsten geweest, heeft mij steeds in bescherming genomen tegen den gunsteling van mijn vader, den boozen graaf von Schwarzenberg. Hem, Konrad von Burgsdorf, dank ik het, dat ik als jong mensch naar Holland mocht gaan, om mij op de studiën toe te leggen. Hij had dit bij mijn vader doorgedreven, hoewel von Schwarzenberg er tegen was en mij liever hier had gehouden, om mij in domheid en afhankelijkheid te laten blijven, of misschien wel om mij op een andere wijze uit den weg te ruimen. Zoover ik terugzie in het verleden, heeft Burgsdorf mij als een oud vaderlijk vriend ter zijde gestaan, en het zou mij wezenlijk verdriet doen, zoo ik ervaren moest, dat hij mij een verrader kon worden en ik niet meer op zijn trouw en gehechtheid kon rekenen. Geloof echter, dat ik een open oog en een opmerkzaam oor heb, en dat, hoe goed ik soms ook schijn, mij niets ontgaat. En moest het nu zijn, moest ik het als noodzakelijk achten, dan zou ik de spreuk der heilige schrift indachtig zijn: „Zoo u uw oog ergert, ruk het uit en werp het van u.quot; Geloof mij, ik zou er naar handelen, hoewel ik niet wil verhelen, dat het mij zeer zou smarten, en 't mij zijn zou, alsof een plant, waarin ik mij vaak verheugd en die ik met liefde en zorg verpleegd

ocr page 143

135

had, met wortel en al uit mijn hart werd gescheurd. En nu, mijn hartelijk geliefde Louise, nu ik u uitvoerig en nauwkeurig mijn innigste meeningen en gedachten heb onthuld, wees nu weder vroolijk en tevreden, en verwacht rustig en met blijden moed de dingen die komen zullen. Wees voor alles volkomen overtuigd, dat ge op Burgsdorf niet ijverzuchtig behoeft te zijn, en hij het nimmer zal wagen zijn onbescheiden mond tegen mijn geliefde te openen, want in datzelfde oogenblik zou hij een verloren man zijn, en hij is te schrander om dit niet te weten en er niet naar te handelen. Geef mij de hand, Louise, laat ons in vertrouwen en eensgezindheid leven, laten wij overtuigd zijn dat geen mensch in staat is den reinen hemel van ons geluk met een wolk te verduisteren, of met kwade inblazingen en verdachtmakingen ons vertrouwen en liefde voor elkander te schokken.quot;

„Ik geef u mijn hand, mijn Friedrich,quot; riep de keurvorstin met schitterenden blik, „ik zal trouw en blijmoedig naast u staan, zoowel in kwade als in goede dagen! Zoo ge mij bemint, is er niets, dat ik niet blijmoedig en gewillig zou willen verdragen, en'' — voer de keurvorstin met bewogen stem en verbleekende wangen voort — „zoo gij het mij vergeeft, dat ik uw huis geen erfgenaam, uw vaderhart geen zoon schenk, zal ik daarover tevreden zijn en het aan God overlaten mij te zegenen en mijn vurige wenschen te verhooren, of mij te verwerpen en te laten verwelken als een verdorrenden boom, die geen bloesem en vruchten draagt.quot;

„Een slechte en weinig passende vergelijking, Louise,quot; riep de keurvorst met vriendelijken lach. „Hef uw blik eens op, mijn dierbaarste, zie mij eens zeer goed in de oogen, en zeg mij wat gij er in ziet.quot;

„Ik zie er zoo duidelijk als in een spiegel mijn eigen beeld in,quot; zei de keurvorstin glimlachend.

„Gelijkt dit beeld op een verdorrenden boom?quot; vroeg de keurvorst schertsend. „Is het niet eer een fraaie bekoorlijke bloem, die nog menigen zomerdag kan bloeien, eer zij bezorgd behoeft te zijn of zij in den herfst ook vruchten zal kunnen aanwijzen?quot;

„Ik hoop op God,quot; zei Louise Henriette, vroom de handen vouwende.

ocr page 144

136

Juist werd de deur geopend en de kamerheor der keurvorstin trad binnen.

„Ik verzoek vergeving, doorluchtigheid,quot; zeide hij, „dat ik het waag u te storen. Maar zooeven is een hoog bezoek gekomen, en begeert terstond tot uw doorluchtigheid toegelaten te worden.quot;

„Wie is- het?quot; vroeg de keurvorstin levendig. „Friedrich, zou het eindelijk mevrouw onze moeder zijn, die ons zou willen verrassen? Kom, kom, laat ons haar tegemoet gaan!quot; 0

De keurvorstin nam den arm van haar gemaal en wilde voorwaarts gaan, maar Friedrieh Wilhelm hield haar terug. „Laat ons eerst hooren, mevrouw de keurvorstin! Zeg, Krokow, wie is dit bezoek?quot;

„Ik weet het niet, doorluchtigheid! Het is een zeer schoone, tamelijk jonge dame met gloeiende zwarte oogen en zwart haar. Zij is het kasteel binnengereden in een groote, zwaar bepakte reiswagen, maar met weinig bedienden. De portier riep mij, en toen ik de vrijheid nam de dame haar naam te vragen, antwoordde zij, het was niet noodig, dat ik dien wist. Zij wilde haar hooge nicht, mevrouw de keurvorstin, verrassen. Ik zou haar dus maar stil naar de vertrekken uwer genade voeren. Nu wist ik niet wat hierop te antwoorden, noch wat te doen. Maar de dame beval mij haar mijn arm te geven en haar hij het uitstijgen behulpzaam te zijn; ik kon niet anders dan gehoorzamen. Vervolgens beval zij mij, haar terstond tot uw doorluchtigheid te voeren, en daar ik aarzelend bleef staan, ging zij vooruit over de voorplaats en de groote trap op, alsof zij hier volkomen den weg wist.quot;

„En hier ben ik!quot; zei een heldere, lachende stem achter hem; toen de keurvorstin zich omwendde zag zij in de open deur een dame van hooge, fiere gestalte in een eenvoudig zwart reiscostuum. Zij had den sluier, die haar hoofd omhulde, ter zijde geslagen, en zag in fraai, lachend gelaat de keurvorstin aan, die met een zeer ver-legene houding de schoone vreemde aanschouwde, en in haar verwarring er volstrekt niet aan dacht haar tegemoet te gaan.

„Ja, hier ben ik,quot; herhaalde de dame voorwaarts tredende, „en nu verzoek ik mijn lieve nicht Louise Henriette mij welkom te heeten, of anders mij terstond weder te

ocr page 145

137

laten gaan, want mijn rijtuig staat nog benoden voor de kasteel poort, en ik vertrek dadelijk weer, zoo ge mij niet hebben wilt en mijn bezoek u niet aangenaam is.quot;

„Het is mij zeker aangenaam,quot; zei de keurvorstin verlegen, „maar . .

„Ge weet niet, wie ik ben! Daar staat ook mijn waarde heer neef en ziet zoo verbluft en verlegen, alsof hij mij nooit van zijn leven gezien had. Ja, inderdaad, er zijn vele jaren verloopen, sinds wij elkander het laatst gezien hebben, heer keurvorst Friedrich Wilhelm. Toen waart ge nog een dweepende keurprins, en ik een dwaas, hartstochtelijk jong meisje. Maar ben ik dan waarlijk zoo schrikkelijk veranderd, dat ge mij heden niet herkent? Weet ge niet meer, Louise, dat ik u in een klein wagentje, door twee witte bokken met vergulde hoornen getrokken, naar het bosch ter wandeling voerde, en . . .quot;

„Het is nicht Ludowike,quot; riep de keurvorstin verheugd, ,.ja, waarlijk het is nicht Ludowike Hollandine! ...quot;

„Het is het verloren kind, dat terugkeert tot de haren,quot; riep de prinses, en, terwijl ze haar beide armen voor de keurvorstin uitbreidde, vroeg ze met tranen in de oogen; ,,Wilt go de verlorene als een wedergevondene opnemen, Louise? Zal ik niet langer als een verstooteno in den vreemde behoeven om te zwerven?quot;

„Neen, Ludowike, gij zijt welkom, van harte welkom,quot; riep de keurvorstin, en op de prinses toeloopende, sloot zij haar in haar armen en drukte een innigen kus op haar lippen.

De keurvorst stond van verre en zag verlegen en besluiteloos naar de fraaie, lieve groep. Het was alsof hij zijn gemalin uit de armen der prinses moest rukken, of hij zeggen moest: „Zij is een intrigante! Zij bedriegt u, Louise! En toch! had hij er wel recht voor? Had hij de prinses niet met plechtigen handslag beloofd, aan niemand ter wereld het geheim van baar verblijf bij Burgs-dorf te verraden? Had hij hiervoor niet gevorderd, dat Ludowike na acht dagen óf zouj vertrekken, óf openlijk verschijnen en haar nicht, de keurvorstin zou begroeten ? Had Ludowike haar belofte niet vervuld? Was zij niet na acht dagen vertrokken en kwam zij nu niet vrijwillig om te vervullen wat zij den keurvorst beloofd had? Moest hij nu ook niet zijn belofte houden en haar geheim bewaren ?

ocr page 146

138

Zuu het niet een woordbreuk zijn haar te verraden, nu zij zoo deemoedig en onderworpen haar nicht om opneming en bescherming kwam verzoeken? Hij wist wel, wat het dit (iere, trotsche hart gekost had om zich zelf te overwinnen, wat een zwaren strijd ze met haar hoogmoed had gestreden. Burgsdorf had hem immers verteld, dat zij den ge-heelen nacht geweend had, en hoe treurig zij heden in den vroegen morgen van hem vertrokken was. ,

Neen, het was onmogelijk. Hij mocht zijn eed niet breken en haar verraden. Zij had aan al de voorwaarden voldaan, hij had. dus geen recht haar vertrouwen te misbruiken. Zij was er, hij kon haar niet uit zijn huis verwij-deren, nu de keurvorstin haar welkom had geheeten.

De keurvorst ging voorwaarts en naderde langzaam de beide nichten, die hand in hand stonden en zacht tezamen spraken.

„Laat mij heengaan, Louise,quot; lluisterde de prinses juist. „Ge ziet immers, dat hij mij niet wil begroeten en het hem onaangenaam is mij hier te zien; laat mij liever gaan.quot; Ludowike maakte een beweging alsof zij zich wilde verwijderen, maar de keurvorstin hield haar vast, en wendde zich met een smeekenden blik tot haar gemaal.

„Friedrich,quot; zeide zij. „Ludowike wil heengaan, omdat gij haar niet welkom heet. Ik heb haar echter verzocht te blijven.quot;

„Gij hebt er wèl aan gedaan, mijn dierbare Louise,quot; riep de keurvorst vriendelijk, terwijl hij nu schielijk naderde en de prinses zijn hand reikte.

„Welkom, prinses Ludowike Hollandine/'zeide hij bijna plechtig. „Moge uw in- en uitgang in dit huis gezegend zijn! Mevrouw de keurvorstin, mijn hartelijk geliefde en dierbare gemalin, heeft u welkom geheeten. Zij heeft zulk een vroom hart, dat zich ook voor de eeredienst der herinnering niet sluiten kan, maar die zuiver en heilig in zich bewaard heeft. Wij zullen dus beiden haar schoon voorbeeld volgen en met een vroom en ernstig gemoed ons aan de eeredienst, wijden en ons trouw en eerlijk houden, ons geheele leven.quot;

„Ja, dat willen wij,quot; riep Ludowike, schijnbaar diep geroerd. „Laat mij dus hier een paar dagen bij u blijven om mij tot den grooten stap voortebereiden dien ik doen wil. Ik reken op u, Louise. Ik hoop dat uw zacht en goed

ocr page 147

139

hart zich voor mij openen en mij een weinig liefde en medelijden schenken zal, en als dat zoo is, zult gij mijn voorspraak zijn bij mijne moeder en mijne zusters, opdat zij mij weder in heur hart opnemen.quot;

„Wilt ge naar den Haag terugkeeren, naar onze familie ?quot; vroeg de keurvorstin eenigzins verlegen, want zij wist hoe weinig sympathie prinses Ludowike in den Haag zou vinden, hoe lastig zij voor prinses Amalia, hoe onaangenaam zij zelfs voor haar eigene moeder zou zijn.

„Ja,quot; antwoordde de prinses, „ik wil tot de mijnen terugkeeren, maar niet om er te blijven, alleen om vrede te maken met de wereld en met mijn hart, vóór dat ik de wereld voor altijd vaarwel zeg. Dit, Louise, is mijn laatste aardsche bezigheid, en als ik dit volbracht heb, als ik met mijne familie verzoend ben, den zegen mijner moeder en den vredegroet van al mijne geliefden ontvangen heb, dan is mijn pelgrimstocht ten einde en ik keer weer naar Frankrijk, om mij aan alle wereldsche dingen te ontrukken en mij in een klooster te begeven. Mijnheer de keurvorst,quot; voer de prinses voort, terwijl zij zich met een treurigen glimlach tot Friedrich Wilhelm wendde, „ik wil reeds in het eerste uur van ons wederzien aan uw gemalin, mijn lieve nicht, biechten. Zij zal van mij vernemen, wat gij haar waarschijnlijk met uw edel ridderlijk gemoed verzwegen hebt. Ik weet, dat ge u nooit aan de misdaad kondt schuldig maken van het geheim eener dame te verraden. Niet waar, neef, gij hebt dat niet gedaan en zult bet niet doen?quot;

De keurvorst begreep zeer goed den geheimen zin dezer vraag, en beantwoordde den vragenden blik met een vasten, kalmen oogopslag.

„Neen,quot; zeide hij, „dat heb ik niet gedaan en ik zal het ook niet doen.quot;

De prinses boog even. „Gij zult van mij mijn geheim vernemen, Louise,quot; zeide zij, de hand der vorstin nemende en haar teeder tot zich trekkende. „Ik wil u alles zeggen, mijn dierbare nicht, ik wil bij u biechten. Er was een tijd, Louise, — ach, hij is lang verdwenen — toen ik een jong onschuldig en schoon meisje was, even als gij waart, toen gij met uw gemaal trouwdet. Destijds kwam de keurprins van Brandenburg in den Haag; gij weet dit niet, want gij waart toen nog een kind.quot;

ocr page 148

140

„O ja, dat weet ik,quot; zei de keurvorstin met een glimlachenden blik op haar gemaal. „Ik weet dit zeer goed, want het kind loerde toen reeds haar neef beminnen, en vond in hem haar ideaal.quot;

„Daar gij hem als kind reeds bemindet,quot; ging de prinses voort, „zult ge begrijpen, dat ik, hot zestienjarig meisje met een vurig, naar liefde smachtend hart, hem beminde, en niets inniger, niets vuriger verlangde dan hem te be-hooren en zijn gemalin te worden. Misschien was het mijn liefde, die hem aantrok, genoeg, wij beminden elkander en wilden te zamen trouwen. Maar op het oogenblik dei-beslissing verloor de liefde haar kracht. Hij versmaadde mij.quot;

„Friedrich,quot; riep de keurvorstin, „hadt ge den vreese-lijken moed, uw schoone, bekoorlijke nicht te versmaden^quot;

„Ja,quot; riep de prinses schielijk, zonder den keurvorst tijd tot antwoord te laten. „Ja, hij had dien vreeselijken moed, en zie hem maar eens aan, Louise, ik geloof dat hij er zich nu nog over verheugt. Ach, ik kan het hem niet ten kwade duiden, want zonder dezen moed zou hij nu niet de gemaal mijner lieve, schoone nicht Louise Henriette zijn. Ja, hij versmaadde mij, hij beminde mij niet zoo gloeiend, zoo hartstochtelijk als ik bemind wilde zijn. Het kwam tot eene verklaring, tot een breuk en wij scheidden. Ik met toorn en haat in het hart, hij met onverschilligheid en ontnuchterd. Dit Louise, is mijnbiecht, ik heb er nog slechts dit bij te voegen, dat de tijd sedert lang deze diepe wonde van mijn hart genezen heeft en ik er nog nauwelijks meer het ïitteeken van voel.quot;

„En ik, mijn dierbare Ludowike,quot; zei de keurvorstin innig, „ik bid u om vergeving voor den keurvorst, om vergeving voor zijne wreedheid en lichtzinnigheid, want....quot;

„Halt, mevrouw de keurvorstin,quot; viel haar gemaal haar glimlachend in de rede. „Yerzoek niet te veel. De prinses heeft nog iets vergeten, en daar zij u biechten wil, moet zij alles zeggen, wil ik niet als een wankelmoedige, lichtzinnige knaap voor u staan. Prinses Ludowike, gij zegt dat ik u versmaad heb! Wil nu ook de goedheid hebben, haar mede te deelen, welke omstandigheden mij toen tot zulk een stap deden besluiten.quot;

„O ja,quot; antwoordde de prinses, „ik vergat het. Wij konden van onze ouders en familie geen toestemming tot

ocr page 149

141

ons huwelijk verkrijgen. Wij hadden moeten vluchten en ons heimelijk laten trouwen, maar waren zonder middelen. Toen kwam er een onverwachte hulp. De Fransche gezant bood ons, in naam van zijn vorst, een wijkplaats op Franschen bodem; hij verklaarde zich bereid, den keur-prins aanzienlijke sommen te betalen, zoo deze zich wilde verbinden, later als keurvorst de bondgenoot en aanhanger van den koning te blijven.''

„Zeg liever, de dienaar, de vasal van Frankrijk te worden!quot; riep de keurvorst. „Dat kon en mocht ik niet aannemen. Mijn geweten verzette er zich tegen, het deed mijn hart zwijgen, en ik moet bekennen, dat mij dit nog heden niet berouwt, dat ik nog heden zoo handelen zou, als ik toen gedaan heb.quot;

„Ziet ge, nicht,quot; zei Ludowike glimlachend, „hij heeft geen berouw, hij is onverbeterlijk. Waarlijk, thans heeft hij meer recht dan toen, want hij ziet u naast mij staan. Ge zijt schoon, jong, fier en bekoorlijk, ik — neef, gemoogt mij nu wel de hand reiken en mij met een eerbaren kus voor uw vorige zonden om vergiffenis vragen, want mijne schoone nicht zou hierin geen reden vinden ijverzuchtig te zijn.quot;

„Neen,quot; riep de keurvorstin met een glimlachenden blik op haar gemaal, „neen, ik ben niet ijverzuchtig! Kom, Friedrich, neem de verzoening aan van onze lieve nicht, kus haar de hand en verzoek haar bij ons te blijven, zoo lang het haar behaagt. Zeg haar, dat het ons beiden zal verheugen, zulk een lief bezoek bij ons te zien.quot;

„De prinses heeft dit reeds uit uw mond vernomen, en daaruit klinkt het fraaier en beter dan uit den mijnen,quot; antwoordde de keurvorst glimlachend, doch hij nam de hem gereikte hand der prinses en drukte ze aan zijn lippen.

„En nu,'' zei de keurvorstin vroolijk, „nu allesopgehelderd is, gelieve mijn lieve nicht mij te veroorloven als huisvrouw een weinig voor haar te zorgen en zelve den hofmeester mijne aanwijzingen te geven. Hij zal waarschijnlijk reeds in de voorkamer staan om op mijn bevelen te wachten. Vergun mij dus, dat ik mij een paar minuten verwijder.quot;

Zij knikte de prinses glimlachend toe en ging door de kamer naar de antichambre.

De keurvorst en de prinses bleven alleen. Zij stonden

ocr page 150

142

tegenover elkander en zagen elkander wederkeerig met ernstige en treurige blikken aan.

„Ge ziet, Friedrich Wilhelm,quot; zei Ludowike met zachte bevende stem, „dat ik uw bevel volbracht heb, en gekomen ben om uw gemalin te begroeten.quot;

„Ja,quot; antwoordde hij somber, „maar het is uwe schuld, dat ik heden voor de eerste maal mijn gemalin de waarheid verborgen heb.quot;

„Hoe?quot; vroeg zij smartelijk. „Was dit offer nog niet groot genoeg? Zoudt ge willen begeeren, dat ik uw ge malin zeide, dat ik ook thans slechts gekomen was om u te zien om afscheid van u te nemen? O, Friedrich, ge-hebt waarlijk een wreed hart en wilt mij zonder medelijden steeds dieper krenken.quot;

„Neen,quot; zeide hij, langzaam het hoofd schuddende, „ik ben niet wreed, maar slechts voorzichtig en gemoedelijk!''

„En gij begeert nog dit laatste offer?quot; vroeg zij zacht. „Moet ik uw gemalin zeggen, dat ik - hier al eenige dagen heimelijk heb doorgebracht, dat gij dagelijks op mijn wensch bij mij zijt fgekomen, dat de oude goede Burgs-dorf mij onder een valschen naam bij zich ontvangen heeft? Moet ik haar dit' alles zeggen ?quot;

„Neen,quot; antwoordde de keurvorst haastig, „neen. Wij zullen het hierbij laten, en de keurvorstin niets van deze dingen mededeelen. Het is misschien beter! En nu, Ludowike Hollandine,quot; ging de keurvorst voort, haar zijne beide handen reikende, „wees welkom in mijn huis, onder mijn dak! Ge hebt mij een groot offer gebracht, en ik dank u, dat gij dit gedaan hebt, want ge zult mijn leven met eenige schoone, gelukkige dagen rijker maken, en een weinig zonneschijn in dit grijze, donkere gebouw brengen.quot;

Juist trad de keurvorstin weder de kamer binnen, en toen zij beiden zoo hand in hand en elkander vriendelijk aanschouwend zag staan, knikte zij hen met een vriendelijken glimlach toe.

„Zoo is het goed, dat doet mij genoegen!quot; riep zij. „Vrede onder ons allen, vrede en liefde! Kom nu, mijn lieve nicht, geef mij uw arm, en veroorloof mij, dat ik zelve u naar uw vertrekken breng, opdat ge kunt uitrusten en u herstellen. Na een uur veroorlooft ge dan den heer keurvorst wel u te halen, om u naar de tafel te geleiden ?quot;

ocr page 151

143

De keurvorstin bood nu de prinses ha^r arm aan, terwijl de keurvorst zich haastte om de deuren te openen, waarna hij afscheid van haar nam.

„Zoo heb ik dan hier mijn intrek genomen,quot; zei Ludo-wike, toen de keurvorstin haar veriaten had, terwijl zij rondzag in de groote, ruime kamer met de kleine, donkere glasruiten, waar de keurvorstin haar gebracht had. „Men moet bekennen,quot; ging zij voort, terwijl zij op een der hoogleunige, met verkleurd fluweel overtrokken stoelen ging zitten, „dat het er hier niet al te schitterend uitziet, en ik geloof, dat ik zeker eleganter en aangenamer bij mijn ouden Burgsdorf heb gewoond dan hier in het keur-vorstelijk kasteel. Hoe verbleekt is het fluweel van dit huisraad, hoe ouderwetsch de vorm, en wat een verschoten behangselpapier op de wanden. Ik zal eens zien hoe het met de toiletkamer is gesteld!quot;

Zij stond op, ging door het salon en stiet de bruine lage deur open, die naar het aangrenzende vertrek voerde. De stolï'eering hier kwam tamelijk met die van hetjsalon overeen. De wanden insgelijks met eenvoudig papier behangen, de lluweelen overtrekken der meubels verbleekt, de gouden versieringen dof en beslagen, de vensters met de kleine, in lood gezette ruiten, donker en van de zon verbrand. Onder een verhemelte van gekleurd fluweel, zag men een tamelijk smal bed, zonder eenige elegantie, en tusschen de vensters een toilettafel van gewoon, eenvoudig maaksel, zonder de minste weelde van gouden of zilveren voorwerpen.quot;

De scherpe oogen van de prinses namen dit alles met een snellen blik op, en vestigden zich toen op een plaats van het plafond, die hare bijzondere opmerkzaamheid trok.

Dit plafond, zeer grotesk beschilderd, en een bewolkten hemel voorstellende, waaruit allerlei geniën met lieve glimlachjes keken, was op deze plaats erg gescheurd; de hemel was met planken dicht gespijkerd, en de engelenkopjes dicht bij de planken verloren zich in een chaos van allerlei kleuren.

„Ik zou wel eens willen weten, wat dit te beduiden heeft,quot; fluisterde de prinses, terwijl haar oogen van de zoldering naar den vloer daalden, die met een dik, wollen tapijt bedekt was. Ook hier waren de kleuren verbleekt en ineengeslopen, en scheen de vloer op geweldige wijze beschadigd te zijn.

ocr page 152

144

Terwijl de prinses dit alles met een spoltenden glimlach waarnam en over de oorzaak dezer verwoesting nadacht, werd een kleine zijdeur in de slaapkamer zacht geopend en de keurvorstelijke hofmeester verscheen, gevolgd van een lakei, die een grooten aarden schotel droeg.

„Vergeving, doorluchtigheid,quot; zei de hofmeester, diep buigende, „dat ik het waag u te storen. Maar het begint juist sterk te regenen, en wij moeten dan hier een schotel plaatsen, want het regent door! De nieuwe kamers zijn nog niet gereed, en uw hoogheid moest dus de kamers van de hertogin van Brunswijk voor lief nemen. Maar wie kon denken, dat er zoo plotseling een onweder zou opkomen.quot;

Hij hielp den lakei den grooten schotel vlak onder de plek te plaatsen, waar het plafond met planken bespijkerd was, en verwijderde zich toen weer met eerbiedige buigingen.

Prinses Ludowike zag met grappigen ernst naar den bruinen aarden schotel, en toen nu de regen,^ die kletterend tegen de vensterruiten sloeg, door het plafond begon te lekken en in den schotel droppelde, lachte zij luid.

„Ik geloof, dat het oude, vervallen kasteel weent, omdat ik er binnen ben gedrongen,quot; lïuisterde zij glimlachend. ,,De hofmeester kan wel gelijk hebben, dat er een onweder opkomt. Ik ben het onweder, ik ben het hemelvuur, dat hier alles in brand zal steken en in de asch zal leggen. Ween maar, oud, vervallen keurvorstelijk kasteel! Ja, een onweder komt op, en 't zal bulderen en bliksemen! Ween maar, ik heb ook geweend toen hij mij verstiet, ik heb met wringende handen hem gesmeekt, en toch had hij den moed zich van mij af te wenden. Ik zal wraak nemen, ja, dit gebouw zal er „van sidderen!quot;

Juist schoot een bliksemstraal door de kamer, gevolgd door zulk een knetterenden donderslag, dat de vensters rinkelden en dreunden. Ludowike hief beide armen op en haar gelaat vlamde sterker. „Ik groet u, toornige stem van Jupiter!'' riep zij. „Ik groet u en verheug mij! Zend mij een uwer bliksems, zooals gij in vroeger tijd aan Theseus zond, help mij, opdat ik mij kan wreken op deze twee, die de schuld dragen van mijn verderf, die mijn verloren deugd en mijn schande, mijn misstappen en mijn vernederingen op hun geweten hebben! Hij heeft mij versmaad.

ocr page 153

445

en mi] in het woeste, misdadige leven gestooten. Zij heeft de plaats ingenomen, die mij behoort, welke hij mij met gloeiende eeden had verzekerd! Mij kwam het toe, keurvorstin van Brandenburg te zijn, ik moest gemalin zijn van dezen schoonen, beminnelijken keurvorst! Help mij Jupiter, laat mijne wraak heerlijk zijn. Zeg mij door uwe majestueuse stem, dat ik de schoonste voldoening zal smaken.

Nog altijd stond zij met opgeheven armen, haar gloeiende oogen naar den zwarten hemel gericht, toen een bliksemstraal haar als in een gouden wolk hulde, en door een langen rommelenden donderslag gevolg werd.

Een glimlach gleed over het gelaat van Ludowike; zij liet haar armen zinken en fier haar hoofd achterover werpende, tliiisterde zij: „Wat zal mijn wraak zoet zijn! Hij zal mij beminnen?quot;

IV.

DE TERECHTSTELLING.

De acht dagen waren verstreken. Gabriel Nietzel was niet in appèl gekomen tegen het vonnis, dat hem ter dood veroordeelde. Hij had ook des keurvorsten genade niet willen inroepen, hoewel Friedrich Wilhelm meermalen zijn lijfarts tot hem in de gevangenis had gezonden en hem had laten aitnoodigen een rekest om gratie in te leveren.

Gabriël had op deze uitnoodiging zwijgend het hoofd geschud, en toen de geneesheer bij zijn laatste zending driftig bij hem aandrong, had hij bijna verstoord gezegd; „Ik laat mijn heer den keurvorst slechts om de eenige genade smeeken, dat hij zich niet verder met mij bemoeit en mij ongestoord mijn weg laat bewandelen. Dat is alles wat ik nog wensch, zeg dat den keurvorst, vaarwel!quot;

Friedrich Wilhelm wilde den ongelukkigen man juist deze genade niet verleenen, hij wilde hem tot eiken prijs redden. Het was of een heilige band hem aan den armen bedelaar hechtte, of hij zelf zielelijden zou gevoelen, zoo deze band verscheurd werd. Hij gevoelde zich met een Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 10

ocr page 154

-146

wonderbare sympathie tot den beklagenswaardigen man getrokken, hij had een gevoel van eerbiedige bewondering voor den heldenmoed, waarmede de berouwhebbende zondaar zich zelve de harde boete oplegde voor zijn misdaad en schuld.

„Ik wil hem redden,quot; riep de keurvorst luid, toen hij heden den achtsten dag na de uitspraak van het vonnis, nog eens de akte had gelezen, die het vonnis tegen den „bedelaar Klausquot; bevatte, en waaronder hij thans zijn naam moest zetten. „Ik wil Klaus redden, mijne ziel moet niet bezwaard worden met de misdaad om een onschuldig, berouwhebbend mensch ter dood te brengen. Zij zeggen wel, dat ik het niet mag doen, een misdadiger tegen zijn wil te benadigen. Zij beweren wel, dat, als het vonnis eenstemmig geveld is, het niet kan veranderd worden door een machtwoord van den keurvorst, die zich gelijk ieder ander staatsburger aan de wet moet onderwerpen. Maar ik zal dit hoogmoedig stadsgerecht, deze trotsche, hoogmoedige heeren van den magistraat en de stroeve, weerbarstige heeren stenden bewijzen, dat ik niet alleen keurvorst, maar ook landsheer ben, dat ik boven de wet sta en dat mijn wil de hoogste wet van mijn land is. Gabriel Nietzel zal niet sterven!quot;

En de keurvorst opende daarop de deur der kleine antichambre.

„Kunkel,quot; zeide hij tot den daar aanwezigen kamerdienaar, „zijn al mijne bevelen uitgevoerd?quot;

„Ja, keur vorstelijke doorluchtigheid.quot;

„Alles is dus gereed?quot;

„Alles is gereed, genadigste heer! Voor een uur is hij aangekomen en bevindt zich thans in mijne kamer om eenige spijs en drank te gebruiken.quot;

^ „Goed, breng hem dan in de antichambre, en zoodra ik roep, laat ge hem binnenkomen. Hebt ge mijn order aan den directeur der gevangenis gebracht?quot;

„Ja, keurvorstelijke doorluchtigheid. Maar de directeur zeide, dat hij het bevel niet zonder toestemming van den opperburgemeester mocht uitvoeren, en eerst wanneer ook van dezen schriftelijk bevel kwam, dat men den misdadiger uit zijn kerker mocht laten komen en tot uw doorluchtigheid voeren, eerst dan kon hij aan uw bevel gevolg geven.quot;

De keurvorst wendde zich om, ten einde den blos van

ocr page 155

147

toorn niet te laten zien, die over zijn gelaat vloog. „Zij zullen er voor boelen, voorwaar, zij zullen er voor boeten, dat zij het bij elke gelegenheid wagen zich tegen mij te verzetten. Ik zal hun hoogmoed doen buigen en hun trots breken!quot;

En alsof deze gedachte hem versterkt had, wendde zich de keurvorst weder met een opgeruimd, kalm gelaat tot zijn kamerdienaar. „Zijt ge toen met mijn bevel tot den heer burgemeester gegaan?quot;

„Dat deed ik, keurvorslelijke genade, en de heer burgemeester Wegelin haastte zich toen ook, mij de schriftelijke order te geven, dat de directeur der gevangenis dadelijk het keurvorstelijk bevel moest uitvoeren en de veroordeelde onder sterke bedekking, zoodra het donker werd, naar het keurvorstelijk kasteel moest brengen, daar de heer keurvorst hem nog eens wenschte te ondervragen.quot;

„Waarlijk, ik zal den heer burgemeester moeten danken voor zulk eene gewillige uitvoering van mijn bevel!quot; riep de keurvorst met spotachtigen lach. „De veroordeelde zal dus spoedig hier zijn, daar het reeds donker is geworden ?quot;

„Tegen zeven uur, meende de heer burgemeester, zou dit kunnen geschieden. Intusschen is het nu reeds kwart over zeven. Maar ik geloof dat daar juist een wagen de plaats oprijdt, zeker brengen zij hem.quot;

„Het zal wel zoo zijn,quot; zei de keurvorst luisterend. „Ontsteek nog eenige lichten in mijn kabinet, opdat het recht helder zij, en laat dan, als hij hier is, zijn begeleiders beneden in de wachtkamer op zijne terugkomst wachten. Men moet deze menschen iets te drinken geven, wijn of brandewijn, en hen aansporen de flesch goed aan te spreken. Als ge dit alles bezorgd en de menschen naar beneden gezonden hebt, komt ge weder boven, en wacht met den knaap tot ik „binnen!quot; roep. Ziet hij er goed uit?quot;

„Doorluchtigheid, 'tis een jong mensch van zulk een wonderbare schoonheid, als ik nooit gezien heb. Zoo stel ik mij den engel Gabriël voor, zoo schitterend, zoo onschuldig en mannelijk, en . .

„Doorluchtige genade,quot; berichtte een binnenkomende kamerlakei, „in de voorkamer zijn de provoosten en de cipier der criminele gevangenis. Zij brengen een in ketens geklonken man, en zeggen dat uw keurvorstelijke genade hen ontboden heeft.quot;

„Laat hen binnen,quot; beval de keurvorst, „en gij, Kunkel,

ocr page 156

148

ga naar het jonge mensch en breng hem ter rechter tijd hier.quot;

„Tot uw dienst, doorluchtigheid,quot; antwoordde de vertrouwde kamerdienaar, terwijl hij zich stil verwijderde.

Nu rammelde en rinkelde het buiten voor de deur der groote antichambre, zware voetstappen dreunden, de kamerlakei opende de deur en vier baardige, somber uitziende mannen kwamen binnen, in hun midden een arm, bleek menschenkind hebbende, om wiens mager, dor lichaam, zware ijzeren ketens rammelden, waarmede men hem handen en voeten geboeid had.

De keurvorst sloeg slechts een vluchtigen blik op hem, toen wenkte hij de provoosten, die een eerbiedige houding aangenomen hadden en riep hen met gebiedende stem toe: „Neemt hem de ketens af!quot;

Zij gehoorzaamden, de zware, zestig pond zware ketens vielen rammelen op den grond.

„Gaat naar buiten!quot; beval de keurvorst naar de deur wijzende.

„Keurvorstelijke genade,quot; waagde de eerste provoost met ootmoedige stem te zeggen, „het is ons verboden ...quot; - „Geen woord meer, breng de ketens naar buiten,quot; riep de keurvorst met donderende stem, en de provoosten slopen met deemoedig en verlegen gezicht heen.

Nu waren de keurvorst en de bedelaar alleen.

Gabriel Nietzel had met volkomen onverschillige en koele houding alles met zich laten geschieden. Hij was met nedergeslagen oogen binnengekomen en had ze niet éénmaal opgeheven, noch de stem van den keurvorst, noch het afnemen der ketens scheen den minsten indruk op hem gemaakt te hébben. Eerst toen men hem de handboeien ontnomen en zijne handen losgemaakt had, was er eenige beweging in deze gebogene, samengedrongen gestalte gekomen; hij had de handen gevouwen, zijn hoofd op de borst gebogen, en 'tscheen dat een zacht gebed zijne lippen bewogen.

„Gabriël Nietzel!quot; riep de keurvorst.

Langzaam hief hij het hoofd op en zijne blauwe oogen richtten zich met een wonderbare, teedere uitdrukking op het edele gelaat van Friedrich Wilhelm.

„Mijn dierbare keurvorst!quot; antwoordde Gabriël met zachte slem.

ocr page 157

149

Deze korte eenvoudige uitroep maakte op den keurvorst zulk een diepen indruk, dat hem de tranen in de oogen kwamen.

„Hebt ge mij lief, Gabriël?quot; vroeg hij.

„Ja,quot; antwoordde Gabriël met heldere, volle stem, „van ganscher harte heb ik u lief. Gij zijt steeds grootmoedig, vriendelijk en goed geweest. Gij hebt mij mijne schandelijke misdaad genadiglijk vergeven en hebt altijd medelijden met mij gehad. Gij hebt mij tegen den haat en den nijd van het volk beschermd, en mijn zwaar harteleed zoeken te verzachten.quot;

„En toch heb ik u niet kunnen behoeden voor den vreese-lijken dag, die thans is aangebroken,quot; riep de keurvorst levendig, het hoofd schuddende. „Zij hebben u als moordenaar en duivelbezweerder aangeklaagd.quot;

„O neen, doorluchtigheid, ik zelf heb mij aangeklaagd. Zij deden slechts wat zij doen moesten, en vorderden van mij rekenschap mijner aanklacht!quot;

„En veroordeelden u,quot; voegde de keurvorst er bij. „Veroordeelden u ter dood! Het is een schandelijk, kinderachtig, dwaas vonnis. Gij begrijpt wel, Gabriël, dat ik het niet bekrachtigen kan.quot;

„Het is een rechtvaardig, welverdiend vonnis, heer,quot; zei Gabriël, „en gij zult ter wille der gerechtigheid en der eeuwige vergelding dit vonnis van mijne rechters moeten bekrachtigen! Er staat geschreven; „Wie gezondigd heeft door het zwaard, zal door het zwaard gestraft worden!quot; En vervolgens; „Wie bloed vergoten heeft, diens bloed zal wederom vergoten worden.quot;

„Maar gij hebt geen bloed vergoten, Gabriël. Ge hebt ook niet gezondigd door het zwaard,quot; riep de keurvorst driftig. „Gij hebt u ter kwader ure laten verleiden door een slechten man en een misdaad willen plegen. Maar God heeft het niet toegelaten.quot;

„Zeg liever; Rebekka heeft het niet toegelaten,quot; riep Gabriël, zich hooger oprichtende; „zeg; Rebekka heeft de misdaad van den zondaar op zich genomen en is voor hem in den dood gegaan. Hij heett dus niet alleen den moordaanslag op zijn geweten, maar hij alleen draagt de schuld van den gruwzamen, schrikkelijken dood der edelste, hooghartigste vrouw. En dan wilt gij Fleer, dat zijne misdaad ongestraft blijve? Gij kunt begeeren, dat hij

ocr page 158

150

leeft als ieder ander eerlijk en deugdzaam'mensch, en zich in het genot van zonneschijn en bloemen verheuge? Gij wilt den misdadiger ongestraft laten?quot;

„Neen, Gabriël! Ik wil, dat de misdaad, als zij verzoend is, ook vergeven, dat aan den zondaar genade zal bewezen worden. En gij, Gabriël, gij hebt waarlijk boete genoeg gedaan om uwe misdaad te verzoenen!'

„Waarmee, Heer!quot; vroeg Gabriël schielijk. „Wat heb ik gedaan om vergeving te verdienen? Ik heb als een gebi'oken, nuttelooze twijg aan den boom des levens gehangen, van zijne kracht geteerd, maar hem geen nieuw levenssap toegevoerd. Ik heb in werkelooze boetedoening mijne dagen verspild, in plaats van in rusteloozen arbeid, in het zweet mijns aanschijns voor anderen te zorgen. Ik geloofde een wondergroote boete te doen, toen ik mijn eerzucht, mijn mannelijken trots offerde, en mij alle eer en alle rechten ontzegde, om als een gemeene bedelaar rond te loopen en van aalmoezen te leven. Ik heb mij ge-geeseld en gemarteld, den hoon en spot der menschen verdragen; als een hond heb ik den penning uit het slijk gehaald, dien zij mij verachtelijk toewierpen, en heb gevoeld hoe die speldesteken langzaam mijn vleesch verscheurden en als dolken mijn hart doorboorden! Maar het is niet de ware deemoed, de rechte boete geweest. De ware boetedoening. Heer, licht in den arbeid! Zoo ik gewerkt had van den morgen tot den avond, zoo ik geleefd en gezwoegd had voor armen en ongelukkigen, zou het een ware boete zijn geweest! Er zijn zooveel zieken en ellendigen, die in hun eenzaamheid en behoefte troost en verpleging ontberen. Deze had ik moeten opzoeken en verplegen! Dan had ik ten minste iets gedaan, misschien weder levensmoed ontvangen, wellicht ook vergeving van God. Want arbeid is een Gode welgevallig gebed, en hij ziet liever ijverige handen, dan handen, die zich vouwen tot een uren lang, werkeloos gebed. Zie Heer,quot; ging Gabriël Nietzel opnieuw voort, „dit alles is mij eerst in mijn lieve, stille gevangenis, recht helder en duidelijk geworden. De zwarte sluiers, die mijn hoofd omhulden, zijn von mij weggenomen, sinds ik het gebeente van mijne Rebekka heb wedergevonden, en mijne oogen zien alles in het heldere en ware licht.quot;

„Dan zult ge ook moeten erkennen, Gabriël, dat gij thans

ocr page 159

151

nog niet moogt sterven,quot; zei de keurvorst dringend, „dat gij in een anderen geest boete moet doen. Ge zegt, dat alleen de arbeid de recble boete en het Gode alleen welgevallig gebed is. Gabriël, werk dan! Ik wil er u gelegenheid toe geven! Ik laat u naar mijne provincie Pruisen gaan. Daar, te Koningsbergen, kent u niemand, weet niemand iets van u. Er is een groot ziekenhuis gebouwd, dat voor tweehonderd zieken is ingericht. Ik geef u de betrekking van ziekenverzorger. Ge zult er leven in nederigheid en behoefte, maar als een werkdadig lid der mensch-heid. Neem mijn voorstel aan, ik bid er u om, Gabriël Nietzel. Zie, ik heb alles laten voorbereiden, alles voor uw vlucht laten bezorgen, alle maatregelen genomen. Bewijs mij nu, dat ik werkelijk uw „dierbare keurvorstquot; ben, en gij mij vreugde wilt bereiden. Vlucht, Gabriël, vlucht!quot;

„Heer, dat is onmogelijk,quot; riep Gabriël, „ik kan en mag niet! Door het vagevuur gaat de weg naar het paradijs, en ik moet daardoor, want Rebekka wacht mij in het paradijs. Weet ge niet, dat zij mij, toen ik haar gebeente wedervond, met haar hand op dit voorhoofd heeft geslagen, zoodat het bloed er uitvloeide. Begrijpt ge dan niet, dat zij mij met dit teeken wilde bevelen mijn hoofd en bloed tot boete te geven? Het vagevuur der aardsche straf door te staan, om verzoend te worden, en tot haar te gaan in den eeuwigen vrede, in de eeuwige liefde? Neen, Heer, ge kunt niet zoo wreed zijn, mij nog langer verwijderd te willen houden van mijne Rebekka, niet. zoo wreed zijn om mijne aardsche folteringen te verlengen. Ik heb u immers bekend, dat ik niet de ware boete heb gedaan, en mijn misdaden bijgevolg nog altijd ongestraft en ongeboet zijn. Laat ze mij dus nu boeten door mijn dood. Heer, laat de aardsche gerechtigheid haar loop hebben, opdat de hemelsche gerechtigheid zich mijner ontferme!quot;

„Maar, man,quot; riep de keurvorst levendig, „voelt ge dan niet, dat het mij smart doet u zoo te zien sterven? Begrijpt ge dan niet, dat mijn ziel er zich tegen verzet medeplichtig te worden aan uw dood?quot;

„Gij wordt niet medeplichtig, Heer,quot; antwoordde Gabriël, het hoofd schuddende, zoodat de lange grijze lokken om zijn gelaat fladderden. „Neen, Heer, gij zult,veeleer iegens mij gehandeld hebben als mijn weldoener en ver-

ocr page 160

152

losser, en ik zal u zegenen bij den laatston ademtocht van mijn jammerlijk leven!quot;

»Zijt gij dan volstrekt niet te bewegen,quot; riep de keurvorst smartelijk. „Kan niets uw wil buigen, uw waanzinnigen trots breken? Ieder schepsel is toch aan het leven gehecht, iedereen heeft toch iets dat hij bemint, en waarvan hij niet zou willen scheiden.quot;

„Ik, Heer, heb niets! Mijne liefde, mijne hoop, mijne vreugd rust in 'tgraf, en zal daar weder met mij herleven.quot;

„En uw zoon? Hebt ge volstrekt niet aan uw zoon gedacht, Gabriël Nietzel?quot;

Een kreet, een bange, pijnlijke kreet klonk van Gabriel's bleeke, bevende lippen; hij sloeg beide handen voor zijn gelaat en een smartelijk jammeren en kermen wrung zich uil zijne borst.

„Heer, o Heer, waarom hebt gij dat gezegd ?quot; zuchtte hij toen, terwijl zijne handen weder langzaam nederzonken. „Waarom hebt ge met wreede hand de eenige snaar aangeraakt, die nog in mijn hart klinkt?quot;

„Opdat ge ontwaken zoudt uit uw waanzin, Gabriël Nietzel,quot; riep de keurvorst met heftige stem ; „opdat ge zoudt gevoelen, dal uw hart nog niet is losgemaakt van de aarde, en zoudt erkennen, dat er nog banden zijn, die u aan de aarde boeien, en die gij niet verscheuren kunt. Gabriël Nietzel, toen ge den laatste keer in deze kamer voor mij stond, vorderde ik van den wreeden vader, die zijn kind wilde veroordeelen om een bedelaarsleven met hem te deelen, den zoon, om Rebekka's kind tot een braven, degelijken man te laten opgroeien. Gij overwont uw hart en gaaft het laatste, wat gij op de aarde nog bemindet, gij gaaft mij uw zoon! Heden, nu ge wellicht voor het laatst in deze kamer zijt, wil ik den wreeden vader zijn zoon toonen, epdat zijn hart zich in liefde opene. Binnen!quot; riep de keurvorst met luide stem; de deur der kleine antichambre werd geopend en een knaap, bijkans een jongeling, verscheen. Slank en rijzig was zijne gestalte, het haar, vroeger goudblond en licht, was bruin geworden, en viel in zware lokken om zijn hoofd op hals en schouders neer. Zijn gelaat, van dat klassiek schoone ovaal, 't welk men aan de beelden der ouden en op de schilderijen der groote Italiaansche meesters ziet, droeg den stempel van onschuld en jeugdigen moed. Zijne wangen waren zacht blozend, hethooge

ocr page 161

153

breede voorhoofd getuigde van energie en kracht, en uit zijne zwarte oogen straalden moed en levensvreugde.

Deze oogen richtten zich nu met eerbied en verwondering op den keurvorst, en daar deze hem niet riep, bleef de knaap bescheiden aan de deur staan.

„Gabriël had hem nog niet gezien, hij stond met den rug naar de deur gekeerd ; met neergeslagen oogen en gevouwen handen staarde hij op den grond.

„Gabriël Nietzel! riep nu de keurvorst, „Rebekka's zoon staat achter u!quot;

Een rilling doorliep de arme ineengebcgene gestalte, Eene doodsche bleekheid kwam over zijn gelaat, dat daarna gloeiend rood werd. Hij streed tegen zijn verlangen, hij wilde zijne liefde in zijn borst terugdringen, maarzij was sterker dan zijn wil. Zy dwong hem om te zien, toen vergat hij alles, zijne boete, zijne vertwijfeling, zijne tranen van berouw, zelfs den vreeselijken eed, dien hij zich zeiven had gedaan om zijn zoon nooit weder te zien.

Hij opende zijne armen, ontsloot zijne lippen en met een kreet van vreugde en smart tevens, snelde hij op zijn zoon toe, omarmde hem, en zijn hoofd op den schouder van den knaap leggende, begon hij luid te weenen.

De keurvorst stond met gevouwen handen en zijne oogen, anders zoo helder, waren een oogen blik beneveld. Toen hij ze hemelwaarts richtte zonk het floers er van neder en werden het tranen, die langzaam over zijne wangen rolden.

„Hij heeft een zoon,quot; zeide hij zacht voor zich. „Een zoon, dien hij lief heeft. O, hoe wonderbaar zijn Gods wegen. Hij geeft den bedelaar, wat hij den vorst ontzegt, de vorst zou den bedelaar kunnen benijden!quot;

Gabriël Nietzel had intusschen met groote wilskracht zijn snikken en weenen onderdrukt en hief het hoofd weder op. Met den rug zijner hand wischte hij de tranen uit zijne oogen en zag zijn zoon aan. Zijn gelaat nam een verheerlijkte uitdrukking aan, en na lange, lange jaren verhelderde weer ten glimlach zijne trekken.

„Het. is Rebekka!quot; riep hij in vervoering. „Het zijn haar oogen! Het is haar wonderschoon gelaat en haar zoete glimlach, waarmede zij mij troostte en mijn hart. verkwikte!quot;

„Ja, bet is Rebekka,quot; zei de keurvorst, terwijl hij beiden

ocr page 162

454

naderde. „Rebekka groet u, Gabriel, door uw zoon. Kind,quot; zeide hij, terwijl hij zich tot den jongeling wendde, die verwonderd en bevreemd nu Gabriël, dan den keurvorst aanzag, „groet uw vader, zeg hem dat ge hem wilt liefhebben en bid hem bij u te blijven.quot;

„Is die man mijn vader?quot; vroeg de jongeling bijna treurig.

„Neen!quot; riep Gabriël heftig. „Neen, ik ben uw vader niet. Gij weet, dat uw vader een voornaam heer, een beroemd kunstenaar was. Uw grootvader heeft het u immers verhaald, toen gij nog bij hem in Venetië waart. Herinnert ge 't u niet, Rafaël?quot;

„Mijn God,quot; mompelde de knaap, alsof hij uit een droom ontwaakte. „Rafaël, hij noemt mij Rafaël. Ja, zoo heette ik vroeger, toen ik mijn vader Jakob Uhle nog niet had gevonden. En gij,quot; riep hij eensklaps zeer luid en verheugd, „zijt gij niet mijn oude, goede pleegvader? Zijtge niet Klaus? Mijn lieve goede Klaus?quot;

Dit zeggende legde hij beide handen op Gabriels schouders en met vlammende oogen zocht hij in het gerimpelde, van verdriet verteerde gelaat zich den man van zijne kindschheid te herinneren.

„Ja, gij zijt het. Gij zijt eindelijk wedergekomen. Hier op dezelfde plaats, waar gij mij verliet, vind ik u thans weder. Nu herinner ik mij alles! Ik weet, hoeveel ik aanvankelijk geweend heb, toen ge mij verlaten hadt, Klaus, en ik alleen in den vreemde bij vreemde menschen moest gaan. Des nachts riep ik u en was boos op u en brandde van verlangen naar mijn ouden Klaus. Des morgens droogde ik mijne tranen af en liet niets van mijne droefheid bemerken. Want Jakob Uhle en zijne vrouw waren heel lief en vriendelijk voor mij, zij noemden mij hun kind en behandelden mij, gelijk teedere ouders zouden doen. Er was zooveel te ieeren, zooveel te doen, dat ik spoedig mijn verdriet vergat. Zóu verstreken de jaren, slechts nu en dan in den droom heb ik nog aan mijn goeden ouden Klaus gedacht. Nu zijt gij er weder, Klaus, nu zal ik u vasthouden, dat gij mij niet weder ontloo-pen kunt.quot;

„Goed gesproken,quot; zei de keurvorst, den knaap vriendelijk toelachende. „Houdt hem goed vast, opdat hij ons niet weder ontsnappen kan. Zeg hem, dat een vader het

ocr page 163

155

recht niet heeft zijn zoon te verlaten, want, luister, ik wil u thans een geheim mededeelen: Gij . .

„Neen,quot; riep Gabriel, den jongeling heftig van zich stoo-tende. „Neen, heer, dat moet gij niet doen. Ik vraag het van u als een laatste genade, dat gij dezen jongeling geen geheim zult verraden. Gij zoudt den vrede zijner ziel voor eeuwig verstoren. Hij heeft een vader, hij heeft een familie gevonden, gun ze hem, lieer. Zie in dit lieve gelaat, er rust nog de zonneschijn der jeugd op. Ach, heer, laat er door mij geen donkere schaduw op vallen.quot;

„Maar ik,quot; riep de jonge man, terwijl hij den keurvorst snel naderde, „smeek uwe doorluchtigheid, zeg mij de waarheid. Doe dit, heer, opdat ik weet wie ik hen. Ik ben gezond en sterk naar ziel en lichaam en zal elke mede-deeling verdragen. Zeg mij, heer, is deze arme, ongelukkige Klaus wezenlijk mijn vader? Ik weet wel, dat hij van mijn jeugd af voor mij gezorgd heeft; hij heeft voor mij honger en gebrek geleden, mij in zijne armen laten slapen, voor mij gebedeld als ik honger had. Maar als ik hem naar mijn vader vroeg, zeide hij, dat die lang dood en begraven was en ik nooit aan hem denken of naar hem vragen moest. Is Klaus mijn vader, dan wil ik hem liefhebben als een goed zoon, wil hem vergelden wat hij voor mij gedaan heeft, hem in zijn ouderdom verzorgen. Doorluchtigheid, gij weet misschien niet, dat ik te Joachimsthal thans gereed ben? Ik heb mijn examen in de tweede klasse afgelegd, en kom u verzoeken mij onder uwe soldaten, bij uwe lijfgarde aan te nemen, want vader Uhle zegt, dat gij mij dit beloofd hebt.quot;

„Ik neem u in mijne lijfgarde en zoodra gij do exercitie en het reglement hebt geleerd, zult gij tot mijne lijftrawanten behooren.quot; ^

„Ik zal het leeren, ik zal het zeer spoedig leeren!quot; riep de jongeling vroolijk. „Niet waar, dun krijg ik soldij ?quot;

„Ja zeker.quot;

„Dan kan ik den ouden Klaus onderhouden, gelijk hij mij heeft onderhouden, en voor hem zorgen en liefhebben. Namelijk,quot; ging hij met een teederen en smeekenden blik op Klaus voorf, „als hij het van mij wil aannemen.quot;

„Klaus,quot; vroeg de keurvorst, „kunt gij nog langer weerstaan? Antwoordt uw hart niels?quot;

„Ja,quot; antwoordde Klaus, beraden opziende, „ik antwoord

ocr page 164

156

in riaum van zijn vader, die lang dood en begraven is. Hoor, Friedrich Wilhelm Uhle, hoor en neem het goed ter harte: De man, die hier voor u staat, is uwe liefde en deelneming niet waardig; gij moet niet om hem weenen, gij moet zijne nagedachtenis uit uw hart verbannen. Mijnheer de keurvorst heeft mij de goedheid bewezen om u nog eens te zien, Friedrich Wilhelm Uhle. Ik dank u, dat gij gekomen en mij op mijn gang naar den dood een liefdegroet hebt medegegeven.quot;

„Op uw gang naar den dood?quot; vroeg de jonge man verbleekend. ,,Klaus, ge zijt toch niet diegene van wien men mij verhaald heeft, toen wij hierheen reden, de Klaus ...quot;

„De Klaus, die wegens moord en toovenarij ter dood is veroordeeld! Ja, die Klaus ben ik,quot; riep Gabriél, zich hoog oprichtende en ernstig en fier slaan blijvende. „Friedrich Wilhelm Uhle, wend u van mij af en denk niet meer aan mij, want ik ben het onwaardig!quot;

„Hij lastert zich zeiven, hij spreekt onwaarheid,quot; riep de keurvorst heftig. ,,Hij wil sterven en daarom heeft hij zich van misdaden beschuldigd, die hij niet begaan heeft. De kortzichtige, dwaze menschen hebben hem geloofd en hem veroordeeld. Maar ik zeg u, deze man is onschuldig aan de misdaden, voor welke men hem veroordeeld heeft. Daarom wil ik hem redden, daarom heb ik u hier laten komen, opdat gij hem zoudt bidden mijn genade aan te nemen en te leven.quot;

„Klaus,quot; riep zijn zoon, zijne hand vattende, en hem smeekend aanziende, „ik bid u, ga niet van mij! Ik bid u, wat ge ook beleefd en geleden mocht hebben, leef om mijnentwille! Wat deert het u, als de menschen u verdoemen en veroordeelen, zoo mijnheer de keurvorst u onschuldig verklaart, en ik er ben om u lief te hebben, te achten en te verplegen, nu ik . .

„Waarom,quot; viel Gabriél hem met een wanhopenden smartkreet in de rede, „wil dit ai'me,'gefolterde hart niet breken? waarom moet het tot het laatste oogenblik geplaagd en gekweld worden ? Heer, heer, ik lijd, ontferm u mijner? liet brandt in mijn hart! Laat het genoeg ellende zijn, ontferm u mijner!quot;

En Gabriël Nietzel stortte, de handen wringend ten hemel hellend, op zijn knieën neder en zag met een van smart

ocr page 165

457

bevend gelaat, met smeekenden blik opwaarts, terwijl zijne lippen eenige woorden van een vurig gebed uitspraken.

Langzaam verstomde dit gebed, hij werd weder kalmer, -de wringende handen zonken neer en hij boog het hoofd op zijne borst.

Het werd stil in het keurvorstelij k kabinet. De bedelaar lag zwijgend en voorovergebogen op de knieën, zijn zoon stond met gevouwen handen achter hem en tranen stroomden over zijne wangen.

Tegenover beiden, tegen zijne schrijftafel geleund, stond de keurvorst, en zag met ernstig, diepbewogen gelaat de zonderlinge groep aan.

Eensklaps richtte Gabriél Nietzel zich op, zijn geheele wezen was kalm en vol waardigheid.

„Heer,quot; zeide hij, zich tot den keurvorst wendende, „veroorloof mij, dat ik nog eenmaal tot dit jonge mensch mag spreken, of hij mijn zoon en ik zijn vader ware. Zeg hem, dat hij zonder tegenspraak moet doen wat ik van hem begeer.quot;

„Het zal geschieden,quot; zei de keurvorst en zich tot den jongeling wendende, sprak hij: „Doe wat hij zeggen zal, doe het zonder tegenspraak!quot;

„Ik zal het doen,quot; mompelde deze met bevende lippen.

„Herinnert ge u nog den nacht, mijn zoon, den sterrenhelderen nacht, toen ge onder Gods vrijen hemel in mijne armen sliept?quot;

„Ja, vader Klaus,quot; antwoordde de zoon zacht, „die herinner ik mij zeer goed.quot;

„Toen zeide ik u, wat ik nu herhalen wil: „Word gelukkig, mijn kind, de zegen uwer moeder ruste op u en make van u een goed, deugdzaam mensch! Denk altijd aan uwe moeder. Eer haar in iedere vrouw, in elk meisje, welke gij nadert. Bid voor uw ongelukkigen vader, die in smart is heengegaan, bid dat God zich over hem ont-ferme en hij den eeuwigen vrede moge ingaan.quot; — Toen, mijn zoon,'' ging Klaus voort, en op zijn gelaat kwam iets van een glimlach, „toen kuste ik u en zeide: „Moogt ge, als ge eenmaal uit het leven scheidt, van een teederen mond den afscheidskus ontvangen, moogt ge sterven onder het ontvangen van een kus!quot; Friedrich Wilhelm Uhle, dit is ook heden voor u mijn afscheidswoord. Denk aan uwe edele moeder en bid voor uw ongelukkigen vader. En nu.

ocr page 166

158

wend ii om, zonder iets^ te zeggen, zonder mij een enkelen keer taan te zien, wend u om, ga heen en wacht buiten op de nadere bevelen van den keurvorst.quot;

De zoon aarzelde, zijne groote oogen waren smeekend op zijn vader gericht. Deze wees gebiedend naar de deur.

„Het is mijn laatste wil,quot; riep hij.

„Gehoorzaam hem,quot; zei de keurvorst ernstig.

De jongeling zuchtte diep, nog eens trachtte hij een blik van Klaus op te vangen. Toen keerde hij zich langzaam om en ging naar buiten.

Een smartelijk kreunen drong uit Gabriels borst; beide banden drukte hij tegen zijn hart alsof hij het wilde samenpersen, opdat het niet van duldelooze smart zou breken. Toen ging hij zacht naar de deur, door welke zijn zoon was vertrokken, knielde er neder, boog zich ter aarde en kuste den drempel, dien zijn voet had aangeraakt.

„Zegen over u, mijn zoon. De geest van uw vader zal bij u zijn en zijn liefde zal u behoeden. Zegen over u!quot;

Langzaam richtte hij zich weder op en wendde zich tot den keurvorst.

„Heer,quot; zeide hij met zachte, matte stem, „ik ben vermoeid en verlang naar rust en eenzaamheid. Heb de goedheid en roep de lieden om mii naar miine gevangenis terug te voeren.quot;

„Gij blijft onverzettelijk?'' vroeg de keurvorst. „Gij v/ilt mijn genade niet aannemen? Zie Gabriël, ik had alles tot uwe vlucht voorbereid. Beneden staat een rijtuig, dat u van hier zal voeren. In de kamer van mijn kamerdienaar liggen de kleederen gereed, die gij zult aantrekken, dan rijdt Kunkel u naar Köpenick, waar wij u in het kasteel een paar weken verborgen houden, tot het tumult over uw verdwijnen verstomd is. Dan gaat go met een attest van mij naar Koningsbergen en neemt daar in het hospitaal de ziekenverpleging op u. Het domme volk zeggen wij, dat ge werkelijk een heksenmeester zijt geweest en eensklaps in damp en rook uit het kasteel zijt verdwenen. Zeg nu, dat gij mijn voorstel aanneemt en u naar mijn wenschcn voegen wilt. Gabriël Nietzel, ik wilde zoo gaarne dat ge u met de wereld liet verzoenen, ik wilde zoo gaarne uw lijden verzachten en het bewustzijn hebben, dat er op aarde een menschenhart is, dat ik getroost, een van smart gevulde ziel, die ik genezen heb. Zifet

ocr page 167

159

ge dan niet, dat ik er zelf onder lijdt, en gij mij verdeemoedigt door mij mijne onmacht te laten gevoelen? Gij noemt u een misdadiger, omdat ge mij hebt willen dooden. Welaan, verzoen thans uwe misdaad door van mij het leven aan te nemen.quot;

Hij was zeer dicht op Gabriel toegetreden, en zijn edel, anders zoo fier gelaat had een smeekende, biddende uitdrukking aangenomen.

„Meent gij het goed met mij, heer?quot; vroeg Gabriël. „Wilt gij mijn lijden verzachten?quot;

„Ja, Gabriël, dat wil ik!quot;

„Welnu, heer, onderteeken dan mijn doodvonnis, opdat ik kan ingaan in het eeuwige leven.quot;

De keurvorst stampte driftig met zijn voet op den grond, en wendde zich om, met toorn en smart in het hart.

„Wees niet vertoornd op mij, mijn lieve, edele keurvorst,quot; zei Gabriël zacht. „Ik kan niet anders, en zoo ge in mijn binnenste zaagt, zoudt ge weten, dat het voor mij onmogelijk is langer te leven. Verleen mij nog deze laatste bede. Beveel, dat mijn zoon nog heden naar Joachimsthal terugkeere, en laat er hem zoolang blijven tot hier alles is afgeloopen.quot;

,-,Het zal geschieden,quot; mompelde de keurvorst met doffe stem.

„En nu, heer, wees barmhartig en laat mij wegvoeren. Mijn ziel is even vermoeid als mijn lichaam.quot;

„Het zij zoo,quot; riep de keurvorst, zich hooger oprichtende. „Ik wil doen wat gij begeert. Blijf hier en zie!quot;

Hij trad naar zijne schrijftafel, nam de pen en schreef haastig zijn naam onder de akte, welke hij vervolgens opnam en Gabriël Nietzel reikte.

„Zie,quot; zeide hij. „Ik heb gedaan wat ge als een laatst gunstbewijs van mij verzocht heb. Erken, dat ik het goed met u meen, Gabriël Nietzel, en ik u liefde bewijs, door u voor de oogen der wereld te veroordeelen!quot;

„Hieraan erken ik, dat gij een edel, hooghartig vorst zijt,quot; zei Gabriël Nietzel, de oogen op het papier gericht. „Veroorloof, heer, dat ik uwnaamkusse; want deze naam op dit papier is voor mij het woord der verlossing, de verkondiging van het einde, een begin der zaligheid 1quot;

Hij boog zijn hoofd op het papier en kuste den naam, die zijn doodvonnis bekrachtigde.

ocr page 168

4(30

„Friedrich Wilhelm,quot; zeide hij luid, „keurvorst van Brandenburg, gezegend zij uw leven! Gij zult groote werken volbrengen, en de roem van uw naam zal het nageslacht eerbiedigen! De misdadiger Gabriël Nietzel stak eens de moordende hand naar u uit om u te dooden. Nu gaat hij daarvoor in den dood, torwij 1 gij leeft in roem en geluk! Wij zijn vereffend! Ik heb mijne schuld gebuet, en als ge over twee dagen aan mij denkt, sla dan uwe oogen ten hemel en groet hem.quot;

„Dat zal ik doen, Gabriël,quot; zei de keurvorst met zachte stem. „Het zal mij een troost zijn als ik bedenk, dat gij hier boven in den hemel zijt, waar ik maggelooven, dat uw zalige geest met liefde op mijn strijden en werken nederziet. Geef mij uw hand! Ge staat voor de poort des eeuwigen levens, daar waar vorst en bedelaar gelijk zijn. Mijne ziel spreekt tot de uwe: Vaarwel, tot wederzien!quot;

„Vaarwel, tot wederzien!quot; herhaalde Gabriël Nietzel, terwijl hij zijn bleeke, uitgeteerde vingers in de witte, krachtige hand van den keurvorst legde.

Toen riep Friedrich Wilhelm met luide forsche stem zijn kamerdienaar. Deze snelde toe, in de overtuiging, dat nu het oogenblik was gekomen om met Klaus naar Köpe-nick te vertrekken.

„Kunkel, ga naar beneden en haal de lieden weder hier, opdat zij Klaus naar zijne gevangenis terugvoeren. Stil, zeg geen woord! Ga!quot;

Kunkel zuchtte diep en ging heen.

„Ik bid u, heer,quot; zei Gabriël zacht, „de goedheid te hebben, het onderteekende vonnis terstond aan de overheden te zenden; men heeft mij gezegd, dat dan na vier en twintig uren de executie zal plaats hebben.quot;

„Het zal geschieden,quot; antwoordde de keurvorst.

„Nog een wensch, mijn beste heer, een wensch voor mijn lieven zoon; neen — voor Friedrich Wilhelm Uhle, wilde ik zeggen. Gij hebt hem beloofd, dat hij in uw lijfgarde zou worden opgenomen, als alles hier voorbij is, zal uw doorluchtigheid hem dus naar Berlijn laten komen?quot;

„Ja. Hij zal tot mijne lijftrawanten behooren en zijne woning in het kasteel hebben!quot;

„Heer, heb de genade en laat aan Friedrich Wilhelm Uhle het graf zijner moeder wijzen, opdat hij er zijne gebeden op uitstorten kunne!quot;

ocr page 169

I

161

„Hij zal het weten, Gabriël, verlaat u hierop.quot;

„Ik dank uwe doorluchtigheid. — Daar komen mijn bewakers. Nogmaals, heer, vaarwel en tot wederziens!quot;

De provoosten en de cipier kwamen binnen.

„Doe den gevangene zijne ketenen weder aan, en voert hem weg,quot; beval de keurvorst. „Maar behandelt hem menschelijk, en weest medelijdend met hem.quot;

De keurvorst trad in de vensternis en zag naar buiten in den donkeren nacht. Hij hoorde achter zich het rammelen der ketens, welke men den gevangene weder aanlegde, het geluid van zware mannenstappen, het openen en sluiten van deuren.

Toen was alles stil. De keurvorst zag niet om, hij stiet het venster open, liet den nachtwind zijn gloeiend gelaat verkoelen, en zag op ten hemel, wiens diep donker hier en daar door eene flikkerende ster verlicht was.

Ook buiten was het stil, slechts enkele malen deed de nachtwind de boomen in den lusttuin ruischen en voerde den geur der bloembedden in het keurvorstelijk vertrek.

Eensklaps werd deze stilte door het geluid van een wegrijdend rijtuig afgebroken. De keurvorst ontroerde.

„Hij is weg,quot; zeide hij zacht. „Ik zal hem niet weerzien. Ik was er zoo aan gewend, bij het uit- en ingaan van het kasteel dat goede, deelnemende gezicht van mijn Klaus te zien; er ontbrak mij iets den ganschen dag als hij er niet was, en ik was onrustig tot ik hem wederzag. Ik had hem bijna lief, ja, ik had hem werkelijk lief. Waarom zou zich een keurvorst schamen te bekennen, dat hij een bedelaar lief heeft gehad, nu toch niemand hem hoort dan God alleen. O, Heer en God!quot; ging hij voort, terwijl hij zijne oogen weer langzaam tot den nach-telijken hemel opsloeg, „ontferm u over den ouden man en neem den gelouterden geest genadig in uw schoot. Ontferm u ook over mij, Heer, want ook ik ben een bedelaar en bid u om eene aalmoes van uwe zegende hand. Geet ze mij, Heer, verlicht mijn verstand, neig mijn hart tot goedheid, opdat ik voor mijn volk een wijs en goed vorst moge worden! Amen!quot;

Hij sloot het venster en trad weder in het kabinet. Hoe eenzaam en verlaten kwam het hem voor in dit oogen-blik, hoe zonderling glinsterde hem dat papier toe dat op zijne schrijftafel lag, het doodvonnis!

Uühlbaob, De groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 11

ocr page 170

162

Heftig sloeg hy tegen de kleine metalen schel, die op de tafel stond, en het was eene verlichting voor hem, dat Kunkel zoo haastig kwam, en hij nu niet meer alleen met dat vreeselijk doodvonnis was.

„Is hij weg, Kunkel ?quot;

„Ja, keurvorstelij ke doorluchtigheid, hij is weg.quot;

„Heeft hij nog iets gezegd? sprak hij nog?quot;

„Neen, doorluchtigheid, geen enkel woord. Maar toen hij over den drempel van het kasteel trad en op de binnenplaats kwam, waar de wagen stond, zeide hij met luide stem: „God zegene dit huis en allen die het bewonen !quot;

Een pauze ontstond. Toen streek Friedrich Wilhelm langzaam de hand over zijne oogen. „Kunkel,quot; zei hij zacht, „Klaus was een goed mensch.quot;

„Ja heer, een goed en zeer ongelukkig mensch. God geve zijne ziel den eeuwigen vrede.quot;

„En ons allen, want allen behoeven wij dien,'' zuchtte de keurvorst, en na een kort zwijgen ging hij voort: „Ik ben voornemens morgen vroeg op reis te gaan. Ik ga naar Potsdam en blijf er drie dagen; neem daarnaar uwe maatregelen en roep mijn geheimschrijver hier.quot;

Weinige minuten later trad de geroepene het kabinet binnen. De keurvorst stond naast de schrijftafel en zag op het treurige papier. „Neem dit,quot; zeide hij, „druk ons zegel er onder, adresseer het en zend het terstond aan het stadsgerecht. In een uur moet het er zijn!quot; —

Twee dagen later was er in het vroege morgenuur een buitengewoon gewoel en gedrang in de straten van Berlijn en Keulen. De geheele bevolking scheen met hetzelfde doel zich heden naar het raadhuis van Berlijn te begeven. Op de lange houten brug, die naar Berlijn voerde, was een voortdurend gedrang van menschen, even als in de straat tot aan den hoek der Spandauerstraat, waar zich het raadhuis met zijne uitstekken en kleine torens verhief.

De zadelmaker Gebhardt, die ook het beroep van tapper in het van zijn vader geërfde huis dreef, had waarlijk niet te klagen over de ligging van dat pand en behoefde zijn vriend Lehmann niet te benijden. Heden zou Gebhardt inderdaad niet hebben geruild met den bandschoenmaker Lehmann, want zijn „barakquot; leverde hem

ocr page 171

1G3

heden een goede winst op. Hij had het plan uitgevoerd, 't welk hij reeds bij het verhoor van Klaus opgevat had, en voor de vensters van zijn huis een steiger aangebracht, die hij met planken had belegd, waardoor hij een ruim getal gemakkelijke zitplaatsen had verkregen, die hij voor twee groschen aan de welgestelden uit de menigte verhuurde. Spoedig waren al deze zitplaatsen bezet, en op de geïmproviseerde banken verdrongen zich de bevoorrechten. De soldaten waren nauwelijks in staat het kleine plein voor het stadhuis vrij te houden, en het nieuwsgierige volk terug te dringen, dat telkens weder beproefde door den muur der soldaten heen te breken om op het plein te komen.

Op dit plein vei'hief zich het met zwart behangen schavot met het lage witte blok, waarop de blank geslepen bijl lag. Daarbij stonden twee knechten van den scherprechter in hun roode wollen kleederen, de roode kap vast over het hoofd getrokken, zoodat men slecht door de daarin gebrachte openingen hun oogen kon zien.

Dicht bij het schavot had men een hoop stroo en droog rijs opgestapeld, waarboven op kunstmatige wijze, van gekloven hout een soort van altaar was gebouwd, op welks oppervlakte zich een ijzeren rooster bevond. Dit was de brandstapel, waarop het lijk van den misdadiger tot asch zou worden verbrand.

Thans hoorde men in de verte dof tromgeroffel, tegelijkertijd liet de klok in den kleinen toren van het raadhuis haar somber eentoonig geluid hooren.

„Zij komen! Zij komen!quot; klonk het van alle zijden, en de burgers, die zich in de barak van den zadelmaker Gebhardt aan diens heerlijk Rathenover bier verkwikt hadden, zetten hun kannen neder en snelden naar buiten op straat; de bevoorrechten op de tribune wikkelden de rest, der versnaperingen, welke zij tot tijdverdrijf hadden meêgebracht, weder in het papier en staken het haastig in hunne zakken. Thans was het lang verbeide oogenblik gekomen, het schouwspel zou een aanvang nemen. „Zij komen, zij komen!quot; herhaalde de menigte. Er ontstond eene diepe, ademlooze stilte, iedereen wilde zich aan het geluid van het tromgeroffel, dat steeds nader kwam, en aan don klank van het arme zondaarsklokjo dat gelijkmatig voortluidde, verkwikken.

ocr page 172

164

Nu week de volkshoop, die de straat innam, welke naar de groote gevangenis voerde, naar weerszijden uit en verscheen de met een ellendig paard bespannen kar, waarop de handelende personen van het afgrijselijke treurspel zaten. In een wit hemd, rugwaarts op de kar, zat de veroordeelde, het hoofd met een zwart laken bedekt, zooals het voor den heksenmeester en duivelbezweerder noodzakelijk was, opdat zijn blik niet nog eenigen van hen, die langs den weg stonden, aan den duivel overgaf. Op de voorste bank zag men den geestelijke der gevangenis in zijn zwarte toga met het witte korte koorkleed, een crucifix in de hand houdende; naast hem den directeur der gevangenis in zijn langen zwarten tabbaard.

Ter zijde der kar, zijn breede hand vast aan de ladder geklemd, die haar tot zijleuning diende, ging de scherprechter in vuurrood gewaad, met teruggeslagen roode kap, opdat zijn dreigend, woest gezicht en lange zwarte baard, die tot op de borst hing, zichtbaar zouden zijn.

Maar het was den toeschouwers onaangenaam, dat zij den veroordeelde niet zagen, zij wilden een weinig van de foltering en den angst op zijn gelaat zien, die hij waarschijnlijk gevoelde. Een ontevreden gemompel liet zich onder de menigte hooren en bij elke schrede, welke de stoet deed, verhief het zich luider, tot eindelijk een woest geschreeuw en getier riep:

„Trek hem het laken van het hoofd! Wij willen hem zien, den moordenaar, den duivelbezweerder!'' De woedende menigte drong zoo dicht bij, dat de soldaten, die den stoet volgden, de kar omsingelden om die tegen het opdringende volk te beschermen.

„Wij willen hem zien! Wij willen hem zien!'' schreeuwde men van alle zijden.

De geestelijke boog zich tot den beul, die zich juist vragend tot hem had gewend. „Doe naar den wil van het volk,quot; zei hij. „Neem hem den doek af, opdat men hem zien kan.quot;

De beul trok den zwarten doek van Gabriels hoofd. Een algemeene vreugdekreet werd gehoord. Nu konden zij hem zien, den duivelbezweerder, den moordenaar.

Zijn gelaat was niet meer zoo bleek en ingevallen, als in de laatste dagen, 't Was of een straal der avondzon het deed schitteren. Zijn blauwe oogen, vroeger zoo treurig, zagen nu helder en wendden zich met onuitsprekelijke teederheid

ocr page 173

105

en zachtmoedigheid naar de menigte, die met honend go-schreeuw en spottend geroep hem groette.

Allengs verstomde dit geschreeuw; die zachte blikken overwonnen de boosaardige vreugd en deed ze in een soort van medelijden veranderen.

„Hij ziet er toch zoo heel boosaardig niet uit,quot; zeiden sommigen. Men zou niet gelooven dat dit een heksenmeester is!quot; spraken weer anderen.

„Arme bedelaar Klaus!quot; zuchtten een paar vrouwen, die hij voor een paar weken had gewezen, waar zij beur vee konden terugvinden dat weggeloopen was. In het rechtsgeding waren deze vrouwen als beschuldigsters tegen hem opgetreden, om zijne duivelskunsten te bewijzen. Nu gevoelden zij berouw, en toen de kar meer naderde, drongen zij achteruit, om niet door Klaus gezien te worden.

Maar hij had haar reeds gezien en groette ze met een lichte hoofdbeweging en met een zachten glimlach.

Ook de snijder Ewald, de schoenmaker Wendt, de kleermaker Furberg en de barbier Kurt bevonden zich onder de toeschouwers. Zij hadden zich dicht bij het schavot geplaatst, om het schouwspel van nabij te kunnen zien. Toen de kar voor het schavot stilhield, vestigden zich hun blikken met boosaardige vreugd op den veroordeelde Maar wat was het toch, waardoor hun wangen verbleekten en waarvoor sloegen zij de oogen neder?

Klaus had hengezien. Zijne groote blauwe oogen hadden hun blikken ontmoet, en zij gevoelden dat hij hen herkend had.

„Ik wilde, dat ik van hier weg was,quot; mompelde de schoenmaker Wendt; „hij mocht soms denken, dat ik mij over zijn dood verheugde.quot;

„Hij ziet er zeer opgewekt uit,quot; zei de kleermaker Furberg verwonderd. „Ik weet niet, maar ik geloof niet, dat ik zoo moedig het schavot zou kunnen beklimmen.quot;

De snijder Ewald, aan den drang zijns harten toegevende, drong tot dicht bij het schavot, dal Gabriel Nietzel aan de hand van den predikant juist had bestegen. „Klaus,quot; riep hij met biddende stem, „hoor nog een woord. Vergeef mij het kwaad dat ik u gedaan heb, en denk er hier boven niet aan, dat ik u eens beschimpt heb met de Rebekka, over wie ge in u zeiven spraakt. Vergeef het mij, arme Klaus, want dit doet mij waarlijk leed.quot;

ocr page 174

166

Klaus wendde zich om en zag hem vriendelijk aan. „Ik heb u niets te vergeven, Ewald,quot; zeidehij. „Gij hebt naar uw oordeel gehandeld, gelijk al de anderen doen. Ik dank er u voor. Gij hebt mij nader tot den dood gebracht en ik sterf gaarne.quot;

Langzaam wendde hij zich weder om. Rondom heerschte eene doodsche stilte en de menigte zag met ingehouden adem op de slanke, witte gestalte, die zich nu op het schavot hoog oprichtte, alsof zij zich eensklaps van allen aardschen nood bevrijd gevoelde.

Gabriel Nietzel gevoelde zich verlost en vrij. De jaren van smart, berouw en boete waren achter hem. Door het vagevuur van aardsch lijden was hij heen gegaan, hij wist nu, dat zijn einde daar was, en dat aan gene zijde zijne Rebekka hem zou wedervinden, gelouterd en rein, dat zij hem in liefde, in zalige omhelzing ontvangen zou. Toen hij zijn blik ten hemel hief, was het voor hem of zich die opende en het gelaat zijner geliefde met een hemelschen glimlach op hem neerzag en hem wenkte tot haar te komen. Hij hief beide armen op en riep; „Ik kom, ik kom 1 Ik groet u, Rebekka, wij gaan in den eeuwigen vrede, in de eeuwige liefde!quot;

Toen zonk hij op zijne knieën neder en legde zijn hoofd op het blok.

De scherprechter hief de bijl en zwaaide ze omhoog; een doffe slag klonk, het bloed sprong omhoog en het hoofd van den armen bedelaar Klaus viel van het blok op het schavot.

Nog altijd klonk het zondaarsklokje en de trommels roffelden er dof tusschen door, maar het volk juichte niet meer, het was stil geworden en menige mond prevelde een gebed voor den terechtgestelde.

De beulsknechten hieven het lichaam op en droegen het met het afgehouwen hoofd naar den brandstapel, legden het op den ijzeren rooster, en ontstaken het stroo en rijs. De vlammen sloagen weldra omhoog, spoedig zag men niets meer dan een vuurzuil, die hoog oprees, en waaruit ontzaglijke rookwolken ten hemel stegen.

Deze vuurzuil was Gabriël Nietzel's graf. En in de wolken zweefde zijn zalige geest opwaarts ten hemel!

ocr page 175

107

IV.

EEN AUDIËNTIEDAG.

De drie dagen, welke de keurvorst zich zeiven had vergund om in eenzaamheid op het kleine jachtslot te Potsdam door te brengen, waren verstreken, en Friedrich Wilhelm was des morgens van den vierden dag naar zijne residentie teruggekeerd. Zijn gelaat had weder eene opgeruimde, heldere uitdrukking aangenomen, slechts een oogenhlik betrok het, toen het rijtuig het kasteel binnenreed en zijn blik zich naar de plaats wendde, waar vroeger Gabriêl Nietzel placht te staan om hem te groeten. Heden was deze plaats ledig.

Maar hij vroeg niet naar hem en zijn sterven, en toen Kunkel het waagde hem ongevraagd van de terechtstelling te spreken, wenkte de keurvorst afwerend met de hand.

„Klaus is thans hierboven voor Gods troon,quot; zei de keurvorst, „zijn lijden is geëindigd, en omdat ik mij daarover verbeug, wil ik mijn gemoed niet pijnigen met het verhaal van zijn treurig einde. Zwijg er dus van! Ik heb buitendien veel te doen en vele audientiën te verleenen. Er zijn zeker veel personen in de voorkamer?quot;

„Ja, doorluchtigheid, 'lis in de groote antichambre zoo vol als het in langen tijd niet geweest is.quot;

„Ik heb de menschen ontboden. Roep den kamerjonker von Maltzan, om mij bericht te geven. Ga gij terstond tot Mevrouw de keurvorstin en zeg haar, dat ik verschooning verzoek dat ik mij niet dadelijk tot haar heb begeven daar ik belangrijke audientiën heb te verleenen; zoodra die ten einde zijn, zal ik de eer hebben mij tot mevrouw de keurvorstin te begeven. Ga dan ook tot hare koninklijke hoogheid de prinses van de Paltz, breng deze dame mijn onderdanigsten groet en . . .quot;

„Keurvorstelijke genade, ik verzoek vergeving, dat ik 't waag haar in de rede te vallen, maar de beide dames zijn gisteren naar Boetzow gereden, en worden eerst heden middag terug verwacht.quot;

„Roep dan den kamerjonker binnen!quot;

ocr page 176

108

„Het schijnt dus, dat de beide nichten in 'de schoonste eendracht leven,quot; zei Friedrich Wilhelm voor zich, toen hij weder alleen was. „Dat had ik niet gedacht; het verheugt mij intusschen, want het bewijst, dat de prinses zich weet te schikken en het haar ernst is de liefde harer edele nicht te winnen. Dit zal mij genoegen doen, want 't is waar, het gezelschap der prinses is zeer aangenaam en zij verstaat het iemand den tijd te verdrijven, en iets belangrijks en opwekkends te zeggen, ook — Maltzan,quot; wendde hij zich tot den binnentredenden kamerjonker, „geef mij bericht. Wie bevinden zich in de voorkamer?''

„Doorluchtigheid, de hofprediker Bergius en de geestelijke der Nicolaaskerk Pommarius.quot;

„Zijn ontboden! Verder!quot;

„Eene deputatie der Brandenburgsche stenden.quot;

„Verder!quot;

„Twee heeren, die geen woord Duitsch verstaan en tamelijk slecht Fransch spreken. Zooveel heb ik begrepen, dat zij uit Dresden komen en uwer doorluchtigheids gezant aldaar hun een eigenhandigen brief voor u heeft gegeven welken zij u persoonlijk ter hand moeten stellen.quot;

„Ik weet wie zij zijn,quot; zei de keurvorst met vroolijken glimlach. „Hebt ge nu allen genoemd?quot;

„Neen, doorluchtigheid, bovendien is er nog de burgemeester Wegelin, die om een genadig verhoor verzoekt, en dan is er nog een klein manneke gekomen, die zeer dringend om audiëntie bidt, hij heeft veertig mijlen te voet afgelegd om zich bij uwe doorluchtigheid een persoonlijk gehoor te verschaffen. Hij ziet er bestoven en armoedig uit, hij zegt, dat hij volstrekt nog niet gerust heeft, maar zooeven te Berlijn is aangekomen en slechts eene kerk is binnengegaan, waarna hij zich terstond het kasteel heeft laten wijzen, om den geliefden landsheer te spreken, om wiens wille hij acht dagen en acht nachten onderweg is geweest.quot;

„Die man behaagt mij, ik zal hem ter audiëntie ontvangen,quot; zei de keurvorst. „Vooraf moet hij een weinig uitrusten en zich verkwikken. Laat den armen reiziger naar de keuken brengen, opdat hij er wat spijs quot;en drank gebruikt. Vervolgens moet een der bedienden hem behulpzaam zijn om zich een weinig op te knappen, en na verloop van

ocr page 177

109

twee uren moet hij dan weer in de voorkamer zijn. Wij zullen dan wel met de andere audientiën ten einde zijn, en hem het laatst aan de beurt laten komen. Eerst zal ik de heeren uit Dresden ontvangen, vervolgens den burgemeester Wegelin, dan volgt de deputatie der landsten-den en dan de predikanten Bergius en Pommarius. Nu weet ge de volgorde, regel u er naar en zorg voor den armen reiziger. Laat binnenkomen.quot;

De kamer jonker ging naar buiten, en liet terstond daarop de beide vreemdelingen het kabinet binnen.

„Gij komt van Dresden, mijnheeren,quot; zei de keurvorst in vloeiend Fransch, „en naar ik hoor hebt ge mij een brief van mijn zaakgelastigde aldaar te overhandigen?quot;

De beide heeren bogen, een van hen, die eerbiedig den keurvorst naderde, reikte hem een grooten, verzegelden brief, dien deze dadelijk en met nieuwsgierigheid openbrak.

Het was inderdaad een brief van den baron vonPlöt-zen, wien de keurvorst met eene buitengewone zending naar het Saksische hof had gezonden, om eenige verschillen betreffende de grensscheidingen van Maagdenburg en Halberstad te vereffenen.

De brief luidde als volgt; „Uw keurvorstelijke doorluchtigheid had de goedheid mij op te dragen, alhier pogingen aan te wenden om uit de keurvorstelij ke kapel eenige personen voor de dienst van mijn genadigsten heer te werven. Dit is ook gelukt, hoewel niet zonder eenige moeielijkheden, en niet zonder dat het uw keurvorste-lijke genade eenige offers kosten zal. De iinantiën zijn in het keurvorstendom Saksen in zeer bloeienden toestand en derhalve kan het dienstpersoneel der kapel ook hier beter worden betaald dan in de andere plaatsen. Ik heb nu wel een paar zeer goede zangers, een basse taille en een, die een hoogere stem zingt, ik geloof, dat men het tenor noemt, overgehaald in keurvorstelijken dienst te treden, maar hierbij heb ik eenige voorwaarden bepaald, die onvermijdelijk waren. Om namelijk deze twee Italiaan-sche musici voor uw doorluchtigheid te kunnen verkrijgen, moest ik hun eenige voordeden aanbieden, want op voordeden zijn de Italianen zeer gesteld. Hier ontvangen zij een loon van zestienhonderd thaler 'sjaars, en moeten daarvoor driemalen in de week in de keurvorstelijke

ocr page 178

170

kamers zingen, alsmede in de kerk na de predikatie geestelijke gezangen aanhelTen. Ik heb nu deze personen een jaarlijksch loon van zeventienhonderdvijftig thaJer toegezegd, doch op voorwaarde dat zij uw keurvorstelijke genade moeten bevallen en hun gezang u voldoet. Gesteld dat dit het geval niet mocht zijn, heb ik beide zangers beloofd dat uw doorluchtigheid hun ieder vijftig thaler schadeloosstelling zal geven en hun vergunnen zult drie dagen in het keurvorstelijk kasteel van de reis uit te rusten, eer zij naar hier terugkeeren. Aldus heeft uw keur-vorstelijke genade nu de beslissing, en ik doe haar nog opmerken, dat hier te Dresden niemand van mijne onderhandeling met de zangers iets weet. Zij zijn tot nu toe te Dresden geëngageerd en hebben bij den directeur der kapel slechts acht dagen verzocht om eene kleine reis te doen. Ingeval uw keurvorstelij ke genade nu de zangers onder gezegde voorwaarden wil terugzenden, is er niets dat dit belet. Hiermede verblijf ik van uw keur vorstelijke genade de onderdanigste dienaar en knecht; „Friedrich von Plötzen.quot;

De keurvorst vouwde den brief peinzend dicht, en onderdrukte met moete een zwaren zucht. Toen richtte hij zijn blik op de beide Italianen, die met bun zwarte oogen hem vragend en vol verwachting aanschouwden

„Hebt ge muziek medegebracht, om ons iets voor te zingen?'' vroeg de keurvorst.

„Dat is niet noodig, genadige heer,'' zei een hunner.

„Wij hebben al onze aria's en duetten in ons hoofd, en u behoeft slechts te bevelen uit welke opera van onze maestri wij zingen zullen.quot;

Friedrich Wilhelm geraakte in eenige verlegenheid. Hij hield buitengewoon van muziek en bespeelde zelf het klavier en de viool. Hij vermaakte zich met zijne gemalin dikwijls met musiceeren door een duet uit te voeren, waarin Louise Henriette het klavier en haar gemaal de viool bespeelde.

Deze duetten en andere muziekstukken waren bepaald voor dat doel door den organist en muziekdirecteur der Nikolaaskerk, Johann Cr%er, gecomponeerd; ook Robertin had fraaie stukken voor het klavier en andere instrumenten gecomponeerd. Voorts hadden de zangers der keurvorstelij ke kapel, van welke de keurvorst eenigen uit den Haag had ont-

ocr page 179

171

boden, hem vele groote en schoone aria's voorgezongen, doch de keurvorst had vergeten naar den naam der componisten te vragen. Maar opera's had de keurvorst nog nooit gehoord; dit was een Italiaansche uitvinding, van welke nog nauwelijks eenig bericht lot het noorden van Duitschland was doorgedrongen. En nu verlangden deze zangers, dat de keurvorst hun zeggen zou uit welke opera der Italiaansche maestri zij hem zouden voorzingen.

De keurvorst wist hun geen componist te noemen, en zijne gemalin zeker evenmin, en — Maar, prinses Ludowike was er, zij had zeker van deze dingen meer verstand, zij was immers zelve een uitstekende kunstenares, en had nog gisteren met verrukking verteld van de fraaie comedie-stukken, die men te Parijs aan het hof van koning Lode wijk uitgevoerd had.

Prinses Ludowike zou aan de zangers de operastukken kunnen opgeven. Hoe aangenaam was het toch, dat zulk eene verstandige, fijn beschaafde dame zich aan zijn hof bevofid.

Zoo dacht Friedrich Wilhelm, en hij dankte haar in dit oogenblik dat zij gebleven was; hij nam zich voor, haar zelve te zeggen, hoe hij zich over haar tegenwoordigheid verheugde.

Beiden zangers gaf hij tot bescheid, dat zij zich bij den holmeester zouden aanmelden en zich hun kamers laten aanwijzen; des namiddags zou hij hen laten roepen.

„Al zingen zij als engelen,quot; zuchtte de keurvorst, toen zij waren heengegaan, ,,zou ik ze toch niet kunnen houden, „waar zou ik het geld van daan ki'ijgen om zulke dure vogels te betalen? Ik ben een arm man met zeer weerbarstige stenden en steden, die geen geld willen geven.quot;

Het was kwaad voor den heer Wegelin, den burgemeester van Berlijn, dat hij het juist zijn moest, die nu binnentrad, want de keurvorst was in geen goede stemming gekomen.

„Nu, riep hij den burgemeester toe, „wat voert u reeds weder tot mij? Ik weet, dat als de gestrenge heeren van Berlijn bij mij komen, zij ook klachten hebben aan te brengen. Of hebt gij soms weer een ongelukkige gevangen genomen, dien ge' van hekserij beschuldigd, en waarmee gij het bloeddorstig volk van Berlijn een aangenaam schoim-spel wilt geven?quot;

„Uw doorluchtigheid schijnt zeer ontevreden op de

ocr page 180

172

steden en de magistraat van Berlijn en Keulen te zijn,quot; zei de burgemeester met een zucht.

„'tls waar, ik bemin het oproerige, neuswijze en weerbarstige volk van Berlijn en Keulen niet bijzonder!''zeide de keurvorst driftig. „Het praat veel en heeft den mond altijd vol groote woorden, maar daden ziet men niet. Het verbeeldt zich verstandig en beschaafd te zijn, maar is geleerd in ondeugd en domheid. Kunsten en wetenschappen, handel en nijverheid staan hier, bij andere Duitsche hoold-steden en residentiën vergeleken, ver achter. Men voert altijd een groot woord, en dat heeft het neuswijze Berlijn van zijn heer burgemeester Wegelin en zijn trotsche raads-heeren geleerd. De burgemeester heeft ook altijd wat tegen te praten, hij meent hier de regeerende vorst en beer te zijn, die alleen weet te zeggen wat recht en wet is.quot;

„Niet alleen, doorluchtigheid,'' zei de burgemeester in eerbiedige houding, maar met vaste stem, „maar hij heeft een woord mede te spreken, als 't het welzijn der stad betreft, van welke hij de eer heeft een der burgemeesters te zijn. Veroorloove uw doorluchtigheid mij echter een paar woorden te zeggen, ter verontschuldiging der ongelukkige steden Keulen en Berlijn. Uw doorluchtigheid zegt, dat zij achterstaan bij de andere steden in Duitschland, en de kunsten en wetenschappen, handelen nijverheid hier helaas op een zeer lagen trap staan, maar mag ik uw genade in herinnering brengen hoevele vreeselijke dagen van ramp wij beleefd, hoeveel kommer en nood wij hier sedert vijftig jaren geleden hebben, hoe de oorlog de steden en het ge-heele land geruïneerd heeft? De burgers leven in ellende en gebrek, er is geen geld om de huizen, die door het krijgsvolk half verbrand of verwoest zijn, weder op te bouwen, en waar armoede en ellende is, daar kunnen geen kunsten en wetenschapen bloeien.quot;

„En waar lichtzinnigheid, zucht tot vermaak en uitspattingen heerschen,'' riep de keurvorst, „kunnenzij nog minder bloeien! Gij zegt, dat de burgers van Berlijn en Keulen arm en ellendig zijn, en toch jagen zij allerlei nietswaardige genoegens na: de vrouwen schikken zich op, dat het schande is, de mannen, in plaats van te werken en zich in te spannen, vermaken zich in de bierhuizen, of staan uren lang te kijken naar de poppen- en marionetspellen, die op straten en pleinen ja soms voor de kerkdeuren plaats nemen,

ocr page 181

opdat, als de namiddagpreek ten einde is, en men goed uitgeslapen is, men zich daarmee kan verlustigen. En dat alles dulden de heeren burgemeesters van Berlijn en Keulen! Ja, zij laten zelfs toe, dat de leerlingen van het gymnasium tooneelstukken opvoeren en zotte grappen vertoonen! Maar zeg mij, heer burgemeester, waarom zijt ge thans gekomen?quot;

„Keurvorstelijke doorluchtigheid,quot; antwoordde de burgemeester, zijn eerbiedig gebogen hoofd fier oprichtende, „tot mijn eigen leedwezen en verdriet ben ik gekomen om mij namens de stad Berlijn met eerbiedige bede tot u te wenden, en u te verzoeken van onze arme stad niet te veel te vergen.quot;

„Waar begint dat te veel, heer burgemeester?'

„Doorluchtigheid,quot; antwoordde Wegelin met bedaarde stem, „daar waar de wet ophoudt. De wet bepaald, dat de burgemeesters en raadsheeren van Berlijn en Keulen voor 't bestuur der stad moeten zorgen. Sedert het jaar zestienhonderd negen-en-veertig hebben beide steden zich weder ter zake van het stadsbestuur vereenigd, en uw doorluchtigheid heeft in die vereeniging toegestemd. De stad Berlijn kiest twee burgemeesters en de eene helft der raadsheeren, de stad Keulen kiest een burgemeester en de andere helft der raadsheeren. De gekozenen worden pro forma den keurvorst ter bevestiging voorgesteld, en dan jaarlijks op St. Thomasdag op het stadhuis bevestigd. De bestemming en taak der burgemeesters en raadsheeren is, de stadsgoederen te beheer en, voor recht en orde te zorgen, de politie te handhaven, de misdadigers te straffen, de welgezinden te beschermen, de burgers in hun nooden behulpzaam te zijn, en ze bij zijn keurvorstelijke genade te vertegenwoordigen.quot;

„Gij zijt dus hier gekomen om ze te vertegenwoordigen, niet waar?quot;

„Ja, keurvorstelijke genade, dat ben ik. In naam van beide steden — want de burgemeester van Keulen is ziek en heeft mij zijn plaatsvervanging opgedragen — moet ik uw doorluchtigheid vragen, dat zij de genade hebbe, het bestuur van beide steden in onze handen te laten, daar wij hiertoe door de inwoners gekozen zijn en er voor betaald worden. Uw doorluchtigheid heeftin den laatsten tijd zoovele bevelen gegeven, dat wij ze niet weten uit te voeren, zonder

ocr page 182

174

dat de burgers te gronde zullen gaan. Ik bid uw doorluchtigheid, dat het haar behage van deze bevelen af te zien, die toch niet kunnen overeenstemmen met de inzichten van burgemeesters en raadsheeren, aan wie naar recht en wet het bestuur der stad toekomt.quot;

„Gij wilt hiermede zeggen,quot; riep de keurvorst met opwellenden toorn, „dat ik mij met zaken bemoei, die mij niet aangaan, en dal de burgemeesters en raadsheeren te Berlijn alleen hebben te bevelen?quot;

„Doorluchtigheid,quot; riep de burgemeester, „de steden Berlijn en Keulen hebben gewisselijk haar eigen vrije constitutie, en in de Breêstraat, niet ver van den Dom, staat de steen, die sinds langen tijd aanwijst, waar het rechtsgebied van den keurvorstelijken slotvoogd ophoudt en dat der stad begint!''

„Ik zal- dezen steen laten wegnemen !quot; riep de keurvorst toornig. „Ik zal de steden, den burgemeesters en den raadsheeren bewijzen, dat de tijden van oproer en ongehoorzaamheid voorbij zijn, en zij allen aan hun keurvorst en heer onderdanig moeten wezen. Ik heb de steden Berlijn en Keulen de eer aangedaan ze tot mijn residentie te verheffen. Ik laat hier in Keulen, in plaats van het oude vervallen kasteel, een nieuw keurvorstelijk paleis bouwen. Ik wil dat mijn residentiën haar vorst eer zullen aandoen. Ik zeg u, dat ik, trots u, mijn residentie uit het slijk en de ellende zal opheffen. Het is mij volkomen onverschillig of ik uwe vrijheden beperken en uwe rechten besnoeien moet. Gij wilt die rechten behouden, om den vooruitgang tegen te houden, en uw vrijheden zijn oorzaak dat wij in 't slijk voortleven. Ik heb bevolen, dat de varkenskotten van de straten weggenomen moeten worden; daar blijft het bij. Ik heb bevolen, dat de burgers, die vier varkens houden, er drie van moeten slachten en zich daarvoor een koe moeten aanschaffen; aan dezulken heb ik het vrije gebruik van de weiden en het gras in de diergaarde toegestaan, en hun veroorloofd zich door de Hollanders, die ik hier heb ontboden, kosteloos in de melkerij te doen onderrichten. Daar blijft het bij! Ik heb bevolen, dat de drek van de straten zal worden weggeruimd, en iedere boer, die met een voer koren of erwten in de stad komt, met een voer straatdrek moet wegrijden. Daar blijft het bij! Hel blijft er ook hij, dat de burgers

ocr page 183

175

den dienst der wacht in de stad op zich nemen, en zich in de soldatendienst oefenen. Ik draag het u nogmaals op, om, gelijk vroeger, nachtwachts aan te stellen, die het uur roepen en des nachts op de straten rondgaan. Ook moeten er lampen uitgehangen worden als het donker wordt, opdat iedereen zien kan waarheen hij gaat en wien hij ontmoet. Wat nu de belasting betreft, welke ik de stad Berlijn heb opgelegd; ik zal ze met geweld van u vorderen zoo ge ze niet goedwillig geeft! Ik zeg u, Wegelin, buig uw hoofd en wees gehoorzaam. Want ik alleen ben hier den man, die wetten geeft, gij zijt er, om te zorgen dat zij nagekomen worden. Ik hoop het nog te beleven, dat Berlijn eene welgestelde, groote, fraaie stad wordt, waarin de handwerken en kunsten bloeien. En dan zal ik met trots kunnen zeggen: Dit heb ik gedaan! Wat Berlijn is, is het door zijn keurvorst geworden en niet door zijn burgemeester. Nu weet ge mijne meening, Wegelin. Ga en denk er over na! Ge zijt ontslagen!quot;

De burgemeester wilde nog wagen iets te zeggen, maar de keurvorst brak zijne rede bij de eerste woorden af, door met den kleinen zilveren hamer op den glaskogel te slaan, waarop zijn kamerjonker von Maltzan in het kabinet verscheen.

„Laat de deputatie der landstenden binnen komen, en leid den heer burgemeester uit,quot; beval de keurvorst; en terwijl Wegelin nu zwijgend en met gebogen hoofd vertrok, kwamen reeds de vier afgevaardigden der landstenden het kabinet binnen.

„Welkom, mijne heeren,quot; riep de keurvorst hen toe, „welkom, zoo ge mij iets goeds brengt! Ge hebt mij eene audiëntie verzocht, en ik heb ze u toegestaan. Spreek, wat hebt ge mij te zeggen!quot;

„Doorluchtigheid, de nood van het land en onmogelijkheid de nieuwe uitgeschreven belasting op te breng-gen,quot; antwoordde baron von Arnim, de spreker der deputatie.

„De oude klachten, eeuwig hetzeltde,quot; zei de keurvorst de schouders ophalende. „Gij meent altijd, dat zonder u niet kan geregeerd worden, en als het er op aankomt deel aan de regeering te hebben, door te bepalen op welke wijze de noodige gelden voor het onderhoud van het land en de regeering moeten worden opgebracht.

ocr page 184

weet ge geen antwoord te geven, dan te verklaren, dat het onmogelijk is deze belastingen op te brengen. Vindt dan toch het middel uit, mijne heeren, om een land te regeeren, voor zijne verbetering te zorgen, recht en orde te handhaven, zonder geld of bronnen van inkomst!quot;

„Maar, doorluchtigheid, de arme bewoners der Mark hebben ook geen geld of bronnen van inkomst,quot; antwoordde von Arnim zuchtend. „En zoo voor hen de mogelijkheid om iets te verdienen nog verminderd wordt, zullen zij ten laatste geheel den moed verliezen en volstrekt niet meer in staat zijn iets te verkrijgen.quot;

„Waardoor wordt hun verdienste verminderd en hun moed gebroken?quot;

„Doordat er zoovele buitenlanders in de Mark worden gehaald, doorluchtigheid. Wij zijn daarom namens de landstenden voor uw doorluchtigheid verschenen, om te verzoeken, dat uw doorluchtigheid voortaan genadiglijk wilt ophouden zoovele vreemden hierheen te halen.quot;

„Dat is dan mijn dank,quot; zeide hij met innig leedgevoel, „mijn dank voor al de moeite en zorg, die ik aan de Mark heb bewezen. Alles is hier in slechten toestand, de landen akkerbouw, de veeteelt, alles ligt stil. Niet omdat de bewoners der Marken veel hebben moeten lijden, maar omdat zij van al deze zaken niets verstaan en niet weten hoe het aan te leggen. Om mijne onderdanen nuttig te zijn, hun goede voorbeelden te geven, heb ik uit Holland landbouwers, boeren en tuiniers overgehaald om zich hier te vestigen, ik heb de reiskosten vergoed, hun land aangewezen, en hoopte van hun invloed een goed resultaat voor mijn onderdanen in de Marken. Doch nu komende heeren stenden om zich te beklagen over wat ik uit loutere zorg als een trouw landsvader gedaan heb! In plaats van mij te danken, komt ge klagen, alsof ik het land benadeel inplaats van het voordeel te bezorgen. Zie om u heen, mijnheeren, zie» hoe het land weer begint te herleven, hoe de akkers beter en voordeeliger bebouwd worden, boe men van de weiden nut begint te trekken, nu men het gras tot voeder voor de koeien gebruikt, hoe van de braak liggende akkers tuinen zijn gevormd, waarin allerlei groenten worden geteeld en waar bedden kostbare en prachtige bloemen bloeien! Dat alles hebt ge te danken aan de vlijtige, bekwame Hollanders, die ik in het land

ocr page 185

177

heb laten komen. Ik meende mij op mijn daden te mogen verheffen, maar 't maakt mij bijna weemoedig, dat ge hel mij zoo slecht beloont en zoo weinig wilt begrijpen, dat al mijn handelen en denken er alleen op zijn gericht, om mijn onderdanen nuttig te zijn, hun nood te overwinnen en hen weer in een beteren en voordeeliger toestand te brengen!quot;

„Doorluchtigheid, de vestiging der Hollanders en andere buitenlanders is ook niet het ergste, waarover wij namens de landstenden te klagen hebben. Veel erger is het, dat men uit andere landen en provinciën lieden hier heen roept en hen keurvorstelijke aanstellingen opdraagt, waardoor de Markers worden achteruitgezet en beschaamd.quot;

„Gij wilt er op wijzen, dat ik in den jongsten tijd eeni-ge beambten uit Kleef en, zoo ik geloof, ook uit Pruisen hierheen heb geroepen en ambten en betrekkingen heb gegeven ?quot;

„Ja, doorluchtigheid, dat is het, wat de landstenden en ook het land met bezorgdheid te gemoet ziet! Reeds sedert jaren hebben de Rijnprovinciën van uw doorluchtigheid het privilegie verkregen, dat geen buitenlander bij hun rechtbanken en collegiën mag worden aangesteld. Een dergelijk privilegie heeft uw doorluchtigheid ook aan de bewoners van het hertogdom Pruisen geschonken. Alleen de bewoners der mark verblijden zich niet in dergelijke gunst; zij moeten zien dat vreemden in hun land voorgetrokken en met posten en ambten bekleed worden, hoewel er toch geen gebrek is aan personen, die zeer goed in staat zijn deze posten en ambten te vervullen.quot;

„Alsof gij heeren dit alles wist te beoordeelen,quot; riep de keurvorst met een spottenden glimlach, „alsof het u geoorloofd was uw landsheer en vorst, uw oordeel op te dringen!quot;

„Doorluchtigheid, wij hebben slechts den last ontvangen om u namens de stenden dringend te verzoeken ons dezelfde voorrechten te verleenen, die gij aan uw andere landen en provinciën toekent, opdat wij niet moeten ge-looven, dat de Mark Rrandenburg bij de andere landen achterstaat in uw zorg en liefde.quot;

„Gij hadt liever moeten aannemen, dat ik juist de Mark Rrandenburg bevoorrechtte, doordat ik hier nieuwe krach-

Mühlbach, Be groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 12

ocr page 186

478

ten toevoerde en trachtte voor haar overal de beste en bekwaamste hoofden uit te zoeken.quot;

„Doorluchtigheid, het ontbreekt ons, Goddank, ook in ons land niet aan bekwame mannen, die in staal zijn elk ambt, waarop zij zich hebben toegelegd, waardiglijk te vervullen. Verleen den trouwen stenden der Mark Brandenburg een bewijs uwer genade, door aan de Mark het privilegie te schenken, dat er slechts inlanders tot ambten en betrekkingen worden aangewezen en geen buitenlanders, al waren zij ook uit het nabijgelegen sticht Maagdenburg. Indien ons dit gunstbewijs verleend wordt, zullen wij wederkeerig met ijver bedacht zijn uw eischen te bevredigen en alles in 'twerk stellen om het mogelijk te maken, dat de Mark Brandenburg de gevorderde belasting van vijf-en-veertig duizend thaler voor drie jaren, tot onderhoud uwer soldaten, be willige.quot; ^

„Nu dan,quot; riep de keurvorst, de schouders ophalende, „tot dien prijs moet ik wel in uw kleingeestig en kortzichtig verzoek bewilligen, hoewel ik zeggen moet, dat gij de Mark meer benadeelt, dan ge denkt, nu ge voor de verlichting deur en venster sluit. Maar ik heb, helaas! geld noodig, om mijn soldaten te kleeden en te voeden, en het krijgswezen op een goeden voet te brengen. Ik moet dus wel uw voorstel aannemen, en zal in mijn besluit op den landdag aankondigen en toestaan, dat ge u aan uw beperkt standpunt kunt houden, en gij uw vaderland in de nauwe grenzen sluit, door niet eens de bewoners van mijn andere landen en provinciën als uwland-genooten te erkennen. Geeft dit antwoord aan die u gezonden hebben, en draagt zorg dat mij de gevorderde sommen voor het krijgswezen onverwijld worden toegestaan. Ga nu en brengt de getrouwe stenden mijn genadigen groet!quot;

1) Zie: Konig, Schildemng von Berlin. II.

ocr page 187

179

VII.

PREDIKANT EN KLEERMAKER.

„Het geld voor mijn soldaten zal ik nu wel krijgen,quot; zei de keurvorst, toen de deputatie vertrokken was, „maar het doet mij toch leed, dat zij het slechts onder zulke domme, kleingeestige voorwaarden willen geven. Onnoozele men-schen, die zich in hun domheid wijs en in hun bekrompenheid machtig wanen. Zij zien niet verder dan het heden en om de toekomst bekommeren zij zich niet! En dan willen zij het mij tot verwijt maken, dat ik verder zie en mij een grootscher doel voorstel. Zij miskennen het goede, dat ik hun bewijs en beloonen mij met ondankbaarheid. Dit doet mij leed, want hoewel men niets doen moetom dank, smart ondank toch. Ik voel mij vermoeid en ontstemd van al die dingen, en wil mij derhalve verschoonen de beide twistzieke geestelijken ook nog heden toe te laten.quot;

Hij sloeg tegen de klok en beval den kamerjonker von Maltzan, de audientie der beide predikanten en der andere personen, tot den volgenden dag uit te stellen.

De kamerjonker boog zwijgend en was reeds op 't punt zich te verwijderen, toen de keurvorst hem terugriep.

„Ik had bijna den armen reiziger vergeten, en dit zou mij later gespeten hebben. Hij heeft acht dagen te voet gei'eisd om tot mij te komen; ik wil dus den armen man ook niet langer laten wachten. Voer hem binnen, Maltzan.quot;

„Ik dank u, keurvorstelijke genade, voor dit gunstig bevel,quot; zei de kamerjonker buigende. „Het zou mij waarlijk gespeten hebben, zoo de arme kleine man onverrichter zaak had moeten vertrekken. Hij heeft noch spijs, noch drank willen nemen, want hij zegt dat hij de gelofte heeft gedaan niet eerder in Berlijn te eten en te drinken, dan nadat hij uw doorluchtigheid gesproken heeft. Daartoe heeft hij zich terstond bij zijn aankomst gesterkt door het gebed;

ocr page 188

180

meerdere versterking behoefde hij niet; zelfs zoo hij nog vier en twintig uren moest wachten tot uw doorluchtigheid hem eene audientie verleende.quot;

„Laat hem dadelijk binnen, en het doet mij genoegen dat ge zulk een goed, deelnemend hart hebt/' zei Frie-drich Wilhelm, zijn kamerjonker vriendelijk toeknikkende.

Weinige minuten later werd de deur van het kabinet zacht geopend en een klein, mager man trad binnen, die schroomvallig bij de deur bleef staan. Het was een zonderlinge verschijning, een onwillekeurige glimlach kwam over het gelaat van den keurvorst, toen hij hem zag. Om de eenigszins kromme beenen fladderden de wijde grijslinnen broekspijpen, de voeten waren in groote schoenen met gespen gestoken, waaruit blauwe kousen met klinken te voorschijn kwamen. Een lang, met allerlei koorden en kwasten versierd vest bedekte zijn bovenlichaam, en hierover zat slordig en los een kale rok van zwart laken, versierd met groote koperen knoopen. De lange, magere hals werd recht gehouden door een breeden witten doek, die van voren in een reusachtig grooten strik was vastgemaakt, wier beide vleugels tot den slecht geschoren borsteligen kin oprezen. Het grijze haar omgaf als een krans den kalen schedel, en hing met lichte, doorschijnende lokken op de hooge, ietwat ongelijke schouders. Zijn gelaat was echter 't meest in't oog vallend; het was leelijk en vervallen, en toch lag er iets aantrekkelijks in; het was met rimpels doorploegd, maar toch fonkelde er nog jeugdig vuur in zijn donkerbruine oogen, de fijne gebogen, scherpe arendsneus gaf aan zijn gelaat een stoutmoedige, koene uitdrukking, en was in zonderlinge tegenstelling met het goedhartig lachje, dat om de dunne lippen speelde.

„Wie zijt gij T' vroeg de keurvorst met goedheid. „Van waar komt gij, wat begeert ge van mij?quot;

„Ach, doorluchtigheid,quot; antwoordde de man zuchtend, „u heeft daar in korte woorden drie vragen gedaan. Maar ik moet u onderdanigst bekennen, dat mijne antwoorden, helaas! iets langer zullen zijn, zoo gij mii daartoe het verlof wilt geven.quot;

„Gij zijteen wonderlijke snaak,quot; glimlachte de keurvorst.

„Keurvorstelijke genade, gij hebt daar reeds de goedheid het eerste deel of de eerste vraag zelf aan te geven en het antwoord er op in te leiden. Uwe eerste vraag

ocr page 189

181

luidde: Wie zijt gij : En nu belieft u te antwoorden; Een wonderlijke snaak! 't Is waar, ik ben een wonderlijke snaak, want ik ben tegelijkertijd kleermaker en predikant, tegelijk biechtkind en biechtvader, tegelijk leek en priester. Als kleermaker naai ik de kielen der boeren, en als predikant lap ik hun zielen, door hen hun zonden en dwalingen voor te houden. Des Zondags spin ik op den kansel een tamelijk langen draad, en steek des Maandags den draad in de naald om de rokken mijner boeren te verstellen, opdat zij den volgenden Zondag weder deftig en fatsoenlijk mijn preek kunnen hooren. Ja, ik ben een wonderlijke snaak, zooals uw doorluchtigheid belieft te zeggen.quot;

„En wat gij door uw rede bevestigt!quot; lachtte de keurvorst, terwijl hij zich op zijn stoel nederzette om de zonderlinge, bewegelijke figuur van den kleermaker en predikant eens goed op te nemen. „Artikel een is dan nu afgedaan, en wij gaan over tot het tweede gedeelte van het antwoord.quot;

„Dit tweede gedeelte is gemakkelijk en moeielijk te beantwoorden, doorluchtigheid,quot; antwoordde de man de schouders ophalend. „Het komt er slechts op aan, of uw doorluchtigheid een metaphysisch of politie-antwoord begeert. Zoo dit laatste het geval is, moet ik op uw vraag : „vanwaar komt ge?quot; antwoorden; Ik kom uit het dorp Dobelheim bi] Halberstadt. Maar zoo uw doorluchtigheid een metaphysisch antwoord wenscht, zou uitgemaakt moeten worden, of ik mag zeggen dat ik van God kom, of van den duivel, en dan zou vooraf de groote vraag moeten opgelost worden, of de mensch van nature goed is, of dat hij eerst in de wereld bedorven wordt door den invloed des duivels, die, gelijk de geleerde heeren predikanten zeggen, persoonlijk in de wereld rondsluipt zonder dat de Heere God er iets aan doet. Ik ben geen geleerde, maar een zeer onwetend predikant, die zich vermeet aan een lichamelijken duivel te twijfelen, en bijgevolg ook het bezweren en uitdrijven van den duivel bij den doop der kinderen voor een overbodige, ja zelfs voor een godslasterlijke zaak houdt, omdat men daardoor zou beweren dat God niet zoo machtig is als de duivel; want waar bleef Gods macht en alomtegenwoordigheid, zoo de kleine kinderen reeds den duivel in het lijf hadden?quot;

„Ge zijt een vermetele, koene prater,quot; riep de keurvorst

ocr page 190

182

opgeruimd, „mij dunkt dat. uw tong volstrekt niet vermoeid is van de lange reis, en zich nog bijzonder vlug kan bewegen. Wij willen nu het metaphysische gedeelte van het antwoord niet verder onderzoeken, en mij voortshands met het politie-antwoord tevreden stellen. Ge zijt uit het dorp Dobelheim bij Halberstadt, en ge heet?quot;

„Ik heet Jacob, Samuel, Fürchtegott, Leberecht, Konrad, Martin, Eberhard, Traugott, Gottlieb, Karl, Johannes, Frie-drich Richter.quot;

„Hoe? Hebt ge twaalf voornamen?quot;

„Ja, doorluchtigheid, ik bezit twaalf voornamen, maar ik voer er altijd maar één te gelijk. In Januari noemt mijn vrouw mij Jakob, in Februari Samuel, in Maart Fürchtegott en zoo verder. Iedere maand noemt zij mij met een anderen naam, zoo als mijn ouders en broeders en zusters vroeger ook hebben gedaan. Maar dit is afkomstig van een gelofte, welke mijn vader zaliger bij mijn doop gedaan heeft. Mijn vader was namenlijk een arme kleermaker hier te Berlijn, en daar het hem toenmaals in de oorlogstijden zeer tegenliep, gaf hij in zijn nood een groot doopsfeest en noodigde daarbij twaalf rijke en voorname peten, aan ieder van welken hij zeide, juist hem zoo zeer te vereeren en lief te hebben dat hij niets vuriger wenschte dan zijn eerstgeboren den voornaam van zijn hooggeeerdea begunstiger te geven. Nu weet uw doorluchtigheid, dat de goede domme menschen voor niets gevoeliger zijn, dan voor vleierij, en men hiermede zeer veel van hun zwakheid kan verkrijgen. De doop vaders, welke mijn arme vader zoo liefhad, waren dan ook allen behoorlijk op het bepaalde uur in de kerk, en ze waren allen zeer verbaasd er elf andere doopgetuigen te vinden, die allen zeiden dat mijn vader zijn eerst geborene uit bijzondere achting naar hém wilde noemen, zoodat nu allen wilden heengaan. Nu bekende mijn vader hun met tranen in de oogen, dat het hem zoo ongelukkig ging, en hij twaalf doopgetuigen had genoodigd, in de hoop dat ieder dezer rijke, milddadige heeren toch wel een thaler voor het kind als doopgeschenk zou geven, en dan had hij ten minste voor de volgende weken eenig geld, om zijn vrouw en kind geen honger te laten lijden, tot hij weer wat verdiend had. Hij had juist deze twaalf doopgetuigen gekozen, omdat zij de edelste, groot-

ocr page 191

183

moedigste en milddadigste inwoners van geheel Berlijn waren, en hun namen zijn kleinen zoon zegen zouden brengen. Werkelijk gelukte het dan ook mijn vader, met zulke hartroerende vleierijen zijn twaalf doopgetuigen te verzoenen en ieder gaf hem twee thaler, op voorwaarde dat het kind eens in het jaar naar iederen peet zou genoemd worden. Dit belootde mijn vader en wij zijn het beloofde nagekomen, want hoewel mijn goede vader lang dood is, voer ik tot op den dag van heden, naar de rij mijner peten, iedere maand een anderen naam.quot;

„Hoo heet ge in deze maand?''

,,In deze maand heet ik Gottlieb, keurvorstelijke doorluchtigheid,quot;

„Gaan wij nu tot de beantwoording mijner derde vraag over, Gottlieb Richter. Zij luidde: Wat begeert gij van mij ?quot;

, Ja, zoo luidde zij, en ik antwoord er op; Gerechtigheid en een genadig vonnis!''

„Gottlieb Richter, ge zegt daar in éénen adem een tegenstrijdigheid. Zoo ge gerechtigheid eischt, komt geen genadig vonnis te pas; want de gerechtigheid vraagt geen genade, maar oordeelt op zich zelve.''

„Dat is waar, genadige heer! Maar in onze godsjam-merlijke tijden is het reeds een zeer groote genade als men gerechtigheid bekomen kan, en het geen machtige, sterke hand vergund zij den blinddoek, die de gerechtigheid voor beide oogen draagt, van het rechter oog een weinig op te heffen.quot;

„Vreest ge zulk een machtige, sterke hand, en weet ge wien zij behoort?quot;

„Ja, doorluchtigheid, ik vrees zulk een hand, en zij behoort den heer consistorieraad en hofprediker Stoschius.quot;

„Wat?!quot; riep de keurvorst verwonderd. „Waagt gij het, mijn hofprediker Stoschius te beschuldigen, en te beweren dat hij in staat zou zijn den blinddoek der gerechtigheid te verschuiven?quot;

„Ja, doorluchtigheid, zoo de dame haar hoofd zoo dicht bij hem brengt, of het hem zeer teeder op den schouder legt, zou het licht kunnen gebeuren dat de heer hofprediker Stoschius lust gevoelt, haar aan zijn hart te drukken. Hierbij kon, zelfs buiten zijn schuld, de doek wel een weinig verschuiven, waardoor zij dan zou kunnen zien dat de heer Stoschius een aanzienlijk, voornaam hofprediker is. en ik

ocr page 192

184

slechts een arm onbekend dorpspredikant, die niets op aarde bezit dan een goed geweten, tien kinderen, en de liefde van zijn arme boeren, wat toch een riike zegen Gods is.quot;

„Een zegen, dien u menig rijk en voornaam man zou kunnen benijden, Gottlieb Richter. Maar zeg mij eens, wat hebt ge met mijn hofprediker en consistorieraad Sto-schius te maken?quot;

„De heer consistorieraad heeft op uw bevel een inspectiereis door de landstreken gedaan, welke bij den West-faalschen vrede aan u zijn toegedeeld; en zoo is hij dan ook in het Halberstadsche en in ons dorpje Dobelheim gekomen. Het is een klein, armzalig dorp, dat ver van de groote wegen ligt, niemand bekommert zich veel om ons; het allerminst deed dit de heer bisschop van Halberstadt, toen wij hem nog ondergeschikt waren. Ons dorp bestond uit protestantsche boeren en kolonisten, en deze waren destijds niet zeer in aanzien, totdat de genadige, vrome en van God gezegende keurvorst Friedrich Wilhelm zich over de Lutherschen en Gereformeerden ontfermde, en voor hen gelijke rechten en gelijke achting voor hun belijdenis bewerkte. Wij hadden een eigene kleine parochiekerk, en de boeren mochten zelf hun predikant kiezen, maar moesten ook geheel voor zijn traktement zorgen en zijn akker betelen. Nu, het traktement was sober genoeg en de heer predikant had niet veel meer te verteeren dan een boer zijner gemeente. Maar hij was tevreden, hij had lang in de gemeente gewoond en verlangde niets liever dan er te blijven. Het dorpje Dobelheim is dan ook een stil, rustig en schaduwrijk plaatsje, en het lachte mij zoo toe toen ik er op mijn handwerkreis kwam, dat ik terstond besloot er te blijven en mij er neder te zetten.quot;

„Gottlieb Richter,quot; zei de keurvorst hem glimlachend met den vinger dreigende, „ge spint waarlijk zulk een langen draad, of ge een boer een groot gat in zijn kiel moest dicht naaien, en niet onzen consistorieraad en hofprediker iets oplappen, gelijk toch eigenlijk uw bedoeling is. Zeg mij eens voor alles, wat u tot trnj heeft gevoerd, en in welk opzicht, ge van mij tegen den hofprediker Stoschius gerechtigheid en ook genade begeert'?quot;

„Ach, doorluchtigheid, omdat hij met zijn groote trotsche oogen wel den kleermaker maar niet den predikant wil

ocr page 193

185

zien! Ge hebt hem naar dat land gezonden, om naar de kerken en gemeenten te zien, maar hij is niet teruggekomen, als de duif met het olijfblad in den mond, maalais de gier, die op de duiven jacht maakt en beur nest verstoort. Ik was reeds tien jaren, van dat onze oude predikant gestorven is, in diens plaats getreden en bad tot tevredenheid van mijn lieve kleine gemeente alle ambtsplichten van den predikant waargenomen; en daar komt nu de heer consistorieraad, en geraakt in woede, toen hij vernam, dat ik des Zondags als de zaken het zoo ver-eischen, een predikant, maar in de week slechts een arm kleermakertje ben, en . .

„Wacht eens,quot; viel de keurvorst hem in de rede. „Ik wil niet alleen uwe aanklacht, maar ook de verdediging van mijn hofprediker booren, en wat ge tegen hem te zeggen hebt, moet ge mijn hofprediker in 't gezicht zeggen!quot;

Zijne oogen richtten zich hierbij met een vorschende uitdrukking op Gottlieb Richter. Maar het magere schran-dere gelaat van den man bleef volkomen kalm en bet, scheen hem zelfs aangenaam toen de keurvorst zijn kamerdienaar Kunkel riep, aan dezen beval terstond naar den hofprediker Stoschius te gaan en hem onverwijld bij den keurvorst te brengen.

„Ik dank uw doorluchtigheid,quot; zei Gottlieb Richter, levendig met het hoofd knikkende. „Gij zijt waarlijk een wijs en rechtvaardig rechter, die beide partijen hoort en niemand veroordeelt vóór hem schuldig te hebben bevonden. God geve nu maar, dat de hofprediker bereidwillig is aan uwe uitnoodiging te voldoen, om terstond bier te komen.quot;

„Hij zal wel bereidwillig zijn,quot; glimlachte de keurvorst, „als ik hem ontbied, zal bij wel komen. Ge zijt er dus mede tevreden, dat hij hoort wat gij tegen hem te zeggen hebt?quot;

„Ik verheug mij er over, doorluchtigheid, want de gestrenge heer zal nu ten minste uit eerbied voor zijn keurvorst mij willen aanhooren, terwijl hij te Dobelheim, toen ik spreken wilde, mi] gebood den mond te houden en mij de deur wees.quot;

„Het moest hem ook wel een weinig verwonderen in eene christelijke gemeente als predikant een kleermaker te vinden.quot;

ocr page 194

186

„Doorluchtigheid, niemand wordt toch als predikant geboren, en de apostel Petrus is ook maar een arme vis-scher geweest.quot;

„Ge weet goed te antwoorden,quot; zei de keurvorst glimlachend.

„Ik hoop maar, doorluchtigheid, dat ik eens ook onzen Lieven Heere het antwoord niet zal behoeven schuldig te blijven, zoo hij mij op den dag der opstanding vraagt, of ik een braaf en nuttig leven geleid heb, en de zielen, welke hij mij heeft toevertrouwd, goed gehoed heb en verzorgd.quot;

„Gij gelooft dus dat onze Lieve Heer zelf u tot predikant uwer gemeente heeft aangesteld?quot;

„Ja,quot; riep Gottlieb Richter blijmoedig, terwijl hij bevestigend de hand op zijne borst legde, „ja, ik geloof dat bepaald. God bestuurde het, dat ik op mijn handwerksreis als arm kleermakersgezel in het dorp Dobelheim kwam en er mij nederzette. God heeft het zoo bestierd, dat de goede oude predikant, toen ik hem op een dag zijn oude toga, waaraan ik acht dagen te lappen had gehad, terugbracht, met mij een gesprek begon zoo goed en teeder, dat ik later dagelijks, als ik de avond vrij had, bij hem mocht komen om vrome en stichtelijke boeken te lezen en er met hem over te redeneeren. God heeft gewild, dat de goede oude predikant mij onderrichtte, mijn geloof versterkte, mij de Heilige Schrift ophelderde en verklaarde wat ik niet begreep. Zoo werd ik langzamerhand geheel bedreven in de godgeleerdheid en toen eindelijk de heer predikant zwak en ziekelijk werd, kon hij mij met een gerust geweten op den kansel toelaten om zijn ambt te bekleeden, want hij wist, dat ik in zijn geest zou spreken en handelen; bovendien ging hij iederen Zondag den tekst van het evangelie met mij na en ik schreef de hoofdzaken op, waarover ik spreken moest. Zoo was ik tien jaren lang de helper van mijn lieven predikant, en hij zelf noemde mij altijd zoo, 'tgeen de menschen in 't dorp eveneens deden. Toen nu de predikant eindelijk van ouderdom en zwakheid gestorven was en ik hem beweende, zooals 't een dankbaren zoon betaatr t, want hij was werkelijk voor mij een vriend en vader geweest, kwamen de opzichters der gemeente in mijne kamer, schudden mij uit mijne droefheid en zeiden: Traugott Richter — ik heette in die maand

ocr page 195

487

juist Traugott — ge moogt niet langer zitten weeklagen om den ouden man, want gij hebt er geen tijd toe, daar ge wel weet dat het morgen Zondag is, en gij uw ambt verrichten moet. — Welk ambt? vroeg ik verwonderd. — Wel, uw ambt als predikant onzer gemeente, zeiden zij, en toen ik tegensprak en zeide, dat dit onmogelijk kon gaan, antwoordden zij: Waarom zou het morgen niet gaan, wat al tien jaren is gegaan? Ge hebt al tien jaren voor den goeden predikant het ambt waargenomen, en wij hebben ons bierbij zeer goed bevonden. Waarom zouden wij er ons nu slechter bij bevinden?quot;

„Dat was verstandig en goed gezegd van deze menschen,quot; riep de keurvorst onwillekeurig, „mij dunkt dat zij gelijk hadden.quot;

„Ik dank uw doorluchtigheid voor deze goedkeuring!quot; zei Gottlieb Richter verheugd. „In mijn hart kwam het mij ook voor, dat de goede menschen gelijk hadden, en toen zij mij zeiden, dat de gemeente bijeen was gekomen en mij eenstemmig tot haar predikant had gekozen, en zij, de opzichters der gemeente, gekomen waren om mij te zeggen, dat ik hun gekozen predikant was, werd mijn hart wel bang, maar tegelijk zeer verheugd, en ik dankte God voor het vertrouwen en de liefde, die de gemeente mij betoonde, maar was toch verlegen met de groote eer die men den armen kleermaker aandeed. Ik antwoordde de ouderlingen der gemeente, dat ik niet terstond kon beslissen, daar ik eerst met God, met mijn geweten en met den geest van mijn braven overleden predikant moest raadplegen, en ik hun den volgenden morgen in de kerk zou antwoorden. Zij zouden in de kerk bijeenkomen, en zoo ik niet op den kansel verscheen, was mijn antwoord, dat ik hun voorstel niet aannam en naar' mijn geweten niet hun predikant zijn kon. Zij waren hiermede tevreden en verlieten mij. Ik was nu alleen met God, met mijn geweten en met den geest van mijn predikant,quot;

Gottlieb Richter zweeg een oogenblik en zag met vromen, eerbiedigen blik ten hemel, of hij er den geest van zijn lieven predikant, zag en hem met vromen eerbied groette.

De keurvorst liet hem begaan, hij wilde hem in zijn stil gebed niet storen, en toen nu de deur der antichambre, naar welke Gottlieb met den rug gekeerd was, zich zacht opende en de beer hofprediker Stoschius in zijn volledig

ocr page 196

188

plechtgewaad, met een streng ambtsgezicht binnentrad, gaf de keurvorst hem door toekens te kennen, dat hij zoo zou blijven staan en luisteren. Daarop wendde hij zich weder tot Gottlieb en vroeg met zachte, goedhartige stem: „En wat gebeurde nu verder, Gottlieb Richter? Raadpleegdet gij met uwe drie vrienden of gij de predikantsplaats te Dobelheim mocht aannemen?quot;

Dit vragende wierp hij haastig een blik naar den hofprediker, wiens gelaat nog strenger was geworden en wiens voorhoofd zich bewolkte.

„Ja, antwoordde Gottlieb, als uit een droom ontwakende, „ja, ik raadpleegde mijn drie vrienden. Ik ging naar buiten op het graf van mijn lieven predikant, knielde er neder en onderzocht mijn geweten of het rein en zuiver was, of geen zondige hoogmoed of wereldsche ijdel-heid er mij toe mocht drijven het voorstel der gemeente aan te nemen. Toen bad ik recht hartelijk tot mijn lieven Heer en God, dat Hij mijn hart verlichten en mij zeggen mocht, wat ik doen moest, dat hij mij een teeken van Zijn wil mocht geven. Nadat ik zoo gebeden had, opende ik den ouden bijbel van mijn lieven predikant, dien ik mede naar zijn graf had genomen, legde, zonder er naar te zien, den vinger op eene plaats der opengeslagene bladzijde, en boog mij toen om ze te lezen.quot;

„Nu,quot; vroeg de keurvorst gespannen, wat stond op de plaats, die uw vinger aanwees?quot;

„Doorluchtigheid, er stond geschreven; „Gij zult den naam des Heeren loven en prijzen en Hem verkondigen voor al het volk.quot; Toen ik dat gelezen had, was het mij of ik de stem van mijn lieven ouden predikant hoorde, die tot mij zeide: „Zoo ga dan en loof den Heere, en doe gelijk ik u geleerd heb!quot; Vol vromen moed en eerbiedig keerde ik naar huis. waakte en bad den ganschen nacht, en bereidde mij met oprechte vroomheid tot den volgenden Zondag voor. Toen de kerkklok luidde, klopte mijn hart hevig, het ontnam mij bijna den adem, terwijl ik met den bijbel in de hand geheel alleen door de lommerrijke laan van den pastorietuin den weg naar de kerk insloeg. Niemand kon mij daar zien en ook de sacristie was afgelegen en donker. Ik was er alleen en hoorde de gemeente het gezang zingen. Toen knielde ik neder en bad God, dat Hij zich over mijne zwakheid mocht ontfer-

ocr page 197

189

men, en hoewel ik slechts een kleermaker was, het toch mocht verhoeden, dat de gemeente zou moeten zeggen: „Wij hebben den bok tot tuinier gemaakt en hij heeft ons iund verwoest, wee onzer!quot; De gemeente zweeg en ik ging langzaam den trap van den predikstoel op. Sedert tien jaar had ik dit alle Zondagen gedaan, en nooit was het mij ingevallen, dat ik er geen recht toe had. Maar heden was het mij anstig en bang om het hart, en ik voelde, dat ik doodsbleek was toen ik den kansel besteeg en naar den lessenaar trad. De geheele gemeente was natuurlijk tegenwoordig en toen de goede menschen mij gewaar werden, stonden allen van hun zitplaatsen op, richtten hun vriendelijke gezichten tot mij en riepen eenstemmig en luid: „God zegene onzen lieven predikant! God doe ons recht lang onzen lieven predikant Traugott Richter behouden!quot; — „En vrede en vreugde zij met ons allen!quot; riep ik, toen weenden wij te zamen een weinig, herstelden ons, en ik begon mijn preek en bracht ze gelukkig ten einde. Op deze wijze, genadige heer, ben ik nu te Dobelheim predikant geworden, en bekleed dit ambt sinds negen jkren tot tevredenheid mijner gemeente. Wij beminnen elkander hartelijk en zijn als een groot gezin, opdat het woord van den apostel Johannes aan ons vervuld worde, die gezegd heeft: „Kinderen, bemint elkander!quot; En nu, doorluchtigheid, nu wil de heer hofprediker Stoschius mij het als een misdaad aanrekenen, dat ik de predikantsplaats in het dorp Dobelheim vervul. Hij heeft mij een kerkschender, een godslasteraar genoemd, en mij in naam van den heer keurvorst voor altijd verboden den kansel te betreden, want dat ik anders als een misdadiger door de landruiters er afgehaald en in de gevangenis gebracht zal worden.quot;

„Is dat waar, Stoschius?quot; vroeg de keurvorst, zich tot den hofprediker wendende, die met van toorn gloeiend gelaat |het verhaal van Gottlieb Richter had aangehoord en nu met plechtige schreden nadertrad.

„Ja, heer keurvorst!quot; riep hij pathetisch, „ja, het is waar. Ik heb dezen kleermaker verboden den heiligen kansel te betreden. Ik heb het niet willen dulden, dat Gods huis ontheiligd werd doordat een kleermaker voor predikant speelt.quot;

„Genadige heer,quot; riep Gottlieb, „een goed predikant

ocr page 198

190

moet ook een goed kleerlapper zijn. Zijn tong moet de naald wezen, waarmede hij de gaten lapt die zijn biechtkinderen zich in hun deugd en zedelijkheid cfescheurd hebben,quot;

„Laat uw scherpe uitdrukkingen achter,quot; zei de keurvorst met een zachten glimlach. „Ik heb nog met Sto-schius te spreken. Gij zegt, eerwaarde, dat Gottlieb Richter den kansel ontheiligt: waardoor heeft hij dat dan gedaan?quot;

„Door hem op onbevoegde wijze te betreden!quot; riep de strenge consistorie raad heftig. „Door zich te vermeten voor den gewijden priester des Heeren te spelen en een ambt te bekleeden, dat een priester toekomt. Hij is geen priester, geen gewijd dienaar des Heeren; hij is een kleermaker en leeft als zoodanig in de gemeente, wier predikant hij zich aanmatigt te zijn. Men had mij in de buurt van dit schandaal verhaald, en daar ik mij met eigen oogen wilde overtuigen of men mij de waarheid had gezegd, kwam ik op een Zaterdag-namiddig in het dorp Dobel-heim. Ik verliet mijn rijtuig, vroeg naar de pastorie, ging er te voet heen, trad onaangediend binnen en zag in een armoedige kamer dezen man zitten, die drie groote boerenkielen voor zich had liggen en ijverig bezig was een gescheurde mouw te naaien. Wat doet ge? vroeg ik, waarom naait ge zoo ijverig? maar hij zag niet op en in plaats van, zooals de eerbied en beleefdheid gebieden, den hofprediker van den keurvorst te groeten en voor hem op te staan, naait het mensch rustig voort en zegt bedaard: ,.Ik lap de gescheurde Zondagskielen der boeren, en ik naai zoo ijverig, omdat het morgen Zondag is, en de predikant gaarne ziet, dat de boeren net en zindelijk in de kerk komen.quot;— Ik vroeg hem: hoe heet uw predikant en waar is hij ? Toen antwoordde mij deze kerel met een onbeschaamd, bedaard gezicht: „In deze maand heet hij Fürchtegott Richter en zit hier op den stoel om de kielen te lappen.quot;

De keurvorst streek ijlings met de hand over zijn gelaat, om den glimlach te verbergen, die er zich op vertoonde.

De heer Stoschius merkte dit in zijn ijver niet en ging tooi'nig voort: „Ja, genadige heer, dit waren zijne woorden, en toen ik vroeg, wat zij beteekenden, voegde hij er bij:

ocr page 199

491

„Zij beteekenen, dat ik in de week kleermaker en Zondags predikant ben.quot; Een huivering ging door mijn leden. En terwijl ik den mensch zoo aanschouwde, meende ik dat het een vleeschelijke duivel was, die mij wilde beschimpen, want men weet immers, dat hij in de wereld omgaat om de goeden te verleiden en de rechtvaardigen aan hun ziel te schaden. Ik kon en wilde niet gelooven, dat zulk eene misdaad werkelijk door een mensch gepleegd kon worden, en besloot rustig en geduldig den Zondagmorgen af te wachten. Ik reed naar een grondbezitter in de nabuurtschap, bracht er den nacht door en reed den volgenden morgen weder naar het dorp Dobelheim. De godsdienstoefening had reeds een aanvang genomen, en toen ik de kerk binnentrad, wat zag ik? De kleermaker van gisteren stond in een zwarte toga voor het altaar, en daarbij stonden twee vrouwen met kleine kinderen in den arm en de doopgetuigen. Juist had hij het heilige boek geopend en wilde de plechtigheid beginnen. Ik ging naar hem toe, nam hem het boek uit de hand, stootte hem terug en zei; „Hoe durft ge het wagen zulk eene misdaad te begaan? Ge zijt een bedrieger, en in plaats van den duivel uit de lichamen dezer kinderen te verdrijven, zult ge met uw godslasterlijke handeling er den duivel inbrengen.quot;

„Ja, dat zeidet gij,quot; riep Gottlieb Richter, „het was een zeer stichtelijk voorbeeld van christelijke verdraagzaamheid en verschoonende liefde, dat gij toen aan mijne verschrikte gemeente gaaft. Zij wilde er echter niets van weten, maar —quot;

„Wat vermeet ge u, mij in de rede te vallen,quot; zei de hofprediker trotsch. Hebt ge niet gehoord, dat zijn doorluchtigste genade u geboden heeft uw onbeschaam-den mond te houden?''

„Gottlieb,quot; zei de keurvorst zacht, „ik had u gezegd, te zwijgen: hoewel ik niet zulke harde woorden heb gebruikt als de hofprediker daar zegt. Vertel mij, hoogeerwaarde. Hoe gedroeg zich de gemeente?''

„Doorluchtigheid, men zag wel, dat de kerel ze geheel betooverd en aan den duivel overgeleverd had. Want zij vloekten en scholden, en drongen met de vuisten op mij aan en zouden mij zeker geslagen hebben, zoo deze mensch zich niet voor mij geplaatst en hun tot rust gebracht had.quot;

„Dat deed hij dan toch?quot; vroeg de keurvorst. „Hij be-

ocr page 200

192

schermde u, die hem van zulke vreeselijke misdaden beschuldigde. Dat prijs ik in hem, en mij dunkt dat hij dan toch niet zoo duivels gezind is. Wat gehemde verder, hoogeerwaarde?quot;

„Ik beklom den kansel en toen het woedende boerentuig stil was geworden, kondigde ik der gemeente aan, dat de kleermaker Richter, die zich aanmatigde voor predikant te spelen, het priesterlijk gewaad aan te doen en kerkelijke handelingen te verrichten, zich daardoor aan een zware misdaad had schuldig gemaakt, want dat hij Gods huis ontheiligd en den naam des Heeren onwettig gevoerd had, en hij derhalve een kerkschender en godslasteraar genoemd moest worden. Ik zeide, dat ik een geordenden en gestudeerden geestelijke zou zenden en die tot predikant zou aanstellen. Ik verbood hun krachtens mijn ambt, den kleermaker ooit weer den kansel te laten betreden of kerkelijke handelingen te laten verrichten, en dreigde hen, dat, wanneer zij mijn bevel niet eerbiedigden, ik den kleermaker door landruiters in hechtenis zou doen nemen en in de gevangenis zetten. Dit deed ik uit kracht van mijn ambt, dat er mij het recht toe geeft.''

„Gottlieb Richter,quot; zei de keurvorst na een kort zwijgen, „hebt ge nog iets ter uwer verdediging te zeggen?'' „Keurvorstelij ke doorluchtigheid, ik heb alleen dit te zeggen: De gemeente heeft mij uit vrijen wil tot haren predikant gekozen, en ik heb dit ambt tot wederzijdsche tevredenheid vervuld.quot;

„Maar niemand kan een ambt vervullen, wanneer hij daartoe niet bevoegd is,'' riep de hofprediker trotsch, en dat hij grondig moet bestudeerd hebben.quot;

„'t Is waar,quot; zei Gottlieb bedaard, „zoo gij bevoorbeeld in mijn dorp Dobelheim het beroep van dorpskleermaker wildet uitoefenen, zou dit zeker verkeerd gaan, want ge zoudt dit beroep niet kunnen uitoefenen, omdat gij het niet hebt geleerd. Maar om predikant van een dorpsgemeente te zijn, zijn er geen andere studiën noodig, dan die, welke ik tien jaren lang bij mijn lieven ouden predikant heb gehouden. Hij heeft mij niet in de godgeleerdheid onderwezen, maar wel in den godsdienst, hij heeft mij geen Latijnsche redeneeringen geleerd, maar de eenvoudige woorden, die uit het hart komen en daarom tot het hart gaan. Bovendien heb ik driehonderd volledig

ocr page 201

10)

afgesc.hrevene en fraaie preeken van mijn voorganger, den goeden predikant, geërfd en hij heeft in zijn testament uitdrukkelijk bepaald, dat ik zo van tijd tot tijd aan zijn gemeente zou voorlezen.''

„Maar ge weet toch wel,quot; riep de hofprediker, „dat men gestudeerd moet hebben om predikant te kunnen worden en dat slechts zoo iemand in staat is een behoorlijke en goed gestelde preek te houden.quot;

„Ik heb ook gestudeerd, mijnheer de consistorieraad en hofprediker, ik ben, in plaats van op de akademie van Wittenberg, op de akademie van Dobelheim geweest, en mijn predikant heeft mij tien jaren lang zeer leerzame collegies gegeven. Ik ben dus ook een gestudeerd man, en wat nu de preeken betreft, zij bevallen mijn gemeente, en zoo de menschen er misschien niet zoo vast bij inslapen als bij een geleerde predikatie, van welke zij niets begrijpen, blijft hun hart er toch wakker bij en hun ziel opgewekt.'' „Stoschius,quot; zei de keurvorst glimlachend, „ik geloof waarlijk dat deze man weet te spreken en zijn gemeente wel bevallen kan.quot;

„Dat kan waar zijn, doorluchtigheid,quot; antwoordde Stoschius hoogmoedig, „maar dan bewijst het dat zijn

femeente reeds zoo bedorven is, dat zij een eenvoudig leermaker niet van een gestudeerden predikant weet te onderscheiden. Ik wil toegeven, dat hij van de nagelaten papieren van den overleden predikant een nuttig gebruik zal maken en er een behoorlijke preek uit kan voorlezen, maar het is onmogelijk, dat hij op betamelijke wijze de heilige sacramenten kan toedienen en ze behoorlijk in eere weet te houden. Hoe zult gij bijvoorbeeld den heiligen doop verrichten? Hoe volbrengt gij dien?quot;

„Gelijk het bij ons in de kerk gebruikelijk en ingesteld is,quot; antwoordde Gottlieb bedaard.

„Welnu, hoe zult ge een kind doopen? Veroorlooft uw doorluchtigheid, dat ik dezen man op de proef stel, en u bewijs, dat hij van de heilige zaken niets verstaat?quot;

„Stel hem op de proef, hoogwaarde,quot; antwoordde Frie-drich Wilhelm. „Ge ziet, dat ik u geheel uw gang laat gaan en uw colloquium aanhoor, zonder er mij in te mengen.quot;

„Ik dank uw doorluchtigheid ; nu zal de onbekwaamheid van den kleermaker, om voor predikant te spelen, klaar en duidelijk worden. Zeg mij, hoe doopt gij een kind?quot; Mühlbaoh, T)e groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 18

ocr page 202

194

„Hiervoor, hoogeerwaarde, moet ik toch vóór alle dingen een kind hebben.quot;

De hofprediker Stoschius nam iazijn Ihoologischen ijvei-het kapje van zijn hoofd, en legde het voor den kleermaker op de tafel.

„Wij zullen ons voorstellen, dat dit een kind is,quot; zeide hij, „doop het nu.quot;

„Zoo ik den doop wil verrichten, moet ik er ook water bij hebben.

„Ge hebt gelijk,quot; zei de keurvorst glimlachende, „water behoort bij den doop als wijn bij een avondmaal. Daar staat een groot glas met water, neem dat!quot;

Gottlieb haalde het glas, zette het op de tafel naast het kapje van den heer Stoschius, boog toen diep en eerbiedig voor den keurvorst, en iets minder diep voor den hot-prediker.

„Zoo de verhevene en hoogwaardige getuigen van deze plechtige doopsbediening gereed zijn,quot; zeide hij met luide stem, „dan kan de door den heer hofprediker Stoschius, als den waardigen vader van dit kapje, begeerde heilige handeling plaats hebben.quot;

„Wij zijn gereed, eerwaarde heer,quot; zei de keurvorst vriendelijk knikkende.

Gottlieb nam nu langzaam en plechtig het fluweelen kapje van de tafel, en terwijl hij het met de linkerhand boven het geïmproviseerde doopbekken hield, sprenkelde hij er met de rechterhand, zoolang hij sprak, water op.

„Op bevel van mijn genadigen keurvorst en heer,quot; zeide hij, „en daar mijnheer Stoschius het hebben wil, doop ik u, kapje. Van nu af zult ge kapje heeten en blijven, zoolang er nog een draad aan u is. Als dit uw wil is, aanwezige teedere vader van dit kapje, antwoord dan met een luid en plechtig ja1)!quot;'

De keurvorst kon zijn ernst niet langer bewaren, maar barstte in luid en vroolijk lachen uit. Toen stond hij op, trad in een vensternis terug en wenkte den hofprediker tot zich.

„Hoogeerwaarde,'' zei Friedrich Wilhelm, zich dicht tot don godgeleerde buigende, opdat Gottlieb, die nog altijd

1

De eigen woorden van den kleermaker. Zie : Koning, Historische Scbil-derung von Berlin, II. 54.

ocr page 203

195

met zijn kapje bezig was, hem niet verstaan zou, „luister eens; laat den man ongehinderd heengaan en zijn ambt vervullen want. hij is wijzer dan gij1).quot;

De holprediker zag den keurvorst met stomme verbazing in het glimlachende gelaat, maar Friedrich Wilhelm liet zich hierdoor niet van zijn stuk brengen en hernam: „Hij is tot predikant eener eenvoudige, onbeschaafde dorpsgemeente misschien beter geschikt, dan een hooggeleerde heer zou kunnen zijn, en ge zoudt zeker beter hebben gedaan zoo ge in uw ijver niet zoo ver waart gegaan, maar u een weinig door christelijke liefde en verdraagzaamheid hadt laten leiden. Er is bovendien reeds genoeg ontevredenheid, twist en tweedracht in onze kerken. Gij, heeren predikanten, zijt steeds gereed, elkander te bestrijden en aan te vallen, hoewel ge weet dat die twisten mij een gruwel zijn, en gij zeiven in uw binnenste moet bekennen, dat de geestelijken er niet zijn om wind te zaaien, opdat er storm zou geoogst worden, maar om vrede te stichten, en mensch-lievendheid te toonen. Laat dezen goeden man met rust, en stoor hem niet in zijn doen, want ik zeg u, hij is een van de rechtvaardigen, en een waardig dienaar en knecht van zijn Heer en God. Opdat ge echter niet beschaamd eh verongelijkt voor hem zoudt staan, wil ik 't aan u overlaten hem te zeggen, dat gij u overtuigd hebt, dat hij zijn ambt goed weet te vervullen en gij mij hebt verzocht mijne toestemming tot de bediening van zijn predikersambt te geven.quot;

„Keurvorstelijke genade,quot; mompelde de consitorieraad geheel ontsteld, „moet ik het hoofd buigen voor.....quot;

„Voor mij en het gezond verstand, ja,quot; viel de keurvorst hem in de rede. In uw blinden ijver hebt gij hem onrecht gedaan, maak dat onrecht weder goed en wel terstond!quot;

Hij trad uit de vensternis terug en plaatste zich bij den armen dorpskleermaker en predikant. De consistorieraad naderde nu ook en trachtte te glimlachen.

„Gij hebt mij nu beter ingelicht,quot; zeide hij met moeite naar adem hijgende, „gij hebt mij bewezen, dat ge de toediening der heilige sacramenten zeer goed verstaat en met de formaliteiten nauwkeurig bekend zijt. Daar gij nu bovendien nog geschrevene preeken van uw voorganger

1

De eigen woorden van den keurvorst: Zie König, Historische Schilde rung von Berlin, II. 55.

ocr page 204

490

lot uw dienst hebt, en een goede christelijke geest in u schijnt te wonen en uw gemeente u schijnt te beminnen en te achten, willen wij in dit bijzonder geval, van den algemeenen regel afwijken en u in de uitoefening van uw ambt niet verder hinderen. In de vooronderstelling altijd, dat uw keur vorstelijke genade hier niets tegen heeft!quot; voegde de heer Stoschius er bij, zich tot den keurvorst wendende en eerbiedig voor hem buigende.

„Neen, mijn waardige hofprediker,quot; antwoordde Friedrich Wilhelm glimlachend, „ik heb er niets tegen, en ben het. volkomen met u eens. Wij zullen Gottlieb Richter in zijn ambt laten, en 'them niet tot verwijt of misdaad aanrekenen dat hij geen geleerd en gestudeerd heer is, die in Wittenberg zijn studiën heeft volbracht. Ik ben ook niet bijzonder tevreden met deze universiteit, en heb reeds besloten een edict uit to vaardigen, dat mijn onderdanen verbiedt naar Wittenbarg te gaan om er de studii theologici of philisophici te houden *). Want dat Wittenberg is een recht twistnest, en brengt maar haat en strijd tusschen de lutherschen en gereformeerden te weeg. — Keer dus met een vroolijk hart naar uw gemeente terug, Gottlieb Richter, leef met uw gemeente in vrede en eendracht, lap des zondags, gelijk ge zegt, de gewetens op, en in de week de kielen uwer boeren, en leef in onschuld voort in de vrees des Heeren en in de liefde voor de menschen! Maar u, heer consistorieraad, u herhaal ik de woorden, welke ik u reeds vroeger heb gezegd: Wees goed en zachtmoedig jegens de predikers van beide confessies. Handel zoo, dat de predikanten- als zij danken, geen reden hebben tot klagen. Al hun symbolische boeken moeten ongedeerd blijven en hun zal geen dwang of geweld worden aangedaan om er afstand van te doen; want wij hebben ons nooit de heerschappij over het geweten willen aanmatigen, wij willen een ieder vrijlaten naar den drang en de overtuiging van zijn hart tot zijn God te bidden 1). Wees hieraan steeds indachtig heer opperhofprediker ?quot;

1

De eigen woorden van den keurvorst. Zie: Orlich eet. , II. 404.

ocr page 205

107

vin.

MUZIEK EN KUNST.

Des namiddags van dezen dag zouden de beide Italiaan-sche muzikanten repeteeren in de vertrekken der keurvorstin. Aan de Signori Altiera en Grimani was bevel gegeven zich 'gereed te houden, om op het eerste bevel van den keurvorst, naar de vorstelijke vertrekken te gaan en er eenige tiria's en duetten te zingen. De keurvorst ging in het kabinet van zijn gemalin, waarheen deze zich na den maaltijd met prinses Ludowike Hollandine had begeven. - \

„Nu dames,quot; zei de keurvorst vroolijk, wanneer het u behaagt, zullen wij de heeren musici laten roepen en het concert kan beginnen. Wij hebben ook den kamermusicus en organist Krüger, alsmede eenige andere leden onzer kapel gevraagd, en ook onzen ouden Konrad von Rurgsdorf uitgenoodigd.

„Natuurlijk,quot; riep prinses Ludowike glimlachend, „Burgs-dorf, de lieveling van mijnheer den keurvorst mag nooit ontbreken!quot;

„En ik,quot; zei de keurvorstin, „heb de vrijheid genomen mijn opperhofmaarschalk Otto von Schwerin insgelijks tot dit kleine concert uit te noodigen.quot;

„Natuurlijk,quot; lachte de prinses, „Schwerin, de lieveling van mevrouw de keurvorstin mag nooit ontbreken!quot;

Een lichte schaduw vloog over het voorhoofd van den keurvorst, maar hij dwong zich te glimlachen. „En wie is uw lieveling, prinses, wien hebt gij genoodigd, omdat hij nooit ontbreken mag?quot;

„Ik heb volstrekt geen lieveling,quot; zeide zij ernstig. „Mijn hart spreekt niet. Maai- laten wij over het concert spreken! Hoe staat het er mede? Welke aria's en duetten zullen deze mannen voor ons zingen?quot;

„Ja, dat is 't juist, wat ik aan de dames wilde vragen,quot; sprak de keurvorst. „Deze heeren willen het aan ons overlaten uit welke opera's zij iets zullen voordragen, zij beweren dat zij alle opera's van buiten kennen.

ocr page 206

198

Nu moet ik echter tot mijn schaamte bekennen, dat ik nog nooit een opera gehoord heb, en niet eens de namen en titels der Italiaansche opera's weet. Ik laat het dus aan de dames over, de keus der muziekstukken te bepalen.quot;

„Ik, mijn heer en gemaal, moet mij hiervan verschoo-men,quot; antwoordde Louise Henriette zacht, „ik verkeer met u in dezelfde onwetendheid, Friedrich. Ik ken niets van de nieuwe Italiaansche opera's. Ik ken slechts geestelijke muziek, fraaie kerkgezangen, liederen en koren, en deze zijn de rechte vreugd en stichting mijns harten, maar van opera's heb ik nooit iets gehoord!quot;

„O, gelukkig, eenvoudig en onschuldig hart,quot; riep Lu-dowike, de keurvorstin teeder omhelzende en een kus op haar lippen drukkende, „hoe benijd ik u om deze onschuld en hemelsche gemoedsrust! Helaas, mijn onrustige geest verlangt immer nieuw voedsel, immer nieuwe prikkeling. Ik moet alles kennen, mij met alles bezig houden wat nieuw is op het veld van kunst, en zoodra ik van zulke dingen hoor, heb ik geen rust voor ik er mij nader mee heb bekend gemaakt. Dat komt omdat mij het stille genoegen en de tevredenheid van den huiselijken kring ontbreekt, welken men ons, arme vrouwen, heeft aangewezen.quot;

„Neen, nicht, gij beschuldigt u daar hoogst onrechtvaardig,quot; sprak de keurvorst levendig. „Gij beschuldigt u, waar gij lof en goedkeuring verdient. Het is prijzenswaardig, dat gij zulk een levendig belang stelt in kunsten en wetenschappen en wij hebben in de weinige weken van uw verblijf al schoone en genoegelijke uren daaraan te danken. Welk een genot was het niet voor ons heden middag, toen ge ons van uw lievelingsdichter, Shakespeare, verteldet, en hoe verkwikte zich onze ziel aan de wonder-schoone alleenspraak, welke gij ons uit diens treurspel: Julia en haar minnaar voordroegt. Het is bijna een wonder, dat ge dit alles zoo uit het hoofd kent en het weet voor te dragen of ge een tooneelkunstenares waart.quot;

„Zeg veeleer, dat het schande zou zijn zoo ik de heerlijke dichtstukken van mijn aangebeden William Shakespeare niet kende, en niet in mijn geheugen had gehouden. Ik ben met hem opgevoed, hij is ten allen tijde mijn beste leermeester, trooster en raadgever geweest, de edele Wil-

ocr page 207

199

liam Shakespeare, hoewel hij reeds langer dan vijftig jaar dood is. Toch leeft hij onsterfelijk voort in zijn poëzie, hij spreekt tot ons met vurige engelentongen en met teedere menschenstemmen. Hoe zou ik Shakespeare niet kennen, mijn moeder was een Engelsche, en in haar vaderland is Shakespeare de afgod van het geheele volk.quot;

„Ik wilde,quot; zei de keurvorst, „dat ik de Engelsche taal goed verstond om die fraaie dichtstukken van uw grooten dichter te kunnen lezen; want wat ge er mij van hebt medegedeeld, Ludowike, heeft mij hegeerig gemaakt er meer van te hooren.quot;

„Ik wil Shakespeare met u lezen, neef,quot; riep de prinses verheugd, „ja, wij zullen van den verheven William lezen, en wat ge niet verstaat zal ik u vertalen en de vertaling voor u afschrijven; dan hestudeeren wij er eenige toonee-len van en stellen ze voor, gelijk wij dit te Parijs met de comediën van Molière hebben gedaan. O, welke heerlijke, genotrijke uren zullen dat zijn, en hoe gelukkig zullen wij wezen, — namelijk,quot; viel zij zich zelve in de reden, terwijl zij zich met een innemend lachje tot de keurvorstin wendde, „zoo onze geliefde nicht er ook behagen in schept en aan onze lectuur wil deelnemen.quot;

„Ik neem deel aan alles wat mijn gemaal doet,quot; antwoordde Louise hartelijk, „en hoewel ik mij zelve hierbij misschien ook stil moet houden, omdat ik te weinig van deze zaken weet, verheugt het mij toch u te hooren, en ten minste in mijn geest te kunnen opnemen, wat gij beiden zegt.quot;

„Ach, Louise, wat een engel zijt gij,quot; riep Ludowike, „hoeveel bescheidenheid bij zooveel grondige kennis, bij zulk een vluggen, krachtigen geest!quot;

„Ik weet zeer weinig en mijn kennis is zeer gering,quot; zei de keurvorstin glimlachend. „Al mijn kennis bepaalt zich tot de landhuishoudkunde en den koestal, mijn geheele kunst bestaat daarin, dat ik mijn gemaal boven alles bemin, en mijne gedachten er eenig en alleen op gericht zijn hem zoo gelukkig mogelijk te maken.quot;

„En dat, mijn hartelijk geliefde Louise, is een kunst, die gij in den grond verstaat,quot; riep de keurvorst, de hem gereikte hand zijner gemalin aan zijn lippen drukkende.

„O, zie toch, welk een teeder huwelijksgeluk,quot; merkte de prinses met een lichten zweem van spot aan. „Maar wij vergeten geheel ons concert en onze Italiaansche zangers.quot;

ocr page 208

200

.,Ea de opera's, waaruit zij zingen zullen,quot; voegde dc keurvorst er bij. „Kent gij dus dergelijke opera's, prinses Ludowike?quot;

„Ja, wij hebben te Parijs bij dè koningin-moeder Anna van Oostenrijk dikwerf uit zulke opera's gezongen. Ook was haar Italiaansche kapelmeester mijn leermeester in de zangkunst, gelijk de hofschilder Mignard mijn leermeester in de schilderkunst was.quot;

„Waarlijk, nicht, ik moet het herhalen, gij zijt een wonder van geleerdheid en kennis,quot; riep de keurvorst.

„En ik,quot; fluisterde de keurvorstin zacht voor zich, „ik ben een arme beklagenswaardige vrouw, „want ik weet van al deze dingen niets, en Friedrich zal zich met mij vervelen; hij zal mij verachten, als hij mij met Ludowike vergelijkt, zij weet alles, zij kan alles, is zoo verstandig, zoo schoon, zoo onderhoudend! En ik! ach.quot;

„De keurvorstin onderdrukte den zwaren zucht, dwong zich te glimlachen en liet zich met vriendelijke oplettendheid door de prinses den aard der opera's verklaren, die sinds eenigen tijd uit het vaderland van kunst en muziek, uit Italië naar Frankrijk en Duitschland waren overgekomen, en een uitgezocht en heerlijk genoegen aan de hoven van Versailles, Dresden en Weenen opleverden.

Nu wilden beide dames, begeleid van den keurvorst, zich naar de muziekzaal begeven, de keurvorst had haar reeds den arm aangeboden, toen hij plotseling bleef staan en hij zich eenigzins verlegen tot de prinses wondde.

„Door al die fraaie en aangename gesprekken met u, zou ik bijna de hoofdzaak vergeten. Wij willen ons thans door de beide Italiaansche zangers eenige aria's en duetten laten voordragen, en wij mogen met recht dat vermaak genieten, want wij geven aan beiden een voldoende schadeloosstelling voor hun reis. Maar ik verzoek u, mevrouw de keurvorstin, en ook u, prinses, dezen zangers, als zij gezongen hehben, niet al te veel lof toe te zwaaien, zelfs al hebben zij buitengewoon fraai en kunstig gezongen. Ik heb er mijn reden voor, ik kan die niet verder verklaren, maar zij is gewichtig genoeg om u dit verzoek te doen.quot;

De prinses verzekerde dat zij er stellig aan zou denken en dat, al mochten de Italianen nog zoo schoon zingen, zij niets van haar verrukking zou laten blijken.

De keurvorstin zeide niets, haar oogen ontmoetten die

ocr page 209

201

van den keurvorst mei een glirnlaeh van verstaudhou-diug.

Toen begaf men zich naar de muziekzaal, waar Burgs-dorfen Schwerin benevens de heeren der kapel reeds tegenwoordig waren, en de beide Italiaansche zangers werden geroepen.

Prinses Ludowike verzocht hun, in naam van het keur-vorstelijk paar, uit den Barios van Beverini en de Berenice van .Freschi te zingen, en de oogen der beide zangers glommen van genoegen. Dit waren juist de beide opera's, die toen in geheel Italië opgang maakten en den zangers de beste gelegenheid aanboden, hun buitengewone talenten in 't licht te stellen. Hoe heerlijk schoon was hun gezang, welks gelijke in het keurvorstelijk slot te Berlijn nooit gehoord was. Welk een juichen en weeklagen, wat gloeiende minnesmart en smachtend gejammer, wat een fier furioso en trillend zuchten. Het maakte op de toehoorders een zeer verschillenden indruk. De organist en zeer gevierde komponist Krüger werd van verbazing purperrood. Zijn oogen openden zich wijd, en om zijne dikke lippen speelde een glimlach van .onuitsprekelijke verachting. Hij kon niet nalaten aan zijn geschokt gemoed door eenige woorden lucht te geven; hij wendde zich tot de leden dei-kapel, die achter hem stonden en vol verbazing naar de zangers keken.

„De kerels zingen of het geleerde nachtegalen waren,quot; bromde hij. „Zij slaan en kwinkeleeren en men ziet niet dat 't hun eenige inspanning kost. Dat is geen kunst, maar niets dan de eenvoudige, armzalige natuur.quot;

Konrad von Burgsdorf had zich in den uitersten hoek der kamer terug getrokken en zich op een stoel nedergezet. Het lieflijk gezang had hem misschien aan de wiegeliederen zijne kindschheid herinnerd, want hij kon de verzoeking niet weerstaan een weinig de oogen te sluiten en van de gelegenheid tot een zoet namiddigslaapje gebruik te maken.

Ook de opperhofmaarschalk Oito von Schwerin scheen door dit geschetter der Ilalianen weinig gesticht. Nu en dan vloog over zijn zacht, fijn gelaat een onaangename trilling, en als hij zijne oogen op mevrouw de keurvorstin sloeg, achter wier stoel hij stond, werd zijn blik ernstig en treurig.

ocr page 210

202

Het gelaat van prinses Ludowike echter straalde van vreugde. Toen de zangers, in het kunstige duet een dubbele passage zongen, die in schetterende, lang gerekte dubbele trillers overging, wendde de prinses zich met een diepen zucht van verrukking tot den keurvorst, die tusschen haar en zijn gemalin zat.

„Ik heb nooit fraaier en heerlijker zingen gehoord,quot; fluisterde zij. Het zijn zangers van den eersten rang en het is een genot hen te hooren.quot;

„Ja, wel een genot,quot; mompelde de keurvorst, onwillekeurig zuchtend; want hij dacht er aan, dat hij deze uitmuntende zangers helaas niet dikwijls zou hooren. Duizend zeshonderd thaler tractement voor ieder hunner was een ware verkwisting voor den keurvorst met ledige kassen, die altijd in verlegenheid was hoe ze te vullen. Duizend zeshonderd thaler was een kapitaal, waarvoor men een geheele compagnie soldaten kon kleeden. De keurvorst van Brandenburg, die altijd met zijn steden en stenden kibbelde om geld, de afhankelijke arme keurvorst mocht zulk een som niet voor vreemde zangers uitgeven! Vanwaar zou hij ze krijgen? Zijn eigen kassen waren ledig; zou hij de stenden verzoeken het volk een zangbelastingop te leggen, en, gelijk bij de prinsessebelasting, iedere boerenlandhoeve met een groschen belasten? — „Dit moet anders worden,quot; dacht Friedrich Wilhelm, terwijl de zangers zongen, „dit mag niet zoo blijven. De keurvorst van Brandenburg kan niet altijd, wat zijn geldelijke zaken betreffen van de genade en toestemming der stenden afhangen, er moeten bepaalde belastingen, een bepaalde accijns vastgesteld worden, die de bronnen van inkomsten aanwijzen en regelen, en van den keurvorst alleen moet dan het gebruik der inkomsten afhangen! Meester wil ik zijn in mijne landen, vrij, onbeperkt meester! Ik zal den overmoed der stenden breken, de vermolmde privilegiën en voorrechten der steden en stenden tot stof vermalen. Zij kleven aan het oude, aan het overgeleverde, en zouden de wereld achteruit brengen, in plaats van voorwaarts. Zij willen meesters blijven, hun vorst en landsheer afhankelijk van hun wil maken en de burgers en boeren in armoede laten blijven, opdat zij zich niet kunnen roeren. De stenden moeten vernederd worden, opdat ook de burgers zich kunnen verheflen, die oude privilegiën moeten ver-

ocr page 211

203

dwijnen, en een nieuwe tijd, een tijd van vooruitgang moet in de plaats treden!quot;

Zingt maar, zangers, galmt en schettert maar! De keurvorst hoort het niet, hij denkt aan de toekomst, aan wat het lot hem heeft opgelegd te volbrengen, en hij overlegt op wat wijze hij dat volbrengen zal.

Het gezang zwijgt, het groote duet uit Bérénice is geëindigd ; de stilte wekt den keurvorst uil zijn gepeins en Konrad van Burgsdorf uit zijn zoeten sluimer. Hij rijst overeind en roept met verrukte stem: „Hemelsch! wonderschoon!quot;

De componist Krüger bromt een paar onverstaanbare woorden, en de zangers zien met fonkelende oogen naaide keurvorstelijke personen en verwachten van dezen goedkeuring en lof

Maar de keurvorst zit zwijgend en somber, ook prinses Ludowike zwijgt, want hoe verrukt zij ook vroeger gedurende het gezang was geweest, heeft zij zich het verzoek van den keurvorst herinnerd, en zijn wensch dat men de zangers niet mocht prijzen. Zij zwijgt en wendt zich, de schouders ophalende, tot den keurvorst dien zij eenige woorden toefluistert.

Eensklaps werd deze pijnlijke stilte door de stem der keurvorstin afgebroken.

,,Wat een heerlijke muziek,quot; zeide zij met een bekoorlijken glimlach, zich tot den opperhofmaarschalk von Schwerin wendende. „Hoe kunstig en uitmuntend hebben deze heeren gezongen!quot;

„De oogen der beide Italianen straalden van vreugd, want de keurvorstin had, gelijk zij gewoonlijk deed, Fransch gesproken, de Italianen hadden haar verstaan, en deze lof deed hun hart goed.

„Ik verzoek u mijnheer de opperhofmaarschalk,quot; hernam de keurvorstin glimlachend, „mij beide zangers voor te stellen, opdat ik zelf hun mijn dank kan overbrengen.quot;

De hofmaarschalk ging naar de zangers, om ze naar de keurvorstin te leiden. Prinses Ludowike echter boog zich tot den keurvorst, die verwonderd en ontevreden naar zijn gemalin zag.

„Waarde neef,quot; fluisterde zij, „hoe is 't mogelijk dat Louise uw wenschen zoo weinig nakomt. Hoe onbedachtzaam den zang zoo luid te prijzen, terwijl gij ons toch verzocht hadt, allen lof te vermijden.quot;

ocr page 212

204

,, t Is waar, zei do keurvorst, „het getuigt van weinig belangstelling in mijn wenschen. Ik dank u, nicht, dat gij zoo vriendelijk zijt op mijn verzoek te letten.quot;

Zou de keurvorstin de woorden van haar gemaal hebben gehoord? Haar heldere, bruine oogen wendden zich een oogenblik naar haar gemaal, maar daarop weder naar de zangers, die voor haar stonden en een diepe buiging voor haar hadden gemaakt. Met luide stem prees zij het gezang en noodigde Otto von Schwerin uit, met haar in te stemmen, wat hij gaarne deed.

„Het is ongehoord, het is ontzettend,quot; mompelde de prinses, luid genoeg om door den keurvorst verstaan te worden, en hij gevoelde dat Ludowike gelijk had, en in zijn hart was hij vertoornd op zijn gemalin.

Eensklaps, midden in 't gesprek met de zangers, wendde Louise Henriette zich tot haargemaal.„Uwdoorluchtigheid,quot; zeide zij verheugd, „ik hoor zoo even, dat deze heeren niet verbonden zijn en wei genegen zouden zijn bij ons te blijven om ons van hun schoon gezang te doen genieten.quot;

„Dat is inderdaad een zeer vroolijk vooruitzicht,quot; prevelde de keurvorst, opstaande en met een gedwongen glimlach zijn gemalin naderende „De zangers zouden dus bij ons kunnen blijven en ons hun tijd en talent wijden?quot;

„Genadige doorluchtigheid,quot; verzekerden de beide kunstenaars, „wy zouden gelukkig zijn zoo uw doorluchtigheid ons beiden in haar dienst wilde nemen. Mijnheer de baron von Plötzen heeft ons het schoone vooruitzicht geopend, dat, zoo wij de goedkeuring der keurvorstelijke hooge personen konden verwerven, uw doorluchtigheid ons in haar dienst zou nemen.quot;

„Dat weet ik,quot; zei de keurvorst kort. „Heden zal ik u mijn besluit nog bekend maken en dank u intusschen voor uw muziek. Veroorloof, mevrouw de keurvorstin, dat ik u mijn arm bied en u naar uw kamer terugvoere.quot;

Eerbiedig groette hij prinses Ludowike, gaf daarop den heeren een vluchtigen afscheidsgroet en verliet met zijn gemalin de zaal.

Prinses Ludowike ging naar het venster, waar Burgs-dorf stond.

„Mijn vriend,quot; zeide zij, , meer en meer naderen wij ons doel, de keurvorstin is, zonder dat zij 't wil, onze bondgenoot. Zij heeft den keurvorst heden door haar gedrag

ocr page 213

205

zeer ontstemd, en ik vermoed dat er heden een allerliefst huwelijkstooneelspel in de kamers van mevrouw de keurvorstin zal opgevoerd worden.quot;

„Uw hoogheid gelooft dus, dat het u gelukken zul den keurvorst uit de banden van zijn gemalin te bevrijden?quot; zei Burgsdorf zacht „Nu, ik zou waarlijk ook aan tooverij moeten geloóven zoo dit niet zoo ware, want als men een schoone purperen roos en een boterbloem naast elkander ziet, en tusschen beide kiezen kan, kiest men toch zeker de roos en laat de boterbloem staan.quot;

„Burgsdorf, gij wordt, naar 't schijnt, geestig en vernuflig,quot; glimlachte de prinses.

„Prinses, het is slechts een weerschijn van uw zonneglans. Overigens moet ik zeggen, dat ik bijna geheel wanhopend ben.quot;

„Ik ook, oude, want het gaat zeer langzaam, en uit Parijs word ik gedurig aangemaand om de zaak tot stand te brengen. Ik verwacht in de eerste dagen een koerier, die mij nauwkeurige berichten zal brengen aangaande de voorwaarden, die Frankrijk wenscht te stellen. Kom overmorgen bij mij, dan zal ik de depêches wel ontvangen hebben en wij kunnen dan het overige bespreken. Maar stil, daar komt de opperhofmaarschalk. —quot;

De keurvorst had zonder een woord te spreken, zijne gemalin naar haar kabinet gevoerd. Toen de deur achter hen gesloten was, wendde hij zich met een donker, ontstemd gelaat tot haar.

„Mevrouw de keurvorstin,quot; vroeg hij, „hadt ge mijn verzoek vergeten, om de zangers niet te prijzen?quot;

„Neen,quot; antwoordde zij hem glimlachend aanziende, dat had ik niet vergeten!quot;

„Hoe! gij dacht er aan en toch. . . .quot;

„Toch prees ik hen, Friedrich, en mij dunkt dat zij dat wel verdienden. Het zijn uitstekende kunstenaars, en wat ge ook moogt zeggen, uw hart stemt het mij toe!quot;

„Dat komt hier volstrekt niet te pas, mevrouw de keurvorstin, het betreft . .

„Ik zal het u zeggen, Friedrich, wat het betreft,quot; viel de keurvorstin hem vriendelijk in de rede, terwijl zij haar hand op zijn schouder legde. „Het is eenvoudig dat mijnheer de keurvorst deze zangers gaarne voor zijn kapel zou willen behouden, maar ze waarschijnlijk te duur vindf,

ocr page 214

20G

en daarom den schijn 'wil aannemen of zij hem niet bevallen.quot;

„Louise, hoe weet ge dat, wie heeft u mijne gedachten verraden ?quot;

„Uw gezicht, uw lief, dierbaar gezicht,quot; riep zij, met haar kleine blanke hand teeder zijn wangen steelende. „Toen ge mij straks uw wensch te kennen gaaft, dat ik de zangers niet zou prijzen, zag ik u aan, en las terstond op uw gelaat de oorzaak van uw wensch. Zie, mijn Friedrich, ik ben niet wijs en geleerd, ik ben slechts een eenvoudige vrouw, een onnoozele boerin; maar ik bezit toch een geleerdheid, welke niemand met mij deelt. Ik versta het, op uw gelaat te lezen en de gedachten te ontcijferen, die op uw voorhoofd blinken. Mijn hart heeft met zijn liefde uw geheele wezen bestudeerd en verstaat elk teeken, elke lichte schaduw. Zoo wist ik dadelijk, dat de kassen van miju lieven heer weer ledig waren, omdat de weerspannige heeren stenden weder geen gelden bewilligen of belastingen willen uitschrijven, en ik begreep dat mijn gemaal de zangers, die hij hier heeft laten komen, op deze wijze weder van zijn hals wilde schuiven. Zij hebben een te hoog tractament begeerd, niet waar?quot;

„Gij hebt het geraden, mijn schandere Louise,quot; zei de keurvorst, wiens gezicht zich begon te verhelderen.

„Dit was niet zoo erg moeielijk voor een vrouw, die u bemint,quot; zeide zij zacht. „Daar ik nu gelukkig geen stenden heb, die mij geld weigeren, en mijn financiën zeer bloeiend zijn, zoodat ik mij een buitengewone uitgave kan vergunnen, besloot ik mij ook een buitengewoon genoegen te vergunnen, en de zangers voor mij te engageeren.quot;

„Ha, Louise, nu begin ik te begrijpen, en mijn hart is diep beschaamd over uwe goedheid!quot;

„Hoe, beschaamd? en wat spreekt ge van mijn goedheid? Ha, ik begrijp! Mijn gemaal meent dat ik mij wil veroorloven, hem mijn chatouillé aan te bieden, hem te verzoeken er het tractement voor de zangers uit te nemen, en hem het geld te leenen? Gij vergist u, mijnheer de keurvorst, ik heb die gedachten volstrekt niet gehad, en het is niet bij mij opgekomen u eene som gelds te leenen. Want ik ken u, ik weet wel hoe het er mee gegaan zou zijn. Ik zou u voor de zangers het geld hebben geleend, en de thalers zouden u toegelonkt hebben als louter officiers-

ocr page 215

207

epauletten; ge hadt er nieuwe soldaten voor gekleed, en de zangers weggezonden!quot;

„O, Louise, dierbare Louise, hoe goed kenl ge mij,quot; riep de keurvorst lachend.

„Of ik u ken. Ik zal mij daarom wel wachten u mijn chatouillé aan te bieden! Mijn geld zou weg zijn en ik zou de zangers nooit weer hooren. Maar ik vind het gezang dezer Italiaansche zangers betooverend en hun operamuziek uitstekend. Zij is zoo geheel anders, dan wat ik lot heden gehoord heb, zoo diep in 't hart grijpend, zoo liefelijk en zoet. Kortom, ik moet de zangers nog meer hooren, en daarom verzoek ik u, mijn dierbare gemaal, verlof, deze beide Italiaansche heeren voor onze kapél te engageeren, ten minste als ge meent, dat ieder met tweeduizend thaler tractement tevreden zal zijn.quot;

„Zooveel begeeren zij niet,quot; riep de keurvorst haastig. „Zij vragen ieder slechts duizend zeshonderd thaler.quot;

„O, mijn gemaal,quot; glimlachte de keurvorstin, hoe nauwkeurig weet ge dat, alsof ge ze zelf had willen engageeren. Maar ik laat mij deze kunstenaars niet ent nemen, ik wil ook eens iels bijzonders hebben, en men zal niet van de keurvorstin van Brandenburg gelooven, dat zij het geluid der koeklokjes en het loeien van haar vee voor de fraaiste muziek houdt, of dat een vroom kerkgezang haar meer ter harte gaat dan aria's en duetten van de groote Italiaansche kunstenaars. Ik weet ook wat schoon en verheven is, en omdat te bewijzen zou ik deze beide signori wenschen te engageeren. Vergun, mijnheer gemaal, dat ik mijn opperhofmaarschalk von Schwerin opdraag, met de kunstenaars te onderhandelen en met hen het engagement te sluiten.quot;

„Onderhandelen zal niet meer noodig zijn,quot; mevrouw de keurvorstin, want ze hebben hun voorwaarden reeds gesteld, en de baron von Plötzen heeft hen aangenomen, op voorwaarde dat ze onze goedkeuring moesten verwerven.quot;

„Dat zij uw goedkeuring moesten verwerven, mijn heer gemaal, wildet ge zeggen. Maar zoo ik nu deze voorwaarden aannam, lieer keurvorst, zou iedereen gelooven, dat uw doorluchtigheid de beide zangers geéngageerd had, en dit zou weer een groot gebabbel en bedil geven bij de heeren stenden, zij zouden zeggen; „Zoo de heer keurvorst zooveel geld in zijn kas heeft, om Italiaansche zangers te

ocr page 216

208

betalen, zal hel wel niet noodig zijn liem nieuwe bronnen van inkomsten te opetfen, en wij zullen ons wel wachten, den landsvader den driejarigen accijns te bewilligen, waarom hij heeft verzocht, om zijne soldaten te kleeden.quot; Ge ziet nu, heer, het gaat niet, dat deze onderhandelingen in uw naam worden gevoerd; integendeel, zij mogen slechts in mijn naam door mijn opperhofmeester worden gevoerd en ik alleen mag mij veroorloven in dezen tijd een paar Ilaliaansche zangers te engageeren. Wij leven immers in geen gemeenschap van goederen, en het kan dus zeer wel zijn, dat mijn gemaal geen geld heeft, terwijl ik mij in overvloed baad. Ik trek immers een hooge jaarlijksche rente uit Holland, en ook het keurvorstendom Brandenburg geeft mij flinke revenuen, en daarbij komen nog de inkomsten, welke ik van mijn landgoed Hoetzow verkrijg. Ge weet immers, dat ik tweemalen 's weeks de opbrengst mijner boerderij te Boetzow hier naar Berlijn zend, en op de markt boter, melk en kaas laat verkoopen, wat een aardige som opbrengt.quot;

„Behalve dat de uilgaven, welke uwe doorluchtigheid in Boetzow heeft, niet voor 't honderste gedeelte daardoor gedekt worden,quot;^merkte de keurvorst glimlachend aan.

„'t Moge zijn,quot; ging de keurvorstin voort, „maar ik heb gelukkig niet noodig den heeren stenden rekenschap te geven, en geen hunner heeft het recht mij te vragen, waarvoor ik geldquot; uitgeef. Ik mag doen, wat gij niet moogt. En daarbij, bedenk wel, dat, zooals gij mij zelf hebt verteld, or onlangs in de zitting van uw geheimen raad reeds sprake van de kapel was, en de heeren geheimraden meenden, dat het volstrekt noodzakelijk was dat uw doorluchtigheid haar uitgaven beperkte en bezuinigingen invoerde. Men kon een goede som besparen, zoo uw doorluchtigheid haar kapel afschafte. Ge hebt beloofd, dit te zullen doen; en bedenk nu eens wat indruk het zou maken, indien ge nu juist twee nieuwe kostbare zangers aanschaftet. Neen, ik alleen kan mij deze weelde vergunnen; en iedereen moet weten dat ik het doe, daarom heb ik heden, tot ergernis van den organist Krüger en tot verstoring mijner lieve nicht, de beide kunstenaars zoo buitengewoon geprezen, en er mij aan laten gelegen liggen, hen te onderscheiden. Ik wil, dat iedereen welo dat ik de zangers uit mijn eigen beurs betaal. Schwerin zal dus nog heden het

ocr page 217

209

contract met hen sluitsn, zoo ge mij hiertoe verlof wilt geven, waarom ik u hartelijk verzoek!quot;

„Louise,quot; zei de keurvorst, beide handen op de schouders zijner gemalin leggende, en haar met een liefdevollen blik aanziende, „gelooft ge dan waarlijk, dat ik mij door al deze woorden en uwe verrukking voor de zangers laat misleiden? Meent ge dan, dat ik u niet begrijp en gevoel, waarom ge aldus spreekt? Ik dank u, zacht, groot en trouw hart, ik dank u? Gij wilt mij vreugde bereiden, en neemt den schijn aan of ge slechts aan u zelve dacht, en wat ge doet geen dankbaarheid behoeft. O, Louise, ik gevoel mij beschaamd en vol deemoed tegenover u, en waag het nauwelijks mijn oogen tot uw rein en beminnenswaardig gelaat op te heffen. Ik was over uwe handeling ontstemd, en nmdat ik u niet begreep, meende ik het recht te hebben u te berispen. Ach, hoe weinig kunnen do mannen de kieschheid en diepte van een vrouwenhart begrijpen, als het bemint. Vergeef mij, Louise, ik bid u, vergeef mij!quot;

„Ik heb u niets te vergeven,quot; zeide zij glimlachend, en haar stem beefde een weinig. „Maar als ge het toch meent, wil ik u een middel zeggen, hoe ge u terstond en volkomen met mij verzoenen kunt.quot;

„Zeg het mij, Louise!quot;

„Geef mij in bepaalde woorden het verlof, de Italiaansche zangers aan te nemen, vergun dat mijn opperhofmaarschalk in mijn naam met hen onderhandele en zij van mij hun aanstelling als kapelzangers ontvangen.quot;

„Welnu, mijn verkwistende gemalin, ik wil uw wensch toestaan, doch onder eenige voorwaarden.quot;

„Onder welke, Friedrich!quot;

„Ten eerste, dat ge mij wilt vergunnen een teederen, om vergeving smeekenden kus op uwe lippen te drukken die mij zoo liefelijk toelachen. Neemt ge deze eerste voorwaarde aan.quot;

„Niet eer dan ge mij ook uw andere voorwaarden hebt gezegd.quot;

„Ik heb nog maar een voorwaarde, en deze is: Ik bewillig uw verzoek; gij moogt in uw naam de Italiaansche zangers aannemen, maar beantwoord mij vooraf eerlijk en oprecht deze vraag: Vindt ge werkelijk zooveel schoons in deze kunstenaars? Behaagt u de muziek en het operagezang?quot;

Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 14

ocr page 218

210

„Wat een vraag!quot; antwoordde de keurvorstin. Gelooft gequot; dan, dat ik een Hottentotsche ben en dat mij niet behaagt wat iedereen in verrukking brengt en in booge mate verheft? Houdt ge mij voor zoo onbeschaafd en van allen kunstzin ontbloot, om niet te kunnen gevoelen wat een wonderbare kunstvaardigheid deze zangers bezitten, wat fraaie stemmen zij hebben en hoe ze er mede tooveren.

En dan de muziek, de hartstochtelijke, gloeiende muziek, waarbij iemand zoo zonderling te moede wordt, geheel anders, dan als men tol stichting of opbeuring een geestelijk lied op koraal zingt, waarbij de oogen soms vochtig van aandoening worden. Men kan wel bij de muziek niet weenen en niet geroerd worden, maar men wordt toch opgewonden, en 't is alsof men een glas vol met krachtigen wijn heeft gedronken, waardoor men bedwelmd wordt.

„En waarop dan een kleine verdooving volgt, niet waar ! Louise, ge hebt mij nog niet eerliik geantwoord, en geen mijner voorwaarden aangenomen. Ik zal u zeggen, dat ik deze zangers werkelijk bewonder, en het mij aangenaam zou zijn deze nieuwe operamuziek nog dikwijls te hoo-ren en er mij een weinig door te laten bedwelmen. Maar antwoordt mij eerlijk: Hoe bevalt u dat gezang en deze muziek?quot;

De keurvorstin sloeg lachend haar armen om don hals van haar gemaal. „Afschuwelijk,quot; fluisterde zij, „zeer afschuwelijk!''

De keurvorst lachte ook, en terwijl hij Louise innig aan zijn hart drukte, nam hij van haar lippen de vervulling zijner eerste voorwaarde.

Daar nu beide voorwaarden vervuld waren, werden de signori Grimani en Alliera op bevel van de keurvorstin voor hare kapel geëngageerd, zij waren de eerste Italiaan-sche zangers, die in Berlijn zongen en de bijval van het publiek verwierven.

ocr page 219

211

V1JI

JEZUS MIJN TOEVERI^AAT.

„Het moet, ja, het moet!quot; riep de prinses Hollandine. „De zaken moeten eindelijk tot een beslissing komen!quot; „Dit verlang ik ook,quot; zuchtte Burgsdorf. „Zoo wij niet door uw invloed den heer keurvorst weder tot ons brengen en hem bij ons houden, zal hij voor ons en de oude gebruiken van zijn land verloren gaan, en alles zal uitgeroeid worden, wat nog aan het oude recht en de oude orde hangt. En dat ligt alleen aan mevrouw de keurvorstin. Zij heeft de nieuwe ideeën mede in 't land gebracht en wil hier alles veranderen. De goede, vroolijke en eerlijke Markers moeten domme, vervelende en vlijtige Hollanders worden, die niets doen dan bidden en werken. Onze Marksche zandgrond moet in een Hollandsch tuinland worden omgezet, en alles moet zoo fijn en eerbiedig toegaan als waren de mannen geen mannen en de vrouwen geen vrouwen meer. Ik bid u, genadige hoogheid, help mij toch, en red mijn keurvorst en verzeker mij zijne vriendschap, want anders ben ik verloren ! Vroeger noemde hij mij altijd zijn oude, soms wel zijn vader, nu reeds weken niet meer, en dat maakt mij wanhopig.quot; „Waartoe dit comediespel, mijn lieve oude ?quot; vroeg de prinses glimlachend. Waarom wilt ge mij doen gelooven, dat het slechts de zorg uwer verlorene vriendschap van den keurvorst is, die u wanhopend maakt? Zeg mij liever ronduit, dat ge vreest uw invloed op den keurvorst te verliezen en door de keurvorstin ter zijde' te worden gesteld. Ieder worstelt om zijn bestaan, en die gewoon is in zonneschijn en den glans van het daglicht te leven, kan niet plotseling in nacht en donkerheid overgaan. En dat zult gij ook niet! Gij moet de veelvermogende vriend en minister van den keurvorst blijven, ik zal u helpen ; gij daarentegen moet mij bijstaan om alles te verkrijgen wat Frankrijk begeert. Gij kent de voorwaarden waarop Frankrijk u voor uw geheele leven eene jaarlijksche rente van twintig duizend livres toezegt, en zich daar schriftelijk voor wil verbinden.quot;

„üm Godswil, hoogheid,quot; fluisterde Burgsdorf, angslig door het vertrek ziende, „spreek zachter! Die vermolmde

ocr page 220

212

wanden kunnen gaten hebben, en andere ooren dan de mijne, mochten u hooien!quot;

„Voor dergelijke dingen is men hier veel te eerlijk, veel te onbeschaafd en kleinburgerlijk,quot; riep de prinses de schouders ophalende. „Er is hier geen oor van Dioni-sius, en in deze oude barak kunt ge de grootste geheimen uitschreeuwen, zonder dat iemand u hoort. De keurvorst en de keurvorstin wonen in den anderen vleugel en op de andere verdieping, en ik heb de eer aan deze zijde van het kasteel de eenige bewoonster te zijn. Bovendien heb ik mij met opzet met u in mijn toiletkamer begeven, omdat deze kamer geen anderen uitgang heeft, dan dien in mijn woonkamer, en gindsche kleine deur in 't behangsel, die in de kamer mijner kamenier uitkomt. Niemand zou ons dus kunnen booren dan mijn diensboden, en die heb ik heden verlof gegeven en zijn naar Boetzow. Mevrouw de keurvorstin heeft zich heden morgen vroegtijdig daarheen begeven, en alleen haar opperhofmaarschalk, die tevens de bouwmeester van het nieuwe kasteel te Boetzow en de inspecteur barer tuingronden, haar factotum is, heeft haar derwaarts vergezeld. De keurvorst is hier gebleven om met mij in Shakespeare's werken te lezen; dan zullen de Italiaansche zangers komen en wij zullen met elkander muziek maken.quot;

„Dat wil zeggen, dat uw hoogheid gezegevierd heelt, en Binaldo in de banden der schoone Armida ligt!quot;

„De keurvorst is mij inderdaad genegen, en ik hoop, dat het met vereende krachten zal gelukken ons doel te bereiken. Heden zal ik doen, wat ik nog nooit heb gedaan, ik zal wat politiek in ons gesprek mengen, en voor het eerst op een verdrag met Frankrijk zinspelen. Morgen zult ge dan in de geheime raadsvergadering deze alliantie voorstaan en de zaak zoo besturen, dat de keurvorst u opdraagt naar Parijs te gaan om met den minister des konings te onderhandelen. Ge hebt uw instructiën en weet wat ge moogt vorderen en wat ge kunt toestaan. Frankrijk benoemt u hiervoor tot zijn minister aan het Brandenburgsche hof, en betaalt u een levenslange jaarwedde. Het document, waarbij u dit wordt verzekerd, moet eerstdaags hier aankomen, benevens eenige andere belangrijke papieren, welke kardinaal de Mazarin mij zenden

ocr page 221

213

zu.1. Nog heden verwacht ik den koerier en ben over zijn uitblijven verwonderd.quot;

„De wegen zijn slecht, en daar het in de laatste weken zeer veel geregend heeft, waardoor zij nog slechter zijn geworden, kan de koerier wel opgehouden zijn.quot;

,,'t Is waar, hij komt trouwens nog ter rechter tijd. Ge weet nu, wat ge te doen hebt! Wij moeten tot een besluit komen, en ik hoop dat de keurvorst nu rijp is voor onze plannen ! Het wachtwoord luid: Verbond met Frankrijk tegen den keizer van Duitschland, tegen Zweden en Polen. De keurvorst verbindt zich, op den dag der verkiezing te Frankfort zijne stem niet te geven aan den zoon van den keizer van Duitschland, maar aan den zoon van het Saksische Keurhuis opdat deze tot Roomsch koning worde gekozen. Komt het tot eene oorlogsverklaring tusschen Oostenrijk en Frankrijk, dan staat de keurvorst aan Frankrijks zijde, zendt het hulptroepen en ondersteunt ook de Fransche troepen in al hun ondernemingen. Hiervoor waarborgt Frankrijk den keurvorst zijn bezittingen aan den Rijn, alsmede het hertogdom Pruisen, en betaalt hem een jaarlijksche rente van een millioen livres. Ge weet nu alles, ga dus, en — Wat was dat?quot; viel de prinses zich zelve in de rede, terwijl ze ontsteld haar oogen naar het plafond barer kamer ophief. „Hoort ge niets?quot;

„Ja, hoogheid,quot; mompelde Rurgsdorf, „het kwam mij voor of hier boven de balken kraakten, en zie eens hoe het stof en de kalk door het lapwerk van 't plafond neervallen.quot;

„Zou zich iemand hierboven bevinden?'' (luisterde de prinses. „Zou men ons beluisterd hebben ?quot;

„Ik verzoek uw hoogheid mij te ontslaan,quot; mompelde Rurgsdorf. „Ik zal eens naar boven gaan en zien of er iemand is, en vind ik hem . .

„Stil, stil,quot; fluisterde de prinses, „hoor, het kraakt weer en een geheele stofwolk komt door de planken. Mijn God, ik word beangst, en als ik denk dat de keurvorst.- — O neen, neen, dat is immers onmogelijk! Hoe zou de keurvorst op de gedachte komen naar boven te klimmen, en waarom zou hij ons willen beluisteren? Neen, het zal misschien een rat zijn geweest!quot;

„Een rat doet geen balken kraken,'' zuchtte Rurgsdorf, „die veroorzaakt geen stofwolken. Ik vrees, en het is mij,

ocr page 222

214

alsof zich de deur zal openen en de duivel binnen zal treden. Ontsla mij, hoogheid, ontsla mij!quot;

„Ga, Burgsdorf! Wees morgen bekwaam met uw tong, denk aan uw Fransch ministerstractement, en geloof dat ik u spoedig het door de Mazarin onderteekende document zal ter hand stellen!''

Zij groette Burgsdorf, die geheel verstomd was en toen hij vertrokken was ging zij naar haar receptiezaal. Op den drempel er van bleef zij staan en zag nog eens om naar de verkleurde engelen en de gespijkerde planken boven aan het plafond.

„Het zal niets geweest zijn,'' zeide zij adem scheppende. „De oude Burgsdorf is een bloodaard en ik zelf een bange zottin! Moedig, Ludowike, moedig! Het geldt uw verleden te wreken, de tranen uwer jeugd te drogen, door andere tranen te doen vloeien. Ja, zij zal weenen, zooals ik heb geweend, ik zal haar verdringen van de plaats die mij behoort!quot;

„Zult ge dit dan bereiken, Ludowike?quot; vroeg zij zich af, terwijl zij voor den spiegel trad. „Zijt ge nog schoon en beminnelijk genoeg om een schoone jonge vrouw te verdringen ? Het is waar, zij is schooner, maar het is een verve-fende schoonheid die schoonheid van deugdzame vrouwen. In de zwarte oogen, welke ik in den spiegel zie, is iets van den vlammengloed der hel; wie ze aanziet, verbranden zij het hart. Heeft niet de kardinaal signor Giulio Mazarini mij vaak een demon genoemd? Nog onlangs, toen ik afscheid van hem nam, zeide hij: „Gij zijt een diavolezza, en op ieder uwer vingertoppen danst een duiveltje. Ga en be-toover den heer keurvorst.quot; Ja, ik wil hem betooveren. Droppelsgewijzo heb ik hem het vergift ingegoten, het bittere vergift der jaloezie, het zoete vergift der liefde heb ik in zijn ziel gedroppeld. Hij is jaloersch op haaien bemint mij. Verheug u, Ludowike, verheug u, uw werk zal gelukkep, voor dat een jaar verloopt, zijt gij keurvorstin van Brandenburg.quot;

Buiten werd aan de deur geklopt en de stem van den keurvorst zeide: „Mag ik binnen komen?quot;

Terstond nam het gelaat der prinses een van vreugde stralende uitdrukking aan. Zij snelde naar de deur, rukte deze open en heette den keurvorst met teedere woorden welkom.

ocr page 223

215

Hij kustte de hem gereikte hand en zelle zich naast haar op den divan.

„Wat is het hier vertrouwelijk en stil,quot; zeide hij, „het is een verkwikking, bij de ergerlijke regeeringszaken zich er mede te kunnen troosten dat mij later door uw gesprek en lieve tegenwoordigheid vergoeding wordt geschonken.quot;

„Maar mijne tegenwoordigheid zal niet lang meer durenquot; zeide zij zuchtend. „De droom gaat ton einde, Friedrich, een bitter smartelijk ontwaken zal er op volgen.quot;

„Neen, Ludowike.quot; riep hij levendig, „gij moogt mij niet verlaten. Zulk een geluk moet gij mij langer vergunnen. Denk aan de fraaie fabel van Egeria en Numa Pompilius; wees mijn Egeria, bekoorlijke prinses.quot;

„Egeria was de raadgeefster van Numa Pompilius,quot; zei de prinses glimlachencï, „hij achtte haar waardig de belangen van den staat met haar te overwegen. Gij ziet wel, Friedrich, dat uwe vergelijking niet past, want wanneer zoudt ge mij de eer aandoen, over zulke ernstige zaken met mij te spreken.quot;

„Dadelijk,quot; mijn Egeria,quot; zeide hij glimlachend, „terstond zult ge mij uw raad mededeelon. Zie, ik sta gelijk Her-kules op een kruisweg, het zijn twee zeer schoone, bekoorlijke dames die mij wenken. La France heetdeeene, en Austria heet de andere. Heden heb ik van mijn beide gezanten uit Weenen en Parijs depêches ontvangen met zeer belangrijke berichten. De keizer van Oostenrijk deelt mij mede, dat Frankrijk een plan tot mijn verderf heett uitgebroeid, om zich met Polen en Zweden tegen mij te verbinden. Frankrijk heeft mijn hertogdom Pruisen voor Polen bestemd en' dit moet hiervoor Lij Hand aan de Zweedsche kroon afstaan. Ik moet ter zijde gezet en met een schadeloosstelling afgescheept worden1). Dit, zoo laat mij de keizer door zijn gezant weten, is het plan, 't welk de Fransche gezant graaf Ghanut te Stokholm heeft voorgesteld, en als een middel heeft aanbevolen om het Oustenrijksche huis en de Duitsche vorsten in toom te houden V

„Dat geloof ik niet!quot; riep Ludowike levendig. „Ik ken

1

Droysen Geschichte des Preussischen Politik, Hf, 3, 61,

ocr page 224

216

graaf Ghanut; hij is een te fijn diplomaat, een te schrander staatsman, om dergelijke gewaagde en avontuurlijke voorstellen te doen. Bovendien weet ik, dat de graaf u hoogacht en vereert, u voor den edelsten en begaafsten vorst van Europa verklaart, een schitterende toekomst voorspelt. Neen, mijn dierbare vriend, vertrouw deze Oostenrijksche inblazingen niet. Oostenrijk peinst op uw verderf, en zal er nooit toe medewerken om den keurvorst van Brandenburg groot en machtig te maken!quot;

„'t Is waar,quot; zei de keurvorst nadenkend, „Oostenrijk is zeer ijverzuchtig op zijn macht. Het zou zijn keizerlijk oppergezag gaarne weder herstellen, en willen handelen of keizer en rijk nog even zoo waren als vóór den West-laalschen vrede quot;

„En zeidet ge niet, mijn vriend Numa Pompilius, dat ge ook van uw gezant te Parijs depêches hebt ontvangen?''

„Ja, mijn Egeria. De heer von Jena schrijft mij van een zeer gewichtig onderhoud, dat hij met den kardinaal de Ma-zarin heeft gehad. Zijn eminentie laat mij door mijn ge-'zant melden, dat Oostenrijk aanslagen tegen mij smeedt en het aar Spanje toegestaan heeft den oorlog in de Nederlanden verder uit te breiden, om mijn Rijnprovinciën te bemachtigen. De Lotharinger moet met zijn vrij-scharen den Spanjaard in deze onderneming ondersteunen en zoo ik met mijn regimenten daar heen wil trekken om te strijden, dan heett de keizer van Duitsland het aan zijn zwager den koning van Polen vrijgelaten mijn hertogdom Pruisen weder in bezit te nemen en met zijn troepen te bezetten. Nu biedt de kardinaal mij in naam des konings zijn bijstand tegen zulke verraderlijke plannen. Hij noodigt mij uit tot een verbond met Frankrijk, maar tegelijkertijd tot een verbond tegen den keizer van Duitschland. Hij biedt mij geld, troepen en landbezit, en eischt hiervoor niets, dan dat ik een trouw bondgenoot van Frankrijk zij en den koning in al zijne oorlogen bijsta. Zeg nu, Egeria, wien moet ik volgen, welk verbond moet ik aannemen?quot;

„Het verbond met den koning van Frankrijk?quot; riep Ludowike in vervoering. „Het verbond met het edelste, grootste en machtigste rijk van Europa! Hoed u voor Oostenrijk, het is uw mededinger! Vertrouw op Frankrijk,

ocr page 225

'217

het is uw vriend! Het belooft u soldaten, goud en land, dat wil zeggen, het belooft u een groote, sch it lerend o too komst. Neem ze aan, Friedrieh Wilhelm, wijs de lauweren niet af die Frankrijk u aanbiedt.quot;

„Ik dank u, Egeria,quot; zei de keurvorst glimlachend. „Gij zijt waarlijk een vurige raadgeefster en een ijverig diplomate. Maar laat het nu genoeg politiek zijn; zij past niet voor de schoone lippen van mijn hartelijk geliefde nicht. Het klinkt zoeter en liefelijker als zij van poëzie en liefde spreken.quot;

„Van liefde, Friedrieh?quot; zei de prinses, terwijl zij haar gloeienden blik diep in de oogen van den keurvorst boorde. „Ik zou op den bodem van uw hart wenschen te lezen, mijn vriend. Ik zou willen weten of er nog herinneringen uit het verledene in geschreven staan ? Ü, Friedrieh,quot; fluisterde zij zacht, terwijl zij haar hoofd tegen zijn schouder leunde, „ik zou willen weten of de oude liefde weer verjongd in uquot;is opgestaan.quot;

, Stil,quot; zeide hij zacht, „licht den sluier van mijn hart niet op. Er zijn geheimen, welke men niemand, nauwelijks zich zeiven mag toevertrouwen; en wat zou het worden, zoo ik het deed, Ludowike! Ben ik niet gehuwd?quot;

Zij hief haar hoofd van zijn schouder op en zag hem 'aan met een zoeten, verleidelijken glimlach. „Is uw hart ook gehuwd of is liet slechts uw hand, Friedrieh?quot;

Hij ontweek haar blik en wendde zijn hoofd ter zijde. „Slechts mijn hand, Ludowike.quot;

Zij slaakte een flauwen kreet en sloeg met hartstochtelijke verrukking haar beide armen om zijn hals.

„Dan zijt ge ook niet gehuwd,quot; duisterde zij, „dan zult ge den echt verbreken, waarin uw hart en ziel niet deelt!'

„Zou ik mij van haar laten scheiden?quot;' prevelde de keurvorst bevend.

„Zijt ge niet reeds van haar gescheiden ? Gij bemint haar niet? Hebt ge niet het recht van haar te scheiden, daar zij kinderloos is?quot;

„Maar zij bemint mij, Ludowike.quot;

„Neen,quot; riep zij ijverig, „zij bemint den heer Otto von Schwerin. Friedrieh, zijt ge dan ziende blind, is het voor u alleen een geheim, wat de geheele wereld weet? Hebt gij nog niets bemerkt van de vurige liefdesbetrekking

ocr page 226

der kuische, zedige keurvorstin met haar deugdzamen, edelen opperhofmaarschalk ?quot;

De keurvorst vloog op. „Slang! o slang!quot; riep hij woedend uit. Toen sloeg hij huiverend zijne handen voor zijn gezicht en zuchtte luid.

Het gelaat der prinses straalde, haar gloeiende oogen schitterden van helsche vreugde.

De Mazarin had gelijk, zij was een diavolezza en op ieder van haar vingertoppen danste een duiveltje!

„Neen, zij he mint u niet, Friedrich Wilhelm,quot; fluisterde de prinses. „Zij bedriegt u, zij lacht in^de armen van haar boeleerder om den argeloozen echtgenoot. In dit uur, dat ge hij mij zijt, is zij weer met hem naar buiten te Boet-zow, om in zoete afzondering, alleen te zijn met haar minnaar!quot;

De keurvorst sprong op, liet zijn handen van zijn gelaat glijden, dat bleek en kleurloos was, zijn oogen fonkelden, zij straalden van toorn en opgewondenheid. „Ik wil erheen,quot; zeide hij met gesmoorde stem. „Ik zal ze verrassen! Stil, geen woord, Ludowike, houd mij niet tegen. Er moet een einde aan gemaakt worden. Een schrikkelijk einde. Vaarwel, Ludowike, vaarwel!

Haastig en diep bewogen verliet hij de kamer.

Prinses Ludowike zag hem met triomfeerenden blik na. „Ik zegevier,quot; juichte zij, en terwijl zij naar den spiegel ijlde, knikte zij zich zelve toe en fluisterde: „Ik groet u, keurvorstin van Brandenburg, ik groet u. —quot;

Buiten, voor de deur van haar kamer stond de keurvorst; hij hief zijn gebalde vuisten op en fluisterde grimmig; „Slang, o slang, ik zal mij wreken, ja, gevoelig wreken! Naar buiten, naar Boetzow.quot;

Hij liep door den corridor, ging in zijn vertrekken en beval den kamerdienaar dadelijk het rijtuig te laten voorkomen.

Geen kwartier daarna rolde het rijtuig uit de kasteelpoort, den weg op naar Boetzow.--

Keurvorstin Louise Henriette had juist de ronde door de koestallen en de melkkarners gedaan. Met innig genoegen had zij de fraaie bruine koe in oogenschouw genomen, welke haar moeder, prinses Amalia, haar uit den Haag had gezonden, en was het kamertje naast de melkkamer binnengegaan. In het venster stond de lessenaar, welke zij

ocr page 227

219

als prinses te 's Hage had bezeten, en alles was er zoo ingericht als het daar geweest was. De keurvorst had, toen hij drie jaren geleden zijn gemalin Boetzow schonk, haar de kiesche verrassing bereid, dat hij het landgoed juist zoo had laten inrichten als Imar kleine boerderij in de nabijheid van het Buitenhof, dezelfde dienstboden en boerinnen, welke zij daar had gehad, vond zij ook te Boetzow, toen de keurvorst er zijne gemalin voor het eerst heen bracht.

't Was heden Zaterdag, de afrekeningsdag der week. Louise nam de rekeningen en boeken uit haar lessenaar, zette er zich voor en onderzocht ze nauwkeurig. Te raidden dezer bezigheid werd zij gestoord door het binnentreden van een jeugdige, vroolijk uitziende boerin in Hollandsche kleederdracht.

„Uwe hoogheid!quot; riep de boerin in de taal van haar vaderland. „De bruinbonte koe heeft gekalfd en twee kalveren ter wereld gebracht.quot;

„Dat doet mij pleizier, Trui,quot; zei de keurvorstin. „Voed de jonge dieren zorgvuldig op, opdat zij goed groeien, want ge weet, de bruinbonte is onze beste koe.quot;

„Ik zal het doen, uwe hoogheid, want ik houd veel van de bruinbonte. Weet gij waarom?quot;

„Neen, Trui.quot;

„Het is,quot;' zei Trui, haar oogen nederslaande en verlegen aan haar witte schort trekkende, „omdat de bruinbonte mij aan vorige tijden herinnert. Weet ge nog, uwe hoogheid, voor zes jaar, toen wij nog in Holland waren. Ik zat vlak voor de moeder dor bruinbonte, voor de groote Lysbet, en het kalf, dat nu een schoone koe is, was toen voor drie dagen van de moeder afgenomen, en de koe gaf zoo heel veel melk. Ik molk haar juist, toen de prinses kwam en mij zoo aankeek, en met haar zachte stem zeide: „Het verwondert mij. Trui, dat de groote Lysbet gisteren minder melk heeft gegeven dan de vorige dagen.quot; Weet gij dat nog, mevrouw de keurvorstin?''

„Ik weet het nog,quot; antwoordde Henrielte zacht. „De booze boerin had u verleid om verkeerde dingen te doen.'

„Maar gij, genadige prinses, waart de engel, die mij redde!quot; riep Trui met tranen in de cogen, terwijl zij het kleed der keurvorstin nam en aan haar lippen drukte. „Gij hebt mij van de booze tooveres gered.quot; „Bid maar zeer vroom

ocr page 228

220

en wees goed en trouw,quot; zeidel gij lot mij, „dan zal het kwaad geen macht op u en uw vee hebben!quot;

„En gij hebt vroom gebeden en zijl weder goed en trouw geworden,quot; zei de keurvorstin vriendelijk. „Ge zijl mijn beste boerin, en alles wat ge onder handen neemt, gaat goed. Ziet ge. Trui, dat is de zegen van een reinen wandel en een eerlijk hart. Ik heb zoo even uwe rekeningen nagezien en mij verblijd over uw orde en nauwgezetheid. Ik wil u hiervoor iels ten geschenke geven. De bruinbonte is de dochter der groole Lysbet, en uithoofde van uw herinneringen hebt ge de bruinbonle lief. Nu schenk ik u de beide kalveren. Ge moet ze voor uw toekomstige huishouding groot brengen; want ik weet, dat Michel en gij elkander liefhebt en samen wilt trouwen. Over een jaar zal hel bruiloft zijn, en de kleinkinderen van de groole Lysbet zullen de eerste plaals in uw koestal innemen.quot;

Trui weende en juichte van vreugde en werd van verlegenheid zoo rood als eene kers; zij keek naar de deur of zij er uit wilde, doch waagde het niet, voordal de keurvorstin haar ontslagen had.

„Ga nu. Trui,quot; zei Louise glimlachend. „Het mocht anders uw hart beklemmen, zoo ge het niet dadelijk aan Michel kondt vertellen. Zend mij den rentmeester Sturm hier.

Trui liep weg, en spoedig daarop trad de rentmeester binnen.

„Hoor,quot; zei de keurvorstin, in gebroken Duitsch. „Ik ben niet geheel tevreden over u. Ge moet mijn boeken ordelijker en nauwkeuriger houden. Verleden week hebt ge mij weder geld naar Berlijn gezonden, zonder mij op te geven of het voor boter, kaas of melk was. Ik moet dit weten, opdat ik het in mijn boek kan opschrijven, waarin ik zeer slipt aanteeken wat ik ontvang en uitgeef1).quot;

„Genadige keurvorstin,quot; antwoordde de rontmeester eerbiedig, „ik verzoek vergeving. Voorlaan zal ik alles nauwkeurig noleeren.quot;

„Zorg ook dat de metselaars en werklieden vlijtiger zijn. Alles gaat zoo langzaam. De voorplaats is eerst ten halve geplaveid, en moest reeds de vorige week gereed zijn

1

De eigen woorden van de keurvorstin. Zie; ürlich, 11.

ocr page 229

221

geweest. De karpervijvers zijn nog niet in orde, en voor alles moet de pomp in de keuken worden gemaakt, opdat het water voor het wasschen van de boter' niet zoo ver gehaald behoeft te worden, en goed koud zij. gt;) Zorg voor dit alles, en doe mij 't genoegen, dat, als ik aanstaanden Zaterdag terugkom, ten minste de pomp gereed is. Waar is de tuinier?quot;

,,Hij is met den heer opperhofmeester naar de nieuw aangelegde tuinen gegaan.quot;

„Ik wil er ook heengaan,quot; zei de keurvorstin terwijl zij opstond. „Zoo iemand naar mij moeht vragen, weet ge waar ik ben.quot;

Zij groette den rentmeester vriendelijk, hing haar sleutelmandje aan den arm, en verliet de boerderij, om naar den daarachter gelegen tuin te gaan.

De keurvorstin scheen echter niet zoo goed gestemd als gewoonlijk, haar oogen zagen niet zoo vroolijk in 't rond als anders, wanneer zij in haar lieven tuin te Boetzow vertoefde; haar wangen waren bleeker dan gewoonlijk, en geen zachte glimlach zag men op haar gelaat.

Ook ging zij niet zoo vlug en krachtig voorwaarts, als gewoonlijk en haar hoofd, dat zich anders zoo bevallig en fier op den slanken hals verhief, was heden gebogen. Zij zag niet naar de bloemen, zij luisterde niet naar het gezang der vogels in de bosschen. Zij hoorde slechts naar het zacht, weemoedig gefluister in haar borst.

„Alles is anders geworden.quot; zeide zij weemoedig. „Hij bekommert zich niet meer om mij, hij heeft slechts oplettendheid voor haar. Ach, wat heb ik geleden in deze vreeselijke laatste weken! Ik zie hoe zij hem met haar netten omspint, hoe zij al de kunsten van haar betooverend wezen aanwendt om hem te boeien. Ach, en 't is naluurlijk, dat haar dit gelukt, want zij is zoo schrander, zoo geestig en schoon, en ik ben zoo onbeduidend, zoo nietig nevens haar! Maar ik bemin hem zoo innig,quot; vervolgde zij zuchtend, „ik zou mijn leven voor hem geven, om hem gelukkig te maken, en ik heb altijd geloofd dat de ware, hemelsche liefde ook de goddelijke kracht in zich droeg om het hart te binden, waarin men zich heeft overgegeven. Maar

1) De eigen woorden van de keurvorstin. Zie : Orlich, II. Brief aan Ottovon Schwerin.

ocr page 230

222

hel is niet zoo, helaas! neen! Ik heb de kracht niet, zijn geliefd, dierbaar hart in trouwe liefde voor mij te behouden. Het ligt aan inij, ik weet het, aan mij, en niemand dan mij zeiven heb ik iets te verwijten. En toch doet het mij zoo'n leed, zoo'n bitter leed!quot;

In gedachten verdiept en zoo weemoedig gestemd sloeg zij geen acht op de buitenwereld, hoorde zij niet het rollen van een rijtuig, en zag niet eens dat haar opperhofmaarschalk, Otto von Schwerin, haar door de lange allée te gemoet kwam. Zijn eerbiedige groet wekte haar uit haar treurig gepeins.

„Ha, zijt gij daar, Schwerin,quot; zeide zij, hem vriendelijk de hand reikende. „Men zeide mij, dat gij met den tuinier naar den nieuwen aanleg waart gegaan, en ik wilde er ook heen gaan.quot;

„Uwe hoogheid is er echter voorbijgegaan zonder erop te letten,quot; antwoordde Otto von Schwerin, wiens zachte, schrandere oogen met weemoed op het bleek gelaat zijner meesteres rustten.

„Zoo?quot; vroeg zij verlegen. „Ben ik er voorbijgegaan? Ja, ik was een weinig in gedachten verdiept.quot;

„Ik hoop, dat deze gedachten niet van treurigen aard waren,quot; zei Schwerin met zachte, deelnemende stem.

„O neen,quot; riep zij, zich met geweld herstellende, „ik was volstrekt niet treurig of ontstemd. Er is: immers voor alles troost en balsem, en voor hen, die God beminnen moeten alle dingen medewerken ten goede. Neen, ik ben niet treurig, ik dacht slechts aan mijne boerderij en aan de vele veranderingen die ik hier nog moet laten aanbrengen. Kom, Schwerin, laat ons de karpervijvers eens gaan bezichtigen, en wijs mij dan het nieuwe rozenpriëel, dat de tuinier naar mijne teekening heeft aangelegd. Ik hoop dat hij ze nauwkeurig gevolgd heeft, want dat is voor mij zeer belangrijk. Ge moet weten, dat het origineel van dit priël, waarvan hot mijne een kopje moet zijn, in het park te 's Hage slaat, en ik er zat, toen ik den keurvorst na jaren voor het eerst weerzag Kom, Schwerin, laat ons naar het priëel gaan.quot;

Opgewekt, met vlugge schreden en in bevallige houding ging de keurvorstin aan de zijde van haar hofmaarschalk derwaarts. —

Zij had het rijtuig niet gezien, dat voor hel kleine kas-

ocr page 231

2'23

teel te Boelzovv stil hield. De keurvorst steeg uit, en toen hij van de lakeien vernam, dat de keurvorstin zich in den tuin bevond, begaf hij er zich dadelijk heen.

Niemand mag mij bij mevrouw de keurvorstin aandienen of haar doorluchtigheid berichten dat ik hier ben,quot; beval hij den lakeien. „Ik wil mevrouw de keurvorstin verrassen! Blijtt dus hier!quot;

Hij trad in den tuin en ging haastig door de groote allee. Maar de rentmeester Sturm had hem gezien en ijlde den keurvorst na.

„Doorluchtigheid,quot; zeide hij, „mevrouw de keurvorstin heeft mij gelast te zeggen, dat haar doorluchtigheid naar den nieuwen tuinaanleg is gegaan.quot;

„Alleen?''

„Neen, de heer opperhofmaarschalk zal er ook zijn.quot;

Goed! Blijf hier, ik zelf wil de keurvorstin opzoeken!quot;

Hij ging verder, sloeg een zijlaan in, die naar de nieuwen aanleg voerde, maar hij was weinig met den weg bekend en wist niet waarheen hij zich wenden moest.

„Nu, het is toch geen tooverluin, ten laatste zal ik toch wel terecht komen,quot; zeide hij.

Zoo ging hij voorwaarts, recht naar het kleine bosch van fijne boomgroepen en fraaie heesters. Eensklaps kwam 't hem voor, of hij in zijn nabijheid een zachte, zingende stem hoorde. De keurvorst bleef staan en luisterde.

Ja, hij bedroog zich niet, er werd met half gesmoorde, zachte stem gezongen. Het was de stem van de keurvorstin.

Hij baande zich voorzichtig een weg door bet bosch. Het geboomte werd wat minder dicht, en de keurvorst bevond zich bij den achterkant van een van ijzerdraad gevlochten prieel, in Chineeschen stijl. De rozeboompjes waren nog niet zoo hoog om er geen vrijen blik in toe te laten, en de keurvorst zag zijne gemalin in het prieel op een kleine, sierlijk van draadwerk gevlochten bank zitten. Zij had de handen op haar knieën gevouwen en zag met een zachten glimlach naar Otto von Schwerin, die met een boek in de hand voor haar stond.

Zij zong met zachte, gesmoorde stem eene plechtige melodie, Schwerin zag in zijn boek en knikte van tijd tot tijd goedkeurend.

De keurvorst sloop nader bij en stond weldra dicht achter het prieel.

ocr page 232

224

„Niet waar,quot; zei de keurvorstin, die nu opgehouden had met zingen, „deze melodie past hij den tekst?quot;

„Ja, zij past volkomen, doorluchtigheid, zij heeft iets roerends en plechtigs!quot;

„Zij is niet van mij,quot; zei Louise Honrietle, „ik mag mij uw lof niet toerekenen. Ik hoorde ze verleden te Kleef door bedevaartgangers zingen, die naar Kevelaar gingen en voorbij het kasteel kwamen. Ik werd getroffen door de plechtige, fraaie melodie, en terstond kwam de wensch in mij op, hij die schoone muziek ook schoone woorden te hebben. Daarom zong ik u de melodie voor en verzocht u, er een gedicht voor te maken.quot;

„Dat wil zeggen, doorluchtigheid, gij gaaft mij den inhoud van het gedicht op. Gij zeidet mij den geheelen ge-dachtenloop, weest mij nauwkeurig den inhoud van elk vers aan, en ik heb niets anders gedaan dan de schoone, edele en vrome woorden, welke gij mij in de Fransche taal hadt voorgezegd, in het Duitsch op rijm te brengen. Derhalve zijt gij mevrouw de keurvorstin, de eigenlijke dichteres van dit lied, evenals gij de eigenlijke componist der melodie zijt.quot;

„Neen,quot; riep de keurvorstin, ,gij doet mij al te veel eer aan, en ik mag ze niet aanneemen. Ik verzoek u, mij nog eens uw fraai lied voor te lezen.quot;

„Doorluchtigheid, het is uw lied! Welk opschrift, welken titel wil uw genade het geven?quot;

„Wij willen het naar do aanvangswoorden noemenquot;, zei de keurvorstin na kort nadenken. „Ik verzocht u met deze woorden te beginnen, daar ik ze voor eenige weken in een voor mij zeer gewichtig oogenblik gesproken had.

„Jezus mijn toeverlaat,quot; dat zijn de aanvangwoorden van het lied, en zoo zal het genoemd worden.quot;

De keurvorst was het prieel dicht genaderd, en zoo Louise Henriette zich slechts een weinig omgekeerd had, zou zij door het draadwerk het edel gelaat van haar gemaal hebben gezien, die met onuitsprekelijke liefde op haar neerzag. Maar zij zag slechts naar den vriend, die op baai-stond, en luisterde naar het lied, dat hij begon te lezen.

Otto von Schwerin 'las :

ocr page 233

225

Jezus is mij n toeverlaat En mijn Heiland in het leven; Zou ik dus niet, hoe 't my gaat, Willig me aan hem overgeven? Ook zijn hemelsch heerlijk beeld Wordt mij eenmaal toebedeeld.

Jezus, hij, mijn Heiland leeft; Ik zal 't leven ook aanschouwen, Zijn, waar mijn Verlosser leeft; Hierop steun ik met vertrouwen. Neen, geen vader mist zijn kind. Dat hem liefd'rijk is gezind.

Nauw vereenigd door den band,

Die mij aan hem heeft verbonden,

Houd ik hem met vaste hand In mijn laatste stervensstonden;

En geen macht van dood en graf Scheidt mij immer van hem af.

„Tot hiertoe is het gedicht nog maar gereed,quot; zei Otto von Schwerin. „Uw doorluchtigheid ziet echter wel, dat ik haar opgaven woordelijk gevolgd en werkelijk niets meer gedaan heb, dan haar lied iu het Duitsch vertaald en op rijm te hebben gebracht. De volgende verzen heb ik nog niet uitgewerkt; maar verder op hebben de woorden uwer genade zich van zelf tot een vers gevormd, en ik heb ze ter liefde van het rijm slechts een weinig omgezet. Uw doorluchtigheid hoore slechts;

Wat hier zucht en wat hier weent.

Zal hij daar beloonen, prijzen;

Als in d' aard rust myn gebeent'.

Zal mijn ziel ten hemel rijzen.

Hier vergaat mijn lijk tot stof.

Daar leef ik in 't Hemelhof.

„Dat is zeer fraai en er ligt een groote troost en verkwikking in deze woorden,quot; zei de keurvorstin. „Laat ons nu beproeven den tekst met de melodie te verbinden, en dan willen wij het bij de verzameling van liederen voegen, welke ik u verzocht heb voor mij samen te stellen. Ik denk wel, dat er nü genoeg liederen zijn, om er een fraai boekje van te maken. Dan moet ge ze voor mij laten drukken, Schwerin, en deze verzameling zal een gedenk-

MuhlTsach, Be groote Keurvorst en zijn tijd. IV. 15

ocr page 234

226

teeken zijn, dat misschien als de kinderlooze keurvorstin Louise Henriette niet meer is, een nalatenschap is, die mijn lieven keurvorst en heer in kwade en ernstige dagen aan mij zal herinneren, en mijn geliefden man troosten zal met dezelfde woorden, die mij hebben getroost. Laat dus drie exemplaren drukken, Schwerin, fraai en duurzaam op dik perkament. Een exemplaar voor mijn lieven heer, een voor mij zelve, en het derde voor u, mijn lieve vriend, ter herinnering aan mij, als ik er niet meer ben.quot;

„Ach, genadige keurvorstin,quot; zei Schwerin diep bewogen, „gij maakt mij gelukkig en treurig te gelijk. Gelukkig door het heerlijk geschenk, dat ge voor mij bestemt, en treurig omdat gij van uw dood spreekt. God verhoede, dat zulk een groote ramp over ons kome, dat . . .quot;

„Stil, mijn vriend,quot; zei de keurvorstin, „er zal gebeuren, wat God behaagt. Het is zoo als in mijn lied staat. Ik ben stof en moet eens tot stof wederkeeren. Wees niet ontevreden om mijn treurigheid, ik heb er geen reden voor. Het is wellicht slechts lichamelijke ongesteldheid, want ik moet erkennen, dat ik mij sedert eenigen tijd niet zeer wel bevind, ik lijd! Maar het zal wel overgaan, en alles zal weer goed worden. Laat ons nu eens, mijn lieve vriend, dit fraaie lied zingen en beproeven of het bij mijn melodie past. Ge kent den tekst wel van buiten, dus geef mij het geschrevene.quot;

Schwerin reikte haar het geschreven blad, en met luide, volle stem, door inwendige geestvervoering bezield, zong de keurvorstin haar fraaie melodie:

Jezus is mijn toeverlaat En mijn Heiland in het leven;

Zou ik dus niet, hoe 't mij gaat,

Willig me aan hem overgeven?

Ook zijn hemelsch heerlijk beeld Wordt mij eenmaal toebedeeld.

„Ook zijn hemelsch, heerlijk beeld, wordt mij eenmaal toebedeeld,quot; herhaalde luid een vroolijke stem achterhaar, en haar hart beefde van zalig geluk, want zij had de geliefde stem herkend. Zij zag ook zijn edele, hooge gestalte, ^daar de keurvorst het prieel binnentrad, met een

ocr page 235

227

van vreugde stralend gelaat op haar toekwam en de armen naar haar uitbreidde.

Zij richtte zich van haar zitplaats op en kwam naar hem toe; hij sloeg zijn arm vast om haar heen, en zij rustte vol eerbied en aandoening met haar hoofd aan zijn edel, trouw hart.

Schwerin had wel beproefd verder te zingen; hij wilde het wederzien en ontmoeten van beide echtgenooten niet storen; bij de heilige klanken van het vrome lied zouden hun zielen elkander begroeten, hun harten elkander omvangen. Maar het gemoed van den vriend was toch zwakker dan zijn wil; te midden van een begonnen regel brak de opperhofmaarschalk af en zag met een blijden glimlach het edel vorstenpaar.

Geen woord werd gesproken; wat hadden woorden kunnen zeggen in dit heilige oogenblik. De keurvorst hield zijn geliefde vrouw in zijn armen en zij leunde aan zijn borst met het zalig bewustzijn, dat het haar ware, onvervreemdbare woonplaats was.

IX.

DE VERGELDING.

Het was op den volgenden morgen. Den avond te voren was de keurvorst met zijn gemalin van Oranjenburg naar Berlijn teruggekeerd, maar prinses Ludowike had te vergeefs op een boodschap van hem gewacht.

De keurvorst had zich naar zijn vertrekken begeven, en liep in ernstig, treurig gepeins heen en weer.

„Er moet een einde aan komen,quot; zeide hij. „Louise lijdt en is bedroefd. Ten slotte acht zij het toch nog mogelijk, dat deze intrigeante, deze liefdelooze kokette mijn hart zal overwinnen. Waarom dit spel nog langer te rekken? Ik weet nu alles, ken de geheele geschiedenis van list, hebzucht en bedrog, en nog heden wil ik met beiden afrekenen. Ik zal de valschen en boozen ontmaskeren, en mijn gemalin voldoening schenken voor alles wat zij geleden heeft.''

ocr page 236

228

Een zacht kloppen aan de deur stoorde hem in zijne gedachten, en de kamerdienaar Kunkel kwam binnen. „Genadige doorluchtigheid,quot; zeide hij, „de secretaris van den Hoiiandschen gezant, den heer graaf van Brandtrap, verzoekt om audientie. Hij heeft uw doorluchtigheid depêches uit den Haag te overhandigen!quot;

„Ha, eindelijk!quot; riep de keurvorst verheugd Laat dien heer dadelijk binnenkomen.quot; Kunkel opende de deur en de keurvorst wenkte den heer van het Hollandsche gezantschap vriendelijk en levendig tot zich.

„Gij brengt mij depêches uit Holland?'' vroeg hij. „Een brief van prinses Amalia.quot;

„Om u te dienen, genadige heer! Ik heb de eer u dien bij dezen te overhandigen, maar tegelijkertijd verzoek ik verlof er nog een onderdanige boodschap, namens den heer graaf van Brandtrop, bij te mogen voegen.quot;

„Spreek, mijnheer, wat is er?quot; vroeg do keurvorst, terwijl hij den brief openbrak.

„De heer graaf heeft van mevrouw de prinses het bevel ontvangen uw doorluchtigheid te vragen, of hij de eer mag hebben op denzelfden dag, dat u deze brief der prinses ontvangt, de keurvorstelijke hoogheden een onderdanig bezoek te brengen, om uw doorluchtigheden nopens familieaangelegenheden eenige inlichtingen te geven. Daarom verzoekt de graaf of hij binnen een uur de hooge gunst mag genieten om zonder ceremonie ontvangen te worden. Ook heeft prinses Amalia gewenscht, dat bij deze ontvangst alleen de prinses Ludowike Holllandino van de Paltz tegenwoordig zou zijn.quot;

„Dat is een zeer zonderlinge en geheimzinnige boodschap,quot; zei de keurvorst glimlachend. „Ondertusschen is de wensch van mevrouw de prinses Amalia voor mij een bevel, en alles zal geschieden naar haar begeeren. Binnen een uur verwacht ik mijnheer den graaf en ik zal mevrouw de keurvorstin en de prinses er van verwittigen. Wij zullen den heer graaf in het kabinet van mevrouw de keurvorstin ontvangen, en hij mag zich dadelijk, zonder eenige ceremonie, door den kamerdienaar, die hem in de anti-chambre zal wachten, binnen laten voeren. Breng mijnheer den graaf dit antwoord en breng hem mijn groet!quot;

Het was een lange, belangrijke brief, dien de prinses

ocr page 237

229

Amalia den keurvorst had geschreven, de politiek nam er een gewichtige plaats in. Ditmaal stelde Friedrich Wilhelm in de familieberichten nog meer belang, en hij las dat gedeelte in den brief van de prinses meermalen over.

Hij las: „Wat nu prinses Ludowike Hollandine betreft, zoo had ik reeds, voor dat ik uw brief ontving, van zekere bron uit Parijs vernomen, dat deze vrouw zich bij de Mazarin had weten in te dringen om als politieke zendelinge op te treden. Men heeft mij ook gemeld, dat zij naar uw hof was gezonden, om door listen en verleidingskunsten u tot een verbond met Frankrijk en tot afval van den keizer van Duitschland en uw tegenwoordige politiek over te halen. Zij is een geslepen, behendige vrouw, zeer bedreven om iemand te verleiden, en ik nam derhalve, reeds vóór ik uwbrief ontving, mijne maatregelen, om haar bij u te ontmaskeren, en mijn lieve Louise voor altijd rust te verschaiïen. Ik kan mij voorstellen, dat zij bij u de geschiedenis barer jeugdige liefde weder heeft opgehaald, en zich wil aanstellen, of zij altijd slechts van dit zuiver en onschuldig liefdevuur geteerd heeft. Maar ik wilde haar ontmaskeren, opdat zij uw huis ontvluchtte, even als de duivel voor het heilige kruis vlucht. Ik ontwierp een plan, en heb het gelukkig ten einde gebracht. Ik zeg u niets meer, want ge mocht eens uit overgroote teergevoeligheid voor uw oude geliefde mijn plan niet goedkeuren. Want mannen, zij mogen zoo edel, goed en trouw zijn, als gij het in waarheid voor mijn Louise zijt, mannen zijn toch altijd een weinig gehecht aan hun vorige minnaressen en denken er somwijlen nog met stil genoegen aan. Maar ik ben een vrouw, en vrouwen zijn wraakzuchtig tegen valsche, kokette vrouwspersonen, te meer als het een geliefde, deugdzame dochter betreft, wier geluk zou verstoord worden. Ik wil mijn Louise aan Ludowike Hollandine wreken. Vrees niet, mijn zoon, het zal geen bloedige wraak zijn; op zijn hoogst zal Ludowike Hollandine hierbij het bloed naar de wangen stijgen, zoo zij nog voor schaamte vatbaar is, wat ik helaas, betwijfel. Vraag nu niet verder, maar ontvang eenvoudig het bezoek van mijn gezant, en vergun hem u degenen voor te stellen, welke hij tot u voert. Ik verzoek u echter, dit zoo spoedig mogelijk na de ontvangst van mijn briefte doen, want Ludowike heef t overal spion-

ocr page 238

230

nen zelfs in liet huis van mijn gezant te Berlijn, en zoo zij iets van deze zaak verneemt, voor dat zij ten einde is gebracht, zal zij de ontknooping niet afwachten, maar zich dadelijk verwijderen. Wees dus geheimhoudend, ook tegenover Louise, en aarzel fiiet, aan mijn gezant de verzochte audientie zonder ceremonie en getuigen in te willigen.quot;

„Ik begrijp niet, wat dit te beduiden heeft,quot; zei de keurvorst lachend, toen hij den brief van prinses Amalia reeds driemaal had gelezen. „Ondertusschen wil ik op haar oordeel en schranderheid vertrouwen; de zaken zullen haar loop hebben. Ik zal terstond Kunkel tot prinses Lu-dowike zenden, en haar verzoeken met ons in Louise's kamer te dejeuneeren, en zich binnen een halfuur daarheen te begeven, daar ik haar gewichtige zaken heb mede te deelen. Zij zal stellig komen, want zij zal meenen dat eindelijk haar schandelijk en eerloos plan tot uitvoering zal komen, en ik in haar duivelsch net ben gevangen. Ja, thans zal het uur der afrekening komen en ook met Burgs-dorf zal ik heden afhandelen. Hij zal heden voor het laatst in mijn kabinet komen, om mij verslag te doen.quot;

Een uur later trad prinses HoMandine het kabinet binnen, waarin zich de keurvorstin aan de zijde van haar gemaal bevond. Zij kwam met een glanzend gelaat, schitterende oogen en een zegevierenden lach zweefde om haar lippen. Zij twijfelde er volstrekt niet aan of de keurvorst wilde haar een triumf bereiden op haar mededingster.

De keurvorstin vermoedde er niets van; haar gemaal had, ingevolge den wensch van prinses Amalia, haar niets van het plan barer moeder medegedeeld, en haar slechts gezegd, dat graaf Brandtrop zou komen, om aan hen beide en aan de prinses belangrijke familieaangelegenheden mede te deelen.

Louise Henriette kwam daarom de prinses geheel argeloos tegemoet, en groette haar met een vriendelijken glimlach. Friedrich Wilhelm echter zag haar met sombere, toornige blikken aan, en beantwoordde haar vriendelijke begroeting niet.

„Zeg mij, Ludowike,quot; vroeg de keurvorstin, „zijtgeook niet nieuwsgierig naar de berichten, welke graaf Brandtrop ons wil mededeelen?quot;

ocr page 239

231

„Welke berichten?quot; riep de prinses. „Ik weet er volstrekt niets van. Komt graaf Brandtrop hier?quot;

„Ja,quot; antwoordde de keurvorst, „de gezant van mevrouw mijne schoonmoeder zal aanstonds hier verschijnen. Hij heeft ons namens mevrouw de stadhoudersweduwe gewichtige familieberichten mede te deelen, en mevrouw de prinses Amalia heeft uitdrukkelijk begeerd, dat uwe hoogheid bij deze audientie tegenwoordig moest zijn.quot;

„Zonderling,quot; mompelde de prinses. „Mevrouw uwe moeder, Louise, was mij anders nooit bijzonder genegen, en 't verwondert mij dus, dat zij zoo eensklaps aan mij denkt.quot;

„Verwonderdt u dat werkelijk ?quot; vroeg de keurvorst. „Hebt gij niet, na vele jaren rondzwervens in de wereld, aan ons gedacht, en ons genegenheid betoond, en wel zoo, dat ge ons wildet doen gelooven, dat het u in ons oud armoedig kasteel zeer bevalt, en gij behagen vindt in het eentoonige en deugdzame leven, dat wij hier leiden en dat toch zeker niet naar uw smaak is.quot;

De prinses was bleek geworden, de glimlach was van haar lippen geweken, zij was op 't punt een scherp en heftig antwoord te geven, toen de deur geopend werd, en de kamerjonker von Maltzan mijnheer den graaf van Brandtrop aandiende.

,Laat hem binnenkomen,quot; zei de keurvorst, „en zorg, Maltzan, dat, zoolang mijnheer de graaf er is, niemand hier komt.quot;

„Maar, keurvorstelijke doorluchtigheid, mijnheer de graaf komt niet alleen. Hij brengt een heel gezelschap mede. Moet ik dat ook binnenlaten?quot;

„Hierover zal mijnheer de graaf zelf moeten beslissen,quot; antwoordde de keurvorst. „Laat hem binnenkomen.''

„Ik ben inderdaad nieuwsgierig, wat dit alles moet beteekenen,quot; mompelde Ludowike, terwijl zij zich op een fauteuil naast de kanapé der keurvorstin nederzette.

De deur werd geopend en de Hollandsche gezant trad binnen. Met langzame, plechtige schreden naderde hij de keurvorstin en boog eerbiedig voor haar, vervolgens wendde hij zich tot den keurvorst en begroette hem met een even diepe buiging, maar voor de prinses Ludowike Hollandine had hij geen blik, geen groet.

„Weet ge, heer graaf,quot; zei de keurvorst, „dat wii zeer nieuwsgierig zijn naar de familieberichten, wier overbren-

ocr page 240

232

ger gij zijt? Stel ons voor alles gerust, en zeg ons of zij ook van treurigen aard zijn.quot;

„Volstrekt niet van treurigen aard, keurvorstelijke hoogheden,quot; antwoordde de gezant met plechtige kalmte. „ Het betreft slechts een daad van gerechtigheid, een welverdiende straf, naar de woorden der heilige schrift die zeggen: Zoo u een oog ergert, ruk het uit; zoo u een lid ergert, werp het van u!quot;

„En aan wien zullen deze woorden der heilige schrift bewaarheid worden?quot; vroeg de keurvorst.

„Aan een lid van het huis van Oranje, doorluchtigheid, dat veel verdriet en zorg in deze doorluchtige familie heeft gebracht en nog verder brengen zou, zoo men het niet als een dorren tak van den krachtig opschietenden boom verwijderde. Ik sta hier in naarn van prinses Ama-lia, de stadhouders weduwe en regentes van Nederland, op haar bevel en op haar last heb ik thans het volgende voor te lezen.quot;

Hij haalde een papier uit zijn borstzak, ontvouwde het en las; „Wij, prinses Amalia van Oranje, Regentes der Staten van Holland, hoofd van het huis van Oranje en als zoodanig geroepen om de deugd en goede zeden te vertegenwoordigen, en te zorgen dat de godsdienst van ons huis met opofferende trouw en zuiver geloof gehandhaafd en niet vervalscht worde, wij berichten u zonen en dochters, neven en verwanten van ons huis, het volgende: Wij maken ons los, voor immer en altijd, van de prinses Ludowike Hollandine van de Palz, wij ...quot;

De prinses sprong met een woesten toornigen kreet op. „Zet u,quot; riep de keurvorst, „in naam van mevrouw de stadhoudersweduwe gebied ik u weder te gaan zitten en te luisteren!quot;..

Zij zenk vernietigd terug in haar fauteuil, en slechts een enkele toornige blik trof het gelaat van den keurvorst.

Met onverzettelijke kalmte las graaf Brandtrop verder: „Wij verbieden haar zich als een lid van ons huis te beschouwen, en trekken voor altijd onze hand van haar af. Zij heeft den godsdienst van haar huis verlaten en afgezworen, zij heeft heimelijk het huis barer moeder verlaten, zij heeft haar tweede vaderland, haar familie, baar godsdienst verlaten en opgegeven. Dus zal zij nu ook

ocr page 241

233

verlaten en opgegeven worden van haar vaderland, haar familie en. . .

„Houd op, ach, houd op!quot; riep de keurvorstin met tranen in de oogen. „Wees niet wreed, lees niet verder!quot;

„Integendeel, mevrouw de keurvorstin,quot; zei Ludowike, „laat hem lezen, en wees zoo goed verder geene comedie te spelen; want gij zijt het geweest, die dit dramatisch tooneel in 't leven hebt geroepen en mevrouw uwe moeder tot deze daad van christelijke vroomheid gebracht hebt.quot;

„ik?quot; vroeg de keurvorstin smartelijk. „Gij meent dat ik..quot;

„Mevrouw de keurvorstin,quot; viel Friedrich Wilhelm haar in de rede, „wees zoo goed en luister naar't geen de heer-graaf nog verder te lezen heeft!quot;

Graaf Brandtrop ging bedaard met het lezen van de aangevangen zinsnede voort: — „en moet van nu af door ons allen als een vreemde beschouwd en aangezien worden. Wij verbieden haar de grenzen van de staten van Holland ooit weer te overschrijden; zij is levenslang uit deze staten gebannen, niets wat de prinses Ludowike Hollandine toebehoort ot van haar afkomstig is zal binnen de grenzen van ons land blijven. Derhalve zenden wij haar. .

„Houd op,'' riep de prinses opstaande, „houd op, lees niet verder!quot;

Maar graaf Brandtrop las voort met verheffing van stem: — „derhalve zenden wij haar datgene, wat zij hier in Holland no^ bezit, en wat zij tijdens haar verblijf in Frankrijk hier gedeponeerd heeft, over de grenzen van ons land na, en laten het aan de teedere prinses over, er voor te zorgen. Wij gebieden onzen gezant te Berlijn, graaf Brandtrop, in tegenwoordigheid van den heer keurvorst en mevrouw de keurvorstin, deze schatten aan prinses Ludowike van de Paltz over te geven.quot;

„Maar ik verbied u,quot; riep de prinses met van toorn vlammende oogen, „ik verbied u dezen hoon, deze boosaardigheid nog verder te drijven.quot;

„Mevrouw,quot; zei de graaf koel, „niemand heeft mij iets te verbieden of te gebieden dan mevrouw de stadhoudersweduwe. Wat deze mij geboden heeft, doe ik!quot;

Dit zeggende, trad hij naar de deur en opende ze. „Komt binnen, heeren en dames, ik verzoek u, komt binnen.quot;

Er verschenen in de deur twee allerliefste meisjes van

ocr page 242

234

twee en drie jaar, bekoorlijk om te zien, met aardige blonde krulkopjes en donkere, vriendelijke oogen.

„Mesdemoiselles Virginie en Lucio de Villars,quot; zei de graaf, ,,gaat naar mevrouw uwe moeder, prinses Ludowike, en groet haar.quot;

De kinderen traden schuchter vooruit. Nu verschenen in de deur twee andere meisjes, slechts weinige jaren ouder.

„Mesdemoiselles Laura en Aimée de Brantome,quot; ging de graaf voort,quot; gaat tot mevrouw uwe moeder, prinses Ludowike, en groet haar.quot;

Terwijl zij voorwaarts traden, kwamen twee levendige knaapjes van zeven en acht jaar in de deur.

„Mijnheer de Vicomte de Turenne en mijnheer de Champion,quot; zei de graaf, „gaat tot mevrouw uwe moeder en kust haar de hand.quot;

Zij hadden nog geen schrede voorwaarts gedaan, toen twee grootere knapen op den drempel verschenen.

„Mijn jonge Vicomtes d'Entrages,quot; zei de graaf zeer ernstig. . .

De keurvorst brak dit tooneel af met een luid, hartelijk gelach, dat de prinses met een kreet van woede beantwoordde. Zij stiet de beide kleine meisjes, die juist haar hand wilden vatten, zoo heftig terug, dat zij achteruit op den grond vielen, weerde met heftige gebaren de overige kinderen, die haar naderden, af, ging met haastigen maar toch fleren tred door de kamer, rukte de deur open en verdween. 1)

„Haar is recht wedervaren,quot; zei de keurvorst voor zich. „Kwaad wilde zij zaaien, kwaad is voor haar opgegroeid!quot;

De keurvorstin had het nauwlijks gezien, dat de prinses zich verwijderd had. Zij was opgestaan en naar de kleine meisjes geijld, welke door haar moeder op den grond waren geworpen; zij had de lieve kinderen opgeholpen, en naast haar knielende, had zij de kleine schreiende meisjes tot zich getrokken en poogde ze met vriendelijke, zachtte woorden te stillen.

Graaf Brandtrop naderde haar. „Als uw doorluchtigheid

1

Prinses Ludowike Hollandine was, zonder gehuwd te zijn, moeder van veertien kinderen, en, zooals de hertogin van Orleans in een harer brieven aan de Kaugravin verhaalt, beroemde zich de prinses sans gêne op deze rijke nakomelingschap.

ocr page 243

235

het vergunt,quot; zeide hij, „zal ik de kinderen weer met mij nemen.quot;

„En waar wilt ge ze brengen, graaf?quot; vroeg de keurvorstin, de kinderen teeder tegen zich drukkende.

„Zij gaan met hun gouvernantes en onderwijzers naaide Paltz, waar mevrouw hun grootmoeder, de keurvorstin van de Palz, verder voor hen zorgen zal.--quot;

Een uur later rolde een koets met vier paarden bespannen, uit de kasteelpoort. De raampjes waren gesloten, de gordijnen nedergelaten. In de koets zat prinses Ludowike Hollandine. JBleek van toorn, met tranen van woede in haar oogen, reed zij weg. Zij had van niemand afscheid genomen; niemand had haar een vriendelijk vaarwel toegeroepen, toen zij in het rijtuig steeg. Slechts eenige lakeien hadden naast het portier gestaan en waren haalbij het instijgen behulpzaam geweest. Eenzaam reed de prinses weg, en nooit keerde zij tot haar familie terug. Koningin Anna van Oostenrijk en de Mazarin beloonden haar ijver voor Frankrijks politiek door haar te benoemen tot abdis van Meaubuisson, waar zij haar treurig leven nog langen tijd voortzette.

Nauwelijks had de prinses het slot verlaten, toen de opperkamerheer en geheimraad Konraad von Burgsdorf met zijn portefeuille onder den arm het keurvorstelijk kabinet binnentrad.

Hij kwam als gewoonlijk met een eerlijk gezicht, met het trotsch vertrouwen van een gunsteling, die zijn macht en aanzien kent.

De keurvorst zat aan zijn schrijftafel en zijn blik richtte zich somber en treurig op den binnenkomende.

„Wat wilt ge?quot; vroeg hij met gramstorige stem.

Burgsdorf ontstelde en zag getroffen op. „Doorluchtigheid ik kom, als gewoonlijk, voor de vergadering van den geheimraad.quot;

„Ge komt te vergeefs,quot; zei de keurvorst opstaande. „Ge zult aan geen vergadering van den geheimraad meerdeel nemen.quot;

„Waarom niet, doorluchtigheid?quot; vroeg Burgsdorf, die zijn stoutmoedigheid trachtte te behouden.

De keurvorst trad dreigend naar hem toe. „Waarom niet?quot; vroeg hij met vlammenden, toornigen blik. „Hebt ge nog den moed te vragen, waarom ik u ontsla?

ocr page 244

'236

Welnu, ik zal 'tu zeggen. Omdat er in dit slot een Dioni-sius'oor is, en als de balken kraken en het stof door de planken van het plafond neerkomt, moet men weten, dat het geen ratten zijn, die dit doen.quot;

„Doorluchtigheid, ach, mijn genadige, lieve keurvorst,quot; riep Burgsdorf en de portefeuille ontviel zijn handen, en zijn knieën knikten onder hem, zoodat hij op den grond nederzonk. „Heb ontferming, heb verschooning, ik bid u!quot;

„Gij bidt te vergeefs,quot; zei de keurvorst ernstig en bijna treurig. „Alles is uit tusschen ons! Ik had besloten u harder te straffen, u in de verzamelde raadsvergadering als een verrader, als een betaalden spion van een vreemde mogendheid aan te klagen, maar ik dacht aan de vele jaren, die voorbij zijn, aan de lielde welke mijn vader en ook wij zeiven voor u hebben gevoed, ik dacht ook aan uw grijze haren en uw ouderdom, en ik heb u in mijn hart het verdriet vergeven, dat gij mij bereid hebt!quot;

„Gij hebt mij vergeven, doorluchtigheid,quot; riep Burgsdorf verheugd, „gij wilt weer genadig en goed voor mij zijn?quot;

„Ja, genadig en goed, want in plaats van u aan te klagen, wil ik u zonder opzien in stilte ontslaan. Gij moet binnen een uur Berlijn verlaten en u naar uwe goederen begeven, van daar zult ge mij het verzoek zenden, om u van al uw ambten te ontslaan.quot;

„Heer, gij verbant mij, gij verstoot mij van uw aangezicht!quot; jammerde Burgsdorf. „Is het u ernst, zult ge u niet laten vermurwen!quot;

„Neen,quot; zei de keurvorst, ik zal mij niet laten vermurwen. Gij zelf hebt mijne liefde verbeurd en zijt oorzaak, dat ik u moet verstooten. Ga en leef gelukkig, zoo ge kunt. Ik zal geen onderzoek tegen u instellen, want ik zal de goede diensten indachtig zijn, welke ge vroeger aan mijn huis bewezen hebt. Ook zullen u de papieren, die u konden compromitteeren, uit het archief overhandigd worden en ik zal over uw verraad en slechte daden zwijgen. Ik weet wel, dat ge dit ten uwen gunste zult uitleggen en zeggen, dat ik u uit ongenade ontslagen heb, omdat ge onlangs op den landdag tegen mij gesproken en u verzet hebt tegen de accijnsen, welke ik denk in te

1) Historisch. Zie Droysen III, 3, 69.

ocr page 245

'237

voeren. Ik gun u deze satisfactie, om al de goede uren, welke ik met u heb doorgebracht. Maar houd uw booze tong in toom, en waag het nooit tegen mevrouw de keurvorstin te spreken, want dan zoudt ge mij als een onverbiddelijk en gestreng heer leeren kennen. Ga, denk er aan, dat ge binnen een uur Berlijn verlaten moet hebben.quot;

„Heer, mijn geliefde keurvorst, veroorloof mij ten minste uw hand te kussen. Gij hebt mij dikwijls uw vader genoemd, en —quot;

„Stilquot; viel de keurvorst hem gebiedend in de rede, „spreek niet van dingen die dood en begraven zijn. Zwijg en begeef u stil en zonder een woord te zeggen van hier. Mijnheer Konrad von Burgsdorf, ge zijt ontslagen.quot;

Burgsdorf jammerde luid, liet het hoofd op de borst zinken en waggelde naar buiten

De keurvorst zag hem met treurigen blik, bewegingloos en stil na. Toen streek hij langzaam de hand over zijn oogen. „Ik heb hem bemind,quot; zeide hij, „het doet mij zeer, een vriend op wie men zoo vast gebouwd heeft te moeten verliezen, vóór nog de dood hem heeft weggenomen. Ach, het leven maakt ons eiken dag armer aan vreugd en hoop, de idealen onzer jeugd gaan niet met ons tot aan het graf. Laat, o God mij één ideaal vasthouden tot het einde. Dit ééne ideaal is, dat ik mijn land, 't welk gij mij hebt toevertrouwd, uit zijn vernedering en armoede opricht, het sterk en groot maak, dat ik mijn volk gelukkig, zelfstandig en vrij zie, opdat het een plaats inneemt in de rij der beschaafde volken. Geef mij daartoe uw zegen, o Heer en God! en help mij, opdat uit het kleine keurvorstendom Brandenburg eens een machtig en eenig land verrijzen mag, Amen.quot;

1) Konrad van Burgsdorf stierf reeds in het volgende jaar (1653) op zijn landgoed Gnsow; sedert zijn val was hij een woedend tegenstander van den keurvorst geworden, „maar deze,quot; gelijk Droysen zegt, „nam geen notitie van de praatjes en dekwaadsprekendheid, waarmede de ondankbare hem beloonde. Zijn dood maakte aan verdere ergerlijkheden een einde.quot; Droysen III. 3.69.

ocr page 246
ocr page 247

INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL.

EERSTE BOEK. DE KEURVORSTIN EN DE GUNSTELING.

Bladz.

I. De terugkomst van Praag.......3

II. De bekentenis..........16

III. De bouw van het kasteel.......27

IV. De eerste bloemkool........36

V. De dame uit den vreemde.......50

VI. Het geraamte..........60

VII. De keurvorst en de burgemeester.....75

VIII. De verzoeker..........83

IX. Het wederzien.............89

X. De beschuldiging . ........97

TWEEDE BOEK.

DE KEURVORSTIN EN DE GUNSTELING.

I. Politiek en intrigue.........113

11. Het bezoek ...........126

III. De terechtstelling.........145

IV. Een audientiedag.........167

V. Predikant en kleermaker.......179

VI. Muziek en kunst.........197

VII. Jezus mijn toeverlaat........211

VUL De vergelding..........227

ocr page 248
ocr page 249
ocr page 250
ocr page 251
ocr page 252

ir- . r- t

f :

f : •••

^ 4

•v -r -lt; s- ^ J*%lt;r

quot;-lt;fc. \ V :rf 1 ^

x'Jto ,i N k ï V. ■ .

P t '-^^S ^ ^x-^v [f , V lt;■ r «quot;v.'^.r.-quot; ' i4gt; ^ ,A

:-A vquot;. - AV --^

' I/Lf % r ^ Pquot; V.- gt; ' ■ 'quot;{

\mCi -' '' ^ T ^ ♦* •■* .-r 'v

K ^ - - V. ^ 4

#. / V- ^ ^ • V

i».i *.■ •■ -*amp; t , .

*,-v

■ -;|r;if

■ ■;■ ■ , . ' rquot; * • ■i-, ' ■ ' -

iflt ^ ;'.. r. /r

||1- quot; ^ - ? i ^S' amp;

ï^;- .vfVgt;:

*gt;lt; •*- t -V rV '/- quot; / ..; ». ' '; V,'

■« quot; gt;' . H-v-f■ •• gt;v

H. . , % *quot;♦ 4 /' ' -'t, i- w w i.

' 4 i ~tV - Sjr quot; I* ' '

™ %■ ^ ^ ^ ^ i ' * ' - r i ::

■ ■ \ ■•*? ^ * •! ^ • i' !

V .gt;' . . V.'^ •■ gt; ,-

r quot;Vjï ' ^-v-! J. 'V-. V ,

V ; 'S .' . A' N • X !

p U'

|M ^ f

B -2^/^ /-

ül^; ty^i-

n ^ i L^#- a' feiP ■ ^ i

ll f N ^ ^ T ^ quot;

W i ' ' •

'

-A. l:quot;'gt;. ^ ƒ

y.\ ^

■ *lt;3L

^ 7£

,/'***• i ■ t *? . 1 ^ i ..%.

■ .^r^.

/ - quot; quot;■ r v ,gt;*. -

X. ■ V w h \ \ quot;

■•* ^4 S ^ ^ li- ■ '

i quot; / ' ^ ry ^ 'f ö

VA

■ ■lt;f quot;,-,v- c ' ^

A' t ^ v er -

m tquot; , •- - ^