|
Vak 152 |
Ij | |||
|
mmmmmrnmmmmmmmmmmmmmmmmmmmmMBmmmmmm : | ||||
|
LOUISE MÃHLBACH'S | ||||
|
historische Romans | ||||
|
Bewerkt door IVT. K. gt; |
:: | |||
|
\ De Groote Keurvorst en zijn tijd |
â \ | |||
|
DE GEOOTE KEURYORST M ZIJSE KIÃfDEREU. |
\ | |||
|
b 1] |
gt;; * * f31 NIJMEGENâARNHEM. EBRs. E. amp; M. COHEN. 11 |
j; 1 |
» | |
|
'} |
a 1 - ..-v ' f | |||
D
p.
DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN TIJD.
DE GROOTE KEURYOKST EN ZIJNE KINDEREN.
ii.
DE GROOTE KEURVORST EN ZIJN TIJD.
GESCHIEDKUNDIGE ROMAN
door
L. MÃHLBACH.
Bewerkt door M. K.
DE GROOTE KEURVORST EN ZIJNE KINDEREN.
TWEEDE DEEL.
vieede veel verbeterde drük.
Nijmegen amp; Arnhem, Gebr. E. amp; M. COHEN.
DERDE BOEK.
ORR. rut
DE STIEFMOEDER EN DE KEURPRINS.
BIBUOT-.CA \ CONV. WUCHENS i
vlJ
Mühltach, De groot.c Keurvorst en zijn tijd. VI.
DERDJE BOEK. DE STIEFMOEDER EN DE KEURPRINS.
T.
»
DE OUDE DERFFLINGER.
Er is troost voor alle smart, verzachting voor alle pijn. Voor de vrouw is het de traan, voor den man is het de daad! Het moge der vrouw betamen zich in eenzaamheid met gevouwen handen aan haar droefheid over te geven, de man moet die overwinnen in vernieuwden strijd met het leven!
Gestreden heeft de keurvorst Friedrich Wilhelm met zyn droefheid in lange smartelijke nachten, hij heeft zich niet over de tranen geschaamd, die hij om het verlies van den geliefden zoon stortte.
Maar de oorlogskreet heeft hem gewekt uit zijn rouw. Als de roep der trompet heeft het in zijn ooren geschald; âDe Zweed is in de Mark gevallen! De Zweed vermoordt, uw onderdanen, en stort jammer en wee uit in de ongelukkige Mark!quot;
Toen de keurvorst te midden zijner smart dit vernam, heeft hij zich opgericht, de tranen uit zijn oogen geveegd en het verdriet uit zijn hart geschud, de treurende vader heeft zich weer herschapen in den strijdvaardigen, moedigen held.
Do Zweden hebben den keurvorst gewekt uit zijn droefheid en zijn oogen hebben zich g-ewend naar de Mark, naar zijn landen en provinciën. Koeriers vliegen hem vooruit en berichten de benarde provinciën, dat de keurvorst zal komen om zo te helpen; ze bevelen den commandanten
4
van Berlijn, Spandau, Küslrin en Peitz de vestingen in slaat van beleg le stellen, de burgers ter verdediging der steden, den adef lot het leveren van paarden en krijgsbehoeften op te roepen.
Hij zelf verlaat de winterkwartieren in de Paltz en trekt met zijn leger op naar zijne landen. De hertog van Bournon-ville, 's keizers veldheer, moge den schijnbaren oorlog tegen Frankrijk nog langer voortzetten, de generaals der geallieerden mogen in den krijgsraad nog langer twisten over 't geen zij doen kunnen en doen willen, om ten laatste niets te doen! De keurvorst is het moede nog langer aan dezen slependen oorlog deel te nemen!
âDe Zweed is in Pommeren en in de Marken gevallen! Dit geeft den keurvorst eene welkome gelegenheid uit d(? Paltz te trekken, zich vrij te maken van den gemeen-schappelijken strijd melde geallieerden, en terug te keeren naar zijn eigen land.
Het is noodig, hoog noodig, dat de keurvorst zelf komt. Hulp is noodig en hulp kan hij alleen brengen, hij, de landsvader, de held!
De burgerij in de steden beelt voor de opvordering om gewapenderhand den vijand terug te dringen. Zij mort over zulk een eisch en verklaart allerwege dat het beter is met den vijand te capituleeren en zich aan zijn genade over te geven, dan tegen hem te strijden, daar men zeker kan zijn van eene nederlaag.
De ridderschap weigert haar plicht te vervullen, paarden en manschappen te leveren, werfgelden te betalen of zelf als hoofd op te treden en met hun lieden kleine vrijkorpsen te vormen.
De boer alleen wil zich verdedigen. Hem geeft de vertwijfeling moed en kracht! De Zweden verwoesten zijn land en verbranden zijn huizen. De Zweed rooft, plundert en moord! Het zijn geen beschaafde krijgslieden meer, het zijn bloeddorstige rooverbenden, die voor geen misdaad, geen gruwel terugdeinzeh! Gruwelen wordendoor hen in' 't ongelukkige Pommeren gepleegd, zooals de invallende Wandalen ze eens volbrachten. De geldgierige Zweden willen het arme, door lange oorlogen, misgewas en dure lijden verarmde landvolk geld en schatten afpersen, en om de boeren tot betaling te dwingen en tot overgave
«
van het begraven gold, geeft men hun den Zwedendrank in, dat is, men giet hun, door een in den mond gestoken trechter, walgelijk vocht in den hals, waarvan zij stikken moeten, zoo zij niet bekennen ! Maar zij kunnen geen geld uitleveren, omdat zij 't niet hebben! Dit maakt de Zweden nog woedender, nog wreeder, zij willen zich wreken over hun ijdele hoop. Langzame, smartelijke folteringen verzinnen zij, zij pijnigen de mannen niet alleen, maar ook de vrouwen en kinderen brengen ze langzaam ter dood, begraven ze tot aan de schouders in de aarde en.schieten dan op de uitstekende hoofden, spijkeren de vrouwen met de handen of de ooren aan den muur en schieten op haar of geeselen ze dood!
De ellende schreit-ten hemel, geen hulp is te verwachten, men moet zich zeiven helpen.
De boer doet wat noch burger noch ridder heeft gedaan. De boer wapent zich. Hij trekt op ten strijde tegen den moordenden vijand. Zeisen en hooivorken zijn zijne wapens; maar door sterke vuisten gevoerd, kunnen deze wapens dood en verderf in de gelederen des vijands brengen. Veldwachters en jachtopzieners zijn de aanvoerders, maar in den gemeenen man steekt vaak een veldheersziel en het soldatenhart klopt moedig, zelfs zonder uniform en officiers-brevet. Van grof linnen zijn de vaandels vervaardigd, maar een groene eikenkrans is op 't linnen geschilderd en in 't midden van den krans staat met duidelijke, groote letters geschreven: âWij zijn boeren van weinig goed, en dienen den keurvorst met lijf en bloed!quot;
Dat is hun oorlogskreet! Daarmede stormen zij tegen den vijand in en verjagen hem uit hun dorpen, en de Zweden vluchten in de Marksche steden en vestingen, die gewillig en bevond de poorten voor ben openen.
Houdt zoo vol, dappere boeren! Hoopt en vertrouwt op uw keurvorst! Hij zal komen om u te verlossen en u te wreken! Hij kent uw ellende, hij heeft ook van uw dapperheid gehoord, en toen men hem verhaalde van het opschrift op uw vaandels, vervulde een vrome aandoening zijn hart en tranen van vreugd kwamen in zijn oogen over zijn trouwe, dappere onderdanen. Wacht zoolang tot de keurvorst zijn verdragen en traktaten met de geallieerden hernieuwd, en zich met hen vereenigd heeft
6
lot een gemeenschappelijken aanval tegen de Zweden.
En daarna snelt de keurvorst met zijne benden naar zijne landen. Onafgebroken voorwaarts, nergens wordt gerust en getoefd, steeds voorwaarts naar den vijand. Overal, waar de keurvorst komt, spoort hij de lieden tot handelen aan. De burgers staan op om te strijden, predikanten en vrouwen vallen op de knieën om te bidden.
Een algemeene vast- en^ bededag wordt uitgeschreven in de Mark en het Maagdenburgsche, en het bevel luidt: âOp den tienden Juni zullen noch menschen, noch vee spijs of drank tot zich nemen. Ieder zal bidden en boeten, om Gods genade en hulp te erlangen.'7
De keurvorst komt om met de vastenden te bidden, en met de moedigen te strijden! Op den elfden Juni is hij te Maagdenburg aangekomen; zoo snel zijn de marschengeweest, dat de vijand niets van zijne nadering heeft vernomen. Onbezorgd liggen de Zweden in hun uitgestrekte kwartieren van Potsdam tot Havelberg, zij vermoeden de nadering van het keurvorstelijke leger niet, slechts zwak houden zij de vesting Rathenow bezet.
Stil, gij lieden in Maagdenburg! Stil, brengt uwen keurvorst geene groeten, jubelt en zingt niet, maar houdt u stil, opdat de Zweden worden verschalkt! Sluit de poorten der vesting, opdat niemand den vijand bericht kunne brengen. Verwijdert alle booten naar den linker Elbe-over en laat ze streng bewaken, opdat geen verrader vertrekken kan om de Zweden te waarschuwen!
Zoo het ons gelukt de vesting Rathenow te overrompelen en de Zweden er uit te verjagen, dan hebben wij iets grootsch verricht, want dan zijn de voorposten van den linkervleugel der Zweedsche armee van die des rechtervleugels gescheiden, dan hebben wij het kordon verbroken, en quot;is dat geschied, dan zullen wij wel verder komen.
Rathenow moet overrompeld worden! Rathenow moeten wij het eerst den Zweden ontnemen. Bidt voor de dappere benden, die bij 't aanbreken van den dag opmarcheeren met den keurvorst aan de spits, en aan zijn zijden den veldmaarschalk, de oude Derfflinger! Het is een lange weg, de weg naar Rathenow! Twee dagen onafgebroken marcheeren, twee dagen, terwijl er onafgebroken regenstroomen neder-vallen op het marcheerende leger.
De soldaten verdragen het met standvastigheid en moed, want de keurvorst verdraagt het met hen, trotseert alle vermoeienissen en bezwaren. Eindelijk op den avond van den derden dag is het doel, is Rathenow bereikt. Stil en vreedzaam ligt liet daar, en de Zweden vermoeden niet, dat de vijand zoo dicht bij de vesting is. Mij moet het ook niet vermoeden, vóór het juiste uur gekomen is! Eerst moet de geheele vesting omsingeld zijn, eerst moeten de troepen aanrukken, om den aanval tegelijk op alle poorten te kunnen beginnen. Dan is het tijd, dan zal de Zweed gewaar worden, dat de Brandenburgers er zijn om wraak te nemen.
Aan de zijde van den keurvorst rijdt een jongeling â een jongeling met lang golvend wit haar, witten baard, gerimpeld gelaat en gebogen rug, maar met vlammende oogenen stoutmoedig gezicht, een jongeling van drie-en-zeventig jaren! Het is de oude Dertïlinger, vroeger kleermakemgezel, thans veldmaarschalk van den keurvorst van Brandenburg, vrijheer bij 's keizers genade. Hem klopt het hart zoo moedig en koen in de borst, dat hij niet kan wachten tot de regimenten aangekomen zijn. Bij 't aanbreken van den morgen van den vijftienden Juni stijgt hij te paard, en slechts van eenige dragonders vergezeld rent hij voorwaarts tot aan de voorste ophaalbrug. Gelukkig, dat hij, toen hij op zijn ambacht reisde, ook in Zweden is geweest, en als soldaat daar de Zweedsche taal leerde. Zijn geheugen is goed, zijn hart vroolijk en met een vroolijke grap in goed Zweedsch wil Derfilinger de vesting Rathenow veroveren!
Hij rent op de brug toe, met een angstig gelaat en ontstelde gebaren, âHei, wacht,quot; roept hij in 't Zweedsch. âHei, open mij om Gods wil de poort!quot;
âWie zijt ge?quot; roept de schildwacht terug, die den in een grijzen mantel gehulden oude niet kennen kan.
âOm Gods wil,quot; roept Derfilinger, âvraag niet lang, maar laat de valbrug neer. Ik ben een Zweedsch officier, en met mijn manschappen ter veldontdekking uitgereden, zijn wij door de Brandenburgers ontdekt. De Brandenburgers komen, de Brandenburgers vervolgen ons ! Om Gods wil, zie slechts, zij rukken aan, de Brandenburgers! Open, open! of ik ben verloren!quot;
De schildwacht ziet naar buiten in den schemerenden
8
morgen, en ziel ze inderdaad uam ukken, in lanye, eeslolon gelederen!
âüpen, draal niet langer! Open, red ons voor de Brandenburgers.quot;
De valbrug wordt neergelaten en nu rent de oude Derfllinger er over met zijn vier dragonders! Hoera! Het zwaard uit de schede! Hoera tot den aanval!
Het zwaard van den veldmaarschalk suist door de lucht en treft het hoofd van den Zweedschen schildwacht, zijn begeleiders houwen op de overige manschappen der wacht in.
De poort is weldra veroverd, de dragonders rennen voorwaarts; niemand kan het hun meer beletten, want de ophaalbrug behoort den brandenburgers, de ingang der stad is aan deze zijde open! De oude Derfllinger heeft de vesting Rathenow overrompeld, hij rent met zijn dragonders de stad binnen, en allen die zich tegen hem stellen, worden nedergesabeld!
Ook aan de andere poorten is het levendig geworden. Daar hebben de Brandenburgers met geweld den ingang vermeesterd. Sommige Zweden, door het rumoer gewekt, zijn. ongekleed op de straten gevlucht en worden door de Brandenburgers neergesabeld, geen pardon wordt gegeven aan den gehaten vijand. Wraak wordt genomen voor de gemartelde boeren in de Mark!
Men stormt de huizen binnen, maar de moedigen ontfermen zich over de weerlooze slapenden. Zij werden ge â vangen gemaakt!
Rathenow is verwonnen, niemand vertoont zich meer op de straten, men waagt het niet den Brandenburgers tegenstand te bieden; slechts dooden of gevangenen zijn nog in Rathenow.
âNa den arbeid is het goed rusten,quot; denkt de oude Derfllinger en verwijst zijne dragonders naar het raadhuis, om daar van den kwartiermeester hun inkwartieringsbil-jetten te ontvangen.
Hij zelf rijdt naar het raadhuis, om er den burgemeester van Rathenow te ontbieden, ten einde hem te zeggen, dat hij te zorgen heeft voor goede kwartieren, en den inwoners aanbevele de dappere Brandenburgsche dragonders goed te verplegen.
9
Muar hij behoell niot eens om den beer buryemeesttT van Uathenow te zenden. Zelf komt deze reeds aanluopon, met ontsteld gelaat en bevend aan al zijne leden.
âAch mijnbeer de veldmaarschalk, ontferm u over onze arme Stad! Ontferm u ook over mij, uw zeer onder-danigsten en gehoorzaamsten dienaar. Behoed mij voor uwe dragonders, heer veldmaarschalk! Ik wil alles doen wat gij begeert, er op aandringen dat men uwe soldaten goed ontvangt en behoorlijk verpleegt, ontferm u slechts over uw onderdanigen knecht. Maak voor hem een uitzondering en verschoon hom van inkwartiering Op mijn knieën smeek ik om genade, heb medelijden met mij, en laat mijn huis bevrijd blijven van inkwartiering!quot;
De bevende man valt op zijn knieën neer, en de kleine zwakke gestalte kromt zich aan de voeten van den veldmaarschalk, aandoenlijk heft de burgemeester zijn magere handen op en smeekt om vrijstelling voor zich en zijn huis.
De oude Derfflinger ziet vorschend en glimlachend op hem neder, strijkt den langen witten snorbaard door zijne vingers en glimlacht sluw en vergenoegd.
âZijt gij de burgemeester van Rathenow?quot;
âJa, uw genade, sedert vijf jaren, vraag slechts de burgerij of ik niet een goed en rechtschapen burgemeester ben. Maar ik ben buitendien ook lakenkoopman en drijf in mijn huis den lakenhandel. Mijn gansche rijkdom zit in mijn winkel, en als ik inkwartiering krijg, en de soldaten in mijn winkel komen en hem plunderen, ben ik een geruïneerd, een verloren man.quot;
âOch kom, heer burgemeester, men wordt niet zoo licht geruïneerd, wie slechts moed heeft, uit dien kan altijd nog iets goeds worden! Sta op, man, en huil en beef niet zoo.quot;
âGenadige heer, veldmaarschalk, ik sta niet eerder op, voor gij mijn bede verhoord hebt!quot;
âHeer burgemeester, als ge daar op uw knieën blijft liggen en nog langer zoo kermt en klaagt, en niet terstond een vergenoegd gezicht zet en bedaard en vroolijk met mij praat en babbelt, zend ik dadelijk twintig mijner dragonders ter inkwartiering naar uw huis, en geef hun verlof om uw geheelen lakenwinkel te plunderen.quot;
De burgemeester springt op, en zijn bevend gelaat ver-
10
trekt zich om ei' vroolijk en vergenoegd uit te zien, hoewel zijti knieën knikken en zijn kin beeft!
Genadige heer veldmaarschalk, daar sta ik weder op ⦠mijn beide voeten en ben buitengewoon vergenoegd en vroolijk te moede, ik lach, haha, ik lach! Wilt ge nu wel zoo genadig zijn, mij een paar woordjes van uw hand te geven, die verklaren, dat de burgemeester van Rathenow vrij is van inkwartiering en niemand zich vergrijpen mag aan zijne balen laken?quot;
âWij willen zien, burgemeester. Wij zullen eerst een kwartiertje genoeglijk met elkander praten en dan zal ik u mijn antwoord zeggen! 'tis u immers niet ongevallig met mij te praten?quot;
âliet is mij een eer, een onuitsprekelijke eer! Als uwe dragonders in dit genoeglijk kwartiertje maar niet in mijn huis dringen en mijn winkel plunderen.quot;
En terwijl hij dit zegt, trekt zich zijn vergenoegd gezicht angstig te zamen en zijn handen beginnen weder te beven.
âHeer burgemeester, als ge niet een kwartier genoeglijk met mij praten kunt, zend ik mijn dragonders in uw huis om er nieuwe wambuizen uit uw winkel te halen.quot;
âSpreken wij er niet meer van, mijn lieve heer veldmaarschalk. Waarom met zulke schrikkelijke dingen ons het genoeglijk kwartier te verbitteren. Uw genade is een al te joviaal en nederbuigend heer, en 't is voor den armen burgemeester van Rathenow een groote eer met u te mogen praten. Is u reeds vroeger in Rathenow geweest?quot;
âNeen,quot; lachte Derfllinger, en draaide weer den langen witten snorbaard door de knokkige vingers, âneen, ik ben nog nooit te Rathenow geweest, maar ik ben eens te Leitmeritz geweest.quot;
De burgemeester ztet den veldmaarschalk verwonderd aan. âTe Leitmeritz? Wat deedt u daar, in dat kleine, afschuwelijke nest?quot;
âIk lag er op stroo in mijn nachtkwartier, ik trachtte te slapen, maar kon niet!quot;
âO, hoe grappig is mijnheer de veldmaarschalk. Uw genade zou tot nachtleger stoo hebben gehad?quot;
âJa stroo, heer burgemeester, en het stroo was niet eens voor mij alleen, want ik moest dit nog met drie anderen
11
deelen. Met una vier kleermakersgezellen hadden wij den gehéelen dug te voel gereisd en dus was 'l natuurlijk dat wij, vier 1lt; leer makersgezellen, ook te zamen ons stroo op den hooizolder met elkander deelden.quot;
De burgemeester stoof aehteruit. âKleermakersgezellen ! Uw genade was vroeger âquot;
âK leermaker, mijnheer burgemeester van Rathenow. Maar 't behaagde mij niet op de snijderstafel te zitten en de el te hanteeren. Ik verlangde naar een moedig paard en naar een zwaard, ik droomde hiervan menigen nacht, ik dacht aan niets dan aan krijgs- en slaggewoel, terwijl ik mét den knapzak op den rug rondtrok of met gekruiste heenen op de tafel zat en de naald hanteerde. Zoo gebeurde 'f dan ook, toen ik met de drie andere kleermakersgezellen oi» het stroo te Leitmeritz lag, dat ik volstrekt niet slapen kon, ik dacht altijd aan hel fraaie soldatenregiment, dat wij dien dag ontmoet hadden. Ik wierp mij heen en weer, maar kon den slaap niet vatten; dit verdroot den kameraad, die naast mij op het stroo lag.quot;
âMijn hemel,quot; mompelt de burgemeester, en kijkt den veldmaarschalk aan met groote oogen, wijkt langzaam meer en meer van hem terug, als ware hij een spook, dat hij eensklaps voor zich ziet.
âWat deert u burgemeester? Waarom ontstelt ge zoo? Kent ge deze geschiedenis soms?quot;
âIk geloof dat ik ze ken, heer veldmaarschalk.quot;
âNu, als ge ze kent, verhaal ze dan maar verder, burgemeester.quot;
âünrfiogelijk, uw genade, geheel onmogelijk,quot; kei mde de burgemeester.
âDan zal ik het zelf doen,quot; lachte Derfflinger. âIk heb u dan verhaald, hoe het kwam, dat een mijner slaapkame-raden, die naast mij lag, niet in slaap kon komen. Hij begon op mij te vloeken en vroeg mij verstoord, waarom ik zoo onrustig was. Ach Godj gaf ik hem ten antwoord, ik denk nog altijd aan het fraaie ruiterregiment, dat wij heden gezien hebben, en kan niet slapen, omdat het mij zoo in 't hoofd maalt, dat ik gaarne een kavallerie-generaal zou willen worden. Toen ik dit gezegd had, lachte mijn slaap-kameraad luidkeels en zei â Nu, burgemeester, zoo ge mij niet dadelijk woord voor woord verhaalt, wat de slaap-
42
kameraad, de klcermakersgezel, mij toenmaals op het stroo te Leitmeritz gezegd heeft, laat ik mijn dragonders uw lakenwinkel plunderen en leg bij u zooveel kerels in kwartier, dat gij er zeker niet best zult afkomen.quot;
âHeb barmhartigheid, heer veldmaarschalk, ik weet waarlijk niet, wat de kleermakersgezel u toen geantwoord heeft!quot; âGe weet het wel, burgemeester, spreek dus haastig, zoo ge niet wilt, dat ik mijn dragonders in uw huis zend. Wat zeide de kleermakersgezel tot mij, toen ik verklaarde, dat ik generaal zou willen worden?quot;
âHij zeide,quot; stamelde de burgemeester, âhij zeide â ach heer, ik kan het niet herhalen.quot;
âDan zend ik de dragonders.quot;
âNeen, uw genade, ik wil 't bekennen ! Hij zeide; âMijn lieve kameraad, gij raaskalt, gij.quot; â
âDat is niet waar!quot; âLomperdquot; heeft hij tot mij gezegd.quot; âNu ja dan.quot; âLomperd, gij raaskalt! Met uw snijders-courage zult ge levenslang een ellenruiter blijven en geen generaal worden!quot;
âJuist zoo,quot; lacht de oude Derftlinger. âJuist, dat heeft hij gezegd, de verduivelde kleermakersgezel!''
âGenade, excellentie, genade! Vergeef mij deze vermetele woorden. Ik kon niet weten.quot; â
âNeen, ge kondt niet weten, dat van den ellenruiter toch nog iets anders zou worden. Maar ge hebt toch de waarheid voorspeld, want er is geen generaal van mij geworden, maar een veldmaarschalk! De lomperd van toen is een keizerlijk baron geworden. Nu, burgemeester, zet maar niet zulk een erbarmelijk gezicht. Wij hebben waarlijk een recht genoeglijk kwartier te zamen doorgebracht, en uit dankbaarheid daarvoor zal ik twee schildwachten voor uw deur plaatsen en geen onzer soldaten zal over uw drempel komen. Zijt gij nu tevreden, kameraad.quot;
âNeen, heer veldmaarschalk, ik ben niet tevreden,quot; antwoordt de burgemeester, die, nu hij dezevei'zekering had ontvangen, zeer vroolijk en cordaat zag. âNeen, waarlijk, heer veldmaarschalk, ik ben niet tevreden.''
âWat wilt ge dan nog, kameraad? Spreek maar ronduit, als ik een ouden kameraad helpen kan, zal't geschieden?quot;
âGij kunt hem helpen, heer veldmaarschalk gij kunt hem tot een gelukkig mensch maken! Wij hebben destijds
13
te Leitmeritz te zamen op stroo geslapen, laat ons thans ten minste in één huis slapen. Gij zijt een voornaam baron, en veldmaarschalk geworden, ik ben een ellenri.iiter gebleven en hierbij nog een klein burgemeestertje geworden, maar mijn hart zit toch op de rechte plaats, en âquot;
âKameraad, zooeven zat het u toch niet op de rechte plaats, toen was 'tu in de schoenen gezonken,quot; lachte Derfllinger.
âNu ja, ik ben ook maar een ellenruiter. Doch nu is mijn hart weer op de rechte plaats en 't verheugt zich over uw grootheid en gunt u gaarne de heerlijkheid en pracht. Een bijzondere eer en vreugd zal het mij zijn, zoo de heer veldmaarschalk kwartier wilde nemen in mijn huis en onder mijn nederig dak.quot;
âGoed, kameraad, ik neem uw aanbod aan, en zal den volgenden nacht bij u aan huis slapen. Nog één ding wil ik u beloven.quot;
âWat dan, heer veldmaarschalk?quot;
âIk wil ii beloven, dat ik uw nachtrust door mijn droo-men niet meer zal sloren!quot;
14
II.
DE VELDSLAG VAN FEflRBELLlN.
Twee dagen rust had de keurvorst aan zijn troepen te Ratlienow verleend; twee dagen, om zich te herstellen van de snelle marschen en krachten te verzamelen voor nieuwe daden.
Daarna klonk de alarmtrom weder door de straten, toen verzamelden zich de regimenten, die in en buiten de stad lagen, toen vlogen de boden en koeriers naar alle zijden en brachten aan de generaals en bevelhebbers de dagorder en plannen van den opperbevelhebber.
âDe vijand moet vervolgd worden! Hij tracht, zooals de boden mij berichten, zich bij Fehrbellin te verzamelen en de overgangen van den Rijn te bezetten! Wij moeten den vijand dwingen stand te houden en slag te leveren, wnnt over Fehrbellin gaat onze weg naar Berlijn!quot;
Dit was de dagorder van den keurvorst; hiernaar had hij al zijne plannen gericht, zijne legerhoofden bevelen gegeven. Eindelijk zou het tot eene beslissing komen tus-sclien hem en de Zweden; eindelijk zou hij óf revanche nemen voor veeljarige nood en kwelling, of op het slagveld sterven voor land en volk.
Hij wenschte niet naar den dood! Hij had nog veel te voltooien, hij had nog zooveel te volbrengen ter eere van zijn huis, tot heil van zijn volk, hij had nog zoo weinig kunnen uitvoeren. Zijn leven was een voortdurende strijd geweest, een onafgebroken oorlog tegen overmachtige vijanden. De kleine keurvorst had zoo gaarne een groot keurvorst willen zijn, maar iederen voet grond had liij moeien bevechten, elk lauwerblad had hij zijn ijverzuchtige, afgunstige vijanden moeten ontwringen. Niemand gunde hem
45
vooruit le komen, allen waren hem vijandig gezind, niet alleen de Zweed, de Pool en de Franschman, maar ouk degenen, die zich thans zijne vrienden noemden. Of waren soms de Duitsche vorsten den keurvorst, van Brandenburg genegen, die het waagde lien te overvleugelen en een gewichtiger stelling in te nemen dan een van hen? Of was de Duitsche keizer hem goed gezind, en bood den voor-uitstrevenden vorst de hand en wilde hem bevorderlijk zijn op zijn weg, in zijn roemwaardig pogen? Nog nooit had de Duitsche keizer hem eerlijk en oprecht zijn deelneming betoond, de keurvorst wist zeer goed, dat men 't in Weenen met genoegen vernemen zou, als de gevaarlijke keurvorst door de Zweden werd verslagen.
Neen, de keizer zal den keurvorst nooit helpen en bevorderlijk zijn. Friedrich Wilhelm moet zich zeiven helpen.
En ik wil het!quot; riep de keurvorst op den morgen, toen hij op zijn schimmel aan de spits zijner troepen reed. âJa, ik zal mij zeiven helpen, en de Zweden zullen mij heden betalen voor jaren lange ellende, die zij mij berokkend hebben! Zij zullen mij óf een lauwerkrans óf een graf verschaffen.quot;
Hij gaf zijn schimmel de sporen en rende voorwaarts, den heuvel op, die voor hem lag. Zijn trouwe stalmeester von Froben reed aan zijn zijde, en achter hem draafde de lijftrawant Jakob Uhle.
Van den heuvel hoopte de keurvorst bet landschap te kunnen overzien en den vijand, dien men vervolgde, te ontdekken. Vergeefs! De morgennevel lag als een ondoorschijnende sluier over het geheele landschap! Geen spoor van generaal von Wrangel en ziju Zweedsche leger.
âNu,quot; prevelde de keurvorst voor zich, âde prins von Homburg zal hem wel vinden, want hij is ons reeds vier uren vooruit, en de dragonders van Derfflinger en Anhalt, welke hij aanvoert, zijn zeer moedige ruiters en zullende Zweden wel uit den morgennevel opjagen!quot;
âKeurvorstelijke genade,quot; zeide op dit oogenblik een stem naast hem, âveroorloof mij een woordje tot haar te spreken?quot;
âWat is het, Jakob Uhle? Wat hebt ge te zeggen?quot;
âDoorluchtigheid, mevrouwde keurvorstin heeft mij streng bevolen een scherp oog op u te houden en niet te dulden
IG
dat ge u weer zoo roekeloos aan de vijandelijke kogels bloot stelt, als uw doorluchtigheid gewoon is.'*
âGoed, heer lijftrawant, ge hebt nu het bevel van mevrouw de keurvorstin uitgevoerd en uw plicht gedaan. Nu kunt ge zwijgen.quot;
âNeen, doorluchtigheid, ik mag nog niet zwijgen,quot; ging Jakob Uhle moedig voort. âIk heb nog meer te zeggen. Ik wilde het van morgen reeds doen, maar het was onmogelijk uw doorluchtigheid een oogenblik alleen te spreken, maar hier op den heuvel'hoort niemand wat ik u van wege mevrouw de keurvorstin te zeggen heb, niemand dan de stalmeester Froben, en dat is een man, die uw doorluchtigheid even liet heeft als Jakob Uhle, hij mag dus wel hoo-ren wat ik u te zeggen heb en wat mevrouw de keurvorstin mij heeft bevolen uw doorluchtigheid op het hart te drukken.quot;
,,Nu,quot; riep de keurvorst glimlachend, âge zijt waarlijk een vermetele knaap, dat ge u verstout zoo te spreken! Zeg mij dan, wat hebt ge mij van wege mevrouw de keurvorstin te melden?quot;
Jakob Uhle haalde een klein pakje uit zijn valies.
âWat is dat?quot; vroeg de keurvorst glimlachend.
âGenadige heer,quot; antwoordde Jakob IJhle ernstig en bijna plechtig. âEen goed bevel heb ik u mede te deelen van wege mevrouw de keurvorstin Dorothea, uit haar naam, uit naam van uw lieve kinderen, uit naam van uw volk en uw land laat mevrouw de keurvorstin u vragen uw viltenhoed een oogenblik af te nemen en deze ijzeren kap er onder op te zetten, die haar keurvorstelijke genade voor u in Italië heeft laten vervaardigen.quot;
âOnmogelijk!quot; riep de keurvorst. âWat zou ik met dit ding doen! Als God in den hemel besloten heeft, dat ik vallen moet, kan mij deze ijzeren kap toch niet beschutten.quot;
âDoorluchtigheid,quot; riep Jakob Uhle ijverig, âin Gods be sluit ligt, dat ge dezen ijzeren kap zoudt opzetten, om niet gewond te worden.quot;
âGenadige heer,quot; bad de stalmeester Froben, âvervul den wensch van mevrouw de keurvorstin. Bescherm uw geliefd dierbaar hoofd, want het is het hoofd van uw land en uw volk. Met uw hoofd ging ook uw land en volk verloren!quot;
âBedenk,quot; zei Jakob Uhle, âdat mevrouw de keurvorstin
17
slellig ontevreden op uw genade zou zijn, zoo uw doorluchtigheid haar wil niet deed en de ijzeren kap niet opzette, welke zij voor zoo veel geld heeft gekocht.quot;
âAls ik dat bedenk,quot; glimlachte de keurvorst, âzal mij wel niets anders overblijven dan den wil van mevrouw de keurvorstin te doen. Geef hier de kap, ge moogt ze mij zelf opzetten, Jakob Uhle!quot;
De keurvorst nam den ronden, met witte vederen] versierden viltenhoed af en boog het hoofd een weinig.
Jakob Uhle haastte zich, hem de ijzeren kap op te zetten en terwijl hij dit deed, bad hij zacht; âHeer, God inden hemel, geef dat deze kap het hoofd van onzen geliefden heer bescherme voor gevaar! Maak dat de zwaarden van al zijn vijanden er op verpletteren!quot;
âA.men!quot; zei de keurvorst, terwijl hij zijne handen vouwde en zijne groote oogen met een vrome uitdrukking ten hemel sloeg. Vervolgens drukte hij schielijk den viltenhoed over de kap en rende toen voorwaarts den heuvel op.
âDe keurvorst ? waar isde keurvorst 7quot; riep men achterhem.
âHier! hier!quot;
Een ruiter kwam met lossen teugel aan rennen. Dicht voor den keurvorst bleef hij staan. âKeurvorstelijke hoogheid, mij zendt de prins van Hessen-Homburg. Hij laat u berichten, dat hij de Zweden gevonden heeft. Zij slaan nabij Linum en Fehrbellin in geen gunstige positie. De prins van Hessen laat uw doorluchtigheid derhalve dringend vei'-zoeken hem ten spoedigste versterking te zenden, om terstond tot den aanval over te gaan.quot;
âMaar ik,quot; riep de keurvorst, âbeveel den prins van Hessen-Homburg, zich in geen gevecht te begeven tot dat ik met het hoofdkorps aangekomen ben. Spoed u dit bevel aan den prins te brengen quot;
De ordonnans vloog heen, en de keurvorst draafde den heuvel weder af zijn generaals en stafofficieren te gemoet, om met hen krijgsraad te houden.
De stalmeester Froben bleefeen weinigjachter, hield zijn paard in en wenkte den lijftrawant Jakob Uhle tot zich.
âGe hebt den keurvorst lief, Jakob Ulhe?quot; vroeg hij.
âHeer stalmeester, âhij is mijn meester, mijn weldoener, en de vader van mijn lieven keurprins Carl Emil! Ik bemin den vader en den zoon!quot;
2
Mühlbach, De grooté Keurrorst en zijn tijd. VI.
18
âLuister. Wij zullen elkander ons woord geven, dat wij den keurvorst geen oogenblik verlaten, en hem beschermen zullen tegen zijne vijanden ! 't Is mij zwaar en angstig te moede, of er heden iets vreeselijks zal gebeuren. Mijn paard struikelde, toen wij wegreden. Dezen nacht heb ik in den droom den keurvorst met een groote wond in 't hoofd dood van zijn schimmel zien vallen'?quot;
âGod behoede ons in zijn genade!quot; stamelde Jakob Uhle verbleekend.
âMisschien heeft de droom mijwillenwaarschuwen.dat wij den keurvorst moeten beschermen,quot; zei Froben. Hij is een vermetel en moedig held, die niet let op eigen gevaar als hij tegenover den vijand slaat. Daarom Jakob Uhle, laten wij hem niet verlaten. Wij kunnen hem niet tegenhouden als hij op den vijand instormt, maar wij kunnen de sabelhouwen opvangen, die op zijn hoofd gemunt zijn. Willen wij dit, Jakob Uhle?quot;
,âJa heer staimeester, dit willen wij ! Waar hij gaat, gaan wij, en wat hij doet, doen wij !quot;
âStort hij zich op den vijand,quot; riep de stalmeester, âdan volgen wij hem na. Wordt hij omsingeld, dan bevrijden wij hem, valt hij, dan wreken wij zijn dood en vallen met hem! willen wij zoo handelen?quot;
âWij zullen het doen, heer stalmeester! Hier is mijn hand!''
âEn hier de mijne!quot; Twee krachtige handen drukken elk-andere, twee trouwe mannenharten zweren, zich aan den dienst van hun quot;meester le wijden tot den dood!
De krijgsraad is geëindigd. Friedrich Wilhelm heeft beslist. Er zal niet getoefd worden. Voorwaarts ten aanval! Trompetten schallen, trommen roffelen en het geheele leger stelt zich in beweging.
Daar klinkt van verre kanongebulder. De generaals houden stil en luisteren. Een blik vol toorn uit de oogen van den keurvorst.
De prins von Homburg heeft mijn bevel niet gehoorzaamd!quot; riep hij heftig. âHij heeft de Zweden aangevallen. Wee hem als de aanval mislukt. Voorwaarts! Wij moeten thans alles wagen om alles te winnen.quot;
Voorwaarts ging het in snellen marsch. Door den nevel ziet de vijand niet, dat de keurvorst op den heuvel bij
19
Hackenberg geschut opstelt, en een afdeeling dragonders tot bescherming er van laat afstijgen. Maar' toen de zon hooger steeg en de nevels daalden konden de Zweden beneden in de vlakte de kanonnen waarnemen, die van de hoogte den dood in hun gelederen brachten.
âDe kanonnen moeten genomen worden,quot; riep de Zweed-sche generaal von Wrangel tot de zijnen. In stormmarsch voerde de Zweedsche overste von Mahlzahn ruiterij en voetvolk tegen den heuvel op, en de lijftrawanten en het regiment Anhalt ijlden de Zweden tegen, maar werden geslagen en teruggedrongen. Zij vluchtten en de Zweden drongen vooruit tot voor de kanonnen. Met de sabel in de vuist verdedigden zich de dragonders van Derfflinger. Van het gevaar onderricht, snelde de prins von Hessen-Homburg met een regiment toe en joeg de Zweden terug.
In vollen galop was het regiment Anhalt den heuvel aan de andere zijde afgerend; nu rent hun een ruiter tegen met vlammend aangezicht en bliksemende oogen, den degen hoog in de lucht zwaaiende. Als de donder galmt zijne stem het vluchtende regiment toe en beveelt het te staan.
Maar de vrees voor den vijand is machtiger dan de toorn van den keurvorst. âDe Zweden zijn achter ons. De Zweden hebben overwonnen! Vlucht, vlucht!quot;
De keurvorst schreeuwt van woede, zijn schimmel drijft, hij midden onder de vluchtenden. Als de god des oorlogs, als de heilige Joris met opgeheven zwaard plaatst hij zich tegen den draak der lafhartigheid.
De draak wordt overwonnen. De stem van den keurvorst, zijn gelaat, zijn blik dwingt de vluchtenden tot staan én dwingt hun, zich bij den veldheer aan te sluiten, en opnieuw te luisteren naar de bevelen hunner officieren.
âDen vijand te gemoet!quot; riep de keurvorst, en jubelend herhalen zij: âden vijand te gemoet!quot;
Aan dé spits van de door hem zelf aangevoerde troepen snelt de keurvorst nu voorwaarts. Het regiment Anhalt had zich bij zijne troepen aangesloten en met gloeiend, van strijdlust vlammend gelaat reed de aanvoerder van dat regiment, de luitenant-kolonel Mörner, op den keurvorst toe.
âZijn doorluchtigheid gelieve mij te vergunnen met het
20
regiment Anhalt mijn plaats weder op den heuvel te nemen en de kanonnen te verdedigen. Het regiment heelt daar zijn eer verloren, maar het zal daar het verlorene terugvinden.quot;
âIk vergun het u, Möi'ner. Voer het Anhaltsche regiment naar de kanonnen, en zoo gij ze goed verdedigt, zal alles vergeven en vergeten zijn.quot;
âDoorluchtigheid,quot; riep de luitenant-kolonel, âik zweer liever te sterven dan den vijand het geschut te laten! Voorwaarts! Anhaltsche regiment! Voorwaarts! Den vijand te gemoet!quot;
Weer snellen zij den heuvel op; weer gaan zij den vijand te gemoet, die reeds een tweeden aanval had gedaan tegen de kanonnen.. âLiever sterven man voor man, dan den Zweden onze kanonnen laten!quot; riep Mörners krachtige stem, âvoorwaarts tegen de Zweden!quot;
Strijd, zwaardgekletter, woest gehuil, kermen van stervenden en gekwetsten!
De kogels fluiten, de kanonnen der Brandenburgers brengen dood en verderf in de gelederen der Zweden! quot; âDe kanonnen moeten wij veroveren, de heuvel moet ons zijn!quot;
En met vernieuwde woede stormen de 'Zweden den heuvel op.
Een vreeselijke jammerkreet gaat er op in de gelederen der Brandenburgers! De luitenant-kolonel is gevallen! Mörner is dood!
Weer deinst het Anhaltsche regiment, op nieuw grijpt vrees en ontzetting de harten der soldaten aan.
âDe aanvoerder is gevallen! Een kogel heeft zijn hoofd doorboord! Wee ons! Wee! Wij zijn verloren! Wij zijn verloren!quot;
Maar weer rent op zijn snuivenden schimmel do god des oorlogs voorwaarts met vlammend aangezicht, met bliksemende oogen, met hoog opgeheven zwaard.
âTroost u, dappere Brandenburgers,quot; roept de machtige stem. âIk, uw vorst, zal 'u aanvoeren, ik wil met u overwinnen of sterven!quot;
Nu juichen de zijnen, en het regiment Anhalt vindt zijn moed en beradenheid terug! De keurvorst zelf staat aan zijn spits en voert hen tegen de Zweden aan!
21
Maar de Zweden strijden met den moed der wanhoop De kanonnen moeten zij hebben.
Met razende woede stormen de strijilcnden tegen elkander in; gloeiend van heldenmoed, van koenheid met de onstuimigheid eens jongelings, rent de keurvorst den vijand tegen. De kogels suizen om hen heen, de dood is boven hem in de lucht.
Maar hij zal hem niet bereiken! Daar zijn zij, de getrouwen, de stalmeester Froben, de lijftrawant Ulile; dicht zijn zij aan zijne zijde, gloeiende oogen zijn naar den keurvorst gewend, de zwaarden zijn opgeheven ter zijner verdediging
âDoorluchtigheid,quot; roept Froben, zeer dicht tot zijn meester doordringende, âge moet een ander paard bestijgen. De Zweed weet, dat ge den schimmel berijdt, daarom vliegen de kogels naar den schimmel.quot;
âZij mogen het, Froben' Mij beschermt God!quot;
De keurvorst heft weer-net zwaard op en wil voorwaarts rennen, maar de hand van den stalmeester grijpt de teugels van het paard.
âNeen, doorluchtigheid, ge moogt niet. Ge moet een ander paard nemen, want. âquot;
Daar sist het door de lucht, toen een doffe gillende doodskreet. Door een kanonskogel getroffen, zinkt de stalmeester met verbrijzeld hoofd aan de zijde van den keurvorst neder.
âVaarwel, Frobenius! mijn zeer getrouwe!quot; roept de keurvorst met een laatsten smartelijken blik op den gevallene, en voorwaarts wil hij, in het slaggewoel.
Doch weder wordt zijn paard gegrepen, ditmaal is het de lijftrawant Jakob Uhle, die zich dicht aan de zijde van den keurvorst dringt.
âDoorluchtigheid, waarom u moedwillig in 't gevaar gestort? Ge moet den schimmel niet langer berijden!quot;
âWeg Jakob Uhle. Hoera! mijn getrouwen! Weg, zeg ik u.quot;
âNeen, doorluchtigheid! Gij moet mij eerst in stukken houwen, eer ik uw paard los laat! Ik zeg u, ge moogt het paard niet langer berijden! De vijand mikt op den schimmel! Ge moet mijn zwarte bestijgen.quot;
âIk moet?quot; roept Friedrich Wilhelm met dreigende stem, en vol toorn werpt hij een vlammenden blik op
22
den vermelele, die zoo tot zijn keurvorst durft spreken.
Maar Jakob Uhle beantwoordde dien tartenden blik, ook zijn aangezicht straalt van moed en beradenheid.
âHouw mij aan stukken, heer, maar uw paard laat ik niet los. Ge moogt niet sterven. In naam van uw land, van uw kinderen smeek ik u, neem mijn paard, geef mij den schimmel.quot;
âNeen! Er is geen tijd voor! Ziet ge niet, dat zij reeds' weder komen aanrennen, de Zweden! Laat los mijn paard, vermetele!quot;
âIk laat niet los, of gij moet mijn hand afhouwen!' roept Jakob Uhle, en springt van zijn'paard, houdt liet met de linkerhand bij den teugel en met de rechter nog vaster den teugel van den schimmel.
âSpoedig, doorluchtigheid, spoedig op mijn paard ! Richt u op in den stijgbeugel, spring over! Ik laat niet los, ik geef niet toe! Ge moet! Heer keurvorst, in naam van uw land, van uw kinderen beveel ik u, stijg van den schimmel en bestijg mijn zwarte!quot;
âGe zijt dol geworden, Jakob Uhle, maar om van u vrij te komen, zal ik uw wil doen!quot;
De keurvorst richt zich op in den zadel, maakt zich los uit de stijgbeugels en springt op het zwarte paard van zijn lijftrawant.
Jakob Juicht van vreugd, terwijl hij op het paard springt van den keurvorst.
âVoorwaarts nu, voorwaarts, in de benden des vijands.quot;
De keurvorst roept dit en drukt den zwarte de sporen in de lenden; dicht aan zijne zijde is Jakob Uhle op den schimmel. Een kogel, een tweede kanonskogel komt aansuizen.
De schimmel springt op, hinnikt van pijn en zinkt ineen, terwijl Jakob Uhle het bloed uit eene wonde in de heup vloeit. ^
1) Dit is de thans bewezen historische toedracht der redding van den keurvorst iu den veldslag van Fehrbellin. Froben sneefde aan de zijde van den keurvorst, en de lijftrawant Jakob Uhle was het, die, zooals in de authentieke aanieekeningen van Feldmann wordt gezegd, den keurvorst zijn paard opdrong en zich op het witte paard van den keurvorst zette, dat onder hem werd dood geschoten. Zie: Zeitschrift für prenMsche Geschichte und Landesknnde, Her-aasgegeben von prof. Dr. R. Foss, Zweiter Jahrgang. Januarheft 19.
23
âVaarwel, Jakob Uhle, mijn zeer getrouwe,'' roept de keurvorst met een laatsten sraartelijken blik op den gevallene, en voorwaarts drijft hij den zwarte in het slaggewoel.
De smart om de beide gevallenen grijpt het heldenhart van Friedrich Wilhelm aan, hij kent geen gevaar, woedend stort hij zich te midden der vijanden.
Zij omringen hem met woest geschreeuw, zij liebben hem herkend, âliet is de keurvorst! Do aanvoerder der Brandenburgers! Hoera!quot;
âJa, liet is de aanvoerder der Brandenburgers,quot; roept de keurvorst, en suizend bliksemt zijn zwaard door de lucht en splijt den vermetele, die bet zwaard tegen hem had opgeheven, den schedel; bet maait onder de hoofden der vijanden.
Deze huilen, brullen van woede, bun klingen treffen het hoofd van den vorst, splijten zijn ronden hoed, maar breken als glas middendoor op den schedel van den keurvorst.
â¢âJakob Uhle, mijn zeer getrouwe,quot; zucht de keurvorst voor zich, âu dank ik ten tweede maal mijn leven! De ijzeren kap beschermt mijn hoofd en uw paard heeft mij gered! Och, Jakob, waart ge nu bij mij!quot;
Maar de getrouwe is er niet. De keurvorst staat alleen-te midden der woedende vijanden. Grooter wordt het getal, van alle zijden omringen zij hem met woedend gebrul.
Nog altijd maait bot zwaard van den keurvorst dood en verderf in 't rond. Hoe lang nog, hoe lang, en hij is verloren ?
Eensklaps schreeuwt men in de nabijheid van den keurvorst : âDe keurvorst! Op! op! de keurvorst!quot; En te midden der vijanden springt een redder toe, en baant zich met zijn bliksemend zwaard een weg.
âHier ben ik, heer keurvorst, hier ben ik!quot;
âWelkom, hartelijk welkom, mijn getrouwe! Ge zijt gelukkig den dood ontkomen!quot;
âHij heeft mij bij de heup gepakt, maar ik ben gered, alleen de schimmel is gedood. Hoera'. Leve de keurvorst!quot;
âLeve de keurvorst!quot; roepen de negen dragonders, die Jacob Uhle gevolgd zijn ter redding van den keurvorst. 1'ln nu zijn er negen zwaarden, die op de Zweden los houwen. Woedend geschreeuw en gehuil, kanongebulder en zwaard gek letter hoort men, stroomen bloeds vloeien van den heuvel op de vlakte, die met dooden en gewonden is bedekt, maar de keurvorst is gered. Jakob Uhle met
24
zijn negen dragonders hebben hem gered, en bij slaat weder aan de spits der zijnen, die hem met gejuich begroeten en hem jubelend volgen.
Als een lawine werpen zich de Brandenburgers nu op den vijand, en met den keurvorst aan hun spits, voelen zij zich sterk tot den strijd!
De Zweden zien verschrikt naar de altijd toestroomende soldaten, die zich op hen werpen en wijken terug.
âRedde zich, wie kan!quot; roepen de voorsten in de gelederen, dringen tegen de acbter hen komenden en brengen die in wanorde.
Naar alle zijden vlucht de vijand naar Fehrbellin, waaide terugtocht nog open is. Daar achter de muren en in de huizen zoeken de vluchtende Zweden bescherming.
De Brandenburgers hebben de Zweden overwonnen! De Brandenburgers hebben wraak genomen over de schanddaden en wreedheden der Zweden.
âNog geen wraak genoeg,quot; meent de oude Derilinger. âDe Zweden hebben als kannibalen gehandeld, zij zullen nu in Fehrbellin niet veilig rusten. Genadige doorluchtigheid, geen enkele Zweed mag er op dezen dag levend afkomen. Ik bid u, mij te vergunnen Fehrbellin met gloeiende kogels te beschieten en alle inwoners over de^ kling te jagen.quot;
âNeen, veldmaarschalk,quot; zeide de keurvorst, het boofd schuddende, âik ben niet gekomen om mijn land te verbranden, maar om het te redden.quot;
âVergun ons dan, doorluchtigheid, dat wij de stad stormenderhand innemen.quot;
Weder schudde de keurvorst het hoofd, en zijn blik ging weemoedig over het met lijken en gekwetsten bedekte slagveld.
âNeen, veldmaarschalk, wij hebben reeds veel van onze dappere soldaten verloren. De Zweden zouden zich verdedigen en de bestorming der stad zou nog aan velen onzer het leven kosten. Laat hen vluchten! Een vluchtenden vijand moet men gouden bruggen bouwen! Wij willen nu God danken voor de behaalde overwinning en bidden voor hen, die ze met hun leven moeten betalen! Gode moge bun zielen genadig zijn en ze opnemen in vrede.quot;
Terwijl de keurvorst zoo sprak, richtten zijne oogen zich
25
weer over het bloedige slagveld, en lianen van aandoening en dankbaarheid kwamen te voorschijn.
, Hij wendde het hoofd en zocht achter zich dengene, die in den slag heden den geheelen morgen aan zijn zijde was, en zijn hart schrikte, toen hij er hem nu niet zag.
âWaar is Jakob Uhle'?quot; riep Friedrich Wilhelm met luide stem.
âHier, doorluchtigheid! Het heeft volstrekt niets te beduiden! Het bloedverlies heeft mij maar een weinig verzwakt.quot;
De keurvorst reed midden door den kring zijner generaals naar de zijde van waar de stem kwam. Daar, op den van bloed gedrenkten grond, lag Jakob Uhle; de chirurgijn knielde naast hem neder en was met zorgvuldigheid bezig om de wonden, die de lijftrawant had ontvangen, te verbinden.
Friedrich Wilhelm sprong vlug als een jongeling van zijn paard, boog zich tot Jakob Uhle en reikte hem zijn hand.
âJakob Uhle,quot; zeide hij zacht en diep bewogen, âik dank u. Ge hebt u heden gedragen als de zoon uwer moeder, en haar zegen en liefde hebben bij u voortgewerktop den dag van heden. Ge hebt u ook gedragen als de zoon uws vaders, en zoo hij ooit gezondigd en schuld op zich heeft geladen, heeft zijn zoon dat alles verzoend en alle schuld uitgewischt.quot;
âZonderling, doorluchtigheid, dat gij mij juist heden aan mijne moeder herinnert,quot; zei Jakob Uhle zacht en peinzend, en het scheen, alsof hij het volstrekt niet voelde, dat de chirurgijn juist het tentijzer in zijne wonde aan den schouder bracht, om er den kogel uit te halen, die er in was gebleven. âIk heb heden mijne moeder gezien! Toen het paard onder mij viel, en ik in de stijgbeugels vast zat, met het dier ter aarde zonk en de dragonders over mij heen renden, dacht ik stellig dat mijn laatste uur gekomen was, beval mijn ziel aan God en nam in gedachten afscheid van u, heer keurvorst. Eensklaps, toen ik de oogen had gesloten, en gevoelde dat mijn bewustzijn verdween, zag ik nu boven mij een bleeke, fraaie vrouwengedaante; een wit kleed omhulde haar, een lange, witte sluier viel van haar hoofd neder, haar gelaat was bleek als van een lijk, maar
26
%
als starren blonken haar zwarte oogen, en een hemelsche glimlach verheerlijkte haar gelaat.quot;
âWaarlijk, ge schildert daar uwe moeder,quot; riep de keurvorst levendig. âJuist zoo heb ik haar het laatst gezien.quot;
âDoorluchtigheid, ik heb ze ook wezenlijk gezien, zij boog zich over mij heen, en breidde haar armen boven mij uit, alsof zij mij wilde beschermen voor de paarden!loeven dor dragonders, die over mijn hoofd heen gingen. Zij beeft mij ook beschermd, mijn lieve moeder, zij heeft mij in haar armen genomen en mij gedragen uit het vreeselijk gewoel ; zij heeft mij opgeheven en mij met een engelenstem toegeroepen: âUw keurvorst is in gevaar! Uw keurvorst is door vijanden omsingeld! Spoed, spoed u, om hem te redden!quot;
âToen zij dit zeide, was ik eensklaps weder geheel bij mijn zinnen, ik sprong op een dwalend paard, dat juist, alsof ik 't geroepen had, voor mij bleef slaan. Jk riep den dragonders toe mij te volgen en als een vogel vloog het paard met mij voorwaarts. Ik wist niet waar heen, maar liet paard wist het; mijne moeder bestuurde den toom en bracht mij, waar onze lieve keurvorsten heer juist een paar duchtige degenklingen gebruiken kon. Wij hieuwen u vrij, en toen gij voorljaagdet en ik u volgen wilde, gaf een Zweed mijn paard een sabelhouw over den kop. Het viel met mij neer, en ik kwam er onder te liggen. Dat is de geheele geschiedenis, ik heb niets dan mijn plicht gedaan, niets meer!quot;
âEn ik,quot; glimlachte de keurvorst, âik doe nu ook slechts mijn plicht, als ik u bedank, dat ge er mij zoo moedig uitgehouwen en mijn leven en mijn eer -gered hebt. En ter gedachtenis aan dezen dag beloof ik u, dat gij de opvolger van mijn landjager in Alt-iluppin zult zijn, die voor een paar weken gestorven is.quot;
quot; âNeen, doorluchtisbeid, ik dank u duizendmaal,quot; riep Jakob Uhle. âIk wil mijn levenlang niets anders zijn dan de lijftrawant van mijn goeden heer keurvorst, en het is niet genadig van u, dat uw doorluchtigheid mij van zich stooten en ter zijde schuiven wil.quot;
âNu, wij zullen 't wel eens worden, Jakob Uhle,quot; zeide keurvorst vriendelijk. âGe hebt thans vóór alles rust noodig, en het zal wel eenigen lijd duren, voor ge mij weder als lijftrawant kunt volgen. Wat zegt gij er van, dokter?quot;
27
âIk denk, genadige doorluchtigheid,quot; antwoordde de chi-rurgijn, âdat de lijftrawant Jakob Uhle wel acht weken noodig zal hebben om te genezen . De wonde in den schouder heeft niets te beduiden, en de houw in de heup is wel diep, maar niet gevaarlijk, maar het ergste is, dat Jakob Uhle bij den laatsten val met het paard zijn been beeft gebroken, en als hij zich nu niet acht weken stil houdt en rustig ligt, kan hij zijn levenlang kreupel blijven.quot;
âDat is niet waar,' riep Jakob Uhle heftig. âIk heb geen been gebroken, ik kan staan en gaan en ik wil dadelijk weder te paard en mijn keurvorst volgen. Wat zal er van hem worden, als ik niet meer achter hem ben! Niemand geeft acht op hem dan ik alleen, en de doorluchtige heer is zoo roekeloos en vermetel en gaat Juist waar het gevaar het grootst is. Ja, als de stalmeester Froben nog leefde, die zou wel acht geven, maar thans ben ik het alleen, die moet zorgen, dat do ellendige Zweden mijn meester niets doen !quot;
âJakob, houd u rustig,quot; zei de keurvorst zacht. âIk beloof n, dat ik bedachtzaam zal zijn en mij niet in gevaar zal begeven.quot;
âBeloven en doen zijn twee,quot; zei Jakob heftig. âAls uw doorluchtigheid den vijand ziet, denkt zij er alleen aan om hem aan te vallen en niet aan gevaar. Neen, ik moet te paard! Hoera! Ik moet mijn keurvorst volgen!quot;
Hij sprong met een wilde beweging op; maar meteen kreet van pijn zonk Jakob Uhle bewusteloos ineen.
âArme man,quot; zei de keurvorst bewogen. âHij behoort tot mijn getrouwen, en heden heb ik hem naast God het leven te danken. Dokter, 'tis immers niet gevaarlijk met hem ?quot;
,,Neen doorluchtigheid, maar als bij het been niet ontziet, zal bij kreupel blijven.quot;
âHij moet het ontzien, wij zullen er hem wel toe dwingen. Leg hem in een verband en hij moet onmiddelijk naar Berlijn worden vervoerd en van daar verder naar Alt-Buppin op zijn landjagerij. Gij, dokter moet hem begeleiden, en er mij voor instaan, dat Jakob Uhle weder rechte en gezonde beenen krijgt. Vaarwel, rniin getrouwe, als God wil, zien wij elkander te Berlijn weder.quot;
Hij knikte den lijftrawant toe, die nog altijd bewusteloos was, sprong toen weer te paard en reed naar zijne generaals, die hem op oen eerbiedigen afstand opwachtten. Zijn
28
uoj5 viel op den prins van Hessen-Homburg, die in verlegen houding van verre stond en naar hem zag met vragenden smeekenden blik.
Friedrich Wilhelm wenkte hem tot zich en de prins snelde toe.
, Prins,quot; zei de keurvorst met luide stem. âGe hebt, naar de krijgswetten, uw leven verbeurd, want ge hebt in uw overmoed tegen de bevelen van uw veldheer gehandeld. Maar wij hebben de zege behaald en gij hebt uw deelgehad aan de overwinning. Ik vergeef u, en mijn vriendschap en achting blijven u. Maar zondig voortaan niet weer, want, wat ik den overwinnaar kan vergeven, zou ik in den overwonnene moeten stralïen!quot;
'29
III.
EEN TEEÃEPiE MOEDER.
Drie jaren waren verloopen sinds den slag van Fehr-beliin. Drie jaren van strijd, roem en veldslagen. Nog altijd was de vrede niet gesloten. Nog altijd stond Frie-drich Wilhelm in het veld met zijn bondgenooten den Duitschen Keizer, de Staten-Generaal en den koning van Denemarken, tegen Frankrijk, dat roofzuchtig de Duitsche landen aan den Rijn in bezit had genomen en de Spaan-sche Nederlanden voor zich begeerde, tegen Zweden, Frank-rijks bondgenoot, den verbolgen vijand van den keurvorst van Rrandenburg. Om het bezit van Pommeren worstelden de beide noordsche mogendheden, en wat te Fehr-bellin was begonnen, wilde de keurvorst ten einde brengen. De Zweden moesten uit zijn landen worden verjaagd, hij wilde vrij en onbeperkt heer zijn in de Marken niet alleen, maar ook in Pommeren en Pruisen.
Aanvankelijk scheen het, dat de geallieerden, met wie de keurvorst voor Straatsburg gelegen en in de Paltz en aan den Rijn tegen Frankrijk gestaan had, hem hulpvaardig ter zijde zouden staan. Een hijzonderen gezant zond keizer Leopoldus, om den keurvorst zijn gelukwensch te brengen wegens de roemrijke overwinning bij Fehrbellin ; ⢠op den Rijksdag der Duitsche vorsten, liet de keizer voorstellen den koning van Zweden voor een rijksvijand te verklaren, en de Rijksdag gaf deze verklaring en beloofde in 's keizers naam den keurvorst van Rrandenburg een hulpkorps. Ook Tuit den Haag waren na dien slag hartelijke vriendschapsbetuigingen ontvangen, en met den koning van Denemarken had de keurvorst een of- en defensief verbond gesloten tegen de Zweden. Geheel Europa weer-
80
galmde van den roem des keurvorsten, en hem, dien de vorsten vroeger schouderophalend en met verachtelijken glimlach de kleine keurvorst van Brandenburg hadden genoemd, schonken zij nu hun achting en bewondering, noemden ze nu de âgroote keurvorst,quot; want hij had met zijn klem leger een vijand ovei wonuen, wiens soldaten en veldheeren voor de dappersten en uilstekendsten der wereld werden gehouden, en tegen welken een strijd te wagen reeds eervol en roemrijk was.
Ondertusschen hielpen de vriedschapsbetuigingen, de loftuigingen en gelukwenschen den keurvorst niet strijden, en de beloofde hulptroepen van den Duitschen keizer lieten zich vruchteloos wachten.
De keurvorst zette desniettemin moedig en onverschrokken den oorlog in Pommeren voort. Hij veroverde in 't jaai 10/(3 de steden Wolgast, Wollin en Greifshagen, belegerde in 't volgende jaar de vesting Stettin, die zich, na langen heldhaftigen tegenweer moest overgeven en in December van t jaar 1077 hare poorten opende voor den keurvorst en hem als overwinnaar en landsheer begroette. In t volgende jaar moest ook Straalsund zich overgeven, en den keurvorst als zijn heer erkennen, en in den winter van 'tjaar 1078 tot 1079 ondernam hij tegen de in#Prui-sen gevallen Zweden den veldtocht, die in de geschiedenis als de âwinter veldtochtquot; beroemd is. Op meer quot;dan duizend sleden kwam het Brandenburgsche leger over het Friesche Hall naar Koningsbergen, van daar ging het over het Kuiische Iliilf naar Labiau en (Ig GilgGtlusz af tot in de streek van Tiisit.
Daar ontmoetten de Brandenburgers eindelijk de Zweden, om wier wille zij in barre winterkoude de lange sledevaart gemaakt hadden. Het kwam tot een beslissenden veldslag, die met den totalen ondergang der naar Pruisen gezonden /weedsche armee van zestienduizend man eindigde. Mot nieuwe lauweren en nieuwen krijgsroem keerde de keurvorst in Maart 1079 van den roemrijken winterveldtocht naar de Mark terug, om te rusten van den jarenlangen strijd.
Wat hij gezworen had, toen men hem, bij den West-faalschen vrede Pommeren ontnomen en den Zweden toegekend had, wat hij gezworen had in dat ontzettend uur, toen hij den Westfaalschen vrede onderteekende en afstand
31
deed van zijn recht o[j het hertogdorxi Poinmeren, had hij nu volbracht. Mei hel zwaard in de hand, door eigen kracht, door eigen heldenmoed, had hij zijn rechtmatig erfdeel heroverd en het hertogdom Pommeren in zijn bezit gebracht. Hem behoorde nu de Oostzee, de havens van Stettin, van Koningsbergen en Dantzig, de eilanden Rügen Grijfswald en Straalsund. Nu kon Friedrich Wilhelm's lievelingsplan worden vervuld, nu kon Brandenburg er aan denken een zeemacht te verkrijgen en liandelsbetrekkingen met andere zeemogendheden aan te knoopen, koloniën aan te leggen en de voortbrengselen van Brandenburg naar verre landen te zenden.
Maar de tijd was nog niet gekomen om in vrede te genieten wat in den oorlog was veroverd. Nog was de strijd niet geheel ten einde, nog woedde de oorlog tusschen Frankrijk en de geallieerden, en de keurvorst was de geallieerde van den Keizer van Duitschland en de Staten-generaal van Holland, en Zweden was Frankrijks bondgenoot. De bondgenooten trouw te zijn, met den keizer voor Duitschland en het rijk te staan, met den prins van Oranje voor Holland en de Spaansche Nederlanden, dit achtte de keurvorst een heilige plicht, hij wilde dien ge-trouw volbrengen, en wees alle heimelijke vredesvoorstellen van Frankrijk af.
Eensklaps verrastte den keurvorst, die nauwelijks van den winterveldtocht was teruggekeerd, het bericht, dat de Staten-generaal met Frankrijk een afzonderlijken vrede hadden gesloten, om zich ten koste liunner bondgenooten voordeden te verwerven. Dit kon, dit wilde hij niet geloo-ven, hij eischte van den prins van Oranje, wien hij zoolang een trouw bondgenoot was geweest, de bevestiging van dit bericht.
De prins van Oranje kon niet loochenen, dat Holland met Frankrijk een afzonderlijken vrede had gesloten; zij hadden hun handelsbelangen hooger geacht dan hun eer, en te Nijmegen was den 8 Augustus 1678 de vrede gesloten
Friedrich Wilhelm hoorde dit eerst in Maart van het volgende jaar, en vernam ook, dat de keizer van Duitschland met Frankrijk over den vrede onderhandelde en Spanje reeds den vrede gesloten had. Frankrijk, van twee
32
zijner vijanden, van Spanje en Holland bevrijd, kon dus met een te grootere macht zich tegen de beide andere, den Dnitschen keizer en den keurvorst van Brandenburg, wenden.
Frankrijk trad met den Duitschen Keizer in geheime vredesonderhandelingen, en terwijl het tegen den keurvorst talrijke troepen afzond, die roovend en plunderend in Kleefsland binnendrongen, zond het geheime vredesboden naar Weepen, en onderhandelde met de vrome^biecht-vaders van keizer Leopoldus, opdat zij den^drèizerlijken biephféling zouden overreden vrede te sluiten en opmerk-^-zSam te maken op het gevaar, dat voor hem,zijn huis en de geheele katholieke christenheid bestond, indien de keurvorst van Brandenburg een protestantsch vorst, steeds meer macht verkreeg en een steeds belangrijker stelling innam.
Waarschuwende stemmen brachten dit den keurvorst over, zij vermaanden hem op ïijn hoede te zijn, de vriendschapsbetuigingen van zijne keizerlijke majesteit niet te vertrouwen, maar te doen, wat ook Oostenrijk had gedaan, en met Frankrijk in onderhandeling te treden.
Doch Friedrich Wilhelm kon niet gelooven, dat de Duit-sche keizer hem zou verraden en verlaten. Neen, Leo-polduskon zoo trouweloos nietzijn, neen, hij moest bedenken, dat de keurprins om zijnentwil den vrede van Vossem verbroken had, toen de keizer hem riep, en den Duitschen Rijksvorst ui'noodigde zich met hem te verbinden ter bescherming van Duitschland. Hij moest bedenken, dat Friedrich Wilhelm, met terzijdestelling van eigenbelang, zich trouw en standvastig voor den keizer had betoond, zelfs het zwaarste offer had gebracht, zich als veldheer naar den wil des keizers had gevoegd en in een roernloozen veldtocht zich aan de meening van den keizerlijken veldheer onderworpen had,
Keizer Leopoldus moest dit bedenken, het was onmogelijk, dat hij zijn trouwen bondgenoot zou kunnen verraden en vrede maken met Frankrijk.
Friedrich Wilhelm kon het niet gelooven. Hij wilde daarom den keizer bewijzen, hoe hij op hem vertrouwde en hoe vriendschappelijk bij hem gezind was! Een bijzonderen afgezant zond hij naar Weenen, en ten teeken zijner vriend-
8;J,
schap liet hij zijne keizerlijke majesteit een zeer kostbaar en zeldzaam kunstwerk als geschenk aanbieden, bestaande in een stoel geheel uit barnsteen gesneden, welke stoel in Pruisen aan de oevers der Oostzee werd gevonden.
De keizer nam het kostbare geschenk en liet den keurvorst verzekeren, dat hij zijn geallieerde niet vergeten, maar hem trouw blijven zou.
Maar woorden konden den keurvorst niet meer bevredigen, hij wilde daden, stofielijken bijstand! De Franschen waren in zijn Kleefsche landen gevallen, en de Zweden, de erfelijke vijanden van het Oosten rij ksche huis, bedreigden met nieuwe legerkorpsen zijn Pommersche provinciën.
Hij begeerde bijstand van den keizer, hij herinnerde hem aan de beloofde gelden en hulptroepen, die nog altijd uitbleven.
Als een donderslag trof hem het antwoord van den keizer: âZijn magazijnen en kassen waren uitgeput, geld noch troepen kon hij zenden, en weldra zou hij gedwongen zijn met Frankrijk vrede te sluiten,quot;
De keurvorst verbleekte, toen hij deze boodschap ontving. âHet is niet mogelijk!quot; riep hij smartelijk. âDe keizer kan niet zoo trouweloos zijn.quot;
âIk heb het u voorspeld,quot; Friedrich Wilhelm,quot; zuchtte Dorothea, toen haar gemaal in den eersten schrik over deze vreeselijke boodschap bij haar kwam. âIk heb u gewaarschuwd voor Oostenrijks trouweloosheid. Maar ge wildet mij niet 'gelooven, ge verbraakt het traktaat van Vossem en verhoudt u met hem, die nooit uw oprechte vriend kan zijn. Ik höb het u voorspeld, Friedrich, waarom geloofdet ge mij niet?quot;
âGoed zoo,quot; riep de keurvorst heftig, ,.hoon mij, bespot mij en triumfeer over mij. Maar ik geloof nog altijd niet, dat de keizer mij verlaten wil. Hij weigert mij geld en troepen, dat begrijp ik, want hij lijdt gebrek aan beide, doch hij zal zich ter elfder ure bedenken, hij zal, nadat ik de Zweden zoo menigmaal overwonnen en uit Duitschland verjaagd heb, geen overijlden vrede sluiten, zonder voordeel te trekken van mijn overwinningen.quot;
âEn zoo het voor hem nog grooter voordeel is zich met. Frankrijk te verzoenen?quot; vroeg Dorothea. âZoo hij nu eens znik een voordeel in het sluiten van den vrede zag, dat
Mühlbaoh, Ve groote Keurvorst en zijn tijd. VI. 3
34
hij ii ia gevaar stoiile en u alleen aan de woede vau Frankrijk overliet? Ik bezweer u, mijn dierbare gemaal, wees den trouweloozen keizer voor, verzoen u en sluit vrede met Frankrijk, en wees verzekerd, dat het u bereidwillig te gemoet zal komen. Ge weet, koning Lodewijk is een oprecht bewonderaar van den holdhaftigen keurvorst van Brandenburg, en hij zal u zeker de gunstigste vredesvoorwaarden toestaan.quot;
âNeen, ik kan niet,quot; riep de keurvorst. âIk zal nog het laatste beproeven, en nog eens aan den keizer schrijven, om hem te bezweren trouw te blijven en zijn geallieerde niet te verlaten en ik zal mij ook tegelijkertijd tot Frankrijk wenden om een wapenstilstand, opdat ik tijd winnc met den keizer van Duitschland verder te onderhandelen en mij te wapenen tot een nieuwen strijd, zoo ik den keizer niet voor mij winnen kan. Von Blaspeil zal naar Parijs gaan, om daar een wapenstilstand te bewerken, en von Krokow zal naar Weenen gaan, om met den keizer te onderhandelen.quot;
âAlles zal vruchteloos zijn, mijn gemaal,quot; zuchtte de keurvorstin, âgij zult u later op genade of ongenade aan Frankrijk moeien overgeven, zoo ge Oostenrijk niet voorkomt.quot;
De keurvorst wierp zijn gemalin een somberen, toormgen blik toe. âIk weet,quot; zeide hij, âdat ge altijd voor Frankrijk zijt en tevreden zoudt zijn, zoo ik tot eiken prijs vrede â¢sloot. Maar dat kan en wil ik niet, en als ik mij ten slotte naar de dringende noodzakelijkheid moet schikken, moet gij er u niet over verheugen, maar met mij er over freuren en klagen, want ik zeg u,er kan niets goeds komen van zulk een vrede. Wanneer men nu verzuimt het overmoedige Frankrijk te breidelen, het te dwingen de grenzen van het Duitsche rijk te eerbiedigen, zal men na eeuwen hierover nog berouw hebben. Mijn Duitsch vorstenhart verzet zich tegen de ongerechtigheden en gruwelen, die de Franschen in de Rijnlanden plegen, en het is niet rechtvaardig, aan Frankrijk het geroofde land te laten, en de Duitsche provinciën, landen en steden over te geven en daartoe kan ik nimmer mijne toestemming geven, noch zeggen dat het goed en verstandig gehandeld is. Ik zal alles beproeven om dat onheil van het Duitsche rijk af te wenden, ik zal
35
mij slechts naar de dringendste noodzakelijkheid voeden!quot;
âNu, welaan, mijn dierbare heer, dan wil ik u dit laatste nog zeggen. Ge hebt van Oostenrijk niets meer te hopen. De Duitsche keizer heeft u verlaten en den vrede met Frankrijk gesloten.quot;
âDat is niet waar, dat is onmogelijk! riep de keurvorst, hettig.
De keurvorstin echter ging bedaard voort; âUw gezant te Weenen, de heer von Jena, heeft dit door een bode naar hier bericht, en omdat hij vreesde dat deze tijding u te zeer mocht treffen, zoo ge ze onvoorbereid ont-vingt, heeft hij zich tot mij gewend en mij gevraagd, er u van te verwittigen. Ja, de keizer van Duitsch-land heeft vrede gemaakt met den koning van Frankrijk. Te Nijmegen is de vrede reeds den vijftienden Februari gesloten, maar men heeft het zoo geheim gehouden, dat de heer von Jena eerst nu, na vier weken, het ofliciëele er van ontvangen heeft en dit dadelijk door een koerier heeft afgezonden. Het is voor Oostenrijk geen voordeelige, maar een gevaarlijke vrede, want de koning van Frankrijk blijft in 't bezit van zijn onrechtmatig verkregen buit. Nadat hij de Rijnlanden en de Paltz verwoest heeft, geeft hij geen schadeloosstelling, geen voldoening, maar blijft in 't bezit van 't geroofde goed, alleen Philips-burg geeft hij aan den keizer terug. De hertog van Lotharingen krijgt wel is waar zijn hertogdom terug, maar de grootste en aanzienlijkste steden en vestingen, Nancy, Mon-wijc en Marsal, moet hij aan Frankrijk afstaan en bovendien den Franschen nog vier militaire wegen inruimen, zoodat voor Frankrijk de weg naar Duitschland altijd open staat. Dit zijn de voornaamste bepalingen van den vrede, dien de keizer te Nijmegen met den koning van Frankrijk-gesloten heeft. Alles gebeurt nu gelijk ik gezegd heb!
De geallieerden hebben u verlaten en opgegeven, op eigen voordeel waren zij bedacht, voor zich alleen hebben zij gezorgd en u alleen benevens den koning van Denemarken hebben zij buiten aanmerking gelaten.'quot;
âHet is beleedigend en schandelijk,quot; riep de keurvorst gloeiend. âIn mijn hoogsten nood verlaten zij mij en bedenken niet, dat ik door hun toedoen in zulk een nood geraakt ben. Niet tegen den keurvorst van Brandenburg,
36
maar tegen den geallieerde van den Keizer van Duilschland streed Frankrijk, dezen gold zijn haat, zijne verbittering; om hem te verderven zijn thans de Franschen roovend en plunderend in mijne Kleefsche landen gevallen. En nu verlaat mij de keizer, maakt vrede en laat mij over aan een overmachtigen vijand!quot; , , , , , ,, .
En verheugt zich bovendien, dat het hem gelukt is u in quot;zulk een benarden toestand te brengen,quot; zei Dorothea, ,en hoopt, dat ge er in zult omkomen. Het is het keizerlijke hof een gruwel u tot roem en macht te zien komen, zij benijden u uw grootheid, omdat zij zich zeiven klein en onedel gevoelen. Toen zij te Weenen uw roemrijken winter-
veldtocht naar Pruisen en uw overwinningen op de Zweden vernamen, hebben zij zich niet verheugd, heeft de keizer niet den heer von Jena laten roepen om hem geluk te wenschen, neen, toen uw gezant aan den minister des keizers, den kanselier von Hocher, officieel uwe overwinning op de Zweden vermeldde, haalde hij de schouders op en zeide, dat niemand te Weenen zich over deze overwinning verheugde, het den keizer volstrekt niet beviel, dat een nieuwe koning der Wandalen aan de Oostzee opkwam. I mijn dierbare heer en gebieder, u noemen zij aan t keizerlijke hof den Koning der Wandalen, omdat zij u, en uw stijgende macht vreezen, daarom verraden zij u, geven u den judaskus, terwijl zij u verkoopen!quot; t. . , . ,
âEn ik moet het mij laten welgevallen, nep Friednch Wilhelm, de gebalde vuist opheffende, âik kan ze niet ter verantwoording roepen, geen voldoening eischen van de verranders, want ik sta alleen, rondom door vijanden omgeven en zoo ik mij verweren wilde, zouden allen tegelijk
op mij vallen en quot;
âEn zouden de huid van den leeuw onder elkander deé'len,quot; viel de keurvorstin hem in de rede. âDezen schandelijken toeleg moogt gij niet laten gelukken, ge moet hun doel verijdelen. Wend u tot Frankrijk mijn dierbare keurvorst, zeg het, dal gij den vrede aanneemt, dat gij aan Frankrijks zijde zult staan als er weder oorlog komt tus-schen Frankrijk en Duitschland, en â''
âOnmogelijk, nooit!quot; riep de keurvorst. âIk zou wel des keizers vijand, maar nooit Duitschlands vijand kunnen zijn, ik ben een Duitsch vorst en de welvaart van Duitschland liglmy
37
nu aan het hart. Keizers wisselen, cn degene, die zich heden een verraderlijk vriend betoont, kan morgen dooiden dood worden weggenomen. Zijn opvolger kan een beteren weg bewandelen, hij kan willen goedmaken, wat zijn voorganger misdeed. Als hij dan moedig en eerlijk tegen Frankrijk het zwaard verheft, om de listig bemachtigde Duitsche landen, steden en vestingen weer te heroveren, dan zoude ik hem niet kunnen helpen in dit roemrijke werk, maar aan de zijde van den vijand slaan, die Duitschland bedreigt en bet rijk ten zijnen voordeele wil verbrokkelen. Neen, het zou een smet op mijn naam zijn, dien ik rein en onbevlekt voor de toekomst wil bewaren. Zoo ik moet bezwijken en ten gronde gaan, dan zal in de geschiedboeken worden gezegd! âHij ging ten onder, omdat hij op den Duitschen keizer vertrouwde en aan dat hoofd van 't Duitsche rijk zijn goed en bloed, zijn leven en zijn eer had verpand. De Duitsche keizer verried hem, maar hij bleef getrouw ran het rijk en zijn plicht. Hij wilde liever te gronde gaan, dan zich met den vijand, met Frankrijk tegen Duitschland te verbinden.quot; [Dat zal dan mijn grafschrift zijn, en mijne nakomelingen tot eer verstrekken.quot;
âAch, waarom zijn mijne zonen er niet, om uwe schoone en heldhaftige woorden te hooren en ze met gouden letteren diep in hun harten te schrijven?quot; riep Dorothea met verrukt gelaat, terwijl zij haar armen om den hals van den keurvorst sloeg en een teederen kus op ziin voorhoofd drukte.
âHet is intusschen een schrift, dat thans met mijn har-tebloed gedrenkt wordt,quot; zuchtte de keurvorst, âen ik verberg het u niet, de berichten welke ge mij daar gegeven hebt, zijn mij als een zware slag op het hoofd gevallen. Ik gevoel, dat ik moede van het leven en strijden ben, en â en toch,quot; riep hij eensklaps krachtig en luid, âtoch mag ik het niet zijn. Ik moet volharden en strijden, mij zeiven getrouw blijven, ik moet, als de gevangen leeuwin den strik, met open oogen om mij heen zien, waar de strik te breken is en waar in het net, dat men op mij geworpen heeft, wellicht een gat te maken is, door 't welk ik mij bevrijden kan. Stil, zeg mij niets meer, Dorothea! Rui mij nu niet meer tegen den keizer op, want ik moet
38
al mijn kalmte en beradenheid bewaren. Ik wil niet in overijling handelen, ik zal wachten tot den gezant, dien ik naar Parijs zal zenden, van daar is teruggekeerd. Wapenstilstand is het, wat ik bovenal behoef! Ik moet aan mijn ongelukkige Kleefsche landen rust en verademing ver-schallen, en omdat ik alleen de macht niet heb, deFran-schen uit het Kleefsche te verjagen, moet ik ten minste verhinderen, dat zij mijne arme onderdanen nog meer kwaad doen dan zij reeds gedaan hebben. Ja, ik moet een wapenstilstand sluiten om mij te versterken en mijne troepen te verzamelen. Dan moge geschieden, wat God wil, en zoo in zijn raad mijn verderf besloten is, zal ik mij onderwerpen ! Tot zoolang wil ik hopen en de gerechtigheid mijn zaak toevertrouwen. Ga, Dorothea, en laat mij alleen, want ik heb de eenzaamheid noodig om mij met geduld te sterken, en mij in deemoed en onderwerping te schikken naar den wil van God. Ik wil eerst tot mijzelven komen, en kracht verzamelen, maar daarna moet Blaspeil komen en mijn instructiën ontvangen, want nog heden moet hij naar Parijs vertrekken om een wapenstilstand te bewerken.quot;
De keurvorstin nam de haar gereikte hand en drukte ze innig aan haar lippen. Zij groette haar gemaal met een zwaarmoedigen glimlach, met een deelnemend treurig gelaat en keerde langzaam naar hai'e vertrekken terug.
Doch nu verdween de treurige uitdrukking van haar gelaat, en de zwaarmoedige glimlach veranderde in een triumfeerenden blik; haar hoofd richtte zich trotsch op en haar oogen glinsterden van woeste boosaardige vreugd.
âIk zal mijn doel bereiken,quot; zeide zij tot zich zelve, âik zal hem op nieuwe wegen voeren, en met het verledene zal hij eindelijk voor altijd breken. Het huis van Oranje was nog altijd mijn mededinger in zijn hart. Het herinnerde hem nog altijd aan zijn geliefde Louise, en de heerschzuchtige prinses Amalia was nog mijn tegenpartij. Zij herinnerde er hem aan, dat de zonen van hare dochter, de overledene keurvorstin, steeds den voorrang moesten hebben boven de mijne, en dat hun alleen, deze beide gehate, kleinmoedige knapen, de landen en bezittingen van hun vader behoorden. Maar thans is de band verscheurd, die den keurvorst van Brandenburg aan de herinneringen
39
van zijn verleden boeide. Hel luiis van Oranje heelt zich trouweloos en verraderlijk jegens zijn bondgenoot en bloedverwant betoond, en mijn gemaal zal thans moeten inzien, dat hij niet meer den ouden weg kan bewandelen, maar dat zijn vrienden van vroeger hem verlaten hebben en hem vijandig zijn geworden, en dat ook hij zich dus van hen moet wenden en hen moet bewijzen, dat hij ze veracht. Ja, 'tis voorbij, het verledene, het huis van Oranje zal mij niet langer in den weg staan! Ik zal mijn doel bereiken! O, geliefde zonen, ge zult niet ter zijde gedrongen, niet voorbijgegaan worden. Ik zal niet de moeder van ongelukkige prinsen zijn, die van een jaargeld moeten leven. Het huis van Oranje zal niet op mij zegevieren, een gebrekkige zal niet mijn schoonen, edelen Philip in den weg staan. Kan hij niet de plaats innemen, waarop de mismaakte knaap aanspraak maakt, hij zal ten minste met mijn Philip moeten deelen, en eens zal op de geschiedrollen worden vermeld, dat de keurvorstin Dorothea de stammoeder van een nieuw geslacht der Hohenzollern en haar eerstgeborene de opvolger van den keurvorst Friedrich Wilhelm was. Oranje moet voor altijd verwijderd worden. Oranje en alles, wat daartoe behoort! Frankrijk zal mij behoeden en ondersteunen; Frankrijk zal mij helpen om mijne zonen te verhellen ! â Martin! Martin!quot;
âHier ben ik, doorluchtigheid,quot; zei Martin, uit de open zij kamer binnentredende.
De keurvorstin ging haar levendig te gemoet, legde de hand op haar schouder en zag haar glimlachend in hel ernstige, bleeke gelaat.
âVriendin, onze plannen rijpen! Wij zullen overwinnen ! Het zal mij gelukken mijn gemaal voor altijd van Oranje te verwijderen, en de gehate raadgeefster en bespiedster, prinses Amalia, onschadelijk te maken.quot;
âDaarvoor is noodig, doorluchtigheid,quot;zei Martin bedaard, âdat ge het verbond met Frankrijk bespoedigt en de prinses geen tijd laat voor bemiddelaarster te spelen en den keurvorst met Oranje te verzoenen. Zij is hel, de moeder dei-overleden keurvorstin, die den keurvorst herinnerd heeft aan de voorrechten barer kleinkinderen, zij is hel, die , hem waarschuwt en den keurvorst achterdochtig maakt tegen u en uwe bedoelingen. Spoed u, meesteres, spoed
40
u, ojulal du vrede met Frankrijk tot stand kome!quot;
âWat kan ik doen om dien te bevorderen?quot; vroeg de keurvorstin nadenkend.
Martin naderde haar en met hare lippen aan hel oor der keurvorstin, zeide zij: âDe minister Colbert zendt mijne meesteres zijn onderdanigsten groet!quot;
âHebt ge tijding van hem?quot; duisterde de keurvorstin.
âTijding van hem door den secretaris van Jen geheimraad Meinders. Indien uwe doorluchtigheid volhardt in haar goede stemming voor Frankrijk, zal de koning zich tot voordurende dankbaarheid jegens uwe doorluchtigheid verplicht gevoelen, en hij zal zoowel u als den geheimraad Meinders daarvan bewijzen leveren.quot;
âWat zal hij voor mijne zonen doen?quot; vroeg de keurvorstin levendig. âZal hij mij zijn bijstand verleenen, zoo ik bereik wat ik wensch?quot;
âFrankrijk zal zich verplichten, zoo het uwe doorluchtigheid gelukt hier een nieuwe orde van '/aken in te voeren, daaraan niet alleen zijne goedkeuring te geven, maaru te helpen en bij te staan, opdat ze gehandhaafd blijve, trots alle aanspraken der andere verwanten. Zoodra de vrede geteekend is op de voorwaarden, welke Frankrijk verplicht is te stellen, en waar het niet mag afwijken, kan uwe doorluchtigheid haar plannen ten uitvoer brengen en maatregelen nemen, dat de keurvorst zijne toestemming geeft.quot;
âO, mijn Philip, mijn geliefde zoon,quot; riep de keurvorstin, haar armen opheffend, alsof zij den zoon aan haar moederhart wilde drukken, âmijn Philip, ge zult de opvolger van uw vader worden! Ik groet u, toekomstige keurvorst, ik groet u in mijn geest, en ik groet u en ik dank u, mijn beste vriendin, mijn eenige vertrouwde.quot;
Zij liet haar opgeheven armen zinken, sloeg ze om den hals van Martin en drukte haar hartelijk aan hare borst.
âDoorluchtigheid,quot; mompelde Martin verwijtend, terwijl zij te vergeefs poogde zich aan deze omhelzing te onttrekken, âwat doet ge, hoe kunt ge zoo uwe waardigheid en hoogheid vergeten!quot;
âStil, vriendin,quot; zei de keurvorstin levendig, âwees niet streng! Laat mij éénmaal de afschuwelijke vormen vergeten, wier onverbiddelijke bewaarster gij zijt, laten onze harten warm en teeder tegen elkander kloppen, want zij behooren
elkander. (.Ie zijl mijne zusier, mijne vriendin, mijne harlekenster. Jk dank u voor uwe lielde, uwe trouw, uwe gehechtheid, ik dank u voor een leven vol ontbering, vol opolïering en leederheid. Neem dezen kus, geliefde, en moge hij op uw lippen gloeien als het teeken mijner dankbaarheid, mijner zusterlijke liefde.quot;
De keurvorstin drukte haar lippen warm en innig op den mond van Martin. Toen gebeurde er iets, waaraan de gestrenge hofdame en vertrouwde zich in haar geheele leven nooit had schuldig gemaakt â zij vergat voor een oogenblik de etikette, en dacht niet aan deemoedigheid en onderwerping, maar sloeg plotseling vast en vurig hare armen om Dorothea's geliefde gestalte, en beantwoordde den kus niet alleen, maar terwijl zij haar voorhoofd, haar oogen kuste, fluisterde zij; âIk bemin u! Ge zijt voor mij geheel de wereld, mijn kind, mijne zuster, mijne vriendin, mijne moeder, ge zijt mijne zaligheid en mijn Godheid, Ik wil u gelukkig zien, hiervoor leef ik. Ik wil uw geheimste wenschen vervullen, hieraan denk ik, ik vraag er niet naar of de menschen mij voor een-misdadigster schelden, ik vraag slechts of gij tevreden zijt, of gij mij liefhebt. Ge hebt mijne ziel gekocht, ik weet niet waarmede, maar zij is de uwe, voor het geheele leven de uwe, en geloof mij, het is eene sterke, moedige ziel, die geen gevaren, zelfs geene misdaden schuwt, als het geldt u te dienen, u vreugd te bereiden. Ge zult uw kinderen gelukkig, geëerd en machtig zien. Wij beiden willen daaraan werken. Beiden ! Want uw kinderen zijn de mijnen. Uw Philip zal en moet keurvorst van Brandenburg worden. Dat is de taak van ons leven, die wij zullen trachten te vervullen, ieder op zijne wijze. Gij, als de adelaar, die hoog boven de wolken vliegt en als koning der lucht strijdt tegen allen, die het wagen zich vijandig tegen hem te verzetten. Ik, als de slang, die in de schaduw voortkruipt en het kleine gewormte, dat de trotsche adelaar niet ziet, met haar gilt-angel onschadelijk maakt. Vlieg, mijn adelaar, vlieg, bekommer u niet over wat de slang doet. Het gaat u niets aan, hare daden behooren haar zelf, zij moet ze eens zelf verantwoorden; maar de uitwerkingen barer daden behooren u, zij zullen u verheugen en uw moederhart met trots en voldoening vervullen. Dierbare lieveling, wees
42
vroolijk en tevreden, want de toekomst zal worden gelijk gij wenscht en hoopt.quot;
Plotseling maakte zij hare armen los. Martin trad achteruit, snelde met onhoorbare schreden door de kamer en verdween door de deur in 'tnaaste vertrek.
De keurvorstin zag haar na met stralende oogen, tot zij zich verwijderd had. Toen hief zij langzaam haar blik opwaarts. âO, mijn God,quot; lluisterde zij zacht, âzie in genade op dit groote sterke hart en vergeef haar en mij alle schuld, ter wille der liefde, die wij beiden in onze harten dragen, de liefde voor mijne kinderen!quot;
'iB
JV.
DE VKKDE VAN ST. GERMAIN.
De keurvorst gin}{ ongeduldig in zijne kamer op en neer. Hij had zooeven depêches uit Weenen ontvangen, die hem de treurige zekerheid hadden gebracht, dat voor liem van daar geen hulp of ondersteuning te verwachten was. Keizer Leopold, de stem zijner raadslieden gehoor gevende, had volstrekt geen oor voor de klachten van den keurvorst, geen medelijden met den noodkreet van den protestantschen vorst, den ijverigen ketter, van wien gezegd werd, dat hij een veel erger en gevaarlijker vijand was dan Frankrijk. Want de koning van Frankrijk was ten minste een geloovig christen, de oudste zoon der heilige moederkerk, en de keurvorst was een ketter, dien men geen ondersteuning mocht verleenen, opdat de oproerige onderdanen van den keizer, de protestantsche Hongaren, in hem geen helper eu beschermer mochten vinden.
Keizer Leopold had dus voor al de klachten, al de voorstellen, welke de keurvorst hem door zijn gezant liet doen, slechts ijdele woorden, slechts verontschuldigingen, maar geen daden, zelfs geen medelijden. En toen zich de keurvorst tot de andere Duitsche vorsten wendde, toen hij tie keurvorsten van Saksen, van Beieren en van Hannover tot bijstand aanspoorde, toen hij hun de wreede daden, de stuitende ongerechtigheden van Frankrijk uiteen zette, en van hen troepen en geld vorderde, om met de wapens in de hand te strijden voor zijn goed recht, hadden ook deze vorsten slechts medelijdend de schouders opgehaald en ijdele uitvluchten gezocht.
Niemand wilde hem helpen, niemand zich met hem verbinden, zelfs zijn eigen familie en verwanten keerden zich
44
legen hem en weigelden hem hijstand en hulp. Zelfs de keurvorstin Dorothea stond thans niet aan zijn zijde,was niet vertoornd over de schandelijke vredesvoorwaarden, welke Frankrijk den keurvorst van Brandenburg stelde.
Met moeite was het den gezant van den keurvorst, den heer von Blaspeil, gelukt, den verzochten wapenstilstand van den Fransclien legerhevelhehher, den maarschalk d' Estrade, te verkrijgen, slechts van den eersten April tot den achttienden Mei was die toegestaan, en men was reeds in 't begin van Mei, en alle voorstellen, alle beden waren vruchteloos. Frankrijk volhardde in zijn eisch, dat de keurvorst van Brandenburg ziin voordeelen opgeven, van al zijn veroveringen afstand doen en alles aan Zweden terug zou geven, wat hij in^zijne roemrijke gevechten, met het bloed zijner onderdanen en eigen levensgevaar op den vijand veroverd had.
Meinders, dien de keurvorst naar Parijs had gezonden om met den minister Colbert te onderhandelen en gunstiger voorwaarden te verkrijgen, was nu teruggekomen met het troostelooze bericht, dat de minister Colbert onverzettelijk was geweest, en verklaard had, dat de koning van Frankrijk er bij volhardde voor zijn bondgenoot den koning van Zweden volkomene voldoening, en herstelling in zijne bezittingen te begeeren, en niet voor dit was toegestaan kon van het sluiten van een vrede met Brandenburg sprake zijn.
't Waren deze berichten, die het gemoed van den keurvorst verontrustten, die zijne ziel met smart en toorn vervulden.
âOnmogelijk, ik kan het niet doen,quot; zeide hij zuchtend, ,,ik kan dezen smaad niet op mij laden ! Geheel Pommeren, zelfs Stettin zou ik weer opgeven, ik zou het werk, waar ik mijn halve leven aan gearbeid heb, nu zelf weer vernietigen, en mij door de pen laten ontnemen, wat ik door het zwaard gewonnen heb! Het zou een beleediging voor mij zeiven zijn, ik kan het niet, ik wil het niet! Neen. er moge van komen, wat wil, ik kan niet!quot;
Hij naderde de tafel en beval den binnentredenden paadje dadelijk den geheimraad Meinders te ontbieden.
âIk zal hem terstond mijn antwoord geven,quot; zei Frie-drich Wilhelm in zich zeiven, toen de paadje was vertrokken. âHij moet dadelijk weer naar Parijs gaan en mijn laatste besluit overbrengen. Ik . . .
45
âMag ik binnen komen, mijn gemaal?quot; vroeg de keurvorstin, terwijl zij de blinde deur, die in den gemeenschapsgang naar haar vertrekken voerde, half opende.
Friedrich Wilhelm ontroerde, maar spoedde zich om zijne gemalin te gemoet te gaan, en haar de hand te bieden tot een vriendelijk welkom.
âWaarom vraagt ge dat Dorothea? Ge weet immers, dat ge mij altijd welkom zijt?quot;
âIk hoop het ten minste,quot; antwoordde de keurvorstin, terwijl zij de hand van haar gemaal teeder aan haar lippen drukte. âIk hoop het daarom, omdat ik naar mij zelve oordeel, en het mij altijd verheugt, als gij tot mij komt. Ge weet mijn dierbare heer, dat ge mijn geheele geluk, mijn geheele liefde uitmaakt, en er voor mij geen andere vreugd is dan in uw nabijheid te zijn.quot;
Friedrich Wilhelm sloeg een haastigen, onderzoekenden blik op haar gelaat, dat hem heden zoo teeder toelachte, en dat sedert vele 'da^en zoo somber en misnoegd was geweest.
âGe verlangt iets van mij, Dorothea,quot; zeide hij treurig, âik ken uw sirenengezang. Het geeft mij te kennen, dat ge mij tot iets wilt overhalen, wat ik eigenlijk niet wil en mag, en â waartoe ge mij helaas, met uw vleiende slem en teederen glimlach dikwijls verleid hebt.quot;
âZie eens,quot; riep Dorothea lachend, âge noemt mij een sirene en vreest mijn gezang; zult ge nu doen als-wijlen Uiysses, u laten boeien en binden om de verlokking te weerstaan en standvastig tegenover al mijn vleierijen te blijven?quot;
âIk heb het dus geraden,quot; zuchtte de keurvorst, âge verlangt iets van mij, Dorothea! Zeg maar wat het istquot;
âNiets, volstrekt niets, mijn dierbare gemaal. Niet voor mij zelve! Slechts aan u denk ik, uw welzijn ligt mij aan't hart. Ik wil u maar alles dadelijk bekennen. Meinders is bij mij geweest en heeft mij verslag gedaan van zijne zending naar Parijs.quot;
âÃn nu komt ge om mij te overreden, âquot;
âOm u te smeeken, mijn dierbare keurvorst, dat ge u niet aan de gevaren van een nieuwen oorlog bloot stelt, maar u eindelijk eens rust en vrede gunt. Ge zijt dit aan mij, aan mijne kinderen, aan uw land en volk verplioiit, ge
46
moet ii ontzien en aan uw eigen welzijn, aan uw kostbare gezondheid denken. Die lange ooi-logen met hunne inspanningen, hunne wisselvalligheden en gevaren, winden u op. Laat het nu genoeg zijn, stel uw dierbaar leven niet langer aan gevaren bloot en laat eindelijk uw gelietd hoofd op de welverdiende lauweren rusten.quot;
âDat wil zeggen, mevrouw de keurvorstin, ge komt mij overreden om vrede te maken met Frankrijk!quot;
âJa mijn gemaal, vrede met Frankrijk, want de nieuwe oorlog zou u met nieuwe gevaren bedreigen en kon â o, alleen het denkbeeld is vreeselijk â uw verderf zijn! Frankrijk heeft vrede gemaakt met al zijne vijanden; de valsche Oranje, de arglistige keizer hebben zich gehaast, de hand aan te nemen, welke Frankrijk hun bood, omdat zij hoopten, dat ii dit tot nadeel zou strekken en u zou verpletteren. Verijdel hun vijandige hoop, neem den vrede aan, dien Frankrijk u biedt!quot;
âIk zou den smaad aannemen, dien Frankrijk mij biedt,quot;
liep de keurvorst haastig. âEn gij, mevrouw de keurvorstin, wilt mij overreden? Is u zoo weinig aan mijne eer en mijn roem gelegen, dat ge met vroolijk gelaat mij den raad komt geven, mijn geheele verleden, mijne geheele leven te vernietigen, alles af te breken, wat ik gedaan en opgebouwd heb, mij zeiven te dooden ? Waarlijk, ik had van u een geheel anderen raad verwacht, ik had gedacht, dat ge mij zeggen zoudt, het is beter met eer te gronde te gaan, dan in oneer te leven, laat daarom niet af van uw recht, en verdedig het met uw laatsten droppel bloed. Zie, dit had ik van u verwacht, en het doet mij leed, dat ge u aan de zijde mijner vijanden stelt en mij bewegen wilt om de oorzaak mijner eigen schande te zijn.quot;
âGij drukt u zeer hard uit en zijt wreed jegens u zeiyen en mij,quot; riep Dorothea met vlammende oogen. âHet kan nimmer schande voor u zijn u aan de noodzakelijkheid te onderwerpen en u uit den strik te werken, dien verraderlijke vrienden om het hoofd van mijn edelen leeuw geworpen hebben. Zij hebben schandelijk gehandeld, niet gij. Ge waart vier jaren Hollands bondgenoot, waagdet voor deStaten-Generaal uw bloed en leven en streedt trouw en moedig voor hen tegen Frankrijk. En wat doen de Staten Generaal, wat doet Oranje? Zonder u daarvan te verwittigen, zonder u iets te
47
vragen, sluiten de Staten-Generaul een afzonderlijken vrede met Frankrijk, en Oranje lieeit den vennetelen, schandelijken moed, deze vrede te onderteekenen, die zijn eigen verwant, zijn gewezen voogd in gevaar en verlegenheid brengt. En handelt de Keizer van Duitschland anders? Is 't niet hetzelfde geval ? Ook hem zijt ge een trouw bondgenoot geweest, met hem hebt ge tegelijk met Holland tegen Frankrijk gestreden. Zonder op uw eigen voordeel te letten, toen de keizer u riep, hebt ge vol moed en trouw, u een Duitsch rijksvorst gevoeld, het verdrag, dat gij te Vossem met Frankrijk had gesloten, verbroken en met het zwaard in de hand u aan den keizer verhonden. En hoe betoont hij u zijne dankbaarheid? Hij doet gelijk uw neef van Oranje, hij geeft u prijs, om zich zelf te beveiligen, sluit vrede met Frankrijk en laat u alleen staan. Het zou hem zeker zeer welkom zijn, zoo ge den oorlog voortzettel en de keizer zou tevreden zijn, zoo de Duitsche Pdjksvorst, de keurvorst van Brandenburg, daarbij ten gronde ging, want hij vreest den leeuw, al is hij in banden, hij wil hem door anderen laten ombrengen, daar hij zelf daarvoor de kracht niet heeft.
âKeurvorstelijke doorluchtigheid,quot; berichtte een binnentredend paadje, âde geheimraad Meinders, dien uw genade ontboden heeft, is zoo even aangekomen.quot;
Met een wenk beval de keurvorst hem te laten binnenkomen, waarop de paadje de deur voor den minister opende.
âHa Meinders,quot; riep de keurvorstin, hem haastig te ge-moet gaande, âge komt op een goed oogenblik, want ik bad en bezwoer juist mijn dierbaren heer, niet naar den wil zijner vijanden te doen, niet den strik, dien zij om zijn hoofd hebben geslagen, met eigen hand dicht te halen. Help mij, sla mij bij, onzen dierbaren en edelen heer terug te trekken van den afgrond, aan welken zijn eigen edelmoedigheid en de arglistigheid zijner vijanden hem gevoerd hebben, want â''
âMevrouw de keurvorstin,quot; viel de keurvorst haar heftig in de rede, âgij zijt al te ijverig om Meinders terstond voor u in te nemen, laat mij zelf den lijd hem te zeggen waarom ik hem heb laten ontbieden. Wees zoo goed en laat mij beslissen over wat mij te doen staat. Meinders,
48
ik liet u roepen, om li te zeggen, dalfge reeds heden naar Parijs terugkeeren moet. Maak, dat ge bij koning Lodewijk zelf audientie verkrijgt, en zeg dan den koning, dat ik mij op zijne edelmoedigheid en rechtvaardigheid beroep, en ik hel nooit kan of wil gelooven, dat zijne majesteit mijn verderf en ondergang vvenscht. Ik laat hem vragen â afstand te doen van zijne eischen en niet te be-geeren, dat ik Pommeren, dat het mijne is door erfenis en recht, dubbel het mijne, daar ik het met het zwaard en het bloed van mijne onderdanen heroverd heb, dat ik dit tot hoon en spot van mijzelven den vijand zou teruggeven. Zeg hem,quot; ging de keurvorst steeds opgewondener, steeds heftiger voort, âzeg den koning van Frankrijk, dat ik dit nimmer kan doen, dat hij geen onmogelijkheden moet begeeren. Zeg hem, dat, zoo hij mijn smaad wil, ik liever met eer wil ondergaan, dan den onteerenden vrede te onderteekenen, dien hij mij aanbiedt, en dat ik Pommeren, waarom ik zoo lang gestreden heb en Stettin, dat zich na eene belegering van zes maanden aan mij heeft onderworpen, niet wil prijs geven. Liever wil ik in een open veldslag door Frankrijks overmacht vertreden en vernietigd worden, dan mij zei ven voor geheel Europa te vernietigen. Zeg hem, dat, hij mij ten minste Straalsund en Stetlin moet laten, opdat voor mijne handelsschepen de Oostzee open blijve. Dat zijn mijne vredesvoorwaarden. Wil de koning van Frankrijk mij dezen billijken eisch niel toestaan, dan geef ik de voorkeur aan den oorlog en zal met het zwaard in de hand, als de wapenstilstand verstreken is, weder optreden. Dit is mijn laatste woord! Ga, Meinders, en boodschap het den koning van Frankrijk.quot;
En terwijl de keurvorst dit zeide nam hij met een haastige en here beweging den met goud omzoomden vederhoed, die naast hem op de tafel lag, en zette dien op 't hoofd, als ware hij van dit oogenblik reeds gewapend en gereed om ten strijde te trekken.
âDoorluchtigheid,quot; zeide Meinders met treurige, bewogen stem, âals gij het beveelt, moet ik gehoorzamen, hoewel mijn hart breekt van verdriet en smart. Uw genade wil slechts luisteren naar de stem van haar heldenmoed, niet âquot;
âNiet naar de stem van kleinmoedigen,quot; viel de keur-vorst hem in de rede, âniet naar raadgevingen, die ik
49
niet begeer. Ik zeg u Meinders, het moet zoo zijn, ik kan niets afstaan van mijn recht. Ik zie de gevaren, die mij bedreigen, ik weet. dat het hen, voor wie ik tot nu toe gekampt en gestreden heb, en die mij valsch verlaten hebben, dat. het die een ware vreugd zou zijn, indien ik te gronde ging en door Frankrijks overmacht vertreden werd. Ik weet dit, maar toch kan en mag ik niet anders handelen. Als ik voor mijn zoon en erfgenaam, den keur-prins Friedrich, niets meer kan nalaten, moet hij ten minste den goeden naam en de onbevlekte eer van zijn vader tot erfdeel bekomen.quot;
âEn wat denkt uw doorluchtigheid dan mijne zonen na te laten?quot; vroeg de keurvorstin, terwijl zij haar hand op den arm van haar gemaal legde en hem met een somberen, toornigen blik in 't gelaat zag. âGe wilt uw land, uw tioon in gevaar brengen. Ge wilt met driesten overmoed den vijand trotseeren, die u de hand tot vrede biedt; ge ziet het verderf voor u, en toch gaat ge het trotsch te gemoet en zegt, dat het voldoende is, zoo ge den keurprins, uw zoon en erfgenaam, uw roem en uw naam nalaat. Maar wat blijft voor uw overige zonen en erfgenamen, wat denkt ge mijne zonen na te laten? Ik vraag u, mijnheer en gemaal, en smeek u, geef antwoord; hebt ge Wel het recht uwe zonen te onterven en hen, voor wien bovendien reeds zoo weinig overblijft, omdat gij den eerstgeborene alles wilt nalaten, nog het weinige te onttrekken?quot;
âLaat het heden genoeg zijn, mevrouw de keurvorstin,quot; riep de keurvorst heftig. ,,lk wil u geen antwoord geven, ik wil liever uw vraag niet hooren, omdat ik er u niet zoo op antwoorden wil, als ik moest. Mijn besluit staat vast, houd dus op mij te kwellen, want ik kan en wil tot dezen schandelijken vrede niet overgaan. Indien Frankrijk zijn onbillijke eischen handhaaft, moet ik weer naar het zwaard grijpen om mij te verdedigen.quot;
âDat wil zeggen, om ten onder te gaan,quot; riep Dorothea heftig. âMijn God, help mij toch, Meinders, spreek toch! Gelooft ge dan, dat Frankrijk tot zachtere voorwaarden bereid zal zijn? Gelooft ge, dat koning Lodewijk den keurvorst Straalsund en Stettin zal laten behouden?'
âNeen, doorluchtigheid, ik geloof het niet,quot; antwoordde de geheimraad Meinders, âik .weet bepaald, dat hij dit niet Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. VI. 4
50
doea zal. Kuning Lodewijk en zijne ministers welen, helaas, te goed, dat de keurvorst, hoe groot en moedig en welk een held hij ook zij, echter te zwak is om zich tegen de macht van Frankrijk te verzetten, en hiervan bewust, zullen zij niets loslaten van hun eischen, maar er in volharden. Ik waag het derhalve, keurvorstelijke doorluchtigheid, mijne stem met die van mevrouw uwe gemalin te vereenigen; ik waag het, u te bidden niet bij uw eisch te blij ven volharden, maar u te onderwerpen aan den kwaden tijd, die door het verraad en de ontrouw uwer bondgenooten boven uw dierbaar hoofd is losgebroken, en van de toekomst te hopen, dat zij u vergoeding en wraak zal brengen.quot;
âIk smeek u, mijn gemaal,quot; riep de keurvorstin, âluister naar de stem van uw trouwen dienaar, luister naar de stem uwer gade, die u waarlijk meer bemint dan gij haar en haar kinderen bemint. Laat u bewegen door uw eigen gevaar, wil de hand aannemen, welke Frankrijk u toesteekt en in welke hij thans nog den vredo houdt. Neem dien, heer keurvorst, voordat Frankrijk de hand terugtrekt en het zwaard grijpt om u te vernietigen.quot;
âOok ik doorluchtigheid,quot; bad Meinders, âook ik waag het, uw doorluchtigheid te smeeken, neem den vrede aan, dien Frankrijk u biedt, verwerp hem niet, want ge hebt de kracht niet den overmachtigen vijand te wederstaan.quot;
âEn ik,quot; sprak de keurvorst met van toorn vlammend gelaat, âik zeg u, dat niemand zich vermeten moet zich te verzetten tegen mijn wil, niemand ken ik het recht toe nog te spreken en te weerleggen als ik gezegd heb: Zoo zal het zijn!quot;
âIk heb het recht te spreken, ik hen verplicht te weerleggen,quot; l iep de keurvorstin heftig, âwant ge wilt het erfdeel en de toekomst mijner zonen in gevaar brengen, gij wilt in driesten trots mijn reeds achterstaande kinderen nog het kleine erfdeel onttrekken, wat de begunstigde keur-prins hun misschien overliet, ge wilt alles op het spel zetten, niet om alles te winnen, maar om alles te verliezen. Ik wil en mag dit niet dulden!'
âGe moogt het niet dulden!quot; herhaalde de keurvorst met donderende stem, terwijl hij bleek van toorn zijne gemalin met vlammende oogen aanstaarde. âZoo gij de meesteres hier zijt, zoo gij hier te bevelen hebt, welnu neem dan
51
mijn veldheershoed en zei hem in plaats van de nachtmuts op uw hoogmoedig hoofd.quot; ')
Dit zeggende rukte hij zijn hoed van liet hoofd en wierp hem voor de voeten der keurvorstin. âRegeer, mevrouw de keurvorstin, regeer,quot; voer hij met van toorn bliksemende oogen voort. âZorg voor het erfdeel uwer kinderen, vergroot het, door u van Frankrijk subsidiën te laten betalen, laat u beloonen voor de schande van uw gemaal, den af-gezetten keurvorst, dan zullen uw kinderen rijk en aanzienlijk worden. Regeer en beslis over oorlog en vrede, daar ge immers de meesteres hier zijt en te beslissen hebt wat geschieden moet of niet. Maar, als ge dit doet, zult ge ondervinden, dat ik nog leef en de man niet ben om u dienstbaar en onderdanig te zijn, maar dat er nog iemand boven u staat, voor wien ge buigen en dien ge gehoorzamen moet.quot;
âIk buig mij reeds,quot; riep de keurvorstin bedaard en moedig, hoewel haar bleek gelaat en haar schitterende oogen hare diepe aandoening verrieden. ,,Ik buig mij voor uw wil; maar daar ik geen slavin ben, die gehoorzamen moet, maar een vrije vrouw, die recht heeft te spreken en de waarheid te zeggen, wat mij door u wordt belet, daar ge mij beleedigd hebt, zal ik dit huis verlaten, en ge zult voortaan nooit weer met mijn raad, zelfs niet met mijn tegenwoordigheid lastig worden gevallen. Heer keurvorst Wilhelm Friedrich, ik verzoek, mij te laten gaan niet uit deze kamer, maar uit dit slot, niet uit dit slot alleen, maar uit uw land, uit uwe staten. Ik ben voornemens naar mijn vaderland, tot mijn broeder te Lunenburg terug te keeren, en daar in tranen en eenzaamheid zoolang te leven en voor u te bidden, tot het Gode behaagt mij uit dit jammerdal te verlossen.quot;
,:Om Godswil, Dorothea,quot; riep de keurvorst, âhoe kunt ge toch zoo vreeselijk spi eken en er aan denken u van mij te scheiden. Wat heb ik dan gezegd, dat u, mijn dierbare, veel geliefde vrouw, zoo vreeselijk aangrijpt?quot;
âWat gij gezegd hebt? Weet ge dat niet, lieer keur-
1) Eigen woorden van den keurvorst. Zie: P. Forster, Geschichte des grossen Kurfürsten 185.
52
vorst? Ge hebt mij doodelijk beleedigd en, zonder de minste liefde en achting, hebt ge mij bedreigd als een ongehoorzame dienstmaagd.quot;
âDat is niet waar, dat is niet mogelijk,quot; riep de keurvorst.
âHet is waar! Laat u door hem, die getuige was, de woorden herhalen, welke ge tot mij gesproken hebt, Mein-ders âquot;
De keurvorstin wendde zich om, maar er was niemand. Meinders was bij de heftige woorden van den keurvorst stil naar de deur en naar buiten geslopen. Het keurvorstelij ke paar was a41een.
âNu,quot; riep Dorothea, terwijl ze op den aan haar voeten liggenden hoed wees, âzoo Meinders niet voor mij getuigen wil, spreekt de boed, dien ge mij voor de voeten hebt geworpen, van de beleediging, welke ge mij hebt aangedaan!''
De keurvorst naderde zijne gemalin, nam den hoed op en zette hem weer op het hoofd. âThans spreekt ook deze niet meer,quot; zeide hij, terwijl hij zijne gemalin vriendelijk aanzag, âthans hebt ge niemand meer, die zou kunnen getuigen, dat ik mij tegen u misdroeg. Maar hier in mijn borst is nog een getuige, die mij beschuldigt en die treurig is over mij. Deze getuige is mijn hart, dat u teeder bemint, dat u nooit zou kunnen verlaten ; maar u trouw zal blijven tot den dood. Maar zie, omdat ik u zoo bemin, dat het mij is, als waren wij beiden één, als waart ge het beste gedeelte van mijn eigen ik, kan het mij gebeuren, dat ik de toegevendheid vergeet, welke ik aan een tweede wezen, dat buiten mij staat, schuldig ben. Gij zijt echter mijn eigen ik, en ik brom en grom op u als op mij zelven. Spreek, Dorothea, kan het u nu wel verwonderen, dat mijn hart zich verzette, dat de toorn als een wilde onbedwingbare stroom uit mijne ziel vloeide en zelfs het liefste en dierbaarste niet kon verschoonen, maar het treilen moest, omdat het hem op zijn vurigen weg ontmoette? Denk slechts, lieve, wat ik in dit uur, neen, wat ik sinds weken geleden heb, en welke vreeselijke vernedering men van mij begeert. Heb medelijden, wees toegevend met mij. Nu, Dorothea, wat zegt ge? Wilt ge nog niet de oogen op-hellen en mij vriendelijk aanzien? Ge zwijgt? Spreek zelt.
53
mijn schrandere Dorothea, moest het mij bovendien niet smarten, dat gij mij weder herinnerdet aan mijn dood, weder op den tijd doeldet, dat ik niet meer zijn zal en weer van het toekomstig erfdeel onzer kinderen spraakt! Geloof mij, Dorothea, schoon men ook de wederwaardigheden van 't leven zeer dikwerf heeft moeten proeven, heeft het echter ook zoetigheden gehad, die alle bitterheid overtreden. Zulk een zoetigheid dank ik u, en het moet mij dus leed doen, dat ge mij altijd aan mijn einde herinnert en telkens van den tijd spreekt, die nu mijn dood zal zijn.quot;
,,quot;Weet ^ij dan niet, dat ik juist aan dien tijd denk, omdat mij die als een schrikbeeld voor den geest staat?quot; riep de keurvorstin, terwijl zij plechtig haar door tranen overstroomd gelaat tot den keurvorst wendde. âGe begrijpt niet, dat ik zoo dikwijls aan uw dood denk, omdat uw leven mij zoo onuitsprekelijk dierbaar is. Ach, Friedrich Wilhelm, ge weet niet, dat gij het leven van mijn leven zijt en uw dood het eenige spookbeeld is, dat een schaduw op mijn geluk werpt. Erken echter nu, hoe onuitsprekelijk ik u bemin, want zie, ik wil het kwaad, dat ge mij in dit uur gedaan hebt, vergeten, ik wil het vergeten, dat ge mij gehoond en beleedigd hebt; mijn liefde zal als eene reine zon boven al dit stof en slijk weder schijnen, alle schaduwen uit mijne ziel, alle gramschap uit mijn hart verdrijven en slechts gij zult er in wonen, slechts gij, mijn Friedrich, mijn geliefde, mijn held! Zoo neem mij dan weder aan uw hart, bemin en vergeef mij, dat ik straks zulke booze woorden gesproken heb!quot;
âDank, mijn Dorothea, dank!quot; riep de keurvorst, terwijl hij de keurvorstin in zijne armen sloot en haar teeder aan zijne borst drukte. âGe zijt een hooghartige, moedige vrouw en het verheugt mij, dat gij den moed hebt mijn toorn te tarten, in plaats van, gelijk Meinders heeft gedaan, den woedenden leeuw uit den weg te gaan. Gij zelf zijt eene leeuwin, en als het haar jongen betreft, richt zich mijn leeuwin dadelijk op de achterpooten en stelt zich te weer. Wees echter gerust, mijne leeuwin, uwen lieven jongen zal geen leed geschieden, en hun vader zal niet dulden, dat zij benadeeld worden, want hij zelf bemint ze even teeder als gij en zou alles willen doen om hen gelukkig te maken.quot;
âWilt ge hiermede zeggen, mijn dierbare gemaal, dat
54
ge het gevaar ontwijken, den vrede aannemen wilt, om n en uw land niet in ongeluk te brengen?quot;
âZacht, zacht, mijn dierbare,quot; antwoordde de keurvorst zuchtend. âWij zullen ten minste het ongeluk zoolang mogelijk terughouden. Het blijft, zooals ik straks gezegd heb. Meinders gaat naar Parijs. Hij moet alle middelen aanwenden om billijker vredesvoorwaarden te verkrijgen, hij moet al zijne overredingskunst aanwenden om voor mij ten minste Stettin en Straalsund te behouden. Ik zelf wil aan den koning schrijven en hem vragen om zijne harde eischen te matigen. Misschien luistert hij naar de stem van een man, dien hij als zijn vijand heeft leeren achten, misschien wil hij beproeven mij tot zijn toekomstigen vriend te maken en mij toestaan wat ik wensch quot;
âZoo dit echter het geval niet is?'' vroeg Dorothea levendig. âAls de koning van Frankrijk er bij volhardt, dat ge al uw veroveringen teruggeeft aan Zweden? Als Frankrijk dreigt, dat, zoo ge weigert zijne voorwaarden aan te nemen, de oorlog na alloop van den wapenstilstand weder beginnen zal? Wat dan, mijn dierbare heer? Wat zult ge dan doen ?quot;
âDan,quot; zei de keurvorst zuchtend, âdan zal ik wel mijn hoofd buigen en mij aan de harde noodzakelijkheid moeten onderwerpen. Zoo dit alles niet helpt, zoo beden, zelfs mijn eigenhandig dringend schrijven zonder uitwerking blijven, dan, â ja, dan moet ik mij onderwerpen, en den harden, gruwzamen vrede aannemen. Maar ik wil het niet vreezen, want ik geloof, het zou mijn hart breken en mij den avond mijns levens voor altijd verduisteren! Hopen wij het beste! Meinders moet nog heden vertrekken, en ik zal nu mijn brief aan koning Lodewijk schrijven. Kus mij nog eens, mijn dierbare Dorothea, zeg nog eens, dat ge mij alles vergeven, dat ge mij weder lief hebt. Dit zal mij moed en kracht geven, bij het schrijven van den brief.quot;
âIk bemin u, miin dierbare Friedrich, ik vergeef u van ganscher harte, dat ge heden zoo norsch en driftig tegen mij waart. Ik erken hieraan uw eeuwige jeugd en het he-melsche, onvergankelijke vuur van uw (lere. edele ziel. Dit vuur verheugt mij, en hoewel ik mij ook zelve somwijlen er do vingers aan brand, is het. mij toch liever, dan dat ik door uwe koelheid moest verstijven. Maar als gij gelooft.
55
dat ge mij een vergoeding schuldig zijt, beloof mij dan één ding, mijn dierbare heer!quot;
âWat dan, Dorothea? spreek en wees verzekerd, dat ik het vervullen wil.quot;
Zij streelde met haar zachte, witte handen zijne wangen en zag hem diep en vleiend in de oogen.
âBeloof mij, Friedrich, dat ge het dragen zult als een man, als een held, zoo uwe wenschen niet worden vervuld en uw briet aan den koning van Frankrijk vruchteloos is geweest?quot;
âGij volhardt er bij? Gij gelooft niet, dat Frankrijk mij het weinige, wat ik eisch, zal toestaan?quot;
âIk geloof het niet, mijn gemaal. Frankrijk weet, dat het u te veel in macht overtreft, dan dat geeraanzoudt kunnen denken het te weerstaan. Frankrijk kent zijne sterkte en uwe zwakheid, en het wil zijn bondgenoot voor zijne trouw beloonen op een wijze, die het weinig kost. Gij moot Zweden betalen voor de dankbaarheid, welke Frankrijk het schuldig is!''
âHet kan zijn, dat ge gelijk hebt,quot; zuchtte de keurvorst, âmaar het zou zeer onedelmoedig van Frankrijk en zeer hard voor mij zijn!
âBeloof mij, mijn gemaal, dat ge u aan de mogelijkheid van zulk een vredesverdrag gewennen zult, en dat ge, als het onvermijdelijk is, het met dapperen heldenmoed als een onverdiend lot wilt te gemoet gaan.quot;
âWelnu, Dorothea, ik beloof het u, ik wil doen, wat ik kan! Als de smart mij soms te erg drukt, moet ge mij troosten en tot geduld vermanen, mijne trouwe echtgenoot!quot; â
Nog denzelfden avond vertrok de geheimraad Meinders weder naar Parijs, met een eigenhandig geschreven brief van den keurvorst, waarin deze den koning van Frankrijk vroeg, hem niet tot zulk een schandelijken vrede te dwingen, maar hem ten minste Stettin en Greifswald toe te staan.
Het was den keurvorst zeer zwaar gevallen zulk een smeekschrift tot den koning van Frankrijk te richten; hij had het slechts gedaan in de overtuiging, dat de grootheid van zulk een offer den koning tot toegevendheid bewegen en den keurvorst de beide veroverde Pommersche vestingen verzekeren zou,'
56
In koortsige opgewondenheid en spanning bracht hij do volgende weken door. Eiken morgen was zijn eerste vraag of geen koerier, geen bericht van den geheimraad Mein-ders uit Parijs was aangekomen; eiken avond was zijn laatste bevel, dat men hem moest wekken indien er tijding uit Parijs kwam. De keurvorstin zocht vruchteloos deze weken van verwachting aan te wenden om haar gemaal voor te bereiden op de volkomen afwijzing zijner wenschen, de vruchteloosheid van zijn schrijven. De keurvorst wikle en kon het niet gelooven, 't scheen hem, dat de rechtvaardigheid zijner zaak moest zegevieren over al de kuiperijen en kahalen zijner tegenstanders.
Eindelijk in den nacht van den 2 op 3 Juli kwam de zoo zeer verlangde bode uit Parijs aan. De keurvorstin had bevel gegeven, dat men haar het eerst wekken, haar de uit Parijs aankomende depêches overhandigen moest, en trad er mede aan het bed van den slapenden vorst.
âOntwaak, mijn dierbare heer en gemaal,quot; zeide zij, hem met een kus wekkende. âGe hebt bevolen, dat men u de depêches uit Paiijs terstond brengen moest. Hier zijn zij, ik breng ze u!quot;
Depêches uit Parijs,quot; riep de keurvorst, âzich in zijn bed oprichtende. âDat wil zeggen: de beslissing! Kent gij den inhoud der depêches, Dorothea?quot;
âIk heb niet durven wagen ze te openen, want zij zijn aan u geadresseerd,quot; antwoordde de keurvorstin. âAls ge 't echter veroorlooft, dat ik het zegel losmaak, en âquot;
âNeen,quot; viel de keurvorst haar in de rede. âNog niet! wij willen dit gewichtigdocument behandelen gelijkhet verdient.
Het bevatgeen persoonlijke aangelegenheid, maarhetis de zaak van den geheelen staat/die door dit schrijven beslist zal worden. Dus willen wij den staatsraad om ons verzamelen en in 't bijzijn onzer geheimraden moge mevrouw de keurvorstin dan de depêches openen en ze ons voorlezen. Ik verzoek u, Dorothea, zend terstond naar Schöning, naar Derftlinger en Schwerin, en laat hun berichten, dat zij dadelijk hierkomen en ons in de geheimraadskamer verwachten moeten. Zend mij ook den kamerdienaar, om mij bij 't kleeden behulpzaam te zijn.''
âAlles zal geschieden, zooals ge beveelt, mijn Friedrich,quot; ei de keurvorstin, âmaar beloof mij, dat ge bedaard en
57
kalm zult zijn en mei den heldenmoed, dien ge zoo dikwerf in gevaren en veldslagen belound hebt, nu ook dit gevaar van een mogelijk mislukken te gemoet zult gaan. Uwe handen beven, uw voorhoofd is met koud zweet bedekt en uwe wangen gloeien. Ik bid, mijn gemaal, wees bedaard 1quot;
âTk ben bedaard, ik verzoek u, Dorothea, niet langer te loeven, laat de heeren hier roepen!quot;
Een uur later trad de keurvorst, leunende op den schouder zijner gemalin, in den staatsraad. De jicht had sinds eenigo weken zijne leden weder in pijnlijke boeien geslagen, on de keurvorstin duldde niet, dat een andere arm hem lot steun diende dan de hare alleen. Deze uitwendige alhankelijkheid van haar, maakte hem ook inwendig steeds afhankelijker en verhoogde den invloed, dien de keurvorstin hoe langer zoo meer op het gemoed van haar gemaal verkreeg.
De heer von Schwerin, de oude Derftlinger en de veldmaarschalk von Schöning waren reeds in de geheimraadskamer aanwezig, toen het keurvorstelijk paar binnentrad. De lange waskaarsen op de groote zilveren armblakers verlichtten met hellen glans de ernstige, verweerde gezichten der drie heeren, zoodat zij uit de diepe duisternis, die achter hen lag, als uit eene lijst te voorschijn kwamen, en toen nu uit de duisternis der kamer ook de keurvorst aan den arm zijner gemalin in den lichtkring trad, schrikten de drie heei'en over het bleeke, ontstelde gelaat van Frie-drich Wilhelm, die hen met een handbeweging groette en kreunend in den armstoel plaats nam, naar welke Dorothea hem geleid had, ,
,,Zet u, mijne heeren,quot; zei de keurvorst met matte slem âGij, mevrouw de keurvorstin, heb de goedheid aan mijne zijde plaats te nemen en lees de depêche voor, welke wij zoo even van den geheimraad Meinders uit Parijs ontvangen hebben.quot;
De keurvorstin verbrak hel zegel, terwijl de heeren hun plaatsen innamen. Met langzame en plechtige stem begon nu Dorothea de depêche te lezen. Eerst het schrijven van Meinders, die berichtte dot de brief van den keurvorst aan den koning volstrekt van geen gevolg was geweest, dat de koning zoowel als dn ministers niettemin bij hun eischen volhardden en dal alle mondelinge voorstellingen en beden
58
van den keurvorstelijken afgezant geheel en al vruchteloos waren gebleven. Daar nu echter het einde van den wapenstilstand dicht op handen was, had Meinders, krachtens de bevelen van Friedrich Wilhelm, wel tot het sluiten van den vrede moeten overgaan. Deze was door hem, den Franschen en den Zweedschen gezant te St. Germain op den negentienden Juni gesloten en hij zond nu den keurvorst het document om dat te onderteekenen.
âIk wil hopen, dat hij ten minste niet alles heeft opgegeven,quot; zuchtte de keurvorst. âHet is toch niet mogelijk, dat hij niets voor mij gered heeft, zelfs niet de eer!quot;
âDoorluchtigheid,quot; zeide Schwerin ernstig, âzoo ge thans gedwongen zijt vrede te maken, valt de oneer hiervan niet op u, maar ten eerste op'den keizer, vervolgens op al uwe bondgenooten, die u trouweloos verlaten en opgegeven hebben, om voor zich hierdoor eenige voordeden en billijker vredesvoorwaarden te verkrijgen.quot;
â't Is waar,quot; riep de keurvorst, âzij hebben slecht jegens mij gehandeld, ik heb het niet aan hen verdiend! Lees nu mevrouw de keurvorstin, het vredesdocument.quot;
De keurvorstin ontvouwde het groote perkamenten blad en begon te lezen. De eerste paragraaf bevatte de bepaling, dat de keurvorst alle sedert het jaar 1653 gemaakte veroveringen in Pommeren aan de Zweden terug moest geven en het verdrag van dat jaar met de toenmaals vastgestelde grenzen weder van kracht zou worden.
âAlle,quot; zuchtte de keurvorst, âal mijne veroveringen! Dus zijn alle inspanningen te vergeefs geweest, is al het bloed vruchteloos vergoten !quot;
En alsof hij vreesde de diepe aandoening zijner ziel op zijn gelaat te laten lezen, bedekte hij met beide handen zijn gelaal en luisterde zwijgend naar het verdere.
De eerste paragraaf bevatte reeds den hoofdinhoud van het geheele document. De andere paragrafen bevatten slechts nadere ophelderingen en bepalingen. Zij verleenden wel is waar den keurvorst ook eenige voordeelen, doch deze waren zeer gering tegenover de groote offers, welke deze vrede hem oplegde, 't Is waar. Zweden zou den keurvorst de steden Dammen en Collnow en een gedeelte van den zeeboezem in Achterpommeren laten, maar het zou Straalsund, Oreifswald en bel belangrijkste punt, Stettin, terug beko-
59
men. Frankrijk beloofde het Kleefsche te ontruimen en aan den keurvorst binnen twee jaren eene schadeloosstelling ten bedrage van driemaal honderdduizend thaler te betalen.
âEen bedelpenning voor een hertogdom!quot; riep de keurvorst vertoornd. ,,Verder, lees verder, mevrouw!quot;
âVerder bevat het document niets, doorluchtigheid,quot; zei Dorothea de schouders ophalende. âNu volgen de onder-tee keningen.quot;
âAnders niet?quot; riep de keurvorst. âVoor al de gruwelen, welke de Zweden in mijne landen gepleegd hebben, geene vergoeding, geene voldoening? Voor ai de rooverijen, al de brandstichtingen en plunderingen, welke de Franschen in het Kleefsche bedreven hebben, niets anders dan een ellendige driemaal honderdduizend thaler? Geene vergoeding voor mijne uitgeplunderde onderdanen? Geen teruggave van het hun ontstolene? Geene schadeloosstelling voor iiun verbrande huizen, hun vertreden vruchten ? En voor mij? Voor mij niets dan smaad en schande, niets dan hoon en spot? Ge ziet wel, mijne heeren, dat ik zulk een vredesverdrag niet kan onderteekenen. Met is mij onmogelijk, het strijdt tegen mijne eer!
âDoorluchtigheid, uwe eer is boven allen twijfel verheven!quot; riep de keurvorstin. âIeder zal weten en zeggen, dat uw bond-genooten u tot dezen vrede gedwongen hebben! Sch werin heeft het reeds eerder gezegd: op hen valt de oneer, niet op u!quot;
âMaar ik moet er onder lijden, ik moet de schande dragen! Ik kan het niet en wil het niet! Ik wist wel, dat het zoo gaan zou, en daarom heb ik u, mijne veldmaarschalken, ontboden! Ge zult met mij toestemmen, dat het volstrekt onmogelijk is zulk een vrede aan te nemen! Bedenk toch, mijne krijgsmakkers, dat men mij dwingen wil de vestingen terug te geven, om welke wij gestreden hebben, maanden, jaren lang! Derfilinger, kunt gij het verdragen, dat wij Stettin, om 't welk wij zeven maanden gevochten hebben, dat ons bespot heeft tot wij het dwongen zich deemoedig over te geven, kunt gij het verdragen, dat wij het terug zullen geven aan de Zweden, dat Zweden triumfeereu zal, hoewel wij het toch overwonnen hebben?quot;
âMet is zeer hard,quot; zei do oude Derfilinger, het hoofd schuddende, âhet krenkt mij, dal de onbeschaamde burgers, die destijds, toen uwe doorluchtigheid haar intocht te Stel-
60
tin deed, hun dochters u in zwarte rouwkleederen te gemoet lieten gaan, dat. zij nu de Zweden in feestgewaad zullen begroeten en uw verlies voor hen een vreugde is. Ik hoop echter nog te beleven, dat uw doorluchtigheid voor al dezen hoon en ergernis wraak nemen en Stettin hernemen zal, trots alle Zweden en Franschen.quot;
âIk wil het nu reeds behouden, üerftlinger, ik kan hun Stettin niet geven. Zeg gij eens, Scheming, mijn oude kameraad, boudt gij het vooiquot; mogelijk, dat ik een vesting, die in een eerlijken strijd de mijne is geworden, welke is veroverd heb, hoewel zij van rechtswege reeds mijn erfdeel was, dat ik ze zoo maar met. een pennestreek kan opgeven, alleen omdat een overmachtig vijand mij er toe dwingt en mijn geallieerden mij trouweloos verlaten hebben.quot;
âNeen, doorluchtigheid, ik houd dit voor onmogelijk,quot; riep de generaal von Schöning. âIk heb een gevoel, als moest mijn hart van woede breken bij de gedachte, dat de Zweed, dien wij zoo dikwijls overwonnen hebben, toch over ons triumfeeren zal, en ik meen, dat bet beter zou zijn met het zwaard in de hand om zijn veroveringen te strijden dan ze vrijwillig af te staan.quot;
âGoddank,quot; riep de keurvorst met opgehelderd gelaat, âdat is toch eindelijk een woord, dat mijn mannenhart goed doet. Geef mij uw hand, Schöning, ik dank u! Ge hebt mijn eigene gedachte uitgesproken. Het is beter te strijden tot den laatsten man, dan zich vrijwillig aan zulk een schandelijke onrechtvaardigheid te onderwerpen. Ja, wij zullen het zwaard weer opnemen. Ik heb er mij in stilte reeds lang op voorbereid en mij derhalve reeds heimelijk met den koning van Denemarken in betrekking gesteld. Hij wil mij een hulpkorps van tienduizend man zenden en met mij vereend den oorlog tegen Frankrijk voortzetten. Breken wij dus morgen terstond op, gaan wij met versnelde mai schen naar Minden, waar de maarschalk de Groqui met het Fransche leger staat, overvallen wij hem voor hij nieuwe versterking ontvangt; verjagen wij hem van daar, roepen wij dan bet gebeeie land tot onzen bijstand op, hopen wij op God en de rechtvaardigheid onzer zaak, en de overwinning zal ons zeker niet ontgaan. Nn, oude Derftlinger, waarom schudt ge uwe witte lokken en
01
ziet mij zoo verbluft en treurig aan? Ge zijt anders zoo moedig in het handelen en verheugdet u altijd als wij tegen den vijand oprukten. Wilt ge nu kleinmoedig en bevreesd worden? Stemt gij niet toe, dat wij reeds morgen moeten opbreken naar Minden, den vijand te gemoet?'!
âIk wilde, dat ik het kon,quot; zuchtte Derfflinger, âik zon gaarne een paar jaren mijns levens geven, schoon 't ook niet veel jaren meer duren zal, zoo ik het daarmede mogelijk kon maken, dat wij dien verwaanden Franschman en den vervloekten Zweed weder te lijf konden komen. Maar 't is onmogelijk, heer, onmogelijk!quot;
âOnmogelijk?quot; herhaalde de keurvorst. âWie waagt het te beweren, dat een zaak onmogelijk is, als ik het ernstig wil ?quot;
âIk moet het helaas doen!quot; zuchtte Derfllinger. âUwe doorluchtigheid wil naar Minden gaan. Maar ge kunt toch niet met uwe troepen door de lucht marcheeren; ge moet toch door de landen der Brunswijksche vorsten.quot;
âZeker moet ik dat, oude Derfflinger, maar ik begrijp niet âquot;
âUwe doorluchtigheid vergeet, dat, terstond nadat de keizer van Duitschland met Frankrijk vrede had gesloten, de Brunswijksche vorsten u kennis gaven, dat zij tot de partij des keizers behoorden, en zich bij den vrede bij Frankrijk hadden aangesloten. Derhalve, zoo uwe doorluchtigheid voornemens mocht zijn den oorlog alleen voort te zetten, zouden de Brunswijksche vorsten moeten berichten, dat zij in geen geval dulden, dat uwe troepen den Brunswij kschen bodem passeeren, veeleer zouden zij dit als een oorlogsverklaring beschouwen en zich gewapend tegen den dool tocht uwer troepen verzetten.quot;
â't Is waar,quot; steunde de keurvorst. âIk had het vergeten! De Brunswijksche vorsten hebben mij dit gemeld. Uwe naaste verwanten, mevrouw de keurvorstin!quot;
Dorothea beantwoordde den verwijtenden blik van haar gemaal met hem strak en bedaard aan te zien. â't Verheugt mij, dat zij dit gedaan hebben,quot; zeide zij kalm. âZij verhinderen daardoor, dat uw doorluchtigheid zich in nieuwe gevaren begeeft om den toestand nog erger te maken. Ach, mijn gemaal, wil toch uw oogen niet sluiten voor de werkelijkheid, wil toch erkennen, dat het verraad van den keizer en de Staten-Generaal u dwingt, om de harde voor-
waarden van Frankrijk aan to nemen; liet is onmogelijk den oorlog voort te zeilen.quot;
âAch God, riep de keurvorst smartelijk, âhet is niet de koning van Frankrijk, die mij tol vrede dwingl, h(:t zijn mijn naasle verwanten en bondgenooten, hel is de keizer van hel Rijk. 'I Zal hun zeker eens berouwen, zij zullen er evenveel door verliezen, als ik Ihans zelf verlies.quot; ^
âZij zullen er meer door verliezen, doorluchtigheid,quot; zei O Ito von Schwerin plechtig, âzij verliezen er de achting der wereld door en den roem in de geschiedboeken, üuitsch-lands grenzen bevrijd te hebben van de vijandelijke naburen, en dezen te hebben gedwongen het Duitsche Rijk te eerbiedigen.quot;
âGij zegt dit, Schwerin, en toch stemt ge niet met mij in?quot; vroeg de keurvorst smartelijk. âGe hebt geen woord van goedkeuring voor mijn krijgsplan? Meent ge niet, dat wij thans naar Minden moeten ijlen om Grobint te overvallen?quot;
âDoorluchtigheid, ik zou u dat niet durven raden, zelfs als de Rrunswijksche vorsten den doortocht wilden toestaan. Ik wil zelfs aannemen, dat zulk een gewaagde onderneming slagen kon, dat uw doorluchtigheid in staat was door aanwending van al uwe krachten in onafgebroken strijd legen den machligsten monarch van Europa, tegen den koning van Frankrijk te volharden, hoewel de keizer van hel Duitsche Rijk u verlaten heeft, en met hem al uw geallieerden. Maar in allen geval zoudt ge voor zulk een strijd al uw troepen moeten gebruiken, en daardoor uwe staten in weerlobzen toestand achterlaten. Ge weet echter, dal Polen slechts op een gunstige gelegenheid wacht om in Pruisen te vallen, en er daar, helaas, velen zijn, die, zoodra het zonder al te groot gevaar geschieden kon, zich terstond aan Polen's zijde stellen en een opstand tegen hun hertog in Pruisen zouden bewerken, die zeker zou gelukken als er geen troepen zijn om dien opstand te onderdrukken. Uw keurvorslelijke doorluchtigheid zou dus haar hertogdom kunnen verliezen, terwijl zij in een on-
1) De eigon woorden van den keurvorst. Zie : Leben des Feldmarschalls von Schöning. Heraucgegeben von L. von Schöning 272.
63
zekeren strijd tegenover den koning van Frankrijk stond.quot;
âMoe verstandig en wijs zijt ge allen eensklaps,quot; riep de keurvorst bitter. Hoe houdt ge de oogen open om uit te zien naar alle gevaren, die mij konden treilen, zoof ik doe, wat recht en noodig is, Ja, ik zie het wel, de bittere kelk zal mij niet ontgaan, ik zal hem moeten ledigen tot op den bodem! Mijn geheele verleden moet ik opgeven; waarvoor ik geleefd, waarnaar ik gestreefd heb, valt ineen als een hoopje asch, dat voor den adem des winds in alle richtingen vervliegt. Mijn Pommersche erflanden wilde ik heroveren; de Oostzee wilde ik winnen, om voor mijn volk den handel op zee met andere werelddeelen open te houden, tot een vrijen zelfstandigen staat wilde ik mijn Brandenburg verhellen, ik zou tegelijkertijd het grooie, Duitsche vaderland bijstaan tegen den roofzuchtigen nabuur, ik wilde helpen om den koning van Frankrijk terug-te dringen achter den Rijn en hem verjagen uit de Duitsche provinciën, welke hij zich wederrechtelijk toeeigent Mijn geheele leven was arbeid, trouwe, zware arbeid ten dienste van rnijn land, ten dienste van Duitschland en nu wordt mijn arbeid vernietigd, en ik sta woer als een bede-laaiquot; aan den weg, en moet mij zelf tot bedelaar maken, ik moet zelf dit vloekwaardig perkament onderteekenen, dat mij van een rijk man tot bedelaar maakt, en den roover over te geven, wat hij alleen door de trouwbreuk en het verraad mijner vrienden in zijne macht heeft gekregen. O Leopoldus, keizer van het Duitsche Rijk, ge zijt de grootste vijand van den keurvorst, van Brandenburg geweest, en ik gevoel het, dat in dit uur het zaad der tweedracht wordt gezaaid, dat na eeuwen nog tusschen Oostenrijk en Brandenburg zal voortwoekeren en bloedige vruchten zal dragen. Nooit zullen en kunnen mijne nakomelingen het vergeten, hoe diep Oostenrijk mij heden vernederd heeft en zij zullen er wraak over nemen, want ik roep met Virgilius uit; Exoriare aliqis nostris ex ossibus ultor! ') Moge er eens een wreker uit mijn geslacht opstaan!quot;
I) De eigen woorden van den keurvorst. De geheele schildering van de zitting des geheimraads is streng historisch. Zie: Orllch II. 327.
ü4
Hij was opgestaan, terwijl hij dus sprak, en zijngroote toornige oogen ten hemel richtende, hief hij zijn hand dreigend op, of hij de toekomst bezwoer hem door zijne nakomelingen te wreken voor den smaad en de smart van het tegenwoordige.
Als een gewonde leeuw stond hij daar, nog trotsch en koen in 't bezwijken, nog roemzuchtig met de doodelijke wonde in 't hart. Nog eens wendde zijn blik zich tot zijne raadgevers, zocht hij op ieders gelaat naar een trek van toestemming, maar ontmoette slechts treurige nedergesla-gen oogen, en richtte zich ten laatste met een zonderlinge half dreigende, half vragende uitdrukking naar het gelaat der keurvorstin.
Ook rzij had de oogen nedergeslagen, ook zij waagde het niet den blik van den gewonden leeuw te ontmoeten, haar hart beefde.
De keurvorst steunde luid van duklelooze smart; daarop nam hij haastig het perkament, dat de keurvorstin nog altijd in de hand hield, las nog eens het geschrevene door sloeg het blad om en legde het voor zich op de tafel terwijl hij langzaam in zijn leunstoel nederzonk.
Met ingehouden adem, zwijgend, bewegingloos zaten de heide krijgslieden en Schwerin, langzaam hieven zij hun oogen op en zagen naar den keurvorst, wiens gelaat van smart trilde, op wiens voorhoofd groote zweetdroppels stonden en die met wijdgeopende oogen voor zich uitstaarde.
Ook de keurvorstin richtte haar blik op hem, en toen zij haar gemaal zoo bleek, zoo stijf en door wreede foltering aangegrepen zag, vervulde een inwendige angst, een smartelijk medelijden ook haar ziel. Zij boog zich tot den keurvorst, en waagde het haar hand op zijn arm te leggen, maar hij schudde wrevelig deze hand weg en scheen uit een pijnlijken droom te ontwaken. Met een haastige beweging nam hij de pen, als ware ze een dolk, dien hij zich in :t hart wilde stooten.
Nu zette hij de hand, met de pen gewapend, op het papier. Een doodsche stille heerschte in de groote, ruime kamer. Allen hielden den adem in. Ieder luisterde, als hoorde hij de schrede der wereldgeschiedenis, die thans plechtig door deze kamer ging.
65
Eensklaps werd deze stille door een luiden kreet afgebroken en oen pen met lange witte veeren vloog door de kamer, als een pijl dien de keurvorst afschoot om ze in de toekomst te boren en zijn opvolgers getuigenis te geven van de zware wonde, welke hun verheven voorvader in dit vreeselijk uur van den keizer des Duitschen Rijks ontvangen had!
Ginds in den wand bleef de witte zwanenpen steken. De keurvorst was in zijn stoel achterover gezonken; over zijn doodsbleek gelaat rolden langzaam twee tranen.
Hij had den vrede van St. Germain onderteekend.1)
I) Op den 2 Juni 167!i.
Mühltaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd*, VI.
HUISELIJKE ONEEtflGIIEID.
âNeen, Dankeltnann, ik verdraag het niet langer,quot; riep de keurprins Friedrich. âIk wil en mag deze vernederende rol, waartoe de keurvorstin mij veroordeelt, niet langer spelen. Ik wil niet langer zwijgen bij haar listen en streken. Het,zal haar niet gelukken mij geheel en al te verlagen, terwijl zij op den voorgrond treedt. Ik ben keurprins, de toekomstige beheerscher van dit land, zij moet dit erkennen, zij zal zich den schijn niet geven, als ware de erfopvolging sinds den dood mijns broeders een onbesliste vraag, wier beantwoording van haar alhangt. Ik wil openlijk en zonder terughouding met haar spreken en zij zal dan moeten erkennen, dat ik haar niet vrees, noch mij door haar laat verblinden.quot;
âGenadige heer keurprins,quot; zei de geheimsecretaris von Dankelmann met zachte stem, âik bid u, laat het verstand spreken en matig uw toorn. Mevrouw de keurvorstin is een zeer machtige en fiere dame, en zou het zeer ten kwade duiden, zoo zij van uw woorden iets vernam. Uw doorluchtigheid weet toch, dat dit slot geen dikke muren heeft.quot;
âDat er overal spionnen der keurvorstin in dit slot zijn! Ja dat weet ik! Ik weet ook, dat mevrouw de keurvorstin Dorothea thans de eigenlijke regentes van dit land is en dat er niets buiten hare toestemming geschiedt. Sinds den ongelukkigen dag, dat mijn vader het vredesverdrag van St. Germain heeft onderteekend, is hij voor zijne kinderen, voor zijn hof, ja zelfs voor zijne ministers bijna onzichtbaar geworden. Hij werkt alleen in zijn
07
kabinet, zeiden wordt een minister toegelaten en uls liet geschiedt, is mevrouw de keurvorstin er bij tegenwoordig en neemt deel aan de politieke raadpleging. Als de keurvorst uitrijdt, zit mevrouw de keurvorstin aan zijne zijde, en tegenover haar, haar oudste zoon, mijn stiefbroeder Philip. Zelfs als de keurvorst zich ter jacht begeeft, rijdt mevrouw de keurvorstin met hem, en haar zoon Philip galoppeert te paard naast het rijtuig. Ik en mijn broeder Ludwig worden noch op pleiziertochtjes, noch op de jacht verzocht en sinds ik mijn eigen hofhouding heb gekregen, word ik ook niet meer aan de keurvorstelijke tafel genoo-digd, maar eet alleen met mijn broeder Ludwig, terwijl de oudste zoon van mevrouw de keurvorstin aan de keur-vorstelijke tafel zijn plaats heeft en ook de drie andere prinsen zeer dikwijls hieraan mogen deel nemen. Dat is een in het oog vallende terugzetting, die ik mij niet langer kan laten welgevallen!''
âIk smeek echter uw doorluchtigheid, geen èclat te maken!quot; antwoordde dé heer von Dankelmann dringend. âMisschien was het uwe vijanden zeer aangenaam en welkom. Misschien wil men u opzettelijk tergen, opdat gij u zult verzetten en daardoor eene verwijdering zoudt veroorzaken, waarvan de anderen gebruik konden maken.''
âTen gunste van den prins Philip, niet waar? Van dat troetelkind, dat, zooals mevrouw de keurvorstin beweert, het trouwe evenbeeld van zijn vader is, hem in alles gelijkt: naar geest, gemoed en gelaat? Maar juist daarom is het noodzakelijk tot een openlijke beslissing te komen, opdat prins Adonis tot de hem passende grenzen worde teruggewezen. Hij is een overmoedige trotsche knaap, die zich tracht te verhellen en in zijn kinderlijken hoogmoed er zelfs van durft spreken, dat hij de toekomstige keurvorst zal zijn. Neen, dat mag niet langer zoo voortgaan, ik moet dergelijke indringing bestrijden, ik moet de mij toekomende rechten verdedigen. Zeg niet, dat ik het niet doen moet, Dankelmann, maar raad mij, wat ik doen moet om mijn vader zonder getuigen te kunnen spreken. Ik ben zeker, dat wij beiden elkander dan zeer gemakkelijk zullen verstaan, het mij zal gelukken het hart een oor van mijn vader voor altijd te winnen. Bedenk voor mij en middel, hoe ik tot den keurvorst kan komen.quot;
68
âDal is inderdaad zeer moeielijk, doorluchtigheid,quot; antwoordde Dankelmann peinzend. âIk geloof, 'lat het eenige zou zijn, zoo uw doorluchtigheid zich tot den kamerdienaar Kunkel â maar wacht, daar valt mij iets beters in. De landjager van Alt-Ruppin, Jakob Uhle, is sedert gisteren weer hier. Er zullen eerstdaags groote jachtpartijen in Grü-newald plaats hebben, en zijn keurvorstelijke doorluchtigheid heeft hiervoor Jakob Uhle als zijn bukslader ontboden. Maar de landjager heeft nu verklaard, dat hij volstrekt zijn plaats als keurvorstelijk lijftrawant weer wilde innemen en de heer keurvorst heeft eindelijk zijn dringende bede toegestaan. Jakob Uhle is âquot;
âWeer onder de lijftrawanten opgenomen, dat weet ik,quot; viel de keurprins hem in de rede. ,,Hij behoudt hot traktement van zijn houtvesterplaats en blijft hier, met de vergunning, om ten allen tijde naar Alt-Ruppin te mogen terug-keeren. Maar wat zou dit? Wat baat het mij?quot;
âHet kan uw doorluchtigheid tot het ge wenschte onderhoud met den heer keurvorst helpen,quot; antwoordde Dankelmann zacht. âDe lijftrawant staat in hooge gunst bij zijn keurvorstelijke doorluchtigheid, hij mag zelfs, als de hooge heer door jichtpijn geplaagd wordt, bij hem binnen komen om zijn keurvorstelijke doorlachtigheid met zijn verhalen te onderhouden. Mevrouw de keurvorstin, die anders, gelijk ge weet, haar heer gemaal nooit verlaat, maakt zich dan dien tijd ten nutte om zich een weinig terug te trekken. Zoo is het gisteren en eergisteren geweest en zoo zal het waarschiinlijk ook heden zijn.quot;
âIk wil Jakob Uhle spreken,quot; riep de keurprins haastig. âMen moet hem dadelijk hier roepen!quot;
âDoorluchtigheid, dit zou het zekerste middel zijn om alles te bederven, want als mevrouw de keurvorstin het vernam, zou Jakob Uhle zeker heden namiddag niet bij den keurvorst mogen binnengaan, of mevrouw de keurvorstin zou hem niet alleen laten. Veroorloof mij met Jakob Uhle geheel in 't geheim er over te spreken. Ik weet, dat hij tot de trouwe dienaren van de oudste zonen behoort, hoewel hij wijs genoeg is hiervan niets te laten blijken, om geen achterdocht te wekken. Ik^zal van Jakob Uhle vernemen op welk uur de heer keurvorst alleen is. Uw doorluchtigheid zal zich dan in de voorkamer begeven en Jakob IThle
69
zul ii de dour van liet kou i'vors lelijk kabinet openen.quot;
âZoo zij het, Dankelmann, ja, zoo zij het,quot; sprak de keur-prins. âGelukkig, alles zal nu eindelijk tot een beslissing komen. Ik zal mijn vader om de hand der prinses van Hessen verzoeken.quot;
âOm 's hemels wil, doorluchtigheid, dit zou âquot;
âStil, Dankelmann, het is mijn vast besluit. Ik bemin de prinses, ik wil niet van haar gescheiden blijven. Zoo de keurvorst mij heden weer zijne toestemming tot mijn huwelijk weigert, heb ik besloten ook zonder de toestemming te huwen.quot;
âDat is onmogelijk!quot; riep Dankelmann verschrikt. Zulk een huwelijk zou ongeldig zijn, het kon voor uw doorluchtigheid de ergste gevolgen hebben; want ge zoudt den keurvorst ten uiterste vertoornen.quot;
âIk wil hopen, dat mijn vader eindelijk gehoor geeft aan mijne beden,quot; zei de keurprins bedaard. âOverleg het noo-dige met Jakob Uhle, opdat ik den heer keurvorst beden spreken kan; het overige zullen wij dan aan de toekomst overlaten.quot;
Des namiddags van dien dag begaf zich de keurprins, vergezeld van zijn geheimsecretaris, den heef Dankelmann, naar de kleine voorkamer van het keurvorstelijk kabinet.
âAlles zal goed gaan,quot; zei Dankelmann. âJakob Uhle is reeds binnen bij den keurvorst, hij zou anders hier zijn om er uwe doorluchtigheid van te verwittigen. Dat hij niet terstond is teruggekomen, bewijst, dat hij hoopt u de ge-wenschte samenkomst te verschaffen.quot;
âDoor een ellendigen lijftrawant moet de keurprins zulk een gunst van zijn heer vader verwerven 1quot; zeide de prins mokkend. âIk zal er mevrouw de keurvorstin aan doen denken; als ik eens tot de regeering kom, zal ik mijn revanche nemen voor dit uur.quot;
Een zacht kloppen aan de binnenzijde der deur van het keurvorstelijk kabinet liet zich hooren.
âDat is het afgesproken teeken,quot; zei Dankelmann. âWil uw doorluchtigheid nu aan de deur kloppen?quot;
De keurprins naderde haastig en klopte. Maar hij moest het driemaal herhalen, voordat de deur werd geopend en het hoofd van Jakob Uhle zichtbaar werd.
âIk wensch zijn keurvorstelijke doorluchtigheid mijne
70
upwucliting le uiaken!quot; beval de keurprius. âDien mij aan bij zijne genade!quot;
Maar Jakob Uhle, in plaats van dit bevel uit te voeren, opende wijd de deur, plaatste er zich recht naast en kondigde aan; âZijne doorluchtigheid de keurprins Friedrich!quot;
âZeg aan zijne doorluchtigheid,quot; riep de keurvorst van den achtergrond der kamer, âdat het mij spijt hem niet te kunnen ontvangen', omdat âquot;
De keurvorst zweeg, want zijn zoon stond reeds bij zijn leunstoel, boog de knie en kuste eerbiedig zijns vaders hand. In hetzelfde oogenblik trad Jakob Uhle in de voorkamer en sloot de deur achter zich. Vader en zoon waren alleen.
âGe hebt dus niet gehoord, dat ik u niet ontvangen wilde?quot; vroeg de keurvorst.
âIk heb niets gehoord, doorluchtigheid,quot; antwoordde de keurprins met vleiende stem. âWant mijn liart sprak en juichte zoo luid bij liet zien van mijn dierbaren vader, dat ik niets anders gehoord heb! Ach, mijn genadige heer, ik geniet zoo zelden de vreugde uwe keurvorstelijke doorluch-tigheid te zien, dat ik iedere minuut, welke mij dit vergund is, als een groot geluk beschouw.quot;
âZijt ge gekomen om mij dit te zeggen?quot; vroeg de keurvorst somber. âOf wildet ge u slechts overtuigen, of mijn opvolger nog lang te wachten heeft?quot;
âGenadige heer,quot; riep Friedrich ontsteld, âwat een vreeselijke vraag is dit!quot;
âHet is de vraag, die uw hart dagelijks tot het lot richt, welke uw lippen zich niet ontzagen nog onlangs tot mijn lijfarts Weisse te richten. Ge hebt, naar't schijnt, een geweldigen haast om den keurvorstelijken hoed op uw hoofd te zetten. Intusschen raad ik u geduldig af te wachten of die wel voor uw hoofd bestemd is!
âIk hoor, dat men mij belasterd heeft!quot; riep de keurprins bleek en bevend van aandoening. âMen heeft boosaardig een geheel natuurlijke vraag mijner liefde als een vraag van zelfzucht voorgesteld! 'tls waar, ik heb den lijfarts naar de gezondheid en den welstand uwer keurvorstelijke doorluchtigheid gevraagd. Ik deed dit in de bekommering mijns harten, omdat men mij gezegd had, dat
71
a zoo zwaar ziek waart, en omdat 't mij in weerwil mijner beden niet vergund was tot u te komen, om persoonlijk naar uw toestand te vernemen. Ach, mijn genadige heer vader, wil toch niet zoo wreed zijn, van hen tegelooven, die mij zoeken te belasteren en mij bij u voorstellen als een ondankbaren en goddeloozen zoon, die verlangt naar 'tgeen lang, nog zeer lang verre moge blijven. Verleen mij weer een blik van liefde en goedheid, gelijk ge dien vroeger voor uwe zonen hadtjl Wees voor mij ook een genadig vader, even als voor uwe andere zonen!quot;
âMijne andere zonen zijn ook voor mij liefderijke kinderen !quot; zei de keurvorst. âZij beminnen mij en beschouwen mijn wenschen als bevelen, die zij gaarne nakomen!quot;
âZij zijn ook nog knapen, die geen andere wenschen mogen hebben dan de bevelen hunner ouders,quot; antwoordde de keurprins haastig. âOok leert men hen wel, slechts datgene te zeggen, wat uw doorluchtigheid aangenaam is. Ook ik, genadige heer, zou niets anders willen zeggen, maar men houdt mij verre van u, ir.en trekt een kunstmatigen scheidsmuur tusschen vader en zoon op, men verdenkt en beschuldigt mij en belet mij tot u te gaan. Sinds weken, sinds maanden is het mij niet vergund u anders te zien dan bij openbare gelegenheden. Sinds maanden smeek ik te vergeefs om de gunst van een geheim onderhoud met u. Men heeft mij bestendig de deur gewezen. Voor uw lijftrawanten staan de deuren van uw kabinet open en uw zoon smeekt sedert maanden te vergeefs om toegang. O, ik weet wel, dat gij niet zoo wreed zijt, mij den toegang te weigeren. Ik ken den vijand, die deze deur voQr mij sluit!quot;
âGij vergist u, heer keurprins!quot; antwoordde de keurvorst streng. âHet was uw eigen wil, die u van hier verwijderd hield. Ik wilde niet, dat zich de hatelijke tooneelen herhaalden, die hier in mijne tegenwoordigheid hebben plaats gehad en uw onbetamelijk gedrag jegens mevrouw uwe moeder staat nog altijd versch in mijn geheugen.
,,'t Is waar,quot; zei Friedrich zacht, âik had een oogenblik den eerbied vergeten, dien ik aan de gemalin van mijn vader schuldig ben. Maar ik werd getergd. De keurvorstin had mij gekrenkt, door met verachting van de Staten-Ge-neraal te spreken en het huis van Oranje als trouweloos en woordbreukig voor te stellen.quot;
72
âMij (lunkt, dat zij hierin gelijk had!quot; riep tie keurvorst. âHel huis van Oranje draagt mede schuld, dat ik den vrede van St. Germain heb moeten onderteekenen. Die vrede heeft mijn hoofd gebogen en een ziekelijk vervallen grijsaard van mij gemaakt! Was Oranje mij trouw gebleven, dan zouden hij en ik, met Denemarken vereenigd, den Franschman en den Zweed wel kunnen weerstaan, schoon ook de keizer van Duitschland ons afviel. Oranje was de eerste der bondgenooten, die mij verliet, en daarom had de keurvorstin gelijk, toen zij hem van verraad beschuldigde en zeide, dat hij het meest schuld had aan den vrede van St. Germain.quot;
âMaar uw genade weet toch, dat het de Staten-Generaal waren en niet de prins van Oranje, die den vrede begeerden !quot; riep prins Friedrich heftig. âDe prins van Oranje werd overstemd, hij moest voor de Staten-Generaal buigen. Hij deed dit met innig leedwezen en in 't volle bewustzijn van hot groote onrecht, dat uw doorluchtigheid daarmee werd aangedaan. En niet alleen dezen edelen prins beschuldigde de keurvorstin, maar het geheele huis van Oranje, het ge-heele geslacht, waaruit mijn veelgeliefde moeder, waaruit ook wij, uwe zonen, afstammen. Vergeving, mijn vader, zoo de toorn mij overweldigde, zoo ik het niet kon dulden, dat mijne dierbare moeder nog in haar graf gehoond werd door haar opvolgster! Zij verdreef ons uit uw hart en verbande zelfs het beeld van mevrouw onze moeder uit uw kamer; zij heeft geheel uw verleden gedood onbegraven, maar in mijn hart leeft die herinnering immer voort en ik kan niet hooi en, dat het huis, waaruit mijne moeder afstamt, van verraad wordt beschuldigd, want ik bemin mijne moeder nog in haar graf, ik zal haar nooit vergeten!quot;
âMeent ge misschien, dat ik haar heb vergeten ?quot; vroeg de keurvorst, en onwillekeurig zag hij door de kamers, als wilde hij zich overtuigen, dat niemand buiten de prins tegenwoordig was.
âJa, vader, gij hebt haar vergeten, mijne dierbare, edele moeder,quot; antwoordde Friedrich heftig. âHaar opvolgster heeft ze niet alleen uit uw hart verdreven, maar vervolgt met haar onverzoenlijke ijverzucht ook nog hare kinderen, zij wil ook deze nog, ten minste in uw liefde, dooden, opdat zij alleen, zij en haar kinderen hier heerschen en regeeren,quot;
TA
âBeyitiI ye weei' kwaad te spreken en le beschuldigen'?quot; vroeg de keurvorst heftig ,,Zonder mijn verlof zijl {reiner hintiengedrongen en nauwelijks hebt ge den drempel overschreden of reeds vlamt de haat tegen uw edele moeder, tegen mijn veelgeliefde gemalin weer als een helder vuur in it op, en in plaats van onderwerping en berouw, hoor ik slechts beschuldigende, vijandelijke woorden.quot;
âTk beschuldig niet, doorluchtigheid, ik verdedig mij slechts,quot; riep de prins. âZij is het, die mij beschuldigt, die zegt, dat ik op uw dood wacht. Ach, mijn dierbare vader, mijn edele heer en keurvorst, moge God in zijne genade en goedheid u nog een lang leven verleenen, moge hij u voor uw land en uwe kinderen nog lang behouden! Niemand kan dit vuriger verlangen en wenschen dan ik, want mijn hart beett bij de gedachte, dat ik uw opvolger zal zijn, dat mijn zwakke hand de teugels der regeering besturen moet, welke gij zoo krachtig èn heldhaftig bestuurd hebt. Ik ben in deemoed en berouw bewust, dat ik slechts een onwaardig opvolger van den grooten keurvorst Friedrich Wilhelm zal zijn en zijn grootheid niet bezit, dat ik nog vele jaren uw deemoedige en leergierige scholier moet zijn, om van u, mijn dierbare aangebeden vader, de grootekunst te leeren hoe men zijn land regeeren, zijn volk verheffen en gelukkig maken kan. Mijne gedachten waren toch niet van jongs af op zulk een grootsch doel gericht, veeleer heeft men mij gewend aan bescheidenheid en onderwerping, gelijk ze een later geboren prins betamen. Maar eensklaps maakt het lot den jongeren prins tot erfgenaam van den troon, tot toekomstigen heerscher, legt hem groote plichten op en stelt hem zulke groote eischen, dat hij zelf beeft en zich van zijn onwaardigheid bewust is.quot;
âAls u dit ernst is,quot; zei de keurvorst haastig, âzoo ge u te min en te zwak gevoelt om te regeeren, doe dan afstand van de opvolging en kies een eenvoudig, teruggetrokken leven boven de beroeringen en eischen van het regeeren van een land. Wend u tot den keizer van het Duitsche Rijk en verzoekt hem, dat hij u van den zwaren plicht onthelt, en verklaar, dat ge van de opvolging afziet. Ik zelf zal uw verzoek ondersteunen en bij zijne keizerlijke Majesteit voor u spreken. Want 'tis waar, regent en beheerscher van dit door de rampen des oorlogs en de wreedheid des
74
vijauds uitgezogen kind te zijn, is een zeer zware laak en uw schouders konden wel te zwak zijn om dien te torschen.quot;
âZij zullen echter altijd nog sterker zijn dan de schouders van mijn broeder Ludwig, die dan uw opvolger zou zijn,quot; zei Friedrich levendig. âIk zou van de opvolging afstand doen. indien ik iemand wist, die ze waardiger was dan ik. Maar ik zie achter mij slechts een zwakken knaap.quot;
âDie weer een sterken, krachtigen broeder achter zich heeft,quot; riep de keurvorst levendig.
âMaar deze broeder kan toch slechts dan uw opvolger worden, als â wij beiden dood zijn, wij, die het recht van eerstgeboorte voor ons hebben. Goedwillig sta ik om hem mijn heilige rechten niet af, en ook Ludwig zal en mag dit niet doen ! Neen, de zoon van mevrouw keurvorstin Dorothea kan slechts dan uw opvolger worden, keur-vorstelijke doorluchtigheid, als uw beide oudere zonen gestorven zijn, gelijk uw oudste zoon, gelijk de keurprins (Jarl p]mil stierf. Ik hoop echter, dat het zoover niet komen zal en ik zal alles doen om mij voor dit vreeselijk lol te behoeden. God zal niet willen, dat uw drie oudste zonen, dat alle drie de kinderen van uwe edele, deugdzame eerste gemalin sterven, om plaats te maken voor de zonen dei-tweede gemalin. God zal medelijden met ons hebben en niet toelaten, dat een vermetele, misdadige hand met geweld den dood aanbrenge, dien Hij niet over ons bestemd heeft, dat âquot;
,Stil,quot; viel de keurvorst hem toornig in de rede, âwaag het niet, uw lasterlijke taal nog verder te doen hooren, waag het niet voort te gaan met uwe overdenkingen. Zwijg, opdat de toorn in mij niet de overhand krijge en ik vergeet, dat gij de zoon uwer moeder zijt, maar mij slechts herinner dat gij als onderdaan het waagt de gemalin van zijn heer te beschuldigen en zich hierdoor aan hoogverraad schuldig maakt.quot;
âDoorluchtigheid,quot; riep de prins. âIk heb geen naam genoemd en toch hebt ge mij begrepen. Maar gij hebt de liedjes gehoord, die de soldaten in het legerkamp voor Straatsburg onder de vensters van hot verblijf der keurvorstin zongen toen prins Garl Emil gestorven was.quot;
âIk gebied u te zwijgen,quot; sprak de keurvorst heftig, âik gebied u mij te verlaten en het nooit weer te wagen hier
75
lo komen zonder daartoe mijn verlof ontvangen te hebben. Spreek geen woord meer, ga!quot;
In plaats van aan dit bevel te gehoorzamen, bleef prins Friedrich staan.
âGenadige heer vader,quot; zeide hij luid en heftig âgij kunt wel uw zoon uit uwe vertrekken verbannen, maar niet den keurprins, den eersten waardigheidsbekleeder van dit land na u.quot;
âEllendige knaap,quot; riep de keurvorst bleek van woede en drift, âgij waagt hel, zelfs mij te trotseeren, gij. âquot;
âMijn hemel, wat gebeurt hier,quot; riep een verschrikte stem achter hem, en de keurvorstin Dorothea, die door de kleine blinde deur was binnengekomen, sloeg den arm om den hals van haar gemaal, vatte met haar andere hand den opgeheven arm van den keurvorst, dien hij dreigend legen zijn zoon had uitgestoken en trok hem neder.
âBedaar, mijn dierbare heer en gemaal,quot; bad'zij met zachte, teedere slem. âIk weet niet wat hier gebeurd is en met welk recht de keurprins het heeft durven wagen hier binnen te komen; ik weet echter, dat hij niet zoo vermetel zal zijn om zich aan uw verheven en doorluchtig persoon te bezondigen. Indien ge op hem vertoornd zijl, is dit zeker om mijnentwil en daarom bid en smeek ik u, vergeef hem. Bedenk, dat hij uw zoon is, de keurprins, de naaste aan uw troon.quot;
âAch, Dorothea, ge weel niet, wat ge zegt,quot; zuchtte de keurvorst, âge weet niet, hoe deze knaap mijn toorn opgewekt en welke wreede, verraderlijke woorden hij gesproken heeft.quot;
âIk bid uwe doorluchtigheid om vergeving,quot; zei de prins levendig, âmevrouw de keurvorstin zal dit wel weten, want zij heeft ongetwijfeld alles gehoord, wat hier gesproken is en haar genade is derhalve ter rechtertijd hier binnengekomen, om haar rol als teedere en liefderijke gemalin, als edele, christelijk vrome stiefmoeder voort te spelen. Ach, mijn heer en mijn keurvorst, ik bid orn genade voor uw ongelukkiger! zoon, dien de wanhoop zoover heeft gebracht, dal hij zelfs uw toorn waagt te trotseeren, en als een slechte zoon voor zijn aangebeden en hooggeëerden vader moet vei'schijnen. Ik kwam hier met het vurig verlangen, mijn â dierbaren vader weder te zien; ik wilde mij aan zijne
76
vocton werpen on stneeken mij niet langer op vroenido en hatelijke wijze verwijderd te houden ; ik wilde u bij de gedachtenis aan mijne dierbare moeder bezweren mij datgene te verleenen, waarom ik- sedert jaren vruchteloos smeek, mij uwe toestemming tot mijn huwelijk met de prinses Henriëtte te geven, en âquot;
,,En in plaats hiervan,quot; viel de keurvorst hem toornig in de rede, âhebt ge niets anders gedaan dan door giftige woorden mijn toorn op te wekken en door beleedigende verdachtmaking mij tot het uiterste te drijven. In plaats van deemoedig en berouwvol tot mij te komen en om vergeving te bidden, voor wat gij gedaan hebt en waardoor ik reeds maanden mijne deur voor u gesloten heb, in plaats daarvan verschaft ge u met geweld toegang, waagt het mij te trotseeren en mij te vertoornen.quot;
âGenadige heer vader, gij waart het, die mij den handschoen in 't aangezicht wierpt, en ik moest hem opnemen, zoo ik niet een eerloos mensch, een ontaard zoon was. Gij beschul-digdet mij en ik moest mij verdedigen, hetis niet mijn schuld, indien hierbij mijne woorden zich onwillekeurig t^gen een ander persoon richtten. Men had u van mij het slechtste, het ongehoordste bericht; men had gezegd, dal ik naar uw dood verlangde, dat ik den lijfarts had gevraagd hoe lang ge nog te leven hadt. Zulk een onwaarheid bracht mijn hart in oproer, in zijne gekrenkte liefde vergat het aüe voorzichtigheid, alle gematigdheid, de smart barstte los in harde en toornige woorden, welke het niet overwegen, niet onderdrukken kon. Ik bid om genade, doorluchtige heer vader, om genade en vergeving.quot;
âVerleen ze hem, mijn heer en gemaal,quot; zei Dorothea met vleiende stem. âGa niet in het gericht met hem, ge ziet, hij heeft berouw en hij had wel reden in smartelijken toorn te geraken, want het is waarlijk een harde beschuldiging, waarmede men hem beladen heeft. Een zoon zou naar den dood zijns vaders, en wel van zulk een vader, verlangen. Ge weet, mijn gemaal, dat ik nooit aan zulk eene beschuldiging gelooven kon en ik was toen terstond verontwaardigd op den persoon, die het waagde u dit te berichten. Ik bid uwe doorluchtigheid, vergun mij deze treurige oneenigheden onzer familie eindelijk uit den weg te ruimen, laat mij de bemiddelaarster tusschen vader en zoon zijn.quot;
77
âWelaanquot; zei de keurvorst na kort nadenken, en zijne sombere blikken richtten zich op zijn zoon en vingen den blik vol toorn en haat op, dien deze juist op zijn stiefmoeder sloeg, âik wil doen wat ge wenscht, Dorothea, ik wil mijn onbeschaamden zoon zijn overmoed en verstoordheid vergeven, zoo hij zich thans buigt en onderwerpt.quot;
âZeg wat ik doen moet vader,quot; riep de prins, âgebied, ik ben tot alles bereid, als ik daarmee uwe liefde kan herwinnen en door het geschenk uwer genade ook de toestemming tot mijn huwelijk kan verkrijgen.quot;
âWelnu,quot; zei de keurvorst met trotsch en gebiedend gelaat, âbuig uw knie voor deze edele vrouw, welke gij zoo diep beleedigd hebt en die toch voor u om genade en vergeving gebeden heeft, buig voor haar uw knie en smeek haar om vergiffenis, beken met berouw, dat ge haar valseh beschuldigd en belasterd hebt. Herroep alles wat ge ooit tegen uw edele en verhevene moeder gedaan en gezegd hebt, zweer, dat ge vooi taan voor haar een dankbaar en gehoorzaam zoon wilt zijn en dan zal ik u vergeven en trachten dit bitter uur te vergeten. Kniel dus neder en smeek haar om vergeving.quot;
De keurprins deed eenige schreden voorwaarts naar de keurvorstin, die hem met een buitengewonen, vriendelijken glimlach aanzag. Eensklaps trad hij achteruit, wendde zich tot den keurvorst, en voor hem zijn knie buigende, hief hij beide handen smeekend tot hem op.
âVergeving, vader, vergeving. Bij de gedachtenis aan mijne moeder bezweer ik u, neem mij weder aan tot uw zoon. Vergeef mijne dwaze, onbedachte woorden. Verleen thans genade! Herinner u, ach, mijn dierbare vader, herinner u de woorden, welke mijne dierbare moeder tot u sprak, toen zij ons, haar weenende zonen, om haar sterfbed zag staan. Zij zeide: Bemin mijne zonen en laat ze in liefde bij u wonen! Ach vader, vervul den laatsten wensch mijner stervende moeder, laat mij in liefde bij u wonen! Verstoot mij niet! Bemin mij, gelijk ik u bemin!quot;
âBewijs mij uwe liefde,quot; riep de keurvorst. âDoe wat ik u gezegd heb. Niet voor mij zult ge uw knie buigen, maar voor uwe moeder. Haar zult ge om vergiffenis smeeken, haar zult ge zeggen, dat ge berouw hebt en u verbeteren wilt.quot;
78
De prins sprong overeind. âIk kan niet,quot; prevelde hij, âonmogelijk, ik kan het niet.''
âGe kunt,quot; riep de keurvorst heilig, en met opgeheven arm, met van woede vlammend gelaat trad hij op zijn zoon toe, die hem doodsbleek, met verschrikten blik aanzag.
ïen tweedenmale hield de keurvorstin den arm van haar gemaal tegen, trok zijn hand neder en drukte ze aan haar lippen.
âGenade, mijn heer en gemaal,' zeide zij, âgenade voor uw arme vrouw! Niet om mij zal er oneenigheid tusschen vader en zoon zijn, niet om mij zult ge uw zoon van uw aangezicht verstooten.quot;
âNeen, om u, gij zijt onschuldig,quot; riep de keurvorst.
âHij alleen, die zwakke knaap, die het waagt mij te trotsee-ren, die in zijn dollen overmoed den vorst en den vader beleedigt, hij alleen heeft schuld aan dit uur en hij zal er voor boeten!quot;
âMijn dierbare heer, hij zal niet anders boeten dan door het verwijt van zijn eigen geweten. Ik bid u, maak een einde aan dit vreeselijk tooneel. Ge zijt opgewonden, uw handen beven, uw geheele wezen teekent drift en oproer. Dit is niet het oogenblik om een laatst en beslissend woord tot uw zoon te spreken. Laat het voorbijgaan, wacht een kalmer uur. Ik kwam om u naar de zitting van den geheimraad te verzeilen. De ministers en bijzitters zijn reeds allen vergaderd en verwachten uwe doorluchtigheid. Heb de genade, mijn dierbare keurvorst, en begeef u tol uw geheimraden, laat het verder aan mij over, om mij met den keurprins te verstaan. Het schijnt toch, dat ik de aanleiding zijner komst ben geweest ; zijne doorluciitigheid moge dus de goedheid hebben, mij vrij en eerlijk in 't gelaat te zeggen, wat hij te zeggen had en ik zal hem vrij en eerlijk antwoorden.quot;
âIk ben er mee tevreden,quot; zei de keurprins levendig. âIk zal mevrouw de keurvorstin vrij en eerlijk zeggen, wat mij op het hart ligt, ik zal niets terughouden, niets verzwijgen.quot;
âIk verbied het u,quot; riep de keurvorst, âik â'
âO, mijn gemaal,quot; viel Dorothea hem lier in de rede, âheb geen vrees voor mij! Meen niet, dat hij iets kan zeggen, waarover ik mij niet zou kunnen rechtvaardigen?quot;
79
âNeen, dal niet,quot; antwoordde de keurvorst. âMaar het is niet betamelijk, dat gij u wilt vernederen om hem te antwoorden; hij verdient het niet!''
âHij verdient het wel, want hij is uw zoon. Ik verzoek u, mijn dierbaarste keurvorst, verleen mij het als een gunst. Uw geheimraden verwachten u, veroorloof dal ik u naaide raadkamer voer en daarna hier terug kom, om met den keurprins te spreken. Ik denk, dat wij, als wij alleen zijn, elkander best verstaan zullen en alles wel goed tus-schen ons zal worden.quot;
âNu, het zij, gelijk gij het wênscht en begeert, Dorothea,quot; zij de keurvorst na kort nadenken. âStaatszaken zullen en moeten voor de familieaangelegenheden gaan, en vermits mijn geheimraden mij wegens gewichtige beraadslagingen wachten, zal ik mij tot hen begeven. Beproef intusschen het harde, halsstarrige gemoed van mijn zoon te vermurwen, en God moge uw moedig en zacht moederhart daarbij zijn zegen schenken. Gij, Friedrich, moet weten, dat van dit uw onderhoud met mevrouw uwe moeder, mijne veelgeliefde gemalin, uw geheele toekomst afhangt en gij mij slechts hierdoor verzoenen en als een liefderijk vader kunt wedervinden, zoo ge u deemoedig onderworpen betoont en in alles den wil van mevrouw de keurvorstin doet. En nu, mijn Dorothea, verzoek ik u, Jacob Uhle binnen te roepen, want hij moet mij heden naar de raadkamer geleiden, want ik verzoek u hier te blijven.''
De keurvorstin opende schielijk de deur en wenkte den buitenstaanden lijftrawant. Vervolgens reikte zij haar gemaal den krukstok met den zilveren knop, dien hij met de rechterhand aanvatte en terwijl hij met moeite zijn smartelijk steunen onderdrukte verliet hij met den linkerarm op den lijftrawant leunende, langzaam de kamer.
âMijnheer de keurprins.'' zei Dorothea, toen de deur zich achter hem sloot, ânu zijn wij alleen. Ik meen op uw gelaat te lezen, dal het niet twee vrienden zijn, die hier tegenover elkander staan.quot;
âZoudl (jij u soms als mijne vriendin gevoelen, mevrouw de keurvorstin?quot; vroeg de keurprins.
âNeenquot; antwoordde de keurvorstin bedaard, âik ben uw vriendin niet, want ge hebt dit nooit gewild! Ge hebt mij altijd getergd, gekrenkt en beleedigd. Mijn eerste ontmoe-
80
ting met u en uw broeder was reeds ongunstig en vijandig. Gij haaüet mij al vóór ge mij kendet en deze haat is in u voortgewoekerd, jaren lang. Iloezou het dan mogelijk kunnen zijn, dat ik u in weerwil hiervan liefde en vriendschap schonk? Hebt ge er naar gestreefd? Hebt gij ze verdiend? Hebt ge niet alles gedaan, om mij verdacht te maken? Ik kwam hier met het eerlijke en vaste voornemen u te beminnen, uwe moeder bij u te vervangen, maar ge zaagt in mij slechts de stiefmoeder en wan-trouwdet mij van de eerste schrede af, dien ik in dit slot deed. Wat ik ook deed, om uwe vijandschap in vriendschap te veranderen, het gelukte niet, want gewildethet niet, en uw vrienden en vertrouwden versterkten de drie prinsen in den haat tegen de ongelukkige stiefmoeder, die verloren zou zijn geweest, indien het edel, groot hart van den keurvorst zich niet lot haar had gewend, zoo hij niet aan haar geloofd, haar niet staande gehouden, niet beschermd had tegen de vijandschap van zijn zonen en de Oranjepartij. Denk niet heer keurprins, dat ik wil klagen of uw medelijden wil opwekken. Neen, ik beantwoord slechts uwe vraag, of ik uw vriendin ben, en ik zeg u eerlijk-neen! Spreek, zeg nu, wat ge van mij wilt. Wat heeft u hier gevoerd ? Ge wist toch, dat ge in deze vertrekken geen welkom bezoeker zoudt zijn.quot;
âToch waren het deze vertrekken, waarin mijn vader leeft,quot; zuchtte Friedrich. âIk ben hier gekomen, omdat de zoon verlangde zijn vader eens alleen en zonder getuigen le begroeten; ik wil u de waarheid bekennen, doorluchtigheid, ik hoopte dat gij in het uur, dat ik koos, niet hier zoudt zijn, en ik hoopte, van dit samenzijn met mijn vader, dat hij zijn hart voor mij zou ontsluiten en mij datgene zou toestaan, waarom ik hem wilde smeeken. Ik kwam hier met een ootmoedig hart, bereid al het onrecht te vergeten en dankbaar te zijn voor elk bewijs van vriendschap en goedheid. Maar in plaats van een vriendelijke begroeting ontving de keurvorst mij met verwdjten, met beschuldigingen, die mijn persoon in verdenking brengen en mij als een goddeloozen, trouweloozen zoon voorstellen. Ik begreep, dat slechts van mijne vijanden slechts van u, doorluchtigheid, zulke beschuldigen konden uitgaan; ik begreep welk voordeel ge hieruit trekken wildet, en in mijn hart werd de oude haat
81
weder levendig, en deed mij alle voorzichtigheid vergeten. Gij weet -het, want gij hebt gehoord wat ik den heer keurvorst over u gezegd heb! Maar laat mij u om vergeving bidden, voor 'tgeen ik gesproken heb. Het was onbedacht en ge weet, de haat overdrijft soms. Vergeef mij, iaat mij nog eens beproeven of 't niet mogelijk is ons in vrede met elkander te verstaan. Ik wil u mijn woord geven, mevrouw de keurvorstin, dat ik mij nooit wil onderslaan uwe wegen te kruisen, nooit wil beproeven de groote macht te breken, welke gij op mijn vader uitoefent, ik wil mij zelfs verplichten de staatkunde, waartoe gij met uw invloed den keurvorst drijft, noch te bestrijden, noch te laken, ik wil u in alles uw wil laten en overal voor u wijken, opdat ge u nimmer aan mij zult stooten. Maar ik bid u, mevrouw de keurvorstin, wil dan ook hetzelfde voor mij doen. Wil mij dan ook ongehinderd den weg laten bewandelen, dien ik gaan wil en die u niet verontrusten zal. Ik begeer niet veel, ik heb mij onderworpen. De keurprins is aan dit hof een ongeacht, ter zijde geschoven persoon. Hij is gebannen uit de vertrekken van zijn vader, hij heeft in den staatsraad geen plaats, mag geen deel nemen aan de staatszaken en zelfs bij de gewichtigste besluiten, die ver in de toekomst werken, vraagt men zijn stem niet. Gij, mevrouw de keurvorstin, neemt in de zaken van staat en regeering de plaats in, die van rechtswege mij, als keurprins en opvolger, toekomt. Maar ik wil er niet over klagen, ik berust er in! Maar laat mij dan ten minste leven zoo als het met mijne neigingen, mijne wenschen overeenkomt, laat mij ten minste het geluk op wijze vinden, en schoon ik dan een vergeten en ongeacht prins ben, veroorloof mij ten minste een gelukkig mensch te zijn. Mevrouw de keurvorstin, ge hebt alles wat het leven verfraait en verheerlijkt, gun er mij een klein gedeelte van! Hef uw machtige hand op en stort het geluk over mij uit! Uw hand is voor mij de hoorn des overvloeds, enge zijt voor mij de fortuin, die mijne toekomst in haar macht heeft. Sta mij den trouwen, lang gevoeden wensch mijns harten toe, veroorloof mij gelukkig te zijn, en jik wil u danken uit den grond van mijn hart, ik wil voor u een eerbiedig, verknocht zoon zijnen geen woord van berisping zal ooit over mijne lippen komen. Mevrouw de keurvorstin, ik bemin de prinses Elizabeth Hühlbaoh, De groo te Keurvorst en zijn tijd. VI. 6
82
Henriette van Hessen! Ik heb mij mei haai' verloofd, en haar gezworen, dat nooit eene andere prinses mijne gemalin zou worden. Mevrouw de keurvorstin, geef mij de prinses, die ik bemin, tot echtgenoot, wees mijn voorspraak bij den keurvorst, opdat hij mijn liefde zegent en eindelijk mijn wensch vervult!quot;
Hij was de keurvorstin genaderd, die zich langzaam op den fauteuil had nedergezet en, met haar armen op de zijleuningen gelegd, in rechte, hoogmoedige houding, met bewegingloos, koud gezicht, naar de driftige, gloeiende woorden van den keurprins geluisterd had.
âWees mijn voorspraak, verleen mij mijn geluk,quot; riep de prins met bewogene, bevende stem, en geheel overweldigd door zijn eigene inwendige aandoening, door de belangrijkheid en de beteekenis van dit oogenblik, dat over zijne geheele toekomst beslissen moest, zonk hij voor de keurvorstin op zijne knieën en hief smeekend zijne handen tot haar op.
Trotsch en kalm zag zij op hem neder en een spottende glimlach speelde om haar lippen. âZie, den heer keurprins!'' zeide zij. âHij speelt eenklaps de rol van eerbiedigen, onderworpen zoon, hij wil zijn trots buigen en mijn macht en invloed erkennen. De gehate stiefmoeder is veranderd in de godin Fortuna. Zij moet geluk en zegen uitstorten en een teedere, geliefde en beminnende moeder worden. Is uwe halsstarrigheid eindelijk gebroken, heer zoon? Zijt ge eindelijk tot de overtuiging gekomen, dat ge niets tegen mij beginnen kunt, ziet ge nu, dat gij u aan mij onderwerpen moet, zoo ge niet schipbreuk wilt lijden met al uwe wenschen?quot;
De keurprins had zich opgericht, en zijn gelaat nam weer een tartende, dreigende uitdrukking aan.
âIk zie, dat alle woorden vruchteloos zijn,quot; zeide hij. âIk zie, dal niets u verzoenen kan.'quot;
âGe hadt dit reeds vroeger kunnen weten,quot; antwoordde zij met trotsche kalmte. âGe hebt hel gil van den haat dag aan dag in mijn ziel en hart gedroppeld, en âquot;
âEn gij wendt nu dit gif tegen mij en mijn broeder aan,quot; viel haar de keurprins in de rede.
Over Dorothea's gelaat schoot een snelle donkere gloed, en een toornige blik trof het gelaat van den prins.
83
âJa, ik wendle het aan,quot; zeide zij bedaard,quot; het is niet mijn schuld, zou ge er door sterft, want ge hebt liet u zeiven toebereid!quot;
âMevrouw de keurvorstin, maken wij er een einde aan. Nog slechts één vraag. Wilt ge mij genadiglijk de hand der prinses van Hessen bewilligen? Ik heb de toestemming van mevrouw de landgravin en van prinses Henriette,erontbreekt nog slechts uwe toestemming en bewilliging, want uw wil be-heerscht den wil van mijn heer vader, en zijne toestemming is alleen van de uwe afhankelijk. Laat mij dus uw besluit hooren. Wilt ge uwe toestemming tot mijn huwelijk geven ?quot;
âNeen,quot; antwoordde de keurvorstin met bedaard, onverschillig gelaat, âik wil u mijne toestemming niet geven, en ik verzeker u, dat ook de keurvorst ze u nooit geven zal. Ge moet beproeven uw geluk op een andere wijze te zoeken, want op den huwelijksweg zult ge het niet vinden. De keurvorst zal nooit zijne toestemming geven tot uw huwelijk met de prinses van Hessen.quot;
âWaarom niet?quot; vroeg de keurprins heftig. âWat heeft hij tegen mijne bruid in te brengen?quot;
Een kort spottend lachen klonk van de lippen der keurvorstin. âTegen de bruid moge hij niets in te brengen heb-hen,quot; zeide zij de schouders ophalend, âdes te meer echter tegen den bruidegom.quot;
âTegen mij ? 'riep de keurprins.
âTegen u! De keurvorst zal u nooit verlof geven om te trouwen!quot;
âEn wilt gij de genade hebben mij te zeggen, waarom niet?quot; vroeg de keurprins verbleekend.
âIk zal het u zeggen, opdat ge voor altoos van dergelijke plannen afziet en u geene ijdele luchtkasteelen voor de toekomst bouwt. De keurvorst wil niet, dat een krank, ziekeliik geslacht hem opvolgt; de keurvorst wil niet, dat de liere heldenstam der Hohenzollern in wanstaltige, gebrekkige takken voortgroeit.quot;
Een kreet van woede kwam over de lippen van den prins en een vale bleekheid overtoog zijne wangen. Zijne kleine, misvormde gestalte beefde zoo, dat hij zich aan den stoel, waarbij hij stond, moest vasthouden, om niet ineen te zinken. Met wijd geopende oogen, sprakeloos, vol van ontzetting. aanschouwde hij de keurvorstin. Maar Dorothea had
84
geen medelijden met zijne smart, geene ontferming met zijn ongelukkig, diep geschokt gemoed.
^De keurvorst zal nooit zijne toestemminggeven, dat ge een wettig huwelijk aangaat,quot; voer z;j met onwrikbare kalmte voort, âwantzelfs, zoo het onwaarschijnlijke gebeurde, zoo ge nakomelingen hadt, zouden uw nakomelingen toch krank en zwak naar geest en lichaam zijn, een vervallen geslacht; kinderen van mismaakten kunnen geen erfgenamen en opvolgers van den troon der Hohenzollern zijn!quot;
âMevrouw de keurvorstin,quot; riep de keurprins, âzwijg, zoo ge niet wilt, dat ik u vermoorden zal!quot;
Hij liep op haar toe, greep met beide handen haar armen, en zag haar met dreigende oogen, met van woede vertrokken gelaat aan.
Zij echter wierp mot een ontstuimige beweging zijn handen terug, en richtte zich dreigend en fier uit den leunstoel op.
,,Gij mij vermoorden, gij!quot; zeide zij met een verachte-lijken glimlach. âGij dreigt mijl Ga! Ik vrees die bedreigingen zoo weinig, dat ik het niet eens der moeite waard acht, ze den keurvorst over te brengen om bescherming te verzoeken. Ik lach om uwe machtelooze woede en uwe kinderlijke toorn kan mij slechts vermaken. Mijn kleine heer keurprins, geloofdet gij werkelijk, dat uw vader de zwakheid zoo ver zou drijven u te vergunnen, dat gij, de vermoedelijke troonopvolger, gij, de vorstelijke Esopus, zoudt huwen en uw huis aan 't gevaar, blootstellen, het erfgenamen te geven, die u gelijken? Neen, zoo ver gaat de lankmoedigheid en het geduld van uw edelen heer vader niet. nij zal u niet van uwe natuurlijke rechten berooven, en zoo gij zelf niet zooveel grootheid van ziel en zelfopoffering bezit, dat ge vrijwillig van uwe aanspraken op de opvolging afstand doet ten gunste uws broeders, zal de keurvorst er u niet toe dwingen, maar aan het recht zijn loop laten, en ingeval gij het geluk hebt uw vader te overleven, zult ge zijn opvolger worden. Maar vertrouw er niet vast op, want uw vader lijdt. Goddank, aan geen andere kwaal dan aan de jicht. Ge weet wel, dat men met de jicht een hoo-gen ouderdom kan bereiken, terwijl de ondervinding leert, dat mismaakten zelden oud worden.quot;
âDat is te veel!quot; riep Friedrich, de gebalde vuisten op-
heffende, en ze legen deze vrouw uitstekend, wier woorden als dolksteken zijn hart troffen en hel doodelijk wondden. âGij zijl een monster, eene wolvin, die met haar landen langzaam verscheurt, in plaats van te moorden. Verheug u, wreede wolvin, ik voel uwe tanden in mijn hart, het is u gelukt mij vreeselijk te pijnigen, verheug u indetolle-ringen, welke ge mij bereid hebt. Ik beken, hel is eene foltering te welen, dat men een geteekende, eeneverstoo-lene is; het is een nooit eindigende smart te welen, dat men onder al de fiere, fraai gevormde menschen als een misvormde rondsluipt. Ik knarsetand van woede, als ik dit mij zeiven beken ; ik beschuldig God en mijn lol, ik vloek de natuur, ik vloek de vrouw, wier schandelijke lichtzinnigheid mij derwijze misvormd heeft. Er was een tijd, dal ik beproefde het met gelatenheid, met zachtmoedigheid en onderwerping te dragen. Toen leefde mijn broeder nog, mijn fraaie, sterke, gezonde broeder, en achter hem trad ik gaarne terug in de schaduw. Maar nuik keurprins ben, door Gods genade, of door 's duivels boosheid, nu gevoel ik sjLubbel zwaar den last, die op mijne schouders rust, en degdüe, die er mij aan herinnert is mijn vijand, mijn wreede, liefdelooze vijand, dien ik haat, dien ik verfoei, dien ik nooit vergeven zal. Gij, mevrouw de keurvorstin, gij hebt mij doodelijk getroffen en tot aan mijn dood zal ik mij wreken. Wees er zeker van! Ik zal u de vreugd niet gunnen mij te kunnen beweenen, gelijk ge mijn broeder Garl Emil hebt beweend. Ik zal geen kok nemen, die in uw dienst heeft geslaan, en dien ge wegjaagt, opdat ik, om u te tarten, hem aanneme; ik zal niet argeloos het vergif in mijn hals gieten en-voor een ziekte houden, wat het vergit veroorzaakt. Bij de minste ongesteldheid zal ik den arts roepen en alle verschijnselen nauwkeurig laten onderzoeken, en indien de artsen bekennen, dal deze verschijnselen eene poging lol vergiftiging aanduiden, zal ik voor iedereen, voor den keizer van het Duilsche Rijk, voor geheel Kuropa u als een giftmengster aanklagen en van den keizer uwe straf ve.'langen. Ik zalquot; â
âGenoeg, genoeg!quot; riep de keurvorstin, beide handen afwerend naar den prins uitstrekkend. âZwijg, ter wille van u zeiven. Onzinnige, ge weel niet, wal ge doel. Heb medelijden met u zeiven, want uwe waanzinnige woor-
8ö
den troffen niet mij, maar u ! Genoeg, zeg ik, genoeg!quot;
âGe wilt dus zeggen, dat ge bloedige wraak voor de uitgesproken woorden zult nemen.'? Ge wilt de genade liebben, u over den mismaakte te ontfermen. Ge wilt hem het leven schenken, zoo hij uw toorn niet langer opwekt. Ge wilt hem dooden, zoo hij u nog langer beleedigt. Daar â om moet het genoeg zijn ? Ik zeg u echter, dat het niet genoeg is! Ik wil spreken en alles zeggen! Ge hebt de giftsluizen, die op mijn rug zitten, met onmeedoogende hand geopend, en nu stroomt het gif van haat en boosheid er uit te voorschijn en die stroom laat zich niet meer breidelen. Ze wil u overstroomen, u, de wolvin, de furie, de giftmengster. Ha, ge wordt bleek, uwe zware wenkbrauwen trillen. Gij voelt den dolksteek, ge zijt nog niet geheel gevoelloos, hoewel ge u in drakenbloed gebaad hebt. Dat verheugt, dat verrukt mij! Wij hebben een duel te zamen, mevrouw de keurvorstin, een duel op het pistool. Gij hebt het eerste schot gedaan, nu doe ik het tweede. Ja, bliksem maar met uwe slangenoogen, ik vrees u niet. Ge zijt wel een basiliskus, maar ik ben geen onschuldig vogeltje, ik ben een mismaakte, een pad, die wegspringt, zich niet bekommerend om uw toorn en woede. Ge zult de pad niet bereiken, niet dooden, niet onder uwe voeten treden, wand padden hebben een taai leven, en sluipen onder de voeten weg, en springen verder, verbergen zich voor het gevaar in een donker muurgat, en kruipen eerst als het gevaar voorbij is er weder uit. Ik ben de pad, geloof mij, en ge zult mij niet vangen. Ik zal altijd op een gunstig oogenblik loeren om u mijn paddegif in 't aangezicht te spuwen, en ik zal het vinden, wees er zeker van. Hoe goed doet het mij, u eindelijk alles te kunnen zeggen, u in mijn hart den haat, de verachting te laten zien, die er leeft tegen de verhevene, trotsche keurvorstin, mijne teedere, aangebedene moeder. Ja, ik haat u, ik verfoei u, want ge hebt u bezondigd aan mijn hart, aan mijne familie, aan mijn land. Ik zeg aan mijn land, want het zal eens hot zijn, geloof mij ! Ge hebt u bezondigd aan alles, wat heilig, groot en goed is. Gij hebt mijn hart doodelijk getroffen, het is uw schuld dat ik van mijn geliefde gescheiden ben ; dat ik mijn bruid niet als mijn gemalin huiswaarts kan voeren. Ge hebt mijn
87
familie doodelijk getrolTen, want gij zijt schuldig aan den dood van mijn broeder Ãmil, gij zijt zijne moordenares. Zoo ge hem al niet zelf hebt getroffen, hebt ge de hand gewapend, die hem vermoordde; ik weet dat, ik gevoel het. Ge hebt u bezondigd aan mijn land, want gij, gij alleen, zijt schuld van den vernederenden, schandelijken vrede, dién de keurvorst te St. Germain met Frankrijk gesloten heeft. Gij wildet dezen vrede, gii, met uwe gladde, huichelachtige slangen woorden haaldet er den edelen keurvorst toe over. Gij zaagt hoe hij met zijne smart worstelde, gij wist dat hij er duizendmaal de voorkeur aan zou hebben gegeven om in een openlijken, roemrijken oorlog met het zwaard in de vuist te vallen, dan zich aan zulke vernederende voorwaarden te onderwerpen. Maar gij, half met beden, met bewijsgronden, half met toorn en bedreigingen, gaf hem in plaats hiervan de pen in de hand, en de keurvorst onderteekende. Hij deed het met een jammerkreet, en de smart over deze vernedering knaagt nog aan zijn ziel en maakt hem somber en menschenschuw. Maar wat bekommert u dit! Wat vraagt gij hiernaar! Ge hebt voor eiken traan, die uit de oogen van mijn vader vloeiden, een fonkelende briljant. Frankrijk heeft u rijk beloond voor uwe hulp om den vrede van St. Germain te sluiten, het heeft uw juweelkistje.verrijkt met een kostbaren tooi, uwe kasette met honderdduizend thaler 1); hij heeft uw bemiddelaar, Meinders, een jaarlijksche rente van twintigduizend livres toegewezen 2) Gij triumfeert, terwijl de keurvorst verkwijnt, ge hebt u verrijkt, hij is verarmd. Wee over u, wee over uwe daden; de wereldgeschiedenis zal er u eeuwig voor aanklagen en veroor-deelen!''
âZijt ge thans ten einde, heer keurprins?quot; vroeg Dorothea. wier oogen met een scherpen blik op den keurprins waren gevestigd. âHebt ge mij nu alles gezegd, wat op uw hart lag?quot;
âNeen,'' riep hij gloeiend, ânog niet alles, ik ben nog niet ten einde! Ik heb u gezegd, hoe ge u bezondigd hebt
1
Zie: König, géschichte von Berlin, II JS9. Pöllnitz, Memoires III 151.
2
Zie: König, Geschiclite von Berlin, II 189. Pöllnitz, Memoires 111 151.
88
aan mij, aan mijne familie, aan mijn land. Dil alles mo^e u vergeven worden, voor dit alles moogt ge eene verontschuldiging vinden, maar nooit kan u vergeven worden, dat ge den edelen, verheven geest van mijn vader in banden geslagen en zijne vrije ziel door uwe huichelachtige liefde gekluisterd hebt, dat ge van den grooten met leeuwenmoed bedeelden vorst een kleinen, afhankelijken dienaar van u hebt gemaakt. Ach, het hoofd van mijn vorstelijken vader straalde met zulk een heerlijken, roemvollen glans, en thans âquot;
âStil!quot; viel Dorothea hem met een trotsch, gebiedend gebaar in rede. âVermeet u niet uw paddengif ook tegen hem te spuwen, die zoo hoog, zoo groot, zoo verheven boven u slaat, gelijk de adelaar in de lucht boven het nietig gewormte der aarde. De pijlen, welke ge tegen mij richt, stuiten machteloos op mij af en vallen aan mijne voeten neder, maar zoo ge het waagt, ook slechts met een woord, een gebaar den grooten, edelen vorst, wiens zoon gij de onverdiende eer hebt te zijn, ook slechts met een adem van uw lasterenden mond aan te vallen, zal ik doen wat mij betaamt,' dan zal ik u straffen, zooals een hoogverrader, een godlasteraar het verdient! Want die zijn vader lastert, lastert God; die zijn vorst beschuldigt, is een hoogverrader! Stil geen woord meer! Ik heb u met gelatenheid aangehoord, toen ge uw gif tegen mij spuwdet, maar nu ge hiermede ten einde zijt hebt ge niets meer te zeggen. Ge hebt uw tweede schot gedaan, en het is mijn hoofd voorbij gegaan zonder schade aan te richten, want ge zijt te klein om mij te treilen.quot;
âMevrouw de keurvorstin âquot;
âStil, zeg ik u. Ge zegt immers, dat wij tegenover elk ander staan in een duel op leven en dood. Laat het ten minste daarbij ordelijk toegaan, opdat, indien een onzer valt, de andere er zich mee troosten mag, dat hij geen moordenaar is, maar zijn tegenpartij gedood heeft volgens de wetten der eer en der zelfverdediging. Ik echter, wil nog eens beproeven een vergelijk tusschen ons tot stand te brengen, voor dat het duel doorgaat. Luister. Ik heb u gezegd, en bij bet hoofd van mijne kinderen en mijn gemaal zweer ik u, dat het de waarheid is: De keurvorst
89
zal nooit uw huwelijk toestaan, wijl hij geen zwakken en gebrekkigen op den troon zijner vaderen zien wil. Ge zult dus ongehuwd moeten blijven zoolang uw vader leeft en geen plaats voor u maakt. En dat zal, als God wil, lang duren, want hij is gezond, en het zal de heiligste plicht mijns levens zijn hem te verplegen, hem alle onaangenaamheden, alle ergernis uit den weg te ruimen, hem met liefde en zorg dag en nacht ter zijde te staan. Dit zal de eenige wraak zijn, welke ik op u neem. Uw sterke levenskrachtige vader zal nog vele gelukkige jaren leven, en zijn kleine, mismaakte zoon zal voor hem in het graf dalen, zal ongehuwd sterven. Maar ik wil u een voorstel doen, hoe ge de verliefde vurige wenschen van uw hart kunt bereiken en u tevens den roem verwerven van aan het vaderland een groot en edel olï'er te hebben gebracht. Zie af van uwe aanspraken op de troonsopvolging. Spreek het vrij en openlijk uit, dat ge u niet waardig gevoelt de opvolger van zulk een verheven, groot vorst te zijn; beken, dat gij, gebogen onder uwe lichaamsgebreken, niet wilt, dat een kreupele als het karikatuur van een wezenlijken vorst op den troon de plaats inneemt, welke een betere toekomt. Spreek dit uit voor uw vader en voor de stenden van het land, zie af van de opvolging. Uw vader zal uw offer aannemen, en hij zal u hiervoor weder zijne geheele liefde schenken. Wees groot en sterk van geest, daar ge zoo klein en zwak van lichaam zijt. En ik beloof u, dat ge ook mijne liefde zult winnen, dat ik alles, wat in mijn vermogen is, doen wil om u gelukkig te maken. Ik zweer u, dat, voor nog vier weken verloopen zijn, gij de gemaal uwer geliefde prinses Henriette van Hessen zijn zult; dat de keurvorst u een groote en rijke apanage zal vaststellen, opdat ge ons allen overtreffen kunt in glans en pracht. Ge zult, zoolang ge leeft, de eerste plaats aan het hof innemen den titel van keurprins dragen en, zoo ge het begeert, in den staatsraad zitting en stem hebben. Ziedaar mijn A^oorstel, en zoo ge het aanneemt, is ons duel ten einde, zullen al de beleedigingen en verwoedde uitvallen, waaraan ge u heden hebt, overgegeven, vergeten zijn, en het is nog slechts eene liefderijke moeder en een edele zoon, die liier te zamen zijn en elkander het plechtige woord geven voortaan elkander vriendelijk en met liefde
90
te bejegenen. Antwoord mij dus, wilt ge mijn voorstel aannemen ?quot;
âMevrouw de keurvorstin,quot; zei de keurprins met een verachtelijken glimlach, âgij moest thans uw schot doen, gij hebt het gedaan, en het duel gaat door!quot;
âGe wilt hiermede zeggen, dat ge mijn voorstel afslaat, dat ge geene verzoening wilt?quot;
âIk geloof niet, dat men mijne woorden anders kan uitleggen.quot;
âGe volhardt bij uw onzinnig verlangen de opvolger van den keurvorst te ziin?quot;
âJa!quot;
âOok als ik u zeg, dat de prinses van Hessen dan binnen veertien dagen de gemalin van den jongen hertog van Koerland zal zijn?quot;
âJa mevrouw de keurvorstin, want ik geloof u niet, het is weer een uwer listen en streken, waarmede gij mij denkt te verschrikken. Maar mij verschrikt ge niet meer, ik kruip niet meer weg, gelijk ik als kind wel deed, als ik u met uw boosaardigen glimlach en uw basilis-kusblik zag naderen. Neen, ik treed u open tegemoet,ik zie u onbevreesd in 't gelaat en de misvormde en kreupele zegt u.; Keurvorstin Dorothea, gij zult uw schandelijk doel niet bereiken! Het zal u niet gelukken de beide zonen mijner moeder uit den weg te ruimen, opdat uw zoon, uw Philip, de opvolger van uw gemaal wordt. God zal ons beschermen, en onze voorzichtigheid zal ons behoeden tegen de moordenaarshanden, door u omgekocht. Dezelfde Gorl, die eens het doorluchtige hoofd van mijn vader beschermde tegen den moordaanslag van graaf Schwarzenberg, dezelfde God zal ook mij behoeden, dat ik niet als het slachtoffer uwer boosheid val! Uw Philip zal geen keurvorst van Brandenburg worden. Ik zal de opvolger van mijn vader zijn, ik, de mismaakte, voor mij zullen uwe zonen buigen. De keurvorst Friedrich de derde zal den markgraaf Philip met zijn vuist, die sterk en mannelijk zal zijn, hoewel het do vuist van een gebrekkige is, zoo ter neder houden en weten te vatten, dat hij zich niet verroeren kan, maar deemoedig en met gebogen hoofd voor hom in 'tstof zal knielen.quot;
âNooit zal dit geschieden,nooit!quot;' zeide de keurvorstin.
' âDe trotsche keurvorstin,quot; ging Friedrich voort, als had
91
hij Dorothea's tegenspraak volstrekt niet gehoord, âzal dan niets meer zijn dan de weduwe van mijn vader, welke ik om diens wille niot openlijk beschuldigen, niet ter verantwoording zal roepen, maar in een vergeten hoek, in een oud, vervallen kasteel, ver van onze residentie terug zal dringen, opdat zij daar haar dagen in rouw en boete o't met machtelooze vervloekingen en verwenschingen doorbrenge, of er zich vermake met het voorspiegelen van waanzinnige hersenschimmen, hoe zij haar geliefde zonen tot grooteen machtige heeren zal maken, en al die hersenschimmen als zeepbellen te zien bersten. Mevrouw de keurvorstin, ik waarschuw u, neem u in acht in alles, wat ge doet, want van dit uur af zult ge in mij een rechter der toekomst zien, die eens als keurvorst zijne onderdanen ter verantwoording zal roepen voor begane misdaden. Elk onrecht, dat ge van nu af tegen mij en mijn broeder pleegt, wreek ik eens aan uwe zonen, uw Philip is voor mij niets meer dan de geesel uwer daden, aan welke de keurvorst Friedrich de derde wreken en straffen zal, wat gij den keurprins Friedrich hebt misdaan.quot;
De keurvorstin, niet langer in staat haar toorn te bedwingen, schoot op hem toe, greep met beide handen zijne schouders en staarde hem met bliksemende oogen in het hoonlachende gelaat.
âEllendeling:quot; riep zij met hijgenden adem, met van woede vlammend gelaat; âwaagt het nog mij te tarten, mij te dreigen, dat ge mijne zonen vernederen, mijn Philip in 't slof wilt treden? Ongelukkige, weet ge dan niet, dat ge verloren zijt, zoo ge het waagt mij te tergen, dat, zoo ge mijne zonen dreigt, dit gelijk staat met uw doodvonnis te onderteekenen? Ge meent, dat God u zal beschermen, opdat ge keurvorst wordt; hoed u, zoon uwer moeder, hoed u, de moeder mijner zonen te tergen, want geen heraelsche macht beschermt u tegen eene tijgerin, die hare jongen verdedigt.quot;
.,Ha!'' riep Friedrich bleek van ontzetting, âthans, mevrouw de keurvorstin, heb ik voor het eerst uw ware gedaan te gezien, het is, gelijk ge zegt, eene bloeddorstige tijgerin.quot;
âJa,quot; zeide zij hijgende, terwijl zij hem verachtelijk van zich stiet, âja, ge hebt mij in mijne ware gedaante gezien, onthoud alles goed en laat het u waarschuwen, het duel lusschen ons thans als geëindigd te beschouwen, Ga, ik
92
houd u niet terug! Ik roep geene dienaren, om den op-roerigen knaap in hechtenis te nemen, die zich verzet tegen zijne moeder en de keurvorstin. Ik zal u ook niet aanklagen bij mijn gemaal, want ik wil hem geen verdriet veroorzaken, ik wil den afkeer, dien hij van u heeft, niet vermeerderen. Verwijder u ! Ga zoo ver ge kunt, zoo ,ver dat mijn arm u niet bereiken, mijn wraak u niet treffen kan! Leef in eenzaamheid en stilte, opdat ik niet verneem, waar ge zijt, opdat ik mijne toegevendheid jegens u niet betreure en mij niet verheffe in de majesteit van mijn toorn, Ik verzoek u, om uw zelfs wil, zoo ge nog op leven en geluk hoopt, ga verlaat mij!quot;
Zij wenkte gebiedend naar de deur, en wankelde met doodsbleek gelaat als verschrikt over den aanblik van den oproerigen zoon, achteruit.
Maar Friedrich aanschouwde haar glimlachend. âIk zal zorgen, doorluchtigheid, dat ge ten allen tijde van mijn verblijf kennis draagt. Want het betaamt den man niet zich voor de vrouw te verbergen, het betaamt den moedige niet zich te verschuilen voor den vijand. Ik blijf er bij, ons duel moet eindigen met den dood van één van ons beiden. Van een vergelijk, van eene verzoening kan tusschen ons beiden nooit sprake meer zijn. 't Kan zijn, dat wij een wapenstilstand aangaan; dat wij voor maanden, voor jaren misschien de wapens nederleggen, maar wij zullen beiden weten, dat dit slechts rusten, geen opgeven is; wij zullen weten, dat wij den strijd ten allen tijde opnieuw kunnen beginnen en dat wij van weerszijden het geschikte oogen-blik moeten bespieden om de tegenpartij den doodelijken slag toe te brengen. Wij hebben nu beiden een paar rcho-ten gedaan; misschien zullen wij thans een weinig uitrusten voor wij tot een tweeden aanval de wapens ophetfen, maar dit weten wij, het duel zal voortgaan! Vaarwel, mevrouw de keurvorstin!''
Hij boog diep voor de keurvorstin, die in plaats van eenig antwoord hem den rug toekeerde, ging met lang-zamen tieren tred door de kamer, stiet de deur open en trad de voorkamer binnen, waar Jakob Uhle stond en met treurig, ongerust gelaat den keurprins, den broeder van zijn geliefden prins Carl Emil, aanschouwde.
De keurprins wenkte hem met de hanlt;l om hem te volgen
93
en ging verder. Bij eiken tred dien hij deed, werd zijn gang sneller; soms zag hij haastig om, alsof hij vreesde, dat men hem vervolgde. Maar er was niemand in den hree-den, met tapijten belegden corridor fe zien, niemand buiten den lijftrawant Jakob Uble, die den keurprins volgde en met de hand aan den degen, dicht achter hem was.
Toen beiden door de eenzame voorkamer het kabinet van den kourprins waren binnengegaan, sloot hij voorzichtig de deur achter zich en wenkte Jakob Uble in't midden der kamer.
âGe hebt gehoort, wat de keurvorstin en ik gesproken hebben?quot; vroeg hij met zachte, fluisterende stem. De lijftrawant aarzelde met zijn antwoord en zag verlegen voor zich.
âIk beveel u de waarheid te zeggen,quot; fluisterde de keurprins, âik zweer u, dat het een geheim tusschen ons beiden blijven zal. Antwoord mij, hebt ge gehoord, wat de keurvorstin en ik met elkander gesproken hebben?quot;
âDoorluchtigheid,quot; prevelde Jakob Uhle zuchtend, ,,ik had liever mijn ooren dicht gestopt om niets te hooren ; ik had liever gedaan, wat ik nog nooit voor den vijand heb gedaan, ik was gaarne weggeloopen. Maar het hielp niet, ik moest op mijn post blijven, omdat de heer keurvorst mij bevolen had, mij niet eerder uit de voorkamer van hot kabinet te verwijderen, voor de heer keurprins het verlaten had, want het kon zijn, dat mevrouw de keurvorstin mij bevelen had te geven.quot;
âGe hebt dus alles gehoord?quot;
âMies, doorluchtigheid. Nu ge beveelt, dat ik de waarheid moet zeggen, beken ik, het geheele vreeselijke gesprek te hebben gehoord. Maar ik zweer uwe doorluchtigheid bij alles, wat mij op aarde en in den hemel heilig isâ bij de ge Uchtenis ain mijn lieven keurprins Carl Emil da! niemand ooit een enkel woord vernemen zal van wat ik gehoord heb. Ik zou meenen, dat ik geen oogenblik mijn leven meer zeker was, zoo â zoo zij vernam, dat ik haar vreeselijke bedreigingen gehoord, en ook gehoord had, wat uw doorluchtigheid haar geantwoord heeft. Neen, doorluchtigheid, wees er van verzekerd, ik zal niets verraden!quot;
âIk ben er van overtuigd, Jakob üble, want ik merk wel, dat ge deze booze heks vreest.quot;
94
âJa, doorluchtigheid, ik vrees haar, en ik geloof, dat gij haar ook moet vreezen en haar zoover uit den weg moet gaan als ge maar kunt, en niet met haar moet duelleeren, want zij strijd met vergiftigde wapens en over de kogels, welke zij schiet, hééft de duivel zijn zegen uitgesproken. Vlucht, heer keurprins, vlucht, want âquot;
âStil, Jakob Uhle. Scheld niet op haar, wees indachtig, dat zij de gemalin van den heer keurvorst is. Maar ge hebt gelijk, het is beter voor mij, niet dezelfde lucht met haar in te ademen, en haar uit den weg te gaan.quot;
âDoe dat, heer keurprins, ik bid u, doe het! Ga haar uit den weg! Ga van hier, nog heden, onmiddellijk!quot;
âAls ik het doe, Jakob Uhle, geschiedt het niet uit vrees voor haar, maar, daar ge toch alles hebt gehoord, wat wij gesproken hebben, hebt ge haar ook hoeren zeggen, dat de prinses van Hessen binnen veertien dagen gehuwd is.quot;
âJa, zij zou met den jongen hertog van Koerland huwen, den broeder van de schoone, ongelukkige prinses Gbar-lotte, die onze keurprins zoo vurig bemind heeft en die men gedwongen heeft met den hertog van Brunswijk te huwen. Ik heb gezien hoe bleek en ellendig de arme bruid was en hoe bitter zij weende, toen zij met haar bruidegom voor het altaar trad. Ik stond aan de deur der kapel en toen de bruid mij na de huwelijksvoltrekking voorbijging, zag zij mij met een langen en treurigen blik aan, het was of zij mij wilde zeggen: âIk heb niets vergeten, Jakob Uhle, en zal spoedig sterven om met mijn geliefden Carl Emil vereenigd te zijn.quot; âEn zie, prinses Charlotte heeft moeten gehoorzamen om met den leelijken ouden hertog te huwen, en hier in het slot te Berlijn, hier in de kapel, waar de prinses gehoopt had me' den keurprins voor 't altaar te treden, heeft de huwelijksvoltrekking plaats gehad, juist, als wilde mevrouw de keurvorstin bewijzen, dat zij alles doorzetten en doen kan, wat zij wil. En daar zij nu gezegd heeft, dat de prinses van Hessen met den hertog van Koerland zal huwen, zal zij 't moeten doen, indien uw doorluchtigheid het niet verhindert.quot;
âIk zal het verhinderen, geloof mij. Ge zult er nader van vernemen. Zeg mij, kunt ge vooreen paar weken verlof' krijgen.
95
âDat heb ik reeds, genadige heer. Ge weet immers, dal ik eigenlijk landjager in Ruppin ben, en als een bijzondere gunst verzocht heb, lijftrawant van den heer keurvorst te blijven. Thans, nu de keurvorst naar Pruisen gaat, heb ik als lijftrawant verlof gevraagd, om vooreerst mijn ouden pleegvader TThle te Joachimsthal te bezoeken en vervolgens naar Ruppin te gaan. Maar indien uwe doorluchtigheid mij elders kan gebruiken, ben ik ten allen tijde tot uw dienst quot; âJa, er is iets voor u te doen, Jakob Uhle, ik kan u gebruiken. Breng alles in orde, opdat ge nog heden op reis kunt gaan, bestel een rijtuig om u naar Joachimsthal te voeren, een groot, deftig rijtuig âquot;
âIk zal een rijtuig bestellen, waarvoor een keurprins; zich niet behoeft te schamen,quot; zei Jakob Uhle sluw knipoogend, âik zal vier postpaarden bestellen, die goed kunnen loopen, want ik wil ook eens als een voornaam en deftig heer reizen.quot;
âDoe dat, bestel bij den postmeester voor u een rijtuig met vier zitplaatsen en vier paarden; maar zorg, dat het rijtuig binnen twee uur gereed is. Spoed u, en zeg bij 't uitgaan aan mijn kamerdienaar Kornmesser, dat hij den heer Dankelmann dadelijk hier moet zenden!quot;
VT.
DE VLUCriT.
Toen de keurvorst uit de zitting van den geheimraad terugkwam, begaf hij zich terstond naar zijne gemalin, en met bekommerd, onrustig gelaat vroeg hij naar het resultaat van haar onderhoud met den keurprins.
âtiet resuldaat is,quot; zuchtte Dorothea, âdat ik tot de overtuiging ben gekomen, dat de keurprins mijn onverzoenlijke vijand is en alles doen wil om mij te krenken en verdacht te maken. Hij misgunt mij uwe liefde, misgunt mijne zonen zelfs het leven; hij zou er Philip een verwijt van willen maken, dat deze schoon en verstandig, gezond en krachtig is, terwijl Friedrich en Ludwig zoo weinig hun edelen schoonen vader gelijken.quot;
âHij was altijd een afgunstige, ijverzuchtige en ijdele knaap,quot; zei de keurvorst somber. âOmdat hij zwak was, werd hij dikwijls verschoond; omdat hij gebrekkig was, deed men hem uit medelijden gelooven, dat hij ten minste een knap gezicht had en prees men zijn verstand. Maar hij zal niet meer ontzien worden, hij zal in mij voortaan een streng vader, een onverbiddelijk rechter vinden, on zoo hij 't gewaagd heeft u te bnleedigen, zal ik er hem voor straffen. Ik wil eindelijk rust en vrede hebben! Deze ondeugende knaap zal niet langer de rust van mijn huis verstoren en mij de treurige werkeloosheid, die mij door den vrede van St. Germain ten deel is gevallen, niet nog erger maken. Ik wil rust hebben, en als Friedrich 't volstrekt zoo hebben wil, zal hem geschieden, wat hij verdient, ik zal hem uit Berlijn verbannen, ik zal hem naar Cöpenick zen-
07
den, om daar in 'tslot zoolang te blijven tot hij u berouwvol om vergilïenis smeekt.quot;
,,Neen,quot; zei Dorothea levendig, âniet om mijnentwil zal een uwer zonen uit uw aangezicht verbannen worden en de keurprins dit slot moeten verlaten. Ik zal niet ophouden met mijne pogingen om zijn hart te winnen, zijn wantrouwen en achterdocht te bedwingen en hem te doen erkennen, dat ik hem als mijn zoon liefheb en verdien ook door hem als zoodanig bemind te worden! Ik bid u, mijn dierbare heer, wil niet langer vei'toornd op den keurprins zijn, wil hem bewijzen, dat wij alles doen om zijn ongelukkigen achterdochtigen geest te verzoenen en hem met liefde en teederheid weder aan ons hart willen drukken. Laat de verwijdering tusschen vader en zoon ophouden ; ik bid er u om, mijn veelgeliefde gemaal, verleen het mij als een bewijs uwer goedheid en vriendschap.''
âO Dorothea, wat een edele, heerlijke vrouw zijt gij,quot; riep de keurvorst met glinsterenden blik zijne gemalin aanziende. âWat een schat bezit ik in uw persoon, en hoe gaarne zou ik u bewijzen, dat ik het geluk van u te bezitten met dankbaarheid en liefde erken en 't u zou willen vergelden.quot;
âVergeld het mij en mijne kinderen, mijn Friedrich,quot; lluisterde de keurvorstin, zich teeder aan hem vleiende. âMaak van uw vier lieve, fraaie zonen vrije heeren, onafhankelijke vorsten! Laat ze niet verteren en verkwijnen als onbeminde, lastige spruiten aan den stamboom der llohenzollern, stel ze gelijk met uwe andere zonen. Spreek, geliefde heer, zal onze Philip, deze heerlijke knaap, die in alles, in versland, in geest, en gemoed het evenbeeld van zijn vader is, zal deze werkelijk moeten achterstaan bij den armen, ellendigen keurprins Friedrich? Zal onze heldhaftige jongeling achter den gebrekkige staan? Wilt ge uwe landen, welke ge met zooveel roem verworven, niet. zooveel arbeid en zorg in stand gehouden en uit ellende en verval opgericht hebt; wilt ge die werkelijk aan dezen armen kranken prins nalaten?'
âDat kan ik niet veranderen en niet verhinderen,'' zei de keurvorst de schouders ophalende. âDe aloude wet van mijn huis verordent en bepaalt, dat in de keurmark Brandenburg de oudste zoon de erfgenaam van zijn vader
Mühlbach, De groote Keurvorst en zijn tijd. VI. 7
98
is, tenzij hij vrijwillig van de opvolging afstand doet; dan alleen gaat zij op den naastvolgenden zoon over. Indien Friedrich dus deed, wat hij echter nooit doen zal, indien hij vrijwillig van zijn erfrecht afstand deed, zou in dat geval mijn zoon Ludwig, krachtens de huiswetten, mijn opvolger en erfgenaam zijn.quot;
âMaar deze huiswetten kunnen toch alleen geldig zijn voor de mark Brandenburg,quot; zei Dorothea ijverig. âGij zegt immers zelf, dat ze voor de keurvorsten van Brandenburg zijn gegeven. Welnu, laat ze bestaan voor de mark Brandenburg ; maar al de provinciën en landen, welke gij dooiden Westfaalschen vrede in eigendom hebt bekomen, zijn er toch van uitgezonderd, voor deze kan immers de huis-wet der Brandenburgsche vorsten niet aangewend worden. Verdeel dus, mijn dierbare gemaal, verdeel uw nieuw verworven provinciën onder uw overige zonen, opdat zij in aanzien en bezit niet al te ver bij den keurprins achterstaan.quot;
âHet is onmogelijk, Dorothea,quot; zuchtte de keurvorst met een donker gelaat, ,,ik kan en mag zulk eene nieuwigheid niet invoeren, want zij zou voor altijd het opkomen van mijn huis en mijn staat verhinderen. Ik verberg het u niet, het kost mij wel een zwaren strijd, dat ik niet aan uwe wenschen kan voldoen, want ze zijn ook in stilte de mijne. Indien mijne huiswetten mij de vrijheid gaven onder mijne zonen een opvolger te kiezen, die mij door geest en hart het meest hiertoe gerechtigd en geschikt scheen, zou het Friedrich niet zijn.quot;
âDan zou het Philip zijn, niet waar?quot; vroeg Dorothea, met hartstochtelijke innigheid een arm om den hals van haar gemaal slaande.
âJa,quot; antwoordde de keurvorst, âik zou gelukkig zijn, zoo Philip de plaats innam, die helaas naar wet en recht Friedrich toekomt. Maar nu dat zoo is, mijn lieve Dorothea, laat ons er maar niet verder over spreken, want men moet er zich voor wachten om zaken, die tegen wet en recht zijn, ooit in overweging te nemen en ze als mogelijk voor te stellen. Het is eene verzoeking des duivels en men moet die ontwijken! Spreken wij er niet meer van ! Onze lieve Philip kan nooit keurvorst van Brandenburg worden, want twee gerechtigde prinsen hebben den voorrang boven hem.
m
on God verhoede, dat beiden hun vader zouden voorgaan, gelijk mijn lieve, brave Carl Einil.quot;
âGod verhoede het,quot; zuchlle de keurvor«lin, âdit ééne smartelijke verlies is voorwaar genoeg geweest! Ge hebt gelijk, mijn dierbare heer, hoeden wij ons de geheime wen-schen van ons hart als eene mogelijkheid voor testellen. Weg met die gedachten! Ook Friedrich en Ludwig zijn mijne zonen, mijne veelgeliefde zonen, ik zal eiken avond en eiken morgen bidden, dat aZ mijne zonen gezond en gelukkig mogen zijn, ik wil nooit weer mijne gedachten op de mogelijkheid richten, dat Philip, mijn eerstgeborene, mijn lieveling, er beter toe geschikt is de opvolger van zijn verheven vader te zijn, dan de zwakke, ziekelijke, misvormde Friedrich. Weg, booze gedachten, weg voor altijd! Ik wil van nu af trachten voor Friedrich een dubbel toegevende, goede moeder te zijn, juist omdat hij zoo misvormd is, en omdat hij zulk een slecht en ongelukkig karakter heeft. Hij heeft mij heden zwaar beleedigd, ik vergeef het hem, want hij is uw zoon en ongelukkig. Hij heeft mij wel gezegd, dat hij mij haatte en verachtte. âquot;
âDe schandelijke, vermetele knaap,quot; onderbrak haarde keurvorst, maar zonder er op te letten ging Dorothea voort. âIk wil des te vriendelijker voor hem zijn, er mij des te meer aan laten gelegen liggen, door een opi-ech te en hartelijke voorkomendheid zijn verduisterd gemoed te verlichten en zijn genegenheid te winnen. Ik was misschien niet toegevend, niet zacht genoeg voor hem, ik bedacht niet, dat zijn slecht en terugstootend karakter gewis het gevolg er van is, dat hij zich van zijn wanstaltigheid bewust is. Ik wil dit van nu af aan nooit vergeten en hem hierom verontschuldigen. Sta ook gij mij bij, mijn geliefde Friedrich, heproef nog eens, of men niet op den weg van goedheid, van liefde en vriendelijkheid den vervreemden zoon weer lot ons terugvoeren kan,quot;
âO Dorothea,quot; riep de keurvorst verheugd, âwal een edele, hooghartige vrouw zijt gij! Hij heeft u beleedigd, gehoond en verdacht gemaakt, en gij, in plaats van op liem vertoornd te zijn, wilt hem edelmoedig vergeven.quot;
âHet is ttw zoon, mijn Friedrich, dit is het geheim mijner toegevendheid. Ik bemin alles, wat u behoort, waarom zou ik dan uw zoon niet beminnen en hem het kwaad niet.
100
met goed vergelden ! Laat mij er reeds lieden een begin mee maken. Gij liebt, sedert de keurprins zijn eigen liuie-houden heelt, hem en zijn broeder Ludwig niet aan onze lamilietafel deel laten nemen.''
âOmdat de keurprins door zijn norsch gedrag jegens u mij hinderde, en Ludwig bestendig begon te twisten mot zijne jongere broeders, en bovenal, Dorothea, omdat ik zeer goed opmerkte, dat ge u vroolijker en gelukkiger gevoelde!, zoo naast uw vroolijke, lachende knapen zich niet die stroeve en stuursche gezichten mijner oudere zonen vertoonden.quot;
âIk dank u, Friedrich, voor deze oplettendheid van mijne geheimste wenschen, toch deedt ge onrecht, want zie, in deze wenschen was iets van de strengheid eener stielmoeder. Deze wil ik van nu af geheel en al verbannen. Mijn dierbare keurvorst, ik verzoek u een gunst!quot;
âZe is bewilligd,quot; glimlachte de keurvorst. âSpreek, Dorothea, wat wilt ge?quot;
âMijn dierbare keurvorst, ik verzoek dringend, laat van heden af de beide oudste prinsen weer aan de familietafel deelnemen. Veroorloof mij, dat ik dadelijk den keurprins zoowel uit uw als uit mijn naam laat noodigen reeds heden aan onze familietafel plaats te nemen.quot;
âGoed, mijn lieve Dorothea,quot; zei Friedrich Wilhelm, en terwijl hij haar zijne hand reikte, ging hij met teedere, be-wogene stem voort: âIk zal dit nooit vergeten, Dorothea. Ik 'ken uw hart, ik weet hoe sterk het is in liefde en in haat, en dat gij uw hart nu overwonnen hebt in liefde, dat ge vergeeft in plaats van vertoornd te zijn, dat zal ik altijd dankbaar gedenken. Zend den keurprins eene uit-noodiging tot onze tafel. Wij zullen hem met vriendelijkheid en goedheid tegemoet komen, wellicht gelukt het uwe edelmoedigheid hem werkelijk te veranderen.quot;
â't Zal 't best zijn, dat ik hem met een paar vriendelijke verzoenende woorden inviteer,quot; zei de keurvorstin, âdan kan hij terstond aan mijn schrijven zien, dat ik zijn kwade luim van straks geheel vergeten ben. Veroorloof dus, dat ik mij een oogenblik naar mijn kabinet begeef om er een paar woorden te schrijven. Ik ben dadelijk weer bij u!quot;
Zij knikte haar gemaal vriendelijk toe en spoedde zich in het belendende vertrek, sloot de deur achter zich.
101
cn liep nog haastiger voorwaarts naar do aangrenzende kamer.
âMartin,quot; zeidezij ze binnengaande, âMartin, kom hier!quot;
De hofdame kwam naar de keurvorstin toe.
âWeet ge zeker, dat hij heimelijk van hier wil vertrekken?quot;
âHij is reeds vertrokken, doorluchtigheid.quot; '
âVertrokken! Weet ge dat zeker?quot;
âIk weet het zeker. Zijn tweede kamerdienaar, Dietrich, is mijn bespieder en van hem ontving ik terstond bericht. Vóór tien minuten is de keurprins, slechts begeleid van zijn geheimsecretaris Dankelmann, zijn kamerdienaar Korn-messer en den lijftrawant Jakob Uhle, van hier op reis gegaan.quot;
âWaarheen? Weet ge dat ook?quot;
âNaar Kassei tot de landgravin van Hessen, doorluchtigheid.quot;
âHa, naar Kassei,quot; riep de keurvorstin met vroolijke stem. âDit zal den toorn van den keurvorst tot het uiterste drijven. De prins bespaart mij veel moeite, en wat ik misschien eerst in jaren bewerkt en bereikt zou hebben, brengt hij door zijn onverstand en trots reeds nu tot mogelijkheid. Ik wil nu schrijven. Martin, om den keurprins aan tafel te inviteeren. Zend den kamerlakei terstond naaide vertrekken van den keurprins en zeg hem, dat hij mij dan zelve dadelijk het antwoord brengt.quot;
Toen Dorothea het biljet geschreven en aan Martin ter hand gesteld had, keerde zij tot den keurvorst terug, die haar met een opgeruimden glimlach vriendelijk groette.
âWeet ge wel, Dorothea, âzeide hij, âdat het mij soms is, alsof ge een tooveres zijt, zoo weet ge mijn gemoed te besturen en al de wolken te verdrijven, die om mijn hoofd zweven. Ik had toch gemeend, dat ik van den dag af, toen ik de pen nam om den heilloozen vrede met Frankrijk te onderteekenen, nooit weder vroolijk en gelukkig kon zijn. En nu hebt ge heden met uwe heerlijke zachtheid, uwe edelmoedige goedheid balsem op al de brandende wonden gelegd, ik heb door u. na zulk een langen smartelijken nacht, weer den eersten zonnestraal van geluk in mijn hart gevoeld. Wees er voor gezegend en geprezen, mijn dierbare, geliefde echtgenoote.quot;
102
âGij maakt mij beschaamd, Frlediich Wilhelm,quot; zei Do-rolhea met nedergeslagen oogen, terwijl zij de hand van haar geniaal aan haar lippen drukte. âIk gevoel hoe weinig ge gewoon zijt mij week en zacht te vinden, daar u dit als iets zeldzaams zoo verheugen kan, en âquot;
De deur werd zacht geopend en Martin verscheen.
âNu, Martin,quot; riep de keurvorstin haar toe, âbrengt go hel antwoord van den heer keurprins? Zal hij aan tafel verschijnen ?quot;
âNeen, doorluchtigheid, hij zal niet verschijnen,quot; antwoordde Martin, met plechtige bedaardheid.
âNiet verschijnen?quot; vroeg de keurvorst verwonderd. âHeeft hij zijne uitnoodiging afgeslagen?quot;
âVergeving, doorluchtigheid, de heer keurprins heeft noch afgeslagen, noch aangenomen, want de heer keurprins is niet in zijne vertrekken.quot;
âIs 't anders niet ?quot; vroeg Friedrich Wilhelm glimlachend. âZoo de keurprins niet aanwezig is en misschien een plei-ziertocht ondernomen heeft, kunt ge toch niet zeggen, Martin, dat de keurprins niet aan tafel verschijnen zal?quot;
âKeurvorstelijke doorluchtigheid,quot; zei Martin, terwijl zij Friedrich Wilhelm naderde en hem met eene diepe buiging een verzegeld couvert reikte, âde tweede kamerdienaar van den heer keurprins heeft mij dezen brief gegeven, die ik de eer heb u te overhandigen.quot;
âEen brief van den keurprins? Aan mij geadresseerd?quot; vroeg de keurvorst met bevreemding, terwijl hij hoofdschuddend het opschrift beschouwde. âWat beteekentdat Martin ?quot;
De hofdame gaf geen antwoord ; zij had zich verwijderd en deed juist de deur achter zich dicht, toen de keurvorst haastig het zegel losmaakte en den brief opende.
âNeen, dierbare Friedrich Wilhelm,quot; zei Dorothea, de hand van den keurvorst vasthoudende, âIk weet niet, maar het wordt mij zoo angstig te moede, alsof een onheil op handen is. Lees dezen brief niet. De keurprins was in zulk een heftige, ziekelijke opgewondenheid en zoo hij aan u geschreven heeft gelijk hij tot mij heeft gesproken, zal deze brief u ergeren! Lees hem niet, ik verzoek het u!quot;
âIk wil hem lezen, Dorothea! Houd mij niet terug, ik wil weten, wat mijn zoon mij te schrijven heeft.quot;
103
Dorothea liel met een diepen zucht de hand van haar gemaal los; deze nam nu den brief weder op, om hem te lezen. Doch nauwelijks had hij er zijne oogen ingeslagen, of hij ontstelde en een donkere blos van toorn overtoog zijn gelaat.
âWat is er, mijn gemaal, wat is er?quot; vroeg Dorothea angstig.
âLees,quot; zeide hij, haar het papier reikende. âLees luid, opdat ik hoore, wat hij geschreven heeft en mij overtuige, dat ik niet verkeerd heb gelezen.quot;
De keurvorstin gehoorzaamde het bevel en met zachte, bevende stem las zij: ,.Mijn genadige heer keurvorst en vader! Ik bid onderdanigst om vergeving, zoo ik mij vermeet van hier te reizen zonder de toestemming uwer keur-vorstelijke doorluchtigheid en zonder afscheid genomen te hebben. Maar de voorzichtigheid gebiedt mij, mij ten spoedigste te verwijderen en mijn persoon in veiligheid te stellen, omdat ik anders vrees, dat ik sterven zal aan dezelfde ziekte, waaraan mijn ongelukkige broeder, die vóór mij keurprins was, gestorven is. Ik smeek mijn gena-digen heer vader nogmaals om vergeving, dat ik den plicht van zelfbehoud hooger acht dan den plicht der onderdanigheid aan mijn heer vader en keurvorst. Maar waar ik ook ben, zal ik nimmer ophouden te zijn van mijn heer den keurvorst de geheel onderdanigste dienaar en knecht, Friedrich, kroonprins van Brandenburg.quot;
âNu,quot; riep de keurvorst, âwat zegt ge van dezen afschuwelijken brief?quot;
âIeder woord er van is een pijl, die op mij is afgeschoten,quot; zuchtte de keurvorstin. âArme Friedrich, hoe verduisterd moet zijn gemoed zijn! Hoe beklaag ik hem!quot;
âGe beklaagt hem nog,quot; riep de keurvorst, âge hebt nog medelijden met den onbeschaamden zoon, den op-roerigen onderdaan? Hij waagt het zich van hier te verwijderen zonder verlof, zonder er zelfs om verzocht te hebben?quot;
âHij verwijdert zich niet, hij vlucht,quot; zei de keurvorstin met losbrekende heftigheid, âhij vlucht om niet door mij vermoord te worden! Dit is toch de zin zijner woorden. Hij vreest aan dè ziekte te sterven, waaraan degene is ge-
104
slurven, die vóór hein kroonprins was. Ge weet immers, dal uw zoon Carl Emil gestorven is aan het vergif, dat de booze stiefmoeder hem heeft ingegeven; ge weet immers, dat ik de moordenares van uw zoon hen! De soldaten hebben 't. mij immers toegeroepen, toen wij bij Colmar door het legerkamp reden, zij hebben het gezongen onder onze vensters, en toen wij later te Berlijn kwamen, hebben ook de Berlijners mij ontvangen met hetzelfde lied, zij hebben mij gescholden voor een moorddadige stiefmoeder, voor een gifmengster. En nu vlucht de keurprins voor de moorddadige stiefmoeder, vlucht voor de dolken, de vergiften der keurvorstin Dorothea! Dat heet, hij werpt den dolk naar mij, hij stort den gifbeker over mijn hooid uit. Ach, mocht ik er aan sterven ! ware het toch ten einde met dit jammerlijk leven, dat toch niets anders voor mij is dan een eeuwige strijd met den laster! Dood mij, mijn gemaal, veroordeel mij ter dood, dit is beter d:in voortdurend beschuldigd, voortdurend aangeklaagd te worden!quot;
âWee degenen, die u beschuldigen.quot; riep de keurvorst toornig, âzij zijn de schuldigen! Uwe aanklagers zullen aangeklaagd worden en ik zal streng gericht houden over den laster. Mijn eigen zoon waagt het op te staan en u en mij verdacht te maken! Want die u beschuldigt, beschuldigt ook mij, die u verdacht maakt, brengt ook mij in verdenking! Hij is gevlucht, de muiter, de hoogverrader. Gevlucht, en in zijne vlucht heeft hij den vergiftigden dolk achter zich geslingerd tegen zijn eigen vader, tegen zijne moeder! Geheel Europa maakt hij bekend met de treurige oneenigheid, die mijn leven verbittert en mijn aanzijn bewolkt. Wij zullen besproken worden door kwaadwilligen en mijne vijanden zullen juichen, dat de keurvorst Friedrich Wilhelm zelfs in zijn eigen huis geen vrienden maar slechts vijanden heeft. Doch zij zullen niet triomfeeren! Ik zal hun bewijzen, dat ik nog altijd de moedige strijder, de onverschrokken kampvechter ben, die het zwaard niet uit zijn hand laat vallen, maar het moedig zwaait tegen al zijne vijanden, al waren die ook zijn eigen kinderen!quot;
âEn zij zullen dan weder zeggen, dat ik de aanlegster ben, dat ik u opgeruid heb,quot; klaagde de keurvorstin. âAl het kwaad, dat hier geschiedt, is mijn werk, ik ben
105
immers het mikpunt van den laster! Tegen mij lieel't de keurprins de openbare meening, uw volk, uwe onderdanen, de geheele wereld opgezet, en zij allen veroordeelen en vervloeken mij.quot;
âEn ik,quot; riep de keurvorst, terwijl hij zich als een gewonde leeuw oprichtte, met somberen toorn, met bliksemende oogen, âik zal u verdedigen legen die lasteraars! Niet met woorden, maar met daden; met daden die aan de geheele wereld geloof zullen schenken! Mijn geduld is ten einde! De keurprins Friedrtch is van dit uur af niet meer mijn zoon, maar een muiter, die opstaat tegen zijn landsheer; een deserteur, die zijn vaandel heeft verlaten en zich aan de ergste misdaad schuldig heeft gemaakt. Ik verstoot hem niet alleen uit mijn hart, maar ook van de plaats, welke hij tot nu toe naast mij ingenomen heett. Een muiter, een deserteur kan nooit keurvorst van Brandenburg worden. Het zou zijn den troon beschimpen, de vorstelijke eer bevlekken. Er staat in den bijbel geschreven; Als uw oog u ergert, rukt het uit en werp het van u. Ik ruk mijn zoon uit, mijn zoon, want liij ergert mij! Ik werp hem van mij, want hij is een misdadiger, en even als de oude Brutus in 't gerecht zat over zijn eigen zonen zal ik ook gerecht houden over mijn eigen zoon en ik zal een streng rechter voor hem zijn!quot;
âOm 's hemels wil,quot; riep Dorothea vol angst en schrik, âwat wilt ge doen, mijn dierbare keurvorst?quot;
âIk zal aan Brutus een voorbeeld nemen, hoe men hoog-verraderlijke en oproerige zonen straft,quot; antwoordde de keurvorst met plechtige stem. âIk zal generaal Perbant uitzenden om den vluchtenden muiter weder terug te halen, en de krijgsraad zal gerecht over hem houden. Ik zal dien k rij gs raad presideeren.quot;
406
VII.
TROUWE LIEFDE.
Zonder hindernissen was de keurprins Friedrich met zijn klein gevolg te Kassei aangekomen en de gravin Hedwig Sophie had hem met open armen ontvangen, hem beloofd haar geliefden neef te willen beschermen tegen den toorn van haar broeder, tegen de boosheid van haar gehate schoonzuster. De keurprins had uit Kassei onmiddellijk aan zijn vader geschreven, en terwijl hij hem nogmaals vergeving voor zijne vlucht verzocht, had hij hem tegelijkertijd nog eens dringend gesmeekt hem de toe;itemming lot zijn huwelijk met de prinses Henriette te geven.
De keurvorst had den brief van zijn zoon onbeantwoord gelaten en de koerier, die hem naar Berlijn had gebracht, was met allerlei verontrustende en beangstigende berichten teruggekomen, en wist veel te verhalen van de kwade geruchten, welke de menschen te Berlijn elkander in 't oor lluisterden.
De keurvorst had gezworen zijn zoon te onterven, hadden de menschen gezegd. Het was iedereen in het slot verboden den oudsten zoon van den keurvorst nog als keurprins te noemen, want deze had geen recht meer op de opvolging. Daarentegen had men verteld, dat de dienaren en de hofhouding der keurvorstin haar oudsten zoon Philip als keurprins betitelden en de keurvorstin, toen zij dit vernam, had dit zwijgend en glimlachend goedgekeurd.
Dit waren slechts geruchten, die de koerier mede had gebracht, maar het was een onbetwistbare waarheid, dat
107
de keurvorst den generaal Perbant mot een half eskadron dragonders, naar Kassei had gezonden orn den keurprins Friedrich terug te halen naar Berlijn.
De' koerier had op zijn terugweg zeil' de soldaten ontmoet, en deze hadden er volstrekt geen geheim van gemaakt met welk doel zij naar Kassei werden gezonden, en evenmin had de koerier het voor hen verborgen gehouden, dat hij een brief van den keurprins Friedrich aan diens vader naar Herlijn had gebracht. Ook de generaal Perbant had er met den koerier over gesproken en met een veel-beteekenenden blik gezegd: âZoo ge misschien een kwartier uurs vóór mij te Kassei komt, zeg dan maar aan den heer keurprins, dat hij zich gereed moet houden dadelijk met mij te vertrekken.quot;
i)it alles had de koerier juist aan den keurprins Friedrich bericht en zwijgend had hij liet aangehoord, terwijl zijn vertrouwde, de heer von Dankelmann, soms met zachte kreten en smartelijke zuchten dit treurig verhaal had afgebroken.
âIs dat alles, wat ge vernomen hebt?quot;vroeg de prins na een pauze.
âAlles, doorluchtigheid!quot;
âWanneer denkt ge, dat generaal Perbant met zijne soldaten hier zal zijn?quot;
âTk heb hem twee uren voor Kassei ingehaald, en daar ik tweemaal van paard heb verwisseld om in galop hier heen te kunnen rijden, zal ik hem wel een uur vooruit zijn!quot;
âBijgevolg, daar ge al reeds een half uur hier zijt, zullen de Pruisische dragonders binnen een half uur aankomen.quot;
âIk denk ja, doorluchtigheid.quot;
â't Is goed! Ik dank u voor uw ijver en ik zal u beloonen, zoodra ik dat kan.quot;
De koerier verwijderde zich op een wenk van den keurprins en deze bleef nu alleen met zijn vertrouwde.
âSpreek, Dankelmann, wat raadt ge mij te doen?quot;
âDoorluchtigheid,quot; zuchtte de geheimsecretaris, âge weet, dat deze reis geheel tegen mijn zin was, dat ik u nog te Berlijn smeekte er van af te zien en u te onderwerpen gelijk een gehoorzaam zoon betaamt. Maar al mijne voorstellingen, al mijne boden waren vruchteloos en daar ge
1U8
goboodl, dat ik u verzeilen zou, was 't mijn plicht u Ie volgen. Maar ik gevoel mij diep bedroefd over het gebeurde en als ik u een raad mag geven, kan het slechts deze zijn, dat uwe doorluchtigheid berouwvol tot uw heer vader terugkeert en alles van zijn genade afsmeekt. Mij dunkt, dat uwe doorluchtigheid de komst van generaal Perbant niet afwachten, maar dadelijk naar Berlijn moet terugkeeren.quot;
Een spottend lachje gleed over het gelaat van den keurprins. âGe wilt u zeiven redden, mijn beste Dankel-mann,quot; zeide hij. âDe keurprins is voor u thans een onzeker persoon geworden en daar men niet weten kan of hij ooit tot macht en heerschappij komt, moet men voorzichtig zijn!quot;
âDoorluchtigheid,quot; riep Dankelmann smartelijk, âge weet wel, dat ik u trouw zal zijn tot in den dood!quot;
âO ja,quot; zei de keurprins, âtrouw tot in den dood! Maar ge zoudt het zoo willen inrichten, dat als de keurprins gestorven is, gij voor zijn opvolger ook weer een welkome dienaar kondt zijn. Stil, verontschuldig u niet, ik ken u, ik ken de zwnkheden der menschelijke natuur, hoe jong ik ook ben. Toen ik nog geen keurprins was en men niet veel notitie van mij nam en mij weinig vleide, heb ik veel gezien en opgemerkt. Zwijgen wij er van! Ik wil naar mijne tante gaan, want de koerier zal ook haar wel bericht gegeven hebben en ik wil hooren, wat zij mij raadt. Kornmesser!quot;
De kamerdienaar snelde uit de open zijkamer toe om den keurprins bij zijn toilet behulpzaam te zijn. Maar zijn gelaat had thans niet de gewone glimlachende uitdrukking, en toen hij het haar van den prins kapte en zijne weelderige lokken in orde bracht, beefden zijne handen zoo heftig, dat zij nauwelijks in staat waren het friseerijzer vast te houden.
âIk zie, ge hebt alles gehoord, Kornmesser'' zei Frie-drich glimlachend.
âJa, doorluchtigheid,quot; zuchtte de kamerdienaar, âwij hebben beiden alles gehoord, de lijftrawant en ik, want uwe doorluchtigheid had bevolen, dat wij in de open zijkamer moesten bliiven, zoo lang de koerier er was en bericht gaf.quot;
âOmdat ik wilde, dal ge het gevaar zoudt kennen, dat
-109
mij bedreigt en ik u de vrijheid wilde gevenquot; om mij le verlaten, zoo ge vrees hebt.quot;
âIk heb geen vrees, doorluchtigheid,quot; zuchtte de kamerdienaar, âmaar ik zou uwe genade toch willen verzoeken om naar Berlijn terug te keeren en uw heer vader te gehoorzamen, want âquot;
âZwijg, ik heb u om geen raad gevraagd. Geef mij den mantel! Mevrouw de landgravin verwacht mij!quot;
De kamerdienaar sloeg den keurprins den korten, met goud geborduurden lluweelen mantel om, gaf hem den vederhoed en de keurprins begaf zich naar de vertrekken iler landgravin. De lijftrawant Jakob Uhle, die in de voorkamer stond, sloot zich zonder iets te zeggen bij hem aan en ging met een ernstig gelaat achter den keurprins dooide gang.
Midden in de gang bleef de keurprins staan en wendde zich tot den lijftrawant.
âHebt ge alles gehoord, Jakob Uhle?quot;
âJa doorluchtigheid, ik heb alles gehoord.quot;
ââ¢En waarom volgt ge mij, daar ik u dit niet bevolen heb?quot;
âIk volg uwe doorluchtigheid van nu af als uw schaduw, als uw trouwe hond, die zijn meester bewaakt, omdat dezen gevaar bedreigt.quot;
âGe meent, dat generaal Perbant mij als een ontvlucht misdadiger gevankelijk naar Berlijn terug zal brengen?'
âLaat hij 'teens beproeven,quot; riep Jakob Uhle dreigend zijn vuisten opheffende. âZoo lang ik leef wordt de keurprins niet gevangen genomen.quot;
âRaadt ge mij, generaal Perbant goedwillig naar Berlijn te volgen, mij aan de voeten van mijn heer vader te werpen en om genade te smeeken?quot;
âZoo uwe doorluchtigheid dit kon doen, zou ik wel willen vragen waarom de heer keurprins dan maar niet liever te Berlijn is gebleven?quot; vroeg de lijftrawant de schouders ophalend. âDat de heer keurvorst juist niet verrukt zou zijn over uw heimelijk vertrek en mevrouw de keurvorstin lievig geweld zou maken, dat wist uwe genade vooraf; en zoo het u toen niet teruggehouden heeft, zou ik wel willen welen, waarom het nu zou gebeuren, dal uw doorluchtigheid paler peccavi zou bidden, zooals onze veldprediker zegt.quot;
410
âUil dunkl mij ook, Jakob Uhle, ge zijt een trouw, moedig dienaar,quot; zei de keurprins glimlachend. âAls men den eersten slap heeft gedaan, mag men niet terugdeinzen voor den tweeden. Het zal dus zijn gelijk ge gezegd hebt, ge zult mij bewaken en mij overal volgen, als mijn schaduw. Maar hier,quot; ging de keurprins na een pauze voorl, toen zij voor de deur der vertrekken van de landgravin waren gekomen, ,,hier moet mijn schaduw stilstaan.quot;
âZij blijft aan den wand naast de deur, tot uwe doorluchtigheid terugkeert,quot; zei Jakob Uhle, terwijl hij zich tegen den muur naast de deur plaatste. âLaat generaal Perbant met zijne dragonders komen, de schaduw van mijn lieven keurprins laat hem deze deur niet binnengaan.'' De landgravin kwam haar neef met gloeiende wangen, en in groote opgewondenheid tegemoet.
âHebt ge de berichten vernomen welk de koerier bracht?quot; vroeg zij haastig.
âJa, genadige tante, ik heb ze vernomen! Generaal Per-bant rijdt misschien de stad al binnen met zijne dragonders en ge zult de bevelen van mijn heer vader niet durven weerstreven, ge zult mij moeten uitleveren!'' -
âU uitleveren,quot; herhaalde Hedwig Sophie met fleren glimlach. âVooreerst wil ik u een ander nieuws melden. Mijn zoon, de regeerende heer landgraaf, is vóór een uur met zijne gemalin plotseling naar Weenen vertrokken, van waar hij eene uitnoodiging voor de karnavalsvêrmaken heeft ontvangen, door zijn majesteit eigenhandig geschreven. Het jonge paar zal er minstens vier weken blijven en gedurende zijne afwezigheid heeft mij mijn zoon weder tot regentes gemaakt. Ik ben het dus, die hier thans regeert en ben verantwoordelijk voor alles, wat hier gebeurt.quot;
âDes te meer, genadige tante,'' zei de keurprins ei'nstig, âis het mijn plicht u te verzoeken, u om mijnentwille niet in ongelegenheid te brengen. Mijn lot schijnt mij op te geven, geef gij quot;mij dus ook op! Ge moogt den toorn van mijn vader niet trotseeren, want het zou een gevaar voor uw land zijn en kon de vreeselijkste gevolgen hebben. De heer keurvorst zou in zijn toorn en aangehitst door de keurvorstin, wel in staat zijn u den oorlog te verklaren en met een leger tegen u op te rukken.''
âLaat hij 't eens doen,quot; riep lïedwig Sophie metschit-
-Ill
lerende oogeti, âlaai liij tien oorlog eens beginnen legen een Ãuilsch rijksvorslendorn, en hij zal zien, dal al de Duilsche rijksvorsten lot mijn bijstand zullen toesnellen, dat allen, ook de keizer, zich legen hem zullen wenden. Geloof mij, mijn broeder weet zeer goed, dat de keizer en de Duilsche rijksvorsten zeer tevreden zouden zijn zoo zij in de gelegenheid waren mei hem in twist le komen en den lioogvliegenden adelaar te kortwieken. Allen zijn zijne vijanden, allen loeren slechts op zijn verderf. Mijn broeder is een veel te fijn politikus, om dit niet te weten, en hij zal zich wel wachten het tot hel uiterste te lalen komen. Als hij ziel, dat wij ons niet laten bevreesd maken en wij hem het hoofd bieden, zal hij zachtere snaren aanslaan, zal zijn toorn wel bedaren, en zoo ge hem dan berouwvol en deemoedig om vergeving bidt, zal hij zich wel laten verteederen en in weerwil der hooze stiefmoeder, u vergeven. De hoofdzaak is, dat wij ons niet door generaal Perbant en zijne dragonders laten bevreesd maken. Laat ons nu eerlijk en openhartig met elkander spreken, mijn dierbare neef. Zijt ge gezind het tot het uiterste le laten komen?quot;
âVolkomen, genadige tante, anders zou ik niet hier zijn.quot;
âEn bemint ge Henriette zoo zeer, dat ge er bij blijft haar tot uwe gemalin le begeeren, hoewel ge weet, dat uw vader, maar vooral uwe stiefmoeder, er nooit hun toeslemming toe zullen geven?quot;
âIk bemin Henriette zoo zeer, dat ik mijn leven voor haar zou willen geven, dal ik zonder haar bezit de onge-lukkigste, ellendigste mensch zou zijn. Deze liefde heeft mij slaande gehouden en getroost van mijne kindsheid af, zij heeft mij opgebeurd, als anderen mij hoonden en bespotten. Zij was mijne ster, als alles om mij heen donkerwas.quot;
De landgravin knikte glimlachend en liep toen haastig eenige keeren de kamer op en neer. Na eene lange pauze, bleef zij voor den keurprins staan en zag hem scherp en vorschend in 't gelaat.
âEn zoo nu uw huwelijk met Henriette voltrokken werd, wat zoudt ge dan zeggen?quot;
âIk zou zeggen, dat dit voor mij het grootste geluk op aarde was, en ik degene, die hel mij verschafte altijd dankbaar zou zijn, zoo lang ik leef.quot;
412
. Wederom liep de landgfavin eenige malen zwijgend heea en weer. Vervolgens naderde zij de tafel, schelde met de gouden tafelbel zoo heftig, dut de kamerlakei ijlings binnenkwam en beval hem dadelijk prinses Henriette te ontbieden.
âMijn heer neef,quot; sprak zij vervolgens, zich tot den keur-prins wendende, âik veroorloof u mijne doch ter om hare hand te vragen en ik zal mij verwijderen om uw onderhoud nie-l te storen.quot;
Zij wilde zich verwijderen, maar dekeurprins legde zijne hand op haar arm en hield haar terug. âIk bid u, genadige tante, blijf hier en hoor, wat ik der prinses te zeggen heb. Ik vermoed, welk een groot geluk uwe goedheid en edelmoedigheid mij bereiden wil en wat er in uw fier en moedig hart besloten is. Maar in de opwelling uwer edelmoedigheid hebt ge wellicht niet bedacht, welk een ongelegenlieid het kan aanbrengen, zoo ge mij thans als uw schoonzoon aanneemt, en daarom, mijn geliefde tante, bid ik u, dal ge blijft en hoort, wat ik der prinses te zeggen heb !â Daar is zij 1quot;
Met opgewekt gelaat en schitterende (togen liep de keurprins het jonge, schoone blonde meisje tegemoet, dat van vreugde bloosde, toen zij den keurprins zag.
âHenriette,quot; zei de keurprins, haar zijn hand reikende en haar diep in de oogen ziende, âHenriette, bemint ge mij ?quot;
âDat weet ge, Friedi ich,quot; zeide zij glimlachend, âwaarom vraagt ge het
âOmdat het voor mij de heerlijkste muziek is, het altijd weer te hooren,quot; zei de keurprins teeder, terwijl hij de prinses naar den divan voerde, haar er zacht in neerdrukte, en vervolgens op eene kleine tabouret aan hare voeten plaats nam.
De landgravin had zich in de vensternis teruggetrokken, half door groote bladplanten en bloemen verborgen, die daar op de bloementafel stonden. Zij zag met eeu zacblen glimlach naar het jonge paar, dat elkander met een gelukkigen glimlach aanschouwde.
âZij bemint hem werkelijk,quot; zeide zij bij zichzelve. â,Ta, zij bemint hem en zij zal geen bezwaar maken. Ik echter zal heden wraak nemen voor de grove beleedigingen den smaad, die de afschuwelijke verraderes, Dorothea, mij aandeed, loon wij, na haar huwelijk, onzen inlocht le Berlijn
113
deden. Op de voorbank wees zij mij mijne plaats aan; het sissen van.^ 't volk, meende zij, gold mij, en zij ging zoover, van rnij Ie radenBerlijnte verlaten, zoo 't mij niet behaagde naast haar de tweede plaals in te nemen. Ik ben weggegaan en nooit weer te Berlijn geweest, ik heb mijn geboorteplaats niet weer gezien! dat was haar werk. Zij heeft ons allen ongelukkig gemaakt, zij heeft eene schaduw op den schitterenden roem van rnijn broeder geworpen, zij beheerscht hem, voor haar is de groote held een gehoorzaam en onderdanig dienaar. Daarom haat ik haar en ik wil wraak nemen voor al het kwaad, dat zij rnij en aan onze familie heeft gedaan. Ik doorgrond haar boosheid en list, ik weet, dat zij nooit in 't huwelijk der beide zonen van de keurvorstin bewilligen zal, omdat zij in haar arglistig hart nog altijd hoopt, dat haar oudste zoon de opvolger van den keurvorst zal worden, en indien het nu gebeurde, dat de andere prinsen huwden en de keurprins Friedrich een zoon kreeg vóór de keurvorstin had bewerkt, dat hij onterfd werd, was dit voor haar eene groote zwarigheid; want de keurvorst zou ook den zoon van zijn zoon niet willen onterven! Ja, boosaardige, arglistige schoonzuster, ik doorgrond uwe plannen, ik zal mij wreken voor al het kwaad, wat ge mij gedaan hebt. Maar ik vergeet geheel mijn verliefd paar en heb niets gehoord van hun teeder gesprek.quot;
De landgravin wendde nu haar blik weer naar het jonge paar.quot;
De keurprins zat niet meer op de tabouret aan Henriettes voeten, maar naast haar op den divan; hij hield haar handen in de zijne en zag haar aan met zalige, glimlachende blikken. Zij hadden met elkander eeden van eeuwige liefde en trouw gewisseld, gelijk zij dit sedert hun vroegste kindsheid reeds zoo vaak hadden gedaan, 1) Doch 't was den gelukkigen prins alsof hij deze liefdesbetuigingen voor 't eerst hoorde. Maar eensklaps had zich het gelaat van den keurprins verduisterd en was hij treurig geworden.
âHenriette,quot; zeide hij met een diepen zucht, âge zegt, dat ge mij bemint, ge wilt de hand aannemen, die ik u mei vreugde en trots aanbied. Maar mijn geliefde, bedenk wel wat ge doet. Ge wilt met den keurprins van Brandenburg
1) Keeds als achtjarige knaap had de keurprins Friedrich aan zijn nichtje Henriette den eersten minnebrief geschreven.
Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. VI. 8
114
huwen, maar dat is wellicht huwen met een armen, Ier zijde geschoven, verachten en beschimpten man, die geen uitzichten voor de toekomst heeft en misschien tevreden moet zijn in een of ander vergeten oud slot zijn leven door te brengen en zijne gemalin niels anders heeft aan te bieden dan de matige inkomsten van een prins, die onderhouden wordt.quot;
âNiets anders?quot; vroegHenrietteglimlachend. âEndan zijn liefde? Het geluk van met hem vereenigd te zijn?quot;
De keurprins kuste, in plaats van te antwoorden, haar kleine witte hand en ging voort: âBedenk wel, Henriette, ik kan u geen schitterende toekomst, geen leven vol macht en glans beloven; terwijl ik de geheele wereld aan uwe voeten zou willen nederleggen, zal ik misschien de eenige onderdaan zijn, die in aanbidding en bewondering voor u zijne knie buigt. Mijn booze vijandin, de keurvorstin Dorothea, vermag alles op liaar gemaal en zij wil, dat hij mij onterven zal en dat haar zoon Philip mijn plaats inneemt. Zij heeft de stoutheid zoo ver gedreven mij dit in 't aangezicht te zeggen, mij zelfs uw persoon als belooning aangeboden, zoo ik vrijwillig van de opvolging afstand deed.quot;
âEn ge hebt mij afgeslagen?quot; vroeg Henriette glimlachend. âGe wilt mij niet hebben?quot;
âIk heb geweigerd mij zei ven te vernederen door mijne heilige rechten te verkoopen. Zelfs niet voor het geluk van uw eclitgenoot te zijn, mag ik mijn erfrecht, mijne eer afstaan. Gij zoudt mij verachten, wanneer ik het deed, ge zoudt nooit de gemalin van een prins willen zijn, die vrijwillig in zijne schande toegestemd had! Neen, ik heb het voorstel der keurvorstin met verachting afgewezen; wij zijn in toorn gescheiden en om mij voor haar gevaarlijke vervolgingen te redden, ben ik hier gekomen tot mevrouw uwe moeder, tot u, Henriette! Ik wilde mijn stiefmoeder bewijzen, dat ik ook zonder hare toestemming mijn geluk kan bereiken, ik wilde u bidden de band van den keurprins aan te nemen, om eenmaal als zijne gemalin den keurvorst naar Berlijn op zijn geërfden troon te volgen. Ik dacht niet, dat de keurvorstin haar gemaal zoover zou brengen om zelfs met openlijk geweld tegen mij op te treden. Maar nu zie ik, dat ik alles te verwachten heb en de keurvorstin alles tegen mij uitrichten kan. Nu mag ik u niet vragen mijne hand aan te nemen, want ik heb u niets aan te bieden dan gevaar.
115
ontbering en nood. Henriette, mijn vader heeft lieden op mij afgezonden, om mij gevangen te nemen; in dit oogenblik liebben zij misschien reeds de deuren van dit paleis bezet. Zij komen om mij als een muiter naar Bei'lijn terug te voeren om daar aan hel gerecht le worden overgeleverd. Thans moet ik van u afzien! De onterfde keurprins van Brandenburg mag zijne oogen niet meer opbellen tot de schoone prinses van flessen!quot;
Henriette sprong overeind en zeer opgewonden liep zij op hare moeder loe, nam hare handen en zag haar smeekend aan.
âLieve moeder,quot; zeide zij, âge hebt mij beloofd, dat ik de echtgenoot van mijn dierbaren Friedrich zou worden. Houd heden uw woord, geef mij hem heden tot gemaal! Hoep een priester, om ons huwelijk in te zegenen! Ik wil het recht hebben zijne gevaren met hem te deelen, hem te volgen waarheen hij gaat. Zoo men hem gevangen neemt, moet men ook mij gevangen nemen en zoo men hem als muiter aanklaagt, moet men ook mij aanklagen. Moeder, ik smeek u, geef mij het recht mijn Friedrich te bewijzen, dat ik hem bemin, dat ik hem niet huwen wil om zijn schitterende uitzichten voor de toekomst, maar uit liefde, uit vurige, zuivere, onbaatzuchtige liefde! Dierbare moeder, zoo ge mij bemint, laat dan nog heden onze echtverbintenis plaats hebben.quot;
Prins Friedrich slaakte een kreet van verrukking en op de prinses toesnellende, zonk hij voor haar op zijne knieën en verborg zijn van tranen overstroomd gelaat in hare handen.
De landgravin legde met een teederen blik haar hand op 't. hoofd barer dochter. ,,Ik heb mij niet in u bedrogen,quot; zeide zij zacht. âIk heb u gevonden, gelijk ik u hoopte te vinden. Ge hebt oen moedig hart en bemint hem teeder en trouw! Ga, mijn kind, en doe uw plicht! Wees de gezellin van den man, dien ge bemint, deel met hem zijne gevaren, zijne tegenspoeden! God zal met u zijn, hij zal uwe trouwe liefde ^zegenen en hen te schande maken, die u verderven willen! Gods zegen zij met u en uwe liefde! Ik zal der keurvorstin Dorothea bewijzen, dat ik haar niet vrees, en haar booze aanslagen zal verijdelen! Volgt mij, mijne kinderen. Indien generaal Perbant werkelijk de vermetelheid heeft hier te komen, zal hij ons in de kapel vinden!quot;
VIERO-E BOEK. TESTAMENT EN DOOD.
I.
HET VERHAAL.
In de voorkamer van den keurvorst heerschte een buitengewone drukte; men zag er mannen, die anders niet gewoon waren in de voorzaal te wachten en voor wie vroeger, als zij in 't slot kwamen, alle deuren geopend werden. Daar was de oude generaal-veldmaar-schalk Derftlinger met zijn verweerd, gerimpeld gezicht en kleine sluwe zwarte oogen, die onder de borstelige witte wenkbrauwen flikkerden. Daar was de vorst Georg van Anhalt-Dessau, de schoonbroeder van den keurvorst, die met eene zuster zijner eerste gemalin Louise Henriette gehuwd was; naast hem stond prins Ludwig vau Brandenburg. Buitendien bevonden er zich nog generaal Perbant, generaal von Arnim en Otto von Schwerin de jongere, gezant aan het keizerlijke hof te Weenen.
Al deze mannen keken ernstig en somber, en zelfs het jeugdig gelaat van den kleinen, nauwelijks veertienjarigen prins en markgraaf Ludwig teekende diepe bekommering.
âDe zitting van den kleinen geheimraad duurt heden buitengewoon lang,quot; fluisterde de vorst van Anhalt den ouden Derftlinger toe 'j,Het is reeds elf uur geslagen en anders duurt zij hoogstens tot tien uur.quot;
âHet zal weer een list van mevrouw de keurvorstin zijn,quot; bromde de oude Derftlinger. âZij denkt misschien, dat onze oude boenen van 't staan moede worden en wij zullen vertrekken voor wij tot den grooten raad geroepen worden.
117
I iel is een duivelsch stoutmoedige en sluwe vrouw en ais zij iets wil doorzetten Iaat zij geen middel onbeproefd.quot;
âWaarlijk, ge hebt gelijk,quot; antwoordde de vorst van An-hait somber. âMijn arme neef, de keurprins Garl Emil, zou er van kunnen spi eken, als hij hier was, en ook mijn beide andere neven weten het. Zij alleen heeft den keurprins zoo ver gebracht, dat hij gevlucht en oproerig tegen zijn eigen vader geworden is. Kn zie eens den kleinen prins, den markgraaf Ludwig, hoe bleek de knaap is en hoe bedroefd hij er uitziet. Hij treurt om zijn armen broeder en is zeer angstig, want booze menschen hebben hem gezegd, dat hij zich goed in acht moet nemen bij al wat hij eet en drinkt, want â ge weet immers! Nu durft de arme jongen nauwelijks hier in 'tslot iets eten of drinken, en als hij niet elders aan tafel is genoodigd, houdt hij liever vastendag. Ach, als de ovei'ledenen werkelijk weten, wat hun achtergeblevenen wedervaart, zal de geest mjjner dierbare schoonzuster, Louise Henriette, waarlijk geen rust in den hemel hebben, als zij haar kinderen zóó ziet lijden.quot;
âZij was een zeer zorgzame moeder,quot; zei de veldmaarschalk. âEr ging haar niets boven haar kinderen. De tegenwoordige keurvorstin gelijkt haar hierin, behalve dat zij niet zulk een vroom en zacht gemoed heeft; van daar dat haar niets boven haar kinderen gaat en zij op alle wijze er naar tracht hen groot en gelukkig te maken.quot;
âEn wat zij wil, zet zij door,quot; zuchtte de vorst van An-halt. âDe heer keurvorst weigert haar niets; als hij begint âneenquot; te zeggen, eindigt hij met âja,quot; en wat mevrouw de keurvorstin wil, dat gebeurt!quot;
âGelooft uwe hoogheid werkelijk, dat mevrouw de keurvorstin de onterving van de beide oudf.te zonen des keurvorsten wil doorzetten en wij hier zijn geroepen om getuigen van dit plechtige besluit te zijn!quot; vroeg Derfflinger.
âIk ben er van overtuigd,quot; antwoordde de vorst van Anhalt. âIk denk, dat generaal Perbant dit het best zal weten; hij is gisteren van Kassei teruggekomen. Wij zullen het hem eens vragen!quot;
De beide heeren naderden den generaal, die zich juist met de geheimraden von Arnim en von Schwerin onderhield.
âGe hebt slechte tijding uit Kassei medegebracht, niet waar, generaal!quot; vroeg de vorst van Anhalt.
118
âVergeef mij, uwe hoogheid,quot; antwoordde de generaal Pei bant, âzijne doorluchtigheid heeft mij ten strengste 1)0-volen, geen woord van deze zaak te spreken, tot hij mij hiertoe verlol heeft verleend. Maar dit wil ik u wel zeggen, dat uwe hoogheid op mij rekenen kan en ik nooit aan de zijde zal staan van hen, die wet en recht willen verdraaien. De zalige vrouw keurvorstin was een toonbeeld van vrouwelijke'aanvalligheid en beminnenswaardigheid en juist het tegendeel van mevrouw haar opvolgster. De overledene keurvorstin kon nooit iemand eenig leed doen, noch iemands rechten krenken.quot;
Terwijl de heeren met elkander spraken, was de geheimraad Otto von Schwerin met prins Ludwig in een verwijderde vensternis gegaan.
âUw doorluchtigheid heeft immers acht gegeven op alles, wat ik haar gezegd heb?'' vroeg de geheimraad.
âJa, excellentie, ik heb goed acht op alles gegeven en ge zult hooren, dat ik goed voor mijn armen broeder spreken zal.quot;
âEn voor u zeiven, prins! Bedenk, dat het uwe toekomst betreft en gij er niet minder dan de heer keurprins in betrokken zijl. Heb geen vrees voor mevrouw de keurvorstin, geloot niet aan de slechte en schandelijke geruchten, welke haar vijanden tegen haar uitstrooien!quot;'
âIk vrees niet, excellentie,quot; zei de prins haastig, âik geloof geen woord van 'tgeen men zegt. Mevrouw de keurvorstin is voor mij altijd een zeer goede moeder geweest, en ik ben haar zeer dankbaar en genegen. Evenwel âquot;
âWaarom zwijgt ge eensklaps, prins? Spreek ! Niemand hoort ons. Wat wildet ge zeggen?quot;
âIk wilde zeggen,quot; voer de knaap zacht en haastig voort, âik neem het mijn broeder Frits niet kwalijk, dat hij naar Kassei is gegaan, en ik zou er ook wel heen willen! Ge weet, dat ik als kleine knaap daar bij mevrouw mijne lieve tante was, en âquot;
De beide vleugeldeuren, die naar de groote raadkamer voerden, werden nu geopend. Op den drempel verscheen de eerste geheimsecretaris van den keurvorst en verzocht do heeren in naam zijner keurvorslelijke doorluchtigheid do kamer binnen te gaan.
Binnen in de raadzaal heerschte eene plechtige stilte. Aan
119
liet boveneinde der lange groene tafel zat de keurvorst, naast hem de keurvorstin Dorothea, die sedert eenigen tijd aan al de vergaderingen van den ministerraad deel nam. Aan beide zijden der tafel aan 't ondereinde zaten de ministers en geheimraden, acht in getal, en aan het boveneind der tafel, naast het keurvorstelijk paar, waren eenige fauteuils geplaatst voor de thans binnentredende heeren.
Het gelaat van Friedrich Wilhelm was somber en streng; op zijn hoog voorhoofd lagen zware wolken en de lippen had hij vast opeen gedrukt, alsof bij de toornige woorden, die hij gereed was uit te spreken, wilde terug houden.
Toen zijne flikkerendeoogen zich opzijn binnenkomenden zoon, den markgraaf Ludwig richten, werd de wolk op zijn voorhoofd nog somberder en zijn wenkbrauwen trokken zich dichter te zamen. Zwijgend gebood hij den zoon aan zijne zijde plaats te nemen, en wenkte den vorst van Anhalt zich naast den prins neder te zetten. Toen ook de andere heeren hunne plaatsen hadden ingenomen, ontstond weder eene diepe stilte. Aller oogen waren op den keurvorst gericht, van wien men de verklaring dezer plechtige en buitengewone raadsvergadering verwachtte.
âIk heb mijne ministers en u allen, mijne heeren, hier geroepen om u een gewichtige mededeeling te doen,quot; zei de keurvorst na eene lange pauze. âMet is u bekend, dat de keurprins Friedrich zich zonder mijn verlof uit mijne staten verwijderd en zich hierdoor in verzet gesteld heeft tegen zijn vader en keurvorst. Toen wij vernamen waarheen de vluchteling zich begeven had, zonden wij generaal Per-bant met een half eskadron dragonders en lieten den op-roerigeh keurprins ten strengste bevelen dadelijk terug te keeren, en zich op genade en ongenade aan onzen wil te onderwerpen. Generaal Perbant had tegelijk een brief van mij aan mevrouw de landgravin van Hessen te overhandigen, waarin ik mevrouw mijne zuster verzocht den oproe-rigen en ongehoorzamen keurprins niet langer bescherming en bijstand te verleenen, maar hem aan generaal Perbant uit te leveren. Gisteren avond is generaal von Per-bant teruggekeerd en gij allen zult nu vernemen, welke berichten hij mij gebracht heeft. Perbant, doe gij nu uw verhaal hoe bel te Kassei is gegaan en wat ge er hebt uitgevoerd.quot;
120
Generaal Perbanl stond op en booi» eerbiedig voorden keurvorst en diens gemalin.
âUwe doorluchtigheid bad mij bevolen,quot; zeide bij, met mijne dragonders zoo haastig mogelijk naar Kassei te rijden om den heer keurprins hier heen te voeren. Ingevolge dit bevel hielden wij slechts korte rusten en kwamen den achtsten tiag reeds te Kassei aan, waar ik vernam, dat de keurprins zijn intrek in 't slot had genomen. Regelrecht naar het slot richtte ik dan ook mijn marsch. Hoe meer wij bet naderden des te moeielijker werd het voorwaarts te komen, want al dichter en dichter omringde bet volk ons en scheen ons den weg af te willen snijden. Hierbij schreeuwden en floten zij, staken dreigend bun vuisten uit en riepen, dat wij beulsknechten en dievenvangers van den keurvorst van Brandenburg waren, maar dat wij 't niet moesten wagen hier onze scbande-lijke daden uit te voeren. Wij moesten terugkeeren, anders zouden zij ons met steenen bombardeeren. Het woedende volk werd talrijker, het geschreeuw en getier nam toe. Men kon wel merken, dat deze lieden opgeruid waren, want zij konden anders niet weten, wat mij naar Kassei had gevoerd en wat de dragonders daar te doen hadden. Ik nam den schijn aan, of ik hun dreigende woorden niet hoorde, meende dat de menschen alleen waren gekomen om ons te begroeten of uit nieuwsgierigheid. Ik salueerde met den degen naar alle zijden en zette een zeer vriendelijk gezicht tegen de menschen, hoewel ik mijne dragonders liever het bevel had gegeven er op in te houwen en het gespuis uit elkander te jagen.quot;
âIk zou dit gedaan hebben,quot; viel de oude Derftlinger hem in de rede, terwijl hij wrevelig aan zijn langen witten snorbaard draaide. âHoe kon dat volk zich vermeten de dragonders zijner keurvorstelijke genade voor beulsknechten uit te schelden en ze dievenvangers te noemen?quot;
âWij zullen den heer landgraaf van Hessen voor deze beleediging voldoening vragen,quot; zei de keurvorst somber, âde beihamels moeten opgespoord en streng gestraft worden. Perbant kan ik slechts prijzen, dal hij behoedzaam was en 'tniet tot een gevecht liet komen, dat zeker ten zijnen na-deele zou zijn uitgevallen. Want tegen een woedende volksmenigte kan een half eskadron dragonders, dat zich boven-
121
dien midden in een volksgedrang bevindt, niels uitridilen, en op hulp was niet te rekenen. Ga nu voort, Perbanl!quot;
âEindelijk kwamen wij na veel moeite en na een zeer voorzichtig voorwaarts trekken, om het volk geen aanleiding te geven tegen ons op te treden, op het plein voor het slot aan. Dit plein was gelukkig ledig en in snellen draf ging het nu voorwaarts naar het slot Maar er binnen te komen scheen volstrekt onmogelijk. De drie gi'oote hoofdingangen waren met ijzeren hekken gesloten en achter ieder stond een piket soldaten met geschouderd geweer. Op het binnenplein, dat men door het ijzeren hek kon zien, had men twee kanonnen geplaatst en een menigte infanteristen stonden in gelid, als moest het aanstonds tot een aanval komen. Ik reed naar het hek van den hoofdingang en begeerde, dat mij opengedaan zou worden, daar ik op last van zijne keur-vorstelijke doorluchtigheid een brief aan mevrouw de landgravin-weduwe te overhandigen had. â âGe wilt zeggen aan mevrouw de landgravin-regentes,quot; antwoordde mij hierop van binnen het hek de commandeerende officier der wacht. âDe regeerende landgraaf is met zijne gemalin naar Weenen vertrokken en heeft door een openlijk decreet gedurende den tijd zijner afwezigheid de regeering aan mevrouw zijne moedei-, de voormalige regentes, opdragen. Gij hadt het plakkaat, toen ge hierheen reedt, op de hoeken der straten kunnen lezen.' â âAlsof het vol k, dat in de straten tiert en schreeuwt, mij er den tijd toe zou hebben gelaten,quot; antwoordde ik. âOpen het hek, opdat ik mijn brief aan mevrouw de regeerende landgravin kan overhandigen.quot; â Maar de officier weigerde 't, zeggende, dat mevrouw de landgravin bevel had gegeven de slotpoorten heden den geheelen daggelotente houden en er niemand zonder verlof binnen te laten. Er bleef mij niets anders over dan mij bedaard te houden en vriendelijk te verzoeken aan mevrouw de landgravin te willen berichten, dat de generaal Perbant, als keurvorstelijic afgevaardigde, haar dringend wenschte te spreken en een onverwijlde audientie verzocht. De officier riep nu een ordonnans en gaf hem de boodschap. Na korten tijd keerde deze terug, begeleid door den heer slotcommandant on een kamerheer van mevrouwde landgravin. De slotcommandant. kondigde mij door het traliehek aan, dat. hij bevel had eene kleine zijdeur voor mij te openen om er mij alleen binnen
122
to lalen, op voorwaarde, dat ik vooraf mijne dragonders bevel moest geven af te stijgen en rustig naast hun paarden te blijven staan. De kamerheer zeide, dat, ingeval ik mij aan deze voorwaarde onderwierp, hij van mevrouw de landgravin 't bevel had ontvangen mij dadelijk tot haar te leiden.quot;
âIk zou ja hebben gezegd,quot; riep Derfflinger, toen de generaal nu een oogenblik zweeg, en zich het zweet van 5t voorhoofd wischte. âOp mijn eer, ik had ja gezegd, mijne dragonders laten afstijgen en als de slotcommandant dan de zijdeur opende, zou ik met mijne dragonders binnen gedrongen en de bezetting overrompeld hebben. Wat wil toch een geheel regiment van zulke Hessen tegen een half eskadron Brandenburgsche dragonders uitrichten? Er waren veel meer Zweden te Rathenow, toen ik met mijne zes dragonders deze vesting veroverde.quot;
âMaar de Zweden waren geen soldaten mijner zuster,quot; zei' de keurvorit levendig. Ik had Perbant verboden geweld te gebruiken en slechts ter bedekking van den keur-prins waren hem de dragonders medegegeven. Ge naamt dit dus aan, Perbant, en volgdet den kamerheer van mevrouw de landgravin?quot;
âIk nam het aan, doorluchtigheid, en ging door de kleine zijdeur het slot binnen. Zwijgend en zonder veel complimenten ging de kamerheer mij voor. Langs trappen en gangen gingen het door schitterende zalen en kleine kamers, toen weder een trap af en aan het einde van een gang naar een groote deur. Hier bleef de kamerheer staan, boog tot mij en zeide fluisterend: âIk verzoek u, thans geen gerucht te maken an uw sabel op te haken, want wij gaan de kapel binnen.quot; â âDe kapel?quot; vroeg ik verwonderd. âMaar ik wil niet in de kapel, ik wil naar mevrouw de landgravin.quot; â âMevrouw de landgravin is in de kapel,quot; antwoordde de kamerheer plechtig en opende voorzichtig de breede vleugeldeuren. Wij traden binnen en stonden nu werkelijk in een kapel, wij gingen door de zuilenbogen aan wier einde zich het altaar bevond. De kaarsen op de hooge zilveren kandelaars waren ontstoken en wierpen haar Hauw licht door de halfdonkere kapel met de geschilderde boogvensters, en bij dit schijnsel herkende ik het paar, dat op de treden van het altaar knielde. â Het waren de
123
keurpriris Fi'iedrich van Brandenburg en de prinses Elizabeth Henriette van Hessen. Achter hen stonden mevrouw de landgravin van Hessen, de heer von Dankelmann en iets verder de lijftrawant Jakob Uhle. Ik wilde voorwaarts gaan om namens uw keurvorstelijke genade te protesteeren, maar de kamerheer hield mij terug. Hij had zeker mijne gedachten op mijn gezicht gelezen, want hij fluisterde mij toe: âGe komt te laat, de plechtigheid is geëindigd. Het bruidspaar is reeds gehuwd en, gelijk ge ziet, in tegenwoordigheid van vier getuigen, gelijk de wet eischt. Zij hebben reeds de ringen gewisseld en het jawoord gesproken, want de geestelijke geeft hun juist den zegen. Hoor maar.quot; â Inderdaad, de priester hield zijne handen boven de hoofden van het knielende paar op en riep; âIk verklaar u, keurprins Friedrich van Brandenburg, en u, prinses Henriette van Hessen, nu echtelijk vereenigd, als man en vrouw, gehuwd volgens de instelling der kerk en de wetten der menschen. Niets kan uw echt scheiden dan de dood, want wat God heeft samengevoegd, mag de mensch niet scheiden!'quot; â âAmen,quot; zeide mevrouw de landgravin met luide stem, terwijl zij naar haar dochter trad, haar ophief en in hare armen drukte. Ãe keurprins, die zich insgelijks oprichtte, naderde den priester en dankte hem met hartelijke woorden, dat hij den moed had gehad het huwelijk te voltrekken en ging vervolgens tot Dankelmann om diens gelukwensch te ontvangen. Ik zag en hoorde dit alles als in een droom en was inwendig zoo verbaasd, dat ik niet wist, wat, te doen of te zeggen. Eensklaps hoorde ik mijn naam roepen; 'twas mevrouw de landgravin, die mij riep, en wel met een stem, zoo luid en gebiedend, dat het mij was als hoorde ik de stem van den heer keurvorst, mijn genadigen meester. Werktuigelijk ging ik voorwaarts en toen ik mevrouw de landgravin aanzag, glinsterden mij uit haar gelaat de fonkelende oogen van mijn doorluchtigen heer tegen en ik zeide bij mij zeiven; Uit is de ware zuster van mijn keurvorst; wat zij wil, zet zij door, en wat haar sterke, krachtige hand eens vastgrijpt, laat, zij niet. weer los; waartoe zou het. mij dus baten hier nog te spreken en Ie protosteeren, te meer dpar ik in don val zit en er niet weer met vrijen wil uit kan.quot; âGeneraal Per bant,quot;quot; riep mevrouw de landgravin, âge hebt
124
begeerd mij te spreken, ge hebt gezegd, dat gij mij een brief van mijn broeder te overhandigen hadt. Geef mij den brief!quot; â Op dit commandowoord overhandigde ik nu deemoedig mijn brief en terwijl mevrouw de landgravin hem las, ging ik tot prins Friedrich, legde mijn hand op zijn schouder en zeide: âDoorluchtigste keurprins, in naam van den heer keurvorst van Brandenburg neem ik u gevangen! Gijzijt van dit uur af mijn arrestant, ik heb bevel uwe doorluchtigheid onder veilige bedekking naar Berlijn terug te voeren.quot; â âZie, dat ge uw bevel kunt uitvoerenquot;, antwoordde nu de keurprins trotsch. âB'ijf echter met uw hand van mijn schouder en waag het niet nog eens den toekómstigen keurvorst van Brandenburg met uw verraderlijke hand zoo oneerbiedig aan te raken.quot;
,,Dat waren inderdaad zeer trotsche en hoogmoedige, woorden,quot; riep de keurvorst.
,,üe woorden van een zoon,quot; vulde de keurvorstin aan, met scherpe stem, âvan een zoon, die zich nooit als een gehoorzaam onderdaan van zijn heer vader heeft betoond, maar altijd als de toekomstige keurvorst, en die niets anders verlangt dan dit zoo spoedig mogelijk te worden.quot;
âLiet ge toen de hand af van uw gevangene?quot; vroeg de keurvorst somber.
âJa, doorluchtigheid, ik deed het, want hij gebood als keurprins en ik had eerbied voor den zoon van mijn ge-nadigen heer. Inmiddels bad de landgravin den brief gelezen en riep mij weer tot zich. âGe hebt mij een slechte boodschap gebracht,quot; zeide zij. âüezebrief bevat veel toornige woorden, veel heftige bedreigingen en beschuldigingén. Hij verlangt van mij, dat ik den keurprins aan generaal Per-bant zal uitleveren en noemt hem een muiter en verrader, over wien een streng gerecht zal gehouden worden. Gelukkig is er tegenover dit toornig schrijven voor mij eert troost. Dit schrijven is niet van mijn dierbaren en veel geliefden heer broeder. Het is meer een ondergeschoven stuk, waarvan niets echt is dan de onderteekening. Wie weet, op welk een listige wijze men den heer keurvorst deze onderteekening heeft afgeperst en of ze niet misschien reeds op 't, papier werd gesteld voor de briefgeschreven was.''
âWat een schandelijke beschuldiging, een boosaardige laster,'' riep de keurvorstin Dorothea er toornig tusschen,quot;
125
âIk ben het, die den brief heeft geschreven en wel zóu geschreven als ile heer keurvorst hern mij dicteerde.quot;
âIk heb mevrouw de keurvorstin den brief gedicteerd, omdat juist in die dagen mijne hand door de jicht verlamd was en ik niet schrijven kon,quot; zei Friedrich Wilhelm, toestemmend het hoofd buigende, âik heb daarna den brief overgelezen en hij bevatte niets dan mijn eigen woorden, welke ik toen met mijne handteekening bekrachtigde. Kende dan mevrouw de landgravin het schrift van mevrouw mijne gemalin, generaal Perbant?quot;
âNeen, doorluchtigheid, ik ben overtuigd, dat mevrouw de landgravin het handschrift niet kende, anders zou zij niet gedaan hebben, wat zijdeed. Nadat mevrouw de landgravin namelijk den brief nog eens met de oogun doorge-loopen had, scheurde zij zeer zorgvuldig het papier van een, zoodat de naam van den heer keurvorst van den tekst gescheiden werd. âHenriette,quot; zeide zij tot de prinses, âneem hier uw schoonste en beste huwelijksgeschenk, den naam van uw dierbaren heer schoonvader^ door zijn eigen hand geschreven. Bewaar dit ter gedachtenis aan dit uur, en moge dit de eenige keer zijn, dat uw gemaal en gij den wil van den grooten keurvorst en heer waagt te weerstreven. Tracht van nu af uw heer vader te verzoenen door genegenheid en onderwerping, opdat hij u in liefde vergeve, wat gij in liefde misdaan hebt. Wat dezen brief betreft,quot; voer de landgravin voort, terwijl haar oogen sterker blonken, âik doe er mede, wat men met een giftige adder doet, zoo men die op zijn weg vindt en ze iemand een doode-lijken steek wil toebrengen. Men vernietigt het afschuwelijk gebroed en treedt het onder zijne voeten.quot; En terwijl zij dit zeide, verscheurde mevrouw de landgravin den brief, frommelde hem ineen, wierp hem als een bal-op den grond en trad er met den voet op. âMijnheer ge'-neraal Perbant,quot; zeide zij vervolgens, zich tot mij wendende, âge hebt nu mijn antwoord ontvangen en gezien, wat hier geschied is. Het huwelijk van dit jonge paar blijft vooreerst een geheim, 'twelk al de liier aanwezige getuigen gezworen hebben te bewaren. Bewaar ook gij het en deel het niemand mede dan den heer keurvorst, als hij zelf u niet machtigt liet ook aan anderen bekend te maken. Ge zult, na al 't geen gij te Kassei zoowel op de straat als in hel slot gezien en
â
11 â
gehoord hebt, niet zoo dwaas zijn te gelooven, dat gij met geweld het u opgedragen bevel zoudt kunnen uitvoeren en den keur prins als gevangene wegleiden. Dat ik hem u niet goedwillig zal overleveren, waarborgt u de dubbele liefde, welke ik hem toedraag, want ik bemin hem als mijn neef en als mijn schoonzoon, en ter wille dezer dubbele liefde zal ik hem voor alle onheil en gevaar beschermen. Mijn schoonzoon blijft zoolang aan mijn hof, tot zijn heer vader zijn dringendste beden verhoord, zich met hem verzoend en zijn genadige toestemming gegeven heeft tot de echtverbintenis van dit jonge paar.quot; â Ik wilde tegenwerpingen maken, mij nogmaals beroepen op 't ontvangen keurvorstelijk bevel, maar mevrouw de landgravin viel mij terstond in de rede. âHet is genoeg,quot; zeide zii ongeduldig, âik heb u gezegd, wat te zeggen was. Beslis nu. Ge blijft hier achter als gevangene of vertrekt weder bedaard, bericht mijn heer broeder, wat ge gezien hebt en zegt hem, dat zijne zuster genoeg gelijkenis met hem heeft, om moedig en onbevreesd op haar weg voort te gaan en zich niet door bedreigingen te laten verschrikken, zelfs zoo deze uitgesproken mochten zijn in naam van mijn veel geliefden broeder. Wil de keurvorst zich niet laten verzoenen, wil hij met de wapens in de hand voldoening eischen, welnu, dan zal hij mij en mijne Hessen bereid vinden, en aan bond-genoolen zal 't mij niet ontbreken in het Duitsche rijk. Beslis dus, wat ge doen wilt, verkiest ge als gevangene te blijven of dadelijk met uw dragonders mijne hoofdstad te verlaten en naar Berlijn terug te keeren om den heer keurvorst mijn antwoord over te brengen.quot; â Ik koos natuurlijk het laatste en een uur, nadat ik van den heer keurprins een brief voor uwe keurvorstelijke doorluchtigheid ontvangen had, alsmede een tweeden van mevrouw de landgravin, verliet ik Kassei, nam met een zwaar hart don terugrwe»' aan en kwam gisteren avond
mïm-.r ||l: it
iff
I
MPI
I'
ill
II
||
lW 1
t
â 1^
vffes,
terug.quot;
Ik
;
.127
II.
DE ONTERVING.
âThans weet ge alles, mijne heeren,quot; zei de keurvorst, terwijl hij generaal Perbant een teeken gaf te gaan zitten. âDe beide brieven, welke Perbant mij gebracht heeft, zijn onbelangrijk en bevatten niets nieuws. ^Mevrouw de landgravin herhaalt mij slechts, dat zij den keurprins, die tot ,haar gevlucht is, nimmer zal uitleveren, en de keurprins smeekt mij met zeer huichelachtige woorden om vergiffenis, neemt op schandelijke wijze den schijn aan of hij dooide boosheid en slechtheid van anderen gedwongen was te vluchten, als had men hem naar het leven gestaan en hem op een moorddadige wijze uit den weg willen ruimen. Deze beschuirligingen zijn tegen mijne edele en beminnenswaardige gemalin gericht, die door den keurprins van zijn jeugd af hoogst onkinderlijk, weerspannig en onchristelijk is behandeld, waardoor hij ons veel verdriet en ergernis veroorzaakte. Wij beminden den zoon onzer zalige gemalin met een oprecht vaderhart, en het moest ons bitter bedroeven en krenken dit zoo weinig erkend te zien, en slechts haat te oogsten, waar wij liefde zaaiden. Toch verdroegen wij het geduldig, hoopten den zoon door goedheid en zachtmoedigheid tot ons terug te voeren en hielden het. voor eene tuchtiging Gods, dat wij dagelijks den beker van oneenigheid en twist drinken moesten en het onze eigen zoon was, die hem ons reikte. Wij wilden voor de wereld de oneenigheid van ons huis geheim houden en niemand laten vermoeden, welk verdriet onze zoon, de troonopvolger, ons dagelijks bereidde. Thans heeft hij zelf dit geheim openbaar gemaakt en zich voor geheel Duitschland, voor geheel
428
Europa als con weerspannige en muiter tegen zijn vader en lieer gesteld; vaneen verzoening kan dus geen spraak meer zijn! De zuon is tegen zijn vader opgestaan, de onderdaan is oproerig geworden tegen zijn vorst en heer, de troonopvolger treedt de wetten van zijn land met voeten, verwijdert zich heimelijk uit de staten, en huwt buitenslands, zonder toestemming niet alleen, maar tegen het strenge bevel van zijn vader. Dat zijn misdaden, die gestraft moeten worden, daden, die ik als vorst en heer des lands niet mag ver-schoonen. De oproerige zoon heeft in mij den vader gedood, thans spreekt nog slechts de vorst, die recht en wet voldoening moet geven zonder aanzien van persoon. Dekeur-prins Friedrich is niet meer mijn zoon en ik niet meer zijn vader! De keurprins Friedrich is een muiter en ik zal zijn rechter zijn. Een muiter kan echter nimmermeer de toekomstige beheerscher van dit land zijn en de misdadiger, die zich tegen zijn vader verzet, kan niet de erfgenaam zijn van wat het mijne is, niet omdat illt; het van mijn vader ge-erfd, maar omdat ik het verkregen heb met het zwaard in de hand, door oorlogen, waarin het bloed mijner onderdanen in stroomen heeft gevloeid en die jammer en ellende over mijn land gebracht hebben vele jaren lang. ik echter versaagde nimmer en liet het zwaard niet zinken; ik had mij een groot doel gesteld en wilde mijn opvolger een rijkeren schooner erfdeel nalaten, dan ik van den zaligen heer keurvorst verkregen had. Het kleine wilde ik groot maken en van de afzonderlijke, verbrokkelde provinciën wilde ik een vast gesloten geheel maken. Veel is mij gelukt, veel heb ik verworven, hoewel veel mij weder ontrukt is door de ongunst der tijden en de vijandschap en afgunst van voormalige bondgenooten. Ik breng mijn opvolger een land, dat de helft grooter is, dan wat ik erfde. Ik laat hem na, buiten de souvereiniteit van Pruisen, de provincie Westfalen, het graafschap Jagerndorf, de Kleefsche landen, de vorstendommen Maagdenburgen Halberstadt. In deze bezittingen zit de kracht, de roem mijner regeering, het bloed en de tranen mijner onderdanen. Slechts aan eenen waardige wil ik dit schoone erfdeel geven en de keurprins Friedrich is dat niet waardig. Hij heeft zich de opvolging onwaardig gemaakt en daarom sluit ik hem van de erfenis uit, daarom kan hij mijn opvolger niet zijn!quot;
429
Er klonk een enkele kreet van de lippen der aanwezigen. Het was of de stem van den keurvorst hen had opgeroepen tot een nieuwen veldslag. Al deze in gevaar en gevechten grijs geworden mannen stonden van hun zitplaatsen op en zagen met sombere, ontstelde oogen naar den keurvorst.
âOnmogelijk,quot; riep de vorst van Anhalt na een lange, drukkende pauze. âUwe doorluchtigheid sprak in toorn, maar wat zij daar zeide is onmogelijk!quot;
De keurvorst zag vol hoogheid] en trots naar den koenen spreker. âWie waagt het deze woorden te zeggen, als ik gebied: zoo zij het!quot; riep hij met luide, krachtige stem. âIk heb mijn besluit genomen niet in toorn, maar na rijp overleg en het zal uitgevoerd worden. In de kleine raadsvergadering heb ik mijn besluit aan mijne raden bekend gemaakt, thans zal mijn kanselier Somnitz u het decreet voorlezen, dat op mijn bevel op papier is gebracht. Lees, Somnitz, wat ik u in de pen heb gegeven. Ik beveel het u!quot;
De kanselier Somnitz stond op en het papier, dat voor hem op de tafel lag, opnemende, begon hij met plechtige stem den inhoud er van voor te lezen.
Met korte scherpe woorderr- verklaarde de keurvorst er in, dat de tegenwoordige keurprins Friedrich zich, door een weerspannige vlucht en hoogverraderlijk gedrag, de opvolging op den troon zijns vaders onwaardig had gemaakt en dat de keurvorst derhalve als het opperhoofd van zijn huis de wet der erfopvolging uit eigene overtuiging en krachtens de hem door God verleende macht en gezag ophief en veranderde. âDe prins Friedrich,quot; zoo sloot het decreet, âis hiermede voor altijd, zoowel voor zich als zijne erfgenamen, van de opvolging op den troon der Hohenzollern uitgesloten en onze zoon, de tegenwoordige markgraaf Lud-wig volgt hem op in de waardigheid als keurprins en als vermoedelijk opvolger op den troon der keurvorsten van Brandenburg. Dezen onzen zoon verklaren wij hiermede voor onzen troonerfgenaam en opvolger, en zullen van deze verandering, welke wij door het oproerig gedrag van den tegenwoordigen keurprins gedwongen worden te nemen, aan den keizer van het Duitsche rijk, alsmede aan de Duit-sche rijksvorsten en de buitenlandsche hoven kennis geven. Dit ons decreet zal bovendien in alle steden bij omroeping worden voorgelezen, alsmede gedrukt aan de hoeken der Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. VI. 9
130
straten aangeplakt worden. Dit is onze wil en dit verkondigen wij ons volk! Friedrich Wilhelm. In November van het jaar 1679.quot;
Een diepe stilte heerschte er in het vertrek, toen de kanselier Somnitz zweeg. Somber en treurig waren de blikken, die op den keurvorst waren gericht. Hij zelf was bleek en zijn voorhoofd werd door donkere wolken beschaduwd. Slechts het gelaat van de keurvorstin Dorothea was kalm en zacht, en hoeveel zelfbeheersching zij ook bezat, kon zij toch niet geheel een glimlach verbergen, toen de kanselier prins Ludwig als den keurprins en opvolger van zijn vader verklaarde.
âGe hebt nu mijn besluit vernomen,quot; zei de keurvorst na eene pauze. âIk heb u met dat doel tot een groote geheime raadsvergadering opgeroepen, ik heb ook gewild, dat mevrouw de keurvorstin en mijn zoon, de markgraaf prinsLud-wig, getuigen waren van deze voorlezing en dat zij van de gewichtige handeling kennis namen, die mij als een rechtvaardig en streng rechter doet kennen. Ik wil, om aan alle vormen te voldoen, van allen, die hier tegenwoordig zijn, de meening vernemen en de toestemming ontvangen, voor wij tot de laatste plechtige handeling tot de onderteekening van het decreet overgaan. Mevrouw de keurvorstin, zeg mij of ge het eens met mij zijt en mij erkent als een rechtvaardig rechter voor den oproerigen zoon?quot;
âVergeving, mijn gemaal,quot; antwoordde de keurvorstin, met heldere, kalme stem, âik moet mij in deze treurige zaak van elk oordeel onthouden, daar ik tot mijn innig leedwezen in deze zaak persoonlijk betrokken ben. Tegen mij in de eerste plaats heeft zich de haat van den keurprins gericht. Ik was het, die hij verfoeide; mij verdacht hij, dat ik hem naar het leven stond ; voor zijn moorddadige stiefmoeder is hij gevlucht. Mijn hart en geweten spreken mij wel vrij van de mij ten laste gelegde misdaden, en in mijn gemoed is van den haat, waarvan de prins mij beschuldigt, geen spoor; ik ben mij bewust, dat ik het aan trouwe oplettendheid en moederlijke liefde nooit heb laten ontbreken en het niet aan mij ligt, zoo de prins de hartelijke genegenheid, welke ik hem toedroeg, niet heeft aangenomen. Toch vergeef ik hem van ganscher harte en ben ook niet op hem vergramd wegens de vreeselijke beschuldigingen.
131
welke hij tegen zijne moeder, tegen de gemalin zijns vaders slingert. Zij hebben wel mijn hart,maar niet mijn hoofd getroffen. Ik draag het hoog en ik smeek God, dat hij in zijne genade den prins moge vergeven, gelijk ik het doe. Indien ik hier nu een oordeel over den prins moest uitspreken, en dat oordeel was ongunstig, dan zou men immers meenen, dat ik rechter in mijn eigen zaak was geweest. Laat mij dus ditmaal zwijgen, mijn dierbare hoeren gemaal! Gij weet, hoezeer ik anders met u overeenstem in alles, wat ge doet en besluit. Maar 't is een zeer harde en wreede zaak den eigen zoon te moeten veroordeelen, en ik beken het ootmoedig, mij ontbreekt daartoe de kracht en de sterkte van gemoed. Ik kan slechts weenen en vergeven, maar niet straffen!quot;
âDat heet, ge geeft mij ongelijk?' vroeg de keurvorst somber. âGe wilt ook nu, gelijk ge meer hebt gedaan, mij vermanen tot vergiffenis,tot toegevendheid engedulch Weet echter dat dit thans te Iaat is. De bronnen van zachtheid en goedertierenheid zijn bij mij voor altijd verdroogd, de vaderliefde bestaat niet meer, slechts de strengheid van den vorst leelt nog in mij!quot;
âWee, wee, dat het zoover komen moest,quot; zuchtte de keurvorstin, âwee, dat de wreede, liefdelooze en oproerige zoon den edelsten en besten vader, den grootmoedigsten vorst zoover kon brengen! Mijn eenige troost is slechts dat gij, mijn dierbare heer, terwijl gij prins Friedrich uitsluit van de opvolging, gelijk hij het waarlijk door zijn schuld verdiend heeft, toch de wet der natuurlijke opvolging laat bestaan en niets verandert in de wetten van uw huis. Indien ge zeidet; Ik onterf den weerspannigen prins Friedrich en benoem in zijne plaats prins Philip tot mijn opvolger en erfgenaam, dan zou ik spreken, dan zou ik, als moeder aan prins Philip, bij alles wat u heilig is, bij de gedachtenis aan uw edele, ontslapene gemalin smeeken, dat niet te doen. Dan zou ik liet zelfs mijn plicht achten voor den oproerigen zoon vergiffenis te vragen en u te smeeken om hem weer aan te nemen in uwe genade, opdat mijn vijanden niet konden zeggen, dat ik het was geweest, die u tot dit besluit gedreven had ter wille van mijn zoon. Maar het betreft hier tot mijn geluk niet mijn eigene zonen, en zoo gij prins Friedrich wegens zijne misdaden moet verwerpen en prins
m
Ludwig in zijn plaats moet stellen, dan kan niemand mij van eigenbelang beschuldigen!quot;
âKn 'die dit deed zou zich waarlijk bezondigen aan uw edel en grootmoedig hart,quot; zei de keurvorst ernstig. âGe hebt gedaan, wat ge kondt, om mijn gerechten toorn te verzoenen. Maar prinsFriedrich heeft alles gedaan, wat hij kon om dien weder op nieuw te doen ontvlammen. Hij heeft mij tot het uiterste gedreven en zoo zal hij nu ook het uiterste ondervinden! Mijn zoon Ludwig zal van nu af keurprins zijn!quot;
âNeen, heer vader,quot; riep de prins in tranen uitbarstend, âneen, ik bid u, wees genadig en neem uw woord terug! Ik kan dit niet doen!quot;
âWat kunt ge niet doen?quot;' vroeg de keurvorst heftig.
âIk kan mijn lieve broeder Frits niet berooven,quot; snikte de jonge prins. âHij is de rechtmatige keurprins, hij alleen mag zoo genoemd worden en als ik nu zijn titel zou voeren, zou ik mij zeiven beschouwen als een broeder-moorder. Ik zou het nooit weder wagen tot den lieve God te bidden, want 't zou mij zijn of mijn voorhoofd met het Kaïnsteeken was gemerkt en alle goede en eerlijke menschen mij moesten verfoeien.quot;
Welk een blik was 't, waarmede de keurvorstin naar den prins zag, over wiens bleek gezicht de tranen mei heldere stroomen vloeiden, een blik vol diepe verachting en spottend medelijden! Een blik, als van een tijger op de prooi, die hem behoort, en die nog waant, dat zij vrij is.
De keurvorst merkte dien niet op, want hij zag, toornig naar den knaap, die het waagde hem te weerstreven.
âDit zijn zeer slechte en giftige woorden,quot; zeide hij, heftig zijn hoofd schuddende, âwoorden, die niet uit het hart van mijn zacht kind komen, maar hém zijn ingeblazen door vreemde, giftige tongen.quot;
âNiet door mij, doorluchtigheid,quot; riep de vorst van Anhalt levendig. âIk heb den prins zulke woorden nooit gezegd, maar ik gevoel mij gedrongen te verklaren, dat zij een echo hebben gevonden in mijn hart. De prins heeft gelijk. Een Kaïnsteeken zou hij op het voorhoofd dragen, zoo hij de erfenis aannam, welke hem niet door den dood, maai door den toorn der menschen gebracht was. Alle edele, goede menschen zouden zich met afschuw moeten afwenden
13B
van den onnatuurlijken bloeder, die zijn eigen broeder van zijn rechtmatig, wettig erfdeel berooide; uit haar graf zou mijne dierbare, edele schoonzuster opstijgen, om den zoon te vloeken, die den moed had zich te verrijken ten koste van zijn broeder, een zoon, dien zij van al hare zonen het meest en teederst bemind heeft, omdat hij de meeste liefde behoefde, om zijn zwak en door de natuur stiefmoederlijk bedeeld lichaam. O, mijn dierbare Louise llen-riette, verschijn hier onder ons, bedwing met uw zachten blik den toorn van uw gemaal, bid voor den ongelukkigen zoon, die door de natuur zoo stiefmoederlijk behandeld, daarvan steeds de gevolgen ondervindt.quot;
âZwijg,quot; riep hem de keurvorst toe, terwijl hij zich bevond en bleek uit zijn fauteuil oprichtte, en met gloeienden, loornigen blik den vorst aanzag.
Maar de vorst trotseerde dien blik, âNeen,quot; zeide hij, âik zal, ik kan niet zwijgen, doorluchtigheid. Ge hebt mij hier ontboden, om te spreken, om de ware meening van mijn hart te vernemen! Ik zal nu ook zonder menschen-vrees, de waarheid openbaren. Ge kunt mij daarna uit uw aangezicht verbannen, ge kunt den schoonbroeder dei-zalige keurvorstin Louise Henriette, den oom uwer prinsen, nooit weder onder uw oogen willen zien. Ik zal mij dan in mijn vorstendom terugtrekken, vol droefheid, dat ik u, die altijd de ster van mijn leven waart, niet meer mag zien schitteren, maar ik zal mij zeiven troosten met de gedachte, dat ik mijn plicht vervuld en de waarheid geëerd heb. Deze waarheid is de kreet mijner ziel en ik roep ze u tegen, zeggende; keurvorstelijke doorluchtigheid, nooit of njmmer moogt gij den zoon het erfdeel onttrekken, dat Gods wil en de wet van uw huis hem bestemd en verzekerd heeft. De keurprins Friedrich is uw eerstgeboren zoon, uw rechtmatige opvolger, als vader moogt ge op hem verstoord zijn, maar ge moogt hem niet berooven als vorst!quot;
âIk mag hem dooden als rechter,quot; riep de keurvorst toornig. âIk zou zijn doodvonnis moeten uitspreken, zoo i-k als rechtvaardig en onpartijdig rechter handelde, want hij is een hoogverrader en muiter, en ge weet, dat de wet oproer met den dood straft. Maar mijn hart verzette zich tegen de wet en in plaats van den mensch te dooden, wil ik slechts den kroonprins dooden, wil hem slechts straffen voorwat de mensch
134
misdaan heett. Het zou oen slecht voorbeeld zijn, zoo ik den hoogverrader ongestraft liet, omdat hij mijn troon het naast staat, het zou lijken of de keurvorst van Brandenburg een zwak, bevreesd grijsaard is geworden, die de misdaad niet meer durft straffen, omdat de misdadiger een lid van zijn huis, een prins is. In mijn land moet de wet geldig zijn zoowel voor den hoogste als voor den laagste, en voor de gerechtigheid mag geen uitzondering bestaan.quot;
âMaar ook daarom, genadige heer,quot; zei Otto von Schwerin met zachte stem, âmag de heillooze twist, die helaas in de keurvorstelijke familie heerscht, niet de wet en de gerechtigheid verduisteren. De wet bestemt den eerstgeboren zoon tot uw opvolger, de gerechtigheid moet dit erkennen en hem beschermen in zijn rechten. Heeft uwe keurvorstelijke doorluchtigheid reden op den zoon verstoord te zijn, dan moogt ge als vader stralïen, den schuldige de zwaarte van uw toorn laten gevoelen, hem verbannen uit uw aangezicht, maar als keurprins kunt ge hem niet straffen en hem niet zijn wettelijk erfdeel onttrekken. Want zulk eene onterving zou geheel en al tegen de bestaande rijksgebruiken strijden en door het hoofd van't Duitsche rijk als nietig verklaard moeten worden. Want niets zou immers meer vast staan en zeker zijn, zoo de erfrechten opgeheven werden en willekeur en welbehagen over de opvolging te beslissen hadden.quot;
âWeet ge, dat ge u verstout een vermetele taal te voeren?' riep de keurvorst toornig. âEen taal, die in geenen deelc past aan mijn ondergeschikten en onderdanen?quot;
âDoorluchtigheid, het is de taal van een trouw dienaar, die zijn heer heeft moeten zweren, hem ten allen tijde te dienen naar zijn beste inzicht en ten allen tijde zonder vrees de waarheid te zeggen, schoon hij hem hierdoor ook vertoornen mocht. Het is de taal van een trouwen, gehoorzamen zoon, die zijn vader op het sterfbed heeft moeten zweren aan u en uw keurvorstelijk huis zijn geheele leven roet trouw en liefde gehecht te zijn. Doorluchtigheid, er zijn nauwelijks maanden verloopen, sinds ik mijn edelen, stervenden vader dezen eed gedaan heb, nauwelijks zes maanden, dat Otto von Schwerin de aarde verlaten heeft om heen te gaan tot zijne verheerlijkte meesteres. Ik zou een ondankbare, woordbreu-kige zoon zijn, zoo ik thans den moed niet had de waarheid
135
te zeggen en te handelen en te spreken in den geest van mijn vader, in den geest der verhevene meesteres, wier zegenende hand eens, toen ik nog een knaap was, op mijn hootd gerust en die mij vaak vermaand lieeft voor haar zonen een trouw, verknocht dienaar en vriend te blijven. Keurvorste-lijke doorluchtigheid, in naam der zalige keurvorstin, in naam van mijn overleden vader, in naam van mijn eigen geweten, dat mij beveelt de waarheid te bekennen en mijn hart voldoening te geven, smeek ik u, mijn edele keurvorst en heer; Genade en vergeving voor den keurprins Friedrich!quot;
âGenade en vergeving voor den keurprins Friedrich, âherhaalden al de aanwezige heeren, terwijl zij plechtig van hun zitplaatsen opstonden en hun ernstige, ontroerde gezichten tot den keurvorst wendden.
Er bewoog zich ,iets op het gelaat van den keurvorst, men zou niet hebben kunnen zeggen of het aandoening ot schrik was; het vlamde op als toorn en smart in zijne oogen, en hij drukte de lippen vast opeen, alsof hij de toornige beschuldigende woorden wilde terughouden, die evenwel uit zijn gelaat spraken. Hij zag langen tijd langs de rijen dei-mannen, die aan beide zijden ter tafel stonden, even sterken vast als waren zij de zuilen en steunpilaren van zijn troon; vervolgens liet hij zijne oogen op zijne gemalin rusten, die aan zijne zijde zat, wier aangezicht bleek was als van een doode, wier geheele voorkomen diepe ontroering te kennen gaf.
Toen hun blikken elkander ontmoetten, stroomden do lang bedwongene tranen uit hare oogen en rolden op den zwart kanten doek, die haar zwoegenden boezem omhulde.
âGeef toe, Friedrich,quot; riep zij met bevende stem, âroep den keurprins terug, schenk hem genade; neem hem weder op in uwe liefde en zeg aan de geheele wereld, dat ik de schuldige ben, ik de boosaardige stiefmoeder, die uwe zonen tot wanhoop drijf. Zend mij in ballingschap, mijn keurvorst en heer, ik smeek u uit het diepst mijner ziel, laat mij het oller zijn, opdat ge vrede en rust in uw huis hebt! Na het vreeselijke, dat geschied is, kunnen de keurprins en ik niet meer onder één dak te zamen wonen, ik wil voor uw opvolger wijken. Bewillig, mijn gemaal, van mij te scheiden, opdat ge uw zoon, den keurprins, aan uw zijde kunt heb-
136
ben. Geen huiswet verbiedt u uwe gemalin te verstooten. Versloot uwe gemalin en wees verzekerd, dat zij in deemoedig zwijgen zich zal onderwerpen, zonder morren haar .geluk, haar liefde, zelfs haar leven wil geven, om haar dierbaren, aangebeden gemaal rust en vrede te bezorgen en hem met zijn zoon te verzoenen.quot;
Welk eene verandering had plaats gehad op 't, gelaat van den keurvorst, terwijl zijne gemalin sprak! Elk barer woorden was als een scherpe pijl, die hem treffen moest in zijne liefde, in zijn trots, in zijne mannelijke waarde en hem aansporen moest tot verzet, tot volharding in zijn besluit.
137
III.
DE GESTOORDE RAA DSVEUGA UElllNG.
âGenoeg,quot; zoi de keurvorst met een wenk tot de keurvorstin. âGeene nuttelooze woorden meer! Ik weet, wat mij betaamt en zal het volbrengen. Gij wilt edelmoedig zijn voor den zoon, mevrouwde keurvorstin, maar wreed voor uw gemaal, want ge weet, dat hij u bemint en gij hem noodzakelijk zijt voor zijn geluk. Wil dus niet eischen, dat hij van u scheide en zich van een edele, veel geliefde levensgezellin, zijne kinderen van eeneteedere, zorgvuldige moeder beroove. Wat echter u betreft, mijne heeren,quot; ging de keurvorst met verheffing van stem voort, âge zult in dit uur moeten leeren en erkennen, dat ik en ik alleen de wet ben in mijn huis en mijn wil alleen te gebieden heeft! Ge wilt mij trotseeren, daarom beroept ge u op de rijksgebruiken. Ge wilt mijn gemoed verteederen, daarom smeekt ge mij in naam mijner ontslapene gemalin, wier gedachtenis heilig en frisch in mijn hart woont. Maar ge zult nu zien, dat ik nog altijd de dappere soldaat ben, die moedig strijdt tegen al zijne vijanden en zich noch door bedreigingen laat verschrikken, noch door krijgslisten verschalken laat. De wet, die voor allen is gemaakt, heeft geen macht over mij, want ik ben de wet en ik geef ze in den naam van God, wiens plaatsvervanger op aarde ik ben. De instellingen van mijn huis zullen onder mijne hand vervallen als stof, en als ik eene nieuwe orde van zaken wil invoeren, zal niemand zich vermeten mij te zeggen; Dat gaat niet. Dat moogt ge niet. Ik mag, wat ik wil, ik doe, wat ik moet! Niet voor een ongeboorzamen, op-roerigen en liefdeloozen zoon wil ik mijn mannelijke kracht.
138
mijn leven overleveren aan onrust, kamp en strijd, niet voor een weerspannigen dwaas is het erfdeel bestemd, dat ik verworven heb. Gelijk ieder vader het recht heeft naar welgevallen te handelen met zijn eigendom, heb ik dit ook en wil het behouden u allen ten trots. Wat ik besloten heb na rijp overleg en treurige overtuiging, moeten zal geschieden en niemand zal mij hierin verhinderen. Ik heb uwe meeningbegeerd. en gij hebt gesproken; aan mij is het nu te beslissen. Ik noodig u nu uit, kanselier Somnitz, mij het geschrift te overhandigen, dat gij zoo even mijn geheimraden en dienaren hebt voorgelezen. Het is de verkondiging van mijn wil en er ontbreken nog slechts de handteekeningen aan, om in rechten te gelden en kracht van wet te hebben, derhalve zullen wij tot de onderteekening overgaan.''
âKeurvorstelijke doorluchtigheid,quot; riep veldmaarschalk Derfllinger, âzoo het werkelijk uw onwrikbaar besluit is, om dit geschrift te onderteekenen, heeftniemand het rechtu hierin te verhinderen, maar wil van mij niet begeeren, dat ik onder zulk een schrikkelijk decreet ook mijn naam zet. Het is mijn ambt niet en daarom wil ik er niet van weten. Beveel mi], schoon ik een invalide van vijf-en-zeventig jaren ben, dat ik mijn oude lamme heupen omgorde met het zwaard om nogmaals ten oorlog te trekken, ik zal gehoorzamen, hoe ook mijn leden mij pijn doen en mijn vermoeid hoofd naar rust verlangt. Ik ben uw dienaar en volg getrouw uwe vanen, waarheen die ook gaan mogen. Ik neem mijn zwaard in de hand en strijd tot den laatsten ademtocht voor mijn keurvorst en heer; maar de pen in mijn hand te nemen en te schrijven, dat is mijn ambt niet, ik wil geen droppel inkt in zulk een treurige zaak verbruiken.quot;
âKeurvorstelijke doorluchtigheid,quot; riepen de generaals von Arnim en Perbant als uit één mond, âwil de genade hebben ook ons van de onderteekening te verschoonen!quot;
âMoge mijne hand verdorren,quot; riep de vorst van Anhalt plechtig, âmogen mijne vingers verstijven, zoo zij de pen nemen om toestemming tol zulk een gruwzaam werk te geven!quot;
Een toornige blik schoot uit de fonkelende oogen van den keurvorst over de gloeiende, tartende gezichten der mannen; hij richtte zich op uit zijn stoel en stak met een gebiedende beweging de hand naar het geschrift uit, dat de kanselier
139
hem aanbood. Friedrich Wilhern legde het voor zich op de tafel en sloeg er met zijn krachtige vuist op.
âDeze hand, dio zoo vaak liet zwaard heelt gevoerd voor de eer van mijn land en hot welzijn van mijn rijk,quot; zeide hij, âzal nu de pen op dit papier voeren en met een enkel woord eene nieuwe orde van zaken instellen. Zij zal mijn naam onder dit decreet stellen, 't welk aan mijn volk en aan de wereld verkondigt, dat de keurprins van'Branden-burg niet Friedrich, maar Ludwig heet. Ge zult zien, dat deze ééne naam voldoende is om aan mijn wil kracht van wet te geven en uwe handteekeningen volstrekt niet noodig zijn, als ik zeg: zoo moet het â Somnitz, geef de pen, ik zal onderteekenen!quot;
De keurvorst liet zich weer in zijn leunstoel nederglijden en nam de pen, die de kanselier hem smartelijk zuchtend overreikte.
Maar prins Ludwig hield met zijne bevende zwakke handen do sterke hand van zijn vader terug.
âLieve, beste vader,quot; bad hij met vleiende stem, âik bid, ach ik bid dringend, maak mij niet tot keurprins ! Ik kan het niet worden, zoolang mijn broeder Friedrich leeft.quot;
âGenadige heer keurvorst,quot; riepen allen luid en angstig, âgenade, vergeving voor den keurprins Friedrich !quot;
De keurvorst was juist op 't punt een heftig antwoord te geven, toen men buiten een luid getwist van heftige stemmen hoorde.
âIk zeg u, dat ik binnen moet,quot; riep een stem op dringenden toon. â'tis van 't grootste belang! Ik moet den keurvorst dadelijk spreken!quot;
âEn ik zeg u, dat het onmogelijk is,quot; schreeuwde een ander. âNiemand mag binnen, want het is groote geheimraadsvergadering.quot;
âJuist daarom moet ik den keurvorst speken.quot; riep de eerste. âOnmiddelijk! Ik heb het gezworen en Jakob Uhle houdt altijd zijn eed!quot;
âJakob Uhle,quot; mompelde de keurvorst, terwijl hij geheel onwillekeurig de- pen, welke hij juist op 't papier had gezet, weder terugtrok en luisterend naar de deur zag.
De schreeuwende en twistende stemmen waren onder-tusschen meer genaderd en nu dicht bij de deur.
âGe moogt niet binnen,quot; riep er een.
140
âIk moet binnen,quot; riep een ander, al zou ik u met geweid van de deur verwijderen!quot;
âEerst zoudt ge mij moeten dooden!quot;
âAis ge 'tzoo wilt, dood ik u!''
âSomnitz,quot; riep de keurvorst, âgij zit het dichtst bij de deur. Open ze! Jakob Uhle mag binnen koman.quot;
De kanselier haastte zich het ontvangen bevel uit te voeren en nu trad de lijftrawant Jakob Uhle met verhit gelaat en hijgenden adem, de raadkamer binnen.
âHoe durft ge u daar buiten zoo^oneerbiedig te gedragen?quot; riep de keurvorst. âHoe kunt ge zoo onbeschaamd zijn om zulk een leven te maken?quot;
âDoorluchtige heer,quot; zei Jakob Uhle naar adem hijgend, âmen wilde mij den toegang weigeren.quot;
âMen deed zijn plicht, en ik wilde wel eens weten van waar ge den moed hebt om nog onder mijne oogen te komen, nadat ge op zulk eene schandelijke wijze van hier zijt gegaan ?quot;
âMet uw verlof, keurvorstelij ke doorluchtigheid, ik ben niet op eene schandelijke wijze van hier gegaan,quot; riep Jakob Uhle stout. âIk had van uwe doorluchtigheid vier weken verlof gekregen en ik kon dus gaan, waarheen ik wilde. Bijgevolg, toen de heer keurprins mij beval met hem te gaan en ik den tijd had en niets verzuimde in den dienst uwer doorluchtigheid ging ik naar Kassei met den lieven broeder van mijn zaligen keurprins Carl Emil.quot;
âEn wat voert u thans hier terug?quot; vroeg de keurvorst.
âEene zeer ernstige en plechtige zaak voert mij terug, keur-vorstelijke doorluchtigheid. Ik kom een genade verzoeken.quot;
âWaarlijk, Jakob Uhle, ge laat u veel voorstaan op de toegevendheid, welke ik u altijd bewezen heb, daar ge om eene gunst te verzoeken, op geweldige wijze hier binnen dringt,quot; riep de keurvorst heftig. âGa naar buiten, onbeschaamde! knaap, wacht tot de geheime raadsvergadering ten einde is, dan zal ik u laten roepen !quot;
Maar Jakob [Jhle's scherpe blik was intusschen vor-schend over de vergaderde heeren gegaan en had gezien, dat de oogen van den markgraaf Ludwig rood van tranen waren. Hij had ook den veldmaarschalk Derfflinger aanschouwd en het knippen en wenken zijner borstelige wenkbrauwen zeer goed opgemerkt.
Ui
âDoorluchtigheid,quot; zei Jakob Uhle, langzaam zijn hoofd schuddende, âhet doet mij leed, maar 'tis onmogelijk, ik' kan niet wachten! [Jwe doorluchtigheid moet mij de genade, om welke ik bid, terstond toestaan. Ik heb op deze genade vier jaar gewacht, maar nu kan ik geen oogenblik langer wachten.quot;
âWat wilt ge daarmede zeggen, onbeschaamd mensch vroeg de keurvorst heftig en niemand buiten Jakob Uhle zag den vriendelijken, glimlachenden blik, die een oogenblik uit zijne oogen naar zijn gunsteling, den lijftrawant Jakob Uhle straalde.
âIk wil hiermee zeggen, keurvorstelijke doorluchtigheid, dat gij mij vóór vier jaren beloofd hebt, mij een genade te bewilligen en mij onmiddelijk gehoor te geven, zoo ik komen mocht om uwe doorluchtigheid aan deze belofte te herinneren.quot;
âIk weet dit, Jakob Uhle,quot; zei de keurvorst, wiens stern nu eensklaps zachter was geworden. âIk heb die belofte niet vergeten, want ik gaf ze u op den dag, toen ik door uw trouw en liefde van een zekeren dood gered was. 't Was op den dag van den veldslag van Fehrbellin. Gij hadt met geweld mij uw zwarte opgedrongen en er mijn schimmel voor genomen, toen mijn moedige eu getrouwe stalmeester Frobenius aan mijn zijde gevallen was. Een Zweedsche kogel, kwetste u en doodde den schimmel, maar ik bleef ongedeerd, dank zij uwe bezorgde liefde. En toen ik denzelfden dag ten tweedenmale in levensgevaar was en de Zweden mij omringd hadden, kwaamt gij, hoewel zelt zwaar gewond, met negen dragonders, die gij te hulp hadt geroepen, en bevrijddet mij. Ge leedt er echter zelf schade bij, want ten tweedenmala schoten de Zweden het paard onder u dood, gij werdt weder gekwetst en braakt een been. Op den avond van dien roemrijken dag van Fehrbellin, toen ik u, in weerwil van uw tegenstreven, met den veldchi-rurgijn naar Berlijn liet transporteeren, trad ik nog eens aan uwe draagbaar en legde mijn hand op uw schouder, zeggende: Jakob Uhle, ge hebt mij heden tweemaal het leven gered, uw heer en keurvorst tweemaal tot groote dankbaarheid verplicht. Ik zal het u die vergelden,zooveel in mijn vermogen is. Bovendien geef ik u het recht, iets van mij te verzoeken, wanneer en op welken tijd ge wilt, en ik
142
beloof u plechtig, dat ik ten allen tijde bereid zal zijn uw verzoek te hooren en het u toe te staan, zoo het eenigs-zins in mijn vermogen is. â Dit waren mijn eigen woorden, Jakob Uhle, ge ziet wel, dat ik ze niet vergeten heb en weet ook wel, dat ik er u reeds meermalen aan herinnerde en u uitnoodigde het beloofde te verzoeken.quot;
â't Is waar, uwe doorluchtigheid heeft dit gedaan,quot; zei Jakob Uhle hartelijk; â maar mij ontbrak niets en ik had niets te wenschen, daar gij mij vergund hadt als lijftrawant bij u te blijven. Thans echter, doorluchtigheid, kom ik u ten dringendste verzoeken, mij de genade te willen ver-leenen, welke gij mij hebt toegezegd.quot;
âWelaan, Jakob Uhle,quot; antwoordde de keurvorst, zacht het hoofd buigende, âdenk ik aan den grooten dag van Fehrbellin en vervul, wat ik u, redder van mijn leven, toen beloofd heb. Verzoek van mij een genade en zoo het in mijne macht is, zal ik ze u verleenen.''
âDoorluchtigheid, zij is in uw macht! De genade, welke ik van mijn keurvorst en heer begeer, luidt aldus: Heer keurvorst van Brandenburg, ik bid u in naam van God, in naam van mevrouw de zalige keurvorstin, in naam van den zaligen keurprins Carl Emil en eindelijk in naam van uw geringen en deemoedigen knecht Jakob Uhle, dat uwe doorluchtigheid mij de genade wil bewijzen, thans, oogenblikkelijk en zonder een minuut tijdverlies, u naar de groote witte zaal van uw slot te begeven en wel alleen zonder eenige andere begeleiding dan die van uw lijftrawant Jakob Uhle.quot;
âDe genade, waarom gij verzocht hebt, is u verleend,quot; zei de keurvorst, terwijl hij zich in den leunstoel oprichtte. âMijne heeren, ge hebt allen gehoord, wat Jakob Uhle mij verzocht heeft en ge zijt het zeker allen met mij eens, dat ik hem dit verzoek niet weigeren kan?quot;
âWij zijn het allen hiermede eens, doorluchtigheid, quot;riepen de heeren eenstemmig.
âMaar ik, mijn dierbare keurvorst, ben het hiermede volstrekt niet, eens,quot; zei de keurvorstin, terwijl zij haar hand zacht op den arm van haar gemaal legde en hem zocht tegen U; houden. âHet verontrust mij, dat gij u alleen zonder begeleiding, naar de ridderzaal wilt begeven, ik verzoek, dal ge mij ten minste wilt veroorloven u te begeleiden. Het
443
gaan valt u zwaar en door deze inspanning kon de jicht, die u nog kort geleden geplaagd heeft, terugkeereu. Ik wenschte dus, dat ge mijn geleide op uwe zonderlinge wandeling wildet aannemen.quot;
âKeurvorstelijke doorluchtigheid,quot; riep Jakob IThleangstig, maar de keurvorst gaf hem met een wenk te kennen, dat hij zwijgen moest.
âTk dank u voor uwe bezorgdheid, mevrouw de keurvorstin,quot; zeide hij vriendelijk, maar ik mag uw liefdedienst niet aannemen, want ik moet aan Jakob Uhle mijne belofte vervullen. Hij heeft van mij als een genade verzocht, dat ik terstond, zonder eenige andere begeleiding dan die van mijn lijftrawant Jakob Uhle, mij naar de witte zaal zou begeven, en dit heb ik hem bewilligd. Veroorloof dus, dat ik ga.quot;
âWilt ge dan ten minste de vergadering hier niet sluiten en de heeren bijzitters van den geheimraad ontslaan?quot; vroeg Dorothea. âHet betreft nog slechts uwe onderteekening en zooveel tijd zal de lijftrawant zijn genadigen heer toch wel vergunnen, dat hij zijn naam kan schrijven.quot;
âKeurvorstelijke doorluchtigheid,quot; zei Jakob Uhle met biddende stem, âgelieve dadelijk en zonder een minuut tijdverlies met mij naar de witte zaal te gaan.quot;
âIk kom, Jakob Uhle,quot; zei de keurvorst, âgeef mij uw arm, opdat ik er op leune. Mevrouw de keurvorstin, ik verzoek vergeving, dat ik u verlaat, in plaats van u vooraf naar uw vertrekken terug te voeren. Mijnheeren, de geheimraadsvergadering is voor heden geschorst. Wij willen ze morgen op hetzelfde uur weder hervatten. Bevindt u dus op den bepaalden tijd hier. Voor heden vaartwelquot;
Hij groette de heeren, boog voor zijne gemalin en verliet, op Jakob Uhle's arm leunende, de zaal.
De keurvorstin Dorothea wachtte niet tot de keurvorst vertrokken was. Zij was te gelijk met hem opgestaan, groette de heeren haastig en verwijderde zich ijlings uit de raadskamer.
âDen lijftrawant heeft God zelf hier heen gezonden, hiervan ben ik overtuigd,quot; zeide de oude Derfllinger tot den vorst van Anhalt, toen ook zij de zaal verlieten. âMijnleven lang heb ik zulk een angst niet doorstaan als op het oogenblik toen de keurvorst de pen nam en onderteekenen wilde. Nu, ik weet thans ook hoe een bloodaard te moede is.
144
Want ik was op dat oogenblik een bloodaard, in waariieid een beangste, moedelooze bloodaard.quot;
âNeen, veldmaarschalk,quot; zei de vorst glimlachend, âgij waart op dat oogenblik de moedige soldaat voorde rechtvaardigheid en het recht, en uw hart klopte, omdat het lerugbeefde voor het monsterachtige, dat hier geschieden zon en dat God misschien door de tusschenkomst van den lijftrawant verhoeden wil. Hopen wij, dat het zoo zij!quot;
145
IV.
IN DE WITTE ZAAL.
Zwijgend, op den arm van den lijftrawant Jakob Uhie geleund, was de keurvorst door de reeks kamers gegaan. De klank hunner sclueden weergalmde luid en zonderling door de eenzame, stille vertrekken, en als de deuren, door welke zij gingen, achter hen dicht vielen, galmde het als een luide donder en wekte de fluisterende stemmen der echo's in de hooge ruimten. Nu stonden zij voor den breeden, met tapijten belegden vrijen trap, die naar de witte zaal voerde en op de bovenste trede bleef de keurvorst een oogenblik aarzelend staan.
âJakob Uhle,quot; zeide hij, âik heb u niet gevraagd, wat dit te beduiden heelt en waarom ge mij naar de witte zaal voert, want gij hebt het van mij als de beloolde genade begeerd, dat ik daarheen zou gaan, en ik doe het. Maar vóór dat ik nu binnen ga, wilde ik wel weten, wat daar verder zal geschieden, want, bedenk wel, dat ge niets anders hebt begeerd dan dat ik hier heen ga en hiermede zou nu de bedongene genade ten einde zijn. Zoo ik dus in de zaal iets vond, waaraan ik aanstoot nam, zou ik dadelijk weder de zaal kunnen verlaten, en ik zou dat doen, zoo ik er iemand mocht ontmoeten, dien ik niet zien wil. Bedenk dus wel, wat ge doet, Jakob Uhle en hoed u mij ergernis te geven. Hebt ge dus nog iets te zeggen, zeg het dan; overleg goed ieder woord en wees indachtig, dat, zoodra ik den drempel dei-zaal overschreden heb, mijne belofte is voldaan.quot;
âNeen, keurvorstelij ke doorluchtigheid,quot; zei Jakob Uhle
met een ontevreden hoofdschudden, âze is dan niet voldaan
.
Mühlbaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd. VL 10
440
eu jgt;ij zelf meent dat ook niet. Ge weet wel, mijn keurvorrft en heer, dat het hiermede niet gedaan is, als ge u alleen in de zaal begeeft en dat ik mij met de eenvoudige wandeling niet kan tevreden stellen. God behoede mij, dat ik zou durven veronderstellen, dat de heer keurvorst met zijn armen lijftrawant wilde bieden en loven, en de genade, welke hij verzoekt, beknibbelen en verkorten, vermits hij niet geweten heeft zijn bede nauwkeurig in te kleeden, zoodat er niet op afgedongen kan worden. Neen, doorluchtigheid, gij zijt geen vrek, die slechts bekrompen en spaarzaam verleent, wat hij beloofd heeft, maar ge zijt een edelmoedig, mild vorst, die genadiglijk nog meer geeft dan hij beloofd heeft en er nooit aan kan denken zijn dienaar slechts een halve genade te verleenen, omdat deze zich in zijne eenvoudigheid en domheid onvolkomen uitgedrukt en vol vertrouwen op de edelmoedigheid van zijn heer gerekend heeft. Ik heb de bloeddroppels ook niet geteld, welke ik voor u gestort heb, en zoo moogt gij ook de voetstappen en de minuten niet tellen, die uwe doorluchtigheid mij schenkt!quot;
âGe hebt gelijk, Jakob Uhle,quot; zei de keurvorst hem vriendelijk toeknikkende. âIk wil geen vrek zijn en uw verzoek niet besnoeien, neen, gij zult het in zijn geheelen omvang van mij ontvangen. Zeg mij, stoutmoedige knaap, hoe ver moet ik in de zaal gaan en wat begeert ge dan verder?quot;
âMijn allergenadige keurvorst en heer,quot; riep de lijftrawant met vleiende stem, terwijl hij den keurvorst met zijn zwarte oogen teeder en smeekend aanschouwde, âik smeek u, dat gij de genade wilt hebben door de zaal te gaan tot aan het portret van mevrouw de zalige keurvorstin, dat ginds togen den laatsten pilaar is geplaatst, en dat, zoo gij er iemand vindt, die uwe doorluchtigheid mocht begroeten, gij hem dan niet van u stoot.quot;
De keurvorst legde zijne handen op don schouder van den lijftrawant, die voor hem op de knieën was gezonken, en schouwde hem lang in het goede, moedige gelaat.
âGe hebt de oogen uwer moeder,quot; zeide hij, âen den zachten treurigen blik uws vaders. Om beider wille voldoe ik aan uw verzoek, en als wij deze treden opgaan, gaan uwe moeder Rebekka en uw vader Gabriel met ons, en ik
447
geloof wel, dat zij zullen glimlachen als zij den keurvorst en den lijftrawant zoo arm in arm zien gaan. En dat gun ik hun, want ziet ge, beiden hebben, toen zij nog op aarde wandelden, zeer weinig geglimlacht. Geef mij uw arm, opdat beiden zich in den hemel over ons mogen verheugen. Hoort ge, houd mij goed vast en leid mij zeker, want het is beter, dat ik de oogen sluit, zoodra wij de zaal binnen gaan, daar ik liever het portret niet zie, voor ik er bij sta. Zoo ik er iemand zag, die mij niet beviel, kon ik in mijn drift omkeeren en mijne belofte vergeten. Leid mij dus, Jakob Uhle!quot;
âHeer, ik leid u, en zoo ge ooit iemand naar de hel hebt te zenden om den duivel eene boodschap te doen, zend mij er heen; ik ga voor u in de hel en naar den duivel!quot;
âDank,quot; lachte de keurvorst. âDe duivel is een veel te groot heer dan dat hij tot mijn vertrouwde kennissen zou behooren, en ik denk, dat ik nooit noodig zal hebben hem een bode te zenden. Van wien hij iets wil hebben, dien zendt hij zijn bode, of komt ook wel zelf, want âquot;
De keurvorst zweeg, want zij waren nu de trap op en door het kleine voorportaal gegaan; Jakob Uhle opende de hooge deuren der zaal en bleef er buigend naast staan. De keurvorst trad binnen, doch zag niet vooruit, maar bleef naast de deur staan, wenkte den lijftrawant binnen te treden en nam zijn arm.
âHoud mij nu en leid mij,quot; zeide hij zacht, âwant ik sluit de oogen. Luister,quot; ging hij aarzelend voort, âlaat ons wat langzaam gaan, want ik gevoel een weinig zwakte in mijne voeten en mijn hart klopt angstiger dan het bij Fehrbellin deed. Toen,quot; zuchtte hij zacht voor zich, âwas slechts de keurvorst in gevaar, maar nu is het de vader; toen waren de sabelhouwen tegen mijn hoofd gericht, maar nu bedreigen zij mijn hart.quot;
Zij gingen voorwaarts; de keurvorst met gebogen hoofd den vederhoed diep over de oogen gedrukt, de lijftrawant hoog opgericht, moedig en vroolijk rondziende naar de portretten en beelden, die in de nissen en tegen de pilaren stonden, en met ernstige, plechtige kalmte, met stillen eerbied neerzagen op den keurvorst en wier lachende gezichten schenen te zeggen : âWij groeten u, want gij zult
148
ons nieuwen glans verleenen, gij zult ons verheerlijken door uw roem en ons meer geven aan grootheid en aanzien, dan gij van ons ontvangen hebt, groote stamvader der toekomst. Mogen uwe kinderen zich in u verheugen, gelijk het uwe voorvaderen doen!quot;
Al de statige mannengestalten in harnas en helm, al de glimlachende vrouwenbeelden met kanten kragen, de roos op den boezem en den geborduurden zakdoek in de hand, gingen zij voorbij, regelrecht naar het portret, dat aan 't eind der zaal tegen den vooruit springenden pilaar was geplaatst. 't Was het levensgroote afbeeldsel der keurvorstin Louise Henriette, het portret, dat de keurvorstin in bruidsgewaad voorstelde en dat de Hollandsche schilder en kopergraveur Honthorst had geschilderd als huwelijksgeschenk van prinses Amalia voor haar geliefden keurvorstelijken schoonzoon, 't Was dit levensgroote afbeeldsel, dat vroeger in de zoogenaamde raadkamer had gehangen en dat de keurvorstin Dorothea er uit verwijderd en hier gebracht had Tegen den pilaar had zij het laten plaatsen, waar naast zich een nis bevond, zoo als die rondom in den wand waren aangebracht en waarin de standbeelden der Hohenzollern geplaatst waren. Deze nis was ledig. Zij wachtte op haar bewoner, zij wachtte op Friedrich Wilhelm.
Hoe liefelijk was de bekoorlijke bruid in haar bruidskleed ! Wat een uitdrukking van onschuld, aanvalligheid en goedheid in dat heldere, fraaie gelaat. Hoe schitterend keken die groote bruine oogen, alsof zij den geliefde, den lang verbeide tegemoet zagen!quot; Hoe glimlachten de volle roode lippen, als wilden zij fluisteren: Ik bemin u, Friedrich Wilhelm, mijn geheele leven wil ik u toewijden in liefde!
âKeurvorstelijke doorluchtigheid, wij zijn ter plaatse,quot; zei Jakob Uhle en zijne stem beefde van inwendige aandoening. âZoo uwe doorluchtigheid dat genadiglijk vergunt, keer ik naar het andere einde der zaal terug en wacht, tot uwe doorluchtigheid mij roept.quot;
Met haastige schreden, zacht op de teenen gaande, snelde de lijftrawant naar de tegenovergestelde zijde dei-zaal, waar hij zich in stijve militaire houding bij de deur plaatste.
149
De keurvorst wachtte tot Jakob Uhle vertrokken was. Toen sloe^r hij de oogen op en zag om zich heen, met een langen, vorschenden blik.
Hij was alleen, alleen met zijne voorouders, alleen met Louise Henriette!
Langzaam sloeg hij zijn oogen tot haar op en toen zij hem zoo teeder en zacht aanzag, toen de heldere bruine oogen hem groetten met een blik vol liefde, de rozenlippen hem toelachten, was 't hem of zich langzaam het donkere rouwfloers wegschoof, dat zijn jeugd, zijn geliefde, zijn begraven hoop omsluierde. Het tegenwoordige verdween en het verledene kwam weer op voor zijn geest in al de bekoorlijkheid van zijn onontwijd gevoel, met al den glans der liefde, der hoop en des geluks. â¢lij zag haar, die hij bemind had. die twintig schoone, heuglijke jaren het geluk van zijn leven was geweest, die als vrouw, als moeder hem was geworden, wat zij als bruid hem geschenen had: de engel zijns levens, de zegen van zijn hart. Hij had nooit gezien, dat dit helder maagdelijk voorhoofd betrokken was geworden, dat de jaren de rozen dezer wangen verbleekt, de zorgen en moeielijkheden des levens beur lijnen en rimpels door haar liefelijk aangezicht getrokken hadden. Zijne liefde was jong gebleven als de hare en daarom was ook haar gelaat eeuwig jong en schoon gebleven in zijn hart. En nu stond zij daar weer voor hem in al haar jeugdige schoonheid en de beelden en tooneelen van dat verdwenen geluk rezen een voor een voor hem op. De geesten der herinnering trokken met smeekende blikken hem voorbij, streelden met teedere handen zijn aangezicht en fluisterden met vleiende stemmen in zijn oor: âHoe gelukkig waart gij, toen zij nog bij u was, Frie-drich Wilhelm, hoe schoon en heerlijk was het, toen Louise nog aan uw zijde stond.quot;
âJa, schoon en heerlijk was het,quot; fluisterde hij zacht. âJa, gelukkig was ik, toen ge nog aan mijn zijde stondt, Louise! Gelukkig, zooals ik het nooit weer geweest ben, sedert ge mij verlaten hebt! Ge ziet op mij neer zoo liefelijk en teeder, als ge altijd jgedaan hebt. Ge zijt niet verstoord op mij en doel, mij geen verwijten, hoewel ik lang niet bij u ben geweest, en het wel den schijn kon hebben alsof ik u vergeten had, mijn Louise. Maar in mijn hart,
450
heel diep en stil, leeft ^e nog altijd, nooit kan ik u ver-geten. Aeh, Louise, waarom zijt ge mij ontnomen, waarom zijt gij zoo wreed geweest mij le verlaten!quot;
Terwijl hij dit dacht, vulden zich zijne oogen met tranen en hief hij vol verlangen zijne armen tot het portret op. In dat oogenblik trad van achter 't portret een slanke hooge vrouwengestalte te voorschijn.
âMarie,quot; riep de keurvorst verbaasd, ,,Marie gij hier?quot;
âJa,quot; zeide zij ernstig, ⢠âik ben hier, de zuster uwer Louise Henriette, welke gij eens zoo innig bemind en die gij toch vergeten hebt, Friedrich Wilhelm!quot;
âNeen, Marie,quot; zeide hij treurig, âik heb haar niet vergeten, zij leeft in mijn hart.quot;
âMaar uwe lippen durven het niet bekennen, want uw tweede gemalin zou er verstoord over zijn, omdat zij ja-loersch is, niet alleen op de levenden, maar ook op de doode. Ach, Friedrich Wilhelm, moest het zoo ver komen? Wij waren zoo gelukkig, wij beminden elkander zoo teeder, en thans! Thans heeft zij ons uwe liefde, uwe genegenheid ontstolen, wij zijn niets meer voor u, zij is alles! Ãneenig-heid, haat en toorn heeft zij in dit slot gebracht, uwe zusters heeft zij verdreven en ook mij, de zuster uwer Louise. Jaren zijn verloopen sinds ik dit slot betreden heb, want haar hoogmoed, haar trotschheid hebben mij van hier verjaagd.quot;
âBeschuldig haar niet, Marie, ik bid u, beschuldig haar niet,quot; zei de keurvorst zacht en biddend. âStoor den heiligen vrede van dit oogenblik niet. Ik weet, dat het voorbij gaat en ik mijn gestrengheid en mijn onverbiddelijk rech-tersgelaat weer moet aannemen, maar gun mij, dat ik een oogenblik al het kwade kan vergeten, dat tusschen ons staat. Geef mij uw hand, Marie, wees welkom, zuster mijner f Louise. Zie mij aan! Niet waar, ik ben oud geworden en ge leest op mijn gelaat de geschiedenis van groote oorlogen, van zware zorgen en van vele vernietigde verwachtingen. Niet waar, geen trek in dit gelaat herinnert u meer aan den jongen keurvorst, die vroeger met zulk eene koene hoop, zulke groote verwachtingen het leven inzag, toen hij met deze bekoorlijk schoone bruid aan 't altaar trad en haar eeuwige liefde en trouw zwoer? Ach, iMarie, mijn leven is arbeid en moeielijkheid geweest. In oorlog en rumoer heb ik
151
geleefd en zelfs in mijn huis was voor mij geen vrede, geen rust na den strijd. Steeds oneenigheid, twist en ergernis, en in de droefheid van mijn hart heb ik dikwerf' heimelijk verlangd naar dien éénen vrede, naar die rust, die ik slechts kan vinden in 't graf mijner voorouders, aan de zijde mijner trouwe Louise!quot; Ilij zag met door tranen verduisterde oogen tot het portret op en knikte het toe met een treurigen glimlach. Toen verdween die glimlach van zijn aangezicht en zijn gelaat nam weer zijn kalme, ernstige uitdrukking aan.
âMevrouw de vorstin van Anhalt,quot; zeide hi], zich weder tot zijne schoonzuster wendende, âwees thans zoo goed mij te zeggen, aan welke onverwachte omstandigheid ik uw bezoek te danken heb en waarom ge mij door Jakob Uhle hier hebt doen brengen.quot;
âNiet zoo, ach niet zoo, mijn dierbare broeder Friedrich Wilhelm,quot; bad de vorstin met zwakke stem. âDenk nog altijd aan het verledene, Friedrich, en laat deze gedachte uw hart vervullen, opdat het zich niet sluite voor de liefde en de vergiffenis. Zie op tot het portret van onze ontslapen engel, en dan, mijn broeder, dan wil ik u zeggen, wat mij hier heen heeft gevoerd, waarvoor ik hier gekomen ben, hoewel ik, toen ik dit slot verliet, een plechtigen eed bad gedaan het niet weer te betreden, dan als zij bet niet meer bewoonde. Maar zie wat de liefde van mij maakt. In weerwil van mijn eed ben ik er weer en 't is de liefde, die mij hier voert. De liefde voor uwe kinderen, Friedrich Wilhelm, de liefde voor de kinderen mijner verheerlijkte zuster Louise! Zij zijn ongelukkig en worden verdrukt! Zij zijn verdreven uit het slot hunner vaderen, de haat vervolgt hen met zijn giftigen angel eu de liefde beschermt hen niet! De liefde is uit dit slot verjaagd en âquot;
âEn is naar Kassei gevlucht,quot; viel de keurvorst baar in de rede. âNiet waar, dat wilt ge immers zeggen'? Van den ongehoorzamen, oproerigen zoon wildet ge mij spreken? Van den zoon, die al jaren mijn leven verbittert en oneenigheid en twist om mij heen verwekt? Van mijn zoon, die mijn vaderlijke vermaningen veracht, die opstaat tegen zijne moeder en haar beschuldigt van haal, dien slechts hij in /.ich draagt. Van hem wilt ge spreken, die, mij ten hoon en spot voor de gebeele wereld, heimelijk bij nacht
i
152
van hier gevlucht en naar Kassei gegaan is, om er,zich 1 ma
achter den sleep van mevrouw de landgravin te verschui- | zij
len, en aangezet door haar trots en hoogmoed zich ver- 1 ,
meten heeft, tegen mijn wil en geheel tegen alle wetten | hai
en gebruiken, te huwen, om te bewijzen, dat de toorn van I on
zijn vader, het bevel van zijn keurvorst voor hem onver- I
schillige zaken zijn, waarnaar hij volstrekt niet vraagt, maar | do
handelt naar de ingevingen van zijn eigenzinnig en trotsch | te\
gemoed.quot; | Zej
âNeen, mijn broeder,quot; zei de vorstin zacht, âhij volgde i wi
slechts de ingevingen zijns harten, dat niet kon afzien van | mi
het eenige wezen, dat hem beminde, dat bereid was, alle | de
gevaren, alle vijandschap ten trots, met hem te huwen, om | ko
zijne gevaren le deelen en de helft der beschuldigingen [ ve
die op hem moeten vallen, op zich te nemen. Ach, mijn | he
dierbare schoonbroeder, wil toch bedenken, dat deze beide | V\
kinderen opgevoed zijn in de liefde voor elkander, dat men | lu
ze van hun vroegste jeugd af geleerd heeft zich als ver- I hlt;
loofden te beschouwen, dat Friedrich van zijn teedere l in moeder voor zijn toekomstig huwelijk met Henriette reeds
den zegen barer moederlijke liefde ontvangen had en gij 1 d
u toenmaals, in die gelukkige en gezegende dagen, over I w het kleine paar hebt verheugd en het dulddet, dat Friedrich,
toen zijn kleine nicht hier aan de mazelen ziek lag, haar | w
verpleegde, den ge.heelen dag aan haar bed zat en haar 1 zi
voorlas; dat hij, toen Henriette met haar moeder naar 1 e
Kassei was weergekeerd, als negenjarige knaap reeds met | a
haar in teedere briefwisseling stond. En eensklaps, toen | n
het wreede lot uwe arme beide zonen van hun tee- 1 t
dere moeder beroofde, toen het hun ook spoedig een | g
gedeelte der teederheid van hun vader ontnam, toen i r
moest de arme Frits ook van den laatsten troost, de I I
zoetste hoop zijns levens, van het meisje afzien, dat hem | c
beminde. Zeg zelf, mijn dierbare zwager, was het niet wreed | 1
dit te vorderen? Moest dit niet, nadat de tranen om den 1 i
dood zijner moeder waren opgedroogd en hij zich weder 1 '
wilde oprichten aan deze hoop zijner toekomst, een donkere 1 '
schaduw op het gemoed van uw armen zoon werpen ? Gij 1 i vondt spoedig vergoeding voor uw smartelijk verlies, maar wat vonden uwe zonen? Zij verloren, terwijl gij wont! Zij verloren het deel uwer liefde, dat ge aan uw tweede ge-
rnulin lt;,raalt. Gij vondt oen tweede vrouw voor uw hart, zij vonden slechts een stiefmoeder, slechts âquot;
âZeg niets tegen de keurvorstin,quot; viel de keurvorst haar haastig in de rede, âbeschuldig niet mijn geliefde gemalin om den zoon te verschoonen.quot;
âNeen Friedrich Wilhelm, verre zij het van mij, dit te doen,quot; zei de vorstin zacht. âGij gevoelt u gelukkig ón tevreden aan de zijde uwer gemalin, moge God uw geluk zegenen en u nooit het einde er van laten gevoelen. Maar wil slechts niet verstoord zijn, zoo ik den dierbaren zoon mijner zuster tracht te verontschuldigen, zoo ik u wijs op de liefde, welke Louise Henriette voor u, voor uwe kinderen koesterde. Wil mij vergeven, zoo ik u bezweer voor uw verweesde kinderen een even teeder vader te zijn als gij het voor uwe andere kinderen zijt. Bedenk, Friedrich, Wilhelm, 't zijn de zonen uwer Louise! Haar stervende hand heeft op hun hoofden gerust, haar brekende oogen hebben u gesmeekt: Bemin mijn kinderen, en laat hen in liefde bij u wonen.quot;
â't Is waar,quot; zei de keurvorst zacht, âdat zijn haar woorden geweest: Bemin hen, en laat ze in liefde bii u wonen.quot;
âAch, Louise,quot; riep hij vervolgens smartelijk uit, âLouise, waarom moest ge mij verlaten! Waarom zijt ge niet aan mijne zijde gebleven! De vrede en de liefde waren uwe gezellen en alles in mij was gelukkig, als uw heldere oogen mij aanzagen. Gij wist altijd te verzoenen, altijd bij te leggen, nooit hoorde mijn oor ruwe stemmen van tweedracht en twist, zoo lang ge op aarde toefdet! Sinds ge van mij zijt gegaan is alles anders geworden! Gij aanschouwt mij wel met het engelengezicht van eertijds, maar ik, uw arme Friedrich, ik ben oud geworden en levensmoede. Onrust en zorg is mijn deel, met bittere smart zie ik in de toekomst, want de ondankbaarheid van mijn zoon verduistert mijn leven en zijne ongehoorzaamheid en trots dwingen mij hard en wreed jegens hem te zijn en hem te onttrekken, wat ik hem zoo gaarne verleenen zou, mijn liefde en mijn nalatenschap!quot;
âZeg dat niet, Friedrich,quot; bad de vorstin, âbeschuldig uw zoon niet van liefdeloosheid en ongehoorzaamheid.
't Is waar, in de wanhoop van zijn hart is hij van hier
154
ontvloden, want mevrouw de keurvorstin had hem gezegd, dat ge hem nooit zoudt veroorloven te trouwen, zoo hij niet ten gunste van haar zoon Philip van de opvolging afstand deed.quot;
âDat is niet waar, riep de keurvorst heftig, âhet is een nieuwe laster, dien deze ondankbare zoon tegen zijne moeder opwerpt, die altijd goed en vol liefde voor hem geweest is, die altijd zijn voorspraak bij mij is geweest en mij met hem trachtte te verzoenen. En nu waagt deze lasterende knaap te beweren, dat mijn gemalin tracht hem te onterven, dat zij haar eigen zoon in zijne plaats wil stellen^ hoewel er toch een andere, hoewel Ludwig er is, wien het erfdeel toekomt, als ik het Friedrich onttrek krachtens mijn vaderlijke macht. En gij gelooft dit, Marie, gij weet niet, dat Dorothea veel te edel en onbaatzuchtig is om zulke gedachten te voeden en veel te schrander, om, zoo zij ze ooit gevoed had, uit te spreken.quot;
âFriedrich Wilhelm, zij heeft ze uitgesproken, zij heeft uw zoon bedreigd met haar toorn, indien hij het waagde haar te weerstaan. Zij heeft de wreedheid nog verder gedreven. O, mijn broeder, open in dit uur uw vaderhart voor de verlaten zonen mijner zuster! 't Is waar, Friedrich heeft ongelijk gehad zich van hier te verwijderen, maar hij geloofde zijn leven bedreigd en hij had er wel reden toe! Hij geloofde ook, dat men hem zijne geliefde Henriette zou ontscheuren, en ook hiertoe had hij reden, want mevrouw de keurvorstin zelve had hem gezegd, dat Henriette, ingevolge uw bevel, reeds binnen weinige weken met den hertog van Koerland zou huwen, zoo Friedrich haar niet wilde winnen door vrijwillig afstand van de opvolging te doen. Zeg niet weer, dat dit laster van uw zoon is. Het is de waarheid, geloof mij. Deze woorden van de keurvorstin zijn het, die hem op de vlucht hebben gedreven, die gemaakt hebben, dat hij naar Kassei ijlde om zich en het geluk zijner liefde te redden. Maar toen hij vernam, dat gij generaal Perbant gezonden hadt om hem als gevangene terug te brengen, toen hij hoorde, dat uw toorn hem met harde straf bedreigde, toen wilde hij zijne geliefde niet in gevaar brengen, toen gaf hij haar de gelofte barer liefde terug en wilde hij van haai' afzien. Zij echter, dat trouwe, dappere hart, zij, de moedige nicht van haar grooten
155
oom, den heldhaftiger) keurvorst, zij nam haar woord niet terug, zij smeekte de landgravin met tranen en beden haar terstond met haar geliefde, den verlooide haars harten, te laten huwen, opdat zij het recht zou hebben zijne gevaren met hem te deelen, het recht hem in ballingschap of in de gevangenis te volgen, al naar uw gerechte toorn over Frie-drichs toekomst beslissen zou.quot;
âDat was edel, hooghartig en moedig gehandeld,quot; riep de keurvorst met opvlammend gezicht. âZij beminde hem dus werkelijk, 't was niet een bloote speculatie, dat zij met Frie-drich wilde huwen, omdat zij door hem eens regeerende keurvorstin wilde worden?quot;
âHeeft men u dit gezegd, doorluchtigheid ?quot; vroeg de vorstin haastig. âHeeft men dit jonge, edele en beminnelijke meisje bij u belasterd, gelijk men ook den prins, uw zoon, hij u belasterd heeft. Ge ziet wel, dat men Henriette gelasterd heeft! Toen zij haar geliefde door gevaren bedreigd zag, toen hij van haar wilde afzien, toen hij haar, haar woord terug gaf en haar zeide, dat hij geen hoop meer had op de toekomst, dat gij hem onterven wildet, toen werd haar liefde bewezen, toen verlangde zij met teedere onstuimigheid zijne gemalin te worden en haar edele en niet minder hooghartige moeder bewilligde haar verzoek. Zij huwden ; generaal 1'erbant kan het u getuigen !quot;
âHij heeft het getuigd,quot; riep de keurvorst, âhij heelt mij alles gezegd, hij heeft mij bericht gebracht van het ongehoorde, ongeloollijke!quot;
âMaar hij heeft u niet alles gezegd, mijn broeder,quot; zei de vorstin, haar hand op den arm van den keurvorst leggende. âHij heeft u niet gezegd wat geschiedde, nadat generaal Perbant vertrokken was en Kassei verlaten had.quot;
âWat geschiedde toen, mevrouw de vorstin? Zeg het mij.quot;
âToen ze uit de kapel teruggekeerd waren, reikte prinses Henriette haar jongen gemaal de hand en zeide lot hem : Thans, mijn geliefde, nu ik uw vrouw ben en het recht heb u overal te volgen, nu heb ik slechts ééne vraag Ie doen; Wanneer vertrekken wij? âEn Friedrich begreep haar terstond. Wij vertrekken wanneer gij wilt, Henriette, zeide hij. â âDan vertrekken wij nog heden, binnen een uur, riep de prinses. Zonder den zegen uws vaders kan onze liefde geon geluk hebben, onder zijn toorn kunnen wij
156
slechts sterven van verdriet, maai' niet leven in rust en vrede. Moge uw vader u onterven, moge hij u strafien, door u uw titel en waardigheden te ontnemen, maar wij willen ten minste in onze ballingschap den troost zijner vergiffenis rnedenemen. Hij zal ten minste aan onze tranen, aan onze teedere beden moeten erkennen, hoe innig wij hem beminnen, hoe oprecht wij hem vereeren. Spoeden wij ons dus te vertrekken, opdat de gerechte toorn van uw edelen vader verzoend worde, opdat ons geweten niet langer bezwaard blijve.quot;
âEn zij vertrokken? vroeg de keurvorst levendig.
âZij vertrokken, want de landgravin schonk aan'^besluit van 'tjonge paar haar volkomen goedkeuring. Generaal Per-bant had nauwelijks een uur Kassei verlaten, toen ook het jonge echtpaar de reiskoets besteeg, om zich naar Bel lijn tot den vertoornden, en echter zoo geliefden keurvorstte begeven, v Zij zouden zeker vroeger hier zijn aangekomen dan generaal Perbant, want zij reisden onafgebroken dag en nacht en gunden zich nauwelijks eenige rust, maar zij maakten op hun reis een omweg en kwamen bij mij te Dessau. Zij smeekten mij, dat ik om de liefde, welke ik steeds voor mijn neef gevoed had en om de heilige herinnering aan mijne dierbare zuster, ook om de liefde en vereering voor u, die nimmer, trots alle vervreemding, bij mij verkoeld was, hen te vergezellen en voor hen te spreken. Ik kon hen niet wederstaan en vergat al mijne geloften, al mijne tartende besluiten en ik bewilligde er in hen te vergezellen om bij u hun voorspraak te zijn. Het eenige bezwaar meenden wij, was slechts hoe wij de gelegenheid konden erlangen onzen dierbaren keurvorst zonder getuigen en zonder weerstand te spreken. In den nood van ons hart namen wij raad bij den getrouwsten uwer dienaren, Jakob Uhle, en vroegen hem of hij niet een plaats in het slot wist, waar wij u alleen aantreffen, waar wii door niemand anders verhinderd konden worden u te ontmoeten en u te spreken uit de diepte van ons bewogen hart. Jakob TJhle wees ons deze plaats, hij heeft ons hier heen gevoerd en hij, de goede, trouwe dienaar, nam het op zich zijn aangebeden keurvorst hier heen te voeren. Het was llenriettes meening, dat ik u afwachten zou hier voor het portret uwer Louise, dat ik in de eerste plaats beproeven zou, door de herinne-
157
l ing aan haar, uw groot hart te vermurwen. 0, laat mij dit gelukken, Friedrich Wilhelm, denk, ach denk aan het uur toen haar brekend oog nog met een laatsten blik van liefde op u rustte, toen ge in haar kille hand zwoert voor haar kinderen een teeder vader te zijn, hun nooit uw liefde te onttrekken. Denk, dat men uw zoon tot de uiterste vertwij â teling heeft gedreven, dat men hem de vreeselijke keus gesteld had om óf van zijne lietde, óf van zijn erfrecht al-stand te doen; dat men hem met wreede ongevoeligheid gezegd had, dat gij, wegens zijn uiterlijk voorkomen, wegens zijne gestalte, er nooit in bewilligen zoudt hem uw opvolger te doen zijn; dat men hem in zijne liefde, in zijn eer, in zijn trots en in zijn ijdelheid gekrenkt had. Denk, dat Louise dezen zoon meer bemind heeft dan haar andere kinderen, dat hij haar lieveling was, dat zij de liefde van beide kinderen beschermd en gevoed heeft;denk, dat. zoo het aan de geesten der afgestorvenen vergund is, op aarde te zien en het lijden en de smarten te kennen dergenen, welke zij op aarde hebben achtergelaten, dat Louise dan in den hemel niet zalig zal zijn, als zij ziet hoe haar geliefdsten op aarde zich met haat en toorn van elkander verwijderen, in plaats van in liefde en teederheid elkander de hand te reiken. Ach, gun uw Louise de zaligheid des hemels, gun uwe kinderen de zaligheid der aarde, gun hun de liefde en vergeef, vergeef in liefde, wat de liefde misdreef!quot;
âVergeet, ach vergeef!quot; riepen nu nog twee andere smee-kende stemmen en hand in hand trad prins Friedrich met zijne jonge gemalin van achter den pilaar te voorschijn, die hen tot nu toe voor de oogen des keurvorsten verborgen had, hand in hand zonken zij voor hem op de knieën en zagen smeekend tot hem op.
158
[V.
DE BOETE.
De keurvorst trad een schrede achteruit, keerde zicli om en wilde zich verwijderen, maar de vorstin Marie legde haar hand zacht op zijn arm en hield hem tegen.
âFriedrich Wilhelm,quot; zeide zij met plechtige stem, âin naam uwer Louise, die op u en op den zoon, den lieveling haars harten nederziet, smeek ik u : Vergeef uw zoon!quot;
âVergeef mij, vader,quot; bad de keurprins met bevende stem. âIk heb zwaar jegens u misdreven, maar kom als deemoedig zoon u om vergeving smeeken; ik buig mij voor u, mijn vader, en gevoel, dat ik mij bezondigd heb, maar ik wil het weder goed maken, ik wil door trouw en gehoorzaamheid verzoenen, al wat ik misdreven heb. Gij zult voortaan in mij een genegen en onderdanigen zoon vinden, die zonder morren ook de straf zal ondergaan, die gij, als mijn vader en heer, mij oplegt. Wend echter uw hart weder tot mij, vergeef mij en verwelkom de dochter, welke ik u breng en die onverbreekbaar met mij verbonden is. Laat over haar, mijn vader, uwe genade en liefde opgaan, want zij is rein en onschuldig en haar eenig misdrijf is, dat zij mij bemint.quot;
âVergeef hem, mijn dierbare oom,quot; smeekte Henriette, âvergeef hem en straf mij, want ik ben schuldiger dan hij. Friedrich kwam naar Kassei om bij mijne moeder een toevlucht te zoeken, niet om mijnentwille; in mijn groote liefde voor hem, begeerde ik zijne gemalin te worden, ik was het, die hem tot een heimelijk huwelijk verleidde.
459
Daarom, mijn lieve oom Friedrich Wilhelm, ben ik het alleen, tegen wie uw toorn zich moet richten. Friedrich is onschuldig, hij is sléchts van hier gevlucht voor eene onwaardige behandeling, voor den onverzoenlijken haat, die hem hier vervolgde, maar hij is teruggekeerd in deemoed en onderwerping. Ach, lieve oom, wees toch grootmoedig, gelijk ge anders altijd zijt, vergeef den berouwhebbende. Mijn lieve tante Louise Henriette!'' ging zij met smeekeude stem voort, terwijl zij, nog altijd knielende, de armen ophief tot het portret, ,,mijn lieve tante, help mij toch, sta toch uw zoon bij! Daal neder uit den hemel en zie hoe wij allen lijden en ongelukkig zijn, terwijl wij toch allen zoo gelukkig konden zijn!quot;
En luid weenende boog zij het hoofd op don schouder van haar jongen gemaal, die zijn arm om haar sloeg en haar vast aan zijn hart drukte.
De keurvorst stond onbewegelijk en in diepe gedachten. De woorden der prinses schenen nog in zijne ooren te klinken, want na een lange pauze mompelde hij zacht; ,,Ja, wij konden allen gelukkig, o zoo gelukkig zijn! Zoo gij slechts bij ons waart, Louise Henriette,quot; voer hij voort, zijn hoofd opheffende en weder tot het portret opziende, âzoo gij ons nooit verlaten hadt. Wij konden allen gelukkig zijn, zoo er geen jalouzie, haat en toorn bestond! â Maar de haat is er,quot; zeide hij vervolgens, en zijn blik daalde van het portret neer op het knielende paar, waar de vorstin met gevouwen handen naast stond. âJa, de haat en de afgunst, de ijverzucht en de boosheid; zij verbitteren ons leven ⢠en bederven ons elke vreugde, elk genot. Sta op, prins Friedrich, en ook gij, prinses Henriette, sta op, ik beveel het u. Hoort, wat ik u zeggen zal! Vele treilende woorden hebt gij gesproken en mijn hart heeft er zich niet voor gesloten, het heeft zich geopend om den toorn te doen ontvlieden en de verzoening binnen te laten! Wij staan hier voor het afbeeldsel der onvergetelijke, wier leven en sterven liefde was, en de zegen dezer liefde moet schitteren en stralen ook in dit uur. Ik wil tot u spreken zonder toorn, zonder bitterheid, ik wil alle herinneringen aan de treurige oneenigheden van het verleden onderdrukken. Maar beloof mij hier voor het beeld uwer moeder, hier in het bijzijn dezer beide vrouwen, die voor u gebeden heb-
100
ben, dat ge weder goed maken en verzoenen wilt, dat ge den toorn en den haat wilt onderdrukken en voortaan niet alleen voor mij, maar ook voor uwe moeder een toegenegen, gehoorzaam en onderworpen zoon zult zijn. Beloof mij, dat ge niet, gelijk tot nu toe, met giftige boosheid, twist en nijd zult verwekken en met afgunst uwe jongere broeders zult vervolgen. Beloof mij, dat ge u zoo zult gedragen, gelijk het mijn zoon en onderdaan betaamt, dat ge der keurvorstin nooit weder aanleiding tot ergernis en verdriet zult geven.quot;
âDat beloof ik u uit den grond van mijn hart, mijn vader,quot; antwoordde de prins plechtig. âVoor u, voor mijne geliefde tante en mijne dierbare Henriette, verklaar ik mij vrij van allen haat en vijandschap, ik zal voor u een onderdanig en geliefde zoon -zijn, ik zal aan de keurvorstin, mevrouw mijne moeder, genegenheid en onderwerping be-toonen en haar nooit de verschuldigde achting onthouden. Dit zweer ik hier voor het beeld mijner dierbare moeder, wier geest zeker in dit uur bij ons toeft, die in mijn hart ziet en weet, dat, wat ik beloofd heb, oprecht is gemeend.quot;
âHet mag hier niet alleen bij woorden blijven,quot; zei de keurvorst, langzaam het hoofd schuddende. âGe moet mij uw berouw en bekeering bewijzen!quot;
âBeveel, vader, wat ik doen moet,quot; riep de prins ijverig. âIk zal mij aan elke boete onderwerpen, welke u mij oplegt, mits uw doorluchtigheid mij niet wil scheiden van mijn geliefde Henriette, dat ge onze dringende bede verhoort en aan onze echtverbintenis uw zegen en uwe vaderlijke toestemming geeft.quot;
âGeef mij eerst het bewijs van uw berouw,quot; zei de keurvorst streng, âdan willen wij zien, wat wij doen kunnen. Ik vorder van u, dat ge u dadelijk tot mevrouw de keurvorstin begeeft, dat ge in mijn bijzijn en in de tegenwoordigheid van mevrouw de vorstin van Dessau en de prinses Henriette van Hessen mevrouw de keurvorstin om ver-gilïenis smeekt voor al het onrecht en al de ergernis welke gij haar hebt aangedaan, dat ge haar berouwvol op uwe knieën smeekt u op nieuw haar genade te schenken!quot;
âOp mijn knieën?quot; riep de prins ontsteld.
âOp uwe knieën,quot; zei de keurvorst, âgelijk 'teen zoon
401
betaaint, die zwaar misdaan heeft tegen zijne moeder en nu berouw gevoelt en boete wil doen.quot;
âOnderwerp u aan den wil van uw vader,quot; llu^sterdeprinses Henriette, terwijl zij haar arm orn den lials van haar jongen gemaal sloeg. ,,Overwin u zeiven, mijn Friedrich, breng ons geluk en onze liefde dit offer.quot;
âGe zwijgt?quot; vroeg de keurvorst streng. âGe antwoordt mij niet? Is dit de onderwerping en het berouw, waarmede gij teruggekeerd zijt?quot;
âFriedrich,quot; riep de vorstin van Anhalt, âik smeek u, denk aan uwe moeder, zie tot haar op, zie hoe vriendelijk zij u toelacht, hoe biddend haar oogen u aanzien. Friedrich, buig uw trots, onderwerp u aan den wil uws vaders!quot;
Hij antwoordde nog altijd niet. Een hevige strijd was op zijn gelaat te lezen, zijne wangen waren doodsbleek, zijne lippen beefden en zijne oogen waren onder de saamgetrokken wenkbrauwen onafgebroken op het beeld zijner moedei' gericht.
âIk vraag u thans voor de laatste maal,quot; riep de keurvorst plechtig, âwilt ge deze boete aannemen, en u onderwerpen ?quot;
âDoe het, mijn Friedrich,quot; smeekte Henriette, âbij onze liefde bezweer ik u, doe het!quot;
âBij onze liefde,quot; mompelde de prins voor zich, en zijn blik richtte zich nu van het portret naar het bewogen, door tranen overstroomde aangezicht zijner jonge gemalin, wier oogen smeekend de zijne ontmoetten.
âMijn vader,quot; zeide hij diep ademend, met doffe stem, âik onderwerp mij. Ik ben bereid te doen, wat gij begeert! Laat ons tot mevrouw de keurvorstin gaan, opdat ik volbreng, wat gij beveelt.quot;
âO mijn Friedrich, mijn geliefde, ik dank u,quot; riep de prinses juichend en zij sloeg beide armen om den hals van den prins.
âGe hebt braaf en moedig gehandeld,quot; zei de prinses van Anhalt, haar hand op Friedrichs hoofd leggende. âIn den naam uwer moeder zegen ik u, zooals haar geest in dit oogenblik u zekerlijk ook zegent.quot;
De keurvorst sprak geen woord. Hij stond met de armen over de borst gekruist, ernstig en peinzend, niemand zag het trekken zijner wenkbrauwen en de tranen, die zijne
Mühlbach, De groote Keurvorst en zijn tijd. VI. 11
162
oogen verduisterden, want de breed gerande vederhoed beschaduwde zijn voorhoofd.
â Welaan,quot; zeide hij na eene pauze, âiaat ons er een einde aan maken, en moge het woord der verzoening volkomen zijn, opdat God er zijn zegen op geve. Mevrouw de vorstin, ik verzoek u, met dit jonge paar u door de zaal en den corridor naar de groote voorkamer der vorstin te begeven. Ik zal intusscheh door deze deur langs een naderen weg tot mijne gemalin gaan en u aandienen. Ga!quot;
âEn ge wilt niet vooraf een woord van verzoening-spreken, genadige oom?quot; vroeg de prinses met haar liefelijke, zachte stem. Wilt ge uw zoon, die zoo berouwvol tot uw doorluchtigheid is teruggekeerd, niet uw hand tot een kus reiken?quot;
De keurvorst wendde haastig zijn gelaat tot de biddende, zijne oogen ontmoetten de hare, die zoo teeder op hem rustten, en eensklaps nam hij het hoofd der prinses tus-schen zijne handen, boog het een weinig naar achter, zag met aandoening in haar lief gelaat, dat onder zijn blik donkerder en donkerder bloosde, boog zich en drukte een kus op haar zuiver helder voorhoofd.
âMijne dochter,quot; fluisterde hij, slechts voor haar verstaanbaar, âgeef hem dezen kus in afwachting van dien ik zelf hem geven zal, als hij boete heeft gedaan! Ga nu.quot; zeide hij vervolgens luid! âGa, en wacht tot ik u roep in de voorkamer van mevrouw de keurvorstin.quot;
Hij nam zijne handen van het hoofd der prinses en wees gebiedend naar de groote uitgangsdeur der zaal! âGa! Geen woord meer! Ga!quot;
Prins Friedrich reikte zijne jonge gemalin den arm en trad met haar voor het portret.
âVaarwel, mijne moeder,quot; zeide hij met luide stem. âIk ga een zware taak verrichten, moge uwe liefde mij geleiden !quot;
âKomt, mijne kinderen, laat ons doen, wat de keurvorst bevolen heeft,quot; zei de vorstin van Anhalt. Het jonge paar volgde haar arm in arm en ging met deemoedig gebogen hoofd voorbij de statige gestalten der voorouders.
De keurvorst zag hen na, toen zij heengingen en Jakob TJhle hen de deur opende. Hij luisterde naar het wegstervend geluid, dat het dichtslaan der deur veroorzaakte, als
1G3
naar eene echo, die hem als met geestenstemmen scheen toe te fluisteren. Toen hief hij langzaam zijn hoofd op en zag naar het portret.
âWij zijn weer alleen, mijn Louise,quot; zeide hij zacht. âZoo zullen wij ook eens alleen zijn in liefde, als ik nederdaal in het graf, of opstijg in den hemel. Ook dan zal alle haat en twist van mij geweken zijn, de aardsche nietigheden en ellende zal ik achterlaten, om te gaan in vrede en liefde tot u, mijn Louise! Verwacht mij, geliefde mijner ziel, bid God, dat hij genadig zij en mij niet lang meer late wachten op onze hereeniging! Want ik ben dit leven moede en verlang naar rust! Bid voor mij, Louise, dat mij die rust spoedig gegeven worde!quot;
flij hief zijne hand tot het atbeeldsel op en knikte het een afscheidsgroet toe. Toen wendde hij zich langzaam om en riep met luide stem: âJakob Uhle!quot;
De lijftrawant kwam haastig aanloopen en bleef op eeni-gen afstand voor den keurvorst staan, om diens bevelen te vernemen.
âKom hier, geef mij uw arm, Jakob Uhle,quot; zei de keurvorst zacht. âIk ben vermoeid en wil op u leunen.quot;
,,Doe dat, doorluchtigheid,quot; riep de lijftrawant hartelijk, âliet is de arm van een getrouwen knecht.quot;
âIk weet het,quot; antwoordde Friedrich Wilhelm, zijn hand op Jakob Uhle's schouder leggende en hem diep in de oogen ziende. âDus van u kwam de aanslag om mij hierheen, in de witte zaal te voeren?quot; vroeg hij vervolgens schertsend. âGij hebt mij deze verrassing bereid, gij slimmert!''
âIk heb het gedaan, doorluchtigheid, want het jonge paar verdiende wel, dat men ze een weinig behulpzaam was. Beiden waren zoo moedig en dapper, wilden uit liefde alles wagen, ja zelfs een strijd met uw doorluchtigheid, en dat wil meer zeggen, dan tegen een geheel regiment te vechten, want uwe oogen, heer, zijn, als zij toornig llikkeren, vreese-lijker dan het bliksemen van het kartetsvuur, en uwe stem is vreeselijker dan het donderen der kanonnen in den veldslag. Ik ten minste heb nooit in den slag gevreesd, maar voor uwer doorluchtigheids bliksemende oogen en donderende stem heb ik zulk een angst, dat ik er voor zou wegkruipen ! Nu, en als dat met mij het geval is, hoe moeten dan zulke jonge gelieven te moede zijn, te meer als zij ge-
404
voelen, dat zij uw toorn verdiend en te^en u misdreven hebben!quot;
âGe meent dus, dat zij dit gedaan hebben, en zoekt het niet te verschoonen?quot; vroeg de keurvorst. â¢
âNeen, doorluchtigheid, ik meen het en het jonge paar meent het ook en is vrijwillig hier gekomen; toen kon ik niet anders, toen moest ik ze helpen en bijstaan, gelijk ik u eens moest helpen, toen gedoor vijanden omsingeld waart.quot;
âNu wilt ge ook den keurprins helpen en daarom moet ik u wel andermaal eene genade beloven^ daar ge de andere verspeeld en als een verkwister weggegeven hebt aan anderen, in plaats van ze voor u zeiven te bewaren.quot;
âHeer keurvorst, ik verlang niets voor mijne toekomst, als gij mij nooit verstoot en ik bij u blijven mag zoolang ik loef!quot;
âZoolang als ik leef, wilt ge zeggen. Ja, daarop kunt ge rekenen. Maar dat is geene belooning, het behoort tot den dienst van den lijftrawant. Aan Jakob Uhle echter ben ik nog altijd de beloofde gunst schuldig. Wat ge heden van mij gevorderd hebt, heb ik u buitendien verleend, en ik geloof, dat het de goede God zelf was, die den lijftrawant naar de geheime raadsvergadering zond. Daarom moest ik u volgen en hier komen, het was geen gunst, welke ik u toestond. Neem dus mijne belofte ten tweedemale aan, Jakob Uhle. Ge hebt een gunst van mij te goed, en ge kunt ze van mij vorderen ten allen tijde en op ieder uur; ik zal ze u verleenen als het in mijne macht is. Ge hebt u heden andermaal gedragen als de zoon uwer moeder, en haar edele ziel ziet mij aan uit uw goed gelaat. Hoor dus, zoon uwer moeder, ge hebt eene gunst bij mij te goed!'' âDan wil ik er dadelijk om verzoeken, doorluchtigheid! Geef uw lijftrawant uw dappere hand, en vergun, dat hij er een recht hartelijken kus op drukke.''
âDat wil ik zeer gaarne toestaan, Jakob Uhle, hier hebt ge mijn hand.quot;
De lijftrawant boog zijn knie en drukte de hem gereikte hand van den keurvorst teeder aan zijne lippen. âHeer, ik moet het u eenmaal mogen zeggen: Ik bemin u zoo hartelijk, als waart ge niet mijn keurvorst en heer, maar mijn lieve, aangebedene, beste vader. Duid het mij niet ten kwade, maar éénmaal in mijn leven moest ik dit bekennen!'' âIk dank u voor deze bekentenis,quot; antwoordde de keur-
165
vorst rnel zachte stem. âIk duid liet u niet ten kwade, maar het verheugt mijn hart en ik hen er u dankbaar voor. Liefde laat zich niet dwingen; zij is eene vrije gift, en degene, die ze geeft is even rijk als hij, die ze ontvangt. Zie, mijn zoon, de lielde is God, en voor God zijn wij allen gelijk! Sta op en breng mij door de kleine deur naar de keurvorstin. Vooraf nog iets; Gij hebt verzocht bij mij te mogen blijven zoolang ik leef. Ik beloof u nog meer! Ge zult bij mij blijven, ook als ik niet meer leef, en als nien na mijn dood mij hier in de ridderzaal zal tentoonstellen, moet ge bij mijn doodkist de lijkwacht houden en hier voor dit afbeeldsel treden en met luide stem tot hetzelve zeggen : âGeloofd zij God, mevrouw de keurvorstin, Friedrich Wilhelm is bij u!quot; â âWeen niet, Rafaël! Zoon uwer moeder! Kom, leidt mij weg!quot;
Op den arm van den lijftrawant geleund, verliet de keurvorst de ridderzaal en sloeg den weg in naar de vertrekken der keurvorstin.
Dorothea ontving haar gemaal toet een vriendelijk gelaat, zooals ze hem immer toonde, en in haar teedere bezorgdheid voor hem scheen zij al haar opmerkzaamheid en deelneming te vereenigen.
âGe vraagt niet eens, Dorothea, van waar ik kom en wie mij in de witte zaal wachtte?quot; vroeg de keurvorst, toen zijn gemalin hem met teederenijver een fauteuil toerolde.
âDaar Jakob Uhle er bij was, kan ik wel denken, wie er u wachtte, mijn vriend,quot; antwoordde de keurvorstin vluchtig. âDe lijftrawant is immers met den heer kourprins vertrokken, dus zal hij ook met den heer keurprins wedergekeerd zijn!quot;
âMijn schrandere vrouw heeft als altijd de waarheid geraden,quot; zei de keurvorst zacht zijn hoofd wiegend. âMaar waarom noemt ge toch eensklaps Frits op zulk een zonderlingen toon weder keurprinsquot;quot;
âOmdat gij de ontervingsakte niet onderteekend hebt,quot; antwoordde zij op scherpen toon en met somher gelaat, doch dadelijk kwam er weder een glimlach op haar lippen en voegde zij er met zachte stem bij : âen omdat ge ze nu niet meer zult onderteekenen, hoop ik. Frits zal nu, als God en mijn dierbare keurvorst wil, keurprins van Brandenburg blijven.quot;
166
âVoeg er nog bij, als mijne dierbare keurvorstin wil, want van u hangt dat het meest af, Dorothea.''
âVan mij?quot; vroeg Dorothea verwonderd. âAls dat werkelijk het geval is, zeg ik u vooraf, dat deze vraag reeds beslist is. Maar ik zie niet in, hoeverre ik invloed op deze treurige aangelegenheid kan hebben, daar al mijn bidden niet in staat was u te overreden.quot;
âFrits is teruggekeerd,quot; antwoordde de keurvorst, âmaaibij is niet alleen, Dorothea, bij is in gezelschap der vorstin van Anhalt en prinses Henriette gekomen. Ach, ik bid u, zie niet eensklaps zoo somber! Ge weet immers, hoe innig ik u bemin, en ge hebt waarlijk geen reden jaloersch op het verledene te zijn, want het schaadt u niet. Ik bemin u van ganscher harte, maar ik zal nimmer het verledene vergeten, en de dierbare vrouw, die de lieve gezellin mijner jeugd is geweest.quot;
âDat weet ik helaas al te goed,quot; zuchtte de keurvorstin, âik zal in uw hart altijd de tweede plaats innemen, 't Zal mij nooit gelukken het schitterend beeld uwer herinneringen te verdooven!quot;
âGij zult dit ook nooit willen beproeven, mijn Dorothea,quot; zei de keurvorst zacht. Gij zult deze trouw in mij eeren en heilig houden, want zij is de verzekering, dat ik ook u trouw zal zijn, zooals ik het verledene trouw ben. Gij, mijne dierbare vrouw, hebt echter voor u niet alleen het tegenwoordige, maar ook de toekomst, en daarom kunt ge wel aan het verledene een plaats gunnen in mijn hart, want het schaadt u niet, en daarom zult ge ook in de edelmoedigheid uws harten de zuster mijner verheerlijkte Louise, nu zij na vele jaren weer tot ons is gekomen, een vrien-lijk gelaat schenken, en goedhartig, gelijk ge altijd zijt, haar welkom heeten! Wat onzen zoon betreft, Dorothea, ik heraal u, het hangt alleen van u af, dat hij weder in zijn rang hersteld worde, want ik heb hem als voorwaarde gesteld, dat hij berouwvol voor u buige en u knielend om vergilfenis moet smeeken, en uwe genadige bewilliging erlangen moet.quot;
âEn zoo ik hem die weiger?quot; vroeg de keurvorstin haastig.
âDan zult ge mij bitter bedroeven, Dorothea,quot; antwoordde Friedrich Wilhelm zacht, âwant dan zou ik moeten erkennen, dat de haat niet enkel van den kant van mijn norschen
167
zoon, maar ouk van den kant der onverzoenlijke moeder wortel geval en vruchten geschoten;heeft. Doch ik weet, dat dit niet zoo is, dat mijn lieve Dorothea den berouwvollen zoon gaarne vergiffenis zal schenken en zich zal laten verteederen door de beden zijner jonge gemalin. Zij staan alle drie buiten in de voorkamer en wachten tot ge hun genadiglijk toegang verleent. Dorothea, ik bid u, doe het uit liefde voor mij, omdat ik zoo hartelijk verlang naar rust en vrede!quot;
Dorothea legde beide armen om den hals van haar gemaal « en drukte een teederen kus op zijne lippen. âIk zal het doen uit liefde voor u, zeide zij. âGeen olTer is mij te groot,
als ik mijn dierbaren gemaal rust en vrede kan brengen. Martin!quot; riep zij vervolgens met luide stem.
Terstond opende zich de deur der nevenkamer en de hofdame trad binnen. âLieve Martin,quot; zei de keurvorstin,
haar vriendelijk toeknikkende, âga naar de groote antichambre en verzoek de hooge personen, welke ge er vindt, hier binnen te willen komen.quot;
âHebt ge nog andere bevelen, doorluchtigheid, of moet ik mij dan verwijderen!quot;
âNeen,quot; zei de keurvorstin, âik heb geene andere bevelen.quot;
Terwijl zij dit zeide, beduidde zij achter den rug van den keurvorst haar vertrouwde met eene handbeweging, dat zij zich niet verwijderen moest.
Martin knikte en liep vervolgens door het vertrek, opende de deur der antichambre en de vorstin van Anhalt naderende, maakte zij voor haar een diepe, plechtstatige buiging, vervolgens ook voor den keurprins en de prinses bij elke buiging met luide stem zeggende; âHaar doorluchtigheid, mevrouw de keurvorstin, laat u vriendelijk verzoeken in haar kamer te willen komen. Haar keurvorstelijke doorluchtigheid zal met vreugd uw bezoek ontvangen.quot;
âKomt, mijne kinderen,quot; zei de vorstin.
âMoed, mijn geliefde, moed,quot; (luisterde Henriette den keurprins toe, die bleek, met hijgenden adem, bevend van inwendige aandoening, nauwelijks in staat was voort te gaan.
De prinses legde haar arm in den zijnen en trok hem met zacht geweld voort naar de deur, wier drempel de vorstin van Anhalt juist overging.
108
Acliter lieu kwcim aarzelenden langzaam rnejullrouw de Martin, mei haar koel. bleek, onveranderd gelaat en scherpe oogen.
In 't midden der kamer zat de keurvorst, en naast hem, op de hooge leuning van zijn fauteuil leunend, stond de keurvorstin Dorothea, hoog opgericht, in trotsche houding. Haar gemaal zag den koelen, spottenden glimlach niet, waarmede zij de hinnentredenden begroette, en den somberen hatelijken blik, dien zij met den keurprins wisselde. Hij hoorde slechts de vriendelijke woorden, welke Dorothea tot de vorstin van Anhalt richtte, en hoe zij deze na eene lange scheiding als haar lieve schoonzuster begroette. Dorothea scheen het jonge paar, dat achter de vorstin stond, volstrekt niet te zien, noch eenig vermoeden zijner nabijheid te hebben.
Maar nu trad de vorstin ter zijde en was het beslissend oogenblik gekomen. Een plotselinge pauze ontstond, toen trad prins Friedrich aan de hand zijner gemalin vooruit, en liet zich door Henriette, die, zijn arm in den haren houdende, voor de keurvorstin de knie hoog, op de knieën nedertrekken.
; âHa,quot; riep de keurvorstin, een schrede terug gaande, âwat beteekent dit?quot;
âDat beteekent,quot; zei de keurprins met bevende diep be-wogene stem, âdat de verloren zoon teruggekeêrd is om van u genade en vergiffenis af te smeeken. ^Het beteekent, dat ik berouw heb over het verledene en weder goed wil maken, wat ik misdaan heb.quot;
De keurvorstin barstte in een luid, onstuimig lachen uit, dat den keurvorst verbleekte en den keurprins ontstelde, alsof een doodelijke steek hen getroffen had.
âMijn hemel,quot; riep zij lachend, âzoo ge eens wist, mijn zoon, welk een kluchtig figuur ge maakt en hoe weinig het u staat op uw knieën te liggen. Zie eens Martin, hadt ge ooit geloofd, dat onze zoon voor mij op de knieën zou liggen? Neen, sta nog niet op, mijn lieve zoon, laat mij dat gezicht nog langer genieten, het is waarlijk al te grappig!quot;
En de keurvorstin begon op nieuw luid te lachen, terwijl Martin door de kamer sloop, en in het aangrenzende vertrek verdween.
169
L)e keurvorst had zich uil zijn stoel opgericht en mulcrde liet knielende paar.
âSla op, mijn zoon, mevrouw uwe moeder veroorlooft liet u,quot; zeide hij vriendelijk.
âJa, mijn zoon, ik veroorloof het u,''riep de keurvorstin lachend, âwees verzekerd, dat ik dil kluchtig tooneel nooit vergeten zal.quot;
âOok ik zal het niet vergeten,quot; sprak de prins voor zich, terwijl hij zich opiichte en zijne oogen met een langen doordringenden blik op de keurvorstin liet rusten.
Dorothea had de zacht gemompelde woorden en de taal zijner oogen zeer goed verstaan, en beantwoordde ze met een trotschen verachlelijken glimlach. Vervolgens wendde zij zich tot haar gemaal, die prinses Henriette de hand gereikt en haar zacht van haar knieën opgeheven had.
âMijn dierbare gemaal,quot; zeide zij zacht en met waardigheid, â ge zijt, geloof ik, inwendig op mij verstoord, dat ik in plaats van in tranen, in lachen ben uitgebarsten. Bedenk evenwel, dat men soms het lachen als een sluier gebruikt om er zijne tranen door te verbergen, en het gemakkelijker is eene^ ernstige zaak treurig en met gevoel aan te nemen dan ze vroolijk op te vatten, en ze hierdoor voor zich zeiven en voor anderen licht te maken. Waarom zouden wij ons allen zoo ernstig en weemoedig stemmen, daar gij, mijn keurvorst en heer, de vroolijkheid en het blij genot van het tegenwoordige zoozeer behoeft. Laat ons doen, zoo als in den bijbel slaat. âToen de verlorene zoon terug was gekeerd, riep de vader: Breng het beste kleed en doe het hem aan, en geef hem een ring aan zijne hand en schoenen aan zijne voeten. Laat ons eten en vroolijk zijn. Want deze mijn zoon was dood en hij is weder levend geworden; hij was verloren en is terug gevonden!quot; Laat ons zoo handelen. â Het beste kleed zult ge hebben, mijn zoon, want de naam van keurprins zal op'dit kleed prijken, en de wedergevondene genade van uw vader zal het beschijnen. Wat echter den ring aan uw vinger betreft, ik geloof wel, dat wij u dien niet behoeven te geven, daar heeft de schoone prinses aan uwe zijde reeds voor gezorgd. Het komt er nog slechts op aan, dat wij dien ring als met recht bestaande erkennen en hem wettigen. En wat dunkt u, mijn dierbare heer? Zullen wij den keurprins den vin-
170
gerring aftrekking en hem dien opnieuw geven? Znllen wij een feest aanrichten en vroolijk zijn, en niet alleen de terugkomst, maar ook de bruiloft van den verloren zoon vieren? Onze waarde zoon is met zijne geliefde te Kassei eenigszins als bij procuratie gehuwd, het wezenlijke huwelijk zal eerst hier plechtig en openlijk plaats hebben, en een vroolijk bruiloftsfeest willen wij den verloren zoon bereiden en jubel en vreugd zal er in geheel het land zijn. Dunkt u dit ook niet mijn dierbare gemaal?quot;
âJa, mijn hartelijk geliefde vrouw,quot; riep Friedrich Wilhelm opgeruimd. âGij hebt gelijk, niet in treurigheid en ernst willen wij de terugkomst van den verloren zoou opnemen maar alles vergeten, wat geweest is en een nieuw leven in vrede en eendracht beginnen. Kom aan mijn hart, mijn zoon, ik neem u weder aan in liefde, en alles zal vergeten en vergeven zijn!quot;
Hij breidde zijne ai-men uit, en de keurprins wierp zich met een luiden vreugdekreet aan 't hart van zijn vader. Lang hielden zij elkander omhelsd, lang rustten de weder vereenigden hart aan hart, tot de vroolijke, schertsende stem van Dorothea den keurvorst herinnerde ook de anderen niet te vergeten en insgelijks de prinses Henriette te begroeten.
De keurvorst liet zijn zoon uit zijn armen los en wendde zich met een glimlachenden gróet en teedere woorden tot zijne schoondochter.
âNu, mijn dierbare zoon,quot; zei de keurvorstin, âkom ook in mijne armen. Ook ik wil u den zegen mijner moederlijke liefde geven!quot; Zij naderde den prins, legde haar armen om zijn hals en trok hem aan haar hart. De keurprins liet haar begaan, maar beantwoordde den kus, dien zij op zijne lippen drukte niet; hij zag haar met een donkeren blik aan, en terwijl 't scheen, als of hij zijn hoofd teeder op haar schouder boog, fluisterde hij zacht in haar oor; âMevrouw de keurvorstin, ik heb wel voor u geknield, maaide wapens niet nedergelegd. Het duel gaat voort.quot;
âJa,quot; antwoordde de keurvorstin zacht, âhet duel gaat voort, want 't is een duel op leven en dood. Wij hebben heden een nieuwen uitval gedaan, en mij dunkt, dat het voordeel aan mijn zijde was.quot;
âIk stem dat toe,quot; zei de keurprins somber. âUw lach
171
trol' mij als eeu goed gemikte dolksteek. Ik zal daarvoor revanche nemen.quot;
Niemand had die woorden gehoord; de keurvorstin had daarbij den keurprins omhelsd en drukte hem teeder tegen zich aan. Er heerschte de schoonste eenheid tusschen hen, de vrede was oogenschijnlijk volkomen hersteld!
Des avonds na het vroolijk familiefeest, trad de keurvorstin bleek en uitgeput in haar kabinet, en liet zich langzaam in den stoel, die voor den schoorsteen stond, nederglijden.
Lang staarde zij onbewegelijk, vol droevig gepeins in de bijna uitgegane kolen, die soms nog met blauwachtige vlammen opflikkerden en dan weder verdoofden. Somwijlen kwam er een smartelijk steunen uit haar borst, somwijlen prevelde zijn halfluid onverstaanbare woorden, vol van bedreigingen en verwenschingen! Opeens riep zij weemoedig uit: âMijne kinderen! Ach, mijne geliefde kinderen!quot; en alsof deze uitroep Martin gold, werd de deur geopend en trad deze binnen.
Langzaam naderde zij de keurvorstin, viel voor haar op de knieën neder en drukte de hand, welke Dorothea haar reikte, teeder aan hare lippen.
âGe ziet Martin,quot; zei de keurvorstin zuchtend, âalles is te vergeefs! Mijne zonen zullen toch niets meer zijn dan beschaamde arme prinsen, die van de milddadigheid huns broeders moeten leven. Hij blijft keurprins.quot;
âVoor het tegenwoordige ja,quot; antwoordde Martin zacht. âMaar wie weet of de keurprins ooit keurvorst wordt. Hij is een arme, zwakke prins, evenals zijn broeder Ludwig. Zij zullen beiden niet lang leven, vrees ik!quot;
De keurvorstin beefde. âNeen, Martin, neen,quot; riep zij angstig. âLaat hen leven! God beware ons voor booze, zondige gedachten! Laat hen leven. Ik wil hun geen haar van hun hoofd krenken!quot;
âGij niet, Dorothea,quot; zei Martin teeder. âUwe hand zal vrij blijven van alle schuld, geen schaduw zal uw geweten verduisteren! De beide prinsen zullen leven, zoolang het lot het hun vergunt, zij zullen sterven, als hun uur gekomen is!quot;
âDat wil zeggen, zij zullen het lot van] Mie stervelingen moeten ondergaan,quot; mompelde Dorothea. âZij zullen leven en mijne zonen zullen vasallen zijn. Ach, waarom is
172
slechts de roem en ook niet het lichaam van mijn gemaal onsterfelijk! Waarom moet ik vreezen, dat als hij heen gaat, mijne zonen achterblijven als de vasallen van den ge-haten broeder!quot;
âVrees niet,quot; zei Martin plechtig. âDe keurvorst zal langer leven dan zijne beide zonen!'' Wees er van overtuigd. Zij hebben de natuur hunner moeder geérfd, zij zullen jong sterven. Gre hebt van hen niets te vreezen! Wél zullen er nog jaren verloopen, voor dat de kwaal, waaraan zij heimelijk lijden, hen wegneemt; maar zij is ongeneeslijk en de dood sluipt langzaam achter hen, om hen te treffen,quot;
âMaar vóór dit geschiedt,quot; zuchtte Dorothea, âzal de 'keur-prins gehuwd zijn en indien zijne gemalin hem wellicht erfgenamen schenkt, is alles vergeefs! Want de keurvorst zal niet zijn kleinzoon onterven, gelijk hij misschien den zoon doet.quot;
âWacht het af, waarde mevrouw,quot; duisterde Martin. âGe zijt jong, ge kunt nog wachten, en uwe zonen ook! Wees standvastig en geduldig en laat al het overige aan het lot, en â aan uwe trouwe dienares over!quot;
173
VI.
EEN READ 1JTT DE GESCUITEDENIS.
De vrede was hersteld in de keurvorstelijkefamilie! Geen twist en tweedracht was er meer tusschen de keurvorstin en den keurprins! Men had te Berlijn met grooten praal het huwelijk van den keurprins met de prinses Henriette gevierd, en mevrouw de landgravin Hedwig Sophie, wier zoon uit Weenen was teruggekeerd en de regeering weder, op zich had genomen, was voor de feestelijkheden naar Berlijn gekomen en door de keurvorstin Dorothea met open armen ontvangen. Haar geheele natuur scheen eensklaps veranderd te zijn; nooit klaagde zij meer over het lot harer zonen, nooit sprak zij tot den keurvorst over 'tgeen ge-beureu kon, als hij de aarde verlaten had.
âIk heb alles aan God overgegeven,quot; zeide zij glimlachend lot haar gemaal, âHij moge doen naar Zijn welgevallen. Ik smeek Hem slechts, dat Hij mij u laten behouden! Al hel overige bekommert mij niet!''
Het leven van den keurvorst te veraangenamen, hem te verplegen, als hij ziek, hem op te beuren, als hij treurig en ontstemd was, dit scheen haar eenige zorg te zijn. Immer meer werd Dorothea de onafscheidbare gezellin zijn levens, steeds grooter werd de invloed, dien zij op het gemoed van don edelen vorst uitoefende. In den staatsraad, op de jacht, op zijne reizen, in het kabinet bij de regeeringszaken, altijd was Dorothea bestendig aan zijne zijde. Haar deelde de keurvorst zijne plannen, zijne grootsche ontwerpen voor de toekomst mede, en zij, met haar vurigen geest, haar scherp verstand, nam alles met gloeienden ijver op. Zij hielp haar gemaal werken en scheppen, deelde in zijn sti'even om de
174
welvaart van zijn land en volk te bevorderen, stond hem ter zijde bij liet openen van jnieuwe bronnen voor het verkeer, en steunde hem, waar hij de kunsten en wetenschappen en de nijverheid tot hoogeren bloei wilde brengen. Aan alles, wat de keurvorst deed, had de keurvorstin haar deel, met haar overlegde en besprak hij alles, en alles scheen op nieuw te bloeien en beter te slagen, als hij het met Dorothea overlegd en ontworpen had. Maar bewegelijke geest verstond het zoo goed zich bij den zijnen aan te sluiten, zich zijne ideeën toe te eigenen, ze voor hem zei ven op nieuw te bezielen ; zij verstond zijne eerzucht, zij wist hem tot nieuwe daden aan te sporen, zij was trotsch op zijn roem, trotsch, dat men den keurvorst Friedrich Wilhem van Brandenburg in geheel Duitschland, in geheel Europa, den grooten keurvorst noemde, en zij begreep, dat de groote keurvorst nooit rusten mocht op zijne lauweren, dat de Brandenburgers deel moesten nemen aan alle oorlogen, alle veldslagen, die in Europa geleverd werden, opdat de groote keurvorst overal zijn zwaard in de weegschaal kon leggen.
De oorlog tusschen Frankrijk en het Duitsche rijk was heftiger geworden. Lodewijk XIV had zijn réuniekamers ingesteld, wier oordeel den roof moest wettigen, welken de koning van Frankrijk in jaren van plundering, bloed en moord in de Duitsche landen gepleegd had. Het Duitsche rijk riep om wraak, de Duitsche rijksdag te Regensburg protesteerde, de keizer zond zijne dreigende nota's en verhief zijne stem tegen de onrechtvaardige en roofzuchtige handeling. Maar Frankrijk liet zich hierdoor niet ontmoedigen. Het behield, wat het genomen had en eigende zich steeds nieuwen buit toe.
Nog had men niet weer tot de wapens zijn toevlucht genomen, er was slechts een pennestrijd tusschen de Fransche réuniekamers en den Duitschen rijksdag ontbrand, toen Lodewijk XIV, door een nieuwen aanslag op het Duitsche rijk, alle gemoederen in oproer en beweging bracht. Te midden van den vrede, zonder eenige aanleiding, zelfs zonder eenig voorwendsel, liet hij zijne troepen Straatsburg binnenrukken en verklaarde deze Duitsche vrije rijksstad bij het koninkrijk Frankrijk ingelijfd
1) In September 160].
175
Een kreel van woede en ontzelüng ging door geheel Duitschland op, ieder begeerde, dat deze stad F rank rijk weer ontrukt zou worden. Ieder was van meening, dat de Duitsche keizer en de Uuitsche rijksvorsten moesten opstaan als één man, om met de wapenen dezen hoon te wreken.
Maar de Duitsche keizer en de Duitsche rijksvorsten, in plaats van hun legers te laten oprukken, in plaats van uit hunne kanonnen tot het roofzuchtig Frankrijk te spreken, zonden hun gezanten naar Frankfort, waarheen ook de koning van Frankrijk zijne gemachtigden zond, en waar men in der minne elkander trachtte te verstaan. Zwaar en bitter gevoelde Friedrich Wilhelm dezen aanslag van Frankrijk op het Duitsche rijk. Lang verzette hij zich, tot de vredesonderhandelingen toe te treden. Maar de keurvorstin Dorothea herinnerde hem aan de trouweloosheid en valschheid, welke Oostenrijk tegen Brandenburg had gepleegd, aan al de vernederingen en wederwaardigheden, welke de keizer van Duitschland den keurvorst van Brandenburg berokkend had7 zij herinnerde hem aan de langdurige oorlogsrampen, onder welke zijn land en zijne onderdanen zoo geducht geleden hadden, aan de noodzakelijkheid den vrede te behouden in 't belang van 't algemeen, ter bevordering van de grootsche, fraaie plannen, welke voor den bloei der industrie, der wetenschappen en den handel in de Brandenburgsche landen noodig waren. Zij wist den keurvorst met zulke welsprekende woorden de voordeelen van de voortdurende goede verstandhouding met Frankrijk uiteen te zetten, en werd bij deze bemoeiing door de haar goedgezinde raadsheeren van den keurvorst, von Meinders en Somnitz, zoo krachtig ondersteund, dat de keurvorst eindelijk, tot smart van zijn duitsch-gezind hart, zich overtuigd zag en deed wat alle Duitsche rijksvorsten deden, â voor het fait accompli boog en Frankrijk in 't ongestoord bezit van Straatsburg liet.
Hij deed nog meer. Hij nam het, aanzoek van Lodewijk, om 't middelaarschap tusschen den koning van Frankr ijk en den Duitschen keizer op zich te nemen, aan, en nadat hij zelf met Frankrijk het vredesverbond had hernieuwd, zocht hij in der minne een vergelijk tusschen beide strijdende partijen tot stand te brengen. Andermaal kwam de Duitsche rijksdag te Frankfort bijeen, en de keurvorst liet hier door zijn gezant, den heer von Jena, in openhartige en eerlijke
470
taal vooi' de Duitsclie rijksvorsten het gevaar uiteenzetten, waaraan men het rijk blootstelde, zoo men thans het zwaard greep, daar Oostenrijk niet alleen door Frankrijk, maar ook door Hongarije en Turkije bedreigd werd, en bij de spoedig te verwachten uitbarsting van den oorlog in Hongarije niet in staat zou ziin om ook tegen Frankrijk een machtier lester in 't veld te brengen.
Deze woorden beleedigden den trots van den Duitschen keizer, hij verklaarde, dat hij van elke vreedzame schikking met Frankrijk afzag en het zwaard zoude grijpen. Tc Laxenburg sloot hij met eenige Duitsche vorsten een verbond, volgens 't welk de oorlog met Frankrijk beginnen zou. Intusschen kwam dit plan van een nieuwen oorlog niet ten uitvoer. Men twistte en kibbelde, schreef en onderhandelde nog twee jaren lang. Toen sloot de Duitsche keizer ten jare 1684 met Frankrijk een wapenstilstand voor twintig-jaren, en verplichtte zich de Fransche kroon in 't bezit van het geroofde Straatsburg te laten. Al deDuitscherijksvorsten traden tot dit verbond toe, en de vrede heerschte voor een tijd lang in de Duitsche landen.
Slechts aan Oostenrijks grenzen woedde de storm, daar was de oorlog op nieuw ontbrand. Emmerich Tekely, de aanvoerder der Hongaren, en Kara Mustapha, het legerhoofd der Turken, vereenigden zich tot een gemeenschappelijken oorlog tegen Oostenrijk; in ontzaglijke massa's rukten zij op. Weenen werd belegerd en zou veroverd zijn, zoo niet de koning van Polen Sobieski met zijne dappere benden het gevaar afgewend en in den bloedigen slag voor Weenen liet Turksche leger overwonnen en Oostenrijks hoofdstad gered had.
Maar de strijd was hiermede nog niet ten einde. Nieuwe benden vereenigde Emmerich Tekely, de sultan der Turken zond een nieuw leger in 'tvold. Toen riep de keizer de Duitsche rijksvorsten om hulp, ook wendde hij zich tot den keurvorst van Brandenburg en begeerde van hem bijstand en ondersteuning.
Friedrich Wilhelm vergat nogmaals al het hem wedervaren onrecht, al het verraad en de trouweloosheid van den keizer. Zijn grootmoedig hart vergat de geleden krenkingen en luisterde slechts naar de stem der eer, die den Duitschen rijkvorst opriep ter verdediging dos Duitschen keizers het
-177
zwaard te trekken, ter verdediging van't christelijk geloof te strijden tegen de Turken.
Hij zond den keizer een hulpkorps van zeven duizend man onder aanvoering van den generaal von Schöning, en de heerlijk uitgeruste en geoefende troepen verwekten algemeene bewondering in 't keizerlijke leger en onderscheidden zicli door roemrijke daden bij de bestorming en inneming van Ofen, het Turksche Buda.
In het binnenste van zijn land heerschte rust, en de keurvorst was wijselijk bedacht die dienstbaar te maken om aan zijn volk de zegeningen des vredes te verschaffen en aan het keurhuis Brandenburg eene schitterende en gewichtige plaats in den raad der vorsten te geven. Hij liet fabrieken oprichten, bezorgde den handel nieuwe bronnen van uitvoer, vormde zelfs het plan een Brandenburgsche vloot uit te rusten, liet te Pillau schepen bouwen, nam den ervaren Hollandschen zeeman Raule in zijn dienst en zond dezen met eene kleine vloot van zes fregatten uit, om voor Brandenburg veroveringen op verre kusten te maken. Aan Afrika's goudkust kwam de moedige zeeman van den Bran-denburgschen keurvorst, plantte er de Brandenburgsche vlag en vestigde er eene nederzetting. Nauwelijks had de keurvorst van dit gelukkig slagen der expeditie bericht ontvangen, of hij liet andermaal twee schepen goed bemannen en proviandeeren en zond ze onder aanvoering van den majoor Otto Friedrich von der Gröben naar Afrika, om er de Brandenburgsche vestiging te versterken en nieuwe veroveringen te maken.
Aanvankelijk werden deze plannen met goed gevolg bekroond. Von der Gröben wist zich met de inboorlingen van Guinea te verstaan. Hij sloot met hen een vriendschapsverbond, liet een fort bouwen, dat hij den naam âFriedrichs-hurgquot; gaf, 't welk den negerstammen zulk een grooten eerbied inboezemde, dat zij de vriendschap van het machtige opperhoofd zochten, van welken von der Gröben hun verhaalde, en zich aan dezen, als den vertegenwoordiger van het westersche opperhoofd, onderwierpen. Toen von der Gröben in 'tjaar 1684 te Berlijn kwam, om den keurvorst persoonlijk bericht van de Afrikaansche vestiging te geven, kwamen twee negerkoningen met een aanzienlijk gevolg mede, om tien grooten westerschen vorst hun hulde te Mühlbaoh, Dê groote Keurvorst en zijn tijd VI. 12
178
brengen en aan zijne voeten hun geschenken van pijlen, huiden en gekleurde vederkronen neder te leggen.
Om dezen tijd kwam nog een ander gezantschap uit verre landen naar Berlijn, om den grooten veldheer en vorst, wiens roem door de wereld klonk, te huldigen, 't Was het gezantschap, 't welk de Khan der Tartaren Murad Kierai had afgevaardigd. Een zonderling gezantschap, dat den lachlust der Berlijners veel stof gaf. iieeds op hun ge-heelen weg door de Brandenburgsche landen hadden deze Tartaren overal aanstoot en verwondering verwekt. Men had deze troep vuile, slecht gekleede lieden, die op magere paarden aankwamen en overal wegnamen, wat hun beviel en eetbaar was, voor rondzwervende heidens gehouden, en in het dorp Sartzig bij Kiistrin hadden de boeren het Tartaarsche gezantschap voor zijne plunderingen met krachtige vuistslagen gestraft. Eindelijk bereikte het voorname gezantschap Berlijn en diende zich aan op't keurvorstelijk slot. Maar eerst moest men de verhevene heeren naar een badhuis zenden en ze van linnengoed en kleederen voorzien, voor zij in plechtige audientie aan den keurvorst konden worden voorgesteld. De audientie vond in de witte zaal plaats; ter zijde van de Tartaarsche gezanten ging de tolk, een naar Tartarye verwaaide Pruis, dien men daar ten teeken van dienstbaarheid beide ooren en neus had afgesneden. Ook geschenken bracht het Tartaarsche gezantschap aan den keurvorst, dien het in naam van hun meester, den Khan Murad Kierai, een of-en defensief verbond aanbood. Deze geschenken bestonden in een mager paard en twee verroeste oude pistolen. De keurvorst deed hun als tegengeschenken kostbare kleederen en zilveren vaten ter hand stellen, en toon zij om vrije vertering op hun terugreis verzochten, werd hun ook dit bewilligd.
Een derde gezantschap uit een vreemd land, kwam uit Busland. De roem van den keurvorst Friedrich Wilhelm was ook tot daar doorgedrongen en had den Czaar Theodor Alexiewicz bewogen eenige grooten van zijn rijk naar de keurmark Brandenburg te zenden, om den grooten keurvorst zijne achting en bewondering te verzekeren. Voor het eerst zag men te Berlijn een Russisch gezantschap, dat de vriendschap van het Brandenburgsche huis zocht. Het bracht rijke en kostbare geschenken van juwee-
179
len, gouden sieraden en pelzen, en verzekerde den keurvorst de achting en vriendschap des Moskovischen vorsten. Men gaf ter hunner eer aan het hof te Berlijn schitterende feesten, aan 't slot werd voor hen in de Diergaarde een prachtig vuurwerk ontstoken, tot groote verbazing en opgetogenheid der Moskovische gasten.
Ook uit Engeland, van koning Karei II, kwam om dezen tijd een gezant te Berlijn, om den keurvorst te betuigen, dat de koning ânooit de vriendschap hunner jeugd had vergeten, den keurvorst als zijn oudsten en besten vriend beschouwde en vereerde,quot; en zich dus zeer gelukkig zou achten met den grooten man, wiens roem de wereld vervulde, een vredesverdrag te sluiten.
Roem en eer omstraalden 't hoofd van den gevierden krijgsheld en even als hij naar buiten aanzien en achting had verworven, verwierf de keurvorst ook binnen zijn land, meer en meer aanzien en achting. Hij brak de macht der stenden en steden, verscheurde de banden waarmede men hem de handen gebonden en zijn vrijen wil beperkt had. De steden en stenden moesten zich aan hem onderwerpen. Even streng als de keurvorst zijne uitgaven regelde, wilde hij ook de inkomsten regelen, en in plaats van het bewilligen der belastingen nog langer van het goedvinden en believen der stenden afhankelijk te laten, voerde de keurvorst in al de steden de accijnsen in, door welke al de ingevoerde levensmiddelen en waren aan een belasting onderworpen werden, 't Is waar, deze nieuwe orde van zaken verwekte aanvankelijk overal groote ontevredenheid, en gaf tot heftige tooneelen en botsingen aanleiding. In Berlijn vooral hadden bij de invoering der accijnsen oproerige tooneelen plaats, maar Friedrich Wilhelm liet zich niet afschrikken. Wat hij noodzakelijk achtte voor zijn vorstelijk gezag, zette hij moedig dooi-. Voor zijn strengheid verdween de tegenstand der burgers en zij moesten zich aan zijn sterken arm onderwerpen.
Brandenburgs eer en Brandenburgs macht en bloei was het eenige doel, dat de keurvorst bij al zijn ondernemingen beoogde. Brandenburg groot, sterk en aanzienlijk te maken, in zijne landen de kunsten en wetenschappen te zien bloeien, dat was het eenige wat de keurvorst beoogde.
Mij had zijne onderdanen de kunst des oorlogs geleerd,
180
hij had hen den roem bezorgd, nu wilde hij hen ook de vruchten des vredes doen plukken, en hun rijkdom, welvaart en levensvreugd schenken. Fabrieken en weverijen verrezen, de land- en tuinbouw namen een hooge vlucht, de ambachten bloeiden en de kunsten en wetenschappen vonden in Friedrich Wilhelm een vereerenden en dankbaren beschermer.
De bouw van het keurvorstelijk slot te Berlijn werd weder hervat en met vorstelijke pracht volbracht. Beroemde schilders uit Holland en Italië werden geroepen om de zolderingen met schilderwerk te versieren; beeldhouwers leverden marmeren beelden voor de feestzalen en kamers, zandsteenfi-guren en bronzen beelden voor de tuinen en openbare pleinen.
Een gezelliger en beschaafder leven ontstond overal, en Berlijn, dat bij den aanvang der regeering van Friedrich Wilhelm uit twee ellendige, vuile, verarmde kleine steden bestond, werd eene aanzienlijke groote stad, dio rnen uil alle oorden bezocht om de prachtige gebouwen te bewonderen en de schitterende hofhouding van den keurvorst te zien.
De keurvorst dacht er onophoudelijk aan den bloei van zijne residentie en zijn land te bevorderen en waar zich de gelegenheid daartoe aanbood, maakte hij er ook gebruik van. Toen de van ouderdom zwakke, schijnvrome, door de markiezin de Maintenon en de biechtvaders beheerschte koning Bodewijk XIV, om van God vergiffenis zijner zonden te verwerven, het edikt van Nantes ophief, en de vervolging der protestanten in zijn koninkrijk losbarstte, toen de âdragonnadesquot; begonnen, en de protestantsche edellieden, de vreedzame, weerlooze en nijvere burgers en boeren om hun geloof vervolgd en verdreven werden, toen bood Frie-drich Wilhelm van Brandenburg den vervolgden in zijn landen eene wijkplaats, en bij duizenden vluchtten de Fransche protestanten naar Brandenburg om bij den grootmoedigen, vrijzinnigen keurvorst Friedrich Wilhelm bescherming te zoeken. Bij duizenden kwamen de refugiés in Berlijn, vormden er een eigen kolonie, en verkregen zeer spoedig op het gezellige leven der hoofdstad een beslis-senden invloed.
De Hollanders, die ten tijde der keurvorstin Louise Hen-
181
rielte naar Berlijn overgekomen waren, hadden den Ber-Ujners den tuinbouw en de melkerij geleerd, hadden hun bloemen en vruchten, boter en kaas gebracht. De Fran-schen brachten hun nu de weelde, de praal, de fijne zeden en den gezelligen toon. De Fransche manieren vonden meer en meer ingang en de Fransche mode werd, door de voorliefde der keurvorstin Dorothea, de toongeefster voor de kleeding, zoowel van vrouwen als van mannen.
Ook voor de wetenschappen was en bleef de keurvorst een !.ijverig en grootmoedig beschermer. Hij ontbood geleerden, stichtte universiteiten te Koningsbergen, Frankfort en Duisburg, en was er op gesteld, mannen van buitengewone kennis en grooten roem in zijne nabijheid te hebben. In 't begin zijner regeering had hij op een zolderkamer van 't slot een hoop bestoven boeken gevonden, die men de keurvorstelijke bibliotheek noemde. Thans was er een afzonderlijk gebouw noodig om de grootsche verzameling van boeken en manuscripten behoorlijk te plaatsen; verscheidene bibliothecarissen waren aan de keurvorstelijke, bibliotheek werkzaam, die in last hadden voortdurend geschikte werken te verzamelen en te koopen.
De geschiedenis, de lievelings-wetenschap van den keurvorst, vond zijne bijzondere ondersteuning, en mild beloonde hij de geleerden, die het zich tot taak hadden gesteld de geschiedenis van 't huig Brandenburg na te vor-schen en te bestudeeren. Gregorius Leti, een toenmalig beroemd geschiedschrijver der vorsten en hoven, kwam naar Berlijn om den keurvorst de door hem geschrevene geschiedenis van het huis Brandenburg te overhandigen. Friedrich Wilhelm ontving den vreemden geleerde zeer gunstig, en voor het geschenk van diens boek, gaf hij hem een waardig tegengeschenk, bestaande in een medaille ter waarde van honderd dukaten en een aanwijzing van vijfhonderd thaler. Toen de overgelukkige geleerde den finan-tieraad van den keurvorst deze aanwijzing presenteerde, aarzelde deze het bedrag uit te betalen, en begaf zich tot zijn keurvorstelijken meester, om hem te vragen of hij werkelijk een auteur en pennelikker zulk een rijk geschenk toegedacht en de aanwijzing geschreven had? De keurvorst bevestigde het glimlachend. âIk mag wel de moeite doen,quot; zeide hij, âeen paar woorden ten gunste van
182
een man te schrijven, die twee groote boekdeelen lol roem en eer van mijn huis heeft geschreven.quot;
De eer en de roem van zijn huis, dit was voor Friedrich Wilhelm het doel van zijn geheele leven geweest! Tol hel jaar 1679, had hij voor den roem en de eer van zijn huis met de wapens gestreden. In de daarop volgende jaren van vrede tot aan zijn dood had hij ze verworven door de edele kunsten des vredes, door de bevordering van kennis en beschaving en de welvaart van zijn volk.
183
VII.
OP HET BAL.
Drie jaren waren verloopen sinds de plechtige openbare huwelijksvoltrekking van den keurprins met de prinses Henriette van Hessen. Het geluk van eendracht en vrede scheen met haar, met de bekoorlijke gemalin van den keurprins weder in 't keurvorstelijke slot te Berlijn gevestigd te zijn. Men zag er slechts opgeruimde, vroolijke gezichten, en als hel jonge, gelukkige gezin in vertrouwelijken kring om den keurvorst en diens gemalin vereenigd was, straalde het edel gelaat van Friedrich Wilhelm van helderheid en geluk, en met innig welbehagen rustte hij in den ki ing der zijnen van de staatsbeslommeringen uit.
Ook het aangezicht der keurvorstin was op zulke dagen door een gelukkigen glimlach verhelderd. Zij zag met stralende oogen haar eigen kinderen, de vier statige, krachtige zonen, de beide kleine, aanvallig en liefelijk bloeiende dochters, en haar blik verduisterde niet, als hij op de beide stiefzonen viel en op de schoone, jonge vrouwen, die zich naast ben bevonden. Ook prins Ludwig was gehuwd; hij had zich, hoewel eerst veertien jaar oud, op bevel van den keurvorst, met de insgelijks veertienjarige prinses Louise van Badziwill moeten verbinden. De vorst Bogislav Badzi-will, een ijverig en streng protestant, had op zijn sterfbed dit zijn eenig kind met smeekende woorden den keurvorst van Brandenburg aanbevolen, en in zijn testament bepaald, dat de jonge prinses, indien de keurvorst het goedkeurde, terstond naar Berlijn gebracht en daar met den prins en markgraaf Ludwig,in weerwil zijner jeugd, huwen zou, onderuit-
184
drukkelijke voorwaarde, dat de prinses de protestantsche religie getrouw moest blijven, en met de bedreiging van zijn vloek, zoo zij er ooit ontrouw aan werd.
De keurvorst bad deze levende nalatenschap van zijn voor-maligen stadhouder in Pruisen bereidwillig aanvaard. De kleine prinses Radziwill was, ondanks het protest van den koning van Polen, naar Berlijn gebracht, waar in den jare 1681 de huwelijksvoltrekking van het jeugdig paar plaats vond. Trouwens zeer tegen den wil van beide gehuwden, want de veertienjarige prinses zag met trots en minachting op den kleinen zwakken knaap neer, die zich verstouten zou haar zijne gemalin te noemen, en de kleine prins verfoeide haar, omdat zij hem vervolgde met plagerijen, hoon en spot, en het hof aanleiding gaf tot scherts en boerterij. 't Was een zonderling huwelijk tusschen dezen knaap en de bloeiende maagd, een schijn-huwelijk, waardoor alleen de rijke goederen van prinses Radziwill in 't medebezit van haar jongen gemaal kwamen, en door den keurvorst Friedrich Wilhelm, die door prins Radziwill in zijn testament benoemd was tot opper voogd, zeiven beheerd werden.
Ook dit nieuwe huwelijk had, naar het^cheen, de goedkeuring der keurvorstin weggedragen, en zij bejegende de beide prinsessen zeer welwillend en noemde ze haar geliefde dochters. Zelfs toen de prinses Henriette.den keur-prins een kind schonk, was de keurvorstin vol deelneming en teederheid, en beijverde zich, de prinses als een bezorgde moeder zelve te verplegen en geheele uren aan haalbed door te brengen. Dat kind was een dochter, en deze dochter kon Dorothea wel vriendelijk welkom heeten, want zij trad haar hoop en wenschen voor de toekomst niet in den weg. Zij hinderde baar lievelingszoon, prins Philip, niet, om eens keurvorst van Brandenburg te worden, zoo werkelijk geschieden mocht, wat Martin voorspeld had, dat de beide stiefzonen Friedrich en Ludwig vóór hun vader sterven zouden!
Liefde en eendracht heerschten dus in de keurvorstelijke familie,, en dil schoone samenleven, deze blijde eensgezindheid, vervulde het bait van den keurvorst met vreugd en verhoogde, zoo mogelijk, nog de liefde en bewondering, welke hij voor zijne gemalin voelde. Haar alleen dankte hij
185
toch dit gelukkige leven na zoovele stormen,'t was immers het gevolg van hare edelmoedige pogingen, van hare verloochende neigingen, welke zij ter liefde van haar gemaal opgeolïerd had. Om zijnentwille had Dorothea zich met den keurprins verzoend, bejegende hem met vriendelijkheid en zachtheid, duldde zijn vaak norsch en onaangenaam gedrag, zag door de vingers, dat hij haar soms met hardheid en koelheid behandelde, en klaagde daarover nooit bij den keurvorst. Friedrich Wilhelm merkte dat wel, en hij was vol van dankbaarheid en bewondering voor zijne hooghartige, edele gemalin. Hij was in 't diepst zijns harten vergramd op den ondankbaren zoon, die de handelingen van de keurvorstin zoo slecht beloonde, die somwijlen de uiterlijke beleefdheden vergat en voor het geheele hof de keurvorstin door zijne stroeve koelheid en onvriendelijke terughouding krenkte.
Gisteren nog had de keurprins zich weder door zulk een gedrag aan zijne stiefmoeder vergrepen, en toch had het vriendelijk gelaat van Dorothea geglimlacht en ontving zij heden op het feest, dat zij op den geboortedag van haar eerstgeboren zoon gaf, den prins en zijne gemalin met de grootste vriendelijkheid,de voorkomendstegoedheid. Zij wilde het geheele hof, dat gisteren getuige was geweest van het onvriendelijk gedrag van den keurprins, heden bewijzen, dat bij haar geen spoor van wrok was achtergebleven; zij loonde aan iedereen baar teeder en hartelijk verkeer met den keurprins en zijne gemalin. Meermalen ging zij aan den arm der jonge keurprinses door de schitterend verlichte zalen, waar het voorname hofgezelschap zich ter weerszijden schaarde, om de beide vorstinnen eerbiedig voorbij te laten gaan. Eens zelfs nam zij den arm van den keurprins en wandelde in een opgeruimd gesprek de witte zaal met hem op en neder, plaagde hem met zijne onvriendelijkheid van gisteren, en beroemde zich glimlachend op haar edelmoedige toegevendheid.
,.Go ziet wel, mijn dierbare zoon,quot; zeide zij daarbij zacht en slechts voor hem verstaanbaar, âik ben slechts eene zwakke vrouw, die haar in toorn genomen plannen later vergeet en wier harl niet in staal is den last van den haat lang bij zich te dragen, maar die versmelt in liefde en verzoening. De wapens zijn voor teedere vrouwenhanden
186
toch op den duur te zwaar, en dus heb ik ze ter zijde gelegd en het duel opgegeven.quot;
âWaarlijk, mijn waarde moeder,quot; vroeg de keurprins, âheht ge dat gedaan? Hebt ge inderdaad ons duel opgegeven! Zou het geëindigd zijn?quot;
âZiet ge dat niet?quot; vroeg de keurvorstin. âTwijfelt ge er aan?quot;
âIk dacht, dat er slech ts een pauze ter verademing was gemaakt,quot; antwoordde de keurprins met een bitteren glimlach. âIk vermoedde, dat wij ons voor een nieuwen aanval gereed maakten en gij de pistolen slechts zoo voorzichtig laaddet, om te zekerder te treffen.quot;
Een bliksem schoot uit de oogen der keurvorstin over 't gelaat van den keurprins, doch oogenblikkelijk kwam de glimlach, die van haar lippen was verdwenen, er weder op terug.
âWat een spotter zijt ge toch, mijn lieve zoon.quot; zeide zij vroolijk. âGe hoont mijne verzoenlijkheid en bespot mijn teergevoelig hart! Ge weet wel, dat ik de pistolen ter zijde heb gelegd om ze nooit weer te laden.quot;
âJa, ik weet het en het verheugt mij,quot; antwoordde de keurprins met buitengewone hartelijkheid. âGe hebt het mij bewezen door de gunst en goedheid, welke ge aan mijne dierbai'e gemalin betoont, door de moederlijke genegenheid, waarmede gij haar in haar kraambed, een jaar geloden verpleegd hebt.quot;
âEn ik zal het u wel spoedig ten tweedemale kunnen bewijzen,quot; zei de keurvorstin,'' wier blik nu naar de keur-prinses Henriette zweefde, die ginds aan de andere zijde der zaal stond en juist uit de handen van mademoiselle de Martin een zilveren bord met Fransche confiluren nam.
âZie eens, wat een tnoveres onze Henriette is,quot; zei de keurvorstin glimlachend. âZelfs het steenen hart mijner oude Martin heeft zij verwarmd, en de ijskorst, die haar borst als een harnas omgeeft, is voor het bekoorlijk gezicht van uwe gemalin gesmolten. Ik zal jaloersch worden, want tot nu toe geloofde ik, dat mijn goede Martin niemand dan mij alleen kon beminnen, maar zij bemint de keurprinses nog meer dan mij. Verbeeld u. Martin, de anders zoo strenge en stijve hofdame, heeft mij als een gunst verzocht heden de dienst bij uwe gemalin te mogen hebben, om haar te
187
mogen oppassen en te bedienen. Ge kunt er op rekenen, dat onze Henriette van al de vruchten en conlituren, die rond gediend worden, het beste en keurigste zal krijgen, want Martin heeft ze voor haar gekozen.quot;
âNu,quot; zei de keurprins, die blijde was een geschikt voorwendsel te hebben om zich te verwijderen en tot zijne gemalin te gaan, âals ge 't mij genadig vergunt, wil ik van deze bevoorrechting mijner gemalin een weinig profiteeren en wat van de confituren op 't bord mijner gemalin snoepen.quot;
âDoe dat, mijn zoon,quot; zei de keurvorstin glimlachend. âGa tot uwe gemalin, verliefd heer, die nog altijd de minnaar uwer vrouw zijt. Maar ik verwijt u dit niet, ik verheug er mij over. Ga! Ik zal tot den keurvorst terugkeeren. Ik zie hem ginds in een druk gesprek met den Oosten-rijkschen gezant, en mij dunkt dat het gelaat van mijn hoogon heer zich een weinig verduisterd heeft. Ik haast mij, het gesprek af te breken. Vaarwel, mijn zoon.quot;
De keurvorstin trok haarband van den armdeskeurprinsen terug en oogde hem glimlachend na, toen hij door de zaal ging en prinses Henriette naderde. Zij zag, hoe de keurprins met vroolij k gelaat tot haar sprak, hoe hij vervolgens van het bord, dat Henriette in de hand had, eenige confituren nam en ze at, en hierbij tevreden knikte en zich met eene vriendelijke buiging tot Martin wendde, die achter de keurprinses stond en den genadigen groet van den keurprins met eene diepe plechtige buiging beantwoordde. Nu knikte ook de keurprinses Martin toe en reikte haar weder het zilveren dessertbord, dat nu geheel ledig was en nam vervolgens den arm van haar gemaal, om met hem eenige der aanwezige gasten te begroeten.
De keurvorstin zag dat, terwijl zij langzaam door de ledige ruimte ging, welke de eerbied rondom haar getrokken had, en vervolgens door de [rijen der eerbiedig achteruit wijkertde hovelingen 'voorwaarts trad naar de tegenovergestelde zijde der zaal, waar de keurvorst nog altijd in een druk gesprek stond met den Oostenrijkschen gezant, graaf Lambert.
âIk wed,quot; zei de keurvorstin, terwijl zij met een buiging graaf Lambert groette, âuw doorlucbligheid heeft in haar ijver geheel vergeten, dat wij ons bier niet in de raadkamer.
186
toch op den duur te zwaar, en dus heb ik ze ter zijde gelegd en het duel opgegeven.quot;
âWaarlijk, mijn waarde moeder,quot; vroeg de keurprins, âhebt ge dat gedaan? Hebt ge inderdaad ons duel opgegeven! Zou het geëindigd zijn?quot;
âZiet ge dat niet?quot; vroeg de keurvorstin. âTwijfelt ge er aan?quot;
âIk dacht, dat er slechts een pauze ter verademing was gemaakt,quot; antwoordde de keurprins met een bitteren glimlach. âIk vermoedde, dat wij ons voor een nieuwen aanval gereed maakten en gij de pistolen slechts zoo voorzichtig laaddet, om te zekerder te treffen.quot;
Een bliksem schoot uit de oogen der keurvorstin over 't gelaat van den keurprins, doch oogenblikkelijk kwam de glimlach, die van haar lippen was verdwenen, er weder op terug.
âWat een spotter zijt ge toch, mijn lieve zoon.quot; zeide zij vroolijk. âGe hoont mijne verzoenlijkheid en bespot mijn teergevoelig hart! Ge weet wel, dat ik de pistolen ter zijde heb gelegd om ze nooit weer te laden.quot;
âJa, ik weet het en het verheugt mij,quot; antwoordde de keurprins met buitengewone hartelijkheid. âGe hebt het mij bewezen door de gunst en goedheid, welke ge aan mijne dierbare gemalin betoont, door de moederlijke genegenheid, waarmede gij haar in haar kraambed, een jaar geleden verpleegd hebt.quot;
âEn ik zal het u wel spoedig ten tweedemale kunnen bewijzen,quot; zei de keurvorstin,' wier blik na naar de keur-prinses Henriette zweefde, die ginds aan de andere zijde der zaal stond en juist uit de handen van mademoiselle de Martin een zilveren bord met Fransche confituren nam.
âZie eens, wat een tooveres onze Henriette is,quot; zei de keurvorstin glimlachend. âZelfs het steenen hart mijner oude Martin heeft zij verwarmd, en de ijskorst, die haar borst als een harnas omgeeft, is voor het bekoorlijk gezicht van uwe gemalin gesmolten. Jk zal jaloersch worden, want tot nu toe geloofde ik, dat mijn goede Martin niemand dan mij alleen kon beminnen, maar zij bemint de keurprinses nog meer dan mij. Verbeeld u. Martin, de anders zoo strenge en stijve hofdame, heeft, mij als een gunst verzocht heden de dienst bij uwe gemalin te mogen hebben, om haar te
187
mogen oppassen en te bedienen. Ge kunt er op rekenen, dat onze Henriette van al de vruchten en confituren, die rond gediend worden, het beste en keurigste zal krijgen, want Martin heeft ze voor haar gekozen.quot;
âNu,quot; zei de keurprins, die blijde was een geschikt voorwendsel te hebben om zich te verwijderen en tot zijne gemalin te gaan, âals ge 't mij genadig vergunt, wil ik van deze bevoorrechting mijner gemalin een weinig profiteeren en wat van de confituren op 't bord miiner gemalin snoepen.quot;
âDoe dat, mijn zoon,quot; zei de keurvorstin glimlachend. âGa tot uwe gemalin, verliefd heer, die nog altijd de minnaar uwer vrouw zijt. Maar ik verwijt u dit niet, ik verheug er mij over. Ga! Ik zal tot den keurvorst terugkeeren. Ik zie hem ginds in een druk gesprek met den Oosten-rijkschen gezant, en mij dunkt dat het gelaat van mijn hoogon heer zich een weinig verduisterd heeft. Ik haast mij, het gesprek af te breken. Vaarwel, mijn zoon.quot;
De keurvorstin trok baar hand van den armdeskeurprinsen terug en oogde hem glimlachend na, toen hij door de zaal ging en prinses Henriette naderde. Zij zag, hoe de keurprins met vroolijk gelaat tot haar sprak, boe hij vervolgens van het bord, dat Henriette in de hand had, eenige confituren nam en ze at, en hierbij tevreden knikte en zich met eene vriendelijke buiging tot Martin wendde, die achter de keurprinses stond en den genadigen groet van den keurprins met eene diepe plechtige buiging beantwoordde. Nu knikte ook de keurprinses Martin toe en reikte haar weder bet zilveren dessertbord, dat nu geheel ledig was en nam vervolgens den arm van haar gemaal, om met hem eenige der aanwezige gasten te begroeten.
De keurvorstin zag dat, terwijl zij langzaam door de ledige ruimte ging, welke de eerbied rondom haar getrokken had, en vervolgens door de [rijen der eerbiedig achteruit wij keilde hovelingen 'voorwaarts trad naar de tegenovergestelde zijde der zaal, waar de keurvorst nog altijd in een druk gesprek stond met den Oostenrijkschen gezant, graaf Lambert.
âIk wed,quot; zei de keurvorstin, terwijl zij met een buiging-graaf Lambert groette, âuw doorluchtigheid heeft in haar ijver geheel vergeten, dat wij ons hier niet in de raadkamer.
188
tot ernstige onderhandelingen, bevinden, maar dat wij hier in de gezelschapszaal zijn. Niet waar, doorluchtigheid, ge-drijft hier politiek! 0 loochen het niet, ge drijft politiek, hoewel ge mij heden beloofd hebt een weinig rust te nemen van dien arbeid en u te vervroolijken en te verstrooien.quot;
â't Is waar,quot; antwoordde de keurvoi'st, âik heb mijne belofte geschonden, of liever, ik heb ze in de nabijheid van mijnheer den graaf Lambert vergeten. Alles wat uit Oostenrijk komt heeft zulk een sterke politieke lucht aan zich, dat men er onwillekeurig doör aangestoken wordt en in denzelfden dampkring Ireedt.quot;
âVergun mij, doorluchtigheid, dat ik u een weinig uit dien dampkring verwijder,quot; zei de keurvorstin glimlachend. ,.Ge zijt mij nog revange schuldig, mijn gemaal, voor de schaakpartij, welke ik gisteren aan u verloren heb, en 'ik verzoek «w doorluchtigheid mij die nu te willen geven. Trekken wij ons ginds in de roode kamer terug, waar hot schaakbord reeds op ons wacht.quot;
âGoed, mevrouw de keurvorstin,quot; antwoordde de keurvorst opgeruimd. âZoo 't u behaagt, heer graaf, moogt ge ons vergezellen en het spel aanzien.quot;
âMaar niet over politiek spreken,quot; riep Dorothea, terwijl de gezant des keizers eerbiedig dankend voor de groote eer boog.
âWij willen eene voorwaarde stellen, mevrouw de keurvorstin,quot; zei Friedrich Wilhelm. âZoo gij de eerste partij verliest, moet ge mij als winst vergunnen, dat de heer graaf Lambert mij nog 't een en ander verhaalt van den grooten veldslag bij Weenen en van den heldenkoning Sobieski.quot;
âHoe slim zijt ge,quot; glimlachte de keurvorstin. âGe wilt mij verleiden u een partij te laten winnen, omdat ge wel weet, dat ik zelve begeerig ben den heer graaf Lambert de heldenfeiten van den koning van Polen en al de merkwaardige voorvallen van den grooten Weener veldslag te hooren verhalen. Kom, mijn waarde keurvorst, gaan wij naar de roode kamer! Geef mij uwT arm, doorluchtigheid, en leun stevig op mij! Ge weet wel, ik ben een wandelstok, die voor u niet breekt en waarop ge veilig steunen kunt!quot;
De keurvorst nam den arm zijner gemalin en op haar
189
leunende, liep hij langzaam en rnoeielijk naai- de nabijzijnde deur der roode kamer.
âGe overtuigt u nu met eigen oogen, heer graaf,quot; zei de keurvorst tot den gezant, die nevens hem ging. âGij ziet, dat ik wezenlijk niet in staat ben de bevelen zijner keizerlijke majesteit na te komen en mij persoonlijk naar Regensburg te begeven, waar zijn majesteit de genade wil hebben mij te ontmoeten. Ik ben een oud man, wien zijn toestand niet meer vergunt zich aan de vermoeienissen van een reis te onderwerpen. Ge ziet het, zelfs het gaan van de eene naar de andere kamer vermoeit mij en brengt mij buiten adem.quot;
âGelukkig zijn wij reeds ter plaatse,quot; riep Dorothea, terwijl zij haar gemaal naar den fauteuil geleidde, waarbij de schaaktafel met de prachtig gesneden ivoren figuren â een geschenk, 't welk Raule van zijne zeereizen voor den keurvorst had medegebracht â reeds geplaatst was.
Het spel begon. Achter den stoel van den keurvorst stond graaf Lambert en zag met gespannen opmerkzaamheid het spel aan. Ook de keurvorst was er spoedig geheel en al in verdiept, en de stoute zetten zijner gemalin noodzaakten hem tot nadenken en tot wel overlegde verdediging. Dorothea scheen heden niet zoo als anders hare aandacht op haar lievelingsspel te richten. Terwijl de keurvorst ernstig zijne zetten bedacht, richtten hare oogen zich zeer dikwijls door de open deur in de zaal als verheugde zij zich in 't gewoel en de drukte. De dansmuziek, die een wijle gezwegen had, was weder begonnen en schetterde vroolijk in het stille vreedzame kabinet, waar het keurvorstelijke paar zich bevond. De dansende paren bewogen zich afwisselend voorbij de deur en de briljanten en bloemen in de haren der pisachtig getooide dames, de gouden borduurselen op de uniformen en staatsiekleederen der heeren fonkelden en glinsterden in 't voorbijgaan in het Hauw verlichte kabinet.
Eensklaps was het of de orde van den dans door een tusschenbedrijf afgebroken was; de paren bewogen zich onregelmatig dooreen, drongen en schoven zich naar de tegenovergestelde zijde der zaal, zoodat de ruimte voor den ingang van hetkabinetgeheel verlaten werd, en men nog slechts de vier pages van de keurvorstin zag, die aan weers-
190
zijden der deiuquot; stonden. Plotseling zweeg ook de dansmuziek.
âWat beteekent dat?quot; riep de keurvorstin. âEr moet iets bijzonders gebeurd zijn. Vergeving, doorluchtigheid, zoo ik het spel een oogenblik staak, maar dit plotseling zwijgen der muziek verontrust mij. Veroorloof mij, dat ik mij een oogenblik in de zaal begeef.quot;
âGa, mevrouw de keurvorstin,quot; zei Friedrich Wilhelm, wiens aandacht nog altijd op de schaakstukken was gevestigd.
Juist toen de keurvorstin op 't punt was zich uit den leunstoel op te richten, verscheen op den drempel der deur de hofdame der keurvorstin.
âMartin,quot; riep Dorothea haar levendig te gemoet, âwat is er? Waarom danst men niet meer?quot;
âVergeef mij, keurvorstelijke doorluchtigheid, ik kom daaromtrent bericht brengen,quot; antwoordde de hofdame met haar eerbiedige, haliluide stem ; âhare doorluchtigheid mevrouw de keurprinses is plotseling zeer ongesteld gewordenenbe-wusteloos nedergezonken Zij is terstond naar hare vertrekken gedragen en lieeft niet vooraf uwe doorluchtigheden persoonlijk vergunning kunnen verzoeken.quot;
âIs de keurprinses ongesteld geworden ?quot; riep Dorothea zuchtend. âWat kan dat beteekenen?quot;
âNu, mevrouw de keurvorstin,quot; antwoordde de keurvorst glimlachend, âhet kan wel zijn, dat wij zeer spoedig een gelukkig bericht zullen ontvangen.quot;
âWaar is de keurprins ?quot; vroeg de keurvorstin angstig. âWaarom komt hij ons geen bericht geven en mij verzoeken bij zijne gemalin te komen. Martin, waar is de keurprins ?quot;
âZijn doorluchtigheid heeft zich insgelijks naar zijne vertrekken begeven,quot; zei de hofdame kalm. âDe onverwachte ongesteldheid van mevrouw zijne gemalin en haar plotselinge onmacht scheen den keurprins zoo vreeselijk te ontstellen, dat hij zelf ongesteld is geworden en zijn bewustzijn een weinig verloor. De kamerheer van Schlaberndorf moest den keurprins in zijne armen nemen, hij zou anders op den grond zijn gevallen. Deze heeft den keurprins toen opgenomen en naar zijne vertrekken gedragen.quot;
âBeiden ongesteld,'' riep de keurvorstin smartelijk. âVer-
191
geving, mijn gemaal, maar ge moei mij vergunnen mij te Verwijderen. Ik moet zelve gaan om te zien welke plotselinge ongesteldheid het is, die onze lieve kindez'en overvallen heeft.quot;
En de keurvorstin, zonder de verdere vergunning van haar gemaal af te wachten, stond haastig op en snelde uit het kabinet, gevolgd door hare hofdame, mejulTrouw Martin.
m
vin.
HET POEDER.
In de vertrekken van het jonge keurprinselijke paav heerschte de grootste onrust en ontsteltenis. De vrouwen der keurprinses stonden weenend en jammerend om het bed, waarop Henriettein vreeselijke stuiptrekkingen luid kermend en kreunend lag. Naast haar op het rustbed lag de keurprins met bleek ontsteld gelaat, de oogen onafgewend op zijne gemalin gericht en zijn eigen jammer onderdrukkende, opdat de prinses er niet door verontrust zou worden. De haastig geroepen artsen Weisse en Mentzel trachtten door warmo omslagen en wrijvingen de pijnen der prinses te verzachten, door krampstillende droppels de stuiptrekkingen tegen te gaan. Zij wilden nu ook den keurprins hun geneesmiddelen toedienen, maar Friedrich weerde ze heftig af.
âDenkt niet aan mij, bekommert u niet om mij. Zoekt slechts de prinses te helpen. Mijn God, hoe lijdt zij! Haar smartkreten verscheuren mijn hart! En toch, hoe vreeselijk lijd ik zelf! Wat is het toch, welk eene schrikkelijke ziekte heeft ons beiden te gelijk aangetast? Wat kan het zijn, dat zoo in mijn ingewanden brandt, en âquot;
Plotseling zweeg de keurprins en richtte zich, als door een onzichtbare macht opgeheven, haastig overeind. âLaat de deuren sluiten,quot; riep hij met luide stem. âGaat allen naar buiten! Slechts de heeren artsen en de vrouwen mogen hier blijven! Ach, mijn God, ik lijd vreeselijk! Maar hel zal overgaan. Docter, kom hier. Ik heb u iets te zeggen ! Beveel dat niemand, hoort ge, niemand hier binnen mag komen. Sluit deze deurquot;, en zelfs zoo mijn heer vader ot
UK?
mevrouw mijne moeder hier mochten komen, open ze niet! Want elk gerucht veroorzaakt mij doodeiijke pijnen!quot;
âDoorluchtigheid, liet zal geschieden, zooals gij beveelt,quot; zei docter Mentzel, terwijl hij naar de voorkamer ging en aan 't dienstpersoneel het bevel gaf, dat niemand, behalve de voor de bediening noodige personen, de ziekenkamer mocht binnengaan.
Juist werd de deur der voorkamer geopend en de binnentredende pages kondigden de komst der keurvorstin aan. Docter Mentzel liep haar te gemoet en met zachte, eerbiedige woorden vroeg hij de keurvorstin niet verder te gaan, omdat de volkomenste rust voor de zieken noodzakelijk was.
âZij zijn dus ziek? Is 'tgeen oogenblikkelijke, voorbijgaande ongesteldheid ? ' vroeg Dorothea smartelijk.
âDoorluchtigheid, het is nog onmogelijk dit te bepalen. Wij moeten eerst wachten tot een kalmer toestand is ontstaan, en ik geloof wel, dat dit spoedig 't geval zal zijn, daar wij krampstillende middelen gegeven hebben. Misschien is 't bij den keurprins slechts de vreeselijke schrik, die zijne zenuwen zoo opwinden en overspannen.quot;
âEn bij mevrouw de keurprinses ?quot;
âMisschien een zeer natuurlijk verschijnsel.quot;
âO, docter, gij stelt mij gerust, en ik dank u voor uw bericht,quot; zei de keurvorstin ruimer ademend. âIk spoed mij, om het zijn doorluchtigheid mede te deelen. Keer tot uwe dierbare zieken terug, en zoodra 't een of ander gebeurt, laat mij dan roepen of geef mij bericht!quot;
De arts haastte zich, naar 't ontvangen bevel, in de ziekenkamer terug te keeren. Er was daar nog niets veranderd, slechts het kreunen en kermen der prinses was minder geworden en haar stuiptrekkingen hadden opgehouden. De keurprins was weder op den divan nedergezonken, en met hem hield docterj Weisse zich bezig, wreef zijne slapen, en wilde hem van de droppels ingeven, die de prinses had ingenomen. Maar de keurprins weerde ze heftig af.
âNeen,quot; zeide hij steunend, âdat niet, o dat niet! Er is slechts één geneesmiddel, dat mij, dat ons beiden helpen kan.quot;
âEn wat is dat geneesmiddel, doorluchtigheid?quot; vroegen de doctors. âWaar kunnen wij dat vinden?
Mühlljach, De groote Keurvorst en zijn tijd. VI. 13
194
âIk weel liet niet,quot; steunde de keurprins en toch hangt ons leven er van af. Docter, bij alles wal u heilig is bezweer ik u, hebt ge geen middel om mijn Henrielte haar bewustzijn, haar volle bewustzijn terug te geven?quot;
âDoorluchtigheid, het zou te gevaarlijk zijn sterke middelen aan te wenden. Maar zie, de prinses verroert zich! Zij maakt eene beweging! Misschien hoort zij, wat gij gezegd hebt, misschien verstaat zij u!quot;
âLaat mij dan alleen met haar! Slechts eenoogenblik,quot; zei de keurprins mat. âGeheel alleen, hoort ge! Gaat allen naar buiten, ook de dienstdoende vrouwen! Mijne heeren doctoren, weigert het mij niet. Ik moet alleen zijn met mijne gemalin, ik heb haar iets te zeggen, wat niemand buiten God hooren mag! Gaat en komt weder binnen, zoodra ik u roep lquot;
De artsen verwijderden zich, gevolgd door de vrouwen der prinses. De deur werd gesloten, en het echtpaar was alleen.
Hoe akelig was deze stilte. Dof brandden de waskaarsen op de zilveren kandelaars, en verlichtten het treurig tafereel!
Bewegingloos en stijf lag de keurprinses op haar bed uitgestrekt. Het met goud geborduurde blauw satijnen kleed, 't welk zij in de feestzaal had gedragen, omhulde nog haar gestalte; de brillanten diadeem fonkelde op haar bleek, met groote zweetdroppels bedekt voorhoofd; ^haar fraaie, bloote armen, die slap en levenloos nederhingen, waren nog getooid met gouden, van juweelen fonkelende banden; al de pracht en heerlijkheid der vorstin omgaven haar negen alles was toch een ijdele tooi, zonder waarde of be-teekenis.
Vóór haar, op zijne knieën, lag de keurprins met bleek, door smart verwrongen gelaat, lijdend aan onuitsprekelijke folteringen, doch ze met kracht onderdrukkende, omdat hij zijne vrouw zoo vreeselijk lijden zag.
âHenriette,quot; zeide hij met zachte, vleiende stem, âgeliefde Henrielte, hoort ge mij ?quot;
Zij staarde hem aan met strakke, wijd geopende oogen, maar gaf geen antwoord.
âHenrielte,quot; smeekte hij dringender, âzoo ge mij bemint, zoo ge wilt, dat wij beiden leven, verman u! Uwe liefde is immers zoo sterk, zoo heldhaftig; gebied haar, dat zij de smart
195
ovenvinne. lienriette, mijne vrouw, hoor mij, ach hoor mij 1quot;
âIk hoor u,quot; zeicle zij met zachte, dolte stem.
.Bij vergat zijn eigen smart, vergat de vreesdijke pijnen, die in zijn eigen ingewanden woelden, sprong overeind en omvatte de geliefde gestalte en drukte een langen kus op hare lippen.
âHenriette, bij onze liefde bezweer ik u, span uw geest in, hoor mij, wij zijn vergiftigd.quot;
âJa,quot; ademde zij dof, quot;vergiftigd
âHerinner u het laatste geschenk, dat uwe moeder ons bracht, toen wij Kassei verlieten. Zij gaf het u en zeide, zoo ik ooit door de ziekte mocht overvallen worden, waaraan mijn broeder Carl Emil is gestorven, dan moest ge mij een der poeders ingeven, die in 't gouden kistje besloten en een krachtig tegengif waren. 1) Weet ge dat nog?quot;
âIk weet! . . . . o, mijn God, hoe vreeselijk lijd ik! Ik weel! .... o, deze pijnen!quot;
âOverwin ze, geliefde, spreek nog slechts één woord. Een enkel woord,quot; smeekte de prins, wiens geheele gestalte trilde van de pijnen in zijne ingewanden, wiens tanden klapperden. âZie, ook ik overwin mij en bedwing de pijn. Maar ook ik lijd, lijd vreeselijk en zal sterven, zoo ge mij niet redt!quot;
âGe zult sterven, ge lijdt!quot; riep zij angstig, en de liefde gaf haar de kracht zich op te richten, met haar teedere oogen zich tot haar geliefde te wenden, die weder voor haar bed was nedergezonken.
âOntferm u over ons,quot; zeide hij met bevende lippen. âSpreek, waar is het gouden kistje met de poeders?''
âIk zal het halen, terstond, terstond,quot; riep zij, terwijl zij poogde zich op te richten. Maar met een luiden kreet zonk ' zij weder terug. âIk kan niet, o mijn God! ik kan niet!quot;
âHenriette. als ge mii bemint, spreek dan, waar is het gouden kistje?quot;
Zij hief met een laatste aanwending van al hare krachten de hand op. âDaar,quot; ademde zij zacht, âdaar!quot;'
De keurprins volgde de beweging van hare hand, die op de groote schrijftafel was gericht, die in 't midden dei-kamer stond.
1) Pollnitz: Mi'moires des quatres derniers regents de la inaison de Urande-bourg I. 157.
190
Hij hief zich overeind, en ging tnet wankelende schreden naar de tafel. De sleutel stak in een der laden, hij trok ze open en zocht in doodsangst tusschen de papieren.
Niets! Nergens was het gouden kistje te vinden. En llen-riette begon weer te jammeren en te klagen en het brandde als vuur in zijne aderen.
âHenriette,quot; riep hij in vreeselijken angst, âis het kistje in deze tafel? Antwoord mij! Antwoord mij: is het kistje hier in de tafel?quot;
âJa, ja!quot; stamelde zij. âIn de tafel! In het geheime vak?quot;
âWaar is het geheime vak?quot;
âAchter de groote lade.quot; klonk het dof van het bed.
Nu met bevende handen de groote lade uitgetrokken, ze op den grond geworpen, zoodat de papieren, die erin lagen, er uit vielen; toen met de ijskoude, bleeke, bevende handen in de ledige ruimte getast en gezocht, hijgend, gespannen, als een schatgraver in de diepte der aarde naar verborgen schatten zoekt.
Een schrille uitroep klonk van zijne bleeke, trillende lippen. De tastende vingers hebben een knop aangeraakt, een lade heeft zich geopend, en daar is het, daar is het gouden kistje met zijn kostbaren inhoud.
Een krampachtige lach klinkt van de lippen des keur-piinsen, hij wil naar zijne geliefde ijlen, die nu geheel sprakeloos is, maar zijne voeten kunnen hem niet dragen, zij zijn als verlamd. Met luide, wanhopende stem loept hij de docters; deze komen binnen en docter Msntzel buigt zich over den keurprins, die kermend op den grond ligt.
Langzaam heft hij de hand op, die het kistje houdt. âDocter, hier zijn poeders. Ik weet, dat zij helpen, maar gij moet ze ons terstond geven, onmiddelijk! Doe het, ik bezweer 't u, doe het. Terstond, want âquot;
De. woorden verstijfden op zijne lippen, hij verloor het bewustzijn.
Den volgenden morgen vroeg werd de deur van de slaapkamer der keurvorstin zacht geopend en Martin trad binnen. Voorzichtig en angstig, zonder eenig gerucht te maken, sloop zij door de kamer en schoof de zware gordijnen ter zijde, die het breede venster bedekten. Het morgenlicht drong in de kamer en wekte de slapende keurvorstin.
âWie is daar?quot; vroeg zij haastig en angstig.
197
antwoordde Martin plechtig, terwijl zij de gordijnen, die 't bed omgaven, open sloeg. âIk ben het, uw getrouwe dienares!quot;
âBrengt gij mij eene treurige tijding T' vroeg de keurvorstin angstig.
âJa, eene treurige tijding, doorluchtigheid, Mevrouw de keurprinses is vóór een uur gestorven.quot;
âOntzettend! o, ontzettend,quot; kermde de keurvorstin. âWat zal men'' denken, wat zal men zeggen ! Wat kan de oorzaak van haar dood zijn geweest ?quot;
âDoorluchtigheid, een zeer natuurlijke. De prinses is aan de gevolgen eener ontijdige bevalling overleden. Zij is van een prins verlost.quot;
âVan een prins!quot; riep Dorothea oprijzend.
âJa doorluchiigheid, van een prins, maar hij is dood geboren. De keurprins heeft geen mannelijke erfgenamen, en zijne gemalin zal er hem geen meer geven. Zij is dood!quot;
âMartin, ge zijt vreeselijk met uwe kalmte,quot; mompelde Dorothea ontsteld. âEu de keurprins? gaat het met hen^ beter ?quot;
âHet gaat hem beter, hij heeft eene sterke natuur,quot; zei Martin op somberen toon.
âGeloofd zij God,quot; riep Dorothea uit den diepsten grond harer ziel. âHet zou ontzettend zijn, zoo beiden gestorven waren! Men zou mij de schuld van hun dood hebben gegeven.quot;
âStoor u niet aan 't geen de domme menigte zegt!quot; zeide Martin de schouders ophalende.
âGe hebt gelijk,quot; zuchtte Dorothea âhet mag mij niet bekommeren. Die iets grootsch wil bereiken, moet zich boven de praatjes der menigte weten te verheffen. Roep mijne vrouwen, om mij te kleeden! Ik ga naar den keurvorst! Of hij reeds de vreeselijke tijding vernomen heeft ?quot;
âNiemand heett het nog gewaagd ze hem mede te deelen.quot;
âDan zal ik het doen! Spoedig, roep mijne vrouwen! Maar eerst â omhels mij, Martin ! Het is zoo lang geleden, sinds ik mijn hoofd aan uwe borst heb laten rusten.quot;
198
Martin sloeg haar arm om den hals van Dorothea en drukte haar even als eene moeder haar ziek kind aan het hart.
âVertrouw op mij,quot; mompelde zij, âgij zijt de ster mijner ziel, de vreugd mijns harten! Ge zijt mijn vaderland, mijn geloof, mijn hoop. Rust aan mijne borst en vertrouw mij. Al uwe wenschen zullen vervuld worden. U behoort mijne ziel en elke ademtocht mijns levens. Gij zult rein en kuisch door het leven gaan, zonde en misdaad zullen geene schaduw op uw trotsch voorhoofd achterlaten Nog een laatsten kus. En nu, mevrouw de keurvorstin, sta op en verkondig uw heer gemaal, dat de keurprinses gestorven is, zonder een erfgenaam voor den troon na te laten. De arme keur-prins! Hij moet wanhopend zijn! Hij zal er wel niet aan denken ooit te hertrouwen. Doorluchtigheid, ik ga uwe vrouwen roepen.quot;'
Een kwartier later trad Dorothea de slaapkamer van den keurvorst binnen. Hij was reeds ontwaakt en groette zijne gemalin met een vriendelijken glimlach.
âNu, Dorothea, ge komt mij iets berichten. Ik raad het reeds, niet waar, de keurprinses heeft ons een kleinkind geschonken ?quot;
âJa, Friedrich, een kleinkind, maar â een doodgeboren !quot;
âArme Fritsquot;, zei de keurvorst medelijdend. âHij was zoo zeker een erfgenaam te krijgen en was er zoo trotsch op.quot;
âGod verootmoedigt de trotschen, en slaat de hoop der menschen in 't stof.quot;
âDat, zegt ge zoo plechtig, Dorothea, en ge ziet zoo treurig. De keurprinses bevindt zich toch wel,niet waar?''
âJa, mijn gemaal, zij bevindt zich zeer wel, want zij is ingegaan in Gods heerlijkheid.quot;
âDood!quot; riep de keurvorst. âAch mijn arme zoon. Hij beminde haar zoo innig! En zij was voor ons zulk eene goede dochter!quot; Hij sloeg de handen voor zijn aangezicht en weende bitter.
Plotseling scheen eene vreeselijke gedachte hem te verschrikken, want hij huiverde en nam haastig zijne handen van zijn bewogen gelaat.
âEn mijn zoon?quot; vroeg hij angstig. âEn Frits?quot;
âHij was gisteren avond, gelijk ge weet, van schrik on-
199
gesteld geworden, en men heeft hern naar zijne vertr ekken moeten dragen. Ik hoor, dat hij dezen nacht nog veelgeleden heelt. Evenwel is hij nu wat beter.quot;
âIs hij beter,quot; zuchtte de keurvorst ruimer ademend. âGelukkig. Ik bid u, Dorothea, geef bevel, dat men dadelijk de artsen hier laat komen. Ik wil hun bericht ontvangen.quot;
Toen de doctoren in de slaapkamer traden, was de keurvorst reeds opgestaan, en zat, in een warmen pels gehuld, op zijn rolstoel.
âGe brengt mij het leven en den dood tegelijk,quot; zuchtte de keurvorst. âDe keurprinses is dood, en mijn zoon leeft?quot;
âJa, doorluchtigheid, God zij geloofd, men heeft voor 't leven zijner doorluchtigheid niet te vreezen, hij is buiten gevaar, en zal reeds heden weder het bed kunnen verlaten, zoo ten minste de droefheid hem er niet op terughoudt.quot;
âIs hij zeer bedroefd, mijn arme zoon?quot;
âHij is wanhopend, doorluchtigheid Wij hebben hem met geweld van het lijk moeten losrukken. Hij hield het krampachtig in zijne armen en riep met zulke hartverscheurende jammerkreten naar zijne gemalin, dat het een steen had kunnen vermurven.quot;
âIk zal tot hem gaan,quot; riep de keurvorst, zich haastig oprichtende. âKom, Dorothea, wij willen tot onzen zoon gaan, en onze liefde zal hem trachten te troosten!quot;
âVergeving, keurvorstelijke doorluchtigheid, maar de keurprins heeft zich opgesloten en wil niemand zien.quot;
âHij zal zijn vader niet afwijzen als die komt om hem te troosten,quot; sprak Friedrich Wilhelm. âKom, Dorothea.quot;
âDoorluchtigheidquot; zei docter Mentzel hoofdschuddend, âde prins is zoo wanhopend, dat hij slechts naar zijne smart en naar geen vormen en etikette luistert, ja, zelfs in staat zou zijn uw keurvorstelijke doorluchtigheid van zijne deur te wijzen.quot;
âHet zou misschien goed zijn den keurprins vooreerst aan zijne smart over te laten, tot hij tot bezinning komt,quot; voegde docter Weisse er bij. âDe schrik over den vreese-lijken slag, die hem eensklaps heeft getroffen, heeft den keurprins zoo overweldigd, dat hij volstrekt niet aan een natuurlijken loop der dingen gelooft.quot;
200
âWal gelooft hij dan? vroeg de keurvorst verwonderd.
De beide artsen zwegen. Voor de glinsterende oogen van den keurvorst, die hen vorschend en vragend aanzagen, sloegen zij den blik neder.
âIk zal u zeggen doorluchtigheid, wat de keurprins gelooft,quot; zei Dorothea met snijdende, honende stena. âIk ken hem en zijn achterdocht en vijandschap tegen mij. Hij denkt, dat hij tegelijk met zijne gemalin vergiftigd is. Niet waar, heeren dokters, ir. 'tniet zoo?quot;
âJa doorluchtigheid, het is zoo! De keurprins schreeuwt en jammert luid, dat hij en zijne gemalin vergiftigd zijn geworden.quot;
âEn noemt hij ook niet zijne moordenaars?quot; vroeg Dorothea met bedaarde stem.
âKeurvorstelijke doorluchtigheid, hij spreekt in den waanzin der droefheid, en een wanhopende moet men veel ten goede houden! Buitendien is hij te verontschuldigen, de verschijnselen zijner ongesteldheid waren van zulk een aard, dat men wel op zulke slechte gedachten kon komen. Ook bij de prinses vertoonden zich dezelfde verschijnselen.quot;
âWaarin bestonden zij?quot;
âIn heftig braken, beven der leden, vreeselijke buikpijn en branden der ingewanden.quot;
âEn gij, wat meent gij er van? vroeg de keurvorst. âWaaraan is de keurprinses overleden?''
âDoorluchtigheid, aan de gevolgen eener onlijdige bevalling, waarbij zich 't roodvonk gevoegd heeft.quot;
âEn de keurprins? Wat was de oorzaak zijner ongesteldheid?quot;
âEen hevige indigestie, doorluchtigheid, waarschijnlijk veroorzaakt door verkoeling en door het gebruik van zoetigheden en onverteerbare spijzen.quot;
De keurvorst zweeg een oogenblik en zag nadenkend voor zich. âGeef dit als bulletin uit,quot; zeide hij. âOnderteekent het met uw 'beider namen. Dit bulletin moet terstond gedrukt aan al de hoeken der straten worden geplakt, en naar de andere hoofdplaatsen van't rijk gezonden worden! Ik wil, dat mijne onderdanen deel nemen aan het groote verlies, dat ons getroffen heeft, en zij weten, wat er de oorzaak van is!quot;
Het bevel van den keurvorst werd nog denzelfden voor-
'201
middag ten uitvoer gebracht, en spoedig verzamelden zich aan alle hoeken der straten van Berlijn en Keulen eene menigte menschen, die het bulletin der beide artsen lazen, 't welk hun verkondigde, dat de keurprinses ten gevolge eener ontijdige bevallig en roodvonk overleden was; de keurprins was ten gevolge van den schrik, met bijkomende indigestie plotseling hevig ziek geworden, doch reeds weder hersteld.
Niemand geloofde aan dit bulletin, dat men met sombere blikken, met heimelijke verwenschingen tegen de keurvorstin las en uitlegde.
âDe keurprinses is geen natuurlijken dood gestorven,quot; lluisterde men elkander toe. âZij is overleden aan de ziekte, die in 't keurhuis is gekomen, sinds de keurvorstin Dorothea er is. De keurprinses is gestorven aan de ziekte, die ook den eersten keurprins Carl Emil heeft ten grave gesleept. Ook de tweede keurprins had er aan moeten sterven! Maar God heeft het niet gewild. God heeft hem beschermd voor de gevolgen der indigestie!quot;
En wat de Eerlijners heimelijk spraken en elkander toefluisterden, werd spoedig door den keurprins zelvon bevestigd. Want nauwelijks was de keur prinses Henriette in het familiegraf ter aarde besteld, of de keurprins verliet Berlijn en vertrok met geheel zijn huis naar Köpenick.
Tot den keurvorst richtte hij vervolgens uit Köpenick een brief van verontschuldiging, waarin hij zeide, dat hij Berlijn verliet, omdat hij zich in 't slot niet veilig gevoelde, en vreezen moest er aan dezelfde ziekte te sterven, door welke de keurprins Emil en weder de keurprinses Henriette weggenomen waren. Hij wilde dus liever vrijwillig in ballingschap gaan en zijn leven te Köpenick in droefheid doorbrengen.
De inhoud van dezen brief werd op onverklaarbare wijze in honderden afschriften te Berlijn verspreid, en toen de keurvorstin op zekeren dag van een pliezierrit te huis kwam, vond zij aan de deur van haar kabinet een plakkaat gehecbt, waarop met groote letters de afscheidsbrief van den keurprins geschreven stond.
Dorothea echter haalde slechts met een verachtenden glimlach de schouders op, en toen een dienstvaardige kamerheer met ontsteld gelaat het schandelijk plakkaat wilde af-
202
scheuren, zei de keurvorstin bedaard: âHet moet er blijven! Niemand scheure het af! Ieder in het slot moet het lezen en er uit vernemen, waarom de heer keurprins zich naar Köpenick verbannen heeft. Het is een idéé fixe van hem, maar men moet het eeren en mag hem deswege niet laken, want hij is zeer gevoelig, en zoo men hem door tegenspraak tergt, zou hij krankzinnig worden. Of liever,quot; voegde zij er met een smartelijken zucht bij, âhij is nu reeds krankzinnig, de arme keurprins! Laat dus zijn plakkaat maar aan mijne deur! Het is een stompe pijl, die zonder te kwetsen aan mijne voeten nedervalt.''
203
IX.
11ET TESTAMENT.
Drie jaren waren verloopen sinds den dood der keur-prinses Henriette. De keurprins, die aanvankelijk geheel ontroostbaar was geweest en zich in eenzaamheid teruggetrokken had, was thans lang getroost. Nauwelijks een jaar na Henriette's dood was hij weder in 't huwelijk getreden met prinses Sophie Charlotte, de dochter van den keurvorst van Hannover. Deze jonge, schoone, geestige en verstandige prinses was hem spoedig eene vergoeding geworden voor het verlies zijner Henriette, en hij scheen in haar bezit weder nieuwe levensvreugd te vinden. Het jonge keurprinselijke paar had zijne residentie te Berlijn genomen, en de keurvorst had, aan de zachte woorden en beden zijner gemalin gehoor gevende, zich weder met den keurprins verzoend en hem de hem toekomende plaats hergeven.
De keurprins mocht ook deelnemen aan de vergaderingen van den geheimraad, en de keurvorst vroeg hem zelfs somwijlen raad in regeeringszaken.
Ook met de keurvorstin Dorothea scheen sedert het tweede huwelijk des keurprinsen eene betere verstandhouding te heerschen. De bevalligheid en beminnenswaardigheid der keurprinses Sophie Charlotte was ook hier de bemiddelaarster geweest, haar scherp verstand, haar schranderheid en behendigheid wist alles te vereffenen en te bevredigen.
âZij is eene tooveres, welke men niet kan weerstaan,quot; zei de keurvorstin bij gelegenheid tot haar gemaal. âZij doet met mij, wat zij wil en ik geef mij op genade en on-
2U4
gebade aan liaar over. Ik bemin haar als ware zij mijn eigen dochter, en omdat ik wensch, dat zij mij ook een weinig moge beminnen, vergeef ik onzen keurprins al zijne kleine onbeleefdheden en schijn zijne stroefheid volstrekt niet op te merken. Ach, ik wil gaarne alles dulden en lijden; slechts mijne zonen, mijne arme zonen beklaag ik! Wat zullen zij te lijden hebben, als hun dierbare vader ze eens niet meer beschermt! Hoe zwaar zal zijn opvolger het hen vergelden, dat zij de zonen zijner gehate stiefmoeder zijn. Hoe vele vernederingen zullen de ongelukkigen moeten ondervinden, want ze zullen de afhankelijke vasallen van den keurvorst Friedrich zijn, en moeten leven van datgene, wat hij hun in zijne genade als een aalmoes schenkt! Ach, mijne zonen, mijne dierbare zonen, dat verdriet knaagt aan mijn leven, het zal mij dooden, zoo gij, mijn dierbare heer en gemaal, mij niet verlost van deze doodelijke smarten door de toekomst mijner zonen te verzekeren !quot;
De keurvorst zuchtte bij zulke klachten van zijne gemalin smartelijk, en zocht haar gerust te stellen door de verzekering, dat hij voor de toekomst van al zijne zonen zorgen zou. Maar die klachten moest hij telkens weer hooren en zijne' verzekeringen baatten niet.
Toen men zoo even het bericht had ontvangen, dat de keurprinses Sophie Charlotte van een prins bevallen was, had de keurvorstin haar klacht weer laten hooren en met dringende beden had zij haar gemaal gevraagd de toekomst barer zonen te verzekeren, en hera niet aan de willekeur en kwade luim van den toekomstigen keurvorst prijs te geven.
âMaar Dorothea, ge dwaalt,quot; zei de keurvorst treurig. ,-jMijn opvolger zal de macht niet hebben mijne zonen te benadeelen, hij zal dat ook niet willen doen. Gij vergist u in de gezindheid van den keurprins. Hij is genegen en gehoorzaam, zooals 't een zoon betaamt, en hij bemint zijne stiefbroeders niet minder dan zijn broeder Ludwig!quot;
âO neen, mijn lieve Friedrich Wilhelm, geloof mij, gij vergist u ! De moederliefde ziet met scherper oogen dan de blik des vaders, zij ziet op den bodem der ziel en raadt de geheimste gedachten. De keurprins haat mijne zonen, zij zijn hem een doorn in 't oog, dien hij uitrukken en onder
205
zijn voeten vertreden zal, zoodia hij er de macht toe heeft, zoodra hij zijn rijk erfdeel aanvaard heeft en keurvorst geworden is. O, mijn dierbare gemaal, kon ik u maar overtuigen, kon ik u toch mijne oogen leenen, opdat ge de waarheid zien en kennen zoudt, deze waarheid: Mijne zonen, uwe zonen zijn verloren, zoo gij ze niet redt en niet rechtvaardig met hun handelt!quot;
âNiet rechtvaardig?quot; herhaalde de keurvorst. Wanneer ben ik onrechtvaardig tegen hen geweest? Wanneer heb ik 'thun ooit aan mijne liefde laten ontbreken?quot;
âGe zijt onrechtvaardig, zoo gij den eenen zoon meer geeft dan den anderen!quot; riep zij heftig. âGij laat het aan liefde ontbreken, zoo gij de giften ongelijk verdeelt! Uw onrechtvaardigheid schreeuwt mei al den jammer en al de tranen van een moederhart tot God omhoog, en zal u daar aanklagen, zoo gij mijn smeeken niet verhoort, en, nu het nog tijd is, het lot mijner kinderen verzekert.quot;
âDorothea,quot; riep Friedrich Wilhelm smartelijk, âwat moet, wat kan ik doen?quot;
âGe moet dezen ondragelijken last van mijne ziel afnemen,quot; riep Dorothea, terwijl zij met hartstochtelijke opgewondenheid voor haar gemaal op de knieën viel en haar handen smeekend tot hem ophief; gij moet genade oefenen aan mijne kinderen en mij!''
âSta op, Dorothea,quot; riep de keurvorst verschrikt, âom Gods wil, sta op !''
Hij wilde haar opheffen, maar zij weerde hem onstuimig af. âNeen riep zij heftig, âik sta niet eerder op voor ge mij. verhoord hebt! O, mijn geliefde, denk aan de vele jaren, welke wij in trouw, liefde en eendracht met elkander hebben doorgebracht, ienk, dat ik u mijn geheele leven gewijd, dat ik alleen ten uwen dienste geleefd heb, dat gij de inhoud van mijn aanzijn, van mijn denken en handelen geweest zijt. Zoo ge meent dat ge mij een weinig geluk, vreugde en genot verschuldigd zijt, zoo uw hart mij waarlijk behoort, Friedrich Wilhelm, bewijs het mij dan!quot;
âWat moet ik dan doen? Welke bewijzen verlangt ge?'' riep de keurvorst.
âWees rechtvaardig! Niets anders dan dit, wees rechtvaardig! Verdeel uwe nalatenschap op rechtvaardige wijze. Verrijk niet den een ten koste van den anderen, geef niet.
200
hum een geheel rijk, een groot land; den anderen een piekje aarde om er in begraven le worden! Ik bezweer u, Friedrich Wilhelm, wees rechtvaardig! Verdeel uwe nalatenschap gelijkmatig onder al uwe zonen!''
âOnmogelijk!quot; riep de keurvorst verschrikt. âWat ge daar eischt, kan niet geschieden. Dorothea, ik heb't u reeds zoo dikwerf herhaald, wilt ge 't dan nooit begrijpen. Ik kan dezen wensch niet bevredigen. Het is tegen de wet van ons huis, en ik mag ze niet omver stooten!quot;
âGe moogt niet ?' riep zij, terwijl zij van haar knieën opsprong. âGij, de held voor wien geheel Europa buigt, de groote keurvorst, wiens naam de geheele wereld met eerbied noemt, gij moogt niet? Waar is op aarde iemand, die u wetten kan voorschrijven? In uw hart, in uw geest alleen staan wetten, waaraan Friedrich Wilhelm van Brandenburg zich onderwerpt, en deze wetten zeggen u, dat ge geen uwer zonen benadeelen moogt, dat ge niet vijf uwer zonen tot bedelaars moogt maken, en ééne, de zesde, tot een rijk man. ü Friedrich Wilhelm, man van mijn hart en mijn ziel, zeg mij, wat hebben u toch mijne zonen gedaan, dat ge tegen hen zoo wreed wilt zijn? Ik heb ze u geschonken in liefde, ge hebt hen gezegend, toen ze in 't leven traden, waarom wilt ge hen dan nu vloeken?-'
âIk hen vloeken, Dorothea? Hoe kunt ge zoo wreed, zoo ongevoelig zijn dit te zeggen!quot;
âGij zijt wreed en ongevoelig, Friedrich. Ge geeft den zoon uwer eerste gemalin niet alleen een kroon, een schitterenden vorstentitel, maar gij geeft hem ook uw geheele bezitting, uw geheel vermogen, en laat mijne zonen als bedelaars achter!''
âIk kan immers niet anders handelen, Dorothea,quot; riep de keurvorst. âBegrijp toch eindelijk, hoe bitter ge mij grieft, hoe onrechtvaardig gij zijt! Ik vergoed aan mijn zoon, wat ik aan mijn vader verschuldigd ben. Hij heeft mij zijn kroon en zijn land nagelaten, en ik laat het wederom aan mijn zoon na!quot;
âUw vader had slechts één zoon.quot;
âMaar ge wilt toch niet, dat ik het erfrecht omver stoot, Dorothea?' vroeg de keurvorst geheel verbaasd.
â.Ta, dat wil ik,quot; riep zij, hem koen en strak aanziende, âik wil dat de groote keurvorst, dat de held, dien ik aan-
207
bid, uok den mood hebbe een sleehle en schandelijke wet omver te stooten, dat hij zich niet floor vooroordeelen en overgeleverde onrechtvaardigheden laat beheerschen, maar ze moedig tegen ga. Het erfrecht is onrechtvaardig, en gij, Friedrich Wilhelm moogt geen/mrechtvaardigheid begaan!quot;
âHet zou een onrechtvaardigheid zijn, Dorothea, zoo ik willekeurig dit erfrecht wilde vernietigen, omdat misschien de wettige erfgenaam mij niet zoo lief is als een ander mijner zonen.quot;
âLaat dan den erfgenaam, dien de wet van uw huis u geeft, laat hem de kroon, laat hem het erfdeel, dat gij van uw vaderen verkregen hebt. Het moge hem als onverdeeld bezit blijven. De keurvorst van Brandenburg geve den keurprins, wat den keurprins toekomst, zijn titel en de geërfde Mark. Maar de held Friedrich Wilhelm vermake aan zijne anderezonen, wat hij zich verworven heeft door zijne dapperheid, door zijn staatsbeleid en politiek. Dat is rechtvaardigheid, en ge moet die uitoefenen, mijn held en mijn heer! Gedenk toch onze lieve zonen, gedenk bovenal onze eerstgeborene, onzen lieven Philip Wilhelm. Hij is het schoone evenbeeld van zijn vader, hij heeft diens edel hart, diens moedige heldenziel geërfd. Kunt ge willen, dat deze heldenjongeling in ootmoed en onderdanigheid achter zijn broeder ga en voor hem buige als zijn heer? Onmogelijk, dat kunt ge niet willen ! Denk slechts, ge hebt, sedert ge regeert hertogdommen en vorstendommen verworven, die tot hiertoe aan andere souvereine vorsten behoorden, en âquot;
âEn aan mij gekomen zijn krachtens het erfrecht en de wet,quot; viel de keurvorst haar driftig in de rede.
âMaar niet tot hot erfdeel behoorden, dat uw vader u had nagelaten,quot; vulde de keurvorstin aan. âGe kunt daarmede handelen als met uw eerlijk verworven eigendom, want ge hebt zeden keizer en de Duitsche rijksvorsten ontwrongen door uw roem, uw macht en uw aanzien! Ze zouden nooit aan den keurvorst van Brandenburg zijn gekomen, zoo deze keurvorst niet de held Friedrich Wilhelm was. Wie zou het nu den vader ten kwade kunnen duiden, zoo hij, 't geen hij verworven heeft, gelijkmatig onder zijne zonen verdeelde? Gij geeft den keurprins uw keurvorstendom, gij geef hem de mark Brandenburg, het hertogdom Pruisen en de Kleef-
20«
sche landen. Hij is regeerend heer van al deze landen. Waarom zoudt ge nu uw andere zonen ook niet tot regee-rende heeren kunnen maken mei hetgeen gij veroverd en verworven hebt? Waarom zou Ludwig, bij voorbeeld, niet hertog van Westfalen worden en in Minden zijne residentie oprichten'? En onzen Philip, onzen lieveling, waarom zoudt ge hem niet het vorstendom Halberstadt als vrij erfdeel kunnen geven en hem tot regeerend vorst benoemen ? O, denk toch, welk een verheilenden heerlijk bewustzijn dit voor u en voor mij zou zijn zoo wij eens op ons sterfbed konden zeggen; Wij laten niet één regeerend heer en vijf afhankelijke dienaars na, neen, wij laten zes regeerende vorsten na, zes vrije, zelfstandige heerschers! Daar is de keurvorst, onze eerstgeborene, daar is Ludwig, de hertog van West-falen, daar is Philip Wilhelm, regeerend vorst van Halberstadt; op hem volgt Albrecht Friedrich regeerend vorst van Ravensberg, dan komt Karl Philip, die regeerend vorst van Nangard is, en ten laatste Christiaan Ludwig, dien wij tot vorst van Maagdenburg benoemen!quot;
âEva, Eva, hoe verzoekt ge mij!quot; riep de keurvorst.
âMaar ten goede, slechts ten goede,'' ging zij ijverig voort, âopdat ge voor uwe zonen rechtvaardig zoudt zijn en hen, welke gij tot fiere, vrije heeren kunt maken, niet tot slaven vernedert. Hun oudste broeder haat hen allen, misgunt hun het leven, is reeds'op hen vergramd om den wille hunner moeder.quot;
âNeen, zeg ik, neen, dat is juist de groote dwaling, waaruit al uw verlangen ontstaat. De keurprins bemint zijne broeders, de keurprins bemint en vereert zijne moeder en âquot;
âMet uw verlof,quot; zei de binnentredende hofdame, zijn doorluchtigheid de heer keurprins verzoekt mevrouw de . keurvorstin de genade haar zijne opwachting te mogen maken.''
âLaat hij 't vragen, of is hij er zelf?quot; vroeg Dorothea haastig.
âDoorluchtigheid, hij laat het door zijn geheimsecretaris den heer von Dankelmann vragen.quot;
âHebt ge Dankelmann gezegd, dat de heer keurvorst hier is?quot;
âNeen doorluchtigheid.quot;
2U0
âZeg er dan niets van, en bericht alleen, dat ik bereid ben den heer keurprins te ontvangen.quot;
âMijn dierbare gemaal,quot; zei Dorothea, toen de kamer-dame verdwenen was, âthans zult gij u kunnen overtuigen van de liefde en den eerbied, welke de keurprins voor mij voedt. Ge hebt mij tol het uiterste gedreven, ik ontzie nu niets meer. Ik heb u tot nu toe verzwegen, wat ik leed, hoeveel smaad en krenking ik geduld heb! Gij hebt den keurprins slechts gezien, als hij voor u, als hij onder getuigen met mij sprak, nu zult ge hem hoeren en zien, als hij alleen met mij is!quot;
âHoe kan ik dit Dorothea, en waarom zou ik het?quot;
âOpdat ge erkennen zult, dat mijne ongerustheid over de toekomst gegrond is, en het voor u een gewetenszaak is, ' het lot uwer zonen te verzekeren, opdat de booze stiefbroeder geene macht op hen hebbe. Friedrich Wilhelm, mijn dierbare gemaal, wilt ge mij beloven, dat, zoo ge moet erkennen, hoe vreeselijk hij zich bezondigt aan mij, zijn keur-vorstin en moeder, dat ge dan aan mijn smeeken gehoor geven, het lot mijner zonen verzekeren en hen tot vrije, regeerende vorsten maken zult?quot;
âWelaan, Dorothea, ik beloof het u. Daarentegen moet gij mij beloven, dat, zoo de keurprins nu hier komt om u in liefde en goedheid de geboorte van zijn zoon aan te kondigen, en hij zich betoont als uw genegen zoon, gij mij dan nooit meer van deze zaken spreken en uw erfenisplannen voor altijd opgeven wilt.quot;
âIk beloof het u, mijn, gemaal! Nu, laat ons spoed maken, opdat hij u niet hier ziet. Wees zoo goed en ga hier mijn kabinet binnen. Wij laten de portière vallen. Zoo! Wij rollen dezen leunstoel er dicht bij. Ge kunt nu alles hooi en, wat wij spreken, want ik zal mij hier op den divan dicht bij de deur nederzetten, en gij zult door deze reet der portière ook alles kunnen zien. De stoel staat gereed. Ik verzoek u, dat het u moge behagen er plaats te nemen.quot;
âIk zal u gehoorzamen, Dorothea, en moogt ge hieraan mijne liefde erkennen,quot; zei de keurvorst, terwijl hij zich op den fauteuil in het kabinet achter de portière nederzette. âWaarlijk, het is voor 'teerst van mijn leven, dat ik mij tot luisteraar verneder.quot;
âGe zult niet uwe schande, maar de schande uwer go-
Mühlbaoh, De groole Keurvorst en zijn tijd. VI. 14
2i0
maliii vernemen! Vaarwel mijn Friedrich. Laat mij de portiere dicht schuiven, opdat de keurprins u niet ziet, en heb de genade u niet te verroeren, opdat de gordijn zich niet hewege! Want hij is sluw, onze zoon Friedrich, en als hij vermoedde, dat ge hier waart, zou hij stellig den liefliehhen-den teederen zoon spelen, Stil, hij komt!quot;
Dorothea verwijderde zich schielijk van de portière en nam plaats op den divan, die er dicht bij stond en waarnaast een leunstoel was geplaatst.
Zoodra de keurvorstin had plaats genomen, werd de deur geopend en de kamerdame diende aan: âZijn doorluchtigheid, de keurprins Friedrich!quot;
De keurvorstin richtte zich een weinig op en groette den binnenkomenden keurprins vriendelijk.
âKom hier, mijn lieve zoon,quot; riep zij hem toe. âZet _u hier aan mijne zijde, en laat mij het genoegen van uw zeldzaam bezoek recht behagelijk genieten.quot;
De keurprins beantwoordde deze vriendelijke begroeting slechts met een korte buiging, en begaf zich met somber gelaat dichter naar de keurvorstin, die zien weer in den divan had nedergelaten.
âNeem plaats, mijn lieve zoon,quot; zeide zij.
De keurprins zag met bevreemding in 't rond; vervolgens vroeg hij verwonderd; âSpreekt ge tot mij, doorluchtigheid'?quot;
âTwijfelt ge daaraan?quot;
âJa, zeker.quot;
âWaarom ?quot;
âOmdat ge tot uw lieven zoon spraakt.quot;
âIk bedoelde u, Frits, ik verzocht u, hier naast mij op den leunstoel plaats te nemen.quot;
âVergun mij te staan,quot; antwoordde de keurprins, terwijl hij even boog en zijn arm een weinig op de leuning van den tauteuil liet rusten.
De keurvorst kon uit zijne schuilplaats recht in't gelaat van zijn zoon zien, en hij fluisterde zacht voor zich: âDorothea heeft gelijk, hij haat baar!quot;
âMevrouw de keurvorstin,quot; zei de keurprins met harde, ruwe stem, âik ben hier gekomen om u te melden, dat mijne gemalin mij heden een zoon en erfgenaam heeft geschonken.quot;
âIk heb deze heugelijke tijding reeds ontvangen,quot; glimlachte de keurvorstin, âmaar ik dank u, mijn veelgeliefde
211
zoon, dat ge zoo oplettend zijt ze mij persoonlijk te willen berichten.quot;
â't Is nu toch geheurd,quot; ging de keurprins voort, âwat ge zoo lang gevreest hebt, en waarom mijn eerste dierbare gemalin Louise Henriette heeft moeten sterven!quot;
âIk begrijp u niet, mijn lieve zoon,quot; zei Dorothea verwonderd. âWat heb ik gevreesd en waarom is uwe eerste gemalin gestorven?quot;
âMevrouw de keurvorstin,quot; riep Friedrich, âik verzoek u, mij niet uw âlieven zoonquot; te noemen. Wij zijn alleen, en het is volstrekt niet noodig uw basiliskusblik te verzachten en teederheid in plaats van verwenschingen te lal«n hooren. Wij staan weer in 't strijdperk tegenover elkander en doen weer een uitval. Als men duelleert, zegt men elkander gewoonlijk geene toederheden.quot;
âMijn lieve zoon.quot; antwoordde Dorothea zacht, âge geeft mij kennis, dat ge met mij duelleert, en 't schijnt, dat ge zeer scherpe wapens wilt gebruiken. Ik zal mij echter verdedigen met de liefde, welke ik u toedraag, Want ik zeg u, zoo ik in vorige dagen soms verstoord op u was, al mijn toorn en onwil zijn voor altijd verdwenen sinds den dag, toen u zulk eene groote ramp wedervoer en uwe schoone, beminnenswaardige gemalin, mijne lieve dochter Henriette, ons zoo plotseling ontrukt werd. Het was voor mij een harde, treurige dag.quot;
âDat geloof ik wel,quot; zei de keurprins met bitteren spot op zijn gelaat en in zijne stem. âDe dag moest voor u in-derdaad wel treurig zijn, want hij bracht u een verijdelde hoop en vernietigde een gedeelte uwer plannen.quot;
âIk begrijp u niet, mijn lieve zoon; wil zoo goed zijn mij dit nader te verklaren!quot;
âGij hadt gehoopt,quot; ging de keurprins met snijdenden hoon voort, âdat op dien dag niet alleen de keurprinses zou sterven, maar ook uw lieve zoon, de keurprins Friedrich. Wij waren u beiden in den weg, en ge wildet ons uit den weg ruimen, dat is zeer eenvoudig. De keurprinses moest sterven vóór zij bevallen was, want haar kind kon een zoon, een erfgenaam zijn; ik was in uwe oogen eene levende, wandelende misdaad, want ik was de keurprins. Als men mij uit den weg ruimde, dan bleef nog slechts mijn broeder Ludwig, een zwakke knaap, die nog niet eens alle
412
kinderziekten heeft gehad, en derhalve zeer licht aan pokken of roodvonk, gelijk mijne gemalin, of aan eene of andere huidziekte sterven kon.quot;4
âFriedrich,quot; riep de keurvorstin ontsteld, âik begin u te begrijpen, en mijn hart huivert van ontzetting!'
âOok het mijne,quot; prevelde de keurvorst, die bleek, met bevende lippen in den leunstoel terugzonk en zijne oogen een minuut sloot, om niet voortdurend het door haat en spotternij verwrongen gelaat van zijn zoon te zien.
âGe begint te begrijpen,'' herhaalde de keurprinshoonend. âGe zijt zoo goed, niet langer comedie met mij te spelen, ómdat ge toch ziet, dat ik alles begrepen heb. Ja, mevrouw de keurvorstin, ik heb het terstond begrepen, toen ge met uw suikerzoete teederheid ons het vergif van uw haat liadt ingegeven, en dat was gelukkig mijne redding! De goede hand mijner vrouw, die u kende, en derhalve wist, waartoe uwe â moederliefde in slaat was, had mii een geneesmiddel gegeven, om er in geval van gevaar gebruik van te maken. Dit geneesmiddel was mijne redding, het doode het vergif in mijne aderen, terwijl het, helaas! bij mijne arme Henriette geene werking meer deed. Vergeef mij, dat ik uw hoop teleurstelde! Gij wildet aan ons duel voor altijd een einde maken, en allen twist en strijd in onze familie wegnomen, en ik heb dit edelmoedig plan verijdeld, ik leef nog altijd! Vergeef het mij!quot;
âIk vergeef u,quot; riep Dorothea smartelijk, âja uit den grond mijner ziel vergeef ik u. Ik zie, ge lijdt nog altijd aan uw idee fixe. De droefheid om uw geliefde doode heeft u krankzinnig gemaakt! Ik vergeef u, want ge zijt buiten verantwoordelijkheid, en de koortsdroomen van een zieke kunnen mij niet beleedigen !''
âGe vergist u, mevrouw,quot; zei de keurprins bedaard, ik ben niet krankzinnig, en ik geef u verlof u door mijne woorden beledigd te gevoelen. Ik zeg de waarheid, ge weet dat wel, en de waarheid is; Ge hebt mijne gemalin vergiftigd en ik ben slechts door een gelukkig toeval den dood ontkomen!quot;
âRampzalige,'' riep Dorothea âge waagt het mij te beschuldigen! mij, de keurvorstin, de gemalin van uw vader? De moeder uwer broeders beschuldigt ge van moord ? Ge noemt mij eene moordenares?quot;
213
âIk noem u zooals de geheele stad, hetgeheele land, ja, geheel Duitschland u noemt. Ga als een onbekende verkleed op de straat' en vraag de menschen, wat zij van de keurvorstin Dorothea denken, en zij zullen n antwoorden : Zij is een gifmengster! Zij heeft den keurprins Erail, zij heeft de keurprinses Henriette gedood, zij is een gifmengster!quot;
âZwijg, ik beveel u, zwijg,quot; riep de keurvorstin, die gezien had, dat de portière zich bewoog, en vermoedde, dat de keurvorst voornemens was te voorschijn te komen. âUwe woorden verscheuren mij het hart, en ik kon in mijn gerechten toorn ten laatste vergeten, dat gij toegevendheid behoeft, en het de zoon is, die zijn moeder beschuldigt. Zoo ge niet krankzinnig zijt, zoo het geen idéé fixe is, dat u beheerscht, waarom hebt ge mij dan niet aangeklaagd? Waarom komt ge mij hier beschuldigen, nu wij alleen zijn en niemand ons hoort? Waarom gaat ge niet naar uw vader, om mij bij-Jiem aan te klagen als moordenares?quot;
âOmdat het mij aan dadelijke bewijzen ontbreekt, omdat niemand den moed heeft legen de alvermogende keurvorstin te getuigen, en de keurvorst niemand gelooven zou, die u, zijne aangebedene gemalin, van zoo'n verschrikkelijke misdaad beschuldigde. Daarom alleen heb ik u niet aangeklaagd, maar laat het aan God over de misdadige te straffen en aan de moordenares vergelding uit te oefenen. Luister mevrouw de keurvorstin, waarom ik hier ben gekomen, en let goed op elk mijner woorden, want zij gelden niet alleen ons, maar ook uw zoon, uw geliefden ^oudsten zoon Philip Wilhelm, den keurprins uwer keuze' Wilt ge dus naar mij hooren?''
âJa, om den wille van min zoon. Spreek!quot;
âIk ben gekomen, om u kennis te geven, dat mevrouw mijne gemalin mij een zoon, een erfgenaam geschonken heeft. Zoo uw Philip nu mijn plaats zou innemen, moet ge thans niet alleen mij en mijn broeder, maar ook mijn zoon uit den weg ruimen. Ik weet wel, dat ge een sterke geest zijt, en dat uw geweten als het vat der Dana'iden is â er valt alles doorheen. Maar hoor! De moordenaar sluipt van dit uur achter uw eigen zoon, en het kwaad, dat gij doet, zal aan uw zoon worden vergolden. De arme keurprins, dien ge veracht, dien ge een mismaakte noemt*
214
dien ge hebt uitgelachen, toen hij op zijn knieën voor u lag, de arme gehoonde, met spottend medelijden aangeziene keurprins bezit toch iets, wat gij, mevrouw, trots uwe macht, niet bezit â hij bezit vier vrienden, vier dappere, trouwe, moedige harten, wier edele, groote zielen de misdaad verfoeien en ze zullen bestrijden. Deze vrienden hebben heden nacht, in 't zelfde uur, dat mijn zoon werd geboren, met een heiligen eed gezworen, dat zij de wachters van mijn huis en van mijn gezin willen zijn en zich beschouwen als de wrekers, die God voor u op aarde heeft gezonden, om al het kwaad, dat gij aan mijne gemalin of aan mijne kinderen doet, te straflfen en te vergelden, niet aan u, neen, keurvorstin, â maar aan uw zoon, aan Philip!quot;
âAan Philip?quot; riep Dorothea; wilt ge hem vermoorden?quot;
.,Slechts als gij moordt; ja, dan zullen deze vrienden u straffen en wraak nemen. Bedenk u wel, mevrouw, want ik zeg u, het eerste sterfgeval in mijn gezin zal gewroken worden aan uw zoon! Belieft het u, ttü of mijne gemalin op een feest te noodigen, wij zullen ^Rnen, wees er zeker van. Maar zoo wij aan de gevolgen van dit feest mochten sterven, of zoo onze zoon aan eene of andere â huidziekte sterven mocht, dan zijn er vier beraden mannen, die als strenge rechters zullen optreden om in de eerste plaats uw Philip, vervolgens uwe andere geliefde zonen te laten ontgelden, wat hun moeder misdaan heeft. Geloof mij, niet gij alleen bezit de kunst op suikerzoete wijze te moorden zonder wapens en zonder bloed te storten. Uw zoon Philip zal dat ondervinden zoodra een plotselinge dood mij, mijne gemalin, of mijn zoon wegneemt. Uw lieve Philip zal ook dan zijn levensweg ten einde zijn, hij zal nooit, den keurvorstelijken troon beklimmen.quot;
âGe zijt een monster!quot; riep de keurvorstin verschrikt.
âIk ben uw âlieve zoon,quot; zei de keurprins met eene lichte buiging, terwijl hij achteruittrad. âGe weet nu alles mevrouw, ik heb niets meer te zeggen. Wij hebben heden, dunkt mij, weder een kleinen uitval gedaan, en ditmaal hebt ge een kleine schram gekregen. Laat het u tot waarschuwing dienen en weet wel: Slechts met den dood van een van ons beiden eindigt ons duel! Bid, dat een van ons âbeiden sterft, en ons duel eindige voor dat de keurvorst, uw gehoorzame vazal, gestorven is. Want, wee
215
u, als wij beiden den keurvorst overleven; dan zult gij het zijn, die het duel verliest en door mij, den keurvorst Frie-drich, in 'tstof worden getreden.quot;
Hij keerde zich om zonder groet, liep de kamer door, opende luidruchtig de deur en ging heen.
Nauwelijks was de deur achter hem gesloten, of de portière van het kabinet werd geopend en de keurvorst kwam bleek, met wankelenden tred binnen. Zijne gemalin was voor den divan op den grond neergezonken en met krampachtig snikken zonder woord of klacht hief zij hare armen ten hemel.
âSta, op, Dorothea, zei de keurvorst plechtig. âDroog uwe tranen, arme, mishandelde vrouw. Wij hebben beiden een vreeselijk uur doorleefd en veel geleden. Nu weet ik, wat gij doorstaan hebt en ik bid u om vergeving, zoo ik soms meende, dat gij mijn zoon onrechtvaardig beschuldigde. Ik weet het nu beter; hij is uw vijand, een slechte, boosaardige vijand, en het is mijn plicht, u en mijne zonen, zooveel ik vermag, tegen hem te beschermen. Ik zal aan uw verlangen voldoen. Uwe zonen zullen niet de vazallen van den toekomstigen keurvorst zijn; ik zal ze tot onafhankelijke, regeerende vorsten benoemen, en opdat deze dag voor u niet altijd eene vreeselijke herinnering zij, zal ik terstond met eigen hand een testament schrijven, waarin ik mijn verworven landen onder mijne zonen verdeel, en ieder hunner tot een onafhankelijk, zelf-regeerend vorst maak.quot; 1)
Dorothea slaakte een vreugdekreet, en zich snel van haar knieën oprichtende, sloeg zij in hartstochtelijke verrukking hare armen om den hals van den keurvorst, legde haar hoofd aan zijne borst en brak in tranen uit. Nu waren 't vreugdetranen.
1
Dit testament, waarbij de keurvorst zijne zonen op de boven door de keurvorstin opgegeven wijze tot regeerende vorsten benoemt, is van H Januari 168H.
'216
X.
DE DOOD.
De keurvorstin had haar doel bereikt. Al haar wenschen waren bevredigd. Haar zonen zouden, zoodra de keurvorst de oogen sloot, zelfstandige, regeerende vorsten zijn, geen onderdanen van den toekomstigen keurvorst! Mocht Fiie-drich nu keurvorst worden! Zij gunde hem lt;ie keurvorste-lijke kroon, want ook haar Philip zou een kroon dragen, zou de regeerende vorst van Halberstadt worden, en vor stenkronen zouden ook op de hoofden van haar andere zonen prijken!
Het was nog een geheim, niemand wist er van, dan de keizer van Duitschland en de gezant zijner keizerlijke majesteit, de heer von Freydag. Eigenhandig had de keurvorst het testament tweemaal geschreven. Het eene, met zijn groot staatszegel bekrachtigd,had hij aan zijnegemalin terbewaring gegeven. Het andere was voor den keizer van Duitschland bestemd, en door den heer von Freydag had de keurvorst op vertrouwelijke en geheime wijze het verzoek gedaan, dat keizer Leopoldus de genade mocht hebben den waarborg van het testament op zich te nemen en de uitvoerder vanzijn laat-sten wil te zijn. De keizer liet door den heer von Freydag de verzekering geven, dat hij den wensch van den keurvorstver-vullen en de stipte uitvoering van het testament waarborgen wilde, mits de keurvorst een voorwaarde wilde toeslaan, die de keizer voor de vervulling van den keurvorstelijken wensch stellen moest.
De voorwaarde was; de keurvorst zou voor zich en
217
zijne erfgenamen van zijne aanspraken op de Silezisclie hertogdommen Jagerndorf, Liegnilz, Brieg en Wohlau afstand doen en zich hiervoor- met eene schadeloosstelling elders vergenoegen.
De keurvorst was aanvankelijk verstoord over dezen eisch, hij verklaarde nooit tot zulk oen vernederenden afstand zijner rechtmatige aanspraken te zullen overgaan. Maar â de keurvorstin Dorothea wilde tot eiken prijs hel lot harer kinderen verzekerd en het testament erkend zien! Aan haar bidden, haar vleien, haar toorn en hare tranen gelukte het ook nu wederom den tegenstand van den keurvorst te overwinnen.
De keurvorst deed voor zich en zijne erfgenamen afstand van zijne aanspraken op de Silezische hertogdommen. Hij verkreeg echter als schadeloosstelling voor dezen afstand het bezit van de Schwiebusser Kreis in Silezie. Daarente- % gen waarborgde de keizer de stipte uitvoering van het testament, 'twelk de keurvorst door den heer von Freydag had gezonden en dat te Weenen in het keizerlijke staatsarchief gedeponeerd was geworden. Deze geheele overeenkomst zon echter gedurende het leven van den keurvorst nog geheim blijven, en beide partijen verplichtten zich het geheim te bewaren.
En beide partijen hielden woord. Niemand vernam iels -van dit zonderlinge testament. Slechts een oplettend opmerker, gelijk de keurprins Friedrich, kon raden, dat iets bijzonders gebeurd was, want de keurvorst had een tijdlang zeer vele en lange conferenties met den heer von Freydag; deze was dan plotseling naar Weenen gereisd, even plotseling teruggekomen en had andermaal eene lange conferentie met den keurvorst en ook met de keurvorstin gehad. Daarna was alles bij het oude geble\en, alleen was sinds dien dag het gelaal der keurvorstin opgeruimder, terwijl op 't voorhoofd van den keurvorst bestendig eene schaduw lag. Eene schaduw, die eiken dag donkerder werd en het hoofd van den keurvorst meer drukte, en moede en treurig neerboog.
De keurvorstin was vroolijk en opgewekt, zooals zij in vele jaren niet geweest was. Zij, de anders zoo zuinige en overleggende huisvrouw, was eensklaps geheel veranderd. Zij gaf dagelijks feesten, zij maakte van elke gelegenheid
218
gebruik om hare kinderen en ook de beide vrouwen barer stiefzoons rijke geschenken te geven, zij was verkwistend in bet bewijzen van weldaden aan de armen, gaf groote sommen uit voor de verfraaiing der stad Berlijn, en liet in bet door baar nieuw aangelegde stadsgedeelte, de zoogenaamde Dorotbeastad, belangrijke werken uitvoeren.
Toch bleef de schaduw nog altijd op het voorhoofd van den keurvorst en werd zwaarder en donkerder, toen, nauwelijks een jaar nadat bij het testament had gemaakt, de tweede zijner zoons, de markgraaf Ludwig, nog geen een-en-twintig jaar oud, door een plotselingen dood werd weggerukt.
Wederom had dit plotselinge sterfgeval plaats na een feest, 't welk de keurvorstin in hare vertrekken gegeven had. Juist toen de markgraaf een buitengewoon fraaien chinaasappel at, welken de hofdame mademoiselle de Martin hem bad aangeboden, werd bij door een pioteselinge ongesteldheid overvallen, die reeds na vier-en-twi'ntig uren met zijn dood eindigde!1)
Een jammerkreet ging door geheel Berlijn over den dood van den jongen, beminnenswaardigen,veelbelovendenprins. En wat men bij den dood der keurprinses Henriette slechts zacht bad gezegd, riep men nu luid op alle straten en pleinen uit: âDe keurvorstin heeft den markgraaf Ludwig laten vergiftigen. De keurvorstin is eene gifmengster!quot;
Zelfs op het plein in (le nabijheid van het slot hoorde men dezen vreeselijken kreet, hij verhief zich op menigen avond met bonderde stemmen als het builen van den stormwind tegen de rinkelende vensters en het weergalmde in de vertrekken van den keurvorst en de keurvorstin.
Dorothea hoorde het wel, en haar wangen verbleekten soms bij dezen vreeselijken wraakkreet, en baar anders zoo tartende oogen vulden zich mot tranen.
Martin zag dit; zij nam de kille handen van haar lieveling, drukte ze aan bare lippen en legde vleiend met teedere woorden haar arm om den hals der keurvorstin. â Van buiten onder baar vensters klonken nog altijd de vreeselijke kreten.
1) Zie: Pollnitz, Memoires T, 191). â Kiioig, Schililerung von Berlin 11, 243.
219
Dorothea liet haar hoofd mat en gebroken op den schouder harer vriendin zinken. âZij beschuldigen mij, en ik ben toch onschuldig aan zijn dood,quot; zuchtte zij onder tranen. âIk haatte hem immers niet, waarom zou ik hem toch vermoord hebben! Maar wat zou het mij baten mij te verdedigen en mijne onschuld te bewijzen! Zij zouden mij toch niet gelooven! Zij willen immers, dat ik schuldig, dat ik eene misdadigster ben !quot;
âZwijg en veracht!quot; mompelde Martin. âTroost u met uwe onschuld, Dorothea, en stoor u niet aan hen! De markgraaf Ludwig is dood, en als het rouwjaar voorbij is, zal zijne schoone, rijke weduwe, als God wil, met onzen lieveling, met onzen dierbaren Philip huwen, en al de fraaie Poolsche goederen der vorstin Radziwill zullen de huwelijksgift zijn, die zij onzen Philip brengt.quot; a
Dorothea richtte 't hoofd haastig weer op en aanschouwde verbaasd haar vriendin. âGe gelooft dus, dat Philip haar bemint!quot;
âIk weet het zeer zeker,quot; zei Martin zacht; âPhilipbemint zijne fraaie schoonzuster hartstochtelijk, hij was wanhopend, want sedert eenigen lijd was de markgraaf Ludwig gloeiend op zijne gemalin verliefd en dong naar haar gunst. Ja, onze Philip bemint de markgravin Ludwig hartstochtelijk, ik weet dit zeer nauwkeurig, want ik was de vertrouwde zijner liefde en ijverzucht. Welnu, thans behoeft hij niet meer jaloer^eh te zijn. de markgraaf Ludwig is dood, en onze schoone Philip kan nu met de weduwe trouwen.quot;
Dorothea staarde bleek en sprakeloos in het triumfeerend gelaat van Martin en ontmoette met een langen, vragenden blik hare donkere fonkelende oogen. Zij las misschien in deze oogen de beantwoording harer zwijgende vraag, want eene huivering doorliep hare geheele gestalte, en als verschrikt van 't geen zij gezien had, sloeg zij de handen voor het aangezicht. â
Ook de keurvorst hoorde dit vreeselijk schreeuwen en tieren onder zijn venster, maar zeide niets. Hij omhulde slechts vol droefheid zijn hoofd, opdat niemand, ook Dorothea niet, de tranen mocht zien, die langzaam over zijne wangen rolden.
Deze tranen hadden zijn Dorothea als eene beschuldiging
220
kunnen voorkomen. Hij wilde haar niet beschuldigen, hij geloofde aan haar, hij wist, dat men de keurvorstin lasterde, dat zij niet in staat was tot de misdaden, waarvan men haar beschuldigde. Zij had zich altijd voor hem als een trouwe, teedere gade betoond, zij was de geliefde van zijn hart, geen schaduw der minste verdenking verduisterde haar helder en'edel beeld.
Nog goediger en zachter was hij voor haar dan anders: door teedere oplettendheid, door vriendelijke vervulling van al hare wenschen zocht hij haar schadeloos te stellen voor wat de boosheid en de laster der wereld haar toevoegde, en om haar niet te verontrusten, of voor den tijd te beangstigen, onderdrukte hij de smarten van zijn lichaam en geest, die hem kwelden, verbood zelfs zijne artsen haar te zeggen, hoe ziek hij was.
Hij was ziek, doodziek, hij gevoelde, dat zijn einde naderde! Sinds den dag, dat de markgraaf Ludwig gestorven was, en hij het geroep onder zijne vensters had gehoord, had zijn hart eene ongeneeslijke wonde ontvangen, waaraan het langzaam doodbloedde.
Een jaar had hij nog stil en zonder te klagen zijne smarten gedragen, had hij nog gewerkt als een trouw vorst voor het welzijn van zijn volk, had met helderen blik zijne beschikkingen voor de toekomst gemaakt, maar toen gevoelde hij, dat het ten einde liep, dat hij zijn doel bereikt had en de dood kwam om hem d^piendenhand te reiken en hem te voeren in den eeuwigen vrede.
En de keurvorst was bereid deze vriendenhand aan te nemen, hij verlangde naar vrede, want zijn geheele leven was oorlog en onrust geweest. Hij verlangde te rusten naast zijne Louise en met haar weer vereenigd te worden. Hij zeide het wel niemand, hij toonde aan allen een vroolijk, tevreden gelaat en verdroeg al zijne smarten zonder klagen. Daar de artsen meenden, dat het den keurvorst goed zou doen zoo liij zich met de beginnende lente naar Potsdam begaf en daar zuiverder en betere lucht genoot, voegde hij zich naar hun voorstel en vertrok met zijne gemalin en het hof naar het slot te Potsdam. Op zijn uitdrukkelijk bevel moest Jakob Uhle hern daarheen vergezellen.
âIk wil somwijlen nog uw goed en open gelaat zien,quot; zeide de keurvorst lot hem. âHet herinnert mij aan vei'-
221
ledene tijden, en 't is alsof de zon in mijn hart schijnt, als ik er aan denk. Ik wilde slechts,quot; voegde hij er nadenkend bij, âdat ik nog iets voor u doen kon, waardoor ge u ook mijner in vreugde zoudt kunnen herinneren.quot;
âHeer, dat heb ik gedaan zoolang ik in de wereld ben, en zal het doen zoolang ik leef,quot; zei Jakob Uhle. âIk zou niet weten, wat ge voor mij doen kondt, daar ge reeds veel meer hebt gedaan dan ik verdien, en ik ooit aan u en uwe kinderen vergelden kan. Ik heb aan u immers alles te danken, doorluchtigheid, gij hebt den zoon van een bedelaar tot een fatsoenlijk mensch gemaakt, ge hebt dit niet gedaan in trots en hoogheid als een verheven vorst, maar in goedheid en liefde als mensch. Daarom, heer, bemin ik u met geheel mijne ziel!quot;
âIk weet het, Jakob Uhle, en vergeld het u!'t Is nu ook voorbij met alle heerlijkheid, en van onder den puiperen mantel komt thans de mensch, de arme bedelaar te voorschijn; want bedelaars zijn wij allen voor Gods troon, en kronen en lompen vallen bij het sterven af. Zoo vielen de lompen van den armen Klaus, zoo valt de kroon van den armen Friedrich Wilhelm; in stof zinkt alles neder aan den rand van 't graf. Het gaat ten einde, Jakob Uhle, en't kan heden wel het laatst zijn dat wij met elkander spreken, want ik gevoel het, het gaat ten einde!quot;
âAch heer, zeg dat niet!quot; riep Jakob Uhle, âwees niet zoo wreed, daar ge toch anders zulk een goed heer voor uw armen knecht zijt geweest.'t Is, of mij een zwaard door 't hart wordt gestooten, en ik moet weenen; ach heer, noem mij geen lafaard, maar ik zou kunnen sterven van smart en droefheid.quot;
En Jakob Uhle zonk voor den leunstoel, waarin de keurvorst lag, op zijne knieën, omklemde de voeten van zijnen heer en, met het hoofd op zijne knieën geleund, weende hij luid.
âStil, mijn zoon, ween niet zoo luid,quot; zei de keurvorst haastig. âGe kondt mevrouw de keurvorstin wekken. Zij slaapt een weinig in de naaste kamer. Zij heeft den ge-heelen nacht bij mij gewaakt, omdat zij merkte, dat ik dooide pijn niet slapen kon. Daarom heb ik haar verzocht een weinig te rusten, opdat zij kracht verzamele, want er zal voor haar nog veel kracht noodig zijn en er komen voor
22*2
de lieve keurvorstin zeer treurige en kwade dagen. Ik kan ze niet van haar afwenden,quot; zeide hij zacht, als bij zich-zelven. âIk zou zoo gaarne alle verdriet van haar verwijderd houden, en moet haar die toch thans zelf bereiden ! Ach, het sterven zou zoo erg niet zijn, als men niet daclit aan degenen, welke op aarde achterblijven.quot;
âHeer, ge moogt niet sterven,quot; snikte Jakob Uhle, â'tis toch niet mogelijk, dat de wereld voortgaat, dat zon en maan schijnen en de dag komt en gaat, als gij er niet zijt, mijn lieve, goede heer!quot;
âToch zal alles verder gaan,'' zei de keurvorst plechtig. âDe eene dag zal den anderen gelijken, en de zon zal even helder schijnen op mijn graf als zij bij mijn wieg heeft gedaan. Sta op, Jakob Uhle, droog uwe tranen, en zeg mij welke gunst ik u nog lot gedachtenis verleenen kan.quot;
âNu, doorluchtigheid,quot; zei Jakob Uhle, terwijl hij langzaam opstond, âals gij het dan wilt, verzoek ik de genade, dat ik, zoolang gij âquot;
âZoolang ik leef, wilt ge zeggen.''vulde de keurvorst aan, toen Jakob Uhle snikkend zweeg.
âJa,quot; stamelde Jakob Uhle, âzoolang gij leeft, bij u mag zijn, u des nachts bewaken, u dienen, en soms uw hand mag aanraken, en âquot;
Zijne woorden versmoorden in tranen en hij drukte zijne beide vuisten tegen zijne lippen, om zijn luid snikken te onderdrukken.
De keurvorst streek de hand over zijne oogen en een oogenblik was alles stil, want ook op de lippen van den keurvorst waren de woorden bestorven.
âIk bewillig u, wat ge wenscht, Jakob Uhle,quot; zeiFrie-drich Wilhelm na eene pauze zeer zacht, ik dank er u ook voor, dat ge dit gevraagd hebt, want uwe liefde doet mijn hart goed; en, als ge na mijn dood naar Berlijn gaat, en naar de witte zaal om het afbeeldsel van mijai hartelijk geliefde vrouw, den groet te brengen, gelijk ik u gezegd heb, denk dan, dat ik in den hemel uwe moedor ook een groet breng, een groet van haar zoon. Niet waar, ik mag haar zeggen, dat ik voor haar Rafaël een goed vriend ben geweest ?quot;
âEen vader, heer, een vriend, een weldoener, mijn ge-heele levensgeluk ! Het sterft, als gij sterft. Zeg dat mijne
223
moeder, heer, en groet ook den armen man, voor wien ge u zoo genadig hebt betoond, groet mijn vader van mij!quot;
âHij is geen man meer Rafaël, want hij is bij God, en hij rust in de armen der eeuwige liefde aan't hart zijner vrouw. Zoo zal ik ook rusten, en als de menschen zullen zeggen; âDe keurvorst is gestorven! zeg gij dan: âDe keurvorst is op gestaan! Uit het stof is hij op gestegen in het eeuwige leven!quot; Geef mij nu uw hand! Wij zullen niet meer alleen zijn, mijn zoon! Laat ons afscheid nemen! Vaarwel, Rafaël, denk aan mij!quot;
âVaarwel, heer, zoolang ik leef, zal ik aan u denken!quot;
âRafaël, ge ziet misschien niet dat mijn hoofd zwaar is, en steun behoeft. Kom, dichter bij mij, opdat mijn hoofd een oogenblik aan uw borst kan rusten!quot;
âAch, mijn goede, mijn lieve heer,quot; snikte Jakob Ulhe, terwijl hij voor den keurvorst nederviel en zijne armen om diens hals sloeg.
Friodrich Wilhelm boog zijn hoofd op den schouder van zijn getrouwe, liet het er een oogenblik rusten en sloot de oogen. Toen richtte hij zich' op en drukte een kus op 't voorhoofd van den knielenden, zacht fluisterend: âDeze kus zendt u uwe moeder!quot;
âEn nu, Jakob Uhle,quot; zeide hij vervolgens luid, âbegint uw dienst; ik zeg u echter, ze zal niet lang meer duren. Vóór drie dagen verloopen, zal ik verlost zijn! Wij zijn in 't laatst van April, ik zal het begin van Mei niet meer beleven. Begin uw dienst! Roep de lakeien en help hen mij op mijn rolstoel naar de raadzaal te brengen, want de heeren zullen er reeds wachten. Zorg alles zeer stil te doen, opdat mevrouw de keurvorstin niet ontwake. Zij heeft rust noodig.quot;
In de raadzaal aangekomen, groette de keurvorst de daar verzamelde geheimraden met een vriendelijken lach en reikte den keur prins de hand. Toen straalde 't nog eens op in zijne oogen, zij n sterke geest overwon nog eens de smarten der ziekte en de zwakheid des doods. Men luide, plechtige woorden nam hij afscheid van zijn raadsheeren en dienaren, en legde de regeering in de handen van zijn zoon neder.
Snikken en weenen begeleidden zijn kalm gesprokene, edele woorden; over do wangen der ernstige, door menigen slag van het noodlot verharde mannen, roldentranen en hun
224
afscheidswoorden voor hun geliefden heer stierven weg in gesnik.
Ook de keurprins was diep bewogen, en toen Friedrich Wilhelm, afgemat van 't spreken, zich naar zijne kamer liet terugdragen, begeleidde hem de keurprins, en voor zijn vader op de knieën nedervallende, bad hij snikkend om vergeving.
De keurvorst boog zich tot hem en drukte een kus op zijn voorhoofd. âDeze kus zij u liet zegel mijner liefde en de zegen van mijn vaderhart,quot; zeide hij plechtig. âDenk er aan in de groote oogenblikken uvvs levens, en verdien hem, mijn zoon, door liefde en grootmoedigheid! Ik wil u thans nog een gedachtenis aan dit uur onzer scheiding geven! Als ik niet meer ben, zult ge begrijpen, wat het beteekent, en als ge mijn afbeeldsel er op met liefde beschouwt, beschouw het andere dan met grootmoedigheid. Neem het, mijn zoon, en bewaar het goed als een zichtbaar teeken van den laatsten wil uws vaders, die u zijn troon, zijn land en zijn roem als erfdeel nalaat.quot;
En hij reikte den keurprins een étui, dat naast hem op de tafel stond. De keurprins opende het schielijk. Het bevatte de groote gouden medaille, ter waarde van vijfhonderd dukaten, welke de keurvorst in de jare 1668 bij zijn huwelijk met de keurvorstin Dorothea had laten slaan, en op wier eene zijde zich het portret van den keurvorst, op de andere het portret der keurvorstin Dorothea bevond ').
Lang be.'chouwde de keurprins dit portret, toen sloeg hij langzaam de oogen op tot zijn vader; hun blikken waren lang op elkander gevestigd. Eindelijk scheen het of de keurvorst weer wilde spreken tot mijn zoon, hij had reeds de lippen geopend, â maar toen schudde hij zacht het hoofd, zuchtte zwaar en liet zijn hoofd in't kussen terugzinken.
âU, o God,quot; fluisterde hij zacht, âbehoort de toekomst! Handel naar uwen wil!quot;'
De deur werd zacht geopend en de keurvorstin trad binnen, gevolgd dooi' de zonen en dochters van den keurvorst, die met moeite hun snikken onderdrukten en
ij Oelrich's Knrbrandenburgisclies Medaillencabinet. 60.
225
met door tranen verduisterde oogen den keurvorst aanstaarden, wiens gelaat reeds geteekend was door den vinger des doods.
Hij groette allen met een vriendelijken glimlach en had voor ieder een teeder woord, een afscheidszegen.
âZegen ook mij, mijn Friedrich, ach, zegen ook mij,quot; riep de keurvorstin, voor hem nederzinkende en haar arm om zijn lichaam slaande. âAch, mijn gemaal, hoe wreed is de dood en hoe vreeselijk, hoe smartelijk zal mij het leven zijn zonder u! Hoe zal ik 't verdragen, als ge niet meer aan mijne zijde zijt, als ik u niet meer zie, gij, die het licht mijns levens waart, 't Zal nacht om mij zijn, een donkere afgrijselijke nacht!quot;
En zij klemde zich aan hem, als wilde zij met haar sterke liefde hem aan den dood ontscheuren. Maar de keurvorst schudde zacht het hoofd.
âHet is tijd, dat ik heenga,quot; zeide hij zacht. âHet uur dei-scheiding is voor ons gekomen, Dorothea, en ik dank God dat ik het ben, die heengaat. Ik gevoel, dat ik genoeg geleefd heb. God, die mij de ziel heeft gegeven, roept ze thans tot zich terug. Veel schoons en grootsch heeft Hij mij verleend in Zijne genade. Ik erken dit met een dankbaar hart en beu bereid, naar Zijn wil, dit sterfelijke leven te besluiten. Ik ga, Dorothea, en zal niet wederkeeren, maar op den grooten dag der eeuwigheid zullen wij weder vereenigd worden. Troost u hiermede en denk aan mij!quot;
âWij zullen spoedig weder vereenigd zijn,quot; snikte de keurvorstin, ,.ga heen, Friedrich Wilhelm, en verwacht mij daar boven! Ik kom spoedig tot' u ! âquot;
Zwaar was de doodstrijd van Friedrich Wilhelm. Hij leed vreeselijke folteringen, 1) de benauwdheden werden steeds heviger en langduriger. Maar standvastig, zooals d§ held het was geweest op het slagveld, was hij 't ook op het sterfbed. Geen klacht kwam over zijne lippen en als de pijnen waren verminderd, hervatte hij bedaard het gesprek met de beide geestelijken, Cochius en Brunsenius, bad met hen of luisterde met aandacht naar de verklaring van sommige door hem opgegevene bijbelplaatsen. â Somwijlen lag hij geheele
1
De keurvorst leed aan het water in de borst.
Kühltaoh, De groote Keurvorst en zijn tijd, VI. 15
'ÃO
uren met gesloten oogen en zalige droomen schenen hem te omzweven, want zijn aangezicht was dan schitterend en uitroepen van vreugde en verrukking klonken van zijne lippen.
Eens boog Jakob Uhie, die altijd achter zij n leunstoel stond, en den zieke met teedere zorg de laatste kleine diensten bewees, zich tot den keurvorst en berichtte hem, dat de officier der lijfwacht was gekomen om h(!t parool voorden volgenden dag te ontvangen. De keurvorst sloeg langzaam de oogen op en zag rond, als uit zalige droomen ontwakende.
âAmsterdam,quot; zei hij zacht en glimlachend en het scheen of dit woord eene voortzetting van zijn droom was. Amsterdam! Het vaderland zijner Louise, tot wie hij wilde ingaan in het eeuwige vaderland.
Amsterdam! Dit bevel voor het wachtwoord was de laatste regeeringsdaad van den keurvorst.
Thans was er nog maar een arm, zwak menschenkind, een âbedelaar voor God,quot; zooals hij zich zeiven noemde. Een arm, zwak menschenkind, dat sterk was in het lijden, in zijn leven en sterven een held.
Slechts eens zuchtte hij: âAch, waarom wil toch mijn hart niet breken, waarom is de dood zoo hard!quot;
Toen, na eene korte poos, was het of zijn aangezicht straalde van hooger licht. Hij hief zich een weinig op in zijn leunstoel, breidde de armen ten hemel en riep met luide slem: â't Is gedaan! Ik gevoel, dat mijne ziel zich bevrijdt!quot; ')
De armen zonken neder en zijn lichaam viel terug in den stoel.
Het was gedaan! De ziel had zich bevrijd!
Op den negen en twintigsten April van 't jaar 1688 was de groote keurvorst Fried rich Wilhelm ingegaan in den eeuwigen vrede!
1) De laatste woorden van den keurvorst. Zie v. Orlich, 560.
XI.
DE VERGELDING.
Voorbij! Alles voorbij! Uit de zalen van zijn slot was de keurvorst Fried rich Wilhelm verdwenen en nedergelaten in het graf zijner voorvaderen. Het was een stille nachtelijke begrafenis geweest, maar de keurvorst had zich voorgenomen, om zoodra de noodzakelijke toebereidselen gereed waren, met vorstelijke praal het lijk van den grooten man in den dom te Potsdam te laten bijzetten.
Met hof was terstond naar Berlijn teruggekeerd en reeds den volgenden dag verzamelde de jonge keurvorst zijn geheimraden in de raadkamer, om in hun bijzijn het testament van zijn vader, dat in het familie archief gevonden was, te openen.
Ook de keurvorstin Dorothea en al de prinsen en prinsessen van het keurvorstelijk huis waren bij deze plechtige vergadering tegenwoordig; er waren ook de oude DerfHin-ger en Otto von Schwerin, de veldmaarschalk von Schom-berg en al de getrouwen, die in de veldslagen en in den geheimraad den grooten keurvorst Ier zijde hadden gestaan.
Somber en treurig waren allen, slechts 't gelaat der keurvorstin Dorothea had eene zonderlinge, triumfeerende uitdrukking, en 't gelaat van den jongen keurvorst vertoonde een ernstige, koele beradenheid.
âIk beveel den kanselier Somnitz,quot; zeide hij, terwijl hij zich een oogenblik van den leunstoel oprichtte, âhet testament van mijn heer vader, dat uit het archief van ons huis, verzegeld en wel bewaard, door hem in 't bijzijn mijner ministers is genomen, te openen en te lezen. Hij doe
2'28
vooraf de ronde door de zaal en biede het aan ieder der aanwezenden aan, opdat ieder zich overtuige, dat het zegel onbeschadigd is.quot;
De kanselier Somnitz deed gelijk hem bevolen was en reikte 't eerst op een gouden bord het verzegelde groote couvert aan de keurvorstin-weduwe, die naast den keurvorst was gezeten. Zij onderzocht met scherpen blik het zegel en las toen halfluid het opschrift; âAan mijn opvolger. Na mijn dood hem te overhandigen.quot;
âHet is het schrift van den keurvorst, van mijn zaligen gemaal,quot; zeide zij zacht het hoofd buigende. âHet is zijn groote handzegel, onbeschadigd en niet gebroken!quot;
Maar de triumfeerende uitdrukking stond nog altijd op haar gelaat en dat van den keurvorst was nog somberder en tartender geworden. Toen het testament de ronde had gedaan, nam de keurvorst het, brak het zegel, sloeg het papier open en reikte het den kanselier Somnitz om het aan alle aanwezigen voor te lezen.
't Was een eenvoudig testament, van korten doch ge-wichtigen inhoud. âIk vermaak mijn erfgenaam en opvolger, wat ik geërfd heb van mijne voorgangers,quot; dit was het slot van het testament. âIk laat hem ook na, wat ik gedurende mijne regeering door erfenis, verdragen of krijgs-veroveringen verworven heb en nog verwerven mag. Naar de familie-overeenkomsten van ons huis mag de keurvorstelijk Brandenburgsche linie slechts één regent, den regeerenden keurvorst, hebben, en wel over al de keurvorstendommen, hertogdommen, vorstendommen en landen, zooals die van 1473 en 1603 af aan de keurvorstelijke linie toekomen, ten deel zijn gevallen en in de toekomst nog ten deel zullen vallen. Ook bepalen deze familie-overeenkomsten de apanage der markgraven, broeders van den regeerenden keurvorst, en zullen deze bekomen; uit de Marksche landen ieder zes duizend thaler, evenveel uit de Kleefsche landen, en uit 'Pruisen ieder tweeduizend vijfhonderd thaler. Wat de jongere broeders meer ontvangen is eene zaak van de genade en liefde huns broeders, den regeerenden keurvorst, en aan zijne grootmoedigheid beveel ik hen.quot;
Toen het testament voorgelezen was, reikte de kanselier Somnits het den keurvorst Friedrich, die 't van hem aannam en, het hoog in zijne hand opheffend, met luide stem
229
riep; âIk zal dit testament uitvoeren en doen naar den wil van mijn dierbaren vader. Als erfgenaam van den zaligen keurvorst aanvaard ik thans de regeering over al ziine landen!quot;
âIk protesteer hiertegen,quot; riep de keurvorstin Dorothea, zich van haar stoel oprichtende en hare zonen een teeken gevende.
Ook deze stonden van hunne zitplaatsen op en riepen luid: âWij protesteeren tegen dit testament!quot;
De keurvorst Friedrich sprong van zijn leunstoel op en zijn oogen flikkerden van toorn. âMevrouw de keurvorstin,quot; riep hij heftig, âgij wilt het duel dus nog altijd niet opgeven. Ik heb u gewaarschuwd en ge waagt het toch u tegen mij te verzetten en verleidt er zelfs uwe zonen toe? Gij wilt protesteex-en. Met welk recht?quot;
âMet het recht, dat dit testament mij geeft,quot; zei Dorothea plechtig, terwijl zij uit den zak van haar kleed een groot verzegeld papier nam. âHet is het testament van uw vader, van den keurvorst Friedrich Wilhelm, gezegender gedachtenis.quot;
âIk heb het testament van mijn vader hier in mijne hand,quot; riep de keurvorst.
âVan welk jaar is uw testament?quot; vroeg Dorothea trotsch.
âVan 'tiaar 1(367, geschreven door de eigen hand van den keurvorst.quot;
âHet is ongeldig! Dit testament is van't jaar 1086, eigenhandig door den keurvorst geschreven. Het maakt het vorige van onwaarde. De keurvorst heeft het mij overhandigd en mij bevólen, dat ik na zijn dood, ais gij de regeering aanvaarden wildet, het u in eene plechtige vergadering zou ter hand stellen. Mijnheer de kanselier Somnitz, ik gebied u, neem dit testament, laat het vooraf aan al de aanwe-zenden zien, opdat zij het zegel en het hiindschrift onderzoeken, open het dan en lees het voor.quot;
âHier heeft niemand te gebieden dan ik alleen,quot; riep de keurvorst heftig. âIk ben de regeerende keurvorst, en ik alleen zal mijnen dienaren bevelen geven. Somnitz, geef mij het geschrift! Ik zelf wil het openen!quot;
Hij nam het papier, dat de kanselier hem overhandigde en beschouwde het opschrift, â't Is het handschrift van mijn heer vader,quot; zeide hij, âen het zegel is ongeschonden. Ik
Mühlbach, Be groote Keurvorst m zijn tijd. VF. 15*
230
verbreek het nu en open het papier, krachtens de macht, welke den regeerenden keurvorst van Brandenburg toekomt. En nu, kanselier, lees ons den inhoud voor!quot;
Met luide plechtige stem las de kanselier dit testament, 't welk al de jongere zonen van den keurvorst Friedrich Wilhelm en de keurvorstin Dorothea tot regeerende vorsten maakte, terwijl het aan ieder dezer zonen een gedeelte des lands tot zelfstandig vorstendom toewees, den markgraaf Philip Wilhelm het vorstendom Halberstadt, Rhamstein en Hohenstein, en uitdrukkelijk bepaalde, dat de markgraaf Philip op rijks- en kreitsdagen zitting en stem hebben, op de wereldlijke vorstenbank van den rijksdag plaats nemen en als een regeerend vorst van Halberstadt beschouwd worden zou. Dezelfde bepalingen waren ook vastgesteld voor de jongere zonen, waarvan voor ieder een zelfstandig vorstendom bestemd en aangewezen werd.1)
Toen de kanselier Somnitz met de voorlezing ten einde was ontstond er een diepe stilte. Verbazing, verrassing en schrik teekenden zich op aller gelaat. Slechts dat van den keurvorst was kalm en beraden, en Dorothea's voorkomen verried haar inwendigen triumf.
De keurvorst richtte zich weder langzaam van zijn leunstoel op. âIk vraag mijne heeren ministers,quot; zeide hij, âof zij de voorlezing nauwkeurig en oplettend gevolgd hebben?quot;
âJa,quot; antwoordden allen.
âHebt ge in dit zoogenaamde testament gehoord, dat er in gezegd wordt, dat het vroegere testament van 't jaar 1667 opgeheven en ongeldig verklaard wordt?quot;
âNeen!quot;
De keurvorst ging met luide stem voort: âDewijl dit nu niet het geval is, en in dit testament niet staat, dat het een codicil van het andere, vroegere testament is, maar het slechts als een los geschrift te beschouwen is, daar verder de uitvoering er van de wetten van mijn huis, volgens welke slechts één regent in de Brandenburgsche linie regeeren raag, zouden omverwerpen, verklaar ik hierbij plechtig voor God, voor den geest mijns vaders en voor de hier verzamelde getuigen, dat ik dit geschrift van 'tjaar 1686 niet
1
Pit geheele testament is medegedeeld en te lezen; v. Orlich I. 555.
231
als het testament van mijn vader erken, maar mij slechts
Sehonclen acht aan het testament van 'tjaar 4667, 'twelk oor geene bepaling opgeheven is, en dat mij tot erfgenaam van al de landen en provinciën verklaart, die tot de nalatenschap mijns dierbaren vaders behooren.quot;ehonclen acht aan het testament van 'tjaar 4667, 'twelk oor geene bepaling opgeheven is, en dat mij tot erfgenaam van al de landen en provinciën verklaart, die tot de nalatenschap mijns dierbaren vaders behooren.quot;
âGe wilt dit testament niet erkennen ?quot; riep de keurvorstin Dorothea, bleek van toorn.
âNeen, ik erken het niet!quot;
âGe waagt het den wil van uw vader te verachten?''
âDit testament is niet de wil van mijn vader,quot; riep de keurvorst met een vlammenden, toornigen blik op zijne stiefmoeder. âHet is hem afgetroggeld door vleierij, het bevat niet zijn wil, maar den wil der keurvorstin Dorothea, die haar eigen zonen wil verrijken ten koste van haar stiefzoon, den regeerenden keurvorst. Dit testament is derhalve van geene waarde. Ik erken het niet!quot;
âHoed u, keurvorst, voor zulke trotsche woorden te spreken,quot; riep Dorothea met dreigende stem. âGe moet dit testament erkennen. Er is een hoogere macht, die er u toe dwingen zal, en dat is zijne keizerlijke majesteit te Weenen. Aan keizer Leopoldus heeft mijn gemaal een afschrift van dit testament gezonden en de keizer heeft zich verbonden de uitvoerder van dit testament te zijn. Hem zal ik en mijne zonen ter hulp roepen, zoo ge u niet aan den laatsten wil van uw vader vrijwillig onderwerpt.quot;
âDat zal vruchteloos zijn,quot; antwoordde de keurvorst, met een hoonenden glimlach de keurvorstin aanstarende. âDe keizer zal de uitvoering van dit door u afgedwongen testament niet op zich nemen.''
âWat wilt ge hiermede zeggen?quot;
âIk wil hiermede zeggen, dat ge ditmaal misgerekend hebt, mevrouw. De keizer heelt de genade gehad, mij te berichten, dat gij den heer keurvorst er toe had overgehaald een voor mij nadeelig testament te maken en een zoodanig testament te Weenen gedeponeerd was geworden. De keizer, let wel op, mevrouw, de keizer vereert mij met zijne genade en hij beloofde mij niet op de uitvoering van dit voor mij nadeelig testament aan te dringen, maar mij het bezit van al de landen en provinciën van mijn heer vader te waarborgen, zoo ik bereid was hem wederkeerig een otfer te brengen en van het bezit van den voor Jagerndorf
232
gewaarborgden Schwiebusser Kreits afstand wilde doen.quot;quot;
âHeeft de keizer dat gedaan riep Dorothea ontsteld, âDe keizer heeft den waarborg van het testament op zich genomen, zoo de keurvorst van het bezit der Silezische provinciën afstand deed. Hij heeft den keurvorst hiervoor den Schwiebusser Kreits als schadeloosstelling gegeven !quot;
âDe keizer heeft van mij den Schwiebusser Kreits als offer begeerd voor de niet uitvoering van dat testament, en ik heb dit offer gebracht tot welzijn van mijn land, dat niet verdeeld mag worden, maar een machtig, en, als God wilr een steeds meer aangroeiend geheel moet blijven. Dus kost nu dit testament, 't welk gij, mevrouw, de liefde mijns vaders afdwongt, mij en mijn erfgenamen misschien eene provincie, daar draagt gij de schuld van ! Wee over u f roep ik in naam van mijn huis en van al mijne nakomelingen. Dat is alles wat gij er door bereikt hebt. De keurvorst van Brandenburg verklaart hiermede, dat hij het testament van 1686 niet erkent, dat hij niet bewilligt in de verbrokkeling van zijn land, maar de eenige heer en gebieder blijft over al zijne landen ! Gij hebt het vernomenr mevrouw de keurvorstin, handel er naar! Wat u betreft^ mijn heeren broeders, ik zal elk verder protest van u als hoogverraad beschouwen en het als hoogverraad straffen. Stil, niemand antvvoorde mij, want ik alleen heb hier te spreken en na mij degene, dien ik het vergunnen zal. Het testament van mijn vader, dat ons straks is voorgelezen, verklaart mij tot erfgenaam van al zijne landen. Ik aan-vasrd het en treed in het bezit! De zitting is opgeheven!quot;
De keurvorst stond op, groette vriendelijk naar beide zijden en boog zich toen tot zijne- stiefmoeder.
âMevrouw de keurvorstin,quot; zeide hij zacht, âons duel is geëindigd. Ge zijt overwonnen! Wat uwe daden betreft, ik laat het aan God over u te straffen en aan uw geweten om berouw te betoonen, als ge in de eenzaamheid uw leven overdenkt. Daarvoor zult ge te Grossen gelegenheid hebben. Tk wijs u de stad Crossen aan tot uw verblijf en heb reeds bevel gegeven, dat men alles tot uw vertrek voorbereide, want dit vertrek zal morgen plaats hebben.quot;
De keurvorstin antwoordde niet, zij zat onbewegelijk, met strakke oogen en doodsbleek. Een verstijvende kramp had haar overweldigd. â
233
Als in een kramp des geestes leefde de keurvorstin Dorothea van dezen dag af. Zij sprak zelden en was als gestorven voor hare geheele omgeving, slechts tegen haar vertrouwde, mejuffrouw de Martin, die met haar naar Crossen was gegaan, barstte zij somwijlen in klachten enverwen-schingen uit.
Een jaar na den dood van den keurvorst Friedrich Wilhelm begaf zich de keurvorstin Dorothea met haar hofdame de Martin en een klein gevolg naar Karlsbad, om haar geschokte gezondheid te versterken en ontving zij daar op zekeren dag door een koerier een brief van haar zoon Philip.
Deze brief berichtte der keurvorstin, dat Philip en zijne broeders zich met den keurvorst verstaan en van hun erfeniseischen afstand gedaan hadden.
De keurvorstin slaakte een gillenden kreet, toen zij dit las. De bedienden in de voorkamer, die dien kreet hoorden, scheen het of tegelijk een zwaar voorwerp op den grond viel.
Zij waagden het niet binnen te treden, want mejuffrouw de Martin was bij de keurvorstin, en daar zij niet riep, kon 'tniet van beteekenis zijn.
Een uur later trad een lakei met eene boodschap de kamer der keurvorstin binnen. Een ontzettend schouwspel vertoonde zich aan zijnen blik.
Midden in de kamer lag op den vloer uitgestrekt de keurvorstin en naast haar knielde Martin. Beiden waren bleek en koud.
De verschrikte bediende riep den geneesheer; maar alle hulp was te vergeefs. De keurvorstin Dorothea was dood. Een beroerte had haar getroffen.
Ook Martin was dood. Zij had zich vergiftigd!
INHOUD.
Bladz.
I. De oude Deriïlinger........................3
II. De veldslag van Fehrbellin.............14
III. Een teedere moeder............29
IV. De vrede van St. Germain.........43
V. Huiselijke oneenigheid...........66
VI. De vlucht................96
VII. Trouwe liefde..............106
asj -â-----------
1. Het verhaal...............116
II. De onterving..............127
HL De gestoorde raadsvergadering........137
IV, In de witte zaal.............145
V. De boete................158
VI. Een blad uit de geschiedenis........173
VIL Op het bal...............183
VHL Het poeder...............192
IX. Het Testament.............203
X. De dood................210
XL De vergelding..............227
%
r
|
1 I
â
~ V^-4 â -nK -»r â m -^A
r* r j-v ,' S ⢠.: tV gt; â
«v , gt;⢠v : vi-' ?' .{ i
rX'k y.t â T.yamp;.S-r--,.
kb |v- ^ i -
^ ^ ^ Ml 'i ^ *'
r -,â â * 4 Nvt^* ^ vx-^gt;\ *â lt;'
i ;k?gt;quot; â . t ^ ^ K A,*
â f. t lt; r â - â â¢â â¢V*.-'*;\/.^-gt;*-.i i /5
-* lt;- v r - ' -J P **⢠Y ' -4 â¢â¢
L;.,V-^'n .t^A- i- - 7^ ! * - - â gt; ⢠gt;T- , â¢Â«. .- , ⢠â¢
p.Jr - â¢: .
f'^ vlt; ^ A.-SzJr â â¢
^ ^ , 1 ^ it â¢..fi^S ^ * ' . . «.^a. % 'â gt;
lt; Jd.' . * -'t ' - * .%?{*â¢â¢gt;
L , - *-^ i â 4% â¢-. ^ w 3u ' V - H
r?:j-\'\. â y' u
» .-w f quot;C s â f^*'.'^^ ..
â¢quot; . ? Aj-* rquot;y'\ \2'- iv«» ,1quot;'quot;'
? C --gt; ^ 1
* * â quot; «f V- â * ' *' â¢quot;. A 7 ' - â » / gt; * r i '⢠^ «^' '⢠^ quot;^v'? â¢â¢ i^.
x _