ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN TIJD.

DE JONGE KEURVORST.

I.

ocr page 6
ocr page 7

Vaivft

DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN TIJD,

GESCHIEDKUNDIGE ROMAN

dook

l. mühlbach.

Bewerkt door M. K.

DE JONGE KEURVORST.

BIBLIOT~CA ^

EERSTE DEEL. | CONV, WUCHEN8

ord. fr/- «in.

i. i

derde veel verbeterde druk.

Nijmegen amp; Arnhem, Gebr. E. amp; M. COHEN,

ocr page 8
ocr page 9

EERSTE BOEK,

✓

EEN HISTORISCH VOORSPEL

Mühlbaoh, Be groote Keurvorst en zijn tijd. I.

I

ocr page 10
ocr page 11

EERSTJE BOEK.

EEN HISTORISCH VOORSPEL

I.

KEURVORST GEORGE WILHELM.

Driftig liep de keurvorst George Wilhelm in zijn kabinet op en neer. Zijn gelaat had een sombere, opgewondene uitdrukking. Zijn blauwe oogen glinsterden van inwendigen toorn; hij hield de handen op den rug, alsof hij voor zijn oogen het papier wilde verbergen, 't welk hij zóó stevig in zijn vuist drukte, dat het eer een bal dan een brief geleek. Toch moest hij dezen heilloozen brief wel weder inzien, hij moest het papier weder ontvouwen; zijn toorn drong er hem toe.

„Mocht ik al deze vermetele oproermakers, die mij dit schrijven hebben gezonden, op dezelfde wijze met mijn handen verpletteren,quot; mompelde hij, terwijl hij zuchtend het papier glad streek en las. „Ik zie het wel, zij willen mij op een laaghartige wijze ergeren en krenken, de heeren Stenden van het hertogdom Kleef. Zij verzoeken, dat ik hun den keurprins tot stadhouder geef en daar laat wonen! 'tZou een fraaie geschiedenis zijn, zoo wij onzen zoon daar heen stuurden, om misschien later tegen ons in opstand te komen, 't Is een ei gerlijke zaak, die ik nooit zal dulden. Ik zal dadelijk antwoord geven!quot;

Hij trad naar de groote tafel van gesneden eikenhout, nam het zilveren fluitje, dat er op lag, en liet 'een schril geluid hooren.

„Zijn de afgevaardigden van het hertogdom Kleefreeds in de voorkamer?quot; vroeg hij den binnentredenden dienaar.

„Ja, uwe hoogheid, zij zijn er!quot;

ocr page 12

. *

„Laat hon binnen! Spoedig!quot;

De lakei keerde terug, opende de vleugeldeuren, wenkte de in de voorkamer wachtenden tóe te treden en riep toen met luide stem: „De heeren van het hertogdom Kleef, om zijne keurvorstelijke hoogheid te dienen.quot;

Vier heeren in prachtige, rijk geborduurde uniformen traden binnen, bleven bij de deur staan, welke de lakei achter hen sloot, en bogen diep en eerbiedig voor den keurvorst.

George Wilhelm beantwoordde deze eerbiedige begroeting niet, maar aanschouwde met somber gelaat en dreigende oogen de heeren, die nu den vertoornden landsheer met kalmen, vasten blik in de oogen zagen, en schenen te wachten, dat hij hun zou veroorloven hem te D EtdcrGri

Maar de keurvorst sprak niet. Hij liet hen als gewone bedienden aan de deur staan en trad met groote schreden op hen toe. '

„Gij zijt de heeren uit Kleef, die hier zijn gekomen om mij het schrijven der Stenden over te brengen?quot; vroeg George Wilhelm op barschen toon.

„Keurvorstelijke gènade,quot; antwoordde een der heeren, „men heeft ons hier gezonden om, in naam der Stenden van het hertogdom Kleef, persoonlijk- hun wenschen en beden aan uwe hoogheid over te brengen. Daar uwe keur-vorstelijke hoogheid ons echter de genade eener audiëntie niet wilde toestaan, maar ons tot den minister, graaf von Schwarzenberg verwees, hebben wij't verkieselijk geacht, ons schriftelijk tot uwe hoogheid te wenden, opdat uwe hoogheid uit dit schrijven en niet uit den mond van mijnheer den minister de wenschen en beden van het hertogdom Kleef mocht vernemen.quot;

„Het belieft de heeren mijn minister, graaf Schwarzenberg, te beschuldigen?quot; vroeg de keurvorst. „Gij wilt hem verdacht maken dat hij de zaken anders zou voorstellen dan zij werkelijk zijn? Maar ik zeg u, dat Schwarzenberg een bij uitnemendheid trouw en ijverig dienaar van zijn keurvorst is, en ik meer reden heb hem te vertrouwen dan de Stenden van het hertogdom Kleef, die zich vermeten hun zonderlinge wenschen voor'te stellen. Ik heb u echter thans doen komen om van u mondeling te hooren bevestigen, wal op dit papier staat, want het komt mij te

ocr page 13

ongeloollijk voor, dat Stenden zich vermeten, dat van hun landsheer te vorderen. Herhaal mij dus mondeling de eischen der Stenden van Kleef, dan zal ik u mijn besluit tnededeelen! Wie uwer is de spreker?quot;

„Ik, baron Van Velzen, keurvorstelijke hoogheid.quot;

„Een Hollandsche naam, dunkt mij?quot;

„Mijne familie is uit Holland afkomstig, doch sinds vijftig jaren in 't hertogdom Kleef gevestigd.quot;

„Spreek dan, heer baron Van Velzen. Ik ben bereid u te hooren.quot;

„Keurvorstelijke hoogheid, de Stenden van het hertogdom Kleef zenden ons tot u, hun landsheer, om hulp in nood te zoeken. Van alle kanten zijn wij door oorlogende volken bedreigd en gedurig in gevaar door eene of andere krijgvoerende mogendheid in bezit genomen te worden. In de Nederlanden houdt de strijd der Staten met de Spanjaards nog altijd aan en bedreigt ons dagelijks met gevaar; even dreigend is voor ons de nabijheid der keizerlijke en Zweedsche troepen. Door allen verdrukt, door allen uitgezogen, bestaat er voor het hertogdom Kleef slechts één zeker redmiddel, namelijk, dat uwe keurvorstelijke hoogheid den keurprins tot stadhouder van het hertogdom Kleef benoemt, en hem laat wonen te midden van de getrouwe bevolking van Kleef.quot;

„Schrandere en wijze afgevaardigden van Kleef, welk voordeel ziet gij in het stadhouderschap van den keurprins?quot; vroeg de keurvorst haastig. „Welke hulp kan hierdoor in uw nood worden gegeven?''

„Uwe hoogheid, onze stadhouder zou het hertogdom tegen de aanvallen van vijandelijke mogendheden kunnen behoeden en beschermen en door zijn openlijk verklaarde onzijdigheid ons tegen alle vorderingen der partijen beveiligen. De redding van het hertogdom hangt alleen daarvan af, dat wij een in het land resideerend, onzijdig opperhoofd hebben: derhalve verzoeken wij uwe doorluchtige hoogheid, ons zulk een hoofd In den keurprins te geven en zoo genadig te zijn uw heer zoon met genoegzame volmacht naar het hertogdom te zenden.1) 't Is de tweede maal dat de Stenden van Kleef zich met deze dringende

1

De eigen woorden der Kleefgche afgevaardigden. Zie Droysen, Geschiohte der Preussischen Politik. Th. Ill Abth. I S. 175.

ocr page 14

6

en onderdanige bede tot hun landsheer wenden, en wij smeeken met aandrang dat ons ditmaal gehoor verleend mag worden,quot;

„Hebt ge nog méér te zeggen?'' vroeg de keurvorst ongeduldig.

„Uwe hoogheid, nog slechts dit eene, dat ook de prins van Oranje beloofd heeft onze bede bij uwe keurvorstelijke hoogheid te ondersteunen, en ook hij van meening is, dat bet heil van het Kleefsche afhangt van een in het land resideerend en regeerend opperhoofd.quot;

„De prins van Oranje heeft mij slechts geschreven, dat dit de meening der Kleefsche Stenden is en zij hem verzocht hebben, mij die voor te stellen,quot; riep de keurvorst heftig. „Daar gij nu uw herhaald verzoek hebt, gedaan en niets meer te zeggen hebt, wil ik u ook mijn antwoord mededèelen. Gij badt dit al vooraf kunnen weten en zeker overtuigd zijn, dat als een landsvorst zijn onderdanen eenmaal zijn wil bekend gemaakt en zijn zienswijze medegedeeld heeft, hij niet door herhaald aandringen veranderen kan, maar blijft bij wat hij eenmaal besloten heeft. Daarom zeg ik ook nu ten tweeden male, dat ik het verzoek der Stenden van Kleef niet kan bewilligen, vooreerst omdat ik den keurprins niet nog langer van mij wil verwijderen, hij is nu reeds drie jaren van huis, en wij wen-schen in deze gevaarlijke tijden onzen zoon bij ons te hebben. Ten tweede zou de tegenwoordigheid van den keurprins in Kleef niet het gewenschte gevolg hebben; integendeel was het te vreezen dat degenen, die, tegenover de keizerlijke majesteit en het rijk, zich niet streng naar het vredestractaat willen voegen, niet zullen nalaten de keurvorstelijke landen te beleedigen, en zich weinig zouden bekommeren om den persoon of de tegenwoordigheid van den prins. Ten derde,quot; voer de keurvorst met verheffing van stem voort, „kan ik uw verzoek niet inwilligen, omdat ik zulk een herhaald aandringen bijna beschouwen moet alsof gij mijne regeering moede zijt, en er naar tracht van mijn zoon een souvereinen vorst te maken en den zoon tot verzet tegen zijn vader aan te zetten.quot; 1)

1

De eigen woorden van den keurvorst. Zie; E. Forster. Preusseus Helden n Krieg und Fxieden. I. S. 15.

ocr page 15

7

„Doorluchtige keurvorst,quot; riep de heer Van Velzen, „ik zweer, dat het ons nooit in de gedachte is gekomen, ons. . .

„Wij hebben u het woord niet verleend, zwijg dus!quot; beval de keurvorst. „Dit is onze laatste uitspraak: wij hebben met ontevredenheid vernomen, dat ge uw verzoek herhaald en u daarmede tot den-keurprins zeiven gewend hebt; alsof een zoon buiten zijn vaderen heer iets beslissen ol doen mag, daar hij toch evengoed een gehoorzaam onderdaan van den keurvorst zijn moet, als alle anderen. Bericht dit aan do Stenden van het hertogdom Kleef, en hiejrmede kunt gij gaan!quot;

Zonder een genadigen groet of eenig teeken van afscheid keerde de keurvorst zich om en ging langzaam, op zijn stok gesteund, door het vertrek. De heeren zagen hem na met sombere, gramstorige blikken; vervolgens, ziende, dat de keurvorst werkelijk zijn laatste woord had gezegd, gingen zij zacht, maar met bitteren wrevel in 't hart, weg.

De keurvorst, die hun den rug had gekeerd, hoorde het sluiten der deur en keerde zich toen weder om.

„Ik heb hen weggezonden,quot; zeide hij ruimer ademende, ,,heb hun gezegd, wat ik met von Schwarzenberg afgesproken had. Ik hoop nu maar, dat zijn keizerlijke majesteit het vernemen en er uit erkennen zal, dat ik vasthoud aan het Prager vredestraktaat en de keizerlijke majesteit. Ik heb mij nu eenmaal van Zweden en de protestantsche partij losgemaakt; ik ben des keizers vriend en wil dit blijven.quot;

Wederom werd de deur geopend en de oude lakei berichtte: „De deputatie der burgers van de steden Berlijn en Keulen verzoeken audiëntie bij zijne keurvorstelijke hoogheid.quot;

„Binnenkomen!quot; beval de keurvorst, terwijl hij, daar zijn lijdende voet hem pijn deed, op den hoogen met zwijnsleder overtrokken armstoel plaats nam.

De deputatie van burgers trad schuw en beschroomd binnen; zacht, op de teenen, gingen deze mannen met bleeke gezichten door het kabinet tot bij den leunstoel van den keurvorst, die met den rug naar hen zat toegekeerd. In hun lange, zwarte'tabbaarden, met den breeden, witten, geplooiden halskraag, boden zij een treurig, somber gezicht,

ocr page 16

8

en men zou hen niet gehouden hebben voor de burgers der beide eerste steden van het land, maar veeleer voor mannen, die gekomen waren om een lijkdienst bij le wonen.

Toen George Wilhelm de voetstappen der naderende burgers hoorde, gaf hij zijn stoel een forschen ruk, zoodat hij op zijn sterke rollen draaide en de keurvorst met zijn gelaat naar de mannen gekeerd was.

Dadelijk vielen deze op hun knieën en staken biddend de handen naar den vorst uit.

„Wat wilt ge van mij?quot; vroeg de keurvorst op strengen toon.

„Uwe keur vorstelijke hoogheid, er is ons door de magistraat aangekondigd, dat uwe genade op de burgers van Berlijn en Keulen vertoornd zijt, daar wij 't in onzen angst en nood gewaagd hebben tot onzen landsheer smeekend een verzoek te richten om bijstand en bescherming.quot;

„Hoe kondt ge u vermeten zoo iets te doen'? Wist ge dan niet, dat dè graaf von Schwarzenberg in de Marken als mijn stadhouder geplaatst is en gij u tot hem alleen met verzoeken en bezwaren hebt te wenden?-'

„Wij weten niet anders dan dat onze wanhoop den hoogsten graad heeft bereikt en wij naar bescherming en de tegenwoordigheid van onzen landsheer verlangen, als zwakke, teedere kinderen naar den steun van een sterken, geliefden vader. Daarom besloot de vereenigde burgerij van Berlijn en Keulen aan uw*keurvorstelijke hoogheid een verzoekschrift te zenden en onzen landsheer te smeeken ons niet als stiefkinderen te behandelen, daar wij toch kinderen van denzelfden vader zijn, en bij dè Pruisen noch in liefde, noch in gehoorzaamheid achterstaan ; alleen worden wij meer door rampen en krijgsnood bezocht. Derhalve baden wij onzen erfelijken landsheer, genadig het oog op ons te slaan en tot ons te komen, daar wij behoefte hebben aan hulp en een beschermenden arm. Dit, keurvorstelijke hoogheid en genadige landsheer, is al onze schuld; wij verlangden naar de tegenwoordigheid van onzen hoogen landsheer in eigen persoon, en gaven hem dit te kennen.quot;

„Maar op welke wijze hebt ge dit gedaan?quot; riep de keurvorst heftig. „Niet eerbiedig en met verschuldigden ootmoed, maar of ge ons verwijten wildet doen. Wat een

ocr page 17

9

ongepaste uitdrukkingen! In uw verzoekschrift zegt gc te hopen, dat wy de Marken niet langer als schapen zonder herder zullen laten. Willen wij u dan zonder bescherming aan de willekeur en het geweld van den vijand overgeven? Waarschijnlijk hebben eenige heeren kleermakers en schoenmakers dit stuk opgesteld; zij zouden echter beter hebben gedaan zoo zij een geestelijke of ten minste een schoolmeester geraadpleegd hadden, daar deze hun had kunnen leeren op welke wijze gehoorzame en onderdanige burgers hun landsheer behooren te schrijven. Ik was voor u altijd een genadig landsheer en heb uwe belangen bedoeld. Zoo 't u echter niet 7,00 goed gaat als ge wenscht, dan ligt de schuld aan uzelven, daar ge u niet voegen wilt naar mijn bedoelingen, welke -ik u sedert jaren heb doen kennen. Want vanaf den tijd, dat God ons tot de keurvorstelijke waardigheid en de regeering heeft verheven, hebben wij u en al de Stenden van het land, ernstig doen voorhouden hoe noodzakelijk het was, dat het land een andere constitutie had. Wie anders dan gijzelven hebt dit echter tegengehouden? Nu het u niet naar den vleesche gaat, klaagt ge er over en zoekt hulp bij mij, terwijl ge er anders altijd uw trots in gesteld hebt door de vrije regeling uwer steden geheel onafhankelijk van ons te zijn! (Ie ziet nu, wat er van komt, als een stad geheel onafhankelijk van haar landsheer wil wezen en zich beijvert weerspannig te zijn.quot; ')

„Doorluchtige keurvorst, 't is de burgerij nimmer in de gedachte gekomen weerspannig tegen hun allergenadig-sten landsheer te zijn,quot; betuigde de spreker der deputatie. „A eeleer hebben wij ons ten allen tijde bereidvaardig getoond om uwe bevelen uit te voeren.quot;

„Dat is een leugen!quot; riep de keurvorst heftig. „In groote zoowel als in kleine zaken weigerdet gij mijn bevelen te gehoorzamen. Ik herinner mij nog heel goed, dat ik, drie jaren geleden, des zomers uit Pruisen naar Berlijn reizende, mij ergerde over het vuilnis en den stank in de straten van Keulen en Berlijn; voor ieder huis waren, naast de varkenshokken, groote hoopen vuilnis en mest opgestapeld. Toen ik echter den hoogen raad der beide

1) De eigen woorden van den keurvorst. Zie: F. Forsten, Preussens Helden, I. S. 41.

ocr page 18

10

sleden beval dien boel op te ruitneri, had deze de onbeschaamdheid mij te antwoorden: de burgerij had thans geen tijd om de straten te reinigen, daar zij met den veldarbeid bezig was.1) En dan nog, toen ik laatst van de beide residentiesteden een bijdrage van slechts vijfduizend thaler jaarlijks verlangde, om in deze gevaarlijke oorlogstijden mijn lijfgarde van driehonderd op zeshonderd man te brengen, hebt ge toen niet geweigerd om daaraan te voldoen?quot;

„Doorluchtige keurvorst, dit kwam door den uitersten nood en gedruktheid, wij waren werkelijk niet in staat dat geld te geven. Wij hadden het niet; armoede en ellende was het eenige, wat ons overbleef. Om uw keurvor-stelijke hoogheid hiermede bekend te maken, zijn wij als afgevaardigden der burgerij van Berlijn en Keulen tot u gezonden, ten einde onzen landsheer denjammer te schilderen en hem vergeving te vragen, dat wij moesten weigeren. Sedert de schrikkelijke en wreede oorlog tusschen de keizerlijken en Zweden, tusschen de katholieken en protestanten in Duitschland, hebben dé steden Berlijn en Keulen veel geleden en zijn dan door de Zweden, dan door de keizerlijken gebrandschat en geplunderd. Vóór den vrede van Praag hebben de keizerlijken ons met gruwe-lijken rooverijen en brandschattingen geteisterd en na den vrede van Praag 2) is 't nog erger geworden; wat wij in die twee jaren geleden hebben is vreeselijk. Nog in het vorige kwam de Zweedsche kolonel Haderslof in onze stad en legde ons een brandschatting op van zestienduizend thaler; nauwelijks was hij vertrokken of de veldmiar-schalk Wrangel kwam en eischte twintigduizend thaler. Toen wij niet in staat waren die som te betalen, stelde hij zich met duizend thaler in geld tevreden; doch wij moesten daarbij vijftienduizend ellen laken, drieduizend paar kousen en evenveel paar schoenen geven; bovendien liet hij al het rundvee uit de stad drijven. En nu voor eenige weken is de Zweedsche kolonel Haderslof teruggekomen en eischte opnieuw als brandschatting een

1

Historisch, Zie: Nicolai. Beschreibung der Königl. Residentzstadt Berlin Einleitung S. XXVII . .

2

De vrede van Praag werd in het jaar 1635 gesloten; in dat jaar maakte zich de keurvorst van Brandenburg van Zweden los en nam een onzijdige houding aan

ocr page 19

il

som van elfduizend thaler, 't Was onmogelijk, wij konden niets meer geven, wij hadden geen geld meer; toen moesten wij het als een genade heschouwen, dat hij toestemde om in plaats van geld zilver tot betaling te nemen ; het lood verguld zilver berekend tegen twaalf, het loodwit zilver tegen negen groschen. Wij moesten ons hieraan onderwerpen. Ieder burger droeg nu alles, wat hij aan zilverwerk bezat, naar het raadhuis, waar de Zweed de belasting liet innen. En thans, allergenadigste heer en keurvorst, nu wij arm en uitgeplunderd zijn, begeert de heer stadhouder in de Marken, de heer graaf von Schwar-zenberg, dat de steden Berlijn en Keulen ook dejaarlijk-sche verdedigingsbelasting zullen betalen.quot;

,,'t ïs uw schuldige plicht die te voldoen.''riep de keurvorst levendig, „'t Is op den landdag van 't jaar 4026 bepaald, dat de stad Berlijn jaarlijks een verdedigingsbelasting van achtduizend vijfhonderd thaler betaalt, om daarvan het garnizoen der stad Berlijn te onderhouden. Derhalve zijt ge verplicht en verbonden deze belasting ook nu te betalen, want mij dunkt, dat ge dringend behoefte hebt aan garnizoen.quot; ,

„Maar dat garnizoen is ons van geenerlei nut, doorluchtige keurvorst. Het is veel te gering om ons tegen den vijand te kunnen beschermen, en daarbij komt, dat de soldaten met den vijand twist zoeken en zij aldus de woede van den vijand slechts tegenonsopwekken. Daarom hebben wij dan ook, toen wij wisten, dat de vijand ino aantocht was, den kommandant van ons garnizoen z olang met beden en voorstellen bestormd, dat hij, ten einde grooter ongeluk te voorkomen, met zijn garnizoen de stad verliet, tot dat de vijand Berlijn wederhad verlaten. *) Uw keurvorstelijke genade ziet dus, dat het garzioen ons tot niets nuttig is, en toch moeten wij de verdedigingsbelasting betalen.quot;

gij zult ze betalen, want het is zoo erg niet met u, als ge ons wilt doen gelooven. Toen ge weigerdethet geld voor de vermeerdering van mijn lijfgarde te betalen, heb ik naar Koningsberg berichten gezonden, hoe het te Berlijn en Keulen gesteld was, en de vreeselijkste tijdingen heeft mij mijn kanselier Pruckmann medegedeeld. Ik weet

1) Historiscli. Zie: Nicolai, I S. XXXIII.

ocr page 20

12

alles; ik ken uw handelwijze en ik moet zeggen, dat hel mijn hart leed doet, te vernemen, dal de inwoners mijner sleden Berlijn en Keulen zoo afschuwelijk goddeloos eu slecht zijn. 't Is waar, ge hebt veel van de oorlogsrampen en wederwaardigheden te lijden gehad, maar dit heeft u volstrekt niet tot inkeer gebracht, om van uw pracht en hoovaardij afstand te doen. De vrouwen schikken zich onbetamelijk op en zien er afschuwelijk, onbeschaamd en zedeloos uit in dat nieuwe Fransche kleed, dal zij noemen en de vrouw bijna tol aan het middel naakt vertoont. Zij spreiden de grootste pracht ten toon, kleeden zich in zijde en fluweel, om de mannen te behagen, die met haar hun dagen in bras- en danspartijen doorbrengen. 't Is een leven als in Sodom en Gomorra. En hoewel ge weet, dat de vijand alle dagen kan wederkomen en u op brandschatting stellen, stoort ge u aan niets, maar gaat voort met uw danspartijen _en drinkgelagen, met lekker eten en drinken, spelen en andere buitensporigheden; pronkt als pauwen, en zij, die het minst hebben en hun geheele bezitting aan het lijf dragen, zijn nog het ergst.' 1)

„'t Is de wanhoop, keurvorstelij ke hoogheid, die de Ber-lijners zoo dolzinnig maakt. Zij weten immers, dat niets, wat zij hebben, hun eigendom blijft. Waarvoor zouden zij sparen, heden of morgen komt de Zweed en 't laatste, wat zij hebben, wordt hun ontnomen. Zij willen 't dan liever in wanhopige vroolykheid doorbrengen, dan hun goed den vijand te geven, die om hun spaarzaamheid lacht.quot;

„Als ge het zoo opvat, dan moet ge in uw wanhopige vroolijkheid ook mij geven, wat ik begeer, en ik laat door u aan de burgerij van Berlijn en Keulen weten, dat ik niet voornemens ben den geringsten afslag te verleenen van de opgelegde belasting ten behoeve mijner lijfgarde en mijn keurvorstelij ke hofhouding. Ge zult en moet betalen, en 't moet u in allen gevalle toch liever zijn het laatste, wat ge hebt, aan uw keurvorst en landsheer te geven dan het door de Zweden te laten ontrooven. — Ziedaar, nu hebt ge mijn antwoord, gaat heen en brengt het der burgerij van Berlijn en Keulen. Beproef niet er

1

Küster, altes und neuee Berlin, Th. V. S. 20.

ocr page 21

43

iets tegen te zeggen, want ik wil niets meer hooren. Gij hebt uw afscheid, ga.quot;

„Keurvorstelijke doorluchtigheid,quot; waagde de spreker te beginnen, „ik . . .

Maar de keurvorst liet hem niet verder spreken; hij nam zijn zilveren fluitje en verdoofde met het gillend geluid ervan de woorden van den burger. De deuren der voorkamer werden terstond geopend en de lakei verscheen op den drempel; buiten, naast de deur, zag men twee lijftrawanten met het geweer op schouder staan.

„De burgerdeputatie is ontslagen,quot; riep de keurvorst heftig. „Men opene de deuren en late haar gaan.quot;

De afgevaardigden waagden het niet te weerstreven; zuchtend en met gebogen hoofd gingen zij naar de deur. Toen keerden zij zich nog eens om en bogen diep voor zijne keurvorstelij ke genade.

George Wilhelm zag het niet; hij had met een behen-digen ruk zijn armstoel weder omgewend naar den kant zijner schrijftafel. Hoewel hij den schijn aannam of hij het groote vel papier las, 't welk hij van de tafel had genomen, was zijne opmerkzaamheid geheel en al op de vertrekkende burgers gericht. Met vergenoegd gelaat hoorde hij, dat zij zich langzaam verwijderden en toen de deur der voorkamer achter hen sloot, legde hij, diep ademend, het papier weer op de tafel.

„Zij zullen betalen, zij zullen betalen!quot; zeide hij, terwijl een zegevierende uitdrukking op zijn somber, mokkend gelaat zichtbaar was. ,,Ik heb hen behoorlijk in 't vuur gehad en zij zullen 't niet wagen ons nog langer te weerstaan. Ja, zij zullen betalen, en daardoor zullen wij weder uit het dilemma komen, waarin wij ons thans bevinden. Ach, hoe hard en wreed is toch het leven, hoe weinig verwezenlijkt het de hoop, waarmede ik het in mijn jeugd te gemoet zag. Mijn vader was een gelukkig-man. Het geluk diende hem, met den keizer en het rijk leefde hij in vrede en eendracht; hij was bemind bij zijn volk, had groote uitzichten voor de toekomst door aanzienlijke erfenissen. Als ik hem zoo in heerlijkheid, rijkdom en kracht aanschouwde, dacht ik, dat het toch een heerlijk lot was, keurvorst te zijn, en dat boven het hoofd van een vorst altijd een heldere hemel schitterde! Eensklaps kwamen wolken aanjagen en verduisterden dezen

ocr page 22

14

hemel; in Bohemen ontbrandde de oorlog, die geheel Duitschland in twee vijandige partijen verdeelde. Mijn vader koos de partij van zijn zwager, den nieuwen koning van Bohemen. De veldslag bij den Witten berg kostte mijn oom, den armen koning van Bohemen, Frederik van den Paltz, zijn land en kroon en stortte hem in ellende. De zegevierende keizer bedreigde allen, die den overwonnen vorst hadden bijgestaan, met vervolging en verbanning en wie zich wilde redden moest zich naar zijn wil schikken. Mijn vader deed dit, maar wilde voortaan niet langer op een troon zitten, die hem gegeven was door 's keizers genade. Hij wilde liever in stille afzondering leven, deed afstand van de regeering en droeg ze mij over. Het was een treurige erfenis: ik had zeer weinig te regeeren; het ongeluk, de oorlogsnood en de keizer regeerden voor mij mijn land, zoodat ik er spoedig genoeg van hud, en.....quot;

„Mogen wij binnen komen?quot; vroeg achter .hem een vriendelijke slem, die den keurvorst in zijne droefgeestige herinneringen stoorde.

„Ja, mevrouw de keurvorstin,quot; antwoordde hij, met moeite zich uit zijn armstoel oprichtende; „ja, treed binnen, hartelijk welkom.quot;

II.

JOBSTIJDINGEN.

De keurvorstin Elisabeth Charlotte sloot de kleine zijdeur, die naar de door haar bewoonde vertrekken voerde, en naderde met vriendelijken groet en teederen blik haar gemaal, die haar langzaam tegemoet trad.

„Elisabeth,quot; zeide hij, haar hoofdschuddend aanziende, „ik zie aan uw gezicht, dat ge mij iets bijzonders te zeggen hebt; uwe bruine oogen glinsteren heden buitengewoon helder en om uw lippen zweeft een vroolijke lach, zooals ik, helaas, maar zelden bij mijne gemalin bespeur.quot;

„Ik zou gaarne gelachen en vroolijk gezien hebben, George,quot; zychtte de keurvorstin, „maar het ontbrak aan gelegenheid. Gij weet, dat wij nog zelden een blauwen

ocr page 23

15

hemel boven ons zagen, gewoonlijk was hij met donkere wolkeu bedekt. Maar ik bid u, mijn dierbare gemaal en heer, zet u, want ik zie, dat uw voet u veel pijn doet. De vermoeienissen der reis hebben dit zeker veroorzaakt; ik zou u raden eindelijk eens een ernstige kuur aan te wenden en daarvoor een paar geleerde doctoren uit Frankfort, te ontbieden.quot;

De keurvorst zag met verontruste blikken zijn gemalin aan, die zich naast hem op een tabouret had gezet en streelend haar hand op zijn wang legde.

„Gij hebt iets, Elisabeth, gij hebt iets,quot; zeide hij, „en wel iets, dat niet aangenaam is, anders zoudt ge er niet zoo omheen draaien, maar 't mij dadelijk zeggen.quot;

„Moet ik dan juist iets bijzonders hebben, als ik u toelach en liefkoos? Weet ge dan niet, dat mijn ziel met liefde voor u vervuld is en mijn hart altijd tot u spreekt, schoon de lippen niet herhalen, wat dat hart zegt?quot;

„Elisabeth,quot; riep de keurvorst, „nu weet ik het, ge hebt berichten van onzen zoon, en 't zijn ongunstige berichten! Ja, ja, dat is het! Ik ken dit teeder gezicht en deze schitterende oogen; 't is niet het gelaat van mijne gemalin, maar dat der moeder van onzen keurprins Friedrich Wilhelm.quot;

„O, welk een uitstekend menschenkenner zijt ge, George! hoe goed weet ge in mijn gelaat te lezen. Nu ja, ge hebt gelijk, er zijn berichten van onzen lieven keurprins.quot;

„En bericht hij, dat hij stipt onze bevelen zal opvolgen, bevindt hij zich op de terugreis?quot; vroeg de keurvorst, terwijl hij angstig zijn gemalin aanzag.

Elisabeth ontweek dien blik.

„Hoe?quot; riep George Wilhelm heftig, „antwoordt ge mij niet? Kunt gij mijn vraag niet met ja beantwoorden ? Zou 't mogelijk zijn, dat de keurprins mijn bevelen niet volbracht, dat . .

„Maak u niet driftig, George,quot; viel de keurvorstin hem in de rede, „hoor eerst de redenen waarom, voor ge onzen zoon veroordeelt.quot;

„Al deze redenen zeggen mij niets anders dan dat hij niet komen wil,quot; riep de keurvorst.

quot;Zeg liever, niet komen kan,quot; antwoordde Elisabeth, terwijl zij haar gemaal, die in zijn drift van zijn stoel wilde opstaan, weder zacht nederdrukte. „Ja, mijn dier-

ocr page 24

16

bare gemaal, ik heb brieven uit den Haag, zoowel van onzen oom, den prins van Oranje, als van mevrouw mijn moeder, en ik durf zeggen, dat deze brieven mij hartelijk hebben verheugd, want zoowel mijn oom, mijnheer de stadhouder, als mevrouw mijne moeder melden, dat onze lieve zoon een wel opgevoed prins is, van wien we vreugd zullen beleven en waarop wij trotsch mogen zijn. Ge weet, George, dat wij gedurende de drie jaren, dat onze keur-prins in Holland vertoeft, altijd de lolïelijkste berichten over hem ontvangen hebben. Zijn gouverneur von Kalkhun heeft ons al dikwijls bericht hoe ijverig onze zoon te Leiden studeert, en dat hij een zeer geleerde prins is geworden, in welken de professoren zich verheugen. Toen hij zijn studiën te Leiden volbracht en naar Arnhem ging, ontmoette hij de prinsen Willem van Oranje en Maurits van Nassau; ook die roemden zijne fijne beschaving, zijn vuri-gen geest en zijn edel hart.quot;

„Ja, men kan het wel aan uw woorden hooren,' bromde de keurvorst, „dat gij de moeder van den hooggeprezene zijt. 't Is een oude ondervinding, dat moeders altijd iels buitengewoons in hun zonen vinden; iedere moeder vindt haar zoon een buitengewoon mensch.quot;

„Mijn zeer geliefde keurvorst, ik heb toch slechts de waarheid gezegd. Onze zoon heeft de drie jaren zijner studiën in Holland zeer goed besteed en is een zeergeleerd en beschaafd jongmensch geworden, die evengoed het Grieksch en Latijn verstaat ais dat hij het Duitsch, Fransch en Italiaansch meesterlijk kan spreken. Hij heeft zich in de krijgskunde geoefend en de prinsen van Oranje en van Nassau getuigen van hem, dat hij eenmaal een groot veldheer en krijgsman zal worden, zoo verstandig weet hij nu, reeds over den oorlog te spreken.quot;

„Waarom zegt ge dit, Elisabeth?quot; vroeg de keurvorst. „Waarom prijst ge uw zoon, terwijl zijn gedrag te berispen is en hij zich zwaar tegen ons bezondigt, omdat hij niet dadelijk terugkomt? In plaats van een brief te zenden moest hij zelf hier wezen. Dat hij evenwel op zijn terugreis is, hieraan twijfel ik niet, hij zou mijn vaderlijken toorn ernstig gevoelen, als dit het geval niet was. Zeg mij dus kortaf, wanneer komt onze zoon?quot;

„Mijn lieve gemaal en heer,quot; zei de keurvorstin aarzelend en zichtbaar verlegen, „zou het niet 't best zijn, dat

ocr page 25

47

ge hierover met den kamerjonker Balthasar von Schlie-ben spraakt, die ...quot; t

„Wat,quot; riep de keurvorst overeind springend, „wat! is Schlieben weder hier, Schlieben, dien wij naar den Haag hebben gezonden om onzen zoon hierheen te brengen? Ts hij zonder den keurprins teruggekomen?quot;

„Ja, mijn gemaal,quot; antwoordde de keurvorstin, terwijl zij zacht haar arm om den hals van den keurvorst legde. „Ik bid u dringend, naar de redenen te hooren, waarom de keurprins niet gekomen is. Ik verzoek u, Balthasar von Schlieben te ontvangen en u door hem verslag te doen geven.quot;

„Ja,quot; riep de keurvorst heftig. „Schlieben moet mij verslag doen. Waar is hij? Hij moet dadelijk hier komen.quot;

„George, hij staat reeds buiten in de gang, die naar mijn vertrekken voert. Ik zal hem terstond doen binnenkomen. Doch vooraf moet ge mij beloven, mijn zeer geliefde gemaal, dat ge Schlieben zonder uit te varen of u boos te maken zult aanhooren, en in zijn tegenwoordigheid niets zegt tegen den eenigen zoon, dien de hemel ons geschonken heeft.quot;

„Ik beloof niets!quot; riep de keurvorst heftig. „Ik wil Schlieben spreken. Hij moet dadelijk binnenkomen. „Hei, kamerjonker Balthasar von Schlieben, kom binnen! Ik beveel u binnen te komen.quot;

De kleine deur in 't behangsel opende zich terstond en een slank, rijzig jonkman, in een met goud geborduurde blauwe uniform met roode opslagen, verscheen.

„Op bevel uwer keurvorstelijke genade . . .quot; zeide hij, eerbiedig buigende.

„Kom hier, Schlieben,quot; riep George Wilhelm, „dichtbij mij, opdat ik zie, dat gij 't wezenlijk zijt, die het waagt terug te komen, zonder datgene, waarvoor ik u gezonden heb. Zoo! Zie mij nu recht in 't gelaat en antwoord mij; Waarvoor heb ik u drie maanden geleden naar Holland gezonden en wat moest ge er doen?quot;

„Keurvorstelijke hoogheid, uw genade heeft mij naar Holland gezonden om zijn hoogheid den keurprins naar hier te geleiden.quot; •

„En waar is de keurprins ?''

„Uwe keurvorstelijke genade, thans nog in den Haag, hij laat mij uwe hoogheid dringend en onderdanig ver-

Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd, l. 2

ocr page 26

18

zoeken, dat hem vergunning wordt verleend ora gedurende dezen winter nog te blijven.','

„Is hij nog in den Haag?quot; riep de keurvorst, „hij waagt het dus mij te trotseeren, mijn bepaalde bevelen niet op te volgen! Hebt ge hem mijn bi'ief gegeven, Schlieben1? Hebt ge hem alles herhaald, wat ik u mondeling gezegd en bevolen heb den keurprins te berichten? Hebt ge hem gemeld, dat ik hem gelastte dadelijk op reis te gaan en ten spoedigste hier te komen ?quot;

„Keurvorstelijke hoogheid, ik heb alles gedaan en gezegd, wat uw doorluchtigheid mij bevolen heeft; en de heer keurprins zou zeker geen oogenblik verzuimd hebben het bevel van mijnheer zijn vader te volbrengen, zoo niet velerlei samenloopende omstandigheden het hem onmogelijk maakten. In dezen brief, welken ik de eer heb aan uw hoogheid te overhandigen, heeft mijnheer de keurprins ze

nader omschreven.quot;

Met een diepe buiging reikte de kamerjonker zijn meester een grooten verzegelden brief.

Driftig nam George Wilhelm den brief, en was zoo nieuwsgierig naar den inhoud, dat hij het zegel haastig verbrak en het dicht beschreven fijn papier, met bevende handen openvouwde. Na het een poos beschouwd te hebben, schudde' hij heftig het hoofd en zijn toornig gelaat

werd nog somberder.

, Wat is dat voor een nieuwmodisch oneerbiedig geschrift,quot; bromde George Wilhelm. „Waarlijk, 'tis niet alsof een vorstenzoon 't heeft geschreven, maar een geleerde, die getracht heeft zooveel regels mogelijk op een bladzijde te brengen, om papier te sparen. Een vorst mag zich nimmer verloochenen, hij moet zijn waardigheid nooit uit het oog verliezen, 't Is onbehoorlijk voor een prins zulk een klein schrift te schilderen. Ik kan die fijn gekrabbelde letters niet lezen. Lees gij dezen brief, mevrouw de keurvorstin, en deel mij den korten inhoud vooreerst mede.

De keurvorstin nam het haar aangeboden blad en las het haastig door. Toen zeide zij: „De keurprins schrijft m zeer ootmoedige en eerbiedige woorden, 't Is volkomen het schrijven van een gehoorzamen en eerbiedigen zoon, die het zich tot plicht stelt de bevelen van zijn vader te gehoorzamen, en wien het innig leed doet, anders te moeten handelen.quot;

ocr page 27

19

Moeten!quot; riep George Wilhelm. „Waarom moeten?quot;

„Hoor slechts, mijn heer en gemaal, wat de prins schrijft,quot; zei de keurvorstin, en las daarop met luide stem: „Er zijn velerlei omstandigheden, die mij dringen vooreerst nog hier te blijven. Ten eerste is hier tegenwoordig de admiraal Tromp, die mij tot de kennis van het zeewezen zeer nuttig is, evenals mij de genade en goedheid van den grooten veldheer, mijn oom den prins van Oranje, een uitstekende gelegenheid aanbiedt om mij in de krijgskunde te oefenen. Ik vertrouw, dat, hoe meer ik hier leer. en studeer, ik mij te bekwamer maak om later uw hoogheid van dienst te zijn. Maar behalve dit, zou het in het tegenwoordig jaargetijde en tijdsomstandigheden zeer moeie-lijk zijn de groote reis van den Haag naar Pruisen te volbrengen, waarmede wel een half jaar zou heengaan en groote kosten zou veroorzaken; terwijl ik in den zomer deze reis in twee maanden kan afleggen De reis over zee zou in den winter bijna onmogelijk zijn uithoofde der geweldige stormen, die ons waarschijnlijk zouden ophouden. Daarbij vrees ik ook de kaperschepen der Duinkerkers, waartegen de Hollandsche konvooien mij bezwaarlijk zouden kunnen beschermen. Nog bedenkelijker is de reis over land in den tegenwoordigen tijd. In Westfalen zwerven Hessen en Zweden rond en maken de wegen onveilig. Zoo ik langs de kust over de quot;Wadden mijn wegnam zouden de Zweedsche en Hessische troepen mij licht kunnen aanhouden en het geleide, hetwelk de graven van Oldenburg en Oost-Friesland en de bisschop van Bremen mij beloofd hebben, overweldigen. Neem ik nu mijn weg door Opperduitschland en Frankenland, dan zijn er weer andere hindernissen, want daar heerscht de diepste ellende, zoodat de menschen er elkander van honger bijna opeten. Daarom heeft ook mijn oom, de prins stadhouder, mij op heden duze reis ontraden. Ook is een deputatie der Sten-den van het hertogdom Kleef gekomen en heeft mij verzocht mijn vertrek nog uit te stellen, daar zij opnieuw uwe keurvorstelijke genade verzocht had, mij als stadhouder in het hertogdom Kleef te laten. En dan is er nog een andere omstandigheid, die mijn vertrek van hier belet. Deze echter waag ik niet op het papier te schrijven, daar een brief verloren kan gaan en onze vijanden zich zouden verheugen zoo zij iets dergelijks lazen. Die reden heb ik

ocr page 28

20

aan jonker Ballhasar von Schlieben gezegd, en zij is wel de voornaamste reden, die mijn vertrek van hier tegenhoudt. Uit mijn naam zal hij uw keurvorstelijke doorluchtigheid, mijn genadigen heer vader, die trouw en eerbiedig iïigcI edeelen l''

„Welnu, spreek dan!quot; riep de keurvorst driftig. „Spreek Schlieber, wat is die reden?quot;

„Wil mijn heer en gemaal niet eerst den brief van den keurprins tot het einde hooren?quot; vroeg de keurvorstin. „Er volgen nog zeer hartelijke, lieve woorden en betuigingen van den gehoorzaamsten eerbied en innigste liefde.quot;

„Ik kan ze mij best voorstellen,quot; antwoordde George Wilhelm heftig. „A\s men met daden niets wil bewijzen, bezigt men woorden, en als men in zijne handelwijze ongehoorzaam is, betuigt men met woorden liefde en eerbied. Spreek dus, Balthasar von Schlieben, welke is de voornaamste reden, die den keurprins belet, uit Holland te vertrekken?quot;

„Keurvorstelijke doorluchtigheid, 'tzijn schulden, 'tis volkomen gebrek aan geld.quot;

De keurvorst sprong op alsot een adder hem gebeten had. „Schulden !quot; riep hij met krachtige stem, „gebrek aan geld! Zal deze litanie dan nimmer eindigen? Welk liederlijk, weelderig leven leidt dan de keurprins, dat hem altijd geld ontbreekt, en als men zijne quot;schulden betaalt, hij dadelijk weer nieuwe maakt?''

„Mijn gemaal,quot; zei de keurvorstin bevredigend, „het ligt niet aan het leven van onzen zoon, dat hij geen geld heeft, maar doordat hem niet genoegzaam geld wordt gegeven. Bedenk toch, dat, toen hij vier jaar geleden op reis naar Holland ging, gij hem geen rooden heller gegeven hebt, maar ik hem van mijne weinige spaarpenningen drie duizend thaler moest geven, opdat hij ten minste reizen kon. ^ De langdurige reis met zijn gevolg zal hiervan een groot gedeelte verslonden hebben.quot;

„Als men u hoort, mevrouw de keurvorstin, zou men waarlijk denken, dat. de keurprins enkel van deze drie duizend thaler had moeten leven. Maar gij vergeet, dat reeds in 'tjaar zestien honderd zes en dertig, dus reeds een jaar nadat de keurprins op reis was gegaan, de Sten-

1) Zie; v. Orlicb, Geschichte des Preuasischen Staates u. a. W. Th. I. S. 34

ocr page 29

21

den op den landdag te Koningsbergen, den keurprins de aanzienlijke som van zeven duizend thaler voor zijn studiën hebben verleend, waartegen zich destijds zulk een groot misnoegen openbaarde, en de Latijnsche, Grieksche en geleerde studiën zeer verwenscbt werden, daar de eigenaars van iedere hofstede vijf groschen als belasting daarvoor moesten opbrengen, 1) Hij heeft dus in drie jaren tien duizend thaler te verteren gehad, 't geen voor zulk een jong heertje ruim genoeg schijnt. Bovendien heb ik hem nog voor een half jaar, toen hij mij met Paschen om geld vroeg, weder duizend thaler gezonden, want hii meende, dat hij zich volstrekt een deftige equipage moest aanschaffen.quot;

„Dit was, mijn gemaal, toen onze zoon zich van Leiden naar Arnhem begaf om er eenigen tijd te verblijven. Hij moest daar toch een kleinen hofstoet op nahouden om zijn vader en zijn huis eer aan te doen, want daar woonden ook de prinsen van Oranje en Nassau, en onze zoon, de keurprins van Brandenburg, mocht niet minder zijn, maar even goed als zij eene kleine hofhouding-hebben.quot;

„Ongelukkig is het in Holland zeer duur, merkte de kamerjonker von Schlieben op. „Uw keurvorstelijke genade had den keurprins duizend thaler gezonden om zich een equipage aan te schaffen, maar deze som was op verre na niet toereikend. Alleen de koets heeft zeven honderd thaler gekost.quot;

„Zeven honderd thaler!quot; riep de keurvorst verschrikt. , Hoe kan men zooveel geld voor een houten kast geven!quot;

„Keurvorstelijke hoogheid, de koetsen in Holland zijn geen houten kasten, welke men slechts van binnen en buiten een weinig beschildert, verlakt en verguldt, en die harde, met leder overtrokken zitbanken hebben. De koets van den keurprins is van binnen met rood fluweel en satijn bekleed, want dat is in Holland voor een vorstelijk persoon gebruik; daarbij moest een span van vier paarden worden gekocht, en ieder paard kostte jhonderd veertig thaler. Uwe hoogheid begrijpt dus, dat duizend thaler niet genoeg was, want koets en paarden alleen hebben reeds meer gekost, en dan komen nog de livrei, de tuigen en het loon voor koetsier, loopers en lakeien.quot;

1

Zie; als voren, Th. I, S. 3ö,

ocr page 30

22

„Ja, ik merk wel, dat mijn waarde zoon een zeer deftig en weelderig leven leidt,quot; riep de keurvorst, „en dat het hoog tijd voor hem is van daar weg te komen en te lee-ren, dat een keurvorst van Brandenburg niet verder mag springen dan zijn stok lang is, en, in plaats van in een koets met vier paarden, in een ellendige rammelkast met twee armzalige knollen moet rijden, 't Is hoog tijd, dat de keurvorst wederom leert zuinig en eenvoudig te leven. Hij zal en moet terug komen. Eindelijk ben ik het eeuwige onderhandelen en heen en weer schrijven moede; er moet een einde aan komen. Sedert een jaar handel ik met mijnheer den keurprins over zijn terugkomst, zend hem ten laatste mijn kamerjonker, om hem mijn bepaalden en uit-drukkelijken wil persoonlijk mede te deelen ; toch heeft hij den moed den kamerjonker von Schlieben terug te zenden en te blijven, waar hij is, en dan in pracht en weelde te leven, terwijl ik nauwelijks zooveel geld heb om sober rond te komen.quot;

„Maar bedenk toch, mijn lieve gemaal,quot; zei de keurvorstin vleiend, „dat de keurprins niet uit overmoed of ongehoorzaamheid langer in Holland blijft. Hij kan immers niet weg, hij heeft geen geld en hij laat zijn allergena-digsten heer vader door den kamerjonker von Schlieben eerbiedig verzoeken, dat hij hem geld zendt om zijn schulden te betalen en fatsoenlijk te kunnen reizen!quot;

„Geld, altijd geld!quot; riep de keurvorst schier vertwijfelend. „God in den hemel! welk een geplaagd, ongelukkig man ben ik toch! Iedereen wil van mij hebben en niemand mij iets brengen. Vraag ik geld van de Stenden, de gewesten, de steden, de burgers en boeren, dan heet het van alle zijden; Wij kunnen niets geven, wij hebben niets, wij zijn zoo achteruit gegaan, dat wij geen belasting betalen kunnen. Toch vorderen de Stenden, de gewesten, de steden, de burgers en boeren van mij geld en ondersteuning, hulp en toelage, en zij weten, dat ik niets heb. Geld ! geld! Dit woord is mijn pijniger en vijand geweest, sinds ik aan de regeering ben gekomen; dit woord heeft mij zoowel slapend ais wakend vervolgd. Van alle besturen, van alle onderdanen heb ik het gehoord zoo dikwerf zij mij naderden en nu komt ook mijn waarde zoon en pijnigt zijn armen ongelukkigen vader met dit vreeselijk woord. Maar ik wil niet dulden, dat hij dit grimmig woord tegen

ocr page 31

23

mij gebruikt, ik wil niet, dat hij nog langer in den Haag blijft onder voorwendsel dat hem geld ontbreekt om terutj te komen. Hij zal geil hebben, ja hij zal 't hebben. Ik zal 'tzien te krijgen! Er moet raad geschaft worden!quot;

„Mijn waarde heer en gemaal,quot; bad de keurvorstin, „ik bid u, maak u niet zoo driftig, het zou u kwaad doen.quot;

„En ik verzoek u, mij thans te verlaten, mevrouw de keurvorstin,quot; zei George Wilhelm ongeduldig. „Het dient tot niets, iemand, die zooveel reden heeft om driftig te zijn, tot bedaardheid te vermanen. Ik zal 't mijn zoon doen gevoelen, welke plagen en ergernis bij mij veroorzaakt heeft, daar kan hij op rekenen, ik zal mij niet laten bepraten door ijdele redenen en mooie woorden. Ge kunt gaan, heer kamerjonker von Schlieben! Gij hebt mijn last slecht uitgevoerd en kunt verzekerd zijn, dat ik u nimmer weder tot mijn bode en gezant kiezen zal.quot;

„Mijn gemaal, vergun mij voor den armen Schlieben een goed woord te doen,quot; riep de keurvorstin. „Hij had immers de macht niet om den keurprins met geweld weg te voeren, evenmin als de keurprins de macht heeft zich vrijwillig te verwijderen, 't Ligt immers alleen hieraan, dat de keurprins geen geld heeft.quot;

„Ja, en dit is hem zeker zeer welkom,quot; zei de keurvorst met bitteren lach. „Daar hij geen geld heeft, maakt hij nog meer schulden; het betalen wordt steeds moeie-lijker, en hoe langer dit duurt, des te langer kan mijnheer de keurprins in Holland blijven en zijn vroolijk leventje voortzetten. Maar ik wil er een einde aan maken. Schwar-zenberg zal komen, hij moet mij het middel bezorgen! Vergeving, mevrouw de keurvorstin, ik heb bezigheden, dringende bezigheden.quot;

„Ik zal mij verwijderen, mijn heer en gemaal,quot; zei Elisabeth, plechtig neigende, en zich tot den kamer jonker von Schlieben wendende, die met bleek en ontsteld gelaat naar de deur sloop, sprak ze: „Volg mij, kamerjonker, gij moet mij nog verhalen van mijn lieven keurprins en van al de dierbare verwanten, welke gij in den Haag gezien en gesproken hebt.quot;

Het gelaat van den kamerjonker verhelderde en met een dankbaren blik op de keurvorstin volgde hij haar door de zijdeur naar haar vertrekken.

ocr page 32

24

Nu was de keurvorst alleen. Ernstig en peinzend stond hij met het hoofd op zijn horst gebogen. Na een poos richtte hij het hoofd langzaam op en zijn zwaarmoedige blik trof juist het portret van zijn vader Johann Sigis-mund, wiens treurig, bleek gelaat met zijn droefgeestige sombere oogen op hem gericht was.

„Arme vader,quot; mompelde de keurvorst met een diepen zucht, „thans versta ik u zeer goed en begrijp volkomen, waarom gij vrijwillig van de regeering afstand deedt en u terug trokt voor de dood u opriep, 't Is verre van een aangenaam en behageliik leven, dat een keurvorst van Brandenburg heeft; ik heb een zware en treurige erfenis van u overgenomen, zoodat ik bijna den moed zou verliezen en doen, wat gij hebt gedaan. Hoe gaarne zou ik mij ook ontheffen van de zware taak een keurvorst en regeerend heer te schijnen, daar ik slechts een arm, veel geplaagd man ben, die meer titels dan landen, meer schulden dan geld heeft en wiens volk niet uit gehoorzame onderdanen, maar uit verstokte schreeuwers, staatkundige tinnegieters en hongerige lieden bestaat. Kon ik mijn moeielijk ambt nederleggen — neen,quot; viel de keurvorst zich in de rede, „neen, ik zal mijn zoon deze vreugd niet schenken, ik zal hem niet de macht in handen geven en mij als een uitgeperste citroen terzijde laten werpen. Neen, ik blijf keurvorst en mijn zoon zal zich aan mijn vaderlijken wil onderwerpen en thuis komen. Swarzenberg moet mij daarbij helpen! Hij is er voor in staat.quot;

De keurvorst greep weer het zilveren fluitje en liet een scherp gefluit hooren.

Terstond werd een der deuren geopend en een lakei verscheen. Reeds had de keurvorst den mond geopend om zijn bevelen te geven, toen hij plotseling verstomde en met nog grimmiger gezicht den lakei aanschouwde.

„Kerel,quot; zei hij heftig, ,,hoe durft ge in zulk een kleeding te komen? Ge ziet er met uw kort kalmuksbuis en gelapte broek zoo gemeen en ellendig uit, dat ik mij schamen moet u te zien.quot;

„Vergeef mij, keurvorstelijke hoogheid,quot; stamelde de knecht met een weemoedigen blik; „ik kan 't niet helpen, en 'tdoet mij zelf leed, dat ik zoo voor mijn allerdoor-luchtigsten heer keurvorst moet verschijnen. Maar ik ben met mijn livreirok aan een spijker blijven hangen, die er

ocr page 33

25

een grooten winkelhaak in scheurde, waaraan de hof-kleermaker, zoo hij zegt, een geheelen dag werk heeft, om dien zoo te stoppen, dat het niet al te zichtbaar is. Mijn livreirok is dus bij den kleermaker en daardoor komt het, dat ik in dit Jyuis moet verschijnen.quot;

„Ge hadt een anderen rok moeten aantrekken,quot; riep de keurvorst heftig, „want het is beleedigend, dat ge hier zoo binnen komt.quot;

„Een anderen rok?' vroeg de lakei met de grootste verbazing. „Met uw verlof, keurvorstelijke hoogheid, ik heb maar één rok!quot;

„Wat!quot; riep de keurvorst, „maar één rok? Heb ik niet bevolen, dat men te Koningsbergen voor de lakeien, vóór onze reis hierheen, nieuwe livreirokken moest laten maken ?quot;'

„Dit is ook gebeurd, keurvorstelijke genade: voor dat wij Koningsbergen verlieten, hebben wij nieuwe livreirokken gekregen.quot;

„Nu, waar zijn dan de oude?quot;

„Keurvorstelijke genade, de oude rokken heeft de heer garderobemeester te Koningsbergen aan de joden verkocht, die er hem goed geld voor hebben betaald: want de oude livreirokken waren met echte gouden tressen bezet; maar die nieuwe rokken zijn goedkooper, want het is slechts valsch goud of . . . .quot;

«Zwijg en scheer v weg,quot; riep de keurvorst. „Zoo ge geen rok hebt, ontsla ik u heden van dienst: Jochem zal van daag in uw plaats treden.quot;

„Vergeving, keurvorstelijke hoogheid, maar Jochem zit in 't cachot. De heer garderobemeester heeft hem voor drie dagen in den ,.groenen hoed' laten zetten.quot;

„Waarom? Wat heeft Jochem dan gedaan?quot;

„Hij i? weerspannig geworden, doorluchtigheid. De heer betaalmeester heeft in twee maanden ons loon niet betaald, zoodat wij geen groschen meer in den zak hebben. Toen wij voor drie dagen hier te Berlijn aankwamen, vond Jochem zijn oude moeder ellendig ziek en schier verhongerd, want de keizerlijken hadden Berlijn geplunderd en de oude vrouw haar laatste have en goed ontroofd. Zij had niets te eten en nog veel minder kon ze medicijnen koopen of een dokter nemen. Toen ging Jochem in zijn wanhoop tot mijnheer den betaalmeester en verzocht hem

ocr page 34

26

zijn loon, maar deze zeide hem, dal hij niets kon geven, daar de reis uit Pruisen naar hier zooveel geld had gekost, doch dat er binnen acht dagen wel weder geld voorhanden zou zijn en wij dan allen ons loon zouden ontvangen. Maar zoolang kon Jochem voor zijn oude moeder niet wachten; in zijn wanhoop verkocht hij den nieuwen livreirok aan een jood en bracht het geld aan zijne moeder. Daarom nu, keurvorstelijke genade, zit de arme Jochem in den „groenen hoed.quot;

De keurvorst had zich omgewend en keek door het venster naar beneden in den tuin, waarvan de groene boomen tot dicht bij de ramen van zijn kamer kwamen, Hij wilde den lakei Konrad niet meer zien, noch hem de smartelijke trekken van zijn mond laten merken.

Na een poos wendde hij zich echter weder tot den ouden Konrad, die zacht naar de deur was geslopen, maar

't niet waagde zonder het verlof zijns meesters heen te gaan-

„Ge ziet wel, oude,quot; zei de keurvorst vertrouwelijk, „dat het ons niet zoo goed gaat, als toen ge in dienst kwaamt en lijflakei van den jongen, vroolijken en op-geruimden heer keurprins werdt. Nu is die keurprins een treurige, ernstige en arme keurvorst geworden, die veel rampen heeft beleefd en er zich aan moet onderwerpen, dat hij, in weerwil van zijn heerlijke titels, een arm geplaagd man is. Ge weet, dat ik vroeger anders was. Doch schulden maken den wildsten tam en den vroo-lijksten verdrietig; dit zjet ge aan mij, oude Konrad! Maar hoor nu!quot;

Hij naderde zijn schrijftafel, trok de lade open en nam er een lange, van gouddraad en groene zijde geknoopte beurs uit. Hij schudde, voorzichtig tellend, eenig geld uit de beurs in zijn hand en gaf het toen aan Konrad.

„Konrad, daar hebt ge twaalf thaler. Kent ge den jood, aan wien Jochem zijn livreirok heeft verkocht?quot;

, Ja uwe hoogheid.quot;

„Ga dan en koop den rok terug. Hoeveel heeft de jood er voor gegeven?quot;

„Zes thaler, keurvorstelijke hoogheid.quot;

„Geef hem vijf thaler terug en zeg hem, dat de thaler korting de straf is voor het koopon van een rok van een keurvorstelijken bediende, daar hij toch weten moest, dat

ocr page 35

27

die niet van hem, maar mijn eigendom was. Zoo de jood weigert, zeg hem dan, dal ik hem zal laten opsluiten en zijn bedriegerijen zal onderzoeken. Breng den rok, zoodra ge hem hebt, bij den heer garderobemeester en zeg hem, dat hij Jochem uit den , groenen hoedquot; laat halen en hem zijn rok weder laat aantrekken. Ik zend hem dit bevel. Ga nu.quot;

„Vergeving, keur vorstelijke genade, maar ik weet nog niet, wat ik met het overige geld moet doen. Als ik Jochems rok bij den jood voor vijf thaler gelost heb. blijven er nog zeven thaler o.er; ik verzoek uw hoogheid mij te zeggen, wat ik er mee doen moet.quot;

„Hoeveel loon krijgt ieder lakei 'smaands?-'

„Een rijksthaler en vier groschen, uwe hoogheid.quot;

„Dit maakt dus voor u en Jochem, daar de betaalmeester u twee maanden loon schuldig is, vier thaler zestien groschen. Nu blijven nog van het geld twee thaler veertien groschen over, geef die aan Jochem, om ze aan zijn oude moeder te brengen, doch niet of 't van mij, maar van hem komt.quot;

,,0, keurvorstelijke hoogheid, welk een genadig en goed heer zijt gij,quot; riep Konrad met tranen in de oogen. „Ik bid uw hoogheid, uwen ouden Konrad deze eenige gunst en goedheid te verleenen van uwe hand te mogen kussen en li te danken voor de genade, welke uwe hoogheid aan Jochem en mij betoont. Houd het uwen ouden knecht ten goede, dat hij zich vermeet zoo iels te verzoeken, maar 't geschiedt slechts uit liefde en hartelijken eerbied.quot;

„Dat weet ik, Konrad, dat weet ik,quot; zei de keurvorst terwijl hij den ouden man zijn hand reikle en hem vergunde ze met zijn lippen Ie raken. „Ik ken uw goed verknocht hart, dat gij getoond hebt gedurende de twintig jaren, die ge in mijn dienst zijt. Ga nu, oude, en doe, wat ik gezegd heb. Maar luister! Niemand mag weten, dat ik Jochem en u het maandloon heb betaald, want anders zouden allen bij mij komen om betaald te worden en de heer betaalmeester heeft gelijk, onze kassen zijn leeg, en wij moeten ons behelpen tot ze weer gevuld worden. Ik zal den heer betaalmeester wel zeggen, wat ik gedaan heb.quot;

„Nog iets. Konrad ! Ga dadelijk naar de Brecstraal bij zijn excellentie den heer stadhouder van de Marken, den

ocr page 36

28

graaf von Schwarzenberg. Verzoek zijn excellentie zich terstond tot mij te begeven; bericht hem van mijnentwege, dat wij een gewichtige zaak in orde moeten maken, die niet uitgesteld kan worden.quot;

„Uwe hoogheid vergeve mij . . zei Konrad aarzelend en beschaamd; „mijn staatsierok is nog bij den hofkleer-maker. Moet ik dan in mijn buis gaan? Bij den heer stadhouder is alles zoo fijn en prachtig; de lakeien voeren zulk een staatsie, dat een keurvorstelijk lakei er niets bij is. 't Zijn bovendien opgeblazen, winderige kerels, die zich zeer groot achten en meenen, dat zij iets bijzonders zijn, veel meer dan ik, die toch keurvorstelijk hotlakei ben. Ik zou deze kerels er niet gaarne vroolijk mee willen maken, als ze mij in dit buis zagen, en . .

„Ga maar gerust in uw buis,quot; zei de keurvorst lachend. „Gij blijft toch altijd de dienaar van den/teer, terwijl deze opgeschikte kerels de lakeien van den dienaar blijven, ofschoon ik bekennen moet, dat de dienaar een veel prachtiger en rijker man is dan zijn heer.quot;

III.

GRAAF ADAM VÜN SCHWARZENBERG.

„Ik dank u, meester Gabriël Nietsel, hartelijk dank ik u, want ge hebt mij waarlijk een groote vreugd bereid,quot; riep graaf Adam von Schwarzenberg, vriendelijk den jongen man toeknikkende, die bij hem was, en hij verdiepte zich toen weder geheel in de beschouwing der schilderij, voor welke beiden stonden, en die op een ezel in een der diepe vensternissen der hooge kamer ten toon was gesteld.

„Ik wist wel, dat dit heerlijk kunstwerk mijn allerge-nadigsten heer zou bevallen,' zei meester Gabriël glimlachend ; „daarom heb ik noch geld, noch moeite, noch gevaren ontzien om uw excellentie deze prachtige schilderij van den grooten Italiaanscben meester te bezorgen.quot;

„Het verwondert mij, dat het u gelukt is, meester,quot; riep de graaf, terwijl hii van plaats veranderde om de schilderij van een andere zijde in een nieuw licht te beschouwen.

ocr page 37

29

„Genadige heer, zoo zich in de kist, welke ik zoo zorgvuldig behoedde, in plaats van de schilderij, hammen of andere eetwaren hadden bevonden, of zoo er wapenen of kleedingstukken in waren geweest, zou het mij zeker niet gelukt zijn ze uit Italië hier te brengen en aan al de benden soldaten of roofridders te ontkomen, die tegenwoordig als een bijenzwerm het Duitsche rijk doorvliegen en, als sprinkhanen, overal waar zij nedervallen nood en ellende brengen.quot;

„Ja,quot; riep graaf von Schwarzenberg, met een zonderlingen lach, „het ziet er tamelijk slecht in het heilige Duitsche rijk uit; armoede^ oorlog en pest zijn de sprinkhanen, waarvan ge spreekt, en — maar waarom herinnert ge mij thans aan deze onaangename dingen! Gun mij toch één kwartier verademing en vreugd! Laat mij een oogenblik de zorgen, veigeten en mijn oogen verlustigen aan 't gezicht dezer heerlijke vrouw.quot;

„'t Is een Venus,quot; zei meester Gabriel bescheiden, „de zoogenaamde Venus met den spiegel. Tweemaal heeft meester Titiaan dit onderwerp geschilderd, doch op de eene schilderij bevinden zich twee Amors, terwijl de andere slechts één Amor vertoont.quot;

„Zeer natuurlijk,quot; zei de graaf lachend. „Toen de groote Titiaan de eerste schilderij maakte, was eerst één Amor aanwezig, terwijl bij de tweede voorstelling zich een tweede Amor bij de schoone vrouw had gevoegd, tot groote vreugd van haar en haar minnaar, meester Titiaan Vecellio.quot;

„Uw excellentie boude het mij ten goede,quot; merkte meester Gabriël op, „de schilderij stelt immers Venus voor?quot;

„Zoo zijt ge, arme menschenkinderen,quot; riep von Schwarzenberg luid lachend, „zoo zedig, eenvoudig en overdreven bescheiden ! Een naakte vrouw in haar oorspronkelijke schoonheid zou de eerbaarheid kwetsen en ge zoudt niet wagen haar aan te zien; maar een godin is 't geoorloofd zonder aardsche kleeding te verschijnen en men mag onbeschroomd de oogen op haar heerlijke gestalte slaan. Daarenboven meent ge in uw bescheidenheid, dat een vrouw met zulke goddelijke vormen niet op aarde te vinden zou zijn, en verheft u daarom tot de goden en noemt haar een Venus, die echter slechts de bekoorlijkste,schoonste en heerlijkste aardsche vrouw is.quot;

ocr page 38

30

Meester Gabriel wees met zijn vinger op den lieven naakten knaap, die, achter Venus staande haar den spiegel voorhield.

„Zooals uw genade ziet, is 't een engel, want hij heeft vleugels aan de schouders,quot; zeide hij bedeesd.

Maar Adam von Schwarzenberg nam haastig den uitgestoken vinger van den meester en drong dien naar een andere plaats der schilderij.

„'t Is een aardsche vrouw,quot; riep hij lachend, „want om haar heupen is een pels geslagen en nooit zult ge mij doen gelooven, dat godin Venus op den Olympus een met hermelijn geboorden tluweelen pels gedragen heeft. Doch laat er ons niet over twisten! Een schoone vrouw is immers een godin ; wie dit niet wil erkennen is een barbaar en heiden. Ik zal uw zin doen en deze wonderschoone vrouw eene Venus noemen. Uw Venus zal ik behouden. Zeg mij den prijs, meester, ik zal u terstond betalen.quot;

„Ik heb er te Cremona, waar ik bij mijn terugkomst van Rome het geluk had deze schilderij te ontdekken, twee duizend dukaten voor betaald,quot; antwoordde meester Gabriel Nietsel met angstigen blik en bedeesd voorkomen, alsof hij een opwelling van toorn van den graaf vreesde, wiens hebzucht bekend was. „Hierbij komen nog mijn voorschotten voor inpakking en vracht, ten bedrage van twee honderd dukaten. Het overige, de moeite, nood en gevaren, welke ik doorstaan heb, toen wij, Venus en ik, door benden soldaten aangehouden en afgezet werden, laat zich moeilijk berekenen en ik laat het geheel aan uw excellentie over mij hiervoor schadeloos te stellen.quot;

„Twee duizend dukaten voor de schilderij, twee honderd voor onkosten! Waarlijk een tamelijk hooge prijs voor een stukje beschilderd linnen,quot; riep de graaf glimlachend. „Men zou hiervoor een geheel regiment Brandenburgsche soldaten kunnen wapenen en uitrusten, om den keurvorst zijn hertogdom Pommeren te helpen heroveren. Maar wat beteekent het smerige, boersche, gemeene Pommeren bij deze schoone vrouw, of, zoo ge 't liever hoort, bij deze aardsche Venus ? Meester Gabriël, ga terstond naar mijn rentmeester en laat u drie duizend dukaten betalen. Acht honderd dukaten geet ik voor uw moeite en gevaren. Zij t ge tevreden, meester?''

„Excellentie, gij betaalt als de grootste keizer,quot; riep de

ocr page 39

31

schilder met een vreugdevol gelaat. Ge maakt mij voor altijd tot uw dankbare schuldenaar, en zoolang ik leef zal ik bereid zijn u te dienen.quot;

„Welnu, Gabriël, als u dit ernst is, kan ik u dadelijk daartoe in de gelegenheid stellen.quot;

„Beproef mij, excellentie, geef mij een of anderen moeie-lijken last en mijn allergenadigste heer zal erkennen dat ik hem met nauwgezetheid zal uitvoeren.quot;

„Luister dan, meester! Ik benoem u tot mijn agent en neem u in dienst en soldij. Zoo ik een regeerend vorst was, zou ik zeggen: ik benoem u tot mijn hofschildei1quot;, maar ik ben slechts de kleine graaf von Schwarzenbèrg, de____quot;

„Stadhouder van de Marken,quot; viel Gabriël hem snel in de rede, „commandant der Johannitenorde, eerste raadsheer en minister van den keurvorst van Brandenburg, president van den keurvorstelijken staatsraad, heer en bezitter van vele goederen, keizerlijk rijksgraaf en . .

„Stil, stil, het is genoeg,quot; riep de graaf afwerend. „Het gaat mij als den keurvorst. Beiden hebben wij verscheidene titels, maar zij brengen weinig op en er is geen geld aan verbonden. Ge hebt mij geheel van mijn onderwerp gebracht, meester; zwijg nu en hoor. Ik neem u in mijn dienst en geef u van dezen dag af een jaarwedde van vijihonderd thaler, welke u elk vierendeeljaars vooruit betaald zullen worden. Stil, spreek niet. Ik lees in uw oogen uwe vraag en wil er u dadelijk op antwoorden. Uw vraag luidt: Wat moet ik doen voor dat geld? Het antwoord luidt: Als vrij man in de wereld rond reizen, schilderijen zoeken, en, zoo zij 't waard zijn, ze voor mij koopen. Nooit aan iemand zeggen, dat ge in mijn dienst zijt, maar dit als een geheim bewaren. Schilderijen voor mij te koopen, is alles, wat ge voor mij te doen hebt, meester. Maar ge moei mij veroorloven, dat ik u somtijds den weg aanwijs, waarheen ge reizen moet om schilderijen voor mij te zoeken. Bij voorbeeld: ge zijt thans in Italië geweest om er uwe studiën te maken en hebt mij van daar een Venus meegebracht, daar ik u verzocht had voor mij eenige aankoopen te doen. Gij hebt gezien, dat mij deze fraaie schilderij hartelijk verheugd heeft, maar ik heb meer smaak voor landschappen en komieke voorstellingen ; 't zijn de Nederlandsche schilders, welke mij het meest behagen. Onderanderen de Teniers, vader

ocr page 40

32

en zoon, die allerliefste, kluchtige boerentooneelen en duivelstukken hebben geschilderd; ook is er een ander mensch. Wouwerman, van wien ik gehoord heb, dat hij een groot talent bezit, en niet alleen heerlijke boerenkinkels, maar ook veldslagen weet te schilderen. Van deze drie schilders zou ik gaarne een paar schilderijen willen hebben. Daar de Teniers nu te Amsterdam en in den Haag geleefd hebben en Wouwerman in den Haag woont, wensch ik, dat ge naar den Haag gaat om daar eenige inkoopen voor mij te doen. Wel te verstaan, zonder te zeggen1, dat ge er op mijn last komt of met mij in betrekking staat. 'tZou mij nog liever zijn, als ge den schijn aannaamt tot mijn vijanden te behooren.quot;

„Hoe zou ik dat wagen, excellentie, hoe kunt ge van mijn dankbaar hart vorderen, dat het zich verloochent en andere woorden dan van dankbaarheid en vereering zou spreken.quot;

„Ik machtig er u toe, meester Gabriël Nietzel, ja, ik eisch zelfs, dat ge zulke woorden spreekt, voornamelijk als ge u tegenover den heer keurprins Friedrich Wilhelm bevindt!quot;

„Den keurprins?quot; vroeg de schilder verbaasd. „Wil uw excellentie mij naar den Haag tot mijnheer den keurprins Friedrich Wilhelm zenden?quot;

„Integendeel, ge moet u tegenover hem gedragen, alsof ge mij haattet en tot mijn vijanden behoordet. Maar ge moet volstrekt naar den keurprins gaan en pogen zijn vertrouwen te winnen. Gij zijt een lustig gezel en hebt het leven aan zijne bronnen in Italië bestudeerd. De keurprins houd van vroolijke menschen, en ge moogt hem een weinig van uw levenswijsheid mededeelen en leeren hoe men de jeugd onbezorgd kan genieten. Wordt zijn maitre deplaisir, meester Gabi iël, voer hem de tempels der kunst binnen, en leer hem, dat iedere schoone vrouw een Venus, een godin, en aanbiddenswaardig is. Ge zijt een bekwaam schilder en zooals men mij uit Rome heeft gemeld, een man, die verstaat te leven; dit zijn twee schoone talenten, waarvan gij voordeel moet trekken, en met dit doel zend ik u naar Holland. Gij moet schilderijen voor mij koopen en den keurprins helpen den tijd te korten om het leven te genieten, 't Zal mij verheugen zoo u dit gelukt en mij iedere week van uw pogingen

ocr page 41

en het leven, hetwelk gij in den Haag met den keurprins leidt, nauwkeurig bericht geeft. Ge kunt immers schrijven, meester Gabriel Nietzel?quot;

„Ja, maar. . . .quot;

„Nu, wat beteekent dit maar, waarom ziet ge eensklaps zoo somber? Bevalt u mijn last niet?quot;

„Neen, excellentie, hij bevalt mij niet en ik kan dien niet uitvoeren,quot; riep meester Gabriël levendig. „Gij zendt mij niet als schilder naar den Haag, maar — laat mij de zaak bij haar waren naam noemen — als spion, ja wat meer is, als verleider van den keurprins.quot;

„En hier komt uw deugd en zedelijkheid tegen op?quot; vroeg de graaf de schouders ophalend. „Welnu, goed. Laat dan alles, wat wij samen gesproken hebben, niet gezegd zijn. Blijf een eerlijk, onathankelijk ridder der deugd; maak schilderijen en zie ze te verkoopen; gelukt u dat niet, vergenoeg u dan voor winkeliers uithangborden en voor burgers de wanden te schilderen, en troost u dan, dat ge uit deugd en edelmoedigheid u hebt opgeofferd. Neem die Venus, ridder der deugd, ik heb den koop ervan niet bevolen, zij is mij te duur. Wij zijn van alle verplichtingen jegens elkander vrij en hebben in 't vervolg niets met elkander uit te staan! Ga!quot;

„Uwe excellentie wil de schilderij niet behouden?quot; vroeg Nietzel ontsteld, terwijl het klamme zweet op zijn bleek voorhoofd kwam. „Uwe excellentie wil mij de onkosten en moeite niet vergoeden, ik zou van u gaan met . . . .quot;

„Met het heerlijke bewustzijn uwer deugd,quot; vulde de graaf aan. „Ja, dat moet ge, meester Gabriël. De graaf von Schwarzenberg heeft u in zijn dienst willen nemen, maar ge weigerdet en hierdoor is zijn toorn een weinig opgewekt, hetgeen, zooals men mij zegt, hun, die dit doen, zelden goed bekomt, maar altijd tot hun nadeel uitvalt. Maar hier vraagt ge niet naar, gij tart den toorn van den stadhouder van de Marken, gij. . . .quot;

„Niet verder, excellentie, niet verder,quot; riep Gabriël doodsbleek. „Vergeef mij, ik bid u, wil mijn onbetamelijke woorden vergeten en neem mij aan als uw gehoorzaam en ootmoedig dienaar. Wees zoo genadig, de Venus van meester Titiaan Vecellio te behouden, want zij is mijn eenigste bezitting, mijn geheel vermogen heb ik voor den aankoop opgeofferd.quot;

Utilhbaoh, De yroote Keurvorst en zijn tijd. I. 3

ocr page 42

34

„Spreek duidelijker, meester,quot; riep de graaf, „wilt gij zeggen, dat ik uwe kopie van de Venus zou behouden en ze betalen alsof zij een origineel ware, want hierop berust al uw hoop?quot;

„Excellentie,quot; stamelde meester Gabriël ontsteld, „gij meent toch niet. . .

„Dat deze schilderij een kopie is, welke gij gemaakt hebt en vervolgens een paar dagen in den schoorsteen hebt gehangen, om ze het voorkomen van een honderdjarige schilderij te geven? Ja, mijn waarde, dat meen ik en ik geef u gaarne de verzekering, dat ge Titiaan zeer getrouw gekopieerd en er veel moeite en zorg aan besteed hebt.quot;

„Genadigste graaf! ik zweer, dat men mij gelasterd heeft, dat. . . .quot;

„Doe geen meineed,quot; zei de graaf ernstig en streng. „Gij hebt deze schilderij niet te Cremona gekocht, maar in het paleis Grimani te Venetië gekopieerd en er drie volle maanden aan gearbeid. Gij ziet, dat ik goed onderricht ben, dat ik overal mijne vrienden heb, die het zich tot een eer rekenen mijn spionnen te zijn, zooals gij 't noemt.quot;

„Genadige heer, genade!quot; riep Nietzel in tranen uitbarstende en voor de hooge, trotsche gestalte van den graaf op de knie vallende. „Genade voor mijn misdaad! Ik was in zulk een grooten nood, ik wist mij op geen andere wijze te helpen; die kopie is echter zoo getrouw en juist, dat zij voltrekt niet van het origineel te onderscheiden is.quot;

„Nu, wij willen ze dan als het origineel ophangen en door de kunstminnende Keurmarkers laten bewonderen,quot; zei de graaf lachend. „Ik behoud uw Titiaan Vecellio, meester Mietzel, en het blijft er bij, dat ik u voor dit voortreffelijk origineel drie duizend dukaten betaal. Om u te laten zien, dat het mij ernst is, wil ik u dadelijk een aanwijzing op mijn rentmeester geven; gij kunt het geld terstond gaan ontvangen.quot;

Hij ging naar zijn schrijftafel, schreef met vlugge hand eenige woorden op het papier en gaf het den schilder.

„Neem dit, meester Gabriël Nietzel, en laat u betalen.quot;

De schilder zag hem met een langen verwonderden blik aan.

ocr page 43

35

„Gij vergeeft mij, excellentie?quot; vroeg hij, „gij neemt mijn hoogen eisch aan, terwijl gij weet, dat ik u beilrogen heb, en 'tslechts een copie is?quot;

„Wal geeft dat? 'tls een fraaie schilderij, die ik met genoegen aanschouw en dit is het eenige, wat ik van een schilderij verlang.quot;

Haastig vatte meester Nietzel de hand van de graaf en drukte ze aan zijn lippen. „Genadige heer,quot; riep hij, „gij hebt met uw geld mijn Venus, met uw edelmoedigheid mijn hart igekocht. Van dit uur af ben ik met lijf en ziel de uwe en 'tis alsof . .

„Alsof ge u aan den duivel hadt verkocht, nietwaar?quot; lachte de graaf.

„Neen, alsof ik geen anderen wil meer had dan den uwen; dat wilde ik zeggen, genadige heer! Gebied over mij. Zeg wat ik doen moet, ik doe het.''

„Gij gaat dus naar Holland om er schilderijen voor mij te koopen en de Nederlandsche schilders te bestudeeren?quot;

„Ik ga naar Holland, Excellentie!quot;

„Ge tracht daar in de nabijheid van den keurprins te komen, invloed op hem te verkrijgen en hem een weinig op te vroolijken!quot;

„Zooals uwe genade beveelt.quot;

„Ge zendt mij iedere week een schriftelijk bericht van alles, wat ge hoort en ziet.quot;

„Ik zend u schriftelijk bericht,quot; antwoordde Gabriël met neergeslagen oogen en met een moeilijk onderdrukten zucht. _

De graaf zag dit en glimlachte verachtelijk. „Ge schrijft deze berichten in cijferschrift, hetwelk ik u zal opgeven, en zweert mij, aan niemand ter wereld het geheim van dit cijferschrift te openbaren.quot;

„Ik zweer het, uwe excellentie.quot;

„Welnu, daar ge zoo gehoorzaam en volgzaam zijt, mijn lieve meester Gabriël, wil ik uw traktement verhoogen. Ik heb u vijfhonderd thaler jaarlijks beloofd, maar ge zult jaarlijks zeshonderd thaler hebben. Stil, geen dankbetuiging; ik kan ze mij voorstellen of op uw gelaat lezen, en dat is mij voldoende. Er blijft nog één ding te bespreken. Van wien zult ge aanbevelingsbrieven voor den keurprins bekomen?quot;

„Ik geloof, excellentie, dal mevrouw de keurvorstin wel

ocr page 44

H6

de goedheid zal hebben mij een aanbevelingsbriet aan mijnheer haar zoon mede te geven. Haar genadige hoogheid is mij zeer genegen, daar ik uit mijne herinnering een klein portret van den keurprins geschilderd en haar dit aangeboden heb. Zij laat mij nooit afwijzen; ook de keurvorst is mij zeer genegen en ik durf't uwe excellentie wel zeggen, dat mevrouw de keurvorstin mij eenige dagen geleden het uitzicht heeft gegeven, dat ik wellicht als keurvorstelijk hofschilder zal aangesteld worden.quot;

De graaf lachte. „Ik wensch er u geluk mede, meester, vooral om het traktement, dat er aan verbonden zal zijn. Maar word nu maar niet hoogmoedig en weiger het weinige niet, wat, ik u heb aangeboden, wat ge in stilte kunt ontvangen, ook al zijt^gij keurvorstelijk hofschilder, 't Is goed, dat dit juist zoo samenvalt, want 'tzal den keurvorstelijken hofschilder gemakkelijk zijn tot den keurprins te komen en in zijn hofstoet opgenomen te worden. Begeef u terstond naar mevrouw de keurvorstin, vertel haar, dat ge naar Holland wilt reizen, om er uwe kunstenaarsstudiën voort te zetten en kom morgen vroeg bij mij om den uitslag uwer audiëntie te berichten. Vaarwel, meester Gabriel, ga eerst naar mijn rentmeester en dan naar mevrouw de keurvorstin. Neen, zeg niets meer, geen betuigingen, geen woorden van dank! Ik ken u, dat is genoeg!quot;

Hij knikte den schilder een trotschen, voornamen afscheidsgroet toe, wenkte met zijn hand naar de deur en plaatste zich toen in de vensternis naast de Venus, om haar opnieuw te beschouwen.

Meester Gabriël sloop beschaamd heen en eerst toen de deur was dichtgevallen, keerde de graaf zich weder om. Zijn blik richtte zich op de Venus, die met weelderige schoonheid hem met haar zwarte, vlammende oogen glimlachend aanzag.

„Ge hebt mij veel gekost, schoone Signora,quot; zeide hij, de schouders ophalende. „Drie duizend dukaten voor een kopje. Wie weet, of men aan Titiaan Vecellio indertijd voor ^ijn origineel dat wel heeft betaald. Ach, arme, schoone vrouw, hoe vreemd en koud moet het u hier in 't kille Noorden voorkomen, wat zult ge uw Italiaansch zonnig vaderland in dezen Noordschen vuilen Mark missen ^ Wij zullen ons met elkander troosten en zien te

ocr page 45

37

vergeten, dat wij niet in uw schoon Italië leven, maar hier, waar meer regen dan zonneschijn is, waar men in plaats van muziek, slechts het knorren van varkens en het blaten van schapen hoort.quot;

En als ter bevestiging zijner woorden hoorde men van de straat juist een luid gerucht, een mengsel van knorrende, blatende klanken.

De graaf wendde zich af van de Italiaansche schoonheid en zag naar buiten op straat, of beter op het groote woeste plein, dat zich voor zijn paleis uitstrekte. De regen, die sedert eenige dagen onafgebroken gevallen was, had den ongeplaveiden grond doorweekt en hier en daar, tusschen de talrijke hoopen vuilnis, groote modderpoelen en waterplassen gevormd. Deze nu hadden de varkens en schapen, die in voor de huizen aangebrachte stallen verbleven, tot wandelplaats gekozen, en geheele troepen dezer dieren waren gekomen om in deze waterplassen voor het paleis van den graaf von Schwarzenberg en in de nabijheid van den dom, een bad te nemen. Eenige overmoedige, dartele straatjongens hadden zich, met het vee, insgelijks in het zwarte meer van het domplein gewaagd, maar daar zij er spoedig in verzonken, hadden zij jammerend, schreeuwend en lachend om hulp geroepen, hierdoor weder andere jongens en lediggangers gelokt, die nu voorzichtig op eenige minder doorweekte plekken van den grond stonden en plagend en lachend de vruchlelooze pogingen] der verzinkenden aanschouwden, die zich uit het moeras trachtten los te werken.

Dit was het treurige schouwspel, hetwelk zich aan graaf Adam von Schwarzenberg vertoonde.

„Dit is nu de residentie van den stadhouder van de Marken,quot; zuchtte hij, „het pont de vue van den rijksgraaf von Schwarzenberg. Dat moet anders worden; ik wil uit dezen Berlijnschen varkensstal een fraaie, zindelijke residentie, van dit ellendig huis een prachtig paleis maken, alle kunsten en wetenschappen zullen hier hun Maecenas vinden in den gebiedenden heer van de Marken, wanneer hij niet meer den eenvoudigen stadhouder, maar . . .quot;

Angstig zag hij om, als vreesde hij door iemand beluisterd te zijn. „Stil,quot; (luisterde hij, „stil! Er zijn gedachten en plannen, welke men nimmer in woorden mag uiten, maar die, als Minerva uit Jupiters hoofd, geheel

ocr page 46

38

gereed,- met de speer in de hand, moeten te voorschijn komen. Ga terug in mijn hart en laat ik nimmer zien, dat gij er zijt, tot het juiste uur gekomen is, het uur ...quot;

Hij zweeg en zag weder onderzoekend om zich heen. Vervolgens nam hij het zilveren fluitje van zijn schrijftafel en liet een schril gefluit klinken.

Een lakei in rijke livrei, vol met gouden tressen en zilveren snoeren, verscheen in de deur.

„Wie is in de voorkamer?quot; vroeg de graaf, terwijl hij een laatsten langen blik op de Venus wierp en vervolgens het groene laken, dat zich aan de lijst bevond, er voorschoot.

„Genadigste excellentie, beide voorzalen zijn vol met menschen van allerlei stand en beroep, daar het heden het uur der openbare audiëntie is.quot;

„Zijn er veel uniformen bij ?quot;

„Om u te dienen, excellentie, zeer veel. Ook zijn er de heeren generaal von Klitzing, de oversten Conrad von Burgs-dorf, von Rochow en von Kracht.quot;

„Laat deze vier heeren binnenkomen,quot; beval de graaf. „Het andere volk kan wel heengaan, want ik heb heden geen tijd audiëntie te verleenen. Nu waarom gaat ge niet?quot;

„Genadigste excellentie,quot; bad de lakei, „er zijn zoo veel voorname heeren, die al zoo dikwijls vergeefs gekomen zijn en welke ik, op uitdrukkelijk bevel uwer excellentie, heden ter audiëntie heb moeten oproepen.quot;

„Wie dan?quot;

„Excellentie, bijvoorbeeld, de heeren stedelijke raden \ van Berliin en Keulen, de Stenden van het hertogdom Kleef en quot; .

„Genoeg, genoeg! Ik zie wel, dat de heeren u betaald hebben, opdat ge mij aan hen zoudt herinneren en ik wil ten uwen gevalle die voorspraak eer aandoen.quot;

„Ach, genadigste heer, ik verzeker u, dat niemand mij betaald heeft, dat ...quot;

„Stil, ik ken u allen,quot; riep de graaf verachtelijk. „Ik weet, dat iedere audiëntiedag de lakeien evenveel geld opbrengt, als hij mij last veroorzaakt. Strijk gerust uw geld op, eerlijke Balthasar, ge zijt niet beter dan het overige dienstgespuis en ik veracht u dus ook niet meer dan de anderen. Ga, voer de genoemde vier heeren militairen door den gang hier heen; intusschen wil ik een wandeling

ocr page 47

39

door de audiëntiezalen doen, waarvoor gij u liet betalen.quot;

De van goud en zilver schitterende lakei verliet met eerbiedige houding het kabinet. Maar buiten, voor de gesloten deur, bleef hij staan en nu stoutmoedig het hoofd opheffende, zag hij met geheel veranderd, tartend en vijandig gelaat naar de deur.

„Niet beter dan al het andere dienstgespuis,quot; mompelde hij, terwijl hij dreigend de vuist ophief, „niet beter dan gij zelf, hadt ge moeten zeggen, hoog verwaande heer. Ge laat u even goed omkoopen als wij, neemt geld, waar ge 't krijgen kunt, leent op pand en neemt woekerrente als een schaclieraar. O, wij kennen u, hoogmoedige graaf, de geheele Mark Brandenburg kent en veracht u en 't is jammerlijk en ellendig, dat wij ons voor den katholieken vreemdeling, den buitenlander, den keizerlijke, den papenknecht moeten buigen; 't is een vreeselijk ongeluk, dat zelfs de heer keurvorst voor hem buigt en doet, alsof Schwarzenberg hier heer en hij dienaar is. — Nu,quot; zeide hij berustend en zijn vuist latende zinken, „ik kan 't niet veranderen, mijn vader zegt, dat men moet laten geschieden wat men niet veranderen kan en pogen er iets van te profiteeren! Ik zal nu de heeren ijzervreters in het grafelijk kabinet voeren!quot;

Inmiddels had graaf Adam von Schwarzenberg de deur zijner bijzondere antichambre geopend en zijn dienstdoen-den kavalier en kamerheer von Lehndorf met de beide lijfpages laten binnenkomen.

„Wat dunkt u, Lehndorf?quot; zeide hij. „Zou 't mogelijk zijn heden een kleine jachtpartij te houden?''

„Genadige heer,quot; antwoordde de kamerheer verheugd, „het weer is er als voor geschapen. Een heldere October-dag en de reeën en herten in den lusttuin verdienen dat men er weder een paar dozijn nederschiet, want dat volkje is zoo overmoedig geworden, dat het schier geen menschenvrees meer kent. Zou uw excellentie 't kunnen gelooven, dat vier reeën, onder aanvoering van een groot damhert, zich gisteren 't vermaak veroorloofd hebben, den lusttuin achter het paleis te verlaten en een weinig in de eerwaardige steden Berlijn en Keulen rond te wandelen? 'tWas een geschreeuw van straatjongens, die de dieren naliepen, een geknor der varkens, wier kotten de reeën zonder eerbied binnen sprongen, een vlucht van

ocr page 48

40

eerbare vrouwen, die voor de gehoornde dieren vreesden, een geblaf van slagershonden, die de reeën misschien voor dol geworden kalveren hielden ! Ja, excellentie, 't was een aardig tooneel.quot;

„Ge zijt een echte vroolijke Frans,quot; zei de graaf glimlachend, „en voor wie licht danst, is licht gefloten! Als dit dus uw meening is, willen wij heden een weinig jagen, gij zult er wel voor zorgen eenige geschikte heeren uit Ie noodigen, die goede paarden en honden hebben.''

„Wil uwe grafelijke genade heden bij het fraaie weder den heeren ook niet het genoegen geven de beide nieuwe windhonden te laten loopen? Ze zijn reeds acht dagen hier en mogen wel een weinig van hun kunsten vertoonen voor het vele geld, dat zij gekost,hebben.quot;

„'t Is waar, zij hebben veel geld gekost,quot; riep de graaf. Acht duizend thaler heeft mijn zoon, zooals hij mij schrijft, voor deze beide windhonden betaald.quot; ^

„Maar zij zijn 't waard, excellentie,'' riep de kamerheer geheel in geestdrift, „'t Zijn twee wonderschoone dieren, waarvan de weerga niet gevonden wordt. Ik ben geheel op hen verliefd en zoo ik een vrouw of bruid had, zou ik ze graag voor deze twee windhonden afstaan.quot;

„Ja, op die wijze zou menigeen gaarne betalen,quot; lachte de graaf. „Men geeft liever een vrouw dan acht duizend thaler en zij is gemakkelijker terug te krijgen dan een uitmuntende windhond. Spoed u nu, Lehndorf, en maak alles voor de jacht gereed. Laat de bedienden de nieuwe roode kleederen aantrekken en mijn pikeurs de nieuwe livreien, dan heeft het nieuwsgierige Berlijnsche volk iets om aan te gapen. Voort nu, Lehndorf! Gij, mijneheeren pages, neemt de korven, ik ga naar de audiëntiezaal.quot;

De twee pages, in met goud geborduurde fluweelen kleederen snelden naar de kleine antichambre en kwamen terug ieder met een sierlijken platten korf in de hand. Achter hen kwam de kamerdienaar, die den graaf den met hermelijn gezoomden fluweelen mantel om de schouders hing en hem den vederhoed met gouden koorden en de geborduurde handschoenen in de hand gaf.

Haastig zette de graaf den hoogen, spitsen hoed met den golvenden vederbos op, en nam de lange handschoenen in zijn van diamanten ringen vonkelende hand.

1) Een historisch feit. Zie v. Orlich.

ocr page 49

41

„Üpeu de deuren,quot; z.'ide hij gebiedend, en de kamerdienaar haastte zich de vleugeldeuren te openen. De twee hellebaardiers, die aan de andere zijde naast de deur stonden, stampten met hun hellebaarden en riepen met luide stem: „Zijne excellentie en rijksgrafelijke genade, de heer stadhouder van de Marken!quot;

Door de beide lange vertrekken, aan wier zijden een dichte rij van allerlei menschen — mannen en vrouwen, achtbare magistraatspersonen in plechtig ambtsgewaad en soldaten in uniform, armoedig gekleede burgers en opgeschikte edellieden, stoutmoedig blikkende jonge dames en eerwaardige matronen in wit weduwengewaad — geschaard stond, door de beide lange vertrekken vloog een zucht, een blik van vroolijke verrassing. Alle gezichten richtten zich naar de hooge, volle gestalte des stadhouders, die zoo prachtig en trotsch, zoo verheven en met zooveel eigenwaarde op den drempel van de deur stond.

Hij groette niet, boog niet in 't minste zijn hoofd, maar liet zijn groote grijze oogen met een scherpen blik naar beide zijden heen en weer glijden, en deze blik was voldoende, om aller hoofden eerbiedig te doen buigen, zoo diep en eerbiedig, dat voornaam en gering, oud en jong, arm en rijk thans allen gelijk waren; de onderdanigen van den keurvorstelijken minister, den veel vermogenden stadhoudei' van de Marken.

Gevolgd door de beide pages met de ledige korven trad hij voorwaarts. Deze korven waren spoedig gevuld, want bij iederen tred stak een hand zich naar den graaf uit en reikte hem een verzoekschrift, dat de graaf glimlachend aannam en achteloos in een der hem toegestoken korven wierp. Voor degenen echter, die zonder smeekschrift waren gekomen en een genadig mondeling gehoor vroegen, hield de stadhouder stil; haastig en verlegen, uit vrees van door de naast hen staanden gehoord te worden, begonnen zij dan hun verzoek voor te dragen. Maar 't gebeurde zelden, dat de graaf hen tot het einde aanhoorde; hij viel hen meestal in de rede met een haastig; „Schriftelijk! schriftelijk!quot; en ging dan verder in dezelfde trotsche houding.

Toen hij de plaats naderde, waar zich de afgevaardigden der burgerij van Berlijn en Keulen, en de gedepu-

ocr page 50

42

teerden van het hertogdom Kleef bevonden, kwam een wolk over zijri voorhoofd en zijn oogen schitterden van nijd.

„Wat begeert ge van mij!quot; vroeg hij.

„Hulp in onzen nood, allergenadigste excellentie,quot; begon de woordvoerder, „medelijden met ons ongeluk! Wij kunnen de nieuwe oorlogsbelasting niet betalen, wij .. .

„Zie,quot; viel de graaf hem spottend in de rede, „nu komt ge tot mij om mijn genade af te smeeken. Uw bezoek bij zijn keurvorstelijke genade is dus vruchteloos geweest. Mijnheer de keurvorst heeft der burgerij haar onbeschaamd verzoek niet toegestaan: hij heeft niet den door hem aangestelden stadhouder in de Marken willen op zijde stellen om in zijn plaats te regeeren. Gij hebt gemeend mij te kunnen voorbijgaan en nauwelijks is de landsheer hier gekomen of ge gaat hem om gunsten verzoeken. Nu, ge ziet welke gunsten gij verkregen hebt. Immers, ge zijt voor een uur haastig naar het paleis van zijn keurvorstelij ke genade gewandeld en nu staat ge in de voorkamer van den stadhouder van de Marken met een deemoedig en treurig gezicht Wat wilt ge hier en wat hebt gij met den stadhouder te doen, zoo gij met den keurvorst zelf wilt handelen?quot;

„Uw grafelijke genade houde het ons ten goede, dat wij ons eerst als trouwe en deemoedige landskinderen tot onzen landsvader en heer wendden . .

„Blijf dan bij hem,quot; viel de graaf hem heftig in de rede, „en verlang niet van mij, wat het vaderlijk hart van dien geliefden landsheer u geweigerd heeft. Gaat heen en laat u niet weder in deze vertrekken zien. Ook gij, mijneheeren gedeputeerden van het hertogdom Kleef,quot; voer de graaf voort, terwijl hij de afgezondenen naderde, „ook gij hadt u best de moeite wel kunnen sparen om hier te verschijnen. Wie de eer heeft genoten door zijn keurvorstelij ke hoogheid ontvangen te worden, behoeft niet bij zijn minister en stadhouder te komen, want alle gunsten en alle eer gaan van den alvermogenden en verheven persoon des heeren keurvorsten zei ven uit, en wat hij doet, is goed, en wat hij zegt, blijft en is wet. Bij gevolg, hij die van zijn keurvorstelijke genade antwoord heeft ontvangen, moet zich niet tot mij wenden, want de zon heeft hem beschenen en bij mij staat hij in de schaduw!quot;

ocr page 51

43

Met deze dubbelzinnige woorden ging de stadhouder verder en liet de gedeputeerden beschaamd staan Vriendelijker ontving hij nu de verdere smeekschriften, en zelfs hen, die met mondelinge verzoeken waren gekomen, hoorde hij geduldig en welwillend aan, beloofde hun hulp voor hunne bezwaren, noodigde hen uit, vertrouwen te stellen in den door den heer keurvorst aangestelden stadhouder en overtuigd te zijn, dat, wie zich tot hem wendde, niet vruchteloos verzoeken en vragen zou, zoo zijne zaak rechtvaardig, billijk en uitvoerbaar was.

Toen de graaf zijn omgang volbracht had en weder bij de deur van zijn kabinet was gekomen, waren de korven der beide pages vol met verzoekschriften. De graaf wees er op met de uitgestoken rechterhand, aan wier vingers de juweelen ringen prachtig vonkelden, en met luide stem verzekerde hij, dat hij zelf al deze verzoekschriften openen, lezen en onderzoeken zou en doen, wat in zijn vermogen was. Toen gaf hij een korten genadigen afschèidsgroet en trad in zijn kabinet terug, gevolgd door de pages met de volle korven.

* IV.

SULDATEN EN DIPLOMATEN.

De vier militaire heeren wachtten in het kabinet, waaide lakei hen had binnengebracht, op den graaf von Schwar-zenberg.

Toen deze binnenkwam, staakten zij hun gesprek en namen als groet eene stijve militaire houding aan.

Graaf von Schwarzenberg knikte hen vriendelijk toe, terwijl een innemende glimlach om zijn dunne, fijne lippen speelde.

„Zet de korven op mijn schrijftafel en gaat heen,quot; beval hij den pages en wendde zich toen tot de heeren, die nog altijd in militaire houding stonden.

„Welkom, heer generaal en heeren oversten,quot; zeide hij

ocr page 52

44

op luchtigeii, gemeenzatnen toon. „Waarlijk, 'tis mij een genoegen zulke dappere soldaten om mij te zien. Indien mijn genadige heer, de keurvorst, zulke flinke soldaten had als hij aanvoerders heeft, zou hij geholpen en zouden de Zweden spoedig overwonnen zijn.''

„Ik geloof u gaarne, excellentie,quot; riep de overste Konrad von Burgsdorf, terwijl hij met zijn hreede, vleezige hand over zijn langen, grijzen snorbaard streek; „ik geloof gaarne, dat de Zweed eerbied zou hebben voor zulk een regiment van Klitzing, van Rochow en Kracht.quot;

„Gij vergeet u zeiven, heer overste,quot; zei graaf von Schwar-zenberg, met vriendelijke vleiende stem; „ge vergeet te zeggen, dat Konrad von Burgsdorf alleen een geheel regiment in zich bevat.quot;

„Dit is dan misschien de reden, waarom ik het in werkelijkheid niet achter mij heb,quot; riep de overste von Burgsdorf met een luid ruw gelach. „Ja, ja, nu weet ik, waarom ik zoo weinig soldaten achter mij heb. 't Is maar jammer dat zij niet uit mij te voorschijn kunnen komen, om front te maken voor de vervloekte Zweden.quot;

„Zij zullen er wel uitkomen, maak er staat op,quot; zei de stadhouder met een welwillenden glimlach. „Ik heb u hier ontboden, mijneheeren, om u gewichtige en belangrijke tijdingen mede te deelen. Ten eerste zal ik u datgene mede-deelen, wat u zeiven betreft en voor u het belangrijkst moet zijn. Generaal von Klitzing, 'lij zult u niet meer te beklagen hebben, dat ge slechts een titel en geen bezigheid hebt, want zijn keurvorstelijke genade wil regimenten uitrusten en in 'tveld zenden.quot;

„Hoera! 'tgaat er op los!quot; riep von Burgsdorf, zijn rechterarm omhoog zwaaiende.

„Met uw verlof, gratelijke excellentie, roep ik ook hoera,quot; zei generaal von Klitzing vroolijk. .,Sedert drie maanden, toen uw excellente de genade had mij uit den dienst van Keursaksen hier te roepen om aanvoerder der Bran-denburgsche troepen Ie worden, ben ik in groote vertwijfeling geweest, want het geleek veel op een komediespel, waar met bordpapieren zwaarden en looden soldaten gevochten wordt.quot;

„Dat was de schuld der heeren Stenden en der steden, die den heer keurvorst geen belastingen wilden betaleii om regimenten uit te rusten,quot; antwoordde de graaf met

ocr page 53

45,

grooten nadruk. „Bovendien, had zich sedert den vrede van Praag de keurvorst ook tot onzijdigheid verbonden. En zoo men niet vóór en niet tegen, niet voor vriend of voor vijand kan strijden, is het beter geen soldaten en geen zwaarden te hebben. Maar nu zal alles anders worden heer generaal von Klitzing, want u benoemt de keurvorst tot generaal commandant over al de Brandenburg-sche vestingen en het daarin liggende krijgsvolk.quot;

„'t Is waarlijk een gewichtige en vereerende benoeming,quot; riep de generaal, „en ik zal zeer gelukkig zijn, zoo ik het keurvorstelijk krijgsvolk in werkzaamheid kan stellen.''

„Het moet er eerst zijn, heer generaal,quot; riep von Burgs-dorf lachend. „Tot nu ontbreekt ons, helaas! dat krijgsvolk, want die paar kerels, die in de vestingen liggen, en de lijfgarde van den keurvorst, kunnen geen bijzondere vertooning maken.quot;

„Gij, mijneheeren,quot; zei von Schwarzenbergplechtig, „zult van nu af aan het. krijgsvolk moeten bezorgen. Krachtens mijn ambt als stadhouder in de Marken en opperkrijgs-raad, benoem ik u, heer overste von Kracht, tot commandant der vestingen Berlijn en Keulen; heer overste von Rochow, u benoem ik tot commandant van Spandau, en u, heer overste von Burgsdorf, benoem ik tot commandant der vesting Kustrin.quot;

,,'t Zou mij liever zijn geweest, excellentie, als ge mij tot commandant van Berlijn had benoemd.quot; bromde Konrad von Burgsdorf. „'t Is een vervolend leven in de vesting Kustrin en ik zou gaarne met Kracht willen ruilen. Hij kent de Kustriners nauwkeurig en weet met hen om te gaan, want de thans overleden commandant van Kustrin was zijn vader. Laat ons dus met elkander ruilen, heer von Kracht; ziehier mijn hand, sla toe! Gij commandant van Kustrin en ik van Berlijn.quot;

„'t Spijt mij, overste,quot; antwoordde de heer von Kracht, „maar wij moeten ons onderwerpen aan 't geen mijnheer de stadhouder in de Marken goed gevonden heeft te beschikken.quot;

„Goed gesproken, heer commandant van Berlijn!quot; riep von Schwarzenberg. „Ik zweeg, omdat ik eerst uw antwoord wilde hooren. Het blijft er bij, heer overste von Burgsdorf, gij ^aat als commandant naar de vesting Kustrin.quot;' „Ik weet wel, dat ge mij daarheen zendt, opdat ik zoo

ocr page 54

4ü

ver mogelijk van uw residentie Berlijn verwijderd zij,quot; bromde von Burgsdorf. „Ge kunt het niet dulden, dat mijnheer de keurvorst mij genegen is. Ge kunt niet lijden, dat een ander dat weet uit te voeren, wat gij zelf niet kunt. Ik heb gisteren wel den boosaardigen blik gezien, dien ge aan de keurvorstelijke tafel op mij sloegt, toen de wedstrijd in 't drinken, dien ik had voorgesteld, zou plaats hebben. Men zag duidelijk, hoe 'tu ergerde, dat er iets was, waarin Konrad von Burgsdorf den wijzen, geleerden en machtigen heer graaf Adam von Schwarzenberg kon overtreften.quot;

„Ha, ge meent dus, dat ik daarom afgunstig was?quot; riep de graaf lachend. „Neen, waarde overste, ik gun u van ganscher harte den roem, dat gij de grootste en stoutste drinker aan het hof zijt en de wijnkan in één terug kunt ledigen.quot;

„Toch is dat geen gemakkelijke kunst, heer graaf,quot; zei von Burgsdorf op gewichtigen toon. „Denk niet, dat het licht werk is; neen, 't is een arbeid, die iemand soms zeer zwaar valt.quot;

„Men heeft dit gisteren niet aan u gemerkt, overste von Burgsdorf.quot; antwoordde de graaf. „Ge hebt gisteren aan de keurvorstelijke tafel in het drinken u als een held gedragen. Want 't is waarlijk een heldendaad in één uur achttien kannen wijn te drinken, zooals gij gisteren gedaan hebt.quot;

„Nu,'' zei von Burgsdorf gevleid, „'t was gisteren ook een wedstrijd en mijnheer de keurvorst had een fraaien prijs uitgeloofd voor den besten drinker. Reeds lang had ik gewensc'it het fraaie vruchtbare dorp Danzien in eigendom te bezitten, en toen de keurvorst het dorp Danzien als prijs stelde, wilde ik toonen, wat ik kon, en ben Goddank, als overwinnaar uit den strijd gekomen. Ik heb al de andere heeren onder de tafel gedronken en ben alleen boven gebleven met mijn achttien kannen wijn in het lijf.quot;1)

„Nu,quot; zei de stadhouder glimlachend, „mij hebt ge, meen ik, niet onder de tafel gebracht, maar ik ben boven gebleven. Ik hoop nog langer er boven te blijven en nooit door u er onder gewerkt te worden.''

Hij zag met trotschen blik in het van wijn roode, opgeblazen gezicht van den overste, en glimlachte, toen hij

1

Koning: Schilderung von Berlin, Th. I, S. 237.

ocr page 55

47

zag hoe 't voorhoofd van von Burgsdorf zich plooide en zijn oogen van haat glinsterden.

„Gij zult boven blijven, heer stadhouder, zoo lang't God en den keurvorst behaagt,quot; zeide hij langzaam. „Menigeen komt onder tafel en valt, al is het niet van wijn, door hoogmoed en eerzucht dronken geworden.quot;

„Genoeg, Burgsdorf, genoeg,'' antwoordde de graaf met waardigheid. „Ik heb u niet ontboden om met mij te twisten, want ik weet, dat ge in woorden even scherp zijt als in het drinken. Ik heb u ontboden om mijn orders te ontvangen en uittevoeren en te doen, wat de stadhouder in de Marken, namens zijn keizerlijke majesteit en zijn keurvorstelijke genade, u opdraagt en beveelt. Heer generaal von Klitzing, ik heb u tot commandant-generaal der vestingen benoemd en de andere heeren oversten tot commandanten van Berlijn, Spandau en Kustrin. Hieruit kunt ge zien, dat er een nieuwe tijd is aangebroken en van de toekomst groote dingen te verwachten zijn. Mijneheeren, de keurvorst heeft met den keizer een overeenkomst gesloten, krachtens welke de keizer den keurvorst van Brandenburg het hertogdom Pommeren als zijn rechtmatig erfdeel toekent en er hem mede beleent, 't Is waar, dat thans de Zweden in Pommeren staan en het niet willen overgeven. Daarom heeft de keurvorst zich verbonden een leger van vijfentwintigduizend man bijeen te brengen. Daarvoor te zorgen is de taak der oversten en stafofficieren, derhalve ook uw werk.quot;

„'t Is de vraag, waar het geld daarvoor is te krijgen!quot; zeide generaal von Klitzing.

„Ja, dat is de vraag,quot; riepen de drie oversten tegelijk.

Het antwoord luidt; „Zijn majesteit de keizer heeft daarvoor het geld aangewezen. Zijn keizerlijke majesteit heeft den keurvorst de tweehonderd Bomermaanden,1) welke de keurvorst hem schuldig was, genadiglijk kwijtgescholden, en voor deze Bomermaanden, die driehonderd vijfenzestigduizend thaler bedragen, zullen troepen geworven worden. Bovendien wil de keizer er nog bepaaldelijk zestigduizend thaler bijvoegen, welke gelden aan de regi-ments-bevelhebbers en oversten zullen worden betaald, naar verhouding der soldaten, welke zij geworven hebben.

1

Een belasting, welke de keizer op Je keurvorsten legde.

ocr page 56

48

Voor iederen soldaat ontvangen zij acht rijksthalers.quot;

„Ik werf!quot; riep von Burgsdorf, „ik ga als commandant naar Kustrin en zal bovendien een regiment werven.quot;

„Het spreekt van zelf, dat wij allen zullen werven,quot; zei generaal von Klitzing, „het bevel en den wil van mijnheer den keurvorst, onzen oppersten veldheer, moeten wij gehoorzamen.quot;

„Neen, heer generaal,quot; riep de graaf haastig. „Uw opperste veldheer is de keizer van Duitschland. De soldaten, welke gij werft, zullen wel onder het commando van den keurvorst staan, maar moeten in den dienst van den keizer en zijn rijk worden aangenomen, en hun eed moet luiden; den keizer en in diens plaats den keurvorst van Brandenburg gehoorzaam te zijn, opdat het hertogdom Pommeren aan den keurvorst, als wettigen erf heer, terug wordt gegeven.1)' Zoo is de eed der vestingcommandanten, volgens dezelfde overeenkomst tusschen den keizer en den keurvorst, en de commandanten der vestingen worden in dienst van den keizer in zijn rijk aangenomen. Den keizer zijt ge in de eerste plaats gehoorzaamheid en onderwerping schuldig.quot;

„Dat begijp ik niet,quot; riep von Burgsdorf heftig. „Hoe moet 'tdan gaan. als de keizer andere bevelen geeft dan de keurvorst?quot;

„Dat gebeurt niet,quot; antwoordde de graaf plechtig, „De keurvorst is een veel te loyaal en trouw vazal van den keizer, om niet altijd met 's keizeis wil overeen te stemmen. Ik heb nu gezegd, wat ge noodig hebt te weten, en u met uwe bevordering bekend gemaakt; er blijft nog slechts over, dat ge den voorgeschreven eed aflegt. Als stadhouder in de Marken en als eerste voorzitter van den keurvorstelijken krijgsraad, zult ge in mijne handen den eed van trouw aan den keizer en den keurvorst afleggen en zweren, dat ge den keizer, het rijk en den keurvorst bestendig en getrouw zult gehoorzamen.quot;

Nauwkeurig, zooals de graaf het hen voorzeide, zonder aarzelen, herhaalden de vier heersn het eedformulier, en beloofden gehoorzaamheid, tróuw en plichtvervulling aan den keizer, het rijk en aan den keurvorst van Brandenburg.

1

Droyzen, Geschichte der Preusischen Politik. ïh. III. S. 172.

ocr page 57

49

Hierop gaf de graaf den heeren hun afscheid, hen vermanende zich naar hunne vestingen te begeven en dan de werving voor het leger van den keurvorst te beginnen.

Het gelaat van den graaf nam een zegevierende uitdrukking aan, toen de vier heeren zijn kabinet hadden verlaten.

„Van von Burgsdorf, dat twistziek, gevaarlijk mensch, ben ik dus bevrijd,quot; zeide hij tevreden, terwijl hij zich vermoeid op een armstoel zette, „ik heb hem onschadelijk gemaakt en op zijde geschoven, zonder dat hij 't gewaar is geworden. Hij vermoedt niet, dat wij de anderen slechts bevorderd hebben, om hem zonder opzien van hier te verwijderen en van zijn lastige tong en overmoed bevrijd te worden. Ik ben heel blij, dat het ons gelukt is, deze onbezonnen en kortzichtige heeren in plicht en dienstbaarheid van den keizer en liet rijk te hebben genomen. Nu — wie is daar?quot; viel de graaf zich zei ven in de rede, haastig opspringende, „wie waagt het onaangediend binnen te komen?quot;

„Ik waag het,quot; zei een ernstige stem en een slank heer van rijzige gestalte, in een dikken reispels gehuld, het hoofd met een pelsmuts bedekt, liep naar den graaf.

„Graaf Lesle, de opperkamerheer van den keizer!quot; riep de stadhouder verrast. „Zijt gij het? Komt ge van Regensburg?quot;

„Ja, graaf Schwarzenberg, ik kom van Regensburg, om dadelijk weder te vertrekken. Mijn reiskoets staat buiten te wachten. Ge verontschuldigt mij dus wel, dat ik onaangediend bij u binnenkwam; daar keizer Ferdinand mij vergunt elk oogenblik onaangediend zijne kamers binnen te treden, dacht ik, dat mijnheer de stadhouder in de Marken mij dit ook wel zou vergeven. Ik kon u bovendien mijn naam niet zeggen, want niemand dan gij mag weten, dat ik hier ben. Vergeving, graaf von Schwarzenberg; verontschuldig mij.quot;

„Graaf Lesle ik moet u vergeving verzoeken, wegens mijn onbedachte opwelling. Ik bid u graaf, 't u gemakkelijk te maken. Yergun mij u te helpen deze lastige reiskleeding af te nemen en u eenige rust en verademing te bezorgen.quot;

Met vriendelijke dienstvaardigheid beijverde hij zich

Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. I. 4

ocr page 58

50

den graaf te helpen zich van zijn reiskleederen te ontdoen, zoodat graaf Lesle weldra in zijn sierlijke Spaansche kleeding, die hij aan 't keizerlijke hof droeg, tegenover den stadhouder in de Marken stond.

„Hoe fraai staat u dit prachtige fluweelen gewaad,quot; riep graaf von Schwarzenberg met een zucht; „het herinnert mij aan het schitterende, prachtige leven van het Duitsche keizershof. Ach, waarde graaf, van dit kostelijk schitterend leven is hier geen spoor te vinden, een keizerlijk kamerjonker of huisbediende heeft meer vreugd dan een keurvorstelijk stadhouder in de Marken.quot;

„'tls toch een schoonklinkenden titel,quot; zei graaf Lesle glimlachend, terwijl hij zich hehagelijk in den grooten armstoel uitstrekte, dien graaf von Schwarzenberg hem had toegeschoven, „'tis ook een aanzienlijk en invloedrijk ambt. Zijn keizerlijke majesteit weet zeer goed, wat groot en aanzienlijk man de stadhouder in de Marken is, en dat graaf von «Schwarzenberg de eigenlijke keurvorst van Brandenburg is.quot;

„Maar zijn keizerlijke majesteit weet ook, dat ik nooit ophoud de getrouwe en verknochte dienaar van den keizer te zijn, riep von Schwarzenberg, terwijl hij een eenvou-digen stoel naast den armstoel van den graaf schoof en plaats nam. „Zijn keizerlijke majesteit weet, hoop ik, dat ik bovenal 's keizers onderdaan blijf en er voor mij geen grooter belang is dan dat zijner keizerlijke majesteit.quot;

„Ja, de keizer, onze allergenadigste heer, weet dat,quot; zei graaf Lesle op zalvenden toon. „Hij twijfelt geen oogenblik aan de trouw en gehechtheid van den stadhouder in de Marken, die steeds indachtig zal zijn, dat de keurvorst van Brandenburg slechts 's keizers vazal, maar de keizer de eigenlijke heer over het gehéele Duitsche Rijk is.quot;

„Deze betrekking naar waarde te bekleeden, is 't, vyat ik als de grootste taak van mijn leven beschouw,quot; riep Schwarzenberg levendig, „'t Is een taak, wel niet gemakkelijk te vervullen, want de keizerlijke opperregeering heett hier aan het keurvorstelijk hof vele vijanden; velen meenen, dat Brandenburg zich geheel vrij moest maken van het keizerlijk vazalschap, en de keurvorst alleen als heer in zijn land moest regeeren. Maar nu, beste opperkamerheer en graaf, zeg mij eens, wat u zoo onverwacht

ocr page 59

51

•

hierheen voert, en welk nieuws se ons uit Regensburg brengt?' eb

„Zeer ernstige berichten breng ik u, graaf,quot; antwoordde graaf Lesle! „zij zijn van zulk een teederen, kieschen aard, dat ik ze niet gaarne zelfs in cijferschrift, aan het papier zou toevertrouwen, maar ze slechts van miine lippen in uw oor en van daar in uw geheimhoudend hart kan overbrengen. Het spreekt dus van zelf, dat van ons gesprek niets mag worden gehoord en niemand mijn ' tegenwoordigheid alhier mag weten. Het betreft den keur-prins van Brandenburg, die nu reeds langer dan drie jaren in de Nederlanden vertoeft en er het gif van oproer en der vrijheidskoorts inzuigt, 't Is hoog tijd, dat de keur-prins van Brandenburg terruggeroepen wordt.quot;

„Teruggeroepen!quot; riep von Schwarzenberg, verschrikt opspringend. „Graaf Lesle, ge kent den keurprins niet, ge weet niel, hoe gevaarlijk het is, als deze onstuimige, eerzuchtige en vurige jongeling hier terugkomt. Mijnen vijanden en den geheimen tegenstanders van den keizer, zou niets aangenamer zijn dan juist dit; en de Rochows en Schönings en al de hervormden hebben 't reeds zoo ver gebracht, dat de keurvorst zelf dringend de terugkomst van zijn zoon begeert en die zelfs met bedreiging van hem gevorderd heeft. Geloof mij, 'tis een samenzweering van Zweedschgezinden en anti-keizerlijken aan dit hof! Zij willen den keurprins aan hun hoofd stellen, in de hoop, het door hem zoo ver te brengen, dat de zwakke, weifelende keurvorst den keizer afvallig wordt en zich weder met Zweden verbindt. Zij hebben den keurvorst zoolang geplaagd, tot hij zelfs zijn kamerheer von Schlieben naar den Haag heeft gezonden om den prins terug te halen en hij is eerst heden van deze vergoefsche reis teruggekomen.quot;

„Van deze vergeefsche reis, zegt ge? De keurprins blijft dus in den Haag in weerwil der strenge bevelenen dreigementen van zijn vader! Nu ziot glt;!, welke vruchten zijn verblijf in den Haag reeds dragen en hoe het gif werkt, dat hem daar wordt ingegeven. De keurprins schijnt een denkend en leergierig jongeling te zijn. Des te gevaarlijker is het, hem langer in den Haag te laten, waar alles vijan • dig tegen Spanje is gestemd, wTaar zich het eigenlijke brandpunt der groote Europeesche oppositie tegen het

ocr page 60

5'2

huis van Habsburg bevindt, waar de prins van Oranje zijn leermeester in de krijgskunde is en die hem tot een bekwaam, maar gevaarlijk veldheer en een vijand van den keizer kan vormen!quot;

„Dat alles is waar!quot; zei Schwarzenberg somber. „Maar in elk geval is hij daar minder gevaarlijk dan hier, waar hij al onze plannen belemmeren, al onze berekeningen verijdelen zou. De keurprins, geloof mij, is een gevaarlijk tegenstander; hij heeft iets betooverends in zijn wezen en hij zou in staat zijn óf den keurvorst op zijn weg mede te slepen, óf George Wilhelm er toe te brengen het voorbeeld van zijn vader te volgen en de regeerin^ neer te leggen, om ze op zijn zoon, den keurprins Friedrich Wilhelm, over te dragen. En weet ge graaf Lesle, wat dan de eerste regeeringsdaad van Friedrich Wilhelm zijn zou? Mij af te zetten, mij alle macht uit de handen te nemen en een nieuwe politiek voor het huis Brandenburg te volgen.quot;

„Zoo ge hem maar eerst hier hebt, graaf, dan is 'taan u, dit uiterste te verhoeden. Neem tot voorbeeld, wat eens in Spanje gebeurde, toen ook de muiters en nieuwlichters zich om den troonopvolger schaarden, om met hem eene nieuwe regeering te vestigen. Mijn hemel! ge kent immers de geschiedenis van koning Philips en zijn zoon Carlos! Er zijn nauwelijks vijftig jaren na verstreken. Neem er een voorbeeld aan en leer uit deze geschiedenis, dat als de zoon gevaarlijk is, men hem slechts bij zijn vader in verdenking behoeft te brengen om hem onschadelijk te maken. Zoo de zoon de vijand van zijn vader is, moet men den vader tot den vijand van zijn zoon maken; dan wordt het evenwicht hersteld. Ge zijt een veel te groot staatsman en een veel te fijn diplomaat om niet te weten hoe in deze zaak te handelen om den keurprins onschadelijk te maken. Maar ge moet hem onder nw oogen en onder uw toezicht hebben, dat is dringend noodzakelijk.quot;

„'t Is waar,quot; zei von Schwarzenberg nadenkend, „hij zuigt ginds boos vergif, in, hij is maar al te veel ingenomen met den protestantschen veldheer, den prins van Oranje. Zijn brieven aan zijn keurvorstelijke ouders vloeien over van geestdrift voor den Oranje veldheer, dien hij zijn leermeester in den krijg noemt en hoogen lof toezwaait.'

„Men geeft zich daar moeite genoeg om den keurprins

ocr page 61

53

nog nauwer aan het huis van Oranje en de vijanden van Spanje en Habsburg te verbinden,quot; zeide graaf Lesle met nadruk. „De keizer heeft nauwkeurige berichten ontvan-

fen van- alles, wat in den Haag wordt aangewend om denen van- alles, wat in den Haag wordt aangewend om den

eurprins in het land te brengen en hem door een huwelijk met het huis van den Paltz te verbinden, opdat hij, door de heeren Staten en den prins van Oranje opgevoed, van het heilige Roomsche rijk afkeerig wordt.quot;1) „Met een prinses van de Paltz zou hij trouwen!quot; riep de stadhouder. ,,Nu begrijp ik, waarom mevrouw de keurvorstin, in weerwil barer teedere liefde voor den eenigen zoon, toch altijd tracht hem nog langer in den Haag te laten ! Ik gelootde altijd, dat het om mij geschiedde, ik geloofde, dat de keurvorstin mij verdacht van onedele bedoelingen ten opzichte van den keurprins, en zij daarom haar zoon niet wilde doen terugkomen. Nu begrijp ik het, zij is ingenomen met het paltzische huwelijk en wil haar zoon des te nauwer verbinden met haar buis en aan haar belangen, hem meer van den keizer en van het heilige Roomsche rijk afwenden, 't Is de dochter van den verdreven koning van Rohemen, prinses Ludowike Hol-landine, die de band moet zijn, welke hem aan den Paltz en Oranje moet binden. Nu wordt mij alles duidelijk; ik begrijp niet hoe ik zoo onnoozel kon zijn dit niet reeds vroeger ge'/ien te hebben. Inderdaad, in eiken brief gewaagt de keurprins van de kleine hofhouding, welke de verdreven koningin van Bohemen, de keurvorstin van den Paltz, op Doornweerd, niet ver van den Haag, voert.quot; '

„Zij heeft nu voorsbands haar residentie naar den Haag overgebracht,quot; zei graaf Lesle; „ongetwijfeld omdat de winter nadert en om den keurprins te gemoet te komen, die dan den verren weg naar Doornweerd niet behoeft te maken om zijn liefje te bezoeken. Prinses Ludowike Hollandine moet een zeer knappe dame zijn, daarbij zacht van aard en volstrekt niet de preutsche spelend tegen den jongen, schoonen keurprins, die haar bijzonder schijnt te behagen.''

„En de keurvorstin is zeer ingenomen met mevrouw haar schoonzuster, de keurvorslin van de Paltz,quot; zei von Schwar-

1

De eigen woorden van den graal'. Zie: v. Orlich, Geschichte des prens-siscben Staates u, s. w. Th. I. S. 40,

ocr page 62

54

zenberg nadenkend, „de tranen komen in haar oogen, als zij over haar spreekt en aan het ongelukkig lot denkt van haar broeder. ^

„Zij zou het gaarne willen, dat de dochter van haar verdreven broeder haar huis weder in eere bracht en voor den verloren Paltz in Brandenburg vergoeding vond. Want als de vrouwen zich met politiek bemoeien, doen zij dit met geheel hun hart. Ja, graaf Lesle, ik zie, gij hebt gelijk, üe keurprins zal met de paltzische prinses trouwen en door de keurvorstin wordt dit huwelijk voorbereid.quot;

„De keizer zou er in hooge mate verstoord over zijn,quot; riep graaf Lesle. „'t Is dus onmogelijk; van deze zaak mag niets komen. Gij moet alles doen, opdat de keurvorst zijn toestemming weigert; en al waren er nog zooveel vóór, de keurvorst mag niet toestemmen. 1)

„Neen, de keurvorst mag en zal het niet,quot; antwoordde de graaf beslist, „'t Is mijn taak hem dit te beletten, en — ge hebt gelijk, de keurprins moet uit den Haag terug kemen.quot;

„Het zou den keizer aangenaam zijn, zoo de keurprins aan zijn hof kwam,quot; merkte graaf Lesle aan; „'tzou een teeken van goede verstandhouding zijn en in het heilige Roomsche Rijk op vriend en vijand indruk maken.quot;'

„Maar 't zal, helaas! aan 't noodzakelijkste, aan geld, ontbreken,quot; zuchtte graaf von Schwarzenberg de schouders ophalend.

„Dat moet geen reden van verhindering zijn, heer stadhouder. De keizer heeft mij uitdrukkelijk gelast, u te berichten, dat zijn keizerlijke majesteit gaarne bereid is tot eenig voorschot, ja, zoo 't zijn moet, de geheele som voor de reis toe te staan. 8) De keizer zou niet karig zijn

1

De eigene woorden van graaf Lesle. Zie : Droysen,Geschielite der preus-sischen Politik III. 137.

ocr page 63

met het reisgeld, waarmede de keurprins niet alleen te Weenen zou kunnen komen, maar ook nog een uitstapje naar Innspruck zou kunnen maken. Te Innspruck houdt thans de aartshertog Leopold zijn hof en daar zou het den keurprins niet aan vermaak ontbreken. Aan het hof te Innspruck gaat het zeer vroolijk toe, en jonkvrouwe Clara Isabella, de dochter van den aartshertog, houdt van vermakelijkheden en is een zeer schoone, bekoorlijke jonge dame.quot;

Graaf von Schwarzenherg wendde zich haastig tot Lesle.

„Ge meent toch niet vroeg hij aarzelend.

Graaf Lesle knikte. „Het zou zeer gewenscht zijn,quot; zei-de hij glimlachend.

„Ik vrees, dat het onmogelijk is!quot; riep von Schwarzenherg. „Ieder zou er tegen zijn. 't Is haast ondenkbaar en onmogelijk, dat de keurprins een katholiek huwelijk deed.quot;

„Dit schijnt zoo; het komt er maar op aan, hoe de zaak wordt aangevat,quot; zei graaf Lesle bedaard. „Ge ziet aan u zeiven, hoe het ondenkbare toch verwezelijkt wordt. Aan dit hof, waar gereformeerden en lutherschen om den voorrang twisten, is een katholiek, een keizerlijke, de eerste en machtigste minister en raadsman van den keurvorst. Twintig jaren is de katholieke' graaf Schwarzenherg de lieveling, ja men mag zeggen de heer van den keurvorst van Brandenburg. Waarom zou nu die katholieke stadhouder en minister niet in het keurvorstelijk huis een katholiek huwelijk kunnen bewerken? Gij schat uw macht te gering, graaf, gij zijt waarlijk te bescheiden.quot;

„Zeg liever, dat ik den grond ken, waarop ik sta, graaf Lesle. Geloof mij, 't is een drassige, glibberige grond, een enkele onvoorzichtige stap kan mij doen vallen.quot;

„Wacht u voor een onvoorzichtigen stap, graaf, maar toch ga voorwaarts, bevorder de bedoelingen van zijne keizerlijke majesteit en wees verzekerd, dat Ferdinand een zeer dankbaar, en genadig meester voor u zal zijn. Thans weet ge alles, wat gij weten moest en 'tis voor mij tijd, dat ik weder vertrek.quot;

„Wilt ge reeds weder vertrekken, graaf Lesle? Voor ge mij de eer hebt bewezen een ontbijt te gebruiken, of een glas wijn met mij te drinken?''

„Ik dank u, graaf. Gij weet, dat mijn plicht voor alles gaat. Mijn keizerlijke heer wacht mij te Regensburg en ik zal dan de eer hebben hem naar Weenen te begeleiden.

ocr page 64

56

Zijn keizerlijke majesteit is een zeer eigenaardig en nauwgezet heer; hij heeft dag en uur berekend, waarop ik aan het keizerlijk hof terug kan zijn. quot;Voor ons onderhoud heeft hij één uur bepaald, en zie, de haan van uw wandklok, die, toen ik binnentrad, juist elf uur kraaide, de haan is er nu weer en kraait zoo luid hij kan het twaalfde uur't Is dus tijd voor mij te vertrekken. Bovendien hebben wij niets belangrijks meer te bespreken. Ik heb in korte woorden de bedoelingen en begeerten van zijn kei-zerliike majesteit bericht, uw schrander hoofd zal wel weten aan te vullen, wat ontbreekt. Vaarwel, heer stadhouder in de Marken vaarwel en wees duizendmaal gegroet.quot;

Graaf Lesle was opgestaan en had zijn pelsmuts weder diep over zijn gelaat getrokken. Von Schwarzenberg was hem behulpzaam bij het aantrekken van den wijden, zwa-ren reispels en geleidde hem toen naar de deur.

„Vergun mij ten minste, graaf Lesle, dat ik u tot aan uw rijtuig geleide,quot; zeide hij.

„Onmogelijk, graaf, dit zou uwe lieden opmerkzaam maken en tot allerlei gissingen aanleiding geven. Ik heb mij, toen ik hier kwam, voor een uwer beambten uit uw heerlijkheid Sonnenburg uitgegeven, en uw waardigheid veroorlooft niet, dat ge uw beambten als uws gelijken behandelt. Vaarwel dus!quot;

Graaf Lesle verliet haastig de kamer en drukte de deur dicht.

Graaf von Schwarzenberg bleef staan en luisterde tot het geluid der voetstappen van den keizerlijken afgezant in den langen gang niet meer hoorbaar waren, toen keerde hij langzaam in de kamer terug en liet zich zuchtend in den armstoel neder, waarop zooeven graaf Lesle had gezeten.

„Zonderling nieuws,quot; mompelde hij. „Ik moet nu eensklaps geheel anders handelen, mijn plannen geheel omwerpen en nieuwe vormen Wat ik volstrekt wilde voorkomen, moet nu juist geschieden; de keurprins moet terugkomen en den voorrang aan 't hof boven mij innemen ; moet . . .quot;

Eensklaps zweeg hij en ontroerde, alsof een . bliksemstraal den loop zijner gedachten afgebroken had. „Zoo het zijn moet,quot; zeide hij zacht bij zich zeiven, „zoo mij niets anders overblijft en ik mij zelf in gevaar zie, dan zal ik het doen den it laatste middel aangrijpen.quot;

ocr page 65

57

Dit zeggende, verbleekte hij en wierp een schuwen, ang-sligen blik om zich, alsof hij de ooren van een verrader vreesde. Toen drukte hij zijn hoofd tegen de leuning van den armstoel en zat lang bewegingloos en geheel verdiept in een ernstig gepeins.

,.Ja, zon is het,quot; zeide hij na een lange pauze. „Hij moet den Haag verlaten; maar 't is daarom niet noodig dat hij hier zoo spoedig komt. De weg is lang, en de wegen zijn onveilig, hij moet voorzichtig reizen, want de moordenaars zwerven rond, en wie weet of de Zweden niet zouden beproeven den prins'op te lichten of te vermoorden, opdat hij hun niet later Pommeren zal betwisten. Men moet alles goed overwegen; dan — meester Gabriël Nietzel moet in elk geval naar den Haag gaan; alleen krijgt hij andere instruction en hij zal een andere taak te vervullen hebben. Ja. zoo moet het zijn; ik zal hem dadelijk laten roepen!quot;

Reeds stak hij de hand uit naar het fluitje, toen de deur geopend werd en de lakei binnentrad.

„Met uw verlof, grafelijke excellentie, er is zoo even een lakei van het keur vorstelijk paleis gekomen. Mijnheer de keurvorst laat zijn grafelijke genade verzoeken zich terstond naar den keurvorst te begeven.quot;

„Ik laat den heer keurvorst mijn eerbied betuigen en zal dadelijk de eer hebben te komen. Zeg dat den lakei en laat oogenblikkelijk mijn statiekoets voorkomen.quot;

„Genadigste heer, ik vraag om vergeving, maar uwe excellentie zal onmogelijk met de groote statiekoets kunnen rijden.quot;

„En waarom niet?quot;

„Uwe excellentie weet, dat het vier dagen achtereen geregend heeft en de grond is hierdoor zoodanig doorweekt dat reeds een mensch, als hij op de straten en over het plein gaat, tot aan de knieën in het slijk zinkt; laat staan dus een zwaar rijtuig. De koets van den vreemden heer, die straks bij uw excellenlie is geweest, is een paar schreden verder van hier blijven steken; zijn bediende en een paar onzer stalknechts zijn nog bezig met haar weder vlot te maken.quot;

„Mijn God!quot; riep graaf von Schwarzenberg, terwijl hij met haastige schreden naar de deur ijlde, „dan moet ik terstond zelf naar buiten en den heer . . ,

ocr page 66

58

Maar hij bedacht zich en trad langzaam van de deur terug.

„Het zal met behulp mijner stalknechts wel gered worden,quot; zeide hij. „Ge meent dus, dat ik de groote statiekoets niet moet nemen?quot;

„Onmogelijk,, genadige heer. 't Is een moeras, zooals 't in langen tijd niet geweest is en de burgers hebben reeds hun modderkoetsen voor den dag gehaald.quot;

„Wat zegt ge? Wat zijn dat, modderkoetsen?quot;

„'t Zijn stelten, excellentie, die men gebruikt, als het met den modder te erg is.quot;

De graaf lachte. „Ten laatste zal mij niets overblijven dan mij ook van stelten te bedienen om naar 't keurvorst elijk paleis te gaan.quot; /

„Dat zou wel het gemakkelijkst zijn,quot; antwoordde de lakei, „maar met de groote koets gaat het niet.quot;

„Dan moet men mijn lichte chais nemen en vier mijner beste paarden voorspannen. In tien minuten moet ik in het rijtuig kunnen stijgen.quot;

V.

DE KEURVORST EN ZIJN GUNSTELING.

Tien minuten later stond de jachtchais gereed op de binnenplaats van het grafelijk paleis en daar deze plaafs met groote granietsteenen was geplaveid, kwam de graaf in zijn rijtuig zonder de witte zijden kousen te bespatten, die tot aan zijn knieën reikten, of de ^sierlijke flu-weelen schoenen met briljanten gespen en hooge roode hakken vuil te maken. Toen openden de lakeien het groote hek van verguld ijzer en het rijtuig kwam naar buiten op de straat. De koetsier zwaaide zijn zweep in de lucht en de vier paarden vlogen met het kleine lichte rijtuig pijlsnel over den omgewoelden grond voort. Het slijk spatte in stralen van de wielen en trof menige eerzame burgervrouw, die zich op haar stelten niet schielijk genoeg kon verwijderen; wel hoorde men telkens het ■ angstig geknor van varkens en het gejank van lionden, die

ocr page 67

59

de jachtéquipage overreed, maar zij bleef niet steken en na weinige minuten hield zij stil voor het kleine lage porlaal van het donker en klein gebouw, dat men het residentiepaleis van den keurvorst noemde en dat aan gene zijde van het domplein nabij de Spree en dichtbij den lusthof gelegen was.

Voor het portaal van het paleis stond een ellendig, geheel en al met slijk bespat rijtuig, met vier magere paarden bespannen, wier tuigen allen glans en netheid misten.

„'t Schijnt, dat de keurvorst wil uitrijden,quot; zei de graaf bij zich zeiven, met een verachtehjken blik op het armzalige keurvorstelijk rijtuig.

„Ga een weinig ter zijde,quot; riep de fraai getooide grafelijke koetsier. „Laat ik mijn excellentie den heer stadhouder voorrijden, want de heer graaf kan toch onmogelijk door het slijk zijn rijtuig verlaten.quot;

Maar de koetsier schudde trotsch weigerend het hoofd en sloeg een blik van onuitsprekelijke verachting op den vermetelen koetsier van den stadhouder.

„Rijd uit den weg,quot; gebood de koetsier van den graaf, terwijl hij luid met zijn zweep klapte.

„Ik rijd voor niemand uit den weg,quot; riep de keurvorste-lijke koetsier. „Ik sta iiier en blijf hier staan, tot mijnheer de keurvorst komt.quot;

„Laat hem staan, Wilhelm,quot; beval graaf von Schwarzen-berg. ,,Rijd mijn rijtuig zoo dicht mogelijk bij het keurvor-stelijke rijtuig, dan kan ik gemakkelijk er in overstappen.quot;

De koetsier gehoorzaamde en de keurvorstelijke paar-denmenner, die met innig genoegen den twist met den verwaanden koetsier van mijnheer den stadhouder was begonnen, zag zich teleurgesteld, want hij deed zijn rijtuig dicht naast de keurvorstelijke équipage stilhouden. Voor hij nog het doel daarvan begreep, had de graaf met eigen hand het portier van het keurvorstelijk rijtuig geopend, was er in overgestapt, had het portier aan de andere zijde ontsloten en liep over de breede, met leder overtrokken plank, die over den stoep tot aan het keurvorstelijk rijtuig was gelegd.

„Bravo! Schwarzenherg, bravo!quot; riep een lachende stem, en toen de graaf, midden op de plank staande, opkeek, zag hij boven aan het open venster den keurvorst staan, die hem vroolijk lachend groette.

ocr page 68

60

„Dat is juist, wat de onbeschaamde vlegel, Frits Lange, verdient,quot; riep de keurvorst naar beneden, „hoe kan de lummel zoo brutaal zijn voor mijnheer den graaf von Schwarzenberg niet uit den weg te rijden?quot;

„Hij had gelijk, keurvorstelijke genade,quot; riep von Schwarzenberg naar boven, terwijl hij haastig den met goud geboorden vederhoed van zijn hoofd nam en zoo diep boog, dat de punten der witte struisvederen over den zwarten, beslijkten grond sleepten.

„Zet uw hoed op en kom boven,quot; zei de keurvorst, „'t is koud daar beneden.quot;

„Vergun mij vooraf, genadige heer, een weinig gerechtigheid te spelen,quot; riep von Schwarzenberg en wendde zich vervolgens met een vriendelijken glimlach tot den keurvorstelijken koetsier, die hem met tartenden blik aanstaarde.

„Frits Lange,'' zeide hij, „ge hebt gehandeld, zooals 't een braaf en trouw keurvorstelijk koetsier betaamt. Ge hebt volkomen gelijk, ge moet voor niemand uit den weg rijden, al was het de Keizer van het heilige Roomsche Rijk zelf, die mijnheer den keurvorst een bezoek wilde brengen. Neem van mij Ier belooning uwer trouw dit geschenk.quot;

De graaf haalde twee goudstukken uit zijn zak en legde ze in de breede, met een vullen gelen handschoen bedekte hand, welke de verraste koetsier van den keurvorst hem toestak.

Toen knikte de graaf den koetsier nog eens vriendelijk toe en ging het portarl van 't paleis binnen. „Ik hoop,quot; zeide hij in zich zeiven, den breeden houten trap langzaam opgaande, „dat mijn knapen den onbeschaamden vlegel bij de eerste gelegenheid behoorlijk zullen straffen en hem de twee goudstukken, welke ik hem gegeven heb op zijn breeden rug in kleingeld zullen omwisselen.quot;

De keurvorst was zijn geliefden minister tot in de voorkamer tegemoet gegaan en opende zelf voor hem de deur.

„Schwarzenberg,quot; zeide hij glimlachend, „gij zijt toch een kapitaal mensch. Ge weet u overal door te helpen, ja zelfs als men u door den dikslen modder rijdt, weet ge er met droge en schoone voeten uit te komen.quot;

„Nu, men heeft wel een weinig diplomatie en strategie aan het keurvorstelijk hof geleerd,quot; antwoordde de mi-

ocr page 69

til

nister, terwijl hij zijn schouder aanbood, opdat de keurvorst er op leunende naar zijn kabinet zou terugkeeren. „Uwe genade heeft mij hier ontboden en ik was bezorgd of mijnheer de keurvorst soms verontrustende tijdingen had ontvangen, die . . .

„Inderdaad, zeer verontrustende tijdingen,quot; zuchtte de keurvorst, terwijl hij ontevreden in zijn leeren armstoel plaats nam. „Maar ik denk, dat ge ze al reeds weet.

' Schlieben is terug en mijn zoon is niet mede gekomen, maar schrijft ons een langen briet, waarin hij verklaart, dat hij in dit jaargetijde en onder deze tijdsomstandigheden niet thuis kan komen.quot;

„Dit is immers oproerig,quot; riep von Schwarzenberg levendig, „dit heet regelrecht zich tegen den keurvorst en tegen zijn vader verzetten.quot;

„Gij beschouwt dit dus ook zóó, Schwarzenberg?quot; vroeg George Wilhelm. „Gij stemt dus toe, dat de keurprins als een ongehoorzaam zoon en een oneerbiedig onderdaan gehandeld heeft?quot;

„Ach, mijn God,quot; zuchtte von Schwarzenberg, „ik wensch-te, dat ik niet met uw doorluchtigheid moest instemmen. Ik wenschte, dat er voor deze handelwijze van mijnheer den keurprins een verontschuldiging bestond. Het doet mij leed, dat ik zie, hoe stout de jonge heer het waagt om zich tegen uwe hoogheid, zijn vader, te verzetten.quot;

„Niet waar, 't is onzettend ?quot; vroeg George steeds opgewondener. „Wij zenden onzen kamerheer Schlieben naar den Haag, schrijijen mijn zoon een eigenhandigen brief en eischen zijn terugkomst en wij laten hem door Schlieben nog mondeling uiteenzetten hoe dringend noodzakelijk het is, dat hij thuis komt; maar mijnheer mijn zoon volhardt er bij in den Haag te willen blijven en heeft den moed Schlieben- naar huis te zenden zonder mede te komen.quot;

„'t Is zich openlijk verzetten tegen zijn allergenadigsten heer en vader!quot; riep von Schwarzenberg. „Thans moet uw keurvorstelijke hoogheid er op staan, dat dc keurprins terstond terugkomt.'

„Niet waar, hij moet en zal terugkomen? Wel spreekt de keurvorstin hem voor en zou ons gaarne willen overreden mijnheer zoon nog een jaar in den Haag te laten, om er nog verder te studeeren.quot;

ocr page 70

„Uwe Hoogheid,quot; zei von Schwarzenberg, terwijl hij zich dichter lot het .oor van den keurvorst hoog, „mevrouw de keurvorstin weet zeer goed, dat de keurprins in den Haag geheel iets anders op 't oog heeft dan de wetenschappen.''

„Wat dan?quot;

„Een huwelijk, uwe hoogheid. Een huwelijk met de prinses, dochter der douairière, keurvorstin van den Paltz, met de schoone Ludowike Hollandine.quot;

. ,.Dit zou een fraai huwelijk zijn!quot; riep de keurvorst opstuivend. „Een prinses von /ïaftemcMs, de dochter van een weggejaagden, door den keizer in den rijksban verklaarden vorst Jquot;

„Maar deze vorst was de broeder van mevrouw de keurvorstin. Het teeder hart harer genade zou haar ge- -zonken huis weder een weinig willen verheffen en in aanzien brengen en daarom gaarne zien, dat de dochter van mijnheer haar broeder weer een regeerende vorstin werd. Daarbij zou de toekomstige keurvorstin aan mevrouw haar schoonmoeder dan levenslang grooten dank schuldig zijn, zou mevrouw de keurvorstin moeder een grooten invloed behouden en mijnheer haar-zoon in de regeering bijstaan.quot;

„Ja, zij verlangen allen naar mijn dood,quot; zuchtte de keurvorst; „zij gunnen mij het leven niet, hoewel 't waar-.lijk voor mij geen lichte taak is geweest, het was vol verdriet, ontbering en nood. Toch gunnen zij mij het leven niet en zoo ze het mij konden ontnemen, zouden zij 't doen.quot;

„Maar ik, mijn veel geliefde heer en keurvorst, ik sta naast u en heb het tot- de heilige taak mijns levens gemaakt u te bewaken, gelijk een trouwe hond zijn meestér bewaakt, en van u alles af te wenden, wat u verdriet en gevaar zou kunnen berokkenen. Ook houdt de keizer, als uw opperste beschermheer, zijn genadig oog op u gericht en zijn toorn zou degenen verpletteren, die poogden u te benadeelen. Er zijn hier velen, die meenen, dat de keurvorst van Brandenburg zich van den genadigen keizer vrij en onafhankelijk moest maken, en daar uw doorluchtigheid dezen in den weg staat, hechten zij zich aan uw zoon en zouden hem aan hun hoofd willen stellen, om van hem een tegenstander van den keizer en het rijk te maken. Mevrouw de keurvorstin heeft misschien nog niet vergeten en vergeven, dat de keizer haar broeder

ocr page 71

63

in den ban gedaan, en van zijn land en volk verdreven heeft. En de prins van Oranje en de heeren Staten, de Zweden en de vijanden van zijn keizerlijke majesteit en van zijn keurvorstelijke doorluchtigheid zouden gaarne willen medewerken om den keurprins tot een gereed werktuig in hun handen te maken. Daarom wenschen zij hem nog langer in den Haag te houden en er hem zoo te boeien, tot hij geheel in hunne macht is. Daarom ook willen zij een huwelijk met de prinses Hollandine tot stand brengen. Ik moet uw doorluchtigheid in vertrouwen zeggen, dat er reeds iets van bekend is en men er aan het keizerlijk hof van spreekt. Heden heb ik depêches van Weenen ontvangen en men meldt mij, dat de keizer zeer ontevreden is over dit huwelijksplan en er nooit zijn toestemming aan zal verleenen.quot;

„En ik evenmin,quot; riep de keurvorst, „neen, ik wil niet weder in twist komen met den keizer en het Rijk. Ik wil mij niet aan de zijde van des keizers vijanden stellen en mijnheer mijn zoon zal 't evenmin. Ik heb 't altijd gezegd, dat de keurprins te lang buitenslands bleef. Maar gij wildet dit nooit toegeven, Adam von Schwarzenberg, gij meendet altijd, dat de keurprins daar beter op zijn plaats was dan hier, waar de ontevredenen en oproerlingen zich om hem zouden scharen; ginds kon hij slechts góeds en nuttigs loeren, hier integendeel veel kwaads. Nu blijkt het, dat juist ginds de lucht nog erger voor hem is en de verleiders er meer macht op hem hebben dan hier.quot;

„Ik was kortzichtig en blind en verbeeldde mij verstandig te zijn,quot; antwoordde von Schwarzenberg op berouw-hebbenden toon. „Ik was zoo vermetel, iets beter te willen weten dan mijn keurvorst en heer, maar zie nu beschaamd wat groot ongelijk ik had, en hoe hoog mijn verheven, veel geliefde keurvorstelijke meester in scherpzinnigheid en beleid boven mij staat. Vergeving, genadigste heer, ik bid berouwvol en deemoedig om vergeving!quot;

De trotsche, machtige graaf von Schwarzenberg boog zijn knie voor den keurvorst en drukte met een innig smeekenden blik de hand aan zijne lippen.

George Wilhelm, verheugd en gevleid door deze bekentenis van zijn machtigen gunsteling, boog zich voorover en drukte een kus op het hooge voorhoofd van den graaf.

„Sta op, mijn Adam, sta op,quot; zeide hij teeder. „Het be-

ocr page 72

04

taamt den commandant der Duitsche orde, den rijken voornamen rijksgraaf niet, voor den kleinen keurvorst te knielen, die geen meester van een leger, maar zoo arm is, dat hij niet weet, waarvan hij leven en zijn dienaars betalen zal; die van zijq heerlijkheden niets dan den naam en van zijn rang niets dan last heeft. Sta op, Adam von Schwar-zenherg, want 't is mij lief, u zoo krachtig aan mijn zijde te zien en in u te kunnen aanschouwen mijn stadwaar-op ik leunen kan, sterk genoeg om mij te schragen.quot;

Graaf von Schwarzenberg richtte zich op en met den arm op de hooge leuning van den armstoel rustende, boog hij het hoofd tot den keurvorst, die met teederen blik hem aanzag.

„De kas van mijn genadigen heer is dus werkelijk leeg?quot; vroog hij.

„Zoo leeg, Adam Schwarzenberg, dat ik mijn bedienden niet eens betalen kan, en dat ik een armen bedelaar, die mij op mijn weg naar de kerk aanspreekt, niets kan geven, omdat in mijn beurs geen goudgulden voorhanden is. Zoo leeg, dat ons geheele plan wegens de terugkomst van den keurprins schipbreuk zal leiden, want mijnheer zoon heeft schulden gemaakt en wij zullen ze hem niet kunnen laten betalen. Schlieben bericht, dat de schulden van den kroonprins wel bij de zevenduizend thaler bedragen; bovendien heeft hij nog minstens tweeduizend thaler noodig om met zijn gevolg, zijn rijtuigen en paarden naar hier te komen.quot;

„Dit is inderdaad oen treurige zaak,quot; zei de graaf peinzend, „want 't is in deze tijden bijna onmogelijk geld te bekomen. Toch moet hij geholpen worden en hij zal geholpen worden, in de veronderstelling althans, dat mijn genadigste heer zich zal willen verwaardigen van zijn verknochtsten dienaar en knecht hulp aan te nemen.quot;

„Wat zegt ge, Adam? Wilt ge mij weer helpen ?quot; vroeg de keurvorst. „Ge hebt mij reeds tweemaal uit den nood geholpen en van uw rijkdom mijn armoede ondersteund. Ik ben uw schuldenaar, die noch rente betaalt, noch van terugbetalen spreekt.quot;

„Maar die als een grootmoedig en trotsch heer voor het kleinere steeds het grootere geeft,quot; riep von Schwarzenberg glimlachend, „'t Is waar, ik was zoo gelukkig uw doorluchtigheid twee raaien honderdduizend thaler te

ocr page 73

leenen, maar uw doorluchtigheid heeft mij hiervoor tot pand gegeven twee fraaie domeinen in Kleefsland, die zoo men ze wil verkoopen, zeker meer waard zijn dan het geleende geld.quot;

„Thans zou niemand ze koopen, nu er oorlog en pest woeden en men niet weet, wie de meester is. Ik schenk u echter deze twee domeinen Huissen en Neustadt; van dit uur af hehooren ze u en ik wil er u terstond een eigendomshrief van geven.quot;

„O, mijn genadige heer, hoe welwillend en goed zij t gij,'' zeide von Schwarzenherg; „hoe zeer beschaamt gij mij met uw edelmoedigheid. Dankbaar en onderdanig neem ik deze gift aan en zal nog heden de beide schuldbrieven vernietigen en aan de voeten mijner keur vorstelijke doorluchtigheid nederleggen.quot; \

„Volstrekt niet, Adam,quot; zeide de keurvorst bijna misnoegd, „want dan zou ik u Huissen en Neustadt niet geschonken, maar gij zoudt ze betaald hebben! Behoud de schuldbekentenissen, want zij zijn rechtvaardig verkregen.quot;

„Laat er mij dan ten minste nog iets bijvoegen, genadige heer en verwaardig u nog vijftigduizend thaler zonder schuldbekentenissen van mij aan te nemen.quot;

„Wilt ge mij vijftigduizend thaler leenen vroeg de keurvorst verrast.

„Ik heb gisteren aanzienlijke sommen uit mijn heerlijkheid Sonnenburg ontvangen ; ook had ik eenige pachtgelden opgespaard,quot; zeide de graaf. „Weliswaar, houd ik voor het oogenblik voor mij zei ven niets over, maar 't is beter, dat de dienaar gebrek lijdt dan de meester. Ik zal de eer hebben uw doorluchtigheid nog heden de vijftigduizend thaler in specie en goede wissels te overhandigen.''

„En ik zal terstond den schuldbrief schrijven,quot; riep de keurvorst, terwijl hij met jeugdige levendigheid naar zijn schrijftafel liep en papier en pen greep. Haastig schreef hij eenige woorden op het papier, maakte een grooten ouwel vochtig, legde er een papier op, en dit onder 't geschrevene hechtende, drukte hij er zijn groot handzegel op.

„Ziehier de obligatie,quot; zeide hij, „neem ze Schwarzenherg en zend mij het geld.quot;

De graaf nam het papier niet aan, maar, het glimlachend met de hand afwijzende, trad hij een schrede terug.

Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. I. 5

ocr page 74

66

„Eerst geld en dan de schuldbrief,quot; zeide hij; „alles moet volgens orde geschieden, genadige heer, en voor gij het geld ontvangt, moogt gij u niet als schuldenaar verklaren.quot;

„O! hoe wèl gevoel ik mij eensklaps,quot; riep de keurvorst; ,,welk een bewustzijn van vrijheid en onafhankeliikheid krijg ik plotseling, nu ik mij niet meer een arm schuldenaar gevoel, maar weer geld bezit. Terstond wil ik bevel geven, dat men vóór alles ons dienstpersoneel het loon betaalt, en daarna wil ik de schulden van den keurprins voldoen en hem reisgeld zenden, opdat hij terugkomen en geen voorwendsel meer hebben zal om langer uit te blijven.quot;

„Uw doorluchtigheid moest nog eens een kamerheer zenden om den keurprins op minzame wijze tot terugkeer te bewegen,quot; zeide de graaf. „Daar is bij voorbeeld de heer von der Mar.witz, een zeldzaam beschaafd en bekwaam edelman, die in goed aanzien staat bij mevrouw de keurvorstin en bij al de Zweedschgezinden, en tevens een trouw dienaar van zijn genadigen heer.quot;

„Ja, Marwitz zal naar den Haag gaan, nog heden,quot; antwoordde de keurvorst levendig. „Marwitz moet mijn zoon terugbrengen; ik zal hem op straffe van mijn toorn gebieden geen verontschuldiging aan te nemen en zich met nWs verder in te laten. Hij zal de schulden van den prins betalen, hem reisgeld brengen en bovendien mijn zoon zeggen, dat mijn toorn als vader en keurvorst hem treffen en verpletteren zal, zoo hij mij niet gehoorzaamt. Ik wil een gehoorzamen en onderdanigen zoon hebben voor wien mijn wil een bevel is. Nog heden moet Marwitz vertrekken.quot;

„Ik verzoek uw keurvorstelijke hoogheid te vergunnen, dat de kamerheer von der Marwitz eerst morgen vertrekt,quot; zeide de graaf. „Uw genade zal waarschijnlijk zelf nog wel een paar woorden aan mijnheer uw zoon willen schrijven ; ook rnovrouw de keurvorstin zal van deze gelegenheid willen gebruik maken om mijnheer haar zoon en hare lieve verwanten brieven te zenden, terwijl ik zelf nog eenige dépêches voor onzen gezant aldaar moet gereed maken. Ik verzoek u dus onderdanigst, dat von der Marwitz eerst morgen of overmorgen zijne reis naar den Haag aanvaardt.quot;

„Het zij zoo, Adam, morgen zal hij pas vertrekken.quot;

ocr page 75

67

„Dan ware het goed, dat uw doorluchtigheid en mevrouw de keurvorstin reeds heden de brieven schreven, en — ik had eigenlijk uw keurvorstelijke genade nog een groot verzoek te doen. Ik houd heden een kleine jachtpartij en uwe genade zou mij een bijzondere gunst bewijzen, zoo zij mij de eer wilde bewijzen er deel aan te nemen.quot;

„Waarlijk, dat doe ik gaarne, zeer gaarne,quot; riep George Wilhelm verheugd. „Ik kon mij heden geen beter uitspanning wenschen dan een kleine jachtpartij, gij, Adam, weet en verstaat het heerlijk mijn geheimste wenschen te raden. Ja, wij willen jagen — maar ik heb geen honden! Ze zijn alle in Pruisen achtergebleven en de opperjagermeester bericht mij, dat de honden, die hier zijn, niet zijn te gebruiken. Er ontbreekt me een jachthond, een llinke zwijnen vanger, die ik al lang gewenschtheb, maar nooit heb kunnen vinden.quot;

„Ik hoop er een voor uw hoogheid gevonden te hebben,quot; zeide de graaf glimlachend. „Ik heb overal onderzoek laten doen en vernomen, dat er zulk een hond bij Stargard in Pommeren is. Ik heb terstond een bode aan den heer von Schwiebus gezonden, wien het dier behoort, en in naatn van den keurvorst naar den prijs van den zwijnen-vanger gevraagd, en begeerd, dat men u het dier ter bezichtiging zou zenden.quot;

„En is de zwijnenvanger er?quot; vroeg de keurvorst met van vreugd stralende oogen. „Adam, gij verstaat het inderdaad mijn hart te verblijden en mijn wenschen te raden. Waar is de hond?quot;

„Genadige heer, de heer von Schwiebus schijnt op het dier verzot te zijn; hij heeft er eerst niet van willen hooren om hem af te staan, terwijl hij zeer vertoornd was op graaf Henkei, omdat deze mij van zijn schoonen jachthond gesproken had. Slechts nu hij gehoord heeft, dat hij aan uw keurvorstelijke genade zou verkocht worden, heeft hij toegegeven en heeft een penteekening overgezonden, opdat uw doorluchtigheid zich het dier zou kunnen voorstellen en daarnaar beslissen of het u werkelijk behaagt.

„Hebt ge die teekening bij u, Adam?quot; vroeg de keurvorst levendig.

De graaf iiep naar het bij de deur staande tafeltje en nam een rol papier, welke hij er bij zijn komst op had

ocr page 76

GS

neergelegd. Hij spreidde die voor George Wilhelm int terwijl hij zeide: „Ik verzoek uw hoogheid nu het albeeldsei van den frauien zwijnenpakker te beschouwen.quot;

Een uitdrukking van vroolijke verrassing was op het gelaat van den keurvorst zichtbaar bij 't zien dezer teeke-ning, die, zeer kunstig uitgevoerd en met waterverf gekleurd, een grooten, fraai gebouwden jachthond met dikken kop, afgesneden ooren en langen staart voorstelde.

„'t Is een prachtig dier, Adam,quot; riep de keurvorst na een oogenblik van stomme verbazing. „Ik moet dezen jachthond hebben, hij moge kosten, wat hij wil. Zeg mij den prijs Adam, wat kost dit beest?quot;

„Genadige keurvorst, de heer von Schwiebus schijnt een zonderling heilige te zijn. Hij heeft gezegdj den hond voor al het geld der wereld niet te willen missen en hem niet te willen verkoopen. Zoo uw doorluchtigheid hem volstrekt wilde hebben, zou hij hem op deze voorwaarde afstaan, dat hij voor den hond in de keurvorstelijke bos-schen vijftig schok1) boomstammen naar eigen keuze mag doen vellen.quot; 1)

„Hij zal den koopprijs hebben, ja hij zal hern hebben!quot; riep de keurvorst, met de oogen onafgewend op de teeke-ning gericht. „Zend terstond een bode aan den heer Schwiebus en laat hem melden, dat ik den jachthond voor vijftig schok boomstammen koop, welke hij uit mijn Letzlinger bosch mag kiezen en laten vellen. Hij moet mij dan echter terstond den jachthond zenden. Haast u, Adam, en bezorg hem mij, want ik ben zeer begeerig het fraaie dier te zien. Wat nu den keurprins betreft, wij zullen Marwitz eerst overmorgen laten vertrekken, daar wij wegens de jachtpartij nu geen tijd hebben de brieven te schrijven en dat tot morgen zullen uitstellen.quot;

1) Zestigtal.

1

Historisch. Zie' v. Orlich, I.

ocr page 77

69

VI.

IJE ONTHULLINGEN.

„Dus eerst overmorgen gaat Marwitz op reis,quot; zei graaf von Schwarzenberg verheugd bij zich zeiven, toen hij van den keurvorst was teruggekeerd en zich weder in zijn kabinet bevond. „Eerst overmorgen! Gabriël Nietzel zal hem dus drie dagen vóór zijn, en kan bovendien spoediger reizen. Nu komt het er slechts op aan welken last hem wordt opgedragen. Laat ik eens overleggen, wat het beste zal zijn!quot;

Lang ging hij met gebogen hoofd en over elkander geslagen armen in zijn kabinet op en neder. Toen hij eindelijk tot een besluit gekomen was, floot hij zijn kamerdienaar en beval hem terstond meester Gabriël Nietzel op te zoeken en bij hem te brengen.

„Grafelijke genade,quot; antwoordde de kamerdienaar, „meester Nietzel is zooeven hier gekomen en verzoekt de gunst eener audiëntie.quot;

„Laat hem binnen. Doch vooraf wil ik u nog iets zeggen. Luister!quot; Hij wenkte den kamerdienaar tot zich en deelde hem fluisterend en haastig zijn bevelen mede. „Laat nu,quot; zeide hij, „den meester binnenkomen en haast u dan te doen, wat ik u gezegd heb.quot;

„Nu,quot; riep de graaf, toen weinige minuten later Gabriël Nietzel het kabinet binnentrad, „zeg mij, meester, wat u zoo vroeg hier voert? Ik had u immers eerst voorheden avond bescheiden.quot;

„Vergeving, excellentie, maar in de vreugd mijns harten dacht ik, dat uw excellentie misschien wel eenoogen-blik voor mij over zoudt hebben. Ik wil uw ex.cellentieslechts zeggen, dat het gebeurd is, zooals ik gehoopt had. Ik berichtte mevrouw de keurvorstin, dat ik voornemens was een kunstreis naar Holland te ondernemen. Haar doorluchtigheid scheen hierover zeer verheugd en gaf mij een open briefje voor mijnheer den keurprins mede, waarin mevrouw de keurvorstin mij bij haar zoon als een bekwaam portretschilder aanbeveelt.quot;

„Laat mij dat briefje eens zien.quot;

ocr page 78

70

De schilder reikte hem een klein, sierlijk dichtgevouwen papier, hetwelk de graaf met haastigen blik overzag.

„Werkelijk niets anders dan een warme aanbeveling,quot; zeide hij. „Is dat alles?quot;

„Neen, excellentie, het beste komt nog. Mevrouw de keurvorstin heeft mij bovendien tot haar hofschilder benoemd. Ik krijg ook, evenals de onlangs overleden hofschilder Mathias Czizeken had, een jaarlijksch traktement van vijftig thaler, kostgeld, vrije woning en alle jaren twee stel nieuwe kleederen.'' 1)

„Nu, dan moogt ge wel tevreden zijn,quot; lachte de graaf „'tis een schoone benoeming en ge zijt voortaan een zeer aanzienlijk personage aan het hof. Maar zeg mij, meester Nietzel, ge neemt toch mijn klein traktement, dat ik voor u bestemd heb, ook verder aan?quot;

„Zeker excellentie, ik ben zeer gelukkig dat uw genade het mij laat behouden.quot;

„Heeft mijn rentmeester u de drieduizend dukaten al betaald?quot;

„Ja, excellentie, hij heeft ze mij betaald, zoodat ik nu van alle zorg ontheven ben.quot;

„Slechts ééne zorg hebt ge nog, meester, zei graaf von SchwarzenLerg,quot; „de zorg, dat ik u op een of anderen dag als een eerloozen bedrieger aanklaag, die mij een slechte co-pie van zijn eigen maaksel voor een oorspronkelijk schilderij heeft verkocht, en wees overtuigd, dat u dit bedrog ten allen tijde, als ik wil, aan de galg brengt.quot;

„Maar, genadigste heer,quot; stamelde de schilder doodsbleek. ,,Ik meende, dat gij mij vergeven hadt, en. .

„Vergeven, zoolang ge een trouw en gehoorzaam dienaar van mij blijft,quot; antwoordde de graaf op strengen toon. „Vergeven, [zoolang ik op u rekenen kan; maar vergeten zal ik 't nooit. Bij het minste vergrijp, bij het minste verzet tegen mijn bevelen zal ik mij berinneren welk een nietswaardige schurk en bedrieger ge zijt en mijn vergiffenis terugnemen. Ge hebt de drieduizend dukaten ontvangen, maar er nog geen kwitantie voor gegeven. Zet u aan mijn tafel en schrijf de kwitantie. Ik zal ze u vóórzeggen!quot;

Als een gehoorzame slaaf ging Gabriël Nietzel naar de tafel, nam de pen, welke de graaf hem reikte, en

1

Historisch. Zie: v. Orlich. II. 456.

ocr page 79

71

zette ze op 'het papier, 't welk Schwarzenberg hem gaf.

„Schrijf,quot; beval de graaf en met luide stem dicteerde hij : „Ik, Gabriel Nietzel, schHder van beroep, verklaar bij dezen, dat ik heden van zijn excellentie den heer stadhouder in de Marken, graaf Schwarzenberg, êe somma van drie duizend dukaten in klinkende munt ontvangen heb. Dit geld is de koopsom voor een schilderij van Titiaan Vecel-lio, voorstellende een Madonna, die door een Amor een spiegel wordt voorgehouden. Deze schilderij heb ik te Cremona voor tweeduizend dukaten gekocht en ik verklaar en zweer op mijn geweten en bij alles, wat mij heilig is, dat deze schilderij, welke ik als een origineel aan mijnheer den graaf heb verkocht, werkelijk een origineele schilderij van Titiaan Vecellios eigen hand is.quot;

„Nu, meester, waarom houdt ge op, waarom schrijft ge niet?quot;

„Ach, genadige heer, heb toch erbarming,quot; kermde de schilder, ,ik kan dit immers niet schrijven, ik kan niet bij alles, wat mij heilig is zweren, dat het een origineel is.quot;

„Wat doet het er toe,'' lachte de graaf, „het papier is geduldig! Het komt er mij slechts op aan, dat ik met deze kwitantie aan de kunstkenners en minnaars van schilderijen kan bewijzen, dat ik een origineele schilderij van u heb gekocht. Overigens, zoo ge niet schrijven wilt, goed, dan laat ik u dadelijk in hechtenis nemen, bericht aan mevrouw de keurvorstin welk een bedrieger ge zijt, laat u de drieduizend dukaten terstond teruggeven en u zoolang in den groenen hoed zetten, als het proces duurt en gij naar recht en wet opgehangen wordt.quot;

„Genade, excellentie, genade!quot; stamelde Nietzel, „ik zal schrijven.quot;

En met bevende hand voldeed hij aan het bevel van den graaf en zette er zijn naam onder.

Von Schwarzenberg las nauwkeurig het geschrevene over.

„Dit is een dokument, mijn lieve schilder,quot; zeide hij glimlachend, „dat u eiken dag aan de galg kan brengen. Want zie slechts, hier heb ik nog een ander geschrift.quot;

Hij nam uit een lade zijner schrijftafel een perkamentrol, waaraan twee groote zegels hingen. Terwijl hij ze ontrolde, wenkte hij den schilder tot zich.

„Zie,quot; zeide hij, „dit is eene verklaring, welke ik te Venetië door den heer duca di Gramani heb laten opstel-

ocr page 80

72

len, on die bewijst, dat de Venus van Titiaan Vecellio zijn eigendom is en gij in zijn paleis gedurende drie maanden een copie van het origineel vervaardigd en geschilderd hebt. Gij ziet nu, waarde heer hotschilder Niet- . zei, dat ge geheel in mijn macht zijt en ik u ten allen tijde kan laten ophangen; mijnheer de stadhouder maakt weinig omslag met bedriegers en meineedigen, maar zendt ze naar de galg. Zeg nu, meester, of gij opgehangen of in eer en vreugd leven wilt als hofschilder van mevrouw de keurvorstin en mijn geheim bezoldigde, maar toch openlijke vijand ? Ik laat u de keus, gij alleen moogt beslissen !''

„Ik heb geen keus,quot; kermde Gabriël Nietzel, „gij weet het, excellentie. Ik bemin het leven, ik heb den moed niet te sterven en ben dus uw slaaf.quot;

„Neen, ge zijt de hofschilder van haar doorluchtigheid mevrouw de keurvorstin en zult dit blijven, zoo ge u wijs en verstandig gedraagt. Gij gaat reeds heden op reis naar Holland.quot;

Een glans van vreugd straalde in de oogen des schilders en zijn voorhoofd verhelderde. De graaf zag dit en lachte.

„O, mijn lieve, ik raad uw gedachten,quot; riep hij. „Gij denkt, dat ik u, zoodra ge in Holland zijt, niets meer doen kan, en gij u wel zult wachten hier terug te komen. Weet echter, dat mijn arm ver reikt en ik overal mijn agenten en spionnen heb, die mij zeer getrouw zijn, daar ik ze goed betaal. Zij zouden u opzoeken, waar ge ook waart, geen overheid zou mij de uitlevering weigeren van een misdadiger, zoo ik hem opeischte. Maar bovendien, meester Gabriël Nietzel, zal ik hier een pand van uw waarden persoon behouden.quot;

„Welk pand wenscht uw exellentie?quot; vroeg Nietzel angstig.

„Ik meen de schoone Rebekka, die gij uit het Ghetto van Venetië hebt medegebracht en die 't u behaagt hier voor uwe echtgenoote, waarmede ge te Venetië getrouwd zijt, uit te geven. Ik hoop echter, dat ge zulk een schandelijke zonde niet zult begaan hebben van met een jodin te trouwen, want dan zoudt ge er niet met de galg afkomen, maar moest met uwe verworpen jodin en onbeschaamde bijzit, den brandstapel bestijgen.quot;

ocr page 81

73

Meester Nietzel antwoordde niet. Kermende was liij op een stoel neergezonken en zijn doodsbleek gelaat met beide banden bedekkende, weende hij luid.

„Uw scboone Rebekka blijft met uw zoontje hier achter,quot; vervolgde von Schwarzenberg, „en opdat zij volkomen veilig zij en mijn bescherming nimmer ontbere, laat ik haar naar Spandau brengen, mijne gewone residentie. Daar zal zij onder goed opzicht en verpleging tot uw terugkomst wonen en blijven. Als ge u dan, als een goed en gehoorzaam dienaar betoond hebt, zal ik zelf uwe Rebekka weer tot u voeren en niemand zal u iets durven zeggen of doen.quot;

„Zeg, wat ik doen moet, excellentie,quot; zeide de schilder met koele, wanhopende vastberadenheid; „ik ben tot alles bereid en gewillig, want ik bemin mijn Rebekka en mijn kind, ik wil voor hen alles volbrengen.quot;

„Dit zal u niet zoo moeielijk worden gemaakt, meester!

Gij gaat naar Holland, komt door den aanbevelingsbrief der keurvorstin bij den keurprins en tracht u bij hem zoo bemind en aangenaam mogelijk te maken. Als u dit gelukt is, klaagt ge hem, dat u het leven in Holland in 't geheel niet bevalt, dat ge het heimwee hebt en verzoekt den keurprins dringend u onder zijn reisgevolg op te nemen. Dat zal hij natuurlijk doen, zoodat ge met hem en zijn gevolg de terugreis aanvaardt. Hebt ge mij begrepen en goed acht op mijn woorden geslagen, meester Nietzel?''

„Ja, excellentie, ik heb ieder woord gehoord.quot;

„En ge hebt ongetwijfeld bevonden, dat het zulk een zware taak niet is, die ik u opdraag. Maar de terugreis, meester Nietzel, de terugreis is een zeer moeielijke en gevaarlijke zaak. Ge weet, dat er overal veel roovers rondzwerven; bijzonder in Westfalen wemelt het van Zweden en Hessen. Zoo nu zulk een troep soldaten vooraf wist langs welken weg de keurprins kwam, zouden zij zeker op hem loeren en hem overvallen, hetzij om hem en zijn gevolg te plunderen, of om den keurprins op te lichten en zich een aanzienlijk losgeld voor hem te doen betalen. Maar een keurprins zal zich niet goedwillig laten vangen, hij zal zich verweren; er zal een gevecht ontstaan en dan kon 't licht gebeuren, dat, in de hitte van 't gevecht, een degen den keurprins doorboorde of een kogel door zijn hoofd ging. De Zweden en Russen zijn zeer wilde en vermetele soldaten,

ocr page 82

74

\

en in Westfalen is de prins in gedurig gevaar Ge moet dit den prins zeggen en, om hem uw ijver en liefde te too-nen, moet ge den keurprins verzoeken, dat ge in Westfalen altijd een paar uren hem vooruit rijdt, teneinde u te verzekeren, dat de weg vrij is en er geen gevaar dreigt. Hij zal u dan iederen morgen zijn reisroute aangeven en waar ge het nachtkwartier voor hem bestellen en u weder bij hem voegen moet. Als koerier van den keurprins zult ge hem vooruit reizen en zoo hij nu toch op den een of anderen dag op een eenzame plaats van den weg door een bende Zweedsche ot Hessische soldaten wordt aangevallen, beroofd, gevangen genomen of zelfs vermoord, is dit buiten uwe schuld en niemand kan u iets verwijten, want ge hebt uw ijver ten allen tijde getoond. Hebt gij mij begrepen, meester Gabriël Nietzel? Hebt ge goed acht op mijn woorden geslagen ?quot;

„Ja, excellentie, ik heb alles goed begrepen,quot; antwoordde meester Gabriël, wien het zweet met groote droppels op het voorhoofd stond.

„Nu, dan heb ik nog iets te zeggen: mocht het ongeluk werkelijk plaats hebben, dat de keurprins, op de terugreis, in Westfalen of elders door foovers overvallen en vermoord werd, zorg dan, dat ge u op dien dag onder zijn verdedigers bevindt en als een teeken hiervan een of andere wonde, bij voorbeeld een sabelhouw op den rechter arm, bekomt. Met dit bewijs uwer dapperheid en trouw komt ge naar Berlijn, waar ge verzekerd kunt zijn, dat niemand zal wagen u te verdenken, als men uw smart en voornamelijk dien sabelhouw ziet. De wonde behoeft niet diep te zijn en de schoone Rebekka zal wel een heelenden balsem hebben om er op te leggen. Bovendien zal mevrouw de keurvorstin u beschermen en wees verzekerd, dat ik u met al mijn macht en aanzien zal bijstaan. Nu, meester, hebben wij al de zaken afgedaan en binnen een uur moet ge op reis gaan. Vooraf vergun ik u nog van uw schoone Piebekka en uw lief kind afscheid te nemen. Evenwel moogt ge niet racer met de schoone vrouw alleen zijn, meester Gabriël; ik heb bevel gegeven, dat men uw vrouw en uw zoontje hier brenge en ge zult wel zoo goed zijn zoolang bij mijn kamerdienaar te blijven. Er zal u en uw gezin een middagmaal worden voorgezet, hetwelk ge in 't gezelschap van mijn kamerdie-

ocr page 83

75

naar kunt gebruiken. De noodige bevelen zijn reeds gegeven en uw vrouw en kind zullen spoedig hier zijn. Het rijtuig is besteld, dat uwe vrouw naar Spandau brengt; ik heb daar in mijn huis een goede eerbare huishoudster; bij deze zullen beide wonen en'l zal hun aan niets ontbreken, behalve aan uw persoon.quot;

„Genadige heer,quot; zeide Gabriel Nietzel met een smartelijke uitdrukking, „ik bemin mijn vrouw en kind boven alles en ben in staat voor hen alles te lijden en fe dulden. Zoo ik echter bij mijn terugkomst mijn vrouw ziek of dood vond, of wat erger zou zijn, zoo ik haar . . .quot;

„Nu, waarom aarzelt ge, meester? Trouweloos vond, trouweloos wildet ge zeggen. Nu wat damquot;

„Dan had het leven voor mij geen waarde meer,quot; zeide Gabriél Nietzel vasten beraden..„Danwas 't mij volkomen onverschillig of ik gehangen of verbrand werd; dan zou ik niets verlangen dan — vóór mijn dood mij te wreken.quot;

„Ik begrijp u volkomen, meester; weet ge wel, dat ge mij met uw krachtigen trots en verheelde bedreiging buitengemeen behaagt. Ik wil u daarom een eerlijk oprecht antwoord geven. Ik ben geen verliefde dwaas, meester Gabriël Nietzel, die iedere vrouw naloopt, of in't algemeen bijzonder veel behagen in vrouwen vindt. Ik heb er geen tijd noch lust toe en laat dit aan de jeugd, aan lediggan-gers en zulke menschen over, die noch eerzucht, noch hoofd, maar slechts een hart hebben. Ik, meester Gabriël, heb in 't geheel geen hart, ten minste thans niet meer, en ik geef u hierbij mijn woord van eer als edelman en kavalier, dat ge voor uw Rebekka geen gevaar te vreezen hebt; integendeel, ik zal haar laten bewaken en behoeden, als ware zij eene mij toevertrouwde weeze, voor wier eer ik borg sta.quot;

„Ik dank u, excellentie, ik dank u van ganscher harte,quot; zeide Gabriël Nietzel ruimer ademend. „Nu zal ik gewillig uwe bevelen trouw en stipt uitvoeren.quot;

„'t Verheugt mij, meester, te zien, wat een teeder echtgenoot, of liever, minnaar ge zijt. Ik zeg u nogmaals, dat ge voor Rebekka niet bezorgd behoeft te zijn. Zij zal zich in mijn gezelschap volkomen veilig bevinden, terwijl ik vrees, dat de keurprins in uw gezelschap minder veilig is.quot;

„Dat vrees ik ook, excellentiequot; antwoordde Gabriël Nietzel met een zwakke poging om te glimlachen.

ocr page 84

76

„Een gued oud spreekwoord zegt; Die zich m tgevaar begeef, komt er in om,quot; hernam de grn af. „'t Is uw schuld niet, meester, zoo de keurprins dit spreekwoord met kent. Vaarwel nu, Nietzel, wees dapper en moedig, want een ander goed spreekwoord zegt; Het geluk begunstigt den moedige! Ga nu, meester, mijn kamerdienaar wacht u in

de voorkamer!'' j j-

„Ik t'a, excellentie,quot; zei Gabriel Nietzel deemoedig. „Moge God ons bijstaan en mijn vrouw en kind beschermen.

Hii boos diep en eerbiedig en spoedde zich naar de deur.

„Gabriël Nietzel, nog een woord,quot; nep de graaf, toen de schilder de hahd reeds aan de knop van de deur had gelegd. Hij wendde zich om en keerde langzaam tot den

Meeste?' Gabriël Nietzel,quot; hernam de graaf met een spottenden glimlach, „wees zoo goed mij den brief van mevrouw de keurvorstin te geven.

De schilder haalde een lederen bneventasch te voorschijn, nam er den open aanbevelingsbrief uit en reikte dien den

0 Deze gaf hem lachend den brief terug terwijl hij zeide;

Dezen kunt gil behouden, meester, ik heb heml reeds gelezen! Den Inderen, den tweeden brief van mevrouw

de keurvorstin moet ge mij geven.quot; .-i . j „*•

Gabriël Nietzel ontroerde en zag verschrikt den giaaf in het sluwe gezicht, en de groote fonkelende oogen.

„Den anderen brief!quot; mompelde hij. „den anderen br ef?

; Nu ja, meester, den geheimen brief dien gij na uuriyk mevrouw de keurvorstin gezworen hebt met uwen aatsten bloeddruppel te verdedigen en ongeschonden aan de keurprins te overhandigen. Mijn hemel, men kent dat immer men heeft zich dikwijls genoeg zelf zulke eeden laten doen, die later nimmer zijn vervuld geworden. Ge zijt n et voor niets keurvorstelijk hofschilder geworden met vijftig thaler traktement, kostgeld en twee wambuizen! Ge moet hiervoor ook iets doen. Geef mij dus den tweeden brief van mevrouw de keurvorstin, dien gij aan den ^euiPquot;^ zoudt overhandigen. Of liever neen ge behoeft uw eed niet te schenden. Zeg mij waar ge hem gestoken hebt,

dan zal ik hem nemen.quot;

„Excellentie, hij zit in pijn Imker zijzak,' prevelde Gabriël Nietzel.

ocr page 85

77

De graaf lachte luid en met een snellen behendigen greep haalde hij uit meester Gabriels linker zijzak een klein, tnet een zijden koord omwonden pakje te voorschijn. Voorzichtig, angstig bezorgd het koord niet te breken, ontknoopte hij het en wikkelde het daaronder zijnde papier uiteen. -Er lag inderdaad een sierlijken, goed verzegelden brief in.

„Aan mijn lieven zoon, den keurprins Friedrich Wilhelm,quot; las de graaf met luide stem. „Ge ziet, dat ik mij niet vergist heb! 't Is het schrift van mevrouw de keurvorstin en de brief is aan den keurprins gericht.quot;

„Maar ik heb heilig beloofd hern alleen den keurprins te overhandigen,quot; stamelde de schilder.

„Ge zult uw eed houden, meester Gabriél. Ga thans in de voorkamer! Mijn kamerdienaar wacht u en wellicht is er uw schoone Rebekka reeds.quot;

„En dien brief, excellentie; krijg ik dien brief niet terug?quot;

„Ja meester, ge zult hem terug hebben! Binnen een half uur kom ik zelf hem u terugbrengen. O, vrees niet, de keurprins zal niet vermoeden, dat een vreemde hand hem heeft aangeraakt. Er is mij zeiven immers te veel aan gelegen, dat de keurprins vertrouwen in u stelle en van uw eerlijkheid en trouw overtuigd zij. Gij meester, ik breng u den geheimen brief ongeschonden terug en zal hem zelf weder in uw linKer borstzak steken.quot;

Toen meester Gabriël Nietzel langzaam en treurig was heengegaan, spoedde zich de graaf naar zijne schrijftafel, nam een vuursteen, tondel en staal, en begon zoolang vuur te slaan tot het tondel vuur vatte en gloeide. Nu hield hij een zwaveldraad in het glimmend tondel, tot deze brandde en ontstak daarmede een waskaars op den gouden kandelaar. Toen nam hij uit een geheime lade zijner tafel een klein mesje met dun lemmet, maakte het in de kaars heet en schoof het behoedzaam onder het groote keurvorstelijke zegel, dat gemakkelijk en onbeschadigd weid losgemaakt.

Hij legde het zorgvuldig op een klein marmeren schoteltje en opende den brief, 't Was een zeer lang, vertrouwelijk schrijven der keurvorstin aan haar geliefden zoon. Met de grootste opmerkzaamheid las de graaf het tweemaal en vouwde het toen weder voorzichtig dicht.

„quot;t Is, zoo als ik gedacht heb,quot; zei hij zacht bij zich zeiven ;

ocr page 86

78

„de keurvorstin wenschl de langere afwezigheid van haar zoon; zij laat hem zelfs bemerken, dat zij er niets tegen heeft, zoo hij ginds een vrouw kiest en belooft hem, dat zij den toorn van zijn vader wel zal doen bedaren. Zij raadt hem, niet te komen en waarschuwt hem voor den boozen geest, die zijns vaders hart heeft omstrikt en het leven van den edelen lieven zoon zeker bedreigt. Nu, men moet erkennen, dat mevrouw de keurvorstin een goeden reuk heeft. Het instinct der moederliefde laat haar de toekomst zien en maakt haar tot profetes. Ik weet zeer goed, mevrouw de keurvorstin, dat wij elkandernooitbemind hebben, en dat wij sinds twintig jaren een kleinen verbitterden oorlog tegen elkander voeren, waarin, goddank, Schwarzenberg nog altijd overwinnaar is gebleven. Ik hoop het ook nog verder te blijven en deze brief zal mij daartoe een goed wapen zijn ! Ik wil er een afschrift van nemen. Wie weet, hoe ik hem later zal kunnen gebruiken en van dit stukje papier een dolk maken, die zich tegen de schrijfster en den ontvanger van den brief beiden richt, zoo de keurvorst hem in handen krijgt. Ik wil er een afschrift van nemen en dan zal ik hem meester Gabriël ongeschonden terugbrengen. O, neem u in acht en wees op uw hoede, Friedrich Wilhelm, want mevrouw uw moeder' heeft gelijk: ik ben uw booze vijand, en daar ik slechts goed staan kan, zoo gij valt, moet gij vallen! Ik heb heden veel opgemerkt en menige goede les ontvangen.'t Is beter geheel geen zoon te hebben, dan een ongehoorzamen zoon, die zich tegen mijn wil aankant. Maar hij zal zich tegen u verzetten, keurvorst George Wilhelm, hij zal u ongehoorzaam zijn en ik zal het mijne er toe doen. Wat zeide graaf Lesle : Als de zoon de vijand van zijn vader is moet men trachten den vader ook tot den vijand van zijn zoon te maken, want dan is het evenwicht hersteld. Ö, mijn beste graaf Lesle, ik ken zeer goed de geschiedenis van koning Philips van Spanje en zijn ongehoorzamen zoon don Carlos. Hoed u, keurprins Fiiedrich Wilhelm, dat u het lot van don Carlos niet te beurt valt en uw vader u niet straffen moet gelijk koning Philips zijnen zoon strafte!quot;

ocr page 87

TWEEDE BOEK. % DE KEURPRINS.

I.

DE DUBBELE SAMENKOMST.

Prinses Lodewike Hollandine ging onrustig in haar kamer op en neder. Somwijlen bleef zij aan het venster staan en luisterde of riaar buiten niets de stilte van den nacht verbrak; toen daar alles stil bleef, keerde zij terug, zette haar op- en nedergaan voort, maar luisterde gedurig opnieuw, dan aan de deur, dan weder aan het venster.

Bij, het op- en nederwandelen trof haar blik den groot en Venetiaanschen spiegel, die aan den wand hing en aan welks beide zijden twee zilveren luchters met groote brandende waskaarsen geplaatst waren. De spiegel weerkaatste haar beeld zoo helder en duidelijk als een schilderij, en de prinses trad nader om dat beeld nauwkeurig te bezichtigen.

Zij zag tusschen de breede, gesneden gouden lijst een fraai meisje in een hemelsblauw atlas kleed, dat met breede zware plooien langs haar bekoorlijke gestalte nederhing.

Het lage, met paarlen en kant versierde keurs liet haar schoone, witte schouders geheel bloot, terwijl onder het doorschijnend gaas der mouwen haar fraaie witte armen glinsterden. Om haar hoofd, dat trotsch en innemend op haar slanken hals rustte, golfde het rijke zwarte baar, dat in groote vlechten opgenomen, en met strikken van blauw satijn saamgebonden was, terwijl een menigte kleine, sierlijke krullen als een diadeem het hooge, breede voorhoofd kroonden. Haar wangen waren bleek, doch van een heldere doorschijnende tint; dit was echter geen zweem van ziekte

ocr page 88

80

of lijden, maar aan haar levendige, hartstochtelijke natuur eigen. Haar groote zwarte oogen hadden een smachtende uitdrukking; haar fijne licht gebogen neus, en haar breede eenigszins vooruitstekende kin getuigden van geestkracht en beradenheid, en om de volle roosachtige lippen zweefde een eigenaardige uitdrukking van goedhartigheid en lichtzinnigheid.

Lang had zij haar beeld beschouwd en een behagelijk lachje gleed nu over dat bekoorlijk gezicht. „Ik ben schoon,quot; zeide zij, zich zelve glimlachend toeknikkende, „ja, ik ben schoon, en ik geloof, dat zij gelijk hebben, die meenen, dat ik op mijn overgrootmoeder, de schoone Maria Stuart, gelijk. O, Maria, schoone betooverende koningin, leer mij de kunst, om de harten van mannen te winnen; beziel mij met den gloed van den hartstocht en Iaat liefdevlammen uit mij oprijzen. Maak, dat deze vlammen hem in brand steken en doorgloeien, dien ik bemin, dien ik bezitten wil en op wien al mijne hoop, al mijn verlangen gericht is. Maar stil, ik meen buiten gerucht te hooren.quot;

Wederom liep zij naar het venster en luisterde met ingehouden adem. Een scherp, driemaal herhaald fluiten werd gehoord, dat schril klonk in de stilte van den nacht.

„Hij is het,quot; prevelde de prinses, „'t is het afgesproken teeken!quot;

Zij nam van de tafel een uit allerlei koorden en knoo-pen bestaand pakje en ontrolde het. 't Was een kunstig gevlochten touwladder, die van boven met een stevigen ijzeren ring was samengehecht. De prinses schoof den ring om den ijzeren haak, die in het midden van het vensterkozijn bevestigd was; daarna opende zij voorzichtig het venster, en liet de touwladder zakken, terwijl zij, als antwoord op het gefluit, dit op dezelfde wijs herhaalde. Daarop sprong zij van 't venster terug, liep door de kamer naar de beide deuren, overtuigde zich dat de grendels toegeschoven waren, en liet toen haastig de portières er over nedervallen.

„Niemand kan ons hooren noch zien, niemand kan hier binnenkomen,quot; mompelde zij; „hij kan komen!quot;

Nu hoorde men buiten voor het venster een zacht gerucht, vervolgens vertoonde zich een donker voorwerp in het open raam, en een vermomde mannengestalte sprong

ocr page 89

81

van de vensterbank in de kamer. De gestalte was geheel in een wijden zwarten mantel gehuld, waarvan de kap over het hoofd en gelaat was getrokken.

Loerend wendde de vermomde het hootd naar beide zijden der kamer, liep die schielijk door, hief de portières der beide deuren op en onderzocht de toegeschoven grendels, ging toen naar den divan en bukte om er onder te zien. Na dit onderzoek volbracht te hebben, keerde hij naar het venster terug, maakte het koord van den haak los, haalde de touwladder op en sloot het venster.

Prinses Ludowike Hollandine had, midden in de kamer staande, met stijgende verwondering deze zonderlinge beweging van den vermomde gadegeslagen. Aanvankelijk had zij haar armen opgeheven om den verwachte, den gewenschte te begroeten en aan haar kloppend hart te drukken, maar toen hij niet kwam om haar te omhelzen had zij langzaam de armen laten zakken. Met een teederen blik, een bekoorlijken glimlach had yj hem tegemoet gezien, dóch nu hij niet op haar toesnelde, was haar blik verduisterd, haar glimlach verdwenen, en nam zij, toen hij haar naderde, een trotsche, ernstige houding aan.

Hij scheen dit niet te zien, boog voor haar de knie en, nog altijd met bedekt gelaat, vatte hij den zoom van haar kleed en drukte het eerbiedig aan zijn lippen.

„Allerschoonste, allerbekoorlijkste prinses,quot; fluisterde hij zacht, „ik smeek om genade, om vergiffenis.quot;

De prinses ontroerde en een gloeiende blos vloog over haar wangen. „Mijn God,quot; prevelde zij, „mijn God, dit is niet de stem . . .quot;

„Niet de stem van dengene, naar wien uwe doorluchtigheid verlangde,quot; vulde de knielende aan. „Ja, mijn bekoorlijke prinses, uw schoon, teeder hart heeft zich niet vergist, ik ben niet de keurprins van Brandenburg. Ik ben ...quot;

„De graaf d'Entragues, de Fransche gezant,quot; riep de prinses, toen de vermomde de kap van zijn mantel terug sloeg en zijn jeugdig, schoon gelaat, lachend tot baai-ophief.

„Roep niet, uwe doorluchtigheid,quot; zeide hij haastig, „vaar niet uit, maar wees genadig en vergeef mij. Ik lig hier aan uw voeten en smeek om vergeving en zal niet eerder opstaan, vóór ge mij die verleend hebt.quot;

Muhlbaoh, Be groote Keurvorst en syn tijd. I. 0

ocr page 90

82

Nog altijd hield de prinses haar verbaasden, vragenden blik op hem gericht, maar de aanschouwing van dezen schoonen jonkman ontwapende haar toorn.

„Sta op, heer graaf d'Entragues,quot; zeide zij, „sta op en verklaar mij deze ongehoorde onbeschaamdheid.quot;

„Uw hoogheid heeft gelijk,quot; antwoordde hij, „'tis een ongehoorde onbeschaamdheid en slechts de uiterste nood kon er mij toe dringen. Ik zal terstond der schoone prinses Ludowike Hollandine dit alles verklaren.quot;

Vlug richtte hij zich op, ontdeed zich van zijn mantel, dien hij haastig in een hoek der kamer wierp, en stond nu in zijn met goud geborduurd tluweelen gewaad, dat rijk met kanten en linten versierd was, voor de prinses.

Ludowike richtte haar'groote ougen op de trotsche, schitterende verschijning van den jongen graaf en de toorn-in haar oogen verminderde.

„Mijnheer de graaf,quot; zeide zij gebiedend, „verklaar mij nu onbewimpeld en zonder uitvluchten, wat dit alles te beduiden heeft!quot;

„Gij veroorlooft mij dit, schoone prinses? Gij staat mij toe een halfuur in uw verrukkelijke tegenwoordigheid te mogen blijven?quot;

En terwijl de graaf dit vroeg, nam hij de hand der prinses en bedekte ze met kussen. Daarop voerde hij haar met bevallige galanterie en plechtigen ernst, als bevonden beiden zich in een groot hofgezelschap, naar den divan. Toen zij er op had plaats genomen, boog hij zich voor haar met al den eerbied en onderwerping van een hoveling en nam naast haar op een kleine tabouret plaats.

„Uw hoogheid begeert nu vóór alles te welen, hoe ik het wagen durf, hier op zulk een ontijdig uur en zonder uw verlof binnen te dringen,quot; zeide hij met zijn fraaie, innemende stem. „Ik erken, genadige prinses, dat gij volkomen daartoe gerechtigd zijt. Uw genade verwachtte ongetwijfeld bezoek, maar niet den vervelenden, ondergeschikten graaf d'Entragues, niet den afgezant en dienaar van Koning Lodewijk den dertiende of van den kardinaal Richelieu, maar een jongen, schoonen, verleidelijken prins, die prinses Ludowike Hollandine met dweepende liefde bemint en aan wien zij eindelijk, na lang aanhouden, een eerste samenkomst heeft toegestaan.quot;

ocr page 91

83

„Mijn God!quot; zeide de prinses op versclmklen toon, „hoe weel ge dat, graaf?quot;

„Doorluchtige prinses, ik heb een toovenaar in mijn dienst, die alles uitvorscht, wat aan dit hof, maar bovenal, wat in het hotel der koningin van Bohernen en inzonderheid in de vertrekken der prinses Ludowike Hollandine voorvalt.quot;

„En wie is die toovenaar?quot;

„Ducato, genadige prinses, Ducato! O, zoo gij wist, welke lieve, heerlijke geheimen mij deze toovenaar heeft medegedeeld, hoe vaardig hij mij alles vertelt, wat de schoonste prinses ter wereld dag en nacht denkt en doet. Bij voorbeeld weet ik, dat de schoone prinses des daags met een ernstig uiterlijk bij mevrouw haar moeder vertoeft, met haar ter kerk gaat, met haar mijnheer den stadhouder van Holland bezoekt, met de kleine prinses Louise speelt, als zij zich niet aan de studie overgeeft, schildert ot muziek maakt. Maar het leven, bestaat, Goddank, niet enkel uit dagen, maar gelukkig ook uit nachten.quot;

„Wat bedoelt ge daarmede, heer graaf d'Entragues?quot;

„Ik bedoel,quot; antwoordde de gfaat, terwijl hij zich glimlachend dichter tot de prinses boog, „ik bedoel, dat in den Haag een wondervolle, een bekoorlijke vereeniging van jonge edellieden en aanzienlijke jonge dames bestaat, die het zich tot taak hebben gesteld bijzonder de nachten op te luisteren en zich voor de ernstige, ingetogen dagen door genotvolle nachten schadeloos testellen, 't Is een geheime orde, waarin 'teen groote onderscheiding is opgenomen te worden. Nooit zal een dame bekennen, dat zij er lid van is, en toch zegt men. dat de schoonste, de aanzienlijkste, de deugdzaamste dames om de eer dingen in deze orde opgenomen te worden. Men weet van geene der hofdames of zij er toe behooren, maar men vermoedt het van ieder. Niemand kan zeggen, dal hij er deze of geene aanzienlijke en deugdzame dame gezien heeft, want zij dragen bij al de samenkomsten kleine halve maskers, en 't is de eerste en heiligste wet der orde, dat geen man het mag wagen, ook slechts met den vinger dit masker, dit geheimzinnig schild der dames, aan te raken. Daar men er bovendien slechts in Grieksch gewaad verschijnt, is het moeielijk, in dit costuum, de fraaie geslallen der dames in de geborduurde hofkleeding

ocr page 92

84

met de stijve fontanges te herkennen. Deze geheime orde heet media node, en 't is een groote eer er toe te be-hooren, want niemand wordt er in opgenomen, die geen proeven levert, dat hij 't in eene of andere kunst tot een zekere hoogte gebracht heeft. Wie niet zingen of spelen, niet dansen of dichten, niet schilderen of improviseeren, geen redevoeringen houden of door een of ander talent tot het vermaak van het gezelschap bijdragen kan, wordt nooit lid van de orde der media node. Zoo men dus van een edelman fluistert, dat hij tot deze orde behoort, is hiermede gezegd, dat hij niet slechts een uitstekend kavalier, maar ook een fijn beschaafd man en een lieveling der muzen is. Indien men van een dame dit zegt, aanschouwt men haar met bewondering, want men weet, dat men een dier uitgezochte, bekoorlijke en zeldzame wezens voor zich ziet, die boven alle vooroordeelen verheven zijn en niet gelooven, dat men slechts leeft om te sterven, maar die blijmoedig erkennen, dat men leeft om te leven, en het de edelste en gewichtigste taak is, zich het leven zoo aangenaam mogelijk te maken.quot;

„Waarom vertelt ge mij dit alles, waarde graaf?quot; vroeg de prinses ongeduldig.

„Inderdaad,quot; antwoordde hij glimlachend, „waarom nog langer te vertellen, wat ge toch reeds weet? Ik vertel het uwe hoogheid om haar te bewijzen, dat ik, dank zij mijn kleine toovenaar Ducato, het geheim van de media node, ken-, ik vertel het, om u een geheim in 't oor te fluisteren; de prinses Ludowike Hollandine is lid der orde \a.n de media node.quot;

Met moeite onderdrukte de prinses een kreet en staarde verschrikt in het glimlachende gelaat van den graaf.

„Stil, mijn genadigste, stil,quot; fluisterde hij, terwijl hij haar hand nam en een eerbiedigen kus op haar rooskleurige vingertoppen drukte. „Waarom zoudt gij loochenen, wat zoo geniaal en schoon is? Mijn toovenaar Ducato bericht mij altijd de waarheid, waarom zouden wij ze bestrijden? Maar niet dit wilde uwe hoogheid van mij vernemen? Zij vroeg mij hoe ik wist, dat de keurprins van Brandenburg de schoone prinses Ludowike Hollandine bemint en hier heden met haar een eerste samenkomst zou hebben, 'tls wederom de toovenaar Ducato, die mij dit gezegd heeft; ja, deze goede, dienstvaardige toovenaar heeft nog meer voor mij gedaan! Hij heeft mij het kleine sierlijke briefje

ocr page 93

85quot;

hetwelk de prinses Ludowike gisteren door haar vertrouwde kamenier aan den vertrouwden kamerdienaar van den keurprins zond, in handen gegeven, nog vóór de prins zelf het gelezen had.quot;

„Dat is schandelijk, dat is ongehoord!quot; riep de prinses met gloeiende wangen en tranen in de oogen, ,^t Is een afschuwelijk verraad mijner kamenier, maar zij zal er voor boeten! Morgen jaag ik haar weg en . .

„Opdat zij aan de geheele wereld de kleine geheimen harer verhevene gebiedster vertellen zal?quot; vroeg de graaf d'Entragues. „O neen, uwe hoogheid, uwe kamenier is geheel onschuldig aan dit verraad en slechts de toovenaar Ducato was het, die mij het lieve briefje van de prinses in de handen speelde. En wil mijn verheven meesteres nu weten, wat ik met het briefje deed? Ik las het eerst, toen — ziende, dat men den prins vergunde hier ten één uur tot een rendez-vous te komen, — nam ik een klein zeer scherp mes en . .

„En ? mijn God! spreek toch! Wat deedt ge met het mes?quot;

„Ik schrapte zeer netjes en behendig het cijfer weg en maakte van de één een twee. Toen vouwde ik het brietje weder dicht en gaf het mijn toovenaar ter verdere bezorging aan den keurprins.quot;

„De keurprins heeft mijn briefje dus ontvangen?quot; vroeg de prinses levendig. „Hij zal bijgevolg . . .quot;

„Te twee ure, in plaats van te één ure, komen,quot; antwoordde de graaf en ving den blik op, dien Ludowike op de groote pendule sloeg, die voor den schoorsteen stond. „Ja, wij hebben nog juist een half uur tijd vóór de prins komt en ik hoop, dat dit genoeg is om van uw hoogheid vergeving voor mijn stoutmoedigheid te verkrijgen en mij met de geestrijkste, geniaalste en schoonste prinses van alle Europeesche hoven te verstaan. Wil uw hoogheid zoo genadig zijn mij gehoor te verleenen?quot;'

De prinses glimlachte bijna onmerkbaar.

„De vraag komt een weinig laat,'' zeide zij. „Zoo gij ze gedaan hadt, toen ge op de vensterbank stondt, om in mijn kamer te komen, zou ik u geantwoord hebben: neen, verwijder u, neen, ge zijt een onbeschaamde, die het gewaagd heeft mijn geheimen uit te vorschen, mijn dienstboden om te koopen en mij te bedriegen, door langs een weg te komen, dien hij zeer goed weet, dat voor hem niet

ocr page 94

86

gebaand was. Maar ge zijt hier nu eenmaal en ik lieb lielaas de macht niet u met geweld er uit te werpen en voor de geheele wereld te tuchtigen, zooals gij verdient.quot;

„Alsof deze harde en wreede woorden geen tuchtiging waren, die mijn hart gevoeliger treffen dan sabelhouwen en dolksteken.quot;

De prinses scheen deze smartelijke woorden van den graaf niet gehoord te hebben en vervolgde: „Ge zijt nu eenmaal hier en ik wil thans ten minste weten, wat u den moed gaf dit ongehoord waagstuk te ondernemen en mij uw tegenwoordigheid op te dringen. Ik ben hereid u te iiooren op voorwaarde, dat ge tracht kort te zijn en mij niet te lang met uw tegenwoordigheid te kwellen.quot;

„Doorluchtige, genadige prinses, ik dank u,quot; riep de graaf, terwijl hij van de tabouret op zijn knieën viel en het kleed der prinses aan zijn lippen drukte. ,,Ik dank u en zweer, dat ik den vergunden tijd niet overschrijden, maar mij met klokslag van twee ure zal verwijderd hebben.quot;

„Sta op, graaf, en spreek,quot; zei Ludowike gebiedend en met al de hoogheid eener prinses.

Graaf d'Entragues nam weder plaats op de tabouret „Uw hoogheid beveelt thans, dat ik haar verklare, hoe ik durfde wagen hier te komen ?quot;

„Ik beken, dat ik zeer nieuwsgierig naar die verklaring ben.quot;

„Welnu dan. Uwe hoogheid is jong, zelfs zeer jong, nauwelijks achttien jaar, maar zij bezit, bij een week en teeder hart, een genialen, schier mannelijken geest. Ik besloot hieruit, dat gij belang in de staatkunde stelt.quot;

„Hierin vergist ge u geheel, graaf. Ik haat en verfoei de staatkunde en als mevrouw mijn moeder mij over staatkunde wil spreken, loop ik telkens weg.quot;

„Dat is erg, zeer erg, uwe hoogheid, want ik ben gedwongen met u over staatkunde te spreken. Ik zal niet wijdloopig zijn, maar mij tot het noodzakelijkste bepalen. Ik zal beginnen met aan uwe hoogheid een bewijs van mijn eerbiedig, onbegrensd vertrouwen te geven, met haar te zeggen, wat niemand weet, waarom ik hier heen ben gezonden en wat, ik doen moet Schijnbaar ben ik hier heen gezonden tot den prins van Oranje als gezant van

ocr page 95

87

den koning van Frankrijk tot de heeren Staten. Maar eigenlijk ben ik tot geheel andere personen gezonden: tot den keurprins van Brandenburg en tot prinses Ludowike Hollandine.quot; *■

„Tot mij?quot; vroeg de prinses en haar gelaat teekende de grootste verbazing.

„Ja genadige prinses, tot u. En weet uwe hoogheid waarom? Omdat onze spionnen en de heeren van het Fransche gezantschap alhier bericht hadden, dat de keurprins van Brandenburg de quot;gloeiendste liefde^voor uw hoogheid koesterde.quot;

De prinses bloosde van genoegen en een wonderbare glimlach gleed over haar gelaat. „Maar,quot; vroeg zij, „wat gaat het 't hof van Frankrijk aan wie de keurprins van Brandenburg bemint?quot;

„Zeer veel, uwe hoogheid, want — nu kan ik niet vermijden uwe hoogheid een weinig met de gehate politiek lastig le vallen, om haar te verklaren, waarom de liefde van den keurprins van Brandenburg een staatsaangelegen-heid voor de Europeesche hoven is. Dat komt, uwe hoogheid, omdat de keurprins, hoe klein zijn huis en hoe onbeduidend zijn toekomstige staat de Mark Brandenburg, ook zij, toch een zeer gewichtig persoon is. Boven zijn hoofd zweven drie kronen, en verkrijgt hij die, dan wordt hij een machtig vorst, wiens zwaard in de weegschaal van oorlog en vrede den doorslag kan geven.quot;

„Welke zijn die kronen, die als luchtballons boven den prins zweven?quot;

„Ten eerste de kroon van het hertogdom Pruisen, welke de koning van Polen den keurvorst van Brandenburg in leen kan geven en welke de keurvorst van Saksen zoo gaarne op zijn eigen hoofd zou zien nederdalen. Ten tweede de kroon van het hertogdom Pommeren, die aan het huis Brandenburg krachtens erfpnis toekomt, doch wTelke de Zweed het betwist. Ten derde, de kroon van het hertogdom Kleef, Gulik en Berg, welke de keizer van Duitsch-land wel is waar reeds aan dat huis toegekend heeft, doch die door Hossen en Spanje, door de heeren Staten, door Zweden en door allerlei roovergespuis zoo geplukt wordt, dat er misschien niets van zal overblijven. Maar in elk geval is zij er toch, en zoo het den toekom-stigen keurvorst van Brandenburg werkelijk gelukt, deze

ocr page 96

88

drie kronen, met den keurvorstelijk Brandenburgschen hoed op zijn hoofd te vereenigen, dan is hij machtig en rijk aan invloed, en heeft een gebiedende stom onder de Europeesche vorsten. Nu heeft men echter vernomen, dat de keurvorst van Brandenburg ziekelijk is en niet lang meer leven zal. Dan wordt de keurprins Friedrich Wilhelm zijn opvolger en men behoeft den prins slechts eenige uren gadegeslagen en in zijn vurige oogen gezien te hebben, om te weten, dat hij niet als zijn vader, een deemoedig vazal van den Duitschen keizer, en enkel een werktuig in de handen van zijn ministers zal zijn, maaier naar streven zal, een vrij en zelfstandig vorst te zijn en zijn land tot een machtigen, sterk aaneengesloten staat te maken. De heer von Schwarzenberg, de alvermogende minister van den tegenwoordigen keurvorst, weet dat zeer goed en daarom vreest en haat hij den keurprins. Hij heeft hem van het hof zijn vaders verwijderd, opdat hij daar geen invloed zou uitoefenen, en hij zou zeer gelukkig zijn, zoo de keurprins nimmer terugkeerde, of een gelukkig toeval of een misdadige hand hem van dezen lastigen troonopvolger bevrijdde. Het toeval is hem niet gunstig geweest; tot nog toe heeft hij geen moordenaars kunnen vinden, en bijgevolg er aan moeten denken op een andere wijze zijn toekomst te verzekeren en den keurprins zoodanig te kluisteren, dat hij ook als keurvorst een gehoorzaam vazal van den keizer blijft. Het beste middel om dit doel te bereiken, was den keurprins door een huwelijk aan het Duitsche keizershuis te verbinden en hem in de familie der Habs-burgers op te nemen. De aartshertog Leopold, de toekomstige keizer, heeft een zeer schoone dochter. Zij is geestig, vurig, streng katholiek, en de grootheid vaff'-het huis Habsburg en van den Duitschen keizer ligt haar na aan het hart. Deze prinses, ,of liever aartshertogin, heeft men voor den keurprins van Brandenburg bestemd, en daarom moet de keurprins naar zijn vader terugkeeren, want de keurvorst en de minister von Schwarzenberg zijn zeer met dit keizerlijke huwelijk ingenomen en hebben reeds beloofd, dat de keurprins een bezoek aan het keizerlijk hof zou afleggen. Maar lieve hemel, ik maak misbruik van uw goedheid, prinses, ik houd voor u een wijd-loopige politieke voordracht en vergeet geheel en al, dat gij

ocr page 97

89

de politiek haat, en ik biiLfevolff de vermetelheid heb u te vervelen.quot;

„Gij verveelt mij volstrekt niet,quot; antwoordde Ludowike levendig; „integendeel, gij wekt mijn belangstelling in hooge mate! Ga voort, ik luister aandachtig. Gij zeidet, dat de keurprins aan het keizerlijk hof een bezoek moest brengen om met eene aartshertogin te trouwen.quot;

„Vergeving, uwe hoogheid, ik zeide slechts, dat dit het nieuwe plan van het keizerlijk hof en bijgevolg ook dat van den minister Schwarzenberg en zijn keurvorst is. Waarlijk,' het plan is goed, want 's Keizers schoonzoon zou immers geheel en al van Oostenrijk afhankelijk zijn en zoo hij dan de drie kronen op zijn hoofd zag vereenigd, zou dit even goed zijn alsof Oostenrijk ze had verkregen. Men zou het jonge echtpaar een verdrag laten teekenen, krachtens hetwelk de overlevende de erfgenaam van den overledene werd. Dan zou op den een of anderen dag de keurprins of de jonge keurvorst het ongeluk hebben van óf een val met zijn paard te doen, óf op jacht door een dommen kogel getroffen, of door een plotselinge, raadselachtige ziekte aangetast te worden ; kortom, hij zou sterven en zijn gemalin zijne erfgename wezen, en door haar zouden de keurmark Brandenburg, de hertogdommen Pruisen, Pom-meren en Kleef aan het keizerlijke huis vervallen. Dit zou dan, om een einde aan den langen vreeselijken oorlog te maken, den vrede, met Zweden sluiten door het Pomme-ren af te staan, en de andere Duitsche mogendheden zouden, om den oorlog, die geheel Duitschland verscheurt, geëindigd te zien, er in bewilligen dat Pommeren Zweedsch, en Kleef, Brandenburg en Pruisen Habsburgsch werden.quot;

„Heer graaf,quot; riep de prinses, „ge wordt vervelend, want ge dwaalt van uw onderwerp af!'

„Van den keurprins? O neen, ik ben er reeds weder bij, allerschoonste prinses. Ik zeide, dat geheel Duitschland in dit huwelijk zou toestemmen; ook Polen zou liever het katholieke keizershuis dan den gereformeerden keurvorst met de kroon van Pruisen beleenen en zich aan den Oostenrijkschen nabuur een vriend tegen den anderen, den Bussischen nabuur, verwerven; slechts twee Europeesche mogendheden hadden dit huwelijk liever niet en zij zullen alles doen om het te verhinderen.quot;

„quot;Wie zijn die twee mogendheden, beer graaf?quot;

ocr page 98

90

„De eene is Frankrijk, die nooit in zulk een buitengewone vergrooting van het Oostenrijksche gebied zou bewilligen, en nooit zal toegeven, dat het zich ten Noorden, Westen en Oosten zoo ver uitbreide.quot;

„En de andere mogendheid,quot; graaf?quot;

„De andere is de prinses Ludowike Hollandine van den Paltz, die nooit van den fraaien keurprins afstand zal doen en ieder middel aangrijpen om diens huwelijk met eene andere te beletten. Wilt gij zoo genadig zijn te erkennen, dat ik de waarheid heb gezegd?quot;

„Ja,quot; riep de prinses hartstochtelijk, „ge hebt de waarheid gezegd! Ik bemin hem en er is voor mij op aarde slechts één geluk, namelijk zijn gemalin te worden.quot;

„Prinses, ik waag het, u een voorstel te doen. De beide mogendheden, die een huwelijk met een Oostenrijksche aartshertogin niet willen, sluiten met elkander een aanvallend en verdedigend verbond. Frankrijk is hiertoe met vreugde bereid. Het belooft aan de andere mogendheid, dat het al haar plannen zal bevorderen en ondersteunen, dat het een werkdadige hulp wil verleenen, ten einde prinses Ludowike Hollandine met den keurprins van Brandenburg in het huwelijk te doen treden.quot;

„O, mijn God! graaf, wilt ge dat doen, gij . . .quot;

„Frankrijk wil dat doen, niet ik,quot; zeide de graaf hartstochtelijk. „Niet ik, prinses, want gij weet, dat ik zelf vermetel genoeg was mijn oogen tot uw hemelsche verschijning op te heden, mijn hart . . . Maar stil, arm, dwaas hart, olTer u zelf en beijver u om het heerlijke voorwerp uwer vurige en gloeiende liefde gelukkig te maken! Prinses, gij bemint den keurprins. Frankrijk biedt u zijn hulp, opdat gij met hem in't huwelijk kunt treden. Dit huwelijk zal zoowel den keurvorst als den Duitschen keizer in hevigen toorn brengen, beiden zullen hun toestemming weigeren en zullen van Holland de uitlevering van den prins eischen; zij zullen den echt der beide minderjarige gelieven ongeldig verklaren en den keurprins alle geldmiddelen ontnemen.quot;

„Dat is schrikkelijk, ge laat mij daar een peilloozen afgrond zien, die mij met vrees en ontzetting vervult,quot; jammerde de prinses.

„Vrees niet,quot; fluisterde de grnaf. „Frankrijk is er om u bij te staan. Frankrijk biedt het jonge paar te Parijs

ocr page 99

91

een schuilplaats aan en zal hel .met vreugde aan zijn hof ontvangen. Frankrijk zal er voor zorgen, dat het den keurprins en zijn gemalin aan niels ontbreekt; het zal hen overvloedig van geld voorzien en den keurprins gelden leenen, om zijn jonge gemalin een kostbaar bruidsgeschenk te geven; eindelijk zal het, in naam van mevrouw uwe moeder, de keurvorstin van den Paltz, der prinses een waarlijk vorstelijken uitzet bereiden.quot;

„Hoe goed en voorkomend is dit van Frankrijk!'' riepLu-dowike, „Het wil mijn geluk bevorderen en mij bijstaan om met mijn geliefde vereenigd te worden: het verplicht mij hierdoor tot eeuwige dankbaarheid on nooit zal ik vergeten, dat ik aan Frankrijk mijn levensgeluk verschuldigd ben.quot;

„En, mijn aanbiddelijke prinses, het eenige, wat Frankrijk voor zijn goede diensten begeert, is een weinig dankbaarheid! Fen trouwe herinnering aan zijn bewezen goede diensten, de vaste belotte, dat de keurvorst Frie-drich Wilhelm van Brandenburg zich nooit aan de zijde van Frankrijks vijanden stellen, zich nooit met het Oosten-rij ksche huis tegen Frankrijk verbinden, maar steeds de getrouwe bondgenoot en vriend van Frankrijk blijven zal.quot;

„Ik beloof het u, ik geef er u mijn woord op! O, wij zullen u met geen ondank beloonen, wees daarvan verzekerd. De keurprins bemint mij, alles zal hem welkom zijn wat een echtverbintenis met mij mogelijk maakt; eeuwig zal hij hun dankbaar zijn, die hem daarbij hulp verleenden.quot;

„En — veroorloof mij een vraag, uw hoogheid — heeft hij u zijn hand aangeboden, heeft iiij den bepaalden wensch uitgedrukt met u te trouwen?'

„Duizendmaal heeft hij mij gezworen, dat hij mij bemint, hij heeft mij zoo lang en zoo dikwijls gebeden hem een samenkomst te verleenen, tot ik eindelijk toestemde; hierin ligt immers al het andere van zelf opgesloten.quot;

„Nu,quot; zeide de graaf met een fijnen glimlach, „'t is al naar men het nemen wil. In elk geval zal deze samenkomst uw doel bevorderlijk zijn; uwe hoogheid zou thans kunnen trachten, dat de keurprins zich bepaald verklaarde.quot;

„Mijn God!quot; riep de prinses ongeduldig, „ik zeg u immers, dat hij zich reeds dikwijls heeft verklaard, dat hij mij duizendmaal gezworen heeft, mij en mij alleen op de

ocr page 100

92

wereld te beminnen! Wat moet hij mij nu nog meer verklaren ?quot;

„Prinses, gij zijt een engel van onschuld en maagdelijk vertrouwen. Als ik zeg, dat de keurprins zich moet verklaren, bedoel ik hiermede, dat hij om uw hand moet vragen ; hij moet u met woorden zeggen, dat hij met u wenscht te trouwen.quot;

„Goed, dat zal hij doen! heden nog! O mijnheer, ge zoudt aan de liefde van den keurprins willen twijfelen? Ge waagt het voor mogelijk te houden, dat de prins slechts met mij geschertst en geen ernstige bedoelingen heeft? ik zal u bewijzen, dat ge u bedriegt, dat ge mij en den keurprins met uw twijfel beleedigt. Nog dezen nacht zal de keurprins mij zijn hand aanbieden, nog dezen nacht zal ik mij met hem verloven !quot;

„En morgen nacht moet het huwelijk voltrokken worden,quot; voegde de graaf er bij.

De prinses ontroerde en een gloeiende blos bedekte haar wangen. „Reeds morgen nacht.quot; prevelde zij, „mijn God, deze spoed . .

„Is noodzakelijk, indien er van het huwelijk ooit iets worden zal, prinses. Er is een zeer gewoon, maar zeer verstandig spreekwoord, dat zegt: men moet het ijzer smeden, als het heet is. — Smeed, prinses, smoed, want ik zeg u, wat morgen niet geschiedt, zal overmorgen geheel onmogelijk zijn. Wij hebben gelukkig overal onze geheime agenten; hier zoowel als aan het hof te Berlijn en Koningsberg; wij weten, dat zoowel graaf von Schwar-zenberg als de keurvorst boden herwaarts hebben gezonden, om den keurprins tot een spoedig vertrek te bewegen en hem met den vaderlijken toorn te dreigen, indien de keurprins er aan mocht denken met de prinses Ludo-wike Hollandine te trouwen.quot;

„Maar dat is immers afschuwelijk!quot; riep de prinses met tranen in de oogen.

„Een dezer boden,quot; hernam de graaf, „en wel de bode van graaf von Schwarzenberg naar ik vermoed, is reeds heden avond aangekomen en de keurprins heeft hem reeds ontvangen. De andere komt waarschijnlijk morgen, en zoo gij dan nog aarzelt, zoo gij niet in den eersten storm des toorns den prins verrast en er hem toe brengt zich met u door een geheim huwelijk te verbinden, dan is alles

ocr page 101

verloren en de beide mogendheden Hollandine en Frankrijk zullen door Brandenburg en Oostenrijk overwonnen worden.quot;

,,Dat zal niet geschieden!quot; riep de prinses opspringend en met driftige schreden heen en weer gaande. „Neen, wij zullen niet overwonnen worden. Men zal mij mijn geliefde niet ontrukken!quot;

„Welnu, prinses, zoo gij dit vast besloten hebt, verzoek ,ik om het voorrecht u behulpzaam te mogen zijn.quot;

„Ja, help en raad mij!quot;

• „Ik heb op uwe liefde en geestkracht gerekend, prinses, en reeds een bepaald plan ontworpen. Wilt ee bet hooren ?quot;

„Niet alleen hooren, maar ook uitvoeren, zoo het eenigs-zins mogelijk is,quot; riep Ludowike, terwijl zij midden in de kamer staan bleef en baar groote vlammende oogen op den graaf richtte, die ook was opgestaan en haar glimlachend naderde.

„Welnu, prinses, het plan is kort en eenvoudig. De prins doet u dezen nacht zijn huwelijksvoorstel.quot;

„Ja nog in dezen nacht,quot; zeide zij trotsch.

„Hij zweert u, zoo spoedig mogelijk met'u te trouwen.quot;

„O, wees er van verzekerd, dat zal hij zweien.quot;

„Gij bekent hem, dat gij vrienden hebt op wier hulp en bijstand gij rekenen moogt, maar gij laat hem niet blijken, wie die vrienden zijn. Dan brengt gij het gesprek op de media node — maar, hemel,quot; viel de graaf zich in de rede, terwijl hij als toevallig naar de klok zag, „over eenige minuten is het twee uur, en de keurprins zal stellig stipt op tijd komen. Ik heb alles, wat noodig is, en wat gij de goedheid zult hebben van heden tot morgen te doen, opgeschreven, opdat uwe hoogheid het herhaaldelijk zou kunnen lezen en in haar gedachten houden. Hier is het papier en moge mijn geschrift genade en verhoor vinden. Zoo dit het geval is, wil uw hoogheid mij dan de .gunst bewijzen morgen vroeg te tien ure haar venster een weinig te openen en er een oranjelint uit te laten waaien. Al het overige schikt dan van zelf, en wat uw hoogheid te doen heeft, staat op dit papier. Ik haast mij thans te vertrekken, opdat uw hoogheid nog tijd overblijve om dit geschrift te lezen.quot;

„Maar zoo de prins nu reeds kwam,quot; vroeg Ludowike

ocr page 102

94

angstig, ,,200 hij zag, dat eau man uit dit vensier klom?quot;

„Gij hebt gelijk, prinses, dat is te vreezen, en ik heb er derhalve ook aan gedacht. Ik zal niet door het venster vertrekken.quot;

„Niet door het venster? Maar hoe dan . . .quot;

„Door gindsche deur! Ik weet wel, dat zij naar het woonvertrek der prinses voert en men van daar in de voorkamer komt. Ik ken het kasteel Doornweerd zeer nauwkeurig, want het is immers de residentie der keurvorstin van den Paltz en hare schoone dochter de prinses, en ik heb er een nauwkeurig plan van laten teekenen. Bovendien wacht mij in de voorkamer uw kamenier Alice — vergeving voor haar, dat zij de beden van haar landgenoot en den toovenaar Ducato niet kon weerstaan! — Alice zal mij door een achterdeur het kasteel doen verlaten! En nu, aanbiddelijke prinses, verheven keurvorstin der toekomst, vergun uw trouwsten en ijverigsten dienaar, dat hij nog eens tot afscheid uw geliefde hand aan zijn lippen drukke en u zegge, hoe onuitsprekelijk gelukkig, en ach, hoe onuitsprekelijk ellendig het hem maakt, dat hij er toe medewerken kan en moet — om de prinses Ludowike met den keurprins in den echt te vereenigen.quot;

Met betooverenden glimlach reikte de prinses hem de liand. „Graaf d'Entragues,quot; zeide zij, „ik zal u eeuwig dankbaar zijn voor uw opoffering en trouw; ik zal mij gelukkig achten zoo ik eenmaal de gelegenheid vind u dit te bewijzen Vaarwel! '

Hij drukte een langen, gloeienden kus op haar hand. „Vaarwel,quot; zeide hij. „Als ik u wederzie, prinses, zal ik u naar het altaar moeten leiden en zien, dat de prinses Ludowike Hollandine in een keurprinses van Brandenburg herschapen wordt; dan zullen in mijn hart gebeden, maar ook tranen zijn! Vaarwel!quot;

Hij sprong op, ging met haastige schreden door de kamer, schoof de grendels der deur terug en verdween achter de portiére.

De prinses oogde hem na tot hij verdwenen was. Na zich overtuigd te hebben, dat hij werkelijk was vertrokken en zij de deur weder gegrendeld had, nam zij het papier en las langzaam en met nauwkeurige oplettendheid den inhoud.quot;

Meer en meer verhelderde haar gelaat terwijl zij las,

ocr page 103

95

en immer sterker werd de glimlach om hare lippen. „Ja,quot; riep zij, toen zij het geschrift ten tweedemale had gelezen, ,ja dat gaat, zoo moet het zijn! Morgen in de media nocte wil ik . . .quot;

Een luid scherp gelluit deed zich hooren. „Hij komt,quot; fluisterde zij verheugd, „hij komt!quot;

Zij schoof het papier met bevende handen in een lade harer schrijftafel en ijlde naar het venster, om het te openen en de touwladder neder te laten.

Thans klonk het fluiten ten tweedemale met haastig op elkander volgende toonen.

„Hij is het, 'tis mijn geliefde,quot; lispelde Ludowike en met een gelukkigen glimlach op het gelaat luisterde zij naar zijne opstijging.

II.

DE KEURPRINS.

De prinses behoefde niet lang te wachten. Het schuren en]|kraken van de touwladder verried ..haar, dat deze reeds een last te dragen had. Ludowike boog dieper uit het venster en zag de donkere schaduw, die hooger en hoo-ger klom; zij hoorde reeds zijn adem, thans —thans was hij er. Hij sprong door het venster naar binnen en zonder een woord te zeggen, zonder iets anders dan haar, haar alleen te zien, viel hij voor de prinses op de knieën sloeg zijn armen om haar middel en met een gelukkigen glimlach tot haar opziende, fluisterde hij: „Ik dank u, Ludowike, ik dank u!quot;

Zij boog zich tot hem met een uitdrukking van onuitsprekelijke liefde en hun glinsterende oogen ontmoetten elkander met teederen blik.

't Was een fraaie schilderij, die twee jeugdige gestalten in zulk een lieflijke groep vereenigd. Zij met een blik vol liefde over hem gebogen, hij met van vervoering stralende oogen tot haar opziende. Het volle licht der kaarsen, die op zilveren kandelaars brandden, bescheen zijn aangezicht en Ludowike zag met zulk een betoove-

ocr page 104

96

renden glimlach op hem neder, alsof zij hem thans voor de eerste maal aanseliouwde.

„Hoe schoon zijt gij,quot; lispelde zij zacht, terwijl zij met haar blanke handen over de lange golvende, donker blonde lokken streek, die als leeuwenmanen van zijn hoofd op de krachtige schouders vielen. „Ja, gij zijt schoon,quot; herhaalde zij glimlachend, en ze streek kozend haar hand over zijn gelaat, over zijn hoog gewelfd voorhoofd, over zijn forsche, lichtgebogen adelaarsneus, over zijn volle, gloeiende lippen, die op de overglijdende hand een vuri-gen kus drukten.

„Laat mij in uw oogen zien, wat er in geschreven staat,quot; voer Ludowike voort en boog zich dieper tot den knielenden jongeling, zag hem daarop lang in de groote donkerblauwe oogen, die glinsterend als twee vonkelende sterren haar tegenblonken.

„Hebt ge gelezen, wat in mijn oogen staat,quot; vroeg hij na een lange pauze, waarin slechts hun blikken en luid kloppende harten tot elkander gesproken hadden. „Hebt gij het gelezen, mijne Ludowike?quot;

Zij schudde met een zweem van bekoorlijk pruilen het hoofd. „Neen,quot; zeide zij treurig, „ik kan het niet lezen, want misschien staat er niets in, ten minste niet voor mij.quot; Hij sprong op, sloeg zijn arm vast om haar hals, bracht zijn gelaat dicht bij het hare, boorde met zijn vlammende blikken diep in haar oogen en glimlachte hierbij zoo zalig, zoo kinderlijk blijde.

„Lees,quot; zeide hij schier gebiedend, „lees en zeg mij, wat in mijn oogen staat.quot;

Langzaam schudde zij het hoofd. „Er staat niets in,quot; fluisterde zij. „Waarlijk, hoe kan ik het weten? De keur-prins Friedrich Wilhelm is zoo geleerd en 't ligt dus aan mij, dat ik niet lezen kan, wat in zijn oogen staat. Het zal in 't Latijn of misschien wel in 't Grieksch zijn geschreven.quot;

„Neen, ondeugende, wreede geliefde,quot; riep hij onstuimig, „gij wilt niet begrijpen en niet lezen, wat duidelijk en verstaanbaar in mijn oogen staat. Geen Latijn of Grieksch, want mijn hart spreekt Duitsch, en de oogen zijn de lippen, waarmede het hart spreekt.quot;

„Nu, zeg mij dan, neef Friedrich Wilhelm, wat in uw oogen staat?quot;

ocr page 105

97

„Ik zal 'tu zeggen, nicht Ludowike tlollandine. Er slaal in: ik bemin u, ik bemin u! En altijd slechts: ik bemin u!quot;

„Maar wie? Tot wie zijn deze drie kleine woorden gericht?quot;

„Tot u, liefdelooze, tot u, ondeugende, tot u zijn deze drie woorden gericht. Maar 'tzijn niet, zooals ge zegt, kleine woorden, 'tzijn groote, zwaarwichtige woorden, want een wereld, een geheel menschenleven, mijn ge-heele toekomst ligt in deze drie woorden: ik bemin u!quot;

Hij omvatte haar en drukte haar innig aan zijn hart; Ludowike leunde met haar hoofd op zijn schouder en zag met vochtig gloeiende ocgen tot hem op. Hij lonkte haar glimlachend toe, nam vervolgens haar hoofd tusschen zijn handen en aanschouwde lang en vol zaligheid haar fraai gelaat.

,,Nu heb ik u eindelijk en behoud u, mijn 'gouden vlinder,quot;' zeide hij zacht, „eindelijk zijt ge de mijne en ik houd u vast bij uw doorschijnende vleugels, opdat ge mij niet weder zult ontvlieden om naar de zon, naar de bloemen, naar de boomen te vliegen. O, mijn vlinder, liefelijk wezen van etherslof en regenboogglans, van lucht en zonneschijn, van bliksemvonken en ijs gevormd, zijt ge nu werkelijk de mijne? Mag ik u gelooven? Denk niet, dat ik zulk een arm klein struikgewas ben, waarop ge u glimlachend een oogenblik in den zonneschijn wiegelt en u verlustigt aan den geur, die uit zijn hartebloemen opstijgt, en aan de liefdezangen, welke in den adem zijner zuchten u tegenruischt? Zeg mij, vlinder, wilt ge niet meer wegvliegen, maar trouw zijn en mij niet langer beangstigen en kwellen?quot;

.„Ik heb u nooit willen beangstigen en kwellen, neef.quot;

„En hebt het toch gedaan, zoo vaak, zoo schrikkelijk,quot; riep hij, terwijl zijn fraai, vroolijk gezicht verduisterde en zijn oogen van toorn glinsterden, „Ludowike,quot; hernam hij, „ge hebt mij gemarteld en gekweld; als ik zag hoe ge anderen toeionktet, met hen blikken wisseldel en :t u liet welgevallen, dat zij u hun hulde en vereering brachten, vaak was 't mij dan alsof een ijzeren vuist mijn hart greep om het uit mijn borst te scheuren; ik had dan een gevoel alsof ik gedwongen werd over mijn toom te juichen. Scheur mijn dwaas hart uit mijn boezem,

Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd I. 7

ocr page 106

08

ijzeren hand der smart, zeide ik lot mij zeiven; werp ver van mij dit kinderachtig hart, dan zal ik gelukkig en blijmoedig zijn, want dan zal ik geen liefde meer gevoelen en van de schrikkelijke kluisters zijn hevi ijd, welke zij mij oplegt. Hoe vaak, Ludowike, heb ik mij over deze kluisters geschaamd en er in gebeten evenals een geketende leeuw, die in zijn kerker is opgesloten.quot;

„Waarlijk, mijn schoone heer,quot; riep Ludowike, terwijl zij arm in arm geslingerd met den geliefde naar den divan ging, „waarlijk als men u zoo hoort zou men meenen, dat de liefde een smartelijk ongeluk was.quot;

„Zij is 'took,quot; zeide hij schier wrevelig, „ja, de liefde is een ongeluk en een smart, want naast de liefde is de twijfel en ijverzucht, en de ijverzucht is de vreeselijkste kwelling. En dan, vaak heb ik 't gezegd, als ik om u weende van woede en smart, omdat ge voor anderen vriendelijker waart geweest dan voor mij, vaak heb ik't gezegd, dat het een man onwaardig is zich door de liefde onder 'tjuk te laten brengen, en een vrouw tot meesteres zijner gedachten, zijner wenschen te maken, dat een man naar een hooger doel streven, zich voor verhevener zaken bezielen moet.quot;

„Voor verhevener zaken? Maar zeg mij dan toch, momster, is er iets verhevener dan een vrouw? Is er een hooger doel dan door haar bemind te worden?quot;

„Neen, 'tis waar, er is niets hooger,quot; riep hij hartstochtelijk. „Ach, vergeving, Ludowike: ik was een barbaar, die zijn godin verloochent en zich jegens haar bezondigd heeft uit overmaat van gevoel. Mijn God! ik heb zooveel geleden door u en uw wreedheid, en ik zeg 't u, hadt ge nu niet eindelijk mijn beden verhoord en mij eindelijk een samenkomst toegestaan, dan . .

„Dan zoudt ge u gedood hebben,quot; viel zij hem in de rede, „dan zoudt ge u zeiven op den drempel mijner deur, mij vloekende, doorstoken hebben. Niet waar, dit wildet ge zeggen ?quot;

„Neen, ik zou den man hebben opgezocht, dien ge boven mij verkoost; hem zou ik gedood en u—u veracht hebben, dat wilde ik zeggen. Maar neen, ik kan 't evenmin begrijpen als denken, u te verachten, u niet meer te beminnen! Mijn geheele ziel behoort u en mijn hart vlamt u legen, als ware 'teen eenige groote vuurzee! Gij lacht, gij ge-

ocr page 107

99

looft mij niet, Ludowike! Maar ik zeg u, zoo ge mij niel gelooft, gelooft ge ook niet aan de liefde.quot;

„Ik gelool er ook niet aan, neef, en ge hebt gelijk; uw hart is een vuurzee. Maar ge weet toch, dat alle vuren uitdooven.quot;

„Als men ze brandstof onthoudt, Ludowike, alleen dan. Zij branden eeuwige als zij maar eeuwig voedsel krijgen.quot;

„Zoo, en gij eischt, mijnheer de keurprins, dat ik uw voedsel zij?quot;

„Ja, mijft prinses, dat eisch ik, dat smeek ik. Wees goed, Ludowike, kwel mij niet; laat mij eindelijk in het bewustzijn van mijn geluk mijn arm om uw hals leggen om te kunnen zeggen en denken: zij is de mijn.e en zij blijft de mijne!quot;

»Blijtt de mijne !quot; herhaalde Ludowike zuchtend. „Ach, Friedrich, hoe lang, en ge zult niet meer wenschen, dat ik de uwe zij; hoe lang, en al de eeden van uw hart zullen vergeten en verstomd zijn. Ik heb het van zoo vele vrouwen gehoord; allen zeggen, de liefde der mannen is vergankelijk en als een weerlicht, dat flikkert en verdwijnt.quot;

„Zij allen hebben u bedrogen of zijn allen bedrogen geworden, Ludowike. Nooit verdooft de liefde der mannen, als de vrouwen ze niet met geweld uitdooven. Wees ge-loovig, mijn Ludowike, geloovig en vroom; laat de liefde heilig en stil, gloeiend en vurig uw hart innemen, gelijk ik het doe, zonder aarzelen, zonder schroom, zonder men-schen vrees.quot;

„Gij bemint mij dus werkelijk?quot; vroeg zij, zich teeder tegen hem vleiend. .

„Ik bemin u met toorn en smart, bemin u met vreugd en verrukking, bemin u trots de geheele wereld. Ik wil niets weten, niets bedenken, niets hooren van de dwaasheid der wijzen, het onverstand der verstandigen, de domheid der schranderen; ik wil niets weten of niets hooren dan dat ik u bemin. Maar juist zooals gij zijt, zoo wreed en zoo betoo verend, zoo behaagziek en zoo onschuldig, zoo hartstochtelijk en zoo koel. Ach, ge zijt een too-veres, die mijn geheele wezen herschapen en bezit genomen hebt van al mijn gedachten en gewaarwordingen. Vroeger beminde ik mijn ouders, vreesde mijn vader, had oerbied voor mijn vriend en voormaligen onderwijzer, den trouwen Leuchtmar, luisterde naar zijn raad en volgde zijn vermaningen. Maar dit alles is voorbij, ik

ocr page 108

i()0

denk slechts aan u, ik ken slechts u en ik luister alleen naar u!quot;

„En toch zal een dag komen, dat ik u tevergeefs roep, een dag, dat ge niet meer naar mijn stem luistert.quot;

„'t Zal de dag zijn dat ik sterf.quot;

„Neen, het zal de dag zijn, waarop gij van hier reist. De dag, waarop gij naar uw vaderland terugkeert, om er een regeerend heer te worden, en de arme piinses Ludowike verlaten en eenzaam hier moet achterblijven.quot;

„Zult ge dan niet met mij gaan ?quot; vroeg hij geheel verwonderd. „Zal mijn vaderland niet het uwe zijn? En als ik een regeerend heer ben, zult gij dan niet als regeerend vorstin aan mijn zijde staan?quot;

„Ik?quot; vroeg zij in verwarring. „Hoe meent ge dat? Ik begrijp u niet.quot;

„Ik meen,quot; fluisterde hij zacht, haar innig tegen zich drukkende, „ik meen, dat ge mij als mijn gemalin begeleiden zult.quot;

„Maar,quot; riep zij glimlachend en met een van vreugde schitterend gelaat, „maar gij hebt mij immers nooit gezegd, dat ik uw gemalin zou worden.quot;

„Heb ik u niet gezegd, dat ik u bemin? Herhaal ik u niet sedert een jaar, dat ik u bemin? En beteekent dit niet heel natuurlijk dat gij, gij alleen mijn gemalin zult worden?quot;

„Men zal 't niet dulden, Friedrich,quot; riep zij op verschrikten toon, „neen, men zal 't nooit dulden, dat ge mij tot uw gemalin neemt.quot;

„Wie zal 'tniet dulden, Ludowike?quot;

„Uwe ouders zullen 't niet dulden en de groote heer von Schwarzenberg, die uw vader beheerscht, zooals mij mevrouw mijn moeder heeft verhaald, en de heer von Leuchtmar, die u beheerscht en . .

„Mij beheerscht niemand,quot; viel hij haar wrevelig in de rede, terwijl een vlammend rood van toorn of beschaming over zijn gelaat vloog, „neen, mij beheerscht niemand, en nooit zal ik van anderen afhankelijk zijn, en alleen mijn wil zal ik volgen.quot;'

„Dit zegt ge nu, Friedrich, nu ge mij in de oogen ziet en bij mij zijt. Maar morgen, als ik niet bij u ben en uw heer gouverneur u met zijn koele redeneeringen uiteen zet, dat de arme Ludowike geen passende partij

ocr page 109

101

voor den keurprins van Brandenburg is, morgen, als uw gouverneur zijn geliefden kweekeling berispt, dat hij voor zulk een dwaze liefde ooit zijn bart kon openen, dan

„Ik ben geen kweekeling meer, viel bij baar heftig in de rede, „ik ben zeventien jaar oud en geen gouverneur beeft meer macbt over mij.quot;

Zij scbeen bem gebeel niet geboord te hebben en vervolgde met zacbte, droefgeestige stem: „Morgen, wanneer misschien weder een bode komt om u naar buis te balen en u een brief van uw vader brengt, waarin deze u beveelt terstond te vertrekken en u mededeelt, dat bij voor u een bruid heeft gekozen, met wie ge trouwen moet, o, dan zal de keurprins Friedrich Wilhelm slechts de gehoorzame zoon zijn, die de bevelen van zijn vader gehoorzaamt. Hij zal van bier vertrekken om naar zijn geboorteland terug te keeren, en met de bruid te trouwen, welke zijn vader voor bem bestemd beeft.quot;

„Neen,quot; riep de keurprins, toornig van den divan op-. springende en heftig met zijn voeten op den grond stampende, „neon, zeg ik, en nogmaals neen! Ik zal niet doen, wat men bevelen wil, maar zal mijn eigen wil volgen. En het is mijn wil, mijn vaste, onverzettelijke wil, u tot mijn gemalin te maken, en trots mijn vader, den keizer, de geheele wereld zal ik dezen wil doorzetten. Ik bied u mijn hand, Ludowike! neemt gij ze aan? Wilt ge mijn vrouw zijn?quot;

. HiJ stak baar met een van geestkracht, hoogmoed en liefde stralend gezicht zijn hand toe, en zij legde glimlachend haar kleine, teedere band in de zijne.

„Ja,'' zeide zij, „ik wil uw vrouw zijn, ik neem met vreugde en trots uw geliefde hand aan en zweer, dat ik u beminnen, u eeren en u gehoorzamen zal, als mijn heer en mijn geliefde!quot;

Hij zonk voor haar op zijn knieën en kuste de hand, die in de zijne rustte. „Ludowike Hollandine, prinses van den Paltz,quot; zeide hij toen met luide plechtige stem, „ik, Friedrich Wilhelm, keurprins van Brandenburg, beloof en zweer bij dezen uw echtgenoot te zijn, u ten allen tijde te beminnen en trouw te blijven.quot;

„Ik neem uw eed aan en beantwoord bem !quot; riep zij verheugd. „Ook ik zweer u, dat ik u altijd beminnen zal en trouw wil blijven, dat ik u wil aannemen tot mijn

ocr page 110

102

echtgenoot. Hier hebt ge mijn verlovingskus en hier is uw bruid! Neem haar en bemin haar een weinig, want zij heeft u zeer lief en zou van verdriet sterven, zoo ge haar vergat!quot;

„Ik zal u niet vergeten, Ludowike,quot; riep hij, haar teeder omhelzend. „Er zullen stormen over ons losbarsten,geduchte onweders zullen zich boven ons samenpakken, maar ik verheug er mij op, want in de stormen toont men zijn kracht en als het onweer zich ontlast, zal ik u bewijzen, dat mijn arm sterk genoeg is om u te beschermen en gij aan mijn hart veilig zijt voor alle gevaar!quot;

„O Friedrich! toch zullen zij ons scheiden. Nog gisteren zeide mij mijn moeder: Hoed u den keurprins ernstig te beminnen, want hij kan nooit uw echtgenoot worden. En toen ik haar bevend en weenend naar de reden vroeg, antwoordde zij mij eindelijk: Omdat gij een arme prinses zijt, en het ongeluk van uw huis ook zijn schaduw op u werpt. De keurvorst en zijn minister zullen nimmer hun toestemming tot zulk een huwelijk geven en nimmer zal de keurprins den moed hebben zijn vader ongehoorzaam te zijn en zonder diens toestemming met u te trouwen.quot;

Zij sloeg haastig een vorschenden blik op zijn gelaat en zag, dat het rood van toom werd. „Ik zal mevrouw uw moeder bewijzen, dat zij zich in mij vergist,quot; zeide hij heftig. „Hoewel nog zeer jong van jaren, gevoel ik in mij den moed van een man, die voor geen vreemden wil buigt en slechts aan de wetten van zijn geweten en zijn eigen inzichten gehoorzaamt. Ik bemin u, Ludowike, en zal met u trouwen!quot;

„Zoo men er ons den tijd toe gunt, Friedrich,quot; zuchtte Ludowike. „Zoo men mij niet vooral dwingt een ander man te trouwen.quot;

„Wat zegt ge?quot; riep de keurprins verbleekend en zijn geliefde vaster aan zich klemmende „Zou het mogelijk zijn, dat . .

„Dat zij mij verhandelen en verkoopen, zooals men met prinsessen gewoon is? Ja, dat is helaas mogelijk; ach, Friedrich, 't is meer dan mogelijk, 't is zeker, dat zij dit willen. Waarom meent ge, dat de keurprins van Hessen hier is, dat hij gisteren met mijn oom den stadhouder bij mevrouw mijn moeder kwam en hij zelfs hier in mijn kamer aan mij werd voorgesteld? Ach, Friedrich, mijne

ocr page 111

403

tnoeder heeft het mij gezegd, het is een besliste zaak: de keurprins van Hessen is gekomen om met mij te trouwen. Men heeft reeds alles geregeld. Overmorgen zal hij plechtig aanzoek doen en zoo ge mij niet redt of geen uitweg weet, zal ik binnen acht dagen de gemalin van den keur-pi ins van Hessen zijn. Ik had mij voorgenomen, Friedrich, u eerst op de proef te stellen, eerst van u te hooren, dat gc mij werkelijk en waarachtig bemint, dat het u ernst is met uw liefde. Had ik gezien, dat ge met mijn hart slechts een luchtig spel hadt gedreven, hadt ge mij niet plechtig uw hand aangeboden en mij tot gemalin begeerd, dan was ik stil heengegaan, had mijn liefde in 't diepst, van mijn hart begraven en mij aan den wil van mijne moeder en het ongeluk mijner familie opgeofferd. Ik was de gemalin van den keurprins van Hessen geworden. Maar nu gij mij bemint en mij uw hand aanbiedt, kom ik openlijk en verheugd voor mijn liefde uit, werp mij in uw armen en smeek u; red mij, mijn Friedrich, laat dat huwelijk niet toe. Red mij van den keurprins van Hessen!quot;

Zij sloeg haar armen om zijn hals, drukte hem vast aan haar borst en aanschouwde hem met teedere, smeekende oogen. De keurprins kuste met hartstochtelijken gloed deze verleidelijke oogen en drukte zijn mond op hare, den kus beantwoordende lippen. „Gij zult, gij moet de mijne worden, want ik bemin u onuitsprekelijk; buiten u kan en wil ik niet leven!quot;

„Laat ons vluchten, mijn geliefde,quot; fluisterde zij, hem nog altijd omklemd houdende. „Laat ons vluchten voor den toorn van uwen vader, voor het aanzoek van den keurprins van Hessen. Laat ons onze liefde in een stil hoekje der aarde redden, waar niemand ons volgen kan waar de wil van uwen vader en de haat van zijn minister geen macht heeft. Laat ons vluchten!quot;

„Ja,quot; zeide hij, het heerlijke, gloeiende wezen, dat zich zoo feeder aan hem klemde, vaster in zijn armen drukkende, ,.ja, laat ons vluchten, mijn geliefde. Men zal mij u niet ontscheuren en ik wil u in weerwil van allen bezitten; gij zult de mijne worden, al is het, dat de geheele wereld er tegon is. Morgennacht vluchten wij. Ge hebt gelijk; er zal wel een stil hoekje op aarde te vinden zijn, waar wij ons verbergen, waar wij met ons geluk, met onze liefde leven kunnen, tot het ons vergund wordt

ocr page 112

104

weder uit de eenzaamheid te voorschijn te treden en in de wereld de plaats te hernemen, die ons beiden toekomt. .Ta, Ludowike, wij willen vluchten, om 't even waarheen.quot;

,,0, ik geloof een toevluchtsoord te weten, waar wij ons voor den eersten toorn van onze verwanten beveiligen kunnen, mijn Friedrich. Ik heb vrienden, invloedrijke, machtige vrienden, die gaarne bereid zijn ons een schuilplaats te geven, en van wie wij die kunnen aannemen. Tot hen zal ik mij wenden, hen om een schuilplaats vragen, en zij zullen ons de middelen ter ontvluchting verleenen. Maar, mijn geliefde,quot; voer zij aat zeiend en met nedergesla-gen oogen voort, „maar, om met u te kunnen gaan is er iets noodzakelijk.quot;

„Wat, mijn geliefde? Zeg het mij!quot;

„Friedrich, ik kan slechts mijn gemaal volgen, ik moet eerst uw wettige vrouw zijn.quot;

„Ja, heerlijk, lief meisje', gij kunt en zult slechts uw gemaal volgen. Morgennacht, vóór wij vluchten, zullen wij in den echt worden verbonden en zal een priester onze liefde zegenen. Gij zegt, dat ge hier machtige, invloedrijke vrienden hebt, ik weet het, dat de rijkste en voornaamste Hollanders zich verheugen over een genadigen blik mijner Ludowike. De Staten hebben niet vergeefs als peten mijner bruid gestaan en haar hun naam gegeven; thans zal ons een of ander vermogend Hollander bewijzen, dat ook hij de peet der schoone prinses Hollandine is en ons op Java of in Peru, of op een of ander schip een wijkplaats verleenen. Ik neem het aan, geliefde, en zweer reeds vooruit, dat de toekomstige keurvorst, den rijken mijnheer en geheel het geliefde Holland beloonen zal voor hetgeen zij thans voor ons doen. Spreek dus met die goede en rijke vrienden en vraag hun of zij ons willen helpen. Om u alleen keur ik alles goed, neem ik alles aan, want ge zij t mijn alles, mijn leven, mijn licht!quot;

„Geeft gij mij volmacht voor onze vluchtte zorgen, mijn Friedrich ?quot;

„Ik geef u onbepaalde volmacht, geliefde; gij zijt wijzer en verstandiger dan ik; ge wordt ook niet zoo bewaakt en zijt niet zoo door verspieders omgeven, als ik.quot;

„Morgen ben ik nog vrij,quot; jubelde zij, „morgen heeft de prins van Hessen nog geen macht over mij en niemand zal mij opmerken. Mevrouw mijn moeder is ziek in den

ocr page 113

105

Haag achtergebleven en liier op Doornweerd zijn geen spionnen en oppassers. Ja, geliefde, ik zal voor alles zorgen en morgennacht u verwachten.quot;

„Morgennacht kom ik hier om mijn geliefde af te halen.quot;

,,Neen, niet hier, want morgen komt mijn moeder terug; dan is het kasteel niet meer zoo eenzaam en er zijn vele menschen, die ons licht konden bespieden.quot;

,,Nu, waar dan, Ludowike?quot;

Zij vleide zich tegen hem, zag hem teeder in de gloeiende oogen en zeide: „O, ge weet niet, wat ik al voor u gedaan en gewaagd heb. Herinnert ge u nog, dat ge mij onlangs met zooveel verrukking en vervoering over het geheime genootschap hebt gesproken, dat in den Haag bestaat, van de heerlijke feeslen, welke ge er viert en van het genot, dat ge er vindt? Herinnert ge u nog, hoe gij u beklaag-det, dat ge niet met mij dit heerlijke gezelschap kondt bijwonen en ik niet aan uw zijde was? Zie, geliefde, nu zult ge moeten erkennen, hoe ik u bemin en hoe gaarne ik bereid ben u vreugd te bereiden. Ik heb mij heimelijk in de orde der media node laten opnemen.quot;

„Hebt ge dat gedaan?quot; riep de prins met blijde verbazing. „Gij behoort dus ook tot dit heerlijk gezelschap van groote geesten, vlammende harten en edele zielen? O, mijn Ludowike, hieraan erken ik uw liefde; ik dank u en ben er trotsch op, dat mijn bruid tot de gen«en, de geestrijken, de uitverkorenen behoort. O, ge zijt niet enkel mijn bruid, ge zijt mijn muze, mijn godin; deemoedig buig ik mijn hoofd voor u en kus den zoom van uw kleed, geliefde, meesteres, uitverkorene!quot;

Hij boog zijn knie, kuste haar kleed en bukte zich om ook haar kleine voeten in de blauw satijnen schoenen te kussen. Toen hief hij een dezer sierlijke voetjes op en kuste het weder, zette het op zijn borst en hield het met beide handen vast.

„Meesteres,quot; fluisterde hij, zijn van jeugd, liefdeen vervoering stralend gelaat tot haar opheffend, „uw slaat ligt voor u. Vertreed mij en laat mij stof onder uwe voeten worden; laat mij hier sterven, zoo ge mij niet bemint, of zweer mij, dat ge mij eeuwig beminnen, dat ge u morgennacht voor eeuwig met rnij verbinden wilt!quot;

„Ik wil u eeuwig beminnen,quot; zeide zij met een betoo-

ocr page 114

106

verenden glimlach, „ik wil mij morgennacht voor eeuwig met u verbinden.quot;

„Geef mij een pand van uw eod, een teeken, een gedachtenis aan dit oogenhlik!quot; smeekte hij, den kleinen voet nog altijd in zijn hand houdend.

„Welk pand begeert ge, geliefde? Eisch, gebied, het moge zijn, wat hot wil, ik bewillig het u!quot;

Met glinsterenden, zaligen blik zag hij haar in't gloeiend gelaat, knikte haar toe, lispelde woorden vol liefde en teeder-heid en maakte met dartele hand het zilveren koord los, waarmede de blauw satijnen schoen bevestigd was. Toen trok hij hem van haar kleinen voet, die rooskleurig door de witte zijden kous heen schemerde, en stak hem glimlachend in den zijzak van zijn fluweelen wambuis.

„Maar, Friedrich, mijn schoen, geef mij mijn schoen weder,quot; zeide zij lachend, en haar kleine hand en wonder-schoonen arm gleden in den zijzak om den geroofden schoen te hernemen.

Maar de prins hield de kleine hand vast, welke hij warm en zacht tot op den diepsten bodem zijns harten voelde, en drukte heete, gloeiende kussen op den bekoorlijken arm, die onder de aanraking zijner lippen scheen, te schokken en te trillen.

„Mijn schoen,quot; zeide zij zacht, „geet mij mijn schoen.quot;

„Nooit!quot; zeide hij met nadruk. „Neen, zoo waar ik u min, nooit geef ik u dit kostbaar kleinood terug; het blijft het mijne en ik geef het voor al de schatten der wereld niet weder. Hier, aan mijn hart zal hij rusten, de lieve kleine schoen, en als ik sterf zal hij naast mij in mijn doodkist liggen.quot;

„Neen, neen, ik wil hem weder terug hebben!quot; riep Ludowike. „Mijn God, wat zal mijn kamenier zeggen en denken, als zij morgen zag, dat een mijner schoenen verdwenen was?quot;

„Laat haar zeggen cn denken wat zij wil, geliefde. Zeg haar, dat ge haar overmorgen de plaats zult zeggen, waar hij te vinden is. Gelooft ge niet, dat, zoodra men onze vlucht ontdekt, de kamenier wel zal raden, wie uw schoen geroofd heeft?quot;

„Maar zie, Friedrich, zie mijn armen voet, hij is koud en verlangt naar zijn huis!quot; en Ludowike stak glimlachend den prins haar kleinen ongeschoeiden voet toe.

ocr page 115

107

Hij nam hem tussclien zijn handen, verwarmde hom met zijn gloeienden adem en drukte er zijn heete lippen op. „Vergeving, fraaie voet, vergeving dat ik uw huis heb geroofd Maar weet, dierbare voet, het kleine huis zal nu een heilig gedenkteeken mijner liefde en verloving worden en, hoor, lieve voet, ik zweer dat, hoewel ik u ook beroofd heb, ik echter wil zorgen, dat ge op zachte wegen wandelt. Ik wil bloemen voor u strooien, u op rozen laten treden, zoodat geen doorn u kwetst, geen steen u beschadigen zal. Dat zweer ik, kleine voet der groote tooveres; vergeef mij daarom mijn roof!quot;

„Hij schudt het hoofd, hij wil niet,'' riep Ludowike, terwijl ze haar voet heen en weer bewoog.

„Hij moet vergeven of ik straf zijn meesteres,quot; riep de prins, terwijl hij opsprong en zijn armen vast om zijn geliefde sloeg. „Ja, ge zult voor uw wreeden stijfhoofdigen voet boeten en . . .quot;

Eensklaps verstomde hij en zag luisterend naar den wand. Ludowike ontstelde en wendde insgelijks vorschend haar oogen naar dezelfde plek.

„Is daar een deur?quot; fluisterde hij.

„Ja,quot; sprak zij zacht, „een blinde deur, die in den kleinen gang uitkomt en van daar naar mijn slaapkamer voert.quot;

„Is iemand in uw slaapkamer?quot;

„Mijn kleine nicht, Louize van Oranje, die heden hier kwam en volstrekt niet weg wilde . . . Stil, om Godswil, stil. zij komt. Verberg u!quot;

Hij ijlde door de kamer en sprong achter de portiére der deur, door welke d'Entragues was heengegaan.

De portiére trilde nog van de heftige beweging, toen de kleine blinde deur zacht geopend werd en een lief kind op den drempel verscheen. Een lang, wit nachtgewaad met rooskleurige linten versierd golfde om de teedere fijne gestalte en slechts de voeten kwamen als twee roze-knopjes van onder het witte kleed te voorschijn. Het blonde haar, dat boven het helder, rond voorhoofd gescheiden was, viel ter weerszijden van het lief kindergezichtje in lange zware lokken neder; haar groote blauwe oogen zagen vroom en onschuldig en om haar frissche purperen lippen speelde een zacht, vriendelijk glimlachje. Er was in deze geheele liefelijke verschijning zulk een wonderbare betoovering, zulk een bovenaardsche aanval-

ocr page 116

108

liglieid, dat men zou geloofd hebben, dat een engel uit den hemel was nedergedaald in deze kamer, die nog door-gloeid vvas van de zuchten en woorden eener hartstochtelijke, aardsche liefde, en als een gewijde altaarkrans straalde het licht op den zilveren blaker, dien het kind in de hand hield.

Bijna onhoorbaar liep zij naar de prinses, die zich op den divan had geworpen en den schijn aannam alsof zij juist uit een diepe sluimering ontwaakte.

„Vergeving, lieve tante Ludowike,'' zei hel meisje met haar teedere weeke stem, toen zij het licht op de tafel had gezet en zich over de prinses boog, „vergeef mij, dat ik u wek. Maar ik had zulk een vreeselijken droom en ik verbeeldde mij, dat het werkelijkheid was. Het kwam mij voor, alsof er roovers in 't kasteel waren, ik hoorde hen duidelijk lachen en spreken, zoodat ik vreeselijk bang werd en u riep. Gij antwoorddet mij niet; toen dacht ik, dat ze u reeds vermoord hadden en liep van de sofa, waarop men mij een leger had bereid, naar uw bed. Ge waart er niet, uw bed was koud en ledig, en nog altijd hoorde ik duidelijk het luid lachen en spreken der roovers; ik werd schrikkelijk angstig en moest zien, waar ge waart, en mij overtuigen, dat men u niet vermoord had. Ik nam het licht en liep hier heen. Goddank, mijn lieve tante, geen roovers hebben mij u ontvoerd, noch moordenaars u gedood!quot;

En met haar teere, dunne armpjes omhelsde zij de prinses en drukte haar rozige wangen tegen Ludowikes gloeiend gezicht.

„Kleine zottin, hoe hebt ge mij verschrikt,quot; zei Ludowike, haar schier onzacht afwerend. „Jk was hier ingeslapen en droomde zoo zoet, en eensklaps staat ge voor mij en wekt mij, kleine nachtuil. Ga, Louize, ga te bed en wees niet zoo bang, mijn kind. Hier komen geen roovers en moordenaars, in ons kasteel behoeft ge niet bevreesd te zijn.quot;

„A.ch, tante Hollandine,quot; fluisterde het kind, terwijl ze een schuwen angstigen blik door de kamer wierp, „ach, tante, ik ben toch zoo bang, en ge kunt mij gelooven, 't is hier niet zuiver in het kasteel, 't Zijn roovers of misschien booze geesten, die zulk een gerucht gemaakt en zoo luid gesproken en gelachen hebben. En — fluisterde zij zeer zacht en zich lager buigende — en ge moogt mij gelooven,

ocr page 117

109

lieve, beste lante, 't is hier niet geheel pluis. Ik heb duidelijk gezien, dat de portiére ginds zich bewoog, toen ik binnen kwam. Booze geesten vliegen van nacht rond. Hoort ge hoe het buiten huilt en lluit en tegen de ruiten klopt? Dat zijn de nachtgeesten, die zijn hier binnen gevlogen en hebben hier gelachen en gedanst. Ge hebt het niet gehoord, tante; maar ik, ik was wakker en heb gehoord en gezien, dat de portiére beefde, daarachter zitten ze nu, de booze geesten, en zien ons en lachen over ons. Ja, ik weet het. De meid, Truida, verhaalt er mij eiken avond van en zij weet alles heel nauwkeurig. Er zijn booze en goede geesten, maar de goede makgn geen gerucht: men weet zelfs niet, dat zij er zijn, zoo stil en heimelijk komen zij bij iemand, zetten zich aan zijn bed en aanschouwen hem; hun gezicht glinstert als de maan en hun oogen zijn als sterren, hun gedachten zijn gebeden en hun glimlach is een zegen Gods. Maar de booze geesten, tante, kloppen en razen, lachen en schreeuwen, zooals zij van nacht hier hebben gedaan!quot;

„Ge hebt gedroomd, zottinnetje, en verbeeldt u nu gehoord te hebben, wat slechts de slaap in uw ooren heeft getrommeld. Alles is hier stil en rustig geweest, en, geloof mij, geen booze geesten waren in deze kamer.quot; .

„Maar goede geesten waren hier ook niet, tante,quot; riep het kind met weenende stem; „de portiére heeft zich wel degelijk bewogen en het lachen heb ik gehoord; geloof mij toch. Ik verzoek u, goede lieve Hollandine, geef mij uw hand en ga met mij naar uw slaapkamer, en zoo ge een weinigje lief wilt zijn voor uw kleine Louüe, neem haar dan mede in uw groot, fraai bed! wij zullen elkander omvatten, samen bidden en slapen, dan kunnen de geesten ons niets doen! Kom, lieve tante, kom!quot;

Zij vatte met haar handjes den arm der prinses en wilde haai- van den divan opheffen. Maar Ludowike weerde haar haastig af.

,.Laat deze dwaasheden, Louize, en ga naar bed,quot; zeide zij misnoegd. „Had ik geweten, dat ge zulk een lastige slaapkameraad waart, dan zou ik u niet toegestaan hebben bij mij te blijven, maar ge zoudt aan de andere zijde van het kasteel bij de kleine prinsessen, mijn zusies, hebben moeten slapen!quot;

„Tante,quot; bad het kind met bewogen stem, „ik wil zeer

ocr page 118

110

stil en zoet zijn, tante, ik zal u volstrekt niet hinderen, maar wees zoo goed en lief mede te gaan!''

„Neen,quot; zeide Ludowike, „ik ga niet met u, want ik heb hier nog iets te doen. Maar zoo ge zoet en gehoorzaam zijt en terstond weer stil en lief naar de slaapkamer gaat en in uw bedje kruipt, beloof ik u, dat ik zeer spoedig komen zal.''

„Nu, dan wil ik gaan,quot; zuchtte het kind en liet het hoofdje als een geknakte bloem zinken. „Ja, ik wil zoet zijn, opdat ge mij liefhebt. Maar kom dan ook spoedig, tante Hollandine, kom spoedig!''

Zij nam den blaker weder van de tafel, knikte de prinses toe en beproefde te glimlachen, hoewel toch uit haar groote, blauwe oogen twee lang bedwongen tranen over haar rozige wangen rolden. Zacht en met nog steeds gebogen kopje ging zij door de kamer naar de blinde deur; doch toen zij den drempel wilde overschrijden, bleef zij staan, keerde zich om en een uitdrukking van schitterende vreugde gleed over haar bekoorlijk gezicht.

„Lieve tante,quot; riep zij, „Truida heeft mij gezegd, dat als men bidt, alle booze geesten moeten vlieden en niet de minste macht meer hebben. Ik wil bidden, ja, ik wil voor u bidden.quot;

Het kind viel op de knieën en den blaker naast zich zettende, vouwde het de kleine witte handjes over de borst, hief oogen en hoofd opwaarts en bad met luide, krachtige stem: „Lieve God en gij alle onschuldige engeltjes hier boven, onttermt u over de onschuldigen en goeden. Lieve God, voer ons tot u met de gouden ster, die de herders op het veld voorlichtte, toen zij heentrokken om het Ghris-tuskindje te zoeken. Lieve engelen, daalt tot ons neder en houdt wacht aan ons bed, terwijl wij slapen; bidt voor ons, opdat geen booze geesten en nare droomen ons kunnen bezoeken. Lieve God en gij alle onschuldige engelen hierboven, ontfermt u over de onschuldigen en goeden! Amen! amen! amen!quot;

Bij het laatste amen^richtle het kind zich weder op, nam den blaker van den vloer en sloop glimlachend en zacht uit de kamer.

Ludowike ijlde naar de deur, drukte ze dichten leunde er tegen. Van achter de portiére aan de overzijde trad de keurpiins te voorschijn, wiens gelaat ernstig en wiens

ocr page 119

Ill

yroole oogen minder vurig en harlslochtelijk waren, luen hij de prinses weder naderde.

„Het arme kind,quot; fluisterde hij, „hel arme kind is ?oo quot; hang. Ga tot haar mijn dierbare, en bid met haar voor ons geluk en onze liefde!quot;

„Ge wilt reeds heengaan, mijn Friedrich?quot; vroeg zij teeder.

Hij wees met de hand naai' de blinde deur. „Zij maakt zich zoo beangst en haar lief gezichtje was zoo treuiig, dat het mij diep bewogen heeft.quot;

„Hoe dom was ik ook,quot; mompelde zij misnoegd, „hoe dom, er niet aan te denken, dat het kind ons storen kon. Zij heeft reeds dikwijls den nacht bij mij doorgebracht, maar nooit werd zij wakker, nooit ...quot;

„Nooit is zlt;j gestoord geworden,'' vulde de prins glimlachend aan. „Nooit hebben booze geesten bij u gelachen en gepraat en haar uit den slaap gewekt. Zij moet nu toch zien, dat haar gebed niet vergeefs is geweest, maar dat de booze geesten verbannen zijn. Vaarwel, dierbare! Vaarwel en dezen kus ten goeden nacht! Dezen kus mijne geliefde bruid! Dezen laatsten bruidskus, want morgennacht wordt gij mijne gemalin! Lieve God en gij, alle onschuldige engelen hier boven, ontfermt u over de on-schuldigen en goeden.''

Nogmaals kuste hij haar lippen en haar zwart welriekend haar, liep toen vlug door de kamer, opende haastig het venster, liet de touwladder weder zakken en sprong op de vensterbank.

„Vaarwel, geliefde, vaarwel! Tot wederziens morgennacht!' fluisterde hij, haar met de vingertoppen een kus toewerpende. Toen vatte hij met de beide handen de touwladder en voor dat de prinses, die hem nageloopen was, den tijd had hem behulpzaam te zijn, of hem bij het uitklimmen de hand te bieden, was de slanke, lenige gestalte onder de donkere ruimte van het venster nedergedaald.

Ludowike boog zich uit het venster en hield met al de kracht harer kleine, teedere handen de touwladder vast, die krijschend heen en weder schommelde en kraakte onder den last dien zij droeg. Eensklaps hield de touwladder stil^ en als een geestengroet klonk hel zacht tot haar op: „Vaarwel! vaarwel!quot;

ocr page 120

„Hij is weg,quot; fluisterde Ludovvike, toen zij de ladder had opgehaald en van het venster terugtrad, „hij is weg! maar morgen, morgennacht heb ik hem weder! morgennacht word ik zijn gemalin! O, heer graaf'd'Entragues, gij zult nu wel moeten erkennen, dat de keurprins mij bemint en zijn liefdesverklaring ook een huwelijksaanzoek is. Mij dunkt, ik heb alles nauwkeurig zoo uitgevoerd als het briefje mij voorschreef. Wij willen eens zien.quot;

Zij nam uit de lade der schrijftafel weder het papier en las het aandachtig, „Ja,quot; prevelde zij lezende, „alles is in orde. 't Huwelijksaanzoek uitgelokt. Beangstigd met de bedreiging, dat men mij aan den prins van Hessen wil uithuwelijken. Niet verraden, wie de vrienden zijn, die ons helpen willen. Een heimelijk huwelijk voorgesteld. De tijd dringt! Morgennacht! Alles in orde! Ook de media nocte bekend! Slechts één ding ontbreekt nog! Dit alleen heb ik hem niet gezegd, dat wij elkander morgen in de media nocte zullen ontmoeten en van daar ontvluchten willen! Nu, om 'teven, ik zeg 'them morgen en te tien ure kan het oranjelint uit mijn venster waaien, en graaf d'Enlra-gues zal er zich over verheugen. Morgen, morgen, word ik de gemalin van mijn schoonen keurprins.quot;

Zij breidde de armen uit alsof zij den schoonen, geliefden jongeling onzichtbaar wilde omhelzen, wiens kussen nog op haar lippen brandden. Haar vlammende blik zwierf door de kamer, alsof zij nog altijd hoopte er zijn fraaie, slanke gestalte te zien. Thans, nu zij ze niet vond, zuchtte zij diep en haar oogen richtten zich op de groote schilderij, die boven den divan aan den wand hing. 't Was het borstbeeld eener vrouw, eener koningin, hetgeen de paarlendiadeem aantoonde, die zich boven haar hoog smal voorhoofd verhief, en waarachter een kroon zichtbaar was. 't Was een zeldzame, wonderbare betooverende beeltenis ; deze groote, blauwe oogen zoo gloeiend en feeder, deze zacht ronde, doorschijnende bleeke wangen, deze zoo geluk belovende, volle zwellende lippen, en toch de geheele uitdrukking van het gelaat was vol van weemoed en smart!

Zacht was prinses Ludowike de schilderij genaderd lot welke zij nu haar saamgevouwen handen ophief. „Ik wil ook bidden,quot; fluisterde zij, ,,tot u wil ik bidden. Maria Stuart, koningin der liefde en schoonheid ! O, Maria, heilige martelares, sla uwe oogen genadig op uw afstammelinge

ocr page 121

113

neder, bescherm genadig den weg, dien ik morgen bewandelen wil, want het is de weg der liefde. O laat hem ook de weg van mijn geluk zijn. Maria Stuart, bid voor mij en bescherm mij. Amen!quot;

« HI

DE WAARSCHUWING.

„Uwe doorluchtigheid is heden nacht weder laat te buis gekomen,quot; zeide de heer Kalkbun von Leuchtmar, het slaapvertrek van den keurprins Friedrich Wilhelm binnen tredende, die zich nog te bed bevond.

„Ja, dat is zoo,quot; antwoordde de prins, zich behagelijk uitrekkende; „het was zeer laat.quot;

„De kamerdienaar heeft uw doorluchtigheid reeds driemaal gewekt en telkens heeft uw doorluchtigheid verzekerd te zullen opstaan, doch is telkens weer ingeslapen.quot;

„Ja, ik ben telkens weer ingeslapen,quot; antwoordde Friedrich Wilhelm op eenigszins geraakten toon, „en wat volgt hieruit!quot;

„Hieruit volgt,quot; zeide de beer von Leuchtmar bedaard, „dat de schilder Gabriel Nietzel, die gisteren is aangekomen en dien uw doorluchtigheid heden morgen ten acht ure een audiëntie zoudt verleenen, reeds bijna twee uren wacht, dat de graaf van den Berg, die aan uw doorluchtigheid te negen ure een bezoek wilde brengen, sedert een uur op u wacht; dat de paarden al een uur opgetuigd in den stal staan, on de geheimsecretaris Muller, met wien uw doorluchtigheid heden een opstel over de vestingbelegering wildet afwerken, wel niet toegelaten zal kunnen worden.quot;

„'t Schijnt, dat ik zelfs het recht niet heb zoolang te slapen als ik verkies,quot; riep de keurprins met spottenden lach. „Mijn huis gelijkt een uurwerk, dat regelmatig tikt, maar waarin iedereen met wiskundige stiptheid zijn rader-dienst moet verrichten, wil het niet in de war geraken.quot;

„'t is in het huis als in den staat,quot; zeide Leuchtmar ernstig, „iedereen, hoog of laag, moet zijn plicht doen, Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. I. b

ocr page 122

114

antlers hapert de machinerie en, zooais uw doorluchtigheid zeer juist opmerkt, het uurwerk staat stil of raakt in de war.quot;

„Derhalve is het uurwerk van mijn huis heden in de war gekomen, alleen omdat ik twee uren later ben opgestaan dan men anders van mij gewoon is.quot;

„Volkomen in de war, doorluchtigheid.quot;

De prins werd rood van ontevredenheid en zijn oogen glinsterden feller; hij had reeds den mond geopend voor een heftig antwoord, maar hij bedwong zich.

„Ik zal opstaan,quot;' zeide hij, „en dan zullen wij er verder over spreken.quot; •

De heer von Leuchtmar boog en keerde naar de voorkamer terug. Nauwelijks was echter een kwartier verstreken, toen de kamerdienaar uit de slaapkamer van den prins kwam en den heer baron Kalkhun von Leuchtmar berichtte, dat het ontbijt gereed was en zijn doorluchtigheid de keurprins den heer baron in zijn huiskamer er aan wachtte.

De 'heer von Leuchtmar haastte zich naar de huiskamer van den prins.

Friedrich Wilhelm scheen zijn binnenkomen volstrekt niet op te merken. Hij zat op den divan, dronk zijn chocolade en speelde daarbij onrustig met den windhond, die aan zijn voeten lag en met zijn zachte, treurige oogen tot hem opzag.

De heer von Leuchtmar zetle zich tegenover den prins en gebruikte zwijgend zijn ontbijt. Een oogenblik zweefden de oogen van den prins over het edel en ernstig gelaat van zijn voormaligen gouverneur, doch de groote kalmte, welke hij er op bespeurde, scheen hem te tergen en te verbitteren. Heftig sprong hij op en ging eenige malen driftig heen en weder. Toen bleef hij voor Leuchtmar staan, die insgelijks was opgerezen en wiens groote, blauwe oogen met zachtheid op den prins waren gericht.

„Leuchtmar,quot; zeide hij haastig, „'t is tusschen ons niet zooals het zijn moet.quot;

„Ik heb dit tot mijn smart al eenigen tijd bemerkt,quot; antwoordde de baron zacht. „Uw doorluchtigheid is slecht gehumeurd.quot;

„Neen, ik ben ontevreden!quot; riep de prins, „en daarvoor heb ik alfe reden.quot;

ocr page 123

115

„Wil uwe doorlnchligheid de goedheid hebben mij le zeggen, waarom zij ontevreden is?quot;

„Ja, ik zal liet u zeggen, want ge moet het weten, opdat ge tracht het te veranderen. Ik ben ontevreden, Leucht-mar, omdat gij en Muller het maar niet vergeten kunnen, dat ik vroeger uw leerling ben geweest en mijnen opvoeders achting verschuldigd ben.quot;

„Prins,quot; zeide de baron, terwijl hij het hoofd iets hoo-ger oprichtte, „hebben wij beiden ons zoo gedragen, dat gij ons thans geen achting meer kunt toedragen

„Achting wel; maar ge verwart achting met gehoorzaamheid, gij verlangt, dat ik u onvoorwaaidelijk gehoorzaam, als een knaap, die van zijn leermeesters alhangt.quot;

„Terwijl gij toch, wilt gij zeggen, een meerderjarig prins zijt, die geen hier meesters meer behoeft en voor wien vroeger geëerbiedigde personen thans slechts zijne ondergeschikten zijn.quot;

„Neen, dat niet, 't is' zeer verplichtend, dat ge uw voogdijschap zoo ver drijft van zelfs uit te leggen, wat ik zeggen wil. Ge hebt evenwel een opmerking gemaakt, die ik aanneem. Ge hebt gezegd, dat ik een meerderjarig prins ben.quot;

„Inderdaad, doorluchtigheid, gij zijt in zooverre meerderjarig dat, naar de huiswet der keurvorsten van Brandenburg, de keurprinsen op hun zestiende jaar als hun vader sterft, zelfstandig de regeering kunnen aanvaarden en er geen voogdij en regentschap meer noodig zijn.quot;

„Bijgevolg zou, indien, wat God verhoede, mijn vader lieden stierf, ik zelfstandig de regeering kunnen aanvaarden?quot;

„Vrij en zelfstandig, doorluchtigheid.quot;-

„Hoe komt het dan, dat ik, die de regeering van een geheel land op mij zou kunnen nemen, in mijn bijzonder leven voortdurend belemmerd, bewaakt en als een onmondige knaap behandeld word ? Het doet mij leed, mijnheer von Leuchtmar, u er aan te moeten herinneren, dat de tijd mijner opvoeding voorbij is, want ik ben niet zestien jaar, maar ik zal reeds binnen eenige weken mijn achttiende jaar bereiken.quot;

„Ik dank uw doorluchtigheid voor deze herinnering,quot; antwoordde de baron kalm, ,,ik beken, dat ik het anders waarlijk niet zou geweten hebben, dat uw opvoeding voltooid quot;is.quot;

ocr page 124

116

„Mijnheer, gij beleedigt mij! Gij beschouwt mij dus uog altijd als een jongen?quot;

„Neen, doorluchtigheid, als een mensch, — en ik meende, dat Sokrates gelijk had, toen hij zeide : De opvoeding van den menscii begint op zijn eersten dag en is op zijn laatsten nog niet voltooid.quot;

„Dit is in een anderen zin bedoeld, dit weet ge wel! Maar hier is van de werkelijke opvoeding sprake, van de betrekking van den leerling tot zijn onderwijzer. Üe tijd van leeren is voorbij, mijnheer de baron, en ik verzoek u daaraan te denken ; ik zit niet meer in de schoolkamer!quot;

„Dat heb ik al weder niet geweten,quot; zeide von Leucht-mar zacht, „ en nogmaals voer ik ter mijner verontschuldiging den wijzen Sokrates aan, die zegt: Men leert zijn ge-heele leven lang, en de eigenlijke wijsheid bestaat ten slotte daarin, dat men weet, niets te weten!quot;

„Machtspreuken, altijd machtspreuken,quot; riep de keur-prins heftig. „Gij wilt mij ontwijken; ge wilt mij niet verstaan. Nu, rechtuit gezegd, het verveelt mij, steeds berispt, bewaakt, bedild en bespied te worden, en ik moet u verzoeken, dat voortaan te doen ophouden.quot;

„Wil uw doorluchtigheid de goedheid hebben mij te zeggen, wie u berispt, bewaakt bedilt en bespiedt ?quot;

„Zeker, gij, mijnheer baron Kalkhun von Leuchtmar, en de geheimsecretaris Müller, gij beiden in de eerste plaats.quot;

„Doorluchtigheid, zoo wij ons veroorloofden u te berispen en gij dit niet verdiendet, zou dit zeer ongepast zijn; zoo wij u bewaakten en bedilden, zou men dit trouwens den voormaligen hofmeesters en opvoeders kunnen vergeven, maar zoo wij u bespiedden, hebben wij ons beiden onteerd en verachtelijk gemaakt. Uw doorluchtigheid moge het als mijn laatste les beschouwen: verwijder zulk een paar eerlooze menschen voor altijd uit uw nabijheid.quot;

„Gij wilt mij ad absurdum voeren, Leuchtmar,quot; riep de keurprins ,.Ge wilt mij bewijzen, dat ik ongelijk heb en ^u valsch beschuldig Maar gij vergist u, mijnheer, ik zeg 'slechts de waarheid. Ik vraag u; hebt ge mij ooit als een ondankbaar kweekeling, als een ongehoorzaam scholier, als een slecht, gemeen mensch leeren kennen

„Neen, nooit,'' antwoordde von Leuchtmar hartelijk.

„Neen, uw doorluchtigheid...quot;

ocr page 125

117

„Laat thans dien vervelenden titel achter,quot; viel de prins hem in de rede. „Spreek kort en bondig en zonder complimenten, zooals het in ernstige oogenblikken past, wanneer de mensch tegenover den mensch slaat.quot;

„Welnu dan, neen; gij hebt uwen onderwijzers en opvoeders steeds vreugde veroorzaakt en u altijd als een goed-harligen, vriendelijken en welwillenden, jongen vorst betoond. Gij zijt '— vergeef mij, dat ik het zeg — gij zijt in waarheid het toonbeeld van een jongen beminnelijken, goeden en geestigen prins geweest. Gij hebt uw studies aan de scholen te Arnhem en Leiden tot volkomen tevredenheid van heeren professoren volbracht. Gij hebt u door vlijt en oplettendheid in de collegiën onderscheiden en u tot een geleerde in talen en alle wetenschappen gevormd. Gij hebt, sinds wij hier in den Haag zijn, de liefde en bewondering van allen verworven, die het geluk hadden in uw nabijheid te komen en . .

„Leuchtmar,quot; viel de keurprins hem met eenmoeielijk onderdrukton glimlach in de rede, „nu doet gij het tegenovergestelde van vroeger, toen berisptet gij mij te veel, nu prijst gij mij te veel.quot;

„Prins, ik heb vroeger evenals nu mijn innigste overtuiging uitgesproken en niet waar, gij vergunt mij immers daarvoor steeds zonder terughouding uit te komen?quot;

„Nu,quot; zei Friedrich Wilhelm aarzelend, „dat kan ernaar zijn — zoo uw overtuiging al te vleiend of te kwetsend is, zoudt ge die een weinig kunnen matigen? Bij voorbeeld, de manier waarop ge straks mijn slaapkamer binnenkwaamt, was kwetsend. Erken het maar, zeg, dat ge te ver zijt gegaan met mij te berispen, omdat ik een paar uren te laat ben opgestaan, en alles is afgedaan!quot;

,'Prins,quot; antwoordde von Leuchtmar na een kleine pauze, „vergeving, maar ik kan dit niet zeggen, want 't zou een onwaarheid zijn. Ordeloosheid is voor een prins een zeer gevaarlijk en leelijk gebrek, wordt hij ongeregeld in zijn uitwendig gedrag dan is hij 't ook spoedig inwendig. Maar ik beken, dat ik misschien op een te vrijen toon heb gesproken, en dit kwam omdat. . .quot;

„Nu? eindig uw zin als 't u belieft, omdat . . .quot;

„Omdat ik weet. — rechtuit gezegd — wat de oorzaak is van het laat opstaan uwer doorluchtigheid.quot;

„Wat is de oorzaak dan, als ik vragen mag?quot;

ocr page 126

118

„Prins, mijn dierbare geliefde prins, gij, dien ik uit den grond mijns harten mijn zoon noem, vergeef mij het antwoord! De oorzaak ligt daarin, dat gij in slecht, uwer onwaardig gezelschap zijt geraakt, in een gezelschap, dat voor uw geest, uw eer en gezondheid nadeelig is.quot;

„Van welk gezelschap waagt gij 't te spreken?quot; vroeg de prins met toornige stem.

„Van het gezelschap, prins, dat geveinsd en schijnheilig als de zonde, verleidelijk en schitterend als een gifhloem, gevaarlijk en verderfelijk als de Scylla en Charyhdis is. Ik spreek van het gezelschap der media nocte.quot;

De prins lachte luid en ademde toen diep, als voelde hij zijn borst van een drukkenden last bevrijd. „0,quot;zeide hij, „is 't anders niet! Inderdaad, de media nocte is een vereeniging, welke alle niet-leden, als een draak, een monster voorkomt, dat met zijn vurigen adem hen verderft, die het naderen en dagelijks tot ontbijt een jongeling of maagd verslindt. Maar ik zeg u, angstige, kortzichtige dwazen, dat ge een adelaar voor een vliegenden - draak houdt, en brand schreeuwt bij het zien van licht. De media nocte is geen monster, geen Scylla en Charyb-dis; men behoeft zich niet te laten vastbinden, gelijk de sluwe Ulysses deed, hetgeen mij, in 't voorbijgaan gezegd, altijd zeer lafhartig en kinderachtig is voorgekomen. Een man moet het gevaar met open oogen tegemoet gaan ; hij moet het tarten door de macht van zijn wil, maar niet door allerlei middelen zich trachten te redden. Zoo nu inderdaad de vereeniging der media nocte zoo gevaarlijk was, als gij meent, zou dit dan voor mij een reden mogen zijn mij er schuw tegen te beveiligen en haar te ontvlieden? Neen, juist dan zou ik haar zoeken, ze met onwrikbaren moed tegemoet gaan en ze bestrijden. Maar ik zeg u, dat gij u in uwe meening vergist. De media nocte is een vereeniging, die aan edele vermaken, aan reine vreugd, en aan het hoogste, geestige genot is gewijd. Alle kunsten, alle wetenschappen worden er gekweekt, alles wat groot en schoon, verheven en goed is, wordt daar gehuldigd, alleen verwaandheid en onnatuurlijkheid worden verbannen. De waarheid en de natuur zijn de beide heilige wetten, welke men in deze vereeniging moet volgen, en het oude, edele, reine, vrije en kuische, het leven der Grieken is het groote voorbeeld van alle leden

ocr page 127

119

dezer orde. Daarom verscliijnen zij allen in Grieksch gewaad en op Grieksche wijze worden al haar feesten gevierd. Dit is het, wat u, verwaande menschen, berispelijk en verschrikkelijk voorkomt; het ongewone vervult u met huivering en ij noemt het geniale, omdat 't zich boven uw alledaagsch-eid verheft, onbeschaamd!quot;

„Ik weet doorluchtigheid, dat gij met uw goede, onschuldige oogen deze vereeniging zóó beschouwt,quot; antwoordde von Leuchtmar, liefderijk den prins in het fraaie, opgewonden gelaat ziende. „Ja, ik weet, dat gij deze meening van de vereeniging der media node hebt, en dat gij met den grootsten afkeer haar zoudt verlaten, zoo gij achter de schijnbare genialiteit onbeschaamdheid, achter het ongewone gemeenheid erkende. Maar ik smeek u, prins, wees niet blind met open oogen en sluit ze niet met opzet. Ik zweer u, als een eerlijk en trouw man, dat deze vereeniging de pest is voor de aanzienlijke jeugd hier in den Haag. Ieder, die er mede in aanraking komt, ontvangt bet vergif in zich en kwijnt aan ziel en geest; het vreeselijk vergif komt in hoofd en hart en verdrijft er voor altijd de waarheid en frischheid, de jeugd en onschuld. Zoo ik een zoon had, die ten volle bekend was met de be-teekenis van dit gezelschap en er toe behoorde, zou ik hem beklagen en beweenen als een verlorene; had ik een dochter, die slechts éénmaal vrijwillig een vergadering der media nocte bijgewoond en aan haar vermaken had deel genomen, ik zou ze met verachting van mij stoot en, ze niet meer als mijn dochter erkennen en haar met schaamte en smart voor altijd uit mijn huis verwijderen, want...quot;

„Houd op!'quot; riep de prins met de donderende stem, terwijl hij op von Leuchtmar toesprong, hem met beide handen hij zijn schouders greep en als een getergde leeuw hem toornig en wild, met dreigend vlammende oogen aanzag. ,,Houd op, zeg ik u, Leuchtmar, herroep wat ge zoo even gezegd hebt, want het is laag en schandelijk!quot;

„Neen, 'tis de waarheid, prins!quot; riep von Leuchtmar heftig ; „de media node is oen vereeniging van eerloozen en schaamteloozen, en elk meisje, dat er toe behoort, is een onreine, een verworpene!quot;

„Niets meer, mensch, of ik vermoord u !quot; zeide de prins met een heesche, van 'toorn verstikte stem, terwijl zijn handen als leeuwenklauwen Leuchtmar's schouders vaster

ocr page 128

420

omklemden. „Hoor slechts; Gij weet en hebt sinds lang geraden, dat ik de prinses Ludowike Hollandine bemin. Welnu, prinses Ludowike Hollandine behoort tot de ver-eeniging media nocte!quot;

„Dat wist ik, prins,quot; zei von Leuchtmar plechtig.

De prins slaakte een kreet van woede, een doodsche bleekheid bedekte zijn wangen, en zijn bliksemende oogen boorden als twee dolkspitsen in Leuchtmar's gelaat, terwijl op zijn voorhoofd groote zweetdroppelen stonden, die van zijn inwendige foltering getuigden.

„Gij wist dit,quot; zeide hij met hijgenden adem, „gij wist dit, en toch waagdet ge dus te spreken, het meisje, hetwelk ik bemin, daardoor te hoonen, die reine engel te verdenken en haar als een verworpene uit te maken! Herroep uw woorden, zoo uw leven u lief is, herroep ze, of ge komt niet levend over den drempel dezer kamer.quot;

„Dood mij, prins, ik herroep niets!quot; riep Leuchtmar, de vlammende oogen van den prins met kalmen blik aanstarende. „Neen, ik herroep niets, gij moogt mij 't leven ontnemen, ik offer het gaarne op in uwen dienst en tot uw nut! Gij ziet, dat ik mij niet verweer, schoon ik genoeg kracht bezit om mijn leven te verdedigen. Ik sterf gaarne voor mijne overtuiging en voor u! Dood mij dus!quot;

„Gij herroept niet?quot; riep de prins. „Ge blijft alles volhouden, wat ge van de vereeniging media nocte gezegd hebt? Ge wist reeds, vóór ik 'tu zeide, dat prinses Ludowike Hollandine er toe behoorde?quot;

„Ik wist het prins.quot;

De prins barstte in een woest, luid gelach uit, en stiet von Leuchtmar zoo geweldig van zich, dat deze met den rug tegen den wand tuimelde.

„Neen,quot; zeide hij woedend, „neen, ik zal het genoegen niet doen, u te dooden, want dit zou een ellendig kluchtspel in een treurspel veranderen en van een komediant een held maken ! Ge hebt uw rol goed gespeeld. Dat getuig ik. Ga, en beroem er u op bij mijnheer mijn vader en den graaf von Schwarzenberg.

„Ik begrijp u niet, prins! Wat bedoelt gij!quot;

„Ik wil zeggen, mijnbeer de komediant, dat ik reeds heden morgen, terwijl gij meendet, dat ik sliep, Gabriêl Nietzel, den hofschilder van mevrouw mijn moeder, heb gesproken. Zie, nu verwondert gij u. Ja, Gabriël Nietzel

ocr page 129

421

heeft langer dan een uur bij mijn bed gezeten en mij een mondelinge boodschap van mevrouw mij moeder gebracht. Zij had hem ook een brief voor mij medegegeven, doch op reis heeft men hem geplunderd en ook den brief ontnomen. O, ik denk, dat het den roovers meer om den brief dan om de bezittingen van den schilder te doen was en graaf von Schwarzenberg en gij zullen wel weten, wat in den brief stond. Maar gelukkig heeft mevrouw mijn moeder den trouwen Gabriêl Nietzel een mondelinge boodschap medegeven en die kon men hem niet ontstelen, mijnheer baron von Leuchtmar. Begrijpt ge nu, waarom ik u een komediant noem, die zijn rol goed heeft bestudeerd?quot;

„Neen, mijnheer de keurprins van Brandenburg, ik begrijp er niets van.quot;

„Welnu, mijnheel', dan zal ik 't u zeggen. Uw deugdzame verstoordheid op de media nocte, uw schandelijke beleediging eener prinfes, welke ik bemin, uw krenkende beschuldigingen en lasteringen, waren niets dan een goed geleerde rol, door mijnheer mijn vader en zijn minister u opgedragen. O, antwoord niet, poog het niet te loochenen. Ik weet het zeer goed. Ik weet, dat de keizer van Duitsch-land zich verwaardigt, zich met de uithuwelijking van den kleinen keurprins van Brandenburg te willen bemoeien. Ik weet, dat hij in zijn welwillendheid zoo ver gaat mij met de hand eener aartshertogin van Oostenrijk te willen gelukkig maken. Ik weet, dat hij zijn slaafschen dienaar, den alvermogenden minister van mijn vader, den last heeft opgedragen mij uit den Haag terug te doen komen, niet om aan het hof van mijn vader te leven, maar om naar het keizerlijk hof te gaan. O, de muren van het paleis te Berlijn zijn. Goddank, niet zeer dik, en mevrouw mijn moeder heeft scherpe ooren en Gabriêl Nietzel is een trouwe bode. Ja, mijnheer, ik ken u en uw plannen; ik weet, dat de keizer mijn echtverbintenis met de prinses Ludowike vreest, dat hij aan mijnheer mijn vader heeft laten zeggen, dat hij zulk een verbintenis nooit zou goedkeuren en dat bijgevolg mijnheer vader en zijn katholieke minister boden en afgezanten hierheen hebben gezonden met het streng bevel, nimmer een liefdesverbintenis met de prinses Ludowike Hollandine te dulden, maar alles aan te wenden om ze te beletten. Alles er toe aan te wenden!

ocr page 130

122

Verstaat ge mij, mijnheer? Ook leugen, laster en hoon? Maar 't zal u allen toch niet gelukken. Ik zal den keizer, den keurvorst en zijn minister bewijzen, dat ik hun toorn niet vrees en de keurprins van Brandenburg nimmer de vazal van den Duitschen keizer wil zijn; dat hij zich een zelfstandig mensch gevoelt, die aanspraak heeft op vrijheid van wil en handelen en naar zijn hart en wil trouwen zal. En u, von Lencbtmar, u zeg ik hiermede vaarwel. Wij scheiden heden voor altijd. Dat wij zóó scheiden, geloof mij, smart mij voor mijn geheele leven, want nooit zal ik vergeten, wat ik u schuldig ben en hoe trouw gij altijd voor mij zijl geweest; Leuchtmar, 'tis vreeselijk, dat ge u van mij hebt gewend. Ga, wij zijn gescheiden. Zoo gij naar Berlijn terugkeert, zeg dan aan den Oosten-rijkschen minister van mijn vader, dat ik 't hem nooit zal vergeven, wat hij mij heden heeft aangedaan en dat de keurvorst Friedrich Wilhelm den keurprins wreken zal. Zeg hem, dat ik nooit een Oostenrijksche aartshertogin, een katholieke, tot gemalin nemen en mij nooit tot den neder-buigenden slaaf van den keizer van Duitscbland vernederen zal. Dit is mijn vaarwel!quot;

Met vlammend gelaat, met van geestkracht en hartstocht bliksemende oogen liep de prins door de kamer, stiet heftig de deur open en vertrok.

Leuchtmar zag hem na met een mengeling van teeder-heid en smart. „Hoe toornig was hij, en toch hoe heerlijk te aanschouwen,quot; zeide hij zacht voor zich. „Een jonge held, die eenmaal zal vervullen, wat hij beloofd heeft. Hij zal zich niet buigen als vazal van den Duitschen keizer.quot;

Juist werd zacht en voorzichtig een zijdeur geopend en een oud man met achtbaar voorkomen, in eenvoudige hof-kleeding, trad beschroomd binnen, terwijl hij beangst rondzag alsof hij vreesde nog iemand anders in de kamer te vinden.

„Om Godswil, mijnheer de baron, wat is hier gebeurd?quot; vroeg hij. .,De keurprins sprak zoo luid en heftig, dat men het door het geheele huis hoorde, en nu is hij naar buiten gestoven roepende, dat men zijn paard moest zadelen. Mijn hemel, wat is er toch gebeurd?quot;

Von Leuchtmar legde zijn hand op den arm van den ouden man en- knikte hem vriendelijk toe. „Mijn beste Muller,quot; zeide hij met een flauwen glimlach, „er is niet?

ocr page 131

123

anders gebeurd dan dat de keurprins mij zoo even toornig mijn afscheid gegeven en mij naar Berlijn teruggezonden heeft.quot;

„Wat zegt ge daar?quot; vroeg de geheimsecretaris, met smartelijke verbazing zijn bevende handen samenvouwende. „Zou hij zoo ondankbaar zijn en zijn besten, trouwsten vriend van zich stoeten?quot;

„Ik zeg u immers, mijn goede Muller, hij heeft dit in toorn gedaan. Ge weet, dat drift het erfdeel is der Bran-denburgsche prinsen, Friedrich Wilhelm mag toch niet verloochenen, dat hij een Hohenzollern is. Ja, hij heeft mij mijn afscheid gegeven; maar weet ge, 't was zeer natuurlijk, want hij bemint de prinses Ludowike en ik waagde het haar te beschuldigen.quot;

„Is 't dan werkelijk waar, bemint hij haar? Heeft hij zich door de sirene laten verlokken? Ach, zij is een echte afstammelinge van Maria Stuart en verstaat het goed om menschenharten te betooveren.quot;

„Stil, Müller, stil, zoo de keurprins het hoorde, jaagde hij u ook weg!quot;

„Dat mag hij doen!quot; riep de oude heer verstoord. „Als hij u, zijn gouveneur, zijn besten vriend van zich jaagt, wil ik ook niet blijven; dan reken ik het mij tot een eer ook weggejaagd te worden.quot;

„Nu, mijn vriend, wees niet zoo wanhopig. Wij kennen immers onzen lieven keurprins. Hij is een woedende leeuw in zijn toorn, maar een lam als zijn toorn verdwenen is. Laat ons dus afwachten; heden verberg ik mij voor hem, morgen zal hij mij zelf weer roepen. Maar zeidet geniet, dat hij had bevolen zijn paard te zadelen?quot;

„Ja, ik heb dat zelf gehoord.''

„Waar zou hij zoo vroeg in den morgen heenrijden?quot; vroeg Leuchtmar nadenkend. „Hij is zoo opgewonden en de prinses zou hem tot zeer onbedachte, kwade stappen kunnen verleiden, want ge hebt gelijk, mijn vriend, zij is een sirene. Hoor, is dat niet de stem van den keurprins ?quot;'

,,Ja. Hij is beneden op de binnenplaatsquot;

De beide mannen liepen haastig naar een der vensters, en zich achter de gordijnen verbergende gluurden zij voorzichtig naar beneden op de plaaJftt

Zij zagen den keurprins, die juist het voorgebrachte paard besteeg. Met een enkelen sprong zal hij in den

ocr page 132

124

zadel en greep de hem toegereikte teugels. Met krachtige hand dwong de jongeling het ros tot stilstaan, toen drukte hij het zijn knieën in de zijden en als een pijl uit den boog vloog het paard de poort uit.

De twee heeren traden van het venster terug, „'t Is een flinke jongeling,quot; zuchtte de geheimsecretaris Muller hoofdschuddend.

„Ja,quot; zeide von Leuchtmar glimlachend, „ik vind het zeer begrijpelijk, dat prinses Ludowike hem gaarne tot gemaal zou willen hebben. Wij mogen dit echter niet toelaten, maar moeten alles doen om het te beletten, want het is tegen de politiek en het staatsbelang. Ook geloof ik, dat zulk een echtverbintenis niet tot 's prinsen geluk zou zijn, want de prinses — maar stil, de keurprins heeft mij verboden kwaad van haar te spreken, en wij zijn hierin zijn kamer. Zwijgen wij dus over baar!quot;

„Waar zou de prins zoo driftig heengaan?quot;

„Ik vrees, dat ik het raad! Tot haar, de prinses, om haar met zijn blikken vergeving te vragen voor hetgeen ik met mijn woorden misdaan heb. Hij is een dweepziek jongeling en 't is zijn eerste liefde! Geloof mij, hij vliegt tot haar!quot;

IV.

EEN IDYLLE.

Von Leuchtmar had gelijk. Tot haar, tot Ludowike snelde hij heen. Met vurig verlangen, met onwederstaanbaar geweld werd hij tot haar getrokken. Ja, zij was zijn eerste liefde en de betoovering van dit goddelijk gevoel be-heerschte zijn geheele wezen en joeg hem voort ais op de wieken van den stormwind; hij dacht aan niets dan om haar te zien, haar te bewijzen hoe gloeiend hij haar beminde, hij diep en innig hij aan haar geloofde.

Het paard vloog als een stormwind vooruit en toch scheen het den prins nog te lang eer hij het kasteel Doornweerd

ocr page 133

125

bereikt had. Vroolijk glimlachend kwam hi| daar aan, wierp den toesnellenden dienaren de teugels toe en sprong van het paard. Met glinsterende oogenkeek hij naar de vensters van het vertrek zijner geliefde en hij groette haar met zijn gedachten. Hij meende, dat zij het gevoelen moest en dat zijn blikken haar aan het venster moesten trekken. Hij bleef staan en zag naar boven — maar Ludowike verscheen niet aan het venster, en slechts een oranjelint fladderde vroolijk in den wind; Friedrich Wilhelm glimlachte verheugd, want hij hield dit voor eene begroeting van het lot.

Hij ging het kasteel binnen, eerbiedig begroet door de lakeien die hem niet durfden tegenhouden, toen zij hem met haastige sprongen de trap zagen oploopen. Hij ging regelrecht naar de kamers van prinses Ludowike, door de voorkamer in de huishamer. Zij was er niet en zij kwam hem niet tegemoet in haar betooverende schoonheid, met een liefelijken glimlach op haar purperen lippen.

De kamenier, die haastig uit de zijkamer te voorschijn kwam, berichtte den prins dat de prinses een uur geleden naar den Haag was gereden en eerst morgen van daar zou % tprugkeeren. De listige, scherpe oogen der kamenier zagen tegelijk door de deur, welke de prins had opengelaten, in de voorkamer en ziende, dat er zich niemand bevond en de prins geheel alleen was, trad zij dichter tot hem.

„Uwe hoogheid,quot; fluisterde zij, „ik moest ook naar de stad rijden en mijn verloofde, den kamerdienaar van mijnheer den keurprins, iets voor den genadigen heer ter hand stellen.quot;

„Nu, ge kunt het u gemakkelijk maken, Alice,quot; sprak de keurprins vroolijk. „Ge hebt geen bemiddelaar noodig! Ik ben er zelf! Geef mij dus, wat ge mijn kamerdienaar voor mij geven moest!quot;

„Hier is het,quot; fluisterde de kamenier, terwijl zij uit de tasch, die met een zilveren ketting aan haar gordel hing, een briefje haalde, en het met een sierlijke buiging den prins overhandigde.

„En hier is uw belooning,quot; zei de prins, een goudstuk uit zijn beurs nemende en het haar reikende. Zij nam het met een beschaamden blos aan en boog diep ter aarde.

„Zoo de genadige heer 'thier verkiest te lezen,quot; fluisterde zij, „zal ik de deur bewaken.quot;

ocr page 134

126

uy schudde het hoofd en snelde naar buiten. Neen, niet in die enge, dompige kamer, niet in de nabijheid van een nieuwsgierige kamenier kon hij den brief zijner geliefde lezen, den brief, waarvan hij vermoedde, dat hij hem de beslissing zijner geheele toekomst brengen zou.

In de open lucht, onder Gods schoonen hemel, onder de verlichtende, verwarmende herfstzon, wilde hij de boodschap zijner geliefde ontvangen en vernemen, wat de engel van zijn leven hem te verkondigen had!

Even snel als hij naar boven was gekomen, ijlde hij weder de trap af en door de hem welbekende vertrekken en gangen sloeg hij den weg naar het park in. Hij kende dezen weg; vaak had hij dien bewandeld aan de zijde zijner tante, de ongelukkige Boheemsche koningin en keurvorstin, die in Holland aan het Jiof van haar oom, den stadhouder Frederik Hendrik van Oranje, een toevlucht gevonden en op het kasteel Doornweerd haar kleine residentie had. Vaak ihad hij dien bewandeld met de prinsessen, haar dochters, en zeer aangename en genotvolle ^ uren had hij in het fraaie park met de prinses Ludowike doorgebracht. /;f|p

Op een der plekjes van deze lommerrijke boschjes waar ' hij zoo dikwijls met haar en haar zusters gezeten had, wilde hij nu haar bericht lezen. Haastig, met gloeiende wangen, vol van vervoering, met opgericht hoofd ging de prins voort en begaf zich naar een prieel dicht aan den weg. Het was door wilde wingerdranken omgeven; niemand kon zien hoe hij het briefje, dat hij zoolang in zijn hand verborgen had, te voorschijn haalde en het aan zijn lippen drukte, hoe hij het toen ontvouwde en opnieuw vóór het te lezen, het geliefde schrift aan zijn lippen drukte.

üe brief bevatte niets dan de woorden: „De vrienden zijn bereid en gewillig. Heden te één uur in de media node. Van daar de vlucht. Een waardige schuilplaats wacht en de priester staat voor rt altaar om het paar te zegenen.quot;

„Dezen nacht wordt zij de mijne, dezen nacht zullen wij getrouwd zijn! Dezen nacht zullen wij vluchten!quot;

Hij kon aan niefs anders denken. Zijn hart herhaalde het aanhoudend met gejuich; zijn lippen lispelden het zacht na en niets van de buitenwereld bemerkende, liep hij de paden van den tuin door. Hij wist niet waarheen, want hij liep doelloos rond; hij wist alleen, dat hij heden

ocr page 135

427

nacht onverbreekbaar met zijn geliefde vereenigd worden en dan uiet haar vluchten zou. Eindelijk moest hij even stil staan, want zjjn luidkloppend hart belemmerde hem den adem; eens moest hij in de gelukkige weelde van zijn hart een luiden jubelkreet slaken, die anders zijn borst zou hebben doen barsten.

Een liefelijk, vroolijk lachen klonk in zijn nabijheid en toen hij zich verschrikt naar den kant wendde van waar het geluid gekomen was, ontmoette zijn blik een lief en bevallig tafereel. In 't midden van het grasperk, waarbij hij zich bevond, stond een groote, witte koe, een van die prachtige dieren, zooals zij slechts op Hollands gezegende weiden zijn te vinden. Een knappe boerenmeid in debe-vallige'Hollandsche kleederdracht, een muts met gouden oorijzers op het volle, zware haar, dat in lange vlechten langs haar hals golfde, zat op een krukje en was bezig de koe te melken. Gelijkmatig vloeide de dampende melk over haar rooskleurige handen in den witten, porseleinen emmer, dien zij tusschen haar knieën hield. Naast haar stond een klein meisje in dezelfde dracht als de boerenmeid, behalve dat de wijde rok van zwarte-zijde, het met gouden knoopen en koorden bezette keurs van purper fluweel, en het wit voorschot van het fijnste linnen met kant omzoomd was. Onder den korten, met purper fluweel omzetten zijden rok kwamen blauwe zijden kousen met roode klinken te voorschijn; schoenen met groote, roode hakken en van voren met gouden gespen versierd, bedekten haar kleine, sierlijke voetjes. Aan het costuum dezer Hollandsche boerin ontbrak alleen de muts, doch in hare plaats was het haar, dat met blonde lokken over haar schouders viel, met een dichten krans van wilde wijngaardranken getooid, waarin op het voorhoofd twee fraaie purperkleurige herfstasters gevlochten waren. Zij scheen juist bezig geweest te zijn met van de bloemen en bladeren, welke zij in het voorschoot droeg, kransen te vlechten; thans liet zij den inhoud van haar voorschoot ter aarde vallen en behield slechts den voltooiden groenen krans, die aan haar arm hing, terwijl zij lachend naar den keurprins huppelde.

„Neef Friedrich Wilhelm,' vroeg zij vroolijk, „van waar komt ge en waarom schreeuwt ge zoo vreeselijk?quot;

„Heb ik u verschrikt, nichtje Louize Henriëtte?''vroeg hij, haar groetend zijn handen toestekende.

ocr page 136

428

„Mij niet, neet, maar Hulda,quot; antwoordde zij, hem haai handje?, reikende. „Ge moet weten, neef, dat Hulda zeer schrikachtig is, daarvan komt het, dat ze treurig is.quot;

„Wie is Hulda? Misschien de boerin?quot;

„De hemel beware neef! Hoe kunt ge denken, dat deze meid schrikachtig is. Neen, Hulda is mijn fraaie, witte koe, die treurt, omdat men haar heur kalfje heeft ontnomen. Ik heb er geen schuld aan; dit heb ik tot Hulda ook gezegd, toen zij straks zoo treurig loeide.quot;

„Maar waarom hebt ge 't toegestaan, dat men haar het kalfje ontnam? Hls immers uw koe?'

„Dat spreekt van zelf, 't is mijn koe,quot; antwoordde het meisje ernstig. „Mijn goede tante de keurvorstin heeft ze mij geschonken, om mij er mee te vermaken, wanneer ik hier op Doornweerd ben. 't Is mij dan of ik te huis ben, want ge weel immers, neef, dat ik te 'sGravenhage een volledige boerderij heb?quot;

„Neen, nichtje, dat wist ik niet,quot; zei de keurprins, terwijl hij vriendelijk de kleine prinses Louize Henriëtte van Oranje in het lieve blozend gelaat keek.

„Weet ge dat niet?quot; riep zij, verwonderd de handen ineenslaande. „Ja, ik heb een boerderij; drie koeien, die mij geheel behooren, en voor welke papa een stal heeft laten bouwen, die zeer fraai is. Naast dezen stal is een melk- en boterkamer. O, neef, ik verzeker u, het is heerlijk. De eerste keer, dat gij te 's Gravehhage bij ons zijt, laat mij dan roepen, dan zal ik u naar den stal bij mijn koeien brengen, en als ge dan heel lief zijt, krijgt ge ook een glas melk van mijn lievelingskoe.quot;

„Ik dank u vriendelijk,quot; riep de keurprins lachend. „Ik ben juist geen minnaar van warme koemelk en heb volstrekt geen verstand van een boerderij.quot;

„Nu, waartoe zou 't u ook dienen!quot; zei de prinses ernstig. ,.Ge zijt een man, en mannen hebben wel wat anders te doen; zij moeten oorlog voeren en landen regeeren. Maar de vrouwen moeten voor de boerderij zorgen en de huishouding besturen.quot;

„Zoo? Moeten zij dat?quot; lachte de keurprins. „Gewone vrouwen, ja, maar gij, Louize, zijt immers een prinses quot;

„Een Hollandsche prinses, neef, en mevrouw mijn moeder heeft mij gezegd, dat de Hollandsche prinsessen er haar grootsten roem in moeten zoeken, degelijke en

ocr page 137

schrandere huisvrouwen te worden en de landhuishoudkunde grondig te verstaan, opdat andere Hollandsche vrouwen van haar kunnen leeren. Mevrouw mijn moeder zegt, een Hollandsche prins is de eerste dienaar der hee-ren Staten, maar een Hollandsche prinses is de eerste huisvrouw van het Hollandsche volk, en hoe knapper zij is, des te meer zal het volk haar beminnen. Daarom wil ik trachten, zeer knap te worden, want ik zou gaarne willen, dat ons goed volk mij een weinig liefhad.quot;

„Zoudt ge dat willen?quot; vroeg de keurprins, bewogen door het lieve gezichtje en den hartelijken toon van het meisje. „Nu, ik beloof u, nichtje Louize Henriëtte, dat het u zal lief hebben, en ieder wien uw goede, trouwe oogen aanschouwen, zal zich zoo gelukkig en verheugd gevoelen, gelijk ik mij nu gevoel. Behoud uw fraaie oogen, Louize, uw onschuld en eenvoud, word een goede huisvrouw en uw volk zal u liefhebben. Maar zeg mij, nichtje, voor wien is de krans, die aan uw arm hangt?quot;

„Voor mijn fraaie koe, maar zoo gij hem hebben wilt, geef ik hem u en ... neen,quot; viel zij zich zelve beschaamd en blozend in de rede, „neen, vergeving, lieve neef Friedrich Wilhelm, ik zal u geen krans geven, dien ik eigenlijk voor een dier had bestemd. Ik zal zóó doen,quot; riep zij met een lieven glimlach, „dezen krans breng ik mijn Hulda en u, neef, geef ik mijn krans.quot;

Haastig nam zij den krans van haar lokken en op de teenen staande, wilde zij hem met hoog opgeheven arm op 't hoofd van den prins zetten, maar deze hield haar hand vast.

„Neen, nicht,quot; zeide hij, „dit moet plechtig geschieden. Ge zijt een dame, een prinses, en als ge een ridder kroont, moet hij voor u op de knieën liggen.quot;

Nu boog hij de knie voor haar en zag glimlachend en vroolijk tot haar op. „Kroon mij, nicht Louize Henriëtte,quot; zeide hij op plechtigen toon, „kroon mij en geef mij een zegenspreuk.quot;

Peinzend hield het meisje den krans in de hand en hare groote blauwe oogen waren met een ernstige, aandachtige uitdrukking op het glimlachend gelaat van den prins gericht.

„Nu,quot; vroeg hij, „waarom geeft ge mij den krans niet? Waar denkt gij over?quot;

Muhlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. I. 9

m

ocr page 138

130

„Over de zegenspreuk, neef,quot; antwoordde zij ernstig, „want ge hebt mij immers gezegd, dat ik u een zegenspreuk zou geven. Maar ik ben nog een klein, dom meisje, en gij moet het voor lief nemen. Mevrouw mijn moeder zeide mij gisteren; De beste zegenspreuk, die ik u dagelijks geven kan, luidt: Word een goede vrouw. Nu dunkt mij, als wij 't behoorlijk omkeeren, past het ook op u.quot;

Met aanvalligheid drukte zij den krans op het donker, krullende haar van den prins en legde toen haar handen op zijn hoofd.

„Ja, keur prins Friedrich Wilhelm, iiwd een goed man.quot;

De lach was eensklaps van 's prinsen gezicht verdwenen en diepe ernst sprak er uit. „Ja,quot; zeide hij plechtig, „ik beloof u, dat ik een goed man wil worden.quot;

Juist toen hij dit zeide, loeide de koe; prinses Louize wendde haar blik naar het dier en knikte het vriendelijk toe. „Ziet ge, neef,quot; zeide zij, „Hulda geeft u ook haar zegen; lach er niet om, want uit alles, wat leeft, spreekt God, en hem zijn de dieren en bloemen evenzeer waard als de menschen. Zoo nu do mensch zijn plicht niet doet en niet goed en vlijtig is, heeft God hem niet lief, en de bloem, die bloeit en de koe, die melk geeft, zijn hem dan liever, want zij doen haar plicht. Maar ik zie, dat de boerin gereed is. Nu, neef Friedrich Wilhelm, moet ik naar de melkkamer om de melk in de karnton te gieten, en weet ge, maar dit mag niemand hooren, ik neem een maat vol melk en breng die in den kalverstal aan het kalf mijner Hulda. Het mag wel geen melk meer drinken en moet een zelfstandig schepsel voorstellen, dat hooi eet en herkauwt als een verstandige koe, maar het zal toch bemerken, dat deze melk van zijne moeder komt en 't zal het genoegen doen. Adieu, neef Friedrich Wilhelm, ik moet weg.quot;

Zij wilde weghuppelen, maar de keurprins hield haar tegen. „Neen,quot; zeide hij, „wij willen niet zoo vluchtig van elkander afscheid nemen, mijn beminnenswaardige kleine bloem. Wie weet, wanneer wij elkander wederzien.quot;

„Ge wilt toch niet vertrekken, neef?quot; vroeg zij, terwijl ze streelend haar beido handjes op zijn wangen legde. „Ach, men heeft mij verteld, dat uw vader volstrekt niet wil dulden, dat ge nog langer hier blijft, hetgeen mij zooveel leed heeft gedaan, dat ik er om geweend heb/'

ocr page 139

131

„Waarom heeft u dit leed gedaan, nichtje Louize?quot; vroeg de keurprins, hol meisje tot zich trekkende.

Zij leunde haar hoofdje tegen zijn schouder. „Ik weet het niet,quot; zeide zij, hem met haar groote oogen aanschouwende, „maar ik geloof, dat ik u heel lief heb, omdat ge steeds zoo goed en vriendelijk jegens mij zijt en vaak met mij gepraat en gespeeld, maar mij nooit uitgelachen hebt, als ik u over mijn dieren sprak. Ik dank er u voor, mijn beste, goede neef, en zal u zoo lans ik leef lief hebben.quot;

„En ik, lief, goed nichtje, dank u voor de zegenspreuk, die ge mij gegeven hebt; zoo lang ik leef zal ik aan haaien u denken. Ja, mijn dierbaar kind. ik wil een goed man worden, en hoor, Louize,quot; voegde hij er glimlachend bij, „zoo ik ooit in nood of gevaar ben, dan zal ik aan u denken en bidden: Lieve God en gij alle onschuldige engelen hier boven, ontfermt u over de onschuldigen en goeden! Amen.quot;

Hij drukte een hartelijken kus op het voorhoofd van het kind, knikte het glimlachend toe, nam den krans van zijn lokken, om hem aan zijn borst te verbergen, en verwijderde zich toen haastig.

Het kind staarde hem met haar groote, tdauwe oogen na, tot de keurprins achter de boomen verdwenen was. „Hoe kent hij mijn gebed?quot; fluisterde zij zacht, „en waarom glimlachte hij, toen hij het herhaalde? O, nicht Lu-dowike heeft hem zeker verteld, welk een vreesachtige kleine haas ik van nacht was. Maar hoor, Hulda loeit! Ja, ja, ik kom al!quot;

Het meisje vloog over de weide, sloeg haar armen om den hals van het dier, dat zij streelde en liefkoosde, het teedere namen gaf en het van het fraaie kalf verhaalde, dat zij nu melk ging brengen. En de koe loeide niet meer, maar keek met groote, verstandige oogen het kind aan.

ocr page 140

132

V.

MEDIA NOCTE.

„De goden zijn van den Olympus nedergedaald! De goden groeten de aarde! Zij groeten de schoonheid! Zij groeten de jeugd! Zij groeten de kunst en de wijsheid! De goden groeten de aarde!quot;

„Leven de goden! Leve Venus, de moeder der liefde! Leve Minerva, de wijze en ongenaakbare maagd! Leve Zeus, de God der goden, die menschen in goden en goden in menschen herschept! Leve de OlympUs op aarde!''

Zoo zong en jubelde het juichende koor; hoog, boven uit de wolken schetterde daarbij de muziek en uit de boschjes en het struikgewas klonken liefelijke zangen, die in zoet gefluister overgingen. Eindelijk werd alles stil,want de goden, die in schitterenden optocht door de zalen waren gewandeld, namen aan de lange met rozen omkranste tafels hun plaatsen in.

Heden vierde men in de media nocte een olympisch feest. Men had de aarde verlaten en boven den Olympus vonden de kinderen der aarde elkander weder, tot goden verheerlijkt.

't Waren niet de zalen, waar men zich anders tot vroo-lijke spelen, tot overmoedig genot in lichte grieksche kleeding had vereenigd! Neen, 't was de met rooskleurige wolken gekroonde Olympus, 't was de hemel op aarde; lichte wolken omgaven de ruimte en achter haar waren de galerijen, die anders langs de zaal liepen, verdwenen. Jn plaats van het plafond zag men nu den donkerblau-wen hemel, waarin de sterren flonkerden en in de ruimte een zacht licht verspreidden. Niet in een zaal met stoelen en divans bevond men zich, maar in een ontzaglijke grot in 't binnenste van den Olympus. Een grot van lichtgevend, vonkelend bergkristal, lichtend en doorschijnend als zilvergaas, en waarachter een wonderbaar leven en zweven was van fraaie menschengastalten, geniusen en amors. Alleen de lange tafels in 't midden der grot behoorden aan de wereld der aarde, of ook aan die der goden. Want

ocr page 141

133

als kinderen der aarde hebben de goden op den Olytnpus getafeld en gedronken, en in volle mate van het vleesch en den liefelijken wijn genoten. Gouden met rozen omkranste bekers staan voor de met geurige vruchten en verlokkende spijzen beladen zilveren borden. In kristallen karaffen vonkelt de wijn en in zilveren vazen geuren de schoonste bloemen. Zachte kussens, gevuld met zwanendons en glinsterend van zilver, omgeven beide zijden van de tafel. De goden en godinnen hebben zich op die zetels nedergelaten en rusten in zalige stilte, blikken rond in de heerlijke ruimte en verheugen zich dat de menschen goden en de goden menschen zijn!

Ginds, aan 'thooger eind der tafel, zit Zeus op zijn gouden troon; Ganymedus, de schoone knaap, staat naast hem en reikt hem in gouden schalen de geurende spijzen ; Hebe, de lieve, kinderlijke maagd dient uit kristallen karaffen den vonkelenden, purperen wijn!

Juno, de stralende hemelkoningin, zit naast Zeus en als uit zilveren wolken en sterren geweven schijnt haar kleed, dat licht on los haar wonderschoone gestalte omhult, — niet verhult. Een lichte wolk van zilvergaas bedekt haar gelaat, evenals dat van al de andere godinnen.

Terwijl nu al de godinnen zwijgend rusten, verrijst Zeus van zijn gouden troon en buigt groetend naarheids zijden.

„Aan de tafel der goden moet de meest kuische, de reinste aller godinnen troonen, de-waarheid en aan haar zijde de verstandigste en wijste genius; de genius der stilzwijgendheid!quot; roept Zeus met luide stem. „Stemt ge dit toe, goden en godinnen?quot;

„Wij stemmen het toe,quot; roepen allen in jubelend koor.

„Gij, goden, zweert bij alles, wat u op aarde en in den hemel heilig is, dat ge aan den genius der stilzwijgendheid dezen avond uw dankoffer wijden wilt! Dat uw lippen nooit zullen verkondigen, wat uw oogen zien, uw oogen nooit zullen verraden, dat herinnering in uw harten woont!quot;

„Wij zweren het bij alles, wat ons op aarde en in den hemel heilig is!quot; roepen de goden.

„Gij, godinnen, hebt het gehoord !quot;„ roept Zeus van zijn troon. „Huldigt nu de waarheid, even als zij den genius der stilzwijgendheid huldigen ! Weg met leugen en schijn ! Weg met de maskers!quot;

ocr page 142

434

De volle bekoorlijke armen der godinnen hieven zicli op, en de rozenvingerige handen rukten de zilveren wolken van 't hoofd en wierpen ze jubelend achter zich ; jubelend begroetten de goden de schitterende gezichten der godinnen, de vonkelende oogen, de rozenkleurige lippen van zoeten glimlach omgeven.

„Leven de goden en godinnen van den Olymphus! Dat geen aardsche herinnering hen aankleve: niemand wete of herinnere zich, dat zij vroeger aardsche namen gedragen hebben. Slechts het tegenwoordige behoort den goden, slechts dit oogenblik is heerlijke vreugd!

De twee, die daar, elkander omarmd houdende, aan de tafel der goden zitten, slechts dezen herinneren zich niet alleen het tegenwoordige, maar ook aan de toekomst denken zij. Venus en Endymion worden zij door de goden en godinnen genoemd, maar zij noemen elkander in teeder gefluister Ludowike en Friedrich. Niemand let op het gelukkige paar; ook zij letten op niemand, zij denken slechts aan elkander.

„O, mijn geliefde,quot; fluistert de prins, „hoe flauw en ellendig komt mij heden dit fantastische feest voor. Vroeger zou het mij in verrukking gebracht hebben en wezenlijke poëzie voor mij zijn geweest. Maar heden laat het mij onverschillig en koud en ik gevoel, dat waarheid en werkelijkheid de hoogste poëzie in zich bevatten.quot;

„Gij hebt gelijk, mijn Endymion,quot; zegt zij zacht fluisterend, „ge hebt gelijk, de liefde is de hoogste poëzie en wie haar in waarheid in zich omdraagt, heeft geen behoefte aan fantasie. En toch is dit een godenfeest, dat wij met juichend hart en zalig genot willen genieten, want 't is ons bruiloftsfeest, dat al de goden en godinnen vieren, zonder het te willen en te weten, het huwelijk onzer liefde. Juich daarom, mijn geliefde, juich en zing met de feestelingen, open uw hart voor dit verrukkelijke uur, neem in uw ziel der goden vreugd op!''

Een schaduw vliegt over het heldere voorhoofd van Endymion en hij schudt zijn hoofd. „Ik bemin u zoo innig en waarachtig, dat ik op dit oogenblik niet vioolijk kan zijn,quot; zegt hij peinzend ; „dit wilde gejuich en luid gejubel schijnt mij niet als een verheerlijking, maar als een ontheiliging onzer liefde. Ach, mijn schoone bruid, ik wenschte dat ik met u alleen was, buiten, onder Gods vrijen hemel,

ocr page 143

m

niet onder dezen kunstmatigen; ik wenschte, dat wij te zamen hand in hand in een der stille priëelen van uw park zaten. Daar zou ik u de heilige verborgenheden van mijn hart, de zoete sprookjes onzer liefde vertellen; gij zoudt met aandacht er naar luisteren en wij zouden dan een heerlijk godenfeest vieren, heerlijker dan dit dolle vermaak ons schenken kan. Wie gelukkig is, ontvlucht de luide vreugd, en wie gloeiend en wnarachtig bemint, verlangt naar de stille eenzaamheid, om aan zijne liefde te denken.quot;

„ Wij zullen eenzaam en stil zijn, mijn Friedrich, zoodra wij aan ons zeiven behooren, als niets meer ons kan scheiden, als wij elkander niet meer onder den sluier des geheims ontmoeten, onder valschen tooi de goddelijk schoone werkelijkheid behoeven te verbergen. Immers, ge weet het, geliefde, dezen nacht nog vluchten wij!quot;

„God zij geloofd, in dezen nacht nog zult ge voor altijd de mijne worden, en niets dan de dood kan ons dan scheiden.quot;

„Spreek niet van den dood, waar het leven om ons ruischt met al zijn genietingen. Wees vroolijk, mijn geliefde, wees gelukkig, mijn Endymion! Wij vieren het godenfeest der liefde, en toch is dit slechts liet voorspel van ons geluk. Geef u over aan 't genot van het oogen-blik, drink uit den gouden beker der vreugd, mijn Endymion !quot;

„Ja, ik wil drinken, want Venus drinkt met mij!quot;

„Zij reikt u, Endymion, den met bloemen omkransten beker. Drink! Drink! Geniet van het oogenblik! Verheug u, maar denk aan het naderend uur van ons geluk!quot;

„Wanneer zal het ziin, geliefde? En waar vind ik u!quot;

„Wanneer alles klinkt en ruischt en zingt, zal mijn Endymion zich uit den Olympus in de grot dicht hierbij begeven. Ter linkerzijde bij den ingang vindt hij een hol, dat hij binnen gaat en waar hij een wit gewaad vindt, 'twelk hij aantrekt; daarna wacht hij. Al het andere komt dan van zelf.quot;

„En gij, mijn hart, komt gij dan ook van zelf?quot;

„Ik kom en haal Endymion! —quot;

De muziek ruischt en uit de rozenkleurige wolken begroet een koor van amors de goden met jubelzangen.

Nadat zij gezongen hebben, komen de muzen binnen

ocr page 144

136

en gaan rondom de tafel, verheven zangen opzeggende en de kunsten prijzende, welke zij beschermen.

Eensklaps verdonkert de sterrenhemel, er ontstaat schemering. Maar achter de kristallen wanden wordt het lichter en lichter, in zonneglans komen de antieke marmeren beelden der goden te voorschijn, die vleesch geworden, gloeiend van leven, gaan en zich bewegen!

De muziek ruischt, de amorskoren zingen; 't wordt weder licht in de zaal en de tafel, waaraan de goden gelegen hebben, verdwijnt in de diepte; geniussen zweven rond en bestrooien den grond met geurige bloemen; met vroolijk gewoel mengen zich de goden en godinnen, de heroën en halfgoden dooreen, aller oogen stralen, aller harten kloppen, en men dicht, zingt en prijst de goden, men lacht en jubelt: Leve de media node / Leve de groote geesten en edele harten, die er toe behooren!quot;

Endymon verlaat den Olympus, gaat de naaste grot binnen en sluipt in het kleine hol ter linkerzijde.

Venus is nog in de zaal Haar nadert Herkules, die haar zacht toefluistert; „Alles is gereed!quot;

„Waar? Zeg mij waar? 'tls mij als een droom! Ge ziet, dat ik u vertrouw; zonder te vragen heb ik alles gedaan, wat op het briefje geschreven stond. Nu ben ik in de media nocte en weet zelfs niet, wat verder gebeuren moet.quot;

„De echtverbintenis en de vlucht, vrouw Venus! Luister slechts! Dicht bij dit huis bevindt zich, zooals ge Mreot het hotel van het Fransche gezantschap! Welnu, gena-digste, muren laten zich doorbreken, en mijn toovenaar Ducato maakt van wanden deuren! Begeef u naar de rotszaal in het hol rechts. Daar zal vrouw Venus zich in prinses Ludowike herscheppen, maar toch altijd Venus blijven. Vervolgens gaat zij naar het linkerhol, waar inplaats van Endymion, de keurprins vertoeft. Zij reikt hem haar hand! Mijn toovenaar Ducato ziet dit en al 't overige gaat van zelf! Volg slechts den wensch in uw eigen gemoed. Slechts nog ééne zaak, prinses! Wees voor hem Venus en bedwelm zoo zijn hart en zinnen, dat hij niet aarzelt om het contract te teekenen, noch den inhoud onderzoekt.quot;

„Wees onbezorgd,quot; glimlacht Venus trotsch; „hij onderteekent alles om mij de zijne te noemen.quot;

De muziek imischt sterker en alle goden zingen en

ocr page 145

137

lachen en schertsen en juichen. De Bachuspriesteressen zwaaien den thyrsusstaf en zingen jubellie.ieren.

Venus is verdwenen! Doch niemand let er op. Ieder god behoort hier in de media nocte zichzelven.

O zalige nacht der goden! Helaas! dat morgen weer een heillooze dag voor menschen volgt!

De muziek ruischt sterker; alles klinkt en zingt in den Olympus!

Uit het hol ter rechterzijde treedt prinses Ludowikein wit atlasgewaad met den myrtenkrans in het haar; achter haar ruischt een sluier als een zilveren wolk!

Venus! nog altijd Venus! vol zoete betoovering!

Zij gaat naar het hol ter linkerzijde en klopt zacht, de deur springt open en zij treedt binnen. Het is er licht; in met goud geborduurd gewaad, met glinsterende oogen, gaat de keurprins haar tegemoet, aanschouwt haar met verrukking en zinkt aan haar voeten neder.

Endymion! nog altijd Endymion! Geboeid door zoete betoovering!

Een deur vliegt open! Niemand heeft ze geopend, maar zij is er. De keurprins springt overeind en reikt der prinses zijn hand. Beiden spreken niet, maar hunne harten kloppen luide.

De jubelende muziek en het juichen der goden van den Olympus dringt door tot in het stille hol, maar door de open deur dringen andere klanken binnen. Plechtige, langgerekte orgeltonen en van bazuinen doen de melodie van een plechtig koraalgezang weerklinken. Hoe zonderling mengen zich die jubelzangen en orgeltonen in deze enge ruimte. Het jonge paar hoort slechts deze klanken en het zweeft hand in hand naar deze tonen heen.

Zij komen in een smallen gang, waar aan beide zijden bloemen en myrtenboomen staan; lokkend en roepend klinken er de orgeltonen. Aan het einde van den gang schemert licht, waarheen het paar zich begeeft.

Uit den gang komen zij in een ruim vertrek. Plechtige stilte heerscht er en aan het einde ervan is een klein altaar opgericht; lange waskaarsen branden er op en daarbij staat in volledig plechtgewaad de geestelijke met het gebedenboek in de hand. Aan zijn zijde staan twee heeren in eenvoudige donkere kleeding.

Meer in 't midden der zaal, bevindt zich een met een

ocr page 146

138

groen kleed overdekte tafel, waarop verscheidene papieren en schrijfgereedschap liggen; een notaris, in ambtsgewaad, insgelijks door eenige heeren omgeven, staat er bij.

Prins Friedrich Wilhelm heeft dit alles slechts met een vluchtigen blik aanschouwd; vervolgens hebben zijne oogen zich weder naar zijn geliefde gewend, die hemelsch schoon en verleidelijk naast hem staat.

Nog klinken de jubelzangen van den Olympus in zijn ooren, nog vlammen en schitteren de godengedaanten voor zijn oogen.

„Hoe schoon zijt gij, geliefde Ludowike! mijn keurprin-ses! Kom! Laat ons naar het altaar gaan! Hoe dank ik u lieve, goede, vrienden! Ze hebben alles geordend! Kom! Ge ziet, dat de priester wacht!quot;

„Nog niet, geliefde! Ge ziet, dat voor den priester de notaris staat en mijne goede vrienden willen, dat wij ons huwelijk met alle formaliteiten voltrekken. Voor wij trou wen, moeten wij het contract teekenen.quot;

„Het contract der liefde staat alleen in onze harten geliefde! Waartoe dient een onderteekening op papier? Hoe kunnen vreemden weten, wat wij alleen met elkander uit te maken hebben? Ik zweer mijne keurprinses onveranderlijke liefde en trouw, daartoe is geene onderteekening noodig. Kom, naar het altaar, geliefde.quot;

Hij wil haar voorttrekken, doch Ludowike slaat haar arm om zijn hals en houdt hem tegen. „Geliefde,quot; fluistert zij, „het contract, dat wij moeten onderteekenen, is niet om ons, maar om de hulpvaardige en werkzame vrienden, die ons bijgestaan hebben en nog verder zullen bijstaan! O, zonder deze edele vrienden ware onze vlucht immers geheel onmogelijk geweest en had men ons voor altijd gescheiden ! Morgen zou ik de bruid van den prins van Hessen zijn geworden en uw vader zou wel middelen hebben u tot thuiskomst te dwingen! Ach, geliefde, men had ons gescheiden, zoo die edele vrienden zich onzer niet aangetrokken hadden. Zij hebben alles bereid, voor alles gezorgd. Zoodra wij getrouwd zijn, reizen wij naar onze veilige wijkplaats en onder hunne bescherming zijn wij daar geborgen en veilig, daarvoor moeten wij hun dankbaar zijn, niet waar?quot;

„Zeker, dat moeten wij en zullen 't gaarne zijn, mijn geliefde. Zij behoeven slechts te zeggen, waarmede wij

ocr page 147

139

die dankbaarheid kunnen bewijzen en wij willen het doen.quot;

„Zij hebben het opgeschreven; alles staat in het contract. Kom, geliefde, wij onflerteekenen en dan gaan wij naar het altaar.quot;

Zij sloeg haar arm om zijn hals en trok hem naar de tafel, waar de notaris met de getuigen stond. Zij reikte hem de pen en zag hem aan met een zoeten glimlach.

Venus, nog altijd Venus!

Maar hij! — hij is niet meer Endymion! Hij is de keur-prins Friedrich Wilhelm! En zonderling! als een droom, als een groet uit de verte klinkt het in zijnooren: Word een goed man!

„Neem en onderteeken!quot; fluisterde Venus met gloeienden liefdeblik.

Hij weert de pen af.

„Wat ik onderteeken, moet ik kennen! Lees, mijnheer de notaris!quot;

De notaris buigt en leest: „Wij bewilligen in vriendschap en genegenheid den keurprins van Brandenburg Friedrich Wilhelm en zijn gemalin, geboren prinses Ludowike Hol-landine van den Paltz, in onze landen een ongehinderde schuilplaats, beloven hun bescherming en veiligheid met al onze macht; verloenen hun voor hun levensonderhoud de noodige middelen en betalen hun een jaarlijksche subsidie van driemaal honderdduizend livres tot de aanvaarding der regeering door den keurprins van Brandenburg. Daarentegen verbindt zich de keurprins van Brandenburg, dat, zoodra hij aan de regeering is gekomen, hij een verbond van twintig jaren met ons zal sluiten en zweren zich nooit met onze vijanden tegen ons te verbinden, maar ons trouw ter zijde te staan, zoowel in goede als in kwade dagen. Beide partijen bekrachtigen dit door hare handteekeningen. De graaf d'Entragues heeft in naam van Frankrijk onderteekend.quot;

„Van Frankrijk'quot; riep de keurprins met luide stem. „Is Frankrijk de vriend, die ons wil helpen?quot;

„3a, mijnheer de keurprins, Frankrijkquot; zeide graaf d'Entragues, terwijl hij den prins naderde en diep voor hem boog. „Frankrijk biedt door mij den edelen keurprins van Brandenburg bescherming en toevlucht, betaalt hem een milde subsidie en begeert hiervoor niets dan later zijn bond-

ocr page 148

144

hinderen ,dat hij zijn vagevuur doorstaat, om er later als een feniks en zegevierend held uit te voorschijn te treden?quot;

„Ge moogt gelijk hebben,quot; zuchtte Müller, „maar ik weet slechts, dat de prins lijdt onder drukkend leed.quot;

Baron von Leuchtmar glimlachte weemoedig. „Moge dit lijden zijn hart verstalen,' sprak hij, „opdat hij gewapend zij tegen grooter en feller lijden! Kom, Müller, laten wij naar bed gaan.quot;

Hoe kalm de baron zich ook tegenover den weekhar-tigen Müller had betoond, bleef echter de slaap uit zijn oogen; bestendig meende hij de onrustige schreden, het zuchten en klagen van den prins te hooren, en hij kon zijn begeerte nauwelijks bedwingen om op te staan en aan de deur van den prins te luisteren of deze nog wakker was Maar de baron bedwong zich met geweld, en toen de dag reeds begon aan te breken viel hij pas in slaap.

Hij kon eenige uren geslapen hebben toen zijn dienaar haastig aan zijn bed trad en hem wekte.

„Mijnheer de baron!quot; zeide hij, „er is iemand, die u dringend wenscht te spreken.quot;

„Wie, Friedrich, wie is er?quot; vroeg baron von Leuchtmar, zich schielijk oprichtende.

„De kamerheer von Marwitz uit Berlijn.quot;

„Marwitz, de eerste kamerheer van den keurvorst!quot; riep de baron. „Spoedig, help mij kleeden, en zeg aan mijnheer den baron von Marwitz dat ik terstond tot zijn dienst ben. Maar zeg mij eerst, is zijne doorluchtigheid reeds op? Heeft hij zijn ontbijt reeds bevolen?quot;

„Neen, heer baron, ik geloof dat alles nog stil is in de kamers zijner doorluchtigheid.quot;

„Goddank! Breng nu mijnheer von Marwitz mijn groete en kom mij dan helpen.quot;

Tien minuten later trad baron Kalkbun von Leuchtmar-in de receptiezaal van Men prins, waar de baron en kamerheer von Marwitz hem wachtte.

Zij hadden een lang onderhoud met elkander; en met ernstig, bedenkelijk gezicht luisterde von Leuchtmar naaide berichten, welke von Marwitz hem van de omstandigheden in 't vaderland bracht.

„Marwitz,quot; zeide hij aan 't einde van het onderhoud, „wij zijn van onze kindsheid af goede, trouwe vrienden geweest; ik weet, dat u het keurvorstelijk huis en het

ocr page 149

445

vaderland even na aan het harte liggen als mij zeiven en daf ik u vertrouwen kan. Ik zeg u, dat ge ter juister ure zijt gekomen. De prins gaat gebukt onder groote smart en hij weet zelf geen uitkomst. Gij kunt hem die aanwijzen, en zoo hij werkelijk de eerzuchtige, hooghartige prins is, dien God zijn huis tot zegen en zijn vaderland tot hoop heeft gezonden, zal hij dezen weg inslaan. Ga tot hem, Marwitz, en bericht hem nauwkeurig zooals ge mij gedaan hebt, eerlijk en zonder terughouding, den treu-rigen toestand van het vaderland.quot;

„Gij gaat immers met mij, Leuchtmar, en stelt mij aan den keurprins voor?quot;

„Neen, baron. Gij moet u door den kamerdienaar laten aandienen, want gisteren heeft de prins mij in zijn toorn mijn afscheid gegeven. Stil mijn vriend, geen woord; 't is niet zoo erg! De prins doorleeft een crisis; hij zal wel weder genezen en dan zal hij mij ook weder laten roepen. Maar ik wil afwachten. Hem tegemoet komen kan ik niet.quot;

„Mijn vriend,quot; zuchtte Marwitz, „ik begin te vreezen. Zoo ge mij niet ondersteunt, zal zeker mijn zending schipbreuk lijden en even als Scblieben zal ik onverrichter zake naar Berlijn moeten terugkeeren.quot;

„Ik geloof het niet. Heb slechts goeden moed en spreek zooals uw hart en uw liefde voor het vaderland u ingeven.quot;

Hij reikte den heer von Marwitz de hand en voerde hem tot in de voorkamer van den prins.

„Is de keurprins reeds opgestaan ?quot; vroeg hij den zich daar bevindenden kamerdienaar, en toen deze slechts antwoordde door de schouders op te halen, wenkte von Leuchtmar hem en ging met hem in de vensternis.

„Nu, wat is er, oude Dietrich? Gij hebt den prins reeds gezien, niet waar?quot;

„Ja, heer baron. Hij is niet naar bed geweest en nog gekleed zooals hij van nacht is thuis gekomen. Hij ziet zoo bleek als een lijk en zijn oogen, die anders zoo heerlijk glinsteren, zijn dof. Hij riep mij, en ik dacht, dat hij zijn ontbijt wilde hebben, maar neen! Hij beval mij geheel iets anders, dat mij zeer zonderling voorkomt. Mijnheer de keurprins vroeg mij, wie deze week den dienst bij hem had: ik, of de tweede kamerdienaar Eberhard? Ik zeide, dat het Eberhard was en zijn week gisteren was begon-

Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. T. 10

ocr page 150

148

„Neen, ik houd u voor hetgeen ge zijt, voor den afgevaardigde van den keurvorst van Brandenburg, van mijn heer vader.quot;

„Uw doorluchtigheid wil hiermede zeggen, dat deze algevaardigde dientengevolge toch van graaf Schwarzen-berg zijn bevelen heeft ontvangen, daar de graaf de eigenlijke heer in de Marken en de rechterhand van den keurvorst is. Ik lees op uw gelaat, dat gij dit bedoelt en bijgevolg mij mistrouwt. Maar ik bezweer u, prins, geloof aan mijn eerlijke, oprechte gezindheid; geloof dat alles, wat ik u zeggen .zal, heilige ernst is.quot;

„Ik geloof het,quot; zeide de prins. „Gij hebt deze zending van den keurvorst en zijn minister Schwarzenberg op u genomen, en natuurlijk zal 'tu ernst zijn ze uit te voeren.quot;

„Prins, ik heb dezen last en deze bevelen van mijnheer den keurvorst zelf op mij genomen, niet van zijn minister heb ik ze ontvangen. Ik heb beloofd dezen last van den keurvorst uit te voeren; weet gij waarom ?quot;

„Wel, omdat ge een gehoorzaam dienaar van uw meester zijt.quot;

„Neen, prins, omdat ik een getrouw dienaar van mijn vaderland ben, omdat ik een hart heb voor nood en ellende. Mijnheer de keurvorst heeft mij bevolen naar den Haag te reizen en den heer keurprins het streng bevel van zijn doorluchtigheid over te brengen, dat mijnheer zijn zoon dadelijk van hier moet vertrekken en naar Berlijn terugkeeren. De keurvorst laat uw doorluchtigheid zeggen, dat hij mij vijfduizend thaler heeft ter hand gesteld voor reisgeld en afdoening der dringendste schulden. Mocht deze som niet toereikend zijn, dan ben ik gemachtigd, in naam zijner keur vorstelijke doorluchtigheid, borg voor de overige schulden te stellen, en uw doorluchtigheid moest uw reis zoodanig inrichten, dat uw gevolg op minder kostbare wijze nakomt. Ik moet met ernst op het vertrek uwer doorluchtigheid aandringen en mijnheer uw vader laat u melden, dat hij bijzonder gewichtige redenen heeft uw verblijf in Holland noch veilig, noch nuttig, noch vereerend te achten. Ik moet uw doorluchtigheid verzekeren, dat zij niet wordt teruggeroepen om tot een huwelijk gedwongen te worden. Integende el begeert mijnheer de keurvorst, dat gij met vrije hand terug keert en nooit buiten zijn weten en goedkeuring een

ocr page 151

149

echtverbintenis aangaat, want de keurvorst zou die noch goedkeuren noch ratificeeren.quot;

„Is dit alles, wat ge mij te zeggen hebt ?quot; vroeg de keurprins, toen von Marwitz zweeg.

„!t Is alles, prins, wat ik u namens den keurvorst te zeggen heb, hiermede is de mij opgedragen last volbracht. Maar ik heb er nog iets bij te voegen, ik moet nog.den last uitvoeren, dien mij uw toekomstig land, uwe toekomstige onderdanen gegeven hebben. Ik moet u de tranen der ongelukkigen, de zuchten dor verarmden, de weeklachten der wanhopenden, het noodgeschrei aller provincies, steden, dorpen, aller huizen en hutten uit de Mark overbrengen. Prins, uit de diepte hunner ellende verheffen zich alle harten tot u, in hun wanhoop wagen de bedrukten, de vertredenen, de gefolterden nog op u te hopen, zij liggen in den geest voor u geknield en smeeken u met opgeheven handen, zooals ik thans smeek; Ontferm u over onzen nood, toekomstige keurvorst van Brandenburg, heb medelijden met de landen en provincies, die eens uwen staat zullen uitmaken, sluit uw ooren niet voor de gebeden, de smeekingen uwer toekomstige onderdanen!quot;

Von Marwitz was voor den Prins op zijn knieën gevallen en zijn gevouwen handen tot hem opheffende, zag hij hem met smeekenden blik aan.

De keurprins zag peinzend den baron in het bewogen gelaat. „En wat begeeren mijn toekomstige onderdanen? Wat verlangt ge van mij?quot;

„Dat gij onverwijld langs den kortsten weg naar de Mark terugkeert.quot;

„Ik?quot; riep de keurprins met spottenden glimlach; „uw en der Brandenburgers beden en wenschen stemmen dus juist met de bevelen van mijn vader overeen?quot;

„Ja, zij stemmen er mee overeen, ofschoon ze uit andere beweegredenen ontstaan. Prins, wij smeeken om uw terugkomst; wij bezweren u: laat ons niet langer over aan de willekeur, de dwingelandij de boosheid en hebzucht van graaf von Schwarzenberg. Hij is de booze demon van uw vader, van uw land! Kom terug en verdrijf hem!quot;

De prins ontroerde, en een donkere gloed vloog een oogon-blik over zijn hleek gelaat. Hij boorde zijn blik dieper in de smeekende tot hem opgeslagen oogen van den baron, alsof hij op den bodem van zijn hart wilde lezen.

ocr page 152

150

„Sta op, Marwitz.quot; zeide hij na een lange pauze, „sta op, want ge zijt te oud en te eerwaardig om voor zulk een jong man als ik ben op de knieën te liggen. Sta op, zet u tegenover mij en verklaar mij nader uw woorden. Wat kan mijn terugkomst baten, hoe gelooft gij, dat ik het land nuttig kan zijn? Maar vóór alles, waarom noemt ge graaf von Schwarzenberg den boozen demon van mijn vader en zijn land?quot;

„Doorluchtigheid, laat mij de laatste vraag het eerst beantwoorden, dan weet gij te gelijk al het overige. Alle rampen, al de ellende, al de nood, die op de Mark, op Pruisen, op al uw verbrokkelde en verscheurde landen ligt, — _ zijn aan Schwarzenberg te wijlen, want hij handelt tegen de belangen van den keurvorst en diens land, hij handelt slechts in het belang van zijn eigenlijken meester den keizer van Duitschland. Bijgevolg is geheel zijn doel erop gericht Brandenburg te ruïneeren, het alle macht, alle aanzien, ja, alle hoop te ontnemen, opdat het afhankelijk van den keizer en het rijk zij, opdat het minder gevaarlijk zou kunnen worden. In het belang van den keizer, ten nadeele van den keurvorst en zijn land, heeft graaf Schwarzenberg den vrede van Praag gesloten. Tot dien tijd was Brandenburg de bondgenoot van Zweden; nu is het onzijdig, dat wil zeggen, is de buit van beide partijen ; het wordt overvallen, gebrandschat en geplunderd, doorde Zweden en keizerlijken beiden, en kan zich bij niemand beklagen, van niemand hulp verwachten. Met eiken dag stijgt de ellende; alle handel, en alle verkeer heeftopgehouden; op het land blijven de akkers onbebouwd; in de steden zijn de ambachtslieden zonder werk; niemand vindt arbeid. Honger en ellende, ziekte en dood, eischen dagelijks honderden otfers. De Zweed houdt uw erfdeel, houdt Pommeren bezet, en de keizerlijken rukken voorwaarts, bezetten de Pommersche steden, leggen ze oorlogsschatting op zonder dat zij er aan denken de veroverde steden haar ert-heer, den keurvorst van Brandenburg, te doen huldigen. De geheele Mark, geheel Pommeren en Pruisen, Westpha-len en het hertogdom Kleef moeten keizerlijk worden! Keizerlijk en katholiek; ziedaar het plan van graaf Schwarzenberg en hij stelt alles in 't werk om dit plan ten uitvoer te brengen. Het doel van al zijn handelen is de opkomst, den bloei van Pruisen en de Mark te verhin-

ocr page 153

151

deren. Hij zuigt het land uit; meer nog dan de vijand plundert en brandschat hij steden, schrijft belastingen uit en verrijkt zich met het bloed en de tranen der gepijnigde burgers, der verhongerde boeren; hij leeft in overvloed en heerlijkheid, terwijl de keurvorst gebrek lijdt, terwijl zijn land verhongert en verkwijnt.quot;

„Ontzettend! schrikkelijk!quot; zuchtte de keurprins, zijn handen voor zijn gelaat houdende, om von Marwitz de tranen niet te laten zien, die in zijne oogen stonden.

„Prins!quot; riep von Marwitz verheugd, „gij zijt bewogen! De ellende van uw land roert uw edel hart! O, moge God in dit uur met u zijn en u tot edele, groote besluiten opwekken.quot;

„Wat vordert ge van mij ?quot; vroeg de prins na een pauze, terwijl hij langzaam zijn handen van zijn doodsbleek gelaat het nederzinken. „Wat kan ik doen?quot;

„Gij kunt terugkeeren, prins, terugkeeren naar het ongelukkige land, voor hetwelk u (Vod bestemd heeft het eens te regeeren. Reeds zal uw tegenwoordigheid voorde ongelukkigen een troost, voor von Schwarzenberg een verschrikking zijn. Op u berust de hoop van alle patriotten; gij zijt het vaandel, waarom zij zich scharen, de banier tot welke zij met hoop en geduld opzien, waarvoor zij, moet het zijn, tot den laatsten bloeddroppel strijden zullen. Gij geeft ons een middelpunt en steun, wellicht zelfs aan mijnheer uw vader, die soms zijn alvermogenden minister wel vreezen mag: stellig aan mevrouw uw moeder, die haar zoon tot bijstand verlangt! Nog een laatste woord, prins. Ik zeg het aarzelend en zou 't zelfs de lucht niet willen laten hooren en toch moet het gezegd worden: Prins, de macht van graaf von Schwarzenberg op het gemoed van uw heer vader is groot en — en — graaf Schwarzenberg is een geloovig katholiek, 't Zou een nieuwe zuil zijner macht zijn, zoo de keurvorst . . .quot;

„Stil,quot; viel de keurprins, opspringend, hem in de rede. „Geen woord meer! Ge hebt gelijk, zelfs de lucht mag zulke woorden niet hooren! Begraaf ze in uw hart, spreek ze nooit uit! 't zijn vreeselijke, ontzettende berichten, welke ge mij gebracht hebt, Marwitz; mijn hart is er bitter en smartelijk door getroffen, zoodat ik voor het oogenblik . .

„O, mijn jonge, veel geliefde meester,quot; bad Marwitz,

ocr page 154

152

„laat uw hart er niet alleen door getroflen, maar ook door opgewekt en geheiligd zijn. Neem een verheven, edel besluit! Overwin u zeiven, en . .

De keurprins wenkte hem met opgeheven hand te zwijgen, en ging met haastige schreden, met gebogen hootd heen en weder door de kamer. Eensklaps bleef hij staan en ijlings het hoofd oprichtende, vroeg hij: „Waar is Leuchtmar, waarom is hij niet met u gekomen?''

„Prins, ik weet niet — hij zeide mij, dat hij 't niet durfde wagen voor u te verschijnen: hij . .

„Ach, 't is waar,quot; zeide de keurprins treurig, „wij hebben elkander nog niet wedergezien sedert ... Ik verzoek u, Marwitz, ga en haal mij Leuchtmar hier!quot;

De baron spoedde zich het bevel van den prins te gehoorzamen en verliet haastig de kamer. Friedrich Wilhelm zag hem na tot de deur zich achter hem gesloten had. Toen hieven zich zijn groote, vochtige oogen langzaam ten hemel en zijn bevende lippen prevelden: „O, hoe jong ben ik nog en hoeveel moet ik nog leeren Sta mij bij, mijn God, opdat ik de kracht er toe hebbe!quot;

Wederom opende zich de deur: Marwitz kwam binnen gevolgd door Leuchtmar, die met nedergeslagen oogen bij de deur bleef staan. De keurprins zag hem aan, met vra-genden, onderzoekenden blik, en zijn voorhoofd werd steeds etfener, zijn gelaat steeds, helderder. Eensklaps breidde hij zijn armen uit en op den toon der innigste liefde riep hij: „Leuchtmar! mijn geliefde leermeester! kom in mijn armen!quot;

Leuchtmar snelde met een vreugdekreet in de armen van den keurprins, die den edelen, veel beproefden man vast aan zijn hart drukte.

„Ach,quot; sprak de prins zacht, „ik heb zoo veel geleden, mijn vriend, en lijd nog. Vergeef mij, ter wille mijner smart!quot;

Hij boog het hoofd op Leuchtmar's schouder en weende smartelijk.

Een lange pauze ontstond, geen van allen kon ze afbreken, want aan alle drie was het woord op de sidderen-da lippen bestorven, slechts hun tranen, hun zuchten spraken.

Eensklaps opende zich langzaam de deur en de geheim-secretaris Muller verscheen op den drempel. Hij bleef een

ocr page 155

153

oogenblik staan en zag met bewogen gelaat en Irillende lippen naar den prins, die zich juist langzaam uil Leuchl-mar's omarming oprichtte, en trad toen beraden voorwaarts.

„Doorluchtigheid,quot; zeide hij, „vergeving, dat ik 'twaag hier binnen te treden, zonder geroepen te zijn. Doch de oude Dietrich durft zich niet verstouten te doen, wat ik thans doe, zoodat de verantwoording hiervan alleen op mij komt.quot;

„Wat is er?quot; vroeg de keurprins. „Wat brengt ge mij, mijn lieve trouwe vriend?quot;

„Hij noemt mij zijn lieven, trouwen vriend,quot; juichte Muller. „Alles is dus weder goed, alles weder in orde! Wij zijn dus niet ontslagen, niet weggezonden!quot;

„Misschien wel, mijn oude vriend,' zei de keurprins met Hauwen glimlach. „Maar wat wildet ge mij zeggen?''

„Prins, ik heb op mij genomen een gesluierde dame, die zoo even hier gekomen is, in uw kabinet te voeren en u te verzoeken haar de audientie te verleen en, waarom zij Dietrich met tranen gebeden heeft. Maar Dietrich heeft dit volstrekt geweigerd en de dame riep steeds, dat Eberhard haar tot den prins zou voeren. Maar Eber-hard mocht, zooals Dietrich zegt, deze week de dienst niet doen en kon dus niet binnen gaan. Door het luid gesprek aangetrokken, was ik de voorkamer binnen gegaan, toen wendde zich de dame tot mij en bad mij zoo bewogen en roerend, dat ik haar bijstaan en mij barer ontfermen zou, dat ik niet anders kon dan haar bede vervullen. Doorluchtigheid, ik heb de dame in uw kabinet gevoerd, waar zij u wacht.quot;

„Muller,quot; riep baron von Leuchtmar verwijtend, „wat hebt ge gedaan. Hoe kondt ge zoo onbedacht zijn!quot;

De oude heer richtte zich hooger op en zijn zachte oogen wapenden zich met een toornigen blik. „Onbedacht!quot; herhaalde hij streng. „Ik was volstrekt niet onbedacht, heer baron von Leuchtmar. Integendeel dacht ik, dat het een edelen prins onwaardig was, een vrouw vergeefs te laten smeeken; ik dacht wijders, dat Herkules nooit een held zou zijn geworden, zoo hij den moed niet had gehad, de dames, die hem op den kruisweg begroetten, toe te spreken.quot;

„Ge hebt wel gedaan, Muller,quot; zei Friedrich Wilhelm

ocr page 156

154

met flauwen glimlach, „het zal nu blijken of Herkules wellicht tot mijn voorvaderen behoort. Ik wil de dame spreken! Wacht hier op mij.quot;

Hij ging door de kamer naar de deur aan de tegenovergestelde zijde, opende ze haastig en trad het kabinet binnen.

In het midden er van stond een gesluierde vrouw. De prins herkende haar dadelijk, hij kende het bevallige kostuum van de Fransche kamenier van prinses Ludowike, en hij ging haastig naar haar toe.

, Ik dacht wel, dat gij 't waart, Alice,quot; zeide hij zacht, „ik ben dus gekomen om.....quot;

Zij sloeg met een heftige beweging den sluier terug en voor het schoone, bleeke gelaat, dat er onder te voorschijn kwam, trad de prins ontsteld en doodsbleek terug.

„Gij, Ludowike?quot;

„3a, ik, Ludowike! Ik kom in de kleeding mijner kamenier,quot;^ zeide zij met een van aandoening bevende stem, „tot u, mijn geliefde, om u te vragen of ge mij in wanhoop, smart en zielelijden wilt laten verteren? Ach Frie-drich, Friedrich, hoe vreeselijk heb ik dezen ontzettenden nacht geleden.quot;

„En ik,quot; mompelde hij zacht. „Heb ik ook niet geleden ?quot;

„Neen,quot; riep zij, „niet zoo als ik, want ge bemint mij niet zoo als ik u bemin; gij bemint mij niet méér dan uw leven, uw eer, uw vaderland! Ge wilt mij verlaten, omdat Frankrijk ons hulp biedt! Ach, ge zijt een koel, ongevoelig man, gelijk alle mannen; maar ik bemin u toch zoo innig en kan builen u niet leven. Friedrich Wilhelm, ge wilt niet met mij naar Frankrijk gaan, welnu dan ga ik met u, waarheen ge wilt; ik klem mij aan u vast en blijf bij u! Smaad en schande mogen mijn lot zijn, mijn moeder moge mij vloeken, de geheele wereld mij verachten, met vingers op mij wijzen en mij uw minnares noemen, ik blijf bij u, want ik bemin u en kan buiten u niet leven!quot;

En in gloeienden hartstochl breidde zij haar armen naar hem uit en zag hem aan met vlammende blikken. Maar over 's prinsen gelaat vloog een donkere* schaduw en hij trad terug.

„God verhoede, Ludowike,quot; zeide hij, „dat door mij

ocr page 157

155

ellende en schande over u mochten komen, dat uw moeder u zou kunnen vloeken om mijnentwil. Wij zijn beiden nog kinderen, Ludowike; dezen nacht heb ik dit zeer smartelijk gevoeld ; kinderen, die bovenal aan hun ouders eerbied en gehoorzaamheid schuldig zijn! Doen wij onzen plicht Ludowike.quot;

„Dat wil zeggen,quot; riep zij in hevigen toorn, „dat ge van mij afziet? Zij hebben dus uw tegenstand overwonnen, zij hebben u tot gehoorzaamheid, tot onderwerping teruggebracht?quot;

„Niemand doet dat dan ik zelf, Ludowike.quot;

„Gij? Gij ziet van mij af? Vrijwillig ? En toch bezwoert ge mij, mij alleen op de wereld te beminnen!quot;

„Mijn eed is waarheid, Ludowike, ik bemin u grenzeloos.quot;

„En toch wilt ge mij verlaten?quot;

„Dat moet ik geliefde!quot; Ja, ik moot u verlaten. God alleen, die dezen nacht mijn foltering gezien heeft, weet, wat ik lijd. Mijn vader is alleen, mijn vaderland roept mij, en het eerste, wat ik op zijn altaar breng, is mijn liefde voor u, Ludowike! Ik mag niet met u trouwen, Ludowike, en God beware mij, dat ik uwe liefde zou kunnen aannemen zonder huwelijk!quot;

,.Woorden, niets dan woorden,quot; riep zij toornig. „Ge wilt u verontschuldigen, door uw lafheid als edelmoedigheid voor te stellen! Maar ik hoor in uw woorden toch altijd slechts dit eenige: Gij ziet van mij af, gij geeft uw liefde op!''

,,Ja!quot; riep hij met een luide stem, „ja, ik geef mijn liefde op!quot;

„Wraak over u, zoo gij dit doet!' riep zij in vlammen-den toorn. „Ik, Ludowike Hollandine, ik roep wraak over u, want gij breekt mijn hart!quot;

„Heb medelijden. Zie wat ik lijd, Ludowike, zie het! Zie mijn oogen, zij hebben dezen nacht de smarten van een geheel leven uitgeweend ; Ludowike, op mijn knieën bezweer ik u, zoo ge mij waarlijk bemint, dat ge ontferming moogt hebben, om den wille mijner smart, vergeef mij!quot;

Buiten zich zeiven, in vreeselijke opgewondenheid, viel hij op zijne knieën en hief zijn gevouwen handen, zijn van tranen overstroomd gelaat, tot haar op.

ocr page 158

156

Maar nu was zij het die terug trad. „Neen,quot; zeide zij hard en streng, ,.geen medelijden, geen vergeving! Ik bemin u niet en heb u nooit bemind, ge zijt een dwaze knaap en weet niets van den gloed der liefde! Ge zijt een kind! Ga, handel als een kind, wees een gehoorzame zoon! De liefde verwerpt u, de liefde keert zich van u af.quot;

En beide handen afwerend naar hem uitstekende, wendde de prinses zich om en ging naar de deur.

Prins Friedrich Wilhelm lag nog altijd geknield, hij hoorde haar haastige schreden, maar richtte zich niet op.

Reeds had Ludowike de hand uitgestoken om de deur te openen, toen zij zich nog eenmaal omwendde en uit al de kracht barer liefde en smart riep: „Friedrich, gij laat mij gaan?quot;

Hij antwoordde niet; zijn hoofd boog zich dieper en een smartelijk gekreun wrong zich uit zijn borst.

Zij opende de deur, — hij hoorde het — hij zag de lichtstreep, die door de open deur in de kamer viel — de lichtstreep verdween, de deur was gesloten. Nu slaakte de prins een dier kreten, die in de felste aardsche foltering der menschen lippen ontglippen, om tot God op te stijgen, die ze alleen verstaat en hun gebed hoort.

De drie heeren waren nog in de huiskamer van den prins bijeen; zij spraken zacht en deelden elkander hun vrees en hoop mede.

Eensklaps opende zich de deur van het kabinet eif de keui prins trad binnen. Doodsbleek, met vasten tred ging hij op de drie heeren toe, die hem met teedere, augstige blikken aanzagen.

„Marwitz,quot; zeide hij, „gij kunt reeds heden de terugreis naar Berlijn aannemen, want uw zending is volbracht. Zeg aan mijn heer vader, dat ik mij, als een gehoorzame zoon, aan zijn wil onderwerp en onverwijld naar Berlijn atreis.quot;

De drie heeren antwoordden hem slechts met een vreugdekreet, en. door hetzelfde gevoel, door dezelfde vervoering-overmeesterd, vielen zij op hun knieën en baden; „God zegene den prins, die zichzeiven overwon!quot;

„Wat gebeurt hier toch?'' vroeg een mannelijke stem achter hen. „Wat beteekent dit? Drie heeren geknield, en mijn jonge neef ziet uit zijn oogen als de ridder St. George?quot; ,

ocr page 159

457

„En hij is 't ook, prins van Oranje,'' riep baron von Leuchtmar, terwijl hij zich oprichtte en den prins van Oranje tegemoet ging, die onaangediend, zooals hij gewoon was, bij zijn neef was binnengekomen. „Ja, hij is een ridder St. George, die den draak bedwingt! Gij weet het, prins Frederik Hendrik, hoe zoet men hem lokte, met welke toovernetten men hem wilde omspannen. Gij kent de media nocte en — voegde hij er zacht bij — de prinses Ludowike.''

„Nu, en wat is er dan vroeg de prins gespannen.

„Niet veel, mijn neef,quot; zei Friedrich Wilhelm met een treurigen glimlach. „Ik moet afscheid van u nemen. Ik ben 'taan mijn ouders, aan mijn eer en mijn land schuldig dat ik onverwijld den Haag verlaat!quot; ^

„Braaf, mijn neef, zeer braaf?quot; riep Frederik Hendrik van Oranje. „Gij vliedt het gevaar en ontwijkt de verleiding. Dat heet ook heldenmoed toonen en hiermede hebt ge even goed een vesting veroverd als ik Breda veroverde.quot; 1)

„Geloof mij, neef,'' zeide Friedrich Wilhelm, zich aan de heldenborst van den prins vleiende, „deze overwinning heeft veel bloed en tranen gekost.''

Een oogenblik liet hij zijn hoofd mat en als overweldigd op den schouder van zijn vaderlijken vriend rusten, toen richtte hij hel trotsch op.

„Baron Leuchtmar, en gij, mijn trouwe geheimsecretaris Muller,quot; riep hij met luide stem, „nog heden verlaten wij den Haag en gaan naar Arnhem; van daar nemen wij reeds morgen de terugreis naar het vaderland aan. Gij, Marwitz, reist vooruit. De gouden dagen onzer jeugd zijn voorbij! Mogen de ijzeren volgen. Ik ben bereid op alles!quot;

1

De eigen woorden van Frederik Hendrik. Zie: O. 1). Küster als voren.

ocr page 160

JJERDE BOEK.

GRAAF VON S C H W A R Z E N B E R G.

I.

NIEUWE PLANNEN.

„Zonderling, inderdaad zonderling,quot; mompelde graaf Schwarzenberg in zich zei ven. „Vier weken geleden heelt de prins zijn reis aanvaard en nog komt er geen bericht van Gabriël Nietzel. 't Is waar, de zeereis bood geen gelegenheid tot een of andere onderneming en de keur-prins heeft den verheven inval gehad van, in weerwil van het ruwe jaargetijde, de reis over zee boven die over land te verkiezen. Maar volgens het reisplan van den prins en mijne berekening, moest de prins reeds voor acht dagen te Hamburg zijn aangekomen, en wijl hij zich daar sleclits drie dagen wil ophouden, zou hij dus reeds vijf dagen op de landreis naar hier moeten zijn, en evenwel wacht ik vergeefs op eenig bericht van Nietzel. Zou hij het gewaagd hebben mij ongehoorzaam te zijn ? Zou hij liever zijn vrouw en kind willen opofferen dan mijn bevelen uit te voeren ?'

Het voorhoofd van den graaf rimpelde zich, terwijl hij zich dit afvroeg en zijn oogen vlamden van toorn. Hij sloeg zijn armen over elkander en ging met gejaagde schreden op en neder.

„Te denken, dat al mijn plannen schipbreuk lijden tegen den onnoozelen gewetensangst van een dwaas !r' zuchtte

ocr page 161

159

hij, „te denken, dat ik maanden vergeefs, neen, jaren werkzaam ben geweest om mijn plannen verwezenlijkt te zien, dat die plannen afhankelijk zijn van een domoor, die . . . Wat is er, Daniël? Wat brengt ge?quot;

„Uwe excellentie verontschnldige mij,quot; berichtte de binnenkomende lakei, „buiten staat iemand, die u dringend wenscht te spreken.quot;

„Wie is het? Kent ge hem?quot;

„Neen, hooggrafelijke genade. Ik ken hem niet en hij wil mij ook niet zeggen, welke boodschap hij aan uw excellentie heeft. Hij zegt, dat hij uwe hooggrafelijke genade zelve moet spreken en ik alleen zijn naam heb te zeggen. Hij heet Gabriël Nietzel.quot;

„Gabriël Nietzel!quot; riep de graaf getroffen. „Waarom mij dat niet dadelijk gezegd? Leid hem terstond binnen en zorg, dat niemand ons stoort, zoolang de schilder Gabriël Nietzel bij mij is.quot;

De lakei ijlde naar buiten, de deur voor den schilder openlatende, dien hij uit de eerste voorkamer riep.

Graaf von Schwarzenberg staarde ademloos in heftige opgewondenheid naar de geopende deur. „'t Is mijn toekomst, die er door zal binnenkomen,quot; mompelde hij. „Ha, daar is hij!quot;

In de heftige opgewondenheid zijner ziel ging hij haastig den schilder eenige schreden tegemoet, dien hij dooide zaal zag naderen. Maar zich toen met geweld bedwingende, bleef hij staan en nam een onverschillige houding aan.

Gabriël Nietzel trad binnen en achter hem liet de lakei de deur zacht in 'tslot vallen. De scherpe, vlammende oogen van den graaf rustten vorschend op den binnentredende, die met gebogen hoofd, in deemoedige en treurige houding bij de deur staan bleef. Dit onderworpen, verlegen zwijgen van den terugkomende was voor den graaf genoeg. Het zeide hem, dat Gabriël Nietzel geen verblijdende berichten had. Hij bedwong zijn toorn; slechts een enkelen zwaren zucht uitte hij en verhief toen trotsch zijn hoofd, alsof hij al zijn teleurgestelde verwachtingen, als lastige insekten, van zich wilde weren.

„Ge zijt dus teruggekeerd, mijnheer de hofschilder?quot; riep hij op schier vroolijken toon.

„Ja, excellentie,quot; fluisterde Gabriël met neergeslagen

ocr page 162

400

oogen, „ik ben terug eu heb mij dadelijk tot uw excellentie begeven.quot;

„Tot mij?quot; vroeg von Sdiwarzenberg schijnbaar verwonderd. „Waarom juist tot mij? Wat heb ik met u te doen, heer hofschilder Gabriël Nietzel? Ge moet naar het paleis gaan, tot mevrouw de keurvorstin, om haar met uw gelukkige tijding te verblijden. Ik twijfel volstrekt niet of ge brengt haar goede berichten zoo gij haar zegt, dat de prins spoedig gezond en wel behouden hier zal aankomen!quot;

„Ik ben niet voornemens naar mevrouw de keurvorstin te gaan,quot; zeide Gabriël Nietzel deemoedig. „Zij zal't reeds buiten mij welen, dat de keurprins gezonden wel is. Ik kom tot uwe excellentie, om mij wegens mijn mislukte onderneming te verontschuldigen en haar vergiffenis te smeeken.quot;

„Ik begrijp u niet, heer hofschilder,quot; antwoordde graaf von Schwarzenberg de schouders ophalend. „Ik weet volstrekt niet welk een onderneming ge bedoelt, wat u mislukt is of wat ik u te vergeven kan hebben.quot;

„Excellentie,quot; riep Gabriël in diepe smart, „ik zweer, dat ik onschuldig ben, het was geen onwil, geen achteloosheid, maar ik heb werkelijk de gelegenheid niet kunnen vinden om datgene uit te voeren, wat ...quot;

„Wat uit te voeren?quot; vroeg Schwarzenberg, toen Gabriël bleef steken. „Wat gaan mij uw onuitgevoerde werkzaamheden, uwe ontwerpen aan? Ik koop slechts voltooide schilderijen en zoo ze goed uitgevoerd en wel geslaagd zijn, betaal ik ze koninklijk. Met kladders of ellendige broddelaars, die kopiën voor origineelen willen uitgeven, met bedriegers heb ik niets te maken. Spreek mij dus niet van uw schetsen en ontwerpen, heer hofschilder, ik vraag er niet naar, maar alleen als ge uw werk voltooid hebt, kom dan bij mij.''

„Uwe excellentie wil mij niet begrijpen,quot; zeide Gabriël zich het angstzweet van het voorhoofd wissende.

„Neen,quot; antwoordde de graaf trotsch, „'t is aan u mij te begrijpen, heer hofschilder Gabriël Nieftel. Zijtgeniet naar den Haag gezonden om er uw studies ten einde te brengen? Waarom zijt ge dan nu reeds teruggekomen?quot;

„Omdat mij een heimwee overviel, genadige heer, pm-dat ik zoo onuitsprekelijk naar mijn kind en mijn vróuw verlangde!quot;

ocr page 163

101

De schilder waagde het een smeekenden, angsligen blik op het gelaat van den graaf te richten, maar von Schwarzenbergs blik bleef even koel.

„Hebt ge een vrouw?quot; vroeg hij onverschillig. „Hebt ge haar achtergelaten en zijt ge alleen naar den Haag gegaan!quot;

„Ja, ik ben alleen daarheen gegaan, omdat ik er een ernstig en groot werk uit te voeren had; maar vóór ik het doek gespannen en de schels ontworpen had, ontstond een onverwacht beletsel, dat al mijn plannen verijdelde.quot;

„Welk beletsel was dat?quot; vroeg de graaf achteloos, terwijl hij met de zware gouden keten speelde, die om zijn hals hing en waaraan het met briljanten omzet portret van den keurprins was gehecht.

„Mijnheer de keurprins, wien mevrouw de keurvorstin mij had aanbevolen en mij in zijn gevolg had genomen, besloot onverwacht tot zijn afreis uit den Haag en vertrok terstond. Hij zelf begaf zich met den heer von Marwitz, den heer van Kalkhun von Leuchtmar, den secretaris Mül-ler en zijn kamerdienaar onverwijld naar Amsterdam, om daar scheep te gaan. Hij beval zijn hofmeester en mij, zijn huishouding op te breken, zijn boeken en schilderijen in te pakken, en daarmede over land naar Berlijn te reizen. Ik kwam hiertegen op en verzocht mijnheer den keurprins hem op zijn zeereis te mogen vergezellen ; maar mijnheer von Leuchtmar weigerde dit en de keurprins zelf was voor niemand te spreken. Hij bleef tot aan zijn vertrek in zijn kamer en verliet ze slechts om in het rijtuig te stijgen'dat hem naar Amsterdam bracht. Daar lag juist een schip zeilree naar Hamburg en hierop ging de keurprins scheep.quot;

„En hebt ge den keurprins vóór zijn vertrek in 't geheel niet gezien?quot;'

„Ja excellentie. Ik had mij, even als andere huisotfician-ten naast zijn reiskoets geplaatst en de keurprins reikte mij zeer genadig de hand en beproefde zelfs te glimlachen. Gabriël Nietzel, zeide hij, haast u om spoedig te Berlijn aan te komen. Ge zult mevrouw mijn moeder verzoeken of ge in mijn bijzonderen dienst moogt treden en dan zult ge mij zeer fraaie schilderijen maken. Vaarwel, tot

Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. I. 11

ocr page 164

162

zoolang!quot; „Nogmaalsknikte hij mij vriendelijk toe en sprong in het rijtuig.quot;

„Was dit de eenige maal dat ge den keurprins gesproken hebt?quot;

„Neen, uw genade. Den dag na mijne aankomst had ik bij hem een audiëntie, en de keurprins was zeer verblijd tijdingen uit het vaderland te ontvangen. Ik moest hem zeer uitvoerig berichten, en daar ik, met uw genadig verlof den schijn aannam, tot de vijanden uwer hooggra-felijke genade te behooren, en aan de zijde der Burgs-dorfsche partij te slaan, werd de keurprins dadelijk zeer vertrouwelijk jegens mij, nam mij in zijn huis en zijn gevolg op, en beloofde mij aan het hof van den heer stadhouder en dat der' koningin van Bohemen voor te stellen.quot;

„Maar hoe kwam het, dat de prins zoo plotseling tot zijn vertrek besloot?''

„Genadige heer, vierentwintig uren na mij kwam de kamerheer von Marwitz in den Haag, en had een lang onderhoud met den keurprins. Onmiddellijk hierna gaf de prins bevel tot de terugreis en reeds drie uren later verliet hij den Haag.quot;

„Het schijnt dus, dat mijnheer von Marwitz een zeer bekwaam redenaar is, die het hart van den keurvorst weet te bewegen en hem tot gehoorzaamheid aan zijn heer vader en — aan mij terug te brengen. Ik zal mijnheer von Marwitz hiervoor mijn dankbaarheid bewijzen, 't Is mij zeer aangenaam als men mijn boodschappen en bevelen nauwkeurig en stipt uitvoert, en mijnheer von Marwitz heeft dat gedaan, want ik had hem bevolen geen middelen onbeproefd te laten om den keurprins tot de terugreis te bewegen.quot;

Bij deze woorden trof een koude, verpletterende blik zijner groote, grijze oogen het bleeke, verlegen gelaat van Gabriel Nietzel, en deed diens hart van angst beven.

,,Uw grafelijke genade is dus op mij vertoornd?quot; vroeg hij dof.

„Op u?quot; riep de graaf verwonderd. „Waarom zou ik op u vertoornd zijn. Wat heb ik met u te maken ? Ik ken u slechts als den schilder Niefzel, die mij een kopje voor een goed origineel heeft verkocht, en dien ik hiervoor als een vervalscher en bedrieger aan de galg had kunnen brengen. Maar ge weet immers, dat ik u vergiffenis heb

ocr page 165

403

geschonken. Ik was zelfs nog verder gegaan; ik had u commissies voor Holland opgedragen, waar gij schilderijmuseums wildet bezoeken, om copieën te vervaardigen. Ge hebt mijn commissies niet kunnen uitvoeren, omdat ge te vroeg zijt teruggekeerd; dat is alles en hiermede is iedere betrekking tusschen ons opgeheven. Het ga u wel, heer hofschilder Gabriel Nietzel; ge zijt ontslagen!quot;

Hij wees trotsch met de hand naar de deur, keerde den schilder den rug toe en ging langzaam door de kamer.

Maar Gabriël Nietzel ging niet heen. Hij bleet als vast-geworteld staan en staarde onafgewend naar den graaf, die nadenkend en peinzend op en neder ging en volstrekt niet scheen te vermoeden, dat de schilder't gewaagd , had nog langer te blijven. Na een lange pauze viel het oog van den graaf geheel toevallig op de plaats waar Gabriël Nietzel stond en von Schwarzenberg scheen hem zich plotseling weer te herinneren.

„Hoe, zijt gij daar nog?quot; vroeg hij. „Waagt gij mij te trotseeren? Zijt ge doof geworden, mijnheer de hofschilder? Hebt ge niet gehoord, dat ik u ontslagen heb?quot;

„Dat heb ik gehoord, maar uw genade weet wel, dat ik niet heen kan gaan. Uw genade weet wel, dat ik van haar lippen de beslissing mijner geheele toekomst verwacht en ik deze kamer niet eerder kan verlaten vóór ik die bekomen heb.quot;

„Hoe? Wilt ge deze kamer niet verlaten en blijven als ik u beveel heen te gaan? Goed, dan zal ik mijn bedienden roepen om u er uit te werpen.quot;

De graaf stak de hand reeds uit naar de zilveren fluit. Maar Gabriël Nietzel waagde het, deze hand te grijpen en ze met zijn bevende handen vast te houden.

„Ontferming, genadige heer,quot; smeekte hij, „verwijder mij uit uw aangezicht, ontneem mij de jaarwedde, die ge mij genadiglijk toekendet, ik gevoel, dat ik uw goedheid en genade niet waardig ben. Maar geef mij uit medelijden, uit menschelijkheid, weder, wat het mijne is, geef mij mijn vrouw en mijn kind!quot;

„W at heb ik met uw vrouw en kind te maken ?quot; vroeg de graaf toornig. ,,Ben ik misschien bestuurder van een gasthuis voor verloren vrouwen en kinderen?quot;

„Mijn vrouw, mijnheer de graaf, geef mij mijn vrouw terug!quot; smeekte Gabriël Nietzel, op de knieën zinkende.

ocr page 166

-104

„Ik weel niets van haar, ik heb haar nooit gezien,quot; zeide

de graaf. ,

, „Gij weet wei van haar, excellentie! Gij hebt haar en mijn kind, mijn lief dierbaar kind, onder uw bescherming genomen, toen ik naar den Haag ging. Gij hebt mijn vrouw en mijn kind naar Spandau laten brengen en hun daar in uw paleis huisvesting gegeven.quot;

„Nu hoor ik duidelijk, dat ge in waanzin spreekt, heer Gabriël Nietzel,quot; riep de graaf heftig. „Neem uw hersens bijeen, man, of ik laat u dadelijk als een krankzinnige in arrest nemen en naar het ziekenhuis voeren. Ik zeg u nogmaals: neem uw hersens bijeen en spreek niet zulke ongerijmdheden. Ik zou uw vrouw en uw kind in bewaring hebben genomen? Bezin u, heer Gabriël Nietzel, wees verstandig en herinner u, dat ge tot uw geluk nog een vrij, ongehuwd man zijt!quot;

„Neen, neen, ik ben niet vrij!quot; schreeuwde Gabriel Nietzel. „Ik heb een vrouw en een kind, ik moet ze weder-hebben. Geef ze mij terug, mijnheer de graaf! ik smeek het u op mijn knieën, geef ze mij terug! Ik moet mijn vrouw en mijn zoontje hebben!quot;

„Ga dan en zoek ze,quot; zei Schwarzenberg gelaten. end u tot de politie en geef haar hun signalement. Toon uw trouwakte en de doopakte van uw kind, opdat ieder zich van de waarheid uwer verklaring kan overtuigen. Schrijf vervolgens het signalement van uw vrouw, of, daar ge schilder zijt, maak een portret van haar, geef haar naam en afkomst op, roep haar verwanten tot bijstand en dan zal het u, zoo ge werkelijk een vrouw hebt, toch eindelijk wel moeten gelukken haar op te sporen.quot;

„Gij weet wel, mijnheer de graaf, dat ik dit niet doen kan,quot; zuchtte Gabriël Nietzel. „Gij weet, dat ik een arm, verloren man ben, die geheel in uw handen is overgeleverd. Maar ik smeek u, heb genade met mij ! Geef mij mijn wouw en mijn kind weder en ik wil alles doen, wat ge van mij verlangt. Geef mij mijn vrouw terug en ik zal hier doen, wat ik op de reis moest doen. Ik zal weder goed maken, wat ik verzuimd heb, dat ik . . .quot;

„Ik geloof u niet, Gabriël Nietzel,quot; viel de graaf hem in de rede. „Met eeden en woorden kan men veel zweren en beloven, maar daden ontbreken. Niemand zal u het loon voor een schilderij betalen vóór. hij de schilderij of

ocr page 167

165

ten minste de schets er van gezien heeft. Veronderstel, dat ik ii een schilderij heb besteld. Ga heen, bedenk een plan, ontwerp een schets én breng ze mij. Bevalt ze mij, is ze uitvoerbaar, zie ik ijver en goeden wil, dan zal ik u gaarne tot de uitvoering behulpzaam zijn en u koninklijk betalen. Dit is mijn laatste woord, heer hofschilder G'abriêl Nietzel; ga nu en kom niet eer terug vóór ge mij de schets brengt. Hebt ge mij begrepen, mijnheer Gabriël Nietzel ? Ik bestel een schilderij, gij levert de schets en ik wil u dan, daar ge in nood verkeert, gaarne vooruit betalen.quot;

„Ja, ik heb uwe genade begrepen,quot; zeide Gabriël Nietzel, diep zuchtend. „Ik ken het onderwerp voor de schilderij, welke ge mij hebt opgedragen en ik zal de schets ontwerpen. Gij zult er niet lang op behoeven te wachten.quot;

„'t Is een schoon onderwerp,quot; zeide von Schwarzenberg bedaard. „Wij konden het de vermoording van Julius Cesar noemen.quot;

. „Neen, 'tis de ter doodbrenging van Keizer Koenraad den derde, de ter doodbrenging van den jongen, schoonen en onschuldigen vorstenzoon, de vermoording van den laatsten Hohen — Hohenstaufen,quot; steunde de schilder, terwijl tranen met stroomen uit zijn oogen vloeiden.

„Ik geloof, dat ge weer een aanval van waanzin krijgt,quot; zeide de graaf verachtelijk. „Hoe kan men weenen, enkel omdat men een tragisch onderwerp wil uitvoeren. Wat gaat u de laatste der Hohenstaufen aan! Gij schildert zijn dood en als de schilderij goed geslaagd is, beloon ik u schitterend, geef u een rijk jaargeld, en gij gaat dan naar het vaderland aller kunstenaars, naar Italië, om daar in genot en vrijheid uw leven te eindigen.quot;

„Het zal geschieden, zooals uw excellentie 't zegt,quot; zuchtte Gabriël. „Alleen, excellentie, wees slechts zoo genadig mij mijn vrouw en kind weder te geven.quot;

„Ik zeide 'twel, dat een nieuwe vlaag van waanzin u overviel!quot; riep de graaf de schouders ophalende. „Man, zijt ge dan werkelijk dol en zinneloos? Van mij, van den graaf Adam von Schwarzenberg, den stadhouder in de Marken, eischt ge vrouw en kind?Ga,'t zijn dwaasheden! Maak, dat ge wegkomt, ontwerp eerst uw schets en als ge dan, weerkomt en zij bevalt mij, zult ge mij misschien genegen vinden al uw malle vragen te beantwoorden.quot;

ocr page 168

166

„Mijnheer de graaf, ach, laat mij, om Gods barmhartig-heidswil, mijn Rebekka ten minste slechts éénmaal zien.quot;

„Rebekka? Heet uw vrouw Rebekka? Waarlijk het klinkt alsof zij een jodin ware en ge zegt, dat zij uw vrouw is? Zeg dit nog eens, en noem mij dan den priester, die uw huwelijk ingezegend en een jodin met een christen getrouwd heeft! Ik zal dien booswicht tot strenge verantwoording roepen; als een kerkschenner en misdadiger zal hij van zijn ambt ontzet worden, want hij heeft tegen God, de kerk en zijn landsheer gezondigd! Noem mij den priester, Gabriel Nietzel, die u met de jodin getrouwd heeft.quot;

„Ik kan hem niet noemen,quot; stamelde Nietzel dof. „Mijnheer de graaf, ik wil in uw dienst gehoorzaam en ijverig zijn! Ik ben een groot zondaar en moet voor mijn misdaden boeten. Ik wil ook boeten, ik wil niets meer zijn dan een werktuig in uw handen! Maar wees mij dan ook genadig! Laat mij ten minste mijn vrouw en kind zien, zoo ik niet tot hen spreken kan! Ik wil ze zien, om moed en kracht te hebben voor mijn gevaarlijke en hachelijke onderneming,quot;

De graaf bedacht zich een oogenblik en zijn oogen vestigden zich op Gabriel Nietzels gelaat, welks smeekende, angstige uitdrukking hem scheen te roeren.

„Ik heb in mijn huis te Spandau een fraaie schilderij van den schilder Albrecht Durer,quot; zeide hij na een lange pauze. „Zij is echter, op de reis, helaas, een weinig geschonden en ge moet ze herstellen. Begeef u morgen middag naar Spandau en vraag er naar mij; ik zal er morgen zijn en u zelf de schilderij ter hand stellen. Wellicht ziet ge er dan nog andere schilderijen, die u behagen en u misschien niet vreemd zijn.''

Gabriël Nietzel nam de toegereikte hand van den graaf en drukte ze met vreugde aan zijn lippen.

„Mijnheer de graaf, ik zal uw knecht, uw slaaf zijn; ik wil voor u ter helle varen en in het eeuwige vagevuur blijven, zoo ge mij mijn vrouw en mijn kind slechts teruggeeft.quot;

„Mijnheer de hofschilder,'' antwoordde von Schwarzen-berg, „ik wil u tot een rijk en aanzienlijk man maken, ik -wil u naar Italië laten gaan en er u het hemelsche vuur van den Italiaanschen hemel doen genieten, zoo ge mij spoedig

ocr page 169

167

de bestelde schets brengt en bewijst, dat 't u met de uitvoering er van ernst is.quot;

Gabriël Nietzel lachte luid in de vreugd van zijn hart. „Uwe genade zal niet lang behoeven te wachten, ik zal mij spoedig met de schets bij uw excellentie aandienen!quot;

„Wij zullen zien,quot; zeide de graaf met een korten hoofdknik. „Nu wij elkander begrepen hebben en gij een weinig tot rede zijt gekomen, zeg ik u voor het laatst; Ge kunt gaan.quot;

Gabriël Nietzel boog diep en eerbiedig achteruitgaande, om den hooggeboren, zeer machtigen graaf den rug niet toe te keeren, liep hij naar de deur. Hij had ze bijna bereikt loen deze geopend werd en een lakei verscheen, die met luide stem aandiende:

„Zijn genade mijnheer de graaf Adolf Johanvon Schwar-zenbei'g!quot;

„Mijn zoon!quot; riep de graaf. „Is hij teruggekomen? Waar is hij?quot;

„Zijn genade is even naar zijn kamers gegaan, om zijn reiskleeding af te leggen, doch wilde met uwer excellenties verlof, binnen weinige minuten hier zijn.quot;

„Zeg mijnheer den graaf, dat ik hem met ongeduld verwacht,quot; riep de graaf. De lakei ging naar buiten en Gabriël Nietzel was juist gereed hem te volgen, toen de graaf hem terugriep.

„Niet dien weg uit,quot; zeide hij, „mijn zoon zal komen en 't is niet noodig, dat hij u ziet! Ga door gindsche deur. Zij voert u in een gang, waar ge een kleinen trap vindt, die op de plaats uitkomt. Ga!quot;

II.

GRAAF ADOLF JOHAN VON SGHWARZENBERG.

„Ik geloof, dat ik hem genoegzaam beangstigd en gefolterd heb,quot; zei de graaf bij zich zeiven; „hij zal op een middel peinzen om te doen, wat ik van hem begeer, en in zijn wanhoop zal hij alles wagen, om weder bij zijn vrouw en kind te komen, 'tls toch goed, dat de menschen

ocr page 170

168

een hart hebben, want men kan ze het best hierbij grijpen en er een handvat van maken, waarmede men hen bestuurt. Daarom zijn de menschen zonder een gevoelig hart altijd de overwinnenden; daarom ben ik groot en machtig geworden en zal nog hooger stijgen, want ik heb. Goddank, geen hart! Nooit heb ik de dwaze dweeperijen van een verliefd hart leeren kennen, nooit om een vrouw gezucht, nooit van een ander verlangen mijn hart bewogen gevoeld, dan van hel verlangen een aanzienlijken stand in te nemen en een machtig man te worden. Ik ben het geworden, maar ik wil nog hooger stijgen en daartoe — daartoe moet mij de verliefde gek, Gabriël Nietzel behulpzaam zijn, en daartoe . . . .quot;

Plotseling zweeg de graaf en zag luisterend naar de deur. In de voorkamer had hij den klank eener stem gehoord, die hem steeds welkom was en die in zijn borst een ongewoon gevoel van vreugd en geluk opwekte.

„Mijn zoon,quot; fluisterde de graaf. „Waarlijk, ik geloof toch dat ik een hart heb, want ik gevoel juist, dat het sneller klopt en dat het een geluk is een zoon te bezitten.quot;

Hij ging haastig door de kamer en had bijna de deur bereikt, toen ze haastig geopend werd en een jonkman verscheen, van hooge, slanke gestalte, in de elegante Spaansche kleederdracht, zoo als die aan 't hof van Keizer Ferdinand den derden werd gedragen.

„Mijn vader, mijn dierbare vader,quot; riep hij met volle, teedere stem en snelde met uitgebreide armen op zijn vader toe, om hem aan zijn hart te drukken.

Graaf Adam von Schwarzenberg liet dit glimlachend toe en een onuitsprekelijk gevoel van welbehagen doorstroomde zijn geheele wezen bij die teedere omhelzing.

Hij gaf zich hieraan slechts een oogenblik over, want hij schaamde zich over deze zwakheid en maakte zich zachtkens uit de armen van zijn zoon los.

„Ge zijt er dus weer, wildzang en rondzwerver,quot; zeide hij, en kon zijne oogen toch niet beletten hooger te glanzen, toen zij zich op het fraaie, geestige en jeugdige gelaat vestigden.

„Ja, ik ben er weer, cher et aimablepère,quot; riep de jonge man lachend, „maar gij doet mij onrecht mij een wildzang en rondzwerver te noemen, want ik ben voor zeer

ocr page 171

169

ernstige zaken op reis geweest en vind mij zeiven ontzaggelijk eerbiedwaardig in mijn hoedanigheden van keizerlijk kamerheer en rijkshofraad.quot;

„Hoe?quot; riep graaf Adam verblijd, „heeft de keizer u zulk een buitengewone genade verleend en zulke hooge titels geschonken?quot;

De jonge graaf knikte. „Hij heeft in mij den zoon van mijn vader vereerd,quot; zeide hij, „uit achting en eerbied voor u heeft hij mij zoo onderscheiden.quot;

„Ge zijt waarlijk te bescheiden, mijn zoon,quot; riepdegr^af glimlachend. „Wat keizer Ferdinand voor u gedaan heeft, is door uw eigen verdiensten en niet omdat gij mijn zoon zijt.quot;

„Ik bid u, zwijgen wij hierover,quot; zeide de jonge man lachend. „Het zal u toch niet gelukken mijn meening te veranderen, te minder daar ik uit den verheven mond van zijn keizerlijke majesteit zelve heb vernomen, dat hoogstdezelve den zoon van zulk een edelen, hoog be-gaauien en trouwen dienaar als graaf Adam von Schwarzen-berg voor het keizerlijk huis geweest is, om dienswille gaarne onderscheiden, hem de waardigheid van keizerlijk kamerheer verleenen en tot rijksholraad zonder traktement benoemen wilde. Ik verzoek u op te merken, mijn edele, zeer verdienstelijke heer graaf, dat uw zoon zijn waardigheden zonder traktement zijn verleend, waaruit natuurlijk volgt, dat ik niet 't minste inkomen heb.quot;

„Nu, Adolf,quot; glimlachte zijn vader, „dan moet ge er u mee troosten, dat ge buitendien mijn coadjutor zijt in mijn hoedanigheid als kommandeur der Johanniterorde, en ik het bepaald uitzicht heb u spoedig tot medestadhouder in de Marken benoemd te zien.quot;

,,Ik heb in 't geheel geen troost noodig,quot; riep graaf Adolf von Schwarzenberg. „Ik ben uw zoon en dit is zoo goed alsof ik de schoone Danaë ware en een onafgebroken gouden regen op mij ncderstroomde.quot;

„Ge wilt mij misleiden,quot; zei graaf Adam, zacht het hoofd schuddende. „Ge wilt mij doen gelooven, dat het u voldoende is mijn zoon te zijn en ge volstrekt geen persoonlijke eerzucht hadt.quot;

,.'tIs geen misleiding, cher père,quot; lachte de jongeman. „Vooreerst doe ik werkelijk geen moeite persoonlijke eerzucht te hebben. Ik zie mijn veel geliefden vader in den

ocr page 172

470

zonneschijn van zijn roem slaan en ik laat gemakkelijk eenige stralen van zijn glans op mij neervallen. Maar ik wil daarmeê niet zeggen, dat ik volstrekt geen eerzucht heb. Ik wil daarvan spreken, als de tijd gekomen is!quot;

„Mijn zoon, do tijd is gekomen,quot; zei graaf Adam haastig. „Wij moeten hier heden uitvoerig over spreken. Doch zeg mij eerst, welke berichten brengt ge uit Weenen? Kom, laten we gaan zitten en als twee ernstige politici en diplomaten met elkander een conferentie houden.quot;

Hij nam den arm van zijn zoon en voerde den jongen man naar den divan.

„De hemel beware mij, mijnheer de stadhouder, dat ik, een nieuweling in de diplomatie en politiek, het wagen zou mij aan uw zijde te zetten,quot; riep graaf Adolf. „Neen, vader, ik weet wat mij toekomt en gij moet mij vergunnen, eerbiedig, ver van u plaats te nemen.quot;

Hij nam een der kleine gebeitelde en vergulde tabourets, die ter zijde van den divan stonden en zette zich tegenover zijn vader. Graaf Adam beschouwde hem met een trotschen en toch zachten glimlach en scheen zich te verheugen in de schoone, forsche gestalte van zijn zoon.

„Ik zou wel willen weten of gij op mij gelijkt,quot; zei hij nadenkend; „of ik ook eens zulk een vroolijk, levenslustig jongmensch ben geweest.quot;

„Ge waart meer dan dat, mijn beste vader,quot; riep zijn zoon, „ge waart schoon en zeer beminnenswaardig. Ik weet dit, want ge zijt het nog.quot;

„Zie, 't schijnt, dat mijn zoon aan het keizerlijk hof heeft leeren vleien.quot;

„Neen, ik zeg de waarheid en ieder, die het geluk heeft in uw nabijheid te komen, zal dit bevestigen. Gij weet de menschen te betooveren en* zoo zij u eenmaal beminnen, kunnen zij u nooit weder vergeten. Keizer Ferdinand sprak met ware bewondering van u en de vorstin Lob-kowitz verzekerde mij, dat gij de eenige man waart, dien zij gloeiend en waarachtig bemind had. En toch zegt men, dat de vorstin Lobkowitz veel minnaars gehad heeft en nog heeft.quot;

„Vorstin Lobkowitz,quot; herhaalde graaf Adam peinzend; „hoe fraai klinkt dat, vorstin Lobkowitz! Ik herinner mij nog goed den tijd toen Lobkowitz een zeer arme, kleine, onaanzienlijke graaf was, die zich zeer gelukkig achtte

ocr page 173

171

als ik hem iets van mijn zakgeld leende, wat ik nooit terug kreeg. Wij waren toen beide pages aan 't hof van keizer Ferdinand den eerste en wij zwoeren elkander eeuwige vriendschap. Maar wat geven zulke eeden! Latei-verliet ik het keizerlijk hof en kwam aan het Kleefsche, en van daar hier naar Pruisen. Ik heb rusteloos gewerkt, houd, ik mag dit wel zeggen, sedert twintig jaren het roer van dit land in handen en — ben nog altijd slechts grauf von Schwarzenberg! De kleine onbeduidende graaf Lobkowitz echter, is thans een vorst geworden door 's keizers genade, evenals de Eggenbergs, de Liechtensteins en Fürstenbergs het ook zijn.quot;

„Ge zult ook een vorst worden, mijn vader,'' zei graaf Adolf zacht, „ja, zeker, ge behoeft dit slechts te kennen te geven, dat 't uw wensch is een vorstentitel te bekomen en keizer Ferdinandus zal u daarmede gaarne beloonon, zoo hij maar zijn wenschen door u vervuld ziet.quot;

De graaf ontroerde even en sloeg een vragen den en vorschenden blik op zijn zoon. „Ik dank u, Adolf,quot; zeide hij, „dat ge mij op even zachte als diplomatische wijze op het eigenlijke onderwerp van ons gesprek — of beter gezegd, mijnheer de kamerheer, van onze conferentie — hebt teruggebracht. Ja, het is in de eerste plaats te doen, om te vernemen, welke berichten gij mij van zijne majesteit brengt en welke bevelen mij de keizer geeft?quot;

„Vóór alle dingen, cher père, wenscht de keizer, dat de echtverbintenis van den keurprins met de prinses van den Paltz op alle wijze verhinderd wordt en zoo mogelijk de keurprins voorloopig van elke echtverbintenis wordt teruggehouden. De staat van zaken zou moeilijker worden, zoo de keurprins spoedig nakomelingen kreeg en hierdoor aan het keurvorstelijk huis van Brandenburg uitwendig meer duurzaamheid verleende.quot;

Een weerlicht schoot uit de oogen van den graaf op hel gelaat van zijn zoon, die echter volkomen kalm en argeloos bleef. „Wie heeft u dat gezegd?quot; vroeg hij. „Wie heeft zulke zonderlinge woorden gesproken? Niet de keizer, hij kan dit niet gezegd hebben!quot;

„Neen, maar 's keizers vertrouwdste raadsman, mio padre amato, de hoogeerwaardige heer biechtvader, signor Silvio. Ik houd hem, in 't voorbijgaan gezegd, voor een mensch geworden slang en zou mij wel wachten

ocr page 174

172

hem mijn ongeschoeiden hiel te laten zien. Maar'tis zeker, dat hij niet alleen in den biechtstoel, maar ook in den geheimen raad het oor des keizeis heeft en wat hij zegt, oven goed is, alsof de keizer,het zegt. Overigens beweert men aan het Keizerlijk hof, dat pater Silvio een toovenaar is, die door de oogen de menschen in hun harten ziet, en alles, wat daarin omgaat even duidelijk eri nauwkeurig weet, als stond het met groote letters op perkament geschreven.quot;

„Ik geloof, dat het zoo is,quot; mompelde de graaf; „ikgeloof, dat hij ook in mijn hart heeft gelezen! Maar verder, mijn zoon! Wat zeide pater Silvio u nog meer?quot;

„Hij sprak nog veel over den wankelenden en onzekeren toestand van het keurvorstelijk huis Brandenburg, dat, zooals hij zeide, slechts op vier oogen stond en uitgestorven zou zijn zoo de keurprins Friedrich Wilhelm plotseling kwam te overlijden.quot;

De graaf ontroerde en een vale bleekheid overtoogzijn gelaat. Zijn zoon bemerkte dit in het vuur zijner eigene rede niet en vervolgde; „Ik waagde het evenwel den wijzen pater te weerspreken en hem opmerkzaam te maken, dat nog zeven leenneven en verwanten voorhanden waren, die met hun veertien oogen de vier oogen van den keurvorst ondersteunden en hierdoor het wankelen van het huis Brandenburg-Hohenüollern zeer verminderden. Maar op deze aanmerking glimlachte pater Silvio medelijdend, en zeide op zeer nadrukkelijken toon; Jonge man, uw vader zal dit beter kunnen beoordeelen; herhaal hem slechts mijn woorden en zeg hem, dat de keizer de neven van het keurvorstelijk huis niet als leengerechtigden erkennen zal en de keurmark Brandenburg, zoo de keurprins ongelukkigerwijze zonder nakomelingen mocht sterven, als een vrij leen zou beschouwen, hetwelk de keizer van Duitscbland uit eigen beweging en daartoe gemachtigd aan een anderen vorst zou opdragen.quot;

Graaf Adam von Schwarzenberg sprong op; zijn oogen rustten een oogenblik op het gelaat van zijn zoon. Toen wendde hij zich af en begon driftig op en neder te gaan; nu was het zijn zoon, die zijn oogen met doorborenden blik op hem richtte en met gespannen aandacht iedere beweging van hem gadesloeg. Maar toen de graaf zich weder tot hem wendde; was geen zweem daarvan meer

ocr page 175

473

op zijn gelaat zichtbaar en met vriendelijken glimlach zag hij zijn vader aan.

Graaf Adam naderde hem en legde de hand op den schouder van zijn zoon.

„Heht ge den wijzen paler Silvio dan niet herinnerd,quot; vroeg hij, „dat de keurvorst George Wilhelm, behalve zijn eenigeh zoon, ook nog twee dochters heeft? Dat er nog de beide keurprinsessen Louize Charlotte en de jonge Hedwig Sophie zijn?quot;

„Neen vader,quot; antwoordde graaf Adolf luchtig; „dat heb ik niet gedaan. Ik achtte dit overbodig, vermits in het Brandenburgsche huis de vrouwen niet tot erfopvolging gerechtigd zijn. De salische wet bestaat hier immers niet!quot;

„Alsof wetten zich niet laten veranderen!quot; riep graaf Adam. „Is de keizer er niet, om nieuwe wetten te maken? Mijn zoon, laat ons samen openhartig en eerlijk spreken, en beantwoord mij eene vraag: Hoe staat ge met prinses Louize Charlotte?quot;

De jongeling ontstelde en een donkere blos vloog voor een oogenblik over zijn wangen. „Ik begrijp u niet, vader,quot; zeide hij in verwarring. „Wat meent ge?quot;

„Adolf Johan, gij begrijpt mij heel goed en weet, wat ik meen,quot; antwoordde graaf von Schwarzenberg glimlachend. „Als ik vraag, hoe ge met prinses Louize Charlotte staat, bedoel ik hiermede: hoe ver zijt ge in haar gunst gevorderd ?quot;

Een schier onmerkbare glimlach vloog over het gelaat van den jongen graaf. „Nu,quot; zeide hij, „de dames van het keurvorstelijk huis hebben zich jegens mij altijd zeer wel willend betoond, prinses Louize Charlotte niet minder dan mevrouw haar moeder en de jonge prinses; en daar ik niets heb gedaan om die gunst te verliezen, hoop ik, dat zij mij na mijne reis even genadig welkom zullen heeten als zij mij vroeger vaarwel hebben gezegd.quot;

„Mijn zoon,quot; zeide graaf Adam ernstig, „ge ontwijkt mij en dat is niet goed. Wij zijn beiden er voor geschapen elkander te verstaan en hand in hand te gaan op de moeielijke wegen, die zich thans voor ons openen. Ge weet evengoed als ik, dat wij gevaar loopen, zoodra de keurprins zich weder hier aan 't hof bevindt en wij vele steenen des aanstoots op onzen weg zullen vinden.quot;

ocr page 176

174

„Maar mijn machtige en verstandige vader zal ze wel uil den weg ruimen!quot; riep zijn zoon met vroolijken lach. „Laat de keurprins vrij steenen op onzen weg werpen, wij zullen ze opnemen en uw genade zal ze wel op* den kleinen prins, den laatsten spruit van zijn huis, terug werpen.quot;

„Ik zal de gelegenheid vinden, en er bij den hemel, gebruik van maken!quot;

„En mocht mijn genadige vader mij soms bij het oprapen — misschien ook bij het werpen — kunnen gebruiken, dan ben ik daartoe gaarne bereid. Uwfe genade behoeft dan slechts de richting aan te wijzen en ik hoop goed te treilen.quot;

„Mijn zoon, ge zij,t waarlijk een groot diplomaat,quot; riep * Schwarzenberg; „menigeen, die zich een oud meester in deze kunst waant, zou van u nog kunnen leeren Hoe behendig hebt ge mij van de vraag weten af te leiden, welke ik lot u richtte, en het gesprek op een andere baan weten te voeren! Toch moet ik op mijn vraag terugkomen en als ge steenen wilt werpen, in de richting welke ik u zal aanwijzen, zeg ik u, mijn zoon: Uw betrekking tot de prinses Louize Charlotte kan een zeer zware steen des aanstoots voor den keurprins worden, en zoo ge goed mikt, kunt ge er misschien het hoofd van den prins zoodanig mee treffen, dat het verpletterd wordt. Derhalve, mijn beste zoon, antwoord eerlijk op mijn vraag: hoe staat ge met de prinses Louize Charlotte?''

Over het heldere voorhoofd van den jongen graaf vloog een wolk van ontevredenheid en zijn opgeruimd gelaat verduisterde.

„Mijn hemel,quot; zeide hij, „wat heeft toch de prinses met de politiek te maken ?quot;

„Zeer veel, mijn zoon. Ik herinner u aan de woorden van pater Silvio. De pater heeft mij laten weten, dat zijn majesteit, ingeval de keurprins zonder nakomelingen sterven mocht, de aanspraken der leenneven van het huis Brandenburg niet zou erkennen, maar de keurmark als vrij leengoed zal beschouwen, waarmede hij door zijn genade een ander zou kunnen beleenen. Het eenvoudigste en natuurlijkste zal zijn dat de keurmark Brandenburg, indien geen zoon meer als erfgenaam aanwezig is, aan de dochter ten deel valt, dat de keizer de oudste dochter

ocr page 177

475

van den keurvorst Georg Willem tot ertopvolgster verklaart en haar gemaal door zijne goedgunstigheid met de keurmark Brandenburg beleent!quot;

„Dit zijn zeer groote en zeer ver strekkende plannen,'' prevelde de jongeling met neergeslagen oogen.

„Maar plannen, die te verwezenlijken zijn,quot; viel zijn vader schielijk in; „plannen, welke ge in uw schrander hoofd zeer rijpelijk overwogen hebt, want — nu beantwoord ik zelf mijn vraag — want ge staat op zeer goeden voet met prinses Louize Charlotte, ge hebt zeer schrander en juist gerekend. De prinses bemint u en ze kan met hare hand u een keurvorstendom als bruidsgeschenk brengen.quot;

„God beware mij, dat ik met het hart der prinses een misdadig 'spel zou hebben gedreven!quot; riep Adolf luider en heftiger dan hij tot hiertoe gesproken had. „Gij beschuldigt mij valsch, vader, 'tis mij niet in de gedachte gekomen op zulk een bruidsgeschenk te speculeeren, of van de liefde een berekening te maken.quot;

Graaf Adam zag met een blik vol verbazing zijn zoon in het opgewonden gelaat. „Ongelukkige, gij bemint de prinses dus?'' vroeg hij.

„Ja,quot; riep de jongeling onstuimig, „ik bemin haar! Ik zou haar zelfs beminnen al was zij een boerenmeisje; ik zou trachten haar te bezitten, al was zij van arme, onbekende familie en mij niets kon aanbrengen dan haar hart, haar dierbaar wezen, haai' bekoorlijke persoon. Nu weet ge, vader, hoe ik met de prinses sta. Ik bemin haar, bemin haar hartstochtelijk!quot;

„Och, mijn zoon, hoe goed staat u deze vervoering,quot; zeide zijn vader glimlachend, „wat zou de prinses gelukkig zijn, zoo zij u zien kun met die vurige oogen! Mijn zoon! gij zult mij overvleugelen, want ge hebt iets grootsch op mij vooruit, ge hebt van de natuur een heerlijk geschenk ontvangen, dat mij ontbreekt. Ge hebt een teeder hart. Gij gevoelt een gloeiende liefde, óf — kunt ze tot be-driegens toe nabootsen en veinzen. Wij willen dit niet verder onderzoeken, maai- ik herhaal u: Ge zult mij over-. vleugelen! Gij bemint dus de prinses Louize Charlotte; Ik dank u voor deze bekentenis; maar voeg er nu nog een tweede bij, Adolf. Zeg mij of de prinses uw liefde beantwoordt?quot;

ocr page 178

m

„Ik heb 'tniet gewaagd haar deze vraag le doen,quot; antwoordde graaf Adolf met neergeslagen oogen. „De prinses staat zoo hoog boven mij, is zoo edel en deugdzaam, dat het een misdaad zou zijn haai onschuld en deugd door de bekentenis eener ongeoorloofde liefde in verzoeking te brengen.quot;

„Mijn zoon,quot; riep de graaf glimlachend, „ge zijt een toonbeeld van bescheidenheid en geheimhouding. ïk bewonder u, ik ben verrukt over u! Ge hebt het dus niet gewaagd om der prinses uw liefde te bekennen?quot;

„Neen, mijn vader, ten minste niet zoolang als 't een ongeoorloofde liefde is, zoolang als ik niet weet of ik uw toestemming heb en door u de toestemming van mijnheer den keurvorst.quot;

„Gij wilt dus zeker zijn, ge wilt u met geen onderneming inlaten, die geen gevolg belooft! O, nu begrijp ik alles! Ik heb een onweerstaanbaren lust u te omhelzen en ge kunt uw vader deze vlaag van teederheid wel eens vergunnen. Kom aan mijn hart, mijn groote, bewonderenswaardige zoon!quot;

Hij sloeg zijn armen om den hals van zijn zoon en drukte een hartelijken kus op zijn lippen.

„Graaf Adolf Johan von Schwarzenberg,quot; zeide hii toen, „met dezen kus geef ik u verlof om naar de hand van prinses Louize Charlotte te dingen! Met dezen kus beloof ik u, het hart van den keurvorst zoo te bewerken en te besturen, dat hij u de hand zijner dochter geeft en in uw huwelijk met haar toestemt.quot;

„Dierbare vader, gij opent mij de deur van het paradijs. Maar deze deur heeft twee vleugels en zoo ik ze zal binnengaan, moeten de beide vleugels zich openen.quot;

„Ha, ge meent de keurvorstin. Voorwaar, zij zal zich tegen zulk een huwelijk heftig verzetten, want zij heeft een hoogmoedig en eigenzinnig hart, waarop niemand eenige macht heeft dan de keurprins, en deze zal die macht niet ten onzen gunste willen aanwenden. Nu, er zal dan niets overschieten dan geweld met geweld te beantwoorden en de waarde mevrouw keurvorstin dwingen, haar toestemming te geven. Zulke dwangmiddelen aan te wenden, is uw zaak, mijn zoon!quot;

„Gij machtigt mij daartoe, mijn vader? Gij zult mij uw ondersteuning niet weigeren?quot;

ocr page 179

177

„Ik machtig u tot alles, wat gij noodig acht, ge zult in mij een trouwen bondgenoot vinden, want ik zie met vreugd, dat gij ook voor mij een trouw bondgenoot zijt en wij wederzijds op elkander kunnen rekenen.quot;

„Ik zal het als een heiligen plicht erkennen, u, mijn veel geliefden vader, te gehoorzamen en zal met vreugde bereid zijn uw wil te volbrengen.quot;

„Gij zult daar wel aan doen, mijn zoon,quot; zei graaf Adam von Schwarzenberg met een hartelijken handdruk. „Alles, wat ik voor mij doe, is ook voor u gedaan, alles, wat ik verkrijg, is tot uw voordeel en nut. Gij zijt mijn erfgenaam, op u zal overgaan alles, wat ik op aarde verkregen heb, mijn naam, mijn roem, mijn waardigheden en ambten, mijn geld en bezittingen!quot;

„Cher père,quot; riep de jonge man, „spreken wij niet van zulk ernstige dingen. Ik hoop, dat het nog zeer lang duren mag voor ik deze groote en treurige erfenis aanvaard.quot;

„Ik hoop het ook, zeide graaf Adam levendig. „Ik zou u het werk voltooid willen nalaten, en hiertoe is nog veel arbeid en inspanning noodig. Ik heb mij een groote taak gesteld en zij is nog zeer verre van haar uitvoering verwijderd.quot;

„En toch hebt ge reeds zoo veel grootsch, zoo veel bewonderenswaardigs bewerkt en volbracht, mijn vader! Ge kunt geen begrip maken van de verrukking, waarmede men aan het keizerlijk hof denkt aan hetgeen gij gedaan hebt. Keizer Ferdinandus sprak van u als van zijn liefsten en getrouwsten dienaar en pater Silvio noemde u een licht des geloofs en een getrouw zoon der kerk, door wien nog veel heilrijks geschieden zou.quot;

„Ja, er zal nog veel heilrijks door mij geschieden,quot; riep graal Adam levendig. „Ikweet, wat ik wil, ik ken het groote doel, dat ik voor mij heb en waarnaar ik sedert twintig jaren met onwrikbaren moed en onverkoelden ij ver gestreefd heb. Voor u, mijn zoon, maak ik geen geheim van mijn bedoelingen, en gij moet ze kennen, opdat ge mij trouw ter zijde kunt staan, 't Is waar, 'ik ben eerzuchtig, ik dorst naar roem; 't is waar, ik heb ook voor mij zeiven gewerkt en mijn persoonlijke belangen bevorderd, zooveel in mijn vermogen was. Maar dit persoonlijke belang alleen voert mij niet tot mijn doel, het is hooger, verhevener. Ik ben de UufaVbaoh, De groote Keurvorst en sijn tijd. I. 12

ocr page 180

478

getrouwe dienaar en onderdaan van mijnen keizer en heer; ik ben de geioovige, ijverige zoon onzer heilige kerk. Den keizer en -der kerk behooren mijn streven en geestkracht, en de bevordering van beider grootheid en aanzien is 't, wat al mijn doen en laten bestuurt.quot;

„En ik, mijn genadigste vader, zal u hierbij trouw ter zijde staan,quot; zeide graaf Adolf innig. „Gij zult in mij steeds een leergierig en verknocht leerling vinden.quot;

„Wij hebben beiden een groote zending te vervullen,quot; riep graaf Adam, „en 't is zeer goed, dat men zich die duidelijk voor oogen stelt, om haar steeds indachtig te, blijven zelfs bij persoonlijke belangen. Herinner u dit, mijn zoon, en handel er naar. Den keizer en der kerk moeten al onze diensten gewijd zijn: den keizer groot en machtig te maken, zijn aanzien te versterken in het Duitsche rijk, is en blijft mijne taak als staatsman. De macht en heerschappij van den katholieken godsdienst verder uit te breiden, dit is en blijft mijn taak als christen, als zoon der alleen zaligmakende kerk. God heeft mij tot zijn werktuig uitverkoren; hoe was het anders mogelijk, dat de strenggeloovige gereformeerde keurvorst mij den katholiek, tot zijn eersten en machtigsten minister kiezen kon. God wil, dat door mij bet aanzien van het heilige room-sche rijk weder verhoogd en bevorderd worde, derhalve heeft Hij gemaakt, dat ik 's keizers onderdaan en geboren Oostenrijker, dat ik de dienaar zou worden van den keurvorst van Brandenburg. Maar van den dienaar is de heer gekomen en de katholieke Oostenrijker is stadhouder in de Marken, is alvermogend minister in het land der ketters! Hij is het, omdat door hem dit land tot het geloof en de kerk wordt teruggevoerd, omdat door hem de bedreigde macht van Duitschlands keizer weder wordt hersteld. De protestantsche keurvorsten willen zich verzetten tegen de macht van den keizer en het rijk, wilden met Zweedens hulp van het heilige roomscherijk een mozaïek van vrije, onafhankelijke landen en landjes maken, waarin protestanten, gereformeerden en luther-schen evenveel beteekenden als de katholieken, en waarin de keizer over niets meer te gebieden beeft. Van den Protestantschen keurvorst van den Paltz moest een koning worden, die over het katholieke Bohemen zijn schepter zwaaide, en de keurvorst van Bran-

ocr page 181

179

denburg zou een machtig vorst worden, die in het noorden de macht van den Duitschen keizer brak en van een protestantsch Duitschland het middelpunt en de keizer werd ! Daarom verbonden zij zich met de Zweden, daarom moest koning Gustaat Adolf de protestantsche Óuitsche vorsten, zijn neven en zwagers, behulpzaam zijn! Maar het lot was tegen hen. In den slag bij den Witten Berg verloor de Paltzgraaf zijn Boheemschen troon, in den slag bij Lutzen verloor de Zweedsche koning zijn leven en bij den vrede van Praag verloor Zweden, verloren 's keizers vijanden, een machtigen bondgenoot, den keurvorst van Brandenburg! Ik was het, die den keurvorst van de Zweden afwendde, die hem weder tot een gehoorzamen dienaar van zijn heer en keizer maakte. En ik zal het zijn die de Mark Brandenburg wederom goed keizerlijk, en, zoo God wil, ook weder goed katholiek maakt! Want naar het hoofd richten zich de leden en als de vorst den katholieken godsdienst aanneemt, zullen zijn onderdanen dit ook zeer spoedig doen.quot;

„Hoe, genadigste vader, zou 't mogelijk zijn, dat de keurvorst George Wilhelm . . .quot;

„Stil, mijn zoon, wie spreekt toch van den keurvorst George Wilhelm'? Wie denkt aan den stervenden boom, die geen vruchten meer zal dragen, zoo hij daarnaast een jongen ontluikenden boom in vollen bloesempraal van toekomstige vruchten ziet! Mijn zoon, ik geef u vooraf mijn toestemming om naar de liefde van prinses Louize Charlotte te dingen, maar ik maak ééne voorwaarde, die ge mij plechtig moet belooven. Slechts eene katholieke wordt de echtgenoote van mijn zoon Adolf Johan.quot;

„Slechts eene katholieke wordt mijn echtgenoote,quot; riep de jonge graaf, „dit beloof ik u plechtig, mijn vade'r!quot;

„En meent ge werkelijk, mijn zoon, dat de keizer mij dezelfde gunst zou willen bewijzen als den Furtenbergs, Lobkowitzs en Liechtensteins?quot;

„Ik ben gemachtigd hierop het vooruitzicht te openen, genadigste heer vader. Het Oostenrijksche huis is dankbaar en vergeet niet, dat reeds mijnheer uw vader het gewichtige diensten bewezen, den keizer met roem tegen de Turken gediend heeft; dat gij zelf uw leven lang trouw en onvermoeid in dienst zijner keizerlijke majesteit geweest zijt, dat de stadhouder in de Marken, de komman-

ocr page 182

180

ï

deur der Johanniterorde altijd zijn trouw jegens den keizer indachtig is geweest.quot;

„Ik moet en wil ten allen tijde goed keizerlijk heeten,quot; riep de graaf levendig, „en des keizers dienst gaat boven die van den keurvorst! ') De Hongaarsche vorst Bethlen Gabar heeft wel gezegd, dat -ik met den keurvorst op één schip vaar en mijn fortuin op de fortuin van den keurvorst berust, maar hij zal zich toch bedrogen zien; wij willen liever op een eigen kleine boot varen dan op het keurvorstelijke schip.quot;

„Ja, vader, dat willen wij!quot; riep de jonge graaf blijmoedig. „Bestuur gij het roer en geef koers en richting aan de boot. Ik zal dan de zeilen hijschen en zoodanig stellen, dat wij snel voorwaarts komen.quot;

„Doe dat, mijn zoon, en luister altijd naar den wind, hoe hij, zoowel uit de kamers der keurvorstin en haar prinsessen als uit de roofnesten en spelonken der Mark-sche heeren jonkers en straatroovers, en de vestingen en garnizoenen, overwaait. Wij beiden, mijn zoon, varen tezamen op dezelfde boot; ik ben de stuurman, gij spant de zeilen en op onze vlag staat met onzichtbare letters: Goed keizerlijk, goed katholiek!quot;

„Ja, goed keizerlijk en goed katholiek,quot; herhaalde de jonge graaf met vuur. „Maar waarde vader, wij willen er nog zeer zacht bijvoegen: goed Schwarzenbergsch!quot;

„Ja, mijn zoon, dat willen wij, want naast de groote, heilige belangen moet ook het eigenbelang een weinig in 'toog worden gehouden. 'tZou ook in dit sombere, morsige Berlijn een jammerlijk en verschrikkelijk leven zijn, zoo men geen schitterende ster boven zich zag naar welke men opziet, als het hier beneden donker is en die iemands pad verlicht, om niet in slijk en armzaligheid te verzinken. Weet ge, hoe deze ster heet?quot;

„Zij heet de roem, zij heet de liefde, cher père.quot; y ;;nu, om den wille van den roem laat ik de liefde doorgaan, dwaze dweeper, ge moogt haar als ballast in onze boot medenemen. Maar als het stormt en de nood komt, werpen wij dien ballast over boord.quot;

„Zoo ge dit deedt, zoudt ge ook mijn geluk en leven

l) Eigen woorden van graaf Schwarzenberg. Zie: Droysen, Geschichte der Preussischen Politiek. III. Abth. I. S. 35.

ocr page 183

481

over boord werpen,quot; riep graaf Adolf levendig. „Zoo ge de liefde ballast noemt, vergeet dan niet, vader, dat in dezen ballast het hart van uw zoon begrepen is.quot;

„Verliefde dwaas, hebt ge dan waarlijk nog een hart? Gelooft ge er nog aan?quot;

„Ik geloof er aan, mijn waarde vader, omdat ik het gevoel, omdat . .

Een haastig driemaal herhaald kloppen aan de deur dei-voorkamer stoorde hen en op des stadhouders roep trad de lakei Balthazar ijlings binnen.

„Genadigste heer,quot; zeide hij, „er is een koerier van den heer kommandant von Rochow uit Spandau, die uw grafelijke genade wagens zeer dringende aangelegenheden wenscht te spreken.quot;

„Ik ga, genadigste vader,quot; riep de jonge graaf, ijlings opstaande, „Ik mag den kostbaren tijd van mijnheer den stadhouder niet langer in beslag nemen.quot;

„En ge hebt zelf gewichtige aangelegenheden, niet waar?quot; vroeg zijn vader. „Ge zijt nu lang genoeg diplomaat en staatkundige geweest, en het curieuze ding, op welks bezit ge u beroemt, het hart, wil thans weder in ziin rechten treden ?quot;

De jonge man lachte en drukte de hem toegereikte hand teeder aan zijn lippen Toen knikte hij zijn vader nog eens vriendelijk toe en verliet met haastige schreden de kamer.

Graaf Adam von Schwarzenberg zag hem met peinzenden blik na. „Zonderling!quot; mompelde hij, „speelde hij komedie of is het waarheid? Huichelt hij een hart of heeft hij er werkelijk een? Nu om 'teven!quot; Daarna beval hij luide; „De koerier uit Spandau!quot;

Een veldjager in bestoven en beslijkt uniform kwam binnen en bleef met militairen groet aan de deur staan.

„Wat hebt ge voor mij?quot; vroeg graaf Schwarzenberg, op hem toetredende. „Waar zijn de brieven en depêches?quot;

„Vergeving, grafelijke genade, ik heb ateen brieven en depêches. Mijnheer de plaatskommandant von Rochow heeft mij met een mondelinge boodschap afgezonden en verontschuldigt zich, dat hij in den haast niet schrijven kon. Ik heb alleen te berichten, dat op het oogenblik toen ik vertrok, de heer keurprins zijn plechtigen intocht te Spandau deed. Alle grondbezitters, Stenden en heeren

ocr page 184

182

uit den omtrek hadden zich bij den heer keurprins aangesloten en volgden hem in rijtuig, te paard of te voet. Mijnheer de kommandant was zeer verwonderd over de plechtigheid en haastte zich zijn parade-uniform aan te trekken, om met het korps officieren den heer keurprins tegemoet te gaan.quot;

„Is dat alles, wat ge mij te berichten hebt?quot;

„Alles, excellentie!quot;

„Rijd dan weder terug en breng mijnheer den kommandant mijn hartelijken dank voor de welkome boodschap.quot;

,Ja,quot; herhaalde de graaf, toen de koerier vertrokken was. „'t is een welkome boodschap en ik zal er nut van trekken.quot;

„Hela, Balthazar! Is de kommandant der politie in de voorkamer?quot;

„Grafelijke genade, hij was er sedert een uur.quot;

„Laat hem binnenkomen! — Zijt ge daar, meester Brandt! Nu, luister! Zend al uw geheime vrienden en dienaren door de stad, laat ondershands aan de burgers, den magistraat, de kooplieden en de geheele bevolking weten, dat de keurprins binnen drie of vier uren hier zal aankomen en het zeker voor den keurvorst en zijn gemalin een groote vreugd zou zijn, zoo men hem recht feestelijk verwelkomde en hem een eindweegs tegemoet ging. Zeg verder, dat men den keurprins een groot genoegen zou verschalfen, zoo men de stad heden avond illumineerde; en zoo dit als van zelf, zonder eenigen dwang of bevel geschiedde, zou de keurprins hierdoor moeten erkennen, hoe hartelijk de Berlijners hem welkom heeten en hoeveel zij van zijn terugkomst verwachten. Vuur de menschen duchtig aan, opdat zij hun huizen goed verlichten en zeer veel jubelen; zend uw agenten overal en toon mij heden, dat ge mijn bevelen snel en stipt weet uit te voeren en een waardig navolger van mijn onlangs overleden Dietrich, uw voorganger, zijt.quot;

„Excellentie, ik zal alles doen, wat in mijn vermogen is en ik twijfel niet of 't zal mij gelukken de tevredenheid uwer grafelijke genade te verdienen. Alleen waag ik het. op te merken, dat liet voor menigen burger moeie-lijk zal zijn zich de noodige kaarsen of lampen aan te schallen, want de armoede is zeer groot, en wellicht zou

ocr page 185

183

't goed zijn om de lieden 'een weinig te helpen en hun de kaarsen voor de illuminatie te leveren.quot;

„Doe dat, meester Brandt!quot; riep de graat glimlachend. „Ik geef u volmacht voor honderd thaler vetkaarsen uit te deelen; maar zorg, dat do lieden de kaarsen werkelijk aansteken en laten branden, en ze niet als een lekkernij in dezen schralen tijd worden opgegeten. Hoor nog eens, meester Brandt; 't zou mij aangenaam zijn, zoogeeenige menschen tegen mij en tegen zijn doorluchtigheid den keurvorst kondt opruien, door hun allerlei kwaad van mij te vertellen en 'tden keurvorst als misdaad toe te rekenen, dat hij mij zoo genegen blijft. Ge zoudt dan degene, welke gij opgeruid en opgehitst hadt, naar het paleis drijven, opdat zij, zoodra de keurprins aangekomen is, zoo luid mogelijk roepen; Leve de keurprins! Vivat onze redder en verlosser! Weg met den katholiek! Weg metSchwar-zenberg! Hiertoe kunt ge ten minste tien tot vijftien personen werven en hun beloven, dat zij een goed drinkgeld zullen hebben. Nu, waarom ziet ge mij zoo glimlachend aan ?quot;

„Vergeving, grafelijke genade ; maar toen ik vier weken geleden mijn ambt aanvaardde, heeft uw excellentie mij den strengen plicht opgelegd haar naar waarheid bericht te geven, niet alleen van alles wat gebeurt, maar ook van de stemming en gezindheid der bevolking. Is dit bevel nog altijd geldig, excellentie ?quot;

„Het is zoolang geldig, als ge in uw ambt zijt, meester Brandt, of liever gii zijt slechts zoolang de kommandant der politie als ik overtuigd ben, dat ge mij altijd van alle zaken de volkomen, onverbloemde waarheid bericht. Spreek! Wat wildet ge zeggen?quot;

„Grafelijke genade, ik wilde zeggen, dat het niet noodig zal zijn personen te werven om zulk een oneerbiedig geschreeuw tegen uwe excellentie te laten hooren. Zij zullen dit onbetaald en geheel van zelf doen; zoo ik niet den eersten, die zulk een geschreeuw aanheft, dadelijk laat arresteeren, zullen er zeker meer dan twintig kerels zijn, die dit voorbeeld zullen volgen.quot;

„Gij meent de woorden; Weg met den katholiek! Weg met Schwarzenberg?quot;

„Ja, excellentie, deze woorden meen ik.quot;

De graaf lachte luidkeels. „Welnu, des te beter,quot; zeide

ocr page 186

184

hij. „Dan besparen wij geld en moeite, hetgeen loch altijd een aangename zaak is. Maar luister, Brandt! Zoo wij heden deze kerels laten schreeuwen, is daarmede nog niet gezegd, dat wij dit halsstarrige gespuis niet naar he-hooren zullen stralï'en. Onthoud nauwkeurig de schreeuwers en morgen alö het teestgejubel voorbij is, moet men ze arresteeren en voor een paar weken in de gevangenis zetten!quot;

De kommandant der politie haalde de schouders op. „Met uw verlof, excellentie, dat is tegenwoordig geen straf meer voor het gespuis! Het verheugt zich als het buiten in den Ossenkop of hier in de slotgevangenis den Groenen Hoed, kosteloos huisvesting en voedsel krijgt, want menigeen, die vroeger in eer en aanzien leefde, zou heden in zijn nood en kommer zich gaarne aan een misdrijf schuldig maken, om gearresteerd en op staatskosten onderhouden te worden.quot;

„Nu, dan willen wij het schreeuwende gepeupel niet met gevangenisstraf beloonen, maar iederen schreeuwer zal door den stokkeknecht een duchtig pak slagen gegeven worden, en dan laat ge de kerels weer loopen. Spoed u nu. Brandt, want ik denk, dat de keurprins binnen weinige uren hier zal zijn en zoo gij de lieden niet ter rechter-tijd onderricht, zal de keurprins hier aankomen vóór het volk zijn lompen en daagsche kielen uitgetrokken, en zich in feestgewaad gekleed heeft. Spoed u en laat ons heden een zeer schitterende illuminatie zien! Vaarwel, meester Brandt!quot;

De kommandant der politie ging heen en Schwarzen-berg riep nu den lakei. „Een rijknecht moet te paard stijgen,quot; gebood hij, „en tot een kwartieruurs van hier den weg naar Spandau oprijden. Damp;ar moet hij halt houden en wachten tot mijnheer de keurprins met zijn gevolg aankomt; zoodra hij hem gezien heeft, moet hij in vollen ren terugrijden en mij bericht geven.quot;

„Zoo is dan voor alles gezorgd,quot; zei Schwarzenberg bij zich zei ven, toen hij weder alleen was. „Nu mag de keurprins komen, wij zijn gereed hem te ontvangen, 't Zal een harden strijd geven, maar ik ben sinds twintig jaren overwinnaar op al mijn vijanden geweest en zal 't ook wel op dien kleinen keurprins blijven ! Nu spoedig toilet gemaakt, en dan naar den keurvorst, om daar het voorpostengevecht

ocr page 187

185

te openen. Wii zullen eens zien, mijnheer de keurprins! Voor u schreeuwt het Berlijnsche janhagel; voor mij spreekt de keurvorst! Wij zullen eens zien wie van ons beiden op zand heeft gebouwd!quot;

III.

DE TEHUISKOMST.

„Mag ik binnen komen, genadige heer?quot; vroeg graaf von Schwarzenberg, terwijl hij de deur van het keurvorstelijk kabinet opende en zijn fraai gefriseerd, van honderden krullen, omringd hoofd zichtbaar werd.

„Ha! ziedaar Adam von Schwarzenberg!quot; riep de keurvorst George Wilhelm, terwijl hij zijn stoel van de schrijftafel afwendde. „Waarom te vragen, graaf, ge weet immers, dat ge ten allen tijde onaangediend kunt binnenkomen? Nader dus en wees hartelijk welkom.quot;

De keurvorst steunde met zijn armen op de zijleuningen van zijn stoel om zich op te richten. Maar ijlings was de graaf bij hem en drukte hem zacht neder, terwijl hij tegelijkertijd een knie ten halve boog en een kus op de rechterhand van den keurvorst drukte.

„Als uw genade mij zoo statig behandelt en voor mij opstaan wilde, zou ik aan uw genegenheid gaan twijfelen,quot; zeide hij met zachte, vleiende stem. „Ge weet wel, mijn dierbaarste genadige heer, dat ik zonder uw liefde niet zou kunnen leven en mij het bestaan zeer jammerlijk en treurig zou wezen zoo de ster uwer genade en liefde het niet meer verhelderde.quot;

„Leef dan vroolijk en welgemoed, mijn Adam, want ge weet, dat ik u bemin,quot; antwoordde George Wilhelm, den graaf vriendelijk toeknikkende. „Hoe zou 't ook anders kunnen, ik weet, dat ik op uw genegenheid kan bouwen, dat gij de eenige zijt, die mij bemint en vurig wenscht, dat ik nog een weinig op aarde mag blijven. Kom, mijn vriend, zet u. Daar, schuif dien stoel naast mij, neen, tegenover mij, opdat ik u zien Kan. Ik zie u gaarne in uw fraai, trotsch gelaat en troost mij dan met de ge-

ocr page 188

186

dachte, dat de keurvorst van Brandenburg toch zulk een klein en erbarmelijk vorst niet is, wanneer zoo'nhoog en voornaam heer, als graaf von Schwarzenberg, nog zijn minister is.quot;

„Zeg liever zijn dienaar, zijn knecht, zijn deemoedige onderdaan, genadige heer! Ja, aanschouw mij, zeer geliefde meester, en lèes op mijn gelaat, dat ik aan u met geheel mijn ziel, met geheel mijn hart verknocht ben! Ach, wie weet hoe kort ge dit nog op mijn gelaat lezen wilt en hoe spoedig het gebeuren zal, dat de arme Adam von Schwarzenberg ter zijde wordt geschoven! Ach, genadige heer, als ik dat bedenk, gevoel ik mij ontroostbaar en ellendig, en ik zou liever mijn hoofd bedekken en weenen en klagen, dan glimlachend hem te gemoet gaan, die komen zal om mij uit uw hart te dringen.quot;

„Dat zal niemand doen, Adam, ik zou rfiet weten, wie dit zou durven beproeven.quot;

„Genadige heer, de keurprins zal dit beproeven! Hij, die reeds als een kleine knaap mijn tegenstander was. Hij, die door mevrouw zijn moeder, door zijn verwanten in wantrouwen jegens mij is opgevoed, hij zal mij niet gunnen, dat ik zelfs het kleinste plaatsje in het hart van zijn vader heb en hij zal alles doen om het mij te betwisten,''

„Maar 't zal hem niet gelukken, wees daarvan verzekerd, mijn Adam. Ik weet maar al te goed, dat ik aan u een trouwen, verknechten dienaar, aan den keurprins een op-roerigen, weerspannigen zoon heb, dat u alles aan mijn leven, hem alles aan mijn dood gelegen is.quot;

„O neen, doorluchtigheid, het is niet mogelijk, dat-de keurprins zoo liefdeloos zou kunnen zijn den dood zijns vaders te wenschen. Neen, ik moet tegen u zeiven partij voor den keurprins trekken. Gij oordeelt te streng genadige heer; hij bemint u, 'tis slechts zijn eerzucht en jeugdige overmoed, die hem soms verleiden te doen, wat niet goed is en dat hij zeker niet zou doen zoo hij de zaak beter overlegde. Uit jeugdigen overmoed wederstond hij uwe bevelen, door nog langer in den Haag te blijven en den kamerheer von Schliebon terug te zenden, dien gij tot hem zondt. Slechts zijn ongebreidelde eerzucht is thans de schuld, dat de keurprins op niet geheel betamelijke wijze hier aankomt. Ge moet daarom niet verstoord

ocr page 189

187

op hem zijn, genadige heer, en het is juist daarom dat ik lot u kom. Ik bid u niet toornig te zijn op den dag, die u den keurprins terugbrengt.quot;

„Hij komt dus eindelijk,quot; riep de keurvorst ruimer ademend; „hij heeft eindelijk de goedheid gehad aan onze dikwijls herhaalde bevelen gehoor te geven en zich te % verwaardigen tehuis te komen. Maar deze tehuiskomst geeft naar ik merk terstond wederom ergernis en gij komt in uw goedhartigheid tot mij, om do pil een weinig te vergulden, die mijn zoon mij te slikken geeft. Zeg het maar ronduit, Adam, en houd niets verborgen. Wat heeft de keurprins gedaan ?quot;

„Genadige doorluchtigheid, ik ben overtuigd, dat hij niets kwaads in den zin heeft en het niet in zijne bedoeling ligt u te ergeren. Hij verheugt zich natuurlijk ten hoogste bij zijn terugkomst in zijn toekomstig land en daarom zal hij ook gaarne zijn toekomstigen onderdanen de vreugd gunnen om hem met gejuich te ontvangen,quot;

„Doen ze dat, zijn toekomstige onderdanen?quot; vroeg de keurvorst, terwijl zijn van de jicht gezwollen handen krampachtig de leuningen van zijn armstoel omklemden. „Ontvangen zij hem met gejuich als hun toekomstigen landsheer?quot;

„Ja genadige heer, men ziet hieruit duidelijk hoe innig het volk aan het keurvorstolijk huis van Hohenzollern is gehecht. Sinds de keurprins de grenzen der Mark overschreden heeft, trekt de bevolking van ieder dorp, van iedere stad juichend hem te gemoet; zijn reis is een ware triomftocht en de regeerende heer des lands zou met niet meer eer en vreugde kunnen ontvangen worden dan de jonge keurprins ten deel valt.quot;

„En mij, den regeerenden keurvorst, heeft men niet met gejuich ontvangen!quot; riep de keurvorst, wiens gelaat rood was geworden van toorn. „Mijn reis was volstrekt geen triomftocht, maar geleek veeleer een lijkstoet; somberen stil was alles langs mijn weg. Nergens hoorde ik een vroolijk welkom, nergens kwam het volk mij te gemoet, en even als bij mijn vertrek te Koningsberg kwam ik hier te Berlijn aan zonder groet ot gelukwensch. Ik wil ü thans wel bekennen, dat mij dit toen zeer gekrenkt heeft, hoewel ik er niet over klaagde. Ik troostte er mij mede, dat. de lijden zeer slecht en treurig zijn en het volk in zijn

ocr page 190

188

rampspoed zelfs den landsvader geen vroolijk, blijmoedig gezicht zou kunnen toonen. Maar nu hoor ik, dat het wel vroolijk kan zijn en het zijn innige hlijdschap slechts bespaard heeft voor de terugkomst van mijn zoon en erfgenaam.quot;

„Vergeving, doorluchtigheid, ik geloof, dat men het arme volk onrechtvaardig beschuldigt, wanneer men meent, dat het nu uit vrije beweging heeft gehandeld, terwijl het stil bleef, toen zijn geliefde landsheer hier kwam. Neen, het arme, ongelukkige volk zou ook nu wel gezwegen hebben, zoo het niet was opgeruid en men het voor dat jubelen betaald had. 'tls anders ondenkbaar, dat de menschen den jongen terugkomenden heer zulk een triomf zouden bereiden. Want 't is niet alleen het volk op de straat, maar 'tzijn ook de burgers, de overheden en collegiën, die den keurprins met vreugde tegemoet gaan. Bijvoorbeeld te Spandau is de geheele burgerij met den magistraat aan 't hoofd den keurprins tot voor de stad tegemoet getrokken, zelfs de commandant von Rochow heeft het noodig geoordeeld zich daarbij aan te sluiten en met zijn officieren in parade-uniform den keurprins tegemoet te rijden. Ook hier is alles reeds in beweging, men kleedt zich in feestgewaad en maakt zich gereed den keurprins te ontvangen. Hieruit ziet men duidelijk, dat het bericht der spoedige aankomst aan del burgers en den magistraat is medege-deeldj voor dat uw doorluchtigheid of ik, den stadhouder in de Marken, er iets van wisten. quot;Want toen ik van den overste von Rochow het bericht ontving, begaf ik mij onverwijld naar uwe doorluchtigheid om de heuglijke tijding der terugkomst te brengen en onderweg ontmoette ik geheele troepen opgetooide lieden op weg naar de Spandauer voorstad, om zich bij de Pomeranzenbrug en langs den Weidendam te scharen.1) Ja, ik meen zelfs, dat ik ook eenige heeren van den magistraat in ambtskleeding denzelfden weg zag opgaan.quot;

„En liet ge dit toe?quot; vroeg de keurvorst toornig. „Hebt ge geduld, dat men ons zulk een ergernis en smaad be-

1

Het toenmalige Berlijn strekte zich tot het paleis uit. Daarachter was de lusttuin dien de vestingmuren en de'daarachter liggende vestinggrachten begrensde. Destijds was de geheele tegenwoordige Dorotheastad keurvorste-lijk tuin- en akkerland, dat echter onbebouwd lag. Zie: Nicolai, Beschrei-, bung von Berlin und Potsdam. I. S. 33, 157.

ocr page 191

189

reidt en voor den zoon doet, wat men voor den vader onnoodig heeft gevonden? Maar ik laat dat niet toe, ik wil niet door mijn eigen zoon gedeemoedigd worden. Gij zijt de stadhouder in de Marken, gij moet er voor zorgen. Zend uw beambten uit, heer stadhouder, laat het volk van de straat jagen, zend de magistraat naar huis en beveel het vólk rustig in hun woningen te blijven, hun werk te doen en niet op de straat rond te slenteren.quot;

„Mijn zeer geliefde heer en keurvorst, ik vraag genade voor uw getrouwsten dienaar, voor uw armen Adam. Ik bid u, in mijn belang dit bevel te herroepen, want ik was verloren, zoo ik het moest uitvoeren. In de geheele Mark, ja in geheel Duitschland zou men tegen mij een moordgeschreeuw aanheffen, overal zou men zeggen, dat graaf Schwarzenberg den keurprins van Brandenburg vijandig gezind is en hem zelfs niet eens een vereerende ontvangst gunt, na een driejarige afwezigheid. Ach, genadige heer, maak het getal mijner vijanden niet nog grooter, wil niet, dat de openbare meening nog meer tegen mij verbitterd en ten gunste van den keurprins gestemd worde. Zoo wij thans met geweld de vreugde van 'tvolk onderdrukken, zal men zeggen, dat ik mijn aanzien misbruik en op den keurprins ijverzuchtig ben, dat ik hem uit zijn verheven rang ter zijde zoek te schuiven. Maar als men ziet, dat ik de ontvangst niet verhinder, zal men moeten erkennen, dat ik 'tniet ben, die den keurprins vijandig gezind is.quot;

„'t Is waar,quot; bromde de keurvorst, „men zou u verdenken en beschuldigen, en 't zou niet baten té zeggen, dat ik zelf het bevel gaf den prins met geen eerbewijzen te ontvangen.quot;

„God verhoede, dat dit gezegd wordt,quot; riep von Schwarzenberg. „Neen, laat liever de geheele wereld mij beschuldigen en veroordeelen dan dat men zich zou vermeten een schaduw op het hart van mijn zeer geliefden heer te werpen. Wat is er aan gelegen, dat men mij lastert, zoo men het maar niet waagt uwe doorluchtigheid aan te vallen of te verdenken.quot;

„Men moet ook u niet lasteren of verdenken, mijn Adam,quot; zeide de keurvorst, hem de hand reikende. „Om uwentwille zullen wij 't dan laten geschieden dat de keurprins in triomf hierkomt. Maar wij zullen 'tin gedachte houden en onze liefde voor hem zal er niet door verhoogd worden.quot;

ocr page 192

190

„Ik smeek uw doorluchtigheid echter uwen zoon Vriendelijk te ontvangen,quot; sprak von Schwarzenberg met vleiende stem. „'t Is beter dat uw doorluchtigheid beproeft hem door goedheid en liefde aan u te hechten dan hem door strengheid nog meer van u te verwijderen en hem te dringen naar de tegenpartij. Het is een zeer groote, machtige parlij en ik weet, dat het plan bestaat den keurprins aan haar hoofd te stellen en zoo haar doel te bereiken.quot;

„Wat is haar doel?quot; vroeg de keurvorst met somber gefronst voorhoofd.

De graaf boog zich dichter bij zijn oor, alsof hij vreesde, dat de wanden het zouden hooren, wat hij den keurvorst mededeelde. „Haar doel is: een verandering van regeering, en als die verkregen is, den keizer en het rijk af te vallen en met Zweden en alle protestantsche vorsten een verbond te sluiten tegen den keizer en het rijk.quot;

„Een verandeiing der regeering? Dat wil zeggen een opstand, een omwenteling. Men wil mij van den troon stooten en er mijn zoon op zetten?quot;

„Men hoopt, dat gij in uw benardheid doen zult, genadige heer, wat uw in God ontslapen heer vader heelt gedaan.quot;

Atstand doen!quot; riep de keurvorst toornig. „Afstand doen ten behoeve van mijn zoon!''

„Ten gunste van den keurprins, die zich in Holland tot een vorst van groote verwachting, tot een toekomstig veldheer, tot een schitterend aanvoerder der protestantsche kerk gevormd heeft en wiens aanhangers zeggen, dat hij een tweede Gustaaf Adolf zal worden.quot;

„Een tweede ergernis, een tweede gevaar voor mij!quot; riep de keurvorst, met de gebalde vuist op de leuning van zijn stoel slaande, „'t Was zeker nog niet genoeg dat mijn zwager Guslaaf Adolf van Zweden mij in nood en rampspoed bracht en 's keizers toorn tegen mij deed ontbranden, zoodat ik vreezen moest, dat het mij zou gaan gelijk mijn neef, den markgraaf van Jagerndorf, dien zijne keizerlijke majesteit in den ban verklaarde, van zijn markgraafschap ontzette en het den vorst Liechtenstein in leén gaf. Ik heb mij toen voor zulk een lot behoed gezien door uw bemiddeling en trouw. Gij waart het, die door uwe voorspraak en bekwaamheid den toorn van den keizer verzachtte, hem bewoog mij vergiffenis te schenken en vervolgens den vrede van Praag tot stand bracht, die

ocr page 193

191

mij in den gunst van den keizer herstelde. Deze tijden van angst en benauwdheid waren nog niet genoeg, zij zullen nu door mijn eenigen zoon hernieuwd worden. Aan hem zal ik een tweeden Gustaaf Adolf hebben, die mij in nieuwe gevaren stort en mij met 's keizers wreken-den toorn ' bedreigt! Maar zoo ver zal 't niet komen, dat zweer ik plechtig. Ik wil mijn land niet in een nieuwen oorlog storten, ik wil mijn onzijdigheid niet verlaten, ik wil den vrede met den keizer, vrede voor mijn arm volk en zijn armen, ongelukkigen vorst. Ik zal ook niet doen, wat mijn vader heeft gedaan, mijn heer zoon niet de vreugde bereiden bij levenden lijve afstand van mijn heerschappij en regeering te doen en de onderdaan van mijn eigen zoon te worden. Voor mij zal hij buigen, ik zal zijn heer zijn, zoo lang ik leef en dit uur van ergernis en smart zal ik hem, zoo lang ik leef, vergelden. Ik ben keurvorst en heer, hij is niets meer dan mijn zoon en mijn onderdaan, mijn opvolger als ik sterf, maar zoolang ik leef niet mijn mederegent. Graaf Adam von Schwarzen-berg, ik begeer van u, dat gij mij daarbij ter zijde staat, ijverig blijft in mijn dienst en acht geeft om alle listen en lagen, kunslgrepên en samenzweringen van mijn zoon en zijn aanhangers te ontdekken en mij die mede te deelen, mij niets verborgen te houden en mij — om mij wellicht ergernis te besparen — niets te verzwijgen. Wilt gij mij beloven en zweren, dat ge zóó handelen zult mijn Adam?quot;

„Ik beloof en zweer het in de band van mijn vorst,quot; antwoordde von Schwarzenberg, terwijl hij zijn rechterhand in de uitgestoken hand van den vorst legde. „Gij zult in mij een trouw dienaar en bewaker van uw geheiligden persoon en van uw troon vinden, en wie u te na mocht komen, wie u wil verdringen, moet eerst over het lijk van den graaf von Schwarzenberg gaan. En nu, genadige heer, bezweer ik u, laat uw toorn geen macht over u hebben en wees jegens den terugkomenden keurprins genadig en vriendelijk, want 'tis soms noodzakelijk, dat men zich achter een masker verschuilt, om des te beter zijn vijanden te kunnen doorgronden en zij zich te lichter verraden,quot;

„Ja,quot; zeide George Wilhelm zuchtend, ,.ik wil mijn toorn bedwingen, hoewel 't mij een verlichting zou zijn hem lucht

ocr page 194

492

te geven en aan mijn zoon te laten zien, dat ik hem ken en mij niet door hem om den tuin laat leiden. — Maar wat is dat voor een gerucht, wie klopt zoo geweldig aan de deur ?quot;'

De deur werd nu plotseling opengerukt en de keurvorstin Sophie Elizabeth trad met glinsterende oogen, met van vreugde stralend gelaat binnen, terwijl zij een geopenden brief in haar hand hield.

„George!quot; riep zii, „onze zoon komt! Onze lieveFriedrich Wilhelm komt!quot;

„Mij dunkt, dat hij reeds voor een half jaar had moeten komen,quot; bromde de keurvorst, „er zijn reeds verscheidene maanden verloopen, waarin ik hem verwachtte.quot;

„Maar nu is hij er, mijn gemaal, nu is hij er werkelijk. Zie nu eens den goeden, lieven zoon. Buiten, bij de herberg in de Spandauer voorstad heeft hij stil gehouden, alleen om ons zijn aankomst te berichten, 't Was hem niet genoeg, dat hij ons een bode met een mondeling bericht zond, neen, hij wilde ons een schriftelijken groet zenden en heeft een allerliefsten en hartelijken brief ge-geschreven. Hier, lees, mijn gemaal!quot;

Zij reikte den keurvorst het papier, maar hij nam het niet aan.

„Is de brief aan mij gericht?quot; vroeg hij.

„Neen aan mij, aan zijn moeder heeft hij geschreven; want hij weet hoe gelukkig hij mij hiermede maakt en hoe hartelijk ik hem bemin. Lees toch, George!quot;

„Ik lees nimmer brieven, die niet aan mij gericht zijn,quot; zeide de keurvorst afwijzend.

„Nu, dan zal ik hem u voorlezen,quot; riep de keurvorstin, die in de vreugde baars harten de misnoegdheid van den keurvorst evenmin had opgemerkt als den graaf von Schwar-zenberg, die zich bij haar komst bescheiden in de diepe vensternis teruggetrokken had. „Ik zal u voorlezen,quot; herhaalde zij, „want ge moet hooren, wat onze lieve zoon schrijft.quot;

Met een van vreugd en aandoening bevende stem las zij „Mijn genadige, hooggeëerde mevrouw moeder! Voor ik mijn lieve geboortestad betreed en tot mijn zeer geliefde ouders en zusters terugkeer, wilde ik uw genade toch mijn aankomst berichten, opdat mijn onverwachte komst u niet doet schrikken en ik zijn genade, mijn heer vader, niet

ocr page 195

J 93

ongelegen kom. Ik verblijd mij over mijn terugkomst en over al de bewijzen van liefde en deelneming, welke ik reeds in het land van mijn heer en vader ontvangen heb, en die in mijn hart onvergetelijk zullen blijven.Ik verzoek uwe genade mijn onderdanigsten eerbied aan de voeten van mijn ge-nadigen heer vader en keurvorst neder te leggen en een goed woord voor mij bij hoogstdenzelven te doen, opdat zijn genade niet langer wegens mijn lang uitblijven op mij verstoord zij, maar mij in goedheid aanneemt en ontvangt, en u overtuigd te houden, dat ik eeuwig ben en blijf, van mijn genadigste ouders de dankbare en gehoorzame zoon Friedrich Wilhelm.quot;

„Welnu,quot; vroeg de keurvorstin, „zijn dit niet zeer lieve, heerlijke woorden en verheugt uw vaderhart er zich niet over? Luister hoe men beneden juicht èn jubelt, 't Is het goede Berlijnsche volk! Het komt naar 'tpaleis om onzen zoon te zien!quot;

Weer werd de deur, door welke de keurvorstin was gekomen, plotseling geopend, en twee jonge dames traden binnen. Haar lieve, jeugdige, frissche gezichten straalden van geluk, haar oogen glinsterden van vreugd.

„Hij komt! Onze broeder komt!quot; riepen zij, terwijl zij naar haar ouders toeijlden. „Komt aan 't venster, opdat wij hem zien, als hij ginds om den hoek den tuin inrijdt.quot;

„Zijt ge dan allen gek geworden?quot; riep de keurvorst driftig, terwijl hij zich uit zijn leunstoel verhief en zich dreigend en trotsch oprichtte. „Wie geeft aan beide juPfers het recht zoo onaangediend en zonder plichtplegingen in mijn kabinet te komen ? Antwoord mij, freule Louize Charlotte, heb ik dat veroorloofd?'

„Neen, lieve, beste vader,'' zei de prinses bedeesd, haar groote, donkere oogen neerslaande, „uw genade heeft 't ons wel niet veroorloofd, maar in de blijdschap onzer harten dachten wij. er niet aan, en daar men nu van hier het best in den tuin kan zien, zoo . . .

„Zoo dachten wij,quot; viel de jongere, nauwelijks vijftienjarige prinses haar in de rede, „dat zijn keurvorstelijke genade, ons lief vadertje, ons zou verontschuldigen en met ons naar onzen geliefden broeder zien. Niet waar, lief vadertje, wij hebben volkomen goed gedacht en gij zult uw kleine Hedwig Sophie wel verdunnen, dat zij u naar het Uühlbach, De groote Keurvorst en zijn tijd. I. 13

ocr page 196

194

groote hoekvenster voere, om met mama naar onzen lieven Friedrich Wilhelm uit te zien.quot;

De prinses was haar vader genaderd en streek met haar kleine, blanke hand teeder en vleiend over zijn wangen en zag hem met hare zachte blauwe oogen vriendelijk aan. Maar ditmaal hadden die blikken van zijn lieveling geen macht op hem en misnoegd weerde hij hare omhelzende armen af.

„Blijf mij van 't lijf met uw lieven Friedrich Wilhelm, juffer wijsneus,quot; riep hij driftig. „Gij hadt moeten wachten tot ik u vergunde hier binnen te komen. Zoo gij dit in uw kinderlijke onnoozelheid nog niet weet, is uw zuster Louize Charlotte toch oud genoeg, en moest op haar twintigjarigen leeftijd zoo verstandig zijn om te weten, wat betamelijk is.quot;

„Niemand weet dit beter dan de schoone, jonge prinses Louize Charlotte, genadige heer,quot; zei graaf Adam von Schwarzenberg, uit de vensternis tredende en de prinses met eerbiedige buiging groetende. „In 't gansche land vereert men de keurvorstelijke jonkvrouw als een toonbeeld van fijne zeden en edele manieren; iedereen, die haar nadert, gevoelt zich gelukkig en vereerd. Ook nu heeft de vorstelijke jonkvrouw weer gelijk, genadige heer, met de jongere prinses hier te komen, 'tls zeer gepast, dat de vereenigde keurvorstelij ke familie door het volk wordt gezien, nu zij den lieven zoon en broeder tegemoet ziet en zich hartelijk over zijn terugkomst verblijdt.''

„Mijnentwege mogen zij gelijk hebben,quot; bromde de keurvorst, „en ik wil aan mijn dochters en mevrouw mijn gemalin vergunnen uit het hoekvenster te zien. Maar waar is mevrouw de keurvorstin?quot;

„Haar genade staat voor het hoekvenster eh ziet zoo ijverig naar beneden op het plein, dat ik de eer nog niet heb genoten, hare hoogheid te begroeten.quot;

„De geheele wereld kon om haar verzameld zijn, zonder dat zij iets anders dan den keurprins zag,quot; riep de keurvorst de schouders ophalend. „Ga tot haar, Adam, en breng mijn boodschap over. Zeg haar, dat ik haar en mijn dochters mijn kabinet overlaat en ik mij zoo lang in mijn slaapkamer zal begeven, tot het gejubel gedaan is.quot;

„Doe dat niet, genadige heer vader,quot; riep de jongste prinses. „Blijf bij ons en zie met ons uit het venster.quot;

ocr page 197

495

„Doe dit, keurvorstelijke doorluchtigheid,quot; bad de graat zacht en haastig. „Vergun het volk het geluk van ft te zien.quot;

„Nu, het zij dan zoo,quot; zuchtte George Wilhelm. „Roep de dienaars, Louize Charlotte, om mij naar het venster te rollen,quot;

„Alsot ik ook niet het geluk had, uwer doorluchtigheids dienaar te zijn,quot; riep graaf von Schwarzenberg, „en alsof mijn arm niet sterk genoeg was om den zetel van uwe doorluchtigheid te sturen. Veroorloof, genadige heer, dat ik u naar net venster rol.''

„En veroorloof mij, excellentie, dat ik u helpe,quot; zei prinses Louize Charlotte glimlachend, terwijl zij een leuning van den armstoel vatte.

„Dat is waarlijk (sen trotsche equipage,quot; riep Georg Wilhem, terwijl de armstoel door de kamer werd gerold.

„De stadhouder in de Marken en een prinses van den bloede besturen mijn rijtuig.quot;

„Maar welk een man zit er ook in!quot; zei de stadhouder glimlachend. „Een hertog van Pruisen, van Pommerèn, van Kleef, en keurvorst van Brandenburg en ...quot;

„Hoera, hoera,quot; klonk het van beneden. „Hoera, leve de keurprins!quot;

„Hij komt! Mijn 2bon, mijn lieve zoon,quot; riep de keurvorstin, „hij komt. George, onze zoon ...quot;

Zij had zich omgekeerd en haar oog ontmoette den blik van den graaf, die terstond diep en eerbiedig voor haar boog. De keurvorstin dankte slechts met een haastigen groet en snelde zelf toe om den stoel in de vensternis te schuiven. Toen opende zij met bevende handen de beide ramen van het venster en wenkte haar dochters aan haar zijde.

„Hij moet ons allen zien,quot; zeide zij. „Met éénen blik moet hij vader, moeder en zusters aanschouwen.quot;

„En ook mijn trouwsten en geliefdsten dienaar, den stadhouder in de Marken,quot; riep de keurvorst. „Kom, Adam, plaats u dicht aan mijn zijde, opdat de schilderij volkomen zij en mijn heer zoon ons allen zie.quot;

Een uitbundig gejubel steeg van beneden op; luide, lang aanhoudende, steeds hernieuwde vivats klonken over het plein.

„Mijn zoon, mijn geliefde zoon!quot; riep de keurvorstin, zich ver uit het venster buigende en haar armen naar den

ocr page 198

196

jongen man uitbreidende, die te paard en van een schitterend gfevolg vergezeld onder het geboomte van den tuin kwam aanrijden.

„Broeder, lieve broeder,quot; riepen beide prinsessen, die zich uit het andere raam bogen en met beur zakdoeken groetend naar beneden wuifden.

Achter haar zat de keurvorst op zijn stoel, geheel bedekt en vergeten door zijn gemalin en dochters, onzichtbaar voor het volk en ook voor zijn zoon.

„Ik zal aan dit uur denken en 't niet vergeten,quot; zeide hij met bevende lippen ; „mijn heer zoon zal er voor boeten, ik . . . .quot;

Het juichen en roepen beneden overstemde op dat oogen-blik zijne woorden.

De keurvorst kon 't niet langer verduren; met smeekenden blik zag hij op naar den graaf, die hoog opgericht, trotsch en gebiedend naast zijn zetel stond, en wiens scherpe, schitterende oogen, over de hoofden der dames heen, het plein overzagen.

. „Acb Adam,quot; zuchtte George Wilhelm; „ook gij hebt mij vergeten en ziet slechts naar hem, die komt!quot;

Hoe zacht deze woorden ook gesproken waren, de graaf had ze gehoord; hij boog zich tot den keurvorst en nam teederlijk zijn hand om aan zijn lippen te drukken.

„Ik zag naar hem, die komt,quot; fluisterde hij; „maar nooit vergeet mijn hart de trouw en liefde jegens u.quot;

„Hoera! leve de keurprins!quot; klonk het gejuich. „Leve de keurprins! Vivat de keurvorst! Vivat George Wilhelm!quot;

„Zij roepen u, mijn gemaal, zij roepen u !'■' zeidekeur-vorstin. „Wilt ge u niet aan ons lieve volk vertoornen?quot;

„Ik moet het lieve volk werkelijk dankbaar zijn,quot; antwoordde haar gemaal. „Het lieve volk heeft mevrouw de keurvorstin er ten minste aan herinnerd, dat ik ook nog besta, hoewel ze mij teruggedrongen had en ik achter haar geheel onzichtbaar was geworden. Ja, ik wil mij aan het volk vertoonen, daar het in zijn gejubel toch ook aan mij denkt. Gaat terug van het venster, vrouwen, maakt plaats voor uw keurvorst en heer. En gij, graaf Schwar-zenberg, kom, geef mij uw arm, op u wil ik leunen.quot;

De graaf reikte den keurvorst bereidvaardig zijn arm. Krachtig door hem opgegeven, richtte de keurvorst zich op en trad, door zijn gunsteling ondersteund, dicht bij het venster.

ocr page 199

197

Buiten was het gejubel voor 't oogènblik verstomd ; wellicht omdat de keurprins juist het slotplein was opgereden, misschien ook omdat het terugtreden der dames voor het volk een teeken was, dat de keurvorst voor hen verschijnen zou. Nu vertoonde zich in het vensterraam de zwaarlijvige, breede gestalte van den keurvorst, zag men zijn groot, van weinig grijs haar omgeven hoofd, zijn bleek, opgeblazen, vroeg verouderd gelaat, met het gerimpeld, zorgvolle voorhoofd, de doffe blauwe oogen, de dunne bleeke lippen, om welke niet de minste glimlach speelde.

In den fraaien, krachtigen en jeugdig frisschen kroonprins had het volk zooeven de hoop en toekomst van Brandenburg juichend begroet; nu zag het volk uit het venster van het armoedig paleis het tegenwoordige Brandenburg, als de verlichamelijkte zorg, als de vreugdeloozo berusting, de sombere gestalte van den keurvorst, en bij die verschijning verstomde de jubelkreet op de lippen van het volk, dat, sprakeloos naar het venster opzag. Slechts hier en daar klonk een enkele kreet, riep een medelijdende of omgekochte mond. „Leve George Wilhelm !quot; als een stervende echo klonk het hier en daar flauw terug; „Leve de keurvorst! Leve George Wilhelm!quot;

Maar nu herkende het volk ook de h^ioge, statige gestalte in het met goud geborduurde fluweelen gewaad en met de vonkelende diamanten ster op de borst, die naast den keurvorst stond; nu herkende het dit trotsche gelaat met den blik van diepe verachting, met den voornamen, glimlach om de dunne, spottende lippen, en door de menigte ging een gemurmel en gedruisch als een plotselinge windvlaag. Eensklaps schreeuwde en brulde het mei vreeselijk geweld: „Weg met den katholiek! Weg met Schwarzenberg! Weg met den keizerlijke!quot;

Over het gelaat van den keurvorst vloog een donkere blos van toorn; haastig trad hij van het venster terug, en zag bedeesd naar den graaf, wiens gelaat echter geen oogenblik zijn trotsche, glimlachende kalmte had verloren, en die het tieren van het volk niet scheen te hooren.

„Zij willen mij doodelijk ergeren en daarom roepen zij zóó,quot; riep de keurvorst; „zij weten, dat ik Schwarzenberg liefheb, en daarom zijn zij tegen hem; zij'beschimpen hem, om mij in hem te beleedigen!quot;

ocr page 200

198

„Miin ouders! mijn geliefde ouders!quot; riep luide een jeugdige stem, en een jongeling rukte de deur van hel keurvorstelijk kabinet open; een hooge, slanke gestalte met een edel gelaat, schitterende oogen en glimlachende lippen verscheen in de kamer.

De keurvorstin slaakte een kreet van verrukking en snelde met uitgebreide armen haar zoon tegemoet. Hij wierp zich aan haar borst, omhelsde haar teeder en toen hij zich weder van het moederlijke hart oprichtte, waren de beide zusters toegesneld om ook haar geliefden, eenigen broeder te begroeten, en hem lang, zeer lang in hare armen omstrengeld te houden.

De keurvorst had zich weder in zijn stoel laten neder-glijden. Zijn „trouwe dienaar'' graaf Schwarzenberg, had dien weder midden in de kamer gerold en er zich achter geplaatst. Met somberen blik had dB keurvorst eerst de teedere omhelzing der keurvorstin en haar zoon aanschouwd, thans, nu de zusters hem begroetten en de moeder in zalige aanschouwing daarbij stond, wendde de keurvorst zich om naar Schwarzenberg en een uitdrukking van erge verbittering sprak uit zijn gelaat.

„Mijn heer zoon schijnt niet te weten, dat ik nog op de wereld ben'quot; zeide hij haastig. „Ge mocht hem hieraan wel herinneren, Adam.quot;

Maar in dat oogenblik had de keurprins zich uit de armen zijner zusters losgemaakt, zag den keurvorst en snelde naar hem toe, aanvankelijk met open armen om zich aan zijn hart te werpen, maar toen hij het sombere, strenge gelaat van zijn vader nader bezag, liet hij zijn armen zakken, boog voor den keurvorst de knie en nam zijne hand om er een langen, eerbiedigen kus op te drukken.

„Mijn dierbare vader, mijn genadige keurvorst en heer,quot; riep hij op teederen toon, „ik smeek om vergeving, dat mijn eerste begroeting, mijn eerste woord niet uwe doorluchtigheid gold. Gij ziet, ik ben nog altijd een onbedachte knaap, dien mevrouw mijne moeder bederft, en die zich zoo gaarne door haar bederven laat.quot;

„Ik vraag om vergeving, mijn gemaal,quot; zei de keurvorstin, den keurvorst naderende, „aan mij alleen ligt de schuld, dat uw zoon niet het eerst, zooals zijn plicht vorderde, tot u ging om zijn keurvorstelijken heer vader te begroe-

ocr page 201

199

ten. Ik hield hem op en gij moogt het den zoon niet toerekenen, wat de moeder misdaan heeft.quot;

De keurvorst antwoordde niet, maar zag met sprake-loozen wrok op den keurprins neder, die nog altijd voor hem geknield Jag.

„Mijn veel geliefde, genadige heer vader,quot; riep de prins, „nogmaals smeek ik om uw vergiffenis en bid u het genadig te willen vergeten, zoo ik u soms reden tot ergernis heb gegeven, en niet terstond op uw eeiste bevel hier verschenen ben. Ik zie mijn verzuim in en verzeker mijn dierbaren, genadigen vader, dat ik teruggekomen ben als een berouwhebbende, teedere zoon, als een gehoorzaam onderdaan, wiens ijverig streven zal zijn de vergiffenis en genegenheid van zijnen vader en heer te verwerven, en zich geheel en al naar diens wil te regelen. Heet mij nu ook welkom, mijn doorluchtigste heer, schenk uw zoon een woord van welwillendheid en vaderlijke liefde.quot;

De oogen van den prins hieven zich met een teederen blik tot zijn vader op; er lag zooveel waarheid van gevoel in zijn trekken, zijn fraai sprekend gelaat was zoo helder en schitterend, dat de keurvorst hem niei weerstaan kon, en onwillekeurig zijn hart van teederheid en aandoening bewogen gevoelde. Hij boog zich tot hem; een glimlach vloog over zijn gelaat en hij opende juist de lippen om hem vriendelijk te begroeten, toen het geroep en getier beneden in den tuin, dat een tijdlang gezwegen had, met vernieuwd geweld zich weder verhief.

,.Weg met den katholiek! Weg met Schwarzenberg! Leve cte keurprins! Weg met Schwarzenberg!quot; klonk het met klimmende woede.

De vriendelijke woorden bestierven op de lippen van den keurvorst en achter een wolk van wrevel verdween de korte zonneschijn van zijn glimlach.

„'t Schijnt, heer zoon,quot; zeide hij, „dat uw aankomst een wezenlijk feest is voor het laag gepeupel, dat beneden in den tuin saamgeloopen is, en dat men van uw aankomst voor mij een rechte ergernis wil maken. Welke oproerige en schandelijke woorden schreeuwt toch dat erbarmelijk volk?quot;

„Ik weet het niet, 'k lieb het niet gehoord,quot; zei de keurprins haastig; „ik hing met al mijn aandacht aan uwe

ocr page 202

200

lippen en wacht nog altijd op een toegenegen woord van begroeting!quot;

„Het gespuis beneden mij heeft mij de moeite bespaard u te begroeten!quot; riep de keurvorst; ,,het heeft mij de woorden ontnomen met zijn; leve de keurprins! Wat behoeft nu nog de begroeting van uw ouden vader?quot;

„Ik behoef deze bovenal,quot; antwoordde de keurprins met zachte treurige stem. „Ik heb behoefte aan een goed hartelijk woord van mijn heer vader, nu ik na zulk een lange afwezigheid in het vaderlijk huis terugkom; het zou mij zijn alsof mijn geheele toekomst, mijn geheele leven de zonneschijn was ontnomen, zoo ik den zegen van uwe liefde, den zonneschijn van uwe genade moest ontberen.quot;

„Mijn heer zoon weet zeer sierlijke woorden te gebruiken,quot; zei de keurvorst de schouders ophalende, „men ziet wel, dat hij een zeer beschaafd, fijn heertje is geworden, wien het derhalve bij ons weinig behagen en bij ons weinig passen zal! Maar wat schreeuwt dat gespuis nog altijd voort?quot; viel de keurvorst zich zei ven in de rede, terwijl hij zich levendig van zijn armstoel oprichtte en hierdoor den prins noodzaakte zich uit zijn knielende houding op te heffen. „Welk een infaam gebrul en gehuil is dit? Wat begeert dat gepeupel van ons?quot;

„Niets anders, mijn allergenadigste keurvorst,quot; antwoordde graaf Schwarzenberg, tot wien de keurvorst zich met zijn vraag gewend bad, „dan dat uw genade mij wegjaagt, niets anders dan dat gij den gehaten minister ontslaat, dien men verfoeit, omdat hij een katholiek is, en omdat hij Schwarzenberg heet en nietRochow of Quitzow, of hoe de marksche heeren jonkers zich ook mogen noemen.quot;

„Ik zal dit kanalje uiteen laten drijven!quot; riep de keurvorst, „als bet nog eens zulk een boosaardig en oneerbiedig geschreeuw laat booren!quot;

En zijn zwakke, pijnlijke, van de jicht gezwollen beenen geheel vergetende, ging de keurvorst met haastige schreden naar het nog altijd open hoekvenster en boog er ver uit, terwijl hij, stilte gebiedend, zijn hand ophief.

Het volk hield dit vooruitbuigen, dit handgebaar voor een teeken van dank, voor een genadige begroeting van zijn landsheer, misschien voor een bewilliging van wat het vorderde. Het tierde luid van vreugde, zwaaide met hoeden en pelten, met armen en doeken hoog in de lucht,

ocr page 203

201

en riep en jubelde en tierde: „Leve de keurvorst! Leve George Wilhelm! Leve de keurprins!quot;

De keurvorst trad terug en sloeg het venster zoo hard dicht, dat de kleine in lood gezette glasruiten rinkelden.

„Waanzinnig gepeupel!quot; bromde hij, „het maakt van vivats en vloeken een erbarmelijk salade, mengt onkruid onder de tarwe en verbeeldt zich, dat wij die spijs aangenaam vinden! Maar wij zullen 't hun doen heugen en . .

„Genadige heer!quot; riep graaf von Schwarzenberg, terwijl hij met verheugd gelaat den keurvorst naderde, „Ik heb in dit gelukkig en gezegend uur der terugkomst van onzen veel geliefden keurprins een bede tot uw doorluchtigheid te richten. Zijn genade heeft mij straks zoo welwillend begroet, dat mijn hart vol vreugde is en ik vurig verlang deze vreugde aan den dag te leggen. De terugkomst van den heer keurprins is voor mij een even heugelijke gebeurtenis als voor de keurvorstelijke familie en voor al uwe onderdanen; 'tis een feest, hetwelk men niet genoeg kan vieren, daarom vraag ik uw doorluchtigheid vergunning ook in mijn huis een feest te mogen vieren en dat uwe doorluchtigheid zich verwaardige met haar doorluchtige familie daarop tegenwoordig te zijn.quot;

De keurvorst zag zijn minister met blijmoedigheid aan en wendde toen zijn blik naar den keurprins, die stil en afgetrokken naast zijn moeder en zusters stond.

„Wat zegt gij er van, heer zoon?quot; vroeg George Wilhelm. ,Neemt gij de uitnoodiging voor het feest aan?quot;

„Ik, mijn keurvorstelijke heer?quot; vroeg de prins verwonderd. „Ik heb niets aan te nemen of te zeggen. Ik wacht alleen op uwer doorluchtigheids besluit; alleen wil ik betuigen, dat ik mij ten allen tijde door een uitnoodiging van mijnheer den stadhouder in de Marken zeer vereerd zal gevoelen, en dat niemand zijne verdiensten hooger schat en grootere hoogachting voor zijne ondervinding en wijsheid als staatsman hebben kan, dan ik.quot;

„Hij weet goed te spreken, niet waar, graaf?quot; vroeg de keurvorst met een vluchtigen hoofdknik tot zijn zoon. „Zoo het dan van mijne beslissing afhangt, wil ik u gaarne vergunnen de terugkomst van den keurprins een weinig te vieren, al ware 't maar alleen om die nietswaardige

ocr page 204

2(fö

Berlijners te doen zien, dat wij en onze familie den graaf Schwarzenberg even al^ vroeger zeer genegen zijn en dal. hun geschreeuw volstrekt geen invloed op ons en onze besluiten gemaakt heeft. Ja, wij komen, Adam, wij nemen uw uitnoodiging gaarne aan.quot;

„Dank, allergenadigste heer, voor deze eer,quot; riep de graaf, terwijl hij de hem uitgestoken hand van den keurvorst aaü zijn lippen drukte. „Wil uw doorluchtigheid verder de genade hebben den dag te bepalen, waarop mijn huis zulk een hooge eer genieten zal?quot;

„Welrju, opdat ge geen tijd zult hebben tot het maken van te veel toebereidselen en ons te beschamen door den glans van uw feest, willen wij een korten tijd stellen, 'tls heden Woensdag, den achttienden Juni; bepalen wij dus op Zondag, den twoe-en-twintigsten Juni.quot;

„Het zij dan Zondag, een wezenlijke dag der zon voor mij en mijn huis,quot; riep graaf Schwarzenberg. „Ook mijn zoon moge de genade te beurt vallen aan het feest deel te nemen, hetwelk uw doorluchtigheid in mijn huis geeft, want hij is van zijn reis wedergekeerd en zal heden om de gunst verzoeken'zich te mogen voorstellen.quot;

Een vluchtige blik wierp de graaf over de dames, terwijl hij voor haar boog, maar hoe vluchtig ook, toch had de graaf zeer goed het sterk blozen van prinses Louize Charlotte en het vroolijk glinsteren barer oogen opgemerkt.

„Zij bemint hem,quot; zeide hij in zich zeiven, „ja, zij bemint hem; mijn zoon wordt keurvorst van Brandenburg.quot;

„Wij zullen met genoegen uw zoon, graaf Adolf Johan, wederzien,quot; zei George Wilhelm vriendelijk. „Hij is een zeer geleerd heer, daarbij een zeer bescheiden en gehoorzame zoon, van wien uw vaderhart veel vreugde zal beleven. Ge kunt een voorbeeld aan hem nemen, heer zoon, en 't zal mij recht verblijden zoo ge met den graafvriend-schap sluit.quot;

„Ik zal er naar trachten de vriendschap zoowel van den vader als van den zoon te verwerven,' antwoordde de keurprins glimlachend, „en 't zal niet aan mij liggen, zoo ik die niet deelachtig word.quot;

„Genadige heer, u kan niet meer geschonken worden, wat ge reeds bezit,quot; zeide von Schwarzenberg diep buigend. „Wil mevrouw de keurvorstin mij thans insgelijks

ocr page 205

203

veroorloven een vraag en een verzoek tot haar hoogheid te richten?

„Doe spoedig de vraag,quot; riep de keurvorstin, „opdat ik vervolgens ook het. verzoek verneme, want ik ben zeer. nieuwsgierig te weten, wat de rijke, machtige graaf von Schwarzenberg aan de arme, onbeleekenden keurvorstin kan te verzoeken hebben.quot;

„Ten eerste dan mijn vraag, genadige vrouw: hoe laat begeert uwe doorluchtigheid, dat het feest zal aanvangen ?quot;

„Wilt gij mij de beslissing hiervan vergunnen, mijn gemaal?quot; vroeg de keurvorstin glimlachend, en toen de keurvorst zijn toestemming gaf, wendde zij zich tot den graaf.

„Daar gij ook mijne dochters hebt genoodigd,quot; zeide zij „vermoed ik, dat er ook gedanst zal worden en dit geschiedt het best in de avonduren. Laat het feest dan te zes ure 's avonds beginnen.quot;

Het gelaat van den keurvorst verduisterde, want hij hield volstrekt niet van avondfeesten, een deftig diner zou hem veel welkomer zijn geweest.

„Uw genade heeft het uur voor de opening van het bal bepaald,quot; zei graaf von Schwarzenberg eerbiedig. „Maar nu verzoek ik haar ook het uur voor het diner te bepalen, want ik wil hopen, dat uw doorluchtigheid mij toch de genade zal bewijzen voor het balfeest het middagmaal bij mij te gebruiken?*'

„Ja, zij bewijst u deze eer^quot; riep de keurvorst opgeruimd. „Wij komen, zekerlijk; voor het middageten wil ik u het uur aangeven. Laat het ona twee uren zij a! Dan hebben wij vier aangename uren aan tafel vóór het dansen begint.quot;

„Alzoo om twee uren, genadige heer!quot;

„En nu heer graaf, uw verzoek,quot; riep de keurvorstin.

„Genadigste keurvorstin, ik waag het nauwlijks uit te spreken, en toch zoudt ge mij door de vervulling mijner bede een zeer groote vreugde en eer bewijzen! Mijn neef beeft mij uit Frankrijk, waar hij Oostenrijksch gezant is, zeer prachtige zijden sloffen gezonden. Ik had hem om zulk een zending verzocht, omdat ik mijn tante de gravin Schwarzenberg te Weenen een geschenk dacht te maken. Mijn neef heeft deze stolfen voor mij gekocht en schrijft

ocr page 206

204

mij er bij, dat het de nieuwste stoffen uit de Lyonsche fabrieken zijn en dat hij drie japonnen van dezelfde stof naar Weenen voor mevrouw de keizerin en de beide aarts-.hertoginnen heeft gezonden. Maar nu komt het mij niet zeer gepast voor, dat de gravin Schwarzeaberg japonnen zou dragen gelijk de keizerin en de aartshertoginnen ze hebben, en mij dunkt, dat stoffen van goud- en zilver-bro-caat niet anders dan door vorstelijke dames mogen gedragen worden.quot;

„Ge wilt ze ons dus ten geschenke geven, mijnheer de graaf?quot; riep de jonge prinses Hedwig Sophie met hoog blozende wangen en van vreugd schitterende oogen.

De keurvorstin en de oudste prinses lachten luid om deze naïeve en haastige vraag, en zelfs de keurvorst glimlachte een weinig. Over het gelaat van den keurprins vloog een lichte blos; hij trad terug naar het vensteren zag naar buiten. ,

Graaf von Schwarzenberg echter zag glimlachend de prinses aan, wier kinderlijk ongeduld hem zoo voortreffelijk te hulp kwam.

„Ik wilde het wagen, zeide hij, „mevrouw de keurvorstin onderdanigst te verzoeken, dat haar hoogheid mij genadigst veroorlove de brocaalstof aan haar voeten neder te leggen.quot;

„Doe het, mevrouw mama,quot; vleide Hedwig Sophie; „neem de fraaie kleedingstof van den goeden heer stadhouder aan.

„Welaan,quot; zei de keurvorstin* met een genadigen glimlach. „Ik neem uw geschenk voor mij en de prinsessen aan en dank u.quot;

Zij reikte den graaf haar hand, waarop von Schwarzenberg een eerbiedigen kus drukte.

„Ge moet last geven, mevrouw de keurvorstin, dat de japonnen nog voor het feest van graaf Schwarzenberg gereed zijn!quot; riep de keurvorst vroolijk. „Hij moet ten minste de «er hebben, dat ge in zijn huis het eerst zijn geschenk draagt.quot;

„Er zijn ook eenige bladen bij,quot; merkte graaf von Schwarzenberg glimlachend aan, „waarop figuren zijn geschilderd van de nieuwste dameskleeding, die thans te Parijs in de mode is. De japonnen der keizerin en der aartshertoginnen zijn er ook naar gemaakt.quot;

ocr page 207

205

,,Ook onze japonnen zullen er naar gemaakt worden!'' riep Hedwig Sophie vroolijk in de handen klappende. „Niet waar, genadigste mama?quot;

Juist trad de keurprins weder uit zijn vensternis en naderde zijn vader. „Ik vraag uw doorluchtigheid mij gena-digst te vergunnen mij te verwijderen,quot; zeide hij diep buigend; „ik wenschte mij naar mijn kamer te begeven om mijn bestoven reiskleeding af te leggen.quot;

„Doe dat, heer zoon,quot; antwoordde de keurvorst vriendelijk. „Ga naar uw kamers, die reeds een half jaar voor u zijn ingericht en op uwe terugkomst wachten. Maak 't u er gemakkelijk en kom dan aan het diner weder bij ons. Overigens zijt ge mij hartelijk welkom en moge uw terug-komsl voor u zeiven en ons allen niet tot schade, maar tot nut en voordeel dienen^!quot;

„God geve, dat ik in de genade van mijnheer vader mag deelen en ze mij steeds waardig toone!quot; zeide keurprins met diepen ernst en plechtige stem. „Tk heb de eer mij thans te verwijderen.quot;

Hij boog diep voor den keurvorst, nam ook afscheid van de keurvorstin en de prinsessen en na met een glimlach en handwenk den graaf te hebben gegroet, ging hij naar de deur.

iy.

HET GESCHENK.

Toen de keurpvins uit het kabinet zijns vaders kwam, vond hij de kamerheeren en dienaren der keurvorstelijke familie in plechtige orde geschaard. Zij ontvingen hem met driemaal herhaalde vivats, die luid genoeg waren om door de deur in het keurvorstelijk vertrek te dringen en de ooren van den keurvorst op zeer onaangename wijze te treffen.

Friedrich Wilhelm dankte vriendelijk en glimlachend; hij had voor ieder een goed woord, eeu handdruk, hij wist nog iedereen bij zijn naam te noemen en verrukte hen door zich de kleine vroegere voorvallenen gebeurte-

ocr page 208

'206

nissen te herinneren, die hij in zijn geheugen terugriep, en waarin zij betrokken waren geweest.

„Ik hoop, dat wij steeds goede vrienden zullen blijven,quot; zeide hij, toen hij aan de deur der lange voorkamer was gekomen, „en dank u nogmaals voor uw vriendelijke begroeting,quot;

De oude jochem, die het dichtst bij de deur stond en zich in zijn kunstig gelapte staatsieliverei zeer deftig voordeed, opende reeds den mond voor een herhaald hoera, toen zich de hand van den keurprins zacht op zijn schouder legde.

„Stil, Jochem roep niet,quot; zeide hij, luid genoeg om door allen te worden verstaan, „'t Is genoeg, dat ik het welkom in uw oogen lees en het is volstrekt niet noodig, dat uw lippen 't mij luid toeroepen. Onze zeer geliefde en genadige heer vader is lijdend en ziekelijk, men moet bijgevolg vermijden zijn rust door luid gerucht te storen. Wees dus stil, maar geloof, dat ik gevoel, dat ik u allen welkom ben!quot;

Hij knikte hen nogmaals vriendelijk toe en trad den langen gang binnen, aan welks eind zijn kamers waren. Schielijk trad hij er binnen. De reiskoffers en goederen lagen in wilde wanorde in de voorkamer opgestapeld, en de oude Dietrich was met eenige dienaars en lakeien bezig de koffers open te maken en uit te pakken.

De keurprins ging haastig voorbij en trad zijn voorkamer binnen; ook daar bevond zich alles in woesten orde-loozen toestand; het stof lag dik op de oude, plompe tafels en stoelen, de eenvoudige zittingen waren met verkleurde, hier en daar gescheurde zijde overtrokken. Aan de met verkleurd papier behangen wanden zagen eenige oude familieportretten zonder lijsten somber neder op den prins en hun treurige oogen schenen hem te vragen,'wat hij hier wilde en waarom hij hier gekomen was.

Het was den prins of hij deze vraag duidelijk van de lippen van zijn voorvader Albert Achilles hoorde, wiens portret hij juisi voorbijging en die hem met zijn groote oogen tartend aanzag.

Friedrich Wilhelm bleef staan en zag met een treuri-gen glimlach tot zijn voorvader op. „Ik ben tegen mijn wil hier gekomen, heer keurvorst Albert Achilles, dat verzeker ik u,'' zeide hij, „en zoo ik niet aan de toekomst

ocr page 209

207

dacht, ging ik dadelijk weer heen om nooit terug te komen. Maar om de toekomst moet het tegenwoordige verdragen worden; vergeving daarom, mijn groote, dappere voorvader, en geloof mij, dat ik u eer wil aandoen.quot;

Hij knikte het portret toe en ging de naaste kamer binnen, die voor zijn schrijfvertrek bestemd was. Zij was nog precies zoo als hij ze bijna vier jaren geleden verlaten had. De oude meubels stonden nog op dezelfde plaats; er stond nog de bruin geverfde schrijftafel, waaraan hij met zijn gouverneur Kalkhun von Leuchtmar had zitten leeren; daarnaast stond nog het eenvoudige boeken-rek en daarin de bestoven en met spinnewebben bedekte boeken, waaruit hij geleerd had. Voor de twee vensters hingen nog dezelfde donkerroode zijden gordijnen, alleen had de zon ze gedeeltelijk haar oorspronkelijke kleur ontnomen en met vuile, gele strepen doorweven. Ook de oude divan met het bruin lederen bekleedsel was nog voorhanden en daarnaast stonden de twee met leder overtrokken armstoelen met rechte hooge leuningen, en zware gedraaide pooten. Men had de moeite niet genomen de gebreken te herstellen en hoewel men reeds lang den prins verwacht had, was toch niets tot zijn ontvangst voorbereid.

De keurprins wierp zich zuchtend op een der beide zetels; het oude meubel kraakte, alsof het hem met dit geluid wilde begroeten en aan de vergankelijkheid herinneren. Hij legde het hoofd achterover tegen de leuning, wier leder zijn slapen verkoelde, alsof een koude hand op zijti brandend voorhoofd werd gelegd. Langzaam sloeg hij zijn blik door de kamer en 't was of de vier jaren, als grijze nevelgestalten door de eenzame donkere kamer slopen. Zij zweefden voorbij als schaduwen, hem niets achterlatende dan stof, niets dan een nauwelijks geslotene wonde.

Nauwelijks gesloten! Soms bloedde ze nog, de wond vun zijn verleden, soms meende hij, dat er volstrekt geen heeling voor haar was, dat zij nimmer zou genezen, haar smart nimmer eindigen.

Juist dacht hij hieraan, toen de schimmen dezer vier jaren door de sombere, bestovene kamer hem voorbij zweefden. Juist dacht hij, dat de jóngste dezer schimmen naast hem staan bleef, den sluier terugsloeg, en hem

ocr page 210

208

een fraai blozend vrouwengelaat met vlammende oogen, zwellende lippen en liefelijken glimlach liet zien, terwijl zij de hand ophief, hem wenkte en tot hem fluisterde: „Laat alles achter u en kom tot mii! Ik verwacht u. Ik bemin u. O, kom tot mij!''

Hoe verlokkend klonk dat gefluister, hoe hevig werd de pijn in de nauwelijks gesloten wond! Zij begon weder te bloeden, dreef hem weder de tranen in de oogen. Hij schaamde er zich niet over en toch, toen hij ze in stroomen over zijn wangen voelde vloeien, stak hij afwerend de handen uit naar de schim met de blozende wangen en den verlokkenden glimlach, naar de schim van het laatste jaar en mompelde met bevende lippen: „Ga van mij! Sta niet naast mij om mij te verzoeken! Ik mag u niet volgen, ik mag en wil niet!''

„Ik wil niet!quot; herhaalde hij luid, sprong overeind en schudde zijn hoofd tartend en trotsch als een leeuw.

„Wilt gij niet ?quot;' vroeg een zachte stem achter hem en toen hij zich omwendde, zag hij achter zich den baron von Leuchtmar, die juist was binnengekomen en wiens zachte, vriendelijke blik feeder op hem rustte.

„Leuchtmar!quot; riep de prins, op hem toeijlend en hem beide handen reikend. „Gelukkig, dat gij er zijt, dat gij in dit oogenblik tot mij komt! Ach, hadt gij mij te Span-dau maar niet verlaten, en waart aan mijn zijde gebleven!quot;

„Neen prins! U moeten de oogen van het volk alleen begroeten; de knaap, dien men aan de zijde van zijn gouverneur had zien vertrekken, moest men nu als een vrij, trotsch, jongeling wederzien, die op zijn'eigen kracht steunt en geen anderen gouverneur meer naast zich behoeft dan zijn plichtbesef en geweten. Doch waarom ziet gij zoo treurig, prins Friedrich Wilhelm ? Uw reis was een wezenlijke triumftocht, als een Romeinsch imperator zijt gij uw vaderstad binnengetrokken en nu ontmoet ik u eenzaam, treurig gestemd, met tranen op de wangen!quot;

„Met tranen op de wangen.quot; herhaalde de prins, „met verwenschingen, met toorn en wee in het hart. Ach, vriend, waarom zijt gij niet aan mijn zijde gebleven! Wellicht hadt gij mij de bitterheid van het laatste uur bespaard; gij hadt mij bijgestaan en bemoedigd!quot;

„Wat is er dan gebeurd?quot;

„Ik ben ontvangen als een verloren zoon, die van zijn

ocr page 211

209

zondaarstocht te huis komt,quot; riep Friedrich Wilhem met hevige smart. .,Men heeft mij behandeld als ware ik een oproerling, een opruier, die met een bende gespuis met misdadige bedoeling aanrukt en als een roovêrhoofdman in het veilige paleis van zijn heer een inval doet. Op mijn knieën heb ik vergiffenis moeten smeeken, zonder genade te verkrijgen; men heeft mij behandeld als een ontaarden knaap, die elk oogenblik een misdaad zal begaan.quot;

„Maar bedenk prins, dat gij een slechte ontvangst van uw vader kondt verwachten.quot;

„Neen, niet van mijn vader, maar van hem, den boozen vijand, die met zijn koelen glimlach en hoonende kalmte aan mijns vaders zijde stond. Hij heeft het hart van mijn vader met achterdocht en haat vergiftigd, hij heeft hem doen wantrouwen aan zijn eenigen zoon en tweedracht gezaaid in zijn hart! Hij was getuige van mijn deemoed en ik zag hoe hij met hoonenden trots op mij nederzag, toen ik voor mijn vader op de knieën lag en vergeefs om een woord van liefde smeekte. Hij had dat woord op zijn lip- ' pen gedood en slechts voor hem waren woorden van teederheid en vereering. Slechts voor hem erkentelijkheid, vertrouwen, liefde! Toen hij daar stond, met dat ijskoud, trotsch en voornaam gelaat aan de zijde van mijn armen vader, die zich boog voor hem, ach! toen gevoelde ik in iedere zenuw van mijn hart, in iedere vezel van mijn hersenen dat hij, hij alleen de gebiedende heer, de bevelvoerder en heerscher is, en dat hij, die niet voor hem buigt en hem ongehoorzaam is, door hem in het stof geworpen en vertreden wordt. Allen buigen voor hem! Hij gelijkt een toovenaar, die met den blik zijner oogen ieder, die hem nadert, onder zijn wil brengt en de hoogmoedigste harten kneedbaar maakt. Zelfs mijn moeder, die zijn vijandin is, die reeds twintig jaren tegen hem gestreden heeft, zelfs zij is door hem overwonnen; hij is haar meester geworden en dwingt haar binnen zijn cirkel. Zij ziet niet eens, dat zij in zijn toovercirkel geraakt is, zij voelt niet meer, dat zij tegenover hem gebonden en krachteloos is. Ik heb het gezien en gevoeld en ;t heeft mijn hart met onuitsprekelijk verdriet, met razende woede vervuld. Zij gevoelde niet eens den hoon en den deemoed, waaronder ik bijna bezweek; zij kwam mij niet eens te hulp, want

Uühlbash, De gr00te Keurvorst en zijn tijd. I. 14

ocr page 212

210

de toovenaar was er, en in zijn tegenwoordigheid vergat mijn moeder haar teruggekomen zoon; hij was het middelpunt, waarom ieder zich bewoog, hij was meester van den toestand, voor hem kromp alles in onwaardige en armzalige kleinheid. Hij bedwelmde de hai'ten, die koel waren gebleven bij mijn ontvangst, door het uitzicht op een feest, dat zoogenaamd ter mijner eere zal worden gegeven, zij geloofden hem en lieten zich verleiden door zijn -schijnheilige voorkomendheid. Zij gevoelden niet de smadelijke eerbewijzen, waarmede hij de terugkomst van mij wil vieren, die hem een doorn in 't oog is en dien hij vast besloten heeft onder zijn voet te vertreden! Ik kwam terug, met ledige handen, en hij viert mijn terugkomst en biedt mijn moeder en zusters geschenken aan. En zij nemen ze aan en gevoelen niet eens deze beleedi-ging en zulllen op het feest verschijnen in kleederen, die mijn grootste vijand, mijn voornaamste tegenstander, mijn moordenaar haar geschonken heeft.quot;

„Prins, gij gaat te ver! Uw haat overdrijft!quot;

„Neen, ik ga niet te ver!'' riep de prins, buiten zich zeiven, met doodsbleek gelaat, bliksemende oogen en zijn geheele wezen gloeiend van toorn. „Neen, mijn haat overdrijft niet! Hij is de booze demon van mijn huis, van mijn land! Aan hem ligt de schuld van al den smaad,die ons sinds twintig jaren getroffen heeft, van al de vernedering en schande, waarmede mijn familie overladen werd. De Mark zal ten gronde gaan, dat is zijn doel; het keurvor-stelijk huis Brandenburg moet uitsterven, dat is zijn hoop, en hij zal er naar streven deze hoop werkelijkheid te maken. Reeds eens heeft hij beproefd mij te vermoorden ^; hij zal het nogmaals beproeven. Uit iederen

1) Kort voor dat de keurprins zijn geboorteland verliet, vond hij op een avond onder zijn bed een met twee dolken gewapend man. Op's prinsen hulpgeroep snelden zijn dienaren toe en 't gelukte hun den moordenaar, die poogde te ontvluchten, te vatten. Hij bekende, dat hij gekomen was om den keurprins te vermoorden, dat hij dit echter niet uit eigen beweging had willen doen. maar dat een zeer voornaam heer hem hiertoe had omgekocht. Deze verklaring werd bevestigd, want bij onderzoek werd een aanzienlijke som in zijn zakken gevonden. Men voerde hem naar de gevangenis, doch na twee dagen was hij er uit verdwenen, en met hem de gevangenbewaarder, die hem in zijn vlucht behulpzaam was geweest. De keurprinsj was stellig overtuigd, dat het een, door den graaf Schwarzenber^ omgekochte, moordenaar was geweest, en nog kort voor zijn dood verhaalde hij zelf deze geschiedenis aan zijn geneesheer. Zie: Kurster, Jugendleben des grossen Kurfürsten. S. 26.

ocr page 213

211

blik, dien hij op mij slaat, loert een dolkspits, ieder woord, dat hij tot mij richt is een droppel vergif. Zoo ik met hem alleen op een torenspits stond zou hij er mij afwerpen en daarna met duizenden tranen achter mijn doodkist gaan! Mijn vader zou op hem steunen en God danken, dat hem slechts de zoon en niet de vriend, de gunsteling, ontrukt was; mijn moeder zou om mij weenen, maar toch het rouwgewaad, dat hij haar geschonken had, dragen; zij zou 't als een hooge erkenning beschouwen en hem dankbaar zijn voor zijne beminnelijkheid, zoo hij haar poogde te verstrooien en haar geest op te vroolijken. Geen stem zou zich tegen hem verheffen, niemand zou het wagen hem te beschuldigen, want mijn vader zelf zou hem beschermen, en de genade en gunst van den keizer zou hem van alle verdenking zuiveren. Hij is hier meesier en heer, en omdat hij het is, maakt mij dit razend van woede, daaraan zal ik ongetwijfeld sterven, als het den graaf niet gelukt mij vroeger te vermoorden of uit den weg te ruimen quot;

„Hij zal 't niet wagen dit te beproeven, want hij weet dat de openbare meening hem als uw moordenaar aanwijzen en beschuldigen zou.quot;

„Wat bekommert hij zich om de openbare meening! Wat vraagt hij hier naar, hij, die de macht heeft ze te onderdrukken, hij die zóó hoog staat, dat ze hem niet bereikt!''

„Niemand staat zoo hoog, prins, dat de openbare meening hem niet zou kunnen bereiken en ter neder storten, want die meening is de stem van het volk, en de stem van het volk is de stem van God. Geloof mij, prins, deze stem zal hem eenmaal beschuldigen en hem veroor-deelen!quot;

„Ja, misschien, als hij mij uit den weg geruimd of vermoord heeft, als mijn vader overleden is, de keizer de Mark Brandenburg als een vrij leen tot zich getrokken en er, door zijn genade, den tot vorst verheven graaf Schwarzenberg of diens zoon mede beleend heeft. O, ik ken zijn plannen, ik weet, dat geen uur van mijn leven meer verzekerd is, ik weet, dat ik aan den dood ben gewijd, zoo geen schranderheid en list mij redden! Ik heb er over nagedacht, gedurende mijne lange reis naar hier, ik heb alles overwogen en mijn geheele toekomst

ocr page 214

212

heeft als een geopend boek voor mij gelegen. Ik zag hein de hand uitsteken en met bloedige letters het woord: „doodquot; er in schrijven, maar ik zag mij met behoedzamen vinger dit woord uitwisschen, nog voor het geheel geschreven was, en met kleine, nauwelijks zichtbare letters er het woord „levenquot; voor in de plaats stellen. Ja, ik wil leven en regeeren; ik wil roem, eer en aanzien genieten, ik wil naam maken! Leuchtmar, ik heb in Holland mijn Jeugd, mijn hoop, mijn droomen, mijn hart achtergelaten, ik sta hier als man, in weerwil van mijn achttien jaren, als een man, die van de droomen zijner'jeu^d slechts dit eenige wil redden: de toekomst, den roem! Een man, die zooveel heeft geleden, dat hij van zich zeggen kan; Ik tart de smart, zij heeft geen macht meer op mij! Ik tart het leven en wil het overwinnen. Ja, Leuchtmar, ik wil het overwinnen, en hoewel ik het niet meer bemin, laat ik het mij niet ontrukken. Luister, vriend, want 't is heden voor langen tijd de laatste maal, dat ik openhartig en eerlijk tot u spreek. Ik smeek u, onderwijzer mijner jeugd, mij uw vriendschap, uw geloof in mij te laten behouden. Ik bid u, nimmer aan mij te twijfelen, en wanneer ooit twijfel in u mocht oprijzen, u dan dij, uur te herinneren, waarin ik u in mijn hart heb laten lezen en waarin gij mij in mijn toorn en smart, in mijn gramschap en haat hebt gezien. Ge kent mijn gelaat, vriend, prent het diep in uw geheugen, en vergeet het nooit, zelfs wanneer ge 't in langen tijd niet mocht zien. Zie mij nog eens in de oogen en lees in mijn blikken mijn liefde en vereering voor u!quot;

„Zoon van mijn hart,quot; zeide Leuchtmar diep bewogen, „ik zie door uw oogen heen in uw ziel, in uw hart, en lees er grootsche besluiten en heldhaftige daden. Streef daarnaar, mijn lieveling, en als het donker en treurig om u is, hef dan uw oogen op tot de schitterende ster, die boven u zweeft en uwe toekomst leidt. Het kwade te verdragen en toch opgewekt en moedig te blijven, dat maakt de ware heldenziel. Boven het stof der aarde zich te verheffen, met ten hemel gericht hoofd, dat bewijst het rechte geloof. God zegene u, mijn zoon! Wees dapper, verstandig en trouw! Vertrouw op u zei ven, op uw vrienden, op uw volk en op God, dan behoort u de toekomst, gij zult dan al uw vijanden overwinnen en over den trot-schen man zegevieren, die thans u tracht te vernietigen.

ocr page 215

213

Ik zeide: wees dapper, verstandig en getrouw! Maar ik heb nog ééne zaak vergeten, en die wil ik er bijvoegen: Wees voorzichtig! Herinner u, dat niet altijd het zwaard overwint, maar de list; herinner u Brutus, welke Rome bevrijdde.quot;'

„O, mijn vriend, gij hebt de waarheid gezegd,quot; riep de prins, „gij hebt op den bodem mijner ziel gelezen en mijn innigste gedachten gepijld. Ik verheug mij daarover en blijf vol vertrouwen, want mijn vriend en leermeester zal nooit aan mij twijfelen. Nog iets, mijn waarde Leuchtmar; gij moet een gedachtenis aan dit oogehblik van mij aannemen, een gedachtenis, die ik reeds bij mijn vertrek uit den Haag voor u gereed had als bewijs mijner dankbaarheid. Ik ben arm en onmachtig, en even als ik al mijn hoop op de toekomst stel, moet ik dit ook met mijn geschenken doen. Gij moet een geschenk voor de toekomst aannemen, vriend! Wat gij voor mij hebt gedaan, laat zich niet beloonen, dat weet ik; ik wil u echter gaarne mijn dankbaarheid betoonen en daarom geef ik u dit papier.quot;

Hij naaide uit zijn brieventasch een papier te voorschijn, dat hij met vriendelijken glimlach Leuchtmar overhandigde. „Neem en lees!quot; zeide hij,

Baron Kalkhun von Leuchtmar nam het papier en sloeg zijn oogen op de woorden, die met groote letters op de buitenzijde waren geschreven.

„Een belofte op tijd,quot; zeide hij verwonderd.

De keurprins knikte. „Een belofte op tijd, eigenhandig door mij geschreven en van mijn zegel voorzien. Ja, mijn vriend, ik heb niets te geven dan beloften op tijd, maar zoo eenmaal de keurprins keurvorst is geworden, zal hij die verwezenlijken, en tot waarheid maken. Sla nu het papier open en zie, wat het bevat.quot;

„Een schenkingsakte van het in Kleefsland gelegen landgoed Neuenhof!quot; riep Leuchtmar verheugd. „O, mijn dierbare prins, dit is waarlijk een vorstelijk geschenk!quot;

„'t Is echter niet de vorst, maar de dankbare leerling die 't u aanbiedt,quot; zei Friedrich Wilhelm; „als getuigen hiervan heb ik deze woorden geschreven, welke ik zelfu wil voorlezen.quot; Hij las;

„Wij hebben aan den baron Kalkhun von Leuchtmar dit leengoed Neuenhof uit bijzondere vriendschappelijke

ocr page 216

214

genegenheid, welke wij hem toedragen, vrijwillig en na rijp beraad toegezegd en beloofd. Wij beloven ook, dat zoo wij eenmaal de macht en het gezag mogen erlangen en meergenoemde Kalkhun von Leuchtmar tot onze smart vroeger kwam te overlijden, wij evenwel zijn oudsten zoon dit goed verleenen en hem alles willen laten genieten, wat wij zijn vader hij zijn leven toegezegd en toegedacht hebben.quot; ^

„Dat is beloonen en gelukkig maken nog over het graf!quot; riep Leuchtmar met tranen in de oogen. „Ik dank u, mijn prins, ik dank u uit het diepst mijner ziel voor mij en mijn kinderen!quot;

„Gij hebt mij niets te danken vriend,quot; zeide de prins, „veeleer zal ik eeuwig uw schuldenaar blijven. Zoo ik eenmaal voor mijn land een goed vorst, voor mijn volk een degelijk landsvader ben, dap moet ge denken, dat dit de dank is dien ik u, mijn leermeester en opvoeder, schuldig ben! Gij ziet, dat ik op de toekomst hoop, en denk, dat het mij gelukken zal ondanks alle moordaanslagen mijn doel te bereiken. Uw waarschuwing zal ik niet vergeten en voor alles voorzichtig zijn; een masker dragen, zooals Brutus deed! Laat mij u nog eenmaal omarmen, vriend Leuchtmar, zie mij nog eenmaal in de oogen! En nu — ik hoor iemand komen — vaarwel, Leuchtmar, ik doe mijn masker voor en geen oogenblik mag ik mij daarvan ontdoen!quot;

V.

BRUTUS.

De deur werd geopend, een lakei trad binnen en diende aan: „Haar doorluchtigheid, mevrouw de keurvorstin!quot; Vóór dat de keurprins den tijd had haar tegemoet te gaan, was de keurvorstin reeds de kamer binnengetreden. „Ik kom u nog eens begroeten, mijn Friedrich!quot; riep

1) Orlich: Geschichte des Preussischen Staates, I. 42.

ocr page 217

215

de keurvorstin, den zoon haar handen toestekende. „Zonder getuigen, geheel als uw moeder wil ik mijn zoon verwelkomen en hem zeggen, hoe gelukkig ik hen, dat hij weder hier is!quot;

Zij sloeg haar armen om zijn hals en drukte hem innig aan haar borst. — Baron Leuchtmar, die bij de komst der keurvorstin eerbiedig ter zijde was gegaan, liep nu zacht door de kamer en was reeds op 't punt de deur te openen, toen de keurvorstin levendig het hoofd naar hem wendde.

„Blijf, Leuchtmar,quot; zeide zij. „Waarom wilt gij weg gaan?quot;

„Ik mag mij niet vermeten, door mijn tegenwoordigheid het onderhoud tusscben mevrouw de keurvorstin en mijnheer haar zoon te storen.quot;

„Gij stoort ons volstrekt niet, want ge behoort tot ons, Leuchtmar,quot; antwoordde Elisabeth Charlotte, hem-vriendelijk toeknikkende. „Ik wil u dan maar zeggen, dat ik wist, dat ge hier waart, en ik juist daarom hier ben gekomen om u zonder getuigen te zien en met u en mijn zoon een vertrouwelijk gesprek te hebben. Ik weet, Leuchtmar, dat wij op u vertrouwen kunnen en dat gij tot de onzen, dat wil zeggen tot de vijanden van Schwarzenberg, tot de vijanden van de keizerlijken en katholieken, tot de vrienden der gereformeerden en der Zweden behoort.quot;

„Uwe doorluchtigheid moge er van overtuigd zijn, dat ik gekomen ben, gelijk ik heen ging,quot; zeide Leuchtmar ernstig. „Ik bleef een oprecht gereformeerde, een trouw Brandenburger en een verklaard vijand van hen, die den vrede van Praag gesloten en hierdoor den keurvorst van Brandenburg van de Zweden gescheiden en hem geheel en al. aan den keizer dienstbaar gemaakt hebben.quot;

„Ge wilt hem niet noemen, den boosdoener, die dit gedaan heeft,quot; riep de keurvorstin, „maar ik zal hem noemen : 't is graaf Schwarzenberg! 't Is de stadhouder in de Marken, die al dit onheil en schande over ons heeft gebracht, die ons heeft losgescheurd van onze naaste bloedverwanten, van de Zweedsche koninklijke familie, en ons onderwierp aan onze gezworen vijanden en tegenstanders; de keizerlijken, de Oostenrijkers! O, mijn zoon, beloof mij, dat ge eenmaal wraak zult nemen over dien smaad en die vernedering, beloof, in dit uur van uw terugkomst plechtig in mijne hand, dat zoodra ge aan de regeering zijt ge-

ocr page 218

216

komen, uw eerste daad zijn zal u van den keizer los te maken, en u met onze natuurlijke bondgenooten, de Zweden, weder te verbinden.quot;

Zij stak haar zoon de rechterhand toe. „Zweer mijn zoon,quot; riep zij plechtig, „zweer dit in mijn hand!quot;

Friedrich Wilhelm legde zijn hand niet in die zijner moeder, maar trad afwerend een schrede terug.

„Vergeving mijn genadige vrouw, moeder,quot; zeide hij, „ik kan dit niet beloven, want ik weet niet of ik't zal kunnen houden! Moge de goede God mijn genadigen heer vader nog lang in 't leven behouden en hem een lange, zegenrijke regeering vergunnen. Maar zoo eens, tot mijn smartelijk leedwezen, de plicht en erfopvolging mij de teugels der regeering in handen geven, moet ik ze kunnen bestieren, zooals de omstandigheden het vereischen en de tijden en het welzijn van 'tland zullen vorderen; ik mag mij door geene beloften laten binden.quot;

„Ge -Weigert, mijn zoon, mij te beloven, dat ge weder goed wilt maken, wat de booze vijand van uw huis, van uw familie, en van uw land bedorven heeft?quot;

„Mijn genadige moeder, ik weet niet van wien gij spreekt, ik weet niet, wie het is, die zulke zware misdaden op zich geladen heeft!quot;

Met een haastige beweging legde de keurvorstin haar hand op zijn arm en zag hem strak in de oogen. „Veinst gij of is 't waarheid?quot; vroeg zij. „Weet ge waarlijk niet van wien ik spreek? Weet ge niet. wie de vijand uwer familie is?quot;

„Ik peins er te vergeefs op, mevrouw moeder, en smeek u, mij dit niet euvel te duiden, want uw genade moet bedenken, dat ik bijna vier jaren afwezig was en wel een weinig onbekend met de tegenwoordige omstandigheden geworden ben. Hadt gij vóór mijn vertrek deze vraag tot mij gericht, ik zou u terstond geantwoord hebben; 't Is graaf Schwarzenberg! Maar sedert heb ik leeren inzien, dat ik mijnheer den graaf in vele zaken, uit onervarenheid en gebrek aan doorzicht, onrecht heb gedaan; dat hij een groot en ervaren staatsman is, die met ver zienden blik de omstandigheden juister overziet dan het mijn ongeoefenden oogen mogelijk is. Wie weet, misschien is ook de vrede van Praag een wezenlijk geluk voor ons land geweest; want als ik zie hoe jammerlijk het reeds

ocr page 219

*217

gevallen is, niettegenstaande zijne onzijdigheid, kan ik er slechts met schrik aan denken, hoe het zijn zou, zoo wij tol een bepaalde oorlogvoerende partij behoorden. Indien wij ons aan de zijde der Zweden hadden gesteld, zou de vijandschap van den machtigen en sterkeren keizer ons reeds lang land en volk hebben doen verliezen en mijn edelen, zeer geliefden vader zou zekerlijk hetzelfde lot ten deel zijn gevallen, als dat van den keurvorst van den Paltz, zijn heer zwager, of den markgraaf van Liegnitz en Jagerndorf, zijn heer neef. Hij had met gemalin en kinderen in den vreemde moeten omzwerven of zou van verdriet gestorven zijn. Hadden wij ons met den keizer tegen Zweden verbonden, dan zou deze als een onverbiddelijke, woedende vijand in ons land huis houden en niet alleen Pommeren, maar ook de Mark en het hertogdom Pruisen met zijn troepen overstroomen. Op mijn reis hierheen heb ik den jammer en de onuitsprekelijke ellende van ons land gezien en mij treurig afgevraagd, wat van ons ongelukkig land in oorlog zou worden, nu de onzijdigheid het reeds zoo rampzalig gemaakt en in zulke diepe ellende gestort heeft? Toen heb ik moeten erkennen, dat de heer graaf Schwarzenberg als stadhouder in de Marken goed gehandeld heeft, de hem toevertrouwde Mark voor nog grooter onheil te behoeden en ze onzijdig hield, met den keizer en de Zweden noch tot vriend noch tot vijand. Ik heb hem dus in mijn binnenste om vergeving gevraagd, voor dat ik hem vroeger zoo onrechtvaardig beschuldigde, want hij is waarlijk een trouw, ijverig dienaar van zijn meester, die er bovenal naar streeft zijn welzijn te bevorderen en hem in deze rampspoedige tijden op te beuren en te troosten. Ik zie ook, dat niet alleen mijnheer de keurvorst hem nog altijd eert en hoogschat als zijn trouwen, zeer geliefden raadsman en helper, maar ook dat mevrouw mijne moeder hem genegen is en geheel en al van het mistrouwen is teruggekomen, dat zij vroeger tegen mijnheer den -stadhouder voedde. Want het is een bewijs van groote genade, als mevrouw de keurvorstin den heer graaf vergunt haar en haar dochters kleederen ten geschenke te geven; niemand mag hem mistrouwen, die zich zoo hartelijk over mijn terugkomst verblijdt, dat hij zelfs voornemens is een schitterend feest te geven. De geheele keurvorstelijke familie heeft de uitnoodiging

ocr page 220

218*.

tot dit feest aangenomen, waardoor wij aan Berlijn en aan het geheele land bewijzen, dat wij in de beste verstandhouding met mijnheer den stadhouder staan en er volstrekt niets is gebeurd, wat ons vertrouwen in hem zou kunnen doen wankelen.quot;

De keurvorstin had haar zoon met steeds stijgende verwondering aangehoord; haar oogen, die steeds glooiender en toorniger waren geworden, hadden zich van het gelaat van haar zoon op dat van Leuchtmar gericht, alsof zij op diens trekken wilde lezen, of hij in haar verbazing en hare ontevredenheid niet deelde. Nu de prins zweeg, trad zij op Leuchtmar toe en legde haar hand op zijn arm.

„Leuchtmar,quot; vroeg zij met'bevende stem, „is hem dit ernst? Is hij werkelijk zoo geheel en al veranderd? Is hij werkelijk tot onze vijanden en tegenstanders overgegaan?quot;

„Genadige vrouwe keurvorstin, de keurprins is een veel te feeder zoon, dan dat hij ooit jegens zijn moeder anders zou kunnen worden,quot; antwoordde de baron ernstig.

„Hij zegt de waarheid, dierbaarste moeder,quot; riep Frie-drich Wilhelm, zijn moeder naderende. „Nooit zou ik mij jegens u kunnen veranderen, mij nooit van de dankbaarheid en liefde jegens u ontslaan, nooit tot uw vijanden en tegenstanders overgaan. Maar waarom zouden wij de staatkunde in ons huiselijk leven mengen; wat hebben de * Zweden en keizerlijken, de katholieken en gereformeerden met ons familieleven en onze huiselijkheid te maken ? Laten wij de politiek over aan hen, wier plicht het is zich er mede te bemoeien; pogen-wij ons niet in de regeering te mengen, nu wij er geen recht toe hebben en terzijde moeten gaan voor hen, die de zaak veel beter dan wij verstaan en met evenveel omzichtigheid als wijsheid de teugels van het bewind in handen hebben. Ik, ten minste, heb vast besloten, mij van al deze lastige zaken verwijderd te houden, mijn jeugd en vrijheid te genieten, en ik dank God, dat ik niet den last der regeering te dragen, maaide lichte rol heb mij te laten regeeren!quot;

„Onmogelijk!quot; riep de keurvorstin met uitbarstenden toorn, „neen 'fis niet mogelijk, dat mijn zoon zoo denken en spreken kan! Ach, Leuchtmar wat hebt ge van mijn zoon gemaakt? Wie heeftf mijn eenigen geliefden zoon zoo veranderd? Ik hoopte, dat hij terug zou komen als een dappere, om wien allen zich zouden scharen, die aan

ocr page 221

-219

ons huis, het geloof en het vaderland trouw zijn. Ik hoopte in hem een steun tegen de aanmatiging en de boosheid mijner vijanden te vinden, dat het den zcon zou gelukken het hart van zijn vader te winnen en het af te wenden van den trotschen man, die hem geheel en al beheerscht, en die ons in 't verderf zal storten! O, mijn God! ik heb drie jaren lang op den tijd zijner terugkomst gehoopt, op den tijd van wraak en vergelding; — nn is hij er,en wat zie ik? Een zwakken, gehoorzamen zoon van zijn vader, een onderdanigen vereerder van graaf Schwarzenberg, een flauwerd, die geen lust in eer en aanzien heeft, die blijde is, dat bij niet behoeft te werken en te regeeren! Ach, ik ben een arme, beklagenswaardige moeder, want ik heb vergeefs op mijn zoon gehoopt, dat hij mij zou bijstaan, om de rampen van ons huis te wreken en onze vijanden te straffen en ter verantwoording te roepen!quot;

Haastig sloeg zij de handen voor haar gelaat en weende luid. De keurprins zag haar met een smartelijken blik aan; hij deed ijlings een schrede voorwaarts, alsof hij haar in zijn armen wilde sluiten, maar bleef plotseling staan, en week langzaam, steeds verder van zijn moeder terug, 't Was of een onzichtbare hand hem verder van zijn moeder terugdrong en hem dichter naar de deur der kamer bracht. Nu stond hij er dicht bij, leunde tegen haar en — hield het oude slot zoo slecht of had de keurprins haastig de kruk omgedraaid ? — de deur sprong open. De keurprins deinsde rugwaarts in de voorkamer en zoo de lakei der keurvorstin er niet was geweest, tegen wien hij stiet, zou hij op den grond zijn gevallen.

„Waarlijk,quot; riep de keurprins glimlachend, terwijl hij den lakei toeknikte, die in verwarring en met hoog rood gezicht bleef staan, „'t was gelukkig voor mij, dat ge zoo dicht bij de deur stond, mijn vriend, ik zou anders misschien een ergen val hebben gedaan. Deze oude, verroeste sloten moeten hersteld worden. Men kan niet tegen de deuren leunen, zonder dat ze open springen.quot;

Hij knikte den lakei toe, die nog al lijd in verwarring stond en ging weder de kamer binnen. In 't voorbijgaan richtte hij zijn oog met een beteekenisvollen blik op Leuchtmar, die hem tersluiks een blik van verstandhouding toewierp; vervolgens naderde hij de keurvorstin, die door dit onverwachte tooneel verrast, de handen

ocr page 222

'220

van haar gelaat had genomen en haar tranen droogde.

„Ik verzoek mijn genadige mevrouw moeder om vergeving voor deze- bespottelijke storing,quot; zeide hij haar hand nemende en ze aan zijn lippen drukkende. „Het geschiedde buiten mijn schuld en alleen de slechte sluiting der deur was de oorzaak, 't Was een zeer gelukkig toeval, dat uw

fenade haar lakei had bevolen zich in mijn woonkamer icht bij de deur te plaatsen, want hij heeft mij hierdoor voor een onaangenamen val behoed.quot;enade haar lakei had bevolen zich in mijn woonkamer icht bij de deur te plaatsen, want hij heeft mij hierdoor voor een onaangenamen val behoed.quot;

„Ik heb den lakei niet bevolen zich in uw woonkamer te begeven,quot; zei de keurvorstin, „en ik vind dit zeer oneerbiedig.quot; Zij ging haastig door het vertrek en opende de deur, juist op 't zelfde oogenblik, dat de lakei door de andere deur uit de woonkamer wilde sluipen.

„Kom eens hier, Friedrich,quot; riep de keurvorstin. De lakei kwam met gebogen hoofd en deemoedig gelaat eenige schreden nader.

„Had ik u niet bevolen in de voorkamer op mij te wachten en ons te berichten als er iemand mocht komen ?quot; vroeg de keurvorstin.

„Keurvorslelijke genade,quot; antwoordde de lakei deemoedig, „ik heb nauwkeurig uw doorluchtig bevel gevolgd en hier in de voorkamer geslaan en wacht gehouden-; maaier is niemand gekomen.quot;

„Maar is dit de voorkamer?quot; riep de keurvorstin, „daar buiten is ze. Ga, en wacht daar!quot;

De lakei haastte zich het ontvangen bevel te gehoorzamen. De keurvorstin wendde zich tot den prins. „Ik bid u, mijn zoon,„dit mensch zijn domheid te vergeven, hij verdient in zooverre eenige toegevendheid, daar hij eerst sedert kort in onzen dienst is en dus de regels van 't paleis nog niet recht kent. Mijn kamerlakei is op de reis van Koningsberg hierheen ziek geworden, zoodat wij hem onderweg moesten achter laten, hetgeen ons te meer speet, daar hij tevens onze friseur was en den heer keurvorst, zoowel als mij en de prinsessen, handig wist te friseeren. Graaf Schwarzenberg had hiervan gehoord en stond welwillend een zijWr kamerlakeien aan ons af.quot;

„Ha!quot; riep de keurprins glimlachend, „heeft uw genade dit mensch van mijnheer den stadhouder in dienst gekregen !quot;

„Ja, ik moet zeggen, dat hij eon zeer bruikbaar en nul-

ocr page 223

221

tig dienaar is, die de kunst verstaat naar de nieuwste fransche mode te friseeren en ook voor zijn andere zaken zeer geschikt is. Ik verzoek u daarom hem dit klein vergrijp te vergeven.quot;

„Hij is volkomen verontschuldigd,quot; zeide de keurprins buigend, „te meer verontschuldigd, daar het hem zeer licht kon gebeuren, deze kamer voor een voorkamer te houden, omdat hij nog niet goed bekend is met dit paleis.quot;

„'t Is waar,quot; riep de keurvorstin in de kamer rond ziende, „het ziet er hier wel verward en vervallen uit; men had uw huiskamer een weinig moeten opknappen en ze wat behagelijker kunnen maken. Ge weet wel, Friedrich, dat wij voornemens zijn ons hier slechts korten tijd op te houden en spoedig naar Pruisen terug te keeren; daar zal ik zorgen, dat ge fraaier en geschikter kamers krijgt. Daar ben ik in 't paleis de keurvorstelijke huisvrouw en de gebiedende hertogin, hier in 't residentieslot te Berlijn word ik slechts als een gast beschouwd, die niets te zeggen heeft en zwijgend in alles moet berusten, 't Is in waarheid zóó! Zoo ver is 'tgekomen, dat de stadhouder in de Marken de eigenlijke regeerende heer en gebieder is en de keurvorst bij mijnheer den stadhouder als gast schijnt te vertoeven.quot;

„Maar mijnheer de stadhouder schijnt een zeer voorkomend en onbekrompen gastheer te zijn,quot; merkte de keurprins glimlachend op, „een gastheer, die er zich veel aan gelegen laat liggen voor het gemak en vermaak, ja zelfs voor de garderobe zijner verhevene gasten te zorgen.quot;

„K.eurvorstelijke genade,quot; riep de binnentredende kamerlakei, „de hofmeester staat buiten en bericht dat de tafel is gedekt en mijnheer de keurvorst en de prinsessen zich reeds naar de eetzaal hebben begeven.quot;

„Dan zullen wij er ook heen gaan, mijn zoon,quot; zei de keurvorstin den keurprins de hand reikende.

„Genadige moeder, ik ben nog in reiskleeding, en ...quot;

„Mijn zoon,quot; zuchtte de keurvorstin, „uw reiskleeding is zoo sierlijk en kostbaar, dat ik wenschte, dat uw staat-siekleeding ook altijd zoo fraai mocht zijn. Kom, geef mij den arm en laat ons spoed maken, want mijnheer uw vader houdt er niet van dat men hem laat wachten en is zeer stipt op het etensuur. Gij, mijnheer de baron von

ocr page 224

222

Leuchtmar, volg ons! Wij noodigen u als gast ons naar den disch te begeleiden.quot;

De Keurvorstin nam den haar aangeboden arm van den prins en ging door de deur, welke de kamerlakei open hield, de voorkamer binnen. De hofmeester, die hen hier met den gouden staf in de hand wachtte, ging hen vooruit ; de kamerlakeien openden de deuren en het vorstelijk paar ging zwijgend door de reeks eenzame, donkere kamers, met ouderwetsch, bestoven en half vergaan huisraad gemeubeld, gevolgd door den baron von Leuchtmar, en daarachter de lakeien op eerbiedigen afstand.

De keurvorst stond met de beide prinsessen in de diepe nis van het groote venster, toen zijne gemalin en zoon naar hem toekwamen; hij groette beiden met een korten hoofdknik, en, op den baron von Leuchtmar, die hem eerbiedig naderde, een somberen on vriendelij ken blik werpend, gaf hij zijn gemalin den arm en voerde haar naar de twee plaatsen aan het hooger einde der tafel.

„Het schijnt, dat .mijn heer zoon zich nog maar niet van zijn gouverneur kan scheiden,quot; zeide hij met halfluide morrende stem tot de keurvorstin. „Hij brengt den gouverneur mede aan tatel, alsof dit zoo behoorde.quot;

„Vergeving, George,quot; fluisterde de keurvorstin, „ik heb den baron genoodigd, omdat ik hem bij onzen zoon ontmoette. Doe mij het genoegen en ontvang hem genadig. Hij heeft onzen zoon veel goed gedaan en is ons een trouw dienaar geweest.quot;

„U misschien, mij niet,quot; bromde de keurvorst, terwijl hij zich in den grooten, ronden armstoel nederzette, en hiermede het teeken voor den aanvang van het diner gaf.

De uren van den maaltijd waren anders altijd die, in welke George Wilhelm zich van alle zorgen en regeerings-belangen ontsloeg en met opgeruimd gelaat zich aan een onderhoud met zijn gemalin en dochters overgaf en er zelfs behagen in had met de hofbeambten, die aan den disch deelnamen, te schertsen, of zich de gebeurtenissen van den dag of de praatjes der slad liet verhalen.

Heden bleef echter de keurvorst aan tafel somber en sprak weinig; hij liet zijn gemalin het gesprek voeren en deed zich door haar den keurprins bericht geven betreffende de lieve verwanten aan het Nederlandsche hof. Deze antwoordde op alle vragen, evenwel niet meer dan noodig

ocr page 225

223

was, zonder er uil eigen beweging iets bij (e voegen of in verhalen van zijn eigen leven en verblijf aan het hof in Holland uit te wijden.

De keurvorst luisterde zwijgend, de achterhoudendheid van zijn zoon scheen hem nog meer te ontstemmen. Zijn gelaat werd hoe langer hoe somberder en hij stiet zelfs zijn lievelingsgerecht, den wilden zwijnskop met den citroen in den mond, wrevelig van zich, toen men hem dit ten derden male aanbood.

„Ge hebt er nu lang genoeg omheen gepraat, mevrouw de keurvorstin,quot; riep hij driftig, „en naar alle mogelijke dingen gevraagd, alleen niet naar de hoofdzaak, niet naar de persoon in wie gij in hoofdzaak toch het. meeste belang stelt. Ge hebt waarschijnlijk gedacht, dat onzekeur-prins hierover van zelf zou beginnen en dat de mond zou overvloeien, waarover 't hart vol is. Maar onze jonge heer is tamelijk zuinig met zijn woorden en het schijnt of hij niet zoo verblijd is over zijn terugkomst in het arme, stille, vaderlijke huis. Hij is het veel schitterender gewoon aan het hof van Oranje, waar hij in rijkdom en vreugd heeft kunnen leven; wij weten er een liedje van te zingen, want mijn heer zoon heeft wel alleen de uitgaven bezorgd, maar het betalen heeft hij ons overgelaten. Maar verhaal ons, mijnheer zoon, thans een weinig van het kleine bof op Doornweerd, van mevrouw onze schoonzuster, de douairière paltzgravin, en wat mevrouw uw moeder toch eigenlijk als de hoofdzaak beschouwt, verhaal ons van de schoone, bekoorlijke jonkvrouwe prinses Ludowike Hollandine.quot;

De keurprins ontstelde een weinig en kon niet beletten, dat bij het hooren van dezen naam, dien hij sedert zijn vertrek uit den -Haag niet had vernomen, al het bloed naar zijn hart vloeider en zijn wangen doodelijk bleek werden. Hij slóeg de oogen neder en voelde, dat aller blikken met vorschende nieuwsgierigheid op hem gericht waren.

Juist dit gevoel gaf hem zijn kalmte en beradenheid terug. Hij richtte het hoofd op, schudde zijn bruine lokken met een krachtigen ruk ter zijde, beantwoordde den vragenden blik van den keurvorst door hem onbevreesd in de oogen te zien.

„Genadige heer vader,quot; zeide hij met kalme, vaste

ocr page 226

224

stem, „van het kleine hof op Doornweerd valt zeer weinig te zeggen. Mijn tante, mevrouw de keurvorstin van den Paltz, denkt met droefheid aan het verledene, de drie prinsessen haar dochters en haar drie kleine zonen denken met hoop aan de toekomst, van het tegenwoordige is weinig te berichten.quot;

„De prinsessen moeten zeer schoon zijn?' vroeg de keurvorst.

„Ik geloof, dat zij 'tzijn,quot; antwoordde de prins bedaard.

„Gelooft gij dat slechts?quot; vroeg zijn vader. „Zie nu eens hoe men u belasterd heeft, men verhaalde ons, dat gij bijzonder getroffen waart geweest door de schoonheid der prinsessen van den Paltz.'

„En waarom zou dit niet zoo zijn, uwe doorluchtigheid?quot; vroeg de keurvorstin glimlachend. „De prinsessen van den Paltz zijn nichten van onzen zoon en 'tis dus zeer natuurlijk, dat hij voor haar een hartelijke familiegenegenheid heeft.quot;

„Dat moge zijn, vrouwe keurvorstin,quot; riep George Wilhelm, „maar 'tis te wenschen, dal het daar ook bij blijft. Ik zou gaarne een weinig van prinses Ludowike Hollan-dine vernemen. Is zij waarlijk zoo schoon als van haar gezegd wordt?quot;

„Ja,quot; antwoordde de keurprins met heesche stem, „ja zij is zeer schoon. Leuchtmar zal 't kunnen bevestigen.quot;

„Ik wil het liever van u zeiven hooren,quot; zeide de keurvorst met onverbiddelijke wreedheid. „Men heeft ons verhaald, dat prinses Ludowike Hollandine een zeer levenslustige jonge dame is en zij er volstrekt niets tegen zou hebben onze schoondochter te worden.quot;

„Maar, mijn gemaal,quot; bad de keurvorstin zacht, „ge spreekt van zeer vertrouwelijke zaken in het bijzijn van ons hof en . . . .quot;

„Och, mevrouw de keurvorstin,quot; viel George Wilhelm haar in de rede, „men heeft deze vertrouwelijke zaken in alle oorden besproken; niet alleen te Berlijn, maar in het geheele land. Ja zelfs aan het keizerlijk hof te Weenen is verteld, dat onze heer zoon uit de Nederlanden terugkomen en ons verrassen zou met ons prinses Ludowike Hollandine als zijn gemalin voor te stellen, zonder onze toestemming te vragen. Ik wensch dus, dat de keurprins mij openhartig antwoord geve, en wij allen eens voor al

ocr page 227

225

weten hoe het met deze zaak staat en wat wij te wachten hebben. Ue goede babbelachtige stad Berlijn, het gebeele land en ook het keizerlijk hof te Weenen, kortom de geheele wereld, die zooveel belang' in het huwelijk van onzen prins schijnt te stellen, zal dan spoedig nauwkeurig vernemen, hoe 't met de zaak gesteld is, en dat is juist, wat ons wenschelijk voor komt en wat wij met onze vraag bedoelen. Zeg ons dus, heer zoon, hoe staat het met u en de prinses Ludowike Hollandine?quot;

De keurprins zat met nedergeslagene oogen, zijn wangen waren nog altijd doodsbleek en boven zijn hoog, breed voorhoofd trokken donkere wolken voorbij. Hij had zijn hand om het groote drinkglas gelegd, dat voor hem stond, hij hield het zoo krampachtig omklemd, dat het glas thans rinkelend brak en de purperen wijn over het tafellaken stroomde. Het rinkelen van 'tglas scheen den prins uit zijn gedachten te wekken; haastig wierp hij zijn servet op de roode vlek en sloeg toen langzaam en bedaard zijn oogen op.

„Uw keurvorstelijke genade wenscht van mij de waarheid te vernemen over al de huwelijksgeruchten, die om-trent de prinses Ludowike Hollandine en mij in omloop zijn,quot; zeide hij; „ik zal dus. zooals het een gehoorzamen en genegen zoon betaamt, u de waarheid zeggen. De waarheid is deze,quot; voer hij voort met verheffing van stem, terwijl zijn wangen zich eensklaps donkerrood kleurden en zijn oogen van geestvervoering glinsterden, „prinses Ludowike Hollandine is de schoonste, bekoorlijkste jonkvrouw der wereld; gelukkig en benijdenswaardig is de man, wien het lot vergunnen zal haar als zijn gemalin te bezitten, bovenal gelukkig degene, wien dit edele, beminnenswaardige en bekoorlijke meisje haar liefde schenkt en wie de schatten van haar geest en hart zal genieten. Gij hebt gezegd, uwe hoogheid, dat prinses Hollandine er niet tegen zou hebben uw schoondochter te worden. Hierover kan ik u geen opheldering geven, want ik heb niets van dezen lust bespeurd, maar dit moet ik erkennen, dat ik den gloeiendsten lust gevoeld heb de prinses tot uw schoondochter te maken; ik erken dat ik de edele, schoone, geestige en bekoorlijke prinses Hollandine met geheel mijn ziel en uit den grond mijns harten bemind heb. Maar nooit zou ik 't gewaagd hebben Mühlbaoh, Be groote Keurvorst en zijn tijd. I. 15

ocr page 228

226

deze edele prinses tegen uw wil, heer vader, en tegen uw bevel tot mijn gemalin te maken; en daar ik erkennen moest, dat een echtverbintenis met haar niet naar uw wensch is en tegen het staatsbelang zijn zou, heb ik mij gehoorzaam aan uw bevelen onderworpen en heb u en het land het heiligste en grootste olfer gebracht, hetwelk een mensch brengen kan, ik heb u mijne liefde geolïerd, heer vader, 'tls wel een bittere smart voor mij geweest en ik ontveins niet, dat ik er nog onder lijd, maar ik zal ze overwinnen; doch dat ik prinses Ludowike Hollandine ooit vergeten zal, kan ik u niet beloven, want wie men waarachtig bemint, vergeet men nimmer. Gij hebt van mij de waarheid willen vernemen, heer vader, ik heb u die gezegd. Zij moge daar buiten gehoord worden door geheel Berlijn, door het geheele land, ook aan het keizerlijk hof en door de geheele wereld. De prinses Ludowike zal ze dan ook vernemen en het gerucht dezer bekentenis zal tot haar komen. Maar één ding moge het gerucht haar, den keizer en ons. land dan tevens melden, namelijk; dat de keurprins Friedrich Wilhelm van Brandenburg wel, uit eerbied en gehoorzaamheid jegens zijn heer vader, van een huwelijksverbintenis kon afzien, doch nooit, uit eerbied en gehoorzaamheid, een gemalin zal nemen, welke hij niet bemint; dat de keurprins zich nog veel te jong en te onervaren acht om te trouwen en zijn heer vader openhartig gebeden heeft hem nog vele jaren van huwelijksvoorstellen te verschoonen, daar hij vast besloten is nog niet te trouwen; niet uit weerspannigheid tegen zijn heer vader, evenmin uit gemis aan hoogachting voor de prinsessen, welke men hem moclft voorstellen, maar alleen omdat zijn hart eerst moet genezen, van de groote wonde, die het ontvangen heeft. Ik verwijt het prinses Hollandine niet, dat zij mij deze wonde geslagen heeft, integendeel roep ik het luide uit, en moge het als een afscheidsgroet tot haar , doordringen: Gezegend zij prinses Ludowike Hollandine van den Paltz, moge God haar het geluk schenken, hetwelk zij door haar schoonheid, geest en goedhartigheid zoo zeer verdient.quot;

Medegesleept door zijn gloed en geestvervoering, en in dit oogenblik alle terughouding vergetende, sprong Friedrich Wilhelm van zijn zitplaats op, hief den kelk van

ocr page 229

2'27

het glas, welks voet hij gebroken had omhoog en vulde hem tot den rand met wijn.

„Genadige vrouw moeder,quot; riep hij, „zie, dit glas met de gebroken voet is een zinnebeeld mijner liefde. Laat ik met den laatsten wijn, dien dit glas bevatten zal, het laatste vaarwel aan mijn liefde drinken, en klink met mij: Leve de prinses Ludowike Hollandine van den Paltz!quot;

De keurvorstin had met tranen in de oogen naar haar zoon geluisterd; ook de beide prinsessen waren diep bewogen door de vurige en smartelijke woorden van hunnen broeder. Thans, bij zijn, met zooveel gloed en vervoering uitgesproken uitnoodiging, richtte de keurvorstin zich van haar stoel op en nam haar glas in de hand: de prinsessen volgden haar voorbeeld.

„Leve de prinses Ludowike Hollandine van den Paltz zei de keurvorstin met volle, luide stem en de jonkvrouwen zeiden het haar na.

„Zij leve! riep Friedrich Wilhelm met verheerlijkt ge-laat en stralende oogen. „Zij leve hoog, gelukkig, eeuwig!quot;

Met een teug ledigde hij den kelk; toep wierp hij, in zijn opgewondenheid alle omstandigheden vergetende, het glas over zijn schouder in de zaal, zoodat het in stukken op den bruinen, ingelegden vloer nederviel.

De keurvorst stond op en stiet met een van toorn rood gezicht zijn rolstoel achteruit van de tafel. „De maaltijd is geëindigd, zeide hij. „Moge hij allen gezegend zijn!quot;

De hofbeambten bogen diep en verwijderden zich. Ook de heer vou Leuchtmar wilde zich verwijderen, maar George Wilhelm nep hem terug. „Kom hier,quot; zei hij gebiedend, „ik heb nog eeu paar woorden met u te spreken. Zeg mij toch, mijnheer baron Kalkhun von Leuchtmar, zijt gij 't, die mijnheer den keurprins zulke zonderlinge manieren hebt geleerd, of zijn dit de fijne gebruiken, die aan het hot van Oranje in zwang zijn? Is het daar de gewoonte aan taiel schandaal te maken en de glazen achter zich te werpen ?quot;

„Keur vorstelijke doorluchtigheid,quot; antwoordde von Leuchtmar aarzelend, „ik weet niet . .

„Veroorloof mij, genadige heer vader,quot; viel de keurprins hem in de rede, terwijl hij eerbiedig zijn vader naderde, „hierop zelf te antwoorden. Neen, 't is het gebruik niet aan t Nederlandsche hof zich zoo te gedragen, en 't is er verre

ocr page 230

228

af, dat mijn voormalige gouverneur mij dergelijke ruwheden zou geleerd hebben, 't Was slechts mijn hart, dat een oogenblik machtiger was dan manieren en vormen en ik bid u het te vergeven, want van nu af zal het zeer stil en lief zijn en volstrekt niet laten merken, dat het nog klopt.quot;

De keurvorst antwoordde slechts met een stommen hoofdknik en wendde zich toen weder tot den baron.

„Leuchtmar, ik heb thans nog een paar woorden met u te spreken, en zoo ge heden niet hier tegenwoordig waart, had ik u morgen laten roepen. Gij hebt ons den keur-prins terug gebracht, als een jongeheer, die de school ontgroeid is en geen gouverneur meer noodig heeft, tenzij het leven zeü hem ter school neemt en voor gouverneur bij hem speelt. Maar u en uw zorg is hij ontwassen en hiermede is uw betrekking opgeheven. Ik wenschte nu wel, u evenwel aan de zijde van mijnheer mijn zoon te laten en dit zou hebben kunnen geschieden, zoo de keurprins getrouwd was en wij voor hem een vorstelijke huishouding hadden moeten inrichten, overeenkomstig zijn rang. Daar nu de keurprins zooeven uitdrukkelijk heeft verklaard, dat hij in de eerste jaren niet trouwen wil, zelfs niet zoo wij dit mochten wenschen, is mij dit welkom, daar wij in dit geval niet noodig hebben een eigene huishouding voor hem op te richten, 'tgeen in deze zware tijden ons zeer moeielijk zou vallen. De keurprins zal derhalve aan ons hof leven, eenvoudig en stil gelijk wij zeiven, en wij kunnen voor hem geen bijzondere beambten meer houden. Daarom wordt ge eervol van uwen dienst ontslagen en is 't ons niet vergund u langer aan ons hot te verbinden, 't Zal u wel niet moeilijk vallen een anderen dienst te vinden en vermits ge goed Zweedschgezind zijt zoudt ge het best doen u naar den Haag of wel naar Zweden zelf te begeven.quot;

„Wanneer baron Leuchtmar dit doen wil,quot; riep de keurvorstin, „zal 't hem aan mijn aanbeveling niet ontbreken en mijnheer mijn oom, de stadhouder zal't zéker een groot genoegen zijn zulk een uitstekend, verstandig, geleerd en vertrouwd man als baron von Leuchtmar tot zijn dienst te bekomen. In allen gevalle zal ik den stadhouder van Holland er over schrijven, en hem melden, hoeveel dank wij u schuldig zijn, en hoe weinig 't in ons vermogen is,

ocr page 231

229

ons daarvan te kwijten. Verder willen wij hem verzoeken, dat hij doet, wat ons helaas onmogelijk is, namelijk u een goede, eervolle en winstgevende betrekking voor geheel uw leven te geven.quot;

„Ik dank uwe doorluchtigheid hartelijk voor deze groote genade,quot; antwoordde Leuchtmar zacht. „Ik ben evenwel niet voornemens eene andere betrekking aan te nemen, maar in stilte met mijn gezin te leven.quot;

„Doe zooals ge wilt,quot; zeide de keurvorst, „en moge 't u altijd goed gaan. Mevrouw de keurvorstin, geef mij uw arm en laat ons naar onze huiskamers terugkeeren. En gij, heer zoon, zult wel vóór alle dingen een zeer aandoenlijk afscheid van Leuchtmar willen nemen en een klaaglied zingen over uw wreeden vader, die u uw voedster, ik wil zeggen, uw gouverneur ontneemt.quot;

„Neen, genadige heer vader!quot; riep de keurprins lachend, „ik zing volstrekt geen klaaglied, maar schik mij met welbehagen in uw beslissing, 't Is zeer aangenaam, geen gouverneur meer aan mijn zijde te hebben, want men gevoelt zich dan als een volwassen mensch ; en wat het aandoenlijk afscheid betreft, dit is geheel onnoodig. Mijnheer von Leuchtmar noch ik zullen er behoefte aan gevoelen, want wij hebben al te dikwijls over de edele politiek gestreden. Hij was mij te Zweedsch, ik was hem te keizerlijk, en dat verdraagt zich niet goed, gelijk ge weet. Vaarwel, mijnheer baron von Leuchtmar, en ontvang mijn besten dank voor al bet goede, wat gij mij bewezen hebt. Nog een laatste omhelzing en ga dan met God.quot;

Hij sloeg zijn armen om den hals van zijn vroegeren gouverneur en drukte hem innig aan zijn hart. „Vaarwel, dierbare vriend,quot; fluisterde hij, „vaarwel tot weerziens!quot;

„Tot weerziens, mijn Brutus,quot; zei Leuchtmar zeer zacht en legde zegenend zijn hand op 's prinsen hoofd.

Friedrich Wilhelm voelde de tranen uit zijn hart naar zijn oogen opstijgen, en stiet met een driftige beweging den baron terug. „Vaarwel,quot; zeide hij ruw en ging toen met haastige schreden door de eetzaal naar de deur.

„Friedrich Wilhelm, kom met ons,quot; riep de keurvorst, maar de prins hoorde niet, of wilde niet hooren. Hij snelde door de voorkamer en den langen gang, cn toen hij weder in zijn stille, sombere kamer terugkeerde, wrong

ocr page 232

230

zich een lang ingehouden kreet uit zijn borst. Hij zeeg in den ouden, krakenden armstoel neder en weende smartelijk. ,

VI.

REBEKKA.

„Ha, meester Gabriël Nietzel, zijt gij daar?quot; zeide graat Schwarzenberg, den schilder, die juist zijn kabinet binnentrad, genadig groetende. „Ik moet bekennen, dat ge een zeer stipt man zijt, want te twaalf uur had ik u nier te Spandau bescheiden, en luister, de klok slaat juist.quot;

„Genadige heer, 't is omdat ik reeds een uur voor de deur van uw paleis heb gestaan om het gezegende oogen-blik af te wachten, dat ik mocht binnenkomen. Ik zag dit geheele uur naar de wijzerplaat van de torenklok, en 't was mij of een eeuwigheid van foltering was verstreken, toen de groote wijzer langzaam, ach, zoo vreeselijk langzaam, den cirkelloop had volbracht.quot;

„Ge zijt een wonderlijke snaak,quot; riep graaf Schwarzenberg, de schouders ophalende. „Dweepend als een jong meisje, vol deugdzame begeerten, en toch geneigd om allerlei kleine misdaden te begaan en copieën voor echt uit te geven, niet alleen beelden van doek, maar ook beelden van vleesch en bloed. Want wat is uw Rebekka anders dan de copie van een eerbare, zedige huisvrouw, welke ge ook als een origineel wildet binnensmokkelen, terwijl zij toch waarlijk slechts een gebrekkige copie is.quot;

„Misschien in de oogen der wet en in die van mijnheer den stadhouder, maar niet in Gods oogen, en in die van hem, die haar meer bemint dan zijn leven en zijn eeuwige zaligheid, want hij is bereid voor haar bezit alles te geven zelfs zijn eer en de rust zijns gewetens. Ach, excellentie, wees nu barmhartig, laat mij m^n Rebekka zien. Gij hebt het mij beloofd en 'zijt niet zoo wreed van uw woord niet te houden.quot;

„Ik heb u niets anders beloofd, dan dat ik u eenige beschadigde schilderijen te repareeren zou geven, en u

ocr page 233

231

bovendien een schilderij tequot;[laten zien, die u misschien quot;bekend kon zijn; dat is alles. Ik zal mijn belofte vervullen, en wel dadelijk. Maar zeg mij eerst, hoe staat het met de schilderij, welke ik u besteld heb? Brengt ge mij reeds de schets er van? Dit zou mij bijzonder aangenaam zijn, want ik geef overmorgen een feest in mijn paleis te Berlijn, en 't zou mij zeer verheugen, zoo ik dan den waarden heer keurprins, die aan het feest deelneemt, de schets kon voorleggen. Hij is een kunstkenner en stelt veel belang in dergelijke zaken. Zeg mij dus, hoe het met uw schets staat en of zij overmorgen voltooid kan zijn?quot;

„Dat kan zij, genadige heer! Maar ik durf er niet over spreken, want mijn gedachten dwalen rond en mijn hart klopt geweldig. Zoo ik| weder een verstandig mensch zal worden, laat mij dan vóór alles mijne . . .quot;

„De schilderij zien, welke ik u beloofd heb,quot; viel de graaf hem in de rede. „Nu, ge zult zien, meester Gabriël NietzeL Herinner u, dat ik ze u slechts vertoon op voorwaarde, dat ge ze zwijgend beschouwt. Zoodra ge het waagt, ze toe te spreken, verdwijnt ze en gij ziet ze nooit weer. Men moet met u wel zulke strenge maatregelen nemen, want gij zijt een zonderling heilige, die wel erge gedachten kan koesteren, maar voor krasse daden als een onschuldig kind terugdeinst. Ge moet mij door daden bewijzen, dat het ernst is, en weder goed zien te maken, wat ge tegen mij, tegen de wereld, de wetten en de kerk, misdreven hebt. Slechts wanneer ge de daad hebt verricht, zult ge uw geliefde en uw kind terug bekomen en ongehinderd dit land kunnen verlaten. Bedenk dit webmeester Nietzel. Volg mij nu naar mijn schilderij zaal.quot;

Hij wenkte den schilder glimlachend toe en ging hem uit het kabinet voor, door een rij schitterende, prachtig gestoffeerde kamers. Aan het einde er van traden zij een ruime zaal binnen, wier wanden rondom met groote schilderijen versierd waren

,,Dit is mijn schilderijzaal,quot; zei de graaf, „zie nu en zwijg.quot;

Gabriël Nietzel bleef bij de deur staan en leunde tegen den stijl. Hij kon niet verder gaan, zijn knieën knikten en het bloed drong hem naar hoofd en hart. Hij sloot de oogen, want het was, of hij in dit oogenblik moest sterven. Éindelijk overwon hij door zijn wilskracht deze harts-

ocr page 234

232

tochtelijke opwelling, sloeg langzaam de oogen weder o[) en waagde het een vermoeiden, dwalenden blik door de zaal te slaan. Hoe wonderbaar plechtig kwam hem deze schitterende ruimte voor, hoe ernstig werd hij gestemd.

Een zacht, helder licht viel boven door een glazen koepel, die alleen de zaal en de schilderijen aan de wanden verlichtte. In het midden der zaal, naast de daar staande prachtige porphyrschaal op vergulden voetstuk, leunde de hooge forsche gestalte van graaf Schwarzenberg en wierp een lange, donkere schaduw over den glanzenden houten vloer.

Gabriel Nietzel zag het en toch was het hem als een droom, hij waagde het niet zich te bewegen.

De stem van den graaf wekte hem uit deze verbazing. „Nu meester Nietzel,quot; zeide hij, „kom bij mij, want van bier kunt ge het best de schilderijen zien en de waarde beoordeelen.quot;

Gabriël Nietzel trad met groote schreden voorwaarts, buiten adem van verwachting, zalig van hoop. Nu stond hij naast den graaf en hief de oogen op naar de schilderijen. Een snelle blik vloog langs den wand. Schilderijen, fraaie, kostbare schilderijen, maar wat gaf hij er om? De heerlijke kleuren en de schoonste waarheid der natuur zagen op hem neder uit die breede, vergulde lijsten; maar hij had er geen gedachten voor, zijn oogen richtten zich steeds en altijd weder op die groote breede gouden lijst, die in 't midden van den wand hing. Men kon de schilderij niet zien, welke deze lijst omsloot, ze was verborgen achter een groen zijden, in plooien neerhangend gordijn, en ter zijde van de lijst hing een koord.

Gabriël Nietzel zag niets van de schilderstukken, hij zag slechts dat groene gordijn en de koord, die ze bedekt hield.

Graaf Schwarzenberg glimlachte. „Ge denkt zeker aan Raphaêls heerlijke Madonna,quot; zeide hij, „en daar zij ook te midden eener groene gordijn te voorschijn komt, meent ge wellicht, dat achter dit gordijn ook een Madonna verborgen moet zijn. Nu, wij willen eens zien! Blijf op uw plaats, beweeg u niet en spreek niet, misschien gebeurt er dan een wonder en aanschouwt ge eene Madonna col Bambino van vleesch en bloed. Houd uw mond gesloten, want ge weet wel, hoe het bij 'tschatgraven gaat: zoodra

ocr page 235

233

ge spreekt, verdwijnt de schat. Daarom goed opgepast eu stil gestaan !quot;

Hij ging naar den wand en greep de koord. De gordijn vloog ter zijde, en — daar stond zij, de Madonna met het kind in den arm, zoo fraai, zoo vol leven en warm als ooit de natuur geschilderd, de kunst de natuur nagebootst heeft. Daar stond zij met den donkeren, krachtigen vleesch-tint der huid, met de doorschijnende, zacht blozende wangen, met de volle purperen lippen, met de groote, zwarte oogen vol teederheid en vuur, met het edel breede voorhoofd, diepdenkend en toch vol rust. En in haar armen het lieve kind, de krachtige levensvolle knaap, slechts los gekleed met het kleine, nette hemdje, dat de mollige armpjes en de dikke, malsche beentjes onbedekt lat^n, met rozen op de wangen, een kuiltje in de kin, en in de groote, zwarte oogen den onschuldigen blik, die aan kinderen soms eigen is.

De schilder was op zijn knieën gevallen, hij had zijn armen naar de schilderij uitgestoken, en tranen van aandoening liepen langs zijn wangen. Maar hij wischte ze misnoegd weg, zij hinderden hem zijne Madonna te zien. Hij fluisterde gebeden tot haar, gebeden van liefde, trouw, smeekingen om standvastigheid in het gevaar, om moedige volharding in de scheiding. Hij waagde het echter niet zijne beminde Madonna toe te roepen, hij wist, dat één woord ze hem zou ontrukken.

En zij, zij wist dit ook, en daarom zweeg zij. Slechts haar oogen spraken tot hem, en haar tranen waren het welsprekend antwoord op zijn tranen. Zoo aanschouwden zij elkander, zalig en smartelijk. Het kind, dat tot hiertoe zwijgend en in diep gepeins op den arm zijner moeder had gezeten, begon zich eensklaps te bewegen. Zijn groote oogen richtten zich op den man, die op zijn knieën lag en — was het een onwillekeurige beweging, of het instinkt der liefde? — het breidde zijn armpjes uit en glimlachte.

„Mijn kind, mijn geliefd kind!quot; riep Gabriel Nietzel, terwijl hij opsprong en met uitgebreide armen voorwaarts snelde. Maar de lijst met de levende beelden hing te hoog, zijn armen konden ze niet bereiken, zijn lippen konden dien glimlachenden kindermond niet aanraken, om er den zegenkus, den liefdegroet eens vaders op te

ocr page 236

234

drukken. „Mijn kind!'' riep hij nogmaals en thans,nude liefde eenmaal de lippen had geopend, was het zwijgen niet langer mogelijk.

„Rebekka, mijn geliefde!quot; riep hij. ' .

„Gabriël, mijn geliefde!quot; klonk het naar beneden.

„Gij hebt uw woord gebroken,quot; riep de graaf toornig, en hij trok heftig aan het koord, zoodat de groene gordijn toeschoof. Maar het was te vergeefs. Een volle, krachtige vrouwenarm sloeg ze terug, en nu was 't niet meer een Madonna met het kind in den arm, die zich tusschen het groene gordijn vertoonde, maar een van toorn en liefde, van wrevel en smart gloeiende vrouw.

„Niemand zal mij beletten u te zien of tot u te spreken,quot; riep zij. „Ik wil u zien, Gabriêl, ik wil u zeggen, dat ik u bemin en u trouw ben, dat ik liever barrevoets met het kind en u bedelend door de wereld wil trekken, dan langer, zonder u hier in dit voornaam, grafelijk kasteel in heerlijkheid te leven. Verlos mij, Gabriël, doe alles wat men van u verlangt, maar verlos mij van hier!quot;

„Rebekka, ik zal u verlossen, want ik kan niet zonder u leven; zonder u is de wereld mij een woestijn. Gij zijt mijn zon, mijn levenslicht!quot;

„Verlos mij, Gabriël, nu het nog tijd is. Men wil van mij een christin maken, en ik zal mijn geloof en zaligheid er voor geven om weder bij u té zijn, maar daarna zal ik toch sterven van berouw.quot;

„Rebekka, ik zal u verlossen en ben ook bereid mijn zaligheid te geven om bij u te zijn. Maar ik zal niet sterven van berouw, want ik zal u weder bezitten, en als ik u en het kind aanschouw, ken ik geen berouw.quot;

„Gabriël, geef mij mijn geluk, mijn vaderland, mijn familie weder. Gij zijt dit alles voor mij, zonder u is mij de wereld woest en eenzaam.quot;

„Zonder u is mij de wereld een woestijn, Rebekka. Zweer mij, dat ge mij bemint!''

„Ik zweer het bij den God mijner vaderen, dat ik u bemin!quot;

„En zult ge mij ook beminnen, als de geheele wereld mij verfoeit?quot;

„Wat stoor ik mij aan de wereld? Ik zou u nog vuriger beminnen, zoo de geheele wereld u verfoeide, want ge zoudt dan mijn gelijke zijn. Zij verfoeit ook mij en

ocr page 237

235

wendt zich verachtelijk van mij, hoewel ik geen kwaad gedaan heb.quot;

„Zoudt ge mij nog beminnen, Rebekka, als ik een misdaad had begaan ?quot;'

„Wat noemen de menschen een misdaad? Zeggen zij niet, dat gij misdadig handelt met mij te beminnen ? Zullen zij ook niet zeggen, dat de priester, die onzen echt heeft ingezegend, een misdadiger is? Wees, wat ge zijt, doe, wat ge wilt, ik bemin u evenwel. Uw ziel is mijne ziel en mijn hart is uw hart. Verlos mij, Gabriël, verlos mij!'' gt;

„Ik zal u verlossen, Rebekka; binnen vier dagen zijt ge vrij : dan trekken wij van hier en keeren naar Italië, om het nooit weder te verlaten.quot;

„Naar Italië,quot; jubelde zij. „Naar mijn vaderland! O, mijn Gabriël ik aanbid u: gij zult voor mij de Verlosser, de Messias zijn. Ik . . .quot;

„Nu is 't genoeg,'' riep graaf Schwarzenberg, die gezwegen had, omdat hij zeer goed begreep, hoe Rebekka's woorden zijn plannen bevorderden, „'t Is nu genoeg weerspannigheid. Kom, Gabriël Nietzel, en gij, Rebekka, treed terug of ik laat u uw kind ontnemen, en gij ziet het nooit weder!quot;

„Ga Rebekka,quot; riep Gabriël Nietzel verheugd. „Gij blijft toch bij mij, hoewel ge ook heengaat, ik zie u toch en spreek tot u, hoewel ik ook ver van u ben. Het duurt nog slechts vier dagen, dan zijn wij weder vereenigd!quot;

„Ik ga, Gabriël! Vier dagen lang zal ik tot mijnen en tot uwen God voor u bidden!

„Mijnheer de graaf!quot; riep Nietzel op blij moedigen toon, „laat ons thans naar uw kabinet terugkeeren. Ik heb u iets gewichtigs mede te deelen.quot;

Hij zag niet meer naar het gordijn; hij gevoelde geen smart meer over haar verdwijning, maar dacht er slechts aan, dat hij binnen vier dagen zijn Rebekka weder zou omhelzen.

Met vasten tred volgde hij den graaf, die hem uit de zaal naar zijn kabinet voerde.

„Spreek, meester Gabriël, wat hebt ge mij te zeggen?''

Gabriël Nietzel haalde een papier uit zijn borstzak en gaf het den graaf. „Ziehier, exellentie, de schets der schilderij, welke ik voor u vervaardigen zou.quot;

ocr page 238

236

„Waarlijk, een allerliefsteschels,quot; zei von Schwarzenbcrg, liet papier oplettend beschouwende. „Het heeft veel van een heilig avondmaal.quot;

, .'t Is echter geen heilig avondmaal raaar een zeer onheilig middagmaal.quot;

„In 't midden aan de tafel zie ik een man en een jongeling zitten. De man draagt een kroon op het hoofd, ook de jongeling draagt een prinselijke diadeem.quot;

„'t Is de keurvorst en de keur prins.'' verklaarde Gabriel Nietzel.

„Ja, inderdaad, 'tzijn hun portretten. En naast hen zit de keurvorstin, en daarnaast, waarachtig, zie ik mij zeiven: gij hebt mii zeer prachtig uitgemonsterd met een vorste-iijken, hermelijnen mantel om de schouders en een vor-stendiadeem op het hoofd. Maar wat is het, dat ik in de hand heb en der keurvorstin reik?''

„'tis een tranenkruik, excellentie!''

„En toch glimlacht de keurvorstin, heer. schilder?'' „Zij houdt de tranenkruik voor een gouden vaas, welke uw excellentie haar ten geschenke biedt.quot;

„Ge zijt geestig, naar het schijnt, meester Gabriël,quot;zeide de graaf op scherpen toon. „üw portretten zijn goed, dat moet ik ei'kennen, en uw schets is allerliefst. Alleen hebt ge mij een vreugdefeest geschetst, en ik heb u, als ik mij goed herinner, een schilderij besteld, die den dood van Julius Gesar of een dergelijke moordgeschiedenis moest voorstellen. Ik zie echter geen dolk of moordenaar op deze schets.quot;

„Aanschouw den mensch, die achter den keurprins staat!quot; „Ha, nu zie ik hem! Dit is uw portret, meneer?quot; „Mijn portret, ja, exellentie. Ge veroorlooft mij immers om op het gastmaal te verschijnen?quot;

„Waarom niet? Paul Veronese heeft immers ook zijn portret op al zijn gastmalen aangebracht. Wat biedt uw portret den keurprins in dien korf aan.quot;

„Een stuk wit brood, genadige heer, anders niets.quot; „Een stuk wit brood! Ge zijt dus, naar 'tschijnt, de lakei van den jongen keurprins geworden ? Hebt ge uw kunstenaarsvak aan den kapstok gehangen?quot; '

„Het schijnt zoo, genadige heer,quot; antwoordde Nietzel met plechtige stem. „Maar zie hier op dit blad, hoe het in waarheid is.quot;

ocr page 239

237

Nu reikte liij dén graaf een tweede blad papier toe.

„Wat zie ik! Het feest schijnt in wanorde te zijn gekomen?quot;

„Ja, excellentie, 't is in wanorde. Ziet ge den man nog, die achter den keurprins stond?quot;

„Neen, ik zie hem nergens,quot;

„Hij is gevlucht, excellentie, wanthij is de moordenaar van den keurprins, dien men bewusteloos naar buiten draagt.quot;

„Van den keurprins? Van Koenraad den derde wilt gij zeggen! Want was het niet de vermoording van den laat-sten Hohenstaufen, welke ge mij beloofdet?quot;

„Ja, excellentie, ik zal ze uitvoeren, zoo u de schets bevalt.quot;

„Zij bevalt mij volkomen,quot; antwoordde de graaf, met zijn blik nog altijd op beide schetsen gericht. „Ja, Ja,quot; zeide hij toen langzaam, „het ontwerp heeft mijn goedkeuring, het is eenvoudig en natuurlijk Hebt ge uw plan volkomen in het hoofd?quot;

„Volkomen, excellentie!quot;

„Dan is 't niet noodig er verder over te spreken of de schets te bewaren,quot; zei de graaf, terwijl hij langzaam de beide papieren in zeer kleine stukjes scheurde.

„Ge hebt gelijk, mijnheer de graaf, 't is niet noodig de schetsen te bewaren, daar ik ze spoedig in het groot denk uit te voeren. Maar wij moeten nog over iets anders spreken, excellentie.quot;

Von Schwarzenberg zag den schilder verwonderd aan, wiens stem de eerbiedige uitdrukking had verloren.

„Wij hebben slechts over datgene te spreken, wat mij belieft, meester,quot; zeide hij trotsch.

„Neen, mijnheer de graaf,quot; antwoordde Nietzel moedig, „wij hebben over datgene te spreken, wat op de uitvoering van mijn schilderstuk volgt. Wij moeten hierover spreken, al bevalt u dat niet excellentie. Zondag heeft uw gastmaal plaats, — Zondagavond ga ik naar Italië om daar voor altijd met vrouw en kind te leven.quot;

„Doe dat, meester Nietzel; ik raad het u zeer aan.quot;

„Wilt ge de genade hebben, excellentie, mii hierin behulpzaam te zijn ?quot;

„Van harte gaarne, Nietzel. Ge wilt naar Italië reizen; dan hebt ge in de eerste plaats reisgeld noodig, zoo ik vermoed. Hier meester Nietzel, overhandig ik u een brie-ventasch met twaalf honderd thaler, uw jaargeld, hetwelk ik u twee jaren vooruit betaal.''

ocr page 240

238

„Ik dank u, excellentie.quot; zei Gabriél, de brieventaKch bij zich stekende. „Maar de hoofdzaak is: hoe krijg ik mijn vrouw en kind? Moet ik hier komen om ze te halen?''

„Volstrekt niet. Ik zal Rebekka met het kind naar Berlijn aan uw huis zenden.quot;

„Voor of na het feestmaal?quot;

„Natuurlijk na het feestmaal.quot;

„Maar als gij 't niet doet excellentie? Als ge in uw verhevenheid eens vergeet, wat ge den armen Gabriël Nietzel beloofd hebt?quot;

„Mistrouwt gij mij ?quot;

„Mistrouwt ge ook mij niet, heer graaf? Hebt gij niet het liefste, wat ik in de wereld heb, tot pand genomen om het eerst weder te geven als ik vervuld heb, wat ik u beloofde? Welk pand heb ik voor het houden van uw woord, waarmede zou ik later u kunnen dwingen jegens mij te vervullen, wat ge mij beloofd hebt?quot;

„Mijn woord, het woord van een edelman, die nog nooit zijn gegeven woord gebroken heeft,quot; zei graaf von Schwar-zenberg plechtig. „Ik beloof u, dat op den dag van het feestmaal gij uw Rebekka en uw kind in uw woning te Berlijn zult vinden, zoodra ge van het feestmaal terugkomt. Ik beloof u dit bij al, wat heilig is, en ter bekrachtiging van mijn eed leg ik mijn rechterhand op dit kruisbeeld.quot;

De graaf naderde zijn schrijftafel en legde zijn hand op het kruisbeeld van albast en goud, dat er op stond.

„Ik beloof en zweer,quot; riep von Schwarzenberg, „dat ik aan Gabriël Nietzel aanstaanden Zondag zijn Rebekka en haar kind naar zijn woning zal zenden, en hij ze er vinden zal, als hij van het feestmaal terugkomt. Zijt gij nu tevreden, meester Gabriël Nietzel?quot;

„Volkomen, mijnheer de graaf. Vaarwel! God geve, dat wij elkander op aarde nooit wederzien!quot;

Vluchtig groette hij den graaf en verliet toen haastig de kamer.

ocr page 241

239

VII.

HET VOORSTEL.

„En nu aan 't werk, mompelde Gabriël Nietzel bij zich zelve, toen hij buiten was gekomen, „zonder aarzelen of dralen, er is geen ander middel om mij van den wree-den tijger te bevrijden, die mij in zijn klauwen vasthoudt. Hij dorst naar bloed en met het bloed van een ander mensch zal ik dat van mijn vrouw en kind sparen. Wee hem, zoo hij zijn woord niet houdt, of mij verraderlijk benan-delt. Maar daar wil ik thans niet aan denken, want ik heb ol mijn kalmte en gedachten noodig om mijn taak voor te bereiden. In de eerste plaats moet ik den keurprins spreken, dat is het gewichtigste.quot;

Hij reed naar Berlijn terug en begaf zich dadelijk naar het paleis. De keurprins was te huis, en de lakei, die den hofschilder Gabriël Nietzel had aangediend, opende eerbiedig voor hem de deur van de prinselijke huiskamer.

„Ha, zijt ge daar, mijn beste Gabriël!quot; riep de keurprins hem vriendelijk toe. „Ge komt zeker mijn dank halen voor den ijver en den spoed, waarmede gij mijn goederen hier hebt bezorgd ? Waarlijk het is te prijzen, want, naar men mij gezegd heeft, zijt ge reeds vóór mij te Berlijn aangekomen. tls waar, wij hadden tegenwind en moesten bij Cuxhaven veertien dagen voor anker liggen. Zeg, meester, hoe bevalt het u te Berlijn?quot;

„Zeer goed, doorluchtigheid,quot; antwoordde Nietzel somber en met zonderlingjn blik het bleeke, treurige gelaat van den keurprins beschouwende.

• „Waarom ziet ge mij zoo scherp aan, meester?quot; vroeg de keurprins haastig.

„Vergeving, genadige heer, ik zal 't niet meer doen,quot; zei Gabriël de oogen nederslaande. „Ik heb uw doorluchtigheid iets te zeggen en wilde uit uw gelaat den moed daartoe verzamelen.quot;

^,Doe het dan, meester, zie mij aan en spreek.quot;

„Kom midden in de kamer, genadige heer, en vergun mij u dicht te naderen; dan wil ik spreken, want dan weet ik, dat niemand ons beluisteren kan!quot;

ocr page 242

240

De keurprins deed, wat Gabriel he:n verzocht had ; deze trad nu dicht aan zijn zijde „Genadige heer!quot; zeide hij, „stelt ge vertrouwen in mij?quot;

„Ja, Gahriél Nietzel! ik vertrouw u!quot;

„Hoor dan, wat ik u te zeggen heb! Vraag niets en begeer geen ophelderingen! Hoor mijn waarschuwing en handel daarnaar. De graaf von Schwarzenberg staat u naar 't leven!quot;

„Meent ge dat?quot; zei de keurprins glimlachend.

„Hij heeft u op een feest genoodigd, dat Zondag moet plaats hebben. Op dat feest zult gij vergiftigd worden.quot;

De keurprins ontstelde, een vluchtige blos vloog over zijn wangen. „Hoe weet ge dat, Gabriël?quot;

„Ik bezweer u, vraag mij niet, maar geloof mij. Wilt ge dat doen, doorluchtigheid, mag ik verder spreken?quot;

„Welaan, ik zal u gelooven! Spreek verder, meester Gabriël.quot;

„Ik zeide u dan, dat ge op het feest van graaf Adam von Schwarzenberg vergiftigd zult worden. De graaf heeft zijn kamerdienaar omgekocht, die de eer zal hebben u op het feest te bedienen, en u bijgevolg alle spijzen en dranken, ook het brood zal reiken. Neem het niet van hem aan, doorluchtigheid, neem vooral het brood niet aan.quot;

„Ik zal het ten minste niet eten, Gabriël Nietzel.quot;

„Als hij dit ziet, zal .hij u een vrucht of eenige andere spijs aanbieden, die u schadelijk is. De kamerdienaar van den graaf mag niet achter uw stoel staan, dit is de hoofdzaak ; een ander moet zijn plaats innemen, een ander, op wiens trouw gij bouwen kunt, moet u bedienen.quot;

„En wie is die ander? Waar is hier iemand, op wien ik vertrouwen kan.quot;

„Op mij kunt ge bouwen, prins. Ik wil achter uw stoel staan, ik wil u op het feest van graaf von Schwarzenberg bedienen,quot;

„Gij Gabriël Nietzel, gij?quot; vroeg Friedrich Wilhelm, en zijn oogen richtten zich met een langen, onderzoekenden blik op den schilder. Gabriël Nietzel doorstond dezen blik en 't gelukte hem te glimlachen.

„Ik wil bij het feest uw kamerdienaar zijn, achter uw stoel staan en u bedienen.quot;

„Onmogelijk, Gabriël. Hoe zouden wij dit kunnen doen zonder den graaf te beleedigen?quot;

ocr page 243

241

„Zeer eenvoudig, doorluchtigheid. Gij hebt de genade te zeggen, dat gij mij hebt medegebracht, opdat ik van het feest een schilderij voor u kan maken en een teeke-ning daarvan zou kunnen ontwerpen, en opdat ik er ook een rol bij zou spelen, hebt ge mij vergund, als uw page te verschijnen.quot;

,,'tls waar, dat gaat! Gij hebt alles goed overlegd, Gabriel Nietzel, uw plan is goed.quot;

„Gij noemt het aan, genadige heer, niet waar, ge neemt het aan?quot;

Friedrich Wilhelm zweeg; zijn groote donkerblauwe oogen richtten zich weder onderzoekend en vorschend op des schilders gelaat. Toen, na een lange pauze, legde hij langzaam zijn hand op Gabriels schouder en zijn oogen glinsterden.

„Gabriël Nietzel,quot; zeide hij plechtig, „ik wil u vertrouwen, ik wil aannemen, dat God u tot mij zendt om mij te redden; ik wil niet aannemen, dat graaf von Schwar-zenberg u tot mij zendt, om mij te vergiftigen. Gij zult mij naar het feest begeleiden en als page achter mijn stoel staan.quot;

Gabriël Nietzel antwoordde slechts met heldere tranen, die uit zijn oogen vloeiden. „Ge weent!quot; riep de keurprins, v „nu zie ik, dat ge 't eerlijk meent en dat ik u vertrouwen kan, want uw tranen spreken voor u.quot;

Juist opende de lakei de deur der voorkamer en kondigde aan: „De kommandant van Küstrin, de overste von Burgsdorf, wenscht zijn opwachting te maken.quot;

„Hij moet een oogenblik wachten, ik zal hem dadelijk roepen.quot;

„Genadige heer,quot; mompelde Nietzel, toen zich de deur weder gesloten had, „geef mij mijn afscheid in 't bijzijn van den overste, opdat de spionnen niet kunnen berichten, dat hier een samenkomst van Schwarzenbergs vijanden heeft plaats gehad.quot;

„Zijn hier dan spionnen, Gabriël?quot;

„Overal, heer, al uwe dienaren zijn omgekocht en gij moet hen niet vertrouwen. Laat mij gaan, heer, laat mij gaan.quot;

De keurprins ging naar de deur en opende ze. „Kom binnen, heer overste von Burgsdorf.quot;

„Hier ben ik, genadige heer,quot; riep de ruwe stem van

Xühlbaoh, De groote Keurvorst en zyn tijd. I. 16

ocr page 244

242

Burgsdorf en met kletterenden degen en glinsterend borstharnas trad Conrad von Burgsdorf de kamer binnen.

De keurprins groette hem en wendde zich vervolgens tot den schilder, gt; die deemoedig en met gebogen hoofd naar de deur was geslopen. „Meester Nietzel,quot; zeide hij met een minzatnen groet, „ga nu en denk om mijn bevelen uit te voeren. Ik zal mevrouw mijne moeder verzoeken, dat zij de genade hebbe, iederen dag te poseeren voor het portret, 't welk gij van haar voor mij schilderen zult. Maak alle toebereidselen en kom morgen vroeg met het gespannen doek hier.'

„De bevelen uwer genade zullen stipt worden uitgevoerd,quot; zei Gabriêl Nietzel, die na eerbiedig gebogen te hebben, haastig de kamer verliet.

. „Nu tot u, mijn beste Burgsdorf!quot; riep de keurprins, den overste eenige schreden te gemoet gaande en hem vriendelijk de hand reikende. „Wees mij hartelijk welkom, en laat mij hopen, dat ik u en uw vrienden ook welkom ben.''

„Doorluchtigheid, gij zijt ons meer dan welkom, wij hebben vurig naar u verlangd, en wij danken God uit het diepst onzer ziel, dat uw genade ons eindelijk is weergegeven. Wij hadden allen bijna de hoop reeds opgegeven, allen geloofden wij, dat ge ons in onze ellende en nood wildot verlaten, en nooit naar de ongelukkige mark Brandenburg zoudt terugkomen. Maar nu zijt ge er eindelijk, mijn genadige jonge heer, gezegend zij uw komen en blijven.quot;

^,Ik dank u, overste, ik dank u van ganscher harte voor uw goede wenschen,quot; zei Friedrich Wilhelm vriendelijk; „geloof mij, ik weet ze te waardeeren en zal ze nooit vergeten. Gij zijt een der getrouwen, op wie ons huis in kwade en goede dagen rekenen mag en die een keurvorst van Brandenburg nooit tevergeefs roept, als hij hen noo-dig heeft.quot;

„Roep ons, genadige heer,quot; zei de overste levendig en verheugd, „roep al uw getrouwen, en ge zult zien, dat ze komen, want ze wachten slechts op uw bevel!quot;

De keurprins schudde glimlachend het hoofd. „Ik ben geen keurvorst van Brandenburg en heb geen recht u te bevelen.quot;

„Maar ge zult en moet keurvorst van Brandenburg

ocr page 245

243

worden, en om het te worden, moet ge uw getrouwen om u verzamelen.quot;

„Ik begrijp u niet,quot; zei de keurprins langzaam. „Of ik keurvorst van Brandenburg zal worden, kan niemand beslissen, dan God alleen, want in zijn hand ligt het leven van mijnheer vader, en ook het mijne. Moge de dag nog verre zijn, dat ik als zijn opvolger moet optreden; moge mijn veelgeliefde vader nog vele jaren in vrede en rust de heerschappij over zijn landen voeren. Ik haak volstrekt niet naar de regeering, want ik weet zeer goed, dat ik nog veel te jong ben, om ze met wijsheid en omzichtigheid te kunnen voeren.quot;

„Ge wilt mij niet begrijpen, doorluchtigheid,quot; riep de overste ongeduldig, en zijn opgeblazen rood gezicht werd nog donkerder. „Maar ik moet toch beproeven mij begrijpelijk te maken, want daartoe hebben mij de vrienden tot u gezonden; zij hebben rnij als woordvoerder gekozen, en daarom moet ik spreken, zoo uw doorluchtigheid mij er vergunning toe geven wil.quot;

„Spreek, en God moge mijn hart verlichten, om u goed te begrijpen! laten wij gaan zitten, overste.quot;

„Doorluchtigheid, de mark Brandenburg is voor u verloren, zoo ge niet dadelijk met vaste hand haar tracht te behouden. Gij gelooft mij niet, gij schudt ongeloovig het hoold en glimlacht! Ach, ik zie wel, dat men u onkundig heeft gelaten van de omstandigheden, en gij nog weinig van ons leed 'en onze bekommeringen weet. Gij weet niet, dat armoede en nood in het geheele land heerschen, dat de boer, burger, edelman, dat alle standen van het volk verdrukt worden, dat handel en nijverheid stil liggen, en ieder bezorgd is voor den volgenden dag.quot;

„Maar, mijn lieve overste, ik weet dit. Ik heb op mijn reis genoeg verlaten en vervallen dorpen, woeste en ledige steden, onbebouwde en verwilderde velden gezien, om niet te weten, wat de arme bewoners der Mark in deze ongelukkige oorlogsjaren te lijden hebben gehad.quot;

„Te lijden hebben gehad! zegt uw doorluchtigheid,quot; riep von Burgsdorf driftig; „zij lijden nog zonder ophouden, en zonder einde, zoo uw doorluchtigheid zich niet over het arme volk ontfermt.quot;

„Ik?quot; vroeg Friedrich Wilhelm verwonderd. „Wat zou ik kunnen doen ?quot;

ocr page 246

244

„Alles mijn prins, en in naam van uw toekomstig land, in naam van uw getrouwen, smeek ik, dat ge het doen zult. De mark Brandenburg staat aan den rand van een afgrond, red haar, heer keurprins. De godsdienst, de politiek, de zelfstandigheid van Brandenburg is in gevaar; neem het zwaard in de hand en spreek drie woorden, drie kleine eenvoudige woorden en al de edellieden in de mark Brandenburg trekken jubelend met u, het volk zal zich om u scharen en maakt u machtig en sterk om uw wil uit te voeren.quot;

„Welke zijn deze drie woorden, heer overste?quot;

„Dezelfde drie woorden, die het volk gisteren onder de vensters van het paleis riep, toen ge terugkwaamt Deze drie woorden zijn; „Weg met hem!quot;

„Weg met hem,quot; herhaalde de keurprins. „Wie is die hem?quot;

„Graaf von Schwarzenberg, doorluchtigheid, hij, die hier de Mark beheerscht als zijn eigendom, niet als de stadhouder van uw heer vader, maar als gebiedend vorst, en die de Mark beschouwt als leengoed, ontvangen van den keizer van Duitschland, wien hij alleen rekenschap schuldig is. Zie om u, Friedrich Wilhelm, zie die ellendige, armoedige kamers en beken het verval van het keurvor-stelijk huis, de verlegenheden, waarmede uw heer vader te kampen heeft, de ontberingen, die mevrouw uw moeder en de prinsessen zich moeten getroosten. En dan, prins, zie dan ginds naar de Breede straat, naar het paleis van den graaf von Schwarzenberg. Daar is alles heerlijkheid en pracht, daar ziet men lakeien in gouden livreien, kostbare equipages, schitterend versierde zalen; daar voert men luisterrijke weelde, daar leeft men in heerlijkheid en vreugd, houdt jachtpartijen en feestmalen, terwijl het volk van honger Jammert, jubelt men in zijn paleis, terwijl de burger, dien hij de laatste groschen door belastingen afperst, nog slechts in lompen omzwerft, praalt hij in fluweel, met goud en edelgesteente versierd en beroemt er zich op, dat men voor een van zijn staatsiekleederen de halve mark Brandenburg zou kunnen koopen. Genadige prins, de hofmeester van uwen vader heeft gisteren de fluweelen kappen, welke men in het keurvorstelijk kleedermagazijn bewaarde, met keurvorstelijke toestemming te voorschijn gehaald, de echte zilveren galons er afge-tarnd en aan de joden verkocht, om met het geld den

ocr page 247

245

dienstboden hun loori te betalen, *) en de dienstboden van graaf von Schwarzenberg hebben gisteren wederom nieuwe livreien gekregen, die zoo dicht met gouden gallons zijn bezet, dat men het scharlaken er nauwelijks onder ziet. De stadhouder in de Marken zwelgt in overvloed, terwijl de keurvorst in de Marken gebrek lijdt, en zich nog gelukkig acht, als bij zijn minister het eene stuk land na het andere in pand kan geven, 't Is om wanhopend te worden en van woede zich de haren uit het hoofd te rukken, als men hier dit leven ziet. Aan zijn getrouwen geeft hij ambten en waardigheden, en hen, van wie hij weet, dat ze de keurvorstelijke familie trouw blijven, verwijdert hij van bet hof en stelt zijn gunstelingen in hun plaats. Aan de oversten von Kracht en von Rochow heeft hij goede posten gegeven, met verdubbeld traktement tot kommandanten van Berlijn en Spandau benoemd, maar mij, van wien hij weet, dat ik een getrouwe dienaar der keurvorstelijke familie ben, heeft hij van het hof gebannen en naar Küstrin gezonden, met slechts de helft van het traktement, van de beide anderen. Ook heeft hij uit den keurvorstelijken geheimraad al de heeren verwijderd, die moed genoeg hadder\; hun stem tegen hem te verheffen, en heeft enkel zulke mannen benoemd, die op alles, wat hij verlangt „jaquot; zeggen. Geen eerlijk en oprecht woord bereikt meer het keurvorstelijk oor, en terwijl het gèheele volk tegen Schwarzenberg opstaat, en hem als den vleesche-lijken duivel vreest, meent onze heer keurvorst, dat zijn stadhouder dogr de markbewoners en Brandenburgers evenzeer bemind wordt, als door den keizer te Weenen. Maar dit is het juist: von Schwarzenberg wil ons keizerlijk en katholiek maken en verwijdert ons steeds meer en meer van de geloofsgenooten, de Zweden en Hollanders, en zoo 't hem mocht gelukken, den keurvorst katholiek te maken en alle evangelischen en gereformeerden van het hof te verwijderen en katholieken in hun plaats te stellen, zou hij zeker van den keizer en den paus, eene hooge belooning ontvangen.quot;

„En gelooft gij, von Burgsdorf, dat hij zulks wil en voor mogelijk houdt?quot; vroeg de keurprins met een fijnen glimlach.

1) Historisch. Zie: Koning, Schildering von Berlin 1.

ocr page 248

246

„Ik geloof, dat hij dit wil, en wij gelooven het allen. En zijn wil drijft hij door. Wij kunnen het echter niet dulden, prins, wij willen katholiek, noch keizerlijk zijn. Wij willen onzen keurvorst en onzen godsdienst behouden ; wij kunnen het niet dulden, dat onze keurvorst meer en meer afhankelijk wordt van den keizer en een machteloos werktuig is in von Schwarzenhergs handen. Wij willen een vrijen keurvorst, die den moed en de macht heeft, den keizer zeiven het hoofd te bieden en zich met de Zweden tegen hem te verbinden. De Zweden zijn onze rechtmatige bondgenooten, niet alleen omdat de moeder der kleine koningin Christine de zuster van onzen heer keurvorst is, maar omdat wij aan elkander grenzen en een-zelfden godsdienst belijden. Ach, mijn jonge, genadige heer, laat niet toe, dat von Schwarzenberg ons nog langer verdrukt ! Bevrijd uw land, uw onderdanen en u zeiven van dezen man!quot;

„Maar Burgsdorf, bedenk toch, wat ge zegt. Ik, die na een driejarige afwezigheid pas ben teruggekeerd, en niet geheel op de hoogte ben met de aangelegenheden en toestanden, zou ik u moeten bevrijden van dezen machtigen en aanzienlijken man, van den stadhouder in de Marken? Ik zou wel willen, weten hoe dat aan te vangen.quot;

„Genadige heer, ik zal 't u zeggen,quot; antwoordde Burgsdorf met gedempte stem en den prins dicht naderende. Zeg mij slechts, dat ge u aan ons hoofd wilt stellen, geef mij slechts een paar woorden van uw hand, die aan uw vrienden en aanhangers de verzekering geven, dat ge aan hun hoofd wilt strijden voor uw goed recht, voor het geloof en 's lands rechten. Doe dat, en wacht dan nog slechts acht dagen.quot;

„En wat zal er dan gebeuren?quot;

„Dan zult ge in acht dagen een leger om u verzameld zien, prins. Wij hebben alles reeds lang in stilte voorbereid en alles in staat gebracht om te kunnen opbreken, zoodra gij u aan onze spits hebt gesteld. Iedere edelman, die tot onze partij behoort, heoft wapens en krijgsbehoeften aangeschaft, om zijn lieden uit te rusten en een voortreffelijke en dappere schaar zal bereid zijn uwe bevelen ten uitvoer te brengen. Gij zult von Schwarzenberg in zijn trotsch paleis gevangen nemen: gij moet den keurvorst dwingen den gehaten minister en diens gehaten zoon van hun

ocr page 249

247

ambten en waardigheden te ontzetten en uit het land te verbannen. Gij moet den heer keurvorst bewegen u tot von Schwarzenbergs opvolger te benoemen, en als gij dan de macht in handen hebt, hangt het slechts van u af met den keizer te breken, den vrede van Praag niet langer te erkennen, maar het verbond met de Zweden te hernieuwen, en met hen vereenigd te strijden tegen 's Keizers overmoed en vóór onzen godsdienst!quot;

„Zie eens, heer overste, ge hebt uw plan reeds geheel klaar,quot; riep de prins. „Zoo ik het aannam, zou ik verder niets te doen hebben dan uit te voeren, wat gij besloten en besproken hebt, en ik niets anders dan een werktuig in uw hand zijn. Ik moet u bekennen, dat mij zulk een rol volstrekt niet zou behagen, zelfs niet zoo ik bereid was uw plannen goed te keuren. Maar ik ben er niet toe bereid en niet genegen uw voorstel aan te nemen.quot;

„Zijt ge er niet toe genegen?quot; vroeg de overste ontsteld. „Ook niet, als ik u zeg, dat mevrouw de keurvorstin onze plannen kent en ze goedkeurt?quot;

„Ook dan niet, heer overste; hoezeer ik mevrouw mijne moeder ook bemin, kan ik mij echter in deze zaak niet door haar wenschen laten leiden! Neen, heer overste von Burgsdorf, ik ben niet gezind met uw plannen mee te gaan; hebt ge wel overwogen, wat ge van mij eischt? Gij eischt, dat ik mij aan het hoofd een er revolutie stel, dat ik u een akte van oproer geef en de edellieden des lands in opstand breng tegen hun rechtmatigen, erfelijken landsheer. Gij wilt, dat ik als aanvoerder def opstandelingen, en tegelijkertijd als uw werktuig, mijn heer en vader zal dwingen om zijn minister te ontslaan, zijn stelling te veranderen, en zijn vrienden tot vijanden, zijn tegenstanders tot vrienden te maken, 't Is waar, dat gij mij hierbij een groot voordeel in 't verschiet stelt en zoo goed zijt mij voor te slaan in de plaats van den minister von Schwarzenberg te treden en in naam van den keurvorst het land te regeeren, zooals von Schwarzenberg thans doet. Maar ik ben niet blind voor mij zeiven en schat mij niet hooger dan ik ben. Ik weet zeer goed, dat ik nog een onervaren jongeling ben, die nog veel moet leeren en volstrekt niet in staat is zulk een uitstekenden, bekwamen staatsman als graaf von Schwarzenberg te vervangen.

ocr page 250

248

Ik moet nog bij hem ter school gaan en van hem staatkunde en politiek leeren quot;

„Van hem leeren, genadige heer?'' riep Burgsdorf heftig. „Bij hem, bij den katholiek, den keizerlijke, wilt ge ter school gaan?quot;

„Weet ge een beteren leermeester voor den zoon van mijn vader?quot; vroeg de keurprins zacht. „Mijn vader heeft hem sinds twintig jaren zijn volle vertrouwen geschonken; zoowel in kwade als in goede tijden trouw en vast in hem geloofd, en hieruit besluit ik, dat de graaf dit vertrouwen waardig is en de liefde van zijn meester wel verdient. Het zou dus van mij een zeer oneerbiedige handelwijze tegen mijn heer vader zijn, en ik zou in kinderlijke ongehoorzaamheid mij tegen hem verheffen, zoo ik beproeven wilde den graaf von Schwarzenberg met geweld van zijn zijde te verwijderen. Alleen de keurvorst is de gebiedende heer in zijn land; wat hij beslist, moet goed zijn en 't betaamt ons niet, dit te berispen of het beter te weten.quot;

„Uw genade wil dus niets meer zijn dan een gehoorzame en onderdanige zoon?quot; vroeg von Burgsdorf met scherpe, snijdende stem.

„Niets anders, von Burgsdorf,quot; antwoordde Friedrich Wilhelm kalm. „Moge mijn heer vader nog vele Jaren in vrede regeeren; ik ben nog jong, ik leer en wacht!quot;

„Gij leert en wacht,quot; riep von Burgsdorf buiten zichzel-ven; „en terwijl gaat uw land geheel ten gronde, verhongert en vertwijfelt het volk, zijn de edellieden bedelaars geworden, of in hun wanhoop tot von Schwarzenberg, dat wil zeggen tot den keizer, overgegaan, die ieder, die hem trouw blijft, een rijkelijk jaargeld betaalt. Als uw genade dan genoeg gewacht en geleerd heeft, zal de dag komen, dat graaf von Schwarzenberg u uit uw erfdeel wegjaagt, zooals hij met den Markgraaf van Jagerndorf heeft gedaan; dan zal de keizer de Mark Brandenburg weggeven, zooals met Jagerndorf is geschied, en zijn lieve von Schwarzenberg zal dit welkom geschenk gaarne ontvangen. Rij heeft, als stadhouder, twintig jaren de Mark Brandenburg in naam des keizers geregeerd; waarom zou hij niet als zelfstandig heer evenzoo de Mark regeeren? O, genadige heer, het maakt mij razend als ik er aan denk, ik kan niet

ocr page 251

249

gelooven, dat het u ernst is, mij en uw getrouwen af te wijzen en onze plannen niet te willen uitvoeren. Mijn lieve prins, ik ken u zoolang gij leeft, en heb u als een kleine knaap op mijn armen gehouden, ik heb u op mijn armen gedragen, toen ge met mevrouw uw moeder naar Küstrin gingt; ik heb op u al de hoop mijns levens gevestigd, en 't zou mij een diepe smart zijn, te moeten denken, dat ge noch van mij, noch van uw vrienden iets weten wilt.quot;

„Meent ge dan,quot; vroeg de keurprins, „dat het voor mijn vader niet smartelijk zou zijn, zoo ik hem als vijand te-gentrad ; meent ge, dat het mij een goeden naam zou geven in de geschiedenis ? Neen, Burgsdorf, ik zeg u nogmaals ; ik leer en wacht.quot;

„En ik ? Ik heb twintig jaren gewacht en heb in dit uur geleerd, dat al mijn wachten vruchteloos is. De Mark is verloren, en gij, heer keurprins, met haar. Ik zal 't mevrouw uw moeder en uw vrienden mededee-len. — Vaarwel, heer, en zoo ge wilt, ga dan tot graaf Schwarzenberg en zeg hem, dat ik een samenzweerder en verrader ben. Ik keer terug naar Kustrin, en zoo ik mij niet schaamde zou ik over u kunnen schreien. Neen, ik schaam mij niet; zie, heer, ge hebt mij verpletterd !quot;

De tranen vloeiden uit zijn oogen en vielen in zijn grijzen baard. Hij sloeg de handen voor zijn gelaat en snikte luid.

De keurprins was bleek geworden; hij sloeg een liefdevollen blik op den overste, en reeds openden zich zijn lippen voor een woord, dat hem wellicht later berouwd zou hebben, toen Burgsdorf plotseling de handen van zijn gelaat trok en verstrooid het hoofd schudde.

„Ik ben een dwaas,quot; zeide hij woedend, „en ik oude man word rechtvaardig gestraft, als uw doorluchtigheid om mij lacht. Vaarwel.quot; Hij maakte voor den prins een ernstige, militaire buiging, keerde zich heftig om en ging naar de deur. Toen hij de hand op de kruk legde, naderde de keurprins eenige schreden. Overste Burgsdorf keerde zich om. „Hebt ge mij geroepen, heer?quot;

„Neen, overste ; vaarwel!quot;

De deur ging toe; Friedrich Wilhelm was alleen. Met

ocr page 252

250

een blik van onuitsprekelijke droefheid sloeg hij zijn oogen ten hemel.

„In dit uur heb ik grooter offer gebracht dan Abraham, toen hij zijn zoon aan God wilde offeren. God heeft mijn offer aangenomen, zal Hij er mij in Zijn genade eenmaal voor beloonen?quot;

ocr page 253

INHOUD VAN HET DERDE DEEL.

EERSTE BOEK.

EEN HISTORISCH VOORSPEL.

Bladz.

I. Keurvorst George Wilhelm......3

II. Jobstijdingen..........14

III. Graaf Adam von Schwarzenberg.....28

IV. Soldaten en diplomaten........43

V. De keurvorst en zgn gunsteling ..... 58 VI. De onthullingen..........69

TWEEDE BOEK.

DE KEURPRINS.

I. De dubbele samenkomst.......79

II. De Keurprins..........95

III. De waarschuwing.........113

IV. Een idylle......• .... 124

V. Media nocte...........132

VI. De moeielijkste overwinning......142

DERDE BOEK.

GRAAF VON SCHWARZENBERG.

I. Nieuwe plannen..........158

II. Graaf Adolf Johan von Schwarzenberg . . 167

III. De tehuiskomst..........185

IV. Het geschenk..........205

V. Brutus............214

VI. Rebekka............230

VII. Het voorstel. ..........239

ocr page 254