j- t ⢠gt; . -t--- :
^ xf- i - â V .
i-quot; ' â ! I.
- v. â¢â¢ â¢
: gt;
ISliiÃiifi
. i,-
Vi. , , M
vj
bibliotheek UNTversITEIT UTrtECHÃ
2943 056 2
UlK/.....quot;va:: Oi f
/r
1= bêlA
MAAGD EN MARTELARES.
PATRONES
VAN DE
DOOK
H. L.
Uitgegeven ter gelegenheid van
quot;KêT^sdl EetlWÃBSStI
ROERMOND,
flOMEN EN ^ONEN,
Drultkcrs van Z. H. den Paus en van het Bisdom.
1' âftMl
® gt; -t
'I
Terklaring des Sclirijvei-s.
Om te gehoorzamen aan het besluit van den Paus
Urbanus VIII, verklaar ik, dat ik aan de mirakelen,
openbaringen, genadenbewijzingen en gebeurtenissen,
welke in dit boek verhaald zijn, alsook aan de titels
van heiligen en gelukzaligen, welke ik er aan personen
geef, die nog niet heilig of zalig verklaard zijn, geen
andere geloofwaardigheid toeschrijf dan een geheel
menschelijke, uitgenomen die gevallen, welke bevestigd
zijn door het oordeel van de Roomsch-Katholieke Kerk
en den Heiligen en Apostolischen Stoel, wiens gehoor-
zamen zoon ik mij verklaar te zijn; waarom ik mij
zelveu en alles, wat ik in dit boek geschreven heb,
aan het oordeel der Kerk onderwerp.
Librum hunc, diligenter examinatura, imprimi permittimus
modo serventur de jure servanda.
In Domo nostro Udensi
15 Sept. 1887.
Fr. W. F. A. SMITS.
Mag. Glls. Ord. f
IMPRIMATUR.
P. J. H. RÃSSEL,
Can. Po3n. et Prof.,
Librorum Censor.
' * â¢
Ruraemunds, 15 Sept. 1887.
... ' »--Vhnbsp;' ï
p' â â i^ïamp;t
VOORREDE.
----
Dit iverkje is niet geschreven om een lang gevoelde
leemte aan te vullen. Vele boekjes over de H. Odilia zijn
er nog links en rechts in den handel zoowel Fransche en
vlaamsche als Nederlandsche. Veel minder stelt de schrijver
zich ten doel, een punt der kerkelijke geschiedenis in een
heldeider daglicht te stellen: of een nieuwe Mjdrage te
leveren aan de Hollandsche Hagiographie, hoeivel deze een
weinig ten achter is. De hoogere eischen die in dergelijke
gevallen aan den schrijver gesteld worden, zouden hem
gedwongen hebben zijn pen neer te leggen. Het eeniije doel,
door den schrijver beoogd, is uitdrukking te geven aan een
gevoel van dankbaarheid en godsvrucht jegens de H. Odilia,
en zoo mogelijk, die liefde in anderen over te storten.
Als lid van de Orde der Kruisheeren, door voorbeeld en
opwekking reeds vereerder dezer H. Maagd, mocht hij en
in zijn orde, en in zijn eigen persoon, en in anderen meer-
malen getuige zijn harer macht en milcllieid. Passend
scheen het hem dan, langs dezen weg Haar zijne dank-
baarheid te betuigen en in anderen vertromven en gods-
vrucht op te ivekken.
Schooner gelegenheid dan thans wordt zelden aangeboden.
Volgens authentieke bescheiden, waarvan de tekst tot heden
bewaard bleef, is het den eersten September zeshonderd
jaren geleden, dat de H. reliquieën dezer maagd en mar-
telares door een hemelsche verschijning geopenbaard, naar
de orde van het H. Kruis werden overgebracht. Zijne
Heiligheid Paus Leo XIII heeft allen geloovigen, die ge-
voorrede.
durende de maand September 1887. een kerk der Kruis-
heeren zullen bezoeken op de gewone voorwaarden een
vollen aflaat geschonken, tevens toepasselijk aan de geloovige
zielen in het vagevuur. Terwijl de orde van het H. Kruis
met vreugde den dag herdenkt, waarop de H. Odilia haar
als patrones geschonken werd, en met dankbare bewondering
de talrijke gunsten beschouwt haar door de H. Odilia ge-
worden, is het zeker tijdig en passend, door een klein
werkje, hoe arm ook in taal, stijl en vorm, de feestelijk-
heid te verhoogen en de uiting onzer dankbaarheid tot dat
tijdstip te verschuiven.
Wordt er een enkel lezer gevonden, die door dit boekje
de godsvrucht tot de E. Odilia in zijn hart voelt ontwaken,
die zijn vermeerderd vertromven door hare krachtige voor-
bede beloond ziet, of die getroffen door hare glorie en
deugden, het pad der zonden verlaat of met nieuwen moed
werken van godsvrucht en liefde verricht, dan zal schrijver
dezes niet slechts zijn doel bereikt hebben, maar tevens
zijn moeite buitengewoon beloond zien. Vaarwel.
St. Agatha, 0. L. Vrouw Hemelvaart 1887.
EERSTE HOOFDSTUK.
De goddelijke Zaligmaker geeft ons twee noodzakelijke
vereischten aan, om op den titel van Christen en Jesus'
Christus' leerling te kunnen aanspraak maken. Die zijn
kruis niet draagt en mij volgt kan mijn leerling niet
zijn, (Luc. XIV fi), en elders: die zijn kruis niet aan-
neemt en mij volgt, is mijner niet waardig. (Math. XI,
38). Floe zwaarder ons kruis, hoe nader ons volgen
van Jesus Christus, hoe vuriger de liefde is, des te
meer recht hebben wij op den naam van Christen, en
zijn wij Zijner waardig. Verwonder u dus niet. Beminde
Lezer, in de levens der Heiligen steeds lijden, vervol-
ging of marteldood te vinden. Daar zij volmaakt Christen
waren, moest hun zelfverloochening groot, hun kruis
wichtig zijn.
Dikwijls vloeiden de moeielijkheden voort uit de
omstandigheden, waarin zij leefden. Wordt er niet meer
zelfverloochening gevorderd voor de deugdsbetrachting
in een slechte omgeving, dan wanneer stichtende voor-
beelden ons lokken, steunen en voorthelpen? Daarom,
zegt de H. Paus Cregorius (1), wordt in de H. Schrift het
geboorteland van den Patriarch Job aangegeven. Een
ieder toch zou grooter bewondering opvatten voor zijn
deugd, haar beoefend ziende in een heidensche omge-
ving. Insgelijks zal de deugd der H. Odilia u meer
treffen, Beminde Lezer, zoo gij aandachtig den toestand
nagaat van haar vaderland, bij hare geboorte en in
hai'e jeugd.
Reeds van de vroegste tijden was het geloof in En-
geland bekend en beleden. Eusebius en Theodoretus
zelfs verhalen, dat de H. Apostel Paulus, daar het zaad
van Gods woord heeft uitgestrooid. Dit gevoelen wordt
nu wel is waar door de meesten verworpen, maar uit
de woorden van Tertullianus en Origenes blijkt zonne-
klaar, dat er zich zeker in het begin der derde eeuw,
(1) Lib. I, Mor. cap. 1,
'f
reeds Christenen, ja zelfs Katholieke gemeentens en
bisdommen bevonden. Tal van Christenen bevonden zich
onder de Romeinsche legerscharen. Geheele legioenen
waren soms Christen. Waar dus Rome zijn adelaars
plantte, werd het Christendom bekend en verkondigd.
Engeland was sedert J. Cesar een Romein^ch winge-
vvest, zoodat na de afkondiging des H. Evangelies, het
rijk van Christus er niet lang onbekend kon blijven.
Reda, Benediktijnermonnik, sedert het concilie van' Aken
(836) eerwaardige genaamd, (wiens naam in het Ro-
meinsch martyrologium op den 27 Mei staat aangetee-
kend), verhaalt ons (i), dat ten lijde van Marcus Antonius
in Engeland een vorst leefde met name Lucius. Liefdevol
jegens de Christenen, liet hij zelfs aan Paus Eleutherius
om priesters vragen, daar hij zijn volk in den Christe-
lijken Godsdienst wilde doen onderrichten. De H. Helena,
dochter van een Britsch vorst, echtgenoote van den
dapperen Constantius Ciorus en moeder van den grooten
Constantijn, strekt mede ten bewijze dat het Chrislendom
daar reeds vroegtijdig gevestigd was. Ja zelfs vindt
men op het concilie te Arles ten jare 314 gehouden,
drie Engelsche bisschoppen van York, Londen en Lincoln
aanwezig.
Aanspraak maken op den naam van bloeiende pro-
vincie kon Engeland in de vierde en vijfde eeuw vol-
strekt niet. Overal heerschte in de vier eerste eeuwen
onzer jaartelling biltere vervolging. Engeland scheen
wel nu en dan aan het streng wakend oog der Cesars
te ontsnappen; doch vanwaar moesten de priesters en
bisschoppen komen zoo noodzakelijk, wilde de kudde
niet verstrooid woi'den ? Andere kerken leden zelfs
kwellende behoeften; barbaren tot zulk een verheven
ambt opleiden was onmogelijk, en de Pieten en Scholten,
die onophoudelijk hunne bergen afdaalden, verstrooiden
en plunderden de Christenen, dewijl zij de Romeinen
beoorloogden. Telkens werd de herder geslagen en de
kudde verstrooid. De verwijdering en eenzame ligging
was oorzaak, dat de Christenen van den kant van Rome
(1) Hist, Eed, Ang, cap. IV,nbsp;⢠â¢
het minst te vreezen hadden. Daar kondigde Diocletianus
en iVIaximianus de bloedigste vervolging af. De neder-
lagen des rijks worden den Christenen verweten, in
hun bloed wil men de schande zooveler nederlagen
afwasschen. Een diepe verachting vatte Constantius
Clorus, jegens Romes tyrannen op. Ondanks zijn hei-
dendom, begunstigde hij de Christenen in het openbaar,
zonder te kunnen verhoeden, dat de Romeinsche be-
stuur«lei's in Brittagne de Christenen vervolgden. De
reeds zoo deerlijk gehavende kerk, werd van toen af
meer verwoest. Gelijk overal zagen de Christenen zich
hier blootgesteld aan vervolging, verbeuring der goe-
deren, foltering en marteldood. Als Constantius Clorus
in Engeland landde, waren de plaatsen, waar Christenen
leefden, grootendeels heidensch. Oorlog, vervolging,
gebrek aan onderricht deed de Christenen afvallen,
vluchtten ot' sterven, zoodat geheel de kerk hier ver-
nietigd of onder de korenmaat verborgen scheen. Bar-
baarschheiil, Romeinsch heidendom met ouden Druïden-
dienst gemengd, of er voor in de plaats getreden,
afkeer en haat jegens de Romeinsche overheersching,
hadden het Christendom in Engeland in een rampzaligen
staat gebracht. Geloof, liefde, deugd, Christelijke sterkte
werd weinig meer gevonden, en als later de H. Paus
Gregorius de Groote, den H. Augustinus na den inval
der Anglo Saksers, als Missionaris naar Engeland zond,
vond deze er zoo weinig Christenen en deze tot zulk
een laag pijl van Christelijkheid gezonken, dat men
hem gerust als den grondlegger van het Christendom
in Engeland beschouwen kon. Zoodanig was de toestand
der kerk in Engeland, als de H. Odilia er het levens-
licht aanschouwde.
De eerste levens aren der H. Odilia liggen in een
historisch duister. Hel weinige, dat wij er van weten,
is door haar zelfs geopenbaard in die drie- of viervou-
dige verschijning, waarvan wij later zullen gewagen, of
moet uit de Historie der H. ürsula, wier onafscheidelijke
gezellin zij zich noemt, worden opgemaakt. Van de H.
'Odiha kan in het*bijzonder gezégd worden, wat vvtj in*
een oud handschrift, aangaande den marteldood der
f ezellinnen van de H. Ursula in het algemeen, lezen (1)
at wij ons, namelijk, niet moeten verwonderen met
de eerste levensjaren dezer Christen heldinnen weinig
of niet bekend zijn; daar de genade, hun door Jesus
Christus in den dood geschonken, de heldhaftige strijd,
onderstaan voor waarheid, deugd, geloof, kuischheid,
liefde, hun grootste glorie is, en rijkdommen zijn, ge-
noegzaam een lafhartig Christen met dapperheid te
bezielen, tot bewondering op te wekken en in een
vurig belijder te veranderen. Volgens haar eigen woor-
den, door godvruchtige schrijvers aan de nakomeling-
schap medegedeeld, was zij de dochter van een Engelsch
vorst Maromaeus. Het jaar harer geboorte werd door
vele schrijvers verschillend aangegeven. De Bollandis-
ten (2) hebben alles grondig onderzocht en besluiten, dat
het sterfjaar der H. Ursula en gezellinnen moet gesteld
worden omtrent de helft der vijlde eeuw. Tusschen de
jaren 400 en 430 of daaromtrent zal Odilia's geboorte-
jaar waarschijnlijk moeten vallen.
Sommige schrijvers noemen haar bloedverwante der
H. Helena. De Eerw. pater Verduc, kruisheer van het
klooster te Toulouse, alsmede Dinant en Bannelius, beide
levensbeschi-ijvers der H. Odilia, doen haar van moeders
kant als bloedverwante der H. Helena kennen. Koning
Coel, bij wien Constantius Clorus tijdens zijn verblijf
in Brittagne zijn intrek nam, zou behalve de H. Helena
nog andere kinderen gehad hebben. Een der eerste
nakomelingen van deze zou de moeder onzer H. patrones
geweest zijn en dus stond de H. Odilia tot de H.
Keizerin Helena in betrekking van bloedverwantschap
op derde of vierde graad. Historisch is dit zeker zeer
twijfelachtig, zoo niet valsch. Ook de H. Ursula wordt
beweerd bloedverwante der H. Odilia geweest te zijn.
Volgens sommige schrijvers was de H. Ursula de dochter
van vorst Deonotus, die met zijne echtgenoote den
Katholieken Godsdienst beleed en zijne dochter een
waarlijk Christelijke opvoeding gaf. Eervol voorzeker
(i) Serm. in natale XI mille virg. (2) 21 Oct. pag. 71. gt; â¢â¢ â â¢
voor de H. Odilia, aan zooveel grootheid en adel door
de banden des bloeds verbonden te zijn, verhevener
echter door banden van geloof, liefde en heldhaftigheid,
die betrekkingen veredeld en verdubbeld te hebben,
ïe midden van zooveel zwakheid en zonden alles wat
groot en eervol is te hebben verlaten, om in kommer,nbsp;\
armoede en marteling, haren hemelschen Bruidegom tenbsp;|
zoeken en te bezitten, is voorzeker een stralenkrans omnbsp;»
het hoofd der H. Odilia.nbsp;|
TWEEDE HOOFDSTUK.
Het is zeker, dat de H. Odilia de gezellin was der
H. Ursula. De Bollandisten houden staande en onder
de Katholieke geleerden is het heden een uitgemaakte
zaak, dat de H. Ursula en zoo ook de H. üailia om
hare zuiverheid te bewaren, have, goed en vaderland
verlieten. Een geheele schaar van alle leeftijd, stand,
geslacht, doch voornamelijk heilige maagden, trokken
door Nederland en ondergingen voor de poorten van
Keulen den marteldood ten getale van 11.000. Volgens
oude gewoonte wordt deze schaar, die der elf duizend
maagden genoemd; niet als beslond zij alleen uit maag-
den, maar een vereeniging van martelaren werd, toen
ter tijde meestal genoemd naar het talrijkste of aan-
zienlijkste deel. Algemeen wordt thans de H. Ursula in
de Roomsche kerk gevierd. Niet slechts over geheel
Europa, maar tot in de Indiën zelfs zijn de reliefen en
is de vereering dezer maagdenschaar verspreid. Ver-
schillend echter wordt haar leven en sterven in de
ofïiciën, verschillende kerken eigen, verhaald. De Ro-
meinsche brevier geeft geen bepaalde beschrijving van
haar leven en marteldood. In het Roomsch martyrologium
lezen wij niets anders dan: »Te Keulen de geboortedag
(d. w. z. de dag, waarop zij hun glorievol leven in
den hemel aanvingen) der H. Maagden Ursula en ge-
zellinnen, die om den Christelijken Goddienst en de
â «tandvifstigherd- aJs -maagde-n- -te Keuleii -gedood* zijn-,
alwaar zeer vele hunner lichamen zijn begraven. Vele
levensbeschrijvers, naar gelang hun deze of gene
bron meer aannemelijk voorkwam, hebben de leiten,
die hun marteldood voorafgingen slechts op één wijze
verhaald. Een wordt er gevonden, die beide beschrij-
vingen opgeeft. Daar zoowel deze als gene wijze van
verhalen in vele bisdommen gevolgd werd^, heb ik ook
gemeend, beide hier in het kort aan te s'tippen. Alle
beschouwen de H. Ursula en hare gezellinnen als van
Britsche afkomst; en noemen ze koningsdochters en
prinsessen en edele maagden. Geen wonder, dat op
de H. Ursula en de H. Odilia reeds vroegtijdig het oog
van menig koningszoon vallen moest. Daar geloot en
liefde reeds van jongsaf in hen ontwikkeld waren,
moesten zij reeds vroegtijdig een heilige genegenheid
tot kuischheid, ja tot den maagdelijken staat in zich
koesteren. Menschelijker wijze moest thans het uur der
bep roeving zijn genaderd. Een heidensch jongeling, een
verwilderd Christen, (weinig anders werd er in Engeland
gevonden, wij zagen het reeds in het vorige Hoofdstuk)
moest hun een hevigen afkeer inboezemen. Aan Jesus
Christus de voorkeur geven boven de wereld, zou den
haat der wereld doen ontvlammen en die jeugdige
maagden aanhoudend doen vervolgen. Tot zooverre komen
alle verhalen tamelijk goed overeen. Zoeken wij do
oorzaak van hun vertrek uit Engeland, de wijze, waarop
zij vluchtten, tijd, plaats en verdere personen, die naar
hunne' hand dongen, welk een verschil vindt men dan!
Zoo leest men onder andere, dat, toen Keizer Gra-
tianus, ten jare 379 Theodosius als medekeizer aannam,
dit als een groote miskenning en grove beleediging
werd opgenomen door Maximus, overste der Romeinsche
legioenen in Eng:eland. Door zijn soldaten liet hij zich
zelve tot Keizer uitroepen. Aetherius van Mariedoc, zoon
van Codan, die vorst in een der Engelsche gewesten
was, werd met de prefectuur der Britsch-Romeinsche
troepen belast. Zoodra deze zag, dat de bewoners van
Armorica, het tegenwoordige Fransch Bretagne, - den
Tyran Maximus niet als keizer wilden erkennen, daar
zij vreesden, dat Maximus verslagen en zij als partijge-
nooten gruwelijk zouden gestraft worden, besloot hij
hen tot onderwerping te dwingen. Voorzeker zou hij
de gunst van Maximus meer waardig worden, andere
stammen zouden zich, door het voorbeeld van Armorica
afgeschrikt, meer gedwee onderwerpen en Aetherius
zelf zou me,t krijgsroem overladen zich de baan tot
meer gezag gebroken hebben. Aan het hoofd van een
aanzienlijk leger trok hij deze provincie binnen; alles
werd te vuur en te zwaard verwoest; wat niet vluchten
kon werd gedood, en geheel het land was verlaten en
voor nieuwe bewoners toegankelijk. Maximus toonde
zich ten hoogste voldaan over dit bewijs van gehecht-
heid. Geheel het land met al de rijkdommen^ mocht
Aetherius zich toeeigenen en onder zijn soldaten ver-
deden. Armorica was nu bevolkt met nieuwe kolonisten.
Dezelfde moeielijkheid, die Romeinsche geschiedschrijvers
ons van Romulus verhalen, deed zich thans ook hier
voor. Op een gemakkelijker wijze, ware God niet tus-
schenbeide getreden, zou er hier in voorzien zijn.
Thans vroeg Conan, zoo scheen Aetherius' tweede naam
te zijn, aan' de Engelsche vorsten, echtgenooten voor
zich en zijne krijgsknechten. Voor zich en de hoogere
machten in zijn leger vorderde hij maagden van vorste-
lijken bloede, voor zijne soldaten bruiden van minderen
rang, opdat elk een echtgenoote naar zijnen stand be-
zitten zou. Van daar die onbegrijpelijke menigte maag-,
den, welke de H. Ursula, Odilia, Emma, Basilea enz.
vergezelden. Mochten de ouders zich gelukkig wanen
hunne dochters zoo gunstig te kunnen uithuwelijken,
Ursula , Odilia en hare gezellinnen waren van een
geheel ander gevoelen.
Alvorens Engeland te verlaten, deden zij den hemel
geweld aan met tranen en gebeden. Op het voorbeeld
amp;er H. Ursula besloten allen hunne maagdelijkheid aan
Jesus Christus op te offeren. Zou haar geloof niet zwaar
beproefd worden door een huwelijksband met die teu-
gelooze soldaten ? En zoo niet, dan zou hare kuisch-
heid eli lieföe'toch'gf-ootelijls lijden door een losbandige
I
^ 1
'J
omgeving of misschien reddeloos verloren gaan. Metnbsp;'i
den gekroonden profeet baden zij: »iVe tradas bestiis
animas confilentes tibi.'' »0 Heer ! geef de harten, die
U belijden niet aan de wilde dieren over.quot; Op de vloot
gebracht om over het Kanaal naar Armorica over to
steken, verdubbelden zij hun smeeken en geween.
Nimmer had de wereld zulk een tooneel aanschouwd.
Zooveel geloof, liefde en kuischheid vereenigd ! Zoo
ooit, dan was voorzeker hier het woord uit het ker-
kelijk officie van toepassing: »0, quam jmichra est
casta (jeneratio cum daritate, immortalis est enim me-nbsp;â¢'!
moria illius, quoniam aptid Beim nota est et apudnbsp;j
hominesquot; (1). O hoe schoon is het kuische geslachtnbsp;*
met zijnen luister, onsterfelijk is deszelfs aandenken,nbsp;'
wijl het Gode en den menschen bekend, men mag ooknbsp;j
zeggen, beminnelijk is. De wereld kon wel is^^waarnbsp;|
dien geestelijken rijkdom niet naar waarde schatten.nbsp;ï
Voor God en de H. Engelen, die de waarde eenernbsp;^
heilige en kuische ziel kennen, was het een verrukkend
schouwspel. De Engelen des hemels vergezelden dezennbsp;f
maagdelijken stoet, dien men aan Jesus' hart wildenbsp;li
ontrukken. Maar God verlaat de zijne niet; waar hetnbsp;jl
gevaar het grootst is, komt men de redding het dichtstnbsp;i
nabij. Hij heeft, zegt de groote psalmist David (2), dennbsp;]
Engelen aangaande ons een bevel gegeven, om ons te
bewaren op al onze wegen. Op de handen zullen zij
ons dragen opdat wij onzen voet niet stooten aan een
steen. Met hoeveel meer recht mogen wij vertrouwen,
dat Hij de H. Ursula, Odilia, Ida, Emma, Basilea enz.
met hunne volgelingen uit het dreigend gevaar redden
zal. Vluchten was hun volgens dit verhaal onmogelijk;
wettig waren zij door hunne ouders verloofd, In Armo-
rica stond hun groot gevaar te wachten door slechte
voorbeelden, bespotting, gebrek aan geestelijke hulp
enz. Zonder menschelijke hulp, moesten zij zich wel
geheel aan Gods voorzienigheid overgeven. Ziehier hoe
wonderbaar God hun redding schonk. Toen de vloot,
met zulk een kostbaren schat beladen, zich tusschen
'nbsp;IV'.V 1. (2) Ps. XC, V. H.
Engeland en Armorica bevond, deed God een geweldi-
gen storm opkomen. Wind en zee schenen samen te
spannen om de schepen tegen elkander te verbrijzelen
of op een rots te verpletteren. Ondertusschen smeekten
deze H. maagden den hemel onophoudelijk om genade
en erbarming; en als de storm bedaarde en men het
land wilde naderen, dat men in de verte bemerkte,
was men verre van Engeland en Armorica verwijderd
en in vreemde maar minder gevaarlijke have aangeland.
Zij bevonden zich thans aan de monden van Maas en
Rijn en konden van daar misschien gemakkelijk naar
Rome of andere Katholieke provinciën vluchten, waar
hun geloof en deugd aan minder gevaar was blootge-
steld. Blijde konden zij thans uitroepen: »Beuedictus
Deus qui non dedit nos in captionem dentibus eorum.quot;
Gezegend zij God, die ons niet aan hunne tanden ten
prooi gaf. Zijn de punten in den aanvang van dit
hoofdstuk uit de Bollandisten genomen, tamelijk een-
stemmig met volksoverlevering en oude handschriften,
toch zal het ons uit het vergelijk tusschen bovenstaande
en de volgende verhalen duidelijk worden, hoeveel
legendarisch deze geschiedenis in de bijzondere omstan-
digheden verhaald, bevat. Sommige bisdommen schijnen
de lessen der H. Ursula en gezellinnen getrokken te
hebben uit een oud handschritt genaamd Passio.........
en waarschijnlijk gedagteekend in het begin der elfde
eeuw. Daar lezen wij, dat de Katholieke ouders der H.
Ursula werden lastig gevallen om de hand hunner
schoone en godvruchtige dochter door een heidensch
vorst, die haar als vrouw voor zijn zoon begeerde.
Zwakheid en voorzichtigheid deden hen besluiten de
gezanten niet met een weigering heen te zenden. Van
den anderen kant stuitte hel hen tegen de borst hunne
edele dochter, wier afkeer van een heidensch huwelijk
zij kenden, zonder genaden tegen wil en dank over te
leveren. God verlichiie echterquot; het hart der H. Ursula.
Haren geheelen levensloop doorschouwend, raadde zij
haren vader den gezanten de verlangde toestemming te
geven, mits zij zich eenigen tijd^met een geheelen
I«
â s
1
«t
»1
fi'i
maagdenschaar mocht afzonderen en ter zee begeven.
Daar versterkte zij al hare gezellinnen door woord en
voorbeeld. Toen allen door gebed en oefening sterk
genoeg waren zich aan gevaren en ontberingen bloot
te stellen, vernam zij van God, dat de tijd van vluchten
was aangebroken. Op het vernemen hiervan waren allen
bereid haar te volgen. Zij brandden van begeerte, liever
lijden, ellende en marteldood te verduren, dan hare
zuiverheid prijs te geven. Terwijl geheel het rijk van
Ursula's vader meende, dat zij zich aan vermaak over-
gaf, stak zij onverwachts zonder iemands welen, ver-
gezeld van al haar maagden de zee over, landde op
onzen vaderlandschen bodem, van waar zij naar, voor
haar minder gevaarlijke streken konden vluchten. Een
stuk geschreven door Herman Jozef, gelukzalige van
de Praemontratenser-orde, geeft zelfs geheele lijsten aan
met de betrekkingen dier maagden onderling. Meer-
malen lezen wij daar den naam der H. Odilia, allen
van elkander verschillend. Een wordt er genoemd
Chiliarcha, d. i. aan het hoofd van duizend maagden
staande (1). Al de omstandigheden aangaande haar be-
schreven, doen besluiten datquot; deze H. Odilia de patrones
is der Kruisheeren. Deze is maagd, de andere daar ge-
noemd zijn of gehuwd, ot kind, of eerst langen tijd
na de overbrenging der relieken van onze H. Odilia
gevonden. Slechts tot stichting heb ik het bovenstaande
geschreven, zelfs overtuigd, dat er hier en daar nog al
iets gevonden wordt, dat moeielijk met de algemeene
geschiedenis te vereenigen, of wel met fabelen gemengd
schijnt. De meeste schrijvers onzer Orde hebben de
eerste wijze van verhalen gevolgd.
DERDE HOOFDSTUK.
Hoe dan ook, ontwijfelbaar is het, dat de H. Ursula
Odilia en gezellinnen om hare kuischheid Engeland
vaarwel gezegd hebben en Nederland doorgetrokken
(1) Bollandisten 21 Oct, pag. 176.
zijn. De Voorzienigheid Gods had hen bewaakt en ge-
holpen. Er zou echter een tijd aanbreken, die dén
vinger Gods in de heiligheid en kracht dezer maagden
meer zou openbaren. Godvruchtige overleveringen mel-
den, dat zij eenparig het besluit namen zich over land
naar Rome te begeven en de graven der H. H. Apos-
telen te bezoeken. Stout besluit en heilig voornemen,
vooral toen ter tijd moeielijk uit te voeren. Zelfs in
Italië, waar het Romeinsche rijk zoo lang en sterk ge-
vestigd was, begon dit reeds te wankelen. Hier in
Neder-Germanië had het reeds alle kracht verloren.
Uit de donkere boschen van Duitschland kwamen tal-
looze barbaarsche volkeren te voorschijn, die de Romei-
nen voor zich uit dreven en de ontvolkte gewesten
bezetten. In eenige sterkten als Aken, Keulen, Trier,
hield de Romeinsche bezetting nog stand: de overige
streken waren bezet door w'oeste Barbaren, Alanen,
Franken, Saksers, Heruliërs enz. De H. Hieronymus
schrijft ons van het jaar 409 (1). Talrijke en zeer woeste
natiën bezetten thans geheel Gallië. Al hel land liggend
tusschen Rijn, Alpen en Pyrenaeën is verwoest 'door
de Quaden, Wandalen, Sarmaten, Bourgondiërs enz.
Zooveel Barbaren hadden zich van de Nederlanden en
Gallië meester gemaakt, dat de nog door Romeinen
bezette steden midden in Germanie schenen overge-
bracht. Zij waren omgeven door woeste benden, 'als
een rots door den Oceaan. Een mannelijke, heilige
maagdenschaar nam thans het fiere besluit, midden door
deze Barbaarsche of ontvolkte landen heen, den weg
naar Rome in te slaan. Een Romeinsch cohort zou er
tegen hebben opgezien. Doch die geloot' heeft als een
korrel mostardzaad, zul tegen den berg zeggen, hef
u op en stort u in de zee en het zal geschieden (2;.
Alle moeite verdwijnt voor hem, die levendig gelooft.
Zonder Gods ingeving zou zulk een onderneming onge-
oorloofd zijn geweest. Een buitengewone hufp Gods
was noodig om ze te volbrengen. Men moest een hoogen
graad van zellverloochening, een vast vernrouwen op
(1) Boll. 21 Oct. p. 134. (2) IMath. Cap. XVII, v. 19.nbsp;2
I
si
r.-j
il
v'i
Gods vaderlijke zorg, ja de sterkte der martelaren heb-
ben en den moed der belijders, om tot zulk een besluit
te geraken. Dit wisten zij; maar getrokken door Gods
zalvende genade, zochten zij bij Hem hunnen steun en
voelden zij alle vrees uit hun hart gebannen. Mochten
de barbaren hen uit haat voor den Godsdienst ter dood
brengen, Jesus Christus zou hun kracht en genade
verleenen hier op aarde, om hun aan de andere zijde
des grats de kroon der eeuwige gelukzaligheid met den
palmlak der martelaren over te reiken. Door God be-
moedigd, stevenden zij de Maas of den Rijn op, en
trokken geheel ons vaderland in de volle breedte door.
In een oud stuk, getiteld: »Smno in natali XI vül.
virg.,quot; wordt zelfs gezegd, dat zij eenigen lijd in Ne-
derland zouden vertoefd'hebben. Als de schrijver van
genoemd stuk wil bewijzen, dat Brittagne de eer heeft
moeder en voedster dezer uitgelezen maagdenschaai' te
zijn, dan haalt hij do getuigenis aan van Engeland,
Nederland en Duitschland, ongeveer met. de volgende
woorden: »Mot dit gevoelen stemmen overeen en zij,
»die de maagden afzonden (d. i. Brittagne) en zij, die
»zich gelukwenschen hen te hebben opgenomen (d. i.
»Keulen) en eindelijk zij. die tusschen beide gelegen
»zijn (de bewoners van Nederland). Deze staven dit
»gevoelen met duidelijke en passende bewijzen. Hier
»worden zeer vele plaatsen gevonden, vereerd en op-
»geluisterd door de relikwieën dezer heiligen. Men
»verhaalt zelfs, dat zij zich hier eenigen tijd vestigden,
»verblijvend op het eiland der Batavieren, dat door den
»Rijn met zijne twee hoornen gevormd wordt.quot; In een
stuk van later dagteekening (passio), staat zelfs aange-
geven, dat zij te ïiel eenigen tijd aan wal geslapt
zijn (1). Den Bollandisten is dit echter ongelooflijk,
daar toen ter tijde Tiel nog geenszins bestond als be-
kende markt of haveplaats.' Ook vernemen wij dat hier
aan de H. Ursula een engel verscheen, die haar een
voorspoedige reis naar Rome voorspelde. Wat er van
zij, ons vaderland trokken zij door en naderden behou-
(1) 21 Oct. pag. 160. Bollandisten. Cfr'. Katholiek 188/ f Sept. pag.'142.
den de stad Keulen. Op reis hadden zij veel geleden
en zicli allerlei ontberingen moeten getroosten ; te
Keulen duifden zij eenige verademing verwachten en
hopen. In die dagen was Keulen reeds een oude en
zeer vermaarde stad. Weleer aan den rechter Rijnoevernbsp;|
gelegen, waren haar bewoners, de Ubiers, naar dennbsp;|
linkeroever overgebracht. Daar mengden zij zich met
Romeinsche Kolonisten, breidden hunne nieuwe stad
meer uil en noemden haar naar Nero's moeder Colonia
Agrippina. Hier was de pleisterplaats der Romeinsche
legioenen en een van de hoofdpunten van handel en
nijveiheid in het Noorden. Al de weelde van Rome was
hier in hel klein aanwezig. Amnhilheater, Forum, had-
plaatsen, een soort van senaat, de brug over den Rijn,
enz. deden het met recht het Rome van het Noorden
noemen. Reeds vroeg moet hier de Christelijke Gods-
dienst gevestigd zijn: ten tijde der H. Ursula en Odilia
was zij er bijna lieerschend. Helaas, hoe was echter
de rcsiuheid van zeden verbasterd. Gelijk ile 11. Kerknbsp;'i
in hel Oosten maar al te zeer geteisterd werd door een
snelle opvolging van de afschuwelijkste keltei'ijen, die
het ééne dogain iia hel andere aanvielen, zoo werd de
kerk van Keuion ondermijnd door zedebederf, die om
bloedige wraak ten hemel riep.
Menig kerkelijk schrijver en heilige van dien tijd
schelst den toestand der wesiersche kerken met de
zwartste kleuren (I). Galvianus beschuldigt met name de
bewoners van Keulen als zich overgeveiuie aan zinne-
lijkheid, gierigheid, losbandigheid en dronkenschap,
zelfs terwijl dreigende gevaren hen van alle kanten
omi-ingden en zij duidelijk zagen, dat de gramschap
Gods op het. punt stond legen hen uit te barsten.
Omtrent het jaar 4a0 kwamen de II. Ursula en Odilia,
met een tallooze maagdenschaar, vi'ouwen en kinderen
te Keulen aan, zich verheugende den voet op Katholie-
ken bodem te kunnen zetten. Of zij zich van daar
werkelijk naar Rome begeven hebben, (gelijk ook eennbsp;,,
enkel schijver aangaande de H. Odilia beweert), of ter-nbsp;p
(i) De gubernatlone Dei, 1, VI. Cap. XIII.
stond in de handen der barbaren gevallen zijn, wordt
door de geleerden betwist. Wat verder in de Passio
verhaald wordt ovei' den verderen tocht op den Rijn
tot Basel, den pelgrimstocht door Zwitserland, den
terugkeer in gezelschap van Paus Cyricius die, door
hunne heiligheid getroffen, hen wilde begeleiden, enz.
kan men gerust betwijfelen of' ronduit met den geleer-
den Papenbrochius loochenen. Ook d« Bollandisten slaan,
en met reden, aan al die verhalen geen geloof, ofschoon
zij houden, dat een deel dier H. Maagden, de graven
der H. H. Ap. bezocht heeft. Is dit zoo, dan kunnen wij
vromelijk gelooven, dat de H. Odilia, die zich gelijk
wij later zullen zien de onafscheidelijke gezellin der
H. Ursula noemt, met haar op de graven der H. H.
Apostelen geknield heeft. Hoeveel duisterheid de jeugd
van Ursula en Odilia omgeeft, is u uil deze weinige
bladzijden B. L. overduidelijk gebleken. Doch het zeke-
re geefl ons overvloed van stof tot nadenken om een
diepen eerbied voor de H. Odilia op te vatten en God
in haar te vereeren.
VIERDE HOOFDSTUK.
Menig Christen zal bij een aandachtige lezing der
,1'nbsp;vorige bladzijden de godsvrucht, toewijding, devotie
i inbsp;of hoe men het noemen wil, der H. Odilia en harer
gezellinnen bewonderd hebben. In de wereld vindt
men er wel is waar vele, die het uitwendige kleed der
'Inbsp;Godsvrucht bezitten en hunne dagen, naar men meent,
Ijnbsp;slijten in overweging en gebed, doch de dringende
geboden der wet Gods door onwetendheid of nalalig-
?!nbsp;heid overtreden of bij de minste beproeving, het vuur
Hjnbsp;der Godsvrucht voelen uitdooven. Hoe geheel anders
j|inbsp;zien wij dit in het leven der H. Odiiia! Wat wij ook
Inbsp;door het woord godsvrucht verstaan, mits genomen in
Inbsp;den waren en heiligen zin, zien wij in haar deze voor-
..... treffelijke deugd schitteren. Volgens de Godgeleerden
'nbsp;' kan men 'aan Godsvrucht een tweevoudige bepaling
geven. Als akte is zij een vrijwillige overgeving van
zich zeiven om God te vereeren, en te verheerlijken.
Hier is zoozeer geen sprake van het smaken der geeste-
lijke zoetheid, aan de grootste heiligen zoo dikwijls
ontzegd, veel minder van die bloot uitwendige veree-
ring, door God zoo in het oude als nieuwe Testament
herhaaldelijk gebrandmerkt en door de Phariseën met
alle vlijt beoefend: neen slechts het hart, en het hart
alleen is de kern, de ziel der Godsvrucht: wanneer
het hart Gode hulde en eer biedt, heeft men echte
Godvruchtigheid. Vereenigt zich nu, gelijk hel der men-
schelijke natuur past, hand en hart, lichaam en ziel,
om God te verheerlijken door een offer van lot en dank-
betuiging en veel meer door ware zelfverloochening
om God, dan heelt men een zuivere, een volmaakte
akte van Godsdienst. Hoe spoedig echter snelt een
enkele akte voorbij. Wil de Godsvrucht bestendig zijn,
dan moet zij deugd worden en als blijvende genegen-
heid de ziel versieren. Dan brandt de ziel van een
vlammende begeerte, vurige vaardigheid en heilige
bovennatuurlijke drift haren schepper de, op zoovele
titels verschuldigde, eer te bewijzen; lichaam en ziel,
bloed en leven voor Hem te offeren. Zoodanig eene
Godsvrucht ontvlamt de Cherubijnen en Seraphijnen des
hemels, die hun gelaat en wezen met de vier vleugelen
bedekken, ten leeken van hunnen diepen eerbied en
nederige, zich zelve verloochenende liefde, terwijl zij de
beide andere uitspreiden en bewegen, om hunne vaar-
digheid in het volbrengen van Gods H. wil te bewijzen.
Gode zij dank. B. L. dal wij dergelijke vooi-beelden
van treffende ware Godsvrucht nog dikwijls rondom ons
mogen zien. Grooter dank nog zijn wij Hem schuldig,
in liet leven zooveler H. martelaren en martelaressen
een allervolmaaktst toonbeeld dezer dengd ontvangen te
hebben. Deze schoone deugd versierde de H. Odilia
meer dan de kostbaarste diadeem. Haren beminden
bruidegom Jesus Christus was zij met hart en ziel toe-
gewijd''van hare kindsche jaren af. Niet slechts tevreden
naar zijn aanbiddelijk aanschouwen te verlangen, en
ii
il
1
onophoudelijk heilige en hartelijke verzuchtingen naar
zijnen hemelschen troon aan de rechterhand van God
den Vader op te sturen, was zij levens bei'eid goed
en bloed, leven en aardsch geluk, alles ter zijner eer
op te offeren. Deze bereidvaardigheid heelt zij geloond
en volmaakt beoefend bij het verlaten van vader, moeder,
geboortegrond, eer, naam, fortuin, ja van zich zelve
om de liefde van Jesus Christus. Gelijk de li. Kerk
zoo kon ook zij zeggen (1). Het rijk der wereld en alle
sieraad dezer eeuvv heb ik veracht om de liefde van
onzen Heer Jesus Christus, dien ik gezien en bemind,
in wien ik geloofd en mijn Helde bijzonder gesteld
heb. Zoo iemand vaderen moeder meer bemint dan Mij.
zeide de Zaligmaker (2), hij is mijner niet waardig.
Hoe kan hij ook een waar dienaar Gods en het bezit
en aanschouwen Gods waardig zijn, die een ellendig
sterfelijk en zondig mensch, een tijdelijken vader in
zijn geest hooger schatte en met zijn hart vuriger be-
minde dan den Oneindigen Algoeden God. Het is dus
een dure plicht God boven alles te stellen en onze
natuurlijke ouders, zoo zij onze tegenstanders worden
op den weg der zaligheid, te verloochenen. Doch hoe
zwaar en bitter valt dit niet. Die het ondervindt, voelt
maar al te wel, dat de Verlosser niet alleen den vrede,
maar ook het zwaard gebracht heelt (3). Heeft de
H. Odilia dan geen bewonderenswaardige Godsvrucht,
daar zij ter zijner eer de scherpte van dit zwaard voelde?
Van nature toch was zij, evenals wij, zwak, gevoelig,
menschelijk. Wat de ouderliefde betreft hadden de hei-
ligen over het algemeen een veel gevoeliger hart. Hun
verstand, dat helderder verlicht werd dan het onze, en
niet door veelvuldige toestemming in de zonden ver-
duisterd was, leerde hen beter, wat wij onzen ouders
fi;nbsp;verschuldigd zijn. De oprechte eerbied en vurige liefde
uit een bovennatuurlijk beginsel hunnen ouders toege-
dragen, maakten hunne kinderlijke genegenheid sterker,
en snoerden den natuurlijken liefdeband hechter vast.
Bij bet aanschouwen der gebreken onzer ouders voelen
- . ⢠⢠- «__*- * â ⢠.... , , ,
(1) Com. non. virg. Resp. Vlll. (2) Math. X. 87. (5) Math. X. 54.
i:
wij die gehechtheid verminderen, de warme liefde soms
geheel en al bekoelen, en een koude onverschilligheid
daarvoor in de plaats treden, zoodat wij hen met een
minder liefderijk oog aanzien. Niet aldus bij de heiligen,
ook niet bij de H. Ociilia. Vurig beminde zij hare ouders,
hen hopende voor God te winnen of te bewaren. Het
moest haar dan zeer veel kosten voor den dienst Gods,
dien bijna onverbreekbaren natuurlijken en door Gods
genade bovennatuurlijk versterkten band te breken. Is
dit Beminde Lezer, dan geen bewijs harer vurige gods-
vrucht? Ik zeide nog niets in iet bijzonder van het
verlaten haars vaderlands. Zij was overtuigd dat de
geheele zichtbare schepping een tempel Gods was, ver-
vuld met zijn aanbiddelijke tegenwoordigheid. Neemt
dit nu weg, dat ook zij behoefte gevoelde aan de
maatschappij, zeden en geoorloofde gewoonten in welker
midden zij was opgevoed? Te huis genoot zij dienst-
betoon, hulp, overvloed en liefde ; in den vreemde
daarentegen noch dienstvaardigheid, noch nooddruft,
maar werd zij daarentegen beschouwd als vijandig en
gevaarlijk en moest daarom blootgesteld worden aan
haat en vervolging. Wist de H. Odilia bij hare vlucht
uit Engeland, welk lot haar in de toekomst beschoren
lag, dan zoude de zwaarte van haar ofïer en de moeielijk-
heid harer godsvrucht veel geringer geweest zijn. Een
zwarte sluier lag echter over de toekomst uitgespreid.
Achter zich zag zij duizende banden, die haar weer-
hielden en als met geweld terugtrokken; voor haar
dreigden tallooze gevaVen naar ziel en lichaam met een
onze\ere toekomst. Voorwaar, een groote beproeving
harer godsvrucht en tevens een groot bewijs van de
kracht der goddelijke genade en de hooge ontwikkeling
van voornoemde deugd in hare engelreine ziel. God,
die door Paulus' mond zeide (1), dat hij niet zou ge-
doogen, dat iemand boven zijne krachten beproefd werd,
gaf haar kracht alles om Hem te verlaten, en Hem
lichaam, liefde en leven toe te wijden. i^Aquw mulm non
potuerunt extingiiere charitatem;quot; zegt de H. Schrift (2):
quot; (1) I Cor. X. 13. (2) Cant. VlII. 7.
4 ' cl
m
i
I
Vele wateren konden de liefde niet uitdooven, hetgeen
volmaakt in onze H. patrones vervuld werd. De wateren
van beproeving, zelfverloochening en lijden konden het
vuur harer liefde niet uitdooven. De Heiligmakende
genade ging in haar hart niet verloren, en gebruikte
de hel alle^ rampen der aarde om ze te vernietigen,
helder schitterde die hemelsche gave en levendiger
vlamde de liefde op. Hield de natuur haar met sterken
arm terug, de godsvrucht overwon alles, maakte haar
belijderes van Jesus' naam en zou haar eindelijk den
palm des martelaarsschaps bezorgen. ygt;Nec fliimim
obruent illam,quot; voegt de H. Schrift achter bovenaange-
haalde schriftuurplaats. Stroomen zelfs zullen die liefde
niet overstelpen. Zagen wij het eerste deel dezer text-
woorden in het leven der H. Odilia bewaarheid, haar
dood zal dit tweede deel op haar toepasselijk maken.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Ondanks de duisternis over de lotgevallen dezernbsp;^^
roemrijke en heilige maagdenschaar verspreid, nemen
de geschiedschrijvers heden als zeker aan, dat zij doornbsp;!
de Hunnen voor geloof en kuischheid gemarteld zijn (1).nbsp;'
Twee van elkander onafhankelijk geschreven documen-nbsp;|
ten staven dit krachtig. Grieksche en Romeinsche schrij-nbsp;:
vers verhalen, dat de Hunnen in oorlogstijd vooral van
pijlen gebruik maakten. Geen volk uit de groote volks-nbsp;:
verhuizing bezigde dit wapen behalve zij (2). Nu zien
wij in de overblijfselen van Ursula's en Odilia's gezel-
linnen de sporen der pijlen dikwijls duidelijk aanwezig.
Wat ons van zelve brengt tot de gevolgtrekking: doornbsp;'
de Hunnen heeft de H. Odilia den marteldood onder-nbsp;{
gaan (3). Weleer woonde deze volkstam in het Zuid-Oos-nbsp;'
telijk gedeelte van Europa aan de oevers der Caspischenbsp;A
en Zwarte Zee. Met de zwartste kleuren worden zij ons
afgeschilderd door getuigen wier gezag boven allen
(1) Bolland, pag. 118, (2) Ibid. (3) Deze raeening wordt gevolgd
in het Romeinseh martyrologium. 2l Oct.
twijfel verheven is, daar sommige (1) zelfs toeschouwers
of heiligen waren. Hoewel oorlogzuchtig, waren zij
overgegeven aan dronkenschap, vraatzucht en afschu-
welijke onzuiverheid. Trouwe oos en wreed misten zij
in tegenstelling met andere heidenen, elke natuurlijke
deugd, gastvrijheid uitgezonderd (2). Vroeg reeds hadden
zij begeerige blikken geslagen op de landen hunner
naburen. De boorden van den Donau waren al in hun
bezit, als Attila hun aanvoerder werd. Niet tevreden
met dezen buit, maakte Attila om de begeerten zijner
onderdanen te voldoen en zijne eigene heerschzucht bot
te vieren, gebruik van den ellendigen toestand des
Romein.schen rijks en trok met zijn ontzaggelijke leger-
macht langs den Donauoever naar den Rijn, geheele
volkeren aan zich onderwerpend en alles te vuur en te
zwaard verwoestend. Sommigen verhalen, dat hij langs
twee kanten den Rijn overstak, om een aanval op Gallië
te doen. De Bollandisten echter houden staande, dat
hij te Coblenz met al zijn volk den Rijn overvoer,
vandaar in een Zuid-Westelijke richting naar Trier trok,
en na deze stad verwoest te hebben, geheel Gallië met
den ondergang bedreigde. Gelukkig sloegen daar West
Gothen en Romeinen de handen ineen. Tweedracht
zou beider ondergang geweest zijn. Door vereeniging
van strijdkrachten sterk, sloegen zij Attila terug in
de vlakte van Chälons sur Marne en Fransch champagne
en dwongen hem naar den Rijn terug te trekken. Hij
nam zijn weg door westelijk België, trok op Tongeren
aan, verspreidde links en rechts schrik en ontzetting
en naderde omtrent de helft der maand October ten
jare 451 de poorten van Keulen. De bloeddorst en
onmenschelijkheid van Atilla's woeste horden, was door
dat aanhoudend oorlogen en moorden, door die tallooze
overwinningen en niet minder door de verbittering over
de in Gallië geleden nederlaag, eer opgewekt dan be-
daard. Attila zelfs muntte uit in al de ondeugden zijns
volks, hij scheen er de verpersoonlijking van (3). Hoe-
(1) Bolland, p. 157. § XXIV. (2) Bolland, pag. H5 en vol
(5) Bolland, ibid. 158.
Si
i'ïl
â ge-
wei dapper in den oorrlog en tegen alle soort van
ontberingen gehard, was hij een ellendige slaaf zijner
wulpschheid. Zijne onzuiverheid kende geen einde.
Zijne wreedheid, gezellin en volgelinge der ontuchtnbsp;gt;
zijn berucht en spreekwoordelijk gewoi'den. Niet ten
onrechte draagt hij den naam van geesel Gods. Hij
scheen Gods straffende hand voor het zondige Romein-
sche rijk. Gelijk bij zijn volk, zoo w-as ook bij Attila
door aanhoudend strijden, overwinnen en bloedvergieten
de wreedheid in hooge mate vermeerderd. Zoodanig
was de man en het volk in welks l'.anden de H. Odilia
en geheel die engelachtige, zachtmoedige en heilige
maagdenschaar, welke een H. Ursula aanvoerde, vallen
moest. Als Attila hel beleg sloeg voor Keulen, bevond
de H. Odilia met de overige maagden zich juist onder
de muren der stad. Wreedheid, onzuiverheid en dweep-
zucht dreven den woesten heiden aan, de heiligen ge-
vankelijk naar het kamp te leiden. Welke beproeving
hun onschuld hier moest doorstaan, laat zich gemakke-
lijk begrijpen. Een geheel leger barbaren dorstte naarnbsp;n
hun maagdelijkheid en bloed. Men verhaalt, dat Attila
zelve allerlei listen en lagen gebruikte, om hen te bewe-
gen tol afval van bet H. Geloof of tot opoffering hunner
zuiverheid. Hij had het plan opgevat, deze H. bruiden
van Jesus Christus, als zoovele slavinnen der ontucht,
onder zijne krijgsoversten en soldaten te verdeelen.
Volgens sommigen was'de H. Odilia bestemd geworden
voor een zijner dapperste ki-ijgers. Fier wees de Heilige
een zoo schandelijk aanbod af. Bitter zou het haar
vallen (menschelijkerwijze gesproken) Jesus Christus
te verkiezen boven een aardse len bruidegom, en een
heiden om Hem te verachten. Maar een schat van
oneindige waarde zou zij weldra ontvangen in den
hemel (1), want wie zijne ziel haat en verliest in dit
leven, bemint en wint ze in eeuwigheid, en (2) een
oogenblik van lichamelijke kwelling bereidt een eeuwig
gewicht van hemelsche glorie. Welk een tegenstelling
tusschen Attila met zijné benden en de H. Odilia met hare
(1) Joes. Xll. 25. (2) 11. Cor. IV. 17.
|i
zusters en gezellinnen. De grootste onzuiverheid en de
heiligste reinheid, de wreedste bloeddorst en de Chris-
telijkste zachtmoedigheid, ik mag er bijvoegen, een
kudde lammeren tnsschen legioenen leeuwen en tijgers.
Daar de heiligen onwrikbaar in hun besluit volhard-
den, werd Attila vergramd, zich verwonnen ziende door
de deugd van zwakke maagden en weerlooze kinderen.
Volkeren hadden voor hem gebeefd, zijn omgeving sid-
derde voor zijn vlammend oog en jeugdige maagden,
teedere en tengere kinderen ontzagen zich niet, in volle
bewustzijn van de gevaren, die hun dreigden, zijn
beloften smadelijk te verachten, zijne strikken te ont-
duiken en als te lachen met zijn bedreigingen. Zich in
zijn trotsch gekwetst voelend, gal' de heidentyran ter-
stond bevel de onschuldige menigte weg te sleuren,
om ze met zwaard of' boog te dooden. Beurtelings zien
wij de H. Odilia afgebeeld met den pijl in de handen,
of het hoofd buigend onder het zwaard der barbaren.
Het martelaarschap dezer heiligen gaal alle beschrijving
te boven. De kindermoord te Bethlehem is misschien
quot;nbsp;het eenige in de geheele geschiedenis der wereld, wat
hiermee te vergelijken is. Als razende tijgers wierpen
zich de soldaten op de heiligen of doodden ze van
verre met hunne pijlen. Geheele reien stortten over
elkander neêr, hun onschuldig bloed vloeide met stroo-
men, en binnen weinige oogenblikken had de aarde
een kostbaren schat verloren en was de hemel met elf
duizend heiligen vermeerderd, waarvan het grootste
gedeelte Godgewijde maagden waren (I), die het Lam
volgen, werwaarts het henen gaat. Hoezeer zullen zich
thans de H. Odilia, Ida en Emma enz, verheugen! Hoe
ruim en volop zien zij zich beloond voor hun bitier
strijden ! Hoe sterk trekt ons hun voorbeeld om voor
â¢lesus' wil iels te lijden en den parel der eeuwige
heerlijkheid tegen eiken prijs te koopen !
(1) Apoc. XIV. 4.'
ZESDE HOOFDSTUK.
Wie bewondert in de H. Odilia de levendigheid des
geloofs niet? Bij velen was de minste moeielijkheid
dikwijls in staat, het geloof te doen wankelen of weg
te nemen. Zelfs in den tegenwoordigen tijd, nu een
geheele schaar stichtende priesters en vrome geleerden
de geloofswaarheden met eere en glans tegen de god-
deloozen verdedigen, en de ongerijmdheid der moderne
leerstukken dagelijks duidelijker uitkomt, zoodat ketterij,
schisma en ongeloof op het veld der wetenschap ver-
slagen zijn, en de waarheid en waardigheid der H.
Katholieke kerk schitterender voor den dag treedt, ook
voor het oog der natuurlijke rede; nu zien wij nog
velen hun geloof verbergen, verwaarloozen en helaas!
dikwijls verloochenen om geringen tegenspoed te ont-
gaan of uit vrees voor het menschelijk opzicht. Hoe
geheel anders handelden de H. Odilia en hare gezellin-
nen. Gelijk men den boom kent aan zijne vruchten,
zoo de kracht des geloofs aan de werken der liefde tot
God. Zonder de liefde is het geloof dood, zonder de
liefde kan het nooit vertoond worden. Toon mij uw
geloof, zegt de H. Apostel Jac. zonder de werken, en
uit de werken zal ik u mijn geloof toonen (1). Wijl wij
in de H. Odilia zooveel opoffering en liefde aanschou-
wen, kunnen wij tevens haar geloof bewonderen. Hare
heilige en ongeschonden jeugd was een belichaming,
een aanschouwelijke voorstelling dezer Goddelijke gave.
Door gestadige beoefening gevoed, was haar geloof
weldra in staat bergen van moeielijkheden, door duivel
en wereld opgeworpen, te verzetten. Toen zij kiezen
moest tusschen een vlucht vol ontberingen, of het behoud
harer tijdelijke rijkdommen met verlies van, of gevaar
voor geloof en liefde, aarzelde zij niet het eerste te
nemen. Schatten, fortuin, toekomst, ouderlijk huis, bloed
en vaderland zeide zij vaarwel, en hoewel van de toe-
komst onzeker en beducht voor gevaren naar lichaam
en ziel, die haar wachtten, stejde .zij alle,vertrouwen
Tl) Jac. II. 18.
t
op den Heer, zich-zelve in den schoot zijner oneindige
barmhartigheid nedervverpend. De ontberingen, die zi,
moest verduren, de gevaren waaraan zij blootgestelc
was, hare vlucht en ballingschap schaadden haar geloof
niets, maar deden deszelfs kracht beter uitschijnen en
deszelts levendigheid groeien. Geen wonder, dat God
haar eindelijk waardig keurde, als martelares uit dit
leven naar de eeuwige heerlijkheid te worden overge-
bracht. Hoe luisterrijk glanst haar geloof voor den troon
van den grimmigen Attila. Bij zijne komst werden legers
verlamd van schrik, zijne omgeving stond verpletterd
bij het bulderen van zijn toorn en den vlam zijner
oogen, de H. Odilia en hare gezellinnen aanschouwden
hem onversaagd en voelden zich door zijne gramschapnbsp;i \
niet ontstellen. Het geloof versterkte, bemoedigde hen.
Geen woorden, liefkozend of dreigend, de dood zelfs
was niet in staat hun geloof te doen bezwijken. En
hoe innig is de jeugd niet aan het leven gehecht ? Een
grijsaard is dikwijls levenszat, het tijdelijke begint hem
te walgen, hij verlangt naar den vrede des grafs. Hij
ziet zich reeds aan deszelfs rand geplaatst. Lang kan
het met hem niet meer duren. Verliest hij het leven,
slechts eenige dagen zijn het. Een man in het midden
van zijnen loopbaan heeft de rampen der wereld dui-
zendmaal ondervonden, een hoogere verstandsontwik-
keling, wilskracht en moed, doen'hem den dood zonder
vrees in de oogen zien; maar de jeugd kent de bitter-
heid des levens nog niet bij ondervinding. Hare dagen
zijn als de lente. Een reeks van jaren staan haar nog
voor de borst. Geen moeielijkheid kent zij, of anders
meent zij in overmoed alles te kunnen trotseeren; dus
is het leven der jeugd dierbaar, het verscheiden dubbel
bitter. Hoe meer is lüt waar, wanneer zwakheid der
kunne met jeugd vereenigd zijn. Zou men hier den
marteldood niet het minst moeten veronderstellen ?
Welnu, de H. Odilia is den marteldood gestorven, als
kind. Slechts een jeugdige maagd en in den bloei harer
jaren, heeft zij om haar geloof God hel offer des levens
gebracht. Daar zij aan 'het koninklijk hof van haren
vader iVIaromaeus was grootgebracht, had zij de genoe-
gens des levens volop kunnen smaken. Ware zij tijdig
teruggekeerd, met open armen zou zij ontvangen zijn.
Attila zelfs was bereid haar jeugdig leven te sparen,
zoo zij slechts geloof en liefde wilde verzaken. Maar
neen (l). Virtus in infirmitate perficitur. De kracht wordt
in zwakheid voltooid. Cani simt sensus hominis et aetas
senectutis vita immaculata (2). Grijsheid is de zin eens
menschen, en ouderdom een onbevlekt leven. De genade
van Jesus Christus versterkte de zwakheid van haar
geslacht, zij volhardde op den ingeslagen weg, haar
jeugdig verstand, vervuld met de gaven des H. Geestes
stelde de eeuwigheid boven het oogenblik, het hemelsch
boven het aardsche leven, zoodatquot; zij zich thans reeds
veertienhonderd jaar in de hemelsche glorie over den
palm des martelaarsschaps verheugen kan.
Ook hare maagdelijkheid is bewonderenswaardig.
Reeds in het algemeen genomen is de zuiverheid de
moeielijkste der zedelijke deugden. In- en uitwendig
wordt de mensch getrokken naar het stoffelijke, ver-
volg ens tot het zinnelijke, eindelijk tot het onzuivere.
Juist in dit punt openbaart zich bijzonder de zwakheid
onzer menscielijke natuur, zoodat geen deugd meer dan
deze te lijden heeft. De kwade voorbeelden der men-
schen ti'ekken ons sterk, en hoevelen zijn er niet, die
uit zwakheid, zinnelijkheid of duivelsche boosheid een
brave kuische ziel belagen. Ook de duivel, die als een
brieschende leeuw rondgaat, verandert soms van ge-
daante, zoekt als een sluwe vijand het zwakste punt in
de vesting onzer ziel en besluit meestal ons tot onzui-
verheid te bekoren.
Ziedaar de redenen, die ons dwingen een zuivere
ziel te bewonderen. Verhevener deugd is de maagde-
lijkheid, die bestaat in het vaste voornemen de onge-
schondenheid des lichaams om God getrouw te bewaren.
Zeldzamer wordt deze deugd op de wereld gevonden
dan men gewoonlijk denkt. Een buitengewone heerlijk-
heid .Qnt.\:iangei] dus. di.e Jigiligan jii de kerl^,. welke als,,
(1) 2 Cor. XlII. 9. (2) Sap. IV. 8.
j.
maagd vereerd worden. Zij waren toch tijdens hun
stervelijk leven Engelen in het vleesch. Nog meer zelfs.
Die heilige hemelboden zijn zuiver door natuur, onstof-
felijkheid en zonder strijd, de maagden daarentegen in
een ellendig, zondig lichaam te midden van hevige
aanvechtingen. Een onophoudelijke zelfverloochening,
een diepe nederigheid is er noodig om op den weg der
maagdelijke zuiverheid te volharden. En dit des te meer,
naar gelang het geslacht zwakker is. Heilige martelaars
zelfs, volkomen door geloot en ondervinding van de
kracht der goddelijke genade doordrongen, beefden en
sidderden bij het vernemen, dat zwakke maagden naar
den heidenschen landvoogd geleid waren, waar hun
geloot en zuiverheid hevig beproefd werden. Hoe vrees-
den zij, dat die zwakke krachten, door beproevingen en
folteringen overmand, bezwijken en de arme zielen in
het hefsche vuur zouden stort(!n. Om diezelfde reden
zien wij ze juichen van blijdschap en dankbaarheid
jegens óod, zoodra zij hun roemvollen dood vernamen.
Kerkvaders hielden hunne schoonste redevoeringen op
de maagden, die de kroon des maagddoms in het mar-
telaarsschap hadden bewaard en met hun bloed versierd.
;;
i|
'i
â¢pI
Deze deugd van maagdelijke zuiverheid zien wij in
de II. Odilia met vollen'luister schitteren, »//ree enim
palma; fliipliria beatn sortequot; etc. (1) Ook zij is zalig, door
een dubbelen palm, een tweevoudige overwinning. Om
dien kostbaren schat te redden vinchlte zij, een ellendige
ballingschap zoekend: om dienzelfden schatte bewaren
zou zij sterven, i'eschouw. Beminde Lezer, alle omstan-
digheden haars levens, zij verheften de H. Odilia steeds
als deze deugd volmaakt beoefenend. De zwakheid van
haar geslacht, de teedere jeugd, het lijden der balling-
schap, de bekoringen harer vijanden, alles roept ons
toe: de IL Odilia heeft de maagdelijke zuiverheid in
een zeldzamen heldhaftigen graad bezeten. Hoe zou zij
anders om deze deugd zooveel hebben kunnen verdra-
gen ? Ãén enkele akte van verzaking ware immers
genoeg geweest, om haar van armoede naar rijkdom,
Jl
(I) Hymne der maagden in den Rom. brevier.
van het graf' lot den troon terug te brengen. Het schijnt
ook, dat de H. Ursula en Odilia juist om hunne zuiver-
heid heerlijker uit te doen komen, moesten gemarteld
worden door een volk, dat om verregaande onzuiverheid
en alleszins ontwikkelde wreedheid in de geschiedenis
bekend slaat. Andere volkeren zouden zich misschien
niet zóó hebben ingespannen, om hun de kuischheid te
ontrooven; wellicht waren zij bewogen geworden door
hunne jeugd, of grooter gevoel van eerbaarheid en
medelijden zou hen weerhouden hebben hun goddelooze
handen te slaan aan een uitgelezen schaar van heilige
maagden en in een oogenblik zooveel onschuldig bloed
te vergieten. Maar hoe zou dan dat aureool van maagde-
lijke zuiverheid en martelaarsschap de H. Odilia omstraald
hebben ? De namen van maagd en martelares konden
haar door de H. Kerk niet worden toegevoegd, en
misschien ware zij ons onbekend geblev^én. Dat zij
stierf voor die deugd, bewijst, hoe diep deze wortel
geschoten had in haar hart; de wreedheid en wellust
van Attila en de Hunnen doen deszelfs schoonheid meer
kennen. Hier zij het mij geoorloofd een deel van Joannis
Chrysostomus' redevoering in te lasschen, die op het
feesl der H. Odilia gelezen wordt. »Ik bemin ten eerste
»de gedachtenissen der martelaars. Ik bemin en omhels
»ze. En wel alle, maar voornamelijk dan, als de strijd
»van vrouwen wordt voorgehouden. Want hoe zwakker
»het werktuig is, des te'^ grooter de genade, des te
»luisterrijker de trophee, des te uitstekènder de over-
»winning, niet (zoozeer) om de zwakheid van de kunne
»der strijders, maar omdat de vijand door diegene
»overwonnen wordt, door wie hij overwinnaar werd^....
»Welke verschooning zullen de mannen dan voortaan
»hopen kunnen, zoo zij laf en weekelijk zijn. Welke
»vergiffenis loch, als vrouwen zich zoo dapper en man-
»neüjk gedragen, als zij zich zoo edelmoedig ten strijde
»aangorden.quot;
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De roemrijkheid van den marteldood der H. Odilia
blijkt genoeg uil de goddelijke en bovennatuurlijk inge-
storte zedelijke deugden, die zij er in beoefende. Hoe-
zeer God hare deugd en heiligheid waardeerde, zal
later genoegzaam blijken, als wij de vereering dezer
H. martelares op aarde en de wonderen op hare aan-
roeping verkregen, zullen verhalen. Op eene zaak wil
ik hier de aandacht der lezers vestigen, te weten: Welken
luistei haar martelaarschap ontving uit de omstandig-
heden, waaronder hel plaats greep. Wij zien haar dan
vallen onder de slagen of pTjlen der woeste Hunnen,
onafscheidelijk verbonden met hare levensgezellin, gees-
telijke zuster en natuurlijke bloedverwante de II. Ui'sula.
Hier vinden wij wederom bewaarheid, wat wij zoo
dikwijls in den strijd der martelaars bewonderen, dal
namelijk een gezamenllijk lijden en sterven, de glorie
van ieders dood afzonderlijk, heerlijker maakt. Gelijk
de vreugiie des hemels aangroeit door hel vermeerderen
van het getal gelukzaligen, zooals het H. Evangelie
schijnt te zeggen en hel redelijk verstand door geloof
voorgelicht toont, (in den hemel gaat hel dus volmaakt
op: boe meer zielen hoe meer vreugd) zoo wordt ook
op aai'de de deugd niet slechts sterker, maar ook meer
kenbaar en roemrijk, als zij gelijktijdig beoefend wordt
door velen, die in onderlinge betrekking verbonden,
de werken der deugd uitoefenen. De H.'h. Ursula en
Odilia vuurden elkander aan door godvruchtige lessen,
stichtende voorbeelden, brandenden ijver. De II. Odilia
mag ei- op roemen een H. Ursula als leermeesteres
gehad te hebben in de verloochening van zich zelve:
deze kan op de H. Odilia wijzen als een door haar
gevormde volgelinge en deelgenoote van liaar lijden en
heerlijkheid. Wanneer een soldaat grool mag gaan op
het beleid, den moed, het geluk zijns veltlheers, ja
eenigszins deelt in den roem van dezen, dan is ook
de H. Odilia als bloedgetuige roemvoller gestorven,
â 3 ' â
m
il
volhardend in den strijd onder de leiding der H. Ursula.
De glorie dezer beide heiligen wordt als ware het een
gemeenschappelijk goed; zij worden bezitters van elk-
anders geestelijke rijkdommen, zonder hun eigen schat
te verliezen. Ook bestond tusschen hen beiden een echte
en volmaakte band van liefde. Deze deugd, zoo zeggen
ons de H. Kerkvaders, vindt of' maakt 'gelijken. Is er
dus ergens ware liefde en vriendschap, die aan beide
kanten een gelijk willen en niet willen vordert, dan
doet het streven aan deze, u het gevoelen van gene
zijde nog al duidelijk kennen. Het eenige streven van
de H. Ursulc en de H. Odilia was te behagen aan hun
goddelijken bruidegom. Eini maafjd denkt, zegt de groote
Apostel, wat des Heeren is, hoe zij heilig zij van lichaam
en geest (l). Beurtelings zullen wij de eene dus kun-
nen aanhalen als getuige der zuiverheid en volmaakt-
heid der andere. Nooit hadden er tusschen deze beide
maagden zooveel liefde en eendracht geheerscht, waren
beide niet ontvlamd geworden door een en hetzelfde
liefdevuur. Hun gesamentlijk optreden, leven en sterven
vermeerdert dus elkanders eer en grootheid. Waren
de heiligen niet steeds begiftigd met het licht der ge-
nade, de gaven des H. Geestes en de deugd van voor-
zichtigheid:'' Deze laatste vooral zien wij in de martelaren
bovennatuurlijk ingestort en wel in heroïeken graad.
Droegen al hunne handelingen niet den stempel der
hemelsche wijsheid? Daar een mensch nu verplicht is
alle ongeregelde gehechtheid aan het aardsche af te
leggen, en er geen gevaarlijker is, dan ongei'egelde
gehechtheid aan personen, zien wij duidelijk, dat een
waar Christen zeer voorzichtig zijn moet, vooral in zijne
jeugd, met het aanknoopen van'vriendschapsbetrekkingen.
Vriendschap is noodig, vooral in de wereld, waar de
goddeloozen zich zoo nauw aaneensluiten, maar voor-
zichtigheid blijft evenwel gebiedend noodzakelijk. Zie-
daar wat altijd door de heiligen is beoefend geworden,
en wat de H. Ursula en Odilia dus onderhielden. Tus-
schen hen beide lag een innige vriendschapsband, en
(O^V'cor. 'viI.oL â â * quot;* â quot; ⢠.....
daarom, zoo besluiten wij, zagen zij de genade van
Jesus Christus in elkanders harten lichten, daar hunne
heiligheid een waarborg blijft voor de juistheid hunner
oordeelen. Door hun vereenigd vluchten uit Engeland,
de onoplioudelijke gevaren ter zee en te land van ver-
volgende barbaren ot landgenooten te zamen verduurd,
het voortbestaan van dien geestelijken liefdeband tot
aan en lol in den dood, oordeelden zij zich elkander
waardig; gaven getuigenis van elkanders heiligheid, en
zetten glorie bij aan beider marteldood. Qui i)i vita sua
dilexerunt ne, ita et /n morte non sunt sepavati (i). In
hun leven hebben zij elkander bemind, in den dood
ook werden zij niet gescheiden. God zelfs schijnt door
hun gelijkiijdigen dood een goedkeurend zegel aan
hunne liefde te hechten en zoo elkanders genegenheid
en achting te bekrachtigen, ik ga hier een andere
omstandigheid voorbij, Ie weten, dat de H. Odilia Ghi-
liarcha geweest is, dal wil zeggen: dat zij onder de
geheele schaar van Ursula aan hel hoofd van duizend
maagden stond. Hadden wij van deze waardigheid meer
stellige bewijzen, het zou den roem harer heiligheid en
de glorie harer marteling wonderlijk verheffen. Maar
welk een glorie is hel reeds voor haar, te sierven te
midden dier elf duizend heiligen, allen gemarteld en
vooi' hel groolamp;le gedeelte maagden. Hier mag bijzonder
herhaald worden, wat boven gezegd is, dat de glorie
van meerdere martelaars, te gelijk voor God gestorven,
hel bijzonder eigendom wordt van elk hunner afzonder-
lijk, zonder elkander eenigszins te schaden. Groot is
de glorie der martelaars van Sebasle, van het Thebaan-
sche legioen enz.; hoewel de namen der martelaars
afzonderlijk bijna niet bekend zijn. Hel is als bezit ieder
van hen de som van hun aller glorie. Voor bijzonder
kostbaar houden wij hunne relikwieën en hun roem is
sedert hun dood ten allen tijde groot geweest. Zijn er
sommige dezer schare geloofsgetuigen bij name gekend,
dan is hun glorie zeer groot in de H. Kerk, het is als
straalt de luister hunner gezellen op hen af, om hunne
(1) Kerkelijk Officie'.
glorie le verhoogen. Geschiedt dit ook niet met de H.
Odilia? Al hare gezellinnen worden vereerd, duizenden
bevinden er zich onder, wier namen niet gekend zijn en
het wellicht nimmer zullen worden. Vele anderen staan
slechts met name aangewezen in een of andere god-
vruchtige legende en blijven dus onzeker; op de H.
L'i'sula, Odilia, Ida en Emma, die met meer zekerheid
gekend zijn, schijnt hun gezamenlijke glorie neêr te
dalen. Hoé giool nu is deze niet? Ik mag immers vrij
zesden, dat de marteldood der elf' duizend maagden een
der^oornaamste gebeurtenissen is, die er in de kerke-
lijke jaarboeken slaan opgeteekend. Verwonderen wij
ons n'iel, dal menigeen uitroept, hoe is het mogelijk,
dal er op een enkel tijdstip zooveel heiligen uil een
enkel rijk, het bijna heidensche Engeland, verzameld
werden, en allen met den palmtak des marlelaarsschaps
en hel 'grootste deel met het kleed des maagddoms ten
hemel stegen. De gebeurtenis is eenig, en, hadden wij
de traditie des volks, de godvruchtige schrijvers, de
studiën der geleerden en de talrijke opgravingen en
mirakelen niet, bijna ongelooflijk, lieden zijn er in
Europa een tamelijk groot aantal priesters werkzaam.
Zij muntten uil in geleerdheid, priesterlijke opvoeding,
ijver, gebed en arbeidzaamheid. Hun arbeid is vrucht-
baar'en door God gezegend; en loch, hoewel er mil-
lioenen zullen gevonden worden, die door hen bekeerd
in heiligmakende genade volharden, zou hel iemand
toch ongelootelijk voorkomen, als hij hoorde zeggen,
er bevinden zich ihans in Europa tien duizend volmaakte
menschen en heiligen. Hoeveel te meer is deze gebeur-
tenis bijna ongeloofelijk, juist omdat zij zoo grootsch,
wonderbaar, glorievolquot;is. 'VVij zien hen sterven, de H.
Ursula en Odilia, omringd door duizenden maagden, elf
duizend volmaakte heiligen. Alle afkomstig uil hetzelfde
vaderland, afgemat door ontberingen en lijden, beproefd
door bekoringen, drinken zij eenparig met vreugde den
bitteren lijdenskelk tot den bodem en gaan verheugd
den- deod in. Hier moeten wij meer verwonderd staan,
dan bij de kindermoord te Bethlehem, of bij het The-
i ⢠.
baaiische legioen. De kindertjes kenden hun lijden nog
niet, en toen zij kennis kregen van hetgeen geschied
was, waren zij reeds in' het voorgeborchte, in de rust
hunner vaderen, zich verblijdend over den dood, die
hen zoo gelukkig gemaakt had. Die H. soldalen zijn
groot en slerk gelbleven in den strijd door de hulp van
Gods genade, doch hun menschelijke krachten waren
zoo zwak niet, als die van vrouwen en kinderen. Als
mannen waren zij forsch van lichaam en ziel, als krijgers
sterk door oefening en voor geen doodsgevaar bevreesd.
De gezellinnen der H. Ursula en Odilia stierven voor
geloot en'zuiverheid voor een groot gedeelte als zwakke
maagden en weerlooze kinderen. Nergens leest men van
een zoo grool verbazend aantal heilige maagden, terzelf-
der tijd 'gemarteld. Hun glorie moeten wij dus bijzonder
bewonderen, wijl hunnen dood onder alle opzichten of
eenig of zeldzaam is in de martelaarsboeken der H.
Kerk ; de H. Odilia moeten wij onze bijzondere hulde
brengen, daar God haar onder dezen H. Maagdenstoet
meei- duidelijk heeft doen kennen, als wilde Hij de
glorie van haar sterven door het aantal harer bruilofts-
vriendinnen opluisteren, en den roem dezer maagden-
schaar door de vereering der H. Odilia vergroolen.
â ACHTSTE HOOFDSTUK.
Toen Attila zijne woede gekoeld had in hel bloed
dezer heilige onschuldigen, zag hij zich verplicht het
beleg voor Keulen op le breken en zijne krachten naar
het 'Zuidun te brengen. Misschien kunnen wij hier
denken aan een straf van Gods gerechtigheid of aan
een leeken zijner voorzienigheid , om godvruchtige
Christenen gelegenheid te verschaffen, aan de H. lichamen
een passende begrafenis le bezorgen, ze te behoeden
voor ontheiliging of te bewaren voor de godsvrucht
der volgende eeuwen. Wal hiervan zij, de bewoners
van Keulen dankten God voor de onverdiende weldaad
der bevrijding, trokken hunne stad uit, om de lichamen
'I
I
der martelaressen te begraven en verheugden zich
bovenmate de kostbare relikwieën in hunne aarde te
kunnen verbergen. Duizenden zijn er later teruggevon-
den, terwijl de geuren, die zij verspreidden, de kost-
bare voorwerpen en fleschjes met bloed in hunne graven
gevonden, aantal en ligging duidelijk bewezen, dat zij
tot de heilige maagdenschaar van Ursula en Odilia be-
hooi'den. Deze laatste werd begraven dicht bij de plaats,
waar later de kerk van St. Gereon gebouwd is. Diep
was nu wel de eerbied, dien de bewoners van Keulen
de H. martelaressen toedroegen, doch lang zou het nog
duren voor hunne vereering goed gevestigd en de glorie
van hunnen dood in de kerk verspreid zou zijn. Hier-
over behoeven wij ons niet te verwonderen. \'óór dat
de vereering van een martelaar door de H. Kerk wordt
goedgekeurd, zijn er vele teekenen van hun eeuwige
glorie noodig, bestaande in buitengewone gunsten en
mirakelen. Hoevele martelaren verheugen zich niet in
den hemel, zonder opgeteekend te staman in de marte-
laarsboeken. Dagelijks zingt men in het kloosterkoor
aan het einde der los uit het martyrologium, «i:^ alibi
alionnn pliiriniorum sanctorum marli/rum,quot; etc. En elders
de gedachtenis of de dag der hemelsche geboorte van
zeer vele andere martelaren. Strekt dit niet ten bewijze,
hoevele heiligen en martelaren er tot heden onbekend
bleven? Zeer beroemde Katacomben waarin duizende
martelaars begraven liggen, zijn eerst teruggevonden,
na twaalf honderd jaren een prooi der vergeielheid
geweest te zijn. Hoevele relikwieën zijn er thans nog
in Rome's onderaardsche begraafplaatsen verborgen ! De
opschriften der graven verkondigen, dat daar bloedge-
tuigen rusten. De zorg, door de eerste Christenen be-
steed, om hunne lichamen in de kostbaarste stoffen te
wikkelen; het bloed in vaasjes verzameld ; met bloed
gemengde aarde bewijzen ons, dat hier martelaars be-
graven zijn: en toch vereert de H. Kerk hen nog niet,
en zijn hunne namen zelfs onbekend. Op straffe van
excommunicatie (l) is het den godvruchtigen pelgrim,
(I) Bulla A ostolic® scdis moderationi n» XV.
verboden eenige dezer overblijfselen zonder verlof mede
te nemen, wat wel een bewijs is van de hooge waarde
dezer relikwieën, al is de heilige, wien zij behoorden,
onbekend. Wanneer nu in de H. Moederkerk van Rome,
waar godsdienst en beschaving, deugd en geleerdiieid
elkander de hand boden, ja waar van de vroegste tijden
kerkelijke notarissen waren aangesteld oni de akten der
martelaren op te teekenen, reeds zoovele heiligen konden
vergeten worden, wat wonder is het dan, zoo aan de
uiterste grenzen des Romeinschen rijks, te Keulen, dat
door aanhoudende invallen der barbaren geteisterd en
overstroomd werd, i!e vereering dezer groote menigte
maagden cn heiligen niet terstond een verbazenden op-
gang maakte en zich niet reeds duizend jaren vi'oeger
over geheel de wereld verspi'eidde. Hun marteldood werd
in de eerste eeuwen na Atlila niet opgeteekend (1), de
groote volksverhuizingen deden het vermolmde Romein-
sche rijk ineenstorten, barbaren mengden zich met de
oude bewoners van Gallië, Germanië of met afstamme-
lingen der Romeinsche kolonisten; de gedeeltelijke ver-
getelheid dezer roemrijke maagden is dus niet meer
dan natuurlijk. Al lieten deze barbaarsche volkeren zich
nu spoedig in de H. Kerk opnemen, moesten er toch
vooiquot; hen nog vele jaren verloopen, alvorens geheel
naar Christelijke beschaving gevormd te zijn. Hoe kon
er dus sprake zijn van algemeen verspreide of hoog
opgevoerde vereering? De betrekkingen met I^ome waren
moeielijk door afstand en gevaar; men had reeds werk
in overvloed, wilde men den barbaar bekend maken
met de noodzakelijke plichten des Christendoms, ook
zou het willicht ontijdig geweest zijn den heiden te
ontstemmen, door het vermelden der onmenschelijkheid
zijner voorvaderen of stamgenoolen. Wanneer te midden
dezer moeielijkheden, de roemrijke marteldood zonder
beschreven, noch zelfs plechtig gevierd te zijn, in de
herinnering van die met barbaren gemengde nakome-
lingschap bleef voortleven, overtuigt'dit onsen van de
4;;roolhei.d Jiuiinpr glorie, én van den diepen indruk,
(I) Sermo in natali gt;gt;1. niillimo virginum n° o.
H
il
ie
I
die hunne heiligheid op de tijdgenooten gemaakt had.
Als in levende boeken was de glorie dezer heiligen in
de harten der Keulenaars geschreven. Afkomst, plaats
en wijze van marteldood, begrafenis, aantal, rang, stand,
het bleef'onbeschreven bewaard in de harten der'menigte
gedurende meer dan vier eeuwen. Ik sta veel meer
verwonderd over die hechte volkstraditie, dan een ander
over de gedeeltelijke vergetelheid. De namen dezer
Heiligen waren wel niet meer bekend, hunne roemrijke
daden waren bewaard gebleven. Ook was het onmoge-
lijk al die namen te kennen, zoo God er later niet
eenige openbaarde. Zou het in tegenwoordige omstan-
digheden, met dien overvloed van middelen, ons ge-
schonken, wel mogelijk zijn zulk een naamlijst (veron-
derstel de gebeurtenis heeft heden plaats gehad) op te
maken. Zouden die maagden zelfs elkanders namen
geweten hebben? Hoe zou het der nakomelingen mo-
gelijk zijn, en dat nog wel met omstandigheden hier-
boven beschreven. De grootheid van het aantal brengt
noodzakelijk de verduistering dier namen met zich. Het
was dus menschelijkerwijze niet alleen onmogelijk hun
geheele naamlijst aan te geven, maar de bei'oemdste
zelfs onder hen moesten door het groot aantal over-
schaduwd worden, vooral daai' zij juist om hunne
menigte zoo beroemd waren. Ook zien wij in de eerste
eeuwen na hunnen dood geen enkele bi_ name gekend.
De H. Ursula wordt evenmin genoemd als de H. Odilia (I).
In een lofreden op deze maagden omtrent de 10 eeuw
gehouden, zien wij geen andere maagd met name aan-
gegeven dan de H. Pinnosa of Vinnos'a, van wie weinig
of niets bekend is, en die tegenwoordig bijna niet
vernoemd wordt. In den loop der volgende eeuwen zijn
deze verschillende relikwieën door hemelsche openbaring
en onder de leiding van vrome, heilige mannen ge-
vonden. Ook de overblijfselen van de H.'Ursula schijnen
eerst opgeheven en overgebracht te zijn door den H.
Cunibertus of omstreeks de helft der twaalfde eeuw (2).
Sedert, dan ontving de H. Ui'sula de eer,,die haar .toe,
(t) Bolt, 21 Oct. pag. 13.0. (2) Ibid. pag. 2ó6.
kwam, en werd de geheele schaar plechtiger vereerd.
Het moet u dus geen bevreemduig baren, Beminde Lezer,
dat de glorie dezer heiligen eerst later door geheel de
kerk is verspreid geworden en de naam van een der
roemrijkste, de H.'Odilia, ongeveer een achttal eeuwen
verborgen bleef'. Ook mogen wij veronderstellen, dat
de naam der H. Odilia, patrones der Kruisheeren, zoo
lang onbekend bleef doar een wijze beschikking van
Gods voorzienigheid, die den schat harer heilige reli-
kwieën als een kostbaar onderpand op aarde en hare
persoon als een machtige voorsprekeres in den hemel
aan de Orde van het H.quot;Kruis wilde schenken. \Yas nu
de vereering dezer lieilige maagden wel niet alom be-
oefend, en bestonden er'volgens de Bollandisten nooit
akten van hun marielaarschaj)', toch was hunne vereering
te Keulen genoegzaam bekend en godvruchtig gevierd,
zoo door volk als geestelijkheid. Reeds kort na hunnen
dood werd er een 'Basiliek opgericht buiten de muren
van Keulen op het veld der martelaressen. In het begin
der zesde eeuw door bedroevende omstandigheden ver-
woest en later door een zekere Cleraatius hersteld, werd
er spoedig een klooster van Godgewijde Zusters aan
toegevoegd, die zich de H. Maagden en martelaressen
ten voor'beeld kozen. De plaats zelve waar bel klooster
stond werd genaamd: »Ter heilige maagden.quot; Wikfrie-
dus, bisschop van Keulen schonk aan het klooster op het
einde der tiende eeuw groote goederen ter eere der
elfduizend maagden, welke daar rustten (l). Dil waren
passende middelen om de herinnering aan, en de gods-
vrucht tot die heiligen levendig le houden, doch strekken
levens ten bewijze' hoezeer volk en geestelijkheid deze
maagden vereerden. Hoewel dus de namen eener H.
Ursula, eener H. Odilia in de eerste eeuwen na hunnen
dood wel niet vernoemd werden, was hun glorie, ver-
eering en voorspraak toch niet geheel vergeten. Want,
als ja'arlijks in de kerken van Keulen de lofzangen en
gebéden ter eere van de elf duizend maagden ten hemel
' (1)' Tgt;ora*tiachiiis S.'lirsula vindicata pag. 779, en liofl.'Sl Oa.* ffag?
14à II» 259.
il
»
li
stfgen, deelden ook zij in die glorie en wierpen zich
neder voor den troon des Lams, om genade voor de
wereld af te smeeken. Als later in de negende en
vooral in de twaalfde (1) eeuw de overblijfselen in groote
menigte werden gevonden en de mirakelen zich ver-
menigvuldigden, steeg deze godsvrucht met den dag.
Bij de vinding der overblijfselen van de IL Odilia was
deze devotie zeer groot, en werd door ket mirakel harer
vinding niet weinig vermeerderd. Deze vinding greep
plaats op den eersten September des jaars 1287. Mira-
kelen deden hare glorie schitteren en de godsvrucht tot
deze 11. bloedgetuige dieper wortel schieten. Daar zij
door de orde van het II. Kruis gevonden, overgebracht,
bewaard en bijzonder vereerd werd, laat ik hier eenige
bladzijden volgen aangaande den oorsprong dezer orde
en haren toestand op het einde der dertiende eeuw.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Welk een diepen eerbied de geloovigen ten allen tijde
voor 's Heeren kruis gekoesterd hebben, blijkt uit die
talrijke oudei'e kloosterorders en latere Congregatiën
aan dezen titel gewijd en met dit teeken opquot;boquot;rst of
schouder gesierd. Onder deze zijn er voornamelijk di'ie
in de kerkelijke geschiedenis genoemd, de Kruisheeren
van Italië, die van Bohemen en eindelijk die der Neder-
landen, België en Frankrijk (2). De eerste, volgens hun
beweren gesticht doój- den H. Cletus. ontvingen regel
en constitutiën uil de handen van Paus Alexander lil,
wien zij op zijne vlucht voor keizer Fi-ederik Barbarossa
in hunne kloosters schuilplaats verleend hadden. Daar
zij alweken van den zoo noodzakelijken regeltucht,
hebben de Pausen tweemaal getracht ze met de Kruis-
heeren van België enz. te vereenigen. Eenige malen
zijn zij zelfs op het generaal kapittel dezer laatste
tegenwoordig geweest, en heeft de stichter dezer The-
odoras de Celles bij hen een kanonieke visitatie gehou-
(1) lirjö. (2) Helyot.
den. Later teruggetrokken en onafhankelijk, bleven zijnbsp;j|
voortbestaan tot'omstreeks de zeventiende eeuw. Alsdan
werd er andermaal een vereeniging beproefd, maar de
dood van den Hoogw. Generaal der Belgische Kruis-
heeren, Georgius Constantinus (f 1602), verhinderde de
uitvoering, zoodal Alexander VII, geen middel ziende
om de disciplien te herstellen, de Italiaansche orde
ophief en de rijke goedeien voor den oorlog tegen de
Turken aan de slad Venetië afstond.
Vervolgens komen de Kruisheeren mei de Sier, voor-
namelijk in Bohemen verspreid (I). Zij doen hun oor-
sprong opklimmen lot den tijd van Cyriacus, door hen
en ook door de Kruisheeren van België en Holland
vereerd als bisschop en martelaar, die de H. ilelena-
bijzonder ter zijde stond in het zoeken en vinden van
het ware kruis des Hoeren. Van het heilige land naar
Bohemen overgebracht, wijdden zij zich bijzonder aan
het verdedigen van den Godsdienst en het verplegen
der zieken.' Gesteund door de gelukzalige Agnes van
Boliemen, stichllen zij een grool hospitaal te Praag,
waar zij door Gregorius IX in '1237 volgens uitdrukke-
lijke verklaring van dezen Paus wollig werden ingesteld.
Paus Gregorius IX en de gelukzalige Agnes van Bohe-
men moeien dus als inslellers voornamelijk in aainner-
king komen. Deze kloosterlingen breidden zich uil over
Polen, Jloravië, Bohemen, Silesië, Hongarije en Oos-
tenrijk. Mei de Belgische Kruisheei'en hebben zij nooit
eenige betrekkingen gehad, tenzij ten jare 1673, toen
door deze een brief werd omvangen gedagleckend 26
Aug. en onderleekend door den Magister Generalis Ko-
pidlenski, den prediker Procopius Geisius, en den No-
vicenmeester Jac. Pi'ochaska, w^aarin zij verzoeken om
nauwere broederlijke vereeniging. In een laler schrijven
vroegen zij om onze regels en statuien alsmede hel
wederzijds melden der overledene medebroeders. Een
vereeniging onder een hoofd kwam echler nooit lot
stand. Thans heeft die orde een hoofdklooster le Praag
en vele kerken in de Oosten rij ksche gewesten verspreid.
(1) Hetyot cn Ann. Ord. S. Crucis pag. 18.
Hun habijt is zwart, met een rood kruis, waaronder
een ster van dezelfde kleur om hen van andere Kruis-
heeren te onderscheiden. Hun statuten (t) zijn in 1880
herdrukt, terwijl de Congregatie der Regulieren aan-
gaande hen eenige punten beslist heeft, wat den i-egel-
tucht betreft in 1884. In hetzelfde jaar had de orde
volgens officieele opgave, gedrukt te Praag, 65 priesters,
5 klein geprofesten en 4 novicen. Hun'generaal heet
Emmanuel Schoebel, gekozen den 23 Januari 1879 en
met mijter en staf begiftigd.
ïhans naderen wij tot die orde van Kruisheeren, die
de H. Odilia als hu n bijzondere patrones aanroepen.
Na de stormen van Lutheranisme, Calvinisme, Janse-
nisme en revolutie doorstaan te hebben, is zij, te midden
van tegenspoed en vervolging, niet verdwenen, maar
treedt thans nog levend en werkend op in België en
Holland. Hun eigenlijke stichter is Theodorus de
Celles (2). Uit een der edelste geslachten van België
gesproten in de laatste helft der twaalfde eeuw, vertrok
hij op jeugdigen leeftijd naar Luik, om zich aan de
studie der letteren en later aan den geestelijken stand
te wijden. Hij koesterde een teedere godsvrucht tot
de II. Moedermaagd, hierin nog bijzonder versterkt
door het verhaal eener openbaring omtrent een geeste-
lijke, die eenigszins van den waren weg afgeweken en
door een plotselingen dood overvallen, toch' nog in zijn
laatste uur van de zonden ontslagen en van de eeuwige
pijnen gered was door de voorspraak der H. Moeder
Gods, wier getijden hij dagelijks zoo getrouw gelezen
had. Theodorus de Celles over' deze moederlijke 'teeder-
heid getroffen, maakte het voornemen dezelfde oefening
te verrichten en bleef er getrouw aan gedurende geheel
zijn bedrijvig leven. Toen Paus Clemens 111 den Kar-
dinaal Ilenricus, bisschop van Albano naar Duitschland
zond om den kruistocht te prediken ter bevrijding van
Jerusalem uit Saladijn's handen, gaf de keizer Frederik
Barbarossa, thans boetvaardig en met de kerk verzoend,
(1)nbsp;Acta S. SedLs vol. XVI. 28,=).
(2)nbsp;Annalfs ord. S. Crueis Tom. I. p. 29.
aan die stem gehoor en trok met een ontzaggelijk leger,
door vele vorsten en i-ijksgrooten gevolgd, naar het H.
Land. Onder deze bevond zich Radolt' van Zaerinchen,
bisschop van Luik, die onder meer geestelijken Theodorus
de Celles in zijn gevolg medenam. Mocht de keizer in
zijn onderneming gestuit worden door den dood, The-
odorus had toch het geluk de H. plaatsen te aanschou-
wen en te vei'eeren. Een bijzonderen indruk maakte op
hem de levenswijze der reguliere kanunniken van het
H. Graf, die, door Godfried van liouillon daar gesticht
oi hersteld, volgens den regel van den H. Augustinus
leefden. Toen strooide God, dat zaadje in zijn hart, dat
eenmaal tot een boom moest opwassen. Langzamerhand
ontwaakte in zijne ziel de begeerte zijn leven te wijden
aan het 11. Kruis des Heeren. Door geloof en verster-
ving droeg hij hel H. Kruis reeds in verstand en hart,
door prediking en ordeslichting zou hij eenmaal de
glorie des kruizes bevorderen. Bitter viel het hem van
die plaatsen le scheiden, waar Jesus zijne voetstappen
gezet en zijn koslliaar btoed gestort had. Radolf zou
echter lerugkeeren, en Theodorus zag zich verplicht
hem te volgen. Door een verraderlijke hand werd Radolf,
reeds op weg naar zijn bisdom, een vergiftigde beker
aangeboden, zoodat iiij den 5 Aug. -M91, (volgens
anderen MOO) te Herderen bij Freiburg overleed (1),
en Theodorus, nog'tijdig door hem met een kanunniks-
zetel begiliigd, alleen naar Luik terugkeeixle om zijn
waardigheid te betrekken. Ondertusschen waren de
PauseirClemens Hl en Coelestinus gestorven. Hun op-
volger Innocentius 111 zich mei alle'vlijl op het herstel
der kerkelijke tucht toeleggend, zond den bisschop
Guido van Praenesle als legaat naar Duitschland om
wat vervallen was te herstellen en hel goede te beves-
tigen. Te Luik aangekomen, werd deze door den prins-
bfsscliop llugo met de meeste voorkomendheid ontvan-
gen. Den kanunniken werd verboden zich zonder wettige
reden van hel nachlkoor le ontslaan, en opgelegd het
gemeenschappelijk leven weder le beginnen (2). INauwe-
M) Habels bisdom Roermond 167. (2) Ibid. pag. 99. 173.
1,1
'iil
II
l'l
«il
'lil
lijks waren er eenige jaren verloopen of Tiieodorus zag
deze wijze voorschriften weder vervallen en do kerkelijke
goederen onder de kanunniken verdeeld. Theodorus
zelve deelde den arme rijkelijk van zijne inkomsten
mede, en sloot vriendschapsbetrekkingen met de gods-
vruchtigste personen. Dikwijls bezocht hij de gelukzalige
Maria van Oignies, en vernam van haar vele voorspel-
lingen, welker waarheid door de uitkomst bevestigd
werd. Terzelfder tijd brak in het Zuiden van Frankrijk
de ketterij uit der Albigensen. Paus Innocentius IlJ koos
eenige abten der Cirstensienser-orde, om hen op den
waren weg terug te brengen. Hun pogen echter s aagde
kwalijk, en het gift der ketterij verspreidde zich met
den dag. Eindelijk werd de Kardinaal Gallo naar den
koning van Frankrijk gezonden met verzoek, den oorlog
tegen de ketters te beginnen en allen te verzamelen
onder de banier des Kruizes. Hoewel Koning Philippus
zelf door oorlog verhinderd was, maakten Gallo's woor-
Vnbsp;den op hem toch zulk een indruk, dat hij de zijne de
wapenen tegen de Albigensen deed aangorden. Overal
.nbsp;werd nu in België en Frankrijk de kruistocht gepredikt.
'nbsp;Ter onderscheiding van hen, dienaar Jerusalem togen,
^â 'â i-nbsp;hechtte men thans het kruis op de borst. Ook Theodorus
ontving het uit de handen van een cristensienser abt
en vertrok in 1209 met de Kruisvaders naar Zuidelijk
Frankrijk. Hier leefde hij gemeenzaam met den H.
i,nbsp;Dominicus, werd de vriend van Fuico, bisschop van
. 1.,nbsp;Toulouse, en later op diens tocht door België zijn gids
Vnbsp;en reisgezel. Na een jaar met vrucht gearbeid te hebben,
' ontving hij van den pauselijken legaat bevel, het kruis
i'-iL;: te prediken, den H. krijg te steunen en andere geeste-
lijken hiertoe aan te nemen. Om aan dit bevel te ge-
hoorzamen, keerde hij in zijn vaderland terug met den
bisschop Fulco, en bracht dezen op de eerste plaats bij
de gelukzalige Maria van Oignies. Thans nam hij het
Gode welgevallige besluit, de wereld te verlaten om in
zijn predikersambt de Apostelen volmaakt na te volgen.
Zijne waarslighoid als kanunnik â legde- hij neder in de
handen van bisschop Hugo, ontving van deze de kleine
Sint Theoi:)aldus-kapel te Clairlieu in de voorstad van
Hoey en zocht, afgescheiden van de wereld, zich in heilige
afzondering met overweging, gebed en beschouwing
bezig te houden. Hier verdeelde hij volgens het voor-
beeld des Zaligmakers zijnen tijd tusschen arbeid en
gebed. Dagelijks ging hij uit, om in de gewesten daar-
omtrent den oorlog tegen de ketters en later den kruis-
tocht naar het H. Land te prediken (I). Velen werden
er bemoedigd door zijn woord en Apostolischen ijver.
Later voegden zich vier gezellen bij hem. Zij begonnen
te leven op de wijze van de Kruisheeren te Jerusalem
volgens den regel van den 11. Augustinus. Het kruis
op quot;de borst gehecht tot stoitelijke verdediging des
geloofs en als Ijewijs van deelgenootschap in den licha-
melijken krijg, werd thans het teeken van den geeste-
lijken strijd der versterving, van het geloof in, en de
liefde tot Christus. Toen in het jaar 1213 de hertog
van Drabant ten tweede male het prinsbisdom Luik
verwoestte, lag voor de graftombe van den H. Lambertus,
waar een aantal lampen brandden, een heilig en god-
vruchtig man in aandachtig gebed verzonken, Gods
barmhartigheid afsmeekend voor zijn geliefden geboor-
tegrond. quot;Zacht ingesluimerd zag daar Joan Abbatulus
(zoo was zijn naam) vijf mannen in kloostergewaad de
Zuidpoort der kerk binnentreden, zich plaatsen om de
grafstede van den 11. Lambertus en den lofzang van het
H. Kruis aanheffen (2). Algemeen wordt dit in de orde
van het H. Kruis beschouwd als voorteeken van haar
ontstaan en uitbreiding, daar zij, opgekomen naast het
graf van den fl. Lambertus, den roem en vereering van
het II. Kruis door woord, geschrift en voorbeeld ver-
kondigd heeft. Een jaar na dit visioen, verzocht The-
odorus den pauselijken legaat Hugolinus, die van Keulen
te Luik was aangekomen, zijne instelling goed te keuren.
Op eigen gezag durfde deze een zoo gewichtigen stap
niet doei^'^daar hiervoor de pauselijke macht gevorderd
werd. Hij raadde hem aan, zich terstond met zijne ge-
(1)nbsp;Russelius dironicoü o'rd.'sT Ci'uci?. ' '' * ' ' * '
(2)nbsp;Annales ord. S. Crucis torn. I, pag. ó5.
II
â 1
ïl
I
'â fïül
zeilen naar Rome te begeven, waar zij 03 het uitge-
schreven concilie zeker op bekrachtiging konden rekenen.
Met blijdschap werd die raad aanvaard en na eenige
maanden toevens, daar de Kardinaal zijn zaken bij den
Keizer nog niet vei'effend had, vertrokken zij naar Rome
bij het naderen van den winter. In 1215 was op het
concilie van Laleranen een groote menigte Patriarchen,
metropolitanen, bisschoppen en andere hoogwaardig-
heidsbekleeders onder den oppei herder, Paus Innocentius
111, vergaderd. Theodorus' verlangen werd daar verno-
men met algemcene blijdschap en instemming, vooral
daar het concilie vergaderd was, om te beraadslagen
over een nieuwen kruistocht naar Jerusalem. De Paus
beloofde hun verzoek te zullen inwilligen, doch stelde
door gewichtiger zaken verhinderd, en om rijpere
overweging, de bekrachtiging uil tot het jaar 1216.
Er warenquot; niet alleen in hetquot; Oosten, maar te Greta,
Cyprus in Italië en zelfs te Rome in de kerk, gewijd
aan den 11. Malhaeus, vele vertakkingen van oude
Kruisheei'en-ordens overgebleven. Verscheiden leden
dezer vei'lakkingen werden vergaderd en dooi' den Paus,
die biddend door God in een visioen daartoe was aan-
gemaand, als Kruisheeren-orde opgericht en met ver-
scheidene voorrechten verrijkt op het feest van Kruis-
vinding, 3 Jlei 1216. Nadat Theodorus zijne pogingen
met zulken uitslag bekroond zag, verlevendigde hij door
woord en voorbeeld de godsvrucht in hel hart zijner
nieuwe italiaansche broeders, versterkte hen in hel
onderhouden der kloostertucht, en trok, na ze den
Kardinaal [lugolinus aanbevolen te hebben, over de
Alpen naar zijn vaderland terug. Een hartelijk dankge-
bed steeg er uit zijne ziel op, bij zijn terugkeer in de
kloostercel, naast hel kerkje van den H. Tlieobaldus.
Met den dag nam hij toe in gebed, ijver en kloosterlijke
gestrengheid. Velen werden door hem gesticht e:i
schaarden zich bij zijne gezellen. Daar hij gezellen in
in overvloed vond, liet hij sommigen vertrekken naar
Syrië, andere leidde hij persoonlijk naar het Zuiden
van Frankrijk, «een gedeelte zelfs zonderde hij af om
âiii
de gewonde kruisridders in de hospitalen te verplegen.
In het uitoefenen dezer werken van barmhartigheid
schitterde Theodorus' liefde bovenmate. Daarom bezocht
hen Hugo, prins-bisschop van Luik, zoo dikwijls, zelf
getroffen door hunne liefde en gastvrijheid, belovend
een meer geschikt klooster voor hen te zullen bouwen.
Hoewel de dood hem te Hoey overviel, had hij toch
reeds bij testament in deze belofte voorzien. Zijn op-
volger en neef Joannes de Appia of de Eppes bouwde
het klooster, waarvoor godvruchtige geloovigen den
grond gaven. Theodorus nam ondertusschen meer en
meer toe in verdiensten en behagelijkheid bij God.
Onder zijn gebed werd hij dikwijls zoo buiten zich
zeiven gevoerd, dat hij slechts van tijd tot tijd met den
mond eenige korte schietgebeden kon uitbrengen. Vooral
geschiedde dit des Vrijdags bij de overweging van
's Heeren lijden. Als Kardinaal Hugolinus onder den
naam van Gregorius IX den pauselijken stoel beklom,
reisde Theodorus, hoewel hoog bejaard en afgemat door
arbeid en versterving ten derde malen de Alpen over
om de Eeuwige Stad te bezoeken. Na hier zijn werk
voleind te hebben, bezocht hij nogmaals de broeders
van Italië, om ze meer te bevestigen en nauwer aan
zich te verbinden. Vandaar bezocht hij de provincie
van Toulouse, bemoedigde zijne kinderen, vroeger door
hem derwaarts geleid, en haastte zich eindelijk naar
zijne cel terug, om zich tot den dood te bereiden. Rijk
in verdiensten en goede werken, werd hij, kort na zijn
terugkeer, door een koorts aangegrepen, die hem weldra
aan 'den rand des grafs bracht. Toen hij zijn einde
voelde naderen, riep hij zijne medebroeders rond zijn
sterfbed samen en sprak hen volgens oude handschriften,
te Hoeij berustend, aldus toe: »Thans sla ik den weg
»in van alle vleesch en mijne ziel keert, bevrijd van
»de banden des lichaams naar haren Schepper weder.
»Ik verlang ontbonden te worden en met Christus te
»zijn; blijft gij ondertusschen waken, daar gij niet
»weet op welk uur de Heer komen zal. Allen toch moeten
t
'.if-
iSjï
Mi
ïi
»wij drinken uit den. beker des doods, deze vroeg,
»gene laat. Van onze geboorte at' snellen wij ter dood.
»Niets, wat de kloostertucht betrof', heb ik voor u ver-
»borgen; geve God, dat dit onveranderd in uwe harten
»blijve. Zoo ik, arme, eenig vertrouwen mag hebben
»op den dag des Heeren, dan beloof ik voor U te zullen
»bidden en onophoudelijk te smeeken, dat gij vooruitgaat
»in deugd, en dit ons klooster dagelijks aanwasse.quot;
Hierop naderde zijne broeders op den rei af. Hij tee-
kende hen met het teeken des kruises, hen zegenend in
den vredekus. Daarna zag hij nog eenmaal rond, beval
hun de afwezige broeders te groeten, sloeg zijne oogen
nogmaals ten hemel en stierf, gesterkt door de gena-
demiddelen onzer Moeder de H.'Kerk, den 18 Augustus
1236. Men beelde hem later af, knielend voor een
kruis, deze woorden sprekend (1): »voor Christus ben
ik aan het kruis gehecht.quot; Zijne handen strekte hij uit
en goddelijke liefde scheen hem te vervoeren. Het
onderschrift luidde: »De gelukzalige Theodorus de Celles,
groote vereerder van den gekruiste, door wiens liefde
hij dikwijls in den geest verrukt werd.quot; Hoewel hem
in oude handschriften en boeken den titel van geluk-
zalige gegeven werd, is hij toch eigenlijk nooit door
kerkelijk gezag gelukzalig of heilig verklaard. Doch de
glans zijner deugden, het langdurig voortbestaan en de
uitbreiding zijner orde, bij 'gebrek aan menschelijke
middelen en omgeven door lichamelijke en geestelijke
vijanden, zijn een onderpand zijner hemelsche glorie,
waarin hij Gods zegen volgens zijne belofte voortdurend
over die orde afsmeekt.
TIENDE HOOFDSTUK.
Bij den dood van Theodorus de Celles waren er wel
vele kloosterlingen naar verschillende oorden der wereld
gezonden, om de kruisvaarders te volgen en hun
geestelijk of lichamelijk te helpen, maar eigenlijke
(1) Gat. cap. II. V. 19.
,' 'i â
â ;
^ lüiii
jii
lióL
kloosters, behalve in Italië en te Hoey en misschien in
Engeland, waren er nog niet gevestigd (1). Zelfs te
Toulouse niet, waar hij vele zijner broeders persoonlijk
geleid en bij zijne terugkeer van Rome visitatie gehou-
den had. Onder zijne opvolgers eerst zou zijne orde
grooter uitgebreidheid en meer vastheid erlangen.
Terstond na zijnen dood vielen aller oogen op Petrus
Walcurtius, uit de edele geslachten van Rochefort en
Loos afstammende. Theodorus de Celles bewonderde
reeds diens vaardigheid in het gehoorzamen en betuigde
in zijne gemeenzame gesprekken, dat de deugden Petrus
schenen aangeboren. De tijdelijke en geestelijke belan-
gen van het klooster te Hoey behartigde hij op een
uitstekende wijze. Buitengewoon in het kloosterleven on-
derwezen, kende hij aller hart en zin en wist allen door
liefde of gestrengheid te trekken of te verbeteren. Door
veelvuldige opwekking vuurde hij de jongere broeders
aan als zijne kinderen, de oudere behandelde hij volgens
de leer des Apostels als zijne vaders met liefde, eerbied
en ontzag. Weldra had hij aller harten overmeesterd.
Zijn voornaamste werk echter was allen door den
hechten band der bovennatuurlijke liefde nauwer aan
elkander vast te snoeren. Was er eenig verschil tusschen
twee zijner medebroeders ontstaan, dan ontbood hij
beiden tot zich en rustte niet alvorens de liefde her-
steld te hebben. Bij het bezoeken der kloosters waakte
hij voornamelijk over/ de eendracht, zeggende, dat de
overige deugden niet zouden ontbreken, waar de liefde
aanwezig was. Ondertusschen was Cregorius IX ge-
storven. Coelestines IV, zijn opvolger, bezette slechts 18
dagen den Stoel van Petrus en stierf insgelijks. Innocen-
tius IV, te Napels door de Kardinalen gekozen en met
den tiaar gekroond, zag zich overal belaagd door Keizer
Frederik, op wien de kerkelijke banvloek kleefde.
Wanhopend aan den vrede, scheepte de Paus zich in
naar Frankrijk en riep een algemeen concilie samen te
Lyon (2). Dit beschouwde Walcurtius als een gunstige
gelegenheid om zijn kleine orde meer te versterken.
(1) Annales ord. S. Crusis p. io. (2) Ibid.
il
â fi \
f'
'U
(k
lil
iti
Hij besloot dus zijne broeders te vergaderen en sprak
hen aldus aan : »Ziet, gij hebt gehoord, geliefde
»broeders, dat er een algemeen concilie te Lyon in
»Frankrijk is bijeengeroepen. Bemerkt dus wat er moet
»a'edaan worden. Hoe broos wij zijn van nature en hoe
»ten kwade geneigd, ziet gij dagelijks: ja bij U zeiven,
»naar ik meen, ondervindt gij het. Daarom houd ik
»het voor noodzakelijk onze kwade gewoonten door
»statuten te beperken en als ongetemde veulens om
»den naam van Jesus aan den paal des kruizes te
»binden. Wij hebben wel is waar den regel van den
»H. Augustinus, maar, zoo wij traag van harte zijn,
»zullen wij gemakkelijk van den rechten weg afwijken,
»onze eigen begeerten volgend onder voorwendsel dat
Ivlnbsp;»veel wat den 'kloosterlijken regeltucht betreft, daarin
»niet staat opgeteekend. De statuten der Preekheeren,
»onlangs door Raymundus verzameld, behagen mij zeer.
»Zoo het u goeddunkt zullen wij er uit overnemen,
»wat onze orde past, er bijvoegen, wat door onzen
»vader ïheodorus is overgeleverd, en wat ons verder
»nuttig of noodzakelijk mocht voorkomen. Het constitu-
»tiënboek, aldus samengesteld, zullen wij zijn Heiligheid
»en het concilie ter goedkeuring overzenden.quot; Hiermede
stemden allen in en droegen hem de zorg hiervoor op.
Het volgend jaar verschenen er weinig prioren op het
Generaal Kapittel uit vrees voor Keizer Frederik H.
Toch bood Walcurtius zijne constitutiën aan, op voor-
genomen wijze bijeenverzameld. Hier schijnt de grond
te liggen voor de geheele afscheiding der Italiaansche
broeders. Later wilden zij deze constitutiën niet aan-
nemen en bleven als afzonderlijke orde een tijd lang
voortbestaan. Na rijp beraad en goedkeuring, trok
Walcurtius met eenige broeders, als gezellen, naar
Lyon, waar zij door den Kardinaal-diaken Petrus in
's Pausen tegenwoordigheid gebracht werden. Hier ver-
zochten zij opnieuw confirmatie, goedkeuring der nieuw
opstelde statuten en ontvingen het witte habijt in plaats
⢠⢠⢠-ran het. z-.varte, .wet. zij tot,heden gedragen hadden.
I '.:i :
; . I â¢
De goedkeuring der statuten vorderde eenig tijdsverloop'
ij'! I
en werfl door den Paus aan den Luikschen bisschop
opgedragen. Tijdens zijn verblijf te f^yon en Anagnia
schonk de Paus den Kruisheeren nog vele andere
gunsten en voorrechten, waardoor de orde zich meer
kon vormen en uitbreiden. Weldra werd een nieuw
klooster gesticht te Namen. Ook nam Albertus, bisschop
van Riga, groot door godsvrucht en voorzichtigheid, in
â¢1246, vele Kruisheeren met andere reguliere kanun-
niken en monniken mede naar Lijfland, waar vele na
vurige prediking en harden arbeid den kroon der mar-
telaren ontvingen (1). In 1248 vergezelden vele andere
. leden dezer orde don H. Lodewijk op zijn tocht naar
het Heilig Land. De stichting, door hen onder het
leger bewerkt, en de barmhartigheid aan gewonde en
zieke soldaten bewezen, boezemden den H. Koning zulk
een liefde voor hen in, dat zij door zijn koninklijke
mildheid werden in staat gesteld te Parijs een hoofd-
klooster der orde te vestigen. Al deze gunsten moesten
voornamelijk worden toegeschreven aan de deugd en
wijsheid van Walcurtius.' De stichting der provinciën
Parijs en Toulouse met hun talrijke huizen geschiedde
eerst in 1250, één jaar na den dood van Walcurtius,
doch hem komt de eer toe, de orde voor grooter uit-
breiding door het opmaken van statuten, het verkrijgen
van privilegiën en het vormen van deugdzame mannen,
te hebben vatbaar gemaakt. .Den 30 December 1249
ontsliep hij, om in den hemel van zijnen arbeid uit te
rusten. Hij werd in zijn nederig kloosterkleed begraven.
Zijn familie, de graven van Loos, waren echter hier-
mede niet tevreden. Zij lieten zijn lijk vervoeren naar
Maeseijck, waar men hem een graf en lijkstoet schonk,
meer overeenkomstig met den glans zijner deugden, de
waardigheid zijns persoons en den adel zijner familie.
In den persoon van Joannes Sacrifontanus schonk God
aan de orde een waardig opvolger voor Petrus Wal-
curtius. Streng, geleerd, godvruchtig, inwendig en be-
schouwend, vereenigde hij in zich alle deugden van
een goed kloosteroverste. Wetenschap bestuurde en
⦠(1) Annalen.. 1 tooi.-pag. 48.
â i h
li
I
1
IV'
I
'''quot;ici,
V
â¢d
matigde in hem de gestrengheid. Zijn godsvrucht en
geest van gebed richtten al zijn handelen naar het eeuwig
en eenig doel. De Kruisheeren van Italië hadden de
nieuw opgestelde en wettig goedgekeurde statuten niet
willen aannemen, thans voltooiden zij de scheuring
door zich te onttrekken aan het nieuw gekozen hoofd.
Met kracht sloeg de nieuw gekozen generaal de handen
aan het werk. Parijs en Toulouse werden als provin-
ciën opgericht, te Luik ontstond een nieuw klooster ;
waar de orde werd aangevallen, trad hij in het vuur
om ze te verdedigen, ot riep de hulp in des H. Vaders.
Reeds ontvangen privilegiën deed hij op nieuw beves-
tigen, nieuwe, die den bloei der orde of den luister
van den godsdienst konden bevorderen, trachtte hij te
verwerven. De kerk van het moederklooster te lloey
bracht hij tot voltooiing. Zij werd versierd met ver-
scheidene altaren, toegewijd aan het H. Kruis en ge-
consacreerd (i) in '1250 door den wij-bisschop van
Luik, Arnulphus. Onder zijn bestuur trad de hoofd-
persoon der geschiedenis van de vinding en overbren-
ging der H. Odilia, Joannes, de Eppa genaamd, te
Parijs in de orde. Gedurende 28 jaar stond Joannes
Sacrifontanus aan het hoofd der Kruisheeren en stierf
10 Augustus van het jaar 1277. Hij was een waardig
tijdgenoot van den H. Lodewijk, van den godvruchtigen
â Rudolf van Habsburg, beroemd om zijn godsvrucht tot
het H. Sacrament, als ook- van Paus Urbanus IV (2),
die in 1264 den feestdag van het H. Sacrament instelde.
Ofschoon deze generaal de kloostergeloften van Joannes
de Eppa aannam, mocht zijn opvolger Joannes Rijckius
het geluk smaken dien eenvoudigen' broeder geroepen
te zien, de relikwieën der H. Odilia te vinden. Joannes
Rijckius mocht het eerst ondervinden, dat deze heilige
de patrones der Kruisheeren was en hen door hare
Ij;,?'nbsp;machtige hulp en voorspraak steunde. Hel voorgaande
is, Beminde Lezer, reeds meer dan genoeg, om de
Kruisorde te kennen. De vereering der H. Odilia is
â¢ti:.nbsp;nauw met den bloei dezer orde verbonden geweest.
' (1) Annates tom. I. pag. 53. (2) Ben. XtV. festum. Corp. Chri.
iii.'i
!:,â;,11!
Uit den loop des verbaals zult gij de geschiedenis der
Kruisheeren dus klaarder kennen. Werpen wij thans een
blik op den bovengenoemden hoofdpersoon der geheele
gebeurtenis, den godvruchtige Joannes de Eppa.
ELFDE HOOFDSTUK.
Het Kruisheerenklooster te Parijs, in de rue de la
Bretonnerie, gesticht door den H. Lodewijk, nam onder
den zegen Gods toe in geestelijke en tijdelijke goederen.
Daar bleken mannen te zijn van echt priesterlijke en
kloosterlijke deugden. Wetenschap en godsvrucht ver-
eenigden zich onder het witte kleed en zwarte scapulier
der kloosterlingen, zoo dat er dagelijks meerdere het
kloosterkleed vraagden of hunne geloften aflegden. Onder
hen bevond zich ook in het jaar 12o9 de godvruchtige
Joannes de Eppa, ook wel Novelan genaamd. Oude
schrijvers der oide noemen Carmignole, volgens hen
een stad in Spanje, zijn geboorteplaats. Petrus van
Amsterdam, omtrent het jaar 1443 Kruisheer te Hoey,
haalt hiervoor de getuigenis veler Spanjaarden aan, als-nbsp;''
mede van zekeren broeder Jacobus Lambertus. Daar
deze stad echter niet in Spanje maar in Piemont ligt
en Bannelius daarentegen bemerkt, dat sommige andere
hem geboren meenen te Eppa in Frankrijk (velen toch
ontleenden toenmaal hun naam aan de geboorteplaats),
moeten wij deze plaats voor betwist en onzeker houden.
Joannes werd geprofest onder de leekenbroeders om in
eenvoud des harten en nederigen handenarbeid, doornbsp;Jij
gebed geheiligd, en door zuivere meening in gebed
veranderd, zich zeiven steeds een grooteren schat van
verdiensten te verzamelen. Bannelius vat zijn lof en
leven in deze woorden samen. Joannes de Eppa Novelan
was eenvoudig, ongeletterd, rechtvaardig en vervuld
met de vreeze Gods. Dag en nacht Gods wetten over-
wegend, eindigde hij zijn gebed en goddelijke samen-
spraken bijna nooit (1). Reeds op jeugdigen leeftijd had
(I) Historia Translations S. Odiliae. Cap. IV en volg.
'f
1
hij de wereld vaarwel gezegd, om binnen de stille
kloostermuren de rust zijner ziel en den vrede des
harten te vinden. Volgens voorschrift zijner orde werd
hem bij zijne aanneming de nederigheid van lichaam en
,nbsp;ziel vooral onderwezen naar het woord des Heeren:
^üeert van mij dat ik zachtmoediy en nederig van harte
benquot; (1). Met bijzonderen ijver legde hij zich op deze
deugd toe als den noodzakelijken grondslag aller vol-
^nbsp;maaktheid en de bewaarster aller gaven des H. Geestes,
ir:-nbsp;Na een kort verblijf in het klooster scheen hij reeds
i;;': :.':nbsp;zoo in deugd toegenomen, dat hij ze eer voor zich
l'i; ;nbsp;geroofd, dan door overweging, gebeden oefening ver-
i^'-;nbsp;kregen scheen te hebben. In woorden en werken be-
trapte men niet de minste gemaaktheid, geen zweem
van zucht naar lof en eer, alles was eenvoud en nede-
,.!:nbsp;righeid. Wat moeite hebben de meeste novicen bij hun
intreden niet, om zich te gewennen aan die duizend
kleine vernederingen, die het kloosterleven dagelijks
; ,nbsp;aanbiedt. Die oefeningen zoo eenvoudig in zich, zoo
belachelijk voor de wereld, zoo verdienstvol voor God,
zijn en blijven moeielijk, als de wereld niet buiten ons
â ,,nbsp;hart is gebannen. Gelukkig deze godvruchtige broeder,
'nbsp;zoo beminnelijk in de eenvoudigheid zijner manieren,
i.ji'|. .nbsp;de oprechtheid zijner taal en vooral den glans zijner
nederigheid. Zijn kleed was nog schoon, nog slordig
;: 1'nbsp;en legde getuigenis af van bescheiden ootmoed en ware
zedigheid, overeenkomstig den regel van den H. Augus-
jjl'nbsp;tines : »Uw kleed zij niet opvallend, wilt ook niet door
i|'nbsp;uwe kleederen. maar door uw gedrag zoeken te be-
hagen.quot; Nam hij toe in andere deugden, dan groeide
hij ook in de nederigheid, waarin hij al zijn mede-
ji'jjjj,nbsp;broeders overtrof en die hem in eigen oogen gedurig
dalen deed. Waar ware ootmoed heerscht wordt de
:nbsp;armoede tevens vlijtig beoefend en bemind. Deze ver-
'.ivjl' Inbsp;schaft gelegenheid de eerste te voelen en te volmaken ;
:nbsp;beide ondervinden de verachting der wereld en sluiten
;nbsp;zich zóó nauwer aan een ; beide maken den geest los
quot;'iir
, .i
li
van de wereld, opgeheven ten hemel en geschikt, zich
(1) Mat. xr. 29.
i
Ii
met God te vereenigen. Met vreugde de wereld ver-
loochenend, schonk Joannes den Heer al zijne goederen.
Zijn hart was vrij van alle ongeregelde begeerte tot
het aardsche. Met voorliefde zocht hij zich het gering-
ste in spijs en kleeding. Wat hem hoogst nuttig ja
eenigszins noodzakelijk was, ontzegde hij zich dikwijls
uit geest van armoede en boetvaardigheid. Moest hij
soms voor de orde en later met verlof zijner overheid,
voor de kerken van Keulen den bedelstaf ter hand
nemen, dan verheugde hij zich bij voorbaat over de
talrijke ontberingen, en gaf zich over aan de godde-
lijke goedheid en barmhartigheid.
Ook de maagdelijke zuiverheid door zoovele heiligen
tot luister der H. Kerk beoefend, werd door hem als
een kostbare schat beschouwd, die met de grootste
zorg in zijn ziel moest bewaard worden. Meer door
nederige gehoorzaamheid, dan met vasten, waken en
lijfkastijding verkregen, heeft hij ze nimmer in ziel of
lichaam met den minsten smet onteerd. Op zich paste
hij het woord toe van den grooten Apostel Paulus (1):
ygt;Een maagd denkt hoe zij heilig zij, zoo naar lichaam,
als naar ziel.quot; Zijn lichaam was en bleef kuisch, onge-
schonden, onbezoedeld; zijne ziel rein, zuiver, lelieblank.
Geen wonder, hem later geroepen te zien om de reli-
kwieën zooveler heilige maagden te ontdekken; en deze
zich te zien gewaardigen een straaltje hunner hemelsche
glorie aan zijn sterfelijke oogen te toonen. Om die
engelachtige deugd te bewaren, vluchte hij de gelegen-
heden, voor zooverre de kloostermuren deze nog niet
afsneden. Hij bewaakte zijne oogen, verstierf zijn smaak
en gevoel en, was hij buiten zijn klooster, dan verschafte
de ingetogenheid en de tegenwoordigheid Gods hem
een veilige schuilplaats tegen de gevaren der wereld.
Zoowel in zijn nederigheid als in zijne kuischheid
kunnen wij bemerken, 'hoe gehoorzaam hij was. Die
zich niet gewillig aan zijne' overigheid onderwerpt,
toont daardoor reeds duidelijk, dat zijn lichaam hem
niet onderworpen, maar weerspannig is. De ongeregeld-
â (1) I Cor. vu. 54.nbsp;. . -nbsp;, ...
m
i
'lil
'I
â
' ï» 5
1;
heid des vleesches was de eerste straf, die de gevallen
mensch in het paradijs voor zijn ongehoorzaamheid
ondervond. Edele gehoorzaamheid dus, die zulke schoone
en noodzakelijke deugden voorbrengt of veronderstelt.
Deze schoone, dikwijls zoo miskende en onrechtmatig
verafschuwde deugd bezat Joannes Novelan in verheven
graad. Tot aan zijnen dood zag men hem in alle vol-
maaktheid zijne belofte van gehoorzaamheid houden en
met volkomen stiptheid Augustinus' voorschrift nakomen.
ygt;Prccposito tamquam patri obediatiir.quot; »Men gehoorzame
den overste als eenen vader.quot; Men had hem na zijne
kleeding geleerd, zijn eigen wil in alles om dien zijner
prioren te verzaken ; geheel zijn kloosterlijk leven was
er een stipte nakoming van. Niets werd door hem
gedacht of ondernomen zonder voorkennis, verlof of
leiding zijner overheid. Werd hem iets opgelegd, hij
volbracht het mannelijk, nederig, vlug, steed's denkend
aan zijn goddelijk voorbeeld, gehoorzaam geworden tot
den dood, zelfs tot den dood des kruizesT Werd hem
iets voorgeschreven, strijdig met de zinnelijkheid of
eigenliefde, hij aanvaardde het zonder verschooning,
volvoerde het zonder omwegen en onderwierp zich met
liefde aan het verstervend gebod. Werd hij soms hard,
onredelijk, scherp behandeld, toch was hij gehoorzaam,
â Inbsp;al waren de zaken zwaar en lastig, zonder eenige hoop
i:!nbsp;op dankbaarheid of belooning â te bieden. Zoo innig
gingen in hem gehoorzaamheid en ootmoed hand aan
hand, dat hij met een heiligen wellust een bevel ont-
ving, vernederend èn om dquot;e bevolen zaak, èn om de
wijze waarop het gegeven werd. Gave God, dat allen,
die tot gehoorzaamheid gehouden zijn, deze eenvoudige,
nederige gehoorzaamheid navolgden, hoe helderder zou
het licht van Gods genade uit den'hemel op hen neder-
dalen, hoe veelvuldiger zouden zij de zalving des H.
Geestes ondervinden, hoe grooter schat van verdiensten
vergaderen ! Joannes vvas door al die voornoemde
â ;I|:jnbsp;deugden en werken tot een waar en heilig klooster-
''nbsp;broeder gevormd. Hoewel door den lichamelijken arbeid
en later door zijn onophoudelijk reizen, zich meestal
l ^-i:
onder vvereldsche menschén bevindend, vergat hij nooit
de stilzwijgendheid en trachtte haar met alle zorg als
een der hoofddeugden eens kloosterlings te bewaren.
Nooit, zoo schrijft men, vernam men op verboden tijden
en plaatsen een woord uit zijnen mond, daar hij over-
tuigd was, dat de duivel het kasteel der ziel spoedig
overrompeld heeft, als de tong in het spreken niet
verstorven wordt. Indachtig het woord van den H.nbsp;II
Jacobus (1): Zoo iemand meent godvruchtig te zijn, zijnnbsp;'J
tong niet beteugelend, maar zijn hart verleidend, diens
godsdienst is ijdel, onthield hij zich niet slechts van
kwaadspreken, lasteren, liegen of onzuivere taal, maar
bedwong tevens ieder ijdel woord, dat hem op de
lippen mocht komen en verstierf zich nog in hetgeen
nuttig en noodig scheen te zeggen. Hoe gemakkelijk
zal zulk een geest zich bezig houden met God, en hoenbsp;-p
geschikt moest zulk een hart zijn tot gebed en over-
weging. Wanneer hij tegenwoordig was in eene gees-
telijke lezing of bij de verkondiging van Gods woord,
dan opende hij de ooren des licTiaams en der ziel,
luisterde met gespannen aandacht en was naar het
woord der H. Schrift (2): nVelox ad audiendum, vlug
om te hooren.quot; Zalig deze godvruchtige Joannes, met
zooveel gretigheid Gods woord vernemend, om het in
zijn hart te bewaren. Door deze heilige begeerte om
de wet Gods te kennen en te onderhouden, was er in
zijne ziel een hemelsch licht o'pgegaan. Inniger en
verhevener werd zijne kennis van Jesus Christus in het
H. Sacrament, vuriger zijne begeerte, nauwgezetter
zijne voorbereiding en grooter zijne waardigheid. Hij
leefde juist in den tijd, dal de godsvrucht lot het H.
Sacrament, door een dekreet van Urbanus IV aange-
wakkerd, herleefde. Hoey en Luik, steeds het brandpunt
dezer teedere godsvrucht, werden herhaalde malen door
hem bezocht. Ongetwijfeld moest zulk een godvruchtig
en nederig man met een hemelschen gloed en een
brandend verlangen die voedende, bovennatuurlijke
zielespijs ontvangen.
(1) Jac, Cap I..quot;. 26. .(2) Jac. C.. I. v..l9. . .nbsp;, , ^ . , ,
Tot handenarbeid geroepen, was geheel zijn leven
een veroordeeling der luiheid, door hem als het oor-
kussen des duivels gehaat. Te huis en op reis, des
;ij;nbsp;des daags en zelfs een groot deel des nachts, was hij
werkend voor het klooster of in gebed verzonken. Men
moest hem bewonderen in de verzorging des lichaams
zoowel om zijn versterving als om zijne bescheidenheid.
Nimmer heeft hij door overdreven vasten zijn lichaam
ondermijnd of ongeschikt gemaakt tot werken; en toch
bedwong hij de zinnelijkheid, door volgens zijn regel
aan het lichaam te weigeren, wat de gezondheid slechts
gedoogde. Zijne medel3roeders mochten zich dan wel
verheugen, zulk een stichtend voorbeeld te aanschou-
ynbsp;wen. Ware de eer Gods, de stichting der naasten, het
,nbsp;geluk der orde er niet door bevorderd geweest, dan
zou men het onverschoonbaar moeten achten, zulk een
stichtend kloosterbroeder aan de oogen zijner nfede-
broeders te onttrekken. Van hem ondervonden de oude-
ren onderdanigheid en een behulpzame hand, zijns
gelijken in rang of leeftijd een hartelijke, eenvoudige
broederliefde. Ãveral kende men hem als een bode des
vredes en een bevorderaar der eendracht. Wanneer de
zorg der zieken hem werd toevertrouwd, bezielde een
'Mnbsp;hei'ige vreugde zijn hart. Hoe zoet was het hem, den
â â â i.nbsp;goddelijken 'Zaligmaker in hunnen persoon te kunnen
rfnbsp;verzorgen. De armen en vreemdelingen, die in het
â nbsp;klooster soms gevoed of gehuisvest werden, ontving
'â quot;nbsp;hij als H. Enge en. Vreemd schijnt het wellicht, dat
een man, die zijn roep en uitverkiezingen door zulk
een overvloed van goede werken verwezenlijkte, nog
dagelijks zijn geweten onderzocht en zich zoo dikwijls
voor de voeten zijns biechtvaders nederwierp. Doch
heden, toen en altijd zijn het juist*de braven en deugd-
zamen geweest, die hun hart het meest in dit H. Sa-
crament van boetvaardigheid zuiverden. Joannes de Eppa
was dan een waar leekenbroeder van de orde van het
H. Kruis, daar hij door versterving, liefde, geloof het
kruis in zijne ziel plantte en zich niet tevreden stelde,
dit op zijne kleederen te dragen. Het H. Kruis was
: r'
-yi
bijzonder zijne glorie. Gelijk de eerste Christenen tee-
kende hij er zich mede bij iedere nieuwe handeling.
Aanschouwde hij het ergens op zijnen weg, hij wierp
zich terstond ter aarde neder om het te verceren. De
godvruchtige en wijze prior Remigius Delmel, zijn
overste in'het klooster te Parijs, trachtte die liefde tot
het II. Kruis en den geest des gebeds meer en meer
in dien leekenbroeder te doen toenemen. Een kleine
cel, eenigszins van de overige kloosterpanden afgesloten,
had uitzicht op het hoofdaltaar der kerk, waar de reli-
kwie van het H. Kruis dag en nacht stond uitgesteld.
De plechtige stilte, die er heerschte, het uitzicht op het
H. Kruis en hoofdaltaar, maakte deze plaats bijzonder
geschikt voor meditatie en gebed. Deze zou broeder
Joannes voortaan moeten bewonen (1). »Hwc requies
mea in saculim sceculi, dit is mijne rust in eeuwigheid,quot;
mocht hij wel uitroepen bij het hooren van 's priors-
besluit. baar smaakte hij in diepe stilte de zoetheid
der goddelijke vertroosting en proefde beter dan elders
de voedende kracht des gebeds. Gansche nachten bracht
hij wakende door, in verheven beschouwing verzonken.
Soms verhief hij de oogen des harten, om de majesteit
en onbegrijpelijke eigenschappen Gods te bewonderen,
dan weder overwoog hij de bittere smarten van Christus'
lijden, zijne blikken op het kruisbeeld gevestigd hou-
dende. Al zijn troost, zoetheid, geluk en glorie vond
hij daar in Jesus, en Dezen gekruisigd. De volmaaktheid
zijner deugden en de vurigheid zijner verzuchtingen
hadden hem eindelijk geschikt gemaakt, bijzondere
gunsten uit den hemel te ontvangen (2). In het jaar
1280 werd hij lot driemalen toe in den slaap van God
vermaand, zich naar Keulen te begeven, om de relikwieën
van drie maagden en martelaressen, tot het gezelschap
der H. Ursula behoorende, op te graven en aan de
vereering der geloovigen te schenken. Gehoorzaam aan
de goddelijke vermaning, begaf hij zich torstond naar
zijn'overste, wien hij altijd met kinderlijke eenvoud de
plooien van zijn geweten openlegde, verhaalde hem het
(1) Ps. CXXXI. 14. (2-) Diploma, zTie bijlage nquot; 1.
'it
I
f
1
â¢Ié
gebeurde en vroeg verlof het goddelijk bevel te vol-
brengen. De waardige prior stond over de verschijning
verwonderd; hij raadde hem niet spoedig geloof te
slaan aan dergelijke voorvallen, daar de duivel zoo dik-
wijls de gedaante aanneemt van een engel des lichts,
nam eenigen tijd beraad en willigde eindelijk zijn verzoek
in, waarop Joannes vertrok. Te Keulen aangekomen,
maakte hij den Aartsbisschop met zijn openbaring be-
kend. Zonder talmen begaf zich deze naar de aangewezen
plaats en na korten tijd was de kerk verrijkt met de
heilige overblijfselen van drie gezellinnen der H. Ursula,
te weten: Basilea^ Christina en Emma. Verschillende
collegiaalkerken werden dan met die kostbare schatten
bedeeld. In plechtige processiën werden zij er als in
triomf door bisschop, geestelijkheid en leeken heenge-
dragen. Na volvoering zijner taak spoedde zich Joannes
naar Parijs terug, waar kort daarop de Hoogwaarde
prior Delmei overleed.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Thans zijn wij in onze korte geschiedenis genaderd
tot het oogenblik, waarop de glorie, in den hemel der
H. Odilia geschonken, aan de wereld op eene duidelijke
wijze zou veropenbaard worden. Hoe wonder is God
in zijne werken! Tot werktuig kiest hij een eenvoudig
leekenbroeder, voor het oog der wereld tot zulk een
werk ongeschikt om zijn eenvoud en onwetendheid,
doch geroepen door God om zijn godsvrucht en nede-
righeid. Onder den Hoogeerw. prior Heriet, tot opvolger
van Delmel gekozen, nam de ijver en godsdienstzin
van Joannes zichtbaar toe. Eens in vurig en verheven
gebed den nacht op zijne cel doorbrengend, voelde hij
zich afgemat door het nachtwaken en vasten. De krachten
zijns lichaams bezweken, en hij moest zich ter ruste
leggen, wilde hij niet ontrouw worden aan het gebod
zijns oversten. Nauwelijks op zijne legerstede rustend,
ziet hij eensklaps een hemelsche verschijning. Een
maagd in den bloei der jeugd stond in bovenaardsche
schoonheid voor zijne oogen. Het nachtelijk duister der
cel werd door een verblindenden luister verdreven. In een
krans van schitterende stralen aanschouwt hij een maagd,
zooals de aarde er nooit een bewonderd had. Een kroon
van verrukkende schoonheid, bezaaid met de schitte-
rendste edelgesteenten, versierde haar hoofd (1). Een
engelachtig gelaat in een aureool van heiligheid ziet
vriendelijk op hem neder. Kleederen, waardig door
Engelen gedragen te worden, bedekten glansend haar
lichaam. Op haar borst blonk het teeken des kruises
en hare hand omvatte een standaard in welks plooien
het kruisteeken straalde. ygt;Adsütit regina .... in vestitu
deaurato drcumdala varietate (2). De Koningin stond
in een gouden, rijk bestikt gewaad,quot; mochten wij hier
wel uitroepen, om met een korten trek, de pen van
een H. Koning David waardig, de glorie waarin zij
verscheen te vermelden. De schoonheid en pracht der
verschijning, het bovenaardsch voorkomen, de vriende-
lijke biik, vooral echter de genade Gods en de zalving
des Heiligen Geestes, veroorloofden den nederigen
Joannes niet aan den hemelschen oorsprong dezer ver-
schijning te twijfelen. Dikwijls neemt de duivel de
gedaante aan van een Engel des lichts, had prior Delmel
hem ten vorigen jare gezegd; doch nimmer voelt iemand
zich door den duivel getrokken tot liefde Gods, zelfver-
loochening, nederigheid. Joannes de Eppa geraakte in
vervoering door die hemelsche gunst, maar voelde zich
tevens ter neder gedrukt door het bewustzijn zijner
onwaardigheid. Meermalen was een maagd en martelares
hem uit den hemel verschenen, doch nooit in zulk een
heerlijkheid. Weenend van aandoening hield hij zijne
oogen op de verschijning gevestigd, hoewel zij bijna
voor den glans dier schoonheid bezweken. Bewondering,
ootmoed, eerbied, hielden zijn mond gesloten. Met
heilige spanning verlangde hij het doel en den uitslag
dezer verschijning te kennen. 0! hoe voelde hij zijn
(1)nbsp;Diploma van Henri de Noviomago. Zie bijlage nquot; 2.
(2)nbsp;Ps. XLIV. V. H.
â fé
II
11
H Si'
hart bewogen, als deze schoone Koningin (want thans
kende hij haar naam noch waardigheid), haren mond
opende, om te spreken tot hem, onwaardige, die vol-
gens eigen meening door eenieder diende veracht te
worden en op wien de grooten der aarde met minach-
ting neêrzagen. Hoe zedig, hemelsch, engelachtig, zal-
vend was haar stem. Een zwak sterveling, aan duizend
ellenden ten prooi, in- en uitwendig aan strijd onder-
hevig, aan gevaren blootgesteld, zou zich tot den derden
hemel opgevoerd meenen. Als een dauw des hemels
vielen hare eerste woorden op het hart van broeder
Joannes neder (1). »0! broeder, dien ik onder duizende
»uitstekend door stand en heiligheid verkoren heb, den
»tolk en uitvoerder mijner bevelen te zijn, luister aan-
»dachtig naar hetgeen u, op 's Heeren bevel, wordt
»voorgehouden.quot; Wie is toch die schoone maagd, zoo
dacht thans broeder Joannes bij zich zelveu; die zich
gewaardigt mij Gods raadsbesluiten kenbaar te maken?
Waarom nadert zij mij in een heerlijkheid den hemel
overwaardig, voor de aarde te schoon ? Gaarne had hij
gesproken; doch was hij niet te eenvoudig om zelfs
den geringsten sterveling te woord te staan ? Wat zou
hij ook passend kunnen zeggen ? Zijn zwijgen was
spreken. In zijn van eerbied stralend oog las de schoone
maagd zijn zielsverlangen. Ongevraagd, gaat zij hem
hare afkomst openbaren. »Ik ben,quot; zoo sprak zij, »een
»dier beroemde maagden, welke de H. L'rsula op hare
»vlucht uit Engeland in leven en dood vergezelden.
»Van haren bruidegom was ik bloedverwante, mijn naam
»is Odilia, dochter van Maromaeus, vorst in Engeland.
»Als gezellin haar toegevoegd, had ik duizend maagden
»aan mijne zijde. Met een geheel legioen maagden ver-
»lieten wij ons vaderland en ontvingen de martelkroon
»onder de muren van Keulen. Thans leven wij eeuwig
»gelukkig in den hemel, verrijkt met de schitterende
»kroon voor de kuischheid en den palmtak voor de
»kracht van ons H. Geloof. God heeft mij nu bestemd
»en geschonken als bijzondere patrones uwer orde en
(1) Zie diploom bijlage nquot; 2 en Bannelius cap. VI.
»medebroeders, die onder het teeken des kruises strij-
»den. Ik zal uwe orde doen bloeien, helpen, verdedigen.quot;
Bij het vernemen dezer woorden hief broeder Joannes
zijne oogen en handen dankbaar tot haar op. Doch zijn
zwak sterfelijk oog kon den glans harer schoonheid
niet langer aanschouwen, 's Menschen oog wordt reeds
verblind door zonnelicht, hoe zou het bestand zijn, dien
Engelenluisler te blijven bewonderen. »Verberg en over-
schaduw uwe heerlijkheid,quot; zoo riep de nederige kloos-
terling (volgens verhaal van Petrus de Amsterdam) uit:
»dal een sluier uw heilig aangezicht bedekke; zie
zonneglans omstraalt u; mijn oog wordt verblind en
voelt zijn krachten bezwi.ken.quot; Hij sloeg zijne blikken
met heilige vreeze ter aarde, en luisterde met brandende
begeerte verder naar de woorden der H. Odilia. Een
kostbaren parel had hij liever verloren, dan dat hij
een enkel woordje aan zijn gehoor liet ontsnappen.
Als goud verzamelde hij al, wat hij uit haren mond
vernam, en als een kostbare schat zou alles in zijn
hart verborgen worden. »Zie toe,quot; zoo hernam zij;
»dal gij al mijne voorschrifien met de meeste nauw-
»gezeiheid in vervulling brengt. Groote zegen staat
»uwe orde te wachten, zoo gij ze volbrengt; veel
»rampen daarentegen, zoo gij weigert geloof te slaan
»aan mijne woorden en u aan mijne bevelen onttrekt.
»Gelijk uit uw moederhuis te Hoey, al uwe kloosters
»voortspruiten, zoo zal uit ditzelfde huis door mijne
»verdiensten ook den andere voorspoed en zegen ge-
»worden. Slaat dan op. Berust in dit visioen; de
»armoede uwer orde moet door den schat mijner reli-
»kwieën verrijkt worden. Verlrek haastig, open mijn
»graf, ik zal het u duidelijk aanwijzen. Mijne H. over-
»blijfselen zijn verborgen en zonder vereering; zijn
»deze opgegraven en veiheven, dan zal God u op eene
»bijzondere wijze zijne barmhartigheid toonen. Sta dan
»op, beminde broeder, en gelijk gij vroeger na een
»verschijning mijner zusters, de H. H. Basilea, Ghrislina
»en Emma, hunne overblijfselen ontdekt en in ver-
s
â IJl
%
»schillende kerken met plechtigheid hebt uitgesteld, zoo
»moet gij thans mijn lichaam den donkeren'schoot der
»aarde ontrukken en den geloovigen ter vereering
»schenken. Spoed u naar Keulen, vraag daar naar het
»huis van Arnulph, een burger, vermogend en edel,
»niet ver van de St. Gereonskerk wonend. In zijn tuin
»onder een perenboom, dicht bij de woning staande,
»zult gij mijne relikwieën in een marmeren tombe be-
»graven vinden. In mijn leven was ik een minnares
»des kruises, daarom zult gij dezen schat ter vereering
»overbrengen naar het moederklooster en de hoofdkerk
»van de orde des H. Kruises te Hoeij. Dit huis wil God
»zegenen door mijne verdiensten en daar eeuwen de
»vrome gebeden des volks verhooren. Meen niet, dat
»een zinsbegoocheling u bedriegt; in mijn graf zult gij
»een handschrift vinden, mijn martelaarschap en afkomst
»vermeldend.quot; Na deze woorden verdween zij. Een
zoete geur als van den zuiversten balsem of van rozen
en leliën vervulde de armoedige cel. De luisterrijke
maagd was naar den hemel weergekeerd, maar een
glansrijk licht bleef nog eenigen tijd schitteren als om
den armen broeder tot gelooven aan te manen of zijn
vertrouwen te bevestigen. Covenstaande bijzonderheden
zijn meest allen genomen uit het werkje van de H.
Odilia van Petrus Dinard, Hannelius, uit het Florilegium
Belgii, Chapeauville enz. schrijvers uit de 15''quot;, 16''quot; of
Wquot; eeuw. De verschijning zelve wordt ten duidelijkste
bewezen uit het authentiek stuk van de vinding en
overbrenging der relikwieën, gedateerd in het aartsbis-
schoppelijk hof te Keulen ten jare 1287 den eersten
September en later door hetzelfde'hof herzien den elfden
September d6I8. Later zullen wij dit stuk, vertaald, in
dit werkje opnemen.
. DERTIENDE HOOFDSTUK.
i
Als .loarines, tot bezinning gekomen, het gewicht van
den last en de daaraan verbonden moeielijkheden begon
te overwegen, werd zijn geest voortdurend door vrees
en moed been en weer geslingerd. De genadegave,
dezen nacht ontvangen, was zoo groot, dat hij, onwaar-
dige volgens zijn oordeel, aan de werkelijkheid twijfelen
moest. Toch was het visioen zoo duidelijk, de slem
der maagd zoo verstaanbaar, haar geheele voorkomen
zoo hemelsch en opwekkend, dat geen zinsbedrog hier
mogelijk scheen. Jloest hij dan zijn eigen zinnen geen
geloof meer schenken ? Hij wist wel, dat men niet allen
geest moest gelooven, tenzij, na beproefd te hebben,
of' hij uit God was. Hier waren echter zooveel teekenen
der werkelijkheid, dat twijfelend onderzoeken hem bijna
als dwaasheid voorkwam. Ware hij onafhankelijk ge-
weest, dan had hij de, hem opgedragen, last niemand
behoeven te openbaren; stil zou hij zijn vertrokken;
de H. Odilia zelve zou te Keulen de echtheid harer
relikwieën door wonderen bewezen hebben, en zonder
spot, moeite, vernedering of beter zonder zijn naam
aan de wereld bekend te maken en zijn ootmoed aan
beproeving bloot te stellen, zou de last volmaakt zijn
uitgevoerd. Nu moest hij echter alles zijnen prioi- open-
baren. Zonder verlof zijner overheid, zou uilgaan onge-
oorloofd, zulk een reis met zijne roeping in strijd'en
zelfs zonde geweest zijn. Heriet stond bekend als een
streng, karaktervol man, zich stipt houdend aan Gods
wel, kerkelijk recht, regel en statuten. Eenvoud en
oi'de ging in hem alles te boven. Afkeerig van alle
wereldsch vertoon, was hij door wijsheid en voorzich-
tigheid, vooringenomen tegen al, wat vi-eemd en on-
gewoon scheen. In de gegeven omstandigheden scheen
een toestemming onmogelijk, een weigering en strenge
kastijding allerwaarschijnlijkst. Hoe schrikten al die
gedachten onzen nederigen broeder af. De bestraffing
en vernedering vreesde hij wel niet, maar de weigering
zoü hem' bitier vallen. Al zijn pogen werd èr door
verijdeld, en de last, die hem zoo zeer ter harte ging,
onuitvoerbaar. De glorie der H. Odilia, reeds zoovele
eeuwen verborgen, zou, wie weet hoe lang nog, onbe-
kend blijven. Onder den perenboom van Arnulphus
moesten de H. relikwieën b ijven rusten, onbekend en
vergeten, terwijl de hemel zelve ze waardig keurde op
de heilige altaren uitgesteld, onder den altaarsteen be-
graven of in zijde en goud gewikkeld het volk ter
vereering aangeboden te worden. Doch al gaf de prior
terstond verlof om te vertrekken, hoe zou dan Joannes'
diepe nedei'igheid aan gevaar worden blootgesteld.
Meermalen was zijn naam te Keulen in aller mond
geweest, als hij de lichamen der H. Emma, Christina
en Basilea ontdekt had en overvoerde. Welk een glorie
stond hem te wachten : nooit zou de zwakheid zijner
ziel er legen bestand zijn. O! als hij Gods liefde ver-
loor was alles te duur gekocht. Ook zou hij zijne zoo
dierbare cel moeten verlaten en te midden van wereldsch
gewoel en gedruisch van de zoetheid der hemelsche
beschouwing verstoken blijven. Onder dien vloed van
gedachten dreigde onze eenvoudige broeder te bezwijken.
Nu eens nam hij het koene bes uit, zich zonder dralen
bij het einde der primen naar de cel zijns priors te
begeven, om hem alles in nederigheid te openbaren,
dan stond hij weder besluiteloos of op het punt alles
ter zide te stellen, bevreesd voor de tallooze gevaren
naar ichaam en ziel. Maar het bevel was dringend en
dreigend. »Spoed u, haast u,quot; had de H. Odilia hem
toegeroepen, en zou hij nu aarzelen en talmen ? Neen,
de hemelsche maagd had hem alles van Godswege ge-
openbaard, door Gods Voorzienigheid en het gebed der
H. Odilia zullen alle zwarigheden worden opgeruimd.
Hoewel nog hevig ontroerd, daalt hij toch, vastberaden
naar 's priors cel af om een begin aan de uitvoering
van het ontvangen bevel te geven. Ingetogen en bid-
dend wandelt hij door het kloosterpand, een gunstige
gelegenheid afwachtend, om den prior te spreken. Op
hetzelfde oogenblik verlaat de overste Herbet zijne cel.
Bezigheden roepen hem, of zijnequot; waakzaaniheid heeft
hern gerucht in het klooster doen vernemen, welks
oorzaak hij kennen en zoo spoedig mogelijk weg wil
nemen. Terstond bemerkt hij den broeder werkeloos
en peinsend in het kloosterpand. Met strengen ernst
vraagt hij hem de rede zijner traagheid, als geheel het
klooster aan den arbeid is. In stede van te ontstellen
voelt Joannes zijn moed herleven. Hij vraagt om de
cel des priors te mogen binnentreden; want een ge-
dachte bezwaart zijn liart, zijnen overste wil hij alles
openbaren. Onverwijld zegt hij, ondanks zijne gering-
heid door God op voorbede der H. Odilia geroepen te
zijn, een bijzonderen last te volbrengen. Zijn eigen
oordeel volgen wil hij niet; zonder verlof is het hem
daarenboven ongeoorloofd. Zijn eenigst verlangen is,
's priors wil te kennen om er zich naar te voegen.
»Dezen nacht,quot; zoo sprak hij, »biacht ik in gebed en
»overweging door. Eensklaps verschijnt mij de H. Odilia
»in onuitsprekelijken luister. De fonkeling der diadeem
»op haar hoofd, de schittering des kruises op hare
»borst en vaandel was van oogverblindende schoonheid.
»In haar gelaat en houding blonk zooveel zedigheid,
»hemelsche kalmte en deugd uit, dat ik niet anders
»kon oordeelen of deze verschijning kwam van boven.
»Om hare groote liefde tot het kruis des Heeren, is zij
»van God verkoren onze patrones te zijn. Hare over-
»blijlselen rusten te Keulen. Nauwkeurig heeft zij mij
»de verborgen plaats aangewezen. In een marmeren
»tombe zullen wij, dien zoo'kostbaren schat vinden. Haar
»afkomst, leven en sterven zullen wij, bij de verheffing
»dezer relikwieën vernemen. Breng ik dit alles naar
»ons klooster te Hoeij over, dan zal de zegen Gods
»bijzonder neerdalen op onze kleine orde. Ben ik nala-
»tig, dan blijven wij van die duizende gunsten versto-
»ken en berokkenen ons zeiven groot nadeel. Ga spoedig,
»zeide zij mij, wacht u, ook in het minst, aan mijn
»bevel te kort te schieten. Terwijl ik ontsteld en opge-
»togen, naar hare woorden luisterde verdween zij eens-
»klaps uit mijne oogen. De cel was vervuld met een
⢠»Rémelschen' gelir eh*, aan xiulzünd gedachtenquot;tên prooi.
I
s
m
tf
»liet zij mij alleen. Thans, o vader, had ik het besluit
»genomen u alles in kinderlijke eenvoudigheid te ver-
»melden. Breng gij zelts nu den last ten uitvoer. Zie,
»neem mij, als uwen dienaar. Zend mij naar Keulen.
»Is alles volbracht, rust haar heilig gebeente in ons
»koor le Hoey, dan keer ik onmiddellijk naar mijne
»cel weder, den gewonen arbeid hervattend.quot; De prior
stond over de geheele verschijning verwonderd. Wel
was broeder Joannes meermalen van den hemel met
verschijningen begunstigd, doch deze muntte boven de
andere uit in doel en duidelijkheid. Een kloosteroverste
moet echter in alles, wat naar het ongewone zweemt,
de grootste behoedzaamheid in acht nemen. Vele kloos-
terlingen waren bedrogen door duivelsche listen en
ellendig in een afgrond gevallen; zijn plicht dus vor-
derde zich voorloopig krachtdadig tegen de uitvoering
te verzetten. Kwam 'i!e zaak van God, zijne voorzich-
tigheid kon niet schaden; integendeel zij zou aan alles
een schitterender uitkomst bezorgen. »Nooit,quot; zoo sprak
hij, »bestrijdt de duivel, getrouwe dienaren Gods open-
»lijk. Hij gebruikt listen en zoekt door bedriege ijke
»verschijningen de vroomsten van de gehoorzaamheid,
»ootmoed en eenvoud te vervreemden. Hier schuilt
»hoogstwaarschijnlijk een adder in het gras. Wacht u
»dus voor verleiding; uw oog is begoocheld. De hel
»bedriegt u, waak, wil u met de geheele verschijning
»niet meer inlaten.quot; »Ja,quot; hernam hierop Joannes;
»mogen mijne oogen zich vergissen, ik heb toch, Eer-
»waarde Vader, hare stem gehoord. De luister was
»verblindend, het geluid harer woorden engelachtig en
»treffend. Mijne ooren hebben zich niet bedrogen; ik
»voel mij getrokken, ja gedwongen de verschijning als
»echt te beschouwen.quot; Nederigheid weêrhield hem meer
te spreken; zijn prior bleel onverbiddelijk, hoewel
overtuigd van Joannes' eenvoud en oprechtheid. »Sla
toch,quot; hernam hij, »geen geloof aan de bedriegerijen
»des Satans, gij zult u ongelukkig maken voor tijd en
»eeuwigheid. Houd u niet op met al die gedachten, doe
»uwe gewone bezigheden, bid', waak,' wees nederig, lèg'
»u gehoorzaam bij mijn besluit neder, anders zou ik
»uwe hardnekkigheid moeten straffen.quot; Wat Joannes
verwacht had, was geschied. Zijne woorden werden
niet geloofd, hij zelfs aangezien als een dwaas, lijdend
aan zinsbedrog, of als eeii speelbal des duivels. Het
ergste was, dat het verlangen der H. Odilia niet zou
volbracht worden. Zijne ziel was bedroefd; hij had
echter zijn plicht gedaan. De overste weigerde; Joannes
moest zich gehoorzaam onderwerpen. God zou verder
voor alles zorgen. »Uw wil geschiede,quot; sprak Joannesnbsp;1 ^
en eerbiedig buigend, verliet hij den prior om in zijnenbsp;jjiä
cel, het oog op het kruisbeeld gevestigd, zijn hart voornbsp;f'r; |
God uit te storten. Door sommige schrijvers wordt ver-
haald, dat hij evenwel niet kon nalaten, toen de zaak
in het klooster bekend was geworden, zijne medebroe-
ders over de schoonheid der maagd, de grootheid harer
hemelsche glorie, de heiligheid van haren marteldoodnbsp;fl
te spreken. Ook ziet men op sommige schilderijen, den
broeder in het kapittel zijner medebroeders van den
prior een scherpe berisping ontvangen. Wat hiervan
zij, heb ik niet kunnen achterhalen. Nochtans was het
de gewoonte niet, dat leekebroeders in het dagelijksch
kapittel door den prior over hunne gebreken onderhou-
den werden, of het moest zijn, dat hier niet het kapittel
der priesters en koorbroeders, maar dat der leeken-
broeders, door een afzonderlijken priester gehouden,
wordt voorgesteld. Ook zou het buitengewone voorval,
een bijzonderen maatregel kunnen gevorderd hebben,
om den broeder van zijn inbeelding, zoo men meende,
te genezen (1).
(1) De Kruisheer Aegidius de Vree/.e legt dit uit, van de gebeden en
vasten, in het kapittel door deu prior Heilet zijnen onderhoorlgen opgelegdnbsp;. J
om Gods H. wil te kennen.
Moxque dato signo Patrim residente coronä
Sedulus indicit vota precesque suis aquot; 1647.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Bedroevend was het voor Joannes, het bevel der H.
Odilia verhinderd te zien. Zijn liefde en godsvrucht
drongen hem tot uitvoering, doch de wijze wil zijns
oversten maakte alles onmogelijk. Zijn eenigste hoop
was nu het gebed. Nergens zag hij uitkom'st, tenzij
God door de voorspraak der H. Odilia hem hulp ver-
leende. Handen, hart en oogen ten hemel gericht, stortte
hij met zuchten en tranen de vurigste gebeden. Niets
na zijne plichten was hem zoo dierbaar als genoemd
bevel; daar het onmogelijk was hieraan te voldoen, bad
hij slechts om licht en uitkomst. Onophoudelijk riep
hij den naam der H. Odilia aan, hem thans zoo dierbaar
geworden. Bij dit zuchten en weenen voegde hij nog
vasten en lijfkastijding. Gaarne zou hij de H. Odilia
nog eens aanschouwen, zoo het God behaagde. Zeker
zou zij hem versterken en met nieuwen moed vervullen.
Eindelijk werden zijne vurige gebeden verhoord. We-
derom den nacht in gebed en boete doorbrengend, zag
hij plotseling alle duisternis voor een hemelsch licht
verdwijnen. O! wonder! andermaal staat de H. Odilia
in vollen luister voor hem. Dezelfde stralenkrans, schoon-
heid en hemelsche reinheid; wederom schitterende
i'obijnen in de kroon op haar hoofd; even schitterend
straalt het H. kruisteeken in haar vaandel. Haar wezen
spreekt thans diepen ernst uit. Een strenge berisping
zal thans Joannes ontvangen, daar hij niet standvastiger
aan haar woorden geloofd en op inwilliging aan het
verzoek bij den prior heeft aangedrongen. Hij waagt
het, wederom zijn zwak oog op die engelachtige heer-
lijkheid te vestigen. Zijn hart is opgetogen; wat men
immers met smarte mist, zal men met vervoerende
blijdschap terug ontvangen. Neen, niet lang kan hij
dien glans verdragen. Zijn menschelijk oog is te zwak,
het oor alleen is in staat zonder leed haar tegenwoor-
digheid te ontwaren. Hij luistert met brandend verlan-
gen, al zullfn hem haar rechtmatige klachten bedroeven.
»Hoe komt het,quot; zoo spreekt zij; »dat gij U niet
Hier bevindt zich een
uitklapvel
Boek:
Sign. van het origineel:/\BTHO: AU/ f^i
Signatuur microvorm: /^^JMics MM oi^MZ
Moedemegatief opslagnummer: ÃAWlObfe-OoosSs
Uitklapvel:
Aantal: i
Moedemegatief opslagnummer: iïiMObfe-ocOs^
Positie in boek:
TAFEREELEN UIT HET LEVEN DER H. ODILIA, NAAR EENE OUDE GRAVURE.
Zijn hart was ruimer. De kastijding der Heilige was
heni bitter geweest, maar werd verzoet door de vreugde
over de nieuwe verschijning, zoodat in zijnen geest alle
nevelen verdwenen waren. »0 Vader,quot; zoo sprak hij
den prior aan, »onmogelijk is het mij het vurig ver-
»langen mijner ziel te verbergen. De liefde tot de H.
»Odilia, de zwaai'te harer bedreigingen hebben alle
»beletselen, om andermaal tot U te komen, weggeruimd.
»Ten stei'kste voel ik mij heden aangezet haar bevel
»ten uitvoer te leggen. Ik kan bijna niet uitstellen, al
»drukt de last zwaar op mijne schoudei'en. Neen vader,
»hier is geen sprake van zinsbedrog of inbeelding.
»Dezen nacht is die maagd mij andermaal verschenen.
»Hoe scherp berispte zij mijnen twijfel. Beloften en
»bedreigingen, alles heeft zij' herhaald. Geef mij dus
»verlof naar Keulen hare relikwieën te gaan zoeken en ze
»naar ons hoofdklooster te Hoey over te brengen.quot; Thans
kon de prior aan de echtheid''der verschijning voor zijn
persoon niet meer twijfelen : maar als overste, tot de
grootste voorzichtigheid gehouden, durfde hij evenmin
zijne toestemming geven. Eerst wilde hij meer openlijke,
tastbare zekerheid hebben, zooals zijn plicht dit vorderde.
Hoe zou iemand in staat kunnen zijn Joannes naar
Keulen te vergezellen, wat door den regel toch streng
gevorderd werd. Ook zouden de andere kloosterlingen
zeer ontstemd en ontsticht worden, zoo twee hunner
pnder genoegzame redenen de wijde wereld werden
ingestuurd. Voorloopig bepaalde hij zich tot een nieuwe
weigering. Alle hoop op verlof sneed hij af, door den
broeder te wijzen op de duisternis van zijn verstand;
op zijne onbekwaamheid tot het onderscheiden van
ware en valsche visioenen. »Zoo belaagt u thans de
»duivel,quot; ging hij voort; pas op, word in zijne strik-
»ken niet verward. Die zich hemelsche verschijnin-
»gen waardig waanden, zijn maar al te dikwijls jam-
»merlijk bedrogen en gevallen.quot; De arme eenvoudige
Joannes kon tegen deze woorden des priors weinig
inbrengen. Waarheid en overtuiging hadden zijne ziel
zoo bevangen, dat hij, zonder op de vermaning te letten,
den prior in alle eenvoud nogmaals vroeg, le mogen
vertrekken. »Zonder eenige verdienste van mijnen kant,quot;
zeide hij, »heeft de H. Odilia mij deze gunsten bewezen,
»kom, laai mij vertrekken, om haar bevel te volbrengen.
»De strengheid harer woorden nopen mij, bij u mei
»vragen aan te houden.quot; Een ander middel wei'd nu
door den prior te baat genomen, om eenig uitstel te
winnen. Hij wees hem op' de moeielijkheden der reis,
op de onoverkomelijke bezwaren, die een kind zelfs
voorzien kon. De eigenaar der plaats, waar de relikwieën
rusten, hel kerkelijk gezag, volk en geestelijkheid zou
zich verzetten. Was de uilslag ongelukkig, dan stond
hij bloot aan de bespotting van duizenden. Werden de
relikwieën gevonden, rechts en links zou eene menigte
bezwaren komen opdagen, om de wegvoering le beletten,
daar de kerken van Keulen op het bezit daarvan gesteld
en er 't meest toe gerechtigd waren. Toen de moed
des broeders bij hel aanschouwen dezer bezwaren niet
bezweek, veranderde de prior van loon, en drukte hem
gevoelig op hel hart, dat het eene der grondregels van
de kloostertucht was, nooit eenige verplichtingen na le
laten, om werken te doen v.aartoe men niet gehouden
was. »Berust dus in mijnen wil, broeder Joannes,quot;
vermaande Ilerlet, »gehoorzaamheid is beter dan offers,
»wijl gij, gehoorzamend, u zeiven slachlofFerl.quot; Broeder
Joannes zag duidelijk, dal de prior onverbiddelijk bleet.
Hij gehoorzaamde aan den wil des priors van voortaan
alles te laten varen, doch slaagde in zooverre, dat hij
de belofte verkreeg, na een nieuwe verschijning onver-
wijld te mogen ve'rtrekken. Bedrukt en toch een weinig
door die belohe verkwikt, zonderde hij zich wederom
in zijne cel al, met angst het einde afwachiend. Hoewel
het stormde in zijne ziel, trachtte Joannes zijn hart te
bedaren, door zijne blikken op Gods barmhartigheid te
vestigen. De duivel, verlangend Joannes' geest te ont-
stellen, gaf hem de gedachte in, waarom de H. Odilia
hare overblijfselen in de kerk van Hoey (toen nog klein
en onaanzienlijk), en niet liever in een der hoofdkerj^en
der wereld wilde verheven zien. Een weinig schijnt
I
jl
1
hij er aan te hebben toegegeven. Spoedig echter stelde
hij die gedachte uit zijnen geest, dien hij altijd in de
grootste ingetogenheid bewaarde. Tegenover dezen trek
des duivels stelde hij de goedheid Gods en de welwil-
lendheid der H. Odilia, die juist dit kleine verborgen
plaatsje wilde verheffen en met hare gunsten overladen.
Strijdend en biddend verlangde hij' de H. Odilia ten
derde male te zien; immers dan zou de prior hem die
groote reis veroorloven. Geheel den volgenden nacht
bracht hij door in bidden en zuchten. Ook de prior
begon de zaak nu ernstiger op te nemen. Al zijn onder-
hoorigen legde hij dien dag een vasten op. Alle moesten
bidden en den hemel geweld aandoen, opdat Gods H.
wil in deze aangelegenheid duidelijk blijken zou. Hij
handelde goed, zegt een levensbeschrijver der H. Odilia,
want wat tot aller welzijn strekt, mag ook wel door
allen gezocht en behartigd worden. In zijne cel bad
Joannes: jsGij, o Heer kent mijnen goeden wil, volko-
»men ben ik bereid den wensch der H. Odilia in ver-
»yulling te brengen. Mijne wettige overheid belet mij,
»ik moet gehoorzamen volgens uwe heilige wet. Doch
»geef mij de genade de H. Odilia nog'eens in dien
en heerlijkheid te aanschouwen, dan zal de wil
»des oversten buigen; zoo het u echter anders behaagt,
»neemt dien last dan van mijne schouderen, om hem
»door anderen uit te voeren.quot; Een nog scherper en
gevoeliger kastijding viel hem nu, volgens oude verha-
en, ten deel. De H. Odilia verscheen 'hem kort na zijn
vurig smeeken. Wat hij bij de vorige verschijning voor
bitters gesmaakt had, kon bij dez'e laatste bestrafling
niet halen. De glorie van haar aangezicht was moeielijk
aan te staren, moeielijker echter, Joannes ondervond het,
den strengen blik harer oogen uit te staan. »Waarom,quot;
zeide zij bestraffend, »waa'rom weêrstaat gij met een
»ondankbaar hart den wil Gods. Elk zijner bevelen is
»toch niets anders dan genade en weldadigheid. Gij
»schijnt zijn bevel te ve'rachten, terwijl Gods liefde u
»diÃn last opdraagt, om reden te hebben u zijne mild-
»heid te betoonen-. Ik had -uwen-dieÃst -niet â .noodig, ..
â Tl â
»gij echter behoefdet mijnen bijstand grootelijks. Met
»reden zult gij thans uwe traagheid boelen.quot; Als een
scherp zwaard' drongen deze woorden in zijne ziel.
Bitter speet het hem aan het verlangen der H. Odilia
niet trouw genoeg beantwoord, ja atbreuk gedaan te
hebben, al was het ook niet met volle kennis, aan de
eere Gods en het welzijn der orde. Eensklaps scheen
de H. Odilia verdwenen. De duivel in zwarte en afgrij-
selijke gedaante stond voor hem. Het was, als sprak
God, gelijk wij aangaande den H. man Job lezen: (1)
»Zie, al wat hij heeft, is in uwe handen, zijn leven echter
zult gij sparen.quot; Schrikkelijk klonk het uit den mond
des duivels: »waarom overtradl gij Gods bevel ?quot; Als
een brieschende leeuw sprong hi] wreedaardig op Joan-
nes toe; harde slagen deed hij neerkomen op zijne
schouders, rug en zijde, zoodat in een oogwenk zijn
lichaam als houtskool was zwart geworden, zegt Ban-
nelius. Zijne oogen zagen vol tranen rond ol er ergens
hulp opdaagde. De H. Odilia was verdwenen en Joannes
dreigde te sterven onder de felle slagen des heischen
vijands. Met verscheurd hart en gepijnigde leden nam
hij weder zijne toevlucht tot God. Rouwmoedig sloeg
hij zich op de borst en stamelde snikkend en weenend
zijn vurig gebed: »0, Heer! luister naar mijn gebed
»om uwé eigen eer en glorie. Red mij uit de kwellin-
»gen, die mij benauwen. O, H. Odilia! Ja ik heb u
»beleedigd door gebrek aan getrouwheid in het vol-
»voeren'van uw bevel; aoch voortdurend brandde ik
»toch van verlangen, aan uw woord te gehoorzamen.
»Het verbod des oversten heeft mij tot heden toe ver-
»hinderd. Laat dit toch mijn vergrijp en onachtzaamheid
»een weinig verschoonen. Ik beken mijne schuld en
»roep smeekend uw medelijdende hulp in. Heb ik uw
»gebod overtreden, door niet vaardig genoeg den overste
»alles te openbaren, dan deed ik dit om een meer ge-
»schikte gelegenheid te vinden, uwe voorschriften in te
»voleen. Verschoon dan, wat eerst onverschoonbaar
»wasquot;.quot; Onder dit gebed hield de duivel niet op hem
. ⢠(1) JoJi cap, IT. V. 6. â ..... . ......
'-iR' I
'Ml
;|m
'i
V 'Pv I
1
verwoed te geeselen. Hadde God hem niet doen ophou-
den of ware Joannes H. Engelbewaarder niet te hulp
geschoten, de duivel zou nog lang in zijne wreedheid
volhard hebben. God wilde, dat hij eindigen zou en
toen de slagen ophielden, hoorde Joannes hem tanden-
knarsend uitroepen: »door mijn list is uw werk weer-
houden ; ga nu heen om Gods bevel ten uitvoer te
brengen.quot; Daarop verdween hij. Van krachten uitgeput,
benauwd en bevreesd, zat Joannes ter neder. Eensk aps
maakt het nachtelijk duister, akelig geworden door
Satans tegenwoordigheid, voor een liefelijke helderheid
plaats. God verlaat de zijne niet. Na storm schenkt hij
stilte, na tranen en geween blijdschap des harten. Voor
het laatst stond de H. Odilia nu glansrijk voor Joannes'
oog. Haar stem was weder vriendelijk,' haar blik mede-
lijdend en troostend. Alle droefheid verliet Joannes'
hart; zijne ziel voelde zich verkwikt en versterkt. »Ga
nu heen,quot; waren Odilia's laatste woorden; »alles zal
ten beste keeren; uw pogen gaat, met uitslag bekroond,
een bron van zegen worden voor de leden uwer orde
en vele anderen.quot; Hierna verdween zij. Met sterfelijke
oogen heeft Joannes haar nooit meer aanschouwd. ' In
den hemel ziet hij ze thans weder en voelt zich hon-
derdvoudig beloond voor zijne moeiten.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Vroeg in den morgen klopte Joannes aan de cel des
priors, om de laatste verschijning te verhalen en op de
vervulling der belofte aan te dringen. Met schrik zag
de overste zijn gegeeselde ledematen. Bij het vernemen
der gruwzame kastijding, door Joannes ondervonden,
durfde hij zich niet meer verzetten en gaf eindelijk de
lang gewenschte toestemming. Een priester, de kruis-
heer Lodewijk a Campis, zal als reisgezel medegaan,
om hem met raad en daad te troosten. Op den dag
van vertrek versterkte Joannes zich eerst met het H.
SacT-amenf des Altaars ; iieiéea onfevasgen daarna dea
zegen des priors en slaan, den pelgrimstaf in de hand,
den weg in naar Hoey, om eerst den generaal der
orde van hun onderneming in kennis te stellen. Ook
daar mochten zij de goedkeuring van overste en mede-
broeders verwerven. Gezamenlijk werd daar om een
goeden afloop gebeden, en onder de zegenwenschen
hunner medebroeders verlieten zij Hoey. Hun weg liep
over Maastricht, waar zij besloten te overnachten. Met
frisschen moed sloegen zij den volgenden morgen den
weg naar Keulen in. Die bemint, kent geen moeite.
Allen arbeid, ontbering en vernedering achtten zij niets,
zoo verheugden zij zich bij voorbaat over den te vinden
schat. Ond'anks de felle hitte (Bannelius zegt het was
de maand Juni) schreden zij blijde voorwaarts. Geen
klacht of zucht kwam over hunne lippen. De woorden,
die zij spi'aken, waren stichtend, en de vreugde, die
geloot en liefde hun schonken, maakte den langen
duur der reis onmerkbaar, lederen dag namen zij hun
toevlucht tot den H. Engelbewaarder, om behouden te
Keulen aan te komen. Pater Ludovicus a Campis haalde
vele psalmen en kerkelijke liederen aan tot hun beider
troost. Broeder Joannes openbaarde onophoudelijk zijn
vast vei'trouwen op God, die niet zou gedoogen, dat
zijne dienaren in hunne onderneming beschaamd wer-
den. Behouden kwamen zij eindelijk den 15 Juni 1287
te Keulen aan (I). ïoen ter tijd hadden de Kruisheeren
daar nog geen kloostei'. Alvorens een onderkomen te
zoeken, wonnen zij inlichtingen in aangaande de St.
Gereon en de woonplaats van Arnulphus. Hoe verheugde
zich hun hart, als het hun gegeven was de plaats zelve,
waar de IJ. Overblijfselen rustten te aanschouwen. Een
knaap had hen tot de woning van Arnulphus geleid.
Het was een niet geringe troost voor onze pelgrims,
reeds een deel der verschijning in vervulling te zien
gaan. Juist zat, volgens het verhaal van pater Hubertus
Dinart, de heer des huizes, met zijne echtgenoote onder
den ons bekenden perenboom. Dit was de meest ge-
liefkoosde plaats van geheel zijn hof. »Ik weet niet,quot;
fl) Bannelius cap. Xf. Transl. S. Odilise.
m
Ã
'I
'S
I
TjM
zoo moet hij toen tot zijne echtgenoote gezegd hebben,
»waarom ik mij altijd op deze plaats' zoo opgewekt
gevoel.' Het antwoord zou hem spoedig gegeven wor-
den. Twee kloosterlingen kloppen aan zijne woning en
verlangen binnen gelaten te worden. Vreemd zag' Ar-
nulphusop bij het verschijnen dezer twee vreemdelingen.
Hun nederigen groet vriendelijk beantwoordend, is hij
nieuwsgierig naar het doel hunner komst. Weet, dat
»juist op de plaats, waar gij thans zit,quot; zoo spreekt
Joannes, »een kostbare hemelsche schat verborgen ligt.
»Hier rustten de relikwieën der H. Odilia, uit het
»gezelschap der elf duizend maagden honderden jaren
»begraven en vergeten. Gods voorzienigheid wil ze
»thans doen vereeren. Op mij rust de v'erplichting ze
»op te graven en over te brengen naar de kerk'der
»Kruisheeren te Hoey.quot; Vervolgens verhaalde hij de
drievoudige verschijning der h! Odilia, haar leven en
marteldood. Arnulphus zelve was bij het hooren hier-
van, geheel ontstemd; zijne godvruchtige huisvrouw
daarentegen voelde haar hart van vreugde overstelpt.
Hoe is het mogelijk, dacht Arnulphus bij zich zeiven,
dat hier een dezer maagden rust, terwijl de overige
elders begraven liggen. Volgens zijn meening was ge-
heel het verhaal verdicht en niets dan zinsbedrog,
baatzucht of bedriegerij kon er de oorzaak van zijn.
»Wat meent gij,quot; riep hij verontwaardigd uit, »mij door
»UW verdichtselen te verschalken ? 01 zal ik aan uwe
»hersenschimmen en inbeeldingen, zonder overtuigende
»bewijzen geloof slaan. Dit is de aangenaamste pl'ek in
»mijn tuin ; deze boom is mij bijzonder lief: nooit zal
»hier een spade in den grond komen en niemand zal
»dezen boom vellen. Gaat henen, ik weiger uwe bede.quot;
Aan de godsvrucht zijner echtgenoote hadden beide
kloosterlingen het te danken, dal zij niet terstond aan
de deur gezet werden. Smeekend en liefkozend, bracht
zij hem tot bedaren. Zij raadde hem zich niet zoo
weerbarstig te verzetten tegen deze twee vrome kloos-
terlingen. Mogelijk was het immers, dat door eenig
toeval dit H. Uchaam, ^fgezonder/i.vaa de andere,,be-.
graven was. Uit hare eigen goederen wilde zij ver-
goeden, wat zijne boomgaard schade mocht ijden.
Altijd in liefde en eendracht met zijne vrouw levend,
gaf Arnulphus ten laatste toe. Zij mochten zelfs zoeken
en graven op welk punt des tuins zij het verder noodig
oordeelden. Met ijver en liefde konden de beide kloos-
terlingen nu de handen aan het werk slaan. Met veel
moeite groeven zij een diepen kuil in de aarde. Zij ont-
dekte verschillende vazen, kostbare sieraden en zand met
bloed gemengd (1). Ten laatste verschijnt eene schoone
graftombe langs alle zijden sierlijk ingelegd. O vreugde!
hoe blijde is 'thans Arnulphus in zijn erfgoed zulk een
rijken schat gevonden te hebben. Dankbaar stortte hij
zich met de beide kloosterlingen ter aarde, om God te
loven, die niet wilde, dat zulk een schat onder de
aarde verborgen bleef. Arnulphus geleidde nu de kloos-
terlingen naar den Aartsbisschop. Eenige vrome man-
nen, getuigen dezer vinding, vergezellen hen. Alles
wordt den Aartsbisschop Sigfriedus nu duidelijk uiteen-
gezet, de verschijning, het leven, de wonderbare vinding,
alles, wat wij tot hiertoe verhaald hebben. Een heilige
vreugde maakte zich van den godvruchtigen Sigfriedus
meester. Hij zond den broeder met zijn gezellen heen,
gaf bevel tot een plechtige processie en bereidde zich
zeiven voor om in geestelijken praal de overblijfselen
der H. Martelares tequot; verheffen. Een tallooze menigte
stroomde samen , als dit nieuws zich verspreidde.
Nauwelijks had de geestelijkheid bevel ontvangen zich
te vereenigen, of nie^uwsgierigheid en godsvrucht drong
het volk bijeen. Gene wilden'getuigen zijn der verdere
opgraving en verheffing, deze zochten om strijd de
refikwieen het eerst te vereeren. Vele zieken schaarden
zich langs hel graf naast de beide kloosterlingen, door
de voorspraak der H. Odilia een wonderbare genezing
hopend. Eindelijk nadert Sifriedus zelve. De geheele
geestelijkheid en een lange rij geloovigen die hen vol-
gen, verdeelt de scharen, welke reeds op de gezegende
plek vergaderd was. Litaniën en kerkelijke gezangen
, (J),. Zie,diploom bijlagf n- 1. _nbsp;... â Ã,-
I
ili
I
Â¥
m
wêerklinkeii bij de vroeger zoo stille woning. Eenige
godvruchtige mannen, opzettelijk daartoe aangewezen
en tot den hoogere stand bchoorende, vergeze len den
Aartsbisschop en den verheugden kloosterling bij het
neerdalen in de groeve, en met vereenigde krachten
wordt de tombe uit de aarde opgeheven. De kist, die
het gebeente bevatte, wordt geopend; men zal de
relikwieën in een opzettelijk daartoe vervaardigden
schrijn (volgens sommigen van Joannes hand) bewaren.
Een heerlijke geur verspreidt zich, als de kist geopend
wordt. Men zou meenen, dat de H. asch met den
welriekendsten balsem doortrokken was. Alle voelen
zich er door verkwikt, overtuigd, dat dit geschiedde
ter glorie Gods, ter eere der H. martelares en tot hulp
en troost der zwakke en lijdende stervelingen. Groot
was de opgetogenheid des volks, getuige van dit won-
derbaar feit. De verbazing steeg ten top, als de bisschop
later nog twee andere lichamen ontdekte, een van de
H. Ida, Odilia's bloedverwante, een ander van een H.
bisschop wiens naam onvermeld is gebleven. Volgens
voorspelling der []. Odilia, moest men haar naam en
afkomst in haar graf vinden. Werkelijk vond de Aarts-
bisschop ook een vaas (welker vinding in een graf
gewoonlijk een bewijs is, dat daar een martelaar rust,
wijl de eerste christenen hierin gewoon waren het ge-
storte bloed te verzamelen), waarin zich een cedel
bevond, naam, afkomst, geslacht en marteldood der
H. Odilia vermeldend. Vandaai' beeldt men de Heilige
gewoonlijk af met aan hare zijde een vaas, waaruit een
strook opschiet den naam der heilige dragend. Het
schijnt, dat in 1618 deze vaas nog in het moederhuis
te Hoey berustte. Uit welke stof zij vervaardigd was,
wist niemand. Uit eerbied had men dezelve in zilver
laten vatten; ook werd het water ter eere der H. Odilia
gewijd, er uit toegediend. Hoe lang die vaas te Hoey
bewaard bleef alsook waar zij zich thans bevindt, als
zij nog bestaat, is mij onbekend. Bannelius zegt, dat
zij gebroken was, waarschijnlijk door de moeielijkhedennbsp;1
'der' reis bij de overbrengin'g n-aar Hoey; quot;ïtltn duidelijke
..
stem las Sigfriedus nu het beschreven stuk aan de om-
stranders voor, daarna vereerde hij zelf de relikwieën,
deed de gebruikelijke gebeden en liet den stroom der
vereerders Odilia's relikwieënschrijn naderen. Thans
steeg een kreet van verwondering uit de scharen op
en mengde zich met de zoete kerkelijke gezangen (1).
Vele blinden, kreupelen, kranken werden genezen ; als
ware God niet tevreden, de echtheid der verschijning
en der relikwieën door de vervulling van Odilia's woord
bewezen te hebben. Verloop van tijd en eenvoud heeft
de namen doen verloren gaan van hen, die bij de
vinding der H. Odilia hun genezing verwierven. Er
kan niet aan getwijfeld worden, zegt üannelius, of toen
hebben, gelijk oude handschriften melden, velen hun
gezicht, gang of spraak terugbekomen. Een voorbeeld
verhaalt hij, waarin ik hem op den voet volgen ga.
Arnulphus 'gebuur was door een doodelijke ziekte ge-
troffen ; reeds brak het kille doodszweet hem op het
voorhoofd uit; alle ledematen beefden, de oogen lagen
diep in hunne holten, toen hij plotseling naar de reden
der drukte vroeg, die hij van builen vernam. Ter
nauwernood heef'i hij van de huisgenooten vernomen,
dat men de relikwieën der El. Odilia gevonden had,
of hij snelt tot aller ontsteltenis naar buiten, werpt
zich voor de relikwieën ter aarde neder, vereert ze,
roept de voorspraak der H. Odilia in, en o! wonder!
het is alsof de geur der overblijfselen hem herloven
doet. Hij gevoeU zich eensklaps genezen en is een
dankbaar vereerder der H. Odilia geworden. De vreugde
van den godvrucliiigen Joannes de Ejipa en lAidovicus
a Gampis laat zich beter denken dan beschrijven. Doch
de tijd dwong hen tot spoed. Joannes wierp een kleed
van 'roode zijde over de relikwiekast. Vier kerkelijk
hoogwaardigheidbekleeders namen den kostbaren schat
op hunne schouderen en droegen ze, voorafgegaan door
het volk, onder zang en gebed, naar de kerk van den
H. Petrus, waar onder muziek en klokkengelui het Te
Deum door de gewelven klonk. Tot laat in den avond
II
n
1
li
M
' It
(1) Bannelius Cap. XII.
verdrong het volk zich om de H. Odilia, zoodat de
geestelijkheid zich verplicht zag, den schat te bergen
en het volk tot vertrek te vermanen.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Hoeveel tijd er verloopen is tusschen de aankomst
van Joannes te Keulen en de vinding en overbrenging
dezer H. relikwieën is moeielijk te bepalen. Gelijk wij
boven zagen, kwamen Joannes en zijn gezel omtrent
den 15 Juni te Keulen aan. Bannelius volgt hier Hubertus
Dinart in het bepalen van den tijd hunner aankomst.
Volgens alle schrijvers werd terstond de hand aan het
werk geslagen, en vond men, niet lang daarna, de
gi'aftombe, diep onder den perenboom verborgen. Het
officieel stuk van het kerkelijk gerechtshof te Keulen
geeft den eersten September aan, als den dag der op-
graving en overbrenging. De datum door bovengenoemde
schrijvers aangegeven, schijnt dus minder juist, of de
bisschop heeft zich eerst na rijp beraad, zooals het
gewicht der zaak zulks vorderde naar de plaats, waar
de maagden gevonden waren, begeven, zoodat één Sep-
tember de dag is, waarop de Aartsbisschop Sifriedus de
overblijfselen uit de aarde ophief (exhumationis, zegt
het stuk), terwijl Joannes ze reeds vroeger ontdekt had.
Gelet op de tijdsomstandigheden kan men nog vele
andere veronderstellingen maken tot oplossing dezer
moeielijkheid. Sifriedus van Westerburg, den April
4275 door Paus Gregorius X tot Aartsbisschop gewijd,
vond het Diocees Keulen vol oproer en oorlog (l). Den
4 Aug. 1284 had hij zich met Reinoud van Gelder en
andere pretendenten op het hertogdom Limburg, tegen
Jan van Brabant verbonden. Tot den slag van 'Woerin-
gen in 1288, waar Jan van Brabant overwinnaar, en
Sifriedus gevangene werd, stond hij op voet van oorlog.
Deze moeielijkheden zullen hem dikwijls gedwongen
(I) Habels bisdom Roermond pag. 578.
hebben buiten Keulen te verblijven, zoodat er tusschen
de ontdekking door broeder Joannes en de persoonlijke
komst des bisschops tol opheffing der relikwieën licht
eenige maanden konden verloopen. Joannes moge lang
of kort te Keulen vertoefd hebben, zeer begrijpelijk is
en blijft het, dat onze gelukkige kloosterbroeder bij
volk en geestelijkheid de hoogste waardeering onder-
vond. Ieder wilde hem zien, alle bewonderden en over-
laadden hem met gelukwenschen. Menschelijke eer kon
echter zijn hart niet bekoren. God had zijnen arbeid
gezegend, de H. Odilia had haar woord gestand ge-
daan, dit was hem meer dan genoeg, niets verlangde
hij verder dan zoo spoedig mogelijk te vertrekken.
Weenend van blijdschap, bracht'hij geheel den nacht
in hemelsche opgewektheid biddende door, terwijl hij
onophoudelijk naar een goede gelegenheid uitzag om de
kostbare schatten naar Hoey over te brengen. De volgende
dagen nam de godsvrucht des volks wonderlijk toe. Voor-
zichtigheid werd nu hoofdvereischte, niet gemakkelijk
toch zou de menigte zich zulk een schal laten ontvoeren.
Te Hoey stond men op het punt een generaal Kapittel
te houden. Reeds waren eenige Kruisheeren van Hoey
te Keulen aangekomen om Joannes lot spoed aan te
zetten en in de overbrenging een behulpzame hand te
leenen. Geheel de orde z'ou de bijzondere bescherming
der H. Odilia ondervinden ; het was dus passend, dat
het generaal Kapittel, bestaande uit afgezondene en
prioren der verschillende huizen, hare aankomst plech-
tig vierde. Besluiteloos wat te doen, smeekt hij einde-
lijk den Aartsbisschop om de oorkonde der vinding,
opdat hij in het geheim vertrekken en zijn schat onge-
merkt zou kunnen medenemen. Sifriedus door de
reeds ondervonden uitkomsten en de aanschouwde mira-
kelen van de vroomheid des broeders en de waarheid
zijner woorden overtuigd, geloofde, dat het de wil
Gods en het verlangen der H. Odilia was, hare reli-
kwieën over te brengen naar het koor der Kruisheeren-
kerk te Hoey. De oorkonde werd Joannes op last des
Aartsbisschops overhandigd, en gesterkt door den zegen
-â¢Ui
I
^'llf
â Se-
en vredewensch des prelaats, namen zij afscheid om
zich haastig tot de reis te bereiden. Joannes en zijn
reisgezel Ludovicus a Campis nemen het reliekschrijn
der H. Odilia. De grootste moeite hadden zij ondervon-
den, de zegenrijkste last moest hun ook worden toe-
vertrouwd. Hunne medebroeders namen de overblijfselen
der andere heiligen met zich, en tegen den avond in
de eerste week van September verlieten zij Keulen.
Alles geschiedde in het geheim en met de grootste
behoedzaamheid ; slechte menschen konden hen be-
moeielijken of godvruchtige personen hen te lang
wêerhouden. Onderweg liepen zij veel gevaar, zoowel
door de publieke onveiligheid der wegen, en de gewone
moeielijkheden der reis, als door den oorlog tusschen
Sifriedus en den Hertog van Brabant uitgebroken. Door
de H. Odilia beschermd, kwamen zij eenige dagen later
behouden te Herstal aan. In de omstreken dezer plaats,
waar thans het dorp Vivignies ligt, stond toen een
klooster van Cistersienser-nonnen, Vetus Vinetum ge-
naamd, d. i. oude wijngaard, latijnsche vertaling van
het VVaalsch woord Vivignies. Kloosters boden elkanders
leden ten allen tijde gastvrijheid, welke deugd vooral
in de middeleeuwen onder hen bijzonder uitblonk.
Hier namen Joannes en zijne gezellen voor den nacht
hunnen intrek. Met eenvoud en stichting wijdden zij
de kloosterzusters in hunne geheimen in. De verschij-
ning der H. Odilia, de wonderbare vinding harer
relikwieën, de mirakelen, te Keulen aanschouwd, moes-
ten de liefde en den ijver der zusters, als zij dit
vernamen uit den mond van Joannes, wel ontsteken.
In het zusterkoor, wat toen nog niet zoo streng afge-
sloten scheen, als later door pauselijke verordening
gevorderd werd, hadden de gezellen van Joannes de
relikwieën uitgesteld. Kaarsen werden bij de tombe
ontstoken. Biddend en den lof der maagden zingend
vereerden de kloostervrouwen deze H. overblijfselen.
Vurige volgelingen der maagden en zelf bruiden van
Jesus Christus, meenden zij zich op de eerste plaats
geroepen, deze heilige roemvolle en machtige mede-
bruiden, die zich reeds in de bruiloftszaal van hunnbsp;^^^
goddelijken Meester verheugden, te vereeren. Gelijknbsp;i'
weleer, volgens de getuigenis der Kerkvaders, de chris-
tenen met hunne doeken' en kleederen de heilige over-
blijfselen der martelaren aanraakten, zoo deden zij dit
met hunne rozenkransen. Christelijke eenvoud heeft die
gewoonte tot heden in de kerk bewaard, en de voor-
deden ondervonden wegen zwaarder, dan alle spits-
vondige drogredenen eener hoovaardige wereld. Godnbsp;J
scheen bewogen door de godsvrucht dezer kloosterzusters
en wilde ze'op een schitterende wijze beloonen. In het
klooster bevond zich eene zuster, die van de geestelijke
vreugde harer medezusters moest verstoken blijven.
Vreeslijke jicht had haar als met verlamming geslagen,
zoodat koorbezoek baar onmogelijk was. Een harer
medezusters, getroffen door de wonderwerken, te Keulen
volgens het verbaal der Kruisbroeders geschied, begeeft
zich haastig naar de ziekenzaal en wekt in het hart
dezer zieke zuster moed en vertrouwen in de H. Odilia
op. Lang was zij reeds door die ziekte gefolterd; geen
enkel geneesmiddel had verlicluing aangebracht en be-
kwame geneesheeren hadden haar opgegeven. God
alleen kon dus haar hoop en vertrouwen zijn. Zonder
bijgeloof kon zij de aankomst der broeders met zulk
een schat, als een teeken van Gods voorzienigheid be-
schouwen, dat Hij bereid was haar te genezen door de
voorspraak der H. Odilia. Te Keulen waren zoovele
zieken geholpen, mocht ook zij niets verhopen van de
H. Odilia, die haar, als het ware, aan haar ziekbed
was komen bezoekeu ? Dit alles verlevendigde haar
vertrouwen. De godsvrucht harer medezusters maakte
haar nog vuriger. Zij bad en smeekte dan om ter
kerke gedragen te worden. Vol vertrouwen en blijde,
vervoeren haar de overige zusters en plaatsen haar
naast de relikwieën. Zij zuchtte, weende, bad en riep,
volgens het verhaal van Bannelius : »0, zoo het strek-
aken moge tot glorie van Jesus Christus, help mij dan
»0 Heilig'e Odilia! bevrijd mij van, deze ziekte, eeuwig. . .
»zal ik U eeren en uwen lof verkondigen ; zoo gij mij
»helpt, beloof ik U mij eeuwig aan u\ven dienst te
wijden.quot; Als zij deze woorden gesproken had, richtte
zij zich op, vereerde de H. relikwieën, en een nieuwe
kracht scheen geheel haar lichaam te doordringen, zij
was plotseling miraculeus genezen. De blijdschap der
zusters, hun dankgebed en opgetogenheid laten zich
gemakkelijk begrijpen. Om dit'feit in aandenken te
houden, richtten de nonnen van Vivignies in hunne
kerk een beeld der H. Odilia op, wat ten tijde van
Bannelius nog vereerd werd. Ook de zuster, die de
kracht van de voorspraak der H. Odilia zoo wonderbaar
ondervond, bleef haar geheele leven voor deze onver-
hoopte weldaad dankbaar. Vroeg in den morgen ver-
volgden de broeders biddend hunnen weg. Luik werd
metterhaast doorgetrokken, daar ontijdige nieu\\'Sgierig-
heid des volks hen kon bemoeielijken. Iii de nabijheid
van Hoey gekomen, snelde Ludovicus a Campis vooruit
om de gelukkige aankomst te melden en te vragen,
wat hun verder te doen stond. De Hoogwaarde Gene-
raal Joannes Rijckius kon zijne vreugde ovep de aan-
komst dezer geestelijke schatten niet bedwingen. Het
algemeen Kapittel der orde werd juist g-ehouden. Oor-
spronkelijk op den vierden Zondag'na Paschen gehouden,
schijnt men door omstandigheden dikwijls gedwongen
geweest te zijn, dit tot een anderen tijd te verschuiven.
Althans later moest men dit weder op voornoemden dag
terugbrengen en pauselijk doen bekrachtigen. Dit jaar
greep het Generaal Kapittel plaats omtrent het feest van
Kruisverheffing, 14 September. Gelukkige omstandigheid,
om de godsvrucht tot de H. Odilia in eens door geheel
de orde te verspreiden en tevens met algemeen overleg
de H. Odilia een waardige aankomst te verschaffen. De
generaal had de leden van het Kapittel de komst der
H. Odilia ter nauwernood gemeld, of allen besloten
eenparig, de hun uit den hemel geschonken patrones,
met den grootsten luister als dusdanig- te ontvangen.
Tegen den avond zouden de kloosterlingen alle hunne
woning verlaten,- de H-. relikwieën tie-gcrneet -trekken-
en ze tot den volgenden dag in de kerk van den H.
Petrus nederzetten, aan het andere deel der stad ge-
legen. De duisternis beletten hen dezen avond meer te
doen. Den volgenden dag zou het volk geslicht, en der
H. Odilia een schitterende ontvangst bereid worden.
De raad der stad, de leden der collegiale kerk, het
klooster der reguliere kanunniken, de mfhorieten, allen
moesten zich vereenigen om de H. Odilia openlijk en
afzonderlijk de eer te bewijzen, die zij zoo lang had
moeten missen of, verborgen onder de H. Maagden-
schaar van Ursula, slechts gedeeltelijk of in het alge-
meen ontvangen had. Zoo vergeten als hare overblijfselennbsp;|
geweest waren door ongelukkige tijdsomstandigheden,
zoo glorievol wilde men ze nu ontvangen. In stille ennbsp;»
zonder eenige plecliligheid verlieten de Kruisbroeders
hun klooster. Hel gerucht van de aankomst der reli-
kwieën had zich echter reeds door de stad verspreid.
De geestelijkheid der collegiale kerk van Onze Lieve
Vrouw wilde de broeders vergezellen, en ontmoeten te
zamen met de Kruisbroeders de H. relikwieën ter
hoogte van de hospitaalkerk, waar zij de H. Odilia met
lofzangen ontvingen. Capgea, vroeger deken der Lieve
Vrouvve kerk, heeft dit dikwijls verhaald als bij over-
levering vernomen, en dit later aan Bannelius, le
Keulen verblijvend, schriftelijk verklaard. Als zij de
parochiekerk van den H. Petrus naderden, kwam de
pastoor hen te gemoet, om volgens kerkelijk gebruik
de relieken te vereeren en te bewierrooken. Men had
besloten ze hier gedurende den nacht op het hoofd-
altaar le doen rusten. Ondanks het late uur, drong hel
volk van alle zijden de kerk binnen om zijn godsvrucht
te voldoen en zijne vreugde over de ontvangst dezer
schatten openlijk te beluigen. Met geestelijkheid en
magistraat verlangde hel naar het aanbreken van den
volgenden dag, het feest van Kruisverheffing. Bijzondere
minnares van het H. Kruis des Heeren, stond de H.
Odilia op het punt aan de orde van het H. Kruis ge-
schonken te worden, om ze te doen groeien en toe-
â¢nemen in. wij.'^hpiij, dejigd ,en wejenschap en ze aldus
meer geschikt te maken het H. Kruis te verheffen, de
v».
glorie er van le verkondigen, de lessen op te volgen
en door geloof en liefde het kruis in aller harten te
planten.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Eindelijk brak de veertiende September aan, de feest-
dag van Kruisverheffing, voor een lid der Orde van
het H. Kruis op zich zeiven reeds zoo opbeurend en
treffend. Welk een vreugde, het geluk en de feestelijke
gemoedstemming nog te zien vermeerderen, door de
goedheid eener patrones, van uit den hemel geschonken.
De opgewektheid des volks op den vooravond reeds
groot, steeg nu ten top. De Kruisbroeders in albe, koor-
kleed of zwarten mantel trokken gezamenlijk naar de
kerk van den H. Petrus. De overige geestelijkheid,
seculiere zoowel als reguliere, sloot zich bij hen aan.
De schout der stad Hoey, Henri Hardi, de schepenen,
alle genoemd in een authentiek stuk (1), door den secre-
taris van Hoey opgemaakt ten jare Ã292, en in de oude
reliekwiekast bij latere opening gevonden, voegden zich
in feestgewaad bij de geestelijkheid, om de heilige
patrones hunner stad in triomf van den St. Pieter tot
de toenmaals nog onaanzienlijke kerk van het H. Kruis
buiten de muren der stad over te brengen. Al het volk
was reeds in en om de kerk samengestroomd, met
kaarsen in hunne banden. Zij hadden vernomen, dat
ook hun de H. Odilia als bijzonder beschermheilige in
den hemel geschonken was, daarom wilden zij met
innige godsvrucht toonen, hoe welkom hun de aankomst
harer relikwieën was, en hoe hoog zij hare bescherming
schatten. De vier definitoren der orde, na den generaal
de hoogste waardigheidsbekleeders en met hem de
wetgevende en beslissende macht uitmakend, werden
bestemd om de H. relikwieën op hunne schouders te
nemen. Andere prioren door waardigheid, deugd en
leeftijd uitstekend,, droegan de .overblijfselen der H.
(1) Zie bijlage 111.
â m
Ida. Ook deze handeling der definitoren toonde met
welk een blijdschap men de H. Odilia als patrones
der orde ontving. Voorafgegaan door het kruis sloe-nbsp;Itj
gen allen den weg in naar de Mariakerk, waar denbsp;S
processie hare eerste statie houden moest. Onderwegnbsp;j
wilde God ook het volk van Hoey en geheel de gees-
telijkheid getuige doen zijn van de macht der H. Odilia
in den hemel. Een oude edele vrouw, die aan al haar
ledematen verzwakt en onbekwaam was een voet te
verzetten, werd door eenige godvruchtige personen naar
de H. relikwieën gedragen, terwijl de processie in be-
weging was. Hare rijkdommen waren alle overgegaan
in de 'handen van heelmeesters en geneesheeren, zonder
haar iets te baten. In de nabijheid der H. relikwieën
gebracht, stortte zij tranen en riep vurig en vol ver-
trouwen de voorspraak der H. Odi ia in, om toch van
haar langdurige ziekte le genezen. Door de dragers
geholpen', stond zij op, naderde door hen gesteund denbsp;|||
baar, waarop de relikwieën gedragen werden, kustenbsp;||
en vereerde ze volgens oud christelijk gebruik, en zie,
gelijk de vrouw van het H. Evangelie, was zij plotse-
ling genezen. Een kracht ging er uit van de relikwieën,
en de arme vrouw stond gezond op, Gods goedheid
lovend en dankend. Weleer werd men onrein, zegt denbsp;ii||
H. Basilius (1), bij de aanraking van het gebeente eens
overledenen, thans vereert men het gebeente der heili-
gen, en zie de menschen worden geheiligd en genezen
(wij mogen hier gerust bijvoegen zoowel naar ziel als
naar lichaam). Geheel de proce'ssie geraakte bij dit feitnbsp;-lp
in verwarring. Allen wilden zich van dit groote wondernbsp;ij
overtuigen, door het zien van de genezene. Juichtonen
en vreugdekreten mengden zich met de lofzangen der
geestelijkheid. Het volk tot stille kalmte terug te brengen
scheen een onmogelijkheid. Met tranen van aandoening
in de oogen, namen de vier definitoren de baar weder
op hunne schouders en, voorafgegaan door de collegiale
geestelijkheid, traden zij, gevolgd door de magistraat en
omstuwd door het juichende'^ en biddende volk, de
-â-â⢠â .. .
(1) Oratio in 40 martyrefs.
f
4
Mariakerk binnen, waar een ieder gelegenheid geschon-
ken werd de tombe, waarin de H. relikwieën besloten
waren, te vereeren. Tot dit einde week de geestelijkheid
een weinig ter zijde en plaatsten zich twee Kruisbroeders
in stool en koorkleed naast het schrijn om rozenkransen
en andere voorwerpen van godsvrucht aan te strijken
en de Heilige relikwieën te bewaken. Terwijl het Te
Deum door de gewelven klonk, verdrong het volk zich
rond de baar, de H. Odilia vereerend en voortdurend
hare hulp en bijstand sfsmeekend. Reeds was een deel
van den morgen verstreken; een eind weegs bleef er
nog af te leggen en toch moest in de kerk der Kruis-
broeders de conventueele Mis gezongen worden. Lang
kon men dus niet wachten, te meer wijl men nog in
andere kerken stand moest houden. De Scholasticus en
drie andere leden van deze collegiaalkerk namen thans
met vier andere prioren der orde de relikwieën op en
de processie bewoog zich wederom in volmaakte orde.
Hier sloegen de minorieten snel den weg naar hun
klooster in. In het Iront des kloosters was een altaar
opgericht, van verre zichtbaar door zijn hoogte en
schitterend van licht en sieraden. Daar de processie
hun klooster voorbij moest trekken, wilden zij de H.
Odilia luisterrijk ontvangen. Onder gebeden en lofzangen
(zoo verhaalt een zekere mimoriet pater Haske, die deze
bijzonderheden in oude handschriften van zijn klooster
gevonden en ze Bannelius medegedeeld had), verhief
een jeugdige maagd Cecilie hare stem, en riep uit, dat
zij door de voorspraak der H. Odilia de gezondheid
wonderbaar herkregen had. De koorts had haar gestel
ondermijnd, haar leven was in gevaar geweest, de
inroeping van Odilia's hulp had haar volkomen hersteld.
Lang houd ik u op. Beminden Lezer, met dezen triomf-
tocht, maar behalve, dat ik hier de oude beschrijvingen
der overbrenging navolg en de luister van zulk een
tocht een wezenlijk en voornaam deel uitmaakt van het
verhaal eener translatie, meen ik hiermede een dienst
te doen èa'n dt;n-godvruchtigen vereerder dei; H, Odilia,
die zich voorzeker door deze plechtigheid voor zes'
honderd jaren voorgevallen, verblijd en gesticht zal
gevoelen. Alvorens de kloosterkerk der Kruisbroeders
binnen le trekken hield men nog eerst stand in de kerk
van den H. Dionysius. De Generaal der Kruisheeren en
een deel der medebroeders scheidden zich hier van de
processie af en trokken langs den koristen weg la basse
Grienge genaamd naar hun klooster, om de H. Odilia
met volle kerkelijke plechtigheid te ontvangen. Het
klooster en de kerk der Kruisheeren te Hoey hadden
een allerprachtigste ligging. De kerk met kloosterge-
bouwen lagen op een heuvel aan welks voet de geheele
stad Hoey zich uitstrekte. Achter de kerk verhieven
zich heerlijke tuinen en wijnbergen. Om de kerk van
uil de stadquot; te bezoeken moest men'langs steenen trappen
den heuvel beklimmen. Als nu de plechtige processie
de kerk van den H. Dionysius verlaten had,, en het
klooster naderde, trok de Generaal der Kruisheeren in
plechtgewaad haar te gemoet, om de tombe waarin de
overblijfselen geborgen waren te vereeren en le ont-
vangen. Terwijl de relikwieën naai- hel koor en hoofd-
altaar gedragen werden, deden twee acolieten onophou-
delijk uil hunne wierooksvaten geurige wolken opstijgen,
om hel volk te stemmen tot godsvrucht en te herinneren
aan den goeden geur van Christus, welke de H. Odilia
door haar godvruchtigen, stichtenden levenswandel ver-
spreid had. Het altaar der kerk, dat reeds om het
hoogfeest van Kruisverheffing in vollen luister van
waslicht en bloemen schitterde, was met nog meer zorg
versierd geworden, om de schrijnen der H. Odilia en
Ida te ontvangen. Nadat de H. relikwieën op de altaar-
tombe geplaatst waren, zetten zich de kloosterlingen,
de geestelijkheid en de Raad der stad, deze aan de
linker, gene aan de rechterzijde des koors neer, terwijl
een ondoordringbare schaar, iet thans nog kleine kerk-
gebouw vulde, om tot besluit der plechtigheid het H.
Sacrificie der Mis bij te wonen. Met betraande oogen
en vol diepgevoelde godsvrucht droeg de Hoogeerwaarde
. IVIfigister Qeji.ergal het H. Offe^ op.^ Wat_ moet er niet
in zijn hart zijn omgegaan 'op' dit plêchtig óogeirblHc ?â¢
amp;
I
'.ii
1
IL
I
f
,1
De liefde lot zijn orde, de godsvrucht lot het H. Kruis
des Heeren, de opwekkende plechtigheid, de slichting
der geestelijken, de geestdrift des volks, hel zien der
mirakelen, de ontvangst der uil den hemel geschonken
patrones, alles moest' hem stemmen tot Uelde, eerbied
en dankbaarheid jegens zijn goddelijken Heeren iVIeester.
Nooit wellicht had hij God met zooveel gevoel, liefde
en ingetogenheid het H. Sacrificie opgedragen. Geen
levensbeschrijver der H. Odilia verhaalt ons iels van de
gemoedstemming, waarin de leekenbroeder Joannes
verkeerde, die bij deze plechtigheid geheel en al op
den achtergrond geraakt en verdv/ijnt. Zijn stand ver-
plichtte hem, ondanks het groote aandeel dat hij in
deze overbrenging gehad heeft, zich onder de broeders
van Hoey te scharen, en wijl hij alles volbracht had,
vvat Odilia hem beval, het verdere aan zijn overheid
en de priesters der orde over te laten. Gelijk zijn
nederige bescheidenheid ons leert met hoeveel liefde
hij de vergelenheid en het verborgen leven weder
omhelsde, zoo kan zijne liefde lot God, zijne devotie
tol de H. Odilia en zijne gehechtheid aan de Orde ons
doen gissen, welk eene dankbare vreugde zijn hart
overmeesterde, welke vurige lof- en dankzeggingen er
uit zijne ziel opstegen, als hij het verlangen der H.
Odilia vervuld, en na veel moeielijkheden hare relikwieën
op het altaar rusten zag. Met den generaal aan het
altaar en het volk in de kerk droeg hij God het lichaam
en bloed des Zaligmakers op, om Hem te bedanken voor
de glorie in den Hemel en de vereering op aarde aan
de H. Odilia geschonken. Onder de godsdienstplechtig-
heid bewonderde het volk voortdurend de heerlijkheid
van den triomf der maagden in den hemel, van welks
onbegrijpelijke schoonheid de solemniteit der H. Kerk
hier op aarde slechts een flauw denkbeeld en toch een
hartvervoerenden indruk gaf. Na den afloop der H. dienst,
toen de geestelijken de kerk reeds verlaten hadden,
stroomde het volk samen rondom de H. relikwieën om
ze meer van nabij te kunnen vereeren. Geheel den dag
door zag men alle rangen, geslachten en standen naast
de tombe nederknielen. Maagden smeekten om volhar-
ding in zuiverheid, jongelingen om moed en kracht in
strijd ot bekoring; zondaars, zwakken en zieken om
genezing naar lich aam of ziel. Vooral bij het kleppen
der Vespers bezocht een onafzienbare menigte het kerk-
gebouw om de H. Odilia te vereeren of haren bijstand
af te smeeken. Van heinde en verre stroomde het volk
de volgende dagen naar den troon der H. Odilia. Niet
zoozeer de pracht der versiering, maar de geestelijke
behoeften, de roep der mirakelen, de tallooze gunsten
nog dagelijks bewezen, trokken het volk derwaarts en
vermeerderden de godsvrucht tot deze H. Maagd en
Martelares. Behalve de getuigenis van Hubert Dinart en
Petrus van Amsterdam haalt Bannelius nog een volzin
aan uit een akte door den Notaris te Hoey opgemaakt.
»In die dagen bewerkte God de Heer in de kerk nieuwe
»weldaden en bewonderenswaardige krachten door de
»H. Maagd en Martelares Odilia.quot; Van dien tijd af dag-
teekent de godsvrucht en het feest der H. Odilia. De
prioren op het generaal Kapittel vereenigd en getuigen
geweest van zooveel wonderen en gunsten konden in
een oogwenk deze vereering in de orde en onder de
menschen verspreiden. Met groote voorzichtigheid wer-
den hun kleine gedeelten dezer H. Overblijfselen ge-
schonken om tot vermeerdering der godsvrucht in de
verschillende kerken der orde op de altaren geplaatst
te worden. De groote relikwieën rustten in een prachtige
tombe ter zijde van het hoofdaltaar in de Kruisheeren-
kerk te Hoey. Tot 1292 had men de oude, waarschijnlijk
door Joannes de Eppa zelve vervaardigde tombe gebe-
zigd. In genoemd jaar werd er een prachtige vervaar-
digd le Luik, met een opschrift aangaande de verzegeling
der overblijfselen (1). Thans kan men dit kunststuk van
middeleeuwschen arbeid nog bewonderen in de kerk
van Colen (Belgisch Limburg). In het jaar 1410 op den
5 Juni, zien wij volgens verhaal van den Kruisheer
Russelius, het schrijn waarin de heilige relieken ver-
borgen w^aren andermaal door den Generaal J. Bommelius
(1) Zie bijlage III.
il
??
â t
M
fii
Ãi
1
1
«ij
geopend, en de mirakelen en hemelsche gunsten ver-
meerderen (i). Drie en dertig jaren later liet de Generaal
Henricus de Noviomago ter eere der H. Odilia te Doornik
een nog schoener en kostbaarder tombe vervaardigen,
waarin het gebeente den 10 November werd gesloten
en verzegeld. Sedert dien tijd, zegt Bannelius, is de
relikwieënkast niet meer geopend. Evenwel schijnt men
sommige deelen afzonderlijk bewaard te hebben, daar
men nieuw gestichte kloosters der orde gewoonlijk
eenige relikwieën zond en de Generaal Nerius er zelfs
aan Arn. Raissii, schrijver van het Hierogazophylacium
Belgium geschonken heeft (2). In bovengenoemd schrijn
bleef de H. Odilia rusten tot het einde der achttiende
eeuw, toen het klooster door de Fransche omwenteling
te gronde ging. Om de overblijfselen voor ontheiliging
te bewaren hebben de Kruisheeren ze uit de oude
prachtige kast genomen, en overgelegd in de midden-
eeuwsche en in 1292 te Luik vervaardigd. Toen de
orde van het H. Kruis in Nederland en België weder
begon te herleven, deden verschillende leden onderzoek
naar de relikwieën der H. Odilia. Men vond ze ten
laatste weer in het dorp Colen (Kerniel). Hoe zij daar
gekomen zijn, is tot dusverre onbekend. Misschien
oordeelden de Kruisheeren van Hoey deze verborgen
plaats het meest, geschikt om de relikwieën voor schen-
dende handen le bewaren. Sedert 1439 bestond hier
een klooster der Kruisheeren. De laatste bekende prior
was Fi'anciscus Emans, conventuaal van St. Agatha, die
na eenigen tijd pastoor te Kerniel geweest te zijn, tot
prior van Colen verkozen werd in 1760. Hoewel dit
klooster niet verwoest werd, zijn de leden door de
droevige tijdsomstandigheden verstrooid of uitgestorven
en de relikwieën in de handen der seculiere geestelijk-
heid overgegaan. De pogingen door de latere Kruis-
heeren gedaan, om de verloren schat terug te bekomen,
mochten niet gelukken. Toch heeft Zijne Doorluchtige
Hoogwaardigheid de bisschop van Luik den Kruisheeren
toeg'estaan de relikwiekast te openen en hunne kloosters
(1) Annales O. S. Cr. Tom. I pag. 75. (2) Annales O. S. Cr. pag. 60.
met eenige voorname deelen te verrijken. Al bezit de
orde van het H. Kruis thans den vollen rijkdom dezer
relikwieën niet en ligt het huis te Hoey reeds sedert
het laatst der vorige eeuw verwoest en vergeten, de
godsvrucht tot en de mildheid van de H. Odilia bleef
even en bloeien, zoowel in als buiten de orde van het
H. Kruis. Van af het jaar 1287 vierde de orde het feest
der overbrenging van de H. Odilia (1). Niet in alle
huizen werd het'in den beginne met zooveel plechtig-
heid gevierd als in het hootdklooster, waar haar gebeente
rustte'. Het jaarlijksch bezoek door de prioren met hun
gezellen aan het moederhuis gebracht, deed hen getui-
gen zijn, zoowel van de godsvrucht der Kruisheeren
en inwoners van Hoey, als van vele gunsten en mira-
kelen, die hun geloof bevestigden aan vele andere,
waarvan zij geen getuigen waren. Ongetwijfeld nam
hunne godsvrucht daardoor toe, en deelden zij deze bij
hunne tehuiskomst aan de onderhoorigen mede. Sedert
1410 was het daarenboven gebruikelijk op den dei'den
dag van het Generaal Kapittel een plechtige Mis ter eere
der H. Odilia op le dragen (2). Dit wa's de oorzaak,
dal de feestdag van Odilia jaarlijks in geheel de orde
luisterrijker werd. Verscheidene werkjes zoo in proza
als poëzie hadden die vereering bevorderd, tot eindelijk
omtrent hel jaar 1530 de Generaal Thomas van Gouda (3)
een bevel gaf dit feest in alle huizen der orde solemneel
le vieren. De geestelijke oefeningen, processies, kerke-
lijke plechtigheden en vooral verkregene gunsten maakten
de andere kloosterkerken der Kruisheeren gelijk de kerk
te Hoey, tot een bedevaartskerk tijdens het octaaf der
H. Odilia. Onbegrijpelijk is de toeloop, die men jaarlijks
zag te Luik, Aken, Maastricht, Maeseyck, Roermond,
St. Agatha, Uden, overal waar het feek der H. Odilia
gevierd was en bare relikwieën uitgesteld werden.
Te Aken en Luik, waar de Kruisheeren na de Fransche
revolutie nooit zijn teruggekeerd, heeft nog jaarlijks op
den Zondag na den ISquot;*quot;quot; Juli die talrijke opkomst plaats.
(1), Apnalen tom. Ilf. pag. 761. (2) Russelius annalen pag. 9ö. tom. I.
(3) Annaleii lom. 1, parä. 2-pag.* 16 eii H)a).quot;IM pag. 710.* * 7
II
u
Ooggetuigen hebben mij verhaald, dat er ten vorigen
jare meer dan 20000 personen de H. Sacramenten te
Luik ter eere der H. Odilia ontvingen. Uit den mond
der geestelijkheid te Aken zelve mocht ik voor eenige
jaren nog vernemen, hoe trouw de eenvoudige geloo-
vige deze godsvrucht bleef beoefenen. Noch de storm-
wind, die op hel laatst der vorige eeuw in Frankrijk
opstak, noch de geest des ongeloVs, die in den loop
dezer eeuw zijn bedorven zaad met volle handen uit-
strooit, heeft deze godsvrucht kunnen ontwortelen of
verstikken, zelfs niet op plaatsen waar de Kruisheeren-
orde voor goed verdween. Veel meer dan er geschied
is, kon er niet uitgedacht worden om deze vereering
te onderdrukken. Het hoofdklooster der orde viel, bijna
alle andere huizen gingen te gronde of stierven langzaam
uit, de relikwieën der heilige verdwenen terwijl de
weinige overgeblevene Kruisheeren niet wisten waar zij
zich bevonden. Toch werd de H. Odilia vereerd, zoowel
in de plaatsen waar een kruisheerenklooster vernietigd
werd, als op andere waar zij bleven voortbestaan. Een
nieuw leven kreeg deze devotie, toen de kloosters in
Nederland van de hen knelleiKle boeien ontslagen, weder
nieuwe leden mochten aannemen. De godsvrucht der
geloovigen vermeerderde, hel leven der [j. Odilia werd
door preeken en schrijven meer bekend en de aflaten
door pauselijke mildheid geschonken deden afgestorvene
en levende geloovigen de rijkste vruchten voor tijd en
eeuwigheid inoogsten. Zijne heiligheid Paus Leo XIII
heeft thans gelegenheid gegeven het feest der II. Odilia
tweemaal te vieren. In den maand September zijn er
zes honderd jaar verloopen sedert de Aartsbisschop
Sifriedus de door Joannes gevonden relikwiën ophief en
onder het aanschouwen van talrijke mirakelen aan de
godsvrucht der geloovigen schonk. Daarom zijn ge-
durende de maand September de geestelijke schatten
der H. Kerk wederom geopend en is er voor ieder,
die onze kerken bezoekt, een vollen aflaat verleend,
â voor quot;levenden of'overledenen te verdienen. Moge het
heilig doel, door die feestelijkheid beoogt. Bereikt
â F
worden, te weten de stichting der geloovigen, de ver-
meerdering der godsvrucht tot de H. Odilia en de
voortdurende bijstand voor allen, die met vertrouwen
hare voorspraak inroepen.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Geen lid der Kruisheerenorde heeft ooit de overbren-
ging der relikwieën van de H. Odilia beschreven,
zonder met liefde en dankbaarheid te gewagen van de
liefde, die zij het kruis van Onzen Heer Jesus Christus
toedroeg. Hoewel men dit reeds n.it eenige harer boven
aangehaalde woorden heeft kunnen opmaken, meende
ik het nuttig in een afzonderlijk hoofdstuk aan het
einde van dit deel er de aandacht der lezers op te
vestigen. Wat pater Verduc zegt, aangaande de kruis-
vaan', die de gezellinnen der H. Ursula om hun geloof
in en liefde tot het kruis te toonen, op hunne schepen
ontplooid hadden, komt ons wel waarschijnlijk voor,
vooral, wanneer men bedenkt, dat de 0. Maagden lang
na de invoering der kruisbanier in het leger van Keizer
Constantijn, door Attila gemarteld werden ; doch onmo-
gelijk is het dit te staven door traditie in de Orde, of
door aanhaling van oude schrijvers. Bezitten de woor-
den van pater Verduc zekerheid, dan toont deze ge-
beurtenis ons haar reeds als minnares des kruises.
Deze hare liefde blijkt duidelijker uit eenige omstandig-
heden harer verschijningen, alsmede uit hare woorden
waarop sommige schrijvers bijzonderen nadruk leggen.
In hemelsche glorie aan Joannes de Eppa verschij-
nend, droeg zij het kruisteeken op hare borst, tol be-
wijs van bijzondere liefde voor de Orde, wier leden
hunne borst eveneens met dit teeken sieren of anders
om de liefde, het H. kruis gedurende haar sterfelijk
leven toegedragen, als medeoorzaak harer eeuwige bo-
looning aan te wijzen. In hare hand droeg zij de banier
des kruises, schitterend als het zonnelicht. In de Orde
van -het. H..Krui.s zag men ze voorheen nooit anders
iït
quot;â Ã
taSM
m
t-h I
afgebeeld, dan dit teeken der overwinning dragend. De
oudste beeltenissen, die ik heb kunnen vinden, waarvan
er opklimmen tol ongeveer 1500, stellen haar in dier
voege voor. Is dit nu een zinnebeeldige voorstelling
van de bescherming aan die orde te verleenen? Door
hare voorspraak toch nam de orde van het H. Kruis
steeds toe in ledental, wijsheid en deugd. Derzelver
voorspoed en i.iloei vermeerderde of nam af in ver-
houding met de godsvrucht tot de H. Odilia. Is het
wellicht een herinnering aan haar leven, dat geschoeid
op of liever een in beoefening brengen was van het
woord des Grooten Apoütels I'aulus: (if autem absit
gloriari nisi in cruce Domini nostri Jesu Christi. Het
zij verre van mij te roemen, tenzij in hel kruis van
Onze Heer Jesus Christus.quot; Moeielijk zal dit uit te maken
zijn : allerwaarschijnlijkst droeg zij het kruisteeken in
hare handen om beide redenen, de herinnering aan
hare vroegere liefde tot het H. kruis en verder hare
bestemming als patrones dezer Orde, wal le zamen nog
een bewijs is van die liefde, welke zij heden hel kruis
in den hemel nog toedraagt. Hier laat ik eenige aan-
halingen volgen uit schrijvers der Kruisheeren, die haar
woorden in quot;den mond leggen, welke van deze liefde
getuigenis geven. Pater Herizworms zegt, de zij Joannes
de Eppa met deze woorden toesprak : »Daar ik zoo
bijzonder hel kruis des Heeren gedurende mijn sterfelijk
leven lief had, ben ik uwer orde geschonken als
patrones, helpster, verdedigsterquot; (2.) Duidelijk verhaalt
iannelius, dal zij hare liefde jegens het H. kruis als
reden aangaf, waarom hare te Keulen gevonden reli-
kwieën naar de Orde van het H. Kruis moesten over-
gebracht worden (3). Zoo spreken verder de schrijvers
van alle meer uitvoerige werkjes, die over de H. Odilia
handelen. Haar leven is voor ons echter te verborgen,
dan dat wij door bijzondere feiten deze liefde in haar
leven kunnen toonen. Zij heeft nu wel niet, gelijk de
H. Helena (volgens sommigen hare bloedverwante)
« ^ ^ _
(i) Gal. Vl. 'ii. quot;(2) Religio S.S/Oruci^ a» 1661 pag. 66.
(ö) Translatio S. Odillae cap. VJ, pag. 46.
's Heeren kruis als een kostbare schat gaan zoeken en
bewaard, wij kunnen haar ook niet in bijzondere levens-
omstandigheden, gelijk zoovele andere heiligen, voor-
stellen als dag en nacht voor een kruis neergebogen,
zich verdiepend in deszelfs mvsteriën ; maar, wijl het
kruis een hoogere en zinnebeeldige beteekenis heeft,
zien wij haar duidelijk geheel haar leven door in dien
zin het kruis hoogschatten, beminnen en vereeren, zoo-
dat wij haar nog om andere dan boven aangehaalde
redenen, als een vereerster des kruises moeten erken-
nen en bewonderen. Het kruis was ten allen tijde het
teeken en symbool des geloofs. Legden de eerste
Christenen voor rechters of elders getuigenis at van
hun Christendom, zij teekende zich met het kruis op
het voorhoofd. Om den Christen van den Muselman te
onderscheiden, droegen de kruisvaarders dit teeken op
borst of schouders. Gelijk de halve maan het symbool
was van het Mahomedanisme, zóó het kruis van het
Christendom. Tot heden bleet het kruis het teeken des
geloofs. Zette een missionaris zijnen voet aan wal, waar
het geloot nog niet was doorgedrongen en de volkeren
nog zaten in de schaduwen' des doods, dan was zijn
eerste werk er het kruis te planten, ten teeken dat het
H. Geloof daar was doorgedrongen. De ware geloovige
is dus uit zijn geloovigen aard een vereerder en min-
naar des kruises, en dit met zooveel te meer recht, als
hij deze deugd in een verhevener graad bezit. Zien wij
in het kruis niet alle waarheden van den godsdienst
samengevat? Menschwording, zondenval, zoendood, bloe-
dige offerande, mysterie der H. ilrievuldigheid, af-
schuwelijkheid der zonde, noodzakelijkheid der deugd,
onbegrijpelijkheid van Gods liefde, ziedaar even zoovele
waarheden in het boek des kruises geschreven. Het
kruis is het altaar, de troon, de leerstoel, het Evangelie
zelfs van Jesus Christus. Zeer juist wordt de ware ge-
loovige dus vereerder des kruises genoemd. Heeft God
zijn verstand verlicht met hemelsche genade, verheldert
de H. Geest zijne ziel, dan schittert en gloeit in zijn
hart een ware liefde tot het H. Kruis, niet alleen in
r|
i!
fH
â ïi.
den zin van symbool des geloofs, maar ook nog in den
eigenlijken zin, wijl het kruis het altaar is, waar de liefde-
volle Verlosser zich slachtofferde, het zwaard, waarmede
Hij den heischen draak versloeg. Herinner u thans,
Beminde Lezer, welk geloof de H. Odilia bezielde om
hare overgroote liefde tot het H. Kruis beter in te zien.
Kon haar geloof geen bergen verzetten ? Om het geloof,
om het kruis maagd, om beiden martelares. Velen
schatten het kruis hoog met den mond, weinigen met
de daad en het hart. Er worden er echter gevonden,
die gelooven onder een vloed van rampen en bekorin-
gen. Zij gelooven lijdend en geven een onomstootbaar
bewijs, welke liefde zij het kruis toedragen. Te midden
dezer laatsten neemt de H. Odilia een eereplaats in.
Heeft zij niet goed en bloed geofferd om dit H. Kruis
in haar hart geplant te houden? Van haar vluchten uit
Engeland tot haren laatsten snik, geloofde zij vurig en
levendig, zich daardoor minnares des kruises betoonend.
Volgens algemeen spraakgebruik bij de tegenwoordige
en vi'oegere Christenen, ja zelfs bij Joden- en heiden-
dom gevolgd, is het kruis tevens de overdrachtelijke
uitdrukking voor kommer en lijden. Vroeger hoorde
men, zoowel als thans, de Christenen klagen over de
zwaarte hunner kruisen, daarmee hun lijden bedoelend.
In dienzelfden zin zegt Thomas a Kempis : »Zoo gij
»het eene kruis van u verwijdert, zult gij zonder twijfel
»een ander vinden, hetgeen u misschien zwaarder zal
»vallen. In het kruis is de zaligheid, in het kruis de
»voltrekking der deugden enz.quot; Woorden ter opwekking
tot geduldig en verdienstvol lijden. Hetzelfde beeld
heeft de Verlosser gebruikt om het lijden te beteeke-
nen. Hij zeide dan'tot allen: »Zoo iemand na mij
»wil komen (1), hij verloochene zich zeiven, neme zijn
nkruis op en volge mij na.quot; Natuurlijker beeld voor
lijden en wederwaardigheden kon er moeielijker ge-
kozen worden, daar het kruis een moeielijken, pijn-
lijken, langzamen dood bezorgde. Ook in dezen zin
genomen, treedt Odilia's liefde .tot het kruis in het
(O Math. XVI. 24.
helderste daglicht. Zij beminde de bittere zelfverlooche-
ning, die zij' beoefenen moest bij het verlaten van wal
haar na God het dierbaarste was. Om haren hemelschen
bruidegom te volgen, verbrak zij den hechten band
door de natuur ge egd, door omgang en gewoonte ver-
sterkt. Hoe bitter moet dit niet geweest zijn voor haar
kinderhart! Hoewel de liefde lot Jesus zoeter is dan
alle aardsche, wordt die zoetheid dikwijls eerst ge-
smaakt in den hemel en blijft de ziel hier op aarde
overgegeven aan het volle gevoel harer smarten. Dit
was'het lot der H. Odilia. Zij brak het bittere brood
der kwelling meer, dan zij de verkwikking der hemel-
sche zoetheid smaakte. Ballingschap, ontbering, vlucht,
gevaar, armoede, vrees, hevige aanvallen van den hei-
schen vijand, waren kruisen, haar uit den hemel ge-
zonden, d. i. haar door Gods wil of toelating geworden.
Deze alle heeft zij met liefde aangenomen en in navol-
ging des Zaligmakers omhelsd. Hoe bitter was niet het
Luis van haren marteldood, de folterende bekoringen
des Satans en van zijn geestelijke en menschelijke
trawanten I Pijl en palmtak, haar door schilders en
beeldhouwers in de handen gegeven, verkondigen ons,
dat zij het lijden beminde en a'lzoo het kruis van Jesus
vereerde. Zij geloofde en leed en verdient dus dubbel
den naam van kruisvereerster. Hadden wij nu geen
godvruchtige schrijvers, die haar als zoodanig roemen,
dan zou haar lijden en dood genoegzaam zijn om ons
hiervan te overtuigen. Geheel'het eerste deel van dit
werkje dwingt ons verder hare liefde te bewonderen.
Al wie 's Heeren geboden trouw onderhoudt, gedraagt
zich reeds als een waar liefdevol leerling. Komt lijden
en beproeving de onderhouding hiervan bemoeielijken
of verzwaren, dan begint de liefde bij oprechte na-
koming waarlijk te schilleren en krijgt op ruimer be-
looning aanspraak. Wat nog meer waar wordt, als de
ziel zich volkomen om God weet te verloochenen, door
zich zelfs het geoorloofde te ontzeggen. Zagen wij nu
in geheel dit eerste deel de H. Odilia de geboden niet
. met de-g.rcotste nauwgezetheid.oriderhöudan, .vei^volgens
Ifï
de maagdelijke zuiverheid hier bij voegen, en na alles
verlaten te hebben hare liefde door den marteldood
bezegelen? Hare liefde ging dus tot volmaakte gelijk-
vormigheid aan haren goddelijken bruidegom. Ook
hierdoor toonde zij het kruis des Heeren te beminnen.
Daar dit het gedenkteeken is van Jesus' hoogste liefde
moet een waar minnaar des Heeren gezegd worden zijn
kruis lief te hebben. De Heilige Kerk zingt in hare
getijden : »0 Crux, ave spes unica, piis adauge gratiam,
reisque dele crimina. O Kruis, eenige hoop, wees ge-
groet..... Geef den vromen vermeerdering van genade,
delg voor de zondaren de misdrijven uil.quot; Wie wordt
hier anders aangesproken als de Zaligmaker. De genade
vloeide ons, wel is waar, iegelijk met het blokl van
Christus van het kruis, waaraan (1) het handschrift,
wat de duivel als schuldbrief tegen ons had, werd ver-
nietigd en uitgewischl : de eigenlijke Uitdeeler der ge-
nade, dien wij moeten bidden en aanroepen, is echler
Jesus Christus. Hij is in aangehaalden lofzang de aan-
gesproken persoon, door het woord kruis beleckend.
Gelijk de Apostel Paulus zich voor de Corinlhiers voor-
deed, als wist hij niets dan Jesus en dezen gekruisigd (2),
zoo was ook het verstand der H. Odilia vervuld, en
haar hart blakend van liefde voor Jesus en zijn heilig
kruis. In het kruis beschouwde en beminde zij haren
Heer in zijne oneindige en den schepselen zoo schitte-
rend mogelijk geopenbaarde liefde. Al heeft de H.
Odilia deze liefde tot het H. Kruis met alle heiligen
gemeen, daar er duizenden in de martelaarsboeken ge-
vonden worden, die het kruis beminden in hun vurig
geloof, in hun brandende liefde en bittere versterving:
al had zij elf duizend gezellinnen, aan wie dezelfden
eer en lof moeten gebracht worden, wijl allen (hoewel
niet met even groote offers) hun familie en vaderland
verlieten, om zich ter liefde Gods aan duizende gevaren
bloot le stellen en ten laatste hun bloed te vergieten;
mogen en moeten wij de H. Odilia als een bijzondere
'Vereerster ties kruises voorstellen en bewonderen, wijl
(1) Coloss. II. ii. (2) I Cor. cap. II. v. 2.
haai- martelaarschap vooral uitsteekt zonder door het
deelgenootschap van anderen verminderd te worden,
hetgeen eerder strekt tot vermeerdering harer glorie,
doch vooral, wijl de woorden door haar gesproken, de
wijze waarop zij verscheen, het kruisteeken op borst
en vaandel, de traditie in de Orde der Kruisheeren,
door verschillende schrijvers in den loop der eeuwen
opgeteekend, ons hiervan overtuigen. Het schijnt meer
dan louter toeval, dat zij na reeds lang te voren aan
Joannes de Eppa verschenen te zijn, eerst in het begin
van September uit de aarde opgeheven en juist op den
vooravond van Kruisverheffing te Hoey overgebracht
werd. Haar plechtige intocht op den 14''quot;quot; September
'1287 in het hoofdklooster der Kruisheerenorde, schijnt
een wenk te wezen, als of zij door hare bescherming
de Kruisheeren kwam helpen om de glorie des Kruises
te verkondigen en deszelfs vereering te verheften. Be-
wonderenswaardig is ook de hulp, door haar aan de
orde van het H. Kruis altijd verleend. Vele voorname
gebeurtenissen zijn in die Orde op haren feestdag voor-
bereid ot geschied. Tweemaal kreeg de Orde daags na
haren feestdag tijdens hel octaaf een nieuw algemeen
hoofd (!). Vele leden mochten haren bijstand miraculeus
ondervinden, gelijk uit hel volgende deel blijken zal. Geen
Kruisheer, die zich in zijn staat zocht le heiligen, ot hij
heeft haren bijstand eenigszins ondervonden. In moeite
ot kommer, voor lichaam en ziel, komt hij lot haar als
zijne patrones. Weleer gelijk ik boven reeds aanstipte,
droeg men op den derden dag van hel algemeen kapittel
ter harer eer een heilige Mis op of tol dank voor
ondervonden hulp of om nieuwen bijstand te verkrijgen.
Kortom de Orde van het H. Kruis legt onophoudelijk en
door het geheele lichaam en door hare leden afzonder-
lijk, getuigenis af, door de H. Odilia steeds beschermd
en geholpen le zijn. Ook in dezen zin mogen wij de
H. Odilia als vereerster van het H. Kruis beschouwen,
daar zij door die Orde te steunen op aarde de glorie
des kruises helpt bevorderen onder de Christenen.
1) Annalês^ord. S. Crucis. Tom. I parte II pag. 6 en pag. 1'2i.
y
u
â quot;â¢Ipl
li.
ll
ii
â 406 â
Besluit van het eerste Deel.
Getrouwe patrones onzer dierbare Orde, glorierijke
Maagd en Martelares, H. Odilia, laat mij aan'het einde
van dit gedeelte een weinig uwe onuitsprekelijke goed-
heid loven, uwen lof verkondigen, uwe voorspraak
inroepen! Meer dan wij schrijven of beseffen kunnen,
l'^dt gij gedurende uw sterfelijk leven geleden, lang
was de glans uwer goddelijke en verhevene deugden
voor de stervelingen op deze wereld verborgen geweest,
doch uwe grootheid was bekend aan Jesus Christus en
in den Hemel bewonderd door legioenen Engelen, die
u de vergetelheid op aarde onbegrijpelijk vergoedden.
Geloofd echter zij God, die de reinheid van uw maagd-
dom, de kracht van uw geloof, de sterkte, in uw mar-
telaarschap vertoond, der wereld geopenbaard heeft.
Dank zij u, o H. Odilia, die het ondanks de glorie des
hemels, niet beneden U achtte aan een armen'klooster-
broeder te verschijnen en in een drievoudig hemelsch
visioen de rustplaats uwer H. overblijfselen quot;kenbaar te
maken. Hoe verheugen wij ons thans U te bezitten als
onze Patrones ! 's Heeren Kruis groeten wij als onze
eenige hoop, doch Gij zijt onze vóorsprekeres bij Den-
genen, die aan het Kruis verheven en door hetzelve
steeds beteekend werd. Door uwe voorbede ontvangen
wij de genade in dit Kruis levendiger te gelooven, er
vaster op te hopen, het vuriger te beminnen en deszelfs
glorie alom te verbreiden. Tot U blijven wij dan steeds
onze toevlucht nemen. Zeshonderd jaren heeft onze
nederige Orde uwen bijstand zichtbaar ondervonden;
Blijf dus onze hulp, onze troost, onze Patrones ! Zie
de hitte van den strijd des ongeloofs omgeeft ons; de
felle haat des duivels lastert, bekampt en tracht ten
gronde te richten, al wat kloosterling is. Sta ons dan
bij door uw machtige voorspraak, opdat wij, door lijden
versterkt, in verdiensten groeien, in ledental vermeer-
deren^ en gezamenlijk in den Hemel uwe heerlijkheid
bewonderen'. 'Amen. ' * ⢠⢠- ...nbsp;. â .
TWEEDE DEEL
OVER DE KRACHT VAN DE VOORSPRAAK DER
II
i
lïp
EERSTE HOOFDSTUK.
Het voorgaande deel stelde de deugden der H. Odilia
en eenigszins hare hemelsche glorie den lezer ter be-
wondering of navolging voor. De daar beoogde vrucht
was een heilige eerbied en vurige liefde. Dit gedeelte
bevat voornamelijk eene kleine opsomming van sommige
mirakelen en gunsten, verkregen door aanroeping der
H. Odilia of vereering harer overblijfselen. Een levendig
en vast vertrouwen op haar in het hart van den god-
vruchtigen lezer te verwekken, is hier vooral ten doel
gesteld. Daar de levendige overtuiging, hoe voordeelig
en krachtig ons de voorbede der hei igen in het alge-
meen bij God is, natuurlijkerwijze het vertrouwen op
de H. Odilia in het bijzonder versterken en vermeerderen
moet, ga ik het eerste hoofdstuk aan deze slof wijden.
Vervolgens spreek ik nog over het nut der relikwieën,
vereering, waardoor zoovele gunsten door trouwe ver-
eerders der H. Odilia zijn verworven.
Het H. Concilie van Trente heeft den bisschoppen en
anderen, wien de verkondiging van Gods woord is toe-
vertrouwd, ten strengste op het hart gedrukt, hun
geestelijke kinderen te leeren (1); »dat de heiligen, die
reeds met Christus in den hemel heerschen, Gode ge-
beden voor de menschen opdragen, alsmede, dat het
goed en nuttig is hen te smeeken en aan te roepen.quot;
Dit is de ware' leer, gelijkvormig aan de traditie der H.
Kerk. Lang voor het Concilie van Trente, hadden kerk-
\l) Sessio XXV.
â m â
vergaderingen dit reeds verklaard en heilige vaders dit
verkondigd. Zelfs martelaars stortten er hun bloed voor
en de heilige schriftuur houdt het ons duidelijk voor
oogen. Zoo lezen wij in het 15 hoofdstuk van den profeet
Jeremias: «öe Heer heeft gezegd, al stond Moses en
Samuel voor mij, mijn hart zal niet tot dit volk zijn.quot;
Duidelijk openbaart hier God, dat de zonden des JÃod-
schen volks zeer groot waren en niets of niemand bij
machte was zijn straffende hand te weerhouden; zelfs
niet hel gebed dezer heilige profeten. In elk ander ge-
val zou de tusschenkomst van Moses en Samuel baten,
hier echter niet; waardoor dus zijdelings wordt aange-
toond, hoe aangenaam aan God de gebeden der heiligen
zijn en tevens, dat zij voor ons' bidden. Judas, de
Machabeër, zag in een visioen, (verhaald II Mach. XV),
den hoogepriester Onias voor hel Israëlietische volk
bidden; daarna aanschouwde hij een ander persoon,
omgeven met glorie en eerwaardig van voorkomen. Toeii
sprak de hoogepriester Onias: »deze is het, die veel
bidt voor het volk, de profeet Jeremias.quot; Het Oude
Verbond leerde dus reeds, dat die heiligen, hoewel nog
buiten den hemel gesloten, onze krachtige voorsprekers
waren bij God. De H. Joannes plaatst in hel vijfde
hoofdstuk van zijnen Apokalips, de vier en twiniig
heilige ouderlingen voor den troon des Lams, met
gouden schalen in hunne handen, wal de gebeden waren
der heiligen; en verder smeeken de martelaars met
groot geroep de wraak des hemels af over hunne beulen:
»Hoeveel te meer dan,quot; zegt Bellarminus, »barmhartig-
heid voor hunne broeders.quot;
Zoo lang er in de kerk gebeden is, dal wil zeggen,
al den tijd van haar beslaan, (het huis des Heeren tóch
IS een huis des gebeds), stegen er ook gebeden naar
de heiligen in den hemel. Wanneerde martelaren afscheid
namen van hunne vrienden, beloofden zij in het paradijs
voor hen le zullen bidden. Iedere eeuw, zoo voor als
na het Trentsche concilie, heeft kerkvaders of H. leeraars
gehad, die het volk deze waarheid verkondigden en ze
der nakomelingschap overleverden. Hoe zoet welsprekend
wist de H. Bernardus in het hart zijner lezers of hoor-
ders het vertrouwen op de H. Maagd le ontsteken bij
het herhalen van: nrespice stellam, voca Mariam. Zie
op de sterre der zee, roep Maria aan !quot; Treffend zegt
Beda, de eerwaardige: »Laat ons voortdurend de voor-
spraak zoeken der Heiligen en Engelen, dit toch is de
zeer vaste en veilige steun der Kerk.quot; Sla verder de
kerkelijke jaarboeken open, en gij vindt de vereering
der heiligen en de kracht hunneV voorspraak op elke
bladzijde opgeteekend. Hier een Gregorius van Tours
ons den lot der H. Cyprianus verkondigend, die zijne
smeekelingen zoo dikwijls hielp; ginds een Sulpicius
Severus, de wonderen quot;door aanroeping van den H.
Martinus verkregen, meldend, elders Pausen als een H.
Leo en Gregorius het volk vermanend, zich door de
vereering der heiligen hunne voorspraak waardig te
maken. Augustinus, Ambrosius, Hieronymus, Chrysos-
tomus, Basilius, Athanasius, alle, groote heiligen en
steunpilaren der kerk, riepen zelfs de heiligen aan en
leerden dit het volk door woord en voorbeeld. Hoeveel
gunsten, voorrechten en mirakelen heeft men niet ont-
vangen door de voorspraak der Heiligen ? Kerkvaders,
Lichten van geloof, liefde, deugd en wetenschap, leggen
in hunne schriften getuigenis af, met eigen oogen
mirakelen aanschouwd te hebben, door de aanroeping
der heiligen verkregen. Zij treden zelfs in een omstan-
dige beschrijving daarvan. Is er, na dit alles beknopt
gelezen en overwogen te hebben, wel iets zoo klaar,
dan dat zij, die de aanroeping der Heiligen verwerpen,
schipbreuk geleden hebben in hun geloof, en dal trouwe
leerlingen der Kerk met hun aanroeping der Heiligen,
het geloof der Apostelen en Kerkvaders, wal Christus
zelfsquot;geleerd en bevolen heeft, belijden? Hoe zou hel
ook denkbaar zijn, dat lauwe stervelingen God voor
elkander kunnen bidden, terwijl de Heiligen in den
hemel ons buiten hunne liefde slolen, vergalen of onze
behoeften en smeekingen niet konden kennen ?
Wanneer de Heiligen God voor ons bidden, dan moet
hun gebed krachtig zijn. Hoe rechtvaardiger iemand is.
V
iitl
I
si
i'
rtii
m
Ml
ff
I
m
des te aangenamer zal zijn gebed aan den Heer wezen.
»Veel vermag een aanhoudend gebed van den rechtvaar-
dige,quot; zegt de H. Apostel Jacobus(l); terwijl het oude
Testament leerde (2); »het gebed van den rechtvaardige
dringt door de wolken.quot; Daarom bevelen wij ons zoo
dringend in de gebeden van waarlijk godvruchtige
menschen, en hopen naar de grootheid hunner deugden
meer van God te verkrijgen. Willen wij een gunst be-
komen van eenig vermogend man of aardsch koning,
dan trachten wij een miamp;elaar te vinden, wiens voor-
spraak krachtig werken moet, zoo de koning hem vurig
bemint, met hem een innige betrekking onderhoudt',
of hem boven anderen vrijen toegang verleent tot zijnen
persoon. Pas deze waarheid toe op de voorspraak der
Heiligen. Aardsche grootheid, zelfs geen heiligheid hier
op de wereld kan met die der Heiligen in den hemel
vergeleken worden. Zoo lang zij in ons midden verbleven,
beschouwden de heiligen zich als zondaars. Werkelijk
kleefden er dikwijls op hunne ziel kleine vlekken én
onvolmaaktheden, die gebrek aan zelfkennis in ons nog
verboi'gen houdt. De rechtvaardige valt immers zeven-
maal op een dag. Door menschelijke zwakheid omgeven,
te midden van zondaren levend, sterk door den 'duivel
bestreden en door de hel belaagd, worden zij ai is het
weinig, toch van tijd tot lijd met aardsch stof bedekt;
en niet slechts in nederigheid, maar ook in waarheid
bidden zij: »vergeef ons onze schulden, gelijk wij
vergeven onze schuldenarenquot; (3). In den hemel echter
zijn zij zuiver van alle smet, wijl niets onvolmaakts
daar binnentreedt. Met het gewaad der glorie om-
kleed, schitteren zij meer voor het oog van God en
zijne Engelen, dan weleer hunne reine ziel blonk op
aarde, zich in een Gode bekenden graad van heiligma-
kende genade verheugend. Verhoorde God hun gebed
reeds, wat op aarde gestort werd, dan zal hij zeker
hunne smeekingen in den hemel niet verstooten. Daar
mogen zij eer op zijne oneindige goedheid rekenen.
(1) Gap. V. 16. (2) Eccli. XXXV. 21.
(ö) Concitium Milevitanum can. 8.
Hier waren zij Gods vrienden en kindertjes, maar toch
was het nog niet verschenen, wat zij thans zijn, te
weten, Hem gelijk. God van aanschijn tot aanschijn
aanschouwend, moeten zij van zelf een Hem behagelijker
gebed storten. De ellende der wereld, het groot belang
der zaligheid, het ontzettend jammer van voor eeuwig
verloren te gaan, staan hun nu onbeschrijfelijk helderder
voor den geest. De goedheid en barmhartigheid Gods
wordt hun thans in volle klaarheid door geheel de
schepping verkondigd, daar het bezit en aanschouwen
van God' den hemel, en al wat er in juicht en jubelt,
er eeuwige getuigenis van aflegt. Van het stoffelijk en
bedervelijk omhulsel ontdaan, kan strijd noch eigen
behoefte hunne liefde tot het menschdom doen verflau-
wen, zoodat hun gebed als dat der Engelen voor het
H. Hart van Jesus opstijgt. Hunne voorspraak moet dus
grooten invloed hebben bij God. Zie, met welk een
vuur en vertrouwen de H. Kerk dagelijks in Litaniën,
Koorgebed, in het H. Misoffer zelfs hunne tusschenkomsl
tracht te verwerven. Met een heilig afgrijzen veroor-
deelde het concilie van Trente dus do kettersche leer,
als zou de voorbede der Heiligen nutteloos en hunne
aanroeping ongeoorloofd zijn. Boven haalde ik eenige
teksten van kerkvaders aan, waaruit men zoowel het
nut van de aanroeping der Heiligen als de kracht hunner
voorspraak besluiten kan. Enkele andere laat ik hier
volgen om u van beide waarheden meer te doordrin-
gen (I). »Wij smeeken ü,quot; zoo roept de H. Anselmns
de 11. Moedermaagd toe; »door die genade, waarin de
goede en almachlige God U verhief en U door Hem
alles mogelijk maakte, voor ons bij Hem te bidden, dat
de volheid der genade, door U verdiend, in ons zóó
werke, dat Hij ons eens barmhartig de zalige belooning
mededeelequot; (9). Van de H.H. Apostelen Petrus en Paulus
zegt de H. Paus Leo de Groote: »Petrus houdt niet
op voor ons te bidden, opdat wij door geen bekoring
overwonnen worden;quot; en verder: »wij ondervinden,
»leeren door overlevering, gelooven en vertrouwen, altijd
. .('). Se excfiv^qtia. B. M.- .V. (-2) Sermo I, do Petro et Paulo.
üt
ft i
â H2 â
»te midden van de moeielijkheden des levens, door de
»gebeden dezer bijzondere patronen le moeten geholpen
»worden. Gelijk krijgsliedenquot; (1), leert ons de 11^Joannes
Chrjsosthomus; »hunnen koning de wonden toonen,
»in den strijd ontvangen, en zoo met vertrouwen spre-
»ken; zoo houden de martelaren den Koning des hemels
.-)hunne hooiden voor, hier onder het zwaard gevallen
»en vei'ki'ijgen dus al wat zij verlangen.quot; Gregorius
van Nazianzen predikt aangaande een heilige, die de
aarde met den hemel verwisseld had, »nu baat hij ons
»meer door zijne gebeden, dan vroeger door zijne
»wetenschap.quot; Bij al deze aanhalingen, waar wij de
kracht van de voorbede der II. Maag'd, der Apostelen,
Martelaren en Belijders verkondigd zien, wil ik nog
het woord voegen van den II. Hieronymus over het
afsterven der H. Maagd Blaesilla: »zij bidt den Heer
»voor U en smeekt voor mij de vergiflfenis der zonden
»al.quot; »Sluit dan vi'iendschap,quot; mogen wij met den H.
Leo zeggen (2), »met de Engelen, Profeten, Patriarchen,
»Apostelen, Martelaars; begeert hunne rijkdommen, sti'eeft
»mei heiligen naijver naar'hunne tusschenkomst.quot; »Door
hen immers,quot; zegt de H. Joannes Dnm. (3), »worden
»duivelen uilgedreven, zieken genezen, blinden zien-
»den, melaalschen gezuiverd, bekoringen en droefheid
»weggenomen, ja alle goede gaaf daalt door hun ver-
»trouwvol gebed' van dén Vader der lichlen af.quot;
TWEEDE HOOFDSTUK.
Uil den marteldood en de vinding der relikwieën van
de H. Odilia, zien wij welken eerbied onze vaderen
voor de heiligen en bloedgetuigen Gods hadden. Met
groole moeiten en opofïeringeii, met schallen gouds
werden de lichamen der martelaren aan de onlêering
der heidenen onttrokken en den Christenen ter ver-
eering geschonken. Op doodsgevaar af werden de heilige
(1) Sermo de Juventio et Maxime. (2) Sermo V de Epiphanio.
. (3) Liber IV de lide cap. 16.
relikwieën met de meeste zorg naar de Catacomben
overgebracht. Vele martelaars vielen den heidenen juist
in handen, doordat zij de lichamen hunner gemartelde
broeders heimelijk zochten te ontvoeren. De heidenen
van dezen eerbied der Christenen voor de heilige
lichamen bewust, trachtten zelfs de laatste overblijfselen
als te vernietigen. Hunne lichamen werden verbrand,
en de asch in den wind gestrooid. Soms wierp men
het heilig gebeente in vuilnisputten en riolen, zooals in
de Cloaca te Rome, of liet het ten prooi der roofdieren
op de strafplaats achter. Schoone tegenstelling tusschen
de eerste Christenen en de heidenen. Duidelijk teeken,
welke leer de ware Apostolische is, die der Katholieken,
de eerste Christenen navolgend, of die der ketters, de
relikwieën naar het voorbeeld der heidenen verachtend
of onteerend. Van waar kwam nu, die diepe eerbied
der Christenen voor de lichamen der heiligen? Was
het alleen christelijke barmhartigheid, die met eerbied
de dooden begroef en door zijn volmaaktheid geen
koste spaarde?' Neen, maar de leer der Apostelen had
hun de lichamen der martelaars en belijders als ver-
eerenswaardig voorgesteld ; de wonderkracht in de
relikwieën verborgen, hadden zij zelfs meermalen onder-
vonden, waarom het toen reeds gebruikelijk was kleine
deeltjes der heilige overblijfselen ot in martelaarsbloed
gedoopte kleedingstukken in goud en zijde te vatten,
ze als een schat in huis te bewaren of met eei'bied bij
zich te dragen. Soms drongen Christenen stout het
amphitheater binnen, om hun nne doeken te doopen in
het voor Jesus Christus versch vergoten bloed. God
zelfs toonde door wondervolle verschijningen van En- '
gelen of van de zaligen zeiven, door helder stralend
licht, door een of ander wonder, hoe noode Flij de
lichamen door ongewijden onteerd, hoe gaarne te midden
der geloovigen met eerbied geborgen zag. Was de laatste
rustplaatst eens heiligen onbekend, dan gebeurde dik-
wijls, wat wij boven van de H. Odilia lazen; een ver-
schijning kwam den Christenen alles openbaren. Wij zijn
8
^IJ
m
m
ld
it;^!
w
»te raidden van de moeielijkheden des levens, door de
»gebeden dezer bijzondere patronen te moeten geholpen
»worden. Gelijk krijgsliedenquot; (1), leert ons de H. Joannes
Chrysosthomns; »hunnen koning de wonden toonen,
»in den strijd ontvangen, en zoo met vertrouwen spre-
»ken; zoo houden de martelaren den Koning des hemels
»hunne hooiden voor, hier onder het zwaard gevallen
»en verkrijgen dus al wat zij verlangen.quot; Gregorius
van Nazianzen predikt aangaande een heilige, die de
aarde met den hemel verwisseld had, »nu baat hij ons
»meer door zijne gebeden, dan vroeger door zijne
»wetenschap.quot; Bij al deze aanhalingen, waar wij de
kracht van de voorbede der II. Maag'd, der Apostelen,
Martelai'en en Belijders verkondigd zien, wil ik nog
het woord voegen van den 11. 'Hieronymus over he't
afster\ 'en der H. Jlaagd Blaesilla: »zij bidt den Heer
»voor U en smeekt voor mij de vergiffenis der zonden
»al.quot; »Sluit dan vriendschap,quot; mogen wij met den H.
Leo zeggen (2), »met de Engelen, Profeten, Patriarchen,
»Apostelen, Martelaars; begeert hunne rijkdommen, stieeft
»met heiligen naijver naar^liunne tusschenkomst.quot; »Door
hen immers,quot; zegt de H. Joannes Dam. (3), »worden
»duivelen uilgedreven, zieken genezen, blinden zien-
»den, melaatschen gezuiverd, bekoringen en droefheid
»weggenomen, ja alle goede gaaf daalt door hun ver-
»trouwvol gebed' van den Vader der lichten af.quot;
TWEEDE HOOFDSTUK.
Uit den marteldood en de vinding der relikwieën van
de H. Odilia, zien wij welken eerbied onze vaderen
voor de heiligen en bloedgetuigen Gods hadden. Met
groote moeiten en opofferingen, met schatten gouds
werden de lichamen der martelaren aan de onteering
der heidenen onttrokken en den Christenen ter ver-
eering geschonken. Op doodsgevaar af werden de heilige
(1) Sermo de Juventio et Maximo. (2) Sermo V de Epiphanio.
(5) Liber IV de fide cap. 10.
relikwieën met de meeste zorg naar de Catacomben
overgebracht. Vele martelaars vielen den heidenen juist
in handen, doordat zij de lichamen hunner gemartelde
broeders heimelijk zochten te ontvoeren. De heidenen
van dezen eerbied der Christenen voor de heilige
lichamen bewust, trachtten zelfs de laatste overblijfselen
als te vernietigen. Hunne lichamen werden verbrand,
en de asch in den wind gestrooid. Soms wierp men
het heilig gebeente in vuilnisputten en riolen, zooals in
de Cloaca te Rome, of liet het ten prooi der roofdieren
op de strafplaats achter. Schoone tegenstelling tusschen
de eerste Christenen en de heidenen. Duidelijk teeken,
welke leer de ware Apostolische is, die der Katholieken,
de eerste Christenen navolgend, of die der ketters, de
relikwieën naar het voorbeeld der heidenen verachtend
of onteerend. Van waar kwam nu, die diepe eerbied
der Christenen voor de lichamen der heiligen? Was
het alleen christelijke barmhartigheid, die met eerbied
de dooden begroef en dooi- zijn volmaaktheid geen
koste spaarde? Neen, maar de eer der Apostelen had
hun de lichamen der martelaars en belijders als ver-
eerenswaardig voorgesteld ; de wonderki-achi in de
relikwieën verborgen, hadden zij zelfs meermalen onder-
vonden, waarom het toen reeds gebi'uikelijk was kleine
deeltjes der heilige overblijfselen of in martelaarsbloed
gedoopte kleedingstukken in goud en zijde te vatten,
ze als een schat in huis te bewaren of met eerbied bij
zich te dragen. Soms drongen Christenen stout het
amphitheater binnen, om hunnne doeken te doopen in
het voor Jesus Christus versch vergoten bloed. God
zelfs toonde door wondervolle verschijningen van En- '
gelen of van de zaligen zeiven, door helder stralend
licht, door een of ander wonder, hoe noode Hij de
lichamen door ongewijden onteerd, hoe gaarne te midden
der geloovigen met eerbied geborgen zag. Was de laatste
rustplaatst eens heiligen onbekend, dan gebeurde dik-
wijls, wat wij boven van de H. Odiba lazen; een ver-
schijning kwam den Christenen alles openbaren. Wij zijn
dus ware navolgers onzer vaderen, wanneer wij met
het H. Concilie van Trente belijden (1) dat de lichamen,
der heiligen en andere relikwieën, waardoor God den
menschen vele gunsten betoont, door ons moeten ver-
eerd worden. Hoeveel redenen hebben wij niet voor
deze vereering? Vooreerst toch zijn die lichamen werk-
tuigen, ja nog meer hunner deugden geweest. Hun
hart klopte voor God, hunne tong verkondigde Gods
lof, beleed vrijmoedig het geloof, troostte, leerde, genas
den evenmensch. Hunne hand zegende hun vervolgers,
deelde aalmoezen uit, of arbeidde in nederigheid en
onderwerping aan Gods H. wil. Hun lichaam werd ge-
heel verteerd door vasten, gepijnigd in versterving, af-
gemat onder het dragen des kruises. Hadden zij het
geluk martelaar te worden, dan was hun bloed een
zegel voor de waarheid des Evangelies, een plengoffer
voor den Heer. Welk een aandeel had dus hun lichaam
niet in hunne deugden en goede werken. Thans, nu
hunne heiligheid zeker, algemeen bekend en onvergan-
kelijk is, knnnen wij, stervelingen, hen niet dan van
verre vereeren. Gaarne zouden wij hun handen of
voeten met diepen eerbied kussen, gelijk de Christenen
hunne boeien en kluisters vroeger vereerden, als de
heiligen ter strafplaats geleid werden. Hunne lichame-
lijke overblijfselen maakten de helft hunner natuur uil.
Zij vormen voornamelijk den schat der relikwieën, in
onze kerken vereerd en bewaard. De vereering aan
deze gebracht strekt zich uit tot den persoon des
heiligen in den hemel, die deze hand, dat hart, dit
bloed als werktuig zijner deugden gebruikte. Al wie
met het ware geloof begenadigd, de liefde bezit, is
levend lidmaat van Jesus Christus en tempel des H.
Geestes. Zelfs het lichaam eens heiligen kan op dezen
vereerenden titel aanspraak maken. »Breekt dezen tem-
pel af, spi'ak de Zaligmaker (2), en in drie dagen zal
ik hem weder opbouwen. Hij doelde op den tempel
zijns lichaams.quot; »Weet gij niet'' (3), roept ons de H.
Paulus toe, dat uwe ledematen de tempel zijn des H.
quot;^(T) Sesao'XXT.' (2) -Joes? II,-19. «(5) J Cor. VI. 19.
ij
' ' «
Geestes.quot; Werkt de genade Gods in eene ziel meer
deugden, levendiger en talrijker akten van Geloot, Hoop
en Lietde uit, dan is deze ziel dien verheven naam veel
meer waardig. Wijl nu de heiligen, in een treffendnbsp;jpl
heldhaftigen graad, de goddelijke en zedelijke deugden
beoefenden, zoodat zij hunne heidensche tijdgenootennbsp;' ''
en -de hen omringende, ot later volgende Christenen
tot bewondering strekten, waren en hunne ziel en hun
hchaam volmaakt waardig, tempel des H. Geestes ge-
noemd le worden. Geen aardsch gebouw, al heeft God
er nog zoovele wonderen gewrocht, verdient dus onze
vereering zóó, als de lichamen der heiligen, waarin
God de wonderen zijner genaden zoo schitterend ge-
toond heett. Eenmaal zullen deze lichamen, thans in
zooveel duizende gedeelten in de kerken der wereld
verdeeld, door een enkel woord Gods wederom vereenigd
en door de verheerlijkte ziel verlevendigd worden. Geen
goud of zilver, maar de glorie des hemels zelve zal
dezo verlevendigde relikwieën omstralen. Heerlijker dan
de zon zullen zij schitteren in eeuwigheid. Onsterfelijk,
geestelijk, voor eeuwig schitterend zullen die lichamen
tusschen de Engelenkoren getroond zijn. Geen aardsche
jracht van licht, en geur en bloemen, geen verganke-
ijke kostbaarheden, al worden zij met millioenen gouds
betaald, geen wereldsche eer en grootheid, die werke-
lijk bestaan heelt, ot als mogelijk gedacht kan worden,
is met de glorie dier lichamen te vergelijken. Wanneer
wij, voorgelicht door het geloof, in ware heilige over-
weging, door God een weinig met zijne genade gehol-
pen worden, beginnen wij een lichtstraaltje te zien
hunner schoonheid, dat ver beneden blijft, bij een
enkel straaltje hunner werkelijke heerlijkheid. Betaamt
het ons dan niet, die heilige lichamen als een kost-
baren schat te bewaren, en met innige godsvrucht te
vereeren, als wij gelooven, hoezeer God ze eenmaal
vereeren zal in den hemel ? Met reden kon dus het
H. Concilie van Trente zeggen, dat men de relikwieën
der heiligen moet vereeren, wier lichamen eenmaal de
levende Jedeamaten waren van Christus, en de tempels
des H. Geestes, die, na met Christus eenmaal verrezen
te zijn ten eeuwigen leven, met Hem zullen verheeriijkt
worden. En verder, dat door deze relikwieën ons van God
vele weldaden geworden. Tevens wijst het Concilie op
een veroordeeling der tegenovergestelde leer door het
H. Concilie van Nicea, 2. Can., waarde relikwieën ge-
noemd worden heilige bronnen, waaruit God den men-
schen vele weldaden bewijst. Het meest echter blijkt
dit uit den 14''quot;quot; Canon van het vijfde Concilie te Car-
thago gehouden, waar verboden wordt, elders altaren
op 'te richten dan op de graven der martelaren. Zou
de H. Kerk ooit dit voorschritt gegeven en tot heden
algemeen in beoelening gebracht hebben, zoo zij, be-
stuurd door den H. Geest, niet innig van het nut dezer
vereering en de kracht der rekwieën overtuigd ware.
Reeds uit de H. Schrift blijkt dit, waar wij wonderen
zien uitgewerkt door aanraking van heilige overblijfselen.
De beenderen van den profeet Elisaeus (1), doen een
doode lot het leven wederkeeren. Zieken worden langs
de wegen neergelegd om door de schaduw van een H.
Petrus genezenquot;te worden (2). Gordels en doeken, den
H. Paulus toebehoorende, werden naar de kranken ge-
dragen, waardoor de kwijningen herstelden en booze
geesten uitgedreven werden (3). Is dan het lichaam van
een H. Pet'rus of Paulus niet heiliger en krachtiger
dan hunne schaduw en kleederen ? Vooral thans, nu
zij uitrusten van hunnen arbeid en in hemelsche vreugde
Gods heeriijkheid aanschouwen. Laai mij hier. Beminde
Lezer, nog eenige aanhalingen uit Kerkvaders bijvoegen,
om het nut en de kracht dezer vereering door het
woord der heiligen zei ven te bevestigen. In een heerlijk
sermoon over de 40 martelaren, wier relikwieën men
onder de verschillende kerken van het land verdeeld
had, zegt de H. Basilius : »Deze zijn hel, die ons ge-
»wesl dienen en, als onderling verbonden torens, ons
»tegen een vijandelijken aanval behoeden. Zij zijn niet
»in eene plaats besloten, doch, op vele plaatsen ver-
»blijvend, uisteren zij vele gewesten op.quot; Hieruit ziet
IVReguei. XH!-. {2). Aet, Ap. Cap. V. (5). Ibirt XJX. . .. ,
men, welk een eer in de vroegste tijden, de kerken
het zich rekenden, relikwieën te bezitten, en hoeveel
hulp en bescherming zij daarvan verwachtten. Gregorius
van Nazianze verwijt den apostaat Julianus, dat hij
Hercules' graf vereerde en zich niet ontzag de offers,
voor Christus geslacht, d. i. de lichamen der martelaren,
te onteeren (1). »En toch,quot; zoo laat hij volgen, »hunne
»lichamen vermogen zooveel als hunne zielen, hetzij
»men ze aanraakt of vereert, ja een enkele druppel
»bloeds, een teeken van hun lijden, vermag zoovee als
»hunne lichamen.quot; Kon dan de H. Cyrillus van Jerusa-
lem niet met reden zeggen in zi
»Opdat niet alleen de ziel der hei
»worden, maar men ook gelooven zou aan de kracht
»en sterkte in de lichamen der heiligen verborgen,
»werd er een doode verlevendigd, door het aanraken
van Elisaeus' gebeente.quot; »Laten wij,quot; vermaant ons de
H. Joannes Chrvst., »hen dan diku-ijls bezoeken, hunne
»graven vereeren, hnnne relikwieën aanraken, om daar-
»van eenigen zegen te bekomen. Zij, die in purper ge-
»kleed en met een diadeem gesierd zijn, naderen om
»hunne graven te vereeren, hunne voorspraak bij God
»in te roepen.quot; Voor een Christen is het dus niet be-
vreemdend, dat van de vroegste tijden, gelijk een H.
Hieronymus ons getuigt (2), de relikwieën in goud en
zijde gewikkeld werden ; dat de kerken een rijken
schat hiervan zochten te verzamelen, dat de H. .\tha-
nasius het kleed hem door den H. Antonius nagelaten,
als een groote erfenis beschouwde. Hoeveel mirakelen
zijn er niet geschied, bij de vereering der relikwieën?
Lang na het overlijden, bleven de lichamen van vele
heiligen nog gaaf en ongeschonden. Zij verspreidden
een 'heerlijken geur, bewaarden hunne buigzaamheid,
vertoonden den blos des levens steeds op hun gelaat.
Vele lichamen bleven tot den huldigen dag onbedorven.
De kerkelijke geschiedenis is vol van de schitterendste
feiten, tot bevestiging van het nut en de kracht der
relikwieën. De onwraakbaarste getuigen, als Chrysotho-
(1) Orat. in Julianum. (2) Adversus Vigilaniium.
n 18'quot;-- Cathech. :
igen zou vereerd
mus, Ambrosius, Augustinus, verhalen van plotselingen
genezingen, door enkele aanraking soms verkregen. Is
het wonder ? De vrouw des Evangelies raakte in ge-
loovig vertrouwen den boord van hel kleed des Zalig-
makers aan en werd terstond genezen. De heiligen zijn
in den geestelijken zin het kleed des Zaligmakers. De
eer, aan de re ikwieën bewezen, is een lof-, dank- of
smeekgebed aan de heiligen gebracht. Hen vereeren
wij om Jesus Christus, van wiens H. Lijden zij de
kostbare vruchten zijn. Zal die Godmensch dan, wien
alle macht gegeven is in den hemel en op aarde, ook
op het gebed en om de liefde zijner heiligen niet een
kracht van zich doen uitgaan, als wij met kinderlijk
vertrouwen den boord zijner kleederen, d. w. z. de
relikwieën der heiligen en martelaren aanraken? Geheel
de kerkelijke geschiedenis, de Romeinsche brevier, de
de levens der heiligen, de processen van zalig- en
heiligverklaring komen dit bevestigen. Mirakelen tijdens
het leven gedaan, bewezen hunne heiligheid, doch de
kracht hunner relikwieën toonen ons hunne glorie in
den hemel, en het belang, door God gesteld, of het
behagen door Hem genomen in de vereering van hei-
ligen en relikwieën. Mirakelen na den dood der heiligen
waren meestal schitterender door duidelijkheid en aan-
tal. God wilde de echtheid van somoDige relikwieën
bewijzen, de waarheid van het Katholieke dogma aan-
toonen, of het vei-trouwen op de voorspraak der hei-
ligen in het algemeen, of op een of ander in het.
bijzonder versterken, zoodat wij kort na den dood eens
heiligen of bij de vinding der relikwieën de wonderen
het meest zien schitteren. Ook daarna geschieden er
wondei'en, doch niet meer in zulk een aantal, tenzij
tot aanwakkering der vei'flauwde godsvrucht. Gunsten
daarentegen naar ziel en lichaam, in natuurlijke en
bovennatuurlijke orde, grijpen er dagelijks plaats, en
dikwijls meerdere, dan toen men getuige was van de
grootste mirakelen. Wanneer het bovenstaande, Reminde
Lezer, dieper in uw verstand en hart dringt, zult gij
uw godsvrucht voelen vertneerderen en talrijker gunsten
verwerven. Mochten de wonderen, door de aanroeping
der H. Odiha en de vereering harer rehkwieën ver-
kregen, zooals wij nu gaan verhalen, u in het bijzon-
der aangaande de godsvrucht en relikwieën dezer hei-
lige tot'een heilig vertrouwen stemmen.
'1
'i
.â i iH
DERDE HOOFDSTUK.
Bij het verhaal der wonderen en gunsten door de
H. Odilia, zoowel in als buiten de Ãrde van het H.
Kruis bewezen, kan ik op de eerste plaats de wonder-
bare vinding harer overblijfselen zeiven stellen. Hoewel
de geheele schaar van Ursula's gezellinnen, toen reeds
plechtig in de H. Kerk gevierd werd, was er niemand,
die de H. Odilia afzonderlijk vereerde of maar eenigs-
zins de rustplaats harer relikwieën kende. Zij werden
niet toevallig of naar volkstraditie gevonden en met de
historie in de hand voor echt erkend, (wat reeds voor
een Katholiek veel is en meer dan genoeg, als een
kerkelijke uitspraak het bekrachtigd heeft) maar aan
een arme kloosterling in de eenzaamheid zijner cel, ver
van Keulen verwijderd, door een hemelsche verschijningnbsp;.'il
der H. Odilia zelve geopenbaard. De vinding bewees
nog bijzonder de echtheid der verschijning ; en deze
laatste en vooral de mirakelen, die voortdurend volg-
den, bewezen de heiligheid dezer godsvrucht, de krachtnbsp;t
en echtheid der relikwieën. Hier is geen sprake vannbsp;rl;
legendes en vrome verhalen, wier waarheid twijfelachtignbsp;jfi.
is ; echte bewijsstukken, die de Kruisheeren vroeger,nbsp;''
toen zij den Romeinschen brevier nog niet hadden aan-
genomen, op het feest der H. Odilia in het koor lazen,
liggen als ontegensprekelijke getuigen voor de hand.
De Bollandisten, zoo bijzonder voorzichtig in hel on-
derzoeken en aannemen van al wat wonderbaar is,
hebben aan het voornaamste stuk een bijzondere waar-
de gehecht en het in hunne werken opgenomen (1). Ook
(IJ Bolland. 21 Oct. pag. 2S0.
'f-
I r.,,
ä
het nieuwe feest der H. Odilia, door de Congregatie
der H. Ritussen samengesteld en den Kruisheeren op-
gelegd, volgens besluit van 2 September 1857, bevat
de volgende zinsnede: »De zalige maagd en martelares
Odilia, wier lichaam te Keulen ontdekt is den 1 Sept.
1287, is mar het oordeel der Keuhche curie gehouden
voor gezellin der H. Ursula en deelgenoote in haar
aiptelaarschap.quot; De Congregatie doelt hier in het voor-
bijgaan op dit document. Wanneer historische stukken
van de echtheid en hemelschen oorsprong dezer vinding
gewagen, en tevens door kerkelijk gezag en geleerd-
heid erkend worden, hebben zij 'meer dan historische
waarde. Hier laat ik de vertaling van dit stuk volgen;
behalve het bewijs voor de echtheid der relikwieën,
bevat het nog eenige stichtende trekken aangaande de
vereering der heiligen in het algemeen. Het is genomen
volgens vernieuwd afschrift, door het kerkelijk gerechts-
hot te Keulen gegeven in 1(518- Want, daar door tijds-
verloop de beste stukken verteren en vergaan, hebben
de kloosters altijd gezorgd hun authentièke bescheiden
aan eenig kerkelijk gerechtshof ter onderzoek of ver-
nieuwing aan te bieden. Ook in 1618 gaf de generaal
der Kruisheeren, Augustinus Neerius, 'den prior van
Keulen last, het te Hoey berustende document van 1287
met het zegel der Keulsche Curie voorzien, aan voor-
noemd gerechtshof ter vernieuwing te overhandigen.
Daar las men, hoe Joannes de Eppa, na veelvuldige
verschijningen te Parijs in 1286 ontvangen, de lichamen
der H. Christina, Basilea en Emma had gevonden en
naar verschillende kerken overgebracht; vervolgens weer
te Parijs vertoevende met nieuwe verschijningen van de
H. Odilia en Ida begunstigd, hunne lichamen op de
plaats der marteling ontdekt heeft. De omstandigheden,
waarin alles gevonden werd, liet geen twijfel over of
de H. Odilia behoorde tot de gezellinnen der H. Ursula
enz. enz. Doch laat ik u. Beminde Lezer, de vertaling
zelve leveren, opdat het oude stuk, bij de vinding
zelve gemaakt, uwe godsvrucht bevestige en ver-
meerdere.
Afschrift van het diploom der
Aartsbisschoppelijke Curie te Keulen, vernieuwd
door den Weledelen Hoogwaarden Heer
Zachaens de Horrich, doctor
officiaal en gewoon rechter
van voornoemde Curie (1).
In den naam der Heilige en onverdeelbare Drievul-
digheid, des Vaders en des Zoons en des H. Geestes.
Amen. V^ij, Zachaeus de Horrich, doctor in de rechten,
Kanunnik der uitstekende collegiaalkei k van Sint Gereon
en aldaar Scolasticus, Officiaaf en gewoon rechter van
de Aartsbisschoppelijke Curie te Keulen, maken aan
allen en een ieder afzonderlijk, die dit huidig en open-
baar stuk van het overgenomene zullen inzien, lezen of
hooren lezen, bekend: dat ons op dag en jaar hier
onder aangegeven, van wege en op aandrang van den
pater prior en de broeders van het Kruisheerenklooster
of Convent in deze stad Keulen, is aangeboden, het
hieronder volgend document der heiligen relikwieën,
verzegeld met het onderaangehangend zegel der Aarts-
bisschoppelijke Curie te Keulen, met bijgaand verzoek
ons te gewaardigen dit zelfde stuk vlijtiglijk in te zien
en te onderzoeken, en door onzen notaris te laten ver-
nieuwen en onderzoeken, van welk document de inhoud
volgt en aldus is :
De Officiaal der Keulsche Curie aan allen, die dit
schrift zullen inzien, genade voor het tegenwoordige,
en eeuwige glorie voor het toekomende leven. Het
Katholiek geloof, door geheel de heilige Kerk over den
aardkring beleden, bedriegt niet, noch wordt bedrogen.
Maar alsquot; sommigen, door de zonden hiertoe gebracht,
in hel geloof begonnen te verflauwen, dan zag men dit
door de goddelijke goedheid om de verdiensten en
voorbeden der heiligen, door teekenen en wonderen en
vermaningen van hemelsche geesten, herhaalde malen in
hooge mate hersteld worden. De relikwieën der heiligen,
wier zielen in den hemel rusten en wier voorspraak
bij God wij gevoelen, moeten dus door Christus' ge-
. (1) Zie bijlage 1.
â m â
loovigen met waardige eerbewijzingen, lofzangen en
lofspraken vereerd worden. Daar nu broeder Joannes,
genaamd Novelan, van de Orde des H. Kruises van den
zaligen Augustinus, uit het huis der stad Parijs, een
religieus, prijzenswaardig van leven en gedrag, levende
volgens goedgekeurden regel en kloosterkleed van de
spijzen en het onderhoud door zijn klooster hem ver-
schaft, besloten heeft, met verlof zijner oversten, ten
einde de relikwieën der lichamen uit het getal der
elf duizend maagden overgebleven, te zoeken en uit
te graven, zich tot lof van (Jod en voornoemde maag-
den aan armoede en bedelen nu zoowel als vroeger
in den Heer te onderwerpen ; en wel zooals wij ver-
nomen hebben bewogen door dezen geest, dat gelijk
hij verleden jaar te Parijs zijnde in een drievoudig
visioen vernomen had, naar Keulen te moeten gaan,
(gelijk hij gedaan heeft) en drie lichamen waarvan het
eerste dat van Christina, het tweede van Basilea het
derde van Emma was, welke relikwieën uit het getal
van genoemde maagden waren, te zullen vinden,'wat
gelijk wij weten, d'e uitkomst der gebeurtenis waarlijk
bewees, welke relikwieën hij overgebracht en eervol en
solemneel in verschillende collegiaal kerken geplaatst
heeft: hij andermaal in zijn klooster zijnde gelijke
visioenen van Ida en Odilia maagden van gezegd collegie
ontvangen had, waarom hij, gelijk vroeger te Keulen
komend, waardig was biimen het graf, dat hij met
eigen handen heeft gegraven, hunne 'relikwieën te vin-
den, en dit door Gods genade en om de verdiensten
van voornoemde maagden, op de plaats waar genoemd
heilig collegie volgens oude boeken beschreven wordt,
door een heiligen marteldood ten hemel geklommen te
zijn. Rond welke relikwieën men vasen quot;en kleinodiën
vond, waarin zij gelegd waren, alsmede aarde door
bloed verbonden, gelij'k dit meermalen gezien is bij
andere van hetzelfde collegie. Zoodat wij, uit dergelijke
omstandigheden en andere, uit den allerzoetsten en won-
derbaren geur, uit dezelfde relikwieën uitgeurende,
vastelijk gelooven, dat zij uit het getal van het collegie
der heilige maagden zijn. De dag der opheffing en uit-
graving der relikwieën, van voornoemde Ida en Odilia is
één September, het jaar des Heeren 1287. Wij vragen
en vermanen dan in den Heer alle godvruchtigen, dat
zij ze waardig lot lot van God en der heilige maagden
vereeren, werwaarts deze relikwieën zullen gebracht
zijn ; opdat zij daardoor de vergiffenis hunner zondennbsp;||:
en na den loop des levens met Iien en om hunne ver-nbsp;Sl
diensten het hemelsch vaderland mogen bekomen. Totnbsp;%
getuigenis dezer zaak is het zegel der Keulsche Curienbsp;w
aan dezen brief gehechi ; gegeven in hel jaar des
Heeren en op den dag, zooals hierboven geschreven is.
En wijl voornoemd document, gelijk het boven staat
ons aangeboden, door ons gezieri, en naarstiglijk inge-
zien, door ons gaaf en ongeschonden, hoewel met
gebroken zegel bevonden is,' hebben wij, toegevende ,
aan het verzoek, van gezegd Kruisheerenklooster, als
eerbaar en geoorloofd ; boven ingelast document, vannbsp;ijft
woord tot woord, zonder er iels bij te voegen, te ver-nbsp;'.f
anderen en af te doen, lalen overnemen, copieëeren ennbsp;'jl
in openbare vorm brengen, beslissende en verlangende,nbsp;t
dal aan dit huidig en openbaar alschritt of e.\.emplaar
in het vervolg volle geloof geslagen worde, op alle
plaats en op ieder in het bijzonder, waar dit passende
is, en dat iel overgenome zooveel vertrouwen wekke
en men er in berustte, als legde men het oorspronke-
lijke document voor. Voor hetwelk wij ons gewoon
gezag en oordeel borg stellen. En lol meerdere duide-
ijkheid (ad maiorem evideiiliamj van hel voorgaande
hebben wij dezen onzen brief, door onzen onderge-nbsp;:|t
schreven Notaris en schrijver geteekend, door ons zegel
op den bovenrand staande, doen zegelen, en door aan-nbsp;â jf,
hanging van het grootere en gewone zegel onzer aarts-nbsp;iquot;|
bisschoppelijke Curie doen voorzien. Gegeven en gedaan
te Keulen, het jaar der geboorte 0. H. J. Chr. 1618,nbsp;iï
de eerste indictie, den H September, hel i4 jaar vannbsp;l-
den allerheiligsten Opperpriester, Vader en Heer innbsp;jf?
Christus, Paulus V, door Gods voorzienigheid Paus.quot;nbsp;i^i
Gerust mocht Bannelius, na bovenstaand document in
I
den oorspronkelijken tekst aangehaald te hebben, de
vraag stellen, of dit niet genoegzaam om den meest
ongeloovige van zijn twijfel te genezen. Hoeveel te
meer waarde moeten wij er dan 'niet aan hechten, na
gezien te hebben, hoe hoog het geschat werd door de
H. Congregatie der Ritussen en de uitstekende Bollan-
disten. Een ander stuk, in 1294 te Keulen geteekend,
komt het bovenstaande nog een weinig versterken. Daar
het Kapittel van Keulen wijd en zijd naar godvruchtige
mannen zocht, om den bouw hunner kerk door liefde-
giften of andere werken te bevorderen, was hun oog
gevallen op Joannes de Eppa, wiens deugd en hemel-
sche voorrechten na de vinding der H. Odilia vooral,
openlijk bekend en geroemd waren. Men had hem een
zeer kostbare relikwie, in kristallen remonstrans ge-
sloten, aangeboden en hem verzocht aalmoezen en ge-
schenken voor den bouw der kerk in te zamelen. Daar
dit niet geschieden kon, tenzij op vertoon van een door
het Kathedraal Kapittel verzegelden brief, gelijk later
door den Aartsbisschop Henricus van Virnenburg nader
bepaald werd, stelden zij Joannes een dergelijken ter
hand. Deze, door Bannelius in zijn geheel aangehaald,
bevat de volgende algemeene bevestiging van den voor-
gaande. Joannes genaamd Novelan van de orde des H.
Kruises en van den H. Augustinus, conventuaal te Parijs,
die geruimen tijd te Keulen op een lofwaardige en god-
vruchtige wijze verbleef en het gebeente van zeer vele
lichamen der elf duizend maagden, aldaar in hun martelaar-
schap onthoofd, mei eigen handen opgroef. Hoewel er hier
niets ve'rmeld staat van wonderbare verschijningen en
mirakelen, zien wij enkel door bevestiging van de vinding
der talrijke relikwieën het bovenaangehaald stuk versterkt.
In het jaar 1292 lieten de Kruisheeren te Hoey een
)rachiige relikvviekast vervaardigen te Luik. Nog heden
ean men te Colen, in Belgisch Limburg, dit middel-
eeuwsch kunststuk bewonderen. Onder meer merkwaar-
digs vertoont het den marteldood der H. Odilia. Zij
wei^gert de hand van een woest krijgsoverste der
Hunnen. Zelve sta'dt-ïij geptea^tst tussohen twee barbaren,.
waarvan eene haar schouder en linker arm vastgrijpt,
terwijl de tweede een zwaard boven haar hoofd opheft.
Ook toen schijnt men niet geweten te hebben, of zij
met. pijlen doorschoten of onder het zwaard gevallen
was, gelijk ook uit het tweede stuk boven aangehaald
schijnt te blijken, waar de maagden gezegd worden
onthoofd te zijn. Meestal volgt men nu het eerste ge-
voelen. De inscriptie die volgt en nog geen jaar na de
overbrenging vervaardigd is, toont ons duidelijk, dat
er meer quot;^redenen waren om de godsvrucht lot de H.
Odilia in het hart der Kruisheeren, der bewoners van
Hoej, ja van allen waar zich een kerk of kapel dezer
Orde bevond, aan te wakkeren, dan juist hare ver-
schijning en wonderbare vinding. De inscriptie in oud
Fransch gesteld en op de buitenzijde aangebracht, luidt
als volgtquot;: »In het jaar der zaligheid 1292 is in deze .
tombe quot;neergelegd hel lichaam der H. Odilia, door wie
God veel mirakelen uitwerkte. Dit geschiedde ten tijde
(dat bisschop Joannes zoon van denquot;graaf van Vlaande-
ren was gestorven) dat mijnheer Ilugo, broeder van den
graaf van Henegouwen elekt was, dal de magister Simon
van Leuven deken was der kerk van O. L. Vrouw, en
Roberlus abt van Nieuw Klooster (noufmouslier). De
baljuw Walter was overleden, en Henricus Ilardi was
scliout van Hoey met de .schepenen Joannes de Fi'anchon,
Bartholomaeus quot;de Horion, Henricus le Soris, Joannesnbsp;:
Porcheai, Gilles de Fanchon, Joannes de Monlroal en
Huberlus le Chevrier en geheel de stad Hoey ging dit
heilig lichaam afhalen.quot; Volgens Rannelius had men een
gelijkluidend geschrift, door den notaris van Hoey op-nbsp;!Ã|
gemaakt, in de relikwiekast nêergelegd. Genoemde
schrijver wil de laatste woorden van dit stuk en deze
inscriptie verstaan van de eerste aankomst der reli-nbsp;'f
kwieén le Hoey, ofschoon zij ook en nog beter schijnen
te spreken, van een groote processie en kerkelijke
plechtigheid, die in 1292 bij de opening der oudenbsp;.i
relikwiekast aldaar plaats greep. Hoe dan ook veaslaan,
blijven het twee authentieke bewijzen van de godsvrucht
der bewoners van Hoey en dus zijdelings van de krach-nbsp;f j
m
tige voorspraak der H. Odilia in den hemel, en de
kracht harer relikwieën op aarde. De woorden, door
wie God vele mirakelen uitwerkte, openbaar geschreven
op een tijd, dat men de relikwieën slechts eenige jaren
gevonden had en er dus een menigte getuigen dezer
mirakelen moesten in leven zijn, die voor de waarheid
konden instaan of de valschheid zouden openbaren,
verschaffen tevens een algemeen en rechtstreeksch be-
wijs voor de kracht harer voorspraak. De dag, waarop
men de relikwieën heeft overgelegd, staat niet opgege-
ven. Daar Jan IV van Vlaanderen den 15 October 1292
als bisschop van Luik in den omtrek van Namen over-
leden is (1), moet het stuk in die laatste twee en een
halve maand zijn opgemaakt. Hugo van Henegouwen is
wel elekt geweest en door den Metropolitaan van Keulen
bevestigd ; maar als zijn tegenstander Willem van Bert-
haud, later bisschop van Utrecht, zich op den Paus
beriep, werd de keuze vernietigd en een ander aange-
steld. Met de kerkelijke geschiedenis vergeleken, komt
dus de waarde en echtheid dezer stukken meer uit.
Toen de generaal der orde Fr. Henricus de Noviomago (2),
op Zondag den 10 November -1443 de oude relikwie-
kast opende en de heilige overblijfselen in een nieuwe
verborg, maakte hij een stuk op, betrekking hebbende
op deze verrichting, en een kort verhaal der eerste
ovei-brenging behelzend. Alles door ons aangaande de
verschijning in het vorige deel verhaald, zien wij daar
nader bevestigd. De traditie van het huis te Hoey, het
verhaal, uit oudere stukken opgemaakt, de eerbied van
talrijke hooge personen, de vurige godsvrucht des volks,
de plechtigheden deze verplaatsing vergezellend, om kort
te gaan, alle omstandigheden, daar vermeld, toonen ons,
hoe God de glorie der H. Odilia aan de wereld wilde
openbaren, en tot ons geestelijk en tijdelijk voordeel,
ons hare relikwieën ter vereering schenken. De lezing
en overweging van het volgend stuk, zal uw vertrouwen
en liefde slechts vermeerderen, Beminde Lezer.
(1)nbsp;Habets bisdom Roerm. pag. 178.
(2)nbsp;Annales Ord. S. Crucis. Tem. I. p. 108. Tom. II. p. 89.
â 127 â
O O I B
der brieven van den Hoogeerwaarden lt;Fater-Qeneraal
der Kruisheerent
Henricus de Noviomago. (i)nbsp;||
Tot eeuwige gedachtenis. Daar der menschen geheu-
genis faalbaar en het leven kort is, is het dienstig,nbsp;k
wat in den tijd geschied, door middel van schrift te
doen voortbestaan, opdat het met den tijd niet verlorennbsp;if
ga, of door langen duur niet uit 's menschen geheugennbsp;||
verdwijne, opdat wat thans gedaan en uitgevoerd is
aan de toekomenden, door tijdsverloop eens tegenwoor-
dig, bij geschrifte bekend zij. Vandaar, dat wij, broeder
Henricus de Noviomago, prior van de broeders der
Orde des H. Kruises in het klooster te Hoey, in het
diocees Luik, de vierde na de hervorming (der Orde),
alsmede Magister-Generaal van geheel voornoemde Orde,
aan alle Christus' geloovigen, zoo tegenwoordig als
toekomstig, die dezen brief zullen inzien, willen bekend
makeu, dat wij het jaar des Heeren 1443, den 10 van
de maand November, die op een Zondag viel, onder
voorzitting van Zijne Hoogwaardigheid, onzen Vader en
Heer in Christus, Joannes van Heinsberg, bisschop van
Luik, in tegenwoordigheid der Eerw. broeders Wilhelm
van Zutphen en Joannes van Grave, prioren te Namen
en Luik, alsook van alle broeders uit het convent van
Hoey (hier volgt de geheele lijst met voornaam, naam
en officie, priesters, fraters, leekebroeders, donaten en
knechts), ook van Petrus de Fanson, edelridder en
schepen der stad Hoey, die met den Weledelen man
Aegidius Pollart, burgemeester, alsmede vier priesters
in albe, de Capsa met de H. relikwieën, na afloop der
plechtige Mis, godvruchtig in de processie gedragen
heeft. Daarenboven waren aanwezig Walther de Modave,
oud-burgemeester, die om zijn vurige godsvrucht jegens
ons, ook van het convent verkregen heeft, bij ons zijn
verblijf te vestigen, en zich voor de poort achter de
(1) Zie bijlage 111.
â quot;öi?.
kerk een huis heeft laten bouwen, om zoo meer bereid
te zijn voor de goddelijke diensten: Joannes Sapin
stedeling, Nicolaus Busketal, openbaar Notaris en vele
anderen' van een talrijke menigte uit beider geslacht,
die uit godsvrucht tot deze plechtigheid waren samen-
gekomen: dat wij met allen eerbied en godsvrucht,
waartoe wij in staat waren, met hymnen en geestelijke
liederen onder de Hoogmis na de offerande, de heilige
i^elikwieën der glorierijke Maagd en Martelares en onze
patrones Odilia, uit de oude Gapsa, weleer te Luik
vervaardigd met een Fransch opschrift, welks inhoud
woordelijk hier op den rand staat, hebben overgelegd
in een andere nieuwe, gemaakt in de stad Doornik, en
met alle schoonheid versierd; tegelijk met de overige
relikwieën in dezelfde oude Gapsa, afzonderlijk inge-
wikkeld, ontdekt, welke wij niet twijfelen of' zij zijn
van de zusters der gezegde maagd Odilia geweest. Wij
wenschen als loon voor arbeid en kosten, dat deze
luisterrijke Maagd en Martelares als verontschuldigster
onzer gebreken nadere bij haren allerzoetsten Bruidegom,
onder wiens schaduw zij rust in den middag, en weidt
te midden der leliën. Hij töch de bruidegom der maag-
den, het onbevlekte Lam, de eenige Zoon van God den
Almachtigen Vader en der Moedermaagd, heeft getuigd,
zeggende: wat gij een van mijne minsten gedaan hebt,
hebt gij mij gedaan. En wederom zegt hij, die een
profeet aanneemt in naam des profeets, zal het loon
van den profeet ontvangen enz. Wij vermelden daaren-
boven, wat wij zwijgend dachten voorbij te gaan, opdat
tegelijk met het vermelden der vrome godsvrucht, even-
eens het begin der eerste vinding van voornoemde
maagd bekend worde, en de vruchten van dank en van
vurig gebed voor ons worden vermeerderd. Er leefde
namelijk in de stad Parijs een zeker voornaam msn,
kruisbroeder van orde en leven, leekenbroeder met
name Joannes Novelan de Eppa, die God gedurig smeekte
voor de zaligheid en heiligheid der orde. Deze aan-
schouwde een nachtelijk visioen, en zie een luisterrijke
maagd, als uit deir hoogeren hemeltrans neergedaald.
helder van blik en vriendelijk van gelaat, een vaandel
met hel kruis geteekend in de hand, zeide, terwijl zij
de oogen van den aanschouwer trof: »Ik ben Odilia,
weleer dochter van Keizer iVIaroinaeus. Sta derhalve op,
mijn beminde, haast u, en gelijk gij verleden jaar door
wonderbare verschijningen mijner gezellinnen Basdea,
Christina en Emma verkwikt, de lichamen, die zij had-
den, terwijl zij op de golven dezer wereld voeren, ge-
lukkig gevonden, godvruchtig vereerd en plechtig in
verschillende kerken geplaatst hebt; zoo zult gij ook
nu, andermaal door gelijke woorden opgewekt, heen-
gaan, en mijn lichaam en dat mijner zuster Ida in den
duisteren schoot der aarde geborgen vinden, welke gij
met gelijken eerbied opnemen en naar Hoey, het hoofd-
klooster uwer Orde brengen zult. De almachtige God
heeft daar onlangs deze uwe Orde doen herleven, opdat
door den overvloed mijner verdiensten de tempel ge-
zuiverd, de Orde verbreid, en de zwakheid der volkeren
van nu tot het einde der eeuwen door mijne gebeden
bij den strengen Rechter geholpen worde. De dag nu
der verheffing uit de aarde van de lichamen der ge-
noemde maagden is het jaar des Heeren 1287, 1 Sep-
tember. Wij vragen derhalve en wekken in den Heer
op alle Christen geloovigen, die dit ons huidig schrijven
zullen lezen of hooren, dat zij, tot eer van God en de
heilige maagden, de reeds dikwijls genoemde relikwieën
waardig vereeren, om alzoo na vergiffenis aller zonden
door hunne verdiensten het eeuwige leven te verwerven.
Tot getuigenis en versterking der waarheid van al het
voorgaande, hebben wij, broeder Henricus voornoemd,
dezen brief doen bekrachtigen, door aanhanging des
zegels van ons Generaalsambt, tegelijk met de zegels
van broeder Wilhelmus te Luik en broeder Joannes te
Namen, prioren der Kloosters; van Petrus de Fanchon,
edel ridder, Aegidius Pollart, Walther Modave, Joannes
Sapin, Nicolaus Busketial voornoemd, die bij al het
voorgaande te zamen en afzonderlijk aanwezig waren
en het zagen geschieden, gelijk het boven beschreven is.
â Hl'
B
I»-i
vi â
â v;3
i
ii
i
I
.si
si
1
En wij broeder Wilhelmus, broeder Joannes, Petrus,
Aegidi us, Walter, Joannes, Nicolaus boven genoemd,
M'ijl wij bij het bovenstaande gelijk geschreven is, eer-
biedig aanwezig waren, en het aldus'zagen geschieden,
hebben daarom tot gedachtenis der zaak en versterking
dor waarheid van het bovenstaande, gemeend, onze
zegels aan dezen brief te moeten hechten. Jaar, maand
en dag boven aangegeven.
Op den rand van dit stuk las men de Fransche
inscriptie waarvan ik den tekst blz. 12S heb aangegeven.
Behalve deze stukken heeft raen in de Orde der
Kruisheeren nog talrijke schrijvers, die getuigenis afleg-
gen van de vele mirakelen en gunsten, door hare
voorspraak verkregen. Zoo verhaalt Russelius (1), dat
toen na de keuze van Libertus Bommelius tot Generaal
de relikwiekast der H. Odilia geopend werd, de vroeger
zoo dikwijls aanschouwde mirakelen zich herhaalden.
De Kruisheeren en het volk waren opgetogen van
vreugde. Een Heilige Mis en schitterende processie ter
eere der H. Odilia gehouden, drukten de dankbaarheid
uit van volk en geestelijken. Ter gedachtenis aan deze
feilen voerde Generaal Bommelius quot;de gewoonte in, op
den derden dag van het Generaal Kapittel een H. Mis
ter eere der H. Odilia aan God op te dragen. Arnoldus
van Gloetingen, kloosterling en prior te Goes, heeft, na
om zijne geleerdheid te Hoey geplaatst en tot Generaal
verkoren te zijn, de translatie der H. Odilia met veel
godsvrucht verhaald. Uit zeer oude schrijvers haalt hij
aan, dat er, sedert de H. relikwieën te Hoey rustten,
dagelijks zieken derwaarts gevoerd werden, en er geen
dag voorbijging zonder gunsten of wonderbare gene-
zingen, door aanroeping der H. Odilia. Petrus van
Amsterdam zegt ons, dat men alle soort van ziekte bij
alle geslacht of leeftijd door de voorspraak der H. Odilia
met de kracht van Christus genezen zag. »Talloos,quot; zegt
pater Hertzworms, »zijn de nnirakelen die niet slechts
»te Hoey, maar ook in andere kerken der Orde door
»de vei'diensten der H. Odilia geschonken werden.quot;
(!) Ann. Tom. F pag. 95
w
Dit zijn slechts algemeene getuigenissen. In de volgende
hoofdstukken zullen meer bijzondere gebeurtenissen uit
dezelfde schrijvers worden aangehaald. Een ander zijde-
linksch bewijs van de kracht harer voorbede kan ge-
trokken worden uit de gunsten door de H. Kerk aan
deze godsvrucht geschonken, waardoor de geloovigen
tot bijzonder jertrouwen werden opgewekt. ïoen innbsp;^nbsp;|
het jaar 1372fciemens zich als Paus verhief tegen den y/r^^C^ V;
wettigen Urbanus Vléquot;, had de Generaal der Kruisheeren,--
Pincharius met bijzondere moeielijkheden te kampen.
Frankrijk en Engeland, waar de meeste huizen der Orde
waren, hielden de partij van Clemens. De Generaal
Pincharius stelde alles in het werk om geheel de Orde
voor den wettigen Paus te bewaren (1). Eenige kloos-
terlingen, het juk der gehoorzaamheid moede, schaardennbsp;.|f
zich in voornoemde landen bij de onwettige partij, be-
schouwden hun Generaal als scheurmaker en begonnen If
zijne voorschriften te verachten. Door geduld, kracht p
en wijsheid, slaagde Pincharius er in de weêrspannigen
te bekeeren en geheel de Orde de gehoorzaamheid aan ^
den wettigen Opperherder te doen bewaren. Pileus, i'
Kardinaal van St. Praxedis, pauselijk legaat in Duitsch- |;i
land, spoedde zich bij het vernemen dezer opofferende !c;|
en uit echt Katholiek beginsel voortspruitende gehecht- l^f^'
heid, den Generaal te beloonen (2). In een stuk gedag-
teekend den 29 Juli 1380, te Heidelberg, toenmaals
diocees Worms, het tweede jaar der regeering van Ur-
banus VI verleende hij onder meer gunsten, een aflaat
van 100 dagen aan alle, die aanwezig waren, in een preek j. |
onzer kloosterlingen, alsook aan allen, die de Kruis-
heerenkerken zouden bezoeken op verscheidene bepaalde |4
dagen, waaronder de feestdag der H. Odilia genoemd ^^
staat. Menig lezer zal zich misschen verwonderen over
de kleinheid van dezen eersten aflaat. Doch men bemerke,
dat in de veertiende eeuw de schatten der kerk, de 11
aflaten althans buiten Rome, zoo mild niet uitgedeeld
waren, als thans door de goedertierenheid der Pausen
geschied. Door deze geestelijke voordeden aangezet,
(1 Annalen Tom. I pag. 74. (2) Ibid. Tom. II pag. 173.
â ü
nam de godsvrucht tot de H. Odilia met den dag toe
en mocht het volk hare gunsten en voorboden ruim
ontvangen. Omtrent 4500 werd in de kloosterkerk der
Kruisheeren te Luik de broederschap der H. Odilia
opgericht. Alle rang en stand liet zich weldra inschrijven.
De bloei der broederschap stelde haar weldra in staat
een schitterend bewijs harer godsvrucht tot Odilia te
geven. In het koor der Kerk liet zij, volgens pater
Bannelius, een prachtig geschilderd raam plaatsen, den
marteldood der IL Odilia voorstellend. In 4663 verrijkte
Paus Alexander VIL haar met groote aflaten (4). »Daar
wij vernomen hebben,quot; zoo begint de breve; »dat in
»de Kruisheerenkerk van den H. Mathaeus te Luik, een
»godvruchtige en devote kanoniek opgerichte Congregatie
»bestaat voor beider geslacht ter eere der H. Odilia,.....
»verleenen wij opdat deze broederschap dagelijks toe-
»neme enz. 4° Een vollen aflaat op den dag der aan-
»neming, 2° een in het uur des doods, 3quot; op den
»feestdag der H. Odilia van de eerste vespers tot zons-
»ondergang.quot; Wederom een bewijs hoe de voorbede
der heilige door Paus en volk gewaardeerd en hare
hulp gezocht werd. Toen de Katholieke Kerk in Neder-
land hare knellende boeien zag slaken, en de twee,
aldaar overgeblevene kloosters van St. Agatha en üden
weder heerleefden, vroeg de Hoogeerw. Heer Henricus
v. d. Wijmelenberg, toenmaals commissaris der Orde,
zijne heiligheid Gregorius XVI om een altijddurenden
vollen aflaat toepasselijk aan de geloovige zielen, te
verdienen op den feestdag der H. Odilia en deszelfs
octaaf, door allen, die voornoemde kloosterkerken be-
zoeken. Na deze gunst verkregen te hebben, zond
dezelfde in 4853 tot Generaal der Orde gekozen, ten
jare 4856 een nieuw verzoekschrift naar Rome, om de
vroeger verleenden aflaat tot alle andere kloosters der
Orde, reeds opgericht ot later op te richten uit te
strekken. In audiëntie gehouden 20 Jan. 4856, zoo
schreef Barnabo, secretaris der congregatie tot voort-
planting des geloofs heeft Zijne Heiligheid Pius IX deze
' (1) Yrïüslanion dè S.'Obile'pag. 108.quot; ⢠⢠... . .
gunst welwillend toegestaan, waarop Mgr. Deppen Ep.
Adj. Del. verlof gaf dezen aflaat te verkondigen. Zoo
neemt de godsvrucht tot de H. Odilia van eeuw tot
eeuw toe, terwijl de volken voortdurend haren bijstand
ondervinden (I). Wanneer men acht geeft, (zoo veroorloof
ik mij de Kruisheeren van Luik na te schrijven), op
den wonderbaren, genoeg bekenden toeloop, die mennbsp;|»
in onze kerken ontwaart'^ vooral tijdens het octaaf dernbsp;il
H. Odiiia en dat zelfs van verre streken; ik voeg er
bij, als men let op de welwillendheid van Paus en
Kerk, hare vereering met vele aflaten verrijkend, zal
men zich gemakkelijk overtuigen, dat er vele gunsten
en genezingen vooral naar de ziel verleend worden,
hoewel zij voor het oog der wereld verborgen blijven,
en dat Odilia's voorspraak bij baren goddelijken Brui-
degom krachtig is. ïoch scheen de godsvrucht tot de
H. Odilia een zware beproeving te moeten ondervinden.nbsp;,
De Kruisheerenorde bezat weleer een eigen brevier,
gelijk thans de Paters Dominikanen en Karmelieten nog
bezitten. De Generaal H. v. d. Wijmelenberg oordeeldenbsp;[g
het passend zich in de lithurgie volmaakt aan de Kerknbsp;E
van Rome gelijkvormig te maken. Ondanks ondervonden
tegenstand, schafte hij den eigen brevier af om dennbsp;, f
Romeinschen aan te nemen. Deze echter bevatte het
feest der H. Odilia niet. Men moest dus aanvragen een
aan den Romeinschen brevier passend en nieuw gevormd
feest dezer heilige. Den 28 Aug. 1856 ontving de
Hoogeerw. Generaal een schrijven, onderteekend doornbsp;1.
den Kardinaal Patrizzi, prefect van de Congregatie der
H. Ritussen, waarin andere feesten werden toegestaan,
maar aangaande het feest der H. Odilia het volgende
gezegd werd (2;: »Wat eindelijk het feest der Translatienbsp;\%
»van de H. Odilia betreft, hetgeen UH.E. verzocht tenbsp;|
»mogen vieren, volgens eerste klas met octaaf, daar-
»omtrent kan de H. Congregatie vooreerst geen beslis-
»sing nemen, omdat van'de H. Odilia in het Romeinschnbsp;^
»martyrologium geen gewag gemaakt wordt. Tot goed-
»keuring van dit feest is hetquot; volstrekt noodzakelijk niet
⢠(t^ !i)M!-pag. 40«. -(2i Anjialon-Tom. II.' pag. 086. ...
' I
i J
â m â
»slechts.het officie en de Mis op te zenden, die de
»reguhere kanunniicen van het H. Kruis tot heden ge-
»woon waren te zingen; maar het is ook noodig der
»Congregatie inlichting te geven aangaande de wettig-
»heid en langen duur der vereering, alsmede de bronnen,
»waaruit deze geschiedenis genomen werd.quot; Valschheid
schuwt het licht, waarheid wenscht zich te openbaren.
Zoo geschiedde het met de godsvrucht tot de H. Odiliaquot;
De gevorderde bronnen en inlichtingen waren spoedig
verzameld. De talrijke schrijvers in en buiten de Orde
de archieven der nog bestaande kloosters stelden daartoe
ruimschoots in de gelegenheid. Een jaar later had de
H. Congregatie reeds de geheele zaak onderzocht en
schreef de Kardinaal Patrizzi, dat het onder meer, den
Kruisheeren veroorloofd was, het feest der H. Odilia
te vieren als dubbel van de eerste klas met octaaf, daar
de Orde deze Heilige reeds van af 1287 als haar voor-
naamste Patrones vereerde (1). Hij voegde er een nieuw
feest der H. Odilia bij, opgesteld volgens de regels
der H. Congregatie. Deze kleine tegenspoed viel luis-
terrijk uit voor de vereerders der H. Odilia, die juist
door dit kerkelijk onderzoek de echtheid der godsvrucht
meer bevestigd en hun vertrouwen meer verlevendigd
zagen. Opdat het vertrouwen der lezers op de voorspraak
der H. Odilia vermeerdere, laat ik hier den tekst der
tweede Nocturne uit het officie vertaald volgen De
woorden door kerkelijk gezag samengesteld om op naam
der H. Kerk in Gods aanbiddelijke tegenwoordigheid
gezongen te worden, maken altijd een bijzonderen
iridruk. »De zahge Maagd en Martelares Odilia, wier
»lichaam ten jare 1287, op de kalenden van September te
»Keulen ontdekt werd, is, volgens oordeel der Keulsche
»Curie, gehouden voor gezellin der H. Ursula en deel-
»genoot in haar martelaarschap. Den 13 derzelfde maand
»IS het lichaam naar Hoey overgebracht en in de kerk
»van den H. Petrus nedergezet, 's Anderendaags, toen
»men de plechtigheid van Kruisverheffing vierde, zijn
»de reguliere kanunniken van het H. Kruis met de
(1) Annalen tom. III, pag. 761.
»geestelijkheid en geheel het volk der stad, na hun
»gebed gestort te hebben, derwaarts gegaan, hebben
»de H. Overblijfselen van daar genomen en naar de
»collegiale kerk der H. Maria overgebracht. Na God
»bedankt te hebben, voerden zij ze naar hunnen tempel,
»waar zij nog beslaan; en de zalige Odilia, schitterend
yydoor vele mirakelen, houdt niet op bij God de Patrones
»te zijn èn der Kruisheeren èn van het volk te Hoey.quot;
Zien wij, door deze woorden uit de kerkelijke getijden,
door dit ernstig en streng onderzoek der Roomsche
Congregatie, niet helderder uitkomen, hoeveel de H.
Odilia vermag bij God, en hoe voordeelig ons eene innige
godsvrucht jegens haar wezen moet. Hadde ik met
reeds in het vorige deel en zelfs in dit hoofdstuk mel-
ding gemaakt van den ontzaggelijken toeloop volks op
haren feestdag, zoo voorheen als thans, ik zou hier
deze godsvrucht beschreven en aangezien hebben als
een zijdelinksch en algemeen teeken van het nut dezer
devotie. De godvruchtige Kardinaal Erard v. d. Marek,
die van 4506 lot zijnen dood in 4538 het prinsbisdom
Luik met veel beleid en vroomheid bestuurde, wijdde
zich en zijne staten aan de H. Odilia toe. Hij mocht
hare bescherming ondervinden en liet nog in leven een
beeld van zich vervaardigen in geknielde houding;
geplaatst voor de relikwieën der Heilige, droeg het
beeld Code een hart op door Odilia's bemiddeling. Het
gevoelvol opschrift luidde: »gt;'o«is decipimiir, tempore
fallimur, mors ridet curas, Anxia vita nihil.quot; Door de
wenschen worden wij misleid, door den tijd bedi-ogen.
De dood lacht met oiize zorgen. Het leven is beangstigd
en niets. Moge hij zich thans verheugen in hel heerlijk
gezelschap zijner H. Patrones, die hij zoo vurig vereerd,
èn op wier krachtige voorbede hij de nakomelingschap
door dit monument gewezen heeft. Ook Ferdinand van
Beieren, Aartsbisschop en keurvorst van Keulen en
verder prins-bisschop van Luik volgde den Kardinaal
V. d. Marek na in vertrouwen op de H. Odilia. Hij
oordeelde geen middel meer geschikt om den burger-
oorlog in zijne staten te bedaren, dan de toevlucht tot
deze heilige. Hij deed ter harer eere geloften, liet voor
hare relikwieën een kostbare zilveren lamp hangen en
smaakte een bijzonder genoegen in het houden zijner
geestelijke afzondering in den schaduw van haar heilig-
dom. Wij moeten den Eerw. Pater Aegidius de Vreeze,
te Deventer geboren, te Keulen geprofest en later te
Venloo als professor en in Duitschland als prior werk-
zaam, de vereeuwiging der godsvrucht van dezen vorst-
bisschop dank weten. In zeer sierlijke Latijnsche verzen
roemt hij de godsvrucht van dezen prelaat en bezingt
he} leven der H. Odilia. De godsvrucht dezer hoogge-
plaatste personen tot de H. Odilia, bij wie ik nog
andere zou kunnen voegen, de talrijke schrijvers, die
den lof der H. Odilia verkondigen, mag ik beschouwen
als tolken van de godsvrucht des volks als zijdelinksche
bewijzen van Odilia's macht. In het martyrologium van
Usuardus uitgegeven te Keulen in 1490 en later aldaar
herdrukt, staat op den 18 Juli (15 voor de Kalenden van
Augustus) het feest der H. Odilia en de overbrenging
harer relikwieën vermeld. Zoo ook in de Antwerpsche
uitgave van de 17=quot;= en IS'quot;^ eeuw. Behalve in de boven
dikwijls genoemde werken van Gloetinsren Joannes de
Noviomago, Bannelius, Russelius, Hertzworms, van de
Kruisheeren te Luik, in de uitgave van 1765 en een
later werkje in deze eeuw uitgegeven, staat de lof der
H. Odilia vermeld in een werk over de Luiksche bis-
schoppen van Joannes Presbyter, in het chronicon
Gemblaticense, in het chronicon Leodiense enz. De
religieuse verzamelaar van het Florarium Sanctorum
Belgii stelt haren feestdag op 17 Juli (waarom? mij
onbekend) het jaar harer overbrenging in 1285, wat
zonneklaar een vergissing is, daar authentieke stukken
het jaar 1287 aangeven. Overigens noemt hij Odilia,
eene der maagden, Ursula tot troost geschonken. Joannes
Molanus vat in het kort de geheele geschiedenis der
H. Odilia samen. Hermann Fleien, pater Erhardus Win-
heim Carthuiser, Crombach S. J. in zijn Ursula vindicata,
Chapeauville. die in den aanvang van 1600 de stukken
in het klooster te Hoey aanwezig, persoonlijk kwam
onderzoeken, en vele anderen verkondigen haren lof en
zijn de getuigen van de godsvrucht des volks, van de
duizende gunsten door hare voorspraak verkregen. Dit
hoofdstuk beginnend, wilde ik u in het algemeen de
krachtige hulp toonen, ons door de H. Odilia bij God
verleend. De stukken harer overbrenging, die de waar-
heid harer vinding en verschijning bevestigen, de ver-
melding harer mirakelen in het algemeen, de welwil-
lendheid van den H. Stoel in het verleenen van aflaten,
thans nog bijzonder door de mildheid van Z. H. Paus
Leo XIll ter gelegenheid van dit 600-jarig jubilé be-
wezenquot;, de lange duur der godsvrucht, schitterend aan-
getoond door het stuk van kardinaal Patrizzi, de gods-
vrucht van kardinalen, bisschoppen, schrijvers, heb ik
hiervoor aangehaald. Moge hij, die door mindere be-
kendheid met de H. Odilia geringer godsvrucht gevoelde,
door dit alles overtuigd en geleerd een heilige devotie
en krachtig vertrouwen verkrijgen. Voor u, B. L., die
wellicht liever de macht der H. Odilia in bijzonderheden
ziet, ga ik thans een reeks van gunsten en mirakelen
uit geloofwaardige schrijvers bijeenverzamelen.
VIERDE HOOFDSTUK.
Volgens verhaal van pater Arnoldus van Gloetingen,
die voor een groot gedeelte ooggetuige was en het
overige uit den mond der toeschouwers vernam, werd
de stad Hoey ten jare 1482 door een aanstekende ziekte
vreeselijk geteisterd. Een brandende koorts greep de
lijders aan, bracht ze tot razernij, maakte ze voor
anderen onverdragelijk, zoo de dood toefde, of stelde
in eenige oogenblikken een einde aan hun leven. Dage-
lijks werden uit het stads hospitaal vier of vijf dooden
grafwaarts gedragen. De stedelijke overheid verbood,
na lang beraadslagen, voor het algemeen welzijn, iemand
de stad in of uit' te laten. Deze maatregel stuitte de
ziekte echter niet. Wel scheen zij in de maand September
een weinig bedaard en later geheel verdwenen, raaar
verborgen voortsmeulend, brak zij plotseling in 1483
omtrent het teest van Paulus' bekeering met vernieuwde
woede uit. Feller dan ten vorige jare, was het niet
meer mogelijk haar lot eenige wijken te beperken. Als
een laaie vlam tastte zij huis voor huis aan; geen
familie in de stad, die geen doode te betreuren of zieke
te verzorgen had. Zestien Kruisheeren stierven als slacht-
offer dezer ziekte, zes andere werden aangetast en
genazen door Gods barmhartigheid. Tegen het einde der
maand Maart waren er meer dan 4000 personen begraven,
zoo fel was de besmetting. Als de inwoners, ten einde
raad, begonnen in te zien, dat menschelijke hulp niet
meer baatte, sloegen zij hunne oogen op God. Om
hunne misdrijven had God hun misschien die ziekte als
straf overgezonden; wierpen zij zich ootmoedig voor
zijne voeten neder, misschien zou Hij, (zoo hoopten zij)
zijn straffende hand terugtrekken en de geslagen wonden
heelen. Vreezend voor zijn streng oordeel en bezorgd,
dat geheel de stad uitstierf, schreven zij openbare ge-
beden en plechtige processiën voor, om den toorn des
hemels af te weren. Na reeds verscheidene gewone
omgangen gehouden te hebben, moest er een processie
plaats grijpen, waar geheel de geestelijkheid aandeel
nam, en die in pracht en plechtigheid, de andere over-
trof. Vier priesters der Kruisheeren droegen de tombe,
waarin het lichaam der H. Odilia rustte. De supprior
Henricus van Sneek en de latere Generaal Arnoldus van
Gloetingen droegen het hoofd der H. Odilia in een
zilveren buste gesloten eerbiedig rond. Twee donaten,
een bijzonder soort leekenbroeders aan het huis ver-
bonden tot werkzaamheden buiten de kloostermuren
voornamelijk geroepen, droegen de relikwieëu der H.
Emma en Ida. Andere kloosterlingen van het H. Kruis
waren niet aanwezig. Zij lagen in het klooster aan de
vreeselijke ziekte ten prooi of waren reeds overleden.
Eenige moesten mogelijk achterblijven om de zieken te
verzorgen. Zonder orde werden de tombes dikwijls
zelfs gedragen door burgers- van Hoey, die zich in
heiligen ijver om het gebeente der H. Odilia verdrongen.
Men streed zelfs om deze eer en om het geluk aldus
zijne godsvrucht te mogen voldoen. De dichte menigte,
zich tijdens de processie om de H. Odilia verzamelend,
de fakkels en waskaarsen, rond hare overblijfselen ge-nbsp;m
dragen, toonden duidelijk, waar de door God bezochtenbsp;p'
menigte, heul, troost, voorspraak en bescherming zochtnbsp;|
te midden dezer ellende. Na den afloop der processie 'y
verheten de Kruisheeren de collegiaalkerk van O. L.nbsp;|gt;
Vrouw, en brachten, waarschijnlijk daartoe aangezocht,nbsp;|
de H. relikwieën naar de kerk der Augustinessen, ge-
naamd ter St. Aldegonde. Al de religieusen van dit
klooster naderden om de relikwieën godvruchtig te
vereeren. Kerkelijke lofzangen en liederen werden aan-
geheven; en toen de Kruisheeren met den hun toever-
trouwden schat de kerk wilden verlaten, weêrhield de
menigte hen, smeekend de tombe nog eenmaal neder
te zetten in de parochiekerk van den H. Mengoldus en
alzoo gelegenheid te verschaffen de relikwieën te ver-
eeren en m.et aandrang en vuur de hulp der H. Odilia
in te roepen. Als de Kruisheeren zich eindelijk tot
vertrek gedwongen zagen, stroomde geheel de stad hen
biddend en Gods lof zingend na. De kerk te Glairlieu,nbsp;|
waar men inmiddels was aangekomen, scheen te klein,nbsp;| j
zoo groot was de toeloop des volks. Niet tevreden, de
H. Odilia door hun vertrouwvol gebed en plechtige
processie vereerd te hebben, drong men de weinige
Kruisheeren, na de besmettelijke ziekte nog overgebleven,
volgens oud en langdurig gebruik water te wijden ter
eere der H. Odilia. Eenige zieken gebruikten het met
vertrouwen en voelden zich eensklaps genezen. Anderen,
die door de vreeselijke ziekte zoo getroffen waren, dat
zij hun bed niet konden verlaten, werd het door de
wonderbaar genezene zelve tehuis gebracht. Mirakelen
volgden elkander op, de pest week en allen verkon-nbsp;H
digden luide: »God heeft door de voorspraak der H.
Odilia Hoey uit de banden des doods bevrijd.quot; Geennbsp;? j
wonder, dat de godsvrucht, reeds zoo diep in het hartnbsp;||
f
'i
. dexcr lifideii geworteld,. doqr deze won^Jeren vermeer-
gt;â 1
â i
derde en zich verder uitbreidde. Henricus a Cloetingen
heeft de bewoners van Hoey later nog dikwijls op dit
heugelijk feit gewezen en het der nakomelingschap in
schrift verkondigd. Hetzelfde jaar was getuige van een
ander dubbel wonder. Margaretha Delseme, wonende
op de beestenmarkt te Hoey, was door dezelfde pest
schrikkelijk aangetast. Zij was in gezegende toestand
en geraakte door de hevigheid der ziekte in barensnood.
De smarten en weeën, die nu volgden werden grooter,
daar zij ontijdig en door de ziekte verscherpt waren.
De vader, bij wien zij te huis was. raakte buiten zich
zeiven van angst en vertwijfeling. Vervuld van droef-
heid, was het hem onmogelijk haar te verzorgen, zoodat
hij ze geheel overliet aan de zorg der geneesheeren en
buurvrouwen, wier hulp hij had ingeroepen. Zijn hart
voelde hij breken, bij de gedachte zijn dochter en
kleinkind te zullen verliezen, en dit laatste zonder het
door de wateren des doopsels herboren te zien. Zoo
te moede snelt hij zijne woning uit,- koopt eenige
voorwerpen van godsvrucht om ze aan het altaar van
de H. Odilia le offeren, werpt zich neder voor hare
beeltenis en smeekt de Heilige vurig, zich toch te ge-
waardigen zijn krachtige voorsprekeres bij God te zijn,
opdat de kracht zijner dochter vermeerderd en haar
kind niet aan dit leven ontrukt zou worden, zonder den
doop le hebben ontvangen. Na zijn gebed beval hij
zijne dochter vurig in de gebeden en sacrificiën der
religieusen en verliet met een bedrukt gemoed de kerk.
Nauwelijks buiten, ontmoette hij reeds eenige zijner
dienstknechten met de blijde tijding: uwe dochter heeft
buiten alle hoop en verwachting een zoon gebaard, en
is zelfs van de vreeselijke ziekte genezen. De vader
geraakte builen zich zeiven van vreugde. Dankbaarheid,
geestelijke troost, blijdschap en bewondering overstelpten
zijn hart. Zonder naar huis te gaan, keert hij op zijne
schreden terug, de kerk binnen, niet ophoudend God
en de H. Odilia voor de verleende gunsten te danken.
Ook Margaretha heeft deze weldaad nimmer vergelen,
maar ze tot lof van God en de H. Odilia geheel haar
leven luide verkondigd. Een ander wonder, aan het
vorige zeer gelijk, had er omtrent denzelfden tijd even-
eens te Hoey plaats. Joannes Thibauts was in diepe
droefheid gedompeld door hel doodsgevaar zijner vrouw.
Toen toch 'laar uur nabij kwam, en Joannes zich reeds
verheugde weldra vader genoemd te worden, hadden
haar zooveel smarten en moeielijkheden overvallen, dat
zij van den dood niet ver meer verwijderd was. De
ontsteltenis van Joannes is dus licht te begrijpen. Bijna
tot wanhoop gebracht, ontwaarde hij op eens in zijn
hart een beweging (misschien gegeven door zijn H.
Engelbewaarder) de hulp der H. Odilia in te roepen,
wilde hij zijne vi'ouw van hel doodsgevaar bevrijd zien.
Zonder aarzelen gaf hij aan deze goede ingeving gehoor.
Zoovelen waren reeds uit dreigende gevaren gered, ook
zijn smeekingen zou de H. Odilia niet versmaden. Hij
haast zich haar altaar te bezoeken en doet de gelofte
zijn kind aan de H. Odilia toe te wijden, als zijn vronw
behouden bleef en haar kind gezond ter wereld bracht.
Aan den koster verhaalt hij zijn bedroefden toestand
en beveelt zijne vrouw in de gebeden der kloosterlingen.
Toch kon hij, buiten de kerk gekomen, de treurige
gedachte niet ter zijde zetten, zijne vrouw te zullen
verliezen. Welke vreugde dus voor hem, den gelukkigen
afloop te vernemen uit den mond van een bode, hem
te gemoel gezonden. Zonder weeklagen en schreien had
zijne vrouw gebaard, zoodat allen dit als een wonder-
bare hemelsche gunst beschouwden. Joannes heeft zijne
gelofte later trouw vervuld, zijn zoon droeg hij der H.
Odilia op en kocht hem later door verschillende offers
vrij. Hoezeer de devotie tot de H. Odilia door zulke
schitterende feiten toenam, bemerkt een ieder. Niemand
werd later te Hoey door deze besmettelijke ziekte aan-
getast of hij snelde naar het altaar der Heilige. Gezonden
zelfs, vreezend door de ziekte le worden besmet, trachtten
zich door Odilia's hulp er voor te hoeden. Was een lid
der familie met de wondervolle genezing begunstigd,
dan vereenigden al de leden zich met vrienden en be-
kenden om hunne dankgebeden te storten en passende
崉 1
V
U
'M
exvoto's op het altaar der heilige neêr te leggen. Aldus
Petrus van Amsterdam.
Nog een ander mirakel, in tijd en omstandigheden
veel met de vorige overeenkomend, laat ik als slot van
dit hoofdstuk volgen. Een aanverwante der bovenge-
noemde Margaretha Delseme geraakte zeer ontijdig'in
barensnood. Met snikken en tranen riep zij de hulp der
H. Odilia in. In volle bewustzijn mijner onwaardigheid,
zoo smeekte zij, begeef ik mij tot uwe onbegrijpelijke
barmhartigheid en goedheid. O glorierijke Maagd Odilia!
Ik weet, gij zijl thans, na veel bitter lijden, in gezel-
schap van uwen goddelijken Bruidegom, gij verheugt
u in onbeschrijfelijke glorie. Ach! hoevelen hebt gij
veriost van de pijnen die mij kwellen. O! ik bid u, om
de liefde van Christus, gedenk toch mijner, wees mijne
voorspraak bij uwen hemelschen Bruidegom. Red mij
uit dit dreigend doodsgevaar. O, zoo mijn gebed, door
u Gode opgedragen, verhoord wordt, zoo het doodsge-
vaar mij verlaat en mijn kind gezond ter wereld komt,
zal ik het, zoo het eene dochter is, naar U noemen tot
blijvend aandenken uwer goedheid. Zulk een hartelijk
en vertrouwvol gebed kon de H. Odilia niet onverhoord
laten. De zieke moeder nuttigde na deze bede een
druppeltje water, ter eere der H. Odilia gewijd, werd
wonderbaar uit het gevaar gered, baarde eene dochter
en, God lovende, noemde zij haar, Odilia.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Tot in Trier was de roem dezer mirakelen in 1483
doorgedrongen, en spoorde ook daar de zieken aan bij
den troon der H. Odilia hulp en troost te zoeken.
Ziehier, hoe het vertrouwen van één dezer beloond
werd. In voormelde stad woonde omtrent dien tijd een
edelvrouw, welke, door een beroerte getroffen, aan
bijna alle ledematen verlamd was. Haar gelaat was
-mis.voj'm.d .en ..xer^vipn^gen,^ het verduisterd, haar
spraakvermogen belemmerd^ de fianden éii voeten ^aTeri*
onbruikbaar. Zij was een voorwerp van schrik voor
ieder aanschouwer. Schatten had zij verspild aan ge-
neesmiddelen en heelmeesters, zonder genezing of hulp
te vinden. Eindelijk drong de roem van Odilia's won-
deren ook tot hare legerstede door. Bij het vernemen
zooveler mirakelen, voelden zij allengskens de hoop in
haar boezem ontwaken. Menschelijke hulp was niet meer
bij machte hare smarten te lenigen. Zij verviel met den
dag. Wilde zij redding, tot God en zijne Heiligen moest
zij hare toevlucht nemen. Zi] vatte voor de H. Odilia
een diepen eerbied op, voelde haar vertrouwen aan-
groeien en hoopte eindelijk vast door hare voorspraak
' te genezen. Nu nam zij het heldhaftig en bewonderens-
waardig besluit, zich ondanks hare ellende naar Hoey
te begeven. Hoewel de reis met veel moeite en kosten
gepaard ging, besloot zij toch alle moeiten te verduren,
zich aan gevaar bloot te stellen en haren laatsten pen-
ning te besteden om zich derwaarts te laten vervoeren.
In een draagkoets komt zij weldra ter bedevaartsplaats
aan. De menigte daar gekomen om den feestdag der
H. Odilia te vieren, maakt medelijdend en nieuwsgierig
plaats voor deze ongelukkige vrouw. Aller oogen waren
op haar gevestigd; de kloosterlingen zelfs naderden,
om getuigen harer godsvrucht en opoffering en, gelijk
zij hoopten, van een nieuw mirakel te wezen. Groot
was het vuur en vertrouwen, waarmede zij de voor-
spraak der Heilige Maagd en Martelares inriep. Nauwe-
lijks toch was haar gebed geeindigd, of zij voelde zich
volkomen genezen. Zij was als verlevendigd: een zoet
en tintelend levensvuur doordrong hare leden, hare
oogen helderden op, de spraak keerde weder en het
misvormd aangezicht herkreeg zijne vorige gedaante.
Zonder hulp, staf of steun, keerde zij, van haar dragers
gevolgd, te voet naar Trier terug. Om de gedachtenis
aan dit wonder in de harten der nakomelingschap le
bewaren, liet zij een prachtige, met goud en edelsteenen
versierde buste der H. OdTlia vervaardigen en die le
Hoey op het altaar plaatsen. Later toonde het volk
' quot;gi-üete'godsvruolit- em voor dit.bfield.te,bidden. Ban.-
iv
siquot;-
iii
li-:
.r
â iquot;. jl
!1
v
tl
ïi
nelius, bij wien ik dit verhaal gevonden heb, zegt ons,
dat deze buste nog door veel zijner tijdgenooten gekend
en later door een zilveren vervangen was.
Een ander wonderbaar feit lees ik bij denzelfden.
Het volgend jaar lag eene vrouw te Luik dagen achtereen
aan het ziekbed gekluisterd. Aan den rand des grafs
vernam zij de mirakelen door Odilia's macht geschied.
Bijna geheel van haar spraak beroofd, stamelde zij
nogthans den naam der H. Martelares. Biddend verbond
zij zich door gelofte, zoo zij genezing verwerven mocht.
O wonder ! Terstond verhoorde de H. Odilia haar gebed
en verkreeg van God een plotselinge genezing. Doch
in plaats van God en der H. Odilia voor de ontvangene
gunst te bedanken, brak zij hare gelofte en moest,
helaas! weldra bevinden, hoezeer dit Gode mishaagde.
Zich eens in volle gezondheid naar de kerk van St.
Lambertus begevende', viel zij in het hoofdportaal eens-
klaps achterover en was een lijk. Het volk van hare
ondankbaarheid bewust, beschouwde dit algemeen als
een zichtbare straf des hemels.
Maria, echtgenoote van Nicolaus Leblan, inwoner van
Hoey, werd in 1485 door een hevige koorts aangetast.
De huisgenooten meenden haar laatste uur gekomen;
vrienden en kennissen kwamen reeds om de familie in
die droevige omstandigheden te troosten, terwijl zij
zelf én door de inwendige pijnen én door de droef-
heid der aanwezigen van haar hopeloozen toestand
onderricht werd. De bitterheid van den dreigenden
dood reeds smakend, sloeg zij handen en oogen ten
hemel. God biddend om behoud, de H. Odilia om hare
machtige voorspraak. Telkens hoorden de omstanders
haar den naam van Odilia uitspreken, om toch spoedige
uitkomst te verkrijgen. Zij riep een harer oudste doch-
ters bij haar ziekbed en zond ze naar het Kruisheeren-
klooster, om water, ter eere der H. Odilia gewijd, te
verzoeken. Onderweg ontmoette de dochter een licht-
zinnig jongeling, die haar vroeg waarom zij zich zoo
haastte. Als hij vernam, dat zij gewijd water ging
'vijgen, om hare moeder in het doodsuur te helpen.
iRl'
braakte deze losbol verschillende verwenschingen uit
tegen de H. Odilia en noemde de vereerders der reli-
kwieën, gelijk later de ketters deden, aschaanbidders.
In tegenwoordigheid van een broeder Donaat Henricus
Dingten uit het Kruisheerenklooster, en vele andere
burgers verweet zij hem Odilia's vijand te zijn en noemde
zijn gedrag schandelijk en Godslasterend. God zou echter
dien schandelijken laster wederleggen door haar kin-
derlijk vertrouwen te beloonen. Bij haren terugkeer
vond zij de krachten der moeder veei verminderd. Des-
niettemin reikte zij haar het gewijd water over; de
moeder nuttigt daarvan en zie, het vertrouwen van
moeder en dochter wordt beloond, de ongodsdienstig-
heid des jongelings beschaamd. Tegelijk met het water
voelt de moeder een nieuwe levenskracht haar lichaam
binnentreden. De koorts week, de gezondheid kwam
terug en aller droefheid was in onverwachte vreugdenbsp;,
veranderd. Nooit heeft Maria Leblan deze weldaad ver-nbsp;'
geten, dagelijks bracht zij der H. Odilia haren dank
en offerde maandelijks bij het beeld waslicht en andere
voorwerpen van godsvrucht.
Een Kruisheer uit een ander klooster, te Hoey aange-nbsp;p i
komen, werd door een hevige bekoring overvallen.
Onvoorzichtigheid of te groot zelfvertrouwen deed hem
zijne eigene'zwakheid eens volmaakt ondervinden. Hij
viel, zijne ziel kreeg den doodsteek, verloor de heilig-
makende genade en verbeurde haar recht op den hemel.
Ongelukkig bracht ook hier de eene zonde de andere voort.
Zonder zich door het H. Sacrament van boetvaardigheid
met God te verzoenen, waagt hij het 's morgens de H.
Mis te lezen. Bij de consecratie, zoo verhaalt ons de
Generaal van Gloetingen, vaart een ijskoude rilling hem
door de leden en doodelijk ziek keert hij na de H. Mis
in de Sacristie terug. Met wonderbare snelheid nam de
ziekte toe en weldra kondigden de geneesheeren doods-
gevaar aan. Gelukkig had hij der H. Odilia altijd een
godvruchtig hart toegedragen. Zij zoude hem thans van
zijn ziels- en lichaamskrankheid genezen. Hij riep hare
10
voorspraak in en mocht weldra, ondanks zijne onwaar-
digheid, haren krachtigen bijstand gevoelen. Na vast
voorgenomen te hebben dagelijks de H. Odilia te ver-
eeren, zoo hem volkomen genezing gewerd, nam de
ziekte een andere wending, de pijn week, hij genas
en, na goed en rouwmoedig gebiecht te hebben, kreeg
hij ook zijne vroegere reinheid van ziel terug.
In de Be gische landstreek Haspengauw(Hesbay) woonde
op het dorp Waremme in 1486 een mensch met name
Dirk Warnan, wiens dochter aan ellendige toevallen leed.
Bij het hooren der tallooze gunsten, die de H. Odilia
in de Kruisheerenkerk te Hoey verleende, verzocht ook
zij daarheen gedragen te worden, om tegen hare onge-
neeslijke ziekte hulp te zoeken. Voor het altaar der H.
Martelares gebracht, deed zij, na veel bidden, de ge-
lofte jaarlijks, geheel haar leven door, naar de H. Odilia
ter bedevaart te gaan, zoo zij thans de gezondheid
herkreeg. Haar gebed was de H. Odilia aangenaam.
Vijf jaar had die vallende ziekte haar gekweld;. op een
oogenblik zag zij zich hersteld, zonder later nog het
minste ongemak te ondervinden.
Hetzelfde jaar, omtrent het overlijden van Paus Eug.
IV, bijzonder begunstiger der Kruisheeren-orde, werd de
donaat, broeder quot;Gilbert Traitier door een doodelijke ver-
zwakking overvallen. De kunst der geneesheeren schoot
te kort, zonder hemelsche tusschenkomst was genezing
onmogelijk. Met een levendig geloof smeekte hij eens
's nachts, toen de slaap hem van de oogen vveek, om door
Odilia's voorspraak gered te worden. «O zalige Maagd,quot;
zoo badhij, (volgens pater Bannelius) (1), »heilige Pa-
trones onzer Orde, hoevelen waren door pijnlijke ziekten
gekweld, die door uwe voorspraak genazen. Zelf mocht
ik uwe krachtige hulp bewonderen, aan anderen betoond.
O! ik bid u, weiger mij uwen dienstknecht niet, vvat
gij anderen zoo mild hebt geschonken.quot; Kort na dit
gebed overviel hem een zachte slaap. Het was hem als
stond Odilia voor zijne oogen met het kruisvaandel in
de hand. Zij scheen zijn hoofd met hare hand aan te
(I) Translatie S. Odiliae pag. 135
raken zeggende: »Broeder Gilbertus, ik heb in den
»hemel uw smeeken en schreien gehoord: ik wil unbsp;^^
»genezen, daarom leg ik thans mijne hand op uw hoofd.nbsp;I|
»Ga morgen naar uwen overste: zeg hem, aalmoezen
»in te zamelen, om mijn hoofd in een zilveren relikwie-
»kast te sluiten: mocht hij u niet gelooven, zeg hem
»van mijnentwege, dat ook hij genezen zal.quot; Verder
zag Gilbertus niets, 's Morgens echter gevoelde hij zich
door den slaap verkwikt en geheel gezond. Zijn eerste
werk was den overste de blijde tijding zijner genezing
te brengen en het verlangen der H. Odilia kenbaar te
maken. Verwondering en vreugde maakte zich van de
bewoners des kloosters meester en de prior-Generaal
Henricus de Noviomago, die in de genezing des donaats
een bewijs voor de waarheid der verschijning zag, deed
gelofte Odilia's verlangen uit te voeren in de hoop
daardoor zelve te genezen (1). Volgens verhaal toch van
pater Hertzworms, was ook hij aan het bed gekluisterd
door een afmartelende jicht. Staan was hem onmogelijk,
gaan was voor hem niet denkbaar meer. Na deze ge-
lofte gedaan te hebben, voelde hij zich in zoo verrenbsp;'t.
hersteld, dat hij weder gaan kon; geheel genezen was j^;
hij echter niet. Evenwel sloeg hij terstond de handen
aan het werk, om de H. Odilia een heerlijke relikwie- g
schrijn te bezorgen. Ondanks zijne waardigheid ging
hij toch naar de huizen der edellieden en voorname
burgers, om zijn plan te kunnen volvoeren. De giften %
vloeiden hem rijkelijk toe, zoodat hij zich weldra in
staat zag, het hoofd der H. Odilia in een zilveren buste %
te sluiten, en te Doornik een prachtige relikwiekast te
laten vervaardigen. Het authentiek stuk, vroeger vertaald
beschrijft ons de plechtigheden, waarmede de H. reli-
kwieën uit de oude capsa in de nieuwe zijn overge-
bracht. Na afloop dezer gebeurtenis was Henricus geheel
en al genezen en heeft nooit meer eenig spoor zijner
ziekte ontdekt. Het volk vereerde vooral de zilveren |
buste,- die Odilia's hoofd bevatte; gouden ketens, edel- |j
steenen, rozenkransen enz. werden er aan bevestigd.
(I) Religio S. Crucis pag. 100.
i'
I
if-'
li.
Vooral verdient gewag gemaakt te worden van een
kostbaren ketting uit dooreengewerkt goud en zilver,
met kostbaar gesteente bezet.' Deze was geschonken
door Mechtilda de Cambye, die door haar voorbeeld in
veler harten de godsvrucht tot de H. Odilia deed ontwaken.
ZESDE HOOFDSTUK.
Rij gelegenheid der overlegging van Odilia's reli-
kwieën in de nieuwe tombe, vertoefde in het klooster
te Hoey een frater der instelling van Florens Radewijns
uit Deventer. Getroffen door die plechtigheid, vernam
hij van ooggetuigen, ja van de betrokkene personen
zelve talrijke mirakelen, aldaar geschied. Ook de Kruis-
heeren verhaalden hem nog anderen, door schrift of
overlevering bev^aard. Hij verzocht dan den Generaal
bij de opening van het schrijn, hem eene relikwie
mede te geven voor zi n gesticht. Om niet hadden de
Kruisheeren den kostbaren schat ontvangen, gaarne
stonden zij er iefs van af, om ook anderen in hun
zegen te doen deelen. Volgens Rannelius ontving hij
een bijzonder groote relikwie, te welen een der armen.
Eenige jaren laler werd Vader Godefridus, rector te
Deventer, door een sleepende ziekte aangetast. Spijs of
drank kon .hij niet meer inhouden, zoodat hij een wissen
dood te geiHoet ging. Men verhaalt, dat hij zich toen
tot de H. Odilia wendde en haar aldus aanriep: »0!
»zalige Maagd en Martelares Odilia! hoeveel wonderen
»van U heb ik vernomen, hoe groot waren de mirake-
»len, door uwe voorspraak van God verkregen. Zoo
»gij goedertieren uwe hand tot mij uitstrekt, om mijn
»langdurige ziekte te genezen, beloof ik uwe H, Reliek
»bijzonder te vereeren en met zilver te omkleeden.quot; Na
het uitspreken dezer gelofte, begon terstond zijne ge-
nezing. Binnen korten tijd was hij wonderbaar hersteld.
Dankbaar liet hij een zilveren arm maken en de relikwie
er in sluiten. Sedert dien tijd werd deze relikwie met
buitengewone, godsvrucht, vereerd ^ en schitterde door
vele mirakelen.nbsp;' ' ' ⢠- ⢠â
Ook in het genezen der tandpijn heeft de wonder-
kracht der H. Odilia uitgeschenen. De Eerw. paternbsp;||
Petrus van Goes uit Zeeland, geprofest in het kloosternbsp;||
te Hoey was door ondragelijke tandpijn gefolterd.
Door hjden afgemat, nam hij zijne toevlucht tot God:
menschen waren niet meer bij machte hem te helpen.
Inwendig door godsvrucht getroffen, herinnerde hijnbsp;.j:
zich, dat de relikwieën der Heiligen ons niet slechts
geschonken zijn, om hunne gedachtenis levendig te houden
of hunne deugden ter navolging voor te stellen, maar
tevens tot hulp en troost te midden van de rampen des
levens. Vol geloof begaf hij zich naar de relikwieën
der Heilige Odilia om te bidden. Ter aarde neêrge-nbsp;i;
worpen, deed hij den hemel door hare voorspraak
geweld aan. Eenigen tijd had hij in gebed volhard,
toen plotseling zijne pijn ophield en quot;de vroegere ge-
zondheid wederkeerde. Later heeft hij dit met vuur ennbsp;|
godsvrucht zijnen medebroeders verhaald. Hij betuigdenbsp;g
de H. Odilia zijnen innigsten dank en onderhield jegens
haar zijne overige levensdagen een teedere godsvrucht.
Een ander priester in hel klooster te Hoey met namenbsp;,r
Andreas Stommel, werd van God met een buitengewoon
pijnlijke krankheid bezocht. Een breuk van de kwaad-
aardigste soort kwelde hem en geen heelmeester wasnbsp;'g
in staat dezen te heelen. Andreas voelde zich gepijnigdnbsp;t
in lichaam en ziel. Van de eene zijde door de bitterheid
der aanhoudende smart, van de andere door het treurig
vooruitzicht, nutteloos en tol last te zijn in zijn klooster.nbsp;'/
Hoewel de liefde zijner medebroeders en oversten, alsooknbsp;' ii,
de gedachte, dat een christelijk en geduldig lijden omnbsp;t
God' nuttiger was voor hem zeiven en den naasten, dan
werken, 'groot in de oogen der wereld, deze neer-
slachtigheid des gemoeds een weinig verdreef: de
lichamelijke pijnen' echter vonden geen leniging. Het
lijden ons aangedaan door den evenmensch kan men
dikwijls vluchten, voor geestelijke smarten zijn menig-
vuldige verstandelijke en geestelijke middelen; een enkel
woor'd op een passend oogenblik gezegd heeft dikwijls
â een.bewnderen.'jWMrdigQ liitwfrking; maar lichamelij
ke
smarten kan men door geen vluchten ontgaan, noch
door redeneering verwijderen. Die geleden heeft gevoelt
dit het beste. Veel Heiligen had Andreas reeds om hulp
gebeden, doch zijn gebed scheen onverhoord te blijven,
wijl God de kracht van Odilia's voorspraak door een
nieuw mirakel wilde bevestigen. Op den feestdag der
Heilige knielde hij voor haar altaar neder om te bidden.
Lang klopte hij aan, opdat God hem toch goedgunstig
zon zijn door Odilia's bemiddeling. Onophoudelijk riep
hij Haar aan en deed eindelijk de gelofte alle jaren op
den vooravond van haren feestdag te vasten met verlof
der oversten, indien hij zoo hersteld werd, dat hij de
H. Mis lezen, in het koor medezingen en de gewone
oefeningen volgen kon. De gelofte was nauwelijks afge-
legd, of hij voelde de zoo ondragelijke pijnen gestild
en zijn ongemak volkomen genezen. Onnoodig de vreugde
der medebroeders te beschrijven die zich met den her-
stelde in dankgebed vereenigden. Alle bovengenoemde
gunsten staan te lezen in het werk van Bannelius, die
ze uit de schriften van Cornelius a Cloetingen en andere
Kruisheeren getrokken heeft. Vele anderen zijn er ge-
beurd die niet of slechts in het algemeen beschreven
staan. De kloosterlingen waren te eenvoudig om dit
alles op te teekenen. 'Menig werk en handschrift uit die
tijden is door ouderdom of moedwil te gronde gegaan.
De zestiende eeuw, zoo vol beroerten, zag de kloosters
in België te dikwijls aan plundering blootgesteld (1).
In 1595 namen de Hollandsche Calvinisten op het onver-
wachts door list en verraad de burcht van Hoey in en
bezetten de stad. Wel werd zij dezelfde maand door den
prins-bisschop Ernest van Beieren hernomen, maar, wie
weet niet hoeveel stukken er ten tijde van oorlog en
oproer vernield worden of dikwijls zoo verborgen, dat
zij nimmer voor den dag treden of eerst na'eeuwen
door eenig toeval in het'stof eener oude bibliotheek
gevonden worden. God weet hoeveel gunsten er nog
opgeteekend staan, waarvan de stukken voor ons niet
te bereiken zijn.
quot; quot;('i) quot;Nuyéiis. ^^ Tjeroerten tom. IV. 2. pag. 177.. . ...
ZEVENDE HOOFDSTUK.nbsp;|
In 1611 mocht de godvruchtige Jonkvrouw Elisabethnbsp;||
Tonon een bijzondere gunst van de H. Odilia verwer-
ven. Op het punt een kind ter wereld te brengen,
werd zij door zoo buitengewone smarten bevangen,nbsp;H;
dat haar toestand gevaarlijk werd en de dood nabijnbsp;quot;quot;
scheen. De eerste gedachte, na alle natuurlijke middelen
gebruikt te hebben, was, tot de H. Odilia haar toe-
vlucht te nemen. Had zij slechts een reliek der heilige
of anders ten minste water ter eere van Odilia gewijd,
dan meenden zij alle gevaar ontkomen te zijn; zoo vast
was haar vertrouwen. Zoodra haar man dit bemerkte,
ijlde hij naar het klooster der Kruisheeren en vroegnbsp;^
met aandrang om het verlangen zijner vrouw te voldoen.nbsp;^
Om zijn bekende braafheid en liefde tot het klooster,
gaf de prior hem niet slechts het gewijd water, maar
tevens de in zilver gesloten vaas, in het graf der H.nbsp;-^'i
Odilia gevonden, om haar daaruit het water toe te
dienen. Terstond na de nutliging verminderde de pijnnbsp;.t
zijner vrouw en den tienden der maand Juli had zij
een gelukkige bevalling, gelijk zij later bij den open-nbsp;-
baren notaris der stad Hoey plechtig verklaarde.
Vier jaar later had er een niet minder wonderbarenbsp;j
genezing plaats. Maria, vrouw van Pierre de la Rue, eennbsp;fe:
voornaam burger en koopman te Hoey, viel in een
zware ziekte. Zeven weken was zij gedwongen haar bed
te houden. Geheel hel hoofd scheen verward, het verstand
was verbijsterd en oordeelen was haar niet mogelijk.
Nog had de dokter den aard der ziekte niet kunnen
begrijpen. Dinsdag in de goede week ontwaarde hijnbsp;|
aan gelaatskleur en polslag, dat er aan geen genezennbsp;quot; ifi ;
meer te denken viel en gelastte den pastoor te ontbieden.nbsp;-Il;
Reeds waren de laatste H. H. Sacramenten haar toege-
diend, en was de pastoor, na de gebeden der sterven-nbsp;|t
den gelezen le hebben, huiswaarts gekeerd, toen zij
zich plotseling gedrongen gevoelde, de voorspraak der
H. Odilia in te roepen. Zij kwam meer bij kennis en
vroeg een relikwie der H. Odilia, om ze te vereeren en
â f
I
â 'm â
hulp in het lijden te zoeken. Haar man liet Voornoemde
vaas bij de Kruisheeren vragen, reikte haar uit deze de
medecijnen toe met een weinig Odilia-water gemengd
en zoo wonderbaar was de uitwerking, dat zij reeds
Donderdag in de goede week haar huis verlaten, in de
parochiekerk de langdurige plechtigheid bijwonen en
de H. Communie ontvangen kon. Welk een dank zij de
H. Odilia bracht, begrijpt een ieder lichtelijk. Overal
verkondigde zij deze wonderbare gebeurtenis en om ze
der nakolingschap mede te deelen, deed zij ze onder
eede bij notarieele akte beschrijven.
Hetzelfde jaar genoot ook eene andere vrouw, Maga-
retha genaamd, in de provincie Luik woonachtig,
(zedigheid deed haar verzoeken, zegt Bannelius, haar
naam te zwijgen) het voorrecht, door de devotie tot de
H. Odilia van een lastige ziekte bevrijd te worden. Op
het onverwachts greep een koortsachtige krankheid haar
aan en wierp haar op het ziekbed. Alle spijs werd haar
smakeloos, soms zelfs was de zoetste haar bitter. Dok-
ters schoten toe om haar te helpen, doch werden de
ziekte niet meester. Een gansche maand kon zij geen
enkele goede gedachte vormen, noch haar hart ten
hemel verheffen. Hier zag men volkomen bewaarheid
corpus quod corrumpitur aggravat animam Sap. IX. 15.
Het bederfelijk lichaam bezwaart de ziel. Van mensche-
lijke hulp ontdaan, herkreeg zij gelukkig toch een weinig
bewustzijn. Gedachtig aan de krachtige hulp der Heilige
in zoo velerlei ziekten gebleken, voelde ook zij zich
opgewekt langs dien weg haar gezondheid te zoeken.
Zij deed de gelofte de relikwieën der H. Odilia te gaan
vereeren in de kerk der Kruisheeren te Hoey, die ver
van haar woonstede verwijderd lag, zoo zij haar vorige
gezondheid terugkreeg. Uit het klooster te'Luik had de
dienstmaagd haar een weinig gewijd water medege-
bracqt. Bij het nemen daarvan voelde zij haar verval en
krachten herstellen en bevond zij zich gezonder dan
voorheen. Getrouw aan hare gelofte,-haastte zij zich de
bedevaart naar de relikwieën der Heilige Martelares te
volbrengen, en dagelijks bracht gij, nog ten tijde van
Bannelius, God den innigsten dank, haar gered te heb-
ben van den rand des grafs door de voorspraak der
H. Odilia.
In October van het jaar 1617 werd de weduwe van
Henri Brune, parochiaan der St. Catharina buiten Hoey,
door een vreeselijke ziekte overvallen. Weldra scheen
zij een prooi des doods. Ongelukkig was zij in het
eerst belet zich tot God te wenden. Als de koorts daarnanbsp;;
bedaarde, en zij weer tot bezinning kwam, smeekte zij
God en de H. Maagd Maria om bijstand. De H. Odilianbsp;|
bad zij, bij beiden haar voorsprekeres te zijn. Zij zondnbsp;;
twee jeugdige meisjes naar het Kruisheerenklooster omnbsp;j:
gewijd water te verzoeken. In brandende koorts nuttigde
zij er een weinig van en, o wonder, het was haar, alsnbsp;-l.
dreef een onzichtbare hand alle. ziekte het lichaam uit.nbsp;iljf
Na dit zoo wonderbaar herstel, ging zij terstond haarnbsp;l
heihge beschermster bedanken en maakte dit mirakel
alom bekend, om in aller hart de liefde tol de H. Odilianbsp;%.
te ontsteken.nbsp;.nbsp;'t
Het volgend jaar gaf een nieuwe gunst van de H.
Odilia te bewonderen. Natalis Le Blan, voornaam burgernbsp;ï'
van Hoey, werd door een hevige tandpijn gefolterd.nbsp;v;
Niemand kon zijn pijnen stillen, die zoo hevig werden,nbsp;^
dat hij gevaar liep tot wanhoop of razernij te vervallen.nbsp;|
Nuttigen kon hij niets. In een opwelling van hemelschnbsp;|
vertrouwen snelt hij ter kerke, waar het gebeente dernbsp;i
Heilige vereerd werd, smeekt vurig om van zijn mar-
teling verlost te worden, doet de gelofte jaarlijks den
dag voor het feest der H. Odilia te vasten en bij het
uitspreken der laatste woorden zijner gelofte is allle
pijn verdwenen (1). Persoonlijk verhaalde hij dit aannbsp;^
pater Bannelius, die ons zegt : »een hemelsche vreugdenbsp;fr ,
bevangt hem en met moeite weerhoudt hij zijn tranen,
als hij dit mirakel ter eere van Odilia vertelt.quot;nbsp;ftj
Een schitterende gunst van verlossing uit geeste-
lijke krankheid, viel in 1613 ten deel aan broedernbsp;fj'
Joannes Fallay, donaat in het klooster te Hoey. Denbsp;â
ziekte, die hem aangetast had, vertoonde zulke gevaar-nbsp;||
(1) ïransl. S. Odiliae. pag. 156.
lijke teekenen, dat men zijn einde nabij oordeelde. De
Hoogeerw. prior vermaande hem aan zijn eeuwig heil
te denken, dat hij, helaas! te zeer verwaarloosd had..
Hij wees hem op de naderende eeuwigheid en het
dreigend oordeel Gods. Ook zijne medebroeders smeek-
ten hem, toch niet meer op genezing des lichaams te
hopen, maar de wonden zijner ziel te gedenken. Door een
onbegrijpelijke stijfhoofdigheid, sloeg hij alle vermaning
in den wind, zoo zelfs, dat hij stervend niet schroomde
het uitdrukkelijk gebod zijns oversten te overtreden.
Wie begrijpt niet de droefheid van prior en medebroe-
ders. Een kloosterling, in de have der zaligheid, met
duizend middelelen tot zijn eeuwig geluk begenadigd,
lijdt schipbreuk in zijne ziel en gaat verzinken in den
afgrond der hel ! Allen vereenigden zich in vurig gebed
en zie door de voorspraak der H. Odilia mochten zij
door zijn bekeering getroost worden. Als uit een diepen
slaap ontwakend, voelde hij zich geheel anders gestemd
en vernieuwd. Uit eigen beweging verzocht hij den
prior, sprak zijne biecht en mocht'gezuiverd van zon-
den in den Heer ontslapen. Hoevelen hebben hun gees-
telijk heil aan de voorbede der H. Odilia te danken
gehad !
Een Kruisheer te Hoey, geprofest en priester, leed
in 1614 aan een slepende teringachtige ziekte. Zijn naam
was Aegidius Ducquet, zijn ouderdom 29 jaren. Hoewel
zyn lichaam met den dag verviel en vermagerde, leed
hij zijne smarten met onbegrijpelijk geduld en volmaakte
overgeving aan Gods H. Wil. Na eene ongesteldheid
van drie maanden, voelde hij zijn einde naderen.
Hij verzocht en ontving de laatste H. H. Sacramenten,
zegde zijn aanwezige broeders vaarwel en hield zijne
oogen strak op het kruisbeeld gevestigd. Eindelijk ver-
dween alle beweging, zoodat de omstanders hem reeds
dood waanden. Eenige oogenblikken later kwam hij tot
zich-zelven en riep met vreugde uit: »Het kruis over-
»won, het kruis overwon ! H. Odilia ! H. Odilia !quot;
Verwonderd vroegen biechtvader en aanwezigen, vvat
dii-beduitide. »0 !quot;⢠riep J^ij..'Ht,,, »de ^duivel wilde mij
in het ongeluk storten, zijn ingevingen en bekoringen
zijn thans overwonnen door het H. Kruis en de zicht-nbsp;;p
bare hulp der H. Odilia.quot; Deze twee laatste voorbeeldennbsp;j|
leeren ons, niet slechts het lichamelijke, maar vooral
het geestelijk welzijn bij de H. Odilia te zoeken. Eennbsp;i|
lichamelijke krankheid is minder gevaarlijk, dan de
noodlottige krankheid der ziel. Weinig zal alle lichame-
lijke hu p ons baten, als de ziel verloren gaat. God
dank, is ook het getal diergenen groot, die zich door
hunne godsvrucht tot de H? Odilia voor eeuwige ver-
werping behoed en voor het hemelsch geluk bewaard
hebben.
Bannelius, wiens werkje ik boven dikwijls heb aange-
haald, mocht ook een buitengewone gunst van Odilia's
hand ontvangen. Uit dankbaarheid schreef hij den lofnbsp;â
der H. Odi'ia in keurig Latijn en Fransch. Ziehier
welk geluk hem wedervoer. In 1612 maakte deze zijnnbsp;|
noviciaat in het moederhuis te Hoey. Eens de Metten in quot;nbsp;%
het koor bijwonend, had hij plotseling een hevig gevoelnbsp;ï
van smart, dat met elk oogenblik vermeerderde. Op
zijne cel gebracht, zocht hij door standvastigheid en
geduld de hevige smarten te verdragen en zijn klagen
te onderdrukken. De prelaat ontbood een der bekvvaamstenbsp;f
stedelijke geneesheeren, die bevond, dat Bannelius eennbsp;|
zware breuk gekregen had. Als de pogingen der ge-
neesheeren vruchteloos bleven, werd hij naar Luik ver-
voerd, waar zijne ouders hem aan de bekwaamste ge-nbsp;j
neesheeren toevertrouwden. Hier vond hij gelukkig een
weinig verlichting. Blijde keerde hij in zijn noviciaatnbsp;v;
terug en wilde zijn gewone oefeningen hervatten.
Maar toen hij weder in het koor zijne stem verhief,nbsp;?
werd zijn ongemak vernieuwd en zag hij zich gedwon-nbsp;f
gen andermaal naar Luik te vertrekken. Thans slootnbsp;|
men hem een ijzeren band om de lendenen, die aan-
vankelijk eenige hulp scheen te bieden. Hoopvol hervatte
hij zijn proefjaar. Volgens gewoonte moest hij zichnbsp;ï
eenigen tijd met handenarbeid' bezig houden. Nu bleeknbsp;^^
het echter, dat zijn herstel slechts schijnbaar en denbsp;||
ziekte in der daad ongenezelijk was. Andere genees-nbsp;j'
beeren, een derde vertrek naar Luik gaven niet de
minste uitkomst. God scheen hem tegenspoed te zenden
om de wonderkracht zijner heiligen te openbaren. Hoe-
wel te Hoey, de bedevaartsplaats der-H. Odilia wonend,
was het hem nog niet in de gedachte gekomen zich
tot haar te wenden. Een brief van pater Ducquet, wiens
stichtend afsterven wij boven beschreven, wekte er hem
toe op. In dien brief wees deze hem op een wonder-
bare genezing van hetzelfde gebrek door een Kruisheer
te Hoey verkregen op de voorspraak der H. Odilia (zie
bladz. 149). Opgewekt door dit schrijven wendde hij
zich tot de H. Odiba, deed een gelofte haar deugden
en mirakelen le verzamelen en te beschrijven, zoo hij
gelukkig genezen mocht. »0 ongeloofelijke, onbegrijpe-
lijke mildheid en goedheid van Jesus Ghristus en de
H. Odilia zijne bruid !quot; zoo roept hij zelve vol geestdrift
uit. Onmiddellijk, hetzelfde oogenblik voelde hij zich
beteren, binnen weinige dagen was alle pijn geweken
en zijn vorige kracht buiten aller verwachting hersteld.
Alle banden kon hij afleggen; zalven en heelmiddelen
waren onnoodig en zware zang noch verre voetreizen
hebben hem ooit eenige kwelling doen gevoelen. Zijn
boekje is een bewijs zijner dankbaarheid en trouw in
het vervullen der gelofte. Veel gunsten door de H.
Odilia in en buiten de orde bewezen zouden misschien
zijn verloren gegaan, zoo hij ze niet aan de duisternis
ontrukt en in sierlijk Latijn tijdgenoot' en nakomeling
medegedeeld had. Gij zaagt dan. Beminde Lezer, hoe
de H. Odilia in lichaams- quot;en zielelijden krachtige hulp
verleende. Bijzonder neemt men thans op vele plaatsen
in België, Nederland en Pruisen, gelijk wij dagelijks
zien of lezen, de toevlucht tot deze Heilige om het licht
der oogen te bewaren of te herkrijgen. In één der
kerken van Luik staat zij afgebeeld, de oogen van een
kind genezend. ïe Aken, Maeseyck enz. laat men de
oogen aanraken met hare relikwieën. Dit geschiedt
vooral serlert de wonderbare genezing waarvan Hertz-
worms gewaagt in zijn werkje. Religio S. S. Crucis;
alwaar liij het volgend stuk opneemt, onderteekend door
ik;
een man, wiens dochtertje op de voorbede der H. Odilianbsp;;||
van blindheid genezen was. »Ik Bernard Donea, betuig
onder eede, dat .mijne dochter Marie Agnes, sedert meernbsp;jw
dan een jaar blirid was, ten gevolge eener smartelijkenbsp;|
ziekte. Met moeder en kind heb ik een novene begonnennbsp;|
ter eere der H. Maagd en Martelares Odilia, in de kerknbsp;iL
der Kruisheeren te Luik. Onze godvruchtige oefeningnbsp;i|
was nauwelijks begonnen of het kind herkreeg hetnbsp;-
gezicht en heeft sedert dat oogenblik niets meer aan
de oogen geleden. Hetgeen door alle geburen verklaard
en betuigd is. Daarom hebben wij op het einde dernbsp;quot;
novene een plechtige Mis van dankzegging doen houden.
17 Mei 1680. Bernard Donea.quot; Ziedaar, Beminde Lezer,
de voornaamste wonderen en gunsten, die ik bij ver-
schillende schrijvers heb kunnen vinden. Behalve deze
zijn er nog een menigte andere door hare voorspraak
geschied, die echter langzamerhand verkregen niet zóó
in het oog liepen. Veel gevaren zijn afgewend, onder-
nemingen gezegend, zieken gezond geworden, zooals
men meenen zou, door bloot menschelijke middelen,
terwijl de zieken of hulpbehoevenden op de H. Odilia
vertrouwd hadden en haar de eer hunner redding toe-
kenden.
ACHTSTE hoofdstuk;
Dat de Orde van liet H. Kruis steeds zichtbaar door
de H. Odilia beschermd en geholpen wordt is reeds
meermalen gezegd. Ziehier een bijzonder bewijs harer
welwillendheid/nog kortelings geschonken. Zijn Heilig-
heid Paus Leo X had den 20 Aug. 1546, den Generaal
der Kruisheeren Wilhelmus a Rivo een breve gezonden,
dat met de volgende woorden eindigde: »Daarenboven
»steunende op de barmhartigheid van den Almachtigen
»God en hel gezag zijner gelukzalige Apostelen Pet'rus
»en Paulus staan wij toe en schenken mildelijk aan
»allen, die aan rozenkransen, der H. Maria genaamd
»en door u of uwe opvolgers in den tijd gezegend.
»met godsvrucht één Onze Vader of Wees gegroet ge-
»beden hebben, zoo dikwijls zij dit zullen gedaan hebben
»barmhartiglijk in den Heer een aflaat van 500 dagen,
»ondanks de pauselijke constitutiën en verordeningen
»of wat er tegenover mocht staan.quot; Met blijdschap werd
dit voorrecht aangenomen, in werking gebracht, nog-
maals bevestigd den 2 Juli 4630 door'Urbanus VIH,
en bleef ongeschonden voortbestaan, totdat de laatste
Generaal in de vorige eeuw, Guibertus Dubois, den 24
Oct.' 4796 te Luik overleed en de Orde, overal aan
vervolgmg blootgesteld, hare vernietiging nabij scheen.
Nadat de ridderlijke vorst, Willem 11, den Kruisheeren
en alle kloosterlingen het recht terug geschonken had
om nieuwelingen aan te nemen, werden de eerste
krachtens besluit der Propaganda onder gehoorzaamheid
gesteld van Henricus v. d. Wijmelenberg met den titel
van Comissarius Generalis. Deze dus nog niet tot de
waardigheid van Generaal opgeklommen, moest de prive-
legiën zijner voorgangers van mijter, staf enz. missen (4).
In 4842 verzocht hij Zijn Heiligheid Gregorius XVI,
hem, hoewel slechts commissarius, de macht tot het
wijden van rozenkransen toe te staan, gelijk de vroegere
Generaals die bezeten hadden. Wat hem den 45 Sept.
1842 welwillend werd veroorloofd. Drie jaar later werd
hem volmacht geschonken, in ieder huis één zijner
medebroeders deze gunst meé te deelen, waartoe hij
de verschillende prioren uitkoos. Tevens maakte hij
dezen aflaat toevoegelijk aan de geloovige zielen. Pius
IX strekte deze mildheid nog verder uit, want 9 Jan.
4848 gaf hij den Commissarius verlof eiken confrater
op reis oi in afwezigheid van den gedelegeerde hiertoe
te benoemen. AI deze stukken zijn behoorlijk door de
kerkelijke overheid nagezien en voor echt erkend. Bij
het vernemen dezer buitengewone gunsten, haastten de
geloovigen zich er voordeel mede te doen. Niet alleen
in de plaatsen, waar Kruisheerenkloosters bestonden,
maar van uit geheel België en Holland zocht men zich
met deze geestelijke schatten te verrijken. Weldra
(1) Nouvelle Revue Theol. XI. pag. 248
kwamen ook andere landen, zoóals Frankrijk en Dnitsch-
land, zoodat de blikken van veel geleerde schrijvers er
zich op vestigen moesten. Velen loochenden den aflaat
zonder zelfs een onderzoek in te stellen enkel om zijne
zeldzaamheid; anderen kwamen persoonlijk de stukkennbsp;ii
nazien, welke de Kruisheeren, overtuigd van de goed-nbsp;i;
heid hunner zaak niet aarzelden te vertoonen. Verschil-nbsp;.
lende bisschoppen en hooge kerkelijke personen zooalsnbsp;jt'
Mgr. Vanutelli, nuntius te Brussel, moesten de aktennbsp;V
inzien. Pennen werden gescherpt tot aanval of verde-nbsp;?)
diging, en moeielijk zou het niet zijn een geheel werkje
te schrijven over de geschiedenis van den rozenkrans-
aflaat der Kruisheeren. Ook meende men het bestaan
te kunnen ontkennen, omdat de aflaat zich niet op de
lijst te Rome bevond; wat niet noodig was, daar het
oorspronkelijk stuk, gegeven door Leo X, reeds vóór
de Congregatie der aflaten bestaan had. Eindelijk wier-
pen sommigen op dat de Kruisheeren hunne stukken nietnbsp;v
op de Secretarie te Rome hadden ingeleverd, na een
dekreet dienaangaande der Congregatie. Hoewel ditnbsp;H.
bevel sprak van aflaten die later gegeven werden,
vreesden de Kruisheeren, dit dekreet verkeerd begrij-nbsp;'i
pend, dat hun privilegie vernietigd was. Zij wenddennbsp;quot;;f
zich terstond tot den H. Stoel en ontvingen den 11
April 1872 van de Congregade der Aflaten bij monde
van den Kardinaal Bizarri ten antwoord, dat dit het
geval niet was en voorngemd dekreet op den aflaat der
Kruisheeren niet kon worden toegepast. Vele bisschop-nbsp;f;'
pen spanden nu hunne krachten in, de geloovigen aan
te zetten tot het verdienen dezer gunsten. Enkelenbsp;1;
twijfelden nog en zonden onophoudelijk vragen ennbsp;i
inlichtingen naar Rome. Weldra werd nu die aflaat be-nbsp;^
roemd en wereldkundig. Uit alle landen van Europa
en Amerika, uit China en Afrika, uit Rome zelfs ont-
vingen de Kruisheeren aanzoek om rozenkransen tenbsp;^
wijden. Vooral de Missionarissen trachtten ze in hunnbsp;f'
distrikten te verspreidden. Thans stond den Kruisheeren
een hevigen aanval te wachten. Zij ontvingen scherpenbsp;|
brieven van versc)iillende bisschogpen met bedreiging
i',
hen voor de kerkelijke rechtbank te dagen, zoo zij
voortgingen dien aflaat te verspreiden. Een godvruchtig
blaadje wat den zin scheen te hebben het antwoord
der Congregatie van 11 April 1872 als een zijdelingsche
goedkeuring uit te leggen, werd door Rome afgekeurd,
en toen de Eerw. pater Schneider den aflaat in zijn
werkje opnam, gef de prefekt der Congregatie te Rome
last de oorspronkelijke stukken in te le^veren. Daar de
twist over dezen aflaat niet meer plaatselijk maar Urbis
et Orbis d. w. z. te Rome en over geheel de wereld
gevoerd werd, moest de kerkelijke rechtbank er zich
wel mede bemoeien en ontspon er zich een ernstig
proces. Hier ondervond de Orde van het H. Kruis
wellicht een harer grootste moeielijkheden. Zonder
menschelijken invloedr stond zij voor het hoogste ge-
rechtshof der wereld. Doch nederigheid, eenvoud, geest
van gebed, die er Gode zij dank, altijd geheerscht
hebben, waren met de rechtvaardigheid der zaak op
hunne zijde. Gelukkig, want zwaar zou de strijd zijn.
Te meer daar men met het stuk van Leo X begon, dat
nog slechts in authentiek afschrift van de zestiende
eeuw bestond in de bibliotheek van het tegenwoordig
Seminarie te Luik. Doktoren aan de Universiteit vrees-
den ; de Kruisheeren zelfs, hoezeer overtuigd van de
rechtvaardigheid hunner zaak, waren niet geheel gerust.
Welk een slag voor de Orde zoo de aflaat valsch ver-
klaard werd! Voor het oog der geheele wereld zouden
de Kruisheeren als bedriegers gebrandmerkt en hunne
Orde als eerloos te boek staan.' Zelf, Reminde Lezer,
heb ik deze moeielijkheid doorleefd. Wat er in de harten
mijner medebroeders omging, bleek duidelijk uit hunne,
woorden. Zelf door vrees getroffen kon ik niets anders
doen, dan in vereeniging met hen de zaak aan God
opdragen en in het vertrouwen op zijne oneindige
Voorzienigheid rust zoeken. IR herinner mij uit den
mond van een mijner confraters de volgende woorden
te hebben opgevangen: »Waarom helpt ons de H. Odilia
niet? Zij is toch de Patrones onzer Orde!quot; Kort daarna
schreef de -Generaal -der. Ordp aan de ouderhogrige
Ii
kloosters voor een novene te houden ter eere der H. Odilia
en de moeielijkheid aan hare bescherming te bevelen.
Vurig is er in die dagen gebeden én door de ledennbsp;|
afzonderlijk, én door de geheele communauteit. Doornbsp;I
de voorspraak onzer H. Patrones heeft God die gebedennbsp;|
verhoord. In den persoon van pater C., een der be-nbsp;P
roemdste paters van de Societeit van Jesus te Rome,
werd ons door de Congregatie der Aflaten te Rome eennbsp;|
verdediger gegeven, die de zaak, als goldt het zijnnbsp;|
eigen persoon of orde, behartigde. Met vaardigheid en
liefde ondernam hij, met groote geleerdheid toegerust,
deze taak die hem te dierbaarder was, daar hij reedsnbsp;|.
20 jaren aan een door ons gewijden rozenkrans had
gebeden. Ook hij stelde op de^H. Odilia zijn betrouwen.nbsp;l.
Op den 18 Juli 1883, den feestdag der H. Odilia,nbsp;h
leverde hij zijne stukken in, die den naam der H. Odilianbsp;r.
en haar feest voor opschrift droegen. Met duidelijke en
krachtige argumenten had hij zijn votum opgemaakt (1).nbsp;£
De vraag was eerstens of de aflaat der Kruisheeren
moest verworpen worden uit gebrek aan echtheid, aan
bescheidenheid (d. i. of hij niet te overdreven grootnbsp;ï
was), of om andere redenen. Vervolgens of die aflaat
opnieuw moest bevestigd worden of wel geen nieuwe
goedkeuring of bevestiging meer behoefde. D.'iarna of hetnbsp;il'
tot het verdienen dezer aflaten noodig is den rozenkransnbsp;|
fielieel te bidden. Eindelijk of het nuttig was die machtnbsp;li
aan andere priesters mede te deelen. Den 11 Maartnbsp;^
1884 hielden de Kardinalen en leden dezer Congregatienbsp;»
zitting in het Vaticaan. Ondertusschen namen de Gene-nbsp;â â
raai en de leden der Orde onophoudelijk hunne toevlucht
tot de H. Odilia om den goeden uitslag dezer zaak. O!
hoe dankbaar verheugden zij zich, hoe hebben zij denbsp;p
H. Odilia geloofd en bedankt als zij de gunstige be-nbsp;I
slissing mochten vernemen. Op bovengenoemden datum
Ifad de tl. Congregatie op de vier gestelde vragen de
volgende antwoorden gegeven. Eerste vraag negative innbsp;^
omnibus d. i. in alles ontkennend beantwoordt, dus de
aflaat moest niet herroepen worden noch om gebrek
(I) Acta S. Scdis vol. XVI, pag. 404.nbsp;H
aan echtheid, noch om onbescheidenheid, noch om
eenige andere reden. Tweede vraag: dat het niet noodig
was den aflaat opnieuw te bevestigen; als reeds genoeg
^ bevestigd. Ten derde, dat men den geheelen rozenkrans
niet behoeft te bidden. Ten laatste, dat het niet goed
IS dit privilegie nog aan andere priesters te schenken.
De geleerde verdediger bekende later zelve ter eere der
H. Odilia, den goeden uitslag meer aan het gebed en
aan hare voorspraak dan aan' menschelijke krachten te
moeten danken. Ziehier, Beminde Lezer, geen mirakel
maar een groote gunst door de H. Odilia aan onze Orde,
haar beschermelinge, geschonken. De uitgeschreven ge-
beden, het opschrift van het geleverde stuk, wat ik ge-
drukt in handen had, de dag der inlevering, de verklaring
des verdedigers en ons aller overtuiging strekt hier
eenigszins ten bewijze. Te recht mogen dus de Kruisheeren
in het officie der II. Odilia zingen, dat zij, schitterend
door vele mirakelen, niet ophoudt hen te beschermen.
BESLUIT.
Vereenig ook gij u met ons, Beminde Lezer, in het
vertrouwen op de II. Odilia. Hoevelen zijn er buiten
de Orde op hare voorspraak niet miraculeus genezen ?
Koevele andere gunsten heeft men van haar niet ge-
kregen door een geloovig, volhardend, vertronwvol
gebed? Nog dikwijls vernemen wij gunsten door hare
tusschenkomst verleend (i). Ex-voto's worden bij haar
beeld gehangen. Kaarsen, zwaar en prachtig versierd,
worden door een onbekende hand gebracht, en het op-
(I) Voor eenige jaren nam een rustend geestelijtie uit Belgiè tot de H
Odilia zijne toevlucht om van zijne oogziekte te genezen. Lang had hij
Haar gebeden door het houden van Novenen. Zijnn zuster liet in het dorp
Kerniel op een bepaald uur een H. Mis ter eere der H. Odilia lezen. Op
het oogenblik der consecratie van die Mis, leed hij, (ofschoon verr.t van
Kerniel verv\ijderd, maar in den geest met den priester vereenigd), plotselina
een hevige pijn in zijne oogen, doch gevoelde onmiddellijk daarna zooveel
verlichting, dat hij Gud en de H. Odilia voor de volkomene genezing konde
danken. Deze ZeerEerw. Heer aarzelde niet zoo aan den pastoor van
Kerniel als aan mij (en dit wel na den afdruk dezer noot) hiervan schrif-
telijke verklaring te geven.
Ook te Baarloo in Limburg zyn door de voorspraak van de H. Odilia vele
treffende genezingen geschied, waarvoor Haar thans nog dank wordt gebracht.
u
schrift legt getuigenis at van de kracht harer voorspraak.nbsp;%
Misschien werpt gij mij tegen, er geschieden geennbsp;|
mirakelen meer. Doch bemerkt wel, mirakelen geschiedennbsp;||
gewoonlijk of om eene godsvrucht te vestigen of omnbsp;''f
het ongeloot te beschamen, of om redding te geven innbsp;1
overgrooten nood, waar andere hulp niet mogelijk is.
Deze omstandigheden zijn ten onzent zeldzaam. Maarnbsp;f
geschieden er geen geeste ijke genezingen? Gelijk weleer,nbsp;V
zoo wordt ook thans door hare voorspraak aan vele
geestelijk blinden het oog der ziel geopend. Ik dnrfnbsp;^
zelfs vertrouwen, dat, zoo er thans met een levendignbsp;.i;
geloot een vurig gebed opsteeg tot haren troon, en de
nood het vorderde. God niet zou nalaten ook thans opnbsp;i-
hare voorbede een wonder te doen. Neem dan, I5eminde
Lezer, ook tot hare goedheid uwe toevlucht. Kwelt unbsp;|
lichamelijk lijden, hebt gij eenig gebrek bijzonder aan
het oog, dat heden meer dan eenig ander lidmaat aan
gevaar onderhevig is ot lijdt, roep de voorspraak dezer
Heilige in: zij zal uw gebed niet onverhoord laten.nbsp;l
Uwe^iel echter is kostbaarder dan het lichaam, ge-
schapen als zij is, naar Gods beeld en gelijkenissen
geroepen, om terstond na den dood volgens verdienste
eestraft of beloond te worden. Smeekt haar d; in bijzon-nbsp;||
der voor het heil uwer ziel, kostbaarder dan alle schatten
der aarde, wijl Jesus Christus en zijn Goddelijk bloed
voor veil had. Kunt gij uwe oogen niet afhouden vannbsp;t
hetgeen ijdel, gevaarlijk, zondig is; bid de H. Odilia,nbsp;/
dat'zij u de genade afsmeeken het oog te bewaken, ennbsp;r
den dood niet door de vensters te doen binnendringen.
Is er duisternis in uw verstand, het oog der ziel; klopnbsp;|
bij haar aan om geestelijke verlichting. Kortom vluchtnbsp;i
tot haar in uw geestelijk en lichamelijk lijden. Voor denbsp;f,
voeten van haren hemelschen Bruidegom zal zij zichnbsp;I;
nedeiwerpen, gij zult hare krachtige hulp ondervinden,
een vaster vertrouwen opvatten, dikwijlder bij haarnbsp;i
aankloppen en zoo overtuigd van hare goedheid, hare
glorie helpen verbreiden, door haar uw hemelsch geluknbsp;^
verzekeren en zoo hier als hiernamaals een parel aannbsp;5
de kroon harer onsterflijkheid hechten.nbsp;ï
DERDE DEEL.
De godvruchtige oefeningen
ter eeke dëb
H. ODILIA.
EERSTE HOOFDSTUK.
God heeft ons, Beminde Lezer, de genade geschonken
lidmaat te worden van het geestelijk lichaam des Heeren
en trouwe zonen zijner onbevlekte bruid onze Moeder,
de H. Kerk. Overbodig ware het dus, u het leerstuk,
dat wij de heilige als vrienden en dienaren van Jesus
Christus moeten vereeren, te verklaren en te bewijzen.
Met mij zijt gij van dit geloofspunt overtuigd en door-
drongen, duidelijk inziende, dat er niet de minste inbreuk
gemaakt wordt op de hoogste eer aan God verschuldigd;
dat Hij deze vereering integendeel verlangt, gelijk een
vorst, door voor zich de koninklijke eer te vorderen,
geenszins vei biedt zijne dienaren en vrienden te achten,
maar hun eer en aanzien dikwijls uitdrukkelijk vordert.
Nog minder is dit hier noodig, na in de eerste twee
hoofdstukken van het vorige deel zijdelings hierop ge-
wezen te hebben. Hier stel ik mij ten doel de aandacht
te vestigen op eenige werken van godsvrucht zoo voor
de vereering der Heiligen in het algemeen, als voor
de H. Odilia in het bijzonder, waarbij ik nog eenige
oefeningen voeg, geschikt om uwe godsvrucht jegens
de H. Odilia te voeden en te vermeerderen.
Na het geloof en de genade Gods is de grond waai-
de vereering der Heiligen op steunt en zonder welken
zij ondenkbaar wordt, de kennis van hun leven, lijden,
r
â d65 ânbsp;!
werken, deugden en glorie. Wat toch is vereering andersnbsp;X
als een eerbetooning, den Heiligen gebracht, om hunne
bovennatuurlijke voortreffelijkheid, welke laatste hunnbsp;ii
door Gods genade in den tijd geschonken en door zijnnbsp;|
rechtvaardigheid en mildheid ^n den hemel werd be-
kroond ? Hoe zal het nu mogelijk zijn deze betuigingnbsp;amp;
af te leggen zonder hunne deugden en heiligheid tenbsp;1'
kennen? Gelijk niemand een standbeeld prijzen zal,nbsp;jt
welks bestaan hij niet kent of welks zuivere en kundigenbsp;''
bewerking voor hem verborgen is, zoo kunnen ook wij
de Heiligen niet eeren, zoo hunne bovennatuurlijke
voortreffelijkheid voor ons verscholen blijft. Onze gods-
vrucht zal ook altijd eenigszins tot onze bekendheid
met hun leven in verhouding staan. Wel kan onze ver-
eering kleiner wezen dan onze kennis, doch een vurige
vereering en ongenoegzame kennis gaat niet samen.
Zie eens, welk een k^ennis de vurige vereerders van
Maria hebben van al hai-e verheven eigenschappen,
terwijl een flauw beminnaar er slechts eenigen kent en
deze nog niet zeer duidelijk. Wilt gij dus een waar
vereerder der H. Odilia zijn, tracht haar leven te kennen,
door het luisteren naar de verkondiging van haren lof,
door haar leven te lezen, de deugden te overwegen,
de hemelsche glorie, die zij geniet, te beschouwen.
Verder is de vereering, die wij den hemeUngen
schenken een akte van liefde jegens hen. Op de wereld
gaan hefde en vereering niet altijd hand aan hand,
daar wij tot het laatste door andere beweegredenen
kunnen worden aangezet. Bij de Heiligen leggen wij
juist in- en uitwendig getuigenis af hunner verhevenheidnbsp;|
uit liefde. Wij beminnen in hen God en bewonderen
hunne goedheid en genegenheid jegens ons. Niemand
kan nu deze bewondering of liefde in zich verwekken,
zonder hunne heldhaftige daden, de heerlijke kroon hun
in den hemel op het hoofd gezet enz. te hebben over-
wogen. Is iemand zoo gelukkig door de genade Gods
verlicht, dat hij meer dan eenig ander hunne liefde
begrijpt, terzelfder stond zal hij ook meer tot hunne
vereering geschikt zijn. De heidenen reeds hadden voor
ti
â tl
spreekwoord : ignoti niilla cupido, men mint het onbe-
kende niet. Zeggen ook wij niet dikwijls: uit het oog
uit het hart; te kennen gevend, dat de liefde verflauwt
als de kennis begint te verminderen ? Wordt het voor-
werp dezer liefde uit het oog verwijderd, wij zullen
weldra deszelfs voortreffelijkheid vergeten, onze liefde
verflauwt om ten laatste geheel te verdwijnen. Een ot
ander zal hiertegen inbrengen, dat het tol de vereering der
Heiligen voldoende is hunne deugd of hemelsche glorie
in hel algemeen te kennen. Dit is waar voor een alge-
meene vereering, maar om een bijzondere godsvrucht
te koesteren tot dezen of genen Heilige, dient men zijn
deugden een weinig nader en zijn hemelsche glorie,
voor zoover de genade Gods en onze ellendige bekrom-
penheid des verstands het toelaat, wat beter in te zien.
Zoo wij de Heilige Odilia niet nader kennen, zal onze
vereering nimmer vurig zijn. Nooit zal ik met vertrou-
wen tot haar naderen, zonder hare macht in den hemel,
of hare hulp op aarde verleend, vernomen te hebben.
Bid God om verlichting, lees en overweeg haar leven,
ondervinding zal U van mijne woorden overtuigen. Hebt
gij haar leven reeds gehoord en overwogen, een nadere
kennismaking, een herhaalde overweging zal uwe gods-
vrucht meer verlevendigen. Is dus de kennis van het
leven der H. Odilia, een grondslag der devotie tot
haar, dan moet de geestelijke lezing van haar leven en
de overweging harer deugden, een voorname plaats in
de godsvruchtoefeningen haren dienaren innemen. Zoo-
wel de grondslag als' de tempel, de inwijder of hij die
den eeredienst verricht, werkt mede tot verheerlijking
Gods. Andere redenen zijn er nog om u te overtuigen,
dal deze lezing en overweging reeds een hulde voor
de H. Odilia is. Nemen wij toe in onze liefde tot haar,
dan zal ook het getal onzer andere oefeningen groeien
of ten minste inniger, vuriger, volmaakter worden. Daar
dit alles op haren goddelijken Bruidegom terugslaat,
moet zij dit beschouwen als eene haar bewezen gunst.
Door een herhaalde lezing zal deze rijke vrucht zeker
verkregen Woi'den-. -Door -verloop van tijd .woj'd.eij vele
t ''
li
i' ,
ii I
gebeurtenissen van haar leven uit ons geheugen ge-
wischt, een snelle lezing, een kleine onoplettendheid
deed enkele woorden en gedachten aan onze opmerking
ontglippen, waarin misschien voor onze ziel een groote
kracht was weggelegd. Sommige feiten treffen ons op
een oogenblik van genade, dat wellicht nu afwezig,
later bij een herhaalde lezing kan en dikwijls zal
aanbreken. Op dit alles gelet, moet men bekennen,
dat zelfs voor een dienaar der H. Odilia, het lezen van
haar leven een nuttige en ware godsvruchtoefening is.
Kende men al de gebeurtenissen haars levens met
dezelfde juistheid en zekerheid als bare gezellinnen
deze kenden, had men dit alles jaren overwogen, wist
men de duizende gunsten en mirakelen op hare voor-
bede geschied, zelfs dan nog zou deze oefening onze
godsvrucht aanvuren. Hier op de wereld toch kennen
wij de bovennatuurlijke voortreffelijkheid eener christe-
lijke deugd en nog meer de onbegrijpelijke schoonheid
der H. Odilia in den hemel slechts zeer duister en
onvolmaakt en kunnen er dus door Gods genade gepaard
aan lezing en betrachting voortdurend in vooruitgaan.
Mocht dit alles nog niet opgaan, dan zal voorzeker
een liefdevol aandenken steeds een blijk van hoogachting
en genegenheid zijn, waarover de H. Odilia zich in den
hemel verheugen zal. De H. Kerk zelve leert ons de
lezing en overweging van de levens der Heiligen onder
de voornaamste oefeningen ter hunner eer te rangschik-
ken. In de vroegste tijden offerde zij schatten op en
veroorloofde hare kinderen zich aan gevaren bloot te
stellen om de akten der martelaren op te teekenen, om
zoo de vereering harer kinderen en martelaars bij afwe-
zigen en nakomelingen te bevorderen. In dit werkje
van de H. Odilia zagen wij haar afkomst, maagdom,
martelaarschap, nauwkeurig door tijdgenooten opge-
schreven en met haar H. relikwieën in de grafstede
verborgen om haar eer en verdiensten aan de nakome-
lingschap kenbaar te maken. Dezelfde reden beweegt
de H. Kerk thans de deugd harer helden in het mar-
telaarsboek te laten opteekenen en in het dagelijksch
|||
ȕ
â¢f
â r i
'k
i! '
h
'ii
quot;.. I
j/'r
officie te doen voorlezen. Omstandig worden de levens
der Heiligen in het breviergebed gezongen, niet slechts
om ons hart tot navolging te stemmen, maar ook, omdat
deze lessen onze liefde, achting en godsvrucht tot de
Heiligen vergrooten en in zich reeds een werk zijn van
liefde en vereering. Ten slotte kon ik nog talrijke
voorbeelden aanhalen van mannen als een .\ugustinus,
een Ignatius, die, door zulke lezing tot bekeering ge-
komen, later volmaakte Heiligen werden. Kan het wel
anders; daar hun leven en lijden een zoo treffende les is,
van wat wij gelooven en hoe wij werken moeten, om
den hemel te veroveren. Daar het lezen en overwegen
hunner levens ons zoo helpt de Heiligen na te volgen,
en deze navolging de grootste hulde is, die wij hen
kunnen brengen, daar zij ons steunt in de volharding
tot het einde en ons zoo mede ten hemel leidt, waar
wij hen in alle eeuwigheid loven en vereeren; behoeven
wij niet langer aan te dringen op deze waarheid, het
lezen en overwegen der levens dezer Heiligen is een
der voornaamste oefeningen dezer devotie. 'Waren de
menschen hiervan beter overtuigd, hoeveel degelijker
zou hunne godsvrucht, hoeveel grooter hunne verdiensten
zijn. Begin dan, Beminde Lezer, met dezen eersten akt.
Lees en overweeg het leven, de voortreffelijke deugden,
de hemelsche glorie der H. Odilia en gij zult een vuri-
gen vereerder worden. De wereld zal u beginnen te
walgen, gij zult verlangen om, van uw lichaam ontbon-
den, met Christus te zijn en voor zijnen troon de H.
Odilia te aanschouwen en te vereeren.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Geen Christen is niet vurig overtuigd, dat de aan-
roeping der Heiligen, om door hunne voorspraak ons
van God eenig lichamelijk of geestelijk goed te ver-
werven en omgekeerd een ramp te verwijderen, eene
hun zeer aangename hulde is, en zelfs een voornaam
deeVhunner vereiifing uitmaakt. Sommigen hebben op.
Ii
Iii'
dit punt zoo hunne aandacht gevestigd, als bestond de
vereering hierin alleen. Gelijk dit laatste een dwaling
is, wat het voorgaande hoofdstuk al genoeg bewees en
uit het volgende meer blijken zal, zoo is het eerste
niet te min een echt katholieke waarheid. Zeker, wij
vereeren de Heiligen grootelijks door hunne voorspraaknbsp;'
te verzoeken. Wanneer de arme, die van honger ennbsp;;;
ellende dreigt om te komen niet uit eergevoe nochnbsp;|
uit schaamte' maar om andere redenen de woning eens
rijken voorbijgaat, dan zal de verborgen reden zijn, dat
hij twijfelt aan de mildheid of het vermogen van diennbsp;^^
welgestelde. Misschién verdenkt hij hem van gierigheid,
onw'il, gevoelloosheid. Zal deze zich hierover niet
eenigszins gestoord gevoelen; of, mocht hij zich somsnbsp;Æ
verheugen, moest hij zich niet beleedigd achten, aan-nbsp;j
gezien te worden als slechts schijnbaar rijk of ontdaannbsp;:;
van alle menschelijk gevoel. Wat hiervan zij, ontwijfel-
baar is het, dat vvie'de Heiligen niet aanroept, ze in
het geheel niet kent of twijfelt aan hunne glorie, macht
en liefde. Geen heiligenvereerder is hij dus, terwijl al wienbsp;Æ
hunne hulp in den nood zoekt, werkelijk toont in hunnenbsp;?
macht en glorie le gelooven en dit zoo sterk mogelijknbsp;'
openbaart. Raadpleeg ik een mijner vrienden omtrentnbsp;1
een moeielijk vraagstuk, dan log ik vleiende getuigenis
af van zijn kunde, oordeel, doorzicht, en, hij bezittenbsp;I
de deugd van versterving in een verheven graad, hij
zal toch voelen, dat ik hem vereer. Zou het nu de
Heiligen Gods niet tol eer verstrekken, wanneer ik
hunne verhevene eigenschappen krachtig en luide ver-
kondig. Misschien z'iet gij niet zonneklaar, dat dit door
een enkel smeekgebed geschiedt. Welnu met een weinig
oplettendheid zullen enkele woorden het u ontwijfelbaar
maken. Door mijn hart tot hen te verheften, toon ik
reeds, dat zij mijn gebed, al is het slechts een diep
verborgen zucht, een stille klopping des harten, hun
zekerder bekend zijn, dan dit alles met kracht van
woorden en alle omstandigheden aan een vriend ver-
haald, voor hem zou bloot liggen. Dit uit het hart
voortgekomen smeeken is meestal zoo eenvoudig, na-
tuurlijk, ongekunsteld, dikwijls zoo onvolmaakt uitge-
drukt, dat wij de Heiligen daardoor schijnen toe te
roepen : Gij kent mijn nood en behoefte, beter dan ik;
gij ziet mijne ellenden in, het is niet noodig u dit alles
omstandig uiteen te zetten. Leg ik hierdoor niet reeds
getuigenis af van den hoogen graad van kennis, hun
van God medegedeeld, in wiens aanschouwen hun ver-
stand met hemelsche wetenschap vervuld wordt ? Dit
alles is nog weinig. Door het gebed wend ik mij tot
hen als voorsprekers bij God. Nu beschouw ik hen niet
als zelf hulpbehoevend, als onzeker van Gods vriend-
schap of nog verwijderd van zijn heerlijk aanschijn,
neen als met glorie bedeeld, als juichend en jubelend
onder de koren der Heiligen, als te midden van milli-
oenen engelen staan zij in mijnen geest voor zijnen
troon, in het onbegrijpelijk genot van Gods oneindige
liefde en het volledig bezit van onwaardeerbare, hemel-
sche, eeuwige rijkdommen. Dit gelooven en betuigen
hunner hooge eer en heerlijkheid zal en moet voor hen
een ware eeredienst zijn. Riep ik de H. Odilia toe:
O! overschoone, oneindig gelukkige Maagd, zie God
heeft u geplaatst voor zijnen troon: te midden der
Engelenko ren bezit, aanschouwt gij Hem enz. Het zou
voor haar een eerbetooning zijn, een jubelzang. Welnu
aldus doet ieder godvruchtig vereerder, alleen reeds
door zijn toevlucht te nemen tot de H. Odilia. Een
verschilpunt slechts; bij het inroepen der voorspraak
geschiedt dit door daden en met oefeningen, die mijne
overtuiging bewijzen, in het andere geval slechts met
woorden en dus zwakker. Legde ik, door hen te bidden,
slechts belijdenis af van hunne hemelsche glorie, het
ware misschien weinig, maar toon ik daarenboven niet,
dat ik hen invloed zie hebben op het Hart Gods?
Niemand toch zal de Heiligen aanroepen zonder terzelfder
tijd te gelooven en te belijden, dat God hun gebed
gaarne verhoort, en hun in den hemel groote macht
verleent. In het eerste hoofdstuk van het tweede deel
werd gesproken over de kracht hunner voorbede. Hiervan
quot;doordfongeh zijn,quot; is reeds een* voortdurend lof. en -ear .
'Sil
betoon. Neemt gij dan uwe toevlucht tot de H. Odilia,nbsp;|
dan legt gij een verklaring af harer macht en grootheid,
en zijt dus een harer vereerders. Dit is echter nog nietnbsp;f
alles.
Een van de schoonste eigenschappen der Heiligennbsp;j
is hunne ware en hemelsche liefde lot ons arme ster-
velingen. Wanneer een onzer vrienden naar een ver
afgelegen land reist en daar door Gods goedheid ennbsp;quot;
een gelukkigen samenloop van omstandigheden tot wel-
vaart, grootheid en zelfs tol den troon geraakt, dan
zal zijn roem vermeerderen, zoo hij ons, in armoedenbsp;-:
achtergebleven, niet vergeet en onze smarten tracht te
lenigen. De H. Odilia is thans in haar liemelsch vader-
land aangekomen. Onbeschrijflijk is hel geluk, haar tennbsp;:
deel gevallen. Door Gods heerlijkheid verzadigd, kent (
zij geen armoede, pijn, lijden, geen geestelijke behoefte
meer. Alle schatten dezer aarde zijn, vergeleken bij
hare onvergankelijke rijkdommen, slechts stof en vuilnis. ^
Te middenquot; van zooveel hemelvreugde gedenkt zij onzer,
ja heeft ons lief. Zij kan en wil ons opbeuren uit onze
lichamelijke en geestelijke ellende. Wat is er toch be- ?
minnenswaardig in ons, die God zoo dikwijls beleedig- f
den? Deugd en ware rijkdommen bezillen wij bijna ^
niet. In ziel en lichaam, in natuurlijke en bovennatuur-
lijke orde hebben wij niets dan armoede. Wij kunnen quot;
op niets grootgaan. Alleen de zonde is volmaakt van
ons en dit tot quot;onze schande. Moeten wij, gelet op dit '
alles, de liefde der Heiligen jegens ons niet als een ;
hunner roemwaardigste eigenschappen aanzien? Is het ;;
niet onbegrijpelijk wonderbaar, dat zij uit zulk een i
verheven glorie op onze geringheid nederzien? Wij [
kunnen dan de H. Odilia bijzonder vereeren, door deze ^^
hare barmhartige liefde jegens ons te erkennen, en wat :
boven gezegd quot;werd van de glorie en macht, zoo zeg
...ik thans, dat het gelooven, prijzen, erkennen en belijden \
dezer liefde volmaakt opgesloten ligt in het aanroepen
en het afsmeeken harer voorspraak. Thans ziet gi], ;
Beminde Lezer, dat wie de Heibgen om hulp en genade ;
bi(]tj hen waarlijk en verdienstvol vereert. Hierbij konden
nog vele andere redenen gevoegd worden. Hoeveel
geloof, vertrouwen, eenvoud, nederigheid, geest van
gebed en andere deugdzame akten bevat, veroorzaakt
een godvruchtig gebed niet? Dit alles strekt ter eer
der Heiligen. Later zal ik meer bijzonder doen uitkomen,
dat de voornaamste vereering der Heiligen gelegen is
in de navolging hunner goede werken en deugden,
wat door godvruchtig bidden reeds gedeeltelijk ge-
schiedt. O! hoe troostvol voor ons in onzen rampspoed
de Heiligen te kunnen vereeren, door hunne hulp af
te smeeken en onze ellende te toonen ! Een arme is
tot bedelen het meest bekwaam, een zieke tot klagen,
een arme zondaar en behoeftige ziel tot het openbaren
harer geesttslijke ellende, het smeeken om genezing
harer krankheid, het bidden om bijstand in nood en
gebrek. Goddank, dat wij de H. Odilia zoo schoon en
Gode welgevallig vereeren kunnen, op een wijze, die
ons het gemakkelijkst is, dat wil zeggen door een
nederig vertrouwvol gebed. Hoe grooter gunsten ^ij
vraagt, des te vuriger vereert gij Haar, door in Haar
een grooter invloed op het hart'Gods, een branderder
hefde jegens u te veronderstellen. Bedenk echter wel,
dat tijdelijke goederen niet altijd hemelsche gunsten
zijn, daar zij ons dikwijls den weg tot den hemel ver-
sperren. Het bezit van alle goederen der aarde zou een
allernoodlottigste ramp zijn, zoo wij den hemel er door
verloren. Roepen wij dan de voorspraak der H. Odilia
in voor de genezing onzer ziekten, het licht onzer
oogen, de bevrijding uit kommer en rampspoed, doch
onder voorwaarde, dat dit voor ons geen struikelblok
zij ter zaligheid en strooke met Gods H. Wil. Ridden
wij vooral, zoo wij ware devotie tot de H. Odilia hebben,
dat zij voor onze arme ziel genade afsmeeke bij God,
om ons heilig Geloof dagelijks meer te kennen, er
volgens te leven door een getrouw volbrengen zijner
heilige geboden om steeds toe te nemen in góede wer-
ken en verdiensten, om te volharden in Goäs liefde tot
het einde onzes levens en zoo waardig bevonden te
wól-deif dé-gibrie'Gods-te aanschouwen en de H. Odilia
lïl
eeuwig te bedanken in den hemel. Gelukkig, die in
zijne gods vruchtoefening de H. Odilia om deze hemelsche
foederen vraagt; zi n'gebed zal niet onverhoord, zijne
evotie niet vruchte oos blijven.
; i'1
1»
I
t
DERDE HOOFDSTUK.
Een derde oefening van Godsvrucht, waardoor wij de
macht en glorie der H. Odilia verkondigen en Haar
alzoo vereeren, is het gebruik van water ter harer eer
gewijd. Honderde jaren reeds, gelijk blijkt uit oude
breviers der Orde, waarin de formule voor deze wijding
gedrukt staat, alsmede uit oude schrijvers, die groote
gunsten en mirakelen, door dit gebruik verkregen,
luide verkondigen, hebben de Kruisheeren dit water
uitgedeeld. Uit de formule der zegening blijkt, dat dit
water niet voor de geestelijke kwalen, maar slechts
voor die des lichaams gebruikt wordt. Ut habeat viiiutem
contra omnem morbum et mfirmitalem corporis. Opdat het
kracht hebbe, zoo bidt de wijdende priester, tegen alle
ziekten en zwakheid des lichaams. Ook niet alleen tegen
de ziekte der oogen, maar tegen elke ziekte en zwak-
heid. Bij het wijden bidt de priester, dat God zich ge-
waardige, door de voorspraak en tusschenkomst der
H. Odilia, aan het water deze kracht mede te deelen.
Is de ziekte inwendig in het lichaam, dan nuttigt men
het, de oogen worden er mede gewasschen. Daar in
dit water de relikwie der H. Odilia is gedompeld ge-
weest, kunnen wij drie gronden voor deszelfs krachtnbsp;i i
aanhalen. Vooreerst het gebed der H. Kerk, dat God
reeds zoo aangenaam is en' nooit onverhoord blijft, zelfs
niet in het lichamelijke, tenzij dit nadeelig zij voor
onze zaligheid. Verder de voorspraak der H. Odilia,
door wier verdiensten en voorspraak deze hemelsche
kracht over het water is afgebeden. Ten laatste de aan-
raking der relikwie. Vroeger werd het soms toegediend
uit meer genoemde vaas, in de tombe der H. Odilia
te Keulen gevonden en later in zilver gevat. Dit was
niets anders dan een nieuwe aanraking met de relikwie,
zoo men deze vroeger niet alleen toepaste. Zagen wij
dan reeds zoo veel mirakelen bij het vereeren harer
relikwieën, of had de cingel van den H. Paulus, gelijk
vroeger reeds gezegd is, zelfs tijdens zijn leven zulke
kracht, dan mogen wij door de dompeling der relikwieën
in het water, hiervan door de voorspraak der H. Odilia,
een bijzonderen zegen hopen. In het tweede deel, slaan
verscheidene gunsten opgeteekend, door dit water te
gebruiken, verkregen.
Uit Arnoldus van Gloetingen, generaal der Orde in
4500, verhaalde ik u, hoe ten tijde der pest te Hoey,
in 4483, een menigte menschen die wonderkracht on-
dervonden. Niet deze of gene, maar velen, die door
eigen ondervinding overtuigd, anderen dit water gingen
uitdeelen om ook hen in de gunsten der H. Odilia te
doen deelen. Ook de echtgenoote van Nicolaus Leblan
werd, boven vernamen wij het, door het gebruik van
dit water, gered uit doodsgevaair. In 4614 werd in de
omstreken van Luik en eveneens te Hoey een moeder
van den i-and des grafs gered, door dit water te nuttigen.
Nog is de hand dezer Martelares niet verkort of liaar
voorspraak bij God krachteloos. Het vertrouwen waar-
mede het volk dit water gebruikt, de hoeveeWieid water
ten tijde van den feestdag, het octaaf en anders in onze
kloosterkerken gevraagd, de verzoeken, soms uit verre
landen tot ons gericht, toonen, dat de H. Odilia ook
thans diegene helpt, welke dit met vertrouwen gebrui-
ken. Dikwijls woi^dt ons door genezene getuigt,'dat zij
aan Odilia's voorspraak en het gebruiken van dit water
hun herstel danken. Hoe sterker ons vertrouwen is,
des te zekerder kunnen wij-hulp verwachten. De kracht
is niet gelegen in de hoeveelheid, maar in de zegening
der Kerk, de voorspraak der Heilige, de kracht der
relikwie aan den eenen kant, en het kinderlijk vertrou-
wen aan den anderen. Om door oefeningen ons ver-
trouwen te vermeerderen, is het raadzaam dit gebruik
met andere Verken'ter harei' eer'te Yepeetgt;igii]g3n,-. als
â m â
gebeden, verstervingen, werken van barmhartigheid en
liefde jegens den naaste, het branden van kaarsen en
andere, ons door godsvrucht en vermogen toegelaten.
Deze vergrooten niet slechts ons vertrouwen, maar zijn,
afzonderlijk genomen, krachtdadige middelen om hare
hulp te verkrijgen; zoodal wij, aldus handelend, dubbel
doel treffen. Ook een novene houden ter harer eer, is
bijzonder voordeelig. Wal hier boven gezegd is van
hel water, kan ik ook schrijven van het zegenen der
oogen of aanraken met hare relikwie. In de vroegste
eeuwen bracht men de zieken reeds bij de tombe der
martelaars, om door aanraking hunner overblijfselen
genezen te worden. 1'oven staan eenige genezingen
door aanraking van Odilia's relikwieën verkregen. Heden
geeft men zieken in buitengewoon gevaar nog dikwijls
eenige relikwieën in de hand of hangt hun die om den
hals, zoodat het gebruik, zijn oogen te laten zegenen
met de relikwie, christelijk en van ouds in de H. Iverk
bekend is. Een in de vorige eeuw uitgegeven werkje
wijst op dit gebruik met de volgende woorden (1). De
relikwieën dér H. Odilia zijn aan de vereering des
volks geschonken bijna in elke kerk onzer Oi'de, met
een grooten eerbied en toeloop der geloovigen. Sommige
roepen de H. Odiiia aan en drinken hel water ter
harer eer gewijd, andere bidden haar en laten zich de
oogen zegenen (se font signer les yeux) om ze le ge-
nezen ofquot; te bewaren enz. Te Maeseijck, Aken, f^^uik,
Iverniel, Haarlo enz. is deze oefening zeer in zwang.
Onnoodig u aan te toonen, Beminde Lezer, dal gij
ook door deze oefeningen de IL Odilia vereert en baai-
een aangenamen dienst bewijst. Hierdoor openbaart gij
uw groot vertrouwen, wal reeds een verkondiging is
harer liefde, macht en heerlijkheid ; gij loont le ge-
looven aan de kracht der relikwieën, wal een echt
katholieke, Gode en der H. Odilia behagelijke handeling
is. Moge dit weinige uw vertrouwen bevestigen, u bare
krachtige hulp in rampen en lichaamskwelling doen
ondervinden, u eindelijk bewegen ook in het geestelijke
(1) Histoire de S. Odile pag. 102.
vooral hare toevlucht te zoeken, waar wij de hulp der
heiligen het nuttigst, krachtigst en zekerst ondervinden.
VIERDE HOOFDSTUK.
In dit hoofdstuk voeg ik meerdere oefeningen van
godsvrucht jegens de H. Odilia bij elkander. Vooreerst
haar bidden ; niet zoozeer om gunsten te verkrijgen,
maar om haar gevoelens op te dragen van liefde, eer-
bied, bewondering, lof en vooral dankbetuiging voor
ontvangene weldaden. Zou de H. Odilia zich o'ver zulke
gevoelens niet verheugen? Onze liefde, ons vertrouwen,
het verlangen naar het hemelsch vaderland worden er
door verlevendigd. Gelijk elke deugd, zoo wordt ook
de godsvrucht tot Haar sterker door oefening en ver-
menigvuldiging der akten. Onze aandacht vestigt zich
sterker op Haar, zoo ons hart zich meermalen met Haar
bezig houdt. Gelijk liefde gedenken doet, zoo doet
gedenken ook beminnen. Wanneer wij ons hart aldus
dikwijls uitstorten, zal onze godsvrucht groeien en ons
de naam van vereerders der H. Odilia meer passen.
Vooral dankbetuiging moet haar vereeren en aangenaam
zijn. Krachtiger dan een smeekgebed legt zij getuigenis
af, hoezeer de heiligen ons 'beminnen en bijstaan.
Waren deze wijze van vereering meer in gebruik, hoe
zouden de geloovigen waardiger zijn, de gunst der
heiligen te ondervinden, hoeveel meer konden zij op
hunne voorspraak rekenen.
Tot deze eenvoudige oefeningen reken ik ook het
bezoeken harer beeltenis in de kerk. Hier konden ge-
voegelijk bovengemelde oefeningen geschieden. De beel-
den der Heiligen staan niet alleen in onze kerken ter
herinnering van hun leven, deugden en glorie, al zijn
zij waarlijk de boeken der ongeletterden, maar zij dienen
tevens, om ons de Heiligen in de vereering gemakke-
lijker voor oogen te stellen en hun hartelijker hulde
te brengen. Daar -schenken wij geen eer aan de beelden,
maar aan de Heiligen, die wij ons fn dezelve'vOofsitllen.-
De H. Kerk gaat ons leerend voor. Zij versiert ze.
Bloemen en waslicht omgeven hen. Scharen geloovigen
knielen er voor neder en bidden, den persoon der
Heiligen, als ware hij aanwezig, beschouwend. Door dit
bezoek gaat de godsvrucht der Heiligen vooruit en zal
ook die tot de H. Odilia winnen. Ons gebed zal vuriger,
aandachtiger zijn; andere geloovigen, getuigen onzer
devotie, zullen zich gesticht gevoelen en tot dezelfde
werken opgewekt. Hoevelen hebben hunne zwakheid
overwonnen en zijn vurige dienaren van God en zijne
Heiligen geworden, bij het opmerken van eens anders
nederige godsvrucht. De overige oefeningen zijn of
inwendig, of niet zoo uitwendig' en zichtbaar voor den
evenmensch. Deze is meer uitwendig, eenvoudig en
treffend. Ik zeg niets van de kinderlijke nederigheid
dezer oefening,'die dikwijls een ware zelfverloochening
vordert, en daardoor meer verdienstelijk voor ons, en
aangenamer wordt voor God en zijne Heiligen. Schoon
kunnen wij beide oefeningen vereenigen door hare
beeltenis te versieren met kaarsen en bloemen en bij
het bezoeken onze akten van liefde, dank enz. aan te
bieden.
Hoe eenvoudig wij ook zijn, toch kunnen wij behalve
door ons voorbeeld, ook met woorden de geloovigen tot
godsvrucht voor de H. Odilia bewegen. Een waar ver-
eerder zal dikwijls, zelfs in gewxinen dagelijkschen
omgang, overvloed aan gelegenheid hiertoe vinden. Hoe
licht kan men niet eenig wonder of goed. door hare
hulp verkregen, aan anderen verhalen, met enkele
woorden hare deugden verkondigen of derzelver verhe-
venheid aantoonen? Aan zulke gesprekken hebben velen
hun zaligheid en groote heiligheid soms het begin
hunner verdiensten te danken.
Een andere oefening, te weten, de H. Mis te hooren
of opdragen ter eere der H. Odilia kan op verschillende
wijzen geschieden. Vooreerst dit H. Offer aan God
brengen, opdat de geloovigen uit kracht dezer H. han-
deling de genade der godsvrucht tot de H. Odilia ont-
â¢12
t
I
I
11
vangen, haar leven kennend, haar bijstand ondervindend,
haar deugden navolgend. Hoe zoet dit der Heilige zijn
moet, behoeft geen betoog. Kunnen wij wel beter aan
haar eer en glorie werken ? Als de grootheid. Haar in
den hemel geschonken, nog kan verfioogd worden, zal
de eenige weg wel zijn, dat de aarde hare grootheid
kent, en, op hare gebeden vertrouwend, geholpen wordt
naar de eeuwige glorie, om voor God eeuwig getuigenis
af te leggen van de goedheid der H. Odilia. Ook kan
men God de H. Mis opdragen, voor welke geestelijke
oC lichamelijke behoefte ons goeddunke, en Hem deze
opdracht door de handen der H. Odilia doen geworden.
In hel bewustzijn onzer zondige zwakheid, aarzelen wij
Hem dit offer onmiddellijk te brengen. Overtuigd daar-
entegen van het welbehagen, dal God schept in een
verheerlijkte ziel, van den invloed, welke die heilige
ziel bezit op het Hart Gods, vertrouwen wij ons offer,
hoe volmaakt ook in zich, liever aan hare handen toe,
uit vrees het door de onze minder aangenaam te maken.
Wij smeeken de Heilige, hare, door deugd en marte-
laarschap behaalde verdiensten, met onzen goeden wil
te vereenigen en zóó dat onwaardeerbaar offer voor
Gods troon te brengen. Ook hier toonen wij grooten
eei'bied, vertrouwen, liefde en doen dus een der Heilige
behagelijk werk. Eindelijk hebben de zaligen in den
hemel God onuitsprekelijken dank te brengen voor de
onschatbare genade der heiligheid, volharding en zalig-
making. Hun roeping, geloof, bovennatuurlijke deugden,
hebben zij te danken aan Gods barmhartigheid. Hunne
natuurlijke krachten waren tot dit alles onvermogend.
Hel geluk hun in den hemel geschonken, is onuitspre-
kelijk. Zulk een goddelijke belooning maakt'de Heiligen
opgetogen van dankbaarheid. Een geheele eeuwigheid
is hun geschonken om God hunnen dank te brengen,
en toch gevoelen zij, dat dit nog weinig is in verge-
lijking mquot;et de grootheid der gave. Ontbrak er aan de
vreugde der H. Odilia in den hemel iets, het zou zijn
haren hemelschen Bruidegom voor de verleende wel-
daden niet'ruiïrier te Ituniicn bedtlt;nkcn.. Wij.dp^n haar.
derhalve een grooten dienst, onze gebeden en vooral
het H. Sacrificie der Mis aan God op te dragen als een
dankoifer voor de der H. Odilia geschonkene glorie.
Dan vereeren wij Haar niet slechts, wij verplichten
Haar eenigszins, ons bijzonder in bescherming te nemen.
De gunsten, door de H. Odilia verkregen, behande-
lend, was er dikwerf sprake van gelofte ter hare eer
gedaan. Hierbij moeten eenige bemerkingen gemaakt wor-
den. Daar gelofte, volgens de leer der Theologanten (1),
een akte van opperste vereering en hulde is. en dus
God alleen gebracht wordt, heeft deze nooit die bindende
kracht, als zij uitsluitend aan de H. Odilia gedaan wordt.
Toch kan men de H. Odilia door een gelofte vereeren,
wanneer wij door hare tusschenkomst onze gelofte aan
God opdragen, zooals ik boven zeide, betrekkelijk het
H. Sacrilicie der Mis. B.v. aldus: »Mijn Heer en mijn
God. Met volle bewustzijn en om aan uwe opperste
Majesteit eer en hulde te brengen, doe ik u gelofte van
deze of gene zaak en draag u deze gelofte op door de
voorspraak der H. Odilia.quot; Ook kan men eerst zijne
gelofte doen aan God en vervolgens aan de Heilige,
gelijk men in de vele kloosterordens dit doet aan God
en de H. Maagd Maria. Eindelijk, en, dit wordt meestal
verstaan doorheen gelofte ter eere der H. Odilia, men
kan God beloven een of ander goed werk te zullen
verrichten ter eere der H. Odilia. hetzij onvoorwaardelijk
of na verkrijging der gevraagde gunst. Hebben wij deze
gelofte afgelegd' en is de gunst verkregen of zonder
dit laatste als de gelofte zonder voorwaarde is, dan
wordt een werk, vroeger aan onze vrije keuze overge-
laten, wezenlijk verplichtend en dit zwaar of gering,
naar gelang het werk groot of klein in zich is, of onze
meeni^lig was, ons zwaar of licht te binden. Dat ook
dit tot eer strekt der H. Odilia, valt den kortzichtigsten
op. Echter moet men bemerken, nooit een gelofte te
doen, van welken aard ook, zonder overleg en rijp
beraad. De weg naar den hemel is stijl en hobbelig;
wij moeten en mogen ons dien niet moeielijker maken,
.(1). Dcharbe (Danliclnian) III Deel pag. 181.
dan na onze krachten berekend en sterk bevonden te
hebben. Jeugdige menschen, kinderen hebben hunne
zwakheid nog niet genoeg ondervonden; gebrek aan
kennis en ondervinding doet hun geen moeielijkheden
zien, waar werkelijk groote aanwezig zijn; zoo zij zich
zonder overleg verbinden, loopen zij groot gevaar, na
ondervinding der moeite, den moed te verliezen en
hun gelofte te breken, wat veel erger zijn zou, dan
nooit een gelofte te doen. Dikwijls schijnt een werk
ook op den duur gemakkelijk te wezen, daar het zonder
moeite een enkele maal kan gedaan worden, terwijl het
voortdurend gedaan met den dag verzwaart. Daarom is
het voor een ieder hoogst raadzaam, nooit eenige ge-
lofte te doen, dan na raad van zijnen gewonen biecht-
vader. Hij kent de zwaarte van ieder godvruchtig werk;
de veelvuldige blikken in ons geweten geslagen,'hebben
hem, beter dan ons, de krachten door natuur en genade
in onze ziel gelegd, doen onderscheiden en kennen;
zijn hart is aangaande ons verlangen onpartijdig, terwijl
een voorbijgaande godvruchtige beweging ons onze
eigene krachten dikwijls doet overschatten. Als alge-
meenen regel mogen wij gerust op stellen: Jeugdige
lieden moeten nooit een geiohe, van welken aard ook,
doen zonder raad van hunnen gewonen biechtvader.
Volwassenen en meer bezadigden hebben niet noodig
hunnen geestelijken leidsman te raadplegen in kleinere
zaken, welker zwaarte zij kennen en met gemak dragen.
Voor grootere dienen zij den raad des priesters in te
winnen, tenzij zij licht, ondervinding, wijsheid en kennis
genoeg bezitten, hun geweten te vormen en onafhanke-
lijk te beslissen. Deze bemerking heb ik hierbij gevoegd,
opdat niemand, door voorbeelden, in het tweede deel
verhaald, opgewekt, ze onvoorzichtig navolge; maar
opdat hij, den rechten weg inslaande, zijne ziel aan
geen gevaar blootstelle en heerlijke verdiensten behale.
VIJFDE HOOFDSTUK.
De voornaamste oefening ter eere der H. Odilia is
de navolging harer deugden. Deze waarheid, bij de
vereering van lederen Heilige opgaande, dringt maar
al te weinig in ons hart, zoo zwak zijn wij. Tot de
Heiligen nemen wij dagelijks onze toevlucht, wij roepen
hen aan in onzen nood, verkondigen hunnen lof, doen
bedevaarten hun ter eere, zonder de bijl aan den wortel
onzer gebreken te slaan en hen te vereeren door het
navolgen hunner deugden. Duizend malen werd ons
deze waarheid van den predikstoel verkondigd. De H.
Kerk komt er openlijk voor uil, dat zij de Heiligen aan
de geloovigen ter vereering voorstelt, om deze tot
navolging aan te sporen. De schoone gebeden der ker-
kelijke getijden leggen hiervan treffende getuigenis af.
Toch schijnt deze leer voor velen een doode letter. Nu
eens bidden wij in het kerkelijk Officie: ut quorum
gaudemus meritis instruamur exemplis, opdat wij onder-
richt worden door hel voorbeeld van hen, over wier
verdiensten wij ons verheugen; dan weder: ut per ejus
ad Te exempla gradiamur, dat wij door haar voorbeeld
tot God mogen naderen of gelijk op den feestdag des
H. .\loysius; ut iniiocentem non seeuti, pcenitentem imi-
temur, opdat wij, die hem niet volgden in onschuld,
hein mogen navolgen in boetvaardigheid. Kerkvaders,
als Joannes Chrysostomus en Augustinus, leeraars, als
een H. Alphonsus de Liguorio en andere godvruchtige
schrijvers en uitleggers der waarheden van den gods-
dienst stemmen samen in de verkondiging dezer leering.
Ben ik zoo ver verwijderd van de beoefening hunner
deugden, dat ik de zoo noodzakelijke liefde Gods mis
(en dit onheil treft eenieder, die zich aan doodzonden
overgeeft of in staat van doodzonde volhardt) dan schijnt
de lof, die ter eere der Heiligen uit mijnen mond
opstijgt, vleitaal of huichelarij, en wordt de aanroeping,
tenzij ik bidde om eigen bekeering, dikwijls vermetel-
heid. Alle grootheid der Heiligen is gelegen in hunne .
'deugüen, door God in den hemel beloond. Diezelfde
deugden, zij het ook in minder graad, kunnen ook
door mij beoefend worden. Ons allen is de genade
Gods ruimschoots geschonken, zoodat wij alles kunnen
in Hem, die ons versterkt. Meenen wij geen krachten
te hebben om zoo groote werken te verrichten en zulke
harde verstervingen te doen; welaan! God vordert dit
niet van ons, en mocht Hij dit eenmaal verlangen, dan
zullen wij overvloedig de hulp der dadelijke genade
ondervinden, waarop wij, de H. H. Sacramenten ont-
vangende, recht ki-egen. God immers zal nooit toelaten,
dat'iemand boven zijne krachten bepi'oefd wordt. Alle
kunnen wij dus, min of meer volgens stand of roeping,
de Heiligen navolgen. Hunne liefde tot God en den
naaste moeten wij zeker van hen leeren. Maar spreek
ik waarheid, wanneer ik de Heiligen loof om hunne
deugden en door mijn gedrag toon diezelfde deugden
gering te schatten ? Wat ik bij machte ben zonder
groote moeite te verkrijgen, en desniettemin vergeet
of verwaarloos, moet ik geacht worden niet te tellen.
Wie kan gezegd worden een goudstuk naar waarde te
schatten, zoo hij zijne hand niet uitsteekt, wanneer
hij het slechts te nemen heeh ? Zoo spreekt ook nie-
mand waarheid bij het i-oemen van de deugden der
Heiligen, indien hij ze niet verlangt na te volgen. Hier
zou men kunnen denken aan zelfbedrog of huichelarij,
als men voor de Heiligen, gelijk voor de menschen,
huichelen kon. De H. Augustinus leert ons: als wij de
martelaars vereeren zonder hen na te volgen, is het
niets anders dan hen op een leugenachtige wijze vleijen.
Willen wij dus in waarheid de H. Odilia vereeren,
laat ons hare deugden navolgen. Boven werd nog ge-
zegd dat het aanroepen der Heiligen zonder navolging
vermetelheid is, tenzij wij bidden voor onze bekeering.
Hoe toch kunnen wij hopen van hen een tijdelijke,
onnoodige zaak te verkrijgen, terwijl wij het eene
noodzakelijke veronachtzamen? Van de geestelijke goe-
deren is het eerste een oprechte bekeering. Wie tijde-
lijke gunsten vraagt en in zonden blijft volharden,
schijnt' den -HeiiigeTi nieuwe talenten te verzoeken, oj,n
ze tot eigen nadeel te misbruiken. Hij toont te gelooven
aan het eeuwig geluk der zaligen en berokkent hun
droefheid, voor zooveel in hem is, door dat hemelscli
geluk te verwaarloozen en te verachten. Wij moeten
hen dus nastreven in de liefde, de deugdsbetrachting,
het onderhouden der geboden, ten minste voor zoover
zij op zware zonden verplichten, willen wij een waar
vereerder van hen worden en met grond op hunne
barmhartigheid vertrouwen. Hoe meer men de Heiligen
nabij komt, des te grooter kan ons vertrouwen zijn,
des te vuriger is onze vereering. Volgen wij de H.
Odilia in de beoefening der deugden, zoodat wij zelfs
de dagelijksche zonden verfoeien, vluchten en vermin-
deren, dan stijgen wij eenige trappen hooger in deze
godsvrucht. Hesluiten wij eindelijk de H. Odilia na te
volgen in heigeen tot de geestelijke raden behoort,
beoefenen wij hare deugden in volmaaktheid en vooral
bij kruisen en lijden, dan kunnen wij aanspraak maken
op den titel van volmaakt vereerder. Niet slechts onze
mond, maar onze tong en geest, en zin en kracht
leggen voor God en de Heiligen getuigenis af van de
waarheid onzer lofspraak. Onze woorden gelijken niet
meer naar leugen, vleitaal en huichelarij, daar de trouwe
beoefening der deugd hunne oprechtheid waarborgt.
Om alles'in een woord te herhalen, is de navolging
der Heiligen daarom vereering, omdat zij den lof der
deugd, door ons zoo dikwijls aangeheven, waar maakt,
omdat ons gedrag verkondigt, hoezeer wij de deugd
voor iets uitstekends beschouwen.
Vroeger noemde ik de vereering der Heiligen liefde.
Zij moet liefde zijn, wil ze waar zijn en van langen
duur. Niets wekt zoozeer tot navolging als liefde, die
gelijken vindt of maakt. Vrienden nemen elkanders
manieren gemakkelijker over. Zij scheppen in die ge-
lijkvormigheid behagen en streven er voortdurend na.
Beminnen wij dan, volgens ons zeggen, de Heiligen;
past het ons dan niet, hen na te volgen in hunne
deugden ? Schande is het, wereldlingen voor de ijdelheid
«te zien doen, wat ons voor deugd en zaligheid te veel
schijnt. Heldenfeiten der oudheid stemmen een krijgs-
man tot bewondering en navolging, een kunstenaar
neemt karakter en manieren over van een door hem
bewonderd voorganger, en wij, vol bewondering en
eerbied, (zooals wij ten minste voorgeven), voor de
Heiligen, zijn lafhartig en traag, ons hunne schoone
deugden eigen te maken. Schaam u Sion, sprak de
zee ! Wanneer wij ernstig overwegen, hoe dierbaar de
H. Maagd en Martelares Odilia haren hemelschen Brui-
degom is, welke liefde zij Hem toedraagt, hoezeer zij
zich verheugt in zijne oneindige allerhoogste heerlijk-
heid, in den lof Hem van de schepselen gebracht,
misschien zouden wij blaken van een heilig vuur, God
te dienen en de H. Odilia na te volgen. En dit niet
alleen, om Hem in den hemel eeuwig te beminnen en
zijne heilige liefde te smaken, maar tevens, dewijl wij
der Heilige daardoor een behagelijken dienst betoonen
en haar vereeren. Zij verlangt niets heviger dan de glorie
Gods. Door hare deugden na te volgen, vervullen wij
dit onuitsprekelijk verlangen. God vereerend. Hoe aan-
genaam zullen aan de Heiligen onze goede werken
worden, zoo deze op hun voorbeeld gedaan worden,
dat wil zeggen, als door hen onderwezen. Zij deden
ons de verplichtingen of raadgevingen zien, die wij
overigens reeds uit de christelijke leer kenden, stelden
ons de deugden beoefend voor, in zichtbare duidelijke
gevallen en tastbare omstandigheden, van hen leerden
wij de volmaaktheid, de mogelijkheid, de wize der
deugd enz. Zij hadden invloed op onze bande ingen,
in één woord hun voorbeeld is in ons vruchtbaar ge-
worden, door de hulp van Gods genade en door mede-
werking van onzen vrijen wil. Moet het, dit alles
beschouwd, den Heiligen niet hoogst aangenaam zijn,
hun voorbeeld door ons toedoen nog heden vruchtbaar
te zien ? Ware navolgers zullen hen ook met levendiger
geloof en vuriger godsvrucht bidden, door de liefde
meer waardig zijn hunnen bijstand te ondervinden,
meermalen den invloed hunner krachtige voorbede ge-
voelen en zoo door godsvrucht in godsvrucht vooruitgaan.
Gave God, dat wij de H. Odilia door navolging harer
deugden vereerden, schooner oefening van godsvrucht
zou niet denkbaar zijn. Leven wij dan volgens ons H.
geloof gelijk zij, brande de goddelijke liefdevlam in ons
hart als bij Haar, zijn wij kuisch, overgegeven aan
Gods H. wil, verlangend naar den hemel, verstorven
gelijk zij, want door Haar na te volgen, zullen wij
Haar eeren en ware navolgers zijn van Jesus-Christus,
daar zij ons, zoo niet met woorden, dan zeker door daden
toeroept: nimitatores mei estote sicut et ego Christi (i).
Weest mijne navolgers, gelijk ik het van Christus ben.quot;
Over de navolging der Heiligen, zegt de H. Chrysosto-
mus in zijne leerrede over de martelaren zeer schoon:
»Wie weet niet, dat de Christelijke volkeren, volgens
»goddelijk raadsbesluit, de gedachtenis der Martelaren
»luisterrijk vieren, opdat hun behoorlijke eer bewezen,
»en ons voorbeelden van deugd voor oogen gehouden
»worden ? Bij het aanschouwen dezer plechtigheden
»zullen wij erkennen, welke heerlijkheid zij in den
»hemel bezitten, wier sterfdag oigt; aarde met zooveel
»luister gevierd wordt, en door de voorbeelden van de
»deugd der H. Martelaren zullen wij aangespoord wor-
»den om, geholpen door Christus, vol toewijding en
»geloof te s'trijden en den vijand te overwinnen, opdat
»wij na behaalde overwinnitig met hen zegevieren in
»den hemel.quot; Boven had ik'reeds gelegenheid u op
woorden van den H. Augustinus te wijzen, die in zijn
325^'° reden, over de 20 martelaren aldus spreekt:
»Daartoe zijn in de kerk van Christus de feestdagen
»ingesteld, opdat alle ledematen van Christus zouden
»herinnerd worden, dat zij de bloedgetuigen van Christus
»moeten navolgen. Stelde men ons God als toonbeeld
»ter navolging voor, dan zou de menschelijke zwakheid
»kunnen antwoorden, dat het een al te moeielijke zaak
»is Hem na te volgen, met Wien zij niet kan verge-
»leken worden. Wordt ons vervolgens het voorbeeld
»van 0. H. Jesus-Christus ter navolging voorgesteld,
»die zich, alhoewel God, met sterfelijk vleesch bekleedde
I Cor. XI. 1.
»om de menschen een voorbeeld te geven enz. enz.
»Ook hier antwoordt de menschelijke zwakheid, ben ik
»te vergelijken met Christus. Om nu alle verontschul-
»digingen onzer ongeloovige zwakheid weg te nemen,
»hebben de Martelaars ons den weg gebaand. Petrus
»was, wat gij zijt; Paulus, de apostelen en profeten
»waren u gelijk......... Zijt gij te vermoeid den Heer te
»volgen, streef den dienstknecht na. Een leger dienst-
»knechten ging vóór, de verschooning der tragen is
»weggenomen.......quot; »Ziet dan toe, mijne broeders,quot;
zoo besluit hij: »Viert zoo het lijden der Martelaars,
»dat gij er op bedacht zijt hen na te volgen.quot;
ZESDE HOOFDSTUK.
Hier volgen eenige overwegingen ter eere der H.
Odilia. Zelfs in zich reeds akten van godsvrucht, helpen
zij ons de bovengenoemde beter volbrengen, en ons
hart met hare deugden versieren. Na zijn meditatie door
nalezing der stof te hebben voorbereid^ stelle men zich
op de plaats der overweging aangekomen, in Gods
aanbiddelijke tegenwoordigheid. Met'een algemeen voor-
bereidingsgebed, waarin God aanbeden, bedankt, om
licht en stei'kte gesmeekt wordt, opene men de oefening.
In het eerste praeludium herdenkt men een oogenblik
de stof en vestigt zijne verbeelding op een of ander
feit in de overweging aangegeven. In het tweede vraagt
men om een of andere vrucht, daar ter plaatse aange-
geven, of door eigen behoefte en godsvrucht verkozen.
Vervolgens oefent men de krachten zijner ziel, voort-
durend akten van geloof of hoop of liefde verwekkend,
vooral bedenkend een of ander bepaald praktisch voor-
nemen te maken, en dit denzelfden dag te volvoeren.
----
â 187 â
VOORBEREIDINGSGEBED,
3-i-emtilt;j- â¢voo-t damp; â¢uo-f^m^e- tneSitatim.
Mijn Heer en mijn God, doordrongen van den diepsten
eerbied voor uwe aanbiddelijke Majesteit en goddelijke
tegenwoordigheid, werp ik mij neder, U erkennend als
mijn Schepper, Heer en Meester, en mij als uw eigen-
dom, dienaar, schepsel.
Ik bedank U voor de onbegrijpelijke weldaad der
schepping, voor de niet genoeg te waardeeren genade
van roep en zaligmaking. Helaas ! dat ik U zoo dikwijls
beleedigde en uwe goedheid miskende. Thans wil ik
mij spiegelen in het schoone voorbeeld uwer H. Die-
nares, de Maagd en Martelares, Odilia. Geef door de
verlichting uw^er genade, dat ik een heiligen afkeer
opvaite van mijn vroeger levensgedrag, en, door hare
heiligheid gesticht, mij voorneme hare deugden na te
volden. Amen.
EERSTE MEDITATIE
OVER
het geloof der H. Odilia.
Praehidiim I. Stellen wij ons de H. Odilia voor, om
haar geloof aan vaderland en familie vaarwel zeggend
en zich aan een onzekere toekomst blootstellend.
Praeludium II. Smeeken wij God door de voorspraak
der H. Odilia de waarde en noodzakelijkheid van een
levendig geloof te kennen en dit volmaakt te beoefenen.
Oefening des geheugens. De H. Odilia was in hare
kindsche 'jaren zoo doordrongen van de eeuwige waar-
heden, de schoonheid des hemels, de liefde des Zalig-
makers, dat haar hart niet slechts van een vurige liefde
blaakte, maar zich zelf, meer dan geboden was, aan
Hem toewijdde. Hare omgeving was heidensch; haar
koninklijke stand aan wereldsche verleiding blootgesteld
en daardoor tot ongeloof geschikt: hare jeugd van
nature eer door het' aardsch schijnschoon getrokken
en nog niet door teleurstelling van het wereldsche
afkeerig. Wie bewondert in dezen toestand haar levendig
jeloof niet? De tijd der beproeving nadert. Zij zal door
lare ouders verloofd worden. Ach zij vreest voor haar
heilig geloof. Misschien zal het, door een heidenschen
bruidegom ondermijnd, bezwijken. Zij wii het redden,
vlucht, stelt zich aan duizend gevaren bloot; waarlijk
gelijk aan den man des Evangelies, die na een schoonen
parel gevonden te hebben, alles geeft om hem te koopen.
Oefening van het verstand. Ook mij is door Gods ge-
nade het H. geloof geschonken. Meer dan de H. Odilia
heb ik waarschijnlijk de heilige waarheden hooren uit-
leggen. Veertien eeuwen hebben sedert haren dood de
waarachtigheid en onvergankelijkheid daarvan bewezen.
De H. Kerk triomfeert over ketters, scheurmakers en
onverschilligen. Het ongeluk en de onredelijkheid des
ongeloofs zie ik in. En helaas! mijn geloof is niet leven-
dig, levend, krachtig! Het voorbeeld der H. Odilia moet
mij bewegen, deze ons verleende genade op te wekken
en het H. geloof trouwer in beoefening te brengen.
Schrikkelijk klinkt het woord des Zaligmakers: ^^qui
non crediderit eondemnabitur (1). Die niet geloofd zal heb-
ben, zal verloren gaan.quot; Wordt hij zoo streng gestraft,
die geen geloof leerde, hoeveel te meer hij, die weigert
naar dit geloof te leven. ygt;Rursim cruciÃgentes sibimetipsis
filium Dei et ostentui habentes (2). Voor zich den Zoon
Gods opnieuw kruisigend en ten toon stellend.quot; Wordt
hier mijner arme ziel misschien geen geduchte les gege-
ven? Sluimert mijn geloof niet? Beschouw ik mijn leven
werkelijk als een kortstondige voorbereiding voor de
eeuwigheid ? Of leef ik, als hadde ik hier een blijvende
woonplaats ?
Oefening van den wil, Laat ik mij schamen over mijn
verregaande dwaasheid. Laat ik voortaan de waarheden
des geloofs grondig trachten te kennen, door overweging
(1/ Maft. XVI. l6. HeBr. Ti. o'. ⢠. quot; . â ⢠. .
in mijn hart prenten en er onophoudelijk naar leven;
vooral mij, beschouwend als voor de eeuwigheid ge-
roepen en als vreemdeling op aarde, alles als voorbij-
gaand en vergankelijk achtend.
Geestelijke Ruiker. Dat gij niet traag wordet, maar
navolgers dergene, die door geloof en geduld de belofte
zullen beërven. Hebreërs cap. VI. V. 42.
Samenspraak. H. Maagd en Martelares Odilia ! Gods
woord, in uw hart als een vruchtbaar zaad door zijne
genade uitgestrooid, heeft door uw krachtige medewer-
king honderdvoudige vruchten voortgebracht. Beproefd
en bemoeielijkt hebt gij, ondanks uwe jeugd, alles
veracht om Christus te winnen. Ach ! sla een medelij-
denden blik op mijne ziel. Zie, hoe zwak en werkeloos
mijn geloof is. Sidderend voor 's Heeren woord, dat
ieder ongeloovige zal veroordeeld worden, bid ik u
mijne voorspraak te zijn bij God, opdat mijn geloof
moge groeien, versterken, vruchtbaar worden, opdat ik
bestand zij tegen de aanvallen eener ongeloovige slechte
wereld en den palm der eeuwige zaligheid behale. Amen.
TWEEDE MEDITATIE.nbsp;(
De vaste Hoop der H. Odilia.
Praeludium I. De H. Odilia en hare gezellinnen voor-
stellen, rondzwalkend op zee, verstoken van menschelijke
hulp, blootgesteld aan allerlei gevaren naar ziel en
lichaam en toch God alleen zoekend en op Hem ver-
trouwend.
Praeludium II. De genade vragen om steeds, niette-
genstaande alle gevaai' en moeielijkheid, de eeuwige
zaligheid te zoeken en te hopen.
Oefening van het geheugen. Waarom verliet de H. Odilia
haar vaderland en ging zij zich aan zooveel gevaren
blootstellen ? Omdat de gelukzaligheid des hemels, de
onuitsprekelijke rijkdommen Gods' de eeuwige glorie,
het bovenaardsche vaderland, het bezit haars goddelijken
Bruidegoms de voornaamste begeerten harer ziel waren.
Hoewel niet bij machte, door hare natuur en bloot
menschelijken wil een enkele graad van goddelijke ge-
nade, veel minder zonder Gods hulp, den toegang tot
het hemelsch paradijs te verkrijgen, stelde zij'toch op
deze kostbare goederen haar hart, vertrouwend op de
almacht, goedheid en getrouwheid Gods. Als een veilig
anker was hare hoop op en in den hemel gevestigd.
Toen vervolging, ontbering, lijden, bekoringen haar
omringden, ontzonk de moed haar niet; op God hoopte
zij, in eeuwigheid kon zij niet beschaamd staan. Hoe
zou zij, zonder deze heilige hoop bestand zijn geweest
tegen zooveel lijden? Omdat zij den hemel als haar
grootste schat beschouwde, kon 'het verlies der geheele
wereld haar niet bedroeven ; omdat zij op God betrouwde
joegen de moeielijkheden haar geen vrees aan.
Oefening des Verstands. Moet ik voor mij hieruit niet
besluiten mijne hoop te verlevendigen en té versterken?
Zal ik den hemel voortaan niet aanzien als den waren,
allergrootsten en oneindigen schat? Oneindig, wijl hij
eeuwig is, oneindig wijfik daar God, de oneindigheid
zelve, genieten bezit. Als moeielijkheden mij omringen,
mag geen laffe vrees mij bevangen. God toch helpt
ons: en zoo Hij voor ons is, wie kan tegen ons zijn.
Ook ik wil thans den hemel hopen, omdat God is
oneindig goed tot ons, almachtig en getrouw in zijne
beloften. God wil den dood des zondaars niet, maar
dat hij zich bek eere en leve (1). God is onze hoop,
zijn verblijfplaats, de plaats voor ons bestemd, is hoog
gelegen en voor den heischen vijand ongenaakbaar
Alles kan ik in Dengenen, die mij versterkt. Hoe heb ik
tot heden de H. Odilia in de beoefening dezer deugd
nagevolgd ? Hoe groot is mijn verlangen naar het
hemelsch vaderland? Begeeft mij de moed soms als
groote bekoringen mij overvallen ?
Oefening van den wil. Al gaf ik mij tot heden aan
geen wanhoop of vermetel vertrouwen over, dien ik
toch voor God te bekennen, de schoone deugd van
(1) Ezechiel XXXIIl v. H. (2) Ps. XC. v. 9.
hoop niet vlijtig genoeg beoefend te hebben. Ik neem
mij voor mijn geluk niet te stellen in het aardsche,
naar het henielsche te verlangen, en dit, ondanks allen
moeielijken strijd, van Gods goedheid te verwachten.
Geestelijke Ruiker. Spes non confunclit. De hoop be-
schaamt niet (1).
Samenspraak. Heilige Odilia ! de vastheid uwer hoop
is ons voornamelijk gebleken, toen gij metterdaad al
het aardsche verachtet, om den palm der glorie in den
hemel te verkrijgen. Beproevingen noch bekoringen
ontstelden U: daar gij enkel steundet op uwen hemel-
schen Bruidegom, die U nimmer verliet. Wees mijn
voorsprekeresquot; bij God; smeek Hem, dat ik voortaan
niet het aardsche maar het hemelsche zoeke, niet op
menschelijke maar Goddelijke hulp vertrouwe, en door
uw gebed gesteund God door God vinde en bezitte in
eeuwigheid. Amen.
DERDE MEDITATIE.
De liefde der Heilige Odilia.
Praeludium 1. Stellen wij ons voor, de H. Odilia,
staande voor Atlila's troon, onbevreesd zijn vleitaal
verachtende en zijn bedreigingen aanhoorend, daar zij
haren goddelijken Bruidegom vurig beminde.
Praeludium II. Bidden'^ wij, door het voorbeeld der
H. Odilia getroffen. God voortaan vuriger te beminnen.
Hem boven alles te stellen en zijne heilige geboden,
zelfs te midden van lijden, na te leven.
Oefening van het geheugen. Goddelijke liefde vordert:
God te schatten, te beminnen boven al het geschapene,
zooals: eer, fortuin, liefde, rust, vrede, genoegen: en
desgevorderd, om Hem, dit alles te verlaten. Nooit dus
eenige doodzonde te bedrijven; geholpen door een bij-
zondere gratie (ten minste zoo onze liefde vurig zijn
zal) ook 'de vrijwillige dagelijksche zonden vluchten;
(1) Rom. Cap. V. v. 5.
voor zoover wij vermogen, door overweging zijner H.
geboden, door waken over ons zeiven, door vurige
gebeden, zorgen, niet zoo dikwijls in minder vrijwillige
kleinere zonden te vervallen (1). »Si diligüis me, man-
data mea servate. Als gij mij bemint, onderhoudt mijne
gebodenquot; (2). »Die mijne geboden heeft en ze onder-
houdt, hij is hel, die mij bemint (3). Zoo iemand mij
bemint, hij zal mijn woord onderhouden.quot; Geheel het
leven der H. Odilia was een oefening dezer liefde. Om
haren hemelschen Bruidegom boven een aardschen te
beminnen, die voor hare ziel en de onderhouding van
Gods geboden gevaarlijk was, nam zij de vlucht. Hare
liefde was sterk als de dood (4). Gelijk deze onverbid-
delijk alle aardsche banden breekt, zoo ook de liefde
der H. Odilia. In armoede, kommer, vrees, volgde zij
haren hemelschen Bruidegom, gelukkig Hem te dienen
en te gelijken. Hei 'inner u al haar lijden; smaak er de
bitterheid van, gij zult daardoor de grootheid harer
liefde beter inzien. Denk vooral hoe sterk deze liefde
was, als zij onversaagd Attilas verzoek afwees, van haar
geloof en hare kuischheid te verloochenen.
Oefening van het verstand. Deze liefde is noodzakelijk.
y^Qui non diligit, manet in morte, die niet bemint blijft
in den doodquot; (5). Wilt gij ten leven ingaan, onderhoudt
de geboden. Zoo gi mijne geboden onderhoudt, zult
gij in mijne liefde b ijven (6). Woorden door den God-
delijken Leermeester zeiven gesproken. Missen wij deze
liefde, dan is onze ziel beroofd van de heiligma'kende
genade en geestelijk dood; dan grimt de eeuwige
dood der hel ons legen. Wee hemt die niet bemint!
Is onze liefde flauw, zoodat wij ons dikwijls aan vrij-
willige dagelijksche zonden overgeven, dan hellen en
glijden wij naar den afgrond; slechts eenige schreden
nog, en wij zullen le pletter storten. Afschuwelijk is
het zijne kostbare ziel door zonden le vermoorden !....
Dolzinnig, de Opperste schoonheid niet te zoeken; de
bron va^n alle eer, geluk, grootheid te verlaten en rede-
(1) Joes, XV. (2) Ibid. 21. (3) Ibid. 25. (4) Cant. VlII. 7.
(5) 1 Joes. cap. III V. 14. (G) Joes. XV. 10.
loos draf en vuilnis (wat is zonde anders?) te verza-
naelen. Zijn wij in zonden, laat ons haastig opstaan en
de zonden verloochenen, zien wij de H. Odilia niet
eer, stand en fortuin verlaten ? Kunnen wij niet in
gewone omstandigheden en na zooveel voorbeelden,
onderrichting en genade, wat de H. Odilia m zeer
groote moeielijkheden vermocht ?
Oefening van den wil. Nemen wij ons voor, door de
zonden te biechten, door oprecht berouw en waardige
vruchten van boetvaardigheid de heiligmakende genade
en Gods liefde weêr te zoeken. Het zwakke punt der
ziel te versterken, de kleine zonden, het meest door
ons bedreven, te verhinderen door het vluchten der
gelegenheid en het gebruik eener echt christelijke
voorzichtigheid.
GcesteliÃe Ruiker. Zoo gij mijne voorschriften onder-
houdt, zult gij blijven in mijne liefde (1).
Samenspraak. In alle nederigheid voor uwe voeten
neergeworpen, smeek ik U, o H. Maagd en Martelares
Odilia, U te wenden tot de goedheid en banniiartigheid
van uwen hemelschen Bruidegom. Zoo dikwi.is heb ik
Hem beleedigd en zijne liefde verzaakt, dat ik mij niet
rechtstreeks 'tol Hem durf begeven. O, bid voor mij
om de vergiffenis mijner tallooze zonden; smeek Hem,
mij de genade te verleenen, uit dit geestelijk graf op
te staanquot;; wees mijne voorspraak, opdat ik in zijne liefde
volharde tot het einde mijns levens, en zelfs de kleinste
gebreken uit liefde lol Hem verbetere. Uw machtige
voor.spraak, H. Odilia! zal mij zeker helpen. In bitter
lijden hebt gij Zijne liefde bewaard; de uwe is bekroond
en volmaakt geworden in den hemel; meer dan op
aarde zijt gij thans in den hemel door Hem bemind;
zeker dusquot;zal Hij u verhooren. Ach ! bid voor mij,
opdat ik Hem vurig beminne. Amen.
(1) .loan. XV. 10.
VIERDE MEDITATIE.
De nederigheid der Heilige Odilia.
Praeludium I. Stellen wij ons voor, de H. Odilia
Engeland verlatend en vaarwel zeggend aan eer, glorie,
koningschap om de armoede van Jesus-Christus te
omhelsen.
Praeludium. II. Bidden wij God, de deugd van nede-
righeid grondig te kennen, en door verzaking van alle
ongeregelde eerzucht, te beoefenen.
Oefening van het geheugen. Hoeveel eer en glorie stond
de H. Odilia hier op aarde niet te wachten ? Van vorste-
lijken bloede en met tijdelijke goederen overladen,
ging zij een heerlijke toekomst te'gemoet. Door hoe-
velen werd zij benijd, geëerd, aanbeden? Minderen
zagen met vreeze naar haar op. Hovelingen vlogen op
haar wenken, zich gelukkig achtend, haar een dienst
te kunnen bewijzen. Gelijken zochten hare liefde en
vriendschap. Vorsten dongen naar hare hand. Geen
hoovaardigheid zou het in haar geweest zijn, zulk een
verzoek in te willigen; menschelijker wijze gesproken,
was dit een eer, die haar paste. Hoe schoon was hare
toekomst ! Bemind en in het huwelijk vereenigd met
een vorst, zouden eer, fortuin, aanzien slechts groeien.
Toch verzaakte zij aan dit alles, om haren hemelschen
Bruidegom niet te verliezen. Zij trapte kroon en scepter
met voeten, verliet eindelijk alles, om in vergetelheid
en armoede den armen Jesus te volgen. Eenigszins kan
men van haar zeggen: ^^lexinanivit semetipsam. Zij heeft
zich zelve ontledigd.quot; Volmaakt heeft zij bewezen aard-
sche eer en grootheid niet bemind en zich zelve om
God veracht te hebben.
Oefening van het verstand. Hoeveel redenen hebben
wij niet, om ons zeiven te verachten. Van nature zijn
wij duister van verstand, zwak van wil, en voor onze
wedergeboorte in het H. doopsel zijn wij vijanden Gods.
Hoe dikwijls beleedigden wij God niet door onze zon-
den ? Daarvoor alleen reeds zijn wij alle verachting
waardig. Hebben wij ooit de hel verdiend, hoe kunnen
wij meenen tot eer, achting, grootheid gerechtigd te
zijn? De deugd van nederigheid zet ons op de rechte
plaats. Een waarlijk nederig mensch zal zich noch in
het natuurlijke, noch in het bovennatuurlijke iets ver-
meten ; spaart zich heel wat vernederingen, die een
hoovaardige vroeg of laat moet ondergaan: valt niet
zoo lichtelijk, daar God hem bemint en den overvloed
zijner genaden over hem uitstort. Hoe hoog stonden
de Heiligen niet volgens het oordeel van God, van de
H. Engelen, ja zelfs'van de wereld? Evenwel verne-
derden zij zich diep; Jesus-Christus zelfs de God der
eeuwige heerlijkheid heeft zich vernederd, de mensche-
lijke natuur aannemend. Onredelijk, dwaas, onchristelijk
moet de hoovaardij zijn, daar de goddelijke Zaligmaker
ons toeroept: i^Disdte a me juia .... et humüis corde.
Leert van mij, dat ik nederig van harte ben.quot;
Oefenhifi van den wil. Laat ons naai: het voorbeeld
van Christus, de Heiligen en bijzonder de H. Odilia
geen ongeregelde begeerten tot aanzien en grootheid
meer voeden; tevens de verlichting des H. Geestes
vragen om ons zei ven grondig te kennen, te beoor-
deelen en te behandelen, naar hetgeen wij zijn in
waarheid en voor het oog Gods.
Geestelijke Ruiker. ygt;Discite a me quia .... et humüis
corde. Leert van mij, dat ik nederig van harte benquot; (1).
Samenspraak. Getroffen door uw voorbeeld, o H.
Odilia, zie ik thans duidelijk in, hoe dikwijls ik mij
bedrogen heb, door ongeregeld den lof der' menschen
te zoeken, de achting der wereld te beminnen. Een
verdiende en' passende vernedering, mij door Gods
voorzienigheid overgezonden, weigerde ik te ondergaan.
Uit ongeregelde liefde tot eer en grootheid, heb ik
Gods wet herhaaldelijk overtreden. Gij echter, die allen
lof verdiendet door uwe deugd, en hoog in aanzien
waart door den adel uwer geboorte, hebt eer en aanzien
verloochend, om uwen goddelijken Meester te gelijken.
Ach ! ik bid U, wees mijn voorsprekeres bij den troon
(i) Mathaeus XI 29.
Gods, opdat ik de genade verwerve, klein te worden
in mijn eigen oogen, en mij zeiven vernederend, den
hemel te verdienen. Amen.
VIJFDE MEDITATIE.
De kuischheid der Heilige Odilia.
Praeludium I. Beschouwen wij, hoe de H. Odilia
verontwaardigd de hand van Africanus afwijst en met
blijdschap den dood te gemoet treedt.
Praeludium II. Bidden wij God om de genade, de
schoonheid eener kuische zuivere ziel te kennen en
moedig verstervingen te ondergaan, ze als bolwerken
der zuiverheid beschouwende.
Oefeniny van het geheugen. De volmaaktheid der H.
Odilia schittert vooral in hare kuisch- en maagdelijkheid.
Zij wordt in de H. Kerk vereerd als maagd, dus van
lichaam nooit bevlekt of geschonden, van verbeelding
nooit geschroeid door onzuivere voorstellingen met be-
hagen 'aanschouwd of onvoorzichtig bewaard; van ver-
stand, nooit bezig met vrijwillige'denkbeelden en oor-
deelen, die gevaar opleverden; van wil, zich immer
volgens Gods wet vormend. Nogthans kon zij zuiver
van zonde blijven zonder Gode haar lichaam eeuwig te
wijden. »Zoo een maagd huwt, heeft zij niet gezon-
digdquot; (I). Vele Heiligen waren volmaakt geworden in
het huwelijk. De H.quot;Odilia wilde maagd blijven, dat
wil zeggen, haar lichaam en ziel geheel ongeschonden
voor God bewaren. »Een maagd denkt wat des Heeren
is, hoe zij heilig zij naar lichaam en geestquot; (2). Een
maagd wijdt zich geheel aan God, zich zelfs het huwelijk
ontz'eggend. Dit is de kuischheid in de hoogsten graad,
die zonder buitengewone genade Gods, krachtige 'mede-
werking en groote behoedzaamheid niet bestaan kan.
Voor de H. Odilia had deze deugd nog bijzondere
moeielijkheden; daar de H. Maagd moest leven aan een
' (1) I Cor. vn. 28. (2) I Cor. VIT. v. 31.
heidensch hof, in overvloed, aanzien, slechte voorbeelden
enz. Desniettemin heeft zij deze deugd ongeschonden
bewaard en er de grootste armoede voor geleden, toen
zij ter wille der kuischheid alles verliet. Attila had
haar nog willen redden. Een enkele toestemming aan
Africanus' snoode begeerten ware voldoende geweest;
doch als maagd, te midden van maagden en om hare
maagdelijkheid stortte zij haar bloed.
Oefening van het verstand. Hoe afschuwelijk is de
tegenovergestelde ondeugd. De zondige wereld, wier
verborgen daden zelfs niet genoemd mogen worden,
die geheel in onkuischheid verzonken is, schaamt zich
die zonden te openbaren. Diep bedorven, half verdier-
lijkte menschen alleen durven er voor uitkomen. Deze
zonde stelt ons gelijk met, ja dikwijls beneden het
redeloos dier: zij ondermijut het lichaam..... Hoevelen
zinken er niet op jeugdigen leeftijd door deze zonde in
het graf. Zij verwart de verbeelding en maakt ons
onbekwaam voor studie, kunst, eer en adel. Onze
hartstochten krijgen in ons de overhand, ons brengend
tot wellustige slavernij. Hoevelen zien te laat, dat be-
terschap bijna niet meer mogelijk is. Het schrikkelijkst
is de eeuwige verwerping: nneque fvrnicarii reijmtm Dei
possidebimt. Ook de ontuchtigen zullen het rijk Gods
niet bezittenquot; (1). Hoe schoon'is integendeel de kuisch-
heid en nog meer de maagdelijkheid, bewonderd zelfs
door de bedorven wereld. Zij veredelen den mensch,
maken hem tot grootsche daden geschikt, zijn een
geurig ofTer, Gode gebracht, en ve'rheflfen ons tot, ja
in zekeren zin, boven de engelen.
Oefening van den tuil. Hebben wij van God tot heden
de kuischheid ontvangen, laten wij Hem, ons diep ver-
nederend, voor dit onwaardeerbaar geluk danken. Zijn
wij ooit gevallen, laat ons met Maria Magdalena bittere
tranen schreien en Jesus' voeten zalven door ootmoed,
zelfverloochening en boetvaardigheid. Is thans onze ziel
nog met dei-gelijke zonden besmeurd, laten wij door
gebed ons tot een waar*, diep gevoeld berouw voorbe-
(I) I Cop. VI. 9.nbsp;, .«
reiden om in eene rouwmoedige biecht de verloren
genade weder te vinden.
Geestelijke Ruiker. ^yCorpus non formicationi, sed Domino.
Ons lichaam is met voor ontucht maar voor den Heerquot; (1).
Samenspraak. Wat hebt gij niet gedaan, o H. Maagd
Odilia, om den Heer geheel te behooren en uw lichaam
ter zijner eer zuiver en ongeschonden te bewaren.
Armoed en verlatenheid werd uw deel, toen gij tot
redding uwer maagdelijkheid Engeland verliet. Hoeveel
versterving hadt gij aan het hof uws vaders niet reeds
beoefend, om de zinnelijkheid buiten uwe ziel te sluiten.
Dit alles doet mij beschaamd staan over mijn tot heden
gevolgd gedrag; diep voel ik mij vernederd, als ik u
voor deze schoone deugd uw maagdelijk bloed zie
storten. O, groot zal voorzeker uw invloed zijn op het
hart van uwen hemelschen Bruidegom, Dien gij volgt
te midden der maagden. Ach! bid Hem voor mij om d^e
genade, deze schoone deugd met zorg te bewaren en
alles te vluchten, wat mijne ziel maar eenigszins kan
besmeuren. Amen.
ZESDE MEDITATIE.
De gehoorzaamheid der Heilige Odilia.
Praeludium I. Attila beveelt onder hevige bedreigin-
gen de H. Odilia, haar geloof te verzaken. Ondanks
gevangenschap, Attila's macht en vreeselijke bedreigin-
gen, staat zij pal, weigert eenen mensch te gehoorzamen
tegen den wil Gods en blijft haren Jesus getrouw tot
in den dood.
Praeludium 11. God bidden door de voorspraak der
H. Odilia, de schoonheid dezer, zoo noodzakelijke deugd
beter te kennen en voortaan met meer nauwgezetheid
aan God en het wettig gezag te gehoorzamen.
Oefening van het geheugen. De H. Odilia onderhield
steeds de geboden harer ouders met alle getrouwheid,
(1) 1 Cor. VI. 13.
Zij wordt verloofd, haar geloof zal gevaar loopen, hare
eeuwige zuiverheid onmogelijk worden. Thans stond
het haar vrij Gods bevel boven dat der menschen
te stellen. Zij vlucht, wijl zij God meer gehoorzamen
wil dan de menschen. Hoeveel licht, genade, volmaakt-
heid vertoont hier hare gehoorzaamheid! Zij valt in
Attila's handen. Hij vraagt naar haar geloof. Zij ge-
hoorzaamt en legt belijdenis af. Hij gebiedt haar dit te
verloochenen. Zij mag niet ongehoorzaam zijn aan God
en weigert dus. Men leidt haar ter strafplaats. Andermaal
is zij gehoorzaam, en dit tot den dood. God schept
meer behagen in gehoorzaamheid dan in offers; de H.
Odilia doet beidequot;; zij gehoorzaamt en offert alles,
zelfs haar eigen leven. Hoe aangenaam moet dit Gode
geweest zijn'!
Oefening van het verstand. Hoe redelijk en verstandig
is deze schoone en helaas ! zoo miskende deugd. Alle
wettig gezag, geestelijk, ouderlijk, burgerlijk komt van
God.'Rede en geloof leeren het. Wie zich dus tegen
het gezag verzet, staat op tegen God. »Non est potestas
nisi a Deo. Er is geen gezag dan van Godquot; (1), zegt
de H. Apostel Paulus. Die het gezag weerstaat, weer-
staat Gods verordening; zij die wederstaan, verkrijgen
voor zich de veroordeelihg. De H. Odilia was aan God
gehoorzaam tot den dood; zullen wij dan niet zoo ge-
hoorzaam zijn, ons te onderwerpen aan de beschikking
van het wettig gezag, tot een kleine versterving van
onzen eigen wil ? De moeielijkheid in het gehoorzamen
komt meestal uit dwaling of inbeelding. Wij stellen ons
de geboden dikwijls zwaar voor. Doch laat ons de hand
. aan den ploeg slaan, oefening maakt alles gemakkelijk;
weldra zullen wij de zoetheid dezer deugd ondervinden.
Zij toch bevrijdt ons van ongeregelde eigenliefde, van
de tyrannie der hartstochten, van noodelooze zorgen;
zij bezorgt ons een stroom genaden en vergemakkelijkt
ons het pad der deugd.
Oefening van den wil. Nemen wij ons voor, onze
wettige oversten in alles te gehoorzamen, zonder te
(1) Rom. c. Xlll. v. 1. etc.
letten op hun persoon, leeftijd, kennis en liefde, maar
enkel acht gevend op het hun, van God geschonken,
gezag.
Geestelijke Ruiker. »F/r obediens loquetur victorias. Een
gehoorzaam man zal van overwinningen sprekenquot; (1).
â Samenspraak. Nooit, o H. Odilia ben ik door gezag
. en gehoorzaamheid verplicht geworden, ik zeg niet te
sterven, maar zelfs geen bittere zelfverloochening te
beoefenen. Moest ik gehoorzamen, het waren geboden
strekkende tot welzijn van lichaam en ziel, voor tijd
en eeuwigheid. De bitterheid werd verzoet door Gods
genade, gerustheid des harten, goeden uitslag en heer-
lijke verdiensten. Dan helaas! Des ondanks was ik
dikwijls ongehoorzaam aan God, mijne ouders, mijn
wettige oversten. Thans heb ik het voornemen gemaakt
mij altijd le onderwerpen, hoe zoet de ongehoorzaamheid
ook schijne, hoeveel de gehoorzaamheid ook kostte. O,
wees gij mijne hulp bij God. U, o H. Maagd zal hij
zeker verhooren, zoo gij Hem voor mij om deze genade
smeekt, w-ant uwe gehoorzaamheid is volmaakt, ja door
uw jeugdig bloed bezegeld. Amen.
ZEVENDE MEDITATIE.
De zelfverloochening der Heilige Odilia.
Praeludium I. Verbeelden wij ons de H. Odilia op
het oogenblik, dat zij door Attila's soldaten overvallen
en naar den rechterstoel gesleurd wordt.
Praeludium II. Bidden wij God, om de noodzakelijk-
heid der zelfverloochening meer in te zien en dezelve
steeds vurig te beoefenen.
Oefening van het geheiigen. Daar zinnelijkheid en
hoovaardij onze natuur voortdurend ten kwade neigen,
en wij door Gods gebod streng tot het goede gehouden
zijn, kan het christelijk leven niets zijn dan een aan-
(1) Prov. XXI. -28.
houdende strijd. Dit bevechten onzer bedorvenheid om
den dienst Gods is de christelijke zelfverloochening en
het kenmerk der ware leerlingen van Jesus. De heilig-
heid der H. Odilia is reeds een waarborg voor hare
zelfverloochening. Hoeveel duidelijker wordt deze be-
wezen door het, door haar geduldig gedragen, kruis !
Hoeveel opofferingen deed zij niet, die een ander geboden
noch geraden zijn ! Jeugdig en in overvloed opgevoed,
moest zij de aardsche goederen met lichaam en ziel
verlaten, en daarenboven nog de wrange vruchten der
ontbering plukken. De teedere omhelzing harer ouders
moest zij derven, den vaderlandschen bodem vaarwel
zeggen. Welk een bitterheid proeft haar jeugdig hart
niet, als zij den dreigenden blik eens Attilas moet
verduren, en te midden van onbeschaamde barbaren
niet slechts haar geloof belijden, maar ook volharden
in de maagdelijke zuiverheid. Neen de strijd door ons
onderslaan om de noodzakelijke geboden Gods, is niet
te vergelijken bij den bitteren kelk, dien de H. Odilia
heeft gedronken én om de geboden Gods én om de
maagdelijkheid, die Haar in het H. Evangelie slechts
geraden was.
Oefenimi van het verstand. De zelfverloochening is
noodzakelijk, daar de wet Gods ons streng geboden is .
en gelet op onze zinnelijkheid tot zelfverloochening
dwingt. Die zich zeiven niet verloochent kan Christus'
leerling niet zijn. Bedwingen wij ons zei ven niet; de
hartstochlen zullen ons overmeesteren en ons hun biltere
tyrannie doen ondervinden. Hoezeer verloochenen zich
zondaars niet, om hunne misdrijven te volvoeren ! Let
eens op de straffen hun van God overgezonden; op het
verlies van eer, faam, gezondheid, fortuin; op de
eeuwige straf, tenzij zij zich bekeeren, op de onrust
hier en hiernamaals. Is het dan niet beter om Christus
en de deugd iets te lijden en door den strijd der zelf-
verloochening tot den vrede des harten te geraken ?
Christus is ons voorgegaan, de schouders met het kruis
beladen. Ware er een andere weg, zijne liefde zou ons
dien zeker getoond hebben. Nu staat het echter vast:
»Si enim secundum carnem vixeritis, moriemini, si autem
spiritu facta carnis morti/icaveritis, vivetis. Zoo gij vol-
gens het vleesch leeft, zult gij sterven; zoo gij door
den geest de werken des vleesches doodt, 'zult gij
levenquot; (d). Schijnen ons de bekoringen groot, en kost
ons de versterving soms moeite, laat ons dit aanzien
als een bewijs onzer geestelijke sterkte. God toch is
getrouw, die niet zal toelaten, dat wij boven onze
krachten beproefd worden (2).
Oefening van den wil. Aanvaarden wij de moeite, die
de onderhouding van Gods geboden medebrengt in den
geest van versterving. Is de aanvechting zwaar, nemen
wij terstond tot het gebed onze toevlucht; dikwijls toch
zendt üod ons moeielijkheden over, opdat wij in het
gebed onze kracht zouden vinden.
Geestelijke Ruiker. Zoo gij door den geest de werken
des vleesches doodt, zult gij leven (1).nbsp;i
Samenspraak. O; H. Odilia, de jeugdige leeftijd, waaropnbsp;I
gij alles verloochendet en u om God zelfs in het ge-nbsp;'
oorloofde wildet versterven, doet mij over mijn zinne-nbsp;- '
lijkheid beschaamd staan. In vergelijking met u, een
koningsdochter, was ik arm en zie, ondanks mijne
armoede, hecht ik mij aan de wereld en hare genoegens,
aan dat dubbel verachtelijk goed. De genoegens kan ik
niet achterhalen, en toch jaag ik ze na met overdreven
hartstocht, terwijl ik u in rijkdom en overvloed alles
zie verlaten, om den met het kruis beladen Jesus te
volgen. O ! bid den liefdevollen Jesus voor mij om de
genade, van de waarde der zelfverloochening te kennen,
deze met liefde te omhelzen, en met getrouwheid te
beoefenen tot mijn laatsten snik. Amen.
(1) Rom. VIII. 13. (2) I Cor. X. 15.
ACHTSTE MEDITATIE.
De marteldood der Heilige Odilia.
Prasludium I. Beschouwen wij de H. Odilia, terwijl
zij hare armen biddend ten hemel uitstrekt, om de
moordende pijlen der goddelooze Hunnen in haar jeugdig
lichaam op le vangen.
Praeludium II. Bidden wij God, om de genade, ons
in leven en dood volmaakt aan zijn H. Wil te onderwerpen.
Oefening van het geheugen. De H. Odilia geefl ons in
haren marteldood een volmaakt voorbeeld van onder-
werping aan Gods H. Wil. Door toelating Gods viel zij
in landen van bloeddorstige en onzuivere heidenen.
Attila laat haar keuze tusschen den dood en de zonde.
Zij behoeft slechts met een enkel woord te beduiden,
dal zij haar geloof wil verzaken en hare zuiverheid
prijs geven. Doch het strijdt met Gods H. Wil; daarom
kiest de H. Odilia den dood boven het leven. O! welk
leven verzaakt zij ! Een jeugdig, bloeiend leven. Volop
had zij de genoegens der wereld nog mei voldoening
kunnen smaken. Vele jaren stonden haar, menschelijker
wijze gesproken, nog te wachten. Een oogenblik was
zij nog slechts op aarde geweest. Toch aarzelt zij niet,
zich gelijkvormig te maken aan Gods H. Wil, en het
beste'deel haars levens, de grootste van al hare schatten,
haren Schepper als een eeislelingoffer op te dragen.
Welk een dood onderging zij ! Een wreeden, geweld-
dadigen. Legioenen barbaren stonden voor haar, zij
richtten reeds hunne bogen, scherpsnijdende pijlen
zullen haar hart doorboren, en toch verheugt zij zich
en neemt den vrijwilligen, jeugdigen, wreeden dood
als een heerlijken bruidschat aan, uit de handen van
haren beminden Verlosser.
Oefenimj van het verstand. Wij handelen dwaas, indien
wij ons niet volmaakt aan Gods H. wil onderwerpen. Wat
God goed vindt ons over te zenden, strekt tol ons
welzijn. Zonder ons, schiep hij ons lichaam en ziel;
om ons liet hij zijn eenigen Zoon sterven, op ons heeft
Hij de verdiensten van Christus' lijden en dood toege-
past. Zou God, die ons zoozeer beminde, toen wij nog
in het niet verzonken, ot zijne vijanden waren, ons dan
niet liethebben, wanneer Hij ons eenige bitterheid doet
smaken ? Zal dit wel tot iets anders kunnen strekken,
dan tot ons lichamelijk of geestelijk welzijn ? (1) »Die
zijnen eenigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons
allen overgeleverd heelt, hoe heeft hij ons met Hem
niet alles geschonken (2). Hen, die God beminnen
werkt alles ten goede. Wat zal ons afscheiden van de
liefde Godsquot; (3). Wat God dus verlangt, moet ons geluk
zijn. Overkomt ons eenige moeite, zij zal onze deugd
oefenen, de verdiensten vermeerderen, de zondenschuld
uitboeten, de eeuwige zaligheid verzekeren. Is het dan
niet beter zich aan God dan aan den duivel of de
kortzichtige eigenliefde te onderwerpen ?
Oefening van den wil. Onderwerpen wij ons volmaakt
in leven of dood aan Gods H. wil; volbrengen wij
Gods geboden getrouw; aanvaarden wij met liefde de
moeite daarbij ondei'vonden; verdragen wij lijden en
tegenspoed minstens met christelijke gelatenheid en
geduld.
Geestelijke Ruiker. Fiat voluntas tua. Uwe wil, o
Vader, geschiede (4).
Samenspraak. Mijn Heer en mijn God, door de voor-
spraak der H. Odilia vraag ik U de genade, mij in alles
aan uwen H. Wil te onderwerpen en dien te volbrengen
gelijk de Engelen in den hemel doen, gelijk dequot;H.
Odi ia op aarde gedaan heeft. Ondanks hare jeugd en
zwakheid omhelsde zij den dood vrijwillig en blijde,
omdat uwe goddelijke Majesteit het verlangde. Ach !
help mij Haar ten minste navolgen in de kleine kruisen,
welke uwe vaderlijke goedheid mij overzendt. Mogen
hare verdiensten mijne onwaardigheid helpen, opdat ik,
in volmaakte onderwerping aan' uwen H. Wil levend,
waardig worde, mij in gezelschap der H. Odilia over
uwe heerlijkheid te verheugen. Amen.
(1) Rom. VIII 3-2 (-2) Rom. VIII 28. (3) Ibid. 33
(4) Matthaeus XXVI 42.
NEGENDE MEDITATIE.
De glorie der Heilige Odilia in den hemel.
Praeludium I. Aanschouwen wij de H. Odilia in die
glorie, waarin zij verscheen aan Joannes de Eppa.
Praeludium II. Vragen wij God de genade, de glorie
des hemels beter te kennen, vuriger te verlangen en
met meer opoffering na te jagen.
Oefening van het geheugen. De H. Odilia verscheen
aan Joannes de Eppa, terwijl hemelsche luister Haar
omstraalde. Een zwak menschelijk oog kon de schoon-
heid harer glorie niet aanschouwen, zonder zich verblind
te voelen. Mirakelen, geschied bij hare vinding en
overbrenging, deden hare bovenaardsche macht schit-
teren ; en toch is dit alles slechts een straaltje, een
niet, in vergelijking met de rijkdommen, bij het aan-
schouwen en bezitten van haren goddelijken Bruidegom
ontvangen. ygt;Converlisti planctmn meum in gaudium mihi.
Gij hebt mijne droefheid in vreugde veranderd,quot; kon
zij uitroepen (1). Alle droefheid en lijden is verdwenen,
alle vreugde en vrede haar geworden. Gods oneindige,
onbegrijpelijke schoonheid ziet zij. De hemel, de eeuwige
glorie, de onbegrijpelijke wijsheid, de nimmer verflau-
wende liefde, het gezelschap der Engelen, de lofzangen
der Heiligen geniet, smaakt zij. Haar geluk is eeuwig.
Zeshonderd jaar liggen Haar 11. overblijfselen verborgen,
haar geluk vermindert niet; zeshonderd jaar wordt zij
daarna vereerd op aarde, haar vreugde veroudert niet.
Om den bitteren kelk op aarde gedronken is haar
hemelsch erfdeel rijker: i^gamlete et exultate, quoniam
merces vesira copiosa es). Verheugt en verblijdt u want
uw loon is groot in den hemelquot; (2). Haar maagdelijk-
heid heeft een afzonderlijke kroon verdiend ; »zij volgt
het Lam werwaarts het henen gaatquot; (3). Het martelaar-
schap doet haar juichen en jubelen over een bijzondere
belooning.
(1) Ps. XXIX. 12. (2) Mathaeus Cap. V. 12.
(3) Apoc. cap. XIV. 4.
Oefening van het verstand. Ook ons is de hemel be-
loofd (1). »In het huis mijns vaders zijn vele woningen.quot;
»Zoo gij ten leven wilt ingaan, onderhoud de gebodenquot; (2).
»Nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet openbaar
geworden, wat wij zullen zijnquot; (d). »Wij weten, dat
wanneer het openbaar zal zijn, wij gelijk zullen zijn
aan Hem; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.quot;
»Komt gezegenden mijns vaders bezit het rijk, dat voor
u bereid isquot; (4). Dwaas is het de geheele wereld met
al haar genoegens en rijkdommen boven dit hemelsch
geluk te stellen. Helaas! niemand bezit alle aardsche
goederen, de rijkste slechts een klein gedeelte en dat
slechts voor een tijd. En voor zulk een verachtelijk
gedeelte, ja voor minder nog, voor een schandelijk
oogenblik wordt geheel die kostbare erfenis verspild.
Is het dan niet beter met Christus te lijden, om eenmaal
met Hem te heerschen. Had de Apostel Paulus niet
gelijk, zeggende: »het lijden van dezen tijd is niet te
achten ten aanzien der heerlijkheid, die in ons zal ge-
openbaard worden ?quot; (5)
Oefening van den wil. Maken wij een vast voornemen,
liever alles te lijden en te derven, dan door het be-
drijven eener doodzonde, ons aan het gevaar bloot te
ste len de hemelsche erfenis te verliezen?
Geestelijke Ruiker. »Wij zijn medeerfgenamen van
Christus, als wij echter met hem lijdenquot; (6).
Samenspraak. Welk een onwaardeerbaar geluk hebt
gij thans, o H. Maagd en Martelares, in den hemel
voor uwe deugd en heiligheid ontvangen. Het bitter
lijden, de ballingschap, armoede en marteldood zijn u
oneindig door Gods opperste goedheid vergolden. Ach!
volhardde ik toch op den weg van Gods heilige gebo-
den. Ware ik toch immer bereid, liever den wreedsten
dood te sterven, dan God met eene enkele doodzonde
te vergrammen, waardoor het kostbaar erfdeel ons
onttrokken wordt. Ik bid ü, wil mijn patrones en
voorspreekster bij God zijn. Smeek Hem voor mij om
(1) Joan. cap. XIV. v. 2. (2) Mathaeus XIX. 17. (3) Joës. cap.
m-. V. 2. (4) Math. c. XXV. v. 3i. (5) Rom. VUI. 18. (6) Ibid. 17.
de genade, steeds bereid te zijn, liever alles te verliezen
dan zijne Opperste Goedheid te beleedigen. Geef door
uwe krachtige voorbede, dat ik dagelijks toeneme in
deugd en volmaaktheid, om zoo eens erfgenaam des
hemels, deelgenoot en getuige uwer glorie te worden.
Amen.
f
.V.c^---^^
\
.Li
narede.
en^dpfenbsp;quot;quot;quot; P'-^f'^ss«'- Daris, Helbig
een bezoek ann d^ r..nbsp;nagegaan, alsmede
Vorafis i vL'ritTquot;^nbsp;gedrukt was
le vmoeret.nbsp;^gatha in de Nederlanden
Toen de inneming van Roermond de uitvoering ver-
klooste'r te'S!' '^rf^-nbsp;redden fn h t
r al zelve i 'Pnbsp;grondgebied. De gene-
SinflrL. fr-f''^'nbsp;de domeiler-
k oosifroïdn/lnbsp;opheffiquot;^ der
vX wii L.- 'nbsp;oomeuüe in 1796,
Sn Z' t ï ö.quot; geboorteplaats, Luik teru^. Bi
h X ^^ »'^'^^'quot;bernbsp;van hetzelfde iaar schiiV
en te Hot fnbsp;geboortig te Borgloon
'96 fnpnnbsp;Althans van af het einde van
reH'kvS 'rzi-rLS/^^'-'quot;^'nbsp;^^
slaaSriï^l'quot; ^'djruchtig bewaarde hij ze in zijn
tijd herhaalde
maienjn^andere relikwieën was geschied.
(1) Tom. I. parte 2, pag. 166.
Als de stormen der revolutie waren voorbijgetrokken
en hij de Kruisheerenorde zoo verstrooid zag, dat een
wederopkomst onmogelijk scheen, stond hij het heilig
gebeente in 1828 af aan de parochiekerk, waar men
reeds eeuwen de H. Odilia vereerde. Mgr. de Barrett,
Wijbisschop en vicaris-capitularis van Luik liet iu tegen-
woordigheid van Haywegen zelve, van Schuermans
Dastoor te Kerniel, van Wagemans pastoor en Beelen
capelaan te Loon, de capsa openen. Nadat de echtheid
gebleken was, beval hij de relikwieën van Odilia en
Ida enz. tusschen de Hoofdkerk van Hoey en de suc-
cursale kerk Kerniel te verdoelen, en teekende één Dec.
1828 de akte te dezer gelegenheid opgemaakt (I).
De antieke kast bleef echter in het bezit der parochie
Kerniel. Zij heeft eene lengte van 1.08 m., bij eene
hoogte van 0.35 m. en eene iets geringere breedte. Men
wil, dat zij vroeger geheel vlak was. Een aandachtige
beschouwing, dunkt mij, moet ons evenwel doen be-
sluiten, dat zij vroeger een spits toeloopend deksel droeg.
In 1829 heeft een gewoon dorpstimmerman, er eenige
verandering aan gebracht, om ze gemakkelijker onder
het altaar te kunnen plaatsen. Jammer dat de prachtige
schilderingen zoo deerlijk geleden hebben. Wat onge-
schonden bewaard bleef, dwingt thans nog de bewon-
dering af der kunstkenners. Het vertrek van Rome of
Engeland, de aankomst te Keulen, de poging aangewend
om Odilia's deugd te doen bezwijken, vinding en over-
brenging staan er met nog levendige kleuren op voor-
gesteld. Gebaren en gelaatstrekken zijn vol uitdi'ukking
en naïviteit. Wie de teekeningen bewonderen en meer
omstandig kennen wil, raadplege de werken van Jules
Helbig of de Beffroi arts liieraldique et archeologie, waar
hij de teekeningen, op een derde of vierde teruggebracht,
met volkomen juistheid zal weervinden. De inscriptie
waarvan ik in het tweede deel, derde hoofdstuk ge-
waagde, is er niet op te vinden, zij ligt volgens de
BefFroi in de kist zelve. Voor godsvrucht, kunst en
(1) Zie bijlage V.nbsp;i |
wetenschap ware hot te wenschen, dat een nieuwe
opening der tombe werd toegestaan.
In de kerk van het voorm'alige Kruisheerenklooster,
dat op korten afstand van de parochiekerk gelegen,
thans door Bernardijner-nonnen bewoond wordtquot; leggen
de heerlijke koorbanken nog heden getuigenis af,hoe
vurig men daar weleer de H. Odilia vereerde. Achttien
tafereelen van een der beroemdste Belgische schilders
uit de laatste helft der achttiende eeuw, Mr. Aubée
vertoonen ons Odilia's verschijning, vinding, overbren-
ging en wonderkracht. Meest alle voorstellingen zijn
genomen van de plaat, welke door den Kruisheer
Aegidius de Vrese in 4647 met bijvoeging eener Latijn-
sche verklaring in versen, aan den prins-bisschop van
Luik en Keulen, Ferdinand van Beieren werd opgedra-
gen en die in n° 9 der Katholieke Illustratie 1887 alsook
in sommige exemplaren van dit werkje werd opgenomen.
In schoonheid van stijl en historische juistheid, moeten
de paneelen van Mr. Aubée voor deze plaat wijken.
Onder de wereldlijke parochiekerken in Nederland,
waar de H. Odilia vereerd wordt, verdient Odiliënberg
vooreerst te worden aangemerkt. Deze naam dankt zijn
oorsprong niet aan de H. Odilia. Voordat de relikwieën
van de patrones der Kruisheeren ontdekt waren en
voor de opening der grafstede van de II. Abdis uit den
Elzas, schijnt deze plaats reeds dien naam le hebben
gedragen. In de oude volkstaal kon Odiliënberg belee-
kenen, berg in een moerassige streek gelegen. Daar
dit met deze gemeente wei'kelijk het geval is, schijnt
de naam niels anders te zijn dan een korte plaatsbe-
schrijving. De Sepulchrijnen, die hier later een klooster
stichtten,' meenden van de H. Odilia uil den Elzas dezen
naam te moeten afleiden en stelden er haren feestdag
in. Met het bestaan des kloosters verdween ook deze
feestviering, doch voortaan heette het plaatsje Sint
Odiliënberg. Om nu deze benaming waar te maken heeft
de Bisschop van Roermond Reginaldus Cools er, vol-
gens verhaal van Knippenberg (4), in 4706 een relikwie
(1) Hist. Eccl. Duc. Gelria; pag. 102. Codex dipl. Bergensis pag. 18.
van de H. Odilia der Kruisheeren heengebracht, die er
thans nog met buitengewonen toeloop vereerd wordt.
Ook heett Zijn Heiligheid vergunning verleend, op den
Zondag in Juli ddär de H. Mis eener Maagd en
Martelares'^te zingen en zich gewaardigd de schatten
der H. Kerk te openen dooiquot; het verleenen van een
vollen, aflaat.
Zoo ook te Baarlo, waar jaarlijks duizenden menschen
vooral Duitschers samenstroomen, om deze aflaten te
verdienen en bij de H. Odilia genezing hunner oogen
af te smeeken.
Vele wonderbare genezingen van oogziekten, door de
voorspraak der H. Odilia verkregen, zijn mij nog door
geestelijke en geloofwaardige mannen gemeld. Daar de
druk reeds te ver gevorderd was, zag ik geen moge-
lijkheid, de betrokken personen zelve te bezoeken en
ze nader te ondervragen.
Door dit werkje hoop ik echter, niet slechts de eer
onzer H. Patrones een weinig bevorderd, maar ook in
het hart mijner lezers zooveel vertrouwen te hebben
verwekt, dat zij waardig worden, zelve eens hare
krachtige voorspraak te ondervinden en het niet noodig
zij hunne hoop door gunsten, aan anderen betoond, te
verlevendigen.
H. L.
BIJLAGEN.
B IJL A GE L
Officialis curim Coloniensis testatur, fr. Joannem Novelan,
divino nutu, invenisse corpora Christince, JBasilice,
Ymmce, Ydce et Odilia, ex cmtu XIquot;' virginum.
(Jo. Banelius S. Odiliae translatie, pag. 80â82).
copia diplomatis curi^ archiepiscopalis colojfleusis
offtcialts, resovati per reveresddm nobilem, et eximiüm
dominum zachjecm ab horricpf doctorem, pr.t:dictie
curiae officialem et judicem ordinarium.
In nomine sanctas et iiidividxiae Trinitatis, Patris et Filii, et
Spiritus Sancti, Amen. Nos Zachaeus ab Horrich, Jurium Doctor,
insignis sancti Gereonis Collegii Canonicus et respective Scho-
lasticus, Curiae Archiepiscopalis Coloniensis Officialis et Judex
ordinarius, Universis et singulis hoc praisens publicum transsumpti
instrumentum- inspecturis, sen legi audituris, notum facimus, quod
nobis aimo et die infrascriptis, pro parte et ad instantiam P.
Prioris et Fratrum Monasterii seu Conventus Cruciferorura in
hac civitate Coloniensi subinsertum documentum sanctarum reli-
quiarum, sigillo Curiae Archiepiscopalis Coloniensis sub impendente
sigillatuin, praisentatum fuerit, cuni siibiuncta petitione, ut illud
ipsum documentum diligenter inspicere ac examinave, et per
Notarium nostrum transsumi et examinari diguaremur, cujus
([uidem documenti tenor sequitur, et est talis.
Omnibus praesentem paginam inspecturis Officialis Curia; Colo-
niensis prEesentis vitre gratiam et futurai gloriam sempiternam.
Non fallit neque fallitur fides Catholica, quam tota per orbem
sancta confitetur Ecclesia. Sed quod aliquoties quidam peccatis
exigentihus in fide tepescant, hoe divina pietas Sanctorum meritis
et intercessionibus, signis et prodigiis ac coelestium spirituum
suasionibus visa est frequentius quam plurimmn reformasse.
Sanctorum igitur reliquiae, quorum in cÅlis requieseunt animae,
et apud Deum sentimus patrocinia, sunt a Christi iidelibus dignis
venerationibus, laudibus, et prÅconiis excolendae. Cum itaque
Prater Joannes dictus Novelan, Ordinis S. Crucis B. Augustin!,
domus villaî Parisiensis, vir religiosus, vita et conversatione
laudabili, regnla et liabitu approbatis insignitus, victualibus et
commodis coenobii sui de licentia superiorum suoruni pro exqui-
rendis et extumulandis reliquiis corporum de Collegio sanetarum
undeeim millium virginum, derelictis ad laudem Dei, et prÅdic-
tarum virginum se paupertati et mendicitati nunc ut alias in
Domino decreverit submittendum ; liaec ut didicimus motus spiritu,
quod sicnt anno prjeterito Parisiis existens in trina visione
receperat se futurum (1), ut fecit, Coloniam, et tria corpora, quorum
uni nomen est Christina, alteri Basilia, tertiÅ Ynima, reliqniiirum
de collegio dictarum virginum inventnrum, quod facti, ut seimus,
experientia veraciter demonstrabat, quas reliquias deferens in
diversis Ecclesiis collegiatis lionorifice et solemniter collocavit:
iterate in suo existens cÅnobio similes de Yda et Odilia virgini-
bus dicti collegii receperat visiones, propter quod ut prius veniens
Coloniam earum reliquias infra fossatum, quod propriis effodit
manibus, gratia divina ob mérita dictarum virginum dignus est
invenire in loco, ubi dictum sanctum collegium in antiquis codi-
cibus scribimr felici martj-rio ad cÅlestia transmigrasse. Circa
quas relic^nias, ut ssepius visum est in aliis ejusdem collegii,
inventa sunt vasa, et clenodia, in qua fuerunt recondita, arena
sanguine coha;rente: ita quod ex hujusmodi circunistantiis et
aliis, odore suavissimo, et mirifico de eisdem reliquiis refragaute,
firniiter credimus eas esse de collegio sanetarum virginum nu-
merate. Dies autem cxaltationis et exbumationis reliquiarum
dictarum YdÅ et Odilia? est anno Domini millesimo ducentesimo
octuagesimo septimo, Kaleadis Septenibris. Rogamus igitur et
hortamur in Domino universes Deo devotos, qnatenus ubicunque
eÅdem reliquite delatee fuerint, digne ob laudem Dei, et saneta-
rum virginum venerentur, ut ex hoc suoruni peccaminum veuiam,
et post hujus vitse cursum cum ipsis, et earum meritis possidere
coelestem patriam mereantur. In cujus rei testimonium sigilluni
(1) Bollandisten iturum 21 Oi t, p;ig 2.^0.
Curiae Colonieusis praesentibus est appensum. Datum anno Domini
et die proescriptis.
Et quia prsetactum documentum, sicuti prsemittitur, nobis prse-
sentatum, et per nos visum, et diligeutur inspectum, sanum et
integrum, sigilio tamen Iseso, invenimus, idcirco petitioni dicti
Monasterii seu Conventus Cruciferorum in Colonia uti honestse
et licitae annuentes, ipsum preeinsertum documentum de verbo ad
verbum nihil addendo, mutando, minuendo inseri et exemplari, ac
in publicam forniam redigi mandavimns, decernentes et volentes,
ut liuic pra3senti transsumpto publico sive exemplo plena fides
deinceps adhibeatur ubilibet, in locis omnibus et singulis, quibus
fuerit oportunum, ipsumque transsuniptum fidem faciat, ac illi
stetur, ac si originale documentum appareret. Quibus omnibus
et singulis autboritatem nostram ordinariam interposuimus, et
decretum. Et ad ampliorem evidentiam praemissorum basce nostras
literas per Notarium et Scribam nostrum infra scriptum subscrip-
tas, secreto nostro in margine superior! appresso signari, necnou
sigilli Majoris et consueti Curife nostraï Arcliiepiscopalis Colo-
niensis jussimus et fecimus sub appensi{.ue communiri. Datum et
actum Colonise anno a nativitate Domini nostri Jesu Christi
millesimo, sexcentesimo, decimo octavo, indictione prima, die
undecima mensis Septembris, Pontif. sanctissimi in Christo Patris
et Domini nostri D. Pauli, divina Providentia Papse quinti, anno
decimo quarto.
BIJLAGE IL
Testimonium depositionis corporis S. OdilicB in ecclesia
cmnohii Huyensis, insertum diplomati Henrici de
Novimagio, Magistri f/eneralis, an. 1443.
(Jo. Banelius S. Odilise translatio, pag. 139â143).
COPIA LITERAIiüM QUiE APUD REUQUIAS S. ODILIiE IJf
FERETRO ASSERVANTÃR.
Ad perpetuam rei memoriam. Quoniam hominum memoria labilis
est, vitaque brevis, convenit ea quae aguntur in tempore, ne cum
tempore dilatantur, aut vetustate dierum a memoria hominum
evanescant, scripturae ministerie perennari, ut eadem acta et
gesta inprsesentiarum futuris tanquam prsesentibus successu tem-
poris pagina innoteant literarum. Hiiie est quod nos Frater
Henricus de Novimagio, Prior fratrum Ordinis S. Crucis domus
Huyensis a reformations quartus, Leodiensis diÅcesis, nee non
totius Ordinis antedicti Magister generalis, cunctis Cliristi fide-
libus tam prresentibus quani futuris lias literas inspecturis, cupi-
mus fore notum, quod anno Domini millesinio, quadringentesimo,
quadragesimo tertio, decimo die niensis Novemb. quas dominica
liabebatur, présidente Rmo. in Christo Patre Domino D. Joanne
de Hej-nsberg, Episcopo Leodiensi, in prÅseutia venerabilium
fratrum Wilbelmi de Zutpbania et Joannis de Gravia, Namur-
censium et Leodiensium Priorum, nee non et omnium fratrum
Conventus Huyensis, scilicet ThomÅ de Helmont Subprioris,
Simonis de Palude, Georgii de Brugis Procuratoris, Henrici de
Colonia, Henrici Busketial de Hnyo, inlirmarii, Petri de Amster-
dan! Sacristie, Henrici Bentlien vestiarii, frater autem Keynerus
(le Woes stabat in Conventu Tornacensi pro reformatione ejusdem,
LucÅ de Helmont librarii, Tbeodorici de Brummen succentoris,
Laniberti de Ohingbelim suscitatoris, Henrici de Frisia cellarii,
Presbyterorum, Xicolai de Yillari, Willielmi de Leodio clericorum,
professorum, Henrici de Leodio novitii, Reyneri de ïongris, et
Conradi de Lippia, conversorum, Gilberti Fraitur de Hoyo, Henrici
de Loen, laicorum Dunatorum, Joannis de Tongris' coci, Joannis
Portarii, Laniberti pistoris, commensalium nostroruni, et Petri
de Fanson nobilis inilitis et Scabini oppidi Huyensis, qui etiam
cuin honorabili viro Aegidio Pollart Magistriburgensi, adiuuctis
sibi quatuor Presbytcris in albis, capsam cuin sacris reliquiis,
flnitis Missarum solenmiis, in processione devote portarunt.
Fuerunt insuper présentes Waltherus de Jlodave, olim Magister-
burgensis, qui etiam, propter ferventeni suam devotioneni quam
erga nos liabuit, impetravit a Conventu, ut mausioneni apud nos
haberet, feoitque sibi ante portam retro Ecclesiam fieri doinum,
ut sic semper divinis paratior interesset obsequiis. Joannes Sappin
Oppidanus, Xicolaus Busketial Notarius publicus, et alii multi
copiosai niultitudinis utriusque sexus, qui ad liane pife devotionis
causa convenerant solemnitatem, transposnimus cuni onini reve-
rentia et devotione qua potuimus, cum hj'mnis et canticis spiri-
tualibus, in summa Missa, post offertorium sacratissimas gloriosae
virgiuis martyris et Patronee nostrÅ Odiliae reliquias, de antiqua
quadam capsa, quondam facta Leodii, cum quodam scripto Gallico,
cujus tenor de verbo ad verbum in margine subscriptus est, in
aliam novam factam in civitate Tornacensi omni pulcritudinfr
adornatam, una cum cÅteris reliquiis venerandis in eadam antiqua
capsa seorsum invohitis repertis, quas de jam dietse virginis
Odilise sororibus fuisse non dubitamus, pro mercede laborum et
sumptuum cupientes, ut licec prteclara virgo et Patrona, nostrorum
apud suum dulcissimum sponsum, sub cujus jam nunc umbra
cubât in meridie, et pascitur inter lilia, defectuum excusatrix â¢
accedat: ipse quippe virginum spcnsus, agnus immaculatus, unicus
omnipotentis Dei Patris Alius et virginis matris, protestatus est,
dicens: Quod uni ex meis minimis fecistis, milii fecistis. Et
i-ursnm dieit: qui recipit Propbetam in nomine PropbetÅ, merce-
dem Propbetce recipiet, etc. Eeferimus insuper, quod silentio
transire cogitamus, ut siniul cum materia piae devotionis, pariter
exordium primÅvfe inventionis praefatse virginis innotescat, et
fructus congratulationis. nec non et ferventis orationis nobis
accumnlentur. Erat nempe in villa Parisiens! vir quidam pra3ci-
puus, ordine et vita Crucifer, Conversus nomine Joannes Novelan
de Eppa, qui pro salute et sanctitate siii Ordinis Deuin assidue
precabatur: hie aspiciebat in visu noctis, et ecce quasi de supe-
rior! cÅli cardine virgo prseclara dimissa, vultu sereno, facie
Inbsp;benigna, vexillum Cruce signatum manu gestans, oculos intuentis
;nbsp;occupans, aiebat: Ego sum Odilia quondam Imperatoris 3[aromei
!nbsp;filia: surge ergo, dilecte mi, propera, et sicut anno elapso Basilise,
Ijinbsp;Christina?, et Ymmae sodalium mearum miriflcis refocillatus visi-
!nbsp;onibus, earum quae possederant corpora, dura in fiuctibns hujus
;quot;nbsp;seculi navigaront, feliciter invenisti, devote adorasti, et solemniter
![inbsp;diversie in Ecclesiis collocasti, ita quoque et nunc iterate simi-
libus per me recreatus colloquiis, ibis, corpusque nieuni, atque
sororis meae Ydae in obscuro terras ventre positum invenies,
quod eadem reverentia tollens, Huyum, ubi caput Or'linis vestri
est, deferes, quem quidem Ordineni vestrum oninipotens Dens
nuper ibi respirare fecit, ut meis inibi meritis emanatis templum
eniendetur, Ordo dilatetur et populorum, meis apud districtuni
infirmitas, amodo et usque in finem seculi, orationibus adjuvetur.
Dies siquidem exaltationis et exbumationis corporum dictarum
virginum et (est?) anno Domini millesimo ducentesimo octogesimo
septimo Kalendis Septembris. Kogamus igitur et exhortamur in
Domino universes Christi fideles, qui hanc prsesentem nostram
paginam legerint, vel audierint, quatenus jam ssepe dictas reliquias
digne ob laudem Dei et sanetarum virginum venerentur, ut per
hoe, deletis cunctis criminibus, earum meritis vitam sortiantur
oeternam.
Lan de grasce 1292. fut mys le corp Sainte Odilie en che
fietre par que Dieu fist mult de miracle et che fut en le temp
ke levesque Johan fils al conte de Hej'nau fut eliet, et que
meistre Symon de Louaing estoit Doiens à nostre Dame, et
messire Robiert estoit Abbes delle Noufmostier et quel y avou-
ueis Walteir le joines astoit mors, et ke Henri ly Hardys astoit
majeur de Huy et astoyent eskeuinz de Huy, sire Johan Fanchon,
sire Bertelos de Horrion, Henri le Soris, Johan de Porcheas,
Gille de Fanchou, Johan de Montroal, et sire Hubin ly Cherriers,
et encontre cheste saincte corps fut à procession tote y univer-
siteit de Huy.
In quorum omnium prÅmissorum veritatis testimonium et
munimen, nos frater Henricus Prior prîefatus bas literas sigilli
officii nostriB Generalitatis una cum sigillorum fratris Wilhelmi
Leodiensis, fratris Joannis Namurcensis, Conventuum Prioribus,
Petri de Fanchon nobilis militis, Aegidii Pollart, Walteri de
Modave, Joannis Sapin. Nicolai Busketial prrefatorum, qui prse-
missis omnibus et singulis interfuerunt, eaijue ut prÅscribuntur
viderunt fieri, appensione fecimus roborari. Et nos frater AVilhel-
mu.s, frater Joanne.s, Petrus, Aegidius, Walterns, Joannes, Nicolaus
prius dicti, quia prsemissis ut prîescribitur interfuimus reverenter.
ac ea sic fieri vidimus, idcirco in futuram rei memoriam et robur
veritatis prÅscriptorum sigilla nostra duximus prîcsentibus ap-
pendenda. Anno, mense, die superius annotatis.
Capitulum Coloniense eligit fr. Joanneni Novelan, ad
recipiendas et colligendas fideliuni ohïationcs
in subsidium fabricce Ecclesice.
(Jo. Banelius S. Odilise translatio, pag. 83).
Universis Christi fidelibus sacri Baptisinatis unda renatis
Capitulum Coloniense salutem in omnium Salvatore. Unicse pec-
catorum spei Beatse Virgini Dei genitrici Mariae laudes et gratias,
utinam dignas digne referimus super eo, quod Ecclesiam iiostram
parte sacrorum capillorum suorum prsesentia voluerit honorare,
ob cujus laudem et mérita ex ea pro bumani generis salute liomo
factus Dei filius, suis fldelibus in summo altari B. Petri Apostoli
Ecclesiae nostrae, in qua Beatorum trium Magorum sive Eegum
corpora sunt recondita, a suis doloribns multifarias consultationes
induisit: de quibus capillis B. Virginis habere scimus et cognos-
cimus virum religiosum Fratrem Joannem, dictum Novelan, Or-
dinis S. Crucis Beati Augustini villae Parisiensis, annexos Cruci
argenteae deauratse infra Monstrantiam cristallinaiii, qui diutius
ColoniÅ conversatus laudabiliter et devote, et ossa plurimorum
corporum sanctarum undecim millium virginum, ibidem decolla-
tarum martyrio, propriis etïodit manibus: Ad receptionem et
collectionem oblationum fidelium, ad ipsum altare in subsidium
fabricÅ Coloniensis offerentium est assumptus. In cujus rei testi-
monium sigillum nostrum praesentibus literis est appensum. Datum
Coloniae Idus Maii, Anno Domini millesimo ducentesimo noiiage-
simo quarto.
agSdm
Alexander VII, P. M. confraternitati sui invocatione
8. OdiliÅ, in ecclesia S. MatUÅ domus Fratruni
Ordinis Cruciferorum civitatis Leodiensis ca-
nonice institutes, indulgentias largitur.
(Hist, de la translation de S. Odile, pag. 108).
alexander pp. vii.
Ad perpetuum rei memoriam.
Cum sicut aucepimus, in ecclesia Sancti Matliise domus Fratruni
Ordinis Cruciferorum civitatis Leodiensis, una pia et devota
utriusque sexus Cliristi fideliuni confraternitas, sub invocatione
Sanctse Odilite... canonice instituta, seu instituenda existât: Nos,
ut confraternitas prsefata majora in dies suscipiat incrementa,
de omnipotentis Dei misericordia, et Beatorum Petri et Pauli
Apostolorum ejus auctoritate confisi, omnibus utriusque sexus
Christi lidelibus, qui dictam confraternitatem imposterum ingre-
dientur, die primo eorum ingressus, si vere pÅnitentes et confess!
Sanctissimum Eucharistise Sacramentum sumpserint, plenariam;
ac tam nunc descriptis, quam pro tempore describendis in dicta
confraternitate confratribus et consororibus in cujuslibet eorum
mortis articule... et plenariam; nec non eisdem nunc ei pro
tempore existentibus confratribus et consororibus vere pÅniten-
tibus et confessis, ac Sacra Communione refectis, qui confrater-
nitatis prsedictse ecclesiam, seu capellam, vel oratorium die festo
ejusdem Sanctse Odilise, a primis Vesperis usque ad occasum solis
fest! hujusmodi singulis annis devote visitaverint et ibi... pias
ad Deum preces eft'uderint, plenariam similiter omnium peccatorum
suoruni indulgentiam et remissionem misericorditer in Domino
concedimus.... Prsesentibus perpetuis futnris temporibus valituris...
Datum RomÅ, apud Sanctam Mariam majorem sub annulo pisca-
toris. die XI August! MDCLXIII, P'ontiticatus nostri anno nono.
Placet: erigatur et publicetur ad majorem De! gloriam et
animarum salutem. Datum Leodii, hac quinta Septembris 1663.
Signatum:nbsp;J. Eesest. de Suri.et,
Vicarius Generalis Leodiensis.
BIJLAGE V.
Go^iia litterarum Illust. ac Eev. Dquot;' Joatincs. Arn.
Barrett, coadjiitoris et vicaris capiüdaris
Leodiensis dioeceseos.
Joannes, Arn. Barrett, diocesis Leodiensis, sede vacante, vicaris
generalis capitularis etc. omnibus lias nostras litteras inspecturis
saluteni in Domino.
Tenore prtesentium fidem facimus ac declaramus, quod nos,
servatis juxta S. Conc. Trid. servandis, debite recognoverimus
sacrum corpus Sanctm Odilne Virginis et XartipHs, olim reverenter
collocatum ac bonoratuni in ecclesia Eeverendorum Fratrum
Crucigerorum in oppido Huiensi, quodque auctoritate nostra ordi-
naria hoe sacrum corpus Sanctw Odilkp. Virginia et Martyris in
unica olim capsa asservatum, fuerit in duas partes divisum ac
separatum ac in duabus tliecis seu capsis ligneis reverenter
repositum et collocatum, eo fine, ut una in Ecclesia parocbiali
Huyensi, altera vero in Ecclesia succursali loei Kerniel fidelium
venerationi exponantur, requisitam potestatem ad hoe tribuentes
statim ac capsas lignea? fuerint debito decentique modo ornatje.
Ut autem in futurum absque licentia ordinarii ulterius efedem
sacrfB capsiB aperiri non possint, ipsas optime clausas, sigillo
Cathpdralis Ecclesise Leodiensis, sede vacante, in diversis locis
muniri curavimus, mandantes ut hse nostrse litterse de verlio ad
verbum pro futura memoria transscribantur in registris parochi-
alibus tum Ecclesia; primarite Huyensis tuin Ecclesia; succursalis
in Kerniel.
Datum Leodii sub nostro signo necnon sigillo Ecclesia; Cathe-
dralis Leodiensis, sede vacante, et secretarii episcopatus Leodiensis
siibscriptione hac die prima Decembris anni 1829.
G-enomen uit liet parochiaal register te Kerniel waar zich nog
een andere copie bevindt, de relikwieën der H. Ida enz. betref-
fende, die behalve de naam der Heiligen, met bovenstaande bijna
eensluidend is.
Universis Christifidelibus prsesentes Litteras inspecturis salutem
et Aplicam Benedictionem. Gum, sicut accepimus, in quatuor
Ecclesiis Ordinis S. Crucis, videlicet in Ecclesia Ccenobii Oppidi
a S. Agatha in Hollandia: in Ecclesia Udensi item in Hollandia
Imm. Conceptionis B. Marise Virg., in Ecclesia Diesthemien. S.
Barbarse in Belgio: atque in Ecclesia Mosacen. S. Jacobi Ap.
pariter in Belgio, Centenaria solemnia ad memoriam Translationis
Reliquiarum S. Odiliae Virg. et Mart. mense. Septembri hoe anno
celebranda sint; Nos ad augendam fidelinm religioneui animaruni-
que salutem cselestibus Ecclesiêe thesauris pia cbaritate intenti,
omnibus utriusque sexus Christifidelibus vere pcenitentibus et
confessis ac S. Communione refectis, qui uno qno cnique eorum
libeat ex singulis diebus integri mensis Septembris prsesentis
anni, quamlibet ex prsefatis Ecclesiis devote visitaverint, ibique
pro Christianoruni 1'rincipum Concordia, hseresum extirpatione,
peccatorum conversione, ac S. Matris Ecclesiae exaltatione pias
ad Deum preces efi'uderint, Plenariam omnium peccatorum suoruni
indulgentiam et remissionem quam etiam animabus Christifidelium
quee Deo in charitate conjnnctae ab hac luce migraverint per
modum suffragii applicare possint, misericorditer in Domino cou-
cedimus. Praesentibus hoe anno tantnm valituris. Volumns autem
ut praisentium Litterarum transumptis seu exeniplis etiam im-
pressis, manu alicuius Xotarii publici subscriptis, et sigillo per-
sonaï in Ecclesiastica dignitate constitutae munitis, eadeni prorsus
fldes adhibeatur, quaï adhiberetur ipsis praesentibus si forent
exhibitae vel ostensae. Datum llomai apud S. Petrum sub annulo
Piscatoris die IX Augusti 1887; Pontiflcatus nostri Anno Decimo.
M. Caud. Ledóciiowski.
mm
Ã.iii V '
f ' - '
'SM.:!'
mm
iW;;-
5. ^
mm
hm