v- â «' * tquot; i .w tv gt; ,
fr- v -
i vis â¢-rn, t V
k:gt; J ^ â '. ^ -â¦^v .
^ vi 'â¢
â¢lt; ^
L \
- ^ f
r, ^ :gt;
|
- xl- quot;ML ' . quot;â -⢠s- i,-x. 'V, -'quot;â *â¢. s_' i--*, quot;â gt; e v , |
. ^ ^ - gt; ' quot;4 v - » gt; s; * f. « quot; r ^ ^ J. ', Xm v quot;â |
HWB- V'-a- f' â¢' i
\ ft ^ V 1
-i - ⢠,-t r8^ -j
\.Jï -v.
^ quot;7^ -. ^ -- * ⢠-»â -'
⢠gt; , H
i» tl 1
-.jO » \l
quot; $%* _ 1 r*'' ' V
. v i
± i '.-v
' 'S ''â
t ». 'â â
yt-.;
|
âº/ jk, |
-w'V ⢠T H
x« , - *t â â *% li gt;â
jv ^ ,-'â ^ . «. ^S. « # 'â¢Â»
gt;-â '» quot;- â n â gt;â â amp;â K 4- -é : ^
\ -., gt;- ^ 'ï - . lt; wV;, ⢠^
?rY - i- -^; quot; ' - Vn '
. * lt;lt;. 7 vC s ⢠â « . ' ' . 1 â ' â â¢
. .â ^- yyquot; , ^ .--si i ,⢠, -i's PA
-. â â r â T gt; ^
vx. - jr vV;,
9 , - â » â â¢
'V-Jf ,v , - Tj
rgt; **â
* ^ 'v-
»V* » * r-
⢠C .~
, ^ ⢠quot;v - gt;!.- :^gt;r -v,j
r ^ â¢â¢ â¢* , 4 /. .rjf ⢠j
U-.A :/#quot; .!â --' .; v*#quot; - gt;â¢
U v' v.
S - c gt; ⢠. j», v *lt;r
I*'iv^ »' â -quot; â¢â¢gt;
-^ â ^'''^ 'gt;-V- ^
I ' ^V gt;'â : *lt; - â »- ;
BERICHT
Hoogst smaakvolle, donkerbruin linnen stempel banden met gouddruk bewerkt, speciaal vervaardigd voor deze uitgave van Mühllüach's Historische Romans, zijn voor de inteekenaren a 40 cent per band verkrijgbaar.
Ook hebben wij voorbanden voor dezelfde uitgave banden in donkerblamv (bleu gendarme) linnen met goudstempel, eveneens speciaal hiervoor vervaardigd voor twee deelen in één band. Deze zijn verkrijgbaar voor 50 cent per band.
N.B. Ruiling van afl. voor gebonden of ingenaaide deelen kan niet geschieden.
BERICHT.
Hoogst smaakvolle, donkerbruin linnen stempelbanden met gouddruk bewerkt, speciaal vervaardigd voor deze uitgave van Mühlbach's Historische Romans, zijn voor de inteekenaren a 40 cent per band verkrijgbaar.
Ook hebben wij voorhanden voor dezelfde uitgave banden in donkerblauw (bleu gendarme) linnen met goudstempel, eveneens speciaal hiervoor vervaardigd, voor twee deelen in één band. Deze zijn verkrijgbaar voor 50 cent per band.
N.B. Ruiling van afl. voor gebonden of ingenaaide deelen kan tiet geschieden.
Hoogst smaakvolle, donkerbruin linnen stempelbanden met gouddruk bewerkt, speciaal vervaardigd voor deze uitgave van llühlbach's Historische Romans, zijn voor de inteekenaren a 40 oent per band verkrijgbaar.
Ook hebben wij voorhanden voor dezelfde uitgave banden in donkerblauw (bleu gendarme) linnen met goudstempel, eveneens speciaal hiervoor vervaardigd, voor twee deelen in één band. Deze zijn verkrijgbaar voor 50 cent per band.
N. B. Ruiling van afl. voor gebonden of ingenaaide deelen kan niet geschieden.
DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN TIJD, DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN VOLK.
DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN TIJD.
GESCHIEDKUNDIGE ROMAN
doob
L. JV1 T T H I ., B A C IT.
Bewerkt door M. K.
DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN VOLK.
a i smwyiamp;f.iy
O. F. M. '
WIJCHENS
derde veel verbeterde druk.
Nijmegen amp; Arnhem, Gebr. E. amp; M. COHEN
BERICHT.
Hoogst smaakvolle, donkerbruin linnen stempelbanden met gouddruk bewerkt, speciaal vervaardigd voor deze uitgave vanMühlbaoh's Historische Romans, zijn voor de inteekenaren a 40 cent per band verkrijgbaar.
Ook hebben wij voorhanden voor dezelfde uitgave banden in donkerblauw (bleu gendarme) linnen met goudstempel, eveneens speciaal hiervoor vervaardigd, voor twee deelen in één tand. Deze zijn vervaardigd voor 50 cent per band.
N.B. Ruiling van afl. voor gebonden of ingenaaide deelen kan niet geschieden.
Hoogst smaakvolle, donkerbruin linnen stempelbanden met gouddruk bewerkt, speciaal vervaardigd voor deze uitgave van Mühlbaoh's Historische Romans, zvjn voor de inteekenaren a 40 cent per band verkrijgbaar.
Ook hebben wij voorhanden voor dezelfde uitgave banden in donkerblauw {bleu gendarme) linnen met goudstempel, eveneens speciaal hiervoor vervaardigd, voor twee deelen in één band. Deze zijn verkrijgbaar voor 50 cent per band.
N.B. Ruiling van afl. voor gebonden of ingenaaide deden lian niet geschieden.
Hoogst smaakvolle, donkerbruin linnen stempelbanden met gouddruk bewerkt, speciaal vervaardigd voor deze uitgave van Mühlbach's Historische Romans, zijn voor de inteekenaren a 40 cent per band ver-krijgbaar.
Ook hebben wij voorhanden voor dezelfde uitgave banden in donkerblauw (bleu gendarme) linnen met goudstempel, eveneens speciaal hiervoor vervaardigd, voor twee deelen in één band. Deze zijn verkrijgbaar voor 50 cent per band.
1T.B. Ruiling van afl. voor gebonden of ingenaaide deelen kan niet geschieden.
EERSTE BOEK.
huwelijksreizen.
EERSTE BOEK. HUWELIJKSREIZEN.
I.
EEN FAMILIEFEEST.
De klokken van den Dom luidden, de kanonnen bulderden van de lage wallen der vesting Berlijn. Het verkondigde aan het volk, dat in dichte drommen het Domplein en de ruimte voor het kasteel innam, dat de plechtigheid in den Dom volbracht, dat de oudste zuster van den keurvorst Friedrich Wilhelm met den hertog Jakob van Koerland in den echt verbonden was en de priester den zegen over dit huwelijk had uitgesproken.
Maar het volk stemde niet in met dezen zegen, het had geen beilwenschen voor het nieuw gehuwde paar. Het hof was te lang van Berlijn verwijderd geweest, en sedert de vijf jaren, dat de keurvorst de regeering had aanvaard, was hij slechts ééns, voor korten tijd, en zijne familie in 't geheel niet, van Koningsbergen naar Berliin gekomen. Eerst nu, in het midden van het jaar 1645, was de keurvorstelijke familie naar Berlijn teruggekeerd en de keurvorst had aan den magistraat en de burgerij zijner âgetrouwe residentiestad'' doen weten, dat hij voornemens was zijne residentie voor langen tijd, wellicht voor altijd, in Berlijn te houden.
De magistraat en de burgerij hadden wel met hoogdravende betuigingen dit bericht ontvangen, maar in den grond van hun hart er weinig vreugde over gevoeld. Het Berlijnsche volk had het bericht volkomen onverschillig gelaten. Het was zoo gedrukt onder hunnen nood, ellende en jammer, dat het niet meer vroolijk gestemd kon zijn.
4
Het was zoo verslagen door armoede en ontbering, dat het aan niets dan aan zijn eigen toestand kon denken en slechts dan zijn vorst zou hebben toegejuicht, zoo daarin door hem verandering was gebracht.
Maar de keurvorst was arm, dit wist men, de keurvorst zelf leed aan geldgebrek en wist zich dikwijls nauwelijks de noodige middelen te verschalfen om zijn vorstelijken staat op te houden. De oorlog had de Marken geheel uitgeput en de Stenden in Pruisen weigerden hun toestemming tot de door den keurvorst uitgeschreven belasting.
De keurvorst had geen geld! Waarom zouden zich dus dus de Berlijners over zijn tegenwoordigheid verheugen? De keurvorst huwelijkte zijn zuster uit, en naar aloud gebruik moesten zijn onderdanen den bruidschat van de prinses betalen! Waarom zouden zich dus de Berlijners over dit huwelijk verheugen nu zij weder een met moeite gespaard of verdiend Zweigroschenstuk, dat ieder hoofd moest betalen, moesten te voorschijn halen.
N Niet uit liefde, maar uit nieuwsgierigheid had het volk zich op het Domplein en de ruimte voor het kasteel geschaard. Het wilde de keur vorstelijke familie in volle staatsie zien en genieten van een schouwspel, dat ten minste geen geld kostte.
Nog altijd luidden de klokken, nog altijd bulderden de kanonnen; de deuren van den Dom openden zich en de Domprediker Stoschius, in eenvoudig zwart gewaad, met de hooge zwart fluweelen baret op,het hoofd, trad uit de deur op het Domplein. Hem volgden de geestelijken der andere kerken van Berlijn, het gelaat ernstig en treurig, daar op uitdrukkelijk bevel van den keurvorst de Luthersche geestelijkheid zich bij de godsdienstplechtigheid van dit huwelijk in de Gereformeerde kerk had moeten aansluiten. Onder het opeengedrongen volk ontstond een eigenaardige beweging bij het verschijnen der geestelijken. Hier zag men eenigen voor den domprediker Stoschius diep buigen, terwijl anderen trotsch den geestelijke der Gereformeerde kerk met dreigende blikken aanzagen en de oogen neersloegen voor de op hem volgende Luthersche geestelijken, die wederom bij het voorbij gaan met een dreigend gemor begroet werden door hen die tot de Gereformeerde kerk behoorden.
Do stoet die op de geestelijken volgde, was ocliter ge-
5
lukki^ geschikt de menigte eenige afleiding te geven, door het gemeenschappelijk gevoel van nieuwsgierigheid te bevredigen.
Het was een zeer statige optocht, die achter de geestelijken, de kosters en zingende koorknapen van het grijze klooster voortschreed. Eerst kwamen voorbij de honderd lijftrawanten van den keurvorst in hun van gouden tressen blinkende uniformen, met geschouderd geweer,daarna de opperkamerheer Konrad von Burgsdorfin een met goud geborduurd fluweelen kleed, een met goud omboorden gevederden hoed, waaraan een groote agraaf van briljanten. Op hem volgden zes leden van den geheimen raad in ambtsgewaad, dan de keurvorstelijke paadjes in fluweelen kleeding met zilveren borduursel, de hofmaarschalk en de kamerheeren in groot staatsie-uniform, en achter hen, door een kleine tusschenruimte van de voorgaanden gescheiden, verscheen de keurvorst Friedrich Wilhelm in zijn prachtige hofkleeding, die op de borst met groote briljanten knoopen gesloten, en om de slanke, krachtige taille door een breeden, met smaragden, paarlen en robijnen geborduurden gordel bevestigd werd. Aan zijne hand geleidde hij zijne zuster, de pas gehuwde hertogin van Koerland, die in haar prachtig bruidsgewaad een zeer fraaie en deftige vertooning maakte. Toch vestigden de oogen dei' menigte zich slechts een korte poos op haar en wendden zich vluchtig naar de volgende paren : de keurvorstin moeder, aan de hand van den hertog Jacob van Koerland en de prinses Hedwig Sophie, die door den broeder van den Koerlandschen hertog geleid werd.
De nieuwsgierige menigte keerde altijd weder tot den keurvorst terug, wiens edel en krachtig gelaat vol jeug-dingen moed en mannelijken ernst, met lange, glinsterende blikken gericht was op de menigte, die zwijgend hem liet voorbij gaan, schijnbaar zonder deelneming. Dit zwijgen van het volk scheen hem te mishagen, want een wolk trok over zijn voorhoofd. Doch even schielijk verdween zij en werd bestraald door een glimlach, terwijl hij vriendelijk links en rechts boog, alsof hij voor jubelende tonen van het volk dankte. Zwijgend en koel liet men hem voorbijgaan en bij de pracht van deze kleederen, briljanten en galons, mompelde het volk: Waarom moeten wij onze spaarpenningen aan deze prinses geven, terwiil
6
wij armoede en gebrek lijden? Zoo de keurvorst geen geld heeft, waarom verkoopt hij dan niet zijne groote briljanten knoopen! Wij hebben wel alles verkocht wat wij bezaten om er brood voor te koopen, en nu moeten wij nog van onze armoede aan de prinses in fluweel en zijde een bruidsgeschenk geven?
De gedachten begonnen zich eindelijk te uiten: Heer keurvorst, scheld ons de belasting kwijt! Wij zijn te arm om te betalen! Heer keurvorst, ontsla ons van het bruidsgeschenk !''
Eerst hadden dit enkele stemmen geroepen, maar luider en luider werd het gehoord, en weldra klonk het over het geheele Domplein; âHeer keurvorst, ontsla ons van de belasting! Wij zijn zoo arm en ellendig!quot;
De keurvorst deed of hij dit wild geroep niet verstond, misschien ook maakten het klokkengelui en het kanongebulder het hem inderdaad onverstaanbaar. Hij glim-lachtte nog altijd, groette nog altijd even vriendelijk naar beide zijden, doch ging haastiger voorwaarts en begon een â quot; levendig gesprek met de jonge hertogin, welke hij bij de hand voerde.
Men had den ingang van den lusttuin bei'eikt, dien men moest doorwandelen om aan het kasteel bij de Spree te komen. Ten tijde van graaf von Schwarzenberg had deze zoogenaamde lusttuin ten minste eenige gelijkenis op een vorstelijk park gehad, daar de stadhouder van de Marken soms uit edelmoedige vriendschap den keurvorst George Wilhelm eenige fraaie heesters en bloemen voor den lusttuin had geschonken en door zijn eigen tuinman dit keurvorstelijk park jaarlijks een weinig in orde liet brengen. Maar sinds graaf von Schwarzenberg dood en zijn paleis verlaten was, en de jonge keurvorst te Koningsbergen resideerde, had niemand zich meer om den lusttuin bekommerd. De boomen waren in het wild opgegroeid, de heesters verdroogd, het gras was verdwenen, de afleidingskanalen naar de Spree waren verstopt en slijk en water hadden den bodem in den moeras veranderd, waar men bij regenachtig weer nauwelijks door kon. Heden had men echter gezorgd, dat de vorstelijke tamilie er voorbij kon, men had planken naast elkander gelegd en die met tapijten overdekt, maar aan beide zijden van dezen kunstweg was de modder weder merkbaar en slechts eenige
straatjongens of havelooze bedelaars hadden nog den moed dit moeras te doorwaden en zich bezijden de tapijten te plaatsen, om den stoet voorbij te zien trekken.
De keurvorst ademde ruimer, toen hij nu door den stillen eenzamen lusttuin ging, en hij boog zich met een zonderlingen glimlach tot de hertogin.
âZie, zuster,quot; zeide hij, âwat een groote les wij daar zoo even ontvangen hebben!quot;
âWelke les. Fried rich'?quot; vroeg Louize Charlotte zacht.
âDat men niets verachten of gering schatten moet, zelfs niet het slijk, elk ding toch heeft zijn eigenaardig doel en nut! Het slijk dient ons nu tot bolwerk tegen het ruwe volk, dat ons op onbeschaamde wijze beleedigd en mij warm heeft gemaakt. Het slijk beschermt ons tegen . . .quot;
âGenadige heer, ach genadige heer, ontferm u! Geef mi] een aalmoes, genadige heer!quot;
De keurvorst bad midden in zijn rede opgehouden om naar de smeekende stem te luisteren, die hem toeriep.
Deze stem kwam hem bekend voor en wekte treurige herinneringen bij hem op. Hij bleef staan voor den bedelaar, die naast het tapijt in het slijk op de knieën was gevallen en hem smeekend beide handen toestak.
âOntferming, heer, ontferming!quot; riep de bedelaar ten tweeden male. âGeef mij een aalmoes, genadige heer!quot;
âHij is het, waarlijk, hij is het,quot; mompelde de keurvorst, wiens oogen op het bleek, bekommerd gelaat van den bedelaar waren gevestigd.
âGabriël Nietzel!quot; zeide hij. met luide stem.
De bedelaar ontstelde, een kreet klonk van zijn lippen, terwijl hij blijmoedig tot den keurvorst opzag, maar eensklaps verbleekte zijn gelaat.
âGabriël Niotzel is dood,quot; zeide hij; âGabriël Nietzel is gestorven in zijn zonden en ter helle gevaren!quot;
âDan willen wij voor hem bidden, dat de algoede God hem verlosse,quot; sprak de keurvorst.
âNeen, hij zal nooit verlost worden,quot; riep de bedelaar wanhopend uit. âHij was een eerlooze misdadiger!quot;
âMaar hij heeft over zijn misdaad diep berouw en boete gedaan,quot; zei de keurvorst met zachte stem. âKom terstond op het slot, en vraag naar mijn kamerdienaar Kunkel. Ik moet u spreken!quot;
8
Hij knikte den bedelaar vriendelijk toe en ging verder, terwijl hij zich tot zijn zuster wendde en haar verontschuldiging verzocht wegens het oponthoud.
âKent gij dien man?quot; vroeg de hertogin deelnemend.
âJa ik ken hem,quot; antwoordde de keurvorst. âHij herinnert mij aan een treurigen, kommerlijken tijd, aan zware en bittere oogenblikken, â doch wij zijn aan het slot. Ik zal het u later wel mededeelen. Veroorloof mij nu, dat ik u naar uwe vertrekken geleide om afscheid van u te nemen.quot;
âBroeder,quot; fluisterde de hertogin, âik zou gaarne zonder [getuigen afscheid van u nemen, want mij dunkt ik heb u nog veel te zeggen, dat buiten u niemand mag hooren!quot;
De'keurvorst groette vriendelijk, groette de geestelijken, die ter weerszijden van de slotpoort stonden, waarachter zich de hovelingen en paadjes hadden geschaard. Met eenige genadige woorden ontsloeg hij de geestelijken en de heeren van zijn gevolg. Toen reikte hij zijn zuster weder de hand en voerde haar zwijgend den breeden, met purperlaken belegden slottrap op, die naar den bovengang voerde, waar zich de keurvorstelij ke vertrekken bevonden.
In het kleine kabinet voor de groote zaal, waarin zich de hofbeambten vereenigd hadden, bleef de keurvorst staan en wendde zich vriendelijk buigend tot het hem volgende paar, zijn moeder en den hertog van Koerland.
âHier houdt mijn dienst op en de uwe begint, heer zwager,quot; zeide hij. âNeem dus de hand uwer gemalin en leidt haar in de zaal. De adel der Mark wil afscheid nemen van zijn geliefde prinses, die hoogst onmeedoogend, een uur na de huwelijksvoltrekking Berlijn met haar gemaal zal verlaten.quot;
âGij weet, heer zwager,quot; antwoordde de hertog, â dat de noodzakelijkheid mij tot dit spoedig vertrek dwingt. Behalve'de koerier van gisteren is ook heden weder de bode aangekomen, die mij van mijn raadslieden en mijn adel de dringende uitnoodiging tot terugkeeren brengt. De Zweed bedreigt mijn hertogdom, en het is noodzakelijk, dat ik er ben om mij ter verdediging van land en volk gereed te houden.quot;
âGij hebt gelijk, heer hertog,quot; sprak de keurvorst goed-
keurend knikkend. Als het de belangen van land en volk geldt, moeten alle familieomstandigheden en wen-schen van het hart ter zijde worden gesteld. Ga en wees verzekerd, dat mijn genegenheid en beste wenschen u vergezellen. En gij, genadige mevrouw moeder, wilt gij mijn bede vervullen en het jonge hertogelijken paar de eer doen het tot Potsdam te begeleiden?quot;
âZeer gaarne,quot; antwoordde de keurvorstin, âdan kunnen mijne vertrekken hier in 't slot, die groote herstelling behoeven in orde gebracht worden. De hevige regen van gisteren heeft mijn kleedkamer geheel onder water gezet. Ik verzoek u dus, mijn lieve zoon, laat mijne kamers een weinig herstellen; ik zal daarorn twee maanden te Potsdam blijven.quot;
âGoed, genadige vrouw, en hoor mijn belofte!Zoodra het een weinig rustiger in de wereld is, zal ik voor u een deftig kasteel in een door u te kiezen stad in de Mark laten bouwen, dat zoo hecht en stevig is, dat gij er van regen of storm geen last zult hebben.quot;
âMijn zoon, riep de keurvorstin verheugd, âik neem uw vriendelijk aanbod aan, fen ik kan u nu reeds het oord noemen, waar ik mij dat kasteel zou wenschen ! Bij de stad Oossen liggen mijn beide weduwgoederen. Ik zou dus gaarne te Crossen een kasteel hebben.quot;
âHet zij zoo, te Grossen, genadige vrouw ! Nu, mijnheer de hertog, breng uw gemalin voor het groote afscheidsgehoor in de zaal. U, zuster, heb ik nog een verzoek te doen! Wees zoo vriendelijk, als alles tot de reis gereed is, in mijn kabinet te komen, opdat broeder en zuster zonder eenig ceremonieel van elkander afscheid kunnen nemen. Mijn heer zwager veroorlooft dit immers wel en zal op den broeder niet jaloersch zijn. Tot weerzien!quot;
II.
BOETE.
De keurvorst groette vriendelijk en begaf zich naar buiten om naar zijn vertrekken te gaan, maar niet dooide groote antichambre, waar al degenen die zich ter
10
audiëntie bij den keurvorst aanmelden, toegang vonden, maar door de kleine zijgang, die naar de kamer van zijn kamerdienaar Kunkel en -van daar naar zijn eigen slaapkamer voerde.
De heftige stem van den kamerdienaar klonk hem uit deze kleine gang tegen.
âHet is onzin, gij kunt heden den keurvorst niet spreken. Gij hebt verkeerd verstaan! De heer keurvorst zal zulk een schooier als gij zijt niet bij zich laten roepen.quot;
âHij heeft dit toch gedaan,quot; antwoordde een zachte kalme stem. âDe keurvorst heeft bevolen, dat ik dadelijk op het slot moest komen en door u bij hem worden gebracht. Anders zou ik niet hier zijn gekomen.quot;
âGij liegt! Op den huwelijksdag van mevrouw zijne zuster zal zijn keurvorstelijke genade geen bedelaar tot het feest noodigen.quot;
âEn waarom niet, Kunkel?quot; vroeg de keurvorst, terwijl hij de deur opende en in den kleinen gang trad. âZijn wij niet allen bedelaars, die hopen eenmaal ophetgroote opstandingsfeest van den heer der heirscharen genoodigd te worden!quot;
âGenadige heer,quot; prevelde Kunkel, âik wist niet, ik dacht niet dat uw genade . . .quot;
âDeze man wilde spreken,quot; viel de keurvorst hem in de rede. âJa, ik wil hem spreken, en wel terstond. Kom, zeide hij zich tot den bedelaar wendende, die deemoedig, met gebogen hoofd aan de de deur stond, âvolg mij naar mijn kabinet. Gij, Kunkel, blijft hier en wacht tot de man terugkomt. Laat hier een ontbijt brengen, opdat de man zich versterke.quot;
Hij ging door de gang en de aangrenzende vertrekken naar zijn kabinet. De bedelaar volgde hem, met op de borst gezonken hoofd en de handen samengevouwen.
Bij de deur van het kabinet bleef bij staan en wachtte in nederige, deemoedige houding tot de keurvorst hem zou aanspreken, die hoed en mantel allegde.
Toen naderde hij den bedelaar en zag hem lang met een vriendelijken en deelnemenden blik aan. Maar de bedelaar sloeg zijn oogen niet op en geen trek van zijn bleek ingevallen gelaat veranderde.
âGabriêl Nietzel,quot; vroeg de keurvorst, na een lange pauze, âwaarom deze armoedige verkleeding?quot;
11
â'tis geen verkleeding heer,'' antwoordde de bedelaar zacht. âIk ben wat ik schijn!quot;
âWaarom wenddet ge u niet tot mij, zoo ge in nood waart?quot; vroeg de keurvorst haastig. âHeb ik u niet in Köningsbergen gezegd, dat gij in mij ten alle tijde een beschermer en genadig heer zoudt vinden. Heb ik 't u niet ten plicht gemaakt u tot mij te wenden, zoo ge in verlegenheid waart?quot;'
De bedelaar zweeg en een vluchtige blos kwam over zijn bleek gelaat. âGij noemt mij met een naam, die mij niet behoort,quot; zeide hij vervolgens met zachte, bevende stem. âIk heet niet Gabriel N iel zei, en ik weet niets van hem.quot;
âMaar ik weet van hem,quot; riep de keurvorst haastig. âIk weet, dat die arme man eens voor zeven jaren hier te Berlijn, in groote nood verkeerde en aan de verlokkingen van een verzoeker gehoor gaf om een misdaad te volbrengen. Ik weet, dat die man mijn moordenaar zou zijn geworden, zoo God dit niet in zijn genade verhoed had, door mij een bode te zenden in de gedaante van een edele, grootmoedige vrouw. Zij kwam tot mij met gevaar van haar leven, redde mij van een wissen dood en gaf haar leven voor het mijne. Deze edele, grootmoedige vrouw was de echtgenoote van mijn moordenaar, en om hem, dien zij liefhad te redden, ging zij zelve in den dood, Gabriël Nietzel. weet ge, van wie ik spreek? Moet ik u nog zeggon, dat deze moedige vrouw, uw echtgenoote, uw Rebekka was?quot;
âRebekka!quot; riep de bedelaar met zulk een luiden, doordringenden, smartelijken kreet, dat de keurvorst tot in het diepst van zijn hart er door bewogen werd. âRebekka!quot; herhaalde hij nog eenmaal, terwijl hij op zijn knieën viel en jammerend en snikkend zijn gelaat in zijn handen verborg.
âWilt ge nog loochenen, dat ge Gabriël Nietzel zijt?quot; vroeg de keurvorst.
âNeen,quot; kreunde de bedelaar, âik ben Gabriël Nietzel, het beklagenswaardige monster, dat eens dezen naam droeg. Maar ik heb hem van mij geworpen, ik heb hem op den adem des winds verstrooid, gelijk men de asch van een misdadiger naar de vier winden strooit, opdat hij geen graf zal vinden. Rebekka heeft ook geen graf en zij was
42
Loch een schepsel Gods. Gabriel Nietzel is gestorven, en hij zal niet eerder opstaan uit de dooden vóór hij het gebeente van zijn dierbare Rebekka gevonden en haar een graf bereid heeft.quot;
âSta op, Gabriël,quot; gebood de keurvorst, âsta op en zeg mij waar gij geweest zijt, wat gij gedaan hebt. sedert den dag, dat ik u voor vijfjaren in Koningsbergen gezien heb.quot;
.âLaat mij liggen, heer,quot; bad Gabriël. âIk kan uw gelaat niet zien, want op uw voorhoofd lees ik mijn misdaad.quot;
âGod heeft de misdaad van u weggenomen, Gabriël, en ik heb u vergeven.quot;
âMaar ik heb mij zeiven die niet vergeven en Rebekka heeft mij ook niet vergeven, anders zou ik haar graf hebben gevonden en was zij tot mij teruggekeerd. Sedert vele jaren heb ik den dood gezocht! Ik heb hem gezocht op de slagvelden en op de woelende zee, ik heb hem gevolgd in de hospitalen aan het sterfbed der pestzieken, maar hij heeft zich niet laten vinden. In de wanhoop van mijn hart ben ik barrevoets als pelgrim naar Rome gegaan, om den Heiligen Vader te smeeken mijn boete aan te nemen en mij te willen vergeven. Drie dagen en drie nachten heb ik op het binnenhof van het Vatikaan, voor de vensters van den Paus, geknield gelegen. Den vierden dag zond Innocentius in genadig mededoogen zijn kamerdienaar naar buiten tot den bedelaar en liet hem vragen waarom hij daar drie dagen lang knielde en bad. En de bedelaar antwoordde; âDat kan ik slechts den Heiligen Vader zeiven zeggen. Om hem te biechten ben ik barrevoets hier gekomen. Hij alleen kan mij biecht hooren.quot; De kamerdienaar ging en ik bleef nog een vierden dag en een vierden nacht op mijn knieën liggen. Den morgen van den vijfden dag zond de Paus zijn kamerdienaar andermaal en liet mij tot zich in het Vatikaan ontbieden. Ik kon mij niet meer van mijne knieën opheffen, mijn leden waren verstijfd, de vier dagen van vasten, honger en dorst hadden mijn krachten uitgeput en ik hoopte reeds dat God zich mijner ontfermen en mij van alle aardsche ellende verlossen zou. Toen ik mij wilde oprichten, zonk ik bewusteloos ineen. Ontwakende bevond ik mij in een groote zaal, omgeven van vreemde,personen, die mij deelnemend aanschouwden. Een arts had mij adergelaten en was juist bezig een verband om mijn arm te
13
leggen; men had mijn hoofd met versterkende vochten gewreven, mijn verdroogde lippen met wijn verfrischt. Een liefelijke geur vervulde de zaal. Hij kwam van de spijzen, welke men voor mij had gebracht. Ik richtte mij op, onwillekeurig stak zbh mijn hand naar deze spijzen uit, maar ik trok ze terug, want ik dacht aan mijn gelofte van niet te eten of te drinken vóór de Paus mijn biecht gehoord had. Toen ik dit den kamerdienaar had gezegd, verliet hij het vertrek en keerde na eenige oogen-blikken met verblijd gelaat terug. De Paus liet mij tot zich roepen.y Hij was bereid de biecht van den bedelaar te hooren!quot;
âVerder! verder!quot; riep de keurvorst, toen Gabriël, diep ademend, zweeg en zijn hoofd dieper op zijn borst liet zinken.
âGij verlangt het, heer? Hebt gij genoeg geduld en deelneming om de geschiedenis van mij te hooren?quot;
âZij boezemt mij veel belang in; ge weet immers, dat degene, dien gij een misdadiger noemt, de echtgenoot is van de vrouw, die mij het leven heeft gered. Spreek, Gabriël. Verhaal verder. Hebt gij den Paus gezien?quot;
âJa ik heb den paus gezien. Ik heb voor hem knielend gelegen op het hooge kussen, dat naast den armstoel van den Paus was gereed gelegd, en in zijn luisterend, mij toegewend oor heb ik mijn biecht gefluisterd. Ik heb niets omsluierd, niets verborgen, maar hem al mijn gedachten en al de daden van mijn leven, al mijn zonden en misdrijven bekend en niets voor hem geheim gehouden.quot;
âEn de Paus! Hij heeft u vergiffenis geschonken, niet waar ? Hij heeft u absolutie en zijn zegen gegeven, omdat het toch maar een ketter was dien gij wildet vermoorden? Niet waar, Gabriël, ge zijt van uwe zonden bevrijd? Spreek, wat zeide de Paus?quot;
âHeer, het waren wreede woorden, die mij voor altijd verpletterd hebben; nog altijd galmen zij als het laatste oordeel âin mijn ooren, en in mijn sterfuur zal ik ze nog hooren. Toen ik mijn biecht geëindigd had, stond de Heilige Vader van zijn zetel op en richtte zich met toornig gelaat en vlammende oogen tot mij. âGij hebt een kettersch vorst, een gevaarlijk vijand der kerk en het heilige geloof willen dooden, zeide hij. God heeft u
14
misschien tot zijn werktuig gekozen. Hij wilde door uw hand de wereld van dezen jongen vorst verlossen, die door de helsche machten gekozen was om tegen de kerk cn den godsdienst zijn ketterschen arm met het zwaard te wapenen en legen ons te strijden. Desniettemin was dit eene zware misdaad, doch ik vergeef u in naam van God en de alleen zaligmakende kerk al uwe dwalingen, uw zonden, uw misdrijven, uitgezonderd een! Want ge hebt eene misdaad gepleegd, die zóó zwaar is, dat de boete daarvoor ook buitengewoon groot zijn moet, eene misdaad waarvoor ge zoowel hier beneden als eenmaal in het andere leven tijdelijk boeten zult. Het vagevuur wacht u ! Van deze stonde af zal het branden in uw binnenste, het zal uw dagen met wroeging en smart, uw nachten met rusteloosheid vervullen, het zal u volgen in het andere leven en u daar ook geen rust gunnen, het zal met u gaan na uw dood en zelfs voor Gods troon zult gij daarvoor rekenschap moeten afleggen. Want ge hebt een misdaad gepleegd, waarover God en de kerkelijke wet uiterst gestreng is. Gij hebt in zondige gemeenschap geleefd met een dochter van het volk, dat de Heiland aan het kruis heeft geslagen, gij hebt een jodin aan uw hart genomen, in plaats van haar met den voet van u te stooten. Gij hebt God en de menschen willen bedriegen en uw joodsche bijzit hebt ge uw echtgenoote genoemd, aan den zoon dier boeleerster hebt ge uw naam gegeven en hem niet doen opnemen in de christelijke gemeenschap; gij hebt het heilige doopwater niet over dén zoon der schande en misdaad laten uitstorten. Wees daarom zoo lang gij leeft een zwerveling die nergens rust vindt; ook uw kind zal daaraan zoo lang het leeft deelachtig zijn. Het geluk zal hem ontvlieden, hoe hij het ook zal najagen. In zonde is hij geboren, in zonde zal hij leven en sterven! Ge hebt mij, den priester des Heeren, uw misdaad gebiecht en het geheim der biecht is heilig. Pas echter op, dat in den priester des Heeren niet de wereldlijke rechter ont-wake en dat van den priester niet de Paus uw wandaad verneme, want de Paus mag u geen genade ver-leenen; de wet der kerk veroordeeld den misdadiger, die in zondige gemeenschap met een jodin heeft geleefd, tot den brandstapel! Vlucht dus, vlucht van hier, vóór het geheim der biecht hem bekend wordt,
15
slechts weinigen zullen zich uwer ontfermen, vertrouw u aan de medelijdende zielen, die u de hand reiken.quot;
Nietzel verstomde, nog enkele stamelende woorden werden gehoord; toen zonk hij als een levenlooze Ier aarde.
âArm mensch,quot; zeide de keurvorst medelijdend; beklagenswaardig olïer van list en hardvochtigheid! Het zal niet gezegd worden dat de Calvinistische vorst geen medelijden had met een ellendige, die zoo zwaar zijne zwakheden moest boeten.quot;
Hij schelde en beval den kamerdienaar den bewuste-loozen bedelaar op te heffen, hém in de voorkamer het hoofd met azijn te wrijven en hem tot bewustzijn terug te brengen.
Maar het scherpziend oog van den keurvorst las op 't gelaat van den kamerdienaar diens inwendigen afkeer en trotschen tegenzin om den bedelaar die liefdedienst te bewijzen. Toen Kunkel nu dralend en onverschillig boog om den bewustelooze op te heffen, trad de keurvorst haastig op hem toe.
âHalt!'' zeide hij, âik had ongelijk u te bevelen den armen man naar de voorkamer te brengen. Hij is ziek en lijdend en de zieke en lijdende moet de broeder zijn van den gezonde. Wij willen hem hier in mijn stoel zetten.quot;
En de keurvorst boog zich tot den bewustelooze en vatte met beide handen diens armen.
âGenadige heer,quot; riep Kunkel ontsteld, âgij wilt toch niet zelve den bedelaar opheffen?quot;
âWaarom niet?quot; vroeg de keurvorst glimlachend. ,Er is hier niemand anders, die u zou kunnen helpen, en niemand dan God alleen ziet ons. Voor God zijn wij allen bedelaars. Hij ziet noch naar purper, noch naar lompen. Hij ziet slechts naar het hart! Neem hem bij de voeten en Iaat ons den ongelukkige opheffen.quot;
Met krachtigen arm hief Friedrich Wilhelm den bedelaar op en zette hem zacht en behoedzaam in den armstoel.
âHaal nu versterkende essencen en wrijf er hem de slapen mede,quot; beval hij.
âIk haal het melissewater, dat op de nachttafel uwer genade slaat,quot; zei K unkel, wien het voorbeeld van den keurvorst tot een warm medelijden gestemd scheen te hebben.
lü
âDoe dat,quot; zei de keurvorst vriendelijk, âbreng ook den Tokayerwijn mede, die er staat.quot;
Toen Kunkel met de beide llesschen was teruggekomen, droppelde de keurvorst zelf een weinig melissewater op de slapen van den bewustelooze, terwijl Kunkel een met dit vocht bevochtigden doek onder zijn neus hield, waar door hij langzaam zijn bewustzijn terugkreeg.
âGa nu Kunkel ik wil met hem alleen zijn.quot;
Kunkel sloeg nu een laatsLen, deelnemenden blik op den bedelaar en ziende dat hij even de oogen opende, knikte hij tevreden en verliet toen het vertrek.
âWaar ben ik? Wat is met mij gebeurd?'' stamelde Gabriël Nietzel langzaam, droomerig rondziende. Toen zijn oogen nu den keurvorst ontmoetten, die hem medelijdend aanzag, liep een rilling door zijn lichaam en van schrik overweldigd, richtte hij zich haastig op.
âWie heeft den misdadiger op den stoel van den keurvorst gezet?quot; riep hij ontzet. âWie heeft zich over den moordenaar ontfermd ?quot;
âDat heb ik gedaan,quot; antwoordde de keurvorst zacht, âIk ben niet degene die u verdoemt en vervloekt; ik ben slechts een mensch, gelijk wij allen zijn, en daarom kan ik u vergeven, waar anderen verdoemen, daarom kan ik zegenen, waai' anderen u vervloeken. Ja, Gabriël Nietzel, ik spreek den zegen over u uit, den zegen in den naam der edele, grootmoedige vrouw, die voor u in den dood is gegaan, 't Is waar, zij was een jodin. Maar de liefde Gods was in haar, en zij volgde het verheven voorbeeld van den Verlosser, want zij offerde zich zei ven voor de zonde van anderen; zij verzoende uwe misdaad en redde mij van den dood, om u te behouden voor de eeuwigheid en te bevrijden van den vloek der booze daad. De redding uwer ziel was de eenige belooning, welke zij van God en van de menschen begeerde. Zij was een christin door hare daden, zij volgde het gebod der liefde en bezegelde het met haar dood. Daarom zeg ik, keurvorst Friedrich Wilhelm, zij heeft geleefd, gelijk zij gestorven is, in liefde. Geen vlek kleeft op haar, geen schande of oneer heeft, haar verontreinigd. De mensch doet belijdenis van het geloof, maar het geloof zelf behoort God, voor wien er geen katholieken of gereformeerden, geen joden of heidenen zijn, maar slechts menschen, die moeten wandelen
17
naar zijn geboden, die elkander moeten beminnen en opwekken tot goede en vrome werken. Uw Rebekka is als een christin gestorven en ge naoogt haar voor God en de menschen uw vrouw, uw gade noemen, want Gods geest beeft u verbonden, Gods geest heelt de vrouw van uw hart tot zich genomen in zijn eeuwige zaligheid. Gezegend zij hare nagedachtenis. Rebekka zal heilig gehouden en geëerd worden door u en mij.quot;
âAch, heer!quot; riep Gabriël Nietzel, zijn gevouwen banden tot den keurvorst opheffende, ,,gij denkt nog aan mijn Rebekka, gij noemt haar geen iodin en veracht baar niet ?quot;
âZij is tot God gegaan, want zij was een kind Gods!quot; zei de keurvorst zacht.
De bedelaar slaakte een vreugdekreet, liep tot den keurvorst, zonk voor hem op de knieën kuste zijn kleed, sloeg de armen om zijn beenen en drukte de lippen op zijn voeten.
âGij zijt mijn verlosser, gij zijt mijn redder!quot; riep hij in vervoering. , Ik zal u gelooven, heer, want mijn Rebekka heeft zich zelve door haar liefde verlost.''
âOok u, Gabriël, beeft zij verlost en gereinigd van zonde en misdaad. Ontwaak dus, Gabriël, hef het hoofd weer op en wees man. Werp de lompen af, ga om te arbeiden, te werken en te leven! Arbeid betaamt den man, geen werkelooze ijdele boetedoening. In den naam van God, in den naam der liefde en van Rebekka gebied ik u, dat. gij den schilder Gabriël Nietzel weer opwekt uit den doode en hem als kunstenaar en als man weer doet wandelen onder de menschen!quot;
âNeen heer, dat kan ik niet,quot; zei de bedelaar, treurig het hoofd schuddende. âGabriël Nietzel is dood en niets kan hem weer uit den dood opwekken. Mijn lippen zijn gebonden door een heiligen eed, dien de dood alleen verbreken kan.quot;
âWien hebt gij dezen eed gezworen
âAan God, aan mijn Rebekka en aan mijzelven heer!quot; Toen de Paus mij de boete oplegde, werd ik ten twee-denmale moordenaar, maar nu van mijzelven. Als een zinnelooze verliet ik het Vatikaan. Waarheen weet ik zelf niet. Ik vlood voor een onbekend beeld, voor een spook, dat hoonend en krijschend mij vervolgde, mij al
Mühlbach, De groote Keurvorst en zijn tijd. III. 2
18
verder en verder de wereld injoeg. Over straten en pleinen liep ik voort; als mij do menschen wilden vatten, rukte ik mij los. Toen de avond daalde, zonk ik uitgeput, krachteloos neder. Toen hoorde ik het naast mij ruischen, en ik zag voor mij den Tiber, die mij tot zich lokte in zijn groot onmetelijk graf, die mij tot zich riep met zijn gemurmel. Ik schreeuwde van vreugde, ik breidde mijn armen uit en sprong in de diepte. De golven sloegen over mij heen stuwden mij omhoog en trokken mij weder in de diepte. In mijn ooren bruiste en klonk het als klokkengelui, het was alsof een ijzeren keten aan mijn voeten hing en de stroom mij op de vleugelen van den storm medevoerde. Mijn zinnen begaven mij, ik zonk.quot;
âOntzettend!quot; fluistorde de keurvorst. âEn hoe reddet ge u uit dit graf?quot;
âIk redde mij niet, heer, maar het graf onttrok zich aan mij, het wilde mij niet opnemen, en wierp mij uit zijne rust. Zelfs de dood wilde geen gemeemschap hebben met den misdadiger en joeg hem onmeedoogend weder in het leven. Op de puinhoopen der oude Tiberbi ug, waar eens de Horatiërs en Curatiërs den doodelijken strijd waagden, op deze steenhoopen, dicht bij den oever kwam ik weder tot mij zelf, ontwaakte ik midden in den nacht uit mijn doodslaap. Lang lag ik krachteloos en zag opwaarts naar den fonkelenden starrenhemel, luisterde naarde stemmen van de golven en van den wind, en zij riepen mij toi?: Leef, om boete te doen, trouwelooze vader, die zijn kind vergat en hét als wees alleen in de wereld wilde achterlaten. Leef, om boete te doen en 't weder goed te maken! Ik kroop van den puinhoop naar den oever, waar ik op mijn knieën nederzonk, mijn armen ten hemel hief, en met trillende stem tot God riep: Ik wil leven om boete te doen. Als een bedelaar, die om ontferming smeekt, zal ik gaan voor God en menschen. In boetgewaad, arm en naakt, zal ik door het leven gaan. Mijn kunst, mijn eerzucht, alle levenslust wil ik vaarwel zeggen. Gabriël Nietzel is gestorven en niets is van hem overgebleven dan een bedelaar, die in het stof buigt en van de aalmoezen der menschen leeft. Om den wille van het geld is Gabriël Nietzel een misdadiger geworden, daarom zal hij tot zijn dood in armoede, ontbering en boete leven. Dat zwoer ik aan Hem, die boven de wolken troont,
li)
zwoer het bij den naam van mijn zoon; ik beloofde, dat dit kind nimmer zon vérnemen wie zijn vader was, dat ik hem zou opvoeden als ware ik zijn dienaar, die verre beneden hem staat en nimmer zijn lietde begeert. Ik zal dien eed houden, heer, tot mijn laatsten ademtocht-quot;
âWaar is uw zoon?quot; vroeg de keurvorst.
âIk had hem te Venetië bij Rehekka 's vader achtergelaten. Van Rome trok ik daarheen, om hem te halen en mede te nemen. Ik vond hem in het Ghetto hongerig en half naakt op de straat liggen. Zijn grootvader vias gestorven en daar er geen erfgenamen waren opgekomen, had de regeering zich tot zijn erfgenaam verklaard en zijn vermogen tot zich getrokken. De arme knaap zou gestorven zijn, zoo de arme bewoners van het Ghetto, zoo de joden zich niet over hem erbarmd hadden. Ik nam hem mede en wij trokken te zamen door geheel Duitsch-land; ik bedelde voor hem, ik leed voor hem, ik zal voor hem bedelen zoo lang ik leef en dat zal het eenige doel van mijn leven zijn en blijven.quot;
âMaar ge kunt immers niet willen, dat de knaap uw ellendig leven deele,quot; zei de keurvorst. âGij moogt dat onschuldige kind niet tot uw boetelingsleven veroordeelen. Geef hem mij. Ik wil dien knaap vergelden wat ik aan zijne moeder te danken heb, ik wil aan hem mijne schuld voldoen. Geef mij Rebekka's zoon!quot;
âNeen, heer, dat kan niet!quot; riep Gabriël haastig. âIk doe boete, heer; mijn geheele leven; maar alléén zou dit te hard, te vreeselijk zijn. Laat mii miin zoon, laat mij Rebekka's kind!quot;
âAbraham gaf den zoon, dien God van hem eischte, en Abraham was geen zondaar,quot; zei de keurvorst streng, âgeen misdaad drukte op zijne ziel, maar hij was gehoorzaam en ootmoedig; hij bracht het lietste ten offer wat hij op aarde bezat om God te verzoenen. Ook gij moet gehoorzaam en ootmoedig zijn, ook gij moet het liefste wat ge nog op aarde hebt uwen God en uwen plicht ten offer brengen. Ik vorder van u uw zoon, om hem tot een godvruchtig, braaf en degelijk mensch te laten opvoeden Zoo gij hem mij weigert, zijt ge geen ootmoedig, verslagen dienaar van God, maar een zelfzuchtig mensch, wien zijn eigen wenschen liever zijn dan het welzijn van zijn arm
ongelukkig kind, dat om zijnentwille een verachte bedelaar zijn en blijven zou.quot;
âNeen, lieer,quot; riep Gabriël, âmijn Hafaël zal geen bedelaar zijn! Neen, gij zult niet zeggen, dat ik zelfzuchtig en hardvochtig ben. Ik zal mijn hart overwinnen, ik wil het laatste afstaan wat het mijne is, van de laatste vreugd mijns levens scheiden. Ik zal u mijn kind geven, heer, opdat gij het moogt opvoeden tot een degelijk man.quot;
Zijn stem smoorde in zijn tranen, een krampachtig snikken wrong zich uit zijn borst, zijn geheole lichaam beefde.
âMijn kind, mijn geliefd kind ,quot; fluisterde hij zacht, terwijl tranen langs zijn ingevallen wangen vloeiden; âmijn Rafaël, ik zal u losrukken van mijn hart, u niet meer zien, geen troost meer scheppen uit uw lief gelaat, niet meer in uw oogen de oogen mijner Rebekka wedervinden. Ik zal de laatste ster van mijn leven ontberen en in nacht en eenzaamheid voortsluipen!quot;
âHet moet zoo zijn,quot; zei de keurvorst met zachte, be-wogene stem, zichtbaar getroffen en geschokt door de smart en tranen van den ongelukkigen man. âTot heil en welzijn van uw zoon moet gij dit offer brengen; uw zoon redden en hem uit uwe ellende opheffen. Hij mag uw smart niet dragen, uw kommer niet lijden! Geef mij Rebekka's kind, en ik zal doen wat ik kan om een gelukkig mensch van hem te maken!quot;
âIk geef hem u, heer; ik doe afstand van mijn zoon; maar wees barmhartig en laat hem mij nog eenige dagen.quot;
âHoe lang wilt gij hem nog hebben, Gabriël? Bepaal zelf den tijd.quot;
âHeer, vergun mij nog acht dagen!quot; smeekte Gabriël met bevende, snikkende stem.
âHet zij zoo! Behoud het kind nog acht dagen en breng het dan hier op 'tkasteel!quot;
âIk zal het brengen, heer! Over acht dagen breng ik u mijn Rataël en sta hem u voor altijd af. Tot zoolang is hij de mijne! A.ch heer, laat mij nu gaan, opdat ik mij tot mijn kind begeve en er geen oogenblik verloren ga, dat ik nog bij hem kan zijn.quot;
âGa, Gabriël, en neem dit goudstuk, opdat ge in deze acht dagen niet behoeft te bedelen!quot;
Hij quot;wilde het Gabriël geven, maar deze weigerde. âNeen,
21
heer,quot; zeide hij zacht, âik heb bij u niet gevraagd, dus mag ik ook geen gift van u ontvangen. Deze acht dagen lang is Rafael nog mijn kind en hij moet leven gelijk zijn vader leeft, hoewel hij niet weet dat ik zijn vader ben. Ik bid u, heer, ontsla mij, veroorloof mij, dat ik tot mijn zoon ga.quot;
âGa dan, maar ik reken op uw woord. GabrieljNietzel. Over acht dagen des morgens te negen ure verwacht ik u met uw zoon.quot;
âIk heb nog ééne bede. Noem mij niet meer Gabriël Nietzel, want ik zeide 't u reeds, Gabriël Nietzel is dood.quot;
âWie zijt ge dan, arme man ?quot;
âIk ben de bedelaar Klaus, niets anders, heer!quot;
âMijn broeder, mag men bij u binnenkomen ?quot; vroeg een stem buiten voor de deur der groote antichambre, die geopend werd.
âGij zijt welkom, mevrouw de hertogin,quot; zei de keurvorst, en terwijl hij haar tegemoet ging, verwijderde zich Gabriël Nietzel haastig door de deur der kleine antichambre.
III.
BROEDER EN ZUSTER.
âWas dat niet de bedelaar, dien wij zoo even in den lusttuin ontmoetten?quot; vroeg Louize Charlotte.
âJa, hij was het,quot; antwoordde de keurvorst zuchtend. âEen arm, ongelukkig man, dien ik vroeger in andere omstandigheden gekend heb en dien ik tot mij riep om van hem zijn levensloop te vernemen. Ach, zuster, er is toch zeer weinig geluk en vreugde op aarde, 't Is nauwelijks de moeite waard den strijd des levens te voeren. Wat wint men er eigenlijk bij? Veel teleurstellingen en weinig vrede, veel vernederingen en weinig triomfen!quot;
âIk geloof, Friedrich, dat één triomf tegen honderd nederlagen opweegt en één bevrediging honderd teleurstellingen doet vergeten.quot;
â't Is waar, ik geloof het met u,quot; sprak de keurvorst
22
met glinsterende oogen. âIk heb helaas tot heden deze ervaring nog niet opgedaan. Ik heb in mijn vijljarige regeering slechts van teleurstellingen en miskenning te spreken, maar . .
âMaar gij zult die door zegen en triomf zien volgen,quot; viel de hertogin hem vroolijk in de rede.
âIk hoop en vertrouw het,quot; hernam de keurvorst; âen was deze hoop mij niet bijgebleven op mijn moeilijk en treurig pad, ik zou zeker moedeloos geworden zijn. Maar bij al het kwade, dat mij overkwam, bij alles-wat mij ter neder boog en mi] mijn onmacht en afhankelijkheid deed gevoelen, heb ik uit den grond van mijn hart 'troostend tot mij gezegd: Ook mijn tijd zal komen! De dag der vergelding, de dag van triomf zal eenmaal aanbreken. Dat zeide ik, toen ik te Warschau op mijn knieën lag voor den koning van Polen en hem den leeneed zwoer; dat heb ik herhaald toen ik te Koningsbergen de dwaze en gedwongen hulde mijner weerbarstige Stenden ontving; dat was mijn troost, toen ik mijne kleine schaar ellendige bontkleurige soldaten zag en de Stenden en steden mij geen geld wilden toestaan om mijn regimenten te vermeerderen. Dit herhaal ik eiken dag en elk uur. Ja, mijn tijd zal komen, de dag der vergelding, de dag van triomf zal voor mij aanbreken ! Zie, zuster, dit heb ik u willen zeggen in het uur van ons afscheid, opdat gij vol hoop en moed aan mij denken zult, en gij weet, dat uw arme broeder niet voornemens is, steeds met gebogen hoofd zijn weg te gaan om met moeite het smalle onaanzienlijke pad te zoeken, tusschen de groote oorlogvoerende partijen. Neen, zuster, ik werk in stilte en met kleine beginselen aan den grooten, breeden weg, dien ik eens in macht en roem, zoo God wil, met een zegevierend, dapper leger hoop te betreden. Dat is mijn doel en hoop!quot;
âEn gij zult het bereiken, het slaat op uwvoorhoold geschreven,quot; riep Louize Charlotte in vervoering. .,Gij zult u en uw land groot en beroemd, machtig en sterk maken. Dit zegt mij mijn hart, dit zegt mij de blik van uw trotscb, moedig gelaat! Ik dank u, Friedrich, dat gij mij vóór wij scheiden in uw hart hebt laten zien, dat ge mij hebt. vergund uw doel en u zeiven te leeren kennen.quot;
â't Is niet dikwijls, dat dit geschiedt,quot; zei de keurvorst glimlachend, âslechts weinigen mogen zich beroemen mijn
23
gedachten en bedoelingen te kennen. Wie iets bereiken wil in dit leven, moet er zorgvuldig op bedacht zijn niemand te laten vermoeden wat hij bereiken wil; die een doel in het oog heeft, moet zorgen, zijn blikken nooit naar dat doel te slaan, zoodat anderen het zien, want de wereld is boos en vol afgunst; zij legt gaarne den vooruitstrevende hindernissen in den weg en tracht de kleinen, die groot willen worden, den wasdom te beletten.quot;
âMaar gij zult toch groot worden, ten spijt van den keizer en het rijk en van al uw vijanden en benijders. Ach, broeder, hoe benijdenswaardig [is uw lot hij het mijne vergeleken. Gij ziet met fiere hoop in de toekomst, en hoewel het tegenwoordige voor u nog duister is, ziet ge toch reeds aan den horizont het morgenrood uwer verrijzende zon, terwijl ik voor en om mij niets zie dan een somber schemerlicht, een hemel zonder sterren, een weg zonder doel!''
âHebt ge uw gemaal niet lief?quot; vroeg de keurvorst. âBroeder,quot; antwoordde Louize Charlotte met een treu-rigen glimlach, âtoen gij mij met hem verloofdet, hebt gij mij dat niet gevraagd, maar mij slechts gezegd, dat ik mij als de verloofde van den hertog moest beschouwen.
âToen kendet gij den hertog ook niet, Louize ge hadt hem slechts oens gezien en kondt hem dus niet beminnen.quot;
â'tls waar, ik kende hem niet,quot; zuchtte Louize Charlotte, âen toch werd ik zijn bruid.quot;
âEu nu, Louize zijt ge veertien dagen met hem te zamen geweest, nu kent ge hem genoeg om te weten of gij hem beminnen kunt en gelukkig met hem zult zijn?quot;
âWat baat het, broeder, zoo ik neen antwoordde ? 't Is waar, dat ik nu veertien dagen met den hertog van Koerland verloofd ben en in de gelegenheid ben geweest hem te loeren kennen. Doch in al dien tijd heeft noch mijn broeder noch mijn moeder mij éénmaal gevraagd, of ik den man kon liefhebben, dien men tot mijn echtgenoot bestemde. Heden komt deze vraag te laat, want mijn lotisvcor goed beslist. Ik draag het, gelijk het een prinses betaamt, ik onderwerp mij er aan, eerlijk en met geduld. De hertog is een goed mensch, en dat is in elk geval een vaste grondslag om er zich een rustig en lijdelijk bestaan op te bouwen, wanneer men zelf een goeden wil bezit en zijne wenschen en aanspraken voor het leven zoodanig gekort-
24
wiekt heeft, dat zij niet kunnen wegvliegen uit den engen huiselijken kring, waarin men nu eenmaal leven moet.quot;
âEn vliogen uw wenschen en gedachten nooit daar buiten, zuster?quot; vroeg de keurvorst, terwijl hij met deel-nemenden blik de oogen op zijn zuster richtte.
Zij sloeg zuchtend de oogen neder. âFriedrich,quot; zeide zij na een lange pauze zacht en schuchter, âlaat mij u in dit afscheidsuur een vraag doen. Ik sluit thans voor altijd mijn velleden, en ik zou niet gaarne nog een duister punt laten overblijven, waarop zich soms mijn gedachten konden richten, ik wensch het op te helderen.quot;
âEn daarom zoudt gij wel willen weten, hoe het den graaf Adolf von Schwarzenberg gaat, en of ik nog altijd in twist en strijd met hem leef? Niet waar, Louize, dat wildet gij gaarne weten?''
âJa, broeder. Ik heb in al die jaren nooit zijn naam weer uitgesproken, nooit bij anderen naar hem gevraagd. Ik weet, dat hij zich tegen u verzet en zich naar uw wil niet wil voegen. Zeg mij, hoe het hem gaat en wat ge van hem weet. Zeg mij alles, en bedenk, dat ik in dit uur het laatste bloempje der herinnering op hetgratvan mijn verleden leg, vóór ik een nieuw leven begin.quot;
âWeet gij volstrekt niets van hem ?quot; vroeg de keurvorst, haar met een scherpen blik aanziende.
Weder sloeg de prinses de oogen neer en en zweeg een poos. âDrie weken geleden,quot; zeide zij eindelijk haastig en hijgend, âvond ik op een morgen, toen ik in mijn toiletkamer kwam, een verzegeld papier, dat aan mij was gericht, op de tafel liggen. Het bevatte het bericht, dat graaf Adolf Johann von Schwarzenberg met een gravin Stahremberg was gehuwd.quot;
âEn twijfelt gij aan dat bericht?quot;
âIk twijfel er aan, omdat er niemand is, die mij de waarheid er van kan verzekeren, en ik gedacht heb, dal...quot;
âNu, wat hebt ge gedacht, Louize?quot;
âDat wellicht iemand er belang bij kon hebben mij aan het huwelijk van den graaf te doen gelooven, omdat... omdat'...quot;
âOmdat zoodanig iemand kon veronderstellen, dat, zoo gij wist dat de graaf gehuwd was, gij zelve geneigd zoudt zijn ook te huwen? Uw vermoeden is juist zuster, want ik was het, die u dit bericht zond.quot;
25
âIk meende uw schrift te herkennen, broeder.quot;
âIk had het ook niet veranderd, opdat gij zien kondet van wien het kwam.quot;
âIk meende daaruit te moeten afleiden, dat gij mij wildet gebieden, mij niet langer aan zwaarmoedige droo-men over te geven cn niet langer te denken aan een man, aan wien het zonde zou zijn te denken. Ook geloofde ik er den raad in te zien, dat ik in het huwelijk moest treden en gij mij te kennen wildet geven, dat mijn verleden onherroepelijk afgesloten was.quot;
âZuster! gij zijt een zeer fijne en scherpzinnige diplomate,quot; zei de keurvorst glimlachend, âik waag het dus niet u tegen te spreken. Gij hebt alles goed begrepen, en ik dank u, dat ge er naar gehandeld hebt. 't Was voor mij van 't grootste belang, een bondgenoot te hebben, die mij zoowel tegen Zweden als Polen met zijn hulp ter zijde kan staan, zoo ik te eenigen dage tegen een dezer beide mogendheden te velde trek. Derhalve kwam ik den hertog van Koerland bij zijn aanzoek bereidvaardig tegemoet, on daarom dank ik u, dat gij mijn bedoelingen begrepen, en daarnaar gehandeld hebt. Nu ben ik zeker, dat, zoo het eens tot een oorlog tus-schen Polen ot Zweden en den keurvorst van Brandenburg komt, ik ten minste een bondgenoot heb, die mij trouw zal zijn. Mijn geliefde zuster, de hertogin van Koerland, zal ei' wel voor zorgen, dat haar gemaal niet aan de zijde van mijn vijanden staat.quot;
âJa, broeder, wees daarvan verzekerd. Ik dank u ook voor dit woord, want gij opent mij hiermede een uitzicht in de toekomst, een levensdoel. Ik zal trachten, de liefde van den hertog te verdienen en invloed op hem te verkrijgen, die u, geliefde broeder, wellicht nuttig kan zijn. Maar, broeder, gij hebt mijn vraag . . . .quot;
âNog niet beantwoord,quot; vulde de keurvorst glimlachend aan. âInderdaad, ik bon u nog eenige inlichtingen omtrent graaf Schwarzenberg, den gunsteling van keizer Ferdinand, schuldig. Naar 't schijnt, staat hij nog altijd in hoogen gunst en behoort hij lot de vertrouwdste dienaren zijner keizerlijke majesteit. En do keizer heeft go-lijk, den graaf in dienst te houden, want hij is oen verstandig en bekwaam iliplomaat, scherpzinnig, koelhartig en zonder beginselen, zooals ieder staatsman zijn moet;
26
niets ontziende en slechts op voordeel bedacht. Graaf Schwarzonberg behoort tot mijn grootste tegenstanders, hoewel hij zijn nagels inhoudt en nu te Frankfort mijn gezant Wezenberg heel vriendelijk gestreeld en gevleid heeft, om hem voor de keizerlijke bedoelingen te winnen. Maar wij verstaan ook elkander een weinig op politieke en diplomatische streken, en zullen ons door zulke vleierijen niet om den tuin laten leiden, noch toegeven in onze geschillen met den graaf. Langzamerhand zal hij zijn vorderingen Lxlen vallen, en hij heeft nu reeds moeten inzien, dat de dingen niet altijd gaan zooals hij begeert. Reeds heeft hij van zijn aanspraken op het grootmeesterschap der orde van St. Jan moeten afzien en er plechtig afstand van gedaan, omdat de leden dezer orde verklaard hebben, dat zij hem niet wilden. 1) Maar het lot, hetwelk dezen jongen eergierigen en geldzuchtigen heer bijzonder schijnt te begunstigen, heeft hem hiervoor terstond een vergoeding geschonken. Ten eerste is hij met de rijke gravin Stahremberg gehuwd; vervolgens is zijn leenneef George Ludwig von Schwarzenberg zonder nakomelingen gestorven, zoodat bijgevolg graaf Adolf Johann de erfgenaam van de rijke heerlijkheden Schwarzenberg en Hohenlandsberg en daarrnode hoofd der familie is geworden. Het is te verwachten, dat de zoon van de keizerlijke genade de vervulling van den lievelingswensch des vaders zal erlangen en graaf Adolf Johann von Schwarzenberg spoedig in vorst Schwarzenberg herschapen zal zijn. Dit, zuster, is alles wat ik van dezen man weet. Maar noen, ik vergeet u nog te zeggen, dat de jonge heer, in weerwil van het fluweelen pootje, 't welk hij Wezenberg geeft, toch bij den keizer en het rijk nogmaals een klacht tegen ons heeft ingediend en volhoudt, dat wij hem ongeveer een millioen thaler schuldig zijn, van voorschotten, die graaf Adam onzen heer vader van tijd tot tijd gedaan heeft. Hij kan deze vorderingen nauwelijks voor de helft bewijzen, en wij zijn niet gezind die vorderingen te betalen; ten eerste omdat dit tegen ons gevoel van recht strijdt, en ten tweede omdat onze kassen ledig zijn. Ik zou zeer blijde zijn zoo de sommen
1) Carl Renatus Hiiuser's Staatsniaterialien etc. Zweiter Band, erster Heft S. 42.
27
welke de graaf vordert, in mijn eigen kas aanwezig waren, en het zou er hier dan anders uitzien. Want wie geld heeft, heeft macht, en een millioen thaler is een leger, waarmee men veel overwint.quot;
âGelukkig zij, die in 't bezit van zulk een leger genoegen vinden,quot; zuchtte de hertogin. âGelukkig zij, die met hun hart hebben afgorekend en slechts nog van hun eerzucht en egoïsme de vervulling hunner wenschen be-geeren. In dezen zin moet graaf Adolf Johann gelukkig zijn, en ik wil mij voor hem verheugen, dat dit het geval is, want persoonlijke bevrediging is toch het hoogste, waarnaar de menschen kunnen streven; en zoo hij die in geld en titels, in macht en aanzien vindt, gun ik hem dat gaarne, maar ik stel niet verder belang in hem. Ik dank u, geliefde broeder, voor alles wat gij mij gezegd hebt; uw woorden zijn de sluitsteenen gewee.st, waarmede ik het graf van mijn harl heb dichtgemetseld. De herinneringen zullen niet meer in staat zijn te ontwaken en kunnen niet weder te voorschijn komen, en dit zal mij troosten. Ik dank u voor al de liefde, die go mij betoond hebt en verzoek u in uw hart een plaatsje voor uw afwezige zuster te bewaren. Ik zal tijd genoeg hebben aan u te denken, en ben zeker dat mijn dierbare moeder mij dikwijls genoeg gelegenheid zal geven van hem te hooren.''
âGij gelooft dus, zuster, dat mijn naam niet geheel ongehoord zal wegsterven?quot;
âIk weet, dat gij hem met gouden letters in de ge-schiedboeken zult graveeren. Ik weet, dat ge Brandenburg groot en machtig zult maken, dat gij roem en eer verwerven zult voor geheel de wereld;'
Het gelaat van den keurvorst vlamde op en een wonderbare glans was er op zichtbaar. âIk dank u, zuster,quot;zeide hij plechtig, âmoogt gij een goede profetes voor mij zijn. Eer, roem en grootheid van mijn land zijn het doel waar-naai' ik streef, en dat ik met onvermoeiden ijver zal vervolgen. Voorwaar, dit is een doel, voor quot;twelk men zijn leven kan geven en hel er geheel aan wijden!quot;
âEn de liefde, mijn broeder1? Wilt ge de liefde volstrekt geen deel aan uw leven gunnen?''
âNeen, ik heb niels met haar te maken,quot; antwoordde de keurvorst schier norsch. âZij moge verre van mij blijven en mij niet van mijn plannen alleiden. Ik benijd haar
28
de rnyrtenkroon niet; moge zij daarvoor mij niet hinderen ten minste een lauwerkrans voor mijn graf te verdienen. Hoor, zuster, de posthoorns schallen en uw gemaal zal hoos op mij worden, zoo ik hem nog langer zijn hertogin onthoud.quot;
âHet uur van afscheid is gekomen,quot; zuchte do hertogin. âIk moet u vaarwel zeggen, Friedrich, ik moet het ouderlijke huis, ik moet broeder en moeder verlaten. Vergeet mij niet, denk in uw geluk en uw vreugde aan uw verlatene zuster, die ver van u, eenzaam en roemloos zal verkwijnen, verlangende naar haar vaderland, haar moeder en broeder. Broeder, laat mij nog eens een kus op uw lippen drukken, wie weet of het niet voor het laatst in dit leven zal zijn!quot;
âKom, zuster, kom aan mijn hart, uw broeder, uw besten, trouwsten vriend zal nooit ophouden u te beminnen.'
Lang hielden zij elkander innig omklemd en zagen elkander aan met oogen vol tranen.
âVaarwel, Friedrich!quot;
âVaarwel, Louize!quot;
âGeef mij de hand en doe mij uitgeleide; ik wil niet weenen, en de hertog moet niet denken dat ik hem ongaarne volg.quot;
âGij hebt een edel, standvastig hart, geliefde zuster! Gods zegen zij met u en de liefde bestrale al uw levensdagen. Kom, ik breng u tot uw gemaal!quot;
IV.
HET HUWELIJKS VOORSTEL.
L)e rijtuigen rolden door de poort en over het Domplein, waar het volk nog bij elkander stond om van het jonge hertogelijke paar met vriendelijke groeten afscheid te nemen.
De keurvorst stond op het kleine bordes voor liet kasteel en zag met weemoedige blikken de vertrekkenden na, tot de laatste koets om den hoek van het paleis ver-
20
dwenen was; toen keerde hij zieli om en ging langzaam in het kasteel terug.
Hoe eenzaam en stil kwam het hem voor, toen hij nu de trap opging en door den langen corridor schreed. Hoe treurig was hij gestemd, toen hij voorbij de deuren ging, die naar de vertrekken zijner moeder en zuster voerden. Hij gevoelde zich verlaten nu niemand hem met vriendelijke, deelnemende oogen aanschouwde, niemand hem met een liefderijk woord begroette.
Maar hij wilde zich zeiven niet beklagen, hij wilde den keurvorst Friedrich Wilhelm niet vergunnen een mensch te zijn, die behoefte aan liefde heeft.
âWie iets grootsch wil ten uitvoer brengen moet alleen staan,quot; zeide hij bij zich zeiven, terwijl hij ontevreden op zich zeiven het hoofd schudde. âWie zich aan eerzucht en roem heeft gewijd mag geen andere gevoelens in zijn hart voeden en de liefde der menschen moet hem onverschillig zijn. Wees dus moedig en berust, Friedrich Wilhelm. Ge zijt niet verlaten, want de hoop der toekomst is met u. Gij zijt niet eenzaam, want ge hebt een volk om te beminnen en gelukkig te maken. Het hoofd omhoog en vooruit gezien! Wij werken voor de toekomst en het zou een slecht gebouw worden, zoo wij niet met vroolijken moed er al onze zorg en krachten aan wijdden.quot;
Terwijl hij dit zeide richtte hij zijn hoofd met een fiere beweging opwaarts. Zoo trad hij in zijn kabinet en begon met frisscbe, welluidende slem de melodie van zijn geliefkoosd lied te neuriën. Toen, alsof zijn hart zich door het gezang gesterkt gevoelde, begon hii bii de melodie ook de woorden te voegen:
Ginds op hot groote veld bij Lützen, hoera!
Vocht Gustaaf Adolf, de dappere held, hoera!
Voor het evangeliura gat hij zijn bloed,
Met dapper hart en vroolijken moed.
âGod zg met ons!quot; was zijn eenige leus,
âChristus de Heerquot; zijn steun, hoera!
Ook Pappenheim en Wallenbtein, hoera!
Wilden bij Lützen verwinnaars zijn, hoera!
Maar Gustaaf en Bernhard duldden dit niet,
Zij sloegen den vijand in 't aangezicht.
De keizerlijken namen als hazen de vlucht Maar de Zweden klopten hen geducht.
30
âNu, wat is er Kunkel?quot; riep hij, zijn lied slakende toen de deur der antichambre haastig geopend werd en de kamerdienaar binnentrad.
âGenadige lieer, de opperkamerheer von Burgsdorf is met drie vreemde heeren in de voorkamer verschenen en verzoekt zijn keurvorstelijke genade een gehoor.quot;
âLaat de heeren binnenkomen,quot; zei de keurvorst, van zijn stoel opstaande en zijn schitterende oogen naar de deur wendende, waar de opperkamerheer von Burgsdorf verscheen, gevolgd door drie heeren in prachtig met goud geborduurde kleeding. Ieder hunner hield in zijn hand een met groote zegels gesloten brief, en niet op den keurvorst, maar op dezen brief hadden zij hun ernstige, plechtige blikken gevestigd.
âKeurvorstelijke genade,quot; zei Konrad von Burgsdorf, terwijl hij trachtte zijn rood gezicht een deftige uitdrukking te geven, âik vraag verlof om deze heeren voor te stellen. Het zijn drie buitengewone gezanten van Beieren, van Saksen en van Kem maintz. Doze is de vrijheer von Straubing, gezant van den keurvorst van Beieren. De tweede is de graaf von Flemming, buitengewoon gezant van den keurvorst van Saksen en de derde is de vriiheer von Thümen, gezant van den keurvorst van Maintz.quot;
âEn wat wenschen de buitengewone gezanten der drie heeren keurvorsten van mij ?quot; vroeg de keurvorst.
âWij verzoeken de gunst, ieder een schrijven van onze heeren keurvorsten aan mijnheer den keurvorst van Brandenburg te mogen overhandigen,quot; antwoordde de vrijheer von Straubing, terwijl hij met statigen tred den keurvorst naderde en hem den brief aanbood.
Friedrich Wilhelm stak reeds de hand uit om hem aan te nemen, toen Burgsdorf zich haastig tusschen hem en den Beierschen gezant plaatste en dezen met eentrotsche beweging terug schoof.
âIk weet zeer goed wat tot mijn ambt behoort,quot; zei hij met luide, mokkende stem, âen gij, mijnheer de afgezant, weet ook zeer goed, dat men souvereine heeren niet zoo sans facon en sans cérémonie brieven in de hand stopt, als waren het minnebrieven eener minnares, wier schrift niemand anders zien mag. Zijn keurvorstelijke genade heeft echter in het heilige Duitsche rijk met geen der andere
Hl
heeren keurvorsten een bijzondere amour en ontvangt van hen geen geheime minnebrieven. Derhalve moet ik den heeren gezanten verzoeken hun brieven in mijn handen neder te leggen en ze mij ter verdere bezorging aan zijn keurvorstelijke genade over te geven.quot;
âWij vragen verschooning,quot; riepen de beide andere gezanten, nader tredende, âmaar wij hebben een uitdrukkelijk bevel dit schrijven aan zijn genade den heer keurvorst persoonlijk te overhandigen.
âGeef ze mij, mijne heeren,quot; zei de keurvorst, nogmaals de hand uitstekende, , ik ben bereid uw brieven te ontvangen.quot;
âNeen, heer keurvorst, ik mag dit niet dulden,quot; riep Burgsdorf met hoogrood gelaat, âhet is tegen mijn ambt, en ik zal niet toelaten, dat men zoo de etikette veronachtzaamt. üe heeren gezanten hebben gezegd, dat de heeren keurvorsten hun gelast hadden uwe keurvorstelijke genade deze brieven persoonlijk te overhandigen, maar zij hebben vergeten deemoedig en met betarnelijken eerbied uw genade de vergunning te verzoeken, den last hunner meesters te mogen uitvoeren, 't Is echter niet genoeg, dat de andere heeren keurvorsten een wil hebben, de heer keurvorst van Brandenburg heeft ook een wil, en daar hij de genade heeft gehad mij het ambt van opperkamerheer op te dragen, moet ik mijn ambt vervullen en elke overtreding der etikette weren. Genadige heer, ik verzoek voor de drie heeren gezanten, die hier eerbiedig voor u verschenen zijn, dat het hun vergund moge wezen de brieven in uwe handen te mogen neder-leggen. Wil de goedheid hebben mij te zeggen of ge hun de genade, welke zij verzoeken, verleenen wilt.quot;
âJa, heer opperkamerheer,quot; antwoordde de keurvorst glimlachend, ,.ik wil don heeren gezanten de vergunning geven, mij persoonlijk de brieven te overhandigen.quot;
Konrad von Burgsdorf wendde zich nu deftig tot de gezanten. âMijne heeren. zijn keurvorstelijke doorluchtigheid wil u goedgunstig toeslaan, haar zelve uw brieven te overhandigen. Treedt dus nader, zijn doorluchtigheid vergunt het u!quot;
De heeren gezanten naderden zichtbaar ontstemd, terwijl Burgsdorf met van vreugde stralend gelaat, in het volle gevoel zijner erkende waardigheid, ter zijde trad.
32
De keurvorst nam de drie brieven aan en brak den eersten open. Kalm glimlachend las bij den inhoud en legde den brief toen ter zijde.
âZijn do drie brieven gelijkluidend?quot; vroeg hij, terwijl hij den tweeden brief opende.
,.Ja, keurvorstelijke doorluchtigheid, volkomen gelijkluidend!quot;
âDan kan ik mij de moeite besparen ze te lezen, bet is dan voldoende, dat ik den brief van den keurvorst van Beieren heb gelezen. Hij is voorwaar in tamelijk hoogen en dreigenden toon opgesteld en beschuldigt mij van zonderlinge zaken.quot;
âBet zijn ook zonderlinge zaken, keurvorstelijke doorluchtigheid, die er aanleiding toe hebben gegeven,quot; antwoordde graaf von Flemming haastig. âDe keurvorstelijke gezant te Frankfort schijnt zeer wonderlijke nieuwigheden te willen invoeren, en . . .quot;
âMijnheer de graaf,'' viel de keurvorst hem in de rede, âgij wilt in den toon voortgaan, waarin de heeren keurvorsten mij geschreven hebben. Wij zullen u deze moeite besparen en in plaats van met u te twisten, een dispuut met den brief van uw meester beginnen. Mijnheer de opperkamerheer von Burgsdorf, lees mij eens deze plaats uit den keurvorstelijken brief voor, want zij is de kern van den inhoud, het overige zijn slechts beleefdheidsvormen.quot;
Hij reikte Burgsdorf den brief en wees hem met den vinger de bedoelde plaats aan.
Burgsdorf zette een deftig gezicht en las:
âWij hebben schier met verwondering uit de verslagen van onze raadslieden gezien, dat de Brandenburgsche afgezant op de vergadering der gedeputeerden te Frankfort bijna voortdurend alle conclusien, voornamelijk die door al de keurvorstelijke raden eenstemmig zijn genomen, geweigerd heeft te helpen voltrekken, zich verontschuldigende, dat hij geen instructies had. Wij hopen, dat Brandenburg niet voornemens is, in tegenspraak met de keurvereeniging en oude gebruiken, nieuwigheden in te voeren, vermits wat per majora besloten is, voltrokken moet worden. Wij zouden anders dit voor een gevaarlijk werk moeten houden, dat allerlei zeer nadeelige consequenties kan na zich slepen. Daarom
33
gevoelen wij ons verplicht dit te verhoeden, door Brandenburg te verzoeken bij de keurvereeniging en de loffe-lijke oude gebruiken te blijven, den keurvorst uitnoodigende hiertoe zijn gezant de vereischte instructies te geven ^ Overigens verblijven wij . .
âGenoeg,quot; viel de keurvorst in. âHet overige zijn formaliteiten, en wij hebben niet zooveel tijd als de heeren gezanten van het Duitsche Rijk te Frankfort, te Munster en te Osnabriïck, om ons daarmede bezig te houden. Ver neemt dus, mijne heeren, mijn antwoord op dit dreigend schrijven der heeren keurvorsten, en weest zoo beleefd, het goed te onthouden, daar ik niet voornemens ben schriftelijk te antwoorden! In de eerste plaats kunt gij den heeren keurvorsten berichten, dat Brandenburg zich niet laat afschrikken of bevreesd maken door dreigende woorden, en het voorwaar niet voldoende is, als de heeren keurvorsten mij verzoeken bij de oude gebruiken te blijven, mij te voegen en te onderwerpen aan hetgeen per majora is besloten en geen nieuwigheden tegen dit oude gebruik in te voeren. Zegt den heeren keurvorsten, dat het volstrekt niet in mijne bedoeling ligt mij lijdzaam te onderwerpen aan wat op de vergadering te Frankfort als elders per majora besloten is, dat ik wel degelijk den wil en het voornemen koester, nieuwigheden in te voeren. Zoo ik altijd de meerderheid wilde laten beslissen zou ik altijd bij de overige keurvorsten achterstaan en gedoemd zijn, zeer dikwijls tegen de bijzondere belangen van mijn land en volk te stemmen, mij zeiven te beperken of te belemmeren in datgene, waaraan ik en mijn land behoefte hebben. Ik weet wel, dat Keur-Brandenburg zeer weinig vrienden heeft in het Duitsche rijk en onder de Duitsche vorsten. Het is mij bekend, dat het de alge-meene leus is: Keur-Brandenburg niet te laten opkomen, en dat naar deze leus altijd de algemeene stemming der vorsten en hun gezanten zou uitvallen. Maar mijne leus is; Keur-Brandenburg te laten opkomen, het zijn rangen aanzien te geven in het Duitsche rijk en geen volgeling van anderen te zijn, mij niet door de meerderheid te laten beheerschen, maar moedig en vrij mijn eigen weg te gaan
1) Zie: Droysen, Geschichte der Preusischen Politiek, lil, erste Abthei-Inng, 218.
Mühlljach, De groote Keurvorst en zijn tijd. IJl. 3
34
en de geheele wereld mijn meening te openbaren. Het allerminst, mijne heeren, lust het mij, mij door de meerderheid op dezen depulatiedag te Frankfort te laten be-heerschen, die zich met veel zaken bemoeit, die deze vergadering volstrekt niet aangaan, en achterwege laat, die haar wel aangaan. Wij hebben den deputatiedag opgeroepen om over gemeenschappelijk Duitsch recht en justitie besluiten te nemen; maar in plaats daarvan houdt men er zich met allerlei andere zaken bezig, voornamelijk met confessioneele en godsdienstige kwestiën, die toch in de vergaderingen te Munster en Osnabrück moeten beslist worden. Bijgevolg handelt mijn gezant te Frankfort zeer goed, dat hij met de Frankforter heeren niet instemt en niet aanneemt, wat niet te Frankfort beslist moest worden. â Verder verzoek ik den heeren gezanten, den heeren keurvorsten mijnentwege te zeggen, dat zij verzekerd kunnen zijn, dat ik gaarne bereid ben in overeenstemming met hen datgene te doen, wat ten beste van het rijk noodig is. 1) Dat is mijn antwoord op het gemeenschappelijk schrijven der heeren keurvorsten, en hiermede, mijne heeren zijt gij ontslagen!''
Hij groette hen met een lichten hoofdknik en bleef toen trotsch en met opgericht hoofd staan, terwijl de gezanten diep bogen en statig met somber gelaat het vertrek verlieten. De opperkamerheer von Burgsdorf volgde hen met triomfeerende houding, doch reeds na weinige minuten kwam hij in het kabinet terug.
âDoorluchtigheid,quot; zeide hij vergenoegd, â'tis heden werkelijk de dag van groote audientiës, naar het schijnt. Uw gezant uit Frankfort bevindt zich in de voorkamer en buitendien nog twee andere heeren, een gezant van keizer Ferdinand en een gezant van den koning van Frankrijk. Wien moet ik het eerst ten gehoore toelaten?''
âDengene, die het recht heeft, overal den voorrang te hebben,quot; antwoordde de keurvort. âDen gezant van den keizer.quot;
Burgsdorf ging heen, en keerde spoedig terug, vergezeld van een ernstig, trotsch heer, in groot Spaansch hofcostuum.
âKeurvorstelijke doorluchtigheid,quot; zeide hij, Friedrich
1
Eigen woorden van den keurvorst. Zie: Droysen. 282.
35
Wilhelm dicht naderende en zich diep buigende, âde heer graaf von Trautmannsdori; gezant zijner majesteit keizer Ferdinandus, wenscht op zijn doorreis naar Osnabrück aan zijn doorluchtige genade te worden voorgesteld.quot;
âGij zijt het dus, heer graaf, dien zijn Duitsche majesteit naar Osnabrück heeft gezonden,quot; riep de keurvorst levendig. âWaarlijk, ik wensch het Duitsche rijk en geheel Europa er geluk mede, want het is de geheele wereld bekend, dat de graaf von Trautmannsdorf niet alleen een zeer beschaafd, edel en vertrouwd heer is, maar hij is ook bekend om zijn humanen en rechtschapen geest. Zulke mannen hebben wij vooral in de vergaderingen te Munster en Osnabrück noodig, waar al de kwestiên van Europa en het Duitsche Rijk zullen beslist worden.quot;
âUw keur vorstelijke genade doet mij te veel eer aan,quot; zei de graaf glimlachend. âIk zal echter trachten de goede meening uwer keurvorstelijke genade een weinig te verdienen, en als bemiddelend en verzoenend element van Osnabrück naar Münster heen en weder reizen tusschen de twistende partijen.quot;
âDat zal wel noodzakelijk zijn, graaf, zei de keurvorst vriendelijk. âBreng den heeren gezanten voor alle dingen slechts daarheen, dat zij zich met de hoofdzaken bezighouden en zich niet met bijzaken inlaten, niet over rang en titel twisten, maar aan hun ernstigen en gewich-tigen arbeid denken. Geheel Europa heeft het oog op de vergadering te Munster en Osnabrück gericht, alle volken verwachten er den vrede en de vrijfieid der verschillende godsdiensten van, de verzoening van alle twistpunten van kerk en belijdenis. Welk een indruk moet het maken als men ziet, dat deze heeren, die aan vorsten en volken den vrede zullen geven, beginnen met onder elkander te twisten over allerlei nietige etikette-kwestiën. Doe dit den heeren toch begrijpen, heer graaf von Trautmannsdorf, zeg den vertegenwoordigers der groote mogendheden, dat zij niet te veel begeeren en zich niet al te hoog verheffen moeten, zeg den vertegenwoordigers der kleine staten en vorsten, dat zij niet aanmatigend moeten zijn en zij geen volkomene gelijkstellng met de grooten moeten vorderen.quot;
âDoorluchtigheid, ik zal uw bevelenen hoogwijze raadgevingen getrouw uitvoeren,quot; antwoordde graaf von Traut-
36
mannsdorf diep buigende. âUw keui'vorstelijke genade zal mij echter hoop ik, ook veroorlooven, dat ik mij niet met mijne voorstellingen tot den gezant uwer keurvorstelijke doorluchtigheid moge wenden?quot;
âZoo hij dit door zijn handelingen verdient, doe het, heer graaf. Alleen verzoek ik u, indachtig te zijn, dat hij een geheel andere taak heeft dan al de overige heeren. Het keurvorstendom Brandenburg is het jongste der keur-huizen en tot nog toe is het ook het kleinste en minst beduidende. Ik weet wel, dat men het gaarne zoo klein en onbeduidend zou willen laten en het nog meer terugzetten. Maar ik zeg u, dat ik zelf het tegendeel wil, en dat ik begeer evenveel te zijn en dezelfde rechten eisch als de andere heeren. Is Keur-Brandenburg nog klein, welnu, dan volgt hieruit dat het moet groeien; dat men het zijn jeugd verwijt, is een gebrek, dat met den dag betert; daarom mag men zijn aangeborene rechten niet verkorten.quot;
âEn niemand denkt er aan dit te willen, doorluchtigheid,quot; riep graaf Trautmannsdorf levendig. âHet allerminst wil dat zijn keizerlijke majesteit. Hem ligt er veel aan gelegen, dat uw doorluchtigheid vooral met betamelijke achting en verschuldigden eerbied worde bejegend, want zijne majesteit heeft een bijzondere genegenheid voor uw genade, en wenscht zoo zeer uw genade hoog verheven to zien, dat zijn majesteit met vreugd bereid zou zijn den heer keurvorst hierin behulpzaam te wezen.quot;
âIndien zijn keizerlijke majesteit werkelijk zoo gunstig jegens mij gezind is, durf ik aan een gelukkigen uitslag niet twijfelen,quot; riep de keurvorst glimlachend.
âUw genade zou hem echter bok moeten bewijzen, dat het haar eveneens ernst is den keizer genegen te zijn om met hem in goede vriendschappelijke verstandhouding Ie staan.''
âIk zou mij gelukkig achten, zoo ik de gelegenheid vond, dit te bewijzen,quot; viel Friedrich Wilhelm hem schielijk in de rede.
âDoorluchtigheid,'' ging de graaf voort, .,de gelegenheid voor zulk een bewijs biedt zich nu aan, zoo uw doorluchtigheid mij wil vergunnen er haar opmerkzaam op te maken.quot;
âDoe dit, graaf, ik verzoek het u!quot;
37
âGenadige heer, gij zoudt zijn keizerlijke majesteit het host uwe gehechtheid kunnen bewijzen, zoo ge openlijk de geruchten tegenspraakt, die zeggen, dat uw genade naaide hand der jonge koningin van Zweden dingt!quot;
âZoo de geruchten dit zeggen, dan liegen ze inderdaad,quot; antwoordde de keurvorst bedaard. âIk verzoek u aan zijn keizerlijke majesteit te zeggen, dat ik het geenszins ben, die naar de hand der koningin Christina, mijn lieve nicht, ding. Zoo er soms sprake van mocht zijn, dat een echtverbintenis tusschen Christina en mij mogelijk was spruit dit voort, door dat de vader der koningin, mijn hoogzalige oom, Gustaaf Adolf zulk een verbintenis wenschte en zijn dochter tot mijn gemalin bestemde. Hij heeft in zijn testament dit verlangen uitdrukkelijk kenbaar gemaakt en in den Zweedschen rijksraad zijn zeker nog wel eenige trouwe dienaars van den overleden heer, die meenen dat men den wil van den grooten koning moet volbrengen.quot;
âUw doorluchtigheid wil dus zeggen, dat het de Zweden zijn, die een echtverbintenis van hun koningin met uw doorluchtigheid wenschen ?quot;
âIk wil volstrekt niets zeggen heer graaf, maar slechts verklaren hoe zulke geruchten kunnen ontstaan, zelfs zoo het tegenwoordige misschien volsh'ekt geen bijzondere aanleiding geeft. Ik wil evenwel niet zeggen, dat een huwelijksverbintenis met de koningin Christina, die bovendien een jonge, schoone en uitstekend beschaafde dame is, mij niet zeer aangenaam en welkom zou zijn, maar ik wil u slechts doen opmerken, dat van een persoonlijk aanzoek mijnerzijds geen de minste spraak is, zoolang de Zweedsche heeren zoo volstrekt tegen mij zijn en mij zelfs mijn erfland Pommeren willen betwisten.quot;
âMaar zoo de Zweedsche heeren uwe doorluchtigheid het erfland Pommeren niet langer betwisten, zou uw doorluchtigheid tot een huwelijk met de koningin Christina zeker wel genegen zijn? Dat nu is het, wat niet alleen zijn keizerlijke majesteit, maar ook den koning van Polen bevreesd maakt.quot;
âWaarom,quot; vroeg Friedrich Wilhelm met een lijn lachje, âwaarom willen beide majesteiten mij de eer aandoen, zich voor een huwelijk van mij met de jonge koningin van Zweden bevreesd te maken? Wat kan het zulke
38
groote, machtige heeren schelen, met wie de kleine en tot hiertoe nog zeer machtelooze keurvorst van Brandenburg zich in den echt begeeft ?quot;
âDen keizer van het Duitsche Rijk, zoowel als den koning van Polen, is er alles aan gelegen, dat zulk een uitstekend en edel vorst als uw doorluchtigheid zich niet mei hun vijanden verbindt en hierdoor van het Duitsche Rijk afgewend en vervreemd wordt. Immers de gemaal der koningin van Zweden zou ophouden een Daitsch vorst te zijn; Zweden is een groote, machtige staat, waarin de keur-mark Brandenburg zou opgaan en verdwijnen. Duitsch-lands gebied zou er niet door vergroot worden, maar het gebied van Zweden zich nog verder in Duitschland uitstrekken, en in den keurvorst van Brandenburg, als koning van Zweden, zou de vijand van den duitschen keizer en de vijand van den koning van Polen een machtig hootd bekomen ! Deze gedachte is het, die den keizer en den met hem bevrienden koning van Polen verontrust, en in beider naam moet ik u verzoeken van dit huwelijk af te zien.quot;
âHet is mij zeer gemakkelijk van een zaak af te zien, waarop ik nooit het oog heb gehad,quot; antwoordde de keurvorst glimlachend. âIk herhaal u, graaf Trautmanns-dorf, dat ik niet ding naar de hand der koningin van Zweden; ik heb in 't algemeen nog volstrekt geen lust om te trouwen.quot;
âDoorluchtigheid, het zou evenwel voor u, voor uw land en voor uw vrienden een zeer gelukkige gebeurtenis zijn, zoo gij in het huwelijk trad. Wel is waar zoudt gij een gemalin moeten kiezen, die u als bruidschat aanzienlijke goederen, voorname familiebetrekkingen en machtige vrienden aanbracht.quot;
âMaar waar zou zulk een gemalin voor mij te vinden zijn ?quot; zei de keurvorst de schouders ophalende.
âDoorluchtigheid, ik weet zulk een gemalin. Het is de aartshertogin Maria Anna van Oostenrijk, de dochter van keizer Ferdinandus. Zijne keizerlijke majesteit wil de aartshertogin een bruidschat geven, gelijk de dochter van een keizer voegt, hij wil haar zoo rijk aan goud en goederen maken, dat haar vermogen grooter zal zijn dan dat der koningin van Zweden. Gij ziet wel, doorluchtigheid, dat de keizer u waardeert, want hij biedt u de hand zijner geliefde dochter, hij wenscht den keurvorst Friedrich
:39
Wilhelm van Brandenburg zijn geliefden schoonzoon te noemen, wenscht hem groot en machtig te maken voor geheel Dnitschland, hem eer en aanzien te geven voor geheel Europa. Zeg slechts, genadige heer, of gij dezen vertrouwelijken wenk gunstig opneemt, of ge komen zult om aanzoek te doen naar de hand van des keizers dochter.quot;
âWaarlijk, graaf, gij verblindt mijne oogen door mij zulk een glansrijke toekomst te doen zien, die even schitterend is als de zon zelve. De kleine keurvorst van Brandenburg zou de schoonzoon worden van den verheven, machtigen keizer van Duitschland, zou door diens genade, geheel zonder eigen poging of verdienste, tot macht en aanzien komen voor geheel Europa! Ik herhaal u, graaf, mijn oogen zijn verblind door dit schitterend uitzicht.quot;
.,Uw genade neemt dus mijn voorstel aan?quot;
âHoe kunt gij dit nog vragen, graaf! Alsof iemand de poorten van 't paradijs voor zich zag openen, en in plaats van er in te gaan, buiten bleef staan! Ik zou des keizers schoonzoon worden, de gemaal der schoonste, beminnelijkste en rijkste prinses! En deze prinses wil er toe besluiten tot mij af te dalen, niet alleen mij het offer te brengen, dat zij mijn hand aanneemt, maar om mijnentwille van haar godsdienst afstand doen en tot die van mijn huis over te gaan?quot;
âHoe doorluchtigheid?quot; vroeg de graaf, wiens van vreugd stralend gelaat eensklaps een ernstige, verschrikte uitdrukking aannam; âmeent ge dat de aartshertogin Maria Anna haar godsdienst zou verlaten?quot;
âHebt ge mij niet gezegd, graaf, dat de keizer mijn aanzoek om de hand der aartshertogin niet afwijzen, maar mij in zijn welwillendheid en genade als schoonzoon aannemen zou?''
âJa, doorluchtigheid, dat heb ik gezegd, maar . .
âNu ligt hierin niet zonder woorden duidelijk opgesloten, dat de aartshertogin Maria Anna van godsdienst veranderen en de gereformeerde geloofsbelijdenis aannemen zal?''
âNimmer!quot; riep graaf Trautmannsdorf geheel ontsteld. âDe aartshertogin zou het katholiek geloof afzweren en gereformeerd worden? Dat is onmogelijk!quot;
âOnmogelijk, heer graaf?quot; vroeg de keurvorst vriendelijk. âIk herhaal/hebt ge mij niet gezegd, dat de keizer wilde vergunnen, dat de aartshertogin mijn gemalin zou worden.
40
en ligt hierin niet van zelve haar verandering van godsdienst opgesloten ? Want zijn keizerlijke majesteit heeft zeker niet vergeten, dit punt in overweging te nemen, en weet, dat in het huis Brandenburg, hoe klein hel ook is, even als in het machtige huis van Habshurg, een familie-wet bestaat, krachtens welke de gemalin van het regee-rend hoofd der familie de godsdienst van haar gemaal moet belijden. Ik voeg nog hier mijn bepaalde meening bij, dat het voor een genoegelijk en gelukkig huwelijk een vereischte is, dat beide echtgenooten denzelfden godsdienst belijden, en ik stellig besloten heb nooit met een prinses in het huwelijk te treden, die niet dezelfde geloofsbelijdenis met mij heeft. Maar ik hoop, dat dit geen hinderpaal voor mijn huwelijk met de prinses zal zijn, en de keizer genadiglijk toestaat, dat de prinses tot de geloofsbelijdenis van mijn huis en familie overga!quot;
âUwe doorluchtigheid, hoop dat niet!quot; riep de graaf. âEen aartshertogin van Oosteni ijk mag nooit den godsdienst van haar huis en familie verlaten, en nooit zou de keizer hiertoe zijn bewilliging geven. Maar er zou, zoo uw genade hierop volstrekt staat, nog een ander middel zijn om gelijkheid van godsdienst te bewerken. De aartshertogin is katholiek, en wel vroom katholiek. Hoe onuitsprekelijk gelukkig zou het haar maken en welk een groot bewijs van liefde zou het voor haar zijn, zoo uw doorluchtigheid kon besluiten . .
âIk hoop niet,quot; viel de keurvorst hem ernstig en streng in de rede, âdat gij mij zult voorslaan, dat ik het zou zijn die van godsdienst verander! Neen, ik ben overtuigd, dat gij 'tniet wagen zult mij dit voorstel te doen. Ik zeg u slechts uit vrije beweging en zonder andere aanleiding, dat niets ter wereld in staat zou zijn mij te bewegen van godsdienst te veranderen!,' ^
âDat wil zeggen,quot; zuchtte de graaf treurig, âdat een huwelijk van de aartshertogin Maria Anna met u onmogelijk is!quot;
âAls dat zoo is, graaf, verzoek ik u niet te vergeten, dat niet ik het ben, die het onmogelijk maak!'' riep de keurvorst levendig. âIk zou mij gelukkig achten een gemalin uit de handen van den keizer te ontvangen; maar men
3) Eigen woorden van den keurvorst: Pöllnitz, Mémoires, etc. I, 44.
41
moet niet* vorderen dat ik, om ditquot;geluk te verkrijgen, mijn geweten bezwaar en ik voor God, voor mijn volk en voor mij zeiven zou moeten blozen. Zeg dit den keizer, zeg zijne majesteit, dat ik zeer gevoelig ben voor de hooge eer, welke hij mij genadiglijk heeft toegedacht, en het waarlijk mijn schuld niet is, indien ik er mij aan moet onttrekken. De godsdienst staat hooger dan al het aardsch geluk en alle wereldsche eer, en 'tis de godsdienst die mij de hand der aartshertogin onthoudt. Dit moge zijn keizerlijke majesteit genadiglijk bedenken en mij steeds genegen blijven. Verzoek dit mijnentwege keizer Ferdinand, en geef hem bovendien van mij de verzekering dat ik geen gemalin zal kiezen uit eenig huis, welks belangen met die van het keizerlijke huis in strijd zouden zijn; maar dat ik steeds zal trachten zijne majesteit te bewijzen, dat ik den oprechten wensch koester haar genegenheid waardig te blijven. Hebt ge mij overigens namens zijne majesteit nog iets te zeggen en te bevelen?quot;
âNeen, doorluchtigheid,quot; zei de graaf zuchtend. âIk heb de eer mij bij uw genade aan te bevelen, en verzoek mij te mogen verwijderen!''
âGa, graat Trautmansdorf, en moge uw moeielijk werk te Osnabrük en Munster niet zoo schipbreuk lijden als mijn vooruitzichten voor de toekomst.quot;
âDoorluchtigheid, gij beschuldigt mij . . .quot;
âIk beschuldig niemand, en hoop dat gij het evenmin doet. De omstandigheden zijn vaak sterker dan des men-schen wil en wensch. Hieruit kan men leeren ootmoedig te zijn en zich naar de omstandigheden te voegen. Gij kunt gaan, graaf!quot;
Hij groette hem vriendelijk en zag den zich haastig en zwijgend verwijderenden graaf met een fijnen glimlach na, terwijl hij, de armen gekruist nadenkend en peinzend in zijn kamer bleef staan.
âAfgewezen, volkomen afgewezen,quot; zei Burgsdorf, die den gezant slechts de deur had geopend en in het kabinet was gebleven. âGenadige heer, ik betreur op dit oogen-blik slechts één ding.quot;
âNu, en dat is, Burgsdorf?quot;
âIk betreur, doorluchtigheid, dat uw genade mijn zoon niet zijt, en ik met uw genade niet mag spreken zooals een vader zou doen!quot;
42
âWaarlijk, ge maakt mij bang!quot; riep de keurvorst lacliend. âMij dunkt dat ge mij dreigt. Zeg eens, oude Burgsdorf, ge zoudt mij zeker duchtig de les lezen, zoo ik uw zoon was. Ik kan 't mij verbeelden, want ge waart steeds goed keizersgezind, beschouwt den keizer nog altijd als opperheer en vindt het dus afschuwelijk, dat ik niet deemoedig des keizers bevelen gehoorzaam. Daarover zoudt ge mij willen kapittelen niet waar ?quot;
âNeen, doorluchtigheid, daarover niet. Ik ben volstrekt niet keizersgezind en zou u niets kwaads, maar slechts liefs en goeds zeggen, zoo ge mijn zoon waart!quot;
âEn wat dan? Ik geef u verlof mij als uw zoon te behandelen, in zekeren zin ben ik dat immers. Gij hebt mij dikwijls genoeg op uw armen gedragen, toen ik een kind was, gij hebt mij geleerd het zwaard te voeren, het ros te temmen en een hert en ree te schieten. In alle ridderlijke oefeningen zijt gij mijn leermeester geweest, en hierbij liefderijk en feeder, soms ook streng en toornig, te werk gegaan. Laten wij ons dus eens verbeelden dat ik uw zoon ben en spreek gij tot mij als mijn vader!quot;
âGij veroorlooft het mij,doorluchtigheid?quot;
âIk verzoek het u, oude vader Burgsdorf.quot;
âNu,quot; riep Burgsdorf, met uitgebreide armen op den keurvorst toetredende, âmijn zoon laat mij u omhelzeu, zie deze vreugdetraan in mijn oogen, voel het kloppen van mijn vroolijk bewogen hart! ik ben trotsch op u, mijn zoon, ik ben gelukkig door u en voorspel u een groote, heerlijke toekomst! Want hoewel ge jong en driftig zijt, bezit ge toch het overleg en de wereldkennis van een grijsaard, hoewel ge naar roem en macht dorst, schat ge toch uw eer en onafhankelijkheid hooger dan al het overige,quot; gij hebt God de eer gegeven, door de eer te weigeren de gemaal van de keizerlijke prinses te worden. Mijn zeer geliefde, dierbare zoon, gij zijt waarlijk de vreugd en lust van mijn hart, en het sprong straks op van blijdschap, toen gij op zulk een heerlijke wijze afsloegt de schoonzoon, dat wil zeggen, de onderdanige dienaar en knecht, van den heer keizer te worden, Ik heb u heel goed verstaan en begrepen, mijn zoon, en weet,dat, hoewel gij een goed en vroom christen zijt, het verschil van godsdienst niet de eenige reden was, waarom gij niet de gemaal van de keizerlijke prinses wilt zijn. Gij wist zeer
43
goed, dat de keizerlijke schoonzoon hot commando moet gehoorzamen, en zoo gij dit niet doet, als muiier beschouwd en aan land en volk gestraft -wordt. Maar ge wildet keurvorst der mark Brandenburg blijven, vrij zijn te handelen naar het welzijn van uw volk en geliik uw land dit eischt cn vordert! Mijn geliefde zoon, ik wilde dat mijn oude lippen de frischheid en zoetheid van jeugdige meisjeslippen hadden, ik zou u dan kussen en omhelzen in vaderlijken lust des harten.quot;
âDoe dat, vader,quot; zei Friedrich Wilhelm hartelijk, Burgs-dorf zijn wang aanbiedende; âkus mij, âwie weet of jeugdige meisjeslippen het wel zoo eerlijk zouden doen als de uwe, vader Burgsdorf. Het doet mij goed u zoo te noemen, en ik verzoek u mij altijd als uw zoon lief te hebben.quot;
âIk heb niets op de wereld wat ik zoo bemin als u heer!quot; riep de oude Burgsdorf, terwijl de tranen over zijn roode wangen rolden. âIk ben gescheiden van mijn twistzieke vrouw en haar dochter, en ik kan u met geheel mijn hart aanhangen. Vertreedt het niet, heer, acht het niet gering!quot;
âGij ziet immers, dat ik het niet doe, oude, want met u is mij iets gebeurd dat mij zelden overkomt: mijn hart heeft zich voor u geopend. Ik bid u mij ook eerlijk en openhartig als een vader ter zijde te staan en mij nooit uwe meening te verbergen.quot;
âDat beloof ik u, heer! Maar laat mij nu weder in mijn kamerheersambt terugkeeren. Genadige heer, veroorlooft gij mij den Franschen heer binnen te leiden ?quot;
De keurvorst knikte vriendelijk glimlachend, en Burgsdorf spoedde zich om de deur der antichambre te openen.
V.
DE GEZANT VAN FRANKRIJK.
âDe heer markies d'Avaux, gezant van zijne majesteit den koning van Frankrijk, gelieve binnen te komen,''riep Burgsdorf met luide stem. ,|Zijn doorluchtigheid is bereid den heer gezant te ontvangen.quot;
44
Een klein, sierlijk heer in hemelsblauw lluweelen rok, lijk met goud geborduurd, den gouden staatsiedegen op zijde, kwam het kabinet binnen en maakte, aan de deur staan blijvende, drie diepe ceremonieele buigingen. Toen trad hij langzaam voorwaarts en hield eerst dicht bij den keurvorst stand, terwijl hij nogmaals zoo diep boog, dat de lange bruine haarlokken van zijn hoofd als een dicht bosch over zijn gelaat vielen.
âMijnheer de Markies d'Avaux,quot; zei de keurvorst, âik verheug mij u weder te zien en te begroeten, want ge weet nog wel, dat toen wij elkander het laatst zagen, gij meendet dat de dood mij op de hielen zat en ik hem niet meer kon ontgaan.quot;
âJa, doorluchtigheid,'' antwoordde de markios glimlachend, âdat herinner ik mij nog. Onze spionnen en berichtgevers hadden gezegd, dat uw vijanden en tegenstanders in Polen een complot tegen uw genade gesmeed en moordenaars omgekocht hadden, die uw doorluchtigheid op den weg naar Warschau in het bosch van Jablunka zouden vermoorden. In den angst mijns harten voor uw doorluchtigheids dierbaar leven, reisde ik dag en nacht met postpaarden van Hamburg naar Koningsbergen, om uw doorluchtigheid te waarschuwen en te smeeken van deze gevaarlijke reis af te zien.quot; 1)
âToch ondernam ik die reis in vertrouwen op God en mijn goede zaak,quot; zei de keurvorst met vlammend gelaat; âen gij ziet, heer markies, dat dit vertrouwen niet beschaamd is. Ik leef nog en hoop nog een lang leven voor mij te hebben.''
âEen lang, roemrijk leven, doorluchtigheid, een leven dat uw vrienden tot vreugd en bewondering, uw vijanden tot schrik en angst moge strekken. Toen ik destijds uw doorluchtigheid, in weerwil van mijne waarschuwingen zoo vast besloten zag, en uw genade toch met vroolijken moed de reis aanvaardde, was het mij of een oogenblik de sluier der toekomst voor mij werd opgeslagen en ik er den keurvorst van Brandenburg als een roemrijken met lauweren bekroonden held vol macht en aanzien voor mij zag! Ik schreef toen aan het hof te Versailles: de jonge
1
Zie: Droysen: Geschichte der Preussischen Politik. III. Erste Abthie-lung, 245.
45
keurvorst van Brandenburg zal niet, gelijk zijn voorgangers, de nederbuigende vazal van Polen, de gehoorzame onderdaan van den keizer van Duitschland blijven, hij zal zijn eigen weg gaan en zich vrij maken van alle onderdanigheid en dwang.quot;
âIk dank u voor uw goede raeening,quot; zei de keurvorst glimlachend. âHelaas, uwe voorspelling is tot heden nog niet vervuld. Ik ben nog altijd de vazal van Polen, en zoo ik mij tegen den keizer van Duitschland wilde verzetten, zou mij dit .zeker geheel ten gronde richten, en mij slechts den spot en hoon van geheel Europa op den hals halen.quot;
âNeen, genadige heer,quot; riep de Markies levendig, âhet zou u de bewondering van geheel Europa brengen, en Frankrijk zou gaarne bereid zijn den moedigen/jongen vorst te beschermen, die het openlijk waagt zich tegen den heerschzuchtigen en naar land dorstenden Duitschen keizer te verzetten.quot;
âIk hoop, dat gij niet gekomen zijt om mij zulk een voorstel te doen?'' vroeg de keurvorst haastig. âIk hoop, dat ge niet denkt, dat ik zoo mijn plicht en stelling zou kunnen vergeten, om den Keizer van Duitschland en het heilige Roomsch Rijk niet dien| eerbied en trouw te bewijzen, die ik als Duitsch vorst het opperhoofd van alle Duitsche vorsten schuldig ben ?'
âDoorluchtigheid, ik waag het niet uwe genade een voorstel te doen,quot; antwoordde de markies d'Avaux de schouders ophalend; âmaar ik heb de overtuiging, dat zoo de keurvorst van Brandenburg en hertog van Pruisen tot macht en aanzien wil geraken, hij dit niet met den wensch en wil van den keizer bereiken kan.quot;
âEn zijt gij alleen om mij dit te zeggen van Hamburg naar hier gekomen?quot;
âNeen, doorluchtigheid, ik heb mij van Hamburg naar Munster begeven, om op het congres der Europeesche oorlogvoerende mogendheden Frankrijks kroon te vertegen-woogdigen. Van daar ben ik echter hier gekomen, om uw doorluchtigheid van wege zijn eminentie den kardinaal Mazarin mijn opwachting te maken en uw doorluchtigheid de verzekering van zijn hoogste symphatie en bewondering over te brengen. Mijnheer de kardinaal heeft met de moeste voldoening den brief gelezen, dien uw genade
40
bij de meederjarigverklaring van Frankrijks koning aan deze geiiclit heeft.quot;
âHa!quot; riep de keurvorst glimlachend, âde jonge koning Lodewijk XIV laat dus nog, in weerwil zijner meerderjarigheid, den heer kardinaal de Mazarin de aan hem gerichte brieven lezen?quot;
âDe koning stelt zulk een groot vertrouwen in den ijver en de bekwaamheid van den heer kardinaal, dat hij niets zonder diens raad en bijstand beginnen en niets aan het bestaande veranderen wil.quot;
âWat zooveel wil zeggen, dat de kardinaal de Mazarin de regent van Frankrijk blijft! Ik dank u, markies, voor dit bericht. Wilt ge mij nu zeggen, waarom de kardinaal zoo tevreden is geweest over mijn brief aan den jongen koning van Frankrijk?''
âAls uwe doorluchtigheid dat beveelt, zal ik het zeggen, hoewel ik weet, dat uwe doorluchtigheid het wel weet.quot;
âNu ja, ik denk dat het zijn eminentie aangenaam was dat ik den koning van Frankrijk aansprak met een titel, die de Duitsche keurvorsten anders slechts aan hethootd van het Duitsche Rijk, den keizer van üuitschland, plegen te geven. Ik heb hem ^majesteitquot; genoemd!''
âJa, uw doorluchtigheid heeft den koning van Frankrijk dien eeretitel verleend. Hiermede heeft uw doorluchtigheid zoowel den koning als dsn kardinaal zeer verheugd en verrast, en bij beide hooge heeren den wensch doen ontstaan zich jegens uw doorluchtigheid dankbaar te betoonen en haar het bewijs te geven der sympathie, die Frankrijk voor het keurhuis Brandenburg voedt.quot;
âHet is mij aangenaam dit te hooren,quot; zei de keurvorst haastig, âte meer omdat zich juist een goede gelegenheid aanbiedt mij zulk een bewijs van sympathie te geven. Mijn gezant le Munster klaagt zeer over den trots der andere heeren gezanten aldaar en te Osnabrück, en acht zich bezwaard, dat niemand hem de eer en de titels doet toekomen, die hij zelf aan ieder dier heeren bewijst. Frankrijks gezant, baron Servien, is hierin niet gewilliger dan de andere.quot;
âDoorluchtigheid, ik heb bevel den baron Servien te Osnabrück en Munster instructiën te geven en hem ter zijde te staan; en ik beloof u, dat van nu af de gezant uwer keur vorstelijke doorluchtigheid zich van Frankrijks
47
genegenheid en welwillendheid kan overtuigd houden. Veel is er Frankrijk aan gelegen dat uw genade aanzijn vriendschap en genegenheid gelooft en u overtuigd houde dat het gaarne bereid is met Brandenburg een nauwer verbond te sluiten. Zijne eminentie den kardinaal de Mazarin zou niets aangenamer zijn, dan dat uw doorluchtigheid hem de verzekering gaf, dat de geruchten van uw huwelijk met de koningin van Zweden ongegrond zijn, daar door zulk een huwelijk uw rust en veiligheid bedreigd
1 gt;gt; O O
worden.
âOm welke reden zou dit gebeuren, beer markies?quot;
âDoorluchtigheid, zulk een machtsvergrooting van den keurvorst van Brandenburg zou alle andere Duitsche vorsten ijverzuchtig maken, en al te veel het status quo van Europa veranderen.quot;
âEn meent gij, dat alleen de Duitsche vorsten mijn huwelijk met de koningin van Zweden ongaarne zouden zien?'' vroeg de keurvorst met een lijnen glimlach.
,,Ook de zeemogendheden zouden op den jongen koning van Zweden, die ook hertog van Pommeren en Pruisen zou zijn en daardoor de geheele Oostzee beheerschen, in achterdocht en ijverzucht vervallen.''
âEn Frankrijk, mijnheer de markies?quot;
âDoorluchtigheid, Frankrijk behoort niet tot de zeemogendheden, en zoo het den dringenden wensch voedt, dat uw genade niet met de koningin van Zweden in den ⦠echt treed, geschiedt dit alleen om die groote bewondering en vriendschap, die, zoowel de koning van Frankrijk, als de kardinaal^ de Mazarin voor ugevoelen; een bewondering, die zoo ver gaat, dat men alles wil aanwenden om uw genade duurzaam aan Frankrijk te verbinden. Ook Fi ank-rijk heeft de hand eener jonge, schoone en rijke prinses te vergeven, en zou met vreugd bereid zijn, ze den keurvorst van Brandenburg toe te staan. De hertog Gaston van Orleans, de oom van mijn koninklijken meester, heeft een dochter, en hoewel vele Italiaansche en Spaansche vorsten naar haar hand dingen, zou de heer kardinaal aan een huwelijk met uw genade, boven elk ander aanzoek de voorkeur geven. Dit is het, wat zijn eminentie mij heeft opgedragen, u in vertrouwen mede te deelen, zoo het uw doorluchtigheid mocht behagen aan dezen wensch gehoor te geven.quot;
48
âGij verrast mij inderdaad,quot; zei de keurvorst levendig. âVergeef mij mijn oprechtheid, als ik beken dat ik nog nooit aan deze prinses gedacht en nauwelijks van haar beslaan gehoord heb.''
âDoorluchtigheid, gij spreekt hiermede den grootsten lüf uit voor de prinses van Orleans. Zij isjong en schoon, van koninklijke huize, de nicht van den koning van Frankrijk, rijk gezegend met goederen, zij leeft aan het schitterendste hof van Europa en toch heeft men niets van haar welen te zeggen. De babbelzucht heeft het niet gewaagd iels van de edele vorstelijke maagd te zeggen, die in bekoorlijke zeiligheid en bescheidenheid slechts in den engsten kring van familie en hof haar lieftalligheid en minzaamheid ten toon spreidt.''
âWaarlijk, markies, gij spreekt van een wonder van maagdelijke schoonheid, en ik beklaag mij innig, dat ik het geluk niet kan hebben deze bekoorlijke prinses van aangezicht tot aangezicht te zien.quot;
âVergun mij, doorluchtigheid, u het portret der prinses van Orleans te toonen,quot; zei de markies verheugd. Hij haalde uit zijn borstzak een rood etui, dat hij opende en daaruit een tamelijk groot medaillon te voorschijn bracht.
âDoorluchtigheid,quot; zeide hij, terwijl hij het den keurvorst overhandigde, âzie hier het welgelijkend portret van de prinses Louise van Orleans.''
De keurvorst nam het en beschouwde het lang en opmerkzaam. âInderdaad,quot; riep hij toen, âdit is een prinses ' van buitengewone schoonheid. Gelukkig de man, die dit liefelijk vrouwenbeeld zijn gemalin mag noemen.''
âDoorluchtigheid,quot; fluisterde de markies, âhet hangt slechts van uw genade af, om dit geluk deelachtig te worden. De kardinaal de Mazarin verzoekt u, als u het portret der prinses bevalt, het als een klein geschenk van zijne hand aan te nemen en hem daarvoor een tegengeschenk te geven.quot;
âWelk geschenk, heer markeis?quot;
âZijne eminentie verzoekt uwe doorluchtigheid hem uw welgelijkend portret te willen zenden, opdat de kardinaal het aan de prinses van Orleans kan verloonen.''1)
âOpdat de prinses mij zou kunnen versmaden en hespol-
1
Historisch. Zie : Droysen, Geschichte iler preussische Politik, III, 2R5.
49
ten, den kleinen leelijken keurvorst van Brandenburg, niet waar ? Neen, heer markies, ik zal mij niet aan dat gevaar blootstellen, en mijn portret niet zenden aan een dame van welke ik vooraf overtuigd ben, dat zij het minachten zal. Gij hebt mij het portret getoond van een engel, van een beminnenswaardige fee, en ik zou zoo vermetel zijn het mogelijk te achten, dat deze fee zich zou vernederen om de gemalin van een armzaligen kleinen zoon der aarde te worden, die in vergelijking van het schitterende Fransche hof slechts als een kleine landjonker in zijn zandige Mark leeft en die verwende prinses fee zelfs geen haar passend huis tot woning kan aanbieden?quot;
âUw genade wijst dus af? Gij wilt den heer kardinaal uw portret niet zenden?quot;
âAan den heer kardinaal met groot genoegen; zoodra ik een schilder heb gevonden die mijn beeltenis getrouw kan weergeven. Maar het mag niet bestemd zijn voor de schoone prinses van Orleans, want, ik herhaal het, nooit zal ik het wagen naar zulk een onvergelijkbare schoonheid te dingen ! Zeg dit aan den heer kardinaal de Mazarin. Ik ben niet zoo vermetel om mijn oogen te slaan op een vrouw, die voor mij, zooals ik wel weet, geheel onbereikbaar is. Overigens dank ik zijn eminentie, dat hij mij het portret van zulk een wonder van schoonheid heeft laten zien. Het is tegelijk het atbeeldsel van een bekoorlijke fee en een meesterstuk van schilderkunst.quot;
âMen ziet dat uw doorluchtigheid een kenner is! De beroemde portretschildèr Mignard heeft dat portret geschilderd, doorluchtigheid.quot;
âHet is wonderschoon, markies! Ik mag het niet langer bezichtigen, want ik loop gevaar al mijn verstand en beradenheid bij al die schoonheid te verliezen. Neem het portret, heer markies d'Avaux, en geef het den kardinaal terug.quot;
âUwe doorluchtigheid versmaadt het portret ? Gii weigert het?quot;-
âMarkies, het portret is voor mij te verleidelijk, en zijn omlijsting te prachtig. Want zie, het is in een dubbelen krans van de heerlijkste briljanten gevat. Het zou een koninklijk geschenk zijn, en ik weet niet, wien ik het te danken heb.''
4
Uühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. III.
50
âDoorluchtigheid, mijnheer de kardinaal zag, als een scherp menschenkenner, deze weigering vooruit. Men heeft hem genoegzaam ingelicht over uw doorluchtigheids edelen, fleren geest, om niet te weten, dat uw genade zelfs het kleinste, onbeduidendste geschenk zou versmaden, welks gever zij niet kent. Doorluchtigheid, 't is de heer kardinaal de Mazarin, die u verzoekt hem de eer te bewijzen ten minste zijn portret aan te nemen.quot;
âHoe! zijn portret ?quot;
âUw doorluchtigheid vergunne mij haar dit te verklaren,quot; antwoordde'de markies, terwijl hij het miniatuurbeeld, 't welk de keurvorst nevens zich op de tafel had gelegd, in de hand nam. Hij drukte op een kleine veer, die aan de bovenzijde van 't medaillon was aangebracht. Het portret van de prinses sprong terug, en nu reikte de markies den keurvorst het medaillon weder over.
âZie!quot; riep Friedrich Wilhelm levendig. âEen mansportret, het portret van een prins der kerk.quot;
âHet portret van den kardinaal deMazarin!quot;
âWaarlijk, een edel hoofd!quot; zei de keurvorst. âHoe fijn en ondoorzichtig zijn deze trekken en welk een ondoorgrondelijk vuur in deze groote zwarte oogen ! O, als men (lit hoofd aanschouwt, begrijpt men volkomen dat hij niet alleen meester en gebieder is van Frankrijk, maar ook van alle vrouwenharten.quot;
âDoorluchtigheid, de kardinaal de Mazarin zou ook gaarne in het hart der mannen, voornamelijk in dat uwer doorluchtigheid, een kleine plaats innemen. Hij verzoekt u ten minste nu en dan zijn portret een vriendelijken blik te gunnen, ten einde de herinnering te bewaren aan een man, die uw genade met oprechte bewondering is toegedaan, en niets vuriger wenscht dan uw doorluchtigheid dit door daden te bewijzen. Doorluchtigheid, gij zult toch den kardinaal de Mazarin het verdriet niet aandoen zijn portret te weigeren?quot;
âNeen, zeker niet, heer markies. Zeg den heer kardinaal, dat het mij verheugt het welgetroffen portret van een staatsman te bezitten, dien ik als mijn leermeester beschouw in de moeielijke wetenschap der politiek en diplomatie, en van wien ik meer geleerd heb dan van zijn roemrijken voorganger, den kardinaal Richelieu. Deze gaf Frankrijk krijgsroem, maar de rampen des oorlogs, hij
51
verwierf zich zolven lauweren en won veldslagen; maar de Mazarin beoefende de moeilijke kunst der onthouding, hij vernederde zich om voor Frankrijk den vrede te behouden, dien het zoo zeer behoefde; hij ontzeide zich eigen roem, ter wille van het volk en om politieke redenen maakte hij zich tot een held des vredes. Het was voor mij inderdaad een geluk, dat niet Richelieu, maar de Mazarin regeerde, toen ik mijne regeering aanvaardde; door genen zou ik mij hebben laten verleiden ook het zwaard in de hand te nemen en mij bij een der oorlogvoerende partijen te voegen, 'tgeen zeker tot mijn verderf zou zijn geweest. Van dezen heb ik de wijsheid van het terughouden en wachten geleerd, en ik geloof dat dit voor mij zeer gelukkig is geweest! Zeg dit aan den heer kardinaal en dank zijn eminentie voor zijn zoo welkom portret. Maar zeg hem ook, dat ik mij wel zal wachten het deksel te sluiten om het verleidelijk vrouwenportret te zien.quot;
âDoorluchtigheid, mag ik zijn eminentie ook niet de hoop geven, dat uwe genade zijn verzoek zal vervullen en hem haar portret zenden ?quot;
âZeker zal ik dat doen, markies, maar mij ontbreekt het noodzakelijkste, een goed portretschilder. In mijn zandige Mark hebben tot heden geen kunstenaars willen gedijen, en zelfs als broeikastplanten willen ze hier geen wortel schieten. Maar ik hoop dat het anders zal worden, en den eersten bekwamen kunstenaar, die aan mijn hof komt, zal ik mijn portret voor den kardinaal de Mazarin doen vervaardigen. Zeg dat aan mijnheer den kardinaal en -verzeker hem van mijn onderdanigen eerbied. Heer markies, als gij te Munster komt, denk dan aan heigeen gij mij beloofd hebt. Herinner den heeren, dat hun sou-vereinen hen daar hebben gezonden om den voor geheel Europa zoo noodzakelijken vrede tot stand te brengen; dat de heeren dus bovenal met elkander vredesgezind moeten zijn, om het vredewerk te verlichten.
,.Genadige heer, ik zal deze wijze les indachtig zijn en trachten ze ook den overigen heeren gezanten deelachtig te maken. Het was uw genade, die op den deputatiedag te Frankfort het voorstel deed te Munster en Osnabrück een congres van valle oologvoerende mogendheden te houden, ten einde de geschillen bij te leggen en den verlangden vrede voor te brereiden. Uw genade komt den
52
dank en lof van geheel Europa toe, zoo dit moeilijke werk gelukt. Ik dank u, doorluchtigheid, voor de mij verleende' genadige ontvangst cn verzoek mijn afscheid.quot;
âGa, lieer markies, en God zegene uw moeilijk werk. Zeg aan den kardinaal de Mazarin, dat, toen ge mij verliet, ik reeds weder geheel verdiept was in het aanschouwen van zijn portret!''
De keurvorst nam glimlachend het medaillon van de tafel en staarde er onafgewend op. Maar toen het zacht dichtvallen der deur hem verzekerde, dat de gezant zich had verwijderd, drukte hij het deksel van het portret dicht en richtte zijn oogen op de buitenzijde van het medaillon, op het van twee rijen kostbare briljanten omvatte portret der prinses Louise van Orleans.
Een zacht hoesten en kuchen achter hem brak zijne beschouwingen af, en terwijl hij haastig het hoofd ophief en zich omkeerde, zag hij achter zich den opperkamerheer von Burgsdorf, die, op de teenen staande, met uitge-rekten hals over den schouder van zijn meester een blik op bet medaillon wierp.
âHoe nieuwsgierig is de heer opperkamerheer,quot; zei de keurvorst glimlachend.
âGenadige heer, ik verzoek u verschooning. Maar ik heb in mijn leven nog geen fee gezien en uw verrukking, uw vervoering van straks heeft zelfs het hart van een ouden knaap als ik ben getroffen. Bewijsmij dus de gunsten laat mij dit bekoorlijke vrouwenportret, dezen engel, deze fee eens zien!quot;
âNu, bekijk ze, oude,quot; riep de keurvorst lachend, âmaar behoed uw hart, dat het niet in liefde ontvlamme.quot;
Hij reikte Burgsdox-f het medaillon, die het haastig aannam om zijn nieuwsgieri'gheid te bevredigen.
âDonnerwetter!quot; riep hij heftig, en het medaillon gleed bijna uit zijn handen.
âWat is er?quot; vroeg Friedrich Wilhelm glimlachend, âwat beteekent dat vloeken in mijn tegenwoordigheid?quot;
âIk verzoek vergeving, genadige heer. Bij het zien van dit portret kwam de oude soldatennatuur weder van onder de opperkamerheersrok te voorschijn.quot;
âKnoop dan den rok dicht, opdat de soldaat met zijn vloeken er niet weder uit kan sluipen, en zeg mij dan de reden van uw heftigen uitval.quot;
53
âUwe doorluchtigheid, ik schrikte zoo geweldig, omdat ik het portret verwachtte van een ongemeene schoonheid, in plaats van dat juiste beeld eener gans.quot;
âHeer opperkamerheer, overweeg uw woorden en vergeet niet, dat hier sprake is van een koninklijke prinses. Gij hebt wel niet geheel ongelijk, deze kleine, slaperige oogen, dat lage voorhoofd, deze vooruitstekende mond met de vermiljoenroode lippen â nu ja, uw vergelijking is min of meer gepast.''
âEn uw doorluchtigheid noemde dit een engel, een be-tooverende fee! Uw genade is waarlijk in jonge jaren reeds een fijn en schrander politikus, en ik ben op oude jaren nog altijd een zeer domme, onwetende oude knaap! Uw genade wilde het vriendelijke Fransche aanbod van de hand wijzen en daarom . .
âJa, daarom hield ik mij zoo opgetogen. Maar erken nu, oude, dat het medaillon groote schóonheden bezit, en wel in staat is een menschenhart in vlam te zetten.quot;
âGenadige heer,quot; zei Burgsdorf meesmuilende, âdat erken ik! De briljanten zijn uitmuntend!quot;
âMeer dan dat, oude, zij zijn uitgezocht. Zie eens hier. Er zijn vier en twintig briljanten, alle van dezelfde groote en zuiverheid, en van gelijken gloed. De juweelen ring, die mijn moeder mij als een gedachtenis medegaf, toen ik naar den Haag vertrok, bevatte slechts één briljant, en die was niet zoo groot als deze hier. Toen ik in groote geldverlegenheid was, verkocht ik hem te Amsterdam, voor vijfhonderd dukaten.quot;
âVijfhonderd dukaten!'' riep Burgsdorf hoogst verwonderd. âDus zou dit medaillon vier en twintig maal vijfhonderd dukaten waard zijn!quot;
âJa, twaalf duizend dukaten,'quot; glimlachte de keurvorst. âDe heer kardinaal schijnt mij'subsidiên te willen betalen, zonder dat ik er hem voor behoef te bedanken. Zie eens, Burgsdorf, hoe prachtig de briljanten vonkelen.quot;
âWonderschoon, genadige heer! Ze schitteren in alle kleuren.quot;
âJa, nu schittert het rood, dan blauw, en daarbij zie ik glinsterende gouden epauletten!quot;
^Genadige heer? Ziet ge gouden epauletten in deze briljanten?quot;
54
âMoer nog, een geheelo compagnie prachtig uitgedoschte lijfgardes vonkelenquot; mij uit deze steenen tegen. Bezie slechts dezen steen, hij spiegelt een geheelen majoor terug en achter hem staat nog een allerliefsten vaandrig!'
âGenadige heer? Ik zie er niets van.quot;
âNiet? Zou ik dan duhhel zien? Nu, om het even, houden wij ons niet met zulke heuzelingen op, want wij hebben er geen tijd toe. Wij willen liet prachtig medaillon met de beide portretten intusschen hier in de lade mijner schrijftafel leggen, en het moge er veilig en wel rusten. En nu, oude Burgsdorf, laat ons over zaken spreken. Zijt ge niet onlangs te Köslin I bij mevrouw onze tante, de koningin-weduwe van Zweden geweest?quot;
âJa, genadige heer! Uw genade heeft mij zelf daarheen gezonden, om mevrouw de koningin, bij haar gelukkige aankomst uit Denemarken te verwelkomen en de hooge dame een spoedig bezoek van mijn genadigen meester te beloven.quot;
âVerder hadt gij mevrouw de koningin volstrekt niets te zeggen, Burgsdorf?quot;
âNeenquot; doorluchtigheid,quot; zei Burgsdort met het voorkomen van volkomen onschuld. âUw doorluchtigheid had mij immers geen andere bevelen of boodschappen gegeven.quot;
âMaar mevrouw mijn moeder? Zie! de oude zondaar houdt zich, of hij nog kan blozen en zich schaamt als hij liegt!quot;
âGenadige heer, ik heb niet gelogen,quot; riep Burgsdorf, âik heb eenvoudig gezwegen. En dit heb ik mevrouw de keurvorstin plechtig moeten beloven!quot;
âGij erkent dus, dat er iets te verzwijgen was en mevrouw mijne moeder u eenige boodschappen voor mevrouw de koningin heeft medegegeven,quot;
âJa, genadige heer, ik beken het,quot; zei Burgsdorf geheel verslagen. âIk heb beloofd, er niets van aan uw genade te zeggen.quot;
âHet is ook niet noodig, oude, want ik weet het al: de vrouwen, al zijn ze vorstinnen, zijn praatzuchtig, en dit moge u leeren u niet met haar in te laten en geen geheimen met haar te hebben. Mevrouw mijn moeder heeft mij heden morgen vóór haar vertrek alles gezegd. Zij heeft u opgedragen, aan mevrouw de koningin te zeggen.
55
dal zij wensehte, alles le doen, opdat het door den groo-ten koning ontworpen huwelijk harer beide kinderen tot stand kome. Niet waar, zoo luidde de boodschap?quot;
âJa, genadige heer, het is de innige wensch van mevrouw de keurvorstin-moeder, dat haar doorluchtige zoon Frie-drich Wilhelm de gemaal der koningin van Zweden wordt, en zij gelooft, dat ook uw genade dat gaarne zou wenschen. Maar gij waart te trotsch om rechtstreeks haar hand te vragen, zoo ge niet vooraf wist, dat uw aanzoek gunstig toegestaan zou worden. Daarom wilde mevrouwde koninginweduwe aan haar dochter schrijven en er op aandringen dat zij zou verklaren of zij genegen was, uw genade haar hand te reiken en u tot gemaal te nemen.quot;
âEn de goede koningin was zoo genadig, den wensch van mevrouw mijn moeder te bewilligen, niet waar? En daar gij haar met zulke welsprekende woorden de zaak op het hart hadt gedrukt, meende mevrouw de koningin dat uw pen even welsprekend moest zijn als uw mond. Zij verzocht u, in haar naam een brief op te stellen, waarin haar dochter, de regeerencft koningin Christina, zeer roerend en dringend verzocht werd, toch eindelijk een einde aan dezen treurigen, onzekeren toestand te maken, en te verklaren, of zij aan mijn liefde gehoor wilde geven, of met een bepaald âneenquot; alle hoop te ontnemen. Is het niet zoo, Burgsdorf?quot;
âJa, genadige heer, zoo luidde de inhoud van den brief, dien ik voor de koningin weduwe heb opgesteld en dien zij heeft nageschreven.quot;1)
âEn hebt gij toen den brief rechtstreeks aan koningin Christina gezonden?quot;
âJa, genadige heer! rechtstreeks met de pakketboot, die iedere week van Stettin afvaart. De koningin heeft er zelf het adres op gezet, den brief met haar zegel gesloten en ten overvloede er op geschreven: âAfgezonden door de koningin-weduwe van Zweden. Aan de koningin Christina in eigen handen af te geven.quot;
âEn gij onnoozele menschen meent, dat men dit bevel der koningin-weduwe zal eerbiedigen en den brief aan koningin Christina zal overhandigen?quot;
1
Historisch. Zie: Droysen UI. 205.
56
âMevrouw de koningin-weduwe was er van overtuigd-doorluchtigheid.quot;
âIk ben van het tegendeel overtuigd, of liever, ik weet zeker, dat de kanselier Oxenstierna den brief onderschept en ter zijde heeft gelegd. Maar, luister nu, oude. Er ligt mij inderdaad een weinig aan gelegen, deze zaak beslist te zien. Daar nu de brief, dien gij geschreven hebt, niet onder de oogen der koningin is gekomen, acht ik het beter de koningin een levenden brief te zenden, dien Oxenstierna niet zoo licht ter zijde kan leggen.quot;
âEen levenden brief, doorluchtigheid? Ik kan u zeggen, dat mijn brief zeer levendig, en volstrekt niet slaperig was.quot;
âAls ik van een levenden brief spreek, meen ik, dat ik aan koningin Christina een bode wil zenden, die haar vertelt wat in den brief stond te lezen.quot;
âHa, nu begin ik te begrijpen!quot; riep Burgsdorf, met zijn roede vleezige hand tegen zijn voorhoofd slaande.
âDat treft,quot; zei de keurvorst glimlachend, âwant gij zijt het, dien ik als levenden brief naar Stockholm wil zenden. Weet gij nog den inhoud van dien brief?''
âZeker, genadige heer! Ik heb er twee dagen en twee nachten aan besteed om het ding klaar te krijgen, en iedere zin zoo dikwijls in mijn hoofd omgedraaid, dat ieder woord in mijn geheugen is gebleven en ik hem midden in den nacht zou kunnen opzeggen.quot;
âNu, zeg dan voor de jonge koningin uw brief op. Maar niet als een ekster, die haar les achter elkander aframmelt, maar als een redenaar, die ieder woord goed uitspreekt; soms pauzeert, om dan deftig en met nadruk zijn rede te vervolgen. Ik zend u naar Stockholm tot koningin Christina, gij zult er heengaan als de bode der koningin-weduwe en moet de koninklijke dochter alles herhalen, wat ge in naam der moeder in den brief gezegd hebt. Gij moet de levende brief der moeder zijn, maar tevens het open oor en scherpe oog van uw keurvorst, en voor hem alles hooren en zien wat van gewicht en belang kan zijn. Vóór alles moet gij de koningin Christina zelf goed gadeslaan, en mij een getrouw beeld van haar wezen en karakter weergeven.quot;
âMoet ik tot haar spreken uit uw naam, genadige heer ? Moet ik de jonge koningin schetsen hoe innig uw doorluchtigheid haar bemint, dat uw genade dagen nacht vol liefde en verlangen aan haar denkt?quot;
57
âIk verbied u zulke dwaasheden te zeggen. Gij moet slechts in naam der koningin-moeder spreken,nooit rechtstreeks in mijn naam ; maar de moeder mag haar dochter van mijn liefde vertellen, daar heb ik niets tegen, mits alles met mate. Houd vooral in 't oog, oude, dat gij mijn waardigheid niet prijs geeft en wees indachtig, dat ik man ben en dit ook blijven wil als gemaal eener koningin of keizerin. Zoo moet gij ook aan koningin Christina den keurvorst Friedrich Wilhelm voorstellen. Niet als een man, die zich uit genade laat aannemen en opgetogen van vreugde zijn zou als hij aangenomen werd, maar als een man, die uit eigen beweging de koningin zijn hand biedt, met den wil om haar gelukkig te maken, en in de blijde verwachting, dat ook zij zijn geluk wil.quot;
âAch, genadige heer, zuchtte Hurgsdorf, âmen zegt, dat koningin Christina zeer trotsch en heerschzuchtig is.quot;
âGij moet zien of zij dat is, Burgsdorf, en mij naar uw overtuiging de waarheid zeggen. Want een vrouw, die heerschzuchtig is, en meent, dat ik haar gehoorzaam en onderdanig zou zijn, neem ik niet, al mocht zij mij het grootste koninkrijk der aarde ten huwelijk brengen. Nog iets: Gij hebt in uw brief de zinsnede gebruikt. Koningin Christina moge beslissen of zij mij tot gemaal aannemen en mij haar hand reiken wil. Verder hebt ge geschreven, dat ook de keurvorstin-moeder gaarne wenschte, dat haar zoon Friedrich Wilhelm de gemaal der koningin van Zweden werd. Niet waar, is het zoo niet ?quot;
âJa, doorluchtigheid, en ik geloof niet dat ik hiermee iets onbehoorlijks gezegd heb.quot;
âHet is toch een zeer ongepaste zinsnede, en zij moet veranderd worden. Gij moet eens en voor altijd weten, dat ik niet genegen ben ooit als de gemaal van een vrouw te worden aangenomen, maar dat ik die vrouw tot mijn gemalin aanneem. Dan moet gij weten, dat ik evenmin genegen ben de gemaal der koningin van Zweden te worden, maar dat ik de koningin van Zweden tot gemalin van den keurvorst van Brandenburg wensch te maken en haar mijn hand Ie reiken. Zult ge dit in 'toog houden, oude afgezant?quot;
âIk zal 't onthouden, genadige lieer, en er naar handelen.quot;
âWelnu maak dan het noodige voor uw vertrek gereed. Morgen vroeg moet ge de reis aanvaarden en heden avond
58
komt gij bij mij om mijne laatste bevelen te ontvangen. Gij reist natuurlijk onder een aangenomen naam, want men weet, dat de oude Konrad von Burgsdorf mijn opperkamerheer is, en koningin Christina zou denken, dat ik u gezonden had. Dit wil ik vermijden. Tot heden avond, Burgsdorf!''
VI.
HET LAATSTE AFSCHEID.
De acht dagen, die Gabriel Nietzel had bedongen, waren verstreken. De laatste nacht, dien de zoon bij zijn vader zou doorbrengen, brak aan. Gabriël haddengehee-len dag alleen in de verwaarloosde kamer doorgebracht, welke hij in een ellendige woning der voorstad gehuurd had. Vruchteloos was het kind nu en dan van de straat binnengekomen, om âoomquot; te verzoeken bij hem te mogen blijven ; maar oom had hem telkens weer naar buiten gezonden en bevolen met de andere jongens te blijven spelen, zonder zich om zijn oom te storen. Maar nu de avond was gedaald, kwam de knaap weder in de kamer, waar Gabriël voor het raam zat en met gevouwen handen en oogen vol tranen naar den zoon bad gezien, die op straat speelde, en wiens heldere stem als engelenmuziek zijn hart verkwikte.
âNu blijf ik hier, Klaus,quot; zei de knaap tartend. âIk ga niet weer naar de wilde jongens buiten, maar blijf bij oom. Ge zult mij niet weder wegsturen als iemand, dien ge niet kunt uitstaan.quot;
âDat zal ik ook niet doen, Bafaël,'' antwoordde Gabriël treurig glimlachend. âZoo gij niet waart gekomen, zou ik u geroepen hebben, want wij zullen te zamen een wandeling doen.quot;
âDat is goed, dat is heerlijk!quot; riep de knaap. âIk ga zoo gaarne met u, oom Klaus, gij vertelt altijd zulke mooie geschiedenissen en toont mij onder 't wandelen zoo veel aardige dingen. Laat ons heel ver wandelen, zoo ver als toen wij hier zijn gekomen.quot;
59
âWaarheen zoudt ge dan wel willen wandelen, Rafael ?quot; vroeg Gabriël, terwijl hij opstond en de kap van zijn kiel over het hoofd trok.
âIk zou weer daarheen willen gaan, waar ik vroeger was,quot; zei de knaap vurig.
âNaar Venetië?quot;
âJa, naar Venetië,quot; riep de knaap met geestdrift. âWaarom hebt ge mij van daar weggenomen, Klaus? Het was er zoo fraai, zoo warm en vroolijk op de straten. Overal zulk mooi, groen water en zulke prachtige huizen, en zoo'n blauwen hemel er boven. Waarom hebt ge mij niet gelaten waar mijn grootvader was?''
âRafaël, hebt ge dan vergeten, dat uw grootvader is gestorven, en gij alleen stond?quot;
âGestorven!quot; riep de knaap met weemoedige stem.
âDat zegt ge altoos als een mensch weggaat en niet wederkomt en zijn kinderen alleen laat. Mijn vader en moeder zouden ook gestorven zijn, maar ik geloof u niet, Klaus. Gij zegt dit maar, omdat mijn ouders zoo slecht zijn geweest om hun kleinen jongen te verstooten en zij niets van hem willen weten. De jongens op straat hebben 't mij gezegd en plagen en bespotten mij, dat ik niet eens weet wie mijn ouders waren.quot;
âDe jongens zullen u niet langer plagen en bespotten, Rafaël,quot; zei Gabriël haastig. âGe zult heden vernemen wie uw ouders waren. Kom, geef mij uw hand, wij willen gaan.quot;
âWaarheen Klaus?quot;
âNaar een plaats, waar ik u van uwe moeder wil vertellen. Zie nog eens rond in de kamer. Rafaël, maar zeer langzaam, opdat overal een weinig van uw blikken achterblijve.quot;
De knaap lachte en de klank van dat kinderlijk lachen weergalmde wonderbaar in deze ledige lage kamer.
âHoe wonderlijk zijt ge heden, Klaus,quot; zei het kind. âMijn oogen zijn niet als die van den prins in het sprookje, die alles in goud veranderden, wat zij zagen.quot;
âOm 'teven, Rafaël! Voor mij zijn zij als sterren en waar zij vallen blijft een glans van herinnering achter. Eén ding wil ik u nog verzoeken. Kom hier bij mijn bed!quot;
Hij voerde hem naar den donkersten hoek van het vertrek, waar in een armoedige bedstede eenig stroo lag en daarover een zwart wollen deken.
60
âKniel neder, Rafaël,quot; zei Klaus met zachte stern, âen leg dan uw hand op dit bed, waarop ge mij in de laatste nachten zoo menigmaal hebt hooren jammeren en zuchten.quot;
De knaap deed wat hem bevolen was.
âZeg nu : âVaarwel, arme oude Klaus! God moge u genadig zijn en uwe zonden vergeven!''
De knaap herhaalde de woorden, welke Gabriel had gesproken, en vervolgens, door een uitbarsting van lietde vervoerd, boog hij zich voorover en drukte een kus op het kussen, waarop zoovele tranen waren vergoten, zoovele zuchten waren geslaakt.
âHeb mij lief, goede Klaus,quot; riep het kind, âen voel iederen avond als ge naar bed gaat, dezen kus dien ik uw hoofdkussen gegeven heb.quot;
Gabriël zonk luid snikkend naast het kind ter aarde en hief zijn handen hoog boven zijn hoofd. âO, 'tis haar geest, die in hem leeft, 't is haar hart, dat in hem spreekt,quot; lluisterde hij, terwijl de tranen langs zijn wangen vloeiden. Toen richtte hij zich haastig weder op en trok den knaap zacht tot zich.
âNu willen wij gaan,quot; zeide hij, zijn stem tot kalmte dwingende. âGij hebt voor goed afscheid van deze kamer genomen en zult hier nooit wederkeeren.quot;
Hij sloeg zijn arm om den hals van den knaap en trok hem voort naar de deur, die hij opende.
âRafaël,'' zeide hij plechtig, âmet de eerste schrede, die ge over dezen drempel doet, treedt ge een nieuw leven in. God moge u zegenen, en de geest van uwe moeder u beschermen. Laat ons gaan.quot;
âWaarheen?quot; vroeg de knaap weder, terwijl hij aan Gabriëls hand op straat trad.
âIk zal 't u zeggen zoodra wij er zijn; laat ons tot zoolang stil voortgaan.quot;
Het kind gehoorzaamde, terwijl het zich vaster aan Gabriëls arm klemde en zich zwijgend door hem liet leiden. Zoo gingen zij haastig door de stille straten en kwamen aan gene zijde van de stadsgracht in de drassige voorstad van den Weidendamm.
âWaar gaan wij hoen, Klaus?quot; vroeg de knaap op nieuw.
âWij gaan naar de plaats, waar ik uw moeder het laatst gezien heb,quot; antwoordde Gabriël plechtig.
01
Nu waren zij door de voorstad en over de Spreebrug gegaan, en kwamen door de Weidendammerpoort buiten de stad.
I)e maan, die helder aan den hemel stond, verlichtte helder de uitgestrekte zandvlakte, die zich voor hen uitbreidde en in wier midden een laan van wilgenboomen den grooten weg aanwees, die van hier naar de vesting Spandau voerde. De heldere donkerblauwe hemel was bezaaid met sterren, die zich als een van brillanten fonkelend gewelf vertoonde, dat Gods hand boven de aarde had uitgespreid.
Onder dit hemelsche gewelf lag in de stilte van den nacht een van smart zich krommend mensch, die de handen tot God ophief en zijn door tranen verduisterde oogen met verlangen hemelwaarts richtte, alsof hij onder deze millioenen sterren, de ster zocht, die zijn nacht verlichten, die vrede brengen ken in zijn somber hart. Bij hem stond een knaap en staarde met verwonderde blikken nu eens op den knielenden man aan zijn zijde, dan opwaarts naar den schitterenden hemel. Een zalige glimlach verhelderde zijn kinderlijk gelaat, want het scheen of de maan op hem nederzag en met haar breed zilverkleurig gezicht hem vriendelijk toelachte.
Door het weenen en snikken van den man getrolfen, boog zich de knaap tot hem en sloeg zijn arm teeder om diens hals.
âLieve goede Klaus,quot; fluisterde hij vleiend, âzeg mij toch, waarom schreit gij zoo?''
âIk zal 't u zeggen, P«.afaël,quot; riep Klaus, met luide, plechtige stem. âKniel neder en kus den grond waarop ge staat, want dit is de plaats, waar uw moeder u voor het laatst zegende. Hier stond zij, toen zij u voor het laatst in haar armen nam,u den laatsten kus op de lippen drukte en u in mijn arm legde. Hier moest ik haar met een plech-tigen eed zweren, dat ik met u van hier zou gaan, terwijl zij terugkeerde naar de vreeselijke stad, waar zij wist, dat haar graf zou zijn.quot;
âWaarom liet gij toe, dat zij naar de stad terug keerde?quot; vroeg de knaap heftig. âWaarom ging mijn lieve moeder niet met u?quot;
âZij wilde niet met ons gaan,quot; zuchtte Gabriêl. âZij was een heldin, of, zoo ge wilt, een heilige; het gevaar
62
schrikte de heldin niet af, want /ij wilde een misdaad voorkomen, een slechte daad doen vergeten door een daad van liefde. Ach, mijn kind, mijn geliefd kind â want op dit oogenblik mag ik u wel zoo noemen, hoewel ik uw vader niet ben â vergeet, zoo lang ge leeft uw edele, schoone en deugdzame moeder niet. Beloof mij, dat ge haar indachtig wilt blijven en haar zult aanroepen als ge in nood en gevaar zijt, dat ge tot haar bidden zult als zonde en misdaad u willen misleiden. Beloof mij, dat ge in al de gewichtige oogenblikken van uw leven, op zult zien ten hemel, opdat uwe moeder u mag helpen en bijstaan.quot;
âDat zal ik doen, vader Klaus,quot; zei de knaap, met luide, zilverheldere stem. âMaar zal mijn moeder mij hooren, zal ze iets willen weten van den armen kleinen knaap, dien zij verlaten heeft? Ach, Klaus, gij hebt gezegd, dat mijn moeder mij zeer liefhad. Maar hoe kan een moeder haar kind verlaten als zij het lief heeft?''
âOmdat zij u zoo liefhad, Rafaël, verliet zij u. Uw moeder wilde een misdaad boeten, en den sterken en machtigen God, die boven de wolken troont, door haar lietde en offerdood verzoenen. Het is een lange, treurige geschiedenis van tranen en Idoed, van jammer en verrukking, van liefde en haat. Zoo ge een man waart, zou ik ze u vertellen, en ge zoudt u de haren uitrukken, met uw nagels uw borst open scheuren van wanhoop en smart. Maar ge zijt nog een kind, een kind van nauwelijks tien jaren oud, ge zoudt de vreeselijke geschiedenis niet begrijpen, die hier op deze plek, uw edele moeder noopte mij te verlaten en voor eeuwig van haar geliefd kind te scheiden. Zeven jaren zijn verloopen, zeven lange vreeselijke jaren, en toch is het mij alsof zij een eeuwigheid en tegelijk een minuut waren; evenwel gaan zij mij voorbij als een droombeeld, door welks nevel ik de heerlijke lichtgestalte van uw moeder aanschouw. Dan staat zij hoog en trotsch als een koningin, en toch zacht en bescheiden als een maagd. Dan staat zij geheel gehuld in een sterren-mantel en als hemllsche Uchtbollen stralen haar oogen, en als het maanlicht glinstert haar gelaat en alles aan baar is zonneglans en eeuwige vrede, hemelsche vreugde. Ik zie u, Rebekka, ge zweeft voor mij heen op de vleugelen van den nachtwind, ge breidt de armen naar mij
63
en naai- uw kind uit! O neem ons, Irek ons tot u in het land der eeuwige liefde en onsterfelijken vrede!quot;
In zijne geestvervoering richtte hij zich hoog op en stak zijn armen den nachtwind toe, die zuchtend en lluisterend over de vlakte woei en den knaap van angst deed rillen.
âLaat ons gaan, Klaus,quot; stamelde hij, âik word hier zoo bang. De geesten van den nacht zwerven hier zeker en dansen in den maneschijn.''
âVrees niet, Rafaël, zuchtte Gabriel, die weder kalmer was geworden, âhet zijn slechts de geesten der herinnering, die hier hun klaagliederen doen hooren en mijn hart vervullen met hun verschrikking en diepe droefheid. Rafaël, ik zie uw moeder voor mij staan als toen; zij ziet mij met haar groote oogen, zij spreekt tot mij met haar zielroerende stem, zij beveelt mij, dat ik het kind barer smarten en harer liefde de wereld en het leven zal inzenden, dat ik haar zoon niet in ellende zal doen verkwijnen, zij gebiedt mij, dat ik het laatste offer brenge, de laatste boete doe, dat ik afstand van u moet doen. Ik gehoorzaam baar bevelen, ik ruk mij los van u, Rafaël. In dezen nacht spreek ik voor de laatste maal tot u, in dezen [nacht neem ik afscheid van u voor het gansche leven.quot;
âOom, lieve oom, waarom doet ge dat?quot; vroeg de knaap luid schreiende. âWaarom mag ik niet bij u blijven? Ik wil met u bedelen, met u weenen, met u alles ontberen. Ik heb u o zoo lief, zoo innig lief, oom. Stoot mij niet van u, laat mij blijven!quot;
âHebt ge mij lief, mijn kind?quot; vroeg Gabriël verheugd.
âO zeg het nog eenmaal. Is het waar, dat ge mii lief hebt?quot; ö
âJa, ik heb u lief en wil bij u blijven!quot;
âGezegend zijt ge voor dit woord, zoon uwer moeder,quot; riep Gabriël, terwijl hij den knaap in zijn armen ophief en kuste. âDit woord is uw afscheidsgeschenk, mijn zoon, en ik zal 't bewaren aan mijn hart en in mijn ziel, zoolang ik de straf van mijn bestaan nog dragen moet. Maar in dezen nacht breekt de liefdeband, die u aan mij gebonden houdt en alles is tusscben ons geëindigd. Als ge mij morgen ontmoet, moogt ge den bedelaar niet groeten, die u deemoedig voorbij sluipt, maar gij moet uw blik van hem afwenden en hem trotsch voorbijgaan.quot;
(54
âNeen, quot;oom, dal kan, dat'zal ik nooit doen!quot; riep bel jongske. âIk zou een slechte knaap zijn, zoo ik mij hield alsof ik u niet kende, gij die zoo goed en vriendelijk voor mij waart, de eenige ruensch die het verlaten, eenzaam kind hebt aangenomen. Gij denkt misschien, dat ik het niet weet, dat ik het vergeten heb, hoe gij te Venetië bij mij kwaamt? Ik was alleen in de wereld, had niemand, die zich mijner ontfermde, was een arme jongen, die aan de deuren bedelde en blijde was als men hem een stuk brood gaf. Gij naamt den armen, verlaten knaap in uw armen, gij kustet mij en weendet over mij. Uwe tranen, die op mijn voorhoofd vielen, deden mij goed; uw armen hielden mij zoo zacht, en ik was zoo gelukkig, dat ik het nooit zal vergeten! Ik weet nog heel goed, dat ik weken lang geen andere slaapstede had dan een donkeren hoek op straat, met een steenen hoofdkussen, en toen gij mij in uw armen naamt, wist ik, dat ik een warme, zachte slaapplaats gevonden had, en was zoo overgelukkig, dat ik dadelijk op de lieve warme plaats in slaap viel. En nu wilt gij een slechten, ondankbaren jongen van mij maken, daar gij mij toch altoos gezegd hebt, dat ondankbaarheid een schandelijke ondeugd is. Nu wilt gij, dat ik u voorbij zal gaan zonder u te kennen, en gij hebt mij toch altijd gezegd, dat men in het leven trouw moet zijn en nooit moet vergeten wie ons goed heeft gedaan. Gij hebt zooveel voor mij gedaan, Klaus, gij zijt een vader voor mij geweest. Ik zeg u, dat, zoo gij mij van u verwijdert en mij niet meer kennen wilt, gij mij zoover weg moet zenden, dat ik u nooit weder ontmoeten kan, want als ik u zie, val ik u om den hals en verheug mij, mijn lieven oom Klaus wedergevonden te hebben!quot;
âDat verbied ik u, Rafaël,quot; zei Gabriël, wiens stem onwillekeurig week en teeder geworden was. âHet laatste bevel, dat ik u geef, is, dat gij nooit moogt beproeven mij te spreken of te groeten. Dezen nacht scheiden wij voor altijd. Wordt gelukkig, mijn kind, de zegen van uwe moeder ruste op u en make van u een deugdzaam mensch. Nogmaals zeg ik u: Denk steeds aan uw moeder. Eer haar in iedere vrouw, die gij nadert, als ge een jongeling zijt. Gij begrijgt nu nog niet wat ik meen, maar boudt mijn woorden in uw geheugen, en als gij grooter zijt, zult gij ze begrijpen!quot;
65
âDat zal ik doen, oom,quot; zuchtte hel kind, en wischte de tranen uit zijn oogen. âMaar gij spreekt altoos van mijn moeder f Gij zegt steeds dat ik haar moet beminnen en eeren, maar van mijn vader zegt ge niets. Moet ik hem ook niet liefhebben en eeren?quot;
âGabriél ontroerde en een rilling liep door zijn lichaam. âNeen,quot; lluisterde hij, âneen, ge moet niet aan hem denken noch hem liefhebben.quot;
âIk wil hel,quot; riep de knaap. ,,Ik wil mijn vader eve.n liefhebben als mijn moeder! Vertel mij, oom Klaus, hoe heet mijn vader en wat heeft hij gedaan, dat ge hem altijd zoo erg laakt?quot;
âVraag niet kind,quot; zuchtte Gabriël. âTk kan u niet zeggen hoe uw vader heet, want hij heeft geen naam meer; ik kan u ook niet zeggen wat hij gedaan heeft. Hij was oen groot misdadiger, en, zoo hij nog leefde, zou zijn geheele leven boete en berouw moeten zijn.quot;
âArme vader! Ik heb hem toch lief en wil steeds voor hem bidden,quot; fluisterde de knaap, terwijl hij slaperig en vermoeid tegen Gabriël leunde.
âBid, ja bid voor hem,quot; zei Gabriél meteen door tranen gesmoorde stem, den knaap vaster aan zijn hart klemmende.
âLaat ons naar huis gaan,quot; bad Rafaël, âik ben vermoeid en wensch te slapen.quot;
âKind, van nacht hebt ge geen woning en geen bed,quot; zei Gabriël zacht. âIn dezen laatsten nacht ben ik uw woning en mijn hart is uw bed. Ik breng u morgen naar een trotsch kasteel, tot een voornaam vorst; maar ge moet u herinneren, dat, voor ge daar heen gingt, gij in een grooter kasteel en in de hoede van den Almachtigsten Vorst zijt geweest. Zie om u heen, Rafaël, geen vorstelijk paleis is zoo groot als deze ruimte, geen zaal is zoo hoog als deze, en boven geen enkele welft zich een dak met zulk een stergeflonker en zulk een vriendelijke maan als hier boven ons. Wij zijn in het huis van den Almachtigen Vorst, in Gods huis. Hij is bij ons in dit uur en breidt zijn troonhemel boven ons uit en ziet met zijn sterren op ons neder.quot;
De knaap antwoordde niet. Nog vaster klemde hij zich aan Gabriël, die zich met hem op den grond had nedergezet op dezelfde plaats, waar hij eens voor het laatst van Rebekka afscheid had genomen.
Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. III. 5
06
Het hoofd van den knaap rustte op Gabriels arm, zijn gelaat was naar den hemel gekeerd en zijn ernstige zwarte oogen, â Rebekka's oogen â zagen drooraend op naar de fonkelende sterren, die in plechtige rust boven hem stonden.
Gabriël zag niet op naar dien hemel, maar aanschouwde slechts zijn kind, dat hij thans voor het laatst in zijn armen hield en van wien hij in dezen plechtigen nacht afscheid nam voor het geheele leven! Nu daalden de droomerige blikken van het kind van den hemel op Gabriels gelaat neder. De oogen van vader en zoon ontmoeten elkander en bleven lang en innig op elkander gevestigd. De maan scheen beiden in 't gezicht en zag alleen den traan, die in Gabriels oogen stond en den glimlach om de lippen van het kind.
Allengs vielen de oogleden van den knaap langzaam toe. nog eens, met een laatste inspanning sloeg hij ze weder op, zag Gabriël in 't gelaat en toen hooger op naar den schitterenden sterrenhemel; toen zonken ze mat neder en met een onuitsprekelijk gevoel van welbehagen strekte de knaap zich uit in de armen van zijn vader.
't Was stil, een plechtig zwijgen heerschte in de geheele natuur. Somtijds hoorde men in de verte het blalfen van een hond, dat door een galmenden echo beantwoord werd. Eens vloog een nachtvogel met heesch gekras voorbij en trok langs den sterrenhemel een donkere streep, die Gabriël nog meende te zien, toen de ongeluksvogel reeds lang verdwenen was. Daarop werd alles weder stil.
De knaap sliep; soms sloeg hij nog de oogen op, alsof hij zien wilde of het liefderijk gelaat van zijn vader en de blauwe fonkelende hemel er nog wel waren, dan sloot hij ze weder glimlachend als droomde hij met engelen te spelen.
Het was een schoone, plechtige nacht; een ademtocht van zijn eeuwigen vrede daalde in de ziel van den armen vader, en een schittering van zijn eeuwige sterrenpracht bleef achter in het hart en het geheugen van den knaap! Beiden zullen zich dezen nacht nog herinneren, nog menigmaal zal in smartelijke uren de ziel van den man worden opgebeurd door deze heerlijke, zalige herinnering; nog dikwerf zullen de sterren van dezen nacht fonkelen in
07
het hart van den knaap, en hem groeten met de oogen zijner moeder! De knaap zal een jongeling worden ; de herinnering aan zijn treurige kindschheid en aan den armen treurigen man, die hem nu in zijn armen houdt, zal verdwijnen voor de schitterende beelden van het tegenwoordige; maar de herinnering aan dezen nacht zal voortleven in zijn hart, en nooit zullen zijn oogen zich tot den sterrenhemel opheffen, zonder dat de liefde voor zijn moeder weder bij hem herleeft.
De zon stond reeds tamelijk hoog aan den hemel, toen Gabriêl zijn lippen op den mond van den knaap drukte en hem wekte met een kus. Het was de eerste maal. sedert Klaus met den knaap te zamen leefde, dat hij zich dit bewijs zijner liefde veroorloofde, en Rafaël zag hem dus, in weerwil der slaperigheid, verbaasd aan.
âKom, mijn kind,quot; zei Gabriël zacht, âde eerste morgen van uw nieuw leven is aangebroken en gij zult het met liefde en vreugde beginnen. Ik heb u in dit nieuwe leven verwelkomd met een kus; moogt ge, zoo ge het eens verlaat, van een teederen mond een even warmen atscheids-kus ontvangen. Laat ons nu gaan, Rafaël. Men wacht ons!quot;
âWacht men ons, oom Klaus?quot;
âStil vraag niet, gij zult het zien! Kom.quot;
âMaar ik heb honger, oom. Waarom geeft gij mij geen warme melk en een stukje brood? Ik heb honger.';
âWaar wij heen gaan zal men ons verzadigen, gij zult voortaan geen honger meer hebben of gebrek lijden, Rafaël. Laat ons nu zwijgend voortgaan, en zoo ge wilt, bid dan bij u zeiven!''
âGeef mij de hand, Klaus, en laat ons gaan!quot;
âNeen, ge gaat alleen, maar aan mijn zijde! Neem mijn hand niet, raak mij niet aan! Het doet mij wee! Van nu af moet ieder onzer zijn eigen weg gaan.quot;
Hij sloeg den weg naar de stad in en de knaap schreed met ernstig angstig gelaat naast hem voort.
70
van een mijner domeinen; dan kunt ge op uw ouden dag van hem het genadebrood ontvangen, zoo ge het niet van mij wilt aannemen. Wilt ge dat voorstel goedkeuren ?quot;
Er ontstond een pauze. Men hoorde niets dan het luid tikken der klok en de haastige, hijgende ademhaling van Gabriël, die zijn handen krampachtig samen had gevouwen en wiens lichaam beefde.
De groote, schitterende oogen van den keurvorst waren strak op hem gericht en in gespannen verwachting wachtte hij zijn besluit. Maar Gabriël zweeg.
âNu,quot; riep Friedrich Wilhelm ongeduldig, âwilt ge mijn voorstel aannemen, Gabriël Nietzel?quot;
De bedelaar hief langzaam zijn hoofd op en zijn groote diep liggende oogen ontmoetten met vastheid den blik van den keurvorst.
âGenadige heer,quot; zeide hij luid en plechtig, âgij bedriegt u in mij. Ik ben niet Gabriël Nietzel en ik ken geen Gabriël Nietzel. Ik ben de bedelaar Klaus en breng u, zooals uw doorluchtigheid mij bevolen heeft, dien ouderloozen knaap, voor wiens opvoeding uw doorluchtigheid wil zorgen!quot;
De keurvorst stampte driftig met den voet op den grond en wendde zich als misnoegd om â wellicht om den traan te verdringen, die in zijn oog opwelde.
âWelnu, voer den knaap binnen!quot;
âGenadige heer, gij hebt mij beloofd aan niemand, ook aan hem niet te zeggen, wie zijn ouders waren?quot;
âDat heb ik beloofd en ik houd woord. Open de deuren laat den knaap binnen.quot;
Gabriël gehoorzaamde; hij opende de deur en wenkte met de hand. Onmiddellijk verscheen in de open deur de teedere, magere gestalte van den knaap. Zijn wangen gloeiden van opgewektheid en ongeduld, zijn groote zwarte oogen richtten zich vragend op den vreemden heer in den goudgeborduurden fluweelen rok; zijn pur-perroode lippen trilden zacht van inwendig leedgevoel, doch hij drukte ze terstond vast opeen en schudde ontevreden het hoofd, zoodat zijn lange blonde lokken over zijn rooskleurig gelaat vielen.
âWaarlijk,quot; prevelde de keurvorst, âKunkel heeft gelijk, 't is een schoon kind. Hoe heet de knaap?-' vroeg hij vervolgens tot Gabriël gewend.
71
âHij heeft geen naam, heer, hij wacht, dat gij hem een naam geeft!quot;
De knaap richtte haastig zijn hoofd op en schudde de lokken van zijn voorhoofd weg. â Wat zegt ge, Klaus?quot; vroeg hij fier. âIk heb wel degelijk een naam, ik heet Rafaël.quot;
âZijn vader heeft hem eens in zijn overmoed en Irotsch dien naam gegeven,quot; zei Gabriel zacht. âMaar liet heeft hem berouwd en hij verzoekt u door mijn mond, heer, hem een anderen naam te geven.quot;
âDat zal ik doen, Gab. . .quot; De keurvorst hield plotseling op, toen hij Gabriels smeekende blikken zag. âIk zal het doen, Klaus De knaap is immers gedoopt?quot;
âNeen heer, hij is niet gedoopt.quot;
âDan zullen wij hem laten doopen. Heeft zijn vader bepaald, in welke geloofsbelijdenis hij moet worden opgevoed ?quot;
âNeen, doorluchtigheid. Dat hangt geheel van u af.quot;
âDan moet hij in de gereformeerde kerk worden opgenomen, want ik zelf behoor daartoe en nu zou ik gaarne degenen voor wie ik zorg, ook in dat geloof zien opgenomen. Ik zal dus den knaap laten doopen en vervolgens zal hij ter school gaan om iets degelijks te leeren. Heeft hij voorliefde voor een of ander vak, of heeft zijn vader bepaald wat hij worden moet ?quot;
âIk weet zelf, wat ik worden wil,quot; riep de knaap levendig. âIk wil soldaat worden, een dapper soldaat in gouden uniform en met blinkenden sabel, dien alle men-schen vreezen en die toch alle menschen beschermt.quot;
âWaarlijk, gij zijt een ferme jongen,quot; riep de keurvorst met vergenoegden glimlach in 't gloeiend gelaat van den knaap ziende. âMij dunkt op uw gezicht is te zien, dat ge een dapper soldaat zult worden. Zeg mij,quot; zich weder tot den bedelaar wendende, âheeft de vader een wensch gehad voor de toekomst van zijn zoon?quot;
âJa, doorluchtigheid,quot; antwoordde Gabriël na korte bedenking. âHij heeft een wensch gehad, en zoo hij nog leefde, zou hij uw genade knielend smeeken dien te vervullen.quot;
âIk beloof u dien te vervullen. Wat verlangde hij?quot;
âDoorluchtigheid, de vader van dezen knaap zou u vragen den knaap te vergunnen de wegen zijner moeder te
72
bewandelen on weder goed te maken wat zijn vader misdreven heeft, en . .
âHoor,quot; viel de keurvorst hem met gefronst voorhoofd en toornige stem in de rede, â'tis niet goed van u, dat ge in tegenwoordigheid van den knaap zijn vader laakt en hem van misdrijf beschuldigt. Er staat geschreven: Eert uw vader en uwe moeder, opdat het u welga op deze aarde. Maar in plaats hiervan wilt ge dezen knaap leeren, zijn vader le verachten. Dat moet ge niet doen. En gij, knaap, luister; geloof niet, dat uw vader zulk een mensch was, gelijk Klaus zegt, integendeel, uw vader was een heel goed mensch, en ge moet hem in uwe gedachten eeren en liefhebben, want hij heeft u zeer lief gehad.quot;
âHeer, kendet gij mijn vader,quot; vroeg de knaap, terwijl hij op den keurvorst toeijlde, zijn beide handen op diens arm legde en met vurig ongeduld zijn zwarte oogen naar Friedrich Wilhelms gelaat ophief.
âJa,quot; antwoordde de keurvorst glimlachend, âik heb uw vader gekend en zeg u nogmaals, dat hij niet zoo kwaad was als Klaus u wil doen gelooven!quot;
âO, heer,quot; riep de knaap glimlachend, âik heb hem ook niet geloofd. En hoe meer Klaus tegen hem uitvoer, des te liever had ik mijn armen vader en des te meer heb ik den lieven God voor hem gebeden.quot;
âDaar hebt ge wel aan gedaan, mijn kind,quot; zei de keurvorst goedig. âBid voor uw vader, en houd hem in uw gedachten vrij van alle zonden. Hij was een mensch, en toen hem derhalve de zonde naderde, vond zij hem zwak en kon hem tot slechte daden verleiden. Maar zijn hart was goed en daarom ontfermde God zich over hem en zond hem een bode der eeuwige liefde, die hem van alle schuld en misdaad zou ontheffen. Deze liefde moet ook thans zijn gedachtenis beschijnen, en zoo uw arme vader gestorven is, willen wij hopen, dat hij is ingegaan in de woningen van eeuwigen vrede. Door berouw heeft hij de zonden der wereld geboet en derhalve moet hem van ganscher harte alle schuld zijn vergeven, zoo als de Heer onze God ons onze schuld vergeeft.quot;
âHeer, mijn geliefde, dierbare heer,quot; riep de bedelaar luid snikkende en op zijn knieën nedervallende. âIk dank u voor deze woorden. Zij zullen mijn troost en heil zijn, en als God mij in Zijn genade van het leven verlost.
zal de gedachte aan u mijn laatste gebed zijn.quot;
âSta op, arme man,quot; zei de keurvorst vriendelijk. âMijn kind, help uw vader zich van zijn knieën oprichten.''
âIk wil hem wel helpen,quot; riep de knaap, âmaar deze Klaus is mijn vader niet, heer. Mijn vader was geen bedelaar, mijn vader was een groot heer, een kunstenaar. Klaus wil mij dit wel tegenspreken, maar ik ben niet zoo dom, ik weet dat het waar is.quot;
âHoe weet ge dat?quot;
âMijn grootvader heeft het mij dikwijls verteld, toen ik nog te Venetië was. Uw vader is een groot kunstenaar, heeft hij altijd tot mij gezegd, een schilder, die van doek en verf even fraaie menschen maakt als onze lieve Heer v?n vjeesc^ en bloed. Maar de menschen van uw vader zijn niet zoo laaghaitig en slecht als de menschen welke God heeft gemaakt. Dan toonde hij mij het fraaie portret, dat in zijn kamer aan den muur hing en zeide dan: Dit is uwe moeder, zie hoe vriendelijk zij glimlacht en hoe goed en gelukkig zij er uitziet. Zoo heeft uw vader haar gemaakt en zoo blijft zij leven, terwijl de andere, welke God heeft gemaakt sinds lang dood en begraven is.quot;
âZij is dood, maar niet begraven,quot; kermde de bedelaar, terwijl hij zijn handen voor zijn aangezicht sloeg. âIk kan haar zoon niet tot haar graf voeren, want zij heeft geen graf. Zij is vermoord!quot;
âStil, Klaus, stil/' gebood de keurvorst met hoogheid. âGod heeft haar tot zich genomen en ook dengene opgeroepen, die misschien de schuld van haar dood draagt. Hij heeft gestraft en gericht, dus betaamt het den mensch te zwijgen. Maar ge zijt mij nog het antwoord schuldig gebleven, Klaus. Ge wildet mij zeggen tot welk beroep de vader, zoo hij nog leefde, dezen knaap bestemde en welken wensch hij voor de toekomst van zijn zoon had?quot;
âDen wensch, heer, dat hij u dienon, uw knecht mocht zijn, dat hij in uw onmiddellijke nabijheid mag wezen om u te beschermen in gevaar, u op te passen als gij ziek zijt. Heer, zoo zijn vader leefde, zou hij op zijn knieën voor u neder-vallen, smeekend zijn handen tot u opheffen en zeggen: Maak van Rebekka's zoon geen voornaam man, laat hem zijn weg gaan in nederigheid en eenvoud, maar geef hem een verheven en schoon beroep, laat hem soldaat worden. Neem hem, als hij van knaap jongeling is ge-
74
worden, in uw lijfgarde, als hij een braaf en vertrouwd mensch is geworden, neem hem tot uw lijtknecht, heer!quot;
âGij hebt het gezegd en zoo zal het zijn,quot; riep de keurvorst opgeruimd. âWij zullen hem tot een Hink soldaat laten opvoeden en zoo ons dit met Gods hulp gelukt, zal hij in onze lijfgarde opgenomen en onder onze lijfknechten gesteld worden. Maar vooraf moet hij iets leeren, want ik wensch niet, dat mijn soldaten zulke ruwe, onwetende menschen zullen blijven, gelijk zij thans zijn. En opdat ge weet, Klaus, wat verder met den knaap geschiedt, wil ik u zeggen, dat ik reeds voor zijn toekomst gezorgd heb, zooals ge aanstonds zult vernemen.quot;
De keurvorst schelde en beval den binnentredenden kamerdienaar Kunkel den huisinspecteur Uhle uit Joachims-thal te roepen. Weinige minuten later verscheen in de deur der antichambre de deftige gestalte van een man van vijftig jaren, met een ernstig en waardig voorkomen.
âUhle,quot; riep .de keurvorst hem tegemoet, ânu zult ge zien, dat ik woord houd omtrent hetgeen ik beloofd heb. Toen gij mij eergisteren, terwijl ik in Joachimsthal was en de vorstelijke school in het klooster Dambeck inspecteerde, *) met zulk een bedrukt gelaat te gemoet tradt en klaagdet hoe slecht het met u gesteld was, en er geen kostgangers meer voor het klooster Dambeck te Joachimsthal kwamen, beloofde ik u dat ik zelf u een kostganger zou bezorgen, en ontbood u hier op dezen dag en dit uur. Nu, hier is de kostganger, dien ik u beloofd heb en gij zult hem terstond medenemen naar Dambeck. Het rijtuig is immers gereed, opdat ge terstond kunt vertrekken?quot;
âOm u te dienen, keurvorstelijke genade,quot; antwoordde de man eerbiedig. âHet rijtuig staat gereed, en mijn vrouw heeft de kamer voor den kostganger al in gereedheid gebracht. Wij beiden danken uw doorluchtigheid onderdanigst, dat ge in uw genade ons wilt helpen. De oorlog heeft ons al
1) De Joachirasthalsche school werd ten jare 1007 door Joachim Frieilriuh gesticht en met tamelijk rijke middelen beschonken. Onder andere was uitdrukkelijk bepaald, dat jaarlijks vijf thaler zouden wutden besteed om er boeken op de Leipziger Markt voor te koopen. In het jaar 163ö werd de stad Joachimsthal door de Zweden geplunderd, verwoest en in brand gestoken. De school werd nu naar het nabijgelegen klooster Dambeck verplaatst, maar behield den naam van Joachirasthalsche school. In het jaar 1656 bracht de keurvorst ze naar Berlijn over, waar nog tegenwoordig het Joachimsthalsche gymnasium bloeit.
75
onze havo en goed ontnomen, de Zweden en keizerlijken hebben ons geplunderd en niets dan het armzalia; leven gelaten!quot;
âNu, ge hadt toch nog altijd den post van huisinspecteur der keurvorstelijk school,quot; zei de keurvorst bevredigend.
âJa, heer, maar die brengt ons niets meer op dan de vrije woning, welke wij in het klooster hebben, een weinig brandhout en eenig akkerland om er graan en groenten op te bouwen. Wij hadden den akker ook bebouwd, het koren stond in volle rijpheid, toen kwamen verleden jaar de Zweden, die alles onbarmhartig vertrapten, zoodat alle arbeid en moeite vruchteloos was. Zoo brachten wij heel kommervol den winter door en dikwijls was er zeer weinig te eten, want met de school ging het bedroevend, zij was den geheelen winter gesloten, omdat er geen scholieren waren. Ik ontvang nu als belooning voor het in orde houden der klassen en de zorg over het geheeJe gesticht geen bepaalde som, maar krijg jaarlijks van lederen scholier een thaler en van lederen kostganger twee thaler.quot;
âDan was het waarlijk dezen winter erg voor u, als de school geheel gesloten was,quot; zei de keurvorst vriendelijk.
âMaar wees welgemoed, alles zal wel beter worden en ik hoop al de wonden te heelen, die de oorlog aan mijn volk heeft toegebracht. De Joachimsthalsche school zal weder in het klooster Dambeck opgericht, en in bloei worden gebracht, en alle geestelijken en magistraatspersonen der steden van de Mark zullen trachten aan de vorstelijke school leergierige scholieren te bezorgen. Ik zal hun allen met een goed voorbeeld voorgaan en aan de school twaalf scholieren en kostgangers toevoeren, voor wier onderhoud ik zelf zal zorgen. Hier hebt ge reeds den eersten scholier en kostganger, oude Uhle, maar ge moet mij beloven hem goed aan te zetten en voor hem te zorgen als ware hij uw eigen kind.quot;
âDoorluchtigheid, ik beloof het u uit den grond mijns harten, en ik gevoel reeds, dat ik woord zal houden, want de knaap ziet er goed uit en heeft reeds mijn geheele hart gewonnen. Buitendien is het eenige kind, dat mij en mijne vrouw geschonken was, ons weder ontnomen, en zoo zullen wij nu het kind liefhebben alsof het ons eigen
70
was. Will 14e mei mij gaan, mijn jongsko? Wilt ge bij mij blijven en mijn zoon zijn?quot;
üe knaap vestigde zijn zwarte oogen mei een langen onderzoekenden blik op hel glimlachend, vriendelijk gelaal van den inspecteur.
âIk wil wel met u medegaan,quot; zdde hij na een pauze, âen liefhebben wil ik u ook. Maar ik kan uw zoon niet zijn want gij zijl mijn vader niet. Anders zou mijn oom Klaus u reeds lang gescholden en geslagen hebben, want hij haat mijn vader vreeselijk en spreekt allerlei kwaad van hem. Zeg, oom, is dat mijn vader, kan ik zijn zoon zijn?quot;
âNeen,quot; antwoordde Klaus, zacht en met neergeslagen oogen, â'lis uw vader niet. Ge moogt dezen heer als uw vader liefhebben en hem gehoorzaam zijn als of ge zijn zoon waart!quot;
âEn ge zult ook zijn zoon zijn, en hij zal uw vader wezen,quot; zei de keurvorst levendig âHoor, Uhle, deze knaap is een wees; ik heb zijn oudersgekend, en zijn moeder heeft mij eens een zeer grooten dienst bewezen. Zijn vader kende ik heel goed en ik heb hem beloofd voor zijn eenig kind te zullen zorgen. De knaap heeft geen naam, want hij mag den naam van zijn vader niet dragen. Nu vorder ik van u, Jacob Uhle, dat gij dit kind uw naam geelt. Hij zal heeten gelijk gij, hij zal u vader en uw vrouw moeder noemen, hij zal in uw woning een tehuis, een ouderlijk tehuis vinden. Wilt ge mij beloven, dat het zoo zijn zal, Jacob Uhle?quot;
âIk beloof het u, genadige heer,quot; riep Uhle plechtig, terwijl hij op den knaap toetrad en zijn beide handen op diens blond gelokt hoofd legde. âIk zal dit kind lief hebben en het beschouwen als mijn eigen zoon; ik beloof u, dat hij in mijn woning een tehuis zal hebben. Ik wil hem mijn naam geven en hij zal van dit uur af als mijn kind beschouwd worden.quot;
âGod zegene u voor deze woorden,quot; riep Gabriel, wien de tranen langs de wangen rolden.
âGoed,quot; zei de keurvorst zacht met het hoofd knikkend, âzoo hebben wij voor den wees een vader, voor den naamlooze een naam gevonden, en ik geloof dat zijn moeder in den hemel er zich over zal verheugen. Voor het onderhoud van den knaap zal ik zorg dragen en uw echtgenoole,
77
mevrouw Uhle, zal hem van linnengoed en kleeren, zooals voor uw zoon passen, voorzien. Gij zult mij de rekening er van zenden en ik zal ze betalen, tevens zal ik jaarlijks een bepaalde som vaststellen voor kleeding van den knaap. Al wat verder noodig is zal ik u door mijn secretaris laten welen, ook wegens den doop, die aan 'tkind zal voltrokken worden, en waarover ik zelf als doopvader zal staan. Gij hebt den knaap den vadernaam gegeven en ik wil hem den doopnaam geven: hij zal heeten Friedrich Wilhelm Uhle.quot;
âWilhelm Uhle,quot; fluisterde Gabriël, terwijl hij üjn door tranen verduisterde oogen op den knaap vestigde, die hem geheel en al vergeten scheen te hebben, en zijn glimlachende, nieuwsgierige blikken nu eens op den keurvorst, dan op Jacob Uhle richtte.
âGa nu, Jakob Uhle, zie naar uw rijtuig of alles voor het vertrek gereed is,quot; beval de keurvorst. âDe knaap zal terstond volgen om met u te vertrekken. Ga!quot;
Hij beantwoordde vriendelijk Jabob Uhle's eerbiedige buigingen en wendde zich, toen deze was heengegaan tot Gabriël Nietzel.
âIk wilde u gelegenheid geven om van den knaap voor het laatst afscheid te nemen,quot; zeide hij. âIk kan wel denken, dat uw hart er naar verlangt en daarom heb ik Jakob Uhle vooruit laten gaan quot;
âUw doorluchtigheid is edel en grootmoedig tot het einde,quot; antwoordde Gabriël zacht. âIk dank u! Maar ik heb geen afscheid meer te nemen en met Wilhelm Uhle niets meer te spreken. Alles is voorbij en gedaan!quot;
âMaar ik, oude beste oom, ik heb u nog iets te zeggen.quot; riep de knaap, terwijl hij op Gabriël toesnelde en zijn beide armen om zijn lijf sloeg. âIk heb u nog te zegden, dat ik u altijd lief zal hebben en gij altijd mijn lieve goede oom blijft! Geef mij nu nog tot afscheid een kus!quot;
Een doodelijke bleekheid overtoog Gabriel's gelaat, en zijn geheele lichaam beefde. Hij drong den knaap haastig terug en maakte zijn arm van hem los.
âGa!quot; riep hij heftig, âga, raak mij niet aan. Ik kan het niet dragen! Ga! Heb medelijden, mijnheer de keur-vorst, gij ziet wel, dat ik slechts een zwak mensch ben en het boven mijn krachten gaat. Veroorloof mij, dat ik mij thans verwijder.quot;
78
âNiet gij, maar de knaap zal heengaan,quot; antwoordde de keurvorst, terwijl hij schelde. âMet u heb ik nog een pair woorden te spreken! Voer den knaap naar beneden!quot; beval hij den binnentredenden kamerdienaar Kunkel. âJakob Uhle verwacht hem met zijn rijtuig, om hem mede te nemen. Ga, Wilhelm Uhle, ga en word een goed en degelijk mensch.quot;
De knaap antwoordde niet. Hij had de oogen nog altijd op het doodsbleek, stuiptrekkend gelaat van zijn oom gericht, en de tranen, die in zijn oogen opwelden, benamen hem de spraak. Zonder weerstand duldde hij, dat de kamerdienaar Kunkel zijn hand nam en hem naar de deur voerde, 't Was zoo donker voor zijn oogen, hij wist zelf niet waarom, hij had zulk een pijnlijk gevoel in zijn kleine borst en wist het toch niet te verklaren. 'tWas niet zulk een gevoel als hij vroeger had ondervonden, als hij hongerig en koud door de nauwe straten van Venetië sloop, of als hij, vermoeid van 't langdurig gaan, aan de hand van zijn oom Klaus zich met moeite bewoog â hij had noch honger noch dorst, zijn voeten deden hem geen pijn en zijn hoofd was niet zwaar. Maar in zijn binnenste was iets zoo pijnlijk, zoo vol weemoed, zoo zwaar, dat het hem bijna ondragelijk was.
Het kind liet zijn hoofd op de borst nederzinken en ging langzaam naar buiten, het wist niet, dat het zijn eerste zielesmart was, die het medenam.
âGabriël Nietzel,quot; zei de keurvorst, toen de deur achter den knaap gesloten was, âarme ongelukkige man! Ge hebt het grootste ofter gebracht, ge hebt u van uw kind gescheiden en voor het geheele leven afstand van hem gedaan. Ge hebt een moeilijken strijd gestreden, ge hebt de liefde overwonnen^ en de liefde vaarwel gezegd. Geloof nu, arme man, dat ge uw zonde geboet en u van alle schuld gezuiverd hebt. Het vuur van 't berouw en boete heeft uw ziel gelouterd, alle misdaad en schuld gedelgd en heeft u tot een nieuw mensch gemaakt. Hef daarom het hoofd op, wees sterk en vast en overwin nu ook het berouw, gelijk ge de zonde overwonnen hebt. Ik, uw keurvorst en voor mijn volk en mijn dienaren Gods plaatsbekleeder hier beneden, ik spreek u vrij van alle schuld, en neem uwe zonde weg!quot;
Gabriël schudde langzaam het hoofd. âIk wil de boete dragen tot aan het einde,quot; zeide hij met zachte, doffe
79
stem. âIk heb het met een heiligen eed gezworen, toen God in zijn gerechtigheid mij niet liet sterven in het, water vun den Tiber en den zelfmoordenaar uit de armen des doods weder in de wereld terugwierp. God alleen kan mij van mijn boete bevrijden, door mij na al deze folteringen tot zich in den eeuwigen vrede te roepen. Hij weet, wanneer ik eindelijk genoeg geledon heb om het, aangezicht van mijn Rebekka weer te aanschouwen en met haar vereenigd te zijn.quot;
âWat wilt ge doen?quot; vroeg de keurvorst. âWaarvan wilt ge leven?quot;
âVan den dood, heer! Mijn leven zal een eeuwig sterven zijn, mijn aanzijn een eeuwige smart. In vernedering wil ik voortsluipen, van de milddadigheid der menschen een stuk brood bedelen en den penning der barmhartigheid, dien ik in deemoed zal aannemen, wel wetende, dat ik hem niet verdiend heb. Voor uw kasteel, heer, wil ik als bedelaar mijn leven doorbrengen, en bij eiken aanblik denken, dat gij hier eens in pijn en smarten laagt en worstelend met het vergift, dat de hand van een vervloekten moordenaar u had ingegeven, mij herinneren, dat de hand van een gezegonden engel u van den dood verloste, dat mijn Rebekka u redde, voor mij in den dood ging en dat ik haar graf niet ken om er heen te gaan en er te sterven.quot;
âIs dat uw onherroepelijk besluit?quot; vroeg de keurvorst. âWilt ge als bedelaar leven?quot;
âMijn vast besluit heer!quot;
âZeg mij ten minste, wat ik voor u doen kan,quot; riep de keurvorst bijna biddend.
âHeer, laai den gerechtsdienaar bevel worden gegeven, dat hij mij niet van de poort van uw kasteel wegjaagt, maar mij vergunt op het kasteelplein mijn leven als bedelaar door te brengen.quot;
De keurvorst stampte ontevreden met den voet. âWelnu, zeide hij haastig, âéén ding moet ge mij ten minste beloven ! De kok zal u dagelijks des middags warme soep zenden. Ge moet mij beloven, ze te eten!quot;
âHeer, ik kan dat niet beloven!quot; riep Gabriel geheel ontsteld. âIk kan geen spijs en drank aannemen van den-gene in wiens spijs ik den dood heb gemengd! Vergun mij, wat ik gevraagd heb, meer begeer ik niet!quot;
80
âNu goed, het zij [zoo! Zoo lang gij wilt zult ge uw standplaats voor het kasteel op het plein en in den lusttuin hebben, geen mensch zal het wagen u dit te beletten. Maar ge neemt dagelijks van mij de gift aan, welke ik u reik, en zoo ik zelf niet kom ontvangt gij ze van den-gene, die ze u van mij brengt.quot;
.,Ik ben een bedelaar, heer, en neem dankbaar de aalmoes, die den bedelaar past. Maar deze aalmoes mag niet meer dan een penning bedragen, want dit is de gift die den bedelaar toekomt. Wil genadiglijk . . .quot;
liet ratelen van een van 't kasteelplein vertrekkend rijtuig deed den bedelaar verstommen, en de zucht die zich uil zijn borst wrong, geleek bijna een gil.
âHet is Jakob Uhle's rijtuig,quot; zei de keurvorst zacht. âDe knaap is vertrokken.quot;
âIk heb mijn zoon voor altijd verloren!quot; riep Gabriël met een hartverscheurende kreet. âOntsla mij, heer, ontsla mij, opdat ik in mijn kamer kan wegkruipen.quot;
âWelnu, arme man,quot; zei de keurvorst zacht, âga dan! Dat God uw arme ziel genadig zij en vrede geve!quot;
Gabriël Nietzel prevelde eenige onverstaanbare woorden en waggelde naar de deur.
De keurvorst oogde hem met diep leedgevoel na, en toen hij de hand op den knop der deur legde en ze opende, riep hij hem met zonderlingen haast terug:
âGabriël Nietzel!quot;
De bedelaar ging voort, alsof hij 't niet was, dien men riep.
âKlaus riep de keurvorst, ânog een woord!quot;
De bedelaar bleef in de open deur staan, maar keerde zich niet om, zijn gestalte waggelde heen en weer.
âKlaus, zoo ge ten eenigen dage gevoelt, dat ge genoeg geboet hebt, als ge u zei ven vergeven hebt, gelijk God, gelijk Rebekka, gelijk ik u heb vergeven, als ge naar rust en een stil plekje verlangt, waar ge uw vermoeid hoofd kunt nederleggen, kom dan tot mij en ik zal het u geven!quot;
Slechts een onverstaanbaar gemompel was het antwoord; toen waggelde hij in gebogen houding verder en de deur sloot zich achter hem.
De keurvorst stond onbeweeglijk opzijn plaats en oogde hem na; 'twas alsof met het geluid der slepende voetstap-
81
pen daar buiten, zijn eigen verleden, zijn eigen jeugd zich van hem verwijderde, en een onuitsprekelijk weemoedig gevoel greep zijn geheele ziel aan.
Een luid gerucht, als van een zwaren val, wekte hem uit zijn treurig gepeins. Hij ijlde naar de deur en opende ze.
âWat is dat, Kuhkel? Wat was dat voor een gerucht?quot;
â!tls niets, genadige doorluchtigheid,! De bedelaar is in onmacht ter aarde gevallen, anders niet!quot;
De keurvorst sloot de deur en ging in de kamer terug. Zijn groote oogen hieven zich langzaam ten hemel, en zijn gedachten richtten zich tot God.
âVoor u, o Heer,quot; fluisterde hij, âzijn wij allen toch slechts zwakke, zondige menschen en alle grootheid valt tot stof! Ik meende een vorst te zijn en wilde gebieden! Doch een bedelaar wederstaat mij met de macht van zijn wil, zoodat ik gevoelen moest, dat ik met geweld hem niets gebieden noch toestaan kan. Vorst en bedelaar zijn beiden menschen door U geschapen, maar als bedelaars staan wij allen voor U, o Heer en God.quot;
VIII.
DE TERUGKOMENDE POSTILJON D'AMOUR.
âWaarlijk!quot; riep de keurvorst den binnentredenden Burgsdorf te gemoet, âgij hebt u gehaast. Nauwelijks zijn zes weken verstreken, sedert gij op reis gingt naar Zweden, en daar zijt gij al terug.quot;
âJa, genadige heer,quot; zei Burgsdorf, wiens donkerrood gelaat van genoegen glinsterde. âGoddank, ik ben weer terug. Ik kan 't uw doorluchtigheid niet beschrijven, hoe gelukkig ik ben weer in het lieve, gezegende Berlijn te zijn. Toen ik van morgen de stad inreed en zag hoe de vrouwen voor de deuren beur koeien molken, en de varkens in het straatslijk wentelden, werd het mij zoo wel, zoo uitermate wel te moede, dat ik 't uw doorluchtigheid niet zeggen kan. 'tls toch een wonderbare zaak die geboorteplaats, nergens leeft men zoo aangenaam als in het lieve Berlijn.quot;
Mühlbach, De groote Keurvorst en zijn tijd. III. 6,
82
âWaar de koeien voor de deur worden gemolken en de zwijnen in het straatslijk wentelen!quot; riep de keurvorst lachend. âInderdaad, dat zijn voorrechten, die zeer weinige vorstelijke residentiesteden met Berlijn deelen, en ons wellicht niemand benijdt. In Stokholm hebt gij deze genoegens wel geheel moeten missen, oude Burgsdorf?quot;
âVolkomen moeten missen,quot; betuigde Burgsdorf met een diepen zucht, â't Was schrikkelijk, doorluchtigheid, alles was daar fijn, beschaafd en deftig. De geheele stad gelijkt wel een pronkkast, het is er zoo statig, dat men er bang van wordt. Ik heb het nauwelijks eenmaal gewaagd een krachtigen vloek uit te stooten, omdat ik vreesde, dat de menschen van schrik zouden omvallen, ofschoon zij mijn Duitschen vloek toch niet verstonden. Want, wil uw doorluchtigheid wel gelooven, de menschen in Zweden zijn zoo dom, dat zij volstrekt geen Duitsch verstaan?quot;
âEn gij zijt zoo wijs, dat ge volstrekt geen Zweedsch verstaat 1quot;' vroeg de keurvorst lachend.
âNatuurlijk, doorluchtigheid, geen enkel woord. Ik heb van mijn leven zulk een afschuwelijk koeterwaalsch niet gehoord als de Zweden spreken, het was een groot geluk voor mij, dat aan 't hof der koningin niets dan Fransch werd gesproken.quot;
âIk kan denken, oude, welk een elegant en fraai Fransch gij er voor den dag hebt gebracht,quot; riep de keurvorst. âHet eene woord joeg zeker het andere voort, als een troep honden het gejaagde hert, en zoo er een paar ter zijde in 't moeras vielen, stoven de andere des te moediger voorwaarts.quot;
âUw doorluchtigheid doet mij onrecht,quot; zei Burgsdorf ernstig. âIk spreek waarlijk zeer goed Fransch, omdat mijn moeder in Frankrijk geboren was en ik bijgevolg dezetaa. met de moedermelk ingezogen heb.quot;
âOude, dat is immers reeds zoo lang geleden. Mij dunkt het zal wel zoo wat zestig jaren geleden zijn.quot;
âTwee en zestig jaren, doorluchtigheid, en mijn moeder is reeds twintig jaren dood. Maar ik kan nog even goed Fransch spreken als een dansmeester, en verzeker uw genade, dat ik niet alleen elk woord heb verstaan, maar mij ook zoo goed wist uit te drukken, dat haar majesteit er pleizier in had.quot;
âIk kan het denken, Burgsdorf,quot; zei de keurvorst. âIk
8B
had trouwens gehoopt, dat het der koningin behaagd had, Duitsch met u te spreken, want van mevrouw haar moeder heeft zij ook het Duitsch met de moedermelk ingezogen, en dit is nog niet zoo lang geleden als bij u.quot;
âGenadige heer, de koningin begon ook eerst Duitsch met mij te spreken, en ik moet zeggen, dat zij het zeer goed spreekt, maar het deed haar meer genoegen Fransch met mij te spreken en zij was daarover hoogst tevreden.quot;
,.Ik geloof gaarne, dat het zeer grappig zal geweest zijn. Maar genoeg hiervan. Geef mij nu verslag van alles wat ge gezien en gehoord hebt. Kom, zet uin gindschen armstoel, oude; ge kent hem, want gij hebt er reeds bij mijn heer vader in gezeten, als gij hem van uw krijgstochten en avonturen verteldet.quot;
De keurvorst wees naar den hoogen, met leder overtrokken armstoel, terwijl hij zelf op den smallen divan plaats nam. Konrad von Burgsdorf liet zijn zwaar lichaam langzaam in den armstoel nederzinken en nam een ernstig nadenkend gelaat aan.
âGenadige heer, 't is waar, ik heb menigmaal tegenover wijlen uw hooggeéerden vader in dezen stoel gezeten en hem menige geschiedenis verhaald, maar hij had steeds de genade mij hiertoe krachtig aan te sporen en te stemmen.quot;
âWat wilt ge daarmee zeggen, Burgsdorf?quot; vroeg de keurvorst glimlachend, âwat bedoelt gij met dat stemmen?quot;
âGenadige Jheer, wat doet men als men met een viool muziek wil makén ? Men stemt vooraf de snaren en bestrijkt den strijkstok met hars. Aldus gaat het ook met de menschenkinderen. Zij moeten ook gestemd worden en hun eigenaardige soort van hars hebben, willen zij iets voor den dag brengen.quot;
âMij dunkt, dat ge in Stockholm hebt geleerd u poëtisch uit te drukken,quot; zei de keurvorst terwijl hij schelde.
âTwee flesschen Rijnwijn,quot; beval hij den binnentreden-den kamerdienaar.
âUw doorluchtigheid zijt van een betooverende goedheid,quot; riep Burgsdorf met een van vreugd stralend gelaat. âIn zes weken heb ik geen Rijnwijn gezien noch gedronken. Die ijsberen van Zweden moeten hun koud bloed met zware Spaansche wijnen verhitten, om te ontdooien. Maar ik kan die Xeres en Madera niet verdragen, ze maken mij melankoliek als een nachtuil.quot;
84
âLaai uw melankoliek hart zich dan verlustigen aan den Duitschen Rijnwijn,quot; zei de keurvorst, toen de kamerdienaar de twee llesschen wijn met groote groene glazen op de kleine tafel zette. âSehenk in en drink.quot;
âZonder dat uw doorluchtigheid de genade hebhe mii toe te drinken?quot;
âNu, schenk mij een weinig in en vul voor u den ge-heelen bokaal. Ik klink met u op uw gelukkige tehuiskomst.quot;
Hij liet zijn glas tegen dat van den opperkamerheer klinken en dronk een paar droppels, terwijl Burgsdorf het groote glas langzaam in één teug ledigde.
âIs de viool gestemd?'' vroeg de keurvorst glimlachend.
âJa, uw doorluchtigheid,'.'antwoordde Burgsdorf. âHet concert kan beginnen, maar 't moge geoorloofd zijn in de korte pauzen de viool opnieuw te stemmen, want zij ontstemd zeer licht.quot;
âDoe dat, maar neem niet te vele pauzen! Laat nu het concert een aanvang nemen! Vertel! Hoe ontving u de koningin! Wat zeide zij van den brief barer moeder, en van u, den levenden brief?quot;
âGenadige heer, koningin Christina wierp den brief van mevrouw haar moeder, zonder hem gelezen te hebben, achteloos op de tafel, om zich slechts met mij den levenden brief, gelijk uw genade zegt, bezig te houden.quot;
âEn was zij in staat u te lezen? Doorgrondde zij uw bedoelingen ?quot;
âDoorluchtigheid, zij las slechts zooveel als ik haar wilde laten lezen en zag slechts zooveel van mijne intenties, als ik haar zien liet. De koningin is een buitengewoon schrandere en scherpzinnige dame, maar ik ben ook niet op 't hoofd gevallen, en zoo vlogen wij beiden als een paar vliegen immer om de heete brij, geen onzer wilde den mond branden, maar gunde dit toch den anderen. Toen zij mij vroeg: Hoe gaat het den opperkamerheer von Burgsdorf? Is hij nog altijd de vertrouwde van den heer keurvorst? antwoordde ik: Majesteit, de opperkamerheer von Burgsdorf is een oude ijzervreter, die geen ander vermaak kent dan vechten en drinken, en een zoo fijn en geleerd heer als mijnheer de keurvorst heeft wel andere vertrouwden dan den ouden ijzervreter. â Toen ik mij veroorloofde haar te vragen: Heeft uwe majesteit den brief
85
barer genadigste mevrouw moeder gelezen ? Wil uwe koninklijke genade niet een weinig den wensch barer genadigste mevrouw moeder in overweging nemen en haar hemelsche oogen eenmaal naar Duitscbland wenden, waar een schoon, jong vorst met vurige liefde verlangend zijn gedachten op de schoonste, gevierdste dame van geheel Europa, namenlijk op uw majesteit, richt? antwoorddede jonge koningin met een bekoorlijken glimlach: Ik weet niet van welken jongen vorst ge spreekt. Er zijn vele vorsten in Duitschland, en allen zou het misschien zeer aangenaam zijn met mij te huwen, wijl ik een koninkrijk ten huwelijk breng. Van welken vorst spreekt ge? â Majesteit, antwoordde ik toen, ik spreek van den schoon-sten, denjongsten enbeminnenswaardigsten vorstin Duitscbland, van â Van den jongen aartshertog Leopold van Oostenrijk, den troonopvolger van zijn vader viel zij mij in de rede. Nu ja, dit zou zeker een aanneembare partij voor eén koningin zijn, want als de aartshertog eens keizer wordt, is bij ten minste de voornaamste vorst in Europa. â Mevrouw, antwoordde ik ernstig en ik geloof met betamelijke waardigheid, ik spreek niet van den aartshertog Leopold van Oostenrijk, van wien bet nog de vraag is of hij ooit keizer van Duitscbland wordt. Ik spreek van den jongen keurvorst Friedrich Wilhelm van Brandenburg, uw neef, en niet alleen de lieveling van mevrouw uw moeder maar van de geheele dameswereld. â Ha, van hem, antwoordde de jonge majesteit snibbig. Ge hebt gelijk, hij schijnt inderdaad de lieveling der dames te zijn, en er zullen veel Ariadnetranen vloeien als bij trouwt. Men zegt immers, dat bij met mademoiselle van Orleans is verloofd, en het den kardinaal de Mazarin gelukt is dit huwelijk tot stand te brengen. â Majesteit, riep ik, dat is een dwaling. Mijnheer de keurvorst is niet verloofd met mademoiselle van Orleans. â Nu, dan zal het de kleine prinses van Oranje zijn, zei baar majesteit het hoofd trotsch achterover werpende; de beeren Staten en de prinses van Oranje zullen zeker de vurige aanzoeken van den keurvorst zeer bereidvaardig zijn tegemoet gekomen. â Majesteit, verzekerde ik, mijnbeer de keurvorst beeft inderdaad volstrekt geen aanzoek om de prinses van Oranje gedaan, en het komt hem ook niet in de gedachte zich met deze jonge dame te verbinden! â
86
Dan is het de aartshertogin van Oostenrijk of een prinses van Polen, riep de koningin met een lach, die echter als een ingehouden ergernis klonk. De keurvorst schijnt zoo gezocht te zijn en er worden hem zoovele huwbare prinsessen aangeboden, dat het hem ten laatste moeielijk zal zijn een besluit te nemen en een keus te doen. â Majesteit, riep ik in edelen ijver, majesteit, de keurvorst vindt dit volstrekt niet moeielijk. Hij wil slechts naar den wensch van zijn hart trouwen en dat heeft sinds lang een keus gedaan Zijn hart richt zich verlangend op de jonge, schoone, bekoorlijke koningin van het Noorden op de betooverende muze, de hemelsche godin, die van den Olymp is nedergedaald om de menschen gelukkig te maken. â Uw doorluchtigheid moet namenlijk weten, voegde Burgsdorf er verklarend bij, dat men in dezen stijl aan 't hof van koningin Christina van haar en tot haar spreekt. Er wordt bestendig niets dan wierook ge-brandt en trompetten geblazen, en daaraan is de koningin zóó gewoon, dat het haar zeer natuurlijk voorkomt, een godin of fee genoemd te worden. Zij begreep dan ook â terstond, wie ik bedoelde, toen ik van de muze, van de godin sprak. â Mijnheer riep zij, en uw genade had eens moeten zien hoe haar oogen toen fonkelden en hoe trotsch zij er uitzag, mijnheer, ik behoor niet tot de prinsessen, die gekozen worden, maar ik ben het, die kiest, die een man met haar hart begenadigt! Ik moet u echter bekennen, dat ik nog volstrekt geen lust heb tot trouwen, en zoo ik dit doe, moet ik vooraf gewaarborgd zijn, dat mijn gemaal niet bedoelt over mij meester te zijn en zich rechten over mij wil aanmatigen, maar dat hij zith aan mij onderwerpt en mij als de souvereine koningin van Zweden erkent, die zich door niemand laat be-heerschen dan door haar eigen hoofd!
âZoo, zeide zij dat?quot; vroeg de keurvorst glimlachend.
âHet zijn haar eigen woorden, doorluchtigheid,quot; antwoordde Burgsdorf met gewichtige stem, terwijl hij naar de llesch greep en zijn bokaal vulde. ,,Tk verzoek verlof een weinig hars aan te strijken.quot;
De keurvorst knikte en Burgsdorf ledigde het groote glas in één teug.
âDit is dus de bedoeling van mijn kleine nicht ?quot; zei de keurvorst. âZij wil een gemaal nemen, die
87
als slaat alle eer en waardigheden van haar ontvangt.quot;
âJa, doorluchtigheid, slechts een gemaal, die haar gehoorzaamt. Het behaagde haar majesteit hierover later nog breedvoeriger en openhartiger te spreken en wel in tegenwoordigheid on met toestemming van den rijkskanselier Oxenstierna, die een zeer trotsch en sluw heer is en al de vrijheden, voorrechten en waardigheden der koningin zóó wil vaststellen, dat aan haar gemaal volstrekt geen macht worde gegeven zich met de staatszaken te bemoeien, of zelfs een uitkomende stelling in te nemen. Vooral moet het een huwelijksvoorwaarde zijn, dat de gemaal der koningin niet in haar rang deelt, noch den titel van koning of een plaats naast haar op den troon begeert. De gemaal der koningin behoudt den rang en titel, welken hij vóór zijn huwelijk bezat; bij groote plechtigheden en feestelijkheden staat hij ter zijde van den troon, waarop de koningin geheel alleen zit: hij laat aan haar majesteit den voorrang en gaat onmiddellijk achter haar. In den staatsraad heeft hij noch zitting noeh stem, en is verplicht zich nooit met de regeering te bemoeien. De waardigheden, welke de koningin hem mocht verleenen, moet hij niet als zijn rechten, maar als eenvoudige gunstbewijzen dankbaar aannemen. Dit alles moet de gemaal der koningin plechtig door een akte bekrachtigen en zich onder eede verplichten na te komen.quot;
âEn wat meent ge, oude,quot; vroeg de keurvorst met een fijnen glimlach, âis de jonge koningin wel waard, dat een man om harentwille zich zoo in het stof buigt en zich-zelven overlevert, om geheel haar eigendom te zijn? Is de koningin fichoon, beminnelijk, aangenaam? Heeft zij een goed hart? Bezit zij de eigenschappen, die noodig zijn om een echtgenoot gelukkig te maken ? Is zij zachtzinnig, goedhartig, verdraagzaam, verstandig en toegevend?''
Burgsdorf zag nadenkend en verlegen voor zich. âVraagt uw doorluchtigheid mij dit in vollen ernst, en verlangt zij, dat ik eerlijk en oprecht antwoorde?quot;
, Een eerlijk en oprecht antwoord, Burgsdorf! Ik heb u immers naar Stokholm gezonden om voor mij te zien en te hooren, en mij te berichten wat gij gezien ongehoord hebt. Ge moet mij niets verborgen houden, opperkamerheer, maar mij oprecht en trouw alles verhalen wat ge weet en opgemerkt hebt; want ik ken u, oude; ik weet,
88
dat in uw breed goedhartig gelaat een scherpziend oog zit, en gij vaak den onnoozele speelt, wetende dat de wolf zich somwijlen in een schapenvacht moet hullen. Spreek dus eerlijk en oprecht, Burgsdorf.quot;
, Ja, doorluchtigheid, ik zal u eerlijk en oprecht mijn meening zeggen!quot;
âZoo ge bijvoorbeeld een vorst, zoo ge niet de opperkamerheer von Burgsdorf, maar de keurvorst van Brandenburg waart, zoudt ge dan de koningin van Zweden tot vrouw verkiezen?quot;
âDe hemel behoedde er mij voor,quot; riep Burgsdorf met ongeveinsde ontzetting. âDat wil zeggen,quot; voer hij voort, âvoor mij zou dit ook een ander geval zijn dan voor uw doorluchtigheid. Mocht ik ook tienmaal keurvorst van Brandenburg heeten, ik zou toch altijd de oude, onwetende kerel en de eerlijke domoor blijven, die ik nu ben, en voor zulk een man is de jonge koningin niet geschikt. Met u, genadige heer, is dit geheel iets anders! Gij zijt geleerd, fijn beschaafd, jong en schoon, gij kunt het in alle dingen tegen de koningin opnemen.quot;
âKoningin Christina is dus geleerd en fijn beschaafd!quot;
âVreeselijk geleerd en ontzettend beschaafd,quot; zuchtte Burgsdorf, zijn kleine blauwe oogen ten hemel slaande. ^Ik heb nooit kunnen gelooven, genadige heer, dat een vrouw zoo geleerd kon zijn, en zooveel vermaak in perkamenten menschen en boeken kon vinden.quot;
âHoe! in perkamenten menschen ? Wat meent ge hiermee?quot;
âIk bedoel de geleerde heeren, die er uitzien als waren zij levende, in perkament gebonden folianten. Ik verzeker uw genade, dat deze geleerden praten als een foliant: als zij spreken is 't alsof zij voorlezen en hun vreeselijke en buitengewone wijsheid gonst iemand om het hoofd als een bromvlieg, zoodat men er duizelig van wordt. Maar de koningin hoort dat gaarne, en hoe verhevener onzin zij spreken, des te vriendelijker en vroolijker wordt zij, en haar gezicht straalt dan van vreugd. Ook laat zij niemand aan haar hof toe dan geleerden, kunstenaars en dichters, en als die menschen leelijk en afschuweliik van aangezicht zijn, vindt de koningin ze toch schoon, en spreekt uren lang met een ouden nachtuil van een geleerde, en bekommert zich niet om de jonge edellieden van haar hof, zoo deze niet geleerd of geen kunstenaars of dichters zquot;t.quot;
89
âDit behaagt mij van mijn lieve nicht,quot; riep de keurvorst levendig, âhet bewijst, dat zij een edelen, tieren geest bezit, en niets van de lichtvaardigheid en oppervlakkigheid barer sekse. Ach, hoe benijd ik baar geluk om geleerden, kunstenaars en dichters om zich te kunnen vereenigen en in bun omgang haar geest te verkwikken en te veredelen.quot;
âMenigmaal gaat het er ook zonder verkwikken en veredelen toe, en met die geleerdheid, poëzie en kunst ontstaan er toch soms zeer ernstige twisten. Hiervan kan ik uw doorluchtigheid een alleraangenaamste geschiedenis verbalen, welke ik zelf heb bijgewoond.quot;
âVerbaal,quot; riep de keurvorst haastig, terwijl bij zich zelf verwaardigde de tweede llesch te openen en den bokaal van zijn opperkamerheer tot den rand te vullen. âWelk een geschiedenis was dat? Waar had zij plaats?quot;
âAan bet hof, in de onmiddellijke nabijheid der koningin genadige beer. Er was kort geleden een gebeele scheepslading geleerden aangekomen, en de koningin zeide mij bij mijn eerste audiëntie, dat ik op een zeer gelukkigen tijd aan haar bof was gekomen, want er was in geheel Europa geen bof, waar zich zooveel uitstekende en beroemde geleerden bevonden, als aan het hare. Ik moest op dit alles nauwkeurig acht geven, om het den keurvorst van Brandenburg te verhalen. De koningin bad zelfs de genade mij met een dezer geleerde monsters bekend te maken en ons aan elkander voor te stellen. Zij zeide mij : Mijnbeer, daar ge als afgezant mijner mevrouw-moeder zijt verschenen, en mij een zeer fraaien brief van hare genade gebracht hebt, wil ik u biervoor beloonen en u een zeldzaam geluk bereiden. Zie bier dus den grootsten en beroemdsten tilosoof der wereld. De Fran-scben beroemen zich, dat hij in Frankrijk is geboren, en noemen hem Descartes ; maar geheel Europa kent en verheugt zich in hem, en hij beeft opgehouden een Franscb-man te zijn, want hij is een wereldwijze en heet voorde gebeele wereld Cartesius.quot;
âWas er Cartesius?'' riep de keurvorst levendig. âHebt ge bet geluk gehad den grooten wijsgeer en mathematicus Cartesius te zien?quot;
âNu begint uw doorluchtigheid ook zoo,quot; zuchtte Burgs-dorf. âNu jfpreekt uw doorluchtigheid ook van geluk, dat
90
ik genoten heb. Nu, ja, ik heb Cartesius gezien, maar wat was dat? Een kleinen kerel, die zeker een der afschuwelijkste menschen is, en dien een aap niet zou herkennen, zoo Cartesius zich voor zijn zoon uitgaf. De kinderen op de straat beginnen te huilen en te schreeuwen, als zij nem ontmoeten. Maar koningin Christina vindt hem zeer schoon en waard om te kussen; ja, graaf Oxenstierna heeft mij hiervan een historietje verhaald. Cartesius was in den slottuin gaan wandelen, en geheel verdiept in zijn groote wijsgeerige gedachten, had hij zich onder een laurierboom nedergezet en was in slaap gevallen. Nu komt de koningin met haar dames, zij zien den slapenden wijsgeer, lachen om hem en twisten onder elkander of hij op een aap of tijgerkat gelijkt. Maar de koningin berispt ze met strenge woorden, nadert zacht, breekt twee groote takken van den laurierboom, windt ze tot een krans en hecht ze aaneen met haar eigen doekspeld, die uit twee prachtige solitairs bestaat. Zij zet dezen krans zacht op den kalen schedel van Cartesius, buigt vervolgens over hem, kust zijn lippen en roept: Ontwaak, mijn meester. De wijsgeer mag niet slapen, anders zou de dwaasheid nog meer macht op aarde verkrijgen. Ontwaak, mijn leermeester, want uw leerlinge is bij u en wenscht van u te leeren.quot;1)
âBurgsdorf, dat is verrukkelijk!quot; riep de keurvorst. âAlleen om deze geschiedenis zou ik in staat zijn op de jonge, geestige en geleerde koningin te verlieven.quot;
âGod verhoede het,'' prevelde Burgsdorf, terwijl hij verschrikt de hand terugtrok, welke hij reeds naar den bokaal had uitgestoken.
âMaar ik zie in deze lieve kleine geschiedenis toch niets van gekibbel en twist,quot; zei de keurvorst. âIk dacht, dat gij mij juist dit zoudt verhalen.quot;
âGenadige heer, de eigenlijke geschiedenis komt nu eerst; dit was slechts de inleiding. Ik moest toch beginnen met u te vertellen hoeveel geleerden en kustenaars zich toen aan het hof der koningin bevonden. Daar was ook de geleerde abbé Bourdelot uit Parijs, die de gedichten van een zekeren Latijnschen of Griekschen dichter. Homerus genaamd, in het Fransch moet hebben vertaald ;
1
Histoirscb. Zie: Curiositaten, Band IX.
91
\
dan was er een Italiaan, een markies Monaldeschi, door wien de koningin zich de Italiaansche taal laat onderwijzen, en die, zooals ze 't noemen, een improvisator is, en voor de vuist de fraaiste gedichten maakt. De koningin was soms zoo verrukt dat zij in tranen uitbrak en hem haar beide handen toestak. Dan liet de beer markies zich voor haar op de knieën neder, kustte haar vingertoppen en drukte haar kleed aan zijn lippen. Dan begon hij weder te declameeren en telkens eindigde hettooneel hiermede, dat de koningin hem een juweel, een ring, een diamanten speld of iets dergelijks ten geschenke gaf.quot;
âIs de markies Monaldeschi ook zulk een oud leelijk man als Gartesius?quot; vroeg de keurvorst.
âNeen, doorluchtigheid, hij is een jong en buitengewoon schoon man, en men mompelde â nu, ik dwaal weder geheel van mijn geschiedenis af. Er was nog een andere geleerde, van wien de koningin zeer veel werk maakte; hij heet Meiboom.quot;
âMeiboom,'' riep de keurvorst oprijzend. âMarkus Meiboom, die vroeger te Amsterdam was en zulk een beroemd boek over de muziek der oude Grieken en Romeinen heeft geschreven?quot;
âZeker wel dezelfde, doorluchtigheid, want ook hij heet Markus en van de ouden had hij altijd den mond vol, en wat niet Grieksch en Romeinsch was, verachtte hij uit den grond van zijn hart. Hij had dan ook aan koningin Ghristina verhaald, dat de muziekinstrumenten, die tegenwoordig in gebruik zijn, allererbarmelijkst waren, en de tegenwoordige muziek in de koninklijke kapellen volstrekt niet te vergelijken was met de muziek der oude Grieken en Romeinen. De koningin was natuurlijk zeer begee-rig deze uitmuntende, heerlijke muziek der Grieken te leeren kennen t;n verzocht Markus Meiboom haar naar zijne opgave en teekeningen zulke instrumenten te laten vervaardigen. Hij deed dit, en toen zij gereed waren, zou een Grieksch concert in de vertrekken der koningin plaats hebben. Het geheele Hof was er toe genoodigd, en bet behaagde de koningin mij te bevelen, dat ik mij dicht in haar nabijheid zou plaatsen, omdat men daar het best zien en hooi en kon. Nu zon het concert een aanvang nemen en de muzikanten der Grieken marcheerden binnen met hun zonderlinge instrumenten. Aan hun hoofd ging Mar-
1)2
kus Meiboom zelf. Hij had een Grieksch costuum aan en zag er allerleelijkst en besjioltelijk uit, met zijn naakte, van koude blauwe kuiten en het rood stuk laken, ft welk hij als een mantel had omgeslagen. Op het hoofd droeg hij een lauwerkrans en in de armen hield hij een wonderlijk instrument dal hij zelf gemaakt had. Hij noemde het een barbiton, en wilde zich met dien barbiton accompagneeren, want hij wilde een lied zingen, dat een zekere mijnheer Pindarus gedicht, en 't welk Markus Meiboom op muziek had gezet. Ik verzeker uw genade, dat, toen de kerel met uitgestrekte beenen on aohterovergeworpen hoofd, met zijn barbiton in den arm en de vertrokken oogen naar den hemel gedraaid, binnen marcheerde, mij de lachlust bekroop en ik zag, dat al de hovelingen ook begonnen te grinniken. Maar in het zelfde oogenblik zeide de koningin: Voila Apollon, le roi des Muses enpersonne, en alle gezichten werden schielijk weder ernstig en ik deed ook de grootste moeite om er weer deftig uit te zien. Nu plaatste zich Markus Meiboom met zijn barbiton zeer dicht voor de koningin. Er ontstond een diepe stilte, en men hoorde niets dan de zacht fluisterende stem van den markies Monaldeschi, die achter den stoel barer majesteit stond en zich zoo diep tot haar had gebogen, dat zijn fraai hoofd schier haar naakten, fraaien schouder raakte. Hij fluisterde hare majesteit een paar woorden in 'toor, zij glimlachte even, doch werd spoedig weder ernstig en richtte haar groote blauwe oogen op Markus Meiboom. Deze nam nu den barbiton met beide handen, hield dien voor zich met de linker en greep met de rechter in de snaren, die als een oude bas bromden. Toen ontstond weder een pauze, en nu begon Meiboom te zingen. Dat wil zeggen, genadige heer, dat hij zijn groot mondwerk opende, waaruit een paar harde, schetterende tonen kwamen, die precies klonken alsof een ezel om distels balkt. Ik kon 't niet helpen, doorluchtigheid, maar ik moest lachen, en 'twas met mijn lachen alsof iemand de hik heeft. Het was aanstekend en de koningin en het geheele hof werden er door aangestoken en lachten luidkeels. Meiboom deed alsof hij niets bemerkte en ging voort met zingen, maar sloeg woedende blikken op den abbé Bourdelot, dien de koningin tot zich had gewenkt en wiens fraai, rond vollemaansgezicht van lust en pleizier
98 /
schitterde. Nu komt er weder een ezelsgebalk van Meiboom, de abbé Bourdelot lacht luidkeels en de koningin stemt er mede in. Toen springt Meiboom op, of hem een adder had gebeten, werpt woedend zijn barbiton op den grond, rent als een razende op abbé Bourdelot toe en geeft hem een oorveeg, ik verzeker u een oorveeg, zooals ik ze mijn knecht niet hartelijker geven kan.quot;
âEn de abbé Bourdelot?quot; vroeg de keurvorst lachend.
âDe abbé deed het beste wat hij doen kon, hij lachte nog luider, en de koningin en het geheele hof lachten mee, zoodat Markus Meiboom als een bezetene uit de zaal liep.quot; l)
âWaarlijk, een allerliefste geschiedenis, en ik benijd u ze te hebben bijgewoond. Deed de koningin later niets, om den geleerde weder te bevredigen-quot;
âZij beproefde het, maar 't wilde niet gelukken, want Meiboom was volkomen wanhopig. Hij wilde geen dag langer blijven en begeerde woedend zijn afscheid, om met een schip, dat zeilklaar lag, naar Amsterdam te vertrekken. De koningin moest hem dus wel laten gaan, doch deed dit ongaarne ; om hem echter voor zijn ergernis schadeloos te stellen, gaf zij hem een kostbaren diamanten ring en haar met brillanten omzet portret.quot;
âHet schijnt, dat de koningin zeer veel brillanten bezit,quot; zei de keurvorst nadenkend. âZij is er nog al mild mee.quot;
âNoemt ge dat mild, genadige heer? In Zweden fluisteren de menschen elkander in 't oor, dat hun koningin zeer verkwistend is en alle kroongoederen in brillanten en versierselen herschept, die zij aan vreemdelingen weggeeft.quot;
âBehoort ge ook tot de vreemdelingen, die er van ontvangen hebben?quot;
âIk?quot; riep Burgsdorf diep verontwaardigd, âik ben immers geen geleerde, geen kunstenaar of Italiaansche improvisator, maar eenvoudig een eerlijk Duitsch edelman, die te zwaarlijvig is om naar het lustige fluiten der koningin te dansen. Ik heb niets gekregen, geen enkelen kleinen brillant.quot;
âMen merkt het aan uw verstoordheid, oude!quot; wierp de keurvorst er tusschen.
]) Dil. tooneel is historisch. Zie: Samuel Buckholtz, Geschichte der Knr-mark Brandenburg. IV Band, 53.
94
âIk kreeg niets,quot; hernam Burgsdorf, âdan wat hatelijke woorden tot afscheid. Stekelige complimenten voor de koningin-weduwe, die de groote misdaad had begaan, van haar dochter in haar brief niet met den titel van majesteit toe te spreken, en zich bediend had van hartelijke en teedere woorden, als onder gewone menschen gebruikelijk zijn; dit betaamde niet voor een moeder, die de onderdane was van haar dochter, de regeerende koningin; dit waren haar majesteits eigen woorden. En wat den heer keurvorst en zijn wenschen betreft, zei de koningin, zoo moet hij mij zijn liefde door daden bewijzen, opdat ik er aan gelooven kan. Wanneer hij zich volkomen aan mij onderwerpt, zich geheel afhankelijk stelt van mij, dan zal ik zien of ik zijn liefde aannemen en hem tot mijn gemaal wil nemen. Alle ongehuwde vorsten van Europa doen moeite om mij te huwen. Slechts den vurigsten aanbidder zal ik het offer mijner vrijheid brengen. De keurvorst beproeve dus door een vurig liefdespel mijn koninklijk hart te winnen.quot;
âOm als hij het gewonnen heeft, de slaaf van haar luimen, de lakei van haar overmoed te worden,quot; riep de keurvorst levendig. âHoe luiden ook de voorwaarden van dit geluk? De gemaal der koningin zal geen aanspraak maken op den titel en de waardigheid eens konings, hij zal niet nevens haar op den troon zitten, maar deemoedig ter zijde slaan, hij moet aan zijn gemalin den voorrang geven en achter haar gaan, hij zal in den staatsraad geen zitting en stem hebben en zich schriftelijk en onder eede verplichten, zich nooit met raad of daad in de regeering van het land te mengen.quot;
âJa, dat is de inhoud der voorwaarden, die gij moet onderteekenen, en zoo gij dit doet, genadige heer, hebt gij hoop om den gemaal der koningin te worden. Dit is het resultaat mijner Zweedsche reis, genadige heer. Ondor-teeken! En de keurvorst van Brandenburg heeft de eer een koningin jyQmalin te hebben.quot;
âDe keur orst vai Brandenburg dankt voor die eer,quot; riep Frieduch Wilhelm met trotschen blik. âHet is mij onwaardig slechts .de man eener koningin te zijn, ik heb geen lust in een kroon, waarvan ik de macht niet bezit.quot;1)
1
De eigen woorden van den keurvorst. Zie: Droysen, Gescliichte der Prenssischen Politik. Tli. Ill, abth. I, 294.
95
âGij wilt dus niet de gemaal der koningin van Zweden worden?quot; vroeg Burgsdorf met verhelderd gelaat.
âNeen,quot; riep de keurvorst met krachtige stem, âik wil niet de gemaal der koningin Christina van Zweden worden, 'tls voor altijd uit met deze plannen, en ik moet u'zeggen, dat dit reeds bijna een besloten zaak was, vóór dat gij terug kwaamt. Maar uw bericht heeft den doorslag gegeven, nu is het voor altijd afgedaan!quot;
âIk dank den lieven God er voor,quot; riep Burgsdorf, zijn handen van verrukking in elkander slaande. âZoo ik moest denken, dat mijn fraaie, fiere, jeugdig frissche keurvorst de gemaal dezer geleerde en hoogmoedige koningin zou worden, had ik van woede en spijt als een oude vrouw kunnen huilen. Want het staat vast, doorluchtigheid, het moge pleizierig zijn met een geleerde dame te schertsen en te praten, maar met haar te trouwen . . . brr, ik krijg kippevel als ik er aan denk! Wat zouden wij, arme Markers, ook aan een meesteres hebben, die het buitenland-sche acht en altijd een heelen zwerm Franschen en Italianen om zich heeft? O doorluchtigheid, ik dank u in naam van al uw onderdanen, dat ge van de koningin van Zweden afziet, want ge zoudt wellicht een machtiger heer, maar stellig een ongelukkig man worden, en wij houden te veel van u om u niet gelukkig te willen zien. Er zal nog wel een andere jonkvrouw in de wereld zijn, met wie uw genade trouwen kan, dan met koningin Christina!quot;
âGetrouwd moet er dus worden?quot; vroeg de keurvorst.
âJa, doorluchtigheid, getrouwd moet er worden, en zoo spoedig mogelijk!quot;
âNu, als dit zoo noodzakelijk is,quot; zei de keurvorst glimlachend, âlees dan eens dezen brief.quot;
Hij nam van zijn schrijftafel een brief, dien hij den opperkamerheer overhandigde.
96
IX.
NOOD BREEKT IJZER, NOOD LEERT BIDDEN.
Burgsdorf nam den brief en had nauwelijks een paar regels gelezen, of zijn breed gelaat verhelderde.
âIs het mogelijk,quot; riep hij verheugd, âdenkt uw genade aan een echtverbintenis met het huis van Oranje?'
âJa,quot; antwoordde de keurvorst, âen de heeren Staten denken ook aan een verbintenis met het huis Brandenburg. Wij hebben elkander noodig en willen te zamen een of- en defensief verbond sluiten, welks waarborg de kleine prinses van Oranje is. Haar vader, prins Frederik Hendrik, is oud en ziekelijk. Holland vreest de machten eerzucht van zijn zoon en zou zich gaarne in veiligheid stellen. Daarom wil het den vrede met Spanje, om buiten rust te hebben en binnen den jongen prins-stadhouder te beperken. Ik behoef Hollands bijstand, om mij op het congres te Munster mijn erfland Pommeren niet door de Zweden te laten ontnemen, en Holland belooft met al zijn invloed voor mij op te treden, zoodra ik zekerheid ten aanzien der prinses van Oranje gegeven heb. Voor geen prijs wil ik mijn geliefd hertogdom Pommeren afstaan, en om het te behouden, zou ik de hand der prinses van Oranje aannemen.quot;
âIk geloof dat uw genade een goede en uitmuntende keus heeft gedaan,quot; riep Burgsdorf verheugd. âDegeheele wereld roemt de prinses van Oranje als een toonbeeld van aanvalligheid en beminlijkheid. Wat zal die geleerde koningin van Zweden zich ergeren, als gij de prinses boven haar trotsche majesteit de voorkeur geeft!quot;
âZij is geheel en al het tegendeel van mijn koninklijke nicht Christina. Ik had Ewald von Kleist met een derge-lijken geheimen last naar Holland als u naar Zweden gezonden, om het terrein te onderzoeken, en hij is voor drie dagen van daar terug gekeerd.quot;
âUwe doorluchtigheid heeft dus naar twee prinsessen tegelijk laten vernemen?quot; vroeg Burgsdorf verwonderd.
âMen moet altijd twee wegen open houden; wordt de eene door een hindernis onbegaanbaar, dan slaat men den
97
anderen in. Dit schijnt mij zoowel in het leven als in de politiek het beste beginsel en ik zal er al mijn leven naar handelen.quot;
âJa, maar zoo ik nu van de koningin van Zweden ook toezegging had gekregen,quot; vroeg Burgsdorf nadenkend. âWat had uw doorluchtigheid dan met twee bruiden willen doen?quot;
âIk zou beiden op de weegschaal der politiek hebben gelegd, en die het zwaarste had gewogen zou ik genomen hebben, want alleen mijn hoofd is mijn huwelijksmakelaar, het hart heeft er niets mee te maken! Een vorst moet uit overleg en staatkunde, niet uit persoonlijke genegenheid trouwen. Ik wil met Holland trouwen, omdat het mij een nuttig bondgenoot is! Het treft nu echter voor mij zeer gelukkig, dat de prinses van Oranje een zeer beminnelijke, lieve, bekoorlijke jonge dame is. Ewald von Kleist kan niet ophouden te spreken van haar wonderbare lieftalligheid en verzekert mij, dat geheel Holland de jonge prinses hoogacht. Ook heeft zij er een jong minnaar, die niet vuriger verlangt dan de echtgenoot van de prinses te worden. De prins van Wales bevindt zich thans in den Haag, ten gevolge der afschuwelijke onlusten in Engeland, en is smoorlijk op prinses Louize van Oranje verliefd. Hieruit besluit ik dat zij bekoorlijk en beminnelijk is, want de Stuarts hebben een zeer fijnen smaak zoowel voor de schoonheid van het lichaam als van den geest; zij hebben dit van hun grootmoeder Maria Stuart geleerd.quot;
âMaar de prins van Wales wordt door de prinses verworpen. Zij wijst de Stuarts af en kiest den jongen keurvorst van Brandenburg, die zich met al de Stuarts ter wereld meten kan!'
âZij doet noch het een, noch het ander, want zij weet niets van mijn huwelijksaanzoek. Ik heb door Ewald von Kleist eerst het terrein laten opnemen en bij den prins van Oranje een huwelijksaanvraag gedaan, met het uitdrukkelijk verzoek er de prinses niets van te laten blijken. Nu de stadhouder mij zijn toezegging heeft gegeven en ik aan mijn plicht als vorst voldaan heb, nu zou ik mij ook gaarne eens willen veroorloven als jonkman te handelen en een Klein, romanesk avontuur beproeven. Ik zou gaarne weten of de prinses van Oranje mij slechts op bevel van haar Uühlbach, De groote Keurvorst en zijn tijd. III. 7
98
heer vader, prins Fiederik Hendrik, tot gemaal zou nemen, of ,dat zij, vrij zijnde den prins van Wales nemen zou.quot;
.,En als dit het geval was, wat ik nooit gelooven kan, zou uw doorluchtigheid dan voor den prins van Wales willen terugtreden ?quot;
De keurvorst antwoordde niet terstond, maar zag peinzend voor zich. âBurgsdorf,quot; zeide hij na een lange pauze, âhet doet zeer veel pijn van zijn eerste liefde te moeten afzien, en ik zou waarlijk niet willen, dat de prinses door mij deze smart ondervond. Een man moet de kracht hebben zich in het noodzakelijke te voegen en de plicht boven liefde stellen. Hij moet zich kunnen onderwerpen, de smart overwinnen en toch dezelfde blijven. Bij vrouwen is dit geheel anders, als heur hart breekt voor de noodzakelijkheid en plicht, gaat daarmede haar geheele ik ten gronde en haar geheele wezen lijdt schipbreuk. Ik heb dit eens in mijn leven ondervonden, en ik wensch mijn kleine nicht voor zulk een schipbreuk te bewaren, want zij staat in mijn herinnering als een zeer lief en feeder kind, 't welk ik geen zucht zou willen afpersen. Daarom wil ik zelf naar den Haag gaan, zelf hooren en zien, en zoo ik moet erkennen, dat de prinses prins Karei Stuart bemint, en zich ongelukkig zou gevoelen zoo zij van hem moest afzien, wil ik al mijn invloed bij haar vader aanwenden, om het jonge paar gelukkig te maken door in een huwelijk zijner dochter met den prins van Wales te bewilligen!quot;
âEn straks beweerde uw doorluchtigheid dat slechts het hoofd uw huwelijksmakelaar zijn zou !quot;
âWat ik van mij zeiven begeer, kan ik niet van een jong meisje begeeren,quot; zei de keurvorst. âOm u de geheele waarheid te zeggen, moet ik bekennen, dat het mij tegen de borst stuit de echtgenoot eener vrouw te worden, die zich aan mij zou opofferen en met verborgen tranen mij naar het altaar zou volgen. In een hoekje van zijn hart blijft de vorst nog altijd mensch, en hoewel zelf geen liefde gevoelende, zou hij toch wellicht liefde willen inboezemen, of ten minste niet als een schrikbeeld verfoeid worden. Ik wil nu heimelijk en incognito naar den Haag gaan, en daar zelf hooren en zien, hoe het er voor mij gesteld is!quot;
âIk vrees, dat het uw genade niet gelukken zal incog-
99
nito te blijven,quot; merkte von Burgsdorf hoofdschuddend aan. âUw genade kan toch niet gedurende al dien tijd in een muizengat verdwijnen, gij moet toch ergens wezen, en waar gij zijt, weet men het.quot;
âDaarom wil ik openlijk en met allen glans mijn reis ondernemen; het mag zelts bekend worden, dat ik naar Holland ga om te trouwen, want anders zouden de Stenden mij geen geld voor de reis toestaan, en 'tis God geklaagd, dat ik toch de Stenden noodig heb om aan geld te komen! Ik heb reeds aan den stadhouder van Pruisen, alsmede aan de Stenden aldaar geschreven, dat een belasting zou uitgeschreven worden voor de huwelijksfeesten en ter inrichting mijner nieuwe huishouding.quot;
âUwe doorluchtigheid zal toch niet willen wachten lot de huwelijksbelasting is ingewilligd ?quot; vroeg Burgsdorf zeer ontsteld.
âNeen, oude, dat zou wel wat te lang kunnen duren, antwoordde de keurvorst. âDe Stenden zijn niet zeer haastig met het geven van geld, en discuteeren, twisten en vitten over ieder punt op erbarmelijke wijze; nauwelijks kan men van hen krijgen wat de hoogste nood eischt. 1) Neen, ik zou nog lang kunnen wachten, zoo ik mijn huwelijk wilde uitstellen, tot de Stenden het geld er voor hadden toegestaan; het kon dan licht gebeuren, dat het aan Frankrijk en Zweden gelukte de Hollandsche reis te verhinderen. Op mijn dringend verzoek heeft mevrouw mijn moeder de goedheid gehad mij drieduizend thaler te leenen, 2) en deze som zal ternauwernood voldoende zijn tot de Stenden mij het noodige hebben toegestaan.quot;
âMen moet hun geen rust laten!quot; riep Burgsdorf heftig. âMen moet er hen telkens op nieuw aan herinneren.quot;
âIk machtig u, dit in mijn naam te doen,quot; zei de keurvorst, âwant wij hebben dringend geld noodig. De drieduizend thaler zijn nauwelijks toereikend voor de noodzakelijkste toebereidselen onzer reis, want wij willen er niet als een arme prins verschijnen, maar, zooals het behoort, in vorstelijken glans, met een rijk gevolg van rijtuigen en
1
De eigen woorden van den keurvorst. Zie: Droysen, Band 111, Abt.h. 129
2
Historisch. Zie: von Orlich. ïh. I. 195.
100
dienaren en met een lijfgarde in nieuwe prachtige uniformen.quot;
âEn dan moet nog voor uwer genades huwelijkskleed worden gezorgd,quot; zei Burgsdorf nadenkend. âWant ge moet den voornamen heeren en kooplieden toch in een prachtig gewaad gekleed onder de oogen komen, opdat deze eerbied en ontzag voor u koesteren.quot;
âDat is waar,quot; zuchtte de keurvorst. âHet zou wel betamelijk zijn, dat wij persoonlijk ook met vorstelijke pracht optraden, maar van waar zulk een huwelijkskleed te krijgen als men het niet betalen kan?quot;
âGenadigste heer, riep Burgsdorf, na eenig bedenken verheugd uit, âals men zulk een prachtig huwelijkskleed niet betalen kan, borgt men het.quot;
âWie zal mij borgen?quot; vroeg de keurvorst zuchtend. âIn |ons land hebben wij geen zijde- en fluweelfabrieken, geen juweliers en goudwerkers. Wij moeten alles van buiten laten komen, er is zelfs te Berlijn geen kleermaker die een fatsoenlijken trouwrok kan maken, al kreeg hij daarvoor de prachtigste stof. Van buiten krijgt men deze zaken slechts tegen contante betaling, en ik heb geen geld. Al de kassen zijn uitgeput.quot;
âGenadige heer, gij moet uw rok laten maken, waar ge trouwen wilt,quot; riep Burgsdorf vroolijk. âIn Holland zijn zijde- en fluweelfabrieken, juweliers en goudwerkers. In Holland zijn bekwame kleermakers, die in staat zijn deftige trouwkleederen te maken. Al deze menschen zullen er trotsch' op zijn den hoogen vorst, die met de prinses van Oranje trouwt en alzoo eenigermate hun landgenoot wordt, crediet te geven. Genadige heer, haasten wij ons naar Holland te gaan, daar komt uwe trouwkleeding wel gereed.quot;
âEen goede gedachte, wij zullen ze uitvoeren,quot; knikte de keurvorst glimlachend. âWij zullen ons trouwkleed te Amsterdam laten maken en die lieden zullen ons wel zoolang crediet verleenen tot de Stenden in Pruisen zich verwaardigen het geld te zenden, dat wij behoeven. Ach, 't is erg, dat een vorst in zulke zaken niet doen kan wat hij wil, maar van het welgevallen zijner Stenden afhankelijk is. Zij matigen zich aan mijn schatmeester te zijn en bepalen wat ik uitgeven en ontvangen moet. Ik kan dit niet veranderen, maar moet er mij in schikken, ik moet
101
bij dit vervelend spel een vriendelijk gelaat zetten en met kattenpooten streelen, wijl ik niet krabbein kan. Goed ik zal streelen, in de hoop, dat zij mij geld zenden. Maar ook tot zoolang zal het een zware taak voor ons zijn het geld voor de noodige uitgaven te verkrijgen, want ik blijf er bij, ik wil met een schitterend gevolg in Amsterdam verschijnen. Ik ken daar die kooplieden en winkeliers. Zoo ik daar eenvoudig aankom, zullen zij de prinses een geringere huwelijksgift geven en mij moeielijker voorwaarden stellen, dan wanneer ik in vollen praal en glans van mijn rang en stand voor hen verschijn. Neem dus goede maatregelen, heer opperkamerheer von Burgsdorf. Wij willen met een gevolg ran dertig koetsen met fraaie paarden, met pauken en trompetten verschijnen, en vóór ons zal een compagnie prachtige lijfgardes in nieuwe uniformen marcheeren, want liet is vreeselijk zooals mijn lijfgarde er uitziet. Deze draagt een groen wambuis, gene een rood, de derde een geel, en als ik ze zoo zie, komen de heeren lijfgardes mij als distelvinken voor, welke de goede God bij de schepping der wereld vergeten had te kleuren, en toen zij zich beklaagden, ze met de overblijvende verf uit al de verfpotten bestreek. Ik wil geen lijfwacht van distelvinken hebben!quot;
âDe lijfgardes zullen ons het meest te doen geven,quot; zuchtte Burgsdorf. âKoetsen en paarden alsmede al het andere krijgen wij wel. Maar die uniformen voor de lijfgardes! Kan uw doorluchtigheid de drie duizend thaler van uw genadige vrouw moeder niet daarvoor besteden?quot;
âVolstrekt niet, Burgsdorf. Dat is ons reisgeld.quot;
âHet is inderdaad een treurige zaak en ik weet niet . . .
Doorluchtigheid,quot; viel hij zich plotseling in de rede, âik bedenk iets.quot;
âNu, laat hooren.quot;
âMaar uw genade vergeve 't mij, zoo 't haar niet bevalt. Ik .dacht daar zoo aan het spreekwoord: Nood breekt wet. Dit is een goed en wijs spreekwoord.''
âNu, verder?quot;
âVerder dacht ik, dat hiermede zekerlijk niet gemeend was dat nood enkel wetten breekt, maar al wat hard en vast is en weerstand biedt. Waarom zou men, bij voorbeeld, niet even goed kunnen zeggen; Nood breekt goud en diamanten? Nood breekt de kostbaarste gouden om-
102
vatscls met brillanten bezet. Nu begrijpt uw doorluchtigheid mij toch?quot;
âNeen, oude, ik begrijp u nog niet.quot;
âGenadige heer, het was een prachtig medaillon, dat kardinaal de Mazarin u zond. Hoeveel brillanten waren er toch aan, en hoe hoog waardeerde uw genade ze?''
âIk geloof, dat er vier en twintig brillanten aan waren, en ik waardeerde ze ten minste op twaalf duizend dukaten.quot;
âEn uw genade wist iemand te Amsterdam, met wien ge reeds vroeger dergelijke zaken hadt gedaan, die bereid zou zijn zulk een som voor de vier en twintig brillanten te betalen.quot;
âJa, de jood Abraham in de Jodenbreestraat, nommer veertien!quot;
âGenadige heer laat mij vooruit reizen, en wees zoo goed mij het medaillon mede te geven, dan zult gij zien dat ik gelijk heb: Nood breekt goud en brillanten, nood breekt ook de kostbaarste omvatsels!quot;
âWelnu, oude, zoo ge mij dit met het medaillon van den kardinaal de Mazarin kunt bewijzen, neem het en handel zooals ge goedvindt. Ge weet immers, waar wij het toen gelegd hebben.quot;
âJa, genadige heer, in de bovenste linker lade van uw schrijftafel.quot;
âGoed! het ligt er nog, en als ik mij niet bedrieg, zeide ik, dat het er zou blijven liggen tot de reveille van den jongsten dag.quot;
âJa, dat zeide uw genade!quot;
âNu, ge ziet, de sleutel steekt in de schrijftafel en gij behoeft niets anders te doen dan ze te openen en er het medaillon uit te nemen.quot;
Burgsdorf snelde zonder een woord te zeggen naar de schrijftafel, opende de lade en nam het roode etui er uit, waarop het wapen en de kroon van Frankrijk in goud gedrukt waren.
âIk heb 't,'' riep hij triomfeerend. âIk heb uw kompag-nie lijfgardes in handen en zij zullen in kostbare uniformen voor u paradeeren, genadige heer! Veroorloof mij nu, dat ik morgen naar Amsterdam ga.quot;
âWaarom PjZoudt ge meenen, dat de jood Abraham een verzamelaar van rariteiten is, en u een aanzienlijke som voor het miniatuurportret van kardinaal de Mazarin zal betalen ?quot;
103
^âVoor het portret? Bah'! [Hiervoor betaalt'hij geen enkelen dukaat. Maar de brillanten, doorluchtigheid, de vier en twintig uitgelezen brillanten, die het portret omgeven !quot;
En met van ijver bevende handen, maakte Burgsdorf het haakje los, dat het etui sloot en hief het deksel op. Maar toen hij nu in het etui keek, uitte hij een kreet, die op een ruwen vloek geleek, met ontzetting zag hij van het etui naar den keurvorst die hem glimlachend aankeek.
âNu,quot; vroeg de keurvorst, âwat doet u zoo verstommen4? Behaagt het medaillon u niet meer? Hebt ge de brillanten geteld en akkoord bevonden?''
âGenadige heer,quot; riep Burgsdorf diep ademende, âik zie wel, dat ik een oude, domme ezel zal blijven en gij in alle zaken veel vlugger zijt; vlugger van begrip, vlugger tot daden bereid. Ik meende u een fijn bedachten raad te geven en u iets geheel nieuws te zeggen, met mijn dwaas: nood breekt goud en brillanten, en nu zie ik, dat gij dit al reeds lang geweten hebt.quot;
âJa! De ontberingen mijner kinder- en jongelingsjaren hebben mij in zulke dingen vroeg tot wijsheid en ondervinding gebracht. Gij hadt ook kunnen zeggen; nood breekt trots en hoogmoed! Want de trots verzet er zich aanvankelijk wel tegen, door verkoopen en kwanselen aan geld te komen en met joden over brillanten te loven en te bieden. Maar de nood is nog heerschzuchtiger dan de trots en zoo leert men er eindelijk een deugd van maken. Overigens had ik immers wel terstond aan de diamanten gezien, welke gewichtige dingen er in zaten, en zij fonkelden mij in alle kleuren eener uniform te gemoet. Ik toonde u dit ook, maar ge wildet er niets van ontdekken in de fonkelende steenen.quot;
âOmdat ik dom ben, doorluchtigheid, dom en kortzichtig! Omdat ik aan trappengeestigheid lijd en wel zoo, dat de gedachte en geestigheid, die mij boven in de zaal moest invallen, bij mij eerst tot bewustheid komt als ik de trap afga, en het dus te laat is. Ja, genadige heer, gij zaagt toen dadelijk een geheele compagnie lijfgardes in de fonkelende steenen, een majoor, en, zoo ik meen, een aller-liefsten vaandrig achter hem. Heb nu de genade en zeg mij, of uw doorluchtigheid juist heeft gezien en of de
104
hrillanten zich werkelijk in een compagnie lijfgardes herschapen hebben?quot;
âJa, mijn oude, trouwe vriend, dat hebben zij gedaan en ge behoeft niet meer vooruit te reizen naar Amsterdam. Ewald von Kleist heeft dat reeds lang voor u gedaan en mij door een bijzonderen koerier het resultaat van zijn bezoek bij Abraham gezonden. Kleermaker, schoenmaker en lakenfabrikant hebben reeds het hunne gedaan en de kleine compagnie lijfgardes is gereed. Wij kunnen nu zeer spoedig onze-reis ondernemen, en hoe eerder wij dit doen des te beter; want ik verlang zekerheid te hebben en te weten met wien ik het houden moet, met Holland en Engeland, met Zweden en Frankrijk, met den Keizer van Duitschland, of met Polen?quot;
âDat mag nu zijn zoo het wil,quot; riep Burgsdorf, âgij zult het toch altijd met u zeiven, met uw volk en met uw Stenden houden, en dat is de hoofdzaak!quot;
âGe hebt gelijk, oude, ik denk langzamerhand een machtig en aanzienlijk vorst te worden, die niet meer naar bondgenooten behoeft te zoeken, maar die door anderen als zoodanig wordt gezocht. Men kan echter de toekomst niet vooruit loopen, maar moet ze voorzichtig en behoorlijk voorbereiden om aan het trotsch gebouw een hecht fundament te geven. Wij gaan naar Holland om te trouwen. Tot aan den Rijn bij Duisburg gaan wij met schitterend gevolg en met bijzondere pracht. Daar reist ge mij vooruit en polst nog eens de prinses en bijzonder mevrouw haar moeder, die nog niets van de zaak weet. Komt gij met goede tijding terug, dan ga ik zelf naar den Haag. Het overige hangt van mijn kleine nicht Louise Henriëtte af. Ik wil niet, dat zij door mij de eerste liefdesmart ondervindt, en zoo zij den prins van Wales bemint, zal zij hem hebben. Nu, oude, haast u en vervul uw ambt als opperkamerheer en ceremoniemeester. Breng alles in orde voor de huwelijksreis en God geve dat zij gelukkig mag zijn!quot;
âJa, dat geve God!quot; riep Burgsdorf. âIk voor mij ben overtuigd, dat een verstandige, schoone prinses onmogelijk prins Karei Stuart boven den jongen keurvorst van Brandenburg kan verkiezen!quot;
âEen vrouwenhart is ondoorgrondelijk,quot; zei de keurvorst. âPrins Karei Stuart draagt voor een medelijdend
105
vrouwenhart een stralenkrans om zijn hoofd, want hij is ongelukkig! Ik ontving zooeven geheime berichten uit Engeland, die ontzettend zijn. Koning Karei I, die verleden jaar door Cromwell en Fairfax in een laatsten beslissenden veldslag overwonnen en geslagen werd, is in den uitersten nood, naar Newark in het leger der Schotten gevlucht. Zij hebben hem niet als bun koning ontvangen, maar hem tot bun gevangene gemaakt, en onderhandelen thans met generaal Cromwell en het Engelsche parlement over zijne uitlevering.quot;
âDat is vreeselijk,quot; riep Burgsdorf ontsteld. âEen volk, dat zijn eigen koning gevangen neemt en tegen hem opstaat! En God laat deze handelingen ongestraft?quot;
âGods wegen zijn anders dan die dermenscben! Het is Zijn wil dat de machtigen vernederd worden en de trotschen in het stof neerzinken! Koning Karei was zeer maebtig en zeer trotscb. Nu is hij een arme gevangene, en een boerenzoon is een maebtig generaal, terwijl 's konings zlöon als vluchteling en balling de wijk naar 's Hage beeft genomen! Dit ongeluk nu weeft een stralenkrans om zijn hoofd en doet hem misschien aan de prinses van Oranje beminnenswaardiger voorkomen.quot;
âMaar, genadige heer, het is onmogelijk, dat de prinses hem bemint. Bovendien is zij ouder dan de prins, want de prinses moet thans twintig jaar zijn, terwijl Karei Stuart nog een knaap van nauwelijks zestien jaar is.quot;
âHij is in de school des lijdens gerijpt en groot geworden, bij is het leven vroeg begonnen en heeft, naar men zegt, te Parijs vroegtijdig velerlei ondervinding opgedaan. Nu, wij zullen zien! Vat de zaak onzer reis flink aan en laten wij ons spoeden om te 's Gravenhage te komen!quot;
âGenadige heer, binnen acht dagen zal alles tot ons vertrek gereed zijn. Zoo bet u behaagt kunnen wij reeds in drie of vier weken te 's Hage zijn en kunt gij bet jawoord van de fraaie lippen der prinses ontvangen!quot;
âMocht het zoo zijn,quot; sprak de keurvorst ernstig. âGa nu, oude, begin uw toebereidselen en geef mij eiken morgen bericht hoever gij er mede gevorderd zijt.quot;
Burgsdorf drukte de hem toegereikte hand van den keurvorst aan zijn lippen en verliet het kabinet, om terstond met ijver aan 't werk te gaan.
De keurvorst bleef alleen in zijn kabinet in diep na-
10Ã
deuken achter; steeds somberder werd zijn gelaal, steeds treuriger zijn blik.
â'tls dus beslist,quot; sprak hij zacht. âIk moet mijn hart bedwingen, het voor altijd in kluisters slaan. De droornen mijner jeugd zijn voorbij, en hun eeden zijn als een adem des winds vervlogen.quot;
Met gebogen hoofd ging hij naar zijn geheime kast, die zich in het houten beschot van den muur bevond, en wier bestaan aan niemand buiten hem bekend was. Ten tijde der eerste belegering van Berlijn door de Zweden had zijn vader deze kast door vreemde werklieden laten maken en er zijn kleinoodiên en gewichtige papieren in verborgen. Op zijn sterfbed had hij zijn zoon het geheim van deze kast medegedeeld. De jonge keurvorst had er niets dan brieven en familiepapieren in gevonden, geld en kleinoodiên waren er niet meer in aanwezig. Maar hij zelf had een kleinood in de kast verborgen. Een kleinood, dat hij' vaak aanschouwd had en waarop hij ook nu zijn treurigen, zwaarmoedigen blik weder richtte, toen hij de kast geopend had.
Dit kleinood was niets anders dan een klein Jraai damesschoentje van blauw satijn, met zilveren snoeren. Maar voor hem was het meer! Voor hem was het de herinnering aan het zoet en bitter verleden, de herinnering aan de grootste smart van zijn leven, wier wonden nog altijd bloeden.
Hij zag haar weer voor zich in haar schitterende bekoorlijkheid en verleidelijke schoonheid, hij zag haar weer met haar glinsterende oogen, hoorde weer haar liefelijke stem, die hem woorden van gloeiende liefde toeiluisterde. Hij zag zich aan haar voeten, toen hij den kleinen schoen als liefdepand van haar voet roofde, dien aan zijn hart verborg en haar zwoer, dat hij daar eeuwig zou rusten, dat hij dit kleinood voor geen schatten der aarde zou willen geven en het bij hem in zijn doodkist zou gelegd worden. 1)
âAch, Ludowike, wat is er van de liefde der jeugd geworden? Waar wandelt de lichtvaardige, vluchtige voet, die eens dezen schoen droeg? Ach, Ludowike Hollandine, waarom hebt ge uw eed gebroken en de liefde vertreden
1
Zie pag. 106 van het le deel (De Jonge Keurvorst.)
107
onder de kleinen voet, welken eens deze schoen behoorde?
Hij vraagt dit met bevende lippen en een treurig hart aan den kleinen blauwen schoen, zijn herinnering aan de begravene liefde! En de oude smart ontwaakt weer in hem en de liefde rijst weder uit haar graf.
Maar dat wil hij niet! Neen, hij wil ze niet weder levend laten worden! Hij heeft het recht niet, een van liefde kwijnend jongeling te zijn en te treuren om een vrouw, die hem verraden en verlaten heeft. Hij is een vorst, hij heeft een volk om te beminnen en is aan dat volk schuldig om een gemalin te nemen, die hem troonopvolgers en een vorstelijk huis zal geven, 'tls nu beslist, hij zal trouwen! Zoo de prinses Louize Henriëtte van Oranje zijn hand wil aannemen, is hij bereid zich voor altijd met haar te verbinden.
Nog eens neemt hij met bevende hand den kleinen blauwen satijnen schoen uit de geheime kast, drukt hem aan zijn lippen en houdt hem lang vast; toen hij hem langzaam weder op zijn plaats legde, glinsterden er zijne gevallen tranen op.
Met een forschen ruk sluit hij de deur der geheime kast en schudt ontevreden het hoofd, alsof hij zichzelven berispt.
âHet is voorbij,quot; zegt hij tot zichzelven, âhet verledene is vergaan, de herinneringen zijn uitgewischt. Vaarwel, Ludowike Hollandine! Wees welkom, Louize Henriëtte! Ik kan u wel niet onverdeeld mijn hart geven, maar ik wil u den eerbied, de achting en liefde van een eerlijk man brengen. De huwelijken worden toch in den hemel gesloten, zegt men. Maar de huwelijken der vorsten maken hierop een uitzondering: zij worden gesloten in het kabinet der politiek en aan de groene tafel der diplomatie. Wees gegroet, prinses van Oranje, gegroet, mijn toekomstige gemalin! Ik kom u opzoeken, in uw hand ligt mijn toekomst! âNeen,quot; voer hij na een lange pauze voort, en zijn groote blauwe oogen hieven zich langzaam ten hemel, âneen, niet in een vrouwenhand: In Uw hand, o Heer en God, ligt mijn toekomst! Beslis gij nu over mij en haar en geet mij wat mij nuttig en goed is. Ik ga naar den Haag en de keurvorst doet aanzoek om een vrouw, om een vorstin voor zijn troon! Nood breekt niet alleen wet, nood breekt
108
zelfs don tnenschelijken wil en verguist de eeden dor men-schen tot stof en asch! Nood leert bidden! Ik bid tot u, o God, in den nood van mijn hart: Geef mij wat nuttig is! Laat mij, zoo het U behaagt een hart vinden, dat met mij samenleeft tot welzijn van volk en staat!quot;
TWEKUIC BOEK.
PRINSES LOUISE VAN ORANJE
I.
IN DEN HAAG.
't Was een fraaie, frissche en toch aangename Oclober-morgen met helderblauwen hemel, die zoo weldadig en verkwikkelijk op een herfstlandschap rusten kan. Met welgevallen ziet men zulk een morgen, waarvan men zeker kan zijn, dat er een fraaie, heldere dag op zal volgen, die met een prachtig schitterend avondrood zal eindigen. Er is niets te vreezeu van plotselinge, opkomende stormen en onweersbuien, die den helderen hemel verduisteren, en het blijde geluk op eens doön verdwijnen met zwaar neerhangende wolken. Alles is rustig en helder, geen gloeiende hitte of beangstigend onweder, maar alles nog in genotvolle kracht en volheid des levens.
Overal warmte, zonneschijn en leven in het vroolijke morgenlandschap. De nevelen, die over de uitgestrekte weilanden lagen toen de morgen daagde, waren voor de stralen der zon opgestegen en zweefden als witte, doorzichtige geest verschijnselen boven de vlakten, stegen hoo-ger en verloren zich in het uitspansel. Hetbosch, dat aan gene zijde der uitgestrekte groene, met bloemen bezaaide weilanden grensde, praalde in veelkleurigen herfstdos. Tegenover dit bosch vertoonde zich een groot, deftig gebouw, dat dicht bij een park lag.
Dit was het groote park van den prins van Oranje, het
140
gebouw, het zoogenaamde hof van den stadhouder, waarin de prins van Oranje met zijn gezin woonde en waar de residentie der stadhouders van Holland steeds geweest is. Men kon dit gebouw eigenlijk geen paleis noemen, want het was niet volgens een vastgesteld plan ontworpen, maar een van tijd tot tijd opgetrokken massa van afzonderlijke huizen, een aantal lage en hooge gebouwen, paviljoens met boogvensters en nissen, eenvoudige kleine huizen en hoog oprijzende torens, naast een gebouw in modernen stijl. Dit geheele blok huizen, had zich in den loop der eeuwen naar gelang der vermeerderde en stijgende macht van het rijke, machtige Holland en zijn vor-stelijken stadhouder, uitgebreid en men kon uit die reeks van huizen, de geschiedenis lezen van de macht en grootheid van Holland en de familie van Oranje. De gebouwen vormden op zich zelve een kleine stad, die in twee helften was verdeeld, het âbuiten- en binnenhof.quot;
In het buitennof, met zijn hooge, moderne en deftige gebouwen, waren de woonvertrekken, de staatsie- en audiëntiezalen, de receptiekamers, de dans- en gezelschapszalen van den stadhouder en zijn gemalin, de woningen der prinsen en prinsessen. In het binnenhof waren de kanselarijkamers, de verblijven der mindere hofbeambten, en daar beneden die voor de lakeien en het stalpersoneel. Bezijden het binnenhof, maar eeni^e honderden schreden er van verwijderd, bevonden zich de paarden- en koestallen, en de schuren waarin hel veevoeder voor den winter werd bewaard. Het was een wereld in het klein, men zag er naast de hofhouding van den rijken, machtigen vorst, het stil, eenvoudig leven van den landbouwer.
Op dezen morgen beerschte in het buitenhof nog volkomen stilte: de venstergordijnen waren nog gesloten, de breede deuren waren nog niet geopend, de lakeien in hun met goud bezette livereien waren nog niet in de portalen verschenen; slechts in het kleine huisje, dat dicht bij het kasteel stond, zag men de reuzengestalte van den portier, met zijn breeden bandelier over de forsche borst enden driekanten hoed op het van krullen omgeven hoofd. Maar zijn gezicht was nog kalm en onverschillig en de groote gouden staf, dien hij over dag als een schepter in de hand hield, stond nog rustig in den hoek; er was nog niets te regelen en voor te stellen. In de huis-
411
houdelijke gebouwen naast het binnenhof heerschte daarentegen de grootste levendigheid en drukte.
De staldeuren waren wijd open en de melkmeiden in heur fraaie geplooide rokken van donkerroode wollen stof en witte mutsen met gouden hoofdijzers op de nederhan-gende haarvlechten, liepen in de ruime stallen heen en weer, namen een laag houten bankje en emmers met geel koperen banden, om het ochtendwerk, het melken dor koeien, te beginnen. â Van de andere stallen afgezonderd stond een groot gebouw, dat, gelijk men zien kon, tot hetzelfde doel was bestemd als de overige stallen. De groote vleugeldeuren stonden open en aan beide zijden van den stal stonden voor de blank geschuurde kribben zes koeien van het forsche Zwitsersche ras. Heur roodbruine huid was zoo glad en glinsterend, dat men wel ken zien hoe veel zorg er aan die dieren werd besteed. De grond was met roode vloersteenen belegd en in iedere afdeeling voor de twaalf koeien, was versch stroo gestrooid. In de ruiven lag het geurige hooi, waarvan de koeien aten, terwijl de meiden ze molken.
Het gerucht van de kauwende dieren en de in de emmers spuitende melk was alles, wat een tijdlang in de vreedzame stilte werd vernomen. Eensklaps werd ze afgebroken door het gedruisch van naderende voetstappen. Een slanke vrouwengestalte in het eenvoudig gewaad van eene Hollandsche burgervrouw kwam den stal binnen en ging met lichten tred door de middenruimte. Een blauw kleed van fijne wollen .stof met dichte plooien omgaf haar sierlijke en krachtige taille en reikte tot aan de kleine voeten. Een zwart lluweelen keurs met wijde neteld'oek-sche pofmouwen omhulde de edele volle buste. Op den slanken witten hals verhief zich een liefelijk, heerlijk meisjeshoofd met blonde lokken, rooskleurige wangen en bruine oogen van wonderschoonen glans en vuur. Op de frissche, licht gekrulde lippen lag goedheid en maagdeliike kieschheid.
Toen zij voorbijging, hielden de koeien op met eten, wendden de koppen om en zagen haar na, alsof zij zich verwonderden, dat zij heden niet den gewonen morgengroet ontvingen en zij niet met haar zachte hand hun glinsterende huid streelde.
Heden lette het schoone jonge meisje niet op haar
412
Jiovolingsdieren, hoewel zij voor het vak van iedere koe slaan bleef. Zij beschouwde slechts de kleine zwarte borden, die boven de krib van ieder vak waren geplaatst, en waarop met krijt getallen waren geschreven. Deze getallen schreef het meisje in het blauwe zakboekje, dat zij in de hand hield, en vergeleek ze nauwkeurig met de getallen, welke zij den vorigen dag in haar boekje had opgeteekend. Deze getallen vermelden hoeveel maten melk iedere koe den vorigen dag gegeven had. Als men die getallen met elkander vergeleek, kon men daaruit den welstand der koe opmaken.
âTrui,, zei het jonge meisje met zachte stem, terwijl zij voor het vak van de fraaiste en grootste koe bleef staan. âTrui, er moet iets gebeurd zijn met deze koe. Gisteren heeft zij drie malen melk minder gegeven dan de vorige dagen.quot;
De melkmeid antwoordde niet terstond, maar boog zich lager over den melkemmer en ging ijverig met melken voort.
âHebt ge niet gehoord. Trui?'' vroeg het jonge meisje zacht. âHet verwondert mij, dat de groote Lysbetgisteren minder melk gegeven heeft dan den dag te voren.quot;
Nog altijd zag de meid niet van haar werk op, maar een donkere blos vloog over haar gelaat. âIk weet niet, uwe hoogheid,quot; zeide zij, .,ik heb ze gevoerd, en zoo Lysbet minder melk geeft, is dat mijn schuld niet.quot;
âIk hoop, dat het uw schuld niet is,quot; antwoordde het meisje zacht. âMaar het verwondert mij, dat juist uw koeien minder melk geven dan anders. Ook de andere koeien, die gij te verzorgen hebt, hebben gisteren minder melk gegeven.quot;
âEr moet mij zeker een kwaad oog hebben getroffen,quot; riep de meid verlegen. âIk ben zeker betooverd; iemand heeft op mijn koeien een kwaden blik geslagen en daarom geven ze minder melk.quot;
âHet moge zoo zijn,quot; zei de dame. âWeet ge wel. Trui wat tegen zulk een betoovering baat? Het gebed en een goede, vrome zin. Gij waart den vorigen Zondag niet in den vroegdienst, ik heb dit opgemerkt en het deed mij leed. Als men een nieuwe week begint, moet mon ze met God beginnen' en Hem bidden, dat Hij goede gedachten geeft en het kwade helpt overwinnen. Vergeet dit niet.
113
Trui, bid God iederen morgen en avond en ga geregeld ter kerk. Gij zult zien, dat dan^die kwade betoovering van u wijkt en uwe koeien weder evenveel melk geven als vroeger.quot;
Zij knikte de melkmeid toe en ging verder. Zij zag niet dat Trui haar naoogde met tranen in de oogen en hoorde niet dat deze zacht zeide: âJa, ik wil bidden, opdat ik weder goed word. Ach, lieve God, vergeef mij mijn zonden! Ik ben slecht, maar wil mij beteren, opdat ik haar weder onbeschroomd aan kan zien, wat ik heden niet kan! Het lag mij als een steea op 'thart. Ik wil het haar zeggen; ik zal haar terstond alles bekennen!quot;
Haastig stond zij van haar bankje op en zette den emmer neder, om de dame na te gaan. Maar zij zag deze juist aan het andere einde van de gang door de deur weer naar buiten gaan.
â't Is te laat!quot; zuchtte Trui, âzij is reeds- buiten en de boerin is bij haar.
De boerin, opzichteres van den koestal en de melkerij, was nu bij de jonge dame, die juist op de voorplaats was getreden,
âIk hoop dat uw hoogheid tevreden is,quot; zeide zij. âDe koestal is in orde, en mevrouw de prinses heeft zeker ook de rekening van de week akkoord bevonden?quot;
De prinses zag haar met een treurigen blik aan en zuchtte toen zij zag, dat de boerin dien blik met glimlachende oogen beantwoordde.
âGa met mij naar het melkhuis, vrouw,quot; zeide zij. âIk moet u spreken.quot;
Zij ging het kleine, naast den koestal staande huis binnen, waar de boerin haar volgde met een ontsteld, verlegen gezicht, en deemoedig zwijgend aan de deur bleef staan. De prinses ging door het kamertje en zag door de tegenoverstaande deur in de groote melkkamer; doch ziende dat er reeds eenige melksters binnenkwamen om de melk in de groote aarden pannen te gieten, trok zij zacht de deur dicht en liet ze in het slot vallen.
Toen ging zij regelrecht op de boerin toe en zag haar met groote oogen treurig aan.
âVrouw,quot; zeide zij, âhet doet mij leed u te moeten zeggen, dat ik u heden nog uit mijn dienst moet ontslaan.quot;
8
Uühlbach, De groote Keurvorst en zijn tijd. III.
414
âMij ontslaan?quot; riep de boerin. âWat heb ik dan gedaan waardoor uwe hoogheid zoo vertoornd is.quot;
âIk ben niet toornig, maar treurig,quot; zei de prinses zacht. âTreurig, omdat ge mij dwingt hard tegen uwe beide kinderen te zijn, die nu zonder huisvesting geraken.quot;
âMijn God, wat heb ik dan gedaan?'' riep de boerin nog luider dan eent. âMen heeft mij zeker bij uwe hoogheid belasterd en onrechtvaardig beschuldigd.quot;
âVrouw, niemand heeft u beschuldigd, ik luister niet naar laster, maar zie en onderzoek zelf. Gij zijt een bedriegster; het grieft mij u dat te moeten zeggen, maar het is de waarheid.quot;
âUwe hoogheid is zeer hard,quot; riep de vrouw, âuw hoog ⢠beid heeft . . .quot;
âStil, spreek niet zoo luid,quot; beval de prinses. Wilt ge dat de meiden uw schande hooren en de wereld verneemt, waarom ik u ontsla?quot;
âUwe hoogheid ontslaat mij,quot; zei de boerin metgesmoorde stem; âuw hoogheid noemt mij een bedriegster en ik weet niet waarom.quot;
âGij zult het vernemen,quot; zei de prinses, naar de kleine tafel tredende, die aan het venster stond. Een groot rekeningboek lag daar opengeslagen. âGe zijt nu zeven maanden als boerin in mijn dienst,quot; ging de prinses voort. âDe eerste drie maanden hebt ge goed opgepast en al uw rekeningen waren in orde. Toen meendet ge mijn vertrouwen gewonnen te hebben en begont gij iedere wekelijksche rekening het bedrag der melkopbrengst iets te verminderen. In de eerste weken slechts enkele maten, maar toen werd ge stouter, want daar ik niets zeide, meendet ge, dat ik uw rekeningen niet nazag. In de laatste hebt ge iedere week bij de afrekening het derde gedeelte der melk achtergehouden. Zoo ge het wilt tegenspreken, roep ik terstond mijn huisintendant, die de rekeningen zal nazien en u aan den rechter zal overleveren.''
â't Is schrikkelijk, om zulk een kleinigheid een arme weduwe, die twee kinderen moet onderhouden, weg te jagen,quot; mokte de boerin. âEen rijke, voorname prinses zal bet toch niets uitmaken, of eene arme boerin wekelijks een paar maten melk voor haar kinderen gebruikt. Ãwe hoogheid zal mij daarom toch niet uit haar dienst .ontslaan ?quot;
âGe hebt niet een paar maten, maar wekelijks meer dan vijftig maten achtergehouden. Maar ware het minder, de zaak bleet' toch dezelfde. Ge hebt bedrog gepleegd, de rekeningen en boeken vervalscht, en dat is misdaad. Ge hebt bovendien een nog grootere misdaad bedreven. Ge hebt een goed onschuldig meisje verleid en tot bedriegen aangespoord. Gij dacht, dat de valsche rekeningen u toch eens konden verraden en het daarom beter was de melkmeiden te verleiden, dadelijk op de borden de opbrengst van de melk minder aan te geven, dan behoefdet ge latei-de rekeningen niet te vervalschen. Bij Trui is het u, helaas, gelukt en gij hebt het arme meisje verleid. Gisteren heeft Trui de opbrengst der melk te min aangegeven.quot;
âUwe hoogheid, ' kermde de boerin, â't is schrikkelijk!quot;
âJa, het is schrikkelijk,' herhaalde de prinses. âTrui was een braaf en goed meisje. Ge hebt haar verleid, maar ik hoop dat Trui nog te redden zal zijn, en zoo zij oprecht berouw heeft zal zij zich beteren. Maar gij moot weg, want anders mocht het u gelukken ook de andere melkmeiden te verleiden en tot bedriegerijen over te halen.quot;
âUwe hoogheid zal niet zoo hardvochtig zijn,quot; vleide de boerin. âUwehoogheid zal met mij en mijn kinderen medelijden hebben. Ik beloof mij te beteren en het nooit weer te doen, ik verzeker 't u!quot;
âNeen, ge zult u niet beteren,quot; zeide de prinses, langzaam het hoofd schuddende. âGe zijt, helaas! te zeer in de zonde verhard en er is ook nu nog geen berouw in u, maar nijd, dat ik uw bedrog ontdekt heb. Zoo ge in nood waart geweest, zoo uw kinderen honger leden, zou men uw bedrog misschien vergeven hebben. Maar ge hadt hier een goede betrekking en voor uw kinderen werd gezorgd. Gij pleegt dus diefstal uit winzucht en uit slechte neiging tot bedrog. Ge zijt de verleidster mijner meiden geworden en dat is een misdaad, die gestraft moet worden. Het blijft er bij, gij verlaat nog heden mijn dienst.quot;
âDeze schande overleef ik niet,quot; jammerde de boerin. âZoo uwe hoogheid mij weg jaagt,quot; verdrink ik mij.quot;
âGij zult dit niet doen, want gij zoudt Gods straf vreezen,quot; zei de prinses plechtig, âOok wil ik niet om den wille uwer kinderen, dat uw schande bekend worde. Gij kunt zeggen, bericht te hebben ontvangen, dat uw moeder
140
te Dordrecht ziek is geworden en gij daar terstond heen moet. Dan gaat ge weg, en ge kunt een anderen dienst zoeketi. Tot zoolang kunnen uw beide meisjes bij mijn intendant blijven. Ik zal zorgen, dat het haar aan niets ontbreekt, en opdat ook gij in den eersten tijd geen gebrek zult lijden, zal ik u het loon der drie volgende maanden uitbetalen.quot;
De prinses nam den bos sleutels, die aan een stalen ketting aan haar gordel hing, opende de lade der tafel nam den met geld gevulden houten bak er uit en telde een rij guldens op de tafel.
âHier, vrouw, hebt ge het laatste geld van mij. God moge u genadig zijn, en uw hart tot het goede bekeeren.quot;
âGenadige prinses,'' bad de boerin, âlaat mij ten minste voor de laatste maal uw hand kussen ; â zeg mij, dat ge mij vergeven wilt.quot;
âZij wierp zich op haar knieën neder en poogde snikkend en jammerend de hand der prinses te vatten. Maar deze trok ze terug en voor het eerst nam haar gelaat een toornige strenge uitdrukking aan.
âSta op,quot; beval zij, âhoud u niet zoo berouwvol, want het is toch maar geveinsd. Uw gemoed is verstokt en ge hebt zelfs geen medelijden met uw kinderen, want geen enkele traan is in uw oogen gekomen. God moge zich over u ontfermen. Geen woord meer. Ga heen. Zeg buiten, dat ik u vergund heb naar uw zieke moeder te gaan.
De boerin begreep, dat al haar smeeken vergeefs was, want zij sprak geen woord meer, en sloop zuchtend, met gebogen hoofd, door het vertrek naar de melkkamer. Toen hoorde men haar jammeren en aan de melkmeiden vertellen van haar doodzieke moeder; van de goedeprinses Louize, die haar vergund had terstond naar haar moeder te gaan, en tot haar terugkomst haar kinderen bij den intendant te laten.
De prinses luisterde naar het luid geschrei der vrouw en de deelnemende woorden der melkmeiden. Toen hief zij haar gelaat ten hemel en een traan glinsterde in haar schoone oogen. âO God,quot; fluisterde zij, âzoo ik hard ben geweest, vergeef het mij in uw genade. Mijn wil was goed en ik dacht, dat ik om den wille van het goede voorbeeld niet anders handelen mocht. Breng de zondares
117
terug op het rechte pad en ontferm u over ons allen!quot;
Buiten was het gejammer der boerin verstomd en men hoorde alleen het haastig door elkander spreken der meiden, die der boerin haar medelijden betuigden.
De prinses trad weer naar de tafel en sloot het groote boek in de lade. Over den glinsterenden inhoud van den geld bak wierp zij een doek en wilde daarmede het vertrek verlaten. Juist toen zij de buitendeur naderde, hoorde zij in de melkkamer een weonende stem, die riep; âWaar is de prinses? Ik wil en moet de prinses spreken.quot;
â't Is Trui,quot; zei de prinses. âIk zal haar tot mij laten komen, het is beter de zaak terstond af te doen.quot;
Zij opende de deur der melkkamer en riep : âTrui, kom binnen, ik moet u spreken.quot;
Het meisje ging naar binnen. Haar gelaat was bleek, haar geheele lichaam beefde en de tranen vloeiden onafgebroken langs haar wangen. Bij de deur viel zij op haar knieën en stak haar opgeheven armen naar de prinses uit.
âGenadige prinses,quot; snikte zij, âik ben een zondares, een groote zondares. Ik moet het bekennen, want mijn hart breekt van schaamte en berouw. Ik . . quot;
âStil,quot; viel de prinses haar in de rede, âween niet zoo luid, Trui, de meiden kunnen u hooren. Ge behoeft niets te zeggen want ik weet alles. Gij hadt sti-aks volkomen gelijk. Uw koeien waren betooverd door een boos oog. Maar ik hoop de betoovering verbroken te hebben, en heden zullen uw koeien weder even veel melk geven als vroeger. Bid oprecht en wees goed en trouw, dan zal geen boos oog meer macht op u en uw vee hebben; uw koeien zullen weder de prachtigste van den geheelenstal zijn en de beste en vetste melk geven. Dan zult gij de meeste maten op uw bord aanteekenen.quot;
âGenadige prinses,quot; snikte het meisje, âik moet bekennen, ik moet biechten.quot;
âBiecht aan God en aan uw geweten,quot; zei de prinses zacht. âMij moet ge niets biechten en ik wil niets weten, dan dat ge een goed meisje zijt en ge u nooit weder door slechte raadgevers zult laten verleiden om kwaad te doen. Wees goed en braaf, Trui, opdat uw ouders in den hemel vreugde van u hebben.quot;
Zij knikte het meisje, dat nog altijd op haar knieën lag, vriendelijk toe, nam den geldbak, welken zij op
118
de tafel had gezet weder op en verliet het vertrek.
Met haastige schreden ging zij over de plaats der boerderij en trad het kleine gebouw binnen, dat hieraan grensde. Zij ging den houten trap op, de gang door, vervolgens nog eenige trappen en gangen, tot zij den grooten corridor had bereikt, die naar haar vertrekken voerde.
Juist wilde zij de deur der voorkamer openen, toen een andere deur aan de tegenovergestelde zijde van de gang haastig geopend werd, en een jong man er lachend uit te voorschijn kwam.
âGoeden morgen, nicht Louise,'' riep hij. âZiet ge, ik heb woord gehouden, ik heb de schoonste prinses en het schoonste melkmeisje gezien, hoewel ge 't mij niet vergunnen wildet.quot;
De prinses antwoordde hem met een strengen, toor-nigen blik; vervolgens opende zij haastig de deur der antichambre, ging er binnen en schoof den grendel op de deur.
âZij is waarachtig trotsch en eigenzinnig,quot; mompelde de jonge man. âZij neemt het mij kwalijk, dat ik haar verrast heb. Nu, ik zal zoo lang smeeken tot zij mij weer vergeeft en mij haar lieven glimlach weder laat zien. Zij is een engel en ik aanbid haar. Zij moet mij beminnen en â en zal mij beminnen. Zoo nu Marie maar kwam, opdat ik haar naar de prinses kon geleiden. Ha, daar komt een rijtuig aanrijden. Dat is zij!quot;
II.
EEN GEHUWD LIEFDEPAAR.
De prinses was haastig haar woonkamer binnengegaan en had den geldbak naar haar secretaire gedragen, wier middendeur zij met een sleutel van den sleutelbos opende. Toen trok zij haastig een der diepe laden der binnenvak-ken open en schudde den inhoud van den bak er in uit.
âHet laatste weekgeld dezer maand,quot; zeide zij nadenkend. âIk wil het eens optellen.quot; Zij nam uit de lade een
m
kleine portefeuille en schreef er met het aan een gouden kettinkje hangend potlood eenige getallen in. Toen nam zij langzaam plaats op een stoel en begon met halfluide stem de afzonderlijke getallen bijeen te tellen. Haar lief gelaat stond ernstig en peinzend, en als men de jonge prinses zoo zag, met de portefeuille in de hand en de met geld gevulde lade, geheel verdiept in het optellen harer getallen, zou men meenen dat bij dit jonge meisje het bijeen brengen van geld haar eenigst levensdoel was,
âAlles te zamen twintig duizend gulden,quot; prevelde de prinses, terwijl zij de portefeuille dichtsloeg. âDaarbij komt nog wat ik sinds twee jaren van mijn toilet heb uitgespaard ten bedrage van zeven duizend gulden. Ik heb dus te zamen een vermogen van zeven en twintigduizend gulden. Thans zal ik aan het werk kunnen gaan. Ik zal een klein stuk land koopen en daarop een opvoedingsgesticht voor jonge boerinnen oprichten! Dan zal ik een werkkring, een bezigheid hebben, en dat is voor mij het beste geneesmiddel!quot;
âGeneesmiddel? Hebt ge dan geneesmiddelen noodig?quot; vroeg een stem achter haar, en toen de prinses geheel verse,hrikt omkeek, zag zij achter zich in de open deur een jonge dame, die haar met een glimlachend gelaat begroette.
âMarie,quot; zei de prinses zich herstellende, ,,wat hebt ge mij verschrikt. Hoe komt ge zoo onverwacht binnen?quot;
âOnverwacht? Hebt ge vergeten dat ik u mijn morgen-bezoek reeds gisteren heb laten weten ? Is u dat zoo geheel en al door het hoofd gegaan mijn lieve schoonzuster, dat ge zelfs de deur uwer antichambre hebt gesloten? Gelukkig kende ik een andere weg, die hier heen voert, door de kamer uwer kamenier en van daar door de kleine gang. Op deze wijze ben ik hier gekomen. De oude Ursula, uw gestrenge deur wachtster, wilde mij tegenhouden en stond er op mij vooraf aan te. dienen. Maar ik zeide, dat ge mij verwacht-tet en mij dezen toegang hadt aanbevolen, toen moest zij zich onderwerpen en mij laten doorgaan. Denk eens belle cousine, mijn broeder Karei heeft zij volstrekt niet binnen willen laten, en al het bidden, vleien, ja zelfs schelden en dreigen was vergeefs. Zij beweerde, dat volstrekt geen manspersoon, hij mocht zijn wie hij wilde, langs een zijweg de kamer der prinses mocht binnengaan en dat aan heeren de weg door de hoofddeur en de groote
120
antichambre vergund was. Ik verzoek u, Louise, de oude eigenzinnige vrouw daarover een berisping te geven en te zeggen, dat zij uitzonderingen in aanmerking moet nemen, en de prins van Wales eerbied en gehoorzaamheid van haar vorderen mag.quot;
âEerbied zeker,quot; antwoordde prinses Louise zacht, âmaar geen gehoorzaamheid, lieve Marie. Gehoorzaamheid is zij alleen aan mij schuldig. Zoo zij uw broeder gehoorzaamd en hem binnen gelaten had, zou ik, hoeveel leed het mij gedaan had, nog heden de oude Ursula uil mijn dienst hebben ontslagen, want zij zou iets onbetamelijks hebben gedaan. Zoo ik hier in mijn kamer heeren ontvang, mogen zij alleen door de groote antichambre binnen komen.quot;
âWaarlijk, Louise, ge zijt zoo streng alsof ge de abdis van een klooster waart. Voor mijn broeder Karei moest ge ten minste een uitzondering maken.quot;
âWaarom, Marie?quot; vroeg de prinses glimlachend, âzou ik voor den prins van Wales een uitzondering maken?quot;
âOmdat hij een nauw verwant familielid van u is, Louise, en omdat . . .quot;
âNu, en omdat?quot; vroeg prinses Louise, toen haar schoonzuster aarzelde.
âOmdat hij u zoo innig bemint,quot; fluisterde de prinses, terwijl zij haar arm om den hals van Louise sloeg en een kus op haar wang drukte.
Louise lachte. âLieve vriendin,quot; zeide zij, âde prins van Wales bemint niets dan zich zeiven; zoo hij mij het hot maakt, geschiedt dit alleen omdat hij niets beters te doen heeft en zich vreeselijk verveelt.quot;
âO, ondankbare,quot; riep Marie, âhoe kunt ge zoo wreed zijnquot; en ... âAch, Louise,quot; viel zij zich zelve in de rede, âhoeveel geld hebt gij! Wat zijt gij rijk!quot;
En zij wipte naar de lade, die nog altijd open stond en zag met begeerigej blikken naar het geld.
âRollen met dukaten,quot; riep zij, er een rol uitnemende en ze op haar hand wegende, âen deze papierstrooken met die groote cijfers er op. Wat beduiden die toch?quot;
âHet zijn kwitanfiën van eenige sommen, die ik aan den bankier Van den Brink heb gegeven,quot; zei prinses Louise, terwijl zij de lade langzaam dichtschoof en de secretaire sloot.
m
âWat zijt gij rijk, Louise,quot; zuchtte de jonge schoonzuster. âGe hebt een wezenlijke schatkist, terwijl ik volstrekt niets heb, hoewel ik de dochter van een koning en de gemalin van den erfprins van Oranje ben. Ik zeg u, Louise, dat het weer volkomen ebbe in mijn beurs is, en mijn arme broeder is geheel en désespoir, want in zijn beurs ziet het er juist uit als in de mijne. Ach, Louise, 'tis toch schrikkelijk als men prinses is en geen geld heeft. Zeg mij toch waartoe het dient een prinses te zijn, als men geen geld bezit.quot;
âMen moet leeren met geld om te gaan, al is men ook een prinses, quot; zei Louise glimlachend.
âDat verstaat gij,quot; riep Marie, âgij zijt wijs en weet te sparen. Ik weet het nog wel, toen onlangs de Parijsche juwelier hier was en ons zulke schoone kostbaarheden voorlegde, zulke fraaie armbanden, kostbare oorringen en halssieraden, zoodat wij allen er verrukt over waren, bleeft gij volkomen onverschillig en had nauwelijks een blik voor die heerlijke voorwerpen over. Mijn broeder en ik kochten en tot onzen schrik bespeurden wij, dat er meer gekocht was dan wij betalen konden en wij nog schulden moesten maken. Maar gij kocht geen enkel sieraad.quot;
âNeen,quot; zei de prinses glimlachend, âik houd er niet van mij met goud en edelsteenen op te schikken ; een bloem in het haar komt mij fraaier voor dan het fraaiste sieraad van brillanten.quot;
Prinses Marie schudde langzaam het hoofd.
âIk begrijp u niet,quot; zeide zij, âge denkt volstrekt niet als een prinses. Mevrouw uwe mama is ook van een geheel andere meening. Zij houdt van pi-acht en glans en ik kan u verzekeren, dat de vertrekken mijner marria in Whitehall lang niet zoo prachtig en kostbaar zijn gestoffeerd als de vertrekken der prinses van Oranje hier in het stadhoudershot. Mijn mama is wel een koningin en een koningsdochter van geboorte, doch nooit is zij van zulk een pracht en heerlijkheid omgeven geweest als mevrouw uw mama, die evenwel slechts een kleine prinses van Solms-Braunfeld is.quot;
âMaar een groote prinses door haar deugden, haar verdiensten, haar verstand on geest,quot; riep prinses Louise trotsch.
âZeker is zij dat,quot; ging Marie levendig voort, âniemand vereert mijn dierbare schoonmoeder meer dan ik. Maar
122
ik zeg alleen maar dat mevrouw uwe mama, die toch zulk een wijze, verstandige vrouw is, het niet-versmaadt zich met pracht te omgeven en van meening is, dat eenvoud en bekrompenheid voor een prinses niet passen. Een keizerin kan van niet meer glans zijn omgeven dan mevrouw uw mama. Zij eet van gouden borden, al de voorwerpen op haar toilettafel zijn van goud, ja zelfs de sleutels van haar kasten en tafels heeft zij van zuiver goud laten maken. En gij, haar dochter, kleedt u even eenvoudig alsof ge een onbeduidend Hollandsch meisje waart, en meent zelfs, dat een bloem in het. haar beter staat dan de fraaiste brillanten. Ach, had ik maar het wonderschoone diamanten tooisel kunnen koopen,dat de Fransche juwelier ons liet zien, maar ik had geen geld, en mama, welke ik verzocht het mij te koopen, zeide dat zij in deze slechte tijden geen geld voor dergelijke dingen mocht uitgeven. Toen trok ik de stoute schoenen aan en schreef een briefje aan mijn lieven heer gemaal, hem biddende, zijn vrouwtje toch den brillanten diadeem te koopen; mijn broeder Karei zou hem heimelijk den brief bezorgen. Doch Willem heeft er mij niet op geantwoord wat zooveel wil zeggen als dat hij ook geen geld had en mijn wensch niet kon vervullen. Ik droom alle nachten van die hemelsche brillanten. Louise, zoo ge uw schoonzuster slechts een beetje liefhebt, help haar dan om het ge-wenschte sieraad te koopen.quot;
,,Hoe kan ik u hierin helpen?quot;' vroeg prinses Louise zeer verwonderd.
Prinses Marie sloeg haar arm om haar hals en legde feeder haar hoofdje op Louise's schouder. âGe kunt mij helpen, als ge mij tweeduizend dukaten leent,quot; zeide zij zacht. âLieve Louise, ik bid u, leen mij tweeduizend dukaten, opdat ik den brillanten diadeem kan koopen, en ik beloof u, zoodra ik weder bij kas ben, zal ik ze u terstond terug geven quot;
âLieve Marie,quot; zei Louise hoofdschuddend, âge zult nooit bij kas zijn, want ge zijt een kind, dat niet met geld weet om te gaan.quot;
âO, als ik maar eens regeercnde prinses van Oranje ben,quot; riep Marie met schitterende oogen, âdan zal ik
1) Historisch. Zie: Von Orlitz, Geschichte des Preusischen Staates, etc, II. 64.
123
zooveel geld hebben, dat ik alles kan koopen wat ik wil, en ik beloof u, dat ik dan zuinig wil zijn, zelfs zuiniger dan mevrouw uw mama, want ik zal mij zonder gouden sleutels behelpen, maar (laarvoor fraaie brillanten dragen.quot;
âGe zijt zeer wreed, Marie,quot; zuchtte de prinses, âwant als gij van den tijd spreekt, dat ge regeerende prinses van Oranje zult zijn, vergeet ge, dat mijn dierbare, gelietde vader dan is gestorven.quot;
â'tls waar, Louise, het was onbedachtzaam en ik verzoek er u vergeving voor. Maar ge hebt mij nog niet geantwoord, Louise. Wilt ge mijn wensch vervullen, c/ierc cousine et soeur, wilt ge mij tweeduizend dukaten leenen?''
âIk kan niet, lieve Marie, want ik heb inderdaad geen geld.quot;
âZoo? Ik heb dan mis gezien ?quot; vroeg Marie op driftigen, wraveligen toon. âZijn in die lade geen rollen dukaten, geen geldswaardige papieren ?quot;
âNeen, Marie, gij heb niet mis gezien. Maar dat geld behoort mij niet.quot;
âU niet ? Wie dan ? '
âHet behoort den armen, het behoort aan de dochters van het Hollandsche volk,quot; antwoordde Louise plechtig.
âGe dwingt mij u een geheim te openbaren, en van zaken te spreken, welke ik anders verzwegen had. Ge hebt mij geplaagd met mijn eenvoud en mama is soms ontevreden op mij geweest, omdat ik op mijn toilet gelden uitspaarde. Toen ik vóór twee jaren van mijn geliefden vader verlof kreeg een boerderij en melkerij in te richten, het opperbestuur er over te voeren en hierbij bedong, dat de bonoodigde melk en boter voor de hofhouding uit mijn boerderij genomen en tegen de bestaande prijzen betaald zou worden, was mijn moeder er aanvankelijk zeer tegen en slechts door de voorspraak van mijn vader kreeg ik haar toestemming. Gij allen hebt mij dikwijls geplaagd en bespot met mijne melkerij en meendet, dat ik gierig was en schatten wilde verzamelen. Nu wil ik u mijn innigste gedachten zeggen, hoewel ge mij wellicht ook niet geheel begrijpt en mij zelfs bespotten zult. Ik zou mij gaarne in de wereld nuttig maken, het stond mij tegen een prinses te zijn, die door het volk wordt gevoed en onderhouden, alleen omdat ik de dochter van mijn vader ben. Ik wilde mij zoo gaarne jegens bet volk,
124
waaraan de familie van Oranje toch alles te danken heeft wat zij is, dankbaar betoenen en nuttig maken. Ik ben immers een dochter van dit volk en deel zijn lijden en vreugde. Ik heb opgemerkt hoeveel arme, ongelukkige meisjes er zijn, die voor beur ouders en familie een last zijn, die zich zeiven gaarne zouden willen onderhouden en door handenarbeid haar brood verdienen, maar daartoe niet in staat zijn, omdat zij niets geleerd hebben en slechts ruw werk in huis of op 't land kunnen verrichten. Er is nog weinig gezorgd, dat er goede scholen en opvoedingsgestichten voor meisjes zijn, want de heeren Staten hebben wel voor gewichtiger zaken hun tijd noo-dig, dan zich om het lot der arme dochters van het volk te bekommeren. Ik heb op de wereld niets gewichtigers te doen, en dus gedacht om een school op te richten, waar de dochters van arme menschen onderwezen zullen worden in handwerken, in het lezen, schrijven en rekenen, en in het landbedrijf, bijzonder in de melkerij, opdat zij later in de wereld voor zichzelve kunnen zorgen. Reeds sedert jaren was mijn plan een school en boerderij op te richten. En reeds jaren spaar en werk ik voor dit doel. De gelden, die zich in deze lade bevinden, zijn de spaarpenningen, welke ik bijeen heb gegaard, en nu ben ik zoover gekomen, dat ik in de nabijheid een stuk land kan koopen om daarop een huis te bouwen. Gij ziet dus, lieve zuster, dat het de waarheid was, toen ik zeide: deze gelden behooren mij niet. Zij behooren den armen, zij behooren de dochters van het lieve Hollandsche volk, en ik geef maar een gering deel terug van't geen het voor mij en mijne familie doet. Vergeef mij dus, Marie, zoo ik uw wensch niet vervullen kan, want ge ziet wel, dat ik dit niet doen mag.quot;
âIk zie, dat ge een engel zijt,quot; riep Marie met tranen in de oogen. âAls ik u zoo in uw eenvoudige kleeding zie, en denk waarom gij u zoo bescheiden houd, en hoeveel geld ik aan nuttelooze dingen verkwist heb, komt gij mij voor als een engel des hemels, en ik zou van schaamte en berouw voor u mogen vergaan. Ach, Louise, hoe edel zijt gij, en welk een arm, dwaas kind ben ik! Maar ik wil anders worden, ik wil van u leeren en u tol voorbeeld nemen. Ik begeer nu geen diamanten meer, en als ik mijn broeder Karei vertel wat gij gedaan, en . . .quot;
125
âMarie,quot; viel Louise haar ernstig in de rede, âik heb u gezegd, dat het een geheim was, en ik vorder van u, dat gij mij belooft, niemand, boort ge, aan niemand in de geheele wereld, een énkel woord van wat ik u gezegd heb, te vertellen. Zoo ge wilt, dat ik u lief zal bebben, moet gij mij er de hand op geven, dat gij het voor ieder geheim zult houden.quot;
âHier hebt gij mijn band, ondeugende!quot; riep Maria, terwijl zij haar kleine, van brillanten ringen fonkelende hand in de uitgestoken hand van Louise legde. âAls ge mij dreigt mij niet meer lief te hebben, doe ik alles wat ge wilt, en ik zal niemand een woord zeggen van uw edel geheim, ofschoon mijn broeder u vergoden zou, zoo hij het wist.quot;
âMijn lieve Marie,quot; zei Louise glimlachend, âer is mij niets aan gelegen vergood te worden; heb mij slechts een weinig lief, maar op den duur lief, want dit is voor mij veel meer waard dan alle hartstochtelijke vergoding.quot;
âO, Louise, het is toch zoo heerlijk, als men zoo recht vurig bemind wordt.quot;
âBij voorbeeld, zooals mijn broeder Willem u bemint niet waar?quot;
De prinses knikte. âHij bemint mij, bemint mij innig en weet het zoo goed te zeggen en woorden voor zijn liefde te vinden. Zijn brieven zijn zoo fraai, zoo hartstochtelijk en gloeiend, dat, als ik ze lees, mij 't bloed naar de wangen stroomt, mijn hart van opgewondenheid opspringt en ik het papier kus, waarop hij de bemelsche woorden geschreven heeft. Ach, Louise, is het niet zeer wreed, dat men Willem dwingt mij dit alles op papier te zeggen, wat hij veel gemakkelijker en beter mondeling doen kon ? Ik ben toch zijne gemalin en hij mijn rechtmatige heer en gemaal, ik begrijp niet met welk recht men ons verhinderen wil bijeen te zijn om nimmer meer te scheiden.quot;
âMet het recht van het verstand, wil men u dit verhinderen, Marie, want gij beiden zijt nog jong, en men zegt, dat te vroeg gesloten huwelijken niet gelukkig zijn. Bovendien was het zoo in het huwelijkscontrakt vastgesteld, dat ge niet eerder als gehuwde lieden met elkander zoudt leven en wonen dan wanneer mijn broeder zijn twintigste en gij uw zestiende jaar bereikt had. Uw wederzijdsche ouders hebben dit uitdrukkelijk zoo bepaald, en gij,
426
verliefde kinderen, moet u dus naar den wil uwer ouders voegen.quot;
âMaar de zaken zijn zoo geheel veranderd,quot; zeide Maria. âDeze bepalingen waren alleen gemaakt, omdat ik in Engeland was, en hiermede werd bedoeld, dat ik niet voor mijn zestiende jaar mijn geboorteland verlaten zou en hier komen. Maar nu heeft het booze, oproerige volk van Engeland mijn mama gedwongen de vlucht te nemen, wij zijn hier gekomen, omdat in Engeland ons leven niet meer veilig was. Is het nu niet wreed en onnatuurlijk, dat men mij nog langer van mijn gemaal gescheiden wil houden, daar het lot zelf ons vereenigd heeft?quot;
âGij zijt immers niet gescheiden. Marie. Gij woont dicht genoeg bij elkander, gij moogt elkander dagelijks zien en spreken en . . .quot;
âFraai zien, fraai spreken,quot; viel Marie haar in de rede. âMen veroorlooft ons niet elkander zonder getuigen te zien, en als wij samen praten zijn er altijd anderen bij. En wat het bijeenzijn betreft, dat is nog erger scheiding dan zoo wij door zeeën en landen gescheiden waren. Mijn gemaal woont hier in het stadhoudershof, ik woon bij mijne mama in het huis ten Bosch, slechts een half uur van hem, en toch verder van hem verwijderd dan of een werelddeel tusschen ons lag; wantwerelddeelenlaten zich overwinnen en men kan bij elkander komen, maar tusschen ons staat ean gestrenge schoonmoeder en die kan door niemand overwonnen worden.quot;
âVergeet niet, Marie, dat uw moeder ook hetzelfde wil als do mijne. Maar, dwaas kind, wees toch blijde, dat men u zoo lang de rente van uw geluk en uwe liefde gunt, en u veroorlooft de aangebedene en vergoode bruid van mijn broeder te zijn.quot;
âWillem zegt mij in al zijn brieven, dat hij mij al zijn leven vergoden en aanbidden wil en hierin geen onderscheid zal maken als ik voor altijd met hem te zamen woon.quot;
âIk geloof, dat alle mannen dit zeggen, zoolang zij nog niet gehuwd zijn,quot; zeide Louise glimlachend; âmaar men heeft nog nooit gehoord, dat /ij de geloften hielden, die zij aan hun bruiden aflegden.quot;
âWillem zal daarop een uitzondering maken,quot; verzekerde Marie, âen ik ken nog iemand, die zou doen evenals hij
127
en zijn vrouw even vurig zou beminnen, als hij nu de geliefde van zijn hart bemint.quot;
âEu wie is die iemand, als ik vragen mag?quot;
âMijn broeder Karei, dierbare Louise, en gij zijt die geliefde. Gij glimlacht en schudt ongeloovig het hoofd? Zeg mij toch, Louise, hoe kunt gij zoo hardvochtig zijn ?quot;
âIk ben niet hardvochtig,quot; zeide Louise zacht, en een lichte wolk van droetheid gleed over haar gelaat. âIk geloof veeleer, dat ik een zeer week hart bezit.quot;
âDit toont ge niet aan mijn broeder Karei,quot; zei Marie levendig. âHij bemint u, en gij, inplaats van zijn liefde te beantwoorden, gelooft er niet aan.quot;
âHet geloof laat zich niet dwingen,quot; antwoordde Louise, de schouders ophalende. âMaar spreken wij daarover niet meer, Marie. Mijn kleine verliefde schoonzuster behoeft zich om de liefdesaangelegenheden van anderen niet te bekommeren. Laten wij van u praten. Gij zijt hier gekomen om mij tot een wandeling af te halen on natuurlijk zal mijn broeder Willem ook aan deze wandeling deel nemen, niet waar?quot;
âNatuurlijk, Willem, en ook mijn broeder Karei, want ge kunt toch niet zonder cavalier voor ons uitgaan.quot;
âNaast u gaan mag ik dus niet?quot;
âHet is reeds erg genoeg, dat er altijd iemand met ons moet gaan Als gij en mijn broeder Karei u met elkander onderhoudt, hoort ge ten minste niet wat wij spreken.quot;
j Goed, dan neem ik uw broeder Karei als cavalier en zal mij gedurende de geheele wandeling met hem onderhouden. Maar hiervoor moet ge mij ééne belofte doen.quot;
âEn die is, mijn lieve, goede Louise?'' vleide Marie terwijl zij haar schoonzuster omhelsde.
âGij moet mij veroorloven, dat wij beiden niet voor u, maar achter u gaan, opdat wij goed kunnen zien waarheen gij gaat en u volgen kunnen.quot;
âZijt gij daarop gesteld, Louise?''
âJa, Marie, doch niet uit eigen wil, maar ik moet u bekennen, dat dit de voorwaarde is, waarop mijn mama mijn broeder Willem heeft vergund, zonder verdere begeleiding onzer dames en cavaliers, met u en den prins van Wales te gaan wandelen, en ik heb er mijn woord op gegeven, dat wijj deze voorwaarde trouw zullen vervullen.quot;
128
âZoo gij uw woord hebt gegeven,quot; zuchtte Marie, âmoeten wij het natuurlijk nakomen. Dan verzoek ik u, zuster, laat ons niet langer dralen, maar veroorloof, dat de beide hee-ren binnen komen.quot;
âNog eenige minuteu, lieve Marie, tot ik van kleeding veranderd heb. Gij ziet, dat ik nog altijd in mijn boerin-nencostuum ben.quot;
âEn mijn broeder heeft mij gezegd, dat hij zijn weddenschap gewonnen en u in uw boerinnenkleeding gezien heeft,quot; riep Marie lachend.
't Is waar, hij heeft mij verrast, maar of hij zijn weddenschap gewonnen heeft is nog te betwijfelen, want ik heb mij niet vrijwillig zoo aan hem vertoond; hij heeft mij bij verrasing gezien. Laat mij nu gaan en toilet maken. Ik ben terstond weder bij u.quot;
âGa, Louise, maar â ik moet u nog iets nieuws mee-deelen, en groot nieuws ook!quot;
âWaarlijk? Nu, wat dan?quot;
âWij zullen bezoek krijgen, een jong, beminnenswaardig bezoek. Hoe ernstig en onverschillig houdt ge u. Raadt gij niets?quot;
âNeen, zuster, inderdaad, ik weet volstrekt niets,quot; antwoordde de prinses, die reeds bij de deur barer kleedkamer stond en de hand op den koperen knop gelegd had. âWelk bezoek dan?''
âMijnheer de keurvorst van Brandenburg zal hier komen Louise, en nog wel heden.quot;
âO, ik vergat het,quot; antwoordde Louise onverschillig. âGisteren aan tafel werd hierover gesproken, mijn vader sprak er over met den minister Van Dambohke.quot;
âGij hebt het gehoord, Louise, en toch wildet ge u nu nog houden of ge er volstrekt niets van wist? O, gij zijt slim. nicht, en weet u goed te houden.quot;
âIk weet niet om welke reden ik het doen zou ?quot; antwoordde Louise koel.
âGij wilt niet dat iemand merkt, hoe blij gij zijt uw lieven neef eindelijk eens weer te zien,quot; zei Marie glimlachend. âMaar men weet wel, hoeveel belang gij in hem stelt. Gij spreekt altijd niets dan goed van hem, en zoo iemand het waagt hem te laken, zijt gij het die hem altijd verdedigt.quot;
âIk verdedig hem, omdat hij er zelf niet bij is, en ik
nidi dulden kan dal men een afwezende aanvalt. Gij hebt gelijk, ik stel veel belang in hem, want hij is mij nauw aanverwant, en was, toen hij zich vóór negen jaren hier in den Haag ophield, voor mij altijd goed en vriendelijk. Ik was toen een klein meisje van tien jaren; niemand bemoeide zich met mij, want ik was nog slechts een kind. Maar de keurprins had altijd een vriendelijk woord voor mij en soms speelde hij met mij in het park, en liet mij geduldig de geschiedenis mijner koeien en kleine boerderij verhalen.quot;
âHet is maar de vraag,quot; zei Marie, ietwat scherp, âof als hij naar zulke idyllische verhalen luisterde, prinses Ludowike Hollandine niet in uw nabijheid was.quot;
Het gelaat van prinses Louise, dat van zachte vroolijk-heid straalde, toen zij van hare kindsheid sprak, werd nu somber en haar wangen verbleekten.
âWat weet ge van de prinses Ludowike Hollandine?quot; vroeg zij.
âIk weet alles van haar,quot; antwoordde Marie met een gewichtig gebaar. âPrins Willem heeft mij alles verhaald, want ge weet dat tusschen gehuwde lieden geen geheimen mogen bestaan, en toen wij gisteren op de wandeling over de komst van den keurvorst spraken, verhaalde hij mij de geschiedenis. Ik moet u zeggen, dat ik zeer verstoord op den keurvorst was, en ik vind het zeer slecht van hem, zooals hij de prinses van de Paltz behandeld heeft. Eerst heeft hij haar eeuwige liefde gezworen, heeft zich met haar verloofd, en haar toen trouweloos verlaten, hoewel hij wist dat de prinses hem hartstochtelijk beminde en hij het eerst deze liefde in haar hart had opgewekt. Het is onvergeeflijk van hem en het blijft hem een verwijt voor zijn gansche leven, want zijn trouweloosheid heeft de arme, schoone prinses zoo tot wanhoop gebracht, dat zij gevlucht en naar Frankrijk is gegaan om katholiek te worden en zich in een klooster heeft begeven. Gij ziet, dat ik do geheele geschiedenis ken en ditmaal zult gij niet beproeven den keurvorst te verdedigen, laat staan te verontschuldigen.quot;
âNeen ik beproef het niet,quot; zei Louise zacht, âwant den keurvorst to verdedigen, zou zijn de prinses Hollandine te beschuldigen, en hem te verontschuldigen, zou zijn haar te bezwaren. Ik was destijds nog een kind, en Mühlbaoh, Be groote Keurvorst en zijn tijd. III. 9
130
men heeft er natuurlijk niet met mij over gesproken; slechts toevallig hoorde ik soms van deze treurige geschiedenis spreken. Maar nu denkt niemand er meer aan, men heelt ze vergeten.quot; â
âDe prinses zal er in haar klooster nog aan denken, zeiquot; Marie stroef; âals zij nu hoort met welk doel de keurvorst hier komt, zal zij opnieuw bittere en smartelijke
tranen vergieten.quot; .
âEn met welk doel meent, ge dat de keurvorst hier
komt?quot; vroeg Louise.
âKleine kokette, ge wilt den schijn aannemen ot ge dat niet weet? Goed, ik zal het u zeggen! de keurvorst komt hier om te trouwen en de hand zijner nicht, prinses Louise Henriette van Oranje, te vragen.quot;
âMijn lieve Marie,quot; zei prinses Louise, met zachten glimlach, âmen heeft u zeker verkeerd onderricht, en het verwondert mij dat gij zulk een sprookje een oogenblik kondt gelooven. Weet gij dan niet, dat de keurvorst reeds twee jaren naar de hand der Koningin van Zweden dingt?
âJa, maar deze zaak is geheel afgesprongen; Koningin Christina heeft den kleinen keurvorst afgewezen, en dus...
âEn dus,quot; viel Louise haar fier in de rede, âmeent ge, dat de keurvorst nu mij de eer wil bewijzen om een aanzoek te doen? Gelukkig vergist ge u. Het huwelijk van den keurvorst met de koningin van Zweden is een bepaalde zaak. De keurvorst komt hier, geloof ik, om Holland voor zich te winnen, en van hier gaat hij naar Zweden om met de koningin te trouwen.quot;
âVan wien weet gij dit?quot; . .
âIk hoorde het gisteren mijn heer vader totdenmims-ste'r van Damhohke zeggen. Gij ziet dus lieve Marie, dat gij u vergist. Maar nu wil ik gaan om spoedig toilet te maken, want mijn bloeder Willem zal zeker met verlangen naar u wachten.quot;
131
III.
DE WANDELING.
Een kwartier later kwam prinses Louise in haar vertrek terug, waar haar jonge schoonzuster haar nog altijd wachtte. Zij had haar morgengewaad voor een rijke elegante kleeding verwisseld. Zij verscheen echter niet in denieuwer-wetsche Fransche kleeding, zooals sedert eenigen tijd alle voorname dames droegen en door alle Europeesche hoven aangenomen was, maar zij had haar Hollandsche kleederdracht behouden, alleen waren zij van kostbaarder stoffen vervaardigd en een weinig naar de heerschende mode gewijzigd, want de plooienrijke zijden rok hing tot op de voeten, en in plaats van de Hollandsche schoenen met gespen, droeg zij Fransche satijnen schoenen met hooge roode hakken. Ook de Hollandsche muts met het gouden hoofdijzer was van haar hoofd verdwenen, en geen andere pronk verving deze dan haar rijk blond haar, dat zich in sierlijke kleine lokken over haar voorhoofd krulde, in lange rijke lokken langs beide wangen nederviel en van achteren in vlechten was gelegd die met een blauw lint waren saamgebonden.
âGe ziet er allerliefst uit, Louise,quot; riep prinses Marie haar tegen, âmijn broeder Karei zal verrukt zijn u te zien.quot;
âA.lsof ik voor hem toilet had gemaakt,quot; zei Louise, de schouders ophalende. âKom, Marie, willen wij gaan? De heeren wachten ons zeker beneden in de tuinkamer.quot;
âJa, in de tuinkamer; ik denk wel,' dat zij ongeduldig zullen zijn over ons lang wegblijven.quot;
Prinses Louise sloeg den mantel om, bedekte haar hoofd met den zwarten kanten sluier, die men destijds inplaats van een hoed droeg, en gaf haar schoonzuster den arm om met haar naar beneden te gaan.
Twee jonge mannen in rijke Fransche hofkleeding van met goud geborduurde zijde, kwamen haar tegemoet en begroetten de prinsessen met diepe buigingen. Een hunner was de jonge man, die de prinses zoo verschrikt had, toen zij van de boerderijgebouwen terugkeerde; 't was de
m
prins van Wales, Karei Stuart, de zoon van koning Ivarel I, die met zijn volk den wanhopigen strijd der monarchie tegen de volkssouvereiniteit streed.
De andere, eenige jaren ouder, was prins Willem van Oranje, de eenige zoon van den stadhouder en diens wettige opvolger. Zijn ernstig, schoon gelaat glinsterde van vreugd, toen hij zijn jonge gemalin, stralend van schoonheid, jeugd en liefde, zag binnenkomen, en na de eerste plechtige buiging voor haar gemaakt te hebben, snelde hij op haar toe, nam haar beide handen en drukte ze innig aan zijn lippen. Zij zag hem aan, en beider oogen ontmoetten elkander en spraken te zamen zonder woorden.
âNicht Louise, hebt ge geen enkel woord, geen blik voor mij?quot; fluisterde de prins van Wales, naar prinses
Louise, tredende.
âO jêt,quot; zeide zij glimlachend, âik heb een woord voor u:quot;Laat ons de wandeling beginnen, want de zon schijnt zoo heerlijk en 'tis buiten zulk prachtig weer!quot;
Zij wendde zich tot het jonge paar, dat hand in hand, elkander in de oogen keek en zacht fluisterde.
âBroeder en zuster, laat ons gaan,quot; zeide zij, âde zon wacht ons!quot;
âO neen,quot; riep prins Willem, op zijn jonge gemalin wijzende, âmijn zon is reeds bij mij!'
âZij zal voor u ondergaan, broeder, zoo ge u niet naaiden wil en de bevelen van onze moeder voegt. Wees dus verstandig, wij hebben verlof samen te wandelen, en wel zoo zedig en bedaard mogelijk.quot;
âIk mag toch de prinses wel aan mijn arm geleiden r1 vroeg prins Willem zuchtend.
âDat moogt ge, broeder, maar heel deftig, zooals teen man betaamt, die reeds eenige jaren getrouwd is.quot;
âGij spot nog met mij en mijn ongeluk,' zuchtte de prins, terwijl hij Marie den arm bood en haar naar de buitendeur geleidde,
âEn gij, nicht?quot; vroeg de prins van Wales. âWilt ge niet de genade hebben mijn arm aan te nemen?quot;
âWaarom, neef?quot; antwoordde zij bedaard. âLaat ons zoo' naast elkander gaan, alleen en vrij, dat is het bssle.quot;
De prins begreep den verborgen zin van haar woorden, want eensklaps kwam een donkere wolk op zijn gelaat en
133
met hartstochtelijke onstuimigheid stampte hij heftig met zijn voet op den grond.
âNicht,quot; zeide hij haastig en met bevende lippen, âgij zult moeten toestemmen, dat ik hedenmorgen mijn weddenschap gewonnen heb.
âJa neef, ge hebt ze gewonnen, maar niet op geheel eerlijke wijze.quot;
âIk heb ze gewonnen en gij zijt mij derhalve de voldoening der weddenschap schuldig. Ik houd mij voor betaald en zal het als een kostbaar geschenk aannemen, zoo ge mij gedurende de geheele wandeling uw arm geett.quot;
âMijn lieve neef,quot; sprak de prinses met kalme vriendelijkheid, âhier hebt ge uw geschenk, de weddenschap is betaald.quot;
Zij legde haar arm in dien van den prins en trok hem voort naar het jonge, verliefde paar, dat reeds de kamer verlaten had en naar buiten gegaan was.
âLouise,quot; bad de prins, terwijl hij haar arm vast aan zijn hart drukte, âgij hebt mij voor de geheele wandeling uw arm geschonken. Zult gij dat niet vergeten ? Gij moogt hem mij geen oogenblik onttrekken. Geef mij uw woord, dat gij dit niet vergeten en aan niemand, zelfs niet aan uw broeder en zuster, zeggen zult, dat ge mij deze gunst slechts tengevolge eener weddenschap verleent.quot;
âIk geef u mijn woord, neef!quot;
Arm in arm volgden de prins van Wales en prinses Louise de beide anderen. Met lichten tred, arm in arm, zweefden de beide schoone, jeugdige paren de trappen van het bordes af naar den tuin, door de breede laan tot aan het kleine dwarspad, dat dieper in het boschachtige gedeelte van het park voerde.
Boven aan het venster harer kamer gluurde prinses Amalia voorzichtig van achter de gordijnen en sloeg met scherpen blik beide paren gade.
âNog altijd dezelfde liefde, hetzelfde vuur,quot; zeide zij hoofdschuddend voor zich; âzij zal een gevaarlijke mededingster voor mij worden, want zij zal zijn hart overwinnen, terwijl ik slechts zijn höofd bezit. Ach, zij is de vrouw niet, die door het hart van haar man regeeren mag, en Holland zal zich niet goedwillig naar zulke proefnemingen eener jonge lichtzinnige prinses voegen, o Hemel,quot;
134
zuchtte zij smartelijk, âhet is hard, dat ik aan al-deze dingen denken moet, terwijl mijn gemaal, volgens verzekering van de artsen, nog slechts eenige maanden leven zal. Maar het geldt het welzijn van ons huis, van ons land, en daarom moet de treurige gade terugtreden achter de beminnende moeder, de zorgzame landsvrouw. Zoo mijn zoon Willem zich door deze kleine lichtvaardige prinses laat beheerschen, loopt hij gevaar eens het lot van zijn schoonvader, den koning van Engeland, te beleven en door zijn volk versmaad te worden. Het is Koningin Henriette's schuld, dat Karei I door zijn volk verlaten en vervolgd wordt. Ik wil niet; dat mijn zoon een gelijk lot treffe, neen, ik wil het niet ik zal alles aanwenden om dit te voorkomen. De prinses moet van hier! Ik zal mijn gemaal bewegen, dat hij met ernst en gestrengheid er op sta, dat de bepalingen van het huwelijkscontract nagekomen worden.quot;
Zij verwijderde zich van 't venster en ging met gebogen hoofd en haastigen tred in het vertrek op en neer. Buiten naderde een rijtuig, maar de prinses hoorde het niet. Zij was geheel verdiept in haar gedachten, en de plannen voor de toekomst hadden haar geheele geestvermogens in beslag genomen.
âJa,quot; zeide zij, midden in de kamer staan blijvende en zich fier oprichtende, âzoo moet het zijn! De prinses moet van hier met haar lichtvaardige moeder. Zij zijn geen goed voorbeeld voor mijn dochters, en ik wil niet dat mijn zoon in de netten van dit jonge meisje te gronde ga. Zij moet weg, dat staat vast. Nog heden moet mijn gemaal onzen prins zijn misnoegen er over te kennen geven, dat hij zich te veel met zijn toekomstige vrouw bezighoudt, en hierdoor zijn studiën verzuimt. Hij moet er op staan, dat hij het huwelijkscontract strikt nakomt en niet vroeger begeert met prinses Marie vereenigd te worden dan wanneer zij haar zestiende jaar bereikt heeft. Willem moet hem dit plechtig beloven en dan zal ik zorgen, dat dit geheele koninklijke hof, het welk zich hier genesteld heeft heengaat. In een onzer kasteelen aan de grenzen kan die familie haar intrek nemen, en ik zal er wel voor zorgen, dat zij vóór den tijd niet terugkeert. Zoo ik dan, tot mijn diepe smart, na eenige maanden mijn gemaal verlies, en mijn zoon stadhouder wordt, zal ik alleen hem ter zijde staan.
135
Dan zal het mijn zorg en taak zijn mijn zoon zoodanig te leiden, dat hij zich geheel aan de regeeringszaken overgeeft, zich door mijn raad en ervaring laat besturen en er nooit weder aan denkt de rol eens verliefden bij zijn vrouw te spelen. Als dan het jaar om is en de ver-eeniging van het echtpaar, volgens het contract, plaats vindt, dan behoef ik niets te vreezen en blijf hier de meesteres en gebiedster!''
De deur werdt geopend en een kamerdienaar trad binnen. âZijn doorluchtigheid de keurvorst van Brandenburg!quot; diende hij aan en in de open deur verscheen de hooge, statige gestalte van Friedrich Wilhelm.
Prinses Amalia ging hem haastig te gemoet en sloot hem innig in haar armen. âWelkom, mijn waarde neef,quot; riep zij hartelijk, âvan ganscher harte welkom!quot;
âIk dank u, tante, voor deze hartelijke ontvangst,quot; zei de keurvorst, terwijl hij een kus op de lippen dei-prinses drukte. âWaarlijk, 'tis mij, of ik na een lange afwezigheid in het vaderland terugkom, en ik verzeker uw genade, dat, toen ik zooeven deze welbekende vertrekken binnentrad, mijn hart klopte of ik een verloren zoon was, die na jaren in het vaderlijk huis weer terugkeert.quot;
âMijn dierbare neef! Blijven wij bij deze gelijkenis, en moge dit huis werkelijk een vaderhuis voor u zijn. Een verloren zoon waart gij wel niet, en toch begroet ik u als een .wedergevondene; het heeft lang geduurd voor dat gij u liet wedervinden !quot;
,.Met des te inniger en teederder hart kom ik,quot; zeide de keurvorst, âen ik bid u mij weder in genade aan te nemen.quot;
âMen zal het lieve gelaat en de glinsterende blauwe oogon deze bede wel moeten toestaan,quot; glimlachte de prinses, terwijl zij haar tevreden blik over de edele, trotsche gestalte van den jeudigen man liet gaan. âMij dunkt,quot; voer zij voort, âdat ge grooter, forscher zijt geworden.quot;
âInderdaad, genadige tante, ik was toen een kleine, tengere keurprins, en ben als keurvorst wel een weinig gegroeid, maar forsch en groot ben ik, helaas! nog niet, en ik moet nog zeer veel groeien.quot;
âDat zal wel komen, neef, want gij hebt een gezonde, sterke natuur en een krachtigen wil! Maar zeg mij, hebt ge mijn gemaal, uw waarden heer oom al begroet?quot;
136
âNeen, genadige tante, ik werd niet toegelaten en men zeide dat mij de artsen streng hadden verboden den zieken heer prins in zijn slaap te storen. Derhalve nam ik de vrijheid tot u te komen.quot;
,,Ach, dierbare neef, uw oom is inderdaad zeer ziek,quot; zuchtte de prinses, âen zoo ge eenige maanden later waart gekomen, vrees ik, dat hij er niet meer zou geweest zijn.quot;
âMen heeft mij dit bericht en daarom verhaastte ik mijn komst naar hier. Maar zeg mij, tante, gelooft ge, dat ik hoop heh het gewichtigste doel mijner reis te bereiken? Zal ik jonkvrouw Louise welkom zijn?quot;
De prinses haalde de schouders op en zuchtte. âDit is een vraag, waarop ik u, helaas! het antwoord moet schuldig blijven. Mijn dochter is van een zeer stillen, zwijgenden aard en laat zich niet uithooren. Zij leeft met zich zelve en haar gedachten wereld, en hoewel zij goed is voor ieder, ontsluit zich haar hart voor niemand. Juist toen gij binnen kwaamt, hield ik mij met haar bezig, en had haar nagezien toen zij de hreede laan van het park doorging.quot;
,,Is zij alleen?quot; vroeg de keurvorst levendig. âVeroorlooft gij mij, dat ik de prinses ga begroeten.quot;
,,Doe dat, als gij het wenscht, waarde neef. Gij zult haar niet alleen, maar in gezelschap vinden, en dat was het wat mijne gedachten bezig hield. Mijn zoon Willem met zijn jonge prinses en de prins van Wales waren bij haar. Het is mij trouwens zeer aangenaam, dat ik u spreek vóór gij mijn dochter hebt ontmoet, want ik heb u een gewichtige mededeeling te doen, die ik opzettelijk tot een mondelinge samenspreking bewaard heb. Gij verzocht, dat wij onze dochter van uw aanzoek niets zouden zeggen, dit verraste mij, want het bewijst dat er een merkwaardige sympathie tusschen u beiden heerscht. Gij wilt geen gemalin, die gedwongen wordt u haar hand te reiken en Louise wil sléchts uit liefde trouwen; nu zal ik u zeggen hoe het gekomen is dat wij de prinses dezen wensch hebben toegestaan. De heer keurvorst van Hessen was verleden jaar hier ten bezoek en deed aanzoek om de hand onzer Louise; wij zeiden hem die toe, daar de prinses den leeftijd bereikt had waarop men gewoon is prinsessen uit te huwen. Maar toen wij Louise den gekozen bruidegom voorstelden, werd zij zoo opgewonden
137
un zomiwachüg, dat zij in onmacht, viel en de kooi fs ki'eeg. Onze doctoren meenden, dat het een hevige zenuwaandoening was en de ziekte zeer gevaarlijk kon worden zoo men niet alles vermeed, wat der prinses leed kon berokkenen. Daar zij in haar koorts steeds over haar verloving met den heer keurvorst van Hessen jammerde en zich een verkocht olTer noemde;, nam ik de gelegenheid waar, haar in een koortsvrij uur te zeggen, dat haar vader en ik volstrekt niet op deze echtverbintenis aandrongen, maar dat het haar vrij zou staan den keurvorst tot haar gemaal te kiezen. Zij schreide van genoegen, nam mijn handen en vroeg mij haar te beloven, dat ik haar nooit tot een huwelijk zou dwingen. Tot nu toe had zij volstrekt geen zin om' te trouwen en het zou haar dood zijn, zoo ik haar van mij liet gaan en haar beval de gemalin van een vreemden, door haar onbemin-den vorst te worden. Zij bad mij met zulke ti'elTende woorden en op zulk een aandoenlijke wijze, dat zij niette weder-staan was en wijl de doctoren nadrukkelij-k hadden verklaard, dat alles vermeden moest worden wat der prinses onaangenaam kon zijn, moest ik dus wel bonne mine a mauvais jeu maken en beloofde mijn dochter dat wij, haar ouders, haar nooit tot een huwelijk zouden dwingen, maaide keus van een gemaal geheel aan haar zelve ovei-lieten. Ik beloofde dit Louise, door mijn hand op haar hoofd te leggen, en als een zwakke, teedere moeder beken ik, dat ik mij voldoende beloond gevoelde door den gelukkigen glimlach, die over 't gelaat der zieke kwam die er daardoor uitzag als een engel. Zij sloeg haar armen om mijn hals, kuste mij hartelijk, en zonk toen op haar leger terug en sliep in. Zij sliep onafgebroken dertig uren en toen zij ontwaakte, was de koorts van haar geweken; de artsen zeiden dat de prinses op weg was te herstellen. Na een paar dagen was Louise weer gezond, vroolijk en vergenoegd. Ik had haar door mijn beloften dus het leven gered, doch wil u niet verbergen, dat mij dit later vaak berouwd heeft, want vele aannemelijke vorstelijke minnaars zijn gekomen, maar de prinses heeft ze allen afgeslagen, verklarende dat zij niet dacht ooit te trouwen, maar slechts wenschte in 's Gravenhage bij haar lieve ouders en haar geliefd boerenbedrijf te blijven. Daarom kan ik uwe hoogheid niets anders zeggen, dan: beproef uw geluk, en zoo de prinses
138
uw aanzoek aanneemt, zult gij mij een welkome, lieve schoonzoon zijn. Maar ik beloof uw wensch te vervullen en aan de prinses geen woord van deze aangelegenheden te zeggen. Gij, jongelieden, moet maar zien hoe gij het met elkander eens wordt. Ik heb nu eenmaal mijn dochter zulk een dwaze belofte gedaan en mag die niet terugnemen, want ik houd het voor een heiligen plicht zijn eens gegeven woord nimmer te breken. Zie, nu, heer neef, ot gij het hardvochtig hart van de prinses kunt verwinnen. Ik moet u echter zeggen, dat er nog een ander is, die hetzelfde wil beproeven.'
âDe prins van Wales! Hij bemint haar dus?''
âJa, hij bemint haar en wel met alle onstuimigheid van een jong verwend man.quot;
âEn zij ? Bemint zij hem misschien ook ? Ik verzoek uw genade dringend, mij dit oprecht to zeggen, om in het ergste geval den smaad en de deemoediging te kunnen ontgaan, van door de prinses afgewezen te worden.quot;
âZoo ik dit bepaald wist, lieve neef, zou ik het u geschreven en u verzocht hebben niet hier te komen. Ik wil u mijn oprechte meening zeggen en alles mededeelen wat ik heb opgemerkt, 't Is waar, dat Louise voor den prins van Wales zeer vriendelijk is en vertrouwelijker dan voor ieder ander; ge hadt. dit zooeven zelf kunnen zien, als ge haar met mij hadt nageoogd. Prins Willem ging met prinses Maria vooruit, en arm in arm, in levendig gesprek, volgden hen prinses Louise en de prins van Wales!quot;
âZij bemint hem,quot; mompelde de keurvorst, âzeker, zij bemint hem.quot;
âToch niet zoo geheel zeker, heer neef. Het komt mij soms voor, dat Louise den prins nog voor een knaap houdt, die volkomen sans conséquense is, en of zij volstrekt niet gevoelt, dat men haar vriendelijkheid voor hem anders kon uitleggen. Bedenk, dat hij drie jaar jonger is dan mijn dochter, en een negentienjarig meisje acht zich zelve verstandig tegenover een jongmonsch van zestien jaren. Louise neemt soms de rol van gouvernante van den prins van Wales op zich, en als wij ontevreden zijn over zijn driftig, overmoedig en onbetamelijk gedrag, verontschuldigt zij hem door te zeggen: Hij is immers nog maar een kind, en daarbij zoo ongelukkig! W7ees toch toegevend jegens een armen knaap, die het ongeluk van zijn vader
139
zoo heftig en onstuimig maakt, omdat hij het zich zoo aantrekt. Zij heeft een zeer teederen en zachten aard en met het ongeluk van anderen heeft ?ij altijd medelijden. Het kan dus ook medelijden zijn, dat haar zoo vriendelijk en toegevend voor den prins van Wales maakt.quot;
âMaar zoo de prinses de liefde van den prins van Wales beantwoordde, zou uwe hoogheid dan vrijwillig in dit huwelijk toestemmen?quot;
,,Niet vrijwillig, heer neef, maar gedwongen; want ge weet immers welke belofte ik mijn dochter gedaan heb. Ik zeg u oprecht, ik hoop, dat de prins van Wales door ii overwonnen wordt en gij haar bruidegom moogt zijn.quot;
âGij machtigt mij dus met hem in't strijdperk te treden, genadige tante?quot;
âIk machtig u niet alleen, heer keurvorst, maar wensch het hartelijk; God geve u de zege!quot;
Zij reikte den keurvorst haar hand, die er een kus op drukte. âVeroorlooft gij mij de prinses op te zoeken?quot;
âDoe dat uw hoogheid; gij zult dan zien hoe mijn dochter uw onverwachte verschijning opneemt.quot;
âWeot uwe genade waar de jongelieden heen zijn gegaan ?quot;
âNeen! Maar gij zult dit licht vernemen van do werklieden, die in 't park bezig zijn. Ik zal u geleiden tot aan het zijpad, dat zij ingeslagen zijn.quot;
De prinses nam den haar aangeboden arm van den keurvorst en ging met hem in het park.
Intusschen waren de beide jonge paren als gevleugelde zomerboden door het park gedarteld, steeds voorwaarts, geen acht slaande waarheen zij gingen, slechts de smalste paden en de dichtste boschjes zoekende.
Geheel vergetende, dat een tweede paar hem volgde, bleef de prins van Oranje soms staan, om met verrukten blik in Marie's blozend, glimlachend gelaat te zien en te luisteren naar de lieve woorden, die zacht en bedeesd over haar lippen kwamen. Maar dan vermaande zijn zuster hem voort te gaan en dreigde soms glimlachend, dat zij den arm der prinses zou nemen en aan haar zijde de wandeling ten einde zou brengen.
Prins Willem onderwierp zich dan zuchtend aan haar zachte vermaning, maar een wolk van misnoegen kwam dan op zijn gelaat.
HO
âIk kan 'l niet verdragen,quot; mompelde hij, âhet is onuitstaanbaar. Ach, Marie,quot; voer hij luider voort, âsoms is het mij of ik mot geweld dezen band, waarmede men mij op onrechtmatige wijze ketent, moest verbreken.quot;
âEn ik? Ben ik ook niet gebonden?quot; tluisterde Marie met teeder smachtende blikken. âGelooft ge dan, dat ik niet zwaar en pijnlijk deze keten voel, waarmede een wreed lot mij belast?quot;
, Zoo 't lot was, dat ons boeide, zou ik zender morren mij aan het onvermijdelijke onderwerpen en vol vertrouwen en geduldig op de toekomst hopen. Maar het is alleen de wil onzer ouders, die ons scheidt het is de heerschzucbt mijner moeder, die meent, dat haar aangebedene, betooverende schoondochter haar gevaarlijk zou kunnen worden, dat ...quot;
âStil om 's hemels wil, stil,quot; viel Mane hem levendig in quot;de rede, âals Louise het hoort, zijn wij verloren.quot;
Haastig trok zij haar jongen verliefden gemaal voort.
âDaar gaan zij heen,quot; zuchtte de prins van Wales, âdat quot;â¢elukkig benijdenswaardig paar! Ach, Louise, wilt gij San uw wreed hart volstrekt niet laten verteederen?quot;
âIk heb geen wreed hart, neef, en het is volstrekt niet no'odig het te willen verteederen.quot;
âMag ik deze woorden uitleggen?quot; vroeg de prins in vuur gerakende. âWilt ge mij hiermede eindelijk een straal van hoop geven?quot;
âHoop? Hoe meent ge dat, neef?quot;
Zij zag hem met haar groofe bruine oogen zoo trouwhartig en kalm aan, dat deze kalmte den prins nog tot grooteren hartstocht aanzette.
âGij wilt mij niet begrijpen,quot; riep hij heftig. âGij wilt den schijn aannemen, of go niet wist» dat ik u bemin, vurig, hartstochtelijk bemin, dat ik niets liever wensch dan uw bezit; dat de gedachte aan u de eenige star van hoop is, die den nacht mijner ziel verlicht, dat ik vertwijfelen en sterven zou, zoo ge er niet waart, gij, met uw betooverend gelaat wier glimlach mij als een engelen-oroet tegenblinkt, wier ontevredenheid mij de geheele wereld in nacht verduistert. Louise, ik zeg u, ik zou het zoo luid willen uitschreeuwen, dat de geheele aarde er van beefde: Ik bemin u, hoort ge, ik bemin u!quot;
âAls gij nog eens zoo schreeuwt, neef,quot; zeide zij
141
bedaard, âlaat ik uw arm los en ga naar de beide anderen.quot;
âDat moogt ge niet, Louise, heden kunt gij dat niet doen, want ik heb uw woord, dat ge mij gedurende de geheele wandeling uw arm zoudt laten, 't Is mijn gewonnen weddenschap.quot;
â'tls waar, ik heb u mijn woord gegeven,quot; zei de prinses bedaard. âIk zal het houden, neef, maar go moogt hiervan geen misbruik maken en mij niet dwingen naar iels te hooren wat gij beter deedt te zwijgen.quot;
âJa, ik wil u dwingen het te hooren! Ik wil het zoolang herhalen tot eindelijk mijn vuurgloed de ijskorst van uw hart doet smelten. Ik bemin u, Louise, ik bemin u! O zie mij toch niet zoo kalm en ruslig aan, want die kalmte brengt mij tot wanhoop. Heb toch medelijden met mij, wreede! Denk toch welk een foltering, welk een jammer mij drukt Ik ben een koningszoon, en men heeft mij gedwongen het trotsche, machtige koninkrijk te verlaten, naar den vreemde te vluchten en de genade van vrienden af te bedelen. Ik heb mijn dierbaren, ongelukkigen vader verlaten, midden in den strijd der woedende partijen, die zich vereenigen in den haat tegen haar koning. Mijn plaats was aan zijn zijde. Met mijn koning en vader te strijden en, als het zijn moet, te sterven, is wat mijn eerzucht, wat mijn liefde begeert. Maar de weinige vrienden, die ons in Engeland zijn overgebleven, smeekten mij op hun knieën, mij te verwijderen, den toekomstigen koning te redden voor de woede van het razende volk. Mijn vader zelf gebood mij te vluphten en zeide, dat het mijn heilige plicht was mij voor de kroon, het rijk en mijn familie te redden gelijk het zijn plicht was te blijven en den mannen, die de monarchie bedreigden, zijn gezalfd en gekroond hoofd te bieden. Ik onderwierp mij en kwam als een wanhopende, van toorn en droefheid vervuld, met mijn familie hier. Toen ik u zag, Louise, was het mij of een engel uit den hemel was nedergedaald om mij op te heffen; aanbiddend en in verrukking boog zich mijn hart voor u, en ik gevoelde mij boven alle leed, alle aardsche smarten verheven! Deze heilige gewaarwording is mij bijgebleven, al de weken, al de maanden lang van mijn verblijf. De gevluchte, verbannen koningszoon ligt aanbiddend aan uw voeten en klaagt niet meer om het verloren, ongelukkig vaderland, om den troon, dien liij
142
misschien nooit bestijgen zal, om den vader en den koning, die misschien door zijn eigen volk verscheurd en in den afgrond gestort zal worden!quot;
âGij ziet de toekomst zeer donker in, neef,quot; zei Louise zacht. âDe geschillen tusschen den koning en zijn volk zullen wel uit den weg worden geruimd, en wie weet hoe spoedig gij in triomt naar Engeland zult terugkeeren, om weder naast den troon van uw vader te staan en de begroetingen van zijn volk te ontvangen!quot;
âNeen, Louise, dat gebeurt niet,quot; zei Karei met dolTe stem. âIk heb dezen morgen een slechte tijding ontvangen. Een oud trouw dienaar van mijn huis is met gewichtige brieven van mijn vader bij mijn moeder gekomen. Ik zeg u, Louise, wat nog niemand weet, en de hemel geve dat het nog lang een geheim blijve; Louise, een nieuw, vree-selijk ongeluk heeft ons getroffen. Gelijk ge weet, was mijn vader na den laatsten, beslissenden veldslag bij Naseby naar het Schotsche leger te Newark gevlucht. Daar waande hij zich veilig; de Schotten waren de eenigen, die hem trouw zijn gebleven, die met hem tegen de generaals van het parlement, Fairfax en Cromwell, gestreden hebben.quot;
âIk weet het,quot; zei Louise angstig. âEn zijn die brave Schotten uw vader trouw gebleven?quot;
âNeen, Louise, de Schotten hebben mijn vader verraden en hebben hun koning aan het vijandelijk parlement, aan Cromwell verkocht!quot;
âArme Karei, hoe beklaag ik u,quot; fluisterde de prinses, haar hand op den arm van den prins leggende.
âJa, ik ben beklagenswaardig, want dit vreeselijk bericht zegt mij, dat ik mijn vader, mijn koninklijk erfdeel, mijn vaderland verloren heb! Op het oogenblik, dat men mijn ongelukkigen vader naar het graafschap Northampton overbracht, waar hij op het kasteel Holderbij als staatsgevangene gekerkerd werd, vergunde het lot, dat hij aan zijn trouwen Stephens eenige brieven kon overhandigen, die hij aan mijn moeder moest brengen. Trots alle gevaren en vervolging gelukte het den getrouwen dienaar Engeland te verlaten en hier te komen. Louise, mijn vader beveelt, dat mijn moeder met haar dochter dadelijk van hier ver-trekke en naar Frankrijk ga, om daar voor den koning van Engeland de hulp en bijstand af te smeeken, welke Frankrijk ongevraagd den schoonzoon van zijn grootsten
143
koning verleenen moest. De kleinzoon van Maria Stuart en de dochter van Hendrik IV zijn bedelaars geworden en srneeken bij andere vorsten om hulp! Ach Louise, besef het vreeselijke van onzen toestand en heb medelijden met onze ellende!quot;
âGeloof mij mijn lieve Karei,quot; fluisterde Louise, met tranen in de oogen, âgeloof mij, dat niemand uw ongeluk dieper gevoelt en u meer beklaagt dan ik.quot;
âLouise, het ligt in uwe hand mij van den ongelukkig-sten sterveling tot den gelukkigsten te maken. Zie, Louise, ik leg mijn lot in uw hand, ik wil van u niet alleen het geluk, maar ook een tehuis, een nieuw vaderland ontvangen. Zeg dat gij mijn liefde aanneemt, dat ge haar wilt beantwoorden, reik mij uw geliefde hand tot een eeuwige verbintenis, en ik acht mij schadeloos gesteld voor alles wat ik in Engeland verloren heb, ik blijf hier en laat het mijn eenige taak zijn u met iedere ademtocht, met mijn geheele leven en wezen te danken voor het geluk, dat gij mij schenkt. Zeg, dat ge mij versmaadt, en ik ga met mijne moeder van hier. Gij stoot mij dan in de woestijn, in een wanhoopsstrijd des levens, en zoo ik er in omkom, kunt gij zeggen dat gij het zijt, die mijn verderf gewild hebt, uw liefde had mij kunnen redden, maar uw onverschilligheid heeft mij gedood. Spreek, Louise, beslis nu over mijn lot!quot;
Zijn vlammende oogen richtten zich op het gelaat van de prinses; zij bleef echter volkomen bedaard en zag hem glimlachend aan.
âMijn lieve neef,quot;' zeide zij, âgij neemt de zaken al te tragisch op en wilt mij een veel te grooten invloed op uw leven doen uitoefenen. Het ongeluk van uw huis beweegt en treft mij diep, want gij weet, dat ik mijn kleine schoonzuster en u van ganscher harte liefheb, en daarbij zou ik innig wenschen, dat gij dit ongeluk eerst te boven gekomen waart en u weder het geluk, dat heet den troon en de bevrijding uws vaders, verworven hadt. Mij dunkt, dat gij hieraan alleen moest denken, dat niets u moest bezig houden dan dit doel te bereiken. lederen anderen wensch, elk ander streven moet ge uit uw hart verbannen; gij moogt aan niets anders denken, dan aan de bevrijding van uwen vader, het herwinnen van uw koninklijk erfdeel. Dat is een heilig doel, en geen andere aardsche wenschen mogen er u van afleiden.quot;
Ui
âGij wilt mij ontwijken, nicht,quot; riep de prins met smartelijke heftigheid. âWees toch barmhartig! Geef mij tenminste een schaduw van hoop! Gij zegt mij met uw kouden kalman glimlach: Ga heen, neef, herover uw troon en bevrijd uw vader, en zoo u dat gelukt is, zoo gij weder tot hoogheid en aanzien komt, zoo ge weder de onbetwiste erfgenaam van den machtigsten en heerlijksten troon dei-wereld zijt, dan wil ik zien of ik u beminnen,- ten minste besluiten kan uw gemalin te worden; want het is toch altijd iets waard eene koningin te worden, vooral als men weet, dat de koning haar gehoorzaamste en gewilligste onderdaan is. Zeg mij dit, en ik zal u danken en zeggen dat gij mij een schaduw van hoop gelaten hebt.quot;
âGij zijl zeer wreed en onbillijk, Karei,quot; zei de prinses treurig.
âWreed, onbillijk?quot; herhaalde de prins. âZiet ge dan niet dat ik wanhopend ben, dat ik voor u sta als een rampzalige, niet in staat het leven te dragen en op een betere toekomst te hopen? Ach Louise, zie mij aan, zie de tranen in mijn oogen hoe ongelukkig ik ben!quot;
Prinses Louise richtte haar blik met innige deelneming op het bleek, bewogen gelaat van den prins. Ja, hij weende, er stonden wezenlijk tranen in zijn oogen en zijn lippen trilden van aandoening.
âArm kind,quot; zuchtte Louise, âge verbeeldt u werkelijk, dat ge mij bemint, geloof ik!quot;
âNoem gij mij een kind?quot; riep de prins toornig. âWilt ge mij behandelen als een knaap, die om een stuk speelgoed schreit?''
âPrins Karei, gij zijt werkelijk nog een kind,quot; zei Louise zacht. âGij zijt bijna nog maar een knaap, en gij wilt van liefde spreken. Wat weet gij van liefde, gij die nog pas zestien jaren telt?quot;
âWat weet gij er van, gij met uw negentien zachte, koele, onbewogene jaren,quot; riep Karei met toornig gelaat.
âWeet, dat gij veel jonger, veel onervarener zijt dan ik; want gij hebt nog niets ondervonden. Gij kent noch de wereld, noch het leven, nog de liefde; gij zijt gelijk een onbeschreven blad papier waarop noch het geluk, noch het ongeluk, nog de liefde, noch de haat zijn teekens gezet heeft. Maar ik ben in weerwil van mijn zestien jaren, een man van ondervinding, want het ongeluk heeft
145
mij verstaald en de jaren van ondervinding tellen dubbel in 's menschen leven. Ik ben ouder, veel ouder dan gij, en als ik zeg, dat ik u grenzenloos bemin, zeg ik niet eens, dat gij mijn eerste liefde zijt; uw beminnelijk gelaat heeft de wonden geheeld, welke het onverbiddelijke lot mij vroeger sloeg, toen de dood mij mijn eerste geliefde ontrukte. Neen, Louise, ge zijt niet mijn eerste liefde maar 1(2 coeur est loujours vierge p Mr un nouvel amour, zei-de mijn schoone overgrootmoeder Maria Stuart, toen zij met Bothwell trouwde. Gij zijt niet mijn eerste liefde, maar ge zult mijn laatste zijn, want ik zal sterven zonder hoop, zonder troost zoo ge mij van-u stoot.quot;
âGij zult niet sterven, prins, want gij zult van deze tweede wonde evengoed genezen als van de eerste,quot; zei Louise met een zachten glimlach. âLe coeur est toujours vierge pour un nouvel amour, dit zal wel de balsem voor uw gewond hart zijn!quot;'
âGij gelooft dus niet aan mijn liefde, aan mijn vertwijfeling, aan mijn innige smart?quot;
âNeen, prins.quot;
De prins slaakte een kreet van toorn en bleef bevend van hartstochtelijke opgewondenheid staan. âIk zal u zeggen, waarom gij er niet aan gelooft,quot; zeide hij met gesmoorde stem en vast opeongedrukte tanden. âGij gelooft niet aan mijn liefde, omdat gij niet in staat zijt tot een warm, gloeiend gevoel, omdat ge een van die koele, koude wezens zijt, die slechts in schemering en nevel groeien en niets begeeren en weten van gloed en zonneschijn. Gij zijt ondanks uw schoonheid en bekoorlijkheid nog een arm beklagenswaardig wezen; gij kondet een hemekche godin zijn, maar gij zijt slechts een arme, alledaagsche vrouw, die de liefde niet kent!quot;
De prinses beefde van smart en haar ontroering zag men op haar gloeiend gelaat. âGij vergist u,quot; zeide zij. âIk ken de liefde! Maar wat gij in uw dwaas en hartstochtelijk kinderhart liefde noemt, is geen liefde!quot;
âWat dan!quot; vroeg de prins vertwijfelend. âZeg mij dan wat het is, als gij het zoo nauwkeurig weet!''
âWare liefde is nooit ongelukkig en klaagt nooit,quot; zei de prinses zacht, doch terwijl zij sprak, helderde haar gelaat op en schitterde eindelijk van zalige vervoering. âDo ware liefde denkt niet aan zich zelve en is onbaatzuchtig,
Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. III. 10
140
zij begeert en eischt niets voor zich, geeft alles, al do schatten van haar denken en gevoelen,'aan den geliefde. Moet het zijn en kan zij hem helpen, dan gaat zij vroolijk voor hem in den dood, zij sterft toch niet, want zij draagt het eeuwige leven in zich. Zij verloochent zich zelve ieder uur, zij is kuisch en slim, hult zich stil en zwijgend in een dichten sluier, leeft en bloeit, trots donkeren, zwijgenden nacht, in fonkelenden zonneglans. Niets kan haar misleiden, niets haar ontstellen; zij vraagt ook niet naar wederliefde; het smart haar soms wel, eenzaam en onbekend haar eigen vuur te moeten bewaken, maar de godde-lijke vlammen van dit vuur stijgen op ten hemel en daar ziet men en erkent men ze als een straal der eeuwige zon, die uit de werking van zijn oog is ontstaan! De ware liefde vraagt niet naar aardsch bezit, en toch bezit zij wat on verliesbaar is, zich zelve en in zich zelve het he-melsche genot. Zonder wenschen voor zich zelve, is haar geheele wezen slechts samengevat in het eeuwig eenige, het voorwerp van al haar gewaarwordingen gelukkig te weten, en hiervoor leeft, hiervoor sterft zij met vreugde.
âLouise!quot; riep de prins, met verbaasden, verrukten blik haar aanziende, die met gevouwen handen, met ten hemel gerichte oogen en zalig glimlachend voor hem stond. âLouise, hoe zijt ge zoo plotseling veranderd ? Zoo hemelsch; zoo bovenaardsch schoon, heb ik u nog nooit gezien!
Zij ontstelde toen hij haar naam noemde en als uit haar hemelsche droomen opgeschrikt, keerde zij tot de werkelijkheid terug.
âKom,quot; zeide zij huiverend, âkom, spoedden wij ons, want gij ziet, dat onze broeder en zuster ons ver vooruit zijn en wij moeite zullen hebben hen in te halen.'
Zij trok den prins van Wales haastig met zich voort en hij volgde haar peinzend en vol gedachten.
147
IV.
TIKT WEDERZIEN.
De prins van Oranje en zijn schoone gemalin hadden zeer goed opgemerkt, dat de beide anderen achterbleven, en waren sneller voort geloopen, om den afstand nog grooter te maken. Een kromming van het pad onttrok hen geheel aan den blik der volgenden, en twee dicht bijeenstaande oude eiken van reusachtigen omvang boden het minnend paar een beschutting tegen de onbescheiden blikken van bespieders.
De prins trok zijn gelk-fde achter deze boomen, sloot haar vast in zijn armen en bedekte haar mond met gloeiende kussen.
âMarie, mijn dierbare, aangebeden Marie,quot; fluisterde de prins. âGij weet hoe onuitsprekelijk ik u bemin en hoe onuitsprekelijk ellendig ik ben, zeg mij, wilt gij mijn beden verhooren; en evenals ik, besluiten, niet langer dezen onna-tuurlijken dwang te verdragen, niet langer te dulden, dat men ons van elkander verwijdert, daar wij toch bijeen bebooren en voor Gods altaar elkander eeuwige liefde, eeuwige trouw gezworen hebben. Zeg mij, Marie, wilt gij voor altijd de mijne zijn?quot;
âIk wil de uwe zijn, voor altijd,'' lluisterde de prinses.
Hij dankte haar, terwijl hij haar vaster in zijn armen sloot en haar mond met gloeiende kussen bedekte. âZult ge moed en standvastigheid genoeg hebben om alleen te wederstaan en te doen wat noodzakelijk is om een vast en onwrikbaar besluit ten uitvoer te brengen?quot;
âIk zal vol moed en standvastig zijn. Wat moeten wij doen?''
Hij boog zich dichter tot haar oor. âWij moeten vluchten,'' fluisterde hij, âde dwingelandij onzer ouders ontvluchten eu hen dwingen ons te erkennen.quot;
âVluchten?quot; herhaalde zij, van vreugd blozende en vroolijk als een kind haar handen ineen slaande. âVluchten ! O, wat een verrukkelijk avontuur zal dit worden. Maar hoe kunnen wij vluchten en waarheen? Hoe zal het ons
148
gelukken de bespiedende oogen van onze moeder te ontgaan en ...quot;
âMarie, Marie!quot; riep dicht in de nabijheid de stem van prinses Louise. âMarie, waar zijt ge, waar . . . Ha! ginds achter de oude eiken staan zij! Kom, prins, kom haastig voort. Zij willen zich verschuilen!quot;
âMarie,quot; fluisterde prins Willem schielijk, terwijl hij een laatsten kus op de lippen zijner jonge gemalin drukte, âMarie, ik zal met uw broeder alles afspreken en van h ;m zult gij al de bijzonderheden van ons plan vernemen. Wees op uw hoede en houdt u ieder uur gereed om te komen, als ik u roep en . .
Hij zag nu achter den eik het blauwe kleed zijner zuster en terwijl hij de prinses den arm gaf, kwam hij met haar van achter den boom te voorschijn.
âHier zijn wij,quot; zeide hij glimlachend. âWij hebben een weipig gerust en op u gewacht en ik moet zeggen, het heeft tamelijk lang geduurd.quot;
âJa wij hebben ons een weinig opgehouden,'quot; antwoordde Louise, âmaar nu zullen wij weer vroolijk met u wandelend
âTk ben vermoeid en dorstig,quot; fluisterde prinses Marie. âLaat ons op een bank een weinig rusten.quot;
âWij zijn hier dicht bij het Ghineesche paviljoen,quot; zei Louise, âen bij den portier zullen wij wel een glas melk voor mijn kleine schoonzuster bekomen. Kom, laten wij spoedig dit kleine zijpad inslaan dan zijn wij in vijf minuten in het paviljoen.''
Zwijgend gingen de beide paren voort, en zooals prinses Louise gezegd bad, zagen zij na weinige minuten het groote, Chineescbe paviljoen, dat prins Frederik Hendrik in de eerste dagen van zijn gelukkig huwelijk voor zijn achoone gemalin had laten bouwen. Het park vormde een groote, 'lichte plek, waarvan men gebruik had gemaakt om een Chineesch tuintje aan te leggen, met fraaie bo.schjes geelden-groepen en al de kleine sieraden, din gewoonlijk in de tuinen van de Ghineezen te vinden zijn. Aan het einde van dezen door boomen omsloten tuin, stond het paviljoen, dat van achter beschaduwd werd door een rij van hooge taxusboomen.
De beide jonge paren verhaastten hun schreden en wandelden over de kronkelpaden voorbij de met porselein-
149
scherven omzoomde bloembedden, naar het paviljoen. De portier, die hen had zien naderen, opende de groote hoofddeur, legde (Ihineesche tapijten over de marmeren banken, die voor het paviljoen stonden, en sloeg de reusachtig groote Chineesche schermen open, die op hooge stijlen waren bevestigd.
Onder deze schermen zetten zij zich met welgevallen op de banken neder, en gaven zich over aan het genot dezer bloeiende, geurige, van vogelengezang en ruischende boomen vervulde goddelijke wereld.
De portier bracht hooge glazen met melk op zilveren borden, benevens eenige vruchten en versch gebak, maar alleen prinses Marie en haar gemaal gebruikten van het landelijk ontbijt. Het ander jonge paar zat stil, en zelfs de schertsende woorden van zijn zuster vermochten den prins van Wales niet uit zijn somber, peinzend zwijgen te wekken. Nu «n dan staarden zijne groote, vlammende oogen van onder de saamgetrokken wenkbrauwen met vorschenden en toornigen blik op prinses Louise, die er volstrekt geen acht op sloeg, maar mot een zachten glimlach haar blikken over den tuin liet gaan om de bloemen en heesters, de fladderende vlinders, de voorbijvliegende vogels en de door den wind bewogen boomen met welgevallen gade te slaan. Eensklaps ontstelde zij, een donkere blos vloog over haar wangen en met wijd geopende oogen, de handen krampachtig op den rand van de zwart marmeren tafel gedrukt zag zij bewegingloos naar de kleine laan, die zij straks hadden doorwandeld.
Zij had er een jongen man gezien, een jongen man, dien zij wel is waar in langen tijd niet ontmoet had, maar dien zij toch dadelijk weer herkende.
Was het werkelijkheid of een droom? Nog altijd staalde zij naar de andere ziide van den tuin; haar geheele leven, haar gansche ziel lag in den blik, waarmee zij daar heen zag. Neen, het was geen misleiding, geen droom! Zij kende de fraaie gestalte met de breede krachtige schouders en de slanke, fijn gevormde taille, die zoo heerlijk uitkwam in het eng sluitend groen fluweelen gewaad, met gouden nestels op de borst. Zij kende dit edel, jeugdig en toch manlijk vast gelaat met de groote, donkerbruine oogen, den koenen, iljn besneden adelaarsneus, den fijnen edel gevonoden mond en het hooge, ernstige voor-
150
hoofd, waarlangs aan beide zijden lange lokken tot op de schouders nedervielen. Ofschoon het gelaat beschaduwd was door den met goud omboorden ronden hoed met pluimen, herkende zij het toch. Zij wist wie het was, die met zulk een edele, fiere houding door de Chineeschen tuin regelrecht op het paviljoen toetrad.
Zij herkende hem en alles vergetende, en slechts denkende aan den vriend, den speelgenoot harer kindsheid, dien zij daar na lange scheiding wederzag, richtte zij zich van haar zitplaats op en snelde vroolijk en vlug als een gazelle hem te gemoet.
De prins van Wales ontwaakte uit zijn somber gepeins, het teedere echtpaar staakte zijn gefluister en allen volgden de prinses met verbaasde blikken.
Zij zagen den jongen man, met een vriendelijken lach de jonsre dame te gemoet gaan. Thans waren zij dicht bij elkander, de jonge man nam zijn hoed af en boog diep en eei-biedig voor de prinses. Maar zij, zij stak hem beide handen toe, en hij â hij liet den hoed ter aarde vallen, nam haar handen in dg zijne, zonk voor de prinses op de knie neder en drukte haar handen aan zijn lippen.
Het was een schoone groep, deze knielende jonge man, die met een dankbaar gelaat opzag naar het teedere slanke meisje, dat licht voorover gebogen met een vriendelijken lach blozend op den knielende nederzag.
Een schoone groep! Schooner dan al die Chineesche goden, engelen en geniën, die tusschen de bloembedden stonden! Op den prins van Wales maakte zij echter- een schrikwekkende!! indruk. Met een van toorn rood gelaat wendde hij zich tot den prins van Oranje, die opmerkzaam en onderzoekend naar den jongen vreemdeling zag.
âWie is dat mensch,quot; vroeg hij, âdie het durft wagen onaangediend hier te komen en door uw zuster mei zulk een in 't oog vallende voorkomendheid wordt begroet?quot;'
âHet is â ja waarlijk, ik vergis mij niet, 't is onze neef, de keurvorst van Brandenburg.quot; riep prins Willem levendig, en hij sprong haastig overeind en snelde voort om zijn neef te begroeten.
Ook de prins van Wales deed eenige schreden vooruit, niet om den keurvorst te begroeten, maar om diens begroeting met de prinses Louise af te breken; doch plotseling
bieef hij staan en keerde toen langzaam naar zijn 'plaats terug..
âNeen,quot; zeide hij trotsch, âik zal den kleinen keurvorst niet te geraoet gaan. Die kleine Duitsche vorst heeft niet den rang van een prins van Wales, het mag den schijn niet hebben, dat ik hem den voorrang geven wil. Ik zal hem hier wachten.quot;
âIk natuurlijk ook,'' fluisterde prinses Marie, terwijl zij zich met voorname deftigheid achterover boog. âIk vind het zeer vreemd, dat mijn gemaal mij verlaat, om den keurvorst van Brandenburg te gemoet te gaan en mij geheel schijnt te vergeten.quot;
Maar haar gemaal had haar niet vergeten, reeds keerde hij haastig tot haar terug en achter hem kwamen hand in hand prinses Louise en de keurvorst Frederik Wilhelm.
âVeroorloof mij, heer neef,quot; zei de prins van Oranje opgeruimd, âdat ik u mevrouw mijn gemalin, de prinses Marie van Engeland, voorstel. En hier mijn heer zwager den prins van Wales.quot;
Na een korte buiging zagen de beide jonge mannen elkander met scherpe ondei'zoekende blikken in het gelaat. Het geleek een duel tusschen vlammende oogen, waarbij ieder zijn mededinger zocht te treffen.
âNeef Karei,quot; riep prinses Louise vroolijk, âgij zagt geen woord? Zjjt gij niet verwonderd, dat gij mijn lieven neef, van wien ik u zoo veel verteld heb, zoo onverwacht voor u ziet?quot;
âIk heet uw doorluchtigheid van harte welkom,quot; zei de prins van Wales zarht, het hoofd buigende.
âOok ik heet insgelijks uw hoogheid van harte welkom,quot; antwoordde de keurvorst met zijn frissche, krachtige stem.
âWij zijn beiden gasten op den schoonen, Hollandschen bodem, en gasten mogen elkander wel wederkeerig welkom heeten, nadat de edele gastheeren ons beiden gunstig ontvangen en begroet hebben.quot;
âHij is trotsch,quot; zeide Karei voor zich, âhij wil niet dat het den schijn hebbe, alsof ik hem hier kon verwelkomen. Hij is trotsch, maar ik zal zijn trots vernederen!quot;
âVeroorloof mij uw doorluchtigheid welkom te heeten,quot; zeide de prinses Marie, opstaande en den keurvorst haar kleine hand reikende. âIk heet u welkom, en gij zult wel de goedheid hebben mij tot de gastheeren te rekenen,
152
die u op Hollandschen bodem begroeien, want ik behoor lot hen.quot;
âDal is waar,'' riep de keurvorst, âik prijs Holland gelukkig, prinses, want hel geniet niet alleen hel heerlijke, fraaie legenwoordige, maar ziel reeds in u zijn heerlijke schilterende loekomsl.quot; ~
Terwijl de keurvorst dit met een innemenden glimlach en een blik van ongeveinsde bewondering zeide, nam hij, eerbiedig buigende, de hand der prinses en ademde een kus op haar vingertoppen.
âEn nu, neef,quot; zei prins Willem, nu de voorstelling is afgeloopen, en wij ons hebben overtuigd, dat wij allen nauwe verwanten en goede vrienden zijn, laat ons nu weten hoe het u gaat, en vóór alles of men u felicitee-ren mag.quot;
, Mij felicileeren? Waarmede, mijn beste neef?''
âWel, met uw huwelijk.quot;
âJa, met uw huwelijk,quot; voegde prinses Marie er bij. âGij ziel wel, heer keurvorst, dat wij goed onderricht zijn en wij weten heel stellig, dal uw genade op uw huwelijksreis is.quot;
âIk hoop, dat het zoo zij,quot; antwoordde de keurvorst, en een oogenblik richtte zijn oog zich naar Louise, maar zij had de oogen neergeslagen. âJa, uw genade heeft gelijk, ik ben inderdaad op mijn huwelijksreis, maar weet ongelukkig nog niet met wie ik trouwen zal en hoe de naam mijner bruid is.quot;
Prinses Louise sloeg schielijk haar oogen op en zag vragend in het lachende gelaat van den keurvorst, wiens blik onafgewend op haar rustte.
âHoe meent ge dat, neef?quot; riep prins Willem levendig. âKent ge den naam uwer bruid niet?quot;
âNeen uwe hoogheid, ik ken dien niet en weet niet of de dame met vie ik in het huwelijk wil treden Politica of Bellona heel ...quot;
âO, mijnheer de keurvorst,quot; riep prinses Marie, âdan weten wij hel beter dan gij: uw bruid heet Christina en naar men zegt is het niet de strenge dame Politica, die u tot haar voert, maar de god der liefde.''
âWie heeft dat aan uwe hoogheid gezegd?quot;
âWel, mijn lieve schoonzuster, prinses Louise, die daar zoo ernstig staat en nog geen woord gesproken heeft sinds de heer keurvorst hier is.''
153
âHebt (jij dal gezegd,quot; nicht?quot; vroeg de keurvorst, zich tot de prinses wendende. âHebt gij gezegd, dat ik met koningin Christina wilde huwen?quot;
âJa neef,quot; antwoordde zij bedaard, hem met open, heldere oogen aanziende. âIk heb herhaald, wat ik gisteren aan tafel mijn heer vader tot zijn minister hoorde zeggen, dat gij op reis naar Zweden hier door zoudt komen, en gij naar Zweden gingt om er te trouwen. Ik vond dit bericht zeor natuurlijk, want ik weet, dat ge al bijna twee jaren naar de hand der schoone koningin dingt en uw huwelijk met haar voorbereidt.quot;
,,En heeft u dit bericht verheugd? Dan spijt het mij, nicht, u te moeten mededeelen, dat het volstrekt mijn voornemen niet is, naar Zweden te gaan, en van een echtverbintenis met koningin Christina van Zweden is geen sprake.quot;
Er vloog een lichte blos over Louise's gelaat, maar het was slechts voor een oogenblik, niemand merkte het, â behalve de keurvorst.
âArme neef,quot; zei de prins van Wales op medelijdenden toon. âIk beklaag u. Het was zulk een voordeelige partij voor den heer keurvorst van Brandenburg.quot;
De keurvorst beefde en een toornige blik vlamde in zijn oogen, maar hij onderdrukte dien snel en zeide glimlachend :
âZoo ik het daarvoor gehouden had, uw hoogheid, zou ik niet geweigerd hebben er toe over te gaan.quot;
âHeeft uw genade geweigerd?quot; vroeg prinses Marie. âUw genade heeft dus de koningin afgewezen, en . .
âMarie,quot; viel Louise haar schielijk in de rede, âhoe kunt ge zoo vragen, groot kind, als ge zijt! Wat bekommeren ons staatkundige huwelijken, en wat vragen wij ér naar waarheen onze neef gaan wil. Verblijden wij ons, dat hij thans hier is. Gij zult toch niet spoedig heengaan, niet waar, neef Frederik?quot;
âAls gij het wenscht, nicht Louise, blijf ik,quot; zei de keurvorst vriendelijk.
âDaar zegt de heer keurvorst uit galanterie meer, dan hij verantwoorden kan !'quot; riep de prins van Wales haaslig.
âUw genade zeide immers, dat zij trouwen wilde, en zoo de koningin van Zweden niet de dame van uw liart is, moet het een andere zijn. Mag ik eens raden?quot;
454
âNeen, ik wil raden!quot; riep Marie haastig. âIk weet hoe die dame heet.quot;
,,Nu, genadige vrouwe,quot; glimlachte de keurvorst, âhoe heet zij dan?quot;
âZij heet,quot; zeide de prinses langzaam, terwijl zij haar lachende oogen over de gezichten der aanwezigen liet gaan, âzij heet â prinses Ludowike Hollandine.quot;
Deze zoo plotseling, onverwacht uitgesproken naam bracht een geheel verschillenden indruk te weeg. De prins van Wales barstte in een luid, vroolijk lachen uit; prins Willem ontstelde en naderde zijn gemalin om haar haastig en zacht eenige woorden toe te fluisteren; de wangen van prinses Louise overdekten zich met een doodelijke bleekheid, en zij zonk alsof een plotselinge flauwte haar was overvallen op de marmeren bank neder; quot;zelfs de keurvorst verbleekte een oogenblik en drukte zijn lippen vast opeen.
âMijn hemel,quot; zeide Marie, schijnbaar verwonderd, âik moet wel iets zeer ergs gezegd hebben, dat ge er allen zoo van ontsteld schijnt.quot;
âNeen, hoogheid,quot; antwoordde de keurvorst diep ademend âgij hebt volstrekt geen kwaad gezegd, maar iets zeel-treurigs, want ge hebt den naam eener dame genoemd, die inderdaad eens voor mijn hart dierbaar was en om welke ik veel geleden heb. Het zou lafhartig zijn, zoo ik de herinneringen van mijn verleden wilde verloochenen, en ik heb den moed ze eerlijk te bekennen. Ja, uw hoogheid, prinses Ludowike was de keus van mijn hart; maar ik mag er bijvoegen: het is niet mijn schuld, dat zij het niet meer is, en dit bewustzijn is mij tot troost geweest in de dagen, dat ik veel om haar en â door haar geleden heb.quot;
Een pauze ontstond; eensklaps richtte zich prinses Louise op. Haar gelaat schitterde van vreugd. Zij naderde den keurvorst en reikte hem haar hand.
âNeef,quot; zeide zij, âik dank u, want het was een goed en waardig antwoord; het bewijst, dat gij een eerlijk, sterk hart heb, dat met zijn vorige smarten niet spot en zijn litteekens niet verbergt. Mij dunkt, dat die litteekens, even eervol zijn als de litteekens van den krijgsman op zijn voorhoofd. Beide bewijzen, dat men dapper gestreden en in den krijg wonden ontvangen heeft. Maar nu,quot; ging
155
zij op vroolijken toon voort, ânu veroorloof ik mij een voorstel te doen om terug te keeren en huiswaarts te gaan.''
âWij nemen het aan,quot; riepen allen, zichtbaar verblijd, uit dezen drukkenden toestand bevrijd te worden. Prins Willem reikte zijn jonge gemalin den arm en snelde met haar door de slingerpaden van den Chineeschen tuin vooruit.
De keurvorst, naderde prinses Louise. âVeroorloof mij, nicht, u mijn arm aan te bieden, en . .
âVergeving, heer keurvorst,quot; zei de scherpe, snijdende stem van den prins van Wales naast hem. âVergeving!quot;
Hij trad voor den keurvorst en bood de prinses zijn arm. âDenk aan onze weddenschap,quot; fluisterde hij zacht. De prinses legde langzaam haar hand op den arm van den prins, maar tegelijkertijd wendde zij haar gelaat naar den keurvorst, die bleek en met zichtbaren toorn achteruit was getreden.
âIk verzoek u,quot; zeide zij zacht, âkom hier aan mijn rechterzijde en laat ons met om; drieën wandelen.quot;
De keurvorst boog zich afwijzend. âIk zou uw genade slechts lastig vallen, zeide hij trotsch. âMet drie is 't moeilijk loopen. Veroorloof mij, dat ik achter u ga.quot;
De hand der prinses drukte krampachtig op den arm van den prins van Wales, maar hij hield haar vast en fluisterde weder: âDenk aan onze weddenschap en aan uw gegeven woord.quot;
Prinses Louise zweeg en ging aan den arm van den prins voort. De keurvorst volgde hen met een somber gelaat.
V.
DE UITDAGING.
âNu, mijn lieve neef,quot; zei prinses Amalia den volgendon morgen, toen de keurvorst haar kamer binnenkwam, âwij zijn nu aHeen, wees nu zoo goed mij wat van uwe ontmoeting van gisteren te vertellen. Tn de eerste plaats, hoe ontving onze dochter u?quot;
âMet [innemende vriendelijkheid, genadige tante,quot; antwoordde de keurvorst. âDeze eerste ontmoeting gaf mij de aangenaamste hoop, maar later moest ik, helaas, ondervinden, dat ik mij zeer vergist had.quot;
âWaarom? Wat is er dan gebeurd?quot;
âToen men zich gereed maakte om terug te keeren, bood ik de prinses mijn arm, maar in datzelfde oogenblik naderde de prins van Wales en bood haar ook den zijnen; zij nam dien aan, zonder aan mij te denken.''
, Dat is een goed teeken,quot; zuchtte prinses Amalia. âEn hoe was het op den terugweg? Spraakt gij nog veel met haar?quot;
âZeer weinig, genadige vrouw. De prins van Wales had het woord en maakte zich geheel en al van het gesprek meester; ik moet erkennen, dat hij een zeer rappe tong en een zeer langen adem heeft. Ik wilde niet met hem wedijveren en daarom zweeg ik.quot;
âGij waart natuurlijk somber en verdrietig! En dat noemt ge naar de liefde van een vrouw dingen! Begrijpt ge dan niet, dat Louise niet anders handelen kon. Gij zijt zoovele jaren weggebleven, en hebt zooveel andere dames het hof gemaakt, dat ge niet kunt begeeren, dat mijn dochter, nu ge eindelijk komt, terstond bereid is u met voorkomende hulde te ontvangen. Gij zult het u moeten laten welgevallen een weinig door haar geplaagd te worden, al geeft zij u boven den prins van Wales de voorkeur, dan zal zij u dit niet zoo spoedig laten blijken.quot;
âIk had niet gedacht, dat prinses Louise Henriette koket was,quot; zei de keurvorst zacht en nadenkend.
âEen weinig koket zijn alle vrouwen en zij moeten het ook zijn,quot; antwoordde de prinses glimlachend. ,,Maar luister eens, heer neef, ik heb u goede berichten mede te deelen. De koningin van Kngeland was gisterenavond bij ons, en wij hebben een lange conferentie met haar gehad. Zij heeft van haar gemaal uit Engeland een zeer treurige tijding ontvangen. De Schotten hebben den on-gelukkigen koning verraden en aan het parlement uitgeleverd, dat hem op een eenzaam kasleel als een gevangene laat bewaken. De koningin zal zich nu onmiddelijk naar Frankrijk begeven en daar trachten geld entroepen voor haar gemaal te verkrijgen. Wij mogen ons dus tegen het vertrek der koningin niet verzetten, en zoo is
157
besloten, dat zij overmorgen met haar familie den Haag verlaat om naar Frankrijk te gaan. Nu, heer neef, wat zegt ge er van?quot;
âIk weet niet, genadige vrouw, waarom ik mij hierover zou verheugen. Ik begrijp, dat mijnheer de stadhouder de koningin niet kan terughouden en de Slaten-Generaal in dezen moeilijken tijd geen oorlog met Engeland kunnen uitlokken, maar ik beklaag van harte de arme koningin en haar gemaal, want ik geloof niet, dat zij van Frankrijk de begeerde hulp krijgen zal.quot;
,.Mijn Hemel, uw hoogheid, beschouw de zaak nu toch eens niet van de politieke zijde, maar slechts van de persoonlijke. Ik zeg u, dat de koningin met haar familie den Haag verlaat. Dat wil zeggen, de prins van Wales vergezelt zijn moeder en gij zult dus overmorgen van een lastigen mededinger bevrijd zijn.quot;
âUwe genade meent, dat ik meer hoop heb de gunst der prinses te verkrijgen als de prins van Wales hier niet meer is. Ik beken, dat mij het denkbeeld tamelijk deemoe-digend voorkomt slechts daarom begunstigd te worden, omdat het lot een medeminnaar dwingt mij de plaats te ruimen. Ik zou zulk een voorkeur liever van den vrijen wil van prinses Louise wenschen te verkrijgen, en zoo zij het vertrek van den prins van Wales betreurt, dan betreur ik het met haar.quot;
âIk heb niet gehoord, dat mijn dochter het betreurt,quot; zei de prinses de schouders ophalende.
âZij weet dus reeds van 's prinsen vertrek?quot;
âJa, want zij was gisterenavond met de koningin en diens dochter bij de familie-conferentie, en zij is heden morgen bij mij in mijn kabinet gekomen, om mij te verzoeken, dat ik den wensch van haar broeder vervullen en koningin Henriette bidden zou haar dochter Marie niet mede naar Frankrijk te nemen, maar hier te laten.quot;
,,Zou prinses Marie, de gemalin van den erfprins van. Oranje, mede naar Frankrijk gaan?quot; vroeg de keurvorst verwonderd.
âZij gaat mede naar Frankrijk,quot; antwoordde de prinses op strengen toon. âHaar plaats is aan de zijde van haar moeder, eerst als zij haar zestiende jaar heeft bereikt, zal zij als gemalin van den erfprins van Oranje terug-keeren. Zoo luiden de huwelijksbepalingen, en wij hebben
158
vast besloten die streng te handhaven. Gij zijt schrander genoeg, heer neef, om de noodzakelijkheid van dezen maatregel tot welzijn van den prins en van ons land te begrijpen!quot;
âIk geloof, dat ik die begrijp,quot; zei de keurvorst glimlachend. âUw genade vreest terecht de mythe van den jongen Herkules en de schoone Omphale.quot;
âIk zeide wel, dat gij schrander genoeg waart om deze handelwijze noodig te oordeelen,quot; glimlachte de prinses. âMaar de jongelieden willen de noodzakelijkheid van dezen maatregel volstrekt niet begrijpen, en tengevolge daarvan zijn zij sedert gisterenavond geweldig ontstemd. Wij moesten ons ook gisterenavond laten verontschuldigen, want er waren niets dan beschreide oogen en bedroefde gezichten. Maar ik verzoek u, het jonge volkje aan het verstand te brengen en voornamelijk mijn zoon te doen begrijpen, dat deze korte scheiding tot hun bestwil is.quot;
âMaar, beste tante, hij bemint zijn jonge vrouw, en de liefde neemt zelden goeden raad aan. Daar uw genade het echter beveelt, zal ik beproeven den prins eenige troostwoorden toe te spreken, hoewel ik overtuigd ben, dat hem zoowel die troostwoorden als de trooster zelf even onwelkom zullen zijn.quot;
De keurvorst nam hierop afscheid van prinses Amalia en begaf zich naar de vertrekken van prins Willem. De kamerdienaar stond in de antichambre en zeide met leedwezen, dat zijn hoogheid aan vreeselijke kiespijn leed en derhalve streng bevel had gegeven niemand binnen te laten.
Juist toen hij dit verzekerde, hoorde men in de kamer van den prins luid en heftig spreken.
âDe prins schijnt niet alleen te zijn,quot; zei de keurvorst glimlachend, âwant mij dunkt, dat er binnen gesproken wordt.quot;
âGenadige doorluchtigheid, het is de prins, die in zich zelf spreekt,quot; zei de kamerdienaar met eerbiedigen ernst. âZijn genade doet dat altijd als hij kiespijn heeft.quot;
De keurvorst verliet de antichambre en ging naar het park. De liefelijke rust en kalmte der natuur, die hem hier omgaven, deden hem goed, verkwikten zijn gemoed en met een nieuw gevoel van welbehagen gaf hij er zich aan over. Langzaam ging hij door de breede laan en sloeg
159
een belommerd zijpad in, dat hij, in diepe gedachten verzonken, volgde. Eensklaps bleef hij staan en zag om zich heen. 't Sclieen hem ot hij in zijn nabijheid de zachte, liefelijke stem van prinses Louise had gehoord. Hij had zich niet vergist. Daar, uit een boschje, kwam zij te voorschijn, arm in arm met haar jonge schoonzuster Marie, beiden zoo verdiept in een fluisterend gesprek, dat zij den keurvorst, die ter zijde was getreden, volstrekt niet bemerkten, hoewel zij rechtstreeks den weg insloegen, waar Frederik Wilhelm zich op bevond.
't Was de eerste maal, dat hij de prinses ongestoord kon zien, dat hij zijn blik op haar edele, slanke gestalte, op haar fraai, lief gelaat kon vestigen. âIk gevoel,quot; zeide hij voor zich, âzij zou een moeder voor mijn volk, een vrouw voor mijn hart zijn! Waarom ben ik zoo laat gekomen, waarom heb ik zoo lang gewacht tot een ander is gekomen en de liefde heeft veroverd, die mij toch zoo gelukkig kon maken! Hoe treurig ziet zij. Natuurlijk, zij bedroeft zich om den prins van Wales, die haar verlaten moet. Wat gaat het mij dus aan of zij treurig is.quot;
Met fier gelaat en somberen blik trad de keurvorst voor de dames, die nu dicht in zijne nabijheid waren gekomen, om ze te groeten.
Een liefelijke blos kwam over Louise's gelaat en onwillekeurig stak zij den keurvorst haar hand toe.
Goeden morgen, neef Frederik,quot; zeide zij vriendelijk. âHet is lief van u, dat gij ons tegemoet komt.quot;
âDenkt ge, dat de heer keurvorst ons tegemoetkomt?quot; vroeg Marie ontstemd. âZijn doorluchtigheid wist immers niet, dat wij langs dezen weg kwamen.quot;
â'tls waar,quot; antwoordde Louise blozend, âgij kondt dit niet weten.quot;
âIk was toch voornemens de dames op te zoeken, want ik wilde mij veroorlooven naar het huis ten Bosch te gaan en er mijn onderdanigste opwachting te maken.quot;
âGa dan, heer keurvorst,quot; zei prinses Marie haastig, âMevrouw mijn moeder is te huis en zal zich verheugen uw doorluchtigheid te ontvangen. Vaarwel dus, heer keurvorst. Wij hebben haast, want men verwacht ons! Kom, Louise, ge weet wel, dat wij geen tijd te verliezen hebben!quot;
Zij trok de prinses voort; Louise volgde haar zonder
100
tegenstreven zwijgend en in verwarring. Doch toen zij een weinig voort waren gegaan, bleef zij staan.
âWacht hier een oogenblik, Marie,quot; zeide zij haastig. âIk heb den keurvorst slechts een paar woorden te zeggen en ben terstond weder bij u.quot;
Voor prinses Marie tijd had het te verhinderen, had Louise zich van haar arm losgemaakt en was schielijk omgekeerd, terwijl zij met verhefTing van stem riep: âHeer keurvorst, een enkel woord nog!quot;
Maar zij had volstrekt niet noodig gehad te roepen, want de keurvorst was blijven slaan, om de dames na te zien. Toen hij Louise zag omkeeren, was hij haastig teruggekomen en stond nu dicht voor haai'.
âHebt gij mij geroepen nicht?quot; vroeg hij, haar zoo vriendelijk en innig aanziende, dat Louise geheel verward en verlegen de oogen nedersloeg.
âJa, neef,-' antwoordde zij zacht, âik heb u geroepen, want ik dacht . . .quot;
âNu?quot; vroeg de keurvorst glimlachend, daar zij aarzelend zweeg. âWat dacht uw doorluchtigheid?quot;
âIk dacht, dat ge mij gisteren iets kwalijk genomen hadt en daarover misnoegd waart.quot;
âDacht ge dat waarlijk, mejonkvrouw? Er was dus iets gebeurd, waardoor ik, naar uw meening, het recht had misnoegd te zijn.quot;
âJa, neefjquot; zeide zij moedig, âer was iets dergelijks gebeurd, en ik verzoek u verschooning. Ge boodt mij uw arm, ik weigerde dien en nam in plaats daarvan den arm \an den prins van Wales. Maar ik betaalde hiei mede een weddenschap, welke prins Karei van mij gewonnen had. Hij had als geschenk bedongen, dat ik hem gedurende de geheele wandeling mijn arm zou geven, en aan niemand zeggen, dat ik hem slechts ten gevolge der verloren weddenschap deze gunst verleende. Dat was de reden, neef, waarom ik gisteren uw arm moest weigeren.quot;
âLouise! Louise!quot; riep prinses Marie ongeduldig, âweet ge dan niet, dat we ons haasten moeten?quot;
âIk kom! Vaarwel, heer keurvorst, ik verzoek u van daag niet meer verstoord op mij te zijn!quot;
Zij fluisterde dit zacht, knikte hem vriendelijk toe, keerde om en snelde vlug als een gazelle over het pad. Wederom stond de keurverst haar lang na te zien, en
101
toen haar slanke gestalte bij een kromming van het pad verdween, zuchtte de keurvorst diep.
âDwaas, die ik was, zoo laat te komen; zij had mij misschien kunnen beminnen, zoo de under mij niet voor was geweest. Zij keek mij aan met dezelfde groote, onschuldige kinderoogen, waarmede zij mij vroeger aanzag, toen ik voor jaren afscheid van haar nam. Waarom rijst de herinnering aan dat uur eerst thans weder bij mij op, waarom heeft zij zoolang zwijgend in mijn hart gerust, en ontwaakt nu, verheft de stem en zingt een vroom lied van het verledene? Ja, juist zoo als nu de jonkvrouwe, zoo zag mij toen het kind aan, dat mij tot afscheid de hand reikte en zeide: Word een goed man! Blijf een weinig van mij houden en word een goed man. Ach, mijn lief, onschuldig kind, het is op aarde zeer moeielijk een goed man te worden. Gij moest aan mijn zijde staan en mij met uw lieve kinderoogen en zoeten glimlach helpen het te worden. Zoo de wereld zich in uw oogen afspiegelde, zou ik kunnen meenen, dat zij zoo goed en schoon was als gij zelve, en een recht innig verlangen hebben mij door u terug te laten leiden naar het paradijs der onschuld, dat uw vaderland is! â Zij drukte mij toen een krans op het hoofd, een vollen geurigen bloemkrans, dien ze voor haar fraaie bruine koe had bestemd, en deed dit zoo bevallig en met zulk een engelachtige liefelijkheid, dat ik fier was op den voorrang dien zij mij, arm men-schenkind, boven haar fraaie bruine koe had verleend ! â Ik zou wel willen weten of het fraaie dier nog leeft en of Louise het soms nog aanziet, of zij in 't algemeen nog haar lust voor landelijke bezigheden en haar smaak in het landleven behouden heeft, of dat zij is gelijk alle anderen, en zich te voornaam acht voor vrouwelijke huiselijkheid, omdat zij een prinses is. Ik zou ook willen weten of zij nog zoo vroom en onschuldig bidt als toen zij door denkbeeldige booze geesten verschrikt, tot haar nicht Ludowike vluchtte. Arm kind! Gij beefdet toen zoo en uw kinderhartje klopte zoo angstig, en de wreede Ludowike liet u heengaan en joeg u weg, omdat haar minnaar achter het gordijn stond. â Ach, treurige, smartelijke herinneringen! Waarom ontwaken ze weer in mij en maken mij weemoedig en treurig, waarom doen ze oude wonden van mijn hart opnieuw weder bloeden ?quot;
Mühlbaoh, De groote Keurvorst en sijn tijd. III. 11
100
tegenstreven zwijgend en in verwarring. Doch toen zij een weinig voort waren gegaan, bleef zij staan.
âWacht hier een oogenblik, Marie,quot; zeide zij haastig. âIk heb den keurvorst slechts een paar woorden te zeggen en ben terstond weder bij u.quot;
Voor prinses Marie tijd had het te verhinderen, had Louise zich van haar arm losgemaakt en was schielijk omgekeerd, terwijl zij met verhefTing van stem riep: âHeer keurvorst, een enkel woord nog!quot;
Maar zij had volstrekt niet noodig gehad te roepen, want de keurvorst was blijven slaan, om de dames na te zien. Toen hij Louise zag omkeeren, was hij haastig teruggekomen en stond nu dicht voor haai'.
âHebt gij mij geroepen nicht?quot; vroeg hij, haar zoo vriendelijk en innig aanziende, dat Louise geheel verward en verlegen de oogen nedersloeg.
âJa, neef,-' antwoordde zij zacht, âik heb u geroepen, want ik dacht . . .quot;
âNu?quot; vroeg de keurvorst glimlachend, daar zij aarzelend zweeg. âWat dacht uw doorluchtigheid?quot;
âIk dacht, dat ge mij gisteren iets kwalijk genomen hadt en daarover misnoegd waart.quot;
âDacht ge dat waarlijk, mejonkvrouw? Er was dus iets gebeurd, waardoor ik, naar uw meening, het recht had misnoegd te zijn.quot;
âJa, neefjquot; zeide zij moedig, âer was iets dergelijks gebeurd, en ik verzoek u verschooning. Ge boodt mij uw arm, ik weigerde dien en nam in plaats daarvan den arm \an den prins van Wales. Maar ik betaalde hiei mede een weddenschap, welke prins Karei van mij gewonnen had. Hij had als geschenk bedongen, dat ik hem gedurende de geheele wandeling mijn arm zou geven, en aan niemand zeggen, dat ik hem slechts ten gevolge der verloren weddenschap deze gunst verleende. Dat was de reden, neef, waarom ik gisteren uw arm moest weigeren.quot;
âLouise! Louise!quot; riep prinses Marie ongeduldig, âweet ge dan niet, dat we ons haasten moeten?quot;
âIk kom! Vaarwel, heer keurvorst, ik verzoek u van daag niet meer verstoord op mij te zijn!quot;
Zij fluisterde dit zacht, knikte hem vriendelijk toe, keerde om en snelde vlug als een gazelle over het pad. Wederom stond de keurverst haar lang na te zien, en
101
toen haar slanke gestalte bij een kromming van het pad verdween, zuchtte de keurvorst diep.
âDwaas, die ik was, zoo laat te komen; zij had mij misschien kunnen beminnen, zoo de under mij niet voor was geweest. Zij keek mij aan met dezelfde groote, onschuldige kinderoogen, waarmede zij mij vroeger aanzag, toen ik voor jaren afscheid van haar nam. Waarom rijst de herinnering aan dat uur eerst thans weder bij mij op, waarom heeft zij zoolang zwijgend in mijn hart gerust, en ontwaakt nu, verheft de stem en zingt een vroom lied van het verledene? Ja, juist zoo als nu de jonkvrouwe, zoo zag mij toen het kind aan, dat mij tot afscheid de hand reikte en zeide: Word een goed man! Blijf een weinig van mij houden en word een goed man. Ach, mijn lief, onschuldig kind, het is op aarde zeer moeielijk een goed man te worden. Gij moest aan mijn zijde staan en mij met uw lieve kinderoogen en zoeten glimlach helpen het te worden. Zoo de wereld zich in uw oogen afspiegelde, zou ik kunnen meenen, dat zij zoo goed en schoon was als gij zelve, en een recht innig verlangen hebben mij door u terug te laten leiden naar het paradijs der onschuld, dat uw vaderland is! â Zij drukte mij toen een krans op het hoofd, een vollen geurigen bloemkrans, dien ze voor haar fraaie bruine koe had bestemd, en deed dit zoo bevallig en met zulk een engelachtige liefelijkheid, dat ik fier was op den voorrang dien zij mij, arm men-schenkind, boven haar fraaie bruine koe had verleend ! â Ik zou wel willen weten of het fraaie dier nog leeft en of Louise het soms nog aanziet, of zij in 't algemeen nog haar lust voor landelijke bezigheden en haar smaak in het landleven behouden heeft, of dat zij is gelijk alle anderen, en zich te voornaam acht voor vrouwelijke huiselijkheid, omdat zij een prinses is. Ik zou ook willen weten of zij nog zoo vroom en onschuldig bidt als toen zij door denkbeeldige booze geesten verschrikt, tot haar nicht Ludowike vluchtte. Arm kind! Gij beefdet toen zoo en uw kinderhartje klopte zoo angstig, en de wreede Ludowike liet u heengaan en joeg u weg, omdat haar minnaar achter het gordijn stond. â Ach, treurige, smartelijke herinneringen! Waarom ontwaken ze weer in mij en maken mij weemoedig en treurig, waarom doen ze oude wonden van mijn hart opnieuw weder bloeden ?quot;
Mühlbaoh, De groote Keurvorst en sijn tijd. III. 11
1lt;)4
dit en het vertoornde hem, want hij begreep, dat dit gelaat wel in staat was veel invloed op een vrouwenhart uit te oefenen.
âZoo bemint uw hoogheid prinses Louise Henrietta,'' herhaalde hij. âEn verder?''
âVerder, mijnheer? Nu, als ik u dit beken, zult ge er toch een gevolg uit trekken, denk ik.quot;
âHet doet mij leed, hoogheid, ik weet er geen gevolg uit te trekken!quot;
âMijnheer, de prinsen van mijn huis zijn niet gewoon te beminnen zonder van wederliefde verzekerd te zijn. Toen ik u daar zooeven bekende, dat ik de prinses beminde, badt ge zoo goed moeten zijn hieruit te begrijpen, dat ik het geluk heb ook door de prinses bemind te worden, en dan, denk ik, moest uw eer als edelman u verplichten, van een verder aanzoek af te zien quot;
âHet spijt mij, hoogheid. Men beeft misschien in 't huis der Stuarts andere begrippen van de eer eens edelmans dan bii ons in Duitschland. Zoolang een dame vrij en niet verloofd is, staat het ieder cavalier vrij naar haar hand en baar liefde te dingen.quot;
âMaar ik zeg u, mijnheer de keurvorst, dat ik het geluk heb door de prinses bemind te worden. Hoe kunt ge er nu aan denken haar liefde te winnen, daar ik u zeg, dat die mij behoort?quot;
âVergeving, hoogheid, zulk een bezit kanik niet erkennen.quot;
âDat wil zeggen, uw doorluchtigheid gelooft niet dat de prinses mij bemint?quot; vroeg de prins op heftigen, dreigenden toon.
De keurvorst zag hem glimlachend en met volkomene kalmte in bet hoogrood, bewogen gelaat. âZoo ge dan volstrekt mijn meening weten wilt, hoogheid, zal ik ze u mededeelen. Neen, ik geloof niet, dat prinses Louise Henrietle u bemint, ten minste zóó bemint, dat zij u tot echtgenoot begeert.quot;
âGelooft gij dat niet? Met welk recht durtt gij dit te betwijfelen ?quot;
âMet het recht van het verstand, hoogheid. Het zou niet verstandig zijn zoo de prinses, die reeds haar negentiende jaar heeft bereikt, er aan denkt met een prins te huwen, die, naar zijn jaren, eigenlijk nog een knaap is.quot;
De prins van Wales slaakte een kreet en zijn gelaat
165
werd doodsbleek. âHeer keurvorst,quot; riep hij met een van woede bevende stem, âwilt gij mij beleedigen?quot;
âVolstrekt niet. Ik wil u slechts mijn meening zeggen, en ik blijf er bij : een negentienjarige prinses zal er bezwaarlijk aan denken met een zestienjarigen knaap te huwen, al is die knaap voor zijn leeftijd ook nog zoo flink opgegroeid en schrander. Maar vergun mij thans, mij naar het kasteel te begeven, want gij zelf hebt de goedheid gehad mij te zeggen, dat men op mij wacht.quot;
De keurvorst boog met een koelen glimlach en zich omkeerend ging hij haastig door de laan. Een oogenblik stond de prins, als bedwelmd van den vreeselijken slag, die zijn ijdelheid en zijn hart getroffen had, besluiteloos. Toen sprong hij voorwaarts en snelde in wilden haast den keurvorst na.
âHeer keurvorst!'' riep hij, toen hij hem bereikt had, ânog een woord!quot;
âWat belieft mijnheer de prins van Wales?quot; vroeg de keurvorst, staan blijvende en den prins zijn edel, fier gelaat toekeerende.
Ten tweedenmale, sedert zij elkander kenden, ontmoetten zich hun oogen en wisselden uitdagende blikken.
âWaagt gij het er aan te twijfelen, dat de })rinses Louise Henriette mij bemint?'' vroeg de prins met van toorn bevende stem.
âJa, mijnheer, en ik heb u de reden, waarom ik dit doe, niet verzwegen.quot;
âZult ge mij gelooven, wanneer ik u de bewijzen lever, dat de prinses mij bemint?quot;
âBewijzen?quot; vroeg de keurvorst een weinig getroffen en aarzelend.
âJa, bewijzen,quot; herhaalde de prins. âZoudt ge het bijvoorbeeld voor een voldoend bewijs houden, als gij zaagt, dat de prinses zich naar een door mij bepaalde plaats tot een samenkomst begeeft?quot;
âMijnheer, zoo de prinses dit deed, zou ik morgen vroeg den Haag verlaten en van mijn aanzoek voor altijd afzien.quot;
âEen triomfeerende uitdrukking blonk op's prinsen gelaat. âGe hebt mij gedwongen u tot vertrouwde van mijn zoetste geheim te maken,quot; zeide hij. âGeef mij uw vorstelijk woord, dat ge het aan niemand, wie het ook zij
166
verraden wilt, en gij zult zien, dat de prinses komt, waar ik haar vraag.quot;
âIk geef u mijn vorstelijk woord,quot; antwoordde de keurvorst plechtig.
âWelnu, mijnheer, ik vertrouw op uw woord, en het geheim onzer liefde rust veilig in uw borst Wees gij nu zoo goed de plaats van het rendez-vous te bepalen en ik zal de prinses daar uitnoodigen.quot;
âHet zij zoo! Hier in 'tpark dan! Bij het Chineesche paviljoen, waar ik haar het eerst zag!quot;
âWil uw doorluchtigheid zoo goed zijn ook het uur te bepalen?quot;
âAls 't u goed is heden namiddag te vijf uur.quot;
âTe vijf uur! veroorloof mij u te doen opmerken, dat dit een weinig vroeg is en het daglicht voor een rendez-vous niet gunstig is.quot;
âGoed, stellen wij een later uur!quot; riep de keurvorst. âAlzoo van avond te zeven uur.quot;
âTe zeven uur. Maar ge zult er toch niets tegen hebben, dat ik dan de prinses begeleide. Het paviljoen is tamelijk ver, en de prinses gaat des avonds niet gaarne alleen door het park. Ik weet dit bij ondervinding. Te zeven uur zal ik met prinses Louise aan het Chineesche paviljoen komen, en zoo ge de goedheid wilt hebben u in de nabijheid te plaatsen, zult ge zien, dat de prinses en ik het paviljoen binnengaan.''
âIk zal er zijn!quot; riep de keurvorst. âMaar iets moet ik nog zeggen. Ik heb u gezegd, dat, zoo ik de prinses zich naar een door u bepaalde plaats tot een rendez-vous zag begeven, ik den volgenden morgen den Haag zou verlaten.quot;
âJa, dat hebt gij gezegd, doorluchtigheid.quot;
âIk neem in zoo verre mijn woord terug, dat ik eerst dan zal vertrekken, als ik vooraf een ontmoeting met u gehad heb heer prins van Wales. Gij hebt mij vroeger beleedigd, en in uw vermetelheid en overmoed u veroorloofd met hoogmoedige woorden van mij te spreken. Gij meendet, mijnheer de prins, dat het voor een keurvorst van Brandenburg een zeer voordeelige partij zou zijn met een koningin van Zweden te huwen. Ik zal niet eerder den Haag verlaten, vóór ge mij met het zwaard in de hand bewezen hebt in slaat te zijn over de belangen van den hertog van Brandenburg te spreken.quot;
167
âIk geloof, dat ge mij de eer bewijst mij tot een duel uit te dagen,quot; zei de prins van Wales. âZie, de heer keurvorst van Brandenburg wil nu de goedheid hebben mij voor een man te houden, van wien men met de wapens in de hand voldoening kan begeeren. Gij schijnt zeer spoedig van meening omtrent mij veranderd te zijn. Ik heb u immers goed begrepen, mijnheer, het is een uitdaging.quot;
âJa, het is een uitdaging,quot; riep de keurvorst met van woede bevende stem. âIk zal u heden avond om zeven uur met de prinses aan het Chineesche paviljoen verwachten. Maar morgen vroeg verwacht ik u op dezelfde plaats en hetzelfde uur weer, en dan zult ge mij met de wapens in de hand bewijzen, waarom het voor mij voordeelig zou zijn, met de koningin van Zweden te huwen.quot;
âIk neem het aan, maar-ik verzoek u niet te vergeten, dat ge mij uw woord hebt gegeven om het geheim te bewaren en aan niemand te verraden, dus ook niet aan de prinses. Gij moet u volkomen bedaard houden als gij ons in het paviljoen hebt zien gaan?quot;
âIk zal mijn woord houden, wees er van verzekerd. Dus morgen vroeg te zeven uur.quot;
âTe zeven uur. Welk wapen kiest uw doorluchtigheid?quot;
âDat, welk u het liefst is, en waarop gij het meest geoefend zijt.quot;
â't Is mij 't zelfde welk wapen, want ik ben op alle geoefend. Maar in dit geval is mij het liefst de degen, want hij maakt het minste gerucht en ter wille der prinses moet ons duel even geheim blijven als het rendez-vous.quot;
âKiezen wij dan den degen. Morgen vroeg om zeven uur, zonder getuigen, bij het Chineesche paviljoen â in de vooronderstelling, dat . . ,quot;
âPrinses Louise heden avond te zeven uur er komt, wilt ge zeggen? Wees gerust, doorluchtigheid, wij zullen onze beide rendez-vous hebben, zoowel heden als morgen.quot;
âGoed, wij hebben elkander nu niets meer te zeggen.quot;
De keurvorst keerde zonder te groeten den prins van Wales den rug toe en ging met fier opgeheven hoofd en haastigen tred verder.
Prins Karei zag hem glimlachend na. âWie van ons beiden is nu wel het grootste kind?quot; vroeg hij spottend bij zich zeiven. âIs het niet kinderachtig mij wegens een rendez-vous tot een duel uit te dagen. Maar vóór alles moet
1(38
ik Irachten'dat rendez-vous le doen plaats liebben, en dat zal toch wel eeni^e moeite kosten. Sta mij nu bij, geest mijner geliefde, onvergetelijke Maria Stuart! Gij waarteen meesteres in het zoete spel der liefde, en het komt mij voor alsof een vonk van dit meesterschap in mij is overgegaan. Help mij, bekoorlijke koningin Maria Stuart, en geef mij uw bijstand en zegen. In mijn geest zie ik den weg, dien ik betreden moet, het zal een kleine comedie van verwarring zijn, die de groote William ^ mij zou benijden. Ja, William ge hebt gelijk. Alles is geoorloofd, wat de lietde durft wagen! Ik waag alles, want ik bemin Louise Henrietteâ en haat dezen overmoedigen, trotschen keurvorst, die hier komt met de verwaandheid van een Caesar!quot;
VI.
DE ONTVOERING.
âKomt gij daar eindelijk. Karei! Wat hebt gij mij lang laten wachten,quot; riep prins Willem van Oranje zijn jongen schoonbroeder toe, toen deze legen den middag van den zelfden dag zijn kamer binnenlrad. âIk dacht reeds, dat gij mij geheel en al vergeten hadt. Mijn hemel, Karei, hoe kan men zoo hardvochtig en langzaam zijn.quot;
âZeg mij, waarde schoonbroeder, hoe kan men zoo verliefd en ongeduldig zijn. Alsof de geheele wereld zich alleen om uw liefde draaide en wij overige menschenkin-deren er slechts voor geschapen waren uw helpers te zijn.quot;
âHebt ge Marie gezien? Hebt ge haar mijn brief gegeven? Bewilligt zij er in?'
âIk heb haar gezien en haar uw brief gegeven. Maar vóór ik uw derde vraag beantwoord, moet ik eerst van u weten, wat gij ondertusschen gedaan hebt. Zijt gij bij mijnheer uw vader geweest. Hebt gij hem eerlijk en oprecht uw verlangen te kennen gegeven om met uw iouge gemalin te leven?quot;
âIk ben bij mijn vader geweest, maar vond er mijn moeder, en bij het eerste woord, dat ik over deze zaak
1) William Shakespeare (1564â1616) de grootste aller dramatische dichters.
169
sprak, gebood zij mij te zwijgen, daar de doctoren streng bevolen hadden alle aandoening te vermijden.quot;
âZij is natuurlijk een zeer teedere en zorgvuldige ziekenverpleegster,quot; zeide prins Karei de schouders ophalende, âwant iedere dag dien uw heer vader leeft is voor mevrouw de prinses een dag van regeering en macht. Ea beproefdet gij niet het steenen hart van mevrouw uw moeder te vermurwen?quot;
âIk verzocht haar om een gehoor. Ik bekende haar, dat ik Marie grenzenloos beminde en een scheiding van haar niet zou overleven, dat ik ongelukkig, verloren, troosteloos zou zijn, zoo zij haar besluit niet veranderde en niet bewilligde dat Marie hier bleef en eindelijk als mijn gemalin erkend werd. Alles was te vergeefs! Men sterft niet van dergelijke dingen, zeide mijn moeder, en toen ik haar in mijn wanhoop verzocht, dat zoo Marie naar Frankrijk ging, ik met haar zou gaan, lachte zij en zeide: Zij zou er wel voor zorgen, dat dit niet gebeurde. Zoo ik mij niet verstandig gedroeg, zou zij mij behandelen, zooals ik verdiende, mij kamerarrest geven, twee schildwachten voor mijn deur plaatsen en mij zoolang als een gevangene laten bewaken tot de prinses vertrokken was.quot;
âZij is er de vrouw voor om zulk een bedreiging uit te voeren,quot; zeide prins Karei lachend.
âZeker is zij dat, mijn vriend. Ik behoef slechts in haar vlammende oogen en in haar streng gelaat te zien, om er van overtuigd te zijn. Ja, zij zal mij waarlijk als een knaap laten opsluiten, en ons geheele plan zou dan eensklaps vernietigd zijn. Hieraan dacht ik, en nam daarom den schijn aan of ik mij aan de verstandige redenen en bevelen mijner moeder onderwierp, ik vond het goed, dat prinses Marie met haar moeder naar Frankrijk zou gaan, tot dat de in ons huwelijkscontrakt bepaalde tijd verstreken was. Nu weet ge alles; antwoord mij thans op de vraag: Bewilligt Marie er in, zich door mij te laten ontvoeren ?quot;
âJa, zij bewilligt er in.quot;
Prins Willem slaakte een vreugdekreet, sloeg hartstochtelijk beide armen om den hals van zijn schoonbroeder en drukte hem met onstuimig vuur aan zijn hart.-
âHola! ik ben prinses Marie niet,quot; zeide Karei lachend.
170
âBespaar uw teederheid voor een gunstiger gelegenheid, en luister liever naar hetgeen ik u te zeggen heb.quot;
âIk luister, mijn dierbare schoonbroeder.quot;
âVan avond te zes uur zal mijn zuster u onder haar venster verwachten en als een engel tot u nederdalen, dat wil zeggen, om mij prozaisch uit te drukken, zij zal met behulp van een touwladder naar beneden komen.quot;
âOm zes uur? Is dat niet te vroeg? Zouden wij niet liever wachten tot het donker is geworden.quot;
âMijn beste schoonbroeder, om zes uur is het zooals ge misschien nog niet hebt opgemerkt, in October reeds volkomen donker, vooral als er gelijk nu geen maneschijn is. Ge zult dus evenmin om zes uur gezien worden als om tien uur. Maar gij moet zoo vroeg mogelijk vertrekken, opdat gij om elf uur van nacht reeds zoo ver verwijderd zijt, dat men u niet inhalen en ontdekken kan.quot;
âWaarom moet dit zijn?quot;
âIk zal het u zeggen, verliefde leerling. Omdat mijn moeder, koningin Henriette, met de beide jonkvrouwen dezelfde slaapkamer heeft en het haar gewoonte is de jonkvrouwen nooit alleen te laten slapen. De slaapkamer der drie dames bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid der woonkamer van de koningin en is er slechts van gescheiden door een kleine gang, waarop twee deuren uitkomen; de eene deur voert naar de woonkamer der koningin, de andere naar het vertrek der kamenier. Van deze zijde is derhalve geen ontvluchting mogelijk en een andere uitgang bevindt zich niet in de slaapkamer. De koningin heeft een vaste gewoonte, waarvan zij nooit afwijkt: zij blijft alle avonden tot elf uur in haar woonvertrek en houdt zich, hetzij met lezen, hetzij met briefwisseling aan mijn vader bezig. Als de prinsessen vroeger ter rust wenschen te gaan, nemen zij afscheid van haar en gaan te bed. De koningin echter, gaat geregeld eerst om elf uur naar haar slaapkamer, en vóór zij zich dan te bed begeeft, opent zij de bedgordijnen harer dochters en overtuigt zich met moederlijke liefde en teederheid dat zij een gerusten slaap genieten. Begrijpt ge nu, mijn lieve schoonbroeder, waarom het voor u noodzakelijk is zoo vroeg mogelijk te vluchten.quot;
âNatuurlijk, om elf uur wordt onze vlucht ontdekt.quot;
âJuist om eli uur is het vijfde bedrijf dezer comedie,
171
hel bedrijf der ontknooping en ophelderingen. Ik verzeker u, mijn vriend, het zal een pijnlijk, onstuimig begin zijn, want mijn moeder zal uw vlucht niet geringer opnemen dan uw moeder. Ik geloof, dat dit het eenige punt is waarin de sympathiën onzer genadige moeders met elkander overeenkomen. Zij wenschen beiden van ganscher harte op uw huwelijk te kunnen terugkomen.quot;
,,Hoe? Wenscht ook uwe moeder dal?'' vroeg prius Willem smartelijk.
âNatuurlijk! zij heeft deze verbintenis nimmer gaarne gezien en alleen om de politiek er in bewilligd. En thans zou het voor haar van het grootste gewicht zijn zoo mijn zuster nog ongehuwd was Marie is jong, schoon, bevallig en betooverend. Zoo zij naar Parijs gaat, vindt zij daar een koning, die wel eenige jaren jonger is dan Marie maar met wien zij evengoed een huwelijk kan sluiten als gij vroeger met haar een voorloopig huwelijk. Het zou voor de prinses van Engeland een zeer goede partij zijn de gemalin van Frankrijks koning te worden, en wie weet wat gebeurt zoo zij koning Lodewijk XIV en zijn regeerende moeder behaagt. Uw huwelijk is nog slechts naar den vorm voltrokken, bijgevolg kan men er op terugkomen; dan zal de prinses in den schoot der alleen zaligmakende kerk terugkeeren en de paus wel zoo vriendelijk zijn, om haar vorig huwelijk ongeldig te verklaren en de nieuwe koninklijke echtverbintenis te zegenen.quot;
âZwijg, breng mij niet tot waanzin,quot; slamelde Willem buiten adem, met bleeke, bevende lippen. âGoddank, Marie zal niet naar Frankrijk gaan, maar hier blijven, trots onze beide eergierige en heerschzuchtige moeders. Zeg mij, dierbare schoonbroeder, wat ik doen moet. Gij zoudt immers voor mij handelen en alle maatregelen nemen.quot;
âJa, want zoo gij dit zelf deedt zou alles natuurlijk vruchteloos zijn! Uw moeder laat u natuurlijk streng bewaken, en bij den minsten in 'toog vallenden stap, dien ge deedt, zou zij haar bedreiging verwezenlijken en u gevangen houden tot Marie vertrokken is. Ik heb dus voor u gehandeld en denk, dat ge met mijn maatregelen tevreden zult zijn. 't Was overigens niet noodig veel te doen. Alles komt er slechts op aan, dat gij uwe gemalin van
172
de reis naar Frankrijk terughoudt en tegenover mevrouw uw moeder uw recht verdedigt, om uw gemalin bij u te behouden. Mijne moeder kan haar reis niet meer uitstellen, want de pakketboot, welke haar van Scheveningen naar Havre moet overbrengen, ligt gereed en is bovendien reeds betaald, en onze kas bevindt zich in een toestand, dat wij zulk een uitgave niet in den steek kunnen laten. Mijn moeder zal dus met haar dochter en het dienstpersoneel wel scheep gaan, en ik zal alleen hier blijven om mijn zuster op te zoeken en dan mijn familie naar Frankrijk te volgen. Wij moeten u een paar dagen hier in de nabijheid verbergen on het dan zoo inrichten, dat uw wedervinden met zulk een opzien gepaard gaat, dat uw moeder zich gedwongen gevoelt uw huwelijk te erkennen en men het jonge paar niet meer durft scheiden. 't Is daarom het best, dat gij regelrecht naar Amsterdam gaat en er in het Prinsenhof uw intrek neemt. Gij zult er voor dat de dag aanbreekt aankomen; gij laat den hofmeester de kamers voor u openen, zegt hem, dat uw gevolg den volgenden morgen zal komen en gij eenige dagen in uw goede stad Amsterdam wilt blijven. Den volgenden morgen zal geheel Amsterdam dit blijde bericht nebben vernomen; gij zult in een open rijtuig door de stad rijden en de begroetingen der bevolking ontvangen; dan zal alles gedaan en uw huwelijk een besliste zaak zijn, die uw moeder niet meer zal kunnen loochenen. Zij zal dan wel alles goed vinden en u waarschijnlijk te Amsterdam een kort bezoek brengen, om u naar den Haag terug te voeren.quot;
âIk wilde dat dit kort bezoek van mijn moeder al was afgeloopen,quot; zuchtte prins Willem met een houding, die den prins van Wales deed lachen.
âDenk nu niet daaraan, maar aan uw vertrek,quot; zeide hij. âVóór alle dingen, schrijf een zeer roerenden en onder-danigen brief aan uw ouders, waarin gij hen vergiffenis verzoekt. Dezen brief, aan uw moeder geadresseerd, Iaat ge hier op uw schrijftafel achter. Voorzie u vervolgens van eenig geld en verdere benoodigdheden en draag vooral zorg u stipt te zes uur bij mij in het huis ten Bosch te bevinden. Voor al het overige zal ik zorgen en daar heb ik genoeg mede te doen. Vaarwel dus, tot wederziens, precies te zes uur.quot;
473
De prins van Wales verliet zijn schoonbroeder, om te doen wat hij gezegd had en zijn sluw overlegd plan te bewerkstelligen; maar terwijl hij voor de vlucht der beide gelieven zorgde, verloor hij geen oogenblik zijn eigen zaken uit het oog. Nauwkeurig sloeg hij alles gade, en toen hij na veel bemoeiingen en vele noodzakelijke bestellingen in de tijdelijke residentie zijner moeder, het huis ten Bosch, terugkwam, liet hij zijn getrouwen kamerdienaar verslag geven van alles wat gedurende den dag was gebeurd.
Haar majesteit had haar koffer gepakt en alles voor de reis in orde gebracht, de jongste prinses was bij haar geweest. Prinses Marie was in haar eigen kamer gebleven en prinses Louise Henriëtte van Oranje had haar den ge-heelen dag gezelschap gehouden en was eerst voor een uur weggereden, om naar den Haag terug te keeren. Prinses Marie had de prinses van Oranje tot aan het rijtuig uitgeleide gedaan, zij had geschreid, toen zij de prinses voor het laatst omhelsde, ook prinses Louise had geweend. Vervolgens had prinses Marie zich weder in haar kamer teruggetrokken en zich bij haar majesteit laten verontschuldigen, dat zij wegens vreeselijke kiespijn niet aan het familiediner kon verschijnen.
De prins van Wales ontving deze berichten met veel voldoening en begaf zich terstond naar de kamer zijner zuster Marie. Zij lag op den divan, het hootd geheel in doeken gehuld en luid kermende. Zij keek niet naar den binnentredende om..
Prins Karei ging haastig door de kamer, keek achter iedere gordijn, onder ieder meubel, en trad toen dicht bij den divan.
âMarie, wij zijn alleen.quot;
Haar gekerm verstomde en zij sprong haastig op. âGoddank, broeder, dat ge eindelijk komt,quot; fluisterde zij. âIk maakte mij reeds ongerust.quot;
âDe tijd viel u lang, niet waar en ik ben zulk een langzaam, wreed mensch ? O ja, ik ken deze praatjes; ik heb hetzelfde al van mijnheer uw gemaal gehoord. Ach, gij arme, verliefde menschen, die in den nacht uwer illusiën ronddoolt, hoe zult ge u teleurgesteld zien, als voor u de zon opgaat en de nevels verdwijnen.quot;
âDat zal nooit gebeuren,quot; riep Marie met vuur. âWij
174
zullen elkander altijd even hartstochtelijk beminnen. Wij zullen ons nimmer teleurgesteld zien en altijd onze liefde behouden.quot;
âZoo spreekt men altijd op uw leeftijd!quot;
âOp mijn leeftijd! Hoeveel ouder zijt gij dan,broeder?quot;
âBijna twee jaar, mevrouw de prinses van Oranje, en, geloof mij, het zijn twee bittere jaren geweest. Maar laat ons nu van ernstige dingen spreken, want het uur dei-beslissing breekt spoedig aan en wij hebben nog veel te doen.quot;
âIk begin weer ongerust te worden! Zoo het eens mislukte en wij ontdekt werden? Zoo mijn gestrenge schoonmoeder ons betrapte? Ik geloof, dat ik van schaamte zou sterven!quot;
âWees gerust, Marie, zij zal u niet betrappen, want ik heb alles goed overlegd en berekend. Maar vertel mij eens, hebt ge van prinses Louise reeds afscheid genomen?quot;
âJa, broeder Karei, die goede Louise! Zij smolt in tranen, en ook ik moest onwillekeurig met haar weenen.quot;
âGij hebt haar uw plan toch niet veraden, zij vermoedt niets van uw ontvoering?quot;
âVolstrekt niet! Haar iets verraden ! Zij zou onmiddellijk alles gedaan hebben om ons avontuur te verhinderen. Zij is een veel te vroom, gehoorzaam en deemoedig juffertje. Onder tranen en met duizende lieve woorden heeft zij mij vermaand gehoorzaam te zijn en mij aan den wil van onze ouders te onderwerpen en alles aan onzen lieven Heer over te laten. O, zoo Louise eenig vermoeden had van deze ontvoering, zij zou er dadelijk haar moeder kennis van hebben gegeven, daarvan ben ik overtuigd, en daarom zweeg ik als het graf.quot;
âGoed zoo, lief zusje. Heb nu de goedheid en vergun mij u een klein briefje te dicteeren. Zet u hier.quot;
Hij voerde zijn zuster naar haar schrijftafel en legde papier en pen voor haar.
âWat moet ik schrijven?quot; vroeg Marie glimlachend. âZeker een afscheidsbriefje aan mijn lieve schoonmoeder?quot;
âVraag niet, zuster, maar schrijf; wij hebben geen tijd te verliezen, en deze zaak gaat u weinig aan. Zijt ge gereed, mijn allerliefste zuster!quot;
âBegin maar. Ik ben waarlijk nieuwsgierig tehooren.quot;
175
âVergis ii door het hooren niet. Welaan; âDierbare Louise!quot; â
âMoet ik aan Louise schrijven?quot;
âSchrijf slechts Dierbare Louise! Juist nu ik op het punt sta een zeer gewaagden stap te doen, schrijf ik u deze regels. Louise, mijn hart brak bijna, dat ik u niet alles kon zeggen; ik heb mijn dierbaren gemaal zoo lang gebeden, dat hij mij veroorloofd heeft u dit vaarwel te schrijven en u toe te roepen: Zoo ge ons vóór ons vertrek nog eens zien, uw broeder nog eens omhelzen wilt, kom dan precies te zeven uur bij het Ghineesche paviljoen in het park. Daar zult ge de laatste groeten en mede-deelingen van uw broeder Willem en uw ongelukkige zuster Marie ontvangen. Onuitsprekelijk verlang ik u nog te omhelzen, want het berouwt mij u heden misleid te hebben. Van alles scheiden wij met een licht, gerust hart, maar van u en van broeder Karei doet ons het afscheid wee, want gij beiden waart de eenigsten, die ons waarachtig bemind hebben. Kom, mijn zuster, kom precies te zeven uur aan het Ghineesche paviljoen. Maai- zwijg als liet graf, gij zoudt u anders den dood te verwijten hebben van uwe Marie.quot;
âIk begrijp er niets van,quot; zuchtte Marie, toen zij geschreven had.
âDat is ook niet noodig,quot; zei haar broeder glimlachend. âLater zult ge alles verstaan en begrijpen. Maar leg de pen nog niet weg, beste zusje, hier is een tweede papier. Wees zoo goed en kopieer het briefje, hetwelk ik u gedicteerd heb en adresseer het in plaats van aan de prinses, aan uw broeder, den prins van Wales.quot;
âGoed, het zij zoo, gij zult mij straks verklaren wat..
âLater! Zie de pendule wijst reeds op half zes! Wij moeten haast maken, zuster, of alles is te vergeefs! Schrijf, ik bid u!quot;
De prinses antwoordde niet, maar begon haastig te schrijven, vouwde vervolgens, op verzoek van haar broeder, beide brieven dicht, schreef er de adressen op en verzegelde ze.
Prins Karei nam beide brieven, brak het zegel van den aan hem gerichten brief en schoof dien toen in den zijzak van zijn fluweelen rok.
âDe andere brief. Karei? Wat moet daarmede gebeuren ?quot;
176
âDat zult. gij dadelijk vernemen. Wacht slechts een oogenblik!quot; Hij opende de deur, die naar de voorkamer voerde, en beval zijn daar wachtenden kamerdienaar binnen te komen.
âJames,quot; zeide hij, âbreng dadelijk dezen brief van mevrouw de prinses aan prinses Louise Henriette van Oranje in den Haag. Maar zorg er voor, hem aan niemand anders dan aan de prinses te overhandigen. Gij moet hem de prinses eigenhandig overgeven.quot;
âTot uw dienst, uw hoogheid, ik zal het doen.quot;
âHet moet zoo haastig mogelijk geschieden. Wanneer zult ge er zijn, James?quot;'
De kamerdienaar zag naar de pendule. âHet is nu kwart voor zes. Ik zal er kwart na zes zijn, uw hoogheid.quot;
De kamerdienaar vertrok daarop uit de antichambre.
âNu, zuster,quot; zei de prins van Wales ernstig en plechtig, âis bet oogenblik van scheiden gekomen en wij moeten afscheid van elkander nemen. Ik heb nog slechts de touwladder aan uw venster te bevestigen.quot;
Hij haalde uit den zak van zijn wambuis een pakje en sloeg het open.
âLaat eens zien,quot; riep Maria. âIk heb nog nooit een touwladder gezien. Hoe alleraardigst grijpen die zijden koorden in elkaar en hoe stevig is alles samengevoegd, ü, ik zal volstrekt niet bang zijn, want deze touwen zullen niet breken. En toch, broeder, klopt mijn hart of het bersten zal. Hebt ge mii niet eens verhaald, dat onze grootmoeder, Maria Stuart, eens den schoonen Rizzio had laten komen om in de afwezigheid van haar gemaal, den ijverzuchtigen Bothwell, met hern muziek temaken? Juist toen de koningin een lied zongen Rizzio het accompagneerde, snelde de kamenier binnen en riep: Spoed u^ uw gemaal komt! Hij had gezworen Rizzio te dooden, zoo hij hem nog eens bij de koningin ontmoette. Rizzio moest dus vluchten! De koningin nam uit een geheime schuiflade var haar schrijftafel een touwladder, opende het venster, bevestigde zelve de touwladder met den ijzeren haak aan de vensterbank en beval den zanger af te stijgen. Hij klom uit het venster; de koningin stond in doodsangst boven aan het venster en luisterde. Eensklaps hoort zij een zachten kreet, toen een doffen val; zij greep de ladder; zij was door geen last gespannen. Verschrikt
177
trok Maria den ijzeren haak omboog en zag, dat er slechts een stuk van de touwladder aanhing. Zij was gebroken en Rizzio was naar beneden gestort. O, broeder zoo ik nu ook zulk een vreeselijk lot moest ondergaan, indien de ladder brak, zoodra ik ze had betreden.quot;
.,Vrees niet zuster. Gij zijt volkomen veilig. Deze touwladder is nieuw, ik zelf heb iedere sport onderzocht en mij overtuigd, dat alles hecht en sterk is.quot;
âDat zal koningin Maria ook wel hebben gedaan, en toch brak de ladder!quot;
âDat is waar, zuster. Maar bedenk, dat uw touwladder splinternieuw en nog door niemand gebruikt is, terwijl de touwladder van koningin Maria, onze schoone overgrootmoeder, waarschijnlijk reeds menigen dienst verricht had. Overigens hebt ge van deze geschiedenis het pun-tigste vergeten, en dat is een onrechtvaardigheid jegens den armen Rizzio. De koningin sloot ijlings het venster, verborg de touwladder, en toen Bothwell woedend binnenstormde, trad de koningin hem in weerwil van haar doodsangst glimlachend en met open armen tegemoet. Bothwell in zijn woedende ijverzucht, stiet haar terug, onderzocht de geheele kamer, stootte met zijn degen in alle kasten, achter alle gordijnen. De gehate zanger was nergens te vinden en Bothwell moest er in berusten, dat men hem bedrogen had. Hij bleef bij zijn gemalin en verlangde, dat de zanger zou komen om met de koningin muziek te maken. Vergeefs poogde Maria hem van dezen wensch af te brengen, en bad haar gemaal met hem alleen te blijven. Bothwell zond zijn dienaar om den zanger te halen.quot;
âEn kwam hij ?quot; vroeg Marie met ingehouden adem.
âHij kwam, maar zijn gelaat was doodsbleek; hij lachte evenwel en scheen vroolijk; hij nam de luit om te spelen, doch toen hij de koningin de muziek reikte, fluisterde hij: Neem de luit, ik kan niet spelen. â De koningin glimlachte, nam schertsende de luit, en zeide tot Rizzio, dat zij wilde accompagneeren, om haar gemaal te bewijzen, hoe goed zij reeds geleerd had de luit te bespelen, en Rizzio moest het lied zingen, dat zij gedicht had toen zij van Frankrijk atscheid had genomen. Hij zong, en nooit was zijn stem zoo fraai en smeltend, zijn zang zoo verheven en aandoenlijk geweest. Zelfs Bothwell was tevre-Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn lijd. III. 12
178
den en hij ontsloeg den zanger met vriendelijke woorden. Rizzio verwijderde zich om door de voorzaal en langs de trap naar zijn kamer, te gaan. Maar na weinige minuten kwamen er dienaars binnen met het bericht, dat de zanger in de duisternis een trede van de trap had gemist en naar beneden was gevallen. Men had gestommel, vervolgens een hulpkreet en kermen gehoord, en toen men met licht kwam, had men Rizzio aan den voet van de trap gevonden. Hij had beide armen gebroken.quot;
âDat wil zeggen,quot; riep prinses Marie, âde val van de trap was slechts een voorwendsel, hij had zijn armen gebroken toen hij met de touwladder nederstortte.quot;
âNatuurlijk, en de zanger had de pijn doorstaan als een held, in weerwil van zijn gebroken armen gezongen en een gunstige gelegenheid afgewacht om zijn ongeluk-kigen val te durven bekennen, zonder zijn aangebeden koningin te compromitteeren. Arme Rizzio! Hij moest zijn toewijding evenwel met het leven boeten, want Rothwell doorstak hem later toch, in een aanval zijner jalouzie en â hoor, daar slaat het zes uur! Het oogenblik is gekomen zuster! Wij moeten scheiden!quot;
âAch God, ik ben zoo angstig,quot; zuchtte de prinses. âEensklaps schijnt mij dit avontuur, 't welk mij tot nu toe zoo vermaakte, een zeer ernstige zaak, en ik weet niet, maar ik begin mij te beklagen, dat ik 't ondernomen heb.quot;
âDat wil zeggen, zuster, ge zijt bevreesd voor de touwladder, anders niet. Maar ge zijt nog in de mogelijkheid om van de onderneming af te zien. Hebt ge berouw, vindt ge het beter en gemakkelijker om met onze moeder naar Frankrijk te gaan en daar voor den troon van den kardinaal het genadebrood te bedelen, zeg het maar en ik maak de ladder van het venster los, ga naar het park beneden tot uw gemaal, die onder uw venster staat, en zeg hem, dat ge liever uw moeder wilt volgen dan bij hem te blijven.quot;
âNeen,quot; riep de prinses levendig, âik wil niet met mijn moeder naar Frankrijk gaan, om hulp en bescherming af te bedelen, terwijl ik hier aan de zijde van mijn gemaal een vrije, geëerde en gelukkige prinses kan zijn!quot;
âHebt ge dus besloten? Marie?quot;
âJa, vast besloten. Gij zegt, broeder, dat mijn gemaal
179
mij beneden wacht? Goed, hij zal niet langer wachten, ik ga tot hem!quot;
En mot hoogroode wangen en vast besluit naderde de prinses het venster.
âNiet zoo haastig, mija zusje, niet zoo haastig,quot; fluisterde de prins. âIk ga u voor en stijg eerst af, opdat gij ziet, dat de ladder veilig is, en opdat ik uw gemaal kan helpen, de ladder goed voor u vast houden. Dus tot straks, mevrouw de prinses, daar beneden zien wij elkander weer. Zoodra ik onder ben gekomen, zal ik driemaal in de handen klappen; op dit teeken moet gij de reis aanvaarden.quot;
Hij sprong op de vensterbank, knikte zijn zuster nog eens vriendelijk toe en verdween toen in de duisternis. Prinses Marie boog zich ver uit het raam, zij zag de schaduw, die langzaam verder naar beneden gleed, zij hoorde het wringen en kraken der zijden koorden en met stijgenden angst verwachtte zij elk oogenblik den kreet van een vallende of het breken der ladder.
Maar neen. De lader hing stil en men hoorde van beneden het afgesproken teeken.
Nog een oogenblik stond zij te aarzelen, haar groote bruine oogen wendden zich naar de deur, die tot de kamer van haar moeder voerde.
,,Ach moeder,quot; fluisterde zij, âwie weet of wij elkander ooit weder zien, en ik heb u geen vaarwel kunnen zeggen, niet tot afscheid uw zegen kunnen ontvangen, ik heb . .
Wederom klonk het handgeklap uit den tuin. âIk kom ja, ik kom,quot; fluisterde Marie. âLaat ik er slechts aan denken, dat mijn gemaal beneden'staat en mij wacht!quot;
Zij stapte moedig op een stoel, die naast het venster stond, klom op de vensterbank, hield zich met beide handen aan het middenkozijn en ging nu voorzichtig en langzaam de sporten af. De ladder waggelde wel en het angstig kloppen van haar hart benam de prinses wel een weinig den adem, maar zij hoorde de stem van haar gemaal, die haar troostend en bemoedigend toeriep, en dit gaf haar kracht en moed om vlugger af te dalen.
Daar omvatten haar twee armen, die haar van de ladder tilden en haar aan een luid kloppend, teeder hart drukten, en een geliefde stem iluisterde hartstochtelijk
180
woorden van gloeienden dank en innige teederheid in haar oor.
âNu voort,'' vermaande prins Karei aan haar zijde.
âWees toch slechts een kwartier verstandig, later hebt gij uw geheele leven om onverstandig te zijn. Nu genoeg omhelzingen en liefdesbetuigingen, kom, vooruit!quot;
âWaarheen, broeder, fluisterde Marie.
âNaar het rijtuig, dat nauwelijks twee honderd schreden van hier bij den uitgang van het park wacht.quot;
âTwee honderd schreden! Maar mijn voeten branden als vuur en doen mij zeer. Ik ben niet in staat een enkele schrede te doen.quot;
âIk zal u dragen, geliefde! Kom in mijn armen! Het geheele leven door wil ik u in mijn armen dragen en nooit zullen uw geliefde voeten weer pijn doen.''
Met forsche armen hief de prins van Oranje de lichte gestalte zijner jonge vrouw op en ging met krachtigen tred door de laan! Prins Karei ging zwijgend naast hem tot zij de uitgangspoort van het park bereikt hadden. Hij opende ze en floot driemaal.
Terstond hoorde men het rollen van een rijtuig, dat langzaam op den kiezelweg naderde. âHalt,quot; gebood prins Karei. Toen opende hij zelf het portier, hoewel de lakei, die naast den koetsier was gezeten, schielijk was afgesprongen.
âStijg in, broeder en zuster,quot; zei de prins, âen de god der liefde moge u beschermen.quot;
âVaarwel, broeder, nog een kus tot afscheid.quot;
âOntvang de verzekering van mijn eeuwige onveranderlijke dankbaarheid, dierbare zwager. U heb ik het geluk van mijn leven te danken, u ben ik verplicht, dat ik den moed in mij vond, mij te bevrijden; gij hebt mij verlost van een zedelijke slavernij, en zoodra ik eens een sterk, zelf regeerend vorst word, dank ik het u. Neem mijn hand en mijn woord, ik zal het u vergelden, zooveel in mijn vermogen is!quot;
,,Het kan gebeuren, broeder, dat ik u spoedig aan deze belofte moet herinneren,quot; zei de prins van Wales zuchtend.
âMijn toekomst ligt zoo helder en klaar voor mij als de uwe, wie weet, wellicht â doch genoeg. Voort, in galop voorwaarts, koetsier! Naar Amsterdam!quot;
De koetsier legde de zweep over de paarden en het rijtuig
181
rolde over den weg. De prins van Wales ooyde het na tot het in de duisternis verdween en het ratelen dei-wielen niet meer hoorbaar was.
âNu is ook voor mij het beslissend uur gekomen. Amor, sta mij bij en laat mijn vertrouwen op u niet beschaamd worden. Daar slaat het van den kasteeltoren reeds half zeven! Ik zal geen tijd hebben naar het stadhoudershof in den Haag te gaan. Het Chineesche paviljoen is dichtbij, en in zijn nabijheid zal ik mij plaatsen. Zal zij komen, zal zij den moed hebben in den donkeren avond alleen door het park te gaan? Ja, zij zal het zeker doen, want zij heeft een moedig hart, dat niet terugschrikt voor een werk der liefde. Ja, zij zal komen, en mijn sluwe James zal een half uur later het bewuste briefje aan prinses Amalia zien te overhandigen. Ik speel een gewaagd spel; zoo het mislukt, blijft mij niets over dan mijn moeder naar Frankrijk te vergezellen. Wat zal mijn lot zijn?quot;
VII.
IN HET CHINEESCHE PAVILJOEN.
Prinses Louise Henriette had zooeven het briefje van haar schoonzuster Marie ontvangen, en met ontzetting-den inhoud gelezen. De geheimzinnige taal, de mysterieuze aanduidingen vervulden haar zacht, liefderijk hart met onuitsprekelijken angst en zij kon niet begrijpen wat die afscheidswoorden te beteekenen hadden.
âZij willen zeker vluchten,quot; zeide zij, het papier nogmaals doorlezende, âja, zij willen vluchten. Maar waarheen en wat is hun doei met deze vlucht? Wat staat mij te doen? Zoo ik mijn moeder dezen brief mededeel zal zij in hevigen toorn in mijne plaats naar het paviljoen gaan, en â neen, dat mag ik niet wagen, want Marie dreigt immers met haar dood, zoo ik het geheim verraad! Neen, ik wil, wat zij mij hebben toevertrouwd, nooit verraden. Ach, waren zij maar gevlucht, zonder er mij iets van te zeggen, zonder mij te roepen, want zoo ik ga, word ik schijnbaar haar medeplichtige! â Foei,quot;
182
viel zij zich eensklaps in de rede, âLouise, gij zijt lafhartig? Beeft ge terug, om degenen die u liefhebben, een laatst vaarwel toe te roepen, een vaarwel misschien voor langen tijd! Wist ik maar waar zij heengaan of wat zij ondernemen willen. Zou Willem zijn gemalin naar Frankrijk willen begeleiden? Zou hij in staat zijn dit te doen? â Ja, dat is zeker. Hij wil zich vrij maken van het bevel onzer ouders, hij wil niet langer gescheiden zijn van zijne gemalin, en daar hij geen middelen heeft om haar hier te houden, volgt hij haar naar Frankrijk.
Ja, nu begrijp ik alles! Wat zijn zij beiden nog dwaze, onbedachtzame kinderen, die door liefde voor elkander in staat zijn alle andere omstandigheden te vergeten. Ja Willem zal zeker onder een of andere verkleeding zich op het schip begeven. Deze kleederen zal hij in het Ghineesche paviljoen aantrekken, â maar waarom gaat Marie daarheen? Ik weet het niet, alles blijft mij duister; slechts dit ééne begrijp ik, dat, zoo hunne vlucht gelukt, onze geliefde, zieke vader het met den dood bekoopen zal. De geneesheeren zeggen, dat iedere aandoening, iedere verstoordheid zijn leven bedreigt, en hoe zal men 't hem kunnen verbergen, dat zijn zoon zich verwijderd heeft? Welke reden zal men kunnen aanvoeren, zoo Willem morgen niet ais gewoonlijk bij zijn vader komt om hem te begroeten? Dat mag niet! Mijn broeder mag de schuld niet dragen van den dood van zijn geliefden vader! Ik zal tot hem gaan. Ik zal zoolang met bidden en tranen bij hem aandringen tot zij hun wreed voornemen opgeven en in liefde en geduld zich in hun lot schikken. Ja, het is mijn plicht zoo te handelen, en er mag nooit gezegd worden, dat ik uit lafhartigheid ooit dien heiligen plicht heb verzuimd! Kom Louise, wees sterk en moedig!quot;
Zij stak het heillooze briefje bij zich en maakte zich gereed om te vertrekken. âHet zal niemand opvallen, dat ik nog een weinig naar beneden in 't park ga,quot; zeide zij, terwijl zij haastig een doek om haar schouders sloeg en haar hoofd met een sluier bedekte. âNeen, want het gebeurt meer, dat ik des avonds naar de boederij ga om te onderzoeken of alles voor den nacht goed bezorgd is, en evenwel â toch zal ik liever langs de zijtrap naar beneden gaan, en door de kleine deur; waar geen schild-
183
wacht staat, het park binnentreden! Ach, had ik maar iemand, die met mij ging! Zoo slechts . . .
Zij zweeg een oogenblik en een blos kleurde haar wangen. âHet is waar,quot; fluisterde zij zacht, âhij zou mij beschermen en aan zijne zijde zou ik veilig zijn! Hij zou ook niets verraden, zoo ik hem het geheim toevertrouwde, maar mij zeker bijstaan om broeder en zuster van dezen ondoordachten stap af te houden! Hij is immers zoo verstandig en heeft zulk een overredend woord, dat hem niemand kan wederstaan! Ik zal hem laten roepen, hij zal mij wel willen helpen!quot;
Zij deed haastig eenige schreden voorwaarts, maar bleef plotseling staan. âNeen,quot; zeide zij, âik zal het maar niet doen. Hij bekommert zich niet om mij, stelt volstrekt geen belang in mij. Niet ééns heeft hij mij dezen dag opgezocht, hoewel ik hem van morgen zeer dwaas en wel wat voorbarig om verschooning heb verzocht. Zelfs aan tafel heeft hij mij niet eenmaal toegesproken, en als onze oogen elkander toevallig ontmoetten, zag hij mij zelfs donker en vei*-stoord aan, waardoor zijn blik mij als een zwaard door de ziel ging en ik een gevoel had alsof ik in tranen zou uitbarsten. Neen, ik zal hem niét roepen. Ik zal alleen gaan!quot;
Zij weifelde niet meer, het vast genomen besluit maakte haar moedig en sterk. Zij verliet haastig haar kamer en zeide, toen zij haar kamenier in de antichambre ontmoette, dat zij nog een oogenblik naar de boerderij wilde gaan; vervolgens ging zij door den corridor naar de zijtrap, en van daar naar de kleine deur, die ter zijde van den grooten hoofdweg naar het park voerde.
Het was een donkere avond, geen maanlicht was te zien, alleen de sterren pronkten aan den hemel.
âGaat met mij, lieve sterren, en waakt over mij !quot; sprak zij, terwijl zij haar oogen naar den hemel wendde. âIn iedere ster woont immers een engel, die mij ziet en mijn donker pad wil verlichten. Gaat met mij, gij hemelsche boden, en geef mij moed, als mijn arm menschenhart bevreesd wordt!''
En 't kwam haar voor alsof de sterren helderder fonkelden, en toen de avondwind door de boomen der laan ruischte die zij juist insloeg, was 'thaar of de adem Gods haar tegenwaaide en toefluisterde, dat hij haar zou behoeden voor alle kwaad.
184
Moedig ging zij voort, met lichten tred, en vol inwendige aandoening, voorwaarts, gedreven door de zegenende liefde van haar trouw, moedig hart. Zij ging immers een plicht, een heiligen plicht vervullen. Zij ging haar broeder en zuster van een gevaarlijken weg terughouden, en haar geliefden vader voor verdriet en doodsgevaar behoeden.
Had de keurvorst Frederik Wilhelm haar zoo kunnen zien, haar in de heldere oogen, in haar edel, maagdelijk gelaat kunnen zien, hoe zou hij dan in die reine trekken een reine ziel hebben ontdekt, en wat zou dat zijn hart met geloof en vertrouwen vervuld hebben.
Maar hij zag haar niet! Hij had lang omgedoold door de eenzame paden van het park, met wrok in het hart, vertoornd op het lot, dat hem bedrogen, en ten tweeden-male zijn hart misleid had! âAch Louise, uw gelaat was vol onschuld, helderheid en goedheid! Ik zou u alles hebben willen toevertrouwen, mij aan uw voeten willen werpen en zeggen: Vervul mijn hart met uw liefde, opdat het zoo onschuldig en goed worde als gij! En toch heeft dat gelaat mij bedrogen, dit liefelijk gelaat vol maagdelijke onschuld was niets dan een masker! Ach Louise, ik zou uw fraai, bedriegelijk hoofd in mijn handen willen nemen en van smart kunnen weenen, omdat ge niets anders zijt dan een arme, dwaze vrouw, hoewel God u toch geschapen heeft om een engel te zijn! Ik vergeef u wat ge mij gedaan hebt, maar hem, hem vergeef ik het niet, die hoogmoedige, verwaande knaap, met zijn grijs-aardshart. Ik zal hem met het zwaard tuchtigen voor het kwaad, dat deze lichtzinnige Stuart haar en mij heeft aangedaan!quot;
Haastig begaf de keurvorst zich naar het paviljoen, dat hem reeds aan gene zijde van den Chineeschen tuin met zijn witte muren en de heide verlichte vensters tegen-schemerde. In het priél dicht bij den ingang zette hij zich op een marmeren bank. De vooruitspringende pilaar van het kleine portaal wierp een donkere schaduw op zijn gestalte, niemand kon men hier zien. Gehuld in zijn mantel, met toornigen blik in de duisternis starende, luisterde hij naar elk gerucht, dat de avondstilte stoorde.
Als Mahade bemint, zeggen de Indische Braminen, vult een traan zijn goddelijk oog; want de liefde wordt uit de godheid geboren en uit de smart des wordens schept
185
zij de kracht der eeuwigheid. Daarom vult een traan Maliade's oog, als hij bemint. En dezen traan zuigt de Lotosbloem op en brengt hem beneden op aarde, en uit iederen traan, als die de aarde raakt, komt een men-schenhart voort; daarom is elk menschenhart uit God geboren en vol van zijn adem. En daarom is elk menschenhart vol liefde en ook vol smart, want de liefde der menschen is een traan Gods!
De keurvorst dacht niet aan de woorden van de Brammen, maar het werkte in zijn gemoed, toen hij met gebalde handen in de duisternis staarde om zijn geliefde te zien, welke zijn hart zoolang niet gezocht, maar thans zoo spoedig gevonden had.
De liefde der menschen is een traan Gods! Zij was niet gevallen in het gemoed van den lichtzinnigen, ijdelen jongen prins, die met haastige schreden en fier opgericht hoofd sluipend door het park kwam aanloopen. Hij had den rechten weg gekozen, om tijdig genoeg ter plaatse te zijn; langs smalle voetpaden en door struikgewas was hij genaderd als een slang, die zich door het gebladerte kronkelt.
Daar staat hij aan het einde der laan die rechtstreeks van het kasteel hier heen leidt, wachtende op Louise. O, hij kende haar goed, hij wist wel, da.izij geen zijpaden inslaan en geen heimelijke wegen kiezen zou, maar langs den breeden, lichtsten weg onbeschroomd zou komen.
Daar stond hij en tuurde naar het paviljoen, of hij er reeds zou zijn, de overmoedige keurvorst! âHij wilde mij beleedigen, die kleine armzalige Duitsche vorst! Ik wreek mij, ik tref u in 't hart en win voor mij de bruid, die gij u hadt uitgekozen.quot;
Het is hem, of hij iemand hoort naderen, hij meent een gestalte in de laan te zien. ,,Ja, zij is het, het is prinses Louise 1quot;
Hij ijlde haar tegemoet, gelukkig, vol dankbaarheid.
âWie zijt gij?quot; vroeg Louise niet luide moedige stem,
âIk, lieve nicht,quot; fluisterde de prins van Wales. âO, ik dacht wel, dat wij elkander op dezen weg ontmoeten zouden. Ik vermoedde wel, dat zij u, zoowel als mij, bescheiden had.quot;
âHebt gij ook een brief ontvangen, om in het Chineesche paviljoen te komen?quot;
âJa, een brief van mijn zuster Marie. Zij schrijft, dat zij
180
en haar gemaal op het punt zijn een lange reis te ondernemen, en haar hart verlangt, mij noe; eens te omhelzen voor zij vertrekt.quot;
âHetzelfde wat zij ook mij heeft geschreven. Laat ons gaan neef. Waarom heb ik u niet vroeger ontmoet? Waarom kwaamt gij mij niet afhalen ? Ik hen zoo angstig geweest in deze eenzame donkere laan.quot;
âIk wist niet, nicht, dat men u ook in het paviljoen genoodigd had, en in den brief was mij strenge geheimhouding aanbevolen.quot;
âMij ook! Ach, die arme, dwaze kinderen! Ge zult mij nu helpen, niet waar, om hun zoolang met woorden, voorstellingen en beden te bestormen, tot zij van hun voornemen afzien en zij zich zeiven overwinnen. Het zou de dood van mijn armen zieken vader zijn, zoo zij vluchten! Niet waar, neef Karei, gij zult mij helpen, hen tegen te houden ?quot;
âIk zal alles doen wat gij verlangt, nicht Louise, want gij weet wel, dat gij over mijn hoofd, mijn hart en mijn wil gebiedt. Neem mijn arm en spoeden wij ons, om hen te zoeken.quot;
De prinses nam zonder tegenstreven zijn arm en trad haastig voort langs de slingerpaden van den Chineeschen tuin naar het paviljoen.
âZie, er is lichit in het kleine salon,quot; zij Louise beklemd; âzij zijn er reeds en wachten ons.quot;
âJa, zij zijn er reeds, zoo 't schijnt. Kom, mijn edele lieve nicht!quot;
De laatste woorden zeide hij met luide, teedere stem, want zijn spiedende, scherpe oogen hadden de donkere schaduw in het prieel bemerkt, en hij wist, dat het de keurvorst was! Een wilde triomfeerende vreugde vervulde zijn gemoed; het was hem gelukt wraak te nemen op den trotschen man, die hem vernederd had. Hij wilde nu deze wraak nog gevoeliger maken, en de loerende keurvorst zou niet alleen zien, maar ook hooren. Zij waren thans dicht genoeg bij hem, dat hij alles verstaan kon.
âNicht,quot; zei de prins op teederen, hartstochtelijken toon, âwat zijt gij een engel, dat ge, in weerwil van het late uur, hier komt. De liefde het teederst verlangen bad u om dit offer, en gij zijt terstond bereid het te brengen.quot;
âKon ik de smekende woorden van dezen brief weder-
187
staan?quot; antwoordde zij zacht. ,,Kon ik de stem der liefde onbeantwoord laten. Ik heb gedaan wat mijn plicht was, en.....quot;
âKom, Louise,quot; viel de prins haar schielijk in derede, âde deur is open, laat ons den tempel der liefde binnentreden.quot;
Zij slopen haastig in het paviljoen, en alles was voorbij! Ja, alles was voorbij! De keurvorst stond van zijn zitplaats op, met een van smart vervuld hart. Hij had alles gehoord. Alles was voorbij ! Zij zelve had gezegd, dat zij de stem der liefde niet kon weerstaan, dat het haar plicht was geweest ze te volgen. Alles was voorbij, alles! Hij haatte, hij verachte de prinses! Nu zij den prins van Wales, dezen loszinnigen knaap, kon beminnen, was zij geen liefde, geen leedgevoel waard! Elke herinnering aan haar, elke klacht om haar zou een beleediging zijn! âZij heeft hem gekozen! Goed! Laat zij met hem gelukkig zijn!quot;
Toen hij dit verwoed in zich zeiven zdde, gevoelde hij geen leed! Slechts toorn en verontwaardiging! Hij vond het belachelijk, door een knaap verdrongen te worden! Wat hij voor een ideaal van deugd had gehouden, was niets anders dan een lichtvaardig, verliefd meisje, dat aan haar loszinnigen minnaar heimelijk een rendez-vous verleende.
âIk wil toch weten hoelang zij hier blijven,quot; zeide hij. âIk ben nieuwsgierig wanneer de prinses van Oranje naar het kasteel terugkeert, en of het in dat deftig kasteel mogelijk is, zoo zonder opzien het te verlaten en weer binnen te komen. Ja, dat wil ik welen, ik zal hen volgen tot aan het kasteel, zoodra zij dit huis verlaten.quot;
De keurvorst overreedde zich inderdaad, dat het slechts nieuwsgierigheid en geen liefde, geen hartstocht was, die hem dreef hier langer te blijven. Hij trad weer terug in den hoek van het priel, en nam weer plaats op de marmeren bank.
Prinses Louise was intusschen, door den prins van Wales gevolgd, het kleine verlichte salon binnengetreden. Niemand kwam hen tegemoet, niemand was in het salon tegenwoordig.
âZij zijn nog niet, gekomen.quot; zeide Louise argeloos, âwij zullen dus moeten wachten,quot;
âZij zullen in de verrukking hunner liefde geen acht
188
hebben geslagen op den tijd,quot; antwoordde de prins van Wales, terwijl hij naar het uurwerk zag. âJa, waarlijk, 'tis reeds over zeven, zij moesten dus reeds hier zijn.quot;
In stilte dacht hij: âHet is reeds over zeven en James heeft dus mijn briefje aan prinses Amalia ter hand gesteld en deze is waarschijnlijk reeds op weg hierheen. Maken wij ons dus den tijd ten nutte.quot;
Hij naderde de prinses, die op den divan had plaats genomen, en stil en bekommerd voor zich zag.
âLouise,quot;lluisterde hij, âwat zijt ge ernstig en stil.quot;
âKan ik anders?quot; vroeg zij zuchtend. âZoo het ons niet gelukt onze broeder en zuster van bun gevaarlijk voornemen af te brengen, wat zal er dan gebeuren ? Wat zal mijn moeder zeggen? Hoe zal mijn geliefde zieke vader het opnemen? Ach, kwamen zij maar! Deze eenzaamheid is schrikkelijkquot;
âEenzaamheid,quot; herhaalde hij verwijtend. âBen ik dan volstrekt niets voor u, Louise, dat gij u zoo eenzaam gevoelt, terwijl ik aan uw zijde ben?quot;
âAcb, neef,quot; riep zij ongeduldig, âlaat deze praatjes nu achterwege. Gij ziet immers, dat ik in doodsangst verkeer. Kwamen zij maarquot;
âZij zullen komen, nicht. Zijt gij dan zoo bevreesd met mij alleen te zijn?quot;
âBevreesd?quot; vroeg zij verwonderd. âO, neen, neef, ik vrees u niet, maar bet verontrust mij, dat zij nog niet hier zijn. Zoo zij nu van besluit veranderd waren, en het te gevaarlijk hadden gevonden hier te komen ? Zoo zij eens vertrokken, neef, zonder ons vaarwel te zeggen?quot;
âWees gerust,quot; bad hij, ,,zij zullen dat niel doen. Waarom zouden ze dan u zoowel als mij zoo dringend geschreven en gebeden hebben om hier te komen.quot;
âGij hebt gelijk, prins,quot; zuchtte zij âHel is intusschen zoo pijnlijk hier te wachten.quot;
âZoo iemand ons bier zag,quot; zeide hij glimlachend, âen de menschen vernamen, dat gij zoo laat des avonds met mij alleen in het afgelegen Chineesche paviljoen waart geweest, zou dit aan kwade tongen stof tot laster geven.quot;
âO, daaraan denk ik niet, dat is het niet wat mij verontrust,quot; zeide zij. âWie zou er iets kwaads in kunnen vinden, dat ik met u hier alleen ben ? Gij zijt mij als een jongere broeder!quot;
180
,,Louise zie mij in de oogen! Zie of er iets van broederliefde in te vinden is. Louise, zie mij aan en beken dan, hoe grenzenloos ik u bemin!quot;
Hij wierp zich voor haar op de knieën, nam haar handen en zag haar aan met gloeiende, verterende blikken.
Louise beefde; eensklaps overviel haar het bewustzijn van den gevaarlijken toestand, waarin zij zich door het wegblijven van haar broeder en zuster bevond.
âSta op, neef,quot; zeide zij op strengen toon. âLaat dat kinderspel achterwege, nu het zulke ernstige heilige zaken geldt. Ik ben thans niet gestemd mij met uw gebeuzel op te houden. Sta dus op, prins, en laat ons liever ernstig en verstandig overleggen, wat wij doen moeten!quot;
âNeen, ik sta niet op,quot; riep hij hartstochtelijk, âik blijf hier voor u op mijn knieën en zal niet weer opstaan, zoo gij mij niet een woord van opbeuring en hoop geeft! Ach, Louise, laat u toch door mijn liefde, door mijn smart bewegen! Bedenk, dat gij de hoop, de vreugd en het geluk van mijn leven zijl! Reik mij uw dierbare hand, en ik zal mij schadeloos gesteld achten voor alles wat ik verloren heb, uw hart is het koninkrijk wat ik verlang, dat ik alleen wensch te bezitten!quot;
âWilt gij niet opstaan?quot; vroeg Louise toornig. âGezijt wreed en zelfzuchtig genoeg om mij te folteren en te kwellen, terwijl gij ziet, dat ik beef van angst over het lot van onze broeder en zuster! Hoor wat ik u te zeggen heb, prins van Wales. Zoo ge niet dadelijk opstaat, zoo ge niet zwijgt van uw gevoelens, die niets hebben uit te staan met het doel en oogmerk mijner komst, dan verlaat ik oogenblikkelijk deze kamer en zal buiten voor de deur de komst van onze broeder en zuster afwachten.quot;
Zij begaf zich naar de deur met zulk een krachtige, fiere houding, dat de prins begreep, dat zij haar voornemen zou uitvoeren. Hij richtte zich op en trad haastig naar haar toe.
âBlijf, prinses,quot; zeide hij, âik zal zwijgen, want ik behoef u niet meer te herhalen, wat ge sinds lang weet.quot;
Hij reikte haar zijn hand, en de prinses liet zich door hem weder in het midden der kamer voeren.
âBegrijpt'gij dit dralen?quot; vroeg zij angstig. âZouden zij op reis zijn gegaan zonder hier te komen? Misschien heeft men hun plan verijdeld, en . . . Hemel! wat is dat?quot; viel zij zich zelve in de rede, toen haar blik toevallig op
190
het venster viel. âWat beteekent dat licht daar buiten'?quot;
Zij snelde naar het venster, gevolgd door den prins van Wales.
âHet zijn vier fakkeldragers, die hierheen komen,quot; zeide hij. âEindelijk komen zij dan. Maar hoe onvoorzichtig, dat zij zich zoo openlijk hierheen laten geleiden! Hoe kan men zich door fakkeldragers den weg ter ontvluchting laten voorlichten!quot;
Louise lette er niet op; van al wat de prins gezegd had, bad zij slechts deze woorden gehoord: âZij komen!quot; Zij gevoelde zich hierdoor weder gerust en gesterkt, en zag lachend naar de naderenden. Nu stonden de fakkeldragers voor het paviljoen en maakten front aan beide zijden van het kleine portaal. Zij zag toen twee menschen het portaal naderen.
âZij komen, zij zijn er!quot; riep zij verheugd, terwijl zij van het venster terugtrad. De prins van Wales snelde op haar toe, nam baar hand en hield die vast in de zijne.
âKom, Louise, laat one onze broeder en zuster tegemoet gaan!quot;
Zij sloeg er geen acht op, dat de prins haar hand had genomen, en zij zag slechts uit naar de verwachte twee, zag slechts met starende oogen naar de deur.
vin.
DE BEKENTENIS.
Toen de deur geopend werd trad een hooge vrouwengestalte binnen, gevolgd door een heer.
Louise slaakte een kreet van ontzetting en wankelde als door den bliksem getroffen eenige schreden terug.
De binnentredenden waren niet prins Willem en zijn ;onge gemalin. Het was prinses Amalia met baar broeder, den prins van Soltns.
Ei- volgde een lange pauze. Prinses Amalia scheen niet minder verbaasd, haar dochter hier te vinden, dan prinses Louise was, in plaats van Marie haar moeder te zien. De prins van Wales had een tartende houding aangenomen
191
en keek met kalme waardigheid naar de prinses. Alleen de prins van Solms zag met nieuwsgierige onverschilligheid door het vertrek.
âVind ik u hier, Louise!quot; riep eindelijk prinses Amalia op den toon van smartelijke verwondering. âHebt gij hun geholpen in deze avontuurlijke onderneming.quot;
âNeen, uw genade,quot; riep Louise, âik weet er niets van, ik . .
âOm Gods wil zwijg,quot; fluisterde prins Karei angstig, âwilt ge onze broeder en zuster verraden ?quot;
âLouise,quot; vroeg haar moeder streng, âwaar zijn zij? Maak uw misdrijf weder goed door mij de waarheid te zeggen. Hebben zij zich hier verborgen?quot;
âIk weet het niet,quot; genadige moeder, stamelde Louise, âik . . . â¢quot;
âLouise,quot; fluisterde de prins, ânu komt het er op aan onze broeder- en zusterliefde te bewijzen. Ge moet hen redden, door u zeiven op te offeren!quot;
Hij had nog altijd de hand der prinses in de zijne; thans vatte hij ze vaster en trok Louise tot voor hare moeder.
âHet baat niet meer te loochenen,quot; zeide hij, âwij moeten thans de waarheid zeggen, dierbare Louise!quot;
âWat? Wilt ge hen verraden?quot; mom pelde zij verbleekend.
âIk wil hen verraden en de groote hemelsche liefde bekennen, welke al deze verwarring heeft veroorzaakt,quot; sprak de prins luid, en zich met een zachten glimlach tot prinses Amalia wendende, vroeg hij: âGenadige tante, wie verwachtet u hier te vinden?quot;
âWie anders dan prins Willem en prinses Marie! Ik heb een brief van mijn zoon ontvangen, en buitendien de boodschap, dat ik op dit uur de vluchtelingen hier zou vinden.quot;
âMen heeft u misleid, genadige vrouw,quot; riep de prins van Wales levendig. âNiet prins Willem en zijn gemalin, maar ons beiden vindt ge hier.quot;
âIJ beiden? En wat beteekent dat, als ik vragen mag?quot;
âHet beteekent,quot; riep de prins, terwijl hij nog altijd de hand van Louise vasthield en prinses Amalia nog dichter naderde, voor wie hij met sierlijke deftigheid de knie boog, âhet beteekent, dat wij beiden uwe genade smeeken ons te vergeven en aan onze liefde uwen zegen te schenken.quot;
Prinses Louise beefde en een lichte kreet ontsnapte haar lippen.
192
Geheel ontsteld zag zij naar den prins van Wales, en dan naar de deur, waardoor de keurvorst Friedrich Wilhelm was binnengetreden. Zij had hem herkend in weerwil van den mantel, die zijne gestalte omhulde, in weerwil van den hreedgeranden hoed, dien hij diep op zijn hoofd had gedrukt, en die zijn gelaat overschaduwde. Hij zou getuige zijn van dit vreeselijk oogenblik, waaronder haar maagdelijk hart beefde.
âUw liefde mijn zegen schenken?quot; vroeg prinses Amalia. â't Is hier noch de plaats, noch het oogenblik om dien te geven. Waar zijn de vluchtelingen? Gij hebt ze zeker verborgen en denkt ons hier op te houden, terwijl zij vluchten.quot;
âNeen uw genade, hier is niemand verborgen,quot; zei de prins van Wales bedaard âWij waren hier gekomen om in ongestoorde stilte een laatst afscheid van elkander te nemen, om de eeden van eeuwige liefde nogmaals met elkander te wisselen, vóór ik morgen, door het onverbiddelijk lot gedwongen, den Haag moet verlaten. Ik had mijn liefde als den kostbaarsten schat mijns levens zwijgend omhuld op den bodem van mijn hart willen laten rusten, lot de sombere wolken, die mijn huis omgeven, waren weggetrokken. Niet de vluchteling Karei Stuart, maar de weder in zijn rechten herstelde prins van Wales zou dan om de hand der prinses van Oranje vragen. Het toeval wilde het anders. Men heeft u, genadige vrouw, het geheim van ons rendez-vous verraden, en ik vermoed wie dat gedaan heett. Gij hebt deze jonkvrouw en mij in het zoetste alleenzijn overvallen. Onze liefde duldt derhalve geen geheimhouding meer, de eer eischt nu, dat wij ze openlijk belijden. Ik doe het met innige vreugde en smeek uw genade onze liefde den moederlijken zegen te schenken.quot;
Louise had hem bewegingloos, droomend, als verstomd aangehoord. Zij had niet de minste poging gedaan hem in de rede te vallen, geheel hare gedachten en blikken waren voortdurend naar die in een mantel gehulde gestalte gericht.
De stem harer moeder bracht haar weer tot de werkelijkheid terug.
âLouisequot; vroeg prinses Amalia, â heeft uw hart zich dan eindelijk overgegeven? Gij bemint en wilt nu vrijwillig besluiten te trouwen?quot;
193
Zij antwoordde niet. Haar wangen waren doodsbleek, haar lippen beefden, maar zij kon geen woord uiten.
âZoo gij mij verloochent en onze broeder en zuster verraadt, zult ge u hun dood te wijten hebben,quot; fluisterde de prins van Wales zich tot haar buigende.
âMijn dochter,quot; vroeg prinses Amalia zacht, âwaarom antwoordt gij niet? Bemint ge den prins van Wales?quot;
Zij ontstelde, haar geest rukte zich uit de verstijving, een donkere gloed schoot over haar wangen en een siddering deed haar geheele lichaam trillen.
âNeen,quot; riep zij luid en haastig, âik bemin hem niet.quot;
En met wilde onstuimigheid rukte zij haar hand los en zag hem aan met een trotschen, verpletterenden blik.
âLouise,quot; zei haar moeder, waarom wilt gij nu uw liefde verloochenen, daar de prins toch alles bekent en hierbij de eenige verontschuldiging gezegd heeft, die uw onbetamelijke tegenwoordigheid alhier eenigermate kan ve ron tsch ul digen.''
âHij liegt, het is een geheel weefsel van leugen en bedrog,quot; riep zij toornig, âHij weet zeer goed, dat ik niet hier ben gekomen om hem te zien, om zijn kinderachtige liefdesbetuigingen aan te hooren; hij weet zeer goed dat ik niet uit lichtzinnigheid en overmoed dezen zwaren gang hierheen gewaagd heb, maar dat het gold een heiligen plicht te vervullen. Heer prins van Wales, ik vorder van u, dat gij de waarheid zegt! Durft gij op uw woord van eer zweren, dat ik hier ben gekomen om u te ontmoeten, om met u een samenkomst te hebben?quot;
âMijn dierbare, aangebedene Louise, gij wilt ons met spitsvondige woorden verontschuldigen,quot; zeide hij glimlachend. âIk kan het voorwaar niet op mijn woord van eer zweren, dat wij elkander eerst hier in dit vertrek hebben ontmoet, want het was reeds buiten voor den Chineeschen tuin waar ik u verwachtte.quot;
âIs dat waar, Louise?quot; vroeg haar moeder.
âJa, dat is waar,quot; riep zij heftig, âmaar . . .quot;
âGenoeg,quot; viel prinses Amalia hierop in, âwaartoe nog verdere ophelderingen, nog verder loochenen? Ge hebt een zeer onbetamelijken, hoogst berispelijken en ergerlijken stap gedaan, Louise, door in dit late avonduur hier heen te gaan, om van den prins van Wales afscheid te nemen. Daar wij ongelukkigerwijs de getuigen van uw rendez-vous
Mühlbach, Be groote Keurvorst en zijn tijd, III. 13
194
moesten zijn en een zonderlinge samenloop van omstandigheden ons hierheen voerde, is er natuurlijk slechts één enkele mogeliike eerherstelling voor u. Gij moet met den prins van Wales huwen, en wel zoo spoedig mogelijk.quot;
âDank, mijn genadige moeder, dank!quot; juichte de prins van Wales, terwijl hij de hand van prinses Amalia nam en ze met hartstochtelijke kussen bedekte.
Maar prinses Louise snelde op hem toe en met bliksemende oogen en sidderend over haar geheele lichaam weerde zij hem van haar moeder af.
âGij zult dat logenachtige spel niet langer drijven,quot; zeide zij. âIk zal er een einde aan maken, door de waarheid
te zeggen.quot; .
âEn uw broeder dooden?quot; vroeg hij zich tot haar bui-
gende. . , . n
âWat gaat mij dat aan?'' riep zij in edelen toorn. âIk ben bereid voor mijn broeder te sterven, maar niet om oneer voor hem te dragen! En oneer zou het zijn, zoo ik hier gekomen was tot een rendez-vous. Oneer zou het zijn, zoo ik heimelijk, zonder verlof mijner moeder, hier met den prins van Wales een samenkomst had afgesproken. Nooit zou ik hem dit toegestaan hebben, zelfs niet zoo ik den prins van Wales beminde. Maar ik bemin hem niet, ik heb hem nooit, zelfs geen oogenblik bemind!quot;
âEn toch hebt gij oneer op u geladen,quot; zei prinses Amalia streng, âwant gij zijt in een heimelijke samenkomst met den prins van Wales aangetroll'en, en derhalve moet ge besluiten zijn gemalin te worden, of ge moet ons verklaren hoe het mogelijk was, dat ge hier kwaamt, zonder het doel om den prins van Wales te ontmoeten.quot;
âGij zult dit niet kunnen verklaren,'' zei Karei zacht, âzie er van af, Louise, te willen verbergen, wnt niet meer te verbergen is. Het krenkt uw edel maagdelijk hart, dat men u een onbetamelijkheid wil verwijten, maar de liefde verontschuldigt, en mijn gemalin zal zich voor haar liefde niet behoeven te schamen.
âGij zult mij niet bedriegen met uw verraderlijke woorden!quot; riep zij toornig. âGij moet niet gelooven, dat ik uit nood zal vreezen de waarheid te zeggen! Nogmaals zeg ik: Ik kan mijn leven voor mijn broeder geven, maar niet mijn eer! Moeder, ik zal u het bewijs geven dat ik onschuldig ben aan dat, waarvan ge mij verdenkt.quot;
195
Zij haalde uit haar kleed een klein dicht gevouwen papier en reikte het haar moeder over.
âLees, mevrouw de prinses,quot; zeide zij trotsch.
âOm Gods wil!quot; riep de prins van Wales, die het briefje zijner zuster Marie maar al te goed herkend had en derhalve haar hand wilde tegenhouden, âwat wilt ge doen?quot;
âMijn eer redden,quot; zeide zij, met een blik van diepe verachting haar hand losrukkende âLees, mevrouw de prinses. En gij, keurvorst,quot; voer zij voort, langzaam haar oogen naar den keurvorst wendende, die nu eenige schreden vooruit was getreden en dicht achter haar moeder stond, âmoet ook dezen brief lezen, opdat ge niets oneerbaars, niets onbetamelijks van mij denkt. Ik weet niet waarom mevrouw mijn moeder u hier gezonden heeft, maar voor u wil ik gerechtvaardigd wezen; zie daarom nu over den schouder der prinses en lees den brief mijner schoonzuster Marie.quot;
âNeen,quot; riep de keurvorst, terwijl hij hoed en mantel ter zijde wierp en haastig op Louise toetrad, âik wil niets lezen, niets weten. Gij behoeft geen andere rechtvaardiging dan die in uw eerlijk wezen, in uw edelen, maagdelijken toorn ligt. Ik behoef den brief niet te lezen, die zekerlijk dit heele weefsel van list en intrige ontbloot : bij de eerste woorden, welke uw kuische, toornige lippen spraken, heb ik in 't diepst mijner ziel gevoeld, dat gij rein waart en vrij van alle schuld, ik wil mij die verdienste niet laten verminderen en verkorten, door andere bewijzen. O Louise, hoe bekoorlijk schoon waart ge in uw toorn. Geheel mijn ziel boog zich in aanbidding voor u neder; geheel mijn hart juichte u toe in vreugd en liefde. En zoo wil ik dan thans ook met hart en ziel, zonder schroom mij voor u buigen, om in u te huldigen de schoonheid, de jeugd, de beminnenswaardigheid, en wat meer dan dit alles is: de reine maagdelijke vrouw vol onschuld en goedheid!quot;
..Hij zonk voor haar op een knie neder, en terwijl hij zijn samengevouwen handen tot haar ophief, zag hij haar aan, met gloeiende blikken, en zijn edel, mannelijk gelaat straalde van liefde, vervoering en kracht.
âPrinses Louise van Oranje,quot; zeide hij plechtig, âwil mij thans in tegenwoordigheid dezer getuigen genadiglijk en welwillend een vraag beantwoorden. Ik bied u mijn
VXi
hand en mijn hart, ik zweer u te beminnen, te hoogachten en te eeren als mijn dierbare, heerlijke gemalin. Prinses Louise Henriette van Oranje, wilt gij die hand aannemen, wilt ge mijne gemalin worden?quot;
Nog altijd zag hij tot haar op met zijn schitterende oogen, met zijn mannelijk gelaat. Hij zag niets dan haar, wist nauwelijks, dat er nog anderen waren, zag niet dat prinses Amalia het lezen van den brief had afgebroken en in gespannen verwachting het schoonejonge paar aanschouwde; zag evenmin den prins van Wales, die bleek, nauwelijks ademend op den achtergrond stond, met de hand steunende op de marmeren tafel. Hij zag er niets van, alleen luisterde hij naar het antwoord, dat hij van haar lippen verwachtte.
En zij? Zij had met ontroering zijn woorden gehoord. Bij zijn laatste vraag liep een siddering door haar lichaam. Onwillekeurig boog zij zich tot den knielende, legde haar hand op zijn schouder en zag hem met een blijden glimlach in zijn glanzend gelaat. Langzamerhand verflauwde echter dien glimlach en kregen hare trekken een droevige uitdrukking.
âLouise,quot; riep de keurvorst angstig, âLouise, ik smeek u, antwoord mij. Wilt ge mijn hand en mijn liefde aannemen? Wilt ge mijn gade worden?quot;
Zij schudde langzaam het hoofd en een diepe zucht kwam uit haar boezem. âIk dank u, neef Frederik,quot; zeide zij, âgij zijt zeer goed, zeer grootmoedig voor mij. Gij wilt mij in mijn eer herstellen. Gij zijt een edel en goed mensch, en zoolang ik leef zal ik aan dit uur, vol dankbaarheid aan u denken. Maar ik kan uw grootmoedig voorstel niet aannemen.quot;
âLouise,quot; riep de keurvorst, âgij wijst mij af, gij wilt mijn hand en mijn hart niet aannemen?quot;
Peinzend schudde zij het hoofd. âGij biedt mij uw hand,quot; zeide zij, âmaar niet uw hart. Gij hebt u door medelijden laten vervoeren; daar gij mij in nood en angst zaagt, wildet gij in uw grootmoedigheid aan de arme, verschrikte duif een schuilplaats verleenen en haar aan uw sterk hart bescherming geven. Maar weet mijnheer, dat ik niets wil aannemen van uw grootmoedigheid; daar ik mij geen schuld bewust ben, zal ik ook eerlijk en trouw alleen mijn weg wel weder kunnen volgen. Ik dank u, heer
197
neef, voor de eer welke gij mij bewijst, door mij uw hand te bieden! Maar ik â zie, welk een dwaas meisje ik ben, ik kan uw hand niet aannemen, die gij in uw medelijden mij in een overhaast besluit hebt aangeboden.quot;
âGij meent dat dit een overhaast besluit is?quot; vroeg de keurvorst glimlachend. âGij zijt te trotsch om een aanzoek aan te nemen, dat gij vluchtige opvatting mijner grootmoedigheid noemt? Genadige mevrouw de prinses, ik roep u om mij bij te staan, en verzoek u de genade te hebben aan de jonkvrouw te zeggen, waarom ik mijn reis naar den Haag ondernam en wat wij onder ons bepaald hebben ?quot;
âLouise,quot; zeide haar moeder, âgij weet wel, dat ik mij nog nooit tot een onwaarheid verlaagd heb. De keurvorst heeft bij mijnheer uw vader en mij schriftelijk en mondeling door zijn opperkamerheer verzocht, of wij zijn aanzoek om de hand onzer dochter Louise Henriette gunstig wilden ontvangen. In geval van een gunstig antwoord had hij er tevens het verzoek bijgevoegd, dat wij u niets van zijn aanzoek zouden zeggen, maar mijnheer den keurvorst zouden vergunnen zelf hier te komen, om te beproeven of hij uw hart en uw liefde kon winnen. Gaarne bewilligden wij hem dit verzoek, en zoo is dan onze heer neef alleen hier gekomen om in persoon zijn aanzoek te doen.quot;
âOm te beproeven uw hart te winnen,quot; vulde de keurvorst aan. âThans, Louise, kunt gij niet meer zeggen, dat ik u slechts in een oogenblik van opgewondenheid onbedacht mijn aanzoek heb gedaan. Neen, mijn dierbare prinses, het was lang een besloten zaak, en ik wachtte slechts op een gunstig oogenblik, om het woord tot u te spreken, dat mijn hart u verlangde te zeggen. Het oogenblik is daar en ik vraag u nogmaals: Prinses Louise Henriette van Oranje, wilt gij mijn hart en mijn liefde aannemen? Wilt gij met mij den moeielijken weg door 't leven wagen? Wilt gij, in de overtuiging, dat ik u beminnen zal als mijn eenige geliefde, u vertrouwen als mijn beste vriendin, u hoogachten en waardeeren als mijn kostbaarste bezitting, wilt gij in deze overtuiging besluiten mijn hand aan te nemen? Wilt gij mijn gemalin worden ?quot;
âJa,quot; riep zij juichende van vreugde, âja, dat wil ik!quot; Zij sloeg hare armen om zijn hals, en boog haar fraai
198
hooi'd zoo diep, dat haar rijke blonde lokken haar gloeiend gelaat geheel overschaduwden.
üe keurvorst sprong overeind en sloot de prinses in zijn armen.
Een doffe kreet klonk, een kreet van woede en smart; door niemand opgemerkt, door niemand tegengehouden, snelde de prins van Wales naar buiten.
âGij bewilligt dus?quot; vroeg Friedrich Wilhelm, de prinses los latende, om haar in de vriendelijke oogen te zien.
âGij wilt beproeven mij een weinig lief te hebben en u mijn liefde te laten welgevallen?quot;
Zij zag hem lang en diep aan met een zaligen glimlach op haar verheerlijkt gelaat. âIk moet hier voor u en voor mevrouw mijn moeder een bekentenis afleggen,quot; zeide zij, âen het hindert niet, dat ook mijne goede oom mij hoort. Alle vrees en schroom zijn thans van mij geweken, en ik zou de geheele wereld wel willen laten hooren wat ik u thans zeg. Mijn beste moeder, toen gij mij vroeger met den keurvorst van Hessen wildet verloven en ik ziek van ontsteltenis en angst werd en daarom van de echtverbintenis afzag, verzocht ik u, dat gij mij één gunst zoudt bewijzen, en gij beloofdet het mij. Ik vroeg de genade, dat ge mij nooit zoudt dwingen in het huwelijk te treden, maar dat mijn huwelijk een besluit van mijn hart zou zijn, en het mij zelfs geoorloofd zou wezen ongehuwd te blijven, zoo ik geen man vond, dien ik beminnen kon. Weet gij dit nog, beste moeder?quot;
âJa, zeker weot ik dat,quot; glimlachte de prinses, âen het heeft mij later dikwijls genoeg berouwd, dat ik u deze belofte gegeven had.quot;
âNu zal ik u zeggen, waarom ik u dit verzocht, lieve moeder. Niet, omdat ik een man wilde zoeken, dien ik zou kunnen beminnen, maar omdat ik dezen man reeds lang gevonden had, omdat van mijn kindsheid af mijn hart, mijn liefde, mijn verlangen en droomen dezen eenigen behoorden, dien ik wist, dat ik zoolang ik leefde beminnen zou en nooit door een ander uit mijn hart kon verdrongen worden. Deze eenige, dien ik ooit bemind heb, dien ik ooit beminnen zal, die mijn eerste liefde was en mijn laatste zijn zal, is mijn lieve, dierbare neef, het is de keurvorst Friedrich Wilhelm. Zoo hij mij niet tot vrouw had gekozen, zou ik ongehuwd zijn gebleven, maar nu hij
499
mij kiest, neem ik hem met vreugd, met geluk, met zaligheid en bid den lieven God, dat hij mij de kracht geve hem zoo gelukkig te maken als hij verdient. Hier hebt gij mij, heer keurvorst, hier hebt ge uw vrouw, uw eigendom, want zij is gaarne de uwe, met geheel haar hart en ziel!quot;
âIk neem u en geef mij aan u bekoorlijke Louise, en gezegend zijt gij voor al de heerlijke en goede woorden, die uwe dierbare lippen daar spraken. Laat mij deze lippen kussen met den verlovingskus, en neem hiermede den eed aan van eeuwige liefde en trouw, mijn bekoorlijke schoone bruid!quot;
Hij sloot haar in zijn armen en drukte een langen, innigen kus op haar mond.
âEn van mij is volstrekt geen sprake meer, naar het schijnt,quot; zei prinses Amalia, het nauw omstrengeld paar naderende. âGij vraagt niet of ik u mijn toestemming geef, gij schijnt u om geheel de wereld niet meer te bekommeren.quot;
âUw genade heeft mij reeds vroeger haar toestemming gegeven, zoo ik dit fiere, stoute hart verwinnen kon,quot; riep de keurvorst.
âEn ik neem ze niet terug,'' antwoordde de prinses glimlachend. âAlleen moet ik u verzoeken een weinig uit de hooge hemelen, tot welke gij zijt gestegen, op de aarde neder te dalen en u met de dingen dezer wereld bezig te houden. Wij zullen morgen en alle volgende dagen nog den tijd hebben ons met uw geluk en uwe verbinding te verheugen. Maar nu moeten wij onze gedachten op andere zaken richten. De brief, dien Louise mij straks gegeven heeft, rechtvaardigt hier volkomen haar tegenwoordigheid, doch heldert mij niets op, en ik moet u derhalve verzoeken, Louise, mij nadere inlichtingen te geven.quot;
âDie kan ik u, helaas, niet geven, genadige mama. Ik weet van niets anders dan wat in dezen brief staat. Marie verzocht mij er in hier te komen om een laatste afscheid te nemen, vóór dat zij ons met haar gemaal voor altijd verliet. Ik ging hier heen, omdat ik beproeven wilde hen terug te houden en te smeeken, om den wille van onzen zieken vader, rustig en geduldig te wachten en hier te blijven. Op mijn weg hierheen ontmoette ik den prins van Wales en vernam van hem, dat hij even als ik door een brief van zijn zuster naar het Ghineesche
200
paviljoen geroepen was. Zoo gingen wij dan te zamen hier heen, maar wachtten vruchteloos in het salon, want niemand kwam.quot;
âWist de prins van Wales ook niets van de vlucht van het jonge paar?quot; vroeg de keurvorst glimlachend.
âHij was er zeer over verwonderd en wist er even weinig van als ik.quot;
âHij schijnt veel talent voor tooneelspeler te hebben,quot; zei Friedrich Wilhelm de schouders ophalende. âVeroorloof mij eenige opheldering in deze zaak te geven, en te zeggen, dat de heer prins van Wales de hoofdpersoon was, die deze geheele zaak op touw heeft gezet. Ik heb er de bewijzen van. Heden namiddag bevond ik mij in een tamelijke onaangename en treurige stemming, en liep zonder doel of oogmerk, langs de eenzaamste paden in het park. Eensklaps zag ik, dat ik den weg naar het huis ten Bosch had ingeslagen, en stond recht voor het kasteel. Een rijtuig was daar dicht bij, waarin twee personen plaats namen, welke ik in de duisternis niet kon herkennen; maar een stem riep den koetsier toe: In galop, voorwaarts, koetsier! naar Amsterdam! â Het was de stem van den prins van Wales; het rijtuig rolde voort, ik ging vei der, en begaf mij toen naar het Chineesche paviljoen. Met welk oogmerk, dit vertel ik u later, Louise. Nu ziet gij, dat, hoewel de prins van Wales den schijn aannam, of hij niets wist van de vlucht, dit slechts geveinsdheid was, want zij zijn zeker in dat rijtuig naar Amsterdam vertrokken.quot;
âGeen twijfel,quot; riep prinses Amalia. âZij hebben zich naar Amsterdam begeven, om daar als een gehuwd paar te verschijnen en ons zoo te .dwingen hun huwelijk te erkennen, 't Is inderdaad goed verzonnen, en er zal ons wel niets anders overblijven dan dit te doen. Wij zullen deze zaak nog later bespreken ; thans is het hoog tijd, dat wij naai1 huis gaan, want mijn gemaal mocht onze tegenwoordigheid begeeren en zou zich verwonderen, dat wij er niet zijn. Komt, jonge verliefden, maar Iaat ons heel zedig en deftig gaan, opdat de dienstboden niet eerder de verloving vernemen, dan wanneer uw heer vader zijn toestemming en zegen heeft gegeven. Heer keurvorst, reikt gij mij dus den arm, en gij, Louise, neem den arm van uw oom en volg ons.quot;
201
Zij verlieten het paviljoen en gingen den tuin in. De tak keidragers stonden nog aan beide zijden van het portaal, en het helle licht bescheen de gezichten van beide paren als met de helderheid van den dag. Terwijl zij haastig voortliepen, sloop een donkere gestalte van achter het paviljoen te voorschijn, snelde hen na en naderde den keurvorst, die in een druk gesprek met de prinses Amalia voortging.
âHeer keurvorst, een woord, als ik u verzoeken mag?quot;
De keurvorst boog voor prinses Amalia. âVeroorloof, prinses, dat ik mij een oogenblik verwijder. Er is iemand die mij wenscht te spreken.quot;
âHet is Karei Stuart,quot; fluisterde de prinses. âGa tot hem, ik bid u, wees goed voor hem. Bedenk, dat hij nog een kind en ongelukkig is. Wij zullen langzaam vooruit gaan.quot;
De keurvorst boog en bleef staan, terwijl de anderen hem voorbijgingen.
âHier ben ik, heer prins van Wales,quot; zei de keurvorst, toen de anderen zich ver genoeg verwijderd hadden om niets van het gesprek te kunnen hooren. âHebt gij mij iets te zeggen, ik ben tot uw dienst.quot;
âJa,quot; mompelde de prins zacht met treurige stem. âGij hebt mij overwonnen, heer keurvorst, gij hebt al mijn hoop verwoest, en mij niets dan een eenzame, vreugdelooze toekomst overgelaten. Ik zou daarom recht hebben u te haten en u kwaad toe te wenschen, maar mijn eigen ongeluk wordt er niets kleiner door en het zou mij niets baten als ik morgen het geluk had u in een tweegevecht te dooden; Louise zou mij daarom toch niet beminnen, integendeel, zij zou mij haten en vloeken.quot;
âDerhalve,quot; zei de keurvorst zacht, âwilt gij de wapens niet tegen mij opheffen? Veroorloof mij nu, prins van Wales, u een paar woorden te zeggen. Gisteren zocht ik twist met u en ik was het, die u tot een tweegevecht uitdaagde. Thans verzoek ik u mijn verontschuldiging te willen aannemen.quot;
âZult gij mij niet voor lafhartig houden als ik het doe?quot; vroeg de prins. âGeloof mij,. mijnheer, het leven heeft voor mij op dit oogenblik geen waarde, en ik zou tevreden zijn, zoo ik bet morgen moest verliezen, want het ergste wat een mensch gebeuren kan, is mij overkomen. Al mijn
202
wenschen en verwachtingen zijn verloren gegaan, en ik schaam mij over mij zeiven. Ik gevoel, dat gij gelijk hadt met te zeggen, dat ik nog een kind ben, want ik erken als een kind gehandeld te hebben, toen ik om de liefde eener vrouw dong. Zeg mij, of ge mij niet voor lafhartig zult houden, zoo ik van het duel afzie?quot;
âPrins,quot; antwoordde Friedrich Wilhelm ernstig, âmen kent de geschiedenis van uw huis en weet zeer goed, dat geen lafhartigheid in den aard der edele Stuarts ligt. Men behoeft slechts ééns in uw fier en edel hart te hebben gezien, om overtuigd te zijn, dat in uw boezem een moedig mannenhart klopt.quot;
âGij zijt grootmoedig jegens den verwonnen vijand,quot; zei de prins smartelijk. âGij geeft het kind van hedenmorgen thans een mannenhart. Ik dank u, ik hoop u nog eens te mogen bewijzen, dat er werkelijk een moedig mannenhart in mijn borst klopt. Ik ga een treurige toekomst tegemoet, en het zou mij voorwaar lichter zijn, u morgen mijn borst aan te bieden en door uw degen te vallen, dan langzaam aan honderden kleine wonden en speldeprikken van het noodlot te sterven. Toch mag ik nu niet sterven, want te leven is voor mij een plicht! Tot dat bewustzijn heeft mij de treurige gebeurtenis van heden nacht gebracht. Ik moet leven voor mijn familie, voor de eer van mijn huis! Ik moet als een bedelaar van het eene hof tot het andere gaan, om voor mijn vader, voor mijn koninklijk erfdeel, hulp en bijstand af te smeeken. Morgen vroeg ga ik met mijn broeder en zusters naar Frankrijk, en wie weet of ik ooit van daar terugkeer, wie weet of ik ooit mijn vaderland zal wederzien! De Stuarts zijn niet gelukkig, maar ik zal den moed hebben aan de hand van het noodlot trouw voort te wandelen, tot het mij loslaat en mij, hetzij door den dood of het geluk, verlost. Vaarwel, heer keurvorst. Wij hebben het duel reeds heden avond uitgestreden; ik ben door u overwonnen, zwaar gewond ga ik op weg, en zal nog lang de pijn mijner wonden gevoelen en mij hullen in het lijkkleed mijner herinneringen. Gij hebt overwonnen! Maak haar gelukkig en zeg^ haar .... Ach, hoe gaarne zou ik nog eenmaal haar hand vatten, haar een laatst vaarwel zeggen.quot;
âDoe dat, hoogheid,quot; zei de keurvorst. âWees zoogoed
203
met mij te gaan en de dames te volgen, die ginds de laan doorgaan. Spoedig zullen wij ze bereikt hebben en als gij het begeert, zal ik de prinses verzoeken tot u te komen om uw afscheidsgroet te ontvangen.quot;
âGij bewijst mij niet eens de eer ijverzuchtig te zijn, en wilt zelfs voor mij een ontmoeting met de prinses bewerken,quot; zuchtte de prins. âDoch het zij zoo! [k wil mij aan alles zwijgend onderwerpen. Welaan dan, heer keurvorst, laat ons de dames volgen!quot;
Zij gingen beiden haastig voorwaarts; er werd geen woord gesproken.
Toen zij de dames bijna bereikt hadden, ging de keurvorst haastig vooruit en de prins van Wales bleef staan; het roode fakkellicht bescheen zijn gelaat, en toen het zoo de prinsessen, die zich naar hem toekeerden, uit de duisternis tegenstraalde, kwam het haar voor alsof het plotseling vele jaren ouder was geworden, dat de smart hem een ernstig man had gemaakt.
âIk zal tot hem gaan en afscheid van hem nemen,quot; lluisterde Louise. âBlijft allen hier en wacht mij.quot;
Zij ging daarop den prins te gemoet, die haar langzaam naderde.
âLieve neef,quot; zeide zij vriendelijk, âgij hebt mij geroepen, hier ben ik. Geloof mij, dat, zoo gij mij, voortaan roept en van mij een bewijs mijner vriendschap, of oprechte genegenheid als bloedverwante begeert, gij mij stellig daartoe met vreugde bereid zult vinden, want ge weet, dat ik u hartelijk liefheb, zoo als een zuster haar broeder lief kan hebben.quot;
âBalsem!quot; mompelde hij zacht, âbalsem voor de wonden! Ik dank u, Louise, voor uw milddadigheid, dank u voor al uw goedheid en toegevendheid, dank u voor de zalige oogenblikken, die gij mij gegeven hebt, en ook voor de treurige smarten welke ik thans gevoel. Zij zullen mij tot een man doen rijpen, en zoo ik thans met moed en zelfverloochening het ongeluk trotseer, zal de herinnering aan u mij versterken, want ik heb veel weder goed te maken! Daartoe zult gij Louise, mij uw zegen geven en mij vergeven wat mijn gloeiend en kinderlijk hart tegen u misdreven heeft. Ach, Louise, ik heb mij zwaar aan uw deugd en maagdelijke waardigheid vergrepen. Vergeef het mij, vergeef den berouwhebbenden zondaar, die
204
thans aan uw voeten ligt en hoopt op een woord van genade en verlossing.quot;
Hij zonk voor de prinses op de knieën, en terwijl hij haar hand nam en ze aan zijn lippen drukte, bedekte hij ze met tranen en kussen.
âPrins Karei,quot; fluisterde Louise zacht, âhet is waar, gij hebt tegen mij misdreven en ik heb u veel te vergeven. Maar gij zijt ongelukkig en treurig, en het sombere hart ziet vaak de dingen anders dan het vex'stand dit kan goedkeuren. Het betaamt ons dan te verontschuldigen, te troosten en te verzoenen. Mijn lieve neef, hoop op betere, gelukkiger dagen. Wees bedaard en sterk, en denk er aan, dat de geschiedenis en de toekomst op u zien en gij ze bewijzen moet, dat ge een koningszoon bij de gratie Gods zijt!quot;
âEen koningszoon bij den toorn Gods,quot; zuchtte de prins van Wales, terwijl hij zich langzaam van zijn knieën oprichtte. âHet huis der Stuarts is geteekend met den vinger van zijn toorn en de zeis zijner gerechtigheid maait ons allen in het stof. Waarom? Dat vraag ik dikwijls aan de flonkerende sterren, waar boven God troont, maar nog nooit is mij een antwoord geworden. Andere vorstengeslachten hebben meer gezondigd dan de Stuarts, en toch zijn ze gezegend en de hoorn der geluks is over hen uitgestort en hun misdaden zijn als heldendaden verheerlijkt. Waarom moeten wij zoo zwaar boeten, waarom wordt de moord, dien Maria Stuart op haar echtgenoot pleegde, nog gewroken op haar achterkleinkinderen, hoewel zij dien met haar vallend hoofd heeft verzoend? Maar stil,quot; ging hij adem scheppende voort, ik zal in uw schoon, helder gemoed geen wanklank achterlaten, en uw vrome geest mag niet gelooven, dat Karei tegen Gods besluit murmureert
âNeen ik onderwerp mij ! Zie, hoe deemoedig en geduldig ik mij gedraag, mijn kruis opneem om den aangewezen weg te bewandelen!quot;
âDat kruis zal eens in een kroon veranderen, geloof mij neef!quot;
âMoge het zoo zijn, nicht,, maar wie zal zeggen of deze kroon van goud of van doornen zal zijn. Hoe het zij, ik moet er mijn leven aan wijden, om er voor te strijden en ze te winnen; om 't even, of zij later met haar doornen mijn voorhoofd ook bloedig verscheurt. Gij zult van mij
205
hooren, Louise, en als men u zegt, dat Karei Stuart in den strijd voor zijn vader en zijn troon gevallen is, weet dan dat het laatste woord, dat zijn stervende lippen stamelden, uw naam was.quot;
âO, mijn dierbare neef gij zult niet sterven, gij zijt nog zoo jong, gij hebt nog zooveel van het leven te hopen en te verwachten, en God zal in zijn genade geven, dat gij uw doel bereikt, dat gij uw vader weder op zijn troon voert en voor hem de liefde van zijn volk herwintquot;
âMogen die woorden waarheid worden, nicht. Laat ons nu scheiden! Vaarwel, Louise Henriette, liefelijke sfer mijner jeugd, vaarwel! Wees gelukkig, en denk in uw geluk met vriendelijkheid en goedheid aan den armen Karei Stuart, die als een zwerveling door de wereld gaat, steeds rust zoekende zonder ze te vinden. Ga, Louise, men wacht u ginds, waar het licht, waar de liefde u tegen-straalt, en laat mij in nacht en duisternis achter.quot;
âVaarwel, neef Karei, God geve u vrede en geluk.quot;
Zij fluisterde dit zacht en verwijderde zich. Hij zag haar na; het roode fakkellicht omgaf haar slanke, liefelijke gestalte, en hij gevoelde het dat zij een nieuwen dag, een nieuw morgenrood tegemoet trad. Hij zag de mannelijke gestalte, die haar te gemoet ging, hij herkende ze: een snik kwam uit zijn borst en jammerend sloeg hij zijn handen voor de oogen. Zoo stond hij lang en onbewegelijk. Toen hij zijn handen weder van zijn gelaat wegnam was alles stil en donker om hem heen. Aan het einde der laan zag hij nog een lichtschijnsel, schitterde nog een roode gloed, en toen was alles voorbij.
Langzaam hief hij zijn van tranen verduisterde oogen tot den donkeren sterrenhemel op. Daarboven glinsterden de sterren, die stil en vriendelijk op hem nederzagen, als wilden zij hem in bescherming nemen!
Karei Stuart zuchtte diep en wischte langzaam de tranen uit zijn oogen.
Toen breidde hij zijn armen uit naar de plaats, waar Louise voor hem verdwenen was. âVaarwel, ster op aarde,quot; riep hij, âvoor altijd zijt gij voor mij uilgedoofd. Maargij,quot; voer hij voort, zijn armen ten hemel heffende, âgij straalt nog voor mij en zult mij begeleiden!quot;
Zoo stond hij nog een lange poos in de zwijgende, heilige stilte van den nacht, toen liet bij met een diepen
206
zucht zijn arm nederzinken, keerde zich haastig om en sloeg den weg in naar het Huis ten Bosch, waar zijn moeder hem wachtte.
Den volgenden morgen zeer vroeg voer een klein schip met volle zeilen van de kust van Scheveningen en zette koers naar Frankrijk. De Engelsche vlag waaide naast de Hollandsche van den top; op het schip bevond zich de koningin van Engeland met haar familie, waaronder de prins van Wales, die thans met een treurig en van wee vervuld hart zijn pelgrimstocht ondernam naar het verloren vaderland en den verloren troon.1)
\
XI.
HET HUWELIJK.
Denzelfden morgen reden van het stadhouderlijke hof te 's Gravenhage twee reiskoetsen den weg op naar Amsterdam; daarin bevonden zich prinses Amalia, benevens haar dochter, de keurvorst Friedrich en eenige dames en heeren van het hof.
Prinses Louise had van haar moeder als bruidgeschenk verzocht de prinses te mogen vergezellen om als bemiddelaarster tusschen haar en de verliefde vluchtelingen op te treden, en de keurvorst Friedrich Wilhelm had van
1
Toen Karei Stuart den Haag verliet, begaf hij zich eerst naar Frankrijk, doch keerde spoedig naar den Haag terug, vermits de Mazarin alle hulp weigerde terwijl de Koningin van Engeland niet haar dochter de haar aangeboden gastvrijheid aannam en in het Louvre vele eenzame, treurige jaren doorbracht; want aan de Mazarin's gierigheid en kleingeestigheid had de koningin van Engeland te danken dat zij des winters vaak geen hout had om haar kamers te verwarmen, geen dienstboden om haar spijzen te laten gereed maken. De prins van Wales bevond zich nog in den Haag, toen zijn vader in 1649 te Londen werd ter dood gebracht, en Engeland onder den protector Cromwell tot een republiek verklaard werd. Nu nam de prins van Wales den titel van koning aan, begaf zich naar Engeland, werd door de Schotten erkend en te Scone plechtig als hun koning gekroond. Vervolgens trok hij met zijn Schotsch leger naar Engeland, maar werd in 1651 bij Worschester door Cromwell geslagen, vluchtte naar Frankrijk, ging van daar weder naar den Haag en bleef er tot het jaar 1660, toen hij na Grom wells dood naar Engeland terugkeerde en als Karei II den troon van Groot-Brittanje besteeg.
207
beide dames gaarna vergunning bekomen haar te mogen begeleiden.
In het hof te Amsterdam had de eerste ontmoeting plaats van Amalia met het jeugdige echtpaar. Prins Willem ging, met zijn gemalin aan den arm, in deemoedige houding zijn moeder tegemoet, en bad om vergeving voor de ongehoorzaamheid, die alleen door zijn liefde was te verontschuldigen.
âEn gij, mevrouw dochter?quot; vroeg prinses Amalia, haar gebiedende oogen op het blozend gelaat van Marie richtende, die met glimlachende kalmte hare schoonmoeder dorst te ontmoeten. âHebt gü geen berouw over uwe handelwijze ?quot;
âNeen genadige mevrouw moeder,quot; antwoordde de prinses, âik gevoel volstrekt geen berouw over 't geen wij gedaan hebben! Sedert vier jaren waren wij gehuwd, en wijl er staat geschreven, dat man en vrouw, vader en moeder zullen verlaten om te zamen te leven, zoo hebben wij slechts gedaan, wat aan goede, elkander beminnende echtelieden bevolen is te doen.quot;
Prinses Amalia richtte vol verbazing een toornige blik op haar. Het was de eerste maal, dat iemand het waagde zoo stout tegen haar op te treden en haar toorn zoo met kalmte te trotseeren. Zij was reeds op 't punt een heftig antwoord te geven toen de keurvorst zacht zijn hand op haar schouder legde en Louise haar met smeekenden blik naderde.
âGenadige 'mevrouw tante,quot; zeide hij. âGij ziet, dat dit jonge paar het voornemen heeft zeer vroom en godvruchtig te leven en zich geheel naar de bevelen van den Bijbel te richten. Daar nu een hoofdgebod van den Bijbel zegt; Eert uw vader en uwe moeder, opdat het u welga op aarde, zullen deze vluchtelingen het wel tot hun heiligen plicht achten, dit gebod na te komen.quot;
Zeker, dat zullen wij!quot; riep prins Willem. Hij trok zijn zacht weerstrevende gemalin naar zijn moeder, en daar hij voor haar nederknielde en daarbij Marie's hand in de zijne hield, moest zij als van zelf voor haar trotsche schoonmoeder de knie buigen.
âVergeving, genadige vrouw moeder,quot; riep de prins op teederen toon. âVergeef ons onze liefde, en wees verzekerd, dat gij aan ons de eerbiedigste, gehoorzaamste on onderdanigste kinderen zult hebben.quot;
âWees goed, dierbare moeder,quot; fluisterde prinses Louise, de handen harer moeder aan haar lippen drukkende. âGij hebt mij als bruidsgeschenk toegestaan u hierheen te mogen vergezellen; maar aan dit geschenk ontbreekt nog iets. Verleen genadiglijk vergiffenis aan mijn lieve broeder en zuster.quot;
âWelnu, het zij zoo,'' zei prinses Amalia met een gedwongen glimlach. âIk wil vergeven, ik zal aan uw gehoorzaamheid en liefde gelooven. Staat op, komt in mijn armen en weest mij hartelijk welkom.quot;
Zij trok het jonge echtpaar, dat zich haastig had opgericht, teeder aan haar hart en een kus op het heldere, hooge voorhoofd van prinses Marie drukkende, zeide zij glimlachend: âMevrouw de prinses Willem van Oranje, uw vertrekken in het stadhouderlijke hof te 's Hage verwachten u, en zoo het u behaagt, kunt ge heden avond bij onze terugkomst daar uw intrek nemen.1)
Gelukkige weken van het schoonste, genoegelijkste samenzijn volgden nu voor het jonge bruidspaar, voor den keurvorst Friedrich Wilhelm en prinses Louise Henriette. Reeds op den eersten dag na zijn verloving, begaf zich de keurvorst naar de zitting van de Staten-Generaal, om zelf de Hoogmogende heeren te begroeten en hun zijn verloving met de jonkvrouwe van Oranje mede te deelen, alsmede om hun te verzoeken met hem een duurzame en getrouwe alliantie aan te gaan, en hem bij te staan tegen den overmoed der Zweden, die hem van zijn Pommersche erflanden wilden berooven, en er onrechtvaardig aanspraak op maakten.
1
Prinses Marie van Engeland mocht zich intusschen niet lang in het ge-uk van haar jeugdigen echt verheugen. Weinige maanden na haar vereeni-ging met haar gemaal, stierf prins Frederik Hendrik en zijn zoon Willem werd door de Staten-Generaal tot Stadhouder van Holland benoemd. Prinses Marie was dus de gemalin van den regeerenden prins en had wel lust zelve een weinig te regeeren en op prinses Amalia revanche te nemen, die tot hier de onbeperkt gebiedende meesteres was geweest. Maar prinses Amalia verstond zich beter op het regeeren; zij wist zeer spoedig den schepter aan de zwakke handen harer schoondochter te onttrekken en haar aan zich te onderwerpen. Prins Willem stierf na een korten gelukkigen echt in 1650, nog voor de geboorte van zijn eerste kind, den lateren Willem III van Oranje. Prinses Amalia wist het door te zetten, dat men haar tot voogdes van haar kleinzoon benoemde, en haar dochter geheel van het regentschap uitsloot. Prinses Marie leidde nu onder het regentschap van haar schoonmoeder een treurig, afhankelijk leven en stierf in 1660.
209
De heeren Staten-Generaal vonden een bijzonder welgevallen in den edelen jongen vorst, die op zulk een open, hooghartige wijze in hun midden kwam om hun zijne wenschen en bedoelingen voor te stellen, en nog in dezelfde zitting werden twee gewichtige besluiten genomen. Ten eerste verklaarden de heeren Staten, dat zij volkomen genoegen namen met de echtverbintenis tus-schen den keurvorst van Brandenburg en de jonkvrouwe van Oranje, en bewilligden deze een jaarwedde van twintigduizend gulden. Ten tweede benoemden zij commissarissen, die terstond met de raden van den keurvorst de artikels van de alliantie tusschen Holland en Keur Brandenburg zouden ontwerpen en er over beraadslagen.
Het huwelijk van prinses Louise Henriette, dat voor den keurvorst aanvankelijk een politiek vraagstuk was geweest, was nu voor hem een zaak des harten geworden, en de oude Burgsdorf zag met de grootste verbazing en niet zonder een bitter gevoel van ijverzucht de groote verandering, welke de verloving met de prinses van Oranje op den Keurvorst had teweeggebracht. Hij was vroolijker, opgeruimder, zijn gelaat schitterde van jeugdigen lust, en in zijn oogen was, als hij ze op de prinses richtte, den glans van liefde en geluk zichtbaar.
âAls dat zoo voortgaat,quot; bromde de opperkamerheer voor zich, âwordt de keurvorst, van wien ik hoopte, dat hij als een krijgsheld zou optreden, niets dan een pantoffelheld en mevrouw de keurvorstin verdrijft ons dan allen uit het kasteel. Maar ik zal het niet dulden,quot; riep hij luid, âneen, dat zal niet gebeuren!quot; Die fraaie dame zal mij het hart van mijn keurvorst niet ontstelen, en 't zal niet gezegd worden, dat de oude Konrad von Burgsdorf door haar uit den zadel is gelicht. Ik zal scherp op haar toezien en zie ik, dat het liefdegekir, en het minno-gekoos na de bruiloft nog lang zoo blijft, dan zal de oude Burgsdorf zijn mijnen aanleggen om dat kaartenhuis der liefde in de lucht te doen vliegen. Nu, daar hij een weinig ondervinding van dergelijke zaken heeft, zal het hem wel gelukken. Neem u in acht, ik zeg het u, nee|(fe u goed in acht, prinses Louise Henriette van OranjéTquot; treed niet al te veel in mijn weg, want dan verklaar ik u den oorlog, en zult gij eens zien wat het is zich met
Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. III. 14
210
een ouden ijzervreter als ik ben in den strijd fe begeven.quot;
âPrinses Louise vermoedde niets van de ijverzucht van den opperkamerheer. Zij had voor hem als voor ieder ander een liefelijken glimlach. Zij was zoo gelukkig dat zij de geheele wereld in een rooskleurig licht zag.
Ook de keurvorst was gelukkig, en toch was er iets dat een schaduw op zijn vroolijk gemoed wierp. Hij had geen geld, en reeds weinige dagen na zijn verloving was de opperkamerheer von Burssdorf met een bedrukt gelaat gekomen om hem te berichten dat, nu het schitterend gevolg was aangekomen en alle kosten betaald waren, de reiskas van den keurvorst geheel ledig was, en die weder opnieuw moest gevuld worden.
âWijs gesproken, oude,quot; zei Friedrich. âMaar wees zoo goed mij eens te zeggen hoe die vulling moet geschieden.quot;
âIk heb reeds met de heeren van Schwerin en Seidel er over gesproken,quot; antwoordde Burgsdorf zuchtend, âwant de zaak is dringend, er is geen tijd te verliezen.quot;
âEn het resultaat uwer bemoeiingen?quot;
âIs zeer slecht, doorluchtigheid. Gij weet dat de landskassen ledig zijn en de land- en waterwegen zijn reeds zoo met tollen bezwaard, dat verhoogen niet meer mogelijk is. Het laatste hulpmiddel zal zijn, dat uw doorluchtigheid zich nog eens tot het hertogdom Pruisen wendt en daar nogmaals beproeft geld te bekomen. Mijnheer von Schwerin heeft reeds een schrijven aan de heeren Stenden van Pruisen opgesteld, om een hernieuwde bewilliging van vijfduizend thaler.quot;
âEen aardige som,quot; riep de keurvorst lachend. ,,Ik wenschte maar, dat wij in staat waren de hardnekkige en neuswijze Stenden tot deze belasting over te halen!quot;
âIk denk wel, dat de heeren Stenden in hunne vreugd over uwe doorluchtigheids verloving niet weigeren zullen om te doen wat gij gebiedt, genadige heer. Ik heb hier het schrijven; zoo uw genade het beveelt, kan ik het haar ter onderteekening voorleggen!quot;
âHoe haastig zijt gij allen toch, als het geldzaken betreft,quot; zei de keurvorst lachend. âWelnu, ik wil het schrijven onderteekenen, na vooraf gelezen te hebben.quot;
âUw schrijven is zeer goed gesteld,quot; zei Friedrich Wilhelm lachend, toen hij gelezen had, âmaar als men geld begeert moet men tegenover degenen, die het geld zullen
211
geven, niet zoo hoogmoedig en gebiedend optreden, maar men moet dan streelen en vleien, hoe gaarne men ook krabben wilde.''
âMaar uw genade is tuch altijd de regeerende heer, en de opperraden zijn uw beambten en dienaren.quot;
âWel mijn beambten, maar niet mijn dienaren. Als de dienaren het recht bezitten hun meester geld te geven of te weigeren, worden de dienaren eigenlijk meesters en zij zijn het, die in zijn plaats regeeren. De constitutie in Pruisen geeft aan de opperraden en Stenden het recht mij belastingen le bewilligen of te weigeren, en dat is zeer lastig, want de heeren Stenden zijn een zeer hoogmoedig, dom volk, dat zich met alles bemoeit en zich verbeeldt, dat zij alles begrijpen en beter weten dan ik. Dat moet anders worden! Voor heden moeten wij het nemen, zoo het is, wij moeten niet krabben, maar streelen. Geef mij het papier. Ik zal het teekenen en er nog een enkel woordje bijvoegen.''
De keurvorst nam de pen en nadat hij met groote krullen zijn naam geleekend had, voegde hij bij den tekst nog als naschrift.' âGij zoudt ons een groot genoegen doen, ten deze alles aan te wenden, om de gelden spoedig bijeen te brengen en in wissels op Amsterdam over te zenden. Ik zal dit later genadiglijk in dank erkennen.quot; ^ âIk hoop, dat de opperraden gehoorzamen,quot; zuchtte de opperkamerheer. âWij hebben noodzakelijk geld noodig. Want ik moet uw doorluchtigheid bekennen, dat de heeren hier in Holland zeer slimme vossen zijn, en er de zaken niet zoo glad gaan als ik hoopte. Gisteren was ik te Amsterdam, om de kant^ het lluweel en satijn voor uwe huwelijkskleeding uit te zoeken en bij de juweliers daarvoor de paarlen en edelsteenen te koopen. Maar, zou uw genade het wel willen gelooven, al deze heeren verklaarden zich bereid de bestellingen aan te nemen, en beloofden alles nauwkeurig in orde te zullen brengen, onder voorwaarde, dat zij de goederen niet anders dan tegen contante betaling zullen afleveren.quot;
âDeze voorwaarde is onbeschaamd, maar niet dom,quot; riep de keurvorst lachend, âwant het zou misschien mogelijk
1) Zie; Von Orlitz, Gescbiohte des Preussischen Staates, 1. 534.
212
kunnen zijn, dat wij van de heeren een tamelijk lang cre-diet begeerden. Hopen wij dus, dat de Stenden van Pruisen ditmaal reden verstaan en ons spoedig de gewenschte wissels zenden!quot;
Deze hoop werd zeker vervuld, want de juweliers, zijdehandelaars en kleermakers leverden den huwelijksdos en de sieraden op den gezetten tijd. Den zevenden December ^ 1646 had de huwelijksvoltrekking van het jonge keurvorstelijke paar plaats.
Een stil huwelijksfeest, want de ziekte van prins Fre-derik Hendrik, den vader der bruid, was verergerd en men zag een spoedigen dood tegemoet.
Een stil huwelijksfeest, want Louise Henriette hield niet van openbaar praalvertoon, en haar edel, verstandig gemoed behoefde geen uiterlijken glans om haar liefde en geluk te laten zien. Zij droeg het zonnelicht in haar hart en haar lachende lippen en haar liefelijk zwijgen waren welsprekender getuigen van haar geluk dan de luidruchtigste vroolijkheid.
Doch hoe stil het huwelijksfeest ook was, was het toch nog altijd statig en schitterend genoeg, en de jonge keurvorst wilde de gelegenheid niet laten voorbijgaan om zich aan de heeren in al den glans van zijn vorstelijke waardigheid voor te doen.
Hij droeg een gewaad van wit atlas; doch van de stof was slechts weinig te zien, zoo dicht was zij met echte paarlen en fonkelende brillanten bezet, zoo prachtig was het met gouddraad geborduurd en op alle naden met kostbare gouden kant bezet. Ook de wit satijnen broek was rijk met goud geborduurd en aan de knieën en zijnaden met brillanten en kanten versierd; op de schoenen met de rood marokijnen hakken, die de met wit zijden kousen bekleede voeten omsloten, fonkelden een paar gespen met de schoonste brillanten.
Niet minder fraai was het gewaad der bruid. Zij droeg een kleed van zilverlaken, geheel overtrokken met Brus-selsche zilveren kant van het allerfijnste weefsel en kunstig gestikt met paarlen en brillanten. Achter haar ruischte een met goud geborduurden satijnen sleep, van acht el
1) Naar de toenmalige tijdrekening; volgens den ouden kalender op den 27 November.
213
lang, die door acht jonge gravinnen werd gedragen. Op het hoofd droeg zij een kroon van goud, geheel bezaaid met paarlen en brillanten; een sluier van de fijnste gouden kant viel van de kroon neder en omhulde haar geheele gestalte.1)
Het was een heerlijk paar! Liefde, jeugd, schoonheid en gezondheid blonken van beider aangezichten, het was een genot hen te zien en het meest verheugden zij zich zei ven in hunne wederkeerige aanschouwing.
Toen de keurvorst hand in hand met zijn bruid voor het altaar stond, en zij beiden met blijmoedige stem het verbindende jawoord gesproken hadden, zag Friedrich Wilhelm met schitterende oogon naar zijn bruid en in zijn borst sprak het luide: âGezegend uur, waarin mijn hart een geliefde vrouw en mijn volk een edele lands-moeder wordt gegeven. Moge het haar en mij gelukken, volk en land sterk en groot te maken!quot;
1
Orlitz, I. 535.
INHOUD.
EERSTE BOEK. HUWELIJKSREIZEN.
Bladz.
I. Een familiefeest.........3
II. Boete............9
III. Broeder en zuster........-21
IV. Het huwelijksvoorstel........28
V. De gezant van Frankrijk.......43
VI. Het laatste afscheid........58
VII. Keurvorst en bedelaar........68
VIII. De terugkomende Postillon d' Amour .... 81 IX. Nood breekt yzer, nood leert bidden .... 96
TWEEDE BOEK.
PRINSES LOUISE VAN ORANJE.
I. In den Haag..........109
II. Een gehuwd liefdepaar ....... 118
III. De wandeling.............131
IV. Het wederzien..........147
V. De uitdaging..........155
VL De ontvoering..........168
VII. In het Chineesche paviljoen......181
VIII. De bekentenis..........190
IX. Het huwelijk..........206
,
I
⢠r
'
p â
â
r. I
: -
â
I
,
i