DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN TUD.
GESCHIEDKUNDIGE ROMAN
door
L. IVI t l Eï L 13 A C Pf.
Beweukt door M. K.
DE JONGE KEURVORST.
8IBUOT5CA
GONV. WIJCHENS
oro. fnt \ Min.
TWEEDE DEEL.
dekde vekl verbeterde druk.
Nijmegen amp; Arnhem, Gebr. E. amp; M. COHEN.
DERDE BOEK, BRAAF VON SCHWARZENBERG.
(Vervolg.)
DERDE BOEK.
GRAAF VONSCHWARZENBERG.
(Vervolg).
VIII.
HET FEESTMAAL.
De steden Berlijn en Keulen ^ waren heden in buitengewone beweging en spanning. Iedereen haastte zich aan den maaltijd een einde te maken, niemand dacht er heden aan, er over te klagen, dat zijn maal zoo karig bereid was en uit zoo weinig bestond, dat het vreeselijk spook van den hongersnood al dichter en dichter den inwoners dezer beide steden naderde.
Men verwachtte heden een amusant tooneel, waarvoor men geen geld behoefde te betalen, zoo men zich slechts ter rechtertijd op de straat begaf en zich een goede plaats op het Domplein, voor het paleis of bij de woning van graaf Schwarzenberg, wist te veroveren. De graaf Schwarzenberg gaf heden in zijn paleis, in de Breede Straat, een groot feestmaal. De geheele voorname wereld van Berlijn en Keulen, al de edellieden uit den omtrek waren op dit feest genoodigd, het geheele hof zou er verschijnen, 't Was hoogst zeldzaam, dat men in beide steden de keurvorstelijke familie te zien kreeg. Zij had nu een geheel jaar in de Mark doorgebracht, maar in stille afzondering geleefd, en men had haar tegenwoordigheid niet anders bemerkt dan des Zondags in de Domkerk, die in 't midden van het groote plein, tusschen het paleis
1) Keulen aan de Spree, bg Berlijn; even als vroeger.
en de Breede Straat stond, wanneer de hooge personaadjes in het keurvorstelijk gestoelte zaten. Maar heden zou men hen niet in hun godsdienstige vroomheid met plechtige kerkgezichten zien, maar in de heerlijkheid en pracht van hun hoogen rang, in den glans hunner aardsche grootheid. En bovenal men zou den keurprins zien! Den teruggekomene, de hoop van het volk, de toekomst der Mark Brandenburg!
Met vroolijke, bewogen gezichten snelden de goede inwoners van Keulen naar de Breede straat! Met wat een bedrijvigheid kwamen de goede inwoners van Berlijn over de Spreebrug aanstormen! Een gewoel van menschen voor het paleis op het Domplein, een dichte massa voor het paleis van graaf Schwarzenberg. Slechts één weg is vrij gelaten, breed genoeg, dat de rijtuigen over het slotplein naar dit paleis kunnen rijden. De hellebardiers der lijfwacht van den stadhouder in de Marken staan aan beide zijden geschaard om den weg vrij te houden.
Mijnheer de stadhouder in de Marken heeft voor zijn lijfwacht, fraaie, forsch gebouwde lieden gekozen, die in prachtige uniform overal mei echte gouden en zilveren galons bezet, een goed figuur maken, terwijl de keur-vorstelijke lijfgarde, zooals men zeer goed weet, slechts valsche galons op de uniform draagt, 't Is waar, dat de lijfgarde van mijnheer den keurvorst door Berlijn en Keulen bezoldigd en gekleed wordt, en beide steden hebben uit nood en armoede geweigerd de laatste lijfgarde-belasting te betalen, terwijl mijnheer de stadhouder zijn lijfwacht, die uit huisolïicianten bestaat, zelf betaalt en kleedt. Hij is zeer rijk, en Berlijn en Keulen zijn arm; toch heeft de graaf nog niet eenmaal de goedheid gehad om deze arme steden de imposten en belastingen kwijt te schelden of de armoede met zijn rijkdom bijgestaan.
Heden geeft hij een schitterend feest, en hoe men hem haat en vreest, zijn feest wil men toch zien en zich in de pracht vermeien.
'tls inderdaad heerlijk om te aanschouwen, hoede stadhouder den heer keurvorst eert en hoogacht, want hij heeft nooit, als hij den hoogen adel bij zich noodigde, zooveel pracht vertoond als op dezen dag! Boven de poort van het paleis is een hemel van purperrood laken met gouden randen aangebracht, de gouden pijlers van dien
hemel reiken tot op de straat. De trappen, die naar den ingang voeren, zijn met een fraai bewerkt tapijt belegd, dat op de straat over de sloep tot aan de rijtuigen is gespreid; aan weerszijden van het tapijt staan dicht aaneengesloten de lakeien van den stadhouder in hun van goud schitterende livereien; aan hun spits de beide grafelijke hofmeesters met de gouden staven in de hand, en breede gouden bandelieren om de schouders en met de groote driekante steek op het hoofd.
't Is fraai om te zien: niet alleen de vroolijke straatjongens, die al vroeg in den morgen op het ijzeren hek van het grafelijk park plaats hadden genomen, verheugen zich bij het gezicht, maar ook de eerzame burger en zijn deftige huisvrouw.
De beide vleugeldeuren van den ingang staan wijd open; men ziet er door in liet prachtige, door zuilen gedragen voorportaal, dat versierd is met guirlandes en bloeiende potgewassen. Ja, men ziet wel, dat mijnheer de stadhouder zich door het hoog bezoek, dat hij heden ontvangt, zeer vereert gevoelt, 't geen de goede menschen uit Berlijn en Keulen zelfs een weinig met den trotschen, hoog-moedigen graaf Schwarzenberg verzoent.
Thans komen reeds de voorname gasten aanrijden. Daar komen zij, de edellieden uit den omtrek, in hun oudervvetsche karossen met de heerlijk fraai opgetuigde paarden. Daar komen de Quitzows, de Götzes en Krockows, de Bullows en Arnims, en telkens als een rijtuig stilhoudt, blazen de muzikanten, die aan beide zijden van het paleis staan geschaard, en schetteren fanfares; de heeren edellieden groeten naar alle zijden, hoewel niemand hen teruggroet, behalve de grafelijke kamerheer von Lehndorf, die de gasten op den drempel des huizes ontvangt.
Nu klinkt van den kant van 't slotplein een uitbundig gejuich, het rolt en ruischt als een ontzachelijke golf nader en nader, en een buitengewone, vroolijke beweging gaat door de dicht opeengedrongen menschenmassa.
âZij komen, zij komen!quot;' klinkt het van mond tot mond. Reeds ziet men den looper met den hoed met pluimen en den gouden staf naderen en ook de beide voorrijders in lichtblauwe liverei, met lage, ronde baretten op het hoofd. Eindelijk komt het keurvorstelijk rijtuig, bespannen met vier zwarte paarden.
Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. II. 1
6
Wie zit in de koets? Is de keurprins er ook in? Komt hij in hetzelfde rijtuig met zijn heer vader?
Ongeduldig en vol verwachting zwijgt het volk; aller blikken zijn gespannen, aller oogen glinsteren van nieuwsgierigheid. Ginds, in het park achter het hek staan de tamboers en roeren hun trommen, tot groot vermaak van de straatjongens; de trompetters schetteren fanfares en uit de wijde poort van het paleis komt nu graaf Schwarzenberg zelf te voorschijn, gevolgd door zijn zoon, den jongen graaf Adolf Johann. Hoe prachtig ziet de heer stadhouder in de Marken er uit in het staatsie-costuum als kommandeur der Johannietenorde, de borst geheel bedekt met ridder sterren, wier briljanten wonderschoon glinsteren; hoe fraai ziet de jonge graaf er uit in het wit gewaad van zilverbrokaat, met purper fluweelen pofmouwen en het purper fluweelen, met hermelijn gevoerde korte manteltje, dat op baide schouders met agrafen is bezet.
De beide graven gaan de stoep af naar de koets. In zijn ongeduld opent mijnheer de stadhouder zelf het portier en reikt den keurvorst George Wilhelm beide handen om hem bij het uitstijgen behulpzaam te zijn.
Moeielijk en hijgend, met donkerrood gelaat en gedwongen glimlach om de bleeke dunne lippen, stijgt nu de keurvorst uit de karos. Op den arm van zijn gunsteling leunende, gaat hij langzaam op het huis toe; zijn bovenmatig dikke en hooge gestalte is gebogen, zijn gang slepend, en zijn blauwe oogen, die zich slechts eenmaal op de nieuwsgierige menschen aan weerszijden richten, zijn treurig. Het volk ziet vol medelijden naar den armen, verdrietigen heer, die, in weerwil der groote vorstenster op de borst en den keurvorstelijken hoed met golvende struisvederen, in pracht moet onderdoen voor de trotsche, statige graaf Adam, die naast hem gaat.
Terwijl de stadhouder den keurvorst het paleis binnenleidt, stijgt mevrouw de keurvorstin uit het rijtuig en op haar volgen de beide prinsessen.
Een kreet van vreugde en bewondering klinkt door de rijen der toeschouwers en roept een glimlach op de lippen der keurvorstin, een hoogen blos op de wangen der prinsessen.
Het lange goudlakensche kleed der keurvorstin, en de
n i
blauwe fluweelen mantel, omzet met zwart hermelijn, zijn zeer prachtig, en fraai glinstert de diadeem van briljanten en saphieren in het bruine haar!
Mijnheer de stadhouder komt haastig terug, gaat naar mevrouw de keurvorstin, en biedt haar den arm om haar naar het paleis te geleiden.
Nu behoeven de beide prinsessen niet alleen te gaan, zij hebben nu ook haar cavalier, den jongen graaf Schwaï'-zenberg, die eerst de keurvorstin had begeleid. Hij biedt prinses Louize Charlotte zijn arm aan, dien zij met een liefelijken glimlach aanneemt. O, wat een fraai paar, hoe opmerkelijk stemmen de toiletten met elkander overeen, want de prinses is ook in zilverlaken gekleed en ook zij draagt een purper tluweelen mantel, met hermelijn gevoerd.
De kleine prinses Hedwig Sophie komt nu achter haar. Maar wie is de_ jongman, die plotseling naar haar toe treedt, zich een weg door de menigte baant en haar zijn arm aanbiedt? Niemand heeft acht op hem geslagen, slechts door een enkelen page begeleid is hij te voet hierheen gekomen. Wie is deze schoone jonge man, die de jonge prinses den arm reikt en vroolijk lachende met haar het bordes opgaat?
'tls de keurprins, Friedrich Wilhelm!
âVivat onze keurprins! Hoera Friedrich Wilhelm! Welkom, welkom in het vaderland! Leve onze keurprins!quot;
In de zaal staat de keurvorst voor het venster, en 't duizendstemmig geroep verduistert zijn gelaat, want het volk zweeg, toen hij zich vertoonde, het jubelt bij het zien van zijn zoon.
Op de hoogste trede van het bordes staat de keurprins; het gejuich brengt een gelukkigen glimlach op zijn gelaat. Hoe fraai is hij ! wat een geluk hem te zien! Als leeuwenmanen valt zijn dik, donker blond haar langs beide zijden van zijn ovaal gezicht; als twee heerlijke starren vonkelen zijn donker blauwe oogen; en trotsche, moedige gedachten verhelderen zijn voorhoofd. Hoe statig en krachtig is; zijn slanke en tevens zoo forsche gestalte.
âLeve de keurprins! Leve Friedrich Wilhelm!quot;
Hij buigt nog eens, vriendelijk groetend en knikkend naar beide zijden, en gaat daarop het paleis binnen, gevolgd door zijn page in zwart fluweelen gewaad.
8
Niemand let op die page. Wie bekommert zich om een knecht? Wie vraagt er naar, waarom het gezicht van den page zoo bleek, zijn blik zoo onvast, zoo vluchtig is? Slechts weinigen kennen den hofschilder Gabriel Nielzel, en die hem kennen, vermoeden niet, dat hij heden als page den heer keurprins Friedrich Wilhelm dient! Hij mengt zich in het portaal onder de schaar der met gouden galons overdekte dienaars en lakeien en volgt hen naar de eetzaal.
De deuren van het huis worden gesloten; voor het volk buiten is het feest ten einde, voor de hooge gasten binnen neemt het thans een aanvang.
De beide vleugeldeuren der eetzaal worden door de hellebardiers geopend; de muzikanten achter op het vergulde balkon blazen een schetterende fanfare, want de keurvorst treedt de zaal binnen, gevolgd door de keurvorstin, aan den arm van graaf Schwarzenberg. Aan beide zijden der zaal staan de genoodigden, die hun hoofden diep buigen, alles met eerbiedige plechtigheid en diep zwijgen.
In het midden der lange tafel, recht voor den ontzaggelijk grooten spiegel van Venetiaansch kristal, zijn de plaatsen voor het keurvorstelijke paar; men ziet dit aan de op tronen gelijkende armstoelen, op wier hooge, rechte leuningen een gouden kroon is gesneden, en aan de vonkelende, gouden couverts.
De lange tafel prijkt met niets dan goud-en zilverwerk. In het midden groote stellen van gedreven zilver, amors en geniussen voorstellende, die in gouden schelpen, hoorns van overvloed en vazen de zeldzaamste vruchten, de heerlijkste confituren dragen. Voor ieder damescouvert een heerlijke ruiker in wonderfraai geslepen glazen; voor ieder heerencouvert een zilveren drinkbeker. Een met goudgalon schitterende lakei achter eiken stoel, twee achter de stoelen der keurvorstelijke familie.
âWaarom staat die page achter den stoel van den keurprins?quot; vraagt de stadhouder luid genoeg om door den prins verstaan te worden.
Friedrich Wilhelm breekt zijn onderhoud met den jongen graaf Adolf Johann af en wendt zich glimlachend tot den stadhouder.
âVergeving, uw genade,quot; zegt hij vriendelijk, âik wenschte
9
/
van dit schoone leest, het eerste waarmee mijn terugkomst wordt gevierd, een aandenken te bewaren en heb, met verlof van mijn heer vader, den hofschilder Nietzel medegebracht, opdat hij van het feest een schots kan maken. Daar hij nu natuurlijk aan de tafel geen plaats kon innemen, heeft hij zich in 't gewaad van een page gekleed, om het recht te hebben achter mijn stoel te staan. Ik denk, dat de ijdele man zich zeiven gaarne in dit schilderachtig kostuum op de afbeelding wenscht te vereeuwigen. Nu hij de pagekleeding draagt, zal hij ook pagedienst doen, en ik heb hem, op zijn verzoek, toegestaan, mij heden te bedienen en de spijzen aan te reiken. Uw genade vergunt hem dit immers?quot;
âO mijn genadige prins, ge hebt nimmer te verzoeken, maar slechts te bevelen. Gij, knaap, weg van den stoel zijner doorluchtigheid den prins, ruim den page uw plaats in! Mijnheer de hofschilder Nietzel, zorg vooral uw dienst goed te verrichten, wees uitsluitend de page van mijnheer den keurprins zoolang wij aan tafel zijn, later zijt ge weder de hofschilder!quot;
De page buigt zwijgend; graaf Schwarzenberg slaat verder geen acht op hem, maar gaat achter het keurvor-stelijk paar, dat zijn tournee door de zaal doet, en hielen daar een vriendelijk woord tot een der edellieden richt, een of andere vraag doet, maar reeds lang voorbij is als de bevoorrechte een antwoord geeft.
De tournée is ten einde; nu een drievoudige, luide fanfare, en de kamerheer von Lehndorf ijlt naar het venster en wenkt met een witten doek naar den lusthof.
Zware mortierschoten donderen; zij verkondigen aan de steden Berlijn en Keulen, dat de keurvorst zich juist aan tafel heeft gezet en het feest bij den heer stadhouder in de Marken is aangevangen.
Allengs vergeet men onder het geftot van keurige spijzen en heerlijke wijn een weinig de stijve etiquette en het deftige zwijgen, de tongen raken los, en men praat en lacht; zelfs de keurvorst laat zijn stijfheid varen, zijn gelaat gloeit hooger, zijn gestalte wordt levendiger en vroo-lijke woorden klinken van zijn lippen.
Een schitterend, een uitgelezen feest! De keurvorstin lacht en heeft geheel en al vergeten, dat graaf Adam von Schwarzenberg, die aan haar zijde zit, haar gehate vijand
10
is; zij praal zoo vertrouwelijk met hem, alsof hij haar beste vriend is. Tegenover haar zitten haar beide dochters. Prinses Louize Charlotte buigt zich met een zoeten glimlach tot graaf Adolf Johann, die naast haar zit en haar in gloeiende taal de heerlijkheden der keizerstad, het prachtige Weenen schildert.
Thans vliegt zijn koene blik naar het keurvorstelijk paar tegenover hem, dat met praten en eten bezig is; niemand let op hem.
âPrinses, dierbare, aangebeden prinses, hoort ge mij, als ik zoo zacht spreek?quot;
âIk hoor u, heer graaf.quot;
âHeer graaf!quot; herhaalde hij zuchtend. âGij neemt dus uw woord terug? Gij stool mij weder in de rij uwer hof-edellieden en graven? Gij hebt ook geen woord van welkomst meer voor den armen, beklagenswaardigen man, die u aanbidt, die gelukkig is, wanneer hij u slechts aanschouwt, slechts den toon van uw liefelijke stem hooren kan en die drie maanden lang daarnaar heeft verlangd? Geen woord van welkomst meer voor mij?quot;
âIk groet u, van ganscher harte! Zijl gij slechtsjlrie maanden weg geweest? Waren het niet drie jaren?-
âScheen u dat zoo, mijn aanbiddelijke meesteres? Ik geloof, dat het drie eeuwen, drie eeuwigheden waren. En evenwel hebben deze drie eeuwigheden niets veranderd aan uw engelengelaat. Het schittert nog altijd van hemel-sche, blozende schoonheid, geen trek ei- van verkondigt mij, dat gij naar mij verlangd hebt.quot;
âDan liegt mijn gezicht, want ik heb naar u verlangd; daarom rekten zich voor mij de oogenblikken tot jaren, en mij dunkt dat ik een zeer oude, ernstige dame ben geworden, sinds ik u het laatst gezien heb.quot;
âO, liefste, hoe verlang ik een oogenblik met u alleen te zijn, om aan uw voeten te kunnen knielen, uwe handen met kussen te bedekken en u te zeggen hoe onuitsprekelijk ik u bemin. Wees niet wreed Louize, in dit uur van wederzien. Zeg, dat ook gij naar zulk een oogenblik verlangt, en mij dat toestaat.quot;
âEn zoo ik dit zeide, wat kan 't ons helpen ? Gij weet wel, dat ik dag en nacht bewaakt word. Mevrouw, mijn moeder, verlaat mij nooit, en mevrouw onze opperhof-
11
meesteres beschouwt mij nog altijd als een kind, dat geen stap kan doen, zonder haar toezicht, geen regel schrijven mag, zonder dat zij het' leest.''
âAch! lieve dierbare engel, zoo ge mij slechts half zoo gloeiend bemindet, als ik u bemin, zou uw schranderheid wel raad weten, en de arme Adolf Johann niet te vergeefs om een zalig oogenblik van stil samenzijn behoeven te smeeken.quot;
âIk bemin u, Adolf Johann; maar, ach, ik mag u immers niet beminnen ! De toorn mijner moeder zou grenzeloos zijn, zoo zij 't slechts vermoedde.''
âZij mag het dus vooreerst niet weten,quot; mag er niet eerder van vernemen, vóór wij van de genadige toestemming van uw heer vader verzekerd zijn.quot;
âAcht ge dit mogelijk? Gelooft ge, dat mijn heer vader ooit zou toestemmen, dat ikquot; ... .
âDat ge tot mij afdaaldet en mijn gemalin werdt? Ik hoop het, ik hoop dat 's keizers genade mij een weinig verheft, opdat de klove, die ons scheidt, niet zoo heel groot zij en gij ze zult kunnen overstappen, zoo ge een' sterk hart en een waarachtige liefde in uw boezem draagt. Over al deze zaken moet ik u spreken, bekoorlijke prinses, want hier moeten wij voorzichtig zijn. Zie eens met welke ernstige blikken mevrouw de keurvorstin naar ons ziet. Wees barmhartig, Louize, zeg mij dat ge mij één kwartier samenzijn toestaat.quot;
âGa dan morgen voormiddag te tien ure voorbij den Dom. De oude Truida zal er staan om u bericht te brengen, en . . .quot;
âLeve onze allergenadigste heer! Leve George Wilhelm!quot; roept graaf Schwarzenberg, van zijn zitplaats oprijzende en den gouden beker in zijn rechterhand hoog opheffend.
Al de gasten rijzen van hun zitplaatsen, allen roepen hem j ubelend na: âLeve onze allergenadigste heer! Leve George Wilhelm !quot; De gouden bekers klinken tegen elkander en de trompetten en pauken schetteren.
Ook de keurprins wil zich van zijn stoel verheffen, maar zijn hoofd duizelt, alles dwarrelt en draait voor zijn oogen; hij zinkt op zijn stoel terug.
Gabriel Nietzel buigt zich tot hem. âHoe is 't met u, genadige heer? Zijt gij niet wel?quot;
12
âO ja, Gabriel. Geef mij slechts een frisch glas water en doe er wat suiker in.quot;
Gabriel Nietzel snelt naar het hullet, en terwijl hij een glas met water vult, prevelen zijn bleeke lippen: âDit heeft u een kwade demon ingegeven! â En terwijl hij de witte suiker, welke hij echter niet uit de schaal, die op het buffet staat, genomen heeft, in het glas schudt, fluistert het in het diepst van zijn hart; âRebekka, ik doe dit voor u!quot;
Hij neemt het glas en brengt het haastig naar den keurprins; Fredrich Wilhelm grijpt het glas en drinkt met lange teugen! Het heeft hem goed gedaan! Zijn hoofd wordt weder helder, het suist niet meer zoo vree-selijk in zijn ooren!
Het gezicht van George Wilhelm gloeit en zijn oogen branden. Hij houdt van tafelgenot, de wijn was heerlijk en heeft alle ontevredenheid uit zijn hart verdreven. Hij gevoelt zich thans behagelijk, geheel gelukkig en ziet met vriendelijke blikken naar zijn zoon, die er zoo statig, zoo prachtig uitziet, en wiens blik, hoewel hij 't zichzelven misschien niet erkennen wil, zijn vaderhart verblijdt.
Friedrich Wilhelm zet juist den grooten kristallen beker van de lippen en plaatst hem half vol op de tafel. De keurvorst ziet dit, de koele drank lokt hem aan; hij wil zijn zoon een openlijk bewijs zijner genegenheid geven, en alle gasten zullen zien in welke groote genade de keurprins bij hem staat.
âDrinkt ge water, heer zoon?quot; vraagt hij. âDat is wijs en verstandig en verdient wel aan deze weelderige tafel nagevolgd te worden. Ik wil uw voorbeeld volgen, Friedrich Wilhelm. Reik mij uw glas, heer zoon!quot;
De keurprins richt zich haastig van zijn stoel op en wil den keurvorst het glas reiken. Maar zijn hand beeft zoo geweldig, dat hij het glas niet kan houden; het ontglipt zijn hand en valt op de tafel.
De keurvorstin slaakt een kreet van schrik, de prinsessen gillen luid.
De muziek verstomt te midden van een aangevangen melodie; de gasten verstommen te midden der aangevangen woorden, en aller oogen en blikken richten zich naar het midden der tafel, waar de keurvorstelijke familie zit.
13
De keurprins Friedrich Wilhelm rijst op van zijn stoel. Zijn gelaat is doodsbleek, maar hij beproeft toch le glimlachen.
Hij buigt zich groetend over de tatel tot zijn vader. âVergeving, genadige heer! Ik verzoek verlof mij te mogen verwijderen, want ik gevoel mij niet wel.quot;
âGa, heer zoon,quot; roept George Wilhelm. âHet komt, dat men niet gewoon is aan de krachtige Ilongaarsche wijnen.quot; De keurvorst wendde zich lachend tot de keurvorstin, die met kommervollen blik haar zoon naziet. âOnze verstandige heer zoon heeft alles geleerd,quot; zegt hij, âmaar het drinken heeft hij nog niet geleerd. Men heeft hem dit niet onderwezen aan het voorname hof van mijnheer uw oom, hij moet dit hier nog leeren. 1)
De keurprins waggelt door de zaal, en wijst allen, die hem naderen of hem hun arm willen aanbieden, met een wenk af. â't Is niets, volstrekt niets,quot; zegt hij met heesche, gebroken stem âik heb mij een weinig verkoeld. Laat mij ongemerkt van hier gaan.quot;
Allen blijven zitten, zooals de keurprins wenscht en de keurvorst beveelt, door zelf aan tafel te blijven.
Alleen mijnheer de stadhouder is, als gastheer, van tafel opgestaan, om den prins uitgeleide te doen. Hij nadert hem en biedt hem zijn arm aan.
âGenadige heer, behaagt het uwer doorluchtigheid op mijn arm te leunen, en mag ik de eer hebben, u naar uw rijtuig te geleiden?quot;
De keurprins ontroert, hij heft driftig het hoofd op, en een vlammende, toornige blik treft het kalme, trotsche gelaat van den graaf; doch die blik is schielijk weder verdwenen, en Friedrich Wilhelm neemt den hem aangeboden arm van von Schwarzenberg, en op hem steunende, gaat hij uit de zaal naar de voorkamer. Zijn gelaat is doodsbleek, onder zijn oogen vertoonen zich zwarte kringen, zijn lippen zijn kleurloos, terwijl zijn oogen met bloed zijn beloopen. Evenwel houdt hij zich nog door de kracht van zijn wil staande, zelfs dwingt hij er zich toeteglim-
1
De meening van den keurvorst, alsof de prins te veel wijn had gedronken en hierdoor ongesteld werd, was valsch, zooals uit het later gedrukt dagboek van den kamerjonker von Götze blijkt. Deze schrijft zeer uitdrukkelijk ; quot;Op dit feest werd sterk gedronken, doch zijn doorluchtigheid de keurprins had niet boven zijn dorst gedronken.quot; Zie : v. Orlich, der grosse Kurfiirst, I. 43.
44
lachen en eenige vriendelijke woorden tot den graaf te richten.
âMijn God! genadigste heer,quot; roept von Schwarzenberg met een uitdrukking van smartelijken schrik, â't is meer dan een voorbijgaande, toevallige ongesteldheid; ge zijt werkelijk ziek, ge lijdt!quot;
âNeen, graaf, ik lijd volstrekt niet en't is niets dan een voorbijgaande ongesteldheid. Mijn heer vader heeft volkomen gelijk; de krachtige wijn is mij een weinig naar 't hoofd gestegen. Ik ben aan 't drinken en 't tafelen niet gewoon, dat is alles! Morgen zal het weder ... Ik bid u, graaf, voer mij naar mijn rijtuig. Het wordt duister voor mijn oogen.quot;
En de prins zinkt kreunend en half bewusteloos ineen. De graaf wenkt den kamerjonker van den prins von Götze, en beide heeren, bijgestaan door eenige lakeien, dragen den prins voorzichtig naar buiten in het rijtuig. Nu slaat Friedrich Wilhelm de oogen op, zijn dwalende blik zweeft in de rondte en zijn lippen stamelen zacht: âWaar is Gabriel Nietzel? Hij moet met mij gaan.quot;
Maar Gabriel Nietzel is nergens te zien; slechts de kamerjonker von Götze is er, die mede in het rijtuig plaats neemt, dat den doodzieken prins naar het kasteel voert.
Graaf von Schwarzenberg oogt met ernstig, peinzend gelaat de equipage na, vervolgens wendt hij zich om en keert langzaam naar het paleis terug. Op den drempel der deur staat Gabriel Nietzel, en de oogen van beide mannen ont-moeten elkander met een blik van ontzettingen afgrijzen.
âUw genade ziet, dat ik woord heb gehouien,quot; mompelt Gabriel Nietzel.
âWeg,quot; bijt de graaf hem gebiedend toe. âZoo ge niet binnen een uur uit Berlijn en Keulen zijt, laat ik u door de gerechtsdienaars arresteeren en klaag u aan als moordenaar van den keurprins, want gij alleen hebt hem bediend. Weg met u!quot;
Maar Gabriel Nietzel wijkt niet van den drempel, en den blik, dien hij op den graaf richt, is niet eerbiedig en deemoedig, maar dreigend. âGenadige heer,quot; vraagt hij kort en hard, âwaar is mijn Rebekka en mijn kind.quot;
âIn uw woning, onzinnige. Spoed u, zeg ik!quot;
En de graaf schuift met onzachte hand den schilder
45
buiten de deur keert terug naar de feestzaal en verkondigt glimlachend en schertsend den keurvorst en dieus gemalin, dat de jonge heer zelf gezegd heeft, dat alleen het ongewoon genot van den krachtigen wijn hem't hoofd een weinig beneveld en hem een voorbijgaande ongesteldheid veroorzaakt had.
De keurvorst lachte luid en het bekommerde gelaat der keurvorstin helderde weer op. Het feest werd rustig voortgezet.
Waarom zou men zich ook verontrusten over den jongen hoer, wien niets anders deert, dan dat het ongewoon gebruik der krachtige wijnen hem bevangen heeft?
De keurprins is met zijn kamerjonker van Götze aan het paleis gekomen. Niemand komt hen te gemoet, niemand ontvangt hen. Al de dienstboden hebben zich bleien daar verstrooid, om zich aan eigen genoegens en bezigheden over te geven. Men wist immers, dat het feest bij graaf von Schwarzenberg eerst laat in den nacht zal eindigen en wie kon denken dat de keurprins zoo onverwachts tehuis zou komen ?
Het paleis is stil en verlaten, en de kamerjonker moet den schildwacht, die eenzaam voor het paleis op en neder wandelt, te hulp roepen om den prins uit het rijtuig naaide verstibule van 't paleis te dragen. Thans roept hij luid om hulp, want de prins is in onmacht gevallen en ligt bewusteloos op de steenen bank in de vestibule.
De portier, die in zijn loge in slaap was geraakt, snelde toe; ook de oude Dietrich, de kamerdienaar van den keurprins, komt haastig van den trap loopen.
Zij dragen den prins naar boven in zijn kamer; zij leggen hem te bed, en nu de kamerjonker von Götze den ouden trouwen Dietrich zoo bekommerd en snikkend naast den jongen heer ziet staan, legt hij vriendelijk zijn hand op diens schouder.
â't Heeft niets te beduiden, goede oude. De prins is door den wijn bevangen geworden, dat is alles ! Hij heeft meer gedronken dan hij verdragen kan. Wees maar gerust. Morgen is hij weder in orde.quot;
Dietrich schudt treurig het hoofd. âGij bedriegt u, beer kamerjonker, 't is niet van den wijn. De keurprins is een veel te fijn en beschaafd cavalier; hij drinkt niet meer dan hij verdragen kan. Zie hem slechts, hoe bleek en
16
ellendig hij er uit ziet. Mijn lieve jonge meester is ziek, zeer ziek. Zij hebben hem vermoord, zij hebben hem omafe-bracht, zij . .
âStil, Dietrich, om Godswil stil,quot; valt de verbleekende kamerjonker hem in de rede. âWaak over uw tong, opdat zij zulke woorden niet weder uitspreekt, bewaar uw gedachten, om zoo iets vreeselijks te denken.''
â't Is echter waar,quot; mompelt de oude man, en terwijl hij zich over den keurprins buigt en hem met teedere blikken aanziet vallen heete tranen uit zijn oogen op het bleek gelaat van Friedrich Wilhelm. Deze tranen wekken hem en geven hem 't bewustzijn weder.
Er was toch nog één mensch, die hem beminde en deelneming betoonde in zijn lijden!
De keurprins slaat de oogen op, en herkent den ouden Dietrich. Hij knikt hem toe, terwijl zijn lippen zacht lluiste-ren : âDietrich, ik lijd vreeselijk!quot;
âHoort ge wel, heer kamerjonker, zei Dietrich, âde genadige prins herkent mij, hij heeft zijn bewustzijn hij weet wat hij ziet en zegt: neen, het is niet van den wijn . .. Maar hij zegt, dat hij vreeselijk lijdt, en ik geloof het, want wat in zijn ingewanden brandt, is ... Ik wil den lijfarts, doctor Weisse halen, hij moet alle middelen beproeven, hij moet weten wat den prins scheelt, wat men hem gedaan heeft, en hij moet tegenmiddelen aanwenden. Blijf hier, heer kamerjonker, ik loop naar doctor Weisse I1)
1
In den jongsten tijd heeft men willen betwisten dat graaf Adam von Schwarzenberg beproefd had den prins te vergiftigen ; zelfs is er een verdedigingschrift van den graaf zei ven versohenen. Evenwel heeft ten tijde van den keurvorst Friedrich Wilhelm en nog lang na zijn dood niemand er aan getwijfeld, en al de schrijvers van dien tijd stemmen hierin overeen, dat graaf von Schwarzenberg op het feest, 't welk hij destijds ter eere van den prins te Berlijn gaf, door een poging tot vergiftiging de plotselinge ongesteldheid van den prins veroorzaakt bad. De keurprins zelf was er stellig van overtuigden vertelde nog in zijne latere regeeringsjaren aan zijn vertrouwden lijfarts doctor Garlieb von der Mühlenhet geheele tooneel op het feest bij von Schwarzenberg en diens vergiftigingspoging. Hij leed zelfs aan verscheidene kwalen en ongemakken, tengevolge van het niet geheel uit zijn lichaam verdwenen vergif. Doctor Garlieb von der Mühlen bracht het gansche onderhond met den keurvorst. zoodra hij hem verlaten had, op bet papier en schreefhetin zijn dagboek, dat hij vele jaren met groote getrouwheid en gemoedelijkheid hield. Later gaf zijn zoon, de legatieraad von der Mühlen, liet in druk uit. Maar ook alle andere geschiedschrijvers van dien tijd geven een overeenstemmend bericht van deze vergiftiging en geen hunner twijfelde er aan. Ook degeleerde
17
De oude Dietrich wil zich haastig van het bed verwijderen, maar de hand van den prins legt zich op zijn arm en houdt hem vast.
âBlijf, Dietrich! U, lieve Götze, u verzoek ik naar'doclor Weisse te gaan en hem te halen; hij moet dadelijk komen, want ik ben werkelijk ziek. Spoed u, lieve Götze, ge zijt jonger en vlugger dan mijn goede, oude Dietrich.quot;
De kamerjonker von Götze drukt een kus op de brandende, bevende hand van den prins. âGenadige heer, zoo snel een angstig hart menschenvoeten kunnen voortbewegen, zal ik naar den arts ijlen en hem hier brengen!quot;
De kamerjonker vertrekt op de teenen uit de kamer, en alles wordt stil; men hoort slechts het zacht zuchten en kermen van den prins op zijn bed over wien zich de oude trouwe dienaar weenend buigt.
Na een poos richt de prins zich een weinig op, opent langzaam de oogen en laat ze met een doffen blik door de kamer zwerven.
âDietrich, zijn wij alleen?'' vraagt hij met heesche, doife stem.
âGeheel alleen, genadige heer!quot;
âLuister dan naar 'tgeen ik zeg. Houdt uw oor dicht bij mij, want gij alleen moet mij hooren. Als de lijfarts komt, wacht er u dan voor te herhalen, wat ge zoo even tot den kamerjonker hebt gezegd. Hij moet denken, en de geheele wereld moet denken, dat het werkelijk alleen de wijn is, die mij ziek heeft gemaakt. Hij zal mij geneesmiddelen voorschrijven. Laat die terstond gereed maken. Gij alleen zult bij mij blijven; zeg hun, dal ik het bevolen heb; en Götze moet naar het feest terugkeeren
Pnfendorf, de door den keurvorst Friedrich Wilhelm benoemde geschiedschrijver van zijn huis, verhaalt in overeenstemming niet de anderen, dezelfde geschiedenis, alsmede de kondstorieraad Klister in zijn âJugendlében des grossen Kurfürsten,quot; en Seyler in zijn: âïeben mid Thaten Friedrich Wilhehn's des Grossen.quot; De nieuwste geschiedschrijvers willen echter de schuld van graaf Adam von Schwarzenberg wegredeneeren, zonder daarvoor andere bewijzen te kunnen aanvoeren, dan dat de dood van den keurprins voor den graaf van geen verder nut had kunnen zijn. Maar Droysen constateert in zijn uitmuntend werk: Geschichte der preussischen Politiek de ontzaggelijke-eerzucht en versterkende plannen van von Schwarzenberg, en meldt, dat de keurvorst nog in latere jaren verhaald had, dat graaf von Schwarzenberg hem had willen vergiftigen. Droysen voegt hierbij: âmisschien ten onrechte: maar stellig heeft hij de betrekking tnsschen vader en zoon in den grond vergiftigd.quot;
18
en zeggen, dat het slechts van den wijn kwam. Maar geel mij de geneesmiddelen niet in, Dietrich, ge moet ze weggieten. Er is voor mij slechts ééne artsenij, melk, niets dan melk, dit is mijn geneesmiddel. Geef mij melk, Dietrich, terstond melk; want de pijnen komen terug, vreeselijk, o zoo vreeselijk! Maar zeg het niemand. Niemand mag weten waaraan ik lijd! liet brandt als vuur! Melk, Dietrich melk!quot;
VIII.
EEN LIEFDEOFFER.
Als op de vleugelen van den wind gedragen, was Gabriel Nietzel door de straten naar zijn woning gesneld. Zij was in een stille, afgelegen straat van Keulen, en toen hij deze straat insloeg en naar het huis keek, zag hij een vrouwelijke gestalte zich ver uit het venster buigen, die verlangend door de straat tuurde.
Hij herkende de gestalte, hoewel hij haar gelaat niet zien kon, en slaakte een luiden vreugdekreet. Deze kreet vond een echo boven aan het venster, en de gestalte verdween.
Gabriel Nietzel snelde het huis binnen en den trap op. Aan de bovenste trede stond een vrouw met uitgebreide armen; Gabriel uitte andermaal een vreugdekreet en drukte de vrouw zoo vast aan zijn borst, of hij haar nimmer weder van deze plaats wilde laten, en hij haar eeuwig kon vasthouden en beveiligen.
Hij droeg haar in de kamer, tot bij de wieg, en toen zonk hij met haar op zijn knieën, beiden aanschouwden elkander en vervolgens het kind, dat met groote oogen stil en welbehagelijk voor hen lag.
âMijn kind ! mijn kind!quot; riep Gabriel, 't Was of hij het kind voor do eerste maal zag, of 't hem eerst nu van den hemel geschonken was, en een oogenblik vergat hij in zijn zalig vaderlijk gevoel alles! Hij nam het kind in zijn armen en kuste en liefkoosde het met innig genot. Eensklaps kwam de herinnering bij hem op. Hij herinnerde
19
zich het bleeke, stuiptrekkend gelaat en den gebroken blik van den prins.
Een huivering rilde door zijn lichaam, met een kreet van ontzetting liet hij het kind in dc wieg vallen en sloeg beide handen voor het gelaat.
Rebekka rukte die handen weg, en haar groote zwarte oogen zagen diep in zijn gelaat. Nu eerst zag zij, hoe bleek en ontsteld hij was, dat hij haar blik ontweek en hijgend voor haar stond.
âGabriel,quot; zeide zij met vaste, ernstige stem, âge hebt iets. Er is zeker iets gebeurd, iets bijzonders, verschrikkelijks!quot;
âNiets!quot; riep hij, haastig opspringend. âMaar wij moeten voort! Hier moeten wij niet langer blijven! Oogen-blikkelijk moeten wij voort!quot;
âDit weet ik,quot; antwoordde Rebekka kalm, met haar oogen onafgewend op haren geliefde gericht. âIk weet dit, Gabriel, alles is voorbereid, zooals graaf von Schwar-zenberg zelf mij gezegd heeft. Ik was reeds heden morgen in Berlijn, maar mocht niet eerder hier komen, dan wanneer ge naar het feest waart gegaan. Vooraf heb ik voor alles gezorgd, zooals de graaf het bevolen heeft. Ik heb een rijtuig gehuurd, dat buiten de Weidendammer poort staat en ons wacht. Wij moeten te voet daar heen gaan, zegt de graaf, opdat niemand in de stad u ziet wegrijden of inlichtingen kan geven omtrent uw verblijf. Al onze goederen heb ik, sedert ge weg zijt, in kisten gepakt en Samuel Cohn, onze goede en trouwe vriend, zal ze voor ons naar Venetie zenden. Het noodzakelijkste wat wij behoeven heb ik in gindschen kolfer gepakt en dien nemen wij mee. Alles is gereed, Gabriel, alleen weet ik niet of ge genoeg geld hebt voor de reis?quot;
âGeld genoeg.quot; antwoordde Gabriel mot heeschen, schamperen lach. âIk heb meer geld in mijn brieven-tasch dan ik in mijn geheele leven bijeen heb gehad. Ik heb zooveel geld, dat wij te Venetie in het Ghetto een huis kunnen koopen; dat zullen wij doen en ik wil er met u wonen en jood worden; ik zal een anderen naam aannemen, want ik heb een afschuw van mijn naam! Ik kan hem niet meer hooren!quot;
âWaarom niet?quot; vroeg zij ernstig, â'tls een schoone naam, de naam van een kunstenaar.quot;
'20
âOmdat hij vervloekt en verworpen is,quot; steunde hij, âomdat het de naam is van een . .
âNu, waarom blijft gesteken, Gabriel?quot; vroeg Rebekka in doodsangst, terwijl zij haar handen op zijn scliouders legde en hem met gloeienden blik aanzag, [lij wilde haar oogen ontwijken, maar kon niet, hij moest ze ontmoeten. Zij schenen hem diep, diep als de zee en hij dacht: men zou er een geheim in kunnen doen verzinken, het zou er veilig onder op den bodem van haar hart rusten.
âGabriel,quot; vroeg zij met dreigende en tegelijk teedere slem, âwat hebt gij gedaan? Wat drukt op uw ziel?quot;
âNiets, mijn Rebekka! Vraag niet, onderzoek niet! Wij moeten voort! Spoed u, geliefde, neem het kind, want zoo wij geen haast maken, zijn wij verloren!quot;
Zij schudde langzaam haar schoon, edel hoofd; zij week niet van haar plaats, en dwong ook Gabriel te blijven door haar handen vaster op zijn schouders te leggen.
âGabriel, mijn dierbare, geliefde Gabriel, wat hebt gij gedaan? Zeg het mij? Ik moet het weten, ik heb er recht op. Toen wij ons vroeger op de Lido in de plechtige stilte van den nacht in 't huwelijk verbonden, toen wij onze handen in elkander legden en beiden met luide slem uw en mijnen God zwoeren, dat wij elkander eeuwig zouden beminnen en de dood alleen ons zou scheiden; toen gij zeidet: âIk neem u tot vrouw,quot; en ik: âIk neem u tot man,quot; toen beloofden wij ook, dat wij eerlijk en waar te samen leven en nooit elkander iets zouden verzwijgen of geheim houden. Gabriel, voldoe thans aan uw gelofte. Ik vorder het van u, in den naam mijner liefde, in den naam van ons kind. Gabriel, wat hebt gij gedaan?quot;
âIk kan 't niet zeggen, en gij moogt het niet hooren, Rebekka! Want is het eenmaal uilgesproken, dan wordt het woord een tweesnijdend zwaard en 'tzal ons beiden in schande en ellende storten.quot;
âSchande! Er is geen schande voor een jodin! Ellende! Noem een ellende, welke ik niet van kindschheid af geduld en geleden heb! Mijn moeder werd te Venetie van een nobile doorsloken, omdat zij mijn vader getrouw bleef. Mijn vader stond als toovenaar en giftmenger bekend; de nobile bezochten hem heimelijk des nachts in onze ellendige woning in het Ghetto, en betaalden hem hooge sommen voor zijn middelen, maar als hij zich over dag op
21
straat vertoonde, riep het volk hem na en wierp hem met steenen. Ook als men mij zag, schreeuwde en beschimpte men mij en gaf mij scheldnamen; men ging mij uit den weg, omdat mijn aanraking hen verontreinigde, ik was de dochter van een verworpene, het kind van een giftmenger, van een heimelijken bravo, ik was een jodin! Toen ik een volwassen meisje was, kwamen de jonge nobili bij mijn vader, niet om zijne middelen en artsenijen, maar om . . . Stil! Niets hiervan! Gij waart mijn redder, mijn verlosser! Gii bevrijdet mij uit allen nood, gij waart voor mij de Messias, op wien mijn volk hoopt sinds dui-zende jaren. Ik volgde u, en ga met u door het leven, ja, tot op het schavot, als het zijn moet. Ik weet het, Gabriel, ik zie 't op uw gelaat, ge hebt een misdaad begaan!quot;
âEen misdaad! Een vreeselijke misdaad!quot; zeide hij huiverend. âWend uw hoofd van mij, Rebekka. ik ben niet waard, dat gij mij aanziet.quot;
âIk zie u aan, Gabriel, ik veroordeel u niet! Ik denk aan 't geen wij elkander in de schilderij galerij van den graaf hebben gezegd. Ik riep u toe mij tot eiken prijs te verlossen. Ik zeide u, dat zoo ik mij door het begaan van een misdaad verlossen konde, ik 't zou doen; zoo ik, om weder bij u te zijn, het geloof mijner vaderen moest afzweren, ik deze misdaad zou begaan, al wist ik, dat ik later van berouw zou sterven.quot;
âEn ik antwoordde u, Rebekka, dat ik, om u te bevrijden, om u weder de mijne te noemen, ook bereid was een misdaad te begaan en 't mij later niet berouwen zou.quot;
âToch berouwt het u, Gabrieï, en huivert gij voor u zeiven. Want gij hebt het gedaan1? Wil er mij aandeel ingeven, de helft er van behoort mij; ik ben uw vrouw voor God en gij hebt gezworen alles met mij te deelen! Deel daarom met mij, Gabriel, ik vorder mijn recht! Deel met mij uw misdaad, of ik denk, dat ge mij niet meer bemint, en dan verlaat ik u, ge ziet mij dan nooit weder.quot;
âIk bemin u, Rebekka, ik bemin u! Ik ben om uwentwille een misdadiger, een moordenaar geworden, ik heb u voor de zaligheid mijner ziel gekocht! Houd uw oor dicht aan mijn mond en ik wil u mijn vreeselijk geheim zeggen: Rebekka, ik ben een moordenaar! Ik heb een moord gepleegd, die tegen mij zal ten hemel schreien,
Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. II 2
22
zoo lang ik leef; want hij, dien ik vermoordde, heeft mii nooit dan goed gedaan; hij rekende op mijne trouw! Rebekka, ik ben vervloekt! mijn naam zal in den mond der menschen worden gebrandmerkt, zoo lang ernogge-schiedboeken zijn: Rebekka, ik heb den keurprins Friedrich Wilhelm vergiftigd!quot;
Zij slaakte een gillende kreet en deinsde terug, alsof een bliksemstraal haar getroffen had.
âDe keurprins Friedrich Wilhelm ? Niet de graaf Schwar-zenberg? De edele jongeling, niet de gehaten misdadiger, niet hem, die duizendmaal den dood heeft verdiend'? ' âHij had niet alleen mijn leven, hij had u en ons kind in zijn macht; het had mij niets gebaat hem te vermoorden; want wij zouden alle drie reddeloos verloren zijn geweest! Ik moest zijn bevelen gehoorzamen, en de vreeselijke daad volbrengen, om ons te bevrijden!quot;
Zij drukte haar handen tegen haar voorhoofd en staarde lang voor zich. âHij moet gered worden,quot; zeide zij vervolgens na een pauze, op vasten, beslissenden toon. ^Ja, hij moet gered worden!quot;
âWat kunnen wij ter zijner redding doen ?quot; zuchtte hij wanhopend. âNiets! Ge weet, dat de middelen van uw vader goed zijn en hun uitwerking nooit missen!quot;
âHebt ge hem van de middelen gegeven, welke mijn vader u geschonken had?quot; vroeg zij met een wonderbare verheldering barer zwarte oogen.
âJa, ik heb er hem van gegeven! Ge weet, dat, toen wij afscheid van uw vader namen, hij mij ter gedachtenis drie doosjes gaf, en mij zeide, dat dit de eenige uitzet was, dien hij u kon medegeven; maar dat later menige geboren prins er ons een aanzienlijke som voor zou betalen, zoo wij ze hem voor zijn lieve verwanten wilden verko0pen; want in deze doosjes zijn vergiften, die dooden, zonder eenig spoor hunner aanwezigheid achter te laten. De inhoud van het eerste doosje is een snel doodend vergift, waarom hij het âhet beroertepoederquot; noemde. De inhoud van het tweede doosje doodt langzamer en vergunt den lijder nog tien tot twaalf dagen levens; daarom heet het âhet ontstekingspoeder.quot; Het derde poeder echter, dat zeer langzaam werkt, noemde hij âhet teringspoeder.quot;
âl'^n van welk poeder hebt ge den prins gegeven ?quot; vroeg Rebekka buiten adem.
23
âVan het ontstekingspoeder, omdat dit voor ons het minst gevaarlijk was.quot;
âHeeft de prins de geheele dosis, welke ge hem gegeven hebt, gedronken.quot;
âNeen, hij dronk ze slechts ten halve, en toen hij zijn vader, op diens begeerte, het glas wilde reiken, viel het uit zijn bevende handen en stortte over de tafel.quot;
âBijgevolg heeft de prins slechts de helft van het ontstekingspoeder gebruikt?''
âJa de helft! Maar hij zal er toch aan sterven, want uw vader zeide mij, dat een vingergreep voldoende is om den dood te veroorzaken, en ik gaf er hem twee, opdat de graaf de werking bespeuren zou.quot;
Rebekka antwoordde niet; zij was op hare knieën neder-gezonken; zij had haar handen samengevouwen en haar lippen bewogen zich als in een stil gebed. Toen sloeg zij langzaam de handen voor haar gelaat en bleef in onbewegelijke houding op haar knieën.
âWat peinst ge?'' vroeg Gabriel Nietzel na een pauze. âWaarom spreekt ge niet? Verfoeit gij mij, nu ik u mijn misdaad beleden heb ? Wendt ge u af van den giftmenger, den moordenaar?''
âNeen,quot; zeide zij, zich haastig oprichtende, âneen, ik verfoei u niet, maar bemin u, en omdat ik u bemin, wil ik niet, dat ge een misdadiger zijn zult. Zoo ge den graaf hadt vergiftigd zou ik zeggen; Gij hebt een goed werk verricht, God heeft hem door uw hand gedood; gij zijt niets anders geweest dan de beul, die een misdadiger het verdiende loon gegeven en de wereld van hem verlost heeft. Maar ge hebt een goed en edel mensch, gij hebt den zoon uwer weldoenster vergiftigd, en zijn dood zou tegen u getuigen, ons kind zou gestraft worden voor de misdaad van zijn vader. âWant ik ben een God der wrake, zegt de Heer, en zal de zonden der vaderen straffen tot in het derde en vierde geslacht.quot; Ik bemin u, Gabriel ; geen zonde, geen misdaad scheidt mij van u, want ge hebt de dochter van den misdadiger aan uw hart genomen, en slechts om harentwil hebt gij gezondigd. Maar ons kind raag niet lijden voor wat zijn ouders misdreven. De God onzer vaderen zal geen wraak nemen op ons kind, de zon zal over hem schijnen en het geluk hem bestralen, want wij, Gabriel, wij kennen den nacht en het ongeluk.
'24
en de bitterheden van het leven hebben wij gesmaakt. Gabriel, ons kitid moet vrij zijn, daarom moet de keur-prins gered worden.quot;
âHoe kan dat geschieden, wijs mij een weg ter redding!quot;
âIk ken dien weg en zal hem bewandelen. Ik zal u en het kind bevrijden van bloedschuld en zonde. Zweer mij, Gabriel, dat ge doen wilt, wat ik van u eisch! Denk aan het uur op de Lido, toen ik mij voor eeuwig aan u wijdde! Denk aan het uur, toen ik dat kind in uw armen legde en zeide; Neem het! 'tis een geschenk mijner liefde, die mensch is geworden, wijl zij van God was. Neem het kind, waarmede God ons gezegend en tot ons gesproken heelt! En gij beloofdet mij met tranen, dat ge voor ons kind een trouwe vader zoudt zijn uw leven lang, en het, zooveel u mogelijk was, zoudt behoeden. Thans eisch ik van u, Gabriel Nietzel, dat ge uw hand op het hoofd van het kind legt en mij bij God, bij ons kind en bij uwe liefde plechtig zweert, stipt en nauwkeurig datgene te doen wat ik van u eischen zal.quot;
Gabriel Nietzel zag met eerbiedige, schuwe bewondering in Rebekka's van geestkracht en schoonheid schitterend gelaat. Hij kon zijn blik niet van haar wenden, het was of zij zijn ziel geboeid hield met haar groote vlammende oogen, die onafgewend met een gebiedende uitdrukking op hem rustten.
Hij legde, steeds R.ebekka aanziende, zijn hand op het hoofd van het kind, en zeide met plechtige stem: âIk zweer bij God, bij ons kind en bij mijne liefde voor u, Rebekka, dat ik stipt en nauwkeurig doen wil, wat ge van mij eischen zult.quot;
Zij knikte met haar hoofd zoo trotsch en ernstig, als ware zij eene koningin, die juist den huldigingseed harer vasallen ontvangen heeft.
âLuister dan, Gabriel,'' zeide zij. âNeem den koffer, ik neem het kind, en wij gaan, want het rijtuig wacht ons buiten de Weidendammerpoort, zooals ge weet. Spreek onderweg niet tot mij, want ik heb veel bij mij zelve te overleggen. De tijd staat niet stil, iedere minuut vergroot het doodsgevaar van den prins. Zoo hem dezen nacht geen hulp wordt gebracht, is hij reddeloos verloren. Kom!quot;
Gabriel Nietzel wilde nog vragen: Is dan nog redding
25
mogelijk? Maar daar zij had gezegd: Spreek niet tot mij, en gehoorzaam aan zijn eed, zweeg hij, nam den keiler op en volgde Rebekka, die het kind uit de wieg in haar armen had genomen en er mede de deur uitging.
Zij gingen haastig naast elkander door de' straten, die nog altijd verlaten waren, omdat al het werkelooze, nieuwsgierige volk der buurt nog altijd in de Breedestraat en op het slotplein vertoefde. Menigmaal sloeg Gabriel een vragenden. biddenden blik op Rebekka, maar zij zag dien niet; zij scheen volstrekt niets te zien, haar oogen waren wijd open en staarden in de verte; als een nachtwan-⢠delaaster ging zij voort en op het schreien van het kind in haar armen, lette zij niet, noch poogde het, zooals anders, met teedere woorden te stillen.
Eindelijk waren zij door de poort achter den Weiden-damm en bevonden zich buiten de stad. Daar stond de met een grijs linnen huif overtrokken wagen, die hen wachtte. De joodsche knaap, die voorin op de plank zat, was in slaap gevallen. De beide magere, kleine paarden, die uilgespannen voor den wagen stonden, aten gretig den haver uit een vuil linnen zak, die om hun hals was gebonden. Niemand was in den omtrek te zien. Het ellendige voertuig had de opmerkzaamheid van geen voorbijganger getrokken.
Rebekka naderde den wagen en legde, zonder den voerman te wekken, het kind in het stroo, dat in den wagen gelegd was. Toen beval zij, met een wenk barer hand, Gabriel den koffer, dien hij droeg, op den grond te zetten. Rebekka nam uit haar zak een sleutel, opende hem en zocht onder de goederen. Een, met- vijf zegels voorzien pakje nam zij er uit en stak het haastig in haar boezem, waarop zij haar oogen met een gloeien-den, dankbaren blik ten hemel sloeg. Vervolgens nam zij nog een wit gewaad en een langen witten doek uit den kolfer en verborg deze dingen zorvuldig onder den grooten donkeren doek, die haar gestalte omhulde. Toen sloot zij den kolfer en reikte Gabriel den sleutel.
âZet den koffer zacht in den wagen, opdat het kind niet wakker worde,quot; zeide zij.
Gabriel deed dit, bleef toen op de trede van den wagen staan en reikte haar zijne hand toe, alsof hij haar wilde verzoeken hem te volgen.
26
Zij schudde haastig het huofd. âKom, Gabriel,quot; sprak zij, âlaai ons ginds onder dien boom gaan. liet kind slaapt en David Cohn slaapt ook. Niemand hoort ons, kom!quot;
Beiden gingen naar een grooten lindeboom, die ter zijde van den weg stond. De vogels zongen en jubelden in zijn dichte bladerenkroon, en de heete zonnestralen zogen uit de bloesems, waarmede de takken bezaaid waren, de heerlijkste geuren. Zij letten er beiden niet op. Zij waren alleen bezig met zich zeiven en met de treurige gedachten, die hun beider zielen vervulden.
âGabriel,quot; zeide Rebekka diep ademend, âik ga heen om u van de bloedschuld te bevrijden, die op u drukt,* want zoo zij bleef, zoudt gij niet alleen den keurprins, maar uw eigen geheele leven vergiftigd hebben. Mijn vader heeft u slechts de helft van mijn uitzet, zooals hij het noemde, gegeven. De andere helft hield hij terug en gat die mij. Nadat hij u de poeders geschonken had, en ik met hem alleen in zijn kamer was, hield hij mij den heiligen bidriem voor en beval mij drie eeden te doen bij de herinnering aan mijn vermoorde moeder, en bij den haat en de wraak, welke hij en ik bij haar geliefd lijk aan de geheele wereld gezworen hadden. Ten eerste moest ik zweren, dat ik nooit het geloof mijner vaderen verlaten en eene christin worden zou. Ten tweede, dat ik het kind, 'twelk God mij schenken zou, in onzen godsdienst zou opvoeden en nooit toestaan, dat het een christen werd. Ten derde, dat ik het verzegelde pakje, 'twelk hij mij overhandigde, als mijn grootsten schat, mijn kostbaarste goed zou bewaren en er met u slechts in den uitersten nood over mocht spreken; dat slechts, wanneer ik er een vermogen of geluk voor kon koopen, ik van zijn inhoud gebruik mocht maken. De christenen, zei mijn vader, zijn weekhartig, en als zij hnn gelijken zien lijden, komt zeer licht medelijden te voorschijn. Zij kunnen een jood met lachenden mond zien verbranden, maar wanneer een christen lijdt, erbarmen zij zich, vooral als zij daarvoor beloond worden. Ik 'heb uw geliefden Gabriel den dood in de handen gegeven, gij, mijn dochter, geef ik het leven, en dit is veel kostbaarder en uitmun-tender! Hij heeft de vergiften, gij de tegengiften. Zij zijn tonnen gouds waard, ze zijn mijn kostbaarste schat,twintig jaren heb ik gewerkt om ze te ontdekken. Toen mij
27
dit gelukt was, dankte ik God voor mijne heerlijke ontdekking, en zwoer vervolgens op den heiligen bidriern driemaal met luide stem en het gelaat naar 'toosten gewend, dat nimmer een christen door mij iels van deze kostbare tegengiften verkrijgen zou, dat ik nimmer een christen er mede !bekend wilde maken. Ik zal ndjn eed houden pn slechts gij, mijne Rebekka, kent dit heilig geheim Bewaar het onder drie heilige zegels, verbreek ze niet, dan in het grootste en gevaarlijkste oogenblik uws levens. Nimmer moogt ge dezen kostbaren schat anderen in handen geven en geen christen mag hem aanraken. Zoo ge iemand het leven wilt redden, moet ge dit zelf doen, en alleen uit uw eigen handen mag de doodelijk getroffene het nieuwe leven ontvangen. â Dit waren de woorden, welke mijn vader tot mij sprak toen hij mij het verzegelde pakje overhandigde. Vervolgens leerde hij mij nog hoe ik ze aanwenden en wat ik doen moest om de drie vergiften onschadelijk te maken. Hij zeide mij, dat het tegengift gebruikt moest worden voor dat vierentwintig uren sedert het gebruik van het vergift verstreken waren, vervolgens moest nogmaals na vierentwintig uren het tegengift ten tweeden male worden aangewend. â Gabriel, mijn vurig beminde, dierbare vriend, 't is heden het grootste en gevaarlijkste uur van mijn leven en ik heb het zegel verbroken, dat mijn vader op mijn lippen drukte. Ik heb het tegengift voor het ont-slekingspoeder.quot;
âRebekka, gij wilt het mij geven?quot; vroeg Gabriel, haar beide handen vattende en haar met glinsterende oogen in het schoone gelaat ziende.
Langzaam schudde zij het hootd. âGe zijt een christen,quot; zeide zij. âIk heb mijn vader gezworen, dat geen christen den kostbaren schat zou aanraken, dat ik alleen het middel moet aanwenden, 't welk hij mij toevertrouwde. Gabriel, gij hebt uit liefde voor mij den prins den dood gegeven; ik wil uit liefde voor u den prins het leven geven.quot;
âRebekka!quot; riep hij verschrikt, âhoe zult gij dit doen? Slechts uit uw handen zal de prins het leven ontvangen ? Wil dat zeggen, dat gij zelve hem het middel wilt geven ? Ge wilt naar de stad teruggaan, en u in het paleis wagen ? Weet ge dan niet, dat von Schwarzenberg overal spionnen heeft, en iedere lakei in 't paleis hem dienstbaar is;
28
dat hij dag en nacht weet wat er gebeurt? Hebt gij zelve er mij niet dikwijls van verteld, als ge bij de vrouw van den concierge waart geweest, die u beminde, wijl zij eene Venetiaansche was en met u haar moedertaal kon spreken? Heeft zij u toen niet in vertrouwen gezegd, dat graaf von Schwarzenberg haar eigenlijke heer en gebiéder was en zij iederen morgen aan den secretaris van den graaf bericht moest geven van 't geen in het paleis was voorgevallen ? En nu wilt ge u in het paleis, in het hol van den leeuw wagen?quot;
âDaniël waagde zich wel in den leeuwenkuil, maar de dieren deden hem geen leed!quot; riep zij in geestvervoering. âWaarvoor zou ik vreezen, mijn werk is heilig en rein, evenals van Daniël!quot;
âIk duld het niet, ik klem mii aan u vast en houd u tegen!quot;
âGabriel Nietzel, denk aan den eed, dien ge op het hoofd van ons kind gezworen hebt. Gij zult doen, wat ik van u eisch. Wilt ge uw eed breken?quot;
âNeen,Rebekka,quot;zeide hij treurig. âEisch, ik gehoorzaam!quot;
âIk keer naar de stad terug,quot; voer Rebekka voort. âDe oude Benjamin Cohn zal mij gastvrij ontvangen en mij een veilige schuilplaats verleenen. In den nacht ga ik naar het paleis, en wees er zeker van, niemand zal mij tegenhouden en niemand zal mij herkennen, de spionnen van graaf von Schwarzenberg zullen hem niet kunnen berichten, dat Rebekka Nietzel in het paleis bij den keur-prins is geweest. De kleeding, die ik zal aantrekken, is een veilig beschermmiddel; geloof mij en vraag niets. Ik ken in 't paleis iedere deur en iederen toegang, want de vrouw van den concierge heeft er mij dikwerf in rondgeleid; de trappen en gangen, de geheime deuren en uitgangen, alles is mij bekend. Ik weet een kleine deur aan den kant van de Spree, die nooit gesloten wordt, omdat niemand ze kent en niemand er acht op slaat want zij voert alleen in een klein portaal, waar een geheime deur is verborgen, die zelfs de vrouw van den concierge niet kent. Ik heb ze ontdekt, toen ik op zekeren dag in 't paleis verdwaald was en angstig door de gangen liep. Van deze ontdekking heb ik de vrouw van den concierge nooit iets gezegd. Ik zal er gebruik van maken, om door deze deur ongehinderd in het paleis en er weder uit te
29
komen. Den volgenden dag breng ik verborgen bij Benjamin Cohn door en des nachts ga illt; ten tweedenmale in 't paleis om opnieuw liet tegengift te verstrekken. Zoodra ik den tweeden nacht het paleis verlaat is mijn werk voltooid en de misdaad van onze hoofden weggenomen en ons kind zal niet lijden voor de zonden zijner ouders. Dan, mijn Gabriel keeren wij terug naar mijn schoon vaderland, dan zijn wij gelukkig en vrij! Denk hieraan, mijn geliefde, en laat ons rustig dragen wat gedragen moet worden.''
âIk zal er aan denken, Rebekka. Maar wat moet ik doen, waar zal ik blijven, in de vreeselijk lange dagen, die ik van u gescheiden ben? Wees niet wreed! Laat mij met u terugkeeren naar de stad! Benjamin Cohn zal voor mij en het kind ook wel een schuilplaats hebben. Ik zal mij in den kelder verborgen houden, of onder het dak, zooals gij wilt, maar laat mij met u gaan!quot;
,,Dat kan niet. Het kind moet niet in gevaar zijn, evenmin gij wil ik den moed voor mijn daad behouden. Denk aan uw eed en doe wat ik eisch. Ga terstond in den wagen; David is een goed voerman en ons geheel genegen. Gij rijdt dag en nacht door tot ge in Brandenburg zijt. Daar woont een broeder van Benjamin, een oom van den kleinen David Cohn. Blijf daar en houdt u verborgen tot ik bij u kom, en dan, geliefde, dan vertrekken wij te samen.quot;
âRebekka, ik kan niet, ik kan u niet verlaten.quot;
âGij moet, uw misdaad moet verzoend worden. Gabriel, bedenk, dat een lang, gelukkig leven voor ons ligt. Laat ons moedig de laatste wolk van onheil over ons heen laten gaan, want daar achter is de dag, de heerlijke zon, daar achter is Raliê, het land der liefde en der kunst! Laat ons nu scheiden, mijn geliefde! Vaarwel tot een vroolijk wederzien !quot;
âKunt gij dit, Bebekka! Kunt gij mij zoo spoedig verlaten ?quot;
âIk verlaat u nimmer; ik ben altijd bij u; mijn ziel is onafscheidbaar van u ! Geen afscheid, Gabriel, dat maakt ons week, en krachtig moet ik het noodlot tegemoet treden ! Geef mij de hand. Vaarwel! Hier boven woont een God die ons ziet! Hij zal mij beschermen!quot;
,,Bebekka, kus slechts eenmaal mijn lippen tot afscheid.quot;
30
âEerst als uw misdaad verzoend is, en kus ook dan eerst ons kind ! Weet, Gabriel, dat ik u eeuwig bemin en dat mijne liefde u bijblijft alle dagen, tot het einde der wereld! Hoor het kind schreit! Ga tot hem Gabriel, en zeg, dat zijn moeder u beiden meer bemint dan haar eigen leven! Ga!''
Hij beproefde 't nog eenmaal haar hand te val ten, haar te omhelzen. Zij weerde hem af en wees gebiedend naar den wagen.
âDenk aan uw eed, Gabriel; gij moet doen wat ik eisch,quot; zeide zij kalm.
âZeg mij slechts één ding, Rebekka,quot; bad hij deemoedig, âWanneer zullen wij elkander wederzien ?quot;
âBinnen vier of vijf dagen, Gabtiel. Blijf rustig in Brandenburg en wacht mij daar acht dagen lang. Zoo ik binnen dien tijd niet bij u ben, is dit een teeken, dat ik om den toorn en de vervolging van graat Schwarzenberg te ontgaan, een anderen weg heb genomen en ik uit voorzichtigheid om mij niet te verraden, u geen bericht kon geven. Dan neemt ge ten spoedigste met uw kind de reis naar Venetië aan. Ik zal u dan onderweg wel ontmoeten en gebeurd dit niet dan vinden wij elkander stellig te Venetié bij mijn vader weder.quot;
â't Is onmogelijk, Bebekka, ik kan niet . ..quot;
âStil,quot; viel zij hem in de rede, âluister, het kind schreit nog altijd en ook David Cohn is thans wakker.quot;
Zij trad haastig naar het voertuig en knikte den kleinen voerman toe, die slaapdronken zijn oogen wreef.
âWij zijn er, David,quot; zeide zij. âToon nu, dat ge een dappere jongen zijt en ge uw vader eer wilt aandoen. Rijd moedig voort en wees voorzichtig, opdat ge geen schade bekomt en zonder oponthoud Brandenburg bereikt.quot;
âIk heb tatte (vader), gezegend zij hij, beloofd, dat ik van rust noch duur, van slaap noch honger wil welen, vóór wij te Brandenburg zijn aangekomen,quot; riep de knaap, zijn zweep zwaaiende. âStap in, ik breng u naar Brandenburg.quot;
âStap in, Gabriel,quot; zei Rebekka tot Nietzel, die naast de wagentrede stond en haar met treurige, weemoedige blikken aanzag.
Zij schudde afwijzend het hoofd ten antwoord op de stomme vraag zijner oogen en herhaalde slechts; âStap in Gabriel!quot;
31
Hij sprong in den wagen, maar toen boog hij er zich uit en stak haar zijn handen toe.
âVoorwaarts, David,quot; beval Rebekka. âLeg de zweep op de paarden, opdat zij in vollen draf wegrijden. Schielijk, David, want ik moet voort.quot;
David Cohn gaf den kleinen paarden een krachtigen zweepslag; zij sprongen vooruit en voorwaarts ging het.
Rebekka staarde hen met wijd geopende oogen ademloos na. Toen het voertuig uit haar gezicht verdwenen was, drukte zij beide handen voor de oogen, en een kort kreunen steeg uit haar borst op. Spoedig bedwong zij zich.
âAls ik ween, ben ik verloren,quot; zeide zij, haar hoofd oprichtende. âIk heb een zwaar werk te volbrengen, en tranen maken weifelend en lafhartig. Ik wil niet weenen. Eerst als mijn werk volbracht en het gelukt is, wil ik weenen, het zullen vreugdetranen zijn! Jehova! Verhevene ! sta mij bij, moge ik morgen nacht vreugdetranen weenen. Thans aan 't werk!quot;
Zij wendde zich om en ging met vaste schreden naar-de stad terug.
IX.
DE WITTE VROUW.
Dietrich had getrouw alles gedaan, wal de keurprins bevolen had. Doctor Weisse, de lijfarts, was gekomen, had de pols van den zieke onderzocht en geglimlacht toen hij hoorde, dat de keurprins op het feestmaal van graaf Schwarzenberg ongesteld was geworden.
âIk ken die ongesteldheden,quot; zeide hij, de schouders opbalend. âZijn doorluchtigheid, de heer keurvorst, heeft er vroeger ook aan geleden, maar thans is hij er legen bestand.quot;
âMaar zijn genade schijnt inderdaad ziek te zijn,quot; merkte de kamerjonker op. âZie, doctor, hoe bleek hij is. Het klamme zweet staat op zijn voorhoofd en hij kermt van pijn.quot;
âJa, hij heeft gewis pijn in 'tlijf,quot; zeide de lijfarts
32
ernstig. âZulke verschijnselen hebben meer plaats, na menigvuldige fecsdronken. Men eet en drinkt van alles door elkander; ik zal een pijnstillend middel voorschrijven, en men moet hem ieder kwartier hiervan ingeven.quot;
De arts begaf zich in het, naast de slaapkamer gelegen, kabinet van den prins, om het recept te schrijven.
De kamerjonker von Götze staarde met droevig gelaat op den zieke. Juist slaakte deze een luiden kreet en wentelde zich met uitgestrekte armen en ingeknepen duimen onrustig en krampachtig heen en weder. De oude Dietrich boog zich over hem en droogde het zweet van 's prinsen voorhoofd.
âHij is werkelijk zeer ziek,quot; fluisterde de kamerjonker, âer is niets aan te doen. Men zal moeten wachten en hem niet mogen verlaten.quot;
âNeen, mijnheer von Götze,quot; zei Dietrich, wiens gelaat thans volkomen gerust en vroolijk scheen, âneen, de heer keurprins heeft mij bevolen u op te dragen, dadelijk naar het feest terug te keeren en u hier niet langer op le houden. De heer keurprins heeft mij zelf te kennen gegeven, dat het inderdaad de krachtige Hongaarsche wijn is, die zijn genade ziek heeft gemaakt; derhalve wenscht zijn doorluchtigheid, dat de heer kamerjonker von Götze terstond naar het feest terugkeere, opdat haar doorluchtigheid, mevrouw moeder, niet angstig wordt en meent, dat haar heer zoon ernstig ziek is. Gij moet aan haar doorluchtigheid, mevrouw moeder, zeggen, beveelt de keurprins. dat zijn genade wellicht zelf nog heden avond naar het feest zal terugkeeren, en zijne mevrouw moeder zich volstrekt niet ongerust behoeft te maken, vermits de heer keurprins stellig morgen weer gezond zal zijn.quot;
âDat is een heerlijke boodschap! riep de kamerjonker; âmevrouw de keurvorstin zal zeer ver heugd zijn dit bericht te ontvangen. Maar ik kan toch onmogelijk den keurprins hier den geheelen avond alleen laten.quot;
âHij is niet alleen, want ik ben bij hem,quot; antwoordde Dietrich het hoofd schuddende. âIk ben ook een mensch, heer kamerjonker von Götze; mijn jonge genadige meester houdt er mij althans voor en heeft mij uitdrukkelijk bevolen, dat ik alleen bij hem moet blijven en niemand mag toelaten. Zijn genade wil goed uitslapen, heeft hij gezegd, rust is voor hem de beste mèdicijn.quot;
88
âMaar hij moet toch het geneesmiddel innemen, dat de dokter liem voorschrijft,quot; zei de kamerjonker ijverig.âGe moet er op staan, dat de keurprins de medicijn geregeld inneemt.''
âHier is het recept!quot; zei de lijfarts, terwijl hij weder de kamer binnentrad met een lahg papier in zijn hand. âMen moet het terstond bij den apotheker brengen en hem spoed aanbevelen, want ik vrees dat het een weinig lang zal ophouden, daar het een zeer moeielijk en samengesteld recept is, dat uit veertien verschillende dingen bestaat. Maar het zal zeker helpen en zijn doorluchtigheid rust geven. Van avond zal ik nog eens terugkomen en zien hoe het met den patient gaat.
De heer lijfarts Weisse verliet de kamer, begeleid dooi' den kamerjonker von Götze.
âGij meent dus, dokter, vroeg deze in den gang, âdat de keurprins niet bedenkelijk ziek is?quot;
âZijt ge nooit ziek van 't drinken geweest, heer kamerjonker?quot; vroeg de dokter ernstig. âZoo ge 't geweest zijt, dan weet ge precies hoe 't thans met den keurprins gesteld is.quot;
âDan is 't allernaarst met hem gesteld,quot; lachtte de heer von Götze. âIk heb inderdaad daar ondervinding van. Ge meent dus, heer dokter, dat ik zonder bedenken naar het feest van graaf Schwarzenberg kan terugkeeren ?quot;
âZonder de minste bedenking, heer kamerjonker. Waaraan de prins hoofdzakelijk behoefte heeft, is slaap en mijn geneesmiddel. Zoodra hij hiervan wat heeft ingenomen, zal hij zich kalmer en verlicht gevoelen.quot;
De beide heeren verlieten tezamen het paleis en Dietrich bleef nu alleen bij den prins. Eerst had hij in haast het lange recept naar beneden in de keur vorstelijke apotheek bezorgd en bevolen, dat men het geneesmiddel, zoodra het gereed was, boven in de voorkamer van den keurprins moest brengen. Vervolgens had hij uit zijn eigen kamer een pot met melk gehaald, op den haard van de prinselijke huiskamer vuur aangelegd en de melk gewarmd.
Met de dampende melk ging hij naar het bed van den prins. Deze lag met gesloten oogen, stijf samengedrukte lippen, steunend en kermend, en volstrekt geen acht gevende op Dietrich's smeeken en bidden. Eindelijk na een lange pauze sloeg hij de oogen op, en vestigde ze
34
met een strakken blik op den ouden man, die bevend en weenend naast zijn bed stond, met de kom melk in de hand.
âDietrich,quot; kermde hij, ik geloof, dat ik sterf. Zeg het niemand. Neen niemand mag weten, wat ik lijd. Anders komt ook hij bij mij, en ik wil zijn gelaat niet meer zien.quot;
âGenadigste prins, ik smeek u, drink. Hier is de melk!quot;
âJa Dietrich! Misschien geeft die nog redding!quot;
Hij ledigde de kom en zonk toen weder achterover. Dietrich knielde bij zijn bed, gebeden prevelende en God smeekende, dat hij den keurprins van den dood redden mocht.
Uren verstreken. De avond viel, de nacht daalde neder en in het paleis was alles stil. Het feest bij den graaf von Schwarzenberg ging ongestoord voort, 't Was een waar tooverfeest, zelfs mevrouw de keurvorstin was er over verrukt. Tweemaal had zij een looper naar het paleis gezonden om naar den toestand van den prins te vernemen, en telkens had de oude Dietrich haar laten weten: dat de prins in een gerusten slaap was gevallen en het geneesmiddel van den heer dokter hem uitmuntend goed scheen te doen.
Van dit geneesmiddel goot Dietrich elk kwartier een grooten eetlepel vol weg en gaf den prins in plaats daarvan zijn geneesmiddel, de warme melk.
Maar er was nog geen verzachting van pijn gekomen, zelfs het geweldige braken, dat tweemaal was gevolgd, had de pijn niet verminderd.
In het paleis van graaf Schwarzenberg klonk nu vroo-lijke, jubelende dansmuziek, het gezelschap had zich uit de eetzaal naar de twee danszalen en de aangrenzende vertrekken begeven. In den grafelijken tuin maakte men toebereidselen voor het vuurwerk, dat ontstoken zou worden ; dit was oorzaak dat bij het vallen van den avond de menigte van alle zijden weder kwam toestroomen, om van dit zeldzame en heerlijke schouwspel te genieten.
De keurvorst had zich aan de speeltafel gezet en de keurvorstin deed een wandeling door den wintertuin, door de heerlijke oranjeriën, die zich aan de achterzijde van het paleis bevonden en waarin men onmiddelijk uit de groote receptiezaal kwam. Graaf von Schwarzenberg had van den keurvorst de vergunning gekregen zich te ver-
35
wijderen, en begeleidde de vorstin. Het geheele gezelschap, met uitzondering van de heeren in de speelzalen, volgde hen. Als een schitterende, glinsterende, in alle kleuren stralende reuzenslang, kronkelde de lange, onafgebroken trein zich door de oranjerie. Men bewonderde den fijnen smaak, waarmede deze bloemenzalen tot kunstmatige tuinen en bosschaadjes waren ingericht; men verheugde zich over de zeldzame, heerlijk riekende bloemen, die lus-schen boschjes myrthen en oranjeboomen uitkwamen: men verlustigde zich in de schoonste vogels, die in kooien waren opgehangen. Ieder woord van lof en bewondering, dat van de lippen der keurvorstin klonk, werd herhaald in de lange rij van dames en heeren, die haar volgden, en deze kreten van verrukking waren huldigingen en vleierijen, welke men den trotschen en machtigen bezitter van al deze heerlijkbeden, graaf von Schwarzenberg, toebracht.
Slechts twee menschen waren in dit schitterend gezelschap, die weinig acht gaven op de bloemen en vogels, die niet instemden met de bewonderingen en loftuitingen der overigen. Deze twee waren prinses Louize Charlotte en graaf Adolf Johann von Schwarzenberg.
Zij volgden onmiddellijk achter de keurvorstin; de jonge graaf had de Prinses zijn arm geboden en zij had hem met een lichten blos aangenomen. De keurvorstin, die voor hen uitging, werd geheel in beslag genomen door graaf Adam von Schwarzenberg, met een geestig en boeiend onderhoud. De prinses Medwig Sophie, die met twee hofdames achter haar zuster volgde, praatte en lachtte, keek naar vogels en bloemen, en hield, door een gedurig vertoeven bij een zeldzame plant of een pratende papegaai, meermalen het geheele gezelschap op en belette het voortgaan, zoodat tusschen de beide voorgaande paren en de volgende een ledige ruimte ontstond.
âIk zou de prinses te voet willen vallen en met vurigen dank baar handen kussen,quot; fluisterde graaf Adolf, toen de stoet weder achter hen werd opgehouden.
âWaarom ?quot; vroeg Louize Charlotte glimlachend.
âWaarom? Omdat ze mij een gelukkig oogenblik verschaft, waarin ik u zeggen kan, dat ik u bemin, grenzeloos bemin. Ach, waarom kan ik dit woord niet luide uitroepen, zoodat het als een lichtende bliksemstraal door deze ruimte vlamme. 't Zou een vuur zijn, dat als de bloem-
30
knoppen ontluiken, al de vruchten zou doen rijpen. Ik bemin u, Louize Charlotte! Ik zou hier willen nederknielen en u, mijn gebiedster, mijn godin, eeuwig willen herhalen: Ik bemin u! Ik beh de uwe! ach, maar gij . .
âNu?quot; vroeg zij met stralenden blik. âNu, waarom voleindt ge niet?quot;
âGij zijt niet de mijne,quot; zuchtte hij. âZoo gij het waart, zoudt ge de woorden, die gloeiend uit mijn hart stroomen, niet zoo vreemd en koel beantwoorden; zoo ge het waart, zoudt ge mijn smeeken verhooren en mij een zalige minuut van samenzijn toestaan.'
âHeb ik u niet gezegd, Adolf,quot; fluisterde zij, dat ge morgen vroeg de oude Truida op het slotplein zult ontmoeten? Zij zal u bericht geven.quot;
âDat hebt ge gezegd, maar-zoo ge mij beminde, behoefde ge niet na te denken om mij zulk een gunst te verleenen. Zoo ge mij bemindet, zoudt ge gisteren, wetende dat ik tei'uggekeerd was, gedacht hebben, dat voor ons een ongestoorde ontmoeting noodwendig is, en ge zoudt ze mij toegestaan hebben als een vrijwillige gunst, zooals de goden in verheven edelmoedigheid aan de stervelingen verleenen. In plaats hiervan zal morgen eerst de oude Truida mij als bode worden gezonden.quot;
Prinses Louize Charlotte lachte en bloosde tegelijkertijd. âMisschien ben ik toch niet zoo onverschillig als ge denkt, graaf Adolf von Schwarzenberg,quot; zeide zij met een bekoorlijke uitdrukking van verlegenheid. âMisschien had ik reeds vroeger overlegd, dat het noodzakelijk was met u een onderhoud te hebben, al ware het slechts om u over uw heftigheid te beknorren. Misschien weet ik reeds, waar wij elkander zien kunnen en is de oude Truida in 't geheel niet noodig.quot;
âZoo gij waarheid zegt, zou ik de gelukkigste der men-schen zijn. Maar ik geloof u niet, ik kan van mijn trotsche, hardvochtige prinses niet gelooven, dat zij waarlijk....quot;
âZoo ge mij niet wilt gelooven, zal ik u overtuigen,quot; viel zij hem glimlachend in de rede. âLet nauwkeurig op alles wat ik doe.quot;
Zij liet zijn arm los en bleef voor een heerlijke manillabloesem staan en roemde haar schoonheid en geur. Terwijl zij dit deed stak zij, toevallig, haar kleine hand in den zak van haar plooirijk kleed, en toen die weder te
37
voorschijn kwam was zij gesloten. Zij wachtte, tot haar zuster met de hofdames naderde en maakte haar opmerkzaam op de prachtige bloem en de volière met de fraaie vogels, die er achter stond. Toen ging zij verder, in het gelukkig bewustzijn, dat de prinses zich bij die bloemen en vogels lang zou ophouden en zij geheel onopgemerkt met haar geliefde kon spreken.
âWat heb ge in uw hand, Louize?quot; vroeg de graaf in ademlooze spanning.
âEen briefje aan d'n graaf Adolf Johann von Schwar-zenberg,quot; antwoordde zij glimlachend en haastig drukte ze hem het kleine saamgedrukte papier in de hand.
Zijn gelaat verhelderde van blijde verrukking en hij maakte een beweging of hij voor haar wilde knielen, maar de prinses hield hem terug.
âOm Godswil, Adolf, bedenk dat wij niet alleen zijn.quot; fluisterde zij haastig.
âIk ben alleen met u, al waren er ook millioenen men-schen om ons,quot; zeide hij, âik ben alleen met u in het paradijs. Gij zijt de eerste, de eenige vrouw op aarde; ik aanschouw u met de verrukking, welke Adam gevoelde, toen hij de hem geschonkene vrouw aan zijn zijde zag. Gij hebt mij in het paradijs der onschuld en des vredes gevoerd, mij tot een Adam gemaakt, die nog geen vrouw gezien, geen vrouw bemind heeft. O, mijn geliefde, ge hebt mij zalig gemaakt. Het briefje, dat ge in mijn hand hebt gedrukt, is het toovermiddel, dat mijn geheele wezen met hemelsch vuur doorgloeit. Ik moet het zien ; de woorden, welke gij mij geschreven hebt, moet ik met mijn oogen, met mijn hart lezen.quot;
âIk zal u zeggen, wat het behelst,quot; zeide zij glimlachend. Er staat in: Dinsdagavond te tien uur is de kleine deur San de Domzijde niet gesloten, maar staat slechts aan. Men komt van daar op een kleine voorplaats, rechts van welke zich een deur bevindt. Deze opent men en gaat den trap op, die er achter ligt. Boven gekomen, gaat tnrfl den kleinen gang links door tot aan de deur aan het einde. Zij zal open zijn.quot;
âDinsdagavond,quot; fluisterde hij, diep ademend en met zalige verrukking, âen. . .
Drie kononschoten overstemden zijn woorden, zij verkondigden den aanvang van het vuurwerk. Haastig naderde
Mülhbaoh, Be groote Keurvorst en zijn tijd. II. ⢠3
40
familie waren gelegen. Hij riep tot den schildwacht, die daar op en neder ging, met luide stem: âDe Witte Vrouw! de Witte Vrouw!quot;
De beide soldaten, van panischen schrik overmeesterd, liepen den gang door, om het ook de andere schildwachten te verkondigen, en zoo werden allen in dezelfde verschrikking, dezelfde ontzetting mede gesleept.
De keur prins Friedrich Wilhelm lag met open oogen op zijn bed. Sadert een half uur waren de pijnen, die in zijn ingewanden woedden, iets minder geworden en genoot hij meer rust. Deze rust had den ouden Dietrich overweldigd, en hij was van droefheid in slaap gevallen.
De prins was wakker; hij bevond zich in dien opgewonden toestand, waarin de gespannen en trillende zenuwen aan den geest een wonderbare scherpte en helderheid verleenen, en de ziel met ver zienden blik het geheele verledene, de geheele toekomst kent en begrijpt.
Hij zag voor zich zijn verleden met al zijn strijd, zijn ontberingen, zijn onuitsprekelijke vreugden en smartelijke teleurstellingen. Over al het lijden van het tegenwoordige zag hij in de toekomst, wier idealen met goddelijke helderheid voor hem stonden, hem wenkten en hem tot zich riepen. Hij zag den roem, hij zag de eer, hij hoorde den donder der veldslagen, hij zag een woesten bajert, en uitdien bajert iets, een vasten vorm opstijgen; al grooter wordende verkreeg die gedaante een wezen; 't was een land, zijn land, 't welk hij voor zich geschapen, dat hij uit den bajert te voorschijn gebracht had. Hij zag een gelukkig, tevreden volk, menschen met een vroolijk gemoed, hij hoorde hen roepen: âLeve onze keurprins Friedrich Wilhelm! Leve onze redder, onze vader!quot; Het ideaal, dat plechtig en stil, zoolang hij denken kon, op den bodem zijner ziel had gerust, het ideaal, dat hij zich gedacht had, toen hij als knaap bij het lijk van zijn oom Gustaaf Adolf had gestaan, dat ideaal was nu waarheid en werkelijkheid. Hij was een met roem gekroond vorst, bemind door een gelukkig en sterk volk.
âIk kan niet sterven,quot; riep hij met forsche stem, âik mag niet sterven!quot; '
âNeen, gij moogt niet sterven,quot; zeide een welluidende, plechtige stem, terwijl een witte gestalte naderde, wier groote zwarte oogen hem tegenblonken.
41
Friedrich Wilhelm wilde zich oprichten, maar hij kon niet; zijn leden waren verlamd en als met ijzeren banden voelde hij zich aan zijn bed geketend.
âWie zijt ge?quot; vroeg hij zacht. Wat wilt gijhier^Men zegt, dat degene aan wien ge u vertoont, den dood is gewijd, en nu komt ge mij zeggen, dat ik niet sterven mag?quot;
âAllen zijn wij den dood gewijd,quot; antwoordde de witte gedaante, âmaar voor u is dit uur nog niet gekomen. Ik ben niet alleen hier gekomen om u dit te zeggen, maar om u te redden.quot;
âMij te redden? Ge weet dus dat ik in gevaar ben?quot;
âJa, in levensgevaar! Graaf von Schwarzenberg heeft u doen vergiftigen. Brandt het niet in uw ingewanden? Voelt ge niet een gloeiend vuur in uw aderen? Is uw hoofd niet zwaar en duizelig?quot;
,Ik zie, dat ge weet, wat ik lijd. Kent ge het vergift, dat men mij ingegeven heeft?quot;
âIk ken het, maar ik ken ook het middel, dat zijne werking vernietigd; ik ken het tegengiften heb het medegebracht. Ik wil u redden!quot;
âMij redden! vroeg de keurprins. âSterf ik nog niet spoedig genoeg? Heb ik niet genoeg van den doodelijken drank genomen. Wilt ge hem mij nu als een schijnbaar geneesmiddel ingeven? Dit kunstje is dom overlegd. Ik drink niet.quot;
,.Ongelukkige prins, gij wilt dus niet leven?quot; vroeg zij smartelijk. âLuister naar mij, Friedrich Wilhelm. Zoo ge draalt, zijt gij verloren, er is dan geen redding mogelijk. Niemand kan u redden, zoo ik het niet doe! Denk niet, dat ik van u dank of belooning wil verdienen! Ik ben hier gekomen met gevaar van mijn leven, iedere minuut, die ge draalt, vergroot voor u en voor mij het gevaar. De soldaten zijn bij mijn verschijning gevlucht; als zij hier komen, om naar de Witte Vrouw te zien, ben ik verloren, en gij met mij, want ik kan u het tegengift dan niet meer ingeven!quot;
âZeg mij wie ge zijt, opdat ik zie of ik u vertrouwen kan ?quot;
âWie ik ben?quot; \?roeg zij. âIk ben een arme vrouw, die op aarde niets bezit dan een hart, welke niets bemint dan een ongelukkigen, beklagenswaardigen man, wien
42
niet zijn wil, maar zijn noodlot een misdadiger heeft gemaakt. Ik en zijn kind waren in levensgevaar, en om ons te redden heeft hij een misdaad begaan! Keurprins Frie-drich Wilhelm, de graaf von Schwarzenberg heeft u laten vergiftigen door Gabriel Nietzel. Ik kom u redden! Niet om uwentwil! Wat bekommer ik mij om u, maar ik bemin Gabriel Nietzel en wil niet dat zijn ziel bezwaard is met een misdaad, dat zijn hart breekt door gewetensangst en berouw. Mijn lieve Gabriél heeft een week hart en is niet geschapen om een moordenaar te zijn. Daarom wil ik hem van den vloek verlossen. Gelooft gij mij nu? Wilt ge thans mijn middel beproeven?quot;
De keurprins lag zwijgend en onbewegelijk, zijn groote wijd geopende oogen zagen bespiedend en onderzoekend op naar de witte gedaante, also! zij door den sluier wilden dringen en in haar gelaat lezen.
Rebekka had hier een gevoel van en liet den witten doek van haar hoofd vallen. âZie in mijn gelaat,quot; zeide zij, âlees er in, dat ik waarheid spreek.quot;
âOok Gabriel Nietzel is gekomen om mij te waarschuwen,quot; mompelde de keurprins zich wringend van pijn, âen toch is hij het geweest, die mij vergiftigde.quot;
âGenadige heer, mijn geliefde, genadige heer,quot; riep nu Dietrich, terwijl hij naar het bed kwam en op zijn knieën viel. âIk smeek u, neem niets van .haar aan. Ik heb alles gehoord, en ik zeg u, dat het Schwarzenberg is, die deze vrouw tot u zendt. Vertrouw haar niet, mijn geliefde prins, neem haar middelen niet in Iquot;
âVertrouw mij,quot; zei Rebekka bedaard. âAls u het leven lief is, als ge nog op een toekomst hoopt, als ge u op den vreeselijken man wilt w7reken, die uw eigenlijke moordenaar is, van wien mijn arme geliefde slechts het werktuig is geweest, neem dan de redding aan, welke ik u breng!quot;
âJaquot; riep de keurprins, met verhelderenden blik, âik wil het nemen! Geef mij, uw middel! Stil, Dietrich, stil! Ik wil het nemen!quot;
âGeloofd zij Jehova,quot; zeide zij verheugd, en haalde uit haar boezem een fleschje te voorschijn. âVoor ik u deze artsenij ingeef, moet ik u nog dit zeggen, Friedrich Wilhelm. Ge zult, zoodra gij ze genomen hebt, in een diepen slaap vallen, die schier op den dood gelijkt. Zoo gij daar in gestoord wordt, is mijn middel krachteloos.quot;
43
%
âDietrich,quot; zeide de prins bedaard, âge moet zorgen, dat niemand mijn slaap stoort. Ik beveel het u!quot;
âIk zal gehoorzamen, genadige heer,quot; prevelde Dietrich.
âAls ge na zes uren ontwaakt,quot; voer Rebekka voort, âzult ge een onuitsprekelijk aangename gewaarwording gevoelen. Laat u hierdoor niet misleiden, beproef niet uw bed te verlaten. Rust is voor u noodzakelijk, eerst dan zijt gij op den weg der genezing. Om u geheel te genezen, moet ik morgen nacht weerkomen en u nog eens de medicijnen geven! Zorg, dat ge morgen nacht, gelijk heden, alleen zijt met den ouden Dietrich. Hij is een trouw dienaar, die u zal bewaken en aan niemand zeggen, wat hij gezien en gehoord heeft; dat hoop ik bij God, want ik ware verloren zoo hii mij verried.quot;
âIk zweer,quot; dat ik zwiigen zal,quot; zei Dietrich plechtig.
âNu genoeg,quot; riep zij. âZie, Dietrich, de pijnen beginnen op nieuw en zijn gelaat trekt krampachtig. Wij willen hem verzachting bezorgen.quot;
Zij nam van de tafel een glas en goot er de helft van het bruine vocht in, dat het fleschje bevatte. Toen boog zij zich over den prins en hield het glas aan zijn lippen,
âDrink,quot; zeide zij plechtig, âdrink, en de Heer onze God moge den drank zegenen.quot;
De prins dronk met langzame teugen en ledigde het glas tot den laatsten droppel. Toen slaakte hij een kreet en zonk bewusteloos in de kussens.
âZoo ge hem vermoord hebt,quot; riep Dietrich, dreigend zijn vuist opheffende; âwees dan verzekerd, dat ik u zal vinden en aan den beul overleveren.quot;
Zij keerde zich langzaam om en trok den witten sluier weder over haar gelaat. âMorgen nacht kom ik terug,quot; zeide zij. âPas hem goed op, Dietrich, en zorg, dat hij niets anders gebruikt, dan wat gij hem zelf toedient.quot;
Toen opende zij de deur en ging heen. De gang was nog altijd verlaten, de schildwachten hadden het nog niet gewaagd op hun post terug te keeren. Zij hadden zich allen heneden in de wachtkamer verzameld, die aan de achterzijde van het paleis naar den kant der Spree was gelegen; bleek van angst en schrik, spraken zij fluisterend over de schrikbarende gebeurtenis. Eensklaps kwam het hun voor, alsof zij buiten, voorbij de vensters een witte schaduw zagen zweven, die met twee groote, vonkelende
44
oogen naar binnen staarden. Zij sprongen overeind, snelden de kamer het paleis uit en schreeuwden : âDe Wille Vrouw! de Witte Vrouw!''
Een paar nieuwsgierigen, die van Schwarzenbergs paleis kwamen, hoorden dien kreet en schreeuwden hem anderen toe; als de stormwind ging dit voorwaarts, joeg allen op vol schrik en ontzetting, bruiste huilend door den nacht heen, drong Schwarzenberg schitterend verlicht paleis binnen tot in de danszaal, waar de vermoeide paren den laatsten dans uitvoerden.
âDe Witte Vrouw! De WTitte Vrouw heeft zich in het paleis vertoond.quot;
Zoo klonk het eerst zacht, toen luider en luider; de dansenden houden op, de muziek zwijgt, de keurvorst is van zijn speeltafel opgestaan en de keurvorstin heeft de prinsessen uit de rijen der dansenden laten roepen.
âDe Witte Vrouw is in het paleis gezien! Dit vreeselijk bericht, 'twelk zijn gemalin den keurvorst bracht, heeft hem met schrik uit zijn aangename stemmingen vrooiijk-heid gewekt. De Witte Vrouw bedreigt met doodsgevaar! De gedachte daaraan- vervult zijn geheele ziel en maakt hem eensklaps volkomen nuchter en ernstig.
âDe Witte Vrouw heeft zich in het paleis vertoond,quot; zucht de keurvorstin, âen mijn zoon Friedrich Wilhelm is ziek. Ik moet tot hem, ik moet tot mijn zoon!quot;
Het rijtuig rolt naar het paleis. De keurvorst drukt zich zwaarmoedig in een hoek en denkt: âZoo ik maar wist of zij witte of zwarte handschoenen aan had. Misschien heeft zij mij slechts willen waarschuwen, misschien is het nog tijd om het onheil te ontvluchten! De lucht is zeer slecht te Berlijn en ik erger mij hier te veel. Toen wij van Koningsberg het paleis inreden, struikelde een paard voor ons rijtuig. Dat was een kwaad voorteeken; wij hadden er acht op moeten geven en dadelijk om-keeren! Misschien is 't nog tijd en kunnen wij de ramp ontvluchten, zoo wij naar Koningsberg wederkeeren! Zoo ik slechts wist welke handschoenen de Witte Vrouw gedragen beeft 1quot;
âZeg mij toch, wat is dat voor een sprookje van de Witte Vrouw?quot; vroeg graaf von Schwarzenberg zijn kamerjonker von Lehndorf, toen de gasten zich verwijderd hadden.
45
âExcellentie, een dei- schildwachten, die heden dienst in het kasteel hadden, kwam het paleis binnenstormen en schreeuwde als een razende: de Witte Vrouw! Ik heb de Witte Vrouw gezien! Ik moet den keurvorst spreken! Ik heb de Witte Vrouw gezien! Ik verzeker uwe excellentie, 'twas inderdaad vreeselijk, dien armen man, doodsbleek, met knikkende knieën en aan al zijn leden bevende te zien. Mij zeiven liep een rilling door 't lichaam, hoewel ik anders volstrekt niet bevreesd en bij-geloovig ben. Maar 'tis toch zeer toevallig, dat de Witte Vrouw juist heden verschijnt, nu de keurprins zoo eensklaps ziek is geworden.quot;
âJa, 'tis zonderling,quot; zei von Schwarzenberg dè schouders ophalende, âik zou wel willen weten hoe dit in elkander zit. Nu, ik hoop het te doorgronden en dan zal zich deze spookgeschiedenis wel in een belachelijke werkelijkheid oplossen. Men moet morgen vroeg al de soldaten, die dezen nacht in het kasteel de wacht hebben gehad, hier doen komen. Ik wil hen zelf in verhoor nemen : ook moet men de vrouw van den concierge roepen. Zij is een brave vrouw, met nuchter verstand; van haar zal ik het best vernemen, wat deze maskerade te beduiden heeft. Goeden nacht, Lehndorf; slaap uw schrik uit, aandoenlijk mensch, wien nog een kinderachtige rilling overvalt, als men hem een bakersprookje vertelt. Ik benijd u waarachtig om uw kolenbranders-geloof, bespottelijk mensch! Maar nog iets: welke berichten heeft men van den keurprins?quot;
âGenadige heer, volgens de laatste tijding was er eenige rust gekomen en was de keurprins in een diepen slaap geraakt!quot;
âZeer goed!quot; [zei de graaf, zijn kabinet binnengaande, âGoeden nacht, Lehndorf!quot;
46
X.
DE VERVOLGING.
Den volgenden morgen nam graaf von Schwarzenberg al de schidwachten in verhoor, die den vorigen nacht in het kasteel waren geweest. Zij verklaarden eenstemmig, dat zij volkomen wakker en nuchter waren geweest, toen zij de Witte Vrouw hadden gezien. De schildwacht voor de keurprinselijke kamers had haar de vertrekken van den keurprins zien binnengaan en duidelijk gehoord, dat de deur zich achter haar gesloten had. Al de schildwachten verzekerden, dat zij later de Witte Vrouw voorbij de vensters der wachtkamer hadden zien gaan en zij met groote zwarte oogen naar hen in de wachtkamer had gekeken. Zij huiverden en beefden nog bij de herinnering aan deze vreeselijke verschijning, en zwoeren, dat zij liever wilden sterven, dan nogmaals die vreeselijke vrouw te zien.
Toen de soldaten zich verwijderd hadden, kwam de vrouw van den concierge, welke de kamerjonker von Lehndorf had ontboden.
âWat zegt gij van het spook van dezen nacht?quot; vroeg graaf von Schwarzenberg, de vrouw vriendelijk groetende.
âGenadige heer,quot; antwoordde de oude vrouw plechtig, âik zeg dat een lid der keur vorstelijke familie sterven zal.''
âWat? Gij, de verstandige, schrandere, geestige vrouw Kühlwein, gelooft gij ook al aan deze bespottelijke geschiedenis?quot;
âJa, genadige heer, omdat ik de Witte Vrouw ken en haar reeds meermalen gezien heb.quot;
âO!quot; glimlachte de graaf, âgij rekent de Witte Vrouw onder uwe kennissen, gij hebt haar zelfs meermalen gezien? Verhaal mij eens, mijne lieve vrouw! Wanneer hebt gij het spook voor het eerst gezien ?quot;
âBijna twintig jaren geleden, genadige heer. Ik was toen een jaar te Berlijn. Uw genaile weet wel, dat ik als kamenier van wijlen mevrouw uw gemalin uit Venetië hier was gekomen en de domheid had begaan, de goede
47
dienst bij wijlen mevrouw de gravin te verlaten en met den jongen coneierge Kühlwein te trouwen.quot;
âWaarom noemt ge dat een domheid?quot; vroeg graaf von Schwarzenberg lachend. âIk heb altijd gemeend, dat ge met uw man in goede harmonie leeft?quot;
âDat doe ik ook, excellentie, maar 'tis altijd voor een vrouw, die op zich zeiven kan leven, een domheid, als zij zich aan een man onderwerpt. Ik kon op mij zelve leven, ik had een goed loon van uw excellentie en stond in zeer hooge gunst bij wijlen mevrouw de gravin. Vaak heeft zij mij, toen ik haar na mijn huwelijk had verlaten, bij zich laten ontbieden en dan spraken wij te zamen van ons schoone geboorteland, van ons geliefd Venetië. Ach, excellentie, wij hebben dikwijls met elkander geweend en vurig naar de Lagunenstad terugverlangd. Wie vandaar komt, raakt nimmer van het heimwee vrij, en hoever hij ook gaat, zijn hart blijft in Venetië. Dit heeft mij de gravin dikwijls gezegd; zij weende dan zoo smartelijk en dit deed haar zoo goed, en . . .quot;
âGij zoudt mij verhalen, wanneer ge de Witte Vrouw het eerst gezien had,quot; viel von Schwarzenberg haar in de rede, wien de herinnering aan zijne vrouw onaangenaam was, daar hij zeer goed wist, dat zij aan zijn zijde weinig gelukkige dagen beleefd had.
â't Is waar, ik bid u om vergeving, excellentie,quot; antwoordde juffrouw Kühlwein. â't Was in 'tjaar 1619, dat ik de Witte Vrouw voor de eerste maal zag. Ik was 's nachts laat opgebleven, want het was eenige dagen voor het Kerstfeest, en ik wilde, volgens Duitsch gebruik, voor mijn man een kerstgeschenk maken, maar het borduurwerk, dat ik voor hem vervaardigde, was nog niet af. Ik zat te naaien, toen ik eensklaps iets als een kouden windtocht aan mijn wang voelde, of iemand haastig voorbij ging. Ik zie verschrikt op, en voor mij staat een groote, witte vrouwengestalte, die mij van onder haar sluier met glinsterende, zwarte oogen aanziet, en daarop naar de deur gaat; maar eer zij er uit gaat, heft ze haar armen ten hemel en vouwt de handen, die met zwarte handschoenen bedekt waren, als tot een vurig gebed, samen. Zuo stond zij een poos en verdween, zonder dat ik de deur had zien openen of sluiten. Ik had, zoo lang het spook er was, geheel bewegingloos gezeten; het was of
46
X.
DE VERVOLGING.
Den volgenden morgen nam graaf von Schwarzenberg al de schidwachten in verhoor, die den vorigen nacht in het kasteel waren geweest. Zij verklaarden eenstemmig, dat zij volkomen wakker en nuchter waren geweest, toen zij de Witte Vrouw hadden gezien. De schildwacht voor de keurprinselijke kamers had haar de vertrekken van den keurprins zien binnengaan en duidelijk gehoord, dat de deur zich achter haar gesloten had. Al de schildwachten verzekerden, dat zij later de Witte Vrouw voorbij de vensters der wachtkamer hadden zien gaan en zij met groote zwarte oogen naar hen in de wachtkamer had gekeken. Zij huiverden en beefden nog bij de herinnering aan deze vreeselijke verschijning, en zwoeren, dat zij liever wilden sterven, dan nogmaals die vreeselijke vrouw te zien.
Toen de soldaten zich verwijderd hadden, kwam de vrouw van den concierge, welke de kamerjonker von Lehndorf had ontboden.
âWat zegt gij van het spook van dezen nacht?quot; vroeg graaf von Schwarzenberg, de vrouw vriendelijk groetende.
âGenadige heer,quot; antwoordde de oude vrouw plechtig, âik zeg dat een lid der keurvorstelij ke familie sterven zal.''
âWat? Gij, de verstandige, schrandere, geestige vrouw Kühlwein, gelooft gij ook al aan deze bespottelijke geschiedenis?quot;
âJa, genadige heer, omdat ik de Witte Vrouw ken en haar reeds meermalen gezien heb.quot;
âO!quot; glimlachte de graaf, âgij rekent de Witte Vrouw onder uwe kennissen, gij hebt haar zelfs meermalen gezien? Verhaal mij eens, mijne lieve vrouw! Wanneer hebt gij het spook voor het eerst gezien ?quot;
âBijna twintig jaren geleden, genadige heer. Ik was toen een jaar te Berlijn. Uw genade weet wel, dat ik als kamenier van wijlen mevrouw uw gemalin uit Venetië hier was gekomen en de domheid had begaan, de goede
47
dienst bij wijlen mevrouw de gravin te verlaten en met den jongen concierge Kühlwein te trouwen.quot;
âWaarom noemt ge dat een domheid?quot; vroeg graaiquot; von Schwarzenberg lachend. âIk heb altijd gemeend, dat ge met uw man in goede harmonie leeft?quot;
âDat doe ik ook, excellentie, maar 'tis altijd voor een vrouw, die op zich zeiven kan leven, een domheid, als zij zich aan een man onderwerpt. Ik kon op mij zelve Je ven, ik had een goed loon van uw excellentie en stond in zeer hooge gunst bij wijlen mevrouw de gravin. Vaak heeft zij mij, toen ik haar na mijn huwelijk had verlaten, bij zich laten ontbieden en dan spraken wij te zamen van ons schoone geboorteland, van ons geliefd Venetië. A.ch, excellentie, wij hebben dikwijls met elkander geweend en vurig naar de Lagunenstad terugverlangd. Wie vandaar komt, raakt nimmer van het heimwee vrij, en hoever hij ook gaat, zijn hart blijft in Venetië. Dit heeft mij de gravin dikwijls gezegd; zij weende dan zoo smartelijk en dit deed haar zoo goed, en . . .quot;
âGij zoudt mij verhalen, wanneer ge de Witte Vrouw het eerst gezien had,quot; viel von Schwarzenberg haar in de rede, wien de herinnering aan zijne vrouw onaangenaam was, daar hij zeer goed wist, dat zij aan zijn zijde weinig gelukkige dagen beleefd had.
â'tls waar, ik bid u om vergeving, excellentie,quot; antwoordde juffrouw Kühlwein. â't Was in 'tjaar 1619, dat ik de Witte Vrouw voor de eerste maal zag. Ik was 's nachts laat opgebleven, want het was eenige dagen voor het Kerstfeest, en ik wilde, volgens Duitsch gebruik, voor mijn man een kerstgeschenk maken, maar het borduurwerk, dat ik voor hem vervaardigde, was nog niet af. Ik zat te naaien, toen ik eensklaps iets als een kouden windtocht aan mijn wang voelde, of iemand haastig voorbij ging. Ik zie verschrikt op, en voor mij staat een groote, witte vrouwengestalte, die mij van onder haar sluier met glinsterende, zwarte oogen aanziet, en daarop naar de deur gaat; maar eer zij er uit gaat, heft ze haar armen ten hemel en vouwt de handen, die met zwarte handschoenen bedekt waren, als tot een vurig gebed, samen. Zoo stond zij een poos en verdween, zonder dat ik de deur had zien openen of sluiten. Ik had, zoo lang het spook er was, geheel bewegingloos gezeten; het was of
48
miju hart stilstond, ik wilde schreeuwen, maar kon niet. Toen zij weg was, schreeuwde ik vreëselijk; mijn man kwam toeschieten; ik kreeg het op de zenuwen en schreide uren lang. Mijn man wilde mij de zaak uit het hoofd praten en ik moest hem beloven er niemand over te spreken. Maar het hielp niet, dat ik het verzweeg; den volgenden morgen wisten het al de lieden in het kasteel, dat de Witte Vrouw zich had vertoond, want velen hadden haar ook gezien. De oude keurvorst, Johann Sigis-mund, werd zoo angstig voor de Witte Vrouw en vreesde dat zij ook tot hem zou komen, dat hij nog denzelfden dag het paleis verliet en zijn intrek nam bij zijn kamerdienaar Freitag, in de Poststraat. Daar stierf hij reeds na twee dagen, juist twee dagen voor het kerstfeest De Witte Vrouw had dus gelijk met haar zwaren rouw en zwarte handschoenen 1). Het hoofd der familie was niet overleden, want de oude keurvorst had afstand gedaan en de keurvorst Georg Wilhelm had destijds reeds de regeering aanvaard.quot;
âWaarlijk, dat klinkt heel ernstig,quot; riep graaf vonSchwar-zenberg, âen daar gij hot spook toen met uw eigen oogen hebt gezien, wil ik er niet tegen strijden. Maar ge zeidet, meen ik, dat ge het meermalen hebt gezien?quot;
âNog tweemaal, genadige heer. De tweede keer was in 'tjaar 1625. Toen stond de Witte Vrouw weer op zekeren nacht midden in mijn kamer, en hief haar armen weer ten hemel; vóór zij verdween; weer droeg zij zwarte handschoenen. Den volgenden dag stierf de broeder van den heer keurvorst, de markgraaf Joachim Sigismund 2).quot;
âEn de derde maal?quot;
âDe derde maal zag ik de Witte Vrouw, nu tien jaren geleden, in 4628. Zij had weer zwarte handschoenen aan; maar ditmaal een zwarten sluier. Zij ging weer door mijn kamer, maar weende niet nog wrong de handen. Zij was
1
Men bediende zich destijds nog van de witte kleur voor den zwaren rouw, en droeg voor halven rouw zwarte handschoenen; derhalve verscheen ook de Witte Vrouw, als zij den dood van den regeerenden vorst of van zijne gemalin aankondigde, geheel in het wit, daarentegen, als slechts een lid der familie stierf, in het wit met zwarte handschoenen.
2
Zie: Allgemeines Archiv, etc. S. 93.
40
ook aan den heer keurvorst zei ven verschenen, en had hem eenige latijnsche woorden gezegd, die in het Duitsch, zooals mijn man zeide, heteekenen moesten: De gerechtigheid komt over de levenden en de dooden.quot; ')
âIk herinner mij deze laatste geschiedenis zeer goed,quot; zei graaf von Schwarzenherg met een zonderlingen glimlach. âZijn keurvorstelijke genade was hevig door het spook verschrikt, men gaf er toen de heteekenis aan, dat het door zijn verschijning de vreeselijke oorlogsjaren wilde aankondigen, want niemand stierf in de keurvorstelijke familie. Maar zeg mij, vrouw Kühlwein, op welken tijd verscheen u gisteren de Witte Vrouw en hoe was zii gekleed ?quot;
âDat kan ik niet nauwkeurig zeggen, excellentie, want ik heb haar gisteren niet gezien. De soldaten en de nacht-wachts verzekeren, dat zij geheel in 't wit was gekleed, bijgevolg betoekent het den dood van een zeer hoog persoon.quot;
âHebt ge gisteren de Witte Vrouw in 't geheel niet gezien? Ik dacht, dat zij altijd door uw kamer kwam, vrouw Kühlwein?quot;
âZij heeft dezen keer een anderen weggenomen, excellentie, en iets zeer buitengewoons is geschied; zij^is ook buiten het paleis verschenen, want de soldaten zeggen, dat zij voorbij hunne vensters is gegaan, en de nachtwacht, die juist zijn ronde deed, beweert, dat hij een witte gedaante langs den muur heefi zien zweven. Het schijnt, dat de Witte Vrouw ditmaal van de Spreezijde is gekomen en den grooten gang niet is doorgegaan, maar ziclf regelrecht naar de keurprinselijke vertrekken heeft begeven. De schildwacht zegt, dat zij er is binnen gegaan en hij duidelijk gehoord heeft, dat de deur kraakte en dichtsloeg, toen zij naar binnen ging.quot;
âHoort men anders het openen en dichtslaan der deur ook?' vroeg de graaf.
âNeen, excellentie, ik heb 't nooit gehoord; het was altijd of de deur zich volstrekt niet opende en de Witte Vrouw als in een waas verdween.quot;
âEn zij begaf zich alleen in de keurprinselijke vertrekken? Weet ge wie er in was?quot;
1) âVeni judicia vivos et mortuosquot; had zij gpzegd. Zie: Buchholz, Bran-denburgisohe Geschichte III. S. 579.
50
âNaar ik gehoord heb, niemand dan de keurprins en zijn kamerdienaar. Ik zelf was nog niet te huis, toen het gebeurde. De hofmeesteres uwer excellentie had mij verzocht, um tiaar, up het feest van gisteren, to helpen, en ik spoedde mij naar huis, toen ik hoorde, dat de Witte Vrouw zich in het kasteel vertoond.quot;
âMaar ge hebt zeker den kamerdienaar van den keurprins gezien en hem er naar gevraagd
âHij is de eenige in het kasteel, dien men noch met kwade, noch met goede woorden naderen kan, excellentie, en die zich niet laat uithooren. Ik heb het trouwens beproefd en hem naar de Witte Vrouw gevraagd, maar hij antwoordde, dat hij niets gezien had en aan geen bakersprookjes geloofde. Hij wist slechts, dat zijn jonge heer keurprins ziek was en bekommerde zich verder over niets.quot;
âDe heer keurprins is dus nog altijd ziek?quot; vroeg graaf von Schwarzenberg onverschillig. âHij heeft zijn roes nog niet uitgeslapen?''
âGenadige heer, ik geloof niet, dat 't een roes was, want dan zou de prins heden weer hersteld zijn! Maar hij is nog volstrekt niet beter en mevrouw de keurvorstin, die haar hoer zoon heden morgen bezocht heeft, barstte in luid schreien uit, toen zij hem gezien had, want hij moet er uitzien als een lijk.quot;
âHeeft hij mevrouw de keurvorstin herkend en met haar gesproken?quot;
âHij herkent niemand, trj slaat de oogen in 't geheel niet op, maar ligt strak en stijf als een doode, en zoo hij niet bij wijlen adem haalde, zou men gelooven, dat hij dood was. Dit heeft mij de kleine prinses straks zelve verhaald, toen ik haar toevallig in den gang ontmoette, terwijl zij uit de vertrekken van haar heer broeder terugkwam. De lijtarts heeft echter gezegd, dat deze slaap het gelukkig gevolg zijner medicijnen was, en dat, als de keurprins ontwaakte, hij geheel hersteld zou zijn. Hij heeft dus bevolen, dat niemand meer bij den prins mocht toegelaten worden, en Dietrich bewaakt nu de deur als een Cerberus.quot;
âHier doet hij wel aan, juffrouw Kühlwein. Ik dank u voor uw mededeelingen, en zoo er iets nieuws mocht voorvallen, verzoek ik u, dat ge 't mij onmiddellijk komt zeggen. Maar nog iets; gelooft ge, dat het spook van nacht
51
weder zal komen ? Is het de gewoonte der Witte Vrouw zich meer dan eens te vertoonen ?quot;
âMijn man beweert, dat, als zij, zooals nu, geheel in het wit verschijnt, zij altijd drie nachten achtereen terugkomt. Zoo is het ook geweest, toen de keurvorst Sigismund overleed. Ik heb haar toen maar eenmaal gezien; zij had zwarte handschoenen aan, doch mijn man had haar den volgenden avond geheel in het wit gekleed aan de andere zijde van het kasteel gezien ; den derden avond stierf de keurvorst.quot;
â't Zou toch belangrijk en curieus zijn, als de Witte Vrouw heden nacht weerkwam. Ik ben nieuwsgierig het te weten, en â nu, goeden dag, juffrouw Kühlwein, zoo ge iets nieuws hoort, deel het mij dan mede. Misschien kom ik heden nacht zelt eens in 't kasteel.''
Hij reikte de oude vrouw zijn hand en liet met zijn handdruk een goed gevulde beurs in haar hand glijden. Hij weerde haar dank met een korten groet af en wenkte naar de deur.
De vrouw verwijderde zich en graaf von Schwarzen-berg bleef, in diep nadenken verzonken, alleen in zijn kabinet. De handen op den rug geslagen, ging hij een geruimen tijd op en neder; zijn tred was immer gelijkmatig en bedaard, zijn gezicht scheen vroolijk, geheel onbevangen, en toch woede in hem een storm van hartstochten.
,,Hij leeft nog altijd,quot; zeide hij bij zich zeiven. âMen zou gaan gelooven, dat hij boven quot;zich een ster heeft, die; hem beschermt en bewaakt. Van zijn kindsheid af is 't zoo geweest, en soms, als ik aan hem denk krijg ik een zonderling gevoel, dat ik anders nooit ken â ik vrees voor hem. Hij is mijn vijand, dat weet ik! Zoo ik hem niet ter zijde dring, doet hij het mij. Zoo ik hem niet dood, doodt hij mij. 't Was een noodwendige zaak, dat ik hem wilde wegruimen. Zoo die mij mislukt, ben ik verloren; want ik heb niet zoo spoedig den moed tot een tweede poging. Ik ben soms lafhartig tegenover dit jonge mensch ; ik vrees hem ! Hij is mijn fatum, mijn boos noodlot! En ik kan 't niet afwenden, kan niets meer ondernemen! Er ontbreekt mij een werktuig. O, hoe dwaas was ik dien Nielzel los te laten 1 Ik zou hem met zijn eigen zonden terneer hebben gedrukt! Hij was als was in
52
mijn hand, en zoo dit mislukte, had hij het ten tweede male moeten beproeven. Ik zou er hem toe hebben gedwongen ! Zoo de keurprins werkelijk mocht herstellen, zal Nietzel verblijd zijn, als hij 't hoort, want hij is een weekhartige dwaas, en, was 't niet om Rebekka geweest Nietzel zou nooit te bewegen zijn geweest, de daad te volbrengen. Zelfs toen hij ze uitvoerde, bloedde zijn hart en â hemel,quot; viel hij zich zelf eensklaps in de rede, âwelk een gedachte komt daar bij mij op! Zoo deze Nietzel . . .quot;
Hij zweeg en liet zich in een armstoel nederglijden en legde zijn handen voor zijn gelaat, om door niets in zijn diep nadenken gestoord te worden.
Lang zat hij zóó. Toen nam hij de handen van zijn gelaat, dat weder een trotsche, kalme uitdrukking had aangenomen, en richtte zich op.
âIk moet weten wat deze spookgeschiedenis beteekent,quot; zeide hij zacht voor zich. âNergens is het spook gezien, dan in de voorkamer van den keurprins. Het is niet, gelijk anders, door muren of gesloten deuren gegaan, maar heeft als ieder ander de deur moeten openen en sluiten. Echter ontkent de oude Dietrich, 'dat de Witte Vrouw in de keurprinselijke kamer is geweest. Later heeft men de Witte Vrouw buiten het kasteel gezien; zij is dus niet door de lucht verdwenen, maar als een gewoon mensch uit het kasteel gegaan, 'tls een komplot, dat is duidelijk. Men zweert te zamen met den keurprins en maakt van een masker gebruik om veilig het kasteel binnen te komen; of 't zal ten laatste niemand anders zijn geweest dan Nietzel, die den keurprins bekende, wat hij heeft gedaan, misschien, zoo hij 't vermocht, om hem te genezen. Ik moet het weten! Ik ben zeker, nu gisteren nacht het spel zoo goed gelukt is, dat de verschijning weer zal terugkomen. Daarnaar zal ik maatregelen nemen, en als het zóó is, moge de Witte Vrouw zich voor mij hoeden, want ik ben een goed geesten banner! Ik ga heden nacht zelf naar het kasteel. Waar schildwachten vluchten, daar ga ik! Wij zullen toch eens zien wie sterker is, de Witte Vrouw â of de stadhouder in de Marken!quot;
In het kasteel heerschte den gehoelen dag een treurige stilte, een angstig zwijgen. De keurvorst zelf bleef in zijn
53
kabinet en had den hofprediker Johann Bergius laten roepen om zich met hem eenige uren door vrome ge-bprekken te stichten en met hem te bidden. De vreeselijke onzekerheid, of de Witte Vrouw in zwaren rouw of met zwarte handschoenen was verschenen, verontrustte hem nog altijd, en telkens als er een deur werd geopend, doorliep hem een rilling, want hij meende, dat de Witte Vrouw zelf bij hem zou binnentreden, om hem te komen oproepen.
âTk wil weg, weg uit Berlijn,quot; zeide hij telkens in zich zei ven, âik wil naar Koningsbergen terug, want als ik hier blijf sterf ik van angst. Ik kan niet met het spook in één huis wonen. Ik wil vertrekken! Ha, daar gaat de deur weder open! Wie is er ? Wie waagt het binnen te treden?quot;
âIk ben 't, mijn gemaal,quot; zei de keurvorstin met treurige stem. âIk kom van onzen zoon.quot;
âHoe gaat het hem ?quot; vroeg de keurvorst onverschillig. âHeeft hij zijn roes al uitgeslapenâ¢
âAch, Georg!quot; riep de keurvorstin, in tranen uitbarstende: âik vrees, dat hij geen roes heeft gehad, maar ernstig ziek is. De Witte Vrouw heeft zich niet zonder reden vertoond.quot;
âMeent gij, dat ze om onzen zoon is gekomen?'' vroeg de keurvorst bijna vroolijk. âMeent ge, dat het niet omâquot; Hij zweeg eensklaps en ademde diep, want 'twas of hem een zware last van zijn ziel was gevallen. âMeent ge waarlijk, mevrouw de keurvorstin,quot; vroeg hij vervolgens, âdat de Witte Vrouw om onzen zoon is gekomen?quot;
âIk vrees, ja! Mijn zoonis ziek en zal misschien sterven ; dan is ons huis zonder opvolger en daalt roemloos ten grave. Ach, mijn zoon! mijn zoon! Op hem had ik al mijn hoop gebouwd, en als ik aan hern dacht was de toekomst mij licht en helder !quot;
âEn zoo hij er niet meer is, zou ze u donker en somber schijnen, hoewel ik, uw gemaal, aan uw zijde bleef en ge in mij uw troost moest vinden,quot; riep de keurvorst toornig. âGe zijt altijd een koele gemalin voor mij en een zeer teedere moeder voor uw zoon geweest. Ge maakt een drukte en een ophef alsof een groot ongeluk is gebeurd, alleen omdat de heer zoon zich een roes heeft gedronken en daardoor ongesteld is, zooals de lijfarts zegt.quot;
Mühlbach, De groote Keurvorst en zijn tijd. II. 4
54
âMaar ik zeg u, Georg, de keurprins is ernstig ziek en de Witte Vrouw ...quot;
âIk wil er niets meer van hooren,quot; viel de keurvorst haar driftig in de rede, â'tis een dwaas en zot gebabbel, dat. volstrekt geen geloof verdient, 't Is onuitstaanbaar het aan te hooren, zooals iedereen er over spreekt. Ik wilde maar, dat ik hier vandaan was, om van deze vervelende spookgeschiedenis verlost te zijn. In Koningsbergen kan men ten minste in rust en stilte leven, men ziet er niet altijd verdrietige gezichten en hoort er niet altijd van oorlog en pest. In het paleis te Koningsbergen heeft zich ook nooit een Witte Vrouw vertoond.quot;
âLaat ons dan naar Koningsbergen terugkeeren, Georg,quot; riep de keurvorstin. âDoe het om den wille van onzen zoon, want ik zeg u, dat, zoo wij hier blijven, hij verloren is! De dood staat hier bestendig aan zijn zijde en bedreigt zijn jong, dierbaar leven! Vraag niet wat ik denk en hoe ik dit meen, ik kan 't mij zelve niet verklaren, maar ik gevoel, dat ik gelijk heb en hij verloren is, zoo wij niet ten spoedigste van hier gaan! Geef slechts ditmaal aan mijn beden gehoor, mijn gemaal! Laat ons vertrekken, voor het te laat is!quot;
âNu dan, Elizabeth, ik zal u uw zin geven,quot; zei Georg Wilhelm, die verblijd was, dat hij zijn gemalin kon toestaan, wat hij zelf zoo hartelijk wenschte. âJa, wij willen spoedig vertrekken, daar ge dit zoo dringend begeert.quot;
De keurvorstin legde zacht haar arm om zijn hals en drukte een kus op zijn voorhoofd. âIk dank u, Georg,quot; fluisterde zij, âgij hebt onzen zoon wellicht van den dood gered. De genadige God zal geven, dat hij weder herstelt en laten wij dan, zoodra wij dit zeker weten, op reis gaan.quot;
âMaak dan uwe toebereidselen, mevrojiw de keurvorstin, want ik zeg u, dat de ziekte van den-teergeliefden heer zoon niets dan de gevolgen van zijn roes is, en hij morgen weer beter zal zijn.quot;
âGod geve, dat ge waarheid zegt, Georg. Welnu, laat ons dan overmorgen. Woensdag, vertrekken. Maar luister, ik heb nog een verzoek. Spreek niemand van onze reis. Laat ons geheel in stilte onze toebereidselen maken.quot;
â't Is mij wel,quot; bromde de keurvorst. âDe hoofdzaak is, gat wij van hier komen. Het verblijf hier is mij hatelijk deworden, sinds ik. bij de terugkomst van onzen zoon het
geroep van het volk heb gehoord. Ik wil niet in een stad wonen, waar het straatgespuis zich vermeet de teugels der regeering te willen voeren, en zijn landsheer voor te schrijven om zijn minister te ontslaan, 'tls een oproerig, verwaand gepeupel, dit Berlijnsch en Keulsch gebroed, en ik zal eerst op mijn gemak zijn als ik van hier ben.quot;
âOok ik, Georg, zal weder gerust zijn als wij van hier zijn en onze zoon met ons gaat. Ik ga terstond aan 't work om alles voor 't vertrek te beschikken en met mijn dochters te overleggen. Eerst wil ik zien, hoe 'tonzen zoon gaat.quot;
De keurvorstin begaf zich weer naar de vertrekken van den keurprins. De oude Dietrich kwam haar met een van vreugd schitterend gelaat tegemoet, om haar te berichten, dat de keurprins ontwaakt was en zich volkomen wél gevoelde. Slechts had hij nog een groote matheid in de leden, en een drukking in 't hoofd. De lijfarts was er geweest en had bevolen,, dat de prins zich heden heel rustig moest houden, met niemand mocht spreken en het bed niet verlaten, dan zou hij morgen volkomen hersteld zijn.
âZoo wil ik dan ook niet met hem spreken,quot; riep de keurvorstin, âmaar hem slechts even zien en een kus op zijn voorhoofd drukken.quot;
Zij ging in de slaapkamer van haar zoon en begaf zich naar zijn bed. De keurprins glimlachte haar toe en zijn groote oogen begroetten haar met liefdevollen blik. Hij opende reeds den mond om te spreken, maar de keurvorstin legde haastig haar hand op zijn lippen.
âSpreek niet, Friedricb,quot; fluisterde zij zacht. âSlaap en wees rustig; weet dat uw moeder u feeder bemint. Houd u, om mijnentwille, vandaag nog stil, verlaat het bed niet en spreek met niemand. Wilt ee mij dat beloven ?quot;
Hij knikte glimlachend en drukte een kus op de hand, welke de moeder nog altijd op zijn lippen hield.
De keurvorstin verwijderde zich spoedig en Friedricb Wilhelm bleef weder alleen met zijn ouden kamerdienaar.
âNu, Dietrich,quot; fluisterde hij zacht, âzorg nu dat niemand hier komt en laat ons kalm den nacht afwachten.quot;
âUw genade meent dus, dat de Witte Vrouw dèn vori-gen nacht een goed geneesmiddel heeft gebracht en dat zij zal wederkomen ?quot;
no
âIk ben er van overtuigd, goede oude. God heeft haar ter mijner redding gezonden. Hij wil niet, dat ik nu reeds sterve!quot;
âZijn naarn zij daarvoor geloofd en geprezen,quot; prevelde Dietrich, terwijl hij tot een innig gebed op zijne knieën zonk.
Diepe stilte heerschte nu den geheelen dag in de keur-prinselijke kamer, want niemand mocht ze binnentreden. Zelfs de lijfarts, die tegen den avond kwam, zag slechts even naar binnen en knikte zeer tevreden, toen Dietrich hem fluisterend vertelde, dat de keurprins in een gerusten slaap was gevallen.
âDat wist ik,quot; zei dokter Weisse zeer ernstig, âmijn geneesmiddel was zoo ingericht, dat hij zich gezond zou slapen, en 't verwondert mij volstrekt niet. Morgen is de keurprins weer volkomen genezen, dat wil zeggen, als hij mijn medicijn geregeld inneemt. Ze is immers, naar ik hoop, ten tweedemale gereed gemaakt?quot;
âJa, mijnheer de lijfarts, en de keurprins heeft de tweede flesch reeds weer ten halve geledigd.quot;
De lijfarts knikte deftig en be^af zich tot de keurvorstin, ^om haar te berichten, dat de keurprins op het punt was geweest een hevige zenuwkoorts te krijgen, doch dat de medicijnen, welke hij had voorgeschreven, dit onheil afgewend en den keurprins van een groot gevaar bevrijd hadden.
De oude Dietrich ging intusschen voort elk kwartier uurs een lepel medicijn weg te werpen en toen de nacht aanbrak was de flesch leeg.
De gewenschte nacht was met zijn zwarten sluier rustig nedergedaald. Ieder in het kasteel had zich gehaast vóór het aanbreken van het nachtelijk uur te bed te liggen om de oogen te kunnen sluiten, daar ieder vreesde, dat liet spook' van den vorigen nacht zich weer zou vertoonen.
De schildwachten in den gang der keurvorstelij ke en in het portaal der keurprinselijke vertrekken waagden het niet op en neer te gaan, want het gerucht hunner eigen voetstappen verschrikte hen, en de donkere schaduw hunner eigen gestalte, welke de sombere olielamp op den vloer wierp, boezemde hen een onuitsprekelijken angst in.
Zij hadden zich stijf bij de deuren geplaatst, met het vast besluit,, om, zoodra het vreeselijk spook zich weder
57
vertoonde, de vlucht te nemen en naar de wachtkamer terug te keeren. Gelukkig waren zij hiertoe eenigermatc gerechtigd, want bij 't verwisselen der posten hadden de soldaten, die ze betrokken, van den heer stadhouder in de Marken het bevel bekomen, om, zoodra er zich iets verdachts vertoonde, daarvan terstond beneden in de wachtkamer melding te maken.
Om dit te vermelden, moest men zijn post wel verlaten. Dit was de eenige troost van den soldaat, die in het portaal der vertrekken van den keurprins op post stond, en daarom bleef hij dicht bij de deur, die slechts aanstond, opdat hij des te spoediger er uit kon om zich bij den grooten hoofdgang met de overige schildwachten lot de vlucht te vereenigen. Evenwel waagde hij het niet, de oogen op te slaan, en zijn hart klopte bijna hoorbaar van angst.
Het groote uurwerk van den dom sloeg het middernachtsuur.
De soldaat drukte zijn oogen dicht en prevelde met trillende lippen: âAlle goede geesten loven God den Heer!quot; Nu werd alles weder stil. De soldaat waagde het zijn oogen weder te openen, daar nog geen gedruisch de stilte verbrak en liet langzaam en schuw zijn blik door het portaal zweven. De beide hangende olielampen aan weerszijden der deur van de kamer der keurprins brandden helder genoeg om de geheele ruimte te kunnen overzien. De soldaat zag alles heel duidelijk. Ginds de deur met de lampen, hier de deur, waarbij hij stond, verder tegen den wand de beide kasten van zwart hout met het wonderbaar snijwerk, en tusschen beide kasten de kleine smalle deur.
De laatste maakte hem angstiger. Waar voerde zij heen? Waarom stond er geen wacht voor? Was zij gesloten of niet?
Hij kon zijn blik niet van deze kleine deur afwenden, welke hij vroeger nooit had opgemerkt. Thans kwam 't hem voor, of zij zich bewoog â eene kille huivering doorliep zijn geheele lichaam.
Ja, hij had zich niet vergist! De deur opende zich, en daar stond zij, de Witte Vrouw, en liep rond, in haar lang, golvend gewaad!
De soldaat schreeuwde niet, want do schrik had elke
58
kreet op zijn lippen doen besterven; hij rukte de deur open, snelde den gang in, en zijn doodsbleek, ontsteld gelaat bracht spoediger dan woorden den beiden schildwachten aldaar de vreeselijke tijding; alle drie renden nu door den gang naar de groote deur, den trap af door de vestibule en de wachtkamer binnen.
âDe Witte Vrouw! de Witte Vrouw!quot; kreten en hijgden zij.
âWaar was zij? WTie heeft haar gezien?quot; vroeg een gestalte, die uit een donkeren hoek der kamer op hen toetrad; toen het lamplicht deze gestalte bescheen, herkenden de soldaten de heer stadhouder in de Marken zelf, die bij hen stond, en achter hem bevond zich de kamerjonker von Lehndorf en den politiemeester Brandt. â¢
âWie heeft de Witte Vrouw gezien?quot; vroeg de graaf von Schwarzenberg nog eens.
âIk, genadige heer,quot; stamelde een der drie schildwachten. âIk had de wacht voor de keurprinselijke kamers en zag de Witte vrouw door de kleine deur tusschen de beide kasten binnenkomen.quot;
âWaar ging zij heen?quot;
âDat heb ik niet gezien, uwe excellentie, want . .
âWant ge liept terstond weg,quot; vulde graaf von Schwarzenberg aan. âEn de beide anderen! Ge stondt in den grooten gang? Hebt ge de verschijning ook gezien?quot;
âNeen, excellentie, wij hebben niets gezien. Er is niets door den grooten gang gekomen.quot;
âGij hebt dus niets gezien? Waarom zijt ge dan weg-geloopen ?quot;
âExcellentie, wij zijn weggeloopen, omdat â omdat â wij weten het zelf niet.quot;
âIk weet het wel,quot; riep de graaf de schouders ophalende. âGe liept weg, omdat ge lalfe kerels zijt! Stil. Geen verontschuldigingen! Wij spreken er morgen vroeg over! Ge blijft hier in de wachtkamer! Ik zal zelf naar boven gaan en zien welke dwaasheid u, lafhartigen, verschrikt heeft. Gij beiden, Lehndorf en Brandt, blijft hier en wacht op mijn terugkomst.quot;
âMaar, genadige heer,quot; bad de kamerjonker, âik bid om de vergunning u te mogen volgen. Men kan toch niet weten . . .quot;
âOf de Witte Vrouw mij niet doorsteekt, wilt ge zeg-
59
gen? Neen, Lehndorf, ik vrees voor geen vrouw 't verschrikt mij niet of zij witte of zwarte kleederen draagt. Ik ben goed gewapend^ en geloof, dat de Witte Vrouw aan mij haar man zal vinden. Ge blijft allen hier; doch zoo ik na een uur nog niet teruggekeerd mocht zijn, dan moogt ge den trap opgaan en onderzoeken of de Witte Vrouw mij door de lucht ontvoerd heeft. Wie der soldaten had de wacht voor de keurprinselijke kamers ?quot;
âIk excellentie.quot;
Vanwaar kwam de Witte Vrouw?quot;
âZij kwam door de deur, die zich in het voorportaal tusschen de beide groote kasten bevindt.quot;
âGoed! Blijft hier! En zooals gezegd is, Lehndorf, als ik over een uur niet terug ben, kom dan!quot;
Hij knikte den kamerjonker vriendelijk toe en ging de kamer uit. â
Ondertusschen was boven in de slaapkamer der keur-prins de Witte Vrouw met gloeiend ongeduld verwacht. Dietrich had reeds een kwartier aan de deur der voorkamer gestaan en met kloppend hart haar verschijning verbeid. De keurprins had zich mei inspanning ten halve opgericht, en op de ellebogen steunend, met opgeheven hoofd, had hij, sinds het middernachtuur was geslagen, naar de deur geluisterd.
De deur werd geopend en de Witte Vrouw trad binnen. Zacht, met zwevenden gang en teruggeslagen sluier, naderde zij het bed van den prins, en toen zij hem zag, kwam een glimlach over haar bleek gelaat.
âGij ziet, keurprins Friedrich Wilhelm, dat ik u niet bedrogen heb,quot; zeide zij; âgij leeft en zult volkomen genezen.quot;
âJa, ik geloof, dat ik genezen zal,quot; antwoordde de keurprins; âgij zijt mijn redster!quot;
âIk vraag hier niet naar.quot; zeide zij, langzaam haar hoofd schuddende. âIk ben niet om uwentwille hier, maar ter wille van mijn armen Gabriel om zijn ziel te verlossen en zijn hart van schuld te bevrijden. Ik mag niet veel woorden gebruiken, want de tijd dringt, iedere minuut vergroot mijn gevaar, liet gerucht van de Witte Vrouw heeft zich door de geheele stad verspreid, en 't kan zeer goed gebeuren, dat men mij heden naspoort, of dat graaf
60
Schwarzenbergs achterdocht is opgewekt. Hij is een verschrikkelijk man, die ik vrees,quot;
âToch zijt ge hier gekomen?quot; Gij hebt het gevaar niet gevreesd om mij te redden ?quot;
âIk heb het gevaar niet gevreesd, om tot mijn geliefden man te kunnen gaan en hem te zeggen: âHef uw hoofd weder op en wees vroolijk in den Heere; de misdaad is van uw hoofd genomen; ge zijt geen moordenaar, want de keurprins leeft.quot; Ãén ding zou ik er nog bij wenschen te voegen, en ik verzoek u, heer, mij dit te vergunnen. Zeg, dat ge Gabriel Nietzel vergiffenis wilt schenken.quot;
âIk vergeef Gabriel Nietzel van ganscher harte en nimmer zal ik hem straffen voor 'tgeen hij mij gedaan heeft. Gij hebt zijn misdaad vergoed, en God moge hem vergeven gelijk ik het doe.quot;
âIk dank u, heer. Neem nu uw tweeden drank.quot;
Zij nam het fleschje, goot het overige van den inhoud in een glas en reikte het den prins toe.
âDrink en wees wél te moede,quot; zeide zij, want morgen vroeg zult ge als een gezond mensch ontwaken. De doodsengel is u voorbij gegaan, neem u in acht, dat ge u niet ten tweede male aan zijn klauwen bloot stelt. Ontvlucht hem zoo ver ge kunt. Ziedaar, neem, drink leven en gezondheid uit dit glas, en de Heer onze God zij met u op al uw wegen!quot;
âIk dank u, wees ook gij gezegend!quot; De keurprins nam het glas uit haar handen en dronk het uit.
â't Is volbracht,quot; zei Rebekka, diep ademende. âNu kan ik tot mijn geliefde en tot mijn kind wederkeeren. Vaarwel.quot;
âGeef mij uw hand tot afscheid,quot; bad Friedrich Wilhelm, laat mij van u als van een vriendin scheiden.quot;
Zij reikte hem van onder den sluier haar kleine wilto hand, welke hij hartelijk in de zijne drukte. âGij zij teen edele, moedige vrouw,quot; zeide hij, âik zal altijd met dankbaarheid en vriendschap aan u denken. Ik heb u mijn leven te danken; dit. is een groote schuld, en ge zoudt edelmoedig zijn, zoo ge mij iets wildet aanwijzen, waarmede ik een weinig er van kon afdoen. Ik bid u, noem mij iels, waardoor ik u mijn dankbaarheid kan bewijzen.quot;
âIk wil dit doen, heer! Zoo ge eenmaal keurvorst zijt en een regeerend heer in uw landen, heb dan medelijden
61
met degenen, die veracht en verdrukt zijn, wees dan goed voor de joden!''
Zij keerde zich om, trok den sluier over haar hoofd en liep naar buiten.
âMijn werk is volbracht! mijn geliefde is verzoend!quot; jubelde haar ziel. Hoogst gelukkig ging zij door de voorkamer en kwam buiten in het voorportaal.
Alles was stil, zij zag niet, dat de schildwacht niet meer aan de deur stond. Haar gedachten waren aan het tegenwoordige ontrukt, haar ziel was bij hem, dien zij beminde, voor wien zij haar leven gewaagd had.
Zoo zweefde zij door de wijde ruimte en naderde de deur tusschen de beide kasten. Eensklaps ontstelde zij en deinsde terug; een hooge, mannelijke gestalte, die voor deze deur had gestaan, sprong vooruit, greep haar sluier, en trok dien woest van haar hoofd.
âRebekka!quot;'
âGraaf von Schwarzenberg!quot; klonk het van beider lippen; een oogenblik zagen zij elkander met vlammende oogen aan.
Zij las in zijn blik haar doodvonnis! Maar zij wilde niet sterven! Neen, zij wilde haar geliefde, haar kind wederzien!
Met een forschen ruk trok zij zich los, bevrijdde haar arm van de hand die haar vasthield. Zij wist niet wat ze doen, waarheen ze vluchten zou. Zij had slechts een onduidelijk bewustzijn, dat, alleen met hem te zijn, voor haar doodelijk was, dat zij gered zou zijn, zoo zij buiten het kasteel kon komen.
Op de straat zal von Schwarzenberg het niet wagen, haar aan te grijpen, want hij weet, dat zij zijn geheim kent, dat zij hem aanklagen zou.
Zij vliegt over het voorplein, rukt de deur van den langen gang open en snelt er door als een gejaagde ree.
Maar de vervolger is achter haar, dicht achter haar! Zij hoort zijn adem; thans steekt hij de hand naar haar uit â zij voelt zijn aanraking; op nieuw rukt zij zich los en vliegt voort.
Hier is het einde van den gang, daar is de kleine trap die naar de bovenverdiepingen voert. O, zij kent den weg zeer goed.
Boven is weder een lange gang, en als zij zich rechts van den trap wendt, komt zij aan den grooten trap; langs
62
dezen zal zij naar beneden komen, daar woont Je concierge; zij zal roepen, schreeuwen! Was zij reeds zoo ver gekomen.
Zij vliegt den kleinen trap op, maar haar vervolger is haar dicht op de hielen. Toen zij de bovendste trede had bereikt greep zijn hand als een leeuwenklauw haar bij den schouder.
âSta, of ik verworg u!quot; fluisterde hij met dreigende stem. âSta, ik zweer u, dat ik u niet dooden zal.quot;
âNeen, ik geloot u niet,quot; hijgt zij, en met beide handen vat zij zijn hand en stoot die terug. Weer voorwaarts! Zij weet niet meer of zij zich links of rechts wendt, zij snelt door den flauw verlichten gang en hij haar na.
Er is geen trap! Zij heeft zich in den weg vergist! Geen uitkomst meer! De vreeselijke man is achter haar. Ontkomen is onmogelijk. Hij zal haar zeker vermoorden, want zij kent zijn geheim! Geen uitweg meer! geen redding! Doch ginds aan het einde van den gang is een deur! Zoo het haar gelukte die te openen, in de kamer te springen en de deur te sluiten.
âGod sta mij bij!quot; roept zij luid en vliegt naar de deur, rukt ze open, en gaat binnen â zijn lichaam dringt zich tegen de deur, zij kan er den grendel niet voorschuiven.
Daar is hij met haar in de kleine kamer, die geen anderen uitgang heeft. Met haar in het afgelegen, kleine vertrek, waarin zich niemand bevindt dan zij beide! Geen redder!
Zij valt op haar knieën en heft de armen smeekend tot hem op. âO heer. ontferming! Dood mij niet! Ik zal zwijgen als het graf!quot;
âAls het graf!quot; herhaalt hij met een ruwen lach.
Hij buigt zich tot haar neder; er flikkert iets glinsterends in zijn hand! Zij ziet het duidelijk; want 'tis een heldere zomernacht en haar oogen zijn aan de duisternis gewoon geraakt.
âGij wilt mij vermoorden! Genade, heer, genade!âquot;
Hij had de deur achter hen beide gesloten, doch de kreet van haar doodsangst is naar buiten in den gang gedrongen. Niemand hoort hem. Al de kamers dezer bovenverdieping zijn ledig en onbewoond, en uit zuinigheid liet men anders in deze ruimten de gangen onverlicht. Heden had de heer stadhouder, zoodra de nacht
63
aanbrak, de vrouw van den concierge Kühlwein zeiven het bevel gebracht, dat dezen nacht al de gangen, portalen en trappen in het geheele kasteel helder verlicht moesten worden, en daai'door was het, dat zelfs op de afgelegen bovenverdieping de lampen brandden.
Een vreeselijke 'gillende kreet! Een doodskreet dringt plotseling door de deur heen, en trilt met een langen weerklank door den gang.
Vervolgens breekt niets meer de stilte af!
Graaf von Schwarzenberg treedt weder in den gang.
Hij is alleen.
Hij sluit de deur en steekt den sleutel bij zich.
Vervolgens gaat hij met vasten, rustigen tred door den gang, den kleinen trap af, en verder met bedaard trotsche houding langs den grooten trap de wachtkamer binnen.
âGod zij geloofd, excellentie, dat ge er zij t,quot; roept Lehn-dorf hem tegemoet snellend.
Graaf von Schwarzenberg knikt hem toe en wendt zich vervolgens tot de soldaten, die daar stijf en zwijgend staan, t âWat zijt gij voor laffe kerels!quot; zeide hij de schouders ophalende. âOm soldaten op de vlucht te jagen zijn er, geen kanonnen, maar slechts een paar witte katten noo-dig. 't Was een witte kat, die u, bloodaards, verjaagd heeft. Ik zag ze voor mij door den grooten gang springen en volgde ze naar de bovenverdieping. Daar sloop ze door een open deur, de laatste deur ginds in den bovengang. Ik liep haar in de kleine kamer na, maar zij moet toch een uitweg hebben gevonden, want ik kon haar nergens meer vinden; en dit is het eenige wonderlijke van de geheele geschiedenis, want de vensters waren gesloten. Verder beveel ik u niets van deze geschiedenis te verhalen, opdat er geen dwaze sprookjes verspreid worden.''
De soldaten hoorden hem eerbiedig zwijgend aan; doch den volgenden morgen wist men in het gansche kasteel en spoedig ook in de geheele stad, dat de Witte Vrouw zich dezen nacht weder vertoond had, en dat zij, toen men haar vervolgde, in de gestalte eener witte kat in een kamer der bovenverdieping van het kasteel verdwenen was.
Toen waagde zich niemand meer op de bovenverdieping en daar ze onbewoond was, behoefden er ook geen schildwachten geplaatst te worden.
64
Xll.
HET AFSCHEID.
Toen de keurprins den volgenden morgen na een langen verkwikkenden slaap ontwaakte, viel zijn eerste blik op den ouden trouwen kamerdienaar, die met van vreugde schitterend gelaat voor zijn bed stond.
âNu, Dietrich,quot; vroeg Friedrich Wilhelm, âwaarom ziet ge er zoo vroolijk uit? Wat heeft u sedert gisteren zoo veranderd ?quot;
âUw gelaat, genadige heer, want uw wangen zijn niet meer doodsbleek, het is niet meer ontsteld, en uw doorluchtigheid ziet er weer goed uit, wel nog wat bleek, maar de lippen zijn weder rood en de oogen glinsteren weder, ü, genadige heer, de lieve Witte Vrouw heeft dus woord gehouden, zij heeft u gered!quot;
âGods zegen kome over haar,quot; zei de keurprins plechtig. âMaar luister, oude, zeg aan niemand dat ik gered ben geworden. Ge moogt zulke dubbelzinnige woorden niet gebruiken, zelfs niet denken. Ik behoefde niet gered te worden, want ik was volstrekt niet in gevaar. Ik was ook in 't geheel niet ziek, maar heb mij aan den wijn te bulten gegaan en de maag ongesteld gemaakt, hoort ge, oude! twee dagen lang ben ik van te veel drinken ongesteld geweest, dat moet ge iedereen zeggen!quot;
âIk zal 't doen, doorluchtigheid, omdat gij 't beveelt; maar 't is schande dat ik zelf mijn geliefden jongen meester die zich altijd zoo ordelijk gedraagt, zoo moet belasteren.
âNu, Dietrich,quot; zei de keurprins met een treurigen glimlach, âgij prijst mij meer dan ik verdien. Zoo heel nuchter ben ik in Holland niet altijd geweest.quot;
âNeen, heer, in het lieve, gezegende Holland was 't werkelijk een ander leven, daar was 't als in den hemel, en als ik daar uw genade aanzag, was 't mij altijd alsof ik den aartsengel Sint Georg zeiven zag, zoo koen, zoo moedig, zoo gelukkig zaagt ge er uit!quot;
âEu zoo gevoelde ik mij ook,quot; zei de prins zacht in zich
65
zelf. âDit is nu alles voorbij ! Het heerlijke gevoel van gelukkig te zijn is ten einde. Ja,quot; zeide hij vervolgens luid, zich met geweld herstellende, âge hebt volkomen gelijk, oude Dietrich, ik ben een ordelijk prins : help thans den ordelijken prins zich te kleeden, om zich tot den heer keurvorst en mevrouw de keurprinses te begeven en zich gezond te melden. âquot;
Nadat de keurprins met behulp van zijn trouwen Dietrich zijn toilet had gemaakt, begaf hij zich naar de keur-vorstelijke vertrekken, om den keurvorst zijn opwachting te maken.
Georg Wilhelm ontving zijn zoon met tamelijk verdrietig gelaat, en wierp een enkelen onverschilligen blik op hem.
âGe ziet er nog bleek en afgevallen uit,'' zeide hij bedaard. â't Is voor een prins geen bijzondere eer, dat een paar glazen wijn hem omverwerpen, en hij neerzinkt of een kanonskogel hem getroffen had.quot;
âGenadige heer, antwoordde Friedrich Wilhelm glimlachend, âik hoop uw doorluchtigheid nog eenmaal te bewijzen, dat ik beter kanonskogels kan verdragen, dan den wijn van graaf von Schwarzenberg, ik dapperder tegenover een batterij kanonnen sta, dan tegenover een batterij flesschen.quot;
âIk hoop volstrekt niet, heer zoon, dat ge mij dat bewijzen kunt,quot; riep de keurvorst ontevreden. Ik wil geen oorlog, ge moet alle gedachten aan oorlog en heldendaden uit het hoofd zetten en een vredelievend en ordelijk mensch worden. Men heeft u in Holland het hoofd op hol gebracht, maar ik hoop het weder in orde te brengen. Wij keeren naar Pruisen terug, en gij zult ons daarheen begeleiden. Ga nu naar mevrouw de keurvorstin en stoor mij niet langer in mijn bezigheden.quot;
Friedrich Wilhelm boog zwijgend en begaf zich naar de vertrekken zijner moeder. De keurvorstin ontving hem met open armen en drukte hem feeder aan haar hart.
âIk heb u weder, mijn zoon!quot; riep zij hartelijk. âDe goede God heeft mij niet van mijn eenig geluk willen berooven. Hij heeft u voor mij gespaard. O, mijn zoon, ik bemin u zoo, en ik gevoel, dat ge ook mij bemint; wij zullen elkander dan ook verstaan en alles zal terecht komen, wanneer deze verschrikkelijke man, die uw en
OG
mijn vijand is, niet meer tusschen ons staat. Wij keeren naar Pruisen terug en mijn hart is vol vreugd, hoop en geluk. Daar acht ik u veilig, daar behoort ge mij en geen moordenaar, geen vijand bedreigt er mijn geliefden, eeni-gen zoon.quot;
âGenadige vrouw moeder, daar bedreigt mij de ergste en gevaarlijkste vijand.''
âWie is hij? Hoe heet hij?quot;
âDe werkeloosheid, uw doorluchtigheid. Ik zal daar een werkeloos en nutteloos leven moeten doorbrengen! Ach, genadige moeder, ik bid u, wend alles voor mij aan, bij mijnheer den keurvorst en den graaf von Schwarzenberg, opdat hij mij het stadhouderschap van Kleef opdrage, daar heb ik iets te doen, daar kan ik mij nuttig maken en men verlangt mijn tegenwoordigheidquot;
âGij wilt dus niet bij mij blijven?quot; vroeg zijn moeder smartelijk.
Het gelaat van den keurprins, dat zoo even van gloed en geestvervoering vlamde, van 'twelk een oogenblik het masker gevallen was, nam nu weder zijn ernstige, kalme uitdrukking aan.
âIk wensch volstrekt niet van u weg te gaan,quot; zeide hij bedaard, âmaar ik verblijd mij met u naar Pruisen te gaan.quot;
âZoo spreekt ge als een goed en gehoorzaam kind,'' riep de keurvorstin; âgij moogt hier een voorbeeld aan nemen, Louize. Zie uw zuster eens, Friedrich, wat een treurig gezicht zij zet. Zij gaat haar broeder niet eens tegemoet, maar zit met tranen in de oogen.quot;
âNeen, genadige vrouw moeder, ik ween niet,quot; antwoordde de prinses zacht. âIk verblijd mij ook, dat wij weder naar Pruisen terugkeeren.quot;
âDat is niet waar, mama,quot; riep prinses Hedwig Sophie, âzij verblijdt zich volstrekt niet. Integendeel, zij heeft den geheelen nacht geweend, zij meende dat ik sliep en 't niet hoorde, maar ik heb alles gehoord; ik weet dat zij liever hier blijft en 't haar hier uitmuntend bevalt, nu hij weder hier is, vindt zij het oude, vervelende Berlijn zeer prachtig, en . . .quot;
âMaar Hedwig,quot; viel haar zuster haar blozende in de rede, âwat babbelt ge toch, hoe kunt gij zoo onzinnig praten?quot;
07
â'tis waar, zij spreekt onzin,quot; zei de keurvorstin streng. âToch wenschte ik wel te weten wat haar woorden bel eekenen. Wie is die hij waardoor uw zuster' zoo veranderd is ?quot;
,,Weet gij dat niet, mama?quot; vroeg het overmoedige kind glimlachend en verbaasd. âWeet gij niet, wien onze Louize zoo vurig hartstochtelijk bemint? Weet gij niet, om wiens wil zij vader en moeder zou verlaten, en hem volgen ?quot;
âNeen, ik weet het niet, maar beveel u het mij te zeggen,quot; sprak de keurvorstin.
âWelnu,quot; zij de prinses, glimlachend in den kring rondziende, â't is onze lieve, eenige broeder Friedrich Wilhelm!quot;
âGe zijt een zottin!'' zei de keurvorstin glimlachend de schouders ophalend.
âGij zijt een lief klein schalkje,quot; zij Friedrich Wilhelm, zijn zusje teeder omhelzend.
Stoeiend maakte zij zich van hem los, liep door de zaal en eischte van haar broeder, dat hij haar zou volgen en inhalen.
Prinses Louize sprak geen woord, de gewone kleur kwam weer op haar wangen en de uitdrukking van schrik en angst verdween van haar gelaat.
Prinses Hedwig Sophie stoeide nog altijd in het rond; telkens als de keurprins haar meende te vatten, was zij als een vlinder hem ontvlogen. Eindelijk hield hij haar aan het eind der zaal vast ; nu sloeg zij lachend haar armen om zijn hals en fluisterde hem zacht in ; âWacht mij van avond om negen uur in uw kamer; ik moet u iets gewichtigs zeggen; alleen aan u! Stil!quot; Zij liet hem weder los en huppelde weer rond, zorgeloos en vroolijk lachende. â
Des avonds, toen de klok negen uur had geslagen, sloop prinses Hedwig Sophio haastig de kamer van haar broeder binnen, die de deur al voor haar open hield.
âZie, daar zijt gij waarlijk, prinses Kabouter,quot; zeide hij glimlachend, âwat is er en wat hebt ge heden in den zin ?quot;
Het gelaat der prinses was bleek en haar geheele wezen scheen heftig opgewonden.
âFriedrich,quot; zeide zij haastig;.âik heb u een schrikkelijk geheim toe te vertrouwen. Onze zuster Louize bemint graaf Adolf von Schwarzenberg.quot;
âIk vermoedde het,quot; mompelde de prins.
08
âIk wist het reeds lang,quot; voer de prinses voort; maar ik liet niets blijken, want ik hoopte, dat de lange afwezigheid en scheiding haar tot andere gedachten zou brengen. Doch sinds hij weer hier is, heb ik geen hoop meer. Dezen nacht heeft zij mij alles door haar tranen verraden, en nu moet ik u iets schrikkelijks, iets vreeselijks zeggen. Maar ge moogt het aan niemand zeggen. Zweer mij dit!quot;
âIk zweer net u, Hedwig. Wat is het?quot;
Zij boog zich dicht aan zijn oor en ituisterde: âZij heeft hem een samenkomst toegestaan.quot;
âOnmogelijk, gij bedriegt u.quot;
âNeen, Friedrich, ik bedrieg mij niet. Ik heb het zelf gehoord toen zij 't hem zeide. Het was in de oranjerie bij graaf von Schwarzenberg; ik kwam achter hen met de dames, en zij meende, dat ik niet op haar lette. Ik hield mij maar zoo, opdat de dames niets zouden merken, doch ik hield haar bestendig in 't oog, en mijn oogen en ooren zijn scherp; ik zag dan ook, dat zij hem een briefje in de hand drukte, ik hoorde dat zij hem den inhoud van den brief mededeelde en hem heden avond te tien ure tot een samenkomst bescheidde. De oude Truida zal hem aan de achterzijdeur van het kasteel, naar den kant van den dom, opwachten en hem tot haar voeren. Gij moogt dit niet dulden, Friedrich Wilhelm, die booze graaf von Schwarzenberg zal mij mijn zuster niet ontvoeren.quot;
âNeen, dat zal hij niet!'' zij de keurprins beslissend. âIk dank u, dat gij tot mij kwaamt. Wij beide willen haar redden, wij beide alleen, niemand anders zal er iets van vernemen, en zij zelf mag niet weten, dat wij haar geheim kennen. Wij moeten thans vlug te werk gaan, want het is laat, het is nog maar een half uur voor tien. Wie is de oude Truida?quot;
âLouizes kamenier, en zij dient haar, zoolang Louize leeft, want Truida is haar min geweest Zij bemint onze zuster afgodisch en zou voor haar door 'tvuur loopen. Wat Louize beveelt is voor haar wet.quot;
âDan moeten wij de oude Truida met geweld of list verhinderen aan de deur te gaan om den graaf binnen te laten.quot;
âMet geweld is onmogelijk, want zij zou gerucht maken, maar met list. â Zie, Friedrich, wat ik doen zal. Ik lok de oude Truida in mijn slaapkamer; ik sluit er mij met
0«
haar op en voer allerlei grappen uit, mij houdende of ik van niets weet, en met haar wil stoeien en spelen. Ik belast mij met de oude Truida.quot;
âEn ik met den graaf von Sch warzenberg. 't Is hoog tijd, zuster! Spoed u, eer de oude Truida u ontglipt! Maar 'tzal toch noodig zijn, dat gij met de oude vrouw er over spreekt. Gij moet haar dreigen, dat ge alles aan onzen heer vader zult zeggen, zoo zij niet doet wat ge haar voorschrijft, zoo zij niet tot onze zuster zegt, dat zij te vergeefs een uur op den graaf gewacht heeft.quot;
âGij hebt gelijk, Friedrich! Louize moet gelooven, dat hij niet gekomen is! Aan 'twerk!quot;
Vlug als een gazelle sprong de prinses op en de keur-prins bleef alleen. âIk wenschte hem met den degen in de vuist te kunnen tegemoet treden,quot; mompelde hij tus-schen zijn opeengedrukte tanden. ,.Ik begrijp hun spel. Mij willen zij vergiftigen en mijn zuster ontvoeren, opdat zij gedwongen \VDrdt hem baar hand te geven; dan zal men haar van 's keizer s wege tot erfgename van de keur-mark Brandenburg verklaren. Ik doorzie hun plannen, maar zij zullen niet gelukken. Hun vergift is vruchteloos geweest, ook hun liefde zal vruchteloos zijn. Thans naar de deur, door welke de waarde galant moet binnen komen. Hij zal ze gesloten vinden, en ik zal er den gehee-len nacht bij waken!quot;
De prins verliet zijn vertrekken en ging langs een zijtrap en door donkere gangen naar beneden, naar de bewuste deur. Zij stond slechts aan, maar een sleutel stak in het slot.
De keurprins sloot de deur en bleef er luisterend bij staan. Het sloeg tien ure. Zoodra de laatste klokslag verstomd was, legde zich buiten een hand aan de klink en een mannelijke stem fluisterde: âTruida! doe open! Ik ben het! Ik, dien gij verwacht! Open schielijk!quot;
âWas het de hel,quot; fluisterde de keurprins zacht, âik zou u de deur openen. Maar den hemel laat ik u niet binnen. Klop maar, klop! De deuren van het keurvorstelijk huis openen zich niet voor u! Klop maar, het kasteel van den keurvorst van Brandenburg is voor u gesloten graaf Schwarzenberg! Gij zult er buiten blijven, gij graven Schwarzenberg, en mij zult ge niet uit het kasteel mijner voorvaderen verdrijven! In weerwil van u, word ik keur-Mühlbaoh, De groote Keurvorst en sijn tijd. II. 5
7(r
vorst van Brandenburg, en dan, graaf von Schwarzenberg, stadhouder in de Marken, wees dan op uw hoede! Dan, graaf Adolf von Schwarzenberg, zal ik mij den vinger herinneren, die aan deze deur klopt om schande en smaad over dit huis te brengen. Dan zal ik u een deur openen en u laten binnenkomen, maar zal u niet weder uitlaten! Nu draag en duld ik, maar er zal een tijd van vergelding komen ! Scbwarzenbergen, hoedt u voor mij! â â
Nog lang stond de keurprins binnen voor de deur en herhaalde zich van tijd tot tijd het kloppen daar buiten. Toen werd alles stil. â De keurprins keerde terug naar zijn vertrekken. â
Den volgenden morgen vroeg had het vertrek der keur-vorstelijke familie naar Pruisen plaats. Het zou zonder eenige plechtigheid zijn en er werd aan niemand kennis van gegeven. Slechts de beide graven Schwarzenberg had de keurvorst laten roepen, toen de rijtuigen reeds gereed stonden, en toen zij kwamen, vonden zij de keurvor-stelijke familie op 't punt in de rijtuigen te stijgen.
,.lk wil heimelijk vertrekken,quot; zei Georg Wilhelm den stadhouder beide handen reikende, âik wilde mij het verdriet besparen, afscheid van u te nemen, maar mijn hart is sterker dan mijn wil, ik moet u nog eenmaal omhelzen voor ik van hier ga!quot;
Terwijl de keurvorst zijn gunsteling omhelsde en van hem de verzekering van eeuwige trouw terug ontving, naderde graaf Adolf von Schwarzenberg prinses Louize Charlotte, die stil en afgezonderd in een vensternis stond en haar bleek gelaat en beschreide oogen naar de straat had gewend.
âLouize,'' fluisterde hij zacht, âLouize, gij . . quot;
r*» Doch voor hij er een woord kon bijvoegen, stond prinses Hedwig aan zijn zijde en richtte eenige vriendelijke, beleefde woorden tot hem, terwijl de keurprins zijn zuster naderde en haar den arm bood om haar naar het rijtuig te geleiden.
Zij nam dien en verwijderde zich zonder op te zien, beschaamd en diep vernederd door de gedachte, dat de graaf haar dezen nacht te vergeefs had laten wachten.
Een kwartier later rolden de beide logge karossen, waarin zich de keur vorstelijke familie bevond, uit de kasteelpoort en sloegen den weg naar Koningsbergen in. De
71
Witte Vroiiw had den keurvorst Georg Wilhelm die het kasteel zijner voorvaderen nimmer zou wederzien verdreven.
De Witte Vrouw had den keurprins Friedrich Wilhelm gered; en toen hij nu in do oude logge koets door de poort van Berlijn reed, zeide hij blijmoedig bij zich zei ven : âTot weerziens, mijn lieve vaderstad ! Ik kom terug, en zoo God wil, niet deemoedig en onderworpen, zooals, ik heenga ; maar als een vorst, die meester is in zijn land; met God in 't hart, een helderen hemel boven mij, en geen Schwarzenbergen aan den horizont!quot;
Hijgend trokken de magere paarden de oude karos door het Marksche zand, maar daar binnen zat de keurprins â daar binnen zat Gesar en zijn geluk!
VIERDE BOEK. DE NIEUWE REGEERING.
I.
DE AANVAARDING DER REGEERING.
De keurvorst Georg Wilhelm was overleden. Op den eersten December van 't jaar 1640 had hij zijn vermoeide oogen gesloten en de wereld verlaten, die hem veel verdriet en onrust, weinig vreugd en rust, veel kommer en ontbering, nooit zegepraal of voldoening gebracht had. Zijn zoon Friedrich Wilhelm was thans keurvorst. Twee treurige jaren van ontbering, van onderwerping en verdrukking had hij doorgebracht aan de zijde van zijn vader steeds door hem gewantrouwd, met scheeve oogen aangezien, met geweld teruggedrongen van eenige deelneming aan de regeering, worstelende met de zorgen voor het dagelij ksche onderhoud, en gedwongen bij woekeraars geld te leenen, om met moeite zijn kleine huishouding te verzorgen.
't Was een harde school geweest, maar Friedrich Wilhelm had die jaren moedig en beraden doorstaan. Over het treurige en sombere was zijn heldere blik steeds op de toekomst gericht geweest; de hoop was aan zijn zijde gebleven en had hem staande gehouden wanneer de zorg hem bezwaarde, had hem getroost wanneer zijn vader hem wantrouwde of kwade wil hem onverdiend krenkte.
De keurvorst Georg Wilhelm was niet onverwacht overleden: twee maanden voor zijn ontslapen hadden zijn beide lijfartsen, na een lang consult met de zeer ervaren Koningsberger doctors te hebben gehouden, den keurprins verklaard, dat het einde van den keurvorst
73
naderde eu dat de waterzucht en koortsen langzaam, maar zeker zijn dood ten gevolge zouden hebben.
De keurprins had derhalve tijd gehad zich tot dit gewichtig uur voor te bereiden, 't welk hem uit de duisternis en werkeloosheid te voorschijn zou roepen, tijd om degenen te raadplegen, welke hij aan zijn zijde wenschte te hebben, zoodra het oogenblik voor hem gekomen was.
Tot aan den dood van zijn vader was hij een onderworpen, gehoorzaam zoon geweest, maar toch had hij er aan gedacht, dat, zoodra Georg Wilhelm de ot)gen sloot, hij in zijne plaats als opvolger moest optreden.
En hij wilde een waardig opvolger zijn! Dit had hij zich zei ven bij de kille hand zijns vaders gezworen, en zijn moeder gezegd, toen zij hem bij het lijk van haar gemaal voor zijn nieuwe roeping gezegend en hem om zijn beschermig en liefden voor haar en haar beide dochters gebeden had!
Ja, hij wilde een waardig opvolger van zijn vader zijn, hij wilde de wereld achting afdwingen! Dit dacht hij, toen hij den dag na het overlijden voor het eerst zijns vaders arbeidskabinet binnen trad en zich nederzette voor zijn groote schrijfafel.
Georg Wilhelm had tot den laatsten dag van zijn leven de regeering zelf geleid; hij had in zijn angstige ijverzucht alle hulp, allen bijstand toornig afgewezen, en niemand had de ingekomen papieren mogen openen en lezen, niemand onafgedane zaken mogen afdoen.
Op de schrijftafel lagen hoopen ongeopende brieven en papieren, hoopen genomen besluiten, waaraan de keur-vorstelijke onderteekening slechts ontbrak.
Friedrich Wilhelm legde zijn hand op deze documenten, welke hij nu moest onderteekenen, en zijn groote donkerblauwe oogen richtten zich ten hemel.
,,Heer!,' riep hij met luide, plechtige stem, âHeer, leer mij den weg kennen, dien ik bewandelen moet!quot; Dit waren de eerste woorden, waarmede hij de regeering aanvaardde, toen hij zich nederzette aan zijns vaders schrijftafel.
Nu hij God om zegen en bijstand had gesmeekt, gevoelde hij zich sterk en moedig om den weg te bewandelen, dien God hem zou wijzen.
Hij nam het eerste der verzegelde documenten en opende het. 't Was een brief der steden Berlijn en Keu-
74
len, wier magistraten van den keurvorst hulp verzochten in haar nood en ellende, en hem verzochten toch vrede met de Zweden te maken en den stadhouder in de Marken te bevelen een zachter bestuur over de ongelukkige Mark te voeren. In hartroerende woorden schilderden zij den nood der beide ongelukkige steden, die zoo in verval waren, dat zij nauwelijks nog zevenduizend inwoners telden, terwijl er tien jaren geleden meer dan twintigduizend woonden. .,Maar brand, roof en verdrukking,quot; zoo eindigde de brief, âhebhen ons tot de bitterste armoede gebracht. Vele inwoners hebben door zelfmoord een einde aan hun ellendig leven gemaakt, en de overigen zijn voornemens met vrouw en kind hun woningen te verlaten en liever de bitterste ellende tegemoet te gaan, dan nog langer daar te blijven, waar zij door oorlog en pest woi den bezocht. De stadhouder in de Marken heeft evenwel geen ontferming met onzen nood, en thans heeft hij, in weerwil onzer beden, al de voorsteden laten verbranden, omdat de Zweedsche generaal Stallhausch tegen ons in aantocht is. Daarom smeeken wij doorluchtigheid, zich over ons te ontfermen en mijnheer den stadhouder te gelasten ons zachter te behandelen en medelijden met onze' ellende te hebben,quot;1^)
Zuchtend legde Friedrich Wilhelm het treurig geschrift ter zijde en nam het volgende. 'tWas een adres der stad Prenzlow, niet minder treurig, niet minder hartroerend dan het vorige. De magistraat van Prenzlow bad om hulp en ontferming, schetste in roerende woorden den nood van stad en land. âVermits,quot; schreef zij âten gevolge van den heilloozen oorlog de velden van dit gewest jaren hebben braak gelegen, is er zulk een ongehoorde duurte ontstaan, dat niet alleen de menschen zich aan jammei'en, weenen en weeklagen overgeven, ongewone spijzen en dingen, als honden, katten en, hetzij met eerbied gezegd, het doode aas van de straten eten, maar ook uit razen-den honger, zoowel in de stad als op het land, elkander aanvallen, koken en verslinden.quot; 2)
âBeklagenswaardig land, maar ook beklagenswaardige vorst,quot; zuchtte Friedrich Wilhelm. âEen zware, schier
1
Zie: V. Orlich, Der grosse Kurfürst I. 50.
2
Idem. 53.quot;
75
verpletterende regeeringslast is mij opgelegd. God helpe mij, dat ik ze waardiglijk draag.quot; ^
Hij greep naar een derde papier, toen de deur werd geopend en de oude Dietrich binnentrad.
âNu, oude,'' vroeg de keurvorst, âwat brengt ge mij? Waarom ziet ge zoo vroolijk?
âDoorluchtigheid, ik heb uwe genade iets aangenaams te berichten. De twee heeren zijn er, welke uwe doorluchtigheid verwachtte. De heer overste von Burgsdorf uit Kustrin en . . .quot;
âLeuchtmar?quot;' vroeg de keurvorst verheugd, en toen Dietrich dit bevestigde, liep hij haastig zelf naar de deur. Maar toen hij er zijn hand reeds naar had uitgestoken, bleef hij staan en trad langzaam weder terug in 'tmidden der kamer.
âWie is nog meer in de voorkamer?'1 vroeg hij.
âUw doorluchtigheid, buitendien zijn er de heeren, die ter audientie zijn bescheiden, de kamerheer von Schulen-burg, de heeren von Kroyts en von Kospoth, en de juwelier Dusnack.'.
âLaat die heeren wachten. Ik verzoek den heer Leucht-mar von Kalkhun binnen te komen.quot;
Dietrich ging naar de voorkamer terug, en de oogen van den keurvorst richtten zich inblijde verwachting naar de deur.
Toen de hooge, rijzige gestalte van zijn opvoeder en vriend zichtbaar werd, kon hij zich niet langer bedwingen, maar, alle ceremonieel vergetende, liep hij met uitgebreide armen Leuchtmar te gemoet en klemde hem onstuimig aan zijn hart.
âGod zij geloofd, ik heb u weder,quot; zeide hij, hem vast tegen zich drukkende. âIk heb mijn vriend, mijn vader teruggevonden! Wees welkom, getrouwe! van ganscher harte welkom!quot;
âEn gij, mijn genadige heer,quot; riep Leuchtmar diep bewogen, moge gij zegen en geluk van den hemel ontvangen, die het edel handelen en denken verdienen! Dit zal mijn avond-en morgengebed zijn en uw doorluchtigheid zal mijn gebeden tot werkelijkheid maken.
1
Eigen woorden van Priedrich Wilhelm. Zie; Droysen, Geschichteder pruessischen Politik III. 215.
76
âGod geve het!quot; zekie Friedrieh Wilhelm plechtig.quot; En nu, zie mij aan, mijn vriend, laat mij op uw gelaat lezen, dat ge altijd nog de oude voor mij zijt.quot;
âOud ben ik/' glimlachte Leuchtmar. âDe twee jaren van scheiding hebben een gzijsaai'd van mij gemaakt. Ik verlangde niet alleen naar u, maar treurde om u want ik wist wat uw genade te lijden en te verduren had, en mijn hart brak bijna van verdriet, toen ik vernam hoeveel mijn geliefde jonge meester te dragen had.quot;
,,'tls waar,quot; zei Friedrieh Wilhelm, âik heb harde jaren beleetd en veel moeten verdragen. Men heeft mij behandeld als een onverschillige, als een wild vreemde, van alle zaken en beraadslagingen werd ik uitgesloten. Steeds werd ik verdacht en beschuldigd van eerzucht, naar roem dorstende, die vóór den tijd naar den troon haakte. Wanneer ik naar den gezondheidstoestand van mijn vader vroeg, meende hij, dat ik naar zijn dood verlangde, en als ik er niet naar vroeg, beschuldigde hij mij van onverschilligheid en liefdeloosheid. Ach, Leuchtmar, ik verzeker u, in de wanhoop mijns harlen heb ik dikwijls gedacht, dat de bedelaar op straat een benijdenswaardiger lot had, dan de keurprins van Brandenburg, en... Maar stil hiervan! Ik wil niet meer aan het verledene denken, en geen verwijt tegen mijn vader zal meer over mijn lippen komen. Hij rust in vrede, en gelijk hij de eeuwige rust is ingegaan, zal ook zijn aandenken de eeuwige rust gewijd zijn, het zal vrede zijn tusschen vader en zoon, eeuwige vrede. Het verledene is vergeten en uitgedoofd metal zijn smarten en wonden, mijn vriend, aan het tegenwoordige en de toekomst mogen onze gedachten gewijd zijn. Gij zijt er, ik heb mijn getrouwe weder, en reeds in dit eerste uur van wederzien wil ik iets bekennen, Leuchtmar, wat gij trouwens sinds lang weet, doch 't geen ik somwijlen in mijn jeugdigen overmoed geloochend heb. Ik gevoel nu, dat Socrates een wijs man was, toen hij zeide: âOnze opvoeding begint met den eersten dag van ons leven en is met den laatsten dag nog niet voltooid.quot; 'tls waar dat het lot mij in een strenge school heeft gebracht, maar ik ben toch bewust, dat ik op verre na niet volleerd ben, en mij nog veel overblijft om te leeren. Ik vorder van u, mijn vriend, dat ge mij zult helpen om te leeren wat degelijk en goed is, opdat ik in de wereld en door het
77
nageslacht een leerling der eerste klasse genoemd mag worden.quot;
âGenadige heer, zei Leuchtmar glimlachend, âgij zijt reeds meer dan dat, gij hebt in deze twee jaren van beproeven uw examen abilurientium zeer verdienstelijk afgelegd.quot;
..En nu ga ik als student op de hooge school der wetenschappen, meent gij ? Ja, Leuchtmar, zóó is 't inderdaad, het kan dus ook gebeuren, dat ik somwijlen uit misverstand of gebrek aan doorzicht een zaak verkeerd begrijp en misslagen maak. In dit geval vorder ik van u, dat gij mij op die misslagen opmerkzaam maakt en mij zegt, waar ik gefaald heb.quot;
âMaar het kon zijn, doorluchtigheid, dat ik zelf mistastte en faalde en u in mijn kortzichtigheid anders wilde leeren, terwijl gij het rechte hadt.quot;
âIn zoodanig geval zullen wij beiden onderzoeken en overwegen en dan zeker het rechte treffen. Beloof mij slechts dit, Leuchtmar, dat gij mij in alle gevallen naar uw beste weten en gevoelen de waarheid zegt, ze mij nooit verheelt, zelfs dan niet, als gij weet, dat zij mij onaangenaam en lastig is. Wilt gij mij dat beloven, vriend?
âIk beloof u, dat, als uw doorluchtigheid mijn gevoelen en meening wenscht te weten, ik u naar de innigste overtuiging van mijn hart de waarheid zal mededeelen.quot;
âNeen, Leuchtmar, gij moet mij in gewichtige gevallen uw meening zeggen, ook dan, ais ik er u niet naar gevraagd heb.quot;
âBest, doorluchtigheid, ik beloof u dat.quot;
âDaarentegen beloof ik u, dat ik ze geduldig van u zal hooren en niet driftig noch toornig wil worden, zelfs zoo uwe meening met de mijne mocht verschillen, of daarmede in strijd zijn. Gij glimlacht en schudt het hoofd ? Gij meent misschien, dat ik deze belofte niet zal houden?quot;
âJa, doorluchtigheid, maar ik vrees er volstrekt niet voor en zal het onweer moedig trotseeren. Ik ben reeds een oude knaap; menigen storm en menig onweer heb ik hooren razen en zien losbarsten, daarna was de hemel weer helder en de zon scheen weder vroolijk. Ik vrees niet, hoe hevig de donder woedt en buldert, want er is iets van Gods stem in den donder en de bliksem heeft iets verhevens en majestueus. Moge hij nimmer inslaan,
78
genadige heer; maar mogen wij eenvoudig ons met het licht vergenoegen. Wilt ge mij dit genadiglijk beloven, uwe hoogheid ?quot;
âBen ik dan Jupiter, dat ik den bliksem in mijn hand houd om de richting aan te wijzen ?quot;
âJa, heer, gij zijt waarlijk Jupiter, die bliksemstralen uitzendt.quot;
De keurvorst glimlachte. âZeg mij, Leuchtmar, ben ik dan werkelijk zoo opvliegend en driftig van karakter?quot; vroeg hij. âWaarom antwoordt ge niet? De waarheid, Leuchtmar, de waarheid ?quot;
âNu, de waarheid is, dat uw doorluchtigheid werkelijk driftig van karakter en wel eenigzins opvliegend van aard is. Maar hiertegen vermoogt ge inderdaad niets, want dit ligt in het Hohenzollersche bloed. Ge zijt een waardige afstammeling van uw voorvader Albrecht Achilles, en verheug u hierover, heer, want met traag bloed en Hauw gestel schept men nooit grootsche dingen.quot;
âMeent ge dan dat ik grootsche dingen zal scheppen ?quot;
.,Ja, dat meen ik bepaald, doorluchtigheid en verheug-er mij van ganscher harte over.quot;
âWij zullen later hierover spreken, vriend,quot; zei de keurvorst zacht zijn hoofd schuddende. âLaat mij nu voor een oogenblik vergeten, wat ik sedert gisteren ben, en denken, dat ik een hart heb, dat het nog jong, vol verlangen en liefde is, in weerwil dat het zeer veel geleden heeft. Toen mij, twee maanden geleden, de artsen zeiden, dat de toestand van mijn dierbaren vader hopeloos was, zond ik heimelijk een boodschap aan twee vrienden, en noodigde ze uit zich hierheen te begeven en zoolang in de nabijheid van Koningsbergen te blijven, tot ik hen door een koerier tot mij liet roepen. Ik wilde, zoolang mijn vader leefde, hem geen ergernis geven en zelfs niet heimelijk mijn vrienden zien, maar liever geduldig wachten tot ik het openlijk kon doen *). De twee vrienden, welke ik in mijn nabijheid riep, waren Burgsdorf en gij mijn Leuchtmar. Maar u gaf ik nog een anderen last. Hebt ge-dien uitgevoerd?quot;
âJa, doorluchtigheid!quot;
1) De eigen woorden van den keurvorst. Droysen III. 217.
79
âZijt ge in Holland geweest? In den Haag en op Doorn-weerd ?quot;
âIk ben er geweest, genadige heer?quot;
âGij zijt er geweest,quot; herhaalde Friedrich Wilhelm, diep ademend. âAch, Leuchtmar, gij, bijzondere personen, hebt het toch goed, want ge zijt vrije menschen; gij kunt gaan waar ge wilt en waar uw hart u trekt. Maar wij, arme slaven van onzen rang, wij moeten ons naar de omstandigheden schikken. Hoe menigmaal was 't mij of ik mijn verlangen niet zou kunnen bedwingen, of ik alle banden moest breken om naar het vrije, gelukkige land te gaan, waar ik de schoonste jaren van mijn leven heb doorgebracht. Hoe menigmaal was t' mij hier, bij de herinnering aan het verleden, of er vuur in mijn hart brandde en in laaie vlammen naar mijn hoofd steeg, om mijn verstand in de asch te leggen! Maar ik mocht mij hieraan niet overgeven, en met mijn diepe zuchten doofde ik die opstijgende vlammen uit; maar â Leuchtmar, ik wil u iets bekennen, bp dit oogenblik ben ik lafhartig en praat zoo veel, omdat â ja, omdat mij den moed ontbreekt voor een openhartige vraag. Ik wil dapper en moedig zijn, ik wil mij zelf overwinnen. Zeg mij, Leuchtmar, wat ik weten moet! Ik zond u naar Holland, om zekerheid te hebben van de slechte geruchten, welke men mij heeft medegedeeld. Ik heb niemand geloofd; ik wist dat men mij gaarne wilde uithuwelijken, daarom wilden ze de liefde vooreen ander in mijn hart dooden. Toch leefde die andere in mijn hart, en als ik mijn oogen sloot zag ik haar voor mij in al haar schoonheid en lieftalligheid; des nachts als al het verdriet van den dag was overwonnen en ik alleen in mijn kamer was, dan was zij bij mij, sprak met mij, troostte mij met zoete, liefelijke woorden, welke zij mij toefluisterde. Ziet ge wel, Leuchtmar, dat ik nog geheel een jong mensch ben, en â moed, moed, er uit met de vraag! Hebt ge de prinses Ludowike Hollandine van den Paltz gezien?quot;
Terwijl Friedrich Wilhelm dit vroeg, keerde hij zich haastig om en trad aan het venster met den rug naar de kamer gekeerd.
Een pauze ontstond. Toen antwoordde Leuchtmar met zachte, treurige stem: âNeen, genadige heer, ik heb de prinses niet gezien.quot;
82
wachten, want hij leeft van zijn tijd, en wie den werkman laat wachten, ontsteelt hem zijn kapitaal. Ik bid u, Leuchtmar, open de deur en roep den juwelier Dusnack binnen.''
Leuchtmar haastte zich aan het bevel te gehoorzamen. Zoodra hij zich naar de deur had gewend, streek Friednch Wilhelm nog eens met vluchtige hand over zijn gelaat en hield ze een oogenblik voor zijn oogen. Toen hij ze terugtrok was er nog wel op zijn hand een vochtige plek zichtbaar maar â zijn oogen waren nu droog en straalden weer van jeugdig vuur.
âNu, meester Dusnack,quot; riep Friedrich Wilhelm den binnentredenden juwelier toe, âhebt ge ons, zooals ik bevolen heb, eenige zegelringen ter keuze medegebracht?''
âHier zijn ze, keurvorstelijke doorluchtigheid,quot; antwoordde de juwelier, een kistje te voorschijn halende dat hij geopend den keurvorst aanbood.
Friedrich Wilhelm beschouwde oplettend de glinsterende, vonkelende ringen, die zich in de verschillende vakjes bevonden en knikte den juwelier vriendelijk toe.
âGij zijt eenquot; bekwaam werkman, uw ringen bevallen mij wel,quot; zeide hij. âDeze voorwerpen zijn met smaak uitgevoerd en sierlijk bewerkt; gij moet zeer goede werklieden hebben; het doet mij genoegen, dat iets dergelijks in ons land gemaakt wordt. Deze fraaie ringen zijn immers in uw eigen werkplaats vervaardigd?quot;
âDoorluchtige genade, ik wenschte dat dit zoo ware, en 't is waarlijk niet mijne schuld, dat het anders is. Ik ben lang in den vreemde geweest en heb in de eerste fabrieken van Parijs gewerkt en geleerd. Maar ik vind voor zulke kunstige en fraaie werken hier geen mannen; slechts gewone goud- en zilverwerken, als lepels en vorken, trouwringen en dergelijke zaken, kan ik hier laten maken; maar fijnere voorwerpen van versiering en dergelijke kostbare ringen moet ik uit Parijs en Lyon laten komen waar de goudsmidskunst in vollen bloei is.quot;
âDan moeten wij trachten,quot; zei Friedrich Wilhelm, âeen tijd te doen aanbreken, waarin men er aan denkt gouden sieraden te koopen, en wij bekwame arbeiders kunnen bezitten om den buitenlander te ontberen. Wij zeiven hebben ook, zoodra de tijden eenigszins rustiger zijn geworden, goudwerk en sieraden noodig, want al de kost-
83
baarheden van ons huis zijn ons voor eenigen tijd on stolen.1) Maar ik zeg u, meester Dusnack, dat wij slechts die werken zullen koopen, die in ons eigen land gemaakt zijn. Richt u hiernaar en zorg dat ge goede werklieden krijgt. Ditmaal zal ik mij dan nog met buitenlandsch werk vergenoegen en een zegelring uitzoeken. Ik neem dezen met den robijn, en nu moet ge spoedig ons landswapen in den steen snijden.quot;
,.Het zal geschieden naar uw doorluchtigheids bevel,quot; antwoordde de juwelier eerbiedig. âBeveelt uw doorluchtigheid dat alleen het wapen op den steen gezet wordt of moet er ook een spreuk bij gevoegd worden?quot; 2)
âJa, meester, er moet een spreuk bijgevoegd worden, en deze moet luiden: Heer, leer mij den weg kennen, dien ik bewandelen moet. Wilt ge het opschriiven, opdat ge 't niet vergeet?quot;
â'tls niet noodig, keur vorstelijke doorluchtigheid, want gij hebt het in mijn hart geschreven.quot;
âGa dan, meester, en schrijf het ook met duidelijke letters in den steen.quot;
Toen de juwelier heen was gegaan, richtte zich de keurvorst tot den baron Leuchtmar von Kalkhun. âThans tot u, vriend, en onze regeeringszaken.quot;
1
In 't jaar 1638 werd een schip, waarop zich keurvorstelijke kostbaarheden ter waarde van zestigduizend gulden bevonden, door een detachement, dat tot het korps van den generaal Montecuculie behoorde, geplunderd en de kostbaarheden ontvreemd. Graaf von Schwarzenberg liet drie daarin betrokken ofli-cieren in hechtenis nemen en tot onderzoek naar Spandau voeren. In weerwil dat de keizer zelf, de in vrijheidstelling dezer keizerlijke officieren begeerde, weigerde de stadhouder dat niet alleen, maar liet zelfs de drie officieren pijningen, ten einde hun de bekentenis af te persen waar zij de kostbaarheden verborgen hadden. Maar zij bekenden niets, bleven echter in de gevangenis, en eerst Priedrich Wilhelm gaf hun de vrijheid terug. Zie: v. Orlich, Der grosse Knrfürst I. 53.
2
Deze ring van den grooten keurvorst bevindt zich te Berlijn in het nieuwe Museum, in de afdeeling der zoogenoemde kunstkamer.
84
II.
PLANNEN VODR DE TOEKOMST.
âJa, vriend, ik wil met u over de regeeringszaken spreken,quot; voer de keurvorst met dauwen glimlach voort, terwijl hij in den armstoel voor de schrijftafel plaats nam. Zet u hier aan mijn zijde, Leuchmar, dicht bij mij, want geen ander menschelijk oor mag vernemen wat mijn gedachten en plannen zijn. De mensch is een zwak en teeder schepsel, en 'tis voor hem behoefte, een vertrouwde te hebben, aan wie hij alles mededeelen en zeggen kan wat in zijn binnenste omgaat. Gij, Leuchtmar zult voor mij die vertrouwde zijn, en aan u mijne gedachten openbaren. Gij zult weten, wie ik ben, wat ik ben, wat ik denk en naar welk doel ik,'streef, opdat gij mij altijd begrijpt en verstaat en mij helpend ter zijde kunt staan. Want ik hoop toch, dat ge nergens aan verbonden zijt, en van dit oogenblik af in mijne dienst kunt treden?quot;
âIk heb tot nu toe stil en afgezonderd te Keulen aan den Rijn geleefd en het oogenblik verbeid, dat mijn genadige heer mij tot zich zou roepen, want u alleen wil ik op aarde nog dienen, u behoort mijn leven en denken, al mijn geestkracht en bekwaamheid.quot;
âIk heb op u gerekend, Leuchtmar, ik wist wel, dat ik mij daarin niet zou vergissen.. Gij zult mij helpen en bijstaan, want ik heb groote behoefte aan verstandige vrienden, ijverige en trouwe arbeiders, om het doel te bereiken, dat ik mij voor de toekomst heb gesteld, en mijne plannen uit te voeren. Weet ge wel eigenlijk wie ik ben, Leuchtmar?''
, âJa, doorluchtigheid,quot; antwoordde Leuchtmar glimlachend. âGij zijt de jeugdige held, de Herkules, wien de goden hebben opgelegd twaalf zware werken te volbrengen, om zich hierdoor tot half god te verhelfen, en die nu met vrooliiken moed en op God vertrouwend ziin arbeid aanvaardt.quot;
âDe vergelijking is wel eenigszius gepast,quot; zei de keurvorst glimlachend, âwat het reinigen van den Augias-stal
betreft, ik heb waarlijk ook mijn stal, die niet aan Augias, maar aan Schwarzenberg behoort. Ik wil ecliter beproeven, hem te reinigen! Ik zal 't zeer voorzichtig moeten aanleggen; hierover spreken wij later. Ik blijf bij uw gelijkenis van den jongen Herkules. Weet ge Leuchtmar, hoe mijn twaalf werken heeten, en waar ze opgeteekend zijn? fk vraag u nog eenmaal, weet ge wie ik ben, of liever, hoe ik heet? Zie hier ligt het dokument, 't welk ik juist aan mijn goede Markers wil zenden, en waarmee ik hun mijn komst tot de regeering bekend wil maken. Lees eens het opschrift, Leuchtmar.quot;
Leuchtmar nam het hem toegerekte blad en las: âWij, Friedrich Wilhelm, markgraaf van Brandenburg, aartskamerheer van het heilige Roomsche Rijk en keurvorst, hertog van quot;Pruisen, Gulick, Kleef, der Pommeren, Cassu-ben en Vandalen, hertog van Silezië, Crossen en .Tagern-dorf, burggraaf van Neurenberg, prins van Rügen, 'graaf van Mark en Ravensberg, heer van Ravenstein.quot;
âGenoeg!quot; riep de keurvorst. âGij hebt nu mijn llerku-lesarbeid gelezen, nu weet gij wie ik ben. Een vorst met lange titels, waarvan er niet één eenige waarheid en wezenlijkheid bevat. Dit is nu mijn Herkulesarbeid, dat ik deze titels tot waarheid maak en der holle noot een degelijke kern geve. Ziehier een landkaart, Leuchtmar! Laten we haar beschouwen en met mijn titels vergelijken, want 't is een kaart, die uitmuntend voor deze titels past, en waarop al de landen en graafschappen die er too behooren, geteekend zijn. Markgraaf van Brandenburg, dit is mijn eerste titel; men zou denken, dat die waarheid bevatte, want de Mark is de oudste bezitting van ons huis, en mijn voorvader, de burggraaf Friedrich van Neurenberg, heeft ze van 's keizer genade in leen ontvangen. Maar wat heb ik van de Marken ? Vriend en vijand hebben er huis gehouden en ze in een woestijn veranderd; hongersnood en pest heerschen in de Marken; wanhopende inwoners hebben hun velden braak laten liggen en zwerven zonder dak en hongerend rond. De eenige man, wien het er wel gaat, die macht en aanzien heeft, is de heer stadhouder in de Marken, de heer graaf Adam von Schwarzenberg. De Mark lijdt en jammert, maar hij is vroolijk van hart en de ellende der bevolking roert hem niet; zij dient hem slechts om een dool te Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. IT. 6
86
bereiken en weet ge wel, wat het doel van graaf Schwar-zenberg is?quot;
âHij is keizersgezind eu een streng katholiek,quot; zei Leuchtmar; âmen heeft wel moeten erkennen, dat hij de Mark liever ten gronde wil laten gaan, dan ze in zelfstandigen en Protestantschen zin opgericht te zien.quot;
âJa, hij heeft de Mark Brandenburg ten gronde laten gaan!quot; riep de keurvorst met van toorn vlammende oogen; â hij wil ze katholiek en keizerlijk maken. Ik vermag niets tegen hem, hij weet zeer goed dat ik hem ontzien moet en hij krachtig tegenover mij, den machte-looze staat. Hem hebben de vestingcommandanten, de soldaten den eed gezworen, hem beschermt de keizer, en deze zou 't als een verzet tegen de keizerlijke majesteit zelve achten, zoo ik Schwarzenberg van zijn ambt ontzette. Het zou een breuk met het twintigjarig verleden der Mark zijn, want sedert Schwarzenberg het stadhouderschap bekleedt, is de keizer de eigenlijke heer over de Marken, en uit het kabinet van mijn heer vader is geen bevel, geen aanschrijving voortgekomen, die niet door den keizer goedgekeurd was, of waarvan hij niet vooraf kennis had gedragen. Ik moet het dus voorloopig nog dulden, dat Schwarzenberg in de Mark blijft, want ik heb de macht niet den keizer te trotseeren en zijn gramschap tegen mij op te wekken; de aartskamerheer van het heilige Roomsche Rijk en keurvorst moet zich voorloopig nog met ootmoed aan den keizer onderwerpen en zwijgen bij al het kwaad, dat hem geschiedt. Mijn hertogdom Pommeren hebben de Zweden zich toegeëigend en ik kan 't hun niet, hoe gaarne ik wilde, door geweld van wapenen ontnemen, want ik heb geen wapenen, geen soldaten, geen leger; ik moet beproeven, mij met hen op minnelijke wijze te verstaan en zoo 't zijn kan vrede met hen te maken. Ook van Gulick en Kleef ben ik hertog, zoo als mijn titel zegt, maar om dit werkelijk te zijn moet ik deze landen eerst aan de Hollanders kunnen onttrekken en ze dan tegen Frankrijks hebzucht verdedigen. En mijne hertogdommen in Silezië, mijn Crossen en Jilgerndorf? De keizer hééft er bezit van genomen, ze weggeschonken of 't zijn leengoederen waren, en hij zal ze waarlijk den machteloozen keurvorst van Brandenburg niet teruggeven, evenmin de Saksers Maagden-
87
burg en Halberstadt, welke zij bezet houden. Gij ziet, Leuchtmar, dat ik van al mijn landen niets dan de titels heb.quot;
âMaar uw doorluchtigheid heeft één land vergeten te noemen en daarover zijt gij toch waarlijk onbetwist heer en geen vijand heeft er u uit verdrongen. Gij zijt hertog van Pruisen, en hier, ten minste, zijt ge heer!quot;
âJa, ik ben hertog van Pruisen, namelijk zoo zijn majesteit koning Wladislaus van Polen de genade wil hebben mij met' dat hertogdom te beleenen en mij ver-oorlooven wil naar Warschau te komen, om er, deemoedig knielend, hem den huldingingseed te doen en mij als zijn vasal te erkennen Zoolang ik dat niet gedaan heb, ben ik ook hier in Pruisen geen wettige heer, en de koning van Polen zal reeds als een verzet tegen zijn heerschappij beschouwen, dat ik de pruisische landssten-den, die nog tijdens het leven van mijn heer vader zijn bijeen gekomen, niet terstond ontbonden, maar voortdurend heb laten zitting houden. Ook daar, gelijk aan het keizerlijke hot, moet ik goede woorden geven, mij deemoedig en gehoorzaam betoonen om mij niet vóór den tijd vijanden te verwekken en de machtigen tegen den mach-telooze te verbitteren. Wat blijft mij over, waarop kan ik steunen, en waar vind ik eenigen bijstand, zoo de keizer van Duitschland en de koning van Polen mij met hun vijandschap bedreigen?quot;
âIk zou denken, dat de Zweden zeer tevreden zouden zijn uw doorluchtigheid tot bondgenoot te hebben, die met hen tegen den keizer en het Duitsche rijk staat; en ook de Staten Generaal zouden u gaarne de hand tot een verbond reiken.quot;
âJa, de Zweden zouden mij gaarne als bondgenoot aannemen, op voorwaarde dat ik hun Pommeren en Rügen vrijwillig overaf en afstand deed van deze landen; en de heeren Staten-Generaal zouden mij gaarne de hand tot een verbond reiken, maar vooraf moest ik in deze hand de hertogdommen Kleef en Gulick als liefdegeschenk hebben neergelegd! Dit zal ik echter nooit doen, nooit zal ik het kleinste stukje land, dat het mijna is, vrijwillig prijs geven, om er rust voor te koopen. Tot nu toe heb ik van al mijn landen slechts den titel: maar het zal en moet de taak van mijn geheele leven zijn aan deze titels
88
nok de Innden zeiven te verbinden, en niet, alleen te heroveren, wat het mijne is, maar, zoo God wil, ook mijn land te vergrooten en het samenhang en hechtheid te geven. Tot nu toe ben ik slechts een wapenvorst, maar ik wil ook een wezenlijk vorst worden. Nu draag ik slecbls een vorstenmantel uit stukken en lappen samengesteld en door wind opgeblazen; maar ik wil er een purperen mantel van maken, waarover zich geen Duitsch vorst te schamen heeft, en dien ieder in het Duitsche rijk, ja zelfs de keizer, eerbiedigen moet.quot;
âGij zult uw doel bereiken,quot; riep Leuchtmar, âhet staat op uw voorhoofd geschreven, het straalt uit uw vurige oogen, het blinkt uit iederen trek van uw edel, krachtig gelaat. Gij zult uw doel bereiken, gij zult uit de woestenij en den chaos van den tegenwoordigen tijd u verhellen als een aanzienlijk en machtig vorst, gij zult uit het niet, uit de verwoesting u een machtigen staat, van uw titels u waarheid en wezenlijkheid scheppen!quot;
âGod geve het!quot; zei Friedrich Wilhelm, zijn groote oogen vroom ten hemel hellende. âHet ziet er wel is waar nu uit, of het doel onbereikbaar is,quot; ging hij na een poos voort, âen ik zou 't aan niemand anders bekennen, want ik zou door mijn vijanden bespot en uitgelachen worden.quot;
âMaar tot vreugd en verrukking van uwe vrienden,quot; riep Leuchtmar diep bewogen.
âMijn vrienden, zegt gij? Waar-zijn mijn vrienden'? Zie om u in geheel het Duitsche rijk, in geheel Europa en zeg mij dan, waar zijn mijn vrienden? Zelfs niet in mijn naaste omgeving heb ik vrienden, zelfs niet onder mijn naaste verwanten! Ja, was ik aanzienlijk en rijk, had ik bescherming te geven en aanzien te verleenen, dan zouden de vorsten van nabij en ver zich gaarne mijn verwantschap herinneren, en hieruit voor mij allerlei verplichtingen willen afleiden. Maar ik ben machteloos, en nu zij vreezen, dat ik hunne bescherming en aanzien zou kunnen inroepen, herinneren zij zich niet de familiebanden ! Maar zij zullen zich in mij bedrogen hebben, al die lieve verwanten! Eenmaal zullen zij moeten erkennen, dat de keurvorst van Brandenburg op eigen voeten staat, en alleen op zich zeiven steunt. Gij ziet mij vragend aan en meent misschien dat ik een grootspreker ben, die met woorden praalt en groote dingen belooft, welke hij niet
80
volbrengen kan? 'tis waar, 'tziet er nu nog zoo uit, want waar zijn de middelen, waarmee ik iets wagen kan? Alles om mij heen is ellende en ontbinding, nergens beraden vrienden, dienstvaardige aanhangers!quot;
âO, genadige heer, hierin gaat ge te ver! Gij weet zelf zeer goed, dat von Schwarzenberg gehaat is in al uw landen, hoe vurig alle patriotten verlangen, dat hij van de regeering aftreedt; want het verbond met den keizer is iedereen een gruwel, en de vrees voor de katholieke heerschappij, en de sympathie voor een verbond met Zweden heerscht bij al uw onderdanen.quot;
Ja,quot; riep de keurvorst, âer zijn wel aanhangers van Zweden in mijn landen, en von Schwarzenberg heeft vijanden genoeg, en vrienden, die hij voor zijn geld en bescherming gekocht heeft. Maar zeg mij, waar is een keurvorstelij ke partij, waar is een partij van eensgezindheid en beradenheid? waar een partij die noch rechts noch links ziet op den weg, dien ik gaan wil? De oude vrienden van mijn huis zijn in ballingschap gejaagd, het land ontvlucht ot dood; op wien zou ik nog kunnen hopen? Al de posten in het leger, in de administratie, al de ambten heeft Schwarzenberg met zijn aanhangers bezet: waag ik het hem in den weg te treden, om hem te doen vallen, zoo zou ik zelf licht ten val kunnen komen. Waar zal voor mij nu hulp opdagen?quot;
âUit u zeiven, doorluchtigheid, uit uw geest uit uw hart!quot; riep Leuchtmar met geestvervoering.
âGij hebt het gezegd en 'tis zoo, ik zou een dwaas zijn zoo ik bij anderen bescherming ging zoeken. In mij zeiven ligt mijn rijk en ik wil het grondvesten, zoo waar helpe mij God! âIeder is de smid van zijn eigen geluk,quot; is een oud. goed spreekwoord; welnu, ik wil trachten een goed smid te zijn. Ik ben lang genoeg aanbeeld geweest, en mijnheer de graaf von Schwarzenberg heeft hard genoeg op mij gehamerd. Nu wil ik eens de vuist zijn, die den hamer voert en ik geloof, dat ik een tamelijk sterke vuist heb, en wel in staat ben den hamer te regee-ren, welke mij een goeden schepter bereiden zal!''
âGod heeft u een groot, schoon werk opgedragen, doorluchtigheid,quot; zei Leuchtmar; â'tis aan n gegeven zelf uw staat te scheppen, en wat ge eenmaal zijn zult, zijt ge door eigen kracht,quot;
90
âEn door de hulp van trouwe dienaars, trouwe vrienden en aanhangers,quot; riep de keurvorst, zijn getrouwe hartelijk de hand reikende; â'tis waar, ik heb thans slechts twee mannen, op wie ik rekenen kan; dat zijt gij en de overste von Burgsdorf. quot;Wij drie te zamen vormen een goed klaverblad, en ik geloof wel, dat hieruit iets degelijks zal voortkomen. Opdat ge nu zien moogt, wat ik verder nog doen wil, blijf hier, ik zal den ouden Burgsdorf binnenroepen.quot;
Haastig ging de keurvorst naar de deur en opende ze. âOverste von Burgsdorf,'' riep hij, vervolgens keerde hij om, ging door het kabinet en zette zich op den armstoel aan de schrijftafel van zijn vader.
Nu verscheen in de deur der voorkamer de overste Conrad von Burgsdorf, wiens breed, donkerrood gelaat een verlegene uitdrukking had, die bij de deur staan bleef en angstig naar den keurvorst zag, die half met den rug naar hem gekeerd, niet op zijn binnentreden scheen te letten.
â't Is zeker zoo,quot; zei Burgsdorf voor zich, hij heeft mij laten roepen om mij mijn paspoort te geven; hij is 't nog niet vergeten, hoe ik in 't jaar acht en dertig ^wanhopend was. 't Is gedaan met u, Conrad, ge kunt naar huis gaan, nu ge als een oude ezel, die ge werkelijk zijt, uw hart hebt blootgelegd.quot;
Terwijl hij dit wrevelig in zichzelven zeide, drukte zijn gelaat slechts eerbied en angst uit, en bleef hij deemoedig in militaire houding bij de deur staan; de keurvorst had zijn oogen op de papieren gericht, die voor hem op de tafel lagen, en scheen geheel en al in de lektuur er van verdiept te ziin. â Leuchtmar waagde bet eindelijk hem te naderen.
Genadige heer,quot; zeide hij zacht, âde overste von Burgsdorf, dien gij geroepen hebt, is binnengekomen en wacht uw bevelen!quot;
âWacht hij?quot; riep de keurvorst. âDan zal ik hem om vergeving moeten verzoeken, want ik weet dat de overste von Burgsdorf het wachten niet verstaat.quot;
â'tls zeker,quot; herhaalde Burgsdorf voor zich, âhij heeft mij geroepen om mij mijn afscheid te geven.quot;
âHeer overste von Burgsdorf,quot; riep nu de keurvorst, terwijl hij met ernstig, streng gelaat half zijn hoofd tot
91
hem wende, zeg mij eens hoe sterk het regiment was, dat gij verleden jaar voor het keurvorstelijke leger geworven hebt?quot;
âGenadige heer, ik heb twee duizend vier honderd man geworven!quot;
âDat wil zeggen,quot; riep de keurvorst op strengen toon, âdat ge voor twee duizend vier honderd man werfgeld hebt ontvangen; maar ik zou gaarne van u willen weten, hoeveel manschappen er werkelijk voorhanden zijn ?quot;
âDoorluchtigheid,quot; stamelde Burgsdorf verlegen, âik begrijp niet wat uw genade meent. Zoo ik voor twee duizend vier honderd man werfgeld heb ontvangen, moeten zij ook voorhanden zijn-quot;
âMen zou dit meenen,quot; antwoordde de keurvorst. âMaar dit moet toch het geval niet zijn, want hier ligt een brief van graaf von Schwarzenberg aan mijn heer vader, en hoor nu wat de heer stadhouder in de Marken schrijft. Leuchtmar, kom eens hier, en lees.quot;
Leuchtmar nam het papier, dat de keurvorst hem gaf. en las: 't Is jammerlijk, dat de heeren officieren zooveel in hun zak gestoken en nauwelijks den zesden man geleverd hebben, De overste von Kehrdorf heeft zich voor twaalf honderd man soldij en verpleging laten betalen en bad echter niet meer dan tachtig man; het regiment van generaal von Klitzing moest twee duizend man sterk zijn, maar er waren geen zes honderd ; de overste Konrad von Burgsdorf zegt twee duizend vier honderd man te hebben geworven, maar hij heeft er nog niet voluit zeshonderd.quot;
âDat is een leugen, een schandelijke leugen,quot; riep Burgsdorf, wiens gelaat donkerrood gloeide; âde heer stadhouder in de Marken is altijd mijn vijand en tegenstander geweest, en zoo hij beweert, dat ik slechts zeshonderd man heb geworven . .
âDan zou hij zeker onwaarheid spreken,quot; viel de keurvorst hem in de rede; âmaar hij beweert dit ook niet. Gij zijt Leuchtmar in de rede gevallen, laat hem tot het einde lezen en hoor wat er volgt.quot; Leuchtmar las verder: âAls men nu uit deze zeshonderd, ongeveer twee honderd geschikte manschappen gekozen heeft, blijven er nog vierhonderd lamme, nietswaardige jongens over, die op den
92
eersten ruarsch als doode vliegen zullen neervallen.quot; ')
âGij ziet. wel.quot; zei de keurvorst, âvon Schwarzenberg beweert niet, dat ge zeshonderd geschikte manschappen hebt geworven.quot;
,.Doorluchtigheid,quot; riep Burgsdorf met bevende stem âik zie duidelijk, dat gij mij hier bescheiden heb om mij mijn paspoort te geven, en mij voor altijd van uw aangezicht te verbannen ... ik heb u evenwel altijd trouw gediend cn hoopte nog, dat gij mij vergeven zoudtquot;
âVergeven ?quot; vroeg de keurvorst, heb ik u iets te vergeven ?quot;
âGenadige heer, na uw terugkomst uit den Maag, ging mijn oud hart met mij op hol; het werd toomeloos en wild, en vergat den aan uw keur prinselijke genade ver-schuldigden eerbied.quot;
,,Ja, ik herinner mij nu,'' zei de keurvorst zacht met h,et hoofd knikkende. âGij wildet toen een revolutie maken en vorderdet van mij zich aan het hoofd te stellen. Ge wildet van den armen, kleinen keurprins een machtigen, grooten rebel maken, en waart zelfs zoo genadig te beloven, dat, wanneer hij von Schwarzenberg met uw hulp had doen vallen, hij dan zelf eerste minister van zijn vader en stadhouder in de Marken zou worden.quot;
âDoorluchtigheid, riep Burgsdorf met hokkende stem, âhet waren goed gemeende voorstellen, uit innige liefde, uit het diepst van het hart ontsproten.quot;
âMaar zoo ik ze had aangenomen, zou mijn heer vader met 's keizer ondersteuning den prinselijken muiter wel ter neder hebben geworpen. Dan zou mijnheer de stadhouder in de Marken de vreugd hebben gehad, den prins die het waagde legen zijn eigen vader op te staan, het schavot te zien bestijgen, zooals vroeger prins Carlos in Spanje moest doen, toen hij zich tegen zijn vader, den Iconing Filips, verzet had. Ik dacht toen aan dezen on gelukkigen, op het dwaalspoor geleiden prins, en nam dit tot voorbeeld. Gij Burgsdorf, dacht hieraan niet, en gij trokt hevig het harnas aan. 't Doet mij genoegen, dat ge mij aan dezen das; herinnert, want ik had hem inderdaad vergeten.quot;
âGenadige heer, ik zou mijn tong willen afbijten en ze
i) Uruysen, Geschichte der preussischen Politik. 18U.
93
inslikken,quot; schreeuwde Burgsdorf woedend; âik ben een uitgemaakte oude ezel, en gij hebt gelijk, zoo ge mij dadelijk ontslaat, ik verdien niet beter en mij geschiedt volkomen recht. Zeg het maar ronduit, doorluchtigheid; ik ben ontslagen, niet waar?quot;
âBedaar, Burgsdorf,'' beval de keurvorst op strengen toon; âik ben niet meer de keurprins, tegen wien ge kunt bulderen en opstuiven, zooals vroeger in het kasteel te Berlijn.quot;
âGij komt altijd op die oude geschiedenis terug,quot; zuchtte Burgsdorf.
j'En gij,quot; zei Friedrich Wilhelm,,.gij zijt nog altijd even ongeduldig als toen. Gij schreeuwdet moord en brand, omdat de keurprins uw zin niet wilde doen. Ik zeide u â ik herinner het mij nu zeer goed â ik zeide u, dat ik wilde leeren en wachten. Ik verzocht u te doen gelijk ik en ook te wachten. Maar gij wildet niet wachten, gij schreeuwdet, dat ge reeds twintig jaar hadt gewacht 'en uw geduld uit was. Gij hadt volstrekt geen medelijden met den achttienjarigen jongen mensch, die zoo even uit den vreemde was teruggekomen, en nauwelijks vriend van vijand wist te onderscheiden en de toestanden niet kende. Gij waart toch reeds een oude knaap en hadt in de twintig jaren, die gij gewacht hebt, toch ook eenige voorzichtigheid moeten leeren! Maar ge hadt niets geleerd, ge kondet niet wachten en gaaft mij in wilde onstuimigheid op, omdat ik, uit verschuldigden eerbied voor mijn heer vader, geen misdadiger wilde worden.quot;
âGenadige heer, gij treft mij ! Ieder uwer woorden is een slag op mijn hart; laat mij gaan en het in stilte en afzondering laten uitbloeden.quot;
En de oude overste von Burgsdorf wendde zich om en keerde naar de deur terug.
âHier gebleven!quot; riep de keurvorst met gebiedende stem, terwijl hij met trotsche houding van zijn stoel opstond.
Von Burgsdorf, die juist de hand aan de kruk der deur had gelegd, liet ze weer los en bleef beschaamd en deemoedig staan.
âToen hebt ge mij te Berlijn opgegeven en verlaten,quot; ging Friedrich Wilhelm voort, âmij gescholden en uitgemaakt, omdat ik leeren en wachten wilde. Dit bewijst
94
mij, dal, gij nooit geleerd en nooit gewacht hebt. Leer het dan nu, heer overste Konrad von Burgsdorf, ga ginds in de vensternis en wacht tot ik u zeg, wat ik over u beschikt heb. De keurvorst opende nogmaals de deur der voorkamer en riep den kamerjonker Werner von Schulen-burg bij zich in het kabinet.
XX.
DIPLOMATISCHE ZENDINGEN.
âVon Schulenburg,quot; zei de keurvorst tot den binnenkomenden kamerjonker, âge moet terstond op reis. Gij gaat naar Berlijn, om mijnheer den stadhouder in de Marken, graaf von Schwarzenberg, het overlijden van mijn heer vader te berichten. Gij meldt zijne excellentie, dat ik hem uitnoodig en dringend verzoek zich nog verder met de zaken van het stadhouderschap te willen belasten.quot;
Een misnoegd gebrom drong van uit de vensternis, waar zich von Burgsdorf had teruggetrokken. De keurvorst lette er niet op en ging voort: âGij verzoekt, in mijn naam, mijnheer den stadhouder mij dadelijk te schrijven en mij zijn raad mede te deelen wat thans voornamelijk ten opzichte van een Begensburgschen landdag te doen is, daar wij door de haast en wegens de groote bekommernis, nog geen juist begrip der zaak hebben om er rijpelijk over na te denken.''3)
Een nieuw gebrom drong uit de vensternis en lokte een lichten, vluchtigen glimlach op Friedrich Wilhelm's gelaat.
âVervolgens,quot; ging de keurvorst voort, âbericht gij den heer stadhouder, dat ik er genoegen mede neem, dat de vestingen met dezelfde commandanten en troepen bezet blijven; maar dat het ons aangenaam zou zijn, zoo de vijand op een of ander punt nadeel kon worden toegebracht; over 't geheel moet de graaf, als hij tot nu toe zoo loitelijk en roemvol gedaan heeft, zijn bijzondere zorg op de vestingen gericht houden.quot;
1) De eigen woorden van den keurvorst. Zie: Droysen, III, 220.
95
Nu werd het gebrom van den ouden von Burgsdorf schier een smartkreet, â'tls ongehoord,quot; zeide hij met tumelijk hoorbare stem.
Met een trotsche beweging wendde zich de keurvorst tot hem. âBurgsdorf,quot; zeide hij, âgij zoudt immers leeren en wachten; zwijg dus, zoo als 'teen onderdanig leerling betaamt.quot;
âDit is alles wat ik u te zeggen heb, von Schulenburg,quot; zei de keurvorst, zich weder tot den kamerjonker wendende, âik hoop dat ge niets vergeten en alles stipt en goed zult uitvoeren.quot;
âUw doorluchtigheid is hoop ik van mijn ijver en trouw overtuigd,quot; antwoordde de kamerjonker, diep buigende. âIk zal haar bevelen stipt volbrengen, alleen heb ik nog te vragen, wanneer ik vertrekken moet?quot;
âTen spoedigste.quot; zei de keurvorst; âreis met postpaarden, zoo snel ge kunt. Vaarwel! Maar hoor, von Schulenburg, gij hebt nu mijn officiëelen last ontvangen, ik voeg er een kleinen geheimen last bij. Als ge den heer stadhouder alles hebt ter kennis gebracht wat ik u heb opgedragen, zult ge u nog een weinig vriendschappelijk met hem onderhouden en ge kunt dan, zoo onder 'tsprekert, als uit u zeiven, den heer graaf von Schwarzenberg polsen of hij genegen is zich voor een korten tijd naar Pruisen tot ons te begeven, ten einde ons beter te kunnen raden, hoe wij onze moeielijke regeering moeten volbrengen. Dan vraagt ge hem ter loops, zonder eenig opzet te doen blijken, wie dan zijn plaats zou kunnen bekleeden'?') En nu, ga met God, Schulenburg, verricht alles nauwkeurig en goed, wat wij u hebben opgedragen. Als ge hier uitgaat, zend dan de beide heeren, die in de voorkamer wachten, bij mij.quot;
Genadig reikte hij den kamerheer zijne hand, welke deze vurig aan zijne lippen drukte en vervolgens het kabinet verliet.
âEn thans tot u, mijnheeren,'' riep de keurvorst, dio opstond en de beide heeren von Kreytz en von Kospoth, die het kabinet binnenkwamen, eenige schreden te gernoet ging. âU beiden heb ik een gewichtige boodschap te geven,quot; zei de keurvorst, âgij beiden moet naar Warschau
1) De eigen woorden van den keurvorst. Zie: Von Orlicb, Gescliiohte des Preusischen Staates.
96
gaan en koning Wladislaus den dood van mijn heer vader berichten. Dat is in de eerste plaats uw taak, Johann von Kospoth. Gij weet de woorden zeer sierlijk samen te voegen en gij zult den koning melden, dat mijn in God ontslapen heer vader geen verkleefder vasal is geweest dan zijn opvolger Friedich Wilhelm hoopt te zijn; ge zult hem zeggen, dat de hertogen van Pruisen zeer trouwe en gehoorzame dienaren zijn der koningen van Polen en zeer goed weten, dat zij zijner majesteits getrouwe en onderdanige vasallen moeten zijn.quot;
Wederom drong een heftig brommen uit de vensternis, en von Burgsdorfs rood gelaat kwam met een toornige uitdrukking tusschen de zijden gordijnen tevoorschijn.
De keurvorst zag dit met een vluchtigen blik, en wederom vertoonde zich een glimlach op zijn gelaat.
âGij, Wolfgang von Kreytz, brengt den koning van Polen mijn onderdanigen groet cn dringt er in mijn naam op aan, dat ik mijn voorvaders als hertog in het hertogdom Pruisen opvolge. Gij bericht hem, dat ik den koning als opperheer erken en onderdanig om de opdracht verzoek. Gij zegt hem, dat ik mij tot hiertoe van de regeering heb onthouden, dat ik ze door de regeeringsraden laat bekleeden, en mij inmiddels met groote vlijt er op toeleg om van de rechten en privilegiën van het land kennis te nemen. Vervolgens maakt ge beide den koning en al zijn ministers zeer vriendelijk en plechtig het hof. Gij verzekert alom, dat wij zeer goed weten, dat onze opvolging in Pruisen alleen van de welwillendheid van den koning afhangt en wij natuurlijk voornemens zijn persoonlijk derwaarts te komen om zijne majesteit den eed af te leggen. Als ge dat alles behoorlijk in het licht gesteld en geloofwaardig hebt gemaakt, dan voegt gij er bij, dat wij, tot ons innigst leedwezen, niet terstond zelf konden komen, omdat onze erilanden in zoo jammerlijken toestand zijn en de velerlei aangelegenheden van net Pioomsche rijk ons thans beletten deze reis te doen. Gij verzoekt derhalve genadige ontheffing van persoonlijke verschijning, en bidt zijne majesteit, dat hij den last voor de beleening schrif-tegelijk uitvaardige. Mocht de koning u door zijn raden laten zeggen, dat hij dezen schriftelij ken last niet wil ver-leenen, dan moet gij u beiden bij den koning tot een bijzondere audientie laten aandienen en hem voorstellen, dat
97
wij de regeering moesten aannemen en hem laten verzoeken daartegen niets in te brengen. Ook moet gij de voornaamste beambten bezoeken en bun betzelfde voorstellen. Van uw welsprekendheid en ijver hoop ik, dat ge uw doel bereikt en mij de beleening medebrengt, en gij zult om dit doel te bereiken het aan geen vleierijen of goede woorden laten ontbreken.''
âGenadige heer,quot; vroeg Johann von Kospoth met een lijnen glimlach, âzoo echter de vleierijen en goede woorden niet mochten baten, wat moeten wij dan doen ?quot;
âAntwoord gij op die vraag, Wolfgang von Kreytz,quot; sprak de keurvorst.
âGenadige heer,quot; riep de jonge baron levendig, âzoo alle beden en vleierijen vruchteloos zijn, zou het, mijns inziens, zeer gepast en voor uw keurvorstelijke genade alleszins voegzaam wezen, indien wij een weinig tot bedreigingen onze toevlucht nemen en den heer koning van Polen te verstaan geven, dat ge krachtens uw goed recht de opvolging in Pruisen aanvaardt, dat ook mijn heer uw vader, de keurvorst Georg Wilhelm, vóór de opdacht de regeering op zich heeft genomen, en gij uw hertogdom Pruisen met al de u ten dienste staande middelen verdedigen en nimmer opgeven zult.quot;
âZeer goed,'' zei een zware stem achter het venstergordijn.
âMeent gij ook zoo te spreken, Johann von Kospoth?quot; vroeg de keurvorst.
âAls men gevleid en gebeden beeft,quot; antwoordde Kospoth, âen het heeft niet gebaat, zou het mij ook een voldoening zijn te dreigen.quot;
âEen slechte voldoening,quot; riep de keurvorst, âals men niet terstond de bedreiging kan verwezenlijken en regimenten zenden, om den oorlog te verklaren! Neen,mijn-heeren, als bidden en vleien niet baten, als gij het. vruchteloos met goede woorden beproefd hebt, moeten wij het met geld beproeven! Ook het geld is een wapen en bij de Poolsche heeren een zeer krachtig wapen, waarvoor zelfs zijne Poolsche majesteit eerbied heeft. In den uitersten nood dus, laat ge, als ge volstrekt niets kunt verwinnen, hunne majesteiten, zoowel de koning als de koningin, door een vertrouwd persoon te kennen geven, dat, zoo wij de bewilliging der regeering krijgen en de
98
beleening zonder moeielijkheid geschiedt, wij voor de beide koninklijke majesteiten te zamen zestigduizend Poolsche guldens als honorarium beschikbaar willen stellen; vervolgens maakt ge ook bij den grootkanselier, den onderkanselier en den opperkamerheer uwe bezoeken, groet die heeren van mij en belooft ieder hunner tienduizend Poolsche guldens. Zorg evenwel, dat gij een eenigszins lange termijn van betaling bedingt, want van waar wij het geld zullen krijgen, is ons nog een raadsel. Dit is mijn boodschap, mijnheeren. spoedt u nu ze uit te voeren.quot;
âEn nu,'' riep de keurvorst, toen de beide heeren het kabinet hadden verlaten, ânu, overste von Burgsdorf, hebt ge uw eerste les bekomen, en hebt geleerd een weinig te wachten. Treed nu nader, ik heb u iets te zeggen.quot;
âEn ik,quot; riep von Burgsdorf, terwijl hij uit de vensternis kwam en zich voor den keurvorst op de knie wierp, âik heb vooraf iets te zeggen, uwe doorluchtigheid, ik moet vóór alle dingen u uit den grond mijner ziel om vergiffenis bidden en u mijne slechte gedachten mededeelen, die mij deden denken, dat de twintigjarige keurvorst nog geen verstand van regeeren had en slechts een beschroomd jong heertje was. Maar nu zie ik, dat ge veel verstandiger, wijzer en bedachtzamer zijt dan de oude gek von Burgsdorf, en gij met uw twintig jaren zeer veel hebt geleerd wat mijn harde kop kon opnemen. Gij zijt een groot staatsman, doorluchtigheid, en op mijn knieën bid ik u om vergeving, dat ik aan u getwijfeld heb, en op mijn knieën bid ik u, verstoot mij niet, heer! Vergeet de onzinnigheid, welke ik u Ie Berlijn heb gezegd en neem den ouden houwdegen ook in uw dienst! Hij wenscht niets liever dan voor u te vechten, voor u op den vijand in te houwen.quot;
âOp den vijand in te houwen,quot; herhaalde de keurvorst.
âMaar sta in de eerste plaats op, oude overste. Nu,quot; ging hij glimlachend voort, hem de hand reikende, âik moet u hierbij wel een weinig behulpzaam zijn, want uwe oude leden zijn stijf geworden in mijns vaders dienst. Zeg nu eens, oude houwdegen, wat denkt ge wel, als gij voor mij op den vijand los wilt gaan? Wij hebben wel overal vijanden genoeg, maar te weinig soldaten om er op in te houwen, dunkt mij. Meent ge, dat wij gemakkelijk een leger op de been kunnen brengen? Wilt ge met uw
99
regiment van tweeduizend zeshonderd man soms te velde trekken en mijn betwiste landen veroveren?quot;
Ik bid uwe majesteit, spreek niet van mijn tweeduizend zeshonderd man! Gij weet immers, dat ze weer uiteen zijn gegaan, omdat er geen geld voorhanden was om hun soldij te betalen.quot;
âNu ja,quot; zei de keurvorst glimlachend, âik wil u 't genoegen doen, de groote regimenten te vergeten en aan de dingen, die geweest zijn, niet meer te denken. Maar dit zeg ik u, von Burgsdorf, onder mijn regeering moet alles met elkander overeenkomen, en wat op papier staat geschreven, ook werkelijkheid zijn. Wij willen eens zien of ge bekend zijt met onze militaire aangelegenheden.quot;
âAch, genadige heer,quot; zuchtte von Burgsdorf, âik wilde, dat ik het niet was, want het is een treurige wetenschap voor een oud soldaat, dat de Branden burgsche krij smacht zich in een treurigen toestand bevindt.quot;
âInderdaad,quot; riep de keurvorst, âde ridderschap wil niet meer opstijgen, de burgers hun steden en poorten niet meer verdedigen, de landsstenden weigeren belasting ter betaling der soldij, en onze kassen zijn uitgeput, 't Is dus geen wonder, dat van een leger geen spraak is. Hoe veel man voetvolk en hoe vele paarden hebben wij wel in 't geheel, Burgsdorf?quot;
âGenadige heer,quot; zuchtte de overste, âwij hebben in de Mark en in Pruisen te zamen niet meer dan twintig com-pagniën voetvolk, ieder van honderd vijf en twintig man.quot;
âDat zou dan twee duizend vijfhonderd man zijn,quot; zei de keurvorst. âWaaldijk een klein kader voor een leger, maar 't is toch iets, in de veronderstelling, dat die lieden mij trouw en geheel van mij afhankelijk zijn.quot;
âDat is nu juist het gebrek,quot; zei von Burgsdorf, âdeze lieden hebben niet alleen u, maar ook zijne majesteit den keizer trouw gezworen. Zij zijn voor rekening van den keizer geworven en voeren keizerlijke vanen.quot;
âIk zie, gij weet waarop het aankomt,quot; riep de keurvorst, âen gij begrijpt den moeielijken toestand, waarin wij ons bevinden. Ja, de regimenten van den keurvorst van Brandenburg hebben aan den keizer den eed gedaan en de keizerlijke vanen waaien op onze vestingen; in de eerste plaats dienen al mijn officieren den keizer! Zeg mij, von Burgsdorf, staat gij zelf niet in dienst van den keizer?
100
Hebt ge zelf niet een regiment bij het keizerlijke leger, hoewel gij commandant van Küslrin zijt en bijgevolg onder mijn commando staat?quot;
â't Is waar,quot; antwoordde von Burgsdorf,''ik kon het keizerlijk regiment niet weigeren, omdat het een goede melkkoe voor mij. was en het commandantschap zich volstrekt niet liet melken. In één jaar kon ik van het keizerlijke regiment meer genieten, dan van mijn Brandenburgsch in twintig jaren. De nood dreef er mij toe.quot; 1)
âIk weet het,quot; zei de keurvorst, âen herhaal dat het verledene vergeten zal zijn, zoo ge in de toekomst mij, en mij alleen, trouw wilt blijven.'
âDoorluchtigheid!quot; riep von Burgsdorf, âtrouw tot aan mijn dood wil ik u en uw regeering zijn. Ik maak mij los van den keizer en het rijk; en alleen de keurvorst van Brandenburg is mijn heer en bevelhebber. Laat mij in uw hand den diensteed aflegen!quot;
âZiehier mijn hand,quot; zei de keurvorst plechtig, den overste zijn hand reikende. âBeloof op deze hand, die in de toekomst het zwaard van Brandenburg wil zijn, beloof dat ge mij ijverig en trouw dienen en geen anderen heer hebben wilt dan mij alleen?quot;
âIk beloof het in den naam van God, ik wil geen anderen heer, geen anderen vorst dienen dan u alleen, den keurvorst van Brandenburg,quot; riep von Burgsdorf, terwijl hij zijn beide handen in de hand van den keurvorst legde, en, na gesproken te hebben vurig aan zijn lippen drukte.
âNu ik u in eed en plicht genomen heb,'' zei de keurvorst met hooge waardigheid, âgelast ik u naar Küstrin terug te keeren en 'daar de officieren en manschappen den eed ^an trouw af te nemen. Versta mij goed, slechts aan mij alleen, niet aan den keizer.quot;
âSlechts aan u alleen, niet aan den keizer?quot; riep von Burgsdorf met geestdrift.
âDan beveel ik u, in uw vesting geen keizerlijk garnizoen op te nemen, al mocht u dat door wie ook bevolen worden, want in het Prager vredesverdrag staat duidelijk, dat het aan iederen vorst vrijstaat, zijn vestingen alleen met
1
Eigen woorden van von Burgsdorf. Zie: Gescliichte des Pren.-ischen Staates van Orlich, II, 390.
401
zijn volk te bezetten en dit moet en zal ook voor mij geldend zijn.quot;1)
^Keurvorstelijke doorluchtigheid,quot; riep von Burgsdorf, âdat is gesproken als een man ! Vat het werk maar goed aan en beveel den heer stadhouder onverwijld de commandanten uwer overige vestingen insgelijks den eed af te nemen.quot; 2)
âGij meent misschien, dat dit noodig is, en deze heeren wellicht konden weigeren, aan mij alleen den eed te doen ?quot;
âJa, heer, dat meen ik, en ik zou er op willen zweren, dat de oversten von Rochow in Spandau, en Goldacker en Kracht in Berlijn, den eed aan uw keurvorstelijke doorluchtigheid niet doen zullen.quot;'
âWee hun, zoo zij het niet doen !quot; riep de keurvorst met schitterende oogen ; âdan zal ik hen bewijzen, dat ik binnen de grenzen van mijn land geen anderen heer erken dan mij alleen. Ga weder naar de Mark terug, von Burgsdorf, en doe gelijk ik u gezegd heb; gij moogtook, zooals ge vroeger zoo gaarne gedaan zoudt hebben, van Küstrin dikwijls naar Berlijn komen. Let dan nauwkeurig op alles wat daar geschiedt, want het kon gebeuren, dat ik u er zeer spoedig moet gebruiken. Wees op uw hoede, overste, wees vooral voorzichtig met uw woorden en daden; denk aan het woord, dat de kleine keurprins u te Berlijn zeide: âLeer en wacht.quot;
âHeer, gij slaat mij weder,quot; riep von Burgsdorf, âmaar het doet mij goed en ik heb er genoegen in. Ja, ik wil leeren en wachten, want ik zie dat wij nog niet aan den avond van den dag zijn en mijn genadige heer niet altijd zoo schuw en beschroomd rondom den heeten brij zal sluipen als tot nu toe; maar, wanneer de tijd gekomen is, zal hij er op inslaan en al zijn vijanden, zelfs de mach-tigsten, bewijzen, dat hij nog machtiger is dan zij. Nu bemerk ik, dat von Schwarzenberg zich in acht mag nemen.
âJa, maar tot zoolang moet von Burgsdorf zich in acht nemen. Vaarwel, von Burgsdorf. Ge hebt mijn bevelen ontvangen, ga, om ze uitte voeren! âquot;
1
Eigen woorden van den keurvorst. Zie: Droysen, GeschichtederPreus-sisclien Politik. III, 223.
2
Eigen woorden van Burgsdorf. Zie idem, 224.
Mühlbach, De groote Keurvorst en zijn tijd. II. 7
102
Toen de overste de kamer verlaten had, riep de keurvorst, âthans, Leuchtmar, kont ge al mijn plannen en bedoelingen. Maar het ernstigste en gewichtigste heb ik voor u achtergehouden, u heb ik den zwaarsten arbeid opgedragen!quot;
âIk geloof, dat ik weet wat uw doorluchtigheid bedoeltquot; zei Leuchtmar glimlachend. âGij hebt naar alle zijden uw voorzorgsmaatregelen genomen, en ook den keizer reeds gisteren door uw gezanten uw onderdanigen eerbied doen betuigen; slechts naar ééne zijde hebt ge nog niets gedaan en deze blijft voor mij over. Ik moet naar Zweden gaan, niet waar?quot;
De keurvorst knikte glimlachend. âGij hebt goed geraden, gij moet naar Zweden. Een groot gevaar bedreigt mijn land; de Zweden staan aan de grenzen of liever reeds in mijn land, want zij hebben Pommeren bezet, wat toch mij behoort. Ook zijn zij op het punt in de Marken te vallen ; Banner bedreigt mijn arm, uilgeput land op nieuw; men zegt dat hij reeds bevel heeft gegeven tot verwoesting van Berlijn. Daarom heeft Schwarzenberg de voorsteden Berlijn en Keulen laten afbranden, om de stad voor bestorming te behoeden; uit Saksen rukt de Zweedsche overste Stahlhands ook tegen Brandenburg op, en het is te voorzien, dat de oorlog over de Marken zal uitbreken. Nu weet gij, dat ik geen geld en geen soldaten, geen macht en land heb, en ik dus geen oorlog kan voeren. Mijn eenig doel moet hierop gericht zijn; hoe ik mijn verdrukte landen en volken van den oorlog in een bestendige rust en vrede kan brengen en goed zal kunnen regeeren Ik zend u dus naar Stokholm, mijn Leuchtmar, om met Zweden een voorloopigen wapenstilstand te bewerken en over de vredesvoorwaarden te onderhandelen. Ik moet tot eiken prijs vrede hebben, daar ik geen oorlog kan voeren. De kanselier Oxenstierna is wel een zeer trotsch en hoogmoedig man en hij zal hooge eischen stellen; maar wij moeten er ons in schikken, en ons voorbehouden, later revange te nemen. Alleen als hij Pommeren tot prijs van den vrede eischt, moogt gij dit toestaan; wij willen wel schikken, maar ons niet 'laten vernederen en onder het juk brengen. Wij
1) De eigen woorden van den keurvorsl. Zie : Droysen, III. 223.
103
willen veel toegeven, maar ons niet alles laten welgevallen. Zoo Oxenstierna geld of andere stoffelijke zaken begeert, beloof ze hem; maar land en steden geeft ge niet.quot;
âZelfs geen titel van land en steden, doorluchtigheid,quot; riep Leuchtmar, âwant gij hebt gezegd, dat gij uw titels tot waarheid wilt maken, den ledigen noot een kern wilt geven, en bijgevolg zal de Zweed geen enkelen uwer ledige noten kraken.quot;
âGeen enkelen,quot; herhaalde de keurvorst, zijn vriend glimlachend de hand reikende. âNog één ding, Leuchtmar! Herinnert ge u de plannen, welke mijn groote oom Gustaaf Adolf, toen hij hier ten bezoek was, met mijne moeder besproken heeft?quot;
âJa,quot; antwoordde Leuchtmar haastig, âik herinner ze mij en meen, dat het thans tijd is ze ten uitvoer te brengen. Er bestaat een middel om Zweden en Brandenburg door een vasten vrede te verbinden, zonder dat Brandenburg zich behoeft te verootmoedigen. Zet slechts het plan voort van den grooten Gustaaf Adolf, doorluchtigheid; hij wilde dat zijn dochter Christina uwe gemalin zou worden.quot;
âJa.quot; zei de keurvorst, wiens wangen plotseling van een doodelijke bleekheid overtrokken werden, âja, hij heeft zijn dochter tot mijn gemalin bestemd. Ga, Leuchtmar, en doe er aanzoek om, doch geheel in stilte en in 't geheim. Ik heb u wel gezegd, dat mijn hart dood is en de jonge Friedrich Wilhelm niets meer voor zich begeert, maar de jonge keurvorst nog zeer veel, en 't is de keurvorst, die koningin Christina zijn hand aanbiedt, in 't belang van zijn land. Ik geloof wel, dat de jonge, kleine koningin eenig belang stelt, in haar neef Friedrich Wilhelm; mijn tante, de koningin weduwe, heeft mij dit ten minste verzekerd. Ik zal u een eigenhandig schrijven aan de jonge koningin medegeven, 't welk gij moet beproeven haar ter hand te stellen, zonder dat Oxenstierna er iets van verneemt. Ga nu, mijn Leuchtmar, en maak alles tot uw vertrek gereed, terwijl ik den brief schrijf.quot;
âBinnen een uur ben ik gereed,quot; zei Leuchtmar, die zich boog en verwijderde. ^
De keurvorst zag hem peinzend na. âBinnen een uur ^ is hij gereed, zeide hij, âen gaat dan heen om voor mij een vrouwenhart te veroveren. Ach, liefdeen trouw, moet gij ook buigen voor de groote wetten, die de wereld re-
404
^eeren? Moet ook dat als olïev op het altaar des vaderlands gelegd worden? Stil, arm hart, mor niet! Zinkt neder in de zee der vergetelheid, dagen die geweest zijn! Een nieuwe tijd is voor mij aangebroken, ik sta voor de deur eener grootsche toekomst en schrijf boven deze deur; ik wil een machtig en aanzienlijk vorst worden! Dit is mijn toekomst!''
DE BEVESTIGING.
Graaf Adam von Schwarzenberg liep met zegevierend gelaat op en neer in zijn kabinet. De kamerjonker Werner von Schulenberg had hem zoo even verlaten en de blijde tijdingen, welke hij hem van den jongen keurvorst had gebracht, hadden allen twijfel, alle zorgen uit zijn hart gebannen.
âIk deed hem onrecht,quot; zeide hij blijmoedig tot zich zeiven; âFriedrich Wilhelm was niet mijn vijand, mijn tegenstander. Hij was slechts de zoon van zijn vader, en wil nu ook den weg van zijn vader bewandelen. Ik blijt wat ik ben, ik blijf de stadhouder, de heer in de Marken. En ik,quot; ging hij zachter voort, âik wilde dezen goeden, volgzamen prins uit den weg ruimen! â Wie weet of t
mij voordeelig zou geweest zijn, zoo hij gestorven en mijn
zoon in zijn plaats getreden ware. Mijn zoon is van mijn bloed, dat wil zeggen, hij is eerzuchtig en haakt naar macht en aanzien. Hij zou het gezag niet in mijn handen laten, zoo hij het mij ontnemen kon, en wellicht bleef ik geen stadhouder in de Marken, zoo hij zich in mijn plaats
kon dringen!quot; .
De graaf zette zich op een stoel en legde rustig het hoofd in zijn hand. De zegevierende uitdrukking was van zijn gelaat verdwenen.
âHet behaagt mij niet,quot; sprak hij na een lange pauze in zich zelve, âhet behaagt mij volstrekt niet, dat mijn zoon zoo veel met Goldacker, Kracht en Rochow in Span-dau verkeert. Het zijn oproerige knapen, die volstrekt
105
geen wet en tucht erkennen, en behagen in twist vinden. 'tZou hun hoogst welkom zijn, zoo zij vader en zoon tegen elkander konden opruien, zij zouden dan in troebel water visschen en er voordeel uit zien te trekken, want daarom is 'thun alleen te doen. â Zij hebben een kwaden invloed op mijn zoon, dat weet ik, en 'tzou voor hem veel beter zijn, zoo hij hier vandaan was en . . . Ha, een goede gedachte,quot; viel hij zich zelf in de rede; âik zal ze dadelijk ten uitvoer brengen.quot;
Hij sprong op, greep naar de gouden schel, die op de tafel stond en die hij nog kort geleden van keizer Ferdinand, als voorwerp der nieuwste mode, ten geschenk had ontvangen. De heldere, doordringende klank der schel lokte een glimlach op de lippen van den graaf.
âJa,quot;' zeide hij, âde oude keurvorst is dood, en ik luid den nieuwen tijd in; maar de nieuwe tijd blijft toch de oude tijd, het doel blijft hetzelfde; slechts de middelen, om er te komen, veranderen. Vroeger lloot ik, nu schel ik; het doel blijft echter, dienstbaren te roepen.quot;
âMaar zij komen niet,quot; ging hij na eene lange pauze voort, terwijl hij vruchteloos op de verschijning van een lakei had gewacht. âNeen, mijn dienstbare komt niet, zij willen den nieuwen tijd niet verstaan en liever naar do oude hooren.quot;
Hij nam de kleine gouden fluit, die op de tafel bij de schel lag, en liet een gillend gelluit hooren.
Terstond werd de deur geopend en een lakei verscheen.
âWaarom liet ge mij wachten?'' snauwde de graaf hom toe. âHebt ge niet hooren schellen?''
âJa, excellentie,quot; antwoordde de lakei met eerbiedige houding, âik heb hooren schellen, 't Was de gerechtsdienaar, die aankondigt, dat op de vischmarkt twee vrouwen aan den schandpaal zijn tentoongesteld, die te zamen bij de twintig diefstallen hadden gepleegd.quot;
âDomme zot, ik was het die schelde,quot; riep de graaf, âHeb ik u allen niet gisteren door den hofmeester laten berichten, dat ik voortaan niet meer met een fluit, maar met de schel zou roepen?quot;
â'tls waar, excellentie, ik verzoek vergeving, dat ik het vergeten heb,quot; antwoordde de lakei ootmoedig.
âDenk er dan. in 'tvervolg om,quot; beval de graaf.quot; Ga, en verwittig mijn heer zoon, graaf Adolf Johann, dat ik
106
hem dadelijk wensch Ie spieken en liem verzoek bij mij te komen.quot;
De lakei boog eerbiedig en verliet de kamer. Hij bleel' echter buiten voor de gesloten deur staan en hief toornig en dreigend de hand tegen de deur op.
âGe wilt ons niet meer met de fluit roepen quot; mompelde hij, âmaar fluit evenwel uw papegaai en uw honden. Voor uw lakeien en dienaren is dit echter nog te goed, zij moeten nu naar de schapenbei hooren, en gij wilt schellen en luiden alsof ge de gerechtsdienaar waart en wij onwaardig gespuis, dat aan de schandpaal wordt gebonden. Ach, de voornamen en rijken worden lederen dag overmoediger, en de geringen en armen moeten zich lederen dag meer laten welgevallen! Wij hoopten wel, dat hier een andere tijd zou komen, dat de jonge keurvorst den ouden tiran van een stadhouder ter zijde zou stooten en hem van zijn ambten en waardigheden ontzetten. Maar hij blijft aan de regeering, en de eenige verandering voor ons is dat hij ons nu schelt, terwijl hij ons vroeger gefloten heeft. Wij moeten het ons alles laten welgevallen en zijn bevelen even goed gehoorzamen.quot;
Met een diepen zucht en droefgeestig gelaat ging de lakei heen, om het bevel van zijn meester uit te voeren, en graaf Adolf Johann bij zijn heer vader te ontbieden. â Deze haastte zich de oproeping te volgen.
âMijn zoon,,quot; riep de stadhouder, toen graaf Adolf Johann de deur van zijn kabinet opende, âik heb uw schreden reeds herkend.quot;
âGij hebt mij dus iets dringends te zeggen, dat ge mij zoo reikhalzend wacht?quot; vroeg Adolf Johann, de hand zijns vaders aan zijn lippen drukkende.
âJa,quot; antwooide de stadhouder. âDé eerste afgezant van den jongen keurvorst is bij mij aangekomen en heeft de eerste boodschap van hem gebracht.quot;
âEen gunstige boodschap?quot; vroeg zijn zoon haastig.
âJa, een gunstige boodschap! De keurvorst bevestigt mij in al mijn ambten en waardigheden. Ik blijf stadhouder in de Marken, directeur van oorlog, ik blijf wat ik ben, en hieruit volgt, dat ook de keurvorst Friedrich Wilhelm blijft wat zijn vader Georg Wilhelm was, mijn gehoorzame dienaar. Mijn zoon, de schepter is niet uit mijn hand gevallen en uw erfenis is niet verkort.quot;
407
âIk verzeker u, mijn genadige heer vader, dat ik er zeer weinig naar verlang, deze erfenis te aanvaarden,quot; riep de jonge graaf Adolf de schouders ophalend. âMoge ik nog zeer lang blijven wat ik ben, de zoon van den stadhouder in de Marken, de coadjutor van den commandeur der Johannieten orde.quot;
âIk dank u, Adolf, voor dezen goeden, vriendelijken wensch,quot; zei graaf Adam, zijn zoon de hand reikende. âHet bewijst, dat gij uw ouden vader lief hebt, en dit verheugt mij. De mensch is nu eenmaal zoo, dat hij niet voor zich alleen wil leven, maar naar een hart verlangt, waarop hij steunen kan. En ik doe bij mij nu de ontdekking, dat ik ook een hart heb.quot;
âEn ik,quot; zei graaf Adolf lachend, âik doe bij mij de ontdekking, dat ik geen hai-t meer heb.quot;
âOf dat uw hart ziek is, niet waar?' vroeg zijn vader schielijk. âMijn zoon, gij hebt u in den laatsten tijd aan mij onttrokken. Gij hebt u van mii afgewend, gij vertrouwt mij niet meer.quot;
âIk heb niets te vertrouwen, genadige heer vader,quot; antwoordde graaf Adolf, glimlachend. âIk voer een onbezorgd vroolijk leven en bekommer mij om niets!quot;
âOm niets ?quot; herhaalde de graaf. âOok niet meer om prinses Louize Charlotte ?quot;
Graaf Adolf ontroerde en verbleekte een weinig, doch hij schudde levendig het hoofd en hield den glimlach op zijn lippen.
âMijn zoon,quot; ging de graaf voort, âik vraag u heden, wat ik voor twee jaren deed, hoe staat gij met prinses Louize Charlotte? Al dien tijd hebt gij mijn wenken ontweken, noch mij te woord willen staan. Ik liet u begaan, want ik ken mijn wijzen, voorzichtigen zoon, en wachtte tot hij zelf mij zijn vertrouwen zou schenken. Maar tot nu toe heb ik vruchteloos gewacht en ik moet wel de eerste zijn. Schenk mij uw vertrouwen, Adolf, zeg mij of gij prinses Louize Charlotte bemint.quot;
âWaarom?quot; vroeg graaf Adolf. âWat baat het u?quot;
âHet baat mij niets, maar wellicht kan ik u baten, zoo ge mij de waarheid zegt. De hoogvliegende plannen van vroeger zijn verdwenen, het lot heeft niet gewild, dat de dochter van Georg Wilhelm de erfgename van haar vader werd, die haar gemaal tot keurvorst van Brandenburg
108
zou verhellen; Friedrich Wiliielm is keurvorst, hij heeft de erfenis van zijn vader in haar geheelen omvang aanvaard. Maar de prinses Louize Charlotte is nog ongehuwd, en is dit wellicht gebleven, omdat zij u bemint. Zij wacht op u!quot;
,Zij heeft mij laten wachten,quot; riep de jonge graaf heftig. ,.Zij heeft mij toen in Berlijn twee uren voor een gesloten deur laten staan, en nooit, zoolang ik leef, vergeet ik de schande, de kwelling en vernedering van dat vruchteloos wachten. Vader, zie, welk een macht gij over mij hebt. Ik zwoer, dat geen menschelijk wezen ooit de schande zou vernemen, welke deze trotsche, overmoedige vorstendochter mij had aangedaan, en nu beken ik ze aan u. Heb geen medelijden, zeg niets, want ieder woord hierover doet mij pijn en zou mijn hart van toorn en smart doen opspringen. Ik beminde haar, ik geloofde aan haai', ik droomde van een schitterende, heerlijke toekomst, welke ik aan haar te danken zou hebben! En zij, zij speelde haar rol meesterlijk goed, zij scheen onschuldig en eerlijk. Vader, ik beminde haar, en ik, de ervaren man der wereld, liet mij misleiden door dat jonge meisje, die niets kende van de wereld en toch een volleerde huichelaarster was. Geloof niet, dat ik een ijdele gek was, die zich zeiven misleidde en hoogmoedig voor waar hield, wat hij wenschte. Neen, zij misleidde, zij bedroog mij ! Gij hadt haar moeten zien op het feest, gij hadt moeten hooren hoe teeder en vertrouwelijk zij aan mijn arm hing, toen wij door den wintertuin gingen, met wat gloeiende wangen en zaligen glimlach zij naar mijn liefde betuigingen luisterde, zejmet liefelijke verlegenheid beantwoordde. Zij was zelfs mijn stoutste wenschen en verwachtingen voorgekomen, en toen ik het waagde, haar een samenkomst te verzoeken, bewilligde zij mij die niet alleen, maar gaf mij het bewijs, dat zij, ook zonder mijn verzoek, mij die samenkomst zou hebben verleend. Daar in de oranjerie drukte zij mij een briefje in de hand, waarin geschreven stond, dat zij mij des avonds van den volgenden dag, te negen ure tot een geheime samenkomst in het kasteel bescheidde. Toch was alles logen en bedrog, alles verzonnen, om den overmoedigen dwaas te straffen, dat hij het gewaagd had, zijn oogen op de trotsche prinses te slaan! Wat zal zij met haar zuster, haar moeder en haar
100
broeder mij uitgelachen hebben, toen ik daar beneden voor de gesloten deur stond te wachten en eindelijk met wanhoop en woede in het hart vertrok. Ik kan mij voorstellen, hoe zij aan een nabijgelegen venster geluisterd, mij bespied hebben en hoe het hen verheugde, mij daar te zien staan, mij te hooren kloppen en eindelijk stil en vernederd zag aftrekken. Het maakt mij razend, als ik er aan denk, en toch komt het mij gestadig in de gedachten, toch laat het mij geen rust, en ik folter mij zeiven met de herinnering aan die twee vreeselijke uren. Ach, vader, waarom hebt ge dit schrikkelijk geheim uit mïjri opgeroepen, een geheim, dat ik niemand, zelfs mijn biechtvader niet, heb toevertrouwd?quot;
âHet verheugt mij, mijn, zoon, dat het mij gelukt is, dit geheim te weten,quot; zei de graaf bedaard. âIk zeg dat het gevaarlijk in uw hart heeft gewoekerd, en geloof mij, Adolt, nu gij het mij hebt geopenbaard zult ge verlichting gevoelen en uw hart zal genezen. U is gebeurd, wat zeer velen mannen overkomt, eene kokette heeft u bedrogen en u de heerlijke illusien ontnomen. Maar bedenk dat iedere verlorene illusie een gewonnen ondervinding is, en men ondervindingen op dat gebied nooit de duur betaalt. Want ondervinding geeft wereldkennis, en wereldkennis vormt den diplomaat en staatsman. Mijn zoon, gij zijt reeds een belangrijk staatsman, en gij zult eens een groote rol spelen, al zijt gij niet de gemaal van dekeur-prinses. Ik kan u een grooten troost geven en uw gemoed van een drukkend gevoel bevrijden. Daarom heb ik u laten uitwoeden en opmerkzaam naar uw hartstochtelijke klachten geluisterd. Mijn troost is deze: gij hebt de prinses Louize Charlotte nimmer bemind. Dat wil zeggen, niet bemind met uw hart, maar gij hebt haar bemind uit ijdelheid en eerzucht. Het zou zeer vleiend voor u zijn geweest, door een prinses bemind te worden, en de eer zucht tluisterde u toe, dat uw gemalin u tot regeerend keurvorst kon maken, indien de keurprins door het lot of een andere gedienstige hand werd weggeruimd. Er was daarvoor wel kans, en ge weet met welken trotschen blik wij beiden de toekomst aanschouwden. Maar onze plannen leden schipbreuk en het is te laat ze op nieuw op touw te zetten. Laat ons hierover niet treuren, maar vergeten wij wat voorbij is. Gij hebt in dit uur over uw
110
verleden de laatste rouwklacht gehouden. Zij is vervlogen, en wij willen er niet meer aan denken Maar één ding heb ik in mijn geheugen bewaard; waar is dat briefje,'t welk de onvoorzichtige prinses u in de oranjerie gegeven heeft. Bezit ge dat nog?quot;
âJa, ik bezit het nog en telkens als ik het zie, springt mijn hart op van toorn en woede!quot;
.,Gij moest u echter verheugen. Adolf, als ge het ziet, want dit briefje is een gevaarlijk wapen tegen het keur-vorstelijk huis. Met dit briefje kunt ge den jongen keurvorst eenmaal dwingen, u tot mijn opvolger te benoemen, u te bevestigen als kommandeur der Johannieten-orde, ot zoo gij dat nog verlangt, u tot gemaal zijner zuster Louize Charlotte te maken. Een briefje, waarin de zuster van den keurvorst u tot een nachtelijke samenkomst uitnoo-digt, is meer waard, dan wanneer ge met een leger tegen uw vijanden oprukt ; want een leger kan overwonnen worden, maar in dit briefje is iedere letter een soldaat, die met onoverwinbare wapens strijdt.quot;
âGij hebt gelijk, mijn genadige vader,quot; zei graaf Adolf Johann met een sombere uitdrukking. âEr moge een dag komen, dat ik deze soldaten laat opmarcheeren tegen de trouwelooze prin?es en haar geheele huis! Ik haat haar, ik haat hen allen, mijn hart dorst naar wraak, en,...
âGenadige heerquot;, zei een binnentredende kamerdienaar, âeen koerier uit Koningsbergen is zooeven aangekomen en heeft dezen brief van mijnheer den keurvorst gebracht.quot;
De stadhouder nam den brief en wenkte den kamerdienaar heen te gaan.
âEen koerier van den keurvorst,quot; zeide hij, zacht het hoofd schuddende, terwijl hij het groote, verzegélde couvert beschouwde, dat hij in zijn hand hield. âEenschrijven uit de keurvorstelijke kanselarij, terwijl toch Werner von Schulenburg nog heden bij mij was, om met mij mondeling te spreken? Dit begrijp ik niet!quot;
,c,Het beste zal zijn, genadige heer vader, dat .gij den brief opent!quot; riep graaf Adolf levendig. Dan kunt ge zien welke berichten hij bevat.quot;
De stadhouder antwoordde niet, maar scheurde het couvert open en haalde er het papier uit. Langzaam sloeg hij het uiteen en las.
Zijn zoon was hem onwillekeurig eenige schreden gena-
Ill
derd en sloeg met ongeduld het gelaat van zijn vader gade. Hij zag, boe hij verbleekte, hoo zijn voorhoofd zich rimpelde, hoe zijn lippen heftig opeen werden gedrukt.
âbehelst de brief slechte berichten?quot; vroeg hij buiten adem. 0 J
âJuist geen slechte, maar toch verwonderlijke berichten,quot; antwoordde de graaf met gedwongene kalmte. âDe keurvorst doet mij daarin eenige eischen, niet rechtstreeks, maar laat die door zijn kabinetssecretaris schrijven.quot;
âDat is ongehoord,quot; riep zijn zoon heftig. âHoe kan de kleine keurvorst het wagen tot u, den machtigen, aanzienlijken heer stadhouder in de Marken, een kanselarij-schrijven te richten, in plaats van eigenhandig in een brief zijn wenschen voor te dragen.quot;
))He^ getuigt in allen geval van een weinig achteloosheid en gebrek aan vorm,quot; antwoordde zijn vader nadenkend; âmaar de keurvorst laat zich ten minste hiermede verontschuldigen, dat zijn tijd bovenmate bezet is,, waarom hij ook aan Schulenburg slechts mondelinge boodschappen voor mij heeft gegeven.quot;
âMag ik vragen, wat de keurvorst van uw genade begeert ? Of is dit een onbescheidenheid van mij ?quot;
,.Neen, mijn zoon, gij zult het weten; ten eerste eischt de keurvorst van mij, dat ik de stukken, die hier voor hem komen, niet als vroeger openbreek en in zijn naam beantwoord, maar dat ik ze ongeopend aan den keurvorst naar Koningsbergen moeten zenden. Dan begeert de keurvorst, dat ik geen regeeringshandelingen mag vaststellen, zonder vooraf den geheimraad opgeroepen te hebben. Ten derde begeert hij, dat ik dadelijk al de vestingcommandanten en officieren den eed van plicht en trouw aan den keurvorst zal afnemen. Tot slot vraagt de keurvorst, of ik geen lust zou hebben, naar Pruisen tot hem te komen, om mondeling met hem te spreken en hem mijn hulp en raad mede te deelen.quot;
âEn wat zal u op deze drie eischen antwoorden ?quot;
âBetreffende den eersten eisch zal ik berichten, dat het bevel van den keurvorst wet is, en hem van nu af de stukken ongeopend zullen gezonden worden. Wat den tweeden eisch betreft, zal ik zeggen, dat het voor het oogenblik onmogelijk is den geheimraad te vergaderen, vermits nog slechts een enkele der vorige leden in leven
112
is. En wat den derden eisch betreft, ging de graaf langzaam voort, ânu ik zal de commandanten en officieren door handslag in den eed nemen. En eindelijk zal ik, daalde keurvorst het wenscht, hem mijn raad niet kunnen weigeren, maar zal tot hom naar Pruisen gaan.
, Neen,quot; riep graaf Adolf onstuimig, âdat moet ge niet doen, vader. Neen, aan deze arglistige uitnoodiging moet gij lt;reen gevolg geven. Gij moet niet naar Pruisen gaan. Zijnöuw anders zoo schrandere, en scherpe oogen ditmaal zoo blind, dat zij niet zien, wat toch zoo zichtbaar is? Ziet ge dan niet, dat de keurvorst u slechts van hier wil lokken, om u in zijn macht te krijgen, om u zonder eenig gerucht of opzien te kunnen ter zijde stellen ? Naar Koningsbergen zoudt gij komen, en den jongen, onervaren keurvorst uwen raad geven. Dat is de vorm, tis het zand, dat men u, uwe vrienden, den keizer, ja geheel Duitschland in de oogen wil strooien, opdat niemand zien zal wat gebeurt, en niemand aan de mogelijkheid zou gelooven. Gij zult naar Koningsbergen vertrekken, maar er nooit aankomen; een of ander ongeval zal u onderweg overkomen, gij zult met uw rijtuig omvallen en daarbij den dood vinden, of gij zult in een bosch dooi roovers overvallen en vermoord worden; om teven hoe, maai- slechts als lijk zult gij te Koningsbergen aankomen en de keurvorst zal niets ander3 te doen hebben, dan u een plechtige begrafenis te bezorgen!quot; . , , .
,â0, mijn zoon,quot; riep de stadhouder glimlachend gaat te ver. De keurvorst zal tot dergelijke middelen nooit zijn toevlucht nemen. Daarvoor is hij een al te goed en vroom christen!quot;
âZijt ge ook niet een vroom christen, en evenwel . . . Geloof mij, de keurvorst heeft niets vergeten! Hij herinnert zich den man, die men eens met een moordtuig in de hand en met veel geld in den zak onder zijn bed heeft gevonden. Hij herinnert zich nog de ziekte, die hem vóór twee jaren zoo plotseling op uw feestmaal overviel. Toen hadt gij hem genoodigd, thans noodigt hij u, en zoo u nu een ziekte overvalt, zult gij wellicht niet, gelijk hij destijds, het geluk hebben er van te genezen.quot;
âJa 'tis waar, gij kunt gelijk hebben,quot; mompelde de graaf verbleekend. âHet kan zijn, dat men mij verdenkt, dat men hem heeft gezegd, dat ik hem op het feest heb
113
laten vergiftigen. Ik hel) sporen er van, die het mij ge-loollijk doen voorkomen, en die vrouw . . . Slil, stil, niets hiervan, dit behoort hier niet! Ik geloof het thans zelf, dat gij gelijk hebt, de uitnoodiging van den keurvorst zal ik niet beantwoorden.quot;
âGelukkig mijn vader, dat ge dit besluit neemt,quot; riep de jonge graaf verheugd. âThans is de beslissing daar, de openlijke vijandschap, de onbewimpelde breuk met het verledene. Wankel en wijk nu niet meer! De keurvorst wil u verderven, maar gij moet hem verderven! Zie mij niet zoo verbaasd en verwonderd aan, mijn vader! Ik heb dit oogenblik lang zien aankomen en alles voorbereid, opdat wij het waardiglijk kunnen tegemoet gaan. Zoodra de eerste tijding van het overlijden van den keurvorst Georg Wilhelm hier aankwam, verzamelde ik mijne en uwe vrienden, hield een lange beraadslaging en verzekerde mij van hun trouw en gehechtheid. Genadige heer, gij hebt u waarlijk niet te beklagen, want gij hebt vele en getrouwe vrienden, die bereid zijn voor u de grootste gevaren te trotseeren! Zij waren met mij overtuigd, dat de jonge keurvorst uw vijand, uw onverzoenlijke vijand is, en hij slechts op een gelegenheid wacht om u in het verderf te storten. Maar hij is in weerwil zijner jonge jaren een te schrander en voorzichtig man, om het openlijk te wagen, om met overhaasting tegen u op te treden. Hij weet, dat de keizer u bemint, dat deze iedere vijandige daad tegen u als tegen hem zeiven gericht zou beschouwen. Daarom wil hij u in stilte ter zijde stellen en vernietigen. Hier, te midden uwer getrouwen, omgeven van soldaten en officieren, welke aan den keizer en u den eed van trouw hebben gezworen, te midden van uw aanhangers en vrienden zal de keurvorst u niet gevangen nemen of beschuldigen. Hij legt het veel verstandiger, veel voorzichtiger aan. Eerst moet hij de commandanten en officieren den eed van plicht en trouw jegens den keurvorst afnemen. Dat is met andere woorden: zij zullen niet meer gebonden zijn voor den keizer als hun oppersten veldheer, niet meer voor u, als zijn plaatsvervanger, maar zij zullen alleen aan den keurvorst den eed doen, en slechts van zijn wil zullen zij afhankelijk zijn. Als gij dit volbracht hebt, zult gij zelf naar Pruisen gaan, waar niemand u beschermt, waar uw getrouwen niet om u
114
zijn, waar gij ongewroken en onbeklaagd zult verdwijnen. Neen, mijn heer en vader, gij moogt niet naar Pruisen gaan, of zoo ge er heen gaat, zorg dan, dat uw getrouwen om u verzameld zijn, en gij aan de spits van uw regimenten staat, en tegen den keurvorst als een machtigen vijand, niet als zijn dienaar, kunt optreden.quot;
âWat wilt gij hiermede zeggen, mijn zoon?quot; vroeg de stadhouder ontsteld.
âIk wil zeggen, mijn vader, dat ik met uwe vrienden in stilte ben werkzaam geweest, en alles voorbereid heb voor 't geval, dat de jonge keurvorst u bedreigde. In de gelieele Mark zijn uw aanhangers bereid tot een openlijk verzet en vijandschap tegen den keurvorst, vast besloten u en hun eigen vrijheden en privilegiën met het zwaard in de hand te verdedigen. Vervul slechts het bevel van Friedrich Wilhelm, ontbied slechts de vestingcommandan-ten naar Berlijn, om ze voor den keurvorst den eed at te nemen. Zij zullen dien eed weigeren, allen, met uitzondering van von üurgsdorf te Küstrin en Trotha te Peitz, verklaren dat zij den eed aan den keizer hebben gedaan en geen tweeden eed op hun geweten kunnen nemen. Dat zullen ook de regiments-oversten zeggen, hetzefde zal u de moedigste en dapperste dezer oversten ,Goldacker, zeggen. Zij willen den keizer trouw blijven, bijgevolg is de keurvorst van Brandenburg hun veldheer niet. U, in wiens hand zij den eed voor den keizer hebben afgelegd, u willen zij gehoorzamen, u willen zij volgen, waarheen ge hen voert.quot;
âMaar waarheen zal ik ze voeren vroeg de stadhoudei'.
âTen strijde tegen den kleinen keurvorst van Branden-hurg, die zich tegen zijn heer, den keizer, wil verzetten, ten strijde tegen den ketterschen vasal van den keizer, die het duitsche rijk en de kerk bedreigt, die zich van den keizer en het rijk wil losmaken, die alle belijdenissen bedreigt en alleen de gereformfierden tot aanzien en macht wil verheffen. Geloof mij, niet alleen de rechtgeloovige katholieken, maar ook de evangelischen en lutherschen zullen zich bij deze oproèping aansluiten en van toorn en vijandschap gloeien tegen den vermetelen kleinen keurvorst. Wij hebben het net gespannen en het omgeeft hem met zijn draden ook reeds ginds in Pruisen, waar hij zich geheel onbedreigd en veilig waant. Vertrouwde vrienden en zekere boden zijn dooi-mij en Goldacker naar Pruisen
415
gezonden, om ons met uw vrienden en aanhangers aldaar te verstaan en hen tot vast en krachtig handelen aan te sporen. Sebastian von Waldow, de bevelhebber van het kasteel en kapitein van Ruppin, verzamelt heimelijk om zich uw aanhangers, en ik verwacht dezer dagen van hem nauwkeurige berichten, hoe ver hij daarin geslaagd is. Zelfs te Koningsbergen hebben wij thans een machtig en ijverig vriend, die voor ons werkt en in onzen geest handelt, 't Is de gezant, dien de keizer naar Pruisen heeft gezonden om den keurvorst te condoleren, het is mijn vertrouwdste en beste vriend, de graaf von Martinitz. Hij kent al mijn plannen, hij is de vertrouwde van al mijn wenschen en bedoelingen, en zal ze met alle kracht ondersteunen. Deze kleine, eerzuchtige, kettersche keurvorst mag zich niet verheden, mag geen macht en aanzien verkrijgen. Dit is de meening niet alleen van den keizer, maar van alle duitsche vorsten. De keurvorst van Tgt;ran-denburg is voorhen; allen gevaarlijk. Hij bedreigt Saksen, Brunswijk en Hessen, hij doet aan allen eischen hij wil-van allen land en menschen geleverd hebben, in wier bezit zij zijn. De kleine keurvorst Friedrich Wilhelm heett volstrekt geen vrienden, geen aanhangers en bondgenoo-ten. Holland zal niet voor hem optreden, omdat hij het Guiick en Kleef niet wil afstaan; met Zweden twist hij om Pommeren, met Polen om de investituur; hij heeft niets dan vijanden. Maken wij hem alzoo zijn proces, werpen wij hem omver. Geen hand zal zich voor hem 'opheffen, geen arm voor hem strijden. De keizer zal ons zijn bescherming en bijstand verleenen, alle duitsche vorsten zullen zich in stilte verheugen, dat de vorst, die dreigde hun mededinger te worden, ter zijde wordt gesteld. Vader, gij ziet wel dat ik er niet van heb afgezien welligt eenmaal keurvorst van Brandenburg te worden! Ik wil dit echter niet door de prinses Louize Charlotte maar door u, ik wil het als de zoon van mijn vader worden. En dat zal mijn wraak zijn op de trouwelooze prinses! Haar en haar geheele huis wil ik ten val brengen; ik wil mijn vader in de plaats van haar broeder stellen, ik wil als vorst het kasteel binnentreden, voor welks gesloten deur zij mij eens zoo schandelijk heeft laten wachten ! Ik zwoer in dien nacht mij te wreken en thans is het oogenblik gekomen! Mijn vader, de vrucht is rijp en gij moet ze plukken !''
116
âDat wil ik,quot;' riep de stadhouder levendig. âMijn zoon, een groote, ontzachlijke vreugd vervult mijn ziel in dit uur, maar vóór alles moet ik u vergiltenis vragen voor de vreeselijke achterdocht, die ik in den laatsten tijd somtijds tegen u koesterde. Ik mistrouwde u, ik zag uw bedrijvigheid, uw in het oog vallende vertrouwelijke omgang met commandanten en officieren, ik gevoelde dat ge een groote onderneming voorbereiddet, en ik vreesde, dat ik voor u te lang leefde, en gij mij ter zeide wildet schuiven, om u in mijn plaats te zetten. Vergeef het mij, mijn zoon, vergeef het mij om den wille van het verdriet, dat mijn argwaan mij zeiven bereid heeft.''
,,Ik heb u niels te vergeven, heer vader,quot; zei graaf Adolf koel. â't Is immers natuurlijk dat degene, die zelfs de liefde niet kent, ze ook bij anderen niet begrijpt, maar aan hebzucht gelooft! Gij mijn vader, bemint nu op aarde niets dan uw eerzucht en uw roem; gij dacht dat dit ook bij mij het geval was en dat uw eigen zoon uit eerzucht de verrader van zijn vader kon worden.quot;
âMijn Adolf,quot; riep de stadhouder, âik heb t' u reeds eenmaal gezegd en herhaal het; ik gevoel toch, dat ik een hart heb. Ik gevoelde het aan mijn smart, toen ik aan u twijfelde, nu gevoel ik het aan mijn vreugd, dat ik u zoo moedig voor uw vader zie optreden. Geef mij uwe hand, Adolf, en â zoo gij het niet versmaadt â omhels mij en kus de oude lippen Van uw vader.quot;
Hij breidde zijn armen uit; zijn zoon wierp zich aan zijn borst en drukte een langen, innigen kus op zijn lippen.
Graaf Adam von Schwarzenberg hield hem lang en innig omklemd, en toen natn hij het hoofd van den jongen man tusschen zijn handen en zag hem lang met liefderijke, teedere blikken aan, vervolgens boog hij zich tot hem en kuste met een zonderlinge, verlegene uitdrukkiing zijn oogen.
âMijn zoon,quot; zeide hij zacht, âik bemin u. Dit zijn de eerste oogen die ik kuste, en deze kussen van de onontwijde lippen van uw vader zullen u zegenen voor uw geheele leven! En nu aan het werk, nu moedig handelen ! Ach, ik heb mij in den laatsen tijd soms zwak en moedeloos gevoeld, en 't was mij welkom geweest mij in eenzaamheid en stilte te kunnen afzonderen om te rusten
117
van allen arbeid. Ik meende, dat het de ouderdom was, die mijn arm verlamde en mijn geestkracht vernietigde. Maar thans gevoel ik, dat het enkel mijn geheim verdriet was, dat mij afmatte en mijn arm verzwakte. Nu ben ik weer krachtig, geheel gezond, thans wil ik wagen, strijden, alles doen wat gij zoo wijs en voorzichtig hebt voorbereid. Ja, ik ben weder Schwarzenberg, de stadhouder in de Marken, en wil mij niet laten verdringen ; ik zal dezen kleinen Friedrich Wilhelm overwinnen, die het waagt mij te trotseeren en te dreigen. Hij verzet zich tegen den keizer, wil onbeperkt heer zijn, hoewel hij slechts 's keizers vasal is. Hij zal er voor gestraft worden, 't Zal niet onze schuld zijn, zoo hij hierbij van zijn troon valt, en wat kunnen wij 't helpen, zoo de genadige keizer ons in zijne plaats zet, zoo hij den vorst Schwarzenberg met het markgraafschap Brandenburg beleent, even als hij vorst Lobkowitz met het markgraafschap Jagerndorf beleend heeft. Aan 't werk, mijn zoon, aan 't werk! Nu zien mijn oogen weer helder, nu heeft mijn hoofd weder vaste,, krachtige gedachten. Mijn zoon, te zamen vereend zullen wij de macht hebben onze eerzuchtige plannen uit de voeren. Te zamen vereend zullen wij den keurvorst ten val brengen.''
âEn u in zijne plaats zetten,quot; riep de jonge graaf.
âIk moet voorgaan, opdat gij mijn opvolger kunt worden, ons huis moet groot en machtig worden, en niet achterstaan bij de Lobkowitz en Fürstenbergs. Het staat nu reeds alles vast en geregeld in mijn gedachten, wat wij te doen hebben. Voor alles moeten wij den keurvorst naar alle zijden in verdenking brengen, het iedereen duidelijk maken, dat hij een gevaarlijke vijand is, die zich wil verrijken ten koste zijner naburen, zich tot eer eij macht wil verheffen door anderen te verzwakken en te berooven. Wij hebben den keizer slechts te zeggen, dat hij zich tegen hem aankant en zijn officieren wil ontslaan van den eed, dien zij den keizer gezworen hebben; Ferdinand is oploopend en ijverzuchtig op zijn macht, en hij zal den oproerigen vasal doen vallen. Wij zullen door onze vrienden den Lutheranen en Lutherschen hier in de Mark in 't oor blazen, dat de keurvorst, als een ijverig gereformeerde, hun geloof bedreigt en de luthersche staatsker k in haar voorrechten wil verkorten, alsmede allen uit hun Mühllïaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. II. 8
418
ambten en posten verwijderen, die niet tot het gereformeerde geloof willen overgaan. De Lutheranen zijn zeer hardhoofdige en fanatieke lieden, en wie hun geloof bedreigt, is hun ergste vijand, zij zullen zich aangorden met vuur en zwaard om tegen hem te strijden. De soldaten zullen met vreugde bereid zijn dengene te volgen, die hen betaalt en hun iets hoogere soldij belooft; en wat de officieren betreft, zoo dank ik u, mijn zoon, dat wij zeker van hen zijn. Laat ons nu een bepaald plan vaststellen, dat tot oplossing kan leiden.quot;
âIk wacht slechts op de terugkomst van den bode, dien ik aan Sebastiaan von Waldow gezonden heb. Hij zal ons bepaalde berichten brengen, hoe ver de organisatie uwer aanhangers in Pruisen gelukt is, want Waldow heeft zich naar Koningsbergen begeven, om zich met graaf Martinitz te onderhouden en met onze getrouwen een bepaald plan te beramen.quot;
âWij zullen zeer langzaam, zeer voorzichtig en bedachtzaam moeten Ie werk gaan,'' zei graaf Adam nadenkend. âWij moeten ons eerst naar alle zijden in veiligheid gesteld hebben en van den uitslag verzekerd zijn, voor wij tot den aanval overgaan. Het gewichtigste en noodzakelijkste is nu, dat wij van 's keizers gunst en toestemming verzekerd zijn. Gij, mijn zoon, moet u on-middelijk naar Regensburg begeven, waar zich de keizer thans bevindt. Ge zult hem melden, dat ik van den keurvorst het bevel heb ontvangen de troepen van hun eed aan den keizer te ontslaan en hen enkel den eed voor den keurvorst af te nemen. Gij moet aan zijn majesteit zeggen, dat ik dit bevel van den keurvorst niet zal nakomen en den officieren slechts den handslag voor den keurvorst zal afnemen. Voorts zult gij den keizer berichten, dat de soldij der troepen sedert een maand achterstallig is, omdat alle kassen ledig zijn. Gij vraagt derhal ve in mijn naam, of het misschien niet raadzaam zou zijn de Brandenburgsche troepen, als het tot het uiterste is gekomen, in 's keizers soldij te nemen, hun in 's keizers naam betaling te geven en ze op nieuw voor zijn keizerlijke majesteit te beëedigen. Om dit te bewerkstellingen behoeven wij slechts de onlevredenheid der troepen een weinig op te winden. Bovendien zijn zij reeds tamelijk
oproerig, dewijl hun soldij nog niet betaald is. Zoo de
%
419
keurvorst niet spoedig bevelen voor de bezoldiging dei-troepen zendt, stijgt de wrevel en de opstand komt geheel van zelf.quot;
âHet komt er dan slechts op aan, genadige heer, dat men ook hiertegen opgewassen is en de bandelooze soldaten de overhand niet krijgen.quot;
âGij hebt gelijk, mijn zoon, wij moeten er op bedacht zijn vriend en vijand in onze macht te houden. De hier aanwezige troepen zijn een woeste horde, die zeer weinig van krijgstucht en eerbied weet, en meer tot een roover-bende dan tot een vorstelijk leger schijnt te behooren. Wij moeten trachten geoefende, aan gehoorzaamheid gewone troepen bij de hand te hebben, met één woord, wij moeten keizerlijke militairen naar de Mark zien te krijgen. Daarvoor is niet meer noodig, dan dat wij de vijandelijkheden tegen Zweden met vernieuwde kracht beginnen, en ze dichter Berlijn doen naderen. Dan is het zeer natuurlijk, dat wij, uithoofde der zwakte van de hier aanwezige troepen, de hulp van den keizer en zijne troepen inroepen, zoo lokken wij zonder opzien te baren, keizerlijke militairen naar Berlijn, alsof zij ons tegen de Zweden moeten beschermen, maar inderdaad om ons bij de groote actie tegen den oproerigen keurvorst te helpen, die tegen den keizer en het rijk wil opstaan. Aan u is het opgedragen, mijn zoon, den keizer dit plan te ontvouwen en zijn toestemming er voor te verzoeken. Want zonder de keizerlijke toestemming en de zekerheid van den uitslag mogen wij in deze gevaarlijke zaak niet voortgaan. Wij moeten de verzekering hebben, dat zijn keizerlijke majesteit ons ook waardiglijk beloonen wil, zoo wij de Marken voor hem behouden en hem van een oproerigen, ketterschen keurvorst bevrijden.''
âIk zal mij vóór alles met pater Silvio verstaan en dezen vromen en ijverig geloovigen keizerlijken biechtvader doen begrijpen, welk een zegen en winst het voor de kerk en het heilige geloof zal zijn, zoo wij een ketterschen vorst de Mark ontnemen, en er een geloovig, ijverig katholiek, gelijk de stadhouder in de Marken is, mede beleend wordt. De pater heeft het oor van den keizer, en ik geloof, dat de vrome pater mij een weinig genegen is. Ik zal zeer ijverig naar zijn gunst trachten, en 't zou goed zijn zoo mij tot dat einde eenige gelden
120
ten dienste stonden. De edele en vrome pater Silvio bemint het geld, en is niet ongevoelig voor kleinodiën en kostbare geschenken. In zijn kamers in den burgt van Weenen heeft hij heerlijke verzamelingen van edelstee-nen en kunstige goud- en zilverwerken; en hij is zeer verheugd als men ze met eenige stukken van waarde vermeerdert.quot;
âWij zullen hiervoor zorgen,quot; zei graaf Adam glimlachend, âkies uit onze juweelkast eenige voorwerpen van waarde voor den vromen pater; het geld zullen u de Fuggers te Neurenberg overmaken. Eerst onlangs heb ik bij hen, voor alle gebeurtenissen, aanzienlijke sommen belegd. Ze zijn daar veiliger dan hier in de verhongerde Mark, bij de wanhopende bevolking van Berlijn en Keulen, die mij niet zoo bijzonder bemint en wie 't misschien een of anderen dag in 't hoofd kon komen, van mij hulp in hun armoede en nood te eischen, en mij te plunderen om zich te verrijken. Men moet wel bij een noodlijdende, verhongerde bevolking op alles bedacht zijn, en 'tis verstandig zich tegen kwade kansen verzekerd te hebben! In de tegenwoordige afschuwelijke tijden beteekent geld een leger, en slechts hij die geld heeft, heeft macht en kan er aan denken een legerhoofd te zijn.quot;
âDe kleine keurvorst van Brandenburg heeft. Goddank, geen geld,quot; riep graaf Adolf glimlachend, hij kan dus ook geen legerhoofd zijn. Ons behooren zijn troepen, ons behoort zijn land, en gelijk de keurvorst van den Paltz, gelijk de Markgraaf van Jagerndorf, moge ook de afgezette keurvorst van Brandenburg in don vreemde ronddolen en zijn ellende door het Duitsche Bijk ronddragen. Nergens zal hij medelijden, nergens hulp vinden, want hij was voor allen een gevaarlijk vijand, en allen hebben voordeel bij zijn val. Mijn dierbare, genadige heer vader, ik bid u, iaat mij in dit uur nog naar Begensburg vertrekken, om voor onze gewichtige plannen 's keizers toestemming te verkrijgen en spoedig met toereikende volmacht tot u terug te keeren.'
âGe hebt gelijk, Adolf, er is spoed noodig en wij moeten het ijzer smeden terwijl het heet is. Vertrek dus, mijn zoon, in dit uur nog als ge wilt. Het zal niet noodig zijn u een eigenhandig schrijven van mij voor den keizer mede te geven. Gij zijt wel in staat hem mijn gedachten
121
te ontvouwon, en uw levend woord is beter dan al mijn geschrijf. Reis dus af, mijn zoon, en zend mij dagelijks door een koerier berichten over den gang der onderhandelingen.quot;
âIk zal het doen, vader, en mij daartoe van het tusschen ons overeengekomen cijferschrift bedienen. Gij, hebt toch de goedheid gehad, den sleutel er van te bewaren?quot;
â(k heb hem in mijn hoofd bewaard,quot; antwoordde de graaf. Gewichtige geheimen moet men nimmer aan het papier toevertrouwen, en ik zeg als keizer Karei V: âAls men in zijn hoofd een groot geheim draagt, moet men zelfs zijn slaapmuts verbranden, opdat zij ons niet verraden kunne.quot; En wij beiden dragen thans waarlijk een geheim in ons hoofd. Ik heb in plaats van de slaapmuts den sleutel van het cijferschrift verbrand, opdat hij ons niet een of andere dag verraden zou!quot;
âMaar dit groote geheim zal een of anderen dag openbaar worden,quot; riep graaf Adolf verheugd, âhet zal met bazuingeschal door geheel Duitschland schetteren, het zal zijn fanfaren van het balkon van 't kasteel hier in Berlijn laten galmen; het volk op de straat zal het met verbazing vernemen en voor mij zullen zij klinken als de melodiën der hemelsche heirscharen, en met zaligen blik zal ik u aanschouwen, mijn vader, die met vorstelijke pracht, groot en machtig daar staat. Als ik dan aan uw voeten neder-kniel, zullen al de eerzuchtige droomen en wenschen van mijn hart vervuld zijn en alles zal in mij juichen en zingen ; âHeil en zegen den vorst Schwarzenberg, den markgraaf van Brandenburg!quot; Vaarwel, mijn dierbare vader! Ik haast mij op reis te gaan!quot;
V.
DE OPLOSSING.
De plannen rijpten; met lederen dag naderden zij hun voltooing, graat Adam von Schwarzenberg hield met vaste hand de' teugels, die het groote werktuig der samenzwering
422
besluurden. Hij had den overste Goldacker met zijn regiment naar Mecklenburg gezonden, om de Zweden uit te lokken naar de Mark te trekken. De Zweden namen den handschoen op en terwijl zij in Mecklenburg tegen Goldacker streden, rukten andere Zweedsche regimenten uit Lausitz tegen Berlijn aan. Dat was juist wat de stadhouder had gewenscht; wederom moest de oorlog de ongelukkige Mark in vlam zetten, opdat Schwarzenberg Saksische troepen tot hulp kon roepen.
Heden waren deze troepen te Berlijn aangekomen en de stadhouder wilde hun komst met een schitterend feest in zijn paleis vieren. Hij had den overste Goldacker daarvoor uit Mecklenburg teruggeroepen en de commandanten van Spandau en Berlijn met hunne officieren uit genoodigd, reeds maakte men des morgens vroeg in de gtfóote zaal de tafel voor het feest gereed, dat tegen den middag plaats zou hebben.
Terwijl het in Schwarzenbergs paleis feestelijk toeging, heerschte er treurigheid en jammerklachten in de steden Berlijn en Keulen. Zelfs op den dag maakten wilde horden soldaten de straten van beide steden onveilig; dronken, tierend en schreeuwend liepen zij rond, gingen in de huizen der vreedzame burgers om te rooven en te plunderen, en als men hun iets weigerde, pleegden zij ergelijke mishandelingen. Vruchteloos hadden de burgers zich tot de officieren gewend en hen gebeden, den soldaten het woest gedrag op de straat te verbieden, hun te bevelen, zich in hun kwartieren te houden en hen te straffen voor rooverij en plundering.
De officieren verklaarden, dat er geen middel bestond om de krijgstucht streng te handhaven, en men in oorlogstijd met soldaten, die met hun leven de burgers tegen den vijand moesten beschermen, wat toegevend moest zijn.
Maar de arme, geplaagde burgers wilden liever vrede! Vrede tot eiken prijs! Ook de stenden, die te Berlijn vergaderd waren, wilden vrede, en hadden uit hun midden een deputatie aan den keurvorst naar Koningsbergen gezonden, om hem te smeeken, zich over hun ellende te ontfermen en don stadhouder in de Marken te gebieden, dat hij niet vijandig en aanvallenderwijs tegen de Zweden zou handelen.
Hetzelfde wilde de burgerij ook aan den stadhouder
423
verzoeken, en heden morgen, terwijl men in Schwarzen-bergs paleis een militairfeest voorbereidde, begaf zich een deputatie der magistraat en burgerij naar den stadhouder om haar wenschen en beden voor te dragen.
Graaf Schwarzenberg liet hen lang in zijn voorkamer wachten en toen hij eindelijk kwam was zijn gelaat toornig en trotsch, zijn oogen schoten bliksems op de arme heeren die deemoedig en gebogen voor hem stonden. âWat wilt ge, mijn heeren,''riep hij op ruwen, strengen toon, âwat hebt ge te zeggen?quot;
âGenadige heer,quot; antwoorde de burge meerster van Berlijn, âwij komen uwe excellentie hulp en bijstand af-smeeken, in den grooten nood onzer beide steden. Wij zijn uitgeput, verhongerde, uitgeplunderd en tot wanhoop gebracht. Wij kunnen den vreeselijken oorlogslast niet langer dragen. Heb medelijden met onze ellende, en maak vrede' met den Zweed, opdat hij niet tegen Berlijn oprukt en wij geen vreemd krijgsvolk ter onzer verdediging behoeven.quot;
âMaak vrede!quot; riepen de burgers, terwijl ze smeekend hun handen tot den stadhouder ophieven, en hun oogen zich met tranen vulden. ,,Ach, heer, wij hebben al zoo vele bittere jaren vol rampen en ellende doorleeft, wij zijn afgemat! Onze harten zijn verdrukt en in vertwijfeling !quot;
âMaak vrede, op dat wij weten dat onze rampen een einde nemen!quot;
âWij hebben voedsel, noch geld, noch huisvesting meer! De Zweden hebben ons uitgeplunderd, de keizerlijken hebben ons ontnomen wat de Zweden ons nog gelaten hadden, en uit onze ledige huizen jagen ons thans onze eigene soldaten, spottende met onze ellende, honen en beschimpen burgers, vrouwen en jonge dochters en kwartieren zich in onze huizen, terwijl wij zonder dak op straat ronddolen en zelfs in onze kerken geen wijkplaats vinden, daar de kavalleristen met hun paarden er zich ingekwartierd hebben, en de godshuizen in karzernen hebben herschapen!quot;
âMaak vrede, heer stadhouder, maak vrede!quot;
âIk heb er de macht niet toe, ' antwoordde graaf von Schwarzenberg op trotschen toon, evenmin de macht als den wil. De Zweed moet overwonnen worden met al de
124
middelen die ons ten dienste staan. Huilt en jammert niet, want het is te vergeefs. De oorlog is er, en wij mogen niet lafhartig voor hem terugdeinzen. Schaamt u over uw moedeloosheid, daar ge toch strijdbare mannen zijt.quot;
âHeer, onze armen hebben geen kracht meer om te strijden! Onze handen zijn te zwak om een wapen te voeren!quot;
âMen zal u wel daartoe dwingen,quot; riep Schwarzenberg met honenden lach. âWanneer uw huizen branden uw vrouwen en kinderen door de soldaten worden weggevoerd, zult ge wel in wanhoop dappere strijders worden, om uw leven en de eer uwer vrouwen en dochters te verdedigen! En ik zeg u, dat het zoover zal komen. Het ergste is nog te wachten en vreeselijke besluiten moeten genomen worden.quot; ^
De burgers barstten inluid gejammer uit, eenigen hunner wierpen zich op de knieën, terwijl de heeren van de magistraat den graat dichter naderden, om door vertrouwelijke inlichtingen, hem den geheelen wanhopenden toestand der beide ongelukkige steden Berlijn en Keulen te schetsen.
Maar Schwarzenberg verlangde geen inlichtingen te hooren. âIk heb den vrede niet in mijne hand,quot; zeide hij âmaar slechts den oorlog. Waarom wendt geuthans tot mij, daar ge toch meent, dat alle heil en hulp van mijnheer den keurvorst zei ven moet komen en hij u redding zal aanbrengen, terwijl ik slechts uw verderfengel ben? Wacht welke berichten de deputatie der landstenden u uit Koningsbergen zal brengen. Gij hebt immers de heeren stenden gevraagd, zich tot den keurvorst te wenden en van hem hulp in uw nood te smeken. Weest geduldig en wacht tot zij terugkomen. Maar ik zeg u, dat zii een afwijzend antwoord zullen brengen, want de heer keur-voi-st wil den oorlog, hij heeft hem mij bevolen. Hij heeft mij bevestigd in al mijn ambten en waardigheden. Hij heeft mij genadig zijn onbeperkt vertrouwen gegeven en mij gemachtigd naar eigen oordeel te handelen, en de teugels der regeering te besturen naar mijn goedvinden.
1) Eigen woorden van graaf von Schwarzenberg. Zie: üroysen, Geschichte der Preussituhen Politik, III. 224.
125
Ik houd ze, en zal mij niet door uw jammeren en smee-ken van den weg laten brengen. Wij hebben oorlog, en al moest ook geheel Berlijn in de asch worden gelegd om de Zweden geen verblijf en kwartier te geven, ik zou het liever doen dan vrede met hen sluiten, hun schandelijke voorwaarden aan te nemen en hen in Pommeren laten. Ik raad u daarom, verdraagt u met de soldaten, ontvang ze vriendelijk in uw huizen, onthaalt ze goed ...''
âHeer,quot; viel de eerste burgemeester hem met een smar-telijken jammerkreet in de rede, âwij hebben niets, wat wij hen zouden kunnen geven, wij . .
âStil,quot; riep de stadhouder gebiedend. âIk heb u aangehoord, het woord is nu aan mij. gij kunt hooren en zwijgen. De oorlog wordt voortgezet, dit is mijn antwoord op dat gehuil en gekerm. Gaat en handel daarnaar, en zijt gehoorzame onderdanen.quot;
Hij wendde zich om en ging met trotsche schreden naar zijn kabinet terug, terwijl de burgers treurig heengingen, om Berlijn de vreeselijke mare te verkondigen, dat al hun bidden vruchteloos was geweest, en de oorlog voortgezet zou worden! â
âJa, de oorlog wordt voortgezet,quot; herhaalde von Schwar-zenberg bij zich zeiven, toen hij weer in zijn kabinet alleen was. âWij naderen de beslissing, en zoo ik maar eerst bepaalde berichten van mijn zoon heb, zal ik de oplossing aanvoeren en den openlijken strijd beginnen. Hij laat zeer lang op bepaalde berichten wachten,quot; vervolgde de graaf, terwijl hij zich in zijn armstoel voor zijn schrijftafel zette. âSlechts eens heeft hij mij uit Regensburg geschreven en toen kon hij mij niets anders melden, dan dat hij de operaties begonnen had en . . . Ha, ziedaar,'' viel .hij zich zeiven in rede, terwijl zijn blik op de schrijftafel viel, âdaar zijn de depeches en brieven, welke men in mijn afwezigheid heeft neergelegd. Misschien is er een brief van mijn zoon bij.quot;
Haastig nam hij de brieven en beschouwde zo den een na den ander. Neen, er was geen brief van zijn zoon bij, het waren slechts officieele stukken uit het kabinet van den keurvorst.
Hij opende het eerste er van en een schok ging door zijn leden, toen hij het las. De keurvorst beval in dit schrijven den stadhouder in de Marken, dat hij hem de
126
blanko handteekeningen, welke de keurvorst Georg Wilhelm hem, bij diens vertrek naar Koningsbergen, gegeven had, zou terugzenden; verder moest hij nauwkeurige en uitvoerige verantwoording doen, wat hij met de niet meer voorhanden blanco onderteekingen had gedaan.
Hij, Schwarzenberg, de machtige stadhouder in de Marken, de commandeur der Johannieten-orde, de directeur van het departement van oorlog, hij zou als een dienaar zijn meester verantwoording moeten doen! Hij zou moeten mededeelen, wat hij in de volheid van zijn gezag gedaan had, en â wat nog erger was â hij zou zijn macht laten beperken ! Hij zou de nog niet gebruikte blanko handteekeningen afstaan en ze den keurvorst terug zenden!quot;
Dat was hem zijn voorrechten ontnemen, het was hem onttroonen en van gebiedend meester een dienaar maken 1 De blanko handteekeningen waren het vorstelijk voorrecht van den stadhouder, de schepter geweest waarmede hij regeerde. Deze papieren, waarop niets anders stond dan beneden aan de rand de naamteekening van den keurvorst door hem eigenhandig geschreven, deze papieren hadden den stadhouder tot den onbeperkten heerscherin de Marken gemaakt. Naar goedvinden, met onbeperkten wil had hij de onbeschreven papieren mogen invullen, daarmede eer en gunsten verleent, straffen opgelegd, belastingen uitgeschreven, en de onderteekening van den landsheer had zijn besluiten bekrachtigd; zijn wil wet gemaakt. ^
En deze blanko handteekeningen, waarvoor zijn vijanden gesidderd, waarop zijn vrienden en aanhangers zoo naijverig waren, moest hij nu uitleveren.
âIk zal het niet doen,quot; riep hij vast besloten uit, âneen! Zoo dwaas zal ik niet zijn, die macht over te geven. Neen, de blanko handteekeningen blijven mij ; ik zal ze weten te behouden.quot;
âHij wierp den brief ter zijde en greep naar een anderen. Weer een uit het kabinet van den keurvorst, weer een bevel!
Hij brak het zegel open, sloeg met bevende handen het papier uiteen, en weer, toen hij las, verbleekte en ontroerde hij.
1) Zie: v. Orlich, Geschichte des preussischen Staates, enz. I., 60.
Dit schrijven bevatte het bevel van den keurvorst, de vijandelijkheden te staken, iederen aanval tegen de Zweden en de door hen bezette plaatsen natelaten en den oorlog enkel tot verdediging te bepalen, tot men met de Zweden een duurzamen vrede kon sluiten.')
De stadhouder klemde zijn tanden vast op elkander, om den kreet van woede en verwensching te onderdrukken, die zich wilde uiten. Hij staarde op het papier en wierp het toen met een verachtelijken lach ter zijde.
âGij grijpt mij aan, kleine keurvorst,quot; zeide hij met gesmoorde en dreigende stem. âGij mikt uit een hinderlaag op mij en wilt het trotsche gebouw mijner macht steen voor steen afbreken. Gij vreest, dat, zoo de kolos, in ééns valt, gij door hem mede wordt gesleept, daarom wilt ge hem brokswijze en langzamerhand slechten. Maar dat zal u niet gelukken, kleine keurvorst, de kolos blijft overeind staan en gij zult vallen, gij alleen!quot;
Op dat oogenblik werden in de voorkamer heftige toornige stemmen hoorbaar, en de lakei deed de deur open
âExcellentie, de heeren commandanten von Kracht eii von Rochow en de overste von Goldacker verzoeken au-dientie.quot;
Deze drie heeren wachtten niet tot hun de audiëntie verleend werd. Zij traden haastig het kabinet binnen, schoven zonder plichtplegingen den lakei er buiten en sloten de deur achter hen.
âGenadige heer, weet ge 't reeds?quot;' zeide Rochow, de commandant van Spandau.
âWeet ge al, excellentie, wat ongehoorde dingen er gebeuren ?quot; brulde von Kracht, de commandant van Berlijn.
âHebt ge al vernomen wat vermetele handelingen zich de keurvorst veroorlooft,quot; riep de overste Goldacker, dreigend zijn vuist opheffende.
âNeen, mijn heeren, ik heb niets vernomen! Wat ia dan gebeurd *?quot;
âDe keurvorst heeft aan al de vestingcommandanten, commissarissen gezonden,quot; riep mijnheer von Rochow. Zulk een vervloekte kerel is twee uren geleden bij mij te Spandau gekomen, en toen hij mij zijn boodschap had gezegd, heb ik hem zonder antwoord laten staan en ben
1) Zie; Droysen. Geschichte des preussisclien Politik, 111, 223.
128
hierheen gereden om mot uwe excellentie te raadplegen.quot;
âEn zulk een verwenschte pennelikker is ook bij mij gekomen,quot; brulde de heer von Kracht. âOok mij heeft hij zijn keurvorstelijke boodschap â de kerel noemt het bevel â overgebracht. Ik heb hem ook laten staan en mij tot uw excellentie begeven.quot;
âOok bij mij is een keurvorstelijke bode aangekomen,quot; riep de overste Goldacker lachende. âMaar ik heb dien mijnheer eenvoudig de deur gewezen, hem uitgelachen en ben ook hier gekomen, om van uw excellente bevelen te ontvangen.quot;
âMaar, mijn heeren, nu weet ik nog niets wat er gebeurd is. Spreek, mijnheer de commandant von Rochow! Wat is er gebeurd?quot;
âExcellentie,'' zeide de commandant von Rochow tand-knarsende, âeen commisaris van den keurvorst is bij mij gekomen, met het bevel van den keurvorst om mij en de geheele bezetting in volledigen vorm den eed aan den keurvorst af te nemen.quot;
âDat bevel heeft de commissaris van den keurvorst ook mij gebracht,quot; riep de commandant van Berlijn; ook mij en mijn bezetting wil de kerel den eed van trouw en plicht aan den keurvorst afnemen quot;
Ook ik zou door mijnheer den commissaris zulk een eed alleggen,quot; sprak Goldacker; âook mijne manschappen zouden den keurvorst trouw zweren. Wat zegt ge er van, mijnheer de stadhouder'?''
De heer stadhouder zeide niets. Hij was zeer bleek geworden en waggelde achteruit, tot zijn hand een stoel greep, waarop hij zich nederzette. Hij duizelde, een plotselinge zwakte had hem aangegrepen; hij moest zijn hand op zijn oogen leggen, want alles draaide met hem in de rondte,
In hun opgewondenheid bemerkten de drie heeren dit nauwelijks, de graaf hei-stelde zich weder spoedig tot kalmte en bezonnenheid.
âExcelentie,quot; riep de commandant von Kracht, âstemt ge niet met ons in? Vindt ge niet dat de keurvorst iets ongehoords verlangt?quot;
âIk zweeg, omdat ik overlegde, mijnheeren,'' zei de graaf diep ademend. âDit verschijnen van commissarissen die u den eed moeten afnemen, is eeu handschoen dieu
429
mijnheer de keurvorst mij toewerpt, want ik ben directeur van het flepartement van oorlog, mij alleen had de keurvorst den last moeten opdragen om de troepen in de Marken voor hem te heëedigen. Mij heleedigt mij en beleedigt in mij ook den keizer, want gij weet, dat de keizer uw opperbevelhebber is, en dat gij nimmer den eed moogt breken dien ik u, in naam van den keizer na het sluiten van den Prager vrede, afgenomen heb. Gij hebt uw eed aan den keizer en den keurvorst gedaan, en uithoofde van dien eed heb ik thans, bij de komst van den keurvorst aan de regeering, den heeren commandanten en oversten slechts den handslag afgenomen, want een eed blijft een eed en men kan niet heden aan dezen, morgen weer aan een ander zweren.quot;
âMen kan niet en men wil ook niet,quot; riep de overste Goldacker woedend. âAan den keizer heb ik gezworen, den keizer blijf ik trouw, en de keizer zal ons beschermen tegen den overmoed van den kleinen keurvorst.quot;
^.Ta, de keizer zal ons beschermen,quot; riep overste von Rochow. âIk zweer geen nieuwen eed, want ik heb den keizer gezworen, en eerst wanneer de keizer mij van mijn eed ontslaat en ik een nieuw verdrag met den keurvorst heb gesloten, kan ik hem den eed doen. Tot zoolang blijf ik den eed getrouw, dien ik den keizer heb gezworen.quot; 1)
,,Ook ik heb den keizer gezworen en houd mijn eed,quot; zei de commandant van Berlijn met nadruk. âNiemand heeft ons te bevelen dan den keizer en de stadhouder in de Marken, dien de keurvorst zelf heeft aangesteld. Wat die aangekomen kerel, die commissaris zegt, gaat ons volstrekt niet aan, het heeft voor ons geen de minste beteekenis.quot;
âNeen, 't heeft voor ons geen beteekenis,'' herhaalden de andere heeren. âAlleen van u, mijnheer de stadhouder in de Marken, kunnen wij bevelen aannemen, want gij zijt directeur van den krijgsraad, de plaatsvervanger van den keizer en van den keurvorst! U alleen gehoorzamen wij ! Zeg ons uwe bevelen, wij zijn hier om ze te ontvangen!quot;
âMijnheeren,quot; zei de stadhouder, terwijl hij met de hand op een verzegelden brief wees, die voor hem op de schrijf-
1
Eigen woorden van v. Rochow. Zie: Droysen III, 229.
130
tafel lag, âgij stoordet mij door uw binnentreden in het lezen van gewichtige depeches, welke zooeven uit het kabinet van den keurvorst voor mij zijn aangekomen ! Zie, daar ligt nog een onopengebroken brief, met het keurvorstelij ke zegel. Vergunt mij dat ik dien lees, want hij bevat bevelen van den keurvorst, die waarschijnlijk met die der afgezonden commissarissen in verband staan.''
De drie heeren bogen en traden eerbiedig eenige schreden achteruit; maar hun oogen rustten met gespannen verwachting op den graaf, die nu het zegel verbrak en hot papier uiteensloeg. Een diepe stilte heerschte â de doorborende blikken van de drie krijgslieden rustten op het gelaat van den graaf, dat zijn vaste ernstige uitdrukking behield. Doch thans vloog er een honende lach over en een uitdrukking van wilde vreugd verhelderde een oogenblik zijne trekken.
Hij stond op en naderde met het papier in de hand de soldaten. âMijnheeren,quot; zeide hij met kalme stem, âik heb u een bericht mede te deelen, wat ik vrees dat u en uw soldaten niet weinig in verlegenheid zal brengen en de liefde der heeren militairen voor hun chef niet vermeerderen zal. De keurvorst beveelt mij in dezen brief, dat de troepen tot nader order op zomertraktement zullen worden gesteld en de achterstallige soldij in verhouding van het zomertraktement moeten ontvangen. Ik verzoek u dit uw troepen aan te kondigen.quot;
.,'t Is schandelijk! 'tis ongehoord! 't Is onze soldaten tot woede brengen,quot; schreeuwden de vier heeren dooreen.
âIk zegt 't mijn manschappen niet,quot; riep de heer von Rochow, âde kerels zouden razend worden en in hun ver-tw\ifeling schandelijke dingen bedrijven!quot;
âIk zeg het mijn manschappen onmiddelijk,quot; brulde de heer von Kracht, âIk zeg 't hun, opdat zij in woede geraken! Zij mogen dan mijnentwege die woede aan de burgers van Berlijn en aan de geheele omstreek koelen. Laten zij plunderen en brandschatten door het land, zij zijn er toe gerechtigd, want van het zomertraktement kunnen de kerels des winters niet leven, en moeten bijgevolg zorgen, dat zij geld bekomen.quot;
âIk zeg het rrijn soldaten ook dadelijk,quot; schreeuwde de heer von Goldacker. âEr zullen zeker moorden en helsche schandalen uit ontstaan, het zal een militaire opstand
431
worden; de burgers van Berlijn en Keulen, en de boeren in den omtrek mogen zich in acht nemen; maar de keurvorst heeft het zoo gewild, de keurvorst zet ons en onze manschappen tol openlijk verzet aan. Moge hij nu hebben wat hij gewild heeft, moge hij zich overtuigen, dat er met stukken papier en neergekladde dekreten van domme pennelikkers niet te regeeren is, en hij nietde onbeperkte heer is, dien iedereen moet gehoorzamen. Hij zal 't vernemen, de kleine keurvorst, hij zal leeren, dat de keizer alleen onze opperveldheer is, en wij den keizer den eed hebben gezworen en wij dien, trots den keurvorst en al zijn commissarissen, houden willen. Ik ga terstond den commissaris mijn besluit mededeelen, dat ik niet zweer, en dan mijn soldaten de tijding van het zomertraktement brengen.quot;
âIk ga met u,'' riep de heer von Kracht. âIk wil ook mijn commissaris de deur uitzetten en aan de bezetting van Berlijn deze vroolijke tijding brengen.quot;
âEn ik,quot; zei de heer von Rochow, âik wil dadelijk een bode naar Spandau zenden, om mijn plaatsvervanger te zeggen, dat hij den heer commissaris uit de vesting moet brengen en aan de bezetting de geschiedenis van het zomertraktement moet vertellen. Het zal een mooi schandaal worden daar ben ik zeker van.quot;
âIk geloof ook, dat het niet rustig zal alloopen,quot; zei de stadhouder glimlachend. âDe keurvorst moge leeren, dat het regeeren niet zoo gemakkelijk is als hij meent, dat men zeer veel kan weten en toch een onwetend regent kan zijn. Gaat, mijnheeren, geeft uw bevelen, maar vergeet niet, dat over een uur ons gastmaal begint en ons feest niet door zulke grillen der nieuwe regeering gestoord mag worden.quot;
âNeen, het zal voor ons niet gestoord worden,'' riep de heer von Rochow. âBinnen een uur zijn wij weer hier, en gij zult zien, genadige heer, dat onze vroolijkheid, onzen eetlust en dorst meegebracht wordt.quot;
âJa excellentie, uw schotels en flesschen mogen zich in acht nemen, wij zullen tegen hen geducht ten velde trekken!quot;
âDoe dat, mijnheeren,quot; zei de graaf glimlachend, âmaar gaat nu, om des te spoediger terug te komen.quot;
Hij knikte de heeren vrieindelijk toe en volgde hen met
132
zijn , blik, tot de deur zich achter hen sloot. Toen verdween de rust van zijn gelaat, de glimlach van zijn lippen, en zijn geheele wezen nam de uitdrukking van opgewondenheid, van toornige verbillering aan.
âHij wil volstrekt den oorlog tusschen ons,quot; zeide hij woedend. âHij glimlacht en streelt met de eene hand, terwijl hij met de andere mij wond op wond toebrengt. Hij wil mij verbrokkelen, steen voor steen wil hij van mijn hoogte afnemen en denkt dat ik van angst zal vergaan, en mij vrijwillig voor hem zal buigen. Ge bedriegt u, kleine Keurvorst. Ik vrees u ni-t, ik buig niet vooru. Ik dien alleen den keizer, alleen aan hem onderwerp ik mij. De keizer is mij genadig, hij zal mij tegen uw aanmatiging beschermen, hij zal u doen vallen en mij verheffen. Mij behoort de toekomst, jonge overmoedige vorst, die gebieden, daar, waar ik sedert twintig jaren de eenige meester ben geweest; mij behooren de marken, en voor mijn heer en Keizer alleen wil ik ze behouden! De beslissing is gekomen, zij vindt mij voorbereid en gewapend. De troepen zullen oproerig worden; ik zal dan in hun midden komen, hen in naam des keizers tevreden stellen, met volle handen geld onder hen uitstrooien, en ze op nieuw den eed aan den keizer laten doen. Mijn hart springt op van vreugde, want het uur van handelen is gekomen. Slechts iets ontbreekt mij! Van mijn zoon zou ik gaarne bericht willen hebben en weten, dat de keizer mijn plannen goedkeurt, dat hij mij verhoogen zal, nu de keurvorst mij vernederen wil. Maar dat zal wel komen, ook die wensch zal wel bevredigd worden. Want ik ben een gelukskind en alles gaat mij naar wensch, Weg met die sombere en erstige gedachten! Ik zal mijn gasten een vroolijk gelaat toonen, en in al den glans mijner heerlijkheid voor hen verschijnen!quot;
Hij begaf zich in zijn toiletkamer en liet zich door zijn kamerdienaar het prachtige gewaad als commandeur der Johannietenorde aanhangen en zijn borst met schitterende ridderkruisen versieren. Toen trad hij voor den grooten spiegel, sloeg er een vluchtigen blik in en zeide tevreden tot zich zeiven: âik ben nog altijd een statige verschijning, volkomen geschikt om een regeerend vorst te zijneneen kroon op mijn hoofd te dragen!quot;
Zijn gelaat glinsterde van trotsche vreugd en met hoog
433
opgericht hoofd keerde hij naar zijn kabinet terug. Spoedig verscheen de kamerjonker von Lehndorf, om den ge-nadigen lieer te berichten, dat al de gasten in de groote gezelschapszaal vereenigd waren en daar verlangend op hem wachtten. Hij reikte den graaf de met hermelijn omzoomde baret met de lange witte struisveder, en snelde toen vooruit om de deur der kleine voorzaal te openen, waarin al de huisofficianten van den graat verzameld waren, om in plechtigen optocht hun meester naar de zaal te geleiden.
Lehndorf stond bij de deur der voorzaal; de stadhouder lachte hem toe, toen hij hem voorbijging.
âGeen brieven en koeriers uit Regensburg van miin zoon, Lehndorf?quot;
âNeen, genadige heer!quot;
âZoo een koerier komt, moet men het mij dadelijk berichten,quot; beval de graaf, terwijl hij verder ging. âAnders geen nieuws, Lehndorf?''
âNiets, excellentie.quot;
âWat was dat straks voor een gerucht in de voorkamer, toen de commandanten bij mij in het kabinet waren ?quot;
âGenadige heer, een onbeschaamde soldaat van de gisteren binnen gemai'cbeerde Saksers van in de voorkamer gedrongen en begeerde brutaal uw excellentie te spreken.quot;
âWaarom liet ge hem niet wachten tot de heeren weg waren, en diendet hem toen aan?quot;
âHij wilde niet wachten, maar begeerde op onbeschaamde wijze uw excellentie terstond te spreken. Ik zag duidelijk dat de kerel dronken was, en in zijn dronkenschap riep hij voortdurend, dat hij uw excellentie over gewichtige geheimen moest spreken, dat, zoo ge hem niet dadelijk wildet ontvangen, hij naar den keurvorstin Pruisen zou gaan en die het geheim bekend zou maken, 't geen uw genade op het schavot zou brengen. 'tWas grappig dien kerel zoo te hooren spreken, en de lakeien, in plaats van in woede te geraken, lachten den dronken kerel uit, 'tgeen hem nog woedender maakte; hij sloeg met armen en beenen als een hansworst en trok gezichten als een notenkraker. Toen hij zich echter weder veroorloofde op uwe genade te schimpen, maakten onze lieden korte metten met hem en smeten hem de deur uit.quot;
9
Mühltach, De groote Keurvorst en sijn tijd. II.
134
âIk hoop dat hem deze luchtreis nuchter zal hebben gemaakt,quot; zei de graaf lachend, âen hij op de straat tot bezinning is gekomen.quot;
âHet schijnt toch niet dat dit het geval is geweest/'antwoordde de kamerjonker, terwijl hij de hellebardiers, die voor de deuren der groote gezelschapszaal stonden, het teeken gaf om de deuren te openen, âneen, het schijnt niet dat de lucht den dronken soldaat nuchter heeft gemaakt. Want, verbeeld u, genadige heer, toen ik straks even door de vestibule ging om mij naar uw vertrekken te begeven, staat de kerel er weer, springt op mij toe, grijpt mijn arm en fluistert mij toe; Kamerjonker von Lehndorf ik moet den stadhouder spreken. Zeg hem slechts mijn naam, en hij zal mij terstond ontvangen.quot;
âEn noemde hij zijn naam, Lehndorf?quot; vroeg de graat, voortgaande.
âJa, genadige heer, hij fluisterde mij zijn naam met een gebaar en blik van veel gewicht in 'toor, of hij de keizer zelf was. Ik lachte hem uit, en liet hem staan.''
De graaf stond nu dicht bij de geopende deuren, die naar de groote gezelschapszaal voerden. De hellebardiers stampten met de groote staven met gouden knoppen op den vloer. In de ruime, prachtig versierde zaal zag men een dichten drom officieren in schitterende uniformen, hooge beambten in feestelijk gewaad; zes pages in rijk geborduurde fluweelen kleeding stonden aan beide zijden der deur, en boven op het vergulde balkon begonnen de muzikanten, zoodra zij den stadhouder zagen, een schitterende fanfare te blazen.
Graaf von Schwarzenberg lette er niet op; hij stond op den drempel der deur en had nog altijd zijn glimlachend gelaat naar zijn kamerjonker gewend.
âHoe was zijn naam, dien hij u noemde? 'vroeg hij onverschillig.
âEen zeer fraaie naam, genadige heer. Hij noemde zich als de heilige aartsengel; Gabriel!quot;
âGabriel?quot; herhaalde de graaf haastig en luide, want de muzikanten bliezen zoo hard dat men elkander nauwelijks kon verstaan. âAlleen Gabriel? voegde hij er niets bij ?quot;
âJa, genadige heer, hij noemde nog een tweeden naam, maar ik beken dat ik 'er niet recht op gelet heb, ik geloof dat hij Nietzel zeide.
185
Hij sprak dit zeer luid, en had er niet op gelet, dat de muzikanten hadden opgehouden; de naam van Gabriel Nietzel klonk dus luid door de ruime zaal: het schitterend, van goud vonkelend gezelschap lachte, want het begreep den samenhang niet van het luide roepen met het zwijgen 'der muziek; ook de kamerjonker von Lehndorf lachte en wendde zich lachend tot den graaf, hem verschooning vragende voor zijn onwillekeurig vergrijp.
Graaf von Schwarzenberg lachte niet; hij was bleek en met bevende lippen wendde hij zich dichter tot den kamerjonker. âLehndorf, spoed u naar buiten tot den soldaat, voer hem in mijn anti-chambre, zeg hem, dat ik dadelijk bij hem zal komen. Verlies dien man niet uit het oog, maar bewaak hem goed. Zoodra ik mijn gasten heb begroet, kom ik in de anti-chambre, om den kerel zei ven te spreken. Ga!quot;
De kamerjonker ging heen en de stadhouder in de Marken trad de zaal binnen. Achter hem schaarden zich de twaalf pa^es in hun van goud schitterende kleeding, dan volgden de huis officianten in hun glanzende uniformen. Op nieuw lieten de muzikanten hun schetterende fanfaren hooren en rondom stonden in een wijden kring de stafofficieren en waardigheidsbekleeders, de beeren van het hooge kamergerechtshof en van de magistraat in hun ambtsgewaad. quot;Alles boog in eerbiedigen groet voor den alvermogend en heer, die thans zijn tournee door de zaal deed, en bij het klinken van bazuinen en trompetten, met haastige schreden langs de schitterende rijen zijner gasten ging; maar bij zichzelven dacht, terwijl zijn lippen glimlachten: âZoodra deze afschuwelijke plechtigheid voorbij is, zal ik mij verwijderen en zien of het werkelijk Gabriel Nietzel is, die . . .quot;
Juist snelde de kamerjonker von Lehndorf op hem toe, en boog zich dicht tot zijn oor. âGenadige heer,'' riep hij onder het trompetgeschal, âdat mensch is er niet meer. Hij heeft zich verwijderd en was nergens meer te zien!quot;
De stadhouder knikte zacht met het hoofd en ging verder om zijn gasten te begroeten.
130
VI.
DE WRAAK.
Schitterend was liet feest, keurig waren de spijzen, heerlijk was de geurige wijn. De gasten van rnijnlieer den stadhouder in de Marken waren vol verrukking en bewondering, hun lippen vloeiden over van lofluigingen voor den edelen graaf en hun oogen blonken door het genot van den edelen wijn. De lakeien liepen heen en weer door de zaal, de pages stonden achter den stoel van den graaf en reikten zijn excellentie op gouden borden spijs en drank.
Aanvankelijk had men in ernstige, deftige houding aan de tafel gezeten, maar de heerlijke spijzen hadden het hart verheugd, de vurige wijn had de tongen losgemaakt, en weldra lachte en praatte men luid en gaf zich aan het genot der tafelvreugd over.
Het gedruisch der verschillende stemmen en het luide lachen ' werd nu en dan overstemd door de schetterende klanken der muziek, die haar vroolijke melodiën lieten hooren.
Graaf Adam von Schwarzenberg, die aan het boveneinde der tafel onder den purperlluvveelen troonhemel zat, hoorde alles, en toch was het hem als een droom, en alsof dat lachen en jubelen hem uit een ver verleden tegenklonk.
Boven het gedruisch der stemmen, boven het lachen en zingen en het schetteren der muziek, klonk nog altijd de naam, dien Lehndorf hem had toegeroepen, toen hij de zaal was binnengegaan: Gabriel Nietzel!
Rondom de lange tafel zag hij vroolijke gezichten, schitterende oogen, gloeiende wangen, maar hij zag ze verdwijnen, want zijn inwendig oog aanschouwde andere gezichten, gezichten van het verledene!
Hij zag nog de keurvorst Georg Wilhelm met zijn weltevreden, goedhartig gelaat. Hij knikte hem glimlachend toe en een straal van liefde schoot uit zijn oogen naar hem, zijn lieveling, toe. Ja, de goede keurvorst had hem zeer bemind! Van den kleinen, onbekenden graaf von Schwarzenberg, had hij een machtig heer gemaakt, hem
137
tot stadhouder in de Marken verheven, hem gemaakt tot den machtigsten man van zijn landen! Hoe had hij dat vergolden?
Gabriel Nietzel! Gabriel Nietzel! schetterde de muziek, zong en klonk en lachte het in de zaal, alles riep: Gabriel Nietzel!
Daar stond hij als page verkleed, achter den stoel van den jongen keurprins, wiens edel bleek gelaat zich van pijn samentrok. Daar stond hij en sloeg een blik van verstandhouding op hem, graaf Schwarzenberg!
Gabriel Nietzel! Gabriel Nietzel! zóó klonk het door de zaal, overal hoorde hij steeds den naam; Gabriel Nietzel!
Vele maanden lang had hij in stilte naar hem laten zoeken, maar niemand had hem kunnen vinden. Toen had hij hem vergeten, en zijn bange bezorgdheid voor hem was verdwenen.
Waarom moest juist heden deze vreeselijkenaam weder klinken, nu hij met dit schitterend feest den aanbrekenden dag zijner toekomst inwijdde?
Waarom moest deze vreeselijke naam zich boven het jubelen der vroolijke gasten laten hooren?
Hij wilde er niet meer aan denken, zich niet meer door de beelden van het verledene laten kwellen? Weg met de herinneringen, weg met den heilloozen naam! Hij schudde wrevelig en heftig zijn trotsch hoofd, als waren de herinneringen slechts lastige insecten, welke hij met het fronsen zijner wendbrauwen dooden kon. Het gelukte hem zelfs te glimlachen en met trotsche zelf verwinning richtte hij zich op van zijn armstoel en hief den gouden beker omhoog.
Als hij spreekt zal hij immers niet meer hooren hoe 't in zijn borst steeds zingt en klinkt: Gabriel Nietzel! Gabriel Nietzel!
Hij heft den gouden beker op en houdt ze naar de rechter- en linkerzijde zijner gasten, die zich hebben op gericht en vol verwachting hem aanschouwen.
âLeve zijn majesteit keizer Ferdinandus, zijn majesteit onze allergenadige keizer en heer!quot;
De muziekanten laten hun jubeltoonen klinken, do gasten herhalen met luid gejuich: âLeve zijne majesteit onze allergenadige heer en keizer!''
Gabriel Nietzel! Gabriel Nietzel! klinkt het echter
138
in de ooren vun Schwarzenberg, die weer is gaan zitten.
De gasten volgen zijn voorbeeld, en er is een oogenblik van stilte. Nu rijst eensklaps de kamerjonker von Lehn-dorf van zijn stoel op, neemt zijn glas en gaat er mede langs de tafel naar den kamergerichtsraad von Zastrow, die ginds aan het benedeneinde zit, in een zacht en druk gesprek met den burgemeester van Berlijn. Het gelaat van den kamerjonker is rood van den wijn, zijn oogen fonkelen, zijn gang is waggelend en onvast, zelfs de beker, dien hij in zijn hand heeft, waggelt heen en weer.
âMijnheer de kamergerichtsraad von Zastrow.quot; zegt hij met luide stem, âgij zijt mijnheer den stadhouder in de Marken het antwoord schuldig gebleven op den heildronk, dien zijn excellentie uitgebracht heeft Deze heildronk gold zijn majesteit onzen genadigen heer en keizer. Gij hebt uw glas niet opgeheven, gij hebt met uw buren niet geklonken. Waarom hebt ge dat niet gedaan? Waarom hebt ge niet op de gezondheid van onzen keizer geklonken?quot;
, lk zal 'tu zeggen, heer kamerjonker von Lehndorf,quot; antwoordde de heer von Zastrow, terwijl hij opsprongen met dreigend gelaat den fraai getooiden heer aanstaarde. âIk zal 't u zeggen, en al de'gasten mogen het hooren en ter harte nemen; want ik dank u mijnheer de kamerjonker, dat ge mij in de gelegenheid stelt hier openlijk en vrijmoedig mijn meening te zeggen. Veroorlooft mij, mijne heeren, dat ik aan u allen de vraag beantwoord, welke de heer kamerjonker tot mij gericht heeft.quot;
Terwijl de gerichtsraad dit zeide, liet hij zijn groote zwarte oogen langs beide zijden der tafel gaan.
Al de aanwezigen waren veretomd, aller oogen hadden zich naar het benedeneinde der tafel gericht en ieder wachtte in spanning het antwoord van den heer von Zastrow.
Graaf von Schwarzenberg had zich van zijn stoel opgeheven en zag met toornigen blik naar den vermetelen kamerjonker, maar gevoelde zich zoo beklemd en angstig in zijn eigen inwendige onrust en zorg, dat hij hem niet durfde roepen.quot;
Dat Gabriel Nietzel! Gabriel Nietzel! klonk nog altijd in zijn ooren, het werd door al het andere overschreeuwd.
139
âMijnheeren,quot; riep de heer von Zastrow thans met luide stem, âIk heb op den heildronk van mijnheer den stadhouder niet geklonken, omdat dit tegen mijn eed en plicht zou zijn geweest. Ferdinandus is de keizer van het Duitsche Rijk, en als zoodanig zijn wij allen hem eerbied en achting schuldig; maar als de heildronk luidt: op onzen keizer en heer, kan ik er niet op klinken, want Ferdinandus is niet mijn heer. âNeen, de keurvorst Friedrich Wilhelm is mijn heer, hem dien ik, hem heb ik den eed van trouw gezworen; Friedrich Wilhelm is mijn heer, daarom hef ik mijn glas op en roep: âLeve Friedrich Wilhelm, onze keurvorst en heer!quot;
âLeve Friedrich Wilhelm, onze keurvorst en heer!quot; riepen heftige stemmen hier en daar aan tafel, en al de keurvorstelijke gezinden sprongen van hun stoelen op, hieven hun glazen omhoog en riepen vol geestdrift; âLeve Friedrich Wilhelm, onze keurvorst en heer!quot;
âHeft een fanfare aan, muzikanten,quot; riep de heer von Zastrow naar het balkon, waar de muzikanten zaten; deze namen hun instrumenten en zetten ze aan de lippen. Maar vóór nog een toon geklonken had schreeuwde Lebn-dorf naar boven: âZwijgt! Verstout u niet een enkelen toon te blazen. Ik verbied het u in den naam van onzen heer den keizer!quot;
Een wild geschreeuw der keurvorstelijken, een luide toejuiching der keizerlijken volgde op deze woorden. Niemand dacht er meer aan, dat hij zich als gast aan de tafel van den trotschen graaf en stadhouder Schwarzen-berg bevond; alle dwang, alle eerbied was in den storm van politieken hartstocht ondergegaan. Met dreigende gezichten, met van toorn bliksemde oogen stonden de keizerlijken en de keurvorstelijken tegenover elkander, en terwijl de laatsten bun glazen ophieven om met elkander op het welzijn van hun keurvorst en heer te klinken, zetten de eersten luidruchtig hun glazen op de tafel en barstten los in honend lachen en verwoedende verwen-schingen.
Niemand lette meer op den gastheer van het huis, niemand dacht er aan, hem den verschuldigden eerbied te betoonen. Hij had zich van zijn stoel opgericht, om zich naar het andere einde der tafel te begeven, waar een verwarde woordenwisseling tusschen zijn kamerjonker en
140
den heer von Zuslrow ontstaan was, hij wilde beproeven hen te verzoenen en den twist te eindigen, â maar 't was te laat, want vóór liij de helft der zaal was doorgegaan, had onder de twistenden een uitbarsting plaats.
De krijgsraad ven Zastrow hief den arm op en gaf den kamerjonker von Lehndorf een klap in het aangezicht.
Een algemeene kreet van woede der keizerlijken, die op Lehndorf toesnelden en hun zwaarden trokken. Achter Zastrow schaarden zich de keurvorstelijken, ook met uitgetrokken wapens.
Graaf von Schwarzenberg trad terug; hij begreep, dat alle bevrediging onmogelijk was. Hij had een gewaarwording alsof hij moest vluchten, en het in zijn waardigheid niet pas gaf tusschen beide partijen te staan. In dit oogenblik van weifeling en besluiteloosheid kwam zijn kamerdienaar naar hem toe.
âGenadige heer,quot; fluisterde hij tot hem, âeen koerier van den heer graaf Adolf Johann uit Regensburg. Ik heb den brief reeds op uwer excellenties schrijftatel gelegd. Er staat op, dat hij dringend is.quot;
Graaf Schwarzenberg keerde zich haastig om, snelde door de zaal om den wilden twist te ontvluchten en zich in zijn kabinet te redden en om voor alles den lang verbeiden brief van zijn zoon te lezen.
Het gewoel en geschreeuw in de zaal werd steeds heftiger, steeds razender; wapens kletterden, woeste strijdwoorden klonken.
,Graaf von Schwarzenberg snelde voorwaarts, en zou juist de zaal verlaten, toen achter hem een gillende kreet, een doodskreet, werd vernomen. Inwendig bevende keerde de graaf om â nog eens klonk deze vreeselijke kreet, en de heer von Zastrow, met den degen van Lehndorf in de borst, viel in de armen van zijn vrienden
Van ontzetting aangegrepen snelde graaf von Schwarzenberg voorwaarts door de eenzame zalen. De vreeselijke kreet volgde hem en klonk hem bestendig in zijn ooren, was achter hem, joeg hem voort als een furie; zijn haren rezen ten berge en zijn hart klopte bijna hoorbaar.
1) Dit geheele tooneel is historisch. Zie: V. Orlich, Geschichte des preus-sischen Staates, I, 59.
141
Hij had dien doodskreet meermalen gehoord!
Vroeger had liij in het kasteel te Berlijn geklonken, in de stilte van den nacht, toen een hleeke vrouw aan zijn voeten lag en om haar leven smeekte! Hij had dien kreet dikwijls gehoord; ze had hem uit den slaap gewekt; bij vroolijk gesprek met zijn vrienden had hij in zijn ooren geklonken; bij feestgelagen had deze Erynnie ') van zijn geweten, alle genoegen weggenomen.
Hij had zijn kabinet bereikt, en wierp zich neder op een stoel. Goddank, hier was hij alleen!
Hij zag rond in de kamer, en een onuitsprekelijk gevoel van welbehagen en veiligheid vervulde hem.
Gabriel Nietzel! Gabriel Nietzel! iluisterde het in zijn hart, en hij zag schuw om zich, alsof hij vreesde hem in iederen hoek te zien. En dan klonk weer in zijn ooren die smartelijke kreet!
De Erynne was met hem het stille kabinet binnengegaan, zij stond achter hem, zij duisterde in zijn ooren; Gabriel Nietzel! Rebekka! De graaf lag bijna verlamd in zijn stoel, het zweet stond op zijn voorhoofd. Hij dacht er niet meer aan, dat hij gekomen was om den brief, den gewichtigen brief van zijn zoon te lezen! Zijn ziel was te diep geschokt!
Gabriel Nietzel was er weder! Een moord was in zijn huis, aan zijn tafel gepleegd. Zijn eigen dienaar, zijn gunsteling, had hem gepleegd! Hij mocht hem geen vergiffenis schenken, hij moest den moordenaar straffen naaide wet. Hij moest zijn doodvonnis uitspreken.
Dit zag hij in de toekomst. Hij zag zich als rechter, als den vertegenwoordiger van God en de gerechtigheid, zag zich tegenover den bleeken misdadiger, zijn dienaar, zijn vriend, dien hij moest veroordeelen.quot;
Hij? Mochten zijn lippen een doodvonnis uitspreken?
Mocht hij den moordenaar veroordeelen?
Gabriel Nietzel! Gabriel Nietzel! schreeuwde het in hem. Rebekka, R.ebekka! krijschte de Erynnie achter hem.
Onverwacht tiert en brult en schreeuwt het daar buiten, het huilt als de stormwind, het bruischt als de zee! Het rolt als de donder!
Voor zijn vensters brult en tiert, huilt en woedt het
1) De Grieksche naam eener helsche furie.
142
Schwarzenberg- richt zich met moeite van zijn stoel op, en sluipt naar het venster, verbergt zich achter de gordijnen en staart naar beneden.
Een dichte drom soldaten onder zijn vensters, de ge-heele straat en het geheele plein is er mede gevuld. Woedende, razende menschenstemmen, honderden opgeheven vuisten, toornig gebrul!
âHij moet ons betalen! Hij wil ons in onze soldij bedriegen! Hij wil ons het zomertractement geven en het overige geld in zijn zak steken! Het moet heeten dat de keurvorst dit bevolen heeft. Maar dat is een leugen, een schandelijke leugen! Schwarzenberg laat zich door niemand bevelen. Hij is heer en meester. Hij wil ons laten verhongeren, om nog rijker te worden! Wij dulden het niet! Het huis bestormd! Wij willen er in! Hij moet ons betalen! Hoerah! Het huis bestormd !quot;
âEen oproer! Een soldatenoproer!quot; mompelde de graaf von Schwarzenberg. âZij slaan aan het muiten! Maar zij muiten tegen mij! Ik wierp het zwaard, en het richt zijn punt tegen mij! Zoo volbrengen de helsche geesten wat zij ons beloofden, wat wii met ons zieleheil kochten. Zij geven het loon, maar terwijl zij 't ons betalen, wordt hel tot vloek en vernietigt ons zei ven.quot;
Het tiert en schreeuwt en woedt daar buiten! Het kraakt en hamert tegen de gesloten huisdeuren!
Graaf von Schwarzenberg hoort het! Hij hoort ook de stemmen van Goldacker, van Kracht en van Rochow, die tot rust, tot geduld willen vermanen.
Vruchteloos! Steenen worden tegen de muren van het huis geslingerd, de vensterruiten vallen rinkelend aan scherven, de huisdeuren kraken en springen open.
âZoo zij mij willen vermoorden, zal ik mij niet verweren,quot; fluistert graaf Schwarzenberg voor zich, terwijl hij zich van het venster verwijdert, langzaam door de kamer gaat en zich weer op den stoel bij zijn schrijftafel zet.
De deur van het kabinet wordt heftig opengerukt; de commandanten von Kracht en Rochow, gevolgd door de kapiteins hunner regimenten, stormen binnen.
âGenadige heer, 't is onmogelijk de woedenden te bevredigen. Zij luisteren naar geen bevel! Zij jdjn razend. Zij hebben de deuren opengebroken en zijn fn het voorhuis gedrongen. Zij zullen het geheele paleis plunderen en
143
verwoesten! Wij kunnen niets meer redden, niets meer verhinderen! Gij zijt verloren, wij en ook geheel Berlijn!quot;
âHet zij zoo!quot; riep von Schwarzenberg met hoogheid. âDe geheele wereld moge vergaan en in puin op mij nedervallen. Ik zal er mij onder laten begraven!quot;
âGenadige heer! Luister toch! Het huilen en schreeuwen komt hoe langer hoe nader, 'twordt steeds woedender! Hebt medeliiden met ons, met u zeiven, genaditje heer! Red ons allen!quot;
âRedden! Hoe kan ik ons redden? Zal de woedende bende mij gehoorzamen, als zij u gehoorzaamheid weigert?quot;
âGenadige heer! Zij eischen hun soldij! Zij eischen geld! Niets zal hen bevredigen, dan dat men hen belooft dat zij hun winter-traktement zullen hebben! Geef ons geld, om de woedenden te bevredigen!quot;
âHoe veel moet het zijn?quot;
âDriehonderd thaler!quot; roept de heer von Kracht.
âNeen, vierhonderd thaler!quot; zegt de heer von Rochow.
âVijfhonderd thaler!quot; brult de heer von Goldacker. Neen, geef ons liever zeshondèrd, dan krijgt ieder regiment tweehonderd thaler.
âGoed, het zij dan zeshonderd thaler,quot; zei de graaf met een spottende uitdrukking. âBlijf hier, mijnheeren, ik kom terstond terug. Ik ga het geld halen!quot;
Hij verliet het kabinet en ging zijn aangrenzend slaapvertrek binnen, waar de groote ijzeren kist stond, van welke hij alleen den slutel had en dien hij altijd bij zich droeg. Na eenige minuten keerde hij tot de heeren terug Hij had zes rollen in de hand, van welke hij twee aan ieder der drie heeren reikte
âZie, mijnheeren,quot; zei hij met bitteren spot, âhier zijn de commadanten, die de macht hebben, uw troepen in orde te houden. Gaat en toont ze uw manschappen, beveelt hun deze commandanten naar het domplein te volgen en deelt daar het geld onder hen uit.quot;
De heeren wilden hem danken, maar hij wenkte alwijzend met de hand naar de deur, en zij keerden tot hun soldaten terug
1) Historisch. Zie: Karl Renatus Haufen's Staatsmateralien etc, zweiter Band, erstes Stüch, 38.
144
Von Schwarzenberg zag lieu na en luisterde naar het rumoer iti zijn voorhuis. Eensklaps werd het zachter en verstomde eindelijk geheel. Vei volgens, na een pauze, klonk een luid vreugdegejuich en opnieuw vulde zich de straat met soldaten, die schreeuwende en tierende zich verwijderden.
âZij trekken af, de ellendigen!quot; sprak graaf von Schwar-zenberg binnensmonds. âJa, voor geld koopt men liefde, koopt men haat, en ... quot;
âHoerach! leve graaf von Schwarzenberg!quot; klonk het opnieuw onder zijn venster. âVivat! de stadhouder in de Marken!quot;
âDat kost mij zeshonderd thaler,'' zeide hij de schouders ophalende. âMorgen zal dit gespuis wellicht terugkomen en mij weder bedreigen, en zal ik wederom een vivat van hen moeten koopen! Nu, voor heden heb ik tenminste rust! Niemand zal bij mij binnenkomen!quot;
giog naar de deuren, die tot zijn slaapkamer en anti-chambre voerden en grendelde beide. Maar hij dacht niet aan de geheime deur, die op den kleinen gang en vandaar naar de geheime trap leidde, deze grendelde hij niet! Waarom zou hij dat ook doen? Van deze trap werd zeer weinig gebruik gemaakt, weinigen kenden haar, weinigen wisten iets van de kleine zijdeur, die er heen voerde. 'tWas dus onnoodig deze deur te sluiten.
Hij was alleen! Geheel alleen! Hij herinnerde zich weder den gewichtigen brief, dien hij, wegens hel oproer der soldaten, vergeten had. Daar, op zijn schrijftafel, lag de brief van zijn zoon. Hij nam hem en beschouwde het adres; het schrift van zijn zoon verblijdde zijn hart en was hem als een groei uit de verte.
Hij ademde diep. Alle angst, alle zorg was van hem geweken, nu hij den brief van zijn zoon in de hand hield. Zelfs zweeg de waarschuwende stem daar binnen, zelfs de Erynnie stond niet meer achter zijn stoel, hij hoorde niet meer haar doodskreet? Alles was stil in de groote ruime kamer.
Hij brak het zegel en sloeg langzaam het papier uiteen. Een oogenblik aarzelde hij den inhoud te lezen! Dit papier bevatte de beslissing zijner geheele toekomst, dit papier verhief hem tot. een toekomstig regeerend vorst, zoo het hem 'skeizers toestemming bracht; of het ver-
145
nederde hem tot een beambte van den keurvorst en maakte hem tot niets, zoo . . . Maar neen, dat was onmogelijk! De keizer zal hem niet verloochenen! Dwaasheid, zoo iets te denkén!
Hij begon te lezen. Maar terwijl hij las, werd zijn adem steeds sneller, steeds hijgender, zijn wangen werden bleeker, zijn voorhoofd meer bewolkt. Zijn handen begonnen zoo geweldig te beven, dat het papier kraakte en knetterde; eindelijk kon hij het niet langer vasthouden, maar liet het vallen en zijne handen zonken verlamd op de tafel neder.
Bewegingloos, hijgend zat de gaaaf op het papier te staren. Hij rilde als overviel hem een plotselinge schrik; maar hij herstelde zich en nam het papier weder op.
âOnmogelijk!quot; riep hij luid. âIk heb niet goed gelezen! Het kan er niet staan! Mijn oogen bedriegen zich misschien! Mijn ooren moeten het bevestigen.' Ik wil mijn doetnvonnis hooren!quot;
Met luide stem, afgebroken door een krampachtig hijgen, las hij: âIk moet u, helaas! melden, mijn genadige heer en vader, dat onze zaken niet zoo gunstig staan als wij hoopten en meenden. Gisteren had ik door den goeden pater Silvio een lange audientie bij den keizer. Het resultaat was, dat de keizer li zeer bemint, hij noemt u zijn trouwsten dienaar en zal ook een zeor genadig heer voor u zijn, maar hij zal uw plannen, om een zelstandig heer te worden, nimmer bevorderen, noch er de hand toe leenen, om den keurvorst te doen vallen en u in zijne plaats te stellen. Hij wenscht, dat ge blijft wat ge zijt, stadhouder in de Marken, en dat gij alles doet om dit ambt te behouden, opdat de keizer dan wellicht door u invloed winne op den keurvorst. De Mark moet aan den keurvorst blijven, maar de keurvorst moet keizerlijk tuorden. Dat is des keizers wensch en wil. Hij draagt mij op, u te verzoeken, dat gij om zijnentwil u vooreerst een weinig toegevender en dienstvaardiger jegens den keurvorst betoont, ten einde invloed op hem te krijgen. Hij was zeer getroffen door de berichten, welke graaf Martinitz uit Koningsbergen aan den keizer te Regensburg lieeft gezonden. Uit deze berichten blijkt, mijn dierbare vader, dat de keurvorst u zeer ongnegen is, dat hij uw ambtsbevestiging slechts als een dekmantel gebruikt, om
146
daarachter ongemerkt zijn geschut op u te richten. De keurvorst heeft het zeer kwalijk genomen, dat gij niet op zijn uitnoodiging naar Koningsbergen zijt gegaan. Wij hebben een gevaarlijk spel gespeeld en ik vrees, dat wij het zullen verliezen.quot;
âVerloren!'' riep de graaf met krijschende stem, terwijl hij den brief tezamen frommelde en op den grond wierp. âJa, ik heb verloren en ik ben verloren! Het doel en streven van mijn gansche leven is vernietigd. Ik steeg omhoog, en nu ik bijna boven ben, stoot mij een onzichtbare hand terug en stort mij in den afgrond,quot;
âEn terecht, want God is rechtvaardig,quot; zei een ernstige stem achter hem, en een hand legde zich zwaar op zijn schouder.
Graaf von Schwarzenberg wendde zich met een kreet van schrik om. Een soldaat stond achter hem, een keizerlijk soldaat met gehavende en gescheurde kleederen, een arm ellendig mensch.
De graaf sprong overeind, alsof een vorst hem naderde, dien hij eerbiedig groeten moest.
Hij boog het hoofd voor hem en waagde het niet hem aan te zien.
Ja, 'twas een hoogere, die was binnengetreden, 't Was een vorst, voor wien hij zich boog. Hij stond voor zijn rechter, hij stond voor zijn geweten!
Dit gevoelde hij! Een kille hand legde zich op zijn hart en deed het ineenkrimpen, legde zich op zijn hoofd en boog het neder. De dood was er, hij noemde zich Gabriel Nietzel!
âGabriel Nietzel,'' mompelden zijn bleeke lippen.
âHerkent gij mij,quot; zei de soldaat bedaard en koel. âZie mij aan, graaf, sla uw oogen op mij. Ik wil u in het gelaat zien!quot;
Graaf von Schwarzenberg spande zijn laatste krachten in. Hij hief het hoofd op en nam een trotsche houding aan. âGabriel Nietzel,quot; riep hij, âvanwaar komt ge'? Wat wilt ge? Hoe zijt ge hier binnengekomen?quot;
âHoe ik binnen ben gekomen?quot; herhaalde hij. âDoor gindsche deur!quot; â En hij wees op de open deur van den geheimen gang. âIk had mij tweemaal aangemeld en begeerde bij u toegelaten te worden, maar men weigerde het mij. Nu heb ik mij zelf den toegang verschaft. Gij
447
zelf hebt mij eens dezen weg leeren kennen en mij langs de geheime trap naar beneden gezonden, toen uw zoon bij u kwam. Wat ik wil? Ik wil mijn vrouw, mijn Rebekka terug,, of zoo ge haar vermoord hebt, wil ik uw leven!quot;
âWilt ge mij vermoorden?quot; riep de graaf ontsteld, terwijl hij langzaam achteruit trad, de oogen onafgewend op Gabriel Nietzel gericht hield, en de deur zijner slaapkamer trachte te bereiken.
Maar Gabriel Nietzel raadde zijn bedoeling en schudde het hoofd. âDoe geen moeite,quot; zeide hij, âIk heb de beide sleutels er uitgenomen en bij mij gestoken. Ge kunt mij niet ontvluchten.quot;
Schwarzenbergs oogen vlogen met een haastigen blik naar de ronde tafel, waarop de schel slond.
Gabriel Nietzel zag het en begreep de gedachte van den graaf. Hij nam de schel en stak ze in zijn borstzak.
âGeef het op, mij te willen ontvluchten,quot; zei hij. âGod zendt mij tot u! Hij wil u voor uw misdaden straffen door deze hand, welke gij tot misdaad hebt omgekocht. Graaf von Schwarzenberg, ge zijt mijn duivel, ge hebt mijn ziel gestolen. Geef ze mij terug!quot;
âHij is krankzinnig,quot; zei graat Schwarzenberg zacht voor zich. Maar Gabriel had hem toch verstaan.
âNeen,quot; zeide hij treurig, âik ben niet krankzinnig; dien troost is mij ontnomen. Ik weet, wat geweest is en wat is. Er was een tijd, een gelukkige, schoone tijd, waarin ik alles vergeten had en alle smart van mij geweken was. Toen was ik gelukkig, ach, zoo gelukkig! Ze zeiden wel, dat ik krankzinnig was, ze noemden het wel een ziekte, en sloten mij op en martelden mij. Maar ik was gelukkig, want ik zag mijn Rebekka voor mij, zij was gedurig bij mij en . . . Graaf, waar is mijn Rebekka gebleven? Waar is zij! Ik wil haar hebben, mijn Rebekka! Geef ze mij dadelijk!quot;
Nu greep hij hem met beide armen en sloeg zijn handen als klauwen om zijn schouders. âWaar is Rebekka?quot;
Gabriel Nietzels oogen staarden hem aan met waanzinnigen angst, met woedende smart. Graaf von Schwarzenberg sloeg de oogen neder, kromp rillend ineen en wendde verschrikt het hoofd om. Het was hem, of achter hem iemand sluipend naderde, terwijl Gabriel hem van
148
voren zoo bij de schouders vast hield. TTij hoorde een kreet, een doodskreet! Wederom was er de Erynnie! Hij kon haar nu niet meer ontvluchten!
âLaat mij los,quot; zeide hij Hauw. âLaat mij los, ga van hier! Ik wil u schatten, ik wil u eer en aanzien geven, maar laat mij los en ga heen!''
âWat geeft ge mij als ik u loslaat?quot;' schreeuwde Gabriel Nietzel, terwijl hij hem vaster greep en hem heftig schudde.
âIk geef u een fraai huis, ik geef u duizenden, ik geef u ridderorden en titels. Zeg maar wat ge wilt, en ik zal het ii geven!''
âGeef mij Rebekka. Die alleen! Zeg waar zij is, of ik vermoord u!quot;
âZij is in mijn huis te Spandau,quot; zei de graaf haastig. âKom, laten wij daar heen gaan. Ge zult uw Rebekka weder hebben. Kom, laat ons gaan!quot;
âGij liegt! Ik zie, dat gij liegt. Gij wilt, dat ik de deur zal openen, opdat gij uw lieden kunt roepen. Maar dat gebeurt niet. R.ebekka is niet in Spandau, dat weet ik, want ik ben er geweest. Ik heb uren voor de vensters van uw kasteel gestaan en haar naam geroepen. Zij zou hem gehoord hebben, zoo zij er geweest was, zij zou tot mij gekomen zijnen mij van alle smart bevrijd hebben. Want ge weet, dat mijn Rebekka mij beminde! Uit liefde, wilde zij mij verlossen van de misdaad, waartoe gij mij verleiddét, zij wilde de zonde van mij nemen en keerde daarom naar Berlijn terug. En ik moest met ons kind verder gaan! Dit had ik haar plechtig gezworen, en ik hield dien eed. In ieder nachtverblijf verwachtte ik haar, maar te vergeefs. Ik kwam te Venetie en ging naar Rebekka's vader; zij was er niet. Het kind werd ziek en stierf na drie dagen! Ik wachtte nog altijd, en dacht met haar ons kind te begraven, maar zij kwam niet! Ik wilde gaan om haar te zooken, maar zij hielden mij vast en sloten mij in een donkere gevangenis. Daar zat ik een geheele eeuw lang, en was toch geduldig, en wachtte op een oogenblik, dat ik ontsnappen kon, om mijn Rebekka te gaan zoeken. Eindelijk kwam dit oogenblik; de oppasser kwam, om mij brood te brengen. Wij waren alleen, men had mij de ketens afgenomen, omdat ik sedert maanden zacht en gedwee was geweest. Ik greep hem aan en worgde hem, opdat
149
hij niet zou schreeuwen. Ik nam zijn sleutels en vluchtte. Ik ging Rebekka zoeken. Ik ging naar üuilschland, liet er mij onder de soldaten werven om niet te verhongeren en om te Berlijn te komen. Nu ben ik er en vraag u in den naam van God en zijn eeuwig gericht: Waar is Rebekka?quot; .
âIk weet het niet,quot; stamelde graaf von Schwarzenberg, nog altijd door Gabriel Nietzel met beide vuisten vastgehouden.
ârcij weet het niet!quot; schreeuwde Gabriel Nietzel. âIk lees op uw gelaat, dat ge haar vermoord hebt. Ja, ik zie, ik voel het! Reken het, booswicht, val op uw knieën en beken, dat ge mijn Rebekka hebt vermoord.quot;
Hij wilde loochenen, maar kon niet, zijn geweten boeide zijn tong, zoodat hij het niet waagde een leugen te spreken. Hij wilde zich verweren tegen de vreeselijke handen die hem omklemden, maar hij had er geen kracht toe. Het duizelde voor zijn oogen, het suisde in zijn ooren. Zijn knieën knikten en waggelden, het zweet parelde op zijn voorhoofd.
âGenade,quot; stamelde hij met bevende lippen. âIk wil weder goed maken, ik ...quot;
âKunt ge mij Rebekka terrugjeven ?quot; vroeg Gabriel, die nu plotseling van de uiterste woede tot een koele plechtige kalmte was overgegaan. âKunt ge uw euveldaden ongedaan maken? Kunt ge de misdaad van mij namen, waartoe ge mij verleid hebt? I)at kunt ge niet, en daarom moet ge sterven, want uwe misdaden moeten vergolden worden ! Gij hebt mijn Rebekka vermoord, daarom vermoord ik u! Adam von Schwarzenberg, bid uw laatste gebed, want ik ben gekomen om u te dooden!quot;
âNeen, doe dat niet,quot; riep von Schwarzenberg, âwees verstandig, neem mijn aanbod aan. Ik beloof u rijkdom en aanzien, ik . . .quot;
âZwijg, ge moet sterven! De dood is er, Adam von Schwarzenberg, Gabriel Nietzel is met hem binnengekomen !quot;
Hij gevoelde het, dat Gabriel de waarheid sprak, dat deze man met het bleeke, van smart verteerd, van verdriet verouderd gelaat, met quot;do groote, van waanzinnig vuur vlammende oogen hem vermoorden zou.
Moest hij zoo sterven ? Hij, de machtige, rijke, voorname Mühlbach, De groote Keurvorst en zijn tijd. II. 10
150
graaf von Schwarzenberg! Hij, wiens naam geheel Duitsch-iand kende, voor wien alles boog, die over millioenen te gebieden had! Moest hij sterven door de hand van een krankzinnige, alleen, onbeklaagd! Was slechts zijn zoon bij hem, zijn lieve zoon, de eenige, die hem beminde, die . .
âHebt ge gebeden?quot; vroeg Gabriel Nietzel, die zwijgend gewacht had.
âNeen,quot; zeide hij, uit zijn gedachten verschrikt ontwakende. âNeen, ik heb niet gebeden! Waarom vraagt ge mij dit?quot;
, Omdat uw einde is gekomen,quot; antwoordde Gabriel Nietzel, terwijl hij hem met zijn linkerhand vaster greep en met zijn rechter een dolk uit zijn kleeding te voorschijn haalde.
Van dit oogenblik maakte de graaf gebruik, hij wrong zich los en sprong achteruit; hij wilde naar de open deur van de geheime trap vliegen, maar Gabriel Nietzel sprong hem voorbij; stond reeds voor de deur en viel weder op hem aan. Bij zag den dolk in de lucht flikkeren en met de snelheid der gedachte herinnerde hij zich het oogenblik, toen hij zóó, met den opgeheven dolk in de hand, voor Rebekka had gestaan.
Zij had genade geroepen. Hij wilde ook om genade roepen, maar kon niet. Het schoot als een bliksem voorbij zijn oogen, het trof zijn brein als een verpletterende slag: hij slaakte een vreeselijken kreet, deinsde terug en zonk ter aarde, reutelend, met gebroken oogen!
Gabriel Nietzel boog zich over hem en zag hem lang in het stuiptrekkende gelaat en in de groote oogen, die smeekend op hem gericht waren!
Gabriel Nietzel verstond dien blik. âNeen,quot; zeide hij ruw, âik vergeef u niet, ik heb geen ontferming! Wees vervloekt en verga in uw zonden! God is mij genadig geweest, hij heeft niet gewild, dat ik mij met uw bloed zou bezoedelen, hij heeft zijn hand op u gelegd en u vernietigd. Gij zult wellicht nog veel te lijden hebben!quot;
Hij stak den dolk weder bij zich, trad door de kamer, ging naar builen in den geheimen gang en drukte de deur achter zich dicht.
151
âThans,quot; zeide hij buiten gekomen tot zich zeiven, âwil ik den keurvorst mijn zonden gaan belijden. Hij zal barmhartig zijn en mij het schavot laten bestijgen. Dan zal ik alles hebben geboet en met mijn Rebekka vereenigd zijn! âquot;
Het ellendig, kermende, doodsbleeke voorwerp, dat daar in het kabinet op den vloer lag, was heden morgen nog de trotsche, machtige, gevreesde en gevleide graaf Adam von Schwarzenberg, de stadhouder in de Marken !
Nu is hij een arme, stervende bedelaar, die naar een dronk water smacht, maar niemand komt om hem te verkwikken, niemand die om hem weent, of hem vergiffenis schenkt, hij scheen van God zelf verlaten!
Uren, eeuwigheden van smart gaan voorbij, nog altijd ligt hij hulpeloos op den grond ! Hij hoort wel, dat men komt, aan zijn deur klopt, en dan zacht weder heengaat, meenende, dat hij zich heeft opgesloten om te arbeiden.
Hij hoort het, maar roepen kan hij niet, want zijn tong is stijf. Hij kan zich niet bewegen, want zijn leden zijn verlamd!
Uren, eeuwigheden van smart gaan voorbij, toen eindelijk zijn oude kamerdienaar door de geheime deur binnen sluipt, den beklagenswaardige op den grond vindt, en om hulp roept!
Met geweld opent men de deuren en komen dienaren en artsen aanstormen!
Men draagt hem op den divan. Hij ademt, hij leeft! Wellicht is nog hulp mogelijk!
Alles wordt beproefd â doch alles is vruchteloos. Hij leefde en ademde nog, maar was verlamd aan alle leden ook alle inwendige organen weigerden bun dienst. Men bracht den zieke naar Spandau, omdat de oproerige regimenten te Berlijn nog altijd het paleis van den graaf bedreigden en de rust van den stervende daardoor werd gestoord. Ginds, in zijn kasteel te Spandau, lag hij, als een levend lijk, nog vier dagen, met open oogen en door teekenen te kennen gevende, dat hij alles hoorde en verslond, wat om hem voorviel. Eindelijk, op den vierden Maart van 't jaar zestien honderd een en veertig, sloot graaf von Schwarzenberg de oogen,
152
en van den trotschen machtigen, gevreesden stadhouder in de Marken was niets meer over dan zijn kil, stijf hulsel
VII.
DE VERZEGELING.
Een koerier, dien de commandant van Berlijn, de heer von Kracht, terstond na het overlijden van Graaf Adam von Schwarzenberg naar Regensburg zond, had diens zoon tot een spoedig vertrek aangezet, en graaf Adolf Johann had zich gehaast naar Berlijn te komen.
Eerst liet hij te Spandau met groote plechtigheid het gebalsemde lijk van zijn vader in de stadskerk bijzetten. Vervolgens, na aan dezen kinderplicht voldaan te hebben, ging hij naar Berlijn, om de erfenis van zijn vader in bezit te nemen.
Niet het kleinste gedeelte er van wilde hij zich laten ontnemen!
Bij het leven van zijn vader was hij reeds tot coadjutor der Johannieten orde benoemd; nu zijn vader was gestorven moest hij zijn opvolger, moest hij commandeur der Johannieten orde worden. Hij zond bevel naar Sonnen-berg, om ten spoedigste een plechtig ordeskapittel bijeen te roepen, ten einde den eed te doen.
Bij het leven van zijn vader was hij diens helper geweest in zijn ambt als stadhouder; nu maakte hij aan-
1) Graaf von Schwarzenberg werd in de Stadskerk te Spandau begraven, zijn ingewanden in een afzonderlijk kistje naast hem. De snelle en verrassende dood van den stadhouder in de Marken baarde door geheel Duitschland buitengewoon opzien en het gerucht verspreidde zich, dat de keurvorst, toen do graaf zich wegens ongesteldheid naar Spandau had begeven, hem daar had laten gevangen nemen en in de gevangenis heimelijk doen onthoofden. Zelfs nog ten tijde van Frederik den groote geloofde men algemeen aan dit gerucht, zoodat Frederik, toen hij de geschiedenis van zijn vorstenhuis wilde schrij ven, de doodkist van den graaf liet openen om zich te overtuigen of het hoofd van den romp gescheiden was. Maar er werden volstrekt geen sporen gevonden van een gewelddadige scheiding van het hoofd van den ruggegraat. Zie: Pöllnitz, Memoiren, I. 40. â Droysen, III. 232.
153
spraak op het stadhouderschap in de Marken als zijn wettig erfdeel.
De vrienden en aanhangers van den eerzuchtigen jongen graaf versterkten hem in deze vorderingen. De commandant von Kracht plaatste, toen Adolf Johann zijn residentie te Berlijn nam, schildwachten voor zijn paleis en liet iederen avond den jongen heer het wachtwoord verzoeken.
De commandant von Rochow te Spandau stelde zich en de vesting geheel ter beschikking van den âjongen stadhouderquot;; en de overste von Goldacker zwoer, dat hij en zijn regiments âvan niemand dan van den graaf Adolf Johann,quot; den commandeur van de Johannieten orde, den stadhouder in de Marken, bevelen zou aannemen.
Graaf Adolf Johann liet zich door droomen van macht en eerzucht in slaap wiegen en geloofde aan de werkelijkheid; hij had vast besloten daar voor alles op het spel te zetten. Hij nam de schildwachten aan, gaf het wachtwoord, zond naar Sonnenberg zijne bevelen, als ware hij reeds de gekozen commandeur; van de ambten, welke de keurvorst Georg Wilhelm aan zijn vader verpand had, vorderde hij den huldigingseed. Ook te Berlijn gaf hij. bevelen, en gedroeg zich tegenover de magistraat en de overheden als stadhouder in de marken.
Niemand waagde hem tegen te spreken, niemand had den. moed zich tegen hem te verzetten, want de jongen graaf stond aan de spits van machtige en aanzienlijke vrienden; de overheden waren onmachtig en krachteloos, en van den keurvorst uit Koningsbergen waren nog geen bevelen aangekomen.
Graaf Adolf Johann maakte zich den tijd goed ten nutte. Hij zond naar alle oorden boden, correspondeerde met al de vrienden en aanhangers van zijn vader, en riep hen op, zich om hem te scharen en gewapenderhand voor hem op te treden. Hij correspondeerde ook met den biechtvader Silvio te Weenen, en zelfs met den keizer. Onvermoeid was hij werkzaam van den morgen tot den avond; al zijn denken en doen was op één doel gevestigd: don keurvorst ten val te brengen en voor zich zeiven machten hoogheid te verkrijgen!
In dat streven naar groothéid stonden zijn vrienden hem bij. Overal waren zij vol ijver, overal poogden zij
154
aanhangers voor hem te werven. Te Spandau en le Berlijn verklaarden de commandanten von Rochow en von Kracht, zich en de bezetting der vesting tot zijn dienst bereid; de overste von Goldacker, commandant van Brandenburg had zich derwaarts begeven en wachtte slechts op het bevel van den graaf om den strijd te beginnen. Te Koningsbergen was de hofmaarschalk von Waldow ijverig bezig Schwarzenbergs vrienden om zich te vereenigen, en zijn broeder, Sebastian von Waldow, reisde van de eene plaats naar de andere, om aanhangers voor graaf Adolf Johann te werven en ze op te eischen naar Berlijn te komen, opdat de graaf ingeval van nood, handelend en krachtig zou kunnen optreden.
Overal onder zijn vrienden heerschte opgewektheid en krachtig leven, allen verklaarden zich gaarne bereid om voor den Jongen graaf het zwaard te voeren, voor hem te strijden, indien de keurvorst weigerde hem in zijne betrekkingen tot opvolger van zijn vader te benoemen.
âHij zal 't niet weigeren,'' zei Adolf Johann bij zich zeiven, toen hij juist een bericht had gelezen van zijn agent Otto von Marwitz, dat hij heden morgen ontvangen had. âNeen, de zwakke, machtelooze keurvorst zal't niet wagen mij te weigeren om mijn vader op te volgen, want hij weet, dat ik hier in de Marken machtiger ben dan hij en buitendien des keizers gunst en bescherming bezit. Hij zal 't niet wagen mij aan te tasten. Ik zal door hem als stadhouder in de Marken bevestigd worden, en dan â van stadhouder tot regeerend heer is slechts één schrede, ik zal dien stap doen, en . .
De deur werd driftig geopend en Sebastian von Waldow trad binnen.
âGraaf,quot; zeide hij buiten adem en hijgend, âwij zijn verloren!quot;
âWat? Zeg mij toch, wat is er!quot;
âKonrad von Burgsdorf heeft de brieven onderschept, welke mijn broeder de maarschalk, uit Koningsbergen aan u en mij gezonden heeft, en waarin hij een volledig plan van den opstand en strijd mededeelt.quot;
âWie zegt dat? Hoe weet ge dat?quot;
âEen geheime vriend, die zich in Burgsdorfs omgeving bevindt, is bij mij gekomen om het mij te zeggen, opdat ik u zou waarschuwen. De overste von Burgsdorf heeft
155
op een rit, dien hij met zijn lieden in den omtrek van Berlijn deed, den knecht gevangen genomen, dien mijn broeder met depêches aan u en mij gezonden had. ^ Hij heeft de depêches terstond met een koerier naar Koningsbergen gezonden, en den knecht naar Küstrin in de vesting gebracht, opdat hij ons niet zou kunnen verraden.quot;
âDat is een slechte lijding, zei Adolf Johann nadenkend. , Ze verklaart mij, waarom Burgsdorf zich hier te Berlijn met zijn lieden ophoudt en in zijn wijnroes zulke dubbelzinnige en tartende redenen uit. Hij is waarschijnlijk gelast ons in 't oog te houden om in geval van nood ons aan te vallen. Wij moeten op onze hoede zijn en hem onschadelijk maken, door hem gevangen te nemen, opdat hij ons niet gevangen neemt.quot;
âZoo ik slechts wist, wat in de brieven stond en wat mijn broeder ons gemeld heeft,quot; mompelde Sebastian von Woldow. âIn den laatsten brief, dien ik van hem ontving, meldde mijn broeder, dat hij hoopte spoedig met zekerheid te kunnen berichten of de keurvorst u tot stadhouder in de Marken zou benoemen, of wien bij er toe bestemd had. Juist deze brief is onderschept, zoodat wij daaromtrent geheel onwetend zijn.quot;
âGenadige heer,quot; berichtte een binnenkomende lakeiquot;, âeen officier van den commandant von Kracht verzoekt binnen gelaten te worden, daar hij een mondelinge boodschap heeft over te brengen.quot;
âLaat hem komen,quot; beval de graaf, en ging haastig den ofticièr te gemoet, die de kamer binnentrad. âWat brengt ge mij?quot;
âMijnheer de graaf, ik heb u slechte berichten te melden. De overste von Kracht is zooeven in arrest gebracht. Hij gelastte mij, terwijl hij mij voorbij ging, met haastige woorden, u dit te melden.quot;
Graaf Adolf Johann verbleekte een weinig en wisselde een vluchtigen blik van verstandhouding met Sebastian von Waldow, âWie heeft den overste von Kracht gevangen genomen?quot;
âDe overste Konrad von Burgsdorf, genadige heer. Hij vertoonde den heer von Kracht het door den keurvorst zeiven onderteekend bevel, en kwam met een sterk es-
1) Zie: Droysen, Gesohichten der Preussischen Politik, III, 232.
156
corte, zoodat de overste geen weerstand kon bieden, maai zich moest onderwerpen.'
â't Is goed,quot; zei Adolf Johann bedaard; de officier vertrok. âNu, Sebastian,quot; wendde zich de graaf tot zijn vertrouweling, âgij hadt gelijk, de onderschepte papieren moeten wel van gevaarlijken inhoud zijn geweest, want wij zien er de uitwerking al van. â Onze vijanden zijn ijverig, en dat is mij lief, want de ontknooping wordt daardoor bespoedigd en onze zegepraal naderbij gebracht, want wij zullen zegevieren!quot;
âZegevieren of ondergaan,quot; zuchtte Sebastian von WaJdow.
Wederom werd de deur heftig geopend en de opperhofmeester kwam doodsbleek en bevend binnen. âUw genade, de overste von Burgsdorf, de overste von Burgs-dorf,quot; stamelde hij.
âNu wat is er met hem?quot; vroeg de graaf haastig. âAntwoord toch, Wallenrodt, wat is er met den overste von Burgsdorf?quot;
âNiets anders, dan dat hij den opperhofmeester bevolen heeft hem hierheen te voeren en hem bij u aan te dienen,quot; zeide een ruwe, spottende stem achter den graaf.
't Was Konrad von Burgsdorf, die dit laatste sprak en juist de kamer was binnengekomen en zonder verderen groet en zonder verontschuldiging voorwaarts trad.
âHeer graaf Adolf Johann von Schwarzenberg,quot; voer Burgsdorf voort, terwijl hij naar den graaf toetrad, âik ben gekomen, om te doen, wat reeds lang had moeten geschieden, om de papieren van den overleden stadhouder in de Marken te verzegelen en mede te nemen.quot;
âZeer fraai,quot; antwoordde do graaf spottend. âHeb de goedheid mij te zeggen, of mijn vader u daartoe voor zijn dood het bevel heeft gegeven, en mij de schriftelijke order te toonen, daar ik zonder deze niet bereid zou zijn u geloof te schenken!quot;
âIk heb geen bevel van den overleden graaf ontvangen,quot; antwoordde Burgsdorf de schouders ophalende; âik zou ook van hem geen bevelen aangenomen hebben, want er is slechts één die mij bevelen kan, namelijk mijn meester, de keurvorst Friedrich Wilhelm. Hij heeft mij bevolen al de nagelaten papieren van graaf Adam von Schwarzenberg te verzegelen, en ik ben gekomen om dit bevel uit te voeren.quot;
157
âWaar is de schriftelijke last?quot;
âIk heb geen schriftelijken last, ik heb een mondeling bevel daar straks voor een half uur ontvangen.quot;
âO, ge gelieft te schertsen,quot; riep graaf Adolf spottend. âZoudt gij in een half uur van Koningsbergen hier z?jn gekomen? Want daar ge van niemand dan van den keurvorst bevelen ontvangt, moet deze toch tot u geproken hebben, en zoover ik weet bevindt de keurvorst zich nog te Koningsbergen.quot;
âGij weet niet veel, mijn kleine graaf,quot; zei Burgsdorf verachtelijk. âGij zijt in alle zaken een zeer onbedacht en onwetend heertje, 't Is waar, de keurvorst is te Koningsbergen, maar hij heeft mij toch zijn wil mondeling doen kennen, en wel door den mond van den nieuw benoemden heer stadhouder in de Marken, die hedenmorgen zeer vroeg en incognito hier is aangekomen.quot;
âVan den stadhouder in de marken!quot; riep graaf Adolf Johann tartend. âIk ken niemand die eenig recht op dezen titel heeft, dan ik alleen!quot;
âIk ken evenwel een anderen en wel iemand, die niet alleen den titel, maar ook het ambt heeft, en dat is de heer markgraaf Ernst von Jiigerndorf. Heer luitenant von Metzdorf, kom binnen!quot;
Op Burgsdorf luiden roep kwam een jong officier door de open gebleven deur van het belendende vertrek binnen, en plaatste zich, nadere bevelen wachtende, naast de deur.
âGeef den heer graaf Adolf Johann van Schwarzenberg de gedrukte bekendmaking van den hoer stadhouder,quot; beval Burgsdorf. Luitenant von Metzdorf naderde den graaf en reikte hem een groot vel papier.
âLees, mijn kleine graaf,quot; riep Burgsdorf. âLees! Ja, er zijn zeer belangrijke berichten op medegedeeld. De markgraaf Ernst verkondigt aan de inwoners van Berlijn en Keulen, dat hij door den genadigen heer keurvorst tot stadhouder in de Marken is benoemd en hij zijn nieuw ambt heeft aanvaird. Vervolgens verkondigt hij aan de lieve Berlijners, dat zijn keu.worstelijke doorluchtigheid de genade heeft gehad, den oversle Konrad von Burgsdorf tol oppercommandant van al de vestingen in de Keur en Mark Brandenburg te benoemen, üe overste Konrad von Burgsdorf ben ik, en in mijn hoedanigheid
158
van oppercommandant van al de vestingen, zal ik al de genen in hechtenis nemen, die het waagt zich tegen mij te verzetten en den eed van trouw niet aan hun keurvorst en heer willen afleggen. De overste von Kracht heeft dit reeds ondervonden, en zijn bondgenooten zullen 't ook spoedig genoeg ervaren, lieer graaf von Schwar-zonherg, wilt ge nu de goedheid hebben mij goedschiks de papieren te laten verzegelen, of moet ik, krachtens mijn recht en gezag, er u toe dwingen?quot;
âGij zijt de sterkste,quot;antwoordde de graaf de schouders ophalend,quot;of liever: gij hebt het ruw geweld voor u, en om zich daartegen te verzetten, zou onverstandig zijn. Doe, wat ik niet verhinderen kan. Verzegel de papieren van mijn vader. Mijn eigen papieren zijn echter, denk ik daarvan uitgezonderd, en den inhoud van mijn schrijftafel zult ge, hoop ik, onaangeroerd laten.quot;
Terwijl hij dit zeide, sloeg hij een vluchtigen blik naar zijn opperholmeester von Wallenrodt. Deze knikte nauwelijks merkbaar met het hootd en trok langzaam naar de deur terug.
âIk verzegel alle papieren en alle schrijftalels, die zich in dit paleis bevinden,quot; riep de overste von Burgsdorf. âDit paleis met al wat er in is, behoort tot de nalatenschap van graat Adam von Schwarzenberg, en mijn last luidt, al de zich in de nalatenschap van den graaf bevindende papieren te verzegelen en mede te nemen. Ge ziet wel, dat ik geen uitzonderingen maak en niet kan weten, wat uwe papieren of die van uw overleden vader zijn.'
âIk geloof wel, dat de leeskunst u moeielijk, ja schier onmogelijk is, heer overste von Burgsdorf!''
âMeent ge? Gij bedriegt u, mijn jong heertje! ik kan zelfs het schrift lezen, dat op de gezichten van menschen staat geschreven, en lees op uw voorhoofd, dat ge niet alleen een opgeblazen jong mensdi zijt, maar dat ge ook zeer misdadige gevaarlijke plannen smeedt, en u door uw eerzucht laat verleiden naar zaken te streven, die buiten uw bereik zijn. Kom graaf, geleid mij naar het arbeidskabinet van mijnheer uw vader.quot;
âNeen,quot; riep de graaf, âdat doe ik niet! Het mag niet gezegd worden, dat ik mij vrijwillig aan verraad en brutaal geweld onderworpen heb.quot;
âNu, mijn graafje,quot; riep Burgsdorf lachend, âzoo ge mij
159
niet goedwillig wilt geleiden, moet ge het onwillig doen. Gij behoeft mij den weg niet te wijzen, want wij gaan rechtstreeks van de eene kamer naar de andere, en verzegelen overal, waar zich papieren bevinden. Maar gij moet er bij zijn, dit vordert de wet, en derhalve zult ge er ook bij zijn. Heer luitenant von Metzdorf en heer luitenant von Frohberg, reikt den heer graaf von Schwar-zenberg ieder een arm, houdt en ondersteunt hem recht stevig, want de jonge heer gevoelt zich ongesteld en kan niet best alleen gaan.quot;
De twee officieren naderden den graaf, die met dreigende houding hen aanzag. âWaagt het niet mij aan te raken,quot; riep hij toornig. âIk volg u niet, ik wil niet gaan!quot;
âGe wilt niet gaan, waarlijk niet? Ook niet als mijn officieren u den arm aanbieden?''
âIk zal niet gaan, maar ik zal mij bij den keizer beklagen, over dit geweld, en hij zal mij voldoening schenken.quot;
,,Nu, dat zullen wij afwachten,quot; zei von Rurgsdorf gelaten. âThans is 't slechts de zaak, dat wij uw vereerend geleide wenschen. Daar gij echter verklaart, niet le voet te kunnen gaan, welnu, dan zal ik u dragen.quot;
En voor dat de jonge graaf het verhinderen kon, had von Burgsdorf hem met zijn reusachtig sterke armen omvat en hem omhoog getild.
âNu voorwaarts, mijn heeren,quot; zeide hij, terwijl hij haastig eenige schreden voorwaarts deed en den jongen graaf zoo licht en zeker op zijn armen droeg, of hem dit niet de minste moeite koste.
âLaat mij maar weder van het wijnvat afstijgen, heer overste von Burgsdorf,quot; zei graaf Adolf Johann thans glimlachend en gelaten. âIk heb mijn doel bereikt. Ik wilde u hier nog eenige minuten ophouden, vóór ge tot de verzegeling overgingt. Dit is mij gelukt, nu wil ik mij niet langer verzetten en u goedwillig volgen.quot;
âDes te beter,quot; riep von Burgsdorf, terwijl hij hem weder op den grond nederliet. âWant hoewel ge zoo licht als een penneschacht zijt, heb ik toch liever mijn armen en handen vrij en wil met de gansche pennelikkerij niet gaarne in te nauwe aanraking komen. Laat ons nu, mijnheer de keizerlijke kameraad, onze bezigheid beginnen en tot de verzegeling overgaan.quot;
â'tZij zoo,quot; zei graaf Adolf Johann; âslechts nog ééne
4 GO
vraag zou ik mij wenschen te veroorlooven. Welk doel tieeft do verzegeling en wanneer worden do zegels afgenomen ? Ik ben de eenige erfgenaam van mijn heer vader; ik heb zijn testament reeds in 'tbijzijn van gerechtspersonen laten openen en voorlezen, en krachtens mijns vaders wil de geheele erfenis aanvaard. Het verzegelen komt mij dus zeer doelloos voor en staat volstrekt niet in behoorlijken samenhang met de aanvaarding mijner erfenis, want dan had vóór de opening van het testament de verzegeling moeten geschieden.quot;
âDit is helaas verzuimd geworden,quot; antwoordde Konrad von Burgsdorf; ,,dit kwam, doordat sinds den dood van den stadhouder niemand hier was, die bevelen te geven en het recht te handhaven had. Maar nu wij weder een stadhouder in de Marken hebben, zal het anders worden, en allen mogen zich in acht nemen, die zich tegen hem willen verzetten, want wij verzegelen niet alleen papieren, maar ook menschen. Wat nu uw vraag betreft, heer graaf, deze verzegeling staat slechts in zoo ver met uwe erfenis in verband, als ge u hebt aangematigd onderscheidene keurvorstelijke domeinen en plaatsen bij uw erfdeel te rekenen en er voorbarig bezit van te nemen.quot;
âDeze domeinen zijn aan mijn heer vader als pand door den keurvorst Georg Wilhelm gegeven en niet weder gelost.quot;
âDat zal nu juist beslist moeten worden, en daartoe, alsmede voor vele andere zaken, is door den heer keurvorst een gerechtelijk onderzoek bevolen. De heer keurvorst heeft zelf de heeren aangewezen, die de commissie van onderzoek zullen uitmaken; deze zal morgen terstond in functie treden en beginnen met de papieren te ontzegelen, welke ik in beslag moet nemen. De voorzitter van die commissie is de president van den geheimraad, von Götze.quot;
âIk ken geen president von Götze!quot;
âUw heer vader heeft den hoer von Götze van zijn ambt ontzet, omdat hij niet naar de pijpen van den heer sladhouder wilde dansen, en geen man was, die op alles ja zeide. Juist daarom heeft de jonge keurvorst den heer von Götze weder in zijn ambt hersteld en bevolen, dat hij aan het hoofd der commissie van onderzoek zou staan. Nu ik met bizondere lankmoedigheid en tot mijn eigen
161
hartelijke voldoening al uw vragen beantwoord heb, zullen we eindelijk tot het verzegelen overgaan en niet deze kamer een begin maken. Sluit de deuren, luitenant von Metzdorf, en laat niemand vertrekken van al degenen, die zich bij onze komst hier bevonden.
âHeer overste,quot; antwoorde de luitenant, âde hofmeester van Wallenrodt heeft straks de kamer verlaten, en omdat ge mij geen bevel hadt gegeven, kon ik hem niet tegenhouden. Hij ging naar buiten, juist toen gij den heer graaf op uw arm naamt.quot;
âDaarom wilde de heer graaf mij dus eenige minuten bezig houden, ten einde den hofmeester tijd te geven zijn geheimen last uit te voeren!quot; riep de overste, toornig met den voet stampende. âWij hadden moeten bedenken, dat wij met slimme vossen te doen hebben, en vooraf alle uitgangen moeten bewaken. Luitenant von Metsdorf, bezet dadelijk al de uitgangen en Iaat niemand er door. Luitenant von Frohberg, neem vier soldaten, doorzoek het geheele paleis, en zoo ge den hofmeester von Wallenrodt vindt, neemt hem dan gevangen en onderzoek hem.quot;
âHeer overste, dat gaat te ver!quot; riep graaf Adolf Johann, toornig en opgewonden. âGij hebt het recht niet, mijn bedienden in hechtenis te nemen en te onderzoeken, ik protesteer er tegen en zal u voor zijn keizerlijke majesteit tot verantwoording roepen.quot;
âWij zullen 't afwachten,'' antwoordde de overste gelaten. âZoo ik onrecht heb gedaan moge de commissie van onderzoek mij ter verantwoording roepen. Mijnheer de keizer te Weenen gaat mij volstrekt niet aan, hij heeft zich niet te mengen in onze rechtspleging.quot;
âDat zullen wij zien,quot; riep de graaf dreigend.
âJa, dat zullen wij zien, maar eerst zullen wij zien waaide papieren zijn, welke wij moeten verzegelen en mede-nemen. Open die tafel eens, heer graaf, en laat mii zien wat ze bevat.quot;
Graaf Adolf Johann moest het zich laten welgevallen, dat in iedere kamer de tafels werden onderzocht, en, zoo er zich papieren in bevonden, deze, na met liet groote ambtszegel van den keurvorstelijken geheimraad te zijn voorzien, werden meedegevoerd. Hij moest het aanzien, dat men het geheele paleis doorzocht van den zolder tot den kelder om den hofmeester von Wallenrodt te vinden.
162
De graaf kon het verzegelen niet tegengaan, maar had toch de voldoening dat zijn hofmeester nergens werd gevonden, e:i de overste von Burgsdorf, toen hij in de arbeidskamer van graaf Adolf Johann kwam en de schrijftafel opende om do papieren in beslag te nemen, die geheel ledig vond,
âIk heb het wel gezegd,quot; bromde de overste von Burgsdorf. âWij hebben er niet aan gedacht, dat wij met sluwe vossen te doen hebben, de uitgangen zijn te laat bezet. Heer graaf Adolf Johann von Schwarzenberg, de verzegeling is geëindigd. Nu komt mijn tweede last! Ik heb u van wege den heer markgraaf Ernst, stadhouder in de Marken, aan te kondigen, dat ge tot nader order huisarrest hebt en onder geenerlei voorwendsel het paleis moogt verlaten. Ziehier het bevel.quot;
Hij haalde een papier te voorschijn, sloeg het uiteen . en reikte het den graaf over, die het haastig doorzag.
âIk zie,quot; zeide hij met trotsche kalmte, âdat gij op bevel handelt en de gehoorzame gerechtsdienaar van uw meester zijt. Mag ik dit bevel van arrest behouden ?quot;
âWaarom?quot;
âOm het later als een stuk van beschuldiging den keizer te overhandigen, en hem te toonen hoe oneerbiedig en onwettig men zich vermeet zijn kameraad en kamerheer te behandelen.quot;
âBehoud het stuk,quot; zei Burgsdorf bedaard, âhet zal mii voor u verheugen, zoo ge in staat zult zijn het aan zijn majesteit den keizer spoedig persoonlijk te overhandigen. Voorloopig zal dit wel niet geschieden, want ge hebt huisarrest en moogt u niet verwijderen. Ge zult dus het genoegen hebben, hoewel ge geen stadhouder zijt, de schildwachten voor uw deuren te behouden. Alleen zullen ze u geene militaire eerbewijzen behoeven te doen. Vaarwel, heer graaf Adolf Johann!quot;
Hij groette den jongen graaf die hem tartend den rug toekeerde, met spottenden glimlach en verliet, door zijn officieren gevolgd, de kamer.
âMetzdorf,quot; zeide hij buiten in de voorkamer tot den jongen officier, âik draag u de bewaking van het paleis op. Ik weel dat gij onomkoopbaar zijt en den jongen lieer niet zult laten ontsnappen. Omsingel het paleis van buiten en plaats voor al de buitendeuren twee soldaten, die
4(33
dag of nacht hun posten niet mogen verlaten. Alle vier uren otlossing! De heer stadhouder heeft helaas niet bevolen, dat wij ook voor de binnendeuren wachten moeten plaatsen ; wij moeten dus buiten des te voorzichtiger en waakzamer zijn. Op u komt de schuld, zoo hij ontsnapt!quot;
âAls hij geen toovenaar is, die door de lucht wegvliegt, zal hij mij niet ontkomen, heer overste,'' zei de officier glimlachend. âLangs den gewonen weg, door de deuren, ontvlucht hij niet, hiervoor sta ik u met mijn hoofd borg!quot;
âZeer goed, luitenant. Maar luister. Plaats tegenover het paleis bij het tuinhek ook nogquot; twee wachten. Zij moeten dag en nacht de vensters in 't oog houden en alarm maken zoodra zij iets verdachts opmerken! Ik ga naar den heer stadhouder, om hem van alles te berichten !quot;
De overste van Burgsdorf verliet het paleis en begaf zich naar het keurvorstelijke kasteel, waarin, de markgraaf Ernst von Jagerndorf zijn residentie had genomen.
Graaf Adolf Johann had luisterend aan de deur gestaan en ieder woord, gehoord dat Burgsdorf, tot zijnen luitenant had gesproken; hij hoorde vervolgens ook zijn zwa-ren, forschen stap. Hij hoorde het dichtslaan der huisdeur, en naar het venster ijlend zag hij den overste von Burgsdorf te paard stijgen en met zijn geleiders weg rijden, gevolgd door een wagen, waarop de in beslag genomen papieren waren geladen.
âWaldow,quot; riep de graaf van het venster terugspringend, âWaldow, hij is weg, en wij hebben Goddank! binnenshuis geen wachten. Wij zijn onbewaakt.quot;
âWat baat het, heer graaf,quot; zuchtte Waldow, âwij kunnen toch niet uit het huis, en uw papier zijn in beslag genomen.quot;
âNiet mijn papieren, Waldow, neen. Goddank,'' riep de graaf zegevierend. âHebt ge niet gezien, dat mijn schrijftafel ledig was.quot;
âEn wat beteekent dit, graat ?quot;
âHet beteekent, dat mijn trouwe hofmeester von Wal-lenrodt mijn wenk heeft verstaan, en terwijl ik Burgsdorf hier ophield, mijn papieren uit de schrijftafel heeft genomen.quot;
âGelooft hij dat?quot; vioeg Waldow de schouders ophalende. âHet komt mij voor, dat de heer hofmeester gedaan heeft gelijk de ratten, wanneer een schip op 't punt is
164
te vergaan, dat hij zich weg heeft gemaakt. Men heeft immers het geheele paleis doorzocht, maar Wallenrodt nergens gevonden. Hij heeft zich misschien tot den nieuwen stadhouder begeven en hoopt zich te redden door u te verraden.quot;
.,Gij lastert mijn getrouwe,quot; zei de graaf. âIk ken hem heter. Kom, Waidow, geleid mij naar het kabinet van mijn vader. âquot;
.,Nu wil ik u bewijzen, dat gij mijn hofmeester valsch beoordeeld hebt,quot; zei de graaf, toen zij het kabinet waren binnengegaan. âDe kamer verbergt een geheim, dat slechts mijn vader, mij en Wallenrodt bekend was. Nu zult gij ook weten en erkennen, dat er nog trouw in de wereld is.quot;
Hij ging door het vertrek naar den grooten spiegel, die tot den grond reikende, tegen den breeden wand tusschen de vensters was geplaatst. Hij drukte op een zich in de lijst bevindende roset; de spiegel sprong terug en werd een deur, die zich opende en eene in de muur aangebrachte ruimte verborg. Uit deze ruimte kwam de hofmeester met een groote rol papier in de hand te voorschijn.
âGenadige heer,quot; zeide hij rustig, terwijl hij den graaf de rol aanbood, âhier zijn uwe papieren.quot;
âIk dank u, getrouwe,quot; riep Adolf von Schwarzenberg, hem de hand reikende. âIk wist wel, dat ik op u rekenen kon, en toen de schrijftafel ledig was, wist ik, dat gij mijn blik begrepen had. Laat mij nu, voor dat wij overleggen wat verder is te doen, deze papieren onderzoeken, want ik weet niet recht of zij alles bevatten wat ik Burgs-dorf en mijn anderen vijanden wilde onttrekken. Gaat in gindsche vensternis, mijn vrienden, terwijl ik de papieren onderzoek.quot;
De beide heeren trokken zich terug, en terwijl zij in de vensternis fluisterend met elkander spraken, woelde graaf Adolf Johann met vlugge, driftige handen in de papieren. Steeds haastiger, steeds driftiger bewogen zich zijn handen, donkerder werd zijn voorhoofd, angstiger zijn voorkomen. Toen hij het laatste papier ter zijde legde, was zijn gelaat bleek, en hij leunde een oogenblik uitgeput en ontmoedigd achterover in zijn stoel.
âGenadige heer graaf,quot; riep de hofmeester, naar hem
465
toekomende, âis het niet in orde met de papieren?quot;
â't Is gelijk ik vreesde,quot; zei de graaf zuchtend. âMijn geheele correspondentie met mijn vader gedurende mijn laatste verblijf te Regenburg, benevens de opstellen van mijn brieven aan den keizer en aan Marwitz waren in de schrijftafel van mijn vader en zijn met de ovei'igen meegenomen.quot;
âtin kunnen die brieven u in gevaar brengen, heer graaf?quot; vroeg de heer von Waldow naderende.
âMet die brieven kan mij de president von Götze, de voorzitter der commissie van onderzoek, van hoogverraad aanklagen en ter dood veroordeelen.''
Een lange pauze ontstond. Somber zagen allen voor zich. Eindelijk richtte de hofmeester het hoofd wederop, en zijn gelaat vertoonde vastberadenheid.
âGij moet vluchten, genadige heer,quot; riep hij levendig.
âVluchten,quot; herhaalde de graaf de schouders ophalende. âGij hebt zeker in uw schuilplaats niet kunnen hooren, wat er geschied is.
âHet geheele paleis is door wachten omgeven,quot; vulde de heer von Waldow aan, aan iederen uitgang staan bovendien twee schildwachten. Buiten bij het parkhek zijn twee wachten geplaatst, die ook de vensters van het paleis moeten bewaken.quot;
âGij ziet dus, Wallenrodt,quot; zei de graaf, âdat vluchten onmogelijk is.quot;
De hofmeester glimlachte. âUw genade zal niet door een der deuren of vensters kunnen vluchten. Maar er is nog een derde weg.quot;
âWelke dan, Wallenrodt?quot;
âDe geheime gang. heer graaf.quot;
âIk ken geen geheimen gang.quot;
âIk wel, heer graaf. Uw overleden vader liet dezen geheimen gang bouwen toen de steden oproerig werden en de Zweden Berlijn bedreigden. Vijftig werklieden, welke hij uit Weenen had doen komen en in het paleis verborgen waren, werkten eiken nacht aan dezen onder-aardschen gang, en toen hij voltooid was zond de heer graaf deze lieden terstond weder naar Oostenrijk terug. Gij kunt het niet weten, heer graaf, ge waart toen nog een knaap van nauwlijks tien jaar en er zijn reeds vijftien jaren verloopen. Zoo lang dit werk duurde was de heer Mühlbaoh, Z)e groote Keurvorst en zijn tijd. II. 11
4G6
graaf te Spandau, en nam al zijn dienaren mede, opdat niemand iets van den onderaardschen gang gewaar werd. A.ileen de oude slotvoogd en ik bleven hier om op de werklieden te passen, en wij beiden kenden, behalve de heer stadhouder, het geheim. De oude slotvoogd stierf voor drie jaren en nu mijn genadige heer graaf ook dood is, ken ik alleen het geheim. Door dien geheimen gang moet gij vluchten, genadige heer.quot;
âWaarheen voert de geheime gang?quot; vroeg de graaf.
âHij loopt onder de straat door naar het park. De uitgang is in het kleine paviljoen in't midden van't pai'k. De sleutel der uitgangsdeur hangt in den gang, evenals de sleutel van de achter-tuindeur. Alles is in orde, want, vreezende dat de zaken van mijnheer de graaf hier een slechten keer mochten nemen, heb ik, weinige dagen geleden, den gang onderzocht en den weg naar het paviljoen gelukkig afgelegd. Langs dezen weg zal uw genade zonder gevaar ontvluchten.quot;
âEn gij, mijn getrouwen, zult mij op dezen weg vergezellen en met mij ontvluchten,quot; zei de graaf, beiden heeren zijn handen reikende. âGij hadt gelijk, Waldow, toen ge mij straks zeidet, dat wij zouden overwinnen of ten onder gaan. Het schijnt thans, dat wij zullen ten onder gaan. Onze vijanden zijn haastiger en beradener te werk gegaan dan wij. Terwijl wij nog overlegden, hebben zij gehandeld, terwijl wij aarzelden, zijn zij krachtig voortgegaan. De jonge keurvorst heeft zijn tijd goed besteed en, als een spin uit haar hinderlaag, heeft hij ons in het web gevangen, waarmede hij ons zacht en onzichtbaar omweven had. Al mijn vijanden, al de gezworen tegenstanders van mijn vader heeft hij ten strijde geroepen; de wraak, de nijd, de boosheid zijn de regimenten, welke de jonge heer, tegen ons in 't veld brengt en waarmede hij ons overwonnen heeft. Maar slechts voor dit oogenblik. Want de dag der vergelding zal aanbreken voor den jongen overmoedigen heer. Hij waant zich zelfstandig en vrij, maar hij zal leeren erkennen, dat er nog een hoogere is voor wien hij zich buigen moet, aan wien hij gehoorzaamheid schuldig is. Die hoogere is de keizer. Ja, keizer Ferdinandus zal mij wreken op den overmoedigen heer! Hij zal diens trotschen nek buigen en zijnen vazal dwingen, mij voldoening te schenken en mij weder in al mijn
167
ambten en waardigheden te herstellen, die hij mij op onrechtvaardige wijze ontnomen heeft. Ik ga naar Weenen tot den keizer, en . . . Welk een gedachte,quot; viel hij zich zeiven in de rede, en hij snelde naar zijn schrijftafel, wier ledige laden wijd geopend waren. Hij trok er de schuilladen uit en schoof zijn arm in de ledige ruimte.
âTiet geheime vak heeft de oude Burgsdorf niet ontdekt,quot; riep hij triumfeerend. âDat is hem ontsnapt. Daar is 't goed gesloten (in onbeschadigd!quot;
Hij haalde uit de ruimte een klein gesloten kistje, 't welk hij door op een veer te drukken opende. Het deksel sprong open, het kistje bevatte niets dan een klein sierlijk dichtgevouwen briefje. Maar den graaf scheen het een kostbaar eigendom. Hij nam het papier en zwaaide het triumfeerend omhoog.
âDat is mijn redding,quot; riep hij. âDit papier beveiligt mij tegen alle boosheid en vijandschap van den keurvorst. O, mijn vader, mijn dierbare, edele vader, u dank ik nog, dat ik als overwinnaar uit den strijd met mijn vijanden zal te voorsfchijn komen. Gij waart het, die mijden wijzen raad gaaft het goed te bewaren. Ik dank u, mijn vader! Dit papier is op dit oogenblik het kostbaarste erfdeel, dat gij mij hebt nagelaten. Ik zal er volgens uw raad gebruik van maken.quot;
âBeste vrienden,quot; voer de graaf voort, ânu ben ik tot de vlucht bereid. Laten wij overleggen wat ons te doen staat!quot;
âGenadige heer, ik heb reeds overlegd,quot; antwoordde Wallenrodt levendig, âen ik hoop, dat ge mijn plan goedkeurt. Gij moogt gedurende den dag den onderaardschen gang niet doorgaan, want, zooals ik zeide, komt hij in het midden van het park uit, en als ge aan de achtertuinpoort komt, moet ge de Keulsche voorstad nog doorgaan. Ieder zou u herkennen en wie weet of de overste von Burgsdorf ook daar geen wachten heeft uitgezet. Gij moogt dus eerst tegen den nacht ontvluchten. Ik, daarentegen, zal nu reeds als eenvoudig burgerman gekleed, van den onderaardschen gang gebruik maken, en een oogenblik afwachten, dat het in de Visscherstraat stil is. Dan zal ik het park verlaten.quot;
âWaarheen wilt ge gaan, Wallenrodt?quot;
âNaar Spandau, genadige heer, tot den overste von
1(38
Rochow. Ik zal hem berichten wat er gebeurd is, hem zeggen dat gij Berlijn verlaten en vlucliten moet. Als dan de 'nacht is aangebroken, zal uw genade zich met den heer von Waldow door den onderaardschen gang in het park en van daar op de straat begeven. Zonder buitengewone haast, want alle overijling zou in het oog vallen, gaan beide heeren dan naar de Weidendammer poorl. Daar zal ik u met twee gezadelde paarden wachten. De heeren bestijgen die en wij rijden dan in vollen galop naar Spandau, waar de commandant von Rochow uw genade zal opwachten. Vandaar kan mijnheer de graaf zich dan naar eigen goedvinden verder begeven.quot;
âDat plan is goed overlegd,quot; zei de graaf, âik neem het aan. Spoed u, mijn getrouwe, gaat naar Spandau en bericht alles aan mijnheer von Rochow. Zeg hem, dat het uur van handelen gekomen is. Tot nu toe heeft hij standvastig geweigerd den keurvorst den eed te doen, alzoo behoort de vesting Spandau den keizer van Duitschland en niet aan den keurvorst van Brandenburg. De muren der keizerlijke vesting zullen ons bescherming en veiligheid verleenen, van daaruit zullen wij den strijd tegen den vijand beginnen, die ons zoo verraderlijk heeft aangevallen. Spoedt u, mijn Wallenrodt, en mogen wij elkander dezen nacht met een vrij en licht hart wederzien!quot;
âVergeet niet, genadige heer, u te wapenen, en let vooral of u ook iemand bespiedt.quot;
âIk zal met twee geladen pistolen den heer graaf voorgaan,quot; riep de heer von Waldow. âDie het waagt hem tegen te houden schiet ik neder, en maak voor hem den weg vrij tot aan de Weidendammer poort.quot;
âBeiden zullen wij ons wapenen en ons dapper verdedigen,quot; zei graaf Adolt von Schwarzenberg. âLiever sterven dan onze vijanden in handen te vallen. Ga nu, Wallenrodt, want ge hebt een lange weg voor u.quot;
âIn drie uren ben ik er, genadige heer. Er blijft dan nog tijd genoeg over om alle toebereidselen ter verdediging te maken en bij het vallen van den avond met de paarden u op te wachten. Volgt mij, mijn heeren, opdat ik u den ingang van den onderaardschen gang wijze. Hij is in den kleinen overloop naast het kabinet van wijlen den graaf.quot;
169
VIII.
DE VLUCHT.
Eenzaam en treurig was de dag, dien graaf Adolf von öchwarzenberg in het paleis doorbracht; de uren geleken dagen, de minuten uren. Eindelijk viel de schemering en men herademde toen de nacht aanbrak.
'tWas een stille, donkere nacht. De lucht was zwaarbewolkt, men zag geen ster aan den hemel! Het was een nacht, volkomen geschikt om in zijn ondoorzichtig hulsel te vluchten en zich in zijn zwarte schaduw te verbergen.
De nacht is er! De vrijheid wenkt! Het paleis, hoe groot ook, was den geheelen dag niets dun een enge, eenzame gevangenis geweest. Niets vernam graaf von Schwarzenberg dan het op en neder wandelen der schildwachten, dan het roepen der posten bij de aflossing.
Voort nu uit deze gevangenis, wier pracht en glans slechts spotternij en hoon gelijken: voort, uit dit paleis met haar smartelijke herinneringen aan vervlogene dagen van grootheid en heerlijkheid!
De nacht der bevrijding is daar. Voort, voort!
Zij hullen zich in hun mantels, drukken den hoed diep op het hoofd en gaan naar den onderaardschen gang. Waldow gaat vooraan, met een brandende kaars in do eene en een pistool in de andere hand.
Graaf Adolf von Schwarzenberg volgt hem, met een pistool in iedere hand, vast besloten dengene neder te schieten, die het wagen mocht hem tegen te houden.
De gang wordt doorgeloopen en zij komen in het paviljoen van het park. Nu snel voorwaarts, door de donkere laan, naar de achtertuindeur. De sleutel steekt er in, niets verhinderd hun vlucht.
Een oogenblik blijven zij bij de half geopende deur staan en luisteren. Niets beweegt zich op de straat. De bewoners der ellendige huizen zijn reeds ter rust, nergens is licht achter de vensters te zien. Alles is doodstil!
Zij doen de deur open en treden naar buiten. Nu voor-
170
waarts, de süaat op, don hook vau het park om, over het Domplein heen.
De beide vluchtelingen zien slechts vooruit en geen enkelen keer achter zich. Zij zien dus niet, dat een donkere schaduw hen volgt, die over het Domplein naar het kasteel sluipt.
De oogen van graaf von Schwarzenberg zijn op het kasteel gericht. Donker en stil ligt het daar, slechts llauw teekent zich de donkere massa tegen den donkeren nachthemel af. In de benedenverdieping, waar de wachtkamer der soldaten is, brandt een helder licht, dat door de duisternis heen als een heldere ster fonkelt.
Graaf Adolf Johann ziet het, en ziet dat het licht een oogenblik wordt verduisterd. Hij ziet een schaduw, maar vermoedt niet dat die schaduw in verband staat met zijn eigen persoon; hij ziet slechts naar het kasteel, denkt aan vervlogene tijden en neemt in stilte afscheid van de droomen zijner jeugd! Hij denkt aan den smaad, dien hij geduld heeft in dien vreeselijken nacht, toen hij bedrogen, gehoond wex'd door haar, welke hij beminde; hij wil wraak nemen voor dien nacht en de folteringen toen geleden!
âVoorwaart, Waldow, voorwaarts!quot; Hij neemt zijn vriend bij den arm en gaat verder. Nog altijd is de schaduw achter hen, gaat voorwaarts als zij voorwaarts gaan, staat stil als zij stil staan.
Met haastige schreden gaan nu beiden door den lusttuin; door de poort bij de vestinggracht komen zij in de Weidendammer voorstad en gaan door de kleine eenzame straten. Nu zijn zij buiten op de groote weide van den Weidendam en treden door de poort, dicht bij de brug, die over de Spree voert.
âWallenrodt, zijt gij er?quot; fluistert Adolf Johann.
âJa, heer graaf, hier ben ik.quot;
Paardengetrappel,zacht gelluister van menschenstemmen.
âDe overste von Rochow wacht uw genade. De geheele vesting is tot uw dienst. Hij zal u verdedigen tot den laatsten man en liever de geheele vesting in de lucht laten vliegen dan u aan den vijand uitleveren.quot;
âJa, liever met mijn vrienden in de lucht gevlogen, dan de gevangene van mijn vijanden,quot; roept de graaf en springt blijmoedig in den zadel. âZijt ge gereed, mijn vrienden?quot;
171
âJa, wij zijn gereed.quot;
âVoorwaarts!quot; beveelt de graaf en grijpt met vaste hand de teugels.
âHalt!quot; roept een forsche stem, en de schaduw, die hen is nageslopen, verandert in een hooge mannengestalte, die op het paard van den graaf toespringt en de teugels grijpt.
âTerug!quot; schreeuwt Adolf von Schwarzenberg woedend.
âHalt!quot; roept de andere. âGe zult niet ontkomen. In naam van den heer overste von Burgsdorf neem ik u in hechtenis, heer graaf Adolf Johann von Schwarzenberg!quot;
âWie zijt ge, ongelukkige, die het waagt mij tegen te houden?quot;
âIk ben de politiemeester Brandt. Ik neem u gevangen in naam van den heer stadhouder in de Marken.quot;
âEllendige verrader! Gij hebt mijn vader trouw gezworen en maakt u nu tot gerechtsdienaar zijner vijanden. Terug, laat los. Het geldt uw leven! Terug!quot;
âNeen, ik laat u niet los. Ik neem u gevangen!quot;
âMaak er een einde aan, heer graaf,quot; schreeuwt von Waldow. âDe nacht is zoo donker, dat ik geen vriend van vijand kan onderscheiden, anders had ik reeds lang geschoten.quot;
âNogmaals, de hand van het paard, of ik schiet u neer!quot;
âNogmaals. Geef u over of ik schiet u neer! Levend of dood moet ik u gevangen nemen, dat heeft mij . .
Een schot knalt, een doodsgereutel breekt de woorden van den politiemeester af. De drie ruiters rennen voorwaarts.
Zwart en donker jagen de wolken door de lucht, zwart en donker jagen de ruiters over de aarde.
Zoo er slechts geen zand was, dat vreeselijke zand. Daar zijn de Rehbergen, men merkt het aan het zand, waarin de paarden telkens verzinken en zich snuivend weder omhoog werken. Doch wat doet het, of men iets langzamer voorwaarts komt, zij zullen toch voor het aanbreken van den dag Spandau bereiken, en de overste von Burgsdorf zal door zijn kostbaren gevangene bedrogen zijn.
Wat is dat? Welke zonderlinge toonen worden daar gehoord ?
Als op commando houden zij hun paarden stil, keeren zich in den zadel om en luisteren Zij hooren nu zeer
172
duidelijk, het gerucht van dravende paarden. Het nadert meer en meer.
âWallenrodt! Waldow! Wij worden vervolgd!quot;
âJa, heer graaf. Maar tuij hebben de Rehbergen weldra achter ons, en daar moeten zij eerst door. quot;Wij zijn een goed eind vóór. Zij zullen ons niet inhalen.quot;
âVoorwaarts, mijn vrienden, voorwaarts!quot;
Zij slaan en rukken de dieren, opdat de dieren zich sneller door het zand zullen werken, en op een beteren weg gekomen rennen zij nu vliegend voort.
Het gerucht achter hen heeft niet opgehouden. Hun vervolgers moeten zeer goede paarden hebben, want het schijnt, dat zij hen meer en meer naderen.
âVrienden, liever sterven, dan den vijanden in handen gevallen,quot; roept de graaf. âIk verzeker u, als Burgsdorf zijn hand naar mij uitsteekt, schiet ik mij dood. Groet dan mijn vrienden. Zegt hun voor eeuwig vaarwel!quot;
âGij zult het niet doen, heer graaf, want de vijand zal ons niet inhalen. Voorwaarts! Hé! holla!quot; en voort gaat bet, altijd voort.
Zwart en donker jagen de wolken in de lucht, zwart en donker jagen de vijanden op de aarde.
âWaldow! Zij komen!
âJa, graaf, zij komen, maar wij zijn nog een goed eind voor.quot;
âZie, heer graaf! ginds aan den nachtelijken hemel die donkere massa. Dat is ons doel. Nog slechts een kwartier en wij zijn te Spandau.quot;
âEen kwartier. Een eeuwigheid. Hé! holla! voorwaarts! voorwaarts!quot;
âHalt!quot; klinkt het achter hen. âHalt! In naam van den keurvorst, in naam der wet!quot;
â'tis Burgsdorfs stem!quot; roept graafSchwarzenberg, en slaat zijn paard, dat daarop als een pijl voorwaarts schiet.
Ook de vervolgers jagen of zij de vleugels van den stormwind hadden geleend; de afstand tusschen vervolgden en vervolgers wordt immer kleiner. Men hoort reeds het snuiven der paarden, men hoort duidelijker en dreigender het verwoed geschreeuw van den overste Burgsdorf.
Hij dreigt, hij tiert, hij schimpt. Hij beveelt den vluchtelingen stil te houden, of dreigt op hen te zullen schieten.
Wat storen zij zich aan bedreigingen, aan bevelen. Voorwaarts! voorwaarts!quot;
Achter hen knall een schut. Daarop een tweede. Een tierde! De kogels suizen langs hun ooren, maardevluch-tenlingen lachen luid, om den vijand te bevviizen, dat zii nog leven.
Voor hen, uit de duisternis van den nacht, rijst iels op als gouden sterren, vonkelt hen tegen als vreugdevuren.
âGraaf, dat zijn de lichten van Spandau. Zie gindsche fakkels! De commandant wacht u aan de poort der vesting met zijn fakkeldragers.quot;
âVoorwaarts! voorwaarts!quot; roepen en juichen de vluchtelingen.
Met vreeselijke snelheid komen hun vervolgers al nadelen nader.
âIk heb ze, ik vang ze,quot; schreeuwt Burgsdorfjuichend; âhij springt vooruit, steekt de hand uit naar de vluchtelingen, want 't is hem alsof hij ze reeds gegrepen heeft en met zijn handen vasthoudt. âHalt! In naam van den keurvorst !quot;
âWat geven wij om den keurvorst! Wat geven wij om Burgsdorf! Voorwaarts!quot;
De lichten worden grooter, men kan reeds de fakkels onderscheiden en de dragers zien.
âZijt gij daar, heer graaf?quot; roept de overste von Bochow van den wal naar beneden.
âJa ik ben het, overste!quot;
De poort is open, zij rennen er binnen.
Over de brug rennen de vervolgers hen na. Maar de poort wordt gesloten, en de vervolgers staan buiten.
âDoe open! heer overste von Bochow! Ik beveel het u! Doe open!quot;
âWie is het, die hier waagt mij te bevelen'?quot; roept de overste von Bochow van den vestingwal naar beneden.
âIk, de hoofdcommandant van al de vestingen in de Marken.quot;
âIk ken geen hoofdcommandant en let ook niet op zijn bevelen. Ik ben commandant van Spandau; den keizer heb ik den eed van trouw gezworen, en dien zal ik houden.quot;
âOverste von Bochow, in naam van den keurvorst en van den stadhouder in de Marken, beveel ik u voor het laatst, de poort voor mij te openen!quot;
âDe keurvorst is mijn meester niet, die mij bevelen kan
174
en wat den stadhouder in de Marken betreft, deze bevindt zich in de vesting, 't Is graaf Adolf Johann von Schwar-zenberg en hij beveelt mij de poort niet te openen. Keer dus naar Berlijn terug, heer overste, want de nacht is koud en gij zult warm zijn van den rit.quot;
âEn ik moet deze spotternij voor lief nemen!quot; knarste de oude Burgsdorf tusschen zijn tanden. âIk kan niets anders doen dan omkeeren en aftrekken!quot; Met weemoedige stem geeft hij daarop zijn lieden bevel om naar Berlijn terug te rijden.
In de vesting reikt graaf Adolf Johann den commandant von Rochow vriendelijk groetend de hand.
âOverste, gij hebt mijn leven gered. Zoo Burgsdorf mij had ingehaald had ik mij zelf het leven benomen. Ik zal bij zijn majesteit den keizer aan uw liefdedienst denken.quot;
IX.
DE BRIEF.
âEindelijk terug!quot; riep de keurvorst Friedrich Wilhelm, den baron en geheimraad Leuchtmar von Kalkhun de hand reikende. âEindelijk van uw moeilijke reis teruggekeerd.quot;
âJa, genadige heer,quot; antwoordde Leuchtmar glimlachend, â'twas wel een moeilijke reis. Vier maanden lang iederen dag twist en strijd met de hoogmoedige Zweedsche heeren, die altijd maar nemen en nimmer geven willen.quot;
âJa, ge hebt gelijk,quot; zei de keurvorst nadenkend, âer zijn inderdaad nog maar vier maanden verstreken, sinds gij de reis aangenomen en ik miine regeering aanvaard heb. Het schijnt mij alsof ik reeds vele jaren doorleefd had, of ik een oud, zeer oud man geworden was! Ik geloof, dat ik in deze vier maanden geen enkelen keer gelachen en geen kwartier genoegen en vrede gehad heb. Overal twist en krakeel, met den keizer en het rijk, met de stenden, met Polen, met Gulick en K.leef. Allen zijn mij vijandig, geen enkele hand steekt zich vriendschappe-
475
lijk naar mij uit. 't Is mij somtijds zeer eenzaam geweest, Leuchtmar, en ik heb dikwijls hartelijk naar u verlangd. Maar het mocht niet zoo zijn en ik heb reeds geleerd, mij geduldig aan de noodzakelijkheid te onderwerpen, te erkennen, dat de noodzakelijkheid de gebiedende meesteres van alle vorsten is en wij niets dan hare onderdanige vazallen zijn! 't Is wel vernederend, maar wat baat het. Ik moet er wel aan gewennen deemoedigingen te ondergaan en ze als den prijs te beschouwen, dien ik voor mijne toekomst betaal.quot;
âUw doorluchtigheid schijnt, tot mijn diepe smart, een weinig gedrukt en ontmoedigd,quot; zuchtte Leuchtmar, wiens blik met weemoed op het ernstig, bleek gelaat van den keurvorst was gericht, dat in de laatste vier maanden wel jaren ouder scheen te zijn geworden.
âJa, ik ben ter neder gedrukt!quot; riep Friedrich Wilhelm, âwant het gaat met mijn zaken zeer langzaam vooruit, en ik moet, om overal slechts iets te verkrijgen, naar alle zijden con-cessiën doen en voorwaarden aannemen, die mij niet behagen. Maar ontmoedigd, neen, Leuchtmar, ontmoedigd, ben ik niet, en zal dit ook, zoo God wil, nimmer zijn! Ik weet wat ik wil, ik volg mijn doel met onwrikbare standvastigheid, en schoon ik al niet veel verder gekomen ben, dan toen ik voor vier maanden de regeering aanvaardde, zoo troost ik er mij mede, dat ik binnen vier jaren wel verder zal zijn en dan zeker reeds aan eenige mijner titels, aan mijn ledige noten, een kern gegeven zal hebben! 't Is zonderling, Leuchtmar, dat ge juist nu aankomt, juist op den-zelfden dag, dat ook mijne gezanten uit Polen met de laatste overeenkomst aankomen en mij de tijding brengen, dat dank zij geld en goede woorden, de koning van Polen bereid is mij plechtig met het hertogdom Pruisen te beleenen. Ook verwacht ik heden van den overste Burgs-dorf uit Berlijn beslissende berichten. Op denzelfden dag heb ik ulieden toen uitgezonden; gij waart als de duiven, die uit mijn op den zondvloed drijvende ark werden losgelaten. Schier op denzelfden dag komt ge allen terug in de ark, maar ik vrees dat geen uwer mij een olijftak brengt.quot;
âGenadige heer, een zeer kleinen olijftak breng ik u,quot; antwoordde Leuchtmar met een Hauwen glimlach. âIk kom uw doorluchtigheid berichten, dat het na een vier-
176
maandschen strijd gelukt is, den Zweedschen heeren te bewegen een wapenstilstand te sluiten, die twee jaren zal duren.quot;
âTwee jaren van wapenstilstand beteekenen tien jaren van verademing, van schepping!quot; riep de keurvorst met een van vreugd stralenden blik. âZeg mij, mijn Leuchtmar, welke voorstellen hebben de stijfhoofdige Zweden in de laatste ure gedaan?quot;
âDoorluchtigheid, zij hebben zich verhonden, dat hun krijgsvolk niet anders dan bij onvermijdelijke tochten in de Marken zullen komen, en dat hun dan met overleg van keurvorstelij ke commissarissen kwartier en verpleging zal worden gegeven; dat verder, wegens het onderhoud, en de contributie voor de Zweedsche bezettingen in de vestingen van Pommeren en do Marken, nog afzonderlijke verdragen zullen gesloten worden.quot; ')
âJa,quot; mompelde de keurvorst treurig, âzoo laag zijn wij gezonken, dat, zelfs zoo men ons natuurlijk recht erkent, dit nog een gunst, eene toegevendheid schijnt en wij daarmede tevreden moeten zijn! Ach, Leuchtmar, wanneer zal de tijd komen, dat ik voor deze vernederingen revange kan nemen, de tijd dat men zich voor mij buigt, dat ik het ben, die gunsten zal verleenen. Doch stil, eerzuchtig hart, wees zacht en kalm! Ga voort, bericht verder wat gij met de Zweden besloten en van hen bedongen hebt.quot;
âGenadige heer, van toegeefelijkheid heb ik niets verder te berichten, dan dat nog een en ander bepaald is ter verlichting van het wederzijdsche verkeer op de landen waterwegen. Doch hiervan hebben de Zweden even goed voordeel als wij zei ven. Trouwens, de eischen dei-Zweden zijn veel grooter dan hun inschikkelijkheid.quot;
âWat eischen zij?quot;
âZij eischen, dat aan hen vooreerst de vestingen blijven, die zij tot nu toe bezet hielden.quot;
âIk heb de macht niet, ze hun met geweld van wapenen te ontnemen!quot; riep de keurvorst, de schouders ophalende. âZij mogen dus behouden wat ik hun niet ontnemen kan! Verder!quot;
âBovendien vorderen zij dat hun de Werbener schans overgeleverd worde.quot;
1) Zie: Droysen, III, 239.
f 177
âIk zal ze hun niet overleveren,quot; riep de keurvorst, âmaar ze laten sloopen, opriat ze niet door de keizerlijken bezet worde. Verder!quot;
âVerder verlangen de Zweden dat de pas bij Küstrin voor de keizerlijke troepen gesloten blijve.quot;
âDat bewillig ik gaarne, want het is in mijn eigen belang,quot; zei Friedrich Wilhelm glimlachend. âDe pas bij Küstrin is de weg naar Steltin, en ook voor ons is het goed, dat deze weg voor de keizerlijken gesloten worde. Ik denk een tijd te doen aanbreken, dat deze weg ook voor de Zweden zal gesloten zijn, en dan zal ik hem niet weder openen. Verder!quot;
âVerder begeeren de Zweden het recht om te Küstrin een resident te hebben, die op de uitvoering van dit artikel acht geve.quot;
âDat bewillig ik nooit,quot; riep de keurvorst drillig. vNeen, dat kan niet, want dat zou een vernedering zijn, en tot vernedering mogen de concessien niet gaan, welke ik bereid ben tot welzijn van mijn bloedend land te doen. Ik moet een wapenstilstand hebben, opdat mijn onderdanen zich van deze moeielijke en bloedige tijden kunnen herstellen om weder krachten voor een nieuw leven te zamelen. Ik moet een wapenstilstand hebben, om tijd te winnen in de eerste plaats om binnenslands de wanorde te herstellen. Maar het mag geen wapenstilstand zijn, die mij tot oneer strekt en mij in mijn eigen land onder Zweedsch toezicht stelt. Neen, geen Zweedschen bespieder, geen resident te Küstrin, dit is de voorwaarde mijner toestemming tot den wapenstilstand. Al het overige bewillig ik.quot;
âIk hoop, dat de Zweedsche heeren van deze ééne vordering afzien,quot; zei Keuchtmar. âZij hebben thans behoefte aan rust, ten minste naar ééne zijde, daar zij met de keizerlijken genoeg hebben te doen en door de Denen met oorlog worden bedreigd. Zij zullen niet gaarne met Brandenburg in strijd willen komen. Ik waarborg het sluiten van den wapenstilstand; en als 't uw doorluchtigheid behaagt, vertrek ik weder naar Zweden, om daar den wapenstilstand voor te bereiden en dan aan uwe doorluchtigheid ter onderteekening voor te leggen.quot;
âHet zij zoo, mijn Leuchtmar. Keer weer terug naar Zweden, smeed het ijzer terwijl het heet is. Ik hoop zeer
47R
veel van den Zweedschen wapenstilstand, hij zal de hee-ren te Warschau, te Regensburg en te Weenen wat toegevender en buigzamer maken, want hij zal hun bewijzen, dat de keurvorst van Brandenburg niet meer geheel hulpeloos in een lekke boot ronddrijft, maar dat het hem gelukt is ten minste één lek te stoppen om zich boven water te houden! En nu, vriend Leuchtmar, hoe staat het met uw geheimen last? Hebt ge de jonge koningin mijn brief overhandigd?quot;
âJa, doorluchtigheid, ik had zelfs gelegenheid haar dien in een bijzondere audientie zonder getuigen te overhandigen.quot;
âEn nam zij hem gunstig en vriendelijk op?quot;
âGenadige heer,quot; antwoordde Leuchtmar glimlachend, âeen koningin van veertien jaren is zeer gevoelig op hare eer en waardigheid en neemt het zeer kwalijk als men haar niet met den uitersten eerbied en met behoorlijke achting behandelt.quot;
âHeb ik dat dan in mijn schrijven hieraan laten ontbreken?quot; vroeg Friedrich Wilhelm.
âUw doorluchtigheid boude het mij ten goede, maar de jonge koningin scheen een weinig van deze meening te zijn. Zij was zichtbaar verheugd, toen ik haar uw brief ter hand stelde, bijzonder verheugd, dat zij hem heimelijk en zonder getuigen ontving en niet in het bijzijn van den rijkskanselier Oxenstierna, wiens toezicht en voogdij haar zeer lastig en hinderlijk schijnt. De jonge koningin bloosde toen zij uw brief aannam, en ik moet bekennen, dat zij mij in dat oogenblik schoon en beminnelijk genoeg scheen om de gemalin van mijn genadigen heer te worden. Maar haar gelaat betrok, toen zij uw brief las en de inhoud scheen haar weinig te bevallen.quot;
âZij heeft toch mijn brief beantwoord, niet waar? en gij brengt mij het antwoord?quot;
âO ja, genadige heer, zij heeft hem beantwoord, en ik breng u het antwoord van koningin Christina. Maar ik moet uw genade reeds vooraf om verschooning verzoeken wegens dit antwoord.quot;
âNu, laat mij zien, Leuchtmar! Geef mij het antwoord.quot;
Hij haalde een toegevouwen papier uit zijn borstzak en reikte het den keurvorst. Deze vouwde het uiteen, en een menigte kleine stukjes papier vielen op den grond.
170
âWat is dat, Leuchtmar?quot; vroeg de keurvorst verwonderd.
âDoorluchtigheid,quot; antwoordde Leuchtmar glim lachend, ,.het is het antwoord van koningin Christina.quot;
De keurvorst raapte eenige van de groote stukjes papier op en beschouwde ze opmerkzaam. âMijn dunkt, Leuchtmar,quot; zeide liij, âdat ik mijn eigen handschrift, hier op vind.quot;
âJa, doorluchtigheid, het is uw brief aan de koningin Christina.quot;
âZendt zij hem mij verscheurd terug?quot;
âZij heeft hem met haar eigen handen verscheurd en daarbij met haar beide koninklijke voeten op het tapijt, getrapt en van toorn bijna geweend.quot;
âWat heb ik dan gedaan waardoor deze kleine majesteit zoo toornig werd?quot;
âTen eerste, genadige heer, hebt gij de koningin een Duitschen in plaats van een Latijnschen brief geschreven, 't geen zij vond, dat zeer tegen den verschuldigden eerbied was, en gij u de moeite wel hadt mogen geven haar in de taal te schrijven, die haar het aangenaamste is. Ten tweede hadt gij in uw brief de jonge koningin slechts-âdoorluchtigequot; genoemd, en zij zeide dat zij gerechtigd was door u âdoorluchtigstequot; te worden genoemd. Zij wist dit zeer zeker, want Oxenstierna had voor haar, als een bijzonder voorrecht, bij uw heer vader uitgewerkt, dat zij van het huis Brandenburg den titel van âdoorluchtigstequot; zou hebben En ten derde was de koningin zeer gevoelig, dat uw brief zoo ernstig en koel was en zoo weinig liefdewoorden bevatte. âAls mijnheer de keurvorst mij niet anders dan zulk een brief kan schrijven,quot; riep de koningin, âhad hij niet noodig mij dien heimelijk te laten overhandigen, 't Is een staatkundig document, dat mijnheer de gezant mij voor de vergaderde heeren stenden plechtig zou kunnen overhandigen en luid voorlezen. Wanneer ik mij echter in 't gevaar begeef van tegen den wil van den rijkskanselier een brief te ontvangen en dien heimelijk te lezen, moet het ten minste een minnebrief zijn. Ik heb u alleen daarom ontvangen, ik was nieuwsgierig naar een minnebrief en te weten hoe men zich daarin
1) Droysen, III, 237.
180
uitdrukt. Maar dat is geen minnebrief, liet is een lompheid mij zonder eenige plichtpleging in het Duitsch te schrijven en mij âdoorluchtigequot; in plaats van âdoorluch-tigstequot; te noemen. Op zulk een brief heb ik geen ander antwoord dan dit.quot; Terwijl de koningin dit zeide scheurde zij den brief aan kleine stukjes en wiep ze op den grond. Ik zocht de stukje bijeen, waarbij zij mij ijverig hielp, opdat de kanselier üxenstierna, die elk oogenblik kon komen, geen stukje vinden en vermoeden zou dat zij heimelijk een brief had ontvangen. Ik vroeg de doorluch-tigste of ik uw genade deze verscheurde papiersnippers als antwoord brengen moest ? Zij antwoordde met een allerliefst lachje, dat ik dit doen kon. Haar heer neef Friedrich Wilhelm zou zoo leeren een beteren brief te schrijven en dan zou zij ook een beter antwoord geven. Dit, genadige heer, is de geschiedenis van den brief, dien uw doorluchtigheid mij voor koningin Christina van Zweden heeft medegegeven.quot;
De keurvorst lachte luid. âEen alleraardigste geschiedenis!quot; riep bij, âeen geschiedenis, voor welke ik mijn nicht zeer dankbaar moet zijn, want zij heeft mijn ernstig leven met een vroolijken zonneschijn bestraald. Het behaagt mij in mijn nicht, dat zij zoo fier en tevens zoo eerlijk is. Het kleine veertienjarige meisje verlangt een minnebrief, en hoopt dat neef Friedrich Wilhelm, haar zoo'n minnebrief zal schrijven, en zij is zoo onnoozel te meenen, dat hij haar tot vrouw verlangt, omdat hij haar bemint. Arm kind, bedrogen in haar nieuwsgierigheid en haar wensch om bemind te worden. Ja, 'tis het eenige verlangen van jonge harten, bemind te worden, en als men den eersten minnebrief ontvangt, meent men den gelukkigsten mensch op aarde te zijn, en gevoelt zich aan de aarde ontrukt en in hemelsche zaligheid. Ach, men weet niet hoe dit alles slechts een begoocheling, een zoete morgendroom is, waaruit men zeer spoedig en onzacht gewekt wordt! I.euchtmar, ik kan den wensch der kleine koningin van Zweden niet vervullen; ik kan haar geen minnebrief schrijven, want ik zou mij jegens dil jonge hart aan bedrog schuldig maken. Neen, ik kan geen teedere verklaringen doen, nu mijn hart nog van ontvangen wonden bloedt. Maar ik zal mijn lieve nicht een vriendelijken, hartelijken brief schrijven, ik zal haar in het allerfraaist
181
latijn schrijven en nimmer de st in haar titel laten ontbreken. Wie weet, win ik dan toch haar hart en heelt zij het mijne! Ik zal den brief schrijven en gij zult hem aan koningin Christina brengen en haar dien heimelijk overhandigen. Ik zal mij wel zoo uitdrukken, dat het haar niet in 't hoofd zal komen den brief aan de vergaderde heeren stenden te laten voorlezen, al is het ook geen minnebrief. Ga nu, mijn Leuchtmar, en rust wat uit van de vermoeienissen der reis. Heden avond, wanneer de bezigheden geëindigd zijn, kom dan bij mij in mijn kabinet; wij willen dan te zamen een paar oden van Horatius lezen, geschikt tot hartsterking en vreugd, zoo als wij vroeger wel deden toen ik nog een vrij jong mensch en geen keurvorst, niet de slaaf der omstandigheden was.quot;
Hij reikte den baron de hand en geleidde hem zelf vriendelijk tot aan de deur. In dat oogenblik werd de deur haastig geopend en een kamerhuzaar verscheen.
âKeurvorstelijke doorluchtigheid,quot; berichtte hij, âde gezant zijner keizerlijke majesteit, graat Marwitz, verzoekt voor zich en de beide heeren die bij hem zijn, een bijzonderen keizerlijken afgezant en diens begeleider, om audiëntie.quot;
âLaat de heeren binnen komen, antwoordde Friedrich Wilhelm, terwijl hij weder door de kamer ging en zich naast zijn schrijftafel nederzette.
X.
EEN GEHEIME AUDIENTIE.
De drie aangediende heeren traden het keurvorstelijke kabinet binnen; vooraan, in plechtig ambtsgewaad en rijk geborduurde Spaansche hofkleeding, graaf Marwitz; achter hem twee heeren, waarvan de eene in een zwart fluwee-len kleed, een oud man met een eerwaardig voorkomen, de andere in prachtig hofkostuum.
De keurvorst sprong op toen hij dezen zag en een gloed van toorn vloog over zijn gelaat.
^ âGraaf Marwitz,quot; vroeg hij haastig, âwien brengt ge mij daar?quot;
Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. II. 12
182
âDoorluchtigheid,quot; antwoordde Marwilz met vaste, kalme stem, âik verzoek de genade, u deze beide heeren te mogen voorstellen. Deze is doctor Gebhard, een zeer bekwaam en geleerd heer, geheim- en kabinetsraad van keizer Ferdinandus, door zijn majesteit met een bijzondere zending en geheimen last aan uwe doorluchtigheid gezonden. Veroorloof mij thans, uwe doorluchtigheid, ook den anderen heer voor te stellen.''
âIk ken hem,quot; riep de keurvorst met flikkerende oogen en toornig gelaat. âIk ken den heer graaf Adolf Johann von Schwarzenberg zeer goed, ik ken zijn listen en lagen, die hij te Berlijn heeft gesmeed, en daar mijn officieren tot ongehoorzaamheid en oproer aanzette. Maar toen door mij een onderzoek werd bevolen en de heer graaf zijne handelingen zou rechtvaardigen, heeft hij zich door een lafhartige, schandelijke vlucht aan ditonderzoek onttrokken,en de trotsch bluffende heer werd een lafhartige vluchteling.quot;
âDoorluchtigheid,quot; riep de graaf haastig voorwaarts tredende en de hand aan den staatsiedegen leggende, die aan zijn zijde hing, âdoorluchtigheid, ik ben hier gekomen om mij te verdedigen tegen den laster mijner vijanden. Wil de genade hebben mij bedaard aan te hooren en mij niet vóór mijne verantwoording te krenken in mijn eer als edelman en keizerlijken rijksgraaf.quot;
âGij wilt u rechtvaardigen, gij waagt het dit te beproeven ?quot; vroeg de keurvorst toornig. âZie, hier ligt nog de brief, dien de stenden der Keurmark aan mij gericht hebben en waarin zij u aanklagen. Zijn keizerlijke majesteit heeft mij daar een geleerden heer gezonden; deze kan zeker lezen, zoo ik soms verkeerd gelezen mocht hebben. Lees eens, heer doctor Gebhard, en hoor wat de sten den mij schrijven!quot;
Hij reikte den keizerlijken gezant het document en wees driftig met den vinger op de bedoelde plaats.
Dokter Gebhard las: âMaar de jonge heer graaf Adolf Johann von Schwarzenberg is vóór het bepaalde onderzoek, des nachts en niettegenstaande uitgezette wachten, op ongewone wijze en in weerwil van het door uw keurvorstelij ke doorluchtigheid uitgevaardigd bevel, heimelijk ontvlucht!''1)
J) Zie: Droysen, Geschichte der preussische Politik, III, 236.
183
âNu,quot; riep de keurvorst heftig, âwilt ge beweren, dat de stenden mij een onwaarheid schrijven en het niet zoo is als zij zeggen?quot;
â't Is waai-,quot; zei graaf Schwarzenherg, âik zag mij gedwongen mij tegen een onrechtvaardige vervolging te vrijwaren, en . . ,quot;
âDoor uw kwaad geweten, mijnheer,quot; viel de keurvorst hem heftig in rede. âGij wildet anderen de kastanjes uit het vuur laten halen, die gij er in had gelegd en daar ik niet geheel en al de machtelooze en beschroomde vorst was, die vreesde met u en uw aanhang in strijd te komen, en wien uw heerlijkheid en waardigheid schrik inboezemde, naamt gij lafhartig de vlucht, toen ik u terverantwoording wilde roepen, en onttrokt u aan de rechters.quot;
âOmdat ik wist dat die rechters mijn vijanden waren, en dat degene, die aan hun hoofd stond, de president van Götze, altijd mijns vaders onvorzoenlijken vijand isgeweest.quot;
âOmdat hij ten allen tijde een braaf en getrouw Brandenburger was; hij was niet alleen een onomkoopbaar man maar hij heeft zich ook nooit geleend om anderen om te koopen, om voor zich zeiven voordeel, eer of gun-, sten te krijgen.quot;
âDoorluchtigheid,quot; riep de graaf haastig, âwilt gij mijn vader nog in zijn graf honen?quot;
âHeb ik uw vader genoemd?quot; vroeg de keurvorst met hoogheid. âZijt gij het niet, die uw vader in zijn graf hoont, daar gij, nu ik van omkoopen spreek, dat op hem toepast?quot;
De graaf sloeg de oogen neder en zweeg. Friedrich Wilhelm wendde zich nu tot graaf Marwitz.
âHeer graaf,quot; zeide hij ernstig en plechtig, âzooeven heb ik uwe voorstelling afgebroken. Ga voort en stel mij dezen heer voor. Ik moet weten in welke hoedanigheid hij zich veroorlooft tot mij te komen en in mijn staten terug te keeren.quot;
âKeurvorstelijke doorluchtigheid,quot; antwoordde graaf Marwitz, âik veroorloof mij, u den rijksgraaf Adolf Johanti von Schwarzenherg, keizerlijken kamerraad en kamerheer voor te stellen, aan den buitengewonen gezant des keizers als bijstand en attaché toegevoegd en van eigenhandige keizerlijke geleid- en vrijbrieven voorzien.quot;
184
âIk wist wel,'' riep de keurvorst, âdat deze heer zijn veiligheid had verzekerd, voor hij het waagde tot mij te komen. Als keizerlijke beambte en kamerheer is hij voor mijn gerechten toorn beveiligd, en de geleid- en vrijbrief van zijn keizerlijke majesteit is voor hem een sterke muur, om er zich achter te verbergen. Hij moge het doen, achter den muur zie ik hem niet, slechts het stuk papier waarop zijn keizerlijke majesteit haar naam heeft geschreven,eerbiedig ik, anders zou ik het verscheuren.quot;
Doorluchtigheid,quot; riep graaf Schwarzenberg, doorluchtigheid, ik , .
âHeer graaf von Marwitz,quot; viel de keurvorst hem trotsch in de rede ik machtig u den bijzonderen gezant zijner keizerlijke majesteit te zeggen, dat ik hem het woord verleen om mij de boodschap van den keizer over te brengen en mij den wensch van zijn keizerlijke majesteit mede Ie deelen.quot;
âGenadige heer en keurvorst,''zei dokter Gebhard plechtig, zijn majesteit keizer Ferdinandus zendt mij tot uw doorluchtigheid, in de stellige hoop, dat uw genade in uw rechtvaardigheid en wijsheid verheven zijt boven alle persoonlijke veeten, en den zoon niet wil doen misgelden, wat wellicht de vader, zonder het te willen, u leed heeft aangedaan.quot;
âVan welken zoon en van welken vader spreekt gij, mijn-heer ?quot; vroeg de keurvorst.
âVan den vader, die twintig jaren lang de geliefde en geëerde raadgever en vriend van den keurvorst Georg Wilhelm is geweest, die, nog trouw tot over het graf, de aarde heeft verlaten, omdat zijn geliefde heer en keurvorst zé verlaten had. Van den zoon, die niets misdaan, niets misdreven beeft dan dat hij de erfgenaam van zijn vader is en dat erfdeel niet wil laten verkorten. Voor dezen zoon moet ik in naam des keizers de gunst en genade uwer keurvorstelijke doorluchtigheid verzoeken en u vragen zijn rechten niet te krenken, maar hem weder te geven wat hem toekomt.quot;
.,Zeg mij, heer dokter Gebhard,quot; vroeg de keurvorst, âwelke rechten, naar zijner keizerlijke majesteits meening ik van haren beschermeling zou willen verkorten, en welke zaken ik hem ontnomen heb, die hem toebehoor en?quot;
185
âGraaf Adolf Johann von Schwarzenberg is reeds bij 't leven van zijn vader tot coadjutor der Johannietenorde gekozen; hij heeft dus recht op de door den dood van zijn vader opengevallene waardigheid van commandeur, en uw doorluchtigheid heeft hem evenwel als zoodanig niet erkend. Als de erfgenaam van zijn vader is graaf Adolf Johann diens nalatenschap en goederen ten deel gevallen. Uw doorluchtigheid wil hem dat bezit betwisten en hem niet geven wat hem toekomt. Ja, uw doorluchtigheid wil zelfs een crimineel proces tegen den graaf instellen. Dit laatste is zijn majesteit bijzonder onaangenaam. De keizer wenscht voor alles, dat uw doorluchtigheid dit crimineel proces intrekt, het naar het keizerlijke hofgerecht te Weenen verwijst en den heer graaf Johann weder in uw genade aanneemt.quot; 1)
âWaarlijk 'tis zeer veel, wat zijn keizerlijke majesteit van mij vordert,quot; riep Friedrich quot;Wilhelm met bliksemende oogen en van toorn gloeiende wangen. âMeer dan een vorst mag toestaan, die niet alleen in onderdanigheid en afhankelijkheid leeft, maar als souverein in zijn land gebieden kan. Ik zou denken dat, in de zaken van graaf Adolf Johann von Schwarzenberg, niemand iets te zeggen heeft, want het geldt hier de binnenlandsche belangen van mijn land. In raijn land ben ik alleen heer en gebieder, slechts één heer is er, voor wien ik mij buig en dien ik boven mij erken, het is de ivet! De wet is de wezenlijke souverein in de Brandenburgsche provinciën, en het recht zal en moet er gehandhaafd worden zoowel voor rijken als armen. Maar mijn genade, mijnheer, kan ik slechts uit mijn binnenste verleenen, ik kan ze zelfs niet op des keizers wensch bewilligen, zoo zij niet uit het diepst van mijn hart opwelt. Ik heb graaf Adolf Johann von Schwarzenberg mijn genade niet ontrokken, want hij heeft ze nooit bezeten. Het recht en de wet zullen voor of tegen hem beslissen. Vele van mijn onderdanen hebben klachten tegen hem ingebracht, en ik ben verplicht hun dooide justitie recht en gerechtigheid te verschalïen. Wat in mijn land is gebeurd, moet, ook in mijn land gevonnisd worden; anders zouden mijn onderdanen in 't gevoel van hun recht worden gekrenkt, en een verwijzing van dit
1
Zie: von Orlicb, Geschicüte des i'reussischen Staates etc., I 61.
186
proces naar het keizerlijke hof zou voor de keurvorstelijke hoogheid en rechtsmacht in den hoogsten graad nadeelig zijn. Ik kan dus don wensch van zijn keizerlijke majesteit niet vervullen Wat nu de andere vordering wegens het commandeurschap betreft, de aanstelling hiervan hangt niet van mij af, daarover moeten de leden beslissen. Zij willen echter den jongen graaf niet hebben, en ik kan hem hun niet opdringen. En wat de goederen betreft, waarop de erfgenaam van den stadhouder in de Marken als eigendom aanspraak maakt, de eigendomsbewijzen ontbreken hem, en bovendien is er geen rekening te vinden dat de gelden, welke de stadhouder op deze goederen heeft gegeven, voor rekening en ten bate van den keurvorst, mijn heer vader, besteed zijn. Overigens, indien zulke contracten bestonden, zouden zij zonder toestemming van het gewest zijn gemaakt en bijgevolg in strijd met de gewestelijke privilegien en grondrechten, en dus op zich zeiven geen waarde bezitten. Dit is het, wat ik den keizerlijken gezant heb te antwoorden, en waaraan niets veranderd kan worden, hoewel ik het, in verschul-digden eerbeid jegens zijn keizerlijke majesteit het betreur, dat ik haar wenschen niet kan nakomen. Keer dus terug naar Weenen, heer gezant doctor Gebhard, keer met uw attaché en, mederaad terug en bericht den keizer wat ik u gezegd heb. Gij zijt ontslagen, mijn heeren!quot;
âUw keur vorstelijke doorluchtigheid vergeve mij, dat ik 't waag nogmaals het woord te nemen,quot; zei graaf Marwitz; âmaar een keizerlijk bevel heeft er mij toe gemachtigd. Keizer Ferdinandus heeft mij in een eigenhandig schrijven opgedragen, ingeval uw doorluchtigheid de eischen van doctor Gebhard ...quot;
âEischen ?quot; viel de keurvorst hem in de rede. âIk heb niet gehoord, dat dokter Gebhard zich veroorloofd heeft mij, in wiens naam ook, eischen te doen. Ik heb slechts van keizerlijke wenschen en verzoeken vernomen. Gij zegt dus, ingeval ik de verzoeken van docter Gebhard afwijs ... Ga voort, graaf Marwitz.quot;
âIn dat geval ben ik gelast uwe doorluchtigheid in naam des keizers te verzoeken de goedheid te hebben den attaché van het keizerlijke gezantschap, den keizerlijken kamer-
1) Eigen woorden van den keurvorst. Zie: von Orlich, I 61.
187
raad en kamerheer graaf Adolf Johann von Schwarzen-berg een geheime audiëntie te vergunnen, omdat hij uwe doorluchtigheid een bijzonder gewichtige en geheime mede-deeling heett te doen.quot;
Friedrich Wilhelms bliksemende oogen richtten zich met een vorschende, trotsche uitdrukking op het gelaat van den graaf, die ze met vasten kalmen blik beantwoordde.
âGij waagt zeer veel op den eerbied, dien ik den keizer schuldig ben,quot; zei de keurvorst na een pauze. âTot heden wilde ik u slechts als een stuk papier beschouwen, dat door de onderteekening van den keizer geheiligd was. Maar nu komt gij vrijwillig van achter het beschermende papier te voorschijn en wilt, dat ik u aanzie als een mensch, als een individu, dat voor zijn dagen en wooi'den verantwoordelijk is. Overleg goed wat ge waagt, mijnheer, en neem mijn raad aan; Treed terug, nu het nog tijd is! Begeer niet van mij, dat ik u beschouw voor hetgeen ge werkelijk zijt, maar wees er mede tevreden, dat ik in u den vrijbrief van den keizer eerbiedig. Bedenk u nog eens en spreek dan!quot;
âKeurvorstelijke doorluchtigheid,quot; zei de graaf na een pauze, âde keizer heeft de genade gehad voor mij bij uwe hoogheid op eene geheime audientie aan te dringen. Ik bid uwe doorluchtigneid mij die te verleenen.quot;
âGij hebt het begeerd! Het zij zoo!quot; riep de keurvorst. âGij, mijn heeren, graaf Marwitz en dokter Geb-hard, zijt ontslagen! Graaf von Schwarzenberg mag blijven. Ter wille van zijn keizerlijke majesteit ben ik bereid hem een geheime audientie toe te staan. Mijn heeren, uw audientie is geëindigd!quot;
De beide heeren bogen'diep en verwijderden zich. De keurvorst zag hen na, tot de deur zich achter hen gesloten had. Toen wendde hij het hoofd langzaam tot graaf von Schwarzenberg. ^
âSpreek,quot; beval hij ^ ernstig en koel. âZeg wat ge mij te zeggen hebt, overweeg ieder uwer woorden, en wacht u mijn toorn op te wekken, want ik zeg u, dat de maat mijner lankmoedigheid en geduld vol is. Wat wilt ge van mij ?quot;
âGerechtigheid, doorluchtigheid. Begin geen strijd met mij! Wil mij niet de goederen ontrukken, welke mijn vader van den keurvorst Georg Wilhelm in pand heeft
188
ontvangen, en niet gelost zijn. Erken mij als commandeur der Johannietenorde, benoem mij genadiglijk tot stadhouder in de Marken, en ik zweer, dat ik een trouw en verkleefd dienaar zal zijn, uw bemiddelaar met den keizer en het rijk! Gij ziet, doorluchtigheid, dat ik niets anders dan gerechtigheid begeer!quot;
âGerechtigheid,quot; herhaalde Friedrich Wilhelm, terwijl hij met van toorn bliksemende oogen den graaf een schrede naderde. âWacht u er mij aan te herinneren, dat ik aan u geen gerechtigheid heb uitgeoefend! Begeer ze niet, want zoo ik dat deed, moest ik de wacht binnen roepen en u in hechtenis laten nemen. Ik moest den krijgsraad laten vergaderen, een proces laten opmaken, en u het schavot laten bestijgen?quot;
âHet schavot!quot; riep de graaf verbleekend. âMaar later zoudt gij den keizer voor dezen daad van geweld rekenschap moeten geven, en . .
âNoemt ge dat geweld ?quot; viel de keurvorst hem in de rede. âGij bedriegt u, mijnheer, het zou uw welverdiende straf zijn, niet om de daden van uw vader, waaraan gij ijverig medewerktet, maar voor uw eigen misdaden.quot;
.,Misdaden, doorluchtigheid?quot;
âJa, misdaden, graaf! Gij zijt een samenzweerder, een oproerling, een muiter! Gij hebt mijn officieren tot opstand verleid, een samenzwering met hen gesmeed, en toen ik u ter verantwoording wilde roepen, zijt ge als een lafhartige gevlucht.quot;
âDoorluchtigheid,quot; riep de graaf, âik verzoek u, overweeg uw woorden, terg mij niet te veel! Ik mocht anders den verschuldigden eerbied vergeten.quot;
âZoo ge dit waagdet, zou ik de kracht wel beeitten, u binnen de grenzen terug te brengen, u te dwingen mij te eerbiedigen, voor mij in het stof neder te vallen en mij om vergiffenis te smeeken. Weet ge wat ge zijt? Weet ge wat ge waart?
âWat ik was, weet ik,quot; riep de graaf. âIk was de minnaar van prinses Louize Charlotte, uw zuster!quot;
âEindelijk laat ge het masker vallen, en toont ge wie gij zijt! lïet gelaat van een lasteraar, een leugenaar! Gij lastert de deugd eener edele dame en beroemt u op een gunst, welke gij nooit ontvangen hebt.quot;
âIk zeg de waarheid, doorluchtigheid, en in staat die
189
te bewijzen. Prinses Louize Charlotte heeft mij haar gunst geschonken, zij is verder gegaan, dan het oen eerbare jonkvrouw betaamt. Zij heeft mij een geheime samenkomst toegestaan, uit vrijen wil, uit vurige liefde.quot;
âDat is een leugen!quot;
âIk kan het bewijzen heer! Ik heb het geschrift bij mij, waarin uw zuster niij tot een samenkomst in het kasteel te Berlijn uitnoodigt Zij heeft het eigenhandig geschreven en met haar naam onderteekend. Niemand 'kent het geheim, en niemand zal het ooit vernemen, zoo wij het eens kunnen worden.quot;
âEens worden, wij?quot;
âJa, doorluchtigheid, wij! De brief van uw zuster is wel waard, dat gij mij geeft wat ik verlang. Ik verlang slechts mijn recht. Laat mij mijn goederen, erken mij als commandeur, benoem mii tot opvolger van mijn vader, geef mij de hand van prinses Louize Charlotte.quot;
âU de hand mijner zuster?quot;
âMij, want ik heb er recht op, de prinses heeft zich aan mij verloofd, zij heeft mij gunstbewijzen verleend!quot;
âEen ellendeling, die zich daarop beroemt,quot; viel de keurvorst hem in de rede.
âZij heeft mij tot een nachtelijke samenkomst bescheiden,quot; voer de graaf bedaard voort. âHaar eer was vernietigd, zoo iemand het vernam. Laat mij haar eer herstellen! Geef mij de hand uwer zuster! Zoo ge dit niet doet, zal de wereld den misstap der prinses vernemen, ik zal haar brief openbaren, en een spottend gelach zal over u en haar door geheel Duilschland opgaan! Geef mij de hand uwer zuster!quot;
âAl waart gij de keizer zelf, ik geef ze u niet! Al waart ge in staat mijn geheel geslacht te honen, ik geef ze u niet! En al viel mijn zuster bij mijn weigering biddend aan mijn voeten, ik geef ze u riiet! Ja, al wist ik, dat ik door dit huwelijk mijn land en mijn macht kon verdubbelen, nu noch ooit geef ik u mijn zuster! Ik vroeg u straks, of ge wist wat ge waart en wat ge zijt? Op het eerste hebt ge mij geantwoord. Gij waart de minnaar mijner zuster. Ik zal u antwoorden, wie gij zijt: Ge zijl de zoon van een giftmenger, van een moordenaar!quot;
âHeer,quot; riep de graaf, woedend voorwaarts springend en met een snellen greep zijn degen uit de schcede trek-
190
kende, âgij valt mijn vader nog in zijn graf aan, ik zal hem verdedigen! Voor dezen smaad zijt ge mij voldoening schuldig! 't Is niet de keurvorst die tegenover mij staat, maar een mensch, die mijn eer beleedigt heeft, ik eisch voldoening. Gij moogt ze mij niet weigeren, anders . .
âAnders zoudt gij het bedrijf van uw vader voortzetten, niet waar? Gij zoudt moordenaars huren, die volbrengen, wat gij zelf niet durft, die mij vergiftigen ? Er is misschien nog wel een tweede Gabriel Nietzel te vinden, die ge in misdaden kunt verstrikken en wiens zielsangst en nood gij misbruikt, om van een lichtzinnigen bedrieger een giftmenger te maken. Zie mij niet zoo verwonderd aan, neem den schijn niet aan, alsof ge mijn woorden niet begrijpt! Ge kent Gabriel Nietzel zeer goed, en uw degen zou daar niet uit uw hand zijn gezonken, zoo uw geweten hem niet neder had geslagen!''
âIk ken geen Gabriel Nietzel!quot; riep de graaf, âik weet alleen, dat ge mijn vader een moordenaar hebt genoemd, en . . .
âEn dat ik hierin ongelijk had, want de moord is mislukt! Ik leef! En hij moest sterven! Weet ge wel, waaraan uw vader stierf?quot;
âHij is gestorven door verdriet over de vernederingen, die gij hem hebt aangedaan.quot;
âNeen, aan de wroeging van zijn geweten! Een beroerte heeft, zoo men zegt, een einde am zijn leven gemaakt. Ja, 't was het geweten, dat hem folterde. Gabriel Nietzel kwam en herinnerde hem aan zijn daden, hij eischte van hem zijne vrouw, die uw vader vermoordde, omdat zij mij het leven had gered!quot;
âSchrikkelijk!quot; prevelde de graaf, terwijl hij zijn armen liet zinken en het hoofd op zijn borst boog.
âJa, schrikkelijk!quot; herhaalde de keurvorst. Gabriel Nietzel was het wiekende zwaard, dat door God voor uw vader werd uitgetrokken. De ongelukkige heeft het mij zelf bekend, en ik heb hem vergeven. Ook uw vader wil ik vergeven, want hij staat voor zijn hoogsten Rechter, en Hij die de harten doorgrondt, zal hem naar zijn daden oordeelen. Maar voor u hen ik rechter, uw daden klagen u aan! Ik zou u in hechtenis kannen nemen en, geloof mij, ik zou het trots den keizerlijken geleibrief doen, waarachter ge u verschuilt; maar ik vereer in u de gedach-
191
tenis van mijn vader, die den uwen heeft bemind, en ik wil niet dat de wereld verneemt, hoe schandelijk het edelmoedige hart van Georg Wilhelm is bedrogen geworden. Over de goederen, welke gij van mij begeert, moge de wet beslissen, over den commandeurs rang, waarop ge aanspraak maakt, mogen de orderidders beslissen, maar over de beschuldiging tegen mijn zuster en over het voorstel om de hand mijner zuster, hierover zal alleen aan de prinses de beslissing staan. Gij zult haar spreken, nog in dit uur, want ik wil niet dat uw ijdel hart zich ver-hoovaardige met de gedachte, dat de prinses u misschien bemint en ik alleen u van haar scheidt. Neen, gij zult de prinses zelve spreken, zij zelf zal beslissen tusschen u en haar. En opdat ge niet meenen zoudt, dat ik op mijn zuster invloed uitoefen, zult ge haar spreken, vóór ik met haar gesproken heb.quot;
Hij nam de tafelbel en schelde; de kamerhuzaar trad binnen.
âIk laat haar keurvorstelijke genade, prinses Louize Charlotte, verzoeken, de goedheid te hebben bij mij te komen,quot; beval de keurvorst.
âKeurvorstelijke genade,quot; zei de kamerhuzaar, âzoo even is de overste von Burgsdorf in de voorkamer gekomen en verlangt volstrekt dat ik hem bij uw doorluchtigheid aandiene.quot;
âLaat hem binnenkomen en ga de prinses roepen. Meld mij als de genadige jonkvrouw in de anti chambre is. Laat den overste binnenkomen!quot;
âHier ben ik! uwe doorluchtigheid, hier ben ik,quot; riep Konrad von Burgsdorf, haastig bet kabinet binnentredende. âIk kom regelrecht van Berlijn en breng mijn lieven ge-nadigen heer een goede boodschap, en . . . Maar wat is dat?quot; viel hij zich zeifin de rede, terwijl zijn levendige, grijze oogen zich op den graaf Schwarzenberg vestigden, die bleek en zichtbaar ontsteld, zich in een vensternis liad teruggetrokken.
Een oogenblik stond Burgsdorf geheel verbluft door dit onverwacht gezicht, toen sprong hij als een tijger vooruit en legde beide handen zwaar en vast als ijzeren klauwen op de schouders van den graaf.
âIn naam van den keurvorst, in naam der wet neem ik u gevangen, graafSchwarzenberg,quot; riep hij met luide stem.
192
âLaat hem los, Burgsdorf,quot; beval Friedrich Wilhelm.
âNeen, genadige heer,quot; riep Burgsdorf, âneen, ik kan en mag hem niet loslaten. Ik moet mijn gevangene vasthouden, tot ik hem in een zekere gevangenis heb gebracht. Als ik mijn hand van hem neem, vindt hij stellig weder hier of daar een muizengat, waar hij insluipt. Ik ken hem, dien aardigen, fijnen heer, en heb ondervonden, welk een muizenaard hij heeft en hoe hij het wegkruipen en ontsnappen verstaat. Ik had hem te Berlijn volkomen goed gevangen, liet hem in zijn paleis bewaken en had overal schildwachten geplaatst. Een mensch had mij niet kunnen ontsnappen, maar een muis vindt overal een gat waarin zij de wijk kan nemen. Het muisje is dan ook onder den grond door ontsnapt. Gelukkig had ik voor het park een paar bespieders geplaatst, van welken een mij komt berichten, dat uit het park twee verdachte gestalten voor den dag zijn gekropen, en de andere sluipt hen na. Ik werp mij dadelijk te paard en daar ik wel dacht, dat de jonge graaf naar Spandau zon vluchten, draaf ik met mijn lieden naaide Spandauer poort. Bichtig, daaruit zijn zij gevlucht. Wij jagen hen na! Heisa! dat was een jacht! Beeds meen ik de vluchtelingen te grijpen, steek reeds de hand naar hen uit, maar zij rennen de vesting binnen; de poort rammelt dicht; ik sla buiten en moet in mijn woede nog hooren, dat de overste von Bochow mij van den wal af bespot en hoont. Maar nu ik revange kan nemen, nu ik mijn gevangene eindelijk betrap en vast heb wil uw doorluchtigheid mij bevelen, dat ik hem los zou laten! Neen, doorlucht gheid, onmogelijk, want geloof mij, zoodra ik hem loslaat, zal hij in een of ander muizengat wegsluipen. Ik neem u gevangen in naam van den keurvorst en de wet, heer graaf Adolf Johann von Schwar-zenberg!quot;
âBurgsdorf!quot; riep de keurvorst met gebiedende slem, âik beveel u nogmaals, laat hem los en kom hier bij mij. Terstond, ik wil het!quot;
De overste bromde tusschen de tanden eenige wilde, toornige woorden, maar nam zijn bandon van de schouders van den graaf terug en sloop met gebogen hoofd, morrend en met somber gelaat naar den keurvorst.
âGij behandelt mij als een goed gedresseerden patrijshond, doorluchtigheid,quot; bromde hij. âGij lluit en ik gehoorzaam
ion
en laat den buit varen, dien niet wilt dat ik zal vast houden.''
âGij schrijft u te veel eer toe, oude Burgsdort,quot; zei de keurvorst glimlachend. âEen goed gedresseerde patrijshond jaagt niet op een valsch spoor, en dat hebt ge zoo even gedaan. Ge meendet in het kabinet van uw meester een vluchteling te vinden, op wien ge jacbt maakt. Gij meent dat het graaf Adolf Johann Schwarzenberg is, tegen wien ik genoodzaakt ben geweest een crimineel proces aanhangig te maken, en die zich, in bewustheid zijner schuld, daaraan door de vlucht onttrokken heeft. Zie nog eens nauwkeurig in de vensternis en erken dan, dat ge u vergist hebt en 't niet graaf Adolf Johann von Schwarzenberg is.
Overste Burgsdorf staarde geheel verblutt en met wijd geopende oogen eerst op den keurvorst en toen naar den graaf, die hem met hoonlachend gelaat aanzag.
âGenadige heer,quot; riep hij toen, âmijn hoofd is niet fijn genoeg om te begrijpen wat gij meent; en ik blijf erbij, dat het graaf Adolf Johann von Schwarzenberg, mijn gevluchte arrestant is.quot;
âEn ik zeg u nogmaals, dat ge u vergist, en uw oude oogen u bedriegen. Kijk nog eens nauwkeurig en scherp, en ge zult uw dwaling inzien, en begrijpen, dat het niet graaf Adolf Johann von Schwarzenberg is, en ik dezen nooit een audientie in mijn kabinet zou vergunnen. Kijk maar nauwkeurig, oude Burgsdorf, en gij zult zien, dat zich in de vensternis een groot blad perkament bevindt, beschreven met allerlei letters en teekens, uitgevaardigd met het keizerlijk zegel en onderteekend met het eigenhandig naamschrift van keizer Ferdinandus. Ik weet wel dat ge niet goed lezen kunt, en daarom zal ik u zeggen wat op dat perkament staat en wat het is. Het is een vrij- en geleibrief, waarop keizer Ferdinandus heeft geschreven, dat men dit perkament in hooge eer moet houden en 't niet aangrijpen mag, omdat het door de onder-teekening van zijne keizerlijke majesteit geheiligd en gevrijwaard is.quot;
âHa!quot; riep de overste, âik begin u te begrijpen.quot;
âNu, dat is gelukkig,quot; zei de keurvorst glimlachende.
âJa, doorluchtigheid,quot; herhaalde Burgsdorf, âik begin het te begrijpen! Laat mij dat ding eens nauwkeurig bekijken.quot;
104
Hij hield de hand boven zijn oogen, of hij door een lichtstraal verblind was, en zag toen naar de vensternis.
âJa, waarlijk,quot; zeide hij toen langzaam, ,,nu zie ik het zeer nauwkeurig en volkomen duidelijk. Neen, dit is geen man, 'tis waarachtig een stuk perkament, en duidelijk herken ik er het groote keizerlijke zegel en ook des keizers handteekening op. Waar had ik toch mijn oogen dat ik dit niet terstond zag, en wat een domme, eenvoudige dwaas was ik, van te meenen daar een mensch te zien. Wat een ongeluk had er kunnen gebeuren, zoo ik het keizerlijke schrift beschadigd en het zegel gebroken had.quot;
âHet zou een beleediging der keizerlijke majesteit zijn geweest,'' glimlachte de keurvorst, âen er had ten slotte een rijksban voor mij of een oorlog uit kunnen ontstaan.quot;
âEen oorlog om zulk een stuk ezelsvel,quot; riep Burgsdorf verschrikt.
âUwe doorluchtigheid,quot; riep de graaf bleek en bevende van toorn, uit de vensternis te voorschijn tredend, âge kunt niet beneeren, dat ik nog langer zulk een onwaardige spotternij stilzwijgend verdraag.quot;
âGenadige heer, vroeg Burgsdorf, âmag het ezelsvel spreken? Mag een stuk perkament, omdat de keizer het met zijn handteekening heeft geheiligd, zich verstouten trotsch zijn blik op te heffen en zijn plaats te verlaten?quot;
âSttl Burgsdorf! En gij, mijnheer, keer terug in uw vensternis, blijf op de plaats, welke ik u heb aangewezen en wacht.quot;
;,Leer en wacht,quot; riep Burgsdorf. âGenadige heer 't is dezelfde vensternis, waarin ik vroeger ook moest staan om te leeren en te wachten. Ik dank u, genadige heer, want gij geeft mij in dit uur revange. Nu is het aan mijn vijanden te leeren, en ik verzoek uw genade, om godswil, geef mij thans verlof u mijn bericht uit Berlijn mede te deelen. Het perkament moet het hooren en er uit leeren. Ik weet immers wat het is als men zwijgend luisteren, als men leeren en wachten moet!quot;
âOverste von Burgsdorf,quot; zei de keurvorst met hoogheid. âGe zijt gekomen om mij berichten uit Berlijn te brengen. Deel ze mij mede en wees verzekerd, dat niemand iiet zal wagen u in de rede te vallen! Spreek, hebt ge mijne bevelen uitgevoerd?'
495
âJa, genadige heer, naar mijn beste vermogen en met al de mij ten dienste staande middelen.quot;
âHebt ge, als opperbevelhebber van al mijne vestingen in de Mark, de officieren en manschappen den eed van trouw aan mij laten zweren?quot;
âIk heb naar alle plaatsen het bevel gezonden en in uw naam al de vestingcommandanten bevolen, hun manschappen den eed af te nemen en zei ven te Berlijn te komen, om in mijn handen te zweren.quot;
âHebben zij dat gedaan T'
âEenige commandanten hebben het gedaan, maar Kracht, Rochow en Goldacker hebben geweigerd en verklaard, dat zij liever hun vestingen in de lucht wilden laten vliegen, dan den keurvorst den eed te doen. Hierop heb ik den commandant van Berlijn, den overste von Kracht, terstond gearresteerd, en wilde dit ook de commandanten von Rochow en von Goldacker doen en zond daartoe gevolmachtigde commissarissen naar Spandau en Brandenburg. Maar de verraders hadden er reeds de lucht van gekregen; Goldacker was met dertig ruiters uit Brandenburg vertrokken en heeft zich, naar men zegt, tot de keizerlijken, begeven. De overste von Rochow echter bracht zijn vesting in staat van verdediging en nam den schijn aan, alsof hij den strijd met den vijand op leven en dood wilde aannemen. Terwijl intusschen mijnheer de stadhouder markgraaf Ernst met hem door parlementairen onderhandelde, zette de commissie van onderzoek te Berlijn ijverig haar werk voort, en toen zijn afschuwelijke zaken van de beide oversten en van graaf Adolf Johann von Schwarzenberg aan het licht gekomen.quot;
âWeet ge er iets naders van? Men beschuldigt de beide oversten van bedrog en achterhouding van gelden, niet waar?''
âJa,quot; zei Burgsdorf een weinig verlegen, âhet betreft de betaling der aangewcirven troepen, voor welke de oversten het geld ontvangen hadden en . . . en . . .quot;
âEn geen manschappen er voor hebben geworven,quot; vulde de keurvorst met een Hauwen glimlach aan. âHadden zij niets anders gedaan, dan zou ik het hun vergeven hebben, zoo zij zich verder trouw en gehoorzaam hadden betoond.quot;
âDat hebben zij niet gedaan!quot; riep Burgsdorf driftig,
100
,integendeel, Goldacker heeft te Fürstenwalde schuldbrie-'ven afgedwongen, geheele dorpen uitgeplunderd, de schouten in ketenen geslagen, omdat zij niet zeggen wilden, dat Goldacker wel aan de jonge kerels uit het dorp het werfgeld gegeven heeft, maar niet zijn opgekomen. Overste von Rochow heeft zijn schrijver in de ijzers laten leggen en door den krijgsraad lol de galg laten veroor-deelen, omdat de arme kerel geen valsche getuigenis wilde afleggen. Toen de heer stadhouder hierop de uitlevering van den schrijver begeerde, weigerde de overste von Rochow dit zeer onbeschaamd en toen gaf de markgraaf mij bevel hem in hechtenis le nemen. Maar von Rochow deed als zijn medeplichtige, vluchtte en redde zich bij de keizerlijken.quot;
âDe keizerlijken mogen Goldacker en Rochow behouden,quot; zei de keurvorst. âHun zal gemeld worden, dat ik hen in genade en in godsnaam wil vergunnen voor altijd mijn dienst le verlaten en in de dienst van den keizer en het Rijk le treden1). Met deze twee zijn wij dus klaar. Zeg mij nu, hoe het met de zaak van Schwarzenberg staat? In der tijd hebben wij bevolen, dat men in het paleis van den overleden graaf tol verzegeling overgaan en aan de commissie van onderzoek de gevonden papieren overgeven zou. Is dit geschied en heeft men in de papieren ontdekt, dal de zoon van den stadhouder onschuldig is aan de kuiperijen van zijn vader en zijn vrienden en wij hem valsch beschuldigd hebben?quot;
âIntegendeel, doorluchtigheid, hel is gebleken, dat graat Adolf Johann niet alleen heeft samengezworen met de oproerige oversten, maar ook met andere personen, die niet lot de onderdanen uwer doorluchtigheid behooren. Onder de papieren van den ouden graaf heeft men de geheime briefwisseling van den jongen heer gevonden. Hel waren wel is waar brieven in cijferschrift, maar er zijn zeer geleerde heeren bij de commissie van onderzoek, zij hebben den sleutel van het cijferschrift gevonden en de brieven kunnen lezen. O, genadige heer, de jonge heer heeft in deze brieven al uw getrouwen schandelijk belasterd en beleedigd, zelfs heefl hij uw doorluchtigheid niet verschoond en uitdrukkelijk geschreven, âdal hij alles
1
De eigen woorden van den keurvorst. Zie Droysen, III, 235.
197
zou doen wat den keurvorst Friedrich Wilhelm kon bena-deelen.quot;' Van de stenden heeft hij gezegd, dat allen vrienden der Zweden en vijanden van den keizer waren, bovenal heeft hij mij, overste Konrad von Burgsdorf, als een zeer verbitterden vijand van den keizer genoemd en gezegd, dat om deze reden al de stenden aan mij gehecht waren1). Nu willen de stenden bij den keizer klachten inleveren, dat de lasterende, oproerige graaf von Schwar-zenberg hen zoo schandelijk zwart gemaakt en van majesteitsschennis beschuldigd heeft.quot;
âZij moeten dat doen,quot; zei de keurvorst, âzij moeten den lasteraar tot verantwoording roepen; ook gij, Burgsdorf, moet dit doen, zoo het noodig is.quot;
âüit is volstrekt niet noodig, doorluchtigheid,quot; riep de overste. âIk heb slechts éénen meester, en dat zijt gij, en zoo ik uw genade beleedigde, had ik majesteitsschennis gepleegd. Ik wil voortaan niets anders zijn dan de eerbie-digste, ijverigste dienaar van mijn lieven jongen keurvorst en heer, en ik geef er niets om of Schwarzenberg mij bij den keizer zwart maakt, zoo ik slechts in uw genade sta!quot;
âIk heb u een trouw en ijverig dienaar bevonden,quot; zei de keurvorst vriendelijk, âen ben geen ondankbare. Dit zult gij in de toekomst ondervinden; uw trouw zal ik waar-, dig weten te beloonen, mijn oude vriend!quot;
âDoorluchtigheid, gij hebt mij nu reeds beloond,quot; riep Burgsdorf, âgij hebt mij uw vriend genoemd, daarvoor dank u van ganscher harte, mijn keurvorst Iquot;
âMet der tijd zal de geheele wereld wel vernemen, dat ik u als mijn vriend hoogschat en vereer,quot; zeide de keurvorst. âBericht mij nu nog, hoe het met het afdanken der weerspannige soldaten in de Marken staat. Hebt ge dat moeielijke werk reeds begonnen ?quot;
âJa wij zijn er mee begonnen doorluchtigheid, en zullen het ten einde brengen; aanvankelijk is er oproer en muiterij ontstaaan en de wagen zakte zoo diep in het slijk, dat wij met ons allen, al zijn wij nog talrijker, hem er niet dan met veel moeite uit zullen kunnen trekken 2).quot;
De deur der antichambre werd geopend en de kamerhuzaar verscheen.
1
Burgsdorfs eigen woorden. Zie; Droysen, III, 234.
2
Burgsdorfs eigen woorden. Zie: Droysen, III, 235.
Uühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. II. 13
198
âTot uw doorluchtigheids dienst,quot; berichtte hij. âDe keurvorstelij ke prinses is in de antichambre.''
âIk verzoek de prinses een oogenbtik te wachten; ik zal terstond komen om haar genade hier binnen te leiden.quot;
âBurgsdorf,quot; zei de keurvorst tot den overste, âga nu naar boven, om mevrouw mijn moeder uw opwachting te maken en haar uw eerbied te betuigen. Gij kunt haar ook vertellen hoe het te Berlijn toegaat en wat er is voorgevallen. Haar genade hoort dat gaarne en stelt vèel belang in de steden Berlijn en Keulen.quot;
âIk zal mevrouw de keurvorstin zeer vele geschiedenissen kunnen vertellen, daar uw doorluchtigheid mij hiertoe vergunning verleent,quot; riep de overste. âEr hebben allerlei moorddadige dingen plaats gehad, en . .
âGa, oude,quot; zei de keurvorst, naar de deur wijzende, door welke Burgsdorf was binnengekomen, waarna hij zelf zich naar de tegenovergestelde zijde der kamer begaf en de deur opende der binnen-antichambre.
XI.
WEDEBZIEN EN SCHEIDEN.
âIk verzoek mijn lieve zuster, de goedheid te willen hebben binnen te komen,quot; zei de keurvorst, terwijl hij bij de deur bleef staan en glimlachend voor de prinses boog, terwijl zij de kamer binnentrad.
âGij hebt mij laten roepen, Friedrich,quot; zei de prinses, haar kleine witte hand in die van den keurvoret leggende en met een vriendelijken glimlach tot hem opziende.
In de vensternis stond Adolf Johann vonSchwarzenberg. Zijn groote oogen waren met hartstochtelijk vuur op de prinses gericht. Na drie jaren zag hij haar weder, om haar had bij drie jaren lang zooveel geleden, zooveel smart en toorn ondervonden. Aan haar hadden die jaren niets veranderd, haar schoonheid was nog tot voller bloei gekomen, haar gestalte had nog meer in houding en weelde gewonnen. Een diepe, smartelijke zucht wrong zich uit zijn borst, toorn en wanhoop overweldigden zijn
199
ziel toen hij dit heldere, kalme en edele gelaat weer voor zich zag.
âZij heeft niet geleden,'' zeide hij bij zich zeiven, âzij heeft mij nooit bemind en zul mij ook nu versmaden.quot;
âVergeef mij, zusier, dat ik u verzocht bij mij te komen,quot; zei Friedrich Wilhelm, de prinses vriendelijk toeknikkende. âIk had, 't is waar, bij u moeten komen, maar ik heb u over iets te spreken, dat geheim moet blijven en waarvan onze moeder en zuster niets mogen vernemen.quot;
âWaarlijk, een geheim?quot; vroeg Louize Charlotte. âIk hoop toch geen kwaad geheim, Friedrich?quot;
âHet betreft zeer ernstige en kwade zaken,quot; antwoordde de keurvorst. âZie naar gindsche vensternis.quot;
De prinses keerde zich haastig om. Een zachte kreet ontglipte haar lippen en zij liet zich wachelend op een stoel nederglijden.
âAdolf!quot; prevelden haar bevende lippen.
Deze enkele, uit haar hart opwellende kreet zei beiden heeren meer dan alle woorden, alle uitleggingen vermochten. Hij zeide, dat graaf Schwarzenberg aan de prinses na jaren scheiding nog niet vreemd was, dat haar hart hem nog bij den vertrouwelijken naam noemde, dien de liefde hem bewilligd had, dat Louize Charlotte tegenover den graaf niet de trotsche prinses, maar het ootmoedige, beminnende meisje was.
De keurvorst begreep dit en een donkere wolk kwam op zijn voorhoofd.
De graaf begreep dit en zijn somber gelaat verhelderde; met hoog opgericht hoofd kwam hij uit de vensternis naar de prinses, en voor haar nederknielende, nam hij haar hand om ze aan zijn lippen te drukken.
Met de aanraking van zijn hand scheen de prinses haar kracht, haar bezonnenheid terug te krijgen. Haastig trok zij haar hand terug en stond op.
âMijn broeder,'' zeide zij, âis het thans gebruik, dat men prinsessen op zulk een wijze begroet? Wees zoo goed mij dit te vertellen, want ge weet, dat ik weinig in de wereld ben geweest en weinig kennis van de heerschende gewoonten heb opgedaan.quot;
âNeen, Louize, 't is niet het gebruik,quot; antwoordde Friedrich Wilhelm ruimer ademende, âgraaf Schwarzenberg schijnt te meenen, dat hij, als uw begunstigde
200
minnaar, niet noodig heeft de ceremonien te eerbiedigen.quot;
âAls mijn begunstigde minnaar?quot; vroeg de prinses en eensklaps overstroomde een donker rood haar voorhoofd en hals, en haar anders zoo zachte blauwe oogen glinsterden. âHeb ik goed gehoord? Hebt gij werkelijk tot uw zuster gezegd, dat deze man of wie ook anders, zich mijn begunstigden minnaar noemt?'
âIk heb slechts de woorden herhaald, welke graaf Adolf Johann ven Schwarzenberg tot mij gezegd heeft, toen hij mij om uwe hand verzocht. Deze heer beweert, dat gij hem meer gunsten hebt verleend dan een eerbaar meisje eigenlijk betaamt. En toen ik het betwijfelde, heeft hij geantwoord, dat hij 'tkon bewijzen. Hij bezit een door u eigenhandig geschreven briefje, waarin ge hem tot een nachtelijke samenkomst uitnoodigt.quot;
âHeeft hij dat gezegd?'' riep de prinses. âHeeft hij dat gezegd, en leeft hij nog, hebt gij hem niet gedood?''
âNeen,quot; antwoorde de keurvorst ernstig en plechtig, âik heb hem niet gedood, omdat men niemand ter wille van de waarheid dooden mag. Hij beweert, dat hij de waarheid zegt, dat hij met dezen brief, dien hij van u heeft ontvangen, de eer van u en mijn huis voor de geheele wereld kan kreuken en bezoedelen. Spreek, Louize, is het waar, bezit hij werkelijk zulk een brief?quot;
Louize zeeg bevend ineen en zonk achterover. âJa,quot; lispelde zij, âhij heeft de waarheid gezegd, hij bezit zulk een brief!quot;
âNeen,quot; riep de graaf, âhij heeft de waarheid niet gezegd. Och, vergeef mij, prinses, vergeef mij deze laster, dien mijn lippen hebben gesproken, dien zij in den waanzin der smart, der liefde, der vertwijfeling hebben geuit. Ik sprak een leugen, prinses, gij hebt mij nooit geschreven, nooit. Ik zeide dit, om uw broeder te dwingen mij uw hand te geven, omdat ik u bemin, prinses. Ach, ge weet niet hoe ik u bemin! Gij vermoedt niet hoe innig mijn ziel u gewijd was, en wat gij gedaan hebt, toen gij mij vroeger hoondet en als een verachten bedelaar behandeldet. In dat uur ontstond in mijn binnenste een verandering. Gij hadt de heiligste bloesems mijner liefde geknakt, ik vertrad ze onder mijn voeten en wilde in feesten en lusten mijn wanhoop begraven. Het gelukte mij niet. Het oude heiligenlied der begravene liefde jam-
201
nierde en klaogde altijd weder in mij. Ik wilde er niet naar hooren, ik wilde het overstemmen. Ik werd een samenzweerder, een muiter, ik wilde mij op u en uw huis wreken. Het lot was tegen mij, het maakte van mijn wraak een straf. Ik moest vluchtende het land uwer inwoning verlaten. De keizer ontving mij met goedheid, gaf mij titels en orden, schonk mij zijn genade en gunst, en voor mijn eerzuchtig hart opende zich een baan van roem, van eer en waardigheden. Maar alles was te vergeefs; te Iaat gevoelde ik, dat niet de eerzucht, maar de liefde mij op de gevaarlijke dwaalwegen van oproer en muiterij had gedreven. Ik kon u niet vergeten, bestendig herreest gij als een lichtende star uit het nachtelijk duister mijner ziel. Ik moesl u wederzien, om van uw lippen genade of veroordeeling te ontvangen. Ik trotseerde alle gevaar, ook de bevelen van inhechtenisneming, die tegen mij waren uitgevaardigd, verzocht van den keizer verlof zijn gezant hierheen te mogen vergezellen, kwam en leed het ergste wat een man dulden kan, ik leed den hoon, de verachting van uwen broeder. Eindelijk verhief zich mijn hart, en toen hij mij honend uw hand weigerde, begeerde ik ze als mijn recht, krachtens de liefde, die gij mij eens beloofd hebt. De keurvorst wilde uw liefde voor mij betwisten en toen beroemde ik mij in de woede van mijn hart op een gunst, welke ik nooit ontvangen heb, beroemde mij er op, een brief van u ontvangen te hebben waarin ik tot een samenkomst uitgenoodigd werd. Ach, vergeef den krankzinnige, die in doodelijke smarten hier aan uw voeten ligt. Hij heeft geen recht op eenige vordering, verleen hem zijn wensch uit genade!quot;
Terwijl de graaf zoo hartstochtelijk sprak,, had de keurvorst zich langzaam teruggetrokken, en met over elkander geslagen armen stond hij ver van beiden en beschouwde hen met een somber en smartelijk gelaat. De prinses zat op haar stoel, met in den schoot gevouwene handen, gebogen hoofd en bleek als een geknakte lelie. Maar de vurige woorden, die in haar ooren klonken, schenen weerklank in haar hart te vinden, een smartelijken weerklank. Langzaam hief zij het hoofd op, luisterde met ingehouden adem naar zijn woorden en de blos keerde terug op haar wangen. Nu de graaf zweeg, richtte zij zich trotsch en toornig overeind.
202
âGij liegt! graaf Schwarzenberg,quot; zeide zij. âGij liegt, ge hebt mijn broeder daar straks de waarheid gezegd. Ik heb u voor drie jaren in mijn kinderlijk onverstand een gunst verleend, die een eerbaar meisje niet betaamde. Ja, ik heb u toen eigenhandig een brief geschreven en u tot een samenkomst ten negen ure 's avonds in het kasteel genoodigd! Broeder, ik beken het, hoewel ik weet, dat ik hierdoor uw achting voor altijd verlies. Maar deze man heeft mij beschuldigd, en ik eer het verledene van mijn hart, door de schuld te bekennen, waarvan hij mij aanklaagt. Ik heb hem bemind, vurig, onuitsprekelijk bemind, ik heb om hem geleden en geweend, zooals 't misschien een prinses niet betaamt, maar ik was in mijn liefde een arm, dwaas meisje, dat van de geheele wereld niets begeerde dan zijn hart. Ik heb mij destijds zwaar bezondigd, dat weet ik, bezondigd aan mijne moeder, aan de weiten, der zeden en deugd, door een geheimen liefdehandel aan te knoopen, mijn hart door zijn gloeiende liefdewoorden te laten begoochelen en in mijn hartstochtelijkheid zoover te gaan van hem een samenkomst te bewilligen, ja, zelfs er hem toe uit te noodigen.quot;
âDeedt ge dit werkelijk, zuster?quot;
âIk deed het en drie jaren lang heb ik or voor geboet. Dat ik dit beken en mijn zwaar geheim openbaar, moge het bewijs zijn, dat ik in dit oogenblik de waarheid zeg. Daarom zult ge nu ook gelooven, Friedrich Wilhelm, dat dit het eenigste gunstbewijs is geweest, waarop de graaf zich beroemen kan. Ik heb voor u te blozen, niet voor hem!quot;
âOok niet voor mij, Louize,quot; zei de keurvorst. âIk ken de liefde, al haar dwaasheden en misleidingen heb ik in mijn eigen hart doorworsteld. Ik weet wat gij lijdt, door wat ik heb geleden. Het is een vreeselijke smart te moeten erkennen, dat men het heiligste gevoel van zijn hart aan een onwaardige verspild heeft.quot;
âJa, 'tis een vreeselijke smart,quot; zuchtte de prinses.
âAch, prinses, verlos u van die smart,quot; riep de graaf, die nog altijd voor de prinses op zijn knieën lag. âVrijwillig bekent ge mij, dat gij mij bemint. Waarom wilt gij U dus van mij wenden? Neem mijn hand aan, verhef mij tot uw gemaal, en ik zal u beminnen, u dienen, u onderdanig zijn, niets anders begeeren dan alleen u te zien, in uwe nabijheid te leven!quot;
203
Zij zag hem met een langen, koelen blik aan. âEin zoo ik u mijn hand weiger, wilt ge u wreken, niet waar, en mijn brief, die u tot een samenkomst uitnoodigt, aan den keizer, aan de geheele wereld toon en, om mij en mijn geheele huis te laten bespotten. Was dit niet uw bedreiging ?quot;
âIk sprak wanhopige waanzin. Maar ik wil niets uit vrees, wel alles uit liefde. Zie hier uw brief. Ik heb hem als het kostbaarste kleinood bewaard; mijn vader had mij bevolen, dat ik dezen brief in de ure van het grootste gevaar moest aanwenden om mij te redden! Thans is dit uur gekomen, maar ik verkies er geen redding door. Hier is de brief! Neem, verscheur hem, en beslis!quot;
In zijn saamgevouwen handen hief hij het papier tot haar op; doch zij nam het niet aan, en trad haastig een schrede achteruit.
âBehoud uw papier,quot; zeide zij. âIk vraag u niet naar het wapen waarmede gij mij kunt wonden. âVan u wil ik geen gunst aannemen. Maak aan het keizerlijke hof, aan de geheele wereld bekend, dat ik u beminde, vertoon overal dit papier, en al wie goeddenken zullen zich van u wenden, alle vrouwen zullen u verachten, en alle mannen zullen den verrader der liefde verguizen.quot;
âNiemand zal mij verachten, niemand zal zich van mij afkeeren!quot; riep de graaf overeind springend. Met opgewonden bevende handen verscheurde hij daarop het papier in kleine stukjes en wierp ze op den grond.
âDaar ligt het geheim, prinses! Thans ben ik in uwe ⢠macht. Ik heb geen wapen meer! Roep Burgsdorf, doorluchtigheid, laat mij gevangen nemen, zoo gij het goed vindt. Ik doe afstand van den vrijbrief des keizers.quot;
âWij beiden nemen van u geen edelmoedigheid, geen opoffering aan,quot; antwoordde de keurvorst. Des Keizers vrijbrief beveiligt u voor mij, en even als ik u ongehinderd tot mijne zuster heb laten spreken, hoewel ge veel verdraaid en veel in een valsch licht hebt gesteld, wil ik u ook ongehinderd van hier laten gaan. Wat den minnebrief betreft, om wiens wil gij dequot; hand mijner zuster begeert, zoo getuigen de snippers even goed tegen u als de brief het deed. Alleen mijn zuster heeft u antwoord te geven op uw aanzoek.quot;
âIk heb dezen man geen antwoord te geven, want hij
204
mag bet niet wagen mij nog iets te vragen,quot; zei de prinses trotsch. âWie de geheimen van het hart en'de liefde kan verraden, die beneemt zich zeiven alle waarde. De man, die zich op een verkregen gunst beroemt, is barer onwaardig, en iedere vrouw zal hem verachten. Niet alleen in de ure des gevaars hebt gij u mijn brief herinnerd, maar ge hebt er reeds met uw vader over gesproken; gij hebt van den brief van een jong meisje voor uw politiek een schuldbrief gemaakt, dien ge als een sluw koopman wildet doen betalen en tot geld maken. Thans is hij uitbetaald, daar ligt hij! Ik geef er u mijn verachting voor!quot;
âMij dunkt dat gij nu het antwoord mijner zuster ontvangen hebt,quot; zei de keurvorst, âwij hebben elkander niets meer te zeggen, want over de geschillen, die nog tusschen ons bestaan, zal de rechtbank beslissen. Ga, graaf Schwarzenberg, keer terug naar Weenen, uw zending is ten einde! Gij hebt uw afscheid!quot;
De graaf antwoordde niet. Hij wierp een langen blik, vol toorn en smart, op de prinses, die hoog opgericht met bleek, maar kalm gelaat aan de zijde van haar broeder stond ; toen boog hii groetend een weinig het hoofd, keerde zich om en ging door de kamer.
Een diepe stilte heerschte, geen ander geluid stoorde die plechtige stilte dan de schreden van den graaf, die naar de deur ging. Daar bleef hij nog eens staan en keerde zijn bleek, toornig gelaat om. De prinses stond nog altijd hoog opgericht, ernstig en kalm. De keurvorst stond dicht naast haar, en met het hoofd een weinig achterover geworpen, waren zijn groote, vlammende oogen trotsch en gebiedend op den graaf gericht.
Deze sloeg de oogen neder en verliet de kamer. De prinses hoorde het dichtslaan der deur en een zware zucht kwam uit haar borst. âHij is weg,quot; fluisterde zij zacht, âhij is weg, ik zal hem nimmer wederzien!quot;
Zij leunde met haar hoofd tegen den schouder van haar broeder en weende bitterlijk.
âHebt gij hem bemind ?quot; vroeg de keurvorst met zachte, deelnemende stem, terwijl hij zijn arm om haar hals sloeg.
âJa,quot; fluisterde zij zacht, âik heb hem bemind en ik vrees, dat ik hem nog bemin en eeuwig om hem zal treuren. Geen mensch ter wereld heeft mij zoo diep gekrenkt
205
als hij, en toch zal ik geen mensch zoo kunnen beminnen!quot;
âArm kind,quot; zei Friedrich Wilhelm treurig, âgij bemint hem nog, terwijl ge hem veracht!quot;
Langzaam, met de armen op de borst gevouwen, ging hij eenige keeren op en neder, terwijl zijn zuster op een stoel was nedergezonken en met het gelaat in beide handen, zacht snikte en weende. Nu ileef de keurvorst voor haar staan en trok zacht haar handen vun haar gelaat.
âZuster,quot; zei hij teeder, âik wil uw tranen drogen, zoo ik kan, en in dit uur van het heiligste, innigste vertrouwen, moet er geen schaduw van onwaarheid tusschen ons bestaan. Toen gij destijds, nu drie jaren geleden, den
traaf dit briefje had geschreven, is hij niet tot, de samen-raaf dit briefje had geschreven, is hij niet tot, de samen-
omst gekomen, niet waar?quot;
âNeen, hij is niet gekomen,quot; riep de prinses; âhij waagde het, mij te vergeefs te laten wachten, de samenkomst te versmaden, welke ik hem had aangeboden. Ach, Friedrich, als ik hieraan denk, zou ik van schaamte en toorn willen sterven, zoo haat ik hem, die mij zoo diep vernederde, zoo veracht ik mijzelve, die deze vernedering berokkend werd en verdiend had.quot;
âLouize,quot; zei de keurvorst zacht, âzoo het slechts om deze reden is, dat ge hem haat, kunt ge hem weder beminnen, want dit is misschien bet eenige misdrijf waaraan, hij onschuldig is. Hef uw hoofd op, mijn zuster, ik wil u deze vernedering ontnemen. Graaf Adolf Johann von Schwarzenberg wilde toen wel ter samenkomst komen. Hij stond twee uren voor de gesloten deur en wachtte om binnen gelaten te worden. Maar ik stond binnen aan de andere zijde en verwijderde mij niet eerder dan toen hij was heengegaan.quot;
âGij, mijn broeder?quot; vroeg de prinses, op wier wangen een gloeiend rood ontvlamde. âGij wist het dus? Gij hebt de samenkomst verhinderd?quot;
âIk wilde mijn zuster voor een onbezonnenheid behoeden, ik wilde haar voor een dwaling bewaren!quot;
âGij wist alles en hebt grootmoedig dit geheim voor onze moeder en mij verborgen gehouden? Ach, en hij is onschuldig! Hij heeft mij niet versmaad, niet beleedigd. Ik kan aan hem denken, zonder op hem vertoornd te zijn, zonder . . . Neen, neen,quot; viel zij zich zelf in de rede, âvergeving, mijn broeder, ik . . .
206
âLuister, âLouize,quot; zeide hij zacht. âIk wil u bewijzen, hoezeer mij uw geluk ter harte gaat, hoe innig ik wensch het te kunnen bevorderen. Wanneer ge werkelijk, in weerwil van al wat ge heden ondervonden hebt, in weerwil van de manier op welke hij zijn aanzoek heeft gedaan, graaf von Schwarzenberg nog bemint, zóó bemint, dat gij om zijnentwille moeder, broeder en zuster, uw geboortegrond, uw vaderland, ja zelfs uw godsdienst voor altijd â hoor en versta mij goed, vcor altijd â wilt opgeven, u los wilt rukken van uw geheel verleden, van al de banden; wanneer ge hem zóó bemint, dat hij u familie, vaderland, alles vergoedt, zeg het mij, mijn zuster, en ik zal mijn tegenzin overwinnen, ik zal dan den graaf laten terugroepen, zijn aanzoek aannemen en u met hem doen huwen. Maar gij moet tusschen ons en hem kiezen. Op het oogenblik, dat ik zijn hand in de uwe leg, hebben wij elkander voor het laatst gezien en nooit is terugkeer meer mogelijk. Zoo gij hem waarlijk bemint, ga dan; ik weet dat de liefde slechts aan het hart van den geliefde zich te huis gevoelt. Zij geeft alles voor wederliefde. Gelukkig voor haar, zoo zij dat kan en mag. Kies, mijn zuster. Wilt gij hem volgen ? Zog het, ik zal u geen verwijten doen, spreek, en ik laat hem terugroepen!quot;
Zij sloeg haar arm om zijn hals en legde haar hoofd zacht aan zijn borst. âNeen,quot; zeide zij zacht, âroep hem niet terug. Hij heeft onze liefde verraden en ontheiligd. Mijn hart wendt zich van hem en keert met des te inniger liefde tot u. Ik dank u, mijn broeder, dat ge mij de waarheid gezegd en de smaad en vernedering van mijn ziel weggenomen hebt. Nu zal ik weder gerust zijn, nu zal ik mijn hoofd weder kunnen ophefl'en. Ik ben niet opgegeven, maar ik heb opgegeven. Ja, broeder, ik heb van de liefde, van het geluk afstand gedaan. Mijn morgendroom is ten einde, ik ben ontwaakt! Laat mij, Friodrich, de laatste tranen over mijn verloren liefde weenen.quot;
De keurvorst boog zich over haar en drukte een kus op haar voorhoofd. âWeen, mijn zuster,quot; zeide hij zacht, âween! En zoo het u troosten kan, weet, dat ook ik zoo geweend en geleden heb!quot;
207
XII.
DE LEENHULDIGING TE WARSCHAU.
Eindelijk waren alle kwestiën opgelost alle geschillen verelTend. Koning Wladislaus van Polen had zich bereid verklaard, den huldigingseed van zijn vasal, den keurvorst van Brandenburg te ontvangen en hem met het hertogdom Pruisen te beleenen.
't Waren wel harde voorwaarden, die men den jongen keurvorst oplegde, zware olïers werden door de koning en door den heeren van den Poolschen rijksdag geëischt. De keurvorst moest jaarlijks aan Polen dertigduizend gulden subsidie betalen en bovendien jaarlijks nog honderdduizend gulden van de zeetellen; maar hij had veel hardere, meer vernederende offers moeten brengen.
Men wilde hem laten voelen, dat de koning van Polen nog de eigenlijke heer en gebieder in Pruisen was, dat de keurvorst hem gehoorzamen en zich voor hem buigen moest. De adelijke heeren in Pruisen behielden het recht in alle burgerlijke en lijfstraffelijke zaken tegen de beslissing van den keurvorst bij den koning in appèl te komen. De keurvorst zou daarentegen niet het recht hebben zonder goedkeuring van den koning met een vijand van Polen een onzijdig verdrag te sluiten; hij moest het' zich laten welgevallen, dat het den koning vrijstond afgevaardigden naar de vestingen Memel en Pilau te zenden, om die te inspecteeren. Maar voor den keurvorst was het 't ergste, dat hij verplicht was de Roornsch-Katho-lieke eeredienst in Pruisen met alle kracht te beschermen en niets mocht doen tot uitbreiding der hervorming van de kerk. Hij moest de bouwvallige katholieke kerk te Koningsbergen herstellen en bovendien een nieuwe laten bouwen; de katholieken moesten in de vrije uitoefening» hunner godsdienst beschermd en voor alle aanvallen van protestantsche predikers beveiligd worden.
Drukkend waren deze voorwaarden, maar de keurvorst bad ze toch aangenomen; hij had zijn trotsch hart gebogen en zich deemoedig betoond. Tranen van toorn waren
208
in zijn oogen gekomen, toen men hom de oorkonde overhandigde, waarop deze voorwaarden geschreven stonden ; zijn hand had gebeefd toen hij de pen nam, maar toch had hij zijn naam geteekend, en alleen Burgsdorf had den traan gezien, die uit Friedrich Wilhelms oog op zijn hand viel, toen hij dat zware werk had volbracht.
âBurgsdorf,'' zeide hij, op zijn handteekening wijzende, âweet ge wat ik daar geschreven heb?quot;
âNeen, doorluchtigheid, ik weet het niet,quot; zeide de overste, âik ben zoo dom niet mij de moeite te geven dit gekrabbel te lezen. Maar wat op uw gelaat geschreven staat, weet ik en heb ik gelezen, heer!quot;
âWat staat er dan opgeschreven oude?quot;
âEr staat op geschreven, genadige heer, dat gij nu wel toegeeft, maar u later wreken zult. Er staat, dat gij nu wel den hoogmoedigen, verwenschten Pool vriendelijk en onderdanig de hand biedt, maar dat gij hem eenmaal uw vuist zult toonen om hem den trotsch opgeheven neus plat te slaan,quot;
âGij hebt goed gelezen,quot; riep de keurvorst lachend, âgij hebt mijn geheime gedachten op mijn aangezicht gezien.quot;
âDat de lieve barmhartige God mij nu slechts de eenig-ste gunst bewijze van mij zoo lang te laten leven tot uw gedachten daden worden, genadige heer. Dat Hij mij voor ziekte beware, opdat ik op dien gezegenden dag der daden ook mijn vuist mag ballen en er op in kan slaan.quot;
âHet zal hoop ik, niet zooveel jaren meer duren, dat deze dag aanbreekt,quot; zei de keurvorst glimlachend. Ik zal niet rusten vóór hij er is en ik revange heb genomen! Wij willen hier aan denken, oude, heel lief, geduldig zijn en zeer vriendelijk kijken, als wij te Warschau komen om ons te verootmoedigen. Ik weet immers, dat men soms zeer bittere medicijnen moet slikken, als men ziek en zwak is; maar het bitterste zal iemand zoet voorkomen als hij het drinkt om een nieuw leven en nieuwe gezondheid te verkrijgen. Mijn arm land is ziek en doodelijk afgetobd; daarom ga ik naar Warschau om er bittere medicijnen te slikken opdat mijn land weer genezen wordt. Het gaat nog op krukken.quot;
âIk weet hoe die krukken heeten, doorluchtigheid. De eene heet , keizerlijk,quot; de andere âpoolsch.quot;
200
âGij hebt het geraden, oude,quot; zei de keurvorst glimlachend, âmaar de dag zal komen, dat wij de die krukken, waarop wij thans leunen, zullen wegwerpen, en âpruisischquot; zal dan het zwaard zijn, dat wij opheiïen om dreigend tegenover onze vijanden te staan! Ik moet het nu nog dulden een anderen meester dan God boven mij te hebben, maar er zal een tijd komen, dat de Pruisische adelaar zich sterk genoeg gevoelt om tegen den witten Poolschen adelaar den strijd te wagen en zich omhoog zal helTen. Denk hieraan, oude, ik zeg 't u nogmaals, als wij naar Warschau gaan! Gij begeleidt mij daarheen en wanneer gij aan het hoofd mijner lijfcompagnie Warschau binnenrijdt, toon dan aan de schoone Poolsche vrouwen een zeer vriendelijk gezicht en betoover ze door uw beminnelijkheid.quot;
âIk zal ze zoo betooveren, doorluchtigheid,'' lachte Burgs-dorf, âdat zij van verrukking over mij u niet meer aanzien en volstrekt geen pogingen zullen aanwenden om uw hart te veroveren.quot;
âMijn hart, Burgsdorf?quot; zei de keurvorst, âik heb geen hart, geen persoonlijk hart ten minste. Mijn denken en gevoelen behooren alleen aan mijn land, mijn eerzucht en mijn toekomst.quot;
Op den zevenden October zestienhonderd een-en-veertig hield de keurvorst Friedrich Wilhelm van Brandenburjg zijn intocht te Warschau.
âVóór hem uit, aan het hoofd van zijn schitterend uitgemonsterde lijfcompagnie, reed de oude Konrad von Burgsdorf, wiens breed, opgeblazen gezicht in het donkerste purperrood glansde. Over zijn langen blonden snorbaard strijkende, groette hij links en rechts de schoone dames, die uit de met tapijten behangen, met linten en bloemen versierde vensters op den schitterenden stoet nederzagen. Maar de schoone dames sloegen weinig acht op den ouden Burgsdorf; haar oogen waren alle op den fraaien, jongen heer gericht, die geheel alleen achter de lijfcompagnie verscheen. Achter hem zag men een schitterend gevolg van heeren in fraaie uniformen, maar dit alles verdween en kwam niet in aanmerking, slechts op hem, op den slanken jongeling, die zoo moedig, zoo trotsch, zoo koen voortging, op dezen alleen waren aller blikken gevestigd. Hoe fraai kwam zijn gestalte uit, in den eng-
210
sluitenden, met gouden âbrandebourgsquot; versierden, pur-perrooden fluweelen rok; hoe slank was zijn taille, samengesnoerd door don gouden bandelier, waaraan zijn breed Duitseb zwaard hing. Hoe fraai golfde zijn lang bruin haar om de breede schouders; hoe moedig stond de opgetoomde zwart vilten hoed met de witte en zwarte struisveeren op zijn hoofd. Hoe vurig en gloeiend was de blik van zijne groote donkerblauwe oogen, en hoe bekoorlijk en verleidelijk was de glimlach van zijn volle frissche lippen.
O koningsdochter, koningsdochter, bewaak uw hart, opdat het niet in liefde ontgloeie voor den fraaien jongeling, die daar nadert en wien men den jongen keurvorst van Brandenburg noemt! Hij ziet niet naar u, hij denkt niet aan u! Maar gij, gij ziet naar hem en denkt aan hem!
Men heeft u gezegd, dat men u aan hem wilde uithuwen, men heeft u gezegd, dat de kleine keurvorst het zich tot een groote eer zou rekenen de gemaal te worden van de dochter van den koning van Polen. Zij is immers een prinses van koninklijken bloede, haar moeder is een aartshertogin van Oostenrijk, een dochter van keizer Ferdinand den eersten.
Het zou voor den kleinen keurvorst een groote eer zijn, zoo men hem de hand van een koningsdochter, van een kleindochter des keizers gaf; hij zou gelukkig zijn ze te mogen ontvangen en groot to worden door deze verwantschap !
Zie hem maar eens goed aan, prinses Hildegarde, zie hem aan met uw hart en ziel, en verheug u over zijn schoonheid, zijn jeugd, zijn trotsche houding, want hij wordt uw gemaal. Uw vader wil hem de genadebewijzen hem tot schoonzoon aan te nemen, de keizer wil hem in zijn familie opnemen.
Zie, thans is hij zeer dicht den troon genaderd, dien men op het kasteelplein heeft opgericht. Op den troon zit koning Wladislaus in schitterende nationale kleederdracht, naast hem staat zijn broeder, prins Casimir, links en rechts op de tre len van den troon staan de groot-waardigheidbekleeders, met de rijksinsigniën, de bisschoppen en prelaten. Dicht achter den troon bevindt zich het koninklijk paleis, waar, op het met goud laken behangen balkon, de koningin staat; aan haar beide zijden staan de
214
boide koninklijke prinsessen, bekoorlijk in haar Poolsche kleeding, de Poolsche muts met de reigerveder op het donker krullend haar.
O koningsdochter, koningsdochter, gij behoeft niet ongerust te zijn, gij zijt schoon en lieftallig, gij zult zijn hart en zijn liefde winnen, niet enkel de politiek, maar de ware liefde zal hem u tot vrouw doen nemen.
Hij ziet u niet. Alleen op den koning is zijn oog ge-ïicht, terwijl hij aan den voet van den troon staat, naast de prachtige, met paarlen en smaragden geborduurde kussens. Zijn edellieden en zijn lijfcompagnie scharen zich ter rechter en linker zijde van den troon en houden een kleine ruimte in het midden van het plein vrij, dicht omgeven door het volk, dat zich achter de gesloten gelederen der soldaten verdringt. In deze kleine ledige ruimte slaat de jonge keurvorst van Brandenburg.
Hoog opgericht is zijn hoofd, stralend zijn blik, dien hij nu opslaat. Hij ziet u niet, prinses Hildegarde, schoone koningsdochter!
Zijn blik is ten hemel gericht! Hij groet God en de voorvaders van zijn huis, die eens, even als hij, aan den voet van dezen troon hebben gestaan! Hij zweert God en zijn voorvaders, dat hij de laatste Hohenzoller wil zijn, die zulk een vernedering duldt, om als vasal voor den Polenkoning de knie te buigen.
Dat zweert de keurvorst Friedrich Wilhelm, terwijl hij aan den voet van den troon staat, waarop de koning van Polen met kroon en schepter praalt, en deze eed doet zijn gelaat van vreugd stralen en zijn oogen van moed en geestkracht schitteren.
De pauken en trompetten schetteren, van alle torens luiden de klokken, de plechtigheid begint: de hertog van Pruisen zal den koning van Polen den leenseed zweren.
Drie kanonschoten worden gehoord! De klokken verstommen, de trompetten en bazuinen zwijgen! Op het ruime plein heerscht een ademlooze stilte! Het volk ziet met sombere, nieuwsgierig vlammende oogen den ketter-schen vorst, den ongeloovige, die zijn katholieke majesteit den leenseed zal zweren. De stenden en afgevaardigden der Poolsche republiek zien somber en dreigend naar den koenen hertog, die hel gewaagd heeft de regeering over Pruisen te aanvaarden nog vóór hij den huldigingseed
212
gedaan heeft; de pauselijke nuntius wendt zijn hoofd ter zijde, en wil het niet zien, dat een ketter, een afvallige, met het katholieke land zal beleend worden.
Maar de koning glimlacht, en de dames op het balkon buigen vriendelijk haar hoofden en groeten blozend den jongen keurvorst, die met ontbloot hoofd, thans dien groet beantwoord.
Drie senatoren naderden den keurvorst. De eene reikt hem de roode leenvaan, welke de keurvorst met zijn rechterhand aanneemt. De tweede houdt hem het Jura-memtum fidelitalis voor, op 'twelk de jonge vorst moet zweren. De derde houdt in zijn hand het perkament, waarop de leenseed is geschreven. De grootkanselier der Poolsche repukliek stijgt van de treden van den troon en neemt het perkament uit de handen van den senator.
De keurvorst buigt de knie op het prachtige, met paar-len geborduurde kussen; een donkere gloed vliegt over zijn wangen en diep in zijn ziel herhaalt hij: âIk wil de laatste Hohenzoller zijn, die zulk een beleediging duldt om voor een anderen vorst in het stof te buigen. Ik wil mijn Pruisen en mijn Brandenburg groot maken, ze bevrijden van den keizer en den koning, en niemand dan God alleen wil ik boven mij erkennen!quot;
De koning wenkt met den gouden schepter, de grootkanselier begint met luide stem den in de latijnsche taal vervatten leenseed te lezen.
Duidelijk spreekt de keurvorst hem ieder woord na, zijn lippen zeggen woorden, die zijn hart niet verstaat. Zijn lippen beloven den koning en de Poolsche republiek een onderdanig vasal te zijn, trouw en gehoorzaam alles te vervullen, wat hij, als hertog van Pruisen, den koning en de republiek verschuldigd is, gelijk 't in den door hem onderteekenden leenbrief geschreven staat.
Hoe vol en krachtig galmt zijn stem over het plein, hoe liefelijk en welluidend is zij.
O koningsdochter, koningsdochter! behoed uw hart! Zie niet met zulke stralende oogen op hem neer, luister niet naar zijn stem, hoewel ze als muziek in uw opren klinkt! Wacht u hem te beminnen, want gij weet niet of zijn hart zich tot u neigt!
Het eedsformulier is ten einde! De keurvorst richt zich van zijn knieën op, en terwijl hij dit doet, denkt hij ;
213
âNooit zal ik weder voor een mensch buigen. Nooit zal ik weder doen wat ik heden gedaan heb!quot;
Zijn gelaat verraadt echter niets van die gedachten, met een glimlach op de lippen bestijgt hij de treden van den troon en neemt plaats op den zetel, ter linkerzijde van den koning.
Wederom luiden de klokken, schetteren de fanfai'en, en verkondigen aan de stad Warschau en de republiek, dat thans de keurvorst Friedrich Wilhelm den huldigingseed aan den koning van Polen heeft afgelegd.
De plechtigheid is ten einde en de koning, gevolgd van den keurvorst en de grooten van zijn rijk, begeeft zich naar het paleis voor het feestmaal, dat er gereed is gemaakt.
Een schitterend feestmaal! Van goud- en zilverwerk vonkelen de tafels, om welke de Poolsche heeren in hun fraaie schilderachtige nationale kleederdracht, de Branden-burgsche heeren in hun met goud geborduurde uniformen zitten; tusschen hen de schoone Poolsche vrouwen, rijk getooid met bloemen en vonkelende diamanten.
Tusschen den koning en de koningin zit de jonge keurvorst, tegenover hem zitten de beide prinsesen.
O koningsdochter, behoed uw hart. Hij spreekt wel met u, hij glimlacht u toe, en zoete woorden vliegen als vlinders tot u over! Maar vlinders vliegen verder, zoete woorden verdrijft de wind ! Niets blijft er van over dan smartelijke herinnering!
Nu is de keurvorst niet meer de nederige vasal met het ernstig gelaat, hij is de jonge vorst, de held der toekomst. Zijn oogen stralen, zijn lippen glimlachen, schertsende woorden klinken uit zijn mond, hij is vol opgewektheid en jeugdigen lust!
Niet alleen de vrouwen zijn door hem bekoord, ook de mannen zijn het, en het koninklijke paar is vroolijk van hart, want zulk een echtgenoot behaagt hun voor de beminnenswaardige prinses!
Eerst laat in den nacht is het feest geëindigd, en als de keurvorst naar het Brandenburgsche paleis terugkeert, begeleidt hem de geheele hooge adel met fakkels in de handen. Een lange fakkeloptocht! Vijf duizend fakkels! Als een gouden vlammenstroom trekt hij door Warschau's straten, schijnt door alle vensters en schrijft, lichtend op Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tyd. II. 14.
214
alle wanden: De keurvorst van Brandenburg, de hertog van Pruisen, heeft den koning van Polen den huldigingseed gedaan!quot;
Het feest is ten einde, maar de aanbrekende dag brengt een nieuw feest! Heden geeft de keurvorst aan de koninklijke familie en den beogen adel een schitterend feest! Aan de tafel zit de koningin aan zijne rechter-, prinses Hildegarde, de koningsdochter, aan zijn linkerzijde. De keurvorst is ongedwongen en vroolijk; zij is pijnzend, in zich zeiven gekeerd en stil. Vroeger was zij vroolijk, dartel, zoo spraakzaam. De keurvorst weet niet, dat zij nu anders is dan vroeger! Zijn hart weet niets van haar, en zijn blikken zeggen haar niet meer dan aan alle andere schoone vrouwen! Hij danst met haar des avonds op het bal bij de koningin, dat wil zeggen de keurvorst danst met de koningsdochter, maar niet de jonge man met het schoone jonge meisje!
Zou hij niet naar hare hand dingen ? De koningin geeft hem duidelijk genoeg te kennen welke eer men hem heeft toegedacht; de koning zegt hem teeder, dat hij gelukkig zou zijn, zoo hij zulk een edelen, jongen vorst zijn zoon kon noemen.
Maar de keurvorst begrijpt noch de koningen, noch den koning; hij zwijgt en blijft kalm.
Hij is waarschijnlijk te bescheiden en te bedeesd, hij waagt het waarschijnlijk niet. Men moet afwachten ! Zoo hij zich op den laatsten dag van zijn bezoek nog niet heeft verklaard, moet men het initiatief nemen en hem vragen als hij niet vraagt.quot;
Op dezen laatsten dag zijn het de beide prinsessen, die den keurvorst een feest geven, een schitterend gemaskerd bal, waarop men zich reeds drie maanden had voorbereid door de vervaardiging van costumes en het beoefenen van verschillende dansen.
Het halve masker is heden goed gekozen voor prinses Hildegarde, want het verbergt haar bewogen gelaat, haar onrustig gezicht! Zij weet, dat heden haar lot beslist wordt. Zij weet, dat men haar aan het einde van dit feest met den keurvorst van Brandenburg verloven wil!
Ta, daar bij niet vraagt, moet men hem vragen!
De koningsdochter, de kleindochter van den keizer, staat zoo hoog boven den kleinen keurvorst, den machte-
'ilo
loozen hertog, dat deze het voorwaar niet wagen zal, haar te vragen, maar het moet afwachten, dat men hem zijn geluk aanbiedt!
Graaf Gerhard von Dönhof word door de koningin hiermede belast, en hij betwijfelt het niet, dat zijn last een gelukkig resultaat zal hebben.
Hij verzoekt den keurvorst een onderhoud in het kleine Chineesche paviljoen naast den wintertuin, en met glimlachend, ongedwongen, vroolijk gelaat bericht hij den keurvorst hoe de koning en de koningin hem beminnen.
âEn ik beantwoord dit van ganscher harte,quot; zegt de keurvorst. âDeze schoone dagen zullen altijd als schitterende sterren in mijn herinnering leven! Zeg dat aan hun majesteiten.quot;
âUw doorluchtigheid moest een blijvende gedachtenis aan deze dagen medenemen,quot; fluistert de hoveling.
âHoe meent gij dat, graaf Dönhof?quot;
âIk geloof, dat zoo uw doorluchtigheid om de hand van prinses Hildegarde wilde vragen, gij van hun majesteiten dadelijk de toestemming zoudt erlangen, en zij u de koninklijke prinses als bruid en gemalin zouden geven!quot;
De keurvorst schudde ernstig het hoofd.
âNeen,quot; zeide bij plechtig, âneen, graaf Dönhof, zoo lang ik mijn land niet in vrede kan regeeren, mag ik naar geen andere bruid omzien dan naar mijn degen1).quot;
En glimlachend, alsof hij niets gehoord had of er niets bijzonders was gebeurd, keerde de keurvorst naar den wintertuin terug.
Ook prinses Hildegarde glimlacht, schijnt vroolijk en gelukkig en danst met alle cavaliers. Alleen met den keurvorst niet! De keurvorst vraagt haar niet meer ten dans.
Zij schijnt het niet te zien, blijft vroolijk, ook toen hij eindelijk de prinses nadert om afscheid van haar te nemen.
âVaarwel, heer keurvorst! Keer behouden in uw land terug en wees gelukkig!quot; â Dit zeggen haar lippen.
Wat zegt haar hart?
1
Eigen woorden van den Keurvorst. Zie : Von Orlicli, Oeschichte von Preussen etc,, I, 77.
216
Niemand weet het! De prinses heeft een teeder, maar ook een trotsch hart! Des nachts hoorde men in de slaapkamer der prinses zacht zuchten en jammeren. Maar toen de morgen aanbrak was het stil. 't Is de diepste smart, die zich voor het daglicht verbergt en des nachts in de stille binnenkamer wordt gevoeld.
Arme Hildegarde! arme koningsdochter! Versmaad! 's Reisers kleindochter door den kleinen keurvorst van Brandenburg versmaad!
Hij is weder in zijn huis teruggekomen, en heeft het stof der huldigingsreis van zijn voeten en van zijn hoofd geschud!
Thans is hij weer de vorst, de heer. Nu zal hij huldigingen ontvangen.
De stenden van het hertogdom Pruisen hadden lang geweigerd den keurvorst den eed te doen; zij achten zich in hun rechten en vrijheden gekrenkt. Eindelijk waren de geschillen bijgelegd, de stenden van Pruisen legden den hertog den leenseed af.
Op een opene tribune voor het kasteel te Koningsbergen stond de keurvorst met ontbloot hoofd en schitterend gelaat; voor hem aan de voeten van den* troon stonden de stenden van zijn hertogdom. Zij deden den eed van trouw en verknochtheid, en, evenals te Warschau, luidden te Koningsbergen de klokken schetterden de trompetten en bazuinen. Het kanongebulder verkondigde aan de stad Koningsbergen, aan geheel Pruisenland, dat heden de hertog zich met zijn stenden tot eendracht, liefde en trouw had verbonden!
âLeuchtmar,quot; zei de keurvorst, zich tot den vriend buigende, dien hij persoonlijk uit Zweden voor deze feestelijkheid had opgeroepen, âLeuchtmar, de eerste bloesem-kiem der toekomst groent voor mij in dit uur!quot;
âEr zal een groot bosch uit voortkomen, een bosch van myrthen en lauweren, doorluchtigheid!quot;
âLaat de myrthen vooreerst maar groeien en bloeien, Leuchtmar, ik bekommer mij om haar niet! Maar de lauweren wensch ik een spoedigen wasdom! Ik verlang naar daden, en ik wil u iets zeggen, mijn vriend, de dag van heden geeft een keerpunt in mijn leven. Tot heden was ik gedwongen te dulden, mijn hoofd te huigen en mij naar den overmoed en trots van anderen te schikken. Ik was zoo klein en allen om mij waren zoo groot; ik
217
was niets en zij waren alles. Ik moest diplomaat zijn, om slechts grond te vatten, waarop ik zou kunnen staan.quot;
âEn nu hebt ge grond gevat, doorluchtigheid. Ge zijt niet meer de heer van ijdele titels; de ledige noten beginnen zich te vullen en reeds hebt ge den hertog van Pruisen een geeden kern gegeven. Thans hebt ge grond gevat en mijn keurvorst laat zich niet meer terug dringen, hij gaat voorwaarts!quot;
âJa, van heden aan gaat hij voorwaarts!quot; riep de keurvorst met vervoering. âVoorwaarts op de baan van roem en eer! Hoort ge de klokken luiden en de kanonnen bulderen? God zegene Pruisen, mijn Pruisen der toekomst, mijn groot, machtig, sterk Pruisen, gelijk het voor mij staat ais ideaal, waarnaar ik streven wil zoo lang ik leef! Niet uit overmoed en ijdele eerzucht, maar uit oprechten ootmoed en trouwe toewijding aan mijn plicht en mijne roeping! Niets wil ik voor mij, alles voor mijn volk! Ter eere van mijn God, tot geluk van mijn volk! In mijn vorstelijke regeering zal ik altijd indachtig blijven, dat het niet mijne, maar de zaak van het volk is, die ik bestuur. Deze gedachte zal mij steunen en kracht verleenen! Daarboven staat de spreuk mijner geheele toekomst; Pro Deo et populo! Voor God en het volk!quot;
âHeil 'onzen hertog!quot; juichte het volk, toen de keurvorst de treden van den troon afsteeg om naar het kasteel terug te keeren. âHeil en zegen onzen hertog!quot; riepen ook de stenden en de afgevaardigden der Pruisische steden.
De keurvorst boog zich glimlachend naar alle zijden. Zijn hart opende zich van vreugd en liefde, nu hij al die blijde, opgewekte gezichten van zijn volk zag, en diep in zijn ziel herhaalde hij den eed, zijn leven en krachten aan zijn land te wijden.
Pro Deo et populo!
Voor God en het volk!
EINDE DER EERSTE AFDEELING.
INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL.
DERDE BOEK.
GEAAF VON SCHWARZENBERG
(Vervolg).
Bladz.
VIII. Het feestmaal............................3
IX. Een liefdeoffer.............18
X. De witte vrouw.............31
XI. De vervolging..............46
XII. Het afscheid..............64
VIERDE BOEK.
DE NIEUWE REGEERING.
I. De aanvaarding der regeering..............72
11. Plannen voor de toekomst..................84
III. Diplomatische zendingen..................94
IV. De bevestiging.........«... 104
V. De oplossing..............121
VI, De wraak................136
VII. De verzegeling.............152
VUL De vlucht...............169
IX. De brief..........- . . . . 174
X. Een geheime audientie......., . . . 181
IX. Wederzien en scheiden..........198
XII. De leenhuldiging te Warschau.......207
/ v . :*
- V-f
*2 -w â l '' V *
':v » .»
' gt;
.vv' ^ Ã ^ 1
v* ' 1 ^T ^ .'â «Si y«-'^^quot;-CL , . U, ... ;
amp; Is ^ ^ * K ^ V /.- 'quot; ^
1 ;/:;lt; â t- .x^\⢠l^Cj^ . quot;(X * gt;lt; v
^ N ^5 - Jr*^ * ' v, V â »â V X
â¢.ir-' ^ V r s v
^ ^ ^ \ V lt;壉 * amp; gt; gt; ^ V
^ ^ , '^Vv^-v^sJ
-.rvv ⢠.^- ;u ,'
I ^ gt;'. .lt;â¢â ', -' lt; v:! 'v4*r A
[ \ Wy quot; â iQ^'VS
r ..gt;,-⢠^T /lt;⢠K.ylt; -V - v
^v.s/^ .. - J -. lt;-; ,«,:xi-v ⢠i v- r .r ~ *SA\
Li i ; A ^c. quot;3'' ⢠-^. f -^ . .-*â '
r*y Agt;^c*^ '3 .V£^,v-;A; ,
u i ^ v- ^,. A - ⢠gt;/-â¢gt;. '⢠lt;r
^ \ -' 1 ;
gt; ' k'. * ^
1 -:â¢..â¦gt;⢠/u , â ^r *
^ *c* . ' . - ^ / gt; gt;i
-V â J.. ' 4 A. â ^ \ ,. âºquot; A
i- 4quot; VTt,quot; /4 vt-..w: w-.J
: v ^ï-T , ;lt;â ,' - â '. -,/'. ,wA quot;2''
w * ⢠L .'' ⢠fc, ^
V 'i;- -
x A . r *»-w
x :v â ' Agt; 1 Tamp; Cquot;
V, ^ ^ vi
s» z *- t. * ~ ** â ' '*' r â *
r^- ⢠quot;f i ,-â ' i--
V^Xr / F , z ;T# .* ^ \ â¢:
V ,. 'H- ,1^, gt; ' , j; -- lt; ^ �
v^ïvT^V' ;gt;â¢â ':A' vgt;- :quot; i
AT / *' v' quot; it'Y.-j ~ *5
V W V . \t gt; -v ^ ^
Cquot; ' r ^r.
â gt; â amp; â â -*