ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

■ '

L r v Vquot;J-k' ,. ■

■

■ ■ 1

:.... ;;;

■quot;'■v ■ i' ■' ■ .• . ,. ,• :■ quot;i .•; '

m

-

fii

1 'V

- ;-M - ■•-• ■»

_

ocr page 4
ocr page 5

/lt;?a

DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN TIJD.

GESCHIEDKUNDIGE ROMAN

dook

L. M T T H J . B .V C M.

Bewerkt poor M. K.

DE GROOTE KEURVORST EN ZJJNE KINDEREN.

BIBUOT^CA EERSTE DEEL. | CONV. WlJCHENS 1

OHO. FHt «IM

1 i.

deede veel verbeterde druk.

Nijmegen amp; Arnhem, Gebr. E. amp; M. COHEN.

ocr page 6
ocr page 7

/

EERSTE BOEK.

HET TWEEDE HUWELIJK.

ocr page 8

_

-

ocr page 9

EERSTE BOEKl. HET TWEEDE HUWELIJK.

I.

EEN BLAD UIT DE GESGMTEDENIS.

„Waarom kijkt ge zoo treurig, mijn FriedrichT vroeg de keurvorstin Louise Henriette, terwijl zij zich glimlachend een weinig in haar bed ophief, en naar haar gemaal zag, die in kussens naast haar in een grooten leunstoel rustte.

„Omdat ik u zie lijden Louise,quot; antwoordde de keurvorst. „Ge hebt pijn, niet waar?quot;

„Neen,quot; zeide zij zacht, „ik heb volstrekt geen pijn, veeleer gevoel ik, dat het wat beter met mij gaat en ik spoedig van mijn ongesteldheid zal genezen. Verontrust u niet over mij, want ik verzeker u, dat ik dagelijks betelen sterker word. Het is of er vleugels aan mijn lichaam groeien, zoo licht en sterk gevoel ik mij* zoo opgewekt ben ik, en ik begrijp niet waarom de dokter mij niet toestaat op te staan en mij bezig te houden, waarom hij mij aan dit vervelende bed kluistert, nu mij toch niets meer deert. Zie mij aan, Friedrich, gij zult moeten erkennen, dat ik er veel beter en gezonder uit zie. Ik heb zoo straks, toen men uw bezoek aankondigde, mij een spiegel laten geven, om te zien of ik er nog zoo slecht uitzag, dat mijn gemaal voor mij schrikken moest; maar ik heb bevonden, dat het vrij wel gaat en mijn wangen zelfs rood zijn, dat toch stellig een bewijs van gezondheid is! Zie maar, Friedrich, en zeg mij dan of 't niet zoo is?quot;

De keurvorst vestigde zijn oogen met een ernstigen onderzoekenden blik op het gelaat van zijne gemalin, die

ocr page 10

4

hem liefderijk toeknikte. Hij zag de met wonderbaren glans schitterende oogen, de ingevallen doorschijnende wangen en den pui-peren blos, gelijk het morgenrood! Hij wist, dat deze nieuwe dag voor Louise Henriette spoedig, zeer spoedig zou aanbreken, maar een bittere nacht van smart en dood nog zou voorafgaan, en een onuitsprekelijk wee gevoel greep zijn ziel aan. Hij wendde schielijk zijn oogen weder af, om Louise de tranen niet te laten zien, die er tegen zijn wil in opkwamen, maar 't was hem ondoenlijk een zucht te onderdrukken of een vroolijke opgewekte houding aan te nemen.

„Nu?quot; vroeg Louise Henriette. „Ge antwoord mij niet ? Vindt ge mij nog lijdend ?quot;

„Neen,quot; antwoordde hij met doffe stem, „ik vind u beter, veel beter. Maar ik lijd, ik heb vreeselijke pijn. De jicht is een erge vijand en veroorzaakt mij meer kwelling dan mijn andere vijanden ooit gedaan hebben.quot;

„Maar mijn keurvorst en mijn heer zal ze overwinnen, gelijk hij al zijn andere vijanden overwonnen heeft,quot; zei de keurvorstin levendig. „De hemel zij dank, de jicht is geen gevaarlijke kwaal, men zegt wel eens dat hij, die er mee bezocht wordt, lang zal leven,, doordat al de ziektestof in 't lichaam door de jicht wordt weggenomen.quot;

„Is de jicht dan geen ziekte?' vi'oeg de keurvorst glimlachend, „alsof men 't leven niet zou willen geven wanneer zij iemand door de leden vaart.quot;

„Neen,quot; zei de keurvorstin, zacht het hoofd schuddende „mijn heer en mijn held zal nooit het leven opgeven en geen lichaams-'of zielesmart is in staat, zijn moedige ziel ter neer te drukken. Dit weet ik, en dit verheugt mij !quot;

„Het is toch hard hier zoo ledig en zoo werkeloos in een leunstoel te liggen, terwijl mij zooveel arbeid wacht,quot; zuchtte de keurvorst. „Ik ben nog te jong om vacantie te nemen. Op zeven-en-veertig jarigen leeftijd heeft men nog het recht niet zijn handen in den schoot te leggen en zijn dagwerk voor volbracht te houden. Ik houd het er wel niet voor, daar ik weet, dat ik nog veel te werken en te volbrengen heb, en toch kluistert de jicht mij aan dezen afschuwelijken rolstoel. Terwijl uit alle wereldstreken rook opstijgt, die een losbrekende oorlogsvlam aankondigt, moet de keurvorst van Brandenburg zijn zwaard in descheede houden omdat de jicht hem in haar klauwen houdt.quot;

ocr page 11

5

„Terwijl buiten de zon schijnt en de vogels zingen,quot; riep de keurvorstin met een verlangenden blik naar het open venster, „terwijl in mijn tuin op Oranienburg de bloemen vroolijk bloeien en op de weide mijn fraaie bruine koeien het geurige gras eten, moet de arme Louise Henriette hier te bed liggen, mag zich niet in Gods fraaie natuur verheugen, maar moet hier als een ballinge, de uren tellen, tot het gelukkige oogenblik aanbreekt, waarin haar dierbare gemaal en haar lieve kinderen bij haar mogen vertoeven. Ja, dan schijnt ook voor haar de zon, dan bloeien voor haar de bloemen, dan lacht de wereld haar weer toe. Want gij, mijn Friedrich, zijt mijn zon en mijn wereld, en mijn geliefde kinderen zijn de bloemen, die in mijn hart bloeien en eens nog boven mijn graf zullen prijken. Het zijn nu nog knopjes, fraaie, veelbelovende knopjes, maar zij zullen ontluiken als heerlijke bloemen, waarvan hun vader en de geheele wereld vreugde zullen genieten!quot;

„Gij, niét Louise?quot; vroeg de keurvorst beklemd.

„Ja zeker, ook ik, zeide zij glimlachend. „Waar ik ook ben zal ik vreugde hebben van mijn geliefde kinderen, want het moederhart is onsterfelijk en alomtegenwoordig Het stijgt als een zonnestraal uit het graf op, zweeft als Gods zegen boven de hoofden der geliefden en zal ze steeds behoeden en beschermen. O, mijn kinderen, hoeveel vreugd, hoeveel geluk dank ik u, en hoe bemin ik u, Friedrich, als de vader van die kinderen. O, hoe rijk heeft de goede God mijn leven gezegend, en hoe dankbaar gevoel ik mij jegens hem, als ik denk aan de heerlijke twintig jaren, die ik aan uw zijde in geluk en liefde doorleefd heb!quot;

„Ja,quot; zei de keurvorst nadenkend, „het waren schbone heerlijke jaren het waren jaren van arbeid en strijd!quot;

„Maar ook jaren van overwinning, van voorspoed,quot; riep Louise levendig. „Ik denk er nog dikwijls aan, en in de weken mijner ziekte heb ik er veel over gedacht; die herinneringen zijn mij een lief gezelschap geweest en hebben mij heerlijke beelden uit het verleden voor den geest gebracht. Als men zich treurig en bedrukt gevoelt, moet men zijn gedachten tot het verledene wenden en dan het geluk terug roepen, dat men genoten heeft, om met Job te zeggen: „zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet? De naam des Heeren zij geloofd.quot; Zoo moet ook gy, mijn Friedrich, in droevige uren, waar in de booze

ocr page 12

6

geest u plaagt, met vroolijken zin op uw trotsch en schitterend verleden zien, en die herinneringen aan uw rolstoel noodigen opdat zij als een goed gezelschap u opvroolijken en verstrooien. Noodig ze slechts met een kleinen wenk en ge zult zien hoe vlug zij bereid zijn u fraaie geschiedenissen te verhalen.quot;

„'t Is waar,quot; zei de keurvorst zacht, het hoofd buigende, „wij hebben veel beleefd en zeer vele stormen en gevaren hebben we samen overwonnen, mijn trouwe, veelgeliefde vrouw, mijn moedige keurvorstin, die in goede en kwade dagen mij steeds trouw waart. De geschiedschrijvers zullen wel wat van ons te vertellen hebben en Marlijn Schokius, dien ik gelast heb een geschiedenis van de mark Brandenburg te schrijven, zal over de geschiedenis dei-laatste twintig jaren menig blad papier kunnen vullen.'' „Denk eens dat ik Martijn Schokius ben,quot; zei de keurvorstin levendig, ,,en juist tot u ben gekomen, orn van u een leiddraad en inleiding te bekomen tot de beschrijving quot; der regeering van den keurvorst Friedrich Wilhelm van Brandenburg. Genadige heer keurvorst, zeg ik, Martijn Schokius, tot u, mag ik u verzoeken mij een weinig den weg te wijzen, dien ik te bewandelen heb. Hubner heelt wel van de eerste twaalf regeeringsjaren uwer doorluchtigheid een historisch verhaal geschreven, dat loopt tot het jaar zestienhonderd drie-en-vijftig, maar van dat jaar af vermeldt hij niets.quot;

„Het is echter zeer eenvoudig, Martijn Schokius,quot; antwoordde de keurvorst glimlachend. In dat jaar ontsloeg ik Hubner uit mijn dienst, omdat hij een vrijdenker en godloochenaar was, die beweerde, dat het niet noodig was ter kerk te gaan, omdat hij niet geloofde, dat hij daar iets kon leeren. Ik liet hem vermanen, beval hem eindelijk dat hij den zondag moest heiligen en geregeld de kerk moest bezoeken, maar hij was een onverbeterlijke vrijgeest, daarom ontsloeg ik hem in 'tjaar zestienhonderd drie-en-vijftig uit mijn dienst. Niemand toch kan een goed en waardig geschiedschrijver zijn, die niet tegelijkertijd een vroom en godvreezend mensch is en in de gebeurtenissen der wereld de goddelijke recht: vaardigheid en Gods bestuur ziet en erkent. — Het was wel jammer,quot; ging de keurvorst na een pauze peinzend voort, „dat Hubner juist in dien tijd werd ontslagen, toen

ocr page 13

7

zich de zaken hier in de Mark en in Pruisen begonnen le ontwikkelen, en ik eindelijk kon beginnen aan den bouw van 't gebouw, waarvan ik het fundament gedurende vijftien jaar met zooveel moeite steen voor steen had gelegd.quot;

„Inderdaad, het waren grootsche en merkwaardige jaren, die tuen begonnen,quot; riep de keurvorstin levendig. „Ten eerste stond in tjaar zestienhonderd vier-en-vijftig uw nicht, de koningin Christina van Zweden, den troon af aan haar neef Karei Gustaaf, en trok zich vrijwillig in het bijzondere leven terug.quot;

,,Dit was de fakkel, die den oorlog deed ontbranden,quot; zei de keurvorst nadenkend. „Toen kwam de kroon van Polen met haar erfaanspraken en weigerde Karei Gustaaf als koning van Zweden te erkennen. Zelfs zond de koning van Polen kort voor haar openbaren afstand een bijzonderen gezant aan koningin Christina met het bericht, dat, zoo zij abdiceerde, de Zweedsche kroon alleen aan de zonen van den voormaligen koning van Zweden Johan III toekwam; hij zou er, als kleinzoon van koning Johan, zijn aanspraken op doen gelden en nimmer prins Karei Gustaaf als koning van Zweden erkennen. Koningin Christina liet zich hierdoor niet afschrikken, maar antwoordde fier en moedig; „Mijn neef zal u spoedig door dertig duizend getuigen bewijzen, dat hij de wettige koning van Zweden is!quot; — Zij had de waarheid gezegd. Karei Gustaaf had nauwelijks den troon bestegen, toen hij een leger uitrustte en zich tegen Rusland en Polen wapende. Hij bood mij zijn bondgenootschap aan en ik trok met hem tegen Polen op. Dit land had mij sinds lang met zijn opperheerschappij over Pruisen gedreigd, wilde zich in alles mengen wat daar gebeurde, en ruide zelfs dikwijls mijn onderdanen tot verzet tegen mij op. Eindelijk moest het tot een beslissing komen, ik wilde meester in Pruisen zijn en mij van de lastige boeien van het vasal-schap ontdoen, zooals ik gezworen bad, toen ik te Warschau op mijn knieën lag voor den koning van Polen en hem den eed als vasal deed. Na lang weifelen nam ik het verbond aan en verplichtte mij aan koning Karei Gustaaf vijftienhonderd man hulptroepen te leveren, hem het gebruik der zeehavens en vrijen doortocht te

ocr page 14

8

vergunnen, en kreeg hiervoor het bisdom Ermeland met weinige beperkingen in leen, en kwam, daar ik den koning vap Zweden als koning van Polen erkende, voor Pruisen jegens hem in leenplicht. Maar ik wil u bekennen, mijn lieve Schokius, ik nam dezen leenplicht jegens den koning van Zweden op mij, omdat ik daar het middel zag- dien geheel van mij af te schudden. Als iemand een last te zwaar op den eenen schouder drukt, schuift hij dien, als 't mogelijk is, een weinig op den anderen schouder en als hij dan merkt, dat hij zich laat verschuiven, neemt hij soms een gunstige gelegenheid waar om hem van beide schouders af te schudden. Dit was mijn voornemen toen ik den koning van Polen als mijn landsheer erkende en mij tot zijn vasal verklaarde. Dit was het eenige middel om het vasalschap geheel van mijn schouders te werpen en mij tot een vrij, souverein hertog en heer van Pruisen te verheffen. Karei Gustaaf van Zweden en Friedrich Wilhelm van Brandenburg sloten een alliantielraktaat en hielden te Bartenstein een samenkomst, waarin zij met vele vriendschapsbetuigingen hun bondgenootschap bezegelden. Toen toog de koning van Zweden ten strijde tegen Polen, en ik bleef met mijn troepen in Pruisen, om mijn grenzen te beschermen en de dingen af te wachten, die komen zouden. Er kwamen zeer spoedig gewichtige en beslissende dingen. Dé koning van Polen, Johan Ca-simir, ondersteund door den hertog van Koerland en diens Tartaren, behaalde overal voordeelen op Karei Gustaaf, die in weerwil van zijn schoone overwinning bij Gnesen toch dagelijks meer in't nauw geraakte. Dit gaat u trouwens minder aan, mijn lieve Martijn Schokius want gij zult toch wel niet de geschiedenis van den koning van Zweden willen ik schrijven, maar alleen die van de mark Brandenburg?quot;

„Ja, mijn genadige heer,quot; antwoordde de keurvorstin glimlachend, „slechts de geschiedenis der mark Brandenburg ik wil schrijven, maar bovenal de geschiedenis van den keurvorst Friedrich Wilhelm. Derhalve verzoek ik uw keurvorstelijke genade, mij, uw geschiedschrijver Martin Schokius, van de Poolsche zaken slechts datgene te verhalen, waarbij uw genade een rol heeft gespeeld want dan weet ik, dat dit steeds beslissende oogenblikken waren. Zoo geheel onwetend ben ik toch ook niet nopens dien

ocr page 15

9

tijd, ik wcte zeei- goed, dat gij toenmaals, den vijftienden Juni 1^55, met de koningin van Zweden een verdrag sloot, waarbij gij op u naamt den koning van Zweden bij te staan tegen al zijn vijanden, niet alleen in Polen en Pruisen, maar ook tegen zijn vijanden in Duitschland. Daarentegen verklaarde de koning van Zweden den keurvorst Friedrkh Wilhelm tot souverein hertog van Pruisen en stond hem vier woy woodschappen als vrij eigendom af.quot;

„Zoo was het, mijn lieven Martijn Schokius, gij zijt goed onderricht,' riep de keurvorst levendig. „Ja, ik was bevrijd van het lastige vasalscbap, en als vrij, souverein hertog van Pruisen trok ik nu met een prachtig leger van achttien duizend man naar koning Karei Gustaaf van Zweden die met zijn leger bij Nowodwor nabij Warschau stond. Het waren groote. gedenkwaardige dagen, en ik was mij volkomen bewust, dat ik mijn geheele toekomst op't spel zette, toen ik met den koning en de vereenigde troepen tegen den vijand optrok. Zoo wij den slag verloren, was voor mij alles verloren, dat gevoelde ik, dan kwam Pruisen weder aan den overwinnenden koning van Polen, dan werden Kleef en de Rijnprovinciën door Frankrijk of Holland in beslag genomen, en de mark Brandenburg was dan mijn eenige bezitting! Maar zoo wij overwonnen, dan opende zich voor mij een schitterende, roemrijke toekomst, dan vergrootte ik de grenzen van mijn land en drukte het onverdelgbaar zegel op het document mijner souvereiniteit van Pruisen. Dit alles dacht ik toen ik aan de spits van óns vereenigd legerkorps met den koning van Zweden tegen Warschau optrok ! Iets grootsch wilde ik verkrijgen en dus moest ik ook iets grootsch wagen, ik mocht niet denken aan het mislukken der onderneming, maar moest met vasten geest vertrouwen, dat de strijd met zegepraal bekroond zou worden, en voor mij roem, eer en voordeel zou opleveren tot heil van mijn land en mijn volk. Het waren groote, gedenkwaardige dagen, die drie dagen van den slag van-Warschau, en ik vrees, dat gij ze niet in hun ware grootheid en gewicht zult kunnen beschrijven, heer Martijn Schokius, want zulke gebeurtenissen moet men zelf beleefd hebben, men moet er ooggetuige van zijn geweest, om er woorden voor te vinden.

„Welnu, heb dan de goedheid en schilder mij diedri^

ocr page 16

10

gedenkwaardige dagen, mijnheer de keurvorst,quot; zei de keurvorstin. „Ik zal als uw getrouwe historiograaf, niet alleen -met mijn ooren, maar ook met mijn hart naar u luisteren, en geen woord vergeten van ' t geen gij mij verhaalt.''

„Dat gaat niet,quot; antwoordde de keurvorst na een pauze. „Zulk een veldslag in al zijn bijzonderheden laat zich niet zonder behulp van kaarten en plannen behoorlijk voorstellen en ik moet dit voor heden opgeven, heer Marlijn Schokius Dit kan ik u zeggen, en mijn veelgeliefde en dierbare gemalin moge mij dit woord vergeven: er is geen grooter verrukking, dan onder het bulderen den kanonnen en het woeden van den krijg den vijand te zien wijken en zich overwinnaar te gevoelen, 't Is iets grootsch, iets goddelijk schoons, als men de geliefde voor het eerst in zijn armen houdt en van haar de eerste bekentenis harer liefde ontvangt. Maar verhevener en opgetogener is iemand als de godin Victoria met vlammende oogen en glinsterend gelaat ons nadert en een gloeiende kus als zegel op ons voorhoofd drukt. In zulk een heilig, grootsch moment gevoelt men zich als een wezen der eeuwigheid, gevoelt men, dat men het sterfelijke onsterfelijk heeft gemaakt en de dood ons niet meer dooden kan omdat de roem ons op aarde onsterfelijk heelt gemaakt. Alle geluk, alle vreugd, alle liefde vergaat, maar de roem, dien wij door groote daden, door moedig streven, door schitterende veldslagen verwerven, is onvergankelijk, en aan verre nageslachten verhaalt men ons verleden, als gebeurde het voor hen weer op nieuw. Dit gevoelde ik met verjongde kracht in de drie dagen voor Warschau, 't Waren bovendien mijn eerste oorlogsdagen, en alles stond voor mij op 't spel. Mijn verleden, het tegenwoordige en de toekomst lagen als in een urn van het lot, en de slag zou ze er als dob-belsteenen uitwerpen, óf tot mijn schande óf tot mijn roem, tot leven of sterven! Mijn hart zwelt nog heden van vreugd, als ik mij het heerlijke gezicht herinner, toen de beide legers tot strijden gereed stonden en koning Karei Gustaaf en ik ze in oogenschouw namen. Mijn Brandenburgers droegen ter onderscheiding van do Zweden eiken-looftakken op de mutsen, de Zweden hadden kleine stroo-bosjes aan hun hoofddeksel gehecht. „Met God!quot; was de

ocr page 17

lt; 11

leus van het geheele leger, en „met Godquot; ging het voorwaarts. Het was een kanongebulder, een geweergeknetter, een huilen en kermen der gekwetsten, een juichen der vooruitdringende troepen, een gejammer der terugtrekken-den! Al he.t menschelijke was verdwenen, niemand dacht er aan, dat het ménschen waren waarop men hieuw en schoot. Ieder was slechts een rad in de groote machinerie des oorlogs, dat zich draaide en wendde naar de aangewezen plaats. Met vurigen moed drongen de Zweden en Brandenburgers vooruit, maar als een muur stonden de Polen en Tartaren, en Johan Casimir vocht als een held aan de spits zijner troepen. Wij hadden nog vóór het begin van den slag den Franschen gezant tot den koning van Polen gezonden om den vrede aan te bieden en te onderhandelen ; maar Johan Gasimir wees alle aanbiedingen streng af en liet ons berichten: „hij had nu eenmaal aan zijn Tartaren de Zweden en Brandenburgers tot ontbijt geschonken, en moest daarbij blijven. Ook had hij voor mij, den trouweloozen keurvorst en vasal, reeds een gevangenis gereed gemaakt, waarin ik nooit weder zon of maan zou zien!quot; Zoo ik dus geen hapje tot ontbijt voor de Tartaren wilde worden, of in de donkere gevangenis des konings versmachten, moest ik overwinnen en koning Karei Gustaal helpen! En dat deed ik; ik hielp met mijn Brandenburgers dapper en moedig de Polen en Tartaren overwinnen, en na drie dagen van hevigen strijd en on-wrikbaren moed was het volbracht en vluchtte de vijand in wilde wanorde. Wij hadden gezegevierd, Warschau was ons!''

„Gij denkt toch niet dat ik, uw historiograaf Marlijn Schokius, die «lagen bij Warschau zoo kort zal beschrijven, als uw genade ze mij gelieft te verhalen. Gij wilt, in uw bescheidenheid, u ten laatste slechts als den adjudant van den koning van Zweden voorstellen en 't zou schijnen of hij alleen den driedaagschen slag had gewonnen, en gij niets anders hadt gedaan dan met uw Brandenburgers mede te vechten. Neen, heer keurvorst, zoo is het met de dingen niet gelegen, ik zal mij moeten veroorlooven op te merken, dat het de keurvorst Friedrich Wilhelm was, die het meest tot de overwinning bijdroeg, dat hij alleen op den derden dag van den veldslag door zijn moedig voorwaarts dringen en zijn vluggen taktischen blik den slag

ocr page 18

12

besliste. Eerst toen gij met uw eskadrons den zandberg bestornulet, achter welken de vijandelijke drommen stonden, en uw artillerie haar vuur opende, eerst toen overviel hen een panische schrik en werd de vlucht algemeen.quot;

„Mijnheer Marlijn Schokius, van waar weet ge deze bijzonderheden ?quot; vroeg de keurvorst glimlachend.

„Ik heb ze mij laten vertellen door degenen, die er bij tegenwoordig waren, want ge zegt zeer weinig van dergelijke zaken, en van u verneemt men niets van de heldendaden des keurvorsten Friedrich Wilhelm. Ik heb mij tot den ' veldmaarschalk Derftlinger en den veldtuigmeester von Sparr gewend, en zij hebben mij den veldslag in allo bijzonderheden verhaald. De oogen van den ouden Derftlinger gloeiden van vreugd, toen hij mij vertelde hoe heerlijk gij er hadt uitgezien toen gij aan den spits uwer ruiterij den zandheuvel oprendet en den vijand uit het bosch van Praga verdreeft; de veldtuigmeester Sparr was nog vol bewondering over den moed, dien de keurvorst Friedrich Wilhelm op den tweeden dag van den veldslag betoonde, toen de. Tartaren met woedende heftigheid een aanval op zijn linkervleugel ondernamen. Deze aanval was zoo geducht en tevens zoo onverwacht, verhaalde hij mij, dat de Brandenburgers begonnen te wijken en zelfs de in reserve staande musketiers bedreigd werden. Maar gij sneldot naar de wijkenden, riept hen een moedig woord toe, trokt onverschrokken met de getrouwen, die u omgaven, met opgeheven zwaard, tegen de Tartaren op en zoo hadt gij op den tweeden dag den slag en de zege gered,quot;

„Houd op, mijnheer Martijn Schokius,quot; riep de keurvorst, „ik begrijp anders dat gij niet, alleen spreekt als mijn-historiograaf, maar dat gij een weinig onder den invloed zijt van mevrouw mijn gemalin, die alles wat ik doe met al te gunstige oogen aanschouwt, en . . .quot;

„En daar wel recht toe heeft,quot; viel Louise Henriette hem in de rede, want, alles wat gij doet is goed en edel.quot;

„Het is te wenschen,quot; zei de keurvorst glimlachend, „dat het nageslacht mij moge beoordeelen, gelijk gij het doet maar dat zal wel niet! Veel zal het aan mij te berispen vinden, en 't kan wel zijn, dat het mij zelfs van trouweloosheid en woordbreuk beschuldigt.quot;

„Dat is onmogelijk, dat kan nooit!quot; riep de keurvorstin levendig.

ocr page 19

i3

„Ja, het kan wel. Als de geschiedschrijvers van latere ijden mijn leven en werken te boek stellen, zullen zij mij wel eens met strenge vitzucht van valschheid beschuldigen, omdat ik soms gedwongen was mijn vijand tot vriend te maken, en mijn vriend te verlaten om mij tegenover hem als vijand en aanvaller te plaatsen. Maar ge moet weten, mijn lieve Martijn Schokius, dateer in de politiek geen moraal bestaat, en niet. de alledaagsche zedelijkheid, maar slechts het verstand, de noodzakelijkheid en het doel do wetten voorschrijven. Voor mij is er maar één gezichtspunt en dat zal, zoolang ik leet, blijven bestaan: het welzijn van mijn land en mijn onderdanen te bevorderen, mijn bezittingen en mijn inkomsten te vergrooten, de macht der steden en stenden te breken, opdat de macht alleen uitga van den beheerscher van het land, dien God geroepen heeft om te regeeren en naar zijn beste weten voor zijn land en onderdanen te zorgen. Hiernaar alleen richt ik mij bij het bepalen van mijn vriendschap of mijn vijandschap. Het gebeurde, dat ik tegenover den bondgenoot, met wien ik den slag bij Warschau won, zeer spoedig als vijand stond, toen ik zag, dat hij slechts zijn voordeel op 't oog had en heimelijk andere bondgenootschappen zocht te sluiten om mij te benadeelen. Toen ik daarvan door Keursaksen de bewijzen kreeg, zeide ik den koning van Zweden de vriendschap op en verbond mij met Polen, Oostenrijk en Denemarken tegen Zweden, niet om door '{rijösgel,1k voordeelen te behalen, maar wel om te helpen aan het uitgeputte en berooide Europa den vrede te ge-v?.n' Gustaaf van Zweden dacht er anders over.

Zijn vurige, onstuimige geest vond meer behagen in den oorlog en in het leven te velde, dan in iets anders, en zijn trotsch hart wilde zich niet onderwerpen en niet toegeven. Hij schikte er zich trouwens in, op het sterk aandringen der mogendheden van Europa, over den vrede te onderhandelen, en wij zonden onze gevolmachtigden naar Dantzig om daar de onderhandelingen te beginnen Maar men zag wel, dat de wapenstilstand den oorlogzuchtlgen koning van Zweden volstrekt niet behaagde; hij stelde steeds nieuwe eischen, begeerde steeds meer land en volk, en zeker zou het geheele vredeswerk mislukt zijn, zoo niet geheel onverwacht een . zeer machtig en onoverwinnelijk heer koning Karei Gustaaf het zwijgen had opgelegd

ocr page 20

14

en hem gedwongen had vrede met de wereld te maken. Deze heer was de dood; plotseling stak hij zijn sterken arm naar den koning van Zweden uit en trok hem in 't graf, waar alle strijd, alle eerzucht verstomt en de eeuwige vrede begint. Ja, het is een zeer geweldige en sterke heer, de dood; tegenover hem is zelfs de machtigste ''vorst een worm, die zich kromt onder zijn geweldige vuist en zich aan hem onderwerpen moet. De dood is de koning des levens, hij overwint alles, niets kan hem weerstaan!quot;

„Toch, mijn Friedrich,'' zei de keurvorstin levendig, „de liefde kan hem weerstaan. De liefde is sterker dan de dood, zij overwint hem, en in eeuwige, onsterfelijke jeugd stijgt zij uit het graf ten hemel, om daar haar oorspronkelijk zalig leven voort te zetten en te waken over degenen, die nog op aarde zijn, en van wien zij weet, dat zij eens tot haar zullen opstijgen en met haar verbonden zullen zijn! O, mijn geliefde, laat ons dat nooit vergeten denk er aan als ik eens niet meer bij u ben, als uwe oogen mij niet meer zien, denk dan, dat ik nog altijd in uw nabijheid ben, dat ik u leid op al uw wegen, dat ik leef in uw geest en hart, dat ik bij u ben in uw gedachten, om u in 't ongeluk te troosten en in 't geluk mij met u te verblijden. Daarom moet ge er niet over klagen als gij mij niet meer ziet, en niet meenen, dat ik ver van u ben, maar ge moet denken, dat ik er ben, dicht aan uwe zijde, en dat de dood slechts een mantel om mij heeft geworpen, die mij onzichtbaar maakt, maar mij het eeuwige leven niet ontnemen kan. Geef mij uw hand, mijn Friedrich, beloof mij, dat het zoo zijn zal en gij nooit om mij zult treuren en klagen, maar blijmoedig aan mij zult denken als de vrouw, die u zoo beminde, dat zij uit lietde den dood overwonnen en het eeuwigeleven verkregen heeft.quot;

Zij reikte den keurvorst de hand en zag hem aan met een blik zoo vol onuitsprekelijke liefde en teederheid, dat de sterke man er zich door overwonnen gevoelde en de tranen in zijn oogen kwamen.

„Louise,quot; zeide hij met hokkende stem, „ik kan u niet beloven wat gij van mij vergt, ik kan niet beloven, dat ik niet om u treuren en klagen zal, als ik u niet meer naast mij zie, als ik niet meer uw geliefde stem hoor, die mij zoo menigmaal vrede en vreugd verkondigde, als ik uw dierbaar gelaat niet meer zie, dat mij toegeblonken heeft als het liet-

ocr page 21

45

lijk maanlicht en mijn gemoed vroolijker, mijn hart beter heelt gemaakt, telkens als een straal ervan mijn ziel trof. Neen, Louise, mijn hart zou eeuwig vol droefheid zijn, mijn ziel eeuwig naar u blijven verlangen, het ongeluk zou mij dubbel zwaar zijn, het geluk zou allen glans voor mij verliezen, zoo gij hel niet met mij deelde. Ach waarom kwelt gij mij mot zulke treurige gedachten, mijn geliefde, waarom spreekt gij van een tijd, die met Gods hulp nog heel ver van ons ligt, of nooit komt: want staat mij de dood niet nader dan u? Kan hij zich niet achter de Jicht hebben verscholen, om mij onbemerkt te overvallen? Kan hij niet, zoo ik van de jicht genees, mij op het eerste het beste slagveld ontmoeten en mij met zijn zeis treffen als ware ik een rijpe korenaar? De dood zweeft boven alle stervelingen, maar ik smeek u, wees barmhartig en beangstig en kwel mijn hart niet met de gedachte, dat hij mij mijn eenige dierbaarste bezitting op aarde, den eenigen schat, van welken ik weet, dat hij de mijne is en die ik verworven heb met het heiligste mijner ziel, dat hij mij dien zou ontrukken. Ik kan het niet dragen, ik kan het niet vatten en ik zou luid kunnen schreien bij de enkele gedachte hieraan!quot;

De keurvorst boog het hoofd voorover, legde het. tegen het kussen zijner gemalin en zuchtte luid.

Louise legde haar magere doorschijnende hand op zijn hoofd, en haar hemelwaarts gerichte blik smeekte God om sterkte en troost voor dengene, dien zij op aarde alleen bemind had! Maar toen, met den heldenmoed, dien alleen de liefde verleent, dwong zij haar lippen tot een glimlach en nam een vroolijken onbekommerden toon aan.

„Waarlijk, mijn dierbare keurvorst,quot; zeide zij, „wij zijn beiden geheel uit onze rol gevallen, geloof mij, hieraan heeft niemand anders schuld dan onze lijfarts. Waarom houdt hij mij hier als een gevangene en verbiedt hij mij het ziekbed te verlaten en naar buiten te gaan in Gods fraaie, frische natuur? Dit maakt mij treurig en daardoor kwel ik zelfs mijn geliefden heer met mijn sombere woorden zonder zin of beteekenis. Vergeef mij, dierbare Friedrich, vergeef mij! Maar weet ge wat wij doen zullen en hoe wij ons op den lijfarts wil ha . wreken?''

„Nu?quot; vroeg de keurvorst met een gedwongen glimlach.

ocr page 22

10

terwijl hij het hoofd weder oprichtte, „nu, wat zullen wij dan doen?quot;

„Wij zullen, in weerwil van zijn streng verbod, mevrouw de keurvorstin bij dezen voor gezond verklaren en haar naar buiten zenden, om hare krachten te versterken en haar weer vroolijk en gezond te doen worden. Naar buiten met u, mevrouw de keurvorstin, gij stoort met uw treurige onderbrekingen het onderhoud tusschen den keurvorst en zijn historiograaf Marlijn Schokius, en dat is verkeerd van u, wTant Martijn Schokius moet de groote daden van den keurvorst voor het nageslacht opteekenen en ge moogt hem met uw ziekelijke stemming niet hinderen. Ga dus naar den tuin, mevrouw de keurvorstin! — Zoo, mijn lieve Friedrich nu is de droefgeestige keurvorstin weg, en slechts gij en Martijn Schokius «ijn weer aanwezig. Heb dus de goedheid en verhaal mij nog een weinig van uw krijgsdaden.quot;

„O Louise, ge zijt waarlijk edel en groot,quot; riep de keurvorst, terwijl hij de van koorts gloeiende hand zijner gemalin nam en ze aan zijn lippen drukte.

„Stil, mijn dierbare keurvorts,quot; zei Louise, hem zacht haar hand onttrekkende, „gij vergeet, dat mevrouw uw gemalin is uitgegaan, en Martijn Schokius nog hier is die gij een weinig wildet terecht helpen over uw regeering en uw roemrijke daden. Waar waart gij ook gebleven in uw gesprek met den historiograaf? Ha, nu valt het mij in! Gij verhaaldet Martijn van de vredesonderhandelingen, die te Dantzig plaats vonden, en welke door den dood van koning Karei Gustaaf zoo plotseling afgebroken werden. Nu verder mijn waarde heer! In welk jaar stierf de koning van Zweden ?quot;

„In 't jaar 1660, mijn lieve Schokius,quot; zei de keurvorst die, toegevend voor de geliefde zieke met geweld zijn smart poogde te onderdrukken en zich weder schijnbaar gerust betoonde. „In Februari van 'tjaar 1660 stierf de dappere, vermetele koning van Zweden, en een oogenblik scheen het of 't geheele vredeswerk door des konings dood mislukken zou; maar de koningin-regentes die voor haar onmondigen zoon Karei XI de regeering aanvaardde, was gelukkig minder oorlogzuchtig dan haar gemaal. De onderhandelingen werden weder spoedig hervat en reeds drie maanden na den dood van den koning onderteekenden onze gevolmachtigden, de gezanten van den keizer van

ocr page 23

17

Duitschland, van den koning van Polen, van den keurvorst van Brandenburg eenerzijds en van de koningin van Zweden anderzijds, liet gewichtige vredestraktaat. In het klooster te Oliva bij Dantzig geschiedde dit, en ik geloof, dat deze handeling er meer toe zal bijdragen dit fraaie klooster in de geschiedenis te vermelden dan de gebeden en litaniën der monniken. Mij bracht het verdrag van Oliva meer schade dan voordeel, meer ergenis dan vreugd. Ik verkreeg van Polen de bevestiging mijner souvereiniteit in Pruisen, dat was alles! Ik moest de in Zweedsch Pom-meren gemaakte veroveringen teruggeven en Sleeswijk en Ilolstein, welke ik beide bezet had, ontruimen; men had mij hiervoor wel is waar de steden Bütow en Elbing toegekend, maar de listige Zweden, vereend met de oproerige Koningsbergers, beletten mij er bezit van te nemen. Door de trouweloosheid mijner eige» onderdanen, de Koningsbergers, werd ik wegens de stad Elbing, die krachtens het recht de mijne was, verschalkt. De Koningsbergers hadden den Poolschen gezant Rej omgekocht, om des nachts toen de Zweden uit Elbing marcheerden, dadelijk Poolsche troepen te laten binnenrukken en de stad in naam van de Poolsche kroon te bezetten. En toen ik nu kracblens het verdrag van Oliva de overgave der stad begeerde, heette het: er was in 't verdrag gezegd, dat ik den Zweden de stad Elbing gewapenderhand zou ontnemen, en nu ik dit had verzuimd er niets meer aan de zaak te veranderen was. En zoo is het gebleven tot den huldigen dag. Elbing behoort nog heden aan de Poolsche kroon en keizer en Rijk halen over mijn klachten slechts de schouders op. Allen dreigen partij tegen mij te trekken, zoo ik mij gewapenderhand recht en gerechtigheid ver-schalfen en in Zweedsch Pommeren vergoeding zoeken wil. Ik moet mij het onrecht laten welgevallen en zwijgen over deze onrechtvaardigheid, want ik sta thans weer alleen en niemand wil de bondgenoot van den armen keurvorst van Brandenburg zijn. O veralben ik van vijanden omringd! De kleinen zien mij afgunstig aan, omdat ik een weinig-heb verkregen, en het keurvorstendom Brandenburg iets uit zijn nietigheid en onbeduidendheid te voorschijn is getreden. De grooten zien met hoogmoedigen trots op mij neder en vinden het hoogst aanmatigend en onbetamelijk, dat ik uit de schaduw treed en mij vermeet iets te Mühlbach, Be groote Keurvorst en zijn tijd. V. 2

ocr page 24

18

willen zijn. liet keurvorstendom Brandenburg moest niets worden en de keurvorst van Brandenburg moet een gehoorzame vasal van zijn keizerlijke majesteit blijven; men moet hem steeds onderdrukken, als hij zich verheffen wil. En wie is 't, die zich het meest verheugt, als men mij verhindert mij te verhellen ? wie legt mij in 't binnenste van mijn land overal hindernissen in den weg en veroorzaakt mij de meeste ergernis? Het zijn mijn eigen onderdanen! Het zijn de stenden en steden in Pruisen, en bovenal de Koningsberger muiters! Zij hebben den Poolschen gezant Bej tienduizend thaler gegeven, dat hij des nachts, toen de Zweden uit Elbing marcheerden, de Poolsche troepen in de stad bracht en haar liet bezetten. Zij hebben te Koningsbergen de inbezitneming van Elbing door Polen met een groot volksfeest gevierd en spreken er luide van, dat hun niets aangenamer zou zijn, dan dat de koning van Polen ook Koningsbergen liet bezetten, want zij wilden liever Poolsch zijn dan zich door den Keurvorst van Brandenburg hun rechten en vrijheden te laten ontnemen. Maar ik zal 't hen betaald zetten, ik zal die oproerlingen bewijzen, dat ik meester ben in Pruisen. Zij zullen moeten erkennen, dat ik voor hun niet bevreesd ben en mij door mijn oproerige onderdanen niet laat ontmoedigen. Zij hebben van den koning van Polen den open oorspronkelijken brief waarbij de koning de stenden in Pruisen van hun eed plechtig ontheft, ontvangen en gelezen; zij hebben mij den huldigingseed gedaan en als hun souvereinen vorst en heer erkend. Dat wil ik blijven, trots alle muiters en oproermakers. Ik heb den oproe-rigen schepen van Koningsbergen, Hieronymus Bhode, toen hij zich weder tegen mij verzette en de Koningsbergers tot weerspannigheid aanzette, veel te zacht behandeld, en in plaats van do muiters een waarschuwend voorbeeld te geven en den hoogverrader, zooals hij verdiende, ter dood te laten brengen, heb ik hem tot eeuwigdurende gevangenis veroordeeld, omdat de koning van Polen en de bisschop van Gnesen zoo levendig voor hem opkwamen en de koning dat als een bijzondere vriendschapsdienst van mij begeerde. Ik heb hierin niet goed gehandeld en het zou beter zijn geweest een streng voorbeeld te stellen en de hoogverraders den moed tot verdere misdaden te ontnemen. Indien ik het dood-

ocr page 25

19

vonnis aan Hieronymus Rhode had laten voltrekken, zou dit de oproerlingen verschrikt hebben, terwijl zij thans van Rhode, die in de gevangenis zit, een heilige, een martelaar maken, en het als een plicht beschouwen in zijn voetstappen te treden en mij wel willen dwingen hun hun heilige terug te geven. Maar dit zal ik nooit doen. Rhode blijft in de gevangenis zoolang hij leeft, en mocht het soms gebeuren, dat von Kalstein, die zich thans op den landdag in Polen vermeet tegen mij, zijn landsheer, klachten aan te heffen, in mijn handen valt, dan zal ik hem geen pardon verleenen, maar hem straffen naar de strengheid der wet, die hoogverraders ter dood veroordeelt. Dit zweer ik en ik roep God tot getuige, dat ik mijn eed houden wil. Want in staatszaken en in politiek mag men niet menschelijk weekhartig of christelijk vergevensgezind zijn, maar moeten strengheid en wet handelen en beslissen. Zij zullen mij leeren kennen, die oproerige Pruisen, zij zullen mij leeren kennen! Ik wilde voor hen een zachte, verzoenlijke lands-vader zijn, zij hebben het niet gewild, zij hebben mijn genade afgewezen en zich tegen mij verzet: welnu zij zullen mij als hun lands/ieer leeren kennen, die met onverzoenlijke strengheid recht vordert, en onverbiddelijk is waar het geldt misdadigers en oproermakers te straffen.quot;

Met groote schreden in de kamer heen en weder gaande, hief de keurvorst zijn arm op en dreigde met gebalde vuist de onzichtbare muiters, die zijn vlammende blik voor zich meende te zien.

„0, zie toch, mijn dierbare keurvorst,quot; zei de keurvorstin, terwijl zij zich een weinig in haar bed oprichtte, „zie toch hoeveel redenen gij hebt den armen, op het dwaalspoor gebrachten menschen te vergeven, want gij hebt hun waarlijk in dit uur een groote verlichting te danken. i Zij, die gij met den dood wilt straffen, hebben u daar een grooten dienst bewezen en u de gezondheid terug gegeven. Merkt ge niet, dat ge opgestaan zijt, dat ge heen en weder wandelt, met opgeheven arm en gebalde vuist, en de jicht u niet meer kwelt?''

„Ja, waarlijk,quot; riep de keurvorst glimlachend, terwijl hij zich zelf bezag. „Ik sta op mijn eigen voeten en dé booze vijand is van mij geweken.quot;

„De opgewondenheid heeft mijn lieven keurvorst gezond

ocr page 26

20

gemaakt,quot; zei de keurvorstin, zacht het hoofd buigende. „De Koningsbergers hebben dat gedaan, want zij zijn het, die u zoo in het harnas gejaagd en uw bloed in gisting gebracht hebben, dat de jicht verschrikt van u is gevloden. Gedenk dit den armen dwalenden Koningsbergers, en zoo gij hen straffen moet, straf hen altijd als landsvader, niet als landsheer. Wees zacht en genadig jegens hen; de genade is immers het heerlijkste en schoonste voorrecht der vorsten, — maar zie,quot; viel de keurvorstin zich zelf in de rede, „zie eens wat er gebeurd is. Martijn Schokius is er niet meer en Louise Henriette is teruggekeerd. Ik geloof, dat de wandeling haar een weinig overspannen heeft. Zij is vermoeid, och, zeer vermoeid!quot;

Het hoofd der keurvorstin zonk achterover inde kussens, het gloeiend rood op haar wangen verdween plotseling en een doodsche bleekheid overtoog eensklaps haar gelaat.

II.

HET AFSCHEID.

„Louise!quot;' riep de keurvorst op haar bed toeloopend „Louise, sla de oogen op ! Zie mij aan! O mijn God, wat beteekent dit? Waarom antwoordt gij mij niet ? Lijdt ge ? Gevoelt ge u zieker?''

De luide, smartelijk bewogen stem van den keurvorsl, riep Louise weder wakker, zij sloeg de oogen op, en de liefde gaf haar kracht met een glimlach op te zien tot Fiiedrich Wilhelm, die met een bleek, van angst bevend gelaat over haar boog.

„Het is niets,quot; lluisterde zij ilauvv. „Ik heb volstrekt geen pijn, ik lijd niet. 't Is mij zoo licht of ik eensklaps vleugels kreeg en omhoog zweefde van de aarde tot God ! Ik ben gelukkig, o zoo gelukkig.quot;

Zij hief haar armen op, en haar oogen richtten zich ten hemel. De brandende tranen van den keurvorst, die op haar hand nedervielen wekten haar weder uit haar zalige verrukking.

„Gij weent, mijn geliefde,'' zeide zij zacht. „Ach, hoe

ocr page 27

21

jammer, dat ik u tranen moet afpersen, terwijl ik u zoo gaarne elk leed wilde besparen, 'tls al acht dagen mijn vurig gebed geweest, dat mij de kracht mocht verleend worden zoolang te leven tot de jicht van u geweken was en gij uw reis naar Pruisen aanvaard had! Hoe innig heb ik God gesmeekt, dat hij u sparen mocht om getuige te zijn van mijn dood, dat hij mij van u mocht nemen als ge verre van mij waart. Want het verlies door den dood is lichter te lijden als het den afwezigen treft, dan wanneer een geliefd wezen aan onze zijde weggenomen wordt.quot;

„Gij zult niet sterven, neen, gij zult niet sterven,quot; riep de keurvorst, zich over het bed der keurvorstin buigende en zijn beide armen naar haar uitstrekkende. „Gij zult mij niet verlaten Louise!quot;

„Ik heb u immers gezegd, mijn Friedrich,quot; sprak zij zacht, „ik blijf altijd bij u! Ik verlaat u nooit, want onze liefde is onsterfelijk en alomtegenwoordig. Maar 'tis wel mogelijk, dat mijn uiterlijk lichaam zich aan u onttrekt, dat het u verlaten moet! — Lucht! lucht! Ik stik!quot;

Haar hoofd zonk zwaar in de kussens terug, en een smartelijk steunen drong uit haar borst.

De luide angstige stem van den keurvorst riep de vrouwen en dienstboden en den docter uit de belendende vertrekken. Docter Weisse wreef haar slapen en gaf haar een opwekkend geneesmiddel in, waarvan hij met ernstge bezorgdheid de uil werking afwachtte.

„Docter,quot; fluisterde de keurvorst met bevende lippen, „zal zij weder ontwaken? Zal zij niet sterven?''

De lijfarts haalde treurig de schouders op. „Ikzeide het uw doorluchtigheid reeds gisteren, de kunst van den geneesheer kan hier niets meer, zij is uitgeput, elk uur dat mevrouw de keurvorstin nog leeft, danken wij aan haar jeugdige kracht. Zij overwint daardoor het grootste lijden, haar liefde verdrijft immer weder den dood. Zoolang haar geest uw stem nog kan hooren, zal zij ontwaken!quot;

„Louise, mijn geliefde Louise!quot; riep de keurvorst, „sla de oogen op, zie mij aan! Blijf bij mij! Wilt ge mij verlaten?quot;

Haar oogleden trokken, haar lippen bewogen zich en murmelden zacht: „Mijn Friedrich!quot;

„Zij zal ontwaken,quot; fluisterde de arts, terwijl hij haar slapen wreef, zij zal ontwaken en misschien nog eenige uren leven!quot;

ocr page 28

22

De keurvorstin sloeg de oogen op, en haar blik zweefde zoekend in de rondte „Mijn kinderen,quot; murmelde zij zacht, „mijn kinderen. Laat ik ze nog eens zien!quot;

„Thans niet, uwe doorluchtigheid,quot; zei de arts. „Het zou u te zeer opwinden. Laat ons tot morgen wachten !quot;

Zij schudde met het hoofd. „Voor mij breekt er geen morgen meer aan,'' fluisterde zij, „er is slechts een heden! Laat ik mijn kinderen zien en afscheid van hen nemen. Weiger niet, docter, wij weten het immers beiden reeds lang dat ik sterven moet. Laat mij het met kracht en standvastigheid volbrengen, en vervul wat ge mij beloofd hebt. Geef mij een versterkend middel opdat ik krachtig en blijmoedig den dood kan te gemoet gaan.quot;

De arts boog toestemmend het hoofd, haalde uit zijn borstzak een doosje, waaruit hij een klein samengevouwen papier nam, dat een poeder bevatte 't welk hij met water vermengde. Daarna gaf hij de keurvorstin het middel in en zeide vervolgens tot den keurvorst, die in dolï'e smart aan de zijde zijner gemalin zat en haar met tranen in de oogen aanzag, dat de prinsen mochten geroepen worden.

Een glimlach kwam op het bleeke gelaat der keurvorstin, een lichte rilling ging haar door de leden en een zweem van rood verbreidde zich op haar wangen. Langzaam sloeg zij de oogen op, en bij het zien van haar gemaal keerde het bewustzijn terug.

Met de laatste kracht brak haar geest door de nevelen des doods, die reeds op haar nederdaalden, en kwam nog eens volkomen tot bewustzijn.

Diep ademend zeide zi]: „nu is 't mij weer licht en goed! Ik adem, ik leef weder ! Geef mij uw hand, mijn Friedrich, zie mil aan en ween niet! Het was slechts kramp, nu is het voorbij, ik ben weder sterk en wel.quot;

De keurvorst wilde antwoorden, maar slechts eenige snikken kwamen uit zijn borst.

Thans werd de deur geopend, en twee knaapjes traden binnen. De eene, slank en krachtig, reeds hoog opgeschoten in weerwil van zijn twaalf' jaren. Het was de kroonprins Garl Emil; de andere zwak en teer, te zwak en klein voor zijn tien jaren, was de tweede zoon, prins Friedrich. Achter hen, op den arm zijner min, werd

ocr page 29

23

een nauwelijks eenjarig kind gedragen; het was de kleine prins Ludwig, het derde kind der keurvorstin.

Rij het binnenkomen harer kinderen richtte zich de zieke met een haastige beweging overeind en breidde haar armen voor hen uit.

„O, mijn geliefde, dierbare kinderen,quot; riep zij met een stom, aan welke de liefde kracht en sterkte had gegeven, „komt tot mij en kust mijne lippen, opdat ik uw nabijheid en uw liefde voele!quot;

De beide knapen ijlden naar hot bed en sloegen hun armen om den hals hunner moeder,' bogen hun hoofden op hare borst, en weenden luid.

De keurvorstin glimlachte en wenkte met haar oogen baai-gemaal lot zich.

„Kom bij mij, mijn Friedrich, sla uw arm om mij, opdat al mijn schatten vereenigd zijn.

De keurvorst sloeg zijn arm om haar en omvatte in ééne omhelzing de stervende moeder en de beide zonen. Het kind op den arm der min zag glimlachend naar zijn moeder, terwijl het de kleine armpjes naar haar uitstak en haar begroette met kreten van vreugde.

Diepe stilte heerschte een oogenblik in de kamer. Men hoorde niets dan zuchten en het moeielijk onderdrukte snikken der vrouwen en dienstboden, die bij den ingang dei-aangrenzende kamer op hun knieën lagen te bidden. De keurvorst hield nog altijd zijn geliefde vrouw en zijn kinderen omvat; de arts stond naast bet bed met bleek, ernstig gelaat, als een wachter des doods.

„lleft uw hoofden op, mijn kinderen,quot; zei de keurvorstin na een pauze, terwijl zij zacht den arm van den keurvorst losmaakte en zich hooger oprichtte. „Ween niet, mijn Carl Emil, want ge ziet immers, dat het goed met mij gaat en ik wél en gelukkig ben. Ween niet, maar laat vrede en vreugde in uw hart zijn, zoo dikwijls ge aan mij denkt. Weet, dat uw moeder altijd bij u is, en zich verheugt als ge gelukkig, vroolijk en blijmoedig zijt, en zich bedroeft als ge treurig of ontevreden zijt Overwin uw hart, mijn dierbaar kind, en maak het zacht ongeduldig, want zachtmoedigheid overwint den toorn en geduld voert tot het doel. En gij, mijn kleine Friedrich, hecht u met volkomen liefde aan het, hart van uw broeder, wees zijn beste hechtste vriend, en laat de liefde de afgunst

ocr page 30

24

uit uw hart driiven, opdat het den broeder blijmoedig gunne wat het lot hem heeft toegekend En daar is nog mijn kleine, mijn laatste rozeknopje,quot; voer zij voort, terwijl zij op de stamelende lippen van het kind, dat de min haar aanbood, een langen kus drukte. „Ontluik, mijn rozeknopje,quot; zeide zij zacht,quot; groei en bloei tot vreugd van uw vader en uwe broeders. O, mijn gemaal, u geef ik over, wat mij, na u, het liefst op aarde is! Aan u geef ik mijn kinderen over! Denk, dat zoo dikwijls ge hun lippen kust, mijn ziel u omzweeft en u dankt, dat zoo dikwijls gij hun zegent, gij hun ook tegelijk den zegen van hun eeuwig nabijzijnde moeder mededeelt. Geef hun liefde en laten zij in liefde bij u wonen! Maak van hen mannen, die op hun vader gelijken, dan zullen zij roem en eer voor God en de menschen hebben! En nu gaat heen, mijne kinderen, leeft en weest gelukkig? Groet van mij uw lieven gouverneur en uw trouwen vriend Otto von Schwerin. Ik heb reeds gisteren afscheid van hem genomen, en hij kent al mijn wenscben. Zeg hem, dat thans het oogenblik gekomen is, dat hij moet vervullen, wat ik hem verzocht heb! Gaat, mijne kinderen, gaat schielijk heen zonder naar mij om te zien. Uwe oogen zijn mij de morgensterren van mijn nieuwen dag. Gaat en bidt met den lieven Schwerin voor uw moeder!quot;

De keurvorst nam de beide schreiende knapen bij de hand en leidde ze stil naar de deur. De min met het kind volgde hen.

De keurvorstin sloot haar oogen en luisterde mot ingehouden adem naar de zich verwijderende voetstappen. Vervolgens, toen zij den eenzamen tred van den terugkomenden keurvorst hoorde, kwam een diepe zucht uit haar borst en een traan glinsterde aan hare wimpers.

„Zij zijn weg,quot; fluisterde zij zacht. „Ik zal hen nooit weerzien.quot;

Maar spoedig richtte zij zich weer op, en haar zoekende blik ontmoette den keurvorst, dien zij met onuitsprekelijke liefde aanzag.

„Ik zou nu alleen met u willen zijn, Friedrich,quot; zeide zij zacht. „Alle aardsche zaken zijn afgedaan. Heden morgen, toen gij nog sliept, heb ik van den predikant Bergius het nachtmaal ontvangen en hij heeft mij voor

ocr page 31

het laatst gezegend. Laat allen de aangrenzende kamer binnengaan en sluit de deuren. Gij alleen moet bij mij zijn in deze laatste oogenblikken.quot;

De keurvorst wenkte zacht met zijn hand naar de deur, en de arts, de zoo even binnengekomen predikant Bergius, de hofbeambten, de vrouwen en dienstboden verwijderden zich allen met onhoorbaren tred naar de twee aangrenzende kamers.

De keurvorst en de keurvorstin waren nu alleen. Louise Henriette gevoelde dit, hoewel zij de oogen gesloten had, en het scheen of een glimlach over haar gelaat trok.

„Geef mij uw hand, mijn geliefde,quot; zeidezij. „Aan deze geliefde hand ben ik het leven ingetreden, zij heeft mij moedig, teeder en trouw gevoerd door twintig schoone levensjaren, zij zal mij nu ook voeren in het nieuwe leven * dat geen jaren telt, dat geen verleden en geen toekomst heeft, maar eeuwige gelukzaligheid. Geef mij uw hand en leid mij, opdat ik moedig voorwaarts ga op den weg des doods, die tot de onsterfelijkheid voert.quot;

„Ach, mijn geliefde, ik kan u niet steunen,quot; zeiFriedrich Wilhelm, „mijn hand beeft, en mijn hart is zwak, want diepe weemoed vervult mijn ziel! Ik kan het niet dragen, dat ge mij verlaat, het is of een zwaard door mijn borst wordt gestooten en mij vernietigt. Ach Louise, is het mogelijk ! Wij hebben elkander gedurende zoovele gelukkige jaren bemind! Wij waren zoo één geworden, onze zielen waren zoo tezamengegroeid dat ze iedere gedachte, ieder gevoel gemeen hadden. Gij waart mijn trouwe wapenbroeder, die mij vergezelde op mijn reizen en mijn veldtochten, en ik zou nooit hebben kunnen overwinnen, indien mijn Louise niet in mijn nabijheid geweest ware. Aan u openbaarde ik al mijne gedachten, u liet ik deelnemen aan mijn zegepralen, aan mijn strijden en vermoeienissen, en nu gaat ge van mij, nu laat gij mij alleen in het zorgvolle, moeielijke leven, nu wordt mij de geliefde, den vriend, den raadgever, den makker ontnomen. Alles in één persoon, en ik moet door deze koude eenzame wereld gaan, zonder vreugd, in een eeuwige vreeselijke eenzaamheid.quot;

„Neen,quot; zeide zij zacht, „mijn Friedrich, doe dat niet. Zoo ge mij bemint, vervul dan mijn laatsten wenscb, trouw dan weder.quot;

„Nooit,quot; riep hij levendig „Nooit kan een vrouw de

ocr page 32

26

plaats innemen, welke gij ledig hebt gelaten, nooit zal een vrouw het beproeven de leemte te vullen, welke uw scheiden in mijn leven doet ontstaan. Zeg en verlang dit niet, Louise, ik kan het niet vervullen.quot;

„En toch, mijn geliefde,quot; zeide zij zacht, „vorder ik het van u. Het is mijn laatste wil en gij zult en moet hem vervullen, want zij is heilig. Om u dit te zeggen wilde ik alleen met u zijn en verzocht ik de anderen zich te verwijderen. Alleen mijn trouwe vriend Schwerin weet van mijn laatsten wensch en zal u tot de vervulling aanmanen. Beloof mij, Friedrich, dat ge geen jaar zult laten verloo-pen zonder weer in 't huwelijk te treden, opdat gij eeu tweede gade en mijn kinderen een tweede moeder zullen krijgen,quot;

„Neen,quot; riep de keurvorst ongeduldig, „neen, ik kan u dat niet beloven, want ik zal het nooit kunnen vervullen.quot;

„Ge moet het vervullen, mijn Friedrich,quot; zeide zij zacht. „Ja, ge moet weer huwen en vóór een jaar verloopt, mij een opvolgster geven! De liefde der stervenden is gezuiverd van alle aardsche slijk en stof, zij kent geen ijverzucht, geen nijd, zij heeft zich boven zich zelve verheven en viert in zich zelve haar goddelijke opstanding, haar hemel-sche wedergeboorte. Toen ik nog op aarde was, had ik uw liefde met geen andere vrouw kunnen deelen, nu bemin ik u zuiverder en beter, het aardsche gedeelte mijner liefde is gestorven. Ik gun aan u een andere vrouw, ik gun aan een andere vrouw u, want de mijne zijt en blijft ge toch in eeuwigheid, nooit kan een ander wezen zich tusschen mij en uw herinneringen dringen. Gij hebt behoefte aan een vrouw, die u bemint, een vriendin, die uw zorgen en vreugde deelt, een gezellin, die uw eenzame uren vervroolijkt. Gij zoudt ongelukkig zijn zonder haar, en ik wil uw geluk, ook als ik niet meer ben. Vervul dus den wensch van een stervende. Beloof mij, dat ge, eer een jaar verloopen is, zult hertrouwen.quot;

Zij stak hem haar bleeke, magere hand toe, en zag hem met teedere, smeekende blikken aan. Do keurvorst boog treurig het hoofd op zijn borst en een zware zucht ontsnapte zijne lippen; langzaam en weerstrevend stak hij zijn hand uit en legde ze aarzelend in die zijner gemalin.

Terwijl hij dit deed, vloeiden de tranen uit zijn oogen

ocr page 33

7

27

en vielen op beider ineengeslagen handen, over welke hij zich nederboog.

Over Louise's gelaat vloog een laatste zonnestraal dei-liefde, en een zalige glimlach speelde om haar lippen.

„Nu ben ik tevreden,quot; fluisterde zij. „Nu kan mijn geest opwaarts stijgen, want hij heelt zich zolven voldaan, hij heeft zich zeiven overwonnen. Thans ben ik vermoeid, en verlang ik te slapen!quot;

In dit oogenblik klonken als uit de verte, zacht smeltende en wegstervende hoorn- en bazuinklanken. Met een geheimzinnig fluisteren vulden zij de kamer. De keurvorstin richlte zich op en luisterde; de keurvorst zonk voor haar bed op zijn knieën neder en leunde zijn hoofd op haar hand, die nog in de zijne rustte.

Steeds nader, steeds duidelijker werden de plechtige tonen; alsof zij de geesten der onsterfelijken opriepen, in dit stille vertrek ruischten tonen door de ruimte en deden de vensterruiten rinkelen en beven, alsof onzichtbare handen er langs gleden en aanklopten, om den geest, die hier met het zwakke lichaam worstelde, op te roepen, dat hij zou komen om opwaarts te stijgen.

Dicht achter de gesloten deur klonk de plechtige muziek van hoorns en bazuinen; in langgerekte, schetterende, zuchtende en jubelende toonen ruischte de fraaie melodie van het vroome lied :

Jezus is mijn toeverlaat En mijn Heiland in het leven!

Kn onder deze heilige klanken openden zich voor beiden, die zich hand in hand in 't midden der kamer bevonden, zij op het sterfbed, hij op zijn knieën er voor, de poorten van het verleden en der toekomst, en hun vrome, stralende blik zag wat was en wat zijn zou. Glimlachend zweefden de geesten der herinnering nader en fluisterden van voorbijgaande liefde, voorbijgaand geluk ; met opwaarts geheven handen bogen zij over het zwijgende menschenpaar neder, deze heilige geesten van hoop en geloof, en troostten ze met de vrome woorden des eeuwigen levens en van toekomstig wederzien, zonder scheiding, zonder nieuwe droefheid en lijden.

„Denkt ge er nog aan, mijn Fried rich, toen ge het heilige lied het eerst hoordet? Het was in onzen tuin te Oranien-

ocr page 34

28

burg, ik zlt;jng hel met don lieven Schwerin, die het voor mij gedicht had. Gij kwaamt van achteren het prieel te voorschijn, zongt het met ons en opendet mij uw armen. Ik zonk aan uw borst en wij hernieuwden in den geest het verbond van eeuwige liefde en eeuwige trouw!

Jezus is myn toeverlaat En mün Heiland in het leven,

Zou ik dus niet hoe 't mij gaat,

Willig me aan hem overgeven ?

Ook zijn hemelsch, heerlijk beeld Wordt mü eenmaal toebedeeld.

Zij richtte zich hoog op, en zong met- luide, heldere stem;

„Houd ik hem met vaste hand In mijn laatste stervensstonden;

En geen macht van dood en graf Scheidt mjj immer van hem af.quot;

Toen viel haar hoofd weer zwaar in de kussens en met een diepen zucht kwam de laatste levensadem over haar lippen.

De keurvorst weende niet, klaagde niet. Zijn ziel was in dit oogenblik boven de smart verheven. Vol heiligen eerbied, vol plechtige kalmte, zag hij op de geliefde doode neder, hief langzaam zijn hand op en drukte ze een oogenblik op de oogen, die voor hem altiid vol van liefde hadden geblonken.

Toen liet hij zijn hand langzaam nederglijden. Deze oogen, deze lieve oogen waren nu voor altijd gesloten.

De keurvorst zag er op neder met vasten blik, met vromen eerbied, hij wilde door niets, door geen ademen zelfs dit heilig oogenblik ontwijden.

Nog leefde de geliefde gestalte, nog was zij warm en zacht, hare leden lenig en bewegelijk. Maar reeds drukt de gele, kille, verstijvende dood op haar voorhoofd zijn zegel. Daar trekt hij reeds een geel waskleurig waas over het voorhoofd ; nog half rood van leven, nog half warm van bloed, dat straks tot ijs verstijfd.

Zou ik dus niet, hoe 't mij gaat,

quot;Willig me aan hem overgeven?

Zoo zingen en schetteren en juichen de bazuinen buiten. Het verscheurt het gemoed van den keurvorst;

ocr page 35

29

hij zou wel willen opspringen om hun het zwijgen op te leggen, maar hij ligt als gekluisterd, hij moet Louise's gelaat zien.

De gele sluier is reeds dieper gezonken. Het geheele voorhoofd is reeds verstijfd en de oogen zijn dieper gezonken. Maar nog leven de wangen, en de lippen zijn nog rood, zij glimlachen nog.

En de bazuinen blazen nog altijd het vrome lied:

Zon ik dus niet, hoe 't my gaat,

Willig me aan hem overgeven?

Dieper zinkt de sluier van marmer en was, dien de dood over 't aangezicht der keurvorstin uitspreidt, de wangen verstijven en de glimlach verdwijnt, 't Is niet meer het geliefde, dierbare gelaat zijner Louise, het is een geel, hard, somber masker, dat daar ligt, een gezicht, dat hij nooit heeft gezien, dat hem vreemd is.

De keurvorst schrikt om alleen te zijn met dit wezen, dat hij niet kent, waarmede hij niets gemeens heelt. Met een hartroerenden kreet richt hij zich op, snelt naar de deur en rukt ze open.

Uit de. eene kamer ruischen de volle krachtige accoorden der bazuinen en hoorns, welke Schwerin op bevel der keurvorstin heeft bescheiden; uit de andere kamer komen de zonen der keurvorstin, de hofbeambten en het dienstpersoneel.

De keurvorst breidt de armen uit naar zijn kinderen. Zij werpen zich aan zijn borst. Luid weenen en klagen zij bij de overledene. Maar zij ligt rustig! Haar deren geen aardsche smarten meer.

En de bazuinen schallen en juichen als ware het een zegelied:

En geen macht van dood en graf Scheidt mij immer van hem af.

ocr page 36

30

111.

ÜE RAADKAMER.

Op den achttienden Juni 1007 was de keui'vorstin Louise Hennette gestorven. De zomer was den treurenden gemaal als een koude winter, zonder bloemen en zonder licht, alle vreugd scheen van hem geweken, alle geluk gestorven. Het leven scheen hem nog slechts een plicht, maar hij wist, dat hij dezen plicht te vervullen had, trouw en vast, zijn volk tot zegen, zijn kinderen tot voorbeeld.

Hij was ernstiger en stiller geworden, hij lachte niet meer, of als hij het deed was het slechts gedwongen. Hij arbeidde veel en ging weinig ter jacht, waarin hij vroeger zoo veel genoegen vond. Als er in de politiek ernstige en moeielijke vraagstukken op te lossen waren, trok de keurvorst zich eenzaam terug in de kamer, die vroeger de huiskamer der keurvorstin Louise Henriette was geweest en die nog volkomen was ingericht als bij haar leven. Op het werktafeltje bij 't venster lag nog het begonnen handwerk, waaraan zij genaaid had; op de schrijftafel het opengeslagen rekeningboek waarin zij voornemens was geweest de laatste rekening van haar ambt Oranienburg, liet vroegere Botzow, in te schriiven. Op den gueridon nevens den divan lag nog het boek, waarin zij hel laatst gelezen had, en daarnaast stond een vaas met haar lievelingsbloemen, die, hoewel verwelkt en dor, toch den keurvorst nog liever waren dan al de geurige bloemen van den lusttuin; want zij hadden geleefd toen Louise nog leefde, zij stonden daar als een symbool des doods, als een sprekend blad der herinnering!

Deze kamer der keurvorstin noemde hij zijn raadkamer, en als hij er uit terugkeerde, deelde hij zijn ministers en raadsheeren zijn besluit over ernstige politieke vraagstukken mede.

Tn de .„raadkamerquot; hoorde men hem dikwijls luid en levendig spreken, somwijlen ook weenen en jammeren. De keurvorst had, nu zijn gemalin niet meer in de kamer was, ter herinnering aan haar, haar levensgroot portret laten ophangen. Voor dit afbeeldsel stond hij menigmaal

ocr page 37

31

in diepu gedachten verzonken, eii zuchtend sprak hij dan: „Ach, Louise, waarum zijt ge van mij gegaan! Hoe zeer mis ik uw goeden raad!quot; ')

De geliefde doode had wel gelijk gehad, toen zij zeide, dat zij altijd bij hem zijn en hij altijd haar nabijheid gevoelen zou. Ja, hij voelde haar nabijheid, en als hij in de „raadkamerquot; kwam en zich nederzette op den leunstoel, die nu bij den divan stond, als hij dan de oogen sloot en zijne gemalin toesprak, meende hij, dat zij even als vroeger bij hem op den divan rustte, en als hij zweeg luisterde hij naar haar antwoord. Louise gaf dan ook antwoord, schoon dit niet hoorbaar werd vernomen, inwendig klonk haar stem in den diepsten grond van zijn hart.

Zoo was de winter verstreken en het was weder lente geworden; de aarde groeide en bloeide weder, en de zomer met zijn glans en bloemenpracht strooide op nieuw vroolijkheid en levenslust over de wereld uit. Misschien was er ook een droppel van in 't hart van den keurvorst gevallen, want zijn gelaat was nu minder treurig en zijn glimlach minder gedwongen.

't Was in 't begin der maand Juni, de sterfmaand van de keurvorstin Louise Henriette. De keurvorst wilde heden op reis gaan en de rijtuigen stonden voor het kasteel gereed; het aanzienlijk gevolg, dat den keurvorst zou begeleiden, was reeds bijeen en wachtte op Friedrich Wilhelm en zijne beide oudste zonen, die hun vader op zijn reis zouden vergezellen.

De keurvorst had zijn toilet voltooid, en de kamerdienaar had aangekondigd, dat alles gereed was. De keurvorst knikte.

„Zijn de prinsen reeds beneden?quot;

„Neen, keurvorstelijke doorluchtigheid, zij bevinden zich nog bij do landgravin van Hessen om afscheid te nemen.quot;

„Ga tot hen, Kunkel, en zeg, dat zij bij mij moeten komen en ik hen in do kamer van wijlen mevrouw de keurvorstin verwacht.quot;

De keurvorst begaf zich langzaam en peinzend naar de „raadkamer.' Zijn gelaat was somber en er zweefde een

1) Dit tooneel is, hoewel zeer gebrekkig, voorgesteld in den Berliner his-toriscb-genealogischen ïaschenkalender 1792.

ocr page 38

uitdrukking van verlegenheid op, toen hij zijn oogen vestigde op het afbeeldsel zijner gemalin, dat hem glimlachend aanzag.

„Louise,quot; zeide hij luid, „gij hebt het gewild. Ik heb in uw stervende hand moeten beloven te huwen vóór dat een jaar verstreken was, en ik vervul die belofte. Maar neen,quot; voer hij haastig voort, „ik wil niet voor u ook het kleinste gedeelte van mijn gevoelen verbergen, gij zult nederzien in de verborgenste plooien van mijn hart. Ach, Louise, gij, mijn engel, hoe goed kendet ge mij! Eerst nu begrijp ik de grootheid en heerlijkheid van uw gevoel! Gij wist, dat ik mij uit mijn eenzaamheid en verlatenheid wel zou willen redden door een tweede huwelijk, en gij wildet reeds vooraf mij van uw toestemming verzekeren, mij voor zelfverwijt en schaamte bewaren. Gij geboodt mij weder te huwen, omdat ge wist, dat ik dat doen zou. Zie, Louise, ik beken u de geheele waarheid: het is niet alleen om de gelofte te vervullen, welke ik u gedaan heb, maar ter wille van mij zeiven, dat ik dit tweede huwelijk sluit. Maar ik verzeker u, mijn har tekenster, het geschiedt niet uit ij delen levenslust en onedele wuftheid, maar ik doe het, omdat ik zoo naar een bevriende ziel verlang, naai een vertrouwde raadgeefster in al mijn zorgen en bekommeringen, naar een gezellin voor het dagelijksche leven, een gezelschap voor de uren van rust en uitspanning. Ik kan deze eenzaamheid niet dragen, ik moet een gezellin aan mijn zijde hebben, mijn hart heeft behoefte aan liefde, mijn geest is gezellig, ik heb toespraak, opbeuring en somwijlen zelfs verpleging noodig. Om al deze redenen ga ik tot een tweede huwelijk over en geef u, mijn geliefde, een opvolgster in mijn hart. Gij leeft en woont er eenig en alleen in, en ik zal aan mijn tweede gemalin geen geliefde hebben, maar slechts een vriendin. Er is op aarde niets, dat u kan vervangen, mijn Louise, en zoo er dit was, zou ik het niel willen zoeken.quot;

Hij zweeg en zag opmerkzaam en gespannen tot het beeld op, als luisterde hij naar een antwoord.

„Gij wilt weten, of uw opvolgster een goed en schoon hart heeft?quot; vroeg hij na een pauze. „Of zij voor uw kinderen een goede moeder zal zijn? Gij vraagt mij met uw liefelijken glimlach, of zij schoon is en van innemende gestalte, of ik haar daarom gekozen heb? Neen, mijn

ocr page 39

Louise, ik ken mevrouw de hertogin van Brunswijk-Lunen-burg volstrekt niet, en men heeft mij gezegd, dat zij geen bijzonder flink voorkomen heeft, ook is zij zoo jong niet meer, want zij telt reeds twee-en-dertig jaren. Maar men prijst haar als een deugdzame en verstandige dame, die mot haar een ten gemaal, den hertog van Brunswijk, twaalf jaren lang in een zeer'gelukkigen echt geleefd heeft. Zij is de weduwe van een man, dien zij bemind heeft, en zal derhalve niet begeeren, dat ik haar bemin, zooals ik u bemind heb, zij zal begrijpen en het eeren, dat ge nog altijd in mijn gedachten leeft en ik u nog altijd bemin Mijn zuster, Hedwig Sophie van Hessen, was de onderhandelaarster, die ons beiden bijeen gebracht beeft. De hertogin van Brunswijk is haar vriendin en zij heeft haar deugden en talenten zeer geprezen, en de verbintenis voorbereid. Het zal dan geschieden, mijn verheerlijkte engel, ik zal dan uw wil volbrengen; nog vóór het eerste jaar onzer scheiding is verloopen/zal een tweede keurvorstin van Brandenburg haar intocht in dit huis doen ! Maar niet in mijn hart, Louise, dat zal altijd hier tot u komen. In deze kamer, waar wij eens zoo gelukkig waren, zult gij met mij leven en ik zal uw raad inwinnen en mijn toevlucht bij u nemen in alle nooden des levens.''

Er werd aan de deur geklopt en de beide zonen van den keurvorst traden binnen. De keurvorst groette hen vriendelijk. Maar de knapen bleven schuw en angstig naast de deur staan. Het anders zoo levendige, fiere gelaat van den kroonprins Carl Emil zag verlegen, en het zachte, bleeke gelaat van prins Friedrich had een smartelijke, weenende uitdrukking.

De keurvorst zag en verstond dat. Langzaam keek hij weder naar Louises portret. Gij ziet het,quot; fluisterde hij zacht, ,,uw zonen maken mij stilzwijgende verwijten!quot;

„Kom hier, mijne kinderen,quot; zeide hij vervolgens met. goedhartige, liefdevolle stem, terwijl hij hun de handen toestak, „kom hier bij uwe ouders.quot;

Bedeesd en met gebogen hoofden naderden beide knapen den keurvorst en legden langzaam en aarzelend hun handen in de zijne.

„Waarom ziet ge mij niet aan?quot; vroeg de keurvorst. „Waarom ziet ge niet op tot uw moeder, die met zulk een vriendelijk, liefdevol gelaat op u nederziet?quot;

Mühltaoh, De groolc Keurvorst en zijn tijd. V. 3

ocr page 40

34

Bij deze vermatiing riclifteft tie prinsen hun hüofdëtt op en zagen naar hol portret Een donkere blos vloog over het gelaat van Garl Emil en zijn oogen vlamden van ontevredenheid en toorn. Een doodsche bleekheid overdekte eensklaps de wangen van prins Friedrich en zijn oogen vulden zich met tranen.

,Jk zie het wel,quot; zei Friedrich Wilhelm, met een lichten zucht, mevrouw uw tante, de landgravin van Hessen, heeft met u beiden over zeer ernstige zaken gesproken. Is het niet zoo, Carl Emil?quot;

„Ja,quot; antwoordde de prins zacht.

„Waarover heeft zij met u gesproken?quot; vroeg de keurvorst. „Nu, waarom zwijgt ge? Waarom spreekt ge nu niet, Garl Emil, daar ge anders zoo spraakzaam zijt en zelfs dingen zegt, welke gij beter deedt te zwijgen. Antwoord mij, wat heeft tante Hedwig Sophie u gezegd?quot;

„Zij heeft gezegd,quot; stamelde Garl Emil, „zij heeft gezegd, dat .... ach, genadige heer,quot; riep hij eensklaps met losbarstende heftigheid, „ik kan het niet vertellen.quot;

Het voorhoofd van den keurvorst bewolkte en een misnoegde blik trof het bewogen gelaat van den kroonprins. „Ge kunt het niet vertellen?quot; zeide hij scherp. Wij willen dan zien of uw broeder dit beter kan. Zeg mij eens, mijn kleine Friedrich, wat heeft tante mevrouw Hedwig Sophie u gezegd ?'

„Genadige heer vader,quot; antwoordde prins Friedrich zacht, „zij heeft gezegd, dat u zich — dat — dat wij een nieuwe moeder zullen krijgen,quot; riep de anders zoo zachtzinnige knaap, met heftigen stem, terwijl lang bedwongen tranen uit zijn oogen vielen.

„Maakt u dit zoo treurig?quot; zei de keurvorst. „Gij houdt het dan voor een groot ongeluk, dat ge een tweede moeder zult krijgen? Nu, mijn kinderen, antwoordt mij toch! Antwoordt uw ouders! Want gelooft, dat uw lieve moeder in dit uur bij ons is, dat haar zalige geest ons hoort en ziet, en dat zij verneemt, wat haar zonen thans tot hun vader zeggen zullen! In den naam uwer moeder gebied ik u, mij uw oprechte gedachten te zeggen en uw meening uit te spreken. Ik ben uw vader, die u hartelijk lief heeft, en er is mij veel aan gelegen, te weten hoe het in uw hart gesteld is. Antwoord mij, Garl Emil. Houdt gij het voor een ongeluk, dat ik u een tweede moeder wil geven?''

ocr page 41

85

De prins zag met toornigen blik op tot bet portret zijner moeder. Genadige heer vader,quot; zeide bij L een pauze, nu gij het beveelt, zal ik oprecht zeggen wat ik denk. Ik denk, dat het onmogelijk is ons een tweede

wm W i6 ^eveil-.[J fen tweede gemalin nemen, gij wilt bet land een tweede keurvorstin geven. Goed maar een tweede moeder kunt gij ons niet geven quot; ' „Niet? nep de keurvorst. „Waarom niet9quot; „Len tweede moeder is niet te gevenquot; zei de prins met koenen blik. Men heeft slechts ééne moeder enPdie geeft ns de lieve God. Een tweede moeder bestaat niet.quot; „Uat is waarlijk een zeer stout en vermetel antwoord quot;

T hoon^S0^quot; Tf moei'e.ziJn misnoegen bedwingende. ,,lk boop, dat mijn kleine Fnedrich er anders over denkt

mijn Zrn' -,houdt het 00k voor een on^ geluk, dat ik u een tweede moeder wil raven?quot;

e knaap biet zijn bedeesden blik langzaam tot bet be-

bad de ni d31 un ^ keurvorstoP. en zijn bleek gezicht had de uitdrukking van een ernstig, verstandig man

bespeur™611 bij Vrüe^rijPe' ziekelijke kinderen

hiiVS? ^nadige vader/' zeide hij met een kleine sierlijke 1 verheugt mij, dat ge weder trouwt en een tweede 8ernahn neemt, want tante beeft ons zoo even gezegd dat

Pn1^0^ /V611 ZA-er vervelend en eenzaam leven leidt, en dat het bovendien voor het land en den adel nood-

M ls'ldat er in t slot weereen keurvorstin komt, opdat boogstdezelve bij de boiïeesten kan verschijnen en de honneurs waarnemen. Zij heeft gezegd, dat zoodra het uwjaar ten einde is, uw doorluchtigheid aan de vorstelijke Personen, die hier komen, en aan den boogen adel feesten en partijen moet geven, en er dan ter wille der etiquette omL ter ontvangst der gasten moet zijn. Dit

weSJ!eb, ik ^gezien en begrepen en daarom verheugt iet mij,^ dat, m\)n vader een tweede gemalin gekozen heeft.quot;

„Maai met deze woorden hebt ge miin vraaer niet be antwoord,quot; zei de keurvorst scherp. „Ik heb u niet gevraagd nf feriquot; k6 ^oedheid hadt raijn hertrouwen te billijken, maar ■1V001 6611 ongeluk houdt, dat ik u een tweede moedei wil geven! Antwoord mij dus naar waarheid.quot;

Iin in S V0i0r ons broertje Ludwig zeker een geluk zoo hij een tweede moeder krijgt,quot; zei de prins zacht, „hij is

ocr page 42

HG

nog zoo klein, hij heeft nog zoo hoog een moeder noodig en liij kan de nieuwe mevrouw keurvorstin even lief hebben uls ware zij werkelijk zijne moeder, want hij heeft niet het geluk gehad, onze schoone, goede, lieve mama te kennen. Hij weet ook niet hoe lief men zijn eigenlijke moeder heeft, die men nooit kan vergeten, die nooit door een ander is te vergoeden.quot;

„Dat wil zeggen, dat ge mevrouw de keurvorstin niet als uw tweede moeder wilt aannemen?quot; vroeg de keurvorst heftig. „Het wil zeggen, dat mijn zonen, hoe jong m onervaren zij zijn, zich toch vermeten mij te weerstreven en een tartende, onbehoorlijke houding tegen mij aannemen. Ge zoudt zelfs wel in staat zijn er over te klagen, dat uw vader weer in 't huwelijk treedt en u een tweede moeder geeft?'

„Genadige vader,quot; riep prins Carl Emil heftig, „gij hebt ons veroorloofd, en zelfs bevolen, u te zeggen wat wij denken, en daarom wil ik ook doen, wat een gehoorzamen zoon betaamt, ik zeg uwe keurvorstelijke genade geeft ons geen tweede moeder, maar gij geeft ons een stiefmoeder, en hierover kunnen wij ons niet verblijden, want een stiefmoeder te hebben is een kwade zaak, en de stiefkinderen mogen God danken, zoo zij er het leven afbrengen en de stiefmoeder ze niet uit de voeten maakt.quot;

De keurvorst werd bleek, zijn oogen flikkerden en hij hief de hand dreigend tegen den vermetelen zoon op, die met zooveel stoutheid het waagde de zieke plek van zijn hart aan te raken.

„Ongelukkige knaap, wie heeft u deze gedachten ingegeven?quot; vroeg hij met luide, dreigende stem. „Wie heeft u geleerd zulke vermetele, onrechtvaardige woorden fo spreken?quot;

„Niemand, uw doorluchtigheid,quot; zei Carl Emil fier. Maar het staat in alle verhalen, die ik gelezen heb, dat een stiefmoeder haar stiefkinderen altijd haat en hen naar het leven staat, en daarom vrees ik voor een stiefmoeder en kan er mij niet over verheugen, dat onze genadige en lieve vader ons een stiefmoeder geeft.quot;

„En mij gaat het evenzoo uw doorluchtigheid,quot; zei prins Friedrich haastig. „Ik heb onze moeder, o, zoo innig lief gehad, en het maakt mij treurig, dat uw genade haar reeds vergeten heeft en weer hertrouwen wil, en . . .quot;

ocr page 43

„Stil!quot; riep de keurvorst met dunderende stem. „Gij zijt waarlijk twee stoute, ontaarde knapen, die verdienden, dat ik ze tuchtigde voor hun overmoed. Ge wilt u verstouten, uw vader te berispen, omdat hij weer in 't huwelijk treedt, gij verwijt mij zelfs, dat ik mijn dierbare gemalin, uwe lieve moeder, vergeten heb! Dwaze knapen, weet dan, dat uw moeder zelf mij op haar sterfbed bevolen heeft te hertrouwen, en dat, zoo ik thans tot een tweede huwelijk overga, dit geschiedt om den wil van uwe moeder te gehoorzamen. Om u dit te zeggen, riep ik u hier, en omdat ik te gelijkertijd uw hart en gedachten wilde leeren kennen, beval ik u mij onbewimpeld de waarheid te zeggen. Ik dacht niet, dat zulke slechte en weerspannige gedachten in u omgingen, ik dacht niet dat gij, onmondige knapen, u vermeten zoudt, de handelingen van uw vader te beoordeelen, maar verwachtte, dat ge u gedragen zoudt gelijk het goeden en gehooi-zamen zonen betaamt, dat ge u dankbaar zoudt betoonen voor de tweede moeder. In plaats hiervan vind ik twee opgewonden neuswijze jongens, die . . .quot;

„Genadige heer keurvorst,quot; riep achter de geslotén deur, die in den kleinen gang uitkwam, de stem 'van den heer Otto von Schwerin, „wilt ge mij veroorloven binnen te komen ?quot;

. 4

IV.

DE BRIEF EENER DOODE.

„Kom binnen,quot; gebood Friedrich Wilhelm, en terstond werd de deur geopend, en Otto von Schwerin, de tegenwoordige gouverneur der beide prinsen, trad binnen.

Hij was in plechtig, schitterend hofcostuum, zooals alleen bij hooge gelegenheden gedragen werd, in een met goud geborduurden rok met manchetten en jabot van zilverkant, met wit satijnen onderkleeding, wit zijden kousen en zijden schoenen, die met roode hakken en j uweelen gespen versierd wai en. Een groote allongepruik bedekte het hoofd, en om den arm droeg hij het rouwfloers, dat hij sedert den dood der keurvorstin Louise Henriette nog niet had

ocr page 44

38

afgelegd, en t welk ook tic prinsen nog om liun arm droegen. In zijn eene hand hield hij een met een groot zwart zegel voorzienen briefomslag, in de andere een ruud etui, dat men gewoonlijk ter bewaring van kostbare sieraden gebruikt.

Met langzame schreden, met plechtig gelaat naderde Otto von Schwerin den keurvorst, die hem verwonderd aanzag, en de beide prinsen, die ter zijde van hun vader stonden.

„Mijn lieve Schwerin,quot; vroeg de keurvorst, „wat is er? Wat brengt ge daar, en waarom verschijnt ge in zulk plechtig hofcostuum?quot;

„Genadige heer,quot; antwoordde Schwerin buigend, „ik kom heden tot uw genade als afgezant en heb mijn feestkleed aangetrokken, zooals bij een plechtige gelegenheid betaamt. Ik kom tot uw keurvorstelijko genade en de jonge prinsen als afgezant van mevrouw de keurvorstin.quot;

Van welke mevrouw de keurvorstin?quot; vroeg Friedricli Wilhelm verbaasd.

„Van mevrouw de keurvorstin Louise Henriette,quot; herhaalde Otto von Schwerin plechtig. „Zij is het, die mij tot u, heer keurvorst en tot u, mijn prinsen, zendt om haar laatste boodschap aan u over te brengen. De zorg voor haar geliefden heer gemaal en hare dierbare zonen vervulde de geheele ziel van mevrouw de keurvorstin tot het laatste oogenblik, en zelfs tot over het graf reikte de voorzorg der edele groothartige vrouw. Zij wist, dat uw doorluchtigheid hertrouwen zou nog vóór het eerste jaar na haar dood geeindigd was. Zij wist dit, omdat zij dit van uw doorluchtigheid in haar laatste uur begeerde, en zij verzekerd was, dat uw doorluchtigheid de belofte zou houden, welke gij haar op haar sterfbed gedaan hadt. In deze vooronderstelling riep mevrouw de keurvorstin mij tot zich daags vóór haar overlijden, en terwijl zij mij haar laatste beschikkingen mededeelde, beval zij mij, op den dag, dat uw doorluchtigheid op reis zou gaan om uw tweede huwelijk te voltrekken, in het uur van het vertrek tot u te gaan en in tegenwoordigheid der beide prinsen uw keurvorstelijke doorluchtigheid in de eerste plaats de geluk- en zegenwenschep van mevrouw de keurvorstin over te brengen.quot;

De keurvorst zuchtte diep en met bewogen gelaat hief hij zijn blik op tot het afbeeldsel der keurvorstin.

ocr page 45

«nij heden als Vf'i! I p ^ Zacllt' quot;uw ,iefde ./•Stih T e^n Güds en niaakt mijn liar! slil 4v,r :. ; dan^ u'. nilJi' geliefde, ik dank u!quot;

„ic.ii andoren, gmg Olio von Schweiin 'na een kortP

ulh11 m yö ' '/no?-t ik uw 'lt;eui'vorstelijke doorluchlidieid

hIS .0,S1,'ndleen' c'i momm iekemyorsZ SZe

rlenFiolle Jaal uw genade vmoeken het etui met yiin 4i^id fpVOOr UW 'quot;/^i^'ollrekkino aan uw doorluchtige ^en llS(L m?ldT ^''ieiidelijken gi-oet van uw over! quot;oelfuMd i 1 ^eüi'vorsteFtjke genade gelieve de Jnn / f J,ebigt;en5 dil kistje te openen en den nrinsen don inhoud er van te laten 'zien quot; 1

het liei hem quot;veihandigde etui en opende

Turkscbe mhifi™ e® etM m een ■,aa° lt;gt;oi l.a„Se,i van iVnf.^ tgt; J ' 1orngeven van groole, fonkelende hril-

Sn afgStó- blalt;l ^ quot;«»• ^

na^ he1t ^Ter en' ,iet handschrift .en £«4!^ 1 t rkfnnfquot;de' bracht hij hel aan zijn lippen S Wpif-J061!-188 hlJ: quot;MiJquot; huwelijksgeschenk voor sFV'erh'iph Vai1 veelgeliefden keurvorst

Vn^t lnn I f ,'quot;' Mop ZIJ gezegend zijn en den keur-riette quot; gelukkig maken als hij verdient. Louise Hen-

wi (^nk ik aank u'quot; zeide Fl'iedrich Wilhelm

cclei, tervyijl hij hel portret met een blik groette en

prhSfïeikte JUWeelkistje en het bIad I)aPier aai1 de hGid(i

ij d,e woorden, welke hun moeder had geschre-beschouwden het juweel, 't welk zij haar opvolg-^toi a's bruidgeschenk zond.

„Het zijn zeer fraaie brillanlen,quot; zei Carl Emil zacht.

„Het is een zeer kostpaar papier,quot; fluisterde prins Frie-

iicn, „want de woorden welke onze lieve moeder er op

geschreven heeft, zijn kostbaarder dan alle brillanlen ter wereld.

De keurvorst knikte en schoof het etui, na het papier er weder zorgvuldig in gesloken te hebben, in ziin wambuis, ' J

„Ten derden,quot; zei Olto van Schwerin, terwiil hii ziin land met den verzegelden brief aan beide prinsen toestak, „lieelt mevrouw de keurvorstin mij opgedragen aan de

ocr page 46

40

beide jonge prinsen in het um- voor 'l vertrek van hun lioogen heer vader om zich in liet huwelijk te begeven, dezen brief te overhandigen. Ik gsef hem u, prins Carl Emil, opdat gij de oudsle zijt, lees het opschrift, beschouw het zegel en geef dan den verzegelden brief aan prins Friedrich, opdat hij hetzelfde doe. Vervolgens, zoo luidt, het bevel van mevrouw de keurvorstin, moet prins Emil het zegel verbreken, en het daarin bevatte papier aan mij overhandigen; ik moet het iu tegenwoordigheid van mijnheer den keurvorsl den beiden prinsen voorlezen en het daarna den kroonprins Carl Emil als een laatste gedachtenis ter hand stellen. Doet zoo mijn prinsen, naar het bevel van mevrouw uwe moeder.quot;

•De beide prinsen deden wat hun gezegd was. Zij beschouwden het adres en het zegel, dat daarna door prins Carl Emil verbroken werd, waarna hij het papier uit den geopenden omslag nam en het openvouwde.

,,'tls schrift van onze lieve moeder,quot; lispelde hij, en er kwamen in de anders zoo vurige, tartende oogen van den knaap, tranen te voorschijn.

„Ja,quot; zeide Otto von Schwerin ernstig, „het is het schrift van mevrouw de keurvorstin en dit zijn de laatste regels, die zij op aarde geschreven heeft. Wilt ge mij veroorloven, mijnheer de keurvorst, deze regels voor te lezen?quot;

Friedrich Wilhelm wees met de hand naar het portret. „Zij heeft hier te gebieden, niet ik. Doe, zooals de keurvorstin u bevolen heeft. Op uw knieën, mijn kinderen, op uw knieën! Hoort met eerbied en deemoed de laatste woorden uwer moeder!quot;

De beide jongelieden zonken op de knieën, en met door tranen benevelde oogen zagen zij naar hun gouverneur, die met den brief in de hand tegenover hen stond. De keurvorst had de handen gevouwen, en zijn treurige, maar tevens teedere blik, was op het portret der keurvorstin gericht, wier laatste liefdesboodschap hij nu vernemen zou.

Otto von Schwerin las: „Mijn veelgeliefde kinderen! Gij, mijn Carl Emil, met het vurige hart en den sterken, trot-schen wil, gij, mijn Friedrich, met scherp verstand en het teedere hart, tot u beiden, mijn geliefde zonen, richt ik heden den groet mijner liefde! Opent uw harten en ontvangt hem in vrede, gehoorzaamheid en goedheid! Uw lieve vader zal

ocr page 47

41

voor de Iweedo maal in 't huwelijk treden. Dit is mijn laatste bede lol hem geweest, en ik weet, dal mijn veelgeliefde heer gemaal mijn wensch eeren en mijn laatste bede vervullen zal. Ik weet, dal hij huwen zal, wijl hij het mij be-loold hpelt, en hij zal beselVen, dat het noodzakelijk is voor hem, voor zijn land en voor zijne kinderen. Ik weet, dat uw edele en wijze vader als zijn tweede gemalin slechts een vrouw zal kiezen, die de hooge eer waardig is, welke hij haar bewijst, die voor God wandelt in deemoed en onderwerping, voor de menschen in deugd, zachtmoedigheid en goedheid. Derhalve vorder ik van u, mijn dierbare zonen, dnt gij de vrouw, die uw vader tot zijn gemalin verheft, beminnen en eeren zult, als ware zij uw^ rechtmatige moeder, dat gij haar gehoorzaam en onderdanig zult zijn en haar zult liefhebben. Wees niet verstoord, mijn Carl Emii, en verzet u niet tegen deze nieuwe liefde, denk niet, dat ge uw ontslapene moeder hierdoor een gedeelte uwer liefde onttrekt. Wees gij niet vreesachtig, mijn Friedrich, beschouw mevrouw de keurvorstin niet als een vreemde, wees tegenover haar niet angstig, en gedraag u tegenover haar niet stijf, zooals ge wel doet als ge u inwendig beklemd en angstig gevoelt. Neen, mijn kinderen, opent uw harten met blijmoedige liefde voor uw vader in zijn trouw jegens mij, in zijn teederheid jegens u. Weesl voor uwe nieuwe moeder teeder en vertrouwelijk geloof dan zeker, dat zij dat beantwoord, dat zij in waarheid voor u een tweede moeder en van mij een geliefde, gezegende opvolgster zal zijn! Bemint elkander, mijn kinderen, bemint, eert en gehoorzaamt uw dierbaren vader, die het geluk van mijn geheele leven is geweest, eert, gehoorzaamt en bemint uw beide moeders, haar, die de lieve heer keurvorst tot zijn tweede gemalin verheven heefl, en haar, die de lieve heer God lot zich in den hemel heeft opgenomen, opdat zij voor u bidde en zich in uw geluk verheuge. Weest immer indachtig, dat ik bij u ben, dat ik u met liefdevolle en zorgzame oogen bewaak en dat ge mij bedroeft, zoo ge uw tweede moeder niet zoo teeder en eerbiedig bemint als gij uw eerste moeder Louise Ilenriette bemind hebt.quot;

Lang was het stil in de kamer, nadat Schwerin had gelezen. Slechts het zachie snikken der knapen, en de zware zuchten van den keurvorst braken deze stilte af.

ocr page 48

42

Eindelijk wendde de keurvorst zich tot zijne zonen en breidde zijne armen naar hen uit. „O mijn zonen,quot; riep hij met bewogen stem, „komt aan mijn hart, geliefde kinderen mijner Louise.quot;

De beide knapen richtten zich op en wierpen zich luid. snikkend aan de borst van hun vader.

„Vergeving, mijn vader, vergeving,quot; (luisterde Carl Emil, terwijl hij zijn arm vast om den hals zijns vaders sloeg. „Ik was trotsch en onaardig, maar ik wil mij boteren en beloof, dat ik de nieuwe keurvorstin als mijn tweede moeder beminnen wil.quot;

„Wees niet boos op mij, mijn goede, lieve vader,quot; bad prins Friedrich, de band van den keurvorst aan zijn lippen drukkende. „Ik had groot ongelijk te zeggen, dat alleen onze kleine broeder Ludwig een tweede moeder noodig heeft. Wij beiden hebben haar ook zeer noodig en daarom dank ik mijn lieven vader, dat hij zou genadig is ons een tweede moeder te geven; daarom wil ik haar , beminnen en gehoorzaam zijn, zooals het een goeden en dankbaren zoon betaamt.quot;

De keurvorst antwoordde niet. Hij legde zegenend zijne handen op de hoofden zijner kinderen en boog zijn hoofd over deze handen.

Otto von Schwerin stond hierbij, zacht biddende, en van den wand zag het liefelijke, zachte gelaat der keurvorstin Louise Henriette op de teedere groep van vader en kinderen neder.quot;

Na een lange pauze sloeg de keurvorst zijne oogen weder op, nam beurtelings het hoofd van elk der beide knapen tus-schen zijn handen, aanschouwde ze met teederen liefderijken blik en drukte op hun voorhoofd een langen, innigen kus.

„Dezen kus geef ik u van vader en moeder,'' zeide hij en ik beloof u, dat ik u steeds van ganscher harte beminnen en mij niet van u afwenden zal. Gaat nu mijne kinderen, keert nu naar uwe kamers terug. Ik zal u door mijnheer von Schwerin mijn boodschap zenden.quot;

De prinsen kusten eerbiedig zijne handen en verlieten toen zacht en haastig de kamer.

„Schwerin,quot; zei de keurvorst, hen naziende, „was u de inhoud van dezen brief bekend?quot;

„Ja, doorluchtigheid. Mevrouw de keurvorstin had mij den brief laten lezen, vóór zij hem verzegelde.quot;

ocr page 49

43

,,En ge hebt mij hiervan niets gezegd? Gij hadt mij toch hierdoor een smartelijk en onaangenaam tooneel kunnen besparen, want de beide knapen waren zeer weerspannig en tartend, en wilden volstrekt geen tweede moeder erkennen.quot;

„Het was goed, dat zij voor nw doorluchtigheid hun harten in waarheid en oprechtheid openden,quot; antwoordde Schwerin zacht. Thans zal het berouw over hun onbeta-melijk gedrag hen des te zachtmoediger en volgzamer maken en hun trots zal gebroken zijn. Een driftig hart moet eerst uitwoeden, opdat het zich dan voor de lielde onlsluite en prins Carl Ernil heelt een driftig gemoed. En een bedeesd hart, gelijk prins Friedricli heelt, moet eerst zich zelf overwonnen hebben om zich in waarheid op te richten om kracht en sterkte te krijgen. Gij, heer keurvorst, hebt met uw gerechten toorn deze harten geschokt en de teedere, liefderijke woorden der verheerlijkte moeder hebben ze geopend, opdat de liefde er haar intocht in doe. God geve, dat de toekomstige mevrouwe keurvorstin de beide prinsen moge beminnen en voor hen werkelijk een tweede moeder zij.quot;

„Ik ben overtuigd, dat het zoo zijn zal,quot; zei de keurvorst ernstig. „U, trouwe vriend mijner Louise, stel ik als wachter en vriend tusschen mijne kinderen en mijn tweede gemalin. Houd uw oogen open, duld nimmer, dat mijne zonen onrecht geschiede, maar duld ook niet, dat zij onrecht doen. Zoo ge van een of andere zijde te klagen hebt, kom dan tot mij en ik zal als een rechtvaardig en onpartijdig rechter beslissen. Hierop geef ik u mijn woord en mijn hand.quot;

^En ik neem beiden aan in naam der zalige keurvorstin,quot; zei Schwerin, terwijl bij de hand van den keurvorst vast in de zijne drukte. Moge God het verhoeden, dat ik ooit gedwongen worde op deze wijze klachten bij u in te brengen.quot;

^Dat geve God!quot; zeide de keurvorst. „Maar nu nog iets, Schwerin. Het komt mij naar mijn eigen gevoel voor, dat het niet goed is de beide knapen mede te nemen naar de huwelijksvoltrekking en ze die te laten bijwonen. Ik weet zelf niet waarom, maar ik zou niet gaarne tegenover mijn kinderen als bruidegom naast een andere vrouw voor het altaar staan. Ik ben hun vader en slechts als zoodaning moeten zij mij zien, en niet als een man, die liefde belooft en trouw zweert. Het is beter, dat mijn zonen te huis

ocr page 50

44

blijven, en als ik met mevrouw de keurvorstin hier kom, is het een gedane zaak en de prinsen zuilen ze als zoodanig aannemen. Ge rnoogt ons dan met hen en de andere edellieden van het hof een eindweegs te gemoet rijden, opdat de begroeting eenvoudig en zonder ceremoniël plaats hebbe, en er geen feestelijke plechtigheid van gemaakt worde.quot;

„Ik dank uw doorluchtigheid voor deze regeling,quot; antwoordde Otto von Schwerin buigende. „Het kiesche, teergevoelige hart uwer doorluchtigheid heeft zekerlijk hier het rechte spoor getroffen en uw genade en de jonge prinsen worden zeer moeilijke en lastige oogenblikken bespaard. Als uw doorluchtigheid hel echter veroorlooft, zullen wij bij de terugkomst het keurvorstelijk paar tot Stegelitz tegemoet rijden.quot;

„Goed,quot; zeide de keurvorst. Ga nu naar de prinsen en zeg hun mijn besluit. Zij zullen echter niet meer beneden komen om afscheid te nemen, want wij hebben hier het beste afscheid van elkander genomen. Adieu Schwerin, tot wederziens!quot;

„En nu,quot; fluisterde de keurvorst,- toen hij alleen was, „nu moet ik ook van u afscheid nemen, mijn Louise, ik moet gaan, om uw wil te doen en u een opvolgster te geven. Maar ik keer weer tot u terug, mijn verheerlijkte engel, en als ik hier bij u ben en den vrede uwer onzichtbare nabijheid gevoel, zal het zijn gelijk ge mij gezegd hebt in de ure van uw sterven: „Ge blijft toch de mijne in eeuwigheid, nooit kan zich een andere vrouw tusschen u en mijne herinneringen dringen.quot;

V.

DE HERTOGIN DOROTHEA VAN RR UNS WIJK.

Het toilet was afgeloopen, de kameniers hadden zich verwijderd en de hertogin Dorothea van Brunswijk was nu alleen met haar zuster Zij had, terwijl de vrouwen haar kapten en kleedden, geen enkelen blik in de spiegel geslagen, en met onverschillige oogen had zij de kostbare robe van zilverlaken met de Alengonsche gouden kant, den

ocr page 51

45

langen sluier van Alengonsche kant, en al de andere heerlijkheden van haar toilet beschouwd.

Toen de vrouwen haar verlaten hadden, ging de hertogin met haastige schreden naar den grooten staanden spiegel, en haar kleine grijze oogen zagen met een zonderlinge, half spottende, half boosaardige uitdrukking, op haar eigon gestalte in den spiegel neder.

„Nu, zuster?quot; vroeg de prinses Sophie van Holstein, die insgelijks in feestelijk toilet, achter haar stond en over den schouder der hertogin in den spiegel zag. „Watzegt ge van deze prachtige verschijning? Ik hoop, dat ge tevreden zijt met de van briilanten fonkelende dame, welke zich in den spiegel vertoont ?quot;

De hertogin keerde zich haastig met een toornige uitdrukking tot haar om. „Wilt ge mij bespotten, Sophie?quot; vroeg zij met harde, snijdende stem.

„U bespotten, Dorothea? Ge weet wel, dat dit verre van mij is en ik u van ganscher harte liefheb.quot;

„Dat weet ik, en toch bespot gij mij. Of meent ge soms in ernst, zuster, dat ik zoo blind of zoo dwaas ben mij voor schoon te houden en mij in ernst over dezen belache-lijken opschik van mijn leelijk persoon te verheugen?quot;

„Maar Dorothea,quot; zei de prinses verward, hoe kunt ge toch dit wonderschoon toilet een belachelijken opschik noemen, en van u als van een leelijk persoon spreken.quot;

„Ben ik niet leelijk?quot; vroeg zij met een ruwen lach, „en is dit fraaie toilet, omdat het op mijn breede, knokige figuur zit, daardoor niet een belachelijke opschik geworden ? Zie, zilverlaken en gouden kant en doorschijnende sluiers passen niet voor een vogelverschrikker, en de briilanten komen zeer leelijk uit op de gele huid van mijn hals en op mijn magere armen.quot;

„Dorothea, nu overdrijft ge en zijt boosaardig jegens u zei ven.quot;

„Ben ik dat ?quot; vroeg zij spottend. „Moet ik mij vleien, moet ik zelf vinden, dat de krans van witte rozen, dien ge mij op het hoofd hebt gedrukt, goed staat bij mijn zemelblond baar en mijn aschklenrig voorhoofd. Wat beteekent deze krans van witte rozen? Ge hebt hem mij gegeven in plaats van de myrtenkroon, welke ik niet dragen mag, omdat ik een weduwe ben ! Waarom moet ik dat als een uithangbord op mijn voorhoofd aankondigen ? Een zonder-

ocr page 52

4(5

linge bruid voorwaar, die haar bruidegom slechts de witte rozen van haar weduwschap brengt en zich er nog op verheft!quot;

„De keurvorst is immers ook weduwnaar, Dorothea,quot; merkte haar zuster schuchter op. „Hij kan er u geen verwijt van maken, dat ge reeds vóór hem aan een anderen man hebt behoord, want hij behoorde immers aan een andere vrouw, en dit moet den keurvorst van Brandenburg toch zoo erg niet voorkomen,quot; voegde zij er glimlachend bij, „want hij heeft u uit vrijen wil gekozen, hoewel hij wist, dat 'ge een weduwe waart.quot;

„Dwaasheid, Sophie! Een man behoort nooit aan eene vrouw, maar altijd aan zichzelven ! Hij mag tienmaal getrouwd zijn geweest, hij blijft toch altijd zichzelf, en zijn hart beschouwt iedere nieuwe betrekking als eene eerste. Maar eene vrouw, die twaalf jaren gehuwd is geweest, daarna weduwe wordt en vervolgens weder bruid, is een onding, een belachelijkheid I Het is of men een ontbladerde bloemstengel als een fraaie roos prijst, alsof men een kaars voor een zon wil verklaren. Overigens heeft de keurvorst mij gekozen, omdat hij elders afgewezen was! De prinsen Elisabeth Charlotte van de Paltz heeft hem bedankt. Ik weet dit zeer nauwkeurig, mevrouw de landgravin van Hessen, mijn dierbare vriendin, heeft de teedere oplettendheid gehad mij dit te verhalen. De prinses van de Paltz heeft gezegd, dat zij niet kon besluiten de stiefmoeder van drie prinsen te werden, van welke de oudste niet veel jonger was dan zij zelve. Eerst na dit antwoord, liet de keurvorst zich door mevrouw zijne zuster overreden, aanzoek om mij te doen en mij zijn hand aan te bieden. Ik nam bet aanzoek aan, want ik verveelde mij in mijn eenzamen weduwstaat en was het moede mij in het kleine landstadje Lunenburg te begraven en er de „hertogin-weduwequot; genoemd te worden. Het kwam mij voor of ik in een gevangenis was, ik verlangde naar vrijheid, leven, glans, macht en roem. Ik ben niet schoon, niet jong, niet rijk, maar ik gevoel mij toch nog te goed om mijn leven in duisternis en weduwschap te laten verkwijnen ; ik voel mij gedrongen tot werken en stol mij groote doeleinden voor, waarnaar ik met kracht en energie wil streven! Daarom nam ik het aanzoek van den keurvorst aan en besloot zijn gemalin te worden.quot;

ocr page 53

47

„Waarlijk, eeti moeilijk besluit!quot; zei prinses Sophie, de 'schouders ophalende. „Velen zouden 't gaarne gedaan hebben, en zullen u benijden!quot;

„Ge ziet wel, dat dit niet zoo is, want de prinses van de Paltz heelt het niet benijdenswaardig gevonden.quot;

„De keurvorst is een uitstekend vorst, zijn roem klinkt door geheel Europa, en men noemt hem niet alleen een groot veldheer, een groot staatsman, maar ook een man van karakter. Men prijst zijn verstand, zijn goedheid, zijn geest, men voorspelt hem nog een groote toekomst, hoewel hij reeds een grootsch verleden achter zich heeft. De gansche wereld acht u gelukkig dat ge zijn gemalin wordt, spreekt er van hoe gelukkig zijn eerste gemalin met hem geleefd heelt en welk een teeder en trouw echtgenoot hij voor haar tot haar dood geweest is.quot;

„Des te erger voor mij,quot; zei de hertogin de schouders ophalende. „Hij heeft zijn gemalin, die schoon en beminnelijk was, te zeer bemind dan dat zijn tweede gemalin, die leelijk en niet beminnelijk is, hem dat vergoeden kan.quot;

„Dorothea, ge lastert u zelve!''

„Neen, ik laster mij niet, maar ik ken mij zelve en voed geen illusien. Ik weet, dat ik er niet voor geschapen ben om bemind te worden.quot;

„Ziet ge nu, dat ge u lastert?quot; riep de prinses. „Heeft dan uw gemaal, met wien ge twaalf jaren in zulk een gelukkigen echt hebt geleefd, u niet bemind?quot;

„Neen,quot; zei de hertogin treurig, „hij heeft mij niet bemind. Zie mij niet zoo verwonderd aan, Sophie. Het is een geheim, dat tot hiertoe niet over mijn lippen is gekomen, omdat het mij te zeer vernederde, te zeer beschaamde. 't Was een open wonde, die mij altijd kwelde. Thans, nu ik weder in den echt zal treden, nu degene die mij zoo diep gewond heeft, dood is, in het uur, dat ik voor het laatst in mijn verleden zie, kan ik u de wonde laten zien en met u spreken van de doorgestane pijnen. Neen, de hertog van Brunswijk heeft mij nooit bemind, hij huwde mij op bevel van zijn vader, maar op den dag van onze echtverbintenis, toen wij, na de huwelijksplechtigheid en de feestelijkheden van den dag, ons in onze vertrekken hadden teruggetrokken, verklaarde hij mij, dathij een andere vrouw beminde, dat hij met haar reeds vóór drie jaren

ocr page 54

48

een morganatisch huwelijk had gesloten, dat zij hern twee kinderen had geschonken, die hij teeder beminde, en dat hij een ongelukkig man zou zijn, zoo ik van hem vorderde van deze vrouw af te zien.

„Arme Dorothea,quot; zuchtte haar zuster, „hoe moet go toen geleden hebben.quot;

„Ja, het was een vreeselijk uur, te vreeselijker, daar ik niet mocht laten vermoeden wat ik leed. Want, Sophie, 'tis ontzettend het te zeggen, ik had mij over mijn huwelijk met den toenmaligen prins van Brunswijk verheugd, en was bereid geweest hem geheel mijn hart te geven, maar hij versmaadde mij en bood mij zijn vriendschap, terwijl ik smachtte door hem bemind te worden. Ik had den moed mijn smart onder een glimlach te verbergen, kalm en gelaten te schijnen, terwijl ik beefde van toorn en verontwaardiging. Ik zeide den prins, dat ook ik hem niet beminde, dat ook ik gedwongen was om hem te huwen, dat ik volstrekt geen aanspraak op hem maakte en hern volkomen vrijheid gaf een andere te beminnen, een andere naast zijn gemalin zijn vrouw te noemen en voor haar kinderen een vader te zijn. Ik veroorloofde hem met volkomen gelatenheid alles zoo te laten, niets in zijn betrekkingen te veranderen en begeerde slechts, dat zijn morganatisch huwelijk steeds een geheim bleef, dat hij ook niet zou openbaren, als zijn vader gestorven en hij onbeperkt regeerend heer was geworden. Hij beloofde 'tmij, zonk voor mij op zijn knieën neder en met tranen dankte hij mij voor mijn edelmoedigheid. Ik had op dit oogenblik een gevoel, of ik hem verworgen moest met mijn handen, die zich krampachtig balden; ik gevoelde, dat de toorn in mijn oogen vlamde, en dat verwenschingen tegen de vrouw, welke hij beminde, mij op de lippen kwamen, maar ik bedwong mij met geweld, hij zag niets! Hij lag op zijn knieën, had zijn hoofd op mijn voeten gebogen, weende vftn vreugde en aandoening en zwoer mij eeuwige dankbaarheid, eeuwige vriendschap! Ik boog mij tot hem, hief hem op, vond de kracht veel hoogdravende en grootmoedige woorden te spreken, die den prins verrukten en bewonderden. Toen noodigde ik zelf hem uit, om zich naar zijn vrouw te begeven, die hem natuurlijk met angst en verlangen wachtte. Hij ging en zonder door de hovelingen bemerkt te worden, vertrok hij door een geheime deur, welke

ocr page 55

49

hij tot dat doel had laten aanbrengen, en die langs een onderaardschen gang uit het slot naar de villa voerde waar zij woonde! Zij, die mij zijn liefde ontstolen, mij tot een treurig, liefdeloos leven veroordeeld had. Ik was alleen! O, welk een nacht was dat! Welke smarten doorwoelden mijn hoofd! Nog huiver ik, als ik er aan denk. Mijn ziel werd in dien nacht in de vlammen van het vagevuur gelouterd, doch vond er geen paradijs, geen zaligheid, maar een woestenij, in wier midden zich een donkere tempel verhief, de tempel der onderwerping. Ik ontving dien nacht de wijding als priesteres dezer koude, vreugdelooze godin met de doiïe oogen en de dunne bloede-looze lippen, die nooit door kussen verwarmd worden. Het was een wijding waarbij de haat en de toorn mijn bruidgeleiders waren, en aan de nieuwe priesteres der onderwerping hun zegen gaven; waarbij de geveinsdheid mij den sluier en den hootdband der priesteres reikte. Van dezen dag af werd ik een andere, en ik moet u bekennen, geen betere! Mijn leven was een aanhoudende geveinsdheid, een enkele leugen! Ik heette de gemalin van den schoonen prins van Brunswijk; wij leefden voor de menschen in innige, teedere gemeenschap, de geheele wereld prees ons gelukkig huwelijk, iedereen beklaagde het, dat deze echt niet met kinderen was gezegend! En ik glimlachte bij al deze dingen, verried mij nooit door een klacht. Daar hij mij niet beminde, zou hij mij ten minste bewonderen, zich met eerbied voor mij buigen. Ik speelde deze ellendige comedie al de jaren door, moedig en dapper, zonder een enkelen keer uit mijn rol te treden. Maar mij zelve heb ik toch nooit bedrogen en nooit is 't mij willen gelukken den schijn voor de waarheid te nemen. Ik wilde immers zoo gaarne verstandig, zoo gaarne geduldig worden! Ik beschouwde roij dagelijks in den spiegel en zeide tot mij zeiven: Ge zijt leelijk, ge zijt onbevallig. Ge zijt onbeminnelijk! Berust hierin! Wees tevreden met hetgeen hij ubiedt, neem zijn vriendschap aan! Maar als ik dat zeide kwam mijn hart daartegen in opstand en ik lachte over mij zelve! Vriendschap, als een gloeiend vrouwenhart naar lietde smacht, vriendschap met een kouden handdruk, een, welwillend glimlachje, als de armen zich uitbreiden tot een gloeiende omhelzing, de lippen verlangen naar Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. V. 4

ocr page 56

50

den kus der teederheid! O, begrijpt ge dezen smaad, deze kwelling, liefde aan te bieden uit een gloeiend en hartstochtelijk hart en daarvoor vriendschap te ontvangen uit een welwillende, vroolijke, kalme ziel!quot;

En terwijl de hertogin zco sprak sprong zij van den armstoel op en ging met driftige schreden in de kamer op en neder. Het zware goudlakensche kleed met den langen sleep ruischte achter haar, vulde zich nu op als een wolk, zonk dan neder en kronkelde en kroop achter haar als een glibberige adder. Haar kleine oogen glinsterden van een heilloos vuur, haar breede neusvleugels trilden, haar dikke, purperroode lippen openden zich tot een kreet van toorn en lieten twee rijen schitterende, onberispelijke tanden zien, haar anders bleeke wangen gloeiden en over haar voorhoofd trokken donkere onweerswolken. Zij was in dit oogenblik schoon, niet als een engel, maar als een demon; het was een diabolische schoonheid die van haar aangezicht schitterde en het met wonderbare bekoorlijkheid omgaf.

Zij wist er niets van, zij had zich zelf nooit gezien in zulk een opgewonden toestand. Na vele jaren van zwijgen en huichelen veroorloofde zij zich heden voor het eerst te spreken, en gunde een bevriende ziel een kijkje in haar hart.

„Begrijpt ge, Sophie,quot; riep zij met snijdende, trillende, stem, „twaalf lange jaren een lam le schijnen, en een tijgerin te zijn een glimlach op de lippen te houden, als ze heimelijk vloeken en beven, een zachte vriendin te schijnen, als men gloeit van haat en toorn, schijnbaar geen wenschen, geen verlangens te kennen, als de vlammen der jaloezie in het versmade, verachte hart wonen? Neen, gij begrijpt dat niet, en het is te hopen, dat ge het nooit leert hegrijpen! Men moet die folteringen gevoeld hebben om ze te begrijpen. Ik heb ze gevoeld ! De helsche vlammen hebben twaalf jaren lang in mijn hart gebrand, maar ik zeg het nog eens, zij hebben mijn hart versteend, mijn ziel in een ijzeren harnas gesmeed, zoodat het gevoelloos is geworden voor het lijden der menschen, verhard tegen medelijden en ontferming. Ach, mijn zuster, ge moet mij niet beminnen, geen deelneming voor mij gevoelen, want ik verdien het niet. Ik bemin niemand, ik stel in niemand belang, ik ben bereid alles op te olferen, alles te vernie-

ocr page 57

El

tigen, als het tot mija voordeel, tot mij q vreugd noodig is.'' „Dat is niet waar, het is wederom laster,quot; riep de prinses glimlachend. „Zoo ge wezenlijk zoo koel en hard waart als ge zegt, zou uw hart zich niet zoo vertrouwelijk voor mij openen, gij zoudt de rol eener zachte, vriendelijke heldin der deugd voor de geheele wereld, ook voor uw zuster voortgespeeld hebben, en volstrekt geen behoefte aan mededeeling gevoelen.quot;

„Weet gij niet, dat, als het vuur vele eeuwen heimelijk het binnenste eener rots doorwoeld en doorgloeid heeft, het dan op oen dag in laaie vlammen uitslaat, de rotsen doorbreekt en zich majestueus verheft? Ik ben zulk een vuurspuwende rots, ik moest ook eens uitbarsten, anders was ik vergaan en verstikt door mijn eigen vlammen. Maar wacht! straks zal het vuur uitdooven, de krater zich weder sluiten en het zal weer een koude, harde rots zijn. Het is niet mijn schuld, ik heb mij niet gemaakt tot hetgeen ik ben. Mijn lot heeft dit gedaan, moge het de verantwoording op zich nemen! Mijn overleden gemaal heeft het gedaan, moge hij rekenschap geven voor Gods troon, voor bet hart eener vrouw, dat hij vernietigd, verhard en bedorven heeft. Ik heb een gelukkig huwelijk gehad, zeggen de wijze menschen, en daarom heeft de keurvorst mij gekozen. Hij wil in dit geluk de opvolger van den hertog worden, Is het niet om te lachen, gelijk de demons lachen? Is het niet om te weenen, gelijk de engelen weenen over gevallen zielen? Men kiest mij, omdat ik twaalf jaren een gelukkig huwelijk heb geleid? Mij, die twaalf jaren lang mijn nachten eerst in tranen en smart, vervolgens in loorn en ver-wenschingen heb doorgebracht, mij, die twaalf jaren lang in geveinsdheid en gekunstelde zachtmoedigheid als tooneelspeelster de deugdzame rol der ontbering heb gespeeld? Maar ik wil u iets zeggen, zuster. Ik heb thans mijzelven den plechtigen eed gedaan, en de demons hebben hem gehoord, den eed; ik wil gelukkig worden! Ik wil niet meer berusten; ik wil genieten, ik wil leven, Ik wil, o, lach niet zuster, ik wil bemind^worden fquot;

„Ik lach volstrekt niet, Dorothea,quot; zei de prinses zacht, „het verheugt mij, dat ge in weerwil van al de beschuldigingen, welke ge u zelve doet, nog gevoelt als een vrouw, dat gij liefde verlangt en een hart, dat u verstaat, begrijpt!quot;

ocr page 58

52

Nu was het Dorothea die honend en spottend lachte, maar terwijl zij dit deed, overstroomden tranen haar aangezicht, alsof zij er het masker van onverschilligheid en van hardheid wilde afwasschen, om het weeke, van smart trillende vrouwengelaat zichtbaar te laten worden.

„O, als ik dat hart vond,quot; fluisterde zij droomend met weeke bevende stem, „als het mogelijk was, dat ik aan de hand der liefde uit mijn inwendige woestijn in den kring van het bloeiende leven trad, als de jaren van eenzaamheid, van vreeselijke verlatenheid nu voorbij waren en ik een man vond, die mij beminnen wilde! O hoe heerlijk!'' riep zij juichend, terwijl zij haar armen uitbreidde, „o hoe gloeiend zou ik hem beminnen. Een wereld van liefde, van zaligheid, van bedwelmende weelde zou ik hem willen openen, zooals hij nooit in zijne droomen vermoed heeft, een god zou ik maken uit een mensch, want hij zou van een demon een engel hebben gemaakt! Geef mij den man, die mijn hart aannemen, het beprijpen en verstaan wil, en ik zal hem danken met eon liefde, die als de bron van eeuwige jeugd, de krater van een eeuwig vuur geheel zijn wezen herscheppen en hernieuwen zal! Laat dezen man Friedrich Wilhelm zijn, mijn toekomstige gemaal! Veroordeel mij niet tot nieuwe ontbering, tot nieuwe huichelarij en koelheid. O God, ik heb vaak in diepe droefheid tot u gesmeekt, ik heb vaak in waanzinnige vertwijfeling verwenschingefi en lasteringen geuit. Nu bid ik u in deemoed en barouw, vergeef mij, heb medelijden met mij! Sla uw oogen op mij en hem, want uwe oogen zijn liefde! Laat een uwer stralen in zijn hart nederdalen en het doen gloeien voor deze arme vrouw, die nooit bemind is geworden en smacht naar het groot en heilig gevoel, dat van de menschen een god of een duivel maakt! Laat mij niet verloren gaan, niet aan den duivel vervallen, en dit zou gebeuren, zoo mijn gemaal mij niet bemint, zoo . . . Maar welke dwaze jammerklachten zijn dit,quot; viel zij zich zelf in de rede, terwijl zij het hoofd levendig achterover wierp en de tranen afwischte. „Hoe kom ik er toe! Ik behoef niet te jammeren, om ook anderen weemoedig te maken. Daar ligt mijn zuster op de knieën, alsof wij in de kerk waren, en ik geloof zelfs, dat zij weent. Toch niet om mij, wil ik hopen, want dat zou mij beleedigen. Ik duld geen tranen van medelijden.

ocr page 59

Ik wil ook niet beklaagd worden. Waarom? Ik ben de bruid van den keurvorst Friedrich Wilhelm van Brandenburg, ik zal een machtige en gevierde vorstin worden. Sta op, Sophie, droog uwe tranen, opdat niemand zie, dat ge geweend hebt, want er is immers slechts reden tot vreugd, en mijn aanstaande heer gemaal zou 'tzeer kwalijk nemen, zoo wij hem geen vroolijke gezichten toonden.quot;

„Ik heb voor u gebeden, Dorothea,quot; zei de prinses zacht, terwijl zij zich langzaam oprichtte, „ik heb God gesmeekt, dat hij barmhartig zij en u de liefde laat vinden, die u den hemel opent en uw hart goed en zachtmoedig maakt.quot;

De hertogin lachte. ,,En als die bede niet wordt verhoort,quot; riep zij spottend, „zal 'took geen groot verlies zijn en ik zal er mij ook over weten te troosten! Maar dit staat vast bij mij; ik wil gelukkig zijn! Hoe ik het worden zal, weet ik niet! Maar strijden wil ik om geluk, al moest ik den kamp tegen den keurvorst zeiven opnemen! — Hij blijft zeer lang, de heer bruidegom! Zijn bruid verwacht hem reeds sedert een uur in vollen bruidstooi, en de bruidegom is er nog niet!quot;

„'t Is uw schuld, Dorothea! Welk een zonderling idee was 'took, toen ge begeerdet, dat de keurvorst niet voor het huwelijk hier te Groningen zou komen en u voor het huwelijk geen bezoek zou brengen. Het was toch aanvankelijk anders besloten, en ge hadt er in bewilligd, dat de keurvorst ons van Osterwiek zou afhalen, ons naar Groningen zou voeren, en dat hier den volgenden dag de trouwplechtigheid zou plaats hebben. Welke gril was het nu van u, toen ge eergisteren plotseling anders besloot en een koerier naar Maagdenburg zondt, die den keurvorst meldde, dat ge liever geheel onopgemerkt in stilte met uw zuster hier naar Groningen wildet rijden, en den heer keurvorst verzocht eerst op den huwelijksdag hier te komen, om u eerst op te zoeken als hij u naar het huwelijksaltaar voeren wilde? Het is nu toch het uur der ophelderingen; dus bid ik u, mij daarvan de rede te zeggen.quot;

.,Ik had er velerlei redenen voor. Ten eerste dacht ik aan het treurig lot van prinses Anna van Kleef, welke koning Hendrik VIH van Engeland tot zijn gemalin koos, en met wie hij weigerde te huwen, daar hij haar vóór het huwelijk gezien had, om haar leelijk gelaat. Ik ben

ocr page 60

54

waarlijk leelijk genoeg een dergelijk lot te verwachten, maar eerzuchtig genoeg, om er mij voor te bevrijden. Ten tweede was er mij veel aan gelegen den keurvorst te beproeven en te zien of hij goedhartig en groot genoeg is om vrouwengrillen te verdragen en er zich naar te schikken. Ik wilde hem reeds vóór het huwelijk een kleinen voorsmaak mijner grillen geven, want nadenken en opmerken hebben mij geleerd, dat de vrouwen de mannen het best en zekerst door hun grillen beheerschen. Ten derde, was het voor mij niet aangenaam als bruid op te treden voor de zonen van mijn aanstaanden gemaal. ■ Deze zonen vind ik geen zeer welkome huwelijksgift, en ik ga hen gaarne, zoo lang ik kan, uit den weg. Nu weet ge mijn beweegredenen en — Hoort ge 't geratel van rijtuigen, het getrappel van paarden niet? De keurvorst komt! O mijn God, de keurvorst komt!quot; herhaalde zij, terwijl zij beide handen op het hart drukte en langzaam, als ontsteld, achteruit wankelde.

De prinses snelde naar 't venster en keek voorzichtig tusschen de zware zijden gordijnen naar beneden op de straat.

„Ja,quot; zeide zij, „het is de keurvorst met zijn gevolg.quot;

„Ziet ge hem?quot; vroeg de hertogin buiten adem.

„Neen, het eerste rijtuig is reeds ledig. De keurvorst en zijn zonen zijn, zoo 't schijnt, reeds het slot binnengegaan. In het tweede rijtuig zitten edellieden en do heer Otto von Schwerin, die de huwelijksgezant is geweest.quot;

„'tls goed,quot; zei de hertogin. ,,Nu zal de keurvorst zich naar zijn vertrekken begeven om toilet te maken. Vervolgens zal hij mij na een uur tot de huwelijksplechtigheid komen noodigen. Dit alles zal zeer bedachtzaam, zeer verstandig en langzaam geschieden, zooals het twee eerbare lieden in den weduwstaat betaamt, en ...quot;

Op dit oogenblik werd de deur driftig opengerukt en de kamenier ijlde binnen. „Mevrouw de hertogin, zijn doorluchtigheid de keurvorst. Hij is reeds in de voorkamer en laat vragen of uwe hertogelijke genade hem ontvangen wil ?quot;

„Ga, Sophie,quot; (luisterde Doi-othea met bevende lippen, „ik moet geheel alleen met hem zijn!quot;

ocr page 61

55

Üe prinses sloop haastig door een zijdeur en de kamenier ging naar buiten om mijnheer den keurvorst binnen te laten.

VI.

DE EERSTE ONTMOETING.

De hertogin Dorothea trad langzaam door de kamer, om haar toekomstigen gemaal tegemoet te gaan. Maar in het midden bleef zij staan, haar voeten konden haar niet verder dragen, zoo beefden zij.

Nu werd de deur geopend en de keurvorst trad binnen. Dorothea had een gevoel, of de aarde met haar draaide, of zij in een afgrond verzonk Haar geheele lichaam beefde.

De keurvorst zag dit, het ontroerde hem en een zachte teedere glimlach kwam op zijn fraai, moedig gelaat. Hij liep haastig voorwaarts en nam schielijk de hand, welke Dorothea hem had willen reiken, maar die krachteloos was neergevallen.

Nu hief Dorothea langzaam en bedeesd de neergeslagen oogen op en zag den keurvorst aan. Hij stond voor haar in zijn tegelijk eenvoudige en fiere houding; zijn krachtige gestalte met do breede schouders kwam zeer goed uit in het groen lluweelen gewaad, dat op de borst met gouden lussen versierd en met juweelen knoopen gesloten was. De bruine lokken der groote allongepruik golfden op zijn schouders neder en omgaven zijn edel goedhartig aangezicht, dat nog volstrekt geen sporen van ouderdom of verval toonde. Zijn donkerblauwe oogen hadden nog het vuur en den glans der jeugd; zijn breed hoog voorhoofd was nog door geen rimpel geteekend; zijn fijn gevormde neus gaf aan zijn gelaat een koene, fiere uitdrukking, en om de lippen zweefde een trek van aanminnigheid, zachtheid en levenslust.quot;

De hertogin zag dat alles met een verbaasden, ver-

ocr page 62

56

heugden blik; een donker rood schoot plotseling ovor haar gelaat en verfraaide haar trekken.

„Ik heet u welkom, heer keurvorst,quot; lispte zij zacht.

Friedrich Wilhelm glimlachte en schudde zacht het hoofd. „Niet zoo, mijn lieve Dorothea,quot; zeide hij met zijn volle welluidende stem.

De hertogin ontroerde en een zware zucht drong uit haar borst.

„Kom, lieve Dorothea,quot; ging de keurvorst voort, ,.ge zijt bewogen en aangedaan, laten wij gaan zitten.quot;

Hij voerde haar naar den divan, drukte haar er zacht op neder en zette zich naast haar.

„Ge ziet,quot; zeide de keurvorst glimlachend, „dat ik tot u gekomen ben als een zeer gehoorzame en toch ongeduldige bruidegom. Gij hebt het programma onzer huwelijksplechtigheid veranderd en mij bevolen eei'st heden voor het uur van trouwen hier te komen. Ik heb uw wil gehoorzaamd, maar nu was mijn ongeduld te groot om nog langer te wachten, en hoewel misschien nog niet alles voor het trouwen gereed is, want mevrouw de landgravin wenschte nog een half uur toilet te maken, ben ik echter dadelijk tot u gekomen om u te begroeten.quot;

„Ik dank u, mijnheer de keurvorst,quot; zei de hertogin beklemd. „Gij geeft mij hierdoor de gelegenheid u te zeggen hoe zeer ik mij vereerd gevoel met uw keus, hoe diep ik doordrongen ben van de heilige plichten, welke ik te vervullen heb en waaraan ik voortaan mijn geheele leven, mijn hart en mijn ziel wil toewijden.quot;

„Daarvan ben ik overtuigd, Dorothea,quot; antwoordde Friedrich Wilhelm ernstig, „ik reik u vol vertrouwen de hand en ben bereid met u vereend den weg door 't leven te bewandelen, zoolang hot Gode behaagt. Ik hoop, dat het een gezegende levensweg mag zijn, en schoon wij dien ook niet betreden met de verrukking en onbezorgdheid van twee jonge geliefden, doen wij 't beiden toch zekerlijk met den ernstigen en vromen wil, elkander een gelukkig en tevreden leven te bereiden. Ge zijt een edele, vrome en hooghartige vrouw, dat weet ik. Gij hebt twaalf jaar lang een edelen gemaal gelukkig gemaakt en hem het leven veraangenaamd. De wereld roemt u als het toonbeeld eener trouwe en teedere echtgenoot.quot;

„Ik verdien dezen roem niet,quot; lispte de hertogin zacht,

ocr page 63

57

het hoofd schuddende. „Hel quot;geluk van mijn gemaal was niet mijn verdienste.quot;

„Hoe bescheiden zijt gij, Dorothea. Het geluk van den man is altijd de verdienste der vrouw en niet de zijne. Gij hebt den hertog gelukkig gemaakt, omdat ge hem zoo teeder bemindet. En nu staat het voorwaar slecht voor mij, want gij bemint mij niet, en ik heb den leetlijd ook niet meer om een gloeiende, teedere vrouwenliefde waardig te zijn. Maar ik ben ten minste een verstandig man en begeer niet wat onmogelijk is. Wij hebben beiden een schoon en edel verleden achter ons, want ge weet dat ik ook twintig jaren lang in een gelukkigen echt geleefd heb met mijne dierbare, veel geliefde Louise Hen-riette. Dus zullen wij beiden niet van elkander begeeren, dat het verleden zich voor ons hernieuwen en het uit ge-brandde hart in jong vuur ontvlammen zal. Onze herinneringen en onze dierbare dooden staan tusschen ons. Gij mijn lieve Dorothea, zult op uw lippen nimmer de teedere woorden weder vinden, welke gij tot uw gemaal, den geliefde uwer eerste jeugd gesproken hebt, en ook mijn lippen zullen geen gloeiende woorden van tee-derheid spreken, want zulke woorden zouden niet uit mijn hart komen. Ik ben te oud om voor minnaar te spelen, te oud om mijn bedroefd hart met een nieuwe liefde aan te vullen. Want ik zeg u eerlijk en oprecht, en ik weet van uw zacht en edel vrouwelijk gemoed, dat ge daarom niet verstoord zult zijn, de smart is nog niet geheel uit mijn hart geweken, en do herinneringen aan mijn veelgeliefde Louise Henriette zijn nog levendig -in mij.quot;

„Ik vind dit natuurlijk,quot; fluisterde de hertogin met nedergeslagen oogen, „ik heb 't ook niet anders van u verwacht, heer keurvorst, want ge hebt twintig jaren aan de zijde eener schoono, beminnenswaardige vrouw geleefd, en hel zou zeer te betreuren zijn zoo dit in een enkel jaar vergeten kondt.quot;

„Ik zal het nooit vergeten, zoolang ik leef,quot; riep de keurvorst levendig, „en het zïil u evenzoo gaan. Juist dit, mijn lieve Dorothea, waarborgt ons een tevreden en gelukkig samenleven, wij zullen van den beginne af weten wat wij voor elkander zijn en kunnen zijn. Wij waren beiden eenzaam, nu /al de een den ander gezelschap hou-

ocr page 64

58

den, henwifoosten als hij treurig, hem opvroolijken als hij ontste'^m is, met hem over het verleden en de geliefde dooden spreken, met hem het tegenwoordige genieten en plannen maken voor de toekomst. Het zullen geen twee minnenden zijn, die in het slot te Berlijn wone'h maar twee trouwe, hartelijke vrienden, die besloten hebben alles samen te deelen en elkander niet te verlaten in vreugd en leed. Mijn lieve Dorothea, in dien zin bied ik u mijn hand, en bied u daarmee tevens mijn geheele, hartelijke, en oprechte vriendschap. Wilt ge ze aannemen?''

De hertogin Dorothea antwoordde niet dadelijk; haar boezem golfde, haar adem kwam haastig en hijgend uit haar borst, zij sloot een oogenblikde oogen en een doodelijke bleekheid bedekte haar wangen.

„Vóór ik u antwoord, mijnheer de keurvorst,quot; zeidezij vervolgens diep ademend, „veroorloof mij één vraag, voor welke ik u intusschen tevens vergeving verzoek. Maar wij moeten elkander goed verstaan, en de waarheid moet als een lichtende banier aan den ingang van onzen nieuwen levensweg schijnen. Zoo ge dit ook meent, zult ge niet verstoord zijn wegens mijn vraag en ze mij eerlijk beantwoorden.

„Ik meen het ook, Dorothea, en het verheugt mij, dat er zooveel overeenstemming tusschen ons bestaat. Vraag dus! Ik geef u mijn woord als man, dat ik niet verstoord zal zijn, welke ook uw vraag moge zijn, en ik wil u een eef'lijk en waarachtig antwoord geven.quot;

„Welnu dan, genadige heer, zeg mij: Heeft zij, welke gij de eer bewijst tot uw gemalin te kiezen, geen medeminnares in uw hart?quot;

„Geen medeminnares?quot; herhaalde de keurvorst verwonderd. „Ik begrijp u niet, mijn lieve hertogin. Ik weet niet of ge een doode, een verheerlijkte, een medeminnares noemt. Ik heb u gezegd, dat ik met u dezelfde smart denzelfden rouw deelde. Wij hebben beiden onze geliefden door den dood verloren, maar zij leven toch in onze harten, en wij kunnen ze nooit vergeten, en de liefde, welke wij voor de ontslapenen hebben gevoed, nooit op een ander wezen overdragen! Zoo ge dit medeminnaarschap wilt noemen, zal ik gewis aan den zaligen hertog een quot; medeminnaar hebben, gelijk gij een medeminnares aan de zalige keurvorstin hebt.quot;

ocr page 65

59

„En dit is een medeminnaarschap, dat wij beiden eeren zullen,quot; zei de hertogin. „Is de schoone, edele keurvorstin Louise Henrielte de eenige medeminnares? Gij biedt mij uw vriendschap! Is er geen andere vrouw wie gij uw liefde hebt gegeven, die uw hart bezit, en welke ge niet uw vriendin, maar uw minnares noemt?quot;

De keurvorst zag de hertogin, die in koortsige spanning zijn antwoord verwachtte verwonderd aan.

„Neen,quot; zeide hij hoofdschuddend, „ik geef u mijn woord van eer; er is geen vrouw op aarde, welke ik zulk een titel zou kunnen of willen geven. Ik ben twintig jaren gelukkig gehuwd geweest, en de trouw was geen verdienste, maar een natuurlijke noodwendigheid van mijn hart. Sedert den dood mijner vrouw echter heb ik met geen andere gesproken dan met mijne zuster, mevrouw de landgravin van Hessen.quot;

In de oogen der hertogin glinsterde een straal van vreugde, maar zij sloeg ze neder, opdat de keurvorst het niet bespeuren zou.

„Ik dank u, mijn lieve heer,quot; zeide zij na een kleine pauze op innigen, zachten toon. „Gij hebt mij door uw antwoord zeer verheugd en gelukkig gemaakt. Nu kan ik ook uw vraag beantwoorden. Ja, ik neem uw vrienschap aan en het zal mijn ijverig, onvermoeid pogen zijn, mij die steeds waardig te betoonen. Gij moogt de zalige keurvorstin als uw geliefde indachtig zijn en haar zoo noemen, aan mij zult ge ten minste een moedige, trouwe en verkleefde vriendin vinden, die zooveel in haar vermogen in de leemte zal aanvullen, die de dood in uw hart en in uw huis heeft achtergelaten!quot;

„Ik dank u, mijn lieve Dorothea, ik dank u,quot; riep de keurvorst, terwijl hij de hem gereikte hand der hertogin aan zijn lippen drukte. „Mijn ziel is vol vreugd en vertrouwen en ik zie de toekomst blijde tegemoet in de overtuiging, dat wij een genoegelijk en tevreden leven zullen leiden. En thans, mijn lieve Dorothea, heb ik in naam der zalige keurvorstin u een huwelijksgeschenk aan te bieden. Neem het vriendelijk aan uit mijne handen,en wees in liefde den engel gedachtig, die in dit uur naast ons is en ons zegent.quot;

Hij overhandigde de hertogin het etui. Zij opende het haastig, beschouwde de diamanten met een vluchtigen

ocr page 66

60

blik en richtte toen haar oogen op liet papier, dat er bij lag. Een diepe zucht, bijna een kreet, kwam over haar lippen, haar wangen verbleekten, haar gestalte beefde; zij boog het hoofd dieper, haar lippen murmelden zachte onverstaanbare woorden.

De keurvorst meende dat het gebeden waren. Haar zuster Sophie zou gemeend hebben, dat het verwenschingen waren. Zij zou zich niet hebben laten misleiden door de tranen, die in haar oogen stonden, toen zij na een lange pauze tot den keurvorst opzag. Zij zou er aan gedacht hebben, dat haar zuster twaalf jaar lang het masker eener zachtzinnige deemoedige en liefderijke vrouw had gedragen en zij het uitmuntend verstond comedie te spelen.

Met bevende, diep bewogen stem las de hertogin ; „Mijn huwelijksgeschenk voor de tweede gemalin van mijn veelgeliefden keurvorst Friedrich Wilhelm. Moge zij gezegend zijn en den keurvorst zoo gelukkig maken als hij 't verdient. Louise Henriette.quot;

Zij bracht het papier^an haar lippen, drukte er een langen kus op en legde het toen weder stil in het etui bij de diamanten.

„Waarlijk, doorluchtigheid,quot; fluisterde zij bewogen, „uw dierbare gemalin is een edele, hooghartige vrouw geweest! Haar liefde reikt over het graf en schenkt zegen en geluk, stort rust en vrede in het bewogen gemoed. Nu eerst ben ik volkomen tevreden, nu weet ik, dat uw ontslapen geliefde niet vertoornd is, dat ik den moed heb om haar plaats naast u in te nemen.quot;

„Neen, wees er van verzekerd, haar verheerlijkte geest is niet vertoornd, maar zegent u. Reeds toen zij nog op aarde was, heeft zij teeder en liefderijk aan haar opvolgster gedacht; nog één ding wil ik u tot geruststelling zeggen: De keurvorstin vorderde van mij op haar sterfbed dat ik weder huwen en mijn kinderen een tweede moeder geven zou, vóór een jaar na haar dood verloopen zou zijn. Zij begeerde op haar sterfbed, dat ik zou zweren dezen laatsten wensch van haar te vervullen om nog in dit jaar te huwen.quot;

„En hebt gij dezen eed gedaan?quot; vroeg Dorothea bevend.

„Ja,quot; antwoordde de ke.urvorst.

„Bijgevolg,quot; riep Dorothea haastig een oogenblik haar zelfbeheersching verliezende, „bijgevolg heb ik het geluk

ocr page 67

01

van dezen dag niet te danken aan uw wil, maar aan den eed, dien ge uw overleden gemalin gedaan hebt? O, mijnheer de keurvorst, weet ge dat dit —quot; zij. zweeg, de blik barer oogen verdoofde, zij kreeg haar zelfbeheer-sching terug en met zachte, vleiende stem ging zij voort — „dat dit, hoewel het mij eigenlijk krenken moest, mijn hart goed doet en de waarborg eener gelukkige toekomst, is. Het is of ik de hand uwer gemalin op mijn voorhoofd voelde, of zij ook mij wijdde voor de verhevene, heerlijke roeping, uw vriendin, uw zuster te zijn.quot;

„Ik heb niet gezegd, dat ik u verzoek mijn zuster te zijn,quot; glimlachte de keurvorst.

„Maar ik beloof u, dat ik het zijn wil,quot; riep de hertogin ijverig. „Ge zult in mij de trouwste vriendin, de teederste zuster vinden. Ge hebt het gezegd, en het is de waarheid, wij kunnen elkander geen liefde geven, want deze behoort onzen geliefden dooden en rust bij hen in 't graf, maar wij kunnen elkander toch beminnen als broeder en zuster, als vrienden, en dat willen wij, zoo lang wij leven.quot;

„Ja, dat willen wij zoo lang wij leven,quot; herhaalde de keurvorst. „En nu, mijn lieve Dorothea, heb ik nog een bede voor mijn zonen. Wees hun goed en vriendelijk gezind, mijn lieve Dorothea, heb ze een weinig lief, wees voor hen een tweede moeder.quot;

„Een tweede moeder,quot; zei de hertogin zacht het hoofd schuddende. ,.Ik zal uw vriendin, uw zuster zijn, hoe zou ik mij dan moeder van uwe kinderen kunnen noemen? Neen, dat ware een verraad aan de hooggeliefde doode, dat ik nooit zou kunnen plegen. Ik zal ze liefhebben, hoeden en genegen zijn, omdat zij uw zonen zijn en omdat mij allen dierbaar zullen wezen, die u behooren. Maar waar zijn de jonge prinsen? Wilt ge thans niet vergunnen, dat zij hier komen, doorluchtigheid?quot;

„Vergeving, hertogin, de prinsen zijn niet hier. Het kwam mij voor, dat het uw kiesch gevoel niet aangenaam kon zijn, u als bruid aan uw aanstaande zonen te ver-toonen, maar dat ge hen liever terstond als keurvorstin, als moeder, zoudt ontmoeten, ik liet daarom mijn zonen te Berlijn achter,quot;

Dorothea reikte hem de hand en zag hem aan meteen dankbaren, vriendelijken blik. „Dat was zeer fijngevoelig, doorluchtigheid, ik zal het niet vergeten,quot; zeidezij vriendelijk.

ocr page 68

62

De keurvorst bloosde van genoegen. Zonderling, de lof van deze vrouw, die hij heden voor het eerst zag en die hem aanvankelijk zoo leelijk was voorgekomen, streelde hem, en hij vond, dat haar gelaat, als het levendig en bewogen was, jonger en schooner werd.

„Daar ik nu echter dacht,quot; voer de keurvorst voort, „dat het u aangenamer zou zijn nog een dame aan uw zijde te hebben behalve de jonge prinses von Holstein, heb ik mijn zuster, mevrouw de landgravin van Hessen, medegebracht.quot;

„O, hoe lief en goed is dit van u!quot; riep de hertogin vroolijk. „Ge weet wel, dat ik de landgravin als een zuster bemin, van nu af zal zij in waarheid mijn zuster zijn. Maar ik zeg u vooraf, doorluchtigheid, ik zal zeer jaloersch op haar zijn en zoo ge uw zusier Hedwig Sophie meer mocht beminnen dan uw zuster Dorothea, zou mij dit zeer smarten. Bedenk, dat zij zich reeds zoo lang in uw teedere broederlijke liefde verheugt, terwijl ik eerst van heden af het geluk zal hebben uw zuster te zijn.quot;

Het voorhoofd van den keurvorst bewolkte en hij opende reeds de lippen om te antwoorden, toen de beide deuren geopend werden, en de landgravin Hedwig Sophie aan de zijde van de prinses van Holstein binnentrad. Achter haar, in de antichambre, zag men de hofdames der vorstinnen en de edellieden van den keurvorst in schitterend hof-costuum met plechtige gezichten aan weerszijden der deur een dubbele rij vormen.

De keurvorst reikte nu zijn bruid de hand; gevolgd door de beide vorstinnen ging hij door de kamer en antichambre, aan wier uitgang de opperhofmaarschalk' hem verwachtte, om vervolgens met zijn opgeheven gouden staf het keurvorstelijk paar voor te gaan naar de kapel, waar de hofprediker, Rergius, het huwelijk zou voltrekken.

ocr page 69

63

VII.

NA DE HUWELIJKSVOLTREKKING,

Reeds na een half uur keerde het thans getrouwde para uit de kapel terug en begaf zich naar de groole zaal, om er de gelukwenschen der hofbeambten en dienaren te ontvangen.

Terwijl de keurvorst zich vriendelijk en vroolijk met zijn edellieden onderhield, stond de nieuw gehuwde keurvorstin Dorothea met baar tegenwoordige schoonzuster, de landgravin van Hessen, in een der diepe vensternisson.

„Zeg mij nu oprecht, dierbare Dorothea,quot; fluisterde de landgravin, „hoe bevalt u mijn broeder? Vindt ge hem te oud, te ernstig, om door u bemind te worden?quot;

„Mijn dierbare,quot; zei Dorothea glimlachend, „helden zijn nooit oud en de ernst van den wijze is verkwikkender dan de uitgelaten vroolijkheid der dwazen. Ik vind den keurvorst traai, en van zijnquot; voorhoofd straalt de eeuwige jeugd van het genie.quot;

,,(le zult mijn lieven broeder Frits dus teeder en hartelijk kunnen beminnen?quot;

De keurvorstin antwoordde niet dadelijk. Haai oogen vlogen naar den keurvorst, die zich levendig met Otlo von Schwerin onderhield, en rustten op de statige fiere gestalte met een langen vorschenden blik.

„Antwoord mij, lieve Dorothea,quot; bad de landgravin. „Zoudt ge mijn broeder kunnen beminnen, even teeder als ge uw eersten gemaal hebt bemind?quot;

„Zal hij mijn liefde willen aannemen?quot; vroeg Dorothea zuchtend. „Maar ik wil u iets verzoeken, dierbare vriendin! Spreek niet meer van mijn eersten gemaal. Het is den tweeden gemaal dooden, zoo men van den eersten nog altijd spreekt als van een levende, die in ons hart leeft. Ik wensch van ganscher harte, dat mijn tweede gemaal leven zal naast mij en in mijn hart. Daarom bid ik u, herinner mij niet meer aan het verledene, opdat ik al mijn gedachten op de toekomst kan richten. Ik heb straks, toen ik den keurvorst de trouwgelofte zwoer. God en mij zeiven den plechtigen eed gedaan, dat ik alles wil vergeten

ocr page 70

04

wat geweest is, en als een nieuw schepsel een nieuw leven intreden. Ik wil den keurvorst zoo trouw zijn, dat ik volstrekt niet aan den man wil denken, met wien ik vroeger vereenigd ben geweest, maar elke gedachte aan hem van mij wil verwijderen, als een ontrouw welke ik jegens mijn gemaal pleeg. Sta mij hierin een weinig bij, lieve landgravin, en laat het verledene rusten! Ik ben nu de keurvorstin van Brandenbnrg en wil het met geheel mijn ziel, met al mijn gedachten zijn. Wat ik was heeft niets uit te staan met net tegenwoordige, het moet er ook niet de lichtste schaduw op werpen.quot;

„Gij zijt een edele, verstandige vrouw,'' fluisterde de landgravin, terwijl zij haar arm om den hals van Dorothea legde en haar hartelijk kuste. „Moge mijn gebed verhoord worden want gij verdient het. beiden gelukkig te worden. Luister, waarde Dorothea, ik wil u uit hartelijke vriendschap nog een goeden raad geven, maar ge moet mij beloven, dat ge het den keurvorst nooit zult zeggen.quot;

„Ik beloof het u, geliefde vriendin!quot;

„Nu,quot; .fluisterde de landgravin, „hoor dezen raad. De keurvorst is een groot staatsman, een grootheid, hij bezit een sterke, mannelijke ziel, maar ook een week, iuw/zaam kinderlijk hart. Begrijp mij goed, lieve schoonzuster.quot;

„Ik begrijp u,quot; zei Dorothea met een zonderlingen glimlach. „Het kinderhart laat zich leiden.quot;

De landgravin knikte. „Hij is zoo goed en bemint zoo zeer den huiselijken vrede. Hij is zoo bescheiden, dat hij somwijlen meer naar zijn raadgever hoort dan naar zich zei ven. En weet gij wie thans zijn raadgever is?quot;

„Zeg het mij! Wie is het?quot;

De keurvorstin Louise Henriette! Gij ziet mij verwonderd aan? Ge kunt niet begrijpen hoe een doode, raadgeefster kan zijn? Maar geloof mij, het is^zoo en als ge uw gemaal tot ware liefde bekeeren en hem geheel voor u winnen wilt, hebt. ge maar één ding noodig.quot;

„Wat dan?quot;

„Ge moet hem uit de raadkamer houden?quot;

„Uit de raadkamer? Wat is dat?quot;

„Ge zult het wel zien als ge te Berlijn zijt. Ik heb er u slechts opmerkzaam op willen maken. Stil, geen woord meer! Hij komt!quot;

De keurvorst kwam om zijn gemalin den arm te bieden,

ocr page 71

05

en haar naar de schillerend versierde en verlichle laJel in de belendende zaal te voeren.

Laat in den avond stond men van tafel op, de landgravin geleidde nu de keurvorstin naar haar vertrekken, en de kameniers waren bezig de jonge keurvorstin van baar zware sleepkleederen te ontlasten, haar den schitterenden tooi af te nemen en de kroon van rozen en den bruidssluier van heur haar los te' maken. Vervolgens trokken zij de keurvorstin het witte, met kostbare kant omzoomde deshabille aan en versierden haar zemelblond haar met een fraai kantenmulsje.

De keurvorstin liet dit alles stil en ernstig geschieden en toen de eerste kamenier door een diepe buiging te kennen gaf, dat het toilet geeindigd was, en haar den handspiegel voorhield om er zich in te bezien, eerst toen sloeg de keurvorstin een blik op haar en op haar toilet.

„Ik zie er afschuwelijk uit,quot; zeide zij schouderophalend, „dit luchtig, teeder kanten negligé past bij mijn knokige gestalte, mijn lederkleurige huid, mijn zemelblond haar, evenals een rozenkrans en krippen kleed voor een meerkat zouden passen.quot;

„Maar. genadige mevrouw de keurvorstin,quot; riep de eerste kamenier verschrikt.

„Stil,quot; viel Dorothea haar in de rede. „Gij zijt geheel onschuldig en ik doe u volstrekt geen verwijt. Dit deshabille is zeer fraai en kan het niet helpen, dat ik er zoo leelijk in uitzie. Ge wilt weder beproeven mij tegen te spreken. Doe geen moeite, lieve Martin. Ik heb oogen om te zien, en ik zie. Voüa tout. Goeden nacht, dames, laat morgen vroeg alles zeer nauwkeurig in orde zijn, want wij zullen vroegtijdig vertrekken!quot;

Zij knikte haar kameniers een kort afscheid toe en ging in de aangrenzende huiskamer. Het was er eenzaam en stil, de groote lichtkroon van bergkristal verspreidde met haar krans van waskaarsen de helderheid des daags door het ruime vertrek, en toen de hertogin met onrustige schreden heen en weder ging, wierpen' de lichten nevens de in 't wit gekleede gestalte een zwarte schaduw op den wand, welke schaduw onrustig met haar heen en weder wandelde, en haar naiiapte als het donker afbeeldsel van haar zelve. Zij zag dit, toen zij haar on-Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. V. 5

ocr page 72

60

rustige oogen door de kamer liet gaan, bleef slaan, knikte het schaduwbeeld loe on lachte spottend.

„Zijt ge daar nog altijd, stomme gezel?quot; vroeg zij. Hoe vaak zijt ge in de lange winteravonden te Lunenburg mijn eenig gezelschap geweest, en heb ik tot u gesproken, als tot een levend wezen, die de smarten verstond welke ik u klaagde. En gij verstondt ze ook! Als ik in vertwijfeling de handen ten hemel ophief, deedt gij het ook; als ik mijn gebalde vuist uitstak om hem te vloeken, die mij zoo ellendig had gemaakt, volgdet ge mijn voorbeeld. Ge stondt altijd naast mii als het donkere spook mijns levens, en in u alleen durfde ik vertrouwen stellen. Wat wilt ge heden hier, sombere vriend? Waarom werpt ge uw dónkere schaduw ook over mijn huwelijksdag? Waarom staat ge daar zoo ernstig en stil aan den wand, alsof ge mij aan het verledene wilt herinneren, lachen wilt om mijn wit kleed, mij wilt toonen hoe ik eigenlijk ben, zwart en donker als gij, zonder licht en zonder glans! Ja, wij beiden weten dat, maar het isniet noodig, dat nog iemand anders het verneemt. Wees gerust, donkere gezellin, verschuil u een weinig achter de plooien van mijn verleidelijke robe, want ik verwacht nog bezoek, ik verwacht mijn gemaal. Laat mij dus een weinig met rust, donkere schaduw. Herinner mij slechts voor heden uw tegenwoordigheid niet. Gij gaat immers met mij naar Berlijn, gij verlaat mij nooit, waar ik ben zijt gij, mijn donkere tweede ik. Nog dikwerf zal ik met u spreken, mijn zwarte vertrouwde, wie weet of het altijd verblij dende zaken zullen zijn, welke ik u zal toevertrouwen. Maar stil, ik hoor voetstappen! Hij is het, mijn echtgenoot.quot;

Er werd aan de deur geklopt, en Dorothea haastte zich om haar te openen.

„Hier ben ik, mijn lieve vriendin,quot; zei de keurvorst, terwijl hij binnentrad en de keurvorstin zijn hand reikte. „Gij hebt mij straks, toen ik het u verzocht, nog voor heden avond vergund bij u te komen om mij een weinig met u te onderhouden, en ik dank er u hartelijk voor.quot;

„Het is aan mij u te danken, lieve heer en vriend,'' lispte Dorothea. „Mij moet elke gelegenheid u te zien en in uw nabijheid te vertoeven, als een lief geschenk voorkomen, en ik zal pogen dit te verdienen door trouwe vervulling mijner plichten.quot;

ocr page 73

67

„Ja,quot; prevelde de keurvorst, terwijl hij zich op den divan naast de keurvorstin nederzette. „Dit is het juist, ge denkt aan de plichten, welke gij te vervullen hebt. Zoo ge mij echter hemindet, Dorothea, zou de lielde het woord „plicht,quot; van uw lippen wegkussen en gij zoudt in plaats daarvan het woord „geluk,quot; laten volgen.quot;

„Mijn dierbare keurvorst,quot; lispte de hertogin bevend.

„Vrees niet, onstel niet,quot; zei de keurvorst zacht. Ik zal niet eischen, dat ge uit plichtgevoel u zoudt dwingen te betuigen, dat ge een geluk bezit, wat ge niet gevoelen kunt. „Neen, Dorothea, ge zult mij niet voor een tyran houden, die u tot liefde dwingt en van u vordert, dat ge den vreemden man en hart toewijdt, vóór hij er naar gedongen heeft en het hem gelukt is het te verdienen. 'tZij verre van mij, te wanen, dat ik in staat zou geweest zijn terstond bij de eerste ontmoeting uw hart te veroveren en in stormpas uw liefde te winnen. Dit zijn de voorrechten der jeugd, dan slaan de vlammen dadelijk ten hemel, als een blik uit de schoone oogen het hart heelt getroffen. Maar deze tijden liggen ver achter mij, de rijpe man moet zich kunnen tevreden stellen. En dat doet hij, mijn lieve Dorothea, hij vordert van den herfst de bloemen der lente niet, en weet, dat October geen Meizon geeft. Als men in den herfst nog bloemen voor zich wil laten bloeien, moet men ze in de broeikas kweeken en er voor zorgen, dat de laatste zonnestralen er op vallen. Dit wil ik doen, mijn lieve Dorothea. Gij zult de lieve bloem zijn, welke ik met mij neem. Ons huis te Berlijn zal voor die lieve bloem de broeikas zijn, en daar wil ik haar kweeken, behoeden en oppassen, tot dat de zonnestralen uw hart voor mij opensluiten en het laten bloeien in harteJijk gevoel en teedere neiging. Weet mijn waarde Dorothea, dat ik u mijn hand niet aangeboden en ik niet met u gehuwd ben, opdat ge mijn zuster zoudt zijn, gelijk ge mij heden beloofd hebt. Neen, niet een zuster, maar een vriendin begeert mijn hart, een vriendin, die ik beminnen en vereeren, die ik van gan-scher hart vertrouwen wil, die het beste gedeelte van mijn eigen gedachten en mijn eigen leven zijn zal. Het zou vermetel zijn te vorderen, dat gij dit nu reeds voor mij zijn zoudt, want ge kent mij nog niet; veroorloof mij, mijn lieve Dorothea, er naar te streven om u te verwer-

ocr page 74

08

ven. Dan hoop ik, dat het mij gelukken zal uwe vriendschap te winnen, om misschien, o wees niet verstoord, dat ik u dit zeg, uit deze vriendschap een fraaiere bloem te laten ontluiken!quot;

„Hoopt ge dat werkelijk, doorluchtigheid? vroeg Dorothea. Wilt ge het waarlijk de moeite waard achten naar mij te dingen en te trachten naar mijn vriendschap? O ja! Gij hebt het gezegd en dan is het zoo, want Frie-drich Wilhelm van Brandenburg is veel te lier en te verheven om een onwaarheid te spreken. Ik heb in u een onbepaald vertrouwen, ik geloof aan u, zooals men aan God en aan zijn vader gelooft. In dit vertrouwen en in dit geloof heb ik mijn toekomst in uw handen gelegd. Ge kunt die verbreken en verguizen of ze laten bloeien in vreugd en lust, zooals ge wilt. Ge hebt slechts van u gesproken, en vol kiesche bescheidenheid volstrekt niets gezegd van den indruk, dien mijn verschijning op den edelen keurvorst van Brandenburg gemaakt heeft. Laat mij dit aanvullen, doorluchtigheid. Gij vindt mij leelijk, en er is geen blik uit mijn grijze oogen in uw hart geschoten om er vlammen te ontsteken. Stil, mijn dierbare heer, weerspreek mij niet, ik weet dat het zoo is! Ik heb het aan uw bijna onmerkbare ontroering gezien, toen ge mij voor het eerst zaagt, ik zie het nu aan uw treurig gelaat, dat ge mij zeer leelijk vindt. Verontschuldig u niet, mijn lieve keurvorst, maar zie welke sympathie tusschen ons bestaat, want ik deel in uw smaak en vind het ook. Maar vrees niet, doorluchtigheid, men gewent er zich ten laatste aan en vergeet het leelijke masker. Ik wil mijn best doen, dat ge het zeer spoedig vergeet, dat ge u aan mij gewent en mij uw vertrouwen en genegenheid waardig keurt. Ik heb u dit gezegd, doorluchtigheid, opdat ge zoudt weten, dat ik geen te hoogen dunk van mij zelf heb, maar zeer goed weet welke onverdiende eer mij door uw keus te beurt is gevallen en hoe erkentelijk ik u moet zijn, dat ge die leelijke onbeduidende weduwe uit de duisternis getrokken hebt om den glans en roem van uw edel leven met haar te deelen. Hieraan zal ik altijd denken en ge zult aan mij steeds een gehoorzame dienares, een trouwe gezellin vinden. Wil mij slechts vinden, ik zal mij nooit laten zoeken, roep mij als vriendin, als gezelschaphouder, als wapenbroeder, of als makker, ik zal

ocr page 75

09

uw geroep hooreu eu u blijmoedig ter zijde staan. Wat de toekomst ons zal brengen of beschikken, willen wij beiden in ootmoed afwachten en datgene wat de tijd alleen kan doen rijpen niet voorbarig begeeren!quot;

„Het zij zoo,quot; riep Friedrich Wilhelm, terwijl hij opstond en de hand der keurvorstin aan zijn lippen drukte. „Ik verlaat u nu, mijn lieve Dorothea, want ge zult vermoeid zijn van de inspanningen en aandoeningen van dezen dag, en voor alles zou ik u niet lastig willen vallen. Goeden nacht, mijn lieve Dorothea, God zegen uw slaap en uw ontwaken!quot;

Hij boog nogmaals groetend zijn hoofd en trad haastig door de kamer, opende de deur en ging heen.

Dorothea stond onbewegelijk in't midden der kamer en zag hem na. Vervolgens rukte zij, met een wilde, hartstochtelijke beweging, het kanten mutsje van beur hoofd en wierp het ter aarde, trok de strikken en linten van haar deshabillé los, trok het mei bevende handen van haar lichaam, liet het op den vloer vallen en vertrad het onder haar voeten.

De kaarsen van de lichtkroon verlichten nog altijd het stille vertrek, en ginds aan den wand stond weder de zwarte schaduw der keurvorstin en stampte met de voeten, gelijk zij deed, en sloeg de armen ten hemel evenals zij.

„Versmaad!quot; steunde zij. „Met schijnheilige woorden en zacht gelaat komt hij mij zeggen, dat hij mij veracht! Wee, wee over mij!quot;

En zij sloeg de handen voor haar aangezicht en drukte ze op haar lippen, opdat geen luisterend oor den kreet zou hooren, die uit haar borst opsteeg.

Eensklaps hief zij fier haar hoofd op, en haar kleine oogen glinsterden en fonkelden, haar gelaat vlamde van trots en energie.

„Ik zal toch mijn eed volbrengen,quot; mompelde zij. „Ik zal mijn doel bereiken en gelukkig zijn. Ik wil hei! Niets zal mij verhinderen, niets mij tegenhouden. De hindernissen zal ik overwinnen, met list, met geveinsdheid of met geweld ! Ik ben tot alles besloten, op alles voorbereid! Slechts dit staat vast: Ik buig mijn hoofd niet weder onder quot;het juk des ongeluks, ik strijd met alle wapenen om mijn geluk, en wee degenen, die zich in dezen kamp tegen mij willen stellen. Ik zal ze uit den weg ruimen, ter zijde

ocr page 76

70

dringen, om 'teven op welke wijze,ik moet mijn weg vrij hebben, ik moet mijn doel bereiken! En dit doel is: gelukkig te zijn, mij eer en aanzien te verwerven en,— ja, het zij gezegd, — en meer te zijn, meer te werken en te handelen dan de zachtmoedige, huishoudelijke keurvorstin Louise Henriette heeft gedaan. Zij was zijn geliefde ! Ik — ik wil zijn keurvorstin zijn, en als hij haar zijn engel noemt, zal ik zijn demon zijn! Dit zweer ik mij zelve bij God!quot;

Zij hief baar hand plechtig tot dien eed op: de zwarte schaduw aan den wand deed het haar nd^ en hief, gelijk zij, de rechterhand met den opgeheven wijsvinger omhoog.

Zij zag het, sloeg de oogen neder en knikte haar toe. „Zijt ge er weder, mijn stomme gezellin ? Wij beiden zijn weder alleen, gelijk wij het te Brunswijk en Lunenburg waren. Ge meent misschien, dat ik niet voor het licht ben geboren en de schaduw bij mij moet zijn ? Neen, ik wil in het licht leven! Ik wil geen schaduw naast mij zien, ik wil niet langer in duisternis en eenzaamheid voortsluipen! Richt het hoofd op, Dorothea, wees sterk en moedig. Den moedige behoort de wereld, en de sterke overwint den dood en de herinnering aan de dooden. Ik haat deze Louise Henriette, en ik haat haar kinderen, want zij zijn de levende monumenten in't hart van den keurvorst. Wee hun, zoo zij zich tegen mij stellen, wee hun zoo zij mij een hindernis zijn —quot;

De keurvorst had zich stil en ongemerkt weder naar zijn huiskamer begeven. Daar stond hij aan 't venster en zag opwaarts naar den donkeren hemel, waaraan millioenen sterren fonkelden.

„Louise,quot; fluisterde hij zacht, „ach, mijn geliefde, hoe verlang ik naar u! Zijt gij ook bij mij in dit uur? Weet ge ook, wat ik geleden heb op dezen vreeselijken dag? Weet ge, dat ik vol schaamte en berouw, mijn ziel vol zelfverwijt was? W7eet ge, dat ik, in den geest, dezen geheelen dag voor u, mijn verheerlijkte engel, op de knieën lag en u om vergeving smeekte? Ge hebt mij bevolen te huwen, gij deedt dit, omdat uw schrandere geest de zwakheid van het menschelijk hart kende en wist, dat ik een gezellin, een vriendin behoefde. Ach, Louise, thans gevoel ik, dat een vrouw u nimmer bij mij vervangen kan! Toen ik heden met uw opvolgster

ocr page 77

71

voor het altaar stond, gebeurde mij wat mij nooif op het slagveld is gebeurd - - ik gevoelde vrees, ik had terug willen koeren en vluchten. Mijn lippen hadden nauwelijks kracht het verbindende „jaquot; te spreken, en met ontzetting beschouwde ik de vrouw, die het wagen dorst uw plaats naast mij in te nemen. Ach, vergeef mij, Louise, vergeef mij! Uw liefde ziet, dat in mijn hart slechts gij alleen kunt wonen. Sta mij bij met uwe kracht, opdat ik deze vrouw, welke gij aan mijne zijde hebt gesteld, niet ongelukkig make, dat ik voor haar een hartelijk en oprecht vriend zijn kan ! Sta ook haar bij, opdat zij voor mij een trouwe vriendin, voor uw kinderen een goede, teedere stiefmoeder moge zgt;jn.''

VIII.

IN DE KOETS.

„Dit is het dorp Steglitz,quot; zei de keurvorst, toen de rijtuigen stil hielden. „Hier zullen wij een weinig vertoeven, want ik denk, dat mijn zonen hier zullen komen en dan rijden wij verder naar Berlijn. Voor de poort zullen de koetsen gereed staan en de edellieden ons verwachten, ik zal daar te paard stijgen en aan de zijde der koets rijden, waarin de dames zitten. Ik moet mijn nieuwsgierigen Berlijners de vreugd gunnen, mevrouw de keurvorstin van aangezicht tot aangezicht te zien.quot;

„De Berlijners zullen er'meer teleurstelling dan vreugde van hebben,quot; sprak Dorothea de schouders ophalend. „Zij zullen vinden, dat het de moeite niet waard is de keurvorstin Dorothea te zien, en verstoord zijn, dat zij om mij op de straat zijn gekomen. Gelukkig zal onze waarde Medwig Sophie aan mijne zijde zitten; de Berlijners zullen haar toelachen en toejuichen, en ik zal trachten mij te verbeelden, dat misschien één van de duizend juichende stemmen mij geldt.quot;

„Als ge dit denkt, mijn lieve Dorothea, zal ik niet bij u in de koets plaats nemen,quot; riep de landgravin van Hes-

ocr page 78

72

sen. „Ik zal u dan geheel alleen laten rijden, opdat ge n kunt overtuigen, dat het gejubel des volks slechts u geldt.quot;

Juist hoorde men het gerucht van snel dravende paarden, het werd levendig op den eenzamen weg, men hoorde druk spreken en begroetingen wisselen.

Het zijn mijn zonen,quot; zei de keurvorst, en hij opende zelf haastig het portier der koets en steeg uit. De keurvorstin maakte zich gereed hem te volgen.

„Hoe, mijn lieve vriendin?quot; vroeg Hedwig Sophie, haar hand op Dorothea's arm leggende om haar tegen te hou- • den. „Ge zult de knapen toch niet tegemoet gaan?quot;

„Zeker zal ik dat doen,quot; antwoordde Dorothea glimlachend. „Het zijn niet alleen de zonen van den keurvorst, maar er is ook de keurprins, de toekomstvje keurvorst bij. 'Ik vereer het tegenwoordige en buig mij voor de toekomst.quot;

Zij trad uit het rijtuig, geheel alleen, want er was niemand, die haar de hand bood, die op haar lette. Aller opmerkzaamheid was naar de groep gewend, die zich daar dicht bij de koets midden op den weg bevond. Daar was de keurvorst en hij had de armen om zijn twee zonen geslagen, terwijl deze aan zijn borst rustten en zacht schenen te weenen.

't Was een schoone, aandoenlijke groep, en daarheen zagen de edellieden, die van hun paarden waren gestegen en met ontbloote hoofden op eenigen afstand stonden; daarheen zagen de voorrijders, de koetsiers en lakeien, allen waren diep bewogen en dachten aan het verleden, aan de schoone, bekoorlijke moeder dezer knapen en vergaten de tegenwoordige, de nieuwe moeder der prinsen.

Zij naderde alleen en onopgemerkt de groep; zij hield het hoofd gebogen, opdat niemand haar somber gelaat en bewolkt voorhoofd zou zien; haar lippen bewogen zich zacht en mompelden iets. Had de keurvorst dit gezien, hij zou misschien gedacht hebben, dat het een gebed was, 't welk de keurvorstin fluisterde, nu zij haar toekomstige zonen tegemoet trad.

Maar de keurvorst zag haar niet, hij hoorde niet dat haar lippen prevelden: „Ik zal er aan denken, mijne zonen, en mij wreken!quot;

Zij ging haastig voorwaarts en richtte zich op. Een ,

ocr page 79

73

glimlach spoelde weer om haar lippen en haar gelaat was weer vriendelijk en minzaam.

„Ziedaar mevrouw de keurvorstin, uw lieve moeder, zei de keurvorst, die juist het hoofd ophief. „Gaat, mijn zonen, gaat tot mevrouw uw moeder!quot;

De beide prinsen gingen haar thans tegemoet, namen de hun aangeboden handen der keurvorstin en wilden ze aan hun lippen drukken, maar Dorothea wees ze zacht terug.

„Niet zoo, mijn prinsen,quot; zeide zij, en haar stem klonk vleiend en lietelijk; haar handen, die ze nu zacht op de hoofden der knapen legde en waarmede ze vervolgens vr iendelijk hun wangen streelde, waren als fluweel en geurden als bloemen. „Welke lieve, vriendelijke gezichten zijn dat en hoe zal ik ze beminnen, uw zonen,quot; ging de keurvorstin voort, terwijl ze haar hootd half ter zijde naaiden keurvorst wendde, die haar vroolijk en met glimlachend gelaat aanschouwde. „O, hoe zal ik ze beminnen,quot; herhaalde zij en haar zachte handen streelden nogmaals het aangezicht van den kroonprins Garl Emil. „Maar gij, mijn dierbare kinderen, wilt ge mij ook een weinig lief hebben ? Wilt ge mij gewillig en zonder toorn als uw moeder aannemen?quot;

„Ik zal uw genade lief hebben en eeren als een gehoorzaam en trouw zoon,quot; zei Carl Emil haastig. „Het zal altijd mijn streven wezen, de goedkeuring en tevredenheid van mevrouw mijn genadige moeder te verwerven, en ik zal zeer gelukkig zijn, zoo onze genadige moeder mij een weinig beminnen wil.quot;

„Ik bid mevrouw mijn genadige moeder ons een weinig te willen liefhebben,quot; voegde prins Friedrich er bij. Ik heb zoo'n behoefte aan een lieve moeder, en zou gelukkig zijn zoo uw genade zulk een moeder voor mij wildet wezen. Ik beloof, dat ik u van ganscher harte beminnen wil, en ik behoef dit eigenlijk niet meer te beloven, want terwijl ik mevrouw mijn moeder thans aanschouw, gevoel ik, dat ik haar reeds bemin, en dat haar vriendelijk gelaat mij met teederheid en vreugd vervult. Ik dank dus mevrouw onze lieve moeder, dat zij gekomen is en bid den lieven God, dat hij ons haar vele schoone en gelukkige jaren wil laten behouden.quot;

„Braaf gesproken, mijn kleine Friedrich,5' riep de keurvorst verheugd. Ge weet uw woorden goed te kiezen.

ocr page 80

74

en ik ben zeker, dat mevrouw de keurvorstin voor u een goede moeder zal zijn.quot;

„Niet een goede, maar een teedere moeder,quot; vleide de keurvorstin, terwijl zij de beide knapen in één omhelzing aan haar hart sloot en ze een kus op het voorhoofd drukte.

„En nu, mijn kinderen,quot; riep de keurvorst, „weder te paard, en gij, mevrouw de gemalin, wees zoo goed weder in 't rijtuig te stijgen, want de zon staat reeds hoog, en het zou anders avond worden, voor wij Berlijn bereiken. Als ge het vergunt zal ik zelf ook te paard stijgen en achter uw rijtuig rijden.quot;

„Onder voorwaarde, dat uw doorluchtigheid mij hiervoor een vergoeding geve, en op de door u verlaten plaats een plaatsvervanger stelt.quot;

„Welken plaatsvervanger beveelt uw doorluchtigheid ?quot; vroeg de keurvorst vriendelijk.

„Geef mij dezen jongen heer,quot; antwoorde de keurvorstin op den kleinen prins Friedrich wijzende. „Hij heeft zich zeker ingespannen door den rit hierheen. Mij dunkt, hij ziet er vermoeid on bleek uit, en 'tzou dus beter voor hem zijn, dat hij uitrustte en in onze koets plaats nam. Als uw doorluchtigheid het dan begeert, kan hij voor de stad weder te paard stijgen.

De keurvorst dankte zijn gemalin met een vriendelijken blik en een gemeenzamen hoofdknik, voor de betoonde zorg en voerde Dorothea weder naar het rijtuig, waarin de landgravin haar verwachtte. Prins Friedrich volgde hen met een angstig en verlegen gelaat en nam bedeesd tegenover de dames plaats.

De paarden trokken weder aan en de logge equipage rolde krakend, nu rechts, dan links overhellend, op den zandigen weg voort. Achter de koets reed de keurvorst met zijn zoon, den heer von Schwerin en de edellieden van zijn hof; en zijn frissche krachtige stem klonk somtijds zoo luid, dat men haar in de koets hoorde.

„Hoe vroolijk en vergenoegd is miin goede broader,quot; zei de landgravin Hedwig Sophie, haar schoonzuster toeknikkende. „Dit is uw werk, mijn dierbare vriendin. Gij hebt-mijn lieven broeder zijn vrooiijkheid en goeden luim teruggegeven, want ge hebt hem het geluk en de liefde weer toegevoerd.quot;

Dorothea glimlachte en scheen deze vleiende woorden

ocr page 81

barer schoonzuster als welverdiend aan te nemen, en als iets waarop zij volstrekt geen tegenwerping te maken had.

Zij wendde haar oogen naar den prins en hare grijze, glinsterende oogen richtten zich zoo lang en zoo strak op hem, dat de knaap blozend en angstig zuchtte en zijn blik neersloeg.

„Is het u wezenlijk ernst geweest met de vriendelijke begroeting welke ge straks tot mij gesproken hebt, mijn lieve prins?quot; vroeg zij na een pauze. „Kwam het werkelijk uit uw hart, den lieven God te bidden, dat hij mij nog vele jaren bij u laten mocht?quot;

„Ja,quot; antwoordde Friedrich beklemd, „het kwam uit mijn hart, genadige moeder.quot;

„Ge meent dit in ernst, niet waar?quot;

„Ja, uwe genade.quot;

„Het klinkt toch zonderling, mijn lieve kleine Friedrich, dat ge bij de eerste begroeting terstond aan mijn dood denkt. Want men bidt God niet, dat hij iemand nog zeer lang bij ons mag laten, zoo men niet tegelijkertijd de mogelijkheid voor oogen heeft, dat zoo iemand ons zeer spoedig kon verlaten. Hoe komt ge daartoe, mijn lieve Friedrich? vindt ge misschien, dat ik er zoo bleek en vervallen uitzie?quot;

„O neen,quot; zei Friedrich verlegen en stotterend, „ik vind dit niet en heb volstrekt niet aan uw dood gedacht. Maar ik heb moeten zeggen, wat mijnheer von Sehwerin opgesteld had en wat ik van buiten heb geleerd.quot;

„Ha, mijnheer von Sehwerin heeft dus uw fraaie kleine rede opgesteld, en gij hebt ze van buiten geleerd?quot;

„Ja, doorluchtigheid,quot; stamelde de prins.

De keurvorstin lachte luidkeels. „Dit wilde ik slechts weten,quot; riep zij. „Ik wilde overtuigd zijn, hoe diep uw vrome gebeden voor mij uit uw eigen hart kwamen. Gij zeidet immers, dat zij uit uw hart kwamen, en nu zijn zij toch slechts uit de pen en den inktkoker van mijnheer von Sehwerin gekomen. Ik wil u nu eens voor al iets zeggen, mijn lieve zoon. Ik houd van waarheid, en ofschoon zij mij ongeblanket en met ongetooid gelaat verschijnt, is zij mij toch liever dan de leugen, al moge die ook nog zoo fraai geblanket en opgeschikt zijn. Hadt ge mij straks slechts een paar hartelijke en vriendelijke woorden toegesproken, zooals het oogenblik ze u ingaf, ze zouden mij aan-

ocr page 82

76

genamer geweest zijn dan de bestudeerde, fraaie woorden, welke mijnheer von Schwerin u geleerd heeft. Houdt dit in 'toog, ik wensch, dat ge tot mij altijd uw eigen gedachten spreekt en u niet tot tolk van vreemde gedachten maakt. Laat mij uw eigen gedachten vernemen, want dan alleen kan ik u leeren kennen en verstaan, en een ware en goede moeder voor u zijn. Ik zeg u dit bij onze eerste ontmoeting, opdat gij het voor altijd weet: zeg mij altijd de waarheid en lieg mij nooit voor. Voor de waarheid zal ik altijd toegevend, voor de leugen steeds onver-schoonlijk zijn, want ik haat leugenaars en vleiers, en een oprechte grofheid is mij liever dan een leugenachtige vleierij. Zult ge dit onthouden?quot;

„Ik zal het onthouden,quot; zei de prins nauwelijks hoorbaar, en hij liet het hoofd op zijn borst zinken, want hij was bevreesd voor de strenge, fonkelende oogen der keurvorstin. Maar hoewel hij haar nu niet meer aanzag, gevoelde hij toch, dat deze oogen nog altijd op hem rustten, en zij maakten hem angstig en verlegen, zij schenen als dolkpunten zijn hersens te doorboren. Het deed hem leed tot in 't diepst van zijn hart, hij wilde aanvankelijk dit gevoel onderdrukken, maar het was sterker dan zijn arm, beangst kinderhart, en het openbaarde zich met een luiden snik. met een tranenvloed, die eensklaps zijne oogen ontwelde.

De keurvorstin liet hem stil begaan, zij zat tegenover den weenenden, beangstigden knaap in een ernstige fiere houding en scheen niet het minste medelijden met zijn tranen te hebben.

Na een lange pauze, gedurende welke de landgravin te vergeefs op een minzaam woord van haar schoonzuster gehoopt had, boog zij zich vriendelijk tot haar.

„Mijn dierbare Dorothea,quot; fluisterde zij, „ik bidu, heb een weinig medelijden. Zie, hoe de arme knaap schreit! Zijn klein hart is zeer licht gekwetst en bedroefd Hij was de lieveling zijner moeder, en zij was voor hem in het bijzonder, vol onuitsprekelijke teedere liefde en zorgvuldigheid, misschien omdat hij zoo zwak en klein en door de natuur misdeeld is. Ik bid u, lieve Dorothea, wees goed en zacht voor hem en spreek een woord van troost.quot;

De keurvorstin legde haar hand met een vasten, harden

ocr page 83

77

druk op den arm der landgravin. „Mijn dierbare vriendin,quot; fluisterde zij, „ik ben dankbaar voor uw raad. Evenwel zijn er toch sommige zaken, waarbij ik dien niet kan aannemen, en dit geld bijzonder mijn betrekking tot de prinsen, ik heb er veel over nagedacht, en mijn gedrag jegens hen zal door het resultaat van mijn nadenken bepaald worden, door dit geheel alleen. Ik bid u te bedenken, dat onze wederzijdsche verhouding toch een weinig veranderd is, en wij beiden deze verandering niet geheel uit het oog moeten verliezen. Ik ben thans 'de gemalin van den regeerenden heer keurvorst, ik deel, zijn eer en waardigheden, en sta hem met volle recht ter zijde. Ik zal er op staan, dat niemand, wie het ook zij, dit verge te, en iedereen mij de achting en onderwerping betoont, welke ik mag eischen. Ik heb vast besloten mijn stelling te handhaven mij door niemand en door niets hieruit te laten verdringen, ook niemand te veroorloven zich met al te groote gemeenzaamheid aan mijn zijde te stellen. Op den troon van den keurvorst is slechts plaats voor hem en nog een ander persoon; daar ik die andere persoon wil en moet zijn, zal ik zonder onderscheid en zonder toegeven eiken derden persoon wegschuiven, of als het zijn moet, wegslooten, die zich tusschen ons beiden zou willen dringen of naast mii zou willen staan. Slechts de keurvorst staat naast mij, en God staat boven mij ; van deze beiden zal ik raad kunnen aannemen, mijn veelgeliefde vriendin en vertrouwde. Ik hoop, dat ge dit billijkt, en . . .neem het mij niet kwalijk, mijn dierbare Hedwig Sophie!quot;

„Maar mijn hemel, welke taal is dit?quot; vroeg de landgravin bewogen. „Ik geloofde tot hiertoe, dat'ge vertrouwen in mij steldet. Nog gisteren verzocht ge mij u met mijn raad Ier zijde te staan.quot;

„Hoe zelden gelijkt het gisteren het heden!quot; sprak de keurvorstin de schouders ophalende.

„Nog gisteren,quot; ging de landgravin meer opgewonden voort, waart ge voor mij vol dankbaarheid, en heden schijnt ge reeds vergeten te zijn, dat ik het ben, die u tot keurvorstin heb gemaakt, dat slechts op mijn wensch en mijn aanbeveling de keurvorst er toe gekomen is u zijn hand te bieden,quot;

„Mijn waarde vriendin, 't is niet goed mij dit te herinneren,quot; zei Dorothea met zachte, vleiende stem. „Gij zijt

ocr page 84

78

een verstandige en schrandere dame, en moet dus weten, dat de dankbaarheid een dr ukkende last is, en men het nooit vei'geven zal, wanneer wij herinnerd worden aan het goede, dat men ons heeft betoond.quot;

„Gij geeft dan toch toe, dat ik goed heb gedaan,quot; riep Hedwig Sophie verbitterd. „O, wat een vreeselijke teleurstelling! Ik beminde u zoo hartelijk, ik was zoo gelukkig in u een zuster te hebben gevonden, zoo trotsch er op, dat ge mij als de bewerkster van uw geluk zoudt erkennen en nu, nu ge door mijn hulp de haven van dat geluk zijt binnengeloopen, wilt ge alles vergeten, mij verstoeten, mij niet meer aan uwe zijde dulden! O, hoe ondankbaar, hoe vreeselijk ondankbaar!quot;

„Mijn lieve vriendin, wat deed Ferdinand Cortes, toen hij op de kust van Amerika, in het lang gezochte en verlangde land was aangekomen ? Hij verbrandde zijn schepen! En toch moest hij die schepen dankbaar zijn, want zij hadden hem tot zijn doel gevoerd en hem naar de gewenschte haven gebracht. Maar toch verbrandde hij ze, om zich eiken terugtocht onmogelijk te maken en genoodzaakt te zijn voorwaarts te gaan. Ik doe gelijk Ferdinand Cortes, ik verbrand mijn schepen, nu ik mijn doel bereikt heb, en wil het slechts aan mijn eigene schranderheid en beradenheid overlaten om voorwaarts te gaan.quot;

„Ge beschouwt mij dus als een vaartuig, dat u naaide verlangde haven heeft gebracht? En nu wilt ge dit vaartuig vernietigen ?quot;

„Het is gewaarschuwd,quot; zei Dorothea op haar teeder-sten toon. „Het kan voor het gevaar aftrekken.quot;

„Ge wilt hiermede zeggen, dat ik Berlijn moet verlaten en u niet langer met mijn tegenwoordigheid lastig vallen? vroeg de landgravin met moeilijk bedwongen tranen. „.Niet waar, dit is het? Ik moet heengaan?quot;

„Ik geloof, dat ik u dit uit trouwe en oprechte vriendschap kan aanraden,''antwoordde Dorotheazacht. „'tls nooit goed, dat tusschen twee jonge echtgenooten een derde persoon staat. Dit stoort een betrekking, die nog gevormd en bevestigd moet worden, die derde persoon brengt óf verdeeldheid tusschen de echtgenooten of beiden vereenigen zich en vinden hem lastig, en dit, mijn dierbare, doodt de vriendschap.quot;

„Goed, ik zal gaan, morgen verlaat ik reeds Berlijn,'

ocr page 85

79

riep de landgravin bleek van toorn en smart. „Ik zal echter hel bewustzijn rnedenemen, dat de keurvorstin van Brandenburg een ondankbare is, die aan mij haai' geluk te danken heelt, maar een verraderes van de vriendschap is geworden.quot;

„Moge u dit bewustzijn sterken en troosten, mijn vriendin,quot; zei Dorothea, even het hoofd buigende. „Moge het uwe eenzaamheid in Hessen verzoeten en 't u doen vergeten, dat ge uw schoone vaderstad voor altijd vaarwel hebt gezegd. Want ge begrijpt wel, dat ge met dit bewustzijn niet bij mij als gast te Berlijn kunt blijven, en ge eerst, als ge al deze dingen vergeten hebt, ons de vreugde van uw bezoek weder schenken zult.quot;

„Wij zullen zien of mijn broeder ook zoo denkt,quot; riep Hedwig Sophie vertoornd. „Ik zal gaan, morgen reeds, maar voor ik ga, zal ik mijn armen broeder zeggen, wat de oorzaak is van mijn plotseling vertrek.quot;

„Ge zult u daarvoor wel wachten, mijn dierbare vriendin,quot; glimlachte de keurvorstin. „Ge zoudt dan bekennen, dat alles wat ge den keurvorst vroeger van mij gezegd hebt, al uw lofspraken, uw verheerlijking van mijn persoon, leugen of misleiding zijn geweest, en dat zou u in de achting en het aanzien van den keurvorst doen dalen. Hij houdt zijn lieve zuster Hedwig Sophie voor een der uiistekendste, verstandigste en geestigste vrouwen en dan zult gij hem bewijzen, dat hij zich daarin bedrogen heeft?quot;

„Ge zijt een slang,quot; riep de landgravin in tranen losbarstende, terwijl haar hoofd in de kussens van 't rijtuig leunde.

„Neen,quot; zei Dorothea ernstig en treurig, „ik ben geen slang, ik ben een vrouw, die jaren zeer ongelukkig is geweest en vast besloten heeft ook eens het geluk te kennen om in den zonneschijn te wandelen, nadat zij zoo lang in de duisternis vertoefd heeft. Ik moet alles verwijderen wat mij voor dien zonneschijn in den weg staat en mij in de schaduw zou kunnen stellen. En gij, mijn dierbare, zoudt mij in de schaduw stellen. Gij zijt veel aangenamer, veel beminnelijker, veel geestiger en vroolijker dan ik, en zoo gij lang bij mij waart, zoudt gij den keurvorst, zelfs zonder het te bedoelen, dwingen om vergelijkingen te maken, en die zouden tot mijn nadeel uitvallen. Hij zou u in den zonneschijn en mij in de schaduw stellen, en — daarom,

ocr page 86

80

mijn dierbare, moet gij weg. Ik wil het hart van den keurvorst winnen, ik wil door hem bemind worden, want ik wil hem gelukkig maken, en dat kan nooit, als men niet bemind wordt. Zeg dit, zoo ge wilt, den keurvorst, zeg hem, dat ik u verzocht heb te vertrekken, opdat ik met hem alleen beter zijn liefde zal kunnen winnen.quot;

„ik zal hem niets zeggen,quot; antwoordde de landgravin, driftig. „Ik zal vertrekken, dat is alles!quot;

„Ik dank u, mijn dierbare Hedwig,quot; zei Dorothea zacht, terwijl zij zich tot haar schoonzuster boog en vóór dat deze het kon verhinderen een kus op haar voorhoofd drukte. „Vertrek, en mijn beste wenschen zullen u verzeilen, mijn vriendschap en mijn liefde zullen met u gaan. Ge merkt volstrekt niet op, hoe ik u bemin en hoogacht, en hoe ik in alles, wat ik nu gezegd heb, slechts uw raad volg.quot;

„Mijn raad?quot; vroeg Hedwig Sophie.

„Ja, uw raad, waarde vriendin; hebt gij zelf mij niet geraden alles te verwijderen wat den lieven, edelen keurvorst van mij kon aftrekken? Hebt ge mij zelf niet gezegd, dat de edele, grootmoedige heer, de dappere held, de groote staatsman te leiden was, en ik op mijn hoede moest zijn geen ander te veroorlooven hem te leiden of invloed op hem uit te oefenen? O, schrik niet, ik zal den keurvorst niets verraden, want dit zou ondankbaar zijn. Maar bedenkt, wat ge mij zoo vriendschappelijk van een zekere raadkamer hebt gezegd,quot;

„Dat heeft niets met mij te maken,quot; zei de landgravin verlegen. „Ik heb dit wel gezegd, het was onbezonnen van mij, maar bet geschiedde in de overmaat van mijn vriendschap voor u, maar wat heeft dit met mij te maken ?quot;

„Mijn dierbare, ik kombineerde, en gij behoordet voor mij ook tot de raadkamer. Een portret kan men aanschouwen en toespreken, maar het antwoordt niet; ten slotte wordt men toch moede tot een stom persoon te spreken, men verlangd antwoord op de vragen van hart en hoofd. Er mag niemand zijn, die dan in plaats van mij antwoord geeft, daarom, geliefde gravin, mag in de raadkamer ik alleen slechts aanwezig zijn!quot;

„Ach wat een blinde dwaas was ik,quot; zuchtte Hedwig Sophie snikkend. „Ik liet mij misleiden, ik hield een masker voor het wezenlijk gezicht. Wee over mij en mijn

ocr page 87

81

kortzichtigheid ! Ach, mijn beklagenswaardige broeder, mijn urrne, dierbare keurvorst, mijn ..

„Stil,quot; viel Dorothea haar streng in de rede. „Ge hebt geen reden den keurvorst te beklagen, want mijn streven zal zijn hem gelukkig te maken en hem hierdoor mijn dankbaarheid voor zijn keus te bewijzen. Ik gevoel reeds nu, dat ik hem hartelijk en teeder beminnen zal, en deze liefde zal mij in staat stellen hem alles te vergoeden wat hij verloren heeft.quot;

„Woorden, huichelachtige woorden ! Ik ken u nu, Dorothea, in dit vreeselijk uur heeft zich uw geheele wezen voor mij onthuld, ik weet nu, wat men van u te wachten heeft. Wat een geluk, dat de arme knaap in slaap is gevallen en niets gehoord heeft van dit treurig, smartelijk gesprek.quot;

En de landgravin wees op prins Friedrich, die inderdaad vast scheen te slapen. Zijn oogen waren gesloten, hij lag met het hoofd achterover in 't kussen van 't rijtuig, zijn wangen waren bleek, en men zag er nog de sporen op van geschreide tranen.

„Arm kind,quot; fluisterde Hedwig Sophie, „ge zijtin slaap gevallen van verdriet, of misschien heeft de verheerlijkte geest uwer edele moeder u behoed, voor dit treurige tooneel.quot;

„De knaap slaapt nietquot; zei Dorothea, wier fonkelende oogen strak op het gelaat van den prins gericht waren geweest, en die zeer goed merkte, hoe juist een vluchtige blos over zijn wangen gleed. „Neen,quot; herhaalde zij, „de knaap slaapt niet. Hij heeft alles gehoord, maar hij is sluw genoeg zich den schijn te geven alsof hij sliep en niets gehoord had. Dat is zeer wijs, zeer fijn van hem, en het verheugt mij. De kleine Friedrich schijnt mij over het geheel veel slimmer en schranderder te zijn dan zijn oudere broeder, en ik geloof en hoop, dat wij elkander zeer goed verstaan zullen. Hij schijnt mij voor zijn elf jaren zeer verstandig en wijs te zijn, dat bewijst mij zijn gewaande slaap. Hij zal nu zoo verstandig zijn zich zei ven wijs te maken, dat hij geslapen en niets gehoord heeft van het gesprek zijner moeder en tante, en geen woord er van zal ooit over zijn lippen komen. Hiervan ben ik overtuigd en dat verzekert hem mijn liefde en achting.quot;

De wangen van den prins werden steeds hooger gekleurd;

Mühlbaoh, De gr ook Keurvorst en zijn tijd. Y. 6

ocr page 88

82

muur hij hield zijn ougen nog altijd dicht, bleef nog altijd met zijn hoofd onbewegelijk in 't kussen geleund en zijn gelaat was zonder uitdrukking en rustig, als van een slapende.

Dorothea hield nog altijd oplettend en bespiedend haar oogen op hem gericht, en de landgravin, die haar gadesloeg, was 't, als zag zij een tijgerin, die elke beweging van het arm onschuldig lam, dat zij verslinden wil, bespiedt.

„Wij zijn er!quot; riep de frissche, vroolijke stem van den keurvorst, die nu naar de koets reed en de dames vriendelijk groette. „Wij zijn voor de poort van Berlijn en zullen onzen plechtigen intocht houden.quot;

IX.

DE INTOCHT.

Het rijtuig hield stil, de lakeien snelden loe, om het portier le openen en de trede neder te laten. De keurvorst iiad zich gehaast van het paard te stijgen, en naderde nu zelf het rijtuig om zijn gemalin de hand te reiken, en haar bij 't uitstijgen behulpzaam te zijn. Prins Friedrich lag nog altijd met gesloten oogen, in het kussen. De landgravin had snel haar oogen afgedroogd en poogde een vroolijk voorkomen aan te nemen. De keurvorstin glimlachte haar gemaal vriendelijk loe en haastte zich de haar toegestoken hand te vatten en zich door hem te laten geleiden.

Vóór zij het rijtuig verliet, boog zij over prins Friedrich en drukte een kus op zijn voorhoofd. „Ontwaak, mijn kind,quot; zeide zij liefderijk, „sla uw oogen op, en zoo ge leelijke droomen hebt gehad, vergeet ze. Uw lieve heer vader is hier, en wij zullen nu Berlijn binnentrekken.quot;

Prins Friedrich richtte zich haastig op, „Ik mag nu weder le paard stijgen, niet waar, vader?quot;' vroeg hij haastig.

De keurvorst knikte en bood zijn gemalin den arm. „Kom, mijn lieve Dorothea, laat ik u naar de koets leiden. Zie eens hoe dicht opeen gedrongen het volk daar staat en hoe begeerig mijn Berlijners zijn om u te zien.''

ocr page 89

83

De landgravin draalde nog een weinig tnel uit te stijgen en bleet' een oogenblik met haar neef alleen.

„Friedrich, mijn geliefd kind,quot; zeide zij zacht. „Heeft zij gelijk? Hebt ge niet geslapen? Hebt ge alles gehoord ?quot;

De knaap sloeg haastig een onderzoekenden blik in het rond en overtuigde zich dat niemand hem hoorde. „Ik heb alles gehoord, lieve tante,'' fluisterde hij zacht.

„Let dan op alles, mijn lieve Friediüch, en wees op uw hoede. Ik ben zeer ongelukkig, want ik vrees dat ik u een slechte stiefmoeder heb gegeven. Zij heeft gelijk, deze vrouw, ge zijt zeer verstandig en bedachtzaam voor uw ouderdom, blijf zoo en poog de liefde en vriendschap der nieuwe keurvorstin te winnen.quot;

„Neen,quot; zei de knaap met verbitterde stem, „ik wil geen liefde, geen vriendschap van deze mevrouw de keurvorstin. Ik ben bang voor haar en zal mij wel wachten met haar alleen te zijn, want zij is als de booze feeën in mijn sprookjes, zij zuigt hen het bloed uit, als zij alleen met haar stiefkinderen is.quot;

„Luister, Friedrich,quot; zei de landgravin schielijk. „Als zij dreigt, en boosaardig voor u is, schrijf mij dan; klaag aan niemand, spreek met niemand over haar, maar vertrouw mij, deel mij alles mede wat gebeurt, en wees overtuigd, dat, als gij hulp behoeft, als u gevaar dreigt, ik dadelijk tot u zal komen. Ge weet hoe teeder ik u bemin, en ook dat mijn dochter Elisabelh Henriette haar dierbaren neef harteiijk genegen is. Hebt ge mij geen boodschap voor haar mede te geven?quot;

Het gelaat van den prins werd eensklaps rood en zijn oogen schitterden. „Zeer veel boodschappen heb ik te doen, mijn genadige tante, maar ik weet het nu niet recht te zeggen. Maar zeg haar, dat ik altijd aan haar denk. Zeg haar ook dat ik laatst erg schrikte, toen haar zusier, uw oudste dochter, zich verloofd had.quot;

„Waarom, mijn lieve Friedrich? Wat is u toch aan mijn oudste dochter gelegen, daar ge toch, naar ik hoop, slechts aan Elisabeth Henriette denkt?quot;

„Het viel mij bij de verloving in, dat prinses Elisabeth Henriette ook wel eens zou kunnen trouwen, en ik zou sterven van verdriet, indien ik haar verloving met oen andoren prins vernam.quot;

„Dat zult ge nooit vernemen, mijn zoon,quot; lluisterde de

ocr page 90

84

landgravin. „De kleine Henriette bemint tot hiertoe niemand dan haar lieven neef Friedrich.quot;

„Dan is het goed,quot; r iep de prins. „Mogen al de andere prinsessen in het huwelijk treden, als slechts die maar overblijft, welke ik bemin. Ik zal nu ook vlijtig studeeren en mij zoo gedragen, dat ik later geen weigering zal op-loopen.quot; ^

„Friedrich, Friedrich, waar blijft ge?quot; riep prins Carl Emil, het rijtuig naderende.

„En waar blijft mijn lieve zuster ?quot; vroeg de keurvorst, die aan de andere zijde van het rijtuig verscheen. „Geef mij de hand, mijn waarde landgravin, ik leid u naar de koets, waar de keurvorstin u reeds wacht.quot;

Hij merkte niets van het verlegen voorkomen zijner zuster, 't viel hem niet op, dat zij, op zijn arm geleund, stil en zwijgend naast hem ging, want ook op zijn voorhoofd lag een kleine wolk, en ook zijn gemoed was bewogen en onrustig.

Hij dacht aan het verleden en den heerlijken dag, toen hij onder het gejuich van zijn volk met de schoone, jonge geliefde zijns harten zijn triumftocht door zijn landen had gedaan. Hoe anders was het nu, hoe anders waren ook de toeschouwers en het volk, 't welk zich bij de poort verdrong.

Aanvankelijk, toen men den keurvorst alleen zag, terwijl hij nog te paard zat, had de menigte, die zich bij de poort verdrong, hem juichende begroet, maar toen hij de keur-vorstin naar de koets leidde, was alles stom gebleven en slechts hier en daar was een stem gehoord.

Waarom bleven die vroolijke Berlijners heden stomen ernstig? Wilden zij den keurvorst hun misnoegen betoonen, omdat hij zoo schielijk hertrouwde?

Daar zat de keurvorstin in de groote vergulde staatsiekoets, wier bovengedeelte geheel en al uit groote glasruiten bestond, die door gouden staven verbonden waren. Van alle zijden kon men haar in de koets zien, en van alle zijden staarde men haar aan, doch zwijgend zonder een welkomstgroet. En toch was het een fraai gezicht, die prachtige koets, bespannen met acht paarden in kostbare

1) Dh eigen woorden van den elfjarigen prins. Zie: V. Orlich, Leben des grossen Kurfürsten, II.

ocr page 91

85

tuigen van rood fluweel en goud, en groote witte struis-vederbossen op de fiere koppen. Achter de staatsiekoets reden vier andere prachtige equipages, die de keurvorst onlangs uit Frankrijk had ontvangen als een geschenk van koning Lodewijk XIV, die van buiten fraai beschillderd en van binnen met fluweel en zijde bekleed waren. In deze koetsen zaten de hotdaraes der keurvorstin, die gisteren te Berlijn waren aangekomen, om bij den intocht haar meesteres te ontvangen. Voorts de kostbare en rijk getuigde paarden der generaals, der edellieden en hofbeambten, die allen hier bijeen waren gekomen voor de feestelijke ontvangst.

Daar was de oude Derftlinger in zijn prachtige veldmaarschalksuniform, met het verweerde en joviale gezicht. Daar was ook de veldtuigmeester von Sparr in ernstige militaire houding; daar was de heer von Schwerin en al de andere edellieden in hun geborduurde, met goud gegalonneerde kleeding en dan de heeren magistraatspersonen en de deputatien der burgerij, die dicht bij de poort terzijde van den triumfboog stonden door welke het keur-vorstelijk paar zijn intocht doen zou. Ten laatste waren er nog de lijftrawanten van den keurvorst in hun fraaie uniformen, met den glinsterendén helm op 't hoofd en den reusachtigen hellebaard in de hand.

Het was wel een gezicht, dat het toegestroomde volk kon vermaken en de nieuwsgierigheid der Berlijners kon bevredigen! Waarom zwegen zij dan, waarom begroetten zij den keurvorst en zijn gemalin niet?

Toen de keurvorst met zijn zuster aan de hand naderde, barstte het volk eensklaps los in luide jubelkreten.

Het gelaat van den keurvorst verhelderde en hij dankte vriendelijk en knikte glimlachend de menigte toe, terwijl hij de landgravin naar de staatsiekoets voerde. Voor de koets verliet hij haar om het rijk getuigde paard te bestijgen, dat de stalmeester bij den teugel hield en waarnaast paadjes, lijftrawanten, loopers en lakeien zich in bont gewoel dooreen bewogen.

Naast de gouden staatsiekoets stonden acht fraai uit-gedoschte paadjes, die vior aan vier ter weerszijden der koets op de breede treden plaats moesten nemen ; zij lieten de breede, met goud geborduurde trede neder, om de prinses in de koets te laten stijgen.

ocr page 92

86

De landgravin draalde, toen zij den voet in de koets wilde zetten. Zij wachtte, tot de keurvorstin haar .een plaats naast haar op de achterbank zou inruimen, maar Dorothea scheen dit niet op te merken, zij bleef midden op de plank zitten, en haar wijde, opgezwollen robe van violetkleurig damast vulde het onbezette gedeelte van de bank.

„Wilt ge mij de hand geven, lieve zuster, om u bij 't instijgen behulpzaam te zijn?quot; vroeg Dorothea glimlachend, terwijl zij de landgravin haar hand toestak.

„Ik dankuwdoorluchtigheid,quot;antwoordde Hedwig Sophie. „Ik behoef geen hulp, maar ik zie dat er geen plaats voor mij is.quot;

„Geen plaats, mijn lieve. Ik denk toch, dat deze plaats uitsluitend voor u is bestemd en gij alleen ze zult innemen.quot;

En de keurvorstin wees op de ledige voorbank tegenover baar.

„Meent gij dat ik mij op de voorbank zal plaatsen ?quot; vroeg de landgravin gloeiend,

„Wie anders zou deze plaats innemen?quot; vroeg Dorothea ongedwongen. „Zij behoort u en niemand anders. Kom, spoed u, dierbare zuster, want de keurvorst zit reeds te paard en komt met de prinsen hier heen.quot;

De landgravin nam met een diepen zucht en moeielijk bedwongen tranen op de voorbank plaats, de paadjes sloten de lage, breede glazendeur en namen hun plaatsen in. De keurvorst reed naar de koets, nam den met goud ge-galonneerden, met prachtige witte struisveeren getooiden hoed af en boog diep voor de keurvorstin. De prinses, de generaals, de edellieden, allen volgden het voorbeeld van den keurvorst en reden met ontbloote hoofden voorbij de koets terwijl zij diep voor de keurvorstin bogen.

In dit oogenblik was zij niet leelijk, niet onbekoorlijk, maar jong, lieftallig en beminnelijk in haar voorkomen. Haaroogen schenen zich te vergrooten en straalden, haar wangen gloeiden, haar voorhoofd was helder en klaar, en om de ver-miljoenroode lippen speelde een gelukkig, betooverend lachje, waardoor haar wonderschoone tanden even werden gezien. Haar gelaat was vroolijk, en als men haar zoo zag moest men erkennen dal zij gelukkig en verheugd was.

Werkelijk gevoelde Dorothea zich gelukkig in dit oogenblik. Haar stoutste wenschen waren vervuld. Aan de hand van een aanzienlijken, machtigen en edelen vorst ti'ad zij

ocr page 93

87

uit het duister en de eenzaamheid weder in 't leven. Een regeerende vorstin zou zij worden, glans en eer zouden haar omgeven, voor haar moesten de hoogmoedigen en trot-schen buigen, macht zou zij hebben om haar wil uit te voeren en haar wenschen te bevredigen. Die rijkdom, glans, eer en grootheid, had zij den keurvorst te danken! Zij zwoer bij zich zelve met een heiligen eed, dat zij er hem dankbaar voor zou zijn, dat zij hem beminnen, hem gelukkig maken wilde. Haar geheele ziel ging op in geluk, haar hart had zijn stalen pantser afgelegd, het was weer menschelijk warm, vrouwelijk teeder en vol liefde, gelijk het vroeger wel eens was geweest, toen het ongeluk het nog niet verhard had. Zij zelve was zich van deze inwendige verandering bewust en begroette ze met aandoening en vreugd, en een diepe weemoed, een week, liefderijk verlangen overweldigde haar. Haar oogen vulden zich met tranen. Ja,,het geluk had het pantser van dit hart losgemaakt, zij was weder vrouw, een weeke, beminnende, teedere vrouw, geen demon, geen honende, spottende geest, geen verloren, maar een herwonnen ziel, die vol dankbaarheid, vol aandoening aan de poort van een nieuw, schoon leven stond en daar binnentrad met edele voornemens, met een vasten wil goed te zijn en gelukkig te maken.

Met tranen in de oogen, met een zachtdii glimlach reikte nu Dorothea de landgravin haar beide handen.

„Vergeef mij, zuster, zoo ik hard en liefdeloos was. Ik heb zoo veel geleden. Ik was als door een boozen demon bezeten, die in mij sprak en handelde. Maar dit uur van triumf en geluk heeft dien boozen demon verdreven en den goeden engel weer in mij gewekt. Vergeef mij, zuster, sta mij bij en help mij, om weder goed te worden en teeder en zacht!-'

Maar de landgravin scheen de handen niet te zien, die haar werden toegestoken, zij scheen de woorden niet te hooren, welke de keunorstin met bevende stem tot haar gesproken had. Slechts een oogenblik zag zij met een blik vol toorn en verachting naar de keurvorstin, vervolgens zag zij weder naar het golvend gedrang, dat het langzaam voortgaande rijtuig omgaf.

„Daar is de triumfpoort,quot; zeide zij, als tot zichzelve. „Nu zal de burgemeester zijn bestudeerde rede houden en met ophef spreken van het geluk en de vreugd der

ocr page 94

88

bevolking, zooals dit gebruikelijk is. Dan zal mijn broeder hem eenige woorden ten bescheid geven, en mevrouw de keurvorstin zal haar masker weder aannemen, glimlachen, en met zachte stem stad en land van haar welwillendheid verzekeren ; zij zal zich voordoen als een engel, maar blijven wat zij is, een demon, een valsche, heorschzuch-tige, huichelende vrouw!quot;

„Hedwig,quot; riep de keurvorstin smartelijk, „Hedwig, is dat uw antwoord?quot; Neemt gij mijn hand niet aan?quot;

De landgravin maakte een heftige, afwerende beweging. „Ik stoot ze terug, ik vrees haar aanraking,quot; zeide zij in toorn losbarstende. „Ge hebt mij bespot, gehoond, belee-digd, ge hebt mij laten zien in het diepst van uw hart, en daarin heb ik een afgrond van boosheid, geveinsdheid en wreedheid gezien. Wat geeft f:het mij nu, of^gij het thans met bloemen belegd en het maskeert met fraaie woorden en lieve lachjes? Ik ken u, en uw duivelskunsten hebben geen macht meer op mij.quot;

„Maar ik zeg u, Hedwig, dat ik berouw heb over mijn hardheid, en het weer goed wil maken!quot;

„Er zijn dingen die nooit weer goed te maken zijn, slechte daden worden met mooie woorden niet ongedaan gemaakt. Gij hebt een geheel jaar lang een goed doordacht, goed overlegd spel met mij gespeeld. Gij hebt gehuicheld en gevleid, en u stil en bescheiden betoond, gij hebt van uw onderwerping en dankbaarheid, van uw liefde en trouw veel ophef gemaakt en er niets van gemeend. Het waren slechts de angels, die gij naar den keurvorst uit-wierpt, om he n als buit te vangen.quot;

„Mevrouw de landgravin,quot; riep Dorothea opvliegend, „weet ge, dat gij beleedigend wordt, dat... He, daar is mijn lieve heer keurvorst,quot; riep zü, plotseling een anderen toon en een ander voorkomen aannemende en met een vriendelijken lach den keurvorst groetende, die weer naar haar toereed.

Men had nu de eerepoort bereikt, en de burgemeester trad uit den quot;kring zijner beambten en hield zijne plechtige begroetingsrede. Hij prees het geluk van de nieuwe echtverbintenis, die de keurvorst gesloten had tot heil zijner familie en van zijn land, en smeekte 's hemels zegen over het gehuwde paar af.

De keurvorst en de keurvorstin antwoordden eenige vrien-

ocr page 95

89

delijke woorden. Op een teeken van den burgemeester, verkondigden de op den stadswal geplaatste kanonnen aan de steden Berlijn en Keulen het naderen van het vorstelijk paar. De klokken van alle torens begonnen te luiden en riepen de bewoners naar buiten, om de nieuwe keurvorstin te zien in de pracht en heerlijkheid van den vorstelijken intocht.

Al de straten, door welke de stoet ging, waren zoo dicht met menscben gevuld, dat de lijftrawanten, die voor den stoet reden, zich slechts met moeite een weg konden banen, en de keurvorst en de prinsen geen plaats meer vonden naast de koets der keurvorstin, maar er met bun gevolg voor gingen rijden. Zoodra het volk den keurvorst ontwaarde, begroette het hem met blijde kreten en jubelde aanhoudend : „Leve onze keurvorst! Leven onze prinsen! Vivat! Vivat!quot;

Maar toen hij voorbij was, verstomde het gejuich, en aller gezichten wendden zich nieuwsgierig naar de vergulde staatsiekoets, en aller oogen waren op de keurvorstin gericht, die glimlachend en vriendelijk naar alle kanten groette, doch voor haar groeten den dank des volks niet inoogstte. Somwijlen liet zich wel hier en daar een enkele stem booren, doch de menigte nam hier geen notitie van, maar lachte er spottend om of bracht den schreeuwer met luid sissen tot zwijgen.

De keurvorstin behield evenwel haar stereotypen glimlach, boog bestendig ter rechter en linker zijde, en haar voorkomen verried niets van den toorn en de smart, die in haar binnenste woedden, en niemand wist het, dat zij bij zich zelve zwoer, dit onvriendelijke Berlijnsche volk te straffen voor die onverschilligheid en de beleediging, baar op dit oogen blik aangedaan.

De keurvorst bad geen vermoeden van wat achter hem gebeurde. Hij reed te midden zijner zonen voort, en door het jubelen en de vivat's, die hem overal vergezelden, kon hij niet booren dat het achter hem verstomde. Maar juist daarom trof dit zwijgen des volks met te grootere bitterheid de keurvorstin en verwondde haar bij elke schrede als met vergiftigde pijlen.

Geen trek van haar gelaat verried de foltering welke zij leed, en zelfs de oogen der landgravin, die bestendig scherp en vorschend op haar rustten, konden nietde minste beweging in haar voorkomen ontdekken.

ocr page 96

90

„Hoe stil is het volk,quot; riep Hedwig Sophie eindelijk met een spottenden lach. „Men zou zeggen, dat het vreeselijk verkouden geworden is en zijne stem heeft verloren.quot;

„Ge hoort echter, dat dit niet zoo is,quot; zei Dorothea glimlachend, „want vóór ons klinkt het vivat van 'tvolk onzen lieven heer en keurvorst vroolijken krachtig tegen. Dit bewijst ons duidelijk, welke gezonde kelen het heeft en hoe gaarne het jubelt, als het den man ziet, dien hot zooveel reden heeft te beminnen en te vereeren. O, dit gejuich van 'tvolk maakt mij onuitsprekelijk gelukkig en ik hoor het gaarne. Ik bemin de goede Berlijners nu reeds hiervoor, omdat zij den keurvorst den dag van heden tot een vreugdedag maken, en ik zal dat nooit vergeten zoolang ik leef!quot; *

„Dit is zeer fraai, zeer verheven van u gezegd,quot; merkte de landgravin spottend op. „Ik beken, dat ik mij niet zou kunnen verhelfen tot zulke grnotsche gevoeleijs, het zou mij beleedigen zoo koel en zwijgend ontvangen te worden. Want het schijnt bijna een begrafenis.quot;

„Het is ook een begratenis,quot; zei Dorothea zacht. „De Berlijners begraven heden, nu zij haar opvolgster voor het eerst zien, de keurvorstin Louise Henriette ten tweede male. Ik waardeer dit hoog, en ik zal hen geen verwijt maken van hun trouw en gehechtheid aan hunne dierbare herinneringen. Zij zullen zich ook mij later herinneren, hoop ik, en schoon ik niet weet of het mij gelukken zal in 't hart der Berlijners gedenkteekens op te richteo, weet ik wel, dat de Berlijners van mij spreken zullen, en ik mij zelve in straten en op pleinen gedenkteekerven zal oprichten. Mijn gemaal heeft mij gezegd, dat hiér in Berlijn nog veel ruimte tot bouwen is en men er nog veel straten en pleinen kan aanleggen. Ik houd van bouwen en heb er mij meermalen mede beziggehouden, dat zal mij nu te pas komen. Aan de keurvorstin Louise Henriette hebben de Berlijners fraaie tuinen en nuttige melkerijen te danken, ik zal hun straten en pleinen en nuttige gebouwen geven, en dat zijn de gedenkteekenen die ik mij zei ve wil oprichten. Dunkt u ook niet, dierbare vriendin? Gij hebt mij op uw liefderijke en zachte manier willen troosten over het zwijgen der goede Berlijners, maar ge ziet wel dat ik dien troost niet, noodigheb Zij juichen mijn gemaal hun begroetingen toe en ik behoor bij hem als zijn we-

ocr page 97

01

derhelff, dus gelden deze begroetingen ook mij en mag ik er mij dus ook een deel van toekennen. Maar met u, geliefde schoonzuster,quot; ging zij met haar zachte vleiende stem voort, „met u moet ik medelijden hebben, want men kon toch verwachten, dat men voor de zuster van den keurvorst eenige vriendelijke begroetingen over had. Wat hebt ge deze Berlijners toch gedaan, dat zij u zwijgend laten voorbij trekken, daar zij toch voor mijn gemaal en mij zooveel uitbundij-e toejuichingen over hebben?quot;

,,Watquot;, riep de landgravin ontsteld. „Meent gij dat dit zwijgen mij kan gelden? Dat ik er de schuld van ben?''

„Helaas ja, mijn arme schoonzuster, en ik denk sedert een half uur na wat toch wel de réden van dezen afkeer der Berlijners voor u wezen kan?quot;

„O, dat is te veel,quot; riep Hedwig Sophie toornig, „dit gaat alle lankmoedigheid te boven, en . .

„Bedaar, mijn dierbare schoonzuster,quot; zei de keurvorstin met vriendelijken glimlach, „daar is de keurvorst!quot;

Zij boog zich uit het portier en groette haar gemaal, die nu, daar men uit de enge straten en op het slotplein was gekomen, weder plaats nam naast de koets zijner-gemalin. De volksmenigte, die het slotplein vulde, ontving den keurvorst mot duizendslemmig gejubel, en onder deze huldebetooningen reed de koets op het eerste kasteelplein en hield voor de groote trap stil.

V.

DE STIEFMOEDER.

De keurvorst- was van zijn paard gesprongen, om zijn gemalin bij het uitstijgen behulpzaam te zijn. De paadjes trokken 't portier open en lieten de trede neder.

„Nu, mevrouw de keurvorstin,quot; zei de keurvorst vroolijk glimlachend, „ik hoop, dat ge tevreden zijt over mijn Berlijners. Zij hebben llinke kelen, niet waar, en hebben u een daverende welkomstgroet toegeroepen?quot;

„Ja, 't was heerlijk,quot; antwoordde Dorothea vroolijk. „Het

ocr page 98

02

klonk mij verrukkelijk legen en ik heb, dunkt mij, nooit schooner muziek gehoord.quot;

„Greef mij nu de hand, mevrouw de keurvorstin, en laat mij de eerste zijn, die u in het slot mijner vaderen begroet. Moge uw ingang gezegend en mogen geluk en tevredenheid er uw gezellen zijn.quot;

„Zij zullen het altijd zijn, als ik bij u ben,'' zei de keurvorstin, terwijl zij, op den arm van den keurvorst leunende, de koets verliet en de trap opging. Achter hen kwam de landgravin aan den arm van den keurprins Carl Ernil, met prins Friedrich aan de andere hand, en hen volgde de geheele schitterende stoet van dames en edellieden.

Langzaam en zwijgend voerde Friedrich Wilhelm zijn gemalin door den grooten corridor, voorbij de deur die toegang gaf tot de vertrekken der overledene keurvorstin. Bij het voorbijgaan sloeg hij er een enkelen droevigen blik op; een zware zucht steeg uit zijn bor.st en zijn wangen verbleekten.

Dorothea had dit opgemerkt, en ook haar oogen wendden zich naar de deur. ,,Daar heeft zij gewoond, mijn vijandin,quot; zeide zij bij zichzelve. „Daaruit moet ik haar verdrijven!quot;

Nu hield de keurvorst stil voor de hooge, wijdgeopende vleugeldeuren aan het einde van den corridor.

„Hier zijn wij aan den ingang uwer vertrekken,quot; zeide hij, „ge zult er de opvolgster van mevrouw mijne moeder zijn, die ze vroeger bewoonde. Ik heb ze voor u nieuw laten inrichten en herstellen, want het oude moet nieuw worden, omdat een nieuw geluk deze kamers zal binnentrekken. De geest mijner dierbare moeder ontvangt u op dezen drempel en heet u welkom door den mond van haar zoon, dien zij trouw bemind heeft en dien zij in deze vertrekken vele bewijzen van teederheid en moederliefde gegeven heeft. De dooden zijn zeker bij ons in dit uur en hun verheerlijkte oogen zien vriendelijk op u neder en zegenen de opvolgster, de nieuwe landsmoeder, de nieuwe keurvorstin, de nieuwe moeder. Ga binnen, mevrouw de keurvorstin, en moogt ge gelukkig zijn in deze vertrekken.quot;

Hij voerde zijn gemalin door de voorkamer, waarin de kameniers en hofbeambten geschaard stonden, die met diepe buigingen de nieuwe gebiedster begroetten.

Vervolgens voerde hij haar in de versierde huisvertrek-

ocr page 99

93

ken, die door hun tegenwoordige pracht een geheel ander aanzien hadden dan toen de gemalin van keurvorst George Wilhelm ze bewoonde, en toen bij iedere regenvlaag het water door de vensters en het dak binnendrong. Een oogenblik richtten zich de oogen van den keurvorst naar de zoldering, en die herinnerde hem nog aan eene vroegere geschiedenis.

Het was dezelfde kamer, welke Ludowika Hollandine vroeger bewoonde, en waarin zij haar geheime samenkomst had met Koenraad von Burgsdorf. Hun gesprek werd door den keurvorst door het gebarsten plafond beluisterd en daardoor ontdekte hij het geheele verraad.

Hij sloeg de oogen neder en zij ontmoetten den blik zijner gemalin, die strak en vorschend op hem rustte.

„Herstel u een weinig van de vermoeienissen der reis, doorluchtigheid,quot; zeide hij, „over een uur zullen wij de eer hebben, u naar de groote courzaal te geleiden, om u de ministers en hofbeambten voor te stellen. Mijn zonen wenschen echter vooraf nog bij mevrouw hun genadige moeder hun opwachting te maken, om haar te begroeten, indien zij hun dit veroorloven wil.quot;

„Zij zullen mij altijd welkom zijn,quot; antwoordde Dorothea vriendelijk knikkend. „Zij zullen nooit noodig hebben verlof te vragen, want de deur en ook het hart hunner moeder zal altijd voor hen open staan?quot;

Zij begeleidde den keurvorst tot aan de deur van haar kabinet en bleef er staan om zijn fraaie gestalte na Ie oogen, terwijl hij de andere kamers doorging. Zij stond er nog, toen haar kamenier, de trouwe Martin, uit de toiletkamer kwam en zacht fluisterend haar doorluchtigheid verzocht, zich naar de toiletkamer te begeven, om zich voor de groote cour te laten kleeden.

Maar haar doorluchtigheid had heden weder haar booze luim, waarin zij over zich zelve placht te spotten en bijtende aanmerkingen te maken, die telkens het hart dei-goede Martin met smart en schrik vervulden. Haar doorluchtigheid verklaarde, dat een baviaan door prachtige kleederen niet in een engel zou veranderen, en zoo de kamenier het niet verstond eerst het gelaat barer keur-vorstelijke doorluchtigheid te verfraaien, zij in het geheel geen toilet wilde maken, maar in het kostuum zou blijven, waarin zij zich nu bevond-

ocr page 100

94

De kamenier Martin was daardoor in vertwijfeling en smeekte met zeer aandoenlijke woorden liaar keurvorsle-lijke doorluchtigheid, toch niet zoo hard en wreed te zijn tegen zich zelve, en ten minste het prachtige met goud geborduurde sleepkleed in oogenschouw te nemen, dat voor de groote cour was bestemd, en tot de bruidsgeschenken behoorde, die de keurvorst zijn gemalin gezonden had.

Haar keurvorstelijke doorluchtigheid moest eindelijk aan de beden van haar beproefde, trouwe dienares toegeven en volgde haar naar de toiletkamer, doch op voorwaarde, dat het geheele toilet in een kwartieruurs afgeloopen zou zijn. De dienstdoende vrouwen en kameniers snelden nu toe en door hare bedrijvige handen was alles werkelijk in een kwartier voltooid.

De keurvorstin stond daar in het blauwe, met zilver geborduurde fluweelen kleed, over 'twelk van achter de lange, met hermelijn geboorde, goudlakensche sleep neder viel, haar voelen waren bekleed met lluweelen, met goud geborduurde schoenen en een diadeem van paarlen en diamanten fonkelde op haar voorhoofd.

liaar keurvorstelij ke doorluchtigheid aanschouwde zich op den wensch van juffrouw Martin in den spiegel en knikte statig, beval vervolgens allen heen te gaan en niemand tot het begin der eerste cour in haar vertrekken te laten, want haar keurvorstelijke doorluchtigheid gevoelde zich zeer vermoeid en had eenzaamheid en rust noodig!

Allen gingen heen en Dorothea sloot zelve de deur achter hen en sloeg toen nog een haastigen, onderzoekenden blik door de geheele kamer. Er was niemand, zij was alleen! God dank! Geen bespiedende oogen! liet. masker mocht worden afgenomen, het masker van kalmte, zachtmoedigheid en vriendelijkheid, dat zij den geheelen dag had gedragen, en de toornige, van smart vertrokken gelaatstrekken mochten zichtbaar worden.

Zij had zoo veel geglimlacht, nu mocht zij toch wel eens, ten minste hier in dit kabinet, dat rondom door ledige kamers omgeven was, luid roepen, wat haar de gedrukte horst zou verlichten. Nu kon zij uitspreken, wat zij den ganschen dag in de diepte van haar hart begraven moest: „Ik haat de keurvorstin llenrlette! Ik haat

ocr page 101

95

haar zonen! Ik haat dit afschuwelijk volk,dat mij een uur lany mishandeld heeft met zijn zwijgende en sombere blikken! Ik wil wraak nemen, wraak op allen! Ik wil mijn mededingster verdrijven uit de herinnering van den keurvorst, en — wee haar zonen, zoo zij mij dit willen verhinderen. Wee!quot;

Het wee, dat zij met zulk een luide, toornige stem had geroepen, weergalmde nog lang in het stille eenzame vertrek; de keurvorstin schrikte er zelve van en sloeg een angstigen blik in het rond.

Gelukkig, zij was alleen! Niemand zag haar, behalve het groote portret der keurvorstin-moeder, dat aan den wand hing, en haar met ernstige, stille oogen aanschouwde.

Dorothea naderde dit portret, knikte het toe en herhaalde de woorden, welke de keurvorst haar vroeger gezegd had: „De dooden zijn zekerlijk bij u in dit uur en haar verheerlijkte oogen zien vriendelijk op u neder en zegenen beur opvolgster. Zegent ge mij ?quot; riep zij luid tot het beeld. „Zijt ge werkelijk bij mij? Welnu, zie dan ook mijn nood en zielesmart en ontferm u over mij! Ten tweede male ben ik gehuwd en ten tweede male versmaad. Mijn hart, dat gloeiend verlangt naar liefde, is verlaten en eenzaam! Help mij de doode gemalin te overwinnen in het hart van uw zoon, opdat de levende er haar intocht in kunne doen. Ik wil niet buiten staan en mij met een bedelpenning der vriendschap laten alschepen, ik wil, dat de poorten van zijn hart zich wijd zullen openen, en ik er als overwinnares, als de geliefde mijn intocht zal houden! Weg met de dooden! Den levenden behoort het leven, de liefde, het geluk! Ik ben een levende en zal de schaduwen verjagen, ik wil dat de zon ook voor mij schijnt om te wandelen in haar licht, als de waarachtige (jeliefde keurvorstin! Help mij, en als het waar is dat ge bij mij zijt en mij hoort, verneem dan den hulpkreet van een vrouwenhart, dat nog nooit de liefde heeft leeren kennen, en er naar smacht gelijk do demons in hun hel-sche folteringen naar het paradijs smachten!quot;

Zij verwijderde zich van het portret en ging nu door het kabinet, opende de deur van de aangrenzende kleine receptiezaal en trad er binnen. Het geluid van het openen der deuren weergalmde zonderling in de hooge kamer, alsof er geesten in fluisterden en lispten, en de nieuwe

ocr page 102

m

keurvorstin begroetten, die zoo lier en somber naderde. Tusschen de vensters tegen de breede pilaren, waren kostbare Veneliaansche spiegels in gebeitelde gouden lijsten geplaatst, en toen Dorothea er voorbij kwarn, zag zij hare getooide gestalte met het leelijke, treurige gelaat. Zij bleef staan voor het beeld dat daar te midden van deze pracht en glans, haar zoo smeekend aanzag, en een innig medelijden met zich zelve overweldigde haar. Zij liet het hoofd op de borst zinken en weende luid.

Hoe akelig waren die tranen in deze fraaie zaal met de prachtige zijden behangsels, de vergulde tluweelen stoelen, de groote lichtkroonen van bergkristal, de fraaie spiegels en al de heerlijkheid, die op de marmeren tafels en de vergulde étagères in de rondte stond. Hoe akelig was het, te midden van deze vorstenzaal deze prachtig getooide, vL n briljanten fonkelende vrouw te zien, die luid kermde en haar handen wrong van duldelooze smart!

De klaagtoonen, die over haar lippen kwamen, verschrikten de keurvorstin zelf en vermaanden haar tot voorzichtigheid, tot kalmte. Zij onderdrukte haar zuchten, drong de tranen terug, en liet een luiden spotlach hooren.

„Gekkin, dwaze gekkin en dweepster, „riep zij tot het beeld in den spiegel, dat haar nu toelachte en met haar scheen te koketteeren. „Zoo is het goed, wees vroolijken welgemoed, ge hebt er reden toe! Ge zijt immers de gemalin van den machtigen en voornamen keurvorst van Brandenburg, de meesteres van deze prachtige zalen. Wees tevreden! Gij hebt in allen geval een schitterend huwelijk gedaan! Wees tevreden en verheug u.''

Zij ging verder en knikte tevreden toen zij voorbij den volgenden spiegel kwam en er de van briljanten fonkelende gestalte, met het opgeheven hoofd en de spottend glimlachende lippen in gewaar wei d, zij ging verder naai' het aangrenzende vertrek, dat even kostbaar, even rijk-was gestolfeerd, en schudde thans afkeurend het hoofd.

„Hoeveel geld is hieraan verspild,'' fluisterde zij zacht. „Welk een overdadige pracht! Maar men weet het, de keurvorst van Brandenburg bemint vorstelijke pracht, en zijn kassen zijn dikwijls ledig, omdat hij zijn geld aan voorwerpen van weelde verspilt. Dit zal mij ten spoorslag strekken, om zuinig te zijn en geld te verzamelen. Want 'tis niet genoeg dat ik keurvorstin ben, ik moet ook een

ocr page 103

97

rijke keurvorstin zijn, dan heb ik macht, dan heb ik aanzien, dan zal ik mijn verspillenden gemaal beheerschen.quot;

Uit de heerlijke receptiezalen kwam zij nu weder in de meer gezellige, eenvoudige huiskamer en doorwandelde ook deze, opende iedere deur, om te zien waarheen zij voerde, ging iedere kamer binnen, en betrad ook de donkere kleine gang, achter de antichambre. Eensklaps was het alsof zij dicht in haar nabijheid zachte fluisterende stemmen hoorde; zij bleef staan en luisterde. Ja, dicht achter dezen wand en achter deze kleine behangen deur, die van hier naar buiten voerde, kon men ze duidelijk hooren.

Zacht sloop de keurvorstin naar deze deur en luisterde. De stemmen waren nu in haar nabijheid, en zij herkende ze duidelijk, 't Waren de stemmen der beide zonen van den keurvorst.

„'tls zonderling,quot; zei prins Carl Emil op zijn heftige, onstuimige manier, „dat wij hier in de voorkamer moeten staan en wachten, al^pvaren wij hare lakeien.quot;

„Stil broeder,quot; fluisterde prins Friedrich. „Spreek niet zoo luid, men zou ons kunnen hooren!quot;

„Wat mij betreft. Frits, ik geef er niet om! Iedereen mag 't weten, dat ik mij erger, omdat de nieuwe keurvorstin . ons bier in de antichambre laat wachten. Onze vader heeft haar ons bezoek aangekondigd en nu wij komen met onze kostbare geschenken, welke ik, tusschen-beide gezegd, ieder ander persoon liever gun dan haar, heeft de keurvorstin zich opgesloten en bevel gegeven niemand binnen te laten! 't Is afschuwelijk, 't is ongehoord, en ik zou grooten lust hebben terug te keeren.quot;

„Doe dat niet, om Gods wil, doe dat niet,quot; bad Friedrich angstig. „Zij zou boos worden en ik wilde voor alles ter wereld niet, dat wij de keurvorstin reeds den eersten rlag vertoornden.quot;

„Ge meent, dat zij ons dadelijk met huid en haar zou verslinden? vroeg Carl Emil, luid lachend. „Ge kondt wel gelijk hebben, zij ziet er wel naar uit. Van morgen, toen wij haar het eerst begroetten, toen zij uit de koets steeg om ons te omhelzen, werd ik bijna bang voor haar.quot;

„Ik ook,quot; zei Friedrich bevend, „ik ben nog bang en zal zeker mijn geheele leven bang voor haar zijn.quot;

Toen zij ons zoo streelde en vleide, haar weeke, zachte

Mühlbaoh, Be groote Keurvorst en zijn tijd. V. 7

ocr page 104

98

handen over onze gezichten streek en ons rnet^ haar glinsterende oogen zoo listig aankeek, kwam zij mij voor als een verkleede kat, en ik dacht telkens, dat uit de witte vingers nagels zouden te voorschijn komen, om ons te krabben, en ...quot;

Hij verstomde en staarde verschrikt naar den wand en de behangen deur, die haastig en onhoorbaar geopend werd. Daar stond de keurvorstin Dorothea, met kalm gelaat, maar met een honenden glimlach op de trillende lippen en met woedende, fonkelende oogen.

De kleine prins Friedrich slaakte een kreet en verborg zich achter de groote, forsche gestalte van zijn broeder Carl Emil, die met purperrood gelaat en geheel verbluft de keurvorstin aanstaarde.

„Komt, mijn prinsen,quot; zei Dorothea met zachte stem, „komt en volgt mij.quot;

Zij keerde zich om en trad weder in den corridor, ging dien haastig door, en begaf zich door de volgende kamers naar haar kabinet. De lange sle^j» ruischte achter haar en hield de beide prinsen, die haar bedrukt en met gebogen hoofd volgden, op een eerbiedigen afstand.

In haar kabinet gekomen bleef zij staan en wendde zich tot de prinsen, die deemoedig en verlegen op den drempel stonden.

„Komt binnen en sluit de deur,quot; beval zij. „Hier zijn wij alleen, hier kan niemand ons hooien. Zoo! Komt nu en zegt mij, wat u tot mij voert.quot;

„Wij willen mevrouw onze moeder verzoeken, ter gedachtenis aan dezen schoonen en feestelijken dag een klein geschenk van ons aan te nemen,quot; stotterde Carl Emil met bevende stem.

„Wij wilden u verzoeken,quot; lispte Friedrich nauwelijks hoorbaar, „ons de groote vreugd te schenken heden deze oorringen en armbanden aan te doen, als een bewijs, dat ge ons genadig en liefderijk gezind zijt.quot;

En terwijl de prinsen dit zeiden, reikte ieder van hen met bevende handen de keurvorstin een open étui^waarin groote brillanten fonkelden.

Dorothea zag de knapen met diepe verachting aan, en in plaats van de beide étuis te nemen, sloeg zij er zoo heftig op, dat zij uit de handen der knapen op den grond vielen.

ocr page 105

99

„Ik neem niets aan wat ge ieder ander liever zoudt willen geven, dan aan mij,quot; zeido zij trotsch. „Onthoud dat, Garl Emil. Ik neem geen geschenken aan van hen die mij vreezen, en mij eeuwig zullen vreezen. Onthoud dat, Brie-drich. Ik zal uw brillanten niet dragen, en ik zal het uw vader zeggen, waarom ik ze niet draag. Wat uw vrees betreft, zoo kunt ge gerust zijn, ik krab nooit, mijn nagels komen nooit te voorschijn, maar zij zijn toch voorhanden, en daarom raad ik u op uw hoede te zijn, want hoewel ik niet krab, sla ik misschien, en dien mijn slag treft richt zich niet weder op.

„Genade, mevrouw,quot; riepen de beide knapen op hun knieën vallende. „Vergeef ons ditmaal, genadige vrouw moeder, ge zult stellig nooit weder over ons te klagen hebben!quot;

„Ge zult dus voorzichtiger zijn en zachter spreken,quot; zei Dorothea. „Ge zult mijn fijne gehoor vreezen en niet zoo dicht in mijn nabijheid kwaad van mij spreken, niet waar? Ik wilde een goede moeder voor u zijn, u beminnen, en hoopte dat ook gij mij beminnen zoudt?quot;

„üat willen wij ook,quot; riep Garl Emil. „Zeker, wij willen u beminnen.quot;

„Wij zullen uwe gehoorzame en teedere zonen zijn,quot; zei Friedrich biddend.

„Ik gelool u niet meer, alles is voorbij. Gehoorzame zonen zult ge zijn, maar teeder nooit, dat weet ik nu ! Doch ik zeg u, geef mij geen reden tot klagen, want ge zult in mij een onverbiddelijk en streng rechter vinden! Nu geen woord meer! Staat op, en volgt mij naar den keurvorst!quot;

„Ach, genadige vrouw moeder, erbarm u toch,quot; smeekte Garl Emil. „Zeg onzen vader niet, hoe ondeugend en slecht wij ons gedragen hebben. Het zou hem zoo zeer bedroeven, en hij zou het ons nooit vergeven.quot;

„Wees ditmaal toegevend voor ons,quot; bad Friedrich. „Wij zullen ons beteren, u evenzeer beminnen als wij onze-wezenlijke moeder bemind hebben! Vergeef ons slechts ditmaal.quot;

„Vergeef ons en wees genadig,quot; bad Garl Emil. „Neem onze geschenken aan.quot;

Hij raapte het étui met den diamanten armband van den grond en hield ze omhoog. Zijn broeder volgde zijn

ocr page 106

100

voorbeeld en reikte de keurvorstin met bevende handen en smeekenden blik het étui met de oorhangers.

Dorothea zag op de knielende prinsen neder met een triumfeerenden blik, haar oogen rustten lang op hun angstige, van tranen overstroomde aangezichten.

„Het zij zoo,quot; zeide zij na een lange pauze. „Ik zal op den eersten dag van mijn aanwezigheid alhier, niet streng zijn. Ik wil vergeven en vergeten, en uw vader zal nooit vernemen welk verdriet ge mij gedaan hebt en hoezeer ge mijn hart bedroefdet. Het zal een geheim blijven tus-schen u en mij. Denkt er echter aan, en weest indachtig mij nooit weder reden tot ontevredenheid Ie geven, want hoewel ik geen kat ben, ben ik toch een strenge vrouw, die geen onrecht vergeeft. Als ik ooit weder over u te klagen heb, zal ik den heer keurvorst ook de beleedigingen, welke ge mij heden hebt aangedaan, niet verzwijgen, maar een rechtmatige straf voor u begeeren! Staat op, geeft mij uw geschenken en herhaalt mij de mooie woorden, welke gij van buiten hebt geleerd!quot;

De beide knapen slonden haastig op, en met bevende stemmen herhaalden zij de woorden, welke zij vroeger gezegd hadden. v

De keurvorstin lachtte luid en nam nu de beide étuis uit de handen der bevende knapen.

„Ik dank u, mijn lieve zonen,quot; zeide zij teeder. „Ge hebt mij een onbeschrijfelijke vreugd bereid, en ik zal deze kostbare sieraden dragen ter gedachtenis aan de lieve en teedere zonen, die ze mij gegeven hebben! Nogmaals dank! Verlaat mij nu, mijn lieve prinsen, want het wordt tijd voor de groote cour!quot;

De prinsen drukten hun lippen eerbiedig op de hun toegestoken hand der keurvorstin en verwijderden zich toen haastig.

Dorothea zag hen glimlachend na. „Ik heb deze kleine slangen overwonnen,quot; fluisterde zij. „Aan mijn voeten uitgestrekt, zullen zij den moed niet hebben mij in den hiel te bijten. De vrees dwingt hun tot gehoorzaamheid, en deze vrees zal niet, zooals 't in dén bijbel staat, door de liefde verdreven worden. Genoeg, dat ze mij vreezen! Kom, fraaie brillanten, ik heb u wel verdiend, gezijtvoor mij een kapitaal dat goede interest geeft in de harten van mijn zonen. Zoo dikwijls ik u draag, zal uw fonkelen hen

ocr page 107

101

aan dit uur herinneren, en hen onderworpen houden!quot;

En terwijl de keurvorstin de brillanten aandeed, traden de beide prinsen met rassche schreden naar buiten in den gang, waar de lakeien en dienstboden heen en weder gingen.

Prins Friedrich haalde diep adem, bleef staan en opende reeds de lippen om te spreken, Maar Garl Elmil trok hem voort. „Niet hier,quot; zeide hij zacht. „Kom volg mij !quot;

Hij vatte den arm van zijn broederen ging haastig met hem voorwaarts, voerde hem de trap op naar de bovenverdieping, ging voorbij de deuren, die naar de vertrekken der prinsen voerden, en wendde zich naar den smallen kleinen trap, die naar de vlieringkamers en het dak liep.

„Waar gaan wij heen? Wat wilt ge hier boven?'' vroeg Friedrich angstig,

„Kom,quot; zei Garl Emil en hij drong den knaap de steile trap op en volgde hem, schoof hem vervolgens langs de ladder omhoog door het open luik, dat toegang tot het dak gaf en toen beiden buiten waren gekomen' op het koperen plat, deed hij het luik zacht dicht.

De prinsen stonden nu beiden alleen op het dak van het slot der Hohenzollerns. De hemel was boven hen en de wind streeldehun wangen en speelde met hun blond haar.

„Hier kan zij ons niet hooren,quot; zei Gari Emil plechtig. .,Hier kan slechts God en onze moeder ons hooren! En hier wil ik u iets zeggen, broeder Friedrich. Ik heb straks gezegd, dat zij een kat is, die ons zou willen krabben. Maar ik heb mij vergist, zij is een tijgerin, die ons verscheuren zal, zoo wij niet op onze hoede zijn.quot;

„Ach, lieve God, erbarm u over ons,quot; riep Friedrich terwijl hij op zijn knieën viel en de handen ten hemel hief. ^ „Sta ons bij, lieve moeder in den hemel,'' bad Garl Emil, naast zijn broeder knielende. „Laat niet toe, dat de tijgerin uwe arme kinderen ombrengt, bescherm ons met uw liefde en waak over ons.quot;

ocr page 108

402

XI.

DE RAADKAMER.

Hel was acht dagen na den intocht van 't jonggehuwde paar. De hoffeesten waren ten einde, de gewone rust heerschte weder in het slot te Berlijn. De landgravin van Hessen had, onder voorwendsel dat zij hericht had ontvangen dat haar dochter Elisabeth Henriette .riek was geworden, terstond daags na den intocht Berlijn verlaten, en had als een gunst verzocht het jongste kind der overledene keurvorstin, den kleinen prins Ludwig, voor eenigen tijd mede te nemen. De beide oudste prinsen hadden met hun opperhofmeester en hun onderwijzers een reis ondernomen, en zoo was er niemand in 't slot, die de keurvorstin Dorothea aan het verledene kon herinneren of zich tusschen haar en haar gemaal kon stellen.

Niemand, buiten het portret der keurvorstin Louise Henriette, buiten den onzichtbaren geest, die in de „raad- / kamerquot; den keurvorst omgaf en nog altijd zijn gedachten en hart bezig hield.

Dorothea had vergeefs gepoogd hem van dezen gees te verwijderen, vergeefs was het den keurvorst, al was het maar voor een dag, de raadkamer te doen vergeten. Zij had hem tot kleine uitstapjes naar Postdam en andere keur vorstelijke lustsloten overgehaald; zij had een groote jacht in Grunewald verordend, en de keurvorstin had zich als een koene en behendige jageres leeren kennen ; zij had door haar geestrijk onderhoud, door muziek, door lektuur haar gemaal zoeken te boeien. Friedrich Wilhelm had bereidwillig aan alles toegegeven, hij was eiken dag vriendelijker, voorkomender en oplettender voor zijn gemalin geworden; hij had somwijlen zijn bewondering, zijn hoogachting voor de keurvorstin in zulke welsprekende en gloeiende woorden geuit, dat zij het bijna voor een liefdesverklaring had kunnen houden, maar — Friedrich Wilhelm had zich toch iederen dag naar de „raadkamerquot; begeven, en was iederen dag uit die kamer naar de andere kamers der overledene keurvorstin gegaan die in den toestand gebleven waren, gelijk Louise Henriette ze bewoond had

ocr page 109

103

Daar had hij, met de handen op den rug, in gedachten verdiept, langzaam heen en weder gewandeld.

Wat dacht hij ? Dorothea had er een jaar van haar leven voor willen geven om dit te weten, om den strijd te kennen van dit teedere hart. Maar zijn lippen verrieden er niets van, slechts zijn gelaat kon zij bespieden, en zij zag dat het met iederen dag somberder werd, en het ontging haar evenmin, dat hij steeds langer in de „raadkamerquot; toefde.

kon dit opmerken, want zij had ontdekt, dat de bewuste kleine gang, in welken zij op den dag.harer aankomst het gesprek van de beide prinsen had beluisterd, de verbindingsweg was tusschen de kamers, welke zij bewoonde ,en die der overledene keurvorstin. De deur aan het andere einde van den corridor leidde naar een klein kabinet, waardoor men regelrecht in de voormalige huiskamer van Louise Henriette kwam. Gelukkig waren er in 't kasteel nog slechts weinige deuren van sloten voorzien en de deuren van den kleinen corridor behoorden hier niet onder. Dorothea kon dus eiken dag ongehinderd de kamers der ontslapene keurvorstin bezoeken, zij kon, ongezien door haar gemaal, hem bepieden, en hij vermoedde niet hoe vaak, als hij droomend of in gedachten verdiept door deze stille kamers wandelde, van achter een gordijn de loerende oogen der keurvorstin hem gadesloegen en op zijn gelaat de indrukken zijner ziel poogden te ontcijferen.

Eindelijk, nadat de keurvorstin acht dagen lang op deze wijze haar gemaal had gadegeslagen, scheen Dorothea een vast besluit genomen te hebben om een beslissenden stap te wagen.

Des morgens van den negenden dag riep zij haar eenige vertrouwde, de kamenier Martin, tot zich, en begaf zich met haar in de vertrekken der overledene keurvorstin.

Zwijgend wandelde zij met haar door deze stille vertrekken, van welke het laatste de „raadkamerquot; was. Daar bleven zij beide een langen tijd en keerden toen met verhitte en gloeiende gezichten terug en begaven zich in de toiletkamer.

„Spoed u, Martin,quot; zei Dorothea, „roep de vrouwen en kleed mij zoo haastig mogelijk. Ik moet er weder heen, want hij kon er anders voor mij zijn. Luister,quot; ging zij zacht en blozend voort, „als ge soms een kleeding weet,

ocr page 110

104

waarin ik er minder leclijk uitzie dan i,n de andere, laat mij die dan nu aantrekken, want ik wil heden zoo be-minlijk mogelijk zijn.quot;

Jultrouw Martin gunde zich niet eens den lijd tegen deze woorden harer meesteres te protesfeeren, maar riep de vrouwen, en het gewichtig werk van het toilet werd begonnen. —

De keurvorst had zoo even den staatsraad verlaten en was naar zijn vertrekken teruggekeerd. Hij was son^jèr en een wolk zweefde op zijn voorhoofd, want er waren verontrustende tijdingen uit al de provinciën van zijn land aangekomen. In Pruisen heerschte ontevredenheid en kwaadwilligheid onder de stenden, zij weigerden de door den keurvorst uitgeschreven en gedecreteerde belasting op de landhoeven te betalen. De oproerige stenden hadden het zelfs gewaagd zich tot den koning van Polen om hulp en bijstand te wenden, terwijl zij weigerden van de souve-reiniteit des keurvorsten, als hertog van Pruisen, notitie te nemen en bij den koning van Polen, als hun oppersten landsheer, klachten tegen hem inbrachten. De belhamel van den pruisischen adel, de heer von Kalkstein, had zich naar Warschau begeven en op den Rijksdag een klaagschrift der pruisische stenden tegen hun hertog ingediend en begeerd, dat de koning van Polen de opperheerschappij over Pruisen niet zou afstaan.

Ook uit de Rijnprovinciën en uit Holland waren ongunstige berichten ontvangen. Koning Lodewijk van Frankrijk had Holland den oorlog verklaard en begeerde den afstand der Spaansche Nederlanden als het erfdeel zijner gemalin. Een talrijk leger was naar de Hollandsche grenzen gerukt, en had er de hoofdvestingen der Spaansche Nederlanden na een korten strijd ingenomen. De overmoedige, strijdlustige Franschen veroorloofden zich nu allerlei strooptochten in de Brandenburgsche provinciën, en de bewoners van het hertogdom lüeef.riepen den keurvorst om hulp en baden om bescherming tegen de rooverijen en brandschattingen der Franschen. De keurvorst zag zich evenwel buiten staat die dadelijk te verleenen. Hij had juist met koning Lodewijk een neutraliteitsverdrag gesloten en het lag niet in zijn macht dit terstond te breken en een oorlog tegen Frankrijk te voeren, want hiertoe ontbrak hem het noodzakelijkste, een leger en geld.

ocr page 111

105

Hij was ernstig en bekommerd uit den staatsraad in zijn kabinet teruggekeerd, denkende aan al deze treurige en verontrustende tijdingen, welke hij zoo even vernomen had.

„Ik kan den oorlog niet wagen, w^ant hij zou mij te gronde richten,quot; zeide hij zuc htend bij zich zeiven. Ik heb geen vrienden die mijne partij trekken en mij bijstaan, maar wel vele vijanden, die zich in mijn tegenspoed verheugen. Ik sta alleen, geheel alleen. Ik heb zelfs geen wijzen raadgever aan mijn zijde, op wien ik vertrouwen kan. Zelfs Otto von Schwerin is hierin niet onpartijdig, hoe gehecht en trouw hij overigens ook is. Maar zijn eigen belangèn gelden hem meer dan 's lands belangen, en de gelden, welke hij van den minister Colbert ontving, hebben hem zeer voor een verbond met FrankTijk gestemd. Ik heb niemand die mij raad geeft in dezen benarden toestand. Ja,quot; riep de keurvorst eensklaps luid en vroolijk, „ik heb God en mijn Louise! Tot haar wil ik gaan en bij haar wil ik raadplegen met God en mijn geweten!'

Haastig ging hij door het kabinet en begaf zich door het kleine tusschenvertrek naar de „raadkamerquot;.

,,Ha,quot; zeide hij, ruimer ademende, „hier zal 't mij goed worden, hier bij u, mijn Louise, zal ik raad en bijstand vinden!quot;

Hij trad naar den wand, waar het portret hing. Eens-quot; klaps klonk een kreet van verrassing van zijne lippen, want — het portret der keurvorstin was verdwenen.

De keurvorst staarde verward en radeloos naar den ledigen wand, en allengs begonnen zijn wangen te gloeien en zijn oogen te flikkeren van toorn en verontwaardiging.

„Wat is hier gebeurd?quot; riep hij luid. „Wie heeft het gewaagd dit te doen? Ik moet het weten, terstond, op het oogenblik!quot;

Hij liep naar de deur om de bedienden, de lakeien te roepen, toen de tegenovergestelde deur werd geopend en de keurvorstin binnentrad.

„Gij hier, mevrouw de keurvorstin?quot; vroeg haar gemaal verwonderd. „Wie wees u den weg hier heen en wat wilt gij ?quot;'

„Doorluchtigheid,quot; zeide zij zacht, „mijn hart wees mij den we0^ en ik wensch niets anders dan u te mogen spreken. Zult ge mij dit weigeren? Zijn er hier in 'tslot kamers, die uw gemalin niet betreden mag?quot;

ocr page 112

106

„Neen, dut zal ik niet zegrgen, mijn lieve Dorothea. Maar vergeving, een oogenblik! Ik wil Kunkel roepen; hij moet mij zeggen, wie zich vermeten heeft het portret hier van den wand te nemen.quot;

Hij liep naar de deur, maar Dorothea legde haar hand vast en zwaar op zijn arm. „Dat is niet noodig, want niemand weet het dan ik alleen!quot;

„Gij, Dorothea?quot;

„Ik, keurvorst Friedrk-h Wilhelm, ik alleen ben 't geweest, die 't portret hier van den wand genomen en het weggedragen heeft.quot;

„Gij? Maar dat is onmogelijk! Dat kan niet zijn!''

„Het is zoo, doorluchtigheid. Ik heb het portret van den wand genomen en niemand heeft mij hierbij geholpen dan de vrouw, die sinds ik in do wereld ben, als mijn trouwe dienares naast mij is geweest en die misschien het eenige wezen in de wereld 'is, dat mij bemint, 't Is waar,quot; ging zij met een bitteren glimlach voort, „het groote portret met de breede gouden lijst was zeer zwaar en 't heeft mij voor mijn misdaad gestraft. Toen mijn goede Martin het van den spijker tilde, kon ik het niet langer houden, het viel op mijn schouder. Ziehier, doorluchtigheid!quot;

Zij nam de zwart kanten fichu, die eerbaar en deftig haar hals tot aan de kin omhulde, van haar schouderen toen werd een breede, bloedroode streep zichtbaar.

„Mijn God,quot; riep de keurvorst, bij 't gezicht van de wond al het andere vergetend, „gij zijt gewond?quot;

„Ja,quot; zei Dorothea, „het portret uwer geliefde getnaiin heeft de onbeminde gemalin gewond. Maar ik heb niet geklaagd, zelfs niet gezucht, want ik dacht, dat ge 't zoudt kunnen hooren en vóór den tijd hier binnenkomen, eer nog mijn werk verricht en dit portret verwijderd was.quot;

„Maar, mevrouw de keurvorstin, wat heeft dit beeld u toch gedaan en waarom wildet ge 't verwijderen ?'

Zij aanschouwde hem met een langen blik, haar oogen begonnen to schitteren en haar wangen gloeiden steeds sterker. Het vuur. dat zoolang in de diepte van haar hart had gesmeuld, schitterde nu in haar oogen, en het masker van zachtmoedigheid, dat haar gelaat zoo lang had bedekt, viel af, en de zachte, verstandige, bedaarde keurvorstin Dorothea veranderde eensklaps in een gloeiende, hartstochtelijke vrouw.

ocr page 113

107

„Ge vraagt mij, wat dit portret mij gedaan heeft?quot; riep zij op diepen, bevenden toon, „ge wilt weten waarom ik dit portret verwijderde? Ik zal 't u zeggen, Friedrich Wilhelm, ik wil u mijn hart blootleggen. Dit uur moet beslissen over uwe en mijne toekomst, en ge zult óf mijn veroordeeling óf mijn vergilfenis moeten uitspreken. Ik heb dit portret verwijderd, omdat het verhinderde den weg te bewandelen, dien ik mij voorgeschreven had om het verheven, heerlijke doel te bereiken, waarop al mijn gedachten, al mijn wenschen gericht zijn.quot;

„Ge brengt mij in verbazing, Dorothea,quot; zei de keurvorst, zijn oogen strak op het gloeiende gelaat zijner vrouw richtende, die hem eensklaps als een geheel ander wezen voorkwam, als een vreemde, die hij nooit gezien had. „Wat is het doel, waarnaar ge zoo vurig streeft?quot;

„Uw liefde, Friedrich,quot; riep Dorothea met losbarstenden hartstocht. „Het is de liefde van den man, die mij de eer heeft aangedaan zijn gemalin te heeten, aan zijn zijde te wandelen, zijn uitwendiij leven met hem te deelen. Gelooft ge werkelijk, Friedrich, dat ik zulk een ontaarde, berekenende, koele vrouw ben, om mij tevreden te stellen met den titel van keurvorstm van Brandenburg, en niet de geliefde vrouw van den man te zijn, dien ik mijn liefde, dien ik al de teedere gevoelens van mijn hart als het ongedeerde morgenolïer van een kuisch en rein leven toedraag? Gelooft gij werkelijk dat ik voor uw titels, hoe trotsch en wijdklinkend ze ook zijn mogen, voor uw waardigheden, hoe eerbiedig ik er mij voor buig, voor al deze uitwendige heerlijkheden mijn vrijheid gegeven, mij zelve verkocht zou hebben? Neen doorluchtigheid, al had de machtigste keizer der wereld naar mijne hand gedongen, al had hij al de schatten van hemel en aarde aan mijn voeten nedergelegd, ik zou alles met verachting hebben afgewezen, zoo ik den man niet beminde, die mij dit alles aanbood. Ik ben geen vrouw, die zich verkoopt om rang, titels en waardigheden, maar een vrouw die bereid is, den man dien zij bemint, en op wiens liefde zij hopen kan, in ballingschap, in ellende, in den dood te volgen! Toen ge mij verkoost, doorluchtigheid, toen ge mij uw hand liet aanbieden, wist ik wel, dat ge mij niet bemindet, maar ik hoopte, dat ge ten minste zoudt willen beproeven mij te beminnen, ik hoopte dat onze geesten elkander verstaan.

ocr page 114

108

onze hui len elkander vinden zouden, dat ge mij eenig deel zoudt gunnen aan uw inwendig leven en niet alleen aan hel uitwendige daarvan. Daarom gaf ik verheugd mijn toestemming, daarom was ik zalig in de gedachte dal ik, uw gemalin wordende,'deel zou hebben aan uw grootsch streven, uw moedig willen, uw edele hooghartige plannen. Ik beminde u reeds, Friedrich Wilhelm, vóór ik u gezien had, want uw daden, uw roem, uw wijsheid en uw heldenmoed deden mij u lief krijgen, en mijn geheele ziel vloog u juichend tegen, nog vóór ik u gezien had.quot;

„En al deze edele, deze opwekkende gevoelens,quot; zuch lie de keurvorst, „zij verdwenen, loen ge mij hadt gezien, den bejaarden man, wien de last des levens den rug vroegtijdig heeft gekromd, de zoi'gen der regeering het voorhoofd vóór den tijd heeft gerimpeld? Gij vondt niet het ideaal, dat gij verwacht hadt, en uw liefdegloed bekoelde; de beminnende, die mij verwachtte, veranderde, toen zij mij zag, in de koele, bedachtzame vrouw, die mij haar vriendschap gaf en zich aanbood mijn zuster te zijn.quot;

„Ik heb niels gezien van uw gekromden rug, niets van uw gerimpeld voorhoofd,quot; riep zij met vuur. „Ik zag slechls den held wiens hoofd met onsterfelijke lauweren omkranst was, slechts den vorst met den blik van den wijze, slechls den man met het van een eeuwige jeugd schitterend edel gelaat, en mijn hart juichte hem tegen en groette hem als zijn held, zijn gebieder, zijn overwinnaar! Mijn armen wilden zich openen om ute ontvangen, mijn lippen wilden u den kus der liefde als het zegel van trouw op uw verheven voorhoofd drukken. Het was een verrukkelijke droom ! Uw koele woorden wekten mij hieruit en wezen mij tot de werkelijkheid terug. Gij zeidet mij dat ge mij niel bemindet, dat uw hart begraven was bij uw geliefde doodde! Gij boodt mij uwe vriendschap. Ik, die uit uw handen den gouden beker gevuld met tintelenden, geurigen wijn dacht te ontvangen, kreeg daarvoor een glas vol kristalhelder ijskoud water.quot;

„Gij doet mij onrecht; waarlijk, ge doet mij onrecht.quot; riep de keurvorst. „Ik durfde niet hopen dat gij, twintig jaren jonger dan ik, den bejaarden man beminnen zoudt. Ik wist, dat ge uw gemaal vurig bemind hadt en hij twaalf jaar lang het geluk van uw leven was geweest. Ik kon niet gelooven, dat ik u den geliefde uwer jeugd zou ver-

ocr page 115

409

goeden. Ik berustle er in, en om u tegemoet te komen en uw onuitgesproken wenschen te vervullen, verklaarde ik u, dat ik tevreden en gelukkig zou zijn, als ge mij uw vriendschap wildet schenken. Gij naamt met vurigen ijvei-mijn voorstel niet alleen aan, maar gingt nog verder en verklaardet u bereid mijn zuster, niets dan mijn zuster te zijn. Dat kwetste en griefde mij, mijn hart werd gewond en trok zich terug. Ik begreep, dat ge mij ver-smaaddet, en ik vond het natuurlijk, daar uw herinneringen mijn mededingers waren, en mij vergeleken met den edelen, schoonen, jeugdigen, hertog, wiens gelukkige gemalin gij zoo lang geweest waart.quot;

„Laat mij uw woorden op u toepassen, doorluchtigheid; gij begeerdet dit, omdat uw herinneringen mijne mededingsters waren en gij mij vergeleekt met de edele, schoone, jeugdige keurvorstin, wier gelukkige en aangebeden gemaal gij zoolang geweest waart! Ik, doorluchtigheid, had niets te beweenen, ik had geene herinneringen aan gestorven geluk en verlorene liefde. Gij zult dit thans weten, want dit uur is waarheid, en gij moet mij volkomen verstaan, mij volkomen kennen. Ik ben nooit bemind geworden en heb nooit bemind.

„Hoe ? Uw ontslapen gemaal. ..quot;

„Heeft mij nooit bemind, hij heeft mij slecht genomen omdat hij zich als een gehoorzame zoon aan de eischen van zijn vader onderwierp. Ik droeg de ellende van onzen stand, de slavenketen der prinses, die verhandeld werd als koopwaar, naar wier ziel niemand vraagt. En mijn gemaal, wien men deze waar had opgedrongen, plaatste ze in de pronkzaal van zijn huis en liet ze daar eenzaam, verlaten, in grenzelooze verveling, terwijl hij in een vertrouwelijke, schoone verborgenheid zijne liefde, zijn geluk en zijn vreugde verzekerde en behield. Maar wat hij versmaadde, had een fier hart en een moedige ziel, zij was een vrouw die haar lot verdroeg, niet klaagde en geen medelijden begeerde, maar met geduld en standvastigheid zich in alles schikte.

De dood verloste mij van deze foltering; hij maakte mii niet eenzamer en vreugdeloozer dan ik geweest was; bi] maakte mij vrijer en rijker, want hij gaf mij hoop en uitzicht op de toekomst. Ik verwachtte den verlosser, die komen zou om mij het paradijs te openen. Welke trotsche

ocr page 116

110

prinsessen, welke koele vorstinnen wij ook schijnen mogen, wij blijven toch vrouw, dat wil zeggen, een zacht, liefde-behoevend, teeder wezen, dat verlangt een meester te vinden, aan wien het zich met vreugde onderwerpt en wien het een koning, een god waant, schoon hij ook een bedelaar, een slaaf moge zijn! Ik zag, mijn koning,ik zag u, mijn verlosser, die mij het paradijs openen zou! Gij hebt er niets van gelezen op mijn arm gelaat, ge hebt slechts gezien dat ik leelijk ben, dat de wreede natuur mij met een afschrikkend masker heeft bedeeld. Mijne oogen hebben niet tot u kunnen spreken van de gloeiende ziel, die achter dit masker woonde, van het reine hart, dat het verborg. Want ik zeg het u met trots, met verrukking, een vrouwenhart, dat rein, dat gloeiend is, dat nog met geen ontwijde kracht liefde kan geven en ontvangen, zulk een vrouwenhart is schoon! Maar gij versmaaddet het!quot;

„Ik was blind met ziende oogen,quot; riep de keurvorst, die verbaasd en verukt deze hartstochtelijke, gloeiende vrouw, die voor hem stond aanzag, geheel en al bedwelmd door haar vurige taal. „Waarlijk, Dorothea, ik werd met blindheid geslagen, en ik zag niets van 't geen mij zoo gelukkig zou gemaakt hebben.

„Gij zaagt in mij niet de vrouw, die u beminde, maar slechts de hertogin-weduwe, welke gij verwaardigdet de eer van uw vorstelijk huis op te houden, de moeder uwer kinderen, de vrouw, die u gezelschap hield in uw weinige ledige uren. Maar ik zag in u den man, dien ik beminde, en ik zwoer u eeuwige trouw, omdat ik u beminde; ik hoopte uw liefde te winnen, uw, vertrouwen te verwerven en had blijmoedig besloten allen te bestrijden die mij u betwisten, die mij den weg tot uw hart versperden. Die dit doet, om 't even wie hij zij, beschouw ik als mijn \ijand en ik plaats mij tegenover hem met de wapens in de hand. Ik strijd voor mijn recht, - want ik ben uw gemalin, en gij hebt mij liefde en trouw gezworen, — voor mijn geluk, want ik bemin u, voor mijn zaligheid, want ik ben een verlorene, wanhopende, zoo ge mij^ verstoot ! Ik wil mijn deel aan uw hart hebben, mijn deel aan uw zorgen, uw plannen, uw hoop. Ik wil niet als een opgeschikte pauwin in uw receptiezalen paradeeren, maar de gezellin uws levens, uw lotgenoot in geluk en ongeluk zijn. En wie hinderde mij hierin? Wie woonde in uw hart.

ocr page 117

Ill

wie schoiikl ge uw vertrouwen, met wie raadpleegdet yij, wie klaagdet ge uw zorgen ? Wie vroegl ge om raad ? Niet de levende vrouw, welke ge aan uw zijde had geroepen, maar de doode vrouw, welke God tot zich geroepen had, maar die toch mijn mededingster bleef en zich stelde tusschen u en mij.quot;

„'t Is waar, ik heb mij aan u bezondigd, Dorothea,quot; zei de keurvorst ernstig, „ik heb u voor het altaar liefde en trouw gezworen, en heb ze niet gehouden; mijn gedachten hadden zich tot de levenden moeten wenden, maar zij toefden bij de doode.quot;

„Nu ge dit erkent, doorluchtigheid,'' riep zij met stralend aangezicht, „nu ge dit gevoelt, zult ge ook begrijpen, wat mij den moed gaf het portret der doode te verwijderen, en mijn vijandin te verdringen. Mijn liefde voor u gaf mij dien moed! Ik behoef ze immers niet te bewimpelen en geheim te houden, zij is mijn recht, mijn plicht, mijn trots, en ik durf ze bekennen voor de geheele wereld. Ja, ik bemin u, Friedrich Wilhelm, en^k duld geen mededingster naast mij. Ik wil u alleen bezitten, of ik wil mij terugtrekken in de eenzaamheid, om van verdriet en smart te sterven. Beslis, Friedrich Wilhelm, kies tusschen net verledene en het tegenwoordige! Ik heb mijn mededingster daar heen gebracht, waar wij allen komen, zoo onze rol op aarde is uitgespeeld: in de familiezaal. Zij slaat er als een gedenkleeken van uw verleden, en ik zal dat gedenk-teeken eeren en hoogachten, en met u gaarne en dikwerf er mijn knie voor buigen in eerbiedig gebed. Maar zoo ge van het verledene het te^mwoordige wilt maken, zoo ge de gestorvene boven de levende wilt verkiezen, als zij uw vertrouwen bezit, uw raadgeefster, uw gezellin zijn moet, zeg het dan, en ik zal het portret uit de familiezaal weder op mijn schouders hier heen slepen, zal mij onderwerpen, mij uit üw nabijheid verbannen en in de eenzaamheid vluchten. Want als de doode in uw hart leeft, moet de levende sterven! Beslis nu, Friedrich Wilhelm, beslis tusschen de levende en de doode!quot;

Zij aanschouwde hem met vlammend gelaat en in fiere houding; haar wangen gloeiden, haar oogen schoten vuur, haar geheele verschijning was liefde, hartstocht, geestkracht. Zij was schoon in dien gloed, in die geestvervoering. Een fier hart, een sterke heldhaftige ziel spraken uit haar gelaat en maakten het schoon.

ocr page 118

110

prinsessen, welke koele vorstinnen wij ook schijnen mogen, wij blijven toch vrouw, dat wil zeggen, een zacht,liefde-behoevend, teeder wezen, dat verlangt een meester te vinden, aan wien het zich met vreugde onderwerpt en wien het een koning, een god waant, schoon hij ook een bedelaar, een slaaf moge zijn! Ik zag, mijn koning,ik zag u, mijn verlosser, die mij het paradijs openen zou! Gij hebt er niets van gelezen op mijn arm gelaat, ge hebt slechts gezien dat ik leelijk ben, dat de wreede natuur mij met een afschrikkend masker heeft bedeeld. Mijne oogen hebben niet tot u kunnen spreken van de gloeiende ziel, die achter dit masker woonde, van het reine hart, dat het verborg. Want ik zeg het u met trots, met verrukking, een vrouwenhart, dat rein, dat gloeiend is, dat nog met geen ontwijde kracht liefde kan geven en ontvangen, zulk een vrouwenhart is schoon! Maar gij versmaaddet het!quot;

„Ik was blind met ziende oogen,quot; riep de keurvorst, die verbaasd en verukt deze hartstochtelijke, gloeiende vrouw, die voor hem stond aanzag, geheel en al bedwelmd door haar vurige taal. „Waarlijk, Dorothea, ik werd met blindheid geslagen, en ik zag niets van 't geen mij zoo gelukkig zou gemaakt hebben.

„Gij zaagt in mij niet de vrouw, die u beminde, maar slechts de hertogin-weduwe, welke gij verwaardigdel de eer van uw vorstelijk huis op te houden, de moeder uwer kinderen, de vrouw, die u gezelschap hield in uw weinige ledige uren. Maar ik zag in u den man, dien ik beminde, en ik zwoer u eeuwige trouw, omdat ik u beminde; ik hoopte uw liefde te winnen, uw, vertrouwen te verwerven en had blijmoedig besloten allen te bestrijden die mij u betwisten, die mij den weg tot uw hart versperden. Die dit doet, om 'teven wie hij zij, beschouw ik als mijn vijand en ik plaats mij tegenover hem met de wapens in de hand. Ik strijd voor mijn recht, - want ik ben uw gemalin, en gij hebt mij liefde en trouw gezworen, — voor mijn geluk, want ik bemin u, voor mijn zaligheid, want ik ben een verlorene, wanhopende, zoo ge mi^ verstoot! Ik wil mijn deel aan uw hart hebben, mijn deel aan uw zorgen, uw plannen, uw hoop. Ik wil niet als een opgeschikte pauwin in uw receptiezalen paradeeren, maar de gezellin uws levens, uw lotgenoot in geluk en ongeluk zijn. En wie hinderde mij hierin? Wie woonde in uw hart,

ocr page 119

Ill

wie schonkt ge uw vertrouwen, met wie raadpleegdet gij, wie klaagdet ge uw zorgen ? Wie vroegt ge om raad ? Niet de levende vrouw, welke ge aan uw zijde had geroepen, maar de doode vrouw, welke God tot zich geroepen had, maar die toch mijn mededingster bleef en zich stelde tusschen u en mij.quot;

„'t Is waar, ik heb mij aan u bezondigd, Dorothea,quot; zei de keurvorst ernstig, „ik heb u voor het altaar liefde en trouw gezworen, en heb ze niet gehouden ; mijn gedachten hadden zich tot de levenden moeten wenden, maar zij toefden bij de doode.quot;

„Nu ge dit erkent, doorluchtigheid,'' riep zij met stralend aangezicht, „nu ge dit gevoelt, zult ge ook begrijpen, wat mij den moed gaf het portret der doode te verwijderen, en mijn vijandin te verdringen. Mijn liefde voor u gaf mij dien moed! Ik behoef ze immers niet te bewimpelen en geheim te houden, zij is mijn recht, mijn plicht, mijn trots, en ik durf ze bekennen voor de geheele wereld. Ja, ik bemin u, Friedrich Wilhelm, en^k duld geen mededingster naast mij. Ik wil u alleen bezitten, of ik wil mij terugtrekken in de eenzaamheid, om van verdriet en smart te sterven. Beslis, Friedrich Wilhelm, kies tusschen net verledene en het tegenwoordige! Ik heb mijn mededingster daar heen gebracht, waar wij allen komen, zoo onze rol op aarde is uitgespeeld: in de familiezaal. Zij staat er als een gedenkteeken van uw verleden, en ik zal dat gedenk-teeken eeren en hoogachten, en met u gaarne en dikwerf er mijn knie voor buigen in eerbiedig gebed. Maar zoo ge van het verledene het tegenwoordige wilt maken, zoo ge de gestorvene boven de levende wilt verkiezen, als zij uw vertrouwen bezit, uw raadgeefster, uw gezellin zijn moet, zeg het dan, en ik zal het portret uit de familiezaal weder op mijn schouders hier heen slepen, zal mij onderwerpen, mij uit uw nabijheid verbannen en in de eenzaamheid vluchten. Want als de doode in uw hart leeft, moet de levende sterven! Beslis nu, Friedrich Wilhelm, beslis tusschen de levende en de doode!quot;

Zij aanschouwde hem met vlammend gelaat en in fiere houding; haar wangen gloeiden, haar oogen schoten vuur, haar geheele verschijning was liefde, hartstocht, geestkracht. Zij was schoon in dien gloed, in die geestvervoering. Een fier hart, een sterke heldhaftige ziel spraken uit haar gelaat en maakten het schoon.

ocr page 120

112

„Dorothea,quot; zei de keurvorst diep bewogen, „ik heb geen --zuster noodig, maar een vriendin, niet enkel een vriendin, maar een vrouw, die mij bemint, die mijn wapenbroeder, mijn strijdgenoot wil zijn, mijn troosteres in 'tongeluk, mijn gezellin in 't geluk. Een vrouw, welke ik vertrouwen en met wie ik mijn gedachten, mijn plannen, mijn streven deelen kan, die mij begrijpt, die in staat is mij met raad en daad bij te staan. Ik heb mij een grootscfi doel gesteld, ik wil groote plannen ten uitvoer brengen, want ik wil van de arme, verbrokkelde provinciën van den keurvorst van Brandenburg een rijk, zelfstandig, machtig geheel maken. Ik wil om dit te bereiken, geen gevaar, geen vijanden ontzien, ik wil er om strijden tegen den keizer en het rijk, tegen geheel Europa, als het zijn moet. Het kan zijn, dat het lot tegen mij is, dat ik overwonnen wordt, en weer in armoede en afliankelijkheid, in roemlooze onbeduidendheid terugzink. Tegenover den moedigen slrijd om te slagen, sj^at het gevaar van mislukken. Wilt ge mijn wapengezel, mijn strijdgenoot zijn? Dorothea, wilt ge mijn broeder zijn in den staatsraad, mijn huismeesteres in het dagelijksche leven, mijn vorstin in de staatsiezaal, mijn gezellin in onrust en strijd, mijn vrouw in goede en kwade dagen? Dorothea, ten tweeden male bied ik u in waarheid mijn hart en mijn hand. Wilt ge ze aannemen? Wilt ge niet slechts de keurvorstin van Brandenburg, maar ook de vrouw, de vriendin, de geliefde van Friedrich Wilhelm zijn ? Zoo gij dit wilt, kom dan aan mijn hart, laat mij u omhelzen, en leg uw hoofd vol vertrouwen aan mijn borst! Kom Dorothea, kom!quot;

Hij breidde zijn armen naar haar uit en zij wierp zich met een kreet van verrukking aan zijn hart, sloeg haar armen om zijn hals en verborg haar gloeiend aangezicht aan zijn borst.

„Mijn hart is geopend om u te laten binnentrekken, Dorothea,quot; zei Friedrich Wilhelm. „Gezegend zij uw intocht, gezegend het uur, dat mij vergoeding geeft voor het verlorene. Moge het als een zon boven onze hoofden lichten tot aan 't einde onzer dagen! Moge het mijn volk en mijn land tot-heil en nut strekken! Ik neem u aan als mijn beter, mijn schooner ik ! Help mij mijn doeleinden te bereiken, mijn volk gelukkig, mijn land machtig te maken. Ik lees op uw fier en schrander voorhoofd, dat

ocr page 121

113

ge dit doen wilt en ik dank u daarvoor! Wees mij dus welkom en geprezen, vorstin van mijn volk, moeder van mijn land en mijn kinderen. Wij hebben beiden een groot-scbe taak op ons genomen en wij willen ze vervullen, hand in hand, blijmoedig en dapper. Maar boven alles, wees mij welkom en geprezen, vriendin mijner ziel, geliefde mijns harten! Want dit zijt ge voortaan voor mij, en zult dit blijven tot den dood. Ten teeken en bevestiging hiervan kus ik uw lippen, Dorothea! Welkom, mijn vriendin, mijn geliefde!quot;

8

Mühlbaoh, De groote Keurvorst en syn tijd. V.

ocr page 122

TWEE)DE BOEIC. DE KEURPRINSCARL EMIL.

I.

TEGEN FRANKRIJK.

„Het kan niet anders,quot; zei de keurvorst, zijn hand op de stukken leggende, die hoog opgestapeld op zijn schrijftafel lagen. „Ik heb alles nog eens overlegd en goed overwogen. Ik moet dezen weg inslaan, ik kan niet anders, want ik zou ontrouw worden aan mijn eed, dien ik als Duitsch rijkvorst heb afgelegd, om den keizer van Duitsch-land ten allen'tijde mijn hulp en bijstand te verleenen, zoodra hij ze behoeft en er om vraagt. Thans heeft keizer Leopoldus de hulp der Duitsche vorsten noodig, want do koning van Frankrijk is met een ontzaglijke krijgsmacht in de Duitsche landen gevallen, en zijn leger plundert, brrmdschat en verwoest alle steden en vlekken aan den Rijn, dat het jammer en ellendig is. De Franschen hebben voor deze gruwelen en rooverijen een zeer gunstiger! tijd gekozen, want bet leger des keizers is tegen de Hongaren en Turken te velde getrokken, en hij kan het daar niet missen noch het verdeelen. Hij moet er zijn strijdkrachten bijeen houden, om de oproerige Hongaren en de bloeddorstige ongeloovigen te bestrijden. Dit weet koning Lo-dewijk en zijn minister van oorlog Louvois, en zij maken van dit oogenblik gebruik om met hun legers Duitsch-and binnen te rukken en bezit te nemen van den ge-

ocr page 123

115

heelen Elzas en Lotharingen, terwijl zij de Paltz als Frank-. rijks erldeel voor de hertogin van Orleans, de geborene prinses van de Pallz begeeren. Al de vestingen aan den Kijn nemen zij stormenderhand, verbranden de steden, die zich tegen hen willen verzetten, en zijn reeds met hun vernielingswerk zoo ver gekomen, dat de geheele Elzas en de Paltz een woestijn gelijkt. Slechts puinhopen en bouwvallen, die den wanhopenden menschen geen woning meer aanbieden, zijn nog overgebleven. Velden liggen onbebouwd en geen voedsel is er meer voor mensch en vee. De ellende en de nood der Duitsche landen schreeuwt ten hemel en smeekt om hulp, en de Duitsche vorsten moesten barbaren zijn, zoo zij zich door deze ellende niet lieten bewegen, en het noodgeschrei niet hooren wilden. De keizer zelf heeft het immers gehoord en 'tis hem zoo ter harte gegaan, dat hij in weerwil van zijn eigen benardheid den generaal de Bournonville met een haastig bijeen geraapt leger derwaarts heeft gezonden. En nu roept de keizer de Duitsche vorsten terhulp voor de Duitsche landen. Hij herinnert de Duitsche rijksvorsten aan hun plicht, om ter bescherming der Duitsche grenzen het hunne te doen. Zou het dus recht zijn, dat een Duitsch rijksvorst, gelijk ik, dit zou weigeren en den keizer en het Duitsche Rijk den plichtmatigen bijstand onthield?quot;

„Uw keurvorstelijke doorluchtigheid hebbe echter de genade te bedenken, dat zij toch eigenlijk de handen niet meer vrij heeft!'' antwoordde de heer von Meinders, de keurvorstelijke geheimraad en staatsminister met een diepen zucht.

„Wat wil dit zeggen?'' vroeg de keurvorst opstuivend. „Wie kan zeggen, dat ik mijn handen niet vrij heb? dat ik door iets gebonden ben?quot;

„Vergeving, doorluchtigheid, maar als men bondgenootschappen sluit wordt men er toch dooi- gebonden! Uw keurvorstelijke doorluchtigheid heeft verleden jaar, 1078, met Frankrijk het verdrag van Vossem gesloten, en zich daarbij verplicht den vijanden de» konings voortaan geen bijstand te verleenen, maar onzijdig te blijven. Hiervoor heeft Frankrijk al de in de keurvorstelijke Rijnlanden en in Westfalen gemaakte veroveringen terruggegeven en uw doorluchtigheid nog een vergoeding van achtmaal honderd duizend livres bewilligd.quot;

ocr page 124

416

Ge weet alles zeer nauwkeurig, Meinders,quot; zei de keurvorst ongeduldig. „Niemand*kan het trouwens zoo goed-weten als gij, daar gij de vredesonderhandelaar waart, en het verdrag te Vossem in mijn naam onderteekendet. Maar, loen ik u naar Vossem zond, voor de onderhandelingen met Frankrijk, hebt ge volstrekt niet op die wijze over het on verbreekbare van ver J ragen en verbonden gesproken. Of was ik toen ook niet met andere mogendheden verbonden? Was ik destijds niet met Holland en Engeland verbonden tegen Frankrijk en stond tegen dat rijk te velde? Toen scheen het u niet dat mijn handen gebonden waren, en gij deedt al het mogelijke om mij te overtuigen, dat het mijn plicht was mijn bondgenooten te verlaten en mij met 'Frankrijk te verzoenen.quot;

„Ge weet toch, doorluchtigheid, dat de staten-generaal u veel reden tot ontevredenheid gaven, want zij betaalden u niet de bedongene subsidiën en noodzaakten uw keurvorstelij ke genade, ter bestrijding der oorlogskosten, van uw domeinen te verkoopen en te verpanden. Gij waart daardoor gerechtigd het verbond met Holland te verbreken. ^

„Ha, nu heb ik u waar ik u hebben wil, Meinders,quot; riep de keurvorst levendig. „Houdt de koning van Frankrijk wat hij mij in het traktaat van Vossem beloofd beeft? Waar zijn de achtmaal honderd duizend livres, waarvan ge straks spraakt? Voor dertigduizend livres slechte wissels op Dantzig hebt ge mij toen medegebracht en het andere zou in geld binnen kort volgen. De slechte wissels kon ik niet als betaling aannemen, want het scheen mij een vorst onwaardig zich met slechte wissels in plaats van geld te laten afschepen, en nu ik er op aandring de subsidiën eindelijk in specie te ontvangen, biedt men mij hiervoor in de plaats nieuwe verdragen.quot;

„Maar zeer voordeelige, keurvorstelijke doorluchtigheid, waarbij gij veel meer geld zult bekomen.quot;

„Praatjes, beloften, ik ken dat,quot; riep Friedrich Wilhelm de schouders ophalende. „Ik zie de waarheid, Meinders, en men bedriegt mij niet meer met fraaie woorden! De koning van Frankrijk heeft geen geld en hij denkt mij voor den gek te houden. Ik ben daarover zeer verheugd, want nu de Franschen hun beloften niet vervullen, ben ik ook niet verplicht de mijne te houden. De koning wil andere traktaten met mij maken, veel geld geven, en hij

ocr page 125

117

hoofl de middelen niet om het vroeger beloofde te betalen? Hoe rijmt dat? Ik zie zeer goed, dat het louter bedriegerij is. Daarom heb ik mijn maatregelen genomen, en verheugd mij, dat ik den Franschman niets verplicht ben1).quot;

„Het is dus onherroepelijk?quot; vroeg de heer von Mein-ders. „Uw doorluchtigheid wil dus al de beleedigingen vergeten, waarover u zich van wege den keizer zoo bitter beklaagde! U wil niet aan den bewusten beloedigenden brief denken, dien de keizer u destijds schreef, toen u het verdrag te Vossem gesloten had ?quot;

„Zijn keizerlijke majesteit was toen zeer verstoord, omdat ik met Frankrijk vrede had gemaakt, en dan legt men niet elk woord op een goudschaal, maar zegt veel wat niet uit het gemoed, doch uit toorn voorkomt. Bovendien is het een hoofdstelling in de politiek en meer nog in de diplomatie, dat men niet te veel aan het verledene quot;moet denken, maar naar het tegenwoordige zien en de toekomst in 't oog houden, men moet het verledene als afgedaan beschouwen. Er bestaat in de politiek geen vriendschap geen familie, geen vijandschap en geen onverbreekbare verdragen, maar de wetten der nuttigheid en noodzakelijkheid beslissenten zoo kan het gebeuren dat een vijand van gisteren heden een vriend is, en dat een verdrag, dat men voor weinige weken onderteekende, na korten tijd weder verscheurd kan worden, omdat men betere on voor-deeliger verdragen kan sluiten. Bij al wat ik doe heb ik op 't oog: naar mijn beste vermogen voor mijn land en volk te zorgen, zooveel bezittingen mogelijk te krijgen en te zorgen dat ik mijn opvolger een wel geordend, beschaafd en machtig erfdeel nalaat. Onthoud dit, Meinders! Waar het voordeel van mijn land is, ben ik, en waar men dit bedreigt, verdedig ik het met alle macht. Geen verdragen en geen besluit en kunnen mij de handen binden en mij verhinderen te doen, wat goed is voor mijn volk en mijn land. Het verdrag van Vossem heeft zijn nut gehad, en ik moest het aannemen, want mijn kassen waren uitgeput, en daar men de troepen hun soldij niet kon betalen en zij op plundering moesten uitgaan, werden zij tuchteloos en 't was geen leger meer, maar een bende wild

1

Eigen woorden van den keurvost. Foster, 125.

ocr page 126

118

gespuis, dat wij met moeite in bedwang hielden. Toen moest ik mij naar de noodzakelijkheid schikken en het verdrag sluiten. Ik kreeg ten minsten mijn drie Westfaal-sche vestingen, die de Franschen veroverd hadden, terug, en kon mijn soldaten naar huis zenden, om een nieuw leger te organiseeren. Maar nu Frankrijk het eerst het verdrag niet is nagekomen, kan mij niemand verwijten, dat ik er mij ook niet verder aan houd. Wees dus tevreden, Meinders, de zaak is afgedaan!quot;

„Het zij zoo, doorluchtigheid,quot; zei Meinders met een diepen zucht. „Thans veroorloof ik mij u te vragen, of u den gezant van koning Johann Sobieski en den Zweed-schen gezant Wangelin de genade eener audientie wilt verleen en?''

„Waarvoor Meinders? Ik heb deze heeren reeds gisteren ontvangen, en uit hun handen de brieven hunner souvereinen aangenomen. Koning Sobieski vraagt mij in zijn brief zeer aandoenlijk de roemrijke en heerlijke vriendschap van den verheven koning van Frankrijk niet op te geven, want deze heeft groote dingen met mij voor en wil mij tot een machtig en aanzienlijk vorst in üuitsch-land maken. Koning Sobieski kan dit weten, want zijn gemalin is een Fransche dame, die van den koning van Frankrijk een aanzienlijk jaargeld ontvangt en zeer nauwkeurig met het Fransche hof bekend is.quot;

„Ik mag uw keurvorstelijke doorluchtigheid echter verzekeren, dat, naar mijn overtuiging, de koning van Polen in zijn brief slechts de waarheid heeft gemeld. Koning Lodewijk van Frankrijk spreekt over u met de hoogste bewondering, en meer dan eens heeft hij mij verzekerd, dat bij ten allen tijde bereid was uw genade voort te helpen, opdat gij de machtigste Duitsche vorst wordt en den keizer het hoofd kunt bieden.quot;

„Maar dan moest die machtige Duitsche vorst zich natuurlijk verplichten steeds de gehoorzame vasal van den koning van Frankrijk te blijven. Ik bedank voor zulk een vasalschap en moet u zeggen, dat ik door niemand groot gemaakt wil worden dan door mij zeiven. Ik wil voor 'tgeen ik ben of worden zal niemand danken dan den lieven God. Hij moge mijn geest verlichten^fopdat ik ten alle tijde de rechte middelen en den rechten weg kieze, die tot het groote doel voert, dat ik mij gesteld heb. Aan

ocr page 127

119

zijn vaderlijke hand wil ik dien weg bewandelen, maar geen andere hand zal mij daarheen geleiden, en mocht ik op dien weg struikelen, en mijn doel niet bereiken, zoo is dit toch veel beter en eervoller dan het te bereiken door de hulp van anderen. Het is beter te sterven als onafhankelijk vorst, dan te leven als een afhankelijke. Zeg dit den gezanten van Polen en Zweden, die mij met de genade en vriendschap van Frankrijk willen verleiden, want het is juist mijn doel een onafhankelijk en vrij vorst te zijn, en daarbij een aanzienlijk en machtig vorst, die de schaal doet zinken, waarin hij zijn zwaard legt en wiens naam bij vriend en vijand een goeden klank heeft.quot;

„Uwe genade ziet wel, hoe dat reeds thans het geval is, want alle mogendheden dingen naar uw gunst en bondgenootschap. De vrees voor uw hooge beteekenis begint reeds den Duitschen keizer te beangstigen, ten gevolge waarvan, gelijk mijnheer von Jena uw genade onlangs gemeld heeft, de heeren te Weenen geheel onverholen zeggen: 't is niet goed dat men den keurvorst van Brandenburg meer laat groeien, maar 'tis noodzakelijk dat hoogstdezelve vernederd worde. Derhalve, om uw keurvorstelijke genade uw afhankelijkheid van den keizer als Duitsch rijksvorst te laten zien en uw trots te buigen, begeert de keizer thans, dat gij hem helpt tegen Frankrijk, hoewel 't hem zeer goed bekend is, dat gij door het verdrag van Vossem met Frankrijk vrede en onzijdigheid hebt gesloten en hel zwaard eigenlijk niet tegen koning Lode-wijk kunt opheffen.quot;

„Toch zal ik het opheffen, en niemand zal mij dat beletten,quot; riep de keurvorst levendig. „Ik ben vóór alle dingen Duitsch rijksvorst, en Frankrijk bedreigt ons groot vaderland, het bedreigt Duitschland, daarom bestaat er voor mij slechts één plicht, ik moet den Duitschen keizer-helpen om de Duitsche rijksgrenzen te beschermen en den Franschman af te wijzen. Doe geen verdere moeite, het is een besliste zaak, ik heb reeds zonder veel gerucht alle maatregelen genomen en alles voorbereid. Reeds heden morgen zijn van onzen gezant te Weenen depêches aangekomen, en mijnheer von Jena meldt mij, dat al mijn eischen door den keizer zeer bereidvaardig toegestaan worden. Wij marcheeren, mijn beste Meinders! het verdrag-van Vossem is niet meer van kracht. De keurvorst van

ocr page 128

420

Brandenburg is weer de bondgenoot van den Duitschen keizer en treedt toe tot het of- en defensief verbond dat deze met Holland en Spanje tegen Frankrijk gesloten heeft. Nu kunt gij, diplomaten, de pen nederleggen en een weinig uitrusten, want wij, krijgslieden, nemen weer het zwaard in de hand, en zullen met onze kanonnen tot het roofzuchtig Frankrijk spreken over volkenrecht en onschendbaarheid der grenzen. Ga, Meinders, en kondig den gezanten aan, dut zij te vergeefs gekomen zijn. Vervolgens kunt ge u ook tot mijn gemalin vervoegen en mevrouw de keurvorstin een kort bericht geven van wat wij hier verhandeld hebben. Ik weet, dat gij soms met mevrouw de keurvorstin politiseert. Zeg haar genade, dat ik zeer spoedig bij haar zal komen om over eenige gewichtige zaken te spreken. Vooraf echter heb ik nog eenige audientiën te verleenen.quot; —

De geheimraad Meinders was ontslagen. Treurig en zwaar zuchtend keerde hij zich om en ging langzaam heen.

„Nu,quot; zei de keurvorst ruimer ademend, „het is mij goed dat ik Meinders de boodschap heb opgedragen, het aan de keurvorstin mede te deelen. Zij zal wel een weinig gebelgd zijn, want zij houdt het met Frankrijk, en daarom is het goed, dat de eerste storm eerst een weinig tot bedaren komt.quot;.

De deur der voorkamer werd geopend en de kamerlakei berichtte, dat mijnheer de hertog von Croy, de stadhouder van Pruisen, in de voorkamer was en audiëntie bij zijn keurvorstelijke genade verzocht.

De keurvorst beval levendig, hem dadelijk binnen te voeren, en ging den binnenkomende haastig eenige schreden te gemoet.

„Hertog,quot; zeide hij, „gij hebt mijn schrijven, dat ik u veertien dagen geleden met een koerier zond, toch ontvangen vóór dat ge op reis gingt?quot;

„Ja, doorluchtigheid, ik heb het ontvangen,quot; antwoordde de hertog ernstig.

„En gij komt nu zelf om mij het antwoord mijner trouwe stenden te berichten ? Gij brengt misschien wel in het pakket, dat ge op den stoel hebt gelegd, reeds wissels en geldpapier mede, welke ik zoo dringend noo-dig heb?quot;

ocr page 129

121

„Keurvorstelijke doorluchtigheid, in dit pakket is inderdaad het antwoord op uw laatste schrijven aan mij,quot; zei de hertog met treurige stem, „en daar ik niemand mocht belasten het u te brengen, heb ik zelf mij opreis begeven.quot;

„Ik heb u gemeld, dat ik voor een zeer aanstaanden veldtocht volstrekt den onderstand mijner Pruisische stenden behoefde, en ik u belasten moest overal van de landbezitters en boeren de hoeven belasting ten spoedigste in te zamelen, alsmede in de steden de accijnsen in te voeren en ze door de stenden te doen erkennen, gelijk ik bevolen heb. Hebt ge mijn bevelen volbracht, mijnheer de stadhouder van Pruisen?quot;

„Doorluchtigheid, indien ik daartoe in staat ware geweest had ik niet hier behoeven te komen, ik had u dan het aangename antwoord door een koerier kunnen zenden.quot;

„Uw pakket bevat dus een antwoord?quot;

„Ja, doorluchtigheid, een zeer treurig antwoord,quot; hernam de hertog, terwijl hij het'pakket van den stoel nam en er den keurvorst mede naderde. Vervolgens nam hij er den blauw papieren omslag af en reikte het zwarte, langwerpig ronde voorwerp, dat zich er in bevond, aan don keurvorst.

„Wat is dat?quot; vroeg deze verwonderd. „Het is hard en zwaar als een steen. Wat moet dit beteekenen?quot;

„Doorluchtigheid,quot; zei de hertog von Croy plechtig, „het is een brood, zooals in Pruisen de boeren op 't land bakken.quot;

„Een brood,quot; riep Friedrich Wilhelm, „het aan alle zijden beschouwende en betastende. „Maar dit riekt noch als een brood, noch heeft er 'taanzien van! 'tis hard als een steen.quot;

„Doorluchtigheid, de arme boeren bevochtigen het zoo lang met hun tranen tot het zacht en week is geworden, en dan eten zij het. De honger doet veel pijn, en in hun wanhoop hebben de arme menschen dit brood gebakken, dat slechts uit zemelen en geraspte boomschors beslaat.quot;

„Dat is een slecht voedsel voor menschen,quot; zei de keurvorst, treurig het hoofd schuddende. „Zulk brood is zelfs voor veevoeder te slecht, en wordt dat door menschen gegeten ?''

„Ja, door menschen, doorluchtigheid! Als men deze arme, uitgemergelde gestalten, die weeklagend, met strak-

ocr page 130

122

ken blik, dolTe oogen, zonder een zweem van geest, en zonder eenig gevoel en deelneming voor alles wat hen omgeeft, zelfs voor hun vaders en moeders, zelfs voor hun kinderen, als men dezen nog als menschen kon beschouwen. Er heerscht zulk een armoede en ellende in het ongelukkige Pruisen, dat niemand meer den moed en de kracht heeft te werken. De velden en akkers liggen onbebouwd, want er ontbreekt koren om te zaaien, en slechts distels en doornen groeien op de velden. Er zijn geen huisdieren meer; om het vee niet te laten sterven van honger, heeft men de vermagerde varkens, paarden en schapen geslacht, en nu deze laatste lekkernijen genuttigd zijn, 'verheugt zich het arme volk, dat er nu geen varkens meer zijn, die hun den draf betwisten, want draf en kaf en distels en doornen, is tegenwoordig het voedsel der menschen.quot;

„Waarlijk, hertog, ge schildert mij daar een vreeselijk tooneel van den nood in Pruisen,quot; zuchtte de keurvorst, „het doet iemand wee in 't hart, als men het hoort. Maar ik hoop, mijnheer, dat gij een weinig met te donkere kleuren schiidert, om mij begrijpelijk te maken, waarom de Pruisen mij geen hoevenbelasting betalen en de stenden mij geen accijnsen willen toestaan.quot;

„Doorluchtigheid, zij kunnen niet!'' riep de hertog von Croy krachtig. „Zoo er niet spoedig hulp komt, zullen ook zij, die nu nog in middelmatigen welstand en van geringe middelen leven, even als de reeds geheel verarmde en op de straten omzwervende bedelaars, die vroeger welgestelde menschen waren, óf den bedelstaf óf een andere levenswijze moeten aangrijpen 1).quot;

„Ge. wild dus zeggen, dat ik geen uitzicht heb om de benoodigde gelden te ontvangen'?quot;

„Doorluchtigheid, ik smeek uw genade toegevend te zijn en de tijdsomstandigheden in aanmerking te nemen. Er heerscht in Pruisen zulk een nood en verwarring, dat men van geen schelling meester is. Onlangs wilden de tot het luiden bestemde daglooners voor de predikatie niet meer luiden, omdat zij hun loon niet kregen. De veldwachters en slotbewaarders hebben ook hun dienst opgezegd. Een

1

De eigen woorden van den hertog von Croy. Zie: Orlich, Leben des Grossen Kurfursten I.

ocr page 131

123

arme predikant kwam mot tranen tol mij, om to klagen, dat hij voor de keurvorstelijke assignation geen geld kon krijgen. Zelfs de presenten, die wij verleden jaar het Russische gezantschap moesten geven, zijn nog niet betaald, en als er weder een gezant door Pruisen komt, dan zal hij op straat moeten kampeeren. ^ Ik smeek uw doorluchtigheid, geef aan mijn dringende bede gehoor en dring thans niet op nieuwe betalingen aan. De vertwijfeling der stenden is zoo groot, dat zij niets meer ontzien, en ik met moeite een openlijk protest kon verhinderen, dat in treurige en dreigende woorden was opgesteld, om aan uw doorluchtigheid te zenden.quot;

„Zij hebben mij dus weder willen trotseeren, deze oproerige Koningsbergers en Pruisen?quot; riep de keurvorst met opvlammenden toorn. „Hun halsstarrigheid is dus nog niet gebogen, hoewel zij zien waarheen die voert! Het is nog geen twee jaren geleden, dat de verraderlijke en schandelijke oproerling vod Kalkstein zijn misdadige handelingen met den dood heeft moeten boeten, üe andere belhamel Rhode smacht nog in de gevangenis, waaruit hij slechts door den dood zal verlost worden, en de oproerige Pruisen hebben nog niet geleerd door deze voorbeelden, zij willen reeds weder wagen mij te trotseeren en op onbehoorlijke wijze zich tegenover hun landsheer te stellen. Maar ik zal ze leeren begrijpen dat ik de meester ben, de souvereine hertog, zij zullen zich aan mij onderwerpen in deemoed e:i gehoorzaamheid, het zij met goedheid of met geweld. Ik heb van hen niets begeera wat zij niet schuldig en verplicht zijn mij te geven, en als deze heeren zich zooveel op hun constitutie en de geschreven wet laten voorstaan, moeten zij weten dat juist hun constitutie hen voorschrijft den landsheer bij het uitbreken van den oorlog te ondersteunen en hem de noodige gelden te bewilligen, door 't uitschrijven van een hoeven-belasting en het verordenen van een accijns, welks duur door de stenden goed te keuren en te bepalen is. Ge hebt mij hier een brood gebracht en gezegd, dat dit dooide arme menschen wordt gegeten; waarlijk, mijn hart is er vol van; wat, kan voor een landsheer grootere smart zijn, dan als hij den nood zijner landskinderen ziet, en

1).Ibid,

ocr page 132

424

weet dat hij hen niet helpen kan. Maar moeten deze armen, die geen voet lands bezitten, mij de hoevenbe-lasting betalen? Neen, het, zijn de heeren landbezitters, die het moeten doen, maar weigeren, omdat zij te gelijk heeren stenden, zijn. Zij rijden in prachtige koetsen, komen bijeen tot groote feesten, laten het zich aan niets ontbreken en hebben zelfs nog geld over om de zulken te ondersteunen, die zich tegen mij, hun geboren landsheer, en tegen hun rechtmatige, wettige regeering verzetten, gelijk de heeren stenden gedaan hebben ten aanziea van Kalk-stein, voor wiens weduwe en kinderen zij na zijn terechtstelling ondersteuning en jaarwedden vastgesteld hebben. Als zij geld hebben om oproermakers en hun gezinnen te ondersteunen, moeten zij ook geld hebben om hun landsheer de belasting te betalen, welke hij niet voor zich, maar voor 't welzijn van zijn land behoeft, om het eer, aanzien en recht te verschaffen. Gij hebt mij zeer aandoenlijk den nood der arme lieden in Pruisen geschilderd hertog von Croy, maar van de heeren stenden en grondbezitters hebt gij mij niets gezegd, daarom heb ik uw bericht aangevuld en er bijgevoegd wat gij verzwegen hebt. Ik behoef voor de kleeding en vermeerdering mijner troepen, waarmede ik ten oorlog wil trekken, aanzienlijke sommen gelds, en al mijn provinciën moeten daarin bijdragen, Pruisen niet minder dan de overige. Dit is mijn antwoord, hertog, en ge kunt dit den weerspannigen heeren stenden brengen?quot;

„Uw keurvoistelijke doorluchtigheid wijst mijdusbepaald af, en ik heb vergeefs de verre reis van Koningsbergen hierheen gedaan ?'

„Ik wilde, dat gij die niet hadt gedaan, want ge kondt vooruit weten, dat ik niet kon en mocht afzien van 't geen ik na rijp overleg en om vele redenen noodzakelijk moest achten, en bijgevolg onherroepelijk is. Er kan zonder soldaten en oorlogsbenoodigdheden geen oorlog worden gevoerd, en men heeft slechts dan uitzicht op een goed resultaat, op eer en roem, als de manschappen goed toegerust, en in groot getal voorbanden zijn. Den oorlog echter kan en wil ik thans niet vermijden, ik moet hem voeren als Duitsch rijksvorst en als souvereine keurvorst, ter eere van mijn volk en mijn land! Zet nu niet zulk een treurig gezicht, hertog, en wees niet mismoedig, hoe-

ocr page 133

125

wel 'ter thans slecht uitziet, er zullen betere tijden komen en ik zal het zijn, die ze met Gods genadige hulp aanbrengt. Hiervan ben ik vast verzekerd. Men moet met vertrouwen en moed door de slechte jaren heen, om tot de goede te komen, want die het gevaar schuwt komt nooit tot overwinning, en die niet den moed heeft door de duisternis van den nacht te gaan, zal nooit de zon zien opgaan! Ik hoop, dat de zon eens op zal gaan over al mijn landen, en met al wat in mij is, wil ik mijn krachten daaraan besteden, en gij, hertog, en al mijn getrouwen, moeten mij daarbij helpen.quot;

„Dal wil ik ook doen, doorluchtigheid,quot; riep de hertog ijverig, ,1k zie echter in Koningsbergen en in geheel Pruisen zooveel nood en ellende, dat het mijn hart ontroert en ik niet nalaten kan medelijden te hebben met de arme, uitgehongerde menschen.quot;

„Meent gij dat ik dit niet heb?quot;, vroeg de keurvorst. „Meent ge, dat mij het hart niet bloedt en ik niet zou willen weenen, als ik dit brood zie, en daarbij denk, dat er van mijn lieve onderdanen zijn, die het eten moeten? Maar ik kan het niet veranderen, het is mijn schuld niet. Als ik echter door een gelukkigen oorlog mijn volk den vrede heb terug gegeven, mijn land vergroot en mijn inkomsten vermeerderd heb, dan hoop ik voor mijn lieve onderdanen een tijd te kunnen doen aanbreken, als dien waarnaar de wijze en moedige koning Hendrik de IV van Frankrijk verlangde, een tijd waarin ieder boer des middags een hoen in zijn pot kan doen ! Met zulk een toekomst willen wij ons troosten en God geve dat ik hem kan doen aanbreken!quot; —

t herhaalde Friedrich Wilhelm, nadat de hertog von Croy hem verlaten had, „God geve, dat ik zulk een schoonen, gezegenden tijd voor mijn volk kan doen aanbreken. Hiervoor leef, arbeid en strijd ik, en dat is het eenige dpol van mijn onrustig, veel bewogen en vredeloos leven.quot;

„Keurvorstelijke genade,quot; berichtte een binnentredende kamerlakei, „mijnheer de proost Muller is zoo even in de voorkamer gekomen en zegt dat de heer keurvorst hem hier ontboden heeft.quot;

„Dat is zoo,quot; zei de keurvorst. „Laat mijnheer den proost binnen komen.quot;

ocr page 134

126

11.

WETENSCHAP EN KUNST.

üe lakei opende de deuren riep met luide slem; „mijnheer den proost Muller!quot; Terstond verscheen op den drempel der deur de groote, magere gestalte van den geleerden en zeer beroemden heer professor.

Een nauwsluitende overrok van zwart laken omhulde zijn magere gestalte en reikte tot aan de zwart lederen • kniebanden met stalen gespen, die de zwart zijden kousen aan de korte broek van zwart satijn hechtten. De voeten waren bekleed met glimmende lederen schoenen, die mot roode hakken en groote gespen versierd waren; om het eerwaardige aangezicht kronkelden in kunstmatige verwarring de bruine lokken van een groote allongepruik tot op de hooge, niet volkomen even hooge schouders, waaraan van achter een kleine mantel van zwarte zijde was bevestigd, quot;die aan den heer proost het voorkomen van een reizenden scholier gaf en zeer weinig paste bij zijn ernst en deftigheid.

„Ha, zijt ge teruggekomen?quot; riep Friedrich Wilhelm hem toe, „en ik hoop met goeden uitslag, want ik zie, ge brengt daar onder uw arm een pakket, waarin zich wel iets van onze gekochte schatten zal bevinden.quot;

,Ja, keurvorstelijke doorluchtigheid, zoo is hef,quot; antwoordde de proost met een ernstig gelaat. „Het is mij gelukt den last van mijn keurvorstelijken heer behoorlijk quot;en getrouw uit te voeren. Ik begaf mij, gelijk uw doorluchtigheid mij bevolen had, naar Lentzen, om met den admiraal Giesel von Lier, die zich daar na lange wereldreizen met der woon heeft gevestigd, te onderhandelen over de Ghineesche geschriften, welke de admiraal aan uw keurvorstelijke doorluchtigheid te koop had aangeboden. Het kwam er vooral op aan, zich te overtuigen of deze koop de moeite beloonde, en of de boeken door hun fraaien en verheven inhoud ook den hoogen prijs waard warengdien de admiraal er voor eischte.quot;

„En vondt gij ze dien waard, mijn geleerde heer proost?quot; vroeg de keurvorst levendig.

ocr page 135

127

„Ik vond ze dion waard,quot; antwoordde de proost met pleditigen nadruk, en geheel doordrongen van zijn wijsheid en gewicht. „Deze Ghineesche boeken van den admiraal Giesel von Lier bevatten schatten van onbetaalbare waarde. Er bevinden zich daarbij de zeldzame en kostbare geschriften van Confucius, vervolgens de heerlijke en onnavolgbare gedichten van Lile-Pe, bovenal echter de vier grooto wonderboeken Sse-ta-khi-schu, die de vier groote historische romans bevatten, genaamd: de eersie,San-kue-lschi-ydn-i, de tweede, Schui-ku-tschuan, de derde, Si-yeu ki en de vierde Riny-phing-wei. Bovendien nog het beroemde werk: Yuen-Dshin-pe-tschong, dat een verzameling van honderd drama's uit den tijd der Mongoolsche dynastie bevat.quot;

„Ik verheug mij in uw groote geleerdheid,quot; zei de keurvorst. „Het moet een groot genoegen zijn aldus door studie en geleerdheid in den geest van vreemde volken te dringen en zich de poorten eener geheel vreemde wereld te zien geopend. Als ik eens aan mijn landen een duurzamen vrede kan geven, zult gij mijn leermeester zijn, en ik wil dan uw leerling in de Ghineesche taal worden. Tot zoolang moet ik er mij echter mede vergenoegen voor hen, die gelukkiger zijn dan ik en meer tijd en rust hebben om zich aan hun studiën te wijden, deze fraaie boeken te koopen en er mijn bibliotheek mee aan te vullen. Ge hebt dus deze kostbare verzameling Ghineesche boeken van den admiraal gekocht?quot;

„Ja, doorluchtigheid, na lang loven en bieden is de admiraal er toe overgegaan ze u voor den prijs van twee duizend thaler te verkoopen, en dit is, hun waarde en zeldzaamheid in aanmerking genomen, een zeer geringe prijs.quot;

„Dit schijnt mij ouk zoo toe.quot; riep de keurvorst, „ik hoop dat deze Ghineesche boeken onzen onderdanen tot nut en leering zullen strekken, en zij eens, door het voordeel dat er voor ons uit ontstaan zal, zeer heerlijke renten zal opleveren. Als er maar veel jongelingen en mannen zich doo^ u in de Ghineesche taal laten onderwijzen om deze fraaie werken te lezen, zou ik mijn plan, 't welk ik reeds lang koester, ton uitvoer kunnen brengen, en er zou wellicht een voor ons zeer voordèelige handels-verbintenis met Oost-Indie en Ghina kunnen aangeknoopt worden.

ocr page 136

128

Daarvoor is de kennis der Chineesche taal zeer nuttig en noodzakelijk, en ik wil dat met al mijn vermogen bevorderen.quot;

„Bovendien bevatten deze werken ook een onuitputtelijke bron van wijsheid,quot; zei de proost plechtig, „hun, die drinken uit deze bron van wijsheid, verstand en poëzie, wordt de geest verlicht en hart en ziel opgewekt tot een nieuw leven, zooals ik dat aan mij zeiven heb ondervonden.quot;

„Ja, ge zijt inderdaad een zeer geleerd en wijs man,quot; zei de keurvorst, den proost vriendelijk toeknikkende, „ik ben er trotsch op u in mijn dienst te hebben en ten minste een weinig te genieten van den gouden beker der wijsheid, dien gij met volle teugen ledigt. Ga zoo voort, mijn beste proost, en het zal u aan mijn ondersteuning en ijver nooit ontbreken. Laat mij nu eens een dezer kostbare schatten zien, die gij hebt medegebracht.quot;

De proost nam het boek, 't welk hij nog altijd onder den arm had gehouden, als ware het een kostbare schat, van welken hij niet scheiden kon, en reikte het den keurvorst opengeslagen toe.

„Dit is de roman Hao tchieu-tschuan,quot; zeide hij, „het lievelingsboek der Ghineezen. Het is de „levensgeschiedenisquot; eener volmaakte vrouw.quot;

„Dat zou juist een boek zijn voor mevrouw onze beminnenswaardige gemalin,quot; riep de keurvorst levendig, „en zeer geschikt om aan hoogstdezelve opgedragen te worden! Vertaal toch dit boek, mijn geleerde heer proost, en dan zult ge zelf de eer hebben het aan mevrouw de keurvorstin aan te bieden.quot;

„Dat zou voor mij een groote eer en vreugd zijn, doorluchtigheid,quot; zei de proost met een kleine buiging. Slechts vrees ik dat de boekencensuur, die zoo geducht streng gehandhaafd wordt, mij hinderlijk zal zijn.quot;

„Ge zult van haar geen last hebben,quot; riep de keurvorst levendig. „Ik geef u hierbij de vergunning, dat uw overzettingen uit het Ghineesch niet alleen, maar ook alle boeken, welke gij schrijven wilt, van de boekencensuur verschoond zullen blijven en ongehinderd gedri^Jct kunnen worden. Gij moet mij alleen beloven, dat er nooit iets in zal gezegd tegen den christelijken godsdienst.quot;

„Dat beloof ik uw doorluchtigheid. Ik ben thans bezig overzettingen van het Onze Vader in alle talen te ver-

ocr page 137

129

vaardigen, namelijk zooveel er mij bekend zijn, dit zal het eerste werk zijn dat ik laat drukken.quot;

„Hoeveel overzettingen hebt gij reeds gemaakt, in hoe-vele talen is het verheven gebed reeds overgezet?quot;

„Thans heb ik zeven-en-tachtig overzettingen gereed,quot; zei de proost met bescheiden voorkomen en nedergeslagen oogen. „In 't geheel zullen er wel over de honderd overzettingen bijeen komen.quot;

„Over de honderd overzettingen van het OnzeVader?quot; vroeg de keurvorst verbaasd. „Gij verstaat dus over de honderd verschillende talen!quot;

„Als men er eerst tien geleerd en grondig bestudeerd heeft, dan gaat het met de andere zeer gemakkelijk,quot; antwoordde de proost bescheiden. ,,Tk heb de studie der talen tot de taak mijns levens gemaakt, ten einde de voortbrengselen des geestes van alle volken te kunnen verstaan en genieten, want hoe meer men ingedrongen is in den geest der vplken, des te meer is men doordrongen in de kennis van God en zijn hemelsche werken. Ik acht de studie der talen als een der nuttigste en heilzaamste, en wat in mijn vermogen is, wil ik gaarne aanwenden om die te bevorderen. Ik ben thans bezig de alphabets en schriftteekens van alle mij bekende talen samen te stellen en in een algemeen overzicht te laten drukken; ik heb reeds zeventig alphabeth's bijeen gebracht. Mijn volgend werk zal echter een overzetting der reizen van Marco Polo zijn; naar het latijnsche handschrift,'twelk uw doorluchtigheid mij onlangs uit haar bibliotheek vereerd heeft, en later wil ik een goographische naamlijst en kaarten van het geheele Chineesche rijk bewerken.quot;

„Als men u zoo hoort, proost, komt men zich waarlijk zeer onwetend en klein voor,quot; zei Friedrich Wilhelm glimlachend. „Ik heb mij altijd gaarne met de studie bezig gehouden en zij is in mijn weinige rusturen nog miin eenige uitspanning en vreugd! Hoeveel aangename en heerlijke uren heb ik niet aan den goddelijken Ovidius te danken, en hoeveel heb ik niet geleerd uit de werken van Julius Cesar, die mij de grootste veldheer van alle tijden toeschijnt. Als men tegenover u en uw geleerdheid staat, krimpt iemands weinige kennis tot niets ineen, en men ziet hoe weinig men gestudeeixl heeft, als men slechts de Grieksche en Latijnsche schrijvers kan lezen. Het blijft Mühltach, De groote Keurvorst en sijn tijd. V. 9

ocr page 138

130

er echter bij, zoodra wij weder vrede hebben, wil ik van ii hel Chineesch leeren. Tot zoolang verzamel en werk voort, mijn beste proost, en weet dat het mij steeds verheugt, zoo ge ter bevoi-dering der wetenschappen en tot onderwijzing van mijn onderdanen iets bijdraagt, en ik voor u altoos een toegenegen vriend blijven zal. Opdat ge u dit altoos moogt herinneren, schenk ik u deze gedachtenis; draag haar steeds.quot;

Hij trok van zijn vinger een gouden ring, waaraan een groole kostbare diamant fnnkelde, en reikte hem den proost, die hem met een vergenoegd gelaat aannam en in zeer aandoenlijke en hoogdravende woorden zijn dank betuigde voor het kostbaar geschenk, waarmede de keurvorst hem, armen geleerde, vereerde.

„Wat men aan geleerden en kunstenaars geeft, is nooit verspild,quot; zei de keurvorst vriendelijk, „men vereert slechts zich zeiven met zulke geschenken. Vaarwel nu, mijn gruote wereldwijze, arbeid rustig voort, mij en mijn onderdanen tot leering en aansporing.quot;

Beleefd en voorkomend geleidde hij den proost Muller naar de deur, en alsof hij een vorst groette, boog de keurvorst voor den geleerde toen deze naar buiten ging ') Door de geopende deur zag de keurvorst nu een heer, die er dicht hij stond.

11 De proost Muller behoorde tot de geleerdste taalvorschers van zijn tijd; zijn roem was door Duitschland verbreid, en zijn veelsoortige werken w^Kten de bewondering van alle geleerden. Hij gaf niet alleen vele Chineesche werken uit, maar liet ook oude Persepolische I'almyrsche en Koptische opschriften drukken. Buitendien hield hij in het slot voorlezigen over de zeden en gewoonten der Chineezen, welke voorlezingen de keurvorst met zijn gemalin bijwoonden, en beroemde zich een sleutel tot gemakkelijker aanleering der Chineesche taal gevonden te hebben. De geleerde keizer Leopold I vernam dit en verzocht van den keurvorst den proost Müller voor eenigen tijd, om zijn Chineesche handschriften in orde te brengen. Ook bood de keizer den proost een aanzienlijke som geld voor het vervaardigen van zijn sleutel. Maar de keurvorst liet Müller niet heengaan, hij wilde aan niemand den roem gunnen door zijn mildheid dit groote werk bevorderd te hebben, en Müller ontving, in weerwil van den grooten geldelijken nood waarin zich Friedrich Wilhelm voortdurend bevond, van hem aanzienlijke sommen en vele rijke en kostbare geschenken. Na den dood van den keurvorst werd hij ontslagen en begaf zich naar Stettin. Voor zijn doo.i verbrandde hij uit verdriet wegens de weinige deelneming, welke de stadie in 't Chineesch vond, het grootste gedeelte zijner verzameling, het andere gedeelte schonk hij aan de koninklijke bibliotheek te Berlijn, waar het zich nog bevindt.

ocr page 139

131

Kom maar binnen,quot; riep de keurvorst vriendelijk. „Ik heb u reeds sinds een week verwachl en ben waarlijk ongeduldig iets van u te hoeren. Zeg mij eens, Martini, wat hebt ge uitgevoerd, en hoe staat het met den last dien ik u heb opgedragen?quot;

„Doorluchtigheid,quot; antwoordde de toegesprokene, die met eerbiedige buigingen het kabinet was binnengetreden, „alles staat zeer goed, ik heb uw bevelen kunnen uitvoeren, en zoo ik hoop, tot tevredenheid uwer doorluchtigheid.quot;

„Hebt ge de schilderijverzameling van Gerhard van Uylen-broek te Amsterdam gekocht?quot; vroeg de keurvorst levendig.

„Ja, doorluchtigheid, na lang dingen is het mij gelukt, dezo heerlijke verzameling, zooals uw doorluchtigheid bepaald had, voor den prijs van twintigduizend thaler te koopen. Er zijn zeer heerlijke schilderijen onder, van groote Hollandsche meesters, een waar prachtstuk van Snijders en fraaie schilderijen van Teniers en Wouwermans. Maaide kroon van allen is evenwel een stuk van den grooten Italiaanschen schilder Titiano Vicellio, dat zich onder deze verzameling bevindt.quot;

„Een stuk van Titiano Vicellio? riep de keurvorst. „O, dat is een blijde boodschap voor mij, want ik houd zeer veel van de werken van dezen grooten- meester, en het strekt ons inderdaad tot eer, dat wij een schilderij van dezen beroemden schilder voor mijne verzameling gewonnen hebben. Ik ben zeer begeerig ze te zien, en ge moet mij dadelijk melden zoodra de schilderijen aangekomen zijn. Zeg mij nu,quot; vervolgde de keurvorst met een eenigzins verlegen voorkomen, „hoe is 't u overigens in Holland gegaan, hebt ge ook mijn andere orders stipt uitgevoerd? Zijt ge bij mijn gezant aldaar, den heer von Brandt, geweest en hebt ge hem mijn brief overhandigd?quot;

„Ja, doorluchtigheid, ik heb mijnheer von Brandt den brief van u overhandigd; hij zuchtte zeer toen hij hem gelezen had, en zeide: „Het is een zeer zware last welken zijn doorluchtigheid mij opdraagt, en ik vrees helaas, dat ik hem niet zal kunnen volbrengen. Maar wij moeten het ten minste beproeven, en het treft zeer goed, dat ik juist naar de stadhouders-weduwe, mevrouw de prinses Amalia, naar 't huis ten Bosch wilde rijden. Rijd dus mede. Martini, en vergezel mij ter audiëntie. Wij zullen de zaak aan

ocr page 140

132

mevrouw de prinses voorstellen.quot; Zoo reden wij dan naar de residentie der prinses-weduwe van Oranje, en zij was zeer verheugd te hooien, dat bel u wel ging, zij vroeg veel naar de heeren prinsen, en haar hoogheid zeide, dat zij zeer verlangend was, de lieve kleinzonen en hun heer vader weder te zien. Ten laatste vroeg mevrouw, of zijn doorluchtigheid mij met een bijzonderen last had gezonden, en toen bei'ichtte ik, dat uw doorluchtigheid mij naar Amsterdam had gezonden om de verzameling schilderijen van wijlen Gerhard van Uylen-broek voor u te koopen. Daarop glimlachte mevrouw de prinses Amalia zeer innemend en zeide: „Welk een bewonderenswaardig edel heer is de keurvorst toch! Te midden van kwade oorlogstijden en door allerlei zorgen en bekommeringen bezocht, heeft zijn doorluchtigheid nog tijd en lust om aan de schoone kunsten te denken en schilderijen te koopen. Dit getuigt weer van zijn verheven en edelen geest, die zich boven de slechte tijden verheft en achter de donkere oorlogswolken reeds de gouden dagen van den vrede aanschouwt. Hij verzamelt voor deze dagen kunstwerken, terwijl hij zijn legers uitrust en moedig ten oorlog trekt.quot;

„Mevrouw de stadhouders weduwe Amalia, mijn lieve schoonmoeder, is altoos zeer goed jegens mij gezind,quot; zei de keurvorst zacht en nadenkend. „Zij beschouwt alles wat ik doe met zeer vriendelijke oogen. Maar zeg mij. Martini, wat geschiedde verder?''

„Mijnheer de geheimraad von Brandt nam toen het woord en zeide dat zulk een aanwinst van kunstschatten voor uw doorluchtigheid een groote vreugd was, en het nu van haar genade afhing er toe bij te dragen, dat uw doorluchtigheid die vreugde deelachtig werd. Daarop verhaalde hij dat de vele oorlogsuitgaven een bestendige ebbe in de kas uwer doorluchtigheid veroorzaakten, te meer, daar de Staten- Generaal de bedongen subsidiën niet uitbetaald hadden, en ze nog altijd schuldig waren gebleven. Toen riep mevrouw de prinses: „Na het ongelukkig verdrag van Vossem mag de heer keurvorst zich hierover niet verwonderen.quot; Maar mijnheer von Brandt liet zich niet afschrikken en zeide, dat de vrede van Vossem immers ook slechts op papier geschreven was en de tijden ook veranderden; dat zijn doorluchtigheid het

ocr page 141

433

zeer hoog zou schatten, zoo do Stulon-Geiieraal eou weinig ijver betoonden om aan de op zich genomen verplichtingen te voldoen en ten minste op afkorting de kleine som van twintig duizend tlialer te betalen, voor welke de heer keurvorst een kwijtbrief had gezonden, en hij verzocht mevrouw zeer dringend, deze aangelegenheid bij haar heer zoon den jongen stadhouder Willem aan te bevelen. Mevrouw de prinses zuchtte, schudde het hoofd en meende dat het vergeefs zou zijn, doch beloofde het toch eindelijk en beval mij binnen drie dagen weer tot haar fe komen. Dit deed ik, en..

„Gij ontvingt het geld?quot; viel de keurvorst hem ongeduldig in de rede.

„Ik ontving het geld, doorluchtigheid, en de fraaie schilderijen zijn tot den laatsten penning betaald.quot;

„Dat is mij hoogst aangenaam,quot; zei Friedrich Wilhelm. „Zoo hebben wij ten minste een klein gedeelte ontvangen van de sommen welke de Staten-Generaal mij schuldig zijn, en ik kan mij nu eerst recht in de fraaie schilderijen verheugen, ik zal ze met vreugde beschouwen als een verovering, welke ik op de heeren Staten-Generaal heb behaald. Gij moet de schilderijen in het nieuwe kasteel te Potsdam in de nieuwe zaal goed plaatsen, en ik zal er heengaan om ze te zien. Wees nu ook weer zeer vlijtig. Martini, en doe uw best mij zeer fraaie zolderstukken in het slot te schilderen. Het kan wel zijn, dat er weder een lange tijd verloopt, voor ik uw werk kom zien en mij verheugen kan in al het schoons dat gij, de schilder Verdien en de beeldhouwer Döbler in 't kasteel te Potsdam voor mij gereed maakt. Maar gij moet denken, dat het voor mij in 't leger een aangename gedachte is, te weten, dat, terwijl ik het zwaard voer en strijd voor mijn onderdanen en mijn land, ginds in mijn huis kunstenaars den beitel en 't penseel hanteeren, om mij een plaats te bereiden waar ik kan rusten in vredestijd om mij in de kunsten en uwe werken te verheugen. Ga dus met lust aan den arbeid. Martini, en Apol en al de negen muzen mogen u gunstig zijn. Zend mij nu, als ge heengaat, den heer burgemeester van Berlijn hier, dien ge in de voorkamer zult zien!quot;

Een minuut later trad de burgemeester het kabinet binnen. De keurvorst gaf volstrekt geen acht op zijn eer-

ocr page 142

134

biedige buigingen en was nicl zoo vriendelijk tegenover hem, als daar straks tegenover Martini. Zijn gelaat was nu ernstig en sombei', en de blik dien hij op den burgemeester richtte, was dreigend.

„Gij hebt mij weer een geschritt gezonden, waarin gij bezwaren aanvoert over mijn regeering en allerlei zaken afgeschaft wilt hebben,quot; zei de keurvorst streng. „Er zijn van andere zijden heftige klachten tegen u aangevoerd, en mijn hofbeambten beklagen zich bitterlijk over de magistraat van Berlijn. Ik heb u hier ontboden, opdat ge u verantwoorden zoudt. Wat beteekent het, dat gij u vermeet bij de vrijgestelden en mijn hofbeambten aanslagbiljetten te zenden en ze belasting op te leggen,hoewel ge toch zeer goed weet, dat zij geen belasting te betalen hebben ?quot;

„Doorluchtigheid, de magistraat was tot zulke maatregelen gedwongen,quot; antwoordde burgemeester Massen schier trotseerend. „Het was 'onmogelijk al het geld op te brengen, dat het onderhoud en de inkwartiering dei-soldaten aan de arme steden Berlijn en Keulen kostte Wij moeten in zulke buitengewone schrikkelijke tijden ook tot buitengewone hulpmiddelen onze toevlucht némen. De stedelijke kas is door de vele inkwartieringen en de kosten, welke de uitrusting'der soldaten sedert vele jaren veroorzaakt, zoo uitgeput, dat wij niet in staat waren op andere wijze wederom de noodige gelden te bezorgen en derhalve een buitengewone belasting moesten uitschrijven. Zoo dachten wij dat het billijk en rechtvaardig is, dat ook zij, die anders nooit betalen,eens voelden wat belastingen zijn. In benarde tijden moet niemand het voorrecht willen hebben, zich van den algemeenen nood uit te sluiten, en als duizenden ongelukkige bewoners van onze steden Berlijn en Keulen op het harde hoofdkussen der zorgen hun nachten doorwaken, mogen niet honderden zich op het bed vol tevredenheid en behagelijkheid uitstrekken.quot;

„Gij verstout u, een vermetele, zeer onbetamelijke taal te voeren!quot; riep de keurvorst met bliksemende oogen en dreigend gebaar.

„Doorluchtigheid, vergeef mij,quot; zei de burgemeester met vleiende stem, „maar nood kent geen wet, en onze nood is waarlijk groot.quot;

„Ja; dat ken ik,quot; riep de keurvorst. „Zoodra gij Berlijners

li

ocr page 143

135

betalen moet, schreeuwen magistraat en burgerij moord en brand, en klagen zij over armoede. Maar anders- gaat het er lustig en vroolijk toe in beide steden en er verloopt geen dag, dat men mij niet verhaalt van feestelijkheden en braspartijen, die bij dezen of genen te Berlijn en Keulen gehouden worden. Als men op de straat gaat, ziet men hoe de vrouwen zich tooien in de nieuwmodische Fransche kleederen, en de mannen pronken in geborduurde wambuizen en met groote pruiken, en als men weet hoeveel vreemde wijnen en bieren maandelijks in Berlijn verbruikt worden, dan zou men waarlijk niet denken, dat het den Berlijners zoo treurig en armoedig gaat. Dat is dan ook denkelijk slechts in die dagen het geval als zij belasting moeten betalen en hun deel moeten bijdragen in de lasten van den staat. De Berlijners zouden wel alleen geld willen ontvangen om het in lust en vreugd uittegeven, maar voor belastingen, die toch noodzakelijk zijn, ontbreekt het hun steeds, dan is de beurs dichtgebonden, maar de mond steeds open om te klagen over dwang en verdrukking. Ik zeg u, dat ik iets dergelijks niet meer hooren wil, maar begeer dat zonder tegenspraak de belastingen betaald worden. Dat het den Berlijners niet aan geld ontbreekt, weet ik maar al te goed, want zij hebben geld genoeg voor onnoodige dingen, dus moeten zij het ook voor de noodige hebben.quot;

„Doorluchtigheid, wij hebben, helaas, geen geld voor de noodige dingen,quot; zei de burgemeester treurig. „Nog altijd zijn nog maar een klein gedeelte van de straten in onze steden geplaveid, en de belastingen moeten wij meestal door executie verkrijgen. Ook de tol aan de poorten brengt weinig op, nu mevrouw de keurvorstin buiten de Spandauerpoort een groote boerderij heeft opgericht.quot;

„Wat gaat u de boerderij van mevrouw de keurvorstin aan?quot; riep de keurvorst vertoornd. „Wat heeft dat met uw aangelegenheden te maken?quot;

„Vergeving, doorluchtigheid, het heeft er helaas, zeer veel mee te maken. Van het bier, dat van buiten wordt ingevoerd, moet aan de poort tol betaald worden, en dat is een aanzienlijke inkomst voor ons. Maar nu heeft mevrouw de keurvorstin op haar boerderij buiten de Spandauerpoort ook een groote bierbrouwerij gebouwd, en om zeer veel koopers te hebben, verkoopt de bestuurder het bier een

ocr page 144

136

penning per maal goedkooper. Hij beeft dus een zeer groot debiet en er wordt ontzaglijk veel bier van daar in de stad gevoerd. Mevrouw de keurvorstin weigert echter aan de stad den tol te betalen en beweert dat de boerderij buiten tot de stad behoort, en buitendien als keurvorstelijk eigendom van alle tollen en belastingen vrij is. Nu vraag ik uw doorluchtigheid in naam van de magistraat en de burgerij van Berlijn, de genade te hebben bij mevrouw de keurvorstin ons recht voor te staan.quot;

„Zoo ge recht had, zou mevrouw de keurvorstin het terstond erkend hebben,quot; zei de keurvorst levendig. „Er is echter over deze zaak veel te zeggen, maar 'tis al heel vreemd, dat mevrouw de keurvorstin belastingen en tol zou betalen gelijk de handelaars en bierbrouwers.quot;

„Uwe doorluchtigheid boude ten goede, maar de keurvorstin drijft ook handel met de voortbrengselen barer boerderij en zij laat bier brouwen.quot;

„Ik zal met mevrouw de keurvorstin over deze zaak spreken,quot; zei Fried rich Wilhelm een weinig verlegen, „en u haar antwoord mededeelen. U echter geef ik dit antwoord: de belastingen moeten betaald, de acciinsen opgebracht worden. Ik kan er u niets van kwijtschelden, want er staat een nieuwe oorlog voor de deur en mijn soldaten moeten gewapend en uitgerust worden, dus moet ge betalen. Zeg geen woord meer. Neem mijn bevelen ter harte, breng ze ter kennis van de burgerij en de magistraat en hiermede afgedaan, heer burgemeester van Berlijn!quot;

„En nu,quot; zei de keurvorst, toen hij weder alleen was, „nu zal ik tot Dorothea gaan, met haar over deze zaak spreken en haar verzoeken deze menschen geen ergernis te geven met haar boerderij daar buiten. Het schijnt, dat zij de zaak zeer ter harte neemt, en ik vrees dat zij boos zal worden. Maar gewaagd moet het worden, en misschien is zij wijs en verstandig genoeg om te zien wat recht is. Ik wil dus tot haar gaan, en haar mijn verzoek voorstellen.quot;

ocr page 145

137

111.

DE KEURVORSTIN.

Do keurvorstin Dorothea zat aan haar schrijftafel en scheen geheel verdiept in de kaarten en plannen, die voor haar lagen. Haar gelaat was somber en op haar gezicht lag een wolk van misnoegen. Eensklaps legde zij de pen, waarmede zij hier en daar plaatsen op de kaarten en plannen hadaangeteekend, neder, en zag peinzend voor zich.

„Het bevalt mij niet,quot; fluisterde zij zacht. „Wil hij beproeven zich weder vrij van mij te maken? Het bevalt mij niet. Hoe komt hij er toe in politieke zaken mijn raad niet te vragen en zijn eigen weg te gaan zonder er mij iets van te zeggen? Zouden mijne vijanden over mij gezegevierd hebben? Zouden mijne stiefzonen en hun afschil welij ken aanhang mijn gemaal voor zich gewonnen hebben? Ja,quot; riep zij, terwijl zij haastig opsprong, „ja zoo is het! Zij hebben opnieuw tegen mij geïntrigueerd! Door Schwerin, de vertrouweling van prinses Amaliavan Holland, die van haar geld ontvangt, en door de prinses is dit nieuwe verbond met Holland tot stand gekomen. Ik zie nu alles duidelijk, mijne heeren zonen, ge intrigueert tegen mij! Ge trekt den keurvorst naar uw zijde. U ergerde de vrede van Vossem, omdat ge zeer goed weet dat ik er deel aan had, en gij beweegt uw vader een verbond met Holland te sluiten, omdat ge weet dat mij dit zou ergeren, daar het den keurvorst aan het verledene herinnert en aan mijn vijandin, de overledene gemalin! Maar ik zal u bewijzen, dat de nederlaag, die ge mij hebt bereid voor mij een overwinning zal worden ! Wacht slechts een weinig en ge zult zien, dat ik uw handschoen opneem, om u dien in 't gezicht te werpen, tegelijk met het Hollandsche verbond. Wacht maar tot . . . .quot;

Eensklaps zonk zij weer op haar stoel, en haar gelaat nam plotseling een geheel andere uitdrukking aan. Het was nu zacht en lief en de toorn van zoo even verdween voor den glimlach, die op haar lippen kwam.

Zij had in den spiegel, die tegenover haar schrijftafel

ocr page 146

138

hin^, gezien, dal achter haar dc deur onlioorbaal' werd geopend, en zij wist dat de keurvorst, die stil was binnen getreden, haar in den spiegel zien kon.

„Ja,quot; zeide zij halfluid, voor zich terwijl zij met de pen eeu toeken op de kaart maakte, ,.ja zoo zal het gaan. Hier, uit het zand en slijk verrijst een nieuwe stad, hier in rechte lijnen loopen de straten en pleinen, daar laten wij ruimte voor een kerk, opdat aan het werk van men-schenhanden Gods zegen niet onthreke. O, hoe verheugt mij de gedachte, dat ik een slad zal stichten; voor alles wil ik ze nu een naam geven 1 Zij zal naar mijn dierbaren, hartelijk geliefden gemaal genoemd worden. Zij zal de Friedrich Wilhelmstad heeten!quot;

„Neen,quot; zei de keurvorst luid, terwijl hij snel naderde, „zij zal Dorotheastad genoemd worden.quot;

„Ha, zijt gij het, mijn Friedrich !'' riep de keurvorstin leeder, terwijl zij opstond en den keurvorst haar hand reikte. Maar heer gemaal, gij komt zoo zacht binnen, dat gij mijn alleenspraken beluisteren kunt.quot;

„Zeg liever, ge waart zoo verdiept in uw arbeid, dat ge mijn komst niet opmerktel, en ik bleef staan, omdat ik u niet wilde storen.quot;

„Ge stoort mij nooit,quot; zei Dorothea teeder. „Ge zoudt dan ook meenen dat het een storing voor den nacht is, als de zon opgaat en den dag brengt. Ge weet wel, dat ge voor mij de zon zijt, en het eenzaam en donker is als de nacht, wanneer ge niet bij mij zijt om mijn hart en ziel te verlichten.quot;

„Deze vergelijking past niet, Dorothea,'' glimlachte de keurvorst. „Ge zijt niet als de nacht, bij en in u is niets donker en eenzaam, maar alles is levendig, vroolijk en helder. Maar zeg mij lieve, waar ligt die nieuwe stad, welke ge stichten wilt ?quot;

„Zij ligt buiten de Spandauer poort,quot; riep de keurvorstin, „bij de boerderij, welke gij mij bij de geboorte van onzen oudsten zoon gegeven hebt.quot;

Het voorhoofd van den keurvorst bewolkte. „Buiten voor de Spandauer poort, waar ge een bierbrouwerij hebt gebouwd?quot;

„Ja,quot; mijn dierbare keurvorst. Kom eens hier en zie mijn schetsen en plannen, welke Chieze voor mij ontworpen heeft.quot;

ocr page 147

139

Zij trok den keurvorst naar den stoel, die voor haar schrijftafel stond, schoof hem er zacht in en plaatste zich naast hem.

„Zie, Friedrich,quot; riep zij op haar levendige, driftige wijze, „hier is mijn boerderij voor de Spandauer poort! Hier zijn de gebouwen voor de veefokkerij, en daar zijn de beide herbergen die juist voltooid zijn.quot;

„Herbergen?quot; behaalde de keurvorst verwonderd. „Wat verstaat ge onder herbergen?quot;

„Wat een vraag, Friedrich,quot; glimlachte Dorothea. „Ik versta onder herbergen zulke huizen, waar men vreemdelingen opneemt, hun er verblijf geeft, hen spijst en bedient en hen hiervoor laai betalen. Ik had de beide nieuwe gebouwen op mijn boerderij aanvankelijk voor wat anders willen inrichten, maar nu heb ik berekend dat het voor-deeliger is er herbergen van te maken. Reeds veertien dagen zijn zij gereed en het resultaat is zeer gunstig geweest. Mijn herbergen zijn voor voerlieden bestemd, die met hun goederen van Hamburg komen. Deze menschen hebben geld en geven het gaarne uit, als zij van een lange reis vermoeid hier aankomen en een geriefelijk en goed verblijf krijgen. Ik heb een tamelijk hoog tarief gesteld, maar niemand heeft er nog over geklaagd; integendeel betaalt ieder gewillig en gaarne, en mijn huizen zullen een buitengewonen interest opleveren.quot;

„Het blijft toch een vreemde zaak,quot; zei de keurvorst hoofdschuddend. „De keurvorstin van Brandenburg bouwt herbergen, waar men tegen betaling logeeren kan, en haar gasten zijn Hamburger voerlieden. ^ Vreest ge niet, Dorothea, dat men hierover in ,.de wereld spreken en uwe economie bespotten zal?quot;

„Mijn lieve heer,quot; zeide zij de schouders ophalende, „voor het gepraat der wereld is niemand beveiligd, en, hoe hooger men staat, des te zekerder kan men zijn dat de menschen tot u opzien en over u spreken, 't zij goed of kwaad, al naar het hen in den zin komt. Wat men dus niet vermijden kan, hieraan moet men zich gewennen, het rustig en kalm verdragen, en ik durf zeggen, dat ik er zoo aan gewoon ben, dat ik mij nooit aan de praatjes van de menschen stoor. Zij mogen zeggen, dat ik een

1) Zie König, Geschichte von Berlin II. 181.

ocr page 148

140

moord heb gedaan, ik zou dat slechts door mijn verachting en zwijgen beantwoorden, maar er nooit aandenken mij te verdedigen. Wij staan te hoog, dan dat ons de vergiftige pijlen van den laster zouden kunnen treilen, zij vallen krachteloos aan onze voeten neder en daar mogen zij blijven liggen. Wij zullen ze niet opnemen om ze te onderzoeken, maar er achteloos overheen gaan, en ze onder onze voeten vertreden.quot;

„Dat is zeer verheven en strekt uw lierheid zekerlijk tot eer, maar . .

„Wij zijn geheel afgedwaald van ons gesprek,quot; viel Dorothea hem schielijk in de rede. „Ik ga voort en verzoek u, mijn lieve heer en gemaal, weer uw oogen op dezen plattegrond te slaan. Zie: hier is mijn boerderij, daar zijn de gebouwen, en hier breidt zich een ruime zandvlakte uit tot aan de Spree. Ik heb te vergeefrbe-proefd deze zandvlakte in vruchtbaren tuingrond te veranderen. Het zand is machtiger dan alle tuinmanskunst, en alle planten verdorren ; daarom wil ik nu op die zandvlakte een stad stichten en op die manier aan den grond waarde geven. De beide steden Berlijn en Keulen zijn te klein voor de bevolking. Dank zij uw grootsche pogingen en de bescherming, welke gij aan alle ambachten en indus-trieele ondernemingen verleent, komen jaarlijks vele men-schen naar Berlijn om er zich neder te zetten, dus moet Berlijn zich buiten de poorten uitbreiden. Op den Frie-drichswerder heeft men er reeds een begin mede gemaakt, en nu moet op mijn boerderij en in mijn diergaarde dat worden voortgezet. Ik laat straten afmeten, laat aan weerszijden huizen bouwen en v^huur ze, of ik verkoop den grond aan hen die zelf fraaie huizen willen aanleggen. Het zal mij aan dergelijke koopers niet ontbreken, want ik zal goedkooper zijn dan de magistraat met haar grond op den Friedrichswerder. Zij neemt daar voor de vierkante roede drie groschen, maar ik zal mij met de helft vergenoegen. Ge zult zien, dat reeds na weinige jaren daar uit den zandgrond een nieuwe- stad verrijst, mits mijn dierbare gemaal mij de vergunning wil geven mijn bouwplan uit te voeren.quot;

„Ik geef u die niet alleen met groot vermaak, maar wil uw goed werk ook bevorderen, door u bijzondere privilegiën te verleen en, opdat het bouwen dezer stad spoediger voort-

ocr page 149

141

ga, en voor degenen dier er bouwen willen, bijzondere voordeden ontstaan. Die in den loop van tien jaren daar grond koopt, diens buis zal vrij zijn van belasting. Dit is het privilegie, 't welk ik u verleen.quot;

„Ik dank u, mijn gemaal, ik dank u uit den grond mijns harten. Door dit privilegie zult gij mijn plan bevorderen, en ge zult zien dat in vier jaren daar een gebeele stad zal verrijzen.quot;

„En deze stad zal naar mijn dierbare hartelijk geliefde gemalin de Dorotheastad beeten,quot; riep de keurvorst. „Ik wil, dat ge onsterfelijk wordt bij mijn Berlijners en zij nog na eeuwen dagelijks uw naam zullen noemen, ter berinnering aan de liefde, welke ik u heb toegedragen en aan het geluk, dat ik u te danken heb. De nieuwe stad, welke gij daar sticht, heet van nu af de Dorotheastad en ik wensch haar een gelukkigen bloei.quot;

„Ja, zij zou wel bloeien,quot; zuchtte de keurvorstin, „indien het maar vrede was, en als mijn dierbare, edele en veelgeliefde keurvorst er slechts toe besloot vrede te houden, en . . .quot;

„Ha, ik merk 't reeds,quot; viel Friedricb Wilhelm in, „Meinders is hier geweest en heeft uit de school geklapt, hij heeft uw genade gezegd, dat de oorlog op nieuw begint.'1

„En wel tegen Frankrijk, tegen uw bondgenoot,quot; zuchtte de keurvorstin. „Het past mij niet u mijn oordeel daarover te zeggen, want ge hebt mij nooit de eer bewezen mij van deze groote zaak te onderrichten, en wat gij doet is voor mij altoos het rechte en beste, maar ik kan mij toch over deze zaak niet verheugen! Mijn hart is bekommerd en zwaar, als ik er aan denk, dat ge andermaal voor den trouweloozen keizer, die altijd tegen u is, en met wangunst op uw voorspoed en toenemende macht nederziet, voor de hoogmoedige „mijnheers,quot; die u en uw moedig zwaard ten hunnen nutte gebruiken en later niet houden wat zij beloven, als gij voor uw vermomde vijanden het zwaard opneemt tegen uw wezenlijken vriend. Frankrijk is uw waren vriend, het wil uw grootheid, bet wil u behulpzaam zijn om daartoe te geraken, omdat het in u geen mededinger te duchten, maar een vriend te winnen heeft.quot;

„Mijn lieve Dorothea,quot; zei de keurvorst met zachte stem, „als ge Meinders gesproken hebt, zal hij u ook de redenen

ocr page 150

142

hebben gezegd, waarom ik mij aan den vrede van Vossem niet houden kan en gij zult zekerlijk moeten erkennen dat mijn redenen gewichtig .zijn.quot;

„Zoo gewichtig, dat ge er met mij niet over kondt spreken. Ik wil niet klagen, mijn dierbare Friedrich, ik wil u liever een bewijs mijner liefde geven, door het gebeurde maar als gebeurd aan te nemen! Gij houdt het voor geraden met Oostenrijk, Holland en Spanje tegen Frankrijk ten strijde te trekken, goed, ik zal er niet over morren, of er gevoelig over zijn.quot;

„Dat is gesproken als een edele en hooghartige vrouw,quot; riep de keurvorst verheugd, „ik dank uw doorluchtigheid van ganscher harte. En omdat ge nu zoo goed zijt, beloof ik ook plechtig, dat ik van nu af nooit iets ondernemen zal, zonder u, mijn verstandige en geestige gemalin er van te onderrichten en uw oordeel vernomen te hebben. Ik meende dezen enkelen keer naar mijn eigen hoofd te moeten handelen, omdat ik mij volkomen bewust was wat ik doen moest, en mij in geen andere stemming mocht laten brengen. Er zijn omstandigheden, in welke men zich slechts door God en zijn geweten mag laten raden, en zulk een omstandigheid was deze, mijn lieve Dorothea. Maar nu, mijn hartelijk geliefde, nu kom ik tot u met een verzoek.quot;

„O, mijn Friedrich, hoe gelukkig maakt ge mij, en hoe genadig zijt gij iets aan mij te willen verzoeken,quot; riep Dorothea. „Zeg het spoedig, wat hebt ge mij te bevelen, wat kan ik voor u doen?quot;

Zij zag hem met een teederen glimlach aan en terwijl zij haar arm om zijn hals sloeg, herhaalde zij: „Wat heht ge mij te bevelen. Gij weet wel, dat uw beden voor mij hevelen zijn!quot;

„Dorothea, ik wil u slechts verzoeken, maar ge kunt het mij weigeren, als gij verkiest. Ik wil u vragen mij nit uw chatouille vijf duizend thaler te leenen.quot;

Het gelaat der keurvorstin veranderde plotseling; de glimlach verdween van haar lippen, de oogen verloren hun teederen blik, en het vroeger zoo heldere voorhoofd bewolkte.

„Vijf duizend thaler?quot; vroeg zij met harde, koude stem. „Gelooft ge waarlijk, dat ik in deze ellendige en slechte tijden in staat zou zijn vijf duizend thaler in geld te verschaffen?quot;

ocr page 151

143

„Ik weet, Domlhea, dat ge even spaarzaam als rijk zijt, dat ge schatten verzamelt.quot;'

„Zeg liever, dat ik een noodpenning verzamel,quot; riep zij haastig. Een noodpenning voor mijn dierbare kinderen. Wie zorgt voor hen, wie denkt aan hun toekomst, als ik het niet doe ? Het is waar, ik hen spaarzaam, ik wacht er mij inderdaad voor nultelooze uitgaven te doen, ik ontzeg mij menigen' wensch, versmaad kleederpracht en acht het niet heneden mijn waardigheid, mij met de aangelegenheden mijner boerderij te bemoeien, om er zooveel mogelijk voordeel van te trekken. Maar ik doe dit niet voor mij zelve, ook niet uil lage gierigheid, die slechts bijeenschrapen en bezitten wil, maar ik doe het voor mijne kinderen. Voor deze arme, kleine lievelingen die verloren en aan ellende prijs gegeven zouden zijn, zoo het noodlot hun van hun edelen vader beroofde, zoo een wreede kogel thans, nu hij weder uittrekt tot een nieuwen oorlog, dit dierbaar geliefd hoofd trof. Ach, mijn kinderen, mijn ongelukkige kinderen, wat zou dan van u en van uw moeder worden! Wij zouden verjaagd worden uit dit slot, wij zouden lastposten zijn, van welke men zich door list of geweld zou bevrijden, of die levenslang in een gevangenis zouden moeten treuren. Friedrich, ik spaar en verzamel voor mijn kinderen, opdat zij later niet als bedelaars over den drempel van dit slot gejaagd worden. Ik heb drie dierbare zonen en twee lieve dochtertjes; ik bemin zeen moet voor hen zorgen, want gij, gij doet het niet.quot;

„Ik heb aan ieder hunner een domein als geboortegeschenk gegeven,quot; zei de keurvorst treurig. „Zij zullen als keurvorstelijke prinsen volgens de wetten van mijn huis een anapage bekomen, gij kunt dus niet zeggen, mijn lieve Dorothea, dat voor hun toekomst niet gezorgd is.quot;

„Inderdaad, er is voor hen gezorgd,quot; riep Dorothea spottend. Zij zullen het genadebrood ontvangen van hun broeder, zij zullen ter zijde van zijn troon slaan, en de vasallen huns broeders zijn. Ach, Friedrich Wilhelm, waarom kan ik niet vóór u sterven, waarom kan ik niet met mijn vergoten hartebloed u vrij wasschen van de sterfelijkheid des aardschen levens, en u onsterfelijk maken niet alleen in uw roem, maar ook in uw leven. Friedrich, ga niet van mij, ga niet ten oorlog! Als gij sterft, zijn mijn kinderen, zijn uw kinderen zwervende bedelaars,

ocr page 152

144

welke men met schande en smaad uit het huis van hun vader versloot!quot;

Zij sloeg beide armen om den hals van haar gemaal, alsof zij hij hem redding zocht voor de gevaren, die haar en haar kinderen bedreigden.

De keurvorst drukte haar hoofd innig aan zijne borst. „Gij overdrijft, Dore,quot; zeide hij zacht. „Zoo ik stierf, wat God om uwentwille en dien uwer kinderen moge verhoeden, dan zou uw lot schoon en verzekerd zijn, en nooit zou Garl Emil de liefde vergeten, welke hij zijn broeders schuldig is.quot;

„Hij haat mij en zijn broeders,quot; mompelde Dorothea in zichzelve, hij verlangt naar het oogenblik dat hij ons zijn haat bewijzen kan, en daarom zal hij ook spoedig naar het oogenblik verlangen, dat hij don troon zijner vaderen bestijgt en de macht heeft om ons te verderven.quot;

„Ge meent, dat ik voor mijn zoon, voor mijn Carl Emil te lang leef?quot; vroeg de keurvorst vriendelijk. „Ge meent, dat hij naar mijn dood verlangt? Neen gij bedriegt u hierin gelukkig, mijn vaderhart weet dit beter. Nooit kan zulk een afschuwelijke en misdadige gedachte in het hart mijner zonen opkomen, want in hun aderen vloeit het bloed hunner edele moeder, zij zijn de zonen mijner dierbare Louise Heuriette.quot;

Dorothea stoof op, alsof haar een adder had gestoken en maakte zich met een haastige beweging uit de armen van den keurvorst los.

„Ha, zij leeft, zij leeft nog altijd,quot; riep zij harlstochte-lijk, „ik moet sterven, voor de doode zal de levende moeten wijken. Dat is het, ik zie nu alles helder en duidelijk ! Ge zijt mij moede! Gij verlangt weer naar het vorledene, naar uw schoone beminnelijke gemalin. Ik ben niets, volstrekt niets voor u, en mijn kinderen evenmin. De zonen der eerste keurvorstin noemt ge „mijn knapen.quot; Alsof mijn zoons ook niet uw knapen waren, alsof ge ook voor deze geen partij moest trekken en voor hun welzijn'bezorgd moest zijn! Maar neen, neen! Gij hebt geen hart voor hen, geen hart voor mij! Ach, ik ben een ongelukkige, beklagenswaardige vrouw! Te beklagenswaardiger daar ik u zoo onuitsprekelijk bemin, daar geheel mijn ziel aan u, slechts u behoort.quot;

Zij sloeg beide handen voor haar aangezicht en weende luid.

ocr page 153

145

„Dierbare Dorothea,quot; sprak de keurvorst zijn hand zacht op haar schouder leggende, „ge doet mij waarlijk onrecht met. uw tranen. Gij weet wel, dat ik u teeder en hartelijk bemin, en dat onze kinderen mij niet minder lief zijn dan de zonen mijner ontslapen gemalin, maargij kunt en moogt niet verlangen, dat ik onrechtvaardig ben jegens mijn oudste zonen, en dat ik hun moeder ooit zou vergeten. Wee hen, die met het gestorven lichaam hunner geliefden, ook de liefde voor hen begraven, want voor dezen is niets heilig, alles is voor hen vergankelijk en zonder waarde. Verheug u, Dorothea, dat ik trouw ben in het innigste mijns harten, want hierdoor hebt ge de zekerheid, dat ik mijn trouw jegens mijn gemalin nooit zal breken. Wat mijn oudsten zoon betreft, ik wil hem niet in bescherming nemen als ge ontevreden op hem zijt, maar ik wil u om toegevendheid voor hem bidden. Hij is jonjT, heeft een vurig gemoed en onstuimig hart, maar hij is niet slecht van inborst en een goed woord vindt bij hem altoos een goede plaats. Zoo ge u verwaardigen wildet jegens Garl Emil vriendelijk en goed te zijn en somwijlen wat toegevendheid voor zijne onstuimigheid te gebruiken ben ik zeker dat hij u teeder beminnen en innig dankbaar zou zijn.quot;

„Ge wilt hiermede zeggen, dat ik onvriendelijk en hard jegens hem ben?quot; vroeg Dorothea smartelijk. Ge wilt mij te verstaan geven, dat ik schuld heb aan de onvriendelijke betrekking tusschen mij en uw kroonprins? Hij heeft wellicht over mij geklaagd en zijne stiefmoeder beschuldigd dat zij hard en onrechtvaardig is.quot;

„Neen, Dorothea, hij heeft dit niet gedaan. Hij zou het nooit wagen een woord te zeggen tegen mijn gemalin, want Garl Emil weet evengoed als iedereen, dat ik u teeder bemin, misschien te teeder! Want ik laat uit liefde voor u veel geschieden, wat ik niet mocht toestaan, en ik maak zeer dikwerf uwen wil tot den mijnen.quot;

„Wanneer deedt ge dat? Noemt ge het misschien mijn wil tot den uwen temaken, als ge uw verbond met Fftink-rijk verbreekt en u met Holland, het vaderland uwer overleden gemalin verbindt? En wat liet ge ooit geschieden door of voor mij, wat ge eigenlijk niet mocht laten geschieden ?quot;

„Bij voorbeeld alles wal buiten op uw boerderij gebeurd.

Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. V. 10

ocr page 154

146

Ik keur het goed en het verheugt mij, dat ge buiten een stad wilt aanleggen, maar ik kan er mij niet mede vereenigen, dat ge herbergen voor voerlieden opent, dat ge brouwerijen opricht en het bier naar de steden Berlijn en Keulen voert, zonder daarvoor de gewone belasting te willen voldoen. De magistraat van Berlijn heeft hierover klachten bij mij ingeleverd, en ik heb beloofd er met. u over te spieken.quot;

„Men heeft gewaagd bij u over mij te klagen,quot; riep Dorothea toornig. „Ge hebt dezen vermetelen gehoor verleend, gij hebt hen niet bij het eerste woord in toorn afgewezen, gij hebt de hoogverraders, die het wagen oproerig te zijn tegen de Keurvorstin, tegen hun landsmoe-der, niet gestraft?quot;

„Dorothea,quot; riep de keurvorst misnoegd, „nu wordt ge inderdaad onrechtvaardig. Wij staan allen onder de wet, en moeten ze eerbiedigen, de bedelaar zoowel als de vorst, en als ge de wet niet wilt houden, kan men het geen hoogverraad noemen, indien degenen, geroepen om de wachters der wet te zijn, u opmerkzaam maken op hetgeen gij doet! Dit en niets meer heeft de burgemeester van Berlijn gedaan, en nu verzoek ik u, lieve Dorothea, of ge uit goedheid voor mij, u naar de vfet wilt voegen en voor uw brouwerijen en bouwplannen geen uitzondering begeert, maar de wettelijke belasting betaald.quot;

„Ik wil meer doen dan dat,quot; zei Dorothea eensklaps zacht en vriendelijk, „ik wil u mijn plannen en ontwerpen ten olTer brengen. Ik geef alles op, ik leg alles in uw handen terug.quot;

Zij liep naar de schrijftafel, opende haastig een lade, nam er een groote perkamenten rol uit en reikte zeden keurvorst.

„Hier, mijn dierbare heer,quot; zeide zij deemoedig,neem dit!quot;

„Wat is dat?quot; vroeg hij verwonderd.

„Het is de schenkingsacte van de boerderij voor de poort. Het is de oorkonde, door welke ge mij tot de onbeperkte meesteres en eigenares van de boerderij gemaakt, en *mij gemachtigd hebt er op te doen en te handelen geheel naar mijn eigen zin en wil. Ge hebt deze machtiging teruggenomen, neem nu ook uw geschenk terug. De magistraat heeft mij verklaagd, en gij zelf zegt, dat ik •gehandeld heb tegen recht en wet, ge moet bijgevolg aan mij een voorbeeld stellen! Ge moet de magistraat van

ocr page 155

447

Berlijn gelijk geven en haar bewijzen, dat uw gemalin, dat de keurvorstin van Brandenburg niets anders is dau uw onderdaan, en dat 2ij gestraft tnuet worden gelijk ieder ander onderdaan. Hier, doorluchtigbeid, neem uw schenking terug, ik hüb mij baar onwaardig gemaakt.quot;

llij nam met een heftige beweging de perkementen rol, welke zij hem met nedergeslagen oogen aanbood. Nu was zijn geduid ten einde, en zijne wangen gloeiden van toorn.

„Neen,quot; riep hij met luide, dreigende stem, „neen ik neem de schenking niet terug! Ge moogt ze op de markt verkoopen, en er geld voor maken, gelijk ge immers zoo goed verstaat, ge moogt herbergen bouwen voor alle voerlieden der wereld, maar ik neem niets terug van wat ik eens gegeven heb.quot;

En met een heftige beweging wierp de keurvorst de perkementenrol ter aarde, zoodat zij vlak voor de voeten der keurvorstin nederviel.

Zij stond bewegingloos. Geen kreet, geen woord klonk van haar lippen, haar oogen waren wijd geopend, haar wangen doodsbleek. Toen wankelde haar gestalte eensklaps als een door den storm bewogen riet, vervolgens sloot zij de oogen en zonk ineen.

De keurvorst snelde op haar toe en ving haar in zijn armen op, droeg haar naar den divan, liet er haar zacht op nederglijden en boog zich in doodsangst over haar neder.

Zij bewoog zich niet, het klamme zweet stond op haar voorhoold, geen adem kwam uit haar borst.

Een onuitsprekelijke angst greep den keurvorst aan. Hij nam de waterkaraf, die op de tafel stond, droppelde water op haar slapen, wreef haar handen, riep haar met teedere namen en verzocht haar vergeving voor zijne heftigheid.

Eindelijk kwam er weder leven in de verstijfde gestalte, een diepe zucht steeg uit haar borst, haar oogen openden zich en haar dwalende blik viel op het angstige bewogen gelaat van den keurvorst, die zich diep over haar gebogen liad. Met een onnavolgbare bevalligheid sloeg zij baar armen om zijn hals, richtte zich een weinig op en drukte een gloeienden kus op zijne lippen.

„Mijn Friedrich, mijn geliefde,quot; fluisterde zij teeder, „ik bemin u onuitsprekelijk, gloeiend, zooals slechts nooit een vrouw den man barer eerste, eenige liefde aangebeden, vergood heeft. 'Gij zijt voor mij de inhoud van al wat schoon.

ocr page 156

148

groot, verheven en goed is, mijn geheele leven gaat op in liefde, zaligheid en verrukking tot u. Uw slavin ben ik en ik wil niets anders zijn dan dit, en ook mijn kinderen zullen niets anders zijn dan uw slaven, zullen u dienen in trouw en onderwerping, zullen, gelijk ik, zich gehoorzaam onderwerpen aan uw zoon, zullen nooit vergeten, dat de keurprins Carl Emil eens hun heer zal zijn. Vergeef mij, o vergeef mij, zoo ik vroeger wrevelig en verstoord was. Ik wil mij beteren, ja, ik wil mij beteren.quot;

„Vergeeft gij mij, Dorothea,'' zei de keurvorst, haar innig tegen zich drukkende, „vergeef mijn heftigheid, mijn drift. Ik was wrevelig en verstoord, ik . .

Zij liet hem niet uitspreken, maar drukte haar gloeiende lippen vast op de zijne, en toen hij beproefde te spreken, om zich nogmaals te beschuldigen, kuste zij hem telkens weder, tot hij glimlachend zweeg en den kus beantwoordde.

Toen stond zij op van den divan, ging naar de perke-mentrol, die midden in de kamer op den vloer lag, raapte ze op en naderde den keurvorst met gebogen hoofd.

„Hier, mijn heer en gebieder,quot; zeide zij, terwijl zij zich bevallig op een knie voor hem nederliet, „hier is de schenkingsoorkonde, die straks uw handen ontviel. Neem ze, en zoo ge mij de genade waardig keurt, verleen ze mij ten tweedenmale, en ik neem ze ten tweedenmale dankbaar aan, als een geschenk uwer liefde en goedheid.quot;

„Hier, mijn dierbare Dorothea,quot; zei de keurvorst, terwijl hij haar, glimlachend de oorkonde reikte. „Neem uw eigendom terug en handel er mede naar welgevallen Leg steden aan, bouw herbergen, richt brouwerijen op, voer het bier onbelast in Berlijn, doe alles wat ge wilt op uw landgoed, want ik weet dat ge een goede vorstin en een huishoudelijke vrouw zijt, en gij met vrijen, schranderen geest de belangen van beiden in 't oog houden en niet het eene door het andere veronachtzamen zult. Wat onzen zoon den kroonprins betreft, hij zal u, hoop ik, vooreerst geen reden tot ergernis meer geven. Hij wenscht vurig om bij de eerste gelegenheid met mij te velde te trekken, en zijn eerste lauweren te verdienen. Ik heb het hem tot nu toe geweigerd, en was van meening, dat het te veel gewaagd is, als de landsvorst en zijn opvolger zich tegelijkertijd aan de gevaren van den oorlog blootstellen. Maar ik zal nu zijn lievelingswenseh^ bevredigen, hij zal met mij ten oorlog gaan en ik zal te

ocr page 157

149

gelijker tijd zijn huis inrichten en hem zelfstandig maken.quot;

,,En zult gij dan ook spoedig een gemalin voor hem kiezen? Een schoone jonge prinses, die den glans van ons huis zal verhoogen?quot; vroeg Dorothea met een haastigen, sluwen blik, dien de keurvorst niet merkte, omdat hij geheel verdiept was in zijn eigen gedachten.

„Er zijn ons reeds van verschillende zijden dergelijke voorstellen gedaan,quot; zeide hij nadenkend. ,,Menig Duitsch heer en vorst heeft reeds voor zijne dochter het oog op onzen keurprins geslagen. Maar ook het buitenland houdt zich met onzen zoon bezig en Frankrijk heeft ons onlangs laten berichten, dat een huwelijk van onzen kroonprins met de dochter van den hertog Gaston van Orleans, de prinses de Montpensier, het zeer welkom zou zijn.quot;

„De hernieuwde oorlog maakt zulke huwelijksplannen onmogelijk,quot; zei de keurvorstin zuchtend.

„Wie weet of zich door zulkeen huwelijksplan de vrede niet liet herstellen,quot; antwoordde Friedrich Wilhelm glimlachend. „Zulke plannen behooren nog al te zeer tot de toekomst! Voorshands mag de keurprins tevreden zijn, dat wij zijn huis inrichten en hem de gelegenheid geven lauweren te behalen; zoo versiert zal hem dat voor de jonge prinsessen nog bekoorlijker maken, en hij zal de keus hebben tusschen verschillende Europeesche prinsessen. Voor heden vaarwel, lieve Dorothea! Ik heb de heeren van mijn generalen staf bij mij ontboden, om hen over de marschroete van mijn leger te raadplegen. Tot wederziens, Dorothea!quot;

Hij knikte zijn gemalin vriendelijk toe en ging naar de deur. Dorothea sftondquot; een oogenblik in gedachten, daarna liep zij hem na en legde, toen hij. op 't punt was naar buiten te gaan, de hand op zijn arm.

„Mijn dierbare Friedrich,quot; zeide zij zacht, „ge wilt toch niet gaan zonder de hoofdzaak met mij in orde te hebben gebracht?quot;

„Welke hoofdzaak, Dorothea?quot;

„Wel de vijfduizend thaler, die gij mij gevraagd hebt.quot;

„En die gij mij weigerdet, Dorothea.quot;

„Ik u weigerde,quot; herhaalde zij op verwijtende toon. „Gij doet mij onrecht, Friedrich, waarlijk, bitter onrecht! Gij weet, ik ben een spaarzame vrouw, ja, ik wil toegeven dat ik hierin soms een weinig te ver ga, maar nooit zal mijn spaarzaamheid zoo ver gaan, dat zij mij de liefde en

ocr page 158

150

verkleefdheid jegens mijn vurig geliefdon gemaal zal doen vergeten. De spaarzame vrouw en moeder schrikte wel een oogenblik over een aanvraag van vijfduizend thaler, die u een kleine, maar haar een geweldig groote som schijnt. Maar de teedere gade lacht om de spaaczame moeder. Hier is het geld, mijnheer en gebieder! Vijf pakjes ieder van duizend thaler, goed geteld! Het trof goed, dat ge juist heden deze som begeerdet, daar met de drie maanden de apanage uit Brunswijk ingekomen is.quot;

Zij reikte den keurvorst de uit haar chatouille haastig genomen vijf pakjes. Friedrich Wilhelm zag slechts den glimlach, dien zij kunstmatig op haar lippen riep. Hij hoorde niet den zucht, dien zij met geweld onderdrukte.

„Ik dank u, mijn dierbare Dorothea,quot; zeide hij hartelijk, terwijl hij de handen kuste, waaruit hij de kostbare pakjes nam. „Ik dank u van ganscher harte, en zal aan uw liefde denken, mijn geheele leven lang. Wees ook verzekerd, dat ge uw geld zeer spoedig met interest terug zult ontvangen, met een interest, zooals zelfs de joodsche woekeraars, die men gisteren aan de kaak heeft gesteld, niet gevorderd hebben.quot;

„Maar ik zal dan uw woekerinterestnietdurven aannemen.quot; riep Dorothea glimlachend. ,,Want gij zeidet immers straks zelf, dat wij onder de wet staan, en het mijn plicht is mij er aan te onderwerpen.quot;

De keurvorst glimlachte vroolijk, en zijn gemalin nog eens vriendelijk groetende verliet hij met zijn kostbaren last de kamer. ♦

Dorothea oogde hem na met eene uitdrukking van toornige verwondering. „Hij gaat heen zonder mij een schuldbekentenis te hebben overhandigd.quot; zeide zij zacht voor zich. „Hij neemt mijn met moeite gespaard geld, om misschien voor zijn soldaten nieuwe uniformen aan te schaffen, en als een verraderlijke kogel hem treft en doodt, is mijn geld verloren, en heb ik mijn kinderen vijf duizend thaler te kort gedaan. Wat een verkwistende, onbedachtzame moeder ben ik toch!quot;

Dit zeggende ging zij uit haar kabinet door de Omgrenzende huiskamer en trad de vertrekken der jonge prinsen binnen, 't Was omstreeks het middaguur en de drie kleine knapen hielden hun middagslaapje. Zij lagen in liefelijke achteloosheid uitgestrekt op de zijden bedden. De vensters

ocr page 159

151

waren met donkeroode zijden gordijnen behangen, die de lieve kindergezichtjes met een rooden schijn overgoten en hun gouden krulhaar als met een stralenkrans omgaven. Diepe stilte heerschte in de kamer, men hoorde alleen de zacht gesproken woorden, die de keurvorstin fluisterde, toen zij voor 't bed van haar eerstgeborene op de knieën nederzonk-

„Gij zijt schoon, mijn Philip,quot; fluisterde zij, „schoon als de engelen des hemels, ge zijt goed en schrander, ik heb in uw oogen gelezen, dat ge eens een groot, verstandig, moedig man zult zijn, toegerust met al de hoedanigheden, die een vorst, in staat stellen het geluk van zijn volk te bevorderen. Hoe jammer dat het lot u de plaats ontzegd, welke gij zoo waardig zijt! Mijn eerstgeborene zal aan de zijde van den troon zijn plaats hebben, niet erop, en hij zal zijn hoofd moeten buigen en van een ander bevelen ontvangen, in plaats van ze te geven. Ik moet het dulden, dat die wilde norsche knaap, de zoon der doode, den voorrang heeft boven den zoon der levende. Hij hoont, hij haat mij, en ik vergeld het hem, want hij zal eens uw keurvorst zijn, mijn Philip, en gij zult u voor hem moeten buigen. Hij zal de plaats innemen, welke ik voor de zaligheid mijner ziel voor u zou willen koopen! En ik kan er niets aan doen, niets, dan er over weenen!quot;

Zij verborg in hartstochtelijke smart haar hoofd aan de knieën van den knaap en weende luid.

Ginds bij de portière, waardoor men in de zijkamer kwam, stond een vrouw met een doodsbleek gelaat en met een vlammenden blik, die strak en onafgewend op de keurvorstin gericht was. Welk een teederheid, en toch welk een toorn flikkerde uit die oogen, het was de teederheid eener tijgerin, die gereed is voor haar welpen te strijden en eiken vijand te verscheuren! Welk een toorn, en toch weder welk een zachte, vriendelijke glimlach speelde om deze bleeke lippen, die stijf opeen waren gedrukt, als wilden zij den kreet van woede en smart terugdringen.

Deze vrouw was juffer Martin, de voormalige kamervrouw der keurvorstin, thans de gouvernante van Doro thea's kinderen. Tot hun vijfde jaar behoorden de keur-vorstelijke kinderen aan hun moeder, was het alleen aan de keurvorstin vergund voor, hun opvoeding en leven te zorgen. Dorothea wilde deze zorg met niemand deelen,

ocr page 160

152

dan met haar trouwe Martin. Waar had zij een vrouw kunnen vinden, die zij haar kinderen kon overgeven, zonder te moeten vreezen, dat zij tot haar heimelijke vijanden behoorde, en haar kinderen óf uit onachtzaamheid óf voorbedachtelijk dooden kon?

Martin alleen durfde zij vertrouwen. Martin beminde de keurvorstin met hartstochtelijke, sombere teederheid. IVI de liefde kracht van dit fier, koud en eenzaam hart had zich geconcentreerd op de vrouw, die ze haar leven had gewijd, die haar familie, haar vaderland was geworden, om wier wille zij elke andere liefde, elk ander geluk had prijs gegeven, of liever, voor wie geen ander geluk bestaan had dan slechts in de nabijheid barer Dorothea te zijn, haar te dienen, voor haar te zorgen, met haar te weenen en zich te vertoornen, voor haar den zegen des hemels af te bidden en haar vijanden te straffen.

Zulk een wezen mocht Dorothea wel vertrouwen,op de liefde eri trouw van dit anders zoo koel gesloten hart mocht zij bouwen, zooals op geen mensch ter wereld, buiten haar zuster Louise misschien, aan wie zij op haar huwelijksdag met den keurvorst de treurige geschiedenis van haar verleden geopenbaard had.

Met Martin had Dorothea nooit over haar ongeluk gesproken en toch wist zij, dat Martin ze nauwkeurig kende. Deze had het gelezen in de beschreide oogen en het betrokken gelaat van haar meesteres, zij had de ver-wenschingen, dejammerklachten in de slapelooze nachten gehoord, en achter de deur der kamer, waarin de toenmalige hertogin van Brunswijk weende, lag haar kamervrouw op de knieën, weenend en biddend, jammerend en verwenschend evenals zij. Eens had Dorothea haar verrast en toen had zij zich met een luiden smartkreet aan de borst van deze eenige vertrouwde, deze eenige met haar gevoelende en haar begrijpende ziel geworpen, haar aan zich vast geklemd en met het hoofd op haar schouder rustende, lang en bitter geweend.

In dit uur van zwijgend -vertrouwen was het verbond gesloten, wat deze beide sterke hartstochtelijke vrouwenharten voor altijd vereenigde. In dit uur was er voor beiden geen scheidende klove door betrekking of stand geweest. Twee vriendinnen hadden elkander omhelsd, de eene had geweend, de andere had met droge, gloeiende

ocr page 161

153

oogen haar voorhoofd gekust en gezegd: „Gij zult nooit eenzaam zijn, want waar gij gaat, zal ik wezen! Ge zult nooit kunnen zeggen, dat u niemand bemint, want ik bemin u, als uw moeder en zuster, als uw dienares en slavin. Uw vijanden zijn mijn vijanden, en terwijl gij weent en bidt, zal ik trachten u te wreken en degenen te straffen, die u tranen afpersen. Ween niet, Dorothea, ik heb u geheel mijn sterk menschenhart gewijd.quot;

En na zoo gesproken te hebben, had Martin nog een laatsten teederen kus op Dorothea's lippen gedrukt, vervolgens had zij zacht de haar omklemmende armen dei-hertogin losgemaakt, was deemoedig achteruit getreden en had met haar gewone, zachte en onderworpene stem naar de bevelen harer meesteres gevraagd en haar eerbiedig verzocht naar haar vertrekken terug te keeren.— Over dat uur was verder tusschen beiden nooit gesproken. Nooit was de scheidsmuur, die tusschen meesteres en dienares stond, overschreden, maar beiden wisten, dat dit uur onvergetelijk zou blijven!

Voor ieder ander was deze lange, magere gestalte met het bleeke, sombere gelaat, de gloeiende, zwarte oogen, de dunne vast opeengeknepen lippen; een onvriendelijke verschijning, een wezen, dat iemand vrees kon inboezemen. De Italianen zouden van haar gezegd hebben, dat zij een Gettatore met een boozen blik was, en zouden haar ontweken zijn en een kruis achter haar geslagen hebben, om -dien blik af te weren. De Schotten zouden haar voor een ongeluk verkondigende „Nornequot; hebben gehouden, als zij in haar grijze kleeding met stillen tred rond ging, en zij zouden aan de deuren, welke zij was doorgegaan, een kruis hebben geplaats, waarmede men de Nornen en de booze geesten verbant.

De Duitschers die noch aan Gettatori, noch aan Nornen gelooven, noemden Martin eenvoudig een boosaardige oude vrijster, en vonden hierin aanleiding om voor haar uit den weg te gaan en haar te vreezen.

Voor Dorothea was „de boosaardige oude vrijsterquot; altijd een teedere, opofferingsgezinde dienares geweest, voor haar had Martin een blik vol liefde, een woord vol zachtmoedigheid en vreugde gehad. En diezelfde gehechtheid had zij op de kinderen der keurvorstin overgedragen.— Zij noemde de drie kleine prinsen „onze kinderen,quot; zij was

ocr page 162

454

verrukt over hun schoonheid, zij waren voor haar het volmaakste van alle bekoorlijkheid, van alle lieftalligheid, van alle goedheid en — zij haatte de andere kinderen van den keurvorst, die zich aanmatigden naast Dorothea's kinderen te staan.

Toen de keurvorstin haar kamerdame tot gouvernante harer kinderen maakte, wisl zij, dat zij aan haar zonen een goede moeder gaf, en dat zij gerust ver van haar kinderen kon slapen, overtuigd als zij was, dat de oogen van Martin steeds open waren, steeds opmerkten, om alle onheil van de geliefde kinderen af te wenden.

Wist Dorothea wel, dat de trouwe Martin haar klagen gehoord, haar tranen gezien had? Had zij vergeten, dat de gouvernante de kleine prinsen nooit verliet, dat zij ook in hun slaap over hen waakte? Had zij in haar verdriet en moederlijke teederheid er niet aan gedacht, dat Martin zich in de zijkamer bevond, om van daar met de oogen eener. teedere tijgerin de prinsen te bewaken?

„Ach, mijn Philip,quot; voer de keurvorstin na een lange pauze snikkend voort, „ach, mijn Philip, welk een jammer ligt er voor mij in de woorden: Ge zijt de latergeboren prins en uw stiefbroeder is de toekomstige keurvorst! Daar zijt gij, mijn kleinen, mijn dierbare engelen! Hoe glimlacht ge in uw slaap en hoe liefelijk zijt ge om te aanschouwen! En evenwel mengt zich bij de vreugd, welke ik gevoel, een schaduw van verdriet, ik zou mij willen beschuldigen, omdat ik u niet gelukkiger kan maken. Ach vergeeft mij, mijne kinderen, dat ik u geen landen, geen vorstenkroonen kan laten erven. Drie zonen! wat zouden zij den troon van hun vader versieren en waardige opvolgers van hem zijn. Maar er zijn drie andere prinsen, drie roovers van uw geluk! Zij nemen de kroon, zij zijn de bevoorrechten, zij zijn de zonen van de keurvorstin Louise Henriette, gij moet achterstaan.quot;

„Waarom zouden zij moeten ?quot; vroeg een zacht dreigende stem achter haar. Dorothea wendde zich niet om, schrikte ook niet over deze plolselinge onverwachte stoi ing.

„Omdat de zonen van mijne vijandin de eerstgeborenen zijn,quot; mompelde zij. „Omdat de oudste prinsen den voorrang hebben boven de jongere.quot;

Een ruwe korte lach klonk achter haar. „De oudere prinsen zijn sterfelijk,quot; fluisterde de stem. „Ween niet,

ocr page 163

155

teedere, edele moeder, ween niet om uw gehate stielzonen, want ook z)j zijn slechts menschen en aan den dood onderworpen, gelijk ieder ander rnensch!quot;

Een lichte huivering doorliep de gestalte der keurvorstin, die nog altijd op de knieën lag voor het bed van haar eerstgeborene; maar zij wendde zich niet om, zij verborg haar hoofd weder aan de knieën van haar zoon en fluisterde nauwelijks hoorbaar: „Carl Emil zal niet sterven, hij zal een lang leven hebben, v.ant hij is sterk en gezond en hij is de keurprins. Zoo hij de zwakke, ziekelijke prins Friedrich was, dan kon hij misschien sterven voor hij den voet op den troon bad gezet! Maar Carl Erail zal leven in gezondheid en geluk.quot;

„Ook dezulken sterven soms schielijk, die men een lang leven voorspelde,quot; fluisterde de slem achterhaar. „Ween niet, teedere moeder, ook de krachtige, gezonde keurprins Carl Emil is sterfelijk, en wie weet hoe spoedig de dood hem bereikt.quot;

De keurvorstin slaakte een kreet van ontzetting en verborg haar hoofd in de kussens. Na een lang zwijgen richtte zij zich op en zag achter zich.

Niemand was er, niemand fluisterde meer achter haar. Misschien was het een droom geweest. In den droom was de booze geest tot baar gekomen en bad haar verzocht met kwade, verleidende woorden!

Niemand stond achter haar, bet was dus een droom geweest.

Dorothea ademde lichter en zag om zicb. Haar blik wendde zich naar de deur der zijkamer. Inde deur stond Martin met haar bleek, kalm gelaat, met haar stil eerbiedig voorkomen.

De oogen der beide vrouwen ontmoetten en groetten elkander met een stommen blik, vervolgens naderde Martin de keurvorstin met zachten tred en boog diep voor haar.

„Ik verzoek uw doorluchtigbeid om vergeving, dal ik de prinsen een kwartier onbewaakt gelaten en mij naar mijne huiskamer begeven beb. Iemand verlangde mij te spreken en omdat de prinsen sliepen, waagde ik bet mij te verwijderen.quot;

„Verontschuldig u niet, lieve Martin,quot; zei de keurvorstin glimlachend, „alles is goed!''

„Ja, alles goed, naar ik zie,quot; antwoordde Martin ernstig,

ocr page 164

d56

„want de prinsen slapen nog. Mag ik mij veroorloven mevrouw de keurvorstin mede te deelen, waarover men mij wenschte te spreken?quot;

„Ja, mijn goede Martin, deel het mij mede,quot; zei de keurvorstin, wier scherpe oogen op het gezicht van Martin waren gericht en die onder dit masker van kalmte en onverschilligheid wel een ander gezicht meende te bespeuren, want Dorothea's trekken namen allengs een gespannen, ernstige uitdrukking aan.

„Lorand was er, uw doorluchtigheid.quot;

„Lorand? De Fransche kok, dien ik door onzen gezant uit Parijs had laten ontbieden, opdat wij van zijne geroemde kunst zouden profiteeren en onzen lieven gemaal het genot eener fijne tafel zouden kunnen verschatfen?quot;

„Dezelfde, genadige vrouw. Uw doorluchtigheid heeft hem zijn ontslag gegeven, ofschoon mijnheer de gezant hem voor een geheel jaar voor de keurvorstelijke keuken had aangenomen.quot;

„Ik moest wel, om aan het eeuwig klagen van den hofmeester een einde te maken. Lorand moet een zeer woest en driftig mensch zijn, van wien men het ergste kan vreezen, en die zich het geheele keukenpersoneel tot vijand heeft gemaakt Ik heb dus goedgevonden, dat men hem ontsloeg, hoewel hij werkelijk een uitstekende kok is, wiens spijzen den keurvorst reeds menig aangenaam uur geschonken hebben. Overigens heeft hij niet te klagen, want men zal hem zijn jaarlijksch traktement geheel uitbetalen.quot;

„Hij klaagt toch, doorluchtigheid. Het schijnt dat het geld hem geen vergoeding biedt voor zijn ontslag uit den dienst der keurvorstin Dorothea, die hij als zijne meesteres vereert, en wie te dienen zijn trots en vreugde uitmaakte. Misschien is het om die reden geweest dat het overige keukenpersoneel hem vijandig was, want hij had het zich volstrekt met willen laten ontnemen, de spijzen voor de keurvorstelijke tafel zelf te bereiden, wijl hij beweerde dat de anderen er geen verstand van hadden voor de keurvorstin te koken. Het schijnt dat de anderen hem soms bespot hebben over zijn groote genegenheid voor mevrouw de keurvorstin, en dit de reden zijner heftigheid geweest is.quot;

De blik der keurvorstin werd steeds scherper en gluipender.

ocr page 165

157

„Meent ge inderdaad dat hij tot onze getrouwen behoort ?quot; vroeg zij.

„Ja, doorluchtigheid, hij is u naar't schijnt, met zijn ge-heele ziel toegedaan, en 't is daarom jammer, dat zijne makkers hem verdreven hebben.quot;

„En hij heeft u verzocht. Martin, zijn voorspraak bij mij' te wezen, om in zijn betrekking te blijven?quot;

„Neen, doorluchtigheid, hij is niet zoo vermetel van te denken dat het eenmaal uitgesproken ontslag terug zal worden genomen. De arme Lorand vraagt slechts uw genadige voorspraak, om een andere vacante betrekking te krijgen.'

„Om mijn voorspraak? Bij wien?quot;

„Bij den keurprins Carl Emil!quot;

De keurvorstin ontroerde en een kreet van verrassing klonk van haar lippen. Martin lette er niet op, of scheen dien niet gehoord te hebben, zij ging op haar kalme, bedaarde manier voort; „De keurvorstelijke ouders willen, nu de heer keurprins zijn twintigste jaar heeft bereikt, hem een eigen huishouden en een eigen hofhouding geven. Het keukenpersoneel is nog niet benoemd en Lorand zou zeer gaarne bij den keurprins Carl Emil tot eersten kok benoemd worden.quot;

„En moet ik hem daarin behulpzaam zijn ?quot; vroeg Dorothea met een spottenden glimlach. „Ik dacht, dat al de lieden in 't slot wisten welke teedere liefde tusschen den keurprins en mij bestaat, en hoe hij tracht naar mijn wil te handelen en mijn wenschen te vervullen. Als ik den kok Lorand aanbeveel, zal het juist voor den kroonprins een reden zijn hem niet te nemen.quot;

„Het zou toch zeer wenschelijk zijn, dat Lorand deze betrekking verkreeg,quot; fluisterde Martin.

De keurvorstin zag haar met een snellen blik aan, sloeg vervolgens de oogen neder, en liep langzaam en nadenkend eenige keeren op en neder. „Martin,quot; zeide zij toen, voor haar staan blijvende, „als er u zooveel aan gelegen is Lorand deze aanstelling te bezorgen zou er wellicht een middel voor zijn.quot;

„Wil uw doorluchtigheid de genade hebben mij dit middel te zeggen? Er is mij zeer veel aan gelegen, dat Lorand deze aanstelling krijgt, en wel door mij, want ik heb beloofd moeite voor liem te zullen doen, en 'tzou mij erg

ocr page 166

158

spijten, indien men moest zien, dat mijn beden volstrekt niets bij uwe doorluchtigheid vermogen.quot;

„Ge zijt dus eensklaps eerzuchtig geworden, zoo 't schijnt, ge wilt uw invloed als voorspraak niet verliezen! Nu, dan moet men uw wil wel doen, goede Martin. Luister! Ik zal, in plaats van den kok Lorand aan te bevelen, den keurprins afraden hem in zijn dienst te nemen. Men moet den kroonprins laten weten, dat ik Lorand ontslagen heb.quot;

Martin veroorloofde zich een Hauw vluchtig lachje. „Hij weet dit reeds,' zeide zij zacht. „Men heeft hem gezegd, dat uw doorluchtigheid zeer ontevreden op Lorand is geweest, en in weerwil van alle beden hem ontslagen heeft.quot;

„Zoo weet hij dit reeds,quot; mompelde Dorothea nadenkend, terwijl zij weer op en neer ging.

„Ik zal den kroonprins schrijven,quot; zeide zij eindelijk, „en hem verzoeken dien man niet in zijn dienst te nemen. Gij kunt mijn brief aan Lorand geven en hij mag hem den prins dan zelf overhandigen. Geloof mij, dit zal een krachtiger aanbeveling zijn dan als ik den keurprins verzocht hem aan te nemen. Ik zal uw voorspraak eer aandoen. Lorand zal, omdat ge het wenscht, kok van den keurprins worden!quot;

IV.

PRINS CAUL EMIL.

„O welk een heerlijk bezit is toch het leven! Hoe gelukkig, dat ik in deze allerliefste, bekoorlijke wereld ben geplaatst! Vindt ge ook niet, broeder Frits, dat bet leven iets zeer aangenaams is?quot;

„Niet altijd, broeder Emil,quot; antwoordde prins Friedrich, de schouders ophalende. „Als er steken in mijn borst woeden, als mijn leden trillen van pijn, vind ik het leven zoo aangenaam niet. Wel, als men zulk een gezond, krachtig gestel heeft als gij.quot;

„Ja, ik ben gezond,quot; riep de keurprins lachend. „Ik gevoel mij zoo sterk als Ilerkules, ik zou als Atlas de wereld op mijn rug kunnen nemen en niet bezwijken. De

ocr page 167

159

wildste en moedigste paarden worden zacht en beven, als zij mijn vuist aan de teugels en mijn knieën in hun zijden voelen; de woeste baren der zee breken, als ik met mijn krachtige armen de roeiriemen hanteer. Weet ge nog, Friedrich! hoe ik verleden jaar, toen wij in Pruisen waren, in het HafF baadde?quot;

„Ja, ik weet het nog. De zee ging hoog met schuimende golven, de storm huilde en mijnheer von Schwerin smeekte u met tranen in de oogen van uw dol opzet al te zien en u niet in het verradelijke element te wagen.quot;

„Toch voldeed ik aan mijn verlangen,quot; lachte de keur-prins. Ik liet u allen bidden en lamenteeren en nam den strijd aan tegen het verradelijke element. Het was een harde strijd en een paar maal, als de woedende golven mij als een handschoen opwierpen en dan weder in de diepte slingerden, dacht ik bijna dat zij mij te sterk waren en ik mijn overmoed met den dood zou moeten betalen. Maar toen kwam de kracht der vertwijfeling over mij, ik sloeg met mijn armen de golven als waren 't weerspannige paarden, die ik wilde beteugelen, en ik zweepte ze, die mij zweepen wilden, zag bestendig naar den oever, waar ik door het spattend schuim u ontwaarde, op de knieën liggende en biddende, en ik zei steeds tot mij zeiven : Daarheen wil en daarheen moet ik, en geen storm, geen oceaan zal er mij van terughouden. Toen ging het voorwaarts met de snelheid des winds; ik overwon de golven en kwam terug aan den oever. O, broeder Frits, het was een heerlijk oogenblik, ik had met den dood gestreden, hem overwonnen en mijn leven veroverd. Sedert dien dag is het dubbel het mijne, want ik heb het niet alleen van God, maar ook van mij zeiven; God heeft het mij c/eschonken, ik heb het verdiend.quot;

„Maar sedert dien dag zijt ge een genoegen armer geworden, dolkop,quot; zei Friedrich glimlachend. „Want ge weet wel, dat ge onzen heer vader met plechtigen handslag hebt moeten beloven nooit weder uw leven in zulk gevaar te brengen, en nooit weder in zee te baden.quot;

„Ja, dat heb ik hem moeten beloven en ik zal natuurlijk mijn woord houden, dit zal niemand onaangenamer zijn dan mevrouw onze dierbare moeder, 't Zou toch een buitenkans voor haar zijn geweest, de gehaatsten barer stiefzoons kwijt te worden. Zij had misschien met haar

ocr page 168

400

llikkerende grijze oogen een haai kunnen omkoopen, die den iastigen keurprins oppeuzelde, zoodat iiij nooit weer te voorschijn kwam. En nu heeft onze waarde vader dit onmogelijk gemaakt, en mevrouw de keurvorstin die kans ontnomen.quot;

„Om 's hemels wil, Emil, spreek niet zoo luid,quot; zei Friedrich, een schuwen blik in 't rond slaande.

De keurprins lachte. „Ge denkt dus nog altijd, dat er hier in 't slot geen plaats is, waar de hooze vrouw ons niet kan beluisteren, om zich later met haar zoeten glimlach en vleiende manieren, bij onzen heer vader te beklagen en zich als het slachtolïer zijner ontaarde zonen voor te stellen? Ik vrees thans niet meer voor de booze vrouw, integendeel, 't zal mij een .vermaak zijn haar te trotseeren en haar zooveel ik kan de droevige uren betaald te zetten, die zij ons veroorzaakt heeft, sedert zij in 'tslot gekomen is. Wij zijn nu beiden haar tucht ontgroeid, wij zijn zelfstandig geworden en aan haar gerimpeld voorhoofd en dreigende woorden storen wij ons niet meer.quot;

„Toch kunnen zij ons nog veel kwaad doen, Emil,quot; zuchtte Friedrich. „Zij bezit het oor en het hart van onzen vader, en welk een groot, wijs en moedig heer hij ook is, voor haar buigt hij zich, zij breekt zijn wil en zijn besluiten, gelijk 't haar lust, want zij heeft macht over hem, zij beheerscht hem. Bedenk dit, Emil, en bedenk tevens, dat wij beiden de wenschen van ons hart nimmer zullen bereiken, zoo zij het niet wil; zij wil ons geluk niet.quot;

„'tls waar,quot; zei Emil, plotseling ernstig wordende, „zij heeft macht over onzen vader, en zoo zij het wil, zal hij ons zijne toestemming voor de wenschen van ons hart weigeren. Ach, Friedrich, het is toch een afschuwelijk iets, een stiefmoeder.quot;

„Indien zij mij van mijn geliefde Elisabeth Henriette kon scheiden, zou ik sterven,quot; zuchtte prins Friedrich.

„Zoo zij mijn huwelijk met mijn lieve nicht Charlotte wil beletten, ga ik met haar vluchten en trouw in Koerland,quot; zei de keurprins tartend. Onze heeroom, de hertog van Koerland, en mevrouw onze lante, de hertogin, zijn mij zeer genegen en beminnen mevrouw de keurvorstin niet bijzonder. Ik zal dan zoo lang bidden en smeeken tot zij ons vergunnen daar te trouwen.

ocr page 169

„Wat zegt ge toch, Emil,quot; riep Friedrich, geheel verbaasd, „gij zoudt kunnen trouwen zonder de toestemming van onzen vader?''

„Nood breekt wet,quot; zei de keurprins schouderophalend.

„Ik wil en zal nooit een andere gemalin aannemen dan mijn Charlotte, en ingeval van nood moet men tot geweldige middelen zijn toevlucht nemen.quot;

„Maar zulk een huwelijk zou niet geldig zijn, broeder. Geen prins van ons huis mag huwen zonder goedvinden van den regeerenden keurvorst, en ieder heimelijk gesloten huwelijk is niet geldig voor de wet.quot;

„Toch wel voor God en ons geweten! Doch spreken wij niet meer over 't geen zou kunnen gebeuren, maar over hetgeen is. Morgen vertrek ik, gelijk ge weet, er zullen zeker maanden verloopen, eer ik terugkeer uit den veldtocht tegen Frankrijk. Nu zou ik u iets willen verzoeken, Frits.quot;

„Wat is dat verzoek, Emil?quot;

„Ge moet mijn schat bewaken, alsof ge een draak met vurige oogen waart. Ge moet mijn geliefde beschermen, als waart ge de getrouwe Eckardt uit het sprookje. Charlotte moet in dezen tijd nog niet tot haar ouders in Koerland terugkeeren. dit is bepaald, zij moet hier aan t hof nog blijven. Geef nu goed acht op mijn liefste, broeder Frits. Laat niet toe, dat zij met Charlotte een slecht spel drijft, haar onvriendelijk behandelt of verdriet veroorzaakt. Ge weet, Charlotte is een moedig, edel kind, zij zal niet klagen. Maar ga eiken morgen tot haar, breng haar een morgengroet van mij en let op haar oogen en lippen. Als haar oogen dof zijn, heeft zij geweend, als om haar lippen geen glimlach speelt, beeft zij verdriet gehad. Onderzoek dan terstond wat het is, laat haar geen rust, tot zij u zegt wat men haar gedaan en waarmede men haar bedroefd heeft. Als ge ziet dat zij in gevaar is, en gij gelooft dat mijn tegenwoordigheid hier noodzakelijk is, of dat Charlotte angstig naar mij verlangt, meldt mij dit dadelijk en ik zal hier komen, niets zal mij kunnen verhinderen mijne geliefde te zien en te redden. Trof mij uw roep op het slagveld, o, ik zou het zwaard van mij werpen en hierheen ijlen, op 't gevaar af van voor een bloodaard gehouden te worden. Trof het mij op 't

Uühlbaoh, De groote Keurvorst en sijn tijd. V. 11

ocr page 170

162

ziekbed, ik zou oogenblikkelijk gezond worden en opstaan, om te paard te stijgen en mijn Charlotte te helpen.quot;

„O, mijn broeder,quot; riep Friedrich bewogen en verheugd, terwijl hij zijn armen om den hals van den kroonprins sloeg, nu zie ik, dat ge uw Charlotte waarlijk bemint, want gij, die anders geen vrees kent, beeft vóórhaar.quot;

„Ja, ik beef voor haar, want zij blijft in de nabijheid der keurvorstin Dorothea, mijn vijandin. Broeder, ik benoem u tot mijn plaatsvervanger. Sta haar bij en bescherm mijn Charlotte.quot;

„Ik noem uwe benoeming aan, Emil en wees verzekerd, dat mijne oogen en mijne ooren steeds open zullen zijn Maar nu, broeder, heb ik ook een verzoek aan u! Vader-zei lieden aan tafel, dat ge onze tante de landgravin te Kassei op uw doorreis bezoeken en er een dag blijven zoudt.quot;

„Ha, en ge benijdt mij het geluk daar uw schoone en geliefde Elisabeth Henriëtte ze zien !''

„Ik benijd u niet, Emil, want ik gun u al het schoone en goede, maar ik zou het thans met u willen deelen. Ik wenschte, dat de keurvorst mij wilde vergunnen u tot Kassei te begeleiden, en ik heb hem dit zeer dringend verzocht. Maar zijn doorluchtigheid weigerde het mij, omdat hij meende, dat de beide volwassen prinsen niet met hem uit het land mochten gaan, maar een der prinsen te huis moest blijven.quot;

„En daar ik gelukkig de oudste ben heb ik het schoone voorrecht den keurvorst te mogen vergezellen,quot; zei de keurprins haastig.

„Gij zoudt hem ook vergezellen, al waart ge de jongste,quot; antwoordde Friedrich zacht. ,,Ge zijt gezond en sterk;ik ben een zwak mensch, de uniform past niet voor mijn ongelukkige gestalte.quot;

„Ge overdrijft broeder Frits! Uw gestalte is wel tenger en uw lichaam wel teer, maar niet mismaakt, ge behoeft u volstrekt niet over uw voorkomen te bekommeren. Het bewijs hiervan is, dat de schoonste, beminnelijkste en lieftalligste Duitsche prinses, — want ik verzoek u te bedenken, dat mijn lieve Charlotte geen Duitsche, maar een Koerlandsche prinses is, — dat Elisabeth Henriëtte van Hessen-Kassei u bemint.quot;

„Het bewijst, dat zij een engel is, dien ik op mijn knieën

ocr page 171

163

er eeuwig voor zal danken dat zij, in weerwil van mijn ongelukkige gestalte, mij bemint en mijn liefde niet versmaadt. Geloof mij, Emil, het is een hard en wreed lot zoo misvormd en geteekend onder de menschen te gaan. en te weten dat het niet de natuur is geweest, die ons dit lot berokkende, maar de achteloosheid en ongeschiktheid der menschen. Toen mijn min den kleinen eenjarigen prins over haar schouder op den grond liet vallen, vermoedde zij niet hoe vele slapelooze nachten, hoeveel verdriet en kommer de gevolgen daarvan zouden zijn, met hoeveel bittere tranen bet arme kind haar onvoorzichtigheid zou moeten boeten. Ik ga onder het juk van leelijk-heid en terugstuiting gebogen en — stil, broeder, tracht niet mij tegen te spreken! Ik heb geen illusiën, ik ken mijn gestalte, hoewel ik mij soms den schijn geef of ik niets van de misvorming weet, die zich op mijn rug bevindt; hoewel ik er mij soms mede vermaak, en ik mij onwetend houd omtrent mijn mismaakt figuur en mij door de hovelingen laat verzekeren, dat mijn scheeve schouders volkomen recht zijn. Ik ben een gebochelde en geen keurprins en toch bemint mij Elisabeth Henriëtte, van wie gij zelf zegt, dat zij de schoonste en beminnelijkste Duitsche prinses is. En men gunt mij dien engel niet! Wij waren evenwel voor elkander bestemd van onze jeugd af; onze dierbare moeder verheugde zich over onze wederzijdsche neiging en begunstigde die. Mijnheer von Schwerin, onze gouverneur, had er niets tegen, toen ik reeds als knaap aan mijn kleine bruid de teederste brieven schreef, maar nu is eensklaps onrecht wat vroeger recht was, en vader heeft mij bepaald verklaard, dat hij nooit mijne echtverbintenis met mijne nicht zou bewilligen en dat ik elke gedachte daaraan moest laten varen.quot;

„Mevrouw de keurvorstin, onze stierfmoeder, wil niet, dat wij trouwen,quot; riep Carl Emil. „Wij moeten óf sterven 6f ongehuwd blijven, opdat later haar zonen de erfgenamen zijn en de dynastie der Hohenzollerns zullen voortplanten. Wij zullen haar dit genoegen niet geven! Wij zullen noch sterven, noch ongehuwd blijven, haar zonen moeten zich laten welgevallen de latergeboren prinsen te blijven om ons den voorrang te laten. Laat ons niet den moed verliezen, broeder Frits, 'tzal onze liefde

ocr page 172

104

en standvastigheid wel gelukken die booze vrouw te overwinnen, en vader zal zich wel eindelijk door onze beden laten vermurwen. Hij bemint ons, en zal niet willen, dat de zonen zijner Louise ongelukkig worden.quot;

„Breng die troostrijke woorden aan mijn dierbare Elisabeth over, zei prins Friedrich. „Dit is het, wat ik u verzoeken wilde. Ge weet, de heer keurvorst heeft mij ten strengste bevolen de briefwisseling met de prinses af te breken, en ik heb hem hierop mijn woord moeten geven. Ik ben nu bang, dat de keurvorst, in weerwil der verwijdering, die tusschen hem en de landgravin bestaat, toch naar Kassei zal gaan en er een dag zal blijven, en ik vrees dat hij er heen gaat om er voor altijd een einde aan te maken en mevrouw onze tante te zeggen, dat hij nooit zijne toestemming tot mijn huwelijk met haar dochter Elisabeth geven zal, en dat de landgravin dus voor altijd van dit denkbeeld moet afzien.quot;

„Het kan wel zijn, dat dit in zijne bedoeling ligt,quot; zei Carl Emil nadenkend. „Vader houdt niet van lang wachten! Hij zal een kort besluit nemen en aan tante zeggen, dat hij voor ons op prinsessen uit rijke, machtige vorstenhuizen aanspraak maakt, dat hij zich daardoor alliantiën met koningen en keizers wil verschaffen en zijn nichten geen geschikte partijen voor ons zijn. Hij mag hierin uit een politiek oogpunt gelijk hebben, maar wij hebben ook gelijk als wij begeeren ons persoonlijk geluk te laten gelden en het niet door de politiek willen laten verwoesten.quot;

„Vooral ik,quot; zei Friedrich de schouders ophalende, „waarom zou ik aan de politiek geofferd moeten worden! Ik gun u den voorrang uwer geboorte en ben volkomen tevreden achter u in de schaduw te staan. Maar men gunne den jongsten prins ten minste, dat hij een tevreden mensch zij, en men verhindere hem niet in de schaduw van den troon op zijn manier gelukkig te zijn! Ik bid u, broeder, als ge met onzen vader te Kassei komt, uw best te doen om prinses Elisabeth Henriëtte alleen te spreken. Zeg haar dan, dat ik haar eeuwig beminnen zal. Zeg haar dat zij op mijn liefde en trouw kan rekenen, en als men haar mocht verzekeren dat ik met een ander zal huwen moet zij dit nooit gelooven, maar altijd gedachtig blijven, dat haar, en haar alleen, mijn hart en hand behooren,

ocr page 173

-165

en ik den eed van trouw nooit breken zal, dien ik uit een getroffen hart vrijwillig en blijmoedig gedaan heb. Men kan mij wel beletten met mijn geliefde te huwen, maar men zal mij nooit kunnen dwingen met een andere te huwen. Zeg dit mijn Elisabeth.quot;

„Braaf gesproken, broeder Frits,quot; riep Carl Emil, hem teeder omhelzende. „Ik zal aan onze schoone nicht uw boodschap overbrengen en haar moed inspreken. Dan zal ik u schrijven en herhalen wat zij mij gezegd heeft, en ge zult er mij voor beloonen door terug te schrijven en nauwkeurig te vermelden, hoe het met mijn lieve Charlotte gaat en of de booze fee haar ook foltert en kwelt. Als zij dit doet, wee haar, dan zal zij ondervinden, dat de keurprins haar niet vreest, en zij waarlijk voor hem op haar hoede moet zijn, als hij eens keurvorst is geworden.quot;

Een zacht kloppen aan de deur liet zich hooren, en de kamerlakei van den prins trad binnen met het bericht, dat er iemand was, die een brief van mevrouw de keurvorstin bracht en gelast was dien den keurprins persoonlijk te ovei'handigen.quot;

„Laat hem dan binnenkomen,quot; beval de keurprins, en zag gespannen naar de deur, waardoor de onverwachte bode moest binnen treden. Daarin verscheen nu een slanke, magere, jonge man, naar de nieuwste Fransche mode gekleed, met een schrander, welgevormd gelaat, maar met een somber vuur in zijn blik, dien hij volstrekt niet deemoedig op den keurprins gericht hield.

„Ha, het is de Fransche kok van mevrouw de keurvorstin,quot; riep prins Emil verrast. „Lorand, die zulke heerlijke sausen bereidt en ons onlangs op een geheel nieuw gerecht, op een brandende meelspijs heeft onthaald. Zeg mij, Lorand, wat voert u hier?quot; vroeg hij, zich in zuiver Fransch tot den jongen man wendende.

„Genadige beer,quot; antwoordde deze bedaard, „mij voert het verlangen hier, om in uw doorluchtigheids dienst te treden, in de vooronderstelling, dat uw doorluchtigheid nog geen kok heeft aangesteld.quot;

„Neen, hij is nog niet benoemd, maar gij kunt deze plaats niet bekomen. Het zou mij niet voegen mevrouw de keurvorstin een persoon uit haar huishouding te onttrekken.quot;

„Ik verzoek vergeving, prins, ik behoor niet meer tot de

ocr page 174

166

huishouding harer keurvorstelijke doorluchtigheid. Ik hen ontslagen.quot;

„Ik heh ex1 van gehoord. Waarom zijt ge ontslagen?quot;

De kok haalde de schouders op. „Ik kan er niets van zeggen,quot; zeide hij met geheimzinnig gehaar. „Er zijn zaken, die tweesnijdende zwaarden gelijken, hoe men ze aanvat, men wordt er altijd door gekwetst. Ik ben ontslagen, dat is alles wat ik zeggen kan. Dat mevrouw de keurvorstin echter over mijn dienstverrichtingen niet ontevreden is geweest en mij niet heeft ontslagen, omdat zij over mijn kunst niet voldaan was, hiervan getuigt dit handschrift harer doorluchtigheid, hetwelk ik de eer zal hehhen in de handen van den heer keurprins neder te leggen.quot;

„O ja, ge brengt mij een schrijven van hare keurvorstelijke genade. Geef hier!quot;

Lorand reikte met een eerbiedige buiging den keurprins het verzegeld billet. Terwijl de prins las, vlogen zijne zwarte, glinsterende oogen loerend en verraderlijk door de kamer, maar toen zij den blik van prins Friedrich ontmoetten, sloeg hij ze haastig neer en een roode schijn vloog over zijn bleeke wangen.

De keurprins las den brief tweemaal, en wendde zich toen weer tot den Franschman.

„Weet ge wat in den brief staat?quot; vroeg hij.

„Ik hoop, dat ik het weet, genadige heer!quot;

„Nu, wat denkt ge dan wel?quot;

„Een aanbeveling van mijn persoon, doorluchtigste prins. Ik wendde mij daarvoor tot mademoiselle de Martin, de gouvernante der jonge prinsen, en verzocht haar bij mevrouw de keurvorstin te bewerken, dat deze bij den door-luchtigsten heer keurprins een goed woord zou doen, om mij de betrekking van lijfkok te bezorgen.quot;

„En de mademoiselle beloofde het u?quot;

„Zij beloofde 'tmij, en ik beloofde haar hiervoor, nooit de ware reden van mijn ontslag te openbaren. Ik had slechts gewaagd een mondelinge aanbeveling te verzoeken, maar mevrouw de keurvorstin is zoo goed geweest mij een schriftelijke aanbeveling te geven, en deze had ik de eer uw doorluchtigheid te overhandigen.quot;

„Op grond dezer aanbeveling hoopt ge in mijn dienst te kunnen treden?quot;

„Het is mijn vurigste wensch, genadige heer!quot;

ocr page 175

-167

„'tis goed! Ik zal over de zaak denken. Kom overeen uur terug, dan zal ik u antwoord geven. Adieu!quot;

„Raad eens. Frits, wat onze dierbare moeder mij geschreven heeft,quot; zei de keurprins, toen Lorand zich verwijderd had.

„Wat dan, Emil? Ik beken, dat de keurvorstin voor mij een ondoorgrondelijk raadsel is, en ik ben niet zoo aanmatigend, haar doen ooit naar de wetten der waarschijnlijkheid vooraf te willen kennen. Zeg mij, wat heeft zij ter aanbeveling van Lorand geschreven?quot;

„Een fraaie aanbeveling! Laat mij u den brief voorlezen, want 'tzal mij goed doen hem niet alleen te lezen, maar ook te hooren, dat mijn oogen zooeven goed gezien hebben. De keurvorstin schrijft:quot; „De Fransche kok Lorand vraagt mij door mejuffrouw de Martin een aanbeveling aan u, omdat hij gaarne in uw dienst wil treden. Ik kan hem echter zulk een aanbeveling niet geven, veeleer acht ik het mijn plicht u te waarschuwen. Lorand is een verraderlijk,quot; boosaardig gezel, en hoewel hij zijn beroep buitengewoon goed verstaat, en de Fransche kookkunst in hem een uitstekend vertegenwoordiger heeft, zoudt ge goed doen, mijn veelgeliefde zoon, u voor dat sujet te wachten, en hem niet in uw dienst te nemen. Niet alleen, dat het zeer ongepast zou zijn, zoo ge iemand in uw huis naamt, dien ik heb ontslagen, maar ge zoudt van dit sujet ook zeer veel verdriet hebben, omdat hij geen rust en vrede kan houden en onder het dienstpersoneel twist en vijandschap stookt. Ik waarschuw u dus, mijn zoon, dezen man niet in uw dienst te nemen, en verzoek u dat ge deze waarschuwing ontvangt, zooals ze gegeven is, als een bewijs van mijn moederlijke zorg en mijn waarachtige leedere gezindheid jegens u, mijn lieve zoon. Bewijs mij uw dankbaarheid, door dit slechte sujet niet aan te nemen. Uw toegenegen moeder Dorothea.quot;

„Nu, wat zegt ge van dit schrijven ?quot; vroeg Carl Emil.

„Dat het mij een raadsel is wat ik niet kan oplossen.quot;

„Er schuilt iets achter. Lorand verzoekt haar om eene aanbeveling en zij geeft hem een brief, dien de arme kerel trouwhartig overgeeft en die een waarschuwing tegen hem bevat. Wat een boosheid, den armen kerel tot brenger zijner eigene beschuldiging te maken, en hem in den waan te laten dat het een aanbeveling is.quot;

ocr page 176

168

„Ik zou wel eens willen weten, welk geheim daar achter steekt, en of er niet eene of andere boosheid van mevrouw de keurvorstin onder schuilt. Wat kan de kok gedaan hebben, dat mevrouw de keurvorstin zoo toornig maakt, en — wacht, er gaat een licht voor mij op!quot;

„Wat dan, broeder, ik beken, dat ik er niets van begrijp.quot;

„Let op, Frits. De kok is in ongenade gevallen, omdat hij, — kom dicht bij mij, ik wil 't u in 't oor fluisteren, — wijl hij geweigerd heeft ons te vergiftigen.quot;

„Welk een onzin, broeder,quot; mompelde Friedrich en hij trachtte te glimlachen, hoewel hij verbleekte en hem een rilling door de leden liep. „Hoe komt ge aan zulk een vreeselijke gedachte, en hoe is 't mogelijk de keurvorstin van zoo iets te verdenken!quot;

„Zij is tot alles in staat, als het geldt beur haat of haar liefde voldoening te geven. Ik ken haar, ik heb haar genoeg gadegeslagen, als zij dacht dat ik geheel argeloos en onbevangen scheen. Ik heb in hare vreeselijke oogen al de geheimen barer ziel gelezen! Zij haat ons en bemint haar eigen zonen hartstochtelijk. Als zij ons met goed fatsoen uit den weg kan ruimen, en zij haar zoons in onze plaats kan stellen, doet zij het! Geloof mij, broeder! De kok Lorand heeft geweigerd een misdaad te begaan, en daarom ontslaat zij hem, daarom vreest zij, dat hij in mijn dienst treedt, en ik van hem haar geheim zal vernemen. O, mijn genadige moeder, het verheugt mi] u een weinig ergernis en vrees te kunnen inboezemen. Ik zal, in weerwil van uw waarschuwing, den kok Lorand in mijn dienst nemen, hij zal mijn lijfkok worden, mij naar 't leger vergezellen en steeds met mij trekken.quot;

„Doe het niet, broeder, 't is niet goed haar te ergeren! En daarbij, wie weet of niet ditmaal haar waarschuwing wezenlijk goed gemeend is. Lorand kon inderdaad een slecht mensch zijn, en zij heeft hem niet willen aanbevelen, omdat gij zoudt denken, dat zij u opzettelijk een nietswaardige in uw huishouden had gebracht.quot;

„Maar het geheim van zijn ontslag, broeder! Waarom wil de man niet zeggen om welke reden hij ontslagen is?quot;

„Misschien omdat het voor hem niet eervol is, hult hij zich in een geheimzinnig duister om de oorzaak te kunnen verzwijgen. Ik bid u, Carl Emil, laat u toch niet door

ocr page 177

469

uw afkeer van de keurvorstin verleiden, om de zaken in een verkeerd licht te zien. Let op Jiaar waarschuwing, want ik geloof zeker, dat zij goed gemeend is.quot;

„Ik geloof juist het tegendeel, en ben vast. overtuigd, dat mijn verdenking gegrond is, en dat — ziedaar onzen lieven kamerheer Dietrich von Buch! Wees welkom, mijnheer, hartelijk welkom!quot;

V.

DE WAARSCHUWING.

De keurprins groette den heer, die zooeven de deur binnenkwam, zeer vriendelijk.

De heer Dietrich von Buch dankte met een diepe eerbiedige buiging, en vroeg om vergeving, dat hij zoo onaangediend de kamer was binnengekomen. Maar er was niemand in de voorkamer geweest, die hem kon aandienen.

„Ik geloof het wel,quot; glimlachte de keurprins, „mijn gebeele personeel is aan het werk voor de aanstaande afreis. Overal ziet men koffers en kisten, en ieder pakt zijn zaken bijeen voor het vertrek van morgen. Het gaat ten oorlog! Hoe heerlijk dat klinkt, het gaat ten oorlog! Het zal u, hoop ik, ook verheugen, mijnheer Dietrich von Buch, want ge zult onzen heer vader begeleiden, niet waar?quot;

„Ik zal die eer hebben, prins, en het verheugt mij van ganscher harte, want ik zal zien hoe onze heer keurprins zijn eerste lauweren verdient.quot;

„God geve het, Dietrich! Ik verlang vurig dat deze kostelijke bladeren, het edele hoofd van onzen vader mogen sieren, en zijn glorie mogen verhoogen. O Dietrich, het moet een heerlijk gevoel zijn, zich te storten in 't gewoel van den strijd, den dood te trotseeren, om de lauweren van den roem te veroveren.quot;

„Gij zult ze veroveren, prins,quot; riep Dietrich von Buch, „ja, gij zult den dood overwinnen en roem verwerven. Het staat geschreven op uw voorhoofd, op uw glinsterend

ocr page 178

170

aangezicht! Gij zijt de zoon van uw heer vader, dal wil zeggen, de zoon van een held! Maar, mijn prins, zelfs een held voegt het voorzichtig te zijn en hoe moedig en onverschrokken ge ook op het slagveld zijn zult, gebiedt het verstand, dat ge met bedachtzame wijsheid handelt.quot;

„Ei, ei, mijn beste Buch, ge begint te moraliseeren,quot; riep de keurprins glimlachend. „Ge geeft ons lessen, of wij nog door u in de edele schermkunst onderwezen werden.quot;

„Vergeving, prins, dat ik nog niet vergeten kan het geluk gehad te hebben uw onderwijzer te zijn, en dat mij soms nog eenige uitdrukkingen van de schermkunst in den mond komen. Het is waar, ik zou uw genade voor alle vijandelijke quinten, quarten en terzen willen behoeden, en 't is daarom, dat ik heden tot u ben gekomen.quot;

„Luister, broeder Frits,quot; riep de keurprins lachend, ,,de school zal weer beginnen. Waar is uw rapier, broeder, opdat wij weder te zamen een schermles kunnen nemen?quot;

„Ik zal het halen,quot; zei Friedrich, de deur naderende.

Maar de kamerheer von Buch waagde het hem terug te houden, door zacht zijn hand op den arm van den prins te leggen. ,,Uw doorluchtigheid wil zich verwijderen, omdat hij misschien meent, dat ik een geheim onderhoud met mijnheer den keurprins wensch? Ik verzoek u integendeel zoo goed te zijn hier te blijven, want ik hoop dat gij mij zult bijstaan, en het verzoek zult ondersteunen, dat ik tot mijn heer den keurprins waag te richten.quot;

„En wat is het dan?quot; vroeg de keurprins.

„Doorluchtigheid, zoo even is de hofmeester van den keurprins met ontsteld gelaat tot mij gekomen en heeft mij gezegd, dat uw genade voornemens zijt den kok Lorand in uw dienst te nemen?quot;

„Hoe weet hij dat, wie heeft hem dit gezegd ?quot;

„De kok Lorand is in de keuken gekomen en heeft zich bij het keukenpersoneel hierop beroemd en gezegd, dat mevrouw de keurvorstin hem aan uw doorluchtigheid had aanbevolen. De hofmeester zelf was in de nabijheid, bij hoorde het Lorand zeggen en haastte zich terstond mijnheer von Schwerin op te zoeken. Daar deze juist niet in 't slot aanwezig was, en de hofmeester mij in den corridor ontmoette, verzocht hij mij te spreken en deelde mij het bericht mede, tevens vroeg hij of ik dadelijk tot uw door-

ocr page 179

171

luchtigheid wilde gaan om u te zeggen dat de Fransche kok een zeer slechte, ongezeggelijke en verachtelijke kerel is, van wien uwe genade veel verdriet en ergernis zal beleven, en van wien de ergste dingen te verwachten zijn.quot;

„Hoort ge, broeder ?quot; Wijs deze welmeenende waarschuwing niet af.quot;

„Neen, doorluchtigheid, doe het niet! Lorand moeteen zeer slecht mensch zijn, want ik verzeker uw doorluchtigheid ; de hofmeester, die een zeer bedaard en ordelijk man is, was geheel ontrust en opgewonden bij de gedachte, dat deze man in dienst van den geliefden heer keurprins zou komen. De hofmeester beweert ook, dat het volstrekt onmogelijk is, dat mevrouw de keurvorstin den kok Lorand een aanbevelingsbrief voor den heer keurprins heeft gegeven omdat het der keurvorstin bekend was, welk een nietswaardig sujet Lorand is, daar zij zelf persoonlijke onaangenaamheden met hem gehad heeft; derhalve, zoo Lorand uw doorluchtigheid een aanbevelingsbrief heeft gebracht, is het zekerlijk een vervalscht papier, en uw dooi-luchtig-heid gelieve slechts de genade te hebben met mevrouw de keurvorstin zelf te spreken, dan zal zij de waai-heid wel vernemen.quot;

„Ge ziet, broeder,quot; zei prins Friedrich zacht, „ditmaal zijn de woorden der keurvorstin eerlijk gemeend. Neem ze in acht en richt er u naar.quot;

„Neen, ik zal mij nooit naar het kronkelen eener slang richten en mij den weg, dien ik gaan moet, door haar laten wijzen,quot; prevelde de keurprins, het hoofd fier oprichtende. „Wat heeft de hofmeester den kok Lorand toch te verwijten, Dietrich? Waarvan beschuldigt hij hem eigenlijk?quot;

„Doorluchtigheid, het geheele keukenpersoneel klaagt over zijn onverdraagzaamheid, zijn drift en woestheid. Bij de minste aanleiding zoekt hij twist, en wordt dan dadelijk zoo woedend, dat hij met de vuisten om zich heen slaat en met messen gooit, zooals hij onlangs nog heeft gedaan, toen een keukenjongen een saus had laten aanbranden.quot;

„Maar dat is ook in de oogen van een Franschen kok een misdaad, die niet hard genoeg gestraft kan worden,quot; zei de keurprins glimlachend, „het is in mijn oog zeer

ocr page 180

172

ten gunste van een nauwgezetten kok. De keukenjongens moeten hun plicht doen en hun meester geen ergernis veroorzaken,quot;

„Dan loopen er ook nog allerlei bedenkelijke geruchten,quot; ging mijnheer von Buch voort. „Men zegt, dat de kok Lorand in Frankrijk van moord is beschuldigd en een voornaam heer, in wiens dienst hij was, vergiftigd beeft. Hij is daarover in verboor geweest en alleen ontslagen, omdat men geen genoegzame bewijzen bad. Maardealge-meene opinie beeft hem toch veroordeeld en dit is de reden waarom bij Frankrijk beeft verlaten.quot;

„Zoo zijn de menschen,quot; riep de keurprins de schouders ophalend. „Men beeft dezen man van moord beschuldigd, men beeft een onderzoek ingesteld, en toen bet bleek, dat bij onschuldig was, beeft men hem weder vrij gelaten. Nu ecbter komt de algemeene opinie en veroordeelt hem. Geloof mij, er zullen toch ook nog menscben zijn geweest, die niet aan zijn schuld geloofden, anders zou onze gezant te Parijs dezen Lorand niet hier hebben aanbevolen. Alles wat ge mij gezegd bebt, kan er mij slechts nog meer in bevestigen Lorand in mijn dienst te nemen. Hij is een goede, zelfs een uitstekende kok, dit heeft bij, sinds bij de keurvorstelijke keuken bestuurde, eiken dag bewezen. Hij staat op zijn eer en reputatie, anders zou bij om een aangebrande saus niet in toorn zijn losgebarsten en eindelijk — heeft hij de eer gehad door mevrouw de keurvorstin op zulk een buitengewone wijze aanbevolen te worden, dat mijn besluit wordt versterkt, om dezen gevreesden man in mijn dienst te nemen.quot;

In dit oogenblik werd aan de deur geklopt en een stem buiten vroeg: „Kan ik binnenkomen, doorluebtigbeid?quot;

De prins snelde zelf naar de deur om die te openen. „Wanneer behoeft ge dit te vragen, mijnbeer de gouverneur?quot; vroeg bij. Ik meen, dat mijnbeer baron Otto von Scbwerin weet, dat bij ten allen tijde bij zijn beide leerlingen kan binnenkomen. Gij weet, dat, boewei wij niet meer onder uw opzicht staan, wij u tocb nog altijd als uw leerlingen genegen zijn. [s het niet zoo, broeder Frits?quot;

„Zeker,quot; antwoordde de prins vriendelijk, den beer Otto von Schwerin zijn hand reikende. „Wij zullen nooit vergeten boeveel dank wij u schuldig zijn en aan ons zal bet

ocr page 181

173

woord van Tacitus niet worden vervuld, die zegt; „De dankbaarheid behoort niet tot de deugden der vorsten.quot;

„Mijn prinsen, ik begeer geen dankbaarheid,quot; zei Schwerin ernstig, „ik wensch slechts dat ge mij een weinig lief hebt en overtuigd moogt zijn, dat ik de trouwste en verknochtste dienaar van uwe genadige prinsen ben.quot;

„Schwerin heeft iets,quot; riep de keurprins. „Ik zie het aan uw gelaat Schwerin, wij zullen een berisping krijgen.quot;

„Geen berisping, doorluchtigheid. Ik kom alleen om u een wensch voor te slellen en een verzoek tot u te richten.quot;

„Ook gij, Schwerin, komt ook gij met een verzoek even als de kamerheer von Buch? Het zou zeer zonderling zijn, als 't hetzelfde verzoek was.quot;

„Genadige prins, dat kan wel zijn, want de heer hofmeester heeft mij gezegd, dat hij reeds met den kamerheer von Buch heeft gesproken.quot;

De keurprins barstte in een lachen los, zoo hartelijk, dat ook prins Friedrich er een weinig mede instemde. „En nu komt de vrijheer Otto von Schwerin,quot; riep de keurprins, mij verzoeken den kok Lorand niet in mijn dienst te nemen.quot;

„Geraden, doorluchtigheid. Ik wil u verzoeken dezen vermetelen en gevaarlijken man niet tot uw lijfkok te maken, en hem volstrekt niet in uw dienst te nemen.quot;

„Ook gij, Brutus, ook gij vroeg de keurprins lachend. „Waarom niet, mijn beste heer von Schwerin?quot;

„Omdat hij om zijn onbetamelijk gedrag uit de keui-vorsteiijke dienst ontslagen is, omdat . .

„Omdat hij met een mes naar een keukenjongen heeft geworpen,quot; viel Carl Emil hem in de rede, „omdat hij ondragelijk, driftig en boosaardig is. Wij kennen dat, wij hooren sedert een uur niets anders. Maar begrijpt ge dan niet, dat gij allen door uw tegenspraak mij meer en meer opwindt en mij dwingt dezen armen man, dien ge tot een paria wilt maken, te redden, door hem tot mij te nemen en hem te beschermen ? Bovendien is hij mij noodzakelijk en bijna onontbeerlijk. Er ontbreekt aan mijn huis-dienst nog een kok en daar wij morgen vertrekken, heb ik geen andere keus.quot;

„Doorluchtigheid,quot; riep de heer von Schwerin, „de hofmeester laat uw genade door mij onderdanigst berichten, dat hij u een zijner beste lieden uit de keuken wil geven.

ocr page 182

174

zoo ge dat gevaarlijk mensch maar niet neemt! Dan waag ik het uw doorluchtigheid er nog op te wijzen, dat men zich overal zeer zou verwonderen, zoo uw genade een Franschen kok in uw dienst nam, terwijl wij met Frankrijk in vijandschap leven!quot; ^

„O, mijn lieve Schwerin,quot; riep Carl Emil levendig, „ik wenschte waarlijk, dat mijn heer vader een Franschen generaal had!quot; 1)

„Doorluchtigheid, wat zegt ge daar!quot; riep Schwerin ontsteld.

„Gij ziet wel, dat de keurprins schertst,quot; zei prins Friedrich haastig, „in ernst zou hij nooit zoo iets zeggen. Onze vader is zulk een groot krijgsheld en omgeven van zulke uitstekende en dappere generaals, dat wij waarlijk niet noodig hebben van andere natiën veldheeren te leenen.quot;

„Maar de Fransche koks, dit zult ge toegeven, mogen wij leenen, want zij verstaan hun beroep beter dan de onze!quot;

„Neem dan in den Elzas een Franschen kok,quot; zei Friedrich, „want ge gaat immers naar den Elzas en vindt daar wat ge begeert.'quot;

„Doe dit, genadige heer,quot; sprak Schwerin dringend, „neem in den Elzas een kok.quot;

„Ik smeek u, genadige heer,quot; zeide de heer von Buch, „luister naar de stem uwer dienaars. Neem dezen man niet in uw dienst.quot;

„Ge zijt allen wonderlijke menschen,quot; riep de keurprins ongeduldig. „Ik wil niet van hier gaan, zonder mijn huis geregeld te hebben. Het is de eerste maal dat ik als zelfstandig prins reis, en nu de goedheid van onzen ge-nadigen heer vader mij dat vergund heeft, wil ik ook een goed ingericht huis met mij voeren. Hiertoe behoort nu voor alles een kok.quot;

„Uw doorluchtigheid hebbe dan de goedheid den kok te nemen, dien de hofmeester u aanbiedt.quot;

„Herinner u ook, broeder,quot; zei Friedrich zacht, zich dicht tot het oor van den keurprins buigende, „dat de

1

Eigen woorden van den keurprins lb. id.

ocr page 183

m

keurvorstin u niet slechts gewaarschuwd heeft voor dezen mensch. maar bet ook onbetamelijk en beleedigend acht, zoo ge een sujet, dat zij met smaad en schande ontslagen heeft, in uw dienst naamt.quot;

„Ja, zeker, dat herinner ik mij,quot; antwoordde de keur-prins zacht, „ik herinner mij, dat de keurvorstin mij een welkome gelegenheid aanbiedt, om haar wat van de ergernissen terug te geven, die zij ons al jaren dagelijks aandeed. Ik herinner mij, dat zij valsch en verraderlijk jegens dezen armen man heeft gehandeld en mejuffrouw Martin hem bedrogen heeft, want Lorand heeft een plechtigen eed gedaan het als een geheim te bewaren, waarom hij ontslagen is. Martin heeft hem hiervoor een aanbeveling van de keurvorstin toegezegd, en ge weet broeder, van welken aard die aanbeveling was.quot;

„Wij weten dit alles echter slechts uit den mond van den belanghebbenden persoon zeiven,quot; merkte de prins op. „Ieder spreekt echter ongunstig over hem, laakt zijn karakter, noemt hem een gevaarlijk, ontaard mensch en —quot;

„Ik wil hem op de proef stellen,quot; viel de keurvorst hem haastig in de rede. „Ik wil zijn karakter onderzoeken en zoo hij de proef doorstaat, neem ik hem in mijn dienst! Luister, mijne heeren! De kok Lorand beweert een geheim Ie bezitten, dat hij gezworen heeft aan niemand te verraden. Ik zal hem hier laten komen en van hem als voorwaarde zijner aanstelling vorderen, dat hij mij het geheim mededeelt. Meent ge dat hij het doen zal?quot;

„Ik ken hem niet,quot; zei Schwerin, „maar naar alles wat ik van hem gehoord heb, geloof ik het wel.quot;

„Ik ben er van overtuigd,'' riep de heer von Buch. „De hofmeester noemt Lorand een eerloos mensch, en hij zal zekerlijk niet aarzelen om zich door een meineed een winstgevende betrekking te bezorgen.quot;

„Welnu dan, mijn heeren, zoo hij dit doet, geef ik u mijn woord, dat ik den kok Lorand niet neem.quot;

„Zoo hij echter standvastig blijft?quot; vroeg prins Friedrich.

Als hij niets verraadt — omdat hij misschien niets weet ?''

,,Als hij standvastig blijft en niets verraadt, neem ik hem in mijn dienst, want dan heeft hij de proef doorstaan en bewezen dat hij een man van eer is, en dit is het

ocr page 184

170

eenige wal men hem wil betwisten, want aan zijn bekwaamheid als kok twijfelt niemand.quot;

„Genadige doorluchtigheid, zei de juist binnentredende kamerlakei, de kok Lorand, dien uw doorluchtigheid, naar zijn zeggen, hier bescheiden heeft, meldt zich aan.quot;

„De keurprins zag naar de groote pendule. Ik ontdek reeds een groote deugd bij dien man,quot; zeide hij. „Hij is stipt. Ik beval hem over een uur weer te komen, en 'tis nu juist een uur geleden. De man moet wachten tot ik roep! Gaat nu, mijne heeren, ik dank u voor uw vriendelijke bezorgdheid, maar u, broeder Frits, verzoek ik de goedheid te hebben, hiernaast in mijn huiskamer te gaan, en u daar zoo te plaatsen, dat ge alles kunt hooren wat in mijn kabinet gesproken wordt.quot;

De beide heeren verwijderden zich met bezorgde en bedroefde gezichten. Prins Friedrich begaf zich in het belendende vertrek en nam naast de geopende deur op een fauteuil plaats.

„Nu willen wij zien!quot; zei de keurprins, en met luide stem riep hij : „Lorand!quot;

Dadelijk werd de buitendeur geopend, en de geroepene trad binnen. De oogen van den keurprins richtten zich op hem en een onverklaarbaar gevoel van schrik en afgrijzen deed zijn hart rillen bij het zien van deze sombere gestalte, met het bleeke gelaat, de dikke borstelige wenkbrauwen, de zwarte oogen, die onrusig in 't rond gluurden, de dunne, bleeke lippen, die vast opeen gedrukt waren.

Hij plaatste zich bescheiden en deemoedig naast de deur en verwachtte dat de prins hem zou toespreken. Maar Carl Emil bleef sprakeloos. Hij zag als verstijfd naar dien man. Het was hem alsof hij droomde, en als in een droom dacht hij plotseling aan zijne dierbare moeder. Het was hem als zag hij haar geliefd, edel gelaat, dat hem met haar groote zachte oogen treurig aanzag. De prins bracht de hand aan zijn voorhoofd, dat met koud zweet bedekt was. Hij wilde de wolken verdrijven, die zijn ziel verduisterden, hij wilde de treurige gedachten, die hem overweldigden, afschudden.

Hoe dwaas om zich daardoor te laten beheerschen! Hoe weinig past dit voor een jong soldaat, die gereed staat ten strijde te trekken om den dood te trotseeren. Men moet nooit toegeven aan zulke kwade voorgevoelens! Men

ocr page 185

477

moet streng zijn jegens zich zeiven! En wat zouden al degenen denken, die hem raad gegeven en gewaarschuwd hadden? Zij zouden prins Carl Emil nog altijd als een knaap beschouwen die zich laat leiden en geen zelfstandigheid bezit! En hoe zou de keurvorstin zich verheugen, dat zij hem nogmaals naar haar wil had doen handelen.

Met bliksemsnelheid kwamen deze gedachten bij hem op, en maakten hem weder sterk.

„Tk zal zien of hij de proef doorstaat,quot; zei de prins bij zich zeiven, „en als hij ze doorstaat, zal ik niet terugwijken. Ik zal mevrouw de keurvorstin bewijzen, dat ik niet terugschrik om te doen wat haar mishaagt, ik zal den raadgevers toonen, dat ik een vast, zelfstandig karakter bezit.quot;

„Meester Lorand, treed nader,quot; riep de prins eensklaps met luide stem. De geroepene deed een paar schreden voo.rwaarts, hief zijn hoofd een weinig op en zag vrasend naar den keurprins.

„Is het nog altijd uw wensch in mijn dienst te treden ?quot; vroeg Carl Emil.

„Mijn vurigste wensch, genadige doorluchtigheid.quot;

„Weet ge wel, dat ge dan Berlijn verlaten en met mij naar het leger moet vertrekken?quot;

„Om u te dienen, doorluchtigheid. Ik zal mij zeer vereerd gevoelen in 't gevolg van een iongen vorsteliiken krijgsheld te zijn.quot;

„Maar wij gaan ten oorlog tegen Frankrijk, en gij zijt Franschman!quot;

„Doorluchtigheid, ik zou nooit tegen mijn vaderland strijden. Maar bij mijn kookpannen blijf ik Franschman, en zoo ik al mijn vaderland niet met het zwaard dien, vertegenwoordig ik het toch buitenslands met mijn kunst en bezorg het Fransche rijk machtige aanhangers. Menig held die op het slagveld onoverwinbaar was, is door het keukengenot verwonnen.quot;

„Goed geantwoord,quot; zei Carl Emil glimlachend. Ik heb naar u en uw gedrag onderzocht en moet u zeggen, dat dit onderzoek zeer nadeelig voor u is uitgevallen. Ik heb ook de reden van uw ontslag, welke ge mij wildet verzwijgen, vernomen. Uw twistzucht, uw ondragelijken aard, uw drift zijn de redenen. Gij hebt met iedereen twist gemaakt, en zijt zelfs zoover gegaan met een mes naar

Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. V. 12

ocr page 186

178

een jongen te werpen. Ge hebt het geheele keuken personeel tot vijand, en daarom heeft, met verlof der keurvorstin, de hofmeester u uit den dienst ontslagen.quot;

„Vergeving doorluchtigheid, zoo ik 't waag dit tegen te spreken. Dit is niet de reden van mijn ontslag. Het geheele keukenpersoneel is mij vijandig, dat is waar, maar dit komt omdat mevrouw de keurvorstin mij onderscheidde, door mij, met voorbijgaan van den hofmeester, over de regeling der diners te raadplegen, wel niet persoonlijk, maar door bemiddeling van mejuifrouw de Martin. Wij zijn landgenooten, want mejuifrouw de Martin is een geboren Frangaise. Ik moest eiken morgen bij haar komen om met haar over het diner te spieken, en bracht dan het haastig geschreven en door mevrouw de keurvorstin onderteekend menu aan den hofmeester. Dit verwekte den toorn en afgunst van het keukenpersoneel.quot;

„Waarom geschiedde dit?quot; vroeg de keurprins. „De heer hofmeester is sinds jaren in dienst van den heer keurvorst en heeft de regeling der tafel altijd tot hoogst-derzelver tevredenheid bestuurd, het moest hem dus wel ergeren en krenken, dat men hem zonder eenige reden van zijn ambt ontzette.quot;

„Uw doorluchtigheid zegt; zonder eenige reden?'' herhaalde Lorand met een verachtelijk trekken zijner lippen. „Wil uw genade mij vergunnen te bewijzen, dat deze verandering zeer gegrond was?quot;

„Bewijs dit eens, als ge kunt.quot;

„Het bewijs ligt in deze beide papieren,quot; zeide Lorand lier, terwijl hij twee strooken papier uit zijn borstzak haalde. „Dit is een keukenlijst van den hofmeester, toen hij nog zelfstandig ageerde, en dit is een menu, dat ik ontworpen heb en dat de allerhoogste goedkeuring wegdroeg. Wil uw doorluchtigheid mij vergunnen beide papieren voor te lezen?quot;

„Lees, monsieur Lorand.quot;

Met een onbeschrijfelijke minachting en honend optrekken der lippen las hij: Voor het eerste ontbijt der vorstelijke personen: biersoep met een goed gezouten haring er bij. Voor het middageten: 1. Amandelsoep. 2. Rundvleesch met radijs. 3. Schapenkop met roodekool. 4. Snoek in boter met rapen. 5. Wildzwijnenkop. 6. Kalfs-gebraad. 7. Gebraden hoen. 8. Latuwsaïaad en gestoofde

ocr page 187

179

pruimen. 9 . Gebraden lamsgehak. 10 .Wildzwijnengebraad in azijn. 11. Fricassée van kalfsvleesch mot limoenen. 12. Wijnmoes, — Voorts voor het avondeten der vorste-lij ke personon: 1. Gepelde gerst. 2 Gezouten karper, 3. Salade van witte kool. 4. Schapenvleesch met witte peen. 5. Gebraden gans. G Lamsgebraad. 7. Wildzwijns-kop. 8. Geforceerde snoek met peterseliewortel. 9. Kalfskop in de boter met majolijn. lü. Rijst met melk. 11. Gans in azijn. 12. Lamstongen met muskaat. Hierbij voor de middagtafel Rijnwijn, voor de avondtafel Broihan en Aem-terbier.1) — „Genadige heer keurprins,quot; zei Lorand, licht buigende, „zoo spijsde men hier aan 't hof nog voor een jaar, tot mijn komst, zooals uw doorluchtigheid zich nog wel herinneren zal.quot;

„Ja ik herinner het mij, monsieur Lorand, ik merk het onderscheid zeer goed, dat tusschen nu en voor een jaar aan onze tafel heerscht.quot;

„Ik verzoek uw genade het menu van gisteren te mogen voorlezen,quot; sprak Lorand eerbeidig. „Het is enkel, opdat uw genade het onderscheid zie en weet welke gelukkige veranderingen ik in een jaar bewerkt heb.quot;

„Lees, monsieur,quot; zei de keurprins glimlachend.

„Ik dank voor de genadige vergunning! Menu voor de keurvorstelij ke tafel van den achttienden Juni 1674. Ten eerste des morgens tot ontbijt; chocolaad met biscuit. Vervolgens voor het diner: 1. Bouillon met oeufs de minute. 2. Kaviaar. Sardines a l'ljuile. Bagout en coquilles. 3. Boeuf a la mode met sause au due d'Orleans. 4. Snoek met oestersaus. 5. Asperges en bloemkool met rijnzalm en westfaalsche ham. 6. Gratin van patrijzen, eendenpastei a la Fouquet. 7. Gebraden kalkoensche haan. Gebraden wild zwijn. Compoten. 8. Soufflet van limoenen. Pudding a la Cromwell. 9. Dessert. Hierbij tot wijn : na de soep Tokayer. Moode en witte rijnwijn als tafelwijn. Voor het dessert; Lunel en spaansche wijn. —Dit, doorluchtigheid, is mijn spijslijst.quot;

„Het avondeten ontbreekt,quot; zei de keurprins, wien de ernstige deftigheid van kok vermaakte.

„Genadige heer,quot; antwoordde Lorand, „als men mijn

1

Deze spijslijst is te vinden in de Preussischer Hausfreund Jahreanfr 1810 No. 103.

ocr page 188

480

diner heeft genoten, heeft men den moed niet dienzelfden dag nogmaals te eten, men verheugt zich alleen op den volgenden dag, die een nieuw diner brengt.quot;

„'tls waar, zei de keurprins, „wij hebben sinds langen tijd geen soupers gehad.quot;

„Uw doorluchtigheid zal moeten toestemmen, dat dit voor het keurvorstelijk huis een weldadige uitwerking heeft gehad. Zijn keurvorstelijke doorluchtigheid slaapt geruster en lijdt minder aan jicht, sedert ik de eer heb hoogstdezelve te behandelen. Derhalve beschouwde haar doorluchtigheid mevrouw de keurvorstin het. diner als zulk een hoogst gewichtige zaak, dat zij er bijzonder belang in stelde en mij met mademoiselle de Martin er dagelijks over raadpleegde. Dit, dooi'luchtige prins, was de reden, waarom de hofmeester en het geheele keukenpersoneel nijdig op mij was.quot;

„Ondanks de onderscheiding van mevrouw de keurvorstin, hebt ge toch van haar uw ontslag gekregen? Zeg mij eens de oorzaak er van, opdat ik kan oordeelen, of het u niet lot oneer strekt.quot;

„Genadige doorluchtigheid, riep Lorand levendig, „ik heb nooit iets gedaan, dat mij tot oneer kon strekken. Maar ik mag u de oorzaak van mijn ontslag niet zeggen.quot;

„Waarom niet?quot;

„Omdat ik het gezworen heb, doorluchtigheid. Het was do voorwaarde op welke mademoiselle Martin mij een brief van mevrouw de keurvorstin aan u beloofde, en nu zij haai1 woord heeft gehouden, mag ik ook het mijne niet breken.quot;

„Luister, monsieur Lorand. Ik kan niemand in mijn dienst nemen, van wien ik niet weet, waarom hij uit zijn vorigen dienst ontslagen is. Zeg mij de reden en ik wil u de plaats geven, die gij begeert. Blijft ge bij uw weigering, dan kan ik u niet aanstellen.quot;

„Genadige prins,'' riep Lorand smartelijk, „ik moet er bij blijven, ik kan niet meineedig worden!quot;

„Maar, zoo Martin in plaats van u een aanbeveling te bezorgen, u zoo bij mevrouw de keurvorstin belasterd had, dat haar hoogheid, in plaats van u aan te bevelen, mij dringend afgeraden had u in dienst te nemen ?quot;

„Dat is onmogelijk, doorluchtigheid!quot;

„Ik zeg u dat het zoo is! Mademoiselle Martin heeltu misleid, en de brief, dien ge mij van mevrouw de keur-

ocr page 189

181

vorstin gebracht hebt, brengt u in verdenking cn beschuldigt u, in plaats van u aan Ie bevelen.quot;

Lorand slaakte een dollen kreet, sloeg de handen voor zijn aangezicht en waggelde naar den wand, waartegen hij leunen moest, om niet te vallen.

De prins liet hem eenige minuten tijd zich te herstellen en zijn smart of schrik te overwinnen.

„Blijft ge nog bij uw besluit?quot; vroeg hij vervolgens. „Wilt ge mij de reden van uw ontslag zeggen, dat heet, in mijn dienst treden?quot;

Lorand liet langzaam zijn handen van zijn gelaat zakken, dal nu nog bleeker was dan straks.

„Genadige heer,quot; zeide hij met matte, bevende stem. ,,lk moet bij mijn besluit blijven. Een man van eer heeft slechts een woord te geven, en als hij het gegeven heeft, moet hij het houden. Mademoiselle Martin heeft schandelijk en verraderlijk jegens mij gehandeld, maar dat ontslaat mij niet van mijn eed, en wat ik gezworen heb, heb ik gezworen. Ik verzoek uwe doorluchtigheid om de genade mij te ontslaan.quot;

En met doodsbleek gelaat en bevende lippen boog de kok en tastte met siddeiende hand naar den knop der deur.

„Blijf, Lorand,quot; riep de prins zacht. „Ik heb u beproefd en ge hebt de proef goed doorstaan. Ge hebt mij bewezen, dat uw woord u heilig is en ge op uw eer staat. Lorand, gij zult de plaats hebben, welke ge begeert. Ik benoem u tot mijn lijfkok. en ge zult morgen met mijn gevolg vertrekken.quot;

Lorand antwoordde niet, hij liep naar den prins, viel voor hem op de knieën en bedekte zijn handen met kussen en tranen.

„Uw doorluchtigheid redt mij van vertwijfeling,quot; zeide hij snikkend, „en geeft mij mijn eer en goeden naam weer. Zoo lang ik leef zal ik u er dankbaar voor zijn!quot;

„Doe dat, Lorand, bewijs uw dankbaarheid, door mij eer aan te doen en goed voor mijn tafel te zorgen. Sta op en begeef u tot mijn huisintendant. Hij zal het overige met u bepalen.quot;

Lorand kuste nogmaals met vuur de hand van den prins, toen stond hij op en ging met gebogen hoofd door de kamer naar den uitgang. Juist op 't punt om de deur

ocr page 190

182

te openen, bleef hij staan en keerde zich nogmaals om.

„Ik zou uwe doorluchtigheid nog iets willen zeggen,quot; prevelde hij. „Wil uw genade 't mij vergunnen?quot;

„Spreek,quot; zei de keurprins.

De kok trad haastig naar hem toe en zeide met zachte fluisterende stem; „Uw hoogheid is genadig en goed voor mij, en ik zou haar gaarne mijn dankbaarheid bewijzen. Ik veroorloof mij u een goeden raad te geven, zoo uw doorluchtigheid mij belooft er nooit tegen iemand van te spreken.quot; ,

„Ik beloof het u. Wat is uw raad.quot;

„Genadige heer,quot; fluisterde Lorand, zich dicht tot het oor van den keurprins buigende, „beveel dat ik alleen uw keuken bestuur. Laat door niemand anders uw spijzen bereiden. Laat uw lijfkok voor al uw maaltijden zorgen, dat is mijn raad. Heb de goedheid dien wel ter harte te nemen.quot;

Hij boog diep, snelde met lichte schreden door de kamer en ging, zonder eenig antwoord van den prins te wachten, naar buiten.

De keurprins overlegde bij zichzelven nog eens de gefluisterde, veelbeteekenende woorden van den waarschuwer, en weer voer hem een rilling door de ziel, en weer moest hij onwillekeurig aan zijne moeder denken en zag hij voor zijn geest haar teedere oogen, die met een smartelijke uitdrukking op hem gericht waren.

Hij zag echter niet het aangezicht van hem, die juist zijn kabinet had verlaten, zag niet den honencfen lach, die om diens lippen speelde, nu hij met vermetele houding en hoog opgericht hoofd door de gangen van het slot ging. Hij zag ook niet, hoe Lorand, toen hij in zijn dakkamer gekomen was, lachend op een matten stoel nederzonk, waarna hij de vuisten dreigend ophief, terwijl zijne lippen eene verwensching prevelden.

„Ik heb goed gespeeld,quot; mompelde hij, „zelfs Molière had het niet beter kunnen doen. Ik was van 't hoofd tot de voeten een braaf man, en stond zelfs de verzoeking door als een held. Ja, mijn lieve kleine prins, zoo ge eens wist, dat ik uw geheele onderhoud met uw raadgevers gehoord heb, als ge eens wist dat ik een uur lang, terwijl ge binnen over mij beraadslaagdet, in de wandkast stond en alles hoorde wat ge zeidet en in mijn geest de rol

ocr page 191

183

bestudeerde, die ik nu zoo meesterlijk volgehouden heb. Maar ge wist het niet en zult het ook nooit vernemen, want ge hebt gelijk, uw geheele huis is in de war; ieder is bezig zijn goed te pakken, niemand was in de voorkamer, toen ik uit uw kamer kwam, de open kast zag en er in sloop; niemand was er toen ik er na een uur weer uitkwam. Ik moest eerst een lakei opzoeken, die mij kon aandienen. Ge zult het nooit vernemen, het is een geheim tusschen mij en den duivel! Gij zijt in de val geloopen, schoone, moedige prins, de arme kleine kok Lorand heeft den protestantschen prins in handen en zal hem niet eer loslaten, dan als zijn graf open en gereed is hem te ontvangen, ik zal hem soepen koken, o, heerlijke, onvergelijkbare soepen!quot;

Hij barstte in luid gelach uit, en schrikte zelf van den klank, die de stilte om hem stoorde; hij zag schuw om zich, of er ook iemand was die gehoord had, hoe de booze in hem lachte en spotte, en nam toen plotseling een somber, dreigend voorkomen aan.

„Voorzichtig, Lorand,quot; zeide hij zacht. „Hoed u het masker van uw gelaat te laten glijden. Het moet een goed, vertrouwen inboezemend gelaat zijn, dat geheel en al den man van eer laat kennen. Niet zulke aanvallen van vroolijkheid meer, monsieur Lorand. De duivel in de hel moge vroolijk zijn, maar Lorand, de goede, de eerzame lijfkok van den heer keurprins, mag dit niet, hij moet er zeer deftig en zacht uitzien en gerechten voor den lieven prins, morgen-chocolade en slaapdrank koken! O, hoe goed en verkwikkelijk zal de lieve keurprins hierna slapen, zoo vast, dat al de kanonnen van den veldslag niet meer in staat zullen zijn hem te wekken! Maar voorzichtig en bedachtzaam, Lorand! Niet overhaast, niet overijld ! Langzaam, dat slaagt het best, het wekt geen achterdocht! Bedachtzaam, Lorand! Nu willen wij tot onze lieve vriendin gaan, welke de schoone keurprins de booze heks noemt, en haar de blijde tijding brengen, dat Lorand lijfkok van zijn doorluchtigheid is geworden, en zij zich gereed moet houden hem binnen drie maanden de aardige som van tienduizend francs te betalen! O mademoiselle, ge maakt hiermede een goede zaak en ik ben te goedkoop, veel te goedkoop geweest!quot; —

Er zou heden een familiemaal gehouden worden voor

ocr page 192

184

het vertrek van den keurvorst en zijn oudsten zoon. Een plechtig feestmaal zou het zijn, voor het laatst zouden zich al de leden der keurvorstelijke familie met hunne vertrouwdste en geëerdste dames en edellieden van hun huis in een vroolijken kring vereenigen. Uitdrukkelijk had de keurvorst bedongen, dat hij slechts blijde en vroolijke gezichten om zich heen wilde zien, dat men in bont feestgewaad, getooid als ten dans en lachend als voor een vreugdefeest de laatste uren des samenzijns met elkander vieren zou.

Was het ook niet een vreugdefeest? Trok de keurvorst niet uit, om lauweren te behalen, om te strijden voor den Duitschen keizer en het Duitsche rijk, om de Duitsche grenzen te beschermen tegen den overmoedigen Fransch-man, die zijn roofzuchtige handen uitstak naar vreemd goed, en zonder recht ol reden de schoonste landen van Duitschland tot zijn eigendom verklaarde? Moest deze veldtocht niet den keurprins een schitterende toekomst openen, moest hij hem niet op de baan der overwinning en des roems voeren!

Er was slechts reden voor blijheid, het was een vreugdefeest, dat men vierde!

De keurvorstin Dorothea nam het geheel op, zooals haar gemaal het bevolen had. Zij had zich schitterend getooid, en haar vroolijk gelaat paste bij haar feestgewaad, de glimlach, die om haar lippen speelde, wierp een helderen glans over haar trekken.

Zij bevond zich in haar kabinet en verwachtte de keurvorst die haar voor den maaltijd wilde afhalen, maar haar oogen waren niet naar de grooto vleugeldeuren gewend, door welke haar gemaal moest binnenkomen, maar naar de kleine blinde deur, ginds in den hoek, die de ingang was voor de gouvernante, voor mademoiselle Martin. Zij was gegaan om de drie kleine prinsen te halen, die volgens den bijzonderen wensch der keurvorstin aan het feestmaal zouden deelnemen.

„Ge zult mij heden, nu wij voor den laatsten keer voor uw vertrek bijeen zijn, in mijn fraaisten tooi zien,quot; had Dorothea tot den keurvorst gezegd. „Ge zult mij zien, omgeven van mijn kinderen.''

„Zie ik u niet bij elk middagmaal zoo?quot; had de keurvorst gevraagd, ,,Hebben niet mijn drie oudste zonen tot

ocr page 193

185

hiertoe er altijd deel aan genomen, en heb ik u dan niet altijd gezien omgeven van onze kinderen?quot;

„Dat zijn uw kinderen, maar niet onze kinderen,quot; had de keurvorstin met bewolkt gelaat gezegd. Heden zult ge mij zien, omgeven van onze kinderen, en ik hoop dat zich dit beeld zoo diep in de ziel van mijn geliefden heer zal prenten, dat hij het nooit zal vergeten, maar altijd verlangen zal ons spoedig weer te zien.quot;

„De beide kleine knapen zijn nog niet geschikt om aan tafel te zitten,quot; had de keurvorst zacht aangemerkt.

„Daarom zal mademoiselle de Martin bij hen ziin,quot; was het haastige antwoord der keurvorstin geweest. „Zij is van even goeden ouden adel, als al onze marksche vrij-heeren en baronnen; als de gouverneur uwer oudste zonen, de heer von Schwerin, aan uw tafel zit, zal er ook nog wel een plaats zijn voor de gouvernante uwer jongste zonen. Ik hoop, dat mijn kinderen, omdat ze nog klein zijn, niet van 't genoegen beroofd zullen worden hun dierbaren veelgeliefden vader op den laatsten dag van zijn aanwezigheid zoolang mogelijk te zien.quot;

Neen, zoo wreed wilde de keurvorst niet zijn. Hij voegde zich, zooals in vele kleine zaken en somwijlen ook in groote, naar den wensch zijner gemalin, en de vijfjarige prins Philip en de tweejarige prinsen Albrecht en Karei (die, zonder tweelingen te zijn, evenwel dezelfde jaren hadden en in één jaar geboren waren) zouden heden aan den disch plaats nemen. Naar de deur, door welke Martin met de kinderen zou komen, waren de oogen der keurvorstin gericht, en toen zij nu de lachende, vroolijke stemmen barer kinderen hoorde, blonk haar gelaat, gloeiden haar wangen en opende zij zelve de deur om de kleinen binnen te laten.

„Zijt go daar, mijn geliefde engelen! Zijt ge er, mijn oudste, de held der toekomst, de hoop mijns harten! Ik kus u, Philip, mijn cherub, mijn licht der oogen!quot;

Onstuimig drukte zij hem aan haar borst, met stralende oogen aanschouwde zij het knaapje, dat haar toeknikte en met zijn handjes haar wangen streelde.

„Hoe schoon zijt ge heden, mijn jongen, en hoe prachtig getooid! Maar wat is dat voor een gouden keten, die om uw hals hangt? Die heb ik nog nooit gezien.quot;

„Geliefde moeder, deze keten heeft mijn lieve broeder

ocr page 194

186

Carl Ernil mij geschonken. Hij gaat ver, zeer ver van hier, en deze keten moet ik ter zijner gedachtenis dragen.quot;

De keurvorstin zette het knaapje terstond haastig neer en haar verduisterde blik richtte zich op Martin.

„De heer keurprins was er straks, om van den jongen pi'ins afscheid te nemen,quot; zei Martin. „Zijn doorluchtigheid wist niet, dat de jonge prinsen heden aan tafel zouden komen en zijne hoogheid behaagde het derhalve den prinsen te bezoeken en ieder hunner een geschenk tot afscheid te geven.quot;

De keurprins was zeer vroolijk,quot; riep prins Philip lachend, „hij heeft met ons gespeeld en mij op zijn rug laten rijden. Ik heb broeder Carl Ernil zeer lief, want hij is altijd zeer goed voor mij.quot;

„Goed, mijn zoon,quot; zei de keurvorstin haastig, „heb hem altijd recht lief en wees hem gehoorzaam, want hij zal eens uw keurvorst zijn.quot;

„Genadige doorluchtigheid,quot; fluisterde Martin, ,,ik verzoek een oogenblik gehoor.quot;

„Wat is het. Martin? Wat wilt ge?quot;

„Niets van belang, doorluchtigheid! Slechts een nieuwtje, dat ik zoo even vernomen heb. De heer keurprins heeft den kok Lorand in zijn dienst genomen en hem tot zijn lijfkok benoemd.quot;

De keurvorstin ontstelde en boog zich tot de beide kleine prinsen, kuste hun blond haar en speelde met hen, vervolgens wende zij zich weder tot Martin.

„Wat zegt ge, Martin? Heeft hij Lorand in zijn dienst genomen? Hebt ge hem dan den brief niet gezonden, dien ik hem omtrent dien man geschreven heb?quot;

„De keurprins heeft ondanks uw waarschuwing toch den kok Lorand in zijn dienst genomen. Ieder is de bewerker van zijn eigen lot.quot;

„Ja, doorluchtigheid. Ik heb mijn plicht gedaan, gelijk gij den uwen.quot;

De keurvorstin antwoordde niet, maar speelde met het blonde haar der kleine prinsen, vervolgens hief zij langzaam haar oogen tot Martin op, en beider blikken ontmoetten elkander.

„Weet ge, Martin,quot; zei Dorothea met weeke stem, „waarom ik heden mijn kinderen volstrekt aan de familie-tatel wilde hebben? Opdat ook gij er aan verschijnen kondt, opdat de ban gebroken wordt die de gouvernante

ocr page 195

187

mijner kinderen van de keurvorstelijke tafel uitsluit. Van nu at zult ge aan de vorstelijke tafel eten.''

Martin zeide geen woord, alles drukte zij uit in den blik vol teederheid, dien zij op den keurvorstin liet rusten en met den gloeienden kus, dien zij op de hand harer gebiedster drukte.

Nu verschenen de lakeien in de open vleugeldeuren. De keurvorstin liep haar gemaal tegemoet met betrokken gelaat en bezorgd voorkomen.

„Ach, mijn geliefde heer keurvorst, wat een slechte tijding heb ik zooeven ontvangen.quot;

„Wat dan Dorothea ?quot;

„Verbeeld u, de keurprins heeft, in weerwil mijner waarschuwing en dringende bede, het slecht befaamde sujet, den kok Lorand in zijn dienst genomen. Hij zal hem als lijfkok naar het leger vergezellen.quot;

„Is liet anders niet ?quot; vroeg de keurvorst lichter ademend. „Garl Emil is zijn eigen meester; hij moet zien hoe hij 't met zijn dienstpersoneel stelt. Wat bekommeren wij er ons over?''

„Het bekommert ons toch, mijn gemaal, want het betreft onzen zoon! Thans, nu hij mij met u verlaat gevoel ik eerst hoe lief ik hem heb, hoe innig mij zijn welzijn aan ;thart ligt. Hij is heden weer zoo lief en goed voor mijn kinderen geweest, heeft met hen gespeeld en hun geschenken tot afscheid gegeven. Ik zou hem dankbaar, hem nuttig willen zijn, maar hij luistert niet naar de stem van uw gemalin, wil niet gelooven, dal het de stem eener teedere moeder is ! Ach, ik vrees voor kwade dingen als hij dezen Lorand in zijn dienst neemt.quot;

„Ge zijt al te bezorgd, Dorothea. Wat kan er van komen ? De keurprins zal zich een weinig ergeren en zien, dat het niet alles is een eigen huishouden te hebben, hij zal zijn lijfkok, als hij er genoeg verdriet van gehad heeft, wegjagen, niet tegenstaande zijn heerlijke sausen en voortrellelijk gebraad, en zal daardoor leeren zich niet persoonlijk met die dingen te bemoeien, maar ze aan zijn hofmeester en intendanten over te laten. Dat is alles ! Bekommer er u niet verder over, en geef mij uw arm om u naar tafel te geleiden. Weg met de wolken, mijn lieve Dorothea, laat ons dezen laatsten dag vroolijk doorbrengen.quot;

ocr page 196

188

„Ik zal trachten vroolijk te zijn, omdat ge het wenscht zuchtte de keurvorstin, terwijl zij haar hand op den arm van den keurvorst legde, „maar ik zeg u, mijn hart is vol zorg en mijn ziel bedrukt. De keurprins heeft mij verdriet gedaan doordat hij niet geluisterd heett naar mijne waarschuwing. God geve, dat het hem niet berouwt, en mijn kwade voorgevoelens zich niet verwezenlijken.quot;

VI.

HET LEGERKAMP.

In Juli was de keurvorst met zijn leger naar den Elzas opgerukt, om zich met de keizerlijken en de troepen dei-geallieerde Duitsche vorsten te vereenigen. Met groot gejuich was hij bij zijn aankomst ontvangen. De hertog von Bournonville, de opperbevelhebber van de keizerlijke troepen, de hertog van Brunswijk, van Lotharingen, en de markgraaf Herman van Baden waren den keurvorst met een schitterend gevolg van beroemde, in den oorlog geoefende generaals eenige uren ver te gemoet gereden, en bij het zien van het goed gewapende 'en wel uitgeruste leger had de hertog vroolijk uitgeroepen: „Keur-vorstelijke doorluchtigheid, met zulk een leger zoudt ge geheel Europa de wet kunnen voorschrijven !quot;

Maar maanden waren verloopen, en het schoone Bran-denburgsche leger had nog niets uitgericht, de keurvorst moest het zich laten welgevallen werkeloos te blijven, want in alles wat hij wilde doen, werd hij belemmerd, nooit kon hij zijn wil doorzetten. Wat baatte het, dat de hertog van Bournonville hem de meeste eer bewees, van hem het parool ontving, hem den voorrang gaf, hij moest het zich laten welgevallen overal in verhinderd te worden, met gebonden handen te staan, te hopen en te wachten, of niet eindelijk in een gemeenschappelijken krijgsraad zijn plannen en voorstellen door de meerderheid zouden worden goedgekeurd.

Maar die dag kwam niet, veeleer moest dö keurvorst met treurig hart dagelijks erkennen, dat zijn hoop vruchte-

ocr page 197

189

loos was, en de bondgenooten volstrekt niet genegen waren, den oorlog tegen Frankrijk ernstig te voeren en met vereende macht tegen de Fransche veldheeren Condé en ïurenne op te trekken. Men bepaalde zich bij kleine gevechten en schermutselingen. Vruchteloos spoorde de keurvorst van Brandenburg en met hem de keurvorst van de Paltz de bondgenooten aan om den maarschalk Turenne, die in de Rijnpaltz stond, aan te vallen : Bournonville beloofde wel zijn bijstand, doch in plaats van den volgenden morgen op te rukken, gelijk besloten was, maakte hij een rugwaartsche beweging en moest de algemeene aanval achterwege blijven.

Zoo waren maanden verstreken, de lauweren, waarop de keurprins Carl Emil had gehoopt, waren nog niet geplukt. De legers hadden de winterkwartieren betrokken. Te Kolmar was het hoofdkwartier van den keurvorst en in den omtrek legerden de Brandenbursche troepen. Dagelijks reed de keurvorst, begeleid van den veldmaarschalk Derflinger, den keurprins en een schitterend gevolg naar het legerkamp. Dagelijks werd het gelaat van den keurvorst ernstiger en somberder, dagelijks werd de oude Derflinger knorriger, en soms gebeurde het, dat hij overluid op de trouwelooze keizerlijken schold en den keurvorst smeekte zich los te maken van zulke verraderlijke bondgenooten en terug te keeren naar de Mark, die bedreigd werd door aanrukkende Zvveedsche troepen. Dagelijks werd ook het aangezicht van den keurprins somberder en bleeker, de vroeger zoo vroolijke lach, de lustige scherts, waarmee hij vroeger den keurvorst vervroolijkte, waren Verstomd. Dagelijks namen ook de ziekten en onordelijkheden in het leger toe, en de arme bewoners van den Elzas, die aanvankelijk de troepen der Duitsche geallieerden met zooveel gejubel als hun redders en bevrijders begroet hadden, moesten erkennen, dat de Duitsche vrienden nog grootere verwoestingen aanrichtten dan de Fransche vijanden. De lange ontberingen, de honger, de menigvuldige vermoeienissen zonder roemrijke veldslagen, demoraliseerden de troepen en maakten van de goed georganiseerde soldaten plunderaars en roovers.

„Ach, Dorothea,quot; zuchtte de keurvorst, toen hij op een kouden, ruwen dag op 't einde van November weder uit het leger naar Kolmar was teruggekeerd, „waarom heb

ocr page 198

190

ik uw raad niet gevolgd, mijn verstandige, veelgeliefde vrouw? Waarom heb ik uw waarschuwingen in den wind geslagen en geloofd, dat het ditmaal ernst was met zijn belofte, en ik zijn woorden vertrouwen kon? Ik moet nu weder tot mijn schande erkennen, dat Oostenrijk het nooit eerlijk met mij meent en ik hem een doorn in'toogben, dien hij zou willen uittrekken en onder zijn voet vertreden. Met sluwe, listige woorden heeft de keizer mij van Frankrijk afgetrokken, mij op mijn plicht als üuitsch vorst gewezen, mij opgeroepen lot bijstand van het bedreigde Ouitschland. Ik heb aan zijn oproeping gehoor gegeven en ben gekomen met een flink leger, met moedigen wil, om mijn goed en bloed voor Duitschlands recht te geven, maar mijn leger heeft men gedemoraliseerd door langdurige werkeloosheid, door nood en ontbering, en mijn vasten wil hebben zij weten te breken door mij afhankelijk te maken van krijgsraad en meerderheid. De krijgsraad was nimmer tot oorlog gestemd en de meerderheid is tegen mij geweest, mijn oude Derflinger en ik, wij beiden hebben de minderheid uitgemaakt. Ach, Dorothea, mijn hartelijk geliefde keurvorstin, waarom heb ik uw raad niet gevolgd, waarom mij in gevaar en nood begeven, zonder er roem of dank voor te oogsten! Waart ge nu slechts bij mij om mij moed in te spreken en mij te troosten. Ik heb u toch geschreven en u aandoenlijk geschetst hoe eenzaam ik mij gevoel, en hoe ik thans opbeuring en verkwikking behoef. Hebt ge het niet begrepen, Dorothea? Of is mijn koerier niet aangekomen? Hebben de vijanden hem soms opgelicht of doodgeschoten? Ik heb den trouwsten en moedigsten mijner lijftrawanten, ik heb Jakob [Jhle gezonden en hij moest, naar mijn berekening, reeds gisteren terug zijn geweest, en — daar is hij,quot;riep de keurvorst verheugd, toen juist de deur werd geopend en de hooge, statige gestalte van een soldaat verscheen. Zijn kleederen waren bestoven, zijn aangezicht gloeide, men kon zien, dat hij een langen, moeielijken rit had gedaan, en zooeven van het paard was gestegen.

„Ge zijt er dus, Jacob Uhle,quot; riep de keurvorst verheugd. „Hoe ziet het er ginds in de Mark uit? Brengt ge mij goede berichten?quot;

„Zoo zoo doorluchtigheid,quot; antwoordde Jakob Uhle, wiens glinsterende oogen den keurvorst met een teederen

ocr page 199

191

blik groetten, „De Zweed komt steeds dichter bij de Mark en drijft iti Pommeren een zeer woest en schandelijk rooversleven. Bij Stargard hebben ze reeds de grenzen overschreden, contributién geheven en geroofd en geplunderd!

„En ik ben er niet,quot; zuchtte de keurvorst voor zich, „mijn troepen zijn hier werkeloos, terwijl de vijand in mijn land valt! Maar welke tijding brengt ge mij van mevrouw de keurvorstin?quot; vroeg hij nu. „Heeft ze u geen brief gegeven? Waar hebt ge mevrouw de keurvorstin ontmoet en hoe gaat het haar?quot;

,,Wil uw doorluchtigheid vergunnen, dat ik haar vragen van het einde af beantwoord?quot; vroeg de lijftrawant voor wien de keurvorst ten allen tijde een zeer goed heer was geweest, aan wien hij vervuld had wat hij vroeger den ongelukkigen Gabriel Nietzel had beloofd, namelijk zijn zoon in dienst te nemen en tot zijn lijftrawant temaken. Sinds vijftien jaren diende Jakob zijn keurvorst reeds, en dikwerf, als hij de wacht had aan de deur, was de keurvorst, als hij uitging, naast zijn lijftrawant blijven staan en had deelnemend en vriendelijk met hem gesproken, dikwerf had hij op de jacht de eer gehad de buks der keurvorstin te ladec en ze haar te reiken, en omdat hij zulk een bekwaam ruiter en schermmeester was, had Jakob Uhle ook vaak de jonge prinsen op hun pleiziertomten begeleid en op de schermplaats met hen gevochten. Daarom was Jakob Uhle, Rebekka's zoon, voor den keurvorst en diens familie niet alleen de lijftrawant, maar ook de bijzondere vertrouwde, die zich soms een gemeenzamer gedrag mocht veroorloven.

De keurvorst beantwoordde bijgevolg de vraag van zijn lijltrawant slechts met een vriendelijken hoofdknik en Jakob Uhle voer voort;

„Het gaat met mevrouw de keurvorstin zeer goed en zij is gezond. Ik verliet haar onderweg te Baireuth, en haar doorluchtigheid heeft mij dezen brief medegegeven.quot;

„Komt de keurvorstin?quot; vroeg Wilhelm Friedrich verheugd, terwijl hij den brief haastig opende.

„Ja,quot; zei Jakob Uhle. „mevrouw de keurvorstin komt en nog iemand met haar.

„Wie dan ?quot;

„De prinses Charlotte van Koerland, doorluchtigheid,

ocr page 200

194

„Ja, doorluchtigheid, dat doe ik, want mijn oogen zien den heer keurprins in het hart, en het is mij soms alsof niemand ter wereld hem zoo lief heeft als ik. Dit komt, omdat uw doorluchtigheid mij de genade heeft verleend zoo vele jaren bij den heer keurprins te kunnen zijn, alsof uw doorluchtigheid bedoeld had, dat ik den heer keurprins zoo boven alles lief zou hebben, opdat hij ten allen tijde ééne trouwe ziol bij zich had, op welke hij bouwen kon. Het is wel de ziel van een dommen, armen kerel, maar wat doet het er toe, zoo het maar een ziel vol liefde en trouw is.quot;

„Goed gesproken, Jakob,quot; zei de keurvorst, terwijl hij in het trouwe goedige gelaat van den lijftrawant zag, wiens zwarte oogen hem nog levendig aan Rebekka herinnerden, aan de edele, moedige vrouw, die hem gered had en in den dood was gegaan om Jakob Uhle's vader voor een misdaad te behoeden. De herinnering aan die dagen was de onverbrt-ekbare band die, zonder dat Jakob Ühle het wist, hem aan den keurvorst boeide en den zoon van den ongelukkigen Gabriël Nietzel zulk een bevoorrechte plaats in de keurvorstelijke familie gegeven had. De arme lijftrawant was de dienaar en de vriend van den keurprins geweest, toen deze nog een kind was; de anders zoo teugellooze, wilde knaap, had voor zijn lijftrawant altijd een vriendelijk woord gehad, en deze had vaak door zijn dringende beden datgene bereikt, wat de bevelen van den heer von Schwerin van den prins niet hadden kunnen verkrijgen. Later, toen de keurprins grooter werd, was Jacob Uhle wel meer bescheiden terug getreden, maar toch had de keurprins hem bijzonder onderscheiden, en was hem hartelijk genegen gebleven. Ook in het legerkamp behoorde Jakob ühle tot de bijzondere bediening van den keurprins, en hij had hem slechts verlaten, omdat de keurvorst hern als koerier naar zijn gemalin had gezonden.

„Gij gelooft dus waarlijk, Jakob, dat de keurprins ziek en lijdend is?quot; vroeg de keurvorst.

„Ja, doorluchtigheid,quot; zuchtte Jakob, „ik weet dat het zoo is. Ik heb hem reeds maanden gadegeslagen en gezien, dat hij dagelijks ellendiger en zwakker wordt. Hij weet het niet en als men 'themzeide, zou hij, geloof ik, toornig worden. Hij is tegenwoordig zeer prikkelbaar en de minste kleinigheden brengen hem in drift, en dan wordt hij bleek

ocr page 201

195

als een lijk, zijn lippen beven, het koude zweet komt hem op 't voorhoofd en zijn oogen glinsteren zoo vreeselijk, dat iemand angstig en bang wordt. Later, als de drift voorbij is, wordt hij zoo zwak, dat hij nauwelijks gaan of staan kan, hij weent dan als een kind, zijn wangen worden gloeiend en zijn handen branden als vuur; dan komt de vreeselijke koorts, hij spreekt dan geheele nachten allerlei wartaal en is menigmaal zoo razend, dat de kamerdienaar en ik hem nauwelijks kunnen houden.quot;

,,En dit alles verneem ik eerst nu?'' vroeg de keurvorst. „Waarom hebt ge mij dit niet eerder bericht?quot;

„Doorluchtigheid, omdat de keurprins ons streng verboden had aan iemand ter wereld, en wel het minst aan u, er een woord van te zeggen. Wij hebben hem dat beiden op de hand moeten beloven, want de heer keurprins meende, dat het schande voor hem zou zijn, zoo hij het leven in 't legerkamp niet kon verdragen, en uw doorluchtigheid hem van hier wegzond, zoodat hij den veldtocht niet zou kunnen medemaken. Hij wilde liever sterven, zeide de keurprins, dan uw doorluchtigheid en zich zei ven zulk een schande aan te doen, en hij zou nooit weder een woord tot mij spreken, indien ik hem niet plechtig beloofde er niets van aan zijn vader te zeggen. Ik heb het hem beloofd, daarom was ik zoo gelukkig dat uw doorluchtigheid mij als koerier naar Berlijn zond, want aan mevrouw de keurvorstin niets te zeggen, had ik niet beloofd. Ik heb aan haar doorluchtigheid alles verhaald en haar genade was zeer treurig, weende bitter en beloofde mij alles aan u te melden. Dit is dan nu gebeurd, en ik ben blijde, dat ik nu mijn gelofte niet gebroken heb! Ik heb u niets gezegd, alles is u door mevrouw de keurvorstin bekend gemaakt.quot;

„Ik prijs u wegens uw handelwijs, Jakob Uhle,quot; zei de keurvorst vriendelijk. „Ge hebt gehandeld als een braaf en trouw dienaar, en 't verheugt mij u op zulk een goeden weg te vinden.quot;

„Genadige heer,quot; riep Jakob Uhle met bewogen stem, „gij hebt mij op dien weg gebracht en ik zou al zeer slecht moeten zijn, zoo ik daarvan terugging. Ge hebt u genadiglijk over den armen, eenzamen wees ontfermd, en toen mijn vader en moeder mij verlieten, heeft uw doorluchtigheid mij als een vader behandeld.quot;

ocr page 202

196

„Herinnert ge u nog uw vader en moeder, Jakob Uhle?quot; vroeg de keurvorst.

„Neen doorluchtigheid,quot; zei Jakob treurig. „Den armen Klaus zie ik soms nog wel voor mij, met zijn treurige goede oogen en zijn zacht gelaat. Ik meen soms, dat hij mijn vader is geweest, hoewel hij het steeds loochende; maar als ik zoo over hem nadenk, zou mijn hai't kunnen breken van droefheid, want dan gevoel ik, dat hij mijn vader was, en . . . .quot;

„Stil, Jakob, denk hierover niet, en zoek niet te doorgronden, wat hij wilde verbergen,quot; zei de keurvorst plechtig. „Hij was een ongelukkig man, en zoo hij ooit een misdaad pleegde, heeft hij die door zijn berouw en zijn dood geboet, en is gegaan als een rechtvaardige in de woningen van den hemelschen Vader. Uw moeder was een edele, hooghartige vrouw, haar gedachtenis moet gij in eere houden, zoo lang gij leeft. Maar nu wij de dooden de eer hebben gegeven, willen wij aan de levenden denken. Ik hoop, dat ge u bedriegt in de ongesteldheid van den keurprins. Misschien is hij een weinig aangegrepen door de ziekten, die in ons legerkamp heerschen, maar hij zal bij een goede verpleging spoedig herstellen, en deze zal hem wel geworden, wanneer mevrouw de keurvorstin hier is.quot;

„Uw doorluchtigheid boude het mij ten goede, maar thans moet er alles uit wat mij op 't hart ligt,quot; zei Jakob Uhle haastig. „De beste verpleging is, dat prinses Charlotte van Koerland komt. Ik moet nu alles bekennen. Als de heer keurprins in de koorts ijlende is, roept hij steeds om zijn lieve Charlotte, bidt haar met aandoenlijke woorden tot hem te komen en zegt, dat zoo zij hem niet de liefde bewees van over te komen, hij zou sterven van verdriet.quot;

„Zegt hij dat?quot; vroeg de keurvorst op verheugden toon. „Nu, het verheugt mij dit van u te hooren, want als men den aard der ziekte kent, is het gemakkelijk geneesmiddelen te vinden. Ga nu, Jakob Unie, breng den heer keurprins mijn groete en mijn beleefd verzoek om dadelijk tot mij te komen.''

„Genadige heer keurvorst,quot; bad Jakob angstig, „uw doorluchtigheid zal mij toch niet verraden ?quot;

„Neen, Jakob,quot; antwoordde de keurvorst glimlachend,

ocr page 203

1U7

„ik zal u niet verraden. Ga, en doe uw boodschap, want ik verlang zeer mijn zoon te zien!quot;

„Hij is ziek van liefdesmart,quot; zei de keurvorst, toen de lijftrawant heen was gegaan. „De keurvorstin heeft volkomen gelijk, persoonlijk geluk is de kostbaarste bezitting, en wij willen het onzen zoon niet langer onthouden. Hij zal Charlotte hebben, en ik denk, dat zijn lieve moeder in den hemel tevreden zal zijn als ik hair lieveling, haar oudste den wensch zijns harten inwillig zonder op politiek en staatsbelang te letten.quot;

„Genadige heer vader, ge hebt mij laten roepen, hier ben ikquot; zei de keurprins, die juist binnentrad. De keurvorst richtte zijn oogen met een deelnemenden, onderzoekenden blik op zijn zoon, en een zware zucht kwam uit zijn borst.quot;

Ja, hij zag nu, dat de keurprins lijdende was. Zijn wangen waren ingevallen en men zag er die heillooze rozen op, die ook vroeger de wangen zijner moeder hadden gekleurd als voorbode van haar vroegtijdigen dood. Zijn oogen waren grooter geworden, zij flikkerden met een koortsigen glans, en daaronder vertoonden zich blauwe kringen.

„Mijn lieve zoon,quot; zei de keurvorst zacht, „ik heb u laten roepen, om u een aangename boodschap mede te deelen. Mevrouw de keurvorstin komt hier in 't legerkamp.quot;

„Mevrouw de keurvorstin komt hier in 't legerkamp!quot; herhaalde de prins, en het viel den keurvorst op, dat zijne stem, vroeger zoo helder en klaar, thans dof en heesch was. Thans, nu hij er acht op sloeg, zag hij eensklaps de smartelijke, treurige verandering in 't geheele wezen van zijn zoon. De zorgen en bezwaren, de ergernis en het verdriet van dezen mislukten veldtocht hadden de gedachten van den keurvorst zoo geheel vervuld, dat hij voor niets anders oogen had gehad. Maar wat hij thans zag en hoorde, vervulde hem met ongerustheid en smart.

„Verheugt het u, dat mevrouw de keurvorstin komt?quot; vroeg Friedrich Wilhelm.

De keurprins, die in diepe gedachten verzonken was, maar de vraag toch gehoord had, antwoordde met een vroolijken lach: „O, zeker, genadige heer, het zal hier in het legerkamp een lustig en heerlijk leven worden, als

ocr page 204

196

„Herinnert ge u nog uw vader en moeder, Jakob Uhle?quot; vroeg de keurvorst.

„Neen doorluchtigheid,quot; zei Jakob treurig. „Den armen Klaus zie ik soms nog wel voor mij, met zijn treurige goede oogen en zijn zacht gelaat. Ik meen soms, dat hij mijn vader is geweest, hoewel hij het steeds loochende; maar als ik zoo over hem nadenk, zou mijn hai't kunnen breken van droefheid, want dan gevoel ik, dat hij mijn vader was, en . . . .quot;

„Stil, Jakob, denk hierover niet, en zoek niet te doorgronden, wat hij wilde verbergen,quot; zei de keurvorst plechtig. „Hij was een ongelukkig man, en zoo hij ooit een misdaad pleegde, heeft hij die door zijn berouw en zijn dood geboet, en is gegaan als een rechtvaardige in de woningen van den hemelschen Vader. Uw moeder was een edele, hooghartige vrouw, haar gedachtenis moet gij in eere houden, zoo lang gij leeft. Maar nu wij de dooden de eer hebben gegeven, willen wij aan de levenden denken. Ik hoop, dat ge u bedriegt in de ongesteldheid van den keurprins. Misschien is hij een weinig aangegrepen door de ziekten, die in ons legerkamp heerschen, maar hij zal bij een goede verpleging spoedig herstellen, en deze zal hem wel geworden, wanneer mevrouw de keurvorstin hier is.quot;

„Uw doorluchtigheid boude het mij ten goede, maar thans moet er alles uit wat mij op 't hart ligt,quot; zei Jakob Uhle haastig. „De beste verpleging is, dat prinses Charlotte van Koerland komt. Ik moet nu alles bekennen. Als de heer keurprins in de koorts ijlende is, roept hij steeds om zijn lieve Charlotte, bidt haar met aandoenlijke woorden tot hem te komen en zegt, dat zoo zij hem niet de liefde bewees van over te komen, hij zou sterven van verdriet.quot;

„Zegt hij dat?quot; vroeg de keurvorst op verheugden toon. „Nu, het verheugt mij dit van u te hooren, want als men den aard der ziekte kent, is het gemakkelijk geneesmiddelen te vinden. Ga nu, Jakob Unie, breng den heer keurprins mijn groete en mijn beleefd verzoek om dadelijk tot mij te komen.''

„Genadige heer keurvorst,quot; bad Jakob angstig, „uw doorluchtigheid zal mij toch niet verraden ?quot;

„Neen, Jakob,quot; antwoordde de keurvorst glimlachend,

ocr page 205

1U7

„ik zal u niet verraden. Ga, en doe uw boodschap, want ik verlang zeer mijn zoon te zien!quot;

„Hij is ziek van liefdesmart,quot; zei de keurvorst, toen de lijftrawant heen was gegaan. „De keurvorstin heeft volkomen gelijk, persoonlijk geluk is de kostbaarste bezitting, en wij willen het onzen zoon niet langer onthouden. Hij zal Charlotte hebben, en ik denk, dat zijn lieve moeder in den hemel tevreden zal zijn als ik hair lieveling, haar oudste den wensch zijns harten inwillig zonder op politiek en staatsbelang te letten.quot;

„Genadige heer vader, ge hebt mij laten roepen, hier ben ikquot; zei de keurprins, die juist binnentrad. De keurvorst richtte zijn oogen met een deelnemenden, onderzoekenden blik op zijn zoon, en een zware zucht kwam uit zijn borst.quot;

Ja, hij zag nu, dat de keurprins lijdende was. Zijn wangen waren ingevallen en men zag er die heillooze rozen op, die ook vroeger de wangen zijner moeder hadden gekleurd als voorbode van haar vroegtijdigen dood. Zijn oogen waren grooter geworden, zij flikkerden met een koortsigen glans, en daaronder vertoonden zich blauwe kringen.

„Mijn lieve zoon,quot; zei de keurvorst zacht, „ik heb u laten roepen, om u een aangename boodschap mede te deelen. Mevrouw de keurvorstin komt hier in 't legerkamp.quot;

„Mevrouw de keurvorstin komt hier in 't legerkamp!quot; herhaalde de prins, en het viel den keurvorst op, dat zijne stem, vroeger zoo helder en klaar, thans dof en heesch was. Thans, nu hij er acht op sloeg, zag hij eensklaps de smartelijke, treurige verandering in 't geheele wezen van zijn zoon. De zorgen en bezwaren, de ergernis en het verdriet van dezen mislukten veldtocht hadden de gedachten van den keurvorst zoo geheel vervuld, dat hij voor niets anders oogen had gehad. Maar wat hij thans zag en hoorde, vervulde hem met ongerustheid en smart.

„Verheugt het u, dat mevrouw de keurvorstin komt?quot; vroeg Friedrich Wilhelm.

De keurprins, die in diepe gedachten verzonken was, maar de vraag toch gehoord had, antwoordde met een vroolijken lach: „O, zeker, genadige heer, het zal hier in het legerkamp een lustig en heerlijk leven worden, als

ocr page 206

200

kreet en snelde op den keurvorst toe, sloeg zijn armen om den hals van zijn vader en drukte een langen, tee-deren kus op zijn lippen.

„Ik dank u, vader, ik dank u, en als het in de ver-hevenste, heiligste oogenblikken van zijn leven een zoon vergund is zoo tot zijn vader te spreken, zeg ik; Gods zegen zij op u, mijn vader! Gods zegen, want ge hebt uw zoon het leven wedergegeven. Nu wil ik het u bekennen, mijn lieve goede vader, ik was ziek. Ik verlangde naar Charlotte, ik treurde en dit maakte mij zwak en ellendig. Zie, nu is alles weder goed, ik gevoel reeds dat nieuwe gezondheid en levenskracht door mijn aderen vloeien. O, mijn hartelijk geliefde vader, ik dank u voor mijn geluk, wees er voor gezegend!quot;

Hij legde zijn hoofd aan de borst zijns vaders, en onderdrukte de tranen niet, die eensklaps uit zijn oogen vloeiden. De keurvorst legde zacht zijn hand op het donker krullend haar van zijn zoon, en Friedrich Wilhelms donkerblauwe oogen richtten zich hemelwaarts. „Ziet ge ons, verheerlijkte geest mijner Louise!quot; sprak hij, „Ziet uw blik vol liefde neder en geeft gij ons den zegen? Heb ik nu mijn woord gehouden, heengegane geliefde, heb ik de belofte vervuld, welke ik u op uw sterfbed gaf, de belofte uw zonen tot goede, nuttige menschen op te voeden. Zie hier den zoon uws harten, hij weent niet van smart, maar van geluk, en ik mag het u zeggen, mijn Louise, hij is een goed mensch, in wien allen welgevallen hebben, en zal eens voor zijn volk en zijn land een goed vorst zijn. Zegen hem, mijn Louise, geef hem en ons allen een vroom en deemoedig hart, opdat wij erkennen, dat al het goede en schoone niet door eigene verdiensten wordt verkregen, maar ons door Gods genade en goedheid wordt gegeven! Amen!quot;

„Amen!quot; herhaalde Garl Emil. O, welk een volheid van vreugd en geluk lag in den toon zijner stem! „Ach mijn lieve vader, het is of zulk een rijke hoorn van geluk over mij is uitgestort, dat het mij de borst samenperst en de ademhaling belemmert. Charlotte komt als mijn bruid, zeg mij, wanneer komt zij ?quot;

„In twee, drie dagen misschien.quot;

„Zeggen wij in drie dagen, en denk eens hoe lang dit nog is, maar zou het niet betamelijk zijn de dames een

ocr page 207

201

dagreis te gemoet te gaan, en ze in te halen in het legerkamp en ze met militaire eer te ontvangen? Wees zoo goed, hartelijk geliefde vader, en beveel mij de dames een dagreis ver te gemoet te gaan.quot;

„Het zij zoo, mijnheer de bruidegom, ga uw bruid le gemoet tot Türckheim.quot;

Hij jubelde, verrukt kuste hij zijns vaders handen! Maar wat was het, dat hem eensklaps zoo deed verstommen, dat hem deed wankelen en zwaaien als een dronken mensch?

„Mijn zoon, wat deert u ? Wat overkomt u?quot;

„Niets, vader, o stellig, het is niets.quot;

Met bevende hand greep hij naar zijn met koud zweet bedekt voorhoofd, en zijn oogen werden strak.

„Vader, zoo ik toch ziek was, zoo het geluk mij doodde!quot;

„O neen, mijn zoon, het geluk doodt niet, het maakt gezond.quot;

„Ge hebt gelijk, zeker! Het is slechts de vreugde, die mij een oogenblik zwak heeft gemaakt. Ik ben gezond, maar nog zoo weinig gewoon het geluk te dragen. Ik zal het leeren, want mijn Charlotte, mijn geliefde Charlotte, zal het mij helpen dragen. Nu ben ik weer wél. Laat mij nu naar buiten in de lucht. Te paard! te paard!quot;

Hij snelde naar de deur en wilde ze openen, maar weder wankelde hij. „Groote God in den hemel, het is toch waar, ik ben ziek! Het is de dood, de dood die in mijn inge-gewanden woelt!quot;

Zijn oogen sloten zich en hij zonk bewusteloos in de armen van den keurvorst. Deze hief hem met reuzenkracht op en drukte hem aan zijn hart, droeg hem naar een leunstoel en legde hem er zacht op neer.

Zijn oogen waren gesloten, de adem kwam zwaar en hijgend uit zijn borst. De keurvorst riep om hulp; edellieden snelden uit de voorkamer binnen, men zond om den lijfarts, docter Weisz, die dadelijk kwam.

Hij onderzocht den pols, luisterde naar de borst en betastte het met koud zweet bedekte voorhoofd en de brandende slapen. „Ik vrees, doorluchtigheid, dat het de hospitaalkoorts is, die in het leger woedt. Zijn polsen kloppen heftig, zijn bloed is in vreeselijke gisting. De grootste rust is noodzakelijk, want de overspannen zenuwen kunnen niets meer verdragen. Ik zou u raden, den heer keur-prins hier niet te Kolmar te laten, te midden van het

ocr page 208

202

woelige soldatenleven, 't Zou beter zijn hem naar Straatsburg te brengen, doch zoo spoedig mogelijk.quot;

„Nog heden zal het geschieden,quot; riep de keurvorst.

„Dat zou het beste zijn, doorluchtigheid, en met zoo weinig opzien als mogelijk is, opdat geen gerucht hem bindere. Zoo het uw doorluchtigheid behaagt, reis ik vooruit om te Straatsburg het kwartier in gereedheid te brengen, en dan kan de keurprins in zijn rijtuig, begeleid van zijn gewoon dienstpersoneel, volgen.quot;

„Zijn kamerdienaar en de lijftrawant Jakob Uhle zullen met hem rijden.quot; zei de keurvorst.

„En ook zijn lijfkok, als ik verzoeken mag, doorluchtigheid. Het is noodzakelijk, iemand te hebben, die nauwkeurig volgens opgave de spijzen voor den prins bereidt.quot;

„Alles zal geschieden gelijk ge verordendt. Maak slechts mijn lieven zoon weder gezond! Mijn hemel, hij beweegt zich nog altijd niet! Docter, hij is toch niet dood?''

„Hij ademt, doorluchtigheid, hij brandt als vuur. Bet is de koorts, die hem nu sprakeloos maakt maar latei-zal zij hem maar al te spraakzaam maken. Het zou goed zijn, zoo men den heer keurprins vooreerst naar zijn woning en in zijn bed bracht. Zoo er nu maar iemand was, sterk genoeg om hem te dragen.quot;

„Ik ben er, mijnheer de lijfarts,quot; riep de lijftrawant Jakob Uhle, die aan de open deur stond en met treurigen blik naar den prins gezien had. Hij baande zich een weg door de hovelingen en naderde den leunstoel, waarin de prins lag.

„Laat ons liever een draagbaar halen,quot; zei de keurvorst.

„Neen, doorluchtigheid,quot; antwoordde Jakob schielijk, dat zou ophouden en de hoofdzaak is, dat de prins spoedig ter rust komt. Ik weet dit, want het is niet de eerste keer, dat ik hem zoo zie. Hij ligt op mijn armen ook zachter dan op de draagbaar.quot;

En de lijftrawant beurde met zijn sterke armen den prins op; krachtig als een man, en zacht en teeder als een moeder, drukte hij hem aan zijn hart, gaf den lijfarts een teeken, dat hij hem volgen zou, en droeg, zonder moeite, den keurprins weg. De arts volgde hem, terwijl hij de overige edellieden, die allen vol deelneming volgen wilden, te kennen gaf, dat niemand met hem mocht gaan, daar de grootste rust voor den prins noodzakelijk was.

ocr page 209

203

Het kwartier van den prins was gelukkig slechts weinige huizen van de woning des keurvorsten verwijderd. Jakob Uhle had spoedig den korten afstand afgelegd, en droeg met behulp van een kamerdienaar, den prins naar zijn bed. Carl Emil, die nog altijd bewusteloos had gelegen, opende de oogen, zag met een wilden blik om zich heen en begon eensklaps luid te lachen.

„Nu komt het,quot; fluisterde Jacob Uhle. „Nu zal hij weder ijlen.quot;

,,Wij zullen hem terstond een verkoelenden drank gereed maken,quot; zei de lijfarts. „Waar is de kok? Roep den kok hier. Wij moeten ijs hebben, om hem op 't hoofd te leggen.quot;

Jacob Uhle had juist voorspeld, de keurprins begon nu in de koorts te razen en te ijlen. Hij schreide en lachte, hij zou uit zijn bed zijn gesprongen, zoo de sterke armen van den lijftrawant hem niet vastgehouden hadden, maar hij was woedend en sprak van verraders, die hem gevangen en gebonden hielden.

De kok Lorand hoorde en zag wat er gebeurde, terwijl hij van den lijfarts het bevel ontving om den verkoelenden drank gereed te maken. Hij naderde een oogenblik het bed en zag met een treurig gezicht op den prins neder.

„Hij is ziek, zeer ziek, onze beste keurprins,quot; zuchtte hij smartelijk en streek de hand over zijn oogen, als wilde hij zijn tranen wegwisschen; toen sloop hij langzaam de kamer uit.

„Hij is ziek, zeer ziek,quot; herhaalde Lorand, toen hij in de keuken was. Maar nu was zijn gezicht niet smartelijk maar triumfeerend en vroolijk, hij had geen traan in zijn oogen, maar een glimlach op zijn lippen.

„Hij heeft genoeg,'quot; mompelde hij, terwijl hij ijverig bezig was den drank gereed te maken. Nauwkeurig naar het voorschrift van den arts bereidde hij dien. Toen hij al de hem voorgeschreven ingredienten dooreen had gemengd, nam hij uit een doosje nog een vingerhoed vol en voegde het bij den drank. Misschien was het suiker, want het zag er wit uit en loste schielijk op.

Lorand lachte toen hij het zag.

„Geen spoor blijft er van over,quot; mompelde hij, „en toch zal het werken, en maken dat er ook van hem spoedig geen spoor meer overblijft. Ik geloof, dat ik hier spoedig

ocr page 210

204

genoeg gedaan zal hebben, want de dood heeft hem reeds in zijn klauwen. Slechts nog heden avond den nachtdrank een weinig gekruid, en dan is het genoeg, dan zal de natuur het overige doen! Ik heb mijn belofte vervulden de tien duizend francs verdiend. Ik ga naar Berlijn om ze in ontvangst te nemen en zoo mademoiselle Martin ze mij weigert, spreek ik. Maar neen, zij zal wel betalen, en ik zal reisgeld hebben om naar Frankrijk, naar mijn geliefd Frankrijk weder te keeren, en daar eene zaak op te richten. Zoo gaat het in de wereld. Wat den eenen doodt, maakt den anderen levend. Hem doodt mijn poedertje en mij geeft het een nieuw leven! Ge zult drinken, mijn prinsje,quot; zeide hij, terwijl hij den drank in den porseleinen kop goot, „ge zult het eeuwige leven en de eeuwige zaligheid drinken! Hei! wat schreeuwt en raast hij. Nu, mijn drank zal hem wel tot rust brengen!quot;

En hij snelde met den kop naar de ziekenkamer en naar het bed, waarop de keurprins in een ijlende koorts woedde en raasde. Met moeite gelukte 't hem den drank in te geven, maar nog voor dat hij dien had ledig gedronken, kwam een nieuwe aanval. Jakob Uhle moest zich haasten den kop op de tafel naast het bed te zetten om den prins, die heftig om zich heen sloeg, te bedwingen. Lorand wilde hem behulpzaam zijn, doch hij stiet in zijn ijver tegen de tafel, de kop viel om, en de rest van den drank stroomde op den grond.

Den volgenden dag, toen de koorts had uitgewoed geleidde men den prins naar Straatsburg. De lijfarts, de kamerheer Dietrich von Buch, Jakob Uhle en de kamerdienaar begeleidden hem; de kok Lorand volgde hen met den keuken wagon.

VII.

DE DOOD VAN CARL EMIL.

„Zijt ge er eindelijk, mijn lieve Dorothea,quot; zei de keurvorst, terwijl hij de keurvorstin teeder in zijn armen sloot. „Ik zie u eindelijk weer, en uw gezicht zal mij troosten voor veel ongemak en leed.

ocr page 211

205

„Ach, dat het zoover komen moest,quot; zuchtte de keurvorstin. „Ik wist wel, dat deze onzalige veldtocht tegen Frankrijk geen geluk zou brengen, maar dat hij zoo treurig en rampspoedig zou zijn, had ik niet gedacht. De keurprins is ziek, niet waar, dit is het leed dat mijn dierbaren heer drukt?quot;

„Ja, de keurprins is ziek,quot; zuchtte Friedrich Wilhelm.

„Kom, laat ons dadelijk tot hem gaan,quot; zei Dorothea. „Ik verlang hem te begroeten en de arme Charlotte bericht te geven. Ge hebt wel gezien hoe bleek zij werd, toen gij, mijn dierbare gemaal, zonder den keurprins, ons te gemoet kwaamt. Ik zag, dat haar de tranen in de oogen stonden en zij nauwelijks een woord kon spreken. Ik heb medelijden met het arme kind, en verzoek u dus, laat ons tot onzen zoon gaan om haar bericht te brengen.quot;

„Carl Emil is niet te Kolmar, Dorothea. Wij hebben hem eergisteren naar Straatsburg gebracht, omdat hij daar meer rust en ook beter verzorging en verpleging kan hebben. Zijn huis is medegegaan en Jakob Uhle heeft bevel dagelijks hierheen te rijden om bericht van den toestand te geven.quot;

„Welke ziekte heeft hij? waaraan lijdt hij?quot;

De keurvorst haalde de schouders op. „De dokter kan ons nog geen bepaalde verklaring geven. Hij vreest wel, naar de verschijnselen, dat het hospitaalkoorts kan worden, maar hoopt deze erge ziekte nog te voorkomen door krachtige geneesmiddelen en oplettende verpleging. De goede God geve het, want ik zeg u, Dorothea, er is in mijn hart een smartelijk gevoel, als ik aan de mogelijkheid denk, dat mijn zoon zal sterven. Hij was mijn hoop voor de toekomst, mijn vreugd voor het tegenwoordige, ik zag in hem een edel en waardig opvolger, ik hoopte dat .in mijn Carl Emil het zaad, dat ik met zooveel moeite had gezaaid, tot een fraaien en heerlijken oogst zou rijpen en vruchten geven! En nu zou ik de ramp beleven, dat de jonge stam verdorde, nu nauwelijks het zaad begint te ontkiemen! Neen, Dorothea, ik kan en mag er niet aan denken, het verscheurt mijn hart!quot;

De keurvorst bedekte zijn gelaat met beide handen, beschaamd de tranen verbergende, die over zijn bruin verweerde wangen liepen.

ocr page 212

206

Dorothea stond naast zijn leunstoel en zag op hem neder met verduisterd en somber gelaat. Dat hij om zijn zoon klaagde, was natuurlijk, maar om den opvolger! Bleven er nog niet meer zonen over! Twee zonen van de doode mededingster, de eene een gebrekkige, met scheeve schouders, de andere een knaapje, ziek en zwak! Maar had hij buitendien nog niet drie zonen, /iaar zonen? En waren deze niet sterk en krachtig? Al mochten de ziekelijke zonen van den grooten keurvorst sterven, aan een opvolger zou het hem immers niet ontbreken. Drie zonen had zij hem geschonken, drie sterke, gezonde prinsen, en haar oudste was slechts drie jaar jonger dan de jongste zoon barer doode mededingster. En Philip zou een waardig opvolger van zijn vader zijn. Waarom dus geklaagd over den stervenden opvolger, nu er nog andere geliefde zonen waren, om de plaats van den stervenden in te nemen!

Haar woorden verrieden niets van de gedachten, die haar bezig hielden, toen zij op den weenenden keurvorst nederzag. Toen hij zijn hoofd ophief, boog zij zich lot hem en zocht hem te troosten met deelnemende, teedere woorden, en de diepbedroefde vader leunde met zijn hoofd tegen haar schouder en luisterde naar de stem, waarnaar hij zoo lang verlangd had.

Eensklaps werd de deur geopend en prinses Charlotte van Koerland snelde binnen, bleek, met een door tranen overstroomd gelaat.

„Vergeving, genadige hoogheden,quot; riep zij snikkend. „Uhle is er en brengt een zeer treurige tijding.quot;

„Welke tijding?'' riep de keurvorst oprijzend. „Waar is Jakob Uhle?quot;

„Hier ben ik, doorluchtigheid,'' zei de lijftrawant, die door de open deur den roep van den keurvorst had gehoord en uit de belendende kamer binnen trad. „Hier ben ik, en verzoek vergeving, dat ik aan de prinses de treurige berichten heb medegedeeld. Maar zij moest ze toch vernemen, en de heer keurprins heeft mij bevolen, dat ik de prinses zelve moest spreken.quot;

„Hoe gaat het mijn zoon, Jakob?quot; vroeg de keurvorst.

„Ach, genadige oom,quot; snikte Charlotte, hij is ziek, zeer ziek, bij verlangt naar mij en laat mij vragen bij hem te komen, om — God, ach God, ik kan het niet zeggen — om —quot;

ocr page 213

207

„Jacob Uhle.quot; vroeg de keurvorstin, „is het waarlijk zoo erg met onzen zoon?quot;

„Mevrouw de keurvorstin, ik heb nog slechts ééne hoop. Het is de prinses Charlotte! Misschien maakt de vreugd hem weder levend en geeft hem nieuwe kracht. De docter zegt, 't is mogelijk dat een onverwachte opgewondenheid zijn levensgeesten weder versterkt en verfrischt; drankjes willen niet meer baten.quot;

„Ach, mijn genadige heer oom, genadige keurvorstin,quot; smeekte Charlotte, terwijl zij op haar knieën viel en haar gevouwene handen tot het keurvorstelijk paar ophief, „ik bid u, laat mij den lieven Emil nocr eenmaal zien!quot;

„Dat is ondoenlijk en onbetamelijk,quot; riep de keurvorstin levendig. Ge kunt er toch orimogelijk aan denken, prinses, om den zieken prins te bezoeken en voor zijn bed te gaan.quot;

„Ik smeek het u, doorluchtigheid,quot; zei Charlotte. ,.Wat deert het mij, wat de menschen zullen zeggen, die hem niet beminnen. Ik bemin hem, en gij wildet mij hem tot gemaal geven. Geef hem mij nu als ziekenverpleegster. Hij heeft mij noodig, hij verlangt naar mij. Ach, genadige hoogheden, laat mij tot hem gaan, laat mij hem in zijn smart troosten, laat mij zien of mijn gebeden, mijn liefde, mijn tranen den somberen dood van zijn bed kunnen verdrijven. Ik sterf duizend dooden zoo ik hem moet zien sterven, en toch wil ik het op mij nemen, toch zal ik niet klagen, niet weenen, ik zal alles moedig doorstaan, als ik slechts bij hem zijn mag. Ach, tante Dorothea, gij zijt een vrouw, en uw hart is vol liefde. Denk eens, zoo gij vernaamt dat een uwer dierbare zonen ziek was en om u riep in zijn lijden, zoudt ge niet al het overige niets achten om tot hem te gaan?quot;

„Spreek niet zoo van mijn zonen,quot; riep Dorothea huiverend, „doe mij niet denken aan de mogelijkheid, dat zij ziek konden worden, terwijl ik niet bij hen ben!quot;

„Maar als dat zoo was, zou dan de liefde der moeder niet machtiger zijn dan elk ander gevoel? Ik bemin mijn Carl Emil, nu hij ziek is, als een moeder haar kind bemint, dat zij verplegen, vertroosten, voor 'tweik zij sterven wil. Ach, lieve oom, ontterm u over mij.quot;

„Ach, genadige doorluchtigheid,quot; smeekte Jakob Uhle, „verhoor de lieve prinses, laat haar tot onzen keurprins gaan, opdat zij hem trooste, misschien redde!quot;

ocr page 214

208

„Het gaat niet, het kan niet,quot; riep de keurvorstin. „Het zou tegen alle betamelijkheid en gebruik strijden. Of ik zou zelf met de prinses moeten gaan, en daarvoor gevoel ik mij na deze lange reis te zeer vermoeid.quot;

„De docter laat ook niemand binnen,quot; merkte Jacob Uhle haastig op. „Zelfs de kamerheer von Buch heeft hij de deur gewezen, alles moet stil en rustig om hem zijn. Slechts voor de prinses wil hij een uitzondering maken, omdat de prins, in zijn ijlen altijd van haar spreekt, en haar zoo smeekend tot zich roept.quot;

„Hoort ge het, hij roept mij, hij roept mij,quot; jammerde Charlotte. „Laat mij gaan. Wees niet wreed, laat mij gaan.quot;

De keurvorst had met de handen voor zijn gelaat stil en treurig gezeten. Nu liet hij zijn handen nederglijden en toen hij Charlotte op haar knieën zag, ging hij naar haar toe, hief haar zacht van den grond op en drukte haar in zijn armen.

„Ge hebt een moedig en onverschrokken hart, Charlotte,quot; zeide hij, „en daar ge met den dood wilt gaan strijden om uw geliefde, mag men u dit niet beletten.quot;

„Maar, mijn gemaal!quot; riep de keurvorstin.

„Stil, Dorothea,quot; zei Friedrich zacht maar beslist. „Er zijn oogenblikken in 't leven, waarin slechts naar de stem van God en ons geweten moet worden gehoord, en niet naar het geschreeuw en den spot der menschen. Voor Charlotte is zulk een oogenblik gekomen, en zoo zij naar onzen zoon wil gaan, zullen wij 't haar niet beletten. Als hij geneest, wordt zij zijn gemalin en hij zal haar dan voor de groote liefde danken, welke zij hem toedraagt. Als hij sterft, 'tgeen God in zijn genade moge verhoeden, heeft zij voor haar volgend leven het bewustzijn, dat zij haar geliefde de laatste levensuren verzoet heeft, dit zal haar dan tot troost zijn en kracht geven in haar leed.quot;

„Gij beveelt dus, mijn gemaal, dat ik, nu ik u nauwelijks begroet heb, weder vertrekke? vroeg de keurvorstin. „Want als de prinses naar Straatsburg tot den zieken keurprins gaat, moet ik haar natuurlijk vergezellen, hoewel de deur der ziekenkamer, gelijk de lijftrawant meent, voor mij gesloten blijft.quot;

„Neen, Dorothea, gij zult de prinses niet vergezellen,quot; antwoordde Friedrich Wilhelm bedaard. „Gij blijft bij mij, want ik heb uw vertroostende nabijheid zeer noodig. Geef

ocr page 215

209

haar een uwer dames ter begeleiding mede, en de lijf-trawaat Jacob Uhle zal naast het rijtuig rijden met nog drie andere lijftrawanten.quot;

„Ik heb slechts ééne dame medegebracht, mijn getrouwe Martin. Maar het geschiede gelijk uw doorluchtigheid zegt, mademoiselle de Martin moge de prinses vergezellen.quot;

„Ik dank u, genadige keurvorstin, ik dank u,quot; riep Charlotte, de handen der keurvorstin aan haar lippen drukkende. Beveel nu dat ik dadelijk vertrekke. Iedere minuut, welke ik niet bij hem ben, is verloren. Ach, laat mij gaan, ge hebt het gehoord, hij roept mij, hij verlangt naar mij !quot;

„Men zal dadelijk alles voor het vertrek gereed maken,'' beval de keurvorst.

„Keurvorstelijke doorluchtigheid,quot;' zei Jacob Uhle, ik heb reeds voor alles gezorgd, want ik wist wel, dat mijn lieven keurprins zijn smeekend verzoek niet zou worden geweigerd, en de prinses tot hem zou komen. Het rijtuig staat gereed en de lijftrawanten zal ik terstond halen. In vijf minuten kunnen wij vertrekken.

„Ik ben gereed, niets houdt mij meer terug, riep de prinses „Ik heb slechts éénen wensch, zoo spoedig mogelijk bij hem te zijn. Ik bid u, mevrouw de keurvorstin mejulfrouw de Martin te bevelen, zich te haasten.quot;

„Martin is altijd gereed, als zij een goed werk moet doen,quot; zei de keurvorstin, „Maak u slechts gereed, prinses, en wees verzekerd, dat ge uw begeleidster reeds beneden bij 't rijtuig zult vinden.quot;

„Ga dan tot mijn zoon, Charlotte,quot; riep de keurvorst bewogen. „Breng hem uw liefde en verzeker hem ook van de mijne. Zeg aan Emil, dat mijn hart treurig is wegens zijn lijden, en ik hem dringend laat verzoeken zich te ontzien, zich niet op te winden, zich bedaard te houden en alles te doen wat de geneesheeren hem voorschrijven. Zeg hem, dat hij de hoop is mijner toekomst en ik God om zijn genezing smeek. Ga, mijn dochter, Gods zegen zij met u.quot;

Vijf minuten later sleeg de prinses in het rijtuig, dat haar naar Straatsburg zou voeren. Mademoiselle Martin zat tegenover haar op de voorste bank.

Geen woord werd er gesproken. Prinses Charlotte leunde

Muhlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. V. 14

ocr page 216

240

met bedekt hoofd, in den hoek van 't rijtuig; Martin zat stijf en recht tegenover haar. Haar vaai gelaat was bewegingloos en koel als altijd. Haar dunne, bloedelooze lippen waren vast opeen gedrukt; haar laag voorhoofd was helder en onbewolkt, slechts uit haar oogen glom een heilloos vuur en flikkerden somwijlen hoon en spot, als zij op de prinses nederzag.

Op al de pleisterplaatsen stonden voor het rijtuig wissel-paarden reeds gereed, en iederen nieuwen postiljon werd door Jakob Uhle dubbel drinkgeld beloofd zoo hij den afstand in de helft van den bepaalden tijd aflegde.

Bij elke halte richtte zich de prinses uit haar hoek op én sloeg den sluier weg, om aan Jakob Uhle te vragen, of men nog niet te Straatsburg was.

Jakob Uhle troostte de arme bevende prinses. Hij zeide haar, dat men nu spoedig aan het doel zou zijn en de prinses nog slechts een weinig geduld moest hebben, daar de groote toren van Straatsburg reeds zichtbaar was.

Steeds verder rolde het rijtuig en vele uren verstreken eer het doel bereikt was.

Eens, in de overweldigende smart haars harten schreeuwde de prinses luid en richtte zich op alsof zij het rijtuig wilde openen om er uit te springen,

„Genadige prinses,quot; zei Martin, haar zacht op haar plaats nederdrukkende. „Ik smeek u, wees bedaard. Mevrouw de keurvorstin heeft mij bevolen over u te waken en ik moet bij haar voor u instaan.quot;

„Gevoelt ge dan niet wat ik lijd, Martin?'' vroeg Charlotte in tranen losbrekende. „Ik wenschte vleugels om tot hem te vliegen en moet langzaam over de aarde kruipen, o, ik zou wel jaren van mij a leven willen geven, zoo ik daarmede een paar uren eerder bij hem kon zijn.quot;

„Het is uw eerste smart, prinses, en daarom gevoelt ge die zoo heftig,quot; zei Martin, de schouders ophalende. „Als men veel geleden heeft, weet men dat geduld de eerste noodzakelijkheid in het leven is en men zijn hart moet leeren beheerschen.quot;

,,Ge hebt nooit bemind. Martin,quot; zuchtte Charlotte.

Een flauw lachje gleed over 't gelaat van Martin.

„Ik heb bemind en bemin nog,quot; zeide zij met fiere kalmte.

„Ge bemint nog? Wien?quot;

ocr page 217

211

„De keurvorstin Dorothea,quot; antwoordde Martin, en een zonderlinge glimlach verhelderde haar koel, strak gelaat.

„Genadige prinses!quot; riep Uhle, op het rijtuig toeren-nende, „thans is bijna het doel bereikt. In vijf minuten zijn wij te Straatsburg.quot;

„Goddank!'' zuchtte Caroline, haar handen vouwende. „Nu geve de goede God, dat ik hem ten minste nog levend ontmoet. Als de dood hem nog niet gegrepen heeft, zal mijn liefde met hem worstelen om het bezit van mijn geliefde! De liefde is sterk en vol goddelijke kracht!quot;

,,De dood is sterker dan de liefde,quot; zei Martin het hoofd schuddende. Charlotte zag niet hoe triumfantelijk haar oogen glinsterden, want zij had zich uit het portier gebogen,' om vol ongeduld naar de stad uit te zien.

Eindelijk reed het rijtuig door de hooge, lange vestingpoort Straatsburg binnen, en hield weldra voor het huis stil, dat prins Carl Emil bewoonde.

Eenzaam stond dat huis met neergelaten gordijnen. Zonder de hulp der lakeien af te wachten, opende de prinses zelf het portier, sprong er uit en snelde het huis binnen. Jakob Uhle was van zijn paard gesprongen en vooruit gegaan om de komst der prinses aan te kondigen, en nu kwamen de kamerheer Dietrich von Buch en de lijfarts Weisz toeloopen om de prinses te ontvangen en eerbiedig te begroeten.

„Hoe gaat het den prins?quot; vroeg zij buiten adem. „Is hij beter? Verlangt hij naar mij?quot;

De beide heeren antwoordden niet, hun treurig voorkomen en zuchten zeiden genoeg. De prinses verstond dit stomme antwoord, zij omsluierde haar hoofd en stond zoo langen tijd, strijdende met haar smart en zich geweld aandoende om bedaard te blijven.

Eindelijk na een lange pauze, richtte zij zich op. „Ik wil hem zien,quot; zeide zij. „Laat mij terstond bij hem! Weet hij dat ik hier ben ?quot;

„Genadige prinses,quot;' antwoordde de docter de schouders ophalend, „sedert gisteren weet hij niets en ligt stil.

„Is hij dood?quot; vroeg zij verschrikt.

„Neen doorluchtigheid, 't is een zijner gewone aanvallen, maar hij duurt ditmaal langer. Misschien is het een gelukkige krisis die tot genezing voert.quot;

„Of de dood, niet waar, wilt ge zeggen?quot;

ocr page 218

212

„Prinses, de keurprins is nog jong en krachtig, misschien overwint hij den dood!quot;

Wat een wreede glimlach vloog over het gelaat van mademoiselle Martin, die achter de prinses in de deur stond! Met wat zonderlinge uitdrukking trad zij achteruit in de voorkamer en drukte de deur zacht aan, of zij de

Erinses wilde bewaken en behoeden, dat vreemde oogen aar diepe smart zouden zien.rinses wilde bewaken en behoeden, dat vreemde oogen aar diepe smart zouden zien.

Want er waren vreemde oogen, die haar gadesloegen, vreemde oogen, hoewel het slechts de oogen van een ondergeschikte en dienaar van den keurprins waren. De kok Lorand was in de voorkamer, hij naderde mademoiselle de Martin en zag haar aan met een flikkerenden boos-aardigen blik.

„Hij zal den dood niet overwinnen, mademoiselle,quot; zeide hij zacht.

Zij knikte zwijgend met het hoofd, maar haar gelaat bleef. bewegingloos, koud en onverschillig. Niemand kon weten of zij hem hoorde, of zij slechts verdiept was^in haar gedachten.

„Het was een moeielijk werk,quot; ging Lorand na een pauze voort, „het heeft menigmaal mijn hart geroerd hem ^oo met den dood te zien worstelen, en soms had ik een gevoel van medelijden, zoodat ik liever van de geheele geschiedenis afgezien en hem het leven, dat hij zoo beminde, teruggegeven had. Maar dan dacht ik aan u, wie ik met een heiligen eed gezworen had het werk ten einde te brengen en daarmede tienduizend francs te verdienen. Ik heb voor den armen jongen prins dagelijks zijn drank gekruid en ben om uwentwille onverbiddelijk geweest.quot;

„Hoort ge mij, mademoiselle?quot; vroeg Lorand ongeduldig, en toen Martin in haar zwijgen volhardde ging hij levendiger voort: „Ik zou u niet raden, het te doen voor komen, of ge mij niet verstond of te loochenen wat tusschen ons is afgesproken. Indien ge het waagde, mij het geld te onthouden, klaag ik u aan en verhaal den keurvorst wie de moordenaars van zijn zoon zijn, onverschillig of ik gehangen word of niet; ge zult dan ten minste met mij aan de galg komen, mijn lieve mademoiselle Martin. Ik zal dan in goed gezelschap ter helle varen. Daarom raad ik u wees zoo goed uw zwijgen te verbreken, en uw lieven vriend Lorand, gelijk ge mij zoo

ocr page 219

213

dikwerf genoemd heb, te groeten. Geef niij het verdiende geld, want ik zeg u, mademoiselle, het is hoog tijd, dat ik van hier ga. De kamerdienaar bespiedt mij reeds acht dagen en sluipt mij na als ik naar de keuken ga, en de kamerheer von Buch heeft mij heden met zulk een wantrouwenden en dreigenden blik aangezien, dat ik er bang van werd. Ik gevoel het, zij verdenken mij. Als de prins dood is, zal het lijk verraden waaraan hij gestorven is en dan zal men mij vatten en aanklagen. Ik moet weg, eer hij gestorven is, voor de zwarte plekken op het doode lichaam verschijnen. Ik weet dat zij komen, ik heb het reeds eens beleefd, en had monsieur le duo de Phentièvre niet terstond na't overlijden zulke zwarte vlekken gekregen, dan zou het niemand ingevallen zijn mij te beschuldigen, en dan leefde ik thans nog ongestoord als een man van eer in mijn geliefd Parijs. Ik moet weg voor de prins sterft, anders ben ik verloren en ik zeg u, dat, zoo men mij in hechtenis neemt, ik u niet alleen aanklaag, maar ook mevrouw de keurvorstin, die de eigenlijke moordenares is.quot;

Nu kwam er leven en beweging in de stijve zwijgende gestalte van Martin, nu bliksemden haar oogen van toorn en zij sloeg zulk een dreigenden, woedenden blik op Lorand, dat deze terugschrikte alsof het oog van een basiliskus hem getroffen had.

„Waag het een enkel woord tegen mevrouw de keurvorstin te spreken, en ge zijt een verloren man,quot; fluisterde zij, en Lorand meende werkelijk het sissen eener slang te hooren. „Ellendig, verblind mensch, weet ge niet, dat mevrouw de keurvorstin u met schande uit haar dienst heeft ontslagen, dat zij in een eigenhandig schrijven den keurprins voor uw slechtheid gewaarschuwd heeft? En haar doorluchtigheid wilt ge aanklagen? Ge zult met gloeiende tangen geknepen, door wilde paarden vaneen gescheurd worden! Denk niet, dat de keurvorst uw schandelijke aanklacht zal gelooven. Weet, dat hij u zal straffen met den pijnlijksten dood, dien de rechters bedenken kunnen! Nog één woord en ik roep den kamerheer von Buch uit de belendende kamer en ik zal u beschuldigen, onverschillig of ik zelf hierdoor in 't verderf kom. Wat is er mij aan gelegen! Ik heb mijn doel bereikt! Ik heb mij gewroken! De keurprins heeft mij jaren lang met

ocr page 220

214

spot en hoon vervolgd, hij heeft mij een heks genoemd, en ik heh gezworen mij te wreken. Ik heb mijn eed vervuld, de booze heks heeft zijn graf gedolven. Door uw hand, booswicht^ verworpeling! Gij zijt het ellendig, verachtelijk werktuig mijner wraak. Neem uw zondeloon en vaar ter helle!quot;

Zij liet een met goudstukken gevulde beurs op den grond vallen. Lorand sprong er als een tijger op toe, nam ze op en verborg ze haastig in zijn gewaad.

„Ge hebt immers goed geteld, mademoiselle de Martin ? Er zijn toch wel tienduizend franc?quot;

Zij antwoordde niet, zij was weer in haar strakheid en bewegingloosheid verzonken. „Ik maak mij nu uit de voeten,quot; fluisterde Lorand. „Mijn goederen zijn reeds gepakt en ik wachtte slechts op u, want ik wist, dat ge komen zoudt! Ik had u in mijn brief laten weten, dat om dezen tijd het werk zou volbracht zijn. Het was een fijne, mooie brief, niet waar? Niemand, die het geheim niet kende, kon er wijs uit worden, maar ge hebt haar begrepen en zijt gekomen; hoe lief van u, dat ge tegelijkertijd uw meesteres hebt meegebracht. Maar die lieve keurvorstin weet van niets, o, zij is zoo onschuldig, niet waar? Zij heeft zich als men zoo zeggen mag, een alibi bezorgd, en haar brief aan den keurprins was een meesterstuk van sluwheid. Denkt ge mij te willen bedriegen en mij ook uw sprookje van de onschuld der keurvorstin te doen gelooven? Mij bedriegt ge niet, ik weet wat . .

Een luide kreet klonk juist uit de binnenvertrekken; daarna een tweede kreet, nog luider, nog doordringender.

„Ha, de lieve keurprins is uit zijn verdooving ontwaakt,quot; mompelde Lorand. „Het is tijd mij uit de voeten te maken. Vaarwel, mademoiselle de Martin. Tot wederzien?, zoo niet hier dan toch in de hel!quot;

Hij groette Martin met een grijnzenden lach en sloop haastig uit het vertrek.

Lorand had gelijk, de kroonprins was zooeven uit zijn verdooving ontwaakt. De tranen, die uit Charlottes oogen op zijn voorhoofd en zijne wangen waren gevallen, hadden hem gewekt en hem het leven weergegeven. Met een kreet was hij tot het bewustzijn teruggekeerd, en toen hij nu het teedere, door tranen overstroomde en toch nog glimlachend gelaat zijner geliefde zag, toen hij haar

ocr page 221

215

herkende, was een tweede kreet van zijn lippen gekomen, een kreet van verrukking en vreugde.

Hij had zich uit den leunstoel, waarin hij, geheel gekleed, door kussens ondersteund, gelegen had, opgeheven ; hij had zijn armen naar de prinses uitgestoken, en zij had zich zacht aan zijn borst gevlijd, hem vast omklemd m et haar armen, en zoete, teedere woorden van begroeting in zijn oor gefluisterd.

„Spreek, ga voort,quot; zei de prins, toen zij zweeg en hem aanzag. „Laat mij uw stem hooren, mijn geliefde, opdat ik weet dat ik waak, dat het geen droom is, die mij gevangen houdt? Spreek, is het wezenlijk waar, zijt gij bij mij, zijt gij de mijne!quot;

„Ik ben de uwe, Emil, voor eeuwig en altijd,quot; fluisterde zij, terwijl zij met den heldenmoed der liefde haar tranen terugdrong en hem glimlachend aanzag. „Ge zijt de mijne,quot; herhaalde zij, „eeuwig de mijne!quot;

„O, mijn Charlotte, welk een schoon leven zal het worden en hoe gelukkig zullen wij zijn! Ik was in de laatste weken zi«k en lijdend, maar nu ben ik weer gezond. Ik gevoel het, uw gezicht heeft mij weer gezond gemaakt.quot;

Zij was niet in staat hem te antwoorden, maar aanschouwde met een diep gevoel van smart de zwakke, vervallen gestalte, die zich slechts met moeite en wankelend staande hield, de ingezonken wangen, de diep in hun kassen liggende oogen, waarin de laatste straal des levens flikkerde.

,.Ge antwoordt mij niet, Charlotte?quot; vroeg hij heftig. „Gelooft gij niet aan mijn genezing? En gelooft ook gijlieden er niet aan? Daar staat de dokter en heeft de oogen nedergeslagen, alsof hij zich schaamde, dat hij niets beters van mij gemaakt heeft. Daar staat ook de kamerheer von Buch met een zeer ernstig gelaat. En is dat niet mijn goede Jakob Uhle, die ginds aan de deur staat? Het is of de tranen over zijn wangen rollen? Waarom weent ge mijn getrouwe? Wat kwaad heeft men u gedaan? Mij dunkt dat ge lachen moest, nu ge mij weer gezond en gelukkig ziet?quot;

.,Ik ween ook niet, doorluchtigheid,quot; zei Jakob Uhle met gesmoorde stem. „Ik ben vroolijk en vergenoegd, want ik zie hoe goed het met u gaat nu de prinses hier is.quot;

ocr page 222

216

„Zeg, nu mijn bruid hier is,quot; riep de prins. „Zij is mijn bruid! Het is nu geen geheim meer, ge moogt het allen weten, Charlotte is mijn bruid! Ik wil den heer keurvorst zoolang met beden bestormen tot hij vergunt, dat wij zeer spoedig trouwen. Kom, mijn gelietde, kom, wij willen tot mijn vader gaan en hem bidden —quot;

Hij deed een paar schreden voorwaarts, maar eensklaps kon hij zijn voeten nier meer opbeuren en zijn hoofd zonk zwaar op zijne borst, terwijl hij, zuchtend onder den vree-selijken last, in den leuningstoel terugzonk.

Zij wisten het! Zij zagen de vreeselijke gestalte, die op hem toetrad, hem greep en hem met zijn verdelgenden adem nederwierp. Allen wisten dat de dood zijn onmee-doogende handen naar hem uitstak.

Hij wist het niet! Hem scheen het, nadat hij zich na een korte bewusteloosheid oprichtte, of eensklaps al de last der ziekte en der smarten van hem waren geweken. Hij wist niet, dat de dood alleen den last des levens langzaam van zijn borst hief, en zijn ziel de vleugels uitsloeg om zich op te heffen in het eeuwige leven.

Zijn oogen straalden, zijn wangen kleurden zich, het bloed schoot nog eens als een vuurstroom door zijne aderen en deed zijn hart, dat te voren zoo flauw had geslagen, weder luid en krachtig kloppen. De jeugd, de liefde, het leven flikkerde nog eens in hem op, voor dat het zou heengaan. Het was de laatste straal der ondergaande zon voor 't opgaan van een nieuwen, gelukkigen dag.

„Ik ben gezond! De ziekte is van mij geweken! Ik voel mij weer krachtig en vol moed! De wolken verdwijnen voor mijn oogen, en ik zie! U zie ik, mijn Charlotte, die ik zoo lang gemist, die ik zoo lang bemind heb. U zie ik in de toekomst en gij lacht mij toe met schitterende fanfaren en blinkende kransen. O, mijn Charlotte, ziet ge ook die schitterende, met roem bekranste toekomst, en verheugt ge er u ook over?quot;

„Ik verheug er mij over, Emil,quot; zeide zij met bevende lippen. „Want uw geluk is het mijne!quot;

„Ja, ik ben gelukkig,quot; riep hij ruimer ademend, „er is voor mij geen zorg en kommer meer, want gij zijt bij mij, de booze vrouw heeft u niet gedood, en heeft niet kunnen verhinderen dat wij beiden gelukkig met elkander zijn. O, Charlotte, mijn geliefde, kom aan mijn hart! Be-

ocr page 223

217

min mij rocht innig, want ik bemin u, en er is maar ééne verovering waarnaar men wenschen, waarnaar men streven kan, en deze verovering is; de liefde van een edel menschenhart. Ik heb u veroverd, mijn lieve bruid, en ge zult mij gelukkig maken en goed, en — maar ... wat is dat, het is of ik u op verren afstand zag. . . Waar zijt ge?quot;

„Hier ben ik, Emil, dicht aan uw zijde.''

Zij vlijde zich tegen hem en legde haar hoofd op zijn schouder.

„Waar is docter Weisz,quot; vroeg hij, „waar is Dietrich von Buch? en waar mijn goede Jakob?quot;

„Hier ben ik, heer keurprins, ik. . Jacob Uhle kon niets meer zeggen, hij leunde met het hoofd tegen den muur en snikte luid.

„Waarom weent ge, Jakob? En ook gij mijn vrienden, waarom weent ge? Waarom ziet ge mij zoo treurig aan? Weest vroolijk en lustig, want ge zult vreugd aan mij beleven. Ik ben wel bar^ch en ruw geweest, maar nu zal dit andérs worden. Ik ben thans zoo gelukkig, gij allen moet in dat geluk dealen. Ik wil een nieuw leven beginnen, Charlotte zal mij leeren goed en zacht te zijn. Ik wil mij nu voorbereiden tot mijn groote en heilige roeping, om eens voor mijn onderdanen een goed en rechtvaardig vorst te zijn. Het voorbeeld mijns vaders zal mij altijd voor den geest staan, ik wil hem nastreven en zijn waardige opvolger worden. Waarom weent ge, Charlotte?quot;

„Ik ween niet, mijn geliefde,quot; fluisterde zij, zacht zijne wangen streelende en met den linnen doek hem het zweet van het klamme voorhoofd vegende. „Hoe zou ik kunnen weenen, nu gij zoo gelukkig zijt?''

„Ja, ik ben gelukkig, zeer gelukkig! . . Maar. . . Wat ligt daar eensklaps zou koud op mijn hoofd? .. Wat doet mijn hart samenkrimpen? . . Lucht! lucht!quot;

Hij sprong van den stoel op, en zag met verwarde, ontstelde blikken om zich heen. Zijn oogen vielen op den arts, die met gebogen hoofd en gevouwen handen naast zijn stoel stond, en een hevige schrik deed hem plotseling verbleeken.

„Ik moet sterven!quot; riep hij ontsteld. „Maar neen, dat is niet mogelijk, zoo wreed kan God niet zijn! Spreek, docter, niet waar? ik kan nog leven, ik ben nog jong.

ocr page 224

218

Spreek toch, mijn God, spreek dan toch! Ik wil het weten! Moet ik sterven?quot;'

„Genadige prins, ge zult u aan het lot der menschheid moeten onderwerpen.quot;

„Nu niet, ach neen, nu nog niet! Onmogelijk!quot; riep hij op diepen jammertoon, terwijl hij beide armen smeekend ten hemel hief. Hoe kunt gij dat willen, lieve God! Ge kunt niet zoo wreed zijn! Neen, neen! Kom, Charlotte, laat ons van hier gaan, ver, ver van hier! Geef mij uw hand, zoo, laat ons nu vertrekken,quot;

Zij reikte hem haar hand, en hij klemde ze in zijn beide handen, trok zijn geliefde tot zich en drukte haar aan zijn hart. „Laat ons gaan, Charlotte, weggaan uit dit hol, waarin geen zon schijnt, geen ster schittert. Zie ginds, daar aan gene zijde, daar is het wondervolle land! Hoe vol van zonneglans, hoe heerlijk schoon is het! Ziet ge de engelen in het rozenboschje, hoort ge de hemelsche muziek? Wat rijst daar op boven de myrtenstruiken ? Het is geen maan, neen. O, nu berken ik bet, nu zie ik bet! Het is mijne moeder, mijne geliefde moeder! Zij lacht mij toe met haar zacht bleek gelaat, als sterren schitteren haar oogen. Zij lacht mij toe, roept mij, wenkt mij met de band! ... Ik kom, mijn lieve moeder, ik kom!

Hij zonk achterover in den leunstoel, zijn lippen murmelden nog eens: „Ik kom!quot; Toen werd alles stil. De keurprins Garl Emil, ingegaan in het nieuwe leven, waarvan hij even te voren gesproken had, was dood! Prinses Charlotte hield hem in haar armen, en toen zijn hoofd steeds zwaarder tegen haar schouder zonk, vielen baar tranen als hemelsche dauw op zijn voorhoofd en zegenden hem dien zij met bovenaardsche liefde bemind had. Naast den leunstoel stonden de docter en de kamerheer, en aan de voeten van den doode knielde Jakob Uhle, met het hoofd tegen de knieën van zijn heer geleund, de beide banden tegen zijn mond gedrukt, om niet door luid snikken de heilige stilte te storen.

ocr page 225

219

VIII.

HET DOODSBERICHT.

De keurvorstin Dorothea ging met onrustige schreden in haar kamer op en neer. Zij had den geheelen dag aan de zijde van haar gemaal het masker von kalmte en deelnemende bekommering gedragen ; zij had met hem geklaagd en gehoopt, met hem gebeden en God gesmeekt om de redding van den zoon. Sedert het vertrek van de prinses had men geen tijding van den zieke ontvangen ; drie dagen waren er verloopen, en Jacob Uhle was nog niet teruggekeerd, en toch had de keurvorst hem bevolen, óf dadelijk zelf terug te komen, óf hem door een anderen koerier bericht te zenden.

De derde dag liep ten einde, en nog was er geen tijding. De keurvorst had den geheelen dag in koortsige opgewondenheid en onrust doorgebracht. De jicht, die hem sedert eenigen tijd weder bezocht had, was met kracht opgetreden en plaagde hem vreeselijk. Het laatste uur had hij echter weder eenige verademing gevonden, en was hij ingeslapen.

De keurvorstin had zich dus in haar kamer kunnen terugtrekken. Maar zij vond er geen rust; een onuitsprekelijke angst overweldigde haar ziel, zij huiverde en rilde als had de koorts haar bevangen. Zij schelde en beval den binnenkomenden lakei vuur in den haard aan te leggen. Toen de vlammen uit de opgestapelde houtblokken opstegen, verwarmde dit haar verstijfde leden, en het deed haar goed zich zelve te kunnen zeggen, dat het slechts een lichte ongesteldheid was, die haar zoo deed rillen.

Maar h^ar gedachten keerden toch altijd weer tot den keurprins Emit terug, en zij beefde als zij aan hem dacht. Hoe zou het hem gaan, was zijne ziekte inderdaad doo-delijk? Moest hij, zoo jong, zoo sterk van natuur, moest hij werkelijk bezwijken. Een angstig medelijden en oen hevige ontsteltenis overvielen haar,

„Het kan niet zijn, neen! Hij is zop jong, hij zal den dood overwinnen, de gebeden zijner geliefden zullen wel verhoord worden.

ocr page 226

220

„En als dat zoo is,quot; vroeg zij zich heimelijk af, „als hij herstelt, zult gij u dan verheugen ? Zal dan de hoop voor uw eerstgeborene, die nauwelijks begon te schemeren, weder in nacht en duisternis verzinken ?quot;

„Ach God !quot; fluisterde zij huiverend, „ontferm u mijner ! Behoed mij voor slechte gedachten en voor de verzoeking van den booze!quot;

Zij zette zich in den stoel, die naast den haard stond, en staarde in de vlammen, wier knetteren en knappen het eenig geluid was dat de stilte verbrak.

„De vlammen vergaan en verdooven in asch ! Zoo gaat het ook met het menschelijk leven. Een helder schijnsel, een heilig vuur van vreugde en leed, van liefde en haat, en dan verdooven de vlammen en niets blijft over dan een hoopje stof en ach!quot; Ook hij zal stof worden, hij, de keurprins, haar vijand, de vijand harer kinderen, welken hij in den weg stond S Ziin lot is vervuldl — maar was het zijn lot?quot;

Wederom rilt zij en een diepe huivering overvalt haar! Zij vreest voor zich zelve. Het is haar alsof vurige gestalten uit den haard opstijgen, haar met gloeiende oogen aanzien, en met brandende vingers op den wand tegenover haar een woord teekenen, dat haar hart met schrik en afgrijzen vervult, dat woord fonkelt en glinstert met vlammende letters en heet: moord!

Dorothea verborg haar gelaat en zonk bleek van schrik in den stoel terug.

Het vuur knetterde en vlamde altijd voort en trok lange schaduwen en lichtbeelden door het donkere vertrek. Een schaduw zweefde ook van gindsche deur toch dicht bij den fauteuil, waarin de keurvorstin met omsluierd hoofd lag. De schaduw boog over de leuning van haar stoel en fluisterde haar in het oor; „Wees getroost, vorstin, richt uw hoofd op en ween niet! Er zijn er nog slechts twee die uwen eerstgeborene in den weg staan. Carl Emil is dood !''

„Dood!quot; klonk het als een akelige echo van haar lippen ; zij trok den doek nog vaster om haar hoofd; zelfs de duisternis in de kamer en het vuur in den haard mochten haar doodsbleek stuiptrekkend gelaat niet zien.

„Garl Emil is dood,quot; fluisterde de stem weder; „en sterfelijk geboren, evenals hij, zijn ook zijn broeders. De

ocr page 227

221

eone is eea ziekelijke mismaakte, de andere is een kind! Mismaakten en gebrekkigen leven niet lang, en laten geen nakomelingen achter, om hen te beweenen! Kinderen zijn aan de gevaren van ziekten onderworpen, en die niet aan het roodvonk sterven, kunnen door koorts of mazelen worden weggenomen.quot;

„Ookmijn kinderen,quot; mompelde de keurvorstin verschrikt, en een onuitsprekelijke angst vervulde haar moederhart.

„Uw kinderen zullen leven,quot; fluisterde de stem achter haar, en de anderen zullen sterven. Uw zoon Philip zal opvolger van den keurvorst worden.quot;

„Ontzettend! vreeselijk! Wijk van mij, booze geest! Zwijg!quot; riep de keurvorstin, van den leunstoel opspringend. „Licht! Ik wil licht hebben! breng dadelijk licht!quot;

Zij ging met haastige schreden naar de tafel, greep naar de schel en belde.

Twee deuren werden tegelijkertijd geopend. In de eene verscheen een lakei met den zilveren blaker vol brandende waskaarsen, in de andere deur verscheen Martin in haar lang wit kleed, het hoofd met een witten sluier omhuld.

„Martin, zijt ge weer hier?quot;

„Ja, doorluchtigheid, ik ben weer hier! Ik heb prinses Charlotte weer hierheen gebracht. Ik heb haar, volgens uw bevel, geen oogenblik verlaten.'1

„En de keurprins'? '

„De keurprins is gisteren in de armen der prinses gestorven. Het heeft veel moeite gekost de prinses van het lijk weg te voeren. Met geweld brachten wij haar in hot rijtuig. Het was een zeer roerend tooneel. Wij zijn voor een half uur hier aangekomen, en ik heb de prinses dadelijk te bed gebracht. Zij is ziek en heeft hevige koorts; zij heeft misschien van de ziekte, waaraan de prins bezweken is, te veel ingeademd.quot;

De grijze oogen der keurvorstin glinsterden feller, en haar vragende blik richtte zich op het gelaat van Martin, dat bleek en koud was als altoos.

„Kent men zijne ziekte? Weet men waaraan hij gestorven is?quot;

„De dokter twijfelt of het de hospitaalkoorts of een slepende zenuwziekte is geweest. Bij mij is het buiten allen twijfel: de keurprins Carl Emil is vergiftigd.quot;

ocr page 228

222

De keurvorstin schrikte en haar ontstelde blik staarde op Martin. „Vergiftigd? Door wien? Wie zou zulk een misdaad kunnen gepleegd hebben ?quot;

„De kok, doorluchtigheid, de slechte Lorand, voor wien uw doorluchtigheid, in een eigenhandigen brief, den keur-prins zelf gewaarschuwd heeft!quot;

Er glinsterde als een straal van zegepraal in de oogen der keurvorstin en zij stak met een lichte hoofdbuiging Martin de hand toe.

Maar deze scheen dit niet te bespeuren, en bleef in haar eerbiedige houding. „Wil uw doorluchtigheid niet de genade hebben den kamerheer Dietrich von Buch te ontvangen om zich bericht te laten geven!quot;

„Heeft hij den keurvorst reeds bericht gegeven? Weet de keurvorst het?quot;

„Neen, uw doorluchtigheid. Niemand durft het wagen hem deze treurige tijding te brengen. Mijnheer von Buch hoopt, dat u het den keurvorst zult mededeelen, of ten minste zijne genade zult voorbereiden en er bij tegenwoordig zult zijn als hij den keurvorst bericht brengt.quot;

Dorothea antwoordde niet. Zij ging langzaam op en neer, met opgeheven hoofd en wijdgeopende oogen voor zich starende. Het vuur op den haard was ineen gevallen, nu en dan lekte nog een blauwe vlam uit den rooden gloed op, en het knetterde somwijlen en siste als spraken er geesten zacht te zamen en fluisterden de keurvorstin hun geheimen toe. Zij bleef voor den haard staan en zag in den donkerrooden gloed en de blauwe dansende vlammen.

Hoopte de keurvorstin misschien, dat de stem die daar straks tot haar gesproken had, zich weer zou doen hooren, dat zij haar raad geven, haar troosten zou?

Het bleef stil achter haar, geen stem liet zich hooren. Martin stond met een bedaard, koel gezicht, met neder-geslagen oogen onbewegelijk en wachtte op het antwoord.

Dorothea wendde zich tot haar met vlammende oogen en een beraden voorkomen. „Laat de heer von Buch zich in de voorkamer van den keurvorst begeven en daar mijne komst afwachten. Ik zal terstond heengaan.quot;

Mejuffrouw de Martin boog. „Wil uw keurvorstelijke doorluchtigheid niet vooraf toilet maken enrouwkleeding aandoen ?quot;

ocr page 229

223

„Rouwkleeding! Wij zijn immers niet voorbereid, Martin, wij hebben zulk een costuum niet in't legerkamp gereed.quot;

„Vergeving, doorluchtigheid. Ik heb de noodige rouwkleeding reeds uit Berlijn meegebracht, alles ligt in de toiletkamer gereed.quot;

Dorothea beefde en een doodelijke bleekheid overdekte haar wangen. „Goed. ik wil de kleeding aantrekken. Zij zullen beter dan woorden den keurvorst voorbereiden.quot;

Een kwartier later begaf dè keurvorstin zich uit haar vertrekken naar baar gemaal. Een lang wit rouwgewaad omhulde haar gestalte, een dichte witte sluier viel van haar hoofd over haar rug tot op den grond neder: de handen der keurvorstin waren met zwarte handschoenen bedekt, en een zwarte gordel omsloot haar gewaad.

In de voorkamer van den keurvorst kwam de kamerheer von Buch haar in treurige houding te gemoet en boog diep voor de keurvorstin, die den sluier dichter om haar houfd trok, zoodat slechts haar oogen uit het witte hulsel zichtbaar waren.

„Volg mij, heer Dietrich von Buch,quot; zei de keurvorstin, terwijl zij door de voorkamer ging. „Ga achter mij binnen en wacht dan aan de deur tot ik u roep.quot;

Zij opende zacht de deur van de kamer en ging er binnen; de heer von Buch volgde haar en bleef, zooals hem bevolen was, aan de deur staan.

Een scherm was dicht bij de deur geplaatst, om den keurvorst voor tocht te behoeden. De keurvorstin schoof het ter zijde en dit gerucht wekte den keurvorst, die licht sluimerend op een fauteuil had gelegen.

„Zijt ge daar, mijn lieve Dorothea?quot; vroeg hij met zachte stem. „Komt ge mij tijding brengen van onzen lieven keurprins?quot;

Zij naderde hem en terwijl zij nu van achter de hooge leuning van zijn stoel te voorschijn trad boog zij met een teederen blik tot hem neder.

„Zie mij aan, mijn dierbare, geliefde Friedich, en ge zult de treurige waarheid vernemen.quot;

De oogen van den keurvorst richtten zich op haar gestalte en zijn gelaat nam een smartelijke verschrikte uitdrukking aan. „De wilte vrouw,quot; mompelde hij, „de witte vrouw uit ons slot te Berlijn 1 Ge wilt hiermede zeggen, Dorothea, dat onze zoon gestorven is?quot;

ocr page 230

224

„Ja, mijn dierbare gemaal, God heeft hem tot zich genomen.quot;

„Carl Emil, mijn zoon, is dood,quot; zachte de keurvorst, terwijl hij de handen voor zijn aangezicht hield en zacht weende en zuchtte.

„Mijnheer von Buch,quot; riep de keurvorstin, „treedt nader, en geef zijn keurvorstelijke doorluchtigheid bericht.quot;

„Hebt ge mijn lieven knaap zien sterven?quot; vroeg de keurvorst, terwijl hij zijn blik vol tranen op den kaïnerheer richtte. „Hebt ge zijn laatsten zucht gehoord en is u te beurt gevallen wat den armen vader niet vergund was? Hebt ge zijn laatste liefdegroet van hem ontvangen?quot;

„Ja, doorluchtigheid, ik heb deze heilige oogenblikken bijgewoond en zal ze mijn leven lang niet vergeten.quot;

„Verhaal, mijnheer von Buch, verhaal,quot; gebood de keurvorstin.

Dietrich von Buch gaf nu verslag; hij verhaalde nauwkeurig en omstandig het wederzien van den prins, en de prinses; hij schilderde vervolgens den loop der ziekte, de smarten en pijnen van den keurprins en berichtte toen ook de opmerkelijke verandering, die terstond na den dood aan het lijk was waargenomen. Er hadden zich op het gelaat en de handen onmiddellijk zwarte groote plekken gevormd en alle teekenen van ontbinding hadden zich dadelijk voorgedaan.quot;

„God,quot; riep de keurvorst oprijzend, „zou mijn arme zoon eenige vergiftige spijzen bekomen hebben?quot; ^

„Ik ben overtuigd, dat hij ze bekomen heeft,quot; riep de keurvorstin levendig. „Ik ben verzekerd, dat hij vermoord, schandelijk vermoord is.quot;

„Om godswil, Dorothea, wie zou zulk een misdaad aan onzen lieven, onschuldigen zoon gepleegd hebben.quot;

„Hij voor wien ik hem gewaarschuwd heb, de kok Lorand. Herinner u, mijn gemaal, dat ik in een eigen-handigen brief den keurprins gei-aden heb dat mensch niet in zijn dienst te nemen; dat ik hem gewaarschuwd heb voor het slechte boosaardige sujet, welks voorhoofd geteekend was met het merk der misdaad! Maar hij wilde er niet naar hooren, en nam den boozen vijand in zijnen

1) Eigen woorden van den grooten keurvorst. Zie v. Orlich, Geschichte des grossen Kurfürsten, I. 538.

ocr page 231

225

dienst. Nu heeft men mij hier verteld, dat de keurprins in den laatsten tijd veel ergernis van zijn kok heeft gehad en hem vaak vertoornd heeft, als hij driftig was,

„Is dat waar, Dietrich?quot; vroeg de keurvorst. „Hebben zich de zaken toegedragen, zooals men aan mevrouw de keurvorstin gezegd hoeft.quot;

„Ja, doorluchtigheid. De keurprins geraakte in den laatsten tijd dikwerf in zeer geweldigen toorn tegen den kok Lorand, want deze man was zeer weerspannig en tergde hem door zijn onbeschaamd gedrag! Wij allen hebben steeds achterdocht tegen dien man gekoesterd, toen de keurprins nog leefde, en wie weet of hij geen vèrgif in zijn drank heeft gemengd.quot;

„Mijn gemaal,quot; riep de keurvorstin heftig, „ik smeek u, geef bevel, dat men dien man dadelijk in hechtenis neme en hem verhoore.quot;

„Ja, dat moet geschieden,quot; zei de keurvorst. „Wij kunnen mijn dierbaren zoon het leven niet wedergeven, maar wij kunnen zijn moordenaar straffen. Dietrich von Buch, zend dadelijk een renbode naar Straatsburg en beveel, dat men den kok Lorand in hechtenis neme en hierheen voere.quot;

„Genadige heer, dit is onmogelijk!quot;

„Waarom onmogelijk?quot;

„Deze schandelijke kerel heeft van het sterfuur des prinsen gebruik gemaakt om zich heimelijk met zijn goederen uit de voeten te maken. Wij wilden hem in hechtenis nemen, maar de man was verdwenen en er was geen spoor van hem te ontdekken.quot;

„Ge ziet, doorluchtigheid,quot; riep de keurvorstin heftig, „Mijn kwaad voorgevoel is uitgekomen. Waarom wilde de keurprins niet naar mij hooren; waarom wantrouwde hij mij, daar ik het toch zoo goed en eerlijk met hem meende. Hij is vergiftigd, geloof mij, dit slechte mensch heeft hem vergiftigd. Eu de misdadiger is gevlucht; wij kunnen zelfs den dood van onzen geliefden zoon niet op hem wreken!quot;

„Moge God dat doen,quot; zei de keurvorst plechtig. „Hem laat ik de wrake over en hij zal ze volbrengen. Gij, mijn lieve Dorothea, gij hebt als een trouwe en liefderijke moeder gehandeld jegens den geliefden zoon, ge hebt hem gewaarschuwd en wildet het ongeluk van hem afwenden.

Hühlbaoh, De groote Keurvorst en eyn tijd. V. 15

ocr page 232

226

Maar zijn kwaad gesternte wilde, dat hij niet naar uwe waarschuwing luisterde en vrijwillig zijn verderf te gemoet ging. Ik buig mijn hoofd onder Gods wil, maar mijn ziel is diep bedroefd en ik verkwijn van innig wee. Ach, het is een zeer bittere smart een lieven zoon te zien nederdalen in het graf, waarin toch de vader den zoon moest voorafgaan.quot;

En de keurvorst barstte in een luid, smartelijk weenen uit. De keurvorstin zeide niets. Zij had den witten, dichten sluier zeer vast om haar gelaat getrokken, en men hoorde slechts hare zware zuchten en het smarteliik kreunen, dat door hare sluier heendrong.

Den volgenden dag had zich de tijding van den dood des kroonprinsen te Kolmar en in het geheele legerkamp verbreid, en een spartelijk jammeren en weeklagen hoorde men overal, zoowel onder de generaals en officieren alsonder de soldaten. Iedereen betreurde den zoo vroegtijdigen dood van den veelbelovenden jongeling, iedereen voelde zich gedrongen den edelen, diep gebogen vader zijn deelneming te betoonen.

De generaals en officieren vulden den geheelen dag de voorkamers van den keurvorst; de soldaten stonden in dichte scharen voor het huis, zagen op naar de vensters van hun veldheer, en spraken zacht onder elkander.

De keurvorst had den geheelen nacht geweend en geklaagd, hij was den geheelen, zoo smartelijken nacht slechts de teedere, van droefheid vervulde vader geweest; maar nu de dag weer was aangebroken, was hij weer de sterke man, de held, de overwinnaar.

De jicht was van hem geweken in dezen nacht van zielesmart, de keurvorst kon zich weder bewegen, kon zich weder opheffen van zijn stoel en gaan wandelen.

„Men brenge mij mijn paard voor,quot; zeide hij, „ik wil door het legerkamp rijden. Mijn soldaten moeten zien, dat hun veldheer in Gods wil berust; dat de smart, die den vader nederbuigt, den soldaat niet mag beheerschen. Gij, mevrouw de keurvorstin, zult zoo goed zijn mij op mijn rit door het legerkamp in een open draagkoets te vergezellen. Het leger zal zijn landsmoeder begroeten en zien, dat hoewel onze zoon gestorven is, het gevoel van belangstelling voor onze soldaten evenwel in ons levendig is gebleven.quot;

ocr page 233

227

De keurvorstin voegde zich met zwijgende onderwerping naar den wil van haar gemaal, en tegen het middaguur begaf men zich naar het keurvorstelij ke legerkamp, dat zich dicht bij de poort van Kolmar over de wijde vlakte uitbreidde.

De keurvorst, in zijn prachtigen uniform, dengrooten, met goud omzoomden ronden hoed met de struisvederen diep over 't voorhoofd gedrukt, reed ter zijde van de half opene, door acht lijftrawanten gedragen koets, waarin de keurvorstin Dorothea zat. Een schitterend gevolg van generaals en officieren kwam achter hen, en acht rijk gekleede paadjes gingen aan beide zijden van de draagkoets. Maar toch was het een rouwstoet; aller gelaat was treurig en bewolkt en niet de minste glimlach vertoonde zich.

Zelfs de soldaten, die anders den keurvorst hun jubelenden groet toebrachten, waren heden aangegrepen dooiden algemeenen rouw; zij stonden groetend ter zijde van den voorbij trekkenden stoet, geen vivat klonk, geen liefdegroet ontving het keurvorstelij ke paar.

Ondertusschen had het gerucht van het bezoek der keurvorstin zich door het geheele legerkamp verbreid, en van alle zijden kwamen de soldaten in dichte drommen toe, drongen van alle kanten nader, zoodat de keurvorst en zijne gemalin met het schitterend gevolg slechts moeilijk voorwaarts konden komen.

Nu echter, terwijl er honderden, ja duizenden toestroomden, nu waren de soldaten niet meer sprakeloos. Zij braken het eerbiedig zwijgen, waarmede zij aanvankelijk den keurvorst aanschouwd hadden. Nu spraken zij, en de blikken, welke zij op de keurvorstin richtten, waren dreigend, tartend en verachtend.

„De keurprins is dood! Onze lieve keurprius is dood,quot; zeiden zij. „Wie heeft schuld aan zijn dood? Wie heeft hem vermoord ?quot; schreeuwden eensklaps honderden stemmen.

De keurvorst hief den arm op om stilte te gebieden, hij wilde spreken, maar niemand luisterde naar hem, en over dé uitgestrekte legervlakte klonk nog altijd de vreeselijke vraag: „Wie heeft hem vermoord?quot;

Steeds dichter drongen de soldaten nader, tartender werden hun blikken, wilder hun geschreeuw: „De Keur-

ocr page 234

228

prins is vermoord! Is vergiftigd! Wie heeft het gedaan ?quot;

Een stem uit het midden van een wilden tierenden hoop riep: „De hooze stiefmoeder heeft het gedaan!quot;

En het geheele koor brulde en schreeuwde: „De hooze stiefmoeder heeft het gedaan! De hooze stiefmoeder heeft den keurprins vergiftigd!quot;

Weer hief de keurvorst den arm op; hij wilde spreken, maar de ruwe, door het kampleven geheel verwilderde soldaten luisterden niet. Zij begonnen luide verwenschin-gen te uiten tegen de keurvorstin, noemden haar een giftmengster, dreigden met de vuisten en drongen met zulk een wilde onstuimigheid nader, dat het gevolg van den keurvorst nauwelijks voor de feitelijke aanvallen der soldaten de draagkoets der keurvorstin beveiligen kon. ')

Dorothea zat bleek en met een verachtelijken, trotschen glimlach om haar samengeknepen lippen in haar draagkoets. Zij zag met kalmen, tartenden blik op de soldaten, die om haar heen tierden. Zij bedekte niet haar hoofd, maar schoof den witten sluier nog meer ter zijde, zoodat men haar duidelijk zien kon; zij zag fier in het rond,en 't scheen alsof zij doof was voor de verwenschingen, welke van alle kanten werden geuit.

De keurvorst was bleek geworden, zijn oogen wierpen toornige blikken op de tierende menigte; den degen had hij uit de scheede getrokken en hield hern dreigend, stilte gebiedend opgeheven. Dicht bij de draagkoets zijner gemalin reed hij voort en boog voor haar met een blik vol liefde en teederheid.

„Houd u goed, mijn moedige vrouw! Deze menschen zijn razend. De smart over den prins heeft hen in woede gebracht! Houd u goed, Dorothea! Wij zullen het spoedig doorstaan hebben! Daar zijn reeds de torens van Kolmar.quot;

Of zij deze woorden van haar gemaal gehoord heeft? Zij antwoordt niet, maar ziet tot hem op, en een glimlach komt op haar gelaat. De soldaten schreeuwen en tieren nog altijd, zij letten niet op het roffelen van den generalen marsch, op het commando der officieren, die moeite doen om hen tot rede te brengen. Zij schreeuwen

1) Historisch. Zie: König. Geschiohte von Berlin II.

ocr page 235

229

en huilen nog altijd: „Zie de giftmengster! De stiefmoeder heeft den prins Etnil vermoord!quot;

Goddank ! Daar zijn de poorten van Kolmar. Er binnen, haastig er binnen, en dan vlug de poort gesloten!quot;

Thans hield de stoet voor het kwartier van den keurvorst stil, en Friedrich Wilhelm sprong van zijn paard om zijn gemalin de hand te bieden en haar bij 't uitstijgen uit de draagkoets behulpzaam te zijn. Zij legde zacht en bedaard de hand op den arm van haar gemaal en ging met hem stil den breeden trap op.

Voor de deur, die naar haar vertrekken voerde, bleef zij staan, en richtte haar oogen met een vorschenden blik op haar gemaal.

„Friedrich Wilhelm von Brandenburg, gelooft ge ook wat uw soldaten daar zeggen ?quot;

„Dorothea, welk een schrikkelijke vraag? Het zou een beleediging zijn, zoo ik hierop slechts één woord antwoordde. Mijn hart is vol toorn en smart over deze verraderlijke schelmen; ik zal een voorbeeld stellen, en er zal bloedige gerechtigheid geschieden!''

„Neen,quot; zeide zij bedaard en fier, er moet geen voorbeeld gesteld worden, geen onderzoek, geen gerechtigheid moet er plaats vinden. Zoo ge honderd menschen laat dooden, omdat zij mij voor een giftmengster hebben gescholden, zullen uit hun bloed tienduizend lasteraars opstaan, en hetzelfde uitroepen in de wereld, waarvoor gij de anderen hebt gericht. Laat hen praten en schreeuwen, ik blijf toch, die ik ben!quot;

Zij knikte den keurvorst toe en trad door de deur barer vertrekken, welke Martin voor haar geopend had. Trotsch, met ópgeheven hoofd ging zij door de voorkamer, waar de dienaressen stonden, en behield die houding tot de deuren van haar kabinet zich achter haar gesloten hadden. Maar toen vlamden haar oogen, toen gloeide haar gelaat van toorn, haar lippen beefden, haar boezem hijgde en haar adem stokte.

Zoo stond zij in 't midden der kamer, met somber, vlammend gelaat, bewegingloos, ernstig en stijf als een beeld van toorn en haat; vervolgens kwam er leven in die gestalte, zij hief haar armen met de gebalde vuisten omhoog en met van woede bevende stem mompelde zij: „Ge zult den ouden haat tusschen ons dus nooit laten

ocr page 236

230

eindigen! Zelfs van uit het graf vervolgt ge mij nog, en tracht mij te hoonen ? Gij wilt den strijd, zonen uwer moeder? Welnu, ik neem hem aan. Thans zijn er nog twee, die ons in den weg staan ! Gij moet den weg vrij laten en voor mijn zonen plaats maken! Dit zweert u uw stiefmoeder. Neemt u in acht zonen der Hollandsche! Ik zal u vernietigen, want ik haat u en bemin alleen mijne kinderen.quot;

ocr page 237

INHOUD. *

EERSTE BOEK.

HET TWEEDE HUWELIJK.

Bladz.

I. Een blad uit de geschiedenis......3

II. Het afscheid.....• ... 26

III. De Raadkamer.........30

IV. De brief eener doode.......37

V. De hertogin Dorothea van Brunswijk. ... 44

VI. De eerste ontmoeting.......55

VII. Na de huwelijksvoltrekking......63

VUL In de koets..........71

IX. De intocht..........82

X. De stiefmoeder.........91

XI. De Raadkamer.........102

TWEEDE BOEK,

DE KEUEPRINS CARL EMIL.

BlaJz.

I. Tegen Frankrijk........114

II. Wetenschap en kunst.......126

III. De Keurvorstin . ........137

IV. Prins Carl Emil.........158

V. De waarschuwers........199

VI. Het Legerkamp.........188

VIL De dood van Carl Emil......- . 204

VIII. Het doodbericht.........219

ocr page 238